Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Woensdag 12 januari 2005 - Straatsburg Uitgave PB

13. Vragenuur (Raad)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vragenuur. Wij behandelen een aantal vragen aan de Raad (B6-0001/2005).

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. –

Vraag nr. 1 van de heer Ortuondo Larrea (H-0498/04)

Betreft: Dood van immigranten op Fuerteventura (Canarische eilanden)

Op 28 november jl. heeft voor de kust van Fuerteventura (Spanje) een tragisch ongeval plaatsgevonden. Als gevolg van het zinken van een vlot zijn twee Afrikaanse immigranten omgekomen en worden veertien anderen vermist. Opnieuw zijn de Europese kusten het toneel geweest van de dood van mensen die via illegale netwerken proberen te ontsnappen aan hun benarde situatie, met de bedoeling op het Europees vasteland een nieuw leven op te bouwen.

Is de Raad zich ervan bewust dat wij hier te maken hebben met een zeer ernstig humanitair probleem, waarvoor noch de Europese samenleving noch de instellingen van de Unie zich mogen afsluiten en dat een dringende oplossing behoeft? Welke politieke en humanitaire initiatieven en maatregelen denkt de Raad te nemen om dergelijke tragische dodelijke ongevallen in de toekomst te voorkomen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) De geachte afgevaardigde zal zich herinneren dat de Raad reeds meerdere keren zijn bezorgdheid heeft geuit over de menselijke drama's waarop sommige pogingen om illegaal de Europese Unie binnen te komen, uitlopen.

In het Haags Programma, dat de Europese Raad van 4 en 5 november 2004 heeft aangenomen, wordt dit probleem eveneens behandeld en wordt opgeroepen tot een intensievere samenwerking tussen de lidstaten. In dit opzicht zou de Raad het Europees Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de EU-lidstaten willen noemen. Op 26 oktober 2004 heeft de Raad een verordening aangenomen tot oprichting van dit Agentschap, dat op 1 mei 2005 met zijn activiteiten zal starten. Het Agentschap zal de toepassing van de – bestaande en toekomstige – communautaire bepalingen inzake het beheer van de buitengrenzen vergemakkelijken, door de acties van de lidstaten tijdens de tenuitvoerlegging van deze bepalingen te coördineren.

Bovendien heeft de Raad in 2002 een algemeen plan ter bestrijding van illegale immigratie en mensenhandel in de Europese Unie aangenomen, evenals een plan voor een geïntegreerd beheer van de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie. De tenuitvoerlegging van deze plannen vormt een belangrijke prioriteit voor de Raad en de lidstaten, die hun operationele samenwerking hebben geïntensiveerd door middel van een reeks gemeenschappelijke activiteiten en proefprojecten. Hierbij is een essentiële rol toebedeeld aan de gemeenschappelijke instantie buitengrensdeskundigen, die de uitvoering van de in de plannen opgenomen activiteiten heeft gecoördineerd. Binnen deze gemeenschappelijke instantie zijn twee centra opgericht voor de coördinatie van de gemeenschappelijke acties en maatregelen die op zee en in de havens moeten worden uitgevoerd, namelijk het westelijk centrum en het oostelijk centrum voor de maritieme grenzen, die zich respectievelijk in Spanje en in Griekenland bevinden. Deze twee centra hebben acties geleid ter bestrijding van illegale immigratie over zee.

De Raad zou de geachte afgevaardigde eveneens willen wijzen op het programma van maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie via de zeegrenzen van de lidstaten van de Europese Unie, dat op 27 november 2003 is aangenomen. Dit programma bevat een reeks maatregelen om zo snel mogelijk een gecoördineerd en efficiënt beheer van de zeegrenzen in te stellen.

Er is ook gewezen op het belang van nauwere internationale betrekkingen met derde landen van herkomst of doorreis van de illegale immigratiestromen. Overigens zou ik u erop willen wijzen dat de informele bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken hoofdzakelijk over dit soort kwesties zal gaan.

Op 2 december 2004 heeft de Raad conclusies aangenomen met betrekking tot de evaluatie van de geboekte vooruitgang in de tenuitvoerlegging van het programma van maatregelen ter bestrijding van illegale immigratie via de zeegrenzen van de lidstaten van de Europese Unie. Hoewel de Raad heeft geconstateerd dat er in de tenuitvoerlegging van dit programma vooruitgang is geboekt, heeft hij tevens besloten dat er nieuwe vorderingen moeten worden gemaakt op het gebied van operationele en wetgevende maatregelen.

Bovendien heeft de Raad de noodzaak bevestigd van een nauwere samenwerking met derde landen op basis van de ervaringen die verschillende lidstaten hebben opgedaan. De Raad heeft voorgesteld alle aspecten van de illegale immigratie in deze samenwerking op te nemen, zoals terugkeer en overname, bestrijding van mensenhandel en de hiermee samenhangende netwerken, evenals alle vormen van illegale immigratie, grensbeheer en uitbreiding van de controlecapaciteiten met betrekking tot immigratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ortuondo Larrea (ALDE).(ES) Ik zou in de eerste plaats de fungerend voorzitter van de Raad, de heer Schmit, mijn dank willen betuigen voor de uitgebreide informatie die hij ons in zijn antwoord heeft doen toekomen, en tevens wil ik mijn waardering uitspreken voor zijn gevoeligheid, want als representant van een land dat niet aan zee ligt heeft hij ons veel gegevens verstrekt betreffende de zeegrenzen van de Europese Unie.

In dit verband zou ik nog eens willen wijzen op de lange zeegrens die Europa heeft en er aan herinneren dat in de zeeën die Europa omgeven elk jaar honderden, duizenden mensen op tragische wijze de dood vinden. Wij, vanuit het Europees Parlement, hebben herhaaldelijk gevraagd om de instelling van een Europese kustwacht, die, behalve hulp te bieden aan mensen die zich door hun precaire levensomstandigheden gedwongen zien naar Europa te komen door de moeilijke oversteek over onze zeeën te maken, eveneens een nuttige functie zou kunnen vervullen bij het controleren van de vervuiling van het zeewater, die onze kusten aantast.

Heeft de Raad dit onderwerp behandeld? Hoe denkt de Raad over een Europese kustwacht?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Ik neem nota van het voorstel van de geachte afgevaardigde. Ik vind dat wij een doelstelling moeten nastreven die misschien iets verder gaat dan de oprichting van een Europese kustwacht. Vanuit die gedachte is overigens het Agentschap voor het beheer van de buitengrenzen opgericht. Ik wil er echter ook op wijzen dat zelfs als de kustwachten bijzonder doeltreffend zijn, het probleem zal blijven bestaan. Ik denk dat wij voor een bredere aanpak moeten kiezen, die met name een goede dialoog en een nauwe samenwerking met derde landen omvat, evenals een betere, efficiëntere controle in de landen van doorreis en herkomst. Bovendien moeten we – zoals we zojuist hebben besproken in het kader van ontwikkelingshulp en schulden – met name trachten de oorzaken aan te pakken van de wanhoopsdaden waarnaar u hebt verwezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Muscat (PSE).(MT) Ik kom uit een land dat door zee is omringd, aan de grens van de Europese Unie – Malta – en wat u zegt vat ik op als een stap in de juiste richting voor de middellange en lange termijn, maar we moeten ons er wel van bewust zijn dat we met een crisis worden geconfronteerd. In mijn land zullen we vanaf april voortdurend mensen de zee zien oversteken, dag in dag uit. En in veel landen, zoals veel landen aan de grens, beschikt men niet eens over doeltreffende middelen om deze mensen op een fatsoenlijke manier op te vangen, laat staan om ze bijvoorbeeld terug te zenden naar hun eigen land. Dit is een Europees probleem, en niet alleen een probleem voor de landen aan de grens. Ik wil dat de Raad ons vertelt wat wordt ondernomen in de zin van concrete toewijzing van middelen om ons land en andere landen aan de grens in staat te stellen om op een fatsoenlijke manier om te gaan dit probleem.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Ik heb alle begrip voor de bijzondere situatie van een land als Malta, dat inderdaad te kampen heeft met ernstige problemen op het gebied van illegale immigratie, vanwege de mensen die er hun toevlucht komen zoeken.

Ik vind dat dit probleem vanuit het oogpunt van solidariteit moet worden behandeld. In dit opzicht moeten er verschillende maatregelen worden genomen: het op termijn verbeteren van de bewaking van onze zeegrenzen en het eventueel oprichten van een Europese kustwacht, evenals het op korte termijn beschikbaar stellen van de financiële middelen voor de terugkeer van mensen die in een land als Malta terechtkomen. Daarnaast moeten we naar mijn mening in het kader van de financiële vooruitzichten de financiële middelen reserveren die nodig zijn voor een dergelijk beleid, zodat de Europese solidariteit op dit gebied kan worden toegepast.

Ik wijs er nogmaals op dat dit een van de belangrijkste onderwerpen is van de komende informele bijeenkomst van de voor immigratie verantwoordelijke ministers, die eind deze maand in Luxemburg zal plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 2 van de heer Robert Evans (H-0502/04)

Betreft: Onderzoek en ontwikkeling

De 25 lidstaten van de EU geven op dit moment ongeveer 120 miljard pond per jaar voor onderzoek en ontwikkeling uit. Vergeleken met de meer dan 210 miljard pond die de VS voor ditzelfde doel uitgeeft, lijkt de EU-investering heel klein. Dit onevenwicht is één van de factoren die bijdragen tot een "vlucht" van wetenschappelijk talent van Europa naar de VS. Het verslag-Kok vermeldt dat bijna driekwart van 's werelds toonaangevende IT-bedrijven Amerikaans zijn. Welke actie is de Raad van plan te ondernemen om de Europese kenniseconomie naar een hoger plan te tillen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, wij willen de geachte afgevaardigde wijzen op de conclusies over de toekomst van het onderzoeksbeleid, die onlangs in het kader van de Raad zijn aangenomen: enerzijds de conclusies van de Raad van 24 september 2004 over het Europese beleid op het gebied van onderzoek, en anderzijds de conclusies van het voorzitterschap over het toekomstige Europese beleid ter ondersteuning van onderzoek, die opgesteld zijn tijdens de Raad Concurrentievermogen van 25 en 26 november en die grotendeels door de delegaties zijn onderschreven.

In deze twee teksten wordt de visie van de Raad op de wijze waarop het Europese onderzoeksbeleid zich in de toekomst kan ontwikkelen, uitvoerig beschreven. In zijn conclusies van september verwoordt de Raad tevens zijn mening over de reactie van de Commissie aan het deskundigenpanel op hoog niveau onder leiding van professor Marimon, dat ermee belast was de instrumenten die bij de uitvoering van het zesde kaderprogramma worden gebruikt, op hun doeltreffendheid te evalueren. In deze zelfde conclusies onderstreept de Raad dat onderzoek en technologische ontwikkeling op Europees niveau verder moeten worden gestimuleerd, omdat zij een onontbeerlijke aanvulling vormen van de inspanningen van de lidstaten, en vestigt hij met name de aandacht op de noodzaak om een sterk hefboomeffect te bereiken op de particuliere onderzoeksinvesteringen. De verantwoordelijkheid hiervoor berust voor een groot deel bij de lidstaten. De Raad benadrukt tevens de belangrijke rol van de kleine en middelgrote ondernemingen om het innovatie- en onderzoeksvermogen van de Unie te vergroten en pleit er in deze context voor dat er eenvoudigere en minder bureaucratische procedures worden toegepast voor de uitvoering van het volgende kaderprogramma.

Zoals de geachte afgevaardigde ongetwijfeld weet, zijn de investeringen op het gebied van wetenschappelijke en technologische ontwikkeling in Europa in vergelijking met de Verenigde Staten al jarenlang ontoereikend, maar de kloof is vooral midden jaren negentig ontstaan. Pas sinds de aanneming van de strategie van Lissabon in 2000 en van de in 2002 in Barcelona vastgestelde doelstelling om 3 procent van het bbp in onderzoek en technologische ontwikkeling te investeren, zijn er inspanningen verricht die evenredig zijn aan de uitdaging waarvoor wij staan.

Er dient tevens op gewezen te worden dat de Europese Unie belangrijke maatregelen begint te nemen voor de ontwikkeling van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van het veiligheids- en ruimtevaartbeleid. Het Europese beleid op het gebied van onderzoek en ontwikkeling is een cruciaal onderdeel van de strategie van Lissabon. Met name voormalig premier Wim Kok heeft het belang hiervan benadrukt in zijn rapport "De uitdaging aangaan", maar het is ook vanmorgen op expliciete wijze onderstreept door de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Commissie. In het kader van de voorbereiding van de Europese Raad komend voorjaar, is de Raad het in grote lijnen eens met de analyse van het rapport-Kok. Dit dient zonder enige twijfel in aanmerking te worden genomen in het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, dat waarschijnlijk in de eerste helft van 2006 zal worden aangenomen, in het kader van de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement.

Vorm en omvang van het volgende kaderprogramma zullen echter ook afhangen van de beschikbare middelen, die – zoals de geachte afgevaardigde zal begrijpen – in de eerste plaats afhankelijk zijn van de uitkomsten van de nog lopende discussies over de financiële vooruitzichten.

 
  
MPphoto
 
 

  Evans, Robert (PSE).(EN) Ik zou de fungerend voorzitter van de Raad willen bedanken voor dit zeer uitgebreide antwoord op mijn vraag. Hij verwijst naar het verslag-Kok, waar ook ik in mijn vraag naar heb verwezen. Het is geen geheim dat hierin ook het advies wordt geformuleerd om een Europese onderzoeksraad op te richten, zoals de National Science Foundation in de Verenigde Staten.

Het gaat om een onafhankelijk orgaan, onder leiding van wetenschappers en geleerden, dat beurzen toekent aan projecten voor exacte, technische en sociale wetenschappen. Het zou met zo’n twee miljard euro op jaarbasis kunnen worden gefinancierd.

Zal de Raad hierover spreken tijdens de bijeenkomst in maart, waar in het antwoord ook naar werd verwezen? Vindt de fungerend voorzitter van de Raad het zelf een goed idee? Zal hij zich in dat geval ook persoonlijk inzetten om zijn collega’s in de andere 24 landen ervan te overtuigen dat dit idee de moeite waard is?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik zal deze vragen op persoonlijke titel beantwoorden, aangezien de heer Evans zich rechtstreeks tot mij richt. Ik vind dit een goed idee. Naar mijn mening moet er een betere evaluatie komen van de onderzoeksprogramma's die worden uitgevoerd. Dit aspect dient te worden meegenomen in de discussie over de opstelling van het zevende kaderprogramma en over de verhoging van de middelen in het kader van de komende financiële vooruitzichten. Ik hoop dat het hierbij om een substantiële verhoging zal gaan. Ik vind dit idee de moeite waard om diepgaand te bestuderen en voor te leggen aan de besluitvormende instanties van de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 3 van de heer Papadimoulis (H-0503/04)

Betreft: Bescherming van het Oecumenisch Patriarchaat

Naar aanleiding van een uitnodiging voor een receptie waarin de Patriarch van Konstantinopel "Oecumenisch" werd genoemd, heeft de Turkse regering een omzendbrief gepubliceerd waarin zij vraagt dat geen enkele overheidsambtenaar op deze uitnodiging zou ingaan omdat "wij het fout vinden dat een van onze burgers uitnodigingen verstuurt waarin hij titels gebruikt die hij niet bezit en die hem vanuit het buitenland zijn verleend". Voorts is ook het bericht verspreid dat overeenkomstig de richtlijnen van het nieuwe nationaal veiligheidsbeleid van Turkije een eind moet worden gemaakt aan de pogingen om het bestaande statuut van het Patriarchaat te wijzigen en de Theologische School van Chalki opnieuw te openen.

Het Oecumenisch Patriarchaat komt steeds meer op deze manier onder vuur te liggen en dit wijst erop dat de houding van Turkije ten aanzien van deze kwesties verhardt, ook al vormen zij voor de Europese Unie een belangrijk criterium voor de democratisering van Turkije.

Is de Raad, overwegende dat dergelijke verklaringen, zelfs onlangs nog, hebben geleid tot terroristische daden en "spontane" demonstraties van extremisten tegen het Oecumenisch Patriarchaat, voornemens onverwijld stappen te ondernemen voor de bescherming van dit Patriarchaat?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) De Raad wijst erop dat Turkije – in het kader van het in mei 2003 herziene en aangenomen partnerschap voor de toetreding – onder meer de voorwaarden moet scheppen voor een goed functioneren van de niet-islamitische religieuze gemeenschappen, overeenkomstig de heersende praktijk in de lidstaten van de Europese Unie. Hoewel vrijheid van godsdienst door de Grondwet van de Republiek Turkije wordt gewaarborgd, zoals de Europese Commissie in haar periodiek verslag van 2004 heeft aangegeven, stuiten de niet-islamitische religieuze gemeenschappen, met inbegrip van het oecumenisch patriarchaat, echter nog steeds op obstakels en worden ze onderworpen aan een bureaucratisch regime.

Ondanks de vooruitgang die op dit gebied is geboekt, zijn de problemen over de rechtspositie van de niet-islamitische gemeenschappen, de registratie van het grondbezit en de opleiding van de geestelijken tot op heden nog altijd niet opgelost. Momenteel wordt er gewerkt aan een nieuwe algemene wetgeving, die noodzakelijk is om deze problemen op te lossen. In dit opzicht bestudeert de Turkse regering thans een wetsontwerp over stichtingen.

De Turkse autoriteiten hebben onlangs aangekondigd dat zij de Commissie zouden verzoeken commentaar op dit wetsontwerp te leveren, hetgeen een bijzonder positieve ontwikkeling is. De geachte afgevaardigde weet ongetwijfeld dat de Europese Raad van 17 december heeft besloten dat Turkije in voldoende mate voldeed aan de politieke criteria van Kopenhagen om de toetredingsonderhandelingen te openen, op voorwaarde dat dit land de zes door de Commissie genoemde wetgevingsteksten in werking zou doen treden. Hij heeft de Commissie verzocht bij de Raad een voorstel voor een kader voor onderhandelingen met Turkije in te dienen op basis van de genoemde punten in de conclusies van het voorzitterschap, die aan het eind van deze bijeenkomst zijn aangenomen. Vervolgens is de Raad verzocht overeenstemming te bereiken over dat kader, opdat de onderhandelingen op 3 oktober 2005 kunnen worden geopend, volgens de regels en voorwaarden die in de conclusies van de Europese Raad zijn genoemd.

De Commissie zal nauwlettend blijven volgen of het politieke hervormingsproces daadwerkelijk en in zijn geheel wordt uitgevoerd. Alle in het periodiek verslag en de aanbeveling van de Commissie geïnventariseerde kwesties die aanleiding geven tot een geschil, met inbegrip van de vrijheid van godsdienst, zullen worden behandeld in het verslag dat de Commissie op gezette tijden aan de Raad dient voor te leggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Papadimoulis (GUE/NGL).(EL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de Raadsvoorzitter, ik dank u hartelijk voor uw uitvoerige antwoord. Maar omdat – zoals u zelf al zei in uw antwoord – de situatie van de niet-islamitische groepen, het schrappen van eigendomsrechten en het probleem van de priesteropleiding nog niet zijn behandeld, wil ik u volgende vraag stellen: vindt u de vooruitgang op dat gebied voldoende of niet? Indien niet, wat wil de Raad dan ondernemen met het oog op betere resultaten in de toekomst?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik vind dat de uitoefening van de vrijheid van godsdienst door alle lidstaten en door alle kandidaat-lidstaten gewaarborgd dient te zijn.

Zoals ik zojuist heb opgemerkt, zal de Raad van zeer nabij volgen of de wetten die nog niet definitief zijn aangenomen in Turkije, ten uitvoer worden gelegd. Als er tekortkomingen zijn op dit gebied, dient de Commissie daarvan te gelegener tijd verslag uit te brengen aan de Raad. En als Turkije in gebreke blijft, moeten we natuurlijk een stevige discussie met dit land voeren, opdat het zich conformeert aan dit criterium, dat bepalend is voor de toelating van een land tot de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 4 van de heer Karas (H-0508/04)

Betreft: Officiële vaststelling van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad over het voorstel voor een richtlijn inzake per computer geïmplementeerde uitvindingen

Wat denkt de Raad met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt over het voorstel voor een richtlijn inzake per computer geïmplementeerde uitvindingen verder te doen, met het oog op het feit dat de Poolse regering verklaard heeft het huidige voorstel van de Raad niet te kunnen steunen. De nieuwe weging van de stemmen conform het Verdrag van Nice is thans van kracht en zonder instemming van Polen is er geen sprake meer van de noodzakelijke meerderheid voor de goedkeuring van een gemeenschappelijk standpunt op basis van het politiek akkoord van de Raad van 18 mei. Het Nederlandse parlement eist dat de instemming voor het gemeenschappelijk standpunt wordt ingetrokken en de vier fracties van de Duitse bondsdag eisen in een resolutie van alle fracties een reeks wijzigingen van de tekst van de richtlijn.

Is de Raad zich ervan bewust dat dit uiterst magere politieke akkoord ook volledig voorbijgaat aan het standpunt van het Europees Parlement?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, naar de mening van de geachte afgevaardigde is bij het ontwerp van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad volledig voorbijgegaan aan het standpunt van het Europees Parlement. De Raad wil graag onderstrepen dat hij bij het opstellen van dit ontwerp van het gemeenschappelijk standpunt de amendementen die het Europees Parlement in eerste lezing had voorgesteld, juist nauwgezet heeft onderzocht en er verschillende heeft overgenomen.

Wat de vaststelling van zijn gemeenschappelijk standpunt betreft, deelt de Raad de geachte afgevaardigde mee dat dit op verzoek van een lidstaat is uitgesteld tot een latere datum, zodat deze lidstaat meer tijd heeft om een verklaring op te stellen, die in de notulen van een van de volgende zittingen van de Raad zal worden opgenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Karas (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik wil alleen zeggen dat het voorstel dat er nu ligt onvoldoende rekening houdt met de resolutie van het Parlement. Dat komt ook binnen de Raad tot uiting. Het is immers niet voor niets dat er de afgelopen weken in het Nederlandse parlement, in het Duitse parlement en in Polen steeds meer kritiek is geuit op de politieke overeenstemming in de Raad. Ik vraag u daarom: zal het voorstel waaraan u op dit moment werkt, afwijken van hetgeen ons bekend is?

Mijn tweede vraag aan u is, volgens welke procedure – of het nu die van Nice is of niet – de stemming in de Raad zal plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, volgens mij zijn er nog steeds contacten tussen de Raad en het Europees Parlement. Vanmorgen, slechts enkele uren geleden, werd mij over dit onderwerp – weliswaar informeel – nog een aantal vragen gesteld.

Volgens mij stelt u mij een zeer gerichte vraag: ik meen dat de gekwalificeerde meerderheid van toepassing zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Lichtenberger (Verts/ALE).(DE) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik wil ook nog even terugkomen op wat u gezegd heeft, namelijk dat de richtlijn zoals die thans voorligt en in de Raad is besproken, aan de wensen van het Parlement tegemoet zou komen. Dat is niet zo. Ze voldoet niet eens meer aan de wensen van de Raad als we aan de meerderheidsregels denken. Er is nu geen meerderheid meer voor dit voorstel. Kunt u mij uitleggen hoe u met deze situatie in de Raad denkt om te gaan? Er is nu immers een situatie ontstaan die inhoudelijk meer dan onbevredigend is en nadelig is voor de hele IT-sector.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Ik heb u zojuist al gezegd dat de Raad of het voorzitterschap niet gekant is tegen het idee van onderhandelingen met het Europees Parlement. Ik ga er echter van uit – dat wil ik hier duidelijk stellen – dat als dit land zijn verklaring kan afleggen – en dat kan tijdens een van de komende Raadszittingen – de Raad zich in principe bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen zal uitspreken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 6 van mevrouw Badía i Cutchet (H-0519/04)

Betreft: Taalverscheidenheid in de Europese Unie

In de Europese Unie bestaan talen met een eeuwenoude geschiedenis die geen talen van een staat zijn, noch officiële talen van de Unie, maar die door een groot aantal personen worden gesproken, vaak in regio's in diverse lidstaten, waar de taal in kwestie dan soms wel en soms niet als officiële taal geldt. In sommige gevallen kent een dergelijke taal een groot aantal sprekers, een literaire traditie en een vitaliteit die te vergelijken valt met talen die als officiële landstaal gelden, met een vergelijkbaar of zelfs groter aantal inwoners.

Is de Raad, gezien het feit dat eerbiediging van de taalverscheidenheid een van de democratische en culturele grondbeginselen van de Unie vormt, zoals in artikel 22 van het Handvest van de grondrechten wordt erkend ("De Unie eerbiedigt de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid") en dat het overeenkomstig de waarden van de Europese Unie onrechtvaardig zou zijn een taal te discrimineren op grond van het feit dat deze niet in een hele staat wordt gesproken, niet van mening dat de Europese Unie in grotere mate rekening zou moeten houden met de realiteit van deze talen?

Hoe zal de Raad zich opstellen ten opzichte van het verzoek van de Spaanse regering om de talenregeling in de Europese instellingen te wijzigen, teneinde ook de overige in Spanje erkende talen hierin op te nemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Het aantal officiële uitgangstalen waarin de fundamentele verdragen worden opgesteld, en waarbij elk van deze talen dezelfde rechtsgeldigheid heeft, bedraagt momenteel eenentwintig, overeenkomstig artikel 53 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 314 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en artikel 225 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Krachtens artikel 290 van het EG-Verdrag wordt de regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Gemeenschap, onverminderd de bepalingen van het statuut van het Hof van Justitie, door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld. Overeenkomstig deze regeling bedraagt het aantal officiële talen en werktalen van de instellingen van de Unie momenteel twintig.

Het Publicatieblad van de Europese Unie wordt in alle twintig officiële talen uitgegeven. In principe wordt de regeling van het taalgebruik in het kader van toetredingsonderhandelingen aangepast. Er is geen enkel juridisch bezwaar om bij de toetreding van een nieuwe lidstaat meer dan één nieuwe officiële taal toe te voegen.

Op 23 november 2004 heeft Ierland een voorstel ingediend bij de Raad tot wijziging van Verordening nr. 1/58 met het doel om aan de twintig, in de tweede alinea genoemde officiële talen de Ierse taal toe te voegen, die behoort tot de eenentwintig talen waarnaar ik in de eerste alinea heb verwezen.

Op 13 december 2004 heeft de Spaanse regering een verzoek ingediend bij de Raad om de volgende talen een officiële erkenning in de EU te geven:

 
  
  

(ES) “het Baskisch, het Galicisch en de taal die Catalaans genoemd wordt in de autonome gemeenschap Catalonië en op de Balearen en Valenciaans in de autonome gemeenschap Valencia”.

 
  
  

(FR) Ik hoop dat u me mijn slechte uitspraak niet kwalijk neemt. Met het oog hierop heeft de Spaanse regering voorgesteld bepaalde wijzigingen aan te brengen in Verordening nr. 1/58.

 
  
MPphoto
 
 

  Obiols i Germà (PSE), plaatsvervangend auteur. – (ES) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik heb aandachtig naar uw bijdrage geluisterd.

 
  
  

(FR) Inclusief het deel van uw betoog dat u in het Spaans hebt gehouden, met een uitspraak die mij wel aanstond en die uitermate correct was. Nu wil ik echter terugkomen op de vraag die mijn collega aan het voorzitterschap heeft gesteld en die ik hier herhaal, aangezien zij wegens ziekte afwezig is. Hoe staat u tegenover het door de Spaanse regering ingediende verzoek?

 
  
  

(ES)...dat wil zeggen, of u van mening bent dat er een mogelijkheid bestaat om consensus te bereiken tussen de vertegenwoordigers van de Raad rondom iets dat een stap voorwaarts kan beteken in deze kwestie.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) De Raad heeft deze kwestie nog niet besproken. Ik vind dat wij pragmatisch te werk moeten gaan. We moeten ons beslist over deze voorstellen – dat van Ierland en dat van de Spaanse regering – buigen. Ik kan niet vooruitlopen op het resultaat waarop de Raad zal uitkomen. Ik verwijs naar de verklaring die aan de tekst van de Grondwet is gehecht, en die in zekere zin een pragmatische aanpak voor dit probleem vormt.

Als wij deze weg inslaan, dan spreek ik de hoop en de wens uit dat we een oplossing vinden die voor iedereen aanvaardbaar is.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, David (PSE).(EN) Nu Spanje en Ierland hun verzoek hebben ingediend, lopen we natuurlijk het risico dat andere lidstaten zullen volgen. In mijn eigen land, Schotland, is het Gaelic een minderheidstaal. Bovendien wordt in Wales nog een ander Gaelic door een minderheid gesproken.

Naar aanleiding van de laatste overeenkomst hierover op gemeenschapsniveau, vraag ik me ondertussen af of het voorzitterschap de lidstaten niet allemaal zou kunnen aanmoedigen om belangrijke gemeenschapsdocumenten, zoals de Grondwet en belangrijke wetteksten, in alle minderheidstalen van hun land te publiceren. Het zou de druk wegnemen voor de Gemeenschap en de taak doorschuiven naar de lidstaten. Dat zou een pragmatische oplossing zijn van dit probleem.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Geachte afgevaardigde, allereerst wil ik opmerken dat ik zelf in de uitzonderlijke situatie verkeer dat ik spreker ben van een minderheidstaal die werktaal noch verdragstaal is. Dus in zekere zin begrijp ik het probleem dat aan de orde is gesteld.

Ik moet hieraan toevoegen dat publicatie van de fundamentele teksten, de verdragen en hopelijk ooit ook de Grondwet in alle talen die op het niveau van de Europese Unie worden gehanteerd, mogelijk is. Ik vind dat wij op deze weg verder moeten gaan. Overigens is dit enigszins de pragmatische aanpak die ik aan de geachte Spaanse afgevaardigde heb voorgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 7 van de heer Moraes (H-0521/04)

Betreft: Tenuitvoerlegging van de EU-richtsnoeren inzake kinderen in gewapende conflicten

Welke activiteiten stelt de Raad voor om ervoor te zorgen dat de richtsnoeren van de Unie inzake kinderen in gewapende conflicten ten uitvoer worden gelegd?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, de Raad volgt de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren van de Europese Unie inzake kinderen in gewapende conflicten op actieve wijze, en heeft onlangs bovendien een document gepubliceerd waarin de balans wordt opgemaakt van de situatie, evenals een actieplan. In dit document staat een overzicht van de acties die de Europese Unie en de lidstaten in 2004 hebben gevoerd, met name op het gebied van technische bijstand, beleidsinstrumenten voor crisisbeheer en samenwerking met de VN, NGO's en andere internationale organisaties.

Het document bevat tevens een actieplan om de algemene doelstellingen van de richtsnoeren om te zetten in meer concrete politieke en praktische verplichtingen van de Europese Unie. Doel van dit actiepan is om technische bijstand en politieke actie nader tot elkaar te brengen, door de aandacht te vestigen op de leemtes en de mogelijkheden voor een nauwere samenwerking in deze kwestie. Vooralsnog is deze actie bedoeld voor een bepaald aantal landen waar kinderen in het bijzonder te maken hebben met gewapende conflicten, namelijk Burundi, Colombia, Ivoorkust, Liberia, Rwanda, Sierra Leone, Sri Lanka, Soedan, Oeganda, de Democratische Republiek Congo, Afghanistan, Birma en Nepal.

 
  
MPphoto
 
 

  Moraes (PSE).(EN) Ik wil de fungerend voorzitter van de Raad bedanken voor het duidelijke antwoord dat hij heeft gegeven door de betrokken landen op te sommen. Het zijn precies die landen waar de afgevaardigden veel vertegenwoordigers van ontvangen. We geloven nu dat het fenomeen van kindsoldaten een echt probleem is. We weten nu dat het aan de orde van de dag is in landen die niet zijn genoemd, bij voorbeeld in het Midden-Oosten. We verwachten dat dit onderwerp onder Luxemburgs en zeker ook onder Brits voorzitterschap hoog op de agenda zal blijven staan. Zoals we op de televisie kunnen zien, heeft elk land dat momenteel in moeilijkheden verkeert met dit probleem te maken. Sri Lanka is hiervan een voorbeeld.

Ik dring er bij de Raad op aan om dit niet als een ondergeschikte kwestie te behandelen. Het verdient prioriteit op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse zaken tijdens het Luxemburgse voorzitterschap. Ik bedank de fungerend voorzitter van de Raad nogmaals voor zijn heldere antwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, Raad. – (FR) Ik kan de geachte afgevaardigde verzekeren dat het Luxemburgse voorzitterschap hieraan zeer veel waarde hecht en deze kwestie hoog op de agenda zal houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, David (PSE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik vraag het woord in verband met een beroep op het Reglement. Dit is geen kritiek op u of het Luxemburgse voorzitterschap, maar op de manier waarop de beraadslaging in dit Huis verloopt. Het vragenuur wordt te vaak gezien als een verwaarloosbaar onderdeel van onze werkzaamheden. Toch is dit voor gewone afgevaardigden soms de enige mogelijkheid om vragen te stellen aan Commissie en Raad waarop direct wordt geantwoord. Het vragenuur is te belangrijk om het nog verder uit onze beraadslaging te verdringen. Ik verzoek u dit voor te leggen aan het Bureau.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. U hebt helemaal gelijk, mijnheer Martin, en ik ben het in deze kwestie met u eens. Met uw vele jaren ervaring in dit Parlement bent u zich er natuurlijk van bewust dat andere kwesties aanzienlijke vertraging hebben opgelopen. En opnieuw heeft dit geresulteerd in een drastisch ingekort vragenuur, en de fungerend voorzitter van de Raad moet zich nu alweer naar de volgende vergadering haasten. Ik zal uw opmerking echter noteren, en de kwestie zoals u verzoekt bij het Bureau aan de orde stellen.

Ik geef het woord aan de heer Ryan, die ook op dit onderwerp wil ingaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryan (UEN).(EN) Dit overkomt mij nu voor de tweede keer. Voor mijn collega Aylward is het de derde keer. Als het vragenuur te laat begint, dan moet het met een bepaalde periode worden verlengd. Dit is niet het geval en dit moet dus beter.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het komt regelmatig voor dat de vertegenwoordigers van de Raad of de Commissie die hier aanwezig zijn alleszins bereid zijn om iets langer bij ons te blijven en de tijd die zij hebben ingeruimd te laten uitlopen. Ik kan er echter niets aan doen wanneer zij naar een andere vergadering moeten en daarom geen tijd meer hebben.

Ik wil u opnieuw bedanken voor uw opmerking. Wij zullen deze zeer serieus nemen en alle afgevaardigden verzoeken zich aan hun spreektijd te houden en debatten niet te laten uitlopen.

Mevrouw Figueiredo, u bent te laat binnengekomen en was niet aanwezig toen uw vraag werd afgeroepen. Uw vraag kan daarom nu niet meer worden behandeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL).(PT) Mijnheer de Voorzitter, het spijt mij dat ik moet interveniëren, maar deze zitting is niet op het voorziene uur begonnen. Ik was toen hier. Ik heb intussen een ander debat bijgewoond, en kan u nu pas vragen of u bereid bent een debat te voeren over textiel, een heel belangrijk onderwerp, en toe te staan dat ik iets – al is het maar heel kort – over dit onderwerp zeg.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Als ik dit nu zou toestaan, enkel en alleen omdat de fungerend voorzitter van de Raad met zijn hoofd knikt, zou ik de regels overtreden, want een afgevaardigde moet nu eenmaal aanwezig zijn wanneer een vraag wordt afgeroepen. Het is al lang geleden dat uw vraag nr. 5 behandeld had moeten worden, en we zijn ook nog eens een stuk later begonnen met het vragenuur, en zeker niet vroeger. U had hier dus wel degelijk op tijd kunnen zijn.

De vragen nrs. 8 tot en met 25 zullen schriftelijk worden beantwoord.

Het vragenuur is gesloten.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid