Index 
Debatten
PDF 1815k
Woensdag 13 april 2005 - Straatsburg Uitgave PB
1. Opening van de vergadering
 2. Bijeenkomst van de Europese Raad (Brussel, 22/23 maart 2005)
 3. Stemmingen
 4. Rooster plenaire vergaderingen van het Europees Parlement - 2006
 5. Financiële gevolgen van de toetreding van Roemenië en Bulgarije
 6. Aanvraag van het lidmaatschap van de Europese Unie door Bulgarije
 7. Verzoek van Bulgarije om toetreding tot de Europese Unie
 8. Verzoek van Roemenië inzake toetreding tot de Europese Unie
 9. Verzoek van Roemenië om toetreding tot de Europese Unie
 10. Voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer
 11. Harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer
 12. Ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten
 13. Zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen
 14. Op de markt brengen en het gebruik van tolueen en trichloorbenzeen
 15. Jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie (2006)
 16. Bijeenkomst van de Europese Raad (Brussel, 22/23 maart 2005)
 17. Stemverklaringen
 18. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 19. Stand van de regionale integratie in de Balkan
 20. Buitenlands beleid / Veiligheid
 21. Vragenuur (Raad)
 22. Ontslagen bij Alstom
 23. Fiscale dumping en milieudumping
 24. Discriminatie van werknemers en bedrijven uit de nieuwe lidstaten op de interne markt
 25. Herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing van motorvoertuigen
 26. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 27. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: DE HEER BORRELL FONTELLES
Voorzitter

 
1. Opening van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 9.05 uur geopend.)

 

2. Bijeenkomst van de Europese Raad (Brussel, 22/23 maart 2005)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het debat over het verslag van de Europese Raad en de verklaring van de Commissie: Bijeenkomst van de Europese Raad (Brussel, 22/23 maart 2005).

Als eerste zal de fungerend voorzitter van de Raad, de heer Juncker, het woord voeren namens de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Juncker, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, op 12 januari heb ik u in deze zaal het programma van het Luxemburgse voorzitterschap voor de komende zes maanden gepresenteerd.

Overeenkomstig de heersende traditie zal ik kort met u de uitkomsten van de recente Europese Raad bespreken. Ik doe dat kort want gezien de enorme toevloed van Parlementsleden dreigt het debat niet erg te worden verrijkt. Daarom zal ik het debat niet aanwakkeren. Ik wil u alleen maar zeggen dat we het eens zijn geworden over de hervorming van het Stabiliteits- en groeipact na felle, gespierde en mannelijke discussies waarbij overigens ook de vrouwen van zich lieten horen. Uiteindelijk hebben we een evenwichtig resultaat bereikt. Immers, stabiliteit wordt op de juiste waarde geschat en de aanwezige en noodzakelijke groeimogelijkheden in Europa worden niet beperkt. Daartoe hebben we de grondbeginselen van het Pact niet aangepast, maar de opzet ervan verder uitgewerkt. Voortaan is het Stabiliteits- en groeipact gedifferentieerd van toepassing op alle fasen van de economische cyclus.

Ik wil hier benadrukken dat deze hervorming de vrucht is van een uitstekende samenwerking tussen de Commissie en de Raad, of nauwkeuriger gezegd, tussen het college van commissarissen en het voorzitterschap van de Raad, tussen de commissaris voor monetaire zaken en de voorzitter van de Raad van ministers van Financiën. Het was voor mij een waar genoegen met de Commissie te mogen samenwerken.

Over de hervorming van het Pact is reeds alles gezegd en veel beweringen rieken naar leugens. Zij die zeggen dat elk tekort nu is toegestaan en dat de boodschap luidt dat Europa zich naar believen in de schulden kan steken, vergissen zich zeer. Noch de grondregels van het EG-Verdrag noch die van het Pact zijn gewijzigd. De criteria van 3 procent en 60 procent blijven de hoeksteen vormen van een systeem dat nog steeds gebaseerd is op duidelijke voorschriften en heldere rechtsregels.

Ik wil het volgende nog eens duidelijk stellen: zodra wij constateren dat de grens van 3 procent wordt overschreden, stelt de Commissie een rapport op en wordt de desbetreffende lidstaat onder toezicht geplaatst. Net als voorheen betekent het overschrijden van deze referentiewaarde niet automatisch dat de inbreukprocedure in gang wordt gezet. Sommigen doen alsof dat iets nieuws is. Zij zijn onvoldoende op de hoogte van de inhoud van het Verdrag van Maastricht, dat deze regel in 1992 invoerde. De bevoegdheden van de Commissie zijn niet verminderd maar juist versterkt door de hervorming van het Pact. We hoeven ons dan ook niet aangesproken te voelen; we moeten ervoor zorgen dat de nieuwe regels logisch worden toegepast. In de komende maanden en bij de besluitvorming zullen wij ons uiterste best doen om aan te tonen dat het Pact niet dood, maar nog steeds van toepassing is en dat ook zal blijven.

Het tweede punt op de agenda van de Europese Raad van Brussel was de tussentijdse herziening van de strategie van Lissabon. U herinnert zich nog wel dat tijdens ons debat van 12 januari er grote zorg bestond over het feit dat de Raad bezig was het fundamentele evenwicht van de Lissabon-strategie te verstoren. Nadat de Commissie haar mededeling over de strategie van Lissabon (op 2 februari) en haar mededeling over de sociale agenda had gepresenteerd, zijn Commissie en Raad er opnieuw samen in geslaagd het basisevenwicht van deze strategie te behouden. Weliswaar hebben wij de Lissabon-strategie nu herijkt met het zwaartepunt op groei en concurrentievermogen, maar we zijn de sociale en milieudimensie niet uit het oog verloren.

Net als verscheidene maanden geleden moet ik constateren dat de Europeanen nog steeds niet beseffen hoe belangrijk de strategie van Lissabon is. Dat komt omdat wij spreken over concurrentievermogen, productiviteit en groei, begrippen die de Europeanen niet persoonlijk raken. De Europeanen willen werk, zij willen een bedrijf kunnen starten en daarvoor de benodigde financiële middelen verkrijgen, zij willen op een open markt kunnen opereren en efficiënte communicatie- en vervoerssystemen tot hun beschikking hebben. Zij zouden graag werk en gezin beter combineren en de nieuwe technologieën en de ontwikkelingen van internet op de voet volgen. Zij wensen goed onderwijs voor hun kinderen; zij vragen om hoogwaardige diensten van algemeen belang en overheidsdiensten; zij willen een fatsoenlijk pensioen ontvangen en zich in een gezonde omgeving kunnen ontplooien. Dit zijn ook allemaal doelstellingen van de Lissabon-strategie. Om de scepsis weg te nemen en duidelijk te maken dat de regeringen en de Commissie zich voortaan pro-actiever zullen opstellen en de besluiten in verband met de strategie van Lissabon consequenter zullen toepassen, hebben wij drie speerpunten vastgesteld die gericht zijn op tien gebieden en honderd afzonderlijke maatregelen omvatten.

Bij de strategie van Lissabon zijn talrijke spelers betrokken: de Commissie, het Europees Parlement, de nationale parlementen, de nationale regeringen en lokale en regionale autoriteiten. Voor al deze instellingen en instanties moet het mogelijk zijn de strategie van Lissabon beter te benutten. Ik doel dan met name op de nationale regeringen. Zij moeten verantwoording afleggen voor hun nationale parlementen en voor de Europese publieke opinie en daarom moeten zij er alles aan doen om de verschillende onderdelen van de Lissabon-strategie optimaal tot hun recht te laten komen.

Nu ga ik iets zeggen over een richtlijn die de naam van een voormalige commissaris draagt. Op 12 januari heb ik u verteld dat het voorzitterschap ja zou zeggen tegen de openstelling van de dienstverleningsmarkten en nee tegen de sociale dumping en dat de bepalingen die tot sociale dumping zouden kunnen leiden, uit dit voorstel voor een richtlijn zouden worden geschrapt. De Europese Raad van maart heeft dat bevestigd; hij heeft de instanties die bij de wetgevingsprocedure betrokken zijn, namelijk verzocht belangrijke wijzigingen in het voorstel aan te brengen zodat aan alle eisen van het Europees sociaal model zou worden voldaan.

Op dit punt en ook op andere punten wil ik een krachtig tegengeluid laten horen. De indruk wordt namelijk gewekt, en er zijn zelfs verdachtmakingen gevoed door onwetendheid, dat de huidige Commissie streeft naar een neoliberaal Europa. Dat streven heb ik beslist niet opgemerkt toen ik met diverse collega's van de Commissie onder andere over de dienstenrichtlijn sprak. Dit voorstel voor een richtlijn is het geesteskind van de vorige Commissie. De nieuwe Commissie zal samen met de overige Europese instellingen de veranderingen aanbrengen die met het oog op het Europees sociaal model vereist zijn.

Mijnheer de Voorzitter, wij hebben geprobeerd een hardnekkig misverstand uit de weg ruimen dat de laatste jaren opgeld deed. Wij hebben met ons optreden namelijk willen aantonen dat er een verschil is tussen de strategie voor duurzame ontwikkeling en de strategie van Lissabon. Dat duurzame ontwikkeling de derde pijler van de strategie van Lissabon zou vormen, klopt niet, aangezien duurzame ontwikkeling een horizontaal begrip is dat alle andere beleidsvormen beïnvloedt en dus betrekking heeft op alle aspecten van deze strategie, zoals milieu, visserij, landbouw, overheidsfinanciën en sociale zekerheid. Duurzame ontwikkeling is derhalve wat men in het Engels een overarching principle noemt, dat geëerbiedigd moet worden bij de uitvoering van elk beleid dat de Europese Unie nastreeft. Het voorzitterschap zal in juni aan de Europese Raad ter goedkeuring een verklaring voorleggen over de richtsnoeren voor duurzame ontwikkeling en deze verklaring gaat als basis dienen voor de herijking van de strategie voor duurzame ontwikkeling die de Europese Raad van Göteborg in 2001 heeft aangenomen.

Op grond van een besluit van de ministers van Milieu hebben wij alle vormen van beleid bestudeerd die met het oog op de klimaatverandering nodig zijn. U hebt kunnen vaststellen dat de Europese Raad ingenomen is met de inwerkingtreding van het Protocol van Kyoto en in het bijzonder met de bekrachtiging van het Protocol door de Russische Federatie. Nu moet de Unie een strategie voor de middellange en lange termijn uitstippelen, die verenigbaar is met de doelstelling dat het jaargemiddelde van de temperatuur wereldwijd tot niet meer dan 2 °C boven de preïndustriële niveaus mag uitstijgen. Wat de vereiste emissiereducties betreft moeten er in de komende decennia wereldwijd gezamenlijke inspanningen worden geleverd. De Unie is van oordeel dat voor de groep van ontwikkelde landen voor 2020 reductiestreefcijfers van 15-30 procent ten opzichte van de referentie in het Protocol van Kyoto moeten worden overwogen, en voor de periode tot 2050 reducties van 60-80 procent volgens de strekking van de conclusies die de Raad van ministers van Milieu heeft aangenomen.

Op de Europese Raad van Brussel hebben wij eveneens een aantal onderwerpen besproken die verband houden met de buitenlandse betrekkingen. U kon uw blijdschap nauwelijks beheersen toen onze uitspraken over de hervorming van de Verenigde Naties u ter ore kwamen. Ook hebben wij het pijnlijke onderwerp Libanon aan de orde gesteld. Het is een land waar voortdurend nare dingen gebeuren en dat de solidariteit van de Europeanen verdient. Daarom hebben wij Syrië verzocht spoedig uitvoering te geven aan zijn toezegging om al zijn troepen en inlichtingendiensten uit Libanon terug te trekken.

Mijnheer de Voorzitter, ik zou vollediger willen zijn, maar dat zal aan het eind van het debat gebeuren, als er tenminste een debat nodig is.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Barroso, voorzitter van de Commissie. (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, geachte afgevaardigden, het doet mij plezier dat ik u hier vandaag mag inlichten over het standpunt van de Commissie ten aanzien van de conclusies van de Europese Voorjaarsraad. Ik leg u met genoegen uit hoe de Commissie gevolg denkt te geven aan de belangrijke beslissingen die tijdens deze bijeenkomst zijn gevallen.

Over het geheel genomen ervaar ik de conclusies van de Voorjaarsraad als bijzonder positief. Het gaat hier overigens om zeer belangrijke conclusies aangezien de bijeenkomst heeft plaatsgevonden op een cruciaal moment. De Unie moest bewijzen dat zij in staat is om de grote sociaal-economische uitdagingen aan te pakken waarmee Europa thans geconfronteerd wordt.

Ik ben van oordeel dat deze uitdaging een bevredigend antwoord heeft gekregen en dat de Europese Raad de nodige impuls heeft gegeven en de nodige politieke bakens heeft uitgezet. De inzet en de bekwaamheid die premier Juncker en het Luxemburgische voorzitterschap als zodanig in de verschillende fasen van dit proces hebben betoond, verdienen in dit verband een woord van lof. Met betrekking tot deze Europese Raad wil ik vooral ook uw aandacht vestigen op een idee dat mijns inziens van fundamenteel belang is, niet alleen op dit moment maar ook voor de toekomst van Europa, namelijk het streven naar convergentie tussen de voornaamste instellingen.

De eerste paragraaf van de conclusies laat inderdaad geen twijfel bestaan over de strategische doelstellingen van de Commissie voor de periode 2005-2009, die ik overigens zelf heb gepresenteerd: "De staatshoofden en regeringsleiders hebben nota genomen van de doelstellingen en hun voldoening uitgesproken over de grote eensgezindheid tussen Raad, Europees Parlement en Commissie omtrent de prioriteiten van de Unie, met name inzake het wetgevingswerk voor de komende jaren." Het is deze geest van samenwerking die ons in de gelegenheid zal stellen om de moeilijkheden te overwinnen waaraan de Unie in de toekomst het hoofd zal moeten bieden.

Aan de praktische kant wil ik met name onderstrepen dat zowel de beslissingen inzake het Stabiliteits- en groeipact als de nieuwe impuls voor de strategie van Lissabon de lidstaten zullen helpen bij hun inspanningen om het drieluik rond te krijgen tijdens de Europese Raad van juni en – zoals verwacht – een akkoord te bereiken over de toekomstige financiële vooruitzichten van de Unie.

(EN) Dan zou ik nu meer in detail willen ingaan op de drie voornaamste onderwerpen die, zoals u weet, tijdens de Voorjaarstop van de Europese Raad aan de orde zijn gekomen.

In de eerste plaats, het Stabiliteits- en groeipact. Zoals bekend kwam er in november 2004 een einde aan de consensus over het Pact. Thans is er een nieuwe consensus bereikt over een passend fiscaal kader. De Commissie heeft daaraan in zeer belangrijke mate bijgedragen. In haar verslag over overheidsfinanciën uit 2004 bracht de Commissie de debatten op gang en in september van datzelfde jaar nam zij een mededeling aan over versterking en verduidelijking van het Stabiliteits- en groeipact. Sindsdien heeft de Commissie een actieve bijdrage geleverd aan het debat over de hervorming van het Pact en heeft zij het voorzitterschap ondersteund in zijn inspanningen om overeenstemming te bereiken zonder afbreuk te doen aan de kern van ons begrotingskader.

Het akkoord van de Europese Raad vormde een uiterst positief resultaat, waarbij het Pact zijn geloofwaardigheid terugkreeg en de Commissie haar voorrechten behield. De beginselen van het Verdrag zijn in deze overeenkomst gehandhaafd. Het begrotingstekort van de lidstaten mag niet hoger zijn dan 3 procent van het BBP en de staatsschuld mag nog altijd niet groter zijn dan 60 procent. Om buitensporige tekorten te voorkomen, mogen eventuele overschrijdingen van deze grenzen slechts van tijdelijke aard zijn en uitsluitend in uitzonderlijke omstandigheden voorkomen.

Nieuw is dat de lidstaten verzocht wordt een grotere discipline te betrachten. Zij moeten zich in perioden van groei meer inspannen om tekorten weg te werken, terwijl daarentegen een zekere flexibiliteit is geïntroduceerd voor perioden van economische tegenspoed.

De Commissie is voornemens haar voorstellen voor het wijzigen van de relevante verordeningen vóór het eind van deze maand ter tafel te leggen, zodat de hervorming eind mei kan worden voltooid. Het is in ieders belang dat we de hervorming van het Pact snel afronden, zodat we meer transparantie en voorspelbaarheid kunnen bieden ten aanzien van overheidsfinanciën en begrotingsontwikkelingen.

Dit is een ambitieus tijdschema, maar het is zonder twijfel haalbaar wanneer alle betrokken partijen meewerken: de lidstaten, het Europees Parlement en de Europese Centrale Bank. Ik ben ervan overtuigd dat ik voor het bereiken van deze doelen op uw medewerking kan rekenen. De Commissie zal alles doen wat nodig is om dit gezamenlijke project tot een goed einde te brengen en zij is bereid hiertoe nauw met u samen te werken, zoals u in uw ontwerpresolutie vraagt. Wil het Pact effectief zijn, dan moet het kunnen rekenen op de breedst mogelijke politieke steun, en daarom is brede steun binnen het Parlement van het allerhoogste belang.

(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dankzij de zeer actieve rol van het voorzitterschap heeft de recente Europese Raad de politieke impulsen gegeven die nodig zijn om de ambities van Lissabon waar te maken. Wij hebben deze strategie opnieuw op de rails gezet en daarbij heldere doelen geformuleerd, namelijk groei en werkgelegenheid, en gerichte en doeltreffende acties en vereenvoudigde instrumenten gerealiseerd, uiteraard met inachtneming van de permanente doelstellingen van de Unie, met name duurzame ontwikkeling. De Commissie is bijzonder tevreden over dit resultaat, omdat haar voorstellen ten grondslag lagen aan de werkzaamheden en conclusies van de Europese Raad.

Persoonlijk ben ik blij dat de staatshoofden en regeringsleiders onze aanpak zo eendrachtig hebben goedgekeurd en bekrachtigd. Hieruit blijkt duidelijk dat de Commissie een voortrekkersrol kan spelen bij uitdagingen die, laten we dat maar toegeven, grotendeels op het nationale vlak liggen. Overigens wordt de Commissie daarbij gesteund door het Europees Parlement dat in dit kader een belangrijke resolutie heeft aangenomen.

In grote lijnen is onze boodschap goed overgekomen. Uit de gesprekken tussen de staatshoofden en regeringsleiders is gebleken dat de lidstaten zich de doelstellingen eigen hebben gemaakt. Naar aanleiding van de Europese Raad van november, toen het verslag-Kok werd besproken, hebben de lidstaten overigens besloten de strategie van Lissabon nieuw leven in te blazen. Nu moeten zij nationale coördinatoren aanwijzen en voor het eind van het jaar de hervormingsprogramma's voorbereiden waarin de maatregelen ten faveure van groei en werkgelegenheid worden beschreven.

De heroriëntatie van de strategie op groei en werkgelegenheid, in het kader van duurzame ontwikkeling, heeft brede steun ontvangen. Alle nationale en communautaire middelen voor de drie dimensies (de economische, sociale en ecologische), moeten worden ingezet om deze doelen te halen. De Europese Raad heeft waar nodig de doelstellingen van Lissabon en de relatie met de strategie voor duurzame ontwikkeling verhelderd. De nieuwe governance werd geaccepteerd als een verbetering die voor de lidstaten nodig was om de strategie van Lissabon te kunnen uitvoeren. Deze bestuursvorm speelde een belangrijke rol omdat daarmee de geloofwaardigheid van de nieuwe Lissabon-strategie kon worden getoetst en kon worden nagegaan of de lidstaten werkelijk bereid waren een versterkt governancesysteem te aanvaarden. Het antwoord luidde ja.

De belangrijkste onderdelen zijn de geïntegreerde richtsnoeren en nationale programma's die eind 2005 gepresenteerd moeten worden. Voor de Commissie is het nu van belang dit werk voort te zetten en de vervolgactiviteiten van de Europese Raad te bekrachtigen. Voor de komende maanden onderscheid ik vier belangrijke mijlpalen.

De eerste mijlpaal was de goedkeuring op 12 april van de geïntegreerde richtsnoeren die vice-voorzitter Verheugen en de commissarissen Almunia en Spidla hier gistermiddag hebben gepresenteerd. Dit is een belangrijke gebeurtenis waarmee de Commissie bevestigt dat groei en werkgelegenheid opnieuw centraal komen te staan. Tevens verschaft zij de lidstaten een samenhangend en uniek actiekader voor de opstelling van hun respectieve programma's. De Europese Raad van juni zal worden opgeroepen deze gebeurtenis politiek te bekrachtigen.

Onze benadering heeft werkelijk een meerwaarde en wel om drie redenen. Ten eerste kan de samenhang van de noodzakelijke acties en hervormingen op macro- en micro-economisch gebied en op het punt van de werkgelegenheid worden versterkt. Waar nodig verduidelijken wij het proces van economische governance en bewaren wij het vereiste evenwicht tussen operationele strategie en politieke zichtbaarheid. Vervolgens beginnen we met de voorbereiding van het eerste onderdeel van de nieuwe driejarige Lissabon-cyclus. Tenslotte verschaffen we het politieke en strategische kader waarbinnen de lidstaten hun nationale actieprogramma's dienen op te stellen.

De tweede mijlpaal wordt de presentatie van een communautair Lissabon-programma. De Europese Raad heeft de wens uitgesproken dat de Commissie als tegenhanger van de nationale programma's een communautair actieprogramma presenteert. In dit document, dat voor de zomer moet worden opgesteld, worden de acties vermeld die reeds zijn genoemd in het begeleidend document bij onze mededeling over de herziening van de strategie van Lissabon van 2 februari. Bovendien zal de Commissie dit communautaire programma snel uitvoeren en de talrijke initiatieven presenteren die wij hebben vastgesteld en die de Raad heeft bekrachtigd: de hervorming van de overheidssteun, het Europees Technologisch Instituut en het initiatief i2010.

De derde mijlpaal zal bestaan in een mededeling in de vorm van een methodologische gids voor de nationale verslagen. Langs deze weg zal de Commissie een beleidslijn formuleren voor het opstellen van nationale verslagen. De vierde mijlpaal, tenslotte, betreft de voorbereiding en analyse van de nationale programma's die wij voor het tweede halfjaar hebben gepland. We hebben dus gezien en kunnen nu vaststellen dat het echt niet slechts om een politieke verklaring gaat. De Europese Raad heeft werkelijk met een nieuwe eigen inbreng in de strategie van Lissabon willen komen en we zijn al bezig die in de praktijk te brengen.

In de marge van de discussie over de strategie van Lissabon heeft de Europese Raad opnieuw aangegeven hoe belangrijk een interne markt voor diensten voor de centrale doelstelling groei en werkgelegenheid is. Daarbij benadrukte hij dat het Europees sociaal model behouden moet blijven. De Europese Raad heeft verlangd dat er in het kader van de wetgeving betreffende de dienstenrichtlijn alles aan wordt gedaan om een ruime consensus te bereiken die recht doet aan alle voornoemde doelstellingen. Ik wil graag nogmaals onderstrepen, zoals ik op 2 februari ook al heb gedaan, dat deze consensus volgens de Commissie werkelijk tot de mogelijkheden behoort. Uiteraard is hierbij een belangrijke taak voor uw Parlement weggelegd.

Het derde grote vraagstuk van deze Europese Raad was duurzame ontwikkeling. Ik ben blij dat uit de conclusies van de Europese Raad nog eens blijkt hoe belangrijk de strategie voor duurzame ontwikkeling is. Tevens wordt duidelijk gemaakt dat de strategie van Lissabon bijdraagt aan de bredere doelstelling van duurzame ontwikkeling.

In dit kader is het eveneens belangrijk op te merken dat de Europese Raad heeft erkend hoe groot de uitdaging van de klimaatverandering is. De Raad heeft onder meer bevestigd dat het jaargemiddelde van de temperatuur wereldwijd niet meer dan 2° C hoger mag komen te liggen dan in het preïndustriële tijdperk. Overigens ben ik tevreden over de positieve ontvangst van de mededeling van de Commissie "Naar de zege in de strijd tegen de wereldwijde klimaatverandering" en over het verzoek aan de Commissie om haar kosten-batenanalyse van de strategieën ter vermindering van de CO2-uitstoot voort te zetten. Met behulp van deze analyse kan de Unie een strategie op middellange en lange termijn uitstippelen, waarmee we willen bereiken dat de uitstoot van de geïndustrialiseerde landen in 2020 met 15 tot 30 procent is afgenomen. De Commissie is van plan met haar activiteiten door te gaan via de tweede fase van het Europees programma voor klimaatverandering.

Tenslotte ben ik ingenomen met het feit dat de Europese Raad een krachtig signaal heeft afgegeven: de Unie is vastberaden de internationale onderhandelingen een nieuwe impuls te geven en bekijkt de mogelijkheden voor een regeling voor de periode na 2012. De Europese Raad wil graag dat in juni een verklaring over de richtsnoeren voor duurzame ontwikkeling wordt aangenomen en is voornemens in de tweede helft van dit jaar kritisch naar de herziening van de strategie voor duurzame ontwikkeling te kijken. Ook hier zal de Commissie passende voorstellen indienen om dit doel te bewerkstelligen.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, u zult het met ons eens zijn dat de uitkomsten van de Europese Raad van dit voorjaar een prima basis vormen om te werken aan een opleving van de Europese economie in de bredere context van duurzame ontwikkeling. Er moeten echter nog talrijke werkzaamheden worden voltooid om de beleidslijnen en besluiten van de Europese Raad te kunnen effectueren. Daarvoor is het nodig dat alle betrokken partijen in actie komen en ik kan u verzekeren dat de Commissie er helemaal klaar voor is: zij zal spoedig haar bijdrage leveren. Ik reken op uw deelname en actieve steun.

Ik eindig zoals ik ben begonnen, met het idee van convergentie tussen de instellingen en convergentie wat betreft de doelstellingen op lange termijn. Deze neiging tot convergentie was gisteren ook zichtbaar toen ik mij richtte tot de Tijdelijke Commissie beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013, en volgens mij moeten we deze gezindheid de komende tijd blijven tentoonspreiden. De Europese Raad heeft dit voorjaar een belangrijke stap voorwaarts gezet: herziening van de strategie van Lissabon en herziening van het Stabiliteits- en groeipact. Nu is het zaak ervoor te zorgen dat de financiële vooruitzichten een succes worden. Daartoe is de samenwerking tussen de Commissie en uw Parlement van wezenlijk belang, net als uiteraard het werk dat in nauwe samenwerking met de Europese Raad wordt verricht.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Poettering, namens de PPE-DE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese democraten is blij met de resultaten van de Voorjaarstop aangaande de Lissabon-strategie. Wij vinden dat daar een goede toon werd aangeslagen. Daarbij zijn de doelstellingen ambitieus, maar ook realistisch.

Wij zijn het eens met de Raad en de Commissie dat wij de concurrentiepositie van de Europese Unie moeten verbeteren, dat we meer groei moeten bereiken en dat wij door een verbeterde concurrentiepositie en een hogere groei ook meer werkgelegenheid moeten creëren. Daarbij is het de gemeenschappelijke taak van de Commissie, de Raad en het Parlement om ook onze Europese wetgeving in een vorm te gieten die beantwoordt aan deze doelstelling. Dit geldt met name voor de hele wetgeving rond REACH, oftewel de chemicaliënwetgeving. Er ligt hier een enorme taak voor zowel het Parlement als de Raad. Ik verzoek de Commissie om hieraan ook haar bijdrage te leveren.

In het kader van de Lissabon-strategie juichen wij het ten zeerste toe dat er nu niet alleen een goede samenwerking is tussen de Commissie, de Raad en het Parlement, maar in het bijzonder ook met de nationale parlementen. Ik vond het een zeer goed initiatief van de Voorzitter van het Europees Parlement om voor te stellen dat wij hier over de Lissabon-strategie overleg zouden plegen met onze nationale collega’s. Dat is niet alleen goed voor het onderwerp zelf, maar ook voor de samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen en het verdient tevens navolging op andere politieke terreinen.

Wat betreft de stabiliteit van de Europese munt, had de meerderheid van onze fractie liever een handhaving van de huidige regels gezien. Wij willen benadrukken dat het vertrouwen in de stabiliteit van de Europese munt de basis vormt voor het onderlinge vertrouwen van de Europeanen en voor het vertrouwen in het Europese eenwordingsproces.

We moeten echter wel erkennen – en ik richt me nu in het bijzonder tot de voorzitter van de Europese Raad met zijn ervaring (ik geloof dat hij er als enige van ons bij was in Maastricht en het document heeft ondertekend) –, dat er niet getornd gaat worden aan de criteria van 3 en 60 procent. De interpretatie dat we tot 4 procent of misschien zelfs daarboven kunnen gaan, klopt dan ook absoluut niet. Er is uitdrukkelijk besloten dat als het financieringstekort boven de 3 procent uitkomt, het dan wel dicht bij de 3 procent moet liggen, en dat dit geen vrijbrief of excuus is om onbeperkt schulden te maken.

Namens mijn fractie verzoek ik de Commissie om haar rol als hoedster van de wet en de stabiliteit vastberaden te blijven uitoefenen.

Wat betreft de kwestie Kroatië vindt mijn fractie dat het land niet eerlijk wordt behandeld. Wij zijn echter blij dat met name de voorzitter van de Europese Raad zich ervoor inzet dat uiteindelijk niet alleen het Internationaal Strafhof in Den Haag beslist respectievelijk de voorlopige beslissing neemt of de onderhandelingen mogen beginnen, maar dat er een commissie zal worden ingesteld die de situatie in Kroatië beoordeelt. Het lijkt mij verstandig dat we snel met de werkzaamheden beginnen, zodat ook de onderhandelingen met Kroatië kunnen worden geopend.

Ik ben het uitdrukkelijk eens met wat er gezegd is over Kyoto. Wij staan aan de kant van iedereen die er echt werk van maakt om de uitstoot van schadelijke stoffen te verminderen. In onze gezamenlijke ontwerpresolutie – de compromisresolutie van het Parlement – geven wij in paragraaf 35 ook onze mening over het embargo op de handel in wapens met China. Wij zeggen de staatshoofden en regeringsleiders dat het Europees Parlement - en ik denk dat wij het hierover eens zullen blijven-, of anders in ieder geval dat mijn fractie niet zal instemmen met een opheffing van het embargo vanwege de mensenrechten en om andere redenen.

(Applaus)

De belangrijkste prioriteit in de komende weken is de goedkeuring van de Europese Grondwet. Wij verzoeken alle betrokkenen om zich ervoor in te spannen dat we een meerderheid krijgen bij de referendums in Frankrijk en Nederland, zodat we ook een goede basis hebben voor alle andere referendums. De Europese Grondwet is immers onze belangrijkste prioriteit en we hebben hem nodig voor de toekomst van Europa.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Schulz, namens de PSE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, geacht verlaten Parlement, ik heb met spanning geluisterd naar de heer Poettering. De sociaal-democratische fractie in het Europees Parlement wilde erg graag horen hoe hij ermee omgaat dat een aantal christen-democratische regeringsleiders een andere mening heeft dan de overgrote meerderheid van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten in dit Parlement. In relatief elegante bewoordingen heeft hij geprobeerd te maskeren dat er een breuk loopt door de conservatieve partijenfamilie, tussen het blok in de Parlementsfractie enerzijds, die immers niet homogeen, maar zeer heterogeen is, en de regeringsleiders anderzijds.

Waar draait het allemaal om? De heer Poettering begon zijn toespraak met Lissabon en met de uitspraak bijzonder blij te zijn met de Lissabon-strategie. Hierover zijn we het helemaal met elkaar eens. Het klopt dat er op deze Top signalen zijn afgegeven over Lissabon en de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van Lissabon. Daarover hebben de voorzitter van de Commissie en de fungerend voorzitter van de Raad ons correct geïnformeerd. Dit is ook waar wij op hoopten, dit is het positieve dat we over deze Top kunnen melden en het geeft ons moed. Hierover zijn we het helemaal met elkaar eens.

De Top en het resultaat ervan worden pas echt duidelijk, mijnheer Poettering, in de combinatie van enerzijds de hervorming van het Stabiliteitspact - en de noodzaak van flexibilisering, die daardoor ook voor de nationale regeringen ontstaat - en anderzijds de gedefinieerde doelstellingen van het Lissabon-proces. Degenen die in de doelstellingen van Lissabon willen en moeten investeren, moeten ook als staten in deze doelstellingen kunnen investeren.

Het mooie aan het resultaat van deze Top is de combinatie van de instrumenten die nu in dit Pact staan om de noodzakelijke flexibilisering teweeg te brengen en de doelstellingen van het Lissabon-proces. De PSE-Fractie kan daarom volledig instemmen met de resultaten en dat blijkt ook uit onze resolutie die we vandaag met grote steun zullen aannemen. Ik ga er tenminste van uit dat ook de sceptici in de PPE-DE-Fractie het eens zullen zijn met de formuleringen over het Stabiliteits- en groeipact, die vrijwel identiek zijn met wat we voor deze Top hebben geëist. Dat hopen we en we zijn er bijzonder blij om.

Mijnheer Poettering, ik heb ook goed geluisterd hoe u, wat ik goed kan begrijpen, ervoor pleitte dat de onderhandelingen met Kroatië snel worden geopend. We zullen vanmiddag zien hoe betrouwbaar de uitspraken van de PPE-DE-Fractie zijn als het erom gaat spijkers met koppen te slaan bij de toetredingsonderhandelingen. Wanneer evenwel de Kroaten die hun hoop hebben gezet op de betrouwbaarheid van uw uitspraken, vanmiddag wellicht op dezelfde manier worden behandeld als Bulgarije en Roemenië, moeten we in Zagreb van tevoren zeggen dat ze beter nog eens met de heer Poettering kunnen praten.

(Applaus)

De PSE-Fractie is heel blij dat de conclusies van de Raad vooral hoop geven op een ander terrein. Wat betreft de rol van Europa in de wereld hebben de sociaal-democraten de afgelopen jaren – in hun eisen – de nadruk gelegd op duurzame ontwikkeling en op de klimaatverandering. De besluiten die nu zijn genomen – de voorzitter van de Commissie is hier nog eens op teruggekomen – zijn richtinggevend. We moeten de burgers zeggen, en ik refereer hierbij aan uw terechte opmerkingen over het referendum in Frankrijk, dat geen land ter wereld, ook geen hooggeïndustrialiseerd Europees land, in zijn eentje de uitdagingen van de 21e eeuw aankan. Europa kan dat alleen als Gemeenschap: in de economische, monetaire en sociale gemeenschap en in de gemeenschap die Europa als kracht, als gemeenschap voor de duurzame ontwikkeling en de vermindering van milieugevaren kan ontwikkelen. Dit zijn globale uitdagingen waartegen Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, België of Portugal niet alleen zijn opgewassen. Het is de taak van Europa als continent en van de Europese Unie als politieke organisatievorm van dit continent, om deze risico’s te bestrijden. We mogen deze boodschap van de Voorjaarstop niet onderschatten. Ook hiervoor zijn de sociaal-democraten in dit Parlement dankbaar. Wij kunnen dan ook met een goed geweten instemmen met onze ontwerpresolutie, waarvoor wij tevens een brede steun verwachten van de PPE-DE-Fractie en de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa fractie.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Watson, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het lijkt er vaak op dat de kleinere lidstaten Europa moeten redden van de problemen die de grotere lidstaten hebben gecreëerd. Mijnheer Juncker, ik vrees dat u opnieuw het slachtoffer bent van hoge verwachtingen. De Europese Unie ziet zichzelf op dit moment voor grote uitdagingen gesteld, die niet alleen haar vermogen om tegemoet te komen aan de hoopvolle verwachtingen en de behoeften van haar burgers op de proef zal stellen, maar ook haar vermogen om überhaupt haar samenhang te bewaren.

De uitdaging die de Europese Raad bezighield, was de vraag hoe we ons economisch groeipotentieel weer nieuw leven konden inblazen. Sinds de strategie van Lissabon in 2000 gelanceerd is, heeft onze economie gestagneerd; het lijkt bijna alsof een “millenniumbug” van continentale afmetingen onze concurrentiekracht heeft aangetast en onze vastbeslotenheid om moeilijke beslissingen te nemen heeft verzwakt.

Volgens de aankondigingen zou de Top een nieuwe impuls geven aan de Lissabon-agenda voor de tien jaar vanaf 2000, maar de liberalen en democraten hadden de indruk dat de leiders van Europa zich al slaapwandelend een weg zochten. De hoogdravende taal van de conclusies van de Raad wordt niet geschraagd door de waardigheid van een gedisciplineerde denkwijze. Qua retoriek scoorde de tekst hoog, maar als het op daadwerkelijke maatregelen aankwam, stelde hij weinig voor. Oproepen aan ondernemingen om nieuwe concurrentiefactoren te ontwikkelen, aan consumenten om gebruik te maken van nieuwe goederen en diensten en aan werknemers om nieuwe vaardigheden te verwerven, werden tegenstrijdig genoeg gecombineerd met een verzoek aan de Commissie om een centraal stuk wetgeving inzake de interne markt, dat groei in de dienstensector mogelijk maakt, te herschrijven. De ontwerp-dienstenrichtlijn kan inderdaad worden verbeterd, maar dat zal op een serieuze manier gedaan worden door het Parlement en de betreffende sectorale raad, en niet door staatshoofden die op het publiek spelen en toegeven aan nationalistische sentimenten.

In de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad wordt gesproken over financiële vooruitzichten in het kader waarvan de Unie moet worden toegerust met de passende middelen om haar beleid, en het beleid dat bijdraagt tot de verwezenlijking van de Lissabon-prioriteiten in het bijzonder, te doen slagen. De lidstaten roepen echter nog steeds op tot een restrictief begrotingsbeleid en leggen in één adem de buitenlandse bestedingen voor de komende zeven jaar vast.

De liberalen en democraten in dit Parlement delen de tevredenheid van de heer Barroso over de Voorjaarstop niet. Mijnheer Juncker, wij zijn maar matig enthousiast over de “mission impossible” van uw voorzitterschap. Met uw legendarische vermogen tot het smeden van compromissen heeft u weliswaar weten te redden wat er nog van het Stabiliteits- en groeipact restte, maar de vage bewoordingen en de ontheffingsclausules ervan doen rechtzinnige economen huiveren. En het gebruik dat de heer Berlusconi maakt van de nieuw verworven flexibiliteit om vlak voor de algemene verkiezingen belastingvoordelen aan te bieden, laat wel zien met hoeveel minachting onverantwoordelijke leiders hun partners in de eurozone zullen behandelen.

Wat is er gebeurd met het Europees leiderschap? Waar is het gevoel gebleven dat men een gezamenlijk doel nastreeft? Is het gek dat Franse en Britse burgers weinig enthousiasme tonen voor een nieuw verdrag wanneer twee van onze leiders die al langer aan het roer staan hopeloos hebben gefaald hun landgenoten uit te leggen waar de Unie voor staat en dat het goed is dat zij er is? Het vacuüm in het leiderschap op nationaal en Europees niveau dreigt niet alleen het Grondwettelijk Verdrag, maar het hele project te doen ontsporen. Als de Grondwet niet wordt geratificeerd, zal dat zonder meer te wijten zijn aan die leiders die de Europese eenheid op de langere termijn opofferen voor nationale populariteit op de korte termijn.

Mijnheer de fungerend voorzitter, ik kan niet anders dan constateren dat uw Europese Volkspartij onze Unie in de steek laat. U heeft verzuimd gebruik te maken van uw meerderheid in de Raad om in eigen huis een samenhangende economische strategie te ontwikkelen. U bent niet in staat een zodanig commando te voeren over uw troepen hier, dat onze beloften aan Bulgarije en Roemenië gestand wordt gedaan, om nog maar te zwijgen over de houding van uw partijgenoten ten aanzien van Kroatië waarvan we zojuist getuige zijn geweest. Het is vernederend jegens het buitenland wanneer onze Unie haar scrupules terzijde schuift als dat haar zo uitkomt om zich maar te verzekeren van de status van begunstigde handelspartner van totalitaire regimes als Rusland en China; als we de ogen sluiten voor een zo groot lijden als in Soedan plaatsvindt; als we de overtrokken reactie van de Verenigde Staten, die onze burgers gevangen houden zonder een aanklacht tegen hen in te dienen en die onze luchtvaartmaatschappijen de toegang tot het Amerikaanse luchtruim ontzeggen, slechts met zwijgen beantwoorden. In deze omstandigheden bewijst de Europese Unie haar burgers een slechte dienst. Het moet beter. Europa heeft daar recht op.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Frassoni, namens de Verts/ALE-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, voor één keer bevatten de conclusies van een Europese Raad ook voor de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie goed nieuws. Dat gebeurt niet vaak, misschien heeft voorzitter Barroso daarom gezegd dat De Groenen buiten het systeem staan of een antisysteem zijn. Dat geloof ik niet en ik hoop de maanden en jaren die ons scheiden van het einde van deze zittingsperiode te gebruiken om hem van het tegendeel te overtuigen.

Ik zeg dit ook omdat het ons niet bepaald genoegen doet dat de Commissie is achtergebleven op juist de vier punten van deze Top die we betrekkelijk positief waarderen, omdat zij een ander standpunt had ingenomen. Deze punten zijn: de hervorming van het Stabiliteitspact, nauwkeurige kwantitatieve doelstellingen voor het Protocol van Kyoto (die de Commissie helaas heeft besloten niet te noemen), herstel van het evenwicht van de Lissabon-strategie in termen van duurzaamheid vanuit milieu- en sociaal oogpunt – zij het nog vaag en onnauwkeurig – en een soort hervonden besef van de realiteit op het vlak van de richtlijn-Bolkestein, ondanks dat het veel moeite kost om toe te geven, ook in dit Parlement, dat we eerst een richtlijn over de diensten van algemeen belang moeten opstellen voordat de richtlijn-Bolkestein kan worden goedgekeurd.

Zelfs wij zijn van mening dat de hervorming van het Stabiliteitspact positief is en dat in het hervormde Pact beter rekening kan worden gehouden met de algemene economische situatie en de specifieke nationale situaties. Tegenover deze positieve aspecten staat helaas dat de regels voor de kwaliteit van de uitgaven nog te vaag zijn. Bijvoorbeeld de keuze om tot 700 miljoen euro per jaar te investeren in de bouw van een experimentele internationale thermonucleaire reactor, terwijl zelfs de grootste optimisten voorspellen dat die niet voor 2050 in gebruik kan worden genomen – als dat ooit gebeurt – wijst erop dat enerzijds niet wordt beseft hoe dringend het Protocol van Kyoto ten uitvoer moet worden gelegd, of wat de mogelijkheden van hernieuwbare energie zijn, en anderzijds dat er niet wordt geïnvesteerd in de sector. Dat lijkt ons een ernstige fout.

Daarnaast moeten we helaas vaststellen dat tijdens de Europese Raad absoluut geen rekening is gehouden met het feit dat voor een gezond macro-economische klimaat een belastinghervorming nodig is waarmee de belastingdruk wordt verschoven van arbeid naar milieubederf, zodat regulier werk aantrekkelijker wordt. Dat stelde Jacques Delors al in 1992 en sindsdien hebben we geen enkele vooruitgang geboekt.

Voorzitter Barroso, commissaris Verheugen, ik denk dat we lering moeten trekken uit de treurige gelijkenis van de Italiaanse economie en regering, die aan de macht is gekomen met de belofte van een nieuw economisch wonder dankzij belastingverlichting en het schrappen van milieuvoorschriften – en nu staat Italië onderaan de Europese ranglijst van groei en concurrentiekracht. Voorzitter Barroso, wij achten het noodzakelijk dat de Europese Unie gezien en gehoord wordt, ook om te zorgen dat het referendum over de Grondwet in Frankrijk goed afloopt en om de burgers ervan te overtuigen dat er werkelijk een Europese toegevoegde waarde is, zodat het initiatief van de Commissie in het kader van de Lissabon-strategie resulteert in nieuwe wetgeving. We nemen er geen genoegen mee dat de Commissie zich tevreden stelt met een coördinerende rol. Dat is niet genoeg, want het betekent – voor de Franse kiezers maar niet alleen voor hen – dat de richtlijn-Bolkestein, de octrooieerbaarheid van software en het laissez-faire op economisch en sociaal gebied de enige boodschap uit Europa is.

Dat is niet de manier! Wij geloven dat we het in een andere richting moeten zoeken en we nodigen het voorzitterschap en voorzitter Barroso uit om meer aandacht te besteden aan wat wij, maar ook de Commissie, “de revolutie van de eco-efficiëntie” hebben genoemd. Op dit moment groeit deze sector, ondernemingen van dit type, met vijf procent per jaar. Wij geloven dat we veel meer in deze sector moeten investeren, veel meer op deze sector moeten inzetten. Tot slot ben ik het eens met de heer Watson, op één punt na: mijn fractie en ik geloven niet dat haasten, aandringen en vechten met de rug tegen de muur zal helpen om de Bulgaren, Roemen en Europeanen ervan te overtuigen dat de toetreding van Bulgarije en Roemenië een haalbare kaart is.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo, namens de GUE/NGL-Fractie. (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, de groeiprognoses van de Commissie zijn onlangs naar beneden bijgesteld, hetgeen wijst op een verdere afname van de economische groei, die overigens in 2004 al te wensen overliet. Dit betekent dat het restrictieve budgettair en monetair beleid op zowel Europees niveau als in de lidstaten de interne vraag, de overheidsinvesteringen en het economisch herstel aan banden heeft gelegd.

Dit heeft negatieve gevolgen gehad: de toename van enerzijds de werkloosheid, de armoede en de sociale uitsluiting en anderzijds de sociale en territoriale ongelijkheden confronteert ons met 20 miljoen werklozen en bijna 70 miljoen mensen die in armoede leven, ondanks het feit dat de bedrijfsresultaten van de grote ondernemingen van de Europese Unie in 2004 met 78 procent gestegen zijn en de winst in de eurozone – uitgedrukt als een percentage van het BBP – thans het historisch maximum van ruim 25 jaar nadert.

Wie kan in deze omstandigheden akkoord gaan met het huidige voorstel om een zogenaamde nieuwe impuls te geven aan de strategie van Lissabon? Het voorstel staat in het teken van de concurrentiekracht en het creëren van een voor de bedrijven aantrekkelijker arbeidspotentieel, waarbij voornamelijk wordt gestreefd naar een verdieping van het liberaliseringsbeleid, met name in de dienstensector en een toename van de flexibiliteit van de markten. Dat gaat gepaard met een beperking van de rechten van de werknemers en een stijging van het aantal sectoren met slecht betaalde banen, om nog maar te zwijgen van het voornemen om de voorstellen voor richtlijnen inzake organisatie van de arbeidstijd en het creëren van een interne markt voor diensten te handhaven. Wij kunnen onmogelijk akkoord gaan met deze gang van zaken.

Hoe kan iemand aanvaarden dat in de conclusies van de Raad slechts terloops gewag wordt gemaakt van sociale uitsluiting en alleen maar wordt gerefereerd aan kinderen die in armoede leven, zonder dat er een multidisciplinair en geïntegreerd programma ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in het vooruitzicht wordt gesteld? Hoe kan iemand accepteren dat men, ondanks de aangekondigde herziening van het Stabiliteitspact, blijft aandringen op de naleving van restrictieve doelstellingen, want ofschoon enige flexibiliteit wordt betracht, ligt de nadruk nog steeds op de ontmanteling van het voor iedereen toegankelijke publieke stelsel van sociale zekerheid, terwijl wij allen weten dat de overheidsinvesteringen en de instandhouding van de publieke socialezekerheidsstelsels een essentiële rol spelen in de strijd tegen de armoede en de sociale uitsluiting?

Daarom dringen wij aan op intrekking van de voorstellen voor richtlijnen inzake arbeidstijd en het creëren van een markt voor diensten en op afschaffing van het Stabiliteits- en groeipact, dat vervangen moet worden door een groei- en werkgelegenheidspact. Als wij de doelstellingen van de Raad van Lissabon willen verwezenlijken, moeten wij immers tegen 2010 voorzien in 22 miljoen nieuwe banen van hoge kwaliteit en met een hoog niveau van rechtszekerheid en moeten wij de armoede en de sociale uitsluiting tot de helft terugbrengen, zoals overeengekomen in de strategie van Lissabon van 2000.

Wij zijn van oordeel dat de strijd tegen ongelijkheden op gebied van inkomen en het bevorderen van gelijke rechten en kansen en van reële convergentie hoog op de economische en sociale agenda van de Europese Unie moeten worden geplaatst.

 
  
MPphoto
 
 

  Clark, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, na alle uitspraken die de heer Juncker een maand geleden in dit Parlement en elders gedaan heeft en die erop neerkwamen dat het Stabiliteits- en groeipact dood was of zich op z’n best moest blijven voortslepen in de vorm die het had, krijgen we nu van de Europese Raad te horen dat het Pact uit de dood herrezen is. De geest van Lazarus slaat voorwaar weer toe. Maar het Pact leeft niet, de interpretatie ervan is verruimd. Binnen een jaar zullen we dit waardeloze Pact weer ruimer moeten interpreteren of het helemaal afschaffen, zoals ik de vorige keer voorstelde.

De bijeenkomst was evenwel opmerkelijk in die zin dat een bepaald onderwerp niet aan de orde kwam: de Britse contributiekorting. De heer Chirac maakte daar na de bijeenkomst tenminste nog een opmerking over; hij zei tegen journalisten dat deze korting niet langer te rechtvaardigen was, dat zij achterhaald was. De heer Barroso sloot zich bij deze verklaringen aan.

Misschien wilt u een rechtvaardiging geven voor het feit dat het Verenigd Koninkrijk zonder die korting een veertien maal zo grote contributie zou betalen aan de EU als Frankrijk, en dat het zelfs met de korting nog tweeëneenhalf maal zoveel betaalt als Frankrijk. De heer Barroso zei tevens dat op het moment dat de korting werd afgesproken 70 procent van de uitgaven van de Commissie aan de landbouwsector werd besteed, terwijl nieuwe voorstellen dit percentage zouden terugbrengen tot eenderde. In werkelijkheid wordt voorgesteld dat driekwart van de uitgaven in de toekomst naar de landbouw in arme regio’s gaat. Daar liggen de prioriteiten van de Commissie. Maar daar heeft het Verenigd Koninkrijk niets aan, korting of niet. Onze minister van Buitenlandse Zaken zei dat het Commissievoorstel een verhoging van de begroting met 35 procent zou kunnen betekenen, maar dat we ten aanzien van onze contributiekorting een vetorecht behouden.

Op 5 mei worden er in het VK verkiezingen gehouden. Ik zou u aanraden de dag daarna niet te proberen een plaatsje te bemachtigen op de vlucht van Londen naar Brussel. U zou vast komen te zitten tussen partijfunctionarissen en ministers van diverse pluimage die zich hierheen spoeden in de hoop een compromis te bereiken. Dat zal een mijlpaal zijn op de weg naar de uittreding van het Verenigd Koninkrijk. Slechter is beter, want vanuit monetair oogpunt zal de EU op dat moment veertien keer zo slecht zijn voor het VK als voor Frankrijk. God weet dat uit de huidige opiniepeilingen blijkt dat de EU, de wanhopige pogingen van de heer Chirac ten spijt, in Frankrijk iedere dag steeds minder populair wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Muscardini, namens de UEN-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het moet gezegd dat de regeringen eindelijk hebben begrepen dat het Stabiliteitspact niet bedoeld is om de economische groei af te remmen of zelfs te blokkeren.

In de resultaten van de Europese Raad van Brussel is benadrukt dat Europa de regels van het Stabiliteitspact, die de economie door de te rechtlijnige en schematische interpretatie ervan verlammen en uiteindelijk de groei van veel lidstaten hebben ingedamd, moet versoepelen.

Met de verslechtering van de mondiale economie en de veranderde internationale situatie moest Europa tenslotte zijn onvermogen overwinnen om de toekomst met de nodige flexibiliteit tegemoet te treden.

Een concurrerend Europa op het internationale toneel is niet meer denkbaar wanneer het Europese groeicijfer de helft is van het Amerikaanse; het is niet meer geloofwaardig dat stabiliteit – op zich positief - kan garanderen dat de rigide elementen, waardoor de groei in het laatste decennium tot staan is gekomen, worden overwonnen.

We zijn verheugd dat de Europese Raad een brede consensus heeft bereikt over de hervorming van het Pact en we benadrukken de bereikte overeenkomst over structurele hervormingen bij het aanpassingsbeleid dat de lidstaten moeten vaststellen om de parameters van het Pact aan te houden in geval van een te groot tekort.

De toegezegde investeringen in het pensioensysteem, de sector onderzoek en innovatie, opleiding en de grote structurele en infrastructurele werken zijn in begrotingsopzicht niet altijd verenigbaar met de grenzen van de parameters.

Het staat buiten kijf dat het Pact op een evenredige manier moet worden toegepast in alle landen die het hebben ondertekend, maar het is net zo waar dat de economie van de Europese Unie van de 25, die wordt gekenmerkt door een aanmerkelijke heterogeniteit en diversiteit, een beter uitgewerkt en flexibeler gemeenschappelijk kader nodig heeft dat een beter inzicht in de verschillen biedt, zonder dat de doelstellingen in de referentieparameters uit het oog worden verloren.

Ik zou de heer Watson – die ik aandachtig heb aangehoord - er graag op willen wijzen dat er geen economische strategie is omdat er geen politieke strategie is en omdat we, geconfronteerd met het nieuwe verschiet van deze eeuw, blijven teruggrijpen op economische en financiële regels uit de vorige eeuw.

(Spreekster wordt door de Voorzitter verzocht af te ronden)

Mijnheer de Voorzitter, andere collega’s hebben hun spreektijd nog verder overschreden; de regels moeten gelden voor iedereen of voor niemand.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – De regels zijn hetzelfde voor iedereen, mevrouw Muscardini.

 
  
MPphoto
 
 

  Czarnecki, Ryszard (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Raad heeft de strategie van Lissabon opnieuw als prioriteit aangemerkt. Dit is een echte hobby van de Raad geworden. Deze strategie doet mij denken aan een verhaal van de Russische schrijver Nikolaj Gogol die schreef: "het oude is nog niet gestorven, het nieuwe is nog niet geboren, maar beide vormen een bedreiging voor de levenden". De oude strategie is ter ziele, de nieuwe zit nog in de luiers, maar beide bedreigen de Europeanen met ongedekte cheques, tegenstrijdige prioriteiten en holle frasen. De voorzitter van de Raad heeft vandaag gezegd dat de Europeanen niet de moeite nemen om de strategie te lezen en de strategie niet op waarde schatten, maar dat is niet hún fout. Veel voorstellen van de Raad wekken dan ook een “ja, maar”-reactie, waarbij dit “maar” bij nadere bestudering nog aan kracht wint. Zo is er het kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling. Dit programma moet overal in de oude en nieuwe lidstaten van de Europese Unie de deur wijd openzetten voor het onderzoek. Het mag echter geen achterdeurtje worden voor de renationalisering van de bijdragen van de rijkste lidstaten van de Gemeenschap. In de meest recente stukken van de Raad wordt het beginsel van de mededinging beleden; zo staat het op papier, maar in werkelijkheid ziet men af van een dienstenrichtlijn die heuse en sterkere mededinging moest bewerkstelligen. Wil de Raad van twee walletjes eten? Dat is goed nieuws voor Azië, want in dat geval valt Europa weg als concurrent. Actie is geboden, in plaats van de angst binnen de Unie aan te wakkeren. Kleine Poolse, Hongaarse, Tsjechische, Slowaakse en Litouwse ondernemingen moeten op dezelfde manier worden behandeld als ondernemingen uit de oude lidstaten. U weet heel goed dat dit thans niet het geval is. De Raad heeft gesproken over de hervorming van het steunbeleid. Ik ben bang dat dit neerkomt op minder geld voor de nieuwe lidstaten. De Raad heeft deze vrees niet weggenomen. De Raad heeft gesproken over de hervorming van het stelsel van regionale steun. Ik ben bang dat dit ronduit neerkomt op de bestendiging van de verdeling in het arme nieuwe en het rijke oude Europa, dat het beginsel van de solidariteit, het fundament van de Europese Gemeenschappen, het liefste over boord zou zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, ik heb slechts twee minuten en daarom wil ik alleen iets over het Stabiliteits- en groeipact zeggen: het is goed nieuws dat de Raad politieke overeenstemming heeft bereikt op basis waarvan bepaalde aspecten van dit Pact kunnen worden gewijzigd. Het Luxemburgse voorzitterschap mag trots zijn op dit succes dat beslist niet vanzelfsprekend is.

Dat er nu een akkoord over de hervorming van het Stabiliteitspact is, leidt tot een nogal paradoxale situatie: enerzijds zijn er zeer verstandige vernieuwingen in opgenomen, vooral wat betreft de preventieve instrumenten, anderzijds is het enthousiasme over de nieuwe versie van het Pact niet bijster groot. Om de aarzelingen weg te nemen, moeten we eerst doen wat de hoogste prioriteit heeft: het vertrouwen herstellen en het Pact, dat te lang slecht is uitgevoerd, zijn geloofwaardigheid teruggeven.

De tekst bevat nog steeds te veel onduidelijke passages en daarom bestaat de kans dat de discussies over de interpretatie weer oplaaien en dat elke regering de voorschriften uitlegt zoals het haar uitkomt. Er zijn nog te veel twijfels over de toezegging van de lidstaten om zich te houden aan een reeks beginselen die zij zichzelf hebben opgelegd. Mijnheer de Voorzitter, in eerste instantie is het de taak van de Commissie om duidelijkheid te verschaffen. Zij moet de fundamentele wijzigingen doorvoeren waartoe de Raad in de verordeningen van 1997 heeft besloten. Deze verordeningen vormen het geraamte van het Pact.

Onder zulke omstandigheden is het werk aan deze voorstellen van bijzonder belang omdat bepaalde details nauwkeuriger moeten worden omschreven. Ik zal me beperken tot twee voorbeelden. Tot welke concrete toezeggingen zullen de preventieve instrumenten van het Pact leiden, die in zekere zin het wisselgeld vormen voor de versoepeling op andere gebieden? Dat de procedure bij buitensporige tekorten moet worden gekenmerkt door eenvoud, transparantie en billijkheid, is nog eens bevestigd. Hoe kan in de teksten deze eis worden verzoend met de steeds ingewikkelder wordende mechanismen?

Als het gaat om vertrouwen en geloofwaardigheid moeten de lidstaten uiteraard verantwoording afleggen en consequent beleid eisen. Zelfs de meest welwillende waarnemer zal het niet ontgaan zijn dat de debatten over de hervorming van het Stabiliteitspact meestal meer weg hadden van pleidooien voor een rechtbank dan van discussies met een zweempje van objectiviteit. Deze afkeurenswaardige houding heeft een verwoestend psychologisch effect gehad: niet alleen is het beginsel van gelijke behandeling van de lidstaten ernstig geschonden, maar ook schudt onze rechtsgemeenschap op haar grondvesten.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER ΤRAKATELLIS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Goebbels (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Voorjaarstop was een succes. Wij moeten het voorzitterschap feliciteren met het adequate compromis dat over het Stabiliteitspact is bereikt en met het feit dat de strategie van Lissabon een nieuwe impuls heeft gekregen.

Onze Unie bevindt zich in een bizarre situatie. Wij zijn wereldwijd de grootste exporteur en de belangrijkste markt voor de rest van de wereld. Onze Unie is een oase van vrede en een aantrekkelijke politieke entiteit waar steeds meer landen zich bij willen aansluiten. Tegelijkertijd praktiseren we een vorm van masochisme: we koesteren ons in het aangekondigde verval van Huis Europa.

Deze pessimistische visie wordt echter door alle feiten tegengesproken. Van buitenaf gezien vormt ons Europa een schoolvoorbeeld van een samenleving waar het goed toeven is. De levensstandaard is er hoog en vrijwel nergens anders zijn er zulke hoogstaande sociale en milieunormen. Europa schept arbeidsplaatsen: 6,5 miljoen in de afgelopen vier jaar. Niettemin is de werkloosheid in sommige van onze grootste landen nog steeds te hoog.

Het is waar dat de groei hier minder groot is dan in China. Een economie die bijna een kwart van het mondiaal product vertegenwoordigt, groeit nu eenmaal minder snel dan een nieuwe economie die een eeuw van stagnatie heeft gekend. Met een groeicijfer van slechts 2 procent neemt de Europese economie jaarlijks in omvang toe met het economische gewicht van Taiwan.

De gangbare opvatting luidt dat Europa qua concurrentievermogen en productiviteit achterloopt bij de Verenigde Staten. Na zorgvuldige analyse blijkt dat de productiviteit van de Amerikanen vooral toeneemt dankzij bepaalde dienstensectoren die net als de groothandel, de detailhandel, de onroerendgoedsector en financiële intermediairs absoluut niet rechtstreeks met hun tegenhangers in Europa concurreren.

Europa heeft wel een achterstand opgelopen in de sectoren halfgeleiders en kantoormachines. Verrassend genoeg hebben onze bedrijven weer een voorsprong als het gaat om communicatie en informaticadiensten. In 37 van de 56 economische sectoren levert Europa betere prestaties dan de VS. Het is waar dat Europa op het gebied van onderzoek achterloopt, wat vooral te wijten is aan de private sector: 80 procent van de 1,2 miljoen Amerikaanse onderzoekers werkt voor de particuliere sector, terwijl dat in Europa slechts voor 48 procent van de 1 miljoen onderzoekers geldt.

In al deze gevallen kan en moet de herijkte strategie van Lissabon het antwoord bieden. Om meer succes te boeken, heeft de Unie een gunstig macro-economisch kader nodig. Het hernieuwde Stabiliteits- en groeipact maakt een beleid mogelijk waarbij de overheidsuitgaven worden afgestemd op de economische cycli en bevordert de kwaliteit van investeringen. Op deze wijze ondersteunt het Pact de groei in Europa.

Stabiliteit is beslist een publiek belang. De Unie en vooral de eurozone zijn echter nog nooit zo stabiel geweest als nu. Er is geen inflatie meer, we hebben een sterke munt en de rente heeft een historisch lage stand bereikt. Wat ons ontbreekt, zijn groei en binnenlandse vraag, met name in enkele van de grootste landen. Groot-Brittannië, Zweden en Denemarken kennen een sterkere groei dan de eurozone, hoewel ze te maken hebben met hogere rentetarieven. Dat moet de Europese Centrale Bank aan het denken zetten.

Al is hij een vooraanstaand lid van de Europese Volkspartij, de socialisten staan achter de fungerend voorzitter van de Raad wanneer hij de Europese Centrale Bank erop wijst dat deze als enige verantwoordelijk is voor het monetaire beleid, maar dat het Europese economische beleid een zaak van de nationale regeringen is. Ook hier is een "scheiding van kerk en staat" nodig.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Klinz (ALDE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, ik wil het Luxemburgs voorzitterschap feliciteren met het feit dat het de werkzaamheden rond de hervorming van het Stabiliteits- en groeipact de afgelopen maand heeft kunnen afsluiten. Het Pact bevat in zijn nieuwe vorm een aantal positieve aspecten.

Het preventieve aspect van het Pact wordt versterkt, de lidstaten worden ertoe aangezet om in goede tijden een reserve op te bouwen voor slechte tijden. Daarbij wordt meer aandacht besteed aan de schuldenlast van de landen.

Er wordt nu meer rekening gehouden met de verschillende economische situaties van de afzonderlijke lidstaten. In zoverre is de kans groot dat er voortaan bij overtreding van de tekort- en schuldcriteria aan realistische probleemoplossingen wordt gewerkt. Met de hervorming van het Pact willen we bereiken dat het economisch beleid van de lidstaten onderling beter afgestemd kan worden en willen we tegelijkertijd de noodzaak van een duurzaam financieel beleid onderstrepen.

Ik vraag me evenwel af of deze positieve aspecten genoeg zijn voor een opleving van de eurozone. Ik vrees dat we het verloren vertrouwen van de burgers door deze hervormingen niet zullen terugwinnen. Daarvoor zitten er volgens mij te veel zwakke plekken in het hervormde Pact. In de toekomst moet de Europese Centrale Bank er in zijn eentje voor zorgen dat de euro stabiel blijft, omdat het Pact als tweede stabiliteitspijler in feite wegvalt.

Door de grotere interpretatiespeelruimte en de niet nader gepreciseerde bijzondere omstandigheden zullen veel lidstaten in de verleiding komen om nieuwe schulden te maken. Hierdoor zou de Europese Centrale Bank zich al snel gedwongen kunnen zien om de rente te verhogen, wat een bedreiging vormt voor de toch al zwakke groei in de eurozone.

De Commissie is denk ik niet sterker, maar zwakker uit het hervormingsproces tevoorschijn gekomen. Het is zeer de vraag of zij haar rol als hoedster van het Pact effectief zal kunnen spelen. Het lijkt nu onwaarschijnlijker dan ooit tevoren dat de sancties die in het Verdrag staan ook altijd zullen worden opgelegd bij overtredingen van het Verdrag. Ik hoop dat de eurozone er ondanks deze bezwaren toch geen schade van ondervindt.

Bij de aanpassing van de Verordeningen 1466 en 1467 kunnen en moeten onduidelijke formuleringen worden gepreciseerd. De Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa fractie verwacht dat het Europees Parlement actief betrokken wordt bij het herschrijven van deze verordeningen en bij de controle op de naleving van het Pact.

 
  
MPphoto
 
 

  Hudghton (Verts/ALE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, gisteren is in Schotland een opiniepeiling gepubliceerd die onder meer een vraag bevatte over de Ontwerpgrondwet van de EU. Schotten die voorstander zijn van ondertekening van de Grondwet: 35 procent; tegenstanders: 49 procent.

Vijf jaar geleden zouden we een veel positiever geluid gehoord hebben uit Schotland. Sterker nog, historisch gezien stond Schotland altijd veel gunstiger tegenover een nauwe betrokkenheid bij onze Europese partners dan bepaalde andere delen van het Verenigd Koninkrijk. Maar ondanks alles wat er sinds de val van de Commissie-Santer gezegd is over het herstellen van het contact met de burger, worden veel van onze beleidsmaatregelen en richtlijnen nog altijd ervaren als ongevoelig en ongeschikt voor het werkelijke leven in onze gemeenschappen, niet in de laatste plaats in Schotland – ik denk daarbij aan de rampzalige mislukking van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ik denk echter dat de dienstenrichtlijn het vertrouwen van de burger nog wel eens verder zou kunnen ondermijnen en ik vind niet dat de Raad en de Commissie deze richtlijn tot nu toe op een tactvolle wijze hebben aangepakt.

De dienstenrichtlijn wordt in brede kring beschouwd als een verdere ondergraving van essentiële openbare diensten. Er is al veel gezegd over de gevolgen die het beginsel van het land van oorsprong zou kunnen hebben, maar als we over realiteitszin beschikken, zien we dat er nog veel meer over te zeggen valt. Om een voorbeeld te geven: in het VK is het juridisch stelsel en het regelgevend kader van Schotland volkomen gescheiden van dat van Engeland en Wales, enzovoort. Ik zou graag zien dat er niet alleen meer erkenning kwam voor gevoeligheden op het niveau van de lidstaten, maar ook voor de verschillen binnen lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Adamou (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, de fungerend voorzitter van de Raad is weliswaar vertrokken en de voorzitter van de Commissie is druk in gesprek, maar ik zeg toch wat ik moet zeggen. Lissabon verwijst het sociaal beleid helaas naar het tweede plan. Met de veranderingen die zijn voorgesteld voor het Stabiliteitspact en de strategie van Lissabon, kan deze laatste nooit volksvriendelijk worden. Het is paradoxaal en absurd dat wij hier enerzijds spreken over de totstandbrenging van de meest productieve economie van de wereld maar anderzijds aandringen op lagere begrotingen en dus op minder samenhang. Alleen als radicale maatregelen wordt getroffen, maatregelen waarin ook andere niveaus aan bod komen, wordt de strategie van Lissabon misschien volksvriendelijk.

De Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links is het hier geheel mee oneens. Wij willen dat in Europa een echte verzorgingsstaat wordt verwezenlijkt, met als doel volledige werkgelegenheid. Er moet een strategie komen die tot doel heeft de levensstandaard te verhogen en deze niet op te offeren aan de noodzaak van meer mededingingsvermogen. De zogenaamde flexibele arbeidstijden moet worden afgeschaft, want daardoor wordt heel het maatschappelijk bestel ontwricht. Er moet een echte 35-urige werkweek komen zonder loonsvermindering. Dan zou bovendien werk ontstaan voor meer mensen. Wij zijn tegen een eenzijdige ontwikkelingsstrategie, een strategie waar enkel de grote ondernemers en de particuliere sector baat bij hebben. Wij zullen ervoor blijven ijveren dat degenen die het voor het zeggen hebben in de Europese Commissie en de Raad, eindelijk hun boekhoudermentaliteit opgeven en de mens in het middelpunt van hun denken plaatsen. Dat is echter alleen mogelijk als radicale veranderingen worden aangebracht in het Stabiliteitspact en de strategie van Lissabon.

 
  
MPphoto
 
 

  Blokland (IND/DEM). Voorzitter, de Europese Raad heeft verklaard dat de dienstenrichtlijn een socialer gezicht moet krijgen. Misbruik van werknemers uit lidstaten met minder strikte arbeidsvoorwaarden kan immers niet de bedoeling zijn, evenmin als oneerlijke concurrentie ten opzichte van dienstverleners in lidstaten met strikte arbeidsvoorwaarden. Gebrek aan naleving van het geldende arbeidsrecht zal tot onwenselijke situaties leiden en de zorg daarvoor heeft aanleiding gegeven tot ongerustheid bij burgers. De richtlijn houdt er rekening mee dat dienstverleners volgens de Europese regels gebonden zijn aan het lokaal geldende arbeidsrecht. Voorwaarde is dan wel een effectieve handhaving van dat arbeidsrecht, anders is er wel degelijk sprake van misbruik en oneerlijke concurrentie. Die handhaving was tot nu toe door het richtlijnvoorstel onvoldoende gewaarborgd. In het voorstel lag de handhavingstaak namelijk niet bij het land van bestemming maar bij het land van oorsprong en dat leidt tot een onwerkbare situatie. Je mag toch niet verlangen van bijvoorbeeld Poolse instanties dat ze gaan controleren of Poolse werknemers in Nederland hun werk doen overeenkomstig de Nederlandse arbeidsvoorwaarden. Wij hebben een andere benadering nodig om te komen tot een werkbaar stelsel van handhaving van de arbeidsvoorwaarden in alle lidstaten. Het land van oorsprong zal op zijn minst moeten melden dat zijn ingezetene actief zal worden in het land van bestemming. Informatie-uitwisseling is dus een eerste stap die de handhaving van het arbeidsrecht mogelijk moet maken. Ik neem aan dat de Commissie deze meldingsplicht in de richtlijn opneemt.

Terecht is er door acht milieuorganisaties op de gevolgen van deze richtlijn voor natuur, milieu en gezondheid gewezen. Blijkbaar is het integratiebegrip uit het EU-verdrag met als doel duurzame ontwikkeling, even vergeten.

Al met al heeft de Europese Raad niet duidelijk gemaakt welke richting hij nu op wil en hoe de richtlijn een socialer en ecologischer gezicht kan krijgen. Dat was toch de opzet van het proces van Lissabon. Feit blijft dat het Europees Parlement aan zet was in het wetgevingsproces en niet de Raad. Toch heeft de Europese Raad de dienstenrichtlijn geagendeerd vanwege specifieke belangen van individuele lidstaten. Dat brengt het institutionele raamwerk aan het wankelen. Blijkbaar is de Raad er op dit moment veel aan gelegen dit sociale gezicht meer profiel te geven, gezien de discussie rond de Europese Grondwet in Frankrijk, al zijn er meer ter zake doelende argumenten tegen deze Grondwet te noemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Krasts, namens de UEN-Fractie.(LV) Mijnheer de Voorzitter, als we de resultaten van de Europese Raad evalueren, kunnen we helaas niet anders dan tot de conclusie komen dat de bespreking van de dienstenrichtlijn alle aandacht heeft opgeëist. De uitkomst van het debat over de dienstenrichtlijn, een erfenis van de vorige Commissie, is een aanmerkelijke domper op het enthousiasme over de haalbaarheid van de doelen van de Lissabon-strategie, zoals die is herschreven door de zittende Commissie. De richtlijn was bedoeld om in sectoren die openstaan voor concurrentie deze concurrentie te vergroten, teneinde klanten te winnen. Daarnaast biedt deze richtlijn ondersteuning aan kleine en middelgrote ondernemingen waarvoor grensoverschrijdende werkzaamheden op dit moment onmogelijk zijn. De richtlijn werd, zoals deze aanvankelijk geformuleerd was, verworpen als een bedreiging voor het Europees sociaal model. Verrassend genoeg was de meeste kritiek gericht op de toepassing van het land van oorsprong-beginsel op de levering van diensten. Dit is het leidende beginsel in alle wetgeving inzake de interne markt en het Europees Hof van Justitie heeft hieraan in zijn besluiten voortdurend vastgehouden. Voorts raakt de Commissie een van de weinige instrumenten kwijt die haar ter beschikking staan en wel een instrument dat momenteel een van de belangrijkste hoekstenen is van de verstevigde Lissabon-strategie is. De hervorming van het Stabiliteits- en groeipact is vanuit economisch oogpunt begrijpelijk, maar kan alleen volledig gerechtvaardigd worden als de Europese Unie één staat zou zijn. Zoals men zegt, is het voor iemand die honger heeft moeilijk iemand die goed gegeten heeft te begrijpen. Op dezelfde manier is het Stabiliteits- en groeipact, dat is goedgekeurd in goede tijden, in moeilijke tijden juist hinderlijk. In de goede tijden hadden de beleidsmakers niet de wil om te sparen voor een appeltje voor de dorst en in de slechte tijden is de wens om structurele hervormingen door te voeren ver te zoeken, dus is het wijzigen van de voorwaarden van het Pact het enige alternatief. De hervorming van het Pact vermindert de fiscale discipline van de lidstaten en spoort hen niet aan deze discipline in goede tijden beter te betrachten. De problemen die zijn ontstaan door een zwakkere gemeenschappelijke munt en hogere schuldenlasten zullen echter door alle lidstaten gedeeld worden, met inbegrip van de lidstaten die zich zowel in goede als in slechte tijden wel goed hebben gedragen. De besluiten van de Europese Raad zullen in alle opzichten een domino-effect hebben. Ik hoop dan ook van harte dat de houding van de Raad ten opzichte van de Lissabon-strategie anders zal zijn dan zijn ontvangst van de dienstenrichtlijn, dat de positieve aspecten die zijn vervat in de Lissabon-strategie de gewenste impuls zullen geven en dat het gebrek aan fiscale discipline en structurele hervormingen het Europees sociaal model niet in gevaar zullen brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vanhecke (NI). Voorzitter, het is een onmiskenbaar feit dat de voorbije Europese Raad eigenlijk werd beheerst door een externe factor, met name door de volksraadplegingen over de Europese Grondwet die in verschillende Europese landen op de agenda staan. Het is in het kader van die volksraadplegingen dat we de beslissing moeten zien om de zogenaamde dienstenrichtlijn opnieuw te bekijken. Het is trouwens maar zeer de vraag of die richtlijn-Bolkestein ook werkelijk opnieuw zal worden bekeken of gewijzigd, wanneer de referenda achter de rug zijn. Het is immers een feit dat de Europese besluitvorming bijna systematisch gebeurt over de hoofden van de burgers heen en dat in het verleden meer dan eens zonder meer een loopje werd genomen met ouderwetse begrippen als waarheid en democratie.

Wat de richtlijn-Bolkestein betreft moeten we toch zeggen dat de onduidelijkheid troef is. Zelfs specialisten Europees recht verschillen fundamenteel van mening over de vraag hoe die zaak eigenlijk in de realiteit kan of zal worden ingevuld. Het is een feit dat de zeer ruime definitie van het begrip "dienst", gekoppeld aan het beginsel van het land van oorsprong, ertoe leidt dat de bevoegdheden van staten, en in sommige gevallen van deelstaten, fundamenteel worden aangetast. Het voorstel heeft bovendien onmiskenbaar gevolgen voor de bevoegdheden van de staten inzake sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs - allemaal bevoegdheidsterreinen waarop naar mijn bescheiden mening het subsidiariteitsbeginsel strikt zou moeten worden gerespecteerd. Volgens Bolkestein vallen de dienstverleners enkel onder de regelgeving van het land van oorsprong. Welnu, het is mij een raadsel hoe men met zo'n regelgeving concurrentievervalsing en zelfs sociale dumping kan vermijden en ik stel mij ook de vraag of de Europese consument met zoiets echt gediend is.

Sta mij ook toe bijzonder sceptisch te zijn over de honderdduizenden nieuwe arbeidsplaatsen die die richtlijn zogezegd in Europa zou scheppen. Ik ben nog altijd aan het wachten - en iedereen met mij - op de miljoenen arbeidsplaatsen die ons bij de invoering van de euro door dezelfde economen werden beloofd. Nogmaals, ik heb geen enkel vertrouwen in de belofte van de Raad tot voorzichtige amendering van de richtlijn-Bolkestein. Ik heb geen vertrouwen in de plotse bekering tot het "eigen-volk-eerst"-principe van zovele linkse politici die bang zijn voor de uitslag van de volksraadplegingen over de Europese Grondwet. Zoals met de zaak Turkije hangt de politiek van de Europese Unie dikwijls aaneen van bedrog en schaamteloze leugens en ik vrees dat we dat vandaag opnieuw meemaken met de richtlijn-Bolkestein.

 
  
MPphoto
 
 

  Grossetête (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de fungerend voorzitter van de Raad feliciteren omdat hij tijdens de Europese Raad van dit voorjaar de noodzakelijke consensus tussen alle lidstaten heeft weten te bereiken en dat in een voor Europa erg moeilijke tijd.

Het Stabiliteits- en groeipact vind ik belangrijk omdat daarmee de stabiliteit wordt gegarandeerd die voor de Europese eenheidsmunt vereist is. Europa heeft echter criteria nodig en geen dogma's en velen in het Parlement hebben om meer flexibiliteit gevraagd. Wat we echt nodig hebben, is economische governance. Dit Pact heeft eveneens betrekking op groei. Waarom moeten landen die meer dan andere in onderzoek, defensie of infrastructuren investeren, daarvoor gestraft worden? Dat is onzinnig en in totale tegenspraak met de strategie van Lissabon.

Daarentegen moet de ongebreidelde en ongerechtvaardigde toename van de begrotingstekorten en de schulden zwaar bestraft worden en het is aan de nationale parlementen hun controlerende taak volledig uit te voeren en de begrotingen van hun regering kritisch te onderzoeken. Met deze Europese regeringen moeten wij trouwens nadenken over de stijging van het aantal hoogbejaarden. Er zullen steeds meer honderdplussers komen. Daar zijn we blij om maar het betekent wel een verandering in onze sociale en economische stelsels.

Mijnheer de fungerend voorzitter, mijnheer Barroso, wij zullen zeer aandachtig volgen welke voorstellen u tijdens de Raad in juni gaat doen over de strategie voor duurzame ontwikkeling in relatie tot de nieuwe economische en sociale impulsen die uit het proces van Lissabon voortvloeien. De klimaatverandering vormt een andere uitdaging voor Europa. Tenslotte ben ik ingenomen met de toezegging dat vóór eind 2005 met de bouw van de internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER) in Cadarache zal worden begonnen.

Wij moeten de Europese burgers nieuw vertrouwen geven en elke vorm van sociale en fiscale dumping vermijden. Als Parlement zullen wij ons best daarvoor doen met betrekking tot de dienstenrichtlijn. Ik verbaas me er trouwens over dat de vorige spreker twijfelt aan de rol die het Parlement in dit opzicht kan spelen. Dames en heren, ik wil erop wijzen dat de wetgevende macht verdeeld is tussen het Europees Parlement en de Raad.

Waarin Europa wel tekortschiet, is enthousiasme en zelfvertrouwen. Het is de taak van ons allemaal onze medeburgers gerust te stellen en te overtuigen zodat zij de Grondwet kunnen omarmen, die onmisbaar is voor het Europa van 25 landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Swoboda (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, zelden werd een document van de Raad – ook in dit Parlement – zo positief ontvangen en dat komt ook tot uitdrukking in onze resolutie. Ik zie inderdaad een zekere overeenstemming tussen de conclusies van de Raad, de conclusies van de Commissie en de standpunten van de meerderheid in dit Parlement. Het gaat om een sociaal Europa in de globale concurrentie. Dit moeten we onderstrepen, omdat veel burgers de afgelopen jaren de indruk hadden dat het weliswaar gaat om meer concurrentievermogen, maar niet om een sociaal Europa, met andere woorden dat het sociale Europa op deze manier verloren gaat. Een van de sprekers zei vandaag dat het ligt aan de politieke leiding in veel landen dat de Grondwet zo negatief of kritisch wordt beoordeeld. Ik denk echter dat het er ook aan zou kunnen liggen dat veel burgers zich niet konden identificeren met dit Europa, omdat ze vonden dat het sociale aspect verwaarloosd of helemaal verdwenen was.

Wat deze Raad – en daarmee wil ik het Luxemburgs voorzitterschap hartelijk feliciteren – heeft bereikt met de hervorming van het Stabiliteitspact is niet dat de deuren zijn opengezet voor meer schulden, maar dat er rekening wordt gehouden met de individuele situatie van sommige landen en er meer flexibiliteit is. Wat er - weliswaar globaal - is gezegd over de dienstenmarkt betreft de opening van een gemeenschappelijke markt, maar geen sociale dumping zoals de heer Juncker de vorige keer al heeft gezegd. Dit is ook de lijn die wij volgen. Ik ben blij – ook met de uitspraken van mevrouw Grossetête, en ik hoop dat die nog gelden na het referendum in Frankrijk – dat we hier op één lijn zitten als het erom gaat een opening te bereiken voor Europa waarbij rekening wordt gehouden met het sociale model.

Wat hier misschien te weinig aandacht heeft gekregen, is het Jeugdpact. Het is van groot belang dat wij een signaal afgeven aan onze jeugd dat hun Europa een Europa van werkgelegenheid en een sociaal Europa moet zijn. En rekening houden met sociale vraagstukken sluit niet uit dat we bij heel wat hervormingen een stap vooruit moeten zetten.

Tot slot wil ik graag nog iets zeggen over het punt onderzoek en ontwikkeling. Wij hebben een nieuw voorstel voor een onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma. Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik hoop dat het u, maar vooral uw opvolgers zal lukken om ook genoeg geld, initiatief en energie in dit onderzoeksprogramma te investeren. Als we concurrerend willen blijven, moeten we immers onderzoek en ontwikkeling stimuleren.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Ek (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, wij maken ons ernstig zorgen over het huidige groeitempo van de Europese economie, de hoge werkloosheidscijfers en alle sociale en milieuproblemen waarmee we geconfronteerd worden. Ik ben dan ook verheugd dat het Parlement een aantal weken geleden een resolutie heeft aangenomen over het proces van Lissabon en dat veel van zijn voorstellen tijdens de Voorjaarstop in overweging zijn genomen. Ik ben echter nog steeds zeer ongerust. Ik zal een aantal voorbeelden geven op het gebied van wetgeving en beleid.

In de eerste plaats het REACH-programma; het is uitermate belangrijk dat we wat dat betreft tot een besluit komen. Dat is wat het Parlement enkele weken geleden unaniem verklaard heeft. Onzekerheid is erg duur.

In de tweede plaats de richtlijn inzake sociale diensten. Binnen het Parlement bestaat er veel meer overeenstemming over dat deze richtlijn noodzakelijk is dan binnen de Raad. We moeten in dezen een vastberaden gedragslijn volgen, want het werkloosheidscijfer is rampzalig, zowel voor mensen als voor de economie.

Dan nog enkele voorbeelden op het gebied van beleid. We hebben het bijvoorbeeld over kleine en middelgrote ondernemingen en produceren daar zeer fraaie documenten over, en over hoe belangrijk het is de administratieve rompslomp te verminderen. Welnu, durfkapitaal is van essentieel belang voor KMO’s. Op hetzelfde moment dat we praten over KMO’s, werkloosheid, enzovoort, werken er naar aanleiding van het verslag-Lamfalussy 240 subgroepen aan nieuwe wetgeving voor de financiële markten. Dat is precies het tegenovergestelde van het verminderen van administratieve rompslomp en het zorgen van voldoende durfkapitaal voor de KMO’s.

Het tweede beleidsterrein dat ik wil noemen is energie. We weten dat we problemen hebben op het gebied van milieu, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling en dat het nodig is biomassa te produceren, gebruik te maken van stadsverwarming en van gelijktijdige opwekking van elektriciteit, warmte en kou. Toch wordt er niet samengewerkt op de beleidsterreinen landbouw, energie en industrie. Die samenwerking is noodzakelijk; ze is buitengewoon belangrijk.

Het Parlement en – dat geloof ik althans – de Commissie zijn vastbesloten, maar de Raad stelt zich nog wat wankel op. U moet zich steviger opstellen, mijnheer Juncker.

 
  
MPphoto
 
 

  Turmes (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie wil geen Europa dat onze verworvenheden op sociaal vlak en op het gebied van het milieu, een deel van onze Europese identiteit, lichtzinnig op het spel zet. Dit willen ook de Europese burgers niet. Wij zijn dan ook heel blij met de duidelijke taal van het Luxemburgs voorzitterschap en zijn inzet voor de drieklank economie, milieu en sociale aspecten.

De slotverklaring van de Voorjaarstop is zeer Europees getint en zij heeft de Commissie-Barroso met haar neoliberale koers goed op de vingers getikt. Na de plechtige verklaringen moeten nu echter concrete daden volgen en wel op twee gebieden: inzake milieubeleid moet Europa zich eindelijk daadkrachtig gaan inspannen voor de bescherming van het klimaat. Dit moet zijn weerslag vinden in de financiële vooruitzichten en bij de Europese Investeringsbank. Investeringen in het openbaar vervoer, in de sanering van gebouwen en in afstandsverwarmingsnetten verminderen klimaatschade en onze afhankelijkheid van olie. Op de Top werd weinig gesproken over het olieprobleem en het remmende effect ervan op de Europese groei.

Voor het sociale beleid betekent dit dat we eindelijk een richtlijn moeten krijgen ter bescherming van publieke diensten. Het moet in de nog resterende maanden van het Luxemburgs voorzitterschap een van de prioriteiten zijn om deze dienstenrichtlijn op de rails te krijgen, want anders zal de geest van Bolkestein boven Europa blijven zweven.

 
  
MPphoto
 
 

  Wagenknecht (GUE/NGL). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, een huis op vermolmde fundamenten maak je niet winterklaar door het dak te repareren. Het Stabiliteitspact hoort niet te worden gereformeerd, maar afgeschaft. Temeer omdat we nu rekening moeten houden met zogenaamde structurele hervormingen waaruit duidelijk blijkt waarom het al die tijd al draaide: niet om prijsstabiliteit, niet om solide staatsfinanciën, maar om het doordrijven van neoliberale liberaliserings- en privatiseringsplannen. Plannen die ervoor hebben gezorgd dat de winsten van Europese concerns al in 2004 met 78 procent zijn gestegen. Maar de mensen die ervan profiteren, zijn blijkbaar nog lang niet tevreden.

De voorgelegde dienstenrichtlijn is een nieuwe poging om het Europese sociale model definitief ad acta te leggen. In plaats van harmonisatie van de normen in de richting van de hoogste gemeenschappelijke noemer zien we een grenzeloze dumpingwedloop voor aanpassing aan de laagste gemeenschappelijke noemer. In plaats van een op de behoeften afgestemde sociale zorg zien we commercialisering op alle terreinen van het menselijk leven. Dit is blijkbaar de visie op Europa die de denktanks van de grote ondernemingen, de lobby van concerns, in gedachten hebben.

In maart hebben 70 000 mensen in Brussel gedemonstreerd tegen de wreedheid van het neoliberale project. Zij zullen in de gaten houden of de Raad zijn kritiek alleen heeft geuit vanwege het ophanden zijnde Grondwetreferendum in Frankrijk of dat er serieuze daden volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Piotrowski (IND/DEM). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, tijdens zijn laatste ontmoeting heeft de Europese Raad toegegeven dat de resultaten van de zogenaamde strategie van Lissabon halverwege de looptijd uiterst mager zijn. In feite is de strategie een mislukking. Ik wil eraan herinneren dat de Europese Unie niet de 3 procent economische groei heeft gerealiseerd die zij zichzelf ten doel had gesteld en dat de kloof in het BBP per hoofd van de bevolking tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten die had moeten verdwijnen, in werkelijkheid dieper is geworden. De uitgaven voor een zo cruciaal gebied als onderzoek en ontwikkeling zijn slechts marginaal gestegen en de groei van de werkgelegenheid is in alle in de strategie van Lissabon vermelde sectoren verre van bevredigend. Nog altijd bestaan er ernstige belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en diensten binnen de Gemeenschap.

Een voorwaarde voor het verwezenlijken van de inmiddels mythische evenwichtige en duurzame groei zou de liberalisering van de markt voor diensten zijn. Ik gebruik bewust de voorwaardelijke wijs, want de vrijheid op het gebied van de economische bedrijvigheid is ondanks de sinds jaar en dag in de Verdragen ter zake bestaande bepalingen nog altijd fictief. Het liberaliseringsproces botst op de enorme tegenstand van ambtenaren en vakbonden in de oude lidstaten. Tegenstanders voeren aan dat de diensten van de aanbieders uit de nieuwe lidstaten van lage kwaliteit zijn en dat de aanbieders sociale dumping zullen bedrijven. Hiermee discrimineren de tegenstanders van de liberalisering hun medeburgers door hen te dwingen gebruik te maken van diensten tegen te hoge prijzen.

Een ander mijns inziens buitengewoon wezenlijke factor voor het aanzwengelen van de economische groei zou zijn dat het cohesiebeleid niet beperkt blijft tot een propagandaleuze. Om de strategie van Lissabon te kunnen redden moeten de Raad, de Commissie en vooral de EU-ambtenaren beseffen wat het beginsel van de solidariteit inhoudt en hoe de vrije markt eigenlijk werkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Dillen (NI). Voorzitter, geachte collega's, het is verbazingwekkend hoe nakende verkiezingen politici soms van ideeën kunnen doen veranderen en hen zelfs ertoe brengen hun eigen principes te verloochenen. Niet zonder leedvermaak kijk ik bijvoorbeeld naar de intrieste soap die in Europa wordt gespeeld naar aanleiding van de richtlijn-Bolkenstein. Tot 1 mei 2004 hoorden we immers niemand sakkeren over de liberalisering van de diensten, want de plannen van de Nederlandse commissaris pasten nu eenmaal in de Europese logica dat ook dienstverleners vrij in de EU moeten kunnen werken. Maar om president Chirac ter wille te zijn en hem op 29 mei bij het referendum over de Grondwet geen smadelijke nederlaag te laten lijden, heet het nu dat de richtlijn nog zal worden geamendeerd, zo niet volledig herschreven ook al keurden de socialisten Pascal Lamy en Busquin deze destijds mede goed. Voorlopig wordt de richtlijn dan toch maar op ijs gelegd om het Franse “nee” geen bijkomende troeven in de hand te spelen.

Links in Europa ontdekt dat sociale dumping de arbeidsplaatsen van de eigen bevolking in gevaar dreigt te brengen. Links ontdekt opnieuw het belang van de verdediging van de nationale en soevereine belangen. De Franse linkerzijde, andermaal trouw aan de tradities van het vooroorlogse Front Populaire, herontdekt het vermaledijde "eigen-volk-eerst"-principe en verwerpt het beginsel van het land van oorsprong uit de richtlijn. Of die huichelarij zal volstaan om een verpletterende overwinning van het “nee” op 29 mei te verhinderen blijft natuurlijk een andere vraag. Kiezers zijn niet dom, in tegenstelling tot hetgeen de hoge coryfeeën in de Commissie lijken te denken. Een gelijksoortig voorbeeld mogen we in Duitsland meemaken, want vandaag schrijft de Herald Tribune dat de sociaal-democratische kanselier Schröder, bang als hij is voor de verkiezingen die volgende maand in Nordrhein-Westfalen plaatsvinden, stringente maatregelen wil opleggen om te voorkomen dat goedkope arbeidskrachten uit Oost-Europa banen van Duitsers komen afpakken. Wie had dat ooit gedacht van een voormalige internationalistische marxist? We kunnen hem er enkel mee feliciteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Thyssen (PPE-DE). Elke generatie heeft haar eigen uitdaging. In de jaren tachtig leerden we werken aan het concurrentievermogen en in de jaren negentig ging het om de sanering van de overheidsfinanciën. Nu we geconfronteerd worden met een agressiever wordende wereldwijde concurrentie, een steeds sneller veranderende wereld en een vergrijzende bevolking, komt er de uitdaging bij te zorgen voor de veiligstelling van ons sociaal model, hetgeen in de eerste plaats meer economische groei veronderstelt. Dat het niet volstaat die uitdagingen aan te gaan met verklaringen en niet ingeloste beloften beseft intussen iedereen. De mensen zijn ontgoocheld, ze willen daden, ze willen resultaten. Na de Europese Top kunnen we zeggen dat er over de wederopleving van Lissabon een soort van interinstitutionele overeenstemming en engagement bestaat, en daarom zijn de conclusies van de Top een hoopvol nieuw begin en verdient het voorzitterschap felicitaties. Laat het ons ook zo aan de mensen uitleggen, collega's, en dat - zoals de voorzitter van de Raad heeft gesuggereerd - in een taal die de hunne is. Natuurlijk rekenen we erop dat de nieuwe verordeningen inzake het Stabiliteitspact ons overtuigen van de boodschap die de voorzitter van de Raad ons hier gebracht heeft, en dat we verzekerd kunnen zijn van duidelijke criteria en voldoende afdwingbaarheid. We zijn ook tevreden dat in de conclusies het belang van de kleine en middelgrote ondernemingen onderstreept wordt en we rekenen erop dat het niet bij lippendienst zal blijven.

Ten aanzien van de dienstenrichtlijn moeten we vaststellen dat er weliswaar een grote communicatieveldslag verloren is, maar daarom niet de oorlog. Wij zullen er, als medewetgever, alles aan doen om het vrij verkeer van diensten mogelijk te maken en we zullen ervoor zorgen dat dat gebeurt op een manier die past in de opdracht van onze generatie, namelijk het veilig stellen van ons sociaal model met zijn drie dimensies. Mijnheer de Voorzitter, de stuurgroep voor de strategie van Lissabon van het Parlement heeft gisteren afgesproken continu te zullen doorwerken en van onze kant kan ik het voorzitterschap van de Raad, de Commissie en ook de collega's in het Parlement en de collega's van de nationale parlementen verzekeren dat wij ons verder positief zullen inzetten en dat men op onze samenwerking kan rekenen om de doelstellingen te halen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rasmussen (PSE). – (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik zie dat de heer Watson niet aanwezig is in de zaal, en dat betreur ik. Ik wil mij ten sterkste distantiëren van de kritiek van de heer Watson op de heer Juncker, de voorzitter van de Europese Unie. Het is immers niet de schuld van de heer Juncker dat Frankrijk op dit moment een regering heeft die zo impopulair is dat zij de Franse bevolking niet kan overtuigen om voor het Verdrag te stemmen. De waarheid is natuurlijk dat juist de heer Juncker, via de bijeenkomst van de Europese Raad van maart dit jaar, ervoor gezorgd heeft dat de rest van ons aan de Franse bevolking kan uitleggen dat het Stabiliteits- en groeipact nu verstandig in elkaar zit; dat het evenwicht in het proces van Lissabon bewaard gebleven is; en dat we nu de volgende stappen kunnen gaan nemen, zoals aangegeven door de heer Almunia, de commissaris voor Economische en Monetair Zaken, die zei dat wij door het gebruik van de twee instrumenten, samen met een macro-economisch debat, feitelijk meer – en nieuwe – werkgelegenheid in Europa kunnen scheppen.

Tegen de heer Watson, de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten en anderen, of ze hier nu in de zaal zijn of niet, zou ik graag willen zeggen dat hier sprake is van een verantwoordelijkheid die zij en wij delen, samen met de voorzitter van de Commissie, de heer Barroso, en de hele Commissie, de heer Juncker en de Raad. Wij moeten de Franse bevolking laten zien dat deze Europese Unie op dit moment één hoofdtaak heeft en dat is het scheppen van meer, nieuwe en betere banen. Frankrijk kan niet in zijn eentje meer, nieuwe en betere banen scheppen. Frankrijk en de Franse bevolking hebben een nieuw Grondwettelijk Verdrag nodig. Dit nieuwe Europese Huis, samen met de politieke lijn – die nu is uitgezet met de bijeenkomst van de Europese Raad van maart en die hopelijk in juni zal worden voortgezet – geeft ons een aantal goede argumenten om verder te komen met ons werk aan Europa. Europa is geen kwestie van een dagelijkse spektakel of van grote revoluties. Europa is een zaak van verstandig, doelgericht en degelijk werk en daarmee wil ik de heer Juncker vandaag graag complimenteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Letta (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het akkoord over het Stabiliteitspact heeft positieve kanten, maar er resten nog grote punten van zorg. In de eerste plaats is het van wezenlijk belang dat de rol van de Commissie bij de uitvoering van het Pact wordt versterkt en niet verzwakt, zowel op het vlak van de rekeningen als op dat van de investeringen, dat wil zeggen wat zowel stabiliteit als groei betreft.

In de tweede plaats moet het duidelijk zijn dat het nieuwe Pact in dienst staat van de groei van de economie en niet van de groei van de tekorten: deze twee kunnen niet aan elkaar worden gekoppeld, zoals nationale regeringen als de huidige Italiaanse regering schijnen te denken. Daarom nodigen we de Europese instellingen uit gevaarlijke hernationalisaties te voorkomen en zich met overtuiging in te zetten voor een groei van de Gemeenschapsgeest. Als de communautaire benadering niet wordt gehandhaafd bij de tenuitvoerlegging van zowel het Pact als van de andere voornaamste beleidsmaatregelen, in de eerste plaats de fundamentele Lissabon-strategie, ziet de toekomst van de Unie er somber uit.

 
  
MPphoto
 
 

  Musacchio (GUE/NGL). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, op 19 maart is er in Brussel een reusachtige demonstratie gehouden door de vakbonden en de vredesbeweging tegen de richtlijn-Bolkestein, tegen de vrije handel en de oorlog en voor een sociaal Europa.

Gezien tegen de achtergrond van enerzijds de paradoxale situatie waarin we ons met een sterke munt, een zwakke economie en een samenleving in crisis bevinden en anderzijds de crisis van de Maastricht-structuur en de strategie van Lissabon, ging er van deze demonstratie – waaraan tienduizenden werkenden uit heel Europa, inclusief de nieuwe lidstaten uit Oost-Europa, hebben deelgenomen – ons inziens een duidelijk signaal uit dat het roer drastisch moet worden omgegooid. En dat ondanks de idee die sommigen hebben van een Europa van twee niveaus, dat wil zeggen van interne dumping, namelijk het Europa van de richtlijn-Bolkestein. Uit de demonstratie is gebleken dat rechten geharmoniseerd moeten worden, natuurlijk in de zin van betere rechten.

We hebben een Europa nodig dat de richtlijn-Bolkestein verwerpt – een funeste richtlijn voor de arbeidstijden – en in staat is vanaf links uit de kooi van het monetaristische liberalisme te breken en kwaliteitsinvesteringen, rechten, groei, arbeid en milieu een nieuwe impuls te geven, in plaats van terug te dringen: met andere woorden, een Europa dat in staat is zich om te vormen tot een sociaal Europa, het enige mogelijke.

We willen proberen deze ambities in dit Huis te concretiseren met onze voorstellen en het Parlement te laten meedelen in de passie die de straten van Brussel heeft gegrepen en waar het niet omheen kan.

 
  
MPphoto
 
 

  Karas (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, ik moet zeggen dat we bij de beoordeling van de resultaten van de bijeenkomsten van de staatshoofden en regeringsleiders wel heel bescheiden zijn geworden. We zouden veel meer vertrouwen en een grotere geloofwaardigheid bij de burgers genieten als de handelingen van de regeringen van de lidstaten consequenter zouden stroken met de besluiten. Wij houden ons nu bij toppen bezig met het corrigeren van de besluiten in plaats van met de naleving en uitvoering van hetgeen is overeengekomen. De fungerend voorzitter van de Raad is waarschijnlijk zelfs de enige die in deze fase gemeenschappelijke besluiten tot stand brengt. We zijn al blij met iedere vorm van overeenstemming, omdat het schip anders volledig ten onder dreigt te gaan.

Een korte terugblik: het probleem waarmee wij nu te maken hebben, ligt volgens mij in de tegenspraak tussen de Europese Verdragen en het politieke handelen.

Neem het Stabiliteits- en groeipact: we zweren dat we het Pact zullen naleven, we wijzen een afzwakking ervan af, maar de overtredingen en interpretatiespeelruimtes nemen toe. Er worden blokkades opgeworpen en de Commissie wordt gehinderd in haar mogelijkheden om sancties op te leggen en in te grijpen.

Kroatië: we besluiten dat de onderhandelingen met Kroatië op 17 maart beginnen, maar we stellen ze vervolgens uit, hoewel het land aan de voorwaarden voldoet.

Financiële vooruitzichten: we willen net als het Luxemburgs voorzitterschap overeenstemming bereiken, maar we krijgen geen signalen dat er iets verandert aan het standpunt van de 1 procent ten opzichte van het voorstel van de Commissie.

Bulgarije en Roemenië: er is een voortgangsrapport van de Commissie waaruit blijkt op welke punten er nog niet aan de voorwaarden is voldaan, maar er is al een datum voor het ondertekenen van de verdragen. Van het Parlement wordt instemming verlangd, maar tegelijkertijd werden de rechten van het Parlement op maandag genegeerd.

Lissabon: wij willen de interne markt en dus ook een interne markt voor diensten, maar sommigen onder ons misleiden de burgers door de dienstenrichtlijn terug te brengen tot het oorsprongslandbeginsel.

Ik doe een beroep op ons allemaal, maar vooral op de lidstaten, om meer verantwoordelijkheid te tonen, vertrouwen te krijgen in de besluiten en ons te houden aan de regels die wij onszelf opleggen. We hoeven niet zozeer de bestaande regels te corrigeren, maar moeten eerder serieusheid betrachten bij het naleven van de besluiten van staatshoofden en regeringsleiders, van de Verdragen en richtlijnen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Rosati (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, op de laatste Top heeft de Europese Raad een aantal belangrijke besluiten genomen tot wijziging van het Stabiliteits- en groeipact. Ik wil mijn steun betuigen voor deze wijzigingen. Het is waar dat de bepalingen van het Pact door sommige wijzigingen worden afzwakt en beperkt, maar dit komt niet neer op de uitholling van de begrotingsdiscipline in de lidstaten. Wij weten allemaal dat de regels van het Pact sinds geruime tijd voortdurend worden geschonden. Thans kampt eenderde van de lidstaten met een overmatig begrotingstekort. Een dergelijke toestand is buitengewoon ontmoedigend en ondergraaft de geloofwaardigheid van de gehele Europese Unie. De wijziging van het Pact en met name de versoepeling van het preventieve onderdeel ervan versterkt in wezen de disciplinerende werking van het Pact. Minder stringente regels die zonder uitzondering door iedereen worden nageleefd verdienen de voorkeur boven strengere regels die niet serieus worden genomen en niet worden toegepast.

Voorts begroet ik de besluiten van de Raad om de strategie van Lissabon weer op gang te brengen. Het verheugt mij dat in de besluiten van de Raad rekening wordt gehouden met de conclusies van het verslag van de groep op hoog niveau onder voorzitterschap van Wim Kok. Een zo snel mogelijke uitvoering van de in de strategie van Lissabon opgenomen hervormingen vormt een essentiële voorwaarde voor meer duurzame economische groei, meer werkgelegenheid en het behoud van het Europees sociaal model. Wij mogen evenwel niet vergeten dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de structurele hervormingen op de lidstaten rust. De regeringen en parlementen van de afzonderlijke landen moeten aantonen dat zij over de nodige politieke moed en verbeeldingskracht beschikken. Zij moeten de samenleving in hun land ervan overtuigen dat de doelmatige en snelle uitvoering van de hervormingen van Lissabon in hun eigen langetermijnbelang is. De Europese instellingen kunnen en moeten de regeringen van de lidstaten in dit moeilijke proces steunen. De Commissie zou haar rol als efficiënte uitvoerder van de besluiten van de Raad moeten versterken en moet de vooruitgang van de hervormingen in de verschillende landen op doorzichtige wijze in de gaten houden. Het Europees Parlement moet daarentegen een permanente samenwerking met de nationale parlementen van de lidstaten op gang brengen.

Mijnheer de Voorzitter, ik stel voor dat er een permanent forum wordt opgericht, waarin vertegenwoordigers van het Europees Parlement en van de parlementen van de lidstaten op periodieke, systematisch georganiseerde bijeenkomsten vraagstukken in verband met de uitvoering van de strategie van Lissabon bespreken. Hiermee kunnen wij het gevoel van verantwoordelijkheid voor de verwezenlijking van de strategie bij de nationale parlementen vergroten en daarmee de Europese samenlevingen doordringen van het belang van de strategie.

 
  
MPphoto
 
 

  in 't Veld (ALDE). De tevredenheid over de Top is wat mij betreft volkomen misplaatst. Het was een beschamend schouwspel, een koehandel van politieke belangen en diezelfde politici die huilen dan achteraf hete krokodillentranen over het cynisme van de burger. Wat mij betreft heeft de geloofwaardigheid van de Europese Unie alweer een deuk opgelopen.

Deze Top had de Europese economie moeten toerusten voor de 21e eeuw en had moeten leiden tot grotere begrotingsdiscipline en een vrije dienstenmarkt, maar in plaats daarvan blijven we steken in het oude recept van schulden en protectionisme. Om dat sociaal te noemen is een schande. Er wordt gezegd dat het Stabiliteitspact is gered, maar ik zie vage formuleringen, ontsnappingsclausules en boekhoudtrucs, en de manier waarop de politieke leiders omgaan met de dienstenrichtlijn is pure demagogie. Ik zou een voorbeeld willen nemen aan de nieuwe landen die niet lijden aan onze zelfgenoegzaamheid maar veel dynamischer zijn en hervormingen doorvoeren.

Tenslotte, Voorzitter, hoop ik dat na de diverse referenda en verkiezingen de langetermijnvisie, moed, verantwoordelijkheidsgevoel en politiek leiderschap eindelijk weer de boventoon gaan voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Montoro Romero (PPE-DE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, de Europese economie maakt een moeilijke periode door. De recente Europese Top valt samen met het naar beneden bijstellen door de Europese Commissie van de ramingen voor de economische groei en daarmee worden niet alleen de groeicijfers naar beneden bijgesteld, maar ook de cijfers aangaande het scheppen van werkgelegenheid.

Ons wordt verteld dat in het Europa van 2005 het percentage werklozen zal stijgen en we te maken zullen krijgen met economische stagnatie. En dat is negatief en dat is waar wij een antwoord op moeten geven door een heldere boodschap uit te dragen, een boodschap van vertrouwen naar de consumenten toe en een boodschap van vertrouwen in de richting van investeerders. Het probleem van de Europese economie is het gebrek aan vertrouwen, dat voortkomt uit economisch beleid dat niet in staat is dat vertrouwen in te blazen.

De agenda van Lissabon, het Stabiliteitspact en de liberalisering van diensten zijn essentieel om dat vertrouwen te versterken. En hier hebben we een kans laten lopen in de maand maart. We hebben de kans laten lopen om in te zetten op gezonde openbare financiën en de voorbeelden kunnen we binnen Europa zien. De landen die zich hebben ingespannen om hun begroting op orde te krijgen zijn de landen die economische groei kennen en werkgelegenheid creëren. De landen die structurele hervormingen hebben doorgevoerd zoals die zijn neergelegd in de agenda van Lissabon zijn absoluut de landen die groeien en die nieuwe banen scheppen binnen de Europese Unie.

We kunnen niet spreken van een Europees sociaal model zonder naar die landen te kijken en we kunnen geen zelfgenoegzaam verhaal afsteken terwijl we het Stabiliteitspact hebben herzien op grond van de politieke belangen van grote landen die niet groeien en geen werkgelegenheid creëren en terwijl er twijfel rijst over de aard van het Stabiliteitspact zelf en ook het wantrouwen groeit jegens de economische hervormingen die de Europese Unie nodig heeft.

Dit is de kans, mijnheer Barroso, die u voor u heeft liggen om inhoud te geven aan uw project om in Europa met z’n allen in te zetten op groei en werkgelegenheid.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER FRIEDRICH
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Berès (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik wil graag een onderwerp aansnijden dat we nog niet hebben besproken. Uit de omstandigheden waaronder u binnen de Eurogroep en vervolgens binnen de Ecofin hebt moeten onderhandelen, blijkt volgens mij dat er wellicht een probleem bestaat met de coördinatie van de bevoegdheden tussen de beide instanties. U hebt ook de 3 procent en 60 procent genoemd en aangegeven dat deze niet zijn gewijzigd. U hebt gelijk. Het zou moeilijk zijn deze percentages te veranderen, omdat ze worden vermeld in een Protocol bij de Verdragen dat op zijn beurt weer is opgenomen in een Protocol bij de Grondwet.

Ik wil terugkomen op de essentie van deze hervorming. Mijns inziens hebben we nog niet genoeg benadrukt dat de eerste punten daarvan ons verder helpen met de harmonisering van de grondslagen waarop elke lidstaat in de toekomst zijn begroting opstelt, met de vaststelling van de macro-economische vooruitzichten die in aanmerking moeten worden genomen en met de verbetering van het statistisch apparaat waarmee de resultaten van een bepaalde lidstaat worden beoordeeld. Het idee de nationale parlementen beter te laten samenwerken, is conform de tijdgeest. Wat betreft de bevoegdheden die hoofdzakelijk in handen van de lidstaten blijven, is dit volgens mij toch de juiste aanpak en met die gedachte in het achterhoofd zal het Europees Parlement op 25 april met de nationale parlementen in debat gaan over de uitdagingen van het economische beleid in Europa en de lidstaten.

De blote feiten van deze hervorming stellen mij teleur. Iedere lidstaat heeft zijn eigen verlanglijstje meegebracht en zoals zo vaak heeft er een soort koehandel plaatsgevonden waarbij iedereen met de eer ging strijken. De Europese meerwaarde en het perspectief van een groei- en werkgelegenheidsinstrument zijn helaas buiten beeld gebleven. Wat dit betreft is er nog werk aan de winkel. Ik weet dat u deze zorg deelt; we willen allemaal graag dat er een werkelijke coördinatie van het economische beleid komt waardoor we eindelijk kunnen profiteren van alle voordelen die de overgang op de euro ons had moeten bieden.

Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe nog een laatste punt te noemen. De grote winnaars van deze aanpassing zijn helaas de structurele hervormingen en dus ook de pensioenen, zaken waarmee we in de preventiefase en bij de beoordeling van de begrotingstekorten rekening moeten houden. Ik herinner me wat u hebt gezegd in de Commissie economische en monetaire zaken: u leek mij niet echt een aanhanger van de gedachte dat er boekhoudkundige redenen moeten zijn voor een hervorming van de pensioenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Matsakis (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, stabiliteit en groei zijn afhankelijk van een gezonde economie. De economie van de EU lijdt dagelijks onder het embargo van Turkije op scheepvaart uit de EU en soms lopen de verliezen in de miljoenen euro’s. Dit embargo was in theorie gericht tegen Cyprus, maar in de praktijk is het gericht tegen de hele EU. Ik zal u aan de hand van het volgende voorbeeld uitleggen waarom dat zo is. Een schip met een Duitse eigenaar dat onder Franse vlag vaart en Britse goederen vervoert voor een Spaanse onderneming zal de toegang tot een Turkse haven geweigerd worden als aan het licht komt dat een lid van de raad van bestuur van het bedrijf dat de goederen verhandelt eerder zakelijke betrekkingen heeft gehad met een Cypriotisch bedrijf. Dit is onrechtmatig en absurd en er is geen enkele reden waarom de Raad en de Commissie een dergelijk agressief gedrag van een kandidaat-lidstaat ook nog maar een dag langer zouden moeten tolereren.

Ik wil graag kort nog een ander onderwerp aansnijden. Twee dagen geleden berichtte Hurriyet, een krant met een grote oplage en spreekbuis van de Turkse regering, dat de Raad en de Commissie samen hadden gewerkt aan wat klinkt als een samenzwering om de Cypriotische regering in feite te isoleren en te destabiliseren, met het oogmerk haar te dwingen een onpopulaire oplossing voor de kwestie-Cyprus te accepteren. Ik weet dat dit bericht uit de lucht gegrepen is, maar het is door Turkije misbruikt om propaganda te maken en heeft geleid tot bezorgdheid onder mijn achterban. Ik verzoek u dringend hier vandaag te verklaren dat het bericht iedere grond mist en volstrekt absurd is.

 
  
MPphoto
 
 

  Langen (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, er zijn veel mooie woorden gezegd over het Stabiliteits- en groeipact. Ik ben evenwel van mening dat het een heel zware bevalling was en dat het resultaat ondermaats is. Ik wil hiermee geen afbreuk doen aan de prestatie van de heren Juncker en Barroso, die de nationale vormen van egoïsme moesten samenbrengen, maar ik heb wel kritiek op de uitkomst, want dat is op middellange termijn een nagel aan de doodskist voor de stabiliteit van de euro. We merken daar nu niets van, omdat de Verenigde Staten en Japan momenteel een veel hogere schuldenlast hebben. Zodra die daar echter wordt gereduceerd, zullen de stabiliteit en de wisselkoers van de euro op losse schroeven komen te staan. Natuurlijk is er niet afgeweken van de regel van 3 procent en 60 procent. Er is echter helemaal niet meer over gesproken dat er in de besluiten van het Stabiliteits- en groeipact staat dat er gestreefd moet worden naar begrotingsevenwicht. De allereerste vuurproef, toen het ging om de twee grootste lidstaten, Duitsland en Frankrijk, is al mislukt. En als we ons in moeilijke tijden al niet aan een pact houden, waarom zouden we het dan in goede tijden wel doen? Ik zie dit niet als een realistisch concept. Alleen al het verschil tussen 0 procent en 3 procent betekent in de euroruimte 250 miljard euro. Geld dat gebruikt had kunnen worden voor het opvangen van conjunctuurcycli, voor natuurrampen of internationale verplichtingen. Toen het zover was, was het geld al op.

Ik denk daarom dat het ook niet genoeg is om te wijzen naar de Europese Centrale Bank. Die is weliswaar onafhankelijk, maar nog steeds een dochtermaatschappij van de nationale banken. De Europese Centrale Bank heeft een raad van bestuur, maar deze wordt voor tweederde gedomineerd door de presidenten van de nationale centrale banken. Zolang de Europese Centrale Bank niet in staat is om er bij zijn eigen herfinancieringszaken rekening mee te houden of de staatsleningen een goede of een slechte rating hebben, zal hij er niet toe kunnen bijdragen dat de euro op den duur de noodzakelijke stabiliteit krijgt.

 
  
MPphoto
 
 

  Andersson (PSE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik juich het resultaat van de Voorjaarstop van de Europese Raad toe. Staat u mij toe om op vier zaken te wijzen. Ten eerste is er sprake van evenwicht in het proces van Lissabon, wat ook betekent dat de pijlers van elkaar afhankelijk zijn. Ten tweede wordt er sterke nadruk gelegd op het Europees sociaal model, wat niet alleen meer banen betekent maar ook hooggekwalificeerde banen; op socialezekerheidsstelsels die zeker moeten zijn en die gemoderniseerd moeten worden; en op verzoening van werk en gezinsleven. Ten derde verwelkom ik de passages over de dienstenrichtlijn. Ik geloof dat daarover overeenstemming aan het ontstaan is tussen de Raad en naar ik meen de meerderheid van dit Parlement. We hebben een dienstenrichtlijn nodig, maar die moet er niet uitzien zoals het bestaande voorstel. We moeten het Europees sociaal model kunnen handhaven, we moeten hoge milieueisen kunnen stellen en sterke consumentenrechten kunnen doen gelden. Volgens mij is het mogelijk een voorstel in die zin uit te werken. Ten vierde is de duurzame ontwikkeling een hoofdkwestie. Het gaat om ecologisch duurzame ontwikkeling, maar ook en in even grote mate om economisch en sociaal duurzame ontwikkeling.

Tenslotte wil ik nog zeggen dat natuurlijk niet alles negatief is. We kunnen gemakkelijk negatief zijn. We hebben niet geheel voldaan aan de eisen van het Lissabon-proces, maar er is toch een aantal landen dat aan veel eisen heeft voldaan. Ik zal niet zeggen welke landen aan die eisen hebben voldaan, maar als men naar die landen kijkt, dan ziet men dat zij groei, hoge werkgelegenheid, sterke sociale stelsels en hoge milieueisen verenigd hebben. Er is alle reden om optimistisch te zijn over de toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Malmström (ALDE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik moet helaas zeggen dat de Europese Raad een unieke vertoning van slecht leiderschap was. Dit is een tijd waarin de Europese economie echt hervormingen nodig heeft, waarin de werkloosheid stijgt – ook in Zweden, mijnheer Andersson – en het euroscepticisme zich uitbreidt, en wat doet de Raad? In plaats van pal te staan voor Europa, in plaats van publiekelijk de leiding te nemen, schrikken de EU-leiders volstrekt terug voor een van de belangrijkste vraagstukken van het Lissabon-proces, namelijk de dienstenrichtlijn.

Uit angst voor diverse referenda wakkeren zij de leugens en mythen aan die door sterke krachten ter linkerzijde over deze richtlijn worden gecultiveerd. Volgens deze verhalen zal een eindeloze hoeveelheid ellende de Europese consumenten en werknemers treffen als de dienstenrichtlijn wordt aangenomen. De Raad en de Commissie weten echter heel goed dat deze richtlijn, die niets met de nieuwe Grondwet te maken heeft, ongelooflijk belangrijk is voor de groei, de werkgelegenheid en de consumenten in Europa. Natuurlijk wil niemand dat de dienstenrichtlijn tot sociale dumping leidt. In plaats van deze richtlijn te verdedigen, waar men zelf om heeft gevraagd, helpt men echter een heleboel valse voorstellingen te voeden, waardoor het wantrouwen groeit. Hoe moeten onze burgers in Europa geloven als zelfs wij, die elke dag aan Europa werken, dat niet durven?

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Kirkhope (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het was de bedoeling dat op de Topconferentie van maart besproken zou worden hoe de Lissabon-agenda nieuw leven ingeblazen moest worden. Helaas zal deze Top waarschijnlijk de geschiedenis ingaan als een bijeenkomst waarin men als een kat om de hete brij draaide. Het was weinig opbouwend te zien hoe de Franse president en anderen een duidelijke aanval deden op de liberale economie. Dat uit zijn mond de opmerking werd opgetekend dat de liberalisering van de economie van Europa het nieuwe communisme van onze tijd is, was – als hij dat inderdaad gezegd heeft – enigszins eigenaardig. Iedere poging om onze dienstenrichtlijn te ondermijnen is helaas een duidelijk teken dat de antihervormingsgezinde krachten in Europa nog steeds actief zijn.

Commissievoorzitter Barroso zei onlangs dat de Europese Commissie er volgens sommige mensen is om de vijftien oude lidstaten te beschermen tegen de tien nieuwe. Dat is niet het geval. Hij heeft volkomen gelijk; de dienstenrichtlijn is een fundamentele bouwsteen voor een bloeiende, dynamische economie. Degenen die proberen de vooruitgang van de interne markt tegen te houden, bewijzen de miljoenen werklozen in hun eigen land geen dienst. Integendeel, het zijn juist de liberaliserende economieën die goed functioneren en werkgelegenheid creëren, zoals de nieuwe lidstaten zo duidelijk hebben laten zien.

In bepaalde landen wordt aan het zogeheten Europees sociaal model een zo grote betekenis toegekend dat het vrijwel onmogelijk lijkt een behoorlijke hervorming door te voeren. Ik vrees dat dit nieuwe model, hoe verdienstelijk het in het verleden ook misschien geweest is, thans een achilleshiel is voor onze economie. Het heeft de hoge werkloosheid in stand gehouden – volgens de laatste tellingen zijn er 19 miljoen werklozen; het heeft een cultuur in de hand gewerkt waarin ondernemingszin niet wordt gestimuleerd; en iedere dag die wij voorbij laten gaan zonder te hervormen, groeit de concurrentiekracht van China, de Verenigde Staten en India, ten koste van die van ons.

Zoals ik al tegen de heer Barroso heb gezegd, ben ik van mening dat hij zeer oprecht is in zijn streven de vereiste hervormingen erdoor te krijgen, maar is hij ernstig in de steek gelaten door anderen: door regeringsleiders, met inbegrip van onze Britse premier, wiens kortetermijndenken het de heer Barroso aanzienlijk lastiger heeft gemaakt vooruitgang te boeken.

Een aantal van de conclusies van de Raad zijn goed, zoals die over het Protocol van Kyoto en duurzame ontwikkeling. Ik vrees evenwel dat de onbeholpen tactieken van sommige leiders, die proberen een rem te zetten op onze economische hervormingen en spelletjes spelen met het Stabiliteits- en groeipact – dat steeds meer van zijn geloofwaardigheid verliest – ons allen eraan herinnert dat onze belangen, als we niet alert zijn, wel eens opgeofferd zouden kunnen worden aan politieke kortetermijnbelangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sacconi (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, in onze debatten vervallen we nogal eens in herhaling. Ik wil daarom een bericht dat ik gisteren heb gelezen en dat me zeer heeft getroffen tot uitgangspunt nemen. Enkele dagen geleden is de bevolking van Huang-Kan-Tun, in het zuiden van China, in opstand gekomen. Helaas zijn als gevolg van de wrede onderdrukking door de politie twee slachtoffers gevallen. Het ging om een opstand van alle inwoners van het dorp tegen een chemische fabriek die daar onlangs is gevestigd en in korte tijd de lucht, het water en de grond ernstig heeft vervuild.

Wat wil ik hiermee zeggen? Ik wil ermee zeggen dat de groei van de industrie nu ook in deze opkomende economieën problemen op het gebied van het milieu, ecologie, hygiëne en de sociale situatie veroorzaakt. Daaruit blijkt duidelijk onze rol in de toekomstige internationale arbeidsverdeling: de technologie ontwikkelen en verkopen om deze landen in staat te stellen te groeien zonder onze fouten uit het verleden, zoals vervuiling en sociale verdrukking, te herhalen. In het licht van dat alles lijkt het resultaat van de Top me positief, want de strategie van Lissabon is opnieuw gelanceerd op basis van de onderlinge afhankelijkheid van de drie pijlers, de Europese Unie is opnieuw gelanceerd als toonaangevende speler op het gebied van duurzame groei, en een protocol van Kyoto 2 is in het vooruitzicht gesteld - zeer ambitieus en juist in dit verband van belang.

Ik ben met name tevreden over de politieke hervorming van de sturing van de Lissabon-strategie volgens dit principe: ieder vervult ten volle zijn eigen rol – lidstaten, Gemeenschap, lokale gemeenschappen, Europese Unie, enzovoort. Ook het Parlement moet zijn bijdrage leveren, dat is duidelijk gesteld. En op ons gebied – geavanceerde wetgeving - kan dat beter, als de opkomende samenwerking tussen de instellingen doorzet, zoals u wenst, mijnheer de Voorzitter. Ik denk dat de REACH-richtlijn hiervoor een van de voornaamste uitdagingen wordt. Ik ben ervan overtuigd dat de gewenste samenwerking om dit resultaat te bewerkstelligen zich in de komende maanden zal uitkristalliseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Sterckx (ALDE). Ik zou als voorzitter van de Delegatie voor de betrekkingen met de Volksrepubliek China van dit Parlement aan de voorzitter van de Raad iets willen zeggen over het opheffen van het wapenembargo. U weet dat in dit Parlement een grote meerderheid daartegen is. Ik stel vast dat de Raad vasthoudt aan de koers om het embargo op te heffen. Ik heb zelfs begrip voor de redenering van China dat een politiek gebaar vraagt en zegt dat in een strategisch partnerschap zoals het onze geen plaats is voor dit soort embargo. Maar als wij een politiek gebaar willen maken dan moeten wij in ruil ook een politiek gebaar terug eisen. Voorlopig krijgen we dat niet. Integendeel, de anti-afscheidingswet die vorige maand in China is goedgekeurd, is het verkeerde signaal. Later deze maand komt een delegatie van het Chinese Volkscongres in ons Parlement uitleggen wat precies de bedoeling was. Ik zal daar met aandacht naar luisteren. Ik vind ook dat we een gebaar moeten vragen in verband met individuele mensenrechten want daarin is de laatste tijd in China te weinig verbetering te zien. Dus, mijnheer de voorzitter van de Raad, als de Raad een politiek gebaar wil stellen, eis dan ook gebaren van de Chinese regering. Ik hoop dat u deze lijn, die in het Parlement met grote meerderheid ondersteund wordt, ook in de Raad wil overnemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Saryusz-Wolski (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de resultaten van de Voorjaarstop laten zien dat de Europese Unie helaas een stap achteruit heeft gezet. Het wordt steeds moeilijker om de, overigens legitieme, economische doelstellingen te verwezenlijken. De versoepeling van de beginselen van het Stabiliteits- en groeipact is verontrustend. De invoering van een soort van manuele besturing en het feit dat de beginselen alleen op bepaalde landen worden toegepast en niet op andere landen die de beginselen regelmatig schenden, getuigen van een kortzichtig beleid. Wat geeft dit voor voorbeeld aan de lidstaten die voor de financiële discipline en om aan de convergentiecriteria te voldoen hebben besloten tot pijnlijke hervormingen? Wat geeft dit voor voorbeeld aan de nieuwe lidstaten?

De verklaringen van de strategie van Lissabon bestaan helaas uitsluitend op papier. Nu moeten de lidstaten en de Europese Unie als geheel de retoriek doorbreken en de plechtige besluiten aanvullen met concreet en consequent optreden. Men kan alleen maar instemmen met de conclusies van het voorzitterschap waarin wordt gesteld dat de voltooiing van de interne markt op het gebied van het vrije verkeer van diensten gunstig zal zijn voor gemeenschappelijke doelstellingen zoals economische groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen. De dienstenrichtlijn is een van de beste elementen van de strategie van Lissabon. De consequente verwezenlijking van een uniforme markt is een van de beste diensten die wij de strategie van Lissabon kunnen bewijzen. De doelstellingen zullen evenwel sneller en beter worden gerealiseerd indien de dienstenrichtlijn, die momenteel in behandeling is, niet wordt verwaterd, afgezwakt en uitgesteld. Wij moeten ervoor zorgen dat diensten vrij en ongehinderd op het grondgebied van de gehele Europese Unie kunnen worden verricht. Het werk aan de dienstenrichtlijn vereist een maximum aan gezond verstand en een minimum aan beperkingen.

Wil de Europese Unie haar economische doelstellingen realiseren, dan heeft zij sterke ontwikkelingsimpulsen nodig. Een dergelijke impuls was de uitbreiding met tien nieuwe landen in mei vorig jaar. Nu moeten wij verder gaan en denken aan toekomstige generaties en niet uitsluitend in termen van politieke winst van het moment, verkiezingen en referenda. De inwoners van de lidstaten verwachten dat we onze plicht doen. De werkelijkheid laat zich niet met woorden en retoriek bezweren en omtoveren. Nu wordt die werkelijkheid enerzijds gekenmerkt door het ontbreken van de wil tot hervormingen en tot het openen van de markten en anderzijds door de verzwakking van de macro-economische discipline. Laten wij niet bang zijn voor de toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Van den Burg (PSE). Het voordeel van spreken op het eind van een debat is dat kan worden ingegaan op een aantal zaken die aan de orde zijn geweest en ik wil dat doen aan de hand van een drietal misverstanden die het debat beheersen. Het eerste misverstand betreft de hervorming van het Stabiliteits- en groeipact. Hierbij ging het niet alleen om een koehandel tussen lidstaten die het lastig vonden om aan de normen van het Pact te voldoen. Er is wel degelijk een discussie gevoerd over economisch beleid en over de economische rationaliteit van het Pact in het kader van het macro-economisch beleid. Dat is misschien niet heel erg uit de verf gekomen in de wijze waarop in de media hierover gepraat is, maar het Luxemburgse voorzitterschap heeft daaraan wel degelijk aandacht besteed. Ik hoop dat de Europese Commissie in staat zal zijn om juist vanuit die meer macro-economische invalshoek de hervorming van het Pact als instrument te gebruiken voor een verbeterd Europees macro-economisch beleid.

Een tweede punt betreft de geïntegreerde behandeling van de economische richtsnoeren en de werkgelegenheidsrichtsnoeren, alsmede het micro-economisch beleid zoals dat gisteren ook door de Commissie is gepresenteerd. Natuurlijk past dit alles in het kader van de strategie van Lissabon en mijn fractie heeft bepleit dat we deze processen stroomlijnen en daarvoor een geïntegreerde aanpak kiezen. Wel moeten we oppassen dat er niet een soort hiërarchie van procedures komt en dat er niet één bepaalde Raadsformatie, één bepaalde commissaris en één bepaalde gespecialiseerde commissie of geïntegreerde structuur in het Parlement zich op de voorgrond dringen. We willen geen supercommissaris, geen superraad en ook geen gespecialiseerde commissie die zich alleen maar daarover buigen.

Een derde punt betreft de dienstenrichtlijn. In dit verband zou ik nogmaals willen benadrukken dat het verzet daartegen niet gaat om het tegenhouden van dat vrij verkeer van diensten en arbeid, maar om de voorwaarden waaronder dit moet plaatsvinden. De Commissie heeft haar huiswerk slecht gedaan en we moeten ons realiseren dat arbeidsmigratie onlosmakelijk verbonden is met het vrij verkeer van diensten en dat op dit punt veel meer moet gebeuren dan tot nu toe het geval is geweest, ook los van deze dienstenrichtlijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Radwan (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, het zit erop! Wij hebben de Top achter de rug, het Stabiliteits- en groeipact werd – zoals sommigen zeggen – hervormd of – zoals anderen zeggen – afgeschaft, de dienstenrichtlijn werd onder vuur genomen. Voorspoed en bloei in Europa staat niets meer in de weg. Nu zal het ons lukken! Dat zou een boodschap kunnen zijn.

Mijnheer de voorzitter van de Commissie, ik ben u erkentelijk dat u aan het begin van uw toespraak hebt gezegd dat we een discussie over het Stabiliteitspact zijn begonnen, omdat er geen consensus meer was over het naleven van de huidige regels en we dus gedwongen waren met iets nieuws te komen. Vervolgens rees de vraag hoe wij dat realiseren. Ondertussen werd er ook gesproken over leugenaars. Ik voel mij in ieder geval best op mijn gemak in het gezelschap van de Europese Centrale Bank en de Duitse Bundesbank bij de beoordeling van het Stabiliteits- en groeipact. Als we dan ook nog bedenken dat sommige staten er, met betrekking tot de verdere ontwikkeling, mee hebben gedreigd om tot dusverre geldend recht niet langer toe te passen, dan vraag ik mij af of de zaken voortaan zó zullen lopen. Is dit de manier waarop wij in Europa in de toekomst besluiten zullen nemen?

Over de Lissabon-strategie wil ik graag zeggen dat ik hoop op een sterke Commissie. Mijnheer de voorzitter van de Commissie, ik ben mij ervan bewust dat het moeilijker voor u is om een visie te verwezenlijken dan voor de heer Delors, want hij had andere regeringsleiders aan zijn zijde. Toen waren er de heren Mitterrand en Kohl, die de Europese vooruitgang actief hebben ondersteund. Het is belangrijk dat de Commissie zich concentreert op wat Europa kan bereiken en om niet al te veel papier te produceren. Voor de Raad is het van belang dat de lidstaten zich verplichten tot hetgeen zij zelf regelmatig overeenkomen en dat ze hun huiswerk maken, zodat we ons doel ook kunnen bereiken.

Over de dienstenrichtlijn wil ik graag een ding kwijt: wij zullen vanmiddag waarschijnlijk over Roemenië en Bulgarije stemmen. Tegen iedereen die bij de Raad tegen deze richtlijn heeft geprotesteerd, wil ik alleen maar zeggen dat we bij de tien lidstaten problemen hebben over de dienstenvrijheid, omdat het niet was geregeld in de toetredingsverdragen. We mogen deze fout nu niet herhalen en andere landen hiervoor gaan straffen, integendeel, we moeten het vrij verrichten van diensten corrigeren in het concept voor Bulgarije en Roemenië, zoals iedereen wil die daar voorstander van is. Anders krijgen we met hetzelfde probleem te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Bersani (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de beslissingen van de Voorjaarstop lijken goed, maar we weten dat de feiten uiteindelijk doorslaggevend zullen zijn. In onze beslissingen liggen grote kansen, maar ook risico’s besloten. Kort gezegd kennen wij aan het besluitvormend orgaan nieuwe verantwoordelijkheden toe en we moeten ervoor zorgen dat deze verantwoordelijkheden worden ingezet met het oog op integratie en niet op verbrokkeling.

De omgezette richtlijnen en de nationale hervormingsplannen mogen niet alleen algemene toezeggingen blijven, maar moeten berusten op werkelijke keuzen, die onderling afgestemd en meetbaar zijn. Het Pact moet merkbaar flexibeler worden en worden beheerd met het oog op uitsluitend de groei, aan de hand van solide gemeenschappelijke criteria. In dat verband ligt het Italiaanse geval moeilijk. Wij vragen de regering, de Commissie, de Raad en Eurostat hun taak serieus, transparant en loyaal te vervullen: de Italianen hebben recht op duidelijke, waarheidsgetrouwe informatie over de overheidsfinanciën, dat wil zeggen hun toekomst.

Na de beslissingen van de Voorjaarstop wordt de situatie sowieso anders: als we niet meer Europa krijgen, dan wel minder. Daarom is het zo belangrijk dat de keuzen integratie kunnen garanderen en dus de rol van de Commissie bij de coördinatie van het macro-economisch beleid, de verbetering van de statistische grondslagen, de betrokkenheid van de nationale parlementen, de daadwerkelijke integratie van de nationale en Europese programmeringsinstrumenten, de soliditeit van de begroting van de Unie, de investeringen in infrastructuur en onderzoek, de Europese dimensie, enzovoort. Aan al die punten moeten we hard werken. Voor nu: complimenten voor het Luxemburgse voorzitterschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Toubon (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil de heer Juncker, fungerend voorzitter van de Raad, en de heer Barroso, voorzitter van de Commissie, zijn collega's en niet te vergeten de staatshoofden en regeringsleiders complimenteren. Dankzij u heeft Europa tijdens de Europese Raad van 22 en 23 maart weer een stap voorwaarts kunnen zetten. Waarschijnlijk was deze Raad qua vorm en inhoud een van de beste die ik ooit heb meegemaakt.

Deze Raad heeft oplossingen aangedragen voor enkele vraagstukken die al lange tijd actueel waren. Ten eerste is het Stabiliteitspact op intelligente wijze hervormd; in de politiek, ook de Europese politiek, hebben we intelligentie nodig. Vervolgens zijn er verbeteringen doorgevoerd en nieuwe beleidslijnen opgesteld zodat de huidige wetgeving evenwichtiger wordt. Daarbij denk ik aan de dienstenrichtlijn en aan REACH. Verder is aandacht besteed aan het milieu, nu het Protocol van Kyoto in werking treedt. Tot slot is er gesproken over onze betrekkingen met China en de Europese inspanningen op het gebied van onderzoek. Ik wil in het bijzonder wijzen op de historische beslissing om met ITER te starten.

Wat dit betreft hoop ik dat de Europese Unie niet te lang wacht op de goede wil van Japan; we kunnen met de Japanners onderhandelen, mijnheer de Voorzitter, mits het project op 14 juli wordt gelanceerd, want deze kwestie is essentieel voor Europa, voor de toekomst van de energievoorziening en voor de jongeren, dat wil zeggen degenen die over dertig of vijftig jaar op dit continent zullen wonen.

Mijnheer de Voorzitter, daarom sta ik volledig achter de gezamenlijke resolutie waarin het Parlement zich positief over deze Europese Raad uitlaat. Het was inderdaad een uiterst belangrijke en uiterst positieve bijeenkomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Myller (PSE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, het goede nieuws van de Voorjaarstop was dat er werd besloten een strategie voor de lange termijn op te stellen om broeikasgasemissies te reduceren. Er werd ook besloten om het stellen van bindende doelen voor de middellange en lange termijn te overwegen. Het is beslist noodzakelijk dat er nu stappen worden genomen om ambitieuze voorstellen te doen voor de periode na 2012.

Helaas heeft de recente geschiedenis aangetoond dat het voor de Europese Unie aanzienlijk makkelijker is ambitieuze doelen te stellen en goed te keuren dan deze ook ten uitvoer te leggen. Als wij een nieuw succesvol begin voor de strategie van Lissabon nastreven, moet er op elk beleidsterrein nieuw leiderschap in de Europese Unie worden gevonden. Wij moeten naar het belang van de Gemeenschap kijken, ons aan de afgesproken besluiten houden en zodanig handelen dat alle lidstaten meerwaarde aan de Europese samenwerking ontlenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Oomen-Ruijten (PPE-DE). Geachte voorzitter van de Raad en geachte voorzitter van de Europese Commissie, u heeft beiden vandaag een groot deel van uw verklaring aan het proces van Lissabon gewijd. De voorzitter van de Raad deed dat overigens in wat grote lijnen en met nadruk op evenwicht en economische groei, die niet kunnen worden gerealiseerd zonder ecologische en sociale verantwoordelijkheid. Deze drie-eenheid heeft u, mijnheer de voorzitter van de Raad, duidelijk gemaakt bij de integrale benadering die ook in de Raadsconclusies tot uiting komt. Tevens betuig ik mijn instemming met de manier waarop u aandacht aan het MKB heeft geschonken. Ik heb nog nooit Raadsconclusies gezien waarin de woorden MKB, innovatie en milieu zo vaak zijn genoemd. Voorzitter, in de resolutie waarover het Europees Parlement vandaag stemt, vragen wij om een nieuwe dynamiek in het proces van Lissabon, een nieuwe dynamiek met een focused approach which shows new leadership.

Geachte voorzitter van de Commissie, vervolgens kom ik bij u. Dat leiderschap en die dynamiek kunt u alleen maar waarmaken, wanneer u samen met de lidstaten, de regio's en de sociale partners opereert. Ik heb bij uw presentatie van hedenochtend het gevoel gekregen dat dat "mano in mano", zoals de voorzitter van de Raad het noemde, niet helemaal uit de verf komt. Ik vergis mij wellicht, maar ik heb de indruk dat er veel papieren aan de lidstaten worden opgelegd. Ook heb ik de indruk dat de aandacht voor de “social policy agenda” terugloopt en geen handen en voeten krijgt. Tevens heb ik het gevoel dat dat "mano in mano" met het Parlement, wanneer het gaat om de geïntegreerde beleidslijnen voor werkgelegenheid, te wensen overlaat. Daarover zou ik in de toekomst graag wat overleg zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Hatzidakis (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, het Luxemburgs voorzitterschap is mijns inziens een goed voorzitterschap. Op zijn credit tot nu toe staat het creatief compromis voor het Stabiliteitspact, dat de lidstaten van de Eurogroep in staat stelt voortgang te maken met inachtneming van de regels inzake begrotingsdiscipline, maar ook met de vereiste mate van soepelheid.

Het Luxemburgs voorzitterschap is er tegelijkertijd tijdens de Europese Raad van Brussel in geslaagd om concrete vorm te geven aan de strategie van Lissabon, maar het is wel heel jammer dat geen mogelijkheid werd geboden om voortaan de landen bij de naam te noemen die er niet in slagen deze strategie ten uitvoer te leggen.

Een belangrijk vraagstuk waarmee wij nu in het kader van de strategie van Lissabon geconfronteerd worden, is de dienstenrichtlijn. Ik hoop van ganser harte dat deze op rationele wijze zal worden behandeld, en dat vooral pogingen worden gedaan om de misverstanden de wereld uit te helpen, opdat de mist kan optrekken die ons het zicht belet op de kern van de zaak. Soms heeft men namelijk de indruk dat over iets heel anders gesproken wordt, en dit geldt voor heel de Europese Unie.

Tot slot hoop ik dat het Luxemburgs voorzitterschap in de komende tijd ook succes zal boeken bij een ander vraagstuk waar wij mee geconfronteerd zijn, namelijk de financiële vooruitzichten, en met name de begroting voor het regionaal beleid van de Unie, voor het cohesiebeleid. Dit is een heel omvangrijk en moeilijk vraagstuk. Persoonlijk ben ik van mening dat wij allen gedwongen zullen zijn om voor eind juni tot een akkoord te komen. Als er namelijk geen akkoord komt op Europees vlak, zullen de programma’s van het regionaal beleid daar de dupe van worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sudre (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, de laatste Europese Raad heeft de Europese economie opnieuw een duwtje gegeven in de richting van pragmatisme, flexibiliteit en innovatiestimulansen.

Wat betreft het Stabiliteits- en groeipact ben ik blij dat er gekozen is voor een realistische en soepele houding en niet voor blinde gehoorzaamheid aan regels die zijn opgesteld in een tijd dat de economie sterker groeide dan nu. Uiteraard zijn regels nodig aangezien de stabiliteit van onze gemeenschappelijke munt daarvan afhangt. De hervorming van het Pact is echter positief omdat voortaan het fundamentele beginsel van de eerbiediging van de rechtsstaat niet langer strijdig is met de minimale flexibiliteit die betracht moet worden bij het beheer van de overheidsgelden van de lidstaten. Ik wil voorzitter Barroso en voorzitter Juncker bedanken voor hun scherpzinnigheid en overtuigingskracht met betrekking tot dit netelige onderwerp.

Dit pragmatisme is eveneens toegepast op de ontwerprichtlijn over de liberalisering van de Europese markt voor diensten. De Raad heeft erkend dat de huidige formulering van de richtlijn niet echt bevredigend is en verlangt dat er alles aan wordt gedaan om de interne markt voor diensten volledig operationeel te maken en dat daarbij het Europees sociaal model behouden blijft. Het is niet waar dat de Raad hiermee Frankrijk een plezier heeft willen doen, zoals te vaak door de media is gesuggereerd. De Raad heeft slechts beseft dat het gevaar levensgroot was dat het beginsel van het land van oorsprong tot sociale en fiscale dumping zou leiden. Hij heeft vertrouwd op de wijsheid van het Europees Parlement en zo is er een aanvaardbare oplossing uit de bus gekomen. Dat is precies de houding die de burgers van Brussel verwachten.

De toekomst van onze economie wordt bedreigd als we niet op grote schaal extra investeren in onderwijs en opleiding en in onderzoek en ontwikkeling. Op deze beide terreinen liggen wij ver achter bij onze Amerikaanse en Aziatische partners. De 25 EU-landen hebben bevestigd dat zij de Unie aantrekkelijker willen maken voor investeringen en het scheppen van arbeidsplaatsen, om zo kennis en innovatie te bevorderen en de groei te ondersteunen. Dit zijn ambitieuze doelstellingen die noodzakelijk zijn en realiseerbaar wanneer de politieke wil er is en de lidstaten daarvoor de nodige financiële middelen vrijmaken.

 
  
MPphoto
 
 

  Posselt (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, er klopt helemaal niets van de uitbreidingsstrategie van de Raad. Het Midden-Europese land Kroatië, dat beter voldoet aan de criteria dan menige lidstaat, wordt gediscrimineerd. Roemenië, overduidelijk een Europees land dat echter in de verste verte niet voldoet aan de criteria, wordt er bij wijze van spreken doorheen gejaagd. Oekraïne, weliswaar een Europees land, maar de komende decennia nog niet klaar voor toetreding en ook wij zullen het land de komende jaren nog niet op kunnen nemen, Oekraïne wordt zoet gehouden met sint-juttemis – er wordt geen concrete strategie ontwikkeld. En met een overduidelijk niet-Europees land als Turkije moeten de toetredingsonderhandelingen al dit jaar beginnen.

Ik verzoek de Raad dringend om diep na te denken over deze strategie en er in de eerste plaats voor te zorgen dat per direct, maar uiterlijk op 21 mei, groen licht wordt gegeven voor de toetredingsonderhandelingen met Kroatië en dat de dankzij u, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, opgerichte werkgroep onmiddellijk een resultaat bereikt. In de tweede plaats wil ik vragen om Roemenië en Bulgarije weliswaar op de afgesproken datum te laten toetreden, maar ons wel de kans te geven tot de herfst te wachten tot de voortgangsrapporten beschikbaar zijn. Ten derde wil ik u vragen om de Europese Unie na de toetreding van Roemenië, Bulgarije en Kroatië een lange adempauze te gunnen, zodat zij zich intern kan consolideren – iets wat zij dringend nodig heeft.

Verder wil ik u vragen om in ieder geval te voorkomen dat dit najaar wordt begonnen met de toetredingsonderhandelingen met Turkije, want die vergen te veel van de Europese Unie en rekken haar onnodig. In plaats daarvan moet er een strategie van goed nabuurschap worden ontwikkeld en moet er een concept komen voor Oekraïne. Anders zal ook alles mislukken wat is voortgekomen uit de oranje revolutie, wat ernstige gevolgen zou hebben voor Europa.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Juncker, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Mijnheer de Voorzitter, aan het eind van dit debat, dat voor het grootste deel zeer chaotisch verliep, zou ik graag enkele punten toelichten.

Ik ben blij dat er nauwelijks meningsverschillen waren over de besluiten van de Europese Raad inzake de strategie van Lissabon. Dat lijkt me ook volkomen normaal, consistent en consequent, aangezien – een woord dat sommigen graag zullen horen hier – de resolutie van het Europees Parlement die over de strategie van Lissabon is aangenomen, vrijwel integraal is overgenomen in de conclusies van de Europese Raad. Dat er vandaag toch kritiek te beluisteren valt op bepaalde punten, vloeit voort uit een sterke drang tot zelfkritiek. Dit is mijn constatering!

Ik ben overigens van mening dat het besluit van de Europese Raad over de strategie van Lissabon in ieder geval één credit van onze kant verdient, namelijk dat het een zware verantwoordelijkheid op de schouders van de lidstaten heeft gelegd. In januari, toen wij over dit onderwerp debatteerden, waren wij het erover eens dat het de nationale regeringen zijn die ervoor moeten zorgen dat de strategie van Lissabon een succes wordt, niet alleen voor alle landen afzonderlijk, maar ook voor Europa als geheel.

De nationale regeringen zullen voortaan verantwoording over de nationale hervormingsprogramma’s moeten afleggen tegenover hun eigen parlementen, de Raad zal verantwoording moeten afleggen tegenover het Europees Parlement en de Commissie zal de rol spelen die zij altijd heeft gehad, namelijk een faciliterende en stimulerende, een rol die inhoudt dat alle lidstaten even geestdriftig worden meegevoerd in het proces dat moet leiden tot het halen van de doelstellingen van de strategie van Lissabon, die bedoeld is om ervoor te zorgen dat het Europees sociaal model ook in de toekomst nog bereikbaar is voor het grootste deel van de Europeanen.

Ik merk dat er binnen bepaalde fracties die meer oecumenisch dan katholiek zijn, zeer verschillend wordt gedacht over wat de hoofdlijnen van het Europees politiek beleid moeten zijn. Mijnheer Radwan, het sluiten van een compromis over het Stabiliteitspact is gemakkelijker dan het op één lijn krijgen van de fractie waartoe u behoort. Ik heb dat zowel gisteren als vandaag gemerkt.

(DE) Over het Stabiliteitspact wil ik graag kwijt dat ik heel verbaasd ben dat alle tussenstadia van de hervorming ervan met dezelfde retorische felheid en commentaren worden begeleid. Toen enkele regeringen voorstelden om hele kostenposten uit het Stabiliteitspact te halen, klonk de kritiek precies zoals nu, hoewel het niet is gebeurd! Daar klopt iets niet. Het preventieve gedeelte van het Pact werd aanzienlijk versterkt. Waarom was dit nodig? Omdat het oude Pact – en ik was in grote mate betrokken bij de totstandkoming daarvan – dit aspect gewoon op onverantwoorde wijze heeft verwaarloosd. Sommige regeringen hebben in zogenaamde goede tijden ook niet het juiste beleid gevoerd om hun financieringstekort en schuldenlast te verminderen. Dit kan natuurlijk verbeteren na een aantal verkiezingen die voor de deur staan, maar ik betwijfel dat ten zeerste.

Aan het correctieve gedeelte van het Pact hebben we eigenlijk maar weinig veranderd ten opzichte van wat het Verdrag en het Stabiliteitspact hierover zeggen. Voor degenen die het idee hebben dat het Stabiliteitspact betekent dat 3,0 procent ook echt 3,0 procent is, dat landen die een tekort van meer dan 3,0 procent hebben een proces aan hun broek krijgen en dat aan deze landen sancties worden opgelegd als ze het jaar daarop weer niet onder de grens van 3,0 procent komen, voor hen voldoet de hervorming van het Stabiliteitspact natuurlijk niet aan de verwachtingen. Hiervoor zouden behoorlijk wat wijzigingen in het Verdrag nodig zijn geweest wat tot gevolg zou hebben gehad dat wij ons op belangrijke punten niet meer aan het oude Stabiliteitspact hadden kunnen oriënteren.

In het Verdrag staat niet dat elk tekort boven de 3 procent een buitensporig tekort is. Wie dit zegt, interpreteert het Verdrag verkeerd. Het staat er gewoon niet in, en ik accepteer niet dat men doet alsof dat wel zo is en dat iedereen die weer terug wil naar een correcte interpretatie van het Verdrag nu als stabiliteitszondaar wordt bestempeld. Hoe halen mensen het in hun hoofd dat alleen zij verantwoordelijk zijn voor de interpretatie van het Verdrag en het Pact? Ik lees – en daar moet ik soms zelfs om lachen – dat de Raad, de 25 ministers van Financiën, de 25 staatshoofden en regeringsleiders door de knieën zouden zijn gegaan voor Duitsland en Frankrijk. Dit is volslagen belachelijk en bovendien beledigend voor de overige 23 lidstaten.

(Applaus)

Het is een volledig on-Europese opvatting dat Berlijn alleen maar hoeft op te springen of Parijs een duidelijk signaal hoeft af te geven om de 23 andere regeringen de mond te snoeren. Bovendien is het in tegenspraak met de steeds terugkerende noodzaak om een duurzame relatie in Europa te bereiken en compromisoplossingen te vinden. Ik wil er niet aan denken hoe groot de kritiek in dit Parlement zou zijn geweest, als we met Lissabon geen succes hadden geboekt, als we er niet in waren geslaagd om de evenwichten te bereiken die het Europees Parlement van ons verlangde, of als de hervorming van het Stabiliteitspact volledig zou zijn mislukt! Er zijn mensen die vinden dat het oude Pact zo goed was dat het niet veranderd had hoeven worden. Hiermee is echter geen enkele regering van de 25 lidstaten het eens. De opvatting dat de 25 staatshoofden en regeringsleiders en de 25 ministers van Financiën zich nu begeven in de richting van een tekorten- en schuldenspiraal is volslagen absurd en ik wil dit hier dan ook nadrukkelijk tegenspreken!

(Applaus)

(FR) Mijnheer de Voorzitter, verder is er veel gesproken over de geloofwaardigheid van Europa. Ik geloof dat die soms ernstig bedreigd wordt en ik heb niet goed hoogte kunnen krijgen van de woorden van de heer Watson, van wie ik niet wist of hij zich nu tot mij of tot een groep lidstaten richtte. Ik weiger te geloven dat u mij verwijt dat ik de afgevaardigden van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten er niet toe heb weten te bewegen over alle onderwerpen hetzelfde standpunt in te nemen, omdat ik hier niet de PPE-Fractie vertegenwoordig. Ik vertegenwoordig de Europese Raad.

Tot degenen die ieders aandacht hebben gevestigd op een gebrek aan geloofwaardigheid van Europa, zeg ik het volgende: ik wil de afgevaardigden die vanaf negen uur vanochtend deelnemen aan dit debat, heel hartelijk danken. De bezoekers die het Parlement vandaag hebben bezocht, zullen verbaasd zijn dat er niet meer mensen aanwezig zijn als Europa over belangrijke onderwerpen debatteert.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u wel, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad. Ik hoop – of moet ik zeggen, ik verwacht – dat de kritiek is overgekomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Barroso, voorzitter van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, een paar woorden ter afsluiting. Wat de hervorming van het Stabiliteits- en groeipact betreft moeten wij – als wij een eerlijk debat willen voeren – echt onderkennen dat de problemen niet pas vanaf deze hervorming, maar al langer spelen. Al in november 2003 bestond er geen eensgezindheid meer over het Stabiliteits- en groeipact. Wat wij onlangs gedaan hebben, wat de lidstaten met de actieve steun van het voorzitterschap en de Europese Commissie hebben gedaan, is het bewerkstelligen van een geloofwaardige hervorming van het Pact.

Ik kan u absoluut verzekeren – en ik richt mij vooral tot degenen die uiting hebben gegeven aan hun bezorgdheid, die overigens legitiem is – dat de Commissie deze regels van het Stabiliteits- en groeipact objectief en op voet van gelijkheid tussen alle lidstaten wil toepassen. Ik kan ook garanderen dat de rol van de Commissie door deze hervorming niet is afgezwakt, integendeel. Het aantal situaties waarin de Commissie om advies zal worden gevraagd of zal worden verzocht het initiatief tot een bepaald optreden of bepaalde maatregelen te nemen, is immers aanzienlijk uitgebreid. Wij hebben nu dus een Pact dat met veel meer geloofwaardigheid zal kunnen worden toegepast dan het Pact dat wij kenden vóór deze hervorming.

Wat Lissabon betreft bestaat er – dat heb ik tijdens de discussie van vanochtend gemerkt – eveneens duidelijk een zeer brede consensus over een systeem waarin een krachtiger rol voor governance is weggelegd en beter onderscheid wordt gemaakt tussen hetgeen onder de bevoegdheid van de Unie valt en dat wat op het terrein van de lidstaten ligt. De lidstaten zijn akkoord gegaan met deze grotere rol voor governance, wat, nogmaals, ook de geloofwaardigheid van onze doelstellingen van Lissabon versterkt.

Maar staat u mij ook toe terug te komen op een belangrijk punt van de conclusies van de Europese Raad, dat ik nog niet ter sprake had gebracht in mijn inleiding op dit debat: het ontwikkelingsbeleid in het kader van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen. Tijdens zijn laatste bijeenkomst heeft de Europese Raad de Commissie verzocht zo spoedig mogelijk de laatste hand te leggen aan de standpunten van de Unie met het oog op de belangrijke bijeenkomsten in VN-verband in september aanstaande.

Ik heb het genoegen u te kunnen mededelen dat de Commissie gisteren, hier in Straatsburg, een belangrijk pakket voorstellen heeft aangenomen, dat commissaris Michel en ik overigens ook gisteren al hadden aangekondigd. Het omvat nieuwe doelstellingen voor de middellange termijn, legt een sterker accent op de kwaliteit van de hulp en beoogt een grotere samenhang tussen de beleidsmaatregelen. In dit “ontwikkelingspakket” wordt tevens bijzondere aandacht geschonken aan Afrika beneden de Sahara. Dames en heren, de Commissie kent grote prioriteit toe aan deze voorstellen. Wij werken momenteel actief samen met de lidstaten om deze bijeenkomst over de millenniumdoelstellingen tot een succes te maken en rekenen in sterke mate op uw steun.

Mijnheer de Voorzitter, ik heb dit voorbeeld ook gegeven om een punt te illustreren dat mij belangrijk lijkt, namelijk dat wij echt werken aan praktijkgerichte besluiten. Wij hebben binnen de Europese Raad de doelstellingen en nieuwe instrumenten van de vernieuwde strategie van Lissabon vastgesteld en hebben onlangs de richtsnoeren goedgekeurd betreffende het macro-economisch beleid, het micro-economisch beleid en de werkgelegenheid. Overigens hebben wij die hier ook net voorgelegd aan het Europees Parlement. De Europese Raad heeft een verzoek ingediend inzake ontwikkeling en wij presenteren concrete voorstellen.

Ik ben mij er terdege van bewust dat de aandacht, in de moeilijke periode die Europa nu doormaakt, heel vaak vooral uitgaat naar de controversiële aspecten, naar datgene waar de lidstaten het niet mee eens zijn of waarover geen unanimiteit tussen hen bestaat. Maar wat ik toch zou willen benadrukken, is dat wij, ondanks deze verschillen en soms zelfs tegenstellingen, in staat zijn op zeer belangrijke punten tot overeenstemming te komen, zoals het geval was tijdens de Voorjaarsraad.

Ik sluit mij dus gaarne aan bij wat de fungerend voorzitter van de Raad zojuist heeft gezegd. Hoe zou u reageren als wij hier niet met resultaten zouden zijn gekomen waar ondanks alles een consensus in doorklinkt, en welk signaal zouden wij dan afgeven aan de publieke opinie? Daarom is het, hoewel ik veel van de ongerustheid en bezorgdheid deel die door sommigen van u naar voren is gebracht, nu de vraag of wij het accent moeten leggen op de punten waar geen volledige overeenstemming over bestaat, of dat wij juist de nadruk moeten leggen op hetgeen wij samen kunnen bewerkstelligen.

Want dat is de cultuur van het compromis in Europa en ik hamer daarop. Wij zullen geen stap vooruitkomen in een Europese Unie van 25 landen als wij niet aan onze burgers uitleggen dat men in Europa nooit voor de volle 100 procent kan winnen. Geen enkele lidstaat haalt bij alle standpunten die hij inneemt, de volledige buit binnen. Ons Europa is steeds complexer! Het is dus aan ons, wij die een leidende positie innemen, de Raad, de Commissie en het Europees Parlement, die een politieke rol vervullen, het is aan ons om aan onze medeburgers uit te leggen dat er compromissen gesloten moeten worden, dat Europa staat voor compromis. Europa staat voor samen werken aan doelstellingen die veel belangrijker zijn dan kortetermijnkwesties of nationale gevoeligheden.

Dát is verantwoordelijkheid, en verantwoordelijkheidsbesef is de belangrijkste voorwaarde voor effectief leiderschap, leiderschap waar Europa op dit moment behoefte aan heeft.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad en mijnheer de voorzitter van de Commissie. Tot besluit van het debat zijn zes ontwerpresoluties ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

(De vergadering wordt enkele minuten onderbroken)

SCHRIFTELIJKE VERKLARING (ARTIKEL 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Tot ontzetting van de deelnemers aan de bijeenkomst werd de Europese Raad van 22 en 23 maart beheerst door een punt dat niet op de agenda stond, maar van buitenaf was opgelegd.

De recente opiniepeilingen, die wijzen op een mogelijke overwinning van de nee-stemmers in het referendum over de Europese Grondwet dat op 29 mei in Frankrijk zal worden gehouden, hebben de alarmbel aan het rinkelen gebracht.

Rechtsgezinden en sociaal-democraten hebben de handen ineengeslagen en pleiten haast open en bloot voor actieve inmenging in de Franse campagne.

Het Europees Parlement heeft 8 miljoen euro uitgetrokken om de ja-campagne te steunen en dit is onaanvaardbaar.

Steeds meer staatshoofden en regeringsleiders en andere personen die van oordeel zijn dat ze het stemgedrag van het Franse volk kunnen beïnvloeden, trachten de Fransen te overtuigen van de louter hypothetische, onbestaande "voordelen" van de zogeheten "Europese Grondwet".

De grote werkgeversorganisaties en vakbonden, die onder invloed staan van de sociaal-democraten of van rechts - met het Europees Verbond van vakverenigingen op kop -, lenen zich tot dit project, dat de soevereiniteit van de volkeren schaadt en het neoliberale kapitalisme en het militarisme in de hand werkt.

De Europese Commissie en het Parlement stellen hun beslissingen uit om het nee-kamp niet nog meer gegronde argumenten aan te reiken.

Alle contradicties ten spijt, is een nee-stem in Frankrijk de beste optie!

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER BORRELL FONTELLES
Voorzitter

 

3. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. We gaan nu over tot de stemming.

(Voor uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 

4. Rooster plenaire vergaderingen van het Europees Parlement - 2006
  

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Daul (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, namens de Conferentie van commissievoorzitters wil ik vóór de stemming over het rooster voor onze vergaderperioden in 2006, onze ernstige bezorgdheid kenbaar maken over dit ontwerprooster.

Met dit rooster gaan de verdeling van de vergaderweken van de commissies en het aantal werkdagen van de commissies in 2006 het laagste niveau bereiken sinds 1994, een jaar waarin geen verkiezingen plaatsvonden. Ondanks de toename van de parlementaire werkzaamheden en die van het aantal afgevaardigden, het aantal commissies en het aantal amendementen, weten wij allen dat de medebeslissingsbevoegdheden van het Parlement sinds 1994 zijn toegenomen en dat de parlementaire commissies door de aaneenschakeling van de plenaire vergaderingen in Straatsburg en Brussel en de achterbanweken niet in staat zullen zijn de termijnen te halen die op grond van de regeling inzake meertaligheid gelden voor het goedkeuren en indienen van de verslagen voor de plenaire vergaderingen. Een verhelderend voorbeeld: de verslagen voor de vergadering van 11 en 12 oktober 2006 zullen uiterlijk in juli door de parlementaire commissies moeten worden goedgekeurd.

Willen wij een Parlement dat zijn wetgevende bevoegdheden met de nodige dynamiek uitoefent? Mij lijkt van niet, met dit rooster. En wat de methode betreft zou ik alle afgevaardigden simpelweg willen waarschuwen dat wij in 2006 enorme problemen zullen gaan krijgen, omdat wij het vakantierooster van de Europese school hebben gevolgd.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Daul, afgaande op het applaus begrijp ik dat vele afgevaardigden uw zorg delen. Ik zou u en iedereen erop willen wijzen dat wij op dit moment enkel over het rooster van de plenaire vergaderingen stemmen.

De Conferentie van voorzitters zal zich vervolgens buigen over de verdeling van de weken over de commissies, fracties, enzovoorts. Ik weet dat het allemaal zo goed als vastligt, maar hoe dan ook, bij de stemming van vandaag worden geen vergaderperiodes vastgelegd voor commissievergaderingen maar alleen voor plenaire vergaderingen.

Vóór de stemming over amendement 5

 
  
MPphoto
 
 

  Goebbels (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zou een mondeling amendement willen indienen op het amendement van de heer Alvaro, namelijk eraan toe willen voegen om niet meer op dinsdagen en woensdagen te werken; zo zou ons geld naar huis opgestuurd kunnen worden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Goebbels, ik begrijp de ironie van uw opmerking, maar u stoort de stemprocedure.

 
  
MPphoto
 
 

  Manders (ALDE). Voorzitter, ik had een amendement ingediend op het vergaderrooster met voldoende handtekeningen en voldoende tijd om de hele agenda te verwerpen en het Bureau te vragen om met een nieuw voorstel te komen omdat de commissies nu niet meer kunnen functioneren. Daardoor wordt onze macht als Parlement immers uitgehold. Ik zie dat niet terug in de lijst.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. U hebt een amendement ingediend om het rooster volledig te verwerpen. In de stemprocedure is echter niet voorzien in de mogelijkheid daartoe en daarom is uw amendement niet in stemming gebracht. Alleen partiële amendementen op het rooster komen in aanmerking om in stemming te worden gebracht.

 

5. Financiële gevolgen van de toetreding van Roemenië en Bulgarije
  

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Lewandowski, Janusz (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb op de valreep een – positief – mondeling amendement op het verslag, dat gesteund wordt door de Raad. Het amendement houdt in dat we de verklaring goedkeuren die als bijlage bij het verslag gevoegd is, zoals overeengekomen tijdens de trialoog die op het laatste moment, enkele minuten geleden, gehouden is met de Raad. Deze paragraaf over de gemeenschappelijke verklaring zou nu het verslag als zodanig moeten vervangen. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat er overeenstemming is bereikt met de Raad over de financiële gevolgen van de toetreding van Bulgarije en Roemenië.

Het amendement komt inhoudelijk neer op het volgende: “we hechten onze goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring in de bijlage bij dit verslag, zoals enkele minuten geleden met de Raad is overeengekomen.”

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Kan de Raad de uit het amendement van de heer Lewandowski volgende wijziging bevestigen?

 
  
MPphoto
 
 

  Juncker, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Mijnheer de Voorzitter, na een aantal contacten die wij hebben kunnen leggen, hebben wij, in samenwerking met de leden van het Parlement die zich met dit onderwerp hebben beziggehouden, overeenstemming kunnen bereiken over de financiële en budgettaire voorwaarden voor de toetreding van Bulgarije en Roemenië. Wij hebben zojuist met succes een trialoog afgerond en ik heb met genoegen kunnen constateren dat er op dit punt volledige overeenstemming bestaat. Ik zou allen die hieraan hebben bijgedragen van harte geluk willen wensen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik wil erop wijzen dat dit, als ik het correct interpreteer, betekent dat paragraaf 1 van de ontwerpresolutie niet moet luiden “betreurt dat de Raad geen goedkeuring heeft gehecht” maar “is verheugd dat de Raad zijn goedkeuring heeft gehecht aan de gemeenschappelijke verklaring.“

 
  
MPphoto
 
 

  Poettering (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, we hebben inderdaad een veelbetekenende verklaring van de voorzitter van de Europese Raad gehoord, en ik wil het Luxemburgs voorzitterschap, Jean-Claude Juncker, maar ook de heer Schmit er voor bedanken dat de beperkingen die de Raad tot dusverre had, nu niet meer op tafel liggen en dat de financiële en andere rechten van het Europees Parlement zijn gewaarborgd. Dit is een groot succes.

Voor iedereen die niet weet wat zich de afgelopen uren heeft afgespeeld: onze fractie had gisterenavond besloten dat zij de stemming over de toetreding van Bulgarije en Roemenië wilde uitstellen, omdat de rechten van het Parlement, onze financiële rechten, niet waren gewaarborgd. We zien nu dat het voorzitterschap erin geslaagd is om dit voorbehoud uit de weg te ruimen en daarom zal onze fractie niet vragen om het besluit uit te stellen, maar zal ieder van ons stemmen in overeenstemming met zijn eigen geweten. Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik dank u voor uw inspanningen van de afgelopen uren.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Cohn-Bendit (Verts/ALE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, even een heel simpel voorstel van orde. Hebben wij het recht te weten welk besluit er is genomen? Dat het aan iedereen verteld mag worden, want wij waren er niet bij. Het zou in ieder geval sympathiek zijn als wij mogen weten wat er is besloten.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Er is vooralsnog geen besluit genomen, omdat het Parlement nog niet heeft gestemd.

(Gelach en gemengde reacties)

Er is een amendement ingediend, dat door de Raad is gefiatteerd en dat ik zo-even gepresenteerd heb.

 
  
MPphoto
 
 

  Schulz (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat wat de heer Poettering zojuist heeft gezegd erg nuttig is. Ook al zijn er zeer gespannen en blijkbaar ook zeer heftige discussies geweest, met name gisterenavond in de PPE-DE-Fractie, we kunnen toch overeenstemming bereiken over de te volgen weg.

De fungerend voorzitter van de Raad heeft meegedeeld dat de Raad het voorstel nu accepteert. Voor de heer Cohn-Bendit: in paragraaf 1 van het voorstel waarover dadelijk gestemd gaat worden, staat in de huidige versie dat het Europees Parlement betreurt dat de gemeenschappelijke verklaring die staat in de bijlage van dit ontwerpverslag en volgens welke de drie organen overeenstemming moeten bereiken over de financiële gevolgen van de toetreding van Bulgarije en Roemenië, niet tot stand is gekomen. Dit wordt nu vervangen – en ik zou dat ook als mondeling amendement willen indienen – door de zin dat wij, zoals de fungerend voorzitter van de Raad heeft gezegd, het toejuichen dat er overeenstemming is bereikt, omdat dit betekent dat alle prerogatieven van het Parlement ten aanzien van de Raad zijn gegarandeerd en we dus voor kunnen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik wil er graag nadrukkelijk op wijzen dat de gezamenlijke verklaring van het voorzitterschap en de Raad, die tot nu toe niet was goedgekeurd en die nu goedgekeurd wordt, is opgenomen in de bijlage van de ontwerpresolutie.

 
  
MPphoto
 
 

  Lewandowski, Janusz (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ons mondeling amendement heeft tot doel de resolutie als geheel te vervangen door de verklaring van het Europees Parlement dat het Parlement zijn goedkeuring hecht aan de gemeenschappelijke verklaring in de bijlage bij de resolutie zoals afgesproken tijdens de trialoog van 13 april 2005.

Als u het mij toestaat, zal ik de gemeenschappelijke verklaring voorlezen die het voorzitterschap van de Raad en de onderhandelingsdelegatie van het Parlement zijn overeengekomen; het is slechts een zeer korte verklaring:

“1. Onverminderd het bepaalde in het Ontwerpverdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

a. De vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in vergadering met de Raad bijeen, verklaren dat de bedragen in Titel III "Financiële bepalingen" van de Toetredingsakte, bijgevoegd bij het Ontwerp-Toetredingsverdrag ingediend onder de instemmingsprocedure van het Europees Parlement, vermeld worden onverminderd de rechten van het Parlement en de bevoegdheden en prerogatieven van de begrotingsautoriteit krachtens artikel 272 EG-Verdrag en de relevante bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999.

b. De Raad, de Commissie en het Europees Parlement bevestigen dat de uitgaven die in de artikelen 30-34 in Titel III "Financiële bepalingen" van de Toetredingsakte, bijgevoegd bij het Ontwerp-Toetredingsverdrag, worden geclassificeerd, na 2009 niet-verplichte uitgaven zijn.”

Over de tweede paragraaf waren de gemoederen het meest verdeeld; deze luidt als volgt:

“2. De Commissie bevestigt dat haar voorstel voor een financieel kader voor de periode 2007-2013 gebaseerd is op de veronderstelling dat Bulgarije en Roemenië op 1 januari 2007 toetreden. Het Europees Parlement en de Raad nemen nota van de indicatieve bedragen voor Bulgarije en Roemenië zoals gepresenteerd door de Commissie in maart 2004 en bestudeerd door de Raad in zijn conclusies van 22 maart 2004 betreffende "het financiële pakket voor de toetredingsonderhandelingen voor Bulgarije en Roemenië". De financiering van de toetreding van Bulgarije en Roemenië wordt verzekerd zonder dat dit leidt tot aantasting van de vastleggingen voor bestaande meerjarenprogramma's.

3. Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie herinneren aan het belang van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 voor de werking van de begrotingsprocedure en aan het feit dat de begrotingsprocedure alleen goed kan werken indien alle instellingen zich volledig aan het Akkoord houden.”

Dit is de gemeenschappelijke verklaring die aan de geamendeerde paragraaf is gehecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Böge (PPE-DE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dit hadden we allemaal eerder kunnen hebben.

(Applaus)

Bij de onderhandelingen zijn wij als delegatie van het Parlement tot aan de pijngrens gegaan. Ik ben erg blij dat de Raad op het allerlaatste moment toch heeft kunnen instemmen met deze gemeenschappelijke verklaring, die een verklaring van de Raad en het Parlement moet zijn. Wat betreft de procedure zelf, mijnheer de Voorzitter, zijn mevrouw Dührkop Dührkop en ik net aan het einde van de trialoog het volgende overeengekomen: het mondeling amendement van de voorzitter van de Begrotingscommissie, zoals zojuist voorgelezen – moet ons volledige verslag vervangen. Alleen zo klopt het. Wij willen u vragen om over het voorgelezen mondeling amendement van de heer Lewandowski te stemmen in plaats van over ons verslag. Zo kunnen we garanderen dat het Parlement, oftewel de plenaire vergadering, de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en het Parlement goedkeurt, waarmee de begrotingsrechten overeind blijven.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Juncker, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de heer Böge heeft er terecht op gewezen dat het beter zou zijn geweest, verstandiger, intelligenter en wijzer als we het zojuist genomen besluit eerder hadden kunnen nemen. Ik wil erop wijzen dat dit niet heeft gelegen aan de wil van het voorzitterschap.

(Applaus)

Ik zal aan de drie hoofdsteden, waarmee wij tot vijf minuten geleden moesten onderhandelen, doorgeven dat wij het allemaal betreuren, zowel het Parlement als het voorzitterschap van de Raad.

(Levendig applaus)

 
  
  

(Het Parlement neemt het amendement aan)

 

6. Aanvraag van het lidmaatschap van de Europese Unie door Bulgarije
  

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Stenzel (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, wat betreft artikel 5, lid 3, van het Reglement in verband met het verslag-Van Orden ben ik blij dat de trialoog succes had en dat Bulgarije en Roemenië geen gijzelaar zijn geworden van een touwtrekkerij tussen de Raad en het Parlement.

In verband met amendement 5 bij het verslag-Van Orden vind ik het een schande dat de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie een individuele ondersteuning van afzonderlijke afgevaardigden van onze fractie voor dit amendement heeft omgezet in een amendement namens de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese democraten. Ik beschouw dit als een bewuste politieke manipulatie en ik wil uitdrukkelijk nogmaals onderstrepen dat dit amendement op persoonlijke titel is ondertekend door mijn nationale delegatie. Ik bedank onze fractie en onze voorzitter dat ze de verschillende standpunten ten aanzien van de kerncentrale in Kozloduj respecteren en toestaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik begrijp niet wat uw voorstel van orde inhoudt.

(Gelach en applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Stenzel (PPE-DE). - (DE) Ik heb een beroep gedaan op het Reglement, omdat er op het verslag-Van Orden over Bulgarije waarover we dadelijk gaan stemmen, een amendement is ingediend namens de PPE-DE-Fractie, dat evenwel alleen op persoonlijke titel door individuele afgevaardigden van onze fractie, waaronder mijn delegatie, wordt gesteund. Voordat we over dit verslag gaan stemmen, wilde ik daarop wijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Salafranca, ik hoop dat uw voorstel van orde makkelijker te begrijpen is.

 
  
MPphoto
 
 

  Salafranca Sánchez-Neyra (PPE-DE). - (ES) Ik hoop het ook, mijnheer de Voorzitter, en ik denk dat wanneer ik mijn punt uiteenzet, het gemakkelijk te begrijpen zal zijn, vooral voor iemand die zo snel van begrip is als u.

Mijnheer de Voorzitter, ik wilde eenvoudigweg zeggen dat, in het kielzog van het mondeling amendement op het verslag-Böge/Dührkop waarover we zojuist gestemd hebben, de amendementen onder nummer 2, die betrekking hebben op het positieve advies van de heer Van Orden en dat van de heer Moscovici en die zijn ingediend door onze fractie, geen zin meer hebben, en ik wilde vóór de stemming aankondigen dat we ze gaan terugtrekken omdat ze onverenigbaar zijn met datgene waarvoor we nu net hebben gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Harms (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Stenzel, ik wil ook nog een beroep doen op het Reglement om een misverstand uit de weg te ruimen. Het amendement over de sluitingsdatum van de kerncentrale in Kozloduj hebben wij niet verkeerd ingediend. Ik ben mij er volledig van bewust dat niet de hele Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese democraten dezelfde mening is toegedaan als sommige Oostenrijkse collega’s in deze fractie als het gaat om de naleving van het Protocol over Kozloduj. Zo naïef ben ik niet. Ik wil echter niet dat een procedurefout, die kennelijk op het secretariaat is gemaakt, ervoor zorgt dat dit belangrijke punt in gevaar komt.

Ik wil nogmaals uitdrukkelijk de afgevaardigden bedanken die het initiatief hebben genomen voor de ondersteuning van het amendement over de tijdige sluiting van Kozloduj.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik wil erop wijzen dat het betreffende amendement bestaat en is ingediend door de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie en andere leden.

Over amendement 9

 
  
MPphoto
 
 

  Wiersma (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, op verzoek van de rapporteur, de heer Van Orden, zouden wij het woord “illegale” willen toevoegen voorafgaand aan het woord “houtkap” in de laatste regel van dit amendement.

 
  
  

(Het Parlement neemt het mondelinge amendement op amendement 9 aan)

Vóór de stemming over amendement 7

 
  
MPphoto
 
 

  Wiersma (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een mondeling amendement dat van toepassing is op vier amendementen. In de verslagen van de heer Moscovici en de heer Van Orden, en ook in de aanbevelingen, zouden wij graag een verwijzing laten opnemen naar de briefwisseling tussen uzelf en de voorzitter van de Commissie over het volledig betrekken van het Europees Parlement bij het ophanden zijnde proces, de komende twintig maanden, in verband met vrijwaringsclausules. Het oorspronkelijke amendement is niet nauwkeurig genoeg ten aanzien van het eventuele uitstel. Ik stel daarom voor het amendement te vervangen door een nieuwe tekst, die ik slechts eenmaal zal voorlezen, maar die ook betrekking heeft op de drie andere voorbeelden.

De nieuwe tekst luidt: “... gelet op de uitwisseling van brieven tussen de Voorzitter van het Europees Parlement en de Voorzitter van de Commissie over het volledig betrekken van het Europees Parlement telkens wanneer de inwerkingstelling van de vrijwaringsclausules uit het Toetredingsverdrag overwogen wordt.” Dat zal op alle vier de teksten van toepassing zijn.

 
  
  

(Het Parlement neemt het mondelinge amendement op amendement 7 aan)

Vóór de stemming over de aanbeveling-Van Orden (A6-0082/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Cohn-Bendit (Verts/ALE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, op basis van artikel 170, lid 4, van het Reglement verzoekt de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie om uitstel van de stemming over de instemming betreffende Bulgarije. Ik zal dit op heel eenvoudige wijze toelichten. Wij hebben te maken met twee verschillende situaties: Bulgarije en Roemenië.

Ten aanzien van Bulgarije zijn wij van mening dat er nog een aantal problemen moeten worden opgelost en dat het volgens ons, aangezien het gaat om een toetreding in 2007, geen zin heeft hier vandaag al over te stemmen. De Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie in het Europees Parlement verklaart plechtig dat zij vóór de toetreding is, dat zij niet tegen wil stemmen, maar dat zij met betrekking tot de instemming slechts de keuze heeft uit ja of nee zeggen of niet aan de stemming deelnemen. Aangezien wij geen nee willen zeggen, en aangeven dat wij bijvoorbeeld vanwege de stand van zaken op het gebied van kernenergie in Bulgarije, vandaag nog geen ja kunnen zeggen, verzoeken wij alleen maar om uitstel van de stemming over de instemming, terwijl wij ook graag zouden zien dat er eerst, op basis van het akkoord met de Commissie, een tussentijds verslag komt van de Commissie buitenlandse zaken, zodat wij begin 2006 over de instemming kunnen stemmen, een jaar vóór de toetreding.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Na het horen van de argumenten van de indiener wil ik erop wijzen dat, overeenkomstig ons Reglement, één afgevaardigde voor mag pleiten en een andere tegen.

 
  
MPphoto
 
 

  Watson (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, als de Verts/ALE-Fractie een soortgelijk verzoek indient over Roemenië, zou ik willen vragen om hoofdelijke stemming over een eventueel uitstel.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. We moeten ons aan het Reglement houden. De leden van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie weten wat ze moeten doen. Het zijn volwassen mensen.

Het woord is aan de heer Swoboda die voor is.

 
  
MPphoto
 
 

  Swoboda (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, namens mijn fractie wil ik zeggen dat wij tegen dit verzoek zijn. Het is de heer Cohn-Bendit wellicht ontgaan dat wij de afgelopen weken met de Raad en de Commissie zeer intensief juist dit debat hebben gevoerd.

Zoals is gebleken uit het amendement van de heer Wiersma en met instemming van dit Parlement hebben wij het volgende bereikt: de Commissie en de Raad hebben beloofd – ik wil graag beide noemen en ook commissaris Rehn bedanken – dat wij volledig zullen worden betrokken bij verder overleg en bij de mogelijke toepassing van de clausule die een uitstel van deze toetreding mogelijk moet maken.

Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om de heer Lagendijk hartelijk te danken. Mijnheer Cohn-Bendit, als u uitgebreider met hem had gesproken, had u gemerkt hoe intensief wij ons ook samen met de heer Brok hebben ingespannen en tot een positief resultaat zijn gekomen. Daarom wil ik tegen dit verzoek stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het woord is aan de heer Nassauer die tegen is.

 
  
MPphoto
 
 

  Nassauer (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik ken hier geen enkel serieus te nemen Parlementslid dat geen voorstander is van toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie. Ik ken er wel veel die er problemen mee hebben om hierover vandaag een besluit te nemen, om redenen die de heer Cohn-Bendit zojuist heeft genoemd. Als we het besluit van vandaag uitstellen, kunnen we heel goed duidelijk maken dat we vastbesloten zijn om Bulgarije en Roemenië op te nemen, maar dat wij het volgende voortgangsrapport van de Commissie willen afwachten voordat we hierover definitief een besluit nemen.

(Applaus)

Op deze manier kunnen we tegemoet komen aan veel bezwaren, zonder twijfel te zaaien over onze principiële bereidheid en vastbesloten wil om deze landen in de Europese Unie op te nemen. De overwegingen van de heer Cohn-Bendit vinden dan ook mijn sympathie en begrip.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Van Orden (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, als rapporteur voor Bulgarije ben ik mordicus tegen een eventueel uitstel van de instemmingsprocedure.

(Applaus)

We hebben een oplossing gevonden voor het interinstitutionele probleem betreffende de begroting. Er zijn vrijwaringsclausules opgenomen in het Toetredingsverdrag. Er is geen goede reden om nog langer te wachten met het geven van onze instemming. Mijns inziens zou het getuigen van onverantwoordelijkheid van de kant van dit Parlement als we de zaken vandaag zouden uitstellen. Ik roep het Parlement op vóór instemming te stemmen.

(Applaus)

 
  
  

(Het Parlement verwerpt bij hoofdelijke stemming het verzoek tot uitstel van de stemming over de aanbeveling-Van Orden (A6-0082/2005))

 

7. Verzoek van Bulgarije om toetreding tot de Europese Unie
  

Over amendement 1

 
  
MPphoto
 
 

  Wiersma (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dien hetzelfde herziene amendement in als het amendement op het verslag van de heer Van Orden dat ik eerder heb voorgesteld. Dit is dezelfde tekst die ik aan de aanbeveling zou willen toevoegen.

 
  
  

(Het Parlement neemt het mondelinge amendement op amendement 1 aan)

Vóór de stemming over amendement 3

 
  
MPphoto
 
 

  Salafranca Sánchez-Neyra (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik had de indruk dat u het voorstel van orde had begrepen dat ik eerder heb ingediend en waarin ik verzoek tot terugtrekking van de amendementen onder nummer 2 bij dit positieve advies en bij het positieve advies van de heer Moscovici.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Goed, mijnheer Salafranca, het is ingetrokken dus er hoeft niet over gestemd te worden.

 

8. Verzoek van Roemenië inzake toetreding tot de Europese Unie
  

Vóór de stemming over amendement 2

 
  
MPphoto
 
 

  Wiersma (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is dezelfde tekst die wij hebben overgenomen in de aanbeveling en het verslag van de heer Van Orden. In de twee stemmingen over het verslag en de aanbeveling van de heer Moscovici zal deze tekst opnieuw aan de orde komen.

 
  
  

(Het Parlement stemt in met de indiening van het mondeling amendement bij amendement 2)

 

9. Verzoek van Roemenië om toetreding tot de Europese Unie
MPphoto
 
 

  Cohn-Bendit (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, op basis van artikel 170, lid 4, verzoek ik om uitstel van de stemming over de toetreding van Roemenië. Indien u de resolutie doorleest waarover wij zojuist met overweldigende meerderheid hebben gestemd, leest u dat Roemenië op economisch gebied een ontwikkeling vertoont waarmee wij kunnen instemmen. Als we echter naar de politieke zijde kijken, zoals persvrijheid en corruptie, als we alles serieus nemen wat wij in het verslag zelf hebben vastgesteld, dan zijn we het er toch allemaal over eens dat Roemenië in deze situatie niet kan toetreden!

Wij hebben al vaak gezegd, en zeggen het nu nogmaals, dat wij voorstander zijn van de toetreding en dat we vertrouwen hebben in deze nieuwe regering. We moeten ons alleen afvragen waarom wij het voordeel van de twijfel moeten geven aan een land dat met zulke fundamentele problemen te maken heeft als corruptie en gebrekkige persvrijheid? Dergelijke problemen kunnen in een land niet zo snel worden overwonnen.

Wij verzoeken daarom .....

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

In onze fractie is gezegd dat er alleen voor of tegen dit verzoek mag worden gestemd en dat onthouding niet mogelijk is, net zoals bij een instemmingsprocedure. Ik wil de Voorzitter vragen of het mogelijk is om zich bij een instemmingsprocedure te onthouden van stemming. Tot dusverre was volgens de regels van het Parlement bij een instemmingsprocedure alleen instemming of verwerping mogelijk. Wij zouden graag zien dat het Bureau ons de stemmingsprocedure uitlegt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Deze stemprocedure biedt de mogelijkheid om voor te stemmen, tegen te stemmen, zich van stemming te onthouden of niet aan de stemming deel te nemen.

Het woord is aan de heer Wurtz die tegen het voorstel is.

 
  
MPphoto
 
 

  Wurtz (GUE/NGL). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, Roemenië vertoont wezenlijke tekortkomingen op het gebied van mensenrechten en corruptiebestrijding. De autoriteiten zijn wat dit betreft verplichtingen aangegaan en streng toezicht op de naleving van deze verplichtingen is volgens mij absoluut noodzakelijk. Niettemin denk ik dat de redenen die voor dit uitstel van de stemming worden aangevoerd niet daarop berusten, omdat wij precies hetzelfde verzoek hebben gehoord voor Bulgarije, waar de situatie anders is.

Daarom wil mijn fractie de aandacht vestigen op een van de consequenties van een eventueel uitstel. Dat zou op het allerlaatste moment tegen wil en dank uitdraaien op het afblazen van de ondertekening van het Toetredingsverdrag, die voor 25 april gepland staat. Wij zouden dus tegen wil en dank een boodschap met uiterst gevaarlijke politieke gevolgen overbrengen aan het Roemeense volk. Daarom steunt het overgrote deel van mijn fractie het verzoek om uitstel niet en zal de fractie vóór de instemming stemmen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het woord is aan de heer Voggenhuber die voor het voorstel is.

 
  
MPphoto
 
 

  Voggenhuber (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, voor het eerst in de geschiedenis van de Unie stemmen wij erover of een land twintig maanden voor de geplande toetredingsdatum het groene licht moet krijgen, en dan nog een land – dat is gebleken uit het debat van gisteren – waarin de mensenrechten en de democratische waarden ernstig worden geschonden.

Het staat buiten kijf dat er tegen iedere lidstaat van de Europese Unie waarin zulke ernstige schendingen van democratische waarden en mensenrechten zouden voorkomen, maatregelen zouden worden getroffen conform artikel 7. Dat moge tegenwoordig duidelijk zijn voor iedereen. De grote meerderheid van dit Parlement staat, net als ik, positief tegenover de toetreding van Bulgarije en Roemenië en we kijken uit naar de dag waarop dit kan. Er is echter geen reden om voor de eerste keer in de geschiedenis aan dit land twintig maanden van tevoren een blanco cheque uit te schrijven en de druk op de onderhandelingen weg te nemen. Wij moeten optreden tegen deze ernstige beperkingen van de democratie en de mensenrechten.

In Frankrijk wordt binnenkort een besluit genomen over de Grondwet. We moeten geen signaal afgeven dat ....

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Nicholson of Winterbourne (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, zou het secretariaat-generaal de heer Cohn-Bendit er wellicht aan kunnen herinneren dat het het Europees Parlement was dat 2007 heeft aanbevolen als het jaar waarin Roemenië zou kunnen toetreden en dat derhalve nu het moment is aangebroken om die aanbeveling in daden om te zetten?

 
  
MPphoto
 
 

  Moscovici (PSE), rapporteur.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik geloof inderdaad dat wij op het moment dat de Fransen aan het debatteren zijn over het Verdrag voor de Europese Grondwet, geen sceptisch geluid over de uitbreiding moeten laten horen. De uitbreiding van de Europese Unie is geen verplichting. Het is een project. Een gemeenschappelijke wens. En vooral daarom moeten wij vandaag stemmen. Ik vind uitstel niet gerechtvaardigd. Laat iedereen zich uitspreken over zijn mening, voor of tegen, maar in ieder geval niet voor uitstel.

Maar er is nog een ander, zeer sterk argument. Tijdens de debatten heb ik veel collega’s horen zeggen dat zij bang zijn dat ons Parlement vandaag een blanco cheque tekent of het laatste woord spreekt. Via een briefwisseling tussen u, Mijnheer de Voorzitter, de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Commissie hebben wij juist alle garanties gekregen dat ons Parlement morgen volledig wordt betrokken bij alle besluiten die genomen zullen worden en wij weten dat er een beroep kan worden gedaan op de vrijwaringsclausule. Ik denk dan ook dat alle leden vandaag met volledige kennis van zaken én in alle veiligheid kunnen stemmen, omdat dit Parlement zijn partij volop zal meeblazen in de procedure tussen nu en 1 januari 2007. Ik roep dus op mijn beurt op tot verwerping van dit verzoek om uitstel.

(Applaus)

 
  
  

(Het Parlement verwerpt bij hoofdelijke stemming het verzoek tot uitstel van de stemming over de aanbeveling-Moscovici (A6-0083/2005))

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER VIDAL-QUADRAS ROCA
Ondervoorzitter

 

10. Voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer

11. Harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer

12. Ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten
MPphoto
 
 

  Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil er alleen op wijzen dat het eigenlijk gebruikelijk is dat we om 13.30 uur ophouden met de stemmingen, omdat wij natuurlijk allemaal gasten hebben en ons ook in de aangelegenheden van de burgers moeten verdiepen.

(Applaus)

 

13. Zwavelgehalte van scheepsbrandstoffen

14. Op de markt brengen en het gebruik van tolueen en trichloorbenzeen

15. Jaarlijkse beleidsstrategie van de Commissie (2006)

16. Bijeenkomst van de Europese Raad (Brussel, 22/23 maart 2005)
  

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Swoboda (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, neemt u mij niet kwalijk, maar ik beroep mij op artikel 160. De Groenen hebben gevraagd om een hoofdelijke stemming over een aantal amendementen. We hebben echter afgesproken dat wij ons principieel aan het compromis houden dat wij met de andere partijen hebben gesloten. Daarom zal de socialistische fractie in het Europees Parlement tegen deze amendementen stemmen, hoewel wij het inhoudelijk met veel zaken eens zijn.

 

17. Stemverklaringen
  

- Rooster van de plenaire vergaderingen van het Europees Parlement voor 2006

 
  
MPphoto
 
 

  Duff (ALDE), schriftelijk. – (EN) De ALDE-Fractie heeft een amendement op het vergaderrooster voor 2006 ingediend dat beoogde alle plenaire vergaderingen op donderdagen te laten eindigen rond lunchtijd en de vergaderingen in Brussel op woensdagen om 10.30 uur te laten beginnen. De bedoeling hiervan was het de leden wat gemakkelijker te maken wanneer zij vanuit Straatsburg naar Brussel reizen en de weinig voorstellende vergaderingen op donderdagmiddag af te schaffen. Helaas oordeelden de autoriteiten dat dit amendement niet ontvankelijk was.

 
  
MPphoto
 
 

  Kirkhope (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Mijn Britse conservatieve collega’s en ik steunen reeds geruime tijd pogingen om ervoor te zorgen dat het Europees Parlement slechts één officiële zetel heeft, en wel in Brussel. De kosten die de belastingbetaler moet opbrengen voor de zetel in Straatsburg worden geschat op circa 150 miljoen Britse pond per jaar. Dit is een grove verspilling van publieke middelen. De Britse belastingbetalers verdienen het waar voor hun geld te krijgen. Ons voorstel de werkdagen in Straatsburg te schrappen betekent niet dat wij minder uren willen werken, maar dat we ons werk daar willen uitvoeren waar dat het meest effectief en kostenefficiënt is, namelijk in Brussel. De kosten die gepaard gaan met het in stand houden van parlementaire activiteiten in zowel Straatsburg als Brussel zijn niet langer te verdedigen en wij zullen campagne blijven voeren om het Parlement in de toekomst uitsluitend in Brussel bijeen te laten komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Ik heb een positieve stem uitgebracht omdat de vaststelling van de vergaderperioden in het voorgestelde vergaderrooster borg staat voor de kwaliteit van de parlementaire werkzaamheden, zoals het een instelling als het Europees Parlement betaamt. Dat neemt echter niet weg dat ik met volle overtuiging blijf pleiten voor rationalisatie van de parlementaire werkzaamheden en de bijbehorende kosten en daarom voorstander ben om Brussel als enige, permanente zetel aan te wijzen.

 
  
  

- Verslag-Böge (A6-0090/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het toetredingsproces van Bulgarije en Roemenië moet, net als bij eerdere uitbreidingsronden, gepaard gaan met een realistische evaluatie van de financiële gevolgen. Anders lopen wij het risico dat de uitbreiding gereduceerd wordt tot een geleidelijke afname van het welvaarts- en ontwikkelingsniveau van de lidstaten van de Unie.

Een correcte evaluatie van de financiële gevolgen mag niet geïnterpreteerd worden als een egoïstische daad van degenen die reeds van de Unie deel uitmaken, maar moet veeleer beschouwd worden als voorbeeld van een instelling die blijk geeft van verantwoordelijkheidsbesef.

 
  
  

- Verslag-Van Orden (A6-0078/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, een hartelijk welkom aan de burgers van Bulgarije, die door deze stemming hun wens bekroond zien om deel uit te maken van de Europese Unie. Ik wil niet alleen de burgers en de huidige regering die dit resultaat heeft bereikt gelukwensen, maar ook de inspanningen van de voorafgaande regeringen in herinnering roepen en met name van de regering van Ivan Kostov, die de onderhandelingen met de Europese Unie op gang bracht in de moeilijke begintijd. Tot slot hoop ik dat de gepensioneerden van Bulgarije zich samen met de jongeren en met ons in de Europese Unie zullen inzetten voor een betere wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Vanhecke (NI). Waarde collega's, ik heb met mijn collega's van het Vlaams Belang tegen de verslagen over de toetreding van Bulgarije en Roemenië gestemd, maar ik wil hier voor alle duidelijkheid zeggen dat wij Bulgarije en Roemenië wel degelijk beschouwen als Europese landen die hun volwaardige plaats hebben in onze Europese cultuurgemeenschap en tegenover wie wij bovendien een soort ereschuld voelen omwille van hun decennialange lijden onder de communistische dictatuur. Wij zijn dan ook ervan overtuigd dat die beide landen, Bulgarije en Roemenië, binnen afzienbare tijd in onze politieke gemeenschap welkom zullen zijn, in tegenstelling trouwens tot bijvoorbeeld Turkije. Maar onze vriendschap voor Roemenië en onze sympathie voor Roemenië en Bulgarije mogen niet leiden tot het tekenen van een blanco cheque. We moeten durven zeggen - en dat verklaart ons stemgedrag - dat Roemenië en Bulgarije op zeer vele gebieden, ook op politiek en economisch gebied, helaas nog niet klaar zijn voor een volwaardig lidmaatschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, David (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik ben ingenomen met de keuze van het Europees Parlement in te stemmen met het Bulgaars lidmaatschap van de EU, maar sta erop dat de Bulgaarse autoriteiten de justitiële hervorming voortzetten, want als zij op dat punt ook maar enigszins verslappen, zal het Europees Parlement zijn standpunt heroverwegen.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het toetredingsproces van Bulgarije, dat aan een individuele evaluatie moet worden onderworpen, verloopt in het tempo dat mag worden verwacht voor een land dat nog niet voldoet aan de voorwaarden die nodig zijn om de lidmaatschapsprocedure op gang te brengen.

Zoals verwacht, is Bulgarije nog lang niet klaar om lid van de Europese Unie te worden. Er moeten hervormingen worden doorgevoerd, het land heeft tijd nodig om zich bepaalde gewoonten eigen te maken en er is een aanpassingsproces dat van wetgevende aard is, en en dat zodanig moet worden afgerond, dat de Unie haar karakter niet verliest en Bulgarije geen moeilijkheden ondervindt bij het nakomen van zijn toekomstige, nieuwe verplichtingen.

Dit gezegd zijnde, wijst alles er nochtans op dat Bulgarije binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden zal voldoen. Wij moeten dan ook blij zijn met deze nieuwe stap in de uitbreiding van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Aangezien Bulgarije op 1 mei 2004 in vergelijking met de vijftien toetredingslanden onvoldoende vooruitgang had geboekt, werd de toetreding van het land tot de Europese Unie uitgesteld.

Op dit moment is echter duidelijk gebleken dat Bulgarije belangrijke inspanningen heeft gedaan om de communautaire criteria te halen en de politieke, economische en sociale afstand tot de communautaire ruimte te verkleinen. Met name de vorderingen op politiek vlak en begrotingsgebied moeten Bulgarije de nodige stabiliteit bezorgen om de nog lange en allesbehalve gemakkelijke weg naar de Europese normen verder af te leggen.

Gelet hierop heeft de Europese Raad op 17 december 2004 zijn goedkeuring gehecht aan de toetreding van Bulgarije per 1 januari 2007. De Europese Commissie, die periodieke verslagen heeft gepresenteerd over het verloop van het toetredingsproces, heeft op 22 februari 2005 haar fiat gegeven. Nu is het aan het Parlement om dit voorbeeld te volgen.

Het spreekt vanzelf dat aan de toetreding van een land als Bulgarije voor de Unie onvermijdelijk kosten verbonden zijn. Hopelijk kunnen die worden ondervangen door een steeds doelmatigere verwezenlijking van de interne cohesie en vooral ook door het groeiende vermogen van Bulgarije om relaties aan te gaan en zich in de wereld te positioneren. Kortom, een grotere diversiteit.

Ik heb voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Stenzel (PPE-DE), schriftelijk. - (DE) Ik heb amendement 5 betreffende de kerncentrale in Kozloduj ondertekend namens de Oostenrijkse ÖVP-delegatie, maar niet namens de Europese Volkspartij.

 
  
MPphoto
 
 

  Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. - (EL) De Communistische Partij van Griekenland is tegen de EU, omdat dit een unie is van kapitalistische landen, een unie die de belangen van het kapitaal behartigd en betere voorwaarden probeert te verwezenlijken voor de mededinging met de andere imperialistische centra. Vanuit die optiek bekeken zijn wij ook tegen de toetreding van Bulgarije. Het doel daarvan is het land te annexeren, zijn rijkdommen en economie te plunderen en zijn werknemers uit te buiten. Men wil het land veranderen in een satelliet van de NAVO en in dienst stellen van diens agressief beleid. Wij wijzen wat dit betreft op de loodzware voorwaarden die zijn vastgesteld voor de toetreding van Bulgarije tot de EU.

Het pretoetredingsproces en de restauratie van het kapitalisme hebben reeds geleid tot een toename van de werkloosheid, tot hongerlonen - 61 euro per maand -, prijsstijgingen, armoede en drastische vermindering van de sociale voorzieningen, met alle pijnlijke gevolgen van dien voor de arbeiders en de volksklasse van het land. Anderzijds is de winst van het in de euro verenigd grootkapitaal echter toegenomen.

De Communistische Partij van Griekenland geeft uiting aan haar solidariteit met de arbeidersklasse en het volk van Bulgarije en steunt hen in de strijd tegen het volksvijandige beleid van de EU en tegen de politieke vertegenwoordigers van het kapitaal.

 
  
  

- Verslag-Van Orden (A6-0082/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. De rechtsgezinden en de sociaal-democraten in het Europees Parlement en daarbuiten stellen nog steeds alles in het werk om de toetredingslanden het neoliberale kapitalisme op te leggen.

Het voorbeeld van Bulgarije spreekt in dit verband boekdelen. Het Europees Parlement "is verheugd over" de zogeheten "structurele hervormingen" in het kader van de "markt" en de kapitalistische "concurrentie" die in het land ten uitvoer zijn gelegd. Het toont zich tevens "verheugd" over de "uitbreiding van de particuliere sector" en de "aanzienlijke vooruitgang die is geboekt bij de liberalisering van de belangrijkste bedrijfstakken", maar "verzoekt" Bulgarije "meer flexibiliteit in te voeren op de arbeidsmarkt" en "dringt" er bij de Bulgaarse regering op aan "om het huidige tempo in de privatisering vol te houden". Wat een mondvol!

In het kader van het toetredingsproces zijn nog andere verplichtingen opgelegd die wij onaanvaardbaar achten. Ik denk bijvoorbeeld aan de discriminatie met betrekking tot het verkeer van werknemers en de gelijke toegang tot de communautaire financiering, en aan het bestaan van unilaterale vrijwaringsclausules die kunnen worden toegepast ten koste van de belangen van deze landen, maar niet ten koste van de belangen van andere landen.

De uitbreiding vindt plaats in een politiek en financieel kader waarin geen rekening wordt gehouden met de belangen van Portugal noch met de behoeften van de kandidaat-landen.

Ofschoon wij heftige kritiek hebben op de manier waarop de uitbreiding plaatsvindt, verzetten wij ons niet tegen de toetreding van nieuwe lidstaten zolang de wil van de bevolking gerespecteerd wordt en de Portugese belangen niet in het gedrang komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het ziet ernaar uit dat Bulgarije op 1 januari 2007 klaar zal zijn om toe te treden tot de Europese Unie. Dat blijkt althans uit de uitspraken van de overige communautaire instellingen. Ik ben dan ook van oordeel dat het Europees Parlement zich bij deze beslissingen moet aansluiten en zich publiekelijk moet uitspreken voor de toetreding van Bulgarije tot de Unie.

Los van dit principiële standpunt bestaan er nog enkele onmiskenbare lacunes, met name op justitieel en politieel vlak, die doeltreffend moeten worden aangevuld, zodat de strijd tegen de misdaad kan worden aangescherpt en meer garanties kunnen worden geboden voor transparantie en procedurele waarborgen, hetgeen in een rechtsstaat van essentieel belang is.

Het is tevens belangrijk dat in deze voorbereidingsfase bijzondere aandacht wordt besteed aan de rechten van de etnische minderheden en dat hun identiteit gewaarborgd wordt. Ook zwakke en kwetsbare bevolkingsgroepen als kinderen en ouderen verdienen speciale bescherming, met name in een veranderende maatschappij.

Ik heb voor het verslag gestemd in de hoop dat Bulgarije zich spoedig zal kunnen aansluiten bij de Vijfentwintig, in een Europa dat steeds groter en pluralistischer wordt.

 
  
  

- Verslag-Moscovici (A6-0077/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Ferber (PPE-DE), schriftelijk. - (DE) De leden van de CSU in het Europees Parlement zijn ervan overtuigd dat Roemenië lid moet worden van de Europese Unie. De CSU was er echter altijd voorstander van dat de landen aan bepaalde criteria moesten voldoen alvorens tot de EU te kunnen toetreden. Wij willen niet dat de criteria worden versoepeld en wij vinden dat nu niet kan worden besloten of Roemenië aan alle criteria voldoet.

De Commissie bevestigt in haar jongste voortgangsrapporten dat het nog heel wat voeten in de aarde heeft voordat Roemenië aan de toetredingscriteria voldoet, vooral inzake de bestrijding van corruptie en de oprichting van een justitieel systeem dat functioneert volgens de principes van de rechtsstaat.

De CSU hecht ook veel waarde aan de waarborging van de rechten van het Parlement, zoals vastgelegd in de Verdragen. Dit betreft met name het begrotingsrecht en dit is nu bereikt.

Wij hadden het passend gevonden als het besluit over de toetreding zou zijn uitgesteld tot na het volgende voortgangsrapport van de Commissie. Het feit dat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de geplande toetredingsdatum is nog een verdere rechtvaardiging voor dit uitstel.

Om bovengenoemde redenen kunnen de afgevaardigden van de CSU op dit moment niet instemmen met toetreding van Roemenië tot de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben ons ook nu weer van stemming onthouden, net zoals bij de vorige uitbreiding van de Europese Unie, met uitzondering van Cyprus. In dat concrete geval hebben we voor gestemd uit protest tegen de ongeoorloofde bezetting van het noordelijke gedeelte van het eiland door Turkije.

In principe zijn wij niet gekant tegen de toetreding van nieuwe lidstaten zolang de wil van de bevolking wordt gerespecteerd en de Portugese belangen niet in het gedrang komen.

Ofschoon wij geen duidelijk zicht hebben op de wil van de Roemeense bevolking is het een feit dat de verwachtingen met betrekking tot de toetreding hooggespannen zijn, met name na de enorme inspanningen die de Roemenen hebben moeten leveren om aan de strenge eisen en voorwaarden te kunnen voldoen. Wij vinden die eisen onaanvaardbaar en zijn vooral niet te spreken over de structurele hervormingen, aangezien die privatisering in de hand hebben gewerkt en negatieve gevolgen hebben gehad voor het levenspeil van de bevolking.

Het voorstel om extra voorwaarden op te leggen, zoals hier door verschillende afgevaardigden is gesuggereerd, gaat ons te ver en lijkt ons onaanvaardbaar.

Er gelden overigens al talloze voorwaarden waarmee wij in het geheel niet kunnen instemmen. Ik denk bijvoorbeeld aan de beperkingen die worden opgelegd aan het verkeer van werknemers en aan de schaarse economische middelen die, met name voor de landbouw, ter beschikking worden gesteld.

Tenslotte kunnen wij ons ook niet vinden in de voorstellen voor de nieuwe financiële vooruitzichten waarover thans onderhandeld wordt, aangezien daarin geen rekening wordt gehouden met landen in moeilijkheden zoals Portugal, noch met de behoeften van de kandidaat-landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Isler Béguin (Verts/ALE), schriftelijk.(FR) Marie Anne Isler Béguin heeft het advies van haar fractievoorzitter Daniel Cohn-Bendit om zich uit te spreken vóór uitstel van de stemming van het Europees Parlement over de toetreding van Roemenië, niet gevolgd.

Zij is van mening dat haar stem op geen enkele manier een blanco cheque voor Roemenië inhoudt. Integendeel, dit moet juist een aansporing zijn voor deze toekomstige lidstaat om dubbel zo hard te werken en vaart te zetten achter de hervormingen, met name op het gebied van corruptiebestrijding, bescherming van de burgerrechten, bescherming van etnische minderheden en grensbewaking. Zij wijst erop dat dit de eerste keer zal zijn – en dat dankzij een voorstel van De Groenen, dat is aangenomen door de Commissie buitenlandse zaken – dat het Europees Parlement volledig betrokken zal worden bij het besluitvormingsproces, met name als de vrijwaringsclausule in werking treedt – een clausule die inhoudt dat de toetreding met een jaar wordt uitgesteld, als een van beide landen in 2007 niet gereed is.

Tot slot is Marie Anne Isler Béguin verheugd dat in het tijdens de plenaire vergadering aangenomen eindverslag een plaats is ingeruimd voor haar amendementen waarin:

- wordt aangedrongen op de vaststelling van duidelijke en bedachtzame coëxistentieregels om de verspreiding van GGO-variëteiten te voorkomen; respectievelijk

- uiting wordt gegeven aan de bezorgdheid van het Europees Parlement over het project in Rosia Montana – en wordt verzocht om voorafgaande en diepgaande studies naar de effecten van het project op het milieu.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Er dient geval per geval bestudeerd te worden of een nieuwe lidstaat al dan niet voldoet aan de eisen voor toetreding, zelfs al is het mogelijk dat verschillende landen op hetzelfde tijdstip toetreden. Dat mag echter niet de belangrijkste factor in het toetredingstraject verhullen, namelijk dat de gestelde criteria realistisch moeten zijn. Dat is de enige manier om te waarborgen dat zowel de Unie en haar lidstaten als de kandidaat-lidstaat ten volle profijt trekken uit de toetreding. Daarvoor is het nodig – ik onderstreep dat hier nogmaals – dat de evaluatie op het juiste moment wordt uitgevoerd en aan objectieve en realistische criteria beantwoordt.

Ik vind het dan ook een goede zaak dat toetreding, indien nodig, kan worden uitgesteld, hetgeen echter niet betekent dat ik wens dat dit gebeurt. Roemenië is om interne politieke redenen later begonnen met het hervormingsproces dan goed is voor het land. Toch doet de ijver waarmee de hervormingen thans ten uitvoer worden gelegd ons hopen en geloven dat Roemenië in staat zal zijn om de aanpassingen af te ronden binnen de termijn die door beide partijen is vastgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het toetredingsproces van Roemenië tot de Europese Unie loopt al sinds 1995. De gevoerde onderhandelingen en de inspanningen van de Roemeense autoriteiten hebben de laatste tijd ingrijpende veranderingen teweeggebracht in de situatie van het land. Daarom heeft de Europese Raad tijdens zijn bijeenkomst van december 2004 besloten de onderhandelingen af te ronden met het oog op de toetreding van Roemenië in 2007.

Ik wil u echter herinneren aan de bezorgdheid die hier ongeveer een jaar geleden is geuit naar aanleiding van het verslag van barones Nicholson of Winterbourne (A5-0103/2004). Ik heb toen uw aandacht gevestigd op een reeks ernstige problemen zoals de alomtegenwoordige corruptie en de niet-naleving van de beginselen van de rechtsstaat, persvrijheid en onafhankelijkheid van het gerechtelijk apparaat. Vanwege deze factoren is Roemenië in 2004 niet samen met de overige ex-Oostbloklanden tot de Unie kunnen toetreden.

Deze ontwerpresolutie draagt mijn goedkeuring weg omdat mijn eigen bezorgdheid over Roemenië grotendeels vervat zit in de zorgpunten die in de tekst geformuleerd worden. De deur van de Europese Unie staat open, maar Roemenië moet beseffen dat het dringend met concrete en doeltreffende oplossingen moet komen om toch in elk geval de ernstigste problemen uit de wereld te helpen.

Ik heb voor het verslag gestemd.

 
  
  

- Aanbeveling-Moscovici (A6-0083/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Hennis-Plasschaert (ALDE), schriftelijk. Vandaag heb ik niet ingestemd met het verzoek van Roemenië voor toetreding tot de EU. Tot mijn spijt, moet ik vaststellen. De nieuwe regering toont immers een enorme politieke inzet en heeft in korte tijd duidelijk gemaakt waar zij voor staat. Dat is goed nieuws. Nu moet die inzet nog worden omgezet in concrete acties waarvan de effecten kunnen worden gemeten. Het is het resultaat dat telt.

Uit alles blijkt dat Roemenië nog veel werk moet verzetten op het gebied van corruptie, bescherming van minderheden, mededinging, staatssteun en milieu. En toch is dit Huis gevraagd om maar liefst 20 maanden voorafgaand aan de toetreding een uitspraak te doen. Dit is nog niet eerder vertoond en de logica daarvan ontgaat me volledig. Juist nu het draagvlak voor de Unie ver te zoeken is en de legitimiteit broos, is het van belang dat de Europese instellingen zich houden aan de gemaakte afspraken.

Ik ben niet tegen de Roemeense toetreding. Roemenië ís Europa en Roemenië wordt lid van de Europese Unie. Ik wil alleen wel dat de toetreding geschiedt op basis van hetgeen wij eerder met elkaar hebben afgesproken.

 
  
MPphoto
 
 

  Maaten (ALDE), schriftelijk. Roemenië heeft dankzij het gebrek aan voortgang onder de vorige socialistische regering nog grote problemen om op tijd klaar te zijn voor toetreding tot de EU in 2007. Vooral de situatie op gebied van corruptie en administratieve en juridische stabiliteit baart grote zorgen. Het lijkt mij alleszins mogelijk dat te zijner tijd een jaar uitstel zal moeten komen. Het Europees Parlement is in de onmogelijke situatie geplaatst om al 20 maanden voor toetreding een oordeel uit te spreken. Op dit moment zien we echter dat de nieuwe regering op schema ligt bij het in praktijk brengen van de gevraagde hervormingen, en dat bovendien de Europese Commissie, recentelijk nog in het geval van Kroatië, een strikte lijn toepast bij de beoordeling van kandidaat-leden. Ik geeft daarom zowel de Roemeense regering als de Europese Commissie het voordeel van de twijfel. Ik hoop dat de voortgang blijft zoals die nu is, want ik zal alleen in dat geval de toetreding van Roemenië in 2007 kunnen blijven steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het Europees Parlement ziet toe op de ontwikkelingen die zich voordoen in landen die formeel belangstelling tonen voor toetreding tot de Europese Unie. Uiteraard geldt dit ook voor Roemenië.

Vanwege de delicate situatie waarin het land zich bevindt en de vertraging die de toetredingsonderhandelingen hierdoor hebben opgelopen, heeft het Parlement de ontwikkelingen van heel dichtbij gevolgd.

Roemenië heeft de afgelopen jaren enorme inspanningen geleverd en belangrijke maatregelen ten uitvoer gelegd. Hopelijk slaagt het erin om nog meer oplossingen aan te dragen, zodat de nationale doelstelling van het land verwezenlijkt kan worden en de toetreding tot de Europese Unie een feit wordt. De verslagen van de Commissie buitenlandse zaken, en met name ook het recente verslag van de heer Moscovici (A6-0077/2005), wijzen in die richting. De nieuwe Roemeense regering die uit de laatste verkiezingen naar voren is getreden, verdient dan ook te worden aangemoedigd en gesteund.

Na de herhaalde vertragingen en de vaststelling dat Roemenië niet klaar was om zich bij de groep van tien landen te voegen die vorig jaar tot de Unie is toegetreden, ben ik ervan overtuigd dat Roemenië, samen met Bulgarije, een van de eerstvolgende landen zal zijn die zich aansluiten bij de Europese Unie, op voorwaarde dat aan de resterende criteria wordt voldaan.

Ik heb voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Fatuzzo (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ook naar aanleiding van de stemming voor de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie wil ik de Roemeense burgers en hun regering complimenteren, gelukwensen en mijn tevredenheid uiten over deze belangrijke stap vooruit op weg naar een betere toekomst. Ik onderstreep met name hoe belangrijk het is dat alle burgers, zowel de gepensioneerde ouderen als de jongeren van Roemenië, zich samen met de regeringen inzetten voor concrete vooruitgang, voor het algemeen belang, in plaats van zich te beperken tot beloften gevolgd door luttele concrete maatregelen, waaraan zoveel regeringen in Europa en de rest van de wereld zich schuldig maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Korhola (PPE-DE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik heb vandaag om de volgende redenen tegen de aanbeveling voor het lidmaatschap van Roemenië gestemd.

Uit alle verslagen blijkt ondubbelzinnig dat Roemenië op belangrijke terreinen nog niet aan de lidmaatschapscriteria voldoet. Het is jammer dat wij niet tot uitstel van het besluit hebben besloten. In deze situatie heb ik geen andere keus dan tegen te stemmen, ook al ben ik in principe warm voorstander van het lidmaatschap van Roemenië. Ik ben echter fel gekant tegen de uitverkoop van de lidmaatschapscriteria, waar het Parlement vandaag met zijn aanbeveling mee heeft ingestemd. Het vasthouden aan de criteria, die gezamenlijk zijn afgesproken en in debatten over de uitbreiding herhaaldelijk aan de Europese burgers duidelijk zijn gemaakt, moet een normaal gebaar zijn en niet iets uitzonderlijks of opmerkelijks. Als wij niet vasthouden aan onze afgesproken principes, komen wij in een situatie terecht waarin wij de representatieve democratie verraden en onze mogelijkheden sterk beperken om ook in de toekomst te eisen dat men zich aan de afspraken houdt.

 
  
MPphoto
 
 

  Hennicot-Schoepges (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn voorstem voor Roemenië toelichten. Ik heb eigenlijk de indruk dat sommigen een heel volk in gijzeling hebben genomen omdat zij meer hebben gelet op hun binnenlandse politieke situatie of de respectievelijke institutionele problemen die wij hadden, terwijl het gaat om de ondersteuning van de inspanningen van Roemenië op weg naar democratie. Deze inspanningen zullen worden verlicht met Europa, dat een zeer belangrijke rol zal moeten spelen.

Ook zou ik de Roemenen duidelijk willen maken dat er binnen de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten een groot aantal afgevaardigden aan hun kant staat en de inspanningen ondersteunt om in Roemenië een echte christen-democratie tot stand te brengen. Ik wil hulde brengen aan de inspirator van de christen-democratie in Roemenië, Cornelia Coposu, die deze partij na de revolutie heeft opgericht. Ik zou eraan toe willen voegen dat de toetreding van Roemenië een aanzienlijke culturele verrijking voor Europa zal zijn.

 
  
  

- Verslagen-Van Orden (A6-0078/2005) en -Moscovici (A6-0077/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Berend (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Het is mijn stellige overtuiging dat Bulgarije en Roemenië tot de EU moeten toetreden. Voor het zover is dienen zij echter te voldoen aan bepaalde criteria, die moeten blijven gelden.

De Raad heeft geweigerd de financiële vooruitzichten aan te passen, ondanks het feit dat het Interinstitutioneel Akkoord dit voorschrijft in het geval van uitbreiding. Dit beschouw ik als een onacceptabele inbreuk op de begrotingsrechten van het Parlement.

De Commissie bevestigt in haar laatste voortgangsrapporten dat beide landen nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name met betrekking tot de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert.

Het zou te vroeg zijn om op dit moment een beslissing over deze aangelegenheid te nemen, gezien het feit dat beide landen nog steeds bij lange na niet aan de toetredingscriteria voldoen en dat de trialoog over de aanpassingen aan de financiële vooruitzichten is mislukt.

Het had de voorkeur verdiend de beslissing ten aanzien van de toetreding uit te stellen totdat de Commissie haar volgende voortgangsrapport heeft gepresenteerd. Een dergelijk uitstel is des te meer gerechtvaardigd omdat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de beoogde toetredingsdatum.

Tot mijn spijt ben ik op dit moment niet in staat om voor toetreding te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Caspary (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Ik herbevestig mijn overtuiging dat Bulgarije en Roemenië tot de EU moeten toetreden. Voor het zover is dienen beide landen echter te voldoen aan bepaalde criteria, die moeten blijven gelden.

De Raad heeft geweigerd de financiële vooruitzichten aan te passen, ondanks het feit dat het Interinstitutioneel Akkoord dit voorschrijft in het geval van uitbreiding. Dit beschouw ik als een onacceptabele inbreuk op de begrotingsrechten van het Parlement.

De Commissie bevestigt in haar laatste voortgangsrapporten dat beide landen nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name met betrekking tot de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert.

Om deze reden juich ik de inspanningen van de nieuwe Roemeense regering ten zeerste toe. Zij zet flinke vaart achter de hervormingen teneinde de door de vorige regering veroorzaakte vertragingen in te lopen.

Het zou te vroeg zijn om op dit moment een beslissing over deze aangelegenheid te nemen, gezien het feit dat beide landen nog steeds bij lange na niet aan de toetredingscriteria voldoen en dat de trialoog over de aanpassingen aan de financiële vooruitzichten is mislukt.

Naar mijn mening had het de voorkeur verdiend om de beslissing ten aanzien van de toetreding uit te stellen totdat de Commissie haar volgende voortgangsverslag heeft gepresenteerd. Een dergelijk uitstel is des te meer gerechtvaardigd omdat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de beoogde toetredingsdatum.

Tot mijn spijt ben ik op dit moment niet in staat om voor toetreding te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Goebbels (PSE), schriftelijk.(FR) Ik denk dat het nooit de bedoeling van de Europese Unie is geweest een exclusieve club voor de rijken te blijven. Ik ben vóór toekomstige uitbreidingen. Natuurlijk hebben Bulgarije en Roemenië hun plaats in de Unie.

Wel betreur ik de manier waarop regeringen, met name die van Chirac, Blair, Schröder en consorten, met deze problematiek omgaan. Gezwollen taal en de hand op de knip lijken het devies te zijn. Wij hebben net een uitbreiding meegemaakt waarbij vooraf niet diep genoeg op de zaken is ingegaan. En nu willen sommige lidstaten ons nieuwe uitbreidingen opleggen met minder geld voor de Europese begroting.

Toch heb ik ja gestemd, omdat ik niet wil dat mijn protesten en die van de tegenstanders van de uitbreiding op één hoop worden gegooid.

 
  
MPphoto
 
 

  Goudin en Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Wij steunen in beginsel de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU. Die toetreding is een natuurlijk gevolg van de uitbreiding met tien nieuwe leden in mei 2004. Een uitgebreidere samenwerking – mits goed geïmplementeerd – kan bevorderlijk zijn voor de economische ontwikkeling, de democratie en de mensenrechten in Europa.

Tegelijkertijd mogen we niet de ogen sluiten voor de grote problemen die de uitbreiding met zich mee kan brengen als de kandidaat-landen niet goed voorbereid zijn. De verslagen van respectievelijk de heer Moscovici en de heer Van Orden bevestigen dat deze problemen groot zijn. Volgens het welwillende oordeel van de Commissie en het Europees Parlement wordt alleen voldaan aan het politieke criterium. Aan het economische of het administratieve criterium wordt niet volledig voldaan, maar dat zal naar verwachting het geval zijn per 1 januari 2007.

Een belangrijk bezwaar tegen de resoluties komt van de Commissie landbouw, die erop wijst dat de kosten van het EU-lidmaatschap van Bulgarije en Roemenië niet zijn opgenomen in de meerjarenbegroting van de EU voor 2007-2013. Dat moet verholpen worden.

Het proces van onderhandelingen en aanpassing aan de EU loopt nu al circa acht jaar, zodat we voor een voldongen feit staan wat het lidmaatschap van deze landen betreft. Tegelijkertijd is het van belang dat het aanpassingsproces mag doorgaan. Als deze landen echter niet aan de voorwaarden blijken te voldoen, moet de Raad niet aarzelen om de toetreding tot de EU met een jaar uit te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gröner (PSE), schriftelijk. (DE) Geen van beide kandidaat-lidstaten heeft de verwachte vooruitgang geboekt bij de invoering van het acquis communautaire. Tijdens de toetredingsbesprekingen was er te weinig oog voor het vraagstuk van de vrouwenrechten met betrekking tot de arbeidsmarkt, de deelname aan sociale processen en het geweld tegen vrouwen. Vooral in Roemenië laat de verbetering van de situatie van kinderen nog zeer veel te wensen over.

Naar mijn mening zijn mensenrechten en deze categorie humanitaire vraagstukken belangrijker dan de problemen die binnen het institutionele kader van de EU-organen zijn geopperd, zoals de begrotingsrechten van het Parlement, waarover pas op het laatste moment een compromis werd gesloten, nadat het Parlement de hakken in het zand had gezet. Verder heb ik al vaker verklaard dat ik niet kan instemmen met een nieuwe uitbreiding voordat de Grondwet van kracht is geworden.

Om deze redenen zal ik tegen toetreding tot de EU van Roemenië en Bulgarije stemmen, met name omdat we nog twintig maanden verwijderd zijn van het jaar 2007, de beoogde toetredingsdatum.

 
  
MPphoto
 
 

  Klaß (PPE-DE), schriftelijk. (DE) We herbevestigen onze overtuiging dat Bulgarije en Roemenië tot de EU moeten toetreden. Voor het zover is dienen zij echter te voldoen aan bepaalde criteria, die moeten blijven gelden.

De Commissie bevestigt in haar laatste voortgangsrapporten dat beide landen nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name met betrekking tot de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert.

Om deze reden juichen wij de inspanningen van de nieuwe Roemeense regering ten zeerste toe. Zij zet flinke vaart achter de hervormingen teneinde de door de vorige regering veroorzaakte vertragingen in te lopen.

Het zou te vroeg zijn om op dit moment een beslissing over deze aangelegenheid te nemen, gezien het feit dat beide landen nog steeds bij lange na niet aan de toetredingscriteria voldoen.

Naar onze mening had het de voorkeur verdiend om de beslissing ten aanzien van de toetreding uit te stellen totdat de Commissie haar volgende voortgangsverslag heeft gepresenteerd. Een dergelijk uitstel is des te meer gerechtvaardigd omdat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de beoogde toetredingsdatum.

Tot onze spijt zijn wij op dit moment niet in staat om voor toetreding te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lauk (PPE-DE), schriftelijk. (DE) ) Ik herbevestig mijn overtuiging dat Bulgarije en Roemenië tot de EU moeten toetreden. Voor het zover is dienen beide landen echter te voldoen aan bepaalde criteria, die moeten blijven gelden.

De Raad heeft geweigerd de financiële vooruitzichten aan te passen, ondanks het feit dat het Interinstitutioneel Akkoord dit voorschrijft in het geval van uitbreiding. Dit beschouw ik als een onacceptabele inbreuk op de begrotingsrechten van het Parlement.

De Commissie bevestigt in haar laatste voortgangsrapporten dat beide landen nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name met betrekking tot de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert.

Om deze reden juich ik de inspanningen van de nieuwe Roemeense regering ten zeerste toe. Zij zet flinke vaart achter de hervormingen teneinde de door de vorige regering veroorzaakte vertragingen in te lopen.

Het zou te vroeg zijn om op dit moment een beslissing over deze aangelegenheid te nemen, gezien het feit dat beide landen nog steeds bij lange na niet aan de toetredingscriteria voldoen en dat de trialoog over de aanpassingen aan de financiële vooruitzichten is mislukt.

Naar mijn mening had het de voorkeur verdiend om de beslissing ten aanzien van de toetreding uit te stellen totdat de Commissie haar volgende voortgangsverslag heeft gepresenteerd. Een dergelijk uitstel is des te meer gerechtvaardigd omdat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de beoogde toetredingsdatum.

Tot mijn spijt ben ik op dit moment niet in staat om voor toetreding te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis (IND/DEM), schriftelijk.(FR) De Franse afgevaardigden in de Fractie Onafhankelijkheid/Democratie hebben tegen de verslagen-Van Orden en -Moscovici gestemd om verschillende redenen, die te maken hebben met de gevolgen daarvan voor Bulgarije en Roemenië, leden van de Internationale Organisatie voor Francofonie en oude vrienden van Frankrijk. Wij hebben deze landen te zeer lief om hen in de eurocratische val te laten lopen, die veel belooft, weinig geeft en het belangrijkste wegneemt – de soevereiniteit.

De “beperkte soevereiniteit” volgens sovjetmodel die de EU oplegt, wordt overigens bestreden door vooraanstaande burgers in deze landen, die niet willen dat hun natie wordt gekocht door EU-subsidies en die oproepen tot steun voor ons “nee”.

Met hen zal het mogelijk zijn om buiten het keurslijf van de EU een Groot Europa tot stand te brengen, dat gebaseerd is op samenwerking die is toegesneden op de belangen van alle deelnemers, ten dienste van de vrijheid der volkeren.

Omgekeerd ontstaat er met de toetreding van Roemenië en Bulgarije een soort corridor naar Turkije, dat voorstander is van de toetreding van Bulgarije. Dit zou de ultieme voltooiing van de ontwikkeling van de EU zijn als een politiek onmachtig, zo niet onderworpen conglomeraat met culturele scheidslijnen.

Deze stem ontkent dus niet het Europese karakter van Bulgarije en Roemenië, landen die altijd al Europees waren.

 
  
MPphoto
 
 

  Manders (ALDE), schriftelijk. Ik heb gemeend tegen verdere uitbreiding te moeten stemmen, niet vanwege de vraag of Roemenië klaar is voor toetreding, maar vanwege het feit dat naar mijn mening de EU zélf niet gereed is voor verdere uitbreiding. Dit blijkt uit de huidige impasses in de besluitvorming en de wantrouwende houding van diverse "oude" lidstaten jegens "nieuwe" lidstaten bij onderwerpen zoals de dienstenrichtlijn. Hierdoor worden nieuwe lidstaten onvoldoende in de gelegenheid gesteld om volledig te profiteren van de Interne Markt. Ongebreideld doorgaan met uitbreiden zonder te verdiepen, zal leiden tot bestuurlijke onmacht en mogelijk zelfs tot een implosie. Hierbij is niemand gebaat, zeker niet de kandidaat-lidstaten die zich de laatste jaren enorm hebben moeten ontzien om te kunnen voldoen aan de gestelde toelatingcriteria. Ik spreek de vurige wens uit dat met de acceptatie van het Grondwettelijk Verdrag, de bestuurlijke slagvaardigheid en de economische absorptie dusdanig zal toenemen dat het zowel voor de EU als voor nieuwe kandidaat-lidstaten gerechtvaardigd is om gezamenlijk te werken aan een verdere uitbreiding. Alleen een vette worst voorhouden en uiteindelijk deze landen afschepen met een dode mus zal leiden tot grote onvrede en dat kan gezien de doelstellingen van politieke stabiliteit en economische voorspoed nooit de bedoeling zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Mulder (ALDE), schriftelijk. Met grote twijfel heb ik voor de toetreding van Bulgarije en Roemenië gestemd. Met grote twijfel omdat de berichten over corruptie in met name Roemenië mij niet geruststellen over de geschiktheid van dit land voor het lidmaatschap van de Europese Unie. De wijze waarop de Raad tot de financiering van de toetreding voor deze twee landen heeft besloten, waarbij het de begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement pas op het laatste moment heeft erkend, doet ook afbreuk aan de noodzaak om twintig maanden van tevoren te besluiten over de toetreding van deze landen. De doorslag geven voor mij echter de geopolitieke voordelen van de toetreding van die landen. Verder heeft de Europese Unie het lidmaatschap jarenlang in het vooruitzicht gesteld en zijn er ingrijpende veranderingen in de wetgeving aangebracht. Het is onzeker welke negatieve reacties een weigering van het lidmaatschap van de Europese Unie zou oproepen. In de toetredingsverdragen zijn bovendien vrijwaringsclausules opgenomen, waarmee de toetreding kan worden uitgesteld. Dit alles bracht mij tot een voorzichtig "ja".

 
  
MPphoto
 
 

  Niebler (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Bulgarije en Roemenië zijn lid van de Europese familie van volkeren en dus ligt hun toekomst in het lidmaatschap van de Europese Unie. Voordat zij tot de EU kunnen toetreden, dienen zij echter aan vastomlijnde criteria te voldoen.

Sinds de ineenstorting van het communisme hebben zowel Bulgarije als in Roemenië inspanningen gedaan om tot hervormingen te komen. Deze inspanningen zijn te prijzen.

Tegelijkertijd blijkt uit de regelmatige voortgangsrapporten van de Europese Commissie dat zowel Bulgarije als Roemenië nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name op gevoelige punten moet nog veel werk worden verzet, zoals de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert. Het hervormingsproces moet doorgaan en dient voor de toetreding te worden afgerond. De beide kandidaat-lidstaten zouden in het belang van beide partijen meer tijd moeten krijgen om de criteria van Kopenhagen ten uitvoer te leggen.

In het licht van deze overwegingen had het de voorkeur verdiend om de beslissing over toetreding uit te stellen tot na het volgende voortgangsrapport en ons daar niet vandaag al op vast te leggen.

Tot mijn spijt ben ik daarom op dit moment niet in staat om voor toetreding te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pack (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Naar mijn overtuiging dienen Bulgarije en Roemenië lid te worden van de EU. Voordat dit gebeurt dienen deze landen echter aan bepaalde criteria te voldoen. Als leden van het Europees Parlement dienen wij erop toe te zien dat deze twee landen aan de criteria beantwoorden. Onze kiezers verwachten dat van ons.

In de laatste voortgangsrapporten van de Commissie wordt bevestigd dat beide landen nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name met betrekking tot de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert.

Om deze reden juich ik de inspanningen van de nieuwe Roemeense regering ten zeerste toe. Zij zet flinke vaart achter de hervormingen teneinde de door de vorige regering veroorzaakte vertragingen in te lopen.

Het zou te vroeg zijn om op dit moment een beslissing over deze aangelegenheid te nemen, gezien het feit dat beide landen nog steeds bij lange na niet aan de toetredingscriteria voldoen.

Naar mijn mening had het de voorkeur verdiend om de beslissing ten aanzien van de toetreding uit te stellen totdat de Commissie haar volgende voortgangsverslag heeft gepresenteerd. Een dergelijk uitstel is des te meer gerechtvaardigd omdat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de beoogde toetredingsdatum.

Tot mijn grote spijt zie ik mij er daarom toe gedwongen om tegen toetreding te stemmen en dat is niet te wijten aan dit Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De toetreding van Bulgarije tot de Europese Unie geniet onze steun. Portugal is zich maar al te goed bewust van de voordelen van zijn eigen toetreding. Daarom moet mijn land zich opwerpen als een van de lidstaten die het beste beseffen welke voordelen er aan deze toetreding verbonden zijn en dit proces het meeste steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Schwab (PPE-DE), schriftelijk. (DE) We herbevestigen onze overtuiging dat Bulgarije en Roemenië tot de EU moeten toetreden. Voor het zover is dienen zij echter te voldoen aan bepaalde criteria, die moeten blijven gelden.

De Commissie bevestigt in haar laatste voortgangsrapporten dat beide landen nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name met betrekking tot de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert.

Om deze reden juichen wij de inspanningen van de nieuwe Roemeense regering ten zeerste toe. Zij zet flinke vaart achter de hervormingen teneinde de door de vorige regering veroorzaakte vertragingen in te lopen.

Het zou te vroeg zijn om op dit moment een beslissing over deze aangelegenheid te nemen, gezien het feit dat beide landen nog steeds bij lange na niet aan de toetredingscriteria voldoen en dat de trialoog over de aanpassingen van de financiële vooruitzichten is mislukt.

Naar onze mening had het de voorkeur verdiend om de beslissing ten aanzien van de toetreding uit te stellen totdat de Commissie haar volgende voortgangsverslag heeft gepresenteerd. Een dergelijk uitstel is des te meer gerechtvaardigd omdat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de beoogde toetredingsdatum.

Tot onze spijt zijn wij op dit moment niet in staat om voor toetreding te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sommer (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Bulgarije en Roemenië dienen lid van de EU te worden. Voor het zover is moeten zij echter aan bepaalde criteria voldoen.

De Commissie stelt in haar laatste voortgangsrapporten vast dat beide landen nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name met betrekking tot de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert.

Om deze reden moeten de inspanningen van de nieuwe Roemeense regering ten zeerste worden toegejuicht. Zij zet flinke vaart achter de hervormingen teneinde het falen van de vorige regering goed te maken.

Gezien het feit dat beide landen nog steeds bij lange na niet aan de toetredingscriteria voldoen en dat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de beoogde toetredingsdatum, ben ik niet in staat om nu al voor toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tannock (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Evenals mijn Britse conservatieve collega’s ben ik voorstander van de toetreding van Roemenië en Bulgarije en betreur ik de pogingen die sommige leden te elfder ure nog ondernemen om niet in te stemmen met toetreding van die landen op grond van interinstitutioneel geruzie en budgettaire overwegingen, waarover nu sowieso al besluiten zijn genomen. Ofschoon de periode van twintig maanden tussen onze instemming en eventuele toetreding op 1 januari 2007 bespottelijk lang is, is het te laat om dit debat nu nog te voeren. Onze positie in dezen had eerder duidelijk gemaakt moeten worden.

Ik ben gerustgesteld door de toezegging van de nieuwe Roemeense regering onder leiding van president Basescu dat corruptie beschouwd zal worden als een bedreiging van de nationale veiligheid en dat er offensief tegen zal worden opgetreden en ook door de toezegging van commissaris Rehn dat het Parlement er volledig bij betrokken wordt als het onwaarschijnlijke besluit zou worden genomen de veiligheidsclausule toe te passen teneinde de toetreding met één jaar uit te stellen.

Als we nu niet onze instemming betuigen, zouden we totaal verkeerde signalen afgeven aan de volkeren en regeringen van Roemenië en Bulgarije en zouden we een ernstige fout begaan. Ik heet beide landen welkom in de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Ulmer (PPE-DE), schriftelijk. (DE) We herbevestigen onze overtuiging dat Bulgarije en Roemenië tot de EU moeten toetreden. Voor het zover is dienen beide landen echter te voldoen aan bepaalde criteria, die moeten blijven gelden.

De Raad heeft geweigerd de financiële vooruitzichten aan te passen, ondanks het feit dat het Interinstitutioneel Akkoord dit voorschrijft in het geval van uitbreiding. Dit beschouwen we als een onacceptabele inbreuk op de begrotingsrechten van het Parlement.

De Commissie bevestigt in haar laatste voortgangsrapporten dat beide landen nog een lange weg te gaan hebben voordat zij aan de toetredingscriteria voldoen, met name met betrekking tot de corruptiebestrijding en het instellen van een rechterlijke macht die volgens de beginselen van de rechtsstaat functioneert.

Om deze reden juichen wij de inspanningen van de nieuwe Roemeense regering ten zeerste toe. Zij zet flinke vaart achter de hervormingen teneinde de door de vorige regering veroorzaakte vertragingen in te lopen.

Het zou te vroeg zijn om op dit moment een beslissing over deze aangelegenheid te nemen, gezien het feit dat beide landen nog steeds bij lange na niet aan de toetredingscriteria voldoen en dat de trialoog over de aanpassingen aan de financiële vooruitzichten is mislukt.

Naar onze mening had het de voorkeur verdiend om de beslissing ten aanzien van de toetreding uit te stellen totdat de Commissie haar volgende voortgangsverslag heeft gepresenteerd. Een dergelijk uitstel is des te meer gerechtvaardigd omdat wij nog twintig maanden verwijderd zijn van de beoogde toetredingsdatum.

Tot onze spijt zijn wij op dit moment niet in staat om voor toetreding te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ebner (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, net als de meeste afgevaardigden ben ik voorstander van een EU met Roemenië en Bulgarije en voorstander van een volledig lidmaatschap van deze landen, maar ik denk wel dat dit op het daartoe geëigende tijdstip en volgens de regels dient te gebeuren. Ik heb mij dan ook in beide gevallen van stemming onthouden omdat ik van mening ben dat in dit geval nog niet wordt voldaan aan de door ons vastgestelde criteria. Dit is overigens een algemeen probleem: de lidstaten houden zich niet aan de criteria van het Stabiliteitspact en de voorwaarden die aan Turkije worden gesteld wijken af van wat we overeengekomen waren. Kroatië moet aan veel strengere eisen voldoen, terwijl men Bulgarije en Roemenië nu vervroegd toestemming wil geven. In mijn ogen zijn we niet voorspelbaar en niet consequent genoeg en daarom onthoud ik mij van stemming.

 
  
  

- Verslag-Markov (A6-0073/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) In zijn gemeenschappelijk standpunt heeft de Raad een aantal amendementen aangebracht op het standpunt van het Parlement in eerste lezing en hij distantieert zich hiermee ook van het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie.

Iedereen lijkt het eens te zijn over de noodzaak om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren, marktverstoring tegen te gaan – gelet op de uiteenlopende arbeidsvoorwaarden in de verschillende landen – en de verkeersveiligheid te vergroten. Daarom moeten er realistische en haalbare controles worden uitgevoerd om te waarborgen dat de voorgeschreven arbeidstijd wordt nageleefd. De Raad is van oordeel dat zich in dit verband ernstige praktische problemen voordoen die een obstakel vormen voor de correcte uitoefening van de verplichte controles langs de weg – althans in de zin van het Commissievoorstel – en de naleving van de richtlijn betreffende de organisatie van de arbeidstijd.

Doel is nu om een moeilijk evenwicht te zoeken tussen enerzijds de noodzakelijke naleving van de regelgeving inzake arbeidsvoorwaarden en rij- en rusttijden (in haar tweejaarlijkse verslagen over de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3820/85 maakt de Commissie gewag van een voortdurende toename van het aantal overtredingen) en anderzijds de tenuitvoerlegging van haalbare en realistische controlemechanismen. De rapporteur heeft zijn best gedaan om het standpunt van het Parlement nader bij het gemeenschappelijk standpunt van de Raad te brengen. Deze verzoenende aanpak verdient mijn steun.

 
  
  

- Verslag-Ries (A6-0057/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben voor deze tweede lezing gestemd ondanks het feit dat wij niet helemaal akkoord kunnen gaan met sommige aspecten van de nieuwe richtlijn betreffende de vaststelling van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten.

Wij pleiten voor maximale energie-efficiëntie en een optimale informatie voor de consument, op voorwaarde dat de nieuwe wetgeving de kleine ondernemingen niet op kosten jaagt.

De richtlijn is van toepassing op toestellen voor dagelijks gebruik zoals haardrogers, wasmachines en computers die samen verantwoordelijk zijn voor bijna 40 procent van de CO2-emissies die in de atmosfeer terechtkomen. Auto’s zijn van deze richtlijn uitgesloten omdat zij onder een speciale wetgeving vallen.

In het verslag worden belangrijke voorstellen gedaan om zowel microbedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen als de consument te beschermen. Nu is het wachten op het standpunt van de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Hoofddoel van dit voorstel is het waarborgen van het vrije verkeer van bepaalde energieverbruikende producten, het verbeteren van hun milieuprestaties en het terugdringen van het energieverbruik. Dit streven draagt mijn goedkeuring weg. Voorwaarde is echter dat dergelijke voorstellen realistisch zijn, anders loopt men het risico dat al deze goede intenties uiteindelijk onuitvoerbaar zijn en de industrie alleen maar overlast bezorgen. Voor dit aspect is gezorgd. Het is van wezenlijk belang dat voorstellen ter verbetering van de milieuprestaties en het energieverbruik evenwichtig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Doel van deze aanbeveling voor de tweede lezing is het vaststellen van eisen inzake het ontwerp voor energieverbruikende producten in elke fase van hun levenscyclus. Het komt er vooral op aan om de negatieve gevolgen van deze producten voor het milieu aan banden te leggen. Aangezien het hier gaat om een zeer belangrijke kwestie, heeft het Parlement in eerste lezing een groot aantal amendementen ingediend, waarvan er enkele bijzondere aandacht verdienen, met name die welke betrekking hebben op de overeenstemmingsbeoordeling van de producten, de eisen inzake ecologisch ontwerp, de vaststelling van geloofwaardige en doeltreffende procedures voor markttoezicht, steunverlening aan kleine en middelgrote ondernemingen en informatie van de consument.

Ofschoon de Commissie en de Raad in het gemeenschappelijk standpunt een deel van de amendementen van het Parlement hebben overgenomen, laten zij een reeks belangrijke zorgpunten buiten beschouwing.

Ik steun het voorstel van de rapporteur omdat het realistisch is en als compromisoplossing een serieuze kans van slagen heeft. Getuige hiervan de opheldering van begrippen als importeur of fabrikant, het voornemen om strengere controle uit te oefenen en anderzijds ook de versterkte aandacht voor het midden- en kleinbedrijf en de vaststelling van een marge om te waarborgen dat de regelgeving kan worden aangepast aan de eigen kenmerken van elke lidstaat.

Ik heb voor de nieuwe amendementen gestemd omdat zij ons in de gelegenheid stellen eerdere standpunten van het Parlement weer op evenwichtige wijze in de tekst op te nemen.

 
  
  

- Verslag-Hassi (A6-0056/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De onstuitbare groei en ontwikkeling van het zeevervoer heeft talloze voordelen, zelfs op milieugebied. Toch moeten er voortdurend maatregelen worden genomen om de negatieve gevolgen ervan voor het milieu in te dijken, aangezien die er altijd zullen zijn. Gelet hierop, en met inachtneming van de belangen en zorgpunten die terecht door Portugal zijn geformuleerd, ben ik van oordeel dat deze richtlijn aan de nodige voorwaarden voldoet en derhalve mijn steun verdient.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het voorstel van de rapporteur ligt in de lijn van het standpunt dat het Parlement in eerste lezing heeft verdedigd. Overeenkomstig de amendementen van het Parlement zou de zwaveluitstoot van zeeschepen ten opzichte van het jaar 2000 met ongeveer 80 procent worden verminderd, terwijl het standpunt van de Raad slechts een daling van 10 procent in het vooruitzicht stelt.

Verder wil ik uw aandacht vestigen op een paar concrete voorstellen. De rapporteur is van oordeel dat er vooruitgang moet worden geboekt in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en dat de Europese Unie daarbij een doorslaggevende rol kan spelen. Zowel de Verenigde Staten als Canada en Mexico hebben reeds duidelijk gemaakt dat zij de IMO-overeenkomsten willen aanscherpen. Ook de Europese Unie moet en kan op dit vlak een steentje bijdragen, temeer gezien de recente ongevallen waardoor zij is getroffen.

Een ander interessant punt is het voorstel van de rapporteur om de ontwikkeling van milieutechnologie te stimuleren door er een markt voor te scheppen. Deze suggesties voorzien in een meer doeltreffende oplossing voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu.

 
  
  

- Verslag-Florenz (A6-0005/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Ik heb mij bij de stemming over de amendementen laten leiden door het feit dat ik mij kan vinden in de zorgpunten – en doelstellingen – die in dit voorstel voor een richtlijn worden geformuleerd. Doel is voldoende harmonisatie tot stand te brengen om de ontwikkeling van de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd de naleving van de regelgeving inzake volksgezondheid en milieu te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) In dit verslag wordt eraan herinnerd dat sommige substanties gevaar inhouden voor de volksgezondheid, of het nu gaat om grondstoffen of tussenproducten.

Uit diverse proeven is gebleken dat tolueen en trichloorbenzeen chemische stoffen zijn die een hoog risico voor de volksgezondheid inhouden.

Het doel van het Commissievoorstel is de beperking van het gebruik van tolueen en trichloorbenzeen en van preparaten die deze stoffen bevatten. De rapporteur heeft slechts één amendement ingediend en beveelt het Parlement aan om het voorstel te steunen.

De Europese Unie heeft steeds bijzondere aandacht besteed aan deze kwesties, die van essentieel belang zijn voor het leven van haar burgers, overeenkomstig artikel 93 van het EG-Verdrag.

Aangezien dit voorstel duidelijk gunstige gevolgen heeft voor de bescherming van de gezondheid van de Europese burgers, heb ik voor gestemd.

 
  
  

- Verslag-Pittella (A6-0071/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Martinez (NI), schriftelijk. – De begroting 2006 vormt het sluitstuk van de begrotings-“planning” voor 2000-2006. Met een bedrag van minder dan 120 miljard euro is de begroting twintig keer lager dan die van de Verenigde Staten, voor een Europa dat een grondwet wil van Amerikaans model, zonder de middelen of zelfs de wil te hebben om het leven van 450 miljoen mannen en vrouwen te veranderen.

Wij zien in deze begroting de bekende litanie van benepen begrotingsthema’s : terug te halen restanten, minimale kredieten voor de Balkan, noodzakelijke klamboes voor kinderen die malaria hebben, financiële uitvoering van de hervorming van het GLB, geneuzel over plattelandsontwikkeling zonder plattelanders, schamele kredieten voor de visserij, enzovoorts.

Een begrotingsstrategie zonder originaliteit, omdat het ontbreekt aan ideeën. Op het vlak van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen bijvoorbeeld denken de begrotingsautoriteiten niet aan een nieuwe systematiek voor de douanerechten, die bijvoorbeeld aftrekbaar gemaakt zouden kunnen worden, waardoor een Afrikaans land dat stortgoederen exporteert in aanmerking zou kunnen komen voor een trekkingsrecht op de invoerende landen ter hoogte van de betaalde douanerechten.

Het was altijd al zo en het is hetzelfde verhaal in 2006: in Brussel is de begrotingsverbeelding niet aan de macht.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De begroting voor 2006 vervult een strategische rol bij het streven naar de instandhouding van de dynamische groei in Europa. Niet alleen omdat deze begroting de laatste is van de huidige financiële vooruitzichten en als strategisch kader fungeert voor de vaststelling van de prioriteiten van het Parlement over de periode 2007-2013, maar ook omdat het jaar 2006 van fundamenteel belang is voor de verwezenlijking van een prioritaire doelstelling, te weten het herstel van de dynamische en duurzame groei in Europa en het scheppen van meer en betere banen.

In 2006 staan Europa enorme uitdagingen te wachten. Er moet niet alleen een concrete invulling worden gegeven aan de financiële behoeften van een Unie van 25 lidstaten, maar bovendien moeten de institutionele en politieke veranderingen die voortvloeien uit het nieuwe Grondwettelijk Verdrag zo efficiënt mogelijk ten uitvoer worden gelegd. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat Europa zijn antwoord op deze uitdagingen onderbouwt met coherente, goed gecoördineerde en voldoende gefinancierde acties. De begroting voor 2006 is doorslaggevend voor het welslagen van deze onderneming.

De Europese uitdagingen voor 2005-2006 beperken zich echter niet tot de consolidatie van de uitbreiding en het nieuwe Verdrag. De Europese Unie zal tevens beslissingen moeten nemen over diverse aan de gang zijnde toetredingsprocessen, zij zal haar rol op het internationale toneel moeten versterken en zij zal met nieuwe maatregelen moeten komen om de strategie van Lissabon nieuw leven in te blazen. Ook voor deze doelstellingen moeten de nodige middelen worden uitgetrokken, zodat zij daadwerkelijk in de praktijk kunnen worden gebracht en naar behoren geconsolideerd kunnen worden.

Ik heb voor het verslag gestemd.

 
  
  

- Verslag-Markov (A6-0076/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Cederschiöld, Fjellner, Hökmark en Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. – (SV) De delegatie van Zweedse conservatieven heeft gestemd tegen de voorstellen over sociale voorschriften in het wegvervoer en over miminumvoorwaarden voor de implementatie van deze voorschriften. Beide voorstellen bevatten uitvoerige, gedetailleerde bepalingen, die de veiligheid op de weg niet noodzakelijk vergroten. Bovendien vinden wij dat vraagstukken betreffende sociale wetgeving in de afzonderlijke lidstaten moeten worden behandeld en dus geen kwesties zijn waar de EU zich mee bezig moet houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lienemann (PSE), schriftelijk.(FR) Naar aanleiding van het verslag van de heer Markov wil ik protest aantekenen tegen de stand van de Europese wetgeving, die absoluut ontoereikend is (zowel voor wat betreft de arbeidstijden als de arbeids- en salarisvoorwaarden) om correcte waarborgen te bieden aan de chauffeurs en voor de veiligheid van ons allen.

De Europese Unie heeft voor een methode gekozen waarbij mogelijke maxima voor de arbeidstijden en een paar sociale minimumvoorschriften worden vastgesteld. Zij biedt overigens de mogelijkheid van betere voorschriften in sommige lidstaten. In de praktijk leidt zo’n systeem echter tot sociale dumping, omdat vrije concurrentie op het gebied van dienstverlening leidt tot benadeling van transportbedrijven in landen waar de sociale wetgeving beter is. Het gevolg is dat het streven naar concurrentie een neerwaartse druk uitoefent op de arbeids- en salarisvoorwaarden in die landen, wat onaanvaardbaar is.

De Europese Unie had voor een andere benadering moeten kiezen, namelijk die van harmonisatie op een hoger in plaats van een lager niveau, via een geleidelijke convergentie van de voorschriften van sociale aard. Deze strategie had een onwrikbare link moeten leggen tussen het vaststellen van een basisniveau (beter dan het niveau waarvoor nu is gekozen) en de verplichting om de voorschriften geleidelijk te harmoniseren op het hoogste niveau. Dit is iets anders dan wat nu is voorgesteld en de situatie die uit de Europese wetgeving voortvloeit zou niet geaccepteerd mogen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Ik heb voor dit verslag gestemd omdat wij bij de stemming over diverse amendementen tot een reeks oplossingen zijn gekomen die beantwoorden aan de specifieke behoeften van een land dat ver verwijderd is van de grote productie- en consumptiecentra, zonder dat de veiligheid in het gedrang komt. Bovendien is deze regelgeving bijzonder voordelig voor de werknemers zelf, aangezien zij baat hebben bij de beoogde flexibiliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Naar verwacht zal dit voorstel worden aangenomen, hetgeen mij ten zeerste verheugt. Verordening (EEG) nr. 3820/85 zal worden ingetrokken. Zij zal vervangen worden door een nieuwe verordening teneinde de huidige regelgeving te verduidelijken, te vereenvoudigen en te actualiseren. Hoofddoel is te voorkomen dat de tekst op verschillende wijzen geïnterpreteerd wordt, aangezien dergelijke individuele interpretaties in het verleden aanleiding hebben gegeven tot talloze gerechtelijke acties. Bovendien wordt er met het oog op een betere toepassing van de verordening een duidelijke omschrijving gegeven van de verplichtingen van de werkgevers en de werknemers.

De rapporteur heeft opnieuw zijn best gedaan om het standpunt van het Parlement te verzoenen met het gemeenschappelijk standpunt van de Raad en op die manier de aanneming van deze belangrijke regelgeving te bespoedigen. De huidige regels zullen ingrijpend gewijzigd worden, met name wat betreft de verplichte dagelijkse rusttijd en de maximale wekelijkse rijtijd en er zal een juridisch kader gecreëerd worden dat de lidstaten in staat stelt sancties op te leggen.

Hopelijk draagt deze aanpak bij aan de verwezenlijking van de hoofddoelstelling: het verbeteren van de verkeersveiligheid.

Samen met de rapporteur wens ik dat er een klimaat van eerlijke concurrentie tot stand komt, waarin garanties worden geboden voor de sociale belangen van de mensen die in het wegvervoer werkzaam zijn. Bij de stemming over de amendementen heb ik mij uitgesproken voor evenwichtige voorstellen waarin rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften en belangen van meer perifere landen zoals Portugal.

 
  
MPphoto
 
 

  Titley (PSE), schriftelijk. (EN) De afgevaardigden van de Labour Party in het Europees Parlement juichen de richtlijn inzake rijtijden voor bestuurders toe. Wij zijn van mening dat deze in hoge mate zal bijdragen aan de verkeersveiligheid.

Wij hadden echter onze aarzelingen bij amendement 11 over koeriersondernemingen.

Hoewel wij beseffen dat er in bepaalde landen wellicht een probleem is, vinden wij dat de voorgestelde oplossing onwerkbaar is, waardoor de richtlijn het onderwerp van controverse zou kunnen worden. Wij hebben er dan ook voor gekozen ons van stemming over dat amendement te onthouden.

 
  
  

- Resolutie (B6-0223/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben tegen de gezamenlijke resolutie over de Voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad gestemd omdat daarin geen rekening is gehouden met de standpunten die wij verdedigen noch met de voorstellen die wij hebben ingediend, waarvan ik hier de belangrijkste noem:

- Neemt nota van het akkoord van de Europese Raad over de hervorming van het Stabiliteits- en groeipact; beschouwt dit akkoord als een impliciete erkenning van het feit dat het Stabiliteits- en groeipact van 1997 negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkgelegenheid, de overheidsinvesteringen en de reële convergentie en derhalve verantwoordelijk is voor de aanhoudende stagnatie van de Europese economie; acht het daarom van essentieel belang dat het Stabiliteits- en groeipact wordt afgeschaft;

- Oefent heftige kritiek uit op het feit dat in de begrotingsevaluaties rekening zal worden gehouden met de “structurele hervormingen”, aangezien dat zal leiden tot perverse anti-sociale maatregelen die de lidstaten ertoe zullen aanzetten de sociale zekerheid en de welvaartsstaat te ontmantelen om geen sancties opgelegd te krijgen in geval van een buitensporig begrotingstekort;

- Onderstreept dat de Raad heeft verklaard dat de huidige versie van het voorstel voor een richtlijn betreffende diensten op de interne markt "niet helemaal voldoet aan de eisen" voor de instandhouding van het Europees sociaal model, maar betreurt het dat de Raad deze gelegenheid niet heeft aangegrepen om het voorstel in zijn geheel te verwerpen.

- Is van oordeel dat de strijd tegen ongelijkheden op gebied van inkomen en het bevorderen van de reële convergentie hoog op de economische en sociale agenda van de Europese Unie moeten worden geplaatst.

 
  
MPphoto
 
 

  Gollnisch (NI), schriftelijk.(FR) Tijdens de Europese Raad van maart jongstleden hebben de leiders van de Europese Unie opnieuw blijk gegeven van hypocrisie, in paniek als ze zijn geraakt bij de gedachte aan een overwinning van het “nee”-kamp bij het Franse referendum.

Ondanks de geruststellende woorden is de richtlijn-Bolkestein niet grondig tegen het licht gehouden of ingetrokken. Hij doorloopt de normale wetgevingsprocedure, met als enige concessie : de Raad van ministers zal tot een consensus proberen te komen. Men doet ons geloven dat er een grote diplomatieke overwinning is behaald, terwijl hier slechts een veertig jaar oude methode wordt toegepast, het “compromis van Luxemburg”.

Ook de hervorming van het Stabiliteitspact, dit schadelijke begrotingskeurslijf, is gezichtsbedrog. Men had de onderhandelingen over de Europese Grondwet aan kunnen grijpen om de criteria van Maastricht, die economisch gezien nauwelijks zin hebben, ingrijpend te veranderen en de Europese Centrale Bank te dwingen vóór alles werkgelegenheid en groei te ondersteunen. Maar niets van dit alles. In plaats daarvan zitten we nu met wat puur cosmetische, minimale aanpassingen en blijft het Pact versterkende en zelfs aanzwengelende effecten hebben op de economische en sociale problemen in onze landen.

Deze kunstgrepen zijn lachwekkend. De steeds verder aangroeiende menigte die negatief tegenover de ontwikkeling van het Europa van Brussel staat, trapt daar heus niet in.

 
  
MPphoto
 
 

  Kirkhope (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Mijn Britse conservatieve collega’s in het Europees Parlement en ik hebben ons van deze stemming onthouden omdat wij het resultaat van de Europese Raad van 22-23 maart ten zeerste afkeuren. Wij blijven de voorzitter van de Commissie steunen in zijn streven naar fundamentele economische hervorming in Europa, maar zijn de mening toegedaan dat zijn inspanningen ernstig zijn ondergraven door de besluiten die de staatshoofden en regeringsleiders tijdens de Europese Raad van maart hebben genomen. De poging om de dienstenrichtlijn af te zwakken uit politieke, op de korte termijn gerichte overwegingen heeft de hervormingsagenda ondermijnd en staat pogingen om het Europese concurrentievermogen te vergroten, in de weg. De voorgestelde wijzigingen in het Stabiliteits- en groeipact laten zien dat politieke factoren prevaleren boven economische overwegingen, waardoor het Pact steeds ongeloofwaardiger wordt.

Wij verwelkomen een aantal elementen van de conclusies van het voorzitterschap, bijvoorbeeld de belofte zich in te zetten voor duurzame ontwikkeling en het Protocol van Kyoto; ook de krachtige bewoordingen waarmee in de resolutie verzet wordt aangetekend tegen het opheffen van het wapenembargo tegen China dragen onze goedkeuring weg. Wij juichen het tevens toe dat men zich sterker bewust is geworden van de dringende noodzaak ons voor te bereiden op een mogelijke grieppandemie.

 
  
MPphoto
 
 

  Lang (NI), schriftelijk.(FR) Anders dan de voorstanders van de Europese Grondwet in Frankrijk beweren heeft de heer Chirac op 23 maart in Brussel helemaal niet gedaan gekregen dat de richtlijn-Bolkestein wordt ingetrokken. De Europese Raad verklaart in zijn officiële verslag dat de richtlijn niet zal worden ingetrokken en geeft zelfs aan dat hij op de Europese agenda moet blijven, omdat de strategie van groei, werkgelegenheid en concurrentie inhoudt dat wij de dienstenmarkt open moeten stellen.

Maar dit is niet de eerste leugen die is verkondigd door de hypocrieten van het ja. De heer Bolkestein heeft het zelf nog gezegd: tot dit jaar had noch de heer Chirac, noch de heer Raffarin enige bedenking geuit tegen zijn richtlijn, die is goedgekeurd door de Franse commissarissen, de socialist Pascal Lamy en de Chirac-adept Michel Barnier. En terecht, want de heer Bolkestein deed niets anders dan uitvoering geven aan een besluit dat in 2000 werd genomen tijdens de Top van Lissabon, waar Frankrijk werd vertegenwoordigd door de heren Chirac en Jospin.

Overigens is deze richtlijn slechts een voorproefje van wat ons te wachten staat als de Europese Grondwet wordt ingevoerd. De artikelen 144, 145 en 148 van de tekst zijn helder. Genoot u al zo van de richtlijn-Bolkestein? Dan zult u helemaal watertanden van de Europese Grondwet.

Door op 29 mei nee te zeggen zullen de Fransen opkomen voor hun banen en hun sociale rechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb vóór de resolutie over de resultaten van de Europese Raad gestemd, maar wil over het Stabiliteitspact nog het volgende kwijt: Ik vind het jammer dat de debatten over de hervorming van het Pact vaak beperkt bleven tot op eigenbelang gerichte pleidooien, en niet het niveau bereikten van objectieve discussies.

Ik heb gewezen op de rampzalige psychologische effecten van deze houding. Niet alleen heeft het beginsel van de gelijke behandeling van de lidstaten hieronder geleden, maar is ook het fundament van een rechtsgemeenschap hierdoor aan het wankelen gebracht.

Het wantrouwen rond deze hervorming is het gevolg van dit gedrag. Het benadrukken van het onaantastbare karakter van gezamenlijk vastgestelde regels zou nuttiger zijn geweest dan de triomfantelijke en vermoeiende verklaringen van verschillende staatshoofden en regeringsleiders na afloop van de Europese Raad. Je kunt je afvragen of iedereen zich wel goed realiseert dat het gaat om het beheer van een gemeenschappelijk goed, de eenheidsmunt.

Ik zou nog eens willen herhalen wat ik afgelopen najaar heb gezegd: ik geef de voorkeur aan een hervormd Pact boven een stervend Pact, omdat het eerste meer wordt gerespecteerd. Om bij deze beeldspraak te blijven constateer ik dat het met het Pact nu beter gaat, maar dat het herstel nog zeer broos is en geen nieuwe trauma’s verdraagt.

 
  
MPphoto
 
 

  Mann, Thomas (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Ik heb voor de resolutie over de Top van de Raad in maart gestemd. Gezien de huidige groei van een magere 1,7 procent en een werkgelegenheidscijfer van 63 procent in plaats van 70 procent waren nieuw prioriteiten dringend noodzakelijk voor het Lissabon-proces.

De kleine en middelgrote ondernemingen, die voor 80 procent van de arbeidsplaatsen en 70 procent van de stageplaatsen verantwoordelijk zijn, zullen waarschijnlijk het meest profiteren van de hernieuwde concentratie op groei en werkgelegenheid. De beschuldigingen dat dit neoliberaal zou zijn, zijn uit de lucht gegrepen, want het doel is niet om de minimumeisen te verlagen, maar om meer en betere banen te scheppen en het Europese sociale model te stabiliseren door investeringen in menselijk kapitaal, moderne sociale bescherming en grotere betrokkenheid van de sociale partners.

Wat dit betreft is het Europees Jeugdpact van belang, met zijn doelstellingen van duurzame integratie in de arbeidsmarkt, verbeterde algemene en beroepsopleidingen en meer mobiliteit voor de jeugd. Voor ouderen is de campagne Actief Ouder Worden van belang omdat de ervaring, de vaardigheden en het prestatievermogen van deze werknemers meer erkenning verdienen. Er moet actie ondernomen worden om deze mensen langer in het arbeidsproces te houden en ze meer gebruik te laten maken van scholings- en trainingsfaciliteiten en er moeten algemene maatregelen worden genomen om onze senioren beter in de samenleving te integreren. Ik vestig daarbij mijn hoop op specifieke voorstellen naar aanleiding van het Groenboek van de Commissie over de demografische situatie in de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. - (EL) De herziening van het Stabiliteitspact en de tussentijdse herziening van de Lissabon-strategie zijn de twee zwepen die met nog meer kracht over de rug van de volkeren, en met name de jeugd, zullen worden gelegd.

Er is een nieuwe, volksvijandige aanval in de maak. Met het herziene Stabiliteitspact worden niet de doelstellingen van het volksvijandig beleid jegens de werknemers herzien. Integendeel, het Stabiliteitspact geeft, samen met de strategie van Lissabon, het grootkapitaal een nog grotere duw in de rug, en willigt de eisen van de Frans-Duitse as in.

Feit is dat de pensioenstelsels worden teruggeschroefd, de collectieve overeenkomsten worden afgeschaft, deeltijd- en tijdelijk werk algemeen van toepassing worden, de arbeidstijd wordt vrijgemaakt, de staatssteun wordt verminderd, minder uitkeringen worden betaald, de markt volledig wordt geliberaliseerd met nieuwe privatiseringen, de door de werkgevers te betalen sociale premies drastisch worden verminderd en particuliere verzekering algemene praktijk wordt. Dat zijn beklonken besluiten, besluiten die rechtstreeks zullen leiden tot vermindering van de lonen en de pensioenen en verhoging van de armoede en de werkloosheid.

Met name het Europees Jeugdpact en de bevordering van scholing en levenslang leren zullen leiden tot levenslange onwetendheid en flexibiliteit, hetgeen het kapitaal goed uitkomt.

De weg voor de volkeren en de jeugd is de weg van het verzet, van de weigering om aan de volksvijandige besluiten van de Europese Raad mee te doen

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Ofschoon ik voor deze resolutie heb gestemd, moet ik toegeven dat de conclusies van de Europese Raad van 22 en 23 maart 2005 mij enigszins ontgoocheld hebben.

Uit zowel de herziening van de strategie van Lissabon als de hervorming van het Stabiliteits- en groeipact blijkt gebrek aan ambitie. De overheidsfinanciën moeten verder gesaneerd worden en er zijn meer doeltreffende investeringen nodig; niemand is gebaat bij nog meer schulden.

Wel was de strategie van Lissabon toe aan een herziening om haar meer realistisch en echt op het concurrentievermogen toegespitst te doen zijn. Banen worden niet bij decreet geschapen, maar door middel van een gezonde economie, en men kan niet zeggen dat de Unie doelbewust die weg is ingeslagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Op het eerste gezicht zal de Europese Raad van Brussel onlosmakelijk geassocieerd worden met de herziening van de criteria van het Stabiliteits- en groeipact, die ten gevolge van herhaalde overtredingen aan verandering toe waren. Het is uiteraard een goede zaak dat de gewijzigde versie niet langer gekenmerkt wordt door de starheid van het vorige model, maar anderzijds mag zij ook niet te vaag blijven, aangezien een gebrek aan duidelijkheid de internationale geloofwaardigheid van de euro en de stabiliteit van de overheidsfinanciën van de lidstaten kan aantasten.

Een ander belangrijk element op de agenda van de Raad was de nieuwe impuls voor de strategie van Lissabon, nu deze halverwege geen resultaat heeft opgeleverd. Mijns inziens is de strategie het slachtoffer geworden van haar eigen ambitie en van het vage, haast retorische karakter van sommige van de beoogde doelstellingen, waarvoor geen concrete, goed bewegwijzerde koers was uitgezet. Aan de ambitie zelf mag niet gesleuteld worden, maar zij moet gepaard gaan met meer realisme.

Ofschoon ik bedenkingen heb bij bepaalde aspecten van de dienstenrichtlijn en met name bij de formulering van en de overdreven waarde die aan het zogenaamde land-van-oorsprongbeginsel wordt gehecht, ben ik van oordeel dat de tekst bijzonder positieve elementen bevat die onze steun verdienen en op Europees niveau in de praktijk moeten worden gebracht.

Ik heb voor de ontwerpresolutie van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten gestemd omdat zij de voornaamste effecten van de voorstellen van de Europese Raad blootlegt en bekritiseert.

 
  
  

(De vergadering wordt om 14.00 uur onderbroken en om 15.05 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER OUZKÝ
Ondervoorzitter

 

18. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

19. Stand van de regionale integratie in de Balkan
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over de regionale integratie op de Westelijke Balkan.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Raad is voortdurend en intensief bezig met de betrekkingen tussen de Westelijke Balkan en de Europese Unie, die zich overigens sterk blijft inzetten voor de stabilisatie en associatie van deze nabuurregio. In het kader van de Europese veiligheidsstrategie heeft deze regio hoge prioriteit bij de Europese Unie, hetgeen naast de civiele aspecten onder meer blijkt uit de politiële en militaire aanwezigheid van de Europese Unie in de Westelijke Balkan.

De toekomst van deze regio ligt in de Europese Unie. Tijdens de Top van Thessaloniki van 21 juni 2003 is de Europese bestemming van de Westelijke Balkan nadrukkelijk bevestigd. De Unie moge zich dan ondubbelzinnig inzetten voor de Westelijke Balkan, het is aan de landen in de regio zelf om hier iets mee te doen. De landen in kwestie moeten door beleidsmaatregelen en acties aantonen dat zij de wil en het vermogen hebben om, als het moment daar is, kandidaat voor toetreding tot de Europese Unie te worden, met de uiteindelijke aansluiting als doel. De Unie zal hen actief blijven ondersteunen bij hun inspanningen om politieke en institutionele hervormingen door te voeren. Dit vereist zonder enige twijfel doorzettingsvermogen en vastberadenheid bij beide partijen, want er liggen nog veel uitdagingen.

Toch kunnen die worden aangenomen en tot een goed einde worden gebracht, want het is in het belang van de volkeren van de Westelijke Balkan, die zeker sombere tijden hebben doorgemaakt, om die handschoen op te nemen. Het is ook in het belang van de Europese Unie om voor deze weg naar Europa te kiezen, omdat vrede en stabiliteit op het Europese continent onze allerbelangrijkste doelstelling moet zijn.

Het stabilisatie- en associatieproces blijft voor de landen van de Westelijke Balkan het algemene kader voor de weg naar Europa en de toekomstige toetreding. Dit proces beoogt de landen in de regio te helpen bij de duurzame totstandbrenging van vrede, democratie, stabiliteit, welvaart en eerbiediging van de rechten van minderheden. Dit zijn precies de doelstellingen van het Europees project, dat vijandige naties na de vreselijkste aller oorlogen heeft weten te verzoenen door hun de gelegenheid te bieden aan een gezamenlijke toekomst te bouwen. Opgemerkt moet worden dat ditzelfde ideaal, deze zelfde visie, ook de ervaring van de laatste uitbreiding heeft verrijkt. Vanochtend hebben wij, heeft uw Parlement in dit opzicht een zeer belangrijk besluit genomen, voor Bulgarije en Roemenië in dit geval.

Aan de hand van de jaarverslagen van de Commissie gaat de Raad jaarlijks na welke vooruitgang de landen van het stabilisatie- en associatieproces hebben geboekt en welke problemen er nog moeten worden opgelost. Dit onderzoek is een belangrijke activiteit, waardoor wij ons ervan bewust blijven dat de Westelijke Balkan voortschrijdt op weg naar de Europese Unie. Zoals afgesproken tijdens de Top van Thessaloniki heeft de Unie in 2004 voor het eerst Europese partnerschappen gesloten met de landen van de regio. Deze zijn, samen met de verslagen over die partnerschappen en over het stabilisatie- en associatieproces, door de Commissie gepresenteerd. Deze partnerschappen, die geënt zijn op die voor de toetreding van de kandidaat-landen, fungeren als individuele, op de specifieke situatie van elk land afgestemde routekaarten, waarin is aangegeven welke maatregelen er precies bij voorrang genomen moeten worden. De Commissie en de Raad volgen de voortgang bij de uitvoering van deze partnerschappen.

De aanpak van de Unie ten opzichte van de Balkan is dus nu al sterk geïndividualiseerd en gebaseerd op het beginsel van de eigen verdiensten van elk land. Alle deelnemers aan de Top van Thessaloniki hebben als uitgangspunt aanvaard dat het tempo waarin de landen in de regio op weg zijn naar de toekomstige toetreding, zal afhangen van het tempo waarin zij de nodige hervormingen zullen doorvoeren en zich zullen conformeren aan de bestaande criteria van Kopenhagen en het stabilisatie- en associatieproces. Landen die beter presteren schieten ook sneller op. Slechts twee landen, Kroatië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, hebben momenteel een stabilisatie- en associatieovereenkomst met de Europese Unie. Kroatië is het eerste land in de regio dat de status van kandidaat-land heeft bereikt.

Het proces zelf heeft dus een algemeen karakter, maar de gevolgde aanpak is die van de eigen verdiensten. Het perspectief van de toetreding, de enige garantie dat al deze landen een ontwikkelingskans hebben, is echter afhankelijk van die aanpak.

Bij zijn laatste beoordeling van het stabilisatie- en associatieproces in mei 2004 toonde de Raad zich ingenomen met de vooruitgang die in de regio is geboekt. Hij heeft kunnen vaststellen dat de veiligheidssituatie zich duurzaam heeft gestabiliseerd. Maar ondanks de in de afgelopen jaren behaalde successen kan de mogelijkheid van ontsporingen, geweld of het opnieuw ter discussie stellen van de fundamentele waarden waarop het proces van de opbouw van Europa is gegrondvest, helaas niet voor eens en voor altijd worden uitgesloten. Daarom moeten wij uiterst waakzaam blijven en steeds bedacht zijn op mogelijke ontwikkelingen. Vrede en stabiliteit zijn geen definitieve verworvenheden in deze regio. De erfenissen van een duister verleden, waarin destructief nationalisme een spoor van verwoesting heeft nagelaten, zijn nog niet helemaal verdwenen.

Het jaar 2005 zal voor de regio het jaar van de grote kansen zijn. Zo zal de Raad er nauwlettend op toezien dat de uitvoering van de kaderovereenkomst van Ohrid in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië niet stokt, een land dat zich kandidaat heeft gesteld voor toetreding tot de Europese Unie. De politieke ontwikkeling in Albanië verdient met name in het licht van de parlementsverkiezingen die deze zomer moeten plaatsvinden, al onze aandacht.

Wat Servië en Montenegro en Bosnië en Herzegovina betreft zou de Raad zich er, onder andere, in dit semester over moeten uitspreken of er voldoende aanleiding bestaat onderhandelingen te openen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst. De onderhandelingen over een dergelijke overeenkomst met Albanië worden voortgezet. En op basis van het advies van de Commissie zal de Raad zich later dit jaar moeten buigen over het toetredingsverzoek van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. Voor Kosovo zal medio 2005 voor het eerst worden nagegaan welke vooruitgang er is geboekt bij de daadwerkelijke naleving van de door de VN vastgestelde normen. Of er verdere stappen kunnen worden gezet in de richting van een proces waarin, in overleg en samenwerking met alle betrokken partijen, de toekomstige status van Kosovo wordt bepaald, zal afhangen van de vraag of de uitkomst van dit onderzoek positief is. Wat Kroatië betreft tot slot zal de Intergouvernementele Conferentie voor de toetredingsonderhandelingen in gemeen overleg bijeen worden geroepen zodra de Raad – en ik hoop dat dat spoedig zal zijn – zal hebben vastgesteld dat Kroatië volledig meewerkt met het Tribunaal van Den Haag.

Onvoorwaardelijke samenwerking met het Tribunaal is een harde eis voor alle geledingen binnen de Westelijke Balkan. Het moet gezegd dat er de laatste tijd reële vooruitgang is geboekt, maar het moet nog beter.

De initiatieven van de Europese Unie ter bevordering van de regionale integratie van de Westelijke Balkan zijn inderdaad van wezenlijk belang, met name op het gebied van infrastructuur, onderwijs, terugkeer van vluchtelingen, criminaliteitsbestrijding en culturele uitwisseling.

De regionale samenwerking ter bevordering van de economische integratie van de regio is een belangrijk instrument bij het stimuleren van de verzoening, het bespoedigen van de hervormingen en vooral het verbeteren van de economische en sociale situatie in deze regio. De endemische werkloosheid, die recordhoogten bereikt en voornamelijk te wijten is aan het gebrek aan particuliere investeringen, is kenmerkend voor bepaalde delen van de Westelijke Balkan en is een van de voornaamste oorzaken van sociale, maar ook van politieke instabiliteit. De Raad hecht dan ook veel belang aan de bevordering van de regionale samenwerking, een van de hoofdelementen van het stabilisatie- en associatiepartnerschap. In mei 2004 toonde de Raad zich in zijn beoordeling van dit proces ingenomen met de aanzienlijke verbeteringen die werden geconstateerd op het gebied van regionale samenwerking, met name op de deelterreinen infrastructuur, handel en energie.

Op de in de vraag genoemde terreinen voert de Commissie bijstandsprojecten uit in het kader van het Cards-programma en, met name wat Kroatië betreft, via de pretoetredingsinstrumenten, die in dit verband bijzonder belangrijk zijn. De Cards-verordening is onder meer gericht op de uitvoering van wederopbouwprojecten en het bieden van hulp bij de terugkeer van vluchtelingen en de stabilisatie van de regio, maar ook op het stimuleren van de regionale samenwerking. Op dit moment zijn er in de Raad besprekingen gaande over het door de Commissie voorgestelde nieuwe financiële instrument voor pretoetredingshulp. Vanaf 2007 zou dit het kader moeten worden voor de bijstand van de Europese Unie aan de kandidaat-landen en potentiële kandidaten, categorieën waar de landen van de Westelijke Balkan onder vallen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rehn, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank het Parlement en de rapporteur, de heer Samuelsen, voor de op de toekomst gerichte ontwerpresolutie over de Westelijke Balkan en voor de betrokkenheid bij deze regio die het Parlement en zijn Commissie buitenlandse zaken aan den dag leggen. Op dit moment boeken de meeste landen in de Westelijke Balkan concrete vooruitgang in hun betrekkingen met de EU. Niettemin zijn er veel problemen die nog om een oplossing vragen en moet de vooruitgang geconsolideerd en versterkt worden.

De jaren 2005 en 2006 zullen van cruciaal belang zijn voor de verhouding van de Westelijke Balkan tot de Europese Unie. We zijn aangekomen bij een echte waterscheiding. We moeten bepaalde kortetermijnproblemen overwinnen om ons te kunnen concentreren op de economische en sociale ontwikkeling op de lange termijn. De meest kritieke kwesties die onmiddellijke aandacht vergen, betreffen de afronding van de werkzaamheden van het Internationaal Tribunaal voor misdrijven in het voormalige Joegoslavië – het ICTY – en de regeling van de toekomstige status van Kosovo.

Als voormalig lid van het Europees Parlement ben ik altijd trots op de indrukwekkende staat van dienst van dit Huis waar het gaat om enerzijds het bepleiten van eerbiediging van de mensenrechten en aanverwante internationale verplichtingen en anderzijds het ondersteunen van het multilaterale systeem dat de Verenigde Naties als uitgangspunt heeft. Daarom ben ik in het bijzonder verheugd over het standpunt van het Europees Parlement zoals dat verwoord is in de paragrafen 37 en 46, waarin de nadruk wordt gelegd op volledige samenwerking met het ICTY, het Internationaal Tribunaal in Den Haag. Deze ondersteuning van de mensenrechten, de rechtsstaat en een op de VN gebaseerd multilateralisme is de reden waarom de Europese Unie haar betrekkingen met de landen in de regio afhankelijk heeft gesteld van samenwerking met het ICTY. Dit najaar, waarschijnlijk in november, zal de Commissie het uitbreidingspakket presenteren en meer in detail verslag doen van de door de landen in de regio gemaakte vorderingen.

Ik wil graag van de gelegenheid gebruik maken om in vogelvlucht te beschrijven hoe de zaken er op dit moment voorstaan wat deze landen betreft. Wanneer ik naar Albanië kijk, deel ik de bezorgdheid over het politieke klimaat waaraan het Parlement uiting geeft in zijn ontwerpresolutie, met name met het oog op de parlementsverkiezingen die deze zomer gehouden worden. Onlangs heb ik in een schrijven aan minister-president Nano onderstreept dat de Commissie uitsluitend zal kunnen voorstellen de onderhandelingen over de stabilisatie- en associatieovereenkomst te voltooien als de parlementsverkiezingen deze zomer in overeenstemming met de internationale normen verlopen. Er dienen ook concrete resultaten te worden behaald in de strijd tegen corruptie en georganiseerde criminaliteit.

Bosnië-Herzegovina is actief bezig de prioriteiten uit te voeren die wij eind 2003 in de uitvoerbaarheidsstudie hebben vastgesteld. Wanneer het land eenmaal significante vorderingen maakt op alle prioriteitsgebieden, kunnen wij de aanbeveling doen onderhandelingen over de stabilisatie- en associatieovereenkomst te openen. Ik hoop dat de komende maand te kunnen doen.

Op het punt van samenwerking met het ICTY is aanmerkelijke vooruitgang geboekt en die trend moet worden versterkt, zodat uiteindelijk sprake zal zijn van volledige samenwerking. Een voorwaarde voor het openen van de onderhandelingen over de stabilisatie- en associatieovereenkomst die in het bijzonder van belang is voor Bosnië-Herzegovina, is de hervorming van het politieapparaat.

De Hoge Vertegenwoordiger en de Unie hebben een grote rol gespeeld in het bevorderen van de stabiliteit en hervormingen in Bosnië-Herzegovina. Mijns inziens is het land echter klaar om meer verantwoordelijkheid voor zijn eigen toekomst op zich te nemen. Het is mijn verwachting dat met de aanstelling van verantwoordelijke, democratisch gecontroleerde autoriteiten in Bosnië-Herzegovina het Bureau van de Hoge Vertegenwoordiger zich soepel en geleidelijk zal kunnen terugtrekken. Het is nu bijna tien jaar geleden dat de vredesakkoorden van Dayton werden gesloten en het wordt tijd om van het tijdperk van Dayton over te gaan naar het tijdperk van Brussel.

Ik vond het teleurstellend dat Kroatië niet in staat is gebleken vóór half maart volledige samenwerking met het ICTY te garanderen. Zoals u weet besloot de Europese Raad in december dat de toetredingsonderhandelingen uitsluitend op 17 maart zouden kunnen worden geopend indien er sprake was van volledige samenwerking met het ICTY in Den Haag.

Dit heeft te maken met de bereidheid en het vermogen van de staatsstructuren van Kroatië om de rechtsstaat te eerbiedigen en internationale verplichtingen na te komen. Kroatië moet nu laten zien dat het volledig samenwerkt met het ICTY. Laat ik dit duidelijk stellen: de toekomst van Kroatië is gelegen in de Europese Unie. Door het onderhandelingskader aan te nemen heeft de EU gedaan wat noodzakelijk was om de onderhandelingen van start te laten gaan. De EU is gereed, zodra Kroatië gereed is.

Dan kom ik nu op de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. Commissievoorzitter Barroso en ik hebben in februari een ontmoeting gehad met premier Bučkovski, waarbij hij de antwoorden van het land op de vragenlijst van de Commissie overhandigde. Mijn diensten zijn de 13 000 bladzijden – 45 kg – aan antwoorden op dit moment aan het analyseren.

Wij verwachten dat de regering verdere vooruitgang boekt ten aanzien van haar hervormingsagenda, dat zij de rechtsstaat versterkt en dat zij de kaderovereenkomst van Ohrid ten uitvoer legt. Ik ben verontrust door de rapporten van de OVSE over het feit dat zich bij de meest recente gemeenteraadsverkiezingen opnieuw onregelmatigheden hebben voorgedaan. De autoriteiten dienen nu resoluut op te treden en ervoor te zorgen dat toekomstige verkiezingen in volledige overeenstemming met internationale normen kunnen worden gehouden. Wij streven ernaar het advies tegen het einde van dit jaar aan te nemen, afhankelijk van de politieke ontwikkeling, de vorderingen met betrekking tot juridische, politieke en economische hervormingen en de technische kwaliteit van de antwoorden.

Gisteren heeft de Commissie een positief besluit aangenomen over de uitvoerbaarheidsstudie voor Servië en Montenegro. Wij zijn van mening dat het land thans voldoende voorbereid is om te onderhandelen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst met de Europese Unie.

We moeten landen in gelijke stadia gelijk behandelen; we moeten voor ieder land in dezelfde fase dezelfde maatstaf hanteren. Het onderhandelen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst is iets heel anders dan het onderhandelen over toetreding tot de Unie. Naarmate Servië en Montenegro vordert in het proces, zullen we hogere eisen stellen.

Om dit stadium te bereiken, heeft Servië en Montenegro zich bijzondere inspanningen moeten getroosten. Ik ben opgetogen over de overeenkomst die vorige week is gesloten over het constitutioneel handvest, dat de legitimiteit van het parlement van de statenbond waarborgt. Het verheugt mij dat het land eindelijk aanzienlijke vorderingen heeft gemaakt wat betreft de samenwerking met het Tribunaal in Den Haag. Tot nu toe is een twaalftal personen tegen wie een aanklacht wegens oorlogsmisdaden loopt, op het vliegtuig naar Den Haag gezet. De inspanningen moeten verder worden opgevoerd, totdat geen van de resterende aangeklaagden meer vrij rondloopt. Toetredingsonderhandelingen in eigenlijke zin kunnen pas overwogen worden als sprake is van een volledige samenwerking van het land met het ICTY. Nu de tiende herdenking van de val van Srebrenica in juli nadert, moeten Radovan Karadzic en Ratko Mladic voor de rechter worden gebracht.

Dit is voor Servië en Montenegro het begin van de weg die naar Europa leidt. Het land heeft de afgelopen jaren veel bereikt. Nu is het tijd om verder te gaan, tijd om grote vorderingen te belonen en tijd om de burgers van Servië en Montenegro te laten zien dat het voldoen aan cruciale internationale verplichtingen hen dichter bij de Europese Unie brengt.

Kosovo zal de komende maanden hoog op de agenda staan; de evaluatie van de normen die halverwege 2005 wordt uitgevoerd, komt eraan en daarna zal waarschijnlijk gediscussieerd worden over de toekomstige status van Kosovo.

Onze hulp aan de autoriteiten van Kosovo is er in het bijzonder op gericht dat er vooruitgang wordt geboekt bij de tenuitvoerlegging van VN-normen, vooral wat betreft de rechtsstaat en de rechten van minderheden. Als de status van Kosovo eenmaal geregeld is, zullen wij Kosovo blijven steunen op de weg naar integratie in Europa.

De Commissie is voornemens volgende week een mededeling te presenteren getiteld “Een Europese toekomst voor Kosovo”. Daarin zal het duidelijke signaal worden afgegeven aan de leiders en de bevolking van Kosovo dat de EU hun Europese toekomst ten zeerste is toegedaan. We verwachten tevens dat de autoriteiten van Kosovo zich constructief opstellen en dat houdt onder meer in dat zij een ontmoeting hebben met de Servische leiders die hun de hand hebben toegestoken.

Ook Belgrado dient een constructieve bijdrage te leveren aan de oplossing van het vraagstuk. In de uitvoerbaarheidsstudie voor Servië en Montenegro hebben wij duidelijk gemaakt dat de EU-aspiraties van het land gekoppeld zijn aan een succesvolle oplossing voor het probleem van de status van Kosovo.

Samenvattend kan gezegd worden dat de meeste landen van de Westelijke Balkan momenteel gestage vooruitgang boeken, ook al zijn er nog moeilijkheden en obstakels te overwinnen op de weg naar Europa. De landen die worstelen om hun verouderde economieën te hervormen en een moderne samenleving op te bouwen die gebaseerd is op eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, moeten tegelijkertijd in het reine komen met de erfenis van de oorlog.

Ik zou in dit verband het belang van regionale samenwerking willen benadrukken. Goede burenrelaties en regionale economische samenwerking vormen de essentie van de Europese Unie. Zij zijn de katalysator van stabiliteit, verzoening en normalisering van politieke betrekkingen.

Dit is een enorme uitdaging voor de landen van de regio en voor de Europese Unie. Het zal een heel karwei zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat we op de goede weg zitten. Naarmate we ons minder hoeven te concentreren op stabiliteit en veiligheid, zullen we onze middelen meer kunnen besteden aan economische en sociale ontwikkeling, waar de heer Samuelsen in zijn verslag terecht de nadruk op legt.

 
  
MPphoto
 
 

  Pack, namens de PPE-DE-Fractie (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het buitenlands beleid van de EU zou zich moeten concentreren op Zuidoost-Europa en de EU zou het karwei waaraan zij midden jaren negentig is begonnen consequent moeten afmaken. Daaraan heeft het tot nog toe echter geschort. Het doel van dit verslag was eigenlijk om een zekere mate van druk op Raad en Commissie uit te oefenen. Vandaag hebben wij vernomen dat deze tactiek heeft gewerkt, in ieder geval in dit stadium van het spel. Het deed mij deugd de commissaris zojuist te horen zeggen dat de Commissie nu eindelijk een mededeling over Kosovo wil schrijven. En de heer Schmit zei ook dat de Raad zou proberen de gegroeide belangstelling voor deze regio met daden te schragen.

Maar we moeten ons tegelijkertijd ook afvragen welke actie deze landen zelf ondernemen. De twee vorige sprekers hebben al gezegd dat Albanië de aanstaande verkiezingen eindelijk een keer correct moet laten verlopen zonder de resultaten te manipuleren. De Albanese regering dient ook het regeren eindelijk eens serieus te nemen door corruptie te bestrijden en wetgeving uit te voeren. We weten allemaal dat Macedonië het Aarhus-proces moet doorzetten zodat het Albanese volksdeel, dat 25 procent van de bevolking uitmaakt, zich gelijkberechtigde burgers kunnen voelen. Pas dan kan Macedonië een stabiliserende kracht in de regio zijn.

Commissie en Raad hadden allang druk moeten uitoefenen op plaatselijke politici in Bosnië en Herzegovina om de overeenkomst van Dayton zo te wijzigen dat er een functionerende gemeenschap kan ontstaan. Het land zal in zijn huidige toestand nooit tot de Europese Unie kunnen toetreden. Er is nog steeds te weinig samenwerking met het Tribunaal van Den Haag en er zijn nog onvoldoende vluchtelingen teruggekeerd naar de Republika Srpska.

Wat Servië, Montenegro en Kosovo betreft: de confederatie van Servië en Montenegro is verre van robuust. In de nabije toekomst dient er worden besloten of deze blijft voortbestaan, dan wel wordt opgeheven. Belgrado en Pristina moeten zo snel mogelijk onder auspiciën van de VN en de EU een oplossing voor Kosovo bedenken. Dat moet mogelijk zijn, gezien het feit dat alle betrokken landen tot de Europese Unie willen toetreden. Ik hoop dat Kroatië in staat zal zijn de monotoring mission ervan te overtuigen dat het volledig meewerkt.

Alle bovengenoemde landen hebben enorme problemen ten aanzien van justitie en corruptiebestrijding, en het ontbreekt ze ook aan voldoende administratieve capaciteit. We moeten ze de helpende hand reiken, en we zouden al deze landen op een betrokkener en coherentere wijze moeten helpen. We zouden ze toegang moeten bieden tot pretoetredingsinstrumenten zodat ze functionerende nationale economieën en functionerende democratieën ontwikkelen. Als dit gebeurt, worden we daar allemaal beter van, met name de jonge mensen in deze landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Swoboda, namens de PSE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, geachte commissaris, dames en heren, vandaag hebben we met een overweldigende meerderheid voor toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU gestemd. Zonder twijfel heeft een zekere uitbreidingsmoeheid haar intrede gedaan, zowel onder de leden van dit Parlement – ook bij sommige die voor hebben gestemd – als onder de bevolking. Juist in deze tijden is het bijzonder moeilijk om over de volgende uitbreidingsronden te spreken, maar de Raad, de Commissie en het Parlement moeten samenwerken om de bevolking uit te leggen dat dit de enige manier is om deze regio te stabiliseren. We dienen ook duidelijk te maken dat negatieve ontwikkelingen in deze landen tot een verhoogd risico op diverse problemen leiden, zoals grensoverschrijdende criminaliteit, corruptie of nieuwe uitbraken van etnische conflicten en dat dit risico alleen kan worden gemeden als de landen een duidelijk uitzicht op Europese integratie hebben. Ik ben het voorzitterschap en de Commissie bijzonder dankbaar dat zij dit punt vandaag hebben onderstreept.

We moeten onze aandacht nu sterk op deze regio richten, met name na de beslissingen die we vandaag hebben genomen. Ik ben de Raad dankbaar voor het vinden van een oplossing om Kroatië te helpen. Deze oplossing bestaat in het op de voet volgen van de stappen die het land neemt om Gotovina aan het Tribunaal van Den Haag uit te leveren, en ik hoop dat deze oplossing door beide partijen snel ter hand zal worden genomen. Dit zou ons namelijk in staat stellen om weldra onderhandelingen met Kroatië te beginnen. Kroatië heeft onder eerdere regeringen veel vooruitgang geboekt en er is een reële kans dat de huidige regering voor de rest van de regio als lichtbaken of als voortrekker kan dienen, al naargelang aan welk beeld u de voorkeur geeft. Daarom mag een overeenkomst met Kroatië niet worden beschouwd als een aanval op Servië of enig ander land, omdat de bedoeling is dat de hele regio er profijt van heeft.

Natuurlijk zou het ons allemaal deugd doen als Servië, Montenegro en Kosovo samen in goede harmonie één land zouden vormen. Gezien wat er allemaal is gebeurd, is dat hoogst onwaarschijnlijk, met name wat Kosovo betreft. Daarom ben ik van mening dat er een manier moet worden gevonden waarop deze landen – of in ieder geval Kosovo – onafhankelijkheid kunnen bereiken met behoud van hun bestaande historische en etnische banden. Of nu de Gemeenschap van Onafhankelijke Staten als model wordt gekozen, of dat er een andere vorm van samenwerking tot stand komt, ik wil Raad en Commissie op het hart drukken er met zoveel mogelijk verbeeldingskracht aan te werken. Want het is van het grootste belang dat we voor het einde van 2006 met een serieuze oplossing voor het probleem van Servië en Montenegro, maar ook voor Kosovo komen. Als u goede voorstellen doet, zal het Europees Parlement zich zeker achter u scharen.

 
  
MPphoto
 
 

  Samuelsen, namens de ALDE-Fractie. – (DA) Mijnheer de Voorzitter, het is juist dat er nog steeds veel problemen in deze regio zijn. Dat is ook benadrukt door de sprekers van de Raad en de Commissie, en ik wil graag mijn dank betuigen voor hun uiteenzettingen. Het is echter ook juist dat er op dit moment veel goede verwachtingen zijn inzake dit gebied, onder andere op het punt van de integratie in Europa.

Ik wil graag een voorbeeld uit Denemarken aanhalen. De laatste uitbreiding van Europa was werkelijk een eye opener voor zeer vele Denen, die Europa in een nieuw licht zijn gaan zien: niet alleen als een economische club voor de rijken, maar een politieke club, die gebaseerd was op een aantal gemeenschappelijke waarden en die een drijvende kracht kon zijn achter de ontwikkeling van democratieën en veiligheid. Onlangs hebben we gezien dat een van de Deense partijen die in het EU-debat een cruciale rol spelen, namelijk de Socialistische Volkspartij, haar anti-Europese houding heeft laten varen en een pro-Europese partij is geworden. Dat hebben ze bovendien heel duidelijk gedaan in het licht van de ontwikkeling die we hebben gezien met de uitbreiding.

De volgende grote uitdaging betreft dit specifieke gebied en zoals we onlangs nog hebben gezien zijn er uiteraard nog problemen in Albanië, Macedonië, Bosnië-Hercegovina, Servië-Montenegro, Kosovo en Kroatië, waardoor de toetredingsonderhandelingen moesten worden uitgesteld. Het is echter belangrijk om eraan vast te houden dat deze landen perspectieven hebben op Europa, want die perspectieven kunnen voor hen de drijfveer zijn die ze nodig hebben. En wat wij in de rest van Europa zeer beslist moeten doen, is laten zien dat hier een sleutelgebied voor de Europese samenwerking ligt.

We gaan een spannend jaar in. Het wordt een jaar waarin wij uiteraard – en hopelijk zo snel mogelijk – tot een positieve regeling met betrekking tot Kroatië komen. Het wordt vast ook het jaar waarin we dichter bij een oplossing voor het probleem rond de naam FYROM of Macedonië komen en hopelijk wordt het ook een jaar waarin we dichter bij een regeling komen inzake de toekomstige status van Kosovo.

Ik wil tevens van deze gelegenheid gebruik maken om te bedanken voor de samenwerking rond de resolutie en de voorbereiding daarvan. Het is een goed instrument geworden, dat zal helpen om de pressie en de drijvende kracht vast te houden die nu hopelijk deel zijn gaan uitmaken van de ontwikkeling en de betrokkenheid die de EU moet tonen als er een oplossing moet worden gevonden voor de problemen van deze regio. Dan kunnen we echt vaart zetten achter het proces, zodat het betekenis krijgt en perspectieven biedt voor alle betrokken partijen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lagendijk, namens de Verts/ALE-Fractie. – Het is in dit debat al door verschillende sprekers benadrukt en ook in verschillende verslagen en uitspraken van de Commissie en de Raad. De landen van de Westelijke Balkan zijn toekomstige leden van de Europese Unie. Dat is echter in het huidige maatschappelijke klimaat makkelijker gezegd dan gedaan. Wij hebben het vanmorgen in het debat over Roemenië gehoord en collega Swoboda heeft al eraan gerefereerd: er is een zekere uitbreidingsmoeheid. Ik ben heel erg bang dat die uitbreidingsmoeheid vooral haar repercussies zal hebben op ons Balkanbeleid. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat - hoe onpopulair het misschien is en ik benadruk het hier nogmaals - de Europese Unie een Balkanstrategie nodig heeft. Er is gisteren een rapport verschenen van de Internationale Commissie voor de Balkan, waarin een hoop interessante en deskundige mensen zitten. Ik citeer uit dat rapport. Het gaat over de Westelijke Balkan. "De oorlogen zijn weliswaar voorbij maar de geur van geweld hangt nog overal in de lucht". Als u op de Balkan rondreist, in welk land dan ook, dan is dát de situatie en dat betekent dat de EU het zich simpelweg niet kan permitteren om te denken: het komt ons even niet goed uit, laten we die landen maar even laten liggen. In die nieuwe strategie, in die strategie voor de Balkan gericht op lidmaatschap zijn twee factoren belangrijk.

Ten eerste - hoewel het heel erg voor de hand ligt, herhaal ik het andermaal - is de sociale en economische ontwikkeling in de regio op dit moment desastreus en dat is de belangrijkste bron van instabiliteit. Met hoge werkeloosheidspercentages is het voor jonge mensen die daar van school af komen, praktisch onmogelijk om ter plaatse een toekomst op te bouwen. Dit leidt tot extra criminaliteit, onzekerheid en instabiliteit, en dat moeten we niet willen. Als de Europese Unie ergens goed in is, is het wel in het bevorderen van economische banden tussen die landen onderling en tussen hen en de Europese Unie.

Een tweede element waarvan we niet mogen af stappen, is het vasthouden aan de basisvoorwaarden inzake mensenrechten en minderhedenrechten. Hoewel wij daarover onderling als Balkanwoordvoerders ten aanzien van Kroatië verdeeld waren, is volgens mij nu al bewezen dat het vasthouden door de Raad aan de samenwerking met het Tribunaal in Den Haag als voorwaarde voor het begin van onderhandelingen, positieve gevolgen heeft én in Bosnië-Herzegovina én in Servië. Ik ben blij en mijn complimenten aan de Raad dat deze zijn poot stijf heeft gehouden over de samenwerking met het Tribunaal.

Dan de zaak die ons allen bezighoudt: Kosovo. Ik ben er net geweest en ben ervan overtuigd dat het verslag over de standaarden en hetgeen tot dusverre is gebeurd, er natuurlijk komt. Ik ben echt ervan overtuigd dat dit debat over de status zal worden gehouden. In dat debat moet Europa, of het dat nu leuk vindt of niet, het voortouw nemen omdat wij de wortel in handen hebben. Wij hebben de beloning voor Servië en Kosovo in eigen handen. Dat debat over de onafhankelijkheid van Kosovo moet onder allerlei voorwaarden gevoerd worden die nu al duidelijk worden: geen afsplitsing, geen samenwerking met Albanië of Macedonië en respect voor de Servische minderheid.

Maar collega's, Voorzitter, niets doen en wegkijken, doen alsof het te moeilijk is voor Europa om zich nu met de Balkan te bemoeien, dat is een aanpak die wij ons niet kunnen permitteren. Niets doen leidt tot een onhoudbare en gevaarlijke situatie. Laten wij onszelf en de landen van de Balkan dat niet aandoen!

 
  
MPphoto
 
 

  Meijer, namens de GUE/NGL-Fractie. In de jaren negentig werd gedacht dat we de problemen in het voormalige Joegoslavië konden oplossen door protectoraten in te stellen, er externe bestuurders en militairen heen te sturen en vluchtelingen te dwingen tot terugkeer naar gebieden waar inmiddels een andere etnische meerderheid was ontstaan. Dat Amerikaanse model leidt tot stagnatie. Het dringt de mensen daar terug in de rol van onmondige kinderen. Ze gaan zitten afwachten tot die buitenlandse bemoeials vertrokken zijn. Het alternatief voor die stagnatie is dat we een vreedzame en democratische weg van onderop zoeken door serieus te nemen hoe de mensen in bijvoorbeeld Kosovo, Montenegro, de afzonderlijke entiteiten in Bosnië of de twee grote taalgebieden in Macedonië zelf hun toekomst zien en hoe ze zichzelf willen noemen. Staten en bevolkingsgroepen die in de jaren negentig tegenover elkaar stonden, blijven overheersing door de buren afwijzen maar ze willen wel samenwerken met open grenzen. Een snelle start van de onderhandelingen over toetreding tot de Europese Unie, te beginnen met Kroatië en Macedonië, kan daartoe bijdragen. Europa moet nu onbevooroordeeld samen met alle betrokkenen zoeken naar de echte oplossingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Belder, namens de IND/DEM-Fractie. Voorzitter, Bosnië-Herzegovina is een bom! Klare taal van de zijde van EUFOR, de militaire missie van de Europese Unie in dat land. Bijna tien jaar na Dayton zetten de vroegere oorlogspartijen de etnische strijd onverminderd voort in de politieke arena. Zo kreeg de ad-hocdelegatie van dit Parlement vorige week in Sarajevo en Mostar bepaald geen opbeurend maar wel een realistisch beeld van de huidige situatie in Bosnië-Herzegovina. Dat onderstreept eens te meer het nut van de EUFOR-missie ter plaatse.

Van de religieuze gemeenschappen in Bosnië en Herzegovina zou je een verzoenende inbreng mogen verwachten. Vertegenwoordigers van Raad, Commissie en EUFOR vertelden het tegendeel. Graag zou ik Raad en Commissie willen aansporen de kerkelijke autoriteiten alsmede de Reis al-Ulema te blijven aanspreken op hun grote verantwoordelijkheid in dezen. De recente arrestatie van Bosniaken in Tsjetsjenië is toch een veeg teken. Ze illustreert het gevaar van religieus extremisme waarvoor EUFOR-bronnen onze aandacht vroegen.

Een aangrijpend onderdeel van het bezoek van de ad-hocdelegatie aan Sarajevo vormde een bezichtiging van mijnenvelden. Raad en Commissie, pas de ruiming van deze velden des doods maakt de overgang naar een vreedzaam bestaan mogelijk. Investeer daarom alstublieft extra op deze wijze in de toekomst van Bosnië-Herzegovina!

 
  
MPphoto
 
 

  Aylward, namens de UEN-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, wij weten allen maar al te goed dat het recente verleden veel leed heeft voortgebracht voor de Balkanregio en voor de vele mensen die als gevolg van de oorlogen daar familieleden en geliefden hebben verloren. De slotfase van deze oorlog liep uit op de NAVO-aanval op Kosovo en de ineenstorting van het regime.

Ik kan mij volkomen vinden in het beleid van de Europese Unie, dat ontwikkeld is om de economieën van de Westelijke Balkan te helpen herbouwen. De Europese Unie behandelt het Balkangebied als één enkele regio en dat is voor een groot deel terecht. Vanuit politiek oogpunt is dit een uiterst gevoelige kwestie in verband met de toekomstige relatie tussen de Europese Unie en de Westelijke Balkan. De Europese Unie is op dit ogenblik natuurlijk de allergrootste donor van economische hulp aan de Balkanregio. De middelen worden aangewend voor het verbeteren van de basisinfrastructuur op het gebied van vervoer, milieu, energie en telecommunicatie.

De steun van de Europese Unie wordt eveneens gebruikt om de efficiëntie van overheidsinstellingen te verbeteren, waarbij de aandacht met name uitgaat naar het gerechtelijk apparaat, de politiemacht en het openbaar bestuur. Dat betekent echter niet dat de Europese Unie geen kritiek heeft op de politieke ontwikkelingen in de Balkan. De EU eist nog steeds dat verdachten van oorlogsmisdaden worden overgeleverd aan het internationaal oorlogstribunaal in Den Haag. Er hebben zich recentelijk evenwel veel uitermate positieve ontwikkelingen voorgedaan in de Balkanregio. Ik ben verheugd over het besluit van de Amerikaanse regering haar troepen terug te trekken uit Bosnië en het commando voor de vredeshandhaving over te dragen aan de strijdkrachten van de Europese Unie.

Er is duidelijk sprake van brede politieke stabiliteit in de regio. Wij weten dat we de politieke ontwikkeling in die regio nauwlettend in de gaten moeten houden en ik sta achter het zogeheten stabilisatie- en associatieproces.

Ik ben er voorstander van dat landen lid worden van de Europese Unie als zij voldoen aan de Kopenhagen-criteria betreffende de eerbiediging van de rechtsstaat en de bevordering van de mensenrechten. De Europese Unie als politieke entiteit kent haar verplichtingen in dit opzicht en zal die ook nakomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Papastamkos (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, de Westelijke Balkan was altijd al een gebied waar de efficiëntie van het extern beleid van de Europese Unie werd getoetst en beproefd.

Het tot nu toe gevoerde Europese beleid was versplinterd. Het was een soort lappendeken, een ongecoördineerd beleid, dat bovendien niet strookte met de ontwikkelingsmogelijkheden van het gebied. Bij de uitwerking van een productiever Europees beleid ten aanzien van de Westelijke Balkan stellen zich mijns inziens de volgende uitdagingen.

Ten eerste moet worden gewerkt aan vertrouwenwekkende maatregelen, aan maatregelen voor sociale samenhang en veiligheid.

Ten tweede moeten de Europese steun en het Europees perspectief voor de Balkanlanden gekoppeld worden aan een reeks strenge voorwaarden voor de politieke aanpassing, de bestuurshervormingen en de rechtspraak.

Ten derde moet een gedetailleerd en samenhangend strategisch plan worden opgesteld voor de ontwikkeling van de Balkan, met als tussentijds doel een geïntegreerde en duurzame ontwikkeling en als slotdoel de convergentie met de Europese Unie. In het plan moet worden aangegeven wat de prioriteiten per land zijn en op welke terreinen in wederzijds belang kan worden samengewerkt. Daarin moeten de prioriteiten en de actieterreinen worden weergegeven, de in de fundamentele sectoren bestaande behoeften worden geregistreerd en gekwantificeerd en de middelen zijn opgenomen voor de tenuitvoerlegging van het plan.

Ten vierde moet steun worden gegeven aan de regionale economische integratie, met de klemtoon op grensoverschrijdende infrastructuren en trans-Europese netwerken.

Ten vijfde moet het beleid voor regionale samenwerking worden versterkt met de instelling van een gestructureerde politieke dialoog, naar het voorbeeld van de Europese Conferentie met de landen van Midden- en Oost-Europa, zoals deze voor hun toetreding bestond.

Tot slot ben ik van mening dat het amendement van de heer Samuelsen en andere soortgelijke amendementen betreffende de naam van de FYROM, onaanvaardbaar zijn, en wel om de redenen die zijn genoemd in de gezamenlijke verklaring van de parlementaire delegatie van de Nea Dimokratia, waarvan kennisgeving is gedaan aan alle leden van het Europees Parlement. Mijns inziens moeten de leden van het Europees Parlement en de andere instellingen van de Europese Unie, als elementaire blijk van institutionele en politieke verantwoordelijkheid, de officiële namen gebruiken, de in de Verenigde Naties gebruikte namen, zoals ook commissaris Rehn heeft gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Beglitis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, aangezien de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie het initiatief heeft genomen tot het indienen van amendementen op het vraagstuk van de naam van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en aandringt op de erkenning van het land door de Europese Unie met zijn grondwettelijke naam, ben ik gedwongen van meet af aan een standpunt in te nemen ten aanzien van uitsluitend deze kwestie.

Ik wil hierbij zonder meer duidelijk maken dat dit initiatief volledig indruist tegen de resoluties van de VN en tegen de besluiten van de Europese Unie en haar instellingen, met inbegrip van het Europees Parlement. Dit initiatief staat ook haaks op elk begrip van solidariteit met een lidstaat van de Europese Unie, met Griekenland, alhoewel Griekenland een van de partijen is in het onderhandelingsproces dat in de VN op gang is gebracht voor het vinden van een wederzijds aanvaardbare en waardige oplossing, van een eervol en redelijk compromis. Wij allen, ook zij, hebben het eenzijdig optreden van de Verenigde Staten veroordeeld toen het ging om de erkenning van de bevoegdheid van het Internationaal Strafhof en nu bekrachtigen en aanvaarden zij het eenzijdig optreden van de Verenigde Staten bij de erkenning van de FYROM met haar grondwettelijke naam? Dit gedrag, mijnheer de Voorzitter, zet mij echt tot nadenken. Moeten wij nu juist niet discussiëren over en bijdragen aan de totstandkoming van een gemeenschappelijke en geïntegreerde Europese strategie, waarmee wij het hoofd kunnen bieden aan de grote uitdagingen en gevaren die dreigen voor een eventuele nieuwe confrontatie en onstabiliteit in het gebied van de Westelijke Balkan? Zo’n strategie zou pas een echte bijdrage zijn aan de bescherming van de Europese belangen en de versterking van het Europees perspectief van de landen in dit gebied. Het conflict en de oorlog in de Balkan zouden ons allen ertoe moeten aanzetten om blijk te geven van meer voorzichtigheid, verantwoordelijkheid en realisme.

Griekenland is er in geslaagd lering te trekken uit de recente geschiedenis van de conflicten in de Balkan en zich met vredes- en samenwerkingsinitiatieven op te werpen als een stabiliserende factor. Griekenland staat bovenaan op de lijst van Europese landen die investeren in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en heeft kunnen zorgen voor 20 000 nieuwe arbeidsplaatsen. Het heeft in de VN op praktische wijze blijk gegeven van verantwoordelijkheidsbesef, realisme en compromisbereidheid bij het streven naar een oplossing voor het probleem van de naam en naar een voor beide landen redelijk en waardig compromis. Daarom vraag ik de collega’s van de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie en de rapporteur, de heer Samuelsen, om hun amendementen alsnog in te trekken. Ook vraag ik de fungerend voorzitter van de Raad en de vertegenwoordiger van de Commissie een standpunt terzake in te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Drčar Murko (ALDE). – (SL) Dank u wel, mijnheer de Voorzitter. Ik wil graag het een en ander zeggen over de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in verband met het geostrategische aspect van het uitbreidingsproces van de Europese Unie in zuidoostelijke richting. De geografische ligging van het land in de instabiele Balkanregio is buitengewoon belangrijk voor de Europese Unie, met name in een situatie waarin de grondwettelijke status van het aangrenzende Kosovo nog niet definitief is vastgesteld en waarin delicate grondwettelijke hervormingen worden doorgevoerd op basis van de kaderovereenkomst van Ohrid.

Met de kaderovereenkomst is het beginsel van culturele diversiteit vastgelegd in de grondwet. In deze overeenkomst verklaart de nationale meerderheidsgroep van Slavische Macedoniërs hoe hij op alle niveaus, van nationaal tot lokaal, de macht zal delen met de nationale minderheidsgroep van Albanese Macedoniërs. Het belang van de overeenkomst voor de stabiliteit van de situatie moet dan ook gezien worden in termen van een maatschappelijk keerpunt.

De hervorming van de fundamentele maatschappelijke verhoudingen ontwikkelt zich parallel aan de economische hervormingen. Voor de voortgang van deze hervorming is het echter noodzakelijk dat het land een duidelijk vooruitzicht krijgt op nauwere betrekkingen met de Europese Unie en op onze hulp bij het verstevigen van zijn nieuwe identiteit. De vraag die rapporteur Samuelsen heeft gesteld is hiervan een onderdeel: “Wordt het niet eens tijd dat de Europese Unie overweegt het land te erkennen onder zijn grondwettelijke naam – de Republiek Macedonië?” Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Kusstatscher (Verts/ALE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, er kan geen twijfel over bestaan dat alle volken en etnische groepen op de Balkan die - na een geschiedenis vol leed - hun hoop volledig op de EU vestigen, Europees zijn. Bij nadere beschouwing echter blijkt helaas dat nepotisme in veel Balkanstaten nog aan de orde van de dag is. De beloofde hervormingen bestaan vaak alleen op papier en daarvoor is vooral de oude nomenklatura verantwoordelijk. Er worden vrijwel geen serieuze pogingen gedaan om de corruptie te bestrijden en de kloof tussen arm en rijk wordt dieper. In sommige gebieden neemt het analfabetisme toe en de situatie van de minderheden, met name van de Roma, laat veel te wensen over. Verkiezingen worden gemanipuleerd door middel van omkoping en soms zelfs met geweld.

Alle instellingen van de EU moeten veel beter kijken wat er in werkelijkheid aan de hand is. Ze mogen zich door de leden van de oude heersende kliek niet om de tuin laten leiden. Naar mijn mening moeten we er de tijd voor nemen en de situatie nauwkeuriger onder de loep nemen voordat we landen in de EU opnemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Posselt (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, in tegenstelling tot wat in de documenten wordt beweerd, behoort Kroatië niet tot de Westelijke Balkan. Het is een Centraal-Europees land en behalve Zwitserland en Liechtenstein het enige dat nog niet tot de EU behoort. Het voldoet aan de criteria, dus dienen we de onderhandelingen zo snel mogelijk te openen.

Op de echte Balkan echter is er nog meer dan genoeg te doen. In Bosnië en Herzegovina moet een grondwetshervorming plaatsvinden teneinde tot een sterke federatie van drie volken met gelijke rechten te komen. En de dictatuur van Lord Ashdown dient te worden beëindigd. Voor het einde van het jaar moet er voor Kosovo een heldere routekaart naar onafhankelijkheid komen, waaraan weliswaar voorwaarden verbonden moeten zijn. Iedere andere benadering is bezijden de realiteit.

De naleving van de mensenrechten in Servië en Montenegro dient grondig te worden gecontroleerd. Ik vrees dat de beslissing die de Commissie deze week heeft genomen, te veel op misvattingen was gebaseerd.

Wat Macedonië betreft moet eindelijk de naamgevingkwestie worden geregeld. Hoezeer ik mijn Griekse collega’s ook waardeer, ik wil een beroep op hen doen om deze kwestie minder bekrompen te benaderen. Bij ons in Duitsland maakt Franken deel uit van Beieren. We hebben ook Frankfurt. Toch vindt geen mens dat Frankrijk zichzelf daarom zou moeten omdopen tot de Republiek van Parijs omdat het anders territoriale aanspraken op Frankfurt of Franken zou kunnen maken. We leven in de 21e eeuw, dus laten we ophouden met die onzin.

We moeten duidelijk bepalen waar de grenzen van de EU liggen. De heer Langen behoort tot degenen die er steeds op hameren dat Europa die grenzen overschrijdt als het Turkije toelaat. Maar Zuidoost-Europa is duidelijk Europees. We moeten ons concentreren op de stabilisatie van Zuidoost-Europa en het Midden-Europese Kroatië, dat net zo min tot de Balkan behoort als de schitterende Boheemse stad Kaden an der Eger, als München of als Altenkirchen in het Siegerland. Kroatië behoort tot Midden-Europa en het moet in Europa worden geïntegreerd. Hiermee zou ook de naburige Balkan worden gestabiliseerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Pahor, Borut (PSE).(SL) Dank u wel, mijnheer de Voorzitter. Ik wil graag verdergaan waar mijn gewaardeerde collega Posselt stopte.

Ik ben het eens met de vele observaties in de resolutie, en zal deze daarom ondersteunen. Ik mis in de resolutie echter de belangrijke nadruk dat het realiseren van vrede op zich nog geen oplossing betekent van de complexe en fundamentele kwesties die gepaard gaan met het samenleven van de volkeren in die regio. We zouden ons sterk vergissen als we nu in de veronderstelling verkeerden dat er in die regio volledig democratische staten zijn gevormd en dat zowel voor hen als voor de EU alles gericht moet zijn op snelle modernisering en integratie in de EU.

Ik ben van mening dat de EU meer initiatief en verantwoordelijkheid moet nemen om ervoor te zorgen dat de fundamentele status van bepaalde staten in die regio op vreedzame wijze geregeld wordt, zonder het gebruik van geweld, op basis van consensus en niet op de laatste plaats op een duurzamere grondslag.

Zo vormt het onhervormde Dayton-akkoord bijvoorbeeld een belemmering voor de ontwikkeling van Bosnië-Herzegovina, moet de status van Kosovo geregeld worden en wil de meerderheid van de Serviërs en de Montenegrijnen in onafhankelijke landen wonen, enzovoorts. Ik denk dat dit fundamentele kwesties zijn die een fundamenteler antwoord verdienen dan wij op dit moment kunnen geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Prodi (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, een stabiele structuur voor de Balkan is ondenkbaar zonder de Europese Unie. Europese integratie is alleen mogelijk op basis van een volksbeweging, die ook op de Balkan de vrucht moet zijn van een politiek proces van waarheid en verzoening, naast het strafproces bij het Joegoslaviëtribunaal van Den Haag. Dat is belangrijk, maar het Tribunaal alleen kan niet garanderen dat alle partijen zich bewust worden van wie wat heeft gedaan in de oorlog van begin jaren negentig.

Het beeld dat we vandaag schetsen is dat van de wederopbouw van de omgeving waar zich de gewelddadigheden hebben voorgedaan en waarin slachtoffers en beulen tegenover elkaar komen te staan. Alleen na deze uitvoerige confrontatie kan de bladzijde definitief worden omgeslagen.

Dat is nodig voor de opbouw van een democratie, want die impliceert respect en wederzijds vertrouwen; de Unie moet vastberaden naar de toekomst kijken en mag geen gijzelaar van het verleden worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Ibrisagic (PPE-DE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, twee minuten spreektijd is niet veel, zeker niet als het gaat om zo’n groot vraagstuk als dat van de Westelijke Balkan. Ik wil daarom een paar zaken noemen die gemeenschappelijk zijn voor alle landen in de regio en voor onze houding jegens die landen.

De Westelijke Balkan is een gebied dat niet alleen getroffen is door oorlog en verwoesting, maar ook door vijftig jaar communisme. Wij die een oorlog hebben meegemaakt, weten hoe gemakkelijk het is om een oorlog te beginnen en hoe moeilijk het is om hem tot een eind te brengen. Wij die het communisme hebben meegemaakt, weten ook hoeveel tijd het kost om democratie op te bouwen. In al deze landen waar we het vandaag over hebben, is sprake van een of andere vorm van verdeeldheid. In Kroatië tussen de democratische en niet-democratische krachten, in Bosnië tussen de federatie en de Republika Srpska, en in Servië en Montenegro tussen Serviërs en Kosovo-Albanezen. Als wij gesprekken voeren met deze landen en allerlei eisen stellen, moeten we dat niet vergeten en we moeten proberen de democratische krachten te helpen. Die zijn er wel in de Westelijke Balkan, maar ze zijn niet altijd zo sterk, of zelfs zo echt, als wij denken. Als we het er bijvoorbeeld over hebben dat degenen die worden beschuldigd van oorlogsmisdaden in de Republika Srpska of Servië in de rij staan om naar Den Haag te komen, dan zijn er niet veel leden van dit Parlement die weten dat die beschuldigden en hun families veel geld van de autoriteiten krijgen om dat te doen. Als we het erover hebben dat Macedonië vrijwillig deelneemt aan de onderhandelingen over zijn naamswijziging, dan zijn er niet veel leden van dit Parlement die weten dat dat maar een deel van de waarheid is, want daar verschijnen alleen Griekse afgevaardigden en geen Macedonische, om hun standpunt in dezen naar voren te brengen.

Ik wil er ook met nadruk op wijzen dat alle besluiten in dit Parlement nauwgezet worden geïnterpreteerd en geanalyseerd door zowel de negatieve als de positieve krachten in de regio. Daarom moeten wij uiterst voorzichtig zijn met de signalen die wij doen uitgaan naar de mensen in deze landen, ongeacht of we het nu hebben over de eisen inzake terugkeer van vluchtelingen naar Kosovo, de naamswijziging van Macedonië of het toekomstige EU-lidmaatschap van Kroatië. Ongeacht wat we doen, moet onze steun gaan naar degenen die strijden voor een vreedzame en democratische ontwikkeling en moeten onze sancties uitgaan naar degenen die die ontwikkeling belemmeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Howitt (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben onlangs in Bosnië-Herzegovina geweest en was daar getuige van de geslaagde start van EUFOR, de vredesmissie van de EU.

Er zijn nog altijd gevoelens van bittere vijandschap tussen de Bosnische, Kroatische en Servische bevolkingsgroepen in het land. Hoewel er bijna 10 000 mensen betrokken zijn geweest bij oorlogsmisdaden, is er slechts tegen 34 openbare strafvervolging ingesteld. De weg naar Europa kan niet worden afgelegd zolang niet wordt voldaan aan de EU-normen inzake gerechtigheid. Daarom dringt het Europees Parlement er vandaag terecht op aan dat Bosnië-Herzegovina, Kroatië en Servië volledig met het ICTY meewerken.

Op dit moment investeert Europa 25 maal meer geld en 50 maal meer troepen per hoofd van de bevolking in Kosovo dan in Afghanistan. Het is in het belang van de EU, zowel economisch als politiek gezien, dat de Westelijke Balkan geïntegreerd wordt in de EU, en dat is ook de historische bestemming van die regio.

Het uitzicht op toetreding tot de EU heeft de landen van Oost-Europa geholpen zich te transformeren. We moeten hopen en ons ervoor inzetten dat dit ook voor de landen van Zuidoost-Europa het geval zal zijn, zodat ook zij zich in dit Parlement en in onze Unie bij ons kunnen aansluiten.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Allereerst zou ik het Parlement willen feliciteren met het nemen van het initiatief tot dit debat. Zoals de commissaris en ik al hebben aangegeven, is de situatie in de Westelijke Balkan inderdaad van kapitaal belang voor de Europese Unie. Ik merk op dat wij in feite niet veel alternatieven hebben voor het Europees perspectief.

Het Europees perspectief is het enige instrument dat wij hebben om deze landen te overtuigen om te veranderen, hervormingen door te voeren, de weg te vinden naar Europa – wat in de eerste plaats wil zeggen de weg naar de Europese waarden -, de weg te vinden naar verzoening. Het is allesbehalve vreemd om deze landen te zeggen dat ze de weg naar verzoening moeten inslaan, omdat wij zestig jaar geleden zelf het voorbeeld van deze verzoening hebben gegeven.

Ik denk dat het klopt dat er een zekere “uitbreidingsmoeheid” is. Onze bevolkingen zetten inderdaad vraagtekens bij deze voortdurende bewegingen richting uitbreiding, richting nieuwe toetredingen. Toch moeten wij uitleggen dat het in ieders belang is om in deze regio tot vrede, stabiliteit en economische ontwikkeling te komen.

Iemand noemde de recordhoogte van de endemische werkloosheid in Kosovo en Bosnië. Wij worden geconfronteerd met een situatie die op voorhand uiterst gecompliceerd lijkt. Waarom is er werkloosheid? Er is werkloosheid omdat er geen economische ontwikkeling is; er is geen economische ontwikkeling omdat er geen particuliere investeringen zijn; er zijn geen particuliere investeringen omdat er vertrouwen noch veiligheid is; niemand investeert in regio’s waar de toekomst en de ontwikkeling onzeker zijn.

Wij hebben dus een uiterst belangrijke missie: de veiligheid versterken, veiligheid brengen, de volkeren in de regio ervan overtuigen dat hun toekomst ligt in veiligheid, verzoening, eerbiediging van minderheden. Ik denk dat dat de manier is waarop wij een positieve dynamiek op gang kunnen brengen, die in de eerste plaats een economische dynamiek is. Zolang de economie in deze regio immers niet van de grond komt, zal er geen werkelijk stabiele vrede zijn. Dit is een belangrijke missie voor de Europese Unie. Ik bedank uw Parlement nogmaals voor het feit dat het heeft opgemerkt en aangegeven dat er op alle genoemde terreinen dringend actie nodig is in deze regio.

Tot slot: ja, er is een extremistische dreiging. Er bestaat in Europa een mogelijke haard van radicaal extremisme, vooral van moslimzijde. Ook in dit verband is er preventie nodig en de enige manier om dat te doen is het voeren van een dialoog: wij moeten laten zien dat dit deel van Europa bij Europa hoort, dat het de Europese waarden deelt, ook al is het deels islamitisch. Ik denk dan ook dat wij vandaag een belangrijk signaal afgeven en de komende jaren op de ingeslagen weg door moeten gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Rehn, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, net als minister Schmit wil ik het Parlement graag complimenteren met het initiatief dat het genomen heeft om dit debat te houden. Het is van buitengewoon belang dat u dit debat voert op dit cruciale moment om ertoe bij te dragen dat de Westelijke Balkan op de agenda blijft staan van de Europese Unie en van de internationale gemeenschap, die beide een behoorlijk aantal andere zaken af te handelen hebben. Het is dan ook belangrijk dat we het hebben over de Westelijke Balkan en proberen ons beleid in die regio te verbeteren.

Een van de onderwerpen die door verscheidene sprekers aan de orde zijn gesteld, is de zogeheten “uitbreidingsmoeheid” en ik denk dat dit een uitermate ernstig probleem is. We moeten de volkeren van de Europese Unie met ons mee nemen op de weg naar de uitbreiding. Onze volgende stappen dienen dan ook geleidelijk te worden gezet en het proces moet op zorgvuldige, tactvolle wijze geleid worden. Het is voorts zaak te onderstrepen dat uitbreiding op zich een vorm van veiligheidsbeleid is. De juridische en politieke hervormingen, alsook de economische ontwikkeling waartoe het uitzicht op EU-lidmaatschap stimuleert, zullen in de Westelijke Balkan, bijvoorbeeld, de instabiliteit en de conflicten verminderen. We moeten de dialoog aangaan en dit punt aan onze burgers uitleggen, zodat de toekomst van de Westelijke Balkan niet gegijzeld wordt door ongegronde angsten.

Ik zal proberen antwoord te geven op twee vragen in het bijzonder die hier gesteld zijn; de eerste betrof de naam van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de tweede de gecompliceerde situatie van Servië en Montenegro vanuit constitutioneel oogpunt. Wat de naamkwestie betreft, steunt de Commissie de inspanningen van de Verenigde Naties om een voor beide partijen bevredigende oplossing te vinden voor het meningsverschil hierover tussen Griekenland en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

Wij hopen dat de recente voorstellen van de VN-bemiddelaar, de heer Nimetz, tot de verwezenlijking van dit doel zullen bijdragen. Het behoeft geen betoog dat, op een kritiek moment als dit, een oplossing van dit bilaterale vraagstuk de regionale stabiliteit van de Westelijke Balkan zou helpen bevorderen.

In het licht van de ingewikkelde structuur van de statenbond Servië en Montenegro heeft de Commissie welbewust een tweesporenbeleid ontwikkeld. Dit stelt de beide republieken en de statenbond in staat zich verder te ontwikkelen op hun respectievelijke competentiegebieden. De statenbond is voornamelijk verantwoordelijk voor kwesties op het terrein van buitenlands beleid en veiligheid, terwijl de verantwoordelijkheid voor de meeste aspecten van het economisch beleid en handelsbetrekkingen bij de republieken berust. Dankzij deze tweesporenbenadering hebben wij onlangs met Servië het bilaterale akkoord inzake de handel in textiel kunnen sluiten, wat van betekenis is voor de investeringen en de werkgelegenheid in die republiek.

Wij zullen dit najaar in het jaarlijks verslag van de Commissie over het stabilisatie- en associatieproces rapporteren over de vooruitgang die Servië en Montenegro door deze benadering heeft geboekt. Het constitutionele kader dient te worden gerespecteerd, maar mag tegelijkertijd geen belemmering vormen voor de vorderingen van het land op zijn weg naar Europa, als het voldoet aan andere voorwaarden voor pre-toetredingsonderhandelingen en later wellicht toetreding.

Een van de grootste uitdagingen waar wij voor staan, als het erom gaat ons beleid ten aanzien van de Westelijke Balkan te verfijnen en de landen nader tot de Europese Unie te brengen, is tot slot de zwakheid van de staten in deze regio. Het zijn hoofdzakelijk zwakke staten. Als de staat niet kan garanderen dat in de dagelijkse basisbehoeften van zijn bevolking wordt voorzien, dan kan hij al helemaal niet voldoen aan Europese normen. Zo simpel is het.

We moeten dan ook betere manieren vinden om instellingen op te bouwen in de regio en ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de aanpak voor het opbouwen van lidstaten die terecht wordt aanbevolen in het rapport van de Internationale Commissie voor de Balkanlanden, dat gisteren het licht zag.

Ik wil mijn dank betuigen aan de rapporteur, de heer Samuelsen, de Commissie buitenlandse zaken en het Parlement en ik verheug mij er ten zeerste op met u samen te werken om stabiliteit, vooruitgang en voorspoed te verwezenlijken in de Westelijke Balkan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik heb tot besluit van het debat, overeenkomstig artikel 103 van het Reglement, één ontwerpresolutie ontvangen.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

20. Buitenlands beleid / Veiligheid
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- het verslag A6-0062/2005 van de heer Brok, namens de Commissie buitenlandse zaken, over het jaarlijkse verslag van de Raad aan het Europees Parlement over de voornaamste aspecten en fundamentele keuzen van het GBVB, met inbegrip van de gevolgen ervan voor de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen – 2003 (8412/2004 – 2004/2172(INI)),

- het verslag A6-0072/2005 van de heer Kuhne, namens de Commissie buitenlandse zaken, over de Europese veiligheidsstrategie (2004/2167(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Brok (PPE-DE), rapporteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, geachte fungerend voorzitter van de Raad, in ons jaarlijkse verslag willen wij een voorstel presenteren over de manieren waarop de samenwerking tussen de Raad en het Europees Parlement kan worden verbeterd. Dit is met name nu van belang in het eerste jaar van een nieuwe zittingperiode.

We beseffen terdege dat de hoofdverantwoordelijkheid voor het buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid bij de uitvoerende macht ligt. De rol van het Parlement blijft op dit terrein in wezen beperkt tot het uitoefenen van controle, hoewel het een zekere mate van invloed kan uitoefenen via zijn begrotingsbevoegdheden. Vooral met betrekking tot het laatste zou het nuttig zijn als de Commissie en de Raad het Parlement voortaan niet meer voor voldongen feiten zouden plaatsen en het in een vroeger stadium bij de gang van zaken zouden betrekken. Het kan niet zo zijn dat het Parlement pas achteraf op de hoogte wordt gesteld. In plaats daarvan zou het moeten worden betrokken bij de planning en ontwikkeling van strategieën om te waarborgen dat er rekening is gehouden met de wensen van het Parlement. Dit zou het hele proces voor alle betrokkenen gemakkelijker maken, omdat er dan immers in een vroeg stadium al voor een benadering is gekozen waarmee goede vorderingen kunnen worden geboekt.

Dit Parlement acht het van belang dat in het buitenlands beleid dezelfde prioriteiten als tot nog toe blijven gelden. Een oud gezegde wil dat oorlog het gevolg is van het falen van de politiek en het klopt dat er alleen in het uiterste geval naar het redmiddel van een oorlog mag worden gegrepen. Daarom vinden wij het belangrijk om het preventieve aspect van ons buitenlands beleid te versterken en te zorgen dat we veel beter worden in preventie en crisismanagement. Deze lijn wordt ook gevolgd door de Europese Unie als geheel, wat in de Ontwerpgrondwet duidelijk tot uitdrukking komt. We dienen ons standpunt in dezen goed duidelijk te maken om het publiek voor ons te winnen, maar ook om strategische posities te ontwikkelen.

Hiermee kom ik tot de zeer praktische overwegingen met betrekking tot de vraag waar onze prioriteiten dienen te liggen. Het antwoord is: bij het conflict in het Midden-Oosten, ten gevolge waarvan we binnen het kwartet nauwer samenwerken met de Amerikanen, de Russen en de VN. Het doel van deze samenwerking is niet alleen om steun te bieden aan Palestijnen en Israeli’s en om vrede te bewerkstelligen, maar ook om meer vat te krijgen op terroristische activiteiten in de ruimste zin des woords. Dit is onze tweede hoofdprioriteit.

Wat dit betreft zijn ook de solidariteitsclausules in het Grondwettelijk Verdrag ten aanzien van bijstandsverplichtingen van groot belang. We dienen onszelf af te vragen hoe de Europese Unie een combinatie van nieuwe instrumenten kan inzetten om te reageren op bedreigingen van de externe en interne veiligheid en hoe we op dit terrein vooruitgang kunnen boeken. Als we op dit punt geloofwaardig willen overkomen, moeten we moeten ervoor zorgen dat de non-proliferatie van kernwapens, bijvoorbeeld in Iran en Noord-Korea, prioriteit krijgt.

Maar we moeten ook zorgen dat dit instrument flink de ruimte krijgt in het nabuurschapsbeleid van de Europese Unie, die op zichzelf al voor veiligheid zorgt omdat zij banden tussen landen smeedt zodat deze nooit meer oorlog tegen elkaar voeren. Tegelijkertijd moeten we zorgen dat we niet blijven hangen in het traditionele model van het nabuurschapsbeleid zoals wij dat in de afgelopen jaren hebben gevoerd.

In hoeverre de Europese Unie tot handelen in staat is, hangt ook samen met haar grenzen. We moeten zorgen dat naburige landen die wij graag aan onze zijde hebben, die belangrijk voor ons zijn en die wij willen helpen om democratie te ontwikkelen en te stabiliseren ook een alternatief voor het volledig lidmaatschap aangeboden krijgen, een Europese Economische Ruimte Plus, of hoe men het ook wil noemen.

We dienen een dergelijk multilateraal uitgangspunt te vinden, opdat we landen als Oekraïne niet pas over vijftien of twintig jaar, maar nu al een antwoord kunnen geven op de vraag op welke punten ze zich kunnen verbeteren. We hopen dat de Raad en de Commissie met meer verbeeldingskracht aan de slag gaan en niet alleen vertrouwen op beproefde politieke methoden, zoals in het verleden vaak het geval was. De commissaris benadert de zaak al anders en is druk doende een nieuw uitgangspunt te vinden.

Er zijn nog twee laatste onderwerpen die ik wil aanstippen. Ik ben blij dat de grote meerderheid van dit Parlement voor instandhouding van het wapenembargo tegen China is zolang in dat land de mensenrechten niet gewaarborgd zijn en zolang het wetten blijft produceren die oorlog legitimeren. We moeten tot overeenstemming zien te komen voordat de transatlantische betrekkingen op het spel komen te staan.

(Applaus)

Een multilaterale aanpak, zoals we die in onze betrekkingen met de Verenigde Staten hanteren, dient te worden aangevuld met een partnerschap met duidelijke doelstellingen, gericht op de totstandkoming van een transatlantische markt voor 2015. Jegens een aantal indieners van amendementen wil ik benadrukken dat ik de voorstellen van verschillende fracties om te streven naar een zetel in de Veiligheidsraad voor de Europese Unie uitdrukkelijk steun, zeker ook als Duitser.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Kuhne (PSE), rapporteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik twee verschillende scenario’s nader bekijken. Toen we dit onderwerp in de commissie bespraken, vroeg de heer Ilves wat er zou gebeuren als er in een EU-land nogmaals een terreuraanslag van de omvang van die in Madrid zou plaatsvinden en er vervolgens zou blijken dat de veiligheidsdiensten van een andere lidstaat op de hoogte waren van de voorbereidingen daarvan, maar niet in staat waren geweest de autoriteiten van het getroffen land in te lichten. Hoogstwaarschijnlijk zou dit leiden tot een ware legitimiteitscrisis in de Europese Unie.

Nu het tweede voorbeeld. De Europese Unie heeft het bevel over de NAVO-troepen in Bosnië-Herzegovina overgenomen. Dit is voor het eerst dat de Europese Unie de kans krijgt om te bewijzen dat zij in staat is om veiligheidsbeleid in dit gebied uit te voeren en hierin praktische ervaring op te doen. Uit gesprekken met mensen in mijn kiesdistrict weet ik dat velen de overtuiging zijn toegedaan dat de EU zogezegd van het kwaad verschoond zou blijven als zij haar neus zo min mogelijk in andermans zaken steekt.

Een dergelijke opstelling kan heel slecht uitpakken en de Europese Unie heeft echt een veiligheidsstrategie nodig. Daarom heeft de grote meerderheid van de commissieleden ook het destijds door Javier Solana ontworpen en door de commissie verder uitgewerkte document omarmd. We zijn ook blij met de steun van de kant van de regeringen van de lidstaten voor het document.

Wel dienen er een paar punten naar voren te worden gehaald waaruit het specifieke karakter van de Europese veiligheidsstrategie blijkt. Het eerste punt is de noodzaak om veiligheidsproblemen en hun vele en uiteenlopende oorzaken goed te begrijpen, zoals schendingen van de mensenrechten, armoede en ziekten, en niet alleen te kijken naar militaire aspecten. De veiligheidsstrategie is in de eerste plaats een politiek concept dat de militaire aspecten ver overstijgt.

Het tweede punt is de noodzaak van een verbintenis tot inachtneming van het internationale recht en respect voor de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.

Het derde punt is de noodzaak om de internationale orde door middel van effectieve multilaterale structuren te versterken en de grondrechten van de burgers binnen de EU te waarborgen, terwijl alle noodzakelijke maatregelen tegen terroristische dreigingen worden genomen.

Tegen deze achtergrond mogen we niet schromen om te zeggen dat ook de Europese Unie militaire beslissingsstructuren en militaire vaardigheden wil verwerven. Het grootste voordeel van de veiligheidsstrategie is dat deze ons in staat stelt om civiel en militair crisismanagement te combineren, precies op maat, al naargelang de situatie.

Binnen de commissie rees verzet tegen deze benadering, en wel vanuit twee heel verschillende kampen. Sommige afgevaardigden kunnen zich de Europese Unie slechts als onderafdeling van de NAVO voorstellen, terwijl andere het scheppen van nieuwe organisatievormen en capaciteiten als militarisering veroordelen. Beide partijen staan lijnrecht tegenover elkaar, maar ze hebben één ding gemeen, namelijk dat zij allebei hun argumenten gebruiken om tegen de Europese Grondwet te ageren en campagne te voeren.

Ondanks dit verzet is er in de commissie een brede meerderheid voor de veiligheidsstrategie, die instrumenten omvat zoals een situatiecentrum, een civiel-militaire planningscel en het opzetten van gevechtsgroepen of het Europees Defensie-agentschap. Dit zijn geen alternatieven voor de NAVO; de meeste EU-lidstaten zijn immers lid van de NAVO. Maar zij bieden de Europese Unie wel nieuwe mogelijkheden die deze vroeger niet had. Alleen op deze wijze kan de EU zich ook tot een gelijkwaardige partner met bijvoorbeeld de Verenigde Staten aan de andere kant van de Atlantische Oceaan ontwikkelen.

Er valt echter nog een hoop werk te verzetten. We hebben bijvoorbeeld geen samenhangend plan voor hoe het apparaat voor het civiele crisismanagement georganiseerd moet worden. Er is gebrek aan permanente luchttransportcapaciteit, aan permanent beschikbare, inzetbare troepen, alsmede aan adequate communicatie- en verkenningscapaciteiten. Dit verslag heeft als doel ervoor te zorgen dat het Europees Parlement – ook met het oog op wat de heer Brok in zijn inleiding zei – in het kader van een dialoog met de Raad invloed kan uitoefenen op de toekomstige ontwikkeling en praktische tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zou om te beginnen het Parlement willen bedanken en gelukwensen en met name de twee rapporteurs willen complimenteren met hun werk en met de ambitieuze maar toch ook realistische benadering die zij in deze twee verslagen uitgewerkt hebben.

U noemt ergens twee cijfers: de 60 en 70 procent van de burgers die de ontwikkeling van een gemeenschappelijk buitenlands beleid respectievelijk een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid steunen. Er zijn vermoedelijk niet veel beleidsterreinen waarvoor zoveel steun bestaat in de publieke opinie. U vertegenwoordigt de Europese burgers en aangezien we beleid op dit terrein alleen samen met de burgers tot stand kunnen brengen, hebben we uw steun en de dialoog met u nodig, zoals de rapporteur zojuist al aangaf.

De Europese Raad heeft op 11 december 2003 de Europese veiligheidsstrategie goedgekeurd. Sindsdien zijn er vijftien maanden verstreken; dat is natuurlijk niet genoeg om een volledige, alomvattende balans op te maken van de uitvoering van die strategie, maar we kunnen wel al bekijken welk effect zij tot nu toe heeft gehad en bespreken welke weg we moeten volgen bij de toepassing ervan in de toekomst.

Het jaar 2004 was een cruciaal jaar voor de politieke ontwikkeling van de Unie, waarvan de ambities en de verantwoordelijkheden in de wereld voortdurend toegenomen zijn. De burgers van de Unie en ook onze internationale partners hebben aangedrongen op een krachtigere rol van Europa op het internationale toneel. De Unie heeft gevolg gegeven aan deze oproep en getracht een actiever, meer coherent en doeltreffender extern beleid te voeren, op basis van de principes van het Handvest van de Verenigde Naties.

De Europese Unie is een wereldspeler die zich inzet voor het verwezenlijken van politieke, economische en andersoortige doelstellingen. Er bestaat wereldwijd grote waardering voor het “Europees model”, waarover op dit moment veel gesproken wordt in verband met de Europese Grondwet; dat is natuurlijk iets om tevreden over te zijn, maar het moet voor ons Europeanen ook een krachtige aansporing zijn om ons nog actiever op te stellen.

De Europese veiligheidsstrategie vormt in zekere zin het richtsnoer voor de dagelijkse werkzaamheden in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Ze geeft aan wat de uitdagingen en bedreigingen zijn waaraan we het hoofd moeten bieden en welke instrumenten toegepast moeten worden om deze problemen te lijf te gaan.

Er zijn opmerkingen gemaakt over de strijd tegen het terrorisme. Dat is zeker een van de belangrijkste issues. We hebben een aantal mechanismen ingevoerd om de samenwerking tussen Europol en Eurojust te versterken. De strijd tegen het terrorisme laat duidelijk zien dat het begrip veiligheid niet uitsluitend een zaak is van extern beleid en niet uitsluitend een militaire dimensie heeft; dit vraagstuk reikt aanzienlijk verder. Het is ook een kwestie van ontwikkeling en van verdediging en bevordering van de mensenrechten. En er is natuurlijk ook het verband met de grote conflicten in de wereld en de noodzaak daarvoor een oplossing te vinden. Dat geldt met name voor het Midden-Oosten, maar we moeten ook aanwezig zijn in de regio’s waarover we zojuist gesproken hebben, met name Bosnië-Herzegovina en andere delen van de Westelijke Balkan.

Met het oog op de belangrijkste bedreigingen waarnaar in de veiligheidsstrategie wordt verwezen, heeft de Europese Raad in december 2003 als aanvullende maatregel een Europese strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens goedgekeurd. Ook dat is een terrein waarop Europa daadkracht heeft getoond, met name als het gaat om Iran. Mijns inziens hebben we hier een belangrijke eerste stap gezet op weg naar politieke oplossingen voor uiterst gevoelige kwesties die tevens een gevaar vormen voor de vrede in de wereld.

Uitgangspunt van de Europese veiligheidsstrategie is dat de meeste problemen enkel in multilateraal verband opgelost kunnen worden. Ook wat dit betreft sluiten wij ons aan bij de visie van de beide rapporteurs. Het is evident dat de Europese Unie haar doelstellingen in dit multilaterale kader moet nastreven, in samenwerking met alle andere actoren, met name de Verenigde Naties. De Unie heeft er derhalve belang bij dat de Verenigde Naties en het multilateraal systeem versterkt worden. We moeten dan ook onze steun geven aan de inspanningen van de secretaris-generaal van de VN om deze organisatie te moderniseren en doeltreffender te maken. De hervorming van de VN is een zeer belangrijk element in het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Ik heb veel waardering voor wat de heer Brok hierover heeft gezegd, met name in verband met een specifiek punt.

Zonder in detail te treden zou ik verder willen wijzen op het belang van het transatlantisch partnerschap, me wel realiserend dat we over dat belang een paar weken geleden nog uitvoerig hebben gediscussieerd hier in het Parlement. Ook dat partnerschap heeft een nieuwe impuls gekregen, met name sinds het bezoek van president Bush aan Brussel en we moeten ervoor zorgen dat we die lijn vasthouden. Wij hebben veel, zeg maar gerust ongelooflijk veel gemeenschappelijke belangen. Er zijn talloze mogelijkheden om nauwer samen te werken, maar dat moet dan wel op voet van gelijkheid gebeuren. We kunnen met de Amerikanen oplossingen vinden voor een aantal echt grote problemen en met name voor datgene wat eerder al het meest urgente probleem genoemd is: het conflict in het Midden-Oosten.

De Europese Unie spant zich in om de samenwerking op economisch, politiek en cultureel vlak niet alleen met de traditionele partners zoals de Verenigde Staten of Canada, maar ook met landen als Rusland en Japan uit te breiden. Wat Rusland betreft, zijn er wel de nodige problemen, maar ik denk dat die samenwerking van groot belang is voor de Unie en voor de stabiliteit en vrede op ons continent. Verder zijn er natuurlijk nieuwe spelers op het wereldtoneel verschenen: China, India, Brazilië en Zuid-Afrika. En laten we ook de regionale actoren niet vergeten, zoals de Afrikaanse Unie, waarmee we een paar dagen geleden nog besprekingen hebben gevoerd om ons beleid ten aanzien van Afrika te versterken, zoals de Commissie heeft aangegeven. Doel is bij te dragen tot vrede en ontwikkeling - twee zaken die nauw met elkaar verbonden zijn - op dit zo dicht bij de Europese Unie gelegen continent.

De strategie heeft ook tot doel onze betrekkingen met de buurlanden ten oosten en ten zuiden van de Unie te bevorderen. Zojuist hebben we hier een debat gehad over de Balkanlanden. Het Euro-mediterraan partnerschap en het Europees nabuurschapsbeleid zijn cruciale instrumenten voor het bevorderen van stabiliteit in de betrokken landen, maar ze zijn ook zeer belangrijk voor onze eigen politieke en economische belangen. Ik heb heel goed onthouden wat er gezegd is. We kunnen onze ogen wel sluiten voor wat er elders gaande is, maar daarmee lossen we de problemen niet op, en die komen steeds meer onze kant op. De problemen van die landen worden heel snel onze problemen, in de vorm van ongecontroleerde, illegale immigratie of terroristische aanslagen en dreigingen.

Een ander belangrijk element in het veiligheidsdenken betreft de mensenrechten. Dit punt is van cruciaal belang voor het vinden van oplossingen voor de verschillende conflicten, zoals nog eens is benadrukt in het laatste verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Zonder eerbiediging van de mensenrechten kan er van ontwikkeling of vrede geen sprake zijn. Vanuit die gedachte heeft de Hoge Vertegenwoordiger onlangs een persoonlijke vertegenwoordiger voor de mensenrechten benoemd, met als doel de samenhang in en de doeltreffendheid van ons optreden op dat gebied in het kader van het GBVB te versterken.

Dan kom ik nu op de militaire dimensie van de strategie. In de strategie wordt gewezen op de noodzaak van een grotere inzetbaarheid van de Europese Unie op de terreinen waar ze een rol te vervullen heeft. We moeten met concrete oplossingen komen voor de conflicten die er zijn; we moeten daadkracht tonen en ons actiever inzetten voor de handhaving en het herstel van de vrede. Ook moeten we zorgen voor een betere afstemming tussen de civiele en militaire aspecten. Boven alles hebben we echter een aanpak nodig die gericht is op het voorkomen van conflicten. Wat dit betreft, is het een goede zaak dat er nu 7 000 Europese soldaten onder de vlag van de Europese Unie ingezet kunnen worden om de vrede te handhaven, hervormingsprocessen te ondersteunen en verzoening dichterbij te brengen. We hebben hier al over gesproken tijdens het debat over de Balkanlanden, maar de Europese Unie heeft ook elders belangrijke operaties lopen, met name in de zuidelijke Kaukasus, in Afrika en in Afghanistan.

Op het punt van de militaire vermogens is aanzienlijke vooruitgang geboekt. De oprichting van de eerste van dertien battle groups in het kader van de Europese snelle interventiemacht is inmiddels een feit. Verder heeft de Unie het Europees Defensie-agentschap opgericht, met als doel de kosten in verband met de aanschaf van defensiematerieel te rationaliseren en de militaire vermogens waarover de Europese landen kunnen beschikken kwalitatief en kwantitatief te versterken. De civiel-militaire samenwerking is op een hoger operationeel niveau gebracht, met name door de oprichting van een civiel-militaire cel. Al deze maatregelen moeten ertoe bijdragen dat de Unie meer capaciteit voor crisisbeheer krijgt, zodat ze de complexe veiligheidscrises van de 21e eeuw met succes weet aan te pakken. Er is in het bijzonder aandacht besteed aan de samenwerking met de NAVO. Ik denk dat de “Berlijn Plus”-regelingen verder uitgewerkt moeten worden in een geest van partnerschap, niet in een geest van onderworpenheid. Ook wat dit betreft is de rol van de Europese Unie mijns inziens van zeer groot belang.

De samenhang in en de operationele aspecten van het Europees buitenlands en veiligheidsbeleid zijn dus aanzienlijk versterkt. Dat mag echter geen reden zijn om achterover te gaan leunen. Er is nog veel nodig: institutionele versterking, duidelijke verbintenissen, met name op het vlak van solidariteit in verband met potentiële bedreigingen, en een grotere stem van de Unie op het internationale toneel. Ik denk, nogmaals, dat de toekomstige Grondwet wat betreft de ontwikkeling van het GBVB en ons beleid inzake externe veiligheid een aanzienlijke vooruitgang zal betekenen. De instelling van de functie van minister van Buitenlandse Zaken is een belangrijke vernieuwing die zal zorgen voor meer samenhang in de externe betrekkingen van de Unie. Het feit dat aan die functie het voorzitterschap van de Raad Buitenlandse Betrekkingen verbonden zal zijn, draagt bij tot het coherente karakter van het externe optreden van de Unie waaraan wij allen hechten. Daardoor zal onze stem duidelijker gehoord worden en zullen we tegelijkertijd meer continuïteit in ons optreden kunnen waarborgen.

Een ander belangrijk aspect dat ik niet onvermeld wil laten - ik weet dat met name rapporteur Brok er veel waarde aan hecht - is de oprichting van een dienst voor het externe optreden van de Europese Unie. Op dit moment wordt nog gediscussieerd over de voorwaarden waaronder deze dienst in de praktijk zal moeten functioneren.

Het Luxemburgse voorzitterschap volgt nauwlettend de vorderingen die gemaakt worden bij de instelling van deze Europese dienst voor extern optreden en is ook zeer geïnteresseerd in de opvattingen van het Europees Parlement hierover. Wij willen niet dat deze nieuwe dienst een zodanig intergouvernementeel karakter krijgt dat daardoor langs de achterdeur bepaalde communautaire mechanismen buiten werking worden gesteld.

Met de oprichting van deze dienst wordt de belangrijke vooruitgang zichtbaar die bij de aanpak en uitvoering van het extern beleid is geboekt, met name in de richting van grotere doeltreffendheid, meer samenhang, een versterkte rol van de EU in de wereld en een efficiënter gebruik van alle beschikbare middelen. Wij willen wel dat de institutionele regels en de bevoegdheden van de verschillende instellingen gerespecteerd worden. De nationale diplomatieke diensten moeten nauwer bij deze dienst betrokken worden. We moeten ze in zekere zin Europeser maken en tegelijkertijd moeten we voorkomen dat aangelegenheden die op dit moment volgens communautaire regels behandeld worden, weer onder nationale kaders komen te vallen of op intergouvernementeel niveau afgehandeld worden. Dat is de lijn die wij zullen volgen bij de discussie over de instelling van deze dienst.

Tot slot nog een opmerking over de informatievoorziening. Ik denk dat het een nadrukkelijke wens is van het huidige voorzitterschap, net als van de vorige voorzitterschappen, om met het Europees Parlement van gedachten te wisselen over de fundamentele keuzen en de beslissende data op het gebied van het extern beleid. Wij stellen deze dialoog zeer op prijs, ik heb dat aan het begin van mijn toespraak al gezegd. Wat dit voorzitterschap betreft, verbind ik mij ertoe de inspanningen op dit vlak voort te zetten en met u zo veel en zo vaak in contact te treden als u wenst om te komen tot een coherent gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat werkelijk gedragen wordt door alle actoren en door alle instellingen van de Unie.

(Applaus)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER MAURO
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Ferrero-Waldner, lid van de Commissie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden en rapporteurs, laat mij u eerst hartelijk danken voor uw substantiële, evenwichtige verslagen, die voor het grootste deel weinig aan duidelijkheid te wensen overlaten.

Ik wil me graag op drie punten concentreren die Europa’s rol in de wereld kunnen versterken. Een daarvan is effectief multilateralisme. In mijn ogen is dat het enige juiste antwoord op onze steeds nauwere verwevenheid in het internationale stelsel. Het jaar 2005 wordt een beslissend jaar voor de hervorming en versterking van het multilateralisme, het internationale recht en vooral van de Verenigde Naties. Wat dat laatste betreft zal de VN-Top in september op basis van het jongste rapport van secretaris-generaal Kofi Annan de weg vrijmaken voor ingrijpende besluitvorming op dit gebied.

Ik denk dat Europa een fundamentele bijdrage aan deze hervormingsdiscussie kan leveren. Het neemt op dit gebied een leidende positie in en moet daar dan ook naar handelen. Vandaar dat de Commissie op dit moment bezig is gedetailleerde voorstellen op genoemde punten te formuleren. Zoals u weet, maak ik mij hard voor een EU-zetel in de Veiligheidsraad van de VN. Over de precieze invulling daarvan valt te discussiëren. Waar het om gaat, is dat de Unie in de belangrijkste internationale fora het haar toekomende gewicht in de schaal legt.

Zoals de heer Schmit al heeft aangegeven, kan multilateralisme alleen doeltreffend zijn, als het op een sterk transatlantisch partnerschap berust. Mondiale problemen kunnen alleen aangepakt worden als de Verenigde Staten en Europa ook echt één lijn trekken. Het bezoek van president Bush aan Brussel heeft duidelijk aangetoond dat de Verenigde Staten zich terdege bewust zijn van de gestaag aan reikwijdte en gewicht winnende rol van de EU.

We moeten onze gemeenschappelijke structuren aan deze taakverbreding aanpassen, maar tegelijk ook flexibel blijven. De Commissie overweegt nu of en in hoeverre onze instellingen de Nieuwe Transatlantische Agenda moeten aanpassen. De uitkomst van onze beraadslagingen zal dan onderwerp van gesprek zijn op de EU-VS-Top van juni. Overigens acht ik het - net als velen in dit Huis, individuele leden zowel als fracties - essentieel de banden tussen het Parlement en het Congres van de Verenigde Staten aan te halen.

Zoals de verslagen terecht constateren, is Europa’s buitenlandse beleid al gestoeld op een breed veiligheidsconcept. Een veilig Europa is volgens mij niet uitsluitend een kwestie van defensiebeleid en militaire missies, maar tegenwoordig bovenal een zaak van conflictpreventie, van civiele crisisbeheersing en een gemeenschappelijk beleid op het gebied van handel, economie, energievoorziening, rechtspraak, gezondheid en milieu.

In de Europese veiligheidsstrategie is dit complex van potentiële bedreigingen al verdisconteerd. De Commissie levert een belangrijke bijdrage aan deze strategie, ook waar het de uitvoering ervan betreft: in het dagelijkse, nauwe contact met derde landen en onlangs ook met verscheidene mededelingen, niet alleen. over terrorismebestrijding en een verbeterde burgerbescherming, maar ook over hervorming van het ontwikkelingsbeleid; daarover zijn we gisteren nog in de Commissie met belangrijke mededelingen gekomen.

Ik vind dat deze bredere opvatting van veiligheid in laatste instantie de veiligheid van het individu centraal zou moeten stellen, zoals ik in mijn eigen werk ook steeds gedaan heb. Uit schendingen van de vrijheid en waardigheid van het individu komen vaak structurele veiligheidsrisico’s voort. Kortom: wat de veiligheidsstrategie aan maatregelen noemt op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens of het voorkomen van terroristische aanslagen, wat er staat over het optreden ten aanzien van mislukte staten en bij regionale conflicten, dat alles kan alleen succesvol zijn als het ingebed is in een breder beleid voor het vermijden dan wel oplossen van conflicten. Een van de voorbeelden daarvan is Afghanistan en we hopen dat Irak zich ook tot zo’n positief voorbeeld zal ontwikkelen.

Dit unieke instrumentarium geeft de Unie een relatief voordeel. Maar om er effectief mee te kunnen werken, is het zaak om al onze instrumenten in een optimale onderlinge samenhang te gebruiken – op civiel, militair en sectoraal vlak. We moeten een lange-termijnvisie voor crisisgebieden ontwikkelen en onze communautaire instrumenten - zowel de hulp aan derde landen als het perspectief van nauwere banden met de Unie – gericht, maar ook onderling samenhangend inzetten. Daar komt onze hulp op het terrein van de nucleaire non-proliferatie bij (denkt u bijvoorbeeld aan de grootscheepse EU-steun voor nucleaire veiligheid en non-proliferatie sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw), evenals onze inzet in de strijd tegen terrorisme, de verspreiding van kleinere wapens en landmijnen en tegen drugs.

Een ander sleutelinstrument ter implementatie van de Europese veiligheidsstrategie heb ik al eerder genoemd en dat is natuurlijk het Europese ontwikkelingsbeleid. Juist op dit punt proberen we weer een stap voorwaarts te zetten, ook met de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties voor ogen. We doen dat omdat wij Europeanen, zoals ik aan het begin van mijn betoog zei, op dit terrein de gangmakers moeten zijn.

Tot slot wil ik nog verwijzen naar de op handen zijnde hervormingsvoorstellen van de Commissie ten aanzien van de Europese crisisbeheersing en de burgerbescherming, waar we volgende week in een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement mee naar buiten zullen treden en waarover u dan ook natuurlijk in dit Huis nader kunt debatteren. Weest u echter nu al verzekerd van mijn dank voor de steun die het Parlement heeft gegeven aan het Europese veiligheidsonderzoeksprogramma. Op dit punt werkt de Commissie zeer nauw met het Europees Defensie-agentschap samen.

Graag wil ik ook benadrukken dat ik belang hecht aan het voorstel van het Parlement om op regelmatige basis over de veiligheidsstrategie te beraadslagen en daarbij ook de parlementen van de lidstaten te betrekken. Niet voor niets worden democratie en de rechtsstaat genoemd als Europese grondwaarden en dus ook als integraal bestanddeel van onze buitenlandse politiek.

De Europese Unie kan echter op internationaal vlak alleen sterk zijn, als zij ook coherent optreedt. Om daadwerkelijk opgewassen te zijn tegen de nieuwe uitdagingen, heeft de EU meer nodig dan een gemeenschappelijke buitenlands en veiligheidsbeleid in engere zin. Het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid is slechts een van de vele instrumenten waarover de EU voor haar buitenlands beleid kan beschikken en het vult onze andere beleidsinstrumenten aan. Dat deze brede benadering succesvol is, blijkt voor mij uit het concept van het Europese nabuurschapsbeleid, dat ook een van mijn bijzondere prioriteiten is. Als we veiligheid, stabiliteit en welvaart uitvoeren naar onze buren en bij hen structurele hervormingen mogelijk maken, heeft dat een duidelijk veiligheidsaspect. Daarmee is het Europese nabuurschapsbeleid, net als ons Europese ontwikkelingsbeleid, een doordacht, op de lange termijn gericht veiligheidsbeleid op regionaal niveau.

We zijn al tot de fase van implementatie overgegaan. De betrekkingen met onze partnerstaten zullen daardoor geleidelijk intensiever worden, vooral ook door de gedetailleerde gezamenlijke actieplannen, die een duidelijk perspectief op een nauwere band met Europa bieden. Net als voorheen hecht ik groot belang aan de expliciete steun van het Europees Parlement voor het nabuurschapsbeleid. Ik zie daarom met belangstelling uit naar het verslag van de heer Laschet.

Je zou het Europees nabuurschapsbeleid kunnen omschrijven als veiligheidsbeleid op regionaal niveau. Het draagt bij aan stabilisering en hervorming in uit geopolitiek oogpunt uiterst belangrijke regio’s, door die regio’s op de lange termijn met Europa te associëren en er specifieke samenwerkingsvormen mee aan te gaan, zoals bij de bestrijding van het terrorisme. Daarmee is dit beleid een wezenlijk instrument voor de uitvoering van de Europese veiligheidsstrategie. Met zeven van deze partnerstaten, waaronder ook de Oekraïne, hebben we al gedetailleerde en ambitieuze actieplannen opgesteld en vijf anderen volgen binnenkort.

Tot slot van mijn betoog wil ik er nog op wijzen dat de verslagen ook grote nadruk leggen op de noodzaak van institutionele hervormingen. Ons nieuwe Grondwettelijk Verdrag voorziet daarin en brengt wezenlijke, positieve vernieuwingen, die de Commissie van harte ondersteunt. Vandaar dat ik ook uw gedetailleerde voorstellen daarvoor met belangstelling zal lezen. We bereiden al geruime tijd de uitvoering van de Verdragsbepalingen voor, om meteen na een hopelijk voorspoedige ratificatie ervan tot handelen over te kunnen gaan. Niet in de laatste plaats door de instelling van een gemeenschappelijk buitenlandse dienst, waarover Raad en Commissie op dit moment een zeer diepgaande discussie voeren. Deze hervormingen zijn werkelijk belangrijk. Een nog doelmatigere samenwerking tussen de EU-instellingen is onontbeerlijk.

Het verslag van de heer Kuhne stelt volkomen terecht dat de EU ook de nodige financiële middelen moet vrijmaken, wil ze wereldwijd ageren. Ik heb goede hoop dat we spoedig overeenstemming kunnen bereiken over de aanpassing van de beleidsinstrumenten voor de hulp aan derde landen, die de Commissie heeft voorgesteld. Dat laat echter onverlet dat institutionele hervormingen en een verruiming van het budget niets uithalen als de politieke wil ontbreekt. Daarom dient Europa zich nog sterker bewust te worden van zijn rol als global player. Het Europees Parlement speelt bij de politieke wilsvorming een beslissende rol als forum voor een breed, transparant en democratisch debat.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Lambrinidis (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, als rapporteur van het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over het verslag-Kuhne wil ik allereerst van deze gelegenheid gebruik maken om de heer Kuhne van harte geluk te wensen met het feit dat hij een dermate moeilijke procedure heeft doorlopen en uiteindelijk zoveel verschillende meningen in zijn uitstekend en sterk verslag heeft kunnen onderbrengen.

Ik wil vier punten aanstippen. Ten eerste is de veiligheidsstrategie, zoals deze nu wordt gepresenteerd, terecht niet toegespitst op de militaire instrumenten, maar wel op alle andere instrumenten die de Europese Unie kan inzetten om bij te dragen aan de bestrijding van de oorzaken van de onveiligheid in Europa. Terrorisme is een van die oorzaken, maar niet de enige. Als wij een dergelijke strategie uitwerken moeten wij goed oppassen dat wij ons niet blindstaren op het gevaar “van de dag” en talrijke andere gevaren negeren. Daarom is het heel belangrijk dat wij, als wij in actie komen in het buitenland, de mensenrechten eerbiedigen. Verschijnselen als Guatánamo mogen door de Europese Unie niet geduld worden. Ik zeg dit omdat ook de Verenigde Staten het niet voor mogelijk hielden dat zoiets werd geduld, maar u ziet wat er nu gebeurt. Ik heb liever dat wij nu al op de rem gaan staan, in plaats van dat wij gedwongen zijn dat later te doen, als wij er niet klaar voor zijn.

Ten tweede moeten wij als Europeanen de democratie bevorderen. Volkomen terecht werd door de rapporteurs en de Commissie erop gewezen dat de democratie door Europa heel anders bevorderd wordt dan door andere grootmachten van de aarde. Laten wij ervoor zorgen dat dit zo blijft en dat wij de VN altijd mee hebben. Wij kunnen niet buiten het VN-kader optreden.

Ten derde moet het Parlement geïnformeerd worden en debatten voeren over de vraagstukken van buitenlands beleid. Het mag niet genegeerd worden als het om zaken gaat waarmee grondrechten gemoeid zijn, zoals bijvoorbeeld de beroemde PNR, de gegevens die aan de Verenigde Staten worden doorgegeven, zogenaamd om het terrorisme te bestrijden, en waarvoor dit Parlement bij het Hof van Justitie een procedure heeft aangespannen tegen de Commissie, die het naar ik hoop zal winnen.

Mijn laatste en vierde opmerking betreft het befaamde SITCEN, een belangrijke dienst. Mijn commissie weet niet hoe deze dienst precies werkt, welke beperkingen aan zijn werk zijn opgelegd en hoe hij inlichtingen vergaart. Inlichtingen en het vergaren van inlichtingen en persoonlijke gegevens zijn allemaal even gevoelige vraagstukken voor het Parlement, ongeacht wie het doet, het SITCEN of iets anders. Momenteel wordt in mijn commissie een debat gevoerd over het beginsel van de beschikbaarheid van gegevens en de uitwisseling daarvan. De knoop is nog niet doorgehakt en ik wil de heer Kuhne dan ook gelukwensen met de betekenis die hij in zijn verslag hecht aan de samenwerking tussen onze commissies. Het doel - de noodzaak om het terrorisme te bestrijden - heiligt niet alle middelen. Dat moeten wij in deze zaal en in dit Parlement serieus voor ogen houden.

 
  
MPphoto
 
 

  von Wogau, namens de PPE-DE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst wil ik de heer Kuhne hartelijk danken voor zijn uitvoerige verslag. Het lijkt mij van groot belang dat de veiligheidsstrategie zoals het Europees Parlement die opvat, steun vindt bij de vier grootste fracties in dit Parlement – de groenen, de sociaal-democraten, de liberalen en mijn eigen fractie. Zo ontstaat een draagvlak dat tien jaar geleden nog onmogelijk geweest zou zijn.

Onderwerp van het verslag is de veiligheidsstrategie die Javier Solana ontworpen heeft. Het Europees Parlement deelt zijn opvattingen over de bedreigingen die er zijn. De drie grootste zijn stellig terrorisme, massavernietigingswapens en conflicten in naburige gebieden, die ook directe uitwerkingen op de Europese Unie hebben, omdat de burgers van de Unie met vluchtelingenstromen te maken krijgen. Wat ik net als vele anderen in deze analyse van Javier Solana mis, is de landsverdediging, die doorgaans toch het uitgangspunt van elk defensiebeleid vormt. Als we vergelijken hoeveel aandacht er in de Verenigde Staten aan de landsverdediging besteed wordt en hoe weinig je er bij ons in de Europese Unie over hoort, dan mag je wel van een omissie spreken die ongedaan gemaakt moet worden.

Ook de conclusies ten aanzien van de stappen die ondernomen moeten worden, behoeven in mijn ogen aanvulling. De conclusies die hier aangedragen worden, laten zich namelijk niet in concrete maatregelen vertalen. Het lijkt mij daarom van belang dat er eerst een witboek over het Europese veiligheids- en defensiebeleid komt, met daarin doelstellingen die naar inhoud en tijdschema meer bieden dan de tekst die nu voorligt.

Belangrijk is dat de snelle interventiemacht, die ten tijde van zijn oprichting in 1999 vooral een papieren grootheid was, inmiddels daadwerkelijk in actie gekomen is: in Macedonië, in de Congo en nu dan in Bosnië-Herzegovina. Toen we daar met de Subcommissie veiligheid en defensie op bezoek waren, trad mij voor het eerst een militair met Europese insignes, sterren op de mouw, tegemoet. Het was een Britse generaal, die zichzelf als Europees soldaat voorstelde. Op dat moment realiseerde ik me dat er een ontwikkeling van historisch formaat had plaats gevonden. En dan spreekt u, mijnheer Schmit, heel terloops van “Europese troepen”, van “troepen van de Europese Unie”, terwijl die toch beslist van een historische ontwikkeling getuigen.

In Macedonië boeken we succes met een brede benadering, waarbij een crisis niet alleen met militaire middelen bestreden wordt. De kracht van de Europese Unie ligt juist in het civiele deel van de vredesbewaking, waar wij ook meer aan doen dan de Verenigde Staten. Dat is een goed concept. Anderzijds dienen ongeregeldheden zoals die in Kosovo plotseling uitbraken ons een waarschuwing te zijn dat onze troepen wel in staat moeten blijven te interveniëren en krachtdadig op te treden, wanneer de bescherming van minderheden daarom vraagt. Dat zijn twee van de taken die onze troepen daar uit moeten voeren en ze zijn beide even belangrijk en moeilijk.

De gevechtseenheden die nu geformeerd worden en waarvan we hopen dat er enkele op korte termijn voor snelle vredesmissies beschikbaar zullen komen, hebben de allerbeste uitrusting nodig. Ook dat hebben we bij ons bezoek aan Bosnië-Herzegovina vastgesteld. Daar is nog sprake van vredesbewaking, maar als het erom gaat vrede op te leggen en daarvoor oorlogshandelingen te verrichten, zal het zich wreken dat onze troepen zo’n heterogene uitrusting hebben. Daarom verlangen wij dat de zogenaamde battle groups die nu in Europees verband opgericht worden, zoveel mogelijk dezelfde uitrusting krijgen, dat zij als eerste de beschikking over vernieuwd materieel krijgen en dat hier hoge prioriteit aan gegeven wordt. Verder is er, zo vertelde men ons ter plekke, behoefte aan helikopters voor het bewaken van uitgestrekte gebieden en aan extra transportvoertuigen die tegen landmijnen bestand zijn. Wij hoorden ook dat het nog tot 2010 zal duren, voor Bosnië-Herzegovina vrij is van landmijnen. Daaruit blijkt dat het opruimen van mijnen te langzaam gaat. Daarom dienen we hieraan eveneens prioriteit te geven, ook in financieel opzicht.

 
  
MPphoto
 
 

  Wiersma, namens de PSE-Fractie. – Wij behandelen vandaag het verslag over het externe optreden van de Europese Unie in 2003. Ik ben vooral verheugd dat de rapporteur, mijnheer Brok, heeft benadrukt dat de betrokkenheid van het Europees Parlement zich niet mag beperken tot een bespreking achteraf. Ik neem dan ook de vrijheid vooral in te gaan op enkele kwesties die in het afgelopen jaar aan de orde waren en een blik te werpen op de toekomst. De ontwikkeling van de Europese veiligheidsstrategie, die hier eveneens aan de orde is, zal daarin een belangrijke rol spelen. Het verslag-Kuhne - en ik prijs de rapporteur - geeft een uitstekende evaluatie van de concrete uitwerking van deze veiligheidsstrategie tot dusverre. Ik wil de Commissie maar ook de Raad en natuurlijk de Hoge Vertegenwoordiger vragen deze aanbevelingen zeer serieus te nemen. Twee zaken wil ik naar voren halen.

Ten eerste is dat de militaire dimensie. Europa kan alleen een centrale rol spelen als wij ook bereid en in staat zijn, indien noodzakelijk, militair op te treden. Het voorkómen van conflictescalatie tot het punt waarop militair ingrijpen noodzakelijk is, is en blijft de eerste inzet, terwijl bij het daadwerkelijk gebruik van militaire middelen de nadruk moet blijven liggen op het samenspel met andere instrumenten: humanitaire interventie, het garanderen van de rechtsorde, de institutionele opbouw, democratisering en economische ontwikkeling. Bij de eerste grote Europese militaire missie, de Althea-missie in Bosnië-Herzegovina, wordt met een dergelijke combinatie van civiele en militaire capaciteiten op dit moment volop ervaring opgedaan. Behalve een materiële heeft de ontwikkeling van de Europese defensiepoot vooral ook een politieke kant. De Europese Unie moet een politiek kader ontwikkelen dat ons in staat stelt gebruik te maken van militaire middelen wanneer dat noodzakelijk wordt geacht.

De tweede kwestie betreft de raakvlakken tussen interne en externe veiligheid die met name in de strijd tegen het terrorisme scherp naar voren komen. De samenhang hiertussen is in het Europees beleid op dit moment onvoldoende uitgewerkt. Terecht heeft de Raad de Hoge Vertegenwoordiger gevraagd op dit vlak met voorstellen te komen en ik roep hem op het Parlement daarbij te betrekken. In het verslag-Brok maar ook in het verslag-Kuhne wordt daarvoor aandacht gevraagd. De uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid verloopt helaas niet altijd zo gemeenschappelijk als ik wel zou willen. Niettemin is mijn evaluatie van de afgelopen jaren niet zó negatief. De Europese Unie heeft een belangrijke rol gespeeld bij de omwenteling in de Oekraïne. De prompte reactie van het voorzitterschap en de goede afstemming tussen Parlement en Raad, alsmede het optreden van de Hoge Vertegenwoordiger en de staatshoofden van Polen en Litouwen hebben in grote mate bijgedragen tot de positieve uitkomst van die politieke crisis.

Ook de inzet van Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk binnen de EU in het conflict rond het Iraanse nucleaire programma is volgens mij tot dusverre een goed voorbeeld van hoe zaken op een Europese manier kunnen worden aangepakt. De afloop is onzeker maar de diplomatieke aanpak, het model dat daarbij gebruikt wordt, is volgens ons van groot belang. De uitgangspunten van het Europees gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, multilateralisme, preventieve betrokkenheid, een brede benadering waarin de democratie en de sociale en economische ontwikkeling centraal staan, conflictoplossing en het stoppen van proliferatie van massavernietigingswapens hebben in de basis onze volle steun. Maar we kunnen niet genoeg onderstrepen dat gezamenlijkheid een voorwaarde is, want alleen door gezamenlijk naar buiten te treden kan Europa haar politieke gewicht laten gelden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lambsdorff, namens de ALDE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik zou de heer Kuhne willen feliciteren met zijn werkelijk uitstekende verslag. Ik zou hem vooral ook willen bedanken voor zijn altijd constructieve en coöperatieve houding. Daardoor is er in de relevante fracties in dit Parlement brede steun ontstaan.

De Europese veiligheidstrategie is een dienstregeling voor het Europees buitenlands beleid in de komende jaren en decennia. Het spoorboekje bevat inderdaad goede antwoorden, maar toch ook nog heel wat vragen. Een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dat die naam verdient is in Europa tot nu toe een droom, geen realiteit. Uit dit verslag blijkt wel dat het Europees Parlement de Raad en de Commissie steunt in hun pogingen om het nationale egoïsme dat op dit vlak her en der nog steeds bestaat, te overwinnen.

Wat dit verslag eigenlijk duidelijk maakt is dat de klassieke concepten van veiligheid niet meer bruikbaar zijn. Wat is interne, wat is externe veiligheid? Welke crisis kunnen we met civiele middelen verhinderen? In welke fase van een conflict dat we niet hebben kunnen verhinderen zijn we gedwongen om de stap te zetten van de civiele naar de militaire oplossing? Op welk moment na het einde van een conflict kunnen we, zonder de veiligheid van de burgers in gevaar te brengen, overwegen om ons weer terug te trekken? Welke instrumenten hebben we daarvoor nodig?

Dat zijn vragen die wij als Europeanen moeten beantwoorden. Dat gebeurt ook in dit verslag. Overal waar het mogelijk is wordt gewezen op het enorme belang van de civiel/militaire elementen. Daarom steunen we dit verslag en zullen we er ook voor stemmen.

We kunnen allerlei vragen stellen, maar een ding is voor ons als liberalen helder: de principes van het Handvest van de VN blijven de maatstaf voor ons denken. Daarom is het ook zo absurd dat de communisten beweren dat dit een militarisering van de EU is. Maar goed, deze mensen hebben daar natuurlijk een jarenlange ervaring mee.

Dit verslag is een stap in de juiste richting. Hieruit blijkt dat we aan het begin van het derde millennium niet alleen aan de instrumenten maar ook aan de concepten van ons buitenlands beleid moeten werken. Daarom ben ik ook blij dat de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken de opdracht hebben gekregen om samen ideeën te ontwikkelen over hoe we in de strijd tegen het terrorisme de burgerrechten kunnen beschermen en zo nodig ook uitbreiden. Wanneer we onze waarden verdedigen moeten we ze ook respecteren. Overigens ben ik van mening dat we dit debat niet in Straatsburg maar in Brussel zouden moeten voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Beer, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik kan namens mijn fractie, de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie, wel zeggen dat we met beide verslagen tevreden zijn en dat we dankbaar zijn voor de goede samenwerking. Ik wil op een aspect nader ingaan, ook in verband met het gemeenschappelijk standpunt van de Raad.

In het verslag van de heer Brok wordt nadrukkelijk geëist dat er actiever moet worden samengewerkt met het Parlement. Informatie achteraf is niet genoeg. Dat zeg ik ook met het oog op het debat over de Grondwet. Bij de Europese veiligheidsstrategie gaat het niet om een statistische aangelegenheid. We worden voortdurend met nieuwe dreigingen geconfronteerd en daarom moeten we telkens weer vaststellen waar we nog tekortschieten, zoals nu nog in de civiele sector, en waar we bij moeten sturen. Wij kunnen de burgers er echter alleen van doordringen dat het Europees veiligheidsbeleid geloofwaardig is en positieve aspecten omvat, die nog door de Grondwet zullen worden versterkt, als u met het Parlement samenwerkt. Als het Parlement tegen u is, komt u er nooit.

Ik zou een paar hoofdpunten willen noemen waaruit blijkt dat we op de juiste weg zijn. Drie Europese landen proberen samen met Iran een vreedzame oplossing te vinden voor de non-proliferatie van kernwapens. Het is heel belangrijk dat het Non-proliferatieverdrag wordt gerespecteerd omdat dit een grondslag van ons multilateraal beleid is.

Ik wil ingaan op een tweede onderwerp dat al genoemd is: het internationale recht. Wie het als argument tegen de Grondwet nu nog heeft over een militarisering, wie dus het feit over het hoofd ziet dat het Handvest van de grondrechten een onderdeel van de Europese Grondwet wordt en dus ook van het Europees buitenlands en veiligheidsbeleid, die wil alle geboekte vooruitgang niet zien, die wil terug naar Nice, die wil renationaliseren. Dat zien we op dit moment in Duitsland. Duitsland denkt dat het in zijn eentje een zetel in de Veiligheidsraad van de VN kan krijgen, of ervoor kan zorgen dat het wapenembargo tegen China kan worden opgeheven. Dat is geen gemeenschappelijk Europees veiligheidsbeleid, dat is een stap terug naar een beleid dat het hele Parlement in deze resoluties niet steunt, maar bekritiseert.

Wij Europeanen bewandelen een nieuwe weg. We dragen een civiele en militaire verantwoordelijkheid. Dat zal binnenkort ook in Kosovo aan de orde komen. Deze instrumenten, die er uiteindelijk toe bij zullen dragen dat er in deze landen verzoening mogelijk wordt, dat Europa stabieler wordt, kunnen we alleen maar gebruiken wanneer we met de Europese burgers, met de hele samenleving, hetzelfde doel voor ogen hebben, namelijk een vreedzaam, multilateraal beleid, gebaseerd op de transatlantische samenwerking. Dat verwachten de burgers van ons. Geachte vertegenwoordigers van de Raad, u zult naar dit Parlement moeten luisteren. Zonder de steun van het Parlement krijgt u geen steun van de Europese bevolking.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnoletto, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik vind het verslag-Kuhne bijzonder zorgwekkend en gevaarlijk, want het primaat van de Verenigde Naties en van het internationaal recht in het Europees veiligheids- en defensiebeleid wordt er niet in erkend. Het verslag stelt de VN op hetzelfde niveau als de NAVO en andere organisaties en instellingen, opent de weg naar instemming met de theorie van de preventieve militaire interventie, een schending van het internationaal recht, en stelt militaire interventie gelijk aan humanitaire interventie. Op die manier wordt humanitaire ontwikkelingshulp stilzwijgend gedegradeerd tot iets functioneels, dat ondergeschikt is aan militair en veiligheidsbeleid. Het stelt bovendien dat NAVO en Europese Unie complementair zijn en negeert de ondergeschikte rol van de Europese Unie binnen de NAVO en de noodzaak een Europees buitenlands beleid te ontwikkelen dat onafhankelijk en niet-agressief is.

Tot slot vermeldt het verslag niet dat de toepassing van het internationaal recht, de resoluties van de VN en de beëindiging van de militaire bezettingen de enige voorwaarden zijn voor een rechtvaardige en duurzame vrede in het Midden-Oosten. De steun van de Europese Unie aan het non-proliferatiebeleid moet ook het verzoek aan Israël omvatten om toe te treden tot het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens.

 
  
MPphoto
 
 

  Batten, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit verslag laat duidelijk zien welke kant de Europese Unie opgaat. Er moet volgens het verslag een aanvang worden gemaakt met het gemeenschappelijk buitenlands en defensiebeleid zoals dat vervat is in de Europese Grondwet, zonder de bekrachtiging ervan door de lidstaten – een lastige en onvoorspelbare kwestie – af te wachten.

Het verslag bevat de veelzeggende zin dat de strijd tegen het terrorisme het traditionele onderscheid tussen buitenlands en binnenlands beleid doet vervagen. Dit is het zoveelste voorbeeld van de wijze waarop elk willekeurig argument gebruikt wordt om maar op alle mogelijke beleidsterreinen de Europese integratie te bevorderen.

De dreiging die van het terrorisme uitgaat maakt nationale grenzen en nationale belangen alleen maar méér noodzakelijk, niet minder. Dit verslag is opnieuw een stap in het streven van de Europese Unie om haar buitenlands beleid en haar militaire ambities te versterken, met als uiteindelijke doel de Verenigde Staten van Amerika op het wereldtoneel naar de kroon te steken. Het terecht door de heer Brok bekritiseerde voornemen van de Europese Raad om het wapenembargo tegen China, dat is ingegeven door de eisen van de Franse wapenindustrie, op te heffen, maakt ondertussen duidelijk wat al het gepraat over een ethisch buitenlands beleid waard is.

Het verzet van het Parlement tegen het opheffen van het wapenembargo tegen China zal uiteraard genegeerd worden door de Raad, waarmee maar weer eens aangetoond wordt hoe weinig dit Parlement voorstelt.

Het Verenigd Koninkrijk moet de controle over zijn eigen buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid terugkrijgen. Dat kan alleen via het beleid dat de Britse Independence Party voorstaat: onvoorwaardelijke terugtrekking uit de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Kristovskis, namens de UEN-Fractie.(LV) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, namens mijzelf en de Fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten, wil ik onze waardering uitspreken voor de geachte afgevaardigde, de heer Kuhne, naar aanleiding van zijn uitstekende verslag over de Europese veiligheidsstrategie. In dit verslag komt de uitbreiding van het veiligheidsconcept overeenkomstig de huidige situatie aan de orde, wordt een redelijk advies gegeven over de huidige ontwikkelingen op het gebied van Europese veiligheid en worden tekortkomingen aangewezen. Ik zal slechts één aspect aan de orde stellen. Ik vind dat de heer Kuhne in dit verslag op volstrekt gerechtvaardigde wijze aan het Europees Parlement heeft laten zien dat het noodzakelijk is deelname aan de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie te bevorderen. Het realiseren van deze doelstelling is een relatief gecompliceerde taak voor de leden van het Europees Parlement en uiteraard ook voor de Europese instellingen. We moeten echter toegeven dat we in het Europees Parlement niet beschikken over de vereiste informatiebeveiliging en specialistische back-up om de werkzaamheden van het betreffende directoraat-generaal van de Commissie en van de Raad met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie, grondig en met de benodigde kennis van zaken te bespreken. Laat staan dat we in een positie verkeren om de maatregelen te begrijpen die worden genomen door de nationale regeringen in het kader van de tenuitvoerlegging van hun veiligheids- en defensiestrategie, gezien de wisselwerking van de verschillende maatregelen op dat terrein.

Dames en heren, we moeten onderkennen dat dit een ernstig probleem is. In feite zijn er diverse problemen die verbandhouden met aspecten van de gemeenschappelijke veiligheid in de Europese Unie. Aan de basis ervan liggen tekorten van financiële aard, de achtergebleven ontwikkeling van militaire capaciteiten, een gebrek aan informatiebeveiliging en andere tekortkomingen. In de afgelopen maanden, heb ik als nieuw lid van het Europees Parlement de kans gehad om geleidelijk meer inzicht te krijgen in de wijze waarop het veiligheidsbeleid in Europa tot stand komt, en wie hierbij de belangrijkste rollen vervullen. Het lijkt mij dan ook volstrekt terecht op te merken dat het verslag van voldoende hoge kwaliteit is. Aangezien 70 procent van de burgers van de Europese Unie een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid noodzakelijk acht, moeten we het erover eens zijn dat het toezicht houden op de tenuitvoerlegging van de Europese veiligheidsstrategie een van de prioriteiten moet zijn voor het verbreden van het werkterrein van het Europees Parlement. De dreigingen van de 21e eeuw – grensoverschrijdend terrorisme, de illegale verspreiding van massavernietigingswapens, regionale conflicten en islamitisch fundamentalisme – geven iedereen de plicht onze mondiale uitdagingen te begrijpen en het Europees Parlement moet een actieve rol vervullen in het voorkomen van deze dreigingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Claeys (NI). Voorzitter, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid behelst een heleboel aspecten en nevenaspecten en het is natuurlijk onmogelijk om in dit korte tijdsbestek exhaustief te zijn. Twee opmerkingen toch.

Ik zou eerst en vooral willen wijzen op een lacune in de prioriteitenlijst en dat is de steun aan Europeanen of mensen van Europese oorsprong in andere delen van de wereld. Ik heb het in de eerste plaats over zuidelijk Afrika, niet alleen Zuid-Afrika zelf maar ook Zimbabwe. Het wordt hoog tijd dat de Europese Unie krachtig gaat optreden zodat er een einde kan worden gemaakt aan de aanvallen op boerderijen en de systematische onteigeningen van boerderijen die door Europeanen gerund worden. Een dergelijk optreden zou trouwens in het belang zijn van de gehele bevolking aldaar. Ik verwijs bijvoorbeeld naar Zimbabwe, het land dat vroeger de graanschuur van Afrika werd genoemd en dat nu door hongersnood wordt geteisterd, onder meer en voornamelijk door het wanbeleid van dictator Mugabe.

Een ander probleem dat meer aandacht verdient, is de nucleaire ontwapening. Het verslag legt de nadruk op de naleving van het Non-proliferatieverdrag, maar gaat voorbij aan het reusachtige veiligheidsrisico dat wordt gevormd door slecht bewaakte of half opgegeven nucleaire faciliteiten in voormalige sovjetstaten en een aantal andere landen, alsmede aan het misbruik dat daarvan kan worden gemaakt door terreurorganisaties zoals Al-Qaïda. Wij moeten als Europese Unie dringend aan tafel gaan zitten met de betrokken landen en internationale organisaties, en zorgen dat de nodige middelen worden vrijgemaakt om die tikkende tijdbom onschadelijk te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Klich (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het Europees Parlement is ervan overtuigd dat er vorig jaar aanzienlijke vooruitgang is geboekt op het gebied van het Europees veiligheids- en defensiebeleid en dat wij de impasse tengevolge van de onenigheid over Irak hebben doorbroken. Wij begroeten de oprichting van het Europees Defensie-agentschap en zijn ervan overtuigd dat dit agentschap een belangrijke rol zal spelen bij de aanschaf van nieuw materieel. Wij zijn er blij om dat het Grondwettelijk Verdrag bepalingen bevat die het EVDB toekomstperspectief geven, met name met betrekking tot de structurele samenwerking, ofwel de solidariteitsclausule. Een ander belangrijk element vormt de aankondiging van de Europese Commissie van een Europees programma voor veiligheidsonderzoek dat vanaf 2007 uitgerust zou moeten zijn met een begroting van tenminste 1 miljard euro. Wellicht de belangrijkste gebeurtenis van vorig jaar was de overname van de stabilisatiemissie in Bosnië van de NAVO. Dit is de eerste serieuze militaire operatie van de Europese Unie.

In dit verband zijn wij ervan overtuigd dat de vier vragen die wij zes jaar geleden hebben gesteld toen in Keulen het Europees veiligheids- en defensiebeleid werd aangekondigd, niets aan actualiteit hebben verloren. Ten eerste, wat moeten wij doen om ervoor te zorgen dat onze defensiecapaciteit voldoet aan onze aspiraties en uitdagingen, de uitdagingen die zijn beschreven in de Europese veiligheidsstrategie? Ten tweede, hoe kunnen wij de onontbeerlijke coherentie van het Europees veiligheids- en defensiebeleid veiligstellen? Ten derde, hoe kunnen wij het EVDB verder ontwikkelen met inachtneming van de defensieverplichtingen van de meeste lidstaten van de Europese Unie die tegelijkertijd lid zijn van de NAVO? Ten vierde, hoe kunnen wij de financiële middelen op een rationele manier gebruiken, zowel op nationaal niveau als op het niveau van de Gemeenschap?

Deze vragen zijn vooral gericht tot de Commissie en de Raad, want het Parlement, de Raad en de Commissie moeten de antwoorden op deze vragen gezamenlijk vinden. Als wij daar niet in slagen, zal het Europees veiligheids- en defensiebeleid niet meer zijn dan een vodje papier en staan wij machteloos.

 
  
MPphoto
 
 

  D'Alema (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik sluit me aan bij de vele collega’s die de rapporteurs hebben bedankt voor deze twee belangrijke verslagen, waarin het Europese buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid en de geboekte vooruitgang uitvoerig worden geëvalueerd en over het geheel genomen overtuigende richtsnoeren worden voorgesteld voor een doeltreffende rol van Europa op het wereldtoneel.

Het Grondwettelijk Verdrag kan de rol van Europa versterken dankzij vernieuwingen die een betere integratie en samenwerking garanderen. Het lijkt mij juist om van meet af aan uit te gaan van een samenwerking tussen het Parlement, de Commissie en de Raad.

De centrale doelstelling van Europa is een doeltreffende vorm van multilateralisme te bevorderen, dat wil zeggen niet alleen veiligheid te garanderen maar ook meer democratie, mensenrechten en kansen voor ontwikkeling en groei. Kortom, het gaat erom de mondialisering de baas te zijn, door prioriteit te geven aan politieke, burgerlijke en economische methoden, zonder de inzet van militaire middelen in het uiterste geval uit te sluiten, zodat het gebruik van geweld in een legitiem kader mogelijk blijft.

Niettemin moet, om te zorgen dat dat legitiem is, de autoriteit van het VN-systeem worden hersteld, zoals het verslag-Brok terecht stelt. Een autoriteit die is geschokt en verzwakt, deels door de doctrine en de praktijk van de eenzijdige preventieve oorlog. Deze doctrine en praktijk kan Europa alleen maar afkeuren. Een hernieuwde samenwerking tussen Europa en de Verenigde Staten kan niet om dit principiële punt heen.

In die zin acht ik het van grote waarde dat veel collega’s – en ook commissaris Ferrero-Waldner – zich hebben uitgesproken voor een zetel van de EU in de VN-Veiligheidsraad, wat een sprong vooruit zou betekenen in de verhouding tussen de Europese Unie en de Verenigde Naties.

In dit kader wil ik een prioriteit benadrukken, namelijk het conflict tussen Israël en Palestina en de crisis in het Midden-Oosten. We hebben terecht de nadruk gelegd op de nieuwe kansen en de hoopvolle signalen. Toch heb ik mijn zorgen: bij de ontmoeting tussen Bush en Sharon is een nogal ongepolijst contrast naar voren gekomen over het Israëlische beleid om de nederzettingen uit te breiden, dat in feite de voorbode is van een annexatie van Oost-Jeruzalem en een deel van de Westelijke Jordaanoever; als dit beleid wordt doorgezet, zou de hoop op vrede snel worden weggevaagd. Als zelfs de Amerikaanse regering zich kritisch uitlaat, moet Europa zich ook laten horen, ferm en duidelijk, om keuzes tegen te houden die elke hoop op vrede en ontspanning de bodem in slaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Neyts-Uyttebroeck, Annemie (ALDE). Eerst en vooral wil ik onze collega Elmar Brok gelukwensen met zijn uitstekende verslag dat een coherente, toekomstgerichte en realistische visie biedt op het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Al te dikwijls, collega's, vergeten we hoe jong dit beleid eigenlijk nog is. Ik herinner mij heel levendig dat twintig jaar geleden de woorden veiligheid, buitenlands beleid en nog het minst van al defensiebeleid zelfs niet mochten worden vermeld in Europese teksten of in programma's van Europese politiek partijen. Tien jaar geleden was er een embryo van gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid maar dat was dan weer zorgvuldig ingekapseld in een aparte, wel haast exclusief intergouvernementele pijler. Vandaag beschikken we over een aparte eigen visie en strategie - nog in wording weliswaar - maar waarvan de originaliteit niet kan worden ontkend. Die originaliteit bestaat vooral hierin dat wij zorg willen dragen voor zowel de civiele als de diplomatieke en militaire aspecten van zulk een beleid. Ik wil graag onderstrepen dat het Grondwettelijk Verdrag op dat vlak een aantal bijzonder belangrijke vorderingen behelst en overigens is dat ook een van de hoofdredenen waarom dat Grondwettelijk Verdrag het verdient om te worden geratificeerd.

In dit jaarlijkse verslag wordt ertoe opgeroepen om het Europese Parlement en de nationale parlementen nauwer te betrekken bij de voorbereiding en uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en deze betrokkenheid niet te beperken tot besprekingen post factum. De trimestriële gedachtewisseling met de Hoge Vertegenwoordiger en met de commissaris voor externe betrekkingen waaraan vertegenwoordigers van de nationale parlementen zullen kunnen deelnemen, bieden daarvoor een uitgelezen kans. Dat is één aspect van de voorstellen dat we heel graag steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pflüger (GUE/NGL). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, om het een beetje levendig te houden laat ik eens een ander geluid horen. In de tekst over de Europese veiligheidsstrategie staat: "De eerste verdediging tegen de nieuwe bedreigingen zal vaak aan een front in het buitenland plaatsvinden." Het verslag-Kuhne ligt absoluut op die lijn.

De Europese veiligheidsstrategie zou voor alle lidstaten van de EU bindend moeten zijn. Het is de bedoeling van de EVS om ervoor te zorgen dat het militaire beleid van de EU al sterker wordt geënt op de plannen voor preventieve oorlogsvoering. In het verslag-Kuhne wordt geëist om nog verdere stappen op weg naar de bewapening te zetten. Op die manier wil men ervoor zorgen dat de EU klaar staat voor militaire interventies overal ter wereld, waarbij gebruik wordt gemaakt van de capaciteiten van de NAVO. Het is de bedoeling – zo zegt men – om ervoor te zorgen dat de EU een global player wordt, vooral militair.

Daarom heeft mijn fractie een minderheidsstandpunt afgegeven. Enerzijds wordt er beweerd dat de Europese Unie helemaal niet gemilitariseerd wordt, anderzijds wordt alles in het werk gesteld om ons te bewapenen, dat blijkt wel uit wat we tot nu toe gehoord hebben. Men wil concepten ontwerpen voor "regionale EU-oorlogen voor het garanderen van de grondstofvoorziening". Het ontwerp voor een Europese Grondwet, die hopelijk in Frankrijk schipbreuk zal lijden, de Europese veiligheidsstrategie en het European Defence Paper zijn symbolen voor het Europa van de bewapening en van de toekomstige oorlogen.

Ik doe een beroep op u, luister naar deze kritiek! Aan polemiek hebben we niets. Dat krijgt u weer op uw bordje, kijk maar naar Frankrijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Coûteaux (IND/DEM). (FR) Mijnheer de Voorzitter, anderhalve minuut is veel meer dan ik nodig heb, want de zeer grote onderwerpen die in dit boordevolle verslag behandeld worden, vooronderstellen het bestaan van een minister van Buitenlandse Zaken, een diplomatieke dienst en een gemeenschappelijk buitenlands beleid. Maar een gemeenschappelijk buitenlands beleid, dat hebben we helemaal niet; we hebben niet meer dan een vage opzet van zo’n beleid sinds daarover in 1992 iets is vastgelegd in titel V van het Verdrag van Maastricht. Trouwens, er is sowieso geen gemeenschappelijk beleid, en dat moet er nooit komen ook, omdat de beginselen, tradities en belangen en dus ook de politieke keuzen van onze afzonderlijke naties nu eenmaal sterk van elkaar verschillen. Dat geldt in de eerste plaats voor het zo belangrijke punt van de betrekkingen met de Verenigde Staten van Amerika.

Wat die andere minimumvoorwaarde betreft, de oprichting van een gemeenschappelijk diplomatiek instrument: daarvoor zal toch eerst de Europese Grondwet aangenomen moeten worden. Welnu, het spijt me heel erg voor u, maar ik kan u zeggen, en daarmee vertel ik toch echt niets nieuws, dat dat project waarschijnlijk nooit van de grond zal komen en dat het hele bouwsel dat u heeft opgetrokken zonder dat de burgers iets gevraagd is, vanzelf zal instorten.

Meer zou ik eigenlijk niet hoeven te zeggen. Ik zou mijn spreektijd niet vol hoeven te maken en u daarmee meteen een hoop ergernis kunnen besparen, maar ik wil nog wel even zeggen dat u wat mij betreft rustig verder kunt dromen, want die dromen van u, daarin zijn de aanhangers van nationale soevereiniteit die op dit moment campagne voeren in Frankrijk en daarbuiten bijzonder geïnteresseerd. Wanneer wij tijdens onze bijeenkomsten met de Franse burgers vertellen dat er in Washington iemand zit die zich de pompeuze titel “ambassadeur van de Europese Unie bij de Verenigde Staten” heeft aangemeten, beginnen ze allemaal hard te lachen. En als we er dan bij zeggen dat er met die Grondwet een zogenaamde minister van Buitenlandse Zaken komt en dat die functie – puur toeval natuurlijk – vervuld gaat worden door een voormalig secretaris-generaal van de NAVO, komen de Fransen helemaal niet meer bij van het lachen en raken ze nog meer geïntrigeerd – of ze voelen zich ronduit geschoffeerd.

Gaat u dus vooral zo door, dames en heren federalisten en eurofielen in alle soorten en maten. U levert met uw argumenten topamusement dat wij niet graag zouden willen missen.

 
  
MPphoto
 
 

  Czarnecki, Ryszard (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is misschien niet een virtueel beleid zoals de sceptici beweren, maar het is een feit dat dit beleid er op papier beter uitziet dan in de praktijk. Als wij de ontwikkeling van dit beleid vooral willen motiveren met de resultaten van opiniepeilingen, zoals de opstellers van de ontwerpresolutie, dan kiezen wij een riskante weg. Wat als morgen niet 60 procent, maar bijvoorbeeld 45 procent van de inwoners van de Europese Unie een gemeenschappelijk buitenlands beleid steunt in plaats van 70 procent zoals kennelijk thans het geval is? Of als bijvoorbeeld 47 procent het gemeenschappelijk defensiebeleid steunt? Moeten wij dit beleid dan overboord werpen? Ik waarschuw voor een dergelijk op opiniepeilingen gebaseerd beleid. Wij mogen niet verbergen dat de meningen in het Europees Parlement uiteenlopen en dat niet iedereen even enthousiast is over een gemeenschappelijk buitenlands beleid of een gemeenschappelijk defensiebeleid. Over een paar punten zijn wij het echter allemaal eens: in de eerste plaats vormt het islamitisch terrorisme een reëel gevaar; ten tweede mogen wij voor de oplossing van verschillende problemen niet meteen naar militaire instrumenten grijpen; ten derde en tot slot volgen wij aandachtig de experimenten zoals het gemeenschappelijk militair optreden van de EUFOR in Bosnië-Herzegovina. Uiteraard heeft de Europese Unie al eerder de missie Concordia in Macedonië op zich genomen, maar dat was een relatief kleine operatie. Daarnaast waren er de politiemissies in Bosnië-Herzegovina en onlangs nog in Afrika.

Tot slot hebben wij vandaag de kans om van de Raad de naleving te eisen van artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie over de raadpleging over de belangrijkste acties op het gebied van het buitenlands beleid voor het volgende jaar. Hierbij gaat het niet om een gunst van de Raad, maar om een verplichting!

 
  
MPphoto
 
 

  Zieleniec (PPE-DE).(CS) Als belangrijke internationale partij, draagt de Europese Unie een mondiale verantwoordelijkheid. Met het oog hierop wil ik benadrukken dat het welslagen van het buitenlands beleid van de EU afhankelijk is van ons partnerschap met de Verenigde Staten. Ondanks alle verschillen die er tussen ons bestaan, staan de Verenigde Staten van alle mondiale partijen het dichtst bij Europa en onze band berust niet alleen op gemeenschappelijke waarden. Het partnerschap is een logisch gevolg van het gemeenschappelijk belang dat wij hebben bij het creëren van stabiliteit in de wereld, bij het versterken van de rechtsstaat en de democratie en bij het garanderen dat mondiale markten naar behoren functioneren en dat grondstofbronnen overal ter wereld beschikbaar blijven.

De Noord-Atlantische Alliantie blijft een fundamentele garantie voor de Europese en Amerikaanse veiligheid, hoewel de uitdagingen waarvoor wij ons momenteel gesteld zien bij lange na niet alleen maar gerelateerd zijn aan de veiligheid. Ik wil daarom op dit punt een beroep doen op de Commissie en de Raad om een actieplan te presenteren voor een strategisch partnerschap tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten waardoor onze dialoog over een breed scala aan kwesties een institutionele grondslag krijgt. Het partnerschap zou zaken moeten aanpakken die variëren van het functioneren van de financiële dienstenmarkten tot het stabiliseren van de internationale orde, alsmede de mondiale landbouw, de strijd tegen aids, de beschikbaarheid van water, de mondiale klimaatverandering en de non-proliferatie van massavernietigingswapens. Een van de doelen van het partnerschap zou de oprichting moeten zijn van een vrijhandelszone tussen de EU en de VS, welke zou kunnen functioneren als een drijvende kracht achter de wereldeconomie.

We hebben tijdens het bezoek van president Bush in februari gemerkt dat de Amerikanen zich bewust zijn van de noodzaak een sterke partner aan de overkant van de Atlantische Oceaan te hebben. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de Europese Unie deze kans moet aangrijpen om een partnerschap te versterken dat de sleutel zou kunnen zijn tot mondiale orde en stabiliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Gomes (PSE).(PT) De Europese veiligheidsstrategie daagt ons uit om na te denken over de rol van de Unie in het wereldbestuur. De verslagen van de heren Brok en Kuhne dragen op uitstekende wijze bij aan de beantwoording van die uitdaging. Een doeltreffend en coherent buitenlands en veiligheids- en defensiebeleid is een beleid waarin de nadruk wordt gelegd op de burger en waarin de mensenrechten, het internationaal en humanitair recht en het multilaterialisme in de internationale betrekkingen hoog in het vaandel staan. Anders gezegd, het beleid moet verankerd zijn in het concept van menselijke veiligheid, zoals wordt benadrukt in het verslag-Kuhne, dat in lijn is met het belangrijke rapport van Barcelona over een doctrine voor menselijke veiligheid.

Dit is des te belangrijker omdat de proliferatie van massavernietigingswapens en de strijd tegen het terrorisme op veiligheidsgebied nog steeds de prioritaire aandachtspunten van Europa zijn. Wij moeten deze twee elementen dan ook integreren in alle dimensies van onze externe betrekkingen, en met name in het nieuwe nabuurschapsbeleid. In deze context is het van fundamenteel belang dat de Europese Unie een permanente zetel verwerft in de VN-Veiligheidsraad, zoals hier overigens al is onderstreept.

De Europese Unie moet zich tevens inspannen om de verdragen inzake non-proliferatie en vernietiging van kernarsenalen aan te scherpen en de controle op de export van nucleair materiaal en wapens in het algemeen te versterken. Bovendien moet de Unie ervoor zorgen dat haar actieplan ter bestrijding van het terrorisme in overeenstemming is met haar buitenlands en veiligheidsbeleid en haar defensiebeleid, als integraal onderdeel van de algemene strategie voor terrorismebestrijding die Kofi Annan onlangs heeft aangekondigd.

Dit betekent ook dat de Europese regeringen de verplichtingen moeten nakomen die zij zijn aangegaan in het kader van de Millenniumverklaring. Armoede en onrechtvaardigheid vormen een vruchtbare voedingsbodem voor terrorisme. Als wij willen dat het veiligheids- en defensiebeleid leidt tot een grotere strategische onafhankelijkheid van Europa, meer capaciteit, een betere integratie van de defensiemiddelen en de totstandkoming van een echte interne markt, dan moeten wij waarborgen dat het Europees Defensie-agentschap ons bij onze debatten informatie verleent over de aankoop en ontwikkeling van en het onderzoek naar materieel. Het is nu aan de regeringen van de lidstaten om ervoor te zorgen dat dit agentschap in werking kan treden. Uit de volgende financiële vooruitzichten zal blijken of onze regeringen bereid zijn zich ten volle in te zetten voor het welslagen van de Europese veiligheidsstrategie, aangezien het resultaat van deze strategie in hoge mate afhankelijk is van de middelen die de Unie beschikbaar stelt.

Tenslotte wil ik u nog meedelen dat ik vorige week in Sarajevo, samen met de heer Von Wogau en andere afgevaardigden, heb kunnen zien hoe de Britse generaal die de EUFOR aanvoert vol trots nationale eerbewijzen uitdeelde. Toch ben ik ervan overtuigd dat als er vijftien jaar geleden een buitenlands beleid en een Europees veiligheids- en defensiebeleid hadden bestaan, Europa de oorlog in het voormalige Joegoslavië had kunnen voorkomen of in elk geval eerder had kunnen stopzetten. Uit de belangrijke Althea-missie in Bosnië en Herzegovina blijkt overigens dat Europa, nu het over de nodige middelen beschikt, zijn verantwoordelijkheden op het gebied van de veiligheid in Europa en de rest van de wereld wel degelijk kan en moet nakomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pafilis (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, de twee verslagen die vandaag worden behandeld, beschrijven duidelijk de identiteit en het imperialistisch, agressief karakter van de Europese Unie. Zij bevestigen het bestaan van een gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika van een tegen de volkeren en landen gerichte strategie, die onder meer is gegrondvest op het monstrueuze dogma van de preventieve oorlog, dat in de verslagen wordt beschreven en ook duidelijk wordt genoemd in het Grondwettelijk Verdrag. In de verslagen staat dat een betere voorbereiding van de Europese Unie op nieuwe militaire interventies, samen met de NAVO en de Verenigde Staten van Amerika, of ook op eigen houtje, een onmiddellijke prioriteit moet zijn.

In naam van de veiligheid van de Europese Unie worden de landen en gebieden “gefotografeerd” waar nieuwe interventies kunnen plaatsvinden, om te beginnen de Balkan, de Kaukasus en het Midden-Oosten, maar deze kunnen, onder het voorwendsel van de versterking van de internationale orde, overal ter wereld plaatsvinden.

De filosofie van het gemeenschappelijk buitenlands en defensiebeleid en van de Europese veiligheidsstrategie is een Europese versie van het imperialistische dogma van de Verenigde Staten van Amerika inzake bescherming van de Amerikaanse belangen, in naam waarvan honderden interventies zijn gepleegd en dood en verderf zijn gezaaid in elke hoek van de aarde.

Volgens ons worden de volkeren echter wakker. Zij zullen zich verzetten en niet toestaan dat dit beleid wordt toegepast. Laten wij eindelijk ook de volgende vraag stellen: wie bedreigt wie? De Europese Unie heeft troepen in talloze landen van de wereld. Zij neemt deel aan een oneindig netwerk met bases, zij heeft deelgenomen aan drie oorlogen en bovendien….

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Mölzer (NI). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik heb heel wat kritiek op bepaalde delen van het Verdrag voor een Europese Grondwet, maar het lijkt me van het grootste belang om het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te versterken. Europa kan alleen maar een geloofwaardige mondiale vredesmacht zijn wanneer we naar binnen en naar buiten met één stem spreken. Bovendien moeten we dat met militaire middelen en een veiligheidsbeleid hard kunnen maken.

Volgens mij moeten we natuurlijk iedere tendens in de richting van het ontstaan van een Europese centrale staat radicaal van de hand wijzen, maar het lijkt me wel juist dat er een gezamenlijke Europese minister van Buitenlandse Zaken komt met een goed gevulde portefeuille en een sterke positie in de EU. Daarom lijkt het me ook een goed idee om een Europese diplomatieke dienst op te bouwen.

Het zou echter onaanvaardbaar zijn wanneer een dergelijke Europese diplomatieke dienst zou worden beheerst door de grote lidstaten van de EU. Ook kleinere landen zoals Oostenrijk zouden moeten worden betrokken bij het uitwerken van een Europees buitenlands beleid. Ook het Parlement zou op voet van gelijkheid met de Raad moeten beslissen over de inhoud van zo’n beleid.

Wanneer de kleinere lidstaten van de EU net als de grotere hun bijdrage moeten leveren aan het gemeenschappelijk Europees veiligheidsbeleid en aan gezamenlijke Europese legereenheden, dan moeten ze ook navenante medezeggenschap hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Jarzembowski (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, ik zou terug willen komen op twee passages in het verslag van het Parlement over het buitenlands beleid en het veiligheidsbeleid van bepaalde landen in het Verre Oosten. Ik denk dat de Volksrepubliek China de situatie daar aanzienlijk heeft bemoeilijkt door de anti-afscheidingswet. We keuren dat absoluut af. Met deze anti-afscheidingswet wil de Volksrepubliek China zichzelf het recht geven om Taiwan met militaire middelen te bedreigen en aan te vallen. Dat is een volkomen onaanvaardbare schending van het internationale recht. De 23 miljoen burgers van Taiwan hebben het onvervreemdbare recht om op democratische wijze zelf over hun toekomst te beslissen. Zij moeten zelf bepalen of ze een hereniging met het vasteland willen of in een eigen, soevereine staat willen blijven leven.

We moeten van de Volksrepubliek China eisen dat er geen dreigementen meer worden geuit maar dat er eindelijk directe gesprekken met Taiwan worden gevoerd op basis van wederzijdse erkenning. Dat kan de relatie tussen de twee landen verbeteren en draagt bij tot vrede in Oost-Azië. In dit verband wil ik de vertegenwoordiger van de Raad erop wijzen dat het wapenembargo tegen China niet mag worden opgeheven. De Europese Raad had dit embargo in 1989 terecht opgelegd. De mensenrechten en de rechten van minderheden worden in China inderdaad beter gerespecteerd, maar zeker niet voldoende. Het Parlement heeft al meerdere keren vastgesteld dat de mensenrechten, de culturele, religieuze en politieke grondrechten, niet volgens de internationale normen worden gerespecteerd, al heeft China die zelf erkend.

Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik hoop dat u hier echt rekening mee zult houden. Het opheffen van het wapenembargo zou juist op dit moment een volkomen fout gebaar zijn gezien de permanente schending van de mensenrechten door China. Bovendien zou het kunnen worden gezien als een beloning voor de anti-afscheidingswet.

 
  
MPphoto
 
 

  Siwiec (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, wij hebben een document ontvangen dat de Europese strategie op het gebied van het veiligheidsbeleid beschrijft. Het betreft hier het moeilijkste beleidsterrein voor een staat of een internationale organisatie. Dit document zal de basis en het uitgangspunt vormen bij de formulering van hoe het beleid van de lidstaten het beste kan worden geconsolideerd en hoe het buitenlands beleid doeltreffender kan worden. Wij mogen niet vergeten dat het duurste buitenlands beleid een gebrek aan beleid is. Wat dat betreft verkwist de Europese Unie op veel gebieden haar mogelijkheden door helemaal geen beleid te voeren. De tweede banale waarheid richt ik in het bijzonder tot diegenen die hier enige tijd het hoogste woord voerden over militarisering: een doeltreffend buitenlands beleid kan het niet stellen zonder militaire capaciteit. Voorts moeten wij beseffen dat de formulering van de beginselen van ons veiligheidsbeleid in de ruimste zin een goed uitgangspunt biedt voor de dialoog met onze Amerikaanse partner en een basis voor een nieuw soort transatlantische betrekkingen. Aan de ene kant van de Atlantische Oceaan hebben wij de Verenigde Staten, die balanceren tussen leiderschap en hegemonie en aan de andere kant de Europese Unie, die op dit terrein nu pas een eigen identiteit creëert. Dit proces vereist verbeeldingskracht en geduld, maar ook deskundigheid. Wat dat betreft ben ik van mening dat het verslag van de heer Kuhne uitstekend aangeeft welke verplichtingen in het kader van de Europese veiligheid op de verschillende Europese instellingen rusten. Voorts is het kenmerkend dat dit verslag wordt behandeld in combinatie met het jaarlijks verslag over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Dit is een uitstekende bijdrage van het Europees Parlement die eraan meehelpt dat wij eindelijk kunnen spreken over een heus, en niet een virtueel, Europees beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Van Orden (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, als men de opvatting huldigt dat de Europese Unie zich dient te ontwikkelen tot een soort geïntegreerde Europese staat, dan is het niet alleen logisch, maar ook noodzakelijk dat zij haar eigen munt, haar eigen politieel en justitieel beleid, haar eigen diplomatieke vertegenwoordiging, haar eigen begroting voor leger en defensie en alles wat er verder nog bij het staat-zijn komt kijken, samenbrengt binnen een constitutioneel rechtskader.

Het is precies deze beweegreden die de inspiratiebron is geweest voor de twee verslagen die wij vandaag behandelen. Ik moet zeggen dat de Britse conservatieven een geheel ander standpunt zijn toegedaan. Wij verzetten ons ten enenmale tegen verdere Europese politieke integratie. Eigenlijk zouden wij graag proberen veel van de buitensporige bevoegdheden die Brussel heeft vergaard, te ontwarren en weer terug te geven aan de lidstaten. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat wij ons verzetten tegen de hele idee van een Europese Gondwet en ook tegen de gedetailleerde onderdelen ervan.

In de verslagen wordt met name aandacht besteed aan veiligheids- en defensiebeleid. Er wordt getracht de militaire staat van dienst van de EU beter te doen uitkomen door een vertekend beeld te geven van de aard en de rol van de NAVO en die organisatie vervolgens uit te rangeren. Tegelijkertijd worden de NAVO-structuren gekopieerd, wat pure verspilling is, en wordt gepoogd de rol die de naties hebben als spelers in de transatlantische veiligheidsrelatie over te nemen, maar ondertussen worden wel de capaciteiten van die naties geannexeerd. En tot slot worden er misplaatste ideeën onderschreven over het zodanig structureren van onze strijdkrachten dat de maatschappij daarin weerspiegeld wordt.

Ik denk niet dat de Europese naties strategische veiligheidsbelangen hebben die losgekoppeld zouden moeten worden van die van hun transatlantische en andere bondgenoten. Er kunnen tijden zijn waarin Europeanen de eerste verantwoordelijkheid moeten dragen voor het leveren van strijdkrachten in hun eigen regio. Dat is precies wat er de afgelopen tien of meer jaar gebeurd is in het voormalige Joegoslavië; suggereren dat de militaire operatie van de EUFOR-stabilisatiemacht in Bosnië iets wezenlijk anders is dan wat daar voordien gedaan werd, is je reinste bedriegerij. Van de 7 000 manschappen van de NAVO-stabilisatiemacht SFOR waren er 6 000 Europees. Het is dus oneerlijk om te doen alsof de EU bijdraagt aan enige verbetering van de veiligheid, terwijl de meeste van haar lidstaten hun defensie-uitgaven eerder verlagen dan verhogen en de EU zelf slechts de planning-, besluitvormings- en commando- en controlestructuren kopieert van de uiterst succesvolle organisatie die de NAVO is.

 
  
MPphoto
 
 

  Rouček (PSE).(CS) Dames en heren, sinds het einde van de koude oorlog zijn er nieuwe bedreigingen voor de veiligheid ontstaan. Het gaat dan onder meer om internationaal terrorisme, de proliferatie van massavernietigingswapens, georganiseerde criminaliteit en een hele reeks regionale conflicten. Het wordt duidelijk dat geen enkel land, hoe groot het ook is, in een positie verkeert om deze bedreigingen voor de veiligheid op eigen houtje aan te pakken en daarom moet het gemeenschappelijk buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid van de EU worden uitgebreid en versterkt. Deze overtuiging wordt niet alleen gedeeld door de meerderheid van de leden van dit Parlement, en niet alleen door de vertegenwoordigers van de Raad of de Commissie, maar ook en vooral, door de Europese burgers. Aan dit punt is in dit Parlement reeds gerefereerd.

Een andere kwestie die duidelijk wordt is dat we geen van deze bedreigingen uitsluitend met militaire middelen het hoofd kunnen bieden; daarom zullen we in plaats daarvan gebruik moeten maken van een combinatie van zowel militaire als civiele middelen. Beide verslagen die voor vandaag zijn ingediend en beide rapporteurs verschaffen duidelijke en gedetailleerde antwoorden op de vraag hoe dit bereikt kan worden. Het welslagen en de toekomstige ontwikkeling van het gemeenschappelijk buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid hangen af van twee voorwaarden waaraan voldaan moet worden: de Europese Grondwet moet worden geratificeerd, en er moeten voldoende financiële middelen worden gereserveerd. Meer Europese veiligheid voor minder geld is immers onmogelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Kauppi (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zal mij beperken tot twee hoofdzaken. Ik wil graag beginnen met enkele opmerkingen over de Europese dienst voor extern optreden. Het is van het allerhoogste belang dat die dienst een plaats krijgt binnen de Commissie. We moeten ons onthouden van alle pogingen om de nieuwe dienst te verzwakken door hem voornamelijk binnen de Raad te plaatsen. De dienst mag zich onder geen beding ontwikkelen tot een oncontroleerbaar intergouvernementeel agentschap dat een eigen leven gaat leiden.

Uitsluitend wanneer sprake is van een maximale parlementaire controle kunnen we er zeker van zijn dat de edele doelen van Europa voor de rest van de wereld worden gerealiseerd. Armoedebestrijding, het verdedigen van de democratie en het opkomen voor de mensenrechten zijn allemaal zaken waarin wij kunnen, en moeten, samenwerken op basis van gemeenschappelijke waarden. Een intergouvernementele dienst zou het gevaar lopen ten prooi te vallen aan vele, meer versnipperde en strategische belangen en onze gemeenschappelijke waarden en doelstellingen zouden in het geheel ondergesneeuwd worden.

In de tweede plaats moeten we het Europees buitenlands beleid in het kader van de nieuwe Grondwet, als en wanneer we die krijgen, zowel met ambitie als met realiteitszin benaderen. De Grondwet bevordert het Europees buitenlands en veiligheidsbeleid in veel cruciale opzichten en wij moeten ervoor zorgen dat de aangegane verplichtingen worden nagekomen. Ook al zijn de ontwikkelingen die belichaamd worden in de bepalingen van de Grondwet over wederzijdse solidariteit – en ook in het toegenomen vermogen om snel in te grijpen – niet zozeer vernieuwingen als wel een weerspiegeling van de huidige praktijk, toch moeten we ervoor zorgen dat ze, wanneer ze eenmaal van kracht worden, geïnterpreteerd worden op een ambitieuze, concrete wijze, die bindende kracht heeft.

De opneming van wederzijdse veiligheidsgaranties in de Grondwet valt eveneens toe te juichen en dient te worden versterkt. Het verzet van sommige lidstaten kan met een paar simpele argumenten worden gepareerd. De NAVO is en blijft de ruggengraat van de Europese defensie, dat staat buiten kijf. De Europese garanties die wij voorgesteld hebben, dienen eenvoudigweg ter aanvulling van de NAVO-bepalingen met een dringend noodzakelijke Europese dimensie. Zij vormen ook een ondersteuning en bekrachtiging van tientallen jaren van Europese samenwerking op politiek niveau en op veiligheidsgebied die buiten het kader van de EU heeft plaatsgevonden. Er is geen sprake van een radicale herformulering van de ambities van Europa op het vlak van buitenlands en veiligheidsbeleid: de voorgestelde garanties houden slechts de constatering in dat Europa eindelijk volwassen genoeg moet zijn om zijn economische macht te paren aan een politieke stem en politieke inzet.

 
  
MPphoto
 
 

  Pinior (PSE). – (PL) Dames en heren, de afgelopen tijd wordt de Europese Unie, zeker sinds de uitbreiding van vorig jaar, een steeds belangrijkere speler die de internationale politieke orde mede gestalte geeft. Het succes van de Europese integratie wordt weerspiegeld door de aantrekkelijkheid van het Europese politieke bestel voor de samenlevingen van landen buiten de Europese Unie. In de Verenigde Staten spreken sommige analisten van de Europese "soft power" en van de “Europese droom” die voor onze ogen oprijst.

Het terrorisme, de verspreiding van massavernietigingswapens, regionale conflicten, de val van staten en de georganiseerde misdaad vereisen enerzijds een globale dimensie in de externe acties van de Europese Unie en anderzijds een grotere democratische verantwoordelijkheid op het gebied van deze kwesties. Daarom zouden wij nu al moeten verwijzen naar de letter en de geest en de bepalingen van het Grondwettelijk Verdrag met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. De toekomstige Europese diplomatieke dienst moet op dit gebied een sleutelrol spelen en de minister van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie bijstaan. Zodra het Grondwettelijk Verdrag van kracht wordt, moet alles in het werk worden gesteld om de solidariteitsclausule op veiligheidsgebied handen en voeten te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Landsbergis (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van de heer Brok bevat vele originele, visionaire en bemoedigende ideeën. Ik wil enkele opmerkingen maken over de problemen waarvoor het nieuwe, niet aan een bepaalde staat gebonden terrorisme ons stelt. Allereerst: welke aanbevelingen zouden wij nog meer kunnen doen, naast die van de heer Brok?

De strijd tegen het zogeheten terrorisme vereist een duidelijke beschrijving van politiek terrorisme. Dit terrorisme beoogt concrete, politieke doelen te bereiken en welke doelen zijn dat? Er moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds het nieuwe, politieke, niet aan een staat gebonden terrorisme, dat naar men zegt niet terug te voeren valt op een specifieke staat, en anderzijds het traditionele staatsterrorisme, dat vooral daar wordt aangetroffen waar de democratie te wensen overlaat. Dat soort politiek terrorisme roept doorgaans wraakzuchtige reacties op bij bepaalde groepen en organisaties, zoals nu het geval is in de oorlog van Rusland tegen het terrorisme – of Ruslands terroriserende oorlog – in Tsjetsjenië.

De democratische gemeenschap kan zich niet met succes teweer stellen tegen het abstracte begrip terrorisme als zodanig, dat immers alleen maar geworteld is in ideologie en fanatisme. Nee, de werkelijke vijanden die moeten worden bestreden, zijn terroristische organisaties en staten die gebruik maken van dat soort methoden en die dergelijke organisaties steunen. Er zijn twee recente pogingen gedaan in Afghanistan en Irak om terroristische organisaties te lokaliseren. Dat zijn nu de enige twee landen waar terroristische organisaties in het defensief lijken te zijn gedrongen. Wat defensie betreft, zou dit de wens van Europa om zich te meten met de Verenigde Staten ruimschoots vervullen.

Tot slot: dit verschijnsel van niet aan een bepaalde staat gebonden terreur heeft in zekere zin een duivels voordeel, namelijk dat democratieën zich nu wellicht duidelijker realiseren wat hun bedreigde waarden zijn. Bij het ontwikkelen van de concepten en structuren van het Europees veiligheids- en defensiebeleid zouden we ons steeds meer moeten richten op de vraag: ter wille waarvan, ten behoeve van wat voor een Europa doen we dit? Toch zeker niet voor een Europa met een overdreven consumptiedrang en suïcidale neigingen, dat zijn identiteit en zijn waardenbesef kwijtraakt, al het gepraat erover ten spijt? Dat is het onverdedigbare verdedigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat dit debat eens te meer heeft aangetoond dat uw Parlement een uiterst belangrijke bijdrage levert aan het uitzetten van de grote lijnen en het bepalen van de uitgangspunten van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Het heeft ook aangetoond dat er werkelijk sprake is van een dialoog – de dialoog met de Raad en de Commissie waarop het Parlement begrijpelijkerwijs zo sterk aandringt. Uit dit debat is gebleken dat er niet alleen sprake is van een dialoog achteraf, zoals in het verleden, maar ook van een dialoog over zaken die nu spelen en over toekomstige beleidsontwikkelingen.

Ik denk ook dat het niet goed is om, zoals een van de sprekers gezegd heeft, een buitenlands beleid te voeren dat ingaat tegen de wensen van het Parlement. Sinds ik het voorzitterschap van de EU waarneem, heb ik nooit de indruk gehad dat de Raad een beleid voerde waarbij het Parlement gepasseerd werd. Mijn indruk is eerder dat het beleid altijd nadrukkelijk in overleg bepaald is, en de debatten van vandaag, zoals het debat over de Balkanlanden van zo-even, maar ook de debatten van de afgelopen vergaderingen over het Midden-Oosten en Libanon, hebben mijns inziens laten zien dat het Parlement niet alleen bij de analyse van ons beleid, maar ook bij de opstelling daarvan betrokken wordt, evenals bij de vaststelling van de grote lijnen voor de toekomst.

Mijn conclusie na dit debat kan enkel zijn dat er sprake is van een brede consensus over de richtsnoeren voor dat beleid, in al zijn facetten. We zijn het eens over de invulling die Europa dient te geven aan het concept veiligheid, dat niet enkel in politieke en militaire termen gedefinieerd kan worden, maar veel ruimer opgevat moet worden, zodanig dat ook aspecten als milieu en mensenrechten erbij betrokken worden. Verder heb ik met zeer grote aandacht geluisterd naar wat er gezegd is over de waarde van symbolen en over datgene wat achter die symbolen schuilgaat: de aanblik van militairen met de Europese sterren duidelijk zichtbaar op hun op de schouder gedragen onderscheidingstekens zal diepe indruk maken en tot het besef leiden dat de eenwording van Europa daadwerkelijk vorm krijgt en dat we een nieuwe fase ingaan, met name via het veiligheids- en defensiebeleid.

Tot slot nog een opmerking over China, en daarbij richt ik me met name tot de heer Jarzembowski. Ik heb een standpunt ingenomen tijdens een vergadering van de Commissie buitenlandse zaken en door de ontwikkelingen zoals ik die waarneem, word ik geleidelijk bevestigd in dat standpunt. We moeten de realiteit onder ogen zien: betrekkingen met China zijn van groot belang, omdat dit land een steeds grotere rol voor zich opeist. We moeten daarom een veelomvattende dialoog met China aangaan waarin alle zaken van belang aan de orde komen.

Ik dank u allen hartelijk voor uw bijdragen. Het was mijns inziens een vruchtbaar, nuttig debat dat aantoont dat de dialoog tussen de instellingen van de Unie goed functioneert.

 
  
MPphoto
 
 

  Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, net als mijn collega vond ik dit een boeiend en alomvattend debat, omdat het heeft laten zien dat een groot deel van de specifieke vraagstukken is opgelost onder het vaandel van het GBVB en het EVDB. Veel van de afzonderlijke kwesties zullen opnieuw aan de orde komen in andere debatten die we voeren. Natuurlijk zijn we de mensenrechten niet vergeten. Velen van u hebben mensenrechten genoemd en ik denk dat zij al een wezenlijk onderdeel vormen van ons totale beleid. Het is van groot belang dat wij een wereldspeler worden met een Europees Handvest voor de rechten van de mens en, hopelijk zeer binnenkort, een Grondwet.

Er is een onderwerp dat niet ter sprake is gebracht in dit debat, maar dat ik graag wil noemen omdat het zo belangrijk is voor de veiligheid en ontwikkeling. Ik doel op het gendervraagstuk, waaraan in Europa zoveel aandacht wordt besteed, onder meer als onderdeel van ons ontwikkelingsbeleid en ons nabuurschapsbeleid. Dit maakt deel uit van het algehele beleid dat we willen.

Ik wil ook mijn instemming betuigen met de opmerking dat de Europese Unie samen moet werken met partners om te voorkomen dat nucleair en andere gevoelig materiaal in de handen van terroristen terechtkomt. Dit is een centrale doelstelling in ons gezamenlijk actieprogramma.

Verder ben ik het eens met de heer Von Wogau en anderen die zeiden dat er een zeer belangrijk verband bestaat tussen binnenlandse en buitenlandse veiligheid. Dit is ook essentieel voor een nauwe samenwerking tussen de verschillende directoraten van de Commissie en het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen.

Tot besluit wil ik nog ingaan op de zeer specifieke vraag die gesteld werd over het opruimen van mijnen. Dit is niet alleen in Bosnië een probleem, maar overal ter wereld. We zijn dan ook zeer verheugd dat dit vraagstuk, waarvoor de Europese Unie zich zo heeft ingezet, bijzonder veel aandacht heeft gekregen tijdens de in Kenia gehouden conferentie tot herziening van het Verdrag van Ottawa inzake antipersoneelmijnen. Er valt nog veel meer te doen, maar we hebben een goede, veelomvattende basis. Laten we op die basis samenwerken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

21. Vragenuur (Raad)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vragenuur (B6-0163/2005). Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 1 van Esko Seppänen (H-0165/05):

Betreft: Statuut van de leden

Zoals bekend is de Raad bezig met het opzetten van een statuut van de leden van het Europees Parlement. In welke fase zijn de voorbereidingen aanbeland en is er nog hoop dat het statuut nog zal gelden voor de leden van het Parlement van de huidige zittingsperiode?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) In antwoord op uw vraag, mijnheer Seppänen, zou ik u erop willen wijzen dat de procedure voor de goedkeuring van het Statuut van de leden van het Europees Parlement vastgelegd is in artikel 190, lid 5, van het EG-Verdrag en artikel 108, lid 5, van het EGA-Verdrag. Daarin is bepaald dat het Europees Parlement, na raadpleging van de Commissie en met goedkeuring van de Raad, die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden bepaalt.

Het voorzitterschap van de Raad is voornemens de onderhandelingen over het Statuut van de leden van het Europees Parlement zo mogelijk in de loop van dit semester af te ronden. Onderdeel van die onderhandelingen zijn de besprekingen over de datum van inwerkingtreding. Ik kan u verzekeren dat er voortdurend overleg plaatsvindt om dit doel te bereiken.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER McMILLAN-SCOTT
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Seppänen (GUE/NGL). - (FI) Mijnheer de minister, sommige lidstaten van de Raad hebben het compromisvoorstel, dat de vorige keer in het Parlement en de Raad werd behandeld, niet aangenomen. Gaat u nogmaals een gelijksoortig pakket indienen of heeft u enkele eigen amendementen op dit pakket en wat zijn dan die eventuele amendementen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) U zult zich herinneren dat we onder het Ierse voorzitterschap heel dicht bij een compromis waren. Dat was een compromis waarover onderhandeld was door enerzijds de Raad, en dan met name het Ierse voorzitterschap, en anderzijds het Europees Parlement. Helaas zijn de onderhandelingen in het zicht van de haven gestrand.

Ik denk echter dat veel elementen uit dat compromis nog steeds geldig zijn, en het lijkt me dan ook een goed uitgangspunt. Om voor de hand liggende redenen moeten we wel bepalen waar aanpassingen nodig zijn, en daar zijn we op dit moment mee bezig. U kunt erop vertrouwen dat wij binnen de Raad maar ook in de onderhandelingen met het Parlement werken aan aanvaardbare oplossingen, dat wil zeggen oplossingen die naar wij hopen voor alle lidstaten, of, als dat niet haalbaar is, dan toch in ieder geval voor een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten aanvaardbaar zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, David (PSE). - (EN) Ik vraag mij af of de fungerend voorzitter van de Raad de kans heeft gehad om de stemming van het Europees Parlement over de kwijting, die gisteren plaatsvond, te bestuderen. Zo ja, is hij het dan niet met mij eens dat uit de onwil, of uit het onvermogen, van het Parlement om zichzelf te hervormen, blijkt dat een statuut broodnodig is en er maar één manier is om de reputatie van deze instelling op te vijzelen, namelijk via de vaststelling van een Statuut van de leden?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) U beslist zelf over de organisatie en het interne functioneren van het Parlement. Dat is geheel uw eigen verantwoordelijkheid. Ik kan u verzekeren dat het voorzitterschap er alles aan zal doen om een oplossing te vinden met het Parlement en de Raad. Daartoe hebben we ons verbonden en ik hoop dat we in onze opzet zullen slagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Doyle (PPE-DE).(EN) Ik wil de fungerend voorzitter vragen of hij ermee instemt dat het Statuut van de leden en het pakket vergoedingen van het Parlement gezamenlijk worden behandeld. Dat hadden wij toch in november of december twaalf maanden geleden, kort voor het Iers voorzitterschap, afgesproken? Het Statuut van de leden is absoluut nodig, want daarmee kunnen wij opheldering brengen in het debat over de vergoedingen.

De stemming van gisteren over de kwijting heeft aangetoond dat degenen die politiek rechtschapen zijn en het akkoord van achttien maanden geleden aanvaarden, daaraan ook hebben vastgehouden, ondanks de druk van de media en anderen. Wij hebben hervormingen nodig. Wij moeten heel het pakket hervormen: Statuut van de leden en vergoedingen.

Kunt u garanderen dat ons nog tijdens dit voorzitterschap een Statuut van de leden zal worden voorgelegd? Kunt u garanderen dat de collega’s die de vorige keer op Raadsniveau overboord zijn gesprongen, toen wij onder Iers voorzitterschap dachten een compromis te hebben bereikt, nu aan boord blijven? Hebt u met die landen onderhandeld of verzekeringen van hen gekregen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Iedere oplossing moet alle aspecten omvatten; het is dus inderdaad een soort pakket, zoals u het noemt. Uiteraard kan ik u op dit moment niet garanderen dat we iedereen meekrijgen. U weet waarschijnlijk nog wel wat de voornaamste redenen waren waarom dit compromispakket het uiteindelijk niet gehaald heeft. Die redenen waren nogal uitzonderlijk. Wij hopen dat er dit keer wel een oplossing gevonden wordt waarin iedereen zich kan vinden, en dat niemand zich nog laat beïnvloeden door een paar artikelen in kranten waarover ik hier verder geen oordeel zal uitspreken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Volgens het Reglement dienen wij ons te houden aan een tijdslimiet. Bij elke vraag kunnen twee aanvullende vragen worden gesteld. Dit is de eerste keer dat ik tijdens het vragenuur als Voorzitter fungeer, en ik zal, vanwege het belang van het onderwerp in kwestie, voor één keer een uitzondering op deze regel toestaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Mitchell (PPE-DE). - (EN) Ik schaar mij achter de leden die het voorzitterschap vragen vaart te zetten achter dit Statuut.

Ik stond gewoon perplex van de schijnheiligheid van de leden die gisteren tegen de kwijting hebben gestemd. Hun uitgaven zijn betaald met de rekeningen waar zij nu tegen zeggen te zijn. Ik heb nog nooit in mijn leven zoveel schijnheiligheid meegemaakt en het was walgelijk. Ik wil het voorzitterschap met klem verzoeken om een Statuut op tafel te leggen, zodat deze zaak, zowel wat ons salaris als de uitgaven voor ons werk betreft, eens en voor altijd geregeld wordt.

Er is geen schijn van kans dat de hypocrieten die gisteren zoveel herrie schopten, het geld zullen terugbetalen, om dat recht te zetten wat volgens hen niet klopte met de rekeningen, waarvoor zij gisteren geen kwijting wilden verlenen. Dit is een absoluut walgelijk gedrag.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Volgens mij heeft het voorzitterschap hier al antwoord op gegeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Rübig (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, als er nu een Statuut komt is het in de Europese Instellingen toch wel duidelijk dat alle leden een vergoeding zullen krijgen die losstaat van waar ze vandaan komen. Zullen de leden uit alle landen dan ook daadwerkelijk evenveel verdienen? Zal de vergoeding sterk afwijken van het salaris van de ambtenaren, of wordt er naar een evenwichtige oplossing gestreefd?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Wat het eerste deel van uw vraag betreft, kan ik u dit zeggen: als er één beginsel is dat absoluut kenmerkend is voor de Europese Unie, dan is het wel het beginsel van non-discriminatie. Ik denk dat dit beginsel ook in dit geval toegepast moet worden.

Het tweede deel van uw vraag gaat over een evenwichtige oplossing, dat is misschien een kwestie van inschatting. Ik kan daar geen duidelijk antwoord op geven. Ik denk echter wel dat onze discussie gebaseerd is op een evenwichtig pakket.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 2 van Robert Evans (H-0167/05):

Betreft: Windkracht-, golf- en getijdenenergie

Aangezien de regeringen onder druk staan de CO2-emissies te verminderen als gevolg van het Kyoto-Protocol, luidt de vraag of er geen ruimte bestaat voor veel meer ontwikkeling van hernieuwbare energie. Welke maatregelen worden genomen om windkracht, golf- en getijdenenergie te stimuleren en worden deze nieuwe initiatieven tegengewerkt door de olie-industrielobby?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik zal de heer Evans antwoord geven. Met het oog op de tussentijdse herziening van de strategie van Lissabon tijdens de Voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad heeft de Raad Milieu op 10 maart 2005 conclusies aangenomen als bijdrage aan de discussie. In algemene zin benadrukt de Raad dat er al in 2005 maatregelen moeten worden genomen, met name ter bestrijding van de klimaatverandering en ter bevordering van milieu-innovaties, energie-efficiëntie en een efficiënter gebruik van hulpbronnen.

De Raad heeft de Europese Voorjaarsraad met name verzocht te zorgen voor een impuls voor duurzame consumptie- en productiepatronen, waartoe eco-efficiënte innovaties een bijdrage leveren, met als doel de economische groei los te koppelen van het gebruik van hulpbronnen en milieuschade. Verder heeft hij de Commissie opgeroepen in 2005 een Europees initiatief inzake energie-efficiëntie en een groenboek uit te werken, met inbegrip van een lijst van relevante maatregelen.

In concreto heeft de Raad ervoor gepleit dat, ten eerste, het actieplan inzake milieutechnologieën (ETAP) met spoed volledig wordt uitgevoerd, teneinde milieu-innovaties een eerlijke kans te geven om de concurrentie op de markt aan te gaan; dat, ten tweede, milieu-innovaties en milieutechnologie in alle sectoren van de economie, met name energie en transport, krachtig bevorderd worden; en dat, ten derde, mitigatiemaatregelen genomen worden om de langetermijnbedreigingen en -kosten van klimaatverandering te reduceren, welke maatregelen moeten leiden tot een economie met een lage koolstofemissie, onder meer via een grotere inzet en intensievere ontwikkeling van hernieuwbare en energie-efficiënte technologie en nieuwe brandstoffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Evans, Robert (PSE). - (EN) Ik wilde de fungerend voorzitter bedanken voor zijn antwoord. Dat was ook een heel gezond antwoord. Mag ik echter uw aandacht vragen voor het laatste punt, waar ik spreek over de macht van de olie-industrie, die mijns inziens de regeringen onder de plak houdt en elk nieuw initiatief op dit gebied in de kiem smoort?

Ik vraag mij af of u het niet met mij eens bent - persoonlijk of als fungerend voorzitter van de Raad - dat, als dergelijke investeringen waren gedaan in alternatieve energiebronnen met geld van de olie-industrie, wij misschien de grote vooruitgang hadden gemaakt die de Raad nu maakt? Vindt u ook niet dat wij druk zouden moeten uitoefenen op de oliemaatschappijen opdat zij onze afhankelijkheid van de slinkende aardolievoorraden in de wereld verminderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik denk dat de huidige situatie op de oliemarkt, en dan bedoel ik met name de olieprijs, voor veel actoren aanleiding zal zijn te investeren in alternatieve vormen van energie en in hernieuwbare energiebronnen. Er zal op dit punt een zeker evenwicht ontstaan. Wij weten namelijk dat de olieprijs afhankelijk is van bepaalde economische ontwikkelingen in bepaalde delen van de wereld, en ook van bepaalde speculatietrends. Een en ander betekent dat hernieuwbare energiebronnen aantrekkelijker zullen worden en via dit mechanisme kunnen we wellicht druk uitoefenen op de oliemaatschappijen en initiatieven nemen om de energiebronnen van de toekomst te bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Caspary (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ook ik vind dat we alleen iets aan het probleem met de broeikasgassen kunnen doen door niet alleen gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen maar ook van kernenergie en energiebesparing. De indiener van de vraag wil echter weten welke maatregelen worden genomen om windkracht, golf- en getijdenenergie te stimuleren en of deze nieuwe initiatieven worden tegengewerkt door de olie-industrielobby. Ik zou wel eens willen weten welke maatregelen worden genomen ten gunste van de kernenergie en of deze initiatieven worden tegengewerkt door de lobby van de hernieuwbare energiebronnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Mijns inziens is dit een kwestie waarover in ieder land afzonderlijk, op nationaal niveau dus, beslist moet worden. De lidstaten moeten elk voor zich die vormen van energieopwekking kiezen waarbij ze zich het beste voelen. U hebt, meen ik uit uw vraag op te maken, een voorkeur voor een bepaalde vorm van energie; ik heb begrip voor dat standpunt, maar dat betekent niet dat ik het er dus ook mee eens ben. Ik denk dat de Raad het aan de lidstaten zelf moet overlaten te bepalen welke opties in aanmerking komen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 3 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0169/05):

Betreft: Vergrijzing in Europa en herziening van de regelingen inzake vervroegde pensionering

Iedereen is het erover eens dat de demografische ontwikkelingen en de vergrijzing van de bevolking in de EU het nodig maken werknemers van 55 jaar en ouder aan het werk te houden.

Is de Raad op de hoogte van het door elke lidstaat gevoerde beleid inzake vervroegde pensionering?

Welke maatregelen is de Raad van plan te gaan nemen om de vervroegde pensionering van werknemers van 55 jaar en ouder te verhinderen en gebruik te maken van de toegevoegde waarde van hun ervaring, zonder de kansen op werk voor jongeren en werklozen te verminderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Al vele jaren zijn de werkgelegenheidsrichtsnoeren gericht op bevordering van actief ouder worden en het verhogen van de gemiddelde pensioenleeftijd, en dat geldt in het bijzonder voor richtsnoer nr. 5 van het richtsnoerenpakket uit 2003, dat in 2004 ongewijzigd is overgenomen. Verder heeft de Europese Raad van Stockholm zich vastgelegd op de ambitieuze doelstelling de arbeidsparticipatie van mensen tussen de 55 en 64 jaar op 50 procent te brengen en in aanvulling daarop heeft de Europese Raad van Barcelona de niet minder ambitieuze doelstelling geformuleerd de gemiddelde pensioenleeftijd, die op dit moment volgens schattingen van Eurostat 61 jaar bedraagt, tegen 2010 met vijf jaar te verhogen.

De Raad beschouwt het aan het werk houden van oudere werknemers als een centrale beleidsuitdaging, zoals ook blijkt uit de kernpuntennota die hij recentelijk aangenomen heeft met het oog op de Voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad. Daarin geeft hij aan dat aan deze kwestie prioriteit moet worden gegeven bij de hervormingen die erop gericht zijn ook in de toekomst verzekerd te zijn van sociaal toereikende en financieel houdbare pensioenstelsels, die aan de nationale situatie aangepast zijn. Door de stijging van de levensverwachting zal de leeftijd waarop de arbeidsmarkt wordt verlaten, verder moeten worden opgetrokken; dit betekent dat de diverse maatregelen die mensen stimuleren om vervroegd met pensioen te gaan, moeten worden afgebouwd.

 
  
MPphoto
 
 

  Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, in het kader van de vrijheid van de Europese burgers en de afschaffing van discriminatie - op grond van leeftijd of iets anders - maar ook met het oog op de noodzaak gebruik te maken van de enorme hoeveelheid ervaring waarover werknemers beschikken als ze de pensioengerechtigde leeftijd naderen, wilde ik u vragen of er Europese gemeenschappelijke beleidsgrondslagen zullen komen, zodat de jongeren profijt kunnen trekken van de ervaringen van degenen die vertrekken, zonder dat hun de toegang tot de banen waar zij recht op hebben wordt belet?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik denk inderdaad dat maatregelen om oudere werknemers langer aan het werk te houden niet mogen indruisen tegen het werkgelegenheidsbeleid voor jongeren. Bij het besluit tot een herstart en een nieuwe impuls voor de strategie van Lissabon heeft de Europese Raad een initiatief voor jongeren goedgekeurd dat erop gericht is hun kansen op een baan te vergroten. Ik denk dat deze twee zaken heel goed samen kunnen gaan, maar dan zullen we waarschijnlijk wel andere methoden voor het beheren van de werkgelegenheid moeten invoeren. Dat is echter in de eerste plaats een zaak van de werkgevers en zij zullen zich bewust moeten worden van hetgeen u zegt, namelijk dat ervaring, en dus leeftijd, een kostbaar en waardevol goed is.

 
  
MPphoto
 
 

  Bushill-Matthews (PPE-DE). - (EN) Het verheugt mij bijzonder dat dit vraagstuk op de agenda staat en bepaalde collega’s daarboven op de tribune de kwestie van het actief ouder worden met zoveel belangstelling volgen. Die kwestie gaat velen onder ons aan.

Kunt u mij bevestigen dat de Europese instellingen een beleid inzake actief ouder voeren, en meer specifiek dat er niet meer gediscrimineerd wordt op grond van leeftijd in het aanwervingsbeleid dat u en uw collega’s, als werkgevers, uitvoeren? U sprak over de rol van de werkgevers, maar de EU-instellingen zijn zelf werkgevers. Ik heb commissaris Kinnock dezelfde vraag gesteld, maar ben er nooit in geslaagd een eerlijk antwoord te krijgen. Misschien kunt u mij dat antwoord geven?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik weet niet zeker of ik uw vraag goed begrepen heb, maar wat ik kan zeggen is dat er binnen de instellingen geen structurele leeftijdsdiscriminatie plaatsvindt. Ik wijs er overigens op dat de Commissie de Voorjaarsraad vorig jaar een verslag voorgelegd heeft dat specifiek gericht was op het vraagstuk van actief ouder worden. Ik denk dat het aan de instellingen is om aan dit concept verder invulling te geven. Voorzover ik weet wordt er binnen de instellingen niet structureel op basis van leeftijd gediscrimineerd. Alle leeftijdsgroepen zijn er vertegenwoordigd, al is er natuurlijk wel een bovengrens, namelijk de pensioenleeftijd, maar dat is weer een ander debat.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 4 van Mairead McGuinness (H-0172/05):

Betreft: Jeugdzorginstellingen in Roemenië

Kan de Raad, overwegende dat in april waarschijnlijk het Toetredingsverdrag met Roemenië zal worden ondertekend, een uiteenzetting geven over de vooruitgang, zo daarvan sprake is, van de mensenrechtensituatie in Roemenië, met name met betrekking tot de situatie van kinderen en adolescenten in weeshuizen en andere overheidsinstellingen? Is hij tot de conclusie gekomen dat voldoende vooruitgang op dit gebied is geboekt om over te kunnen gaan tot ondertekening van het Toetredingsverdrag?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) De Europese Raad van december 2004 heeft met tevredenheid vastgesteld dat de vooruitgang die Roemenië heeft geboekt bij de uitvoering van het acquis en de verbintenissen die het land is aangegaan, van dien aard is geweest dat alle resterende hoofdstukken in de toetredingsonderhandelingen formeel konden worden afgesloten. U hebt meen ik vandaag ook besloten instemming te verlenen voor de toetreding van Roemenië.

Na afweging van de evaluaties en aanbevelingen van de Commissie is de Europese Raad tot het oordeel gekomen dat Roemenië alle aan het lidmaatschap verbonden verplichtingen op het geplande tijdstip van toetreding zal kunnen vervullen. Tegelijkertijd heeft de Europese Raad er nadrukkelijk op gewezen dat de Unie de voorbereidingen en prestaties van Roemenië nauwlettend zal blijven volgen. Dat is vanochtend ook duidelijk aangegeven, meen ik.

De Raad kan de geachte afgevaardigde derhalve verzekeren dat aan de kwestie inzake de situatie van kinderen net zoals in het verleden uitgebreid aandacht besteed zal worden. Hij wijst er overigens op dat de Commissie in haar verslag 2004 over de vorderingen van Roemenië op de weg naar toetreding vastgesteld heeft dat er structurele vooruitgang is geboekt bij de reorganisatie van het systeem voor de kinderbescherming dankzij de sluiting van de grootschalige, verouderde instellingen en de invoering van alternatieve voorzieningen.

De Europese Unie heeft van haar kant financiële steun geboden voor de inspanningen van Roemenië ter verbetering van de kwaliteit van de publieke jeugdzorginstellingen. Er valt nog heel wat te doen en te verbeteren, maar over het geheel genomen zijn de levensomstandigheden voor kinderen die worden opgevangen in de Roemeense jeugdinstellingen aanzienlijk verbeterd, en de Roemeense autoriteiten lijken hun inspanningen voor de hervorming van het systeem voor de kinderbescherming onverminderd te willen voortzetten, waartoe ze natuurlijk ook zijn opgeroepen door alle instellingen, en met name de Raad en de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de fungerend voorzitter, mijn vraag ging eveneens over jonge volwassenen. Misschien had ik daaraan moeten toevoegen “met handicaps”, want er stellen zich bepaalde vraagstukken daaromtrent.

Kunt u mij zeggen hoe het is gesteld met de uitvoering van het nationaal proefproject voor de institutionele hervormingen in het kader van ANPH, en meer specifiek met betrekking tot Negru Voda? En wanneer zou dit project op nationaal vlak uitgevoerd kunnen worden?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik denk dat deze vraag in de eerste plaats een vraag is voor de Commissie. Het spijt me dat ik u niet meer informatie kan geven. U zult deze vraag aan de Commissie moeten stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 5 van Philip Bushill-Matthews (H-0174/05):

Betreft: Geïmmigreerde Britten staan “buitenspel” bij referenda over het Grondwettelijk Verdrag

Is de Raad op de hoogte van het feit dat Britse burgers die ervoor gekozen hebben in een andere EU-lidstaat te gaan wonen momenteel niet kunnen deelnemen aan nationale referenda over de voorgestelde Grondwet voor Europa? De huidige nationale wetgeving bepaalt dat indien Britse burgers het VK meer dan 15 jaar geleden hebben verlaten zij niet langer het recht hebben daar te stemmen, maar evenmin hebben zij automatisch het recht te stemmen in hun nieuwe land. Het is de bevoegdheid van de afzonderlijke lidstaten een dergelijk recht toe te kennen, maar zou het niet goed zijn te zorgen voor coördinatie tussen de lidstaten zodat deze burgers hun stem kunnen laten horen? Niemand zal toch ontkennen dat het in beginsel verkeerd is dat Europese burgers de kans wordt ontnomen te stemmen over een zo belangrijk onderwerp? Weet de Raad hoeveel Europese burgers met dit probleem te maken hebben, en kan de Raad voorstellen door betreffende samenwerking tussen de lidstaten om een en ander op te lossen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) De Raad zou de geachte afgevaardigde erop willen wijzen dat de wijze waarop verkiezingen georganiseerd worden en de voorwaarden voor de toekenning van stemrecht zaken zijn die vallen onder het nationale recht van de lidstaten. De Raad acht het van belang dat de burgers op een zo groot mogelijk deel van het grondgebied van de Unie hun stemrecht kunnen uitoefenen, maar hij kan zich niet uitspreken over de kwesties die de geachte afgevaardigde aan de orde stelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Bushill-Matthews (PPE-DE). - (EN) Ik wil niet alleen graag een aanvullende vraag stellen maar eigenlijk ook de oorspronkelijke vraag herhalen. Ik zie namelijk dat de minister nu ook over deze vraag heen springt, net zoals hij bij de vorige heeft gedaan, en dat is niet echt zoals het hoort. Goed, dit is een kwestie voor de lidstaten, maar mijn vraag is of de Raad misschien zijn invloed kan aanwenden en het gebruik van goede praktijken kan aanmoedigen, opdat wij meer van elkaar kunnen leren.

Mijn aandacht gaat specifiek uit naar het geval van de in Spanje wonende Britse onderdanen. Die hebben mij verteld dat zij voorheen altijd in hun land, de VK, konden stemmen, als zij maar binnen de afgelopen twintig jaar ergens ingeschreven stonden, maar dat de huidige regering dat moeilijker heeft gemaakt door de tijdspanne terug te brengen tot vijftien jaar. Is u een andere lidstaat bekend die het voor zijn in het buitenland verblijvende onderdanen moeilijker maakt om te stemmen, en zou u uw collega’s er niet veeleer toe aanmoedigen dit gemakkelijker te maken? Geeft u alstublieft een antwoord, en zwijgt u niet.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik richt mij tot de minister. Ik meen dat de heer Bushill-Matthews hier iets op het spoor is, maar wij zijn allebei conservatieven!

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik denk eerlijk gezegd dat in de Grondwet de bevoegdheden van de Unie duidelijker vastgelegd zijn. Dit is een terrein waarop de Unie absoluut geen bevoegdheid heeft. Ik kan alleen maar herhalen wat ik al gezegd heb: de lidstaten stellen zelf vast wie het recht heeft om te stemmen. We kunnen wel graag willen dat het recht om te stemmen zo ruim en doeltreffend mogelijk toegekend wordt en dat een en ander zo goed mogelijk geregeld wordt, maar het is en blijft een zaak die onder de bevoegdheid van de afzonderlijke lidstaten valt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 6 van Bernd Posselt (H-0177/05):

Betreft: Christenen in Turkije

Wat doet het voorzitterschap van de Raad om de christelijke kerken en geloofsgemeenschappen in Turkije eindelijk aan een verzekerde rechtspositie te helpen, die een belangrijke stap zou zijn op weg naar godsdienstvrijheid?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) De Raad heeft al verschillende keren benadrukt - en ik heb het zelf namens de Raad ook meermaals aangegeven in antwoord op vragen over hetzelfde onderwerp - dat in de grondwet van de Turkse Republiek weliswaar de vrijheid van geloofsovertuiging is gegarandeerd, maar dat nog niet alle voorwaarden zijn vervuld om niet-islamitische geloofsgemeenschappen in staat te stellen hun geloof te beleven op een wijze die in overeenstemming is met de gangbare praktijk in de lidstaten van de Europese Unie.

In haar periodieke verslag 2004 erkent de Commissie dat Turkije op dit vlak enige vorderingen heeft gemaakt, maar ze stelt ook vast dat er nog grote tekortkomingen bestaan, met name met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid en eigendomsrechten van niet-islamitische gemeenschappen en de opleiding van geestelijken. Een belangrijk wetsontwerp in dit verband, dat betrekking heeft op stichtingen, is nog steeds in behandeling bij het Turkse kabinet. De Commissie heeft op verzoek commentaar geleverd op dit wetsontwerp, dat thans herzien wordt.

De Europese Raad van 16 en 17 december 2004 heeft besloten dat Turkije in voldoende mate aan de politieke criteria van Kopenhagen voldoet om toetredingsonderhandelingen met dit land te openen. Tegelijkertijd heeft de Europese Raad duidelijk aangegeven dat de Commissie nauwlettend moet blijven toezien op volledige en doeltreffende tenuitvoerlegging van het proces van politieke hervorming in Turkije. Hij heeft haar verzocht hierover periodiek verslag uit te brengen aan de Raad en daarbij in te gaan op alle knelpunten - waaronder natuurlijk de godsdienstvrijheid - die zijn genoemd in haar periodieke verslag en haar aanbeveling.

De Raad kan de geachte afgevaardigde derhalve verzekeren dat hij de voortgang die Turkije op dit vlak maakt nauwlettend zal blijven volgen op basis van een partnerschap voor toetreding waarin de prioriteiten voor het hervormingsproces zijn vastgesteld, van welk onderhandelingskader de Commissie in het najaar een gewijzigde ontwerptekst aan de Raad zal doen toekomen. Tevens kan hij bevestigen dat de Unie zoals in het verleden de onopgeloste kwesties zeker aan de orde zal blijven stellen in de verschillende politieke gremia en binnen de organen van de associatieovereenkomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Posselt (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dit wordt een van de spannendste en belangrijkste vraagstukken van dit jaar. Daarom zou ik het voorzitterschap van de Raad willen vragen of het misschien zinvol zou zijn wanneer de Raad de media en het Europees Parlement regelmatig zou informeren over de concrete vooruitgang die bij de onderhandelingen geboekt is. De onderhandelingen worden tenslotte niet door de Commissie gevoerd maar door de lidstaten.

We zouden graag regelmatig willen horen welke vooruitgang er is geboekt op belangrijke vlakken zoals het kerkelijk eigendom en de actieve godsdienstvrijheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik ben bang dat u wat op de zaken vooruitloopt, mijnheer Posselt; we zijn immers nog niet in onderhandeling met Turkije. Wij zijn op dit moment eigenlijk min of meer in gesprek met Turkije - en met “wij” bedoel ik vooral de Commissie - om ervoor te zorgen dat het hervormingsproces waartoe het land zich verbonden heeft, daadwerkelijk voortgezet wordt. Ik kan u echter geruststellen: zodra we op enig moment na 3 oktober de onderhandelingen met Turkije zullen beginnen, zal het Parlement uiteraard volledig op de hoogte worden gehouden van het verloop van die onderhandelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 7 van Gunnar Hökmark (H-0185/05):

Betreft: EU-lijst van terroristische organisaties

Ofschoon Hezbollah de verantwoordelijkheid voor verscheidene terreurdaden heeft opgeëist, heeft de EU ervoor gekozen Hezbollah niet als terroristische organisatie te classificeren. Als argument is aangevoerd dat de situatie daarvoor te gevoelig ligt.

In feite is de situatie op dit moment zo gevoelig dat lijdzaamheid van de kant van de EU aanmerkelijk gevaarlijker is. Hezbollah wordt door Iran gefinancierd en opereert met instemming van Syrië. Hezbollah vormt daarom een gevaar voor het weer op gang gebrachte vredesproces tussen Israël en de Palestijsnse Autoriteit en bovendien voor het ontluikende Libanese autonomiestreven.

Hezbollah is een organisatie die zich toelegt op terrorisme. Dat staat buiten kijf. Deze organisatie moet derhalve op de EU-lijst van terroristische organisaties geplaatst worden. Het is voor alle naar vrede en vrijheid strevende krachten in het Midden-Oosten van groot belang dat de EU duidelijk stelling neemt tegen het door Iran gesponsorde Hezbollah-terrorisme.

Wanneer gaat de Raad Hezbollah eindelijk beschouwen als de terreurorganisatie die zij ontegenzeglijk is?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) De organen van de Raad hebben zich meerdere keren gebogen over de vraag of de sjiitische Hezbollah-beweging op de lijst van terroristische organisaties geplaatst moet worden. Een definitief besluit daarover is vooralsnog niet genomen.

Het is de geachte afgevaardigde ongetwijfeld bekend dat een daartoe strekkend besluit moet voldoen aan de voorwaarden zoals die vastgelegd zijn in Gemeenschappelijk Standpunt 931/2001 en dat voor een dergelijk besluit de eis van unanimiteit geldt.

Verder heeft de Raad in zijn conclusies van 16 maart 2005 nogmaals zijn steun voor een soeverein, onafhankelijk en democratisch Libanon bevestigd en opnieuw aangedrongen op volledige en onmiddellijke uitvoering van Resolutie 1559 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waarin met name opgeroepen wordt tot ontwapening van alle milities die zich op Libanees grondgebied bevinden. De Europese Raad van Brussel van 22 en 23 maart 2005 heeft zijn steun betuigd aan deze benadering.

 
  
MPphoto
 
 

  Hökmark (PPE-DE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag mijn dank uitspreken voor het antwoord van het voorzitterschap op mijn vraag. Het is echter geen juist antwoord op de vraag die ik stelde, omdat die niet ging over de ontwapening van diverse organisaties in Libanon, maar over de garantie dat het vredesproces in het Midden-Oosten onder stabiele omstandigheden kan doorgaan. We weten dat terrorisme de ernstigste bedreiging is voor die voortzetting. We weten dat Iran via Hezbollah terrorisme financiert en steunt en de ondubbelzinnige opzet heeft, zoals het bij diverse gelegenheden duidelijk heeft verklaard, om zich in te zetten voor de vernietiging van Israël. Als niet aan Iran wordt duidelijk gemaakt dat het onaanvaardbaar is om terroristische acties te steunen, als Hezbollah niet tot terroristische organisatie wordt verklaard, dan moet men zich afvragen: in welk opzicht is Hezbollah eigenlijk géén terroristische organisatie? En hoe kan men aan Iran duidelijk maken dat het ontoelaatbaar is om terrorisme te ondersteunen?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Uw vraag reikt mijns inziens verder dan de wat specifiekere kwestie van Hezbollah. Er hebben discussies plaatsgevonden over de vraag wat in dit specifieke geval de beste aanpak zou zijn, en daaruit zijn verschillende opties naar voren gekomen. Uiteraard komt de grootste bedreiging voor het vredesproces van het terrorisme.

Het punt is echter dat we een betere manier moeten vinden om deze plaag te bestrijden en op dit moment kan ik wat dit betreft alleen maar herhalen wat ik zojuist gezegd heb, namelijk dat ervoor gekozen is de organisatie waarnaar u verwijst, de Hezbollah-beweging, vooralsnog niet op de lijst te zetten. Dat betekent niet dat de activiteiten van die beweging niet gevaarlijk geacht worden, maar het is nu eenmaal de benadering waarvoor we gekozen hebben, een benadering die door sommige van onze belangrijkste partners overigens ook niet bekritiseerd wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, David (PSE). - (EN) Ik wil de Raad steunen in zijn aanpak met betrekking tot de Hezbollah. Daar zit een zekere logica in. Als u tegen terrorisme bent - en dat zijn wij allemaal, en wij weten dat de Hezbollah banden onderhoudt met het terrorisme - zet u de Hezbollah dan op de lijst. Dat zou echter een kortetermijnaanpak zijn, aangezien er in het Midden-Oosten nooit een permanente regeling zal zijn zonder de actieve participatie van de Hezbollah. Daarom heeft de Raad weliswaar gelijk als hij het vraagstuk van het op de lijst plaatsen van deze organisatie openhoudt, maar het zou op korte termijn veel beter zijn als er een dialoog kwam.

 
  
MPphoto
 
 

  Allister (NI). - (EN) Aangezien er financiële connecties zijn tussen Iran en de Hezbollah, vraag ik mij af of de “fluweelzachte” aanpak van de Raad met betrekking tot Iran, zoals deze zichtbaar wordt uit zijn zwakke houding ten aanzien van de ambitieuze kernenergieplannen van Iran, ook niet hier wordt gevolgd. Zien wij hier, vanwege de Iraanse connectie, dezelfde “fluweelzachte” aanpak?

Mijns inziens is de Hezbollah een van de meest kwaadaardige en gemene terroristenorganisaties die momenteel in de wereld aan het werk zijn en daarom moet zij dienovereenkomstig worden aangepakt. Als de ervaringen in mijn deel van de wereld iets hebben geleerd, dan is het wel dat het paaien van terroristen nergens toe leidt. Wat er met de IRA is gebeurd sedertdien, laat daar geen enkele twijfel over bestaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik denk niet dat het hier gaat om de vraag of een “fluweelzachte” aanpak al dan niet de aangewezen weg is. U hebt deze kwestie overigens zelf ook al in een bredere context geplaatst. We moeten inderdaad in gesprek blijven met Iran - en daar zorgen we ook voor - om invloed uit te oefenen op de opstelling van het land, met name waar het gaat om steun aan terroristische activiteiten, maar ook in de context van een vreedzame oplossing voor het conflict in het Midden-Oosten. We hebben steeds geprobeerd de dialoog in stand te houden, en dat is ook wat we nu proberen, met de brede aanpak waarvoor we gekozen hebben in onze betrekkingen met dit land, met name op het punt van non-proliferatie.

Wat Hezbollah betreft zou ik in reactie op de opmerking van de heer Martin nog willen zeggen dat het hier gaat om een groepering waarop niet zo eenvoudig een etiket te plakken is. Deze organisatie kent meerdere gezichten, waaronder een parlementair gezicht; ze is immers vertegenwoordigd in het Libanese parlement. Daarom heb ik in mijn antwoord ook zo nadrukkelijk gewezen op de Libanese context; die kan niet buiten beschouwing blijven als we het hebben over het meer specifieke vraagstuk van anti-Israëlisch terroristisch geweld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 8 van David Martin (H-0186/05):

Betreft: Onderhandelingen lidmaatschap Kroatië

Hoe beoordeelt de Raad de huidige stand van de onderhandelingen met Kroatië met betrekking tot het EU -lidmaatschap?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) De Europese Raad van juni 2000 heeft besloten dat alle landen van de Westelijke Balkan potentiële kandidaten zijn voor het lidmaatschap van de Europese Unie.

Vervolgens heeft de Europese Raad van juni 2003 bevestigd dat hij vastbesloten is zijn volledige en daadwerkelijke steun te verlenen aan het Europese perspectief van de landen van de Westelijke Balkan, die integraal deel zullen gaan uitmaken van de Europese Unie zodra zij voldoen aan de vastgestelde criteria. Het tempo waarin de toenadering van de betrokken landen tot de Unie zich voltrekt, zal dus voornamelijk afhangen - ik denk dat dat ook wel afdoende naar voren is gekomen in het debat dat we over de Westelijke Balkan gevoerd hebben - van de vorderingen die deze landen maken bij het overnemen van het acquis en het vervullen van de voorwaarden zoals die vastgesteld zijn door de Europese Raad van Kopenhagen.

Op 16 maart 2005 heeft de Raad opnieuw gesteld dat de Europese Unie zich inzet voor de toetreding van Kroatië en het kader voor de onderhandelingen met dit land goedgekeurd. Tevens heeft hij het belang gememoreerd van een volledige samenwerking van alle landen van de Westelijke Balkan met ICTY. Dat is een essentiële vereiste voor een verdere toenadering tot de Europese Unie; daarover heb ik in het vorige debat denk ik geen misverstand laten bestaan.

Om die reden is, na beraad van de Raad en bij ontbreken van een gemeenschappelijk akkoord, de opening van toetredingsonderhandelingen met Kroatië uitgesteld. De Bilaterale Intergouvernementele Conferentie zal in onderling overleg bijeen worden geroepen zodra de Raad zal hebben geconstateerd dat Kroatië volledig meewerkt met het ICTY. Om de Raad in staat te stellen tot een gefundeerd oordeel te komen in deze zaak, is er zoals u weet een werkgroep ingesteld die onder leiding staat van het huidige voorzitterschap maar waarbij ook de twee komende voorzitterschappen evenals de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger betrokken zijn. Op 26 april vindt een eerste ontmoeting plaats met de Kroatische regering; de kwestie van samenwerking met het tribunaal in Den Haag zal daarin centraal staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, David (PSE). - (EN) Uw antwoord was erg nuttig, maar als de voortvluchtige generaal niet in Kroatië is, hoe kunnen de Kroatische autoriteiten u dan aantonen dat zij samenwerken met het Internationaal Tribunaal? Kennelijk zijn ze in verlegenheid. Als hij het Kroatisch grondgebied heeft verlaten, zullen zij hem niet kunnen oppakken. Maar als zij hem niet kunnen oppakken, hoe kunnen zij dan blijk geven van hun bereidheid om zich te voegen naar het Internationaal Tribunaal?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Mijnheer Martin, ik denk dat ik al duidelijk antwoord gegeven heb op die vraag. Er is nooit gezegd dat de arrestatie van generaal Gotovina en zijn voorgeleiding voor het Tribunaal in Den Haag voorwaarden zijn voor het openen van de onderhandelingen met Kroatië. Zo is dat nooit gesteld. De voorwaarde is dat Kroatië bereid is samen te werken met het ICTY, dat wil zeggen dat het land alle informatie verstrekt waarover het beschikt om een eventuele arrestatie mogelijk te maken. We weten immers niet waar de generaal zich bevindt; hij kan zich overal schuilhouden, en als hij zich niet op Kroatisch grondgebied bevindt, kunnen we van de Kroaten moeilijk eisen dat ze hem arresteren.

We moeten deze twee zaken dus goed uit elkaar houden: het specifieke punt van de arrestatie zelf en de meer algemene voorwaarde inzake volledige samenwerking met het Tribunaal, dat wil zeggen het verstrekken van alle informatie die van belang zou kunnen zijn om tot arrestatie van generaal Gotovina te komen. Als er onvoldoende informatie is om dat mogelijk te maken, betekent dat nog niet dat de toetreding van Kroatië definitief van de baan is. Dat zou niet eerlijk zijn tegenover dat land.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aangezien de volgende vragen over een soortgelijk onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld:

Vraag nr. 9 van Enrique Barón Crespo (H-0188/05):

Betreft: Onderzoek naar de moord op de journalist José Couso, Europees burger in Irak

Op 8 april 2003 kwamen als gevolg van aanvallen van de Amerikaanse strijdkrachten José Couso, Spaans staatsburger en Europeaan, cameraman van de televisiezender Tele 5, Taras Protsyuk (persagentschap Reuters) en Tareq Ayoub (van de zender Al Yazira) om het leven tijdens de uitoefening van hun journalistieke werk.

Tot nog toe hebben de autoriteiten van de VS geen enkel onderzoek ingesteld noch zijn zij een gerechtelijk proces begonnen. Dezelfde autoriteiten hebben echter wel ermee ingestemd om samen met de Italianen een onderzoek in te stellen naar de ongerechtvaardigde aanval van diezelfde strijdkrachten op het konvooi dat de op 4 maart vrijgelaten Italiaanse en Europese staatsburgeres Giuliana Sgrena, naar het vliegveld bracht.

Welke maatregelen moeten worden genomen om te bewerkstelligen dat er een onderzoek wordt ingesteld, met voldoende waarborgen voor het vaststellen van de strafrechtelijke en civiele aansprakelijkheid, naar aanleiding van de moord op de Europese burger José Couso, alsmede zijn collega's, die omgekomen zijn bij de uitoefening van hun journalistieke werkzaamheden?

Vraag nr. 10 van Willy Meyer Pleite (H-0191/05):

Betreft: Onderzoek naar de moord op de journalist José Couso in Irak

Op 8 april 2003 kwamen José Couso, Spaans staatsburger (cameraman van de Spaanse zender Tele5), Taras Prosyuk (persbureau Reuters) en Tarek Ayoub (zender Al Yazira) als gevolg van de bestorming door Amerikaanse troepen van het Palestina Hotel in Bagdad, tijdens de uitoefening van hun journalistieke werk om het leven.

Tot op heden hebben de Amerikaanse autoriteiten met geen woord over deze moord gerept, is er geen enkel onderzoek ingesteld en zijn er geen gerechtelijke stappen ondernomen.

Dezelfde autoriteiten hebben echter wel besloten om samen met de Italiaanse regering een onderzoek in te stellen naar de ongerechtvaardigde beschieting op 4 maart 2005 door Amerikaanse soldaten van de auto waarmee de vrijgelaten Italiaanse journaliste Giuliana Sgrena naar het vliegveld werd gebracht. De Italiaanse veiligheidsagent Nicola Capilari kwan hierbij om het leven.

Welke maatregelen denkt de EU te treffen om ervoor te zorgen dat naar de moordpartij in 2003, waarbij José Couso en zijn collega's bij de uitoefening van hun journalistieke werkzaamheden om het leven kwamen, een gegarandeerd objectief onderzoek wordt ingesteld dat duidelijkheid kan verschaffen over de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid?

Vraag nr. 11 van David Hammerstein Mintz (H-0205/05):

Betreft: Onderzoek naar de moord op de Europese journalist José Couso in Irak

Op 8 april 2003 kwamen bij aanvallen van de Amerikaanse strijdkrachten de Spaanse journalist José Couso van de zender Tele 5, Taras Protsyuk (persagentschap Reuters) en Tareq Ayoub (van de zender Al Jazira) om het leven bij de uitoefening van hun journalistieke arbeid.

Hun dood was tot nu toe voor de autoriteiten van de Verenigde Staten geen aanleiding om een onderzoek in te stellen of een rechtszaak te openen.

Na de misplaatste aanval van dezelfde strijdkrachten op 4 maart bij de invrijheidstelling van de Italiaanse journaliste Giuliana Sgrena, waarbij een medewerker van de Italiaanse militaire veiligheidsdienst Sismi, Nicola Calipari, om het leven kwam, besloten de Verenigde Staten echter wel een onderzoek in te zullen stellen met de medewerking van Italië.

Welke maatregelen moeten genomen worden om ervoor te zorgen dat er een onderzoek wordt ingesteld om de strafrechtelijke verantwoordelijkheid en de aanspraken op schadeloosstelling voor de moord op José Couso en zijn collega's bij de uitoefening van hun journalistieke arbeid vast te stellen?

Vraag nr. 12 van Josu Ortuondo Larrea (H-0216/05):

Betreft: Onderzoek naar de dood van de journalist José Couso in Irak

Op 4 maart 2005 heeft het Amerikaanse leger bij de vrijlating van de Italiaanse journaliste Giuliana Sgrena de Italiaanse burger Nicola Calipari gedood.

De Italiaanse regering en de Verenigde Staten hebben vanwege grote druk uit de Italiaanse burgerij besloten gezamenlijk een onderzoek in te stellen om dit treurige voorval op te helderen. De zaak van de Spaanse cameraman van Tele 5, José Couso, de Oekraïense cameraman van het Reutersagentschap, Taras Prosyuk, en de cameraman van de tv-zender Al Yazira, Tarek Ayoub, die zijn omgekomen bij een aanval van Amerikaanse troepen op Hotel Palestina in Bagdad is evenwel voorzover wij weten, tot op dit ogenblik noch onderzocht noch voor de rechter gekomen.

Aangezien José Couso een Europees staatsburger was, luidt de vraag welke maatregelen de Europese Unie kan nemen om samen met de Amerikaanse autoriteiten een onderzoek in te stellen om de gebeurtenissen op te helderen en vast te stellen waar eventuele verantwoordelijkheden liggen?

Vraag nr. 13 van Ignasi Guardans Cambó (H-0219/05):

Betreft: Onderzoek naar de moord op José Couso in Irak

Op 8 april 2003 openden Amerikaanse tanks het vuur op het Hotel Palestina, waar zich op de veertiende verdieping verscheidene journalisten ophielden die de gebeurtenissen in Irak versloegen. De Spaanse journalist José Couso overleefde de aanval niet, en twee andere journalisten, Taras Protsyuk en Tareq Ayoub, vonden daarbij eveneens de dood.

Twee jaar later hebben de Amerikaanse autoriteiten nog steeds geen betrouwbaar en onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen uitgevoerd om vast te stellen wat de redenen waren voor de absurde dood van deze journalisten.

Welke stappen zal de Raad zetten om een onderzoek te eisen, zodat vastgesteld kan worden waarom de Amerikaanse aanval op het Hotel Palestina op 8 april 2003 plaatshad?

Vraag nr. 14 van Jean-Marie Cavada (H-0240/05):

Betreft: Onderzoek naar de dood van de journalist José Couso

Op 8 april 2003 zijn twee cameramannen, de Spanjaard José Couso van het televisiestation Telecinco en de Oekraïniër Taras Protsyuk van persbureau Reuters, in Bagdad gedood door een projectiel van het Amerikaanse leger dat was gericht op Hotel Palestine, waar meerdere honderden niet-geïncorporeerde journalisten logeerden. Op dezelfde dag werd ook de Jordaanse journalist Tarek Ayoub van het TV-station Al-Jazira gedood bij een Amerikaanse luchtaanval. Volgens "Reporters zonder grenzen" is het rapport dat door de Amerikaanse autoriteiten is uitgebracht over de omstandigheden van deze gebeurtenissen ontoereikend. De verantwoordelijken worden niet genoemd en het gebrek aan communicatie tussen de militairen die geschoten hebben op Hotel Palestine en hun hiërarchische meerderen met betrekking tot de aanwezigheid van journalisten in dit hotel, wordt versluierd.

Welke maatregelen kan de Europese Unie nemen om te bewerkstelligen dat een onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld naar de omstandigheden van de dood van José Couso, opdat de schuldigen worden gevonden en berecht en de familie van het slachtoffer schadeloos wordt gesteld?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) De Raad heeft bij herhaling de moord op burgers veroordeeld, ook wanneer het om journalisten gaat, en hij heeft bij ieder incident bij de betrokken autoriteiten aangedrongen op een diepgaand onderzoek. De Raad is zich ervan bewust dat veel van deze zaken nog niet opgehelderd zijn en dat de toedracht ervan nog steeds niet afdoende is onderzocht. Hij zal de zaken waar het hier om gaat aan de orde blijven stellen en te gelegener tijd aandringen op nader onderzoek.

Wat betreft het specifieke geval waarnaar in de vragen verwezen wordt, zou ik willen opmerken dat het onderzoek door de autoriteiten van de Verenigde Staten heeft uitgewezen dat de Amerikaanse troepen geen verwijtbare fouten hebben begaan. Desondanks heeft de familie van het slachtoffer besloten gerechtelijke stappen te ondernemen tegen de betrokken Amerikaanse soldaten. De Raad acht het derhalve niet gepast zich over deze zaak uit te spreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Meyer Pleite (GUE-NGL).(ES) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de minister, uw antwoord is zeer teleurstellend omdat we proberen, of in ieder geval omdat geprobeerd is om aan de Europese burgers het idee te verkopen, op basis van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet, dat voor alles wat gemeenschappelijke veiligheid behelst een unitair beleid van alle lidstaten samen nodig zal zijn.

Vijf dagen geleden was het precies twee jaar geleden dat deze journalist om het leven kwam en wat aan de Europese Unie gevraagd wordt, is dat niet alleen de gerechtelijke weg bewandeld wordt, wat de families ook al doen, maar dat langs politieke weg van de regering van de Verenigde Staten geëist wordt dat er een onpartijdig onderzoek plaatsvindt. Iedereen weet dat de plaats waar deze journalist om het leven kwam, het Palestina Hotel, een niet-militair doel was dat beschermd had moeten worden en waarin de hele geaccrediteerde internationale pers verbleef, en daarom is het antwoord van de Amerikaanse autoriteiten niet acceptabel en zou het wel degelijk wenselijk zijn dat het fungerend voorzitterschap van de Raad een energiek en helder verzoek aan de regering van de Verenigde Staten doet toekomen waarin om een onpartijdig onderzoek wordt gevraagd.

Daarom betreur ik uw antwoord en ik hoop dat u het met ons eens bent dat we zo vastberaden mogelijk om zo’n onderzoek moeten blijven vragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Guardans Cambó (ALDE). (FR) Mijnheer Schmit, uw antwoord stelt me enigszins teleur. U zegt in feite: de familie heeft actie ondernomen en besloten de zaak voor de rechter te brengen, in naam van en uit respect voor een broer of neef, een dierbaar persoon dus, en dan is het verder dus geen zaak meer van de Raad. Als ik het antwoord dat u hier nu geeft goed begrijp, betekent het dat de Raad alleen maar in actie gekomen zou zijn als de familie niets gedaan zou hebben. Dat is een volstrekt onbegrijpelijk, om niet te zeggen onacceptabel antwoord.

Het is het een of het ander. Ofwel u moet als Raad de moed hebben om te zeggen dat u geheel tevreden bent over het onderzoek van de Amerikaanse autoriteiten, die van oordeel zijn dat er niets aan de hand is – dat is uw goed recht, maar weest u dan ook zo moedig om dat namens de Raad open en eerlijk te zeggen, in het openbaar, hier in deze zaal. Ofwel u bent niet tevreden en u zegt dat u nadere uitleg gaat eisen. Niets doen is echter nooit een antwoord. Uw reactie draagt er bepaald niet toe bij de afstand tussen de burgers en hun regering en de instellingen te verkleinen.

 
  
MPphoto
 
 

  Cavada (ALDE). (FR) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, laat ik u eerst publiekelijk meedelen dat wij heel blij zijn met de stappen die door de Voorzitter van het Europees Parlement en een van de ondervoorzitters, meer bepaald de heer Vidal-Quadras Roca, ondernomen zijn voor de vrijlating van de Franse journaliste, mevrouw Aubenas, en haar collega, de heer Hanoun Al-Saadi, die vandaag precies honderd dagen gegijzeld worden gehouden.

Ik wil van deze gelegenheid gebruikmaken om de aandacht te vestigen op het feit dat ontvoeringen van journalisten en persmedewerkers in Irak voorkomen op een schaal zoals we zelden hebben gezien in een oorlog. Het gaat nu al om tientallen ontvoeringen. Verder zou ik op grond van mijn eigen ervaringen in het verleden en uit hoofde van mijn nieuwe taken de Raad willen aansporen een verzoek om een gezamenlijk onderzoek in te dienen, voordat de mensen daarvoor de straat opgaan, zoals in Italië is gebeurd in de zaak van de heer Calipari. Dat lijkt me min of meer een morele verplichting en het is technisch gezien ook goed te realiseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik zou om te beginnen de heer Cavada willen bedanken voor het feit dat hij nogmaals onze aandacht erop heeft gevestigd dat mevrouw Aubenas en haar begeleider inmiddels al honderd dagen in gijzeling worden gehouden. Ik zou namens de Raad, en in ieder geval namens het voorzitterschap, onze volledige solidariteit willen betuigen met mevrouw Aubenas en ook met alle andere gegijzelden in Irak. Zo wordt er ook een groep van drie Roemeense journalisten in gijzeling gehouden. Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om tevens uitdrukking te geven aan onze sterke verbondenheid met deze gegijzelden en duidelijk te maken dat we alles in het werk zullen stellen om hen zo snel mogelijk vrij te krijgen.

Verder kan ik ergens wel begrijpen dat sommigen van u teleurgesteld zijn over mijn antwoord. Ik kan echter niet verder gaan dan wat ik gezegd heb. De familie heeft er een zaak van gemaakt en de rechter ingeschakeld en in dit stadium kan ik me daar verder dus niet over uitlaten. Het is voor mij onmogelijk op dit moment een politiek standpunt in te nemen in deze zaak. Ik kan u echter verzekeren dat wij al deze zaken en incidenten, die soms zeer tragisch zijn, van zeer nabij zullen blijven volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 15 van Manuel Medina Ortega (H-0193/05):

Betreft: Betrekkingen EU/Andes Gemeenschap

Hoe ziet de Raad de toekomstige betrekkingen tussen de EU en de Andes Gemeenschap van naties en welke initiatieven moeten volgens hem ontwikkeld worden om de EU te laten bijdragen aan versterking van deze Gemeenschap?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Het belang dat de Europese Unie hecht aan de betrekkingen met de Andesgemeenschap en aan het integratieproces in de regio komt duidelijk tot uiting in de resultaten van de Topbijeenkomst tussen de EU en de Andesgemeenschap in Guadalajara van mei 2004. Bij die gelegenheid hebben de staatshoofden en regeringsleiders instemmend gereageerd op het besluit van de betrokken partijen om met onmiddellijke ingang een begin te maken met het proces dat moet leiden tot een associatieovereenkomst, met als een van de onderdelen de totstandbrenging van een vrijhandelszone. Met dit perspectief krijgt het proces van regionale integratie een nieuwe impuls.

Inmiddels is de initiële fase van gezamenlijke beoordeling van start gegaan - een beoordeling van technische aard -, en tijdens de gezamenlijke ministersbijeenkomst die voor eind mei in Luxemburg gepland staat, zal opnieuw uitgebreid gesproken worden over dit voor onze toekomstige betrekkingen zo belangrijke onderwerp. De Europese Unie is ingenomen met de bereidheid die de politieke vertegenwoordigers van de Andeslanden herhaaldelijk hebben getoond om verder te gaan op deze weg, evenals met de toenadering tussen de Mercosur en de Andesgemeenschap.

Wat de drugsbestrijding betreft, is de Europese Unie verheugd over de bijeenkomsten die op hoog niveau plaatsvinden met deskundigen in de Andeslanden over drugs en drugsprecursoren. De eerstvolgende bijeenkomst in dit kader vindt in de loop van dit halfjaar plaats in Lima. Beide partijen blijven zich inspannen om deze plaag te bestrijden vanuit een optiek van samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid.

Wat het handelsbeleid betreft, zou ik willen wijzen op de voorgestelde nieuwe SAP+-regeling van de Europese Unie, waarin de Andeslanden een voorkeursbehandeling zullen genieten. Tot slot zou ik willen opmerken dat de Raad ernaar streeft duurzame politieke betrekkingen te ontwikkelen op basis van de belangen en de deelname van de bevolking zelf, en in dit verband zou ik nadrukkelijk willen wijzen op de belangrijke, waardevolle bijeenkomst met de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld van de Andeslanden die op 3 maart in Brussel heeft plaatsgevonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Medina Ortega (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik spreek mijn dank uit voor de uitleg die de fungerend voorzitter van de Raad mij heeft gegeven en ik zou simpelweg een korte aanvullende vraag willen stellen.

In verband met het verloop van de onderhandelingen met deze landen en aangezien tegelijkertijd gesproken wordt over het creëren van een uitgebreider Latijns-Amerikaans systeem, met name door middel van het verbond tussen de Andesgemeenschap en Mercosur, zou ik graag willen weten of er enig onderling verband bestaat tussen de onderhandelingen met Mercosur en die met de Andesgemeenschap, of die onderhandelingen parallel lopen of op enigerlei wijze aan elkaar gekoppeld zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Als ik u goed begrepen heb, mijnheer Medina Ortega, vraagt u of het een proces is waarbij alle Latijns-Amerikaanse landen betrokken zijn, dus de landen van de Mercosur en de landen van de Andesgemeenschap. Ik denk inderdaad dat de EU ernaar streeft alle vormen van regionale integratie te bevorderen en dat die integratieprocessen ons niet ruim genoeg kunnen zijn. Dat lijkt me dus een benadering die we alleen maar kunnen aanmoedigen. Verder denk ik dat als die landen hun samenwerking inderdaad weten uit te breiden of daadwerkelijk integratie bereiken, met dat gegeven ook rekening moet worden gehouden in de betrekkingen tussen die landen en de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 16 van Bill Newton Dunn (H-0195/05):

Betreft: Activiteiten van de geheime diensten

In zijn antwoord op mijn vraag H-0139/05 tijdens het vragenuur van 9 maart j.l. bevestigde de Raad in het Parlement dat hem bekend is dat er in de strijd tegen de georganiseerde misdaad coördinatie plaatsvindt tussen de geheime diensten van de lidstaten, maar hij verklaarde niet over details te beschikken.

Als deze schijnbare tegenstelling toch waar is, betekent dat dan dat informatie over coördinatie tussen de geheime diensten de Raad bereikt in de vorm van een simpele anonieme nota, waarin staat: "Wij coördineren, maar we geven u geen details." Neemt de Raad er genoegen mee dat hij niets weet over wat onze geheime diensten gezamenlijk ondernemen? Wordt er überhaupt toezicht uitgeoefend op ministerieel niveau - en zo ja, door wie - op deze gecoördineerde geheime activiteiten, die, naar wij mogen hopen, nut hebben en in het belang van de burgers van Europa worden verricht?

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) De Raad heeft de geachte afgevaardigde tijdens de vergaderperiode van maart al meegedeeld dat het secretariaat van de Raad niet op de hoogte is van de activiteiten die de geheime diensten van de lidstaten verrichten in het kader van de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Er bestaat geen bepaling in het communautaire recht waarin de lidstaten de verplichting opgelegd wordt dergelijke gegevens aan de Raad te verstrekken. De Raad heeft de geachte afgevaardigde er tijdens het vragenuur van de maand maart al op gewezen dat dit niet betekent dat er geen contacten bestaan tussen de nationale geheime diensten op dit specifieke terrein.

 
  
MPphoto
 
 

  Newton Dunn (ALDE). - (EN) Net als wij allen hier in dit Parlement - of al degenen die theoretisch gesproken hier in deze zaal aanwezig zouden moeten zijn - vertegenwoordigt u het publiek. In het Parlement willen wij van operationele geheimen niets weten, en natuurlijk willen wij daar niets van weten, want dat zou schadelijk zijn. Namens het publiek dat u vertegenwoordigt en dat wij vertegenwoordigen, willen wij echter wel weten of een gekozen politicus belast is met de coördinatie van de activiteiten die door inlichtingendiensten gezamenlijk worden verricht. Houdt iemand in de gaten wat wij aan het doen zijn? Als u zegt dat de Raad dat niet doet, wie doet dat dan wel? Wie is gekozen? Wie coördineert dit werk en wie ziet daarop toe? Het is een veeg teken als u zegt dat niemand dat doet.

 
  
MPphoto
 
 

  Schmit, fungerend voorzitter van de Raad.(FR) Ik denk dat het toezicht op de geheime diensten in de eerste plaats een bevoegdheid van de lidstaten is en dat het dus aan de lidstaten is om ervoor te zorgen dat de activiteiten van de diensten in kwestie plaatsvinden overeenkomstig de beginselen van de rechtsstaat en binnen de grenzen van de wetten van het land.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aangezien de voor het vragenuur aan de Raad gereserveerde tijd verstreken is, zullen de vragen nrs. 17 t/m 41 schriftelijk worden beantwoord(1).

Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.00 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
  

(1) Zie bijlage “Vragenuur”.


22. Ontslagen bij Alstom
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Goedenavond dames en heren afgevaardigden, dit is de eerste vergadering waarbij ik als Voorzitter optreed en ik wil deze gelegenheid niet voorbij laten gaan zonder mijn dankbaarheid uit te spreken voor het vertrouwen dat de afgevaardigden van het Europees Parlement in mij hebben gevestigd.

Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Wurtz, namens de GUE/NGL-Fractie, de heer Désir, namens de PSE-Fractie, en mevrouw Flautre, namens de Verts/ALE-Fractie, over de ontslagen bij Alstom aan de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Henin (GUE/NGL), ter vervanging van de auteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, als het gaat om ons streven naar een Europa van volledige werkgelegenheid, met een industrie die sterk is in hoogwaardige technologie, een Europa dat milieubewust is en dat niet langer onderhevig is aan de technologische en financiële dominantie van de Verenigde Staten, worden we door deze Alstom Power Boiler-zaak voor het blok gezet.

Waar hebben we mee te maken? Met een onderdeel van de Alstom-groep, waarvan de innovatie-, onderzoeks- en productiecapaciteiten in Europa zijn gevestigd – 250 werknemers in Frankrijk, te Vélizy, 300 werknemers in Duitsland, te Stuttgart, een aantal vestigingen in Tsjechië, Portugal en Polen – terwijl het hoofdkantoor zich in Connecticut in de Verenigde Staten bevindt. Deze onderneming is gespecialiseerd in de fabricage van ketels voor het opwekken van stoom en elektriciteit. Ze is wereldleider op het gebied van de productie van schone steenkool en ontwikkelt nieuwe technologieën voor CO2-sequestratie. Gegeven de inwerkingtreding van het Protocol van Kyoto en de noodzaak tot diversificatie van de energiebronnen lijdt het geen twijfel dat er een enorm potentieel is voor dergelijke technologieën. Om onduidelijke redenen heeft de directie van Alstom echter besloten de Europese expertise naar de Verenigde Staten over te plaatsen en het aantal banen in Vélizy met 80 procent terug te brengen en in Stuttgart met de helft, waarschijnlijk met als einddoel de belangrijkste Europese vestigingsplaatsen op termijn te sluiten. Als voorwendsel voor deze overheveling van de Europese expertise wordt een pseudo-studie aangehaald die – hoe toevallig – door de Amerikanen is uitgevoerd en waarin over vier jaar een te verwachten inkrimping van de markt met een derde wordt aangekondigd.

In navolging van de werknemers van Power Boiler kunnen wij niet anders dan vraagtekens plaatsen bij de degelijkheid van dit onderzoek, te meer gezien de enorme vraag die wereldwijd op dit gebied groeit. Maar luidt de uitdrukking niet: wie een hond wil slaan vindt licht een stok? Sinds de privatisering van de Alstom-groep wordt deze gekenmerkt door het ontbreken van een echte industriële langetermijnstrategie en het fanatiek najagen van kortetermijnwinsten. De Commissie en overigens ook de Franse regering zijn daar eveneens voor een deel verantwoordelijk voor.

Gelukkig hebben de werknemers van de betreffende Europese vestigingsplaatsen, die gesteund worden door de vakbonden, het bijltje er niet bij neergegooid. De werknemers in Vélizy in het bijzonder hebben een tegenplan opgesteld volgens welk het bedrijf uit de Alstom-groep stapt voor een verkoopprijs in de orde van de symbolische één euro, een nieuwe Europese vennootschap wordt opgericht voor de vestigingsplaatsen van Vélizy en Stuttgart samen en de vestigingen in Tsjechië, Polen en Portugal worden behouden. Dit plan stoelt op de vrijwillige medewerking van de werknemers. Het heeft als voordeel dat het aansluit op de verzoeken die de Europese Commissie op 7 juli 2004 heeft geformuleerd aan het adres van Alstom over de verkoop van activa. Deze hadden tot doel de werkgelegenheid en het Europese technologische potentieel te behouden en te ontwikkelen tegenover de Verenigde Staten. Dit samenwerkingsverband tussen werknemers staat vooraan als het gaat om de toepassing van het Europees recht, aangezien het uitmondt in de oprichting van een Europese naamloze vennootschap. Er moet echter wel voortgemaakt worden, daar men op het punt staat de intellectuele eigendommen van het bedrijf naar de Verenigde Staten en Zwitserland over te brengen en de directie van Alstom haar uiterste best doet het bedrijf in financiële moeilijkheden te brengen.

Indien de ontwikkeling van de industrie en de werkgelegenheid ons aan het hart gaat, dames en heren, dan zullen we alles in het werk moeten stellen om dit initiatief te steunen. De richtlijn over de Europese naamloze vennootschappen en de verordening over de rol van werknemers in het beheer van Europese vennootschappen zijn weliswaar nog niet omgezet in Frans recht, maar het is altijd mogelijk om vast vooruit te lopen. Het is een kwestie van politieke wil en ik verwacht van de Commissie dat zij deze wil toont. Laten we deze werknemers wier baan op de tocht staat, maar die zo trots zijn op hun weergaloze technische prestaties en altijd bereid zijn tot innovatie, dus niet teleurstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Désir (PSE), vraagsteller. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij u vandaag uw eerste zitting te zien voorzitten, te meer daar uw aantreden tot deze functie verband houdt met buitengewoon goed nieuws voor mijn Fractie en voor de Europese socialisten, namelijk de verkiezingszege van de socialisten in Portugal.

Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, net als mijn collega Henin ben ik een van de auteurs van deze vraag aan de Commissie. Een aantal weken hebben wij hier een delegatie van werknemers van de Alstom-groep ontvangen, samengesteld uit zowel Duitse als Franse vakbondsvertegenwoordigers van de twee vestigingsplaatsen van deze in stoomketels gespecialiseerde dochteronderneming. Op dit moment worden deze werknemers getroffen door de aankondiging die hun directie op 16 februari 2005 heeft gedaan van de sluiting, of in elk geval een zeer aanzienlijke schrapping van arbeidsplaatsen en activiteiten, zowel in Stuttgart als in Vélizy: in Stuttgart zouden 150 van de 350 banen verloren gaan en in Vélizy 150 van de 200. Dit betekent dat deze twee vestigingsplaatsen uiteindelijk waarschijnlijk ten dode zijn opgeschreven.

Welnu, enkele maanden geleden, op 7 juli 2004, heeft de Europese Commissie haar fiat gegeven aan de door Frankrijk aan Alstom verleende steun, zij het onder strikte voorwaarden met betrekking tot overdrachten, niet alleen met het oog op het herstel van een gezond concurrentieklimaat, maar ook om het voortbestaan van Alstom industrie en haar verschillende dochterondernemingen zeker te stellen. De dochter Alstom Power Boiler is een bedrijf dat, zoals zojuist in herinnering is gebracht, is gespecialiseerd in de fabricage van stoomketels voor elektriciteitscentrales. Op meerdere terreinen behoort zij technologisch tot de Europese en zelfs de wereldtop, in het bijzonder in moeilijke en schone verbranding en in CO2-sequestratie.

Vanuit het oogpunt van de prioriteiten van de Europese Unie in het kader van de strategie van Lissabon, waar wij onlangs over gedebatteerd hebben, namelijk dat Europa zijn competenties en zijn technologie ontwikkelt en de meest concurrerende economie ter wereld wordt, en ook vanuit het oogpunt van onze doelstellingen op het gebied van duurzame ontwikkeling en schone energie, is dit bedrijf een strategisch werktuig, en natuurlijk zijn er bovendien veel banen mee gemoeid.

Dat is ook precies de rechtvaardiging van de toestemming van de Commissie in juli 2004 voor een aanzienlijke som aan steun: de Franse staat heeft 3 miljard euro verleend aan de Alstom-groep om een herstructurering te kunnen doorvoeren. In haar eindbesluit heeft de Commissie verklaard dat, wat betreft de sectoren Power Generation en Transports, de herstructureringsmaatregelen voldoende waren om herstel van de industrie te waarborgen. De voorziene personeelsinkrimpingen werden beoordeeld als in een juiste verhouding staand tot de omvang van de overcapaciteit in deze industrieën, en de ramingen van de kosten van deze herstructureringen en de hieruit voortvloeiende besparingen leken realistisch.

Welnu, vandaag gaat de directie van het concern verder dan de toen aangekondigde schrappingen van banen, gaat zij verder dan de overdrachten waartoe zij zich verbonden had. Ik denk dan ook niet dat de Europese Commissie de besluiten van de directie van de Alstom-groep kan negeren. De Commissie is er namelijk altijd buitengewoon op gebrand dat de mededingingsregels in acht worden genomen nadat steun is verleend en zij zou dat ook moeten zijn met betrekking tot de gevolgen voor de werkgelegenheid. Welnu, als ik het goed begrijp, mijnheer de commissaris, komt het mij voor dat de uiteindelijke rechtvaardiging voor steun die is verleend voor de herstructurering van een onderneming gelegen is in het behoud van die activiteit, met name en uiteindelijk omdat op die manier banen behouden kunnen blijven en omdat er een heleboel voordelen uit voortkomen, belastinginkomsten, etc., maar bovenal omdat er banen behouden kunnen blijven.

Het kan niet zo zijn dat de Commissie halfblind is, dat zij, na te hebben ingestemd met steun, alleen oog heeft voor de gevolgen voor de concurrentie en voor de eerbiediging van de concurrentie. Zij moet er ook op toezien dat deze steun daadwerkelijk bijdraagt aan de handhaving van de activiteit en de werkgelegenheid in alle vestigingsplaatsen, want toen deze steun in juli 2004 werd goedgekeurd, is inderdaad geconcludeerd dat de voorziene schrappingen van banen afdoende waren en dat het dus niet gerechtvaardigd is om verder te gaan. Wij rekenen dus vandaag op de Commissie, om erop toe te zien dat de werkgelegenheid behouden blijft en de twee vestigingsplaatsen in kwestie niet worden gesloten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lipietz (Verts/ALE), ter vervanging van de auteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik vervang hier mijn collega, Hélène Flautre, met wie ik deze problematiek al vijf jaar volg. Ik denk dat de heer Désir in zijn betoog het werkelijke probleem heeft aangegeven. Jaren geleden al heb ik tegen de toenmalige commissaris Monti gezegd dat er een dag zou komen dat het belangrijkste werk van het Directoraat-generaal Mededinging niet zozeer zou bestaan in het afwijzen van steun maar in het in de gaten houden of deze steun goed gebruikt is.

Wat geeft een land het recht staatssteun te verlenen die duidelijk in strijd is met artikel 87 van het Verdrag? Welnu, het feit dat Europa er belang bij heeft, omdat als deze steun achterwege bleef er onvervangbare banen verloren zouden gaan. Dit zou de verdwijning betekenen van een bron van expertise en van werk, in het belang van de doelstellingen van de Unie, van de burgers van de Unie, van de consumenten van de Unie.

In hun grote wijsheid hebben de DG Mededinging en de Commissie een jaar geleden ingestemd met deze steun aan Alstom. Het was geen kwestie van zwichten voor de druk van de Franse regering. Het was een kwestie van een oordeel vellen over het feit dat, in de toestand waarin Alstom voorstelde verder te gaan, dit inderdaad het verlenen van staatssteun waard was. Dat was goed voor heel Europa. Welnu, als dat oordeel een jaar geleden juist was, is het vandaag nog altijd juist. Alstom is echter bezig te laten zien dat het er bij het aanvragen van deze staatssteun geenszins opuit was om het aanbod aan schone technologieën in Europa te handhaven, noch om bij te dragen aan de doelstelling van volledige werkgelegenheid in Europa; het was er eenvoudigweg opuit om staatssteun te innen volgens het principe van privatisering van winsten en nationalisering van verliezen. Dat is iets dat voor rechts en links in Europa onaanvaardbaar is.

Ik denk dus dat we hier een schoolvoorbeeld hebben, aan de hand waarvan de Commissie haar beleid moet vormgeven. Als de tamelijk uitputtende lijst van gevallen waarin het verlenen van staatssteun geoorloofd is – er staan er een dozijn in artikel 87, dat ook is opgenomen in de Grondwet – als het ware de basis is voor het industriebeleid van Europa, dan is het nu het moment om dat te laten zien. De Commissie moet uitmaken of er een jaar geleden alleen maar staatssteun is toegekend om de aandeelhouders van de Alstom-groep uit de schulden te helpen of dat deze staatssteun werkelijk in het belang was van de Europese bevolking, hun toekomst en vooral ook de inachtneming van het protocol van Kyoto.

 
  
MPphoto
 
 

  Günther Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil u allereerst van harte feliciteren met uw benoeming en u een succesvolle ambtstermijn toewensen.

We kunnen respectievelijk moeten deze kwestie vanuit twee standpunten bezien, eerst vanuit het standpunt van het industriebeleid en vervolgens vanuit dat van de controle op de staatssteun. Voor het industriebeleid ben ik zelf verantwoordelijk. Daarom ben ik ook zeer zeker van mijn zaak wanneer ik zeg dat het in het belang is van de Europese politiek om innovatieve technologieën, moderne ondernemingen en moderne arbeidsplaatsen in Europa niet alleen te behouden, maar ook te creëren. De Europese Unie heeft er een primair belang bij om in Europa een sterke industriële basis in stand te houden omdat wij ons concurrentievermogen zonder een sterke industriële basis niet kunnen verdedigen in de mondiale concurrentiestrijd. Vanuit dit standpunt gezien zeg ik als commissaris die verantwoordelijk is voor de industrie in Europa, dat ik graag zou willen zien dat Alstom de in gang gezette herstructurering met succes afrondt en als een gezonde, succesvolle en rendabele onderneming blijft voortbestaan. Tot zover de industriepolitieke kant van de zaak.

Dat onderwerp is vandaag echter niet aan de orde. Het gaat om de controle op de staatssteun. Het is inderdaad juist dat de Commissie toentertijd in het kader van de door de Franse overheid verstrekte staatssteun heeft ingestemd met het herstructureringsplan van Alstom. De Commissie heeft voorwaarden verbonden aan dat herstructureringsplan en die staatssteun. Het is de taak van de Commissie – zoals de afgevaardigden correct hebben opgemerkt – erop toe te zien dat aan de voorwaarden wordt voldaan en dat de staatssteun wordt gebruikt op de wijze zoals de Commissie die heeft goedgekeurd. Wij controleren dat ook. De Commissie heeft er toentertijd met name op gewezen dat zij instemde met de staatssteun onder de voorwaarde dat bepaalde bedrijfsonderdelen zouden worden verkocht en dat een operationele herstructurering zou plaatsvinden.

Vanavond moet de vraag worden beantwoord of het onderhavige aanvullende herstructureringsplan al dan niet in strijd is met de beslissing van de Commissie. Wanneer dat herstructureringsplan niet in strijd is met de voorwaarden, is de directie verantwoordelijk voor de uitvoering ervan, in ieder geval niet de Commissie. Niet de Commissie, maar de directie leidt Alstom. De verantwoordelijke diensten hebben mij laten weten dat de Commissie thans niet over aanwijzingen beschikt dat de voorwaarden van de Commissie voor de instemming met de staatssteun zijn geschonden. Ik kan u echter verzekeren dat wij deze zaak vanzelfsprekend blijven volgen en er zeer nauwlettend op zullen toezien dat de voorwaarden correct worden nageleefd.

Principieel pleit de Commissie ervoor naar gemeenschappelijke oplossingen te zoeken waarbij rekening wordt gehouden met alle economische, sociale en milieurelevante aspecten. De Commissie spreekt in haar recente mededeling "Herstructureringen en werkgelegenheid" uitdrukkelijk de intentie uit alle maatschappelijke krachten te mobiliseren voor een beter verloop van de herstructurering om een duurzame ontwikkeling van het concurrentievermogen en van de werkgelegenheid te bewerkstelligen.

De Commissie stelt met name voor een versterkte sectorale en regionale follow-up te organiseren. De uitvoering van deze strategie moet worden ondersteund door de inzet van speciale middelen. Bovendien is het behoud en de ontwikkeling van het vermogen op het gebied van innovatie, onderzoek en ontwikkeling in Europa van strategisch belang. De Commissie heeft in dit verband pas enkele dagen geleden een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie gepresenteerd.

Ik ben mij ervan bewust dat onze mogelijkheden zeer beperkt zijn wanneer het gaat om banenverlies. Ik deel uw gevoelens op dit punt. De Commissie moet zich echter strikt aan het bestaande recht houden. Ik heb u toegezegd dat wij deze zaak zeer nauwlettend volgen en maatregelen zullen nemen wanneer mocht blijken dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die verbonden waren aan de staatssteun.

 
  
MPphoto
 
 

  Bachelot-Narquin, namens de PPE-DE-Fractie.(FR) Mijnheer de commissaris, dames en heren, de situatie van de Alstom-groep wekt al maandenlang grote ongerustheid. De toekomst van de 25 000 werknemers van Alstom in Frankrijk staat op het spel. We hebben hard moeten vechten en onze regering heeft zich resoluut aan de zijde van de werknemers van Alstom geschaard. Onze minister van financiën, de heer Sarkozy, is zelf gaan onderhandelen met de toenmalige commissaris, de heer Monti, opdat wij de steun konden verlenen om Alstom te redden. Het ging natuurlijk om het redden van de toekomst van de werknemers, maar ook om het behoud van de bloem van de Europese energie- en vervoersindustrie.

Vanavond zullen wij het over Vélizy en Stuttgart hebben, maar ook over Brno in Tsjechië en Setúbal in Portugal, alsmede over talrijke toeleveranciers in heel Europa. Vandaag wordt door de aankondiging van het schrappen van 350 banen, waarvan 200 bij Alstom Power Boiler in Vélizy de ongerustheid van de werknemers nog verder vergroot. Zeker, de verslapping van de stoomketelmarkt is duidelijk, maar niet zodanig dat deze een dergelijke personeelsinkrimping rechtvaardigt.

Het is natuurlijk niet aan de Commissie om op de stoel van het management van ondernemingen te gaan zitten, noch om in de plaats van de regeringen een sociaal plan voor eventuele ontslagen te regelen. Er dient op gewezen te worden dat Alstom Power Boiler marktleider is op het gebied van de productie van schone steenkool en technologieën ontwikkelt voor CO2-sequestratie. Het gaat dus niet om een onderneming die leidt aan verkalking en economische veroudering. Akkoord gaan met haar migratie naar Amerika of, erger nog, haar verdwijnen is als naar de toekomst kijken in een achteruitkijkspiegel.

De werknemers hebben – en daarmee moeten we hen feliciteren – een plan opgesteld rond het concept “laten we de Europese koploper in schone verbranding oprichten”. Ze hebben samen met deskundigen een toekomstplan opgesteld dat alle aspecten beslaat: de juridische structuur van de nieuwe vennootschap, technologische aspecten, commerciële aspecten en sociale aspecten. Dit initiatief, dat staat voor de weigering om te zwichten, verdient alle lof. De Europese gesprekspartners zijn ervan op de hoogte gesteld: de commissarissen die belast zijn met de werkgelegenheid, met de industrie, met de handel, met de mededinging, met het milieu, en zij wachten op uw conclusies.

Mijnheer de commissaris, u moet vandaag vooruitlopen op de culturele en sociale revolutie die door het ontwerp voor een Grondwettelijk Verdrag in gang is gezet. Morgen zullen de sociale rechten, dankzij het Grondwettelijk Verdrag, het winnen van de vervolmaking van de interne markt die in de voorgaande verdragen de boventoon voerde. De sociale dialoog zal geïnstitutionaliseerd worden, maar we zullen vooral een industriebeleid moeten opbouwen dat de kenniscentra bevoordeelt en de sociale markteconomie behoudt die ons is voorgesteld als sociaal model in artikel 3 van het Grondwettelijk Verdrag.

De vraag die u vandaag wordt gesteld, mijnheer de commissaris, is deze: hoe kijkt u aan tegen de toekomstige filosofie van het Grondwettelijk Verdrag? Weest u niet de griffier van het oude Europa, maar bereidt u daarentegen de weg voor het nieuwe Europa, dat is nagestreefd door het Grondwettelijk Verdrag. U heeft een goede gelegenheid om dat te doen, door de toekomst van Alston Power Boiler veilig te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

23. Fiscale dumping en milieudumping
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van de mondelinge vragen aan de Commissie over fiscale dumping en milieudumping van de heer Ford en mevrouw Mann, namens de PSE-Fractie, de heer Parish en de heer Sturdy, namens de PPE-DE-Fractie, en de heer Watson, namens de ALDE-Fractie (B6-0172/2005),

- van de heer Jonckheer namens de Verts/ALE-Fractie (B6-0229/2005).

 
  
MPphoto
 
 

  Ford (PSE), auteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals de Commissie zal weten, staan er bijna 300 banen op de tocht bij de Britse cellofaanfabriek in Bridgwater, in mijn kiesdistrict in Groot-Brittannië. Deze fabriek is overgenomen door een bedrijf met de naam Innovia, dat op dit moment vestigingen heeft in Kansas, Carlisle en Bridgwater. Het huidige voornemen dreigt het hart uit de plaats Bridgwater weg te rukken; met inbegrip van toeleveranciers van de fabriek dreigen er in de regio bijna duizend banen verloren te gaan.

Vanavond hebben we een vrijwel ongeëvenaard voorstel van alle partijen - Labour, de Conservatieven en de Liberaal Democraten - uit de regio en in het Verenigd Koninkrijk, die elkaar hebben gevonden in hun reactie op dit verbijsterende besluit van Innovia en die de Commissie om hulp en bijstand vragen.

Wat brengt dit bedrijf tot deze beslissing? De vestiging in Kansas heeft in haar bestaan nog nooit winst gemaakt; de fabriek in Bridgwater is in zijn bestaan nog nooit verliesgevend geweest. Niettemin ligt er het voorstel om Bridgwater te sluiten. Waarom? Omdat de staat Kansas, onder aanvoering van een Democratische meerderheid, ondanks oppositie van de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden en de Senaat van de staat, Innovia een aantal zaken heeft beloofd. Ten eerste betreft dit twee miljoen dollar aan steekpenningen om banen van de Europese Unie naar de Verenigde Staten over te hevelen. Ten tweede is belastingvrijstelling voor een periode van vijf jaar verleend, wat erop neerkomt dat het bedrijf de eerstkomende vijf jaar alle belastingen die de werknemers moeten afdragen, terugbetaald krijgt van de staat. En, ook heel interessant, Innovia is ontheffing van de milieuregels verleend, zodat het cellofaan goedkoop geproduceerd en terug naar de Europese Unie geëxporteerd kan worden.

Ik wil de Commissie vragen of deze financiële omkoping wel in overeenstemming is met de regels van de Wereldhandelsorganisatie. Zo niet, zal zij deze kwestie dan aankaarten bij de Amerikaanse regering? Wat zal er worden ondernemen indien Innovia cellofaan in Kansas produceert en vervolgens op de markt van de Europese Unie dumpt? Hoe denkt de Commissie dit probleem aan te pakken? Ofschoon het waar is dat de WTO-regels milieudumping niet verbieden, en wij er begrip voor hebben dat andere landen er andere milieunormen op na houden dan wij, maken wij bezwaar tegen opschorting van die anders luidende normen, iets wat we in toenemende mate zullen zien als gevolg van Kyoto.

Binnen de Europese context is dit een betrekkelijk onbeduidende zaak, maar voor de regio is hij van zeer groot belang. Hij is tevens zeer belangrijk vanwege de precedentwerking die er in de toekomst van uit kan gaan, want als de Verenigde Staten, hun bedrijven en het bestuur van hun staten er in dit ene geval mee wegkomen dan is er geen reden waarom ze dit niet keer op keer zullen herhalen. Daarom gaat het om een belangrijke principekwestie die de Commissie serieus dient te nemen en ik verwacht dan ook dat zij op enigerlei wijze in actie komt.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonckheer (Verts/ALE), vraagsteller. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, mijn Fractie heeft besloten zich bij de mondelinge vraag aan te sluiten teneinde deze aan te vullen. De vraag van mijn collega Ford heeft voornamelijk betrekking op de verenigbaarheid met de WTO-regels. Ik voor mij zou willen terugkomen op een vraag die betrekking heeft op de Europese Unie en de situatie binnen de grenzen van de Unie.

Tijdens de vorige zittingsperiode is de Raad Ecofin het eens geworden over het aanmerken van een zestigtal nationale belastingmaatregelen binnen de Europese Unie die zouden leiden tot oneerlijke concurrentie, in het bijzonder volgens de heersende opvatting bij de werkzaamheden van de OVSE. De bepalingen van hetgeen men de “Primarolo”-gedragscode heeft genoemd – naar de naam van de voorzitter van de werkgroep – hadden zowel betrekking op zogenaamde standstill-clausules als op roll back-clausules, met andere woorden het geleidelijk afbouwen van de nationale regelingen die binnen de Raad Ecofin in onderlinge overeenstemming als zodanig zijn aangemerkt.

Ik stel vast dat er in het Parlement en in de media niet veel aandacht meer is voor hoe het gesteld is met dit afbouwproces, en ik zou graag willen weten wat het standpunt van de Commissie over dit proces is. Ik ben mij ervan bewust dat deze kwestie in de grond onder de bevoegdheid van de lidstaten valt en dat het gaat om een overeenkomst tussen de lidstaten binnen de Raad Ecofin. Het concurrentiebeleid is echter een exclusieve bevoegdheid van de Unie, en de Commissie heeft een zeer belangrijke taak op dat vlak. Vanuit dat oogpunt ben ik dan ook van mening dat zij een aansporende en toezichthoudende, of toch ten minste een waarschuwende en informatie verstrekkende rol zou moeten spelen voor wat betreft de controle op de beloften die binnen de Raad Ecofin zijn gedaan.

Ik zal deze vraag aanvullen met u te zeggen – en dat weet u net zo goed als ik – dat wij nog een lange weg te gaan hebben als het gaat om de harmonisering van de vennootschapsbelasting en de belastinggrondslag binnen de Unie. Hierover zijn in de Commissie-Prodi debatten gevoerd, op basis van haar werk ten aanzien van een gemeenschappelijk minimumtarief voor de vennootschapsbelasting binnen de Unie. Welnu, het betreft een ontwikkeling die mijn Fractie als wenselijk beschouwt.

De binnen de Raad Ecofin genomen besluiten zijn voor ons dus een minimum minimorum en ik zou werkelijk willen dat de Commissie zich vanavond en de komende maanden over dit proces zou kunnen uitspreken. Ik denk namelijk dat de problemen die wij in een aantal landen tegenkomen met betrekking tot het ontwerp voor een Europese Grondwet ons jammer genoeg niet verder helpen en dat er een gerechtvaardigde angst bestaat dat de schadelijke concurrentie binnen de Europese Unie blijft bestaan en erger wordt. Om die reden zou het naar ik meen een buitengewoon belangrijke politieke missie zijn om erop toe te zien dat de beloften die gedaan zijn binnen de Raad Ecofin ten minste worden nagekomen en de Commissie, net als het Parlement, een rol speelt in het verloop van dit proces.

 
  
MPphoto
 
 

  Watson (ALDE), auteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, namens mijn fractie sluit ik mij aan bij de door de vorige sprekers geuite bezorgdheid over de erg vervelende situatie waarin een innovatief en eerlijk gezegd nogal opmerkelijk bedrijf uit het kiesdistrict van mijnheer Ford en mij verkeert.

Innovia Films is een winstgevend bedrijf dat een proces heeft ontwikkeld dat in 1898 in het Verenigd Koninkrijk werd ontdekt. Ik vermoed dat wanneer dit proces in 1998 in Scandinavië zou zijn uitgevonden, het zou zijn bestempeld tot best beschikbare technologie, dat plastic verpakkingen zouden zijn verboden en in plaats daarvan cellofaan zou zijn gebruikt. Helaas voor cellofaan werd het al veel eerder uitgevonden. Niettemin ben ik blij met de steun die alle partijen hebben uitgesproken voor de campagne om de problemen die door het beleid van de Amerikanen zijn ontstaan onder ogen te zien en aan te pakken.

Vanmorgen debatteerden we over de Europese Raad waar de Lissabon-agenda werd geëvalueerd. In de resolutie die door het Parlement met steun uit alle partijen werd goedgekeurd, hebben we vastgelegd dat een industriepolitiek noodzakelijk is. Als er een industriepolitiek is, dan moeten we bekijken hoe we bedrijven als het onderhavige kunnen steunen. Toen ik een tijdje geleden namens dit bedrijf een brief schreef aan commissaris Piebalgs om te na te vragen of er enigerlei vorm van steun voor dit bedrijf beschikbaar was, antwoordde hij dat er programma's zijn die steun bieden aan nieuwe en innovatieve systemen, maar dat dit specifieke geval hiervoor niet in aanmerking kwam. Ik vraag mij af of we onze industriepolitiek misschien opnieuw onder de loep moeten nemen.

De brief van commissaris Mandelson aan Mel Dando, een van de betrokken vakbondsfunctionarissen, behandelt de problemen waarop wij met betrekking tot het beleid van de vestiging in Kansas zijn gestuit, zoals het verlenen van belastingvrijstelling en opschorting van milieurichtlijnen. Mijnheer Mandelson legt uit dat de maatregelen betreffende belastingvrijstelling inderdaad veel weg hebben van subsidie maar niet tot de verboden categorie behoren. Hij stelt verder dat de WTO-overeenkomsten geen bepalingen kennen over milieudumping en dat deze maatregelen daarom blijkbaar niet in strijd met de WTO-regels zijn.

Mijn vraag aan de Commissie is deze: als er in de WTO-overeenkomsten geen bepalingen zijn over milieudumping, waarom is dat dan zo? Wat doet de Commissie eraan om ervoor te zorgen dat die bepalingen voor milieudumping er alsnog komen? Zoals mijnheer Ford zei heeft dit incident gevolgen voor de werkgelegenheid die op Europese schaal misschien niet groot zijn, maar wel als je het bekijkt vanuit de situatie van een industriestad als Bridgwater. Het zou bovendien navolging kunnen krijgen in de gehele Europese Unie als mocht blijken dat het beleid van afzonderlijke staten in de Verenigde Staten ons op soortgelijke wijze banen ontneemt.

Hier toont het kapitalisme zich van zijn kwade kant. We hebben te maken met een bedrijf dat wordt opgekocht door een consortium dat zich toelegt op het weghalen van vermogen en het uitkeren van zoveel mogelijk geld aan investeerders, zonder rekening te houden met de gevolgen voor onze maatschappij en ons bedrijfsleven. Het is typisch een geval waarin de Commissie dient in te grijpen. Ik hoop dat commissaris Verheugen, hier vanavond aanwezig, en commissaris Mandelson het over deze kwestie opnemen met de Amerikanen om te bezien wat er gedaan kan worden om de fabriek in Bridgwater te redden en de potentieel honderdduizenden andere banen in de Europese Unie die door dit soort ontwikkelingen worden bedreigd te behouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Parish (PPE-DE), auteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat ik in de gelegenheid ben fiscale dumping en milieudumping te bespreken betreffende British Cellophane in Bridgwater. British Cellophane kent een lange en eerbiedwaardige geschiedenis van meer dan 50 jaar. Het bedrijf heeft enorme betekenis als industriële grootmacht in Bridgwater. Bridgwater is bovendien een van de belangrijkste industriesteden in het westen van het land.

Op de lange termijn gezien is het aantal werknemers van British Cellophane afgenomen maar het bedrijf heeft altijd een hoge productiviteit gekend en een zeer goede relatie met de werknemers. Het is de stad op alle mogelijke manieren buitengewoon van dienst geweest.

Cellofaan is overal in de wereld een enorm belangrijk basisproduct. British Cellophane produceert ongeveer 60 000 ton per jaar. Dit product wordt gemaakt in fabrieken die zeer productief, gedreven en winstgevend zijn. De afgelopen paar jaar is het bedrijf ingrijpend veranderd: het werd overgenomen door Candell Investments en ik wil graag op drie van de vijf vestigingen ingaan.

Twee fabrieken staan in Groot-Brittannië en een in Amerika. De twee in Groot-Brittannië zijn winstgevende, gemotiveerde bedrijven, waarvan er één in het noorden staat en een in Bridgwater. Laat ik nader ingaan op de derde fabriek, die in Kansas.

Volksvertegenwoordigers van de staat Kansas hebben een enorm geldbedrag uitgetrokken om de fabriek daar ter plekke te houden. We hebben het over miljoenen dollars, niet slechts een paar honderdduizend. Zij hebben publiekelijk gestemd voor het uitgeven van publieke gelden aan deze fabriek, die ook nog eens, om de vooruitzichten van British Cellophane nog verder te ondermijnen, vrijstelling van milieuregels gedurende vijf jaar heeft verkregen. Dit is nog niet alles. De fabriek is niet productief en maakt geen winst. Waarom zou iemand geld geven aan een bedrijf dat geen winst maakt en niet productief is, of het nu in China, Australië of Amerika staat?

Driehonderd Britse banen bij een winstgevend, zeer productief bedrijf worden bedreigd door een fabriek die zich niet aan de WTO-regels houdt. British Cellophane pompt jaarlijks 20 miljoen Britse pond in de economie door middel van lonen en directe en indirecte goederen. We hebben te maken met een winstgevende en buitengewoon productieve vestiging die al het mogelijke heeft gedaan om te veranderen en veel beter presteert dan de Amerikanen. Deze vestiging levert meer goederen, van betere kwaliteit. We moeten niet toestaan dat zij simpelweg wordt opgeofferd omdat een Amerikaanse fabriek zich dingen kan permitteren die wij niet mogen.

De subsidies komen neer op oneerlijke handel, oneerlijke dumping en het inzetten van oneerlijke concurrentie tegen winstgevende bedrijven. Dit kunnen we niet toestaan. In een wereld waarin vrijhandel bestaat moeten we de Wereldhandelsorganisatie vragen zich over deze zaak te buigen. Ik verzoek de Commissie snel in actie te komen in dezen. Er is steun voor in alle partijen. Ik vind dat de WTO moet optreden. Ik dring er bij de Commissie op aan zich over deze zaak te ontfermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, laat ik beginnen met het concrete geval waar het hier om gaat. De Commissie is op de hoogte van de plannen om de fabriek Innovia Films in Bridgwater te sluiten of mogelijk te verplaatsen en we hebben de diensten gevraagd te onderzoeken of de maatregelen die de staat Kansas heeft genomen een overtreding zijn van de WTO-regels. We zullen ook samen met de betrokken lidstaten nagaan of er onder het internationaal recht nog andere middelen beschikbaar zijn om in deze situatie verhaal te halen.

Ik wil hier graag aan toevoegen dat mijn eigen politieke oordeel over deze zaak absoluut op dezelfde lijn ligt als door de geachte leden is uiteengezet in dit debat. Als er in Kansas regels voor statelijke steun worden toegepast dan is dat zeker een gebruik dat hier niet toegestaan is. Maar helaas, of gelukkig, is de staat Kansas geen onderdeel van de Europese Unie.

Dit betekent dat we in het bijzonder zullen kijken naar de mogelijkheden van de klachtenprocedure in het kader van de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, waarin is bepaald dat ondernemingen uit OESO-lidstaten geen vrijstellingen mogen aanvragen of aanvaarden waarin niet is voorzien in het statutaire of regelgevingskader met betrekking tot milieu, gezondheid, veiligheid, arbeid, belasting, financiële prikkels of andere zaken. Hierbij moet wel worden aangetekend dat deze richtsnoeren, en de aanbevelingen die uit de klachtenprocedure voortvloeien, niet wettelijk bindend zijn.

Wat betreft de WTO bekijkt de Commissie of de maatregelen die in Kansas zijn genomen in overeenstemming zijn met de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. Ofschoon het WTO-leden onder deze regels is toegestaan over hun eigen belastingregime te beslissen, verbieden zij belastingvrijstellingen die direct de export bevorderen. Dit is de kwestie die we moeten onderzoeken: of de maatregelen in Kansas direct bevorderend zijn voor de export. Als dat zo is dan zijn ze in strijd met de WTO-regels.

Ik wil nog een paar algemene opmerkingen toevoegen over de rol van de WTO op het terrein van milieubeleid. Laat ik om te beginnen beklemtonen dat WTO-leden uitdrukkelijk het belang hebben erkend om tot duurzame ontwikkeling te komen en om het beleid op het gebied van internationale handel en milieubeleid wederzijds versterkend te maken. De Europese Unie speelt op dit terrein een bijzonder actieve rol maar het werk is nog niet af. WTO-leden zijn vrij om hun eigen milieubeleid te kiezen op nationaal, regionaal en, in het geval van multilaterale milieuovereenkomsten, mondiaal niveau. Dit betekent ook dat tegen illegale overtredingen van bestaande regionale, nationale of internationale milieuwetgeving op die respectievelijke niveaus moet worden opgetreden.

Het gepaste antwoord op “milieudumping” op mondiaal niveau is dan ook om milieuregelgeving te bevorderen door middel van wettelijk bindende instrumenten, zoals multilaterale milieuovereenkomsten. De Commissie is op dit terrein zeer actief.

Wat betreft de andere vraag die is gesteld, over schadelijke belastingconcurrentie in de Europese Unie, zijn alle EU-lidstaten gehouden aan de Gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen. Deze code is bedoeld om juist die belastingmaatregelen tegen te gaan die van invloed zijn, of zouden kunnen zijn, op de plaats van vestiging van een bedrijf binnen de Gemeenschap. Vrijwel alle schadelijke belastingmaatregelen die na afloop van een proces van peer review zijn vastgesteld worden momenteel opgeheven. Meer in het algemeen is het belastingbeleid van de Commissie erop gericht naleving van de beginselen van de code ook te bevorderen ten aanzien van derde landen om zodoende schadelijke belastingconcurrentie op een geografisch zo breed mogelijke basis aan te pakken. De Commissie heeft wat dit betreft al een verwijzing naar de beginselen van de code laten opnemen in verschillende internationale overeenkomsten met derde landen en is van plan deze verwijzing in toekomstige overeenkomsten op te nemen. Bovendien steunt de Commissie de inspanningen van de OESO om schadelijke belastingpraktijken af te schaffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, geachte dames en heren, na de vier collega’s die tot nu toe aan het woord zijn geweest, zou ik graag nog een vraag aan u willen stellen over de ter sprake gebrachte kwestie. Sinds 1992 bestaat tussen de Verenigde Staten en ons de New Transatlantic Agenda, en in het kader van die agenda worden dialogen gevoerd, waarvan sommige goed en andere minder goed functioneren. Wij weten dat de business dialogue zeer goed functioneert en dat ook de consumentendialoog zeer goed functioneert. Wij merken echter sinds vele jaren steeds weer dat er grote problemen zijn bij de dialoog die eigenlijk de werknemers bij elkaar zou moeten brengen, de zogenoemde labour dialogue. Dit heeft uiteenlopende oorzaken; het heeft onder andere te maken met de verschillen in tradities aan Amerikaanse en Europese zijde.

Ik zou u dringend willen verzoeken bij de voorbereidingen voor de volgende topontmoeting, die in de zomer zal plaatsvinden, nog eens samen met de Raad en ook in de Commissie van gedachten te wisselen wat u van uw kant kunt doen om deze dialoog te ondersteunen. Dit zou weliswaar aan de vakbonden overgelaten moeten worden, maar desondanks zal het gezien mijn ervaringen noodzakelijk zijn nog eens na te gaan wat wij in de verschillende Europese instellingen kunnen doen om deze dialoog werkelijk in stand te houden of misschien wel weer nieuw leven in te blazen.

Ik zou me kunnen voorstellen dat dit een geschikt voorbeeld is om aan te refereren in een poging deze dialoog nieuw leven in te blazen. Voor het overige zou ik ook willen adviseren de problemen in het kader van de business dialogue ter sprake te brengen en rechtstreeks te overleggen met de ondernemingen om na te gaan of er mogelijkheden zijn overeenstemming te bereiken, zodat met name de richtsnoeren van de OESO, waaraan u gerefereerd hebt, ook daadwerkelijk in de praktijk gebracht worden en niet door verschillende staten – in dit geval door Kansas, maar het zou ook een willekeurige andere staat hebben kunnen zijn – worden omzeild.

Naar mijn mening is dit zeer belangrijk, want als wij ons in een geglobaliseerde omgeving bevinden en er sprake is van een concurrentiestrijd die op internationaal niveau beslist niet gemakkelijker maar moeilijker wordt, dan moeten in ieder geval de landen die opereren in het kader van de OESO, zich ook daadwerkelijk aan de gedragscode houden. Zou u nog eens een standpunt willen formuleren ten aanzien van dit punt, en kunt u zich voorstellen dat u pogingen doet om dit als discussiepunt op te nemen?

Ten aanzien van het tweede punt waarover u hebt gesproken, namelijk dat de Commissie en de Raad – zoals overigens ook het Parlement – sinds jaar en dag erop aandringen de discussie in het kader van de WTO te intensiveren en ook over labour standards, over milieunormen, over sociale normen te praten, denk ik dat het zaak is dit onderwerp nog eens ter sprake te brengen in het kader van de lopende ronde. Ik weet dat dit geen sinecure is, en ik kan u beloven dat wij in een resolutie van het Parlement nog een keer hieraan zullen refereren.

 
  
MPphoto
 
 

  Holger Krahmer, namens de ALDE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag willen ingaan op de door de Groenen ingediende vraag en, los van mogelijkerwijs te bestraffen overtredingen van de WTO-regels, rechtstreeks een paar vragen willen richten aan de vraagsteller.

Mijnheer Jonckheer, u spreekt in uw vraag de vrees uit dat de geleidelijke afbraak van tariefmuren leidt tot fiscale dumping. In dezelfde vraag rept u van subsidies die het multilaterale handelsstelsel verzwakken. Denkt u niet dat er een verband bestaat tussen hoge belastingen en hoge subsidies? Gaat u ervan uit dat sociale en milieunormen steevast en onvermijdelijk achteruitgaan in een wereld zonder tariefmuren – die handelsbarrières zijn – en zonder de concurrentie die daaruit voortvloeit? Bent u bang voor concurrentie omdat u dit woord uitsluitend gebruikt in combinatie met de woorden "schadelijk" en "dumping"?

Wat leidt eigenlijk tot welvaart en werkgelegenheid? Goederen- en dienstenhandel in open markten zonder tariefmuren, of gefragmenteerde markten met hoge tariefmuren? Deelt u mijn mening dat slechts een concurrerende economie in staat is te voldoen aan strenge milieunormen? Zouden we daarom niet eindelijk moeten ophouden voortdurend te beweren dat lage belastingen en open markten gelijkgesteld moeten worden met soepele milieu- en sociale normen? Ik zou ook graag de mening van de commissaris hierover willen horen.

 
  
MPphoto
 
 

  Portas, namens de GUE/NGL-Fractie. (PT) Goedenavond, mijnheer de Voorzitter, het doet mij plezier dat de vergadering van vanavond wordt voorgezeten door een landgenoot. De Britse cellofaanfabriek waarover wij het hier hebben, is overgehaald om haar vestiging over te plaatsen naar de staat Kansas omdat daar geen fiscale regels en geen milieunormen gelden.

Helaas gaat het hier niet om een uitzondering op de regel, maar is het de regel zelf die tot dergelijke acties aanzet. Dit geval legt, net zoals het voorbeeld van Alstom dat hier zojuist is besproken, een welbekend probleem bloot, namelijk de overplaatsing van bedrijven ten gevolge van anti-sociale en anti-ecologische concurrentie. Ook in Portugal zijn daarvan voorbeelden te noemen.

Eergisteren nog hebben wij hier in Straatsburg werknemers van Yasaki Saltano ontvangen, een industriegroep die een tiental bedrijven bezit in Europa, waarvan twee in Portugal. Deze Japanse multinational stelde in Portugal aanvankelijk 7500 personen te werk. Inmiddels is het aantal werknemers gehalveerd en gisteren heeft het bestuur ermee gedreigd om in augustus nog eens 500 banen te schrappen als mijn regering het bedrijf geen nieuwe steun toekent. Er zij op gewezen dat deze onderneming gratis grond en infrastructuur tot haar beschikking heeft en gedurende vele jaren aanspraak heeft kunnen maken op communautaire steun. Sterker nog, het bestuur gebruikt het abnormaal hoge aantal beroepszieken onder zijn werknemers – zoals artritis – als argument om de zieken ertoe te bewegen er zelf de brui aan te geven, zodat er geen gedwongen ontslagen hoeven te vallen.

Mijnheer de Voorzitter, aan deze leugen moet een einde komen. Het stemt mij droevig te moeten vaststellen dat de Commissie machteloos staat tegenover dit soort ontwikkelingen, vooral ook omdat uit die onmacht blijkt dat zij de strijd heeft opgegeven. In feite doen de Verenigde Staten en de Europese Unie in het kader van de Wereldhandelsorganisatie nauwelijks moeite om paal en perk te stellen aan het protectionisme. Ze hebben hun goede voornemens nog niet uitgesproken of er worden alweer protectionistische maatregelen of oneerlijke, comparatieve voordelen ingevoerd. Het is van essentieel belang dat de bestrijding van het protectionisme gepaard gaat met een versterking van de sociale rechten en de milieueisen. Dat is het alternatief voor de liberale orde. Pas dan zullen gevallen als dat van Kansas definitief tot het verleden behoren.

 
  
MPphoto
 
 

  Lundgren (IND/DEM). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik stel met tevredenheid vast dat we hier vanavond discussiëren over vraagstukken die werkelijk moeten worden bediscussieerd en waarover besluiten moeten worden genomen in dit Parlement. Het gebeurt helaas maar al te vaak dat Parlementsleden zich bezig houden met debatten en besluiten die volgens het subsidiariteitsbeginsel niet in dit Parlement thuishoren, maar in dit geval ligt de zaak duidelijk.

De EU heeft een gemeenschappelijk handelsbeleid. Het Parlement heeft daarom ernstige redenen om de naleving van de regels voor een wereldwijde vrijhandel in de gaten te houden. Een dergelijk systeem is de belangrijkste manier om de welvaart in zowel arme als rijke landen te verhogen, maar het systeem vooronderstelt dat afzonderlijke landen en handelsblokken geen protectionisme bedrijven, dat vaak de vorm aanneemt van invoerrechten en andere handelsbelemmeringen. Het kan ook de vorm hebben van subsidies of speciale regels voor een bepaalde productie, om bedrijven aan te trekken of te behouden die zich anders in de internationale concurrentie niet zouden redden

Dergelijke vraagstukken worden gereguleerd door de WTO. Ik sluit mij aan bij de andere sprekers in dit Parlement die hebben geëist dat de Commissie zo snel mogelijk maatregelen neemt tegen landen en EU-lidstaten die inbreuk maken op de bepalingen van de WTO. Het is echter van belang om te letten op het principiële verschil tussen toegestane en verboden middelen, tussen productievriendelijk beleid en dumping. Het is niet verboden een algemeen laag belastingniveau te kiezen om de groei te bevorderen. Wat verboden is, is het steunen van geselecteerde ondernemingen of branches met belastingvoordelen. Dat wordt belastingdumping genoemd. Ook is het toegestaan dat een land betrekkelijk lage ambities heeft met zijn milieubeleid in een fase waarin dat land arm is en prioriteit moet geven aan groei. Dat deden de huidige rijke landen ook toen zij arm waren. Wat niet toegestaan is, is speciale dispensaties van geldende milieueisen verlenen om afzonderlijke bedrijven of branches te bevoordelen. Dat wordt milieudumping genoemd.

Ik stel voor dat de Commissie in haar analyse en haar maatregelen duidelijk verschil maakt tussen enerzijds legitieme regels om groei en welvaart te bevorderen en anderzijds onwettige dumpingmethoden.

 
  
MPphoto
 
 

  Ford (PSE), auteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, gezien het feit dat commissaris Verheugen heeft gezegd dat de Commissie onderzoekt of de subsidies direct exportbevorderend zijn - wat illegaal zou zijn - zou ik hem willen vragen om namens de Commissie het bedrijf aan te schrijven met het verzoek om de beslissing over sluiting van de fabriek, die binnen vijftien dagen zou plaatsvinden, op te schorten tot na voltooiing van dit onderzoek.

 
  
MPphoto
 
 

  Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Ik zal deze vraag overbrengen aan mijn collega, mijnheer Mandelson, die dit dossier in zijn portefeuille heeft.

Ik kan mevrouw Mann zeggen dat ik de aanbevelingen ter harte neem en volledig aanvaard. Ik zal ervoor zorgen dat de kwestie wordt besproken op de Europees-Amerikaanse economische rondetafeldiscussies en in andere fora.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

24. Discriminatie van werknemers en bedrijven uit de nieuwe lidstaten op de interne markt
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag van de heer Protasiewicz en anderen, namens de PPE-DE-Fractie, aan de Commissie, over discriminatie van werknemers en bedrijven uit de nieuwe lidstaten op de interne markt van de Europese Unie (B6-0173/2005).

 
  
MPphoto
 
 

  Protasiewicz (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, over minder dan drie weken is een jaar verstreken sinds de uitbreiding van de Europese Unie. Voor miljoenen burgers in Midden- en Oost-Europa betekende dit de vervulling van hun dromen over een Europa gedreven door eerlijke beginselen en met gelijke kansen voor iedereen.

In de aanloop naar de uitbreiding hebben de nieuwe lidstaten hun markten wijd open gezet voor westerse bedrijven, goederen, diensten en werknemers. Vaak gebeurde dit tegen een achtergrond van verhitte interne debatten en ondanks het krachtige protest van verschillende groepen, met name van werknemersvertegenwoordigers. Deze vreesden het verlies van arbeidsplaatsen en hamerden daarom op de noodzaak van bescherming van de nationale markten tegenover de ongelijke concurrentie uit het Westen. Wij beseften evenwel dat het lidmaatschap van de Europese Unie in de eerste plaats deelname betekent in de interne markt, die de vrije ontplooiing van economische activiteiten op het gehele grondgebied van de Gemeenschap waarborgt. Tegelijkertijd waren wij ervan overtuigd dat de Europese Verdragen rechtvaardige regels vastleggen voor iedereen, ongeacht het land waar zij vandaan komen. Helaas zijn er echter de afgelopen elf maanden talloze gevallen geweest van discriminatie tegen ondernemingen en hun werknemers uit de nieuwe lidstaten die hun activiteiten wilden ontplooien op het grondgebied van sommige landen van de zogenaamde oude Europese Unie.

De meest schrijnende gevallen van discriminatie vinden plaats in Nederland, Oostenrijk en Italië. Op basis van de wetgeving in deze landen mogen bedrijven en werknemers verschillend worden behandeld naargelang zij uit de oude Vijftien of uit de nieuwe Tien komen. Dit komt vooral tot uiting in de verplichting om voor gedetacheerde werknemers nog voor het begin van de activiteiten een werkvergunning te regelen. Dit is een tijdrovende procedure die in Oostenrijk zes weken kan duren en uitsluitend geldt voor bedrijven en werknemers uit de nieuwe lidstaten. Economische entiteiten uit de oude Vijftien hoeven geen dergelijke vergunning aan te vragen. Zij moeten slechts één blad met informatie en een lijst van gedetacheerde werknemers bij de bevoegde instanties indienen. Zij kunnen derhalve zonder nader oponthoud beginnen met de verrichting van diensten. Eventuele controles door de overheid kunnen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden doorgevoerd zonder dat de activiteiten van het bedrijf gestaakt hoeven te worden. Dit is derhalve een overduidelijk geval van door het nationale recht getolereerde discriminatie. Dit leidt tot een schending van de bepalingen voor eerlijke mededinging in de gemeenschappelijke markt van de Europese Unie.


Vervolgens is er nog een aantal landen waar weliswaar geen formele discriminerende voorschriften gelden, maar waar de vrije ontplooiing van activiteiten voor bedrijven uit de nieuwe lidstaten door het optreden van overheid en ambtenaren feitelijk onmogelijk wordt gemaakt.

Ik heb een reeks van klachten bij me van ondernemers die, hoewel zij alle formele voorwaarden vervulden, buitengewoon slecht werden behandeld. De behandeling waarop eigenaars van ondernemingen en hun werknemers tijdens de uitvoering van de werkzaamheden werden getrakteerd, spreken boekdelen. Zo werden er stempels op handen gezet, mensen in de boeien geslagen, honden tegen hen ingezet en personen zonder geldige reden gearresteerd. Helaas moet ik hier Duitsland en Frankrijk aanwijzen als landen waar dergelijk optreden geen zeldzaamheid is.

Ik wil de commissaris daarom vragen welke stappen de Commissie denkt te ondernemen om de naleving van de in de Verdragen verankerde gelijkheid van ondernemingen en burgers te garanderen. Heeft de Commissie al een analyse van de voorschriften van de lidstaten uitgevoerd vanuit het oogpunt van eerlijke concurrentievoorwaarden voor economische entiteiten uit de nieuwe lidstaten? Zo ja, wat zijn de conclusies? Zo niet, wanneer zal dan met een dergelijke analyse van de rechtsvoorschriften en de praktijken worden begonnen teneinde discriminatie te voorkomen?

Tegelijkertijd wil ik de aandacht vestigen op een mening die door veel van mijn collega’s in het Parlement wordt gedeeld, namelijk dat het onmogelijk zal zijn om de economische doelstellingen van de strategie van Lissabon te verwezenlijken zolang de Commissie zich niet volledig inzet voor de bestrijding van de discriminatie van ondernemingen en werknemers uit de nieuwe lidstaten.

Tot slot wil ik zeggen dat ik er van uit ga dat de Europese Commissie op de hoogte is van deze situatie. De aanwezigheid van de vice-voorzitter van de Commissie, de heer Verheugen, geeft me reden om te hopen dat dit het geval is.

 
  
MPphoto
 
 

  Günther Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, als er iemand in dit Parlement is, die weet welke problemen de nieuwe lidstaten hebben, dan ben ik het wel, omdat ik vijf jaar lang verantwoordelijk ben geweest voor de uitbreiding. U hoeft me hierover niet te informeren.

Ten aanzien van de genoemde zaak zijn bij de Commissie klachten ingediend die betrekking hebben op één lidstaat. Die lidstaat wordt verweten dat werknemers uit de nieuwe lidstaten, die in het kader van een te leveren dienst in die lidstaat zijn respectievelijk worden gedetacheerd, een werkvergunning nodig hebben. Dit druist in tegen het gemeenschapsrecht. De Commissie heeft om die reden de nodige stappen ondernomen tegen die lidstaat en een inbreukprocedure in gang gezet, en zal ervoor zorgen dat een en ander wordt rechtgezet.

Bij de Commissie zijn geen andere klachten ingediend. Er zijn bij de Commissie met name geen klachten ingediend met betrekking tot de vrijheid van vestiging, die u hebt genoemd en die niet pas op 1 mei 2004 in werking is getreden, maar reeds medio jaren negentig is verwezenlijkt. Wanneer u gevallen bekend zijn waarin sprake is van discriminatie ten aanzien van de vrijheid van vestiging, dan zou de Commissie graag desbetreffende informatie willen ontvangen. Bij de Commissie zijn enkel en alleen officiële klachten ingediend met betrekking tot de vrijheid van dienstverlening in één lidstaat, en op dit punt hebben wij de nodige stappen ondernomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Handzlik, namens de PPE-DE-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de gelijke behandeling van ingezetenen van de verschillende lidstaten is een van de belangrijkste beginselen van de Europese Unie. Vandaag spreken wij over gevallen van discriminatie van ondernemers en werknemers uit de nieuwe lidstaten op de markten van de oude lidstaten. In dit verband wil ik vragen of het gepast is dat Poolse ondernemers die in Frankrijk diensten willen verrichten, door de Franse autoriteiten de vraag krijgen voorgelegd wat het precies is dat zij beter menen te kunnen en op grond waarvan hun activiteiten in het land gerechtvaardigd zouden zijn. Uit uitgebreid onderzoek dat ik heb verricht, blijkt dat de meeste kleine en middelgrote ondernemingen uit de nieuwe lidstaten slechts zelden van gevallen van discriminatie aangifte doen bij de bevoegde autoriteiten. Deze ondernemingen hebben gewoonlijk een beperkt budget en zien daarom bewust af van een kostbare en langdurige gerechtelijke procedure. Zij zijn bang voor verdere problemen met de ontvangende landen. Tegenover het gehele apparaat waarover een staat beschikt, staat de gemiddelde ondernemer immers uiterst zwak.

Het opkomen voor gediscrimineerden is een van de taken die de kiezers ons hebben toevertrouwd. Dit maakt ons tot de ware hoeders van de fundamentele beginselen van de Europese Unie. In dit verband moeten wij ons de vraag stellen hoe Europa er thans uit zou zien als in het verleden niet de strijd tegen discriminatie was gevoerd. Twee zaken zijn voor de toekomst van de Europese Unie van doorslaggevend belang: enerzijds de strategie van Lissabon, anderzijds de dienstenrichtlijn. Wij beseffen allemaal dat discriminatie de interne markt verlamt en het correct functioneren ervan onmogelijk maakt. Zonder een goed functionerende markt zijn de doelstellingen van de strategie van Lissabon niet haalbaar. Het is daarom in ons aller belang dat wij een echte interne markt creëren die een economische eenheid vormt die vrij is van discriminatie. Zolang er verschillende nationale belemmeringen worden opgeworpen is dit onmogelijk.

Tot slot wil ik erop wijzen dat de hier naar voren gebrachte voorbeelden van discriminatie op de interne markt betreurenswaardige belemmeringen vormen voor onze inspanningen voor de integratie. Als wij niets ondernemen om deze belemmeringen weg te nemen, zullen wij zelf de consequenties moeten dragen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Rossa, namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, als ik zou willen beschrijven welke problemen arbeidsmigranten precies ondervinden als zij naar Ierland willen komen en daar willen werken, zou me dat twee uur kosten. Wij staan bekend als een van de meest ruimhartige landen wat betreft toelatingen uit de tien nieuwe lidstaten. Dat is waar. En er zijn in Ierland veel goede werkgevers die hun werknemers goed behandelen. Maar helaas zijn er ook werkgevers in Ierland die werkers uit de tien nieuwe landen ontzettend slecht behandelen. Er zijn gevallen bekend waarin werknemers twaalf uur per dag, zeven dagen per week, voor 1 euro per uur geacht worden te werken. De Poolse ambassade heeft openlijk erkend dat het daar voorkomt dat er een rij voor de deur staat van mensen die in tranen zijn omdat ze op staande voet zijn ontslagen door werkgevers die weten dat er toch wel weer andere Poolse werknemers in de rij staan om dat werk over te nemen.

Wat ik vanavond aan de orde wil stellen is een geval dat zich niet in een van de lidstaten maar in een kandidaat-lidstaat afspeelde: een Turks bedrijf dat in Ierland Turkse werknemers tewerkstelt en dat zijn werknemers stelselmatig bedriegt. Het heeft geld dat deze werknemers toekomt overgemaakt naar een eigen rekening bij een Nederlandse bank. Er zijn vermoedens dat dit bedrijf eigenaar is van deze bank.

Ik wil dat de commissaris een onderzoek instelt naar deze zaak. Ik wil dat de Commissie contact opneemt met de Ierse autoriteiten om erachter te komen waarom er een parlementslid voor nodig was om deze feiten naar buiten te brengen, ondanks het feit dat we een departement hebben dat verantwoordelijk is voor onderzoek naar overtredingen van de arbeidswetgeving. Wij hebben 21 inspecteurs voor het hele land, een betreurenswaardig laag aantal. Er zijn er op zijn minst honderd nodig.

Ik wil ook graag dat de Commissie onderzoekt of Gama - het bedrijf waar het hier om gaat - betrokken is bij witwaspraktijken en het illegaal uit Ierland wegsluizen van geld, dat aan werknemers toebehoort, naar een bank in Nederland waarvan wordt beweerd dat Gama die ook in bezit heeft.

Ik wil dat hiernaar een onderzoek wordt ingesteld. Het is niet genoeg dat wij elkaar op de schouders slaan en zeggen dat we zulke geweldige dingen doen, concurrentie bevorderen en mensen aan werk helpen, wanneer diezelfde mensen op een betreurenswaardige manier worden uitgebuit. Dat volstaat echt niet. De Commissie dient haar verantwoordelijkheid te nemen en naleving van de Europese wetgeving te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Grabowski, namens de IND/DEM-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, tegenover de economisch achtergebleven landen die pas later tot de Europese Unie zijn toegetreden, zoals Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland, heeft de EU een consequent beleid gevoerd om de ontwikkeling van het ondernemerschap en het concurrentievermogen te bevorderen. Zo werd de toegang tot de markt van de Gemeenschap vergemakkelijkt met als gevolg een overschot op de handelsbalans van de bewuste landen. Dit was een van de belangrijkste factoren voor de snelle groei van de werkgelegenheid, de stijgende belastinginkomsten van de overheid, de investeringen en derhalve een snelle economische ontwikkeling. Door de bevordering van de toegang tot de markten van de Gemeenschap kregen deze achtergebleven landen de mogelijkheid om hun achterstand op de meer ontwikkelde landen aanzienlijk in te lopen. Nu vraag ik u: kregen de postcommunistische landen die tot de Europese Unie wilden toetreden een vergelijkbare kans? Het antwoord luidt “nee”. In plaats van solidariteit en hulp te bieden heeft de Europese Unie zich bediend van haar eigen kracht en kapitaalvoordeel. Daarnaast heeft zij haar voordeel gedaan met de toegevendheid en de corruptie van leiders en werd de uitbreiding uitgesteld om bijkomende concessies af te dwingen. Het meest zichtbare resultaat van dit beleid is de negatieve handelsbalans tussen Polen met de Europese Unie, die jaarlijks een tekort van ruim 10 miljard euro vertoont. Niet in Polen, maar in de EU is werk en winst gecreëerd. Als gevolg daarvan is niet in de EU, maar in Polen de werkloosheid en de armoede toegenomen. Wat waren de gevolgen van de openstelling van de Poolse markt voor ondernemers uit de EU voor Poolse bedrijven? En wat waren de gevolgen van de toetreding van Polen tot de Europese Unie voor deze bedrijven? In de eerste plaats oneerlijke concurrentie met ondernemingen met een overwicht op het gebied van technologie en kapitaal. Ten tweede werden Poolse ondernemingen, banken en financiële instellingen voor een schijntje overgenomen door ondernemingen uit de EU die vervolgens in Polen vaak geen belasting betalen, niet in Polen investeren en, erger nog, de winsten naar het buitenland brengen. Ten derde enorme kosten en offers in verband met de modernisering van bedrijven om zich aan te passen aan de vereisten, de normen en de regelgeving van de Europese Unie. Ten vierde de aanvaarding van dure en ingewikkelde procedures en administratieve en bureaucratische voorschriften. Verder de aanvaarding van een belastingstelsel dat het concurrentievermogen van de Poolse bedrijven verzwakt en de arbeidskosten opdrijft. De BTW is hier een voorbeeld van. Ten vijfde: de aanvaarding dat door de EU quota’s en productiebeperkingen werden opgelegd in relatief concurrerende en moderne sectoren zoals de Poolse scheepsbouw of sectoren die goederen, onder andere levensmiddelen, van hoge kwaliteit leveren.

Nu bijna een jaar is verstreken sinds de toetreding van Polen tot de Europese Unie blijkt dat Poolse ondernemingen ondanks de opgelegde beperkingen en belemmeringen erin geslaagd zijn te exporteren en concurrerend en beter te werken. Hetzelfde geldt voor individuele personen. Daarom ondernemen regeringen en lokale besturen van de lidstaten hernieuwde pogingen om de toegang tot de markt van de Europese Unie voor Poolse marktdeelnemers te beperken. Een voorbeeld hiervan zijn de voorschriften voor de dienstenmarkt, dat wil zeggen het onderdeel van de markt dat 70 procent van het Bruto Binnenlands Product voortbrengt en waarin vrijwel 100 procent van alle nieuwe arbeidsplaatsen ontstaat. Een ander voorbeeld betreft de beperkingen die gelden voor Poolse bouwondernemingen en hun werknemers. Tot overmaat van ramp worden deze beperkende voorschriften ook nog eens ten uitvoer gelegd door overijverige lokale ambtenaren. Men zou een heel boek kunnen schrijven met voorbeelden van pesterijen tegenover Poolse ondernemingen. Klachten aan lokale diensten over dergelijk optreden worden niet beantwoord. Het wekt geen verbazing dat diezelfde ijverige ambtenaren opeens achteroverleunen als het gaat om gevallen waarin Poolse werknemers laagbetaald werk verrichten, zwartwerken of onaantrekkelijk werk verrichten. Wij moeten daarom de vraag stellen wat de Europese Unie is en wat zij wil zijn.

Waren al die mooie woorden over solidariteit, het overbruggen van de verschillen, snelle ontwikkeling en de gemeenschappelijke markt dan echt alleen maar gebakken lucht?

Polen en de andere voormalige communistische landen kunnen niet nog meer concessies doen aan de Europese Unie; ze hebben gedaan wat ze konden. Daarom zullen de Poolse ondernemingen en wij, de afgevaardigden in het Europees Parlement vechten om hen te verdedigen. Wij verwachten spoedig krachtdadige besluiten die de oorzaken en de symptomen van de discriminatie wegnemen. Wij eisen niet het onmogelijke. Wij willen uitsluitend gelijke rechten en spelregels. Wij zullen blijven vechten tot de overwinning, zelfs al leidt die tot de ineenstorting van de Europese Unie!

 
  
MPphoto
 
 

  Szymański, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, in de eerste plaats wil ik de heer Protasiewicz bedanken voor het feit dat hij zich met deze kwestie heeft beziggehouden. De heer Protasiewicz vertegenwoordigt hetzelfde kiesdistrict als ik, namelijk Neder-Silezië, dat hier door maar liefst vier sprekers wordt vertegenwoordigd. Onze regio wordt daarmee een soort vaandeldrager voor deze kwestie. Dit is lovenswaardig. Hartelijk dank.

De uitbreiding heeft niet alleen de nieuwe lidstaten veel economische voordelen opgeleverd, maar heeft de economie van de Europese Unie als geheel reusachtige, in het bijzonder potentiële, voordelen gebracht. Dit heeft te maken met het feit dat in deze landen de belastingen iets lager en de arbeidskrachten iets goedkoper zijn, terwijl het rechtskader voor economische activiteiten mede dankzij de integratie is gestabiliseerd. Deze landen zijn daarom voor de Europese Unie een bron van hoop en geen bedreiging, zoals sommige sprekers hebben laten doorschemeren. Dit is de reden waarom wij ons ernstige zorgen maken over het feit dat Poolse, Tsjechische en Hongaarse ondernemers op doelbewuste administratieve belemmeringen stuiten wanneer zij op het grondgebied van de oude Europese Unie economische activiteiten willen ontplooien. Dit geldt helaas voor alle tien landen. Het afsluiten van de gemeenschappelijke markt is slecht voor de nieuwe lidstaten. Daarnaast brengt het niet alleen de Europese integratie schade toe, doordat het vertrouwen van de Europese volkeren in het integratieproces wordt ondermijnd, maar is het vooral nadelig voor de welvaart in Europa. Uiteraard speelt de discussie over de belastingen en het sociaal beleid hier een belangrijke rol. Wij verwerpen de socialistische zienswijze dat concurrentie tussen sociale en belastingstelsels neerkomt op dumping en nadelig is voor de welvaart van alle Europeanen. Als wij geen pluralistische benadering op het gebied van de belastingen en het sociaal beleid hanteren, leggen wij het af tegen handelspartners die veel verder weg liggen dan de nieuwe lidstaten. Ik heb het over China en India.

Men kan besluiten om de deur voor Poolse en andere ondernemers gesloten te houden, maar wij moeten beseffen dat Europa daardoor alleen maar verder wegzakt in economische stagnatie. In plaats van zich met vage ideeën bezig te houden betreffende de harmonisatie van verschillende aspecten van het economisch recht en het belastingrecht, zou de Europese Commissie zich moeten concentreren op het volbrengen van wat al vijftig jaar haar meest fundamentele opgave is, namelijk de voltooiing van de interne markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Belohorská (NI).(SK) Het IJzeren Gordijn is vijftien jaar geleden neergehaald, en de mensen uit Oost-Europa keken er oprecht naar uit gelijkwaardige partners te worden, zeker nadat was voldaan aan bepaalde economische criteria.

Wat is vandaag de dag de realiteit? De heer Verheugen en vele leden van dit Parlement, spraken hier met veel medeleven over de problemen die zijn veroorzaakt door de ontslagen bij Alstom, waarbij het lot van 250 werknemers werd besproken. Beste mijnheer Verheugen, u zou beter dan wie ook op de hoogte moeten zijn van het feit dat in Slowakije niet honderden maar duizenden mensen werkloos zijn geworden ten gevolge van de hervormingen die wij hebben moeten doorvoeren om lid te kunnen worden van de Europese Unie. Om dit doel te bereiken, hebben de Slowaken grote offers gebracht. Ik denk dat niemand daar spijt van had – toen wij een jaar geleden gelijkwaardige partners werden, vervulde ons dat allemaal met blijdschap. Zo voelden we dat toen tenminste.

Wat is vandaag de dag echter de realiteit? Ik ben er vast van overtuigd dat de vijftien oude lidstaten, en dus niet wij, verre van voorbereid waren op de uitbreiding. Het vrije verkeer van goederen in oostelijke richting is inderdaad op gang gekomen – onze winkels zijn tegenwoordig net zo mooi als die van u, en dat is prima; Slowaken hoeven nu niet meer naar het Westen om luxeartikelen te kopen.

Maar hoe is het gesteld met het vrije verkeer van personen? Hoewel discriminatie op grond van nationaliteit verboden is, zouden werknemers uit de nieuwe lidstaten bij het vergeven van arbeidsplaatsen de voorkeur moeten krijgen boven werknemers uit derde landen. Met uitzondering van drie landen hebben alle andere echter een beroep gedaan op overgangsbepalingen die twee tot zeven jaar lang van kracht zijn, met een optie om deze zaken achteraf nog eens te heroverwegen, wat ertoe zou kunnen leiden dat deze perioden zelfs nog eens worden verlengd. Hierdoor wordt de juridische onzekerheid van werknemers nog verder vergroot. We weten allemaal heel goed dat onze mensen – zeer vakkundige leden van de jongere generatie, die goed opgeleid en meertalig zijn – in het Westen hogere salarissen verdienen, maar onder wat voor sociale en mensonterende omstandigheden. Daarom wil ik u het volgende vragen: besteed daar alstublieft ook eens aandacht aan.

 
  
MPphoto
 
 

  Kohlíček, namens de GUE/NGL-Fractie. – (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het is genoegzaam bekend dat zowel werknemers als bedrijven uit de nieuwe lidstaten worden gediscrimineerd. Deze discriminatie begint al met de manier waarop bedrijven uit de oude lidstaten en andere ontwikkelde landen doen alsof ze nog nooit gehoord hebben van arbeidswetgeving op het moment dat zij in Midden-Europese landen actief zijn. Bepaalde Tsjechische supermarkten bijvoorbeeld staan bekend om hun middeleeuwse arbeidsomstandigheden voor kassamedewerkers, waarbij mensen regelmatig ontslagen worden gedurende de proeftijd van drie maanden. Er zijn veel andere voorbeelden van dergelijke misstanden, waarvan het verbieden van de vakbonden, wat uiteraard nergens officieel, schriftelijk is vastgelegd, met name de moeite van het vermelden waard is.

Winkelketens nemen ook een typisch koloniale houding aan ten opzichte van hun leveranciers, en daarnaast is er bij diverse gelegenheden ook al veel kritiek geuit op de lange betalingsperioden, de reclamekosten, de vergoeding om een bepaald product in de schappen van een supermarkt te krijgen – de zogenaamde shelf fees – en de extreem lage prijzen die zij bedingen. Deze praktijken zijn in de Midden- en Oost-Europese landen aan de orde van de dag, en daarbij is het normaal dat er heel weinig ruimte wordt geboden aan goederen van lokale leveranciers, dat leveranciers gedwongen worden een waarborgsom te betalen alvorens zij kunnen beginnen met het leveren van goederen, en dat zij hun goederen dienen te leveren op ieder moment van de dag, zeven dagen per week.

Er zijn dan ook nog vele kwesties die moeten worden opgelost met betrekking tot de arbeidsomstandigheden in de nieuwe lidstaten. Tegelijkertijd is het voor de werknemers uit de nieuwe lidstaten buitengewoon moeilijk om hun kwalificaties erkend te krijgen als zij in de oude lidstaten aankomen, ondanks het feit dat er internationale overeenkomsten zijn gesloten over deze kwestie. Gekwalificeerde verpleegkundigen uit Tsjechië en Slowakije werken regelmatig als verpleegkundigen in opleiding in de oude lidstaten en worden ook als zodanig betaald, ook al zijn zij te hoog opgeleid voor dergelijke banen. Evenzo komt het vaak voor dat onze geschoolde arbeiders geen door de staat erkende examens hebben afgelegd, en dit betekent dat zij worden aangemerkt als ongeschoolde arbeiders met de bijbehorende lonen, ongeacht het werk dat zij daadwerkelijk hebben verricht. Dit is met name het geval in de bouwsector.

Ook de erkenning van universitaire kwalificaties is een groot probleem en de vigerende wetgeving laat in dit opzicht veel te wensen over. De drie wetten die bijvoorbeeld in Tsjechië van kracht zijn op dit vlak zijn verre van volmaakt. Het is hoog tijd dat er iets aan deze situatie wordt gedaan, en ik doe dan ook een beroep op de Europese Commissie en op de heer Verheugen om met een voorstel te komen waarin gepaste wettelijke maatregelen uiteengezet worden. Bedankt voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Brejc, Mihael (PPE-DE).(SL) Dank u wel. Commissievoorzitter Barroso heeft in deze vergaderzaal het belang benadrukt van de Lissabon-strategie, alsmede de dringende noodzaak om het vrije verkeer van diensten te verwezenlijken, aangezien dit het laatste belangrijke kenmerk is van de interne markt van de Europese Unie. Daarom bestaat er enerzijds een duidelijke wens om hindernissen weg te nemen, teneinde een zo goed mogelijk functionerende interne markt te verwezenlijken, terwijl wij nieuwe lidstaten anderzijds hebben geconstateerd dat onze bedrijven zich vaak in een ongelijkwaardige positie bevinden. Zo gelden er bijvoorbeeld beperkingen voor ondernemingen op de interne markt op het gebied van de productie en installatie van machines en apparatuur, op het gebied van metaalconstructie, bouw- en afbouwwerkzaamheden, de verwerking van natuursteen, enzovoorts.

Mijnheer de commissaris, u hebt gezegd dat u op de hoogte bent van de problemen in de nieuwe lidstaten. Toch hebben we het vandaag niet over deze problemen, maar veeleer over problemen in de oude lidstaten. U hebt gezegd dat de Commissie maatregelen zal nemen tegen overtredingen. We zouden uiteraard graag willen weten wanneer dit zal plaatsvinden en wat de resultaten van dergelijke maatregelen zullen zijn. Het is duidelijk dat discriminerend gedrag zeer veel voorkomt, terwijl de effectiviteit van degenen die de naleving van het acquis communautaire moeten waarborgen tekortschiet.

Ik heb het gevoel, mijnheer de commissaris, dat de nieuwe lidstaten van de Europese Unie veel beter waren voorbereid op het EU-lidmaatschap en op haar uitbreiding dan de Europese instellingen zelf. Ik zou graag horen hoe u hierover denkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Golik (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik u van harte gelukwensen met uw verkiezing en uw eerste optreden als ondervoorzitter. Mijnheer de commissaris, het resultaat van het debat van vandaag is hard nodig voor alle ondernemers en burgers die geloven dat er binnen de uitgebreide Europese Unie gelijke rechten heersen en hun belangrijkste troef, namelijk hun eigen werk, willen verkopen in de oude lidstaten. Velen willen intussen al niet meer in de Europese Unie werken. Diegenen die dit hebben geprobeerd, stuitten op ongelijke behandeling en schending van het recht door centrale en regionale overheden in de vorm van lastige controles, waarbij niet zelden politieagenten en honden werden ingezet of waarbij zij werden gearresteerd, stempels op hun handen kregen en hen handboeien werden omgedaan. Dit betekent een inbreuk op hun persoonlijke rechten. Die ondernemingen en die mensen zullen nooit meer in de oude lidstaten willen werken en er nooit meer diensten willen verrichten. Is dit de dienstenmarkt en de praktijk die wij in het verenigde Europa wensen? Wat kunnen wij als vertegenwoordigers van onze kiezers anders doen dan hun rechten verdedigen in de Europese Unie? Nooit zijn mij berichten ter ore gekomen over een dergelijke behandeling in Polen, waar toch vele duizenden buitenlandse ondernemingen werkzaam zijn en waar de meerderheid van de industrie en de banken in handen is van buitenlands kapitaal. Poolse ondernemersorganisaties, ministeries en ambassades ontvangen informatie over talloze voorbeelden van discriminatie van Poolse ondernemers en burgers die in onderaanneming voor Europese bedrijven diensten verrichten. Het geval van het in Poznan gevestigde bedrijf Apola, een van de gevallen die onder mijn aandacht zijn gebracht, is een schoolvoorbeeld van deze discriminatie. De werknemers en vertegenwoordigers van het bedrijf werden door de politie en de Franse autoriteiten in het departement Gard geïntimideerd, gearresteerd en vervolgd. In veel gevallen is dit het resultaat van de menselijke, of eigenlijk onmenselijke, aard van de ambtenaren, die bovendien in onvoldoende mate op de hoogte zijn van de voorschriften. Wij maken hier geen verwijten aan bepaalde landen of regeringen in het algemeen, maar dit zijn praktijken die in het Parlement aan de orde gesteld moeten worden. Het debat van vandaag moet daarom uitmonden in een resolutie waarin dit soort van overtredingen van het recht wordt veroordeeld. Ik wil tot slot nog een voorbeeld van discriminatie op grond van nationaliteit vermelden, en wel de discriminatie van Poolse verpleeg- en verloskundigen. Overeenkomstig de door de Europese Commissie ingevoerde vereisten moeten zij tenminste vijf jaar hebben gewerkt gedurende een periode van zeven jaar om een certificaat te ontvangen dat hun beroepskwalificatie bevestigt. Zonder dit certificaat mogen zij in de Europese Unie hun beroep niet uitoefenen. Voor de burgers van de overige 24 lidstaten geldt de voorwaarde van drie gewerkte jaren in een periode van vijf jaar. Niet alleen lopen de Poolse verpleeg- en verloskundigen hierdoor kansen op werk mis en verliezen zij hun rechten, maar deze bepalingen van het Gemeenschapsrecht raken hen vooral in hun professionele waardigheid. Ik wacht al verschillende weken op een antwoord van de Commissie over deze kwestie en een paar honderdduizend verpleeg- en verloskundigen wachten op de uitkomst van het verzoekschrift dat zij hebben ingediend bij het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Libicki (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de economie van de Europese Unie kwakkelt. Dit geldt met name voor de Duitse en de Franse economie. Nu blijkt dat iedereen daaraan schuldig is: de Verenigde Staten vanwege de lage koers van de dollar, het Verre Oosten vanwege de slavenarbeid die daar wordt toegepast en de nieuwe lidstaten omdat zij een gezond en op mededinging gericht economisch beleid voeren. Hier is, in de beste traditie van de Orwelliaanse nieuwspraak, ook al een benaming voor bedacht, namelijk ”dumping”. Zoals de heer Konrad Szymański reeds heeft opgemerkt wordt er gesproken over “dumping”, met al zijn negatieve connotaties, in plaats van gezonde economische mededinging.

Dames en heren, hoewel de ontwerprichtlijn van commissaris Bolkestein talloze positieve punten omvatte, werd zij door alle pleitbezorgers van de zogenaamde sociale economie onmiddellijk neergesabeld. Ontstemd gegrom uit Parijs en Berlijn volstond om de uitstekende ontwerprichtlijn in de prullenmand te doen verdwijnen. Daarnaast zijn er nog andere methoden, zoals discriminatie. Dat deze methode wordt toegepast blijkt wel uit de woorden van de vorige sprekers en uit de lange lijst van gediscrimineerde personen en ondernemingen die zij hebben voorgedragen.

Ik wil met klem benadrukken dat commissaris Verheugen in Polen op grote sympathie kan rekenen. Het verbaast mij echter sterk dat hij zegt klachten over slechts één land te hebben ontvangen. Als voorzitter van de Commissie verzoekschriften heb ik een lange lijst opgesteld van gevallen van discriminatie. Deze lijst heb ik vervolgens aan u, mijnheer Verheugen, aan het Nederlands voorzitterschap en aan commissaris Bolkestein doorgegeven. Het is betreurenswaardig dat de commissarissen niet in staat zijn onderling informatie uit te wisselen. Als commissaris Verheugen, die zoals ik heb gezegd in Polen bijzonder populair is, zegt dat hij van niets weet, dan zijn wij machteloos. Want aan wie moeten wij informatie doorgeven als er binnen de Commissie geen informatie-uitwisseling plaatsvindt?

Dames en heren, de strategie van Lissabon en het Stabiliteits- en Groeipact moesten van de Europese economie de meest toonaangevende economie ter wereld maken, maar dat is niet gelukt. Intussen horen we raadselachtige verklaringen die ertoe strekken dat de Europese economie moet behoren tot de toonaangevende economieën van de wereld. Dat is iets fundamenteel anders. Wij hebben hier geweeklaag gehoord over het feit dat het bedrijf Bridgwater de productie heeft verplaatst van Engeland naar Kansas. Dames en heren, de situatie is helder: als u niet toestaat dat bedrijven de productie verplaatsen naar Polen, Tsjechië of Slowakije verplaatsen zij de productie naar Kansas of naar het Verre Oosten.

Interne solidariteit en extern concurrentievermogen moesten het fundament vormen van Europa. Geen van beide zijn gerealiseerd en dit spijt ons bijzonder. Een Indiaans spreekwoord zegt dat je onmiddellijk moet afstappen wanneer je ontdekt dat het paard waar je op rijdt een oude merrie is in plaats van een mustang.

Ik roep u op om niet langer op een oude merrie te blijven rijden in de vorm van een inefficiënte sociale EU-economie. Dit geldt in het bijzonder voor Frankrijk en Duitsland.

 
  
MPphoto
 
 

  Czarnecki, Ryszard (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, er is een Europa A, de oude Europese Unie, en een Europa B, de nieuwe lidstaten. Europa A is het onverschillige en kortzichtige Europa dat zich geen zorgen maakt om het concurrentievermogen en dat de tak van de boom zaagt waar het zelf op zit. Europa B zijn de nieuwe lidstaten die weliswaar formeel in de Europese salons worden uitgenodigd, maar feitelijk worden gediscrimineerd. Is dit de wedstrijd waarop jullie zitten te wachten? Ga dan op de ingeslagen weg verder! Het is interessant wat de uitslag zal zijn van het referendum over de Grondwet in Tsjechië en Polen. Gaat het hier volgens jullie om twee verschillende dingen? Welnu, strikt genomen is dit het geval, maar hoe de burgers van de nieuwe lidstaten hiervan te overtuigen? Jullie roepen de jongere broertjes in de Europese familie op om de Grondwet voor het verenigde Europa te steunen, maar jullie zeggen tegelijkertijd tegen hen dat zij zich verre moeten houden van de markt van het verenigde Europa. Dit is een buitengewoon kortzichtige manier van denken. Landen, regeringen, samenlevingen en bedrijven die zo handelen, versterken de euroscepsis in Europa. In plaats van de oude delingen te overwinnen, creëren zij nieuwe. Wij kunnen ons zelfs niet troosten met de gedachte dat het slechts gaat om egoïsme van landen of bedrijfstakken, omdat het hier in feite gaat om dezelfde oude domheid waaraan we gewend zijn, met alle fatale gevolgen van dien op politiek en economisch gebied. Dit is een buitengewoon onverstandige handelwijze, ook voor de consumenten in de oude lidstaten.

Dames en heren, hoogste tijd om wakker te worden!

 
  
MPphoto
 
 

  Fjellner (PPE-DE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, zoals we vandaag hebben gehoord, zijn er diverse voorbeelden waaruit blijkt dat het nog steeds gemakkelijker is voor een hamer om de Oostzee over te steken dan het bijvoorbeeld voor een timmerman is om mee te gaan en de spijker op zijn kop te slaan. Daarom ben ik blij met het voorstel voor een dienstenrichtlijn, die ervoor zorgt dat we weldra kunnen spreken over vier vrijheden – het vrije verkeer van goederen, diensten, mensen en kapitaal – en niet zoals vandaag over slechts drie vrijheden. Onder het huidige Verdrag zijn echter verscheidene zaken die plaatsvinden in bijvoorbeeld mijn eigen land, Zweden, met een door de staat gesanctioneerde en uitgesproken discriminatie van personen uit de nieuwe lidstaten, volstrekt onaanvaardbaar.

Laat ik een zeer kort maar uiterst angstaanjagend en verre van uniek voorbeeld noemen van de manier waarop vakbonden en autoriteiten gezamenlijk de nieuwe lidstaten van de EU toegang tot de interne markt weigeren. Het Zweedse geval begon ermee dat een gemeente een school zou bouwen, en omdat men de Europese regels voor openbare aanbesteding volgde, werd een Lets bouwbedrijf, LP-Bygg, geëngageerd. Weldra was de bouwbond ter plaatse, die de werkplek blokkeerde, het werk stopzette, met borden rondliep en scandeerde: “Go home, go home”. Als reden gaf men op dat het Letse bedrijf een specifieke Zweedse collectieve arbeidsovereenkomst moest ondertekenen, en dat de Letse arbeidsovereenkomst, hoewel die beter betaalde dan de Zweedse, niet geldig was. Het besluit stond vast: de Letten moesten eruit. Het bedrijf wendde zich tot de autoriteiten, en het Zweedse Hof voor arbeidszaken, waar de vakbond mede zitting in heeft, nam uiteraard een standpunt ten gunste van de vakbeweging in. Ook onze minister van Arbeidszaken, die zelf kortgeleden hoofd van de vakbeweging is geweest, koos de zijde van de vakbeweging. Op zulke momenten schaam ik mij dat ik Zweed ben.

Precies een week geleden ging het Letse bedrijf failliet. Als gevolg daarvan zitten we met kinderen zonder school, belastingbetalers die extra belasting moeten opbrengen en Letten die werkloos zijn. Allemaal opdat het kartel op de Zweedse arbeidsmarkt kan blijven functioneren. Gesterkt door zijn succes voert de vakbond een landelijke campagne om te eisen “dat mensen die er niet echt Zweeds uitzien, duidelijke identiteitsbadges dragen”.

Dat is onaanvaardbaar, en ik vraag mij af wat de Commissie van plan is te doen om een halt toe te roepen aan dit racisme en protectionisme, dat in heel Europa woedt.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) Dames en heren, het probleem van de discriminatie van ondernemingen en werknemers uit de nieuwe lidstaten op de interne markt van de Europese Unie is al eerder aan de orde gesteld. Persoonlijk heb ik ruim zeven maanden geleden al de aandacht gevraagd voor dit probleem en met spijt stel ik vast dat er sindsdien niets is veranderd. Vandaar dat vandaag opnieuw zoveel Parlementsleden uit de zogenaamde nieuwe Unie de aandacht vestigen op overduidelijke gevallen van schending van het Gemeenschapsrecht op dit gebied. Afgezien van de zogenaamde overgangstermijnen voor de tien nieuwe lidstaten hebben wij steeds vaker te maken met juridische en administratieve belemmeringen die door de vijftien oude lidstaten worden opgeworpen. Deze praktijken druisen in tegen de door het Verdrag gewaarborgde vestigingsvrijheid van ondernemingen en de vrijheid voor rechtmatig op het grondgebied van de Europese Unie geregistreerde personen om economische activiteiten te ontplooien. Talloze gevallen van discriminatie in de nationale rechtsregels van de oude lidstaten zijn reeds aan het licht gebracht. Hierbij gaat het om schendingen van het recht van de Europese Unie. Het uitdrukkelijke verzet van landen als Frankrijk, België en Duitsland in de discussie over de liberalisatie van diensten in de richtlijn-Bolkestein vormt nog een voorbeeld van een poging tot discriminatie van de nieuwe lidstaten. Het is merkwaardig dat de landen die hebben ingestemd met de uitbreiding van de Europese Unie en de integratie van de landen van Midden- en Oost-Europa om een hecht en sterk sociaal-economisch geheel te vormen, het streven om dit doel te bereiken nu dwarsbomen. Dit is niet het Europa waarover wij hebben gestemd in het referendum voor de toetreding vorig jaar. Ik verzoek de Europese Commissie om een standpunt over deze problematiek en om gepaste stappen te ondernemen om de discriminerende praktijken tegenover de nieuwe lidstaten een halt toe te roepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Günther Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, ik wil nogmaals zeggen dat bij de Commissie enkel en alleen formele klachten zijn ingediend met betrekking tot één lidstaat. De Commissie kan geen maatregelen nemen op grond van geruchten die haar ergens ter ore komen. Als de Commissie maatregelen moet nemen, moet een formele klacht worden ingediend. Iedereen in dit Parlement kent die regels.

Ik kan alleen maar een beroep doen op de afgevaardigden die hier hebben gesproken over honderden gevallen van discriminatie, om bij degenen die naar hun mening zijn gediscrimineerd, erop aan te dringen een formele klacht in te dienen. De Commissie zal elk geval apart onderzoeken omdat zij hiertoe verplicht is.

Gelieve mij nu niet te verwijten dat bij de Commissie niet meer klachten zijn ingediend dan die ten aanzien van één lidstaat. Trekt u mijn woorden alstublieft niet in twijfel. Als ik zeg dat wij slechts klachten hebben ontvangen ten aanzien van één land, dan is dat ook zo. Zorgt u er dus voor dat degenen die zich gediscrimineerd voelen, de nodige stappen ondernemen. Dan zullen we maatregelen nemen. Tegen de lidstaat waartegen de klacht is ingediend, heeft de Commissie reeds de nodige stappen ondernomen. Ik heb niet gezegd dat wij iets zullen doen. Wij hebben het reeds gedaan, en als gevolg van die stappen worden deze problemen opgelost.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

25. Herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing van motorvoertuigen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het debat over het verslag van de heer Krahmer (A6-0004/2005), namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad [COM(2004)0162 - C5-0126/2004 - 2004/0053(COD)].

 
  
MPphoto
 
 

  Günther Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, de Commissie wil afgevaardigde Krahmer hartelijk danken voor zijn verslag en zijn buitengewone, grote persoonlijke inzet voor de richtlijn betreffende recycling in eerste lezing.

Allereerst wil ik eraan herinneren dat deze ontwerprichtlijn is gebaseerd op de bepalingen van de richtlijn betreffende autowrakken, die in september 2000 door het Europees Parlement en de Raad is aangenomen. In die richtlijn worden zeer ambitieuze doelen vastgesteld voor de recyclingindustrie, die uiterlijk in 2015 verwezenlijkt moeten zijn. Wanneer we er zeker van willen zijn dat die doelen verwezenlijkt kunnen worden, moeten de automobielfabrikanten een bijdrage leveren. Daarom doen we een beroep op de automobielfabrikanten motorvoertuigen te produceren waarvan het materiaal beter gerecycled en hergebruikt kan worden, en wel reeds vanaf het ogenblik dat de auto’s van de lopende band komen.

Verschillende van de voorgestelde wijzigingen zijn politiek gezien belangrijk. Het belangrijkste is het verbod op zware metalen. Het verslag voorziet in de opname van de verplichting zich ervan te vergewissen dat de fabrikant geen door de richtlijn betreffende autowrakken verboden zware metalen gebruikt. De Commissie juicht dit initiatief toe. Hierdoor wordt het mogelijk de bepalingen van de richtlijn betreffende autowrakken systematisch en uniform toe te passen en het niet aan de lidstaten over te laten om nationale wetgevingen uit te vaardigen, omdat die van elkaar kunnen verschillen. Op deze wijze voorkomen we dat het vlekkeloze functioneren van de interne markt in gevaar komt.

Een centraal aspect van de richtlijn, waaraan heel wat haken en ogen zaten, heeft betrekking op de omzettingsgegevens. Ook dit probleem hebben we uiteindelijk kunnen oplossen. Er wordt thans voorgesteld de richtlijn in twee fasen toe te passen. De Commissie neemt dat voorstel over. Tevens gaat de Commissie akkoord met de door het Parlement voorgestelde administratieve vereenvoudigingen. Samenvattend mag ik misschien zeggen dat de Commissie de door het Parlement voorgestelde wijzigingen volledig ondersteunt en de snelle goedkeuring van deze tekst toejuicht.

 
  
MPphoto
 
 

  Holger Krahmer (ADLE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, geachte dames en heren, allereerst wil ik mijn collega’s in de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, met name de schaduwrapporteurs, bedanken voor hun goede en constructieve samenwerking. In de EU worden per jaar vijftien miljoen auto’s geproduceerd. De automobielindustrie is in Europa een van de belangrijkste economische sectoren. Zij creëert arbeidsplaatsen, bevordert de innovatie en is onontbeerlijk voor ons concurrentievermogen. Auto’s produceren echter ook afval, en daarover praten wij vanavond. Per jaar belanden in Europa tien miljoen auto’s op de schroothoop. Dat die auto’s daar niet meer zoals in het verleden worden opgestapeld en het landschap ontsieren, heeft te maken met de hoge herbruikbaarheid en recycleerbaarheid van een auto.

In de richtlijn betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen worden bepalingen vastgelegd dat personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen zo worden geconstrueerd dat ze op het gebied van herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing voldoen aan de in de richtlijn betreffende autowrakken vastgestelde minimumpercentages. De richtlijn betreffende autowrakken legde bindende doelen op aan de fabrikanten. Vanaf 2006 moet minstens 85 procent en vanaf 2015 minstens 95 procent van de massa van een auto mogelijk nuttig toepasbaar en herbruikbaar zijn of gerecycled kunnen worden. Met name die 95 procent vanaf 2015 is een zeer ambitieuze doelstelling want dat zou betekenen dat de auto van de toekomst bijna geen afval meer produceert.

De verwezenlijking van deze doelstelling zal niet alleen afhangen van het gebruik van bepaalde materialen door de fabrikanten, maar vooral van de verdere ontwikkeling van de recyclingtechniek en van de definitie van herbruikbaarheid. Onomstreden blijft dat de recycleerbaarheid van automobielen en het vermijden van afvalstoffen belangrijke milieupolitieke doelstellingen zijn in Europa. Het is echter verbazingwekkend dat auto’s nog slechts één procent uitmaken van de gehele hoeveelheid afval in de EU. Niet alleen het vermijden van afvalstoffen afkomstig van verpakkingen, elektronisch schroot en batterijen maar ook van autowrakken is in de EU zeer goed geregeld.

Ik wil nu ingaan op de kernpunten. De Commissie heeft een zeer acceptabel voorstel voor een richtlijn voorgelegd. Op enkele punten moesten wij in het Parlement alsnog verbeteringen aanbrengen. Wij hebben na de stemming in de commissie en een succesvolle triloog voor de goedkeuring in eerste lezing een compromispakket opgesteld, dat door de drie grote fracties van het Parlement wordt ondersteund. Dat is voor mij als rapporteur – het gaat hier immers als het ware om mijn vuurdoop – een groot succes.

Onze gemeenschappelijke amendementen, waarover wij morgen zullen stemmen, zijn met name gericht op verbeteringen bij de omzetting van de richtlijn, waarbij niet wordt getornd aan de in het kader van het milieubeleid belangrijke recyclingdoelstellingen. Het is de bedoeling dat de typegoedkeuring voor alle betrokkenen, de bevoegde instanties in de lidstaten alsmede de fabrikanten, uitvoerbaar en met zo laag mogelijke kosten verbonden is. Bovendien hebben we belangrijke aspecten van de goede praktijken van de typegoedkeuring opgenomen. Cruciaal voor mij als rapporteur is van begin af aan de differentiatie geweest van de keuring van nieuwe types en nieuwe modellen. Nieuwe modellen zijn auto’s die reeds in de EU op de markt zijn – momenteel ongeveer 600 –, nieuwe types daarentegen zijn auto’s die in de toekomst op de markt komen. Hierbij gaat het per jaar om ongeveer 100.

De keuring van nieuwe types moet prioriteit krijgen. Keuring van alle types in de EU binnen 36 maanden na inwerkingtreding van de richtlijn, zoals de Commissie in haar oorspronkelijke voorstel had voorzien, is zowel voor de bevoegde instanties als de fabrikanten geen haalbare kaart. Aan de keuring van nieuwe types moet prioriteit worden gegeven om te waarborgen dat alle nieuwe types die in de toekomst in de EU op de markt komen, voldoen aan de bindende doelstellingen van de richtlijn betreffende autowrakken. Voor nieuwe types moet daarom de door de Commissie voorgestelde termijn van 36 maanden gelden. Daarna moeten de reeds bestaande modellen successievelijk worden gekeurd. Wij hebben in het Parlement en met de Raad overeenstemming bereikt over 54 maanden. Dit komt overeen met het rekenkundig gemiddelde van het oorspronkelijke voorstel van de Commissie en mijn oorspronkelijke voorstel van 72 maanden, dat op zijn beurt overeenkomt met de levenscyclus van een gemiddelde auto.

De definitie van het begrip referentievoertuig is een andere kwestie. Het is in de praktijk gebruikelijk dat de bevoegde instantie en de fabrikant ter voorkoming van misverstanden in onderling overleg het type kiezen. Onder referentievoertuig dient verstaan te worden het voertuig dat op het gebied van de recy