Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Maandag 21 februari 2005 - Straatsburg Uitgave PB

15. Strafregister / Strafrechtspleging
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van de volgende verslagen:

– (A6-0020/2005) van de heer Di Pietro, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister (COM(2004)0664 – C6-0163/2004 – 2004/0238(CNS));

– (A6-0036/2005) van de heer Costa, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, houdende een ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad over de kwaliteit van de strafrechtspleging en de harmonisatie van het strafrecht in de lidstaten (2005/2003(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Frattini, vice-voorzitter van de Commissie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, staat u het mij toe namens de Commissie een aantal opmerkingen te maken over de twee verslagen. Zowel tussen de verslagen van de geachte afgevaardigden Costa en Di Pietro als tussen de initiatieven die eraan ten grondslag liggen, bestaan belangrijke verbanden. Het eerste verslag betreft de kwaliteit van de strafrechtspleging en de harmonisatie van de strafwetgeving, terwijl het verslag-Di Pietro een voorstel is betreffende de uitwisseling van gegevens uit het strafregister.

Mijn persoonlijke overtuiging, die de Commissie deelt, is dat de kwaliteit van de rechtspraak een belangrijk fundament vorm van het grootse project – dat nu ook is vastgelegd in de Europese Grondwet – een echte Europese ruimte van rechtvaardigheid en vrijheid te creëren. Het spreekt vanzelf dat in een Europa waar de binnengrenzen verdwijnen, de kwaliteit van de rechtspraak gebaseerd is op de garantie dat rechterlijke beslissingen snel en op eenvoudige wijze worden uitgevoerd. De burgers verwachten namelijk een antwoord dat gestoeld is op de geloofwaardigheid van de verschillende rechtsstelsels.

Dit beginsel veronderstelt natuurlijk een ander beginsel, namelijk wat de ingewijden “wederzijdse erkenning” noemen. Een rechterlijke beslissing in een bepaalde lidstaat kan en moet erkend worden in de rechtsorde van een andere lidstaat. Dat is de essentiële voorwaarde om een Europese ruimte van rechtvaardigheid te kunnen creëren. Voor de toepassing van dat beginsel van wederzijdse erkenning is een hoog niveau van wederzijds vertrouwen nodig. Als er geen wederzijds vertrouwen bestaat tussen de rechterlijke machten, de rechters en de rechtsstelsels van de verschillende lidstaten van de Unie, is wederzijdse erkenning onmogelijk. Daarom staat er in het door de Commissie opgestelde programma ook een specifieke verwijzing naar de kwaliteit van de rechtspraak, waar de Europese Raad overigens om gevraagd heeft, teneinde de beslissingen op een snelle en eenvoudige wijze te kunnen uitvoeren. Daarvoor is een hoog niveau van vertrouwen tussen de rechtsstelsels en de rechterlijke machten van de lidstaten vereist.

De rapporteur, de geachte afgevaardigde Costa, stelt een Europees stelsel ter beoordeling van de kwaliteit van de rechtspraak voor dat geënt is op het Handvest van de kwaliteit van de strafrechtspleging. Dat lijkt mij een interessant idee, aangezien zoals bekend in minder delicate sectoren dan deze een parellel mechanisme voor de beoordeling en de controle van de activiteiten al gefunctioneerd heeft en een bijdrage heeft geleverd aan het creëren van het beginsel van wederzijds vertrouwen. Vandaar het belang van het voorstel van de rapporteur.

De Commissie is er overigens van overtuigd dat bij zo’n gevoelige materie, die overigens de bevoegdheden van de lidstaten raakt, op brede schaal overleg dient plaats te vinden en vooral de belanghebbenden gehoord moeten worden. De Commissie werkt in beide richtingen, door in de eerste plaats haar oor te luisteren te leggen bij de betrokken categorieën, namelijk de rechterlijke macht, de beroepsorganisaties en de organen die de rechterlijke macht in de lidstaten vertegenwoordigen. Het is onze bedoeling voor eind 2005 een mededeling over de opleiding van rechters te presenteren en vervolgens in 2006 met een mededeling te komen over de beoordeling van de kwaliteit van de rechtspraak. Het ligt dus in ons voornemen voort te borduren op de door de heer Costa in zijn verslag uitgestippelde lijnen.

Mijn laatste opmerking over dit onderwerp betreft het feit dat geen enkel mechanisme voor de beoordeling van de kwaliteit van de rechtspraak direct of indirect de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht mag aantasten en op een negatieve manier beïnvloeden. Het zou een zeer negatief resultaat zijn indien via de beoordeling van de kwaliteit van de rechtspraak – een dienst voor de burger – op indirecte wijze de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aangetast zou worden. Die onafhankelijkheid is immers een essentiële voorwaarde voor het leveren van kwalitatief hoogwaardige diensten aan de burger. Een rechterlijke macht die niet onafhankelijk is, kan geen kwaliteit leveren. Daarom streven wij dus naar een hoog kwaliteitsniveau van de rechtspraak zonder de voorwaarde los te laten dat de onafhankelijkheid van de rechtsstelsels en de organen van de rechterlijke macht gerespecteerd dient te worden.

Wat het verslag van de geachte afgevaardigde Di Pietro betreft, kan ik het volgende zeggen. Zoals gezegd vormt het wederzijds vertrouwen natuurlijk een kernvoorwaarde voor de kwaliteit van de rechtspraak en het goed functioneren van de wederzijds erkenning van de beslissingen en de procedures. Het spreekt dan ook vanzelf dat dit ontwerpbesluit inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister – een Commissievoorstel van vorig jaar oktober – volgens mij een goed voorbeeld is van het reële belang van de toepassing van het beginsel van wederzijds vertrouwen.

U herinnert zich ongetwijfeld allemaal de zaak-Fourniret nog, de tragische pedofiliezaak die heeft bijgedragen tot een snellere Europese reactie. Uit die zaak bleek namelijk dat de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten over het strafblad van hun burgers slecht functioneerde. Wij moeten energiek actie ondernemen, en ik ben ervan overtuigd dat het voorstel waar de heer Di Pietro straks op zal ingaan, slechts een eerste stap is. Die eerste stap geldt voor de korte termijn en dient met spoed gezet te worden. Voor de volgende stap denkt de Commissie aan een geautomatiseerd systeem voor de snellere uitwisseling van informatie dat natuurlijk de regels voor de bescherming van persoonsgegevens volledig dient te respecteren. Het betreft een behoorlijk geavanceerd voorstel, waar het Parlement zich vanzelfsprekend in de nabije toekomst bij meerdere gelegenheden over zal kunnen uitspreken.

Het is in ieder geval duidelijk dat wij moeten garanderen dat het strafregister van een bepaalde lidstaat waaruit een andere lidstaat informatie opvraagt in verband met een onderdaan van de eerste lidstaat, zo goed mogelijk functioneert, zodat het onverwijld alle antwoorden kan geven die de zaak vereist.

Daarom moet er een betere relatie komen tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het strafregister. Het is duidelijk dat de Commissie voor de langere termijn verwacht dat er verdere verbeteringen kunnen worden aangebracht. Zoals u weet, hebben wij een Witboek goedgekeurd met voorstellen voor een wat efficiënter mechanisme voor de uitwisseling van informatie. Wij zullen luisteren naar de antwoorden op de vragen in het Witboek.

Tot slot kan ik u zeggen dat de Commissie duurzaam en intensief met het Parlement zal samenwerken, want bij het uitwisselen van gegevens dient er gestreefd te worden naar een adequaat evenwicht tussen veiligheidsoverwegingen – overwegingen in verband met het recht van de burger zich veilig te voelen – en de grondrechten van de burgers. In dat verband wil ik nogmaals wijzen op de bescherming van persoonsgegevens, aangezien dit Parlement een dergelijke balans zeer grondig dient te bespreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Di Pietro (ALDE), rapporteur. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, er is mij gevraagd om mijn verslag over het ontwerpbesluit van de Raad inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister toe te lichten. Het voorstel is, zoals commissaris Frattini terecht heeft gezegd, slechts een eerste stap, die met spoed moet worden gezet.

Iedereen deelt natuurlijk het doel van dit ontwerpbesluit. Ik heb de eer deel uit te maken van de ALDE-Fractie en ik kan u zeggen dat mijn fractie dit doel volledig onderschrijft. Hetzelfde geldt voor de Commissie burgerlijk vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, die met bijna unanieme stemmen een positief oordeel heeft uitgesproken over dit voorstel van de Raad.

Het doel bestaat erin de kwaliteit van de rechtspraak in Italië, Europa en alle lidstaten te verbeteren. Het ontwerpbesluit beoogt de gegevens in de stafregisters uit te wisselen. Die uitwisseling was al voorzien in het Verdrag van 1959. Technisch gezien is het echter moeilijk die gegevensuitwisseling operationeel te maken en actueel te houden, omdat op basis van het Verdrag van 1959 de gegevens slechts een keer per jaar worden ingevoerd en er geen termijn geldt voor het beantwoorden van de verzoeken. Het voorstel van de Raad heeft dan ook het voordeel dat er sneller informatie kan worden verkregen. Dit natuurlijk in afwachting van de door de Commissaris genoemde automatisering die de gegevensuitwisseling verder zal versnellen en bijna on line zal maken.

Voor degenen die problemen hebben in verband met de controle en de vertrouwelijkheid van de gegevens, zou ik een misverstand uit de weg willen ruimen. De gegevens in het strafregister van een veroordeelde zijn vergelijkbaar met het medisch dossier van een patiënt: beide betreffen feitelijke gegevens. Het probleem is wie die gegevens gebruikt en hoe ze gebruikt worden. Daarom eisen wij dat alleen de gerechtelijke autoriteiten deze gegevens mogen gebruiken en dat de uitwisseling slechts plaatsvindt tussen gerechtelijke autoriteiten en uitsluitend definitieve vonnissen betreft. De Raad heeft er dan ook goed aan gedaan de begrippen “strafregister” en “definitief vonnis” te omschrijven en daarmee bij voorbaat vast te leggen voor de te nemen besluiten.

Ik ben het dan ook eens met dit work-in-progress, in afwachting van de resultaten die het Witboek zal opleveren. Tevens ben ik het eens, mijnheer de commissaris, met de beginselen die u net heeft opgesomd. U heeft gezegd dat dit besluit, en meer in het algemeen de komende aanbevelingen van het Parlement, rekening moeten houden met twee beginselen – die ik samen met u onderschrijf – waar wij het volgens mij allemaal over eens kunnen zijn. Het eerste beginsel is dat de besluiten van de rechters snel dienen te worden uitgevoerd. Het tweede beginsel houdt, zoals u zei, in dat op basis van wederzijds vertrouwen de rechterlijke beslissingen in de lidstaten wederzijds erkenning moeten verkrijgen. Het derde door u genoemde beginsel is dat geen enkel systeem ter beoordeling van de kwaliteit van het werk van rechters de onafhankelijkheid van de rechters mag aantasten.

Ik ben het volledig met die standpunten eens en daarom verzoek ik u, mijnheer de commissaris, ervoor te ijveren dat de Commissie in dit verband concretere maatregelen laat zien. Ik weet dat u wilt luisteren naar de betrokkenen, maar wat bent u van plan te doen indien bijvoorbeeld een lidstaat toont geen vertrouwen te hebben in de rechters en daarom het Europees arrestatiebevel nog niet heeft omgezet in nationale wetgeving?

Daarom vragen wij de Commissie uitdrukkelijk om er bij de bespreking van dergelijke thema’s bij de lidstaten die in gebreke zijn gebleven op aan te dringen hun wetgeving aan te passen Anders zou men kunnen denken dat die lidstaten de andere rechters noch de andere lidstaten vertrouwen en weigeren rechterlijke beslissingen onverwijld uit te voeren.

Wij geloven ook dat u gelijk heeft met uw stelling dat wij de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht dienen te respecteren. Maar wij zouden willen weten wat de Commissie van plan is te doen als in een bepaalde lidstaat zelfs de leden van de uitvoerende macht de leden van de rechterlijke macht niet met respect bejegenen en zelfs bespotten in de rechtbanken zelf. Volgens mij dient de Commissie ook richtsnoeren en aanwijzingen te formuleren, zodat een lidstaat zich niet om heel specifieke redenen kan onttrekken aan onze inspanningen ter verbetering van de kwaliteit van de rechtspleging in Europa en in de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Costa, António (PSE), rapporteur. – (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, beste collega’s, het creëren van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is een van de meest aanlokkelijke uitdagingen waar de Europese Unie op dit moment voor staat. Dat geldt in het bijzonder voor de noodzaak een hoog kwaliteitsniveau van de rechtspraak in de hele Unie te garanderen – onverminderd de verschillen tussen de rechtsstelsels in de 25 lidstaten – zoals wij in het programma van Den Haag hebben voorgesteld.

Volgens het Haags programma – en ook volgens het programma van Tampere – is de wederzijdse erkenning de hoeksteen van de toekomstige ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, zoals commissaris Frattini ons net nog eens in herinnering heeft geroepen. Maar voor het realiseren van wederzijdse erkenning is wederzijds vertrouwen een essentieel vereiste. Collega Di Pietro heeft erop gewezen dat wederzijds vertrouwen geen geloofsartikel is. Wederzijds vertrouwen dient gekweekt te worden en daadwerkelijk te bestaan. Wij moeten erkennen dat tussen de 25 lidstaten en tussen de 25 rechterlijke machten dat wederzijds vertrouwen nog niet in voldoende mate bestaat. Daarom stel ik in dit initiatiefverslag in de eerste plaats een mechanisme voor de wederzijdse beoordeling tussen de lidstaten voor. Dat mechanisme dient natuurlijk de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te respecteren. De nationale parlementen en de organen van de rechterlijke macht dienen er echter bij betrokken te zijn, zodat wij een brede scala aan meningen krijgen over de kwaliteit van de strafrechtspleging in alle lidstaten.

In de tweede plaats lijkt het mij essentieel dat die beoordeling objectief is, en daarvoor stel ik een Handvest van de kwaliteit van de strafrechtspleging voor. De basis voor dat Handvest dient de interpretatie te zijn van het recht op toegang tot de rechter in de Europese Verklaring voor de rechten van de mens en het Handvest van de grondrechten, en dient zowel te stroken met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens en het Europees Hof van Justitie als met de aanbevelingen van de Verenigde Naties en de Raad van Europa. Dit Handvest van de kwaliteit moet een objectief referentiekader zijn voor de beoordeling van de verschillende strafrechtsstelsels in de lidstaten, zodat wij goede praktijken kunnen verspreiden, aan benchmarking kunnen doen en een hoog niveau van kwaliteit voor alle Europese burgers kunnen bereiken, waar dan ook in de Unie.

Ondertussen weten wij allemaal dat naast de wederzijdse erkenning ook een minimum aan harmonisatie noodzakelijk is. De Raad heeft zijn standpunt bepaald ten aanzien van de harmonisatie van het materieel strafrecht. In ons verslag stellen wij voor het standpunt van de Raad in dezen te volgen. De Raad heeft de Commissie uitgenodigd direct de harmonisatie voor te bereiden van de misdrijven die het Constitutioneel Verdrag noemt. Dan kunnen de voorbereidende werkzaamheden afgerond zijn bij het van kracht worden van het Verdrag, waardoor de Raad samen met het Parlement snel de harmonisatiemaatregelen kan goedkeuren die het nieuwe Verdrag vereist.

Ten aanzien van het procesrecht moeten wij onzes inziens selectief te werk gaan, maar ambitieus zijn wat betreft de werkingssfeer van de regelgeving. Daarom stellen wij vier kerngebieden voor. In de eerste plaats de harmonisatie van de regelgeving betreffende het gebruik en de evaluatie van de bewijsmiddelen, waarvan de Commissie gezegd heeft dat zij er al aan werkt. In de tweede plaats de harmonisatiemaatregelen ter vereenvoudiging van de tenuitvoerlegging van straffen en opgelegde preventieve maatregelen. In de derde plaats het definiëren van gemeenschappelijke minimumrechten van de gedetineerden in alle lidstaten en in de vierde en laatste plaats het regelen in internationaal verband van recidive van strafbare feiten waarop inmiddels harmonisatiemaatregelen van toepassing zijn.

Met dit verslag nodigt het Parlement de Raad en de Commissie uit hun werkzaamheden te versnellen, zodat wij gezamenlijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in Europa kunnen realiseren waarin de stafrechtspleging een hogere kwaliteit heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Brejc, Mihael (PPE-DE). (SL) Dank u, mijnheer de Voorzitter. In de politieke documenten van de PPE-DE-Fractie, bijvoorbeeld de documenten van het congres en andere documenten van onze partij in het Europees Parlement, benadrukken wij het belang van de veiligheid van onze mensen en hun eigendom; dat is per slot van rekening wat wij aan onze kiezers hebben beloofd. Anderzijds worden wij geconfronteerd met een toename van steeds ernstiger vormen van misdaad en terroristische daden.

Het moge duidelijk zijn dat geen enkele lidstaat van de Europese Unie afzonderlijk zijn eigen veiligheid nog kan waarborgen. We moeten samenwerken en gemeenschappelijke maatregelen nemen, en wij moeten alle maatregelen waarmee onze veiligheid wordt verhoogd, zien te identificeren en stimuleren. In die zin ondersteunt mijn fractie het voorgestelde besluit van de Raad over de uitwisseling van gegevens uit het strafregister, en ook het verslag van de rapporteur Di Pietro.

Wij zijn echter enigszins verrast dat de Commissie voornemens is om pas tussen 2008 en 2010 een nieuw computersysteem voor gegevensuitwisseling op te zetten. Ik heb het gevoel dat deze gegevensuitwisseling eerder een politieke dan een technische kwestie is, want als er sprake zou zijn van een werkelijke politieke wil, dan zou de Commissie veel meer haast zetten achter de bouw van een doeltreffend informatietechnologiesysteem. Iedereen weet immers dat wij in het informatietijdperk leven en de bouw van een doeltreffend informatietechnologiesysteem kan geen al te compliceerde zaak zijn. Klaarblijkelijk wordt een en ander belemmerd door een aantal andere zaken die zwaarder wegen, zoals vertrouwen of de kwaliteit van bepaalde afzonderlijke machtsgeledingen. Binnen deze context verzoek ik de Commissie meer haast te maken bij de bouw van het betreffende informatietechnologiesysteem. Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Roure (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, de eerste zorg van de Europese burgers is dat de Europese Unie hen verzekert van een hoge levensstandaard en een hoog rechtsbeschermingsniveau. Wij moeten er dus voor zorgen dat alle Europese burgers dezelfde rechten krijgen, een rechtspleging van dezelfde kwaliteit en een zelfde toegang tot de rechter, waar in Europa zij zich ook bevinden. In dat verband is de verbetering van de justitiële samenwerking op het gebied van strafrecht en burgerlijk recht van fundamenteel belang. Bovendien kunnen criminele netwerken door het vrije verkeer in Europa profiteren van de open binnengrenzen van de Europese Unie, terwijl het gebrek aan Europese coördinatie op justitieel gebied hen in staat stelt aan vervolging te ontkomen. Het is dus zaak dat we nu de noodzakelijke mechanismen goedkeuren om de nieuwe uitdagingen die zich voor de Europese justitiële samenwerking aandienen het hoofd te bieden.

De uitwisseling van gegevens uit het strafregister biedt de Europese magistraten concrete mechanismen om de procedures te versnellen opdat criminelen niet vrijuit gaan. Zo wordt het mogelijk – zoals u al gezegd hebt – om eerder een einde te maken aan bekende pedofiliezaken. Door dergelijke mechanismen en praktische middelen in te voeren kan men het wederzijds vertrouwen tussen de Europese rechtssystemen verbeteren, en dat is hoog nodig. Het huidige gebrek aan vertrouwen vormt namelijk een ernstig obstakel voor het bereiken van wederzijdse erkenning van de heersende praktijken en de benodigde mate van onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels. Daarnaast schaar ik mij achter mijn collega, de heer Costa, om de Commissie te verzoeken voorstellen te formuleren op basis van de beginselen van wederzijdse erkenning van beslissingen en minimaal noodzakelijke harmonisatie.

Tot slot wil ik van de gelegenheid gebruik maken, mijnheer de commissaris, om mijn blijdschap uit te spreken over de voorgestelde uitbreiding van de justitiële samenwerking tot bepaalde aspecten van het familierecht, zoals voorzien in het wetgevingsprogramma voor 2005. Het is mijn vurige wens dat wij onze werkzaamheden in die richting voortzetten.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER FRIEDRICH
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Duquesne (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, allereerst wil ik graag de rapporteur, de heer Costa, gelukwensen met zijn verslag en de uitstekende conclusies die hij heeft gepresenteerd en die overigens nagenoeg unaniem zijn goedgekeurd door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken.

Met dit verslag geeft het Parlement naar mijn mening een sterk signaal af aan de Commissie en de Raad. Het geeft blijk van onze wil de kwaliteit van de rechtspleging te verbeteren voor alle Europese burgers, ja zelfs voor allen zich op het grondgebied van de Europese Unie bevinden, en zulks met name door middel van het Handvest van de kwaliteit van de strafrechtspleging in Europa en het voorgestelde evaluatiesysteem. De wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken in de ene of de andere lidstaat veronderstelt een wederzijds vertrouwen tussen alle staten inzake hun rechtssysteem. Daarom moeten er gemeenschappelijke en beter op elkaar afgestemde basisnormen worden vastgesteld die de gerechtvaardigde verscheidenheid intact laten, zoals ze door de heer Costa nog eens op een rij zijn gezet.

Maar er is meer dan alleen de procedure. Het behoeft geen betoog dat het geenszins in tegenspraak is met de onontbeerlijke onafhankelijkheid van rechters, als gegarandeerd en gecontroleerd wordt dat zij goed opgeleid zijn, onbevooroordeeld, evenwichtig, openstaand, bekwaam, doortastend en in staat om de bestaande middelen optimaal te beheren. De transparantie van de rechtspleging moet worden verbeterd en er moet worden gezorgd dat de burgers een beter beeld hebben van de werkwijzen van rechters, die soms te lijden hebben onder een verlies aan gezag en vertrouwen.

Tot slot lijkt het me noodzakelijk te zorgen voor de follow-up van onze aanbevelingen. Er zijn daden nodig, en niet alleen intenties, mijnheer de Commissaris. Daarom is het van belang een bewakingscomité in te stellen, samengesteld uit deskundigen, magistraten, juristen, gebruikers van het justitieel apparaat, en afgevaardigden van de nationale parlementen, met als taak de beoordeling en evaluatie van de manier waarop onze aanbevelingen ten uitvoer worden gelegd. Als wij erin slagen deze aanbevelingen te verwezenlijken, zullen wij de Europese Unie daadwerkelijk tot een rechtsstaat kunnen maken. Het betreft kwesties die fundamenteel zijn voor het functioneren van onze democratieën, de eerbiediging van het recht en de eerbiediging van de rechten van de burgers.

Wat het uitstekende verslag van de heer Di Pietro aangaat: ik ben het volkomen eens met de analyse en de voorstellen dat het bevat, maar ik wil beklemtonen dat het een bescheiden voorstel is. Het beperkt zich tot het huidige rechtskader, dat teruggaat tot 1959, en beantwoordt dus niet aan de behoefte aan informatie inzake het strafregister. Ik denk dat men heeft willen reageren op de beroering die de zaak-Fourniret gewekt heeft. Wij zien reikhalzend uit naar meer algemene voorstellen – zoals aangekondigd door commissaris Frattini – die onontbeerlijk zijn om het terrorisme, de grote criminaliteit en de criminaliteit in haar algemeenheid effectiever te kunnen bestrijden. Dat er nu een kleine stap gezet is, betekent niet dat we niet snel nog verder moeten gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Buitenweg (Verts/ALE). – Voorzitter, vanavond praten wij weer over het toverwoord wederzijdse erkenning. Wederzijdse erkenning als hoeksteen van de Europese justitiële samenwerking. Voorwaarde daarvoor is natuurlijk wel dat de lidstaten inderdaad goed gaan samenwerken. Dat zij over de grenzen heen kunnen kijken en ook weten hoe het er elders aan toegaat. Dat zij ook een aantal basisnormen overeenkomen, bijvoorbeeld voor het strafprocesrecht en vooral ook bouwen aan het vertrouwen in elkaar en ook om de redenen waarop zij elkaar inderdaad kunnen vertrouwen. Het voorstel van de heer Costa is met name belangrijk voor het werken aan het vertrouwen voor efficiëntie, voor een goede rechtspraak. Het verslag van collega Di Pietro gaat vooral over het verbeteren van de samenwerking over de informatie. Mijn fractie steunt allebei de rapporten dan ook voluit en ik wil u ook van harte danken voor het vele werk dat u hierin heeft gestopt en de fijne samenwerking maar er is veel meer nodig dan deze kleine stappen vooruit. Er is een brij aan nieuwe voorstellen in de maak en dat zijn allemaal kleine stapjes vooruit, in ieder geval op papier. Want de lidstaten staan heel vaak op de rem is mijn ervaring. Voor hun lijkt het idee van de wederzijdse erkenning vooral toch een manier te zijn om nationaal eigenlijk niets te hoeven veranderen. Wij houden allemaal onze eigen toko en de anderen die moeten dan maar de beslissingen van die eigen toko gaan respecteren. Ik kan u zeggen dat mijn fractie niet benauwd is om over de grenzen heen te kijken. Wij zijn wel een klein beetje huiverig voor deze enorme brij aan nieuwe regeltjes want zo'n brij tast vaak de zichtbaarheid aan, de weerbaarheid van de mensen die steeds weer met veranderingen geconfronteerd worden en ook de duidelijkheid van wat wij aan het doen zijn. Ik kan zeggen dat mijn fractie voor een Europees openbaar ministerie is. Wij zijn vóór een Europees strafprocesrecht, vóór Europese rechten voor verdachten en voor slachtoffers, vóór het delen van informatie en vooral ook voor een forse investering in een grondige scholing van alle politie- en justitieambtenaren over die Europese samenwerking. Want uiteindelijk zal het op de werkvloer echt gestalte moeten krijgen, niet hier. Ik hoop dat we gezamenlijk onze handen in één kunnen sluiten voor een forse inspanning, ook een financiële injectie, om te zorgen dat iedereen goed hierover geïnformeerd is.

 
  
MPphoto
 
 

  Krarup (GUE/NGL). – (DA) Mijnheer de Voorzitter, beide verslagen geven blijk van de bekende ambitie om de macht van de Europese instellingen uit te breiden ten koste van de lidstaten, en dat wil uiteindelijk zeggen ten koste van de democratie.

Over het verslag van de heer Di Pietro wil ik alleen zeggen dat er sprake is van een aangelegenheid die onder de bevoegdheid van de Raad van Europa valt en niet onder die van de EU.

Het verslag van de heer Costa staat vol fraai klinkende idealistische woorden, maar de idealen en de goede bedoelingen hebben het betreurenswaardige manco dat ze over het geheel genomen niet op de werkelijkheid gebaseerd zijn. Ik wijs allereerst op het feit dat de strafvordering en de gevangenisstelsels in een aantal lidstaten een groot aantal grove schendingen van fundamentele mensenrechten inhouden. Zou het niet beter zijn om uit te gaan van de werkelijkheid dan van vage idealen? De enige ambitie van het verslag is dat het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten wordt versterkt zodat rechterlijke beslissingen wederzijds worden erkend. Wat gebeurt er echter als de Poolse, de Griekse, de Italiaanse rechter of openbare aanklager of gevangenisautoriteit geen vertrouwen geniet? Wat de doorslag geeft, is natuurlijk wat er in werkelijkheid gebeurt. Het andere doel van het verslag is dat de lidstaten worden gedwongen tot het straffen van bepaalde handelingen zoals genoemd in artikel 271 van de Grondwet. Als men op de realiteit had gelet en criminologen had geraadpleegd, zou men een duidelijk antwoord gekregen hebben. In het ergste geval hebben we te maken met barbaarsheid, in het beste geval met willekeur.

 
  
MPphoto
 
 

  Borghezio (IND/DEM).(IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, wij hebben gesproken over de kwaliteit van de rechtspraak en wij hebben een verslag behandeld dat gebaseerd lijkt te zijn op het streven om vooruit te lopen op de bepalingen van het nieuwe Verdrag, in het bijzonder op artikel 271 van deel III over de beoordeling van zeer ernstige strafbare feiten zoals misdrijven die verband houden met terrorisme.

De vraag is dan ook gewettigd of die enigszins optimistische kijk op de kwaliteit van de rechtspraak en de wederzijdse erkenning door de verschillende rechterlijke machten niet te ver voert. Juist in verband met het delicate onderwerp terrorisme gebeuren er namelijk zeer ernstige zaken, zoals het vonnis nr. 2849104 inzake terrorisme van de onderzoeksrechter van de rechtbank in Milaan, de heer Forleo. Dit vonnis betreffende een aantal personen die van terroristische activiteiten worden verdacht (hun namen stonden zowel op de lijst van de Verenigde Naties als op die van de Europese Unie) brengt een vreemd onderscheid aan tussen terroristen en guerrillastrijders, dat de rechter zelf verzonnen heeft. Zij schrijft letterlijk in haar vonnis dat “gewelddadige of guerrilla-activiteiten, ook indien uitgeoefend door andere gewapende troepen dan de officiële strijdkrachten, zelfs krachtens het internationaal recht niet vervolgd kunnen worden, mits het internationaal humanitair recht niet is geschonden”.

Hier hebben wij te maken met een uitholling van de communautaire wetgeving over terrorisme. Het is verraad aan de civiele verplichting die Europa, ook in deze vergaderzaal, inzake terrorisme op zich heeft genomen. Dat is zeer ernstig en ik voel mij verplicht het te melden.

 
  
MPphoto
 
 

  Libicki (UEN). (PL) Dank u wel, mijnheer de Voorzitter. Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, toen wij in de nieuwe lidstaten, waaronder ook mijn land, Polen, discussieerden over de toetreding tot de Europese Unie, hebben wij niet alleen de economische groei en de nationale veiligheid als argumenten aangevoerd, maar ook de persoonlijke veiligheid. Dat deden we vooral omdat de misdaad in heel Europa voortdurend toeneemt, helaas ook in de nieuwe lidstaten, en dat vereist radicale stappen bij de bestrijding. Er is ook sprake van een groot aantal nieuwe vormen van misdaad, zoals de internetcriminaliteit, en dit alles vereist nieuwe regelgeving. Dit vereist ook harmonisatie. Daarom begroeten wij de beide verslagen met blijdschap, enerzijds het verslag van de heer Antonio Di Pietro over de uitwisseling van gegevens uit het strafregister, anderzijds het verslag van de heer António Costa over de kwaliteit van de strafrechtpleging in de Europese Unie.

Wij moeten evenwel bedenken dat harmonisatie van het strafrecht, of van welk ander recht dan ook, niet mag neerkomen op gelijkschakeling op hetzelfde niveau. Harmonisatie mag geen mechanisme worden waarbij de verschillen worden uitgewist ten koste van de nationale tradities, gebruiken en behoeften waaruit dit recht is voortgekomen. Een overdreven mechanische harmonisatie kan ten koste gaan van de lokale tradities. Het is vooral van belang dat landen niet gedwongen worden hun wetgeving aan te passen aan het recht en de gebruiken van de landen waar misdadigers met bijzondere voorkomendheid worden bejegend en waar de misdadiger stapsgewijs tot slachtoffer wordt gemaakt, waar het slachtoffer wordt vergeten en waar de misdadiger in wezen een grotere bescherming geniet dan het slachtoffer.

Ik denk hierbij in het bijzonder aan het recht van de aangehoudene of gearresteerde op de aanwezigheid van een psychiater die onmiddellijk zijn gedrag moet beoordelen en hem eventueel van schuld moet vrijspreken. Dit kan op zijn plaats zijn in een later stadium van de gerechtelijke procedure, maar het hoeft niet noodzakelijkerwijs aan het begin plaats te vinden. Het mag niet zo zijn dat de veroordeelde ruimere rechten geniet dan het slachtoffer. Dat is namelijk helaas in toenemende mate het geval in het moderne recht en in de gerechtelijke praktijk. Het idee dat het slachtoffer reeds slachtoffer is en dat dit niet meer valt terug te draaien, terwijl de misdadiger een soort nieuw slachtoffer is dat moet worden gered, is onaanvaardbaar. Een misdadiger is nog altijd misdadiger en het slachtoffer slachtoffer.

De uitwisseling van gegevens uit het strafregister is een ander punt dat de aandacht verdient. Wij mogen niet vergeten dat de verjaringstermijnen voor veroordelingen van lidstaat tot lidstaat verschillen. Het mag niet zo zijn dat iemand in het ene land niet meer en in het andere nog wel als veroordeelde wordt beschouwd.

Dank u wel, mijnheer de Voorzitter. Ik heb afgerond, u hoeft niet af te hameren.

 
  
MPphoto
 
 

  Claeys (NI). – Voorzitter, in de toelichting van haar voorstel wijst de Commissie erop dat recente tragische pedofiliezaken aan het licht hebben gebracht dat de uitwisseling van gegevens over veroordelingen tussen de lidstaten belangrijke disfuncties vertoont. Commissaris Frattini heeft daarjuist de naam genoemd. Men heeft het in feite over de zaak-Fourniret; een Franse pedofiel die in zijn eigen land werd veroordeeld, kon in België ongestoord zijn gang gaan, omdat de Franse autoriteiten het niet nodig hadden geacht de nodige informatie te verstrekken over de persoon in kwestie. Het voorstel dat nu ter bespreking ligt, heeft veel te lang op zich laten wachten. Het gaat uiteindelijk om een aanvulling op het verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken dat dateert van 1959. Bovendien is het voorstel ontoereikend en biedt het geen antwoord op een groot aantal problemen. De lidstaten moeten hun strafregisters sneller aanvullen en beschikbaar stellen, verder moeten ze gegevens die door andere lidstaten opgevraagd worden, sneller bezorgen en wel via standaardformulieren. Dat zijn enkele stappen in de goede richting maar het blijft natuurlijk wachten op de invoering van een volwaardig geautomatiseerd systeem van gegevensuitwisseling. De Commissie moet daar nu zo snel mogelijk werk van maken, zeker als zij nu al stelt dat het systeem pas binnen een aantal jaren zal kunnen functioneren, wat op zich eigenlijk een slecht teken is. Er zijn natuurlijk een heel aantal juridische implicaties waar we het nog uitgebreid over zullen moeten hebben. Dit Parlement mag na de stemming van het voorliggende voorstel in geen geval de illusie wekken dat de problemen in verband met de uitwisseling van gegevens van de baan zijn. De Commissie toont zelf met een treffend voorbeeld aan dat dit nadrukkelijk niet het geval is. Zo wordt niet voorzien in de verplichting van een lidstaat om de staat waar een veroordeelde zijn verblijfsplaats heeft te informeren, wanneer dat niet de staat is waarvan hij de nationaliteit bezit. Met andere woorden de al eerder genoemde Fourniret zal met deze maatregelen opnieuw door de mazen van het net glippen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kudrycka (PPE-DE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, de doelstelling van de Europese Unie op het gebied van het strafrecht, zoals omschreven in het programma van Tampere en vervolgens in het Haags programma, is de wederzijdse erkenning van vonnissen in strafzaken. Om dit doel te bereiken is een goede gerechtelijke samenwerking vereist, die stoelt op wederzijds vertrouwen. Bij ontstentenis van een dergelijke samenwerking kan iemand immers zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid ontlopen door zich in een ander land op te houden. Dit zou een versterking van het gevoel van straffeloosheid en daarmee een toename van de misdaad in Europa tot gevolg hebben. Mijn fractie steunt derhalve het verslag-Costa, dat aanbevelingen doet aan de Europese Commissie betreffende de opstelling van een Handvest voor de kwaliteit van de strafrechtspleging. De in dit handvest beschreven fundamentele rechten van de beklaagde, het slachtoffer en de verdediging kunnen immers tegelijkertijd worden opgevat als criteria voor de wederzijdse beoordeling van de kwaliteit van de strafrechtspleging. Hoewel een concrete rechtsgrondslag voor een dergelijke beoordeling pas ontstaat met het van kracht worden van het Constitutioneel Verdrag, bevat het Verdrag van Maastricht mijns inziens reeds een algemene rechtsgrondslag. Ik denk dat het derhalve goed zou zijn als de Europese Commissie, overeenkomstig de aanbevelingen in het verslag, begint met de uitwerking van criteria en een methodologie voor een dergelijke beoordeling. Dit is verre van gemakkelijk, omdat er rekening moet worden gehouden met uiteenlopende rechtsstelsels die stoelen op verschillende tradities en rechtsculturen en met verschillende stelsels van de rechtspleging in de lidstaten. De methodologie voor een dergelijke beoordeling moet geloofwaardige conclusies opleveren die berusten op betrouwbare analyses. Ik wil erop wijzen dat de wederzijdse beoordeling van de strafrechtspleging bijkomende maatregelen vereist, die garanderen dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van politieke invloed niet alleen wordt geëerbiedigd, maar tevens versterkt. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Lambrinidis (PSE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, de strafrechtsspraak in Europa moet onafhankelijk zijn, maar moet wel worden geëvalueerd en gecontroleerd. De Europese burger moet vertrouwen hebben in deze rechtspraak, hij moet er zeker van kunnen zijn dat zijn grondrechten worden geëerbiedigd, dat elke Europese rechtbank hem transparantie en kwaliteit kan bieden.

Onlangs hebben wij hiermee in Griekenland slechte ervaringen opgedaan: in het gerechtelijke apparaat zijn schandalen en financiële corruptie aan het licht gekomen. Die ontdekking heeft het vertrouwen van de Griekse burgers in hun rechtstelsel diep geschokt. De Griekse justitie is zichzelf nu wel aan het zuiveren, maar dat is niet genoeg. Zoiets is trouwens erg moeilijk en dat weten ook de andere Europese landen die gelijksoortige gevallen van corruptie hebben meegemaakt. Wij moeten dus vanuit Europa onze hulp aanbieden. Maar hoe? Via een beoordeling van de speciale procedures en met beste praktijken. Maar wat is hier het probleem? Wie het belang van beoordelingen in twijfel trekt, heeft daar zo zijn reden voor. Lidstaten die vinden dat hun strafrechtsspraak zo voorbeeldig is dat ze niets te leren hebben van anderen, zouden ten minste de anderen met raad en daad moeten bijstaan. En aangezien de rechters zelf betrokken zijn bij het kwaliteitshandvest, kan dit voorstel hun onafhankelijkheid niet in het gedrang brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Drčar Murko (ALDE). (SL) Dank u. Gezien de uitgebreide reeks bepalingen in het Grondwettelijk Verdrag voor Europa die betrekking hebben op de harmonisering van nationale wetgevingen inzake het strafrecht, materieel recht en procedureel recht, kunnen we concluderen dat het plan voor een gemeenschappelijke ruimte op het vlak van strafrecht steeds duidelijker vormen begint aan te nemen. De vastlegging hiervan in het Grondwettelijk Verdrag is het resultaat van een ontwikkeling van de wetgeving sinds 1990, en niet het begin ervan, en zal met name afhangen van het beginsel van wederzijds vertrouwen. Met het oog op de verschillende grondwettelijke stelsels en strafrechtelijke tradities, moet dit vertrouwen gebaseerd zijn op specifieke, vergelijkbare minimumcriteria.

Wij ondersteunen dit uitgangspunt, maar als Parlementsleden hebben wij ook de plicht om de methoden die gehanteerd worden bij de harmonisering van wetgevingen te controleren, vooral met het oog op de dringende noodzaak om de grondrechten van de mens beter te beschermen. Als we geen aandacht schenken aan het evenwicht tussen deze twee elementen, kan het strafrecht misschien wel doeltreffend worden geharmoniseerd, maar dat hoeft niet te betekenen dat het ook democratisch gelegitimeerd zou zijn. Het strafrecht is ook een visitekaartje voor de kwaliteit van de democratie. Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Allister (NI).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb geen enkel probleem met de verstandige uitwisseling van informatie over strafrechtelijke veroordelingen tussen de lidstaten, maar alleen mensen met een blinde vlek voor politiek kunnen over het hoofd zien dat de voorstellen in het verslag-Costa deel uitmaken van het proces ter harmonisatie van het strafrechtsstelsel, dat in heel Europa aan de gang. Daarmee wordt uiteraard vooruitgelopen op de Europese Grondwet, waarin die harmonisatie een belangrijke rol speelt.

Persoonlijk verzet ik mij tegen een strafrechtsstelsel dat gebaseerd is op het continentale model, met zijn inherente aanval op de essentiële bouwstenen van ons afwijkende historische Britse stelsel van gewoonterecht, met onder andere als speciale kenmerken de juryrechtspraak, het habeas-corpus-beginsel en de scheiding tussen de rechterlijke macht en het onderzoeksproces.

Dit verslag-Costa maakt, ondanks zijn plausibele woordenstroom, deel uit van dat harmonisatieproces, dat tot doel heeft één enkel strafrechtsstelsel te vormen. Dat is mijns inziens niet in het belang van het Britse volk en daarom zal ik mij tegen dit verslag verzetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Wieland (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, wij worden af en toe met situaties geconfronteerd waarin de Commissie, de Raad of het Parlement – of twee van die instellingen, of alledrie – ver voor de burgers of een andere relevante groep uithollen. Wij zijn dan te snel en te ambitieus en moeten dan vermoeide mensen achter ons aanzeulen. Met betrekking tot het onderwerp waar wij ons vanavond mee bezighouden, zullen wij later allemaal verantwoording af moeten leggen, omdat wij afgerekend worden op de resultaten die wij tot stand brengen, of beter gezegd, op de resultaten die wij niet tot stand brengen. Mijnheer de commissaris, wij hinken op dit gebied niet alleen achter de feitelijke situatie op criminaliteitsgebied aan – het is namelijk al lang niet meer zo dat uitsluitend de georganiseerde criminaliteit een grensoverschrijdend karakter heeft – maar wij hinken ook achter de criminaliteit door individuen aan.

Op beide terreinen hinken wij ook achter de wensen van de burgers aan. Zij hebben er recht op dat de criminaliteit in de eenentwintigste eeuw niet met middelen uit de negentiende eeuw wordt bestreden en eisen dat het beleid dienovereenkomstig wordt aangepast. Helaas ontstaat zo nu en dan de indruk dat wij informatie nog steeds per telegram opvragen en ook weer per telegram versturen. Wij hebben een betere informatiestroom nodig. Dat leidt niet tot een slechtere gegevensbescherming zoals door velen wordt gevreesd. Gegevens over bepaalde gebieden van de zware criminaliteit die in Kehl heeft plaatsgevonden, zijn in Offenburg net zo van belang als in Straatsburg. Het uitwisselen van dergelijke gegevens heeft alles te maken met het recht van de burgers op bescherming en heeft niets van doen met het recht van de dader op bescherming van zijn privé-leven.

Het gaat ook niet om het vertrouwen tussen de lidstaten; het gaat er enkel om in hoeverre de burgers in Europa vertrouwen dat wij deze kwestie goed zullen regelen. Als hier al een conclusie uit te trekken is, dan houdt die verband met de vraag zoals die al door een grote Duitse krant is gesteld, namelijk of de burgers wel een uniform strafrecht willen. Het antwoord op die vraag luidt ja.

De conclusie uit dit verslag is dat iedereen duidelijk moet aangeven of hij of zij echte verbeteringen wil of niet. Daarbij moeten mensen zich in ieder geval niet achter softwareproblemen verschuilen.

 
  
MPphoto
 
 

  Fava (PSE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vice-voorzitter, geachte collega’s, ik wil eigenlijk niets toevoegen aan de verslagen van de collega’s Di Pietro en Costa waar ik het volledig mee eens ben. Met uw welnemen wil ik het daarentegen hebben over een tegenspraak die wij hier vanavond het hoofd moeten bieden.

Wij weten allemaal dat alleen een versterking van de justitiële samenwerking een bijdrage van betekenis kan leveren aan de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad. Dan hebben wij het dus over de wederzijdse erkenning van vonnissen, uitwisseling van informatie en harmonisatie van de garanties op een eerlijk proces. Wij weten echter ook dat vele lidstaten op alle mogelijk manieren proberen de justitiële samenwerking te belemmeren. Daarom houdt volgens ons uw mandaat ook in dat u – in overleg met de Raad – ervoor zorgt dat alle Europese instellingen concreet achter dit doel gaan staan.

Er is meer bereidheid nodig om de bepalingen van de Europese Grondwet, die voor ons geen dode letter mogen blijven, toe te passen. Juist in naam van het overleg en de justitiële samenwerking, mijnheer de vice-voorzitter, verzoeken wij u op respectvolle wijze krachtige stappen te ondernemen bij het Italiaanse parlement en de Italiaanse regering, mede op grond van het ministerschap dat u in die regering heeft bekleed. Italië is het enige land dat het Europees arrestatiebevel nog niet in nationale wetgeving heeft omgezet. Wat tot gisteren alleen maar ernstig leek, is nu, en u zult het daar mee eens zijn, volstrekt paradoxaal geworden.

 
  
MPphoto
 
 

  Ek (ALDE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, dit debat gaat over vertrouwen. Toch zijn er in elke lidstaat, in elke gevangenis, in elk huis van bewaring mensen die merken dat ze geen rechtvaardig proces hebben gekregen doordat ze de taal niet kennen, dat de bewijsvoering niet correct was, dat ze wreed behandeld zijn door de politie of in het huis van bewaring. Dit ondanks het feit dat we de regels goed voor elkaar hebben in artikel 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en misschien vooral in de regels van het Gemeenschapsrecht van de EU.

Willen mensen gebruik durven maken van de vier vrijheden, dan moeten we ook regels hebben voor de bescherming, niet alleen de bescherming van goederen en kapitaal, maar ook die van personen. De huidige regels eisen dat de nationale rechtsmiddelen uitgeput moeten zijn voordat men zijn recht kan doen gelden. Een rechtbank kan een advies vragen tijdens de rechtsgang, een individu kan dat niet. We moeten dus een mogelijkheid voor een individu invoeren om persoonlijk navraag te doen of speciale gemachtigden aan te wijzen, zodat mensen dezelfde rechten krijgen als rechtbanken. Pas dan kunnen we spreken van vertrouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Coelho (PPE-DE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Frattini, beste collega’s, wij moeten er gezamenlijk werk van maken om de kwaliteit en de doeltreffendheid van de rechtspraak te verbeteren. Tegelijkertijd mogen wij niet vergeten dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de bescherming van de grondrechten van de Europese burgers, zowel in materieel als procedureel opzicht, de hoeksteen zijn van onze Europese aanpak. Ik zou de heer Costa niet één keer maar meerdere keren willen feliciteren met zijn uitstekende verslag dat een pleidooi vormt voor een gegarandeerd recht op toegang tot de rechter voor de Europese burgers. Dat moet worden gegarandeerd door de Europese Unie – die de burgers de garantie moet bieden dat zij in elke lidstaat een vergelijkbare behandeling krijgen – en door de lidstaten, op grond van hun respectieve bevoegdheden. Daarbij dient voorkomen te worden dat de bestaande verschillen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten een obstakel vormen voor het bereiken van een hoog niveau van rechtvaardigheid en bescherming in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

Ik ben het met de rapporteur eens dat het van fundamenteel belang is het wederzijds vertrouwen te versterken zodat de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen mogelijk wordt. Zo kunnen wij een bijdrage leveren aan de geleidelijke ontwikkeling van een Europese rechtscultuur. Ik sta achter het idee om een Europees Handvest van de strafrechtspleging goed te keuren als basis voor de beoordeling van het functioneren van de rechtsstelsels van de Unie. Voorts steun ik het voorstel dat er zo snel mogelijk een objectief en onpartijdig mechanisme voor de wederzijdse beoordeling van de kwaliteit van de rechtspraak moet komen met een bestand aan vergelijkbare statistische data. Bij de totstandkoming daarvan dienen naast het Europees Parlement ook de nationale parlementen betrokken te zijn.

Ik wil ook collega Di Pietro gelukwensen met zijn verslag en zijn voorstelen voor de voorwaarden voor de toegang tot persoonsgegevens en het korter maken van de termijnen. Het bestaande systeem voor de uitwisseling van gegevens uit het strafregister is niet efficiënt. Het is essentieel dat er een geautomatiseerd systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten komt, dat snelle toegang tot dergelijke gegevens mogelijk maakt in heel de Unie. Ik juich de nieuwe elementen toe die vice-voorzitter Frattini hiervoor heeft aangedragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Moraes (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is een belangrijk verslag omdat hierin twee belangrijke terreinen worden benadrukt die tot nog toe onvoldoende zijn benadrukt. De heer Costa heeft een belangrijke stap voorwaarts gezet door erop te wijzen dat het de kwaliteit van de rechtspleging, en niet alleen wederzijdse erkenning is, die voorop staat. Als iemand in dit Parlement twijfelt aan deze stelling, moet men de criteria van Kopenhagen er nog maar eens op naslaan. De kwaliteit van de rechtspleging in veel van de toetredingslanden en de noodzaak om verbeteringen door te voeren was immers een essentieel onderdeel van de toetreding tot de Europese Unie.

Ook de vijftien oude lidstaten mogen niet op hun lauweren rusten omdat zij zouden beschikken over alle juiste antwoorden en rechtspleging van de hoogste kwaliteit. Kijkt u maar eens naar de manier waarop wij omgaan met minderheden en kwetsbare groepen. Dat zal de test zijn voor deze zaak.

Het Handvest van de kwaliteit van de strafrechtspleging in Europa moet niet iets zijn wat de lidstaten vrezen. Zij moeten het juist toejuichen, omdat dit een van de meest zichtbare samenwerkingsterreinen in de Europese Unie is, dat ook door onze burgers als zodanig wordt onderkend. Zij zien het in de media, zij willen oplossingen op Europees niveau, zij willen zich veilig voelen in een Europese Unie die zorg draagt voor snelle rechtspleging en bescherming biedt aan onschuldigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Varvitsiotis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil slechts een paar opmerkingen maken over het verslag van collega Di Pietro, dat ik volledig onderschrijf.

Het verslag van de rapporteur bevat positieve elementen. Het noemt concrete datums en maakt ook duidelijk dat de procedure sneller moet, binnen 48 uur als het gaat om spoedgevallen.

Toch moet de commissaris weten dat de vooruitgang die wordt geboekt met de verslagen van de twee collega's, Di Pietro en Costa, niet echt als baanbrekend kan worden beschouwd.

Volgens mij moet de absolute prioriteit gaan naar het toepassen van het beginsel van wederzijdse erkenning bij strafrechtelijke vonnissen. Voorts moeten de termen “veroordeling” en “strafregister” duidelijk worden gedefinieerd en moeten de begrippen “misdrijf” en “straf” worden geharmoniseerd.

Ik denk eerlijk gezegd, mijnheer de Voorzitter, dat de Europese Unie nooit af zal zijn zolang we niet gezwind werk maken van uniforme regels in de rechtspraak. Maar de uiteenzetting van de commissaris heeft me er niet van overtuigd dat de Commissie daar weldra mee zal beginnen en dat vind ik jammer.

 
  
MPphoto
 
 

  Cederschiöld (PPE-DE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, de gemeenschappelijk juridische ruimte is gebaseerd op wederzijdse erkenning. Bij het erkennen van elkaars vonnissen moeten wij kunnen vertrouwen op de kwaliteit van de rechtsstelsels, vertrouwen op een gelijkwaardige behandeling, vertrouwen op een goed functionerende rechtsgang, vertrouwen op rechtvaardige processen met een advocaat en zo nodig een tolk. Laten wij concurreren in het verhogen van de juridische kwaliteit. Dank u, mijnheer Costa, voor uw goede verslag.

Verder wil ik het hebben over de uitwisseling van informatie, wat een gevoeliger kwestie is. De heer Di Pietro heeft verbeteringen aangebracht in het voorstel, maar ik zou met nadruk op drie punten willen wijzen. Ten eerste: voordat de uitwisseling plaatsvindt, moet de bescherming van gegevens in het kader van de misdaadbestrijding van dezelfde kwaliteit zijn als die op het gebied van de interne markt. Ten tweede: de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming moet een uitspraak doen in geval van gevoelige kwesties. En ten derde: niet alleen moeten de lidstaten worden geïnformeerd over het gebruik van de gegevens, maar ook moet het individu worden geïnformeerd over de verstrekte gegevens

We hebben nu een commissaris van wie ik weet dat hij naar deze problemen luistert en dat hij die ook begrijpt. Ik hoop dat commissaris Frattini in de toekomst deze drie elementen meeneemt als het erom gaat de gegevensbescherming te verbeteren, zodat we op het gebied van de misdaadbestrijding dezelfde gegevensbescherming krijgen als die we reeds hebben op de interne markt. Wat dat betreft, heb ik echt mijn hoop gevestigd op de verdere inspanningen van de heer Frattini, en ik wil hem bedanken voor zijn reeds verrichte inspanningen op het gebied van gegevensopslag. Ik geloof dat wij de effecten daarvan ook op het gebied van gegevensuitwisseling zullen zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Esteves (PPE-DE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, de kwaliteit van de strafrechtspleging en de harmonisatie van de strafwetgeving vormen de kern van het plan om in de Europese Unie een ruimte van rechtvaardigheid tot stand te brengen. Bij de strafrechtspleging neemt het debat over de mensenrechten dramatische vormen aan. Het gaat daarbij zowel om de conflicten en de onderlinge verhouding tussen die rechten als om het feit dat ze gestoeld dienen te zijn op het beginsel van essentiële waardigheid. Strafrechtkwesties doen een beroep op de morele fundamenten van de Europese politieke cultuur en maken een actief beleid voor de verbetering van de kwaliteit van de strafrechtspleging en de harmonisatie van de strafwetgeving van de lidstaten urgent.

De komst van een Europese Grondwet met een bindend Handvest van de grondrechten vormt een waardensysteem dat gekenmerkt wordt door eenheid en integratie. Daarom zijn betere rechtspraak en harmonisatie van de stafwetgeving in de lidstaten noodzakelijk. Daar het strafrecht werkelijk materieel constitutioneel recht is, zijn alle constitutionele basiswaarden in het geding. Het uitblijven van harmonisatie op dit vlak betekent dat het principe van gelijkheid tussen de burgers niet wordt nagekomen en dat uiteindelijk de Grondwet niet wordt gerespecteerd. Daarom mag de harmonisatie van het strafrechtstelsel zich niet tot een minimum beperken en alleen de rechterlijke beslissingen wederzijds erkennen, maar dient ze een doel op zich te zijn. Een afgesproken beleid brengt de beslissingsbevoegdheid van de lidstaten niet in het geding, daar het door overleg tot stand is gekomen.

Het waardenstelsel van de Europese Grondwet houdt tevens in dat het harmonisatieproces van de wetgeving voor het hele strafrechtstelsel dient te gelden. Het moet niet alleen de strafvordering en de uitvoering van de straffen omvatten maar ook de normen van het materiële strafrecht, de definities van misdrijven en de criteria voor de strafmaat. De harmonisatie dient zich niet alleen bezig te houden met veiligheid maar ook met de humanisering van het strafrecht.

Als Europa dit plan niet omarmt, zal het justitieel stelsel van de Europese Grondwet uiteindelijk, zoals Kafka het ironisch heeft geformuleerd, een systeem van open deuren zijn waardoor men nooit naar binnen gaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Frattini, vice-voorzitter van de Commissie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de rapporteurs en de geachte afgevaardigden die het woord hebben genomen, ook degenen die de Commissie hebben opgeroepen snel te reageren. Vanwege tijdgebrek kan ik hier geen uitputtende antwoorden geven, maar ik zal proberen u wat informatie te verstrekken die misschien nuttig is voor het Parlement.

Voor eind april zal de Commissie een mededeling presenteren over de wederzijdse erkenning en de ontwikkeling van het principe van wederzijds vertrouwen. Die mededeling zal ingaan op de meeste kwesties waar de twee verslagen die wij vandaag behandelen zich mee bezighouden. De beoordeling van de rechtspraak, scholing van rechters en harmonisatie van een aantal bepalingen inzake strafvordering zullen erin aan de orde komen. In verband met het laatste element wil ik nog opmerken dat wij voor het eind van dit jaar een Groenboek zullen presenteren over het vermoeden van onschuld. Vele afgevaardigden hebben de noodzaak onderstreept het recht op veiligheid – dus de bestrijding van misdrijven – te verenigen met de garanties voor de verdachten.

Begin 2006 zullen wij een tweede Groenboek presenteren over het verzamelen van de bewijzen. Daarna zullen ongetwijfeld vollediger initiatieven volgen over de uitvoering van de alternatieve straffen. Voorts zijn wij van plan voor het einde van dit jaar in de vorm van een kaderbesluit een – naar ik hoop uiterst nuttig – initiatief te presenteren betreffende alternatieve controlemaatregelen voor voorlopige hechtenis. U weet dat voorlopige hechtenis, die voorafgaat aan de veroordeling, een thema is waarbij een balans moet worden gevonden tussen de vrijheidsrechten van de personen en het recht van de staat om misdrijven te vervolgen. Dat zijn maar enkele voorbeelden van volgens mij belangrijke initiatieven die de Commissie de komende maanden zal presenteren.

Het zou mij verheugen, geachte afgevaardigden, indien de lidstaten in de Raad inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister evenveel moed toonden als u hier vandaag. De Commissie zou zeer zeker sneller voortgang willen maken met de uitwisseling van geautomatiseerde gegevens. Tijdens de Raadsvergadering de vorige maand in Luxemburg hebben wij al een begin gemaakt met dat debat en wij zijn voornemens het voort te zetten. Er zijn echter problemen van technische aard, en, zoals hier iemand heeft opgemerkt, ook van politieke aard. Het niveau van het wederzijds vertrouwen is nog onvoldoende om de gegevens inzake gewezen vonnissen te kunnen invoeren in een elektronische zoekmachine, die technisch gezien snel te realiseren valt. Zoals geachte afgevaardigde Di Pietro terecht heeft opgemerkt, gaat het hierbij niet om nieuwe gegevens, maar om de gegevens van de vonnissen die de rechters kunnen gebruiken. Derhalve zullen wij er nauw op toezien dat de gegevens niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan de justitiële autoriteiten aangeven. Wij moeten die autoriteiten natuurlijk vertrouwen schenken wanneer zij dergelijke gegevens opvragen.

Tot slot meen ik dat er voor deze materie meer Europa nodig is. Wij hebben meer Europa nodig, omdat wij stafrechtsstelsels dienen te harmoniseren die helaas zeer verschillend zijn. Ook is meer Europa nodig ten behoeve van de rechtszekerheid, als wij – en laten we dat benadrukken – de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht respecteren. Misschien dienen wij de regels te harmoniseren, daar de regelgeving voor de definitie van criminele vereniging en de strafbaarstelling van de organisatoren van criminele organisaties te zeer uiteenlopen. Wij moeten dus werk maken van een wat verdergaande harmonisatie van de strafrechtsstelsels, wat wij met volle overtuiging zullen doen Tot slot zullen wij attent zijn bij de controle van de manier waarop de lidstaten deze principes naleven.

Over drie dagen presenteer ik de Raad van ministers van Justitie de mededeling van de Commissie over het Europees arrestatiebevel. Bij die gelegenheid zal ik er zonder doekjes om te winden zeggen dat helaas – dit zeg ik met grote spijt – Italië het enige land is van Europa dat het bevel nog niet heeft omgezet in nationale wetgeving en dat er bovendien een aantal lidstaten zijn die wel wetgeving hebben aangenomen maar daarin – zoals een aantal van u heeft opgemerkt – filters hebben proberen op te nemen die niet sporen met de Europese geest. De wetgeving met betrekking tot het Europees arrestatiebevel dient ertoe de uitvoering van een aantal maatregelen te versnellen. Als wij dat willen doen voor terrorisme of de georganiseerde misdaad, dan moeten alle lidstaten vertrouwen hebben in dit systeem. Wij zullen attent controleren of de Europese regelgeving volledig wordt nageleefd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid