Index 
Debatten
PDF 1866k
Dinsdag 22 februari 2005 - Straatsburg Uitgave PB
1. Opening van de vergadering
 2. Verzoek om urgentverklaring
 3. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (bekendmaking van ingediende ontwerpresoluties): zie notulen
 4. Economie / Openbare financiën
 5. "Culturele Hoofdstad van Europa" voor het tijdvak 2005 tot 2019
 6. Actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010
 7. Stemmingen
 8. Stemverklaringen
 9. Rectificaties stemgedrag: zie notulen
 10. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 11. Ingekomen stukken: zie notulen
 12. Financieringsbeleid van de natuurbescherming
 13. Actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (voortzetting)
 14. Rijbewijs
 15. Vragenuur (Commissie)
 16. Rijbewijs (voortzetting)
 17. Verontreiniging vanaf schepen
 18. River Traffic Information Services
 19. Erkenning van beroepsbekwaamheid van zeevarenden
 20. Communautair Bureau voor visserijcontrole
 21. Bijvangst (visserij)
 22. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 23. Onderbreking van de vergadering
 24. Bijlage - Standpunt van de Commissie


  

VOORZITTER: DE HEER SARYUSZ-WOLSKI
Ondervoorzitter

(De vergadering wordt om 9.05 uur geopend)

 
1. Opening van de vergadering
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik verklaar de vergadering te zijn hervat.

 

2. Verzoek om urgentverklaring
  

Voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2792/1999 met betrekking tot een specifieke actie ten behoeve van de overbrenging van vaartuigen naar de landen getroffen door de tsunami in 2004

(COM(2005)0036 - C6-0036/2005 - 2005/0005(CNS))

 
  
MPphoto
 
 

  Swoboda (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik steun dit voorstel graag, maar ik wil er wel op wijzen dat we bij de realisatie ervan moeten opletten dat er geen schade wordt berokkend aan de lokale economie en dan met name aan de visserij. Onder deze voorwaarden stemmen wij in met dit voorstel en het verzoek om urgentverklaring.

 
  
MPphoto
 
 

  Kauppi (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, mijn motie van orde heeft niet betrekking op de stemming over de overbrenging van vaartuigen naar door de tsunami getroffen landen, maar op problemen met de vertolking in dit Parlement. Gisteren sprak ik hier in de voltallige vergadering. Ik hield een toespraak van twee minuten maar mijn politieke boodschap werd volkomen verkeerd weergegeven door de tolken. Daardoor leek het alsof ik onzin uitkraamde. Mijn collega’s begrepen geen woord van wat ik in het Fins zei.

Dit probleem doet zich keer op keer voor met alle kleine taalgroepen in het Europees Parlement. Ik zal in de voltallige vergadering geen Fins meer spreken als dat betekent dat mijn politieke boodschap verkeerd wordt weergegeven. Hetzelfde is gebeurd aan het begin van deze zitting met het Pools, een heel mooie taal. De vertolking is niet op haar taak berekend en dat is een verschrikkelijk probleem voor dit Huis. Ik wil dat dit in het verslag wordt opgenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Uw bezorgdheid zal worden opgetekend, mevrouw Kauppi. Ik begrijp waarom u Engels sprak in plaats van Fins. Dit is een ernstige zaak die wij zullen onderzoeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Morillon (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, als voorzitter van de Commissie visserij zal ik u zeggen hoezeer wij dit verzoek om urgentverklaring op prijs stellen. Vanaf het moment van de ramp hebben we het optreden van commissaris Borg op de voet gevolgd en hebben we hem gesteund. Wat de inhoud betreft zal de Commissie visserij om 17.30 uur in buitengewone vergadering bijeenkomen om te besluiten of de verschillende maatregelen – zoals onze collega Swoboda al zei – overeenkomen met de belangen die de vergadering nastreeft. Maar wat de vorm betreft meen ik het standpunt van een meerderheid van mijn collega’s te vertolken als ik zeg dat ik alleszins welwillend sta tegenover de urgentieprocedure.

 
  
MPphoto
 
 

  Schlyter (Verts/ALE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, nu hebben we twee sprekers gehoord die voorstander zijn, terwijl we er volgens de regels recht op hebben een spreker te horen die tegen is. Laten we het er eerst over eens zijn dat iedereen zo snel mogelijk hulp wil geven op de meest efficiënte wijze. Ik wil mij echter tegen urgentverklaring uitspreken.

Het was een aardig idee om oude vissersvaartuigen te exporteren, maar het werkt niet. De FAO heeft nog steeds geen lijsten ontvangen van de vaartuigen die de betrokken landen willen hebben. Ze waarschuwen bovendien voor het gevaar dat de vaartuigen een verkeerde uitrusting en een onnodig grote capaciteit hebben. Dat moet eerst worden uitgezocht.

Bovendien is vorige week op Sumatra een conferentie van de regionale visserijorganisaties gehouden met vertegenwoordigers van onder andere Indonesië, Thailand en Sri Lanka. Die zijn tegen export van oude vaartuigen. Ze willen liever steun hebben voor het opbouwen van hun lokale scheepswerven en vissersvloten. Willen we met een goed functionerend en op de behoeften afgestemd voorstel komen, dan moet dat volgens de gebruikelijke procedures behandeld worden, zodat beter rekening kan worden gehouden met plaatselijke overwegingen. We moeten meer overleg voeren met de FAO en met de plaatselijke vissers voordat we tot stemmen kunnen overgaan.

 
  
  

(Het Parlement willigt het verzoek om urgentverklaring in)

Voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust

(COM(2004)0842 - C6-0023/2005 - 2004/0286(CNS))

 
  
MPphoto
 
 

  Cavada (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken heeft bij het goedkeuren van dit verslag zeker rekening gehouden met het urgentieverzoek van de Raad, maar tegelijkertijd heeft zij hem middels een amendement op de wetgevingsresolutie en op de considerans van de verordening gemaand de diplomatie alle ruimte te geven alvorens over te gaan tot definitieve goedkeuring van de tekst. Ik wil het Parlement dan ook verzoeken, mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de suggestie van de commissie die ik de eer heb voor te zitten op te volgen, een suggestie die eveneens de unanieme steun geniet van de Commissie ontwikkelingssamenwerking.

Uit procedureel oogpunt en om ook protest van derden te vermijden, wil ik u vragen de Raad erop te wijzen dat, wanneer het Parlement over wetgeving wordt geraadpleegd, de voorgelegde teksten ook wat de bijlagen betreft volledig moeten zijn.

 
  
  

(Het Parlement willigt het verzoek om urgentverklaring in)

 

3. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (bekendmaking van ingediende ontwerpresoluties): zie notulen

4. Economie / Openbare financiën
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- het verslag A6-0026/2005 van de heer Goebbels, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over de toestand van de Europese economie - voorbereidend verslag over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (2004/2269(INI))

- het verslag A6-0025/2005 van de heer Karas, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over openbare financiën in de EMU - 2004 (2004/2268(INI))

 
  
MPphoto
 
 

  Goebbels (PSE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, het debat over het macro-economisch beleid wordt hoe langer hoe meer ideologisch gekleurd. Zo is mijn verslag over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid door een conservatieve en liberale meerderheid verminkt doordat iedere verwijzing naar de noodzaak het Europees economisch beleid te coördineren eruit is gehaald, ook al is dit voorgeschreven in artikel 4 van het Verdrag. Daarentegen wil dezelfde meerderheid niet inzien dat het Stabiliteits- en Groeipact moet worden aangepast aan de economische cycli en dient de Commissie ook de kwaliteit van de overheidsuitgaven in haar oordeel te betrekken, door een eventueel begrotingstekort van een staat aan een analyse te onderwerpen. Gelukkig zullen deze dogmatische pleitbezorgers van stabiliteit tot elke prijs spoedig tegengas krijgen van de Raad Ecofin. Als klap op de vuurpijl van deze ultraliberale stijfhoofdigheid heeft deze zelfde meerderheid nog twee amendementen aangenomen. In het ene wordt aangedrongen op de verlaging van het algemeen belastingpeil, terwijl in het andere een algemene toename van de arbeidsduur als onvermijdelijk wordt voorgesteld. Dit is wat sommige collega’s waarschijnlijk verstaan onder het evenwicht tussen flexibiliteit en veiligheid dat wordt voorgestaan in het verslag-Koch. Meer werken voor de werknemers, minder belasting voor de rijken.

Maar, mijnheer de Voorzitter, laten we rustig proberen het bestek op te maken van de Europese economie. Het jaar 2004 was een goed jaar voor de wereldeconomie. Nooit eerder is de omvang van de internationale handel zo groot geweest. In het nieuwe verslag van de IAO wordt echter opgemerkt dat ondanks de sterke groei van de wereldeconomie – meer dan 5 procent – de werkloosheid wereldwijd nauwelijks is afgenomen. De relatieve armoede daarentegen is wel sterk afgenomen. De Europese Unie heeft slechts een matige groei gekend en een zeer bescheiden terugloop van de werkloosheid, met name in de nieuwe lidstaten. De productiviteit van de EU van vijfentwintig is volgens de IAO echter verbeterd in een hoger tempo dan het wereldgemiddelde. Dat verklaart waarschijnlijk waarom de Unie de grootste exporteur van goederen en diensten is en waarom Duitsland op zichzelf al beter presteert dan de Verenigde Staten, China of Japan.

Een Europa dat de grootste exporteur en de grootste inkoper op de wereldmarkt is, en dat erin slaagt haar cijfers in balans te brengen, kan er toch niet zo slecht aan toe zijn als wij volgens het heersende europessimisme zouden moeten geloven. Ik zal niet doorslaan in een gelukzalig euro-optimisme. De Unie zou zeker beter kunnen. De groei is onvoldoende en de werkloosheid is te hoog, vooral in sommige grote landen en om te beginnen in de traditionele drijvende krachten van de Unie: Duitsland en Frankrijk. Voor de ultraliberalen bestaat er geen twijfel over de oorzaak: het probleem is volgens hen dat het stabiliteitsbeleid wordt gedwarsboomd en structurele hervormingen uitblijven. Er zijn echter wel degelijk in tal van landen structurele hervormingen doorgevoerd. Zo is de regering-Raffarin begonnen aan een hervorming van de pensioenen en heeft kanselier Schröder Hartz 1 en 2, en inmiddels ook Hartz 3 en 4 door het parlement geloodst.

Echter, zonder groei schieten zelfs de meest doortastende structurele maatregelen tekort. Dat is de boodschap van het Comité voor economische politiek in zijn jaarverslag over structurele hervormingen, waarin duidelijk wordt gesteld dat de regeringen alleen in een geschikt macro-economisch klimaat zullen profiteren van de structurele hervormingen in de vorm van groei en werkgelegenheid. Hoewel het totale tekort in de eurozone inderdaad is toegenomen, waarbij het overigens niet in de buurt komt van het niveau van de Verenigde Staten of Japan, zullen de hoeders van de orthodoxie versteld staan van het resultaat. Het Stabiliteits- en Groeipact was bedoeld om te voorkomen dat de staatsschuld zou leiden tot een bovenmatige stijging van de rentevoet, waardoor de euro een zwakke munt zou worden. Welnu, de ECB heeft met de rentepercentages juist een historisch laagtepunt weten te bereiken. De euro is welhaast té sterk ten opzichte van Koning Dollar. Ondanks de schommelingen en ondanks de situatie op de oliemarkten is het inflatiecijfer voor de eurozone uiterst laag gebleven en ligt de koopkracht er hoger dan in de VS of Groot-Brittannië.

Klaarblijkelijk is het probleem van de eurozone niet gelegen in een gebrek aan stabiliteit, maar in een gebrek aan groei. Met name in Duitsland en Frankrijk, maar ook in Italië, blijft de binnenlandse vraag achter. Alle landen hebben hun investeringen teruggeschroefd teneinde het overheidstekort terug te dringen. En omdat de Duitsers en de Fransen niet voldoende consumeren blijven private investeringen eveneens uit. Waarom ook investeren bij zo’n slappe vraag? De spaarquote daarentegen is met name in Frankrijk en Duitsland ongekend hoog. Dit duidt op een gebrek aan vertrouwen en angst voor de toekomst. Er is echter één groot Europees land dat een aanzienlijke groei kent en een aanvaardbaarder werkloosheidscijfer, en dat is Groot-Brittannië. Hoe komt dat? De Britse regering heeft de binnenlandse vraag ondersteund middels een actiever investeringsbeleid en middels een belastingbeleid dat niet in kwezelachtige vroomheid de stabiliteitsorthodoxie navolgt, maar dat juist evenwicht over de hele economische cyclus beoogt. Daar komt bij dat de Britten wel consumeren, ook al gaat dat gepaard met welhaast Amerikaans aandoende schuldcijfers. Het enige nadeel voor de Britten in vergelijking tot de eurozone is dat zij een basisrentevoet betalen van 4,75 procent, tegen 2 procent in de eurozone.

De Europese Unie en met name de eurozone hebben meer groei nodig. Deze groei kan alleen maar voortkomen uit de binnenlandse vraag, uit publieke en private investeringen, en uit de consumptie. Bijkans 90 procent van de handel van de Unie vindt plaats tussen de 25 lidstaten. Zelfs als de Unie concurrerend blijft in de wereldhandel, dan nog kan de buitenlandse vraag ons geen groei bezorgen. Hoewel sommige kleine landen hoofdzakelijk van de buitenlandse vraag leven, zijn de grote landen altijd grotendeels afhankelijk van de binnenlandse vraag. Overigens zouden degenen die ervoor pleiten om het Europees concurrentievermogen te verbeteren door op sociaal gebied de minste eisen te stellen en de lonen te nivelleren, moeten erkennen dat de hoofdmoot van de handel plaatsvindt tussen landen waar de lonen en de sociale lasten op ongeveer hetzelfde peil staan als in Europa. Het snijden in de lonen, en daarmee in de consumptie, zal de Unie dus geen vooruitgang brengen. De consumptie en vooral de investeringen moeten juist een nieuwe impuls krijgen en dat moet op gecoördineerde wijze gebeuren. In artikel 4 van het Verdrag wordt opgeroepen tot deze coördinatie van het economisch beleid. Door middel van een intelligente hervorming van het Stabiliteits- en Groeipact zal de Unie de groei en werkgelegenheid kunnen terugkrijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Karas (PPE-DE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, de twee rapporteurs moeten niet alleen het standpunt van hun partij naar voren brengen, maar ook hun verslag presenteren. Beide verslagen hebben in onze commissie geleid tot een zeer intensief politiek debat, omdat ze feitelijk een koers aangeven en geen wetgevende verslagen zijn. Dat blijkt uit het feit dat er over deze kwestie weliswaar grote overeenstemming bestaat, maar dat één fractie zich bij beide verslagen grotendeels van stemming heeft onthouden. Dit laat zien welk belang, welke politieke koersaspecten, en welke fundamenteel politieke overwegingen de twee verslagen aan de orde brengen.

Laat ik me beperken tot het verslag dat nu voor ons ligt. Vooraf wil ik hier drie opmerkingen bij plaatsen. Ten eerste is de Europese Unie een rechtsgemeenschap. Maar hoewel we een rechtsgemeenschap zijn, hebben twaalf lidstaten sinds de invoering van het Stabiliteits- en Groeipact zich niet gehouden aan de bepalingen daarvan of aan die van het Verdrag. Het zijn vijf lidstaten die tot de eurozone behoren, namelijk Portugal, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Griekenland, en ook het Verenigd Koninkrijk, waarop de procedure inzake buitensporige begrotingstekorten niet van toepassing is, maar dat wel gehouden is aan de bepalingen van artikel 116, lid 4 van het Verdrag.

Mijn tweede opmerking vooraf is dat wij met de euro een succesvolle gemeenschappelijke munt hebben, die van de interne markt een regionale markt maakt, maar dat we geen gemeenschappelijk begrotingsbeleid hebben. We hebben een gemeenschappelijk economisch beleidskader nodig om de mogelijkheden van de euro te benutten en om de Europese Unie in staat te stellen haar doelstellingen op het gebied van groei en werkgelegenheid te bereiken. Er is hier echter iets tegenstrijdigs aan de hand. Slechts vier lidstaten van de eurozone, die in totaal meer dan 18 procent van het bruto binnenlands product van de eurozone vertegenwoordigden, hadden in 2002 een vrijwel evenwichtige begroting. In 2004 waren dit vijf lidstaten van de eurozone.

Mijn derde opmerking vooraf is dat wij de Lissabon-strategie hebben opgesteld voor meer groei en werkgelegenheid en voor een betere concurrentiepositie. De realiteit die uit dit verslag spreekt, is dat de groei van de economie in de Europese Unie het afgelopen decennium ver achter is gebleven bij de mogelijkheden en dat er een achteruitgang is te zien zowel bij de particuliere investeringen als bij de bruto openbare investeringen in de eurozone, namelijk van 4 procent van het BBP begin jaren zeventig naar 2,4 procent.

Nu worden er verschillende conclusies getrokken. Sommigen zeggen dat het de schuld is van het Stabiliteits- en Groeipact, want we hebben het er immers over dat de wettelijke bindende bepalingen niet zijn nageleefd; anderen zeggen dat we ons huiswerk niet hebben gedaan en dat de politieke wil ontbreekt. We moeten structurele hervormingen doorvoeren. We moeten de demografische ontwikkeling als uitgangspunt nemen van de veranderingen van onze omstandigheden. Het Stabiliteits- en Groeipact is een succes omdat het ervoor zorgt dat het politieke debat over de nodige structurele hervormingen, over het tekortschieten van het begrotingsbeleid en over de gevaren voor de euro, op de voorgrond wordt gesteld en daardoor aangewakkerd wordt.

Dit vindt een meerderheid van de commissie. In dit verslag staat dat er meer politieke wil nodig is bij de invoering en meer moed voor hervormingen op lange termijn. Hierbij moeten we serieuzer te werk gaan en minder excuses opvoeren. In dit verslag staat ook dat er meer hervormingsgezindheid en meer eerlijkheid jegens de burgers moeten komen. Duitsland wil nu dat de kosten van de hereniging van de berekening worden uitgesloten. Dit is een voorbeeld van het oneerlijke debat dat wordt gevoerd, want Duitsland heeft zich tot het begin van dit decennium gehouden aan de stabiliteits- en groeicriteria, meegewerkt aan het Stabiliteits- en Groeipact en daar tien jaar lang geen probleem mee gehad.

Ik verzoek u om voor dit verslag te stemmen dat staat voor meer stabiliteit, groei en werkgelegenheid en voor de naleving van het Europees recht en het Verdrag.

 
  
MPphoto
 
 

  Almunia, lid van de Commissie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats zou ik, ook namens de Commissie, de rapporteurs, de heer Goebbels en de heer Karas, willen gelukwensen met de twee onderhavige verslagen. Verder wil ik alle afgevaardigden gelukwensen die in de Commissie economische en monetaire zaken een bijdrage hebben geleverd aan de opstelling van de tekst die hier vandaag in deze plenaire vergadering wordt behandeld.

Ik kan u zeggen dat ik het in grote lijnen eens ben met de diagnose die in beide verslagen gegeven wordt. Vijf jaar nadat de Europese Raad het groene licht gaf aan de zogenoemde Lissabon-strategie zijn we het allemaal eens over de noodzaak om de doelstellingen en de pijlers van deze strategie opnieuw te onderschrijven en onze steun hiervoor te bekrachtigen. Maar tegelijk moeten wij ook de achterstand betreuren die is opgelopen bij de tenuitvoerlegging van het beleid dat vereist is om die doelstellingen te verwezenlijken.

Wat betreft de openbare financiën en het huidige kader van toezicht op de ontwikkeling van de begrotingen en van de overheidsfinanciën – het Stabiliteits- en Groeipact dus - onderschrijven wij de referentiewaarden, de pijlers die in het Verdrag zijn vastgelegd. Gedurende de jaren sinds het Stabiliteits- en Groeipact in werking is getreden, hebben de openbare financiën in de Economische en Monetaire Unie in grote lijnen een gunstige ontwikkeling laten zien, maar zoals de heer Karas al zei zijn er te veel landen, op dit moment tien, die met een buitensporig begrotingstekort kampen. Er zijn lidstaten in de Unie waarin de verhouding van de overheidsschuld ten opzichte van het bruto binnenlands product hoger ligt dan de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 procent. Wij moeten ons dan ook bezinnen op en op zoek gaan naar mogelijkheden om de tenuitvoerlegging van het Stabiliteits- en Groeipact te verbeteren en wij moeten de instrumenten voor het welslagen van dit kader voor fiscale governance verbeteren.

Dan nu het standpunt van de Commissie ten aanzien van het eerste van de twee verslagen. Het is duidelijk dat de groeicijfers van de Europese Unie, en van de eurozone in het bijzonder, lager liggen dan die van onze concurrenten, de overige economische regio's van de geïndustrialiseerde wereld, laat staan dan die van de opkomende landen, die groeicijfers kennen van 6, 7 en zelfs 10 procent. Die lage groei leidt tot een situatie van hoge werkloosheid en een tekort aan arbeidsplaatsen, en doet ernstige twijfels rijzen over de houdbaarheid van ons sociaal model, en over de houdbaarheid van ons maatschappelijk bestel in het algemeen.

Er zijn dus structurele hervormingen nodig, en zoals de geachte afgevaardigden bekend is, heeft de Commissie daartoe in haar mededeling van twee februari een aantal hoofdlijnen uitgezet die beogen de tenuitvoerlegging van de Lissabon-strategie te herzien en te verbeteren. In dat verband heeft de Commissie een reeks prioriteiten vastgesteld op basis van een drietal hoofddoelstellingen: in de eerste plaats moeten we Europa aantrekkelijker maken als regio om in te investeren en te werken, en wel door de interne markt te verruimen en te ontwikkelen, door de regelgeving te verbeteren, door open en concurrerende markten te waarborgen en door de Europese infrastructuurnetwerken uit te breiden en te optimaliseren. In de tweede plaats moeten kennis en innovatie worden bevorderd als basisfactoren voor het aanzwengelen van de groei, en wel door het bevorderen en verbeteren van onderzoek en ontwikkeling, het stimuleren van innovatie en de invoering van informatietechnologieën en het bevorderen van de totstandkoming van een solide Europese industriële basis. Onze derde doelstelling is het verhogen van de omvang en kwaliteit van de werkgelegenheid, door de ontwikkeling van een beleid waarmee meer mensen de arbeidsmarkt kunnen betreden, door modernisering van de sociale zekerheidsstelsels, door vergroting van het aanpassingsvermogen van werknemers en bedrijven en door grotere investeringen in menselijk kapitaal.

Met deze hoofdlijnen als leidraad kunnen we de impuls doen herleven die de architecten van de Lissabon-strategie, of de oprichters ervan als ik hen zo noemen mag, vijf jaar geleden voor ogen hadden, en kunnen we de verloren tijd inhalen. Tegelijkertijd moet er op nationaal niveau met meer ownership worden opgetreden, want het lijdt geen twijfel dat een groot aantal van de acties om de Lissabon-strategie tot een goed einde te brengen vooral afhankelijk zijn van nationale bevoegdheden.

De Commissie huldigt het standpunt dat het macro-economisch beleid in dit verband gericht moet zijn op het ondersteunen van de groei. Een van de basisfuncties van de structurele hervormingen is echter om het groeipotentieel te verhogen, en om dat te bereiken mogen we niet vertrouwen op het macro-economisch beleid. Die taak moet worden vervuld door structurele hervormingen zoals die welke op de lijst van de Europese Commissie staan.

Wat het tweede verslag betreft – over het Stabiliteits- en Groeipact, de situatie van de openbare financiën - dat de heer Karas ons zojuist heeft voorgelegd, zij erop gewezen dat de onderhandelingen in het kader van de Ecofin vrij voorspoedig verlopen: op de bijeenkomst van afgelopen week is verdere vooruitgang geboekt. Er zullen nog andere bijeenkomsten worden gehouden, van de Eurogroep op 7 maart, en van de Ecofin op 8 maart, die bijzonder nuttig zullen zijn om een akkoord binnen bereik te brengen.

Ik ben optimistisch gestemd over de mogelijkheden dat er op de Europese Raad van 22 en 23 maart een akkoord wordt bereikt waarin wordt vastgehouden aan de beginselen en de referentiewaarden van het Verdrag en aan de pijlers van het kader van de fiscale en de begrotingsdiscipline die zijn vastgelegd in het Verdrag en die wij allemaal dienen te eerbiedigen. Dit akkoord zou een verbetering van de instrumenten moeten behelzen in die zin dat de governance van het Stabiliteits- en Groeipact de fouten vermijdt die onze ervaringen van de afgelopen jaren aan het licht hebben gebracht. Verder dient die governance ervoor te zorgen dat landen met buitensporige tekorten extra steun krijgen om orde op zaken te stellen, dat de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarden van de tekorten en de schulden worden geëerbiedigd, en dat er meer aandacht komt voor de houdbaarheid van onze stelsels en voor de situatie op de langere termijn, want de vergrijzing van de bevolking is een uitdaging die steeds dichter bij komt. Tegelijkertijd moeten begrotingsdisciplines beter worden gekoppeld, want de begrotingsdiscipline blijft een onmisbaar element met het oog op groei en op de strategie ter stimulering van groei, werkgelegenheid en duurzaamheid, de Lissabon-strategie dus, want deze twee strategieën staan in nauw verband met elkaar.

Macro-economisch evenwicht is een noodzakelijke voorwaarde voor groei, maar er zijn nog meer beleidsvormen nodig, in de vorm van structurele hervormingen. Het is bijzonder gunstig dat de Europese Raad van maart deze twee belangrijke kwesties allebei op zijn agenda heeft staan, kwesties die hier vandaag in het Parlement worden behandeld, en waarover ook de Commissie en de Raad beraadslagen. Op die manier zullen we een akkoord kunnen bereiken met oog voor de toekomst, waarin deze twee strategieën beter op elkaar zullen zijn afgestemd en waarin zonder meer zal worden vastgehouden aan de beginselen van beide. De ene strategie staat voor een grotere duurzaamheid, meer sociale cohesie, meer groei, meer werkgelegenheid en meer concurrentievermogen, en de andere strategie staat voor een betere begrotingsdiscipline en een grotere duurzaamheid van de openbare financiën als noodzakelijke basis voor economische stabiliteit en voor het creëren van de voorwaarden die alle investeerders, al degenen die rijkdom genereren, nodig hebben om de toekomst met meer vertrouwen tegemoet te kunnen zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Hökmark (PPE-DE), namens de PPE-DE-Fractie. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik willen zeggen dat de tekorten in de openbare financiën in diverse landen symptomatisch zijn voor de problemen in de nationale economieën. Dat probleem lossen we niet op door grotere tekorten toe te staan. Dan lopen we het reële gevaar dat we de stabiele voorwaarde voor groei uithollen, namelijk de lage rente. Dan lopen we ook het gevaar dat we de stimulans voor de huishoudens wegnemen, namelijk de lage rente, en tevens dat we de voorwaarde voor duurzame groei verzwakken, namelijk de lage rente.

Daarom is het belangrijk om, net als de commissaris in zijn toespraak deed, met nadruk te wijzen op het belang van structurele hervormingen. Het zijn de economieën van Europa die flexibeler moeten worden – niet onze gemeenschappelijke regels. Met gemeenschappelijke voorwaarden voor het opzetten van ondernemingen kunnen we welvaart en nieuwe banen creëren. Het is te betreuren dat de sociaal-democratische leden van de Commissie economische en monetaire zaken hebben besloten om zich te onthouden van stemming over het verslag-Goebbels. In dit verslag staan nu juist een aantal concrete voorstellen om een beter groeipotentieel in Europa te bewerkstelligen.

Wij vinden dat er betere arbeidsvoorwaarden moeten komen, maar niet met de methode die de heer Goebbels eerder noemde, namelijk het verlengen van de werktijd. We willen dat meer mensen aan het werk kunnen en we willen betere voorwaarden scheppen opdat mensen gedurende langere tijd van hun leven kunnen werken en in verschillende fasen van het leven méér kunnen werken wanneer ze dat willen. Dat vereist veranderingen binnen de ondernemingen, het wetenschappelijk onderzoek en de interne markt. We bevinden ons op dit moment in een grote omwenteling als gevolg van de concurrentie die we om ons heen zien.

Nu is het onze belangrijke taak om ervoor te zorgen dat het Europese bedrijfsleven nog sterker wordt door meer concurrentie. Daarbij gaat het om de dienstenrichtlijn en om verscherping van de concurrentie op meer gebieden. Dat is onze taak, en als we daarin slagen, krijgen we in Europa meer groei, meer werkgelegenheid en de beste salarissen.

 
  
MPphoto
 
 

  Van den Burg (PSE), namens de PSE-Fractie. – Bedankt Voorzitter, ik denk dat de heer Karas terecht gezegd heeft dat we in dit debat te maken hebben met een soort richtingenstrijd in dit Parlement en een debat over hoe we het macro-economisch beleid aan moeten pakken in de Europese Unie.

Ik heb vaak sterk de indruk dat de EVP en ook delen van de liberale fractie bezig zijn in dit debat de vorige oorlog te voeren en heel sterk nog vanuit oude discussies, over het Stabiliteits- en Groeipact en structurele hervormingen redeneren en niet de uitdagingen die er op dit moment zijn op een duidelijke manier aanpakken. En bovendien heb ik vaak de indruk dat er erg veel nationale politiek bedreven wordt en nationale discussies voortgezet worden in dit Europees Parlement in plaats van te focussen op de Europese dimensie.

Mijn fractie heeft meer voorkeur voor de benadering die de Europese Commissie gekozen heeft ten aanzien van de hervorming van het stabiliteits- en groeipact en ook de benadering die het Luxemburgs voorzitterschap daarin gekozen heeft. Ik verwijs naar de besluiten van de Ecofin Raad van 13 september jl. waarin heel duidelijk ook een richting gekozen wordt voor hervorming van het stabiliteits- en groeipact in het kader van de bredere discussie en juist in relatie ook tot de Lissabonstrategie en de globale richtsnoeren voor het economisch beleid.

Die hervorming van het stabiliteitspact zou dan op de preventieve aspecten in moeten gaan, op de verschillen in economische ontwikkelingen in de lidstaten en op de correctieve aspecten, en ook een verbetering van de excessive deficit procedure moeten bevorderen. Maar wat vooral daarin belangrijk is, en dat willen wij in onze fractie benadrukken, is dat we echt macro-economisch beleid gaan voeren in Europa en daarbij Europa ook als economische eenheid, als economische entity beschouwen. Bush heeft dat onlangs gezegd in het kader van het buitenlands beleid. Ik denk dat dat ook juist bij het macro-economisch beleid aan de orde moet zijn, dat we niet langer in de eerste plaats als lidstaten met elkaar moeten concurreren en ons tegenover elkaar willen profileren en dus ook moeten verdedigen, als het gaat om dat stabiliteits- en groeipact, maar dat we dat Europese perspectief moeten kiezen en van daaruit economisch beleid gaan voeren.

Daarvoor is het nodig om ook die Lissabonstrategie serieus te bekijken en ook de link die dat heeft met de hervorming van het stabiliteits- en groeipact en daarom wil mijn fractie nog steeds in die discussie ook benadrukken dat we de nadruk gaan leggen op investeren en ook gaan kijken hoe we binnen de normen die aangelegd worden in dat stabiliteits- en groeipact een onderscheid gaan maken tussen lopende uitgaven en uitgaven die echt bedoeld zijn om te investeren in die kenniseconomie die we in die Lissabonstrategie willen hebben en dan willen we dat niet op een manier dat lidstaten zelf uit kunnen maken hoe ze creatief gaan boekhouden, maar door duidelijk Europees keuzes daarin te maken en Europees een strategie uit te zetten om bijvoorbeeld investeringen die je daarin doet op een langere termijn af te schrijven zoals ook in het bedrijfsleven gebruikelijk is.

Wij hopen dat een aantal van dat soort zaken toch in deze verslagen aan de orde kunnen komen en dat deze discussie in de plenaire veradering van maart voortgezet zal worden, als het gaat over de herziening van de Lissabonstrategie en de voorbereiding van de voorjaarstop.

 
  
MPphoto
 
 

  Klinz (ALDE), namens de ALDE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, een meerderheid van de Commissie economische en monetaire zaken heeft zich gevonden in een overwegend evenwichtig verslag, ook al distantieert de heer Goebbels zich hier vandaag van. Ik vind het belangrijk dat we de Commissie de volgende vier aspecten meegeven.

Ten eerste heeft de tenuitvoerlegging van de Lissabon-strategie behoorlijk wat vertraging opgelopen. Dit komt onder andere doordat de strategie uit meerdere doelstellingen bestond. De groep-Kok heeft in november geadviseerd dat we ons concentreren op een paar prioriteiten. Deze strategie is zinvol en wordt door ons gesteund. Wij sporen de Commissie aan om zich te concentreren op de door de groep-Kok voorgestelde prioriteiten, en de verklaringen van de Commissie in dit verband stemmen ons optimistisch. Daarnaast roepen wij de Commissie op om de beste prestaties van de lidstaten te analyseren en hieruit lering te trekken. Op basis van geslaagde voorbeelden in een lidstaat kan het principe van best practice impulsen aan andere lidstaten geven.

Ten tweede moet de Commissie zich meer concentreren op de verwezenlijking van de interne markt. De consument moet namelijk een duidelijk beeld krijgen van de concrete voordelen van een grote Europese markt, doordat hem betere en goedkopere producten en diensten worden aangeboden. Op sommige terreinen is nog steeds sprake van belemmeringen en handelsbeperkingen. Dit kunnen we niet accepteren als we willen dat de interne markt goed functioneert en als we concurrentie onder eerlijke voorwaarden wensen. De burger moet merken dat we vooruitgang boeken.

Ten derde zijn wij niet tegen een hervorming van het Stabiliteits- en Groeipact, zoals de heer Goebbels suggereert. Wij zijn wel tegen een verwatering van het pact. Naast de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank garandeert het de stabiliteit van de euro. Wij steunen het uitgangspunt van de Commissie om meer waarde te hechten aan het preventieve aspect van het pact. Dit betekent echter niet, zoals de heer Goebbels mogelijk denkt, dat we in goede tijden een tekort van minder dan 3 procent kunnen hebben om deze 3 procent vervolgens in slechte tijden aanzienlijk te overschrijden. In goede tijden moeten we namelijk reserves opbouwen, zodat we ook in conjunctureel moeilijke tijden het toelaatbare tekort niet of slechts een klein beetje overschrijden en de opgelopen schuldenlast in zijn geheel geleidelijk kan worden teruggebracht.

Tot slot wil ik het nog over een vierde punt hebben. De leden van de ALDE-Fractie in de Commissie economische en monetaire zaken hebben een amendement ingediend voor de nodige structurele hervormingen in de lidstaten. Dit amendement is weliswaar aangenomen, maar door een fout – ik weet niet van wie – staat het niet in de definitieve versie. Wij willen dit amendement daarom in deze vergadering nogmaals mondeling indienen. De tekst ervan luidt: "Het EP beveelt de lidstaten aan de reeds lange tijd noodzakelijke structurele hervormingen uit te voeren, opdat het investeringsklimaat verbetert als voorwaarde voor economische groei."

Het gaat erom dat we het enorme belang van structurele hervormingen voor economische groei benadrukken en de verantwoordelijkheid hiervoor klip en klaar bij de lidstaten leggen. Het wordt de hoogste tijd dat men in de Europese Unie een einde maakt aan de aanhoudende praktijk waarbij buitensporig hoge middelen worden gereserveerd om verouderde structuren in stand te houden. Daarnaast moeten de lidstaten gericht maatregelen treffen de schaduweconomie aan banden te leggen, aangezien deze een gezonde groei en stabiliteit in de weg staat. Alleen zo kunnen we de doelstellingen van Lissabon snel dichterbij brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonckheer (Verts/ALE), namens de Verts/ALE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, een gerenommeerde Franse econoom heeft onlangs een boek gepubliceerd getiteld “La politique de l’impuissance”, oftewel de politiek van de onmacht. Ik denk dat die titel een gevoel uitdrukt dat veel van onze medeburgers herkennen. Ik wil daar evenwel aan toevoegen dat deze politiek van de onmacht in feite een strategie is waarvoor sinds de Raad van Maastricht in 1992 bewust is gekozen en waarvan de drie hoofdlijnen grofweg de volgende zijn: structurele hervorming van de markten – zoals dat heet in ons jargon –, vermindering van de overheidstekorten en beleid gericht op het veroveren van buitenlandse markten.

Op het institutionele vlak en vanuit het oogpunt van de bevoegdheidsverdeling heeft de Europese Unie bovendien de exclusieve bevoegdheid op het gebied van mededingingsrecht en de monetaire unie; verder moeten de lidstaten zich maar zien te redden en elkaar beconcurreren. Ik denk dat deze institutionele keuze vijftien jaar nadien – tot mijn spijt, moet ik zeggen – wordt bevestigd in het Grondwettelijk Verdrag, waar ik overigens achter sta, zelfs al bevat het vele lacunes. Vijftien jaar later zijn de resultaten - of veeleer het gebrek aan resultaten - zichtbaar op het vlak van groei, en dan vooral van kwalitatieve groei, evenals op het vlak van werkgelegenheid.

Welnu, mijnheer de commissaris, onze boodschap als groene fractie is dat er werkelijk een verandering van strategie vereist is. We hebben de indruk dat de discussies omtrent het Stabiliteits- en Groeipact discussies in de marge zijn en dat we eigenlijk, als we echt betere resultaten willen behalen, een proactiever beleid moeten voeren op het niveau van de eurozone. Binnen dat beleid moeten de ministers eindelijk uitgaan van een gezamenlijk Europees ondersteunend kader dat berust op ambitieuzere doelstellingen en zal men zich moeten inspannen om de verschillende nationale economieën op elkaar af te stemmen. Aangezien ik niet veel tijd heb zal ik mij beperken tot drie van die doelstellingen.

De eerste bestaat, mijns inziens, in een grootschalige verlaging van de belastingen op arbeid en alternatieve manieren om de socialezekerheidsstelsels te financieren, rekening houdend met de verschillen tussen de landen. Maar ik denk dat het uiterst belangrijk is om tegen alle burgers te kunnen zeggen dat degenen die werken – degenen die de mogelijkheid hebben om te werken – fatsoenlijk van hun werk moeten kunnen leven. En ik denk dat voor de verwezenlijking van die doelstelling een grootschalige verlaging van de belastingen op arbeid noodzakelijk is.

De tweede doelstelling – en dit zal u niet verbazen – vloeit voort uit de behoefte aan kwalitatieve groei, dat wil zeggen een groei die energiezuiniger en veel minder vervuilend is. De documenten van de Commissie inzake de beoordeling van de communautaire duurzameontwikkelingsstrategie liegen er niet om: de resultaten zijn rampzalig, vandaar de absolute noodzaak om het op dit vlak over een andere boeg te gooien.

Ten derde en tot besluit moeten we de binnenlandse vraag binnen de Unie ondersteunen. We moeten niet al onze pijlen richten op de verovering van buitenlandse markten, alsof de economie enkel bestaat uit grote ondernemingen of innoverende KMO’s die zich op de Chinese en Indiase markten storten. De binnenlandse vraag dient te worden gesteund, en dat vereist publieke en private investeringen, alsmede een heldere boodschap van overheidswege – zowel op het niveau van de Europese Unie als op het niveau van de lidstaten – dat we er trots op zijn Europeanen te zijn en een monetaire unie alsmede een interne markt tot stand hebben gebracht. Nu is het tijd dat er een echte economische en sociale unie tot stand komt die iedere burger een toekomst biedt.

 
  
MPphoto
 
 

  Wagenknecht (GUE/NGL), namens de GUE/NGL-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, natuurlijk kunnen we zo blijven doorgaan met het Europese economische beleid. We kunnen noodzakelijke structurele hervormingen als excuus aanvoeren en vervolgens doorgaan met de Europese sociale stelsels af te breken en de vakbonden onze wil op te leggen door te dreigen met hoge werkloosheid en steeds meer goedkope banen. We kunnen overheidsdiensten onderwerpen aan het marktmechanisme waardoor het aanbod wordt beperkt tot wat voor bedrijven winstgevend is. We zouden er door een nieuwe ronde van belastingdumping voor kunnen zorgen dat Jan Modaal al snel meer bijdraagt aan de staatskas dan menig Europees concern dat miljardenwinsten boekt.

Dit kunnen we allemaal blijven doen. We zijn dan zeker van de lof van degenen die van dit beleid zouden profiteren. Eén ding mogen we echter niet doen, namelijk de Europeanen voorspiegelen dat dit beleid zorgt voor groei en werkgelegenheid. Wie gelooft nu echt dat een verlenging van de arbeidstijd, zoals het verslag wil, meer banen schept dan er zouden verdwijnen? Wie gelooft nu echt dat verdere bezuinigingen op openbare investeringen ervoor zorgen dat de binnenlandse vraag zal toenemen in plaats van dat er nog meer kleine en middelgrote ondernemingen failliet gaan? Wie gelooft er na alle ervaringen met privatisering nog serieus dat dit ervoor zorgt dat de werkgelegenheid toeneemt in plaats van daalt?

Het klopt dat de economische resultaten van de meeste Europese landen tegenvallen, maar te zeggen dat dit komt door hun slechte concurrentiepositie is een leugen. In veel Europese landen zijn de arbeidskosten de afgelopen jaren gedaald. Een extreem voorbeeld hiervan is Duitsland, waar de werknemers het afgelopen jaar een gemiddelde daling van meer dan 2 procent van hun reële loon moesten slikken.

Zijn hierdoor in Duitsland uitzonderlijk veel arbeidsplaatsen ontstaan? Integendeel! Het werkloosheidscijfer heeft een nieuwe recordhoogte bereikt. De exportcijfers echter ook en dat geldt niet alleen voor Duitsland. Het enige dat met politieke prioriteiten als in dit verslag kan worden bereikt, is een verdere toename van de kapitaalopbrengsten van Europese global players en exportconcerns. Dat mag dan in het straatje passen van de Europese Rondetafel van Industriëlen, voor de meeste mensen is het een ramp. Onze fractie zal nooit instemmen met een dergelijk beleid, maar er alles aan doen om het verzet ertegen te stimuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Whittaker (IND/DEM) , namens de IND/DEM-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, in zijn verslag geeft de heer Goebbels veel van wat er mis is met de Europese Unie ronduit toe. Hij erkent dat een sterke economische groei nodig is om de werkloosheid laag te houden, pensioenen uit te keren en datgene te verwezenlijken wat in het verslag “sociale samenhang” of “sociale bescherming” wordt genoemd.

Waarom is er dan zo weinig groei? Sommige sprekers hebben de schuld gelegd bij het Stabiliteits- en Groeipact. Zij zeggen dat het pact te strikt wordt uitgelegd en te weinig financiële steun krijgt van de overheden. Anderen beweren juist het tegenovergestelde en zeggen dat we ons nauwgezetter aan het pact moeten houden. Zij kunnen het niet allebei bij het rechte eind hebben. Ik denk zelfs dat zij er beiden naast zitten.

De heer Goebbels zegt dat de groei zal toenemen als we de concurrentie, de ondernemingsgeest, het initiatief en de risicobereidheid bevorderen, met name onder kleine en middelgrote ondernemingen. Staat u mij toe daar nader op in te gaan. Dat het kleinbedrijf belangrijk is, akkoord; grote multinationals hebben wel alles voor het zeggen, maar als zij banen scheppen is dat buiten de EU. Ik geloof evenwel niet dat er een tekort is aan kansen voor kleine ondernemingen, investeringskapitaal of ondernemers die bereid zijn tot het nemen van risico’s door een bedrijf te starten en werknemers aan te nemen. Waarom gebeurt dat dan zo weinig? En waar dat het wel gebeurt, waarom gaat het dan zo vaak fout? Het antwoord is dat wij heel erg ons best hebben gedaan om het hun lastig te maken.

Praat maar eens met de kleine ondernemer. Je zult dan steeds weer hetzelfde verhaal horen: te veel bureaucratie en te veel regels, vooral waar het gaat om het aannemen van personeel. De kern van dit euvel is dat de hele EU een geïdealiseerde samenleving nastreeft vanuit een gecentraliseerd bestuur dat wetten uitvaardigt en het ondernemerschap beperkingen oplegt. Denk maar aan de werktijdenrichtlijn en de talloze regeltjes die zijn ingevoerd om allerlei rechten te waarborgen. Het effect daarvan is in feite dat ondernemers ondergesneeuwd raken en advocaten zich rijk rekenen. De hele invalshoek is anti-werkgever.

We willen allemaal een hoog werkgelegenheidsniveau en een solidaire samenleving met samenhang. Dat is echter alleen te bereiken bij voldoende welvaart. Wat we nu doen is onze idealen proberen af te dwingen, en daarmee helpen we de bron van onze welvaart om zeep. Het hele model is hard aan herziening toe.

Mijn collega’s van de andere Britse politieke fracties geloven nog steeds dat het hun zal lukken de Europese Unie op andere gedachten te brengen. Wij van de Fractie Onafhankelijkheid/Democratie hebben ingezien dat zoiets onmogelijk is. De enige manier om nog enige welvaart te behouden voor Groot-Brittannië is door uit de EU te stappen. We willen dat onze buren van de EU ook welvarend zijn maar als hun dat niet lukt doordat zij blind blijven vasthouden aan een fout model, gaan wij liever niet samen met hen ten onder.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryan (UEN), namens de UEN-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, we hebben allemaal gezien tot welk een succes de interne markt, met vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, heeft geleid. Het lijdt geen twijfel dat het stelsel van de gemeenschappelijke Europese munt goed functioneert. Het geniet niet voor niets het vertrouwen van zowel de Europese burgers als de ondernemers en investeerders.

Voor een geslaagde Europese Unie is samenwerking tussen de 25 lidstaten op een groot aantal economische punten onontbeerlijk. Dit is een van de doelen die in het kader van de uitvoering van het Lissabon-proces zijn gesteld om van de Europese Unie in 2010 de meest concurrerende economie ter wereld te maken. De regeringen van de lidstaten zullen echter nog wel duidelijke afspraken moeten maken over de manier waarop in de toekomst zal worden omgegaan met de regels voor de economische en monetaire unie. De crux is dat sommige landen hun begrotingstekort te ver laten oplopen, wat natuurlijk tegen de EMU-criteria indruist.

Sommige landen willen dat de regels voor het gemeenschappelijke monetaire stelsel meer open en flexibel worden. Dat is iets waarnaar de Europese regeringen mijns inziens zorgvuldig zullen moeten kijken willen we er zeker van zijn dat zij de nodige infrastructurele projecten op het gebied van vervoer, energie en telecommunicatie kunnen uitvoeren.

Ik stuur niet af op een conflict over de werking van EMU-criteria, maar we kunnen niet permitteren dat we voor eeuwig geconfronteerd blijven met een situatie waarin landen het begrotingstekort ver laten oplopen en waarin sprake is van duidelijke schending van de zogenaamd strenge regels voor de gemeenschappelijke munteenheid. Daarmee wordt de geloofwaardigheid van het algehele kader van de EMU ondermijnd.

De bredere internationale gemeenschap van investeerders zullen pas echt vertrouwen hebben in de economische en monetaire unie van Europa als de EU haar huis op orde brengt. We hebben allemaal gezien hoe wisselvallig valutamarkten kunnen zijn. Of alle landen houden zich aan de regels en hebben vertrouwen in het stelsel of we zitten op dit punt voor onbepaalde tijd met een geloofwaardigheidsprobleem.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, Hans-Peter (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat dit verslag weer een uitdrukking is van de enorme staat van hulpeloosheid waarin deze Unie verkeert. Het begint toch langs alle kanten te kraken, omdat er verschillende tegenstrijdige ontwikkelingen gaande zijn. Aan de ene kant hebben we de interne markt, maar het ontbreekt ons aan alles waarvan we weten dat het nodig is voor een verstandig economisch beleid, en dan heb ik het over de noodzaak van een minimum aan gemeenschappelijke beginselen. Het resultaat hiervan is de grootste herverdeling van kapitaal in de geschiedenis van de mensheid in vredestijd. Dit gebeurt niet alleen op dit continent, maar de effecten zijn hier wel bijzonder bitter, omdat wij immers een brede middenklasse hebben en hadden en die valt nu weg. In dit verslag heb ik helaas ook geen goede ideeën gelezen hoe we hier iets tegen kunnen doen. Ik denk dat de uitbreiding te vroeg is gekomen, dat we loondumping hierdoor zelfs nog stimuleren en dat heel veel zaken waarvoor werd gewaarschuwd, nu inderdaad blijken te gebeuren. Wat we nu eerst moeten doen is hierin transparantie aanbrengen, ervoor zorgen dat deze discrepanties tenminste zichtbaar worden gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Radwan (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, we hebben het over de Lissabon-strategie en over de doelstelling om van Europa de meest concurrerende regio van de wereld te maken. Dit is ons de afgelopen vijf jaar niet gelukt. Maar we hebben de zondebok nu gevonden, namelijk het Stabiliteits- en Groeipact. Het motto luidt: laten we het pact afschaffen, dan gaat het beter met Europa en zal het beter gaan met ons.

Niemand heeft het over het werk dat in eigen huis moet worden gedaan en over waar we de schuldigen moeten zoeken, namelijk in de lidstaten. Duitsland gaat zelfs zo ver dat het een hogere nettobijdrage aan Europa over heeft in ruil voor afschaffing van het Stabiliteits- en Groeipact.

Commissaris Almunia, uw voorganger, de Spaanse socialist Solbes, heeft in dit Parlement meermaals gezegd dat het Stabiliteits- en Groeipact flexibel genoeg is. Ik kan hem hierin alleen maar gelijk geven. Wat ik niet kan aanvaarden is dat we vasthouden aan de 3 procent en de 60 procent, om vervolgens, zoals bondskanselier Schröder heeft gedaan, voor of zelfs na de procedure bepaalde zaken uit de berekeningen weg te laten. Deze handelswijze verkoopt men dan onder het motto van Lissabon aan ons door te zeggen dat groeibevorderende uitgaven niet meer in de procedure kunnen of mogen worden meegenomen. Maar er moet wel degelijk rekening mee worden gehouden. Duitse economen zeggen dat we uiteindelijk op een tekort van 8 of 10 procent zullen uitkomen. De betreffende sancties worden echter niet toegepast.

Als we Lissabon serieus nemen, moeten we om te beginnen het Stabiliteits- en Groeipact serieus nemen en niet aankomen met het argument dat tien landen het pact hebben geschonden. Het zou leuk zijn als bij snelheidsbeperkingen op de weg ook zo werd gehandeld: als er te vaak wordt geflitst, verhogen we gewoon de maximumsnelheid, zodat er niet meer zoveel mensen een boete krijgen. Regels zijn er om nageleefd te worden.

We moeten Lissabon serieus nemen. We moeten Lissabon serieus nemen in de Europese wetgeving door voortaan iedere nieuwe richtlijn te toetsen op de vraag of hij in tegenspraak is met de doelstelling van Lissabon of deze juist bevordert. De lidstaten moeten ervoor hoeden om wetgeving voor de interne markt te torpederen als hen dat beter uitkomt en de Commissie moet de lidstaten die fouten maken verantwoordelijk stellen. Ze moet een systeem van benchmarks invoeren en dit zo duidelijk mogelijk bekendmaken. We moeten ons in Europa realiseren dat de wereld niet plat is en dat we te maken hebben met concurrentie op globaal niveau. Hierop moeten we nu eindelijk eens adequaat reageren, zodat de mensen merken dat we het onderwerp serieus nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Berès (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, de heer Karas is al weg, maar ik had hem willen zeggen dat ook ik denk dat de Europese Unie een rechtsgemeenschap is. Boven het Stabiliteits- en Groeipact staat het Verdrag. Daarin staat een artikel dat onveranderd is gebleven, en dat bepaalt dat de staten hun economisch beleid als een zaak van gemeenschappelijk belang dienen te beschouwen. Dat betekent dat de groei in de eurozone als geheel ook een zaak van gemeenschappelijk belang is. Mijns inziens is het Stabiliteits- en Groeipact in zijn huidige vorm niet het instrument dat we nodig hebben.

Tegen de heer Radwan wil ik zeggen dat het er niet om gaat om of er sprake is van een snelheidsovertreding, maar of wij stapvoets willen rijden in een Mercedes, want ik vind dat dat is waar het Stabiliteits- en Groeipact momenteel min of meer op neerkomt.

Ik zou drie opmerkingen willen maken over het Stabiliteits- en Groeipact. Ten eerste geloof ik dat het zodanig hervormd moet worden dat de Europese Unie eindelijk over een macro-economisch instrument kan beschikken waarmee de strategie van Lissabon wordt verwezenlijkt. In dat verband zal het een kardinaal punt zijn om “rekening te houden met de uitgaven”. Dat betekent niet dat we handjeklap moeten gaan spelen waarbij de lidstaten ieder om het hardst hun eisen laten horen. Het betekent dat we te weten moeten komen waar de meerwaarde voor Europese groei gelegen is. En dat kan alleen de Commissie zeggen, want zij belichaamt het algemeen Europees belang.

Mijn tweede opmerking is dat sommigen zeggen dat onder de categorie “rekening houden met de uitgaven” ook, om boekhoudkundige redenen, de manier zou kunnen vallen waarop deze of gene lidstaat de structurele hervormingen op pensioengebied aanpakt. Ik vind dat gevaarlijk, want, eveneens om boekhoudkundige redenen, zou dit leiden tot debatten die de kern van de nationale cohesie raken.

Mijn derde opmerking: wanneer het gaat over de manier waarop de situatie in de lidstaten wordt geëvalueerd, kan men niet zeggen dat overal dezelfde normen gelden. De economische situatie in een groot land en die in een klein land hebben in het licht van het Stabiliteits- en Groeipact niet dezelfde betekenis. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat alle landen in het licht van het pact gelijk zijn. In economische kringen wordt door iedereen toegegeven – maar het is tot nog toe not done om het in politieke kringen uit te spreken – dat het gebruik van het begrotingsinstrument naargelang de omvang van de economie van een land niet hetzelfde effect heeft. Momenteel verkeren twee landen als Frankrijk en Duitsland in een situatie dat ze tegelijkertijd veroorzaker als slachtoffer zijn van een stand van zaken waar geen enkele lidstaat van de eurozone of van de Europese Unie als geheel bij gebaat is. Het is in niemands belang dat de economie van de eurozone verzwaard wordt door een gebrek aan groei in de belangrijkste economie van de eurozone. Dat is zelfs in tegenspraak met het Verdrag en het algemeen belang van de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Starkevičiūtė (ALDE). - (LT) Dank u, mijnheer de Voorzitter. We voeren momenteel een debat over twee documenten tegelijk, die eigenlijk uitstekend zijn opgesteld en die elkaar aanvullen. Ze moeten de economische basis vormen voor het Stabiliteits- en Groeipact, voor een derde pakket documenten waar we over debatteren. Misschien zou het de moeite waard zijn ons af te vragen of we, als we onze burgers, de burgers van de Europese Unie, het bedrijfsleven en uiteindelijk de internationale gemeenschap een duidelijke boodschap willen geven, niet meer aandacht zouden moeten schenken aan enkele van de bepalingen in het derde pakket, dat de basis zou leggen voor macro-economische stabiliteit, het Stabiliteits- en Groeipact. Het zou naïef zijn te denken dat we het Stabiliteits- en Groeipact met enkele juridische bepalingen of criteria kunnen handhaven of consolideren. Ik zeg dit op grond van vijftien jaar ervaring met de hervormingen die in mijn land zijn doorgevoerd. We moeten niet afgaan op de verschillen; als we hervormingen willen doorvoeren, moeten we consensus zoeken. Ik ben van mening dat er vier punten zijn waarover we het eens kunnen zijn, en onze ervaring met hervormingen vertelt ons dat deze een positieve invloed op de economie zouden kunnen hebben. Op de eerste plaats moeten we aandacht schenken aan de investeringen die nodig zijn voor de productiviteit, want we hebben een bepaald soort investeringen nodig. We moeten ook aandacht schenken aan structurele hervormingen. Deze zijn evenwel niet mogelijk zonder fiscale maatregelen. Voor zover structurele hervormingen de werkloosheid doen stijgen, moet hiervoor steun komen. We kunnen onze aandacht echter niet uitsluitend aan steun schenken, want dan kan de begroting niet worden hooggehouden. We moeten ook aandacht schenken aan de groei van het aantal nieuwe bedrijven. Dat wil zeggen, we moeten proberen de belastingadministratie te vereenvoudigen, zodat kleinere ondernemingen met succes in Europa kunnen werken. Wat betreft het vierde en meest complexe punt, moeten we beseffen dat Europa wordt overspoeld door goedkope producten van buitenaf en dat we worden omringd door goedkope productielanden. We moeten dan ook gaan nadenken over manieren waarop we de belastingen kunnen verlagen, natuurlijk zonder het macro-economische evenwicht te verstoren. Er kan namelijk veel worden bereikt met een betere belastingadministratie, zoals bij onze hervormingen is gebleken. Het is geen verrassing dat veel landen op problemen stuiten met betrekking tot winstoverdracht en vermindering van de belasting toegevoegde waarde. Er zijn echter allerlei manieren om de belastingheffing te verbeteren en de belastingdruk te verlagen, zoals de ervaring in onze landen leert. Ik ben van mening dat dit de beste manier is om de kennis die we hebben opgedaan, te benutten. Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Manolakou (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, in de verslagen over de openbare financiën in de EMU en de toestand van de Europese economie wordt in geen enkel opzicht rekening gehouden met de problemen van de volksklasse. Die problemen zijn voor alle werknemers in alle lidstaten dezelfde, aangezien de oorzaak daarvan overal dezelfde is, namelijk het volksvijandig beleid van de Europese Unie. Dat het telkens weer om dezelfde problemen gaat blijkt ook uit de demonstraties die de werknemers in de meeste landen organiseren. Zij protesteren tegen de prijsstijgingen, de werkloosheid, de lage lonen, de ontslagen, de privatisering van gezondheidszorg, onderwijs en sociale voorzieningen, de langere werktijden, de onveiligheid en de onzekere toekomst.

In plaats van een antwoord te geven op deze problemen betuigen de rapporteurs instemming met een nog strengere eerbiediging van het Stabiliteits- en Groeipact. Om de tekorten te kunnen bestrijden moeten de belastingschroeven worden aangedraaid en volksvijandige bezuinigingsprogramma’s ten uitvoer gelegd. Met andere woorden, zoals altijd zijn het de arbeiders die het gelag betalen en niet de plutocratie. Tegelijkertijd zegt men dat de uitvoering van de volksvijandige strategie van Lissabon versneld moet worden, om maatregelen te kunnen treffen voor een nog grotere uitbuiting van de arbeid, zoals deeltijdwerk en tijdelijke banen, verhoging van het aantal werkuren en de pensioengerechtigde leeftijd, beëindiging van de overheidsbemoeienis in de sociale zekerheid en omzeiling van de collectieve arbeidsovereenkomsten. Dit is dan de nieuwe verdeling van de rijkdom, waarbij grote ondernemingen nog hogere winsten kunnen maken en er een nog grotere mate van ongelijkheid en onrechtvaardigheid ontstaan. De rapporteurs zeggen zelfs dat de Europese economie moet worden gestimuleerd - met andere woorden, de winst van de Europese monopolies moet worden verhoogd - met nieuwe, nog hardere en volksvijandigere bezuinigingsmaatregelen. Zij vragen de werknemers om - in hun eigen belang - nog grotere offers te brengen. Tegelijkertijd eisen ze van de regeringen dat zij besnoeien op de toch al minimale sociale uitkeringen en willen ze een onmiddellijke hervorming van de verzekerings- en pensioenstelsels, die naar zij zeggen ontoereikend zijn.

Deze filosofie en dit beleid van de Europese Unie zijn de oorzaak van de lage opkomst van de werknemers bij verkiezingen, zoals bleek tijdens de Europese verkiezingen toen 60 procent van de kiezers thuis bleef, of tijdens het referendum in Spanje over de zogenaamde Europese grondwet, toen 60 à 65 procent niet kwam opdagen. Hieruit blijkt dat de werknemers onverschillig zijn, en daarom keren zij de Europese Unie de rug toe. Het beste antwoord hierop is echter de georganiseerde strijd. De werknemers moeten weigeren steun te geven aan dit beleid en in de tegenaanval aan, opdat dit beleid radicaal veranderd wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Wohlin (IND/DEM). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, de groei in de Europese Unie ligt duidelijk onder het potentieel haalbare. De EU kent een hoge werkloosheid, ze heeft ten opzichte van de buitenwereld een overschot op de betalingsbalans en haalt de inflatiedoelstellingen van haar monetair beleid niet. Zoals in het verslag benadrukt wordt, is er grote behoefte aan structurele hervormingen. In het verslag wordt echter te weinig nadruk gelegd op het feit dat er in diverse landen behoefte is aan een expansiever beleid. .

Een oorzaak van het te strakke beleid is de opzet van het Stabiliteits- en Groeipact. Die opzet is naar mijn mening verkeerd en leidt in bepaalde landen tot een te strikt beleid. De fout zit hem erin dat men zich te zeer concentreert op het begrotingstekort. In plaats daarvan zou men zich moeten concentreren op de schuldquote.

Een land dat een schuldquote heeft van minder dan 60 procent van het BBP en dat zijn inflatie beneden de 2 procent houdt, zal zijn schuldquote zien dalen als zijn economie een reële groei van een procentpunt of meer heeft en als het begrotingstekort 3 procent bedraagt. Als de economie van een land met 5 procent groeit en de inflatie 2 procent bedraagt, groeit het nominale BBP met 7 procent. Bij een begrotingstekort van 7 procent zou de schuldquote dan toch stabiel blijven. Zo’n land vormt geen belasting voor de eurozone. De schuldgroei is stabiel en daarom verdedigbaar met het oog op de toekomst. Het land zal wel een goede credit rating moeten hebben en mag geen kredietrisico voor de hele eurozone vormen. Een dergelijk begrotingstekort is verdedigbaar met het oog op de lange termijn. Een beperkt tekort van 3 procent betekent dat de staatsschuld voortdurend daalt in procenten van het BBP. Aangezien een schuldquote van 60 procent van het BBP economisch gezien redelijk is, is er geen reden om het land een dergelijke financiële restrictie op te leggen.

Voor nieuwe snelgroeiende landen is het niet meer dan natuurlijk dat ze te maken hebben met aanzienlijke tekorten op de betalingsbalans en met kapitaalinvoer. Het particuliere spaartegoed is misschien niet voldoende, maar ook de staat heeft een tekort op zijn begroting. De conclusie luidt: aan landen die een schuldquote onder de 60 procent van het BBP hebben en die hun inflatie onder controle hebben, moet worden toegestaan om sneller te groeien en om een expansiever beleid te voeren. Dat betekent een stimulans voor de hele EU. Ik bepleit een wijziging van het Stabiliteits- en Groeipact in deze richting.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelilli (UEN). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ook uit het verslag over de openbare financiën van de EMU blijkt de noodzaak tot hervormingen van het Stabiliteits- en Groeipact. Een pact dat zonder twijfel van belang is voor de stabiliteit, maar dat ook de economische groei zou moeten stimuleren.

Het is bekend dat de ministers op de Raad Ecofin momenteel een tekst aan het voorbereiden zijn voor de hervorming van het pact, maar het Parlement mag zich niet aan dit debat onttrekken. Het is daarom van belang dat het Parlement de kans krijgt om, voordat de definitieve beslissing van de Ecofin valt, zich middels een specifiek debat uit te spreken over de wijze van hervorming van het pact. Want, na de gevoerde discussie in september, lijkt het Parlement zich nogal terughoudend en afwachtend op te stellen. Onze instelling zou echter juist een voortrekkersrol moeten vervullen binnen het hervormingsproces door in eerste instantie alle afgevaardigden en fracties de kans te bieden een duidelijk overzicht te geven van de mogelijke strategieën.

We moeten praktisch en realistisch blijven. We kunnen niet in onze documenten opnemen dat we de meest concurrerende economie van de wereld moeten worden, terwijl de feiten duidelijk spreken van een stagnerende groei. Het pact moet dus gewijzigd worden. Ik doel hierbij op mogelijkheden voor een flexibeler toepassing van het pact tijdens perioden van laagconjunctuur, op de noodzaak om de structurele hervormingen die door de lidstaten worden doorgevoerd in te calculeren, en eventueel op de mogelijkheid om uitgaven toe te staan aan investeringen die gericht zijn op de verwezenlijking van de momenteel nog ver verwijderde doelstellingen van de Lissabon-strategie.

Concluderend meen ik dat het Parlement, als enige Europese instelling die rechtstreeks door de burgers van de Unie gekozen is, zich opnieuw een hoofdrol zou moeten toe-eigenen in dit debat.

 
  
MPphoto
 
 

  García-Margallo y Marfil (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, de rapporteur, de heer Goebbels, beklaagt zich over het gebrek aan coördinatie tussen de economische beleidsvormen, en op zich ben ik het daarmee eens, maar ik verbind er een andere conclusie aan.

Zonder die coördinatieregels zou de flexibilisering van het Stabiliteits- en Groeipact neerkomen op een breuk van het pact. Hierdoor zouden de inspanningen van de Centrale Bank om de prijzen stabiel te houden teniet worden gedaan, de rentevoeten zouden omhoog gaan, de door ons allen gewenste groei zou achterop raken, de invoering van de structurele hervormingen zou een achterstand oplopen, en als meest riskante gevolg zou dit een ernstige aanslag zijn op de welvaartsstaat. De middelen voor het betalen van de rente en voor het afbetalen van de overheidsschuld zouden de middelen reduceren waarmee de openbare financiën moeten worden gewaarborgd.

Waar op dit moment behoefte aan is, is meer werkgelegenheid en een hogere productiviteit. Meer werkgelegenheid betekent vooral: aandacht besteden aan de groepen die het moeilijkst aan een baan komen, en zoals bekend zijn dat met name vrouwen, jongeren tussen de 15 en 25 jaar, en ouderen van boven de 55 jaar. Een hogere productiviteit betekent dat er meer investeringen moeten komen, dat er meer inspanningen moeten worden geleverd op het gebied van investeringen en ontwikkeling en meer inspanningen ook op het gebied van beroepsonderwijs en scholing. Dit alles ter verhoging van de arbeidsproductiviteit.

Het betoog van de commissaris doet mij denken – om nogmaals met de heer Goebbels te spreken – aan die betogen uit de voormalige Sovjet-Unie waarin gezegd werd dat de overgang naar het socialisme onvermijdelijk het daarop volgende jaar zou worden afgerond. Toen men ging beseffen dat die overgang inderdaad mogelijk was, concludeerde men dat de overgang al was afgerond en dat het communisme al bereikt was. Een paar jaar later viel het IJzeren Gordijn.

De macro-economische stabiliteit hoeft volstrekt niet te worden afgezwakt, maar het is wel zaak dat we met meer kracht en stelligheid blijven hameren op het belang van de structurele hervormingen, als enige garantie en als enige serieuze weg om groei te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Bullmann (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de heer Karas heeft vanmorgen gezegd dat het hier gaat om het bepalen van de koers. Juist! Dat klopt! Maar je kunt de koers alleen bepalen, als je de horizon kunt zien. Je kunt de koers voor de toekomst alleen bepalen, als je op de hoogte bent met je analysen en voorstellen. Maar ik merk dat de meerderheid van de afgevaardigden in de conservatieve fractie, met hun voorstellen in deze twee verslagen juist niet op de hoogte is, dat ze zich op een plek bevinden waar ze de horizon niet kunt zien.

We weten allemaal dat de globale richtsnoeren voor het economisch beleid het saaiste document is dat jaar in jaar uit in Brussel verschijnt. Wat zijn dan de voorstellen van de Commissie economische en monetaire zaken om dit instrument te moderniseren? Waar is uw bijdrage aan een zinvolle discussie?

Structurele hervormingen hoor ik! Juist! Europa, de lidstaten hebben structurele hervormingen nodig. U weet evenwel ook dat structurele hervormingen alleen effect kunnen hebben, alleen tot meer groei kunnen leiden, alleen tot meer werkgelegenheid kunnen leiden, als ze zijn ingebed in een actief industriebeleid, als ze zijn ingebed in een actief beleid voor KMO's en als ze zijn ingebed in een begrotingspolitiek die in overeenstemming is met de conjunctuur. Als ik uw voorstellen lees, krijg ik tranen in mijn ogen. U moet uw teksten eerst eens doorlezen, voordat u ze aanneemt! Dat zou helpen!

U wilt een algemene verlaging van het belastingniveau. Praat u toch liever met ons over een goed beleid voor de KMO’s in plaats van dergelijke onzin op te schrijven. U wilt dat alle mensen langer werken. Helpt u ons toch om de participatiegraad te verhogen, om meer banen te scheppen. Daar heeft Europa meer aan. U kunt alleen op onze steun rekenen, als u een aantal weloverwogen amendementen aanneemt. Anders kunnen we met deze onzin niet instemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bourlanges (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, het beleid dat de Europese Unie vandaag de dag op economisch gebied voert is opgebouwd uit drie elementen: een platonische ambitie, de strategie van Lissabon; een verplichting waarover geringschattend wordt gedaan, namelijk het in de hand houden van de overheidsuitgaven; en een voorwaarde die wordt genegeerd, namelijk de ondersteuning van de koopkracht.

De strategie van Lissabon is een platonische ambitie. Wie kan het nu oneens zijn met de in Lissabon vastgestelde doelstellingen? Wie wenst er nu niet een kenniseconomie, een beter opleidingsniveau, vooruitgang in onderzoek en ontwikkeling, een innovatiemaatschappij? Wie is er nu geen voorstander van die doelstellingen? Maar aan de andere kant, wie ziet niet dat die open samenwerking in feite helemaal niets inhoudt? Open samenwerking is niets meer dan de vrije politiek van de lidstaten die af en toe denkbeeldige ontmoetingen houden met de Europese Unie. De Raad, de Commissie en het Parlement spelen slechts de rol van instellingen die commentaar mogen geven en mogen berispen. Zo halen we die doelstellingen nooit.

Het in de hand houden van de overheidsuitgaven is een verplichting waarover geringschattend wordt gedaan. Tegen de achtergrond van een schijnruzie tussen keynesianen en liberalen over de instrumenten van het conjunctuurbeleid en het gebruik van de overheidsuitgaven zien we al vijfentwintig jaar in een aantal grote landen een structurele toename van de overheidsuitgaven, een systematische verzwaring van met name de schuldenlast, die in feite onze kinderen belet over hun toekomst te beschikken. Hier neemt de erfgenaam, de toekomst, de lasten van de overledene, het verleden, over.

Welnu, de zwartepiet in deze zaak wordt geheel ten onrechte aan de Europese Centrale Bank toegespeeld. Met welke verwijten? Dat de rentepercentages te hoog zijn? Ze zijn sinds de oorlog niet meer zo laag geweest. Een te hoge euro? Maar deze situatie is uiteraard toe te schrijven aan het systematische tekort van de Amerikanen, en niet aan de vermeende verdienste van de Europeanen. In werkelijkheid zitten we in een situatie dat de ECB nauwelijks over middelen beschikt. En dan is er het Stabiliteits- en Groeipact, een instrument dat hervormd moet worden. Wat wordt het Stabiliteits- en Groeipact verweten? Dat het dom en hardvochtig is. Als dat zo is, laten we dan proberen het minder dom te maken, zonder dat het zijn dwingend vermogen verliest.

Tot slot, mijnheer de Voorzitter, noem ik een vereiste die wordt genegeerd: stimulering van de koopkracht. Wie ziet niet dat we op dit moment een systeem hebben waarin de werknemers steeds minder middelen en koopkracht hebben in vergelijking tot de aandeelhouders? Er zijn methoden om dat recht te zetten, zoals spreiding van het aandeelhouderschap en verlaging van de belastingen op arbeid. Die methoden worden echter genegeerd.

Waar ik dus bang voor ben, mijnheer de Voorzitter, is dat wij als instellingen van de Europese Unie niet meer zullen zijn dan het koor in een klassieke tragedie waarin de enige echte acteurs de nationale regeringen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Guerreiro (GUE/NGL). - (PT) Gedwongen door de realiteit en de verslechterende economische en sociale situatie in alle landen van de Europese Unie wordt het Stabiliteits- en Groeipact eindelijk ter discussie gesteld. Dit is aan de late kant en louter een gevolg van het feit dat Frankrijk en Duitsland het pact niet zijn nagekomen. Maar ook hier geldt: beter laat dan nooit.

Als de verwachtingen voor de Raad Ecofin van 8 maart realiteit worden, zullen wij helaas meer van hetzelfde zien. De zogenaamde flexibilisering van de toepassing van het Stabiliteits- en Groeipact zou afhankelijk gemaakt worden van de capaciteit van een land en de openbare socialezekerheids- en pensioenstelsels en de publieke gezondheidszorg op de helling te zetten. Zoals sommigen zeggen gaat het om de hervorming van het openbaar bestuur: met andere woorden hoe meer het beleid van een lidstaat leidt tot de realisering van de volgens ons zeer belastende doelstellingen van de Lissabon-strategie, hoe meer flexibiliteit dat land krijgt bij de toepassing van het Stabiliteits- en Groeipact. Dat zou voor ons een onaanvaardbare ontwikkeling zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Janowski (UEN). (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik beschik over te weinig spreektijd voor een diepgaande bespreking van dit thema. Ik wil daarom een paar punten aanstippen.

Ten eerste vormt de verspilling van krachten en middelen door een overdreven en vaak zinloze bureaucratie een aanzienlijke rem op de economische ontwikkeling van de Europese Unie. Ten tweede is een diepgaande analyse van de belastingstelsels van de lidstaten vereist, waarbij een antwoord moet worden gegeven op de vraag of de tegenwoordig toegepaste BTW de beste oplossing is. Wellicht zijn er betere, doelmatigere belastingen. De praktijk toont aan dat dit het geval is. Ten derde moet er om de drie, vier jaar een systematische analyse met daaraan verbonden aanbevelingen worden doorgevoerd van de economische toestand van de Europese Unie als geheel en van de afzonderlijke lidstaten, om de geboekte vooruitgang in kaart te brengen en snel genoeg te kunnen reageren op problemen. Ten vierde zijn de middelen voor onderzoek om de economische groei te bevorderen verre van toereikend.

Tot slot wil ik ingaan op een kwestie die hier over het hoofd wordt gezien. Dit hele economische debat en de prachtige economische programma's die worden voorgesteld en zoveel aandacht krijgen, zullen niet meer dan holle frasen zijn wanneer er geen daadwerkelijke maatregelen worden genomen om een demografische ramp in de EU te voorkomen. Ik wil u niet bang maken, maar kijkt u naar de bevolkingsstatistieken: het zijn droge cijfers, maar de waarschuwing is duidelijk. Vandaag wordt elke gepensioneerde onderhouden door vier werkende personen, over dertig jaar zullen dat er twee zijn. Zijn zij daartoe in staat? Wij mogen niet vergeten dat het gezin met ouders en kinderen de primaire economische eenheid is. Gary Becker, Nobelprijswinnaar van 1992, beweert zelfs dat het werk dat in het gezin wordt verricht goed is voor 30% van het nationaal inkomen. De Franse econoom Jean-Didier Lecaillon zegt iets soortgelijks. Ik zou hier nog andere uitspraken kunnen aanhalen, in het bijzonder de gezaghebbende stem van Johannes Paulus II. De grote staatsman Charles de Gaulle maakte geen grapjes toen hij zei dat wie arm is en geen andere mogelijkheden heeft, in een gezin moet investeren. Sapere aude Europa. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Claeys (NI). – Voorzitter, dit verslag levert een panoplie aan voorstellen om de achterstand weg te werken die bij de uitvoering van de Lissabonstrategie is opgelopen. Ik zou specifiek mijn waardering willen uitspreken voor paragraaf 7 van het verslag die de belangrijke rol van de kleine- en middelgrote ondernemingen benadrukt bij het scheppen van werkgelegenheid en van welvaart in het algemeen trouwens. Het is van groot belang dat er een klimaat wordt gecreëerd dat de ondernemingsgeest bij jongeren aanmoedigt, een klimaat waarin de administratieve lasten en de belastingdruk substantieel worden verlaagd en waarin KMO's gemakkelijker toegang krijgen tot risicokapitaal. Een andere vaststelling is dat het verslag met geen woord rept over het Groenboek van de Commissie over economische immigratie. Dat is maar goed ook, zeker met de huidige werkloosheidsgraad. Het pleidooi van de Commissie om nieuwe immigratie toe te laten en te stimuleren is kortzichtig, contraproductief, maar ook totaal misplaatst, ook al beroept de Commissie zich op de doelstellingen van Lissabon om dat voorstel te lanceren.

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijn collega’s van de ALDE- en de PPE-DE-Fractie zullen zich er – gezien de aard van dit debat – zeker vrolijk over maken wanneer zij vernemen dat de heer Goebbels zich in de Luxemburgse pers uitvoerig heeft uitgelaten over hun in de commissie goedgekeurde amendementen, stellende dat deze een afspiegeling zijn van “het door en door reactionaire en neoliberale karakter van deze twee fracties in het Parlement”. De overdrijving in zijn woorden heeft natuurlijk wel iets lachwekkends, daar de suggestie wordt gewekt dat dit Parlement op zijn zachtst gezegd vol zit met aartsreactionairen. Niettemin hebben deze woorden ook iets zorgwekkends. In deze vergaderzaal houdt de socialistische fractie bewust een zekere ambiguïteit in stand als het gaat om de economische beleidsprincipes. Binnenskamers echter slaat deze ambiguïteit om in heuse afkeer.

Ik voor mij denk dat het in dit debat niet overbodig is om te benadrukken dat de condities voor gezonde en duurzame groei worden geschapen door gezonde overheidsfinanciën en redelijke belastingen. Stabiliteit is geen hinderpaal voor groei, maar juist een voorwaarde.

Wij van onze kant zullen niet toegeven aan dit soort grillen van ideologische verblinding, we zullen ons veel pragmatischer betonen. Er zijn situaties waar een sterkere interventiepolitiek nodig blijkt om de economische conjunctuur weer te doen aantrekken, maar dat is het punt niet. Het gaat erom dat de huidige situatie in Europa niet of nauwelijks in dat schema past. De heer Goebbels heeft, rijkelijk laat, het keynesianisme ontdekt en zou het nu in alle recepten en in alle sauzen willen toevoegen, zelfs als het gerecht zich helemaal niet daarvoor leent. Het nog verder laten oplopen van de begrotingstekorten biedt geen oplossing voor onze huidige problemen. Was dat het geval geweest, dan waren de landen die bekend staan om hun laksheid op financieel en budgettair gebied al lang ten voorbeeld gesteld.

Tot slot, mijnheer Bullman, is het geen misdaad om te zeggen dat de Europeanen verplicht zijn harder en beter te werken, willen ze hun levenspeil met het oog op de wereldwijde concurrentie zeker stellen. Het voorbeeld van de Franse 35-urige werkweek is wat dat betreft veelzeggender dan alle lange betogen over dit onderwerp. Natuurlijk brengt de heer Goebbels een aantal goede ideeën te berde in zijn verslag – zoals om bepaalde investeringen in de socialedienstverlening of in de duurzame ontwikkeling te bevorderen – maar het belangrijkste lijkt hij moeilijk te kunnen accepteren, namelijk dat economische doeltreffendheid welomschreven wetten gehoorzaamt en het gevaarlijk is te doen of die er niet zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Andersson (PSE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik zeggen dat ik het betreur dat de afgevaardigde van de PPE-DE-Fractie, de heer Hökmark, dit debat verlaten heeft. Het voorstel dat de parlementaire commissie heeft uitgewerkt, vind ik voor ons sociaal-democraten onaanvaardbaar, en wel om drie redenen.

Ten eerste is er geen behoefte aan een algemene verlenging van de werktijd. Er is behoefte aan meer werkgelegenheid – niet aan een algemene werktijdverlenging. Ten tweede lost een algemene belastingverlaging in Europa de problemen niet op. Hoe kan het dat de Scandinavische landen, met de hoogste belastingdruk, de hoogste groei in de EU kennen? Dat wijst erop dat de PPE-DE-Fractie het volstrekt bij het verkeerde eind heeft. Ten derde hebben we behoefte aan evenwicht in het proces van Lissabon. Degenen die het voorliggende voorstel hebben opgesteld, maken het zelfs nog erger dan de Commissie, doordat ze in grote lijnen alleen nadruk leggen op de eerste pijler van het Lissabon-proces, terwijl alle pijlers evenveel gewicht moeten krijgen.

Ik ben het ermee eens dat er structurele hervormingen nodig zijn, maar het belangrijkste is dat men bij het doorvoeren daarvan zijn sociale verantwoordelijkheid op zich neemt en de sociale partners erbij betrekt. De heer Hökmark komt uit Zweden, waar zijn partij bij de sociaal-democraten in de gunst probeert te komen. In het nationale debat in hun thuisland praten ze niet over belastingverlagingen of over verlenging van de werktijd. Maar hier doen ze dat wel.

Zweden heeft sinds de Tweede Wereldoorlog een uiterst succesvol economisch beleid gevoerd, met één uitzondering: de jaren 1991–1994. Toen was de heer Hökmark een van de politieke leiders in Zweden. Het zou te betreuren zijn als de PPE-DE-Fractie dit neoliberale beleid zou aanvaarden en tot de hare zou maken. Dan krijgen we te maken met politieke onenigheid. Wij sociaal-democraten willen een evenwichtig beleid, en geen neoliberaal beleid. Een neoliberaal beleid lost de problemen van Europa niet op.

 
  
MPphoto
 
 

  Czarnecki, Ryszard (NI). (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, voor het eerst bevinden wij ons in de situatie dat een meerderheid van de lidstaten geen deel uitmaakt van de eurozone, namelijk 13 van de 25 landen. Weliswaar hebben wij thans in Europa de laagste rentetarieven sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, maar dit wordt absoluut niet weerspiegeld in het niveau van de investeringen. Eenvoudig gezegd: de economische groei in de eurozone is zwak. Vandaag weten wij al dat het consumptieniveau van de gezinshuishoudens de komende twee jaar laag zal zijn. Dit geldt voor de gehele Europese Unie. Tegelijkertijd zijn de economische aspiraties van de burgers sinds de uitbreiding gestegen, zeker in de nieuwe lidstaten zoals in mijn land, Polen. Deze aspiraties botsen nu op een slechte economische situatie en de consumptiewens zal niet vervuld kunnen worden. In de politiek kan dit mettertijd tot euroscepticisme leiden, vooral omdat alle prognoses, ook in het verslag van de heer Goebbels, ervan uitgaan dat de werkloosheid de komende tijd hoog zal blijven.

De burgers in de Europese Unie verwachten de waarachtige economische groei die de afgelopen jaren herhaaldelijk is beloofd, bijvoorbeeld op de Europese topontmoetingen, maar zij verwachten ook rechtvaardigheid en gelijke behandeling van alle lidstaten. In de praktijk past de Europee Unie de uit Orwell’s boek Animal Farm bekende idee toe van gelijken en gelijkeren. Van landen als Duitsland en Frankrijk worden hoge begrotingstekorten geaccepteerd terwijl andere, zwakkere en armere landen worden veroordeeld wanneer zij de euvele moed hebben hun begrotingstekort te laten oplopen. Dit draagt niet bij tot de geloofwaardigheid van de Europese Unie in de ogen van de burgers van andere lidstaten. Dit is gewoon een schandaal.

 
  
MPphoto
 
 

  Kauppi (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik mijn collega’s, de heren Goebbels en Karas, dankzeggen voor het werk dat zij hebben gestoken in hun verslagen over openbare financiën.

Zoals bekend is de groei in de EU achtergebleven bij de verwachtingen. Het percentage van het BBP dat wordt besteed aan particuliere en overheidsinvesteringen is drastisch lager dan dat van de jaren zeventig, zoals de heer Karas beschrijft. Als gevolg van uitblijvende structurele hervormingen en investeringen is het groeitempo van het BBP onvoldoende. Om de groei te stimuleren, mogen we evenwel niet uitsluitend vertrouwen op overheidsinvesteringen maar zullen we ook particuliere investeringen aantrekkelijk moeten maken, want die vormen de ware bron van duurzame groei in Europa.

Dit debat draait om de toekomst van het Stabiliteits- en Groeipact. Het doel van dit pact was de begrotingen van de lidstaten in evenwicht te brengen en in 2003 een begrotingsoverschot te bereiken. Het achterliggende idee daarvan was dat de lidstaten hun schulden zouden afbetalen in de jaren van economische bloei en dat middels hervorming van de structuur van de overheidssector ervoor zou worden gezorgd dat hun begroting ook in mindere tijden in evenwicht zou kunnen worden gehouden. Het is voor ons politici echter niet eenvoudig in goede tijden de hand op de knip te houden. Helaas is het gevolg daarvan dat veel lidstaten wat het pact betreft slecht presteren.

Ik ben een uitgesproken voorstander van het pact. De lidstaten die gedaan hebben wat ze moesten doen en hun overheidsuitgaven onder controle hebben gehouden – vooral mijn land, Finland – draaien nu op voor de onverantwoordelijke houding van de lidstaten die er gewoon geen boodschap aan hebben! Helaas lijkt een flexibeler invulling van het pact nu niet meer tegen te houden. We moeten echter waken voor een te grote verwatering van het pact.

We moeten drie zaken goed onthouden. Ten eerste moeten de regels voor alle lidstaten gelijk zijn en moeten de criteria objectief zijn. Ten tweede mag geen enkele categorie, bijvoorbeeld overheidsinvesteringen of onderzoeksfinanciering, automatisch worden uitgesloten van de overheidsuitgaven, want dat soort uitzonderingen zou voor een lidstaat aanleiding kunnen zijn om ze op een zeer innovatieve manier uit te leggen. Ten derde moet de aan de lidstaten gegunde flexibiliteit gebonden zijn aan in goede tijden doorgevoerde hervormingen. Het is niet meer dan eerlijk dat de lidstaten die hun schulden hebben betaald en hun tekort hebben teruggedrongen over een zekere mate van flexibiliteit kunnen beschikken, en dat degene die niets hebben gedaan geen extra ruimte wordt gegeven.

Ik hoop dat het gezonde verstand zegeviert en dat het Stabiliteits- en Groeipact overeind blijft. Ik hoop ook dat, als het al gewijzigd wordt, de wijzigingen het pact in elk geval ten goede komen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Rosati (PSE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, de voorgestelde wijzigingen van het Stabiliteits- en Groeipact beogen de versoepeling van de fiscale regels van de Europese Unie en de aanpassing ervan aan de werkelijkheid, zonder het fundamentele beginsel van de begrotingsdiscipline te laten varen. Ik ben van mening dat deze wijzigingen de goede kant op gaan en wil in dit verband drie punten aanstippen.

Ten eerste: de voorstellen van de Commissie hebben vooral betrekking op het niveau van het lopende begrotingstekort. Het niveau van de overheidsschuld speelt in deze voorstellen een secundaire rol. Ik ben van mening dat dit andersom zou moeten zijn. Voor de financiële stabiliteit op de lange termijn is de verhouding van de staatsschuld tot het bruto binnenlands product immers van groter belang dan de omvang van het begrotingstekort in een gegeven jaar. Het toegestane begrotingstekort voor landen met een hoge schuld zou daarom lager moeten zijn dan voor landen met een lage schuld. De laatstgenoemde landen kunnen zich dan tijdelijk een hoger tekort veroorloven. Zij mogen immers niet worden gestraft voor hun goede gedrag uit het verleden. Kortom, het criterium van het lopende tekort moet secundair zijn ten opzichte van het criterium van de staatsschuld.

Ten tweede: in de manier waarop het begrotingstekort wordt berekend moet rekening worden gehouden met de situatie in sommige nieuwe lidstaten die een moeilijk hervorming van het pensioenstelsel hebben moeten doorvoeren. Door deze hervorming zijn de uitgaven in deze landen tijdelijk gestegen, want de lopende pensioenen en het kapitaal voor de pensioenen van toekomstige generaties moeten tegelijkertijd worden gefinancierd. Deze contributies stimuleren de vraag niet en mogen daarom in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact niet bij de lopende overheidsuitgaven worden gerekend. In plaats daarvan moeten zij tot de nationale besparingen worden gerekend. De nieuwe lidstaten mogen niet worden bestraft voor het feit dat zij moeilijke structuurhervormingen doorvoeren.

Ten derde: mijnheer de commissaris, ik stel voor dat bij de berekening van het begrotingstekort voor het Stabiliteits- en Groeipact wordt overwogen om de betalingen voor de begroting van de Europese Unie niet mee te rekenen. Deze uitgaven verhogen weliswaar de vraag in de Europese Unie als geheel, maar dienen het belangrijke beginsel van de solidariteit. Een dergelijke oplossing zou kunnen bijdragen tot een compromis over het niveau van de begroting van de Europese Unie voor de jaren 2007-2013. Ik wil eraan herinneren dat sommige lidstaten juist een lagere begroting eisen in verband met hun nettobetalingen voor de begroting. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Samaras (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, wij hebben het hier over concurrentiekracht. Onze concurrentiekracht houdt echter rechtstreeks verband met de wisselkoersen. Wij hebben toegelaten dat de waarde van de euro ten opzichte van de dollar de pan uitrees - van 0,84 tot 1,30 – en daardoor hebben wij onze concurrentiekracht ernstige schade toegebracht.

De Centrale Bank heeft in feite de concurrentiekracht, waar wij een achterstand hebben, opgeofferd aan het bevorderen van de stabiliteit, waar wij juist geen problemen ondervonden. Met andere woorden, wij hebben juist ons sterke punt nog verder versterkt waren, hebben wij onszelf nog eens extra gepantserd, terwijl wij ons zwakke punt nog kwetsbaarder hebben gemaakt. Zo heeft de dure euro de recessie kunnen verergeren. Door de recessie hadden de bedrijven ook weinig zin om investeringsrisico’s te nemen en te innoveren. Dus wat voor nut heeft de Lissabon-strategie dan gehad? Kijkt u eens naar wat de Amerikanen, de Russen, de Chinezen en de Indiërs doen. Al onze concurrenten leggen de klemtoon op concurrentiekracht en ontwikkeling, maar wij leggen de klemtoon op afval en schulden. Allemaal boeken ze betere resultaten dan wij; wij zinken weg in een chronische recessie. Moeten wij onderhand geen vraagtekens gaan zetten bij ons economisch beleidspakket? Zolang wij doorgaan met het huidige pakket, zullen de Lissabon-strategie en het Stabiliteits- en Groeipact elkaar steeds meer gaan bijten. Wij moeten vasthouden aan de Lissabon-strategie, maar we moeten er tegelijkertijd voor zorgen dat het monetair beleid van de Centrale Bank hier ook aan bijdraagt. Wij moeten vasthouden aan het Stabiliteits- en Groeipact, mits de nadruk wordt gelegd op beteugeling van de uitgaven, mijnheer de Voorzitter, en niet op de verhoging van de inkomsten.

De Europese Centrale Bank moet het monetair beleid versoepelen, opdat de lidstaten hun eigen financieel beleid kunnen aanscherpen, met name aan de uitgavenkant. De eventuele daling van de actieve vraag als gevolg van een dergelijke verlaging van de overheidsuitgaven zal dan worden teruggewonnen met exportverhoging. Bovendien kunnen wij dan aan belastingverhoging ontkomen. In een dergelijk beleidspakket gaan discipline en groei hand in hand. Voor zo’n beleid hebben wij echter de samenwerking van de Centrale Bank nodig. Natuurlijk hebben wij discipline nodig, maar discipline is heel wat anders dan onbuigzaamheid. Zolang wij discipline en onbuigzaamheid met elkaar verwarren, zullen wij noch discipline, noch groei noch concurrentiekracht hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Bersani (PSE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik refereer aan het verslag-Goebbels en feliciteer mijn geachte collega met de uitstekende uitvoering van zijn werk inzake het evenwicht tussen de evidente noodzaak tot hervorming van de economische politiek en de groei in Europa enerzijds en de doelstellingen en condities voor stabiliteit anderzijds. Toch is dit evenwicht, tijdens de discussie, in diskrediet gebracht en kan slechts dan hersteld worden als wij ons verstandig opstellen, zoals zojuist door geachte afgevaardigde Lulling werd aanbevolen.

Het lijkt onverstandig een verslag te steunen waarin de noodzaak tot een betere coördinatie van de economische politiek van de afzonderlijk lidstaten onvermeld blijft. En men kan niet zeggen dat een dergelijke bewering de autonomie van de monetaire autoriteiten zou aantasten. Het is evenmin verstandig een verslag te steunen waarin geen enkele verwijzing naar de hervorming van het Stabiliteits- en Groeipact en het verband met de Lissabon-doelstellingen is opgenomen, terwijl men onmiskenbaar op weg is naar een akkoord. Ook is het onverstandig te beweren dat een algemene verlaging van de belastingdruk bepalend is voor de concurrentiekracht, gezien de uitstekende resultaten die zowel door landen met een hoge belastingdruk als door landen met een lage belastingdruk worden geboekt.

Hoe dan ook, ik vraag mij af of het Europees Parlement werkelijk indicaties moet geven voor een algemene belastingverlaging, in ogenschouw nemend dat onder de huidige omstandigheden geen enkele lidstaat een dergelijk voorstel geloofwaardig zal achten. Evenzo zal niemand redelijkerwijs kunnen beweren dat het over de hele linie verhogen van het aantal arbeidsuren effectief en haalbaar zal zijn. Wanneer we vasthouden aan een te strikt verband tussen de liberalisering en kwalificatie van diensten en de privatisering ervan, zullen we juist riskeren dat de weerstand tegen ieder proces van liberalisering van de markt toeneemt.

Concluderend ben ik van mening dat het document waardevolle indicaties bevat en vrucht is van een gedegen werkwijze, maar dat op bepaalde punten het evenwicht hervonden moet worden, zodat het, los van ideologische overwegingen, een nuttige bijdrage kan leveren aan het huidige Europese debat over de economie.

 
  
MPphoto
 
 

  Mann, Thomas (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de lidstaten hebben zich ertoe verplicht te zorgen voor een vrijwel evenwichtige begroting of voor een overschot op de begroting. Deze belofte uit het Stabiliteits- en Groeipact is gebroken door lidstaten met een tekort, zoals Duitsland. Als excuus gebruiken ze problemen als gevolg van de conjunctuur. Maar daarbij hebben ze wel verzuimd de nodige structurele hervormingen te verwezenlijken.

De overeenkomst die in 1997 door de toenmalige Duitse minister van Financiën, Theo Waigel, in het belang van Europa is goedgekeurd, was een serieus bedoelde garantie voor stabiele prijzen, voor begrotingsdiscipline en voor het vermogen om te reageren op structurele veranderingen zoals de financiering van de vergrijzende maatschappij. Dat is geen neoliberaal beleid van links, dat is ook in het belang van de werknemers.

Het Luxemburgs voorzitterschap van de Raad heeft een wijziging van het pact aangekondigd. Dat is geen gemakkelijke opgave. Berlijn wil de procedure bij buitensporige tekorten helemaal afschaffen en de kleine eurolanden staan er terecht op dat iedereen zich letterlijk aan dit pact houdt. Die hebben hun huiswerk gedaan.

De heer Juncker heeft de Commissie economische en monetaire zaken verteld dat er niet wordt getornd aan de grens van 3 procent en aan de procedure bij buitensporige tekorten. Ik ben er ook voor dat de Europese Commissie haar bevoegdheden houdt, van het versturen van de zogenaamde blauwe brieven tot het opleggen van boetes. Maar helaas hebt u een "intelligente interpretatie" van het pact aangekondigd. Is dat dan geen ondermijning van het pact?

Ik ben het met u eens dat Griekenland op het matje moet worden geroepen als we weer verkeerde gegevens krijgen voorgeschoteld. Maar kort daarna – zo niet dan moet u mij corrigeren – hebt u de Duitsers blijkbaar laten geloven dat de kosten voor de wederopbouw van het Oosten als bijzondere kostenpost uit de berekening mogen worden weggelaten. Dan kunnen andere landen toch ook zeggen dat ze hun investeringen in onderwijs, defensie of infrastructuur willen weglaten? Als we op die manier met creatief boekhouden beginnen, kan het pact bij het oud papier. Dan zijn we louter aan het goochelen met cijfers en bieden we geen enkele garantie aan de burgers.

Ik steun het uitstekende verslag van de heer Karas, want het vertrouwen in de euro mag niet met gegoochel op het spel worden gezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Rasmussen (PSE). – (DA) Mijnheer de Voorzitter, voor ons ligt een goed verslag van de heer Goebbels en van de parlementaire commissie die het heeft gepresenteerd. Ik wil ook commissaris Almunia bedanken voor zijn weloverwogen bijdrage en voor zijn betrokkenheid bij een hervorming van het Stabiliteits- en Groeipact, zoals die is gepresenteerd.

In mijn bijdrage van vandaag wil ik mij toespitsen op twee van de belangrijkste problemen in Europa. De conservatieve en liberale vleugel in dit Parlement concentreert zich op structurele hervormingen – en ik wil graag zeggen dat wij bereid zijn daarover te onderhandelen –, niet alleen in het Europees Parlement, maar ook in onze nationale staten. De Europese Sociaal-democraten, waarvan ik voorzitter ben, zijn niet tegen hervormingen. Wij willen dat de juiste hervormingen worden doorgevoerd. Ik wil daar echter nog iets aan toevoegen: de structuurproblemen zijn niet het enige hoofdprobleem van Europa; het andere grote probleem van Europa is dat de economische vraag in onze landen te laag is.

Ik doe hier een oprecht en dringend beroep op de leiders van de Europese partijen aan de rechterkant van het politieke spectrum. Het is mijn persoonlijke ervaring als minister-president en als voorzitter van een Europese partij dat we onze burgers niet achter hervormingen krijgen als er niet tegelijkertijd sprake is van economische vraag en groei in onze landen, of anders gezegd: geen succesvolle hervormingen zonder economische groei en geen duurzame economische groei zonder hervormingen. Daarom roep ik u met klem op om de Europese dimensie in te voeren. Wat is de Europese dimensie? De ware Europese dimensie is dat wij leren om meerdere dingen tegelijk te doen. Er is een vraagtekort op de interne markt, en dit vraagtekort kunnen wij tegelijkertijd wegwerken als alle ministers van Financiën samen met de heer Almunia besluiten om de komende vier jaren te investeren in de Lissabon-doelstellingen. Daarmee krijgen we de extra groei die we nodig hebben. Wij kunnen dit met bewijzen staven, en het zou fantastisch zijn als men ook ter rechterzijde in dit Parlement zou begrijpen dat we moeten investeren en dat we moeten hervormen, en dat we deze dingen tegelijkertijd moeten doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Montoro Romero (PPE-DE). (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het volkomen eens met de analyses hier vanochtend waarin nadrukkelijk de noodzaak voor meer groei en werkgelegenheid in Europa naar voren is gekomen.

Meer groei, om de uitdagingen aan te gaan waarmee wij als Europeanen geconfronteerd worden: de uitdaging van de uitbreiding, en de uitdaging om onze jongeren en vrouwen aan het werk te helpen. Meer groei, om ervoor te zorgen dat Europa de hoofdrol kan spelen die haar toekomt in de wereldeconomie, omdat de wereldeconomie anders geen evenwichtige groei zal kennen. Zoals de heer Rasmussen zojuist heeft onderstreept, betekent dit dat de Europese consumenten en de Europese investeerders meer vertrouwen moeten kunnen hebben, zij hebben behoefte aan betrouwbare beleidsvormen op grond waarvan zij als consument of investeerder beslissingen kunnen nemen. Om dat vertrouwen tot stand te brengen, moeten de openbare financiën en het begrotingsevenwicht op orde zijn gebracht. Om het begrotingsevenwicht te herstellen, moeten de belastingen voor werknemers en kleine en middelgrote ondernemingen omlaag, zodat we met succes kunnen wedijveren in de geglobaliseerde wereldeconomie.

Mijnheer Almunia, mijnheer de commissaris, het zou een ernstige vergissing zijn om het Stabiliteits- en Groeipact te flexibiliseren. De discussies binnen Ecofin krijgen een slechte pers en dragen niet bij tot meer vertrouwen; de onenigheid tussen de Europese regeringen over het vergroten van de flexibiliteit in het stabiliteitspact, is een negatief signaal voor het vertrouwen van de markten. Naast een gedegen Stabiliteits- en Groeipact hebben we behoefte aan structurele hervormingen. We hebben een flexibeler economie nodig, een economie die uiteindelijk niet voor een kleine minderheid kiest, maar die evenwichtig is en waarin de groei berust op flexibiliteit en concurrentiekracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Langen (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de heer Rasmussen heeft gezegd dat hervormingen niet mogelijk zijn zonder economische groei. Het is juist net andersom: economische groei in Europa zal zonder hervormingen niet mogelijk zijn. Juist in de grote landen, Duitsland en Frankrijk, met een te hoge staatsschuldquote, een te hoge belastingdruk en te ingewikkelde sociale systemen, zijn hervormingen een voorwaarde voor economische groei.

We hebben het vandaag over het verslag-Goebbels en het verslag-Karas en we worden geconfronteerd met de problemen van een gemeenschappelijk monetair beleid en een decentraal begrotings- en financieel beleid. Het Stabiliteits- en Groeipact is opgericht om te fungeren als bindmiddel, als noodzakelijke voorwaarde. Het politieke plan om het Stabiliteits- en Groeipact te hervormen raakt het fundament van het Verdrag van Maastricht en de Europese Monetaire Unie. De begrotingspolitieke regels behoren tot de belangrijkste grondslagen van de Economische en Monetaire Unie. Tegen de burgers van Europa hebben we gezegd dat we de staatsschuld omlaag zullen brengen, maar deze belofte verbreken we na zes jaar alweer. Het doel van de regels is om geloofwaardigheid en vertrouwen te allen tijde te handhaven ongeacht wat voor regeringen er aan de macht zijn. Helaas – en mijnheer de commissaris, hierover hebt u weer niets gezegd – bevat het Stabiliteits- en Groeipact een ernstige constructiefout.

De Europese Commissie heeft te weinig bevoegdheden en verantwoordelijkheden in de toezichtprocedure. De schuldigen zijn tevens rechter; dat kan niet goed gaan. Als de Raad Ecofin de regels niet aan zichzelf oplegt, staat de Commissie machteloos. Als de wil ontbreekt om een gedisciplineerd begrotingsbeleid te voeren, zullen hervormingen ook niet helpen. Het ligt niet aan de regels, maar aan de politieke wil. De Commissie wil nieuwe regels voor conjunctureel goede tijden. Daar is weliswaar iets voor te zeggen, maar het is ook naïef. Als de huidige pressiemiddelen al niet helpen, hoe kunnen we dan verwachten dat de regels in goede tijden vrijwillig worden toegepast?

De sociaal-democraten en de communisten hebben niet begrepen welke veranderingen de euro met zich heeft meegebracht. Voor de invoering van de euro werden landen met een te hoge schuld openlijk en op logische wijze door de markt afgestraft, namelijk met hoge rentes voor staatsschulden, hoge inflatiecijfers en devaluatie. In 1992 lag het verschil nog op 6 procent.

(Interruptie)

Luistert u toch eens! U weet toch dat ik gelijk heb. Het verschil was 6 procent! Maar dit verschil is er niet meer. Er is geen markt meer die de landen tot financiële discipline dwingt. Zolang dit onderwerp niet wordt aangepakt – door de Europese Centrale Bank of door een gedifferentieerde waardering van de staatsleningen – zullen we de euro op den duur niet stabiel kunnen houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Almunia, lid van de Commissie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik zou alle dames en heren afgevaardigden die hier het woord hebben gevoerd willen bedanken voor hun bijdragen, die ik buitengewoon belangwekkend vond.

Ter afsluiting zal ik nogmaals de diagnose van de Commissie toelichten. Tijdens dit debat zijn de Commissie af en toe ideeën toegedacht die noch door de Commissie noch door mijzelf worden onderschreven.

De Commissie en ikzelf zijn van mening dat toename van de groei in de Europese Unie en in de eurozone allereerst moet worden bereikt door het groeipotentieel te vergroten. Hiervoor zijn structurele hervormingen nodig zoals die welke de Commissie heeft voorgesteld in haar mededeling voor de herziening en revitalisering van de Lissabon-strategie.

Breiden we ons groeipotentieel niet uit, dan zal de duurzaamheid van onze economie en van ons sociaal bestel op de middellange en lange termijn in gevaar komen, terwijl het uitblijven van groei op de korte termijn zal leiden tot een ernstige ondermijning van de begrotingsstabiliteit en de macro-economische stabiliteit. Dat is dus onze diagnose, en vanuit die visie dient het macro-economisch beleid – zoals wordt gesteld in het verslag van de heer Kok, een overweging waar ik het volkomen mee eens ben - een strategie van structurele hervormingen te ondersteunen welke leidt tot vergroting van het groeipotentieel. Zo zal de groei worden bevorderd en wordt voorkomen dat alle door de hervormingen gecreëerde groeimogelijkheden onbenut blijven door gebrek aan middelen, financiering en vraag.

De Commissie hecht een prioritair belang aan de daadwerkelijke revitalisering van de Lissabon-strategie. Daarom hebben we een tiental prioriteiten op tafel gelegd en voorstellen gedaan over de manier waarop de lidstaten hun toepassing van de Lissabon-strategie zouden kunnen verbeteren, zodat we in elke lidstaat en in de Europese Unie de door ons allen onderschreven doelstellingen kunnen verwezenlijken. Die doelstellingen zijn niet afgezwakt in de mededeling van de Commissie en de definitie ervan van vijf jaar geleden is thans weer bekrachtigd.

Wat het Stabiliteits- en Groeipact betreft zou ik een aantal punten willen toelichten, mijnheer de Voorzitter. Er dient duidelijkheid te bestaan over de ontwikkelingen van de afgelopen weken, waarin de Raad, met steun van de Commissie en in uitstekende samenwerking met het Luxemburgse voorzitterschap, een akkoord probeert te bereiken om de praktische toepassing van de mechanismen van de begrotingsdiscipline te verbeteren, en om ervoor te zorgen dat de in het Verdrag nagestreefde doelstellingen, waarin de begrotingsstabiliteit namelijk is omschreven als een van de voorwaarden van de Economische en Monetaire Unie, een meer concrete en positieve realiteit worden dan nu het geval is.

Waar zijn wij mee bezig? In de eerste plaats blijven wij onverminderd vasthouden aan de referentiewaarden die in het Verdrag zijn vastgelegd. De grens van 3 procent staat in het Verdrag, en de Commissie zal niet toestaan dat een in het Verdrag opgenomen referentiewaarde niet geëerbiedigd wordt. Voor alle duidelijkheid zeg ik hier nogmaals, wat ik zal blijven doen zolang dat nodig is, dat de Commissie, in haar voorstel, noch de ministers van de Raad Ecofin, in hun thans unanieme standpunt, overwegen om uitgaven van welke categorie dan ook buiten beschouwing te laten bij het vaststellen van tekorten. Wel wordt overwogen om krachtens de bepalingen van artikel 104 van het Verdrag die factoren in beschouwing te nemen welke relevant zijn bij het analyseren van de oorzaak van buitensporige tekorten, of bij het beoordelen van de vraag wat ons te doen staat om het evenwicht en de duurzaamheid van de openbare financiën te herstellen door tekorten tot onder het niveau van de referentiewaarde terug te brengen.

Zoals wij in deze discussie ook heel duidelijk doen, kan er onderscheid worden aangebracht tussen enerzijds het niet buiten beschouwing laten van enige uitgavenrubriek, en anderzijds het in aanmerking nemen van bijvoorbeeld de economische factoren, de opbouw van de overheidsuitgaven, het conjuncturele aspect van de situatie, en lopende structurele hervormingen. We moeten die factoren in aanmerking nemen om te zien hoe het preventieve gedeelte van het stabiliteitspact ten uitvoer wordt gelegd, hoe de openbare financiën zich verhouden tot het evenwicht op de middellange en lange termijn, of om te zien, wat betreft het gedeelte inzake de procedure voor buitensporige tekorten, welke aanbevelingen werkelijk doeltreffend zijn voor het herstellen van het begrotingsevenwicht van landen met een buitensporig tekort. Met het oog daarop is het van het allergrootste belang - en dat is het tweede kernelement in deze discussie – dat bij de tenuitvoerlegging van het pact, zowel in het preventieve gedeelte, als in het correctieve gedeelte van de procedure voor buitensporige tekorten, wordt afgezien van procyclische beleidsvormen.

Een van de meest opvallende oorzaken die een aantal landen ertoe heeft gebracht de 3 procent norm te overschrijden, is het feit dat deze landen toen hun economische cyclus een opgaande lijn vertoonde, geen procyclische beleidsvormen hebben toegepast en hun openbare financiën onvoldoende hebben geconsolideerd. Het Verdrag bevat hiertoe instrumenten die beter moeten worden gebruikt, zoals de preventieve waarschuwingen, de early warnings, die overigens verder worden bekrachtigd in de Grondwet, welke de Commissie rechtstreeks belast met het uitvaardigen van deze waarschuwingen. In elke lidstaat moeten nationale regels worden opgesteld om de druk te verhogen, de zogenaamde peer pressure, op degenen die op nationaal niveau beslissen over de opbouw van inkomsten en begrotingsuitgaven en dus van het begrotingstekort van elke lidstaat, dat immers nog steeds onder de nationale bevoegdheden valt. Maar zoals mevrouw Berès al zei, is het gecombineerde resultaat van die nationale beslissingen inzake het begrotingsbeleid een zaak van algemeen belang, omdat we in een Economische en Monetaire Unie zitten.

Wat betreft de procedure bij buitensporige tekorten zijn wij in overleg over de vraag - en dit is wel het moeilijkste punt van de discussie - hoe de procedure voor buitensporige tekorten moet worden gestart. Ik herhaal ons standpunt in die zin dat geen enkele uitgave buiten beschouwing zal worden gelaten bij het berekenen van het niveau van het tekort. Als u artikel 104 van het Verdrag nog eens naleest, zult u zien dat de Raad, wanneer de Europese Commissie hem gewezen heeft op een naar haar oordeel buitensporig tekort van een bepaald land, ruimschoots bevoegd is om na een globale beoordeling, een overall assessment – zoals gesteld in artikel 104, lid 6 van het Verdrag – te beslissen “of er sprake is van een buitensporig tekort”.

Ons streven is dat de criteria die de Commissie gebruikt om de Raad te wijzen op het buitensporige tekort van een land, overeenkomen met die waarvan de Raad zich naderhand bedient, opdat botsingen zoals in het verleden kunnen worden vermeden, en opdat er in die onderlinge relatie en samenwerking geen belemmeringen meer ontstaan die de procedure lamleggen en aanleiding geven tot conflicten zoals die van ruim een jaar geleden. In die onderlinge relatie moeten de functies en bevoegdheden van de Commissie worden geëerbiedigd - en zijzelf zal nooit afzien van de haar uit hoofde van het Verdrag toegekende bevoegdheden - en moet de Raad ook gebruik kunnen maken van de hem uit hoofde van het Verdrag toegekende functies en bevoegdheden, waarvan deze op zijn beurt evenmin zal afzien.

Governance is van groot belang; het is van groot belang dat er nationale regels bestaan die een aanvulling vormen op de inspanningen door de lidstaten voor meer ownership van de gemeenschappelijke regels voor begrotingsdiscipline. Zoals we onlangs hebben kunnen zien, is het verder bijzonder belangrijk dat we beschikken over duidelijke en betrouwbare statistieken. De samenwerking tussen de twee instellingen, de Raad en de Commissie, is ook van groot belang, en buitengewoon belangrijk zijn de steun en het debat in het Parlement, zoals het onderhavige debat, waarvan er in de toekomst ongetwijfeld meer zullen volgen.

Van groot belang is dat we een akkoord bereiken. Ik deel de bezorgdheid die hier is gebleken over de geloofwaardigheid van de Economische en Monetaire Unie, en met name van onze Europese munt ten opzichte van andere markten. Andere markten zullen er niets van begrijpen als er op de Europese Raad van maart geen akkoord wordt bereikt. We moeten ons er allemaal, ieder vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid, zoveel mogelijk voor moeten inzetten dat dit akkoord wordt gesloten en op 23 maart wordt opgenomen in de conclusies van de Europese Raad. De Commissie van haar kant zal alles in het werk stellen om dat te bereiken.

Tenslotte zou ik willen wijzen op de uitstekende samenwerking tussen de Commissie en het voorzitterschap van de Raad, dat ook vastbesloten is om dit alles tot een goed einde te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. De gecombineerde behandeling is gesloten.

De stemming vindt vandaag om 12.00 uur plaats.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER VIDAL-QUADRAS ROCA
Ondervoorzitter

 

5. "Culturele Hoofdstad van Europa" voor het tijdvak 2005 tot 2019
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de aanbeveling voor de tweede lezing (A6-0017/2005), namens de Commissie cultuur en onderwijs, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van het besluit van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Besluit nr. 1419/1999/EG tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor het tijdvak 2005 tot 2019 (12029/1/2004 - C6-0161/2004 - 2003/0274(COD)) (rapporteur: mevrouw Prets).

 
  
MPphoto
 
 

  Prets (PSE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, op 13 juni 1985, dus bijna twintig jaar geleden, diende de toenmalige Griekse minister van Cultuur, Melina Mercouri, het idee van een Culturele Hoofdstad van Europa in bij de Raad van ministers van Cultuur en werd dit idee middels een resolutie aangenomen. Het doel was om het Europese publiek kennis te laten maken met bijzondere culturele aspecten van de stad, de regio of het land in kwestie. Naar aanleiding van het twintigjarig bestaan van het programma inzake de Culturele Hoofdstad kunnen enkele conclusies worden getrokken die zijn uitgewerkt aan de hand van het onderzoek van Palmer uit augustus 2004.

De verkiezing tot Culturele Hoofdstad heeft zonder twijfel een positieve invloed op de gekozen stad wat betreft nieuwe culturele initiatieven, de ontwikkeling van culturele infrastructuren, kunstzinnige activiteiten en trends, de bekendheid, de internationale status en de mogelijkheid voor verdere culturele ontwikkeling. Een en ander gaat gepaard met een stijging van het aantal bezoekers en de inkomsten, maar ook van de uitgaven.

Hoewel de Culturele Hoofdstad van Europa een bijzondere aantrekkingskracht heeft voor mensen die zich voor cultuur interesseren, komt het Europese aspect niet helemaal uit de verf. De culturele dimensie wordt vaak overschaduwd door politieke ambities en de Europese dimensie wordt niet altijd op de voorgrond gesteld. De Culturele Hoofdstad kan alleen een duurzaam project worden, als het wordt geïntegreerd in de stedelijke ontwikkeling en in een ontwikkelingsstrategie voor de cultuur op lange termijn. Er is de afgelopen twintig jaar veel veranderd op het gebied van cultuur en kunstontwikkeling in de steden – maar vooral ook in de Europese Unie – zodat het toenmalige besluit hard toe is aan herziening.

Zo is er bijvoorbeeld bij het nomineren van de steden tot 2019 geen rekening gehouden met de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten afgelopen mei. Om de vastgelegde volgorde nu niet om te gooien ligt er een voorstel op tafel om aan de bestaande nominaties telkens een stad uit de nieuwe lidstaten toe te voegen zodat we een evenwicht krijgen. We kunnen niet verantwoorden dat deze landen moeten wachten tot 2019 voor ze aan de beurt zijn.

Het gemeenschappelijk standpunt dat nu voor ons ligt, is echter niet volledig en het voldoet niet aan de voorwaarden om opener, democratischer en transparanter te kunnen omgaan met de veranderingen. Om de lopende voorbereidingswerkzaamheden voor de Culturele Hoofdsteden van 2009, 2010 en volgende jaren niet in gevaar te brengen – in het bijzonder in Oostenrijk en Duitsland – pleit ik ervoor om dit gemeenschappelijk standpunt in tweede lezing aan te nemen, op voorwaarde dat de Commissie – zoals ze al heeft toegezegd en waar ze ook al aan werkt – uiterlijk in juni van dit jaar met een nieuw voorstel komt.

Dit nieuwe voorstel moet de volgende punten bevatten. Om te beginnen een aanpassing van de financiële middelen als er vanaf 2009 twee Culturele Hoofdsteden zijn. De toegezegde gelden bedragen momenteel tussen de 200.000 en 1 miljoen euro per project. Er moeten duidelijke criteria zijn geformuleerd om de middelen ten volle te kunnen benutten. Momenteel wordt gemiddeld 500.000 euro per Culturele Hoofdstad toegezegd, dat is in het geval van Linz 0,83 procent van het begrotingsvoorstel. De Europese Unie levert hier zeker geen grote bijdrage. Ik pleit voor een vast bedrag van 1 miljoen euro per Culturele Hoofdstad, mits aan alle criteria is voldaan.

Hiermee moet al rekening worden gehouden in de financiële begiftiging, in het cultuurprogramma en in de financiële vooruitzichten 2007-2013. Verder vinden wij het heel belangrijk dat de jury een grotere rol krijgt, dat de taken concreter worden gedefinieerd en dat zo de selectieprocedure voor de kandidaat-steden wordt verbeterd. Duidelijke en objectieve selectiecriteria van de steden zelf en de vereiste Europese meerwaarde moeten ook duidelijk worden gedefinieerd en aan de hand van concrete punten kunnen worden aangetoond. Wanneer en waarom een stad 200 000, 500 000 of 1 miljoen euro krijgt, moet ook duidelijk worden gedefinieerd.

Als concurrentie tussen meerdere steden mogelijk is, juichen wij dat toe, maar het moet geen dwingend criterium zijn. Zo stellen Oostenrijk en Litouwen zich voor 2009 ieder met één stad kandidaat, maar ze moeten bij de selectieprocedure aan alle selectiecriteria voldoen. Dit is heel belangrijk en ik denk dat Oostenrijk met Graz ook heeft laten zien dat je met één stad hele goede prestaties kunt bieden.

Ik denk dat de Europese Unie ook steun moet geven aan verhoging van de publiciteit rond de Culturele Hoofdsteden en op dit vlak een beter programma moet presenteren.

In het besluit over de Europese Culturele Hoofdstad van 1999 werd gesteld dat het doel van het programma is de rijkdom, de grote verscheidenheid en de overeenkomsten van de Europese culturen te benadrukken en bij te dragen aan een beter wederzijds begrip tussen de burgers van Europa. Het nieuwe besluit moet nog een stap verdergaan en de uitdaging van de Europese integratie, de Europese verscheidenheid en daarbij ook de ontwikkeling van de culturele samenwerking binnen een groter Europa onder ogen zien en onderstrepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Figeľ, lid van de Commissie. - (SK) Dames en heren, in november 2003 heeft de Europese Commissie een voorstel aangenomen tot wijziging van het besluit van 1999 tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement 'Culturele hoofdstad van Europa'. Dit besluit bestrijkt de periode van 2005 tot en met 2019, waarin we ons nu bevinden. Het enige doel van de aanbeveling van de Commissie die nu voor u ligt, is de tien nieuwe lidstaten de gelegenheid te geven zo snel mogelijk vanuit hun positie van gelijkwaardigheid ten opzichte van de andere lidstaten, aan deze culturele activiteit deel te nemen, conform het gelijkheidsbeginsel.

Dit betekent dat de nieuwe lidstaten, te beginnen in 2009, de culturele hoofdstad van Europa zullen leveren, samen met en wedijverend met de andere lidstaten. Voor 2009 gaat het, zoals al is gezegd, om Litouwen en Oostenrijk. Ik zal de Raad vóór deze zomer in de tweede fase, overeenkomstig de wens van het Parlement, een verdere verandering voorstellen, die erop neerkomt dat er een grondige analyse of een diepgaande beoordeling van de selectieprocedure voor deze communautaire activiteit zal worden uitgevoerd.

Zoals Christa Prets terecht heeft opgemerkt, dient dit voorstel onder meer in te gaan op de Europese dimensie in de samenwerking, de manieren waarop deze kan worden versterkt, de rol van het selectiepanel, de wedijver op nationaal niveau, enzovoort. In werkelijkheid zijn veel van deze vragen of aandachtspunten al in de eerste lezing naar voren gebracht, en ik zal er natuurlijk rekening mee houden bij de formulering van de volgende stappen die moeten worden genomen.

De Commissie zal ook rekening houden met de resultaten van een onafhankelijke studie waarin is gekeken naar de afgelopen tien jaar van dit samenwerkingsinitiatief. Wat betreft de tweede lezing, ben ik blij dat het verslag ook is goedgekeurd door de Commissie cultuur en onderwijs, waarmee tevens het gemeenschappelijk standpunt van de Raad is goedgekeurd, dat min of meer de lijnen volgt van het voorstel van de Commissie. Dit betekent dat dit besluit betrekkelijk snel kan worden genomen, maar natuurlijk wel volgens de correcte procedure.

Tot slot wil ik het Europees Parlement, de Commissie cultuur en onderwijs en de rapporteur Christa Prets persoonlijk bedanken voor hun nauwe samenwerking op dit gebied. Natuurlijk bedank ik ook het Ierse en Deense voorzitterschap voor hun werk op dit gebied in het afgelopen jaar, alsook het Luxemburgse voorzitterschap voor de voortgezette samenwerking.

Ik ben blij dat deze verandering echte resultaten oplevert, want de aanneming ervan kan de relaties tussen steden en burgers in de uitgebreide Europese Unie in belangrijke mate bevorderen en deze direct beïnvloeden.

 
  
MPphoto
 
 

  Pack (PPE-DE), namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, we zouden vandaag helemaal niet over de Europese Culturele Hoofdstad hoeven te spreken als de ministerraad in 1999 het niet had gepresteerd om – bizar genoeg - met geen woord te reppen over de nieuwe leden die er in de komende twintig jaar bij zouden kunnen komen. Tot zoiets zijn alleen ministers in staat, de afgevaardigden in dit Parlement waren ook toen al verstandiger.

We moeten dit nu dus corrigeren, en we zijn daartoe ook bereid. Van nu af aan krijgen we telkens twee steden, een uit de vijftien oude lidstaten en een uit de nieuwe lidstaten. Ik vind dit een heel goed idee, want zo ontstaat er ook een samenwerking tussen die twee culturele hoofdsteden. In 2010 worden het bijvoorbeeld een Duitse stad en een Hongaarse stad. Mevrouw Prets heeft natuurlijk volkomen gelijk, wanneer ze zegt dat daarvoor de financiële middelen ontbreken, maar wie zijn billen brandt moet op de blaren zitten. Dat betekent dat we in de toekomst meer geld nodig hebben voor de culturele hoofdsteden, en dat moeten we ook in de financiële vooruitzichten opnemen.

In tegenstelling tot mevrouw Prets ben ik echter van mening dat ieder land tenminste twee steden moet voorleggen aan de Europese jury. Het Duitse voorbeeld maakt duidelijk dat het een zegen was dat tien steden kandidaat waren als culturele hoofdstad. Er is in de afgelopen jaren in Duitsland van alles op gang gekomen, de cultuursector heeft allerlei creatieve ideeën gehad en de inventiviteit viert hoogtij. Er vinden colloquia en symposia plaats met allerlei vertegenwoordigers uit de culturele wereld en het bedrijfsleven. Ik ben ervan overtuigd dat al die schitterende ontwikkelingen alleen maar voort kunnen vloeien uit onderlinge concurrentie.

Duitsland zal de jury dus twee of meer steden voorstellen. Er kan slechts een stad gekozen worden, maar er is bij alle andere kandidaten in hun stad, hun streek en hun deelstaat ongelofelijk veel gebeurd. Daarom lijkt me dit de juiste weg.

Ik zou de jury wel willen vragen om in de toekomst wat meer te letten op wat ik de vuurtorenfunctie van de steden zou willen noemen. De Europese steden zijn de vuurtorens van onze geschiedenis en van onze culturele diversiteit. Iedere culturele hoofdstad zou hier ook de nadruk op moeten leggen door tal van gevarieerde evenementen te organiseren. Deze mogen niet zuiver in dienst staan van de nationale folklore en het toerisme, maar ook de culturele diversiteit benadrukken. Ik hoop dat de commissaris daarmee rekening houdt in zijn voorstellen over onder andere de selectieprocedure.

 
  
MPphoto
 
 

  Hegyi (PSE), namens de PSE-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben over het algemeen blij met het uitstekende verslag van mevrouw Prets. Ik ben ook blij met het idee om het initiatief van de Culturele Hoofdstad van Europa uit te breiden naar de nieuwe lidstaten. Sommigen menen wellicht dat het beter zou zijn om maar één Culturele Hoofdstad per jaar te hebben, om beurten in de vijftien oude lidstaten en de tien nieuwe lidstaten. Zo zouden we alle evenementen in één stad kunnen blijven concentreren. Dat zou een logische oplossing zijn, ware het niet dat zo veel oude lidstaten al zo lang hebben gewacht op de mogelijkheid dat een van hun steden de eer ten deel valt te worden uitgekozen als Culturele Hoofdstad.

Deze verdubbeling van de kansen dient mijns inziens te worden toegejuicht, maar wel op één belangrijke voorwaarde: beide hoofdsteden moeten in alle opzichten gelijk zijn, ook wat betreft de financiën. Dat is de verantwoordelijkheid van de Commissie, de landelijke overheden en de gemeentebesturen, en van de media. Ik doe een dringend beroep op iedereen om het belang hiervan in te zien en alles in het werk te stellen om te zorgen voor echte gelijkheid. Als er een eersteklas en een tweedeklas Culturele Hoofdstad komt, zou dat niets heel kunnen laten van de hele gedachte erachter en een bron van woede en frustratie kunnen zijn.

In 2010 zal het evenement Culturele Hoofdstad van Europa plaatsvinden in Hongarije en Duitsland. In Hongarije strijden elf steden om deze uitgelezen kans zich aan de rest van Europa te presenteren. De stad waar ik vandaan kom, Boedapest, is een van de kandidaten. Eerlijk gezegd geldt Boedapest, met haar bloeiende culturele leven, ook zonder titel als een van de culturele hoofdsteden, maar dit zou een bijzondere gelegenheid zijn.

Het is frappant te zien dat in alle elf de steden in Hongarije de plaatselijke politici, NGO’s en burgers van alle leeftijden zich inzetten voor de gemeenschappelijke zaak van de wedstrijd. In die zin vormt de wedstrijd op zich al een aanleiding voor alle meedingende steden om gemeenschappelijke culturele activiteiten te houden. Ik verwelkom het initiatief en het verslag dus, mits beide hoofdsteden gelijk zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Trüpel (Verts/ALE), namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik sluit mij aan bij de woorden van de sprekers die voor mij het woord hebben gevoerd. De geschiedenis van de Culturele Hoofdsteden van Europa is tot nu toe een succesverhaal geweest. Er is altijd wel iets dat nog voor verbetering vatbaar is, maar al met al hebben we kunnen zien dat bij al deze steden het proces van zelfbegrip, waarbij contacten in andere Europese landen zijn aangeknoopt en de Europese dimensie beter zichtbaar is geworden, heeft bijgedragen aan de eigen identiteit van deze steden, maar ook aan een beter onderling begrip binnen Europa.

Nu stellen we vast - en mevrouw Pack heeft in dat opzicht gelijk - dat het fout was om in het besluit van 1999 niet meteen ook aan Oost-Europa te denken. Daarom is het goed dat we dit nu rechtzetten en voor de tijd na 2009 een regeling vinden waardoor er niet alleen een stad uit een van de oude lidstaten meedoet maar altijd ook een stad uit de Oost-Europese lidstaten.

Ik ben er heilig van overtuigd dat deze interactie tussen West- en Oost-Europa tot goede samenwerking bij allerlei projecten zal leiden. Er moet in al deze steden een soort nieuw cultureel saamhorigheidsgevoel ontstaan. Europa heeft niet één ziel, Europa heeft talloze zielen. Dat moeten de Europese culturele hoofdsteden in de komende jaren laten zien. Daarom ben ik het ook eens met de voorstellen die mevrouw Prets heeft gedaan over de financiering en over de manier waarop deze steden moeten worden geselecteerd. Dat moet helder geregeld worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Markov (GUE/NGL), namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, mijn fractie steunt het gemeenschappelijk standpunt van de Raad. Er kleven natuurlijk wel gebreken aan, maar we denken dat we hiermee een basis hebben voor een eerlijke financiering van dit programma, en we hebben nu natuurlijk ook het probleem opgelost dat alle geachte collega’s al hebben genoemd, en wel dat er voor de nieuwe leden van de Europese Unie oorspronkelijk helemaal niets was voorzien.

De titel “Culturele Hoofdstad van Europa” is voor de betrokken steden en hun burgers een prachtige kans om zich aan heel Europa voor te stellen. Ze kunnen hun culturele, wetenschappelijke, architectonische en historische troeven en successen presenteren. Een stad die kandidaat is als Culturele Hoofdstad zal waarschijnlijk eigen ontwikkelingsconcepten uitwerken, en dat geeft een enorme impuls voor de ontwikkeling, ongeacht de vraag of die stad nu wel of niet door het eigen land wordt verkozen. Dat zorgt voor inspanningen op het vlak van infrastructuur, restauratie, modernisering en renovatie. Bovendien biedt het nieuwe kansen voor het toerisme, waardoor de steden zich ook nadien verder kunnen ontwikkelen en zich aantrekkelijker kunnen presenteren.

Wanneer we kijken naar het voorbeeld van Duitsland, waar voor 2010 tien steden kandidaat zijn, waaronder ook mijn eigen stad, Potsdam, de hoofdstad van de deelstaat Brandenburg, dan zien we dat er in de deelstaten nu al, in 2005, enthousiast wordt gewerkt om de steden voor de preselectie goed te presenteren.

Ik zou nog iets willen zeggen over het voorstel voor de toekomstige selectieprocedure. Het lijkt me een heel goed idee dat ieder land dat aan de beurt is tenminste twee steden voorstelt. Ik ben er echter niet voor dat er 5, 6 of 7 worden voorgesteld, dat zou te veel zijn. We moeten er in ieder geval voor zorgen dat de jury in alle lidstaten en in de hele Europese Unie dezelfde criteria voor de preselectie toepast. Dat lijkt me heel belangrijk, en daarom denk ik dat we dit idee moeten doorzetten. De titel "Culturele Hoofdstad van Europa" is voor veel steden van enorm belang.

 
  
MPphoto
 
 

  Karatzaferis (IND/DEM), namens de IND/DEM-Fractie. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, het idee van de culturele hoofdstad is misschien het mooiste idee dat bestaat in de Europese Unie. Dit idee is afkomstig van een grote actrice - en voormalig minister van Cultuur van Griekenland - die Piraeus in de jaren zestig, met haar bekroonde liedje “Children of Piraeus”, tot culturele hoofdstad van de wereld maakte.

Mijns inziens is de cultuur het belangrijkste product van Europa, belangrijker dan de economie, het leger en de diplomatie. Vooruit, mijnheer de commissaris, schrijft u geschiedenis met hetgeen ik u nu ga voorstellen: roept u volgend jaar de ‘dode stad’ Famagusta op Cyprus uit tot culturele hoofdstad van Europa. Het is de enige dode stad op ons continent, op het continent van de grote beschavingen: de Myceense, Minoïsche en Romeinse beschavingen. Famagusta is nu al dertig jaar lang een dode stad, de enige dode stad ter wereld. Laten wij deze stad uitroepen tot culturele hoofdstad. Laten wij haar nieuw leven geven, daar waar het barbarendom haar het leven ontnam. Laten wij haar uitroepen tot culturele hoofdstad en zegevieren waar alle plannen - waaronder enkele maanden geleden ook het plan-Annan – hebben gefaald. Als wij Famagusta tot culturele hoofdstad uitroepen zult u een Grieks-Cypriotische jongen zij aan zij zien lopen met een Turks-Cypriotisch meisje, en zullen wij allen trots kunnen zijn. Dan zullen wij trots zijn omdat wij vrede brengen en leven geven aan de mooiste stad van heel de Middellandse Zee. Dat is een goed idee: laten wij besluiten nemen daar waar de diplomatie faalt. Laten wij besluiten nemen daar waar de ontkenning alle hoop wegneemt. Laten wij dit initiatief echte inhoud geven. Dit is een belangrijke zaak, mijnheer Figel: laten wij deze stad openen en het plein in het centrum van de stad het Jean Figel-plein noemen. Zorgt u ervoor dat dit idee eer wordt aangedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Crowley (UEN), namens de UEN-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik complimenteer de rapporteur met het werk dat zij heeft verricht voor dit bijzondere onderwerp, en ik dank de Commissaris bij voorbaat voor zijn niet-aflatende inzet voor de bevordering van een zeer belangrijk aspect van het leven in de Europese Unie: de cultuur.

Ik spreek hier vandaag als vertegenwoordiger van de stad in Ierland die op dit moment Culturele Hoofdstad is: Cork. In de zeven jaar voorafgaand aan de kandidatuur van Cork is zeer uitgebreid onderzoek gedaan op dit terrein, en een van de voornaamste uitkomsten was dat het belangrijk is om een stad als culturele hoofdstad aan te wijzen omdat daarmee meer begrip wordt gekweekt voor de verscheidenheid aan culturen en tradities binnen de Europese Unie. Die verscheidenheid is met de recente uitbreiding alleen maar groter geworden en betreft nu het hele vasteland. Ik ben daarom met name blij met het besluit om in eenzelfde jaar zowel in het Oosten als in het Westen een Culturele Hoofdstad aan te wijzen.

Een wezenlijk element dat nog ontbreekt in de algehele opzet is de financiële ondersteuning waarop de steden kunnen rekenen voor de aanleg van de infrastructuur die past bij de status van Culturele Hoofdstad. Natuurlijk kunnen de nationale en plaatselijke overheden middelen beschikbaar stellen voor hun eigen steden, maar er is een bredere, Europese dimensie die vraagt om aanvullende financiering op Europees niveau.

Tenslotte wil ik opmerken dat we bij cultuur niet alleen denken aan betrekkelijk elitaire zaken als klassieke orkesten, ballet en muziek, hoewel die er natuurlijk wel toe behoren, maar ook oog hebben voor de eeuwenoude culturen en tradities binnen elke lidstaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Hennicot-Schoepges (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, hoewel ik het eens ben met de kritiek ten aanzien van het besluit van de Raad van ministers over de uitbreiding met nieuwe landen, moet ik toch zeggen dat we ons eveneens de vraag zouden moeten stellen of de Raad van ministers van Cultuur zijn besluiten nog altijd bij eenparigheid van stemmen neemt.

Omdat grote landen als Duitsland erop stonden vast te houden aan de eenparigheid van stemmen voor alle besluiten, hebben wij nu gekozen voor een ingewikkeld systeem dat – hoewel ik natuurlijk hoop van niet – waarschijnlijk met een buitensporige hoeveelheid bureaucratie gepaard zal gaan, zonder dat men zich bij het kiezen tussen de kandidaatsteden ook maar iets gelegen laat liggen aan het advies van een jury. Een voorbeeld daarvan is Patras, dat de Raad van ministers op 6 mei jongstleden eenstemmig tot Culturele Hoofdstad van Europa voor 2006 heeft uitgeroepen, niettegenstaande het negatieve advies van de jury. Het gaat hier dus misschien eerder om een soort interinstitutionele malaise, maar dat valt buiten het kader van dit debat.

Ik zou onze rapporteur willen gelukwensen, met name vanwege het financiële voordeel dat zij heeft verschaft. We hebben natuurlijk te maken met besluiten die nu in handen van de Commissie liggen. Zij zal nieuwe ideeën in haar voorstellen moeten opnemen. Ik wil de commissarissen de suggestie doen beter rekening te houden met de mobiliteitsfactor, gegeven dat de Culturele Hoofdstad eveneens de gelegenheid biedt de cultuur van anderen te laten zien. De meerwaarde voor de regio, de duurzaamheid van de ingediende plannen en het voorbereidende werk dat al gerealiseerd is zouden ook in aanmerking genomen moeten worden.

Luxemburg valt enigszins buiten de kritiek van mevrouw Pack, daar wij voor 2007 al de stad Sibiu – dus een stad in een ander land, de kandidaat-lidstaat Roemenië – als partnerstad hebben genoemd. Luxemburg heeft zijn voorstel uitgebreid tot het hele interregionaal gebied: Saarland, Rijnland-Palts, Wallonië, Lotharingen, de Duitstalige gemeenschap in België, oftewel vijf regio’s en drie verschillende talen. Er zal dus ook een toekomstvisie uitgaan van de analyse van hetgeen er in het kader van “Luxemburg Culturele Hoofdstad” in 2007 is gerealiseerd ten behoeve van een concept van cultuur in een interregionaal gebied, teneinde de cohesie tussen de burgers te bevorderen. Dank u, mijnheer de commissaris, voor uw aandacht voor dit aspect.

 
  
MPphoto
 
 

  Paasilinna (PSE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijn complimenten voor het goede werk. Het project "Culturele Hoofdstad van Europa" heeft in zijn twintigjarig bestaan bewezen succesvol te zijn. In veel steden zijn mensen op de been gebracht die anders niet aan evenementen zouden deelnemen. Het verlagen van de drempel en het verbreiden van cultuur is dus een positieve zaak.

Maar waarom verbreden wij niet de idee van de culturele hoofdstad? Momenteel woont 70 procent van ons in steden. De stad is voor ons de meest nabije culturele omgeving. Steden zijn echter te vaak vooral knooppunten van verkeerswegen waarin de geluids- en vervuilingswaarden naar onmenselijke niveaus stijgen. De meeste Midden-Europeanen lijden onder voortdurende geluidsoverlast.

Lawaai en vervuiling zijn een belangrijke culturele factor geworden. Mijnheer de commissaris, steden moeten volgens de strategie van Lissabon worden ontwikkeld tot culturele knooppunten van een kenniseconomie. Wij ontwikkelen ons tot een beschaafde maatschappij die door digitale netwerken wordt ondersteund. Zo'n culturele hoofdstad zal niet snel ontstaan rondom een vrachtwagenterminal. Ik hoop dan ook dat er in de toekomst in de culturele hoofdsteden ontwikkelingsseminars en ontwerpwedstrijden worden georganiseerd over de huidige en toekomstige steden. Er moeten ontwerpen worden gemaakt van hoe een stad er in een beschaafde netwerkmaatschappij uit moet zien.

Onze steden zijn gebouwd als fysieke verkeersknooppunten die teruggaan tot de Middeleeuwen. En die tijd ligt al honderden jaren achter ons. Nu leven wij in een mondiale digitale netwerkomgeving. Zouden de aard van de steden, hun culturen en de modellen die wij voor de steden hanteren niet moeten veranderen? Wat vindt u, commissaris Figel, stappen wij de toekomst binnen?

 
  
MPphoto
 
 

  Graça Moura (PPE-DE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, in een historische periode waarin het steeds belangrijker wordt voor de Europeanen hun onderlinge verschillen op humaan en cultureel vlak te leren kennen is het evenement Culturele Hoofdstad van Europa een zeer efficiënt instrument om dat doel te bereiken.

De nieuwe Europese dimensie die ontstaan is met de laatste uitbreiding, rechtvaardigt volledig de keuze van twee Culturele Hoofdsteden van Europa per jaar in overweging te nemen. Het is evenwel noodzakelijk dat, zoals de Europese Volkspartij al heeft benadrukt, de communautaire financiering voldoende en adequaat is.

De keuze tot Culturele Hoofdstad van Europa verleent een stad veel prestige. Een stad waarop de keuze valt, dient echter de specifieke communautaire steun daarvoor niet te gebruiken voor infrastructurele werken, stadsherstel of soortgelijke zaken. Men verwacht dat de specifieke financiering van het programma ertoe bijdraagt de rol van een stad als Europese stad en cultureel centrum reliëf te geven. Men verwacht van een Culturele Hoofdstad niet de organisatie van het zoveelste internationale festival, hoe belangrijk het ook is.

Men verwacht daarentegen dat de bezoekers van de Culturele Hoofdstad een suggestief, nauwkeurig en levendig beeld krijgen van de stad. De stad die deze onderscheiding krijgt moet zichzelf op die manier afficheren en vooral ook de bijdragen aan de Europese cultuur en aan de relatie van Europa met de rest van de wereld zichtbaar maken. Het zo ontstane beeld moet de specifieke waarden van de stad inzichtelijk maken: de geschiedenis, het geestelijk en materieel erfgoed, de tradities en gewoontes, de levenswijze van de bewoners. Met andere woorden: dat beeld moet de menselijke dimensie laten zien.

Ik steun het verslag-Prets en in het algemeen wat de sprekers voor mij hebben gezegd. Ik zou de Commissie willen vragen met deze punten rekening te houden bij het wijzigen van de voorstellen in 2005.

 
  
MPphoto
 
 

  Sonik (PPE-DE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Culturele Hoofdstad van Europa vormt het duidelijkste en zichtbaarste programma dat de idee van het gemeenschappelijke Europa propageert. Nu wij telkens weer horen over het gebrek aan belangstelling bij de burgers voor de Europese problematiek en het gemeenschappelijke Europa steeds vaker uitsluitend wordt geassocieerd met lange en saaie debatten over het een of andere bestuursrechtelijke aspect van de Europese instellingen, vormt het project van de Culturele Hoofdstad een prijzenswaardige uitzondering.

Wie vorig jaar in Lille was, of in Krakau, dat in het jaar 2000 samen met nog acht Europese steden de functie van Culturele Hoofdstad van Europa vervulde, of in vele andere steden, kon met eigen ogen zien dat de burgers massaal en met enorm enthousiasme deelnemen aan buitengewone culturele evenementen. Iedereen die zich negatief had uitgelaten over de Europese integratie kon met ogen zien met hoeveel enthousiasme, blijdschap en verwachting de mensen genoten van culturele evenementen van de hoogste orde, geïnspireerd door de zoektocht naar gezamenlijke Europese wortels.

In de Culturele Hoofdsteden van Europa vindt een waarachtige en levendige dialoog plaats. Hier moeten de degenen die het moe zijn de gemeenschap van ons continent vanuit het Schumanplein op te bouwen, hun inspiratie opdoen. De fundamentele waarde van dit programma is immers gelegen in het feit dat het geen initiatief is van ambtenaren en in de kantoren in Brussel is bedacht, maar een idee dat twintig jaar geleden in Athene spontaan is geboren en vervolgens door andere Europese steden overgenomen. Nu moeten wij dit idee ondersteunen door de vorming van een speciale, afzonderlijke begroting in de financiële vooruitzichten voor 2007-2013. Het huidige ontwerp voorziet hier niet in.

Met bevreemding stel ik vast dat het Netwerk van Europese Steden en Maanden van de Cultuur (ECCM) als enige niet is opgenomen in de lijst van de tientallen organisaties die fondsen ontvangen van de Europese Commissie. Deze gespecialiseerde organisatie verenigt ervaren managers die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van dit initiatief in hun land. Ik verzoek u deze omissie recht te zetten. Na 20 jaar is het tijd dat de Europese Commissie aanzienlijke middelen voor dit programma uittrekt en haar waardering betuigt voor wat eerdere organisatoren hebben bewerkstelligd. De Europese Unie moet technische en artistieke steun verlenen aan diegenen die de komende edities van de viering van het gemeenschappelijke Europa en zijn culturele hoofdstad zullen organiseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Novak (PPE-DE). - (SL) Ik verwelkom het voorstel waarmee de nieuwe lidstaten van de Europese Unie vanaf 2009 ook de kans hebben om zich kandidaat te stellen als culturele hoofdstad van Europa. In mijn eigen land Slovenië is 8 februari een jaarlijkse culturele feestdag, en deze dag is ook een nationale vrije dag. Op die dag zijn tentoonstellingen en musea gratis toegankelijk en rond deze feestdag vinden talloze culturele evenementen plaats. Desalniettemin zijn er ook veel mensen in Slovenië die beweren dat cultuur overbodig en onnodig is, omdat cultuur niet direct geld oplevert. Maar op deze feestdag houden we ons hoe dan ook intensiever bezig met het belang en de waarde van cultuur, en we bezoeken evenementen waar we normaal de tijd niet voor zouden vinden.

Het is juist door het behoud van haar culturele erfgoed en haar taal dat de Sloveense natie met haar slechts twee miljoen inwoners alle verwoestingen van de wereldoorlogen heeft overleefd, alsook de aspiraties van buurlanden die ons van de etnische kaart van Europa wilden vegen. In een cultureel en etnisch divers Europa is het des te belangrijker dat we bruggen tussen elkaar bouwen. Het behoud van de eigen cultuur en het genieten van de diversiteit en rijkdom van andere landen moeten een leidend beginsel voor ons zijn en dat ook blijven, want cultuur is de minst doordringende band tussen landen die in vrede en wederzijdse samenwerking willen leven.

De Culturele Hoofdstad van Europa maakt het voor ons mogelijk zulke banden te smeden. Tegelijkertijd biedt dit evenement elk gastheerland de mogelijkheid meer te investeren in culturele voorzieningen en in projecten met positieve effecten op de lange termijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Figeľ , Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de leden van dit Parlement voor de steun die zij namens hun fracties of namens zichzelf hebben toegezegd. Dit is goed voor de Europese cultuur, voor de Europese Unie en voor de toekomst van Europa.

De heer Paasilinna stelde de vraag of dit een stap terug is in het verleden of een stap vooruit in de toekomst. Het besluit van 1999 dient te worden aangepast aan de nieuwe situatie die is ontstaan met de uitbreiding van de Unie. Het gaat hier om cultuur en niet zo zeer om geografie of economie. We moeten ook aandacht besteden aan de deelneming van Bulgarije en Roemenië, anders rijst straks de vraag of toetredende landen meedoen aan deze vorm van samenwerking of een speciale behandeling krijgen. Verder moeten we voor de toekomst mechanismen opstellen met betrekking tot criteria voor de financiering, stadskeuze en jury’s. Dat moeten we doen om de Europese dimensie en een groot aantal andere kwesties te bevorderen die al eerder zijn genoemd of nog aan de orde moeten komen.

Ik wil benadrukken dat er nu al toegevoegde waarde te zien is: Duitsland heeft tien steden voorgedragen en Hongarije elf. Nog voordat de keuze is gemaakt, zorgt het initiatief al voor veel culturele activiteit en een groeiend besef dat cultuur belangrijk is en dat er een Europese dimensie voor bestaat. Ik ben blij dat er onder u zoveel begrip is voor het besluit. We zullen samen met de rapporteur, de Commissie cultuur en onderwijs en het Parlement blijven werken aan verdere verbeteringen.

De samenwerking zou in een breder perspectief moeten worden geplaatst. Cultuur moet worden gezien als een relatie tussen volken en naties en al hun oude tradities. Zoals de heren Graça Moura en Crowley opmerkten, dient rekening te worden gehouden met het geestelijk en bouwkundig erfgoed en met de menselijke dimensie. Steden zijn niet slechts knooppunten in een vervoersnet maar plaatsen voor mensen en cultuur.

Ik ben u erkentelijk voor uw positieve reacties en steun. Ik zie uit naar onze samenwerking voor verdere verbeteringen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hartelijk bedankt, mijnheer de commissaris. Dit onderwerp is derhalve behandeld en de stemming vindt om 12.00 uur plaats.

 

6. Actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0008/2005) van mevrouw Ries, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, over het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (2004/2132(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Ries (ALDE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, allereerst zou ik hier al mijn collega’s die een grote belangstelling aan den dag hebben gelegd voor dit belangrijke onderwerp van harte willen bedanken. Om te beginnen wil ik de schaduwrapporteurs, Antonios Trakatellis, Dorette Corbey, Bart Staes en Bairbre de Brún bedanken, en verder natuurlijk alle collega’s wier onbetaalbare medewerking gedurende het hele totstandkomingsproces van dit verslag ik zeer op prijs heb gesteld.

In alle fracties is het debat hevig geweest en, zogezegd, in overeenstemming met het belang van het onderwerp en met de verwachtingen. Van de Europese burgers zegt 89 procent zich buitengewoon zorgen te maken over de invloed van het milieu op hun gezondheid, en met recht! De cijfers laten aan duidelijkheid niets te wensen over, ik zal er slechts een paar noemen: een zesde van de sterfte en ziektes onder kinderen in Europa kan worden toegeschreven aan milieufactoren; allergische aandoeningen van de luchtwegen zijn de afgelopen twintig jaar verdubbeld en treffen 1 op de 7 kinderen; bijna 10% van de werknemers wordt blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen; 14% van de echtparen laten zich behandelen voor moeilijkheden bij de conceptie. Zoals ik al zei zou ik hier nog veel meer cijfers en voorbeelden kunnen geven, wat door mijn collega’s in de loop van de debatten ook al is gedaan.

In juni 2003 heeft de Europese Commissie op deze cijfers gereageerd door het introduceren van de SCALE-strategie op het gebied van milieu en gezondheid. Daarbij staat SCALE voor Science, Children, Awareness, Legal instruments, Evaluation. Dit initiatief heeft veel verwachtingen gewekt, die mevrouw Wallström goed heeft samengevat in haar verklaringen tijdens het plenaire debat van maart vorig jaar. Ik citeer: "Op bepaalde gebieden kunnen we het ons niet veroorloven om te wachten totdat we over volledige kennis beschikken; daar moeten we handelen volgens het voorzorgsbeginsel, en dat zullen we ook doen".

Kortom, deze Europese strategie was bedoeld als springplank voor het actieplan waarvoor ik de rapporteur ben. Het is echter anders uitgepakt. Mijns inziens is dit actieplan die naam niet waardig; het betreft veeleer een programma voor de evaluatie van de algehele milieueffecten op de gezondheid van de mens. Zeker, er wordt een reeks interessante werkwijzen geschetst, die het vermelden en het onthouden waard zijn. Ik wil met name de acties noemen om de burgers bewust te maken van de risico’s die zij lopen, om specialisten in de milieugeneeskunde op te leiden – daar zijn er nog veel te weinig van – en om een systeem van biomonitoring in te stellen op Europees niveau. Genoeg interessante initiatieven dus, zoals ik al zei, maar bij het lezen van de mededeling van de Commissie kreeg ik het gevoel dat er meer in had gezeten en dat gevoel heb ik nog steeds.

Mijns inziens zou een aanpak die het absolute wetenschappelijk bewijs tot het paradigma van de 21ste eeuw maakt indruisen tegen de toepassing van het voorzorgsbeginsel. De 52 Europese ministers van Milieu en van Volksgezondheid die in juni in Boedapest bijeen zijn gekomen in het kader van de conferentie over het thema “Een toekomst voor onze kinderen” hebben dat begrepen en hebben groot belang toegekend aan het delicate maar onontbeerlijke evenwicht tussen enerzijds de noodzaak tot meer onderzoek en anderzijds de urgentie van preventieve acties ter bescherming van de gezondheid. Dat evenwicht moeten we hier zien te vinden.

Daarom hebben we de blootstelling aan gevaarlijke chemische stoffen tot een van de speerpunten van dit verslag gemaakt. Om preciezer te zijn: bij punt 6 dringen we aan op toepassing van het voorzorgsbeginsel op een hele reeks stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid, in het bijzonder bepaalde zware metalen, zoals kwik en cadmium, zes producten van de familie van de ftalaten, die worden toegepast in PVC-plastics, en vier insecticiden waarvan onder andere vermoed wordt dat ze hormoonontregelaars zijn en ernstige aangeboren afwijkingen veroorzaken.

Om dit Europese plan te versterken zouden we ons mijns inziens ook moeten laten inspireren door de ambitieuze acties die al – met succes – ten uitvoer gelegd zijn door de lidstaten. Ik verwijs daarnaar in de punten 23 en 28 van de resolutie.

Voor het overige ben ik blij dat mijn collega’s de door mij gekozen benadering steunen, die erop gericht is de kinderen weer centraal te stellen in deze maatregelen, met name door de Commissie te verzoeken een epidemiologische studie uit te voeren op kinderen vanaf hun geboorte tot aan hun volwassenheid.

De strijd tegen het passief roken is een ander cruciaal punt. De Commissie heeft nota genomen van deze zorg, en dat verheugt ons. Zij verlangt tabaksrook in het milieu te klasseren als kankerverwekkende stof van klasse 1. Laat hier geen misverstand over bestaan: het is wat mij betreft uitgesloten dat er hier ook maar de minste kanttekening wordt geplaatst bij de boodschap die wij afgeven aan de burgers en die het onderwerp vormt van punt 20 van de resolutie. Tabaksrook is dodelijk, niet alleen voor rokers maar ook voor niet-rokers. Alleen al in België worden jaarlijks 2000 slachtoffers van passief roken geregistreerd; dat zijn net zoveel slachtoffers als van verkeersongelukken.

Om af te ronden: ik hoop dat de Europese Commissie de tenuitvoerlegging van dit actieplan de komende zes jaar ambitieus zal aanpakken. Ik twijfel er niet aan, mijnheer Dimas, dat u nauw zult samenwerken met uw collega, de heer Kyprianou, om zorg te dragen voor de vereiste complementariteit tussen het actieplan en het Europees programma voor volksgezondheid. U kunt uiteraard rekenen op de steun van ons Parlement voor het verkrijgen van een budget dat opweegt tegen de uitdagingen die ik zojuist genoemd heb, zowel binnen het zevende Europees kaderprogramma voor onderzoek als in hoofdstuk vier van de financiële vooruitzichten.

Verder hoop ik dat u ermee zult instemmen dat uw diensten een Groenboek opstellen over de verontreiniging binnenshuis, niet alleen in de eigen woning maar ook in crèches en scholen, daar deze problematiek het ondergeschoven kindje van de milieuwetgeving blijft. Wat ik zeggen wil is dat Europa lering moet trekken uit de schandalen rond roken en asbest, om er maar twee te noemen. Europa is verwikkeld in een heuse race tegen de klok, tegen alle vormen van vervuiling. Mijnheer de commissaris, op ons – op de Commissie en op het Parlement – rust de plicht ervoor te zorgen dat de gezondheid van de burgers, van álle burgers, het wint van andere belangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimas, lid van de Commissie. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik ben het roerend eens met hetgeen mevrouw Ries aan het einde van haar betoog zei, namelijk dat al hetgeen verband houdt met milieu en volksgezondheid voor de Europese Commissie en Europa een bijzonder hoge prioriteit heeft. Daarom ben ik uw commissie dankbaar voor de bijdrage die zij met het betreffende verslag heeft geleverd. Ik dank mevrouw Ries met name voor de opbouwende inspanningen die zij heeft ondernomen om het verslag inhoudelijk te verbeteren en de uiteindelijke tekst tot een goede en nuttige basis voor alle verdere debatten te maken.

Ik wil u allereerst herinneren aan het doel dat met het actieplan van juni jongstleden wordt beoogd. Wij moeten wel beseffen dat wij geenszins bij nul beginnen. Dat met milieubescherming een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de verbetering van de volksgezondheid weten wij al lang, en wij hebben ook al heel wat werk op dat gebied verzet. De aanstaande wetgeving op onder meer milieugebied - waaronder ook de REACH-voorstellen en de maatregelen waarover in het kader van de thematische strategieën een besluit wordt genomen - zal nog meer bijdragen aan de oplossing van de huidige problemen.

Wat de lopende vraagstukken betreft, dient vermeld te worden dat veel inspanningen worden ondernomen voor de versterking van de beleidsvormen van de Europese Unie waarmee de volksgezondheid en het milieu worden beschermd. Die inspanningen zullen zeer zeker ook worden voortgezet.

Het doel van het actieplan is juist deze inspanningen te bevorderen en een agenda op te stellen voor de toekomst. Zo kan men de eventuele zwakke punten opvangen en een toekomstgericht milieubeleid uitstippelen, een beleid met een grotere doelmatigheid, concentratie en kostenefficiëntie.

Wat de bevindingen uit het verslag betreft zou ik u in eerste instantie willen verzekeren dat het voorzorgsbeginsel een belangrijk onderdeel van ons beleid is en blijft. Het zal ook in de toekomst worden toegepast.

Wij gaan akkoord met biomonitoring. Dat kan inderdaad een belangrijk onderdeel worden van ons beleid inzake risicoanalyse, waartoe in het verslag een voorstel wordt gedaan. Wij zullen deze mening grondig bestuderen. De Commissie wil echter eerst alle aspecten - zowel de technische als economische aspecten - van het probleem bestuderen, in het licht van de ervaringen die zijn opgedaan in derde landen, zoals bijvoorbeeld de Verenigde Staten. De kosten hiervan zijn namelijk erg hoog.

Wij gaan eveneens akkoord met hetgeen wordt gezegd over de lucht in gebouwen. Wij zullen de mogelijkheid onderzoeken of een strategie en een onderzoeksagenda kunnen worden opgesteld voor dit vraagstuk. Dan zullen wij de problemen kunnen opsporen en voorstellen doen voor de aanpak daarvan.

Als wij de maatregelen uit het actieplan willen uitvoeren, moeten wij het financieringsvraagstuk oplossen. Mevrouw Ries wees hier volkomen terecht op. Anders kan geen doeltreffende toepassing van het plan worden gegarandeerd. Voor de periode tot 2007 zal de Commissie gebruik maken van de begrotingen van de vier betrokken directoraten-generaal, het programma voor de volksgezondheid en het zesde kaderprogramma voor onderzoek. Vanaf 2007 zullen nieuwe kredieten beschikbaar worden gesteld in het kader van de nieuwe financiële vooruitzichten. De Commissie pleegt momenteel intensief overleg over de gedetailleerde regelingen in verband met de tenuitvoerlegging van de verschillende onderdelen van het actieplan.

Een ander bijzonder belangrijk vraagstuk voor de tenuitvoerlegging van het actieplan is de regelmatige verslaglegging aan het Europees Parlement. De Commissie zal de bevoegde parlementaire commissie natuurlijk zo geregeld mogelijk op de hoogte houden van de met het actieplan gemaakte vorderingen. Bij bepaalde vraagstukken echter, zoals de efficiëntie en de kosten-batenanalyse, zal echter niet reeds op korte termijn vooruitgang kunnen worden gemaakt. In het huidig stadium beschikken wij eenvoudigweg niet over alle noodzakelijke gegevens en inlichtingen. Zodra echter het geïntegreerd informatiesysteem in werking wordt gesteld, zal meer gedetailleerde informatie kunnen worden gegeven.

Wat het verbod op bepaalde stoffen betreft - waar ook mevrouw Ries zojuist over sprak - moet ik u zeggen dat de Commissie zich met name bezighoudt met de gezondheidsgevaarlijke stoffen. Het actieplan is echter niet het beste kader voor de bespreking van eventuele verboden. Voor talrijke stoffen hebben wij reeds beoordelingsprocedures en procedures voor risicobeperking ingevoerd. De toepassing van deze reeds bestaande procedures zal parallel lopen aan de uitvoering van het actieplan. De Commissie bestudeert aandachtig het voorstel voor de opstelling van een verslag over de verhoging van het aantal prioriteiten in het actieplan. Een groter aantal prioriteiten betekent echter onvermijdelijk dat de oriëntatie en de resultaten van het actieplan worden aangetast. Daarom verdient het de voorkeur om de prioriteiten te beperken tot hetgeen in het actieplan staat. Die prioriteiten zijn het resultaat van een nauwe samenwerking met 300 deskundigen en bevoegde instanties. Wij hebben besloten gevolg te geven aan de raadgevingen van deze 300 deskundigen en ons niet enkel te concentreren op kinderen. Er spelen namelijk andere vraagstukken waarmee een rechtstreeks verband bestaat en daarom moeten wij ook volwassenen in ogenschouw nemen.

Tot slot wil ik er nog op wijzen dat voor een efficiënte toepassing van het actieplan een actieve en nauwe samenwerking tussen alle betrokken instanties absoluut noodzakelijk is. Daarom wil ik nogmaals mevrouw Ries en het Europees Parlement van harte bedanken voor de belangrijke bijdrage die zij aan deze sector hebben geleverd. De bevordering van krachtigere Europese maatregelen voor de bescherming van de gezondheid en het milieu van alle Europeanen, van Europa en heel de wereld, is ons gemeenschappelijk doel.

 
  
MPphoto
 
 

  Schnellhardt (PPE-DE), namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dit actieplan inzake milieu en gezondheid 2004-2010 en de voorstellen van onze rapporteur, mevrouw Ries, voldoen aan de hoge eisen die eraan gesteld worden. De talrijke projecten kunnen ervoor zorgen dat we heel wat nieuwe kennis verwerven over de invloed van het milieu op de gezondheid. Daardoor krijgen we een degelijkere wetenschappelijke basis voor onze wetgeving. Nog veel belangrijker is echter dat de wetgeving ook preventief zou kunnen gaan functioneren. Misschien ben ik wat te optimistisch, maar we mogen toch wel eens een beetje visionair zijn?

Sommige projecten kunnen voor 2010 worden afgesloten. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan een betere coördinatie tussen de lidstaten op het gebied van milieubescherming en volksgezondheid. Eigenlijk had dat in de Europese Unie al lang geregeld moeten worden. De meeste programma’s lopen echter nog door na 2010. De interactie tussen mens en milieu verandert voortdurend, en dat vereist vaak nieuwe acties en reacties. Ik denk dat we erop voorbereid moeten zijn dat dit actieplan niet in 2010 ten einde zal lopen.

Het actieplan heeft echter alleen maar een kans van slagen wanneer we de uitvoering ervan niet volkomen los zien van de nodige economische processen en beperkingen, en van de gedragspatronen van de mensen. We moeten vaststellen of de resultaten van het onderzoek algemeen geldig zijn. We mogen niet proberen van de wereld een laboratorium te maken. De basis van ons beleid moet risicoanalyse zijn, niet ideologie!

Punt 5 in de resolutie is ongetwijfeld goed bedoeld, maar ook het voorzorgsbeginsel moet gebaseerd zijn op degelijke kennis en er moet aan de stof een waarneembaar risico verbonden zijn. Wanneer we de regelgeving baseren op paniekzaaierij zitten we op de verkeerde weg, en ik kan het betreffende punt dan ook niet serieus nemen.

Hetzelfde geldt voor de willekeurige opsomming van stoffen in punt 6 die vervangen zouden moeten worden. Op dit punt ben ik het met de commissaris eens: dit staat haaks op de beginselen van het actieplan. We moeten ons immers niet concentreren op zaken die zullen worden geregeld in andere regelingen van de EU, zoals bijvoorbeeld REACH. De vervangende stoffen zijn duur, en bovendien weten we nog niet veel over de risico’s ervan. We moeten dus zeer zorgvuldige afwegingen maken.

Wat het roken betreft ben ik het trouwens roerend eens met de commissaris. Dit moeten we niet in de Europese Unie regelen, we moeten de lidstaten aanknopingspunten geven zodat ze zelf de juiste weg kunnen kiezen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Corbey (PSE), namens de PSE-Fractie. Voorzitter, allereerst mijn dank aan en complimenten voor Frédérique Ries. Zij heeft belangrijk werk verricht om het actieprogramma milieu en gezondheid een betere invulling te geven. Het actieprogramma zelf is teleurstellend. Ik erken natuurlijk dat research nodig is, maar een actieprogramma vereist ook dat we krachtige maatregelen nemen om gezondheidsproblemen aan te pakken en die maatregelen ontbreken. Onze discussies hebben zich de laatste weken geconcentreerd op gevaarlijke stoffen en de voorwaarden waarom ze van de markt gehaald kunnen of moeten worden. Weekmakers in speelgoed zijn de meest opvallende, maar er zijn ook andere stoffen in het geding. Onze fractie kon leven met de tekst als goedgekeurd in de milieucommissie maar wij willen eigenlijk een striktere lijn. Is een stof gevaarlijk, dan meteen van de markt af en niet wachten op veilige alternatieven.

Een tweede punt van discussie betrof roken. Tabaksrook is een belangrijke aanslag op de gezondheid van de meeroker. Wij vragen daarom een actief beleid om roken in openbare ruimtes tegen te gaan. Wij roepen alle lidstaten op om inspiratie te putten uit het Ierse en Italiaanse voorbeeld. Collega's, het verslag milieu en gezondheid is actueel. Vooral luchtverontreiniging is een belangrijk probleem in Europa. Uit berekening en in opdracht van de Europese Commissie blijkt dat er in Europa jaarlijks meer dan 300.000 mensen voortijdig sterven als gevolg van luchtverontreiniging. In Nederland gaat het om 13.000 mensen die voortijdig sterven. Er is niet al teveel fantasie voor nodig om te veronderstellen dat de sterfgevallen zich vaker voordoen bij de bewoners rond snelwegen en industriegebieden dan bij bewoners in bosrijke villawijken. Europa heeft de laatste 20 jaar natuurlijk maatregelen genomen en die hebben ook tot grote emissiereducties geleid. De toepassing van katalysatoren in auto's is succesvol maar de inspanningen tot nu toe zijn niet toereikend, de cijfers zijn zorgwekkend. Wat te doen? Allereerst natuurlijk een betere naleving van bestaande wetgeving, maar er kan en moet meer gedaan worden. Waar blijven bijvoorbeeld de roetfilters in de auto's? De vraag is daarnaast of de limieten en de grenswaarden in de wetgeving wel voldoende zijn. Het Europees milieuagentschap merkt in het verslag signalen 2004 op dat er steeds meer bewijs is dat er al gezondheidseffecten optreden bij stof- en ozonconcentraties onder de waarden die momenteel zijn vastgesteld ter bescherming van de gezondheid. Voor de bescherming van milieu, gezondheid en consument is een Europese aanpak gewenst. In het kader van het Lissabonproces is ambitieus milieubeleid een stimulans voor technologische ontwikkeling en verbetering van de Europese concurrentiekracht. Als we niet inzetten op milieukwaliteit dan doen wij niet alleen de volksgezondheid ernstig tekort, maar ook de Europese industrie. Op de autobeurs in Detroit werd vorige maand een zero-emissie personenauto gepresenteerd. Op de Europese autobeurzen hebben wij die zero-emissie auto nog niet gezien. Daar blijven we steken in de vraag wie de roetfilters moet betalen? Ik geef de voorkeur aan een ambitieus Europa met adequate maatregelen om de volksgezondheid te beschermen en laten wij nu meteen maar beginnen met de roetfilters verplicht te stellen. Dat is erg belangrijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Krahmer (ALDE), namens de ALDE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het wordt steeds lawaaieriger in de zaal, ik moet proberen om daar tegen op te boksen. De sprekers hebben toch recht op iets meer respect in dit Parlement!

Dit verslag over het actieplan inzake milieu en gezondheid legt te sterk de nadruk op chemische stoffen. Er wordt te weinig rekening gehouden met andere factoren die schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Natuurlijk zijn er risico’s verbonden aan het gebruik van chemische stoffen. Het heeft echter weinig zin om zwarte lijsten op te stellen en op die manier bepaalde stoffen zoals ftalaten in een kwaad daglicht te stellen. Het verslag is gebaseerd op een overdreven interpretatie van het voorzorgsprincipe. Er wordt gesproken over een direct en algemeen verbod op het gebruik van bepaalde stoffen, zonder dat daar een wetenschappelijke basis voor hoeft te bestaan en zonder dat er met bestaande wetenschappelijke kennis rekening moet worden gehouden, wat volgens het voorzorgsbeginsel wel zou moeten gebeuren.

In dit verslag wordt eens te meer geprobeerd om een beleid met een nulrisico te voeren. Dat noem ik de “groene ziekte” van veel westerse landen. We proberen een milieubeleid met een all-riskverzekering te voeren, maar daarbij vergeten we dat het ontwikkelen van een open samenleving altijd bepaalde risico’s met zich mee brengt. Het feit dat er een zeker risico bestaat en dat veel burgers bang zijn voor chemische stoffen wordt aangegrepen om een algemeen verbod te eisen.

Onwetendheid leidt tot onzekerheid en onzekerheid leidt tot angst. Wie iets tegen de angst wil doen moet iets doen tegen de onwetendheid. We moeten meer aandacht besteden aan wetenschap en onderzoek en de nodige conclusies trekken uit de resultaten daarvan. We mogen risico’s niet verwarren met echte gevaren. Het primaire doel van het milieubeleid mag niet het uitsluiten van risico’s zijn, we moeten vooral vaststellen wat de gevaren zijn en die uitschakelen.

Ook in verband met tabaksrook gaat het verslag veel te ver. Zolang tabak een legaal product is mogen we niet eisen dat er een algemeen en volledig rookverbod komt. We kunnen niet in Europa regelen waar wel mag worden gerookt en waar niet. In het verslag wordt geëist dat tabaksrook wordt ingedeeld in de hoogste categorie van stoffen waarvan is aangetoond dat ze direct kankerverwekkend zijn. Ik zou eraan willen herinneren dat daarvoor tot nu toe geen wetenschappelijk bewijs is geleverd. We willen de gevaren van tabaksrook voor de volksgezondheid natuurlijk niet bagatelliseren, maar een directe vergelijking tussen tabaksrook en benzol of asbest is gewoon ecologisch populisme.

Overigens ben ik van mening dat we dit debat in Brussel zouden moeten voeren, en niet hier in Straatsburg.

 
  
MPphoto
 
 

  Breyer (Verts/ALE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik zou liever vanavond het woord willen voeren, of straks. Op dit moment kan ik mijn eigen woorden niet verstaan. Zo kan ik geen toespraak houden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Uw verzoek is aanvaard. We zullen het debat onderbreken en overgaan tot de stemmingen. Het debat zal worden hervat na de mondelinge vraag over de financiering van het natuurbeschermingsbeleid. Het debat over dit onderwerp zal dus om 16.00 uur worden hervat en mevrouw Breyer zal als eerste het woord krijgen.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER McMILLAN-SCOTT
Ondervoorzitter

 

7. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Wij gaan nu over tot de stemming.

Aanbeveling (A6-0030/2005), namens de Commissie internationale handel, betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het standpunt van de Europese Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties met betrekking tot uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de plaats en identificatie van bedieningsorganen met handbediening, verklikkerlichten en meters betreft (15633/2004 - C6-0032/2005 - 2004/0134(AVC)) (rapporteur: de heer Barón Crespo)

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Aanbeveling (A6-0028/2005), namens de Commissie internationale handel, betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende het standpunt van de Europese Gemeenschap over het ontwerp-reglement van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende de typegoedkeuring van een verwarmingssysteem en van een voertuig met betrekking tot het daarin gemonteerde verwarmingssysteem (15634/2004 - C6-0033/2005 - 2004/0135(AVC)) (rapporteur: de heer Barón Crespo)

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Aanbeveling (A6-0009/2005), namens de Commissie buitenlandse zaken, betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie inzake de sluiting van een aanvullend protocol bij de Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Roemenië, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (13165/2004 - C6-0206/2004 - 2004/0814(AVC)) (rapporteur: de heer Brok)

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Aanbeveling (A6-0010/2005), namens de Commissie buitenlandse zaken, betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad en de Commissie inzake de sluiting van een aanvullend protocol bij de Europa-overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Bulgarije, anderzijds, in verband met de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie (13163/2004 - C6-0207/2004 - 2004/0815(AVC)) (rapporteur: de heer Brok)

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag (A6-0018/2005) van de heer Sifunakis, namens de Commissie cultuur en onderwijs, over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat op audiovisueel gebied tot vaststelling van de voorwaarden voor de deelneming van de Zwitserse Bondsstaat aan de communautaire programma's MEDIA Plus en MEDIA Opleiding, en van een Slotakte (COM(2004)0649 - C6-0174/2004 - 2004/0230(CNS))

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag (A6-0006/2005) van de heer Lehne, namens de Commissie juridische zaken, over het verzoek van de heer Koldo Gorostiaga om verdediging van de parlementaire immuniteit en voorrechten (2004/2102(IMM))

(Het Parlement keurt het besluit goed)

Verslag (A6-0023/2005) van mevrouw Starkevičiūtė, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1165/98 van de Raad inzake kortetermijnstatistieken (COM(2003)0823 - C6-0028/2004 - 2003/0325(COD))

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Starkevičiūtė (ALDE), rapporteur. - (LT) Dank u, mijnheer de Voorzitter, ik wil de leden van het Parlement alleen kort wat informatie geven. Statistieken zijn saai en vervelend, maar de zakenlieden in uw land zullen heel wat nieuwe verslagen moeten opstellen als u vóór dit verslag stemt. Ik zeg dit van tevoren, zodat u ze kunt vertellen wat het Parlement heeft gedaan om veel van deze statistische verslagen overbodig te maken. Zakenlieden zullen nieuwe statistische verslagen moeten samenstellen, en hoogstwaarschijnlijk zullen u en veel van uw kiezers vragen hebben. Ik wil u daarom even laten weten wat het Parlement samen met de Raad en de Commissie heeft gedaan om de statistische last te verminderen. We stemmen met u voor de invoering van zogenoemde Europese steekproefprogramma's, waarbij slechts enkele bedrijven verslagen hoeven voor te leggen. Kleine landen die een BBP hebben van minder dan één procent van het BBP van de Europese Unie, zullen bepaalde indices helemaal niet hoeven te verstrekken. Voorts zullen we de overheden de kans geven administratieve bronnen, dat wil zeggen socialeverzekeringsregisters, te gebruiken, zodat bedrijven geen extra verslagen hoeven te schrijven. Er wordt tevens verwacht dat de Europese Commissie en de lidstaten een methode zullen moeten voorbereiden om te evalueren of het de moeite waard is nieuwe statistische verslagen in te voeren, en of deze verslagen enige waarde zullen hebben voor het Europese bedrijfsleven en de mensen van Europa. Dank u.

 
  
  

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag (A6-0019/2005) van mevrouw Sudre, namens de Commissie visserij, over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1035/2001 tot invoering van een documentatieregeling voor de vangst van Dissostichus spp. (COM(2004)0528 - C6-0114/2004 - 2004/0179(CNS))

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag (A6-0013/2005) van de heer Bösch, namens de Commissie begrotingscontrole, over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening van de overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden (COM(2004)0559 - C6-0176/2004 - 2004/0187(CNS))

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Bösch (PSE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik hoef niet veel te zeggen over de inhoud: deze overeenkomst inzake fraudebestrijding is een antwoord op een eis die wij al jaren stellen, en ik hoop natuurlijk dat we er met een grote meerderheid voor zullen stemmen. Eigenlijk is dit een eerste besluit over een deel van de zogenaamde bilaterale verdragen met Zwitserland. Het feit dat we dit hier zo snel behandelen bewijst volgens mij dat we graag willen dat de positieve resultaten die we hebben geboekt uiteindelijk ook in wetsteksten terechtkomen.

We hebben de Commissie altijd gesteund bij haar pogingen om door deze overeenkomst betere resultaten te bereiken bij de fraudebestrijding. Des te verrassender is daarom het feit dat de Commissie nu plotseling op het idee komt om de betaling die Zwitserland de nieuwe lidstaten als bijdrage aan het cohesiefonds ter beschikking wil stellen - het gaat om een bedrag van een miljard Zwitserse frank - ietwat muggezifterig in een internationaal verdrag te regelen. Schijnbaar is een memorandum van overeenkomst niet goed genoeg.

Ik zou de Commissie erop willen wijzen dat we hier niet met een bananenrepubliek onderhandelen maar met een van de oudste en meest stabiele democratieën in Europa. Wat u hier doet – om het even duidelijk te stellen - is koren op de molen van diegenen in Zwitserland en Europa die zich verzetten tegen een nauwere band tussen Zwitserland en de Europese Unie.

(Applaus)

Ik verzoek het Parlement een standpunt in dezen te bepalen en vraag u om dit namens de Commissie uit Straatsburg mee te nemen.

 
  
  

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Aanbeveling (A6-0014/2005), namens de Commissie buitenlandse zaken, over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de ondertekening en de sluiting, namens de Europese Gemeenschap, van een samenwerkingsovereenkomst met het Vorstendom Andorra. (COM(2004)0456 - C6-0214/2004 - 2004/0136(AVC)) (rapporteur: de heer Galeote Quecedo)

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag (A6-0020/2005) van de heer Di Pietro, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister (COM(2004)0664 - C6-0163/2004 - 2004/0238(CNS))

(Het Parlement neemt de wetgevingsresolutie aan)

Verslag (A6-0036/2005) van de heer Costa, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, houdende een ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad over de kwaliteit van de strafrechtspleging en de harmonisatie van het strafrecht in de lidstaten (2005/2003(INI))

(Het Parlement keurt de aanbeveling goed)

Aanbeveling voor de tweede lezing (A6-0017/2005), namens de Commissie cultuur en onderwijs, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van het besluit van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Besluit nr. 1419/1999/EG tot vaststelling van een communautaire actie voor het evenement "Culturele Hoofdstad van Europa" voor het tijdvak 2005 tot 2019 (12029/1/2004 - C6-0161/2004 - 2003/0274(COD)) (rapporteur: mevrouw Prets)

(De Voorzitter verklaart het gemeenschappelijk standpunt te zijn goedgekeurd)

Verslag (A6-0024/2005) van de heer Evans, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over het 33e Verslag van de Commissie over het mededingingsbeleid - 2003 (2004/2139(INI))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A6-0034/2005) van mevrouw In 't Veld, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2004/2186(INI))

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  in 't Veld (ALDE), rapporteur. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ten behoeve van de consistentie en samenhang van het definitieve document wil ik opmerken dat bij aanneming van de amendementen 19 en 21 de andere paragrafen over hetzelfde onderwerp dienovereenkomstige aanpassing behoeven. Dit is besproken met vertegenwoordigers van andere fracties en is een technische en geen politieke kwestie.

 
  
MPphoto
 
 

  Purvis (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, in aansluiting op hetgeen mevrouw in 't Veld heeft gezegd wijs ik erop dat het slot van amendement 20 als volgt dient te worden aangevuld: “of door middel van een officieel besluit in de vorm van een of meer wet- of regelgevingsbesluiten of een overeenkomst, naargelang de wetgeving in de lidstaten”. Dat is een van de afspraken die mevrouw in 't Veld bedoelt. Daaruit volgen mondelinge amendementen van de wijzigingen 10 en 17 en overweging Q.

(Het Parlement neemt het mondelinge amendement aan)

 
  
MPphoto
 
 

  Van den Burg (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, voor alle duidelijkheid: dit betekent dat er mondelinge amendementen zijn op overweging Q en paragraaf 19 van dit document. Het zijn geen schriftelijke amendementen en zij volgen de in de amendementen van de heer Purvis voorgestelde tekst op de voet. Het gaat dus om overweging Q en paragraaf 19.

 
  
MPphoto
 
 

  Lipietz (Verts/ALE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb in verband met deze kwestie een amendement ingediend over de formulering van de “overheid die een dienst levert”. Ik heb gezien dat in andere amendementen – met name amendement 3 van de Sociaal-democratische Fractie – een onderscheid wordt gemaakt tussen “beheren” en “bewaken". Ik heb “leveren” bedoeld als “bewaken” of “beheren”. Daarom heb ik een mondeling amendement ingediend op alle amendementen die de aanbestedingsprocedure betreffen. Waar in amendement 29 van de Fractie De Groenen en in amendementen 31, 33 en 27 staat dat de overheid een dienst “levert”, dient dit te worden vervangen door “levert (beheert of bewaakt)”. “Leveren” betekent in dit geval “beheren” of “bewaken”.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. We zullen het mondeling amendement in stemming brengen voordat we over dat deel zullen stemmen.

Geachte collega’s, ik begrijp dat dit een zeer gevoelig verslag is en dat het gaat om een raadpleging vooraf die door de Commissie wordt geboden. Het is dus niet meer dan gepast om de tijd te nemen om de zaken naar behoren af te handelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Van den Burg (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, we moesten hier stemmen over een van de vier compromissen, dus het is nogal verwarrend. Is het juist dat we nu hebben gestemd over het mondelinge compromisamendement van de heer Purvis?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. In feite was het mondeling amendement van de rapporteur het amendement waartegen geen bezwaar bestond. We zullen hier op terugkomen als we bij amendement 19 zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Van den Burg (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, dat is niet juist. Dit amendement betreft paragraaf 19, zodat hierover als eerste moet worden gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  in 't Veld (ALDE), rapporteur.(EN) Mijnheer de Voorzitter, het is erg ingewikkeld doordat de opzet van het verslag gedurende de hele aanloop nogal ingewikkeld is geworden. Mijn excuses daarvoor.

Het gaat hier om drie amendementen en vijf paragrafen. Amendement 20 is samen met een aanvulling zojuist voorgelezen door de heer Purvis. Als ik me niet vergis, hebben we daarover gestemd.

De andere twee zijn de amendementen 19 en 21, eveneens van de heer Purvis, maar de inhoud van deze amendementen heeft tevens betrekking op overweging Q, paragraaf 19, wijziging 10 en wijziging 17. Ik stel voor dat ik de betreffende tekst nu voorlees, want het lijkt me verstandiger dat niet elke keer opnieuw te doen, maar het in één keer te doen, en dat we vervolgens besluiten over het principe en de vier paragrafen in kwestie aanpassen.

De tekst van amendement 21, die bijna identiek is aan amendement 19, luidt als volgt: “… wordt de openbarediensttaak toegewezen aan de hand van een eerlijke en doorzichtige aanbestedingsprocedure of door middel van een officieel besluit in de vorm van een of meer wet- of regelgevingsbesluiten of een overeenkomst, naargelang de wetgeving in de lidstaten. De toewijzing kan ook worden vastgelegd in diverse besluiten. Het besluit of de besluitenreeks dient onder meer de volgende zaken te specificeren:”.

Dit is hetzelfde beginsel als dat van amendement 19. Aanneming van dit beginsel door de plenaire vergadering heeft derhalve gevolgen voor de vier paragrafen die ik zojuist heb genoemd. Ik stel voor dat we hierover stemmen in plaats van het elke keer apart voor te lezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Savary (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, wat de kern betreft is er geen bezwaar, maar ik zou niet willen dat er verwarring bestond over de feiten. Dit mondeling amendement is viermaal ingediend: het heeft betrekking op de amendementen 20, 19, 21 en 15.

Om elke ambiguïteit weg te nemen stel ik voor, mijnheer de Voorzitter, dat telkens wanneer wij over een van deze amendementen stemmen, u aangeeft of het gaat om amendementen waarin het mondeling amendement van de heer Purvis in is verwerkt. Ik denk dat dat het duidelijkst is, want ik ben er niet zeker van of we er anders aan het eind nog wijs uit worden.

Er zijn dus vier amendementen waarop het mondeling amendement van de heer Purvis betrekking heeft. Als u bij elke stemming even aan het mondeling amendement van de heer Purvis zou willen herinneren, denk ik dat het voor het Parlement het duidelijkst is.

 
  
MPphoto
 
 

  in 't Veld (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat het zo erg ingewikkeld wordt. Waar het om gaat is dat er paragrafen zijn waarvoor geen amendementen zijn ingediend maar waarvoor de ingediende amendementen wel gevolgen hebben. Ik denk dat we, toen we de amendementen na indiening doornamen, allemaal tot de ontdekking kwamen dat er meer paragrafen waren die over hetzelfde onderwerp gingen. Nu kunnen we gewoon over de amendementen stemmen, maar dan krijgt het document een zekere inconsistentie. Het voorstel van de heer Savary biedt geen uitkomst, want het gaat niet om de amendementen zelf maar om de paragrafen waarvoor geen amendementen zijn ingediend.

Als de plenaire vergadering bij de stemming over amendement 19 en amendement 21 het betreffende beginsel twee maal aanneemt of verwerpt, dan heeft dat evengoed gevolgen voor die paragrafen. Dat is wat ik bedoel.

 
  
MPphoto
 
 

  Savary (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de zaken niet ingewikkelder maken dan ze zijn, maar het verzoek van mevrouw in ’t Veld houdt in dat we voor eens en altijd over het amendement van de heer Purvis stemmen. U weet dan niet waar het in de tekst terechtkomt, maar het zal erin komen.

Aangezien het om vier cruciale amendementen gaat – 20, 19, 21 en 15 – zou ik om heel eerlijk te zijn liever willen dat ons elke keer gevraagd werd of we deze aannemen met voorbehoud van het mondeling amendement van de heer Purvis. Ik denk dat dat duidelijker zou zijn. Ik begrijp heel goed wat mevrouw In ’t Veld zegt, maar ik zou graag hebben dat zij mij vertelde waar in de tekst zij het amendement van de heer Purvis precies wil plaatsen, aangezien ik van haar begrepen heb dat het door de hele tekst heen loopt. Ik vind dat verwarrend en ik zou niet willen dat men zich bij het stemmen vergiste, want – u zei het zelf al – het gaat hier om een gevoelige tekst.

 
  
MPphoto
 
 

  Purvis (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik hoop dat ik u kan helpen. Ik ben het eens met de heer Savary dat mijn amendement de vier genoemde amendementen betreft, maar ik ben het ook met mevrouw in ‘t Veld eens dat het verslag op alle overige onderdelen die niet meer consistent zouden zijn als gevolg van de aanneming van de amendementen, dienovereenkomstig zouden moeten worden aangepast door de zittingsdiensten. Als dat een aanvaardbare oplossing is, kunnen we verder.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Savary, ik kan u verzekeren dat de relevante wijzigingen zullen worden aangebracht. Ik zal aangeven wanneer het mondeling amendement van toepassing is. Ik stel nu voor het mondeling amendement in stemming te brengen.

(Het Parlement aanvaardt het mondeling amendement)

 
  
  

Vóór de stemming over amendement 33:

Purvis (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ingeval zich hetzelfde probleem voordoet als zojuist: ook voor dit amendement heeft het mondeling amendement gevolgen, zodat op mijn stemlijst vóór dient te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  in 't Veld (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, dit betreft een kleine wijziging van het door de Sociaal-democratische Fractie voorgestelde amendement, dat nu als volgt zou komen te luiden: “overwegende dat de Commissie ten behoeve van beleidsvorming op basis van concrete gegevens een degelijke, uitputtende evaluatie van het liberaliseringsproces dient te presenteren, met inachtneming van de standpunten van alle belanghebbenden (gebruikers, plaatselijke overheden, ondernemingen, enz.)”.

 
  
  

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A6-0026/2005) van de heer Goebbels, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over de toestand van de Europese economie - voorbereidend verslag over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (2004/2269(INI))

Vóór de stemming over amendement 23:

 
  
MPphoto
 
 

  Klinz (ALDE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa heeft tijdens de behandeling van het verslag-Goebbels in de Economische en Monetaire Commissie een amendement ingediend dat is goedgekeurd, maar dat desondanks per ongeluk niet in de definitieve versie van het verslag terecht is gekomen. Daarom zou ik het als mondeling amendement nogmaals willen indienen. Het gaat over de nodige structurele hervormingen. Ik lees het amendement in het Engels voor.

“Doet de aanbeveling dat de lidstaten de structurele hervormingen doorvoeren die al lang nodig zijn, in het bijzonder de deregulering van de arbeidsmarkten, de afstemming van de sociale stelsels op de demografische behoeften, de vereenvoudiging van de belastingstelsels op basis van verlaging van de belastingtarieven, wijziging van de belastinggrondslag en afschaffing van subsidies, om een beter investeringsklimaat te scheppen ten behoeve van economische groei. Benadrukt tenslotte dat de ontwikkeling van kwalitatief hoogstaande arbeidsplaatsen gepaard zal gaan met een verbetering van de productiviteit in Europa.”

(Applaus)

 
  
  

(Aangezien meer dan 37 leden bezwaar hebben gemaakt, wordt het mondeling amendement niet in overweging genomen)

 
  
MPphoto
 
 

  Goebbels (PSE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, de werkwijze van de heer Klinz verbaast me. Hij beweert dat zijn amendement is aangenomen. Was dat het geval geweest, dan had hij dit moeten aankaarten bij het secretariaat van de Commissie economische en monetaire zaken, dat normaal gesproken zijn werk goed doet. Zo niet, dan had hij heel goed een amendement kunnen indienen, maar dat heeft hij niet gedaan. Zo te horen luidt zijn voorstel dat er een nieuw verslag komt, en ik roep mijn collega’s op een dergelijk mondeling amendement te verwerpen. Dit is geen mondeling amendement meer, dit is een hele roman!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Radwan (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik zou het Parlement er even op willen op willen wijzen dat er gisteren een vergadering van de coördinatoren heeft plaatsgevonden en dat de coördinatoren van alle partijen, en ook het voorzitterschap van de commissie, hebben bevestigd dat het amendement dat net is voorgelezen inderdaad was goedgekeurd, maar dat het door een redactionele fout niet in het verslag is opgenomen.

Het is een kwestie van billijkheid dat we nu stemmen over dit amendement.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Als het amendement door de commissie is goedgekeurd en er geen amendementen op zijn voorgesteld, maakt het deel uit van de tekst. Ik kan de diensten slechts verzoeken dit te controleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Berès (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik betreur het feit dat uw diensten u niet direct aan het begin van de interventie van de heer Klinz op de hoogte hebben gesteld van mijn verzoek het woord te voeren, want ik wilde verslag uitbrengen van de discussie die wij gisteravond gevoerd hebben tijdens de coördinatorenvergadering van de Commissie economische en monetaire zaken.

Ik zal heel duidelijk zijn: het amendement waar de heer Klinz het over had is ter sprake geweest en wij hebben melding gemaakt van de gevolgde procedure, namelijk de procedure die wij altijd volgen. Het secretariaat van de Commissie economische en monetaire zaken heeft zijn werk wel degelijk gedaan: het heeft na de stemming in de Commissie economische en monetaire zaken de stemmen bevestigd en het resultaat ter controle aan elke fractie toegezonden. De liberale fractie heeft in dat stadium geen aanleiding gezien dit amendement opnieuw in te dienen of er een materiële fout in aan te wijzen.

Gezien deze omstandigheden en uit respect voor de coördinatorenvergadering van gisteravond, verzoek ik u – in overeenstemming met hetgeen dit Parlement al besloten heeft aangezien een aantal collega’s al is opgestaan – geen rekening te houden met dit amendement.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. We moeten ons neerleggen bij het besluit van het Parlement om het amendement niet te aanvaarden. Ik verontschuldig mij tegenover de heer Klinz als er sprake is geweest van een fout van de zijde van het secretariaat, maar mevrouw Berès heeft volstrekt gelijk dat het standpunt van de commissie duidelijk was.

 
  
MPphoto
 
 

  Goebbels (PSE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik als rapporteur kan niet anders dan vaststellen dat een aanmerkelijk deel van mijn verslag is “verminkt” door een rechtse meerderheid van dit Parlement. Het voornaamste is dat uw stemgedrag in strijd is met artikel 4 van het Verdrag, waarin wordt aangedrongen op coördinatie van het economisch beleid, en dat het ingaat tegen de inspanningen van de fungerend voorzitter van de Raad, de heer Juncker, om van het Stabiliteitspact iets fatsoenlijks te maken, dat wil zeggen een echt Stabiliteits- en Groeipact. Ik verzoek mijn vrienden dan ook tegen mijn verslag te stemmen.

(Applaus)

 
  
  

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

Verslag (A6-0025/2005) van de heer Karas, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over openbare financiën in de EMU - 2004 (2004/2268(INI))

(Het Parlement neemt de resolutie aan)

De Voorzitter. – Hiermee is de stemming beëindigd.

 

8. Stemverklaringen
  

- Verslag: Bösch (A6-0013/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Meijer (GUE/NGL), schriftelijk. - Zwitserland is een Europese Unie in het klein, geheel omringd door EU-gebied maar zelf verdeeld in 23 staatjes die elk een grote zelfstandigheid hebben en daardoor ook een eigen belastingpolitiek kunnen voeren. Dat staat tot nu toe in de weg dat op het terrein van de directe belastingen afspraken worden gemaakt tussen de EU en Zwitserland als geheel. De afzonderlijke Zwitserse kantons zijn wat dat betreft vergelijkbaar met Liechtenstein en andere kleine belastingsparadijzen waar postbusfirma's gevestigd zijn. Vooral de kantons Zug en Schwyz bieden zich voor die rol aan. Uit antwoord op mijn schriftelijke vragen is gebleken dat toenmalig eurocommissaris Bolkestein daarmee liever geen rekening hield en zaken wilde blijven doen met Zwitserland als geheel.

Zolang die verdergaande stappen nog niet mogelijk zijn is het goed dat afspraken worden gemaakt over BTW, smokkel, corruptie en witwaspraktijken. Ook is het belangrijk dat het bankgeheim niet meer kan worden aangevoerd als reden om opsporingsverzoeken uit andere landen te weigeren, en dat rechtstreekse contacten met gerechtelijke instanties mogelijk worden in plaats van dat de omweg via de diplomatieke vertegenwoordiging moet worden gevolgd. Terecht wijst de rapporteur erop dat hierna verdere stappen nodig zijn maar helaas verzuimt hij daarbij ook de meest urgente noemen.

 
  
  

- Verslag: Di Pietro (A6-0020/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Coelho (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) Ik ben het eens met het verslag van collega Di Pietro dat tot doel heeft het initiatief van de Commissie te steunen en te versterken door in de wetgeving inzake de uitwisseling van gegevens van het strafregister een aantal technische verbeteringen op te nemen. In het verslag wordt een aantal praktische oplossingen voorgesteld om de leemtes in de bestaande stelsels op te vullen, die gestoeld zijn op het Verdrag van de Raad van Europa van 1959.

Deze maatregel is ongetwijfeld noodzakelijk en urgent, want bij verschillende gelegenheden is aangetoond dat het bestaande systeem niet doeltreffend is.

Het is van fundamenteel belang dat er een geautomatiseerd systeem komt voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, een systeem dat snelle toegang tot dit soort gegevens op het hele grondgebied van de Unie mogelijk maakt. Dit is een verdere stap om de strafrechtspleging werkelijk efficiënt, onafhankelijk en transparant te maken.

Ik steun ook zijn voorstellen betreffende het inkorten van de termijnen, aangezien de doeltreffendheid van het voorstel afhangt van zowel de snelheid waarmee men toegang heeft tot de gegevens als de frequentie waarmee die worden geactualiseerd. Tevens ben ik het met hem eens dat voorwaarden moeten worden opgelegd aan de toegang tot persoonsgegevens. Er moet namelijk altijd een evenwicht bestaan tussen de noodzaak snel gegevens uit te wisselen en de garantie persoonsgegevens te beschermen).

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) In een Europa met vrij verkeer en vrije handel is gedeelde veiligheid een noodzaak. Onverminderd het recht van de lidstaten hun soevereiniteit volledig uit te oefenen, wordt tegenwoordig op brede schaal erkend dat de verschillende landen dienen samen te werken bij het bestrijden van de misdaad. Naast de traditionele criminaliteit bestaat er nu een vorm van criminaliteit die geen halt houdt bij de grenzen en actief is waar dat het beste uitkomt. Het overtreden van de wetten van één lidstaat brengt daarbij alle lidstaten in gevaar.

Gezien het voorgaande ben ik het eens met de kern van dit verslag. Derhalve heb ik voorgestemd.

 
  
  

- Verslag: Costa (A6-0036/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Andersson, Hedh, Hedkvist Petersen, Segelström en Westlund (PSE), schriftelijk. - (SV) Wij, mevrouw Segelström, de heer Andersson, mevrouw Hedh, mevrouw Hedkvist Petersen en mevrouw Westlund, hebben voor het verslag gestemd, maar willen hierbij ons afwijkend standpunt inzake één kwestie markeren.

In paragraaf 1 f, tweede streepje, wordt de Raad aanbevolen om de nationale wetgevingen inzake de behandeling en evaluatie van bewijsmiddelen dichter bij elkaar te brengen. Daar kunnen wij ons niet bij aansluiten. Het beginsel van vrije evaluatie van bewijsmiddelen is een van de fundamenten van het Zweeds strafprocesrecht. In verscheidene andere lidstaten bestaan regels die zeggen dat bepaalde bewijzen niet zijn toegestaan. Daarom is het voor ons Zweedse sociaal-democraten zeer belangrijk om het nationale systeem in stand te houden. Bovendien valt het te betwijfelen of er überhaupt een rechtsgrond bestaat voor harmonisering in dezen, of het nu gaat om bestaande verdragen of om de komende Grondwet.

 
  
MPphoto
 
 

  Goudin, Lundgren en Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. - (SV) Het versterken van het wederzijds vertrouwen in Europese gerechtelijke besluiten door de invoering van een evaluatiesysteem ziet er misschien lofwaardig uit, maar er bestaat thans al een gemeenschappelijk referentiekader voor de lidstaten, namelijk in de vorm van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens dat, samen met de jurisprudentie van het Hof van Justitie, minimumnormen aangeeft voor het recht op rechterlijke toetsing.

Het voorstel is echter het zoveelste voorbeeld van de langzaam voortschrijdende uitbreiding van de bevoegdheden van de EU, en vormt een schakel in de pogingen om een geharmoniseerd Europees straf- en procesrechtsstelsel in het leven te roepen, een stelsel dat in de praktijk buiten de directe controle van de burgers zal vallen.

Bovendien is het onaanvaardbaar dat men aanbeveelt om bepalingen uit de Grondwet toe te passen nog voordat de ontwerp-Grondwet überhaupt in werking is getreden, met het argument dat het huidige Verdrag niet ver genoeg zou gaan. Dat is een flagrante schending van het democratische proces.

De Zweedse Junilistan-partij stemt daarom tegen dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Moraes (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat hiermee een belangrijke stap vooruit wordt gezet bij een vraagstuk dat de Europese burger als belangrijk beschouwt, namelijk de behoefte aan een zekere mate van toezicht op de kwaliteit van de strafrechtspleging in de lidstaten. Dit betekent geenszins dat er veranderingen moeten komen in de manier waarop elke lidstaat omgaat met zijn strafrechtsstelsel. Wel wordt een stap vooruit gezet op belangrijke gebieden als de effectieve aanpak van criminele organisaties of de wijze waarop Europese burgers hun straf uitzitten in hun eigen land. Europese burgers verwachten dat er tussen de lidstaten een zeker vertrouwen bestaat, en dat er een visie is op de kwaliteit van de strafrechtspleging, met name ten aanzien van enkele nieuwe lidstaten die bezig zijn met de verbetering van hun strafrechtsstelsel.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) Justitie is terecht een van de zaken die de lidstaten traditioneel onder hun eigen soevereiniteit houden. Dat geldt des te meer voor de strafrechtspleging, die een weerspiegeling zou moeten vormen van de zorgen van een samenleving, op dit moment en in het verleden.

Zo zijn staten eveneens voorzichtig bij het toestaan van berechting van hun onderdanen - en zelfs van ingezetenen - door andere staten.

Aan de andere kant is de criminaliteit tegenwoordig van mondiale en grensoverschrijdende aard - zoals terrorisme, drugshandel, smokkel, seksuele uitbuiting en pornografie - waarvoor zowel samenwerking vereist is, teneinde misdaad doeltreffend te kunnen bestrijden, als harmonisatie, om te voorkomen dat bepaalde landen het reisdoel worden van criminelen.

Deze verschillende aspecten maken samenwerking, wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en een bepaalde vorm van harmonisatie weliswaar noodzakelijk, maar mogen ons niet uit het oog doen verliezen dat de rechtsstelsels een antwoord moeten geven op de realiteit van de verschillende maatschappijen. Een enkel Europees rechtsstelsel is daarom onwenselijk, terwijl een Europese norm voor de rechtspraak - met volledig respect voor de eigen aard van het rechtsstelsel - daarentegen wel wenselijk is.

Daarom heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomsen (PSE), schriftelijk. - (DA) De Deense sociaal-democraten in het Europees Parlement hebben vandaag gestemd voor het verslag-Costa over de kwaliteit van de strafrechtspleging en de harmonisatie van het strafrecht in de lidstaten (A6-0036/2005). Wij merken echter op dat dit voorstel een terrein betreft dat onder deel IV van het EG-Verdrag valt en daarom niet voor Denemarken geldt; zie het Protocol over de positie van Denemarken.

 
  
  

- Verslag: Prets (A6-0017/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Carlshamre en Malmström (ALDE), schriftelijk. - (SV) Wij zijn het er geheel mee eens dat culturele diversiteit een fundamenteel recht is. De EU is een mozaïek van minderheden en culturen, en dat moet ze ook blijven. Als liberalen plaatsen wij bij alle besluiten altijd de afzonderlijke persoon in het middelpunt. Wij vinden het dan ook van het allergrootste belang dat het beleid inzake internationale samenwerking en solidariteit in culturele kwesties wordt versterkt en volkenrechtelijk wordt vastgesteld dat iedere stad, staat of groep van staten het recht heeft om in vrijheid zijn cultuurbeleid te bepalen. Wij vinden in dat verband dat het vraagstuk van de culturele hoofdsteden geen aangelegenheid is waar de EU zich mee moet bemoeien. Het aanwijzen van een bepaalde stad tot culturele hoofdstad moet een gezamenlijke verantwoordelijkheid zijn van de afzonderlijke steden en staten, zonder inmenging van de EU. Om deze reden hebben wij besloten te stemmen tegen het verslag-Prets (A6-0017/2005) over de “Culturele Hoofdstad van Europa” voor de periode 2005 tot 2019.

 
  
MPphoto
 
 

  Goudin, Lundgren en Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. - (SV) Wij staan positief ten aanzien van de mogelijkheid om vanaf 2009 twee culturele hoofdsteden te kiezen. Uit de toelichting van het verslag blijkt echter dat de financiering van dit project onduidelijk is, en er wordt verwezen naar de komende financiële vooruitzichten voor 2007-2013.

Zoals de zaken nu zijn, kunnen wij ons niet scharen achter iets dat financiële verplichtingen met zich meebrengt voor de komende financiële vooruitzichten. Er is geen reden om er, onder deze omstandigheden, een besluit over de toekomstige culturele hoofdsteden doorheen te jagen. Eerst moeten de financiële vooruitzichten voor 2007-2013 in hun geheel worden behandeld, en daarna kan dit verslag aan de orde komen.

Het idee van een Europese culturele hoofdstad is een goed idee. Het is zelfs zo goed dat het op een heleboel andere manieren kan worden gefinancierd, onder andere via lokale sponsoring. Financiële middelen van de Europese Unie zouden niet nodig moeten zijn om dit project in leven te houden.

Wij stemmen daarom tegen dit verslag als zodanig, maar we zijn niet tegen het idee op zich.

 
  
MPphoto
 
 

  Le Pen, Marine (NI), schriftelijk. - (FR) Het programma “Culturele Hoofdstad van Europa” is in 1985 van start gegaan met als doel de Europese burgers nader tot elkaar te brengen.

Het programma beoogt de grote diversiteit van de Europese cultuur te doen uitkomen, terwijl tegelijkertijd - in de grootst mogelijke tegenspraak daarmee - een Europees beleid wordt gevoerd van economische, sociale, politieke en culturele uniformiteit.

Dit programma is niet meer dan de ludieke weerspiegeling van uw streven de Europese volkeren een cultureel en sociaal model op te leggen waar zij niet zelfstandig voor gekozen hebben. U wilt uit alle stukjes een nieuw Europees gevoel creëren waarmee slechts het belang van de handel wordt gediend.

Aangezien cultuur een krachtige motor is van het onderwijs, bevordert de Europese Unie niet alleen al hetgeen de mens dommer kan maken en op een lager niveau kan brengen, maar ook al hetgeen bijdraagt aan het in vergetelheid raken van de oeroude religieuze waarden waar ons toebehoren aan de Europese beschaving op gebaseerd is.

De problemen van dit beleid stapelen zich op naarmate Europa zich verder uitbreidt en zijn grondbeginselen de rug toekeert. Als we zo doorgaan, moeten we dan morgen Istanbul tot hoofdstad van de Europese cultuur kiezen? Hieruit blijkt duidelijk het gevaar van deze opbouw van Europa: door het verleden te vergeten wordt ons een moeilijke toekomst in het vooruitzicht gesteld.

 
  
  

- Verslag: Evans (A6-0024/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) Om een kapitalistisch economisch model te beschermen dat inspanningen stimuleert, verdiensten beloont en efficiëntie erkent, zijn wij verplicht pal te staan voor een effectief en efficiënt systeem voor de controle op de naleving van de mededingingsregels. Zonder concurrentie is er geen markt, en zonder markt is er geen kapitalistisch model. Zonder een kapitalistisch model blijven economisch succes en ontwikkeling uit, zoals de geschiedenis ons leert.

Daarom is de communautaire rol bij het toezicht op de mededinging erg belangrijk. Onverminderd de noodzaak om vanwege conjuncturele of specifieke omstandigheden - geografisch of sectoraal van aard - bepaalde activiteiten te beschermen, betekent de bescherming van de concurrentie over het algemeen bovenal de bescherming van de belangen van de consument. De consumenten beschikken normaal gesproken niet over vakbonden, werkgeversverenigingen of andere bewegingen om hun legitieme belangen te laten vertegenwoordigen.

Daarom juichen wij deze inspanning voor de bescherming van de concurrentie toe en stemmen wij ermee in, hoewel wij het in bepaalde concrete gevallen niet met de beslissingen van de Commissie eens zijn.

Daarom heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. - (SV) Ik wil dat er een proactiever concurrentiebeleid komt, maar ik wil geen supranationaliteit, en ik wil ook niet dat het concurrentiebeleid in de Grondwet wordt opgenomen. Daarom heb ik besloten mij van stemming te onthouden. Dat is mijn - na een fout in de notulen gecorrigeerde -stem.

 
  
  

- Verslag: in 't Veld (A6-0034/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Gollnisch (NI), schriftelijk. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren,

Reglementering van de steun aan diensten van algemeen belang zonder een duidelijke omschrijving van de aard van dergelijke diensten, of zelfs van het algemeen kader waar zij onder vallen, is incoherent. Reglementering van deze steun en het aan de staten zelf overlaten om te bepalen wat zij als diensten van algemeen belang beschouwen, komt erop neer dat we het aan het Hof van Justitie overlaten om deze definities te harmoniseren, zodat het in feite de plaats van de wetgever inneemt. Een reglementering die slechts gebaseerd is op een van louter financiële en concurrentieoverwegingen uitgaande beoordeling, is juist volkomen in tegenspraak met het algemeen belang. Om de financiering van de gezondheidszorg of de sociale huisvesting aan de goedkeuring van de technocraten te onderwerpen, is immoreel. Kortom, in de vandaag voorgelegde teksten is niets te vinden dat ons aanstaat.

Deze teksten zijn volledig in lijn met het beleid dat door de eurocraten, met medeplichtigheid van de regeringen, gevoerd wordt. Gisteren ging het nog om het invoeren van concurrentie voor alle openbare netwerkdiensten -stroom, post, etc. -, het afbreken van staatsmonopolies, het opleggen van privatiseringen. Morgen zal dankzij de Bolkestein-richtlijn, de lokale versie van de GATS, het fenomeen sociale dumping op het gebied van de diensten op ons grondgebied kunnen worden ingevoerd.

Wij verwerpen deze zienswijze, die door de Europese Grondwet nog zal worden verergerd. Hoewel we het ermee eens zijn dat aan enkele schreeuwende misstanden een einde gemaakt moet worden, vinden wij niet dat de legitimiteit van alle openbare diensten mag worden betwist. Daarom hebben wij tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Goudin, Lundgren en Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. - (SV) De Zweedse Junilistan-partij heeft een positieve houding ten aanzien van de verwezenlijking van de interne markt en geeft haar steun aan gemeenschappelijke regels voor subsidiëring van algemene diensten en aan eisen inzake rechtvaardige aanbestedingen, ook waar het diensten van algemeen belang betreft. Het is tevens van principieel belang dat steun voor publieke werkzaamheden wordt verantwoord en makkelijk toegankelijk is.

De enige uitzondering op deze regel is het geval waarin een lidstaat heeft besloten om diensten alleen via een monopolie te leveren en niet van plan is om particulieren toe te laten (bijvoorbeeld een lidstaat die alleen openbare ziekenzorg toestaat).

Junilistan vindt echter dat de verantwoordelijkheid in hoofdzaak op het niveau van de lidstaat moet liggen. Als blijkt dat een lidstaat zijn positie misbruikt en de concurrentie vervalst, is het van belang dat de eventuele benadeelde partij zijn zaak aan de rechter kan voorleggen. Junilistan heeft daarom besloten te stemmen tegen het voorstel om de gegevens aan de Commissie mee te delen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marques (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) Ik wens de collega geluk met haar verslag. Met name het ontwerpamendement op artikel 1 van de ontwerpbeschikking van de EC over de toepassing van artikel 86 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wil ik benadrukken. Maar ik bepleit ook de mogelijkheid om de ultraperifere gebieden in aanmerking te laten komen voor deze maatregel.

In dit verband wil ik eraan herinneren dat de Europese Commissie in haar mededelingen “Een versterkt partnerschap voor de ultraperifere regio’s” en “Een versterkt partnerschap voor de ultraperifere regio’s: balans en vooruitzichten” voor het zeevervoer spreekt over de invoering van vereenvoudigde regels voor de gunning van contracten voor de levering van openbare vervoersdiensten in de verbindingen met kleine eilanden met minimaal 100.000 passagiers per jaar.

Ik herinner eraan dat in de ultraperifere regio’s de liberalisering van diensten en de exploitatie van infrastructuur verbonden is met de voorwaarde dat er verplichtingen kunnen worden opgelegd voor het verlenen van openbare diensten. Dat betekent dat men rekening houdt met de restricties die voortvloeien uit de fysische realiteit van de ultraperifere regio’s en andere daarmee verbonden beperkende kenmerken. Ik wijs er ook nog op dat er andere diensten van algemeen economisch belang zijn die relevant zijn voor de ultraperifere regio’s, zoals de post- en telecommunicatiediensten.

Vandaar dat de twee documenten van de Commissie voor de ultraperifere regio’s zo belangrijk zijn. Bijgevolg ben ik van mening dat in die wetgevingsinstrumenten rekening gehouden dient te worden met de bijzondere situatie van deze regio’s.

 
  
MPphoto
 
 

  Meijer (GUE/NGL), schriftelijk. - Zonder financiering en planning door staten, regionale overheden en gemeenten zouden we niet kunnen beschikken over een behoorlijk openbaar vervoer, een voor ieder toegankelijk onderwijs en een voor ieder beschikbare gezondheidszorg. Voor zulke onmisbare activiteiten is het idee van een terugtredende overheid en het toelaten van vrije concurrentie rampzalig. Als dat gebeurt, zullen er ongetwijfeld kleine bevoorrechte groepen zijn die vinden dat hun keuzevrijheid is vergroot en voortaan beter wordt voorzien in hun individuele behoeften, maar de grote meerderheid en de samenleving als geheel gaan er op achteruit.

Dit rapport verdedigt de neoliberale visie, en wil zelfs een interpretatie vastleggen van het Altmark-arrest over de mogelijkheid van onderhandse toewijzing van concessies in het openbaar vervoer. De Europese Commissie en het Europees Parlement hebben jarenlang op die juridische uitspraak zitten wachten omdat er een veelheid aan strijdige interpretaties over dienstverlening door overheden, bekostiging en concurrentie bestond. Er ligt nu een juridische uitspaak die het recht op zelf aanbieden van openbaar vervoer door gemeenten in stand laat. De Europese Commissie neemt zich voor om een gewijzigd voorstel voor te leggen dat aansluit op mijn op 14-11-2001 door dit parlement aangenomen voorstellen. Neoliberale interpretaties die dat in de weg staan wijs ik af.

 
  
MPphoto
 
 

  Skinner (PSE), schriftelijk. - (EN) Hoewel er enkele bijzonder goede ideeën zijn geuit, was het voor de Europese Labourafgevaardigden met name belangrijk dat rekening werd gehouden met de gevolgen voor de sociale woningbouw en gezondheidszorg. Daarom was het zo belangrijk dat de door de heer Purvis voorgestelde compromissen in de tijdens de stemming genoemde artikelen werden opgenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Wagenknecht (GUE/NGL), schriftelijk. - (DE) De confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links verwerpt dit verslag. De Commissie oefent druk uit op de lidstaten om de diensten van algemeen belang te privatiseren, en dit verslag gaat daar niet tegenin. Integendeel, het wordt voor gemeentes, regio’s en lidstaten steeds moeilijker om de dienstverlening aan de burger, die vaak bij de wet is voorgeschreven, te garanderen. Overheidsbedrijven zullen in toenemende mate de concurrentie aan moeten gaan met dienstverleningsconcerns die internationaal actief zijn. De openbare dienstverlening zal voor de burgers nog verder achteruit gaan. Op de markt wordt niet gekeken naar sociale normen of behoeften, maar enkel naar consumenten met een flinke koopkracht.

We betreuren met name dat de overheidsbijdragen voor diensten van algemeen economisch belang nog steeds in alle gevallen als “staatssteun” worden beschouwd. Daardoor vallen ze onder het stelsel voor staatssteun. Bovendien zijn er niet veel nutsbedrijven meer die nog zulke bijdragen krijgen.

Ook bij ziekenhuizen en de sociale woningbouw gaat het verslag verder dan het voorstel van de Commissie. We zouden meer uitzonderingen moeten toestaan, tenminste voor verpleging, onderwijs, cultuur en openbare media. Er wordt echter juist geëist om overal nieuwe vormen van bureaucratie in te voeren. In het verslag wordt met geen woord gerept over de werknemers in de dienstensector, of over het algemeen belang, en dat kan bijvoorbeeld de bescherming van sociaal zwakkere burgers zijn.

Voor de grote dienstverleningsconcerns zijn al die projecten voor het privatiseren van de diensten van algemeen belang zeer lucratief. Wie zich ertoe leent om hun belangen te behartigen moet weten wat hij doet.

 
  
  

- Verslag: Goebbels (A6-0026/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Gollnisch (NI), schriftelijk. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren,

Massawerkloosheid, slappe groei, chronische begrotingstekorten, explosief toenemende overheidsschulden, verstikkende belastingdruk, bedrijfsverplaatsingen: de treurige economische situatie zal niemand zijn ontgaan. Uw recept ter bestrijding van deze kwalen is echter steeds hetzelfde.

Als alles slecht gaat, komt dat volgens u doordat Europa een onvoldoende uniform geheel is. De concurrentie tussen de Europese economieën is onvoldoende, de concurrentie in de dienstensector is onvoldoende, de openstelling voor de concurrentie op de wereldmarkt is onvoldoende - waarbij u zich er niets van aantrekt of die eerlijk is of niet -, de immigratie van geschoold personeel is onvoldoende, en er is te veel sociale bescherming. Bureaucratische rompslomp? Een nationaal probleem! Uw ongefundeerde, onoverzichtelijke, soms incoherente of zelfs krankzinnige regelgeving is in elk geval boven iedere discussie verheven. Het monetair beleid dat leidt tot een overwaardering van de euro en onze economieën log maakt? Daar is niets op aan te merken. Want Brussel en Frankfurt vergissen zich nooit.

Wij denken echter dat het Europa van Brussel zich wel degelijk vergist. Ondanks het feit dat Europa 20 jaar lang is geüniformiseerd en tot een onderdeel is gemaakt van het wereldwijde vrijhandelssysteem, zijn we alleen maar verder in de problemen geraakt. En dat wordt alleen maar erger, want het is juist dat beleid, úw beleid, dat er de oorzaak van is.

 
  
MPphoto
 
 

  Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. - (SV) Soms is men als Parlementslid gedwongen om een keuze te maken tussen twee slechte alternatieven en het minst slechte te kiezen. In dit geval heb ik voor de amendementen 9 en 22 gestemd, hoewel ik het niet eens was met heel de inhoud ervan. Toch waren die amendementen beter dan de oorspronkelijke tekst en zouden, bij aanneming, het verslag in zijn geheel verbeteren.

 
  
  

- Verslag: Karas (A6-0025/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Andersson, Hedh, Hedkvist Petersen, Segelström en Westlund (PSE), schriftelijk. - (SV) Wij hebben gestemd voor het verslag over de openbare financiën in de EMU-2004, evenals voor amendement 7, waarmee een verschil wordt gemaakt tussen leningen voor investeringen en lopende uitgaven. Wij zijn echter van mening dat de mogelijkheid om leningen te verstrekken voor publieke investeringen, en daarmee het plafond voor het begrotingstekort te overschrijden, voorbehouden moet zijn aan de landen die voldoen aan het criterium voor de staatsschuld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Hiermee zijn de stemverklaringen beëindigd.

(De vergadering wordt om 13.15 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER MOSCOVICI
Ondervoorzitter

 

9. Rectificaties stemgedrag: zie notulen

10. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

11. Ingekomen stukken: zie notulen

12. Financieringsbeleid van de natuurbescherming
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is de mondelinge vraag aan de Commissie over de financiering van het natuurbeschermingsbeleid, in het bijzonder Natura 2000.

 
  
MPphoto
 
 

  Florenz (PPE-DE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van het Europees Parlement en heel wat NGO’s zijn van mening dat het Natura 2000-programma van de Europese Unie sterk in het gedrang komt. De vorige Commissie heeft afgelopen jaar een aantal bijzonder vage besluiten genomen over de financiering ervan. Het is nu al duidelijk dat er in de Commissie landbouw en in het Fonds voor regionaal ontwikkeling een enorm conflict tot uitbarsting komt tussen voorstanders van Natura 2000 en landbouwers.

Daarom moet u, commissaris Dimas, volgens ons alles op alles zetten om een duidelijke oplossing te vinden voor de versterking van Natura 2000 in de toekomst. In dit geval gaat het niet om de hoogte van de bedragen, en eigenlijk ook niet om de individuele programma’s, maar veeleer om het concrete beleid dat wij moeten voeren om de met dit Natura 2000-programma beoogde doelstellingen ook daadwerkelijk te bereiken. Daarom mogen we niet toelaten dat de financiële middelen dusdanig in de onderhandelingsstructuren worden verpakt dat zij uiteindelijk, als het erop aan komt, ten onder gaan.

We hebben de lidstaten bij de Flora-, Fauna- en Habitatrichtlijn jarenlang aangemoedigd om in hun land de geschikte gebieden aan te duiden. Het geld daarvoor was immers beschikbaar. Het is dan niet erg netjes om die middelen nu te schrappen of het geld te halen uit de begroting voor landbouw of regionale ontwikkeling. Daar komt ruzie van, en daarom stellen wij u vandaag deze mondelinge vraag. We vragen u om dit probleem krachtdadig aan te pakken. Wanneer we namelijk ooit besluiten om het geld uit de begroting voor landbouw of regionaal beleid te halen, staan er meteen honderdduizend burgemeesters op de stoep. Dan raken de NGO’s en u, als commissaris voor milieubescherming, in een moeilijk parket verzeild. Ik hoef u niet te vertellen dat er een sterke landbouwlobby bestaat, en ik als boer hoor daarbij. Daar komt dus ruzie van.

Ik zou u willen aanmoedigen om in uw Commissie voor duidelijke regels te zorgen. Daar zou ik u heel dankbaar voor zijn. Ik hoop dat wij die regeling dan ook kunnen goedkeuren

 
  
MPphoto
 
 

  Dimas, lid van de Commissie. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, het lijdt geen twijfel dat de bescherming van de biodiversiteit een beleidsprioriteit is van de Commissie, en dat een succesvolle toepassing van het Natura 2000-kader de hoeksteen is van de inspanningen die de Europese Unie onderneemt om dit doel te bereiken. Daarom is - zoals de heer Florenz al zei - het veiligstellen van voldoende financiële middelen een van onze prioriteiten. Ik ben het dan ook volledig eens met de doelstellingen en prioriteiten van het Europees Parlement.

Ik wil er tevens op wijzen dat talrijke collega’s in de Commissie het eens zijn met deze prioriteit en ermee hebben ingestemd dat het Regionaal Fonds, het Landbouwfonds en de andere fondsen werden aangepast om Natura 2000 te kunnen opnemen onder de te financieren activiteiten.

De lidstaten zijn juridisch verplicht om uitsluitend de Natura 2000-gebieden te beheren. De veiligstelling van voldoende financiële middelen voor dit beheer is een bevoegdheid van de lidstaten, maar omdat Natura 2000 zeer specifieke activiteiten omvat, helpt de Commissie de lidstaten door communautaire middelen ter beschikking te stellen. De inzet van deze communautaire middelen valt weliswaar onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten, maar wij zijn, van onze kant, bereid om elke mogelijke hulp te bieden en de toegang tot deze middelen te vergemakkelijken. Als met andere woorden wordt vastgesteld dat het beheer van deze gebieden onvoldoende steun ontvangt, kan de Commissie - en daartoe is zij ook bereid - de betrokken lidstaat voor het Europese Hof van Justitie dagen.

Na dit alles in ogenschouw te hebben genomen heeft de Commissie, zoals de heer Florenz al zei, op 15 juli vorig jaar een mededeling uitgevaardigd over de financiering van Natura 2000. Zij heeft alle mogelijke gevallen onderzocht, ook de opneming van een apart hoofdstuk. Uiteindelijk is zij echter tot de conclusie gekomen dat de opneming van de financiële middelen voor Natura 2000 in de bestaande communautaire financieringsinstrumenten de beste benadering is. De nieuwe verordeningen inzake de structuurfondsen, die momenteel in de Raad worden besproken, zullen gedecentraliseerd worden toegepast door de lidstaten en de regio’s. Daarom is het ook niet mogelijk om binnen elk fonds een concreet bedrag vast te stellen.

Tevens is het voorlopig nog niet mogelijk om precies aan te geven welke bedragen jaarlijks kunnen worden uitgegeven voor de cofinanciering van de Natura 2000-gebieden in de periode 2007-2013. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel is het namelijk aan de lidstaat om tijdens de opstelling van het nationaal programma te besluiten wat de behoeften van deze gebieden zijn. De Commissie heeft hoe dan ook de middelen om binnen deze nationale programma’s aan Natura 2000 een prioriteit toe te kennen. Ik zal daar aan het eind van mijn betoog nog op terug komen.

Ik wil allereerst enkele opmerkingen maken over de nieuwe verordeningen die momenteel onderwerp van gesprek zijn. Wat de verordening inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling betreft moet ik vermelden dat hierin verwezen wordt naar de cofinanciering van Natura 2000 en de biodiversiteit. Deze maken deel uit van de doelstellingen inzake samenhang en mededingingsvermogen. Ook de verordeningen inzake het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds bieden mogelijkheden tot cofinanciering, met name wanneer het gaat om de versterking van de capaciteiten voor het beheer van Natura 2000. Natura 2000 maakt - en dit is zeer belangrijk - ook deel uit van de tweede as, bodembeheer, in de nieuwe verordening inzake plattelandsontwikkeling, waarvoor een kwart van de totale middelen wordt uitgetrokken. De Commissie stelt voor om in de periode 2007-2013 in totaal 22 miljard euro uit te trekken voor bodembeheer. Het is belangrijk dat dit bedrag wordt gehandhaafd of indien mogelijk zelfs wordt verhoogd, en daarvoor wil ik graag, mijnheer Florenz, de steun van het Europees Parlement. Deze steun is van het allergrootste belang. De nieuwe verordeningen bevatten mechanismen die de Commissie in staat stellen om, zoals ik al zei, leiding te geven aan, en tot op zekere hoogte ook controle uit te oefenen op de vaststelling van de inhoud van de programma’s door de lidstaten.

Onmiddellijk na de uitvaardiging van de voorgestelde verordeningen voor de structuurfondsen - tegen waarschijnlijk het einde van de lente - zal de Commissie in een document met de strategische richtsnoeren haar concrete prioriteiten voor de financiering van alle fondsen gedetailleerd uiteenzetten. Volgens de procedure zal over de inhoud van dit document overleg worden gepleegd met alle betrokken diensten, ook met het directoraat-generaal Milieu. Tijdens dit overleg zal er voor worden gezorgd dat Natura 2000 in dit document een prioriteit krijgt.

Zodra de strategische richtsnoeren zijn vastgesteld moeten de lidstaten nationale strategische kaders opstellen - in de tweede helft van 2005 of begin 2006 - en operationele programma’s voorleggen aan de Commissie. Alle bevoegde diensten van de Commissie zullen betrokken worden bij de beraadslagingen over de inhoud van deze programma’s. Het directoraat-generaal Milieu zal natuurlijk alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat de acties voor Natura 2000 worden uitgeroepen tot een prioriteit.

Wat meer specifiek de nationale programma’s voor plattelandsontwikkeling betreft, die volgens de heer Florenz een concurrentiefactor zijn, moet ik erop wijzen dat elk ingediend programma gedetailleerd zal worden onderzocht. Men moet er namelijk zeker van kunnen zijn dat rekening wordt gehouden met zowel het communautair wetgevingskader als de beleidsprioriteiten voor de biodiversiteit, het beheer van de Natura 2000-gebieden, de klimaatverandering, de toepassing van de ideeën op het gebied van de waterbronnen en andere vraagstukken. Als wordt vastgesteld dat een nationaal programma niet voorziet in toereikende financiële middelen voor bovenstaande thema’s, hebben de diensten van de Commissie altijd het recht om dit te verwerpen. Dat is een extra garantie die ervoor kan zorgen dat Natura 2000 ook inderdaad een prioriteit blijft in de programma’s van de lidstaten, ofschoon dit natuurlijk geen absolute garantie kan zijn. Al degenen die zich interesseren voor de financiering van Natura 2000 hebben derhalve de plicht om druk uit te oefenen en er voor te zorgen dat de lidstaten niet alleen de lat hoog leggen in hun nationale en operationele programma’s maar ook constant en continu blijven ijveren voor goede Natura 2000-programma’s. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Gutiérrez-Cortines (PPE-DE), namens de PPE-DE-Fractie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, we zijn allemaal blij met het feit dat de Commissie zich heeft gebogen over het Natura 2000-netwerk. Dit netwerk houdt verband met het LIFE-programma waar ik schaduwrapporteur voor ben.

We vinden het echter bijzonder teleurstellend dat de benadering van het onderhavige onderwerp in strijd is met de allesomvattende concepten die noodzakelijk zijn voor elke vorm van duurzaamheid. Bovendien doet zich weer het oude probleem voor dat Natura 2000 als een uitgewerkte vulkaan wordt beschouwd, zonder leven of activiteit.

Sinds het moment waarop voor het eerst beschermde gebieden werden vastgesteld, is Natura 2000 voor de samenleving eerder een probleem geworden dan een aanwinst. Geen regio wil tot beschermd gebied worden uitgeroepen, omdat er geen parallel steunbeleid bestaat. Natura 2000 is een punt van voortdurende strijd geworden. Men heeft de mensen niet geleerd hoe zij met natuurlijke rijkdommen moeten omgaan, of welke concrete meerwaarde dit Natura-netwerk heeft, dat allerlei verwachtingen oproept.

Anderzijds heeft er een verkapte onteigening plaatsgevonden, daar het bodemgebruik veel beperkter is dan voorheen en de grond in vele gevallen minder waard wordt. Het is dan ook een last geworden. Welnu, wat is er loos met het onderhavige document? In de eerste plaats wordt hierin niet erkend dat er verschillende soorten milieus bestaan. We kunnen het begrip Natura 2000 niet introduceren zonder rekening te houden met de belangrijkste families binnen de biodiversiteit, omdat elke familie weer andere financiële instrumenten behoeft. De mariene fondsen bijvoorbeeld, die trouwens helemaal ontbreken: hoe moeten die worden beheerd via plattelandsontwikkeling? Hiervoor zal een aparte Natura in het leven moeten worden geroepen. De rivieren zijn evenmin als belangrijk onderdeel gerubriceerd, terwijl ze naar mijn idee een essentieel element vormen. Verder worden bosgebieden niet duidelijk van ander gebieden onderscheiden. Er had op zijn minst sprake moeten zijn van de intentie om een gediversifieerd beleid te voeren.

Tenslotte zou ik willen zeggen dat we helemaal niets bereiken als we Natura niet opnemen in de markteconomie. Natuur betekent namelijk leven, economie en duurzaamheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Hegyi (PSE) , namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, een paar jaar geleden bracht een hoge ambtenaar van de EU een bezoek aan een klein dorpje in Oost-Hongarije. Het dorpje lag aan de rand van een waterrijk gebied, een waar vogelparadijs. Toen we uit de auto stapten, vroeg hij me een tijdje niets te zeggen. Hij wilde alleen maar naar het concert van de vogels en krekels luisteren. Bij ons in het westen, zei hij, met spijt in zijn stem, behoort dit soort ongerepte natuurgebieden voorgoed tot het verleden. Zorgt u er hoe dan ook voor dat die van jullie niet verloren gaan.

Je kunt het doel van Natura 2000 bepalen aan de hand van wetenschappelijke criteria, maar in feite komt het er op neer dat we sommige delen van Europese natuurgebieden voor onszelf en voor de toekomstige generaties moeten behouden. Het grootste probleem voor de toekomst is de aantasting van onze natuurlijke rijkdommen, zoals schone lucht, zuiver water en een gezond milieu. Een grote biodiversiteit is van vitaal belang voor een gezonde leefomgeving, voor voedselveiligheid en voor de levenskwaliteit in het algemeen.

Natura 2000 streeft niet alleen deze doelen na maar is tevens een doeltreffend programma voor steun aan Europese dorpen en hun inwoners. Het is een belangrijk instrument voor de bevordering van biologische landbouw en ecotoerisme. Het schept werkgelegenheid en blaast rurale gebieden nieuw leven in. Natura 2000 kan bijdragen tot een nieuwe invulling van de rol die rurale gebieden in Europa spelen.

Ik hoop dat we hier zijn gekomen om Natura 2000 te loven, niet om het ten grave te dragen, zoals Shakespeare het wellicht had gezegd. De toekomst van ons natuurlijk erfgoed vergt en verdient in elk geval de jaarlijkse 6,1 miljard euro die voor deze kortlopende projecten opzij is gezet. Natura 2000 kan op verschillende manieren worden gefinancierd: via de zogenaamd earmarking van een deel van de bestaande fondsen of uit een apart Natura 2000-fonds. We zullen nog een groot aantal technische details moeten oplossen, maar er is één ding waar we ons gezamenlijk sterk voor moeten maken: het financieringsniveau voor Natura 2000 mag geen cent minder zijn dan eerder is voorgesteld door de Commissie.

Ik verzoek alle fracties en eenieder die een invloedrijke positie inneemt het oorspronkelijke voorstel te redden en zodanig te verbeteren dat het beschikbare bedrag hoe dan ook volledig ten goede komt aan Natura 2000.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Mulder (ALDE), namens de ALDE-Fractie. - Voorzitter, wij weten al sinds jaar en dag dat voor de productie van voedsel steeds minder land nodig is. Dat betekent dat wij meer extensieve landbouw kunnen hebben en op die manier ook meer natuur kunnen creëren.

Landbouw is wat mij betreft een specifiek onderdeel van plattelandsontwikkeling en wat mij betreft is dat ook het programma Natura 2000. Natuurgebieden spelen een essentiële rol in de ontwikkeling van het platteland. Deze kunnen niet los gezien worden van andere aspecten van landbouw en van andere werkgelegenheidsinitiatieven op het platteland.

Europa heeft dat sinds jaar en dag bevorderd door wetgeving, wij kennen de Vogel- en Habitatrichtlijn, in Nederland wordt het vertaald in de flora- en faunawet, en voor al deze regelingen hebben wij speciale betalingssystemen gecreëerd. Wij kennen de bergboerenregeling, wij kennen de Natura 2000 bijbetalingen, etc.

Hoe moet dat er in de toekomst uitzien? Ik heb het al gezegd, al deze programma's maken wat mij betreft deel uit van plattelandsontwikkeling en ik denk dus daarom dat wij er daarom ook voor moeten zorgen dat er binnen het kader van het Fonds voor plattelandsontwikkeling een speciaal fonds komt voor Natura 2000. De grote vraag is dan: hoe moet het geld worden uitgegeven? Nou, wij kennen het systeem van cofinanciering, dat heeft de commissaris ook al aangegeven, en die cofinanciering kan wat mij betreft bijzondere vormen aannemen. In sommige landen is die cofinanciering duidelijk een probleem. Voor armere landen is het waarschijnlijk een groter probleem dan voor rijkere landen. Misschien zou de Commissie kunnen onderzoeken of het mogelijk is om verschillende cofinancieringsystemen te hebben in het kader van dit programma?

Een ander punt dat de Commissie misschien zou kunnen onderzoeken - ik heb al gezegd dat landbouw ook een zekere vorm van plattelandsontwikkeling, van natuur is -luidt: zijn de subsidies aan de landbouw in het algemeen duurder dan de subsidies aan natuurontwikkeling in Europa?

 
  
MPphoto
 
 

  Isler Béguin (Verts/ALE), namens de Verts/ALE-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik dank u voor uw antwoord, hoewel dit ons niet echt tevredenstelt. Het stelt mij niet tevreden, want als ik kijk naar de voorstellen die u hebt gedaan, moet ik mij echt afvragen of de Europese Unie haar biodiversiteit wel echt wil beschermen; neemt u mij niet kwalijk dat ik dit zo ronduit zeg. Als de Unie dit inderdaad wil, dan moeten er - net als bij een kathedraal - middelen worden vrijgemaakt om het Natura 2000-netwerk te beheren. Ik denk dat wij ons zonder geld, zonder een budget dat daadwerkelijk voor deze uitgaven is bestemd, geen illusies hoeven te maken.

Mijnheer de commissaris, één ding is mij, en de meeste collega’s hier in de zaal, wel duidelijk geworden bij onze ervaringen in de praktijk: als niet uitdrukkelijk wordt gezegd dat in de regio’s geld verkregen kan worden via het Fonds voor plattelandsontwikkeling, het EFRO of het ESF, kan het geld overal terechtkomen maar niet bij Natura 2000.

Natura 2000 zal worden geconfronteerd met de rechtstreekse concurrentie van alle andere projecten. In de landbouw zijn er natuurlijk integratiemogelijkheden; dat is ook het alibi om te kunnen zeggen dat Natura 2000 is geïntegreerd. Wij maken ons echter geen illusies, mijnheer de commissaris. Er moet echt meer gebeuren, en aangezien wij absoluut geen vertrouwen hebben in dit voorstel, stel ik als rapporteur voor “LIFE+” voor om - zolang de Raad en de Commissie zich niet hebben uitgesproken over de 3 miljard euro die jaarlijks voor het beheer nodig is - binnen LIFE+ een LIFE-pijler in te voeren, namelijk datgene wat voorheen “Natuur” was, en wel LIFE Beheer Natura 2000.

Mijnheer de commissaris, wij rekenen erop dat wij alle garanties krijgen om het Natura 2000-netwerk te kunnen opzetten, want zowel hier als op plaatselijk niveau hebben wij echt gestreden voor de invoering van dit instrument. Men wilde ter plaatse niet ...

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  de Brún (GUE/NGL), namens de GUE/NGL-Fractie. - (EN)

(Spreker spreekt Iers)

Natura 2000 is belangrijk voor de bescherming en ontwikkeling van de biodiversiteit in de natuurreservaten van de Europese Unie. Het beleid moet worden gegarandeerd door Natura 2000 een volwaardige plaats te geven in de belangrijkste financieringsprogramma’s van de EU. De financieringsregelingen voor deze programma’s moeten deze geïntegreerde benadering weerspiegelen. Wil die geïntegreerde benadering werken, dan zullen de regelingen voor de financiële vooruitzichten 2007-2013 nu moeten worden versterkt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Zoals u weet, wordt het Gaelic niet vertolkt, maar toch hebben we uw bijdrage gedeeltelijk begrepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Wise (IND/DEM), namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, is er dan helemaal niets wat aan de regelzucht van de EU ontsnapt? Zijn er nog kwesties die een meerderheid van de leden van dit Parlement geen aanleiding geven om het geld van de belastingbetaler te verspillen? Helaas niet, lijkt het. De EU is kennelijk niet tevreden met gemeenschappelijke juridische kaders, belastingharmonisatie, enzovoorts, enzovoorts, en wil nu de natuur aan regels onderwerpen. Dat is ronduit onzinnig.

In de Habitatrichtlijn van 1992, waarmee Natura 2000 werd ingesteld, staat dat de EU voornemens is om een gemeenschappelijk kader voor het behoud van wilde planten en dieren te definiëren. In het ambitieuze nieuwe Europa moet zelfs de natuur worden gestandaardiseerd. Wie zijn gezonde verstand gebruikt, weet dat zoiets onmogelijk is. Wanneer de mens voor God speelt, heeft de natuur de onhebbelijke gewoonte om haar rol op te eisen.

Als lid van de IND/DEM-Fractie, waarvan het voorzitterschap gedeeld wordt door een Brit en een Deen, doet mij dit denken aan het verhaal van koning Knut. Zijn hovelingen vertelden hem alsmaar dat hij alles wat hij maar wilde kon beheersen. Op een dag was hij dat gevlei zo moe dat hij hen meenam naar het strand en de zee beval zich terug te trekken. De golven aan hun voeten kabbelden natuurlijk gewoon verder, waarmee de koning duidelijk had gemaakt wat hij wilde zeggen. Het valt me op dat Knut verstandiger was dan de regelgevers van het huidige Europa.

Als de EU niet op macht uit is, maar echt alleen maar een economisch blok is, waarom is het dan nodig om bijvoorbeeld alle uilensoorten op te sommen en te beschermen? Kan iemand mij dat vertellen? Heeft iemand het de uilen zelf gevraagd? Nee, natuurlijk niet. Nogmaals, ik kan alleen maar concluderen dat als de EU het antwoord is, het wel een domme vraag moet zijn geweest, misschien zelfs zo dom als een uilskuiken!

 
  
MPphoto
 
 

  Belohorská (NI). - (SK) Iedereen heeft zijn eigen dromen en aspiraties, en politici hebben hun idealen en visioenen, die ze vervolgens in verschillende projecten trachten te verwezenlijken. Het project Natura 2000 is uitzonderlijk, gewoon omdat het idealen en aspiraties van mensen omvat. Het project is gebaseerd op de bescherming van het culturele en natuurlijke erfgoed van Europa, op het behoud en de bescherming van de biodiversiteit. Afgezien van deze tamelijk grootse ideeën, is het project Natura 2000 ook uitzonderlijk in die zin dat het een sturende kracht zou kunnen zijn in de ontwikkeling van plattelandsgebieden. Het is van groot sociaal-economisch belang als het gaat om de werkgelegenheid en het toerisme, alsook om de bescherming van de volksgezondheid.

Juist nu het Grondwettelijk Verdrag in de verschillende staten wordt goedgekeurd en geratificeerd, is het belangrijk dat we, ook met betrekking tot dit onderwerp, kunnen vertellen hoe het Parlement staat tegenover de ontwikkeling van zulke projecten, en wat het standpunt van de Commissie is, die dergelijke projecten moet vergemakkelijken en de middelen moet verschaffen om de doelen van het project te kunnen verwezenlijken.

De cofinanciering stelt veel lidstaten van de Europese Unie regelmatig voor problemen, vooral de nieuwe lidstaten. De regionale overheden zijn namelijk, volgens de voorwaarden inzake decentralisatie, rechtstreeks verantwoordelijk voor scholen, ziekenhuizen en voor de bescherming van dit erfgoed. Het is daarom belangrijk en noodzakelijk dat u hulp biedt bij de uitvoering van dit project, dat u onmiddellijk financiële middelen verstrekt om de regio's bij te staan die geen geld voor cofinanciering hebben.

Commissaris, u hebt het over subsidiariteit gehad met betrekking tot deze aangelegenheid. Ik wil u echter vragen in gedachten te houden dat het natuurlijk milieu geen grenzen heeft: ‘vogels hebben geen paspoort nodig’.

 
  
MPphoto
 
 

  Sonik (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de heer Florenz, voorzitter van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, bedanken voor het feit dat hij het debat over Natura 2000 heeft geopend.

In vergelijking met andere Europese landen heeft Polen een enorme staat van dienst op het gebied van natuurbescherming. De traditie van het creëren van natuurgebieden gaat in Polen terug tot de negentiende eeuw. De afgelopen 20 jaar is het oppervlak van de beschermde gebieden toegenomen van 9 tot 32 procent van het grondgebied. Met ongerustheid stelt Polen vast dat het concept van het Natura 2000-netwerk in Europa weliswaar tot ontwikkeling is gekomen, maar dat dit niet vergezeld gaat van de nodige financiering voor de opbouw en de instandhouding van het netwerk. Polen heeft zich dan ook aangesloten bij de meerderheid van lidstaten van de Europese Unie die in oktober en in december een verklaring aflegden om uiting te geven aan hun teleurstelling over het voorstel van de Europese Commissie inzake cofinanciering van Natura 2000. Het gebrek aan duidelijkheid van de beginselen volgens welke in de jaren 2007-2013 een beroep kan worden gedaan op financiering voor maatregelen ter bescherming van Natura 2000-gebieden, zal er ongetwijfeld toe leiden dat talloze noodzakelijke maatregelen achterwege moeten blijven. De meeste gebieden die in Polen als Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, komen niet voor de aangegeven fondsen in aanmerking. Hierbij gaat het om staatsbossen en gebieden waar geen landbouw wordt bedreven, zoals moerassen, natuurlijk grasland, duingebieden, heide en gebieden met struikgewas.

In het licht van de brief aan Polen van 6 januari 2005 - waarin de Europese Commissie stelt dat de mogelijkheid wordt overwogen om de lijst van Natura 2000-gebieden in Polen uit te breiden - krijgt de veiligstelling van de financiering voor Polen en andere landen een nog groter belang. Polen verwacht dan ook dat er in de financiële vooruitzichten voldoende middelen worden uitgetrokken om het proces van de vorming van het Natura 2000-netwerk te ondersteunen. Ik stel voor dat er in de verordening LIFE+ afzonderlijke bepalingen worden opgenomen voor LIFE+ en voor Natura 2000.

 
  
MPphoto
 
 

  Haug (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Dimas, ik zou graag een inleidende opmerking willen maken. Ik weet natuurlijk heel goed dat u als commissaris voor milieubescherming in institutioneel opzicht het beleid van de vorige Commissie voortzet. Alles wat ik nu ga zeggen heeft dus niet betrekking op u persoonlijk maar op de Commissie als instelling.

Ten eerste zijn wij volgens mij als Parlement juist met dit dilemma Natura 2000 geconfronteerd omdat de Commissie niet de moed heeft gehad om een correct financieringsinstrument voor te stellen. In de FFH-richtlijn hebben we gekozen voor cofinanciering. Wij hebben ons ertoe verplicht bijdragen te leveren, maar in de respectievelijke fondsen hebben we daarvoor geen geld opgenomen.

Ten tweede heeft de Commissie niet de moed gehad om in deze verordeningen - de verordening inzake de structuurfondsen en de verordening inzake de plattelandsontwikkeling - heldere bepalingen op te nemen. Er staat “kan” en “mag” en “zo nodig”, maar dat is volgens ons niet genoeg. We weten toch allemaal waar dat toe leidt? Het is de bedoeling dat de regionale overheden operationele programma’s voorleggen, en de Commissie moet die evalueren en goedkeuren. Dat weten wij; papier is geduldig. In de verordening inzake de structuurfondsen spreken wij, wat de huidige programmaperiode betreft, bijvoorbeeld over ondersteuning van vrouwenbelangen. Het Parlement heeft daar vrij hard voor gevochten, maar wat is ervan terechtgekomen? De lidstaten doen daar vrijwel niets aan. Dat kan toch niet?

Daarom hebben we voor de steun aan Natura 2000 een apart instrument nodig. Daarvan is het Parlement overtuigd. We hoeven alleen maar te kijken naar de adviezen van de verschillende commissies over de financiële vooruitzichten. De Landbouwcommissie heeft al gezegd dat de bescherming van de biodiversiteit niet echt thuishoort in het beleid voor de plattelandsontwikkeling. We weten allemaal wat dat betekent. Ook onze collega’s uit de landbouwhoek willen niet met het geld uit het fonds voor plattelandsontwikkeling betalen voor Natura 2000.

 
  
MPphoto
 
 

  Auken (Verts/ALE). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de commissaris bedanken voor zijn antwoord. Op een enkele uitzondering na zijn wij het er allen over eens dat Natura 2000 ongelooflijk belangrijk is, en we zijn het er ook allemaal over eens dat daarvoor geld op tafel moet komen. Ik weet niet of iedereen beseft om hoeveel geld het gaat: minstens 6 miljard euro per jaar. Dat wil zeggen dat er tenminste 3 miljard euro van Natura 2000 moet komen. Het zou immers nooit kunnen met slechts één fonds. Ik weet niet hoe wij het gaan doen, maar dit project moet worden geïntegreerd in de overige fondsen. Daar zijn we het over eens. Op dat punt zullen we de Commissie steunen, en ik kan ook zeggen dat de “groene” organisaties, Bird Life enzovoort, ons steunen in onze inspanning om de financiering van Natura 2000 te integreren. Uit het antwoord van de commissaris kon ik niet afleiden hoe hij wil garanderen dat dat ook inderdaad gebeurt. De heer Florenz gaf een aangrijpende beschrijving van de conflicten die zullen ontstaan. Als er geen garanties zijn dat de geldmiddelen ook inderdaad geoormerkt en gebonden worden, komt er niets van terecht. Alleen al omwille van de financiering hebben we een duidelijker antwoord van de Commissie nodig dan we tot nu toe hebben gekregen.

Ik wil er echter ook graag op wijzen dat het niet alleen een kwestie van voldoende geld is. We moeten er ook voor zorgen dat het hele landbouwbeleid wordt afgestemd op de natuur. Dan wordt in deze gebieden landbouw bedreven en een ontwikkeling op gang gebracht waarin de kwetsbare natuur wordt gerespecteerd in plaats van dat er, zoals nu gebeurt, grote wegen worden aangelegd in kwetsbare gebieden. Ik heb gezien hoe men in Polen uitzonderingen toekent voor een meedogenloze varkenshouderij die opereert in een zeer kwetsbare en zeer rijke, maar daardoor ook zeer broze natuur. Daarom moeten we ook rekening houden met de manier waarop wij het platteland ontwikkelen. Wij moeten ervoor zorgen dat Natura 2000 wordt geïntegreerd en dat er geld genoeg is. Stel dat men dat geld niet kan vinden binnen de reeds genoemde fondsen. Wel, laat mij u er dan aan herinneren dat wij het in de Milieucommissie net met een meerderheid voor elkaar hebben gekregen dat ook een begin wordt gemaakt met de behandeling van de eerste pijler, waar immers bijna alle geld van de EU in zit. Er zijn zulke grote bedragen uitgetrokken voor directe landbouwsteun dat het hoog tijd wordt daar eens een blik op te werpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rack (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de heer Florenz heeft al gezegd dat het programma Natura 2000 sterk in het gedrang komt omdat de financiële kant niet geregeld is. Mijns inziens is de ramp nog veel groter: niet alleen is er geen gewaarborgde financiering maar worden de betrokken personen ook steeds onzekerder en wordt het ook steeds minder duidelijk wat de aanduiding als Natura 2000-gebied al dan niet betekent.

In dat verband zou ik een aantal opmerkingen willen maken. Ten eerste mag de financiering van Natura 2000 niet ten koste van de boeren gaan, en al helemaal niet uitsluitend ten koste van de boeren. Anders gebeurt wat mevrouw Gutiérrez-Cortines heeft aangekondigd: dan worden de eigenaars van het onroerend goed indirect min of meer onteigend.

Ten tweede worden de gebieden erg langzaam en op een onduidelijke manier aangeduid. Het zou echter niet redelijk zijn indien dat ten koste van de infrastructuur en de economische ontwikkeling in grote delen van de Unie zou gaan. In grote delen van het platteland kunnen op dit moment bepaalde investeringsprogramma’s niet worden uitgevoerd omdat sommige vragen nog niet beantwoord zijn, hoewel die programma’s zinvol zijn en goed aansluiten bij de plaatselijke natuur. Ten derde is het onaanvaardbaar dat een programma dat eigenlijk de reputatie van de Unie zou moeten verbeteren - dit programma Natura 2000 is een zichtbaar bewijs dat de Unie meer is dan een economische Unie, en ook een ecologische Unie wil zijn - op die manier een averechts effect heeft.

Tot slot kunnen we niet dulden dat de bureaucratie in Brussel, vooral bij de Commissie, ertoe leidt dat uiteindelijk niemand meer de weg weet. Brussel zegt: u moet overal gebieden aanduiden; we weten niet precies hoe het zit met het geld, maar dat zien we later wel. Wanneer u geen gebieden aanduidt - en dat heeft de commissaris nu ook gezegd - dan dagen we u voor de rechter. Dat is geen milieubescherming, dat is burgertje pesten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lienemann (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, Natura 2000 is een van die belangrijke kwesties die vaak twijfels oproepen over de Europese eenwording. Onze medeburgers zijn het met ons eens dat de biodiversiteit moet worden beschermd. Zij constateren evenwel dat wij teksten opstellen, maar dat Europa, als het erom gaat middelen vrij te maken, niet thuis geeft. Onze medeburgers staan achter het idee van duurzame ontwikkeling, omdat ze denken dat de bescherming van de aarde wel degelijk verenigbaar is met economische ontwikkeling en meer werkgelegenheid. Maar als hiervoor dan de wegen en benodigde middelen moeten worden gevonden, laat Europa verstek gaan.

We moeten dus instrumenten zien te vinden om Natura 2000 nieuw leven in te blazen. Er zijn drie vereisten. Ten eerste moeten we over een specifiek fonds kunnen beschikken, want er is een zekere tegenstrijdigheid tussen enerzijds de verwachtingen in verband met geld voor het bevorderen van de economische groei en de plattelandsontwikkeling, en anderzijds de wil om gebieden te beschermen met Natura 2000. We hebben dus een speciaal fonds nodig, dat is de eerste vereiste.

Ten tweede moet de tenuitvoerlegging van Natura 2000 worden aangemoedigd met de criteria van welk Europees fonds dan ook. Ik zal u een voorbeeld geven van de bestaande tegenstrijdigheid. Overeenkomstig de huidige verordening van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, waarover u momenteel onderhandelt, worden de in aanmerking komende gebieden beperkt tot beboste of beplante gebieden. Natura 2000 heeft echter juist ongerepte natuurgebieden nodig, zonder bebossing of beplanting, namelijk vochtige gebieden.

Ten derde moeten wij over een innovatief instrument kunnen beschikken, zodat de praktijken ter plaatse beter aansluiten op hetgeen wij voor de toekomst kunnen doen. Wij moeten in LIFE+ dus een specifiek instrument opnemen en de twee pijlers aanhouden: een algemene pijler ‘milieu’ en een pijler ‘LIFE-Natuur’, zoals we voorheen ook hadden.

Zoals u begrijpt, mijnheer de commissaris, verwachten wij dat de voorstellen van de Commissie in hun huidige vorm onze medeburgers in de praktijk niet zullen kunnen overtuigen. Wij zijn van mening dat de bescherming van de biodiversiteit een stap vooruit is, en dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de ontwikkeling van de plattelandsgebieden en de economische toekomst van ons land. Nu hebben wij dus bewijzen nodig van deze overtuiging, in de vorm van een krediet van ten minste drie miljard euro in het kader van de structuurfondsen.

 
  
MPphoto
 
 

  Olajos (PPE-DE). - (HU) Ik wil de heer Florenz bedanken voor het feit dat hij ons de gelegenheid geeft om dit belangrijke onderwerp te bespreken. Het is in ons aller belang dat Natura 2000 een werkbaar stelsel wordt. Dat is ook de reden waarom we uw collega's tijdens de vergadering van de parlementaire commissie hebben ondervraagd, en dat is tevens de reden waarom we ook u vragen welke verzekeringen en welke garanties u ons kunt geven opdat het hele netwerk financieel levensvatbaar wordt. We hebben helaas gemerkt dat de antwoorden van de Commissie betekenisloos waren, en dat de Commissie geen harde garanties kon geven achter de aantrekkelijke façade van de geïntegreerde aanpak. Garanties zijn echter wel nodig. Ik kom uit Hongarije, waar de regering het eerder met de Europese Unie gesloten akkoord heeft aangevochten en heeft kunnen bewerkstelligen dat 8 miljard forint voor de bescherming van het landbouwmilieu werd herbestemd voor directe landbouwsubsidies. Om deze en andere, vergelijkbare redenen demonstreren op dit moment de boeren met hun tractoren in de hoofdstad van mijn land.

In Hongarije is er een gezegde, dat als iemand één keer zijn mond aan warm water brandt, hij daarna ook op koud water blaast. En zo voelen we ons nu. We hebben ons gebrand aan de loze antwoorden van de Commissie en de houding van enkele lidstaten, en dit dwingt ons om voorzichtiger te zijn. Ik vraag daarom, samen met mijn collega’s, de Raad en ook de Commissie om een aparte begrotingslijn te creëren voor de doelen van Natura 2000, dat wil zeggen, binnen de financiële vooruitzichten die worden opgesteld, parallel aan een belangrijke opwaardering van het programma Life+ en binnen het landbouwbudget - waaraan ik onmiddellijk toevoeg dat we ons dit alleen kunnen voorstellen als het gepaard gaat met werkelijke stijgingen van het deel van de landbouwbegroting dat voor dit doel is geoormerkt - of aan de andere kant, parallel aan stappen die worden genomen om een volledig apart fonds te creëren. Ik vraag de vertegenwoordigers van de Commissie voorts rekening te houden met de toetreding van Roemenië, Bulgarije en ook Kroatië, wat in het ontwerp in zijn huidige vorm niet is gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Scheele (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, ook ik zou me willen aansluiten bij de felicitaties aan het adres van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. Ik denk dat dit een bijzonder belangrijke discussie is, waaruit blijkt dat wij als Parlement druk uit moeten oefenen, opdat er een apart instrument komt voor de financiering van Natura 2000.

Een van de collega’s heeft gezegd dat sommigen Natura 2000 beschouwen als een vorm van burgertje pesten. Dat ziet niet iedereen zo. Velen beschouwen het als een nuttig instrument in de strijd voor biodiversiteit. Het is volgens mij onze taak om die krachten te steunen. Daarom pleit ik net als veel van onze collega’s voor het creëren van een apart financieringsinstrument.

Het lijkt me ook niet helemaal juist te zeggen dat het niet gaat om de bedragen die ter beschikking worden gesteld. Wij weten van veel NGO’s die op dit gebied actief zijn dat de door de Europese Commissie geraamde kosten van 6,1 miljard euro per jaar, een minimum zijn. Dus moeten wij ervoor zorgen dat we niet alleen een apart instrument krijgen, maar ook genoeg geld daarvoor.

Ik zie wel wat in de geïntegreerde aanpak, maar ik ben het ook eens met collega Haug. Zij zegt dat het hier net zo gaat als bij het vrouwenbeleid. Iedereen die van vrouwenbeleid jarenlang niets wilde weten, zei: we hebben toch de gender mainstreaming? Die mensen wilden liever wachten tot er, als door een wonder, een progressief vrouwenbeleid en gelijke rechten komen. Wanneer we een geïntegreerde aanpak willen, moeten we een dubbele strategie volgen: integratie in de bestaande fondsen, maar in de toekomst ook een eigen financieringsinstrument.

 
  
MPphoto
 
 

  Klaß (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, in mijn land, Duitsland, hebben we een ongeschreven wet, die echter ieder kent: wie bestelt betaalt. We weten allemaal dat er in de Europese Unie zonder geld niet veel gebeurt. De Unie heeft iets besteld, ze wil dat Natura 2000 een echt Europees netwerk wordt. Europa heeft tot nu toe echter niet zo duidelijk gedefinieerd wat en hoe er in de aangeduide gebieden moet worden geregeld en gedaan. Mijnheer de commissaris, u heeft dat zelf net ook gezegd.

De Commissie raamt de kosten op 6,1 miljard euro per jaar. Dat is een fraai bedrag. Het kan echter ook heel weinig zijn voor 25 lidstaten; dat hangt ervan af wat uiteindelijk de inhoud van het programma zal zijn. We moeten op dit moment op nationaal en regionaal niveau beheersplannen voorleggen voor de FFH-gebieden. Iedereen kan zich gemakkelijk voorstellen dat de omstandigheden per gebied sterk variëren, vooral ook omdat milieubescherming een ingewikkelde sector is. Daarom moeten er ook verschillende acties mogelijk zijn. We moeten nog bepaalde vragen beantwoorden. Zullen we meer geld nodig hebben? Moeten we het toegestaan gebruik veranderen, waardoor de boeren inkomen en vermogen kwijtraken?

De Commissie stelt voor om de kosten die voortvloeien uit de nieuwe regeling, te dekken uit de bestaande Europese fondsen. Ik maak me daarover zorgen. Dan begint de strijd om het geld, zoals de heer Florenz al zei. We moeten zorgen voor een apart financieringsinstrument, opdat we voor het hele gebied compensatie kunnen betalen voor de beperkingen die gelden wanneer grond is aangeduid als een Natura-2000-gebied.

Dat is, mevrouw Haug, wat de boeren willen. Het is onaanvaardbaar dat meer geld voor de FFH-compensatie ten koste gaat van de landbouw, de milieubescherming of de plattelandsontwikkeling. Wanneer de Europese Unie nieuwe taken krijgt en dure verplichtingen oplegt, moet daarvoor ook in de Europese Unie het nodige geld worden gevonden. Op die manier kunnen we de doelstellingen van Natura 2000 daadwerkelijk bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Ayuso González (PPE-DE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, deze mondelinge vraag van de heer Florenz is pertinent, en wel omdat het Natura 2000-netwerk het belangrijkste initiatief is dat de Europese Unie heeft genomen voor de bescherming van natuurgebieden. Zo hebben de lidstaten dit initiatief trouwens ook opgevat.

Mijn land, dat 16 procent van het grondgebied van de Europese Unie omvat, neemt 40 procent van het Natura 2000-netwerk voor zijn rekening: 25 procent van het Spaanse grondgebied valt hieronder.

De kosten van Natura 2000 zijn echter nog steeds niet precies berekend. Het door de Commissie berekende bedrag van 6.100 miljoen euro zou wel eens verre van realistisch kunnen blijken zijn. Hierin wordt namelijk onvoldoende rekening gehouden met de kosten van eventuele vergoedingen die betaald moeten worden aan de eigenaren en de landbouwers, die feitelijk beroofd worden van hun rechten op de landbouwgronden en het gebruik daarvan.

Verder behoren zij krachtens artikel 17 van het in de Europese Grondwet opgenomen Handvest van de Grondrechten niet alleen vergoeding te krijgen voor het beheer van de natuurlijke hulbronnen maar moeten zij ook compensatie ontvangen voor hun inkomstenderving.

Het Natura 2000-netwerk is een communautair initiatief, en daarom dient de Europese Unie de kosten voor rekening te nemen, niet alleen de kosten die voortvloeien uit het beheer van de gebieden maar ook de kosten die verband houden met de inkomstenderving van de landbouwers.

Het voorstel van commissaris Wallström om deze kosten deels via het beleid voor plattelandsontwikkeling te financieren, betekent ofwel dat de Commissie het Natura 2000-netwerk niet serieus neemt of dat zij zich bitter weinig gelegen laat liggen aan de plattelandsontwikkeling, of een combinatie van die beide mogelijkheden.

De lidstaten moeten een keuze maken tussen een van die twee doelstellingen. Als men de ene doelstelling kiest, gaat dat onherroepelijk ten koste van de andere. Als het voorstel het haalt dat nu op tafel ligt - voor het nieuwe Europese Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, met een begrotingsbijdrage van 11.000 miljoen euro per jaar - dan zou dat betekenen dat 20 procent van dat bedrag moet worden gebruikt om een substantiële bijdrage te leveren aan de kosten van Natura 2000.

Trouwens, bij de hervorming van het GLB van september 2003 is de lijst met acties die moeten worden betaald uit de pot voor plattelandsontwikkeling al uitgebreid met kwaliteitsverbetering, voedselveiligheid en dierenwelzijn.

Het Natura 2000-netwerk is dan ook van groot belang, en het moet op een financieringsinstrument kunnen rekenen, ofwel in de vorm van een eigen instrument of via een verhoging van de begrotingsbijdragen voor plattelandsontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Korhola (PPE-DE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, de door collega Florenz ter sprake gebrachte kwestie is gegrond. Er gaapt een politieke kloof tussen de voor de Gemeenschap vastgestelde prioriteiten en het gebrek aan duidelijkheid over de financiering. Het is zeer waardevol dat u, commissaris Dimas, aan het begin van dit debat uw bereidheid heeft uitgesproken om de financiering van Natura te waarborgen. Daarnaast zijn er echter ook doeltreffende instrumenten nodig om deze bereidheid te realiseren. Er is een speciaal fonds nodig.

Een belangrijke uitdaging voor de Europese Unie is het waarborgen van de biodiversiteit in onze gemeenschappelijke ruimte. Biodiversiteit is een absolute waarde die hier niet apart met redenen omkleed hoeft te worden. Daartoe heeft elke lidstaat zich verbonden met het opstellen van een lijst van de eigen beschermde gebieden overeenkomstig de Habitatrichtlijn. Wat het natuurbeschermingsbeleid betreft is het Natura 2000-netwerk uniek, want het beschermt zo'n 200 verschillende habitats en het leefmilieu van zo'n 700 soorten. Binnenkort zal het meer dan 17 procent van het oppervlak van de Europese Unie bestrijken.

Het Natura 2000-netwerk vereist een aanzienlijke inzet van de lidstaten. In de beschermde gebieden mogen de natuurlijke hulpbronnen, op basis waarvan een gebied tot het Natura-netwerk hoort, niet aanzienlijk teruglopen. De autoriteiten moeten eveneens zorgen voor milieueffectrapportage bij alle projecten en plannen die invloed kunnen hebben op de natuurlijke hulpbronnen in de gebieden.

Aangezien het Natura 2000-netwerk grote invloed uitoefent op alle huidige en geplande activiteiten met betrekking tot de beschermde gebieden en daarvoor veel middelen en investeringen in alle EU-lidstaten vereist zijn, moet worden gewaarborgd dat er voor het onderhouden van het Natura 2000-netwerk een aanzienlijke, toereikende hoeveelheid communautaire middelen via een apart financieel instrument wordt toegewezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Guellec (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, in de mededeling van de Commissie over de financiering van Natura 2000 worden de verschillende mogelijkheden genoemd om de behoeften te lenigen die in de periode 2007-2013 naar voren zullen komen. Uit de mededeling valt, zoals de commissaris in herinnering bracht, op te maken dat de instelling van een nieuw financieel instrument niet de aangewezen methode is. Ik sta volledig achter dit standpunt, ook al is dit vanmiddag in deze vergaderzaal niet vaak uitgesproken.

De door de lidstaten voorgestelde Natura 2000-gebieden komen namelijk, in veruit de meeste gevallen, allereerst in aanmerking voor de cohesie- of structuurfondsen, en kunnen tevens met voorrang profiteren van de LIFE-kredieten om de kosten voor het beheer en de follow-up van de programma’s zeker te stellen. Waarom zou je dan ten koste van alles de financiering van de Natura 2000-programma’s willen loskoppelen van die van het regionale of plattelandsbeleid? De acties die in beide gevallen worden ondernomen, zijn nauw met elkaar verbonden, of het nu gaat om doelstellingen op het gebied van lokale ontwikkeling en milieubescherming of om het behoud van de biodiversiteit. Het risico zou groot zijn dat Natura 2000 werd afgezonderd van alles wat er verder op de betreffende gebieden wordt ondernomen. Er zouden dan nog meer obstakels zijn dan wij reeds tegengekomen zijn tijdens de lange, zelfs zeer lange periode van vaststelling van de Natura 2000-gebieden, en dan zou deze aanpak, die bedoeld is om een voorbeeld te stellen, in een des te groter isolement geraken.

Te vrezen valt eveneens dat de uitvoering en het beheer van de programma’s uiterst ingewikkeld zouden worden. Hierdoor zouden de exploitatiekosten overdreven toenemen en zou Natura 2000 als een technocratisch gevaarte worden beschouwd, hetgeen tot een afwijzende houding onder de betrokken bevolking zou leiden.

Tot slot dient te worden onderstreept dat de geschatte kosten van de programma’s, afhankelijk van de landen en gebieden die onder Natura 2000 vallen, sterk uiteenlopen. Door verstandig gebruik te maken van de structuurfondsen, en deze middelen eventueel aan te vullen uit LIFE, zouden we hierop naar mijn mening veel beter kunnen inspelen dan met een specifiek financieel instrument.

 
  
MPphoto
 
 

  Kušķis (PPE-DE). - (LV) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, veel habitats die elders in Europa zijn verdwenen, zijn in de nieuwe lidstaten behouden gebleven. Dit is de reden waarom op nationaal beleidsniveau prioriteit is gegeven aan het opzetten van het Natura 2000-netwerk.

Nu de inventarisatie van de te beschermen gebieden en hun belang voor het behoud van de biologische diversiteit volledig duidelijk zijn, ontbreken mogelijk de middelen om deze gebieden in stand te houden. De Commissie heeft aangekondigd dat zij de financiering van Natura 2000 uit de fondsen voor plattelandsontwikkeling en de structuurfondsen steunt. De Commissie heeft evenwel geen plannen om een specifiek financieel instrument voor het netwerk te creëren. Ik ben van mening dat het natuurbeschermingsnetwerk van de Europese Unie weinig kans maakt op het verkrijgen van de bijbehorende middelen, vooral in de nieuwe lidstaten, waar op lokaal projectniveau intens wordt gewedijverd om de middelen uit de structuurfondsen en de fondsen voor plattelandsontwikkeling. Deze situatie zou niet mogen worden geduld.

We moeten op de eerste plaats een nieuw, uniform instrument voor milieufinanciering creëren. We zouden op de tweede plaats voorstellen moeten verwelkomen om de in de ontwerpverordening gesteunde activiteiten aan te vullen en middelen uit te trekken voor het beheer van de habitats die geen steun krijgen uit de structuurfondsen of de fondsen voor plattelandsontwikkeling, voor proefprojecten op het gebied van de milieutechnologieën en voor de planning van voorbereidende maatregelen met het oog op de toekomstige toewijzing van middelen uit de structuurfondsen. Alleen zo zullen de toegankelijke financieringsbronnen elkaar kunnen aanvullen en kunnen helpen bij het instandhouden van Natura 2000, en alleen zo zullen we kunnen bereiken wat we voor ogen hadden toen het programma Natura 2000 werd opgezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Ebner (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, iedereen is natuurlijk voor natuur en milieu. Natura 2000 is ook een goed idee en een goed initiatief, maar als puntje bij paaltje komt, als we inhoud moeten geven aan een dergelijk initiatief, als we voor het nodige geld moeten zorgen, dan koelt het enthousiasme vaak al behoorlijk af. Slechts weinigen zijn bereid om de nodige offers te brengen.

Bij de omzetting van Natura 2000 zijn er door allerlei misverstanden heel wat problemen ontstaan die misschien best hadden kunnen worden vermeden. Ik noem het voorbeeld van Nederland, waar men van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om met Natura 2000 als voorwendsel in allerlei delen van het land de jacht af te schaffen. Daardoor is volgens mij heel wat verzet ontstaan. Commissaris Wallström heeft tijdens de vorige zittingsperiode in alle duidelijkheid gezegd dat Natura 2000 en de jacht wel degelijk met elkaar verenigbaar zijn.

We moeten meer informatie verstrekken en de onduidelijke punten bij de toepassing ophelderen. Ik ben er heilig van overtuigd, mijnheer de commissaris, dat uw ambtenaren in het verleden uitstekend werk hebben geleverd. U kunt echter nog zo hard uw best doen, wanneer aan de nodige voorwaarden niet is voldaan lukt het nooit. Natura 2000 mag niet ten koste van de eigenaars of van de boeren gaan. We mogen niet onteigenen; we moeten compenseren.

Natura 2000 mag niet ten koste gaan van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of de plattelandsontwikkeling. 15 procent van het grondgebied van de Europese Unie is aangeduid als Natura-2000-areaal. De overige 85 procent valt onder de subsidies voor de plattelandsontwikkeling of het landbouwbeleid. We moeten de steden en de bebouwde grond daar natuurlijk van aftrekken, maar het is toch een heel groot deel van het grondgebied van de Unie, en daar mogen we geen subsidies aan onttrekken. Daarom moeten we volgens mij zorgen voor een aparte en royale financiering.

 
  
MPphoto
 
 

  Schierhuber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte dames en heren, Natura 2000 is een zeer ambitieus programma dat al heel lang bestaat. Het legt de grondeigenaren bepaalde beperkingen op. De Commissie gaat echter nu pas over financiering op Europees niveau nadenken.

De Commissie stelt cofinanciering voor, waarmee ik het eens ben. Ze stelt echter een financiering voor uit het fonds voor plattelandsontwikkeling en uit de structuurfondsen. Er zijn echter veel redenen om aan te nemen dat de middelen vooral van plattelandsontwikkeling moeten komen, omdat we voor Natura 2000 niet over een eigen fonds beschikken. Als rapporteur voor plattelandsontwikkeling wil ik duidelijke garanties dat er voor de financiering van Natura 2000 óf een nieuw fonds wordt gecreëerd, óf dat daartoe aan plattelandsontwikkeling extra middelen worden toegewezen.

Ook over het volgende wil ik duidelijk zijn: na de besluiten van Brussel, waarin de landbouwbegroting tot 2013 is bevroren, na de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waardoor de middelen voor modulatie van de ene pijler naar de andere pijler gaan - dus naar de cofinanciering voor plattelandsontwikkeling - kunnen we niet anders dan met name de grondeigenaren, de boeren, voor de extra kosten compensatie te geven.

Ook staat vast dat minstens het budget beschikbaar moet zijn dat de oude Commissie Prodi heeft voorgesteld. Men kan met 25 lidstaten niet meer Europa voor minder geld hebben. Inbreuken op het eigendomsrecht zonder passende compensatie wijs ik op voorhand af.

 
  
MPphoto
 
 

  Kelam, Tunne (PPE-DE). - (ET) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, het debat van vandaag concentreert zich op de vraag: ‘Hoe wil de Europese Commissie, bij de toepassing van haar geïntegreerde aanpak, verzekeren dat de doelen van Natura 2000 in de praktijk worden verwezenlijkt?’ Tot nu toe is nog geen bevredigend antwoord op deze vraag gegeven, want noch het Europees fonds voor plattelandsontwikkeling, noch de structuurfondsen maken het mogelijk alle doelen van Natura 2000 te verwezenlijken of alle cofinancieringsbehoeften te dekken.

Ik vind het daarom belangrijk dat de mogelijkheid wordt geboden om het programma Life+ te gebruiken voor het opvullen van het tekort. Ik vind dat het huidige voorstel moet worden geamendeerd, opdat de EU ook de mogelijkheid krijgt een financieringsbijdrage te leveren aan de bescherming en het herstel van habitats van Europees belang die buiten landbouwgebieden of bosgebieden liggen.

Natura 2000 moet daarom als apart gefinancierde activiteit aan de Life+-verordening worden toegevoegd. Het zou in het geval van Life+ ook doelmatig zijn het grootste deel van de middelen voor projecten via de lidstaten toe te wijzen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de werkelijke bijdrage van elke lidstaat aan het Europees Natura 2000-netwerk, evenals met het oppervlak van de gebieden die zijn aangewezen als vogel- en natuurbeschermingsgebieden.

Een probleem is dat noch in de structuurfondsen, noch in het fonds voor plattelandsontwikkeling rekening wordt gehouden met deze bijdrage van de lidstaten aan het Natura 2000-netwerk, maar in beide de voorkeur wordt gegeven aan projecten in dichter bevolkte gebieden. Ik kom uit Estland en ik kan u vertellen dat een uniek goed van Estland het bestaan is van relatief uitgestrekte natuurgebieden. De projecten van Estland bestrijken zestien procent van het landoppervlak van het land. Het behoud van deze gebieden is op dit moment eenvoudiger en goedkoper dan het herstel van voormalige natuurgebieden in Midden-Europa. Het is daarom niet logisch dat een fonds voor de ondersteuning van natuurbeschermingsactiviteiten wel de bevolkingsdichtheid als criterium voor financiering hanteert, maar niet de huidige staat van de natuurlijke rijkdommen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jackson (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben in het beginsel voorstander van het idee om milieuzorg te integreren in de structuurfondsen, de landbouwfondsen en de andere beleidsinstrumenten. Iedereen die het milieu een warm hart toedraagt, weet echter dat we ons voor een juiste integratie niet per definitie kunnen verlaten op de lidstaten. Daarover hebben we vanmiddag al het nodige vernomen.

Ik breng de commissaris graag onder de aandacht dat sommige lidstaten erg traag zijn geweest met het aanwijzen van Natura 2000-gebieden. Vier landen - Nederland, Frankrijk, Italië en Finland - zijn veroordeeld omdat zij niet genoeg speciale beschermingsgebieden voor vogels hebben aangewezen. Slechts één land in de EU - Nederland - is klaar met de aanwijzing van habitatgebieden.

Aangezien die gebieden op de Natura 2000-lijst staan, dringt de vraag zich op hoe we de financiering met een gerust hart kunnen overlaten aan de lidstaten wanneer we er niet eens van op aan kunnen dat zij de gebieden aanwijzen. Te veronderstellen dat de lidstaten voldoende middelen ter beschikking zullen stellen voor Natura 2000 is een overwinning van hoop op ervaring. Dat gebeurt alleen als de EU-begroting voorziet in specifieke cofinanciering om hen te stimuleren. Ik verzoek de heer Dimas om ons bij het beantwoorden van onze vragen te vertellen hoe het op dit moment precies gesteld is met Natura 2000. Zijn er nog altijd lidstaten die niet in overleg zijn met de Commissie over de aanwijzing van gebieden, of is het netwerk inmiddels af?

Een tweede punt is dat de landen die alle Natura 2000-gebieden met EU-middelen willen financieren, ervoor moeten waken dat zij overdrijven. We moeten de zekerheid hebben dat milieuzorg via de structurele fondsen wordt opgenomen in Natura 2000. We moeten ook zorgen voor financiering via het jaarlijkse biedingsproces voor de speciale behoeften van bepaalde Natura 2000-gebieden, mogelijk door het opzetten van een biodiversiteitsprogramma binnen LIFE+.

De Commissie is nooit gecharmeerd geweest van LIFE. Dat programma komt erop neer dat heel weinig ambtenaren heel erg hard hun best doen om na te gaan wat er gebeurt met heel kleine geldbedragen. Het zou de Commissie administratief gezien ongetwijfeld goed uitkomen als het hele LIFE-programma werd opgedoekt. Maar dat zou een vergissing zijn, commissaris. Wellicht zegt u dat wat u nu probeert te doen effectief is, maar volgens mijn collega’s en mijzelf is dat een vergissing.

 
  
  

VOORZITTER: MEVROUW ROTH-BEHRENDT
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Herranz García (PPE-DE). - (ES) Commissaris, het voorstel van de Commissie om het Natura 2000-netwerk op te nemen in de verordening betreffende plattelandsontwikkeling betekent dat dit ambitieuze initiatief voor de bescherming van de natuur niet serieus wordt genomen.

Na het huidige debat over de financiële vooruitzichten weten we allemaal dat de middelen misschien zelfs niet toereikend zullen zijn voor de lijnen die tot nog toe gefinancierd werden uit de fondsen voor het plattelandsbeleid, laat staan dat ze toereikend zijn voor de nieuwe acties die na de hervorming van september 2003 zijn gepland voor de verbetering van de veiligheid, de voedselkwaliteit en het dierenwelzijn.

Het is dan ook een illusie te menen dat er in die context geld zou zijn om de gigantische kosten van Natura 2000 te dekken. De vraagtekens bij de financiering van dit netwerk worden steeds groter, maar eigenlijk zijn ze er van meet af aan geweest. Het bewijs is dat de aanwijzing van de gebieden van het Natura 2000-netwerk minstens twaalf jaar vertraging heeft opgelopen, sinds de Habitatrichtlijn is aangenomen.

Bij het overleg dat de Europese Commissie destijds met het maatschappelijk middenveld heeft gevoerd, hebben alle partijen - van landbouwers tot milieuorganisaties - zich uitgesproken voor de financiering van dit initiatief via een speciaal fonds, omdat de Europese Unie alleen op die manier tot financiering kon worden verplicht. De Commissie heeft zich echter doof gehouden voor wat al de bij het initiatief betrokken partijen te zeggen hadden. De kosten van Natura 2000 grotendeels uit de fondsen voor plattelandsontwikkeling willen financieren is niet alleen een illusie, maar door het onderbrengen van die financiering bij de overige milieuregelingen komen ook de inspanningen die de Europese landbouwers hebben geleverd voor het naleven van de milieuvereisten, waaraan zij krachtens de onlangs in werking getreden hervorming van het GLB moeten voldoen, in een vreemd daglicht te staan.

De Europese Commissie zegt dat het behoud van de natuur haar prioriteit is, maar als het uur van de waarheid slaat, ziet zij op de penning en wil ze de landbouwers en grondeigenaren opzadelen met de kosten die voor haar rekening zouden moeten komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimas, lid van de Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik dank u van harte voor dit opbouwende debat. De Commissie beseft heel goed hoe belangrijk het is dat voor Natura 2000 voldoende communautaire cofinanciering wordt verzekerd. Voor vijf van de zes regio’s zijn de lijsten nu goedgekeurd, en de lijsten zijn vrijwel compleet. Alle nieuwe lidstaten hebben hun lijst ingediend.

De voorgestelde integratie is een benadering die in overeenstemming is met artikel 8 van de Habitatrichtlijn, waarin wordt uitgegaan van cofinanciering via bestaande fondsen. Daarin wordt tevens voortgeborduurd op bestaande praktijken, in de zin dat de fondsen voor plattelandsontwikkeling en structuurfondsen nu al de belangrijkste bronnen van communautaire financiering voor het netwerk zijn. Naar schatting wordt elk jaar 500 miljoen euro uit fondsen voor plattelandsontwikkeling uitgetrokken voor de ondersteuning van landbouw- en milieumaatregelen in Natura 2000-gebieden.

De Commissie heeft kennis genomen van de bezorgdheden over de aanzienlijke beperkingen van de fondsen voor plattelandsontwikkeling en structurele fondsen. In antwoord daarop wordt in de meest recente voorstellen erkend dat de financieringsmogelijkheden voor Natura 2000 moeten worden uitgebreid. In de regelgeving voor zowel de fondsen voor plattelandsontwikkeling als de structuurfondsen is de financiering van Natura 2000 explicieter opgenomen en het toepassingsgebied uitgebreid. Met name van belang is de uitbreiding van de financiering tot bosbouwgebieden in de nieuwe regelgeving voor plattelandsontwikkeling. Het belang daarvan kan niet worden onderschat want bosbouwgebieden vertegenwoordigen dertig procent van het Natura 2000-netwerk.

De Commissie zal toezien op een doelmatiger integratie van Natura 2000 in de bestaande fondsen en hiervan een prioriteit te maken in de strategische richtsnoeren die de lidstaten zullen worden toegestuurd zodra zij beginnen met de voorbereidingen van hun structuurfondsprogramma’s. In het overleg met de lidstaten over de inhoud van deze programma’s zal de Commissie proberen de voor Natura 2000 gereserveerde bedragen in overeenstemming te brengen met de prioritaire status die op communautair is verleend aan het programma. De Commissie zal ook haar goedkeuring moeten hechten aan de nationale en operationele programma’s die haar worden voorgelegd.

Wat betreft het voorstel voor LIFE+ wil ik benadrukken dat dit is bedoeld om Natura 2000 te blijven ondersteunen. De lidstaten hebben de flexibiliteit om hun eigen prioriteiten te stellen en over de bedragen voor Natura 2000 te beslissen. Het kan dus gebeuren dat voor Natura 2000 een veel groter deel van de LIFE-middelen beschikbaar komt dan nu het geval is. De vermelding van een exact bedrag voor Natura 2000 in LIFE+ zou de indruk kunnen wekken dat het een specifiek fonds betreft waarmee alle behoeften van het netwerk kunnen worden afgedekt.

Ons voorstel is in overeenstemming met het algemene beginsel van integratie en vereenvoudiging van alle andere Commissievoorstellen in het kader van de financiële vooruitzichten. Er vindt nu voortdurend overleg plaats in de Raad en in het Parlement over de ontwerpverordening van de Commissie betreffende LIFE+. Als het Europees Parlement tijdens het wetgevingsproces een amenderingsvoorstel doet, ben ik natuurlijk bereid daar serieus naar te kijken.

Concluderend kan ik zeggen dat de Commissievoorstellen weliswaar geen uitdrukkelijke garanties bieden maar de financiële behoeften van het Natura 2000-netwerk wel degelijk kunnen dekken. Ik vraag u daarom vooral uw steun te verlenen aan de diverse Commissievoorstellen die het Parlement op dit moment voorliggen. Ik verheug mij over uw belangstelling voor Natura 2000 en zie ernaar uit om samen met u te werken aan een doelmatige uitvoering van het programma. Dit is een centrale pijler van het communautaire beleid inzake biodiversiteit. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Jackson (PPE-DE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit is een debat, althans, dat zou het moeten zijn. Als we elkaar alleen maar toespraken voorlezen, dan kunnen we evengoed per post van gedachten wisselen. Ik had de commissaris, de heer Dimas, één vraag gesteld: is het Natura-netwerk inmiddels compleet of moet de Commissie nog steeds lidstaten voor het Hof dagen omdat zij nalaten de gebieden aan te wijzen? Het heeft geen zin dat we praten over de financiering voor gebieden als de Commissie niet weet welke gebieden dat zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimas, lid van de Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik zal herhalen wat ik zojuist heb gezegd: voor vijf van de zes regio’s zijn de lijsten nu goedgekeurd, en de lijsten zijn vrijwel compleet. Alle nieuwe lidstaten hebben hun lijsten ingediend.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

 

13. Actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (voortzetting)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0008/2005) van mevrouw Ries, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, over het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (2004/2132(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Breyer (Verts/ALE), namens de Verts/ALE-Fractie. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, de Commissie zou met haar actieplan eigenlijk voorstellen voor wetgeving moeten doen. Dat is immers een must voor een actieplan. Ik hoop, mijnheer Dimas, dat we het erover eens zijn dat de bescherming van kinderen eigenlijk de kern van dit actieplan zou moeten zijn. Het SCALE-initiatief kwam van de Commissie, maar wat hebt u ervan gemaakt? We moeten de letters SCALE misschien nu wel als volgt lezen: Stopping Care about Legislating for the Environment. Dat is mijn grote kritiek op uw voorstel, mijnheer Dimas. U hebt het weliswaar van de vorige Commissie overgenomen, maar een actieplan kan toch niet betekenen dat we alleen maar research, research en nog eens research doen. Er wordt geen enkele maatregel voorgesteld die werkelijk leidt tot een geringere milieu- en gezondheidsbelasting, met name bij kinderen.

Ook het ontbreken van wetenschappelijke duidelijkheid mag geen argument zijn om de maatregelen maar tot sint-juttemis uit te stellen. Daarmee zou het voorzorgsbeginsel in zijn tegendeel omslaan. Wat wij verwachten, commissaris, is dat u actie onderneemt. Ik ben erg blij dat het Europees Parlement vandaag een duidelijk signaal heeft afgegeven: we kunnen uw “non-actieplan” niet accepteren, want uw plan of action is in werkelijkheid niets anders dan een plan of non-action. We zijn het er toch over eens dat de bescherming van kinderen in de Europese Unie een absolute topprioriteit moet zijn. Het is voor mij dan ook onbegrijpelijk hoe u het Parlement een dergelijk “non-actieplan” durft voor te leggen en dat ook nog als actieplan durft te presenteren.

Ik vind dat niet alleen een belediging voor de intelligentie van het Parlement, maar het spot ook met onze verwachtingen en met hetgeen ook door de Commissie was voorgesteld.

Laat ik nog iets zeggen aan het adres van de heer Schnellhardt en de EVP-Fractie. Ik vind het niet goed dat men onder druk van de lobby van de tabaksindustrie nu zegt dat passief roken niets met kankerverwekking te maken heeft. Dat is een miskenning van de realiteit.

 
  
MPphoto
 
 

  de Brún (GUE/NGL), namens de GUE-NGL-Fractie. - (EN)

(Spreker spreekt Iers)

Ik feliciteer mevrouw Ries met haar verslag. Het besef dat er een verband bestaat tussen de gezondheid van de mens en zijn fysieke en sociale omgeving moet een structurele plaats krijgen binnen het gangbare beleid en overleg.

Mevrouw Ries heeft terecht kritiek op de aanzienlijke kloof tussen de oorspronkelijke Commissiestrategie voor gezondheid en milieu en het voorliggende actieplan. Die kloof blijkt uit het kleine aantal voorstellen voor concrete maatregelen.

We moeten ook kijken naar de succesverhalen in Ierland en andere landen over het rookverbod op de werkplek. Het sigarettenverbruik in Ierland is met achttien procent afgenomen en velen die tegen een volledig verbod op tabaksrook op de werkplek waren, vinden het nu normaal.

We moeten niet blijven steken in het idee dat gezondheid louter een kwestie van levensstijl is, en op dat punt schiet het actieplan tekort. Willen we de kansarmen in onze samenleving de mogelijkheid geven zich te ontworstelen aan de situatie van armoede en gebrekkige gezondheid waarin zij verkeren, dan zullen de lidstaten en de Commissie specifieke, gezamenlijke actie moeten ondernemen. Voor dergelijke actie moet voldoende financiële steun beschikbaar zijn.

Er moet meer worden samengewerkt met gezondheidswerkers en NGO’s om de gemeenschappen in staat te stellen actief bij te dragen tot een beter milieu. Er is meer actie nodig om kinderen, ouderen en andere kwetsbare groepen in de samenleving te beschermen tegen milieugevaren en schadelijke producten. Er is meer actie nodig om gevaarlijke chemicaliën uit de handel te nemen, en er is actie nodig om te komen tot een adequate etikettering van de gezondheids- en milieukenmerken van producten en materialen. Verder is het van essentieel belang dat we het voorzorgsbeginsel toepassen als bij uitblijvend optreden ernstige gezondheidsrisico’s zouden rijzen.

Ik ben het van ganser harte eens met mevrouw Ries wanneer zij stelt dat de samenhang en de doeltreffendheid van het actieplan moeten worden gegarandeerd en daarom nu al moet worden voorzien in een adequate financiering voor de periode 2004-2007. Ik bedank haar voor haar werk en beveel haar verslag aan bij het Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik wil mevrouw de Brún en de andere afgevaardigden erop wijzen dat alleen die toespraken vertolkt kunnen worden die gehouden worden in een officiële taal van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Krupa (IND/DEM), namens de IND/DEM-Fractie. - (PL) Wij zijn van mening dat het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 talloze tekortkomingen vertoont en geen recht doet aan de problematiek. Sinds jaar en dag worden de waarschuwingen van talloze deskundigen in de wind geslagen, niet alleen uit onwetendheid en achteloosheid, maar ook door rijke en invloedrijke belangengroepen die profiteren van andermans ongeluk. Risicoanalyses hebben reeds aangetoond dat er een wezenlijk risico bestaat, dus onderzoeken van het type National Children's Study zijn in veel landen niet nodig, want dat zou uitsluitend neerkomen op een herhaling van de risicoanalyse. In plaats daarvan zijn er corrigerende maatregelen nodig om de bronnen van schadelijke emissies te minimaliseren en zomogelijk te elimineren. Met dergelijke maatregelen zouden wij de gezondheid van de mensen en zelfs hun leven kunnen redden. Daarnaast is een doelmatig systeem van toezicht vereist, met regionale analyse-instanties en lokale preventieprogramma’s. Het plan zou sterker op milieubescherming geënt moeten zijn, ook op lokaal niveau. Daarnaast moet er een Europees Agentschap voor toxische substanties en registratie van ziekten komen. Dat agentschap moet, naar Amerikaans voorbeeld, de burgers van de lidstaten van de Europese Unie dienen door gebruik te maken van de wetenschappelijke vooruitgang, door betrouwbare informatie te verstrekken en door te reageren op gevaren voor de volksgezondheid. Het Europees Agentschap voor toxische substanties en registratie van ziekten zou een aanvulling moeten vormen op het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding en moeten samenwerken met het Europees Milieuagentschap. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Aylward (UEN), namens de UEN-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, we leven in een gemeenschap met een interne markt van 25 lidstaten en een bevolking van ruim 475 miljoen mensen. Binnen onze gemeenschap kunnen personen vrijelijk van de ene lidstaat naar de andere reizen. Gelet op dit vrije verkeer, is er politiek veel voor te zeggen dat de Europese Unie een belangrijke coördinerende rol speelt in de bevordering van de gezondheidssituatie binnen de Unie.

De positie waarin de EU zich bevindt is bij uitstek geschikt om precies na te gaan welke lidstaten de beste methoden volgen in de aanpak van ziekten als acute luchtwegeninfecties, die de belangrijkste oorzaak zijn van sterfte onder kinderen onder de vijf jaar. De EU dient de goede praktijken die binnen de Unie voorhanden zijn, te bestuderen en te komen tot een adequate aanpak van stoornissen als astma, allergieën bij kinderen en neurologische ontwikkelingsstoornissen.

Zo nam de Europese Unie onlangs nog het initiatief tot een verbod op het gebruik van bepaalde chemicaliën bij de fabricage van plastic tegels.

Overigens heeft de Europese Commissie inmiddels kenbaar gemaakt dat zij de terugdringing van het gebruik van tabaksproducten tot een belangrijke beleidsdoelstelling heeft gemaakt. Grote vooruitgang is al geboekt in Ierland. De methoden die dit land heeft gevolgd, zouden als model kunnen dienen voor andere lidstaten.

Kortom, als we de volksgezondheid in Europa willen verbeteren, zullen we ervoor moeten zorgen dat er voldoende geld beschikbaar komt om de problemen op te lossen. Ik ben het dan ook volledig eens met de aanbeveling in dit verslag dat binnen het zevende kaderprogramma voor onderzoek (2007-2012) ten minste 300 miljoen euro moet worden gereserveerd om de gezondheid binnen de Europese Unie op een hoger peil te brengen.

Tenslotte nog dit: het Europees Parlement heeft uitgebreide medebeslissingsbevoegdheden voor milieu- en volksgezondheidsaangelegenheden. Ik kan de Commissie en de Raad verzekeren dat wij in de toekomst strikt gebruik zullen maken van die bevoegdheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Seeber (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, onze levenswijze heeft een steeds grotere invloed op het milieu. Het zou maar al te gemakkelijk zijn om nu in zwart-wit een beeld met horrorscenario’s te schetsen. We mogen toch vaststellen dat we er ook in geslaagd zijn op verschillende terreinen flinke vooruitgang te boeken bij de milieukwaliteit. Denkt u maar aan de programma’s Auto-olie I en II, waardoor de brandstofkwaliteit is verbeterd en het probleem van de zure regen werd bestreden. Denkt u ook aan het feit dat we door middel van Europese wetgeving een zekere lucht- en waterkwaliteit hebben bereikt.

Desondanks mogen we niet op onze lauweren rusten, want er zijn ook alarmerende cijfers: een op de zes sterfgevallen en ziekten bij kinderen in Europa is terug te voeren op milieufactoren. Allergische aandoeningen van de luchtwegen zijn in de afgelopen twintig jaar verdubbeld en komen inmiddels bij een op de zeven kinderen voor. Bijna 10 procent van de werknemers wordt aan kankerverwekkende stoffen blootgesteld.

Het actieplan dat nu is gepresenteerd, is daarom meer dan noodzakelijk. We moeten bij het voorzorgsbeginsel nu een doorbraak bewerkstelligen, ook om budgettaire redenen. De gezondheid van onze burgers staat immers voorop. Een slechte volksgezondheid drukt echter ook buitengewoon zwaar op de nationale begrotingen.

Daarom moeten we het actieplan ook in die zin verbeteren, en wel op de volgende gebieden: de Commissie heeft terecht besloten om de bestrijding van vier aan het milieu gerelateerde aandoeningen centraal te stellen. Die aanpak is echter ontoereikend, omdat geen rekening is gehouden met een groot aantal onlangs verschenen wetenschappelijke studies en omdat er - in tegenspraak met het SCALE-initiatief - geen bepalingen over de toepassing van wettelijke instrumenten zijn opgenomen.

Bovendien ontbreken maatregelen die tot doel hebben het publiek over het oorzakelijke verband tussen milieuvervuiling en gezondheid voor te lichten. Er is niet voorzien in een permanente evaluatie, waarmee zou kunnen worden geverifieerd of de maatregelen leiden tot een kosteneffectieve vermindering van aan het milieu gerelateerde gezondheidsproblemen. Onderzoek naar de productie en het gebruik van alledaagse consumptiegoederen die allergie- of kankerverwekkende chemicaliën bevatten, moet daarom prioriteit krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Westlund (PSE). - (SV) Mevrouw de Voorzitter, het risico om aan kanker te overlijden is voor vrouwelijke kappers vier keer zo groot als voor vrouwen in het algemeen. Een derde deel van de arbeidsgerelateerde ziekten ontstaat door gebruik van chemicaliën die schadelijk zijn voor de gezondheid. Zoals wij in dit verslag schrijven, is er de laatste decennia sprake van een markante stijging van de schade aan het zenuwstelsel die wordt veroorzaakt door onder andere kwikzilver, bestrijdingsmiddelen en andere chemicaliën.

Het opsporen en geleidelijk afschaffen van gevaarlijke chemicaliën is dus van cruciaal belang voor de verbetering van de menselijke gezondheid. In dit verslag wordt daarop met nadruk gewezen, maar het moet ook de basis vormen voor de komende discussies van dit Parlement over het toekomstige chemicaliënbeleid REACH.

Ziekte en ziekelijkheid treffen de verschillende bevolkingsgroepen in verschillende mate. Kinderen zijn zeer gevoelig voor milieu-invloeden. De lage inkomensgroepen worden vaker door ziekte getroffen dan de hoge inkomensgroepen. Ook de ziekelijkheid van mannen en vrouwen verschilt. Daar heeft de parlementaire commissie rekening mee gehouden, en voor ons sociaal-democraten was het heel belangrijk dat dat gebeurde. We hebben in het verslag laten opnemen dat er meer aandacht moet komen voor bijzonder kwetsbare groepen, maar ook dat het verzamelen van gegevens zodanig moet gebeuren dat men meer informatie kan krijgen over de manier waarop verschillende maatschappelijke groeperingen worden blootgesteld aan diverse vormen van milieuverontreiniging, en hoe ze daardoor worden beïnvloed. Wij willen bijvoorbeeld statistieken die zijn ingedeeld naar geslacht, om de verschillen tussen mannen en vrouwen qua gezondheid en ziekelijkheid te kunnen opsporen en tegen te gaan.

Niet alleen het milieu leidt tot ziekte. Ook de levensstijlgebonden ziekten vormen tegenwoordig een grote bedreiging. Daarom hebben wij sociaal-democraten besloten om nadrukkelijk te wijzen op de noodzaak van meer inspanningen voor de bestrijding van ziektes ten gevolge van vooral alcohol, maar ook van tabak, ongezond eten en gebrek aan beweging.

 
  
MPphoto
 
 

  Matsakis (ALDE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, mijn hartelijke dank gaat uit naar mevrouw Ries voor haar grote inzet voor dit verslag.

Er is een rechtstreeks verband tussen het leefmilieu en de zowel lichamelijke als geestelijke gezondheid van de mens. Ziekteprocessen zijn meestal het gevolg van de interactie tussen het menselijk lichaam en diverse omgevingsfactoren. Dat is een kwestie van gezond verstand. Een actieplan voor milieu en gezondheid dient twee doelen na te streven: ten eerste de snelle opsporing van de belangrijkste risicofactoren voor milieu en gezondheid en ten tweede de opheffing of minimalisering van het effect daarvan op de menselijke gezondheid. Dat is ook een kwestie van gezond verstand.

Het door de Commissie voorgestelde actieplan is helaas meer plan dan actie. Het richt zich overwegend op de verbetering van de voorlichting over en het onderzoek naar milieuvervuiling als oorzaak van ziekten, en op de verbetering van de procedures voor communicatie tussen de lidstaten over milieu en gezondheid. Het uiteindelijke doel van het actieplan is bij te dragen tot een betere gezondheid van de mens. Is dat een kwestie van gezond verstand? Aan de ene kant wel, want voorlichting, onderzoek en samenwerking op het gebied van de wisselwerking tussen leefmilieu en menselijke gezondheid zijn altijd een goede zaak, maar aan de andere kant moeten we snel handelen en nu al beginnen met het redden van levens. Dit soort tijd- en geldverslindende onderzoeksgerelateerde mechanismen zijn daarvoor echter niet echt geschikt.

We weten al wat de belangrijkste milieufactoren zijn die mensen doden. Het zou dus een kwestie van gezond verstand moeten zijn om die eerst aan te pakken en zo snel en efficiënt mogelijk uit de wereld te helpen. Een duidelijk voorbeeld is roken. We weten dat zowel actief als passief roken elk jaar aan honderdduizenden Europeanen het leven kost. We weten ook dat de levensgevaarlijke rookgewoonte alleen doeltreffend kan worden teruggedrongen via een drastische prijsverhoging, een volledig reclameverbod en stillegging van de tabaksproductie.

Doen we dat ook? Niet echt! Een pakje sigaretten is in veel EU-lidstaten nog altijd betrekkelijk goedkoop. Er wordt nog altijd sigarettenreclame gemaakt, vooral de effectievere indirecte reclame, die inwerkt op ons onderbewustzijn, en veel tabak producerende boeren worden nog altijd door ons gesubsidieerd. Dat is beslist geen kwestie van gezond verstand.

Ik zeg al met al ‘ja’ tegen onderzoek en voorlichting als het gaat om de bestrijding van aan het milieu gerelateerde, langdurige ziekten waarover weinig bekend is, maar ik druk de Commissie op het hart ‘ja’ te zeggen tegen onmiddellijke, drastische maatregelen om de ziekten waarover nu al veel bekend is, te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Staes (Verts/ALE). - Voorzitter, mijnheer de commissaris, collega's, heel wat mensen maken zich zorgen over de invloed van het milieu op hun gezondheid en het gaat om heel concrete zaken. Het is ondertussen voldoende aangetoond dat de vruchtbaarheid daalt en het aantal miskramen stijgt ten gevolge van milieu-invloeden. Het wordt meer en meer duidelijk dat mensen last hebben van allergieën. Het aantal kinderen dat last heeft van astma en met een puffertje, een spuitbusje door het leven moet gaan, groeit. De invloed van tabaksrook op de gezondheid van niet-rokers, het is ons allemaal zeer duidelijk geworden. Het actieplan past dan ook in de SCALE-aanpak die zich concentreert op 5 sleutelbegrippen: science, children, awareness, legal instruments and evaluation. Bij de presentatie van het actieprogramma, mijnheer de commissaris, was er toch heel wat ontgoocheling, heel wat scepsis. Mag ik een drietal zaken noemen?

Een, het enorme verschil tussen de ambities verwoord in de algemene strategie en het actieplan zelf.

Twee, het actieplan is eigenlijk geen actieplan. Het is een onderzoeksplan dat er waarschijnlijk niet in zal slagen de ziektelast die door milieulast wordt veroorzaakt, daadwerkelijk te verminderen. Commissaris Dimas, het is hier door verschillende collega's al gezegd, wij hebben geen nood aan meer research, wij hebben geen nood aan meer studie, maar wij hebben echt nood aan actie.

Drie, er zijn geen concrete financiële voorstellen van de zijde van de Commissie om dit alles te financieren. Je kan niet koken zonder geld, Commissaris, dat gaat niet, dat kan niet, dat weten we. Veel scepsis dus, veel ongerustheid, maar gelukkig is er tevredenheid over het werkstuk van mevrouw Ries en het werkstuk van de milieucommissie. Ik wil mij nog concentreren op twee punten. Twee punten die wij als groep van groenen en regionalisten willen inbrengen via twee amendementen. Wij willen als groene groep benadrukken dat er geen streefcijfers werden voorgesteld voor de voorgestelde acties en dat er van de 13 acties maar slechts 3 betrekking hebben op bepaalde maatregelen om de ziektelast te verminderen.

Twee, wij willen benadrukken dat er geen systeem is van biomonitoring, dat dat niet wordt ingesteld waarmee de band met de milieugeneeskunde wordt gerealiseerd. Commissaris Dimas, ik bid u, hou rekening met de opmerkingen van het Parlement en turn uw actieplan om tot een echt actieplan die naam waardig. Ik zou u er dankbaar om zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Adamou (GUE/NGL). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, mijns inziens was het hoog tijd dat rekening werd gehouden met de rechtstreekse gevolgen van het milieu voor de mens. Wij, oncologen, kennen dit probleem maar al te goed, en worden hier helaas ook vaak mee geconfronteerd.

Milieuvervuiling draagt in zeer sterke mate bij aan de ontwikkeling van kanker, waar een op de drie Europeanen tijdens zijn leven mee geconfronteerd raakt. Ik voorspel, mijnheer de commissaris, dat door de grote vooruitgang in de cardiologie en de hartchirurgie het over enkele jaren niemand meer zal verbazen dat kanker de eerste doodsoorzaak is in de lidstaten van de Europese Unie. Preventie van kanker en andere ziekten is noodzakelijk, en zeker ook voordeliger dan behandeling. Ik wilde er hier op wijzen dat roken, waartegen commissaris Kiprianou een campagne is begonnen, weliswaar een fundamentele milieufactor is die bijdraagt aan de ontwikkeling van kanker, maar niet de enige. Helaas beperkt de Commissie zich in het REACH-voorstel tot verklaringen en wacht zij met wetgevende maatregelen en specifieke financiële middelen voor de toepassing daarvan, omdat naar zij zegt meer onderzoek nodig is. Zoals mevrouw Ries al zei is dit eerder een evaluatieplan dan een actieplan. Er zijn talrijke serieuze wetenschappelijke studies naar de gevolgen van bepaalde stoffen voor het milieu en de menselijke gezondheid, en daarom vragen wij ons af welke belangen de Commissie behartigt: de belangen van de Europese burger of de belangen van grote ondernemingen. Bepaalde gevaarlijke stoffen, die in het verslag worden genoemd, moeten zo snel mogelijk van de Europese markt verdwijnen, zeer zeker omdat er veiligere alternatieven voor in de handel zijn. Het zogenaamde gebrek aan informatie mag daarom in dit geval niet worden gebruikt als een rechtvaardiging om geen actie te ondernemen. Ook is het hoogstnoodzakelijk dat middelen worden gevonden voor niet alleen onderzoek - dat moet worden geïntensiveerd - maar ook voor preventie van aan milieufactoren gerelateerde ziekten.

In het voorstel wordt nergens gewag gemaakt van de toepassing van het voorzorgsbeginsel. Evenmin wordt gezegd waar het geld vandaan moet komen. Er zijn bovendien middelen nodig voor voorlichting van het publiek en de beroepscategorieën, opdat de arbeidsplekken en de ruimten binnens- en buitenshuis waar kinderen verkeren, gesaneerd kunnen worden van het actief en passief roken - het voorstel heeft het daarover - maar ook van andere factoren. Hier wil ik wijzen op de gevoelige situatie waarin de lage-inkomensgroepen van de samenleving verkeren. Door hun economische en sociale positie zijn zij, evenals de mensen met ongezonde beroepen, onevenredig sterk blootgesteld aan milieurisico’s.

Tot slot hoop ik, mevrouw de Voorzitter, dat zowel de Commissie als de Europese Raad serieus rekening zullen houden met het verslag van mevrouw Ries, die ik bij deze van harte gelukwens met haar verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Sinnott (IND/DEM). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, als we ziek zijn, willen we niets liever dan weer beter worden. Als we gezond zijn, is die gezondheid hopelijk een van de dingen die we het meest waarderen. In Ierland hebben we een gezegde dat laat zien welke prioriteit we aan gezondheid geven. Wanneer iemand voor een examen zakt of een deuk in zijn autobumper rijdt of iets dergelijks, brengen we de calamiteit in perspectief door te zeggen: "We zijn tenminste nog gezond". Ik feliciteer mevrouw Ries: ze heeft er geen doekjes om gewonden. De gezondheid van mensen, vooral die van kinderen, wordt in onze landen in Europa in gevaar gebracht en het actieplan voor gezondheid is in zijn huidige vorm niet echt toegerust om ons te beschermen.

Mevrouw Ries is ook verdergegaan. Zij wijst met de vinger naar de toxische chemische stoffen en hun schadelijke effecten, en noemt ze bij de naam, wat belangrijk is. Ook dringt zij aan op hun eliminatie. Ik steun haar hierin en hoop dat we mogelijk gauw meer chemische stoffen aan de lijst kunnen toevoegen, zoals antimoon, dioxines en fluorkiezelzuur. Ik wil hier graag vermelden dat de laatstgenoemde toxische chemische stof, fluorkiezelzuur, dat in mijn land wordt gebruikt om de watervoorraad te fluorideren, het vervelende effect heeft dat het andere toxische chemische stoffen, zoals lood, kwik en aluminium, exponentieel veel gevaarlijker maakt. Het is een chemische zaalwachter die deze andere giftige stoffen in het water opzuigt en ze vervolgens overbrengt naar lichaamsweefsels en botten.

Ik ben blij dat in het verslag Ries kritisch wordt gekeken naar kwik, dat waarschijnlijk de gevaarlijkste neurotoxische vervuilende stof van allemaal is. Ik wil graag onder de aandacht brengen dat een ander gevaar van kwik is dat het in de industrie als handig conserveringsmiddel wordt gebruikt. Het moet dan ook worden vervangen. Ik ben ook een groot voorstander van verbetering van het actieplan via opname van echt efficiënte, responsieve gezondheidsmonitoringsystemen. Een ander gezegde dat we bij ons hebben, luidt: "Er is tenminste niemand dood", maar dit is niet langer waar: er sterven wel degelijk mensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ebner (PPE-DE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, er is in mijn land van herkomst een spreekwoord dat zegt: een gezond mens heeft honderd wensen; een zieke heeft maar één wens, namelijk beter te worden. Dit spreekwoord bevat heel wat levenswijsheid. Ieder initiatief dat is gericht op zorg voor de gezondheid van de samenleving en de individuele mens verdient daarom steun. De initiatieven die de Commissie met het actieplan heeft voorgesteld, vormen, met alle respect, eerder een inventarisatie – waarbij de laatste resultaten helaas niet konden worden meegenomen – dan een effectieve, concrete en forse maatregel om een situatie aan te pakken die als problematisch wordt gezien.

Ik wil niet, zoals veel collega’s voor mij, naar het halflege glas kijken, maar naar het halfvolle glas. Ik feliciteer u daarom met het initiatief, maar spoor u tegelijk aan om meer te doen, om verdergaande conclusies te durven trekken. Laat ik het voorzorgsbeginsel aan de hand van het rookverbod illustreren. De Italiaanse regering heeft onlangs het roken in bijna alle ruimtes op Italiaans grondgebied verboden. Dat leidde in het land tot een storm van verontwaardiging en toch was het effect ongetwijfeld positief. Als het geld dat nu aan de tabaksteelt wordt uitgegeven - namelijk een miljard euro - geleidelijk aan gezondheidszorg zou worden besteed, zou daarmee een flinke bijdrage aan de gezondheid worden geleverd.

 
  
MPphoto
 
 

  Drčar Murko (ALDE). - (SL) Dank u, mevrouw de Voorzitter. Het Europees Parlement beschrijft via het verslag van mevrouw Ries specifieke maatregelen voor de tenuitvoerlegging van het programma voor het gemeenschappelijk milieu- en gezondheidsbeleid voor de periode 2004-2010. Misschien beseffen we daarbij dat dit gebieden zijn waarop de Europese Unie het voortouw heeft genomen in de wereld. Per slot van rekening zijn wij niet slechts een vrijhandelszone, maar ook een politiek, economisch en zelfs sociaal project. De strijd tegen sociale uitsluiting is daarvan een van de belangrijkste elementen.

Na de uitbreiding hebben het milieubeleid en gezondheidsbeleid een nieuw kader gekregen. In de Europese Unie van Vijfentwintig zijn de regionale en sociale verschillen groter geworden, hetgeen direct tot uitdrukking komt in de gezondheid van de mensen. In tegenstelling tot de verwachtingen leven 55 miljoen mensen in armoede. De kwetsbaarste groepen zijn ouderen die alleen wonen, alleenstaande moeders en werklozen. De profielen van deze groepen, die risico’s lopen als gevolg van uitsluiting en dus ook met gezondheidsrisico’s zijn geconfronteerd, laten duidelijk zien hoe de samenlevingen zich hebben ontwikkeld, hoe de productiemethoden zijn veranderd en hoe de economieën werken.

De nieuwe lidstaten zijn geen homogeen geheel, maar bepaalde indicatoren zijn vergelijkbaar, aangezien ze het resultaat zijn van vergelijkbare omstandigheden in de overgangsperiode. Er bestaat met name een grote kloof tussen de oude en nieuwe lidstaten waar het gaat om de hoogte van de bedragen die worden geïnvesteerd in de gezondheidszorg. Ik vertrouw erop dat het door de gemeenschappelijke strategie geleidelijk aan mogelijk zal worden de huidige negatieve trends te keren. Net als het milieu, is ook de gezondheid van de bevolking een interdepartementale aangelegenheid. Minder ontwikkeling betekent minder gezondheid. Tijdige investeringen in gezondheid doen de kosten voor de economie als geheel dalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Doyle (PPE-DE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit plan stelt voor acties ten uit voer te leggen via bestaande initiatieven en programma's, waaraan al middelen zijn toegewezen uit de operationele begrotingen van de betrokken diensten. Ik noem in het bijzonder het volksgezondheidsprogramma en het zesde kaderprogramma voor onderzoek. Vergeeft u me dat ik sceptisch ben. Er zullen onvermijdelijk nieuwe initiatieven nodig zijn om het actieplan vooruit te helpen.

Ik wil benadrukken dat het belangrijk is de hiaten in de kennis op te sporen en ervoor te zorgen dat alle initiatieven die nodig zijn om zulke leemten op te vullen, goed worden doordacht, opdat ze de vereiste resultaten kunnen leveren. De initiatieven moeten worden gebaseerd op de procedures voor risicoanalyse van de EU en de adviezen van de betrokken wetenschappelijke comités, waardoor ook peer reviews mogelijk zijn. Heel de wetgeving die we in dit Parlement aannemen, hangt af van een gedegen wetenschappelijke onderbouwing. Deze afhankelijk neemt zelfs toe, en ik maak me daar dan ook steeds meer zorgen over.

Alle effectbeoordelingen moeten toe te schrijven zijn aan hun auteurs. Ze mogen niet alleen maar het resultaat zijn van interne navelstaarderij. Op elke effectbeoordeling moeten de namen van de auteurs staan, zodat we weten waar de beoordeling vandaan komt, en of er volgens ons sprake is van gevestigde belangen.

In onze lidstaten is behoefte aan een veel betere coördinatie tussen de overheidsorganen die belast zijn met de controle op voedingsmiddelen, drinkwater, luchtkwaliteit enzovoort. Wat betreft de gezondheidseffectbeoordelingen, lijkt internationaal aanvaard te zijn dat de methodologie zich ontwikkelt en niet eens en voor altijd vastligt, en dat er aanzienlijke problemen zijn bij het vaststellen en verzamelen van de statistische gegevens die wetenschappelijk nodig zijn om de gezondheidseffectbeoordelingen te onderbouwen.

We kunnen mensen niet tegen zichzelf beschermen. Ook moeten we geen wetgeving gaan creëren voor alle mogelijke risico's die het leven met zich meebrengt. We moeten daar eerlijk over zijn. Ik zou een definitie van het begrip 'volksgezondheid' willen zien. We blijven die term wel in allerlei wetten gebruiken, maar hij heeft lang niet in alle landen dezelfde betekenis. De Commissie heeft het over de gezondheid van de Europese burgers, niet over het verlenen van gezondheidsdiensten.

Tot slot zou ik graag zien dat de Commissie massamedicatie via de openbare watervoorziening verbiedt. Vanuit ethisch oogpunt kunnen de instellingen van de EU massamedicatie niet langer accepteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimas, Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil om te beginnen u allen bedanken voor de constructieve opmerkingen die gemaakt zijn zowel in het verslag als tijdens het debat vandaag. De bijdrage van het Europees Parlement is heel belangrijk. Met een nauwe samenwerking tussen het Parlement en de Commissie stellen wij de Europese Unie in staat effectief en efficiënt op te treden tegen de mogelijke gevolgen van milieukwesties voor de menselijke gezondheid. Ik wil kort ingaan op uw opmerkingen en een poging doen uw vragen te beantwoorden.

De toegevoegde waarde van het actieplan bestaat in de geleidelijke opzet van een geïntegreerd informatiesysteem voor milieu en gezondheid, waarin menselijke biomonitoring een essentiële rol zal spelen. Het is een ambitieus plan voor de lange termijn, maar dat zal ons er niet van weerhouden om actie te ondernemen. Voor de belangrijke milieu- en gezondheidskwesties zijn trouwens al veel acties ondernomen. Bij wijze van voorbeeld vestig ik uw aandacht op schoon water en rioolwaterzuivering, waar de richtlijn inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, de drinkwaterrichtlijn en de richtlijn betreffende de kwaliteit van het zwemwater over gaan.

Ademhalingsaandoeningen zullen nog verder worden aangepakt met CAFE, het programma 'Clean Air for Europe' ('Schone lucht voor Europa'). Aandoeningen die verband houden met chemische en fysieke belastingen worden al aangepakt met de wetgeving inzake bestrijdingsmiddelen en biociden. Het nieuwe beleid inzake chemische stoffen, REACH, zal een essentiële hoeksteen zijn op dit gebied. We moeten in gedachten houden hoever we al zijn gekomen, en ervoor zorgen dat we voortbouwen op de bestaande inspanningen in plaats van ze te dupliceren.

Er staan al heel wat wetgevingsmaatregelen op stapel die een weerslag zullen hebben op de bescherming van de volksgezondheid. Dit betreft met name de thematische strategieën van REACH en CAFE. We moeten onze inspanningen voortzetten voordat we met aanvullende elementen komen. De milieu- en gezondheidsstrategie concentreert zich daarom op het voorbereiden van de volgende generatie milieuwetgeving.

De milieu- en gezondheidsstrategie had specifieke aandacht voor kinderen. Ook tijdens het openbaar overleg ter voorbereiding van het actieplan werd dit aandachtspunt naar voren gebracht door de deskundigen. Ze hebben aangegeven dat ten eerste de blootstelling van ouders moet worden meegenomen om in het plan rekening te kunnen houden met het ongeboren kind, en ten tweede gekeken moet worden naar volwassenen om ook aandoeningen te kunnen opnemen die worden veroorzaakt door blootstelling in de jeugd. De focus van het actieplan is daarom uitgebreid tot volwassenen. Daarbij is rekening gehouden met de verschillende categorieën van kwetsbaarheid.

Het voorzorgsbeginsel staat centraal in het milieubeleid en zal ook de hoeksteen van onze acties blijven. Het zal worden toegepast volgens de voorwaarden die in de relevante wetgeving zijn geformuleerd. De Commissie staat helemaal achter deze beleidslijn. Ik wil heel duidelijk zijn om elk mogelijk misverstand te voorkomen. De Commissie zal het gebrek aan informatie op het gebied van milieu en gezondheid niet als excuus voor inactiviteit gebruiken.

Wat betreft het financiële plan, zijn we heel blij met de steun die het Parlement, als tak van de begrotingsautoriteit, geeft aan de financiering van het actieplan. We moeten ons tot 2006 houden aan de bestaande begrotingsinitiatieven, maar we zullen optimaal gebruik maken van alle beschikbare middelen.

We maken ons binnen de Commissie momenteel sterk voor een forse verhoging van de middelen voor onderzoek op milieu- en gezondheidsgebied. Het verzoek van het Parlement om 300 miljoen euro voor 2007-2010 is een bijzonder nuttige politieke steun voor ons.

De lidstaten hebben echter ook een rol te spelen. Een EU-versie van de 'National Children Study' van de Verenigde Staten, waar het Parlement om heeft gevraagd, zou ongeveer 100 miljoen euro per jaar kosten. Dit komt neer op een forse verhoging van onze huidige middelen voor milieu en gezondheid. We hopen op het niveau van de Europese Unie zo veel mogelijk steun te kunnen bieden, maar ook van de lidstaten moeten forse toezeggingen komen.

De Commissie waardeert de medewerking van het Parlement en zijn constructieve inspanningen op dit gebied zeer. Om hier optimaal van te profiteren, zal de Commissie de betrokken parlementaire commissie regelmatig informeren over de vooruitgang die wordt geboekt bij de tenuitvoerlegging van het actieplan.

Tot slot wil ik onderstrepen dat we tot 2007 flinke vorderingen zullen maken bij het opzetten van het informatiesysteem en hopen tegen die tijd de eerste resultaten te hebben over de doelmatigheid van de kostenefficiëntiemaatregelen voor de aanpak van gezondheidsproblemen. Op dit punt zullen we uitgebreid verslag uitbrengen aan het Parlement over de effectiviteit van het bestaande beleid en over de nieuwe beleidsinitiatieven die nodig zullen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag plaats.

 

14. Rijbewijs
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0016/2005) van de heer Grosch, namens de Commissie vervoer en toerisme, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden, op 21 oktober 2003 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn betreffende het rijbewijs aangenomen, waarover u zodadelijk zult debatteren.

Momenteel zijn er meer dan 110 verschillende soorten rijbewijzen geldig en in omloop in de lidstaten. Niet altijd worden daarmee dezelfde rechten verleend. In een open ruimte waarin vrij verkeer van burgers de regel is, liggen de gevolgen van deze situatie voor de hand. Het is erg lastig deze verscheidenheid aan rijbewijzen te controleren. Overheidsinstanties hebben moeite er wijs uit te worden en burgers hebben vaak het probleem dat hun rijbewijs niet erkend wordt. Deze situatie is niet langer aanvaardbaar.

De drie belangrijkste doelstellingen van de ontwerprichtlijn die de Commissie voorstelt, zijn: bescherming tegen fraude, vrij verkeer van burgers en verkeersveiligheid. Wat de bescherming tegen fraude betreft, stelt de Commissie voor het papieren rijbewijsmodel af te schaffen. Vanaf de datum van toepassing van de richtlijn mogen er uitsluitend nog communautaire rijbewijsmodellen in de vorm van een plastic kaart worden afgegeven. Dit zal tevens leiden tot een vermindering van het aantal modellen dat in omloop is. De lidstaten krijgen de mogelijkheid om een microchip in het rijbewijs in te bouwen, die natuurlijk uitsluitend de gegevens van de plastic kaart dient te bevatten en niet voor andere doeleinden mag worden gebruikt. Hierdoor kan de bescherming tegen fraude worden versterkt.

Daarnaast stelt de Commissie voor om een beperkte geldigheidsduur van rijbewijzen in te voeren. Dankzij deze administratieve geldigheid, die voor rijbewijzen voor auto’s en motorrijwielen tien jaar zal bedragen, kunnen de fraudebestrijdingselementen bij iedere verlenging worden geactualiseerd en kan het document van een recente foto worden voorzien. Dit is het aangewezen middel om te voorkomen dat een soortgelijke situatie als nu ontstaat..

Dankzij de invoering van een beperkte geldigheidsduur zal de laatste belemmering voor het vrij verkeer op dit gebied worden opgeheven. Burgers die zich in een andere lidstaat vestigen, zullen namelijk niet langer worden geconfronteerd met een geldigheidsduur die per lidstaat verschilt. Samen met de harmonisatie van het rijbewijsmodel maakt dit onderdeel het mogelijk de belemmeringen voor het vrij verkeer op te heffen.

Het voorstel van de Commissie heeft tevens tot doel de verkeersveiligheid te verbeteren. Daarom stelt de Commissie voor om een nieuwe rijbewijscategorie voor bromfietsen in te voeren. Bestuurders van bromfietsen zijn namelijk de jongste gemotoriseerde deelnemers aan het wegverkeer. Zoals alle statistieken laten zien, zijn ze ook bijzonder kwetsbaar, aangezien ze naar verhouding veel vaker bij ongelukken zijn betrokken dan andere weggebruikers. De Commissie stelt tevens voor om de geleidelijke toegang tot rijbewijzen voor de zwaarste categorie motorrijwielen te reglementeren. Hetzelfde geldt voor de zwaarste types vrachtwagens en bussen. Verder stelt de Commissie voor de intervallen tussen medische onderzoeken voor beroepsbestuurders te harmoniseren en minimumeisen in te stellen voor de opleiding en nascholing van examinatoren.

Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden, zoals u ziet is dit een ambitieus voorstel om de verkeersveiligheid te verbeteren, het vrij verkeer te waarborgen en fraude met het rijbewijs te bestrijden. Het zal beslist gevolgen hebben voor een zeker aantal burgers, voor wie het rijbewijs een garantie vormt voor mobiliteit en vrij verkeer, terwijl het in het dagelijks leven een identiteitsbewijs is.

 
  
MPphoto
 
 

  Grosch (PPE-DE), rapporteur. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, ik wil in de eerste plaats alle betrokkenen bedanken, zowel de Commissie als het Bureau van het Parlement, maar ook mijn collega’s: sinds een paar maanden staat de rijbewijsrichtlijn namelijk in het teken van het streven naar coherentie en overleg. Het onderwerp leidt namelijk niet zo zeer tot partijpolitieke verschillen als wel tot gevoeligheden die van land tot land sterk verschillen.

(FR) Mijnheer de commissaris, ik wil de Commissie in deze context graag bedanken voor haar verstandige adviezen, evenals alle anderen die zich bijzonder hebben ingezet voor dit onderwerp.

(DE) We hebben gestreefd naar consensus en coherentie, maar vonden het ook belangrijk dat het geheel een meerwaarde voor de burgers zou opleveren. Het onderwerp raakt tenslotte twee derde van de burgers in Europa. Daarom zijn we ook een stapje verdergegaan: wij willen geen 111 rijbewijzen plus een Europees model, maar binnen een redelijke termijn van 10 tot 20 jaar op één enkel Europees rijbewijs uitkomen. Dat is dan ook het voorstel van de Commissie vervoer en toerisme.

Dat heeft natuurlijk een zekere symbolische waarde, maar het voordeel is dat de controles worden vereenvoudigd. Wie het heeft over vereenvoudigde controles, heeft het ook over bestrijding van criminaliteit en fraude. Het is bekend hoe het met het rijbewijstoerisme is gesteld; de internetpagina’s staan er vol mee, reden waarom ook de lidstaten hier worden aangesproken. Als we namelijk één rijbewijs hebben en vervolgens ook de gegevens in de lidstaten kunnen vereenvoudigen en centraliseren, en als men dan bovendien bereid is om die gegevens uit te wisselen, is dat waarschijnlijk minder gunstig voor de fraude en beter voor de mobiliteit in Europa.

Een meerwaarde voor de burgers ligt ook in de rechtszekerheid. We willen verworven rechten in geen geval aantasten. Integendeel, we willen die rechten juist beter waarborgen. Zo willen we ervoor zorgen dat beroepschauffeurs, onder andere in geval van verhuizing, hun rechten niet verliezen. Uit bepaalde klachten die bij de Commissie zijn ingediend, is ons gebleken dat dit gebeurt. Het gaat echter ook om de burger die als toerist van het ene land naar het andere wil reizen en ook daar zijn rechten erkend wil zien.

We hebben ervoor gekozen niet te discrimineren naar leeftijd en daarom laten we het aan de lidstaten over of men medische keuringen of andere keuringen van zuiver preventieve aard wil invoeren. Ik ben er echter van overtuigd dat wat in sommige landen al regel is, zich ook naar andere landen zal uitbreiden.

Een meerwaarde is ook de grotere verkeersveiligheid. Zowel de richtlijn als de Commissie zien daarvoor opleiding als belangrijkste instrument. Opleiding is het basiselement, eventueel gevolgd door bijscholing. Op dit punt hebben we coherentie nagestreefd met de richtlijn betreffende de opleiding en nascholing van bestuurders van voertuigen voor goederen- en personenvervoer.

We hebben echter bijvoorbeeld ook het probleem van de kampeerwagens en caravans opgelost met de invoering van niet een ingewikkeld rijbewijs B + E maar een aangepaste cursus. Er wordt dus ook rekening gehouden met het aspect toerisme dat voor de economische ontwikkeling op Europees niveau immers belangrijk is.

Aan dit idee lag echter ook de geleidelijke toegang voor motorrijders ten grondslag. U hebt er in uw inleiding op gewezen: we zijn ons er allemaal van bewust dat op dit terrein nog het nodige kan en moet gebeuren. Vandaag de dag vallen er in totaal nog meer dan 40.000 verkeersdoden. Bij auto’s is er sprake van een daling, maar dat geldt helaas niet voor motorfietsen: daar blijven de cijfers alarmerend hoog.

Vandaar geleidelijke toegang: niet door middel van theoretische examens maar door middel van opleiding. Op die wijze willen we ervoor zorgen dat de rechtszekerheid ook is gewaarborgd voor burgers uit landen waar men een lagere minimumleeftijd wil vaststellen. Het beginsel van gefaseerde toegang blijft echter in de richtlijn. We willen deze traditie in verschillende landen, die ook met mobiliteit en met de economische situatie te maken heeft, niet aanvechten. We willen echter wel een gezamenlijk concept met een Europese gemiddelde leeftijd en we willen ons gezamenlijk sterk maken voor bijscholing.

Er zijn problemen met de equivalentie en die zullen er ook in de toekomst zijn. We doen hiermee een eerste poging om de drie- en vierwielers erbij te betrekken, maar we weten ook dat dit niet van vandaag op morgen kan worden geregeld. Persoonlijk blijf ik echter van mening dat equivalentie van het motorrijbewijs met het gewone rijbewijs moet worden afgeraden. Het rijgedrag is namelijk totaal verschillend, ook al zou hierdoor misschien het begrip van de ene groep verkeersdeelnemers voor de andere groep kunnen worden verbeterd.

Dus, kort samengevat, vereenvoudiging, rechtszekerheid, verkeersveiligheid en fraudebestrijding: dat zijn de belangrijkste aspecten die we in dit voorstel naar voren willen brengen. Ik wil nogmaals alle collega’s bedanken voor de oprechte samenwerking die ik in de afgelopen maanden ervaren heb.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarzembowski (PPE-DE), namens de PPE-DE-Fractie. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, beste collega’s, dames en heren, de EVP-ED-Fractie feliciteert de rapporteur, de heer Grosch, met zijn voortreffelijke verslag over het voorstel van de Commissie voor de derde rijbewijsrichtlijn. Hij heeft met betrekking tot de invoering van een toekomstig uniform Europees rijbewijs gedetailleerde verbeteringsvoorstellen gedaan. Hij heeft met name regelingen uitgewerkt die de burgers tegemoetkomen, bijvoorbeeld voor het rijden met een caravan of kampeerwagen. Hij heeft ook duidelijke voorstellen gedaan om het zogenaamde rijbewijstoerisme beter aan te pakken. Het dient de verkeersveiligheid niet wanneer een burger wiens rijbewijs in een land terecht wordt ingetrokken, in een buurland direct een nieuw rijbewijs kan krijgen. Dit uitgangspunt voor de bestrijding van het rijbewijstoerisme heeft de rapporteur voortreffelijk uitgewerkt.

Mijn fractie wijst het verslag echter op twee punten af. Mijnheer de vice-voorzittter, evenals de Commissie zijn wij tegen een verplichte inruil van bestaande rijbewijzen. Het inruilen van bestaande rijbewijzen dient op geen enkele wijze de verkeersveiligheid. Het betekent alleen dat de burgers naar het gemeentekantoor moeten, een nieuwe foto moeten laten maken en een nieuw document moeten aanvragen. Dat leidt echter niet tot meer verkeersveiligheid, hoogstens tot eenvoudigere politiecontroles. Wanneer men het voordeel van eenvoudigere politiecontroles afzet tegen de last die het voor de burgers met zich meebrengt - tienduizenden burgers die nooit naar een andere EU-lidstaat zullen rijden, moeten een nieuw rijbewijs afhalen - dan is het een te grote belasting. Daarom wijst mijn fractie dit evenals de Commissie af.

Het tweede punt waarop wij het verslag afwijzen is de verplichte beperking van de geldigheidsduur van rijbewijzen. Ook dit levert geen voordeel op voor de verkeersveiligheid. Het betekent alleen dat de burger naar het gemeentekantoor moet, een nieuwe foto moet laten maken en een nieuw document moet aanvragen. Zoals de rapporteur terecht heeft gezegd, is de geldigheid van een rijbewijs immers onbeperkt.

Helpt u ons, dames en heren, en steunt u ons ter wille van de burgers! We willen geen verplichte inruil van rijbewijzen. We willen geen beperking van de geldigheidsduur van rijbewijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hedkvist Petersen (PSE), namens de PSE-Fractie. - (SV) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, om te beginnen wil ik de heer Grosch bedanken voor de uitstekende samenwerking en voor de zeer opbouwende werkmethode bij de opstelling van het voorstel van de parlementaire commissie. Alle fracties hebben daaraan deelgenomen en daar zijn wij dankbaar voor.

We moeten in dit geval laveren tussen tradities en verschillen in de lidstaten, maar zonder het doel uit het oog te verliezen, namelijk meer vrij verkeer voor de EU-burgers en bevordering van de verkeersveiligheid. Nu moeten we de lange weg beginnen af te leggen naar een rijbewijs voor de hele EU. Dat zal vele jaren kosten, maar het is belangrijk dat de oude rijbewijzen worden vervangen. De reden hiervoor is dat we een eind moeten maken aan het rijbewijstoerisme, waarbij iemand die zijn rijbewijs verliest, gewoon een nieuw rijbewijs koopt. Op dit moment hebben we 110 modellen, en de politie kan niet nagaan of een eventueel in te trekken of ter identificatie overgelegd rijbewijs echt is.

In Zweden kwam het een paar jaar geleden voor dat men naar een drukkerij in een achterafstraatje kon gaan, een rijbewijs van zijn land van herkomst kon kopen en dan naar de nationale Zweedse autoriteit kon gaan om het door een Zweeds rijbewijs te laten vervangen. Dat is een onaanvaardbare situatie, die wij niet mogen toelaten. Ik vind dan ook dat de Raad de vervanging van oude rijbewijzen moet goedkeuren. Als we het voorstel van de PPE-DE-fractie volgen, zal het 60 jaar kosten voordat we een aanvaardbare situatie hebben. Dat kunnen we niet hebben. Het is van levensbelang voor onze medeweggebruikers, want wij zijn er ook nog, en wij willen zekerheid dat de bestaande rijbewijzen echt zijn. Als het om artsen of piloten ging, zouden wij het absoluut onaanvaardbaar vinden als we niet wisten of hun papieren en hun kennis en vaardigheden in orde waren.

De sociaal-democratische fractie schaart zich achter het grootste deel van de voorstellen van de parlementaire commissie. Het voorstel van de Commissie om gezonde bestuurders te pas en te onpas medisch te laten onderzoeken, vinden wij geen goed idee. De Europese artsen moeten worden ingeschakeld voor zieke mensen en voor de gezondheidszorg, niet om alle autobestuurders te controleren. Het spreekt uiteraard vanzelf dat er een medisch onderzoek en een ogentest moeten plaatsvinden als het rijbewijs wordt uitgevaardigd.

Wat bromfietsen en motorfietsen betreft, willen wij in de sociaal-democratische fractie erop aansturen dat er lessen en examens komen, als onderdeel van een systeem waarin men met een bromfiets begint en geleidelijk aan opstijgt tot een hogere categorie van rijbewijs. We willen ook dat de lidstaten regels mogen invoeren voor directe toegang tot een zware motorfiets op het nationale grondgebied, wanneer men 21 jaar is. Er worden nationale uitzonderingen aanvaard voor auto’s en bromfietsen, en wij vinden dat dat dan ook moet gelden voor motorfietsen. Wat caravans en kampeerwagens betreft, volgen wij het standpunt van de heer Grosch.

Ten slotte verwachten wij een ontwikkeling waarin steeds meer auto’s zullen worden uitgerust met veiligheidsvoorzieningen zoals een alcoholslot en waarschuwingssystemen als men de gordel niet om of de lampen nog aan heeft. Daar zijn ook de Europese Commissie en de veiligheidsorganisaties voor. Dan moeten wij ook meewerken aan een basisdocument voor het besturen van een voertuig: een rijbewijs dat echt, betrouwbaar en geldig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Sterckx (ALDE), namens de ALDE-Fractie. - Voorzitter, mijnheer de commissaris, collega rapporteur, ik moet u gelukwensen. U heeft een heel moeilijke opdracht gehad, u heeft met iets te doen gehad waar ongeveer alle burgers bij betrokken zijn maar dat ook heel technisch is, met heel veel details en grote verschillen tussen lidstaten. Uw opdracht was des te moeilijker, omdat iedereen wel de principes aanvaardt en zegt wij moeten een eenvoudiger systeem hebben, beter te controleren enz..., maar dat niemand eigenlijk nationale verschillen wil opgeven. Wij rijden meer en meer op elkaars wegen, zodat we elkaar dus ook meer en meer moeten vertrouwen in de papieren die we aan chauffeurs geven maar wij beschouwen nog altijd het geven van dat papier als een soort strategisch, bijna militair geheim dat elke lidstaat apart voor zich moet houden en waar dus de stempels in het grootste geheim moeten bewaard worden. Ik denk dat dat uw opdracht enorm bemoeilijkt heeft en dat dat ons werk ook niet gemakkelijker heeft gemaakt.

Mijn fractie is het er mee eens dat er een Europees model komt, evident. Dat dat er zo snel mogelijk moet komen en dat je dus ook gaat voor geregelde administratieve vernieuwing, wij zijn daarvoor. Wij zijn er niet voor dat er dan bijkomende tests zouden moeten gebeuren. Het is een administratieve vernieuwing, ook niet voor oudere mensen. De statistieken vragen dat niet.

Nergens blijkt dat oudere mensen bijzonder onveilige chauffeurs zouden zijn. Trouwens voor heel veel oudere mensen is een auto gewoon een sociale noodzaak, dus laten we het voor die mensen niet moeilijker maken om met de auto te rijden. Hetzelfde moet gelden voor zieke mensen. Het ideale zou zijn dat de beslissing om met de auto te rijden of niet, genomen wordt tussen een patiënt en zijn arts en dat de arts in geweten oordeelt of iemand nog met de auto kan rijden of niet en dat de patiënt daarvoor respect opbrengt.

Ik denk dat we dat als principe moeten behouden, geen te gedetailleerde Europese regels maken, algemene principes opleggen zoals in uw verslag gedaan wordt en de beslissing dan zo dicht mogelijk bij de burger nemen. Laten we die Commissie, dat comité van Europese experten maar hun werk doen, maar ik denk dat het werk eigenlijk het best zo dicht mogelijk bij de burgers gebeurt.

Onze fractie heeft een aantal amendementen ingediend om voor rijbewijzen bij bromfietsen en moto's aan te sluiten bij de traditie in de lidstaten en daarin niet te restrictief te zijn. Wij steunen de algemene lijnen van uw verslag, mijnheer de rapporteur. Wij vinden in elk geval dat dit verslag een grote stap voorwaarts is. Dat we een stap zetten naar een betere controlemogelijkheid binnen de Europese Unie. Dat we op termijn ook aan de burgers duidelijk maken dat zij een bewijs hebben waarmee zij in heel de Unie met een auto of een moto of iets dergelijks kunnen rijden. Dat we in de Unie kunnen afgaan op elkaars tests die we afnemen. Dat we dus zeker zijn, dat wie zo'n bewijs krijgt, ook een goede chauffeur is van een brommer, van een moto of van een auto of van een vrachtwagen. Ik denk dat de mensen daarmee ook beseffen dat de Europese Unie er ook is voor heel concrete dingen. Ik denk dat uw verslag daarin een stap vooruit is en ik dank uw daarvoor.

 
  
MPphoto
 
 

  Auken (Verts/ALE), namens de Verts/ALE-Fractie. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de heer Grosch bedanken en hem feliciteren met zijn zeer constructieve werk. We hebben goed naar elkaar geluisterd, en volgens mij laat de huidige situatie duidelijk zien dat argumenten een goede rol gespeeld hebben. Ik vind dat we uitstekend werk hebben geleverd en ik vind het ook fijn dat de heer Grosch de aandacht heeft verplaatst van een aanvankelijk nogal abstracte terreurbestrijding of iets dergelijks, naar de kwestie van verkeersveiligheid en de werkelijke terreur waar we in Europa mee te maken hebben, namelijk het feit dat op onze wegen wekelijks net zoveel mensen gedood of zwaargewond worden als wanneer een jumbojet zou neerstorten en alle inzittenden zouden omkomen. Het is echt belangrijk dat daar iets aan wordt gedaan, en een van de hoofdvoorwaarden daarvoor is natuurlijk dat we rijbewijzen hebben die overal in Europa controleerbaar en herkenbaar zijn.

Ik vind het heel goed dat we onze oudere medeburgers niet hebben gedwongen om zich vaker te laten controleren. Het was goed dat we ook hier hebben ingezien dat de meeste van hen natuurlijk uitstekende automobilisten zijn, die hun langere reactietijd compenseren door voorzichtig te rijden. Het zou wenselijk zijn dat ook de gezonde burgers hun bravoure zouden compenseren met voorzichtig rijgedrag.

Eén ding konden we heel moeilijk begrijpen. Er zijn landen - ik geloof niet dat dit geldt voor de hele PPE-DE-Fractie - waar men het rijbewijs blijkbaar beschouwt als een kleinood. In plaats van het oude rijbewijs te koesteren als iets onvervangbaars, zou men naar mijn mening nuchter moeten blijven en een rijbewijs moeten aanvaarden dat in de hele rest van Europa kan worden gebruikt. Er gebeurt niets ernstigs als je je rijbewijs vervangt. In Denemarken hebben we dat geprobeerd en dat ging goed. De wereld is er niet door vergaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Chruszcz (IND/DEM), namens de IND/DEM-Fractie. - (PL) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil de heer Grosch gelukwensen met zijn verslag, waar wij mijns inziens nog lang profijt van zullen hebben. Tegelijkertijd wil ik erop wijzen dat wij vaak de weg inslaan van onnodige regulering en overinterpretatie. Eenvoudige en heldere zaken maken wij onnodig ingewikkeld. Dit ligt wellicht in de aard van het Europees Parlement als instelling van de Europese Unie.

Vandaag de dag kennen veel Europese landen, waaronder mijn eigen land, Polen, uitstekende rijbewijzen die op verschillende manieren zijn beveiligd. Bovendien worden de papieren rijbewijzen hoe dan ook vervangen. Voorts wordt het systeem van de rijopleiding steeds beter, want wij leren veel van elkaar. Daarom hoor ik met schrik dat talloze burgers in de landen van de Europese Unie de hel van de omwisseling van hun rijbewijs zullen moeten doorstaan. Ik ben van mening dat de invoering van een chip en de zo regelmatige omwisseling van het rijbewijs die u voorstelt onnodige kosten veroorzaakt. Daarnaast kost het de burgers veel tijd. Zij hebben immers wel iets beters te doen dan in de rij te staan voor hun rijbewijs.

Tot slot wil ik erop wijzen dat de administratieve beperkingen op het behalen en de afgifte van een rijbewijs aan buitenlanders mijns inziens strijdig zijn met het beginsel van het vrije verkeer van personen. Wij moeten immers een onderscheid maken tussen degenen die in hun eigen land iets misdaan hebben en een nieuw rijbewijs willen behalen in een ander land en de mensen die in een grensgebied wonen en voor een betere en goedkopere rijschool over de grens willen kiezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zīle (UEN), namens de UEN-Fractie. - (LV) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil mijn spreekbeurt ook beginnen met de heer Grosch te bedanken voor de uitstekende wijze waarop hij onder moeilijke omstandigheden leiding heeft gegeven aan dit project. Als afgevaardigde van een nieuwe lidstaat kwam deze situatie met rijbewijzen eigenlijk als een grote verrassing voor me, aangezien we in mijn land, in Letland, twee jaar na het verkrijgen van onze onafhankelijkheid zijn begonnen met het verstrekken van plastic rijbewijzen ter grootte van een creditcard. Wat mijzelf betreft, zijn de tien jaar van de geldigheidstermijn van mijn eerste plastic rijbewijs al verstreken, en heb ik afgelopen jaar een nieuw exemplaar gekregen met daarop het symbool van de Europese Unie. Het is daardoor voor mij relatief moeilijk voorstelbaar waarom de afgevaardigden van sommige landen het politiek onmogelijk vinden te zeggen dat papieren rijbewijzen moeten worden vervangen door plastic rijbewijzen. Als Letland dit kan, kunnen andere landen dat volgens mij ook. Als we een gemeenschappelijke interne markt en een vrij verkeer van werknemers hebben, is het moeilijk te begrijpen waarom we geen uniform stelsel voor het verkrijgen van een rijbewijs, met gezondheidseisen en vergelijkbare zaken, zouden kunnen aannemen, want elke bestuurder in de Europese Unie kan problematische verkeerssituaties in een ander land van de Europese Unie veroorzaken. Ik krijg ook de indruk dat zowel de Commissie als het Parlement strikter hadden kunnen zijn op het punt van de microchips en hun gebruik, en dat ze hadden kunnen vasthouden aan een verplichting om deze in de afzienbare toekomst in te voeren. Ik hoop van harte dat we morgen in de eerste lezing vóór dit aanbevelenswaardige voorstel voor een richtlijn zullen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Romagnoli (NI). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, we bespreken in deze zaal een onderwerp dat veel inspanningen heeft gevergd van de Commissie vervoer en de rapporteur, de heer Grosch, die ik bedank voor zijn uitvoerig en pertinent verslag, waar ik het, op een aantal punten na, in grote lijnen mee eens ben.

Afgevaardigde Sterckx bevestigde dat wij ons allemaal kunnen vinden in de doelstellingen van één algemeen model, hoewel er natuurlijk onderlinge verschillen blijven bestaan. Hij refereerde in het bijzonder aan het administratief vernieuwen van het rijbewijs voor ouderen. Het betreft hier naar mijn mening een thema dat in zijn geheel meer aandacht moet krijgen. Een voorbeeld: ik bedrijf de vliegsport in een absoluut veilig, ongemotoriseerd vliegtuig. Ik denk dat ik, mocht ik een ongeluk krijgen, geen andere slachtoffers kan maken dan mijzelf en op z’n hoogst een tweede passagier. Ondanks dit feit ben ik in Italië onderworpen aan een verplichte verzekering, een verplichte tweejaarlijkse medische keuring en een reeks administratieve en andere verplichtingen die, eerlijk gezegd, niet in verhouding staan tot het sociale risico dat het gebruik van een auto met zich meebrengt, een vervoermiddel dat in geval van een ongeluk een enorm bloedbad aan kan richten. Behoedzaamheid in deze is derhalve geboden.

Het gaat er dus om een sector te harmoniseren die van grote invloed is op het leven van de burgers, met evidente implicaties van sociale aard met betrekking tot de veiligheid en het gedrag van de weggebruikers. Daarom is het noodzakelijk om naast de erkenning van het document - het is immers niet slechts een kwestie van het simpelweg vervangen van een papieren document door een plastic exemplaar - ook de verschillende rijstijlen te erkennen. Om dat te bereiken zullen we onze politieambtenaren in staat moeten stellen om met zekerheid de bestuurder te kunnen identificeren die de verkeersregels overtreedt.

Verder wil ik nog in het bijzonder stil staan bij de amendementen die ik samen met een aantal collega’s heb ingediend met betrekking tot de invoering van een AM-rijbewijs voor bromfietsen. Ik denk dat we blij mogen zijn met al die mensen die voor het vervoer op twee wielen kiezen, omdat deze manier van vervoer, vooral in het zuiden van Europa, bijdraagt tot het oplossen van de serieuze verkeersproblematiek. Daarnaast is het gebruik van de bromfiets minder belastend voor het milieu en wordt daarmee een bijdrage geleverd aan een grotere leefbaarheid van de steden, vooral de oude steden waar het stratennetwerk niet is aangepast aan de moderne omstandigheden.

Eventueel gevaarlijk weggebruik wordt bestraft en bestreden; de middelen daartoe zijn aanwezig. Het benadelen van het gebruik van de bromfiets echter, zoals deze richtlijn deels doet, is naar mijn mening niet alleen schadelijk voor onze economie, maar ook voor de kwaliteit van ons leven in het algemeen.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE). - (PT) Ten eerste zou ik onze collega Grosch willen feliciteren met zijn verslag. Mijn belangrijkste zorg bij dit debat is te voorkomen dat het goede idee om een Europees rijbewijs te realiseren beschadigd wordt door overdreven regelgeving met meer lasten en problemen voor de automobilisten als gevolg.

Het is een positief idee, want het vrij verkeer voor de burgers wordt steeds effectiever, en dus is het noodzakelijk de basisregels te harmoniseren. Dat moet gunstig uitvallen voor de verkeersveiligheid, de verkeersveiligheid stimuleren, fraude met valse rijbewijzen voorkomen en controle op de overtreders mogelijk maken zodat automobilisten wier rijbewijs in een bepaalde lidstaat is ingetrokken niet op eenvoudige wijze in een andere lidstaat een nieuw rijbewijs kunnen krijgen.

Deze boodschap is eenvoudig en makkelijk te begrijpen voor degenen voor wie hij bestemd is, en de burgers zullen zich er zeker zonder problemen achter scharen.

Er ontstaat echter een probleem wanneer de regelgevingdrang zich stort op een goed idee en op een onmiskenbaar positief politiek initiatief. Wij dienen te vermijden dat via een positieve maatregel en uit naam van aanvechtbare keuzes er door regelgeving en bureaucratie nog meer rompslomp ontstaat, de kosten voor de automobilisten toenemen, er nationale beperkingen komen voor degenen die een rijbewijs willen halen voor een motor, enzovoort. Op die manier respecteren wij niet op de juiste manier het subsidiariteitsbeginsel en de praktijken die de lidstaten op legitieme wijze hebben vastgesteld. Zo ontstaan uiteindelijk - soms onmerkbare - obstakels voor de uitoefening van de door de Europese automobilisten verworven rechten, in weerwil van de verklaringen van het tegendeel die wij ongetwijfeld allemaal zullen afleggen.

Dat zijn trouwens de belangrijkste redenen die mij bewogen hebben een pakket amendementen in te dienen op dit verslag, teneinde het leven van de burgers en degenen die in het wegvervoer werkzaam zijn gemakkelijker te maken en tegelijkertijd het wegverkeer veiliger te maken. Het gaat uiteindelijk om de realisering van de belangrijkste van de vier Europese vrijheden: de vrijheid van verkeer.

 
  
MPphoto
 
 

  Piecyk (PSE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik ben blij dat u de vergadering leidt, omdat ik weet dat u behoedzaam en veilig autorijdt en zeer veel belangstelling hebt voor de verkeersveiligheid als geheel.

Helaas is het nu eenmaal zo dat er in de EU met rijbewijzen gesjoemeld, geknoeid en gefraudeerd wordt. Die situatie wordt in de hand gewerkt doordat we op dit moment in Europa 110 verschillende modellen kennen, en laten we eerlijk zijn: juist in Duitsland hebben velen nog het beroemde zogenaamde grijze vod, dat af en toe ook al met de wasmachine kennis heeft gemaakt. Dit grijze vod - met jeugdfoto - mag voor de eigenaar een dierbaar souvenir zijn, voor de identificatie bij een verkeerscontrole deugt het in geen geval.

Zoals u weet was mijn eerste beroep politieagent. Wat moet de arme politieman in Palermo, Bordeaux, Madrid of waar dan ook, wanneer hij bij een verkeerscontrole een verfomfaaid stuk papier onder zijn neus krijgt, waarmee niemand meer iets mee kan beginnen? Als ons uitgangspunt is dat jonge mensen nu een plastic rijbewijs in creditcardformaat krijgen, dan is het toch beslist niet teveel gevraagd om het oude vod in te ruilen. Daarbij geldt ook nog een zeer lange overgangstermijn. De rapporteur heeft daarvoor een heel goed voorstel gedaan.

Beste collega Jarzembowski, gedwongen inruil - we hebben die situatie in de DDR onder een dwangregime meegemaakt -, Zwangsumtausch is in het Duits een woord dat werd gebruikt wanneer men geld, de Duitse mark, in Oost-Duitse marken moest omwisselen. We moeten op onze woorden letten wanneer we het over regelingen voor Europa hebben. Laten we in de communicatie een beetje voorzichtig met elkaar omgaan.

De rapporteur heeft, zoals gezegd, een zeer goed voorstel gedaan, waarvoor ik hem wil danken.

Een laatste punt dat al genoemd werd: we moeten nu eindelijk eens het rijbewijstoerisme een halt toeroepen. Wie tegenwoordig in Duitsland zijn rijbevoegdheid kwijtraakt en vervolgens ook niet door de medisch-psychologische keuring heen komt - in Duitsland in de volksmond de “idiotentest” genoemd -, gaat naar Tsjechië of een ander land en krijgt daar via een truc met de verblijfsvergunning voor weinig geld een nieuw rijbewijs. Die situatie kan in Europa niet voortduren. Daaraan willen we met de richtlijn een eind maken en daarom hoop ik morgen bij de stemming op een grote meerderheid voor collega Grosch, ook met de stemmen van de EVP.

 
  
MPphoto
 
 

  Costa, Paolo (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, ik was en ben blij met het voorstel van de Commissie en het verslag van de rapporteur, de heer Grosch, over de harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot het rijbewijs. Ik ben het eens met de doelstellingen: fraude met rijbewijzen moet worden bestreden maar bovenal moet er een instrument in het leven worden geroepen waarmee wij het vrij verkeer van de burgers in de Unie kunnen bevorderen en aan een grotere verkeersveiligheid kunnen bijdragen.

Tegenwoordig verplaatst de Europese burger zich met groot gemak over het Europese wegennet. Het is echter onvoorstelbaar dat deze weggebruikers, die hun rijbevoegdheid op uiteenlopende wijze en op grond van sterk uiteenlopende vereisten hebben verkregen, van hetzelfde wegennet gebruik mogen maken. Dit is een klassiek geval waarin in feite het subsidiariteitsbeginsel onmogelijk toe te passen is. En dan heb ik het in het bijzonder over de wegen in mijn eigen land, Italië, in de zomerperiode.

Het op uiteenlopende manier toepassen van dezelfde regels is ondenkbaar, omdat de personen en de context telkens verschillen. Vandaag de dag is het Europa van de automobilist en het Europa van het wegtransport één van de best geïntegreerde aspecten die om harmonisatiemaatregelen, zo niet uniforme maatregelen vragen.

Als wij met het beleid van afgifte en vernieuwing van het rijbewijs - in het kader van de doelstelling van de Unie met betrekking tot het verhogen van de verkeersveiligheid en het halveren van het aantal verkeersslachtoffers voor 2010 - ook maar het geringste succes boeken bij het verbeteren van de rijvaardigheid en de controle op de lichamelijke en psychische gesteldheid van de bestuurder, en als wij met dit beleid ook maar een minimale bijdrage kunnen leveren aan een verhoogde verkeersveiligheid in Europa, ben ik het hier van harte mee eens.

Vanuit dit oogpunt - en zeker niet uit liefde voor de bureaucratische rompslomp - zij erop gewezen hoe belangrijk het is dat nieuw afgegeven rijbewijzen regelmatig worden vernieuwd, maar ook dat de reeds in omloop zijnde exemplaren geleidelijk aan worden vervangen. Voor het verwerven en onderhouden van de rijvaardigheid zal overeenstemming moeten worden bereikt over een verplichte scholing en daarmee samenhangende examens. Daarnaast zal overeenstemming moeten worden bereikt over het idee om de afgifte en vernieuwing van de rijbewijzen te relateren aan een minimale fysieke en psychische gezondheidsverklaring van de potentiële bestuurder.

Als het gezond verstand van ons verlangt dat wij op al deze punten de richting uitgaan van een uniforme regelgeving, dan zou er voor het bromfietsrijbewijs, een vervoermiddel waarvan op uiteenlopende wijze gebruik wordt gemaakt binnen de afzonderlijke lidstaten, mogelijk een uitzondering gemaakt kunnen worden op grond van de subsidiariteit. In dat opzicht wijs ik er op dat in een aantal Europese landen de regelgeving voor het gebruik van een bromfiets verder gevorderd is dan in andere landen. Het gebruik van de bromfiets bevordert de mobiliteit in de stadscentra en kan de toegang tot het gebruik van een zwaardere motorfiets bevorderen, hetgeen een van de aantrekkelijkste kenmerken is van de richtlijn in kwestie.

Daarom denk ik dat we ook zouden kunnen instemmen met het gelijkstellen van de rijbewijzen in de categorie B en AM, om zo naast het gebruik van de auto ook het gebruik van de bromfiets te bevorderen, met name in de belangrijkste stadscentra.

 
  
MPphoto
 
 

  Lichtenberger (Verts/ALE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, beste collega’s, ook ik wil aan het begin van mijn bijdrage collega Grosch nog eens bedanken. Hij heeft met zijn voorstellen een goede balans weten te vinden in de hoeveelheid regelingen. Daardoor was het voor ons mogelijk om over een groot aantal vraagstukken een zeer brede consensus te bereiken.

Ik kan echter weinig begrip opbrengen voor de houding van de conservatieven of van de heer Jarzembowski, die het inruilen tegen het Europees rijbewijs met een overgangstermijn van zeventig jaar wil belasten. Ik vraag u nu echt: als het om een regeling voor de interne markt zou gaan, zou een overgangstermijn van meer dan tien jaar niet eens worden overwogen. Op dit terrein beweegt men zich veel te veel in de richting van een wat al te goedkoop populisme.

Er is echter nog een belangrijk punt dat we voor ogen moeten houden: de bij- en nascholing dient een centrale en belangrijke doelstelling te zijn.

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 
 

  Blokland (IND/DEM). - Voorzitter, wanneer mensen het recht hebben verworven een motorvoertuig te besturen, dienen zij dat normaal gesproken, zolang daartegen geen fysieke of wettelijke bezwaren zijn, te behouden. Ik denk niet dat daarover in dit Huis wordt getwijfeld.

Waar we wel aan twijfelen is de vorm waarin de burgers daarmee worden geconfronteerd. Meer concreet, de normen voor het verkrijgen en het behouden van dat recht in de vorm van een rijbewijs. Daarnaast functioneren rijbewijzen regelmatig ook als identificatiemateriaal. Dat maakt ook verificatieaspecten van belang. Ik ben van mening dat we uiterst zorgvuldig moeten zijn bij het vaststellen van iemands identiteit, zeker wanneer het een onbekende betreft. Misbruik van legitimatiebewijzen blijkt niet altijd even bevorderlijk voor een duurzame samenleving. Daarom is een up to date legitimatiebewijs een must, zowel visueel als technologisch.

Rijvaardigheid kan in mijn optiek in aanzienlijke mate bijdragen aan de reductie van het aantal verkeersslachtoffers. Omdat reduceren begint met preventie, is het van uitermate groot belang dat chauffeurs zowel fysiek als mentaal in theorie en praktijk in staat zijn op een goede manier aan het verkeer deel te nemen. Daar mogen best eisen aan worden gesteld, aan alle chauffeurs. Die eisen dienen de geschiktheid van de houder te waarborgen. Het verslag van collega Grosch stelt mij op deze punten voor een groot deel gerust, waarvoor mijn dank.

 
  
MPphoto
 
 

  Mote (NI). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, als de Duitsers een probleem hebben met hun rijbewijzen, wat weerhoudt de Duitse regering er dan van dit probleem op te lossen? Evenzo, als we het hebben over de veiligheid op de weg, wat weerhoudt de Portugese en Italiaanse regering er dan van de veiligheid op hun wegen te verbeteren? In het Verenigd Koninkrijk hebben we enkele van de drukste en enkele van de veiligste wegen in heel West-Europa. Toch worden we nu geconfronteerd met het vooruitzicht rijbewijzen te moeten harmoniseren, en dit verslag maakt duidelijk dat harmonisatie van de boetes voor verkeersovertredingen niet lang kan uitblijven.

Wanneer je kijkt naar de schandelijke behandeling van gewone toeristen die tijdens hun vakantie in Griekenland vliegtuigen spotten, weten we nu wat pan-Europese justitie kan betekenen! Dat betrof slechts een paar onfortuinlijke mensen, maar bijna iedereen in Groot-Brittannië rijdt auto. Als nationale rechtbanken de bevoegdheid wordt gegeven om boetes op te leggen op rijbewijzen die in een ander land zijn afgegeven, zal er, bij het vooruitzicht dat een Griekse rechtbank een Britse bestuurder zal verbieden of zal proberen te verbieden in Groot-Brittannië te rijden, een ruzie ontstaan zoals zelfs u die nog niet hebt meegemaakt van Groot-Brittannië!

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dames en heren, zoals u weet, is het nu tijd voor het vragenuur. Ik moet dit debat dan ook nu onderbreken. Het zal worden voortgezet om 21.00 uur.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER OUZKÝ
Ondervoorzitter

 

15. Vragenuur (Commissie)
MPphoto
 
 

  Voorzitter. - Aan de orde is het vragenuur voor vragen aan de Commissie (B6-0009/2005).

We zullen een aantal vragen aan de Commissie behandelen.

Eerste deel

Vragen aan commissaris McCreevy

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 41 van mevrouw Batzeli (H-0046/05)

Betreft: Dienstverlening door bouwbedrijven in het kader van het voorstel voor een richtlijn COM(2004)0002/def.

Onder het toepassingsgebied van het voorstel voor een richtlijn betreffende de harmonisatie van diensten op de interne markt vallen onder andere diensten in de bouw, architecten en technische diensten, alsook de audiovisuele diensten die niet zijn afgedekt door het communautair meerjarenprogramma voor de audiovisuele sector.

In de richtlijn wordt voor grensoverschrijdende diensten waarbij de dienstverlener niet in het land van de afnemer is gevestigd groot belang toegekend aan het oorsprongslandbeginsel. Daarnaast streeft de richtlijn naar de totstandbrenging van een open interne markt en de toepassing van het beginsel van niet-discriminatie. Mogen dienstverleners in de bouw, architecten en aanbieders van technische diensten in de lidstaat van vestiging diensten verlenen of aan openbare aanbestedingen voor openbare werken deelnemen indien ze mogelijkerwijs ook als partner betrokken zijn bij audiovisuele diensten in het land van oorsprong, hetgeen geen reden is om ze uit te sluiten van het verlenen van diensten in de privé-sector?

 
  
MPphoto
 
 

  McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Ik wil eerst zeggen dat dit eigenlijk een vraag is over overheidsaanbestedingen en niet over de dienstenrichtlijn.

Ten eerste moet worden opgemerkt dat het, met betrekking tot de deelname aan procedures voor de gunning van contracten voor openbare werken, niet in strijd is met het gemeenschapsrecht dat technische ondernemingen, architectenbureaus of bouwbedrijven die aandelen hebben in andere bedrijven die audiovisuele diensten aanbieden in een lidstaat, met inbegrip van de lidstaten van vestiging, in een van de lidstaten aan zulke procedures deelnemen, met inbegrip van de lidstaat waarin ze zijn gevestigd.

De communautaire wetgeving inzake overheidsaanbestedingen bevat een uitputtende lijst van criteria om bedrijven uit te sluiten van contracten voor overheidsopdrachten, bijvoorbeeld wanneer een bedrijf wordt beëindigd, wanneer de managers van het bedrijf betrokken zijn geweest bij bewezen wanbeheer, of wanneer belastings- of socialezekerheidsverplichtingen niet zijn nagekomen. De lidstaten mogen aan deze lijst geen criteria toevoegen. Met betrekking tot de voorgestelde dienstenrichtlijn kan de Commissie bevestigen dat al deze diensten binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen.

Bepaalde lidstaten leggen inderdaad aan multidisciplinaire activiteiten beperkingen op. Deze beperkingen betreffen ofwel de vrijheid van vestiging of de grensoverschrijdende dienstverlening. Met het oog op de aanpak van dit soort potentiële obstakels bepaalt artikel 30 van het voorstel dat de lidstaten erop moeten toezien dat aan de dienstverleners geen eisen gesteld worden waardoor zij gedwongen zouden worden uitsluitend een bepaalde, specifieke activiteit uit te oefenen of waardoor het gezamenlijk of in partnerschap uitoefenen van verschillende activiteiten zou worden beperkt.

Er worden evenwel uitzonderingen gemaakt voor beoefenaren van gereglementeerde beroepen en dienstverleners wier diensten bestaan uit certificering, accreditatie, technische controle, tests of proeven. Wanneer multidisciplinaire activiteiten zijn toegestaan, moeten de lidstaten erop toezien dat belangenconflicten en onverenigbaarheden tussen bepaalde activiteiten worden voorkomen, dat de voor deze activiteiten vereiste onafhankelijkheid en onpartijdigheid gewaarborgd zijn, en dat de ethische vereisten voor de verschillende activiteiten onderling verenigbaar zijn, met name wat het beroepsgeheim betreft. Deze eisen worden onderworpen aan wederzijdse beoordeling door de lidstaten en de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Batzeli (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de commissaris bedanken voor zijn duidelijke antwoord op mijn vraag. Ik wil hieraan toevoegen dat met de beperkingen die met Griekse wetgeving, met de zogenaamde wet inzake de basisaandeelhouder, worden opgelegd, niet alleen bouwbedrijven worden getroffen, zoals ik mijn vraag al aangaf, maar alle economische sectoren waarin de diensten worden verleend die vallen onder de richtlijn van de Commissie, zoals voeding, reclame, toerisme, architectenbureaus en natuurlijke en rechtspersonen. Ik ben van mening dat een aanpassing in die richting moet plaatsvinden en ik dank u hartelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Ik dank de geachte afgevaardigde voor haar aanvulling. Wat in de dienstenrichtlijn staat, verandert niets aan het probleem waarop de geachte afgevaardigde heeft gewezen, en de Commissie is zich goed bewust van het relevante wetgevingskader in Griekenland. De Commissie heeft contact met de autoriteiten daar en onderzoekt momenteel de hele situatie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr.42 van de heer Protasiewicz (H-0092/05)

Betreft: Discriminatie van Poolse werknemers op de binnenmarkt van de EU

Op de binnenmarkt van de EU is sprake van ongelijke behandeling van Poolse bedrijven en werknemers, die bij de uitoefening van hun activiteiten op ongegronde hindernissen stuiten. Is de Europese Commissie op de hoogte van gevallen van discriminatie en voorschriften die strijdig zijn met de Verdragen (Toetredingsverdrag, Bijlage XII, Vrij verkeer van personen, paragraaf 13 a, en meer in het bijzonder de overgangsregels op het gebied van het vrij verkeer van personen), zoals die voorkomen in het nationale recht van de lidstaten Oostenrijk, Nederland en Italië, die dergelijke discriminatoire praktijken mogelijk maken? Ook zijn er gevallen waarin Duitsland artikel 49, lid 1 van het EG-Verdrag heeft geschonden, evenals artikel 1 van richtlijn 96/71/EG(1) betreffende de terbeschikkingstelling van tijdelijke werknemers door uitzendbureaus. Welke stappen heeft de Commissie genomen, of denkt zij nog te nemen, om een einde te maken aan deze discriminatoire praktijken?

 
  
MPphoto
 
 

  McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Wat de vrijheid van dienstverlening betreft, is de Commissie op de hoogte gebracht van de problemen waarmee bedrijven uit de nieuwe lidstaten worden geconfronteerd die hun werknemers naar Nederland uitzenden. Er zijn diverse klachten ontvangen. De Commissie onderzoekt de zaak momenteel en wil verzekeren dat de vrijheid van dienstverlening, zoals bepaald in artikel 49 van het Verdrag, wordt gerespecteerd en dat eventuele ongerechtvaardigde hindernissen worden weggenomen.

De Commissie is zich niet bewust van gevallen waarin Poolse bedrijven die actief zijn in Italië, Duitsland of andere lidstaten, zouden zijn gediscrimineerd. Zulke klachten zijn bij de Commissie niet ingediend. De Commissie stelt momenteel evenwel brieven op aan de betrokken lidstaten met een verzoek om nadere informatie, teneinde te kunnen vaststellen of de EU-voorschriften mogelijk zijn overtreden. De Commissie zal de situatie in elke lidstaat beoordelen in het licht van de verstrekte informatie, en zal daarna een besluit nemen over de aangewezen maatregelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Protasiewicz (PPE-DE). - (PL) Dank u wel, mijnheer de Voorzitter, dank u wel, mijnheer de commissaris. Ik wil de commissaris erop wijzen dat wij in Polen over rapporten beschikken, waaronder ook rapporten van de regering, waaruit blijkt dat de wet in drie EU-lidstaten nog altijd geen rekening houdt met het feit dat de Europese Unie sinds 1 mei is uitgebreid. Ondernemers uit de nieuwe lidstaten worden hier behandeld volgens de regels van vóór 1 mei 2004. Daarnaast garandeert de praktijk in zeven andere lidstaten aan de ondernemingen uit de nieuwe lidstaten, waaronder ook Polen, het beginsel van het vrije verkeer van personen en diensten niet, evenmin als de vrijheid om in de interne markt economische activiteiten te ontplooien. Ik kan de commissaris met plezier concrete voorbeelden bezorgen. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) De burgers en bedrijven van de EU moeten vertrouwen hebben in het wetgevingskader van de EU om een positief beeld van de Gemeenschap te behouden. De Verdragsbepalingen inzake vrij verkeer zijn fundamenteel voor de EU en behoren tot de grootste voordelen van het lidmaatschap van de EU. De Commissie geeft bijgevolg de hoogste prioriteit aan handhaving van de integriteit van de interne markt en onderzoekt alle klachten zorgvuldig en op exact dezelfde manier, ongeacht waar ze vandaan komen of op welke lidstaat ze betrekking hebben.

De Commissie is zich bewust van het feit dat enkele lidstaten nationale maatregelen hebben genomen die niet in overeenstemming zijn met de in het Toetredingsverdrag opgenomen overgangsbepalingen voor vrij verkeer van werknemers. De Commissie onderzoekt deze zaken en zal, conform haar verantwoordelijkheid als hoedster van de Verdragen, contact opnemen met de betrokken lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Harbour (PPE-DE). - (EN) In het licht van de vraag van onze Poolse collega, wil ik commissaris McCreevy vragen of hij het niet met me eens is dat dit exact het soort probleem is dat volledig wordt behandeld in het voorstel voor een richtlijn betreffende de interne markt voor diensten. Misschien kan hij deze gelegenheid benutten om iets te bevestigen dat ik deze week in een onafhankelijk rapport heb gelezen, namelijk dat deze richtlijn de prijzen zal verlagen, de productie in de Europese Unie zal verhogen, 600.000 nieuwe banen zal scheppen en de handel in diensten zal vergroten. Kan de commissaris daarom definitief zijn ondubbelzinnige steun aan deze richtlijn bevestigen, alsmede zijn bereidheid om met ons in het Parlement samen te werken, zodat de richtlijn vlot en soepel wordt aangenomen?

 
  
MPphoto
 
 

  McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Het is ongetwijfeld waar dat elke impuls die op het gebied van de diensten in de EU kan worden gegeven, groot economisch effect zal hebben. Zoals de lidstaten weten, komt ongeveer 70 procent van het BBP van de Unie uit de dienstensector. Elke manier om de dienstensector fors te stimuleren, zal daarom een groot effect hebben op de werkgelegenheid. De dienstenrichtlijn is een poging om dit specifieke gebied toegankelijk te maken en dat grote economische effect te verwezenlijken.

Ik ben me bewust van de verschillende studies die zijn uitgevoerd naar het aantal banen dat zou kunnen worden geschapen. Zoals de afgevaardigde echter ook goed weet, heeft de ontwerprichtlijn inzake diensten geleid tot een enorme discussie binnen de lidstaten en in alle gebieden binnen de EU. Verder weet hij dat ik met de leden van het Europees Parlement samenwerk. Ik hoop dat we, wanneer de dienstenrichtlijn de verschillende stadia doorloopt, ervoor kunnen zorgen dat de richtlijn een heel positief economisch effect zal hebben, en rekening zal houden met de gerechtvaardigde zorgen van de parlementariërs en anderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte dames en heren, mijn vraag is of de uitzendrichtlijn wel van toepassing is op uitzendbureaus die werknemers ter beschikking stellen. Of bestaat soms het gevaar dat men voortaan gebruik gaat maken van schijncontracten of contracten die de richtlijn omzeilen.

 
  
MPphoto
 
 

  McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Wij moeten ons houden aan het standpunt dat is overeengekomen toen de toetredingslanden lid werden. Als enkele lidstaten een beroep doen op andere procedures die niet in overeenstemming zijn met de toetredingsbepalingen, zal de Commissie deze achterhalen en actie ondernemen.

Het is waar dat enkele lidstaten speciale bepalingen hebben bedongen. Als zij in overeenstemming met deze bepalingen handelen, is er geen enkel probleem, maar als andere lidstaten dat niet doen, moet actie worden ondernomen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 43 van de heer Van Hecke (H-0050/05)

Betreft: Dumping en onregelmatige invoer uit Oekraïne, fraude met oorsprongscertificaten

PET (plastic) flessen worden gemaakt uit zogenaamde preforms. In de Europese Unie geldt een algemene invoerheffing op deze preforms van 6,5%. Voor een aantal landen, waaronder Oekraïne, geeft de EU een preferentieel gunsttarief van 0% indien voor deze preforms een oorsprongscertificaat kan worden voorgelegd (het zogenaamde FormA). Voor Oekraïne betekent dit dat in dat geval deze preforms gemaakt zijn uit materiaal afkomstig uit Oekraïne of minstens elders uit Europa.

Het is mij bekend dat thans preforms vanuit Oekraïne in de Europese Unie worden ingevoerd, met het FormA (oorsprongscertificaat), aan zodanig lage prijzen, dat het onmogelijk is om met de huidige Europese grondstofprijzen aan dergelijk lage prijzen te leveren. Er moet dus sprake zijn van dumping en/of fraude met oorsprongscertificaten (waarbij materiaal uit Azië wordt gebruikt) om zo de invoerrechten te ontduiken, ten nadele van andere leveranciers. Heeft de Commissie hier kennis van? Zal zij dit onderzoeken en er consequenties aan verbinden? Zal zij dit ter sprake brengen met de autoriteiten uit Oekraïne en desgevallend OLAF inschakelen?

 
  
MPphoto
 
 

  Kovács, lid van de Commissie. - (EN) De informatie in de vraag kan op minstens drie verschillende, mogelijke problemen slaan, die alle drie anders moeten worden aangepakt. Als er sprake is van ontduiking via Oekraïne van anti-dumping- en/of anti-subsidiemaatregelen die zijn opgelegd in een aantal derde landen, zoals Australië, China, India, Indonesië, Korea, Maleisië en diverse andere landen, moeten de producenten uit de Gemeenschap een verzoek indienen tot opening van een onderzoek naar de ontduiking, overeenkomstig de relevante bepalingen van de basisverordening inzake anti-dumping en de basisverordening inzake anti-subsidie.

Als het product van Oekraïense oorsprong is en op de markt van de Gemeenschap wordt geïmporteerd tegen dumpprijzen, zodat producenten uit de Gemeenschap nadeel ondervinden, worden de laatste aangemoedigd een verzoek te doen tot opening van een nieuw anti-dumpingonderzoek overeenkomstig de relevante bepalingen van de basisverordening anti-dumping en de basisverordening anti-subsidie.

De diensten van de Commissie voor de verdediging van de handel zullen producenten graag uitleg geven over de relevante eisen en procedures in verband met anti-dumpingmaatregelen.

Als het gaat om vervalsing van oorsprongcertificaten, moeten de douaneautoriteiten en de EU-dienst voor fraudebestrijding, OLAF, worden verzocht actie te ondernemen. De verantwoordelijkheid van OLAF voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschap omvat ook het onderzoeken van onregelmatigheden en illegale handel in het kader van de bestaande communautaire wetgeving. Dit omvat alle eventuele onregelmatigheden die zijn aangegeven in de communautaire anti-dumping- en anti-subsidiewetgeving. Ik voeg hieraan toe dat er momenteel geen onderzoeken op dit gebied lopen, en dat OLAF geen gegevens over deze situatie heeft. OLAF heeft echter goede werkrelaties met de douaneautoriteiten van Oekraïne.

Tot slot herhaal ik nog eens dat de Commissie dankbaar is voor de informatie die de afgevaardigde heeft gegeven, en zij zal alle relevante informatie onderzoeken die door de Europese industrie wordt verstrekt. Op basis van deze informatie zal zij passende maatregelen nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Hecke (ALDE). - Dank u Voorzitter en dank u Commissaris voor het zeer omstandig antwoord. Sinds ik de vraag heb ingediend, heb ik vanuit diverse hoek inderdaad bevestiging gekregen dat het hier zou gaan om een vrij systematische praktijk op een dergelijke grote schaal, dat Europese producenten van petflessen hierdoor enorme schade ondervinden. Het lijkt mij dus inderdaad wel van belang dat de Commissie aan Olaf vraagt om een onderzoek in te stellen. Ik kan de Commissaris trouwens meedelen dat de Europese producenten conform de procedures een verzoek hebben ingediend tot herziening van de anti-dumpingwetgeving. Mijn vraag is dus eigenlijk heel concreet, mijnheer de Commissaris, bent u, gezien de ernst van de situatie en de gevolgen die het kan hebben voor de sector bij ons, bereid om hier een snelle follow-up aan te geven?

 
  
MPphoto
 
 

  Kovács, lid van de Commissie. - (EN) Zoals de geachte afgevaardigde weet, valt dit onder de portefeuille van commissaris Mandelson, dus ik kan geen gedetailleerd antwoord geven op de aanvullende vraag. Ik kan echter wel toezeggen dat ik mijn collega zal informeren, en als hij dat passend acht, zal hij zeker een onderzoek naar de zaak beginnen.

 
  
  

Tweede deel

Vragen aan commissaris Kovács

De Voorzitter. - Bij ontstentenis van de vraagsteller komt vraag nr. 44 te vervallen.

Vragen aan commissaris Barrot

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 45 van de heer Posselt (H-0575/04)

Betreft: Trans-Europese hogesnelheidstreinverbinding

Welke maatregelen overweegt de Commissie om de trans-Europese hogesnelheidstreinverbinding Parijs-Straatsburg-München-Boedapest verder te ontwikkelen?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) In mijn antwoord op deze eerste vraag wil ik nader ingaan op de totstandbrenging van de trans-Europese hogesnelheidslijn. Ik wil de heer Posselt het volgende antwoorden. De trans-Europese treinverbinding Parijs-Straatsburg-München-Boedapest behoort tot de dertig prioritaire projecten van het trans-Europese netwerk die het Europees Parlement en de Raad op 29 april 2004 hebben vastgesteld. Het gaat hier in feite om de prioritaire projecten nr. 4 “Hogesnelheidsspoorwegas Oost” en nr. 17 “Spoorwegas Parijs-Straatsburg-Stuttgart-Wenen-Brastislava”. Een deel van de projecten van gemeenschappelijk belang op deze as bevindt zich in een vergevorderd stadium van voorbereiding of uitvoering, met name de hogesnelheidsspoorwegas Oost, tussen Vaires en Baudrecourt, of de ontwikkeling van de Donau-spoorwegas, tussen Salzburg en Wenen. Andere projecten daarentegen, vooral de grensoverschrijdende gedeelten tussen de lidstaten - Frankrijk-Duitsland, Duitsland-Oostenrijk -, lopen aanzienlijke vertraging op, met name om financiële redenen.

Mijnheer de Voorzitter, om de inspanningen van de verschillende openbare en particuliere partners op nationaal en regionaal niveau, die bij dit project betrokken zijn, beter te kunnen coördineren, is de Commissie van plan een Europese coördinator aan te wijzen. Ik vertrouw erop dat ik de benoeming van deze coördinator binnenkort zelf aan de Commissie kan voorleggen. De Commissie levert al sinds een aantal jaren significante bijdragen aan de financiering van de projecten. Zo is er 315 miljoen euro toegekend aan het project voor de trans-Europese treinverbinding in Duitsland en Oostenrijk, uit hoofde van de begrotingslijn voor de trans-Europese vervoersnetwerken. Voor 2005 en 2006 is er 66 miljoen euro extra voorzien en voor de periode 2007-2013 heeft de Commissie voorgesteld het trans-Europese vervoersnetwerk op 20 miljoen euro te begroten.

Mijnheer de Voorzitter, om een project als de trans-Europese treinverbinding te kunnen bespoedigen is het natuurlijk strikt noodzakelijk dit voorstel met het aangegeven begrotingsniveau goed te keuren. U beseft dus dat ik van harte wens dat de financiële vooruitzichten, zoals deze door de Commissie zijn voorgesteld, door onze lidstaten worden goedgekeurd.

 
  
MPphoto
 
 

  Posselt (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, laat ik eerst zeggen dat ik blij ben met het uiterst concrete antwoord van de commissaris en ook met het feit dat hij die coördinator wil aanstellen. Daar is mij veel aan gelegen, anders blijft deze belangrijke verbinding, die vervolgens ook naar Praag of naar elders kan worden doorgetrokken, een luchtkasteel. Daarom vind ik dat we er vaart achter moeten zetten.

Ik heb echter nog twee heel concrete vragen aan de commissaris. Ten eerste: hoe staat het met de planning ten aanzien van de brug over de Rijn tussen Straatsburg en Kehl, een enkelsporige verbinding waaraan de hoogste prioriteit moet worden gegeven? Dit is een klein, maar belangrijk onderdeel van dit project. Ten tweede: wat kunt u zeggen over de verbindingsas Brussel-Luxemburg-Straatsburg waarover ook wordt gepraat?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Ik dank u voor uw pertinente vragen, mijnheer Posselt. Tijdens de herziening van de richtsnoeren in april 2004 werden de trajecten van het oostelijk deel van de hoofdlijn tussen Stuttgart, München, Salzburg, Wenen, Bratislava en Boedapest toegevoegd, namelijk de trajecten Baudrecourt, Straatsburg, Stuttgart en de Kehl-brug over de Rijn, prioritair project nr. 17.

De werkzaamheden tussen Baudrecourt en Straatsburg zouden rond 2010 moeten aanvangen. Zoals u hebt onderstreept, is de geplande Kehl-brug tussen Straatsburg en Appenweier een belangrijk knelpunt, waarvoor Duitsland en Frankrijk al eerder uiteenlopende prioriteiten hadden wat de planning betreft. Na een gemeenschappelijke verklaring van de Duitse en Franse regeringen lijkt het er nu op dat een en ander dusdanig kan worden gepland dat dit project voor 2010 zal worden afgerond.

Geachte afgevaardigde, ik hoop dat wij deze belangrijke prioriteit kunnen verwezenlijken en deze verbinding tot stand kunnen brengen tussen de beide lidstaten, Frankrijk en Duitsland en via deze landen met talrijke andere lidstaten. Heel Europa toont belangstelling voor dit project, en Straatsburg natuurlijk ook.

 
  
MPphoto
 
 

  Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, dames en heren, is het denkbaar, mijnheer de commissaris, dat de grensovergangen tussen de lidstaten voor een speciale subsidie in aanmerking komen, en is het eigenlijk noodzakelijk dat het traject uitsluitend als hogesnelheidslijn wordt aangelegd?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Afhankelijk van de financiële middelen die de Unie ontvangt, zullen wij beslist voorrang geven aan de verbindingen tussen de landen onderling. Ik sluit niet uit dat het subsidiepercentage voor dit soort operaties duidelijk hoger zal uitvallen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sonik (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de commissaris, u sprak over een spoorwegverbinding van Parijs naar Boedapest via Berlijn, Bratislava en Praag. Zijn er plannen voor een vergelijkbare verbinding van Parijs via Berlijn naar Warschau en verder naar het noorden en oosten van Europa?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Dat is natuurlijk precies de betekenis van de trans-Europese projecten, namelijk dat ze een corridor vormen. Het spreekt voor zich dat als ik de Commissie voorstel een coördinator te benoemen, de bedoeling hiervan juist is om te kijken hoe alle betreffende trajecten langs de corridor gaandeweg kunnen worden aangepakt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 46 van de heer Purvis (H-0002/05)

Betreft: Verkeersongevallen

Bestaat er enig bewijs voor de stelling dat automobilisten afkomstig uit landen waar links gereden wordt, vaker verkeersongelukken veroorzaken in landen waar rechts gereden wordt, in vergelijking tot de inwoners van die landen? En omgekeerd, dat automobilisten afkomstig uit landen waar rechts gereden wordt, vaker ongevallen veroorzaken in landen waar links gereden wordt? Hebben de hoogte van het aantal verkeersongevallen en de ernst van deze ongevallen in Europa te maken met het feit dat er in sommige landen links wordt gereden, en in andere rechts?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Ik wil de heer Purvis er allereerst op wijzen dat alles wat met verkeersongevallen samenhangt natuurlijk onze aandacht heeft en dat deze hele problematiek - zoals we zojuist hebben gezien bij de behandeling van het verslag over het rijbewijs - uitermate belangrijk is.

Noch de Commissie, noch de lidstaat die hier waarschijnlijk het meest mee te maken heeft, het Verenigd Koninkrijk, beschikken echter over statistieken waarmee rechtstreeks kan worden aangetoond dat er een risico is verbonden aan het links of rechts rijden. Over het geheel genomen is het aantal ongevallen in het Verenigd Koninkrijk waar automobilisten van het vasteland bij betrokken zijn - en omgekeerd - te beperkt om er statistische leringen en conclusies uit te kunnen trekken. Dit is het antwoord dat ik de heer Purvis kan geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Purvis (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de commissaris, u hebt de cijfers misschien niet, maar ik zie in de kranten in mijn kiesdistrict in Schotland echt maar al te vaak dat toeristen omkomen of gewond raken op de wegen in Schotland, vooral op wegen die regelmatig overgaan van tweebaans in vierbaans en weer terug in tweebaans.

Kan de commissaris geen cijfers hierover laten verzamelen om te zien of hier iets aan moet worden gedaan, mogelijk om de betrokken lidstaat aan te moedigen ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk van onze hoofdwegen vierbaans worden, bijvoorbeeld de hoofdweg van Perth naar Inverness? Ik zou ook graag willen weten of er plannen bestaan voor harmonisering van de kant van de weg waar we in Europa moeten rijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Ik kan de heer Purvis onomwonden zeggen dat in deze situatie het subsidiariteitsbeginsel geldt en dat het echt aan de lidstaat zelf is om te kijken of de infrastructuur moet worden verbeterd. Wat ik de heer Purvis hierover kan vertellen, is dat wij niet van plan zijn de rijrichting in de Europese Unie te harmoniseren gezien de buitensporige kosten van een dergelijke actie en de sterke toename van het aantal ongelukken dat in de overgangsfase te verwachten valt.

De verbeteringen die u suggereerden, getuigen van gezond verstand, en ik denk dat de bewuste lidstaat zijn best zou moeten doen om hiervoor een oplossing te vinden. In ieder geval is alles wat extra informatie verschaft over de oorzaken van ongevallen in Europa welkom voor de Commissie, die zich als taak heeft gesteld alle mogelijke maatregelen aan te bevelen waarmee het aantal verkeersdoden kan worden gehalveerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Schierhuber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, juist dat laatste antwoord van de commissaris op de aanvullende vraag van de heer Purvis zou ik nog even ter discussie willen stellen.

We weten allemaal dat iedere dode in het verkeer er één te veel is. Ik kom uit een lidstaat die subsidiariteit hoog in het vaandel draagt. Juist met het oog op uniforme regelingen - die we in het verkeer, zoals bij snelheidslimieten, ook nodig hebben - vind ik daarom dat de vraag aan de Commissie moet luiden of er eigenlijk sprake is van overleg of onderzoek, op grond waarvan men kan bepalen wat verstandig zou zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mevrouw Schierhuber, dit jaar loopt er een termijn af. In 2005 zijn we namelijk halverwege het tienjarig programma waarmee de Unie het aantal verkeersdoden met de helft wil verminderen. Het spreekt dus voor zich dat er dit jaar een algemene evaluatie zal worden gemaakt. Op dit ogenblik zijn wij bezig alle gegevens te verzamelen, en aan de hand daarvan kunnen wij in een tweede fase onze maatregelen intensiveren om deze ambitieuze, maar broodnodige doelstelling te halen en het aantal verkeersdoden op de wegen van de Unie te halveren. Ik dank u voor uw bezorgdheid, die door iedereen zou moeten worden gedeeld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 47 van de heer Papadimoulis (H-0006/05)

Betreft: Voorstel voor een richtlijn inzake havendiensten

In haar voorstel voor een richtlijn inzake havendiensten definieert de Commissie (COM(2004)0654/def.) nog preciezer dan in het verleden de term en de toepassing van "zelfafhandeling". Toch maken grote organisaties zoals de Europese federatie van transportarbeiders en de Europese organisatie voor zeehavens zich zorgen over mogelijke sociale onrust in de havens, het afschrikken van mogelijke investeerders en de daarmee gepaard gaande vermindering van het concurrentievermogen. Wat is de reactie van de Commissie op deze bezorgdheid van de syndicaten en hoe denkt zij ervoor te zorgen dat de werknemers die reeds zijn aangesloten bij een vakbond, niet het slachtoffer worden van discriminatie met werk- en inkomensverlies tot gevolg?

Wat is het antwoord van de Commissie op de beschuldiging van de hoger genoemde vakbondsorganisaties dat de bepaling inzake "zelfafhandeling" in strijd is met Overeenkomst 137 van de Internationale Arbeidsorganisatie inzake havenarbeid?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, wat de richtlijn inzake havendiensten betreft, wil ik de heer Papadimoulis antwoorden dat in de door de Commissie voorgestelde tekst de term “zelfafhandeling” en de toepassing ervan nog preciezer worden gedefinieerd dan in het verleden. Ik wil er echter op wijzen, geachte afgevaardigde, dat de discussie over dit voorstel voor een richtlijn inzake havendiensten nog maar net begonnen is.

De in juni geplande hoorzitting in de Commissie vervoer vormt een perfecte gelegenheid om de belangrijkste onderdelen, waaronder de sociale aspecten, grondig te onderzoeken en de standpunten van alle betrokken partijen bijeen te brengen. In het voorstel wordt bepaald dat voor zelfafhandeling een vergunning nodig is. In de criteria voor de verlening van deze vergunning dienen met name de loon- en arbeidsvoorwaarden te zijn opgenomen. Met de invoering van een vergunning wordt onder andere beoogd dat dienstverleners op het gebied van zelfafhandeling de in een haven geldende loon- en arbeidsvoorwaarden naleven.

De Commissie meent dan ook dat haar voorstel, en meer in het bijzonder de clausules met betrekking tot zelfafhandeling, geen negatieve gevolgen zal hebben voor de werkgelegenheid en het inkomen van de mensen die reeds in de havensector werkzaam zijn.

Bovendien verwacht de Commissie dat de toepassing van de in haar voorstel voor een richtlijn genoemde principes en regels ertoe zal leiden dat er nieuwe, bijkomende volumes over zee zullen worden vervoerd. Dit zal ongetwijfeld de oprichting van nieuwe bedrijven noodzakelijk maken, waardoor de werkgelegenheid in de Europese havens zal toenemen.

Bij de indiening van haar voorstel voor een richtlijn heeft de Commissie de lidstaten uitgenodigd de onder toezicht van internationale organisaties aangenomen overeenkomsten te ratificeren, en met name de relevante overeenkomsten van de Internationale Arbeidsorganisatie, waaronder de ILO-overeenkomst inzake havenarbeid waarnaar u in uw vraag verwijst.

Ik hoop dat het onderzoek dat u tijdens de hoorzitting in juni zult uitvoeren, vrucht zal afwerpen en dat wij op een evenwichtige tekst zullen uitkomen die de sector nieuw leven kan inblazen, terwijl tegelijkertijd natuurlijk de arbeidsvoorwaarden moeten worden beschermd, iets waaraan ik persoonlijk veel belang hecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Papadimoulis (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de commissaris, neemt u mij niet kwalijk dat ik blijf aandringen. Ik zit hier tegenover u. Toen de Commissie in december 2004 haar voorstel indiende bij de Raad, werd daar niet alleen verzet tegen aangetekend door de vakbonden maar werd ook kritiek geuit door talrijke lidstaten, zoals Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Zweden en België. Zij bekritiseerden de Commissie omdat de Commissie onvoldoende overleg had gepleegd over dit vraagstuk en de gevolgen van de toepassing niet had onderzocht. Ik weet bovendien dat in het verleden al eens een voorstel van de Commissie door het Europees Parlement is verworpen, en daarom vraag ik u of u van plan bent de inhoud van het voorstel te herzien of ondanks alle verzet voet bij stuk zult houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer Papadimoulis, het voorstel is aan het einde van het wetgevingsproces verworpen, terwijl er al veel werk was verzet. Op basis hiervan heeft de Commissie de tekst niet volledig herschreven, maar heeft zij rekening willen houden met de ongerustheid en de zorgen die tijdens de discussies naar voren waren gekomen. Ik denk dat de Commissie zich wijselijk de tijd heeft gegund om hieraan te werken en dat zij alle partijen de mogelijkheid heeft geboden zich uit te spreken. Ik zal er persoonlijk op toezien dat dit debat op een grondige en uiterst zorgvuldige wijze zal worden gevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 48 van de heer Papastamkos (H-0008/05)

Betreft: Vervoernetwerken in Zuidoost-Europa

De toekomstige toetreding van Bulgarije en Roemenië en de ontwikkeling van de betrekkingen van de Balkanlanden met de EU naar een hoger niveau van samenwerking (stabiliteits- en associatieovereenkomsten, pretoetredingsstrategie) stellen de eenmaking van de economische ruimte van Zuidoost-Europa aan de orde, met name op het gebied van infrastructuur voor weg- en treinvervoer.

Welke concrete initiatieven heeft de Commissie reeds genomen of wil zij nemen voor de totstandbrenging van verticale en horizontale grensoverschrijdende (internationale) verbindingen en de respectieve infrastructuur voor het vergemakkelijken van de grensoverschrijdende handel tussen Griekenland, de kandidaat-landen en de overige landen van Zuidoost-Europa die zich uitgesproken op Europa oriënteren?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Ik wil de heer Papastamkos antwoorden dat de Commissie in het kader van de toetredingsonderhandelingen, en in overeenstemming met de betrokken landen, de toekomstige trans-Europese netwerken voor zowel het weg- als het spoorwegvervoer van Roemenië en Bulgarije heeft gedefinieerd, waarop de belangrijkste verbindingen met Griekenland zijn aangegeven.

In april 2004 hebben het Europees Parlement en de Raad prioritaire projecten voor de trans-Europese netwerken vastgesteld. Met twee van deze projecten worden de verbinding tussen Griekenland enerzijds en de noordelijke buurlanden en Centraal-Europa anderzijds bevorderd, namelijk de autosnelweg Athene-Sofia-Boedapest en de spoorwegas Athene-Sofia-Boedapest-Wenen-Praag-Nürnberg. Op 11 juni 2004 hebben de landen van de Westelijke Balkan en de Commissie een protocolakkoord ondertekend voor de bevordering van de strategische netwerken van deze regio, die al eerder, in 2001, in een verslag van de Commissie waren gedefinieerd. De Commissie werkt dus eveneens actief mee aan de inspanningen van de betrokken landen en aan de ontwikkeling van pan-Europese vervoercorridors, met name vier daarvan. De corridors 4, 8, 9 en 10 zijn van belang voor Griekenland en zijn aansluiting op de landen in Zuidwest-Europa.

Geachte afgevaardigde, de Commissie heeft onlangs op mijn voorstel een groep op hoog niveau opgericht onder leiding van de voormalige vice-voorzitter van de Commissie, mevrouw Loyola de Palacio, teneinde voor eind 2005 de prioritaire assen of projecten aan te wijzen die de uitgebreide Europese Unie met zijn buren in het oosten en zuiden verbinden. In dit verband worden ook de verbindingen tussen Griekenland en zijn buurlanden op de Westelijke Balkan onderzocht. In het kader van de begroting voor de trans-Europese netwerken, en van de financiële instrumenten voor structurele doeleinden of de programma’s PHARE en CARDS, heeft de Commissie de afgelopen jaren aanzienlijke bedragen beschikbaar gesteld voor weg- en spoorwegprojecten aangaande de belangrijkste verbindingen tussen Griekenland en zijn noordelijke buurlanden. Bovendien is de Commissie van plan haar inspanningen in de financiële vooruitzichten 2007-2013 nog te verhogen. Ik heb u zojuist alle indicaties hieromtrent gegeven en die wil ik nu niet herhalen.

Het is aan de betrokken landen om het initiatief te nemen en projecten voor te bereiden en in te dienen, die financieel gesteund zouden kunnen worden door Gemeenschapsgelden en leningen van de Europese Investeringsbank.

 
  
MPphoto
 
 

  Papastamkos (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de commissaris voor zijn gedetailleerd antwoord. Mijn interesse vloeit voort uit het feit dat de economische ruimte in dit gebied nog steeds versplinterd en geïsoleerd is, en niet alleen zijn regionale maar ook Europese integratie wordt belemmerd.

Aanvullend wilde ik de Commissie vragen of zij inderdaad van plan is sterker de klemtoon te leggen op de vervoersnetwerken, die enerzijds de eenmaking van het zuidelijk gedeelte van de Europese ruimte bevorderen en anderzijds, via de aansluiting op de trans-Europese netwerken, de interconnectie van deze Zuidoost-Europese landen met de Europese Unie, en dus de integratie van heel de economische ruimte, stimuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer Papastamkos, het gaat hier inderdaad om een prioriteit. Wij hebben Europa uitgebreid en met de komende uitbreiding met Roemenië en Bulgarije in het verschiet begint het beleid inzake nabuurschap vorm aan te nemen. Ik denk dan ook dat wij er in deze nieuwe context toe gebracht zullen worden voorrang te geven aan deze corridors en verkeerswegen waarop u onze aandacht hebt gevestigd. Ik voeg hier nog aan toe dat ik veel verwacht van het rapport van mevrouw Loyola de Palacio, die zich duidelijk bijzonder heeft ingezet voor dit verkennende onderzoek en die beslist alle lidstaten zal raadplegen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 49 van de heer Guardans Cambó (H-0016/05)

Betreft: Openstellen voor concurrentie van het spoorwegvervoer

Overeenkomstig richtlijn 2004/51/EG(2) is op 1 januari 2005 de liberalisering van de spoorwegen in Spanje in werking getreden. Deze openstelling voor de concurrentie is van groot belang om de doelstellingen van Lissabon te bereiken en de mededinging in Europa te garanderen. Soms worden echter maatregelen genomen waarvan de gevolgen net zo restrictief zijn als de beperkingen van de volledige liberalisering. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met de veiligheidscertificaten wanneer op dat terrein geen harmonisatie bestaat.

Kan de Commissie meedelen welke maatregelen zij voornemens is te nemen om de liberalisering in werking te laten treden met alle praktische gevolgen van dien en te verhinderen dat bepaalde lidstaten interne mechanismen invoeren die een stok in het wiel van de liberalisering steken?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer Guardans Cambó, de Commissie ziet erop toe dat de lidstaten het acquis communautaire op het gebied van de spoorwegen ten uitvoer leggen.

Op dit moment moeten de lidstaten de richtlijnen betreffende het “spoorweginfrastructuurpakket” hebben omgezet, evenals de richtlijnen betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem. Wat de openstelling van de markt voor het goederenvervoer per spoor betreft, hadden de lidstaten de richtlijnen betreffende het “infrastructuurpakket”, en met name Richtlijn 2001/12/EG, vóór 15 maart 2003 in nationaal recht moeten hebben omgezet. De Commissie heeft inbreukprocedures wegens niet-kennisgeving van omzettingsmaatregelen - of in ieder geval van een deel daarvan - ingeleid tegen Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland en Luxemburg. Deze landen zijn in oktober en november 2004 door het Europese Hof veroordeeld. Daarnaast zijn er inbreukprocedures wegens onvolledige of niet-conforme omzetting ingesteld tegen Nederland, België en Spanje.

De Commissie blijft erop toezien dat de lidstaten zich naar behoren kwijten van hun verplichtingen om het Gemeenschapsrecht in nationaal recht om te zetten. Dit zal met name het geval zijn voor de richtlijn waarnaar u verwijst en die vóór 31 december 2005 moet zijn omgezet. De Commissie volgt van zeer nabij of het nieuwe regelgevingskader voor de toegang tot de spoorweginfrastructuur daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd. Daartoe heeft zij een werkgroep ingesteld waarin de lidstaten en vertegenwoordigers van de marktpartijen zitting hebben. Zij worden uitgenodigd hun analyses en ervaringen over de ontwikkeling van de markt met vrije concurrentie met de Commissie uit te wisselen.

Er zijn nog andere instanties die tot taak hebben de niet-discriminatoire toegang tot de markt te observeren en te toetsen, zoals het reglementerings- en adviescomité dat door de eerder genoemde Richtlijn 2001/12/EG betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen is ingesteld, en talloze werkgroepen, zoals de werkgroep van regelgevers voor het spoor en de werkgroepen van autoriteiten die exploitatievergunningen voor het spoor en veiligheidscertificaten afgeven.

Geachte afgevaardigde, ik kan u zeggen dat ik persoonlijk veel belang hecht aan deze kwestie. Wij hebben namelijk dringend behoefte aan een goed presterende sector “spoorwegvervoer” om te voorkomen dat Europa zich genoopt ziet systematisch gebruik te maken van het wegvervoer. Dit zou niet alleen schadelijk zijn voor het milieu en - vanwege de te verwachten verkeersopstoppingen - voor de Europese mobiliteit die nodig is voor de concurrentiepositie van Europa, maar ook voor het welzijn van de Europese burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Guardans Cambó (ALDE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, zoals u al zei, wordt er veel verwacht van deze liberalisering van het spoorwegvervoer. Zoals u echter weet wordt, net als indertijd met het goederenvervoer, een daadwerkelijke liberalisering belemmerd, met name door de veiligheidscertificaten, om u een voorbeeld te geven van een land dat u waarschijnlijk beter kent dan andere. Dit is wat wij in het goederenvervoer “maatregelen van gelijke werking” noemen, oftewel beperkingen die een vergelijkbaar effect hebben als rechtsgeldige beperkingen.

Ik zou dus willen dat de Commissie niet alleen controleert of de liberalisering als zodanig, als principe, goed wordt toegepast, maar er tevens op toeziet dat er geen concrete obstakels zijn die een daadwerkelijke toepassing van de liberalisering in de praktijk in de weg staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Geachte afgevaardigde, ik kan u zeggen dat ik uw bezorgdheid volledig deel. We moeten er inderdaad op toezien dat deze openstelling van de spoorwegmarkt niet op - al dan niet verborgen - barrières stuit. U hebt met name de veiligheidscertificaten benadrukt. Het is overduidelijk dat er een onafhankelijke autoriteit moet komen, die deze veiligheidscertificaten vanuit een volkomen objectief uitgangspunt kan toekennen. Daarnaast hebt u gezinspeeld op bepaalde lidstaten die ik goed zou kennen. U kunt erop vertrouwen dat ik voor deze lidstaten net zo veeleisend ben, hetgeen u binnenkort zult kunnen constateren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 50 van mevrouw Hedkvist Petersen (H-0036/05)

Betreft: Voorstel voor een richtlijn inzake verplicht dimlicht overdag

In de EU bestaat een aantal regelingen voor het ontsteken van koplampen overdag, en in sommige lidstaten, bij voorbeeld Zweden, zijn overdag dimlichten verplicht op alle wegen. Uit de ervaring in deze landen blijken de grote veiligheidsvoordelen van deze bepalingen. Onderzoek toont aan dat het aantal dodelijke verkeersongevallen overdag met 24% is gedaald doordat overdag met dimlicht moet worden gereden(3).

Naar ik verneem wenst het Luxemburgse voorzitterschap toe te zien op vooruitgang inzake een richtlijn met betrekking tot dimlicht overdag en derhalve is de Commissie verzocht een voorstel goed te keuren dat bij haar in voorbereiding is. Kennelijk geeft de Commissie er echter de voorkeur aan de goedkeuring van dit voorstel aan te houden totdat het tussentijds verslag van het derde programma veiligheid van het wegverkeer is gepubliceerd, dat voor juni op het programma staat.

Kan de Commissie bevestigen dat zij een dergelijk voorstel voorbereidt en dat zij niet de voltooiing van het zoveelste dossier zal afwachten, maar het voorstel zo spoedig mogelijk zal goedkeuren?

Als nog eens zes maanden wordt gewacht, terwijl bekend is dat licht overdag op zeer doelmatige wijze levens spaart, weinig kost, en dat het voorzitterschap van de Raad vooruitgang wenst, zou dit betekenen dat de Commissie niet te werk gaat volgens haar eigen aanpak van de veiligheid op de weg, namelijk aanvaarding van gedeelde verantwoordelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Ik stel het op prijs dat u mij ook een vraag stelt over een van de belangrijke kwesties die ons, naar ik hoop, in staat zal stellen de veiligheid op de Europese wegen te verbeteren.

De Commissie bevestigt dat zij de haalbaarheid onderzoekt van een initiatief om het gebruik van dimlicht overdag voor alle motorvoertuigen in te voeren. Zoals u hebt onderstreept, maakt deze maatregel in verschillende landen deel uit van de nationale verkeersregels en wordt zij in andere lidstaten in ieder geval aanbevolen. Als het onderzoek positief blijkt te zijn, is de Commissie voornemens haar voorstel in te dienen na de publicatie van de tussentijdse balans van het Europese programma voor de verkeersveiligheid, dat ik zojuist heb genoemd en dat in de tweede helft van dit jaar wordt verwacht. Dan kunnen we bekijken hoe we op deze suggestie zullen reageren.

Tot die tijd gaat de Commissie verder met het raadplegen van de betrokken partijen, met name de automobielindustrie. Er moet bijvoorbeeld onderzocht worden of het mogelijk is nieuwe voertuigen uit te rusten met een speciale verlichting, die automatisch bij het starten wordt ingeschakeld. Deze nieuwe lichten zullen zuiniger zijn dan dimlicht. Een van de bij ons ingediende bezwaren betreft namelijk het energieverbruik door het rijden met dimlicht overdag. Als het programma voor de verkeersveiligheid wordt bijgesteld, zullen wij er bij de behandeling van deze kwestie ons best voor doen om alle ervaringen en informatie die uit deze onderzoeken naar voren komen, in aanmerking te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hedkvist Petersen (PSE). - (SV) Dank u hartelijk voor uw antwoord, dat ik hoopgevend vond. We moeten alle mogelijkheden aanwenden om de veiligheid op de weg te bevorderen, zowel de bestaande mogelijkheden als die welke in de verschillende lidstaten zullen worden ingevoerd. Men is natuurlijk ongerust dat men moet wachten tot een en ander herzien is, en dat men geen initiatieven kan nemen. Ik zou de commissaris willen vragen of hij denkt dat de Commissie meer voorstellen voor een richtlijn zal indienen na de tussentijdse herziening. Die mogelijkheid wordt namelijk genoemd in ons huidige programma voor verkeersveiligheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Geachte afgevaardigde, ik ben niet van plan om de besluitvorming op de lange baan te schuiven. Ik verwacht dat de technische documenten de komende maanden beschikbaar zullen komen en natuurlijk dient de Commissie dan haar verantwoordelijkheid te nemen en voorstellen in te dienen. Ik dank u bij voorbaat voor de steun die u ons zult geven, want u weet heel goed dat sommige lidstaten op dit gebied altijd hun redenen hebben om bepaalde voorschriften te verwerpen, terwijl wij weten dat deze het aantal doden in Europa juist kunnen verminderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mitchell (PPE-DE). - (EN) Mag ik de commissaris vragen het onderzoek te verspreiden dat is uitgevoerd om aan te tonen dat het aantal verkeersongelukken significant omlaag gaat wanneer auto's overdag met dimlicht rijden? Ik zou ook graag van hem willen horen of hij vindt dat dit een kwestie is die het beste door de lidstaten kan worden aangepakt. Als de commissaris belangstelling heeft voor het veiligheidsvraagstuk, zijn er allerlei gebieden waar de Commissie zich mee bezig zou kunnen houden. Ik merk bijvoorbeeld op dat taxichauffeurs in Frankrijk geen veiligheidsgordels hoeven te dragen, maar dat wel moeten zodra ze de grens met Duitsland oversteken. Kan dit niet het beste aan de lidstaten worden overgelaten?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Er zijn al lidstaten waar het verplicht is met dimlicht te rijden, namelijk de Tsjechische Republiek, Denemarken, Finland, Italië, Hongarije en Zweden. Frankrijk heeft deze maatregel in de winter van 2004-2005 als aanbeveling ingesteld. We kunnen gesprekken gaan voeren met de automobielindustrie om nieuwe voertuigen uit te rusten met een mechanisme dat het dimlicht automatisch bij het starten van de motor in werking stelt. Daarna zullen we bekijken hoe we het gebruik van dimlicht overdag voor alle motorvoertuigen kunnen invoeren.

Een recent onderzoek heeft aangetoond, zoals u na de vraag van mevrouw Hedkvist hebt onderstreept, dat het gebruik van dimlicht overdag ertoe zal bijdragen dat het aantal verkeersongevallen aanzienlijk afneemt, namelijk met vijf tot vijftien procent. Overigens was er een probleem met de motorrijders, maar ik denk dat al deze problemen nu afgehandeld worden.

Dit is wat ik u kan zeggen over de huidige stand van zaken. Ik vraag het Parlement nog heel even geduld te hebben, zodat wij dit pakket aanvullende maatregelen voor een betere verkeersveiligheid in Europa daadwerkelijk kunnen voorbereiden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 51 van mevrouw Vincenzi (H-0070/05)

Betreft: 2004/TREN/052

In het voorlopige actieprogramma van de Commissie wordt verwezen naar de "Mededeling van de Commissie over de rechten van de transportgebruikers" (2004/TREN/052).

Is de Commissie bereid om het recht op een veilig gebruik van het wegennet voor passagiers en goederen in deze mededeling op te nemen en uitdrukkelijk te ondersteunen, mede door een op de behoeften van de gebruikers afgestemd onderhoud verplicht te stellen, alsook een kwalitatief beter ontwerp van de toegangen tot het wegennet en een betere opzet van de bescherming tegen de gevaren op de weg in de lidstaten van de Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Ik wil eerst nog even terugkomen op het vorige onderwerp: de Commissie stelt u het onderzoek over dimlicht ter beschikking. Ik wist dit niet, maar het onderzoek is wel degelijk beschikbaar.

Dan zal ik nu de vraag van mevrouw Vincenzi beantwoorden. In overeenstemming met haar Witboek heeft de Commissie in haar mededeling van 16 februari over het versterken van de passagiersrechten toegezegd dat zij in 2005 zal onderzoeken wat de beste manier is om de passagiersrechten te verbeteren en te waarborgen, ongeacht de vervoerswijze. In deze mededeling wordt de kwestie van de passagiersrechten in de vervoerssector bekeken vanuit de invalshoek van de internationale vervoersdiensten van reizigers per touringbus.

Wat de verkeersveiligheid betreft, mijnheer de Voorzitter, waarover wij zojuist al uitgebreid hebben gesproken, wordt in het Witboek van 2001 voorgesteld te streven naar een halvering van het aantal verkeersdoden tot 2010. In 2001 bedroeg het aantal verkeersdoden in de landen van de huidige Unie, dat wil zeggen de Unie met vijfentwintig lidstaten, 50.000. In 2010 mogen dat er niet meer zijn dan 25.000. Het Europees Parlement en de Raad hebben dus ingestemd met deze bijzonder ambitieuze doelstelling. In 2003 heeft de Commissie een actieplan goedgekeurd waarin drie aspecten aan de orde komen, namelijk het voertuig, het gedrag van de weggebruikers en de wegeninfrastructuur. Dit jaar zullen wij een balans publiceren van de inspanningen die zijn afgesproken om deze doelstelling te verwezenlijken.

Verder wil ik hier nog eens nadrukkelijk herhalen wat ik al eerder heb gezegd, namelijk dat wij nieuwe wetgevingsvoorstellen zullen indienen, waarvan er een met name betrekking heeft op de controle en inspectie van de wegeninfrastructuur. Ik wil daar voor het Parlement toch nog aan toevoegen dat ook het gedrag van de automobilisten in aanmerking dient te worden genomen. Ook op dit gebied zullen we moeten bekijken wat we kunnen doen om de geldende regels in de hele Unie enigszins te harmoniseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Vincenzi (PSE). - (IT) Hartelijk dank, mijnheer de commissaris, maar ik vroeg u duidelijker te zijn in uw interpretatie van artikel 16 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, waaruit volgens mij het recht van iedere burger op mobiliteit, en daarmee op de vaststelling van minimum veiligheidsnormen op het gebied van dienstverlening, kan worden afgeleid.

Ik vraag u daarom of wij om te beginnen misschien de autosnelwegen, op zijn minst die waarover tol geheven wordt, als een dienst van algemeen belang kunnen beschouwen, om te voorkomen dat de terecht gestelde veiligheidseisen - die reeds zijn geresulteerd in de opstelling van het handvest van passagiersrechten in het vliegverkeer, waarbij het treinverkeer in de toekomst zal volgen - een belemmering gaan vormen voor de gezonde concurrentie tussen deze vervoersmiddelen en de autosnelwegen. Ik denk dat de gelijke behandeling van de verschillende vervoersmodi en het bevorderen van de veiligheid van alle vervoersmodi een doel op zich moet zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Het is zaak dat er - net als wij voor het luchtvaart- en spoorwegvervoer hebben gedaan - ook voor het wegverkeer regels worden opgesteld die op alle belangrijke rijwegen van toepassing zijn. Wat de trans-Europese netwerken betreft, gaan wij namelijk eisen dat zoveel mogelijk dezelfde regels worden toegepast. Zoals u weet raken wij hier aan de problemen die onder het derde maatregelenpakket van Justitie en Binnenlandse Zaken vallen. Dat is precies het probleem van de sancties, en van de controles en overtredingen. Het spreekt vanzelf dat voor dit alles nu harmonisering is vereist. Die harmonisering zal ongetwijfeld lastig te realiseren zijn, maar is beslist noodzakelijk. In ieder geval zijn wij er wat de trans-Europese netwerken betreft stellig van overtuigd dat deze verbetering er moet komen. Wij verwachten vóór eind 2005 een voorstel voor een richtlijn in te kunnen dienen voor een betere veiligheid en een grotere betrouwbaarheid van de trans-Europese vervoersnetwerken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 52 van de heer Howitt (H-0074/05)

Betreft: De rechten van passagiers met een verminderde mobiliteit bij luchtvervoer

Kan de Commissie uitleggen waarom de indiening van de verordening over de 'rechten van passagiers met verminderde mobiliteit bij luchtvervoer', oorspronkelijk gepland voor het eerste trimester van 2004, zo lang op zich laat wachten? Is de Commissie bereid zich vast te leggen op het verdedigen van een definitieve versie van de verordening zonder een 'opt out'-clausule voor luchtvaartmaatschappijen?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Ik dank de heer Howitt voor zijn vraag. Dank u, mijnheer Howitt, want nu kan ik nog eens benadrukken hoe belangrijk de Commissie het vindt dat mensen met beperkte mobiliteit op een rechtvaardige behandeling kunnen rekenen en een juiste bijstand gegarandeerd krijgen, zodat zij vol vertrouwen door de hele Europese Unie kunnen reizen.

Slechts drie maanden nadat ik aantrad als vice-voorzitter van de Commissie, verantwoordelijk voor het vervoer, heb ik het college een ontwerpverordening voorgelegd waarmee mensen met beperkte mobiliteit die met het vliegtuig reizen, reële en tastbare rechten krijgen. We moeten deze mensen een rechtvaardige behandeling garanderen en voorkomen dat vervoerders of touroperators weigeren deze personen te vervoeren vanwege hun beperkte mobiliteit, tenzij er gegronde veiligheidsredenen zijn. Krachtens het voorstel voor een verordening moeten luchthavenbeheerders gratis de nodige bijstand op luchthavens verstrekken en moeten vervoerders - eveneens gratis - de noodzakelijke bijstand aan boord van de vliegtuigen beschikbaar stellen. De verordening zou van toepassing zijn bij vertrek, aankomst of doorreis op de luchthavens die zich in de lidstaten bevinden.

Het spreekt voor zich, mijnheer Howitt, dat ik op de steun van het Parlement reken. Ik heb er dan ook alle vertrouwen in dat u dit dossier samen met de Raad op een zorgvuldige en snelle wijze zult behandelen, zodat het spoedig kan worden aangenomen. Dankzij de contacten die ik met verenigingen van gehandicapten heb gehad, heb ik kunnen zien hoeveel hoop zij putten uit deze ontwerpverordening, die de aanzet geeft tot een non-discriminatiebeleid jegens gehandicapten. In mijn ogen blijft deze zorg van essentieel belang, omdat ik er volledig van overtuigd ben dat het voor ons een Europees ideaal is om toegankelijkheid en mobiliteit voor iedereen te waarborgen.

Geachte afgevaardigde, dit is wat ik u graag wilde antwoorden. U hebt gelijk dat er inderdaad enige achterstand is opgelopen, maar op dit moment wordt er weer volop aan gewerkt en nu moeten wij vastberaden verdergaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Howitt (PSE). - (EN) Commissaris, u kunt op mijn steun rekenen, en ik hoop op die van het Parlement. We leveren kritiek op de Commissie wanneer dat nodig is, maar u hebt een uitstekende verordening ingediend, en ik hoop dat deze vlot zal worden aangenomen. Ik hoop dat het u genoegen doet te horen dat één goedkope luchtvaartmaatschappij, namelijk Easyjet, die op luchthaven Luton in mijn kiesdistrict vliegt, heeft aangegeven dat de prijzen niet omhoog hoeven vanwege dit voorstel voor een verordening. Die opmerking ruimt enkele van de paniekverhalen over de verordening uit de weg.

Zou de commissaris een vraag kunnen beantwoorden die mij is gesteld? Als dit goed is voor het luchtvaartverkeer, waarom zou de verordening dan niet ook van toepassing kunnen zijn op andere vervoerswijzen?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) De Commissie heeft zich er in haar mededeling toe verbonden - zoals al was aangekondigd in het witboek over vervoer - in 2005 te bekijken in hoeverre het opportuun is met wetgevingsvoorstellen te komen om de regels inzake de bescherming van passagiers met verminderde mobiliteit uit te breiden tot andere vervoerswijzen, met name het maritiem vervoer en het internationaal vervoer per touringcar of autobus.

Wat het spoorvervoer betreft, zal het u zeker bekend zijn, geachte afgevaardigde, dat het derde spoorwegpakket een wetgevingsvoorstel bevat inzake de invoering van minimumvoorschriften voor bijstand aan personen met verminderde mobiliteit. Ik weet dat het Parlement veel waarde hecht aan dit derde spoorwegpakket en er de voorkeur aan geeft dat de verschillende maatregelen die erin zijn opgenomen als één geheel behandeld worden. Dat lijkt me inderdaad heel belangrijk, en ik denk dan ook dat we de maatregel betreffende personen met verminderde mobiliteit moeten zien als aanvulling op de maatregelen inzake instapweigering, annulering en langdurige vluchtvertragingen die op 17 februari 2005, afgelopen donderdag dus, in werking zijn getreden. Hiermee hebben we de Europese burgers laten zien dat de Unie, haar Parlement, haar Raad en haar Commissie ook het nodige doen om het dagelijks leven van iedereen te vergemakkelijken en iedereen meer zekerheid te bieden. Los daarvan wil ik u bedanken voor het feit dat u de aandacht gevestigd hebt op de kwestie van personen met verminderde mobiliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - De vragen nrs. 53 en 54 zullen schriftelijk worden beantwoord.

Vragen aan commissaris Fischer Boel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 55 van mevrouw McGuinness (H-0576/04)

Betreft: Probleemgebieden

De vergoedingen voor probleemgebieden (Less Favoured Areas - LFA's) zijn een belangrijk instrument voor het verstrekken van financiële middelen aan gebieden die kampen met problemen. In het geval van Ierland wordt in het kader van deze regeling 230 miljoen euro uitgekeerd aan 100 000 boeren.

Kan de Commissie, gezien het feit dat in de toekomst nationale handicaps in plaats van sociaal-economische criteria zullen worden gehanteerd voor de vaststelling van LFA's, garanderen dat hetzelfde uitkeringspeil gehandhaafd zal worden voor de boeren die momenteel LFA-vergoedingen ontvangen?

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) Een van de belangrijkste kwesties in de voorgestelde verordening van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling is de herziening van de categorie 'andere probleemgebieden'.

De Commissie heeft een wijziging voorgesteld van de bestaande indeling, die voor een groot deel is gebaseerd op sociaal-economische criteria, die in de loop van de tijd veranderen. Het blijkt dat enkele van deze gebieden, decennia nadat ze zijn aangewezen, door de ontwikkeling van hun sociaal-economische kenmerken nu niet meer als probleemgebied zouden worden aangemerkt. Dit was de reden voor de kritische opmerkingen die zijn gemaakt door de Europese Rekenkamer in zijn speciale verslag over probleemgebieden en door het Europees Parlement.

Onze eigen evaluatiestudies hebben deze waarnemingen bevestigd. De Commissie kan deze waarnemingen niet negeren, en dit verklaart dan ook haar voorstel. Met ingang van de nieuwe periode moeten probleemgebieden worden behandeld op basis van objectieve natuurlijke criteria die in de loop van de tijd niet veranderen, en die dus neerkomen op een permanente handicap, zoals een geringe bodemproductiviteit of een slechte klimaatgesteldheid.

Het kan zijn dat bepaalde gebieden als gevolg van de toepassing van de nieuwe criteria niet langer de status van probleemgebied zullen hebben, en dat boeren in deze gebieden mogelijk niet langer in aanmerking komen voor probleemgebiedbetalingen. Het peil van de vergoeding is een ander vraagstuk dan de afbakening van een probleemgebied. Steun wordt toegekend per hectare en moet boeren compenseren voor de extra kosten die ze moeten maken, alsook voor het inkomen dat ze mislopen door de handicap voor agrarische productie in de betrokken gebieden.

In haar voorstel voor de volgende programmaperiode zal de Commissie een onderscheid maken tussen bergstreken en andere probleemgebieden waar het gaat om de maximaal uit te keren vergoeding. Aangezien bergstreken te maken hebben met de zwaarste handicaps, stelt de Commissie voor het maximumbedrag voor deze gebieden vast te stellen op 250 euro per hectare, terwijl het maximumbedrag voor andere categorieën wordt vastgesteld op 150 euro per hectare.

 
  
MPphoto
 
 

  McGuinness (PPE-DE). - (EN) Dank u, commissaris, voor uw zeer directe en duidelijke antwoord. Waarschijnlijk zullen er geen winnaars zijn, maar er zullen zeker verliezers zijn.

Kunt u aangeven wanneer mensen zullen weten of hun gebied meer of minder geld gaat ontvangen bij de nieuwe classificatie?

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) We werken momenteel aan de voorwaarden voor de nieuwe probleemgebieden. We zullen daar zeer binnenkort een besluit over nemen, in de eerste helft van maart. U hebt gelijk dat er verliezers zullen zijn, maar ik ben er zeker van dat er ook winnaars zullen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Aylward (UEN). - (EN) Hoe kan de commissaris het rechtvaardigen dat deze veranderingen worden voorgesteld op een moment dat er net een grote herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft plaatsgevonden? In mijn land, Ierland, waar we net op 1 januari 2005 de volledige ontkoppeling hebben doorgevoerd, hebben Ierse boeren het gevoel dat ze een heel onzekere toekomst tegemoet gaan wat hun inkomen betreft. Zou de commissaris voorts willen overwegen besluiten uit te stellen, totdat de mensen de gelegenheid hebben gehad hun draai te vinden in het nieuwe stelsel?

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) Dit is onderdeel van de lopende politieke discussies in de Raad en het Parlement over de nieuwe verordening voor het plattelandsontwikkelingsbeleid. Er kan in mijn ogen geen sprake van zijn de discussie over probleemgebieden eruit te lichten en er een apart besluit over te nemen. U krijgt echter tijdens het debat hier in het Parlement over de nieuwe wetgeving voor het plattelandsontwikkelingsbeleid alle gelegenheid om te zeggen wat u wilt zeggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Schierhuber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, uw eerlijke antwoord op de vraag van mijn collega verdient respect. Het is echter ook in uw belang, mevrouw de commissaris, dat ook in de probleem- en berggebieden de verdere ontwikkeling doorgaat. Dan kunnen ook deze gebieden blijven delen in de algemene welvaart en sociale ontwikkeling en worden de vergoedingen, waaraan in sommige gebieden misschien wel een keer een einde komt, in ieder geval niet abrupt stopgezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) Een van de redenen waarom deze discussie nu wordt gevoerd, is dat de Europese Rekenkamer heeft gewezen op de problemen die zich voordoen als de huidige situatie wordt gehandhaafd. De dingen zijn de afgelopen decennia veranderd, en de gebieden die 20 of 25 jaar geleden probleemgebied waren, voldoen mogelijk niet meer aan de criteria van toen. Daarom worden veranderingen aangebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 56 van de heer Ebner (H-0013/05)

Betreft: Definitie van bergstreken en bergbossen

Bergstreken worden gedefinieerd in artikel 18 van Verordening (EG) 1257/99(4) inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL).

Deze definitie is echter niet breed genoeg en daarom wordt er al jaren gezegd dat er een nieuwe definitie van bergstreken moet komen.

In september 2002 is mij meegedeeld dat een herziening nog op zich liet wachten. Sindsdien is er echter geen verandering in de situatie gekomen.

Kan de Commissie meedelen wanneer de definities van bergstreken en bergbossen worden herzien en gepubliceerd?

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) De definitie van bergstreken is uitsluitend gebaseerd op natuurlijke handicaps, zoals hoogte en helling of een combinatie van beide. In tegenstelling tot de afbakeningscriteria voor andere probleemgebieden, worden die voor bergstreken niet aangevochten in het recente speciale verslag van de Europese Rekenkamer over steun voor probleemgebieden, dat ik in mijn vorige antwoord heb genoemd.

De evaluaties van programma's voor plattelandsontwikkeling laten zien dat steun voor de probleemgebieden belangrijk is voor de instandhouding van de boerenbevolking en voor het landbeheer in bergstreken, met inbegrip van de bescherming van het landschap en het milieu. Onder deze omstandigheden heeft de Commissie niet voorgesteld de indelingscriteria voor dit deel van de probleemgebieden te wijzigen.

In haar voorstel voor een verordening van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling voor de komende programmaperiode maakt de Commissie een onderscheid tussen bergstreken en andere probleemgebieden wat betreft het maximumbedrag van de vergoeding. Aangezien bergstreken te kampen hebben met de ernstigste handicaps, wordt voorgesteld het maximumbedrag voor die gebieden te verhogen van 200 euro naar 250 euro per hectare.

 
  
MPphoto
 
 

  Ebner (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, hartelijk dank voor het heldere antwoord en ook voor de opmerking dat de Commissie dit onderscheid in de volgende programmaperiode wil doorvoeren. Wat mij daarnaast interesseert is te weten of u niet zou kunnen onderzoeken of het zinvol zou zijn om parameters voor bergstreken in te voeren, waardoor bergstreken kunnen worden gedefinieerd als gebieden boven een bepaalde hoogtelijn en met een bepaalde hellingsgraad. Er zouden dus objectieve criteria moeten worden vastgesteld waardoor overlappingen en concurrerende situaties worden voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) Ik begrijp uw grote belangstelling voor dit zeer specifieke gebied, omdat het zo belangrijk is ontvolking van het platteland te voorkomen.

Ik heb naar uw voorstel geluisterd. Voorlopig staat dit niet in de aanbeveling, en ik denk dat het moeilijk zou zijn het erin op te nemen. Ik begrijp dat u zou willen reguleren op basis van het hellingspercentage van de bergen. Ik denk dat een dergelijke regulering heel moeilijk zou zijn en op veel problemen zou stuiten bij de Europese Rekenkamer, omdat de definitie van deze bergstreken voor meer dan één interpretatie vatbaar zou zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 57 van de heer Aylward (H-0026/05)

Betreft: Ierse suikerfabrieken

De Commissie zal zeker op de hoogte zijn van het feit dat op 12 januari 2005 de sluiting werd aangekondigd van de twee laatste nog in Ierland resterende suikerfabrieken. Hoogstwaarschijnlijk is deze stap het resultaat van de negatieve toekomstscenario's die over de suikerfabriek de ronde hebben gedaan.

Kan de Commissie meedelen of zij aanvaardt dat deze sluiting verregaande gevolgen heeft voor de plaatselijke economie van het betrokken arbeidsmarktgebied, en kan zij bovendien verklaren dat zij – onder geen omstandigheden – de overdracht zal toestaan, volgens de nieuwe regeling, van nationale suikerquota's waardoor de suikerindustrie in een lidstaat volledig geruïneerd zou worden, zoals het geval zou zijn in Ierland?

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) De gemeenschappelijke marktordening in de suikersector stelt quota vast voor de suikerproductie per regio van de Gemeenschap. De autoriteiten van de lidstaten wijzen deze quota toe aan hun suikerproducerende ondernemingen. Het is aan elke onderneming om zelf volgens haar eigen criteria haar productie over een of meer verwerkingsfabrieken te verdelen en te organiseren.

Het feit dat een onderneming een van haar fabrieken sluit en haar productie in slechts één verwerkingsbedrijf concentreert, zoals het geval is in Ierland, verandert niets aan het quotum van de onderneming en verlaagt evenmin haar totale productie. Ierse boeren zullen dus dezelfde hoeveelheden suikerbieten kunnen blijven produceren als voor de sluiting.

Concentratie en rationalisatie van de productie zijn gangbare elementen van industriële herstructurering en weerspiegelen, voor suiker, de trend van de afgelopen tien jaar, waarin het aantal fabrieken bijna is gehalveerd binnen de EU van vijftien.

De overdracht van quota tussen lidstaten is in juli 2004 in de mededeling van de Commissie over de hervorming van de suikersector opgenomen teneinde het concurrentievermogen van de Europese suikersector te vergroten. De overdracht geeft de meer concurrerende ondernemingen de gelegenheid quota te kopen van ondernemingen die besluiten na de hervorming de deuren te sluiten, en zich zo aan te passen aan de lagere prijs in de markt.

De inefficiënte producenten zouden hun quotum kunnen verkopen en zo iets kunnen opstrijken van de waarde van het quotum. Als niemand in dezelfde lidstaat of andere lidstaten belangstelling heeft om het quotum te kopen, kan de onderneming een verzoek tot omschakelingssteun indienen, die moet helpen de kosten te dekken van het herstel van goede milieuomstandigheden voor het fabrieksterrein en van het vinden van andere werk voor de werknemers.

Uit de discussies in de Raad en het Parlement blijkt dat er bij een aantal lidstaten en belanghebbenden grote zorgen bestaan over de mogelijkheid van een transnationale overdracht van quota. In dit verband moet de Commissie onderstrepen dat het concurrentievermogen van de Europese suikerindustrie moet worden vergroot om op de lange termijn een duurzame basis voor de suikerproductie in de Europese Unie te kunnen garanderen. Het overdragen van quota tussen lidstaten is een mogelijke manier om dit te bewerkstelligen. Alternatieve en aanvullende oplossingen mogen niet worden uitgesloten en worden ook geanalyseerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Aylward (UEN). - (EN) Dank u voor uw antwoord, commissaris. Sinds mijn vorige gedachtewisseling met u zijn mijn grootste angsten helaas bewaarheid met de sluiting van een van de twee suikerfabrieken in Ierland en het verlies van de banen die de fabriek bood.

Mag ik u vragen mij gerust te stellen en ten minste te garanderen dat u de verkoop van quota over nationale grenzen heen niet zult toestaan wanneer uw voorstellen uiteindelijk door ons worden behandeld? Het is nog nooit eerder toegestaan, en het zou zeker het einde van de Ierse suikerindustrie betekenen.

En als tweede: hebt u bij het formuleren van deze voorstellen ook gekeken naar het gebruik van alternatieve industrie of energie, met name naar het gebruik van suikerbieten in biobrandstoffen/bio-energie? Indien dat niet zo is, kunt u dan toezeggen dat alsnog te doen?

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) Wat betreft de kwestie van de overdracht van quota: we bespreken momenteel een nieuwe hervorming van de suikersector. Het is daarom veel te vroeg om nu in het Parlement dit debat te beginnen. We zullen later nog volop gelegenheid hebben om de verschillende instrumenten in het suikervoorstel in detail te bespreken. Ik kan u de door u gewenste garantie vandaag natuurlijk niet geven.

Wat betreft uw andere vraag over bio-ethanol, heb ik gisteren besloten een kerngroep te vormen om de mogelijkheden te bespreken voor het telen van hernieuwbare energiegewassen op de Europese velden. Het is een interessant onderwerp en we zullen dieper in de materie moeten duiken om te zien wat de mogelijkheden hiervoor zijn.

Dank u voor uw advies op dit belangrijke gebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Westlund (PSE). - (SV) De landbouwsteun van de EU berokkent zoals bekend grote schade aan de armste landen van de wereld. Suiker is ook juist een van de allerbelangrijkste exportproducten van veel arme landen. De onlangs doorgevoerde suikerhervorming, waar we het nu over hebben, is dan ook enorm belangrijk, al vind ik dat men nog verder had moeten gaan.

Ik vind het feitelijk heel pijnlijk dat de EU, die anders de vrije mededinging als motto heeft, haar eigen landbouw zo enorm bevoordeelt. Daarom wil ik de Commissie vragen, welke verdere maatregelen zij van plan is te nemen om de landbouwsteun van de EU te verminderen, teneinde op die manier de arme landen van de wereld in staat te stellen om zelf iets te doen aan hun huidige zeer moeilijke situatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) Dank u voor de vraag. De reden waarom we het nu over suiker hebben, is dat we vooruitgang hebben geboekt en hervormingen hebben ondernomen in allerlei verschillende sectoren van de landbouw, maar dat suiker de afgelopen veertig jaar ongemoeid is gelaten. We moeten de suikerindustrie daarom hervormen.

Dit moeten we ook doen omdat we de 49 armste landen in de wereld nu toegang tot de EU-markt geven door de overeenkomst 'Alles behalve wapens'. Van 2006 tot en met 2009 hebben deze landen progressieve toegang tot de Europese markt tegen een hogere prijs dan de wereldmarktprijs. Op die manier hebben ze een grotere kans om aan de armoede te ontsnappen. Dit is ook een element van ons voorstel over suiker.

 
  
MPphoto
 
 

  McGuinness (PPE-DE). - (EN) Over het algemeen maakt vrije handel niet altijd een einde aan het lijden van arme mensen in de derde wereld. Soms is zelfs het tegenovergestelde het geval.

Brazilië maakt zich bijvoorbeeld grote zorgen over de voorstellen, omdat de armen en de mensen zonder land in Brazilië schade zullen lijden als de suikerproductie sterk toeneemt, zoals wordt voorspeld. Ik wil graag de mening van de Commissie hierover horen.

Daarnaast: als grotere efficiency moet worden bereikt door het verkeer van bietenquota vrij te geven, wat zijn dan uw plannen voor de melkquota?

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) We raken nu van de oorspronkelijk vraag over de suikerproductie in Ierland af. Ik wil u echter graag…

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mevrouw de commissaris, ik moet u onderbreken. Deze aanvullende vraag gaat over een ander onderwerp.

 
  
MPphoto
 
 

  Crowley (UEN). - (EN) Ik kom even terug op het antwoord van de commissaris op de oorspronkelijke vraag van de heer Aylward over de overdraagbaarheid van suikerquota. De reden waarom we het daar nu over hebben, is dat de kwestie onderdeel is van een voorstel van de Commissie, en niet omdat het iets is dat de lidstaten hebben gezocht. Het probleem en het gevaar is dat, zodra men het recht en de aanspraak op een quotum overdraagt, alle productie ophoudt en de suikerproductie wordt geïntegreerd in grote multinationale belangen, in plaats van in belangen van afzonderlijke landen, zoals nu het geval is. Deze stellen een betrouwbare gewasteelt veilig, die daarna concurrentie mogelijk maakt en de diversiteit van het aanbod en de productie garandeert.

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) Ik ga hier geen diepgaande technische discussie over het suikervoorstel aan. Ik wil alleen zeggen dat ik me heel goed bewust ben van de verschillende standpunten in deze zaak. Ik kan u geruststellen dat ik in dit stadium naar alle belanghebbenden luister.

Er zijn verschillende meningen over hoe ver en hoe snel we gaan met het nieuwe suikervoorstel. Ik ben evenwel blij te kunnen zeggen dat alle leden van de Raad, en de leden van het Europees Parlement, beseffen dat er iets moet gebeuren met betrekking tot suiker. Als we op onze lauweren rusten en niets doen, bederven we voor de Europese suikerproductie de kans om in de toekomst concurrerend te zijn, en dat is niet de weg die we moeten bewandelen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr.58 van mevrouw Westlund (H-0035/05)

Betreft: Maatregelen ter ondersteuning van de bosbouw in door stormen geteisterde gebieden

Tijdens de heftige storm die onlangs over Noord-Europa trok, is in Zweden naar schatting voor een bedrag van ruim 8 miljard euro aan bossen vernield. De werkgelegenheid in de hout-, bosbouw- en landbouwindustrie wordt bedreigd, evenals de toekomst van de bosbouw.

Het bos is van doorslaggevende betekenis in Natura 2000, de EU-strategie voor biologische verscheidenheid en in het kader van de streven van de EU naar meer duurzame energie en terugdringing van het broeikaseffect. Op dit moment wordt eveneens gewerkt aan een gemeenschappelijk bosbouwbeleid van de Unie.

Kan de Commissie de bosbouw in deze moeilijke tijden te hulp schieten en ervoor zorgen dat het aanpakken van de door de storm vernielde bossen in zo ruim mogelijke zin niet wordt belemmerd door overbodige bureaucratie?

Kan de Commissie, het bovenstaande in overweging nemend en gezien de grote economische, sociale en milieutechnische betekenis van de bosbouw, mededelen welke maatregelen zij zal nemen om de bosbouw in de door de storm geteisterde gebieden van Zweden te steunen?

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (DA) Allereerst wil ik meedelen dat ik het volledig eens ben met de geachte afgevaardigde, dat bosbouw van cruciaal sociaal-economisch en ecologisch belang is in de EU, vooral op het platteland. De Commissie heeft zojuist een analyse voltooid van de maatregelen die de laatste vijf jaar zijn genomen in het kader van de Europese bosbouwstrategie, en binnenkort zullen wij de resultaten van deze analyse presenteren aan zowel het Europees Parlement als de Raad.

Het onderzoek is uitgevoerd in nauwe samenwerking met de relevante belanghebbende partijen en de lidstaten, en er is een opiniepeiling gedaan, onder andere via een forum op internet. Naar mijn mening vormt de resolutie van de Raad van 15 december over een Europese bosbouwstrategie een passende grondslag voor maatregelen en initiatieven in verband met de bosbouw in de EU.

Wat betreft de schade die is ontstaan door de laatste storm, die zoals bekend ook in andere Noord-Europese landen grote schade heeft aangericht, wil ik hier graag mijn oprechte medeleven betuigen met degenen die door deze ramp zijn getroffen. We staan klaar om zo snel mogelijk te onderzoeken wat we kunnen doen om de gevolgen te verhelpen. Er zijn binnen de Europese wetgeving verschillende mogelijkheden om steun te verlenen.

Op verzoek van een door een ramp getroffen land kan het communautaire actieprogramma voor gecoördineerde civiele bescherming in geval van rampen de hulp voor andere lidstaten vereenvoudigen en coördineren. Op 1 februari hebben de Zweedse autoriteiten ook om hulp verzocht van andere lidstaten in de vorm van elektriciteitsgeneratoren voor gebruik in de hardst getroffen delen van het land, en het was feitelijk mogelijk om binnen twee dagen aan deze wens te voldoen: Duitsland en Tsjechië zonden inderdaad 170 generatoren naar Zweden.

Er kan ook hulp verleend worden vanuit het Solidariteitsfonds van de EU, dat bijdragen geeft voor de eerste noodhulpmaatregelen. Er kan steun verleend worden vanuit de structuurfondsen in het kader van de vigerende programma’s, en als het productiepotentieel van zowel de landbouw als de bosbouw is aangetast, kan er ook steun verleend worden voor herstelmaatregelen en voor de invoering van preventieve maatregelen in het kader van de mogelijkheden van het plattelandsbeleid.

Ik kan u zeggen dat mijn dienst al in contact staat met de Zweedse autoriteiten en zich volledig openstelt voor de mogelijkheid om te onderzoeken of de door de Zweedse autoriteiten ingediende voorstellen praktisch uitvoerbaar zijn. Als de Zweedse autoriteiten om steun uit het Solidariteitsfonds willen verzoeken, raad ik ze aan om zich tot mijn collega mevrouw Hübner te wenden, die over dit specifieke terrein gaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Westlund (PSE). - (SV) Dank u hartelijk voor uw uitvoerige antwoord. Zoals u aangaf, is er veel gebeurd sinds ik deze vraag stelde, en ik wil mijn dankbaarheid uiten voor het feit dat de Commissie zoveel begrip heeft getoond en zo tegemoetkomend was jegens Zweden en de Baltische landen, die zo hard getroffen zijn. Ik betuig mijn grote dank voor uw optreden.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, David (PSE). - (EN) Ik kijk uit naar het genoemde verslag van de commissaris over de ontwikkeling van onze bosgebieden. Kan zij ons in de tussentijd de verzekering geven dat de vergoedingen aan afzonderlijke boerenbedrijven, die zullen plaatsvinden als gevolg van de ontkoppeling, en waarvan we weten dat ze een milieuelement hebben, ook een sterk bebossingselement zullen hebben? Kan zij verzekeren dat deze betalingen worden gebruikt om boeren te stimuleren bomen te blijven planten, en dan ook een verscheidenheid aan bomen, niet slechts één soort? Dit lost het bosbouwprobleem niet op, maar zou wel het aantal bomen in de Europese Unie vergroten en de milieuvoordelen brengen waaraan zij heeft gerefereerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) Ik ben het er volkomen mee eens dat het heel belangrijk is te verzekeren dat het aantal door bos bedekte hectares toeneemt. Binnen het beleid voor plattelandsontwikkeling worden momenteel diverse mogelijkheden besproken voor het instandhouden van bossen en het steunen van de aanplant van nieuwe bossen.

Er moet worden gezegd dat het uiteindelijk aan de lidstaten is te bepalen of ze gebruik willen maken van de verschillende instrumenten en de medefinanciering in het beleid voor plattelandsontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aangezien de voor het vragenuur aan de Commissie gereserveerde tijd verstreken is, zullen de vragen nrs. 59 tot en met 103 schriftelijk worden beantwoord(5).

(De vergadering wordt om 19.10 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER ONESTA
Ondervoorzitter

 
  

(1)PB L 18 van 21.1.1997, blz.1.
(2) PB L 164 van 30.4.2004, blz. 164.
(3) Zie: SWOV (Koornstra et al. 1997), TOI (Elvik, 1996) en ETSC, Brussel 2003.
(4) PB L 302 van 1.12.2000, blz. 72.
(5)Niet-behandelde vragen: zie bijlage “Vragenuur”.


16. Rijbewijs (voortzetting)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vervolg van het debat over het rijbewijs.

 
  
MPphoto
 
 

  Titley (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik verwelkom de voorstellen over rijbewijzen, omdat ze een grote vooruitgang betekenen in de fraudebestrijding, de verbetering van de verkeersveiligheid en, wat het belangrijkst is, het bieden van juridische zekerheid voor het vrije verkeer van mensen. Ik verwelkom vooral de voorstellen voor zwaardere eisen aan rijexaminatoren. Ik was niet blij met de oorspronkelijke voorstellen van de Commissie, omdat ik deze te bureaucratisch en te ingewikkeld vond. Ze zouden onnodige schade hebben toegebracht aan bepaalde groepen, zoals mensen die met een caravan rijden, dus ik feliciteer de rapporteur dat hij een eenvoudiger en praktischer voorstel heeft gemaakt.

We moeten echter nog nader kijken naar de kwestie van de motorfietsen, waarvoor de nationale praktijken en problemen sterk verschillen tussen de lidstaten. In het Verenigd Koninkrijk is het probleem niet zozeer de groep jonge motorrijders als wel mannen van middelbare leeftijd, zoals ik, die in een midlifecrisis zitten, een zeer zware motor kopen en zich vervolgens doodrijden. We hebben geen grote problemen met jonge motorrijders door onze exameneisen, vooral die voor het bromfietsexamen.

Andere landen hebben andere problemen met motorfietsen en bromfietsen. Ik ben daarom van mening dat het voorstel van de Commissie en het Parlement voor een 'one size fits all'-oplossing niet zal werken. Daarom heb ik, samen met enkele collega's in de PSE-Fractie, amendementen ingediend die zorgen voor een tweesporenaanpak die de beginselen van gefaseerde toegang respecteert.

Op het ene spoor is er sprake van een praktisch examen voor bromfietsen en vervolgens twee verdere stappen in de gefaseerde toegang. Het andere spoor kent niet de eis van praktische examens voor bromfietsen, maar heeft drie stappen in de gefaseerde toegang tot de zwaarste motorfietsen. In beide gevallen moet het aan de beslissingsbevoegdheid van de lidstaten worden overgelaten een minimumleeftijd tussen de 21 en 27 vast te stellen met betrekking tot besluiten over de directe toegang tot zwaardere machines. Ik hoop dat we tijdens deze stemming tot een oplossing voor dit probleem van de motorfietsen kunnen komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dionisi (PPE-DE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, Mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, ik feliciteer rapporteur Grosch met zijn verslag. De richtlijn met betrekking tot de rijbewijzen is zeer complex en gedetailleerd. Ik denk dat hij in zijn algemeenheid een grote stap in de goede richting betekent in termen van vrij verkeer, fraudebestrijding en een poging tot het bereiken van een grotere verkeersveiligheid. Op de Europese snelwegen overlijden jaarlijks meer dan 40 000 mensen, een onrustbarend gegeven dat onze serieuze en urgente aandacht verdient.

Een van de meest kwetsbare categorieën slachtoffers is die van de bromfietsers. Eenderde van alle in Europa circulerende gemotoriseerde tweewielers rijdt rond in Italië en maar liefst 60 procent van alle scooters. Om deze reden heb ik het debat over de minimumleeftijd met de nodige bezorgdheid gevolgd maar gelukkig is men het eens geworden over een zekere mate van flexibiliteit. Zo wordt er in Italië bijvoorbeeld al vanaf het veertiende jaar op brommers gereden en uit onderzoek is gebleken dat dit nu juist niet de meest risicovolle leeftijd is. Scooters en brommers zijn in ons land, vooral in de grote steden, zeer populaire vervoermiddelen en vormen een goed alternatief voor de auto. Om de verkeersveiligheid te bevorderen moet men deze vervoermiddelen niet in de ban doen, maar kan men op school cursussen organiseren voor een optimaal rijgedrag.

Over het algemeen is een gefaseerde benadering gewenst, maar de excessieve regelgeving zoals geformuleerd in het verslag maakt het voorstel van de Commissie niet beter en zal de gewenste harmonisatie evenmin dichterbij brengen. Wat heeft het voor zin om de minimumleeftijd voor het motorrijbewijs op 24 jaar vast te stellen terwijl tegelijkertijd de minimumleeftijd voor een autorijbewijs naar 17 jaar verlaagd wordt?

Door de invoering van afzonderlijke examens voor iedere categorie wordt het tenslotte de gebruikers - en meer nog de autoriteiten - onmogelijk gemaakt het systeem te benutten respectievelijk te controleren, terwijl er niet de minste garantie is dat de verkeersveiligheid ermee wordt verbeterd. Het probleem moet aangepakt worden, zonder daarbij de bromfietsers te benadelen ten gunste van bestuurders van andere voertuigen, alleen omdat we ons geweten willen sussen. Voor het verhogen van de verkeersveiligheid en het bereiken van de harmonisatiedoelstelling nodig ik u allen uit om over deze twee punten na te denken zodat we tot een verstandige normering kunnen komen die uitvoerbaar en beheersbaar is.

 
  
MPphoto
 
 

  Leichtfried (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, ik wil op twee onderwerpen uit het verslag ingaan die mij speciaal belangrijk lijken. Ten eerste ben ik erg blij dat de Commissie vervoer en toerisme in tegenstelling tot het voorstel van de Europese Commissie vasthoudt aan het standpunt dat er geen verplichte medische keuringen vanaf een bepaalde leeftijd dienen te komen. Naar mijn opvatting zou deze maatregel namelijk tot onnodige discriminatie leiden.

Uit geen enkele statistiek blijkt dat leeftijdsgebonden gezondheidsklachten in verhoogde mate aan ongelukken bijdragen. Ook moeten we ons realiseren dat het in heel Europa zo is dat juist in de plattelandsgemeenten levensmiddelenwinkels, banken, postkantoren enzovoort worden gesloten. Juist daar wonen oudere mensen. Men kan hun het rijbewijs toch niet afnemen en daarmee als het ware hun basisvoorzieningen in gevaar brengen.

Het tweede punt dat ik wil aansnijden is het beperken van de geldigheidsduur tot tien jaar. Ik was hierover in eerste instantie sceptisch, maar als men tot een uniforme regeling wil komen, dan moet men denk ik ook accepteren dat er landen zijn waar het rijbewijs niet alleen een vergunning, maar ook een identiteitsbewijs is. Ik wil de zaak nu omdraaien en de volgende suggestie doen: indien we aan de beperking van de geldigheidsduur tot tien jaar vasthouden – en ik ben daarvoor – moeten we er misschien ook voor zorgen dat het rijbewijs overal een legitimatiebewijs wordt; de nadelen die sommige landen door die beperking ondervinden, worden dan door dit voordeel weer goedgemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Wortmann-Kool (PPE-DE). Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteur bedanken voor zijn belangrijke werk, want dat was niet eenvoudig, zo blijkt ook weer deze middag en deze avond. En ik wil graag op enkele kernpunten ingaan. Als eerste, we moeten Europese fraudebestrijding echt serieus nemen en die dus ook mogelijk maken en dat kan niet met 110 verschillende rijbewijzen in Europa. Ik vind het dan ook essentieel dat het rijbewijs elke tien jaar vernieuwd wordt en dat we binnen nog eens tien jaar naar één fraudebestendig rijbewijs in creditcard-formaat gaan. Dat kunnen we niet overlaten aan de subsidiariteit. Dit Parlement neemt zichzelf niet serieus als we een besluit nemen en als we er vervolgens tachtig jaar over doen om dat ook in te voeren.

Ten tweede, het voorstel van de Commissie was te beperkend voor bezitters van caravans, boottrailers en paardentrailers die volgens het voorstel een extra rijbewijs E bij hun reguliere B-rijbewijs moeten gaan halen. Ik ben blij dat er een meerderheid is die mijn voorstel steunt om de huidige situatie te handhaven. Er is geen enkel bewijs dat dit onveilig is, dus we moeten de regels niet onnodig gecompliceerd maken.

En ten derde, het motorrijbewijs voor zware motoren. Als we de uitkomst van de Transportcommissie volgen, dan zou de getrapte toegang tot zware motoren zelfs gaan gelden tot 24 jaar. En dat gaat te ver. Een 18-jarige mag wel een grote Landrover rijden maar je moet 24 jaar oud zijn om direct een zware motor te berijden. Dat is echt te gek en te ongelijk.

Daarom heb ik met steun van collega Bradbourn met de EVP een amendement ingediend dat het net zoals nu mogelijk maakt vanaf 21 jaar direct een zware motor te berijden. En ik wil de collega's met klem vragen dit amendement te steunen. Voorzitter, dit is een heel belangrijke herziening, de tien jaar is heel erg essentieel, ook om echt een uniform rijbewijs te krijgen in Europa en echte fraude te bestrijden. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Vincenzi (PSE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ook ik draag het veiligheidsaspect, in het bijzonder met betrekking tot het bromfietsrijbewijs, een warm hart toe.

In deze context denk ik dat het nuttig is om de vier algemene principes die al in de richtlijn staan, te harmoniseren. Ik refereer hierbij aan de gefaseerde toegang en aan het fundamentele belang van scholing, aan de noodzaak geen onderscheid te maken tussen het behalen van het autorijbewijs en het bromfietsrijbewijs, aan de wetenschap dat snelheid en de vermogen/gewichtsverhouding tot de belangrijkste oorzaken van verkeersongelukken behoren en aan het feit dat de situatie overal in Europa sterk verschilt. Deze diversiteit moet de roep versterken om een grotere verkeersveiligheid en een meer verantwoord rijgedrag, waarbij geen plaats is voor de vestiging van een monocultuur op vier wielen ten koste van het vervoer op twee wielen.

In dit kader dien ik samen met mijn collega’s van de socialistische fractie een aantal amendementen in, die enerzijds gericht zijn op de snelheidsbeperking van motorvoertuigen waarvoor een minimumleeftijd geldt van achttien jaar, evenals op het besef dat de verkeersomstandigheden in ieder land anders zijn, en anderzijds op de bevestiging van het beginsel van gefaseerde toegang. Daarbij wordt de bromfietsbestuurder, die aantoonbaar goed en ervaren rijgedrag vertoont en zich zowel in het stadsverkeer als ten opzichte van de overige weggebruikers een bekwaam weggebruiker kan noemen, beloond met een overstap naar een zwaardere categorie.

Als deze aspecten beter worden geharmoniseerd denk ik dat het bromfietsprobleem, zoals dat door velen reeds ter sprake is gebracht, een plaats kan krijgen in een algemeen systeem in het kader van dit verslag waarmee ik de rapporteur feliciteer.

 
  
MPphoto
 
 

  Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, de ontwerprichtlijn inzake het rijbewijs brengt meer Europa in het dagelijks leven van onze burgers, en zorgt ervoor dat de wetgeving in sectoren die van fundamenteel belang zijn voor het vrij verkeer op de gemeenschappelijke Europese markt, toegankelijker, transparanter en efficiënter wordt.

De rapporteur, de heer Mathieu Grosch, heeft een lange weg afgelegd en enorme inspanningen ondernomen om de verschillende gevoeligheden en praktijken onder een noemer te brengen. Hij heeft een eigen bijdrage geleverd aan de verbetering van dit voorstel en ik wil hem daarvoor bedanken.

Een geharmoniseerd - en niet per se gehomogeniseerd - systeem voor rijbewijsafgifte zal in eerste instantie bijdragen aan het voorkomen van fraude en verwarring, die in de hand worden gewerkt door de grote variëteit aan rijbewijzen in de Europese Unie. Met de afgifte van plastic rijbewijzen, van het kredietkaarttype, de vervanging binnen tien jaar van de oude rijbewijzen en de mogelijkheid tot het gebruik van een microchip, wordt de controle gemakkelijker en het frauderisico minder. Daaraan zal ook de wederzijdse erkenning van sancties in belangrijke mate bijdragen en de totstandkoming van een ruimte van veiligheid en rechtvaardigheid in de Europese Unie worden bevorderd.

Deze ontwerprichtlijn draagt tevens bij aan meer verkeersveiligheid, een van de hoofddoelstellingen van het Europees beleid. Dankzij juiste criteria voor de selectie van examinatoren, hun continue bijscholing, periodieke medische onderzoeken van bestuurders en de uitbreiding van het beginsel inzake geleidelijke toegang tot rijbewijzen voor zwaardere voertuigen, zullen wij in staat zijn ons leven beter te beschermen, onze levenskwaliteit te verbeteren en uiteindelijk ook onze democratie te versterken. Deze elementen vormen immers de kern van ons Europees sociaal model, en dat moeten wij beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Rossa (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het volkomen eens met de zienswijze van de rapporteur ten aanzien van dit onderwerp. Ik vraag me af waarom we niet sneller kunnen toewerken naar een rijbewijs op betaalkaartformaat. Als ik bedenk dat we in enkele weken zijn overgestapt van vijftien verschillende munteenheden op één Europese munt, lijkt het me helemaal een koud kunstje om van 110 verschillende modellen rijbewijzen over te stappen op één enkel type rijbewijs.

Een van de dingen die mij zorgen baren, zijn de kosten van het verkrijgen van een rijbewijs voor met name jongeren. Dat moet ontmoedigend voor hen zijn, aangezien ze ook te maken hebben met de kosten van de rijlessen en het examen, en in veel gevallen het overdoen van het examen. Hierdoor rijden er waarschijnlijk veel jongeren in Europa rond zonder rijbewijs, en vermoedelijk dus ook onverzekerd.

Ik weet dat er in Ierland volgens een schatting van de Automobile Association eenvijfde van de bestuurders de weg opgaat met een voorlopig rijbewijs. Zo'n voorlopig rijbewijs is verkrijgbaar tegen betaling van een zeker bedrag. Er bestaat een wachtlijst van minimaal een jaar om het rijexamen te kunnen afleggen en als mensen voor dat examen zakken – wat vaak gebeurt – rijden ze zeker twee jaar zonder de vereiste opleiding en kennis rond.

Hoewel het een heel goed uitgangspunt is om in Europa met gemeenschappelijke normen te werken, moeten wij ons vooral bezighouden met de vraag of de lidstaten er wel voor zorgen dat met name mensen die in het bezit zijn van een voorlopig rijbewijs in staat zijn om veilig te rijden. Uit de statistieken van verkeersdoden lijkt te kunnen worden opgemaakt dat dit niet het geval is.

 
  
MPphoto
 
 

  Ferber (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, de kwestie van de rijbewijsrichtlijn heeft met name in mijn land tot veel ophef geleid. Ik ben erg blij dat veel punten waarvan de achterliggende gedachten destijds terecht zijn bekritiseerd, nu geen rol meer spelen, zoals de kwestie van de medische keuring bij oudere verkeersdeelnemers. Daarover is al het een en ander gezegd.

Ten aanzien van het beperken van de geldigheidsduur moeten we rekening houden met het feit dat cultuur en tradities in de afzonderlijke lidstaten op dit punt zeer van elkaar verschillen. In Duitsland bestaat het rijbewijs al meer dan honderd jaar; geen enkel ander EU-land kan dat van zichzelf zeggen. Wij hebben onze eigen traditie, anderen hebben de hunne. Het heeft geen zin dat de Europese wetgever of het Europees Parlement verder gaat dan wat de lidstaten tot nu toe zijn overeengekomen.

Wat de invoering van het creditcardmodel betreft: dat is al sinds meer dan vijf jaar mogelijk en het is de schuld van de lidstaten zelf als ze dat nog niet hebben gedaan. Dat is de taak van de lidstaten. Het is niet onze taak om dat op Europees niveau aan iedereen bindend voor te schrijven.

Laat ik nog een punt van kritiek noemen: in het nieuwe rijbewijs moet een microchip worden ingebouwd; dat kost geld en levert niets op. Waarom hebben we ons in de voorlaatste zittingsperiode met cijfercodes en dergelijke beziggehouden? Om ervoor te zorgen dat men het rijbewijs in alle landen kan lezen. We hebben geen microchip nodig – die kost alleen maar geld en levert niets op.

Ik ben erg blij dat het probleem met de aanhangwagens is opgelost. Ik heb over deze zaak zeer intensief met de rapporteur overlegd en ik denk dat we een goede en uitvoerbare oplossing hebben gevonden die rekening houdt met de belangen van de burgers. Laten we die belangen ook behartigen bij de verplichte inwisseling en dergelijke. Als we de mensen daar ongevraagd mee willen verblijden, levert dat voor de burgers meer ergernis dan voordeel op.

Daarom richt ik mijn verzoek tot u, mijnheer de commissaris. U hebt immers de eervolle taak om over de 129 ingediende amendementen een definitief oordeel te vellen. U staat zeer dicht bij het standpunt van de Raad; dat is in het belang van de burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Doyle (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag aan de woorden van de heer De Rossa toevoegen dat de meeste mensen die in Ierland met een voorlopig rijbewijs rijden dat volstrekt legaal doen. Zo is het systeem bij ons nu eenmaal. Het is dus echt niet zo dat eenvijfde van de bestuurders de wet overtreedt.

Ik sta volledig achter de derde richtlijn betreffende het rijbewijs, waarover we nu spreken, en ik bedank de heer Grosch voor het werk dat hij heeft verricht. We willen het vrij verkeer van onze burgers vergroten, de fraude met rijbewijzen tegengaan en vooral de verkeersveiligheid bevorderen. Ik hoef u niet te herinneren aan het enorme aantal verkeersdoden waarmee al onze lidstaten te maken hebben, en met deze maatregel leveren we slechts een kleine bijdrage aan de pogingen om dat aantal terug te dringen.

Een rijbewijs in de vorm van een plastic pasje zou ideaal zijn. De huidige papieren rijbewijzen zijn te fraudegevoelig. Als zo'n plastic model wordt uitgerust met een optionele microchip, zou dat de fraudebestrijding ondersteunen. Ik ben het ermee eens dat het regelmatig vernieuwd moet worden, in de eerste plaats ter ondersteuning van de fraudebestrijding en in de tweede plaats om het rijbewijs van een recente foto van de houder te voorzien. Doordat er sprake zal zijn van “één houder, één rijbewijs”, zal er ook een einde komen aan het rijbewijstoerisme. Momenteel is het zo dat iemand die zijn rijbewijs – eufemistisch gezegd – “kwijtraakt”, in een ander land een nieuw rijbewijs kan halen. “Kwijtraken” betekent dat iemands rijbewijs is ingenomen vanwege een ernstige wetsovertreding!

De frequentie van medische keuringen voor beroepschauffeurs moet worden geharmoniseerd en hetzelfde geldt voor de minimale opleidingseisen voor onze rij-examinatoren. Er is nooit harmonisatie op dit gebied geweest en het is belangrijk dat we daar werk van maken.

Ik vind dat een rijbewijs moet worden vervangen door het plastic model zodra het moet worden vernieuwd. Ik weet dat er hier een discussie over gaande is en dat er twee opties zijn. Waar het om gaat, is dat we de houder niet diens rijbevoegdheid ontnemen. Ik denk dat veel mensen onbewust bang zijn om hun papieren rijbewijs te laten vernieuwen als het is verlopen. Met name ouderen zijn bang dat hun rijbevoegdheid in het geding komt en dat ze hun rijbewijs niet terugkrijgen. We moeten de garantie geven dat er niet aan de rijbevoegdheid wordt getornd en dat alle rijbewijzen die aan vernieuwing toe zijn, worden omgezet in het nieuwe model. Ik vind ook dat mensen die in het bezit zijn van een personenautorijbewijs het recht moeten hebben om de weg op te gaan met een combinatie van een motorvoertuig met een aanhangwagen of caravan tot 3500 kilogram.

 
  
MPphoto
 
 

  Jałowiecki (PPE-DE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijns ondanks moet ik om te beginnen ingaan op de woorden van de heer Piecyk. Hij heeft gezegd dat iemand die niet slaagt voor de zogenaamde Idiotentest in Duitsland met verschillende handigheidjes een rijbewijs kan behalen in bijvoorbeeld Tsjechië. Ik kan u verzekeren dat de in Tsjechië en Polen vereiste rijvaardigheid aanmerkelijk hoger ligt dan een Idiotentest. Overigens geldt dit niet alleen voor bestuurders, maar ook voor lassers, artsen en verpleegsters die zo gewild zijn in de oude lidstaten van de Europese Unie.

Maar nu terzake. Het verslag van de heer Grosch slaat een brug tussen twee, zoals wij uit de praktijk weten uiterst ingewikkelde kwesties. Enerzijds is er het streven naar standaardisering of harmonisering, anderzijds het streven naar de eerbiediging van de subsidiariteit. De standaardisering van een document als het rijbewijs is uiteraard nodig, want wij kunnen van een politieagent ergens in Europa niet verwachten dat hij alle mogelijke rijbewijzen kent. Hoewel de verleiding groot is, mag standaardisering evenwel niet leiden tot het ingrijpen in de soevereine wetten van afzonderlijke staten voor wat betreft de leeftijd van bestuurders, medische keuringen, het systeem van de rijopleiding en dergelijke. De heer Grosch is hierin geslaagd en daarmee wil ik hem gelukwensen.

Van doorslaggevend belang is echter de vorming van een Europees netwerk van gegevensbanken. Zonder een dergelijk netwerk kan vervalsing niet worden bestreden en de verkeersveiligheid derhalve niet worden verhoogd. Wij weten immers dat diegenen hun toevlucht nemen tot illegale praktijken die niet langs legale weg een rijbewijs kunnen behalen, dat wil zeggen dat hun rijvaardigheid onvoldoende is om een voertuig te mogen besturen. Zij vormen derhalve een gevaar voor anderen en voor zichzelf. Ik heb gehoord over de problemen van de Europese Commissie bij de vorming van een dergelijk netwerk. Ik moet zeggen dat ik die problemen niet begrijp. Vandaag de dag kunnen wij via Internet probleemloos winkelen, vluchten boeken en ingewikkelde bancaire transacties uitvoeren. Hoe kan de vorming van een dergelijk systeem in de ogen van de Commissie dan zo’n Herculestaak zijn? Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Koch (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het gemeenschappelijk Europees rijbewijs had er allang moeten zijn, niet als extra, maar als het enig toegestane model. Misschien is het interessant om de catalogus met de nu geldende 110 modellen door te bladeren en de geldigheid en de veiligheidskenmerken te bestuderen – praktisch voor het gebruik is zo’n catalogus echter niet. Het inwisselen van oude rijbewijzen zal geen enkele houder van een rijbewijs ertoe brengen zich beter aan de verkeersregels te houden. Het zal er ook niet toe leiden dat voertuigen met betere veiligheidsvoorzieningen worden uitgerust. Toch zal het vrije verkeer erdoor verbeteren en wordt de veiligheid voor burgers aanzienlijk vergroot, of ze nu aan het verkeer deelnemen of niet.

Het actualiseren van het rijbewijs levert meer veiligheid op, is niet-bureaucratisch en geschiedt met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. Bij een subsidiaire uitvoering zouden de lidstaten de omwisseling op vele manieren mogelijk moeten maken, bijvoorbeeld in het kader van de kentekenregistratie of apk-keuring. Beide vinden veel vaker plaats dan het vernieuwen van het rijbewijs. Beide zijn echt bureaucratisch en bovendien veel duurder.

Het levert voor iedere bestuurder van een motorvoertuig al meer veiligheid in het buitenland op, wanneer vervelende en ergerlijke onaangenaamheden bij verkeerscontroles, maar ook bij het huren van een auto, door een eigentijds en leesbaar rijbewijs tot het verleden behoren. Onaangenaamheden die aantoonbaar tot stress leiden en daardoor gevaar voor het verkeer opleveren.

In het kader van terrorismebestrijding acht ik een verifieerbaar rijbewijs absoluut legitiem. De houder ervan moet ondubbelzinnig te identificeren zijn. De mogelijkheden om te frauderen worden verkleind, de fraudebestendigheid wordt vergroot. De bestuurder van een bus of van een transport van gevaarlijke goederen zal ook werkelijk kunnen aantonen dat hij gerechtigd is om het desbetreffende voertuig te besturen.

Wanneer we het rijbewijstoerisme serieus willen aanpakken, moeten afgegeven rijbewijzen worden geregistreerd in een netwerk van nationale registers. We bereiken dit doel onder de door de Commissie vervoer en toerisme geaccepteerde voorwaarden in 2030. We moeten onze doelen niet nog verder opschuiven.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zou eerst een woord van dank willen richten tot alle leden van het Parlement die hebben deelgenomen aan dit belangrijke debat. Verder zou ik de heer Grosch hartelijk willen bedanken voor zijn verslag, waarvoor iedereen niets dan lof heeft. Ik dank hem en de Commissie vervoer en toerisme van harte voor hun steun en voor het feit dat ze de tekst van de Commissie echt verbeterd hebben. Mijn complimenten, mijnheer Grosch! We hebben het hier over een zaak die uiterst gevoelig ligt bij de burgers in Europa, en u bent er dus in geslaagd het juiste evenwicht te vinden. Sommigen van u hebben erop gewezen dat de Unie moet oppassen niet de fout van overregulering te begaan, maar als ik zo dit nieuwe rijbewijs zie, waarvan de eerste exemplaren al in enkele lidstaten circuleren, moet ik zeggen dat het mijns inziens garant staat voor meer veiligheid voor iedereen en voor meer gebruiksgemak, terwijl het tegelijkertijd een afdoende mate van subsidiariteit biedt, zodat de lidstaten ten aanzien van een aantal zaken nog steeds beslissingsbevoegd zijn.

Al met al een zeer evenwichtige tekst dus in mijn ogen. We moeten ons namelijk realiseren, dames en heren, dat we ons hier bezighouden met wetgeving op een uiterst gevoelig terrein. Geen enkel ander certificaat in de Unie kent momenteel zo’n grote verspreiding: bijna 300 miljoen mensen bezitten een rijbewijs, en velen van hen zijn er ook van afhankelijk voor hun mobiliteit in het dagelijks leven. De keerzijde is - en dat blijkt ook wel uit de zeer uiteenlopende reacties - dat al die mensen natuurlijk ook vinden dat ze er verstand van hebben; ze hebben allemaal een eigen mening over dit onderwerp.

Als we kijken naar het akkoord dat is bereikt in de Raad in oktober vorig jaar en naar de stemming in de commissie - uw commissie -, kunnen we desalniettemin spreken van een zeer ruime consensus, waarmee nog maar eens onderstreept wordt dat de doelstellingen die de Commissie heeft voorgesteld, door de andere instellingen in ruime mate worden gesteund. U zult begrijpen dat ik gezien het aantal amendementen en de uiteenlopende reacties niet op alle punten in kan gaan.

Wat ik u wel kan zeggen, mijnheer de rapporteur, is dat de Commissie bereid is nagenoeg al uw amendementen te aanvaarden. Daar staat tegenover dat ze zich genoodzaakt ziet u te vragen enkele amendementen te verwerpen, niet omdat ze de strekking ervan niet onderschrijft, maar omdat deze amendementen het evenwicht in de tekst in zekere zin verstoren en het geheel omslachtiger maken. We zijn natuurlijk ook nog niet in het eindstadium; we weten dat er nog verbeteringen zullen komen. Ik denk bijvoorbeeld aan de amendementen 97 tot en met 129. Uiteraard zal ik u een uitgebreide schriftelijke reactie van de Commissie op alle amendementen doen toekomen, mijnheer de Voorzitter, maar ik zou nu alvast antwoord willen geven op enkele vragen en in de eerste plaats iets willen zeggen over het vervangen van rijbewijzen die op dit moment in omloop zijn.

Mijnheer Grosch, in uw verslag stelt u voor alle bestaande rijbewijzen te vervangen, en wel binnen tien jaar waar het gaat om papieren modellen en binnen twintig jaar voor alle andere modellen. De Commissie heeft aanvankelijk inderdaad niet voorgesteld over te gaan tot vervanging van alle rijbewijzen die thans in omloop zijn. Na recente onthullingen over fraude met documenten en dubieuze methoden om aan een rijbewijs te komen - sommigen van u spraken in dit verband van “rijbewijstoerisme” - is men in de lidstaten evenwel enigszins van gedachten veranderd ten aanzien van dit punt.

Dames en heren, met een volledige vervanging bereiken we dat de databanken geactualiseerd kunnen worden, dat valse rijbewijzen uit circulatie genomen kunnen worden en dat er een einde komt aan de situatie dat mensen twee of drie rijbewijzen bezitten, hetgeen maar al te vaak voorkomt. Op die manier leveren we een rechtstreekse bijdrage aan het verbeteren van de verkeerscontroles en krijgen we een extra middel in handen om te voorkomen dat fraudeurs vrijuit gaan. Ook met de oprichting van een elektronisch informatienetwerk zetten we een stap in deze richting. Wat dit betreft kan ik het Parlement meedelen dat de Commissie en de lidstaten reeds bezig zijn met het gezamenlijk opzetten van een netwerk genaamd Resper, een rijbewijsnetwerk waarin de databanken van de lidstaten aan elkaar worden gekoppeld. De werkzaamheden hiervoor zullen in 2005 worden afgerond.

Zoals gezegd, nagenoeg alle amendementen zijn aanvaardbaar voor de Commissie, en ik twijfel er niet aan dat de in het verslag-Grosch voorgestelde formulering de weg vrijmaakt voor een vruchtbaar debat in de Raad over het vervangen van rijbewijzen die reeds in omloop zijn. U zult begrijpen dat de Commissie niet kan instemmen met de amendementen die dit perspectief in gevaar brengen en die in de toekomst een oplossing van de zojuist genoemde problemen zelfs onmogelijk zouden maken.

Ik zou tevens enkele woorden willen wijden aan de kwestie van de beperkte administratieve geldigheidsduur. De Commissie heeft een geldigheidsduur van tien jaar voorgesteld voor het nieuwe rijbewijs. Dit document, waaruit blijkt dat de houder het recht heeft met een motorrijtuig aan het verkeer deel te nemen, dient een recente foto te bevatten en te zijn voorzien van de meest geavanceerde features op het vlak van fraudebestendigheid. Dat zal leiden tot efficiëntere controles en tot meer veiligheid op de weg zonder dat daaraan buitensporige kosten verbonden zijn.

De Commissie heeft inderdaad niet voorgesteld aan de noodzakelijke periodieke verlenging een medische keuring te koppelen. De reden is gelegen in de subsidiariteit, die nu eenmaal vereist dat we een deel van de verantwoordelijkheden op dit gebied overlaten aan de lidstaten. Dat is wat ik wilde zeggen over de beperkte administratieve geldigheidsduur. Een belangrijk punt dus in onze ogen, omdat deze beperkte duur bijdraagt tot de bestrijding van fraude en tevens het actualiseren van rijbewijzen zonder al te veel formaliteiten mogelijk maakt. Maar ik herhaal: de Commissie stelt geen periodieke medische keuringen voor, en de beperkte geldigheidsduur staat in principe los van dit medisch toezicht, dat een zaak van de lidstaten blijft.

Ik wil alle afgevaardigden bedanken die het probleem van tweewielige motorrijtuigen aan de orde hebben gesteld, met name waar het gaat om brommer- of scootergebruik door jongeren, en soms zelfs de niet zo jeugdigen. Een van u heeft opgemerkt dat je op zekere leeftijd wel interesse kunt gaan ontwikkelen voor motoren, maar dat dat nog niet betekent dat je daar ook aan toe bent. We moeten op dit punt inderdaad erg waakzaam blijven. Bestuurders van tweewielige motorrijtuigen zijn zestien maal vaker bij ongevallen betrokken dan automobilisten. Als de huidige tendens doorzet en we geen maatregelen nemen, zullen bestuurders van tweewielers in 2010 zelfs eenderde van alle verkeersslachtoffers uitmaken.

Ik heb in een van de lidstaten het ambt van minister van Volksgezondheid uitgeoefend, en ik kan u zeggen dat mij mijn leven lang de getallen zullen bij blijven van het aantal doden in het verkeer, en ook van het aantal jongeren dat bij verkeersongevallen verlamd raakt. Zoals gezegd, we moeten wat dit betreft dus buitengewoon waakzaam blijven.

Ik wil dan ook een welgemeend woord van dank richten tot de leden van het Parlement die samen met hun rapporteur buitengewoon werk verricht hebben. Onze medeburgers in Europa zullen de stap die nu gezet is ongetwijfeld op zijn waarde kunnen schatten, al moet er natuurlijk nog wel het nodige gebeuren.

Een van de punten die aan de orde zijn gesteld betrof de kwestie van de kosten van het rijbewijs, en ook is gesproken over de noodzaak van een goede opleiding van examinatoren. Deze twee zaken verdienen in mijn ogen inderdaad de nodige aandacht. Dit is een ander terrein waarop de lidstaten het nodige zullen moeten ondernemen en onderzoeken, want het kan niet zo zijn dat de jongere generatie - die in het bijzonder - geen rijbewijs kan krijgen omdat de kosten ervan te hoog zijn. Het rijbewijs is voor jongeren immers vaak ook een middel waarmee ze zich een plek kunnen verwerven op de arbeidsmarkt. Dat is wat ik hierover wilde zeggen.

Namens de Commissie aanvaard ik dus uw amendementen, mijnheer de rapporteur. Een aantal ervan moet ik terzijde schuiven, maar ik wil de opstellers ervan desalniettemin bedanken voor de bijdrage die ze hebben willen leveren aan dit debat - een debat waarvan het belang niet onderschat moet worden, gezien de betekenis die het heeft voor het dagelijkse leven van de Europese burgers.(1)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, woensdag, om 11.30 uur plaats.

 
  

(1) Standpunt van de Commissie inzake de amendementen: zie bijlage.


17. Verontreiniging vanaf schepen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de aanbeveling voor de tweede lezing (A6-0015/2005), namens de Commissie vervoer en toerisme, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (11964/3/2004 – C6-0157/2004 – 2003/0037(COD)) (Rapporteur: mevrouw Corien Wortmann-Kool).

 
  
MPphoto
 
 

  Wortmann-Kool (PPE-DE), rapporteur. Voorzitter, wij bespreken de richtlijn voor strafrechtelijke sancties ter bestrijding van illegale olielozingen op zee en als uw rapporteur ben ik zeer verheugd over het bereikte akkoord met de Raad in tweede lezing. Het vergde veel en intensief overleg en het akkoord dat we bereikt hebben met de Raad verzekert een stevige maar ook een rechtvaardige Europese aanpak bij illegale olielozingen en olierampen. Ik wil graag nog eens in dit Parlement het maatschappelijk belang van deze richtlijn onderstrepen. Het wetsvoorstel is een direct gevolg van de olieramp met de Prestige. Honderden kilometers kust raakten toen ernstig beschadigd en het huidige pakket maatregelen heeft echt niet alleen betrekking op die ongelukken maar beoogt ook illegale lozingen in de Europese kustwateren te bestrijden. Die illegale olielozingen halen niet zo gemakkelijk de voorpagina's van de kranten maar vormen wel een zwaar onderschat en onderbelicht probleem, want in de Europese wateren vinden jaarlijks zo'n 90 000 gevallen van illegale oliedumping plaats. Stranden raken elk jaar weer vervuild en maar liefst 40 procent van de dode zeevogels aan de Noordzeekust zijn het gevolg van olievervuiling.

Voorzitter, de Raad heeft er lang over gedaan om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. Dat gemeenschappelijk standpunt was niet voldoende voor het Parlement. Wij willen geen papieren tijger maar goede Europese afspraken over opsporing en sancties. De Raad is het Parlement hierin vergaand tegemoet gekomen en dat is goed voor de Europese burgers en het milieu. Ik wil de belangrijkste punten graag toelichten.

Ten eerste de harde sancties voor het tegengaan van illegale lozingen. De Raad heeft in december een kaderbesluit aanvaard waarin de sancties in de derde pijler geregeld zijn. Daarmee heeft de Raad de weg vrijgemaakt om tot dit akkoord te komen. Dit derdepijler-voorstel is ook stevig verankerd in de richtlijn door het opnemen van een passage over de criminal offences. Bovendien heeft de Raad parallelle adoptie van beide wetsvoorstellen verzekerd. Het Parlement heeft hiermee haar institutionele positie versterkt, vooruitlopend op de nieuwe grondwet.

Ten tweede, de opsporing van illegale lozingen. De meeste landen kunnen niet of nauwelijks optreden tegen illegale lozingen, maar door de drempel voor het bestrijden daarvan te verlagen tot ernstige nalatigheid, serious negligence, verzekeren we dat in Europa ook echt opgetreden kán worden tegen overtredingen; we moeten echter niet doorslaan in een onevenredige criminalisering van bemanning en kapitein en daar is veel discussie over geweest. Het Parlement hecht aan de bescherming die internationale verdragen bieden bij illegale lozingen maar bij ongevallen ligt dat gecompliceerder.

Commissie en Raad willen binnen de territoriale wateren geen extra Marpol-bescherming, omdat dan feitelijk nauwelijks zou kunnen worden opgetreden. Een meerderheid van de transportcommissie was het daarmee eens. Toch merk ik dat discussie op dit punt blijft want ook gisteren ontving ik nog een brief van de International Maritime Organisation hierover en die brief is ook bij de commissaris bekend. Kunt u, commissaris Barrot, de vrees wegnemen die bij sommigen nog steeds leeft dat de bemanning bij ongevallen op voorhand wordt gecriminaliseerd, want dat mag niet de bedoeling zijn.

Mijnheer de Voorzitter, het derde punt. De Europese kustwacht, dit is een allang bestaande wens van dit Parlement, noodzakelijk voor een effectieve preventie en opsporing van olievervuiling. Deze wens is tot nu toe niet erkend door de Raad en dat is met dit akkoord nu wel het geval. Ik ben dan ook zeer verheugd dat de Raad het principe van een Europese kustwacht erkent. Afgesproken is dat de Europese Commissie voor eind 2006 een haalbaarheidsstudie zal presenteren en commissaris Barrot, wij zien de resultaten van uw studie en ook uw voorstel voor een Europese kustwacht gaarne tegemoet.

Tot slot moeten we natuurlijk alles doen om vervuiling te voorkomen en daarvoor is de richtlijn voor de havenontvangstinstallaties bedoeld, maar die werkt nog volstrekt onvoldoende. En wat gaat de Commissie ondernemen om dit te verbeteren?

Voorzitter, ik dank mijn collega's voor het in mij gestelde vertrouwen en de prettige samenwerking en ook het secretariaat van de Transportcommissie; ook de Europese Commissie dank ik hartelijk voor alle steun en samenwerking. Last but not least, het Luxemburgs voorzitterschap, dat voortvarend de onderhandeling heeft gevoerd en dat was niet gemakkelijk. Ik ben blij met het resultaat, ik dank u daarvoor, vooral vanuit het belang voor de burgers en het leefmilieu langs onze kusten en in onze kustwateren.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst mevrouw Wortmann-Kool bedanken, die op voorbeeldige wijze de context geschetst heeft, uiteengezet heeft wat de problemen zijn en aangegeven heeft wat de compromisoplossing inhoudt die naar ik vurig hoop morgen door uw Vergadering goedgekeurd zal worden. Laat ik me ertoe beperken enkele opmerkingen aan haar betoog toe te voegen.

De onderhandelingen over dit voorstel voor een richtlijn hebben bijna twee jaar geduurd. Er waren de nodige obstakels te overwinnen, want wij hadden niet altijd dezelfde opvattingen als u, althans sommigen onder u. Staat u me toe mijn welgemeende complimenten over te brengen aan de drie rapporteurs die successievelijk aan deze onderhandelingen hebben deelgenomen, en in het bijzonder aan mevrouw Wortmann-Kool. Zij is de ware architect van het succes van vandaag.

Met deze toekomstige richtlijn bieden de Europese instellingen eindelijk een concreet antwoord op de wensen en verwachtingen van onze burgers, die vinden dat er een einde moet komen aan illegale olielozingen en dat rampen zoals die zich in het verleden hebben voorgedaan, niet meer mogen voorkomen. Er wordt gezegd - en ook u, mevrouw, hebt er zojuist naar verwezen - dat wij kapiteins en bemanningen zouden criminaliseren. Ik kan u zeggen dat dat absoluut niet onze bedoeling is. Integendeel, deze richtlijn is juist bedoeld om de beroepsgroep te steunen. We richten ons op de meest zeldzame gevallen, de zaken die echt niet door de beugel kunnen en die we niet kunnen laten passeren. Ons doel is ervoor te zorgen dat alle actoren aan de toeleveringszijde in de lange keten van het zeevervoer aansprakelijk gesteld kunnen worden. Ik moet u zeggen dat de reactie van de secretaris-generaal van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), met wie ik vorige week op het IMO-hoofdkantoor in Londen gesproken heb, me enigszins heeft verbaasd. Ik heb hem uitgelegd dat de tekst die in het Parlement voorligt volledig in overeenstemming is met het internationaal recht, dat wil zeggen het Marpol-Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. Onze tekst houdt in geen enkel opzicht een inbreuk op die verdragen in; we maken enkel gebruik van een mogelijkheid die het Marpol-Verdrag biedt om dat Verdrag aan te vullen.

Uiteraard hebben we het hier over maatregelen op communautair niveau, niet op het niveau van de afzonderlijke lidstaten, maar ik begrijp eerlijk gezegd niet dat de IMO onze stappen uitlegt als een poging kapiteins en bemanningen te criminaliseren. Ik wil hier luid en duidelijk verklaren dat we daar in het geheel niet op uit zijn, en ik zeg dat ook om alle afgevaardigden gerust te stellen die na lezing van een bepaalde brief mogelijk zijn gaan twijfelen aan onze bedoelingen.

Mijnheer de Voorzitter, wordt deze tekst aangenomen, dan mogen we spreken van een succes. Natuurlijk, de Commissie had in haar richtlijnvoorstel aanvankelijk ingezet op invoering van een echt stelsel van strafrechtelijke sancties, en de tekst die thans voorligt in deze Vergadering is op dit punt minder ambitieus, aangezien de elementen van strafrechtelijke aard overgebracht zijn naar de derde pijler en dus vastgelegd zullen worden in een kaderbesluit. Uiteraard betreurt de Commissie dat, maar wij leggen ons erbij neer; het betekent immers nog niet dat ook alle andere aspecten van het voorstel van hun betekenis zijn ontdaan. En we krijgen in ieder geval de situatie dat voor overtredingen van de lozingsregels in heel Europa dezelfde definities en vergelijkbare afschrikkende sancties gaan gelden. Dat is een belangrijke stap voorwaarts. Alle afgevaardigden in dit Parlement die ooit een olieramp hebben meegemaakt, weten dat we voor deze tragedies absoluut maatregelen moeten nemen, willen we in de toekomst niet opnieuw met een dergelijke ramp geconfronteerd worden en daarbij ook nog in de beklaagdenbank belanden.

Op basis van deze richtlijn zullen de Commissie, bijgestaan door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, en alle bevoegde autoriteiten in de lidstaten in de toekomst hun krachten moeten bundelen om het toezicht te versterken, inbreuken op te sporen en degenen die zich niet aan de regels houden te straffen. Wat dit betreft kan ik u op persoonlijke titel meedelen dat wij ons ten volle aansluiten bij de wens van het Parlement te komen tot een Europese kustwacht.

Mijnheer de Voorzitter, ik wil nog even ingaan op de amendementen 19 tot en met 23. Ik zal het kort houden. De Commissie beveelt uw Vergadering aan deze amendementen niet aan te nemen, en wel om twee redenen. In de eerste plaats zou aanneming van deze amendementen betekenen dat het compromispakket opengebroken wordt, en u begrijpt dat de zaak er door een bemiddeling alleen maar gecompliceerder op zou worden. In de tweede plaats raden wij aanneming om inhoudelijke redenen af. De amendementen 19 en 22 hebben tot doel een uitputtende lijst op te stellen van alle actoren in de lange keten van het zeevervoer die aansprakelijk gesteld moeten kunnen worden bij ongevallen of gevallen van verontreiniging. Een dergelijke lijst, zij het in minder uitgebreide vorm, wordt echter al gegeven in overweging 7 van het gemeenschappelijk standpunt, die in geen enkel compromis ter discussie staat. Amendement 20 betreft de regeling inzake aansprakelijkheid en schadevergoeding voor toevluchtsoorden. Dat is een heel belangrijk punt, waaraan de Commissie dan ook veel aandacht besteedt. Ik zou u wat dit betreft willen verwijzen naar een studie over dit onderwerp die ik het Parlement een dezer dagen zal doen toekomen.

De strekking van de amendementen 21 en 23 is van dien aard dat ze een gevaar vormen voor iets wat de Commissie als een reële stap voorwaarts beschouwt. Ons streven is dat voor de territoriale wateren van de Europese Unie een werkelijk operationeel systeem van afschrikking en sanctionering ingevoerd wordt: eenieder die verantwoordelijk is voor verontreiniging moet bestraft kunnen worden wanneer er sprake is van grove nalatigheid. Daarmee gaan we een stap verder dan de internationale normen, met name het Marpol-Verdrag; die worden hiermee dus aangevuld. Strafrechtelijke sancties zullen echter alleen gelden voor degenen die doelbewust handelen of zich schuldig hebben gemaakt aan volstrekt onaanvaardbare praktijken.

De tekst van de Commissie betekent dus een stap voorwaarts op basis van de mogelijkheden die het Verdrag inzake het recht van de zee biedt. Daarin is namelijk bepaald dat het kuststaten vrijstaat de mechanismen voor preventie en bestrijding van verontreiniging in hun territoriale wateren te versterken. Wij maken dus simpelweg gebruik van een mogelijkheid die de tekst biedt, en daarom kan er in mijn ogen geen sprake van zijn dat we een stap terug doen. Om die reden is de Commissie het inhoudelijk met de amendementen 21 en 23 niet eens, en het is een goede zaak dat de Commissie vervoer en toerisme zo verstandig is geweest deze amendementen te verwerpen.

Tot slot nog een opmerking over amendement 2, dat betrekking heeft op overweging 7. Dit amendement behelst herziening van de internationale regels inzake aansprakelijkheid en schadevergoeding voor olieverontreiniging, de zogeheten IOPCF-regeling. De Raad heeft niet ingestemd met dit amendement, waarvan de strekking overigens ook enigszins buiten het toepassingsveld van de richtlijn valt. Tijdens de trialoogvergadering heeft de delegatie van het Parlement ermee ingestemd dit amendement in te trekken. Op verzoek van de Raad en het Parlement heeft de Commissie een verklaring van drie punten opgesteld, die ik hier in herinnering wil roepen. Ten eerste bevestigt de Commissie nogmaals dat zij vastbesloten is de lidstaten te helpen bij het bereiken van consensus over herziening van de IOPCF-regeling. Ten tweede wijst de Commissie op de noodzaak de internationale verdragen inzake aansprakelijkheid en schadevergoeding in geval van verontreiniging ten uitvoer te leggen. Ten derde kondigt de Commissie aan in het kader van het derde pakket “maritieme veiligheid” met een wetgevingsvoorstel te zullen komen inzake een verplichte verzekering voor alle schepen die een communautaire haven aandoen.

Hiermee ben ik aan het einde van mijn betoog, mijnheer de Voorzitter. Het is wat lang uitgevallen, waarvoor mijn excuses. De Commissie steunt dus het pakket van dertien compromisamendementen en ziet met vertrouwen het standpunt tegemoet dat uw Vergadering daarover inneemt.

Ik zou u wel tot waakzaamheid willen manen: het is van groot belang dat de Raad zijn toezeggingen nakomt en vervolgens ook snel overgaat tot aanneming van de richtlijn en het kaderbesluit. Ik zal me van mijn kant inzetten voor een effectieve tenuitvoerlegging van dat kaderbesluit. We moeten er immers voor zorgen dat het compromis ook echt zin heeft en dat de burgers in Europa zich voortaan veel beter beschermd voelen tegen alle vormen van verontreiniging op zee. Mevrouw Wortmann-Kool heeft duidelijk gemaakt welke ronduit rampzalige gevolgen deze verontreiniging heeft voor ons natuurlijk erfgoed en voor alle rijkdommen van de zee.

Ik zou, als u me toestaat, mijnheer de Voorzitter, er bij het Parlement krachtig op willen aandringen niet te veel af te gaan op de in mijn ogen onjuiste voorstelling van zaken als zouden wij erop uit zijn de zeevarenden te criminaliseren. Wat wij proberen te bereiken is dat ze meer verantwoordelijkheid te dragen krijgen, binnen de grenzen van wat redelijk en proportioneel is. De tekst die voorligt is mijns inziens evenwichtig, en gezien het interinstitutionele akkoord dat in het trialoogoverleg bereikt is, kunnen we er denk ik van uitgaan dat we een belangrijke stap gezet hebben op weg naar toepassing van deze tekst. Die zal zeer goed ontvangen worden, dat kan ik u verzekeren, door allen die vrezen dat zich op enig moment in de toekomst weer een olieramp voordoet. Mijn dank dus, mijnheer de Voorzitter, aan dit Parlement voor alle aandacht die het - terecht - heeft willen besteden aan deze voor onze Europese medeburgers zo belangrijke tekst.

 
  
MPphoto
 
 

  Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE), namens de PPE-DE-Fractie. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik heb aandachtig naar u en naar onze rapporteur, mevrouw Wortmann-Kool geluisterd. Het vraagstuk dat wij vanavond bespreken is bijzonder belangrijk. Veel aspecten daarvan zijn van doorslaggevend belang voor duurzame economische ontwikkeling en verwezenlijking van werkgelegenheid

Het beleid van de Europese Unie heeft tot doel het zeevervoer te ontwikkelen maar tegelijkertijd het mariene milieu te beschermen, en wij staan allen achter dat doel. Het gemeenschappelijk standpunt en de daarin door de Vervoerscommissie aangebrachte wijzigingen zijn echter niet tegen de uitdagingen opgewassen, ondanks de enorme inspanningen die de rapporteur - die ik bij deze bedank - heeft ondernomen tijdens de behandeling van het voorstel in de commissie.

Ik zeg dit omdat men met de opgenomen bepalingen verder gaat dan het internationale Marpol-Verdrag, als het gaat om de aansprakelijkheid voor de door ongelukken veroorzaakte zeevervuiling en wat de zeegebieden betreft waar dit Verdrag op van toepassing is. Dit vraagstuk zal grote juridische en economische gevolgen hebben. Met het communautair recht zal namelijk het internationaal recht worden overtreden en tegelijkertijd het prestige van de Internationale Maritieme Organisatie worden aangetast, ofschoon de IMO de enige instantie is die maatregelen tot bescherming van de zee op internationaal vlak kan toepassen. Wij mogen namelijk niet vergeten dat de scheepvaart een wereldomspannende activiteit is, waarop geen groot aantal uiteenlopende maatregelen en maatstaven van toepassing mag zijn. Uit de ervaringen is namelijk gebleken dat regionale maatregelen alleen maar verwarring, rechtsonzekerheid en beheersproblemen veroorzaken. Bovendien blijkt uit de statistieken dat de internationale handel over de zeewegen toeneemt maar het aantal gevallen van vervuiling afneemt.

Negatief in dit voorstel is verder dat het werk op schepen onder het strafrecht wordt gebracht. Ook daar gaat het voorstel namelijk over. Zeevarenden hebben sowieso al een moeilijk en gevaarlijk leven. Een dergelijke strafrechtelijke aanpak zal veel jongeren ervan weerhouden om zeeman te worden, met name goed opgeleide jongeren met knowhow, die de Europese scheepvaart juist zo hard nodig heeft.

Daarom vraag ik u, dames en heren, dit vraagstuk met verantwoordelijkheidsbesef te bekijken en te denken aan de toekomst. De afgevaardigden van de Nea Dimokratia hebben samen met collega’s uit andere fracties en landen - die ons voorstel willen aanpassen aan het internationale Marpol-Verdrag - een amendement ingediend, en ik vraag u daarvóór te stemmen. Ik dank u en ben ervan overtuigd dat wij, ongeacht de stemmingsuitslag, een langademige strategie moeten volgen, en verder moeten kijken dan restrictieve maatregelen en strafrechtelijke sancties.

 
  
MPphoto
 
 

  Piecyk (PSE), namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, met alle respect: milieuvervuiling gebeurt nu eenmaal op de een of andere manier. De rapporteur merkte al op dat we ons enigszins schizofreen gedragen. Wanneer zich een ramp voordoet, zijn we verontwaardigd. Dan winden we ons op en is er veel publiciteit, maar de troep die dagelijks - ik onderstreep: dagelijks - in de Europese en internationale wateren wordt geloosd, interesseert het brede publiek kennelijk niet. De cijfers spreken echter voor zich. Volgens het voorstel van de Commissie destijds waren er alleen al in 2001 390 illegale olielozingen in de Oostzee en 596 illegale lozingen in de Noordzee! De milieuorganisatie Oceana gaat ervan uit dat er jaarlijks drieduizend illegale lozingen in Europese wateren plaatsvinden. Dat zijn er drieduizend te veel. Dat mag niet meer als een onschuldige overtreding worden beschouwd, maar moet eindelijk eens als een ernstig misdrijf worden vervolgd en bestraft.

Voor opsporing en vervolging zijn instrumenten nodig. Er werd gezegd dat de lidstaten natuurlijk hun verantwoordelijkheid hebben. Tegelijkertijd is er voor de toekomst behoefte aan een efficiënte Europese kustwacht. Die zal er niet vandaag of morgen komen, maar overmorgen moet toch mogelijk zijn. Het vervolgen en bestraffen van illegale verontreiniging vanaf schepen mag niet stuklopen op pogingen van de landen om krampachtig aan hun rechtsbevoegdheid vast te houden.

Parlement, Raad en Commissie sluiten morgen om zo te zeggen een fatsoenlijk compromis. De rapporteur heeft in de totstandkoming daarvan een zeer groot aandeel gehad. Ik wil haar gelukwensen en haar bedanken voor het uitstekende werk dat ze heeft geleverd: dat we hier namelijk bij elkaar zijn en morgen klaar zijn; dat we dus geen bemiddelingsprocedure nodig hebben, maar morgen kunnen afronden.

De Raad verplicht zich er in zijn kaderbesluit toe, illegale verontreiniging vanaf schepen met harde sancties tegen te gaan: boetes, vrijheidsstraf, verbod op commerciële activiteiten. Commissie en Raad willen in de IMO actief worden. Het is bijvoorbeeld onbegrijpelijk dat reders zich nog altijd kunnen verzekeren tegen boetes voor verontreiniging vanaf schepen. Dat moet in de IMO worden veranderd. Met de afspraak over een haalbaarheidsstudie zetten we een eerste belangrijke stap in de richting van een Europese kustwacht.

Daarom ook mijn complimenten aan het voorzitterschap, dat goed met ons heeft samengewerkt. Luxemburg is nu niet bepaald een land dat bekend staat om zijn uitgestrekte kusten, maar Luxemburg heeft dan toch in elk geval een zeer grote vloot, waarvoor ook dit voorzitterschap een verantwoordelijkheid heeft – dus mijn dank geldt ook het voorzitterschap. Op ons allen rust een grote verantwoordelijkheid voor de natuur, voor de zeeën. Daarom moet wat wij morgen besluiten ook snel in praktijk worden gebracht. Onze kusten en onze zeeën met alles wat daarin leeft, zullen ons daar dankbaar voor zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Ortuondo Larrea (ALDE), namens de ALDE-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, elke zes minuten worden er koolwaterstoffen in zee geloosd, en elk jaar wordt er ten gevolge van het scheepvaartverkeer meer dan 20 000 ton olie geloosd in de zeeën van Europa, een hoeveelheid waarmee je 10 000 olympische zwembaden zou kunnen vullen. Dat staat in het Oceana-verslag over zeevervuiling dat ook de heer Piecyk genoemd heeft.

Er staat echter nog meer in dit verslag. Zo worden er jaarlijks zo’n 3 000 illegale lozingen van koolwaterstoffen ontdekt, maar het aantal opzettelijke lozingen zou wel eens veel hoger kunnen liggen. In de haven met het meeste scheepvaartverkeer van de hele Europese Unie, en een van de belangrijkste havens ter wereld, namelijk Rotterdam, loost maar 7 procent van de schepen die deze haven aandoen zijn rioolwater en afval uit tanks in de afvaldepots van de haven. Waar lozen de overige 93 procent hun afval? De meeste waarschijnlijk op zee.

We moeten zo snel mogelijk een regelgeving voor doeltreffender controle aannemen, om te voorkomen dat er nog langer 77 000 vogels per jaar het leven laten omdat zij met olie besmeurd zijn, evenals de onbekende aantallen walvisachtigen, zeeschildpadden, vissen in viskwekerijen en andere zeedieren en planten in het algemeen. Deze regelgeving dient ook de vervuiling van kusten en stranden alom een halt toe te roepen. Er wordt al gewerkt aan de homologatie van gepatenteerde instrumenten voor toezicht aan boord, namelijk een soort verzegelde zwarte dozen die het onomstotelijke bewijs kunnen leveren dat een schip illegaal heeft geloosd.

Bij de uitwerking van de begeleidende maatregelen die worden uiteengezet in artikel 10 van de richtlijn waarover we vandaag debatteren, moet worden geëist dat alle schepen zo’n zwarte doos aan boord installeren, dat alle havens zonder uitzondering afvaldepots hebben, en dat er nationale en communautaire systemen worden opgezet voor het registeren van legale lozingen die onder toezicht zijn geschied, en voor het geven van algemene voorlichting over illegale lozingen en de daarbij horende sancties.

Van de lidstaten moet worden geëist dat zij de regelgeving naleven die hen ertoe verplicht over vluchthavens te beschikken voor schepen in nood, en er moet een Europese kustwacht in het leven worden geroepen om te waken tegen lozingen, illegale immigratie en drugshandel. Verder is het volstrekt noodzakelijk dat de sancties zonder uitzondering van toepassing zijn op alle partijen die deel uitmaken van de keten van het vervoer over zee, van de eigenaren van de lading en contractpartners tot de vervrachters, scheepsagenten, reders, classificatie- en verzekeringsmaatschappijen, kapiteins, bemanningen en overigen, ongeacht of zij hun werk aan wal of aan boord verrichten, wanneer zij verantwoordelijk zijn voor dit soort ongelukken en lozingen.

Voorts moet het Internationaal Fonds voor schadevergoedingen bij vervuiling door koolwaterstoffen worden versterkt en regelmatig worden afgestemd op de realiteit, in die zin dat het wordt aangepast aan het reële schadeniveau, waarbij beter moet worden nagedacht over de bijdragen die de reders, eigenaren, vervrachters en afnemers van de vervoerde olie dienen te leveren.

Deze regels moeten nu meteen in Europa worden ingevoerd en we moeten er door middel van de Internationale Maritieme Organisatie voor zorgen dat de rest van de wereld ze overneemt, want als we moeten wachten tot ze daar zover zijn, zitten we zo meteen als we niet uitkijken met een Noordzee, een Baltische Zee en vooral een Middellandse Zee die zo ernstig vervuild zijn dat ze niet meer te redden zijn.

Ik wil de rapporteur, mevrouw Wortmann-Kool, hartelijk bedanken voor haar geweldige verslag en voor al het werk dat zij verzet heeft, zowel om de verschillende fracties op een lijn te krijgen over een aantal gemeenschappelijke standpunten, als om in het overleg met de Raad en de Commissie een consensus te bereiken, en om deze wetgevende procedure in tweede lezing af te sluiten.

Onze fractie heeft de dertien compromisamendementen zojuist goedgekeurd en voorts heeft zij ermee ingestemd om de drie door ons ingediende amendementen in te trekken. Op deze manier willen we bereiken dat het onderhavige verslag morgen wordt aangenomen en dat deze zo noodzakelijke richtlijn spoedig van kracht wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Papadimoulis (GUE/NGL), namens de GUE/NGL-Fractie. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, de overgrote meerderheid van mijn fractie steunt dit voorstel en verwerpt de amendementen die tot doel hebben dit af te zwakken.

De meeste burgers eisen dat strengere maatregelen worden getroffen om zeevervuiling te voorkomen. Zeevervuiling veroorzaakt schade aan niet alleen het milieu en de volksgezondheid maar ook de visserij en het toerisme.

Met het onderhavig maatregelenpakket probeert men het werk af te maken dat jarengeleden werd begonnen, maar waarbij vertraging optrad omdat drie lidstaten zich verzetten tegen de aanvankelijke ontwerprichtlijn van de Commissie.

Hoe kan men echter tegen een dergelijke richtlijn zijn? Denkt u eens aan de kosten die door deze vervuiling ontstaan voor het milieu, de visindustrie en het toerisme en aan de werkloosheid in de door olievervuiling getroffen gebieden? Alleen al in 1999 werden in het Middellandse-Zeegebied - en de Middellandse Zee is een gesloten zee - niet minder dan 1 638 gevallen van illegale lozing geregistreerd. Realiseert u zich wel hoeveel gevallen dat in werkelijkheid waren, gevallen die niet werden geregistreerd omdat niemand ze in de gaten had? Een soortgelijk aantal gevallen van olievervuiling deed zich in 2001 in de Noord- en Oostzee voor.

Omdat de bescherming van het mariene milieu voor ons erg belangrijk is en er eindelijk een stap in de goede richting moet worden gezet, stemmen wij in met de in de compromisamendementen aan de orde gestelde punten, ofschoon wij daar niet geheel voldaan over zijn.

Tot slot wil ik een beroep doen op de Griekse regering, op de regering van mijn land, en haar vragen haar steriel oppositiebeleid over boord te gooien. Griekenland is een wereldmacht in de scheepvaart. Het mag geen hekkensluiter zijn maar moet juist het voortouw nemen in de strijd tegen zeevervuiling. Het moet een opbouwende houding aannemen en geen aanleiding geven tot kritiek op de Griekse koopvaardij.

 
  
MPphoto
 
 

  Blokland (IND/DEM), namens de IND/DEM-Fractie. Voorzitter, we spreken op dit moment niet alleen over het verslag van collega Wortmann, maar tevens over het akkoord dat zij met de Raad heeft bereikt. Voor mij zijn in dit dossier twee zaken van belang. In de eerste plaats dat we ons realiseren dat de zeevaart een mondiale sector is die slechts dan optimaal functioneert wanneer ook de wetgeving op mondiaal niveau wordt vastgesteld. Het aansluiten bij de Marpol-wetgeving door zowel Raad als rapporteur stemt mij dan ook tevreden.

Daarnaast is wetgeving zonder adequate controle en sancties zinloos. Ik ben blij dat de rapporteur de Raad heeft kunnen bewegen tot het doen van een concrete toezegging inzake de strafrechtelijke wederhelft van dit dossier. En tot slot wil ik opmerken dat ik uitzie naar de studie van de Commissie inzake de vorming van een Europese kustwacht. Wellicht dat die me het nut van een dergelijk orgaan in kan laten zien. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Busuttil (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het stelt me teleur dat amendement 7 van dit verslag door de Commissie vervoer en toerisme is verworpen. Ik wil benadrukken dat ik volledig achter het principe sta dat de verontreiniging die wordt veroorzaakt door schepen moet worden bestreden. We moeten dit principe echter op een verstandigere manier toepassen. Het lijkt wel of we zijn vergeten dat de gevaren van de zee nu eenmaal tot ongelukken kunnen leiden, ook al worden er nog zoveel voorzorgsmaatregelen genomen. Daarom is het onrechtvaardig dat reders, kapiteins en bemanningsleden die alle redelijke maatregelen hebben genomen om te voorkomen dat hun schip bij een ongeluk verontreiniging veroorzaakt, op dezelfde manier worden behandeld als mensen die moedwillig of door roekeloosheid of nalatigheid de zee vervuilen.

Ik vind deze benadering om twee redenen onlogisch. In de eerste plaats omdat Marpol hierdoor op een zijspoor wordt gezet, om niet te zeggen wordt gedwarsboomd. We moeten ernaar streven om de doelmatigheid van internationale afspraken te verbeteren en niet om ze te beconcurreren of ervan af te wijken. De maritieme sector heeft laten zien dat het bij uitstek een sector is waar goed en doelmatig met internationale afspraken kan worden gewerkt. Laten we op die voet blijven doorgaan.

In de tweede plaats is deze benadering onlogisch omdat de scheepvaart van de Europese Unie erdoor wordt benadeeld ten opzichte van de scheepvaart van buiten de EU-wateren. In een tijd waarin we ernaar steven om onze concurrentiepositie te verbeteren en de werkgelegenheid te bevorderen, moeten we oppassen dat we geen maatregelen treffen die de zo belangrijke maritieme sector ontmoedigt om hier in Europa te blijven.

Ik weet dat er hard is gewerkt om een compromis over dit onderwerp te bereiken en ik bedank de rapporteur hiervoor ook. Ik vermoed echter dat men niet goed beseft wat het echte effect van deze maatregelen is. We zijn het er allemaal over eens dat er wetgeving moet komen voor de verontreiniging vanaf schepen, maar daarvoor moeten we een praktische aanpak kiezen die ons helpt om onze doelen op een doelmatige, doch pragmatische manier te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Evans, Robert (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik spreek mijn dank uit aan de rapporteur en de commissaris voor diens interessante opmerkingen. Dit is, zoals anderen al hebben gezegd, belangrijke wetgeving voor de veiligheid op zee en om de scheepvaartsector te dwingen zich verantwoordelijk te gedragen. Zoals de heer Piecyk, de heer Ortuondo Larrea, de heer Papadimoulis en anderen hebben gezegd, is de meeste olievervuiling niet het gevolg van de rampen die volop in het nieuws komen, maar van bewuste lozingen. Het is essentieel dat we deze onrechtmatige daden krachtig met elkaar bestrijden. Dit compromis vormt daarbij een belangrijke stap voorwaarts.

Om crimineel of roekeloos gedrag te bestrijden is samenwerking op Europees niveau belangrijk en ik ben vastbesloten om er alles aan te doen om verontreiniging te voorkomen en het milieu te beschermen. We zullen ook veel meer bereiken wanneer we optreden als samenwerkende lidstaten dan als individuele landen.

Daarom wachten we, zoals de heer Blokland al zei, met belangstelling de haalbaarheidsstudie naar een Europese kustwacht af. Ik heb begrepen dat de taken van de nationale kustwachten momenteel aanzienlijk van elkaar verschillen. In sommige landen houdt de kustwacht zich bezig met de bewaking van de grenzen en het bestrijden van illegale immigratie, in andere landen met het bestrijden van verontreiniging volgens de door ons vastgestelde richtlijnen. In sommige landen is de kustwacht ook belast met opsporings- en reddingsoperaties, terwijl dat in andere landen tot de taken van het leger behoort.

De kustwacht van het Verenigd Koninkrijk heeft opsporings- en reddingsbevoegdheden en het werkgebied van onze kustwacht reikt tot aan dat van de Verenigde Staten en Canada. De Britse kustwacht heeft dus wat meer verantwoordelijkheden dan die van sommige andere landen. Daarom kijk ik met belangstelling uit naar deze haalbaarheidsstudie. We kunnen ons hierop bezinnen nadat het verslag morgen is aangenomen, en daarna verdere stappen ondernemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Toussas (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, uit de ervaring blijkt hoe vreselijk gebrekkig de preventieve en repressieve strafmaatregelen zijn die getroffen worden tegen scheepseigenaren, reders, exploitanten en meer algemeen tegen de personen en instanties die verantwoordelijk zijn voor de toestand, de werking en de zeewaardigheid van schepen, als deze overtredingen begaan.

Dankzij gerechtelijke beslissingen blijven scheepseigenaren, reders, exploitanten, agenten, verzekeraars, bevrachters, ladingeigenaren en al degenen die deel uitmaken van de materiële en technische infrastructuurketen van schepen, vrijuit gaan, ofschoon zij de scheepvaartmisdaden begaan: zij slaan munt uit de nationale en internationale wetgeving en veroorzaken milieurampen. De zeelieden worden echter hard aangepakt, op een manier die in strijd is met de internationale wetgeving. Zij worden gegijzeld en gebruikt als zondebokken om de werknemers gerust te stellen en hun massale strijd voor milieubescherming de wind uit de zeilen te nemen.

Het is bewezen dat het beleid, dat is afgestemd op versterking van het mededingingsvermogen en winstverhoging voor de scheepvaartondernemingen, de industriebedrijven aan land en de monopolies, hoogst gevaarlijk is voor de bescherming van het menselijk leven op zee en het milieu.

De onderhavige richtlijn inzake vervuiling door schepen en de sancties op overtredingen houden zich binnen de perken van dit volksonvriendelijk beleid. Ze moeten bijdragen aan de versterking van het mededingingsvermogen van de bedrijven en aan de verhoging van de winst van het kapitaal. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid voor de ongelukken op de schouders van de scheepsbemanningen gelegd, maar wordt tegelijkertijd het ongebreideld gedrag van de scheepvaartbedrijven en de industriebedrijven aan land vereeuwigd, en worden scheepseigenaren, exploitanten, bevrachters, classificatiebureaus, verzekeringsmaatschappijen, enzovoort, buiten schot gehouden. Daarmee wordt de medeverantwoordelijkheid van reders en zeelieden gehandhaafd en versterkt. Als ik meer spreektijd had, zou ik duizenden voorbeelden kunnen noemen van gevallen die duidelijk aantonen dat de verantwoordelijkheden van kapiteins en bemanningen helemaal niets hebben uit te staan met die van exploitanten en scheepseigenaren. Zeevervuiling en milieurampen zijn een uitermate belangrijk politiek vraagstuk.

Tot slot wil ik als u het goed vindt nog een opmerking maken naar aanleiding van hetgeen werd gezegd over een door ons ingediend amendement, amendement 19. Aangezien zowel de commissaris, als de rapporteur en de Raad toegeven dat amendement 19 geen inhoudelijke wijziging bevat, begrijp ik niet waarom men dit niet wil aannemen. Daarmee wordt alleen duidelijker gemaakt wie verantwoordelijk is voor de overtredingen in verband met vervuiling ….

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Attard-Montalto (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, een bekend spreekwoord zegt dat de weg naar de hel geplaveid is met goede voornemens. Ik hoop dat deze richtlijn daar niet toe behoort. Verontreiniging is een maritieme ramp. Daar zijn we het allemaal over eens.

Mijn land, Malta, loopt een groot risico, omdat het afhankelijk is van toerisme. Onze houding ten opzichte van de zee is altijd gewaardeerd: wij hebben altijd een vooraanstaande rol gespeeld als het gaat om bepaalde opvattingen over het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid en met name de zee. Niemand kan ons er dus van beschuldigen dat wij ons nationale belang boven dat van de Europese Unie stellen – en ik zal uitleggen waarom.

Ik geloof in alle oprechtheid niet dat deze richtlijn tot vermindering van de vervuiling zal leiden. Waarom niet? Tot nu toe heb ik geen rechtstreeks en concreet antwoord gekregen op de vraag of deze richtlijn betrekking zal hebben op schepen die niet in een EU-land zijn geregistreerd. Als dat niet het geval is, wat zal dan het effect zijn? Het effect zal zijn dat schepen die zijn geregistreerd in Griekenland, Cyprus en Malta zich in een andere vlaggenstaat gaan registreren. Ik zou het fijn vinden als hierover duidelijkheid werd geschapen, want, zoals ik van mijn regering heb begrepen, wordt er in de wet nu onderscheid gemaakt tussen de vlag van Europese en niet-Europese landen. Als dat zo is, is dat in strijd met het Internationaal Verdrag. Hoe gaat u toezien op naleving van de richtlijn, commissaris? Ik stel het op prijs als deze vraag in de conclusies wordt beantwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  Hedkvist Petersen (PSE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het mariene milieu is van levensbelang voor ons allen en voor de komende generaties. Dat is hier vandaag al vele malen gezegd en ik kan me daar alleen maar bij aansluiten. Ook is het een feit dat verontreiniging van de zeeën en van het mariene milieu een waarlijk grensoverschrijdend probleem en een waarlijk grensoverschrijdende uitdaging zijn. Voorzover ik het kan beoordelen, is het besluit dat wij morgen zullen nemen een stap vooruit op de weg naar een betere toestand van de zeeën en het mariene milieu.

Naar mijn mening zou ook een Europese kustwacht – een kwestie die zoals bekend nader moet worden onderzocht – in dit verband een goede bijdrage kunnen leveren. Die kustwacht zou goed zijn voor de bestrijding van de verschillende vormen van olieverontreininging. Het is belangrijk om de taken en rollen van de kustwacht te definiëren, zodat deze ook kan functioneren in het kader van zijn nationale verantwoordelijkheid. Ik houd het daarom kort, en deel tot slot mee dat ik de voorgestelde overeenkomst zal steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sifunakis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, wij bespreken vandaag een ontwerprichtlijn die het rechtstreekse gevolg is van een tragische gebeurtenis: van de ondergang van de Prestige in november 2002, toen een enorme milieuramp op zee werd veroorzaakt en er talrijke slachtoffers vielen onder de zeelieden van een Europees land.

Na de tragische gebeurtenis is een onderzoek ingesteld, waaruit bleek dat in dergelijke gevallen de verantwoordelijkheid verdeeld moet worden over talrijke instanties en actoren. Helaas was een grote milieuramp nodig voordat wij tot het besef kwamen dat, ofschoon de overgrote meerderheid van de mensen in de scheepvaart zich op verantwoordelijke wijze gedraagt, er ook enkele onverantwoordelijke mensen zijn die met hun gedrag het mariene milieu soms enorme schade toebrengen.

Griekenland is een land met een grote scheepvaarttraditie. Het kon deze traditie opbouwen dankzij het verantwoordelijkheidsbesef van niet alleen de werknemers in de scheepvaartsector maar vooral ook de scheepseigenaren, de Griekse zeelieden en alle andere betrokkenen. Tot nu toe is Griekenland gevrijwaard gebleven van grote vervuilingsrampen ten gevolge van een ongeluk.

De Griekse socialisten zijn zeer gevoelig voor de bescherming van het milieu en de zeelieden, en daarom geven wij steun aan het voorstel. Wij zijn van mening dat met de onderhavige ontwerprichtlijn een stap in de goede richting wordt gezet bij de aanpak van zowel de operationele vervuiling als de vervuiling ten gevolge van een ongeluk en de opzettelijke vervuiling, zoals de rapporteur, mevrouw Wortmann-Kool al zei. Wij moeten ongebreideld gedrag en onverantwoordelijkheid zien te voorkomen.

De Middellandse Zee is eigenlijk een groot meer. De scheepvaart neemt daar dagelijks toe en het aantal schepen vermenigvuldigt zich sterk. Ik ben Griek en kom dus uit een land dat niet alleen de grootste scheepvaartmacht is van de Unie, maar tevens een land waar het toerisme een fundamentele economische sector is, een land met ellenlange kusten en honderden eilanden. Daarom hebben wij mijns inziens de plicht om het voortouw te nemen, de zeevervuiling te bestrijden en het mariene milieu te beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zal proberen het kort te houden, maar er zijn enkele punten waarop ik toch even wil ingaan. In de eerste plaats kan ik de opmerking dat dit richtlijnvoorstel in strijd zou zijn met het Marpol-Verdrag niet zomaar laten passeren. Dat is pertinent onjuist. Het Marpol-Verdrag voorziet inderdaad enkel in sancties wanneer er sprake is van doelbewust handelen of van ernstig verwijtbaar gedrag. Dit Verdrag moet echter gelezen worden in samenhang met het VN-Verdrag inzake het recht van de zee, en dat Verdrag voorziet in de mogelijkheid dat kuststaten het mechanisme voor preventie en bestrijding van verontreiniging in hun territoriale wateren versterken. Dat is de - verdragsrechtelijke - bepaling waarop wij ons beroepen.

Immers, als iedere lidstaat zich op die bepaling kan beroepen, kan de Unie dat ook. Dit heb ik de secretaris-generaal van de IMO ook uitgelegd. Ik begrijp dan ook niet waar deze kritiek vandaan komt. Nogmaals, wat wij voorstellen is volledig in overeenstemming met het Marpol-Verdrag en met het VN-Verdrag inzake het recht van de zee. Daar komt bij, mevrouw de rapporteur heeft daar ook al op gewezen, dat de sancties proportioneel zijn: ze gelden enkel voor gevallen van grove nalatigheid en ze worden daar wat de strafmaat betreft uiteraard ook op afgestemd. Het gaat er dus helemaal niet om mensen tot criminelen te bestempelen; het gaat erom ze aansprakelijk te kunnen stellen, mijnheer de Voorzitter. U merkt, mijn toon wordt wat feller, maar dat komt omdat ik geloof in deze zaak, die voor ons gemeenschappelijk erfgoed van groot belang is.

Ik wil dan ook graag zo beleefd mogelijk de vraag beantwoorden van de heer Attard-Montalto - is de geachte afgevaardigde misschien nog aanwezig? Er kunnen sancties opgelegd worden aan schepen die onder de vlag van derde landen varen wanneer deze schepen een communautaire haven aandoen. Op dit punt worden schepen die onder Europese vlag varen dus niet gediscrimineerd. Dat is mijn antwoord.

Laat ik er nog één ding aan toevoegen. Zoals gezegd, we keren ons met onze aanpak geenszins tegen de Internationale Maritieme Organisatie. Maar dat niet alleen: we willen er juist mee samenwerken. Dat heb ik de secretaris-generaal ook gezegd. Wij baseren ons op de werkzaamheden van deze maritieme organisatie, die ook het gebruik van de zwarte doos wil bevorderen en daarvoor zelfs een nauwkeurig tijdschema heeft opgesteld.

Mijnheer de Voorzitter, wat ik duidelijk heb willen maken is dat we in de Raad met eenparigheid van stemmen een politiek akkoord hebben bereikt. Ik wil het Parlement daarom waarschuwen: voor dit akkoord lijkt zich in Europa een ruime meerderheid af te tekenen, een meerderheid die gestalte gekregen heeft in de trialoogvergadering met de Raad.

Tot slot zou ik nog willen zeggen dat we niet stil moeten blijven zitten tot de volgende ramp zich aandient, om dan plotseling tot het besef te komen dat het heel erg is wat er gebeurt en dat wij medeverantwoordelijk zijn. Tot nu toe heeft uitbreiding van de bescherming van de zee op juridisch vlak altijd plaatsgevonden in reactie op de rampen die zich voordeden. We hebben nu een unieke kans om dit patroon te doorbreken. Daarom vind ik persoonlijk dat deze tekst evenwichtig is: niemand wordt gecriminaliseerd, maar wel wordt iedereen verantwoordelijk gemaakt. Ik wil het Parlement bij voorbaat bedanken voor de steun die het aan deze tekst wil geven. Ik hoop op een zo breed mogelijke steun.(1)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hartelijk bedankt voor uw antwoord, mijnheer de commissaris, en voor het enthousiasme waarmee u het hebt gegeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Attard-Montalto (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een voorstel van orde. De commissaris heeft me niet juist geciteerd. Hij heeft niet het recht om dat te doen. Het was duidelijk wat ik wilde zeggen: ik heb op geen enkele manier verwezen naar lozingen, hetzij uit nalatigheid hetzij opzettelijke, in thuishavens of thuiswateren en dat weet hij best. Hij deed voorkomen alsof ik zei dat het onderscheid dat zou ontstaan tussen schepen die varen onder de vlag van een derde land en schepen die varen onder de vlag van een lidstaat, voor lozingen in thuiswateren gold, terwijl hij heel goed weet dat ik dat niet heb gezegd.

Ik heb gevraagd, en die vraag is nog steeds niet beantwoord, of er ten aanzien van lozingen buiten de thuiswateren onderscheid wordt gemaakt tussen schepen die varen onder de vlag van een lidstaat en schepen die varen onder de vlag van een derde land. Ik wil graag dat de commissaris antwoord geeft op die vraag en niet op een vraag die ik niet heb gesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Mijnheer Attard-Montalto, strikt genomen was dat geen voorstel van orde; ik ben veeleer van mening dat uw opmerkingen verband hielden met een persoonlijke beschuldiging.

Mijnheer de commissaris, wilt u deze vraag nog verder beantwoorden?

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Neemt u me niet kwalijk, ik heb geprobeerd in alle eerlijkheid antwoord te geven op uw vraag. Ik respecteer de mening van iedereen hier; ik wind me alleen enigszins op, omdat ik deze tekst wil verdedigen. U moet van me aannemen dat ik er op geen enkele manier op uit ben de leden van het Parlement onheus te bejegenen. Ik wil echt niemand beledigen. Wat ik wilde zeggen is dat schepen die varen onder de vlag van derde landen onder de nieuwe regelgeving zullen vallen wanneer ze een haven van de Gemeenschap aandoen. Daarmee bent u het waarschijnlijk wel eens, maar misschien is dat niet echt een antwoord op uw vraag.

Mijnheer de Voorzitter, ik zou de geachte afgevaardigde willen voorstellen met mij te komen praten om de zaak op te helderen. Vooralsnog kan ik alleen maar zeggen dat ik aangegeven heb welke regels in mijn ogen gelden voor deze situatie. Wellicht heeft hij andere situaties op het oog. Daarom stel ik voor dat we deze zaak samen nader bespreken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het voorzitterschap van deze vergadering wil u bedanken voor uw inschikkelijkheid, mijnheer de commissaris. Ik denk dat dit inderdaad de verstandigste oplossing zou zijn.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, woensdag, om 11.30 uur plaats.

 
  

(1) Standpunt van de Commissie inzake de amendementen: zie bijlage.


18. River Traffic Information Services
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0055/2004) van mevrouw Renate Sommer, namens de Commissie vervoer en toerisme, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende geharmoniseerde River Traffic Information Services op de binnenwateren in de Gemeenschap (COM(2004) 392 - C6-0042/2004 - 2004/0123(COD)).

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het doet me genoegen u vandaag het voorstel voor een richtlijn betreffende River Trafic Information Services te kunnen presenteren. Deze richtlijn, waarom het Parlement ook heeft gevraagd in zijn resolutie over het Witboek inzake het Europese vervoersbeleid, heeft tot doel de informatiediensten op de binnenwateren van de Gemeenschap te harmoniseren.

De Commissie heeft lang geleden al ingezien dat de binnenvaart veel mogelijkheden biedt als alternatief voor andere, overbelaste vervoerssectoren. Met andere woorden: het vervoer over de binnenwateren is vaak kosteneffectiever, betrouwbaarder en milieuvriendelijker dan andere vervoersmodi.

Met de River Trafic Information Services (RIS) opent zich een nieuw, veelbelovend perspectief voor de binnenvaart. De RIS berusten op moderne informatie- en communicatietechnologieën en maken een betere planning en een beter verkeers- en vervoersbeheer mogelijk. Deze diensten omvatten vaarweginformatie, informatie over de bevaarbaarheid, verkeersinformatie en informatie over de capaciteit in havens en terminals. Ook diensten ter ondersteuning van calamiteitenbestrijding vallen onder de RIS.

Dankzij de RIS kunnen de reizen nauwkeuriger gepland worden en kan beter worden ingespeeld op de verkeersomstandigheden en op de situatie met betrekking tot de bevaarbaarheid van de vaarwegen, en dat zal ertoe leiden dat het brandstofverbruik zal dalen en dat de emissies dus zullen afnemen. Verder maken de RIS een beter toezicht op het vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk, waardoor adequaat kan worden opgetreden bij ongevallen en de eventuele daaruit voortvloeiende milieuschade. Invoering van deze informatiediensten betekent een stap voorwaarts in de modernisering van het netwerk van binnenwateren, dat hiermee veiliger, betrouwbaarder en efficiënter wordt.

De doelstelling van de richtlijn is tweeledig. Enerzijds is hij erop gericht de overheidsinstanties die de diensten leveren, de gebruikers die van de diensten gebruik maken en de industrieën die de hardware en software produceren, de zekerheid te bieden die ze nodig hebben om op dit gebied tot investeringen over te gaan. Anderzijds heeft de richtlijn tot doel ervoor te zorgen dat de toepassingen op nationaal en Europees niveau interoperabel en compatibel zijn, met uiteraard mogelijkheden voor de noodzakelijke koppeling met de diensten van andere vervoersmodi.

In de richtlijn is het gebruik van de RIS door particuliere gebruikers niet verplicht gesteld, maar wij zijn ervan overtuigd dat de voordelen die deze diensten bieden zo evident zijn dat de betrokkenen er zeker gebruik van zullen maken, en dat de industrie de commerciële mogelijkheden van de RIS-technologie zal inzien. De diensten zullen beschikbaar komen tegen een redelijke prijs die voor iedereen op te brengen is. Dat is des te belangrijker daar in de binnenvaart vooral kleine en middelgrote ondernemingen actief zijn. De Commissie zal de ontwikkelingen wat dit betreft aandachtig blijven volgen.

De Raad heeft overeenstemming bereikt over een algemene oriëntatie. Het doet me deugd dat de rapporteur en de voor dit dossier bevoegde commissie, de Commissie vervoer en toerisme, meteen al in de eerste lezing geprobeerd hebben tot een akkoord te komen. Dankzij deze constructieve opstelling van beide instellingen zou de richtlijn op korte termijn aangenomen moeten kunnen worden, zodat een begin kan worden gemaakt met de invoering van de RIS. Ik zou mevrouw Sommer en de Vervoerscommissie hartelijk willen bedanken voor hun bijdrage aan deze aanpak.

Drie punten wil ik nog even onderstrepen: de interoperabiliteit van de diensten, de termijnen voor de toepassing van de richtlijn en de concordantietabel. Het Parlement heeft terecht de nadruk gelegd op datgene wat als hét centrale element van de richtlijn kan worden beschouwd: de interoperabiliteit van de diensten en de compatibiliteit van de apparatuur. Nogmaals mijn dank daarvoor aan de rapporteur. Wat de uiterste termijn voor de toepassing betreft: daarvoor is een compromis van dertig maanden gevonden, en dat lijkt me een redelijke termijn. Op het punt van de concordantietabel tenslotte is de Commissie uiteraard niet geheel tevreden, daar de verplichting tot overlegging van zo’n tabel niet in een artikel, doch slechts in een overweging neergelegd is. Hier lopen de meningen dus nog uiteen, en dit punt zal op interinstitutioneel niveau opgelost moeten worden, maar wij vinden dat dat geen reden mag zijn om de aanneming van de richtlijn in gevaar te brengen - een richtlijn die, ik zeg het nog maar eens, mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het vervoer over de binnenwateren zal vergemakkelijken, veiliger zal maken en efficiënter zal doen verlopen. Mijns inziens is het van groot belang dat van dat potentieel voor vervoer en mobiliteit gebruik wordt gemaakt. Daarom wil ik het Parlement bij voorbaat bedanken voor zijn positief oordeel over dit voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Sommer (PPE-DE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, alle beloften in politieke redevoeringen en beginselverklaringen over het te voeren beleid ten spijt worden de belangen van de binnenvaart in de politieke realiteit in veel lidstaten vaak veronachtzaamd. Zoals commissaris Barrot al zei: de enige die zich ermee heeft bezighouden is de Europese Commissie. Inmiddels alweer enkele jaren geleden, in september 2001, formuleerde de Commissie in haar Witboek “Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010” als doel – ik citeer: “Het gebruik van de binnenvaart als alternatieve vervoerswijze moet worden bevorderd, zodat er aanzienlijke verschuivingen kunnen optreden van het vervoer over de weg naar de binnenvaart.” Van dit doel zijn we op dit moment echter nog ver verwijderd. Het is voor velen blijkbaar moeilijk om het belang van de binnenvaart daadwerkelijk te onderkennen. Toch is er, zoals reeds gezegd, voor deze vervoerssector in de EU een beslissende rol weggelegd.

Het werd daarom hoog tijd dat de Commissie haar aankondiging in het Witboek concretiseerde en in mei vorig jaar dit voorstel voor een richtlijn betreffende River Traffic Information Services voorlegde. Het gaat om moderne informatie- en communicatietechnologieën, die in de toekomst het verkeers- en vervoersbeheer op de binnenwateren voor de lidstaten moeten vergemakkelijken.

De Europese Unie beschikt over 30 000 kilometer aan kanalen en rivieren die honderden steden en industriegebieden met elkaar verbinden. Het zogenaamde kernnet verbindt de landen van de Benelux, Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk met elkaar. Ondanks het enorme potentieel van het hele netwerk vindt in de praktijk slechts 7 procent van het totale binnenlandse goederenvervoer - voorzover het gaat om vervoer over land - via de binnenwateren plaats - slechts 7 procent! Aan de andere kant is het zo dat door het toenemende verkeer - natuurlijk ook veroorzaakt door de zeer welkome uitbreiding van de EU naar het Oosten - wegen, spoorwegen en het luchtruim in Europa hun grenzen allang hebben bereikt. Des te belangrijker is het eindelijk die vervoerswijze te bevorderen die nog als enige over aanzienlijke reservecapaciteit beschikt. Met de nu voorliggende ontwerprichtlijn kunnen we erin slagen het potentieel van de binnenvaart beter te ontsluiten en deze sector in de intermodale vervoersketen te integreren.

Laat ik kort een paar hoofdpunten schetsen waarover wij het in onze informele trialoog eens zijn geworden: uiteraard moet rekening worden gehouden met het werk dat erkende internationale organisaties zoals de Centrale Commissie voor de Rijnvaart al hebben verricht. Daarnaast hebben we bepaald dat deze organisaties ook in het vervolg bij de ontwikkeling van geharmoniseerde River Traffic Information Services worden betrokken. Ze kunnen het RIS-comité adviseren dat ervoor zal zorgen dat er in de Europese Unie geen lappendeken van verschillende systemen ontstaat.

Commissaris Barrot heeft de mogelijke toepassingen van het RIS-concept al opgesomd: vaarweginformatie, verkeersinformatie, verkeersmanagement, ondersteuning van calamiteitenbestrijding - heel belangrijk, omdat we ook transporten van gevaarlijke goederen naar deze vervoerswijze willen verschuiven -, informatie voor het transportmanagement, voor de statistiek, voor douanediensten, voor waterwegheffingen en havengelden; andere toepassingen zijn mogelijk, de opsomming is niet uitputtend.

Deze informatie moet zonder onderscheid voor alle RIS-gebruikers toegankelijk worden gemaakt. Naast het gerechtvaardigde algemene belang, bijvoorbeeld om de concrete positie van een transport van gevaarlijke goederen te bepalen, mag natuurlijk ook het even gerechtvaardigde economische belang van de betrokken actoren niet worden vergeten – van transporteurs, rederijen, havenautoriteiten, enzovoort.

Om die reden hebben we nog eens uitdrukkelijk bepaald dat op dergelijke bedrijfsgeheimen zonder meer het recht op gegevensbescherming van toepassing is. Tegen de achtergrond van de samenstelling van de sector, die overwegend uit kleine en middelgrote bedrijven bestaat, hebben we ervoor gezorgd dat de vergoedingen die voor RIS-informatie worden gevraagd, niet hoger mogen zijn dan de kostprijs. Op deze wijze wordt voorkomen dat het gebruik van het systeem voor de sector tot een buitensporige kostenstijging leidt. Aanvullende financiële steun voor de sector, bijvoorbeeld door extra subsidies of goedkopere kredieten – wat naar mijn opvatting zeer zinvol zou zijn – was voor de Raad echter onbespreekbaar. Daar is de Raad als de dood voor, wat verwonderlijk is, gezien het belang dat de sector voor veel lidstaten heeft. Omdat we de River Traffic Information Services echter snel nodig hebben, zijn we met dit compromis akkoord gegaan.

Tot slot wil ik iedereen hartelijk bedanken voor de buitengewoon prettige samenwerking: de Raad, de Commissie, maar in het bijzonder ook mijn collega’s, de schaduwrapporteurs. Heel veel dank, want zonder de samenwerking van alle betrokkenen was het onderhavige compromis natuurlijk niet mogelijk geweest.

Ik doe nu een beroep op het hele Parlement om zowel mijn stemlijst met betrekking tot de 34 oorspronkelijke amendementen van de Commissie vervoer en toerisme te volgen, als ook de 32 in de plenaire vergadering ingediende amendementen aan te nemen. Ze zijn immers het resultaat van de informele trialoog. Hierover zijn we het eens geworden. Aangezien we allemaal de binnenvaartsector willen steunen, verwacht ik echter dat de eerste lezing van morgen ook de laatste zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Chichester (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag namens mijn commissie steun uitspreken voor de algemene doelstellingen van dit voorstel betreffende River Traffic Information Services. Uit mijn eigen ervaring als amateur-roeier en -zeiler weet ik hoe belangrijk informatie is om goed en veilig te kunnen navigeren.

Er waren twee punten die onze commissie met name hebben beziggehouden en ik ben blij dat de commissaris een daarvan al heeft genoemd: de belangen van het midden- en kleinbedrijf en de invloed die deze maatregel daarop zal hebben. Wettelijke en regulerende maatregelen drukken altijd zwaarder op kleine ondernemingen dan op grote organisaties. Ik ben blij dat er in dit verslag aan de belangen van het MKB is gedacht.

Het tweede punt betreft de algemene kwestie van comitologie en het voorgestelde raadgevende comité. Het is erg belangrijk dat alle betrokkenen een rol kunnen spelen binnen dit raadgevende comité. Dat hebben we ook aan de orde gesteld in andere verslagen van onze commissie over andere onderwerpen en ik ben met name blij met amendement 29 van de rapporteur, waarin de Commissie wordt opgeroepen om regelmatig vertegenwoordigers van de sector te raadplegen. Deze twee kwesties – het MKB en raadpleging – zijn erg belangrijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Wortmann-Kool (PPE-DE), namens de PPE/DE-Fractie. Dank u wel Voorzitter, ik ben heel gelukkig met het akkoord in eerste lezing over de River Information Services en ik wil ook namens de EVP-Fractie deze rapporteur hartelijk danken voor al haar inzet en haar feliciteren met het bereikte resultaat, want dit is een belangrijk voorstel om de veiligheid in de binnenvaart te vergroten. Schippers zullen beschikken over uitgebreide informatie wat betreft waterstanden, sluisstanden en andere vaargegevens in heel Europa en haven- en terminalbedrijven kunnen door dit systeem hun capaciteit beter benutten. Een belangrijk voorstel dus om de Europese binnenvaart te bevorderen.

Mijnheer de Voorzitter, ik vind het belangrijk dat de kosten voor dit systeem, zowel voor de binnenvaartschippers als voor de overheid, niet te hoog oplopen. De binnenvaartsector bestaat uit zelfstandige, kleine ondernemers met een beperkte investeringscapaciteit en moet niet gedwongen worden tot dure systemen, terwijl er ook goedkope alternatieven op de markt verkrijgbaar zijn.

Binnenvaartschippers moeten met één systeem in alle landen aan kunnen sluiten op het RIS en ik ben dan ook blij dat dit goed geregeld is in het akkoord dat de rapporteur namens het Parlement bereikt heeft. En verder is het ook heel belangrijk dat erkend wordt dat de gebruikte systemen waterdicht moeten zijn, als het gaat om allerlei bedrijfsgevoelige informatie.

Voorzitter, ik wil van harte het resultaat van de rapporteur ondersteunen, want met deze richtlijn is een kader gecreëerd voor de River Information Services. Maar er moet nog veel technische uitwerking plaatsvinden, voordat daadwerkelijk tot invoering kan worden overgegaan. Ik wil dus graag aansluiten bij het pleidooi van de heer Chichester dat die technische uitwerking praktisch moet zijn en zoveel mogelijk moet aansluiten bij de werkprocessen van de binnenvaartschippers. Dus er is overleg nodig en ik wil de commissaris dan ook met klem vragen de binnenvaartsector goed te betrekken bij die technische uitwerking; vooral nu de Europese Unie steeds meer betrokken raakt bij het Europese binnenvaartbeleid is het overleg met de sector van groot belang, met betrekking tot deze richtlijn maar ook op andere terreinen. Commissaris, kunt u dit toezeggen? Een succes van de binnenvaart is immers heel belangrijk voor een duurzaam Europees vervoer.

 
  
MPphoto
 
 

  Stockmann (PSE), namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, allereerst dank aan de rapporteur voor de werkelijk uitstekende samenwerking. De binnenvaart komt op snelheid en met de RIS verliest hij nog iets meer het imago van een weliswaar romantische, maar ouderwetse vorm van vervoer. Met een interoperabel grensoverschrijdend informatie- en communicatiesysteem komen we dichter bij onze visie dat de binnenvaart een gelijkwaardige schakel in de intermodale vervoersketen hoort te zijn. Het systeem zou de positie van de binnenvaart op vernuftige wijze versterken en het effect van alle noodzakelijke maatregelen voor de verbetering van de infrastructuur verre overstijgen.

De RIS hebben een meerwaarde voor het milieu, de economie en het vervoersbeleid. Ten eerste is door de verbetering van het verkeers- en vervoersbeheer nu ook op onze vaarwegen zoiets als just-in-time-vervoer denkbaar. De RIS leveren actuele informatie die voor de reisplanning en voor het opstellen van betrouwbare tijdschema’s kan worden gebruikt. De afzonderlijke vervoersprocessen worden betrouwbaarder en efficiënter.

Ten tweede: de havens worden opgewaardeerd tot intermodale knooppunten. De RIS vergemakkelijken de planning met het oog op een volledige benutting van de hulpbronnen van terminal- en havenexploitanten.

Ten derde: eindelijk krijgen we ook een uniform identificatienummer, een nummerbord voor binnenschepen. Zo’n uniform kenteken is noodzakelijk voor een efficiënte binnenvaart, voor de identificatie van schepen, voor het elektronisch volgen van schepen en voor de veiligheid. Dit alles zal het concurrentievermogen en de aantrekkingskracht van de binnenvaart vergroten.

Wat rest ons nu nog? De eigenlijke uitdaging ligt waarschijnlijk bij de koppelingen. Vaak zijn havens, die immers dikwijls ook kristallisatiepunten voor economische ontwikkeling zijn, niet trimodaal ingericht en uitgerust. Daar is nog veel te doen.

Ook moet een nog betere koppeling met short sea shipping, een vervoerswijze met zeer hoge groeicijfers, worden gerealiseerd. Daartoe moeten administratieve belemmeringen worden opgeheven.

Niet in de laatste plaats moet de Europese intermodale laadeenheid tot stand worden gebracht en ook worden geïmplementeerd. De eerste lezing daarvan hebben we gehad; het wachten is nu op het gemeenschappelijke standpunt van de Raad. Alleen zo komen we naar mijn mening dichter bij het doel van een werkelijk concurrerende intermodale vervoersketen.

Er is wel een domper op de vreugde: de voorliggende richtlijn is relatief vrijblijvend. Daarom is het nu zaak de afzonderlijke technische regels en normen die voor de invoering van de RIS nodig zijn, snel aan te nemen. We moeten voorkomen dat er een lappendeken van verschillende RIS-toepassingen ontstaat, voorzover dat al niet gebeurd is.

 
  
MPphoto
 
 

  Hennis-Plasschaert (ALDE), namens de ALDE-Fractie. - (EN) In de eerste plaats wil ik graag de rapporteur, mevrouw Sommer, bedanken voor haar geweldige prestatie. Ik wil één punt aan de orde stellen, dat ook al door commissaris Barrot is genoemd.

Alle Europese instellingen en lidstaten hebben bij herhaling openlijk verklaard dat zij er alles aan zullen doen om de besluitvorming binnen de EU transparanter te maken. Dat is iets waar wij in het Europees Parlement en met name in de ALDE-Fractie volledig achter staan. Overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord en diverse actieplannen heeft de Commissie besloten dat al haar voorstellen voor richtlijnen een specifieke bepaling moeten bevatten om lidstaten te verplichten tabellen op te stellen die het verband weergeven tussen de richtlijnen en de omzettingsmaatregelen. Deze tabellen dienen aan de Commissie te worden overgelegd.

Tijdens informeel interinstitutioneel overleg dat er onlangs is geweest met het Nederlandse en het Luxemburgse voorzitterschap over voorstellen voor een richtlijn betreffende River Traffic Information Services en de erkenning van beroepsbekwaamheidsbewijzen van zeevarenden werd echter duidelijk dat de Raad niet bereid is om die bepaling te handhaven. Zoals de commissaris al zei, is de oplossing van de Raad om een overweging in te voegen waarin wordt verwezen naar de afspraak hierover, maar waardoor de verplichting van de lidstaten in de tekst van de richtlijn zelf wordt geschrapt.

De ALDE-Fractie maakt zich ernstig zorgen om de werkwijze van de Raad, aangezien die zich niet louter beperkt tot deze richtlijn. Daarom heeft onze fractie besloten om deze kwestie eruit te lichten en om een verzoek in te dienen voor een stemming in onderdelen over amendement 53. Ik ben mij ervan bewust dat u er niet allemaal blij mee bent om deze politieke strubbeling met de Raad aan te pakken via een specifiek dossier. Ik vind echter dat het Parlement nu een daad moet stellen. Ik kan alleen maar hopen dat de andere fracties er alles aan doen om de besluitvorming binnen de EU transparanter te maken en het eens zijn met onze zienswijze in deze zaak.

 
  
MPphoto
 
 

  Lichtenberger (Verts/ALE), namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, hartelijk dank voor de geboden gelegenheid. Ik wil ook van mijn kant mijn nadrukkelijke en oprechte waardering uitspreken aan het adres van de rapporteur. Het was een prettig overleg en het waren voornamelijk vrouwen die zich met dit onderwerp bezighielden. Dat wilde ik toch ook even opmerken. Het gaat om een onderwerp met ontwikkelingspotentieel, waarbij die ontwikkeling nog lang niet ten einde is. We zullen erop moeten toezien dat de overeengekomen maatregelen ook daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd. Eén domper werd door een vorige spreker al genoemd.

Er zijn twee zeer belangrijke zaken die we gericht moeten nastreven. Ten eerste moet er echt worden gezorgd voor interoperabiliteit, want daarvan hangt een groot deel van de acceptatie en effectiviteit van deze nieuwe voorziening af. Wanneer we er niet in slagen de koppelingen tussen de verschillende transportmiddelen zo vorm te geven dat ze productief worden, dan zal er van een verschuiving naar de vaarwegen, naar onze rivieren, weinig terechtkomen.

Ten tweede moet er een ecologische sanering van transportmiddelen over het water komen. Hier valt nog het nodige te doen. Wat ik nog heel graag wil noemen is dat er mij veel aan gelegen was transporten van gevaarlijke goederen over het water veilig te maken. De RIS zullen daaraan bijdragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie.(FR) Ik zal het kort houden, mijnheer de Voorzitter, maar staat u me toe eerst mevrouw Sommer en de Commissie vervoer en toerisme nogmaals te bedanken voor het uitstekende werk dat ze geleverd hebben. Ik ga ervan uit - nu ja, ik hoop - dat het richtlijnvoorstel dankzij dat werk in de eerste lezing aangenomen zal worden. Naar verwachting zal de Commissie kunnen instemmen met een compromis waarover tijdens de informele trialoog met de Raad overeenstemming bereikt is. Wij aanvaarden de vijftien door de Vervoerscommissie goedgekeurde amendementen, die overeenkomen met het standpunt van de Raad, en uiteraard nemen wij de 34 nieuwe amendementen over die u hebt ingediend, mevrouw Sommer, aangezien ze in de lijn liggen van het compromis dat is bereikt tijdens de informele trialoog met de Raad. Ik hoop dat uw Vergadering deze aanpak zal steunen.

Verder wil ik ook een woord van dank richten tot de heer Chicester, en ik zou hem het volgende willen zeggen. Het is inderdaad zo dat de institutionele comitologieprocedures enkel voorzien in vertegenwoordiging van de lidstaten in de comitologiecomités; andere belanghebbenden zijn van vertegenwoordiging in dit verband uitgesloten. Het is niettemin de plicht van de Commissie - ik sluit me dus volledig bij uw opmerking aan, mijnheer Chicester - erop toe te zien dat de sector naar behoren wordt geraadpleegd tijdens de voorbereiding van de voorstellen, aangezien dat ook een voorwaarde is om de sector bewust te maken van de mogelijkheden die de RIS-technologie op commercieel vlak biedt en om te bereiken dat deze diensten tegen een redelijke, voor iedereen op te brengen prijs aangeboden worden. U hebt er terecht op gewezen - mevrouw Sommer heeft dat ook gedaan - dat het vooral gaat om kleine en middelgrote ondernemingen waarvoor de invoering van de RIS geen al te grote financiële lasten met zich mee mag brengen. Dat wilde ik even zeggen.

Verder hebben sommigen van u de noodzaak van intermodaliteit benadrukt. Geheel terecht, want dat is inderdaad een heel belangrijk punt. Als wij de binnenvaart willen ontwikkelen, zullen we een manier moeten vinden om die intermodaliteit in de praktijk te realiseren. Dat zal een van de hoofdpunten van mijn optreden zijn.

Ook zou ik nog willen zeggen dat ik het volledig eens ben met mevrouw Hennis-Plasschaert op het punt van de concordantietabellen. We moeten er inderdaad voor zorgen dat die er komen. De betekenis van de Unie is nu juist dat de lidstaten ermee instemmen richtlijnen om te zetten en over die omzetting van tijd tot tijd verantwoording af te leggen.

Tegelijkertijd zou ik u willen waarschuwen: past u op dat u het voorstel als zodanig niet in gevaar brengt. Het is mijns inziens van belang, mijnheer de Voorzitter, dat de interinstitutionele dialoog voortgezet wordt om te bereiken dat de opstelling van concordantietabellen een goede gewoonte wordt bij alle wetteksten. Maar nogmaals, ik zou niet graag zien dat deze richtlijn, die door mevrouw Sommer namens het Parlement en met uw hulp ontegenzeglijk verbeterd is, het niet haalt en niet snel in eerste lezing aangenomen wordt, terwijl dat toch mogelijk lijkt. Mijnheer de Voorzitter, ik zou het Parlement daarom bij voorbaat willen bedanken voor het feit dat het oog heeft voor de noodzaak van tenuitvoerlegging van deze tekst, die naar ik hoop een impuls zal betekenen voor de ontwikkeling van de binnenvaart in Europa.(1)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, woensdag, om 11.30 uur plaats.

 
  

(1) Standpunt van de Commissie inzake de amendementen van het Parlement: zie bijlage.


19. Erkenning van beroepsbekwaamheid van zeevarenden
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0057/2004) van de heer Robert Evans, namens de Commissie vervoer en toerisme, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden en tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG (COM(2004) 311 - C6-0033/2004 - 2004/0098(COD)).

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, in bepaalde lidstaten is op dit moment sprake van een groeiend tekort aan EU-zeevarenden, en daardoor dreigt de maritieme knowhow verloren te gaan. De opleiding van zeevarenden is van groot belang voor het voorkomen van ongevallen op zee. We moeten onszelf derhalve de middelen verschaffen om het beroep van EU-zeevarende te ontwikkelen door het vrije verkeer van zeevarenden in de Unie te bevorderen en uitstekende opleidingen van hoogwaardige kwaliteit te stimuleren.

Met het voorstel dat voorligt, wordt een antwoord geboden ten aanzien van beide aandachtspunten. Het behelst de invoering van erkenning op Europees niveau van door de lidstaten afgegeven diploma’s van zeevarenden. Met dit voorstel streeft de Commissie drie doelen na. Ten eerste: een snelle en doeltreffende procedure voor erkenning door de lidstaten van binnen de Unie afgegeven diploma’s van zeevarenden. Met het voorgestelde stelsel komt er een einde aan het trage verloop van het hele proces dat het huidige systeem van erkenning kenmerkt.

Ten tweede: naleving van de communautaire voorschriften inzake opleiding, diplomering en wachtdienst. Het voorstel voorziet in volledige, permanente naleving van alle bestaande opleidings- en certificeringsnormen. Zo zal de Commissie met steun van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid op gezette tijden een audit van de nationale opleidings- en certificeringsstelsels uitvoeren.

Derde en laatste doel: bestrijding van fraude in verband met diplomering. Het voorstel bevat bepalingen inzake aanvullende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude bij het verkrijgen en afgeven van diploma’s.

Zoals u weet, heeft de Raad Vervoer in december vorig jaar overeenstemming bereikt over een algemene oriëntatie voor dit voorstel. Ik ben blij met de constructieve bijdrage van het Parlement in dit dossier. Ik reken op uw steun voor een spoedige aanneming van deze belangrijke tekst, waarmee het voor een lidstaat gemakkelijker wordt voor zeevarenden afkomstig uit andere lidstaten een diploma af te geven.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik dank u voor uw aandacht en spreek de hoop uit dat we onze medeburgers heel duidelijk de boodschap kunnen meegeven dat het beroep van zeevarende in de Europese Unie een buitengewoon interessant beroep is en blijft, een beroep dat absoluut de moeite waard is voor de jonge generatie in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Evans, Robert (PSE), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, met mijn verslag wordt de huidige wetgeving over de erkenning van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden gewijzigd, in die zin dat de wetgeving toepasselijker wordt gemaakt en bestaande onvolkomenheden worden gecorrigeerd. Ik heb diverse besprekingen over het verslag gevoerd met de Commissie, het Nederlandse en het Luxemburgse voorzitterschap, het secretariaat van het Parlement, de Britse regering en mijn collega's, en ik ben allen dankbaar voor hun inbreng. Ik kan bevestigen dat de Raad, overeenkomstig artikel 251 van het Verdrag, heeft kenbaar gemaakt dat we, als we morgen volgens plan stemmen, deze wetgeving zonder verdere problemen kunnen aannemen.

Het uitgangspunt van deze wetgeving is veiligheid. De veiligheid van zeelieden is niet alleen belangrijk voor degenen die zelf in die sector werkzaam zijn, maar ook voor de consument, hetzij als passagier aan boord van een schip hetzij als koper van producten die afkomstig zijn uit de zee.

Zoals de commissaris al zei, gaat het over het algemeen niet goed met de scheepvaartsector. Een carrière op zee is niet meer zo aantrekkelijk als vroeger misschien het geval was. Dat het minder goed gaat in de scheepvaart- en visserijsector heeft tot gevolg dat de lonen over het algemeen laag zijn en dat er weinig banen zijn. Er zal daarentegen altijd vraag zijn naar vervoer per schip, zowel goederen- als passagiersvervoer. Ondanks de teruglopende visstand zal er altijd vraag zijn naar vis. Daarom zal er altijd behoefte zijn aan werknemers in die branche.

Zoals de heer Barrot al zei, is er momenteel echter een tekort aan arbeidskrachten. Nu landen en rederijen trachten om vraag en aanbod van bemanningsleden op elkaar af te stemmen, wordt de rol van de Europese Unie belangrijker. Wij moeten zorgen dat het stelsel van vrij verkeer in Europees verband goed geregeld is. Door het huidige tekort aan lokaal personeel ontstaat een leegte die, net als in andere sectoren, zal worden gevuld door niet-lokale arbeidskrachten. Voor deze werknemers moeten dezelfde beschermingsmaatregelen en normen gelden als voor de bestaande werknemers.

Met dit verslag wordt de bestaande Europese richtlijn uit 2001 herzien en dat is geen overbodige luxe. Doel is om de administratieve druk te verlichten, discriminatie tegen te gaan en de arbeidsmobiliteit in de maritieme sector te bevorderen. Europese regels moeten zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande internationale verdragen. In dit geval wordt het Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst ontdaan van Europese bureaucratische rompslomp. Dit is een belangrijk aspect geweest, dat door alle drie de partijen in het overleg als een gemeenschappelijk doel werd gezien, waardoor we informeel al vóór het debat tot overeenstemming konden komen. De opleidings- en diplomeringseisen voor zeevarenden zijn vastgelegd door de Internationale Maritieme Organisatie in het eerder genoemde Internationaal Verdrag, waarin ook afspraken zijn gemaakt over de erkenning van diploma's.

De erkenning van door derde landen afgegeven diploma's is inmiddels vereenvoudigd en dat leidt tot de nogal onbevredigende situatie dat diploma's van buiten de Unie nu gemakkelijker en eenvoudiger worden erkend dan diploma's van binnen de Unie. Dit is discriminerend, het belemmert het vrije verkeer van zeevarenden en het is een tekortkoming die ongedaan moet worden gemaakt, zeker omdat het aantal zeevarenden terugloopt. Ik wil echter benadrukken dat het bezit van een bewijs van beroepsbekwaamheid alléén geen garantie op werk inhoudt, net zomin als een rijbewijs iemand het recht op een baan als chauffeur geeft.

Wat betreft het netelige onderwerp van de taalvereisten zijn we overeengekomen dat een voldoende beheersing van de taal, in dit geval het Engels, noodzakelijk is. Dit geldt ook voor werknemers uit derde landen, die betrokken kunnen raken bij ongelukken als er geen eisen aan de taalvaardigheid worden gesteld.

Een zeer belangrijke kwestie is het tegengaan van fraude. Alle 25 lidstaten dienen zich in IMO-verband te blijven inzetten voor de wereldwijde bestrijding van fraude om zo de hoogst mogelijke veiligheidsnormen te waarborgen. We hebben allen de plicht om onze eigen vloot en onze eigen zaakjes op orde te hebben, zodat we binnen de IMO hoge normen kunnen garanderen.

Tot slot wordt in mijn verslag gezegd dat de Commissie na vijf jaar met een evaluatieverslag moet komen. In een eerder verslag is melding gemaakt van verschillende scheepsrampen voor de Europese kust, en het Europees Parlement heeft herhaaldelijk de veiligheid op zee bovenaan de agenda geplaatst. We stellen hoge eisen aan de veiligheid, de werknemers en de diplomering. Ik ben ervan overtuigd dat mijn collega's dit verslag morgen bij de stemming kunnen steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  López-Istúriz White (PPE-DE), namens de PPE-DE-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de rapporteur, de heer Evans, bedanken en hem gelukwensen met zijn uitstekende werk en vooral ook met de consensus met zowel de Raad als de Commissie. De Commissie en de commissaris zou ik willen bedanken voor hun inzet en belangstelling voor de bestrijding van fraude bij het afgeven van bewijzen van beroepsbekwaamheid aan zeevarenden.

Om het onderhavige verslag sneller te kunnen behandelen werd er zoals u weet besloten om de Raad en de Commissie bijeen te roepen teneinde een ontwerpverslag te kunnen voorleggen waarover een consensus was bereikt. Beide instellingen hebben belangwekkende en verrijkende bijdragen geleverd zonder dat er in het debat grote meningsverschillen tussen de partijen aan het licht zijn getreden, en terwijl men het eigenlijk steeds met elkaar eens was.

Na maanden van noeste arbeid kunnen we met zekerheid stellen dat het voorstel, dat past in het kader van de verdragen van de Internationale Maritieme Organisatie, een bijzonder consistente bijdrage zal leveren aan de bestrijding van fraude op het gebied van de bewijzen van beroepsbekwaamheid. Vanwege mijn speciale band met de tot Spanje behorende eilandengroep de Balearen moet gezegd dat het mij persoonlijk deugd doet dat deze maatregelen genomen zijn. Zij zullen ertoe bijdragen dat de veiligheid en het leven van zeelieden op adequate wijze worden gegarandeerd, en dat het maritieme milieu wordt beschermd.

Wat betreft de bescherming van het maritieme milieu hebben de eilanden speciale aandacht nodig, daar zij de bestemming vormen van een intensief verkeer van koopvaardijschepen. Op grond van die ervaring – daarom vertelde ik het ook – weet ik dat de heer Evans een niet geringe taak heeft gehad. Nu hebben wij met vereende krachten de kwaliteit en de kwantiteit van het werk van onze zeelieden verbeterd en, nog belangrijker, we hebben hun reputatie hersteld, die in sommige gevallen door fraude in het verleden geschaad was.

 
  
MPphoto
 
 

  Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil in de eerste plaats de heer Evans en de Commissie vervoer en toerisme hartelijk bedanken. Ze hebben het voorstel van de Commissie niet alleen gesteund, maar ook verrijkt. Uit hetgeen de heer López-Istúriz White zojuist naar voren heeft gebracht, komt heel duidelijk naar voren waar het om gaat: we willen het imago van het beroep van zeevarende verbeteren om dit schitterende vak aantrekkelijk te maken voor de jonge generatie.

De paradoxale situatie doet zich voor dat de sector achteruitgaat terwijl er een enorm potentieel voor maritiem vervoer in Europa bestaat. Het is dus echt nodig dat de opleiding van zeevarenden verbeterd wordt en dat de bestaande gebreken weggewerkt worden, zodat voldoende jongeren in Europa zich aangetrokken zullen voelen tot dit vak. En zoals de heer Evans terecht heeft opgemerkt, zijn het vrije verkeer en de erkenning van diploma’s daarbij een extra steuntje in de rug.

De voorgestelde amendementen versterken de doelstellingen van de Commissie. Zoals gezegd, alles wat het vrije verkeer van zeevarenden bevordert, alles wat een strenge controle op naleving van de bestaande voorschriften mogelijk maakt, alles wat leidt tot het terugdringen van illegale praktijken met betrekking tot de diplomering van zeevarenden - het gaat allemaal in de goede richting, en uw amendementen sluiten hierop aan. Ze zijn erop gericht de tekst van het voorstel duidelijker te maken zonder de door de Raad vastgestelde algemene oriëntatie geweld aan te doen.

Daarom, mijnheer Evans, stemt de Commissie in met alle amendementen van het Parlement. Wel wil ik natuurlijk nog even de aandacht vestigen op amendement 32, waarmee beoogd wordt de eis te schrappen dat de lidstaten een concordantietabel overleggen waaruit blijkt dat de nationale uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming zijn met de regeling, en dit punt enkel in een overweging op te nemen. Dat is ook hetgeen de Raad voorstaat. Gezien alles wat ik eerder gezegd heb, zult u echter begrijpen dat ik op dit punt mijn bedenkingen heb. We zijn natuurlijk blij dat het Parlement en de Raad besloten hebben hun teksten op elkaar af te stemmen om een akkoord in eerste lezing mogelijk te maken. Dat betekent echter nog niet dat wij een concordantietabel met het oog op betere wetgeving dus niet meer nodig vinden. Ik herhaal wat ik naar aanleiding van de vorige tekst al gezegd heb, mijnheer de Voorzitter: we moeten op interinstitutioneel niveau een akkoord zien te bereiken om dit stelsel in werking te laten treden, een stelsel dat de toepassing mogelijk maakt van alles waartoe uw Parlement in samenspraak met de Raad besloten heeft. Bij de definitieve vaststelling van de richtlijn zal de Commissie met een verklaring van deze strekking komen.

Ik reken op de steun van het Parlement voor dit belangrijke dossier, dat het vrije verkeer van zeevarenden binnen de Unie zal bevorderen en er naar ik hoop toe zal leiden dat jongeren zich geroepen zullen voelen tot dit beroep, zodat de nieuwe aanwas van zeevarenden die we zo hard nodig hebben, verzekerd is.(1)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Mijnheer de commissaris, het Parlement wil u bedanken omdat u zich bij ons heeft gevoegd aan het roer van dit specifieke schip.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, woensdag, om 11.30 uur plaats.

 
  

(1) Standpunt van de Commissie inzake de amendementen van het Parlement: zie bijlage.


20. Communautair Bureau voor visserijcontrole
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0022/2005) van mevrouw Elspeth Attwooll, namens de Commissie visserij, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2004) 289 - C6-0021/2004 - 2004/0108(CNS)).

 
  
MPphoto
 
 

  Borg, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag om te beginnen de geachte afgevaardigde bedanken voor haar verslag over een voorstel voor een verordening van de Raad tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid.

De Commissie acht de oprichting van het Bureau cruciaal voor het realiseren van de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid. U weet dat de oprichting van dit Bureau bedoeld is als een duidelijk signaal dat er in het hervormde gemeenschappelijk visserijbeleid een hoge prioriteit wordt gegeven aan een uniformere en effectievere uitvoering van de regels. We zijn van mening dat een goed functionerend Bureau niet alleen essentieel is om de controlerende rol van de lidstaten te verbeteren, maar ook om onszelf verder te kunnen toeleggen op de bestrijding van illegale visserij. Bovendien zijn we ervan overtuigd dat onze wetenschappelijke adviseurs door een verbetering van ons controleapparaat betrouwbaardere gegevens krijgen, waardoor wij een deugdelijker advies krijgen voor onze beslissingen ten aanzien van een duurzaam visserijbeleid. Daarom wil de Commissie graag een effectief en betrouwbaar Bureau.

Op operationeel niveau zien we het Bureau als een middel om de controle-instrumenten en -methoden van de lidstaten te versterken.

De Commissie is bijzonder verheugd over de nauwe samenwerking met de rapporteur en de leden van de Commissie visserij gedurende de periode dat we met dit belangrijke voorstel bezig waren. Ik kan u tot mijn vreugde meedelen dat we meer dan de helft van de amendementen van de Commissie visserij aanvaarden. Het gaat om amendementen die ons voorstel aanmerkelijk verbeteren en die we met genoegen in de Raad zullen verdedigen.

Dan ga ik nu in op de amendementen die in het voorliggende verslag zijn voorgesteld.

De Commissie kan amendement 1 aanvaarden.

De Commissie heeft moeite met het aanvaarden van amendement 2. Het is niet raadzaam om prioriteiten vast te stellen voor taken in de verordening, aangezien prioriteiten in de toekomst kunnen veranderen doordat er taken zijn volbracht en doelstellingen zijn gehaald. De Commissie ziet echter wel in dat het zinvol is om de controle van illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserij op te nemen in het werkprogramma van het Bureau.

De Commissie kan amendement 3 aanvaarden.

De Commissie kan amendement 4, 25 en 27 niet aanvaarden. Bij de stemprocedure moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van dit orgaan, dat belast is met controletaken. Uitgangspunt van het voorstel is dat er een evenwicht moet worden gevonden tussen de rol van de lidstaten en de plicht van de Commissie om te zorgen dat het Bureau zich volgens de vastgelegde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid ontwikkelt.

De Commissie heeft moeite met het aanvaarden van amendement 5. Met dit amendement worden de bevoegdheden van het Bureau uitgebreid tot andere gebieden dan alleen controle en inspectie. De Commissie is ervan overtuigd dat de reikwijdte van haar voorstel in de huidige vorm voldoende is en dat het gericht moet blijven op de kerntaken van het Bureau, te weten controle en inspectie. Uiteraard kunnen onderzoeksactiviteiten die rechtstreeks verband houden met de controletaken wel in overweging worden genomen.

De Commissie kan amendement 6 aanvaarden.

Wat betreft amendement 7 heeft de Commissie moeite met het aanvaarden van de inhoud van het amendement zoals die nu is geformuleerd. Het amendement is te beperkend, aangezien op het moment niet alle visserijovereenkomsten voorzien in een controleregeling.

Hoewel de Commissie amendement 8 niet kan aanvaarden, kan het Bureau uiteraard wel de bevoegdheid hebben om vaartuigen te controleren die betrokken zijn bij illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserij, zolang dat valt binnen het kader van regelingen die zijn aangenomen door regionale visserijorganisaties.

De Commissie kan amendement 9, 10, 11, 12 en 13 aanvaarden.

De Commissie heeft echter problemen met het aanvaarden van amendement 14, dat betrekking heeft op de informatieverstrekking over de toepasbaarheid en de kosten-batenverhouding van de GVB-voorschriften met betrekking tot controle en inspectie, aangezien daarmee de missie en de taken van het Bureau wezenlijk worden veranderd.

De Commissie kan amendement 15 niet aanvaarden, aangezien artikel 7 uitsluitend betrekking heeft op de verplichtingen van de lidstaten. De Commissie kan echter verzoeken dat het Bureau diensten verleent die, krachtens artikel 5 van het voorstel, verband houden met de verplichtingen van de Gemeenschap.

Ik ben het er zonder meer mee eens dat het Bureau een belangrijke rol heeft op opleidingsgebied. Ik heb echter moeite met het aanvaarden van amendement 16, aangezien het Bureau niet moet worden verplicht om een opleidingscentrum op te richten. De lidstaten kunnen er om praktische en operationele redenen voor kiezen om cursussen en seminars op lokaal niveau te organiseren. De opdracht van het Bureau moet er niet toe leiden dat deze mogelijkheid wordt ingeperkt.

De Commissie kan amendement 17 aanvaarden.

Wat amendement 18 betreft heeft de Commissie moeite met het aanvaarden van de inhoud van het amendement zoals die nu is geformuleerd. De voorgestelde rol van het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur (RCVA) kan niet worden aanvaard, aangezien dit orgaan, dat slechts een adviserende taak heeft, dan een positie krijgt die vergelijkbaar is met die van de instellingen van de Gemeenschap, zoals het Europees Parlement, de Commissie en de Raad. Hoewel de Commissie graag voorstellen ziet waardoor het Parlement beter kan worden geïnformeerd over de activiteiten van het Bureau, kan zij niet goedkeuren dat raadgevende organen, zoals het RCVA en de regionale adviesraden, dezelfde status krijgen. Om diezelfde reden kan de Commissie evenmin de amendementen 22, 42 en 43 aanvaarden.

Hoewel de Commissie amendement 19 niet kan aanvaarden, is zij het er wel mee eens dat de tekst van de tweede overweging zodanig moet worden gewijzigd dat deze zowel betrekking heeft op activiteiten binnen de wateren van de Gemeenschap als daarbuiten.

De Commissie heeft geen opmerkingen over amendement 20, aangezien de locatie van het Bureau onder de bevoegdheid van de Spaanse autoriteiten valt.

De Commissie kan amendement 21 niet aanvaarden.

De Commissie heeft moeite met amendement 23 en 24. In de eerste plaats is het RCVA een raadgevend orgaan en moet het geen beheertaken gaan vervullen. In de tweede plaats sluit het voorstel van de Commissie ten aanzien van de benoeming van vertegenwoordigers van de visserijsector aan bij de werkwijze die wordt gevolgd bij andere bureaus waar belanghebbenden uit de sector zitting hebben in de raad van bestuur. In dergelijke gevallen is het gewoonlijk de Commissie die vertegenwoordigers van de sector benoemt.

De Commissie heeft moeite met het aanvaarden van amendement 26, aangezien de raad van bestuur bepaalde onderwerpen moet kunnen bespreken zonder de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de sector als er sprake is van een vertrouwelijke kwestie of een belangenconflict.

De Commissie kan amendement 28, 29, 30 en 31 aanvaarden.

De Commissie heeft moeite met amendement 32. De Commissie is van mening dat het in het belang van de Gemeenschap is dat zij de bevoegdheid behoudt om aan de raad van bestuur voor te stellen de uitvoerend directeur te ontslaan en dat hiervoor een eenvoudige meerderheid van stemmen voldoende moet zijn; anders wordt de positie van de Commissie verzwakt.

De Commissie kan amendement 33 niet aanvaarden, omdat zij vindt dat drie jaar een te korte periode is voor een externe evaluatie.

De Commissie heeft moeite met het aanvaarden van amendement 34, aangezien de tekst van het Commissievoorstel voldoet aan de overeengekomen standaardregels voor het opstellen van voorstellen, en dat geldt niet voor de tekst van het amendement.

Hoewel de Commissie zich in beginsel kan vinden in amendement 35, kan zij dit amendement niet aanvaarden, aangezien het controversieel en moeilijk uitvoerbaar zou zijn.

De Commissie kan amendement 36, 38, 39, 40 en 41 niet aanvaarden. Door deze amendementen wordt het voorstel verzwakt. Zoals ik in het begin al zei, gaat het erom dat we erin slagen een Bureau voor visserijcontrole op te richten dat effectief is en goed kan functioneren. Ik heb in elk geval begrepen dat de Commissie visserij tijdens haar vergadering van 2 februari tegen vergelijkbare amendementen heeft gestemd.

De Commissie kan amendement 37 niet aanvaarden. Zoals ik eerder al heb gezegd, hebben regionale adviesraden een adviserende taak en moeten zij geen beheertaken gaan vervullen.

 
  
MPphoto
 
 

  Attwooll (ALDE), rapporteur. (EN) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, de Commissie visserij is bijzonder ingenomen met het voorstel voor de oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole. Wij denken dat dit een belangrijke bijdrage zal kunnen gaan leveren aan een uniforme en kosteneffectieve uitvoering van de controle- en inspectieprogramma’s. De Visserijcommissie is van mening dat het Bureau ook een belangrijke rol moet gaan spelen bij de bestrijding van illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserijactiviteiten, ook als die activiteiten buiten de communautaire wateren plaatsvinden.

Andere amendementen beogen ervoor te zorgen dat het Bureau de juiste informatie en ondersteuning kan verstrekken aan de Commissie en de lidstaten, bijvoorbeeld met betrekking tot de veiligheid en hygiëne op het werk, de ontwikkeling van technische oplossingen op het gebied van controle en inspectie, en de kosteneffectiviteit van de bepalingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid inzake de controle en inspectie. Zoals de commissaris al opmerkte, dringt de commissie er ook op aan dat het Bureau niet slechts in staat wordt gesteld om een kerncurriculum te ontwikkelen, maar ook om een opleidingscentrum voor visserij-inspecteurs op te richten.

Op één punt verschilt dit verslag wezenlijk van het voorstel van Commissie. De Visserijcommissie is namelijk van mening dat niet de Commissie, maar de visserijsector zelf zijn eigen vertegenwoordigers in de raad van bestuur moet benoemen en dat deze vertegenwoordigers ook stemrecht moeten hebben.

Nu kom ik op de amendementen die zijn ingediend door de ALDE-Fractie. Twee daarvan betreffen de rol van de regionale adviesraden. Naar onze mening is er veel voor te zeggen om bij de opstelling van de gezamenlijke inzetplannen deze raden te raadplegen. Zij moeten in ieder geval worden geïnformeerd over de uitkomsten van de beoordeling van de doeltreffendheid van dergelijke plannen door het Bureau. De overige amendementen betreffen vooral de gezamenlijke inzetplannen. Dit is echter geen poging om het voorstel af te zwakken, commissaris.

Het lijkt erop dat er sprake is van verschillende interpretaties van het begrip operationele coördinatie. Volgens één interpretatie zal het Bureau zich alleen gaan bezighouden met de praktische aspecten van de inzet van de middelen die reeds door de lidstaten zijn toegezegd en moet het ervoor zorgen dat deze middelen inderdaad worden ingezet op de manier zoals die in het betreffende plan is vastgesteld. Gezien het door de Commissie verstrekte schema is dit het model dat de Commissie voorstaat.

Helaas komt dit model echter niet duidelijk tot uiting in de huidige formulering van artikel 12. Ook komt het niet overeen met artikel 11, lid 1, onder b) van het voorstel dat, en ik citeer: “het Bureau de bevoegdheid geeft om te bepalen op welke wijze de controle- en inspectiemiddelen dienen te worden gebundeld in overeenstemming met de criteria in artikel 11, lid 2.” Bovendien bepaalt artikel 13 dat de lidstaten, en ik citeer weer: “die controle- en inspectiemiddelen beschikbaar dienen te stellen welke in het gezamenlijke inzetplan zijn vastgesteld.”

Dit is een veel ruimere interpretatie van de taken met betrekking tot de operationele coördinatie. Als we het schema van de Commissie lezen, al is het dan niet de wettelijke tekst, lijkt die ertoe te leiden dat de directeur van het Bureau wel heel erg veel zeggenschap krijgt over de feitelijke toewijzing van de financiële middelen. De amendementen van de ALDE-Fractie zijn bedoeld om deze interpretatieverschillen weg te nemen en ervoor te zorgen dat de regels en de praktijk met elkaar in overeenstemming zijn.

Ik hoop van harte dat het Parlement deze amendementen zal aannemen, maar ook als het dat niet doet, ben ik van mening dat de Commissie en de Raad voor deze punten zelf een oplossing moeten zoeken. Ik wil mijn collega’s nogmaals geruststellen dat ik absoluut niet bezig ben met wat voor subversieve activiteiten dan ook. Integendeel, ik ben juist een groot voorstander van de ruimere interpretatie van de operationele coördinatie, mits met gepaste waarborgen omkleed.

Mijn belangrijkste zorg is dat slechte wetgeving niet zal resulteren in een goed Bureau. Om die reden zal ik mijn eigen fractie aanbevelen zich van stemming over het verslag te onthouden tenzij op zijn minst de amendementen 38 en 39 worden overgenomen. Uiteraard zullen wij wel de wetgevingsresolutie steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maat (PPE-DE), namens de PPE-DE-Fractie. Dank u Voorzitter, ik wil ook de rapporteur bedanken voor haar inspanningen. Het is misschien wel symbolisch dat na het ja voor de grondwet in Spanje het Visserijcontrolebureau toegewezen wordt aan Vigo en dat lijkt me een terechte beloning, gezien ook de grote politieke inspanningen van onze collega's voor het ja voor de grondwet.

Tegelijkertijd ben ik wat teleurgesteld in de reactie van de commissaris, want op heel veel amendementen die waren goedgekeurd door de Visserijcommissie zei hij dat ze niet te accepteren waren of niet uitgevoerd konden worden. Ik mis toch wel wat ambitieniveau bij de commissaris op die punten. En ik denk even terug aan die grondwet, want wanneer dit verslag over vijf jaar zou worden behandeld, zou de Commissie er niet zo makkelijk mee weg kunnen komen om te zeggen dit is niet te accepteren of dat kan ik niet; op dat punt zou het goed zijn wanneer de commissaris iets meer ambitie zou hebben ook met betrekking tot de uitvoering van de amendementen, ook ingediend vanuit mijn fractie.

Een van de hoofdpunten van mijn fractie is toch dat wij constateren dat er in het hele visserijbeleid toenemende mate sprake is van gebrek aan vertrouwen tussen enerzijds de visserijsector en anderzijds Brussel. Die kloof moet worden gedicht, en juist de inzet van de sector zelf, de inbreng van de sector zelf, van de visserijorganisaties in het bestuur van dit visserijcontrolebureau zou ertoe kunnen bijdragen dat de kloof wordt gedicht tussen de Europese Unie en de visserijsector.

Er zijn goede voorbeelden buiten de Europese Unie waar het wel goed gaat. Kijk naar IJsland, kijk naar Noorwegen, waar de visserijsector meer invloed heeft op het beleid en meer betrokken wordt bij het uitzetten ervan en een goede controle erop. Op dit punt zou de Commissie wat meer ambitie kunnen tonen en ook meer begrip kunnen hebben, ook voor de inzet van de EVP-Fractie om juist die kloof te dichten.

Nogmaals, Voorzitter, ik roep hier met name de commissaris op om eigenlijk te handelen alsof de nieuwe grondwet al een feit is en ook de inzet van het Parlement meer serieus te nemen, dan weet ik zeker dat het ook met deze nieuwe commissaris en met het nieuwe bureau goed kan komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kindermann (PSE), namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de controle is nu al een belangrijk onderdeel van het gemeenschappelijk visserijbeleid en wint in de toekomst nog meer aan belang. Voor het Europees Parlement stond en staat voorop dat de controle in de visserijsector efficiënter wordt georganiseerd. Wij steunen daarom het voorstel voor de oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole.

Er bestaan in de Europese Unie echter grote verschillen tussen de diverse visserijregio’s. Daarom vinden wij het zinvol dat er in de organisatiestructuur van het Bureau rekening wordt gehouden met regionale verschillen. Het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft zich de afgelopen jaren verder ontwikkeld, maar ook internationale verplichtingen van de Europese Unie in het kader van de visserij vormen een wezenlijk bestanddeel van dit beleid. Dat alles vraagt effectieve, maar ook uniforme controleprocedures en een uniforme coördinatie daarvan. De oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole moet dit garanderen. Het doel moet zijn de nationale controlestructuren te verbeteren, waarbij de lidstaten zeggenschap moeten houden over de inzet van hun controlemiddelen. We gaan ervan uit dat met de oprichting van organisatiestructuren op communautair niveau bestaande wetgeving consequenter kan worden nageleefd.

Enkele amendementen van de rapporteur beantwoorden naar onze mening niet aan dit doel en zijn te breed opgezet. De bevoegdheid van het Bureau moet duidelijk afgebakend blijven. Om die reden zijn wij ertegen dat de regionale adviesraden in de organisatiestructuur worden opgenomen. Hoewel de rapporteur zeer goed werk heeft verricht, kunnen we amendementen van die strekking niet steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Booth (IND/DEM), namens de IND/DEM-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, overal ter wereld blijkt dat de instandhouding van de visbestanden alleen effectief is wanneer die onder nationaal toezicht staat. Ik heb met tientallen vissers in Devon en Cornwall gesproken die precies weten hoe je visbestanden moet beschermen, maar aan wie nooit advies wordt gevraagd. Ik stel voor dat wij het huidige gemeenschappelijk visserijbeleid, met zijn volstrekt onwerkbare quotasysteem dat is bedacht door bureaucraten die nooit achter hun bureau vandaan komen, met onmiddellijke ingang afschaffen en vervangen door een nieuw visserijbeleid, op te stellen door de vissers zelf.

Het probleem in Groot-Brittannië is steeds de absurd strenge handhaving van het GVB, in de eerste plaats door het ministerie van Landbouw en Visserij en vervolgens door dat van Milieu, Voedsel en Plattelandszaken. Een voorbeeld daarvan was hun eis dat een bepaalde visser, Ken Bagley, die ik toevallig heel goed ken, met zijn duim over de buik van vijf ton sprot moest wrijven om zich ervan te vergewissen dat zijn vangst geen onvolwassen haring bevatte. In het Verenigd Koninkrijk hebben wij een spreekwoord dat zegt “je moet een sprotje uitgooien om een makreel te vangen.” Misschien moeten we dat veranderen in “je moet een sprotje uitgooien om een haring te vangen.” Het is geen wonder dat in Groot-Brittannië het BBP voor de visserij is gedaald van 561 miljoen pond in 1964 tot 520 miljoen pond in 2003, ondanks de inflatie. In Noorwegen, dat over zijn eigen visserijbeleid gaat, zijn deze bedragen in dezelfde periode juist gestegen van 7,5 miljard Noorse kronen tot 10,1 miljard Noorse kronen.

De milieucrisis in de Noordzee is het gevolg van menselijk handelen. Het is een klassieke truc van de Europese Commissie om een dergelijke crisis uit te buiten ten behoeve van verdere Europese integratie. Deze crisis komt de Commissie wel heel erg goed uit. De Europese oplossing voor iets dat niet werkt, is er nog meer Europa tegenaan te gooien. Vandaar dat wij nu een nieuw Bureau voor de visserij oprichten, met als zetel Vigo in Spanje. En, surprise, surprise, in de toekomst zullen de Britse vissersschepen in onze eigen territoriale wateren worden gecontroleerd door patrouilleboten die onder dit nieuwe Bureau opereren en die erop uit worden gestuurd onder het gezag van het inspectoraat van de EU in Madrid. Als die arme Francis Drake dat wist, zou hij zich in zijn graf omdraaien. Misschien wordt het tijd om de bakens te ontsteken!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Allister (NI). (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te kunnen geloven in een communautair bureau voor visserijcontrole moet je geloven in een communautair visserijbeleid. Ierland heeft hier uiterst slechte ervaringen mee. Met dank aan het GVB en met name als gevolg van overregulering en sluiting van visgebieden op straffe van boetes hebben wij onze visserijvloot drastisch moeten inkrimpen. Ik sta niet achter het visserijbeleid en zal daarom het voorstel voor de oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole niet steunen. Naar mijn mening behoort de visserij onder toezicht te staan van de nationale autoriteiten, en niet onder dat van de EU. Derhalve dienen alle inspectiemechanismen op nationaal niveau te worden geïnitieerd en uitgevoerd. Dit Bureau is helaas het zoveelste staaltje van de machtspolitiek waar Brussel zich zo graag van bedient.

Aangezien er echter naar alle waarschijnlijkheid toch een Communautair Bureau voor visserijcontrole komt, zal ik, net als ik in de commissie heb gedaan, mijn stem in dit Parlement gebruiken om te proberen de macht van dit Bureau te beperken en de nationale inbreng te vergroten.

 
  
MPphoto
 
 

  Fraga Estévez (PPE-DE). (ES) Commissaris, in tegenstelling tot de vorige spreker sta ik volkomen achter de oprichting van het Communautair Bureau voor visserijcontrole die ik van harte toejuich, en het enige wat ik nog zou willen vragen is om dit Bureau zo gauw mogelijk van start te laten gaan.

Wat de concrete taken van het Bureau betreft worden zowel het oorspronkelijke Commissie-voorstel als ook het verslag van de rapporteur aanzienlijk verbeterd en aangevuld door de amendementen van de Commissie visserij, zonder dat er getornd is aan de huidige bevoegdheden van de lidstaten.

Het onderhavige verslag bevestigt mij in mijn overtuiging dat duurzame natuurlijke rijkdommen en sanering van de visserij alleen mogelijk zullen worden met een eerlijk controlebeleid zonder een spoor van schijnheiligheid. Uit dit voorstel is helaas eens te meer gebleken dat sommige landen die hun mond vol hebben van controle zich in tweede instantie het minst bereidwillig tonen door serieuze, doeltreffende voorstellen af te wijzen.

Met dit Bureau zij we weer een stapje verder gekomen om dergelijke houdingen aan het licht te brengen. Ofschoon we, vooral met het oog op de transparantie en de controlecriteria van de zijde van de lidstaten en met het oog op de Europese harmonisatie van wetgevingen en sancties, nog veel werk voor de boeg hebben, is het bestaan van dit Bureau de beste garantie dat we deze problemen in een nabije toekomst zullen kunnen aanpakken.

Verder heeft de Commissie visserij verbeteringen aangebracht in de wijze waarop de sector in het voorstel wordt behandeld. Commissaris, ik ben het niet met de Commissie eens als zij deze amendementen afwijst, want die beogen de sector werkelijk een stem in het kapittel te geven en hem vertegenwoordigd te doen zijn op een voor hem zo vitaal gebied waarop het absurd zou zijn als we zijn steun zouden moeten ontberen. Het takenpakket van het Bureau werd uitgebreid om de Commissie zover te krijgen dat zij eindelijk haar verantwoordelijkheden neemt inzake de niet-gemelde, niet-gereglementeerde illegale visserij.

Verder ben ik de rapporteur erkentelijk voor haar inspanningen om compromisoplossingen te vinden en tenslotte moet gezegd dat ik blij ben dat dit Bureau zijn zetel zal krijgen in Spanje, in een stad als Vigo, die zo’n symbolische betekenis heeft voor de visserij overal ter wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Miguélez Ramos (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik hoop dat op de lange lijst amendementen die de commissaris genoemd heeft ook het amendement voorkomt waarin wordt voorgesteld om de zetel van het Bureau in Vigo te vestigen, want ik ben een van degenen die daarvoor gepleit heeft.

Commissaris, het lijkt me heel duidelijk dat de Commissie visserij zich enorm voor dit verslag heeft ingezet, zowel via de inbreng van de rapporteur, mevrouw Attwooll, die zich grote moeite heeft getroost en een in mijn ogen lovenswaardige prestatie heeft geleverd vanuit een mijns inziens absoluut Europese invalshoek, als via de inspanningen van degenen die zoals ik met de allerbeste bedoelingen hebben geprobeerd om vanuit twee gezichtspunten amendementen in te dienen op haar verslag.

Aan de ene kant heeft onze commissie snelheid betracht om ervoor te zorgen dat het Bureau zo snel mogelijk kan worden opgericht en van start kan gaan, terwijl we aan de andere kant hebben geprobeerd om het Commissie-voorstel te verbeteren. Het is immers een feit dat het oorspronkelijke voorstel, dat niet van deze Europese Commissie maar wel van een eerdere Europese Commissie was, in onze ogen van meet af aan te bescheiden is geweest, en met het oog daarop hebben wij amendementen ingediend.

Dit Bureau is inderdaad het eerste bureau dat we hebben opgericht waarvan de taken uitsluitend op het terrein van de visserij liggen. Wat dit punt betreft hebben we gekeken naar de ontwikkelingen bij andere bureaus die misschien ook met een bescheiden missie gestart zijn maar die in korte tijd een steeds breder takenpakket hebben gekregen. Ik denk hierbij bij voorbeeld aan het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid.

U mag niet vergeten, commissaris, dat het Bureau bij uitbreiding van zijn taken zou winnen aan populariteit bij de visserijsector. Het voorstel tot oprichting van dit Bureau is immers voortgekomen uit de discussie over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid als methode om te komen tot een betere coördinatie tussen de lidstaten in een aantal bijzonder concrete aspecten van de inspectie en controle. Maar tegelijkertijd proberen we die bevoegdheden uit te breiden om te bewerkstelligen dat de lidstaten en de Commissie technische en wetenschappelijke steun krijgen zodat zij de regelingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid op de juiste wijze ten uitvoer leggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Stevenson (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Borg heeft inmiddels naar ik aanneem gemerkt dat het een twijfelachtig genoegen is om op aan het eind van een dinsdagavond een lege vergaderzaal van het Parlement te mogen toespreken over het onderwerp visserij, maar hij heeft tenminste nog het voorrecht langer dan twee minuten te mogen spreken. Ik was ook bepaald aangenaam verrast commissaris Borg te horen zeggen dat hij meer dan de helft van de door de commissie ingediende amendementen kon aanvaarden. Dat was waarschijnlijk meer dan enige andere commissaris voor visserij in de afgelopen tien jaar heeft kunnen zeggen.

Mijn partij, de Britse Conservatieve Partij, heeft zich in haar partijprogramma altijd duidelijk uitgesproken voor terugtrekking van Groot-Brittannië uit het GVB en voor het teruggeven van het visserijbeheer aan de nationale en lokale autoriteiten. Niettemin erken ik dat, ook in een situatie dat Groot-Brittannië geen deel meer zou uitmaken van het GVB, er nog steeds veel Britse vissersschepen buiten de 200-mijlszone van het Verenigd Koninkrijk en in de wateren van de EU en de internationale wateren zouden vissen. Dat zo zijnde, en ervan uitgaande dat dit voorstel een fait accompli is, is het belangrijk dat wij ons achter een werkbaar voorstel voor de oprichting van een Europees Bureau voor visserijcontrole scharen. Ik wil mevrouw Attwooll feliciteren met het vele werk dat zij voor dit verslag heeft verzet.

Het is ontegenzeggelijk waar dat de verschillen in de wijze waarop de visserijcontrole door de verschillende lidstaten wordt aangepakt, in het verleden tot veel irritatie hebben geleid. Ik heb vissers in Schotland vaak horen zeggen dat de vissers in Spanje veel te slap worden aangepakt. Als je dan naar Spanje gaat, zeggen de vissers daar dat de vissers in Schotland veel te slap worden aangepakt. Het is duidelijk dat er op dit gebied een voor iedereen gelijke uitgangspositie moet komen.

Ook moeten de regels op een evenwichtige wijze worden toegepast. De voorstellen van de Commissie zijn erop gericht dat doel te bereiken. Ik ben echter van mening dat wij niet moeten proberen de pil te vergulden door de plannen van de Commissie te verfraaien door middel van amendementen waardoor het nieuwe Bureau nog meer bevoegdheden krijgt. In dat verband maak ik mij grote zorgen over het feit dat de Commissie de raadpleging van de regionale adviesraden heeft afgewezen. Deze adviesraden vormen een buitengewoon belangrijke pijler van de hervormingen van het GVB, waardoor stakeholders zoals vissers, wetenschappers en andere belanghebbenden in de sector op een zinvolle wijze bij dit beleid kunnen worden betrokken. Ik hoop dat de Commissie zich hierover nog eens zal beraden.

 
  
MPphoto
 
 

  Casaca (PSE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik sluit mij aan bij degenen die onze collega mevrouw Attwooll al gefeliciteerd hebben met haar uitstekende werk. Zoals de heer Kindermann al zei, bestaan er hier tussen ons enkele meningsverschillen maar het werk is zonder twijfel van hoog niveau en wij dienen dat hier ook zo te zeggen.

Om te beginnen zou ik willen opmerken dat er tegenwoordig elektronische middelen bestaan om op efficiënte wijze de hele communautaire vloot te controleren en tevens snel toegang te verlenen tot data die wetenschappelijk gezien uiterst belangrijk zijn voor de handhaving van de duurzame visserij. Juist daarom vind ik het volstrekt onbegrijpelijk dat wij aan de ene kant een exclusieve bevoegdheid hebben - die onze Visserijcommissie terecht abnormaal en ongerechtvaardigd heeft genoemd - en aan de andere kant bij de controle op afstand over geen enkele concrete bevoegdheid beschikken terwijl dat daar het meest noodzakelijk en efficiënt zou zijn.

In verband hiermee wil ik de volgende punten aan de orde stellen. Op de eerste plaats valt het voorstel natuurlijk toe te juichen, zoals verscheidene collega’s al gedaan hebben. Daarbij denk ik aan de praktische aspecten, zodat het instrument een operationeel instrument wordt en niet slechts een papierfabriek en een bureaucratische draaischijf die niets tot stand brengt en niets oplost. Ten tweede vind ik het erg belangrijk dat dit Bureau niet gaat betekenen dat het Europees beleid wordt uitgeleverd aan machtspolitiek en gevestigde belangen, want dan zijn het meestal de kleinste regio’s die aan het kortste eind trekken en met hen de hele duurzame visserij.

 
  
MPphoto
 
 

  Varela Suanzes-Carpegna (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, het was de Europese Raad van december 2003 die op voorstel van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten het initiatief heeft genomen om een Europees Bureau voor de visserij op te richten. Dat is een goed idee gebleken.

De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan, dat duidelijk voor verbetering vatbaar was. Onze Visserijcommissie heeft een ontwerpverslag opgesteld dat eveneens voor verbetering vatbaar was. Het ontwerpverslag dat nu voor ons ligt, is dan ook een stuk beter dan de oorspronkelijke documenten.

Wezenlijke verbeteringen zijn dat de sector met volledige inspraakrechten in het voorstel is opgenomen, dat de bevoegdheden zijn uitgebreid met de IUU-visserij, en dat de opleidingstaken van het Bureau in het voorstel zijn opgenomen.

Ik betreur het hoe dan ook dat de bevoegdheden van het Bureau beperkt zijn gebleven tot het onderzoeken en ontwikkelen van technische oplossingen in verband met de controle en de inspectie, en dat de Sociaal-democratische Fractie niet akkoord is gegaan met onze amendementen om het Bureau concrete bevoegdheden te geven op het gebied van het wetenschappelijk visserijonderzoek. Dergelijke bevoegdheden zouden het Bureau in staat stellen om de verslagen te verbeteren op grond waarvan de Commissie haar wetgevingsvoorstellen opstelt inzake technische maatregelen, het behoud van de natuurlijke rijkdommen, de TAC’s en quota. Op die manier zouden het Bureau en zijn deskundigen dus actiever bij het gemeenschappelijk visserijbeleid worden betrokken, waardoor dit beleid aan geloofwaardigheid zou winnen in de ogen van de visserijsector.

Het Bureau is versterkt uit de vergadering van de Visserijcommissie gekomen en ik hoop dat dit morgen ook het geval zal zijn in de plenaire vergadering, ofschoon die versterking nog niet is wat ik had gewild. Ik vertrouw erop dat de Raad de situatie zal weten recht te trekken.

 
  
MPphoto
 
 

  Stihler (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben ervan overtuigd dat wij het er allemaal wel over eens zijn dat de oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole in beginsel een goede zaak is. Wij hebben veel gehoord over het grote belang van eerlijke concurrentieverhoudingen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De oprichting van het Bureau in Vigo kan een bijdrage leveren aan de instelling van meer uniforme, doeltreffender controle- en inspectieprocedures, en dus aan betere naleving. Het zou voorts kunnen leiden tot een daling van de totale kosten die worden gemaakt voor controle- en inspectiemaatregelen.

Een haalbaarheidsstudie die is gepubliceerd nadat de verordening was opgesteld, suggereert echter dat de genoemde potentiële resultaten alleen zullen worden gerealiseerd als aan bepaalde organisatorische en operationele criteria wordt voldaan. Om die reden heeft de rapporteur, mevrouw Attwooll, een aantal amendementen voorgesteld als toelichting op de tekst. Veel leden van de Commissie visserij waren van mening dat door de amendementen van de rapporteur de rol van het Bureau werd afzwakt. Ik was het daar niet mee eens en ik heb het ontwerpverslag in de commissie dan ook gesteund. Naar mijn oordeel betekende dit ontwerpverslag een verheldering van de rol en de verantwoordelijkheid van de lidstaten, de Commissie en het Bureau, en een versterking van de betrokkenheid van de regio’s.

Veel hangt af van de gezamenlijke inzetplannen, waarbij de lidstaten hun controle- en inspectiemiddelen bundelen. Het amendement dat de rapporteur nu opnieuw heeft ingediend, had tot doel duidelijk te maken dat het Bureau vooral een stimulerende rol moet gaan spelen.

Ik heb steeds gepleit voor een zinvolle rol voor de regionale adviesraden bij het visserijbeheer. Ik ben dan ook van mening dat de RAR’s ook bij de opstelling van de gezamenlijke inzetplannen moeten worden betrokken. Dat zou de naleving zeker ten goede komen.

Alle informatie over de werkzaamheden van het Bureau moet ruim bekend worden gemaakt en het Europees Parlement, de lidstaten, het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur en de regionale adviesraden moeten een jaarlijkse rapportage ontvangen. Ik heb op een aantal punten met collega’s van de PSE-Fractie van mening verschild over de precieze rol van het Bureau, maar ik ben het helemaal met hen eens als zij de oprichting ervan toejuichen en uitzien naar een doeltreffender naleving op het terrein van de visserij.

 
  
MPphoto
 
 

  Borg, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zal proberen in mijn slotwoord kort in te gaan op alle opmerkingen die zijn gemaakt.

In antwoord op de rapporteur, mevrouw Attwooll, herhaal ik nog eens dat het van groot belang is dat de illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserijactiviteiten in het werkprogramma worden opgenomen. De Commissie is het echter niet met haar eens als zij zegt dat deze taak prioriteit moet krijgen. Prioriteiten kunnen immers veranderen, en als we die nu vastleggen, zou dat een nadere prioritering door het Bureau zelf onnodig belemmeren.

Wat betreft de opmerkingen over de bevoegdheid van het Bureau om een opleidingscentrum op te zetten: ook op dit punt is de Commissie van mening dat deze taak niet centraal door het Bureau moet worden uitgevoerd. Naar het oordeel van de Commissie is flexibiliteit op dit punt gewenst en dient de situatie te blijven zoals die is. De Commissie beschouwt de voorgestelde wijzigingen in de formulering – ik doel hierbij op de amendementen 36, 38, 39, 40 en 41, bijvoorbeeld van “voorbereiden” in “opstellen”, de toevoeging “via zijn uitvoerend directeur” of de eis van “goedkeuring van de desbetreffende lidstaten” en de wijziging van “instructies” in “operationele begeleiding” – als een afzwakking van de tekst, ondanks de goede bedoelingen van mevrouw Attwooll. Zo zou aanvaarding van amendement 39 bijvoorbeeld leiden tot een intergouvernementeel proces.

Ik wil nu ingaan op de opmerkingen van de heer Maat. De periode van vijf jaar is nodig omdat de Commissie meent dat drie jaar te kort is om de noodzakelijke evaluatie uit te voeren. Wat het gebrek aan vertrouwen tussen de vertegenwoordigers van de visserijsector en de Commissie betreft, wil ik hier opmerken dat het Bureau visserijcontrole een eerste stap is. Met betrekking tot de samenstelling van de raad van bestuur en de taken daarvan – we hebben het hier over controle, niet slechts over bestuur – merk ik op dat de visserijsector hierbij direct belanghebbende is en dat hij, indien hij stemrecht zou krijgen, om zo te zeggen rechter in eigen zaak zou worden.

Met betrekking tot de opmerking van de heer Kindermann, die, als ik hem goed heb begrepen, zei dat de bevoegdheden van het Bureau helder moeten blijven en dat derhalve de RAR’s er geen deel van moeten uitmaken, kan ik zeggen dat de Commissie het met dit standpunt eens is.

De heer Booth en de heer Allister pleitten voor afschaffing van het huidige GVB en de ontwikkeling van een nieuw beleid door de vissers zelf, met andere woorden dus voor nationalisering van het visserijbeleid. Daarop is mijn reactie dat dit een veel bredere discussie betreft, die derhalve buiten het kader van dit voorstel valt. De heer Allister maakte weer dezelfde opmerkingen als de heer Booth.

Wat betreft de opmerkingen van mevrouw Fraga Estévez en mevrouw Miguélez Ramos dat de amendementen de algemene strekking van het voorstel versterken, merk ik op dat een deel ervan dat inderdaad doet, en, zoals ik al zei, hebben wij dan ook meer dan de helft van de amendementen overgenomen. De andere doen dat naar het oordeel van de Commissie echter niet, aangezien zij in het algemeen min of meer buiten het kader van het voorstel en van het Bureau vallen, of anderszins de noodzakelijke balans van de controlemechanismen verstoren.

Wat betreft de punten met betrekking tot de sector verwijs ik nogmaals naar hetgeen ik zojuist heb gezegd naar aanleiding van de opmerkingen van de heer Maat.

Tegen de heer Stevenson, die bereid is een werkbaar voorstel te steunen, zou ik willen zeggen dat dat precies is wat de Commissie met het onderhavige voorstel, met de door haar overgenomen amendementen, heeft bereikt. De Commissie verwerpt het idee van verplichte raadpleging van de RAR’s, aangezien de RAR’s, althans tot nu toe, een adviserende en geen besturende taak hebben.

Wat betreft het punt van de heer Casaca dat dit werkelijk een controlebureau moet worden en niet de zoveelste bureaucratische instelling: de Commissie is het daarmee eens, en het voorstel beoogt het Bureau een doeltreffende rol te geven.

De heer Varela Suanzes-Carpegna merkte op dat een lijst van bevoegdheden niet voldoende is. Dit staat genoteerd. Op dit moment kan ik alleen zeggen dat bijvoorbeeld het feit dat een specifieke technologische ontwikkeling die voor controledoeleinden kan worden gebruikt, niet is genoemd, niet betekent dat dat niet mogelijk zou zijn.

Wat betreft de opmerking van mevrouw Stihler over het al dan niet afzwakken van de rol van het Bureau, kan ik slechts verwijzen naar mijn antwoord aan mevrouw Attwooll. Wat de regionale adviesraden betreft, wil ik opmerken dat ik vrijwillige raadpleging van de RAR’s niet wil uitsluiten, en datzelfde geldt voor de opstelling van nieuwe inzetplannen. Ik ben er echter niet voor om de raadpleging van de RAR’s verplicht voor te schrijven, althans niet op dit moment

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag om 11.30 uur plaats.