Index 
Volledig verslag van de vergaderingen
PDF 1569k
Woensdag 11 mei 2005 - Straatsburg Uitgave PB
1. Opening van de vergadering
 2. Samenstelling Parlement: zie notulen
 3. Wereldbank
 4. Situatie in Kirgizstan en in Midden-Azië
 5. Stemmingen
 6. Voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen
 7. Benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank
 8. Productie van aardappelzetmeel
 9. Erkenning beroepskwalificaties
 10. De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit
 11. Organisatie van de arbeidstijd
 12. Plechtige vergadering
 13. Stemverklaringen
 14. Rectificaties stemgedrag: zie notulen
 15. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 16. Toekomst van Europa zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog
 17. Vragenuur (Raad)
 18. Begrotingsjaar 2006
 19. Raming van het Europees Parlement voor 2006
 20. Europese dienst voor extern optreden
 21. Evaluatie van de Doha-Cyclus na de overeenkomst van de WTO van 1 augustus 2004
 22. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 23. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: DE HEER FRIEDRICH
Ondervoorzitter

 
1. Opening van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 9.05 uur geopend)

 

2. Samenstelling Parlement: zie notulen

3. Wereldbank
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over de Wereldbank.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, in het kader van deze verklaring van de Raad over de Wereldbank kan ik bevestigen dat de Wereldbank op mondiaal niveau een zeer belangrijke rol speelt bij de financiering van de ontwikkeling. Het politiek en administratief beheer van de Wereldbank is dus zonder meer een zaak van zeer groot belang. Helaas moet ik u echter zeggen dat ik als vertegenwoordiger van het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie over dit onderwerp geen standpunt kan innemen namens de Raad, en u evenmin verslag kan uitbrengen over de werkzaamheden van de Raad in dit verband.

De Unie als zodanig speelt - en ook dit moet ik u tot mijn spijt zeggen - simpelweg geen rol bij de beleidsontwikkeling en het functioneren van de Wereldbank. Het is aan de lidstaten van de Europese Unie, die ook vertegenwoordigd zijn in de organen van de Wereldbank, om een standpunt ten aanzien van de Bank te bepalen. De Raad heeft in deze materie geen standpunt ingenomen, daar hem daartoe de bevoegdheid ontbreekt. In geen enkel orgaan van de Raad hebben kwesties als een strategie voor de Wereldbank, de coördinatie van een eventueel gemeenschappelijk Europees standpunt hierover, of de besluitvormingsprocedures binnen deze instelling op de agenda gestaan.

Wel kan ik eraan toevoegen dat de lidstaten proberen hun standpunten op elkaar af te stemmen om zo in de internationale instellingen meer invloed te kunnen uitoefenen. Dat geldt ook voor de internationale financiële instellingen als de Wereldbank. De Raad is hierbij als instelling echter niet betrokken, omdat, zoals gezegd, er geen communautaire bevoegdheid op dit terrein bestaat.

Verder zou ik nog willen wijzen op het bezoek dat de heer Wolfowitz, de voorgedragen nieuwe president van de Wereldbank, heeft gebracht aan Brussel, waar hij een ontmoeting heeft gehad met de voorzitter van de Ecofin-Raad, de heer Juncker, en met de vertegenwoordigers van de andere Europese gouverneurs van de Bank. Tijdens deze - volstrekt informele - ontmoeting met de door de Amerikaanse regering voorgedragen nieuwe Wereldbankpresident is ook gesproken over de toekomstige strategie van de Wereldbank inzake de financiering van de ontwikkeling. Dat is overigens ook gebruikelijk.

Ik kan dus slechts betreuren dat de Raad op dit gebied geen bevoegdheid heeft. Misschien moeten we te gelegener tijd een discussie in gang zetten over de vraag hoe het optreden van de lidstaten van de Europese Unie binnen deze internationale instellingen beter gecoördineerd kan worden. Daar kunnen de lidstaten met hun gezamenlijke stem immers meer gewicht in de schaal leggen, zelfs ten opzichte van de Verenigde Staten.

 
  
MPphoto
 
 

  Joaquín Almunia, lid van de Commissie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, als commissaris voor de betrekkingen met de internationale financiële instellingen ben ik u dankbaar dat u mij hebt uitgenodigd om hier de standpunten van de Commissie over de betrekkingen van onze instelling met de Wereldbank te komen uiteenzetten.

De Wereldbank en de Europese Unie zijn de voornaamste actoren op wereldniveau in de strijd tegen de armoede en voor de financiering van de ontwikkelingshulp.

Dit Parlement is zich er terdege van bewust dat bijna de helft van de totale overheidssteun aan de ontwikkelingslanden afkomstig is van de Europese Unie, die bovendien in de meeste gevallen de belangrijkste handelspartner van deze landen is. Hieruit blijkt dat solidariteit in ons internationaal beleid een vooraanstaande plaats inneemt.

Hoofddoel van het communautaire ontwikkelingsbeleid is de armoede terug te dringen en op termijn uit te bannen. Om die doelstelling te verwezenlijken is het nodig dat wij een duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling ondersteunen, de geleidelijke integratie van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie bevorderen en ongelijkheid bestrijden.

Zoals u weet, heeft de Unie zich er nadrukkelijk toe verplicht om aan de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen te zullen bijdragen door de financiering van de ontwikkelingssteun te verhogen en te verbeteren, een coherenter ontwikkelingsbeleid ten uitvoer te leggen en met name meer aandacht te besteden aan Afrika.

Op initiatief van mijn collega Michel heeft de Commissie onlangs voor elk van deze punten specifieke acties vastgesteld, die de heer Michel, als ik het goed heb, hier met u besproken heeft.

Ik zou even nader willen ingaan op de eerste twee punten, namelijk de financiële middelen en de noodzaak van een beter gecoördineerd ontwikkelingsbeleid.

Met betrekking tot de financiering heeft de Unie tijdens de Top van Monterrey haar vaste voornemen aangekondigd om de officiële communautaire ontwikkelingssteun op te trekken van 0,33 procent van het BBP in 2002 tot 0,39 procent in 2006, als eerste stap op weg naar de verwezenlijking van de 0,7-procentdoelstelling in 2015.

Afgelopen maand heeft de Commissie twee aanvullende en onderling samenhangende doelstellingen voorgesteld voor 2010: een tussendoelstelling voor de gehele Unie, volgens welke de ontwikkelingssteun in 2010 0,56 procent van het BBP moet bedragen, en een individuele doelstelling voor elk van de lidstaten, volgens welke de officiële ontwikkelingssteun in datzelfde jaar minimaal 0,51 procent moet bedragen in de lidstaten die al voor de uitbreiding tot de Unie behoorden, en 0,17 procent in de nieuwe lidstaten.

Hoe belangrijk deze inspanningen echter ook mogen zijn, er is meer nodig. Behalve de toegekende steun zijn ook de beleidsacties van de ontwikkelde landen van grote invloed op het vermogen van de ontwikkelingslanden om de millenniumdoelstellingen te halen. In dit verband onderstreept de Commissie het belang van een coherent ontwikkelingsbeleid en gaat zij in haar mededelingen voor het eerst ook verplichtingen in die zin aan.

Wat de betrekkingen met de Wereldbank betreft, wil ik hier twee punten nader toelichten: enerzijds de operationele samenwerking tussen de Commissie en de Bank en anderzijds de vertegenwoordiging van de Europese Unie in het bestuur van de Wereldbank.

De betrekkingen tussen de Commissie en de Wereldbank dateren niet van vandaag of gisteren. Wij hebben een gemeenschappelijk agendapunt, namelijk het terugdringen van armoede, en een gemeenschappelijk streefdoel, namelijk de millenniumdoelstellingen. De Wereldbank draagt bij aan de verwezenlijking van deze doelstellingen met haar voornaamste operationele acties en het voortgangsverslag dat in de context van het Global Monitoring Report wordt opgesteld.

De Commissie en de Wereldbank werken nauw samen bij de hulpverlening krachtens het Trust Fund Agreement dat in 2001 ondertekend en in 2003 gewijzigd werd. Op grond van deze samenwerking heeft de Unie deelgenomen aan diverse trustfondsen, met een totale bijdrage van ruim 1.500 miljoen euro sinds 2000.

Andere voorbeelden zijn de fondsen voor aidsbestrijding en specifieke fondsen zoals het HIPC-initiatief voor arme landen met een zware schuldenlast.

Anderzijds baseren de Commissie en de Wereldbank zich bij hun werkzaamheden steeds vaker op de nationale strategieën voor armoedebestrijding van de ontwikkelingslanden.

Behalve op deze algemene doelstellingen is de samenwerking met de Wereldbank ook gericht op een reeks prioritaire geografische regio’s. In deze context maken wij gemeenschappelijk analysen, voeren wij gezamenlijk gesprekken over het beleid en zetten wij ons in om de financiële programmering voor landen die dichtbij de grenzen van de Europese Unie liggen te coördineren. De beleidscoördinatie tussen de Wereldbank en de Europese instellingen beperkt zich dus niet tot de huidige lidstaten van de Unie, maar strekt zich uiteraard ook uit tot de kandidaat-landen en de landen waarop het nabuurschapsbeleid van toepassing is. Dat is onder meer het geval met de Westelijke Balkan, Noord-Afrika, het Midden-Oosten en de landen die tot de Gemeenschap van Onafhankelijke Staten behoren.

In dit verband moet de samenwerking tussen de Unie - die daarbij vertegenwoordigd wordt door de Commissie - en de Wereldbank waarborgen dat de ten uitvoer gelegde beleidsacties elkaar aanvullen en bijdragen aan de omzetting van de Europese wetgeving. Daarbij dient de nadruk te worden gelegd op institutionele ontwikkeling, milieu en bijbehorende infrastructuur, economische hervorming en ontwikkeling van de particuliere sector.

Te dien einde heeft de Commissie, of soms ook de Europese Investeringsbank, de laatste vijf jaar drie memorandums of understanding met de Wereldbank ondertekend.

Deze memoranda voorzien in een praktisch kader voor een nauwere samenwerking bij de economische dialoog en het verlenen van technische en financiële bijstand. Zij waarborgen dat onze activiteiten in het kader van het nabuurschapsbeleid van de Unie naar behoren gecoördineerd worden. De komende maanden zal het memorandum of understanding worden uitgebreid naar de nieuwe lidstaten en de kandidaat-landen. Het is de bedoeling dat uiteindelijk ook de Westelijke Balkan in dit kader wordt opgenomen.

Ten slotte wil ik nog iets zeggen over de vertegenwoordiging van de Unie in de bestuursorganen van de Wereldbank.

Op dit moment telt de Wereldbank 184 leden, waaronder de 25 landen van de Europese Unie. De 25 EU-lidstaten vertegenwoordigen 28 procent van de stemmen in de Bank, terwijl de Verenigde Staten 16 procent voor hun rekening nemen.

Het genoemde percentage is echter in het geheel niet in overeenstemming met het reële gewicht van de Unie. Het aandeel van de Europese Unie in de toegekende financiering bedraagt zelfs meer dan 28 procent. De financiering van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (IDA) spreekt in dit verband boekdelen. Bij de jongste aanvulling van het desbetreffende fonds heeft zich een ingrijpende wijziging voorgedaan in de bijdragen van de donors. Het aandeel van de Europese Unie is gestegen van 48 naar 60 procent, terwijl dat van de Verenigde Staten is teruggezakt tot 13,8 procent, het laagste percentage uit de geschiedenis van de instelling.

Ondanks de hoge participatiegraad van de Unie in zowel het kapitaal als de financiering van de Wereldbank kunnen wij deze bevoorrechte positie niet ten volle benutten, omdat de Unie als zodanig niet vertegenwoordigd is in de bestuursorganen van de Bank. Ofschoon de EU-lidstaten in de Raad van Gouverneurs van de Wereldbank numeriek in de meerderheid zijn, hebben zij algemeen gesproken minder invloed dan de Verenigde Staten.

Op dit moment is de Commissie slechts als waarneemster aanwezig bij de vergaderingen van het Ontwikkelingscomité van de Wereldbank, het voornaamste besluitvormingsorgaan van de instelling. Hetzelfde geldt voor het Internationaal Monetair en Financieel Comité van het Internationaal Monetair Fonds. Deze situatie staat in schril contrast met het gewicht van de Europese Unie in de ontwikkelingssamenwerking, vergeleken met haar reële gewicht in de Wereldbank of in het leven van het internationale monetaire systeem, dankzij onze eenheidsmunt, in het geval van het Internationaal Monetair Fonds.

De Commissie heeft reeds meermaals onderstreept dat de Unie met één stem moet spreken om de huidige kloof tussen haar invloed in de wereld en haar bijdragen te dichten en haar rol op het internationale toneel te versterken. Als de Unie erin slaagt om één enkel Europees standpunt te vertegenwoordigen, zal dat meteen ook haar zichtbaarheid en haar macht vergroten. Op dit vlak is er enige vooruitgang geboekt in het kader van de coördinatie van de Unie met de bestuursorganen van de Wereldbank.

Zo komen de bewindvoerders van de Europese Unie in de Wereldbank sinds vorig jaar jaarlijks bijeen met afgevaardigden van dit Parlement, met de Commissie en met vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties.

De bewindvoerders van de Unie in de Wereldbank hebben afgesproken om wekelijks te vergaderen en van gedachten te wisselen. Aan deze vergaderingen neemt geregeld een ambtenaar van de delegatie van de Commissie in Washington deel.

De Commissie zet zich in om de coördinatie tussen de Europese bewindvoerders in Washington te versterken, maar als einddoel moeten wij streven naar de totstandkoming van een gezamenlijke EU-vertegenwoordiging in de bestuursorganen van de Wereldbank. Voordat wij een dergelijke beslissing nemen, moeten wij weliswaar eerst zorgvuldig nagaan wat daarvan de juridische en budgettaire consequenties zijn, maar dat mag ons er niet van weerhouden om grondig te bestuderen hoe wij deze doelstelling kunnen bereiken.

Kortom, wij werken al lang intens samen met de Wereldbank, vooral op het gebied van de ontwikkelingssteun. De Commissie wenst deze uitstekende werkrelaties in stand te houden en te intensiveren. Bovendien wil zij ook de coördinatie verbeteren, niet alleen op operationeel niveau met de Wereldbank als zodanig, maar ook tussen de vertegenwoordigers van de lidstaten in de bestuursorganen van de Bank. Dat zal de Unie in de gelegenheid stellen om met één stem te spreken en binnen de Bank de invloed uit te oefenen die haar toekomt.

 
  
MPphoto
 
 

  Anders Wijkman, namens de PPE-DE-Fractie. - (SV) Mijnheer de Voorzitter, mijn dank voor de bijdragen van de heren Schmit en Almunia. Er is veel te zeggen over de Wereldbank, over de wijze waarop deze bestuurd wordt en vooral over de manier waarop de leiding wordt aangewezen. Uit de recente voordracht van de heer Wolfowitz blijkt dat kwalificaties voor de specifieke taak een minder grote rol spelen dan politieke verdiensten. Daaruit blijkt dat de benoemingen voor de topfuncties in het internationale systeem nog steeds veel te wensen overlaten.

Ik heb echter maar weinig spreektijd en zal mij daarom toespitsen op de betrekkingen tussen de EU en de Wereldbank. Zowel de heer Schmit als de heer Almunia heeft gewezen op het huidige zwakke punt, namelijk dat wij niet eensgezind optreden en met één stem spreken. Van de kant van het Parlement hebben we onlangs vergaderd met de Europese bewindvoerders van de Wereldbank, en die eisten unaniem een eensgezinder optreden van de Unie bij ontwikkelingsvraagstukken, zowel in zijn algemeenheid als specifiek wat het werk van de Wereldbank betrof. We hebben ook ongeveer een maand geleden in de Commissie ontwikkelingssamenwerking een vergadering gehad met Jeffrey Sachs. Die stelde - gezien de enorme stroom geldmiddelen die de EU, in vergelijking met de rest van de wereld, geeft aan hulp - de vraag waarom de EU niet eensgezinder optreedt. Op die manier zouden we volgens hem een groter effect en betere resultaten kunnen bereiken met ons werk, en zouden we ook meer invloed kunnen uitoefenen in heel deze, belangrijke materie.

De heren Schmit en Almunia hebben in hun bijdragen feitelijk benadrukt dat ons huidige optreden gebrekkig is. Hoe kunnen we echter zorgen voor meer eensgezindheid en eenheid in ons optreden op het gebied van het buitenlands beleid, als we zo ons zo versplinterd blijven opstellen in deze internationale instellingen? Het is ook tekenend dat wij in de huidige discussies over de komende samenstelling van de Veiligheidsraad er überhaupt niet over discussiëren of de EU als dusdanig een zetel zou moeten hebben in de Veiligheidsraad, maar dat het nog steeds over de lidstaten op nationaal niveau hebben.

Zoals ik de zaken zie, kan ik alleen maar benadrukken dat we op dit niveau anders moeten gaan optreden. We moeten in onze samenwerking dichter bij elkaar zien te komen, en we moeten onze inspanningen op een heel andere manier op elkaar afstemmen om werkelijk het resultaat te bereiken dat we met het optreden van de Unie willen bereiken. Ook moeten wij in staat zijn om op mondiaal niveau een grotere verantwoordelijkheid op ons te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Poul Nyrup Rasmussen, namens de PSE-Fractie. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Schmit en mijnheer Almunia, ik wil graag mijn dank uitspreken voor de discussiebijdragen over de Wereldbank die de twee genoemde heren vandaag hebben geleverd. Naar mijn mening spitsen deze bijdragen zich werkelijk toe op de fundamentele behoeften. Het lijdt geen twijfel dat wij, vijf jaar na de ondertekening van de Millenniumverklaring van 2000 over de fundamentele behoeften van de ontwikkelingslanden tot 2015 - waarvan ik zelf een van de ondertekenaars was -, thans moeten constateren dat de ontwikkeling niet de goede kant is opgegaan. Integendeel, op de meeste gebieden is ze helaas de verkeerde kant opgegaan.

Het lijdt evenmin twijfel dat 54 landen de laatste 15 jaar armer zijn geworden, en dat 1 miljard mensen leven van minder dan twee euro per dag. De Wereldbank functioneert niet optimaal. De Wereldbank is bezig met een aantal belangrijke hervormingen, maar we moeten nog steeds een aantal problemen aanpakken. Ik ben het geheel eens met het door de heer Almunia benadrukte standpunt dat Europa met één stem kan optreden, en ik stel ter overweging vier taken voor die naar mijn mening urgent zijn.

De eerste taak vloeit voort uit de reële noodzaak dat Europa een manier vindt om gemeenschappelijk op te treden in de Wereldbank. Als we dat doen, hebben wij 27,98 procent van de stemmen, tegenover 16,39 procent van de Verenigde Staten. Vandaag is Duitsland het Europese land dat het dichtst bij de Verenigde Staten komt, met 4,49 procent van de stemmen. Ik heb het niet over een nieuw belangenconflict - ik heb het over een veel beter evenwicht in de Wereldbank, en ik heb het over de tweede opgave, namelijk dat we bij de Wereldbank erop moeten aandringen dat er een hervorming komt van de regels en voorwaarden voor leningen van deze bank. We moeten een coördinatie tot stand brengen tussen de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de VN-hulp aan ontwikkelingslanden, zodat onze werkzaamheden elkaar niet overlappen maar in dezelfde richting gaan.

De derde taak houdt in dat de consensus van Washington wordt hervormd. Het is echt nodig dat we nu eens ophouden de arme landen dezelfde eisen te stellen als de rijke landen, en dat we gezonde, sterke staten helpen opbouwen, staten die er een eigen ontwikkelingsbeleid op na kunnen houden. Onze vierde en laatste taak, mijnheer de Voorzitter, houdt in dat wij het jaarverslag van de ILO over de armoede in de wereld echt serieus nemen, iets wat ook de Wereldbank zou moeten doen. “Decent jobs for all” - fatsoenlijke banen voor iedereen - is het cruciale instrument voor het uitroeien van armoede.

Ten slotte sluit ik mij aan bij de woorden van de heren Almunia en Schmit, dat Europa nu ook de reële verantwoordelijkheid moet nemen die voortvloeit uit feit dat wij de grootste ontwikkelingshulporganisatie ter wereld zijn. We zijn er mede verantwoordelijk voor dat de Wereldbank dienovereenkomstig handelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Johan Van Hecke, namens de ALDE-Fractie. -Voorzitter, bij de oprichting van de Wereldbank in 1944 produceerden de zeven rijkste landen, de G7, nog veruit het grootste deel van alle goederen in de wereld; vandaag is dat nog amper de helft. De Verenigde Staten waren bij de oprichting de grootste geldschieter, vandaag zijn ze de grootste schuldenaar. De ontwikkelingslanden waren zestig jaar geleden nog onmondig, vandaag is hun invloed in multilaterale onderhandelingen, bijvoorbeeld de onderhandelingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie, niet langer te negeren.

Dit alles om te zeggen dat de Wereldbank dringend nood heeft aan een drastische hervorming. Zolang de ontwikkelingslanden geen echte inspraak in het beleid en de besluitvorming van de Wereldbank hebben, zal deze gepercipieerd blijven als een controle-instrument in handen van de zogenaamde rijken, in plaats van een internationale instelling die gericht is op stabiliteit en ontwikkeling, in een geest van wederzijds respect en solidair partnerschap.

De Wereldbank heeft nu een departement externe relaties, waar meer dan driehonderd mensen werkzaam zijn. De instelling vindt dit departement een van de belangrijkste om haar imago op te poetsen, maar de vraag rijst of dit niet op een andere manier kan, namelijk door de ontwikkelingslanden beter bij de werking van de instelling te betrekken, door de besluitvorming in de Bank eindelijk transparanter te maken en door de uitgaven beter te controleren. Kortom, Voorzitter, collega's, ik behoor tot diegenen die geloven dat de Wereldbank dringend toe is aan herbronning. Geen financiële herbronning, wel een interne herbronning. Binnen deze internationale organisatie, die als een van de grootste en meest gezaghebbende ter wereld wordt beschouwd, lijkt op het gebied van structuur, werking en mentaliteit de tijd immers meer dan vijftig jaar te hebben stilgestaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Frassoni, namens de Verts/ALE-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, ik ben de collega’s van de andere fracties dankbaar voor hun steun aan ons voorstel om de kwestie van de Wereldbank te bespreken. Anderzijds besef ik terdege, zoals de meesten onder ons trouwens, dat de verklaring van de Raad niet echt anders had kunnen luiden dan wat minister Schmit vanochtend heeft gezegd. Maar wij moeten er wel van doordrongen zijn dat een onbevredigende situatie kan en moet worden veranderd, ook omdat politieke wil op dit beleidsgebied werkelijk uitkomst kan bieden.

Wij hoeven geen beroep te doen op de artikelen van het Verdrag om ervoor te zorgen dat de Raad en de Commissie, samen met het Parlement - en dat is absoluut van cruciaal belang -, pogingen doen om het vraagstuk van de Europese coördinatie vooruit te helpen of althans op de agenda te plaatsen. Zo’n Europese coördinatie mag echter niet beperkt blijven tot technische en financiële samenwerking, hoe zinvol dat ook moge zijn, maar moet zich tevens concentreren op het beleid van de Wereldbank, op de benoemingsprocedures en de criteria voor het toekennen van financiële middelen, want daar mengen wij ons helemaal niet in. Volgens mij zijn dat de drie elementen waarvoor een beter omschreven optreden van het Europees Parlement vereist is. Dit is mogelijk, maar wij moeten het ook echt willen.

Ik denk, mijnheer de fungerend voorzitter - en u mag me in een eventueel antwoord corrigeren - dat dit geen probleem van bevoegdheden is maar van politieke wil: de Raad kan optreden als hij dat wil, en datzelfde geldt voor de Commissie en het Parlement.

Wat de benoemingsprocedures betreft, weten wij drommels goed dat er van 2000 tot 2001 een aantal richtsnoeren is uitgevaardigd om deze procedures transparanter en toegankelijker te maken. Die richtsnoeren zijn niet in acht genomen, en dat is een onmiskenbaar politiek signaal. Nogmaals, het gaat niet om een procedurele of institutionele kwestie. De Verenigde Staten hebben de eerste kandidaat die de Europeanen voor de directie van het Internationaal Monetair Fonds hadden voorgedragen, afgewezen. De Europese landen hebben niet hetzelfde gedaan toen Wolfowitz werd voorgedragen voor de Wereldbank. De Europeanen hadden best kunnen dwarsliggen, maar twee telefoontjes waren al genoeg om bepaalde Europese regeringsleiders over de streep te trekken. De executive directors zijn in die kwestie overigens helemaal omzeild. Volgens mij had dit alles heel goed vermeden kunnen worden als wij dat echt gewild hadden.

Voor wat inhoudelijk het beleid van de Wereldbank aangaat, hebben wij momenteel geen enkele garantie dat die paar veranderingen die Wolfersohn in gang heeft gezet, ook verder worden uitgewerkt. Ik denk bijvoorbeeld aan governance en aan het corruptieprobleem. Ik geloof dat wij ook op dat vlak moeten proberen de nodige invloed uit te oefenen. Er zijn enkele projecten die uiterst omstreden zijn, zoals de grote dijk van de Nam Theun in Laos en een mijnbouwproject in Guatemala, waartegen algeheel verzet is gerezen. Maar onze executive directors hebben al hun fiat gegeven aan die projecten. Als dit Parlement of de publieke opinie daarvan op de hoogte waren gesteld, had men waarschijnlijk anders gereageerd. Kortom, afgezien van verklaringen van onmacht zou ik ook graag tekenen zien dat men bereid is hier en daar door te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Luisa Morgantini, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, collega’s, ik waardeer het dat mevrouw Frassoni het onderhavige vraagstuk zo onomwonden heeft besproken.

Ik denk dat de benoeming van Wolfowitz als president van de Wereldbank opnieuw duidelijk heeft gemaakt hoezeer de selectie- en benoemingsprocedure voor de topfunctie van de belangrijkste financiële ontwikkelingsinstelling ter wereld te kampen heeft met een groot tekort aan democratie en transparantie. Ook de Commissie ontwikkelingssamenwerking van dit Parlement heeft daarop gewezen. Natuurlijk zouden wij heel graag zien dat de president van de Wereldbank voor een positieve benadering van interculturele conflicten koos, dat hij zich volledig zou inzetten voor multilateralisme en een persoonlijke betrokkenheid zou tonen bij de armoedebestrijding en de strijd voor sociale gelijkheid.

Echter, de persoon in kwestie staat erom bekend dat hij een van de felste voorstanders is van de doctrine van preventieve oorlogvoering en van de uitvoer van democratie met behulp van wapens. Hoewel, je kunt nooit weten, want ook Sint Paulus werd op weg naar Damascus bekeerd. Maar afgezien van die persoonsgebonden overwegingen ziet het er niet naar uit dat de Wereldbank werkelijk een ontwikkeling heeft doorgemaakt ten opzichte van het kader dat zestig jaar geleden in Bretton Woods werd uitgestippeld. Hetzelfde kan gezegd worden van het stem- en zetelsysteem: dat is werkelijk aan een hervorming toe, onder meer om tegemoet te komen aan de eisen van de zuidelijke landen en de bewegingen die in deze jaren gepleit hebben voor een ander Zuiden en meer participatie.

De Europese Unie heeft toegezegd dat zij zal streven naar een grotere inspraak van de ontwikkelingslanden in de besluitvormingsprocessen van de globale economie, met inbegrip van de financiële instellingen. Maar naast die akkoorden en toezeggingen van de EU - in Monterrey, Barcelona, Johannesburg - zou het consequent zijn als wij probeerden goed bestuur te garanderen voor een instelling die goed bestuur als eerste voorwaarde oplegt om toegang te krijgen tot financiële middelen.

Als de criteria van democratie en transparantie niet worden nageleefd, komen de legitimiteit en de geloofwaardigheid van de internationale instellingen aan het wankelen, en dat is iets wat helemaal niet strookt met de huidige wereld, die juist grote behoefte heeft aan krachtige, wettige internationale instellingen die in het teken staan van inspraak. Leest u wat dat betreft maar het boek van Aminata Toure, die in Mali een dramatische ervaring heeft opgedaan met het optreden van de Wereldbank.

De Europese Unie kan een fundamentele rol spelen om die legitimiteit te verzekeren. Sterker nog, de Unie moet zo’n rol spelen, maar om dat te kunnen, moeten wij met één stem spreken. Er moet dus meer coördinatie komen tussen de Europese bewindvoerders. Europa heeft 30 procent van de stemmen in de Raad van niet alleen de Wereldbank maar ook het Internationaal Monetair Fonds.

De Europese Unie is - ik herhaal - de grootste donor ter wereld, maar dikwijls vergeet zij haar donaties te begeleiden met doeltreffend politiek optreden. De Europese parlementen kunnen in dit opzicht een belangrijke taak vervullen, en dat is in een bijeenkomst in New York al geschied. Er zijn duidelijke antwoorden nodig, maar de democratische hervorming van de procedures moet er ook op neerkomen dat de scheefgetrokken verhouding tussen de economieën van het Noorden en die van het Zuiden wordt rechtgezet.

Ik geloof dat het onze taak is ontwikkeling te brengen. Het beleid van de Wereldbank heeft daarentegen dikwijls een rampzalige invloed gehad op de bevolkingen, met name waar sprake is van privatiseringen en eerste levensbehoeften. Het heeft namelijk geen zin, zoals collega Watson al opmerkte, dat de markten van de ontwikkelingslanden volgestopt worden met goederen, als de bevolkingen die niet kunnen kopen omdat zij geen werk en geen geld hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  John Whittaker, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in de Europese Unie zijn wij zeer bedreven in schijnheilige retoriek over de noodzaak van armoedebestrijding in arme landen. Maar dat is niet waar de discussie vandaag over gaat, ook al lijkt dat misschien wel zo. Zoals de heer Almunia al duidelijk maakte, gaat het over invloed.

Ik zal niets zeggen over de geschiktheid van de heer Wolfowitz om de Wereldbank te leiden, maar de aanvankelijke vijandigheid van de Europese Unie jegens hem is verminderd. De EU heeft steun nodig voor Pascal Lamy, zodat deze de Wereldhandelsorganisatie kan gaan leiden. Ook moet de Unie steun krijgen voor haar kandidaat – wellicht Barones Amos? – voor het leiderschap van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties. Dit verklaart het commentaar van Action Aid, waarin wordt gesteld dat de steun van de EU voor de heer Wolfowitz onderdeel is van één grote koehandel, en soortgelijke opmerkingen van andere NGO’s.

Ik wil het belang van de hulp die de Wereldbank en de Europese Unie aan arme landen geven niet bagatelliseren, maar eerlijke handelsvoorwaarden zouden veel beter voor hen zijn dan welke hulp, of schuldenverlichting, dan ook. Met handel, en niet met cadeautjes, kunnen arme landen zichzelf helpen, zoals de Indonesiërs stelden na de tsunami.

Helaas lijkt het alsof de EU uitblinkt in armoedecreatie om zo haar eigen belangen te behartigen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de betalingen aan Mauretanië, Angola en Mozambique, voor het recht om hun kustwateren leeg te vissen en hun vissers te laten verarmen. Een ander voorbeeld wordt gevormd door de economische partnerschapsovereenkomsten, waarmee de Europese Unie de instemming van de arme landen voor haar protectionistische beleid probeert te kopen.

Ongetwijfeld zal de retoriek doorgaan. De realiteit is dat de EU wordt voortgedreven door eigenbelang, en niet door filantropie. En dit eigenbelang wordt het meest gediend als de EU haar eigen mensen in de topfuncties heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe de weinige spreektijd die ik heb, te benutten om een voorstel te doen.

Op 18 mei buigt de Commissie zich over het Europese initiatief inzake transparantie. De meest uiteenlopende ideeën liggen op tafel, waaronder een hervorming van het internetbeleid. Zouden wij geen zeer concrete stap zetten, als we op een verbeterde website van de Raad, de Commissie, en graag ook het Parlement, in glasheldere taal uit de doeken deden waar de Wereldbank zich feitelijk mee bezighoudt, wat wij Europeanen daar tot dusver hebben gepresteerd, hoe wij ter plekke worden vertegenwoordigd, om welke concrete projecten het gaat en welke mogelijkheden er zijn om invloed uit te oefenen?

Waarom vraag ik dat? Ik heb het debat op het tv-scherm gevolgd. Helaas is alles wat we nu hebben gezegd, twintig jaar geleden ook al gezegd. De hervormingen in de Wereldbank, die toch door de meerderheid hier voor noodzakelijk worden geacht, kunnen naar mijn mening enkel worden verwezenlijkt als transparantie en duidelijkheid worden geboden.

 
  
MPphoto
 
 

  Othmar Karas (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, uit de bijdragen aan dit debat tot dusver blijkt maar weer dat we mondiaal gezien een big payer, maar politiek gezien geen big player zijn. Het volstaat niet om hierover verklaringen af te steken en onze droefenis uit te spreken. We moeten zo spoedig mogelijk alles in het werk stellen om de kloof te dichten, omdat we anders niet aan onze verantwoordelijkheid op communautair en mondiaal vlak kunnen voldoen.

De beide verslagen van de Raad en de Commissie waren niet zozeer verslagen over de Wereldbank zelf, als wel een correcte analyse van onze zwakke punten. Ze hebben duidelijk gemaakt dat niet de Wereldbank ons probleem is, maar dat het probleem bij onszelf ligt. Ons probleem is dat de bevoegdheid niet ligt bij de Raad maar bij de lidstaten, zoals de voorzitter van de Raad ook al zei. Maar is de Raad dan niet het orgaan van de lidstaten? De lidstaten in de Raad moeten al het mogelijke doen om de Raad ertoe aan te zetten een initiatief te ontplooien waarmee deze tekortkoming wordt verholpen.

Er werd gezegd dat we daar ooit eens aan moeten beginnen: we moeten daar niet “ooit eens” maar “nu onmiddellijk” aan beginnen! De Grondwet geeft ons die mogelijkheid, omdat de Europese Unie met de Grondwet een rechtspersoon wordt. Daar moeten we gebruik van maken om onze tekortkomingen bij onze vertegenwoordiging naar buiten toe weg te nemen.

Ik zie een verband tussen ons beleid in het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank, de WTO, de VN en de EIB. Als wij onze taak in de wereld willen vervullen, moeten wij al onze vertegenwoordigingen in deze instellingen met één stem laten spreken, en moeten wij de coördinatie één gezicht geven. Het is namelijk zo dat hoe sterker de globalisering ons handelen beïnvloedt, des te sterker onze behoefte groeit aan een mondiale orde, aan een sociale en economische orde op basis van beginselen. Als we niet bij onszelf beginnen, kunnen wij onze rol in deze instellingen niet spelen. Wij zijn aan zet, en niet de Wereldbank!

 
  
MPphoto
 
 

  Margrietus van den Berg (PSE). - Voorzitter, in zijn vorige leven was de heer Wolfowitz tamelijk unilateraal gericht en stond hij bij ons bekend als hardliner, nu is hij voorzitter geworden van de Wereldbank, een multilateraal ontwikkelingsinstituut. Dit is toch een wonderbaarlijke witwassing, om het in geldtermen uit te drukken. Er zit ook een pijnlijk kantje aan voor Europa. Zoals daarstraks gezegd, zijn er nieuwe procedures, waarbij wij wel invloed kunnen uitoefenen. Een paar telefoontjes uit de VS waren niettemin voldoende om hem toch benoemd te krijgen. Wij hadden vooraf geen afspraak over een gezamenlijke kandidaat, zoals wel met Lamy voor de WTO. We kwamen, wat de Wereldbank betreft, te laat en waren niet verenigd. Ik denk dat daar het zwakke punt ligt - hierover is een eerlijk bericht van de Raad en van de Commissie gekomen.

Het gaat natuurlijk niet alleen over een gezamenlijke kandidaat, maar ook over beleid. Iedereen weet dat, als het over de Washington-consensus gaat, de internationale, multilaterale financiële instellingen lijnen en prioriteiten hebben die vaak haaks staan op het ontwikkelings- en armoedebeleid dat wij in Europa internationaal graag zouden willen. Nu hoeft het niet allemaal volstrekt het ene of het andere te zijn; je hebt een balans nodig. Om die balans te krijgen en de sociale doelstellingen, armoedebestrijding en millenniumdoelstellingen ook in de Wereldbank centraal te kunnen stellen, is het nodig met één stem te spreken. Dit vergt gezamenlijk optreden. Ik ben het eens met wat net gezegd werd: de nieuwe Grondwet geeft ons misschien meer mogelijkheden en ook wel een opdracht, om als Europa in die instellingen gezamenlijk op te treden en met één stem te spreken.

Het is nogal wat: wij leveren 60 procent van de leningen tegen gunstige voorwaarden en hebben een veel groter stemaandeel, maar zijn tegelijkertijd feitelijk afwezig. Dat zouden we op handelsgebied nooit tolereren. Ik geloof dat dit de kern van de zaak is. Ook coherentie is nodig. In Afrika bijvoorbeeld is de Wereldbank actief met het prioriteitsinitiatief rond educatie. De Commissie wil daar evenwel niet aan deelnemen, omdat de landenstrategiedocumenten voor dit gebied voorzien in wegen en infrastructuur en niet in onderwijs. We leveren dus niet, terwijl wij hier in het Parlement schreeuwen om coherent, gezamenlijk optreden.

Er is dus een probleem aan beide kanten. Kunnen de Raad en de Commissie nog eens nadenken of op basis van de nieuwe Grondwet geen initiatief, op zijn minst in politiek-economische termen, voor de Wereldbank kan worden genomen? Ook wat de manier van samenwerken betreft, moeten we tot een sterkere positie te komen dan nu. De positie nu is al te triest. Die wil noch de Raad noch de Commissie bekleden. Beide hebben immers erg overtuigd gesproken – en triest geklonken. Laten we allegre naar de nieuwe tijd gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Ignasi Guardans Cambó (ALDE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, het lijdt geen twijfel dat de Wereldbank een doeltreffend instrument is en dat deze doeltreffendheid nog kan worden vergroot. Mijns inziens ligt het probleem niet bij de nieuwe leiders. Ik vrees niet echt dat de nieuwe leiding van de Wereldbank de energie die tot dusver in andere zaken is gestoken, zal ombuigen om de Wereldbank beter te laten functioneren.

Het probleem ligt bij onszelf, in de schijnheiligheid van het Europese discours, in onze inspanningen om aan de Europese burgers uit te leggen hoe wij de invloed van Europa in de wereld willen versterken, hoe wij willen bijdragen aan de vrede in de wereld. Dat is wat de regeringen aan hun kiezers beloven, maar als puntje bij paaltje komt, doen zij niet de minste moeite om deze woorden en beloften om te zetten in reële daden.

De Europese Unie als zodanig heeft niets in de pap te brokken in de Wereldbank. Wij hebben geen nieuwe Grondwet nodig om in deze situatie verandering te brengen, maar politieke wil en coherentie. Commissaris Almunia heeft de spijker op de kop geslagen: de 25 lidstaten van de Unie wisselen geen woord met elkaar in de Wereldbank. Dat moet hier met klem veroordeeld worden. Het is gemakkelijk om protest aan te tekenen tegen de benoeming van Wolfowitz, en misschien is dat ook wel nodig, maar het zou voor ons allen nog veel gemakkelijker moeten zijn om protest aan te tekenen tegen onze regeringen, aangezien die er niet in slagen overeenstemming te bereiken over de beleidsacties, de benoemingen en de financieringscriteria.

 
  
MPphoto
 
 

  Frithjof Schmidt (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het grootste probleem in verband met het beleid van de Wereldbank is het beleid voor structurele aanpassing. De programma’s voor structurele aanpassing, die op last van de Wereldbank decennia lang zijn uitgevoerd, hebben vaak tot groteske resultaten geleid, zoals bij de privatisering van diensten.

Neem bijvoorbeeld de watervoorziening. De waterleidingbedrijven worden geprivatiseerd en er wordt een infrastructuur gecreëerd, maar de prijzen voor water stijgen dermate dat het water voor de armste bevolkingsgroepen onbetaalbaar wordt. Een ander voorbeeld: het handelsbeleid. De gedwongen liberalisering en openstelling van de markt als voorwaarden voor kredietverstrekking leidt ertoe dat de onderhandelingspositie van ontwikkelingslanden in de wereldhandelsrondes van de WTO wordt verzwakt, en dat terwijl wij met het Europees ontwikkelingsbeleid een centrale rol toekennen aan watervoorziening, onder meer in het kader van armoedebestrijding, en de onderhandelingscapaciteiten van de ontwikkelingslanden in de wereldhandelsrondes juist willen versterken. De centrale stelschroef waarmee het beleid van de Wereldbank moet worden veranderd, bevindt zich dan ook hier.

De hervorming die nu in gang is gezet, verandert in wezen niets. De invoering van het zogenaamde selectieve beleid bij kredietverstrekking betekent in feite het faillissement van het beleid dat de Wereldbank meer dan dertig jaar heeft uitgevoerd. Kort gezegd komt het nieuwe beleid op het volgende neer: wie de laatste jaren of decennia heeft meegedaan aan de programma’s voor structurele aanpassing van de Wereldbank, maar geen goede resultaten heeft bereikt en er niet beter voor staat, krijgt geld om de meest schrijnende sociale misstanden weg te nemen. Wie onvoldoende heeft meegewerkt aan het beleid, krijgt minder geld. Deze indeling in good performers en bad performers is zeer problematisch. Het is mijns inziens een taak van de Commissie en de Raad ervoor te zorgen en erop aan te dringen dat deze indeling ten minste op basis van duidelijke, doorzichtige en begrijpelijke criteria plaatsvindt. Daarnaast moeten zij erop aandringen dat de Wereldbank haar strategie voor de armoedebestrijding in het kader van de hervorming van de Verenigde Naties, in het kader van de Millennium Development Goals, fundamenteel verandert.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik moet bekennen dat ik geschokt ben door de verklaring van de Raad vandaag, dat niet één orgaan van de Raad enige moeite heeft gedaan om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen over onze houding tegenover de Wereldbank. Ook is de financiële en getalsmatige invloed die we zeker hebben bij de Wereldbank, niet gebruikt, ondanks het feit dat elk staatshoofd onlangs plechtig de Europese Grondwet heeft ondertekend, waarin staat dat we een einde willen maken aan de armoede op de wereld, en ondanks het feit dat elke lidstaat de Millenniumontwikkelingsdoelen heeft ondertekend.

Nog steeds zijn er landen die hun verplichtingen niet nakomen voor het bereiken van het, reeds decennia van kracht zijnde, streefgetal van 0,7 procent van het BNP dat aan ontwikkelingshulp moet worden besteed. Mijn eigen lidstaat heeft vorig jaar tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties plechtig verklaard dat deze 0,7 procent van het BNP tegen het jaar 2010 zou worden gehaald. Dit jaar werd aangekondigd dat het percentage niet gehaald zal worden, niet omdat we het geld niet hebben, maar omdat de regering het wil gebruiken voor het winnen van de volgende verkiezingen!

Het is duidelijk dat de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie meer in handel zijn geïnteresseerd dan in het uitroeien van armoede. Hun interesse in een sterke positie in de Wereldhandelsorganisatie is groter dan hun verlangen naar hulp van de Wereldbank bij het bereiken van de doelstellingen van de Unie. Zou ik mogen vragen of dit Parlement, in plaats van verklaringen af te leggen, over kan gaan tot de oprichting van een ad hoc-commissie, zodat we een gemeenschappelijk standpunt kunnen bepalen voor de Europese Unie en de Wereldbank? Daarna kunnen we de Raad en de Commissie ertoe brengen het standpunt van het Parlement over te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. -(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst de geachte afgevaardigden bedanken voor dit uiterst interessante debat en voor hun bijzonder waardevolle opmerkingen aan het adres van zowel het voorzitterschap van de Raad als de Commissie. Er spelen hier mijns inziens twee of eigenlijk drie kwesties. In de eerste plaats: de invloed van de Unie in de financiële instellingen, in het bijzonder de Wereldbank. Staat u me toe daarover wat te zeggen namens het voorzitterschap, en dus niet als vertegenwoordiger van de Raad.

Als wij als aandeelhouders van een particuliere onderneming op dezelfde manier te werk zouden gaan als wij op dit terrein te werk gaan, zouden wij ons kapitaal in die onderneming inderdaad erg slecht beheren. Zo eenvoudig liggen de zaken echter niet, zoals u weet. De constellatie waarin we ons hier bevinden, is nu eenmaal een andere. Het is een politieke kwestie. Toch denk ik dat aan de oproep tot betere coördinatie van de standpunten van de Europese Unie binnen de internationale financiële instellingen, en met name de Wereldbank, absoluut gehoor moet worden gegeven, omdat we op dit moment, zoals velen van u hebben gezegd, veel minder invloed uitoefenen dan we zouden kunnen uitoefenen, niet alleen op financieel maar ook op politiek vlak.

Wat dit betreft, zou ik u willen wijzen op een artikel in het Verdrag waar we misschien nog eens heel goed naar zouden moeten kijken, en dat we eventueel zouden kunnen gebruiken om het debat van vanochtend voort te zetten. Ik doel hier op artikel 99 van het Verdrag - een artikel dat overigens in de ontwerp-Grondwet is overgenomen -, dat de lidstaten de mogelijkheid geeft om, op basis van een voorstel, te besluiten hun standpunten binnen de internationale financiële instellingen en conferenties beter te coördineren. De kwestie van de vertegenwoordiging van de Unie in de internationale fora, en met name in de internationale financiële instellingen, blijft wat mij betreft dus op de agenda staan. Ik hoef denk ik niet meer terug te komen op de problemen die hiermee samenhangen.

De tweede kwestie die u aan de orde hebt gesteld, hangt tot op zekere hoogte samen met het eerste punt: de hervorming van de internationale financiële instellingen, en dan ook weer met name de Wereldbank. Naar mijn mening heeft de Europese Unie hier een cruciale rol te vervullen. Wij moeten de nieuwe president van de Wereldbank aansporen het hervormingsproces voort te zetten, niet alleen waar het gaat om het functioneren van de Wereldbank, maar ook op het punt van beleidsontwikkeling. Dat was voor een deel ook het doel van de informele ontmoeting met de heer Wolfowitz. Ik denk dat de EU ook wat dit betreft een grotere rol zal kunnen spelen naarmate ze meer met één stem spreekt. Daarmee komen we eigenlijk weer op de vraag naar de invloed van de Europese Unie in de internationale instellingen. In die instellingen zal zeker meer rekening gehouden moeten worden met de nieuwe machtsverhoudingen in de wereld, en zal meer plaats moeten worden ingeruimd voor een aantal nieuwe spelers op het internationale toneel - de nieuwe economische mogendheden - en natuurlijk ook voor de ontwikkelingslanden.

Mijn laatste opmerking betreft het ontwikkelingshulpbeleid, waarover de commissaris al het nodige heeft gezegd. De Europese Unie neemt meer dan 50 procent van de ontwikkelingshulp voor haar rekening en is daarmee de grootste donor ter wereld. Momenteel bekijken wij welke nieuwe vormen van financiering op dit vlak mogelijk zijn. In de laatste Ecofin-Raad heeft een gedachtewisseling plaatsgevonden over dergelijke alternatieve financieringsmethoden. Zo kent u allemaal het idee om nieuwe belastingen in te voeren teneinde het niveau van de ontwikkelingshulp te handhaven of zelfs te verhogen. Tijdens zijn informele bijeenkomst op 13 en 14 mei in Luxemburg zal de Ecofin-Raad naar verwachting terugkomen op deze problematiek en nieuwe financieringsopties inzake ontwikkelingshulp onderzoeken met het oog op de voor september geplande Millenniumtop, waar de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen geëvalueerd zal worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Joaquín Almunia, lid van de Commissie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen verklaar ik mij akkoord met alle sprekers die hebben aangedrongen op een nauwere samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie bij de werkzaamheden, de besluitvorming en de vaststelling van de beleidslijnen en de strategie van de Wereldbank.

De Commissie wendt alle instrumenten die zij tot haar beschikking heeft aan om het beleid van de Wereldbank op zodanige wijze te beïnvloeden dat het uiteindelijk aansluit bij de doelstellingen van ons ontwikkelingsbeleid en onze officiële ontwikkelingssteun. In mijn inleidende toespraak heb ik u gezegd dat wij via memorandums of understanding en trustfondsen overal ter wereld activiteiten ten uitvoer leggen die deels door de Wereldbank en deels door de communautaire begroting gefinancierd worden, op voorwaarde dat deze acties beantwoorden aan de doelstellingen en de prioriteiten die de Europese Unie heeft vastgesteld in het kader van haar ontwikkelingssteun en ontwikkelingsbeleid ten behoeve van de armste landen van de wereld.

Ten tweede wil ik hier opnieuw uw aandacht vragen voor iets dat ik in mijn inleidende toespraak heb gezegd en dat hier door velen onder u is overgenomen: het is van wezenlijk belang dat er stappen worden ondernomen om de Europese Unie in zowel de Wereldbank als andere internationale instellingen met één stem te laten spreken.

Sommigen onder u hebben benadrukt dat de inwerkingtreding van de Grondwet een belangrijke stap vormt op weg naar de verwezenlijking van deze doelstelling. Het is een feit dat de inwerkingtreding van de Grondwet, die aan de Unie één enkele persoonlijkheid toekent en een stevige politieke impuls betekent, ons moet helpen bij het bereiken van onze doelstelling. Maar zoals het fungerend voorzitterschap van de Raad ook al zei, zou de Unie, gelet op het huidige Verdrag en de bestaande regelgeving, eigenlijk nu reeds in vele instellingen met één stem moeten spreken, onder meer ook in de Wereldbank en het Internationaal Monetair fonds, althans voor wat de eurozone betreft.

Er is echter nog een ander element dat ons van nut zal zijn. Ik weet niet of alle lidstaten er voor te vinden zijn, maar ik geloof wel dat het de gezamenlijke wil is van de Unie, dit Parlement, de Commissie en de Raad. Zoals de heer Karas terecht heeft onderstreept, wil Europa een global player zijn. Het probleem is echter dat bepaalde landen, die zich weldra tot global players zullen ontpoppen, aandringen op hervormingen in de bestuursorganen en met name in de manier waarop de verschillende landen en regio’s van de wereld vertegenwoordigd zijn in de internationale financiële instellingen en inzonderheid in de Wereldbank. Onder deze druk mag de Europese Unie geen versnipperd antwoord geven. Het is absoluut noodzakelijk dat zij een gezamenlijk antwoord formuleert en met één stem leert spreken.

Nog een laatste woord over de benoeming van de nieuwe president van de Wereldbank. Zoals u weet, heeft de Europese Commissie geen enkele inspraak in deze procedure. Zaak is dat de heer Wolfowitz vanaf 1 juni de Wereldbank zal leiden. Wij hebben er alle belang bij dat de Wereldbank onder zijn leiding de positieve punten van het beleid dat de heer James D. Wolfensohn de afgelopen tien jaar ten uitvoer heeft gelegd, verder ontwikkelt. Als lid van de Commissie heb ik de laatste weken tweemaal de gelegenheid gehad om de heer Wolfowitz persoonlijk te spreken. In beide gevallen heb ik hem erop geattendeerd dat de Europese Commissie en de Unie in haar geheel wensen dat de Wereldbank per 1 juni de vorderingen die zij onder leiding van de heer Wolfensohn heeft gemaakt, voortzet. Ik moet u zeggen dat de heer Wolfowitz zich er tot dusver toe verbonden heeft om die positieve punten verder uit te diepen. Ik hoop dat wij vanaf 1 juni kunnen vaststellen dat hij de daad bij het woord voegt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

 

4. Situatie in Kirgizstan en in Midden-Azië
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over de situatie in Kirgizstan en in Midden-Azië.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het doet me buitengewoon veel genoegen dat ik de gelegenheid krijg om hier namens de Raad het woord te voeren over een aantal belangrijke kwesties inzake de cruciale regio van Midden-Azië. Deze regio is voor de Europese Unie in meerdere opzichten van belang: geopolitiek en geostrategisch, maar ook economisch.

Ondanks het feit dat de situatie in Kirgizstan recentelijk op een aantal punten verbeterd is, blijft zij kritiek. In de nieuwe politieke constellatie vindt de verdeling van de macht plaats op basis van loyaliteit tussen personen en regio’s. Politieke partijen spelen alleen op papier een rol. Er zijn presidentsverkiezingen gepland voor 10 juli, met een eventuele tweede ronde op 24 juli. De risico’s op veiligheidsgebied en de onzekere economische situatie zouden een belemmering kunnen vormen voor een goed verloop van de campagne voor deze presidentsverkiezingen, die steeds meer een tweestrijd wordt tussen de twee belangrijkste spelers op het nationale politieke toneel, de heren Koulov en Akajev.

De stabiliteit van het land hangt daardoor grotendeels af van een eventuele toenadering tussen de twee politieke leiders. Een compromis zou onder meer kunnen inhouden dat beide kandidaten toezeggen de uitkomst van de verkiezingen te respecteren - niet meer dan normaal natuurlijk in een democratie -, met dien verstande dat de verliezende kandidaat de post van premier toebedeeld krijgt. Vooralsnog hebben de informele contacten tussen beide kampen echter nog niet tot tastbare resultaten geleid. De belangrijkste boodschap die de internationale gemeenschap, waaronder de OVSE en de EU, in deze verkiezingscampagne moet uitdragen is dat vóór alles gezorgd moet worden voor vrije en onpartijdige verkiezingen.

Het organiseren van democratische verkiezingen is op zichzelf echter geen garantie voor een volledig geslaagd democratiseringsproces. Er zijn verschillende politieke kwesties waarvoor nog een oplossing gevonden zal moeten worden: de constitutionele hervormingen, de vervroegde parlementsverkiezingen, de onafhankelijkheid van de media en de totstandbrenging van een politiek bestel dat is gebaseerd op volgroeide politieke partijen.

De kwestie van de constitutionele hervormingen is in het verkiezingsdebat reeds aan de orde gekomen. Het parlement heeft een constitutionele raad samengesteld die de beginselen moet vastleggen voor de grondwetshervorming zoals die na de verkiezingen ten uitvoer gelegd moet worden. De diverse politieke actoren staan op dit punt evenwel diametraal tegenover elkaar. Verder komt er maar weinig verbetering in de economische situatie en blijft de openbare orde een heikel punt. Door de confiscaties van grond rond Bisjkek loert er een voortdurend gevaar op anarchie. Etnische kwesties staan centraal in het politieke debat, maar in algemene zin blijft de situatie van etnische minderheden een punt van grote zorg.

Alle belangrijke internationale actoren, ook Rusland, pleiten voor handhaving van de stabiliteit en de binnenlandse veiligheid in Kirgizstan. De nieuwe leiders van het land zijn erin geslaagd de goede betrekkingen met hun buurlanden, met name Kazachstan en Oezbekistan, in stand te houden. Het activiteitenplan van de OVSE voor Kirgizstan, waaraan binnenkort de laatste hand gelegd wordt, zal naar verwachting een dezer dagen door de Kirgizische regering goedgekeurd worden. Verder heeft de Europese Commissie onlangs meegedeeld in 2005 25 miljoen euro beschikbaar te willen stellen voor Kirgizstan.

Zoals u weet, blijft de algemene situatie in Midden-Azië zorgwekkend. Er zijn verschillende factoren die zorgen voor een onzeker en onveilig klimaat in en rond de landen van deze regio. De grootste bedreiging voor de regionale stabiliteit in Midden-Azië houdt verband met het uitblijven van economische hervormingen, met de autoritaire regimes die er de dienst blijven uitmaken en met de wijdverbreide praktijken van corruptie, georganiseerde misdaad en drugshandel. Gisteren hebben wij gesproken over de drugsproblematiek in Afghanistan; we moeten goed beseffen dat de landen waar het vandaag om gaat een schakel vormen in de doorvoer van drugs.

Verder gaat het wat de politieke rechten van de burgers betreft bergafwaarts in de meeste van deze landen. Ook met de regionale samenwerking is het maar matig gesteld. Oorzaak daarvan is het gebrek aan vertrouwen en politieke wil bij de machthebbers in de regio. Als gevolg van de toenemende armoede en het uitblijven van economische groei in de landen van Midden-Azië zijn de spanningen op sociaal-economisch gebied sterk toegenomen. De nabijheid van Afghanistan is een belangrijk geopolitiek gegeven. Hierdoor, en door een aantal interne factoren, heeft het moslimextremisme de kans gekregen terrein te winnen en - ik verwees er zojuist al naar - is de drugssmokkel toegenomen. Verder zouden potentiële conflicten in de onmiddellijke nabijheid van de landen in deze regio, en tussen deze landen onderling, kunnen worden aangewakkerd door de vermenging van verschillende etnische minderheden op het grondgebied van deze landen.

Daarnaast zijn er tal van problemen die verband houden met de specifieke situatie in de verschillende landen van de regio. Ik zal ze snel met u doornemen. In Kazachstan hebben in september 2004 parlementsverkiezingen plaatsgevonden, maar die voldeden niet aan de gebruikelijke, internationaal aanvaarde normen. De oppositie heeft meer steun gekregen van de bevolking, maar die steun slechts met één zetel gehonoreerd gezien. De huidige president lijkt genegen te zijn voor het einde van zijn mandaat in januari 2006 presidentsverkiezingen uit te schrijven. De greep van de regering op het wetgevingsproces, de oppositie, de media, het maatschappelijk middenveld en de financiële wereld is verontrustend, en op het gebied van de mensenrechten is er sprake van een achteruitgang.

In Oezbekistan was de wettelijke oppositie uitgesloten van deelname aan de parlementsverkiezingen van 26 december 2004. Met het hervormingsprogramma voor het land is geen vooruitgang geboekt, en de armoede is alleen maar toegenomen. Er bestaat in dit land een reëel gevaar op een verdere verspreiding van het moslimfundamentalisme onder de bevolking.

In Turkmenistan zijn er verschillende zaken die aanleiding geven tot grote ongerustheid: er is geen vrijheid van meningsuiting, er is geen ruimte voor een democratisch debat, het voeren van effectieve oppositie tegen de regering wordt onmogelijk gemaakt en programma’s voor structurele hervormingen ontbreken volledig.

Tot slot de situatie in Tadzjikistan. De twee grote problemen daar zijn de interne conflicten tussen provincies en een aanhoudende economische crisis.

Ondanks alle door mij beschreven problemen en moeilijkheden in Midden-Azië hecht de Europese Unie zeer veel belang aan de betrekkingen met deze regio. Zij is bereid deze landen steun te verlenen bij de overgang naar efficiënte markteconomieën en goed functionerende democratieën.

De adjunct-directeurgeneraal voor externe betrekkingen van de Europese Commissie heeft onlangs vier republieken in Midden-Azië bezocht. Op 12 mei komt het Gemengd Comité EU-Turkmenistan bijeen in Ashkabad, en in de marge van die bijeenkomst zal een ad-hocvergadering belegd worden die tot doel heeft een impuls te geven aan de dialoog over de mensenrechten. Verder zal een trojka van de Europese Unie eind juni in Tasjkent een ontmoeting hebben met vertegenwoordigers van de vijf landen van de regio. Tot slot wijs ik nog op drie bijeenkomsten die in Brussel gepland staan: een vergadering van het Samenwerkingscomité EU-Kirgizstan in juni, een bijeenkomst van de Samenwerkingsraad EU-Kirgizstan in juli en een bijeenkomst van de Samenwerkingsraad EU-Kazachstan, eveneens in juli.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER OUZKÝ
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Albert Jan Maat (PPE-DE). - Voorzitter, voordat de commissaris aan het woord komt, denk ik dat er nog helderheid moet komen, want ik hoor twee data voor presidentsverkiezingen in Kirgizstan noemen die volgens mij oude data zijn: 10 en 18 juni. Voor zover ik weet, zijn de presidentsverkiezingen op 10 juli. Voordat het parlementaire debat begint, denk ik dat het goed zou zijn, als vanuit de Raad of de Commissie ...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken).

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mijnheer Maat, dat is geen motie van orde.

 
  
MPphoto
 
 

  Joaquín Almunia, lid van de Commissie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, het is voor mij een eer om hier vandaag deze plenaire vergadering bij te mogen wonen en met u van gedachten te mogen wisselen over de situatie in een regio die vanuit strategisch oogpunt bijzonder belangrijk is: Midden-Azië, en met name de Republiek Kirgizstan.

Zoals u weet, heeft de schending van de internationale en OVSE-normen tijdens de parlementsverkiezingen van februari en maart jongstleden geleid tot massale protesten op 24 maart, waardoor president Akajev ten val werd gebracht. Naar aanleiding daarvan hebben zowel de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de heer Solana, als de commissaris voor Externe Betrekkingen, mevrouw Ferrero-Waldner - die hier helaas niet aanwezig kan zijn - de Republiek Kirgizstan aangemoedigd om een formule voor nationale verzoening uit te werken en een dialoog en consensus tot stand te brengen waarmee het politieke hervormingsproces kan worden versterkt.

De Republiek Kirgizstan moet deze unieke kans aangrijpen om in Midden-Azië een echte meerpartijendemocratie in het leven te roepen en een einde te maken aan de corruptie, die in hoge mate heeft bijgedragen aan de recente politieke crisis. Het is de taak van de politieke leiders van het land om deze gelegenheid te baat te nemen. Het is aan hen om te bewijzen dat zij werkelijk bereid zijn om reële vooruitgang te boeken bij de politieke hervormingen. Om die doelstelling zo snel mogelijk te bereiken moeten er maatregelen worden genomen die garanties bieden voor de oprichting van een meerpartijendemocratie, de eerbiediging van de mensenrechten en de totstandkoming van een rechtsstaat, in overeenstemming met de internationale verplichtingen die Kirgizstan is aangegaan.

Ik wil hier met het oog op de komende presidentsverkiezingen, die naar verluidt op 10 juli zullen plaatsvinden, het belang onderstrepen van het streven naar politieke liberalisering en het waarborgen van vrije, rechtvaardige en transparante verkiezingen. Het kiesproces zal van dichtbij gevolgd worden door de Unie en de rest van de internationale gemeenschap. De democratische geloofwaardigheid van de Republiek Kirgizstan zal een flink stuk opgevijzeld worden als de interim-regering gevolg geeft aan de aanbevelingen uit het eindverslag van de missie van het Bureau voor mensenrechten en democratische instellingen van de OVSE, dat in maart jongstleden is gepubliceerd.

De Unie werkt thans onder auspiciën van de OVSE, en met behulp van het mechanisme voor snelle interventie, aan een reeks maatregelen voor steunverlening bij de verkiezingen en de hervorming van de kieswetgeving.

De Unie zet Kirgizstan ertoe aan de voorwaarden te creëren die nodig zijn om te garanderen dat de media en de journalisten uit het land hun rechten en vrijheden ten volle kunnen uitoefenen, in overeenstemming met de internationale verplichtingen. Ik geloof dat de OVSE de bevoegde autoriteiten hierin met raad en daad kan bijstaan.

Het is belangrijk dat de strijd tegen de corruptie in alle landen van Midden-Azië wordt aangescherpt, aangezien gebleken is dat dit probleem een van de voornaamste oorzaken is van de ontwikkelingen in Kirgizstan.

Dan wil ik nu iets zeggen over de samenwerking tussen de Unie en de landen in Midden-Azië. Eind vorig jaar heeft de Unie een initiatief gelanceerd om de politieke dialoog met de regio nieuw leven in te blazen. In het kader daarvan zijn de regionale directeuren van de EU-trojka in december in Bisjkek bijeengekomen met hun ambtgenoten.

Deze politieke dialoog tussen de Europese Unie en Midden-Azië kan er ongetwijfeld mede voor zorgen dat de betrekkingen tussen beide regio’s in de toekomst worden bijgestuurd, op voorwaarde dat er een constructieve gedachtewisseling plaatsvindt. De Commissie stelt met voldoening vast dat de vijf landen in Midden-Azië dit proces gunstig onthaald hebben.

Het welslagen van de dialoog is afhankelijk van de betrokkenheid van beide partijen. De Unie zal van haar kant steeds pleiten voor economische liberalisering en uiteraard ook voor politieke democratisering in Midden-Azië. De dialoog kan bijvoorbeeld worden toegespitst op zorgpunten die beide regio’s bezighouden: terrorismebestrijding, drugs- en mensenhandel, witwassen van geld, illegale immigratie, energie, vervoer en intensivering van de economische samenwerking.

De totstandkoming van een dergelijke politieke dialoog tussen de Unie en Midden-Azië zou niet alleen bijdragen aan de regionale integratie in het gebied, maar tevens een politieke dimensie geven aan de samenwerking tussen beide regio’s.

De Unie onderzoekt nu wat de volgende stappen moeten zijn. De bijeenkomst van de EU-trojka met de ministers van Buitenlandse Zaken van Midden-Azië, die eind juni in Tasjkent zal plaatsvinden, vormt een uitstekende gelegenheid om van gedachten te wisselen over het verdere verloop van de dialoog.

De Unie spoort de vijf landen in Midden-Azië aan om te volharden in het politieke liberaliseringsproces. De enige manier om vooruitgang te boeken ten behoeve van de burgers, om stabiliteit en veiligheid te bewerkstelligen en op beslissende wijze bij te dragen aan de regionale integratie is ervoor te zorgen dat economische ontwikkeling hand in hand gaat met politieke liberalisering en rechtsstaat en met de ontwikkeling van een actief maatschappelijk middenveld, waarvan persvrijheid een van de hoofdbestanddelen is. Ik ben ervan overtuigd dat dit de beste manier is om de banden tussen Midden-Azië en de Unie aan te halen.

De Commissie hoopt op een betere samenwerking tussen de Unie en de landen aan de Kaspische Zee, zoals is overeengekomen tijdens de ministeriële conferentie over energie en vervoer, die in november vorig jaar in Bakoe heeft plaatsgevonden. Vanuit politiek oogpunt is energie thans een veiligheidskwestie geworden. Beide gebieden hebben baat bij een meer doeltreffende en diepere integratie van onze systemen en energiemarkten.

De versterking van de samenwerking tussen de Unie en Midden-Azië is afhankelijk van zowel politieke als economische elementen. In deze context blijft de Unie bereid om deze belangrijke regio te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok, namens de PPE-DE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, deze regio lag vroeger altijd verborgen in de duisternis van de Sovjet-Unie en heeft geen autonome ontwikkeling doorgemaakt. Daarom zien wij deze ook vaak over het hoofd. Nu echter is deze regio van groot strategisch belang, en dat belang houdt verband met gas, olie, energieleveranties en dergelijke, met de toenemende belangstelling van China voor deze regio, met het opkomend islamitisch fundamentalisme en met het feit dat een aantal landen wegen bewandelt die te maken hebben met drugshandel.

We moeten constateren dat het door de steeds kwalijkere ontwikkelingen op het gebied van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten steeds moeilijker wordt om met deze regio samen te werken, om bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten te honoreren of nieuwe overeenkomsten te sluiten dan wel te ratificeren. We zien dat de betrokken regimes - zoals de ervaringen bij de verkiezingen in Kirgizstan en eerder ook in Oekraïne hebben uitgewezen - steeds verder afglijden naar een toestand van instabiliteit.

Hoe meer de toch al kwetsbare situatie in het gebied echter aan het wankelen komt, hoe meer onze belangen in het gedrang komen. Daarom pleit ik ervoor dat wij ons laten leiden door een gemeenschappelijk strategisch concept, in plaats van een op afzonderlijke punten afgestemde aanpak, en tevens zorgen voor een daadwerkelijke ondersteuning van het democratisch proces in de betrokken landen.

Ik richt mij tot de Raad en de Commissie als ik zeg dat wij moeten trachten - het zou in ons aller belang zijn - om tot overeenstemming te komen met de Verenigde Staten, die dit land niet alleen als tijdelijk basiskamp voor Afghanistan beschouwen, en met Rusland, die de nieuwe ontwikkelingen vaak nog door een oude bril ziet. Alleen als we namelijk samenwerken en de democratie en rechtsstaat in deze regio bevorderen, krijgen we de stabiliteit die in het belang is van deze drie partners. Er moet daarvoor een nieuwe prioriteit worden vastgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Marinus Wiersma, namens de PSE-Fractie. - Voorzitter, ik denk dat we het hier gauw over eens zullen zijn: de ontwikkelingen in Kirgizstan drukken ons met de neus op de feiten voor de hele regio en brengen ons tot een debat over wat we met Centraal-Azië moeten, wat de belangen van de Europese Unie zijn, en wat we kunnen doen om de situatie daar te verbeteren en de stabiliteit in de regio te vergroten. Op zich is de ontwikkeling in Kirgizstan heuglijk. Er is opvallend veel gelijkenis met wat we in Oekraïne hebben meegemaakt. Tegelijk moeten we vaststellen dat wat in Kirgizstan is gebeurd, natuurlijk geen oranje revolutie was en moeten we nog afwachten hoe de ontwikkelingen in dit land zich zullen voortzetten, met name op basis van de eerlijke en vrije verkiezingen die daar moeten worden gehouden. Wat de verkiezingen betreft, moeten de Europese Unie en de OVSE een centrale rol spelen met betrekking tot de waarneming, zodat de inwoners van Kirgizstan er achteraf zeker van kunnen zijn dat de verkiezingen eerlijk waren en er een gelegitimeerde regering is, die tot de ontwikkeling van het land kan bijdragen.

Mocht dit alles positief verlopen, dan vinden wij dat de Europese Unie ook moet nadenken over hoe zij een land als Kirgizstan in zijn nieuwe situatie kan helpen. Dit zal immers ook een positieve uitstraling hebben naar de andere landen in de regio. Ik ga hier geen lange analyse maken van hoe het met Oezbekistan en de andere landen in Centraal-Azië is gesteld, maar ook in de buurlanden van Kirgizstan bestaan grote problemen waarover de Europese Unie zich zorgen moet maken. Dit is ook onze belangrijkste vraag aan de Commissie: we hebben een strategie voor Rusland en we hebben voor heel veel landen het nieuwe nabuurschapsbeleid, maar wat doen we eigenlijk met Centraal-Azië? Wat zijn daar de initiatieven die we de komende jaren kunnen verwachten, mede gericht op het ondersteunen van de ontwikkelingen in Kirgizstan? Voor ons gaat het niet alleen om het veiligstellen van de energievoorziening, maar ook om de vraag of we de banden met deze landen kunnen verstevigen en hoe we kunnen komen tot een zekere europeanisering van Centraal-Azië op het gebied van de verspreiding en vestiging van de waarden die we in de Europese Unie, de Raad van Europa en de OVSE gemeenschappelijk hebben. Wij hopen dat de Commissie en de Raad op dit punt met nadere initiatieven zullen komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ona Juknevičienė, namens de ALDE-Fractie. - (LT) Ik ben voorzitter van de delegatie voor de betrekkingen met Centraal-Azië en Mongolië, en binnenkort zullen wij een bezoek brengen aan deze regio, aan Centraal-Azië en met name Kirgizstan. De meeste afgevaardigden in het Parlement geloven het wereldwijd verspreide nieuws dat er een tulpenrevolutie heeft plaatsgevonden in Kirgizië. Ik zou graag mijn licht hierover willen laten schijnen, wellicht vanuit een ietwat andere invalshoek. Ik denk dat er in dat land inderdaad een volksbeweging heeft plaatsgehad, maar om dat een revolutie te noemen zoals zich in Oekraïne of Georgië heeft voltrokken, zou naar mijn mening een overhaaste conclusie zijn. Ik zou het Parlement dan ook willen verzoeken voorzichtiger te zijn met het in de mond nemen van dergelijke termen. Waarom ik dat zeg? Omdat er niet voldoende duidelijkheid is over de rol van het volk. Wat wil het volk en wat willen de leiders? Op dat punt dient een verschil opgemerkt te worden.

Deze regio is echter buitengewoon belangrijk voor het Europees Parlement en voor de Europese Unie, en wel om twee redenen. Ten eerste horen bepaalde landen in Centraal-Azië, en met name Kazachstan, tot de grootste handelspartners van de Europese Unie op het terrein van energiebronnen. Zoals u wellicht weet, willen ook de buurlanden van deze regio, zoals China, hen maar al te graag aan zich binden. We moeten daarom bijzondere aandacht besteden aan onze geregelde, doelbewuste samenwerking en deze landen helpen bij het democratiseringsproces. We moeten een voorbeeld nemen aan de Verenigde Staten van Amerika als het gaat om de actieve betrokkenheid bij deze regio. Het moet helaas gezegd worden dat de Europese Unie niet echt actief en doeltreffend is met haar programma’s; dat moeten we onder ogen zien. De Commissie mag dan verklaren dat we een van de belangrijkste geldschieters zijn van deze regio, oftewel dat we omvangrijke financiële middelen beschikbaar stellen, maar als wij kijken naar de doeltreffendheid, zien wij dat deze middelen niet op de juiste manier worden gebruikt. Wat is onze doelstelling? Welk doel moet de Europese Unie nastreven in alle landen van Centraal-Azië en in het bijzonder nu in Kirgizstan? Het doel is te zorgen voor democratie, stabiliteit en orde, evenals voor nauwe samenwerking tussen die landen. Het bezoek van de delegatie, dat ik zo-even al noemde, zal plaatshebben van 14 tot 20 mei. Na het bezoek zullen wij de leden van het Parlement op de hoogte kunnen stellen van de werkelijke situatie in Kirgizstan en in de regio. Ik wil ook graag vermelden dat er op 2 juni een ontmoeting zal plaatsvinden met de vertegenwoordigers van de VS over de coördinatie van de activiteiten in deze regio. Ik nodig alle afgevaardigden uit daaraan deel te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Cem Özdemir, namens de Verts/ALE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de commissaris, omdat ik maar een minuut heb, wil ik wat hiervoor gezegd is beamen en mij verder beperken tot één aspect. Ik hecht er vooral aan dat wij het belang van de OVSE in Midden-Azië onderkennen, met name als het gaat om conflictpreventie, maar ook op het gebied van crisisbeheer en de bevordering van de rechtsstaat, de mensenrechten en democratische normen. Denkt u daarbij ook aan de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld of aan de inspanningen voor minderheden.

De activiteiten van de OVSE in deze regio verdienen grote lof, met name als het gaat om de waarneming van en de voorbereiding op de komende verkiezingen in Kirgizstan in juni 2005, teneinde de verkiezingen daar te laten verlopen in overeenstemming met internationale en Europese normen. In dit verband speelt in Kirgizstan ook de opleiding van de politie een cruciale rol.

Tot slot verzoek ik de Raad en de Commissie nauw met de OVSE samen te werken. Daarbij moeten we terugvallen op de ervaringen van collega Peterle, de speciale afgezant van de OVSE voor deze regio.

 
  
MPphoto
 
 

  Jiří Maštálka, namens de GUE/NGL-Fractie. - (CS) Dames en heren, ik zou de commissaris graag willen bedanken voor zijn inleidende woorden. Ook zou ik graag willen zeggen hoezeer ik ingenomen ben met de politieke veranderingen die hebben plaatsgegrepen in Kirgizstan, daar deze ons een gelegenheid bieden om helderheid te brengen in de doelstellingen van ons buitenlands beleid.

Op het eerste gezicht ziet het er allemaal vrij eenduidig uit: in Kirgizstan werd met de verkiezingen geknoeid, waarop de president door protesten van het volk gedwongen werd tot aftreden, en nu is Bisjkek de volgende steen in het domino-effect dat eerder al de regeringen in Tblisi en Kiev ten val bracht. Moskou steunde een ondemocratische president en dolf het onderspit.

Tegelijkertijd wordt echter ook duidelijk dat de revolutie in Kirgizstan een sterke sociale dimensie had en in hoge mate een opstand was tegen het bewind van een oligarchie die was ontstaan door privatiseringen. Feitelijk is dit een vrij algemeen verschijnsel geweest in alle postsocialistische landen, waar een kleine groep mensen in het centrum van de politieke macht stond of staat, hetzij vanwege hun contacten uit het verleden, hetzij vanwege hun etnische of partijpolitieke banden met de huidige machthebbers. De leden van dergelijke groepen zijn schatrijk geworden dankzij privatiseringen, die niet alleen diepe kloven in de samenleving hebben veroorzaakt, maar die hun ook de noodzakelijke middelen en het verlangen hebben gegeven om zich in de politiek te begeven.

De opstand in Kirgizstan verschilt echter op nog meer punten van soortgelijke gevallen. Deze opstand vond plaats in het land met het meest liberale regime in Centraal-Azië. Iedere oligarchie zou hieruit de conclusie trekken dat hoe meer beperkingen men de vrijheid in de samenleving oplegt, des te groter de kansen om aan de macht te blijven. Bovendien verschilt de situatie in Kirgizstan van die in bijvoorbeeld Oekraïne doordat angst voor Rusland geen rol heeft gespeeld in de Kirgizische opstand.

In dit verband zou ik er opnieuw op willen aandringen dat wij in het beleid van de Europese Unie moeten laten doorklinken dat zij een instelling is die de idealen van de rechtsstaat en de sociale rechtvaardigheid hoog houdt. Daarom moeten wij diegenen steunen die ernaar streven de grondwettelijke orde en de sociale rechtvaardigheid te versterken, zowel in Kirgizstan als elders.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland, namens de IND/DEM-Fractie. -Voorzitter, deze dagen vieren wij in Europa de bevrijding van nazi-Duitsland door de geallieerden. Veel Europeanen zullen dit met gemengde gevoelens doen. De afwerping van het Duitse juk maakte immers de weg vrij voor een decennialange onderdrukking door de Sovjetunie en dat geldt ook voor Centraal-Azië. Vorige maand heeft Kirgizstan zich ontdaan van een autoritaire leider, na oneerlijk verlopen verkiezingen. Zowel de regeerders als de bevolking zijn beducht voor het gevaar dat moslimextremisten gebruik van de politiek instabiele situatie zullen maken. Vooral islamitische terreurorganisaties, zoals Hizb ut-Tahrir, die een wereldwijde regering van de Islam nastreeft, vormen voor de hele Centraal-Aziatische regio een gevaar. Het is dan ook goed dat de regio in de strijd tegen het internationaal terrorisme deze radicalisering van de Islam tegengaat.

Helaas gebruiken de autoritaire regimes in de regio hiervoor niet de passende middelen. Dat leidt er onder andere toe dat zich in deze landen tal van problemen op het gebied van godsdienstvrijheid voordoen. Dat de Centraal-Aziatische overheden trachten grip op radicaliserende ontwikkelingen binnen de Islam te houden, is terecht. Om hierbij ook een registratie van de christelijke kerken bij de overheid verplicht te stellen, vind ik erg ver gaan. Vanuit die hoek hoeft men niet voor aanslagen te vrezen.

Met regelmaat moeten wij vernemen dat zowel geregistreerde als niet-geregistreerde christelijke gemeenten zich voor grote problemen gesteld zien, tot vervolging toe. Ik stip slechts een geval aan. In Kazachstan wordt Valery Pak van de niet-geregistreerde baptistengemeente van Kyzyl-Orda al jarenlang bedreigd en vervolgd. Hier moet een eind aan komen. Grondwettelijk kennen alle Centraal-Aziatische landen immers het recht op vrijheid van godsdienst. Ik roep Raad en Commissie ertoe op deze landen in hun strijd tegen het moslimfundamentalisme te steunen, maar ook ze aan te spreken op de problemen in verband met de godsdienstvrijheid, de registratieplicht van kerken en in het bijzonder de niet-geregistreerde baptistengemeenten en op misstanden als de behandeling van Valery Pak.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Elżbieta Fotyga, namens de UEN-Fractie. - (PL) Om te beginnen wil ik het voorzitterschap gelukwensen met de uitstekende, diepgaande analyse van de situatie in Centraal-Azië, in het bijzonder in Kirgizstan. Ik wil een paar aanvullende opmerkingen maken over de situatie in dit land.

Ruim anderhalve maand na de omwenteling in Kirgizstan is de situatie nog altijd verre van stabiel, hetgeen in de buurlanden met verontrusting wordt gadegeslagen. Wij hebben positieve tekenen gezien die wijzen op een normalisering, zoals het feit dat er noch in het parlement, noch op het niveau van het staatshoofd een dubbele machtsstructuur is ontstaan. Ik doel hier vooral op het aftreden van president Akajev in april. Maar er zijn ook zeer verontrustende dingen gebeurd, zoals een raadselachtige dood met een politieke achtergrond. Als gevolg van deze gebeurtenissen worden er steeds meer vraagtekens gezet bij de geloofwaardigheid van de veranderingen. De lakmoesproef voor de geloofwaardigheid van de veranderingen zal mijns inziens de manier zijn waarop de naderende presidentsverkiezingen zullen verlopen. In dit verband wil ik verwijzen naar de buitengewoon positieve rol die de OVSE heeft gespeeld, speelt en ongetwijfeld nog zal spelen in Kirgizstan. Bij de waarneming van de situatie voor de verkiezingen en van de verkiezingen zelf moeten wij bijzondere aandacht besteden aan de aspecten in het verkiezingsproces die direct hebben geleid tot de protesten in Kirgizstan, tot de omwenteling en tot de uitsluiting van kandidaten, zoals het kopen van stemmen. De houding van de autoriteiten in Kirgizstan ten aanzien van vervroegde verkiezingen zal ook een belangrijke toetssteen zijn.

Als u mij toestaat wil ik nog een opmerking maken op basis van mijn persoonlijke ervaring met het openbare leven in Polen. Als de samenleving begint te strijden voor zijn onvervreemdbare rechten, dan kan dit proces langer of korter duren, maar het is een onomkeerbaar en onvermijdelijk proces. Hier moet de Europese Unie bij het verlenen van steun rekening mee houden. De steun moet vooral gericht zijn op het maatschappelijk middenveld. Ik ben voorstander van financiële steun van de Europese Unie, maar deze moet wel worden gekoppeld aan de criteria van de mensenrechten en de rechtsstaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (NI). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijn bezoek aan Kirgizstan van een paar jaar geleden herinner ik mij nog goed. Kirgizstan is een land met een prachtige natuur en een rijkdom aan water, wat in de regio een zeldzaam goed is. Onlangs was Kirgizstan opnieuw uitgebreid in het nieuws vanwege de afzetting van Akajev, die jaren lang president was geweest. Sommigen, ook in dit Parlement, interpreteerden dit nogal naïef als een gebeurtenis die vergelijkbaar zou zijn met wat zich eerder in Georgië en Oekraïne heeft afgespeeld. Dit is niet het geval. In die landen hebben de nieuwe leiders er immers heel veel voor gedaan dat hun land tegenover Moskou een onafhankelijke politieke koers vaart. In Kirgizstan is de nieuwe politieke constellatie even pro-Russisch als de vorige, of zelfs nog pro-Russischer. De toestand in het land is nog altijd instabiel, zoals wel blijkt uit de recente aanslag op de kandidaat voor de presidentsverkiezingen Erkinbajev. De film over het huidige Kirgizstan die zich thans voor onze ogen afspeelt is zeker geen zwart-wit film, al willen sommige westerse waarnemers dit zo zien.

De Europese Unie moet actiever worden in dit deel van de wereld en de samenlevingen in de regio niet uitleveren aan de gunst van Rusland en de Verenigde Staten, al moeten wij uiteraard met beide samenwerken.

 
  
MPphoto
 
 

  Albert Jan Maat (PPE-DE). - Voorzitter, ik ben blij dat de Commissie het misverstand over de mededeling van de Raad met betrekking tot de datum van de verkiezingen heeft rechtgezet: het is 10 juli, dus complimenten voor de Commissie, die beter geïnformeerd was. Ik wil me aansluiten bij mijn collega, de voorzitter van de delegatie voor Centraal-Azië, die al gemeld heeft dat je je ervoor moet hoeden de situatie in Kirgizstan te vergelijken met die in Oekraïne. Op termijn zal blijken of het dezelfde revolutie is, dan wel of een aantal regenten een ander proces in gang hebben gezet. De situatie in Kirgizstan is wezenlijk anders: de democratie wordt er gekenmerkt door etnische en regionale breuklijnen, wat op zich niet slechter is. Dit neemt niet weg dat de Europese Unie er goed aan zou doen in Centraal-Azië te investeren. Er wordt op dit moment te weinig geïnvesteerd en opvallend is dat de twee armste landen, Mongolië - hulde aan dit land dat geen enkel probleem op het terrein van democratie en mensenrechten heeft - en Kirgizstan, het tot voor kort nog het beste deden.

Nu er een omwenteling in Kirgizstan is, moeten we die benutten. Ik ben blij met de 25 miljoen van de Commissie, maar het lijkt me wat aan de magere kant. Op korte termijn is de opdracht van de Europese Unie evenwel de volgende. De Raad en de Commissie moeten samen met het Parlement - ik nodig ze hiertoe uit - investeren in de verkiezingen, door op 10 juli een stevige waarnemersdelegatie te sturen en de OVSE te steunen, om ervoor te zorgen dat de verkiezingen goed verlopen. Goed verlopen verkiezingen zullen immers leiden tot vertrouwen bij de bevolking, ook voor latere parlementsverkiezingen. Daarnaast is het zaak dat de Europese Unie meer investeert in onderwijs en economische samenwerking, want het is te gek voor woorden dat de meeste buitenlandse investeringen in het onderwijs op dit moment afkomstig zijn van fundamentalistische islamitische groeperingen. Dat kan zo niet voortgaan. Het is een uitdaging voor Europa om met name op het gebied van opleiding en economische samenwerking meer in Kirgizstan te investeren. Hiervoor zijn ook goede vrijhandelsovereenkomsten nodig.

Graag formuleer ik nog een andere kritische noot over de regio. Ik wil graag van de Commissie weten wat ze wil doen aan de toenemende repressie in Kazachstan, o.a. de recente sluiting van de grootste oppositiekrant "Republika" en de gevangenneming van de journaliste Petrosjeva in Rusland op verzoek van de autoriteiten van Kazachstan.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernadette Bourzai (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, op veel van de zaken die in voorafgaande interventies aan de orde zijn gekomen, zal ik niet meer ingaan. Over het geheel genomen onderschrijf ik de strekking van de gezamenlijke resolutie die ons is voorgelegd.

Er zijn echter drie punten waarop ik de aandacht wil vestigen. Ten eerste: een factor die een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de recente ontwikkelingen in Kirgizstan is de slechte economische en sociale situatie in het land. Door de grote onzekerheid en armoede is een voedingsbodem voor protest ontstaan, en daaruit zijn de recente demonstraties voortgekomen die het regime van Akajev ten val brachten. Akajev hield de Kirgizische economie sinds 1991 in zijn greep om zichzelf te verrijken. Onaanvaardbare praktijken, waarbij corruptie en vriendjespolitiek hand in hand gingen, hebben de - lange tijd niet geuite maar volstrekt legitieme - gevoelens van onvrede onder de burgers versterkt. De bevolking verlangt naar een verbetering van haar situatie, en wij moeten oog blijven houden voor die aspiraties. Daarom moeten we bij onze inspanningen ter ondersteuning van het overgangsproces naar een democratisch bestel bijzondere aandacht schenken aan een eerlijk en transparant verloop van de verkiezingen en aan de invoering van een politiek van dialoog en nationale verzoening. Alleen een wettig verkozen, stabiele regering zal in staat zijn de hervormingen door te voeren die nodig zijn om de burgers van Kirgizstan een beter bestaan te geven.

Dan mijn tweede punt: de problemen in verband met de mensenrechten en de fundamentele vrijheden. Ook die vormen een wezenlijk aspect van de huidige situatie. De Europese Unie moet zich ervan vergewissen dat het democratiseringsproces daadwerkelijk op politieke pluriformiteit gestoeld is en tevens garanties inhoudt voor vrij opererende, onafhankelijke media en NGO’s. De samenwerkingsacties van de OVSE en de acties in het kader van het TACIS-programma op dit vlak moeten ondersteund en bevorderd worden.

Derde en laatste punt: we moeten de gebeurtenissen in Kirgizstan mijns inziens in een ruimer verband plaatsen en ze beschouwen vanuit een regionaal perspectief dat geheel Centraal-Azië omvat. De democratisering, zoals die vorm krijgt in Kirgizstan, zou zo een lichtend voorbeeld kunnen zijn voor andere landen in de regio waar de mensenrechten geschonden worden. Recentelijk is de wetgeving inzake NGO’s en oppositiepartijen aangescherpt. Dat zijn zaken die voor de Europese Unie reden te meer zouden moeten zijn om de politieke ontwikkelingen in de regio met buitengewone aandacht te blijven volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE). - EN) Mijnheer de Voorzitter, Kirgizstan is een kleine islamitische republiek in Centraal-Azië met een ongelofelijk mooie natuur en een trotse bevolking met nomadische tradities. In 1864 werd Kirgizstan door Rusland geannexeerd, en in 1991 werd het onafhankelijk van de Sovjet-Unie. Onlangs was het land in het nieuws, na de parlementsverkiezingen van 27 februari, toen onregelmatigheden bij de verkiezingen leidden tot grootschalige protesten die in het zuiden van het land waren begonnen. De president, die werd beschuldigd van corruptie en verkiezingsfraude, was gedwongen om te vluchten.

Gisteren deed president Bush tijdens een staatsbezoek aan Georgië een oproep voor vrijheid en democratie in de hele communistische wereld. Kirgizstan is een arm bergachtig land met een voornamelijk agrarische economie, maar het heeft aanzienlijke markthervormingen doorgevoerd onder ex-president Akajev. Deze heeft zich onderscheiden door een relatief liberaal economisch beleid: hij introduceerde landhervormingen en een verbeterd systeem van regelgeving. Kirgizstan was het eerste GOS-land dat door de WTO werd geaccepteerd en de meeste staatsbedrijven zijn verkocht. Toch tieren corruptie en vriendjespolitiek helaas welig.

Het is te hopen dat de revolutie, als het tenminste een revolutie is, het land rechtstreeks zal leiden naar democratie, respect voor de mensenrechten en bekwaam bestuur. Het zou een rolmodel kunnen worden voor de omringende landen, zoals Oezbekistan, Kazachstan en Tadzjikistan. Deze landen hebben nog steeds autoritaire systemen, die slechts ten dele in een overgangsfase verkeren. Grensdisputen tussen Kirgizstan en zijn buren vertragen echter het proces van grensafbakening. Dat geldt in het bijzonder voor de grens met Tadzjikistan, maar ook voor de grens met Oezbekistan.

Ook is er het probleem van de illegale verbouw van cannabis en papaver voor de GOS-markten. De regering vernietigt trouwens slechts in beperkte mate deze onwettige drugsoogsten. Bovendien is Kirgizië een doorvoerland voor Zuid-West-Aziatische drugsmarkten, en voor de drugshandel in Rusland en de rest van Europa.

Voor juli staan presidentsverkiezingen gepland. Dit heb ik via het internet bevestigd gekregen. Het Europees Parlement zou zeker waarnemers moeten sturen om de overgang van Kirgizstan naar de democratie in de gaten te houden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, uiteraard hecht het Europees Parlement groot belang aan de samenwerking met Kirgizstan en de andere landen van Centraal-Azië. Deze belangstelling vindt haar weerslag in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst van 1995. Onze aandacht gaat uit de situatie van de mensenrechten, de democratisering van het dagelijks leven, milieubescherming en energie. Deze gebieden verdienen onze speciale aandacht.

De aanneming van de grondwet in 1993 wekte veel hoop in Kirgizstan. Hoewel zij sindsdien vier keer is gewijzigd, lijkt deze grondwet nog altijd een goede basis te zijn voor verdere democratische veranderingen in het land. Waarnemers wijzen er echter op dat er binnen de rechterlijke macht, die volgens de grondwet onafhankelijk is en moet toezien op de naleving van de mensenrechten, te weinig hervormingen zijn doorgevoerd, dat er veel corruptie is en dat de rechters te weinig betaald krijgen. Zij wijzen erop dat het tegen de beginselen van de democratie indruist dat de president de leden van het Constitutioneel Hof, de rechters van het Hooggerechtshof en de arbiters van het Arbitragehof benoemt. Zij waarschuwen ervoor dat de leuze van de strijd tegen het terrorisme niet mag worden misbruikt om de mensenrechten in te perken.

Om deze negatieve tendensen te keren kan en moet de Europese Unie zoals gebruikelijk financiële, maar ook morele steun leveren door aanwezig te zijn waar zij nodig is en waar de democratie en de rechtsstaat steun behoeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, het lijkt erop dat het nieuwe millennium wordt gekenmerkt door een golf van veranderingen die zich vooral voordoen in de voormalige republieken van de Sovjet-Unie. De spectaculaire revoluties in Midden-Azië zijn - ondanks de pogingen die de VS en Rusland ongetwijfeld hebben ondernomen om op de achtergrond invloed uit te oefenen - eerder het gevolg van de voortschrijdende modernisering in de voormalige sovjetrepublieken dan van invloeden van buitenaf, zoals de strijd om macht en oliepijpleidingen. De bevolking in Midden-Azië is ontevreden over de oude, starre structuren en wenst een snelle en vreedzame omwenteling, in de stellige hoop op economische voorspoed en welvaart.

In principe kunnen hervormingen in dit verband zorgen voor een positieve verandering. In een gedeeltelijk machtsvacuüm, waarvan zo te zien sprake is in Kirgizstan, schuilt echter het gevaar dat de stemming omslaat en het land wegzinkt in een moeras van chaos en burgeroorlog. Het is in het belang van de EU om hulp en advies te bieden teneinde de politieke situatie te stabiliseren. Als wij ons er echter te veel mee gaan bemoeien, kan dat het geleidelijke stabiliseringsproces in het land juist weer verstoren. Tenslotte wil Kirgizstan bewijzen dat het in staat is om op eigen kracht de opbouw ter hand te nemen. Voorts moeten we bedenken dat een revolutie te allen tijde kan overslaan. Het zou geen verbazing wekken als deze trend oversloeg naar landen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren, zoals Kazachstan, Tadzjikistan en Turkmenistan. De EU zou zich nu al op dit scenario moeten voorbereiden en deze regio - zoals een van de vorige sprekers al zei - niet overlaten aan de VS en Rusland alleen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alojz Peterle (PPE-DE). - (SL) De politieke opschudding in Kirgizstan, die niet helemaal te vergelijken is met de ontwikkelingen in Oekraïne en Georgië, heeft geen verandering gebracht in de belangrijkste oorzaken voor de instabiliteit op economisch, sociaal en andere terreinen. Natuurlijk kan de nieuwe regering de problemen die zich hebben opgestapeld niet voor de presidentsverkiezingen van 10 juli oplossen. Sterker nog: daar zullen ook daarna nog vele maanden overheen gaan.

Ik heb de revolutie zelf meegemaakt als speciale gezant van de fungerende voorzitter van de OVSE, een organisatie waarvan het werk aldaar, ondersteund door de Europese Unie en de Verenigde Naties, naar mijn mening tamelijk succesvol is. Ik ben u erkentelijk voor de vriendelijke woorden met betrekking tot het werk van de OVSE, die op dit moment in de eerste plaats streeft naar eerlijke verkiezingen, meer veiligheid en een politieke dialoog tussen de presidentskandidaten. Wij weten dat aanzienlijke verschillen bestaan tussen het noorden en het zuiden. Deze verschillen zouden, naast andere factoren, kunnen leiden tot politieke instabiliteit vóór de verkiezingen zelf, en na 10 juli zal er natuurlijk dringend behoefte bestaan aan langdurige bijstand van de internationale gemeenschap om hervormingen door te voeren op politiek, economisch en sociaal gebied.

Het verheugt mij ten zeerste dat commissaris Almunia, de heer Brok en andere sprekers de strategische kant van de zaak al naar voren hebben gebracht. Ikzelf heb er herhaaldelijk op gewezen dat de Europese Unie haar betrekkingen met deze regio moet heroverwegen. Deze mag dan geen deel uitmaken van het “groter Europa”, maar is ons nader dan men zou kunnen denken. Mijns inziens moeten we in deze betrekkingen, zoals de heer Brok al zei, ook de transatlantische en de Russische dimensie in aanmerking nemen. Ik ben er hoe dan ook voorstander van dat het Parlement zich betrokken toont met Kirgizstan door een sterk team van waarnemers te sturen, en ik kan u verzekeren dat het Kirgizische parlement halsreikend uitziet naar de komst van onze parlementaire delegatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Panagiotis Beglitis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, de voor juli aangekondigde presidentsverkiezingen gelden - althans voorlopig - niet als voorwaarde voor het consolideren van het veiligheidsbeleid en voor de democratisering van het land. Alle collega’s hebben het eerder al gehad over de ernstige problemen waarmee Kirgizstan kampt.

Toch moet de Europese Unie nauw samenwerken met de OVSE bij het organiseren en waarnemen van de verkiezingen. Ook moet zij de humanitaire hulp en economische steun opvoeren via het TACIS-programma en het stelsel van algemene preferenties.

Centraal-Azië mag geen nieuw slagveld worden van de grootmachten VS, Rusland en China, die strijden om de strategische controle over de energiebronnen.

In het kader van de strijd tegen het terrorisme zijn in Centraal-Azië nieuwe militaire bases ontstaan en neemt de militarisering er gevaarlijke vormen aan.

De Europese Unie heeft er belang bij een stabiliserende rol te spelen in de regio. Het strategische verslag met betrekking tot de landen van de regio, dat de Europese Unie in 2002 heeft aangenomen voor de periode 2002-2006, is gezien de gewijzigde omstandigheden aan herziening en aanvulling toe. Daarom vraag ik de Commissie niet te wachten tot 2006 maar nu al een nieuw strategisch verslag voor de regio op te stellen.

Democratisering, regionale samenwerking, bestrijding van de drugshandel en groeiend religieus fanatisme vormen de grote uitdagingen van de komende jaren. Daarom is het van groot belang dat de VN hier een sterkere rol gaan spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ursula Stenzel (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, na de democratische doorbraak in Oekraïne en Georgië is thans Kirgizstan aan de beurt. Dit land is de derde dominosteen die de nomenklatura uit de postsovjettijd meesleurt in zijn val, al is de situatie in deze drie landen niet helemaal met elkaar te vergelijken. De val van het bewind van Akajev heeft zich voltrokken zonder bemoeienis van buitenaf. Het was een spontane opstand van een volk dat domweg genoeg had van de verkiezingsfraude, de massale zelfverrijking en het nepotisme van een politieke familie die het land beschouwde als zijn privé-eigendom.

De ineenstorting van de Sovjet-Unie was niet - zoals de Russische president Poetin het noemde - een geopolitieke ramp, maar een geopolitieke kans! Als er al sprake was van invloed van buitenaf, is die toe te schrijven aan het goede werk van de OVSE en het onder de OVSE ressorterende Bureau voor Democratische Instellingen en de Rechten van de Mens (ODIHR), dat momenteel wordt geleid door een Oostenrijker.

Poetin heeft kennelijk lering getrokken uit de fouten die hij met Oekraïne heeft gemaakt. Ook de oppositie in Kirgizstan heeft verstandig gehandeld door nog voor de val van Akajev Poetin op de hoogte te stellen, die daarom heeft afgezien van ingrijpen om het systeem overeind te houden. Hij heeft niet - zoals in Oekraïne - op het verkeerde paard gewed, ook niet toen Akajev - hij is overigens in een tapijt gerold over de grens gesmokkeld - in Moskou zijn toevlucht zocht. Rusland kan alleen maar profijt hebben van gestabiliseerde democratieën die niet corrupt zijn.

Welke les dient de EU hieruit te trekken? Ten eerste moeten we het democratiseringsproces in deze regio ondersteunen. Ten tweede moeten we ons richten op de ontwikkelingen in het veel grotere en rijkere Kazachstan, waarbij we met name aandacht moeten schenken aan versterking van de democratie en ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, om te voorkomen dat de financiële hulp in verkeerde handen terechtkomt. Kazachstan is in geopolitiek opzicht veel belangrijker dan het kleine maar mooie Kirgizstan.

 
  
MPphoto
 
 

  Libor Rouček (PSE). - (CS) Zoals in dit debat al naar voren is gekomen zijn er in Kirgizstan, en eigenlijk in heel Centraal-Azië, twee tendensen waar te nemen. De eerste houdt verband met de achteruitgang in de politieke situatie en de uitholling van de mensenrechten en de burgerlijke vrijheden, en de tweede met het toenemende strategische belang van de regio in haar geheel, dat voor een niet gering deel is toe te schrijven aan de energiebronnen in landen als Turkmenistan, Oezbekistan and Kazachstan.

Aangezien ik maar een minuut spreektijd heb, wil ik graag kort twee terreinen noemen waarop de Europese Unie bijstand moet verlenen. Het eerste terrein heeft ongetwijfeld betrekking op de ondersteuning van de mensenrechten, de burgerrechten, het Kirgizische verkiezingsproces en het maatschappelijk middenveld.

Het tweede terrein - dat minder voor het voetlicht is gekomen in dit Parlement - betreft het bevorderen van de samenwerking in de regio, met andere woorden het ondersteunen van de Centraal-Aziatische staten in hun strijd tegen terrorisme en drugssmokkel, in hun samenwerking op energiegebied en in het gebruik van waterreserves, bijvoorbeeld. Zowel Oezbekistan als Kazachstan bezitten energiebronnen en er bevinden zich aanzienlijke waterreserves in Kirgizstan. Met andere woorden, ik zou graag willen weten hoe deze regionale samenwerking volgens de Commissie kan worden ondersteund door haarzelf en de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Jas Gawronski (PPE-DE) . - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, de onderhavige resolutie - want ook daar moeten wij het over hebben, en niemand heeft dat tot nu toe gedaan - is volgens mij realistisch en evenwichtig. Het doet me deugd dat bijna alle fracties de tekst ondertekend hebben. Dat bewijst maar weer hoe eensgezind het Europees Parlement is, en dat vergroot ons prestige.

Maar vooral is het goed dat Europa zijn aandacht richt op Kirgizstan. De Europese Unie heeft daar immers te lang verstek laten gaan, zoals Elmar Brok zonet nog heeft gememoreerd. De Unie heeft in dit opzicht een zekere verantwoordelijkheid, omdat zij het regime van Akajev en soortgelijke regimes in de regio heeft gedoogd. Het is echter ook waar dat Akajev, toen een delegatie van het Europees Parlement twee jaar geleden een ontmoeting met hem had in Bisjkek, oprecht leek en overtuigend overkwam toen hij zei te streven naar een meer democratische en transparante staat. Misschien geloofde hij er toen zelf in. Nu is dat in ieder geval niet meer zo.

De resolutie maakt gewag van een fragiele situatie in Kirgizstan en dat is terecht, want in tegenstelling tot Oekraïne en Georgië - zoals collega Stenzel opmerkte - staat het eindresultaat daar allesbehalve vast. Op dit moment is er sprake van een gevaarlijk machtsvacuüm. In de resolutie wordt ook benadrukt dat de oppositie, die momenteel de macht in handen schijnt te hebben, interne ruzies heeft: alleen in de strijd tegen het regime van Akajev worden de gelederen gesloten. Bovendien is het democratische gehalte van de oppositie aangetast door de vorige samenwerking met de dictatuur van Akajev.

Daarom vind ik paragraaf 4 van de resolutie erg belangrijk. Daarin wordt een ingrijpende hervorming van de grondwet bepleit, en wordt tegelijkertijd gewaarschuwd tegen het gevaar dat er een machtssysteem wordt geïnstalleerd dat veel weg heeft van het vorige, maar dan met andere politici. Dat gevaar is reëel. De Verenigde Staten leveren al jaren financiële en morele steun aan democratische groeperingen in Kirgizstan. Daar moeten wij ook mee beginnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Olajos, Péter (PPE-DE). - (HU) Mijnheer de Voorzitter, uit de veranderingen die de NOS-regio het afgelopen jaar heeft ondergaan, valt op te maken dat de postsovjetsystemen in een crisis verkeren en dat zij, als het gaat om economische, politieke en sociale hervormingen, niet aan de verwachtingen hebben voldaan. Het meest in het oog lopende voorbeeld hiervan in Centraal-Azië is Kirgizstan. Helaas moeten wij vaststellen dat sommige leiders wederom de verkeerde conclusies hebben getrokken uit de kleurrijke revoluties en dat zij, in plaats van te proberen hun door de gebeurtenissen aan het licht gekomen fouten goed te maken, de mogelijke uitwegen uit de crisis voor zichzelf, hun land en hun volk hebben versperd.

Tot onze spijt hebben wij vernomen dat de ontwikkelingen in Kirgizstan de leider van het naburige Kazachstan genoopt hebben om een aantal harde maatregelen te treffen. Het komt ons voor dat ontwerpresoluties tot wijziging van het verkiezingsproces en het werk van de media de verkeerde kant op gaan, en het wetsvoorstel inzake nationale veiligheid in een open forum is bekritiseerd door de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Dit is bijzonder betreurenswaardig, aangezien de internationale gemeenschap verheugd had gereageerd op de vorderingen die Kazachstan tot nu toe had gemaakt op het gebied van de sociale en economische herstructurering en het waarborgen van vrede en eendracht onder de verschillende nationaliteiten en geloofsrichtingen. Wij waren hoopvol gestemd toen Kazachstan als eerste land uit de NOS-regio de eervolle en verantwoordelijke benoeming tot voorzitter verdiende. Daarom valt het des te meer te betreuren dat de oppositiekrant Respublica onder valse voorwendselen is gesloten en dat de potentiële oppositiekandidaat, Zharmakhan Tuyakbai, twee keer binnen een maand het slachtoffer is geworden van bruut fysiek geweld. Het feit dat de politie volstrekt niets deed toen tientallen jonge krachtpatsers in de aanval gingen, kan geen toeval zijn. We kunnen alleen maar hopen dat het staatshoofd serieus van plan is de daders op te sporen en te bestraffen.

Democratie betekent eerlijke competitie tussen politieke opponenten, en daar zijn dergelijke aanvallen niet mee te rijmen. Wij moeten duidelijk maken dat het altijd een verantwoordelijkheid van de overheid is om te zorgen voor gelijke kansen en eerlijke middelen in de politieke strijd in het land.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zou allereerst een vergissing mijnerzijds willen rechtzetten met betrekking tot de datum van de verkiezingen in Kirgizstan. De heer Maat heeft gezegd dat deze verkiezingen gepland staan voor 10 juli. Dat is op 6 mei bekend geworden. Mijn excuses voor deze vergissing.

Verder zou ik alle afgevaardigden die het woord gevoerd hebben, willen bedanken voor hun uiterst nuttige bijdragen, die in alle opzichten recht doen aan het belang van deze regio. Duidelijk is naar voren gekomen welke belangrijke geopolitieke en geostrategische rol deze regio voor de Europese Unie speelt. Dat betekent ook dat de Unie daar nadrukkelijker aanwezig moet zijn. Wij hebben er alle belang bij dat er meer stabiliteit komt in Centraal-Azië, en daarvoor is het in de eerste plaats nodig dat we deze landen steunen in hun verlangen naar consolidatie van hun nog niet zo lang geleden verworven onafhankelijkheid. Mijns inziens kan de Europese Unie op dit vlak een belangrijke rol spelen door te zorgen voor instandhouding van het noodzakelijke evenwicht tussen enerzijds Rusland en anderzijds de Verenigde Staten, en eventueel China.

Stabiliteit is vooral zo belangrijk omdat het hier gaat om landen waarin, zoals veel sprekers hebben benadrukt, het staatsbestel nog erg broos is, landen dus die buitengewoon kwetsbaar zijn als het gaat om de dreiging van het terrorisme en het moslimfundamentalisme. Daarom moeten we er met deze landen aan werken dat ze zich ontwikkelen tot democratieën waar de mensenrechten beter worden geëerbiedigd en de democratische spelregels beter worden nageleefd. Dat kan alleen als we deze landen helpen bij het bevorderen van hun economische ontwikkeling. Daarbij moeten we wel bedenken dat deze landen nogal van elkaar verschillen. De economische situatie in een land als Kirgizstan is bepaald niet dezelfde als die in, bijvoorbeeld, Kazachstan, een van de landen met de meeste groeimogelijkheden. Ook op dit vlak kan de Europese Unie een uiterst belangrijke rol spelen. Dat kan onder meer via de samenwerkingsovereenkomsten die wij al sinds de jaren negentig met deze landen hebben. In het kader daarvan komen we regelmatig bij elkaar om te spreken over verdere invulling van de samenwerking en voeren wij tevens een soort politieke dialoog.

Dat is ook de boodschap die ik uit uw resolutie meen te kunnen opmaken, een boodschap die ik onderschrijf: de Europese Unie heeft hier een belangrijke politieke rol te vervullen. Aan die rol kunnen we, met name waar het gaat om de mensenrechten en de overgang naar democratie, invulling geven door nauw samen te werken met de OVSE.

 
  
MPphoto
 
 

  Joaquín Almunia, lid van de Commissie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de afgevaardigden voor de bijdragen die zij met hun toespraken aan dit debat hebben geleverd. Het doel was om samen met de andere instellingen een zo juist mogelijk beeld te schetsen van de reële situatie, van de uitdagingen en van de strategieën en instrumenten die wij tot onze beschikking hebben om garanties te bieden voor vrijheid, eerbiediging van de mensenrechten en een democratiseringsproces in de landen van Midden-Azië. Dat is niet alleen van vitaal belang voor de burgers van de regio zelf. De stabiliteit, de welvaart en de democratisering van de betrokken landen zal ongetwijfeld ook op beslissende wijze bijdragen aan onze eigen veiligheid.

De verkiezingen van 10 juli zijn een eerste belangrijk punt. Het is van cruciaal belang dat die verkiezingen plaatsvinden in een rustig klimaat en dat de wil van de burgers die naar de stembus trekken, ten volle wordt gerespecteerd.

Zoals ik ook al zei in mijn inleidende toespraak, die door velen onder u wordt onderschreven, is het optreden van de OVSE vanuit dit oogpunt doorslaggevend. De Commissie is van oordeel dat de maatregelen die zijzelf moet nemen om het goede verloop van de verkiezingen te waarborgen, gecoördineerd moeten worden met de hoofdrol die voor de OVSE is weggelegd. Wij hebben in elk geval de beschikbare instrumenten ingezet - een punt dat ik ook reeds in mijn inleidende toespraak heb aangekaart - en 1,3 miljoen euro uitgetrokken om te garanderen dat het kiesproces naar wens verloopt.

Voor het geval u deze beslissing zelf nog niet hebt genomen, wil ik zeggen dat het wenselijk zou zijn een delegatie van dit Parlement de verkiezingen te laten bijwonen, opdat u deze kunt waarnemen en erop toe kunt ziet dat bij de volksraadpleging alle democratische waarborgen gegarandeerd zijn, of althans versterkt worden.

Ten tweede wil ik u erop attenderen dat er behoefte is aan een regionale strategie, aan een regionale aanpak. Velen onder u hebben hierop aangedrongen. Ook de Commissie is deze mening toegedaan. Sinds eind 2002 beschikken wij over een strategie. Deze werd uitgestippeld na het bezoek van de vorige commissaris voor externe betrekkingen aan de regio. De daarin vervatte benadering is voornamelijk gericht op het bevorderen van de stabiliteit en de veiligheid in de regio en het waarborgen van een duurzame economische ontwikkeling, waarbij prioriteit wordt verleend aan het terugdringen van de armoede en de bescherming van de mensenrechten.

Op economisch gebied zijn de energiebronnen waarover de regio beschikt een van de belangrijkste aandachtspunten van de Europese Unie. De bijeenkomst van de ministers van Energie van november vorig jaar was dan ook van essentieel belang voor de tenuitvoerlegging van voornoemde strategie. Wij zijn van oordeel dat deze koers moet worden aangehouden. In juni wordt er opnieuw een belangrijke vergadering gehouden. Dan komt de trojka bijeen met de ministers van Buitenlandse Zaken van de regio om de situatie te evalueren en de strategie verder te ontwikkelen.

Uiteraard verleent de Commissie haar steun voor alle initiatieven die bijdragen aan de verdieping van onze strategie en aan de totstandkoming van een gezamenlijke regionale benadering voor Midden-Azië, van een benadering waarin alle dimensies aan bod komen: democratisering, armoedebestrijding, defensie, bescherming van onze economische belangen en eerbiediging van de mensenrechten. Zij verwelkomt dan ook alle elementen uit de resolutie van dit Parlement die de verwezenlijking van deze doelstelling bevorderen.

Nog een laatste woord over een concreet geval van schending van de mensenrechten, waaraan de heer Maat in zijn discours heeft gerefereerd. Wij weten echter niet goed over welk feit het precies gaat. Ik zou de heer Maat dan ook om nadere uitleg willen verzoeken - ofschoon ik weet dat hij hier op dit moment niet aanwezig is -, zodat onze vertegenwoordigers in de regio de nodige informatie kunnen inwinnen en wij die aan dit Parlement kunnen overmaken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Tot besluit van het debat heb ik zes ontwerpresoluties ontvangen, overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen plaats.

(De vergadering wordt om 11.10 uur onderbroken en om 11.30 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: MEVROUW ROTH-BEHRENDT
Ondervoorzitter

 

5. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - We gaan nu over tot de stemming.

(Uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 

6. Voor bijzondere voeding bestemde levensmiddelen

7. Benoeming van een lid van de directie van de Europese Centrale Bank

8. Productie van aardappelzetmeel

9. Erkenning beroepskwalificaties
  

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Stefano Zappalà (PPE-DE), rapporteur. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, amendement 54, dat deel uitmaakt van blok 1, zorgt ervoor dat in bijlage 5 nog een paar tabellen worden opgenomen. Deze tabellen vormen een aanvulling op tabel 22 in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad. Hier is dus geen sprake van vervanging, maar van aanvulling! Ik vind dat dit gepreciseerd moet worden, want zoals het nu geformuleerd staat, is de zaak niet duidelijk. Ik hoop dat dit genoteerd wordt, want dit is zo afgesproken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Uw opmerkingen zullen worden opgenomen in de notulen en de vertaaldiensten zullen worden verzocht de verschillende taalversies en de inhoud daarvan in detail te bestuderen.

 

10. De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit

11. Organisatie van de arbeidstijd
  

Vóór de stemming over amendement 49

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Borghezio (IND/DEM). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik neem het woord om een mondeling amendement in te dienen. Ik vraag om aan het woord “veiligheid” twee bijvoeglijke naamwoorden toe te voegen, namelijk “openbare en particuliere”, om ervoor te zorgen dat die vorm van bescherming ook van toepassing is op degenen die in de particuliere veiligheidssector opereren. Die mensen trekken immers vaak aan het kortste eind, en worden in vakbondskringen niet voldoende in bescherming genomen.

 
  
  

(Aangezien meer dan 37 leden bezwaar maken, wordt het mondeling amendement niet in aanmerking genomen)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER BORRELL FONTELLES
Voorzitter

 

12. Plechtige vergadering
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Koninklijke Hoogheid, het is mij, als Voorzitter van het Europees Parlement, een grote eer hier vandaag het staatshoofd te mogen ontvangen van het land dat op dit moment het voorzitterschap van de Europese Unie bekleedt.

Sire, namens mijn collega’s en namens mijzelf heet ik u heel hartelijk welkom. Met uw aanwezigheid hier in ons Parlement geeft u blijk van uw belangstelling voor de Europese integratie en voor de belangrijke rol die uw land in dit proces speelt. Uw bezoek ligt in de historische lijn van het bezoek dat uw vader, Groothertog Jean, bijna vijftien jaar geleden, op 22 november 1990, hier bracht.

Destijds telde de Europese Unie twaalf lidstaten en 340 miljoen burgers. Vandaag is het aantal landen ruim verdubbeld tot vijfentwintig en zijn er 455 miljoen Europeanen. Deze getallen laten zien hoever we zijn gekomen, dat wij in de tussentijd erin geslaagd zijn het continent te verenigen en dezelfde waarden te doen delen.

Uw land, Luxemburg, is altijd een trouw en toegewijd pleitbezorger geweest van de Europese integratie, en uw voorzitterschap laat eens te meer zien dat de zogenaamde “kleine” landen, klein in omvang maar met een grote geschiedenis, in staat zijn tot grote voorzitterschappen en aanvullende savoir faire weten te leveren voor de verdere integratie van de Gemeenschap. Dit is te danken aan het werk van verstandige politici, van de politici die zich voortdurend beschikbaar hebben gesteld voor dit Parlement.

Terugkijkend naar het verleden moeten wij bedenken dat de naam van uw land, Luxemburg, verbonden is aan belangrijke momenten in de Europese geschiedenis. Ik denk bijvoorbeeld aan het “compromis van Luxemburg” van 1966, waarmee Frankrijk kon worden bewogen terug te keren tot de EG-tafel. Dat was een groots moment in de geschiedenis van Europa, en het draagt de naam van uw land. Vandaag, nu driekwart van uw mandaat erop zit, is het Luxemburgs voorzitterschap al een groot succes te noemen, en ik ben er zeker van dat dit in de resterende tijd van uw voorzitterschap nog sterker zal gaan gelden.

(Applaus)

Sire, de regering van uw land heeft tijdens haar voorzitterschap van de Unie een akkoord bereikt over het Stabiliteitspact, waarbij de grondbeginselen ervan intact werden gelaten. Ook heeft het de Strategie van Lissabon bijgesteld, en nog maar onlangs hebben we in Luxemburg de toetredingsverdragen ondertekend met Roemenië en Bulgarije, ook al valt niet te ontkennen dat het heetste hangijzer, de financiële vooruitzichten voor 2007-2013, nog onafgedaan is. Laten wij erop vertrouwen dat de inspanningen van het Luxemburgs voorzitterschap een goed resultaat zullen opleveren.

Monseigneur, sinds uw aantreden als groothertog in oktober 2000 hebt u zich altijd betrokken getoond met alle inwoners van uw land, in het bijzonder door een goede integratie van de verschillende nationaliteiten die er leven te waarborgen en iedere vorm van sociale uitsluiting te voorkomen. Wij weten dat u daarin gesteund wordt door uw echtgenote, Groothertogin María Teresa, en het is ons een eer ook haar hier vandaag te mogen ontvangen.

(Applaus)

Gezamenlijk zet u de verbondenheid tussen uw familie en uw volk voort en gaat u verder op de weg die uw vader is ingeslagen, een weg waarop traditie en moderniteit samenkomen. Misschien is dat wel de beste samenvatting van waar Luxemburg vandaag de dag voor staat: de beste combinatie van traditie en moderniteit die ooit door mensen tot stand is gebracht.

Sire, het woord is aan u.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Henri van Luxemburg, Z.K.H. Groothertog Henri van Luxemburg. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, vijftien jaar geleden, in 1990, aan de vooravond van een Luxemburgs voorzitterschap, had mijn vader, Groothertog Jan, het voorrecht het woord te mogen voeren in deze excellente Vergadering. Sommigen van u hadden toen al zitting in het Europees Parlement. Hen zou ik in het bijzonder willen bedanken voor het feit dat ze zich al zo lang inzetten voor Europa.

Mijnheer de Voorzitter, de vriendelijke woorden die u zojuist gewijd hebt aan mijn land, hebben me diep ontroerd. Mede namens de Groothertogin, en tevens namens allen die ons vergezellen tijdens dit bezoek, wil ik u hartelijk bedanken voor de warmte en vriendelijkheid waarmee wij hier ontvangen zijn.

Wat een veranderingen, om niet te zeggen aardverschuivingen, in de periode tussen 1990 en 2005, ook in deze geweldige stad Straatsburg! Het nieuwe, prachtige gebouw waar we nu bijeen zijn en het grote aantal zitplaatsen in deze vergaderzaal weerspiegelen de historische veranderingen die zich in ons continent hebben voltrokken. Hoe hoopvol waren sommigen niet gestemd, en hoe ongerust waren anderen niet, over de grote uitdagingen waarvoor we ons gesteld zagen na de val van het communisme en de hereniging van ons continent! Is dit niet het moment om terug te blikken op de weg die we sindsdien hebben afgelegd en daarbij nog eens stil te staan bij de geweldige successen die we behaald hebben?

Feit blijft verder dat we de afgelopen maanden, met de plechtigheden in verband met de herdenking van het einde van het oorlogsgeweld zestig jaar geleden, nadrukkelijk herinnerd zijn aan datgene wat de aanzet is geweest tot onze onderneming: de wens oorlog op ons continent voorgoed uit te bannen.

Net zoals u, mijnheer de Voorzitter, was ik in Auschwitz, waar wij met een groot aantal staatshoofden en regeringsleiders in stilte geweend hebben bij de gedachte aan de miljoenen onschuldige slachtoffers die in de meest afschuwelijke omstandigheden verdwenen of verminkt zijn. Aanwezig die dag waren ook, en dat is een feit van grote betekenis, de leiders van de fracties in dit Parlement.

De plicht de herinnering levend te houden bracht ons bij elkaar die dag, en die plicht moet voor ons een inspiratie zijn om met hernieuwde aandacht en inzet verder te gaan met ons werk ten dienste van de Europese integratie, omdat dit nooit meer mag gebeuren. Tegen die achtergrond wil ik u zeggen dat het me een waar genoegen is hier vandaag ten overstaan van u enkele ideeën te mogen ontvouwen, die uiteraard het kader van het programma van ons voorzitterschap overstijgen.

Mijnheer de Voorzitter, mijn bespiegelingen zou ik willen beginnen met een realistische terugblik op hetgeen we bereikt hebben. Eenieder die de weg in ogenschouw neemt die wij de afgelopen vijftien jaar afgelegd hebben, zal erkennen dat die weg geplaveid is met talloze prachtige successen; sommigen zullen zelfs het woord “spectaculair” in de mond nemen. Europa staat er vandaag de dag beter voor, omdat we ons verenigd hebben rondom gemeenschappelijke waarden, waarden die we in de wereld om ons heen ook weten te bevorderen. Samen zijn we erin geslaagd het gevaar af te wenden van een Unie die verwordt tot een simpele vrijhandelszone. Na de hereniging van Duitsland, die tot stand kwam in de context van de Europese Akte, waaraan weer een andere - zeer geslaagde - uitbreiding naar het zuiden vooraf was gegaan, hebben we tezamen, in moeilijke omstandigheden, een eenheidsmunt gecreëerd die vandaag de dag respect en bewondering afdwingt.

Onze Unie is in staat geweest haar grenzen in het oosten te verleggen. Ontroerd was ik, als ik dat hier zo mag zeggen, toen kort geleden in Luxemburg de hoogste vertegenwoordigers van Bulgarije en Roemenië op hun beurt overgingen tot ondertekening van de toetredingsakte van hun land. Europa heeft hiermee invulling weten te geven aan de legitieme aspiraties van deze volkeren, die zo veel te lijden hebben gehad van een ideologie die hun veertig jaar lang de meest elementaire rechten onthield.

(Applaus)

Wij hebben onze interne grenzen afgeschaft, waarmee voor 450 miljoen burgers een unieke ruimte van vrijheid en veiligheid is ontstaan.

Overeenkomstig hun bondgenootschapsverplichtingen zijn sommige lidstaten zelfstandig in actie gekomen in de Democratische Republiek Congo (DRC). Onze troepen hebben de NAVO afgelost in Bosnië-Herzegovina, en in Afghanistan speelt Europa een cruciale rol bij de transformatie van het land tot een ware democratie.

In de context van de globalisering hebben wij er voortdurend voor geijverd van Europa een centrum van uitmuntendheid te maken, om het hoofd te bieden aan de economische supermachten Amerika, Japan, China, India en Brazilië. Tegelijkertijd hebben we van de slogan “eenheid maakt macht” ons leidend beginsel gemaakt bij ons optreden op het wereldtoneel, waar wij een geloofwaardige boodschap uitdragen als het gaat om democratie en solidariteit jegens de ontwikkelingslanden. Tot slot zou ik nog willen wijzen op de geweldige vooruitgang die we geboekt hebben op het gebied van de voedselveiligheid. Er zijn lange, moeizame onderhandelingen voor nodig geweest, maar voor de gezondheid van de levensmiddelen voor 450 miljoen consumenten zullen overal dezelfde normen gaan gelden.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, u begrijpt dat ik nog wel even zou kunnen doorgaan met het noemen van voorbeelden. Ik zou, als ik zo vrij mag zijn, in ieder geval nog willen opmerken dat de rol van het Europees Parlement bij het behalen van deze successen in veel opzichten van doorslaggevende betekenis is geweest. Die rol was soms initiërend, soms prikkelend van aard, en uw Parlement heeft er een excellente positie mee verworven binnen het institutionele bestel van onze Unie. Daarmee heeft het Parlement zich een uitspraak eigen gemaakt die Jean Monnet indertijd heeft gedaan, ik citeer: “De enige keuze die we hebben, is een keuze tussen veranderingen waartoe we gedwongen worden en veranderingen die we weten af te dwingen en te verwezenlijken”.

We hebben dus veel grote successen behaald, en u als Europese afgevaardigden komt daarvoor alle eer toe, maar we moeten wel de realiteit van dit moment onder ogen durven zien, en die is dat onder veel van onze medeburgers, en met name onder de jongeren, een gevoel van onvrede heerst als het gaat om het Europese project. Tegelijkertijd zien we bij de nieuwe leden juist veel frisse energie en enthousiasme, blij als ze zijn om deel te mogen uitmaken van deze grote familie.

Eigenbelang lijkt steeds meer het elan van de founding fathers van Europa te overschaduwen. De debatten die op dit moment gevoerd worden in de lidstaten over de ratificatie van het Grondwettelijk Verdrag spreken boekdelen wat dit betreft. Veel van degenen die zich mengen in het debat lijken het gevoel te hebben buitengesloten te worden bij de grote uitdagingen van het integratieproces. Ze geven aan teleurgesteld te zijn in bestuurders en politici. Een geloofwaardig alternatief ontbreekt evenwel; tot nu toe heeft niemand een ander model kunnen presenteren.

(Applaus)

Het staat buiten kijf dat het vertrouwen in de Europese constructie aangetast is. Een scherpzinnig commentator verwoordde het zo: “Alles waarop we ons in de periode na de oorlog baseerden - verzoening, solidariteit tegenover het communistische gevaar, heropbouw - is louter versiering geworden”. Negativisme alom dus, en met onze democratische structuren lijken we vaak vast te lopen en onmacht uit te stralen.

Hoe vallen deze twijfels, deze verwarring, deze negatieve oordelen te verklaren? Sommige filosofen, onder wie de Fransman Marcel Gauchet, zoeken de oorzaak in de tijd waarin we leven, het huidige tijdsgewricht van gigantische omwentelingen.

Als veranderingen zich over een langere periode uitstrekken, zoals dat het geval was in de jaren zeventig en tachtig, kost aanpassing niet al te veel moeite. Leiden veranderingen tot een radicale breuk met traditionele zekerheden, zoals we thans in het bijzonder zien met betrekking tot de globalisering, dan wordt het echter heel wat anders! Dan moet het wegvallen van zekerheden verwerkt worden, moeten nieuwe bakens uitgezet worden en moeten weer de nodige instrumenten opgebouwd worden - kortom, dan moet er gewerkt worden aan een nieuw perspectief, een nieuwe visie.

Ik zou in dit verband een uitspraak van Michel Rocard willen citeren: “Een van de drama’s van Europa is dat het er niet aan kan ontkomen zich bezig te houden met financiële aangelegenheden”. In navolging van de voormalige Franse premier moeten we erkennen dat het een trieste zaak is dat het in de Unie altijd lijkt te gaan om geld, kapitaal, investeringen, normen en subsidies. Het valt te begrijpen dat onze burgers, en met name de jongeren, daarvoor bepaald niet warm lopen.

Toegegeven, het gaat hier om heel belangrijke zaken, maar het is uiterst saaie materie waarvan niemand echt warm of koud wordt. We moeten ons realiseren dat het hele proces van de Europese eenwording, vanaf het allereerste begin, niet mogelijk was geweest als aan alle kennis en kunde geen visie, geen passie gekoppeld was geweest.

Nu, op het moment waarop het grote Europa vorm krijgt, is mijns inziens de tijd gekomen om ons wederom die fundamentele vraag te stellen, die vraag die we ons altijd moeten blijven stellen: waarom willen wij met elkaar samenleven en ons lot geheel of gedeeltelijk samen bepalen?

Het antwoord op die vraag is bepaald niet vanzelfsprekend. We hebben het hier over 450 miljoen mensen, met al hun zwakheden en passies, 450 miljoen mensen die allemaal hun eigen keuzes maken en hun eigen ambities hebben, maar die vooral ook over geweldig veel energie en buitengewone capaciteiten beschikken. Al die mensen worden geacht eenzelfde historische lotsbestemming te delen op een en hetzelfde grondgebied: ons Europa.

Het Europese project kan enkel handen en voeten gegeven worden op basis van volken en naties, waarin zich onze grote diversiteit weerspiegelt. Elke natie vertegenwoordigt een deel van ons grondgebied, met zijn eigen schoonheid en rijkdom, maar ook met zijn eigen littekens, die voor altijd in ons geheugen gegrift staan.

Wanneer het erom gaat te bepalen wat we moeten behouden en wat we als verouderd kunnen beschouwen, moet onze Unie in de eerste plaats de erfenis uit het verleden zien te verenigen met de uitdagingen van de toekomst. Zij moet zichzelf, dat wil zeggen de manier waarop zij het proces van vooruitgang en opbouw gestalte geeft, nu tot uitgangspunt nemen om haar legitimiteit te creëren.

De vraag is: hoe kunnen we, in de strijd met de machtige centra van ontwikkeling in de wereld, het gevaar afwenden van een teruggang die geen van onze landen afzonderlijk kan tegengaan? En, belangrijker nog: hoe kunnen we op basis van solidariteit de voorwaarden scheppen voor een nieuw elan? Vanuit dat perspectief zou de renaissance van Europa, de herstart die we als onze gezamenlijke ambitie moeten beschouwen, het samenlevingsproject moeten zijn voor de generaties die op het punt staan de fakkel van ons over te nemen.

Willen we onze burgers kunnen overtuigen, dan zullen we ons moeten realiseren dat het welzijn en de welvaart van een volk niet enkel uitgedrukt kunnen worden in BBP. Laten we er ook voor waken een Europa op te bouwen waar sommigen baat bij hebben maar waar tegelijkertijd sprake is van sociale uitsluiting, geweld, in welke vorm dan ook, werkloosheid en desinteresse als het gaat om de bescherming van ons milieu.

Laten we verder niet vergeten dat zelfs de mooiste groeicijfers nauwelijks iets betekenen als ze niet vertaald worden in een betere toegang tot zulke fundamentele zaken als onderwijs, cultuur, gezondheid, sociale rechtvaardigheid en vooral werk!

(Applaus)

De beste manier om dat samenlevingsproject vorm te geven is en blijft het democratisch debat. Dat debat mag uiteraard niet beperkt blijven tot dit Parlement, zoals u zelf overigens ook met veel nadruk hebt aangegeven in uw resolutie over het verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.

Zoals u daar hebt neergeschreven is het zaak om, in samenwerking met de maatschappelijke organisaties en de gehele samenleving, de actieve betrokkenheid van de burgers bij de discussies over de ratificatie te bevorderen. Het doet me deugd te zien dat uw oproep geen dode letter is gebleven. Sterker nog, niemand zal kunnen ontkennen dat de debatten ronduit levendig zijn, al komt er bij de stellingen die verdedigd worden en de opties die naar voren worden gebracht soms wel wat veel demagogie om de hoek kijken, als het al geen onwaarheid is die verkondigd wordt.

(Applaus)

Ik kan alleen maar hopen dat u, leden van deze excellente Vergadering, zich met hart en ziel inzet voor deze zaak en dat u zich allen, ongeacht uw politieke voorkeur, schaart achter een en dezelfde ambitie: ervoor zorgen dat Europa zijn eigen lot in handen neemt. Mag ik u in dit verband herinneren aan hetgeen mijn vader u in 1990 voorhield: “U bent de gekozen vertegenwoordigers van onze landen. Zorgt u ervoor dat u alle scheppende kracht, al het scheppend vermogen mobiliseert en achter u krijgt”.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als we met elkaar willen samenleven, zullen we elkaar beter moeten leren begrijpen. Daarvoor is het nodig dat we ons openstellen voor hetgeen ons van elkaar onderscheidt.

Het Luxemburgse volk is er vanwege zijn sociologische kenmerken in zekere zin toe veroordeeld open te staan voor de ander. Dat geldt ook voor onze welvaart. De afgelopen 25 jaar heb ik talloze reizen gemaakt en alle continenten bezocht, en ik heb al snel ingezien dat het Groothertogdom als zodanig te weinig aantrekkingskracht heeft voor potentiële investeerders.

Echter, het feit dat mijn land, hoe bescheiden ook qua omvang, midden in de Unie gelegen is en stevig verankerd is in dit bijzondere forum heeft vaak een doorslaggevende rol gespeeld bij onze inspanningen tot modernisering en diversifiëring van onze economie.

Voor Luxemburg is en blijft de keuze voor Europa derhalve een vanzelfsprekende zaak. De geschiedenis heeft ons geleerd dat het voortbestaan van onze natie als geïsoleerd land op ieder moment op losse schroeven kan komen te staan. Onze natie had simpelweg al verdwenen kunnen zijn. Wij zijn ons daarvan bewust, en wij weten wat het betekent een van de grondleggers te zijn van de Europese eenwording.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ter afsluiting zou ik u een gedachte van Milan Kundera willen voorhouden, een gedachte die hij korte tijd na de val van het communisme uitgesproken heeft: “Ik heb vaak het gevoel dat achter de Europese cultuur die we kennen een andere cultuur schuilgaat, een cultuur die we niet kennen: de cultuur van de kleine naties. (…) Vaak wordt ervan uitgegaan dat de kleine landen niet anders kunnen dan de grote landen imiteren. Dat is een illusie. De kleine naties zijn volstrekt anders. (…) Het Europa van de kleine landen is een ander Europa, een Europa dat op een andere manier de wereld tegemoet treedt en met die andere manier van denken een waar tegenwicht vormt voor het Europa van de groten”.

(Applaus)

Dat was óók mijn streven vandaag: u te wijzen op dit specifieke aspect. Ik dank u hartelijk voor uw aandacht.

(De leden geven Zijne Koninklijke Hoogheid Groothertog Henri van Luxemburg een staande ovatie)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Sire, namens het Europees Parlement wil ik u hartelijk bedanken voor uw toespraak, waaruit is gebleken hoezeer u op de hoogte bent van onze politieke integratie, waarvan uw land steeds een vooraanstaande speler en getuige is geweest.

Uw woorden vormen eveneens een aanmoediging voor al het werk van deze instelling. Rest mij alleen nog u en uw echtgenote een aangenaam verblijf in Straatsburg toe te wensen voor de rest van uw bezoek aan ons.

(Applaus)

(De plechtige vergadering wordt om 12.30 uur gesloten)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER ONESTA
Ondervoorzitter

 

13. Stemverklaringen
  

- Verslag-Berès (A6-0094/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) Ik heb om tweeërlei redenen voor dit verslag gestemd. Ten eerste omdat de benoeming heeft plaatsgevonden overeenkomstig de vigerende regelgeving, waardoor de participatie van de lidstaten aan het proces naar behoren gewaarborgd is, en ten tweede omdat het Europees Parlement zich gunstig heeft uitgesproken over de gekozen kandidaat.

 
  
  

- Verslag-Wojciechowski (A6-0096/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Goudin, Lundgren en Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. - (SV) Wij zijn tegen het huidige gemeenschappelijk landbouwbeleid en verzetten ons tegen veranderingen die principieel gezien van futiele betekenis zijn binnen het vigerende stelsel. Wij eisen een totale herziening en heroverweging van het hele gemeenschappelijk landbouwbeleid, en in dat verband is het moeilijk om er afzonderlijke gebieden uit te halen, zoals het thema waarover nu gestemd gaat worden.

Wij vinden dat de contingentenstelsel voor aardappelzetmeel, waarover nu gestemd gaat worden, absoluut niet moet worden verlengd, maar dat de EU veeleer alle soorten contingentenstelsels op landbouwgebied moet afschaffen.

 
  
  

- Verslag-Zappalà (A6-0119/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Vandaag is hier het gemeenschappelijk standpunt aangenomen over het voorstel voor een richtlijn dat de Europese Commissie in 2002 heeft ingediend. Tijdens de lange weg die wij sindsdien hebben afgelegd, zijn er in de tekst verschillende elementen opgenomen die niet in het oorspronkelijke voorstel vervat waren.

De huidige versie heeft betrekking op tal van situaties, waaronder arbeid in loondienst en vrije beroepen, tijdelijke dienstverlening en de zogenaamde "gereglementeerde" beroepen (artsen, verplegers, architecten, enzovoorts), al worden zij vanuit verschillende perspectieven benaderd.

Er is tevens een reeks amendementen opgenomen waarin de rol van beroepsorganisaties met betrekking tot de erkenning van beroepskwalificaties wordt gedefinieerd en de oprichting van één comité voor erkenning wordt bepleit. Verder wordt in de amendementen ook geëist dat de verschillende beroepen in het nieuwe orgaan vertegenwoordigd zijn en dat er een individuele beroepslegitimatie, met informatie over het beroepsverloop van de betrokkene, wordt ingesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Goudin, Lundgren en Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. - (SV) Wij steunen structuren en regels die discriminatie op de arbeidsmarkt van burgers uit andere landen verhinderen. Wij zijn warme voorstanders van een flexibele en open interne markt in de EU. Wij vinden echter dat de afzonderlijke lidstaten moeten beoordelen welke beroepskwalificaties wederzijds erkend moeten worden. De richtlijn houdt helaas geen rekening met nationale omstandigheden en behoeften. De onderwijsstelsels variëren van lidstaat tot lidstaat, en daarom is het moeilijk om alle beroepskwalificaties wederzijds te erkennen. Wij steunen het amendement waarin wordt bepleit dat de richtlijn niet moet gelden voor notarissen die bevoegdheden van openbaar gezag uitoefenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lambsdorff, Weiler en Wuermeling (PPE-DE), schriftelijk. - (DE) De richtlijn biedt nog geen bevredigende oplossing voor een bepaald probleem met Duitse beroepskwalificaties. Nu het Duitse recht is gewijzigd, zal de richtlijn ertoe leiden dat Duitse gezellen en meesters op hetzelfde kwalificatieniveau worden ingedeeld, hoewel meesters nog een extra, meerjarige opleiding van hoog niveau moeten hebben afgesloten.

Een hogere indeling kan echter naderhand nog worden verwezenlijkt door opname van beroepen in bijlage II van de richtlijn. We hebben ingestemd met het compromis in de verwachting dat het in dezen bevoegde "comité voor de erkenning van beroepskwalificaties" (artikel 58 van de richtlijn) een verzoek van die strekking nog tijdens de omzettingstermijn inwilligt.

 
  
MPphoto
 
 

  Marine Le Pen (NI), schriftelijk. - (FR) De erkenning van beroepskwalificaties in de Unie zou een stap vooruit zijn, ware het niet dat deze onderdeel is van een bredere strategie die tot doel heeft de nationale grenzen af te schaffen. Deze worden alleen maar beschouwd als obstakels voor het vrije verkeer van goederen en personen. Zo wordt een zwervend bestaan tot communautaire waarde opgewaardeerd, in die zin dat geografische en beroepsmobiliteit hier uitgeroepen wordt tot het allerhoogste goed voor de moderne Europeaan.

Het stelsel voor de erkenning van kwalificaties zal aangepast moeten worden aan de eventuele veranderingen op de arbeidsmarkt of in het onderwijs, overeenkomstig het ultraliberale denken dat de boventoon voert in de Europese instellingen. Daartoe heeft de Commissie een wel heel bijzonder sociaal beleid uitgewerkt, dat kwalificatie en mobiliteit van werknemers stimuleert op basis van minimale voorwaarden inzake scholing, omdat daarmee, zo is de gedachte, het vermogen tot aanpassing aan de arbeidsmarkten vergroot kan worden.

Anderzijds hebben regelgevende instanties en beroepsorganisaties op tal van punten hun zorgen uitgesproken over de toekomst van bepaalde beroepen en de kwaliteit van de opleidingen in de verschillende landen, met name in de zorg.

Tot slot merk ik op dat de richtlijn inzake de erkenning van beroepskwalificaties een logisch uitvloeisel is van de richtlijn inzake de liberalisering van de diensten. De richtlijn-Bolkestein is dus actueler dan ooit!

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Wij hebben een richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties nodig die de vrijheid van vestiging en de vrije dienstverlening op de interne markt kan garanderen zonder te discrimineren op grond van het beroepskwalificatieniveau. Dat principe staat niet ter discussie. We mogen deze zaak niet verwarren met de kwestie van de welbekende Bolkestein-richtlijn, die tot doel heeft een echte interne markt voor diensten te creëren. Daarover zullen we hier de komende maanden nog debatteren, om ervoor te zorgen dat daarin de wijzigingen worden aangebracht die wij nodig achten.

Wat betreft de amendementen die ons zijn voorgelegd in het kader van de ontwerpaanbeveling voor de tweede lezing, deel ik de zorgen van de ambachtslieden in mijn land, die bevreesd zijn voor een versoepeling van de eisen voor vestiging op het punt van beroepskwalificaties, hetgeen in strijd zou zijn met de Strategie van Lissabon. Daarin wordt immers nadrukkelijk gewezen op het belang van scholing. Het is een goede zaak te ijveren voor de totstandbrenging van een echte interne markt, maar dat mag onder geen beding leiden tot een nivellering in neerwaartse zin. Het is in het welbegrepen belang van zowel ondernemingen als consumenten dat de kwaliteit van producten en diensten gegarandeerd is. Daarom heb ik steun gegeven aan de amendementen die erop gericht zijn de rechtszekerheid voor de economische actoren te vergroten.

 
  
  

- Verslag-Herranz García (A6-0121/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Wij hebben voor dit verslag gestemd omdat gepleit wordt voor een betere werking van de producentenorganisaties, voor de invoering van een systeem voor crisisbeheer en voor meer reclamecampagnes voor groenten en fruit, met name ook voor lokale groente- en fruitsoorten, temeer daar de consumptie van groenten en fruit bijdraagt aan de volksgezondheid.

Ik ben het met de rapporteur eens dat wij de oprichting van producentenorganisaties moeten bevorderen in gebieden waar weinig samenwerkingsverbanden bestaan, zoals in Portugal het geval is. Bovendien ga ik ermee akkoord dat de rechtszekerheid voor de producentenorganisaties moet worden gewaarborgd, en dat de controleprocedures moeten worden vereenvoudigd door het vaststellen van homogene criteria voor de uitvoering van de bedoelde controles door de verschillende nationale en communautaire instanties op de operationele programma's.

Een ander positief punt is dat met betrekking tot crisisbeheer gepleit wordt "voor de invoering van een efficiënt systeem voor het beheer van marktcrises ter bescherming van de sector tegen sterke prijsdalingen". In de praktijk lijkt het mij wenselijk dat de zogeheten "zekerheidskas", waaraan in het verslag wordt gerefereerd, uitsluitend gefinancierd wordt met geld van de Europese Unie. Dat is immers de meest rechtvaardige manier om de huidige situatie te doorbreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Goudin, Lundgren en Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. - (SV) Met dit verslag wordt gestreefd naar de vereenvoudiging van de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit. De bestaande structuren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden echter gehandhaafd. Daarom kunnen we het verslag niet steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) Ik hoef hier niet te vertellen dat de landbouw voor Portugal van vitaal belang is. Ons land moet dan ook alles in het werk stellen om zijn landbouw te beschermen. Het gaat hier immers niet om de specifieke belangen van een bepaalde beroepssector, maar om een zaak van nationaal belang. Aangezien het voorstel van het Europees Parlement tegemoetkomt aan de belangen van de producentenorganisaties, en in een adequate steunregeling voor verwerkte producten voorziet, heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
  

- Verslag-Cercas (A6-0105/2005)

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Muscat (PSE). - (MT) Ik heb tegen het schrappen van de opt-outmogelijkheid gestemd, waardoor een individuele arbeider om praktische redenen meer dan acht uur per week mag overwerken, en mijn afwijzing is in overeenstemming met de behoeften van de arbeiders en de Maltese industrie. Hierover bestaat consensus tussen alle sociale partners in ons land.

Ik ben voorstander van het beperken van de arbeidstijd en het creëren van een beter evenwicht tussen beroeps- en gezinsleven. U moet echter begrijpen dat er in ons land geen huurmarkt bestaat, terwijl grond schaars is en erg duur. Om ergens te kunnen wonen moet elk kerngezin, met name als het jonge mensen betreft, duizenden ponden lenen. Zij leggen zich voor vele jaren vast en betalen enorme sommen geld, een groot deel van hun gehele inkomen inclusief overwerk, om het appartement of het huis waar ze wonen te betalen.

Een groot aantal van deze gezinnen bevindt zich in een situatie waarin het er niet om gaat wat zij willen maar wat de markt hen oplegt, waarin zij voor een aanzienlijk deel afhankelijk zijn van hun inkomen uit overwerk, niet vanwege lichtzinnige omgang met geld, maar om aan deze verplichtingen te voldoen. De gezinnen met lage inkomens zijn het kwetsbaarst.

Als wij beperkingen opleggen aan hun overwerk, helpen wij hen niet maar maken we het juist alleen maar zwaarder voor hen. En wie zal hun dan het geld geven dat ze nodig hebben? De Europese Unie? De sociaal-democratische partij had voor dit probleem gewaarschuwd, en wij zijn hier om daar een oplossing voor proberen te vinden. Ik ben alleen bang dat het tij tegenzit.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou willen uitleggen waarom ik niet volgens de partijlijn heb gestemd over de meeste amendementen op het verslag-Cercas. De reden is dat ik, na rekening gehouden te hebben met de informele bijeenkomsten met de grootste vakbonden in mijn land, tot de conclusie ben gekomen dat Malta niet in de economische positie verkeert om de richtlijn inzake de arbeidstijd uit te voeren.

Zoals mijn collega net in dit Parlement heeft uitgelegd, zijn de sociale klassen met de lagere inkomens alleen in staat om aan al hun verplichtingen te voldoen als hun inkomens met behulp van overwerk en andere toeslagen worden aangevuld.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlo Fatuzzo, (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik heb een steekproef genomen. Aan een aantal mensen die representatief zijn voor de twintig miljoen gepensioneerden - van wie een groot gedeelte in Italië op mij heeft gestemd, opdat ik hier in het Europees Parlement hun belangen behartig - heb ik gevraagd hoe ik moest stemmen over de kwestie van de arbeidstijdverkorting. Die mensen hebben mij geantwoord: “Sommigen willen dat wij ons hele leven aan het werk blijven, dat wij zoveel mogelijk jaren in een werkend bestaan slijten, zoveel mogelijk maanden, weken en dagen. Ze willen ons zoveel mogelijk uren per dag laten werken. En alsof dat nog niet genoeg is, willen ze ook dat wij zo weinig mogelijk pensioen innen, over zo min mogelijk jaren en maanden, zodat wij zo weinig mogelijk geld kunnen opstrijken. Aangezien de zaken er zo voor staan, rest ons alleen nog te hopen dat wij dan toch maar zo weinig mogelijk uren per werkdag hoeven te maken”. Dat is dus de reden waarom ik voor het verslag-Cercas heb gestemd en voor de amendementen waarmee de arbeidstijd wordt verkort.

 
  
MPphoto
 
 

  Allister (NI), schriftelijk. - (EN) Ik heb tegen de richtlijn inzake de arbeidstijd gestemd omdat individuele werknemers dan hun opt-outrecht zouden verliezen met betrekking tot de werkweek van maximaal 48 uur. Dit voorstel vormt een ontoelaatbare inmenging in de persoonlijke keuzevrijheid, en in de vrijheid in het algemeen. Het is typerend voor de Brusselse mentaliteit waarin elk aspect van ons sociaal-economische leven moet worden gedicteerd.

Helaas werd het amendement voor handhaving van de opt-outclausule verworpen, en dus werkt nu de rest van Europa samen om ons een richtlijn over arbeidstijd op te dringen die binnen het Verenigd Koninkrijk nauwelijks wordt gesteund. Dit is één van de onverdraaglijke nadelen van het EU-lidmaatschap en een duidelijke waarschuwing tegen de toenemende macht van Brussel die de nieuwe Grondwet ons zou brengen. Dat blijkt uit het sociaal-economische dogma dat in Deel III staat.

 
  
MPphoto
 
 

  Clark (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) De UKIP-leden van het Europees Parlement hebben tegen amendement 37 gestemd omdat de arbeidstijdrichtlijn reeds in werking is, en ook zal blijven. Daarom willen wij de slechtste kanten ervan verzachten. Op dit moment heeft zowel een individuele werknemer als een groep werknemers de mogelijkheid om te kiezen voor een opt-out met betrekking tot de 48-urige werkweek. Hiertoe moet dan een overeenkomst met de werkgever worden ondertekend. De Europese Commissie wil deze opt-out-mogelijkheden behouden, terwijl het verslag-Cercas ze opheft.

Amendement 37 stond te boek als “voorstel om het voorstel van de Commissie af te wijzen”. Door tegen dit amendement te stemmen wilde de UKIP de positie van de Commissie in ere herstellen, wat dus neerkomt op handhaving van de opt-out.

 
  
MPphoto
 
 

  De Keyser (PSE), schriftelijk. - (FR) In de context van de ratificatie van het Grondwettelijk Verdrag, waarvoor de linkse partijen een strijdvaardig “ja” moeten laten horen, beschouw ik de amendementen in het verslag-Cercas, waarmee we een wijziging van de richtlijn betreffende de arbeidstijd hebben weten af te dwingen, als een overwinning, gezien de enorme druk die is uitgeoefend door de rechtse partijen. Die overwinning mag ons evenwel niet de ogen doen sluiten voor het feit dat ook de tekst zoals die vandaag aangenomen is, in sociaal opzicht een achteruitgang inhoudt. Dat geldt met name voor de volgende zaken:

1) de opt-out blijft nog drie jaar behouden;

2) over de berekening van de arbeidstijd op jaarbasis zal niet meer onderhandeld worden door de sociale partners; dat betekent een teruggang op een cruciaal punt, namelijk de controle op de flexibiliteit;

3) de “niet-actieve” perioden (aanwezigheidsdiensten en dergelijke) worden weliswaar ook nu nog meegeteld in de berekening van de arbeidstijd, maar er komen uitzonderingen op basis waarvan het mogelijk wordt deze perioden op een specifieke wijze te berekenen.

In het Grondwettelijk Verdrag is een versterking van de sociale dialoog voorzien, maar deze richtlijn leidt juist tot een beperking daarvan. Bovendien raakt deze richtlijn aan een van de fundamentele verworvenheden die de strijd om sociale rechten van de vorige eeuw heeft opgeleverd: de verkorting van de arbeidsduur en de regeling van het aantal werkuren per dag. Daarom kon ik, ondanks mijn waardering voor de inspanningen van de heer Cercas en de socialistische fractie om tegenwicht te bieden aan de ultraliberale strekking van de richtlijn, niet anders dan me van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Rossa (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik onderschrijf het verslag-Cercas volledig en zie het als een zinvolle stap in de richting van een 48-urige werkweek in alle lidstaten vanaf 2010. De huidige opt-outclausules komen hiermee te vervallen. Ook zullen er nieuwe, strenge regels komen voor de manier waarop de “aanwezigheidsdienst” moet worden meegeteld in de 48-urige werkweek. De werktijd zal nog steeds worden berekend over een periode van vier maanden, maar in uitzonderingsgevallen kan dit ook twaalf maanden zijn. Met behulp van collectieve onderhandelingen zal hier strak de hand aan worden gehouden.

Een goede regulering van de werktijd is één van de hoekstenen van een sociaal Europa. Op die manier worden werk en gezinsleven met elkaar verzoend en er wordt een belangrijk gezondheids- en veiligheidsrisico aangepakt.

Het is volledig verkeerd dat er een opt-outmogelijkheid bestaat met betrekking tot gezondheids- en veiligheidswetgeving, en het is belangrijk dat daar zo snel mogelijk een einde aan komt. Het grootste risico is dat deze opt-out wordt uitgebreid naar alle lidstaten, waardoor regulering van de arbeidstijd overbodig zou worden, en er een race naar de bodem ontstaat.

De invoerdatum in 2010 geeft beide kampen in het bedrijfsleven de tijd om over nieuwe overeenkomsten te onderhandelen die de 48-urige werkweek in acht nemen. Het Europees Verbond van Vakverenigingen (EVV) ondersteunt het verslag volledig en ziet het als een eerlijke zaak tegenover de werknemers in de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  De Vits (PSE), schriftelijk. - Ik heb mij onthouden bij de stemming over het rapport-Cercas over de herziening van de arbeidstijdrichtlijn. Ook de goedgekeurde compromistekst kan niet als vooruitgang voor het sociale Europa bezien worden. Wij zullen zeer waakzaam moeten blijven om sociale verworvenheden in stand te houden.

1) Het uitgangspunt van de richtlijn is flexibiliteit, niet de gezondheid en de veiligheid van de werknemers.

2) Ook al komt er op termijn (3 jaar) een einde aan de "opt-out" die lidstaten toestaat van de bepalingen in verband met de arbeidstijd af te wijken, belet dit de lidstaten die dit wensen niet om gedurende 3 jaar de arbeidstijd via individuele contracten te bepalen en zo sociale garanties van onderhandelde akkoorden te omzeilen.

3) De annualisering van werktijd kan ook via wetgeving worden doorgevoerd. Hierdoor wordt een exclusief recht voor het sociaal overleg doorbroken.

4) Het EP omschrijft dan wel de waaktijd (aanwezigheidsdienst) als werktijd; maar het inactieve deel van de waaktijd kan wel op een "specifieke wijze" berekend worden (via CAO of wettelijke regeling), zonder dat er garanties zijn voor de betrokken werknemers.

Bovendien dreigt de opdeling tussen actieve en inactieve waakperiode zich ook naar andere sectoren uit te breiden.

 
  
MPphoto
 
 

  Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Ik vind het een goede zaak dat de plenaire vergadering van het Europees Parlement het voorstel van de Commissie voor de nieuwe richtlijn betreffende de organisatie van de arbeidstijd grotendeels verworpen heeft, aangezien wij hier te maken hebben met een van de gevaarlijkste aanvallen op de rechten van de werknemers. Immers, het voorstel brengt verworvenheden in het gedrang die na een strijd van meer dan honderd jaar zijn opgebouwd en het treft miljoenen werknemers en hun gezinnen.

Het verheugt ons dat de opt-out zal worden afgeschaft binnen een termijn van drie jaar na aanneming van een nieuwe richtlijn, waaraan wij hebben bijgedragen.

Het stelt ons evenwel teleur dat is ingestemd met een indeling van niet-actieve aanwezigheidstijden, en dat de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie met voeten wordt getreden. Op die manier wordt de weg geopend naar een verdere deregulering van de arbeidsvoorwaarden en zal het nog moeilijker worden om beroeps- en gezinsleven te combineren en de gezondheid en de veiligheid van de werknemers te beschermen. Bovendien wordt ook voorzien in de mogelijkheid om de arbeidstijd op jaarbasis te berekenen. Daarom hebben wij tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Goudin, Lundgren en Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. - (SV) Wij vinden zuiver principieel dat de EU niet moet beslissen over de arbeidstijden van de lidstaten. Dat is een kwestie voor de parlementen en de sociale partners van elke afzonderlijke lidstaat. We hebben besloten de amendementen te steunen die ruimte bieden voor meer nationaal zelfbeschikkingsrecht, maar we stemmen tegen de resolutie in haar geheel.

 
  
MPphoto
 
 

  Grech (PSE), schriftelijk. - (EN) In principe ben ik het eens met de meeste standpunten en argumenten die in dit verslag staan. In Malta moeten veel werknemers echter lange dagen maken om financieel rond te komen, of om aan andere verplichtingen te voldoen.

Op bepaalde terreinen is de richtlijn inflexibel. Zij zou onaangename gevolgen kunnen hebben voor onze kleine eilandeconomie en voor al degenen die daarbij betrokken zijn.

De uitvoering van dit verslag zou schade kunnen toebrengen aan onze pogingen om banen te behouden, en mogelijkerwijs banen te creëren, zonder dat het sociale model wordt uitgehold.

Van levensbelang voor het welzijn van de Maltese bevolking zijn aan de ene kant de keuzevrijheid voor werknemers en een sterk concurrentievermogen, en aan de andere kant veiligheid en een goede gezondheidszorg voor de bevolking. Het is niet mogelijk om het één in te ruilen voor het ander.

Daarom is het voor Malta van het allergrootste belang dat de individuele mens de mogelijkheid voor een opt-out blijft behouden.

Dit standpunt heeft een breed draagvlak op Malta, ook onder de vakbonden.

Een representatief deel van onze bevolking vindt het verslag niet gunstig voor Malta. Daarom denk ik dat het voor mij nog niet opportuun is om voor dit verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Howitt (PSE), schriftelijk. - (EN) Mijn eigen regio, het oosten van Engeland, gaat gebukt onder de langste werkweken van het Verenigd Koninkrijk. Eén op de tien mensen in de transportsector werkt meer dan 60 uur per week, hetzelfde percentage fabrieksarbeiders werkt meer dan 56 uur per week, bij geschoolde vakkrachten is dit meer dan 53 uur en bij bouwvakkers en magazijnmedewerkers meer dan 50 uur. Net zoals het een goede zaak was om een minimumloon in te voeren voor de bestrijding van hongerlonen, is nu de tijd gekomen om een halt toe te roepen aan de buitensporige arbeidstijden waarmee werknemers worden geïntimideerd en uitgebuit. Ze ondervinden extra stress, en andere gezondheidsproblemen, en hun gezinsleven lijdt er onder. Daarom ondersteun ik, met de nodige waarborgen, volledig de beëindiging van de Britse opt-out van de EU-regels inzake arbeidstijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lang (NI), schriftelijk. - (FR) In het verslag-Cercas - dat veel tekortkomingen kent maar waaraan de vertegenwoordigers van het Front National desondanks hun steun gegeven hebben - wordt aangedrongen op afschaffing van de opt-outbepaling, die de Europese Commissie wenst te behouden. Deze bepaling maakt het voor bepaalde lidstaten mogelijk de wettelijke wekelijkse arbeidstijd op te rekken tot meer dan 48 uur, hetgeen leidt tot meer sociale dumping in Europa. In een Europa zonder grenzen zouden de Franse bedrijven, die gebonden zijn aan een maximum van 35 uur, immers niet opgewassen zijn tegen hun concurrenten in de Europese landen waar deze opt-outregeling toegepast wordt.

Laten we ons echter geen illusies maken. De aanneming van het verslag van de heer Cercas is niet meer dan een etappe. Vandaag heeft het Europees Parlement in eerste lezing de Europese Commissie teruggefloten, enkel en alleen omdat veel afgevaardigden het oordeel van de Franse kiezers op 29 mei vrezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lienemann (PSE), schriftelijk. - (FR) Ik heb voor amendement 37 gestemd, waarin aangedrongen wordt op verwerping van deze ontwerprichtlijn, omdat daarin de negatieve punten van de oorspronkelijke wettekst, zoals de opt-outregeling, gehandhaafd zijn en omdat hiermee een begin gemaakt wordt met de afbraak van de arbeidstijdregelingen.

Onze rapporteur, de heer Cercas, heeft getracht duidelijk te maken dat het Europees Parlement de opt-outbepaling, die een reële bedreiging vormt voor de toekomst van het Europese sociale recht, binnen drie jaar afgeschaft wil zien. Ik denk dat we hem in dat streven moeten steunen. Ik kan daarentegen niet met hem meegaan als hij in ruil daarvoor voorstelt de berekening van het maximum van 48 uur op jaarbasis mogelijk te maken. Een berekening van de arbeidstijd op jaarbasis, waarop de werkgevers zo sterk aandringen, is onaanvaardbaar, zoals het ook onaanvaardbaar is dat de aanwezigheidstijden in beperktere mate in aanmerking genomen worden.

Dit compromis laat veel te wensen over en vormt in geen enkel opzicht de stap vooruit waarop we in de Europese Unie recht hebben. Sterker nog, in sommige opzichten betekent deze tekst zelfs een achteruitgang.

We staan pas aan het begin van de wetgevingsprocedure en de aanneming van het verslag-Cercas is niet meer dan een steunverklaring voor de inspanningen die moeten leiden tot het verdwijnen van de opt-outregeling. Wanneer we eenmaal in de eindfase van het proces van medebeslissing aanbeland zijn, zal ik echter geen steun geven aan een ontwerptekst die nog steeds gebaseerd is op 48 uur.

 
  
MPphoto
 
 

  Liotard (GUE/NGL), schriftelijk. - Het voorstel van de Europese commissie om de Arbeidstijdenrichtlijn te wijzigen betekent een reële verslechtering voor miljoenen werknemers in Europa De opt-out blijft, terwijl bewezen is dat dat leidt tot langere werkweken en een aanslag op de gezondheid van de werknemers Deze opt-out moet zo snel mogelijk, liefst al in 2008, van de baan. Het compromis van Cercas voor het beëindigen van de opt-out krijgt mijn steun Het verlengen van de referentieperiode van 4 maanden naar een jaar, met pieken van 65 uur per week, is een feodaal negentiende-eeuws fenomeen, of dat dachten we. Daarom moeten we vasthouden aan een referentieperiode van 4 maanden. Tot slot moet de uitspraak van het Europees Hof van Justitie op het punt van aanwezigheidsdiensten gevolgd worden

De Commissie komt eenzijdig tegemoet aan de wens van bedrijven om verder te flexibiliseren. In feite is de maximale 48-urige werkweek die we nu kennen al archaïsch. De actuele wekelijkse arbeidstijd is rond 40 uur en de grote meerderheid van de werknemers wil zelfs een kortere werkweek. Daarom pleit ik voor een Europese Arbeidstijden Standaard om te komen tot een verdere herverdeling van werk en een beter samengaan van arbeid, gezin, zorg en educatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Lulling (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Ik ben van mening dat de richtlijn uit 1993 betreffende de arbeidstijd gewijzigd moet worden om ervoor te zorgen dat we beter kunnen inspelen op de veranderingen in de wereld van vandaag. De richtlijn dient echter wel een hoog niveau van bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers te garanderen, het bedrijfsleven meer flexibiliteit te bieden bij het beheer van de arbeidstijd en bovendien de mogelijkheden voor het combineren van werk en gezin te verbeteren.

Dat lijkt een schier onmogelijke opgave. Naar mijn mening moet onze bijdrage erin bestaan een verlenging van de referentieperioden mogelijk te maken. Ik ben voorstander van een berekening op jaarbasis, omdat het daarmee mogelijk wordt fluctuaties in de vraag, met name seizoensgebonden fluctuaties, op te vangen en omdat ook de werknemers daar belang bij kunnen hebben.

Wat de kwestie van de aanwezigheidsdiensten betreft, had ik kunnen leven met het voorstel van de Commissie, waarin het subsidiariteitsbeginsel in acht genomen wordt. In dat voorstel staat immers dat de niet-actieve uren van de aanwezigheidstijden niet als arbeidstijd beschouwd worden, tenzij de nationale wetgeving of een collectieve overeenkomst anders bepaalt.

Tot slot ben ik van oordeel dat handhaving van de opt-outregeling onverenigbaar is met de doelstelling van de richtlijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Malmström (ALDE), schriftelijk. - (SV) Arbeidstijd is iets wat geschikt is voor nationale wetgeving en moet niet worden geregeld door de EU. Nu bestaat er echter al een richtlijn op EU-niveau die de arbeidstijd regelt, en het doel van de onderhavige richtlijn is het actualiseren van die bestaande richtlijn. De Zweedse liberale partij heeft daarom gestemd voor het optimaliseren van de afzonderlijke regels in de Arbeidstijdenrichtlijn. We hebben het subsidiariteitsbeginsel verdedigd, alsmede een flexibele arbeidsmarkt, waar tevens de gezondheid van de werknemers wordt beschermd.

Helaas is bij stemming een massa gedetailleerde regelingen toegevoegd, die volgens ons schadelijk kunnen zijn voor de kleine bedrijven in Europa. Daarom hebben we tegen het voorstel in zijn geheel gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Manders (ALDE), schriftelijk. - Naar aanleiding van de aanname van amendement 10 heeft de VVD-delegatie gemeend tégen het gewijzigde Commissievoorstel inzake de organisatie van de arbeidstijd te moeten stemmen. Het vanuit Europa voorschrijven dat de totale aanwezigheidsdienst, inclusief wacht- en slaapuren, als arbeidstijd beschouwd moet worden, getuigt volgens de VVD-delegatie van Brusselse bemoeienis. Dit zal het draagvlak voor Europa alleen maar verder doen afkalven, in tijden waarin versterking hiervan juist gewenst is.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin, David (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik zou mijn collega, de heer Cercas, willen feliciteren met zijn uitstekende verslag.

Hij heeft een bewonderenswaardig compromis gevonden tussen de eisen van een flexibele arbeidsmarkt en de bescherming van individuele werknemers tegen de schade die lange werkdagen kunnen toebrengen aan hun gezondheid, veiligheid en het evenwicht tussen werk en privé-leven.

Doordat de 48-urige werkweek op jaarbasis wordt berekend, zullen bedrijven in staat zijn om het hoofd te bieden aan seizoensgebonden schommelingen, plotselinge stijgingen in de vraag of crisissituaties.

De werknemer is over het hele jaar genomen verzekerd van redelijke uren.

De beëindiging van de individuele opt-out biedt bescherming aan die werknemers die bij de huidige richtlijn onder druk staan om hun rechten formeel op te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Mölzer (NI), schriftelijk. - (DE) We maken moeilijke tijden door, met stijgende werkloosheid en een kwakkelende economie. De maatregelen die in het verleden met succes zijn toegepast, bieden geen soelaas meer om de problemen van deze tijd aan te pakken.

De “normale arbeidsverhouding” wordt steeds minder de norm, en onze maatschappij wordt steeds flexibeler, hetgeen onder meer tot uiting komt in een nieuwe organisatie van de arbeidstijd, zoals deeltijdwerk of tijdspaarregelingen. Wie carrière wil maken, moet simpelweg flexibel zijn.

Tegelijkertijd zien we dat er in Europa steeds minder kinderen worden geboren. Het zou een rampzalige blunder zijn deze ontwikkeling te corrigeren door meer immigranten toe te laten. De verenigbaarheid van werk en gezin wordt het kardinale punt.

Door de combinatie van beroep en gezin lopen ouders vaak aan tegen de grenzen van hun belastbaarheid. Flexibele arbeidstijden kunnen voor ondernemingen en gezinnen profijtelijk zijn, maar dan moeten wij wel de randvoorwaarden, zoals kinderopvangvoorzieningen, aanpassen aan deze ontwikkeling. Als namelijk vaders en moeders met kleine kinderen zich gedeeltelijk uit het beroepsleven moeten terugtrekken, is het misschien al te laat.

 
  
MPphoto
 
 

  Moraes (PSE), schriftelijk. - (EN) Vandaag hebben de leden van de Labourpartij in het Europees Parlement (EPLP) gestemd voor de compromisvoorstellen over arbeidstijd, die afkomstig waren van de PSE- en PPE-DE-Fracties. Deze worden nu ter overweging voorgelegd aan de regeringen van de Europese Raad. Dit is in overeenstemming met ons stemgedrag in 2004 en ondersteunt het principe dat aan deze richtlijn ten grondslag ligt. Daarbij gaat het om de gezondheid en veiligheid van werknemers, het evenwicht tussen werk en gezinsleven en het verhogen van de productiviteit.

De EPLP begrijpt de aanpassingsmoeilijkheden van het Verenigd Koninkrijk en andere landen, maar dankzij een aantal flexibele bepalingen in het verslag, zoals de verlengde referentieperiode van 12 maanden, zijn deze moeilijkheden nu overwonnen.

Wij erkennen dat aanwezigheidsdienst hetzelfde is als arbeidstijd, zoals het Europees Hof van Justitie heeft bepaald in de zaak-SIMAP en -Jaeger. Deze zeer belangrijke arresten hebben gevolgen voor het stelsel van gezondheidszorg in het Verenigd Koninkrijk en de andere lidstaten. Maar omdat de lidstaten zelf dit deel van de arbeidstijd mogen berekenen, is het compromis dat we hebben bereikt flexibel genoeg.

De EPLP hoopt dat een ja-stem in het eerste stadium van het proces zal zorgen voor de aanneming van een verslag dat de gezondheid en veiligheid van de werknemers waarborgt en het evenwicht tussen werk en privé-leven tot een realiteit maakt, terwijl het toch de vereiste mate van flexibiliteit bevat.

 
  
MPphoto
 
 

  Queiró (PPE-DE), schriftelijk. - (PT) Het feit dat het stemgedrag van de leden van enerzijds de commissie die bevoegd is voor arbeidsgerelateerde kwesties en anderzijds de commissie die belast is met industriële zaken sterk uiteenliep, is op zich reeds symptomatisch voor het gebrek aan evenwicht in de versie die ter stemming is voorgelegd en in tal van amendementen.

Zelf heb ik vertrouwen in een model dat in de eerste plaats beantwoordt aan het subsidiariteitsbeginsel en de lidstaten voldoende armslag geeft om de regelgeving inzake arbeidstijd aan te passen aan hun eigen economische situatie. Zaak is immers dat rekening wordt gehouden met de economische realiteit en de specifieke behoeften van elk land op elk moment, uiteraard op voorwaarde dat de basisnormen gewaarborgd zijn, want dat is, met name in het geval van Portugal, een van de hoofdbeginselen van de nationale wetgeving.

Een al te strikte regelgeving inzake arbeidstijd heeft overigens negatieve gevolgen voor de economie, de industrie en de dienstensector, en derhalve ook voor de werknemers en de werkzoekenden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sinnott (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) Net als bij elk verslag dat met werk te maken heeft, heb ik ook in dit verslag over arbeidstijd gekeken of de grootste groep werkenden in Europa werd meegeteld: de huisvrouwen en -mannen. Dat is niet het geval.

Dit is bijzonder triest omdat een document dat het aantal uren behandelt dat iemand per week werkt, vooral op hen van toepassing is, meer dan op enige andere groep werkenden in de EU. We hadden voor wat betreft huisvrouwen en -mannen kunnen, en moeten, kijken naar zaken als “aanwezigheidsdienst”. Dit is meer dan een gemiste kans. Het is discriminatie en uitsluiting van mensen die lange, lange dagen werken, mensen die altijd aanwezigheidsdienst hebben.

Kunnen we besluiten om de situatie van deze zorgverleners te onderzoeken? Kunnen we hen opnemen in onze toekomstige aanbevelingen over werk, en een einde maken aan de discriminatie van deze belangrijke arbeidskrachten, die reeds zijn achtergesteld qua betaling?

 
  
MPphoto
 
 

  Szymański (UEN), schriftelijk. - (PL) Mijn standpunt wordt mij ingegeven door de overtuiging dat regulering van een zo belangrijk aspect van het sociaal en economisch leven van de lidstaten als de wekelijkse arbeidstijd niet op Europees niveau mag geschieden.

De arbeidstijd behoort tot de vraagstukken van het arbeidsrecht waarover in ieder democratisch land het parlement beslist, dat alle belangrijke partijen in het arbeidsproces vertegenwoordigt. Dit biedt voldoende garanties voor de eerbiediging van de rechten van werknemers en werkgevers.

De stemming van vandaag is een zwarte dag voor het ondernemerschap en de welvaart in Europa. Met de stemmen van links en de liberalen heeft het Parlement een aanscherping van de Arbeidstijdenrichtlijn aangenomen die tot de meest schadelijke delen van het Gemeenschapsrecht zal behoren. Dit is niets minder dan het besluit om de economische malaise van Frankrijk en Duitsland naar alle lidstaten uit te voeren, ook naar landen als Polen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland, die hier niets van willen weten. De beperking van de wekelijkse arbeidstijd en het aanrekenen van wachttijd als arbeidstijd zal het hardst aankomen bij artsen, verpleegsters en een deel van de journalisten. Het concurrentievermogen van de Europese Unie als geheel zal nog verder achteruitgaan.

De verwijzing naar de Strategie van Lissabon in de motivatie van het Europees Parlement is in dit verband een toppunt van hypocrisie.

 
  
MPphoto
 
 

  Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. - (EL) De delegatie van de Griekse Communistische Partij in het Europees Parlement heeft tegen de richtlijn betreffende de “organisatie van de arbeidstijd” gestemd, omdat het gaat om een revanchistische aanval van de EU, haar bourgeoisregeringen en het grootkapitaal op de rechten van de werkende klasse.

De voorstellen van de Commissie en de rapporteur hebben tot doel de arbeidstijd te ondermijnen door middel van twee nieuwe voorwaarden: actieve en niet-actieve aanwezigheidstijd, en de verdere flexibilisering van de arbeidstijd ter vergroting van de winsten van het kapitaal.

De niet-actieve aanwezigheidstijd telt niet mee als arbeidstijd, ook al staat de werknemer ter beschikking van zijn werkgever!

Hiermee opent men de doos van Pandora. Men wil het arbeidsrecht aan flarden scheuren. De definitie van arbeidstijd en de dagelijkse werktijd zijn de verworvenheden van een jarenlange klassenstrijd tussen arbeiders en kapitaal.

De gevolgen voor de arbeidersklasse zijn rampzalig: meer onbetaald werk, naargelang van de behoeften van het kapitalistische productieproces, uitholling van collectieve arbeidsovereenkomsten, nog harder werken, meer arbeidsongevallen, verslechtering van de verzekerings- en pensioenregelingen, drastische beperking van de tijd die rest voor sociale actie, ontwrichting van het gezinsleven.

De Communistische Partij van Griekenland steunt het hernieuwd en versterkt streven van de arbeidersbeweging naar radicale veranderingen, ter bevrediging van de eigentijdse behoeften van de werkende volksklasse.

 
  
MPphoto
 
 

  Wijkman (PPE-DE), schriftelijk. - (SV) De arbeidstijdenregeling is een ingewikkeld vraagstuk. Mijn hoofdstandpunt in verband met deze richtlijn is dat kwesties van deze aard primair een zaak van de lidstaten zijn. Toen het voorstel inzake de opt-out werd weggestemd - een regel die bovendien niet wordt toegepast in Zweden - en het voorstel om de gemiddelde arbeidstijd te berekenen aan de hand van een periode langer dan vier maanden, werd verworpen, vond ik het op zijn plaats om tegen het hele voorstel te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Hiermee zijn de stemverklaringen beëindigd. De vergadering zal om 15.00 uur worden hervat met de verklaringen over de toekomst van Europa zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog.

 

14. Rectificaties stemgedrag: zie notulen
  

(De vergadering wordt om 12.40 uur onderbroken en om 15.00 hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER BORRELL FONTELLES
Voorzitter

 

15. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

16. Toekomst van Europa zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over de toekomst van Europa zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog.

Ik wil erop wijzen dat ik maandag jongstleden zelf een verklaring heb afgelegd over het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa, een maandag die samenviel met de Dag van Europa, in een meimaand waarin het bovendien een jaar geleden is dat de tien nieuwe lidstaten zijn toegetreden.

Met het oog op deze samenloop van drie omstandigheden heeft de Conferentie van voorzitters besloten vandaag een debat te houden over de toekomst van Europa zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog, een debat dat verder gaat dan louter een herdenking, verder gaat dan slechts een terugblik, maar dat een blik wil zijn op de toekomst uitgaande van de herinnering aan ons verleden.

De heer Juncker en de heer Barroso zijn hier aanwezig om het debat in te leiden.

(Applaus)

Zij zijn onlangs in Moskou geweest om daar de plechtigheden ter herdenking van het einde van de oorlog bij te wonen, en ze zijn nu bij ons voor dit debat, dat - zoals ik al zei, en dat wil ik graag benadrukken - bedoeld is om vooruit te kijken naar onze toekomst en niet alleen ons verleden te gedenken.

Wij zijn u erkentelijk voor de moeite die u beiden zich getroost hebt om hier bij ons aanwezig te zijn. Uw aanwezigheid hier is ontegenzeglijk een verrijking van ons debat. Zoals te doen gebruikelijk zal ik hun als eerste het woord verlenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Juncker, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, het is zestig jaar geleden dat er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Die dag, 8 mei 1945, de dag van de capitulatie van het Derde Rijk, moeten we ons altijd blijven herinneren, en ik zou het Europees Parlement willen gelukwensen met het feit dat het die datum van 8 mei 1945 vandaag nadrukkelijk herinnerd wenste te zien.

De verplichting de herinnering levend te houden is een morele verplichting, vooral voor degenen die na de Tweede Wereldoorlog geboren zijn, de mannen en vrouwen van mijn generatie. En wanneer wij dan terugdenken aan die achtste mei 1945, alsook aan de ondergang van de Duitse democratie in 1933 en aan de afschuwelijke periode daartussenin, dan moeten wij dat als opvolgers van de generatie die het allemaal meegemaakt heeft, met de nodige terughoudendheid doen.

Degenen die net zoals ik geboren zijn na de Tweede Wereldoorlog, in 1954, 1955 of later, moeten terughoudend zijn in hun terugblik op dat verleden, omdat ze zelf geen getuigen zijn geweest van de tragedie die zich op het Europees continent heeft afgespeeld. Wij hebben niet zoals de generatie vóór ons de concentratiekampen en gevangenissen gezien waar mensen op de meest mensonterende wijze vernederd, gemarteld en ter dood gebracht zijn. Wij hebben niet zoals zij de slagvelden gezien, de slagvelden waar zij met bloedend hart doorheen getrokken zijn, als ze er al niet omgekomen zijn. Wij hebben de lange rijen gevangenen niet kunnen of hoeven zien die zij konden en moesten zien, het lange lint van gevangenen uit alle landen dat zich door Europa slingerde, als een begrafenisstoet van continentale afmetingen. Wij van de naoorlogse generatie hebben geen dramatische keuzen hoeven te maken, individueel of gezamenlijk. Wij hebben geen nee hoeven te zeggen, wij hebben geen ja hoeven te zeggen; wij konden ons koesteren in de zon van de naoorlogse periode. Al die dramatische keuzen zijn ons bespaard gebleven.

Door terug te denken aan 8 mei 1945 voeden we het collectieve geheugen. Dat is van zeer groot belang nu we een punt hebben bereikt waarop de rechtstreekse herinneringen en de directe ervaringen met de oorlog en de periode direct na de oorlog steeds meer vervagen. Datgene wat de mensen zelf hebben meegemaakt, met alle persoonlijke indrukken en menselijke gevoelens die daar bij horen, begint langzaamaan geschiedenis te worden, en wanneer zaken eenmaal geschiedenis zijn, betekent dat dat afstand genomen wordt en dat er met een zogeheten ‘objectieve’ blik teruggekeken wordt. Degenen die rechtstreeks getuige zijn geweest van deze afschuwelijke periode in de geschiedenis van ons continent beginnen te verdwijnen. Russische veteranen in legertrucks op het Rode Plein - het is een ontroerend beeld, die lange stoet militairen die gestreden hebben voor hun land en voor ons en die nu al nauwelijks meer kunnen lopen, terwijl wij allen maar al te goed weten waarheen hun reis hen voert. De verplichting de herinnering levend te houden is daarom absoluut een morele verplichting.

Terugdenken, dat betekent voor de mensen van mijn generatie dus terugdenken met terughoudendheid, maar ook terugdenken met erkentelijkheid, met heel veel erkentelijkheid. Immers, na hun terugkeer van de slagvelden, na hun terugkeer uit de concentratiekampen en gevangenissen had de generatie van onze ouders en grootouders alle reden de moed op te geven, alles te laten voor wat het was en in stilte hun trieste lot te bewenen. Ze hebben echter de opbouw van Europa ter hand genomen en daarvan het mooiste continent van de wereld gemaakt. Laten we dankbaar zijn voor deze geweldige prestatie van de generatie die gedwongen was oorlog te voeren en ervoor koos te werken aan de vrede!

(Applaus)

Wanneer we, gedachtig aan die morele verplichting de herinnering levend te houden, terugdenken aan het verleden, moeten we ook de waarheid zeggen. Natuurlijk, 8 mei 1945 was voor Europa een dag van bevrijding.

(DE) 8 Mei was echter ook een dag van de nederlaag, de nederlaag van het fascisme, de nederlaag van het nationaal-socialisme, de nederlaag van de capitulatie van de democraten voor de verschrikkingen die vanaf 1933 hebben plaatsgevonden. Maar bovenal was het ook voor Duitsland een dag van de bevrijding!

(Applaus)

Ik wil de gekozen vertegenwoordigers van het Duitse volk in het Europees Parlement op het hart drukken dat de Duitsers nog nooit zulke goede buren voor ons waren als nu!

(Applaus)

(FR) De waarheid zeggen over 8 mei, 9 mei, 10 mei, dat betekent ook dat we onze dankbaarheid moeten uitspreken jegens degenen die al hun kracht en energie gegeven hebben om ons te helpen in onze strijd voor de bevrijding van het Europese continent. Ik zou hier, zestig jaar later, en niet zozeer zestig jaar te laat, nog eens willen benadrukken hoe dankbaar wij Europeanen deze jonge Amerikaanse en Canadese soldaten moeten zijn, deze jongens die vanaf de andere kant van de oceaan naar Europa zijn gekomen om ons te bevrijden, terwijl ze soms niet eens wisten van het bestaan van sommige van de landen die ze hebben helpen bevrijden. Dat mogen we nooit vergeten.

(Applaus)

Speciale vermelding verdienen ook de soldaten van het Rode Leger. Wat een verliezen zijn daar geleden! Hoe ongelooflijk veel mensenlevens zijn daar bruut onderbroken - 27 miljoen Russen hebben het leven gelaten voor de vrijheid van Europa! Je hoeft niet net zoals ik een passie te hebben voor het ware Rusland, het eeuwige Rusland, om te erkennen dat Rusland zich zeer, zeer verdienstelijk heeft gemaakt jegens Europa.

(Applaus)

Ik zou verder in het bijzonder eer willen bewijzen aan een Europees volk dat resoluut nee heeft gezegd, terwijl andere volken helaas maar al te vaak geneigd waren tot een voorzichtig ja. Ik doel hier op het Britse volk, dat ik hulde wil brengen voor het feit dat het nee heeft durven zeggen. Zonder de inbreng van dit volk was er niets mogelijk geweest.

(Applaus)

De vrijheid die Europa begin mei 1945 terugkreeg, was er evenwel niet voor iedereen in gelijke mate. Wij in het westelijke deel van Europa, gewend als we waren aan een comfortabel bestaan in onze gevestigde democratieën, konden na de Tweede Wereldoorlog weer in vrijheid leven, ons wel realiserend dat voor het herwinnen van die vrijheid een hoge prijs betaald was. De mensen in het centrale en oostelijke deel van Europa zijn echter vijftig jaar verstoken geweest van de vrijheid die wij al zo lang kennen.

(Applaus)

Zij waren onderworpen aan de heerschappij van een ander land. De Baltische staten, die ik van harte welkom heet in Europa en wier aanwezigheid onder ons - mag ik dat nog eens nadrukkelijk zeggen - ons met enorme trots vervult, zijn tegen hun zin in een gezelschap opgenomen waarin ze niet thuishoorden. Voor hen gold niet de pax libertatis, maar de pax sovietika, waarbij ze zich bepaald niet thuis voelden. Deze volken, deze naties hebben steeds weer rampen en tegenspoed gekend en meer geleden dan alle andere Europeanen.

(Applaus)

De andere landen van Midden- en Oost-Europa hebben lange tijd niet de uitzonderlijke mate van zelfbeschikking gekend die wij in ons deel van Europa gekend hebben. Zij waren niet vrij. Zij waren gedwongen zich in hun ontwikkeling te voegen naar wat hun door een ander regime werd opgelegd. Het doet me ontzettend veel pijn dat er vandaag de dag zo negatief wordt gedaan over de uitbreiding. Door die uitbreiding is de Tweede Wereldoorlog eindelijk definitief beëindigd, en daarom zeg ik hier vandaag: leve de uitbreiding!

(Applaus)

Dit Europa van na de oorlog, dat zonder die oorlog nooit het Europa had kunnen worden waarin we vandaag de dag leven, dit Europa dat herrezen is uit de as van de oorlog, was er nooit gekomen zonder de inbreng van degenen die bekend staan als de founding fathers van Europa - mensen als Schuman, Bech, Adenauer, de Gasperi en anderen -, degenen die, op basis van het motto van na de oorlogsjaren “nooit meer oorlog”, voor het eerst in de geschiedenis van ons continent een boodschap van hoop en verlangen en een programma ontwikkeld hebben. We kunnen niet anders dan bewogen en met dankbaarheid terugdenken aan degenen die de moed gehad hebben het nee te laten volgen door een ja.

Ze hadden dat niet kunnen doen als ze niet geïnspireerd waren geweest door de diepe, menselijke gevoelens van hun volken. Zonder de steun van het volk komen er geen grootse dingen tot stand. Dat Europa na de Tweede Wereldoorlog geworden is wat het nu is, is te danken aan de Europese volken, die nooit meer wilden meemaken wat zich op het Europese continent had afgespeeld tijdens de twee tragedies van de 20e eeuw.

Naast de grondleggers van Europa, wier namen wij allen kennen, en de volken die, op de achtergrond, hun aspiraties en ambities deelden, zijn er de filosofen, de denkers, de politici, die maar al te vaak vergeten worden: Léon Blum, die in zijn cel in een Franse gevangenis droomde van een verenigd Europa; de grote Spinelli, die op een Italiaans eiland gevangen werd gehouden door de Italiaanse fascisten; en anderen die anoniem zijn gebleven maar aan wie wij veel te danken hebben. Ik zou een woord van erkentelijkheid willen uitspreken aan het adres van de vergeten of anoniem gebleven mensen die datgene wat na de Tweede Wereldoorlog tot stand is gebracht, mogelijk hebben gemaakt.

(Applaus)

Europa bestond uit een vrij gedeelte en een gedeelte waar iedere vooruitgang onmogelijk was als gevolg van dat rampzalige historische besluit, het besluit van Jalta, dat tot doel had Europa voor altijd op te delen in twee kampen, twee kampen die elkaar wantrouwend beloerden en die vaak, te vaak, niet in staat waren nader tot elkaar te komen. De Koude Oorlog, zoals die andere tragische periode van de Europese geschiedenis liefkozend genoemd wordt, heeft een verlammend effect gehad op de geweldige geestkracht en dadendrang waarover Europa beschikte. Hij heeft het alle grote geesten in Europa onmogelijk gemaakt datgene voor Europa te doen en te zeggen wat ze gedaan en gezegd zouden hebben als ze daartoe de kans gekregen hadden.

Ik zou kort een persoonlijk element willen toevoegen, als u me toestaat. Ik ben geboren in december 1954, maar ik zeg altijd liever dat 1955 mijn geboortejaar is. Ik ben opgevoed met respect voor de prestatie van de generatie van mijn vader, die een in dubbel opzicht tragisch lot beschoren was, aangezien de Luxemburgse mannen die tussen 1920 en 1927 geboren waren, gedwongen waren dienst te nemen bij de Wehrmacht en een uniform te dragen dat hun vreemd was, een uniform dat symbool stond voor ambities waarin zij zich in het geheel niet konden herkennen. Afschuwelijk is dat: het uniform te moeten dragen van degene die je vijand is. Dat lot trof overigens ook de mannen in de Elzas en Lotharingen, die ik bij deze eer wil bewijzen.

Ik ben opgegroeid in de tijd van de Koude Oorlog, waarin de wereld eenvoudiger te begrijpen leek: aan de ene kant waren er degenen die tot ons kamp behoorden, en aan de andere kant alle anderen, die tegen ons waren. We wisten eigenlijk niet goed waarom we blij moesten zijn met degenen die tot ons kamp behoorden, maar we wisten wel dat we een hekel moesten hebben aan de anderen. We wisten dat het gevaar van de andere kant kwam, zoals degenen aan de andere kant ervan overtuigd waren dat het gevaar bij ons zat. Wat een verspilde kansen! Wat een tijd is er verloren gegaan in Europa door het absurde wereldbeeld dat kort na de oorlog is ontstaan.

Laten we blij zijn dat we vandaag de dag niet meer hoeven te denken en leven volgens de onverbiddelijke logica van de Koude Oorlog en dat we nu vrede tussen de twee delen van Europa kunnen bewerkstelligen.

(Applaus)

Ik denk vaak aan de grote leiders die Europa gekend heeft, ongetwijfeld omdat ik mezelf daartoe absoluut niet reken. Ik denk bijvoorbeeld aan Churchill, aan een uitspraak van de grote Churchill in 1947, tijdens het eerste congres van de Europese beweging in Den Haag, waar het idee ontstond de Raad van Europa op te richten in reactie op de weigering van de Sovjet-Unie de andere landen van Midden- en Oost-Europa te laten deelnemen aan het Marshallplan en de opbouw van deze Raad van Europa. Hij sprak toen de - als zo vaak bij hem - profetische woorden: “Vandaag beginnen we in het Westen wat we ooit in het Oosten zullen afmaken”. Dames en heren, laten we er trots op zijn dat we dat punt bereikt hebben.

(Applaus)

Ik denk ook aan Victor Hugo, die in 1949 het volgende schreef: “Er komt een dag waarop het enige slagveld in Europa dat van de geesten zal zijn die zich openstellen voor ideeën. Er komt een dag waarop kogels en bommen in Europa plaatsmaken voor stemmingen”. Laten we er trots op zijn dat we dat punt bereikt hebben.

Laten we er trots op zijn dit te kunnen zeggen ten overstaan van het Europees Parlement, de gekozen vertegenwoordiging van de volken van Europa, waarvan de leden de erfgenamen zijn van degenen die nee durfden te zeggen toen er nee gezegd moest worden, de erfgenamen van degenen die ja durfden te zeggen toen ja de enige keuze was. Laten we eer bewijzen aan degenen die nee gezegd hebben toen dat nodig was, en laten we trots zijn op al diegenen die nu ja zeggen tegen het uitgebreide Europa, het Europa dat erin is geslaagd zijn verleden en zijn geografische grenzen met elkaar in overeenstemming te brengen. Laten we trots zijn op degenen die niet willen dat Europa omgebouwd wordt tot een vrijhandelszone. Laten we trots zijn op degenen die, net als wij en miljoenen burgers, van mening zijn dat Europa een gecompliceerd continent is dat beter verdient dan enkel een ruimte te zijn waar de markt vrij spel heeft. Laten we trots zijn op het Europa dat degenen die ons zijn voorgegaan opgebouwd hebben, en laten we ons de erfenis die ze nagelaten hebben waardig tonen.

(Staande ovatie)

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Barroso, voorzitter van de Commissie. - (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Raad, geachte afgevaardigden, beste vrienden, het is voor mij een ware eer om namens de Commissie deel te mogen nemen aan deze plechtigheid in het Parlement, dat de Europese burgers vertegenwoordigt. Vandaag kijken wij terug naar het verleden en kijken wij ook vooruit naar de toekomst. Wij zijn hier bijeengekomen om het verleden te herdenken, om bepaalde zaken te erkennen en om aan de toekomst te bouwen.

Laten wij eerst eens een blik op het verleden werpen. Het grootste wereldwijde conflict aller tijden bracht bij alle overlevenden gemengde gevoelens teweeg. Velen voelden opluchting, uitputting, en ongetwijfeld ook vaak angst voor de toekomst, vrees dat de naoorlogse wereld niet beter zou zijn – misschien zelfs slechter – dan wat ze voordien hadden gekend.

Daarom herdenken wij. Daarom herdenken wij de golf van vernieling waarvan met name Europa het slachtoffer werd. Haast geen enkel land bleef ongedeerd. De zogeheten "Europese burgeroorlog", zoals sommigen dit conflict noemen, is een bewijs van de onmenselijkheid waartoe de mens in staat is ten koste van andere mensen. Wij, Europeanen, beroemen ons vaak - en mijns inziens terecht - op de grote verwezenlijkingen van onze beschaving en onze cultuur, op de grote successen van de Europese geest, maar wij moeten echter ook nederig erkennen dat enkele van de grootste gruweldaden die de mensheid ooit heeft begaan in het Europa van de twintigste eeuw hebben plaatsgevonden.

(EN) Maar we moeten ons ook de prachtige verhalen herinneren waarin grote tegenslagen werden overwonnen. Veel Europeanen legden een persoonlijke zoektocht af naar een beter leven. Sommige van hen moesten bergen en zeeën oversteken om hun doel van een gelukkig en vreedzaam bestaan te bereiken. Anderen bereikten dit doel door gewoon naar huis terug te keren. Wij herinneren ons diegenen die daarvoor de kans niet kregen, diegenen voor wie het licht van de vrijheid werd gedoofd op het moment dat ze het voor het eerst zagen, diegenen voor wie de ene nachtmerrie werd vervangen door de andere.

Laten we erkennen dat er in 1945 uit de ruïnes van Europa iets heel bijzonders opsteeg. Ik wil u een citaat laten horen van één van de meest visionaire geesten uit die tijd, uitgesproken in 1946 in Zürich. Hij zei: “Ik ga nu iets zeggen waardoor u verbijsterd zult zijn. De eerste stap in de wederopbouw van de Europese familie moet bestaan uit een partnerschap tussen Frankrijk en Duitsland. Alleen zo kan Frankrijk het morele en culturele leiderschap van Europa weer op zich nemen. Er kan geen wederopstanding van Europa zijn zonder [...] een spiritueel krachtig Duitsland.” Churchill had gelijk. Het is zo makkelijk om te vergeten hoeveel moed er nodig was om in die tijd zulke woorden uit te spreken. Het was verbazingwekkend wat hij zei.

Maar nog verbazingwekkender waren de daden waarmee deze woorden werden omgezet in werkelijkheid. We moeten ons de uitzonderlijke vastbeslotenheid herinneren van Robert Schuman, Jean Monnet, Konrad Adenauer, Alcide de Gasperi en anderen. We moeten stilstaan bij hun prestaties. Zij brachten de wederopbouw tot stand en namen niet hun toevlucht tot vergelding. Ook moeten wij de visie erkennen van de transatlantische leiders die hielpen bij de wederopbouw, in plaats van dat zij er hun rug naar toekeerden.

Voordat we ons echter teveel laten meeslepen, moeten we ons een moment bezinnen, want het werk van deze grondleggers was weliswaar opmerkelijk, maar onvoltooid. Zoals de Commissie zei in haar verklaring van 9 mei: voor miljoenen kwam de werkelijke vrijheid pas bij de val van de Berlijnse muur, en niet bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. Na 1945 verloren velen hun vrijheid en hun kansen, vrijwel meteen nadat zij deze hadden terugkregen. In sommige gevallen verloren ze de politieke macht over hun landen, in andere hun onafhankelijkheid. Voor veel mensen in Europa betekende het einde van de oorlog vrede en vrijheid, maar voor sommigen betekende het alleen vrede, en nog geen vrijheid.

We mogen niet vergeten wat Europa toen was. Zestig jaar geleden hadden we op dit continent de holocaust. Zo’n 30 jaar geleden waren verschillende landen in het zuiden van Europa dictaturen, waaronder mijn eigen land. Ongeveer vijftien jaar geleden kende de helft van Europa geen vrijheid en democratie. Daarom vind ik het nu zo moeilijk om te begrijpen dat we niet optimistisch kunnen zijn over de toekomst van Europa, als we zien waar zij nu is aangeland, vergeleken met slechts enkele jaren geleden.

(Applaus)

Maar dit was gelukkig niet het einde van het verhaal. Wat de Europese leiders van de jaren ’40 en ’50 creëerden, was tegelijk een bron van licht en een magneet. Het licht scheen in die donkere jaren op hen die niet het vooruitzicht op vrede, voorspoed en stabiliteit kenden dat andere Europeanen wel hadden. En de magneet had een uitzonderlijk grote aantrekkingskracht voor die volkeren en landen die hun vrijheid veroverden. Zij zagen de Europese Gemeenschap, zoals die toen heette, als een katalysator voor de gedaanteverwisseling van eigen hun landen.

Voor mijn generatie was Europa altijd al synoniem met democratie. Als 18-jarige was ik samen met anderen vastbesloten om mijn land te bevrijden van een ellendig, autoritair en achterlijk regime. Dat is in het bijzonder de reden dat ik, en veel mensen van mijn generatie, de uitzonderlijke inspanningen bewonder van de volkeren van Tsjechië, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije, Slovenië, Roemenië en Bulgarije, die voor democratie vochten en het wezen van Europa verbonden met democratie. De Europese Unie zou met enorm veel trots, en dat doet zij ook, deze nieuwe leden en hun volkeren in de armen moeten sluiten, evenals die van Malta en Cyprus.

Deze gedaanteverwisseling moet erkend, herdacht en gevierd worden. Waarom? Omdat het soms lijkt alsof het bijna vergeten is. Het is tegenwoordig zo ontzettend makkelijk om de stevige fundering van het nieuwe Europa waar we in leven als een vanzelfsprekendheid te zien, een Europa van vrijheid en gedeelde waarden.

(FR) En daarom moeten we zeggen: de Europese Unie mag niet aan haar eigen succes ten onder gaan. Zo veel leden, met zo veel verschillen, bij elkaar brengen en verenigd krijgen rond een gemeenschappelijk project is echt een geweldige prestatie. De uitdaging waar we voor staan, en waar we ons allen voor inzetten is ongekend. Ik ben ervan overtuigd dat de uitvoering van dit magnifieke project, waarbij binnenkort 27 landen en 500 miljoen burgers betrokken zullen zijn, door zal gaan, ondanks de moeilijke tijden die we af en toe zeker zullen doormaken.

Een probleem is wel dat die uitvoering soms zo rustig en stil verloopt dat we de neiging hebben te vergeten wat aan dit alles vooraf is gegaan. De verhalen over de bloedige conflicten die Europa gekend heeft, lijken inmiddels alleen nog in de geschiedenisboeken te bestaan. Toch stonden ze tien jaar geleden nog op de voorpagina’s van de kranten, ten tijde van de massamoorden in sommige Balkanlanden.

Hier op ons continent kunnen wij zeggen: dat nooit meer! Dat lijkt zo vanzelfsprekend, maar de geschiedenis van Europa leert ons dat we altijd moeten werken voor de vrede en haar bepaald niet als vanzelfsprekend mogen beschouwen. Dat is niet echt een geruststellende gedachte, want in het Europa van dit moment kennen we de nodige problemen en angsten. In het grote gebouw in Berlijn waarin voorheen de vergadering zetelde die gold als het parlement van de DDR, staat ergens het woord Zweifel geschreven, oftewel twijfel. Er is twijfel, er is angst, vooral onder jongeren. Die angsten moeten we serieus nemen: het gaat om de angst misschien geen baan te vinden, de angst voor een wereld met meer concurrentie die soms als een probleem wordt ervaren. Maar zoals gezegd, het gaat om de angst misschien geen werk te vinden, niet om de angst mogelijk van een eigen land verstoken te blijven.

Wat we nu moeten doen, is zoeken naar een doeltreffende manier om te komen tot een oplossing voor de reële problemen, of de zaken die als een probleem ervaren worden, met betrekking tot de integratie van de markten. Het gaat hier niet om een gewapende strijd tussen concurrenten die tegenstanders of zelfs vijanden van elkaar worden. Om deze angsten weg te nemen, moeten we daarom het voorbeeld volgen van de generaties voor ons. We moeten dezelfde verbeeldingskracht en dezelfde moed tonen als zij. Laten we niet vergeten dat het ambitieuze partnerschap dat we in Europa overeengekomen zijn, de inspiratiebron is geweest voor vreedzame revoluties die vrijheid en democratie gebracht hebben voor miljoenen Europeanen!

Europa - het Europa van de Zes, van de Tien, van de Twaalf, van de Vijftien en nu van de Vijfentwintig - is met zijn samenlevingsmodel de drijvende kracht geweest achter de democratisering in Zuid-Europa, in Latijns-Amerika en nu in Midden- en Oost-Europa. Vrijheid is de drijvende kracht achter groei, werkgelegenheid en investeringen, en het is dankzij de vrijheid dat voor steeds meer Europeanen een beter leven mogelijk wordt.

Uit de vitaliteit van de democratie en het moderne karakter van onze samenlevingen blijkt dat wij in staat zijn ons continent steeds weer opnieuw vorm te geven. Van interne markt tot buitengrenzen, van bevordering van interne cohesie tot duurzame ontwikkeling en milieubescherming en van interne solidariteit tot het streven naar een rechtvaardige wereld voor iedereen - wij geloven immers niet in een in zichzelf gekeerd Europa -, steeds weer bouwen we met de Europese Unie verder aan Europa. Dat doen we via concrete stappen waarmee het dagelijks bestaan van onze burgers verlicht en veraangenaamd wordt. Met de ratificatie van de Grondwet zullen deze resultaten geconsolideerd worden, en zo zullen we de basis leggen voor nog meer vooruitgang in de toekomst.

Laten we vandaag daarom die afschuwelijke oorlog en alles wat daaruit voortgekomen is niet vergeten. Laten we in ons werk voor de toekomst inspiratie putten uit de verbeeldingskracht, de ambitie en de vastberadenheid van de leiders en burgers die ons zijn voorgegaan in het proces dat ooit is begonnen met verzoening en via steeds verdergaande samenwerking heeft geleid tot onze Unie!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Gert Poettering, namens de PPE-DE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Europese Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, in 1945 - zestig jaar geleden - lag Europa in puin. Een barbaarse oorlog had aan meer dan 55 miljoen mensen het leven gekost. Miljoenen en miljoenen mensen zaten zonder huis en haard, miljoenen mensen waren op de vlucht geslagen of verdreven, ouders zonder zonen, vrouwen zonder mannen, kinderen zonder vader. Mijn vader, een gewone soldaat, werd eind maart 1945 als vermist opgegeven. Pas veel later kwamen we te weten dat hij was gesneuveld; ik heb hem nooit gezien.

In 1945 waren vele Europese steden in ruïnes veranderd. De economie in Europa was ingestort en de naam “Europa” bracht overal ter wereld angst en schrik teweeg. Over de verantwoordelijkheid voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kan geen twijfel bestaan: het verdorven nationaal-socialistische regime in Duitsland, met al zijn rassenwaan en machtshonger, barstte los in een inferno van agressie tegen alle andere volkeren van Europa en beging met de holocaust van de Europese Joden zijn allerergste misdaad. Het nationaal-socialistische totalitarisme stortte heel Europa in het verderf. Uiteindelijk viel ook het Duitse volk zelf eraan ten slachtoffer. Overwinnaars waren er in 1945 maar weinig.

Er was eerder sprake van twee groepen overlevenden: de gelukkigen in het Westen en de ongelukkigen in Midden- en Oost-Europa. In het Westen van het continent kon, dankzij een vooruitziende blik en met steun van de Amerikanen, een nieuw bestaan worden opgebouwd, in vrijheid, met respect voor de menselijke waardigheid, met democratie en een door het recht gewaarborgde markteconomie. Winston Churchill - aan wie al werd herinnerd - openbaarde zijn visie van de Verenigde Staten van Europa, waaraan ik overigens wil toevoegen dat Europa zonder Groot-Brittannië nooit compleet zou zijn. Na 1945 krabbelde het Europa aan de westelijke, Atlantische kant weer op. Uitgeput, maar met het geluk in vrijheid opnieuw te kunnen beginnen, sloten de volkeren van westelijk Europa zich aaneen. Het zal altijd de grote verdienste blijven van Robert Schuman, dat hij toen ook de hand reikte naar de Duitsers. Zonder dit grootse gebaar van Frankrijk zou Europa wederom een hol begrip zijn gebleven. Wij zijn nu bezig met een nieuw begin van de Europese Unie met een gemeenschappelijke Grondwet, en daarom voeg ik hieraan toe dat Europa ook in de toekomst de constructieve medewerking van Frankrijk meer dan ooit nodig heeft.

(Applaus)

In 1945 waren ook de volkeren in Midden- Oost- en Zuidoost-Europa vervuld van hoop op een nieuw begin. Als mensen die leefden in dezelfde Europese culturele ruimte als wij hoopten zij op een nieuw bestaan in vrede en vrijheid. Het was voor hen een bittere pil te moeten ervaren dat vrede zonder vrijheid maar een halve bevrijding van het totalitaire juk betekende. De machtsovername van de Sovjet-Unie deed hun hoop vervliegen. In 1945 was het nationaal-socialistische totalitarisme overwonnen, maar het stalinistische totalitarisme spleet Europa in tweeën en onderwierp de volkeren in Midden-, Oost- en Zuidoost-Europa aan zijn onwettige regimes. Ook onder de ongelukkige overlevenden van de Tweede Wereldoorlog leefde echter de hoop voort, de hoop op een gemeenschappelijk Europa met een nieuw geestelijk, moreel en politiek elan en met uitzicht op welvaart voor al zijn burgers. Zij hebben deze hoop uiteindelijk werkelijkheid laten worden in een vreedzame revolutie, waarvoor “Solidarność” symbool staat. Het duurde echter jaren voordat de muur viel.

(Applaus)

Ik ben al sinds 1979 lid van het Europees Parlement, het jaar waarin het voor het eerst rechtstreeks werd gekozen, en nu wij hier vandaag gezamenlijk en in alle waardigheid en ernst dit debat voeren, prijs ik mij gelukkig, in de wetenschap dat Europa thans verenigd is en wij collega’s met gelijke rechten uit acht volkeren van Midden-Europa in ons midden hebben.

(Applaus)

In 1989 kwam er een einde aan de dubbele last van het totalitarisme in Europa. In 1989 ontdekten wij allen de kracht van de Europese waarden, en hoezeer wij altijd zijn aangewezen op het voorbeeld van de moedigen om in vrijheid te blijven leven. Na 1989 kon Europa weer beginnen met beide longen te ademen, zoals de onvergetelijke en waarlijk grote paus Johannes Paulus II het uitdrukte.

(Applaus)

Met hun voorbereidend werk hiertoe hebben de volkeren van het Westen van Europa een waardevolle, onmisbare en blijvende prestatie geleverd. De opbouw van de Europese Unie aan de hand van gemeenschappelijke waarden, waarvan de menselijke waardigheid de kern vormt, alsmede de aaneensluiting van landen in een bindende gemeenschap van vrijheid waren het logische antwoord op de kansen die het einde van de oorlog bood. De Europese eenwording is een project van vrede en vrijheid.

Het bewandelen van de gemeenschappelijke weg die het herenigde Europa is ingeslagen, is de kans en de opdracht voor alle Europeanen. Thans werken wij samen aan de opbouw van een Europa dat zijn waarden voor al zijn burgers verdedigt. Als antwoord op oorlog en totalitarisme heeft Europa slechts één mogelijkheid: de weg vervolgen van een gemeenschappelijke Europese Unie van volkeren en staten, met volharding, vanuit innerlijke overtuiging en in de aanvaarding van de verscheidenheid die de kracht en schoonheid van Europa uitmaakt. Het huidige debat over de Europese Grondwet biedt een uitgelezen kans om deze basis te herontdekken. Het is immers voor de eerste maal in de Europese geschiedenis dat onze grondbeginselen en idealen in een Grondwet zijn vervat.

Europa is niet enkel een politiek bouwwerk, maar ook een ruimte van geestelijk leven. Het antwoord op de verschrikkelijke oorlog - waarvan wij vandaag het einde in dankbaarheid gedenken - moet daarom een moreel antwoord zijn: nooit meer onvrijheid en de oorlog die daaruit voortkomt, nooit meer oorlog en de onvrijheid die daaruit voortkomt! Door die gedachte moeten we ons laten leiden bij de bouw van een nieuw Europa. Het moet een Europa zijn dat totalitarisme, nationalistische superioriteitsgevoelens en egalitaire mensvijandige structuren afzweert; een Europa waarin geen plaats is voor hegemoniestreven van een van zijn staten; een Europa dat de unieke waardigheid van elk mens eerbiedigt, dat streeft naar evenwicht in de belangen van sociale groepen en volkeren; een Europa van respect en verscheidenheid, van kracht dóór verscheidenheid; een Europa van democratie en recht.

De verzoening tussen de volkeren en staten van Europa is reeds ver gevorderd. Thans willen en moeten wij het werk van de verzoening, ook met het Russische volk en de mensen in de Russische federatie, voltooien. In deze nieuwe fase van onze geschiedenis zal Europa echter ook meer dan ooit het compromis moeten zoeken in de wereld en met de wereld om ons heen. De vereniging van Europa, dat de wereld in twee van zijn oorlogen meesleurde, moet thans de wereld ten goede komen. Wij zijn dank verschuldigd aan de collega’s - en mijn dank gaat met name uit naar collega Brok - die een resolutie hebben opgesteld waarin morgen onze waarden tot uiting worden gebracht.

Op dit uur gaan onze gedachten uit naar alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, en naar al het leed en al de verwoesting die deze oorlog teweeg heeft gebracht. Wij realiseren ons hoezeer vrede en vrijheid bij elkaar horen en dat ons werk in dienst van de mensen moet staan, en in dienst van de dialoog tussen culturen.

Overal in de wereld waar wij deze dialoog tot stand kunnen brengen, zullen wij de waarden verdedigen die ons meevoeren in de toekomst. Zo kan er op deze dag van herdenking een nieuwe opdracht ontstaan, een opdracht die ons gebiedt een bijdrage te leveren aan een betere, vreedzamere en vrijere wereld.

(Levendig applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Schulz, namens de PSE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als wij 8 mei 1945 in herinnering roepen, denken wij aan twee perioden: de periode vóór 8 mei en de periode erna. Niemand van de Duitse afgevaardigden in dit Parlement kan zich op deze dag van herdenking onttrekken aan het besef een Duitser of Duitse te zijn. Ik vertegenwoordig in mijn fractie onder andere de Duitse afgevaardigden, die afkomstig zijn uit het land dat deze oorlog heeft gewenst, heeft voorbereid, heeft gevoerd en zonder mededogen heeft georganiseerd.

Maar ik vertegenwoordig ook afgevaardigden die afkomstig zijn uit een land dat als eerste ten prooi viel aan het Duitse leger: Polen. En ik vertegenwoordig afgevaardigden uit landen die de geallieerde troepen aanvoerden en wier gebundelde macht noodzakelijk was om Hitler op de knieën te krijgen: Groot-Brittannië en Frankrijk. Naast mij zit Poul Nyrup Rasmussen, die jarenlang premier was van Denemarken, een land dat door het Duitsland van Hitler bij nacht en ontij werd overvallen, en in welk land mijn vader als bezettingssoldaat gelegerd was.

Ik vertegenwoordig ook afgevaardigden van landen die nog lang na de Tweede Wereldoorlog moesten lijden onder de dictatuur. In mijn fractie zit een advocaat die de slachtoffers van het Franco-regime heeft verdedigd. In mijn fractie zit een slachtoffer van ditzelfde Franco-regime, die in de kelders van de geheime politie is gefolterd. In mijn fractie zitten collega’s uit Portugal en Griekenland, die, zoals u, mijnheer de voorzitter van de Commissie, als jonge mannen en vrouwen hebben gejubeld toen de dictators werden verdreven. In mijn fractie zit Józef Pinior, een vriend van mij, die na mij het woord zal voeren namens onze fractie. Hij heeft als vakbondsman en sociaal-democraat in de martelgevangenissen van de communisten gezeten.

Ik heb het voorrecht namens al deze mensen het woord te mogen voeren. Dat ik dit voorrecht heb, is te danken aan de Europese Unie. Het is te danken aan het werk dat de mannen en vrouwen die op 8 mei 1945 de verantwoordelijk op zich moesten nemen, hebben verricht om een verenigd Europa tot stand te brengen. De voorzitter van de Raad zei al dat er aan 8 mei 1945 consequenties moesten worden verbonden. En zulks is ook op de juiste wijze geschied. De geschiedenis van de Europese Unie, de geschiedenis van Europa na 8 mei 1945 is een geschiedenis van succes. Uit de puinhopen ontwikkelde zich de diepe intentie “dit nooit weer” te laten gebeuren, hetgeen toen allerminst een vanzelfsprekendheid was. Deze intentie werd gegoten in de vormen volgens welke wij vandaag de dag te werk gaan en waarvan wij nog steeds de vruchten plukken. Zij hebben ertoe geleid dat ik in mijn fractie ook afgevaardigden mag vertegenwoordigen die het joodse geloof aanhangen; dat er in mijn fractie afgevaardigden zijn die de islam aanhangen; dat er in mijn fractie collega’s zijn die hebben geleden en collega’s die leerden van hen die hebben geleden; dat we werken aan gemeenschappelijkheid en in dat kader bovenal verkondigen dat de les van 8 mei onontbeerlijk is. Het bestaan van deze intentie, van “dit nooit weer”, moet elke dag opnieuw worden verdedigd. De strijd voor deze democratie, voor dit Europa, moet dagelijks worden gevoerd.

Laten wij vandaag stilstaan bij de oorzaken, bij de periode ervoor, een periode zonder precedent, zoals wij weten: nooit eerder in de geschiedenis van de mensheid werd de uitroeiing van andere volkeren en andere rassen door een land zo tot staatsdoel gemaakt. Nooit eerder bestond er een staat in de periode ervoor en erna die zijn eigen bestaan motiveerde met de woorden: wij bestaan als staat opdat de Joden, de Slaven, de Roma en Sinti en de gehandicapten worden omgebracht. In de geschiedenis van de mensheid is zoiets nog nooit voorgekomen. Dat is het bijzondere aan het Derde Rijk. De nazi’s wilden dat er van de Joden in Europa niets over zou blijven.

Enkele weken geleden heb ik het monument Jad Vashem in Jeruzalem bezocht. Ik nam de trap naar beneden en liep door de gangen in het souterrain waar een tentoonstelling is over het noodlot van de miljoenen slachtoffers. De directeur van Jad Vashem, die mij een rondleiding gaf, zei tegen me: “Iedere dag daal ik af en aanschouw ik deze hel. Het ís een hel, al die afbeeldingen.” We liepen de trap weer op en wandelden door een gang in dit nieuwe museum totdat ik een brede glazen façade voor mij zag en door het glas de stad Jeruzalem ontwaarde in het licht van de zon. “Iedere dag,” zo vertelde de directeur van Jad Vashem me, “als ik uit deze hel naar boven klim en dit beeld voor mij zie, besef ik weer dat het ze niet is gelukt. We hebben het overleefd. Wij wel, de nazi’s niet.”

Elke herdenking, elke dag van herinnering, elke naam die wij uitspreken, is een overwinning op deze misdadigers, want zij wilden dat alles werd uitgewist. Als wij de herinnering aan de Joden, de Roma en Sinti, aan de mensen die om politieke redenen zijn vermoord en aan alle gehandicapten levend houden, blijven zij in ons midden. Zij blijven bestaan in onze gedachten en daarmee leven zij eeuwig voort.

(Applaus)

Zo veel slachtoffers, zo veel namen. Anne Frank was een klein Joods meisje wier enige misdaad was dat zij een klein Joods meisje was in Amsterdam. Laten wij op een dag als deze denken aan Anne Frank. Sophie Scholl was een jonge Duitse studente wier enige misdaad was dat zij een oprecht mens was, die op 18-jarige leeftijd werd onthoofd omdat ze pamfletten tegen het nazi-regime had verspreid. Ik denk ook aan Krzysztof Baczynski, een jonge Poolse dichter, die in Warschau door een Duitse scherpschutter werd neergeschoten. Drie namen onder 55 miljoen slachtoffers! Drie namen, slechts drie namen, die uit naam van alle andere slachtoffers worden genoemd. Ik herhaal: drie namen die wij ons herinneren, en die genoemd worden namens alle anderen die wij ons zouden moeten herinneren.

De laatste weken stellen wij ons vaak de vraag, en wordt ons door anderen gevraagd, wat de zin van de Europese Unie is. De zin van deze Unie is gelegen in hetgeen wij in onze toespraken vandaag beschrijven, in dit eenwordingsproject, in het ongedaan maken van de Europese deling, in het uitbannen van racisme, in het uitsluiten uit de democratische Gemeenschap van alle antisemieten, racisten en nazi’s en in het benoemen van hun verachtelijke denkbeelden en daden. Het is onze blijvende herinnering aan wat er gebeurd is die de morele en geestelijke basis vormt van onze Europese Unie. Onze ouders en grootouders hebben het opbouwwerk verricht.

Ondertussen heeft Europa een erfenis, al bestaat die niet uit een nieuwe Unie, want die bestaat al zestig jaar en is in principe op 8 mei 1945 ontstaan. Europa heeft een erfenis die we moeten beheren en doorgeven. Als wij deze erfenis beheren in de wetenschap dat wij verplicht zijn nooit te vergeten dat het Derde Rijk het morele dieptepunt van de mensheid was, waaruit de juiste consequenties zijn verbonden door de oprichting van deze Unie, zullen wij als Europese politici erin slagen de jonge vrouwen en mannen op de publieke tribune van dit Parlement een zonnigere toekomst te bieden dan onze ouders en grootouders hebben gekend.

(Langdurig applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Britse dichter John Donne zei: ‘Niemand is een eiland dat op zichzelf staat, maar een stuk van het vasteland, een deel van het geheel. Laat de zee één kluit tot zich nemen en Europa wordt kleiner’.

Dat was in 1624, maar volkeren en staten blijven oorlog voeren op ons continent, nu al meer dan driehonderd jaar lang. Stammenstrijd en haat vormen Europa’s verfoeilijke erfenis. Als wij het dan niet eerder inzagen, had het in elk geval de ‘oorlog die alle andere oorlogen in de schaduw stelt’ moeten zijn die ons de nutteloosheid en het trauma van georganiseerde oorlogvoering laat zien. Ons ontwaken uit die nachtmerrie leidde tot de Volkenbond, maar toch bleven wij de vruchten van de wetenschappelijke vooruitgang stoken in het vuurwater van de massavernietigingswapens. Toen er in Europa op 8 mei 1945 een eind kwam aan de Tweede Wereldoorlog, hadden meer dan 40 miljoen mensen het leven verloren.

Een cynicus zou zeggen dat de Europeanen van de twintigste eeuw trage leerlingen waren. Er waren twee bloedige oorlogen en een in puin liggend werelddeel voor nodig om ons te laten inzien dat een verenigd Europa méér waard is dan de som der delen.

Maar zelfs toen was ons verlangen naar vrede en vrijheid nog niet voor iedereen duidelijk. Terwijl mei 1945 voor de meeste Europeanen inhield dat hun landen werden bevrijd van de nazi-tirannie en een nieuwe weg naar vrijheid en wederopbouw werd ingeslagen, werd voor hen die zich aan de verkeerde kant van het IJzeren Gordijn bevonden de ene tirannie snel vervangen door een andere. Nog eens twee generaties moesten het doen zonder de vrijheid die wij nu zo koesteren. In 1976 ervoer ik dit als student aan de Karl Marx Universiteit in Leipzig uit de eerste hand.

Er valt niet aan te ontkomen dat onze historische perspectieven verschillend zijn. Dit debat moet echter over de toekomst gaan, niet over het verleden. Laten wij blij zijn dat Europa verenigd is in vrede en dat wij samen met een aantal gemeenschappelijke supranationale instellingen in dezelfde vergaderzaal kunnen zitten om besluiten te nemen over zaken van wederzijds belang.

Het was het onontkoombare gegeven van de onderlinge afhankelijkheid dat leidde tot het ontstaan van de Europese Unie en de uiteindelijke ondergang van het Oostblok. Wij begonnen met kolen en staal, de bouwstenen van het naoorlogse Europa. Wij bouwden de gemeenschappelijke markt, de basis voor een welvaartsniveau waarvan mijn ouders alleen maar konden dromen. Wij maakten de eenheidsmunt werkelijkheid voor 300 miljoen Europeanen aan het prille begin van deze nieuwe eeuw.

Wij kennen nu al zestig jaar lang vrede, en zien dat Europa een heel eind verder is gekomen door langs de weg der geleidelijkheid te bouwen aan de solidariteit tussen onze volkeren. Het is een feit dat de Europese Unie een succes is: liberté, égalité, fraternité hebben hun plaats gekregen binnen onze gemeenschappelijke juridische en sociale structuur. Er is echter geen garantie dat het altijd zo zal blijven, en met het Grondwettelijk Verdrag staan wij nu op een keerpunt. Kunnen wij een stap voorwaarts zetten en dit ongekende tijdperk van vrede, stabiliteit en welvaart consolideren, of zal het wegsmelten voor onze ogen en plaats maken voor een nieuwe periode van onderlinge rivaliteit en balanceren op de grens van oorlog en vrede?

Een columnist van de Financial Times hield ons afgelopen week voor hoe dun het vernislaagje van de beschaving is, hoe zwak de stem van het menselijk geweten wanneer het zich ertoe laat verleiden af te drijven van de rechtsstaat en respect voor de medemens. Dit is de uitdaging waar de lidstaten voor staan wanneer er een beroep op hen wordt gedaan de Grondwet te ratificeren.

Een vredelievend en welvarend Europa was altijd gebaseerd op de veronderstelling dat kracht is gelegen in consensus en gemeenschappelijke missies. De samenwerking, die zich aanvankelijk beperkte tot de handel, is steeds meer terreinen gaan bestrijken: sociaal beleid, werkgelegenheid, immigratie, justitie, grensbewaking en buitenlands beleid. De omwentelingen in Midden- en Oost-Europa hebben ons bevrijd van het juk van Jalta, maar wij staan voor nieuwe uitdagingen: bijvoorbeeld de uitdaging die ligt in het voeden, kleden en huisvesten van een groeiende wereldbevolking, terwijl steeds meer mensen tot migratie worden gedwongen door oorlog, honger of pure wanhoop; de uitdaging van het gat in de ozonlaag, smeltende ijskappen, stijgende zeespiegels en klimaatverandering; of de dreiging van de internationale georganiseerde criminaliteit, van de criminele organisaties die in sommige gevallen al meer macht hebben dan regeringen, en grote ellende veroorzaken onder talloze mensen door de handel in drugs, handvuurwapens en mensen, en die nauw samenwerken met terroristen. Geen van onze landen kan enkel op eigen kracht het hoofd bieden aan deze uitdagingen. Wij moeten samenwerken om de veiligheid, welvaart en kansen te bieden die onze burgers van de regeringen verwachten. Wij moeten samenwerken met elkaar, maar ook met de Verenigde Staten en Canada, aan wier burgers wij zoveel te danken hebben en wier waarden wij in grote lijnen delen, niet alleen om samen met hen de gemeenschappelijke uitdagingen aan te gaan, maar ook om ervoor te zorgen dat zij zich meer op hun gemak voelen bij een nieuw en krachtiger Europa.

Europa kàn een baken van hoop en een voorbeeld van tolerantie, verscheidenheid en stabiliteit zijn in een wereld waarin die kwaliteiten nog verre van gemeengoed zijn. Wij kunnen aandringen op het vastleggen van onze rechten, of toekijken hoe onze rechten worden afgebroken. Wij kunnen de Europese Grondwet ratificeren en vertrouwen stellen in democratie en overheden die verantwoording moeten afleggen, of ermee doorgaan te veel macht in de handen van niet-gekozenen te leggen. Wij kunnen een vriendschappelijke hand uitsteken naar de bezitlozen, of ons terugtrekken in een bedrieglijk coconnetje van welvaart. Wij kunnen Roemenië, Bulgarije, Turkije en de landen van de westelijke Balkan welkom heten en accepteren dat Europa pluriform en divers moet zijn, of doorgaan elkaar te bejegenen met vijandigheid en achterdocht. Samen toewerken naar één doel is meer dan alleen een ideaal, het is ook economische en politieke noodzaak. Het is tijd om het nationale eigenbelang achter ons te laten en een belangrijkere plaats in te ruimen voor het collectief. Samenwerking is het motto als wij verder willen komen en wereldwijde uitdagingen samen willen aanpakken.

Europa moet een leidersrol vervullen in het tijdperk van het wereldbestuur. Europa is een stabiliserende factor en een baken voor andere landen en volkeren. Handel en samenwerking kunnen anderen de vruchten brengen die zij ons hebben gebracht, en daarom is mijn fractie voorstander van intensievere contacten met Rusland en de Volksrepubliek China. Wel moet de geschiedenis ons leren dat wij met onze steun geen instrument mogen worden van autoritaire regimes. De liberalen en democraten bezien met bezorgdheid welke kant sommige van de beleidsmaatregelen van de Raad opgaan: de Amerikanen ondermijnen door een soort uitverkoop te houden van de normen op mensenrechtengebied zou een ernstige aantasting betekenen van de waardigheid waarvoor de Europeanen zo hard hebben gevochten.

Net zoals geen enkel persoon een eiland is, is ook geen enkel land een eiland. Wij staan schouder aan schouder om te waken over een broze wereld en als rentmeester op te treden voor zijn bewoners. Laat Europa een voorbeeld zijn van waardigheid in verscheidenheid en de kans van deze uitdaging met beide handen aangrijpen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Marc Cohn-Bendit, namens de Verts/ALE-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik ben één maand voor 1945 geboren. Mijn ouders zijn 72 jaar geleden uit Duitsland weggetrokken. In 1933 was mijn vader advocaat. Hij verdedigde toen de organisatie "Rode Hulp" en had gearresteerd moeten worden. Ik ben precies negen maanden na de landing van de geallieerden in Normandië geboren. Ik ben een kind van de bevrijding, van een militaire invasie die het Europese grondgebied heeft bevrijd en waardoor mijn ouders een kind konden krijgen, een "kind van de vrijheid".

Daarom bevatten onze herinneringen - mijn herinneringen - zoveel gruwelijkheden. De verschrikking van Auschwitz, de anus mundi die het slechtste heeft laten zien waartoe de mens in staat is. Kolima, de anus mundi die heeft laten zien wat de meest barbaarse politieke ideologie kan aanrichten. Oradour-sur-Glane, dat aangetoond heeft waartoe een militaire bezetting kan aanzetten. Katyn, dat aangetoond heeft dat bevrijding en vernietiging hand in hand kunnen gaan. De volledige Poolse elite is door het Rode Leger afgeslacht om te voorkomen dat het volk zich zou organiseren en een eigen, onafhankelijke staat zou oprichten. Daarna zijn wij bloedbaden blijven aanrichten die niet te vergelijken, maar niettemin vergelijkbaar wreed en dodelijk waren. Denkt u maar aan de bloedbaden van de koloniale oorlogen en aan Srebrenica, dat nu op de dag af tien jaar geleden plaatsvond.

Het zijn deze bloedbaden geweest die mannen en vrouwen ertoe hebben aangezet iets bijzonders te doen. Zij behoren niet tot mijn politieke richting, maar ik erken hun grootsheid, omdat ze erin geslaagd zijn dit Europa op te bouwen, of het nu gaat om De Gaulle of Adenauer, Willy Brandt of Helmut Kohl, François Mitterand, dat doet er weinig toe. Wat ons betreft, degenen onder ons die na 1945 geboren zijn, wij zijn kinderen van Europa, maar we zijn ook kinderen van het antitotalitarisme. Dit Europa is opgebouwd om voor eens en voor altijd te voorkomen dat het totalitarisme weer de kop zou opsteken, of dat nu links of rechts zou zijn. Om een lied aan te halen dat bij sommigen bekend is: er is geen opperste redder, geen God, geen keizer, geen leider, geen communisme, geen neoliberalisme. Er bestaat geen ideologie die de mensheid kan bevrijden. Er is alleen iets heel kleins en kwetsbaars waarmee velen de draak steken en dat simpelweg "democratie" heet.

(DE) Vrienden en vriendinnen, dames en heren, het is niet altijd even makkelijk om als Duitser over het onderwerp “zestig jaar na het einde van de oorlog” te spreken. Duitsland heeft beide kanten meegemaakt: het barbaarse nationaal-socialisme en het communistische totalitarisme. Dus staat Duitsland ook symbool voor Europa. Als wij als generatie al een verplichting hebben, dan is het de verplichting om op te komen voor de waarheid. Ik wil hier nu niet aangeven wat de politieke taken van Europa zijn; dat kunnen we op andere dagen wel doen. Het gaat mij er enkel om dat deze antitotalitaire verplichting serieus wordt genomen. Als wij dat ook echt doen, mogen en kunnen wij de mensenrechten en het respect voor de mens niet offeren op het altaar van een of ander politiek realisme.

(Applaus)

We moeten praten met Rusland, ook over Tsjetsjenië. Misdaden moeten we aan de kaak stellen. We moeten praten met China, ook over de onderdrukking van mensen in China. We mogen niet simpelweg overgaan tot de orde van de dag en het embargo zomaar opheffen. Natuurlijk, de wapens liggen klaar en we zullen ook wel een paar magneetzweeftreinen kunnen verkopen. Maar de Europese geschiedenis zegt ons dat we dit niet mogen doen!

(Applaus)

Deze waarheid moeten wij aanvaarden, en omdat we in Europa geloven moeten wij allen, kijkend naar wat Europa was en wat nooit meer mag gebeuren, gestalte en vorm geven aan het Europa van de toekomst.

Ik ben er trots op deze dagen te behoren tot degenen die de Europese geschiedenis zodanig kennen dat zij willen strijden voor een Grondwet die de erfenis van het antitotalitaire Europa belichaamt. Ik ben ervan overtuigd dat we zullen winnen. Deze Grondwet zal in Europa realiteit worden, daar ben ik van overtuigd. Wij zijn jegens onze kinderen verplicht om de erfenis die onze ouders hebben nagelaten door te geven.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Francis Wurtz, namens de GUE/NGL-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, de mooie toespraak van de heer Juncker en bepaalde accenten uit de erna volgende betogen staan in schril contrast met de ontwerpresolutie die namens de meeste fracties ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de capitulatie van het nazi-bewind is opgesteld. Ik ben ervan overtuigd dat er in de meeste politieke fracties die in ons Parlement vertegenwoordigd zijn, mannen en vrouwen zijn die zich onbehaaglijk voelen over deze tekst, die min of meer een herziening van de geschiedenis is.

Als een instelling als de onze de gebeurtenis vermeldt die aan de basis ligt van het huidige Europa en de huidige wereld, namelijk de overwinning van alle geallieerden - Amerikanen, Britten en Russen -, van de anti-Hitlercoalitie, dan telt ieder woord. Ik wed dat talrijke mannen en vrouwen verwachtten dat zij in een dergelijke verklaring zinnen zouden lezen als: "8 mei 1945 was een dag van bevrijding voor Europa." Waarom niet? Het is immers de waarheid: het was een dag waaraan het Russische leger een doorslaggevende bijdrage heeft geleverd.

Zonder aan de stalinistische onderdrukking voorbij te willen gaan, hadden veel Europeanen - gezien de diverse uitingen van degenen die terugverlangen naar het Derde Rijk - waarschijnlijk ook van ons willen horen dat het vanuit intellectueel en moreel opzicht onaanvaardbaar is om de wreedheden van de nazi's te verontschuldigen door naar de misdaden van het stalinistische bewind te wijzen. Zij zouden zelfs willen horen dat - gezien de gedachtenisoorlog die momenteel voor conflicten tussen de Baltische republieken en Rusland zorgt -, wij in gedachten moeten houden wat het aandeel van nazi-Duitsland in de tragedie van de Baltische staten was.

Geachte collega's, ik zal u iets verduidelijken: alle argumenten die ik zojuist heb geopperd, zijn in feite fragmenten uit een artikel dat eergisteren in de Franse krant Le Figaro is gepubliceerd. Dit artikel is van de hand van Michael Mertes, de vroegere adviseur van voormalig kanselier Helmut Kohl. Het gaat dus om uw politieke richting, leden van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten! Godzijdank! Mertes concludeert: "Wij hebben deze oorlog verloren." Hij voegt er nog een zin aan toe en ik verzoek u hierover eens diep na te denken: "De wijze waarop wij het verleden beschouwen leert ons meer over onze houding in het heden, dan over het verleden zelf."

Nu de Europese Unie haar burgers raadpleegt over de ontwerp-Grondwet, vraag ik mij af hoe zij de opvatting van het uitgebreide Europa zullen interpreteren, waarin om te beginnen de hoeksteen van de visie van Europa en de wereld ter discussie wordt gesteld. Deze visie, die op 8 mei 1945 ontstond, houdt in dat het nazisme geen dictatuur of tirannie was zoals er wel meer waren, maar een complete breuk betekende met de algehele beschaving.

Wat ons betreft, wij zijn bereid tot een debat zonder taboes over zowel de misdaden van het stalinisme als het Sovjet-Duitse pact, dat zulke sinistere herinneringen oproept, of over de geschiedenis van de Baltische staten. Wij mogen ons echter door niets - absoluut niets - laten verleiden om het nazisme te bagatelliseren, want de openlijke doelstelling ervan was - voor zover daar nog aan herinnerd moet worden - om de inferieure mens uit te roeien en de leefruimte van het superieure ras te vergroten door middel van een totale oorlog. Om die reden was het ons recht om van het Europees Parlement een tekst over 8 mei 1945 te verwachten met een heel andere teneur. En misschien was het zelfs niet overbodig geweest om bij deze gelegenheid eer te bewijzen aan al die anonieme strijders die - met als enig doel om in leven te blijven en als standvastige mannen en vrouwen te handelen - zich met gevaar voor eigen leven bij het verzet aansloten, en van wie zo velen hun leven voor onze vrijheid opofferden. Op dezelfde wijze was een woord - een enkel woord - over de verschrikkingen van Hiroshima en Nagasaki en de tienduizenden doden die daarbij in een overwonnen land vielen, niet overbodig geweest.

Het Europees Parlement heeft ditmaal echt een kans gemist om met de geschiedenis in het reine te komen. Mijn fractie weigert dan ook unaniem om steun te geven aan deze ontwerpresolutie die ver afstaat van het beeld dat wij ons vormen van het Europa met vijfentwintig, zevenentwintig of dertig lidstaten.

Ik wil het laatste woord laten aan een Europese leider die, twintig jaar geleden, de juiste woorden had gevonden om over 8 mei 1945 te spreken, en dat in een land waar het het moeilijkst was om dit openlijk te formuleren. Ik doel op de voormalige Duitse president Richard von Weizsaecker. Ik ben zo vrij hem te citeren.

(DE) “Wij hebben de kracht om de waarheid - zo goed als we kunnen - onder ogen te zien, en vergoelijking of eenzijdigheid te vermijden. [...]

[Het] werd van dag tot dag duidelijker wat wij vandaag allen gezamenlijk moeten uitspreken: 8 mei was een dag van bevrijding. Op die dag werden wij bevrijd van het mensonterende systeem dat ons was opgelegd door de nationaal-socialistische tirannie.”

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Maciej Marian Giertych, namens de IND/DEM-Fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de tweede Wereldoorlog begon in september 1939 met de inval in en de bezetting van mijn land, Polen, door Duitsland en de Sovjet-Unie. Deze verdeling van Polen was het resultaat van het Molotov-Ribbentrop-pact, dat een week eerder in Moskou was ondertekend. Polen werd echter niet onderworpen door nazistische of communistische partijmilities, maar door de reguliere strijdkrachten van zijn buurlanden, door de Duitse Wehrmacht, Luftwaffe en Kriegsmarine en door het Rode Leger. Laat mij hier aan toevoegen dat in Duitsland destijds de Nationaal-socialistische Arbeiderspartij en kanselier Hitler regeerden. Zij waren aan de macht gekomen op basis van het democratische besluit van de Duitse kiezers. In Rusland waren Stalin en de communistische partij door de revolutie aan de macht gekomen.

De capitulatie van Duitsland van 8 mei 1945, waarvan wij vandaag de zestigste verjaardag vieren, is de symbolische datum geworden voor het einde van de misdaden van nazi-Duitsland in de bezette landen. Op deze dag kwam echter geen einde aan de misdaden die begonnen met de inval van de Sovjet-Unie in Polen in 1939. De oorlog met Duitsland hebben wij gewonnen, de oorlog met Rusland hebben wij echter verloren. Deze verloren oorlog betekende dat ons een vreemd regime, een vreemd economisch systeem en een vreemde ideologie werden opgelegd.

Wij hebben op alle fronten aan de Tweede Wereldoorlog deelgenomen, van het eerste tot het laatste schot. In de oorlog met Duitsland hadden wij bondgenoten, waartoe vanaf 1941 ook de Sovjet-Unie behoorde. Wij ontkennen niet het aandeel van Rusland in de overwinning op nazi-Duitsland, noch het enorme aantal Russische slachtoffers dat hierbij is gevallen. Dit neemt echter niet weg dat Rusland ons als onderworpen land heeft behandeld. Sterker nog, onze westerse bondgenoten in de strijd tegen Duitsland waren tegelijkertijd bondgenoten van de Sovjet-Unie en hebben in Jalta ingestemd met onze onderwerping. Wij hebben ons stap voor stap zelf moeten bevrijden. Eerst hebben wij de landbouw uit de greep van de collectivisering gehouden, vervolgens hebben wij de kerk bevrijd, daarna hebben wij tolerantie tegenover kleine privé-initiatieven bewerkstelligd en tenslotte vrijheid voor de vakbondsbeweging, de vrijheid van het woord en de politieke vrijheid.

Hulp van buiten kregen wij alleen in de vorm van de stapsgewijs door de Verenigde Staten gewonnen wapenwedloop, in het bijzonder het Star Wars-project van president Reagan, dat de Sovjet-Unie verzwakte. De in Europa gelegerde Amerikaanse troepen en de NAVO hebben in West-Europa gedurende 60 jaar garant gestaan voor de vrede. Vandaag genieten ook de landen van Midden- en Oost-Europa dit voordeel en zijn zij opgenomen in de NAVO of in het partnerschap voor de vrede. Het verlangen naar vrede en vrijheid en naar de mogelijkheid om onze toekomst naar eigen inzicht in te richten, verbindt ons allen.

Mijn generatie, die de Tweede Wereldoorlog persoonlijk heeft meegemaakt, zal binnenkort heengaan. Wij moeten ervoor zorgen dat deze oorlog door de toekomstige generaties overeenkomstig de feiten wordt herinnerd. Voor ons Polen is het buitengewoon pijnlijk dat in de westerse media vaak formuleringen opduiken die ons onrecht aandoen, zoals "Poolse concentratiekampen" of zelfs, zoals het Britse dagblad The Guardian schreef, "Poolse gaskamers en crematoria". Het is waar dat zich ook op Pools grondgebied zulke fabrieken van de dood bevonden. Zij waren echter niet Pools, maar Duits. Niet alle Duitsers dragen hiervoor de verantwoordelijkheid. Wij erkennen dat het Duitse volk afstand heeft genomen van de smadelijke erfenis van de tijd van het nazisme. Wij hechten er evenwel aan dat de misdaden van het nazisme in het bewustzijn van toekomstige generaties niet in verband worden gebracht met Polen, want Polen was hiervoor niet verantwoordelijk.

Niet de Russische natie is verantwoordelijk voor de misdaden van het stalinisme, de verbanningen, de goelag, de volkenmoord van Katyn en de onderwerping van Midden- en Oost-Europa, maar de communistische leiders van de Sovjetstaat. De Russen waren zelf ook slachtoffer van de onderdrukking. Wij streven naar verzoening met het Russische volk en met Rusland. Wij verwachten dat Rusland uitdrukkelijk afstand doet van de erfenis van de tijd van het communisme. De huidige leiders van Duitsland en Rusland, dat wil zeggen van de landen die de Tweede Wereldoorlog hebben veroorzaakt, hebben een gezamenlijk interview gegeven aan het dagblad Bild waarin zij de aandacht proberen te concentreren op hun onderlinge betrekkingen en hun eigen verliezen.

Vandaag willen wij betrekkingen van goed nabuurschap opbouwen met zowel Duitsland als Rusland. Reeds in 1961 schreven de Poolse bisschoppen aan de Duitse bisschoppen de beroemde brief met de woorden: "wij vergeven en vragen om vergiffenis". Laat dit vandaag onze houding tegenover Rusland zijn. Vergiffenis en vereniging betekenen echter niet dat wij mogen vergeten. Laten wij daarom uitroepen: nooit meer genocide, nooit meer onderwerping van het ene volk door het andere, nooit meer agressie, nooit meer oorlog!

 
  
MPphoto
 
 

  Wojciech Roszkowski, namens de UEN-Fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog lopen van land tot land sterk uiteen. Het debat dat wij thans voeren is daarom wellicht het belangrijkste debat over de Europese identiteit sinds jaren. Als wij daadwerkelijk onderdeel van één Europese geestelijke gemeenschap willen worden, dan moeten wij de historische ervaringen van de landen van Europa proberen te begrijpen. Daarom moeten wij open over deze zaken spreken.

De resolutie over de zestigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog is het resultaat van een moeilijk compromis. Het omvat vele formuleringen die de gevolgen van de oorlog goed weergeven. Wat evenwel ontbreekt is de reflectie over het verband tussen het begin van de oorlog en het einde, evenals een verwijzing naar de interpretatie van de oorlog in Rusland. München en de deling van Tsjecho-Slowakije vormden voor Hitler de eerste aanmoediging tot agressie. Het kan echter niet worden ontkend dat het Molotov-Ribbentrop-pact de werkelijke uitnodiging tot de oorlog vormde. In september 1939 werd Polen het slachtoffer van de samenwerking van het Derde Rijk en de Sovjet-Unie. Vervolgens kwamen de Duitse invasies in Noorwegen, Denemarken, België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Joegoslavië en Griekenland en de Sovjetinvasie in Finland, Litouwen, Letland en Estland. Niet uit eigen wil kwam Stalin in oorlog met Duitsland. Integendeel, hij weigerde zelfs samenwerking met Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Pas na de aanval van nazi-Duitsland in juni 1941 kreeg hij Britse en Amerikaanse hulp en trad hij toe tot het bondgenootschap dat uiteindelijk het Derde Rijk op de knieën dwong.

Weliswaar nam het Rode Leger een enorm aandeel van de oorlogslast voor zijn rekening, maar het Sovjetsysteem veranderde niet. De Goelag Archipel, waarvan het aantal slachtoffers vergelijkbaar is met de oorlogsverliezen van de Sovjet-Unie, bleef aanzwellen. De samenwerking van de Grote Drie was gebaseerd op een illusie van gedeelde waarden en bleek na de beëindiging van de oorlog onhoudbaar. Kort voor zijn dood gaf Roosevelt toe dat men met Stalin geen zaken kon doen omdat hij geen enkele afspraak die hij maakte nakwam. Het was toen echter al te laat. Europa was verdeeld, waarbij het oostelijke deel in de greep van het stalinistische totalitarisme werd gehouden. Onder deze landen bevond zich Polen, het land dat als eerste tegenstand had geboden tegen Hitler, toen deze nog bondgenoot was van Stalin, het land dat de qua omvang op drie na grootste strijdkrachten van de geallieerden op de been bracht, en dat relatief gezien tijdens de oorlog de zwaarste verliezen had geleden.

Helaas wil Rusland vandaag de dubbelzinnige rol van de Sovjet-Unie in de oorlog niet erkennen. President Poetin is teruggekeerd tot de stalinistische interpretatie van de Tweede Wereldoorlog en zijn gevolgen. Het Molotov-Ribbentrop-pact heeft hij een gewoon internationaal verdrag genoemd. Het officiële Rusland ontkent dat Stalin Polen in 1939 is binnengevallen. Het ontkent de genocide van Katyn. Het ontkent dat de Sovjet-Unie de Baltische landen bezette en beweerd bovendien dat Jalta Polen democratie heeft gebracht.

De bekende Russische schrijver Viktor Jerofejev schreef onlangs dat het verlichte Rusland het totalitarisme van Stalin gelijkstelt aan het regime van Hitler. Het verlichte Rusland vestigt zijn hoop op de vereniging van Europa. De rehabilitatie van Stalin moet voor iedereen een waarschuwing zijn.

Waarom is dit vandaag van belang? President Poetin heeft gezegd dat de Russisch-Duitse eenheid een voorbeeld kan zijn voor Europa. Eenheid op basis van een stalinistische interpretatie van de geschiedenis belooft echter weinig goeds en klinkt in Warschau, Vilnius, Riga en Tallinn buitengewoon alarmerend.

Wij Polen en andere volkeren van Midden-Europa zijn van mening dat er geen sprake kan zijn van vrede en eenheid in Europa als de volkeren tussen Duitsland en Rusland daarvan zijn uitgesloten. Wanneer de West-Europese machten en Rusland elkaar boven onze hoofden de hand schudden, moet u begrijpen dat wij het in Polen en in Oost-Europa benauwd krijgen.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER MAURO
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (NI). - Voorzitter, het is van groot belang dat deze dagen wordt herdacht dat 60 jaar geleden een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Het is ook een goede zaak dat bij deze gelegenheid opnieuw wordt benadrukt dat vrijheid en democratie geen vanzelfsprekendheden zijn en actief verdedigd moeten worden. De verschrikkingen van het nationaal-socialisme vormen een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Europa en de sprekers voor mij hebben er al terecht op gewezen dat daar weinig of niets aan toe te voegen valt.

Maar het valt te betreuren dat er in West-Europa zo weinig aandacht is voor het historische feit dat 60 jaar geleden ook het officiële startsein werd gegeven voor het overleveren van de Oost-Europese volkeren aan de Sovjetbezetting, aan dictatoriale communistische regimes, die in gruwel en misdaad niet voor het nazi-regime moesten onderdoen. Het rode leger stond al in 1944 voor Warschau, gewoon te wachten tot de nazi's de opstand hadden onderdrukt. Zestig jaar geleden werd overal in het Westen ene Jozef Stalin bejubeld en gevierd, een tiran die op dat ogenblik al miljoenen mensenlevens op zijn geweten had en die met het medeweten van het bevrijde Westen nog miljoenen bijkomende slachtoffers zou maken, in en buiten Rusland.

Het wordt trouwens hoog tijd dat na Duitsland ook Rusland met het verleden in het reine komt. De officiële versie luidt daar nog altijd dat landen als Estland, Letland en Litouwen door het rode leger bevrijd werden. Vaira Vike-Freiberga, de presidente van Letland, wees erop dat 1945 de Baltische staten geen bevrijding bracht, integendeel. Ik citeer: "Het betekende slavernij, het betekende bezetting, het betekende onderwerping en het betekende stalinistische terreur".

De Europese leiders die een paar dagen geleden in Moskou waren, namen nauwelijks de moeite om ook die realiteit aan te kaarten. En wat voor de West-Europeanen 60 jaar geleden een bevrijding was, betekende voor Oost-Europa een nieuwe martelgang, met het verschil dat de nieuwe dictaturen konden rekenen op de actieve steun en sympathie van zovele West-Europese politici, media, intellectuelen en vele anderen, van wie sommigen trouwens op de loonlijsten van de Sovjet-geheime diensten bleken te staan. Misschien wordt het vandaag, 60 jaar later, wel eens tijd om ook die potjes te openen. Misschien kan Europa pas echt met zijn verleden in het reine komen, wanneer er een soort Nürenberg-tribunaal van het communisme wordt gehouden, niet om oude wonden open te rijten, maar om de feiten nooit te vergeten, met het oog op de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen.

Mij schokt het, collega's, wanneer een Europees commissaris op zijn website foto's plaatst waarop hij zijn beate bewondering voor iemand als Fidel Castro demonstreert. Mij schokt het wanneer intellectuelen en beleidsverantwoordelijken de opkomst van het islamitische extremisme blijven ontkennen of minimaliseren. Jean-François Revel sprak al van "la tentation totalitaire" - de totalitaire verleiding. Als we één les uit de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog moeten trekken, is het dat totalitarisme geen kans meer mag krijgen, van waar het ook komt.

 
  
MPphoto
 
 

  Szájer, József (PPE-DE). - (HU) "Uit het bloed dat door onze vaderen in de strijd vergoten is vloeit vrede voort, in onze gedachtenis en achting: orde scheppen in onze dagelijks aangelegenheden, dat is onze plicht; en het zal moeilijk zijn." De grote Hongaarse dichter Attila József, de honderd jaar geleden geboren werd, herinnert ons eraan dat wij als Europese naties, die onderling tal van oorlogen hebben uitgevochten, veel dagelijkse aangelegenheden hebben om op orde te brengen.

Onlangs heeft de heer Frattini in een brief aan de heer Landsbergis en mij geschreven dat uw geschiedenis ook onze geschiedenis is. Als wij het einde van de Wereldoorlog in Europa vieren, mogen wij niet vergeten dat het einde van de oorlog elk van de Europese naties iets anders bracht. Voor de fortuinlijkere naties betekende het zestig jaar geleden het einde van een lange periode van lijden en onmetelijke verwoesting. Wij buigen het hoofd voor allen die een offer hebben gebracht voor de vrede. De andere helft van Europa echter wachtte een andere boosaardige dictatuur, met evenzoveel lijden en verwoesting. De ene nacht volgde de andere op, zonder tussentijds daglicht; de ene bezetting volgde de andere op, zonder tussentijdse onafhankelijkheid; de ene onmenselijke dictatuur volgde de andere op, zonder tussentijdse vrijheid.

Hier achter mij zit de Slowaakse afgevaardigde mevrouw Pleštinská, wier Hongaarse vader in gelijke mate werd opgejaagd door nazi’s en fascisten en vervolgens negen jaar moest lijden in de helse concentratiekampen van de Sovjets. Iemand die de onschuldige gevangene uit de ene gevangenis bevrijd om hem op te sluiten in een andere is een gevangenbewaarder, geen bevrijder. En de gevangene zal hem niet zien als iemand die hem zijn vrijheid heeft gegeven, maar als iemand die hem zijn vrijheid heeft afgenomen. Voor vele Europese naties kwam de felbegeerde vrijheid pas vijftig jaar na 8 mei 1945. En de laatste stap werd genomen op 1 mei 2004, waarmee definitief een einde werd gemaakt aan de wereldorde van Jalta. In feite eindigde de Tweede Wereldoorlog op 1 mei 2004. Daarom zou het gepaster zijn het einde van de oorlog hier te vieren, in de hoofdstad van het herenigde Europa, in plaats van in Moskou.

De naties van Europa keken van twee kanten tegen dezelfde muur aan: het prikkeldraad hield ons een halve eeuw lang gescheiden. Wij verdroegen het ondraaglijke; we ondergingen het systeem dat werd gevestigd door het Rode Leger van de Sovjets, dat niet wegging tot lang na de bevrijding; we doorstonden genocide, etnische zuiveringen en zuiveringen op basis van klasse; onschuldige mensen werden gedood, gemarteld, afgevoerd en van hun burgerrechten beroofd, en dit alles in naam van het progressief-socialistisch ideaal. Het systeem waaraan het sovjetcommunisme de naties van Midden-Europa onderwierpen, kwam rechtstreeks voort uit het plan waarover Stalin sprak op 19 augustus 1939 ten overstaan van het politbureau, toen hij het Molotov-Ribbentrop Pact toelichtte. Ik citeer: "Uit de ervaring van de afgelopen 20 jaar kan worden opgemaakt dat het onmogelijk is in vredestijd een dermate sterke communistische beweging in heel Europa te handhaven dat een bolsjewistische partij de macht kan grijpen. De dictatuur van een dergelijke partij zal alleen mogelijk worden als resultaat van een grote oorlog."

Onze naties zijn menigmaal tegen dictaturen van dergelijke bolsjewistische partijen in opstand gekomen: in 1956 in Berlijn, in oktober 1956 in Hongarije en Poznań, in 1968 in Tsjecho-Slowakije en in 1980 in Polen. Het Westen verwelkomde onze revoluties en stond aan onze kant, maar duldde het wanneer de Sovjetunie deze uitingen van verlangen naar vrijheid de kop indrukte en bloedig neersloeg. Beste collega’s, onze geschiedenis is ook uw geschiedenis. Niettemin ondervinden wij, de naties die een decennium geleden van het sovjetjuk werden bevrijd, geen mededogen als het gaat om onze recente geschiedenis. Na de oorlog richtte West-Europa zich trots op en begon het aan een bloeiperiode in vrede. Zonder dat wij daar iets aan konden doen kwamen wij buiten dit proces te staan. Dat geeft aanleiding tot de huidige situatie, waarbij er, aan de kant van het Europa dat meer geluk heeft gehad en zelfs hier in het Parlement, mensen zijn die ervan willen profiteren hun eigen bevolking angst aan te jagen met de goedkope burgers uit de nieuwe lidstaten, met mensen wier land in een economische crisis belandde door de vruchteloze socialistische economie die hun werd opgedrongen.

Veel mensen in West-Europa begrijpen echter niet waarom de vijfpuntige rode ster, net als het hakenkruis, het symbool is geworden voor haat en onderdrukking. Onze geschiedenis is ook uw geschiedenis. Zestig jaar geleden werd de nazi-macht gezamenlijk verslagen door de naties van Europa. De in diskrediet geraakte politieke klasse verdween. Er zijn geen pleinen die naar Hitler zijn vernoemd, er zijn geen standbeelden opgericht ter nagedachtenis van nazi-moordenaars. Een halve eeuw later stortte ook de Sovjetunie en het communistische regime ineen. Op soortgelijke wijze leed het Joegoslavische communisme, dat zonder een sovjetbezetting een eigen weg was gegaan, een schandelijke nederlaag. De opvolgers van het gevallen communistische systeem zijn welbespraakte zakenlieden die respect verlangen, zogezegd “verantwoordelijke politici”. In Rusland worden weer standbeelden van Stalin opgericht en wordt de sovjetbezetting opnieuw als een bevrijding voorgesteld. Het lijkt erop dat zij steeds minder willen weten van de wreedheden van de communistische dictatuur.

Geacht Parlement, we moeten niet met twee maten meten. Auschwitz, de massaslachting van Katyn, de bezetting van de Baltische Staten door de nazi’s en tweemaal door de Sovjets, de onrechtmatige dictaturen die de invloedssferen van Europa uiteenscheurden, grenzen die werden getrokken met geweld en middels pacten, de deportatie van hele naties, het vermoorden, martelen en verminken van mensen, bevolkingsuitwisselingen waarbij mensen hun burgerrechten werden ontnomen, muren die naties in tweeën scheidden, rechten van minderheden die met voeten werden getreden: stuk voor stuk daden van grof onrecht, ongeacht door wie ze zijn gepleegd.

Zestig jaar na het militaire einde van de oorlog is het tijd om deze aspecten onder ogen te zien. Voor het immense offer dat het sovjetleger heeft gebracht zijn respect en eer geboden, maar het bezettingsleger is ons respect niet waardig. Het legde met geweld zijn eigen onderdrukkende dictatuur op aan een deel van de Europese naties. Zolang wij niet een wreedheid als wreedheid mogen benoemen, en moord als moord mogen beoordelen, zolang we de ene zonde afwegen tegen de andere, zolang zal de oorlog blijven voortwoeden in ons hoofd en zullen de wonden niet genezen. Jezus zegt dat de waarheid ons vrijmaakt. De hereniging van Europa is een gelegenheid voor een nieuw begin. Ooit winnaars en verliezers, onderdrukkers en onderdrukten, we kunnen gezamenlijk een verenigd, democratisch Europa opbouwen, op basis van de kracht van de menselijke waardigheid die is geworteld in de christelijke traditie, hopend op een betere toekomst en gelukkigere toekomstige generaties. Laten wij het oor richten tot Attila József, laten wij luisteren naar de dichter en orde scheppen in onze dagelijkse aangelegenheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Józef Pinior (PSE). - (PL) Dames en heren, vandaag gedenken wij in het Europees Parlement de zestigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog, de verschrikkelijkste oorlog in de geschiedenis, die miljoenen de dood injoeg en de Joden uitroeide. Deze oorlog stortte Europa in de barbarij, verwoestte de economie en bracht een morele instorting. Wij gedenken deze duistere periode en gedenken de slachtoffers.

Dames en heren, de herinnering van een samenleving kent bijzondere, belangrijke momenten die ons in staat stellen om gezamenlijk een politieke gemeenschap vorm te geven. De Europese volkeren hebben hun eigen herinnering aan de twintigste eeuw. Deze is het resultaat van onze historische ervaringen, uiteenlopende politieke gebeurtenissen in onze landen en onze samenlevingen. Er is echter een herinnering die ons verenigd, en dat is de herinnering aan de slachtoffers, de herinnering aan de strijd voor de vrijheid en de democratie, de herinnering die aan de basis ligt van onze gezamenlijke Europese identiteit. Vandaag gedenken wij de slachtoffers van de nazi-terreur in de door het Derde Rijk bezette landen. Wij gedenken de slachtoffers van de Shoah, de volkenmoord op de Joden op het Europese continent tijdens de Tweede Wereldoorlog, een misdaad van een uitzonderlijke gruwelijkheid in de geschiedenis van de mensheid. Wij gedenken de overwinning van de geallieerden op het Derde Rijk en in het bijzonder de rol die de Verenigde Staten van Amerika hebben gespeeld bij de bevrijding van Europa. Wij gedenken alle soldaten die zijn gestorven om de wereld te bevrijden van het nazisme. Wij gedenken de 14 miljoen soldaten van het Rode Leger. Wij gedenken de slachtoffers van alle partijen in de Tweede Wereldoorlog. Wij gedenken ook de slachtoffers van Stalin, voor wie de moord in het voorjaar van 1940 op ongeveer 22 duizend Poolse burgers en krijgsgevangenen in Katyn en in andere kampen en gevangenissen op het grondgebied van de Sovjet-Unie een symbool is geworden. Wij brengen een eerbetoon aan de strijders voor vrijheid, democratie en mensenrechten. Wij gedenken de uitzonderlijk moedige verzetsbewegingen die in de verschillende landen tegen het fascisme en tegen de bezetting hebben gestreden. De idealen en de toewijding van deze verzetsbeweging in de ongelijke strijd behoren vandaag tot ons erfgoed, vervullen ons met trots en zijn een voorbeeld voor de jonge generaties in Europa.

Ik wil vandaag de verzetsbeweging in het getto van Warschau gedenken, de opstandelingen van de Joodse militaire organisatie, die op 19 juni 1943 in opstand kwam in het door de bezettingsmacht voor de Joodse bevolking in Warschau ingerichte getto. Deze strijd, in het midden van de oorlog, in het hart van het door de nazi’s bezette Europa, was een militair kansloze strijd. Deze opstand had echter een diepere betekenis. Voor ons vandaag is de moed van deze opstandelingen een grootse getuigenis van de menselijke geesteskracht en een van de morele fundamenten waarop wij Europa opbouwen. Zoals de kreet van deze Joodse militaire organisatie luidde: "wij strijden voor jullie en voor onze vrijheid, voor jullie en voor onze menselijke, maatschappelijke en nationale eer en waardigheid".

Dames en heren, wij weten dat het einde van de oorlog niet voor alle Europese volkeren een echte bevrijding, onafhankelijkheid en democratie bracht. Voor Midden- en Oost-Europa en voor de Baltische staten betekende het einde van de oorlog nieuwe vormen van onderdrukking, een gebrek aan soevereiniteit en democratie en schending van de fundamentele mensenrechten binnen de door de Sovjet-Unie aan dit deel van Europa opgelegde totalitaire status quo. Voor Estland, Letland en Litouwen betekende het bovendien het einde van de onafhankelijkheid en inlijving in de Sovjet-Unie. Socialisten, sociaal-democraten en democratisch links hebben zich gedurende de twintigste eeuw tegen alle vormen van dictatuur en tegen alle ondemocratische regimes verzet. Wij vormen een politieke beweging die altijd aan de kant van de democratie en de mensenrechten heeft gestaan. In de Baltische landen, in Midden- en Oost-Europa en tevens in de landen van Zuid-Europa waar na de Tweede Wereldoorlog dictaturen heersten: in Portugal, in Spanje en in Griekenland.

Dames en heren, ik spreek deze woorden in het Europees Parlement, in Straatsburg, in een gebied dat is getekend door oorlogen en het verval van Europa. Hier stonden onze voorouders als soldaten tegenover elkaar. Vandaag ontmoeten wij elkaar hier als burgers en afgevaardigden die het zich verenigende Europa vertegenwoordigen. Het antwoord op de oorlog wordt sinds de jaren ’50 gevormd door de Europese integratie en de oprichting van de Europese Gemeenschap. De totstandbrenging van de Europese instellingen is de overwinning van de conflicten tussen de Europese landen. De huidige Europese Unie is het product van drie grote democratische processen: de overwinning op het fascisme in de oorlog, de val van de dictaturen in Zuid-Europa in de tweede helft van de jaren ’70 en de overwinning van de democratie in Midden- en Oost-Europa en in de Baltische staten.

In ons continent wordt een internationale orde gevormd, gebaseerd op vrede en samenwerking. Er ontstaat een gemeenschap, gebaseerd op de beginselen van eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid en rechtsstaat, alsmede de eerbiediging van de mensenrechten, waaronder ook de rechten van minderheden.

De verschillende volkeren van de Europese Unie, die thans vijfentwintig lidstaten omvat, kennen uiteenlopende historische ervaringen. De ratificatie van de Grondwet voor Europa betekent het ontstaan van een verenigd Europa dat streeft naar vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de wereld, een Europa dat, in de formulering van het Grondwettelijk Verdrag, een ruimte kan worden waarin de mensen gestalte kunnen geven aan hun aspiraties. Gezamenlijk zijn wij de weg gegaan van een door oorlog, totalitarisme en menselijk ongeluk verscheurd Europa naar het democratische Europa, waarin vrije volkeren binnen de Europese Unie de toekomst van Europa gestalte geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Jerzy Kułakowski (ALDE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, 60 jaar na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog is de toekomst van Europa in hoge mate afhankelijk van de vervulling van twee fundamentele voorwaarden. De eerste is dat de geschiedenis van de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog door iedereen wordt erkend. De tweede is dat wij op het fundament van deze geschiedenis een gezamenlijke visie voor de Europese integratie ontwikkelen.

De manier waarop mensen zich de geschiedenis herinneren, verschilt naargelang het einde van de oorlog voor hen een echte bevrijding betekende of niet. Polen herinnert zich een aantal cruciale data die de tragische geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog tekenden. De eerste is 1 september 1939, toen Hitler Polen binnenviel. Dit was het begin van een nachtmerrie van bezetting, onderdrukking, concentratiekampen en pogingen van de bezetter om de Poolse staat en het Poolse volk te vernietigen. Tegelijkertijd was dit een periode van heroïsch verzet van de ondergrondse staat en maatschappij. Een andere datum die de Polen zich herinneren is 17 september 1939. Deze datum maakt helaas minder los in West-Europa, maar voor ons is dit een uiterst pijnlijke en belangrijke datum. Dit was namelijk de dag van de inval van de Sovjet-Unie in Polen op basis van het Molotov-Ribbentrop-pact, dat wil zeggen het pact tussen Hitler en Stalin waarmee Polen opnieuw werd verdeeld. In 1943 kwamen de misdaden van Katyn aan het licht, waar in 1940 op bevel van Stalin tienduizenden Poolse officieren en ambtenaren waren vermoord, alleen omdat zij de Poolse staat dienden. De jaren 1943 en 1944 brachten twee heroïsche opstanden. De eerste was de opstand in het getto van Warschau, die in een stroom van bloed, of eigenlijk met de uitroeiing van de bewoners eindigde. De tweede was de opstand van Warschau, waarbij de Sovjetlegers dadeloos vanaf de rechteroever van de Wisła toekeken. Tenslotte 1945 en de conferentie van Jalta, waar voor 44 jaar een IJzeren Gordijn werd neergelaten dat Europa verdeelde en mijn land, Polen, afsneed van de democratie en het Europese integratieproces. Tot zover de historische herinnering.

Wat nu de gezamenlijke visie van de Europese integratie betreft, wil ik een fundamenteel punt benadrukken. Wij gedenken de misdaden van systemen en de slachtoffers ervan. In geen geval mag dit onze volkeren en samenlevingen van elkaar scheiden. Dit was de boodschap van Solidariteit, de Poolse maatschappelijke beweging die het begin inluidde van de bevrijding van Midden- en Oost-Europa en waarvan wij dit jaar de vijfentwintigste verjaardag vieren. Deze beweging lag aan de basis van de hereniging van de twee delen van Europa die door het besluit van Jalta van elkaar waren gescheiden. Aanleunend bij de naam van deze beweging wil ik benadrukken dat solidariteit het leidende beginsel van onze gezamenlijke toekomst moet zijn.

Tot slot roep ik op tot aanneming van de resolutie.

 
  
MPphoto
 
 

  Tatjana Ždanoka (Verts/ALE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, volgens mij moet een vredelievend en welvarend Europa gebaseerd zijn op eerbiediging van de mensenrechten. Daarom kan ik niet voor de resolutie van de heer Brok stemmen. Een aantal verklaringen in deze resolutie zou een juridische basis kunnen verschaffen voor mensenrechtenschendingen en tot enorme onrechtvaardigheden kunnen leiden in mijn land, Letland, en in buurland Estland.

In de ontwerpresolutie staat dat de landen van Oost-Europa decennia lang door de Sovjet-Unie zijn bezet. In het geval van Letland en Estland zou deze stelling gevaarlijke gevolgen kunnen hebben voor de meer dan een half miljoen mensen die zich daar in die periode gevestigd hebben. De heer Toomas Ilves uit Estland verklaarde onlangs in de Baltic Times waar deze stelling toe zou leiden: ‘daarmee zal de bescherming van minderheden in de Baltische staten een lege huls worden’. Bovendien stemde het Letse parlement twee weken geleden in met de verdere behandeling van een verklaring waarin het Europees Parlement wordt verzocht vrijstelling te verlenen voor de verplichting om buitenlandse burgers en hun nakomelingen, die tijdens de bezetting naar Letland werden overgebracht, te accepteren.

Mijn vader was marineofficier in het sovjetleger en leverde een bijdrage aan de nederlaag van Hitler’s leger en zijn plaatselijke bondgenoten, Arājs, Cukurs en anderen, die verantwoordelijk waren voor de liquidatie van 80.000 Letse joden, waaronder de grootouders van mijn vader. Bovendien werd mijn vader op bevel van Stalin uit het leger gegooid omdat hij joods was. Ik zal nooit accepteren dat mijn vader een bezetter was, noch dat mijn moeder, een Russisch-orthodoxe, die in 1950 van Sint Petersburg naar Riga kwam, onder dwang werd gerepatrieerd, zoals de Letse ontwerpverklaring wil. De bewering die in deze resolutie van het Europees Parlement wordt gedaan, zal een stimulans zijn voor de Letse wetgever om in de zeer nabije toekomst akkoord te gaan met deze verklaring. Ik wil niet dat de Baltische staten een soort tweede Balkan worden. Wij zijn als leden van het Parlement volledig verantwoordelijk voor de bewoordingen die we gebruiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Giusto Catania (GUE/NGL). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, 8 mei 1945 is de datum die het einde van de Tweede Wereldoorlog markeert, maar het is tevens de dag waarop de fascistische en nazi-regimes in Europa aan hun einde zijn gekomen. Op die dag heeft Europa zich bevrijd van het spook van het totalitarisme en werd de aanzet gegeven tot een Europa dat ijvert voor vrede en sociale gelijkheid.

Europa is bevrijd door verzetsstrijders, door mannen en vrouwen die de institutionele en morele fundamenten van dat Europa hebben gelegd. Europa is bevrijd door degenen die in Stalingrad hebben gevochten, door de geallieerde Amerikaanse en Canadese troepen, en ook door het Sovjetleger. Deze datum kan beschouwd worden als de steen waarop het nieuwe Europa is opgetrokken.

Helaas geeft deze bladzijde van de geschiedenis vaak aanleiding tot verkeerde interpretaties, tot revisionistische aanvallen. Ook het huidige debat geeft een vertekend beeld, omdat sommigen hun revisionistische impulsen niet in bedwang houden. De herdenking van de Bevrijding van Europa is er niet bij gebaat als 8 mei 1945 en de misdaden van het stalinisme zomaar over één kam worden geschoren. Ik wil er wat dit betreft geen doekjes om winden. In politiek opzicht, vanuit onze culturele achtergrond en ook gezien onze leeftijd, hebben mijn fractie en ik er geen enkel probleem mee om de gruwelen van het stalinisme te veroordelen. Maar in dit debat wordt langs slinkse wegen gepoogd de theorie van Nolte, die het nazisme op één lijn plaatst met het communisme en niet slechts met het stalinisme, nieuw leven in te blazen.

Alles wel beschouwd zijn de waarden van vrede en sociale gerechtigheid in deze korte eeuw niet alleen door het stalinisme, maar ook door het kolonialisme, het imperialisme en het neoliberalisme ondermijnd: van Algerije tot Vietnam, van het bombardement van Belgrado tot de bloedbaden van Sabra en Chatila, tot aan de gebeurtenissen van 11 september 1973 in de Chileense hoofdstad Santiago.

Wij moeten de geschiedenis geen geweld aandoen: de herinnering aan het verleden is een essentiële voorwaarde om de toekomst tegemoet te treden en de perspectieven van dit Europa op te bouwen. Er is maar één manier om een sterker Europa te verkrijgen: het woord “oorlog” moet uit ons vocabulaire worden geschrapt. Europa moet een actieve rol spelen in de opbouw van een wereld van vrede, van Irak tot Afghanistan en Palestina. Europa moet moediger en gezaghebbender worden. Wij moeten het beroemde Latijnse motto omdraaien: si vis pacem para pacem. Dat moet ons leidend beginsel worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Nigel Farage (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, soms vraag ik me af welke argumenten er vóór de Europese Unie spreken. Het zijn zeker geen economische argumenten, omdat we niet in een wereld met huizenhoge handelstarieven leven en omdat we op dit moment een mondiale economie hebben. En het zijn zeker ook geen democratische argumenten, want dit Parlement is het enige democratisch gekozen orgaan binnen de Europese Unie en het is bijna zo goed als nutteloos.

Als er al een argument vóór de Europese Unie zou zijn dat mij van gedachten zou doen veranderen, dan is het dat de Europese Unie ons vrede brengt en garandeert. Dit alles leunt echter op een aantal valse aannames. Het waren geen democratische natiestaten die de Eerste en Tweede Wereldoorlog ontketenden. Als we naar de geschiedenis kijken, zien we dat rijpe democratieën niet met elkaar in oorlog gaan.

Het is ook apert onjuist om aan te voeren dat de EU de vrede in Europa in de afgelopen vijftig jaar heeft bewaard. Welke oorlog is door de EU een halt toegeroepen? Was Portugal van plan Italië aan te vallen in het midden van de jaren zeventig? Welke mogelijke oorlog zou de EU hebben kunnen stoppen? Als er al een vredesbewaarder is geweest in de afgelopen vijftig jaar, dan is dat zonder enige twijfel de NAVO, een voorbeeld van intergouvernementele samenwerking.

Voorzitter Borrell blijft praten over de hereniging van Europa. Soms vraag ik me af waar hij het eigenlijk over heeft. Het belangrijkste is: zal de EU vrede garanderen? Garandeert een federatie vrede? Dat was niet het geval in Joegoslavië en de Sovjet-Unie, en evenmin in de Verenigde Staten van Amerika, waar, zoals bekend, een van de meest bittere en bloedige burgeroorlogen uit de geschiedenis heeft plaatsgevonden. Als we doorgaan dit project op basis van leugens aan de burgers van Europa te verkopen, is het meer dan waarschijnlijk dat we het vuurtje aanwakkeren en bittere verontwaardiging en extreem nationalisme in de hand werken. Wat we moeten doen is de volkeren van Europa de waarheid vertellen over onze ambities en hun vrije en eerlijke referenda geven, omdat we anders regelrecht op een catastrofe afstevenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ģirts Valdis Kristovskis (UEN). - (LV) Dames en heren, zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog kan ik uit overtuiging zeggen dat de Europese Unie het beste model is voor samenwerking tussen landen dat tot nu toe op het oude continent is uitgeprobeerd. Oorlog heeft in Europa plaatsgemaakt voor dialoog, en toch zijn verzoening, diepgaand begrip van de historische waarheid en wederzijdse vervlechting van de belangen van staten en politici nog altijd niet verwezenlijkt.

Jazeker, op dit moment gedenken wij gezamenlijk een van de grootste overwinningen van de mensheid op de nazi-ideologie. We gedenken de slachtoffers van het fascisme en staan stil bij de nagedachtenis aan de strijders die zijn gevallen. Jazeker, het stemt tevreden dat het gehele politieke spectrum van het Europees Parlement zich eendrachtig achter de resolutie heeft weten te scharen over het einde van de Tweede Wereldoorlog, en dat het voor het eerst gezamenlijk de balans opmaakt van de misdaden van zowel het nazi-regime als de communistische regimes, en deze veroordeelt. Dames en heren, in onze gezamenlijke verklaring hebben wij ondubbelzinnig gesteld dat er geen sprake kan zijn van verzoening zonder de historische waarheid te erkennen dat alleen een sterk Europa oplossingen kan bieden voor het te boven komen van de erfenis uit het verleden, die teruggaat op het onrecht tegen en de vijftigjarige sociale, politieke en economische achteruitgang van naties die gevangen werden gehouden. Helaas is in onze verklaring niet alles gezegd en evenmin is dat wat de heer Juncker gisteren in Moskou heeft gezegd aanvaardbaar. Hij zei dat de oplossing voor deze problemen een vraag is voor toekomstige generaties. Alleen de machtigen noemen de dingen bij hun ware naam. Een paar dagen geleden zei de heer Bush in Riga in niet mis te verstane woorden dat met het Verdrag van Jalta de onrechtvaardige traditie werd voortgezet van het Verdrag van München en het Molotov-Ribbentrop-pact, dat toen eens te meer door machtige regeringen werd onderhandeld en de vrijheid van kleine naties om de een of andere reden niet belangrijk werd geacht, en dat deze poging om vrijheid te offeren omwille van stabiliteit uiteindelijk een verdeeld en onstabiel continent opleverde. Deze woorden vinden hun bevestiging in de koude oorlog in Europa, die bijna vijftig jaar duurde. Iedereen in het Europees Parlement weet dat de NAVO, de Noord-Atlantische unie, werd opgericht in het belang van de veiligheid in Europa, uit angst voor een invasie van het totalitaire, cynische en agressieve sovjetregime. Dit bevestigt het feit dat het Westen na de Tweede Wereldoorlog geen enkel vertrouwen had in een bondgenoot als Stalin. Het kwade rijk van Stalin was onaanvaardbaar, ook al was eerder gezamenlijk de overwinning op de nazi-ideologie gevierd.

Dames en heren, wanneer wij denken aan de toekomst van Europa mogen we niet vergeten wat ik zojuist heb gezegd. Er zijn zestig jaar verstreken sinds de Tweede Wereldoorlog en Europa geeft vorm aan zijn toekomst, samen met zijn bondgenoten. Spijtig genoeg geeft Rusland, erfgenaam van de USSR, nog steeds verklaringen af waarin het zijn invloed op de landen van Oost-Europa en de bezetting van mijn land, Letland, evenals van Litouwen en Estland, ontkent. Deze loochening van de historische waarheid, het doelbewust verdedigen van de misdaden van het communistische regime, is vernederend. Er spreekt minachting uit voor de overlevenden en de slachtoffers van het regime, en toch gebeurt het tot op de dag van vandaag. Rusland probeert zich vast te klampen aan bepaalde gelegenheden om de wereldwijde publieke opinie te manipuleren. Rusland zorgt dat het probleem van de niet-staatsburgers in Letland onder de publieke aandacht blijft en overdrijft het, terwijl het tegelijkertijd de mensenrechten van overlevenden en slachtoffers van het totalitaire sovjetregime en hun naaste familieleden schendt door hun lijden en hun verlies te ontkennen. Een dergelijke opstelling van Rusland is geenszins bevorderlijk voor de verzoening tussen enerzijds Rusland en anderzijds de staten van Oost-Europa en de Baltische Staten die hun vrijheid hebben herwonnen. Een oprechte veroordeling van de misdaden van het communisme en een oplossing voor de gevolgen ervan zijn noodzakelijk, in het belang van de toekomstige stabiliteit van Europa. Ik roep u op voor de resolutie te stemmen!

 
  
MPphoto
 
 

  Jana Bobošíková (NI). - (CS) Dames en heren, de geschiedenis van de naties van de EU is zeker niet van een leien dakje gegaan. In de loop van de geschiedenis hebben deze naties elkaar bevochten, bedrogen en wreedheden jegens elkaar begaan. Het waren Europeanen uit wier koker het idee kwam van de suprematie van het Arische ras, de Endlösung voor andere rassen en de gaskamers. En wat meer is, de rest van Europa stond er aanvankelijk bij en keek ernaar terwijl dit gaande was.

Het spijt me te moeten zeggen dat er nog altijd geen streep is getrokken onder deze periode. Zestig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn er leden van dit Parlement die weigeren resoluties te steunen waarin de holocaust wordt veroordeeld, die hardnekkig het lijden van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog op een lijn blijven stellen met dat van de architecten ervan, en die het verleden verdraaien en geen fatsoenlijk onderscheid weten te maken tussen de oorzaken en de gevolgen van het meest gruwelijke conflict dat er ooit is geweest.

Uit de recente toespraken van een aantal vooraanstaande vertegenwoordigers van lidstaten en van de Europese instellingen, ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van het einde van de oorlog, bleek dat zij dwepen met het idee dat onze gouden eeuw van welvaart en vrede het rechtstreekse gevolg is van de geschiedenis van de Europese Unie. Het is in het belang van de toekomstige generaties dat wij niet vergeten dat dit zeer ver bezijden te waarheid is. De vrede in Europa kan evengoed worden toegeschreven aan de Amerikaanse troepen op Europese bodem; de welvaart kan worden verklaard uit de economische groei in Azië en de Verenigde Staten en de groei van de wereldhandel, en voor wat de vrijheid betreft: in een aantal landen, waaronder het mijne, hebben revoluties plaatsgehad, zonder enige hulp uit Brussel.

Het baart me zorgen dat de democratie en de welvaart die wij hebben weten te bereiken, nu worden bedreigd. Het potentieel van Europa om als speler op het wereldtoneel te opereren, zal worden beperkt door de onbegrijpelijke en onrechtvaardige Europese Grondwet, die sommige landen bevoordeelt ten koste van andere. De kloof tussen de politici en de echte wereld is eveneens een factor die de toekomst van Europa in gevaar brengt, aangezien de burgers van de lidstaten allengs minder begrijpen van de taal die door de Europese instellingen en hun afgevaardigden wordt gesproken. Waar gaat het heen met Europa als de mensen hun leiders niet meer begrijpen? Zal het de gemakkelijke prooi worden van de uitwassen van het populisme, eenvoudigweg omdat niemand er meer iets van begrijpt?

Ik ben er vast van overtuigd dat geen enkele mediacampagne ooit voldoende zal zijn om het publieke vertrouwen in de idee van een gemeenschappelijk Europa omhoog te stuwen. De enige manier waarop dit kan worden gedaan is door praktische en eenvoudig te begrijpen maatregelen te treffen die oplossingen bieden voor echte problemen. De onmacht van Europese leiders om groei te bevorderen en de lafhartige euronationalistische benadering van economische aangelegenheden zijn verre van een adequaat antwoord op de harde realiteit van de wereldeconomie.

Ik vertegenwoordig de burgers van een land dat heeft geleden ten gevolge van het IJzeren Gordijn, dat 15 jaar geleden gevallen is. Vandaag echter zijn wij getuige van pogingen om nieuwe "gordijnen" op te trekken rondom Europa, om de Verenigde Staten, Chinees textiel, goedkope arbeidskrachten en een massa asielzoekers buiten de deur te houden. Maar de problemen waarvoor Europa zich geplaatst ziet zullen we niet kunnen oplossen door onszelf af te sluiten van de buitenwereld.

Gezien het gebrek aan publieke belangstelling en de economische slapte wordt het steeds duidelijker dat de koers volgens welke de Europese Unie momenteel wordt bestuurd niet is te handhaven als Europa concurrerend moet zijn.

Ik ben van mening dat de leiders van de EU het lef zouden moeten hebben om tegenover zichzelf en tegenover de burgers toe te geven dat de aangezwengelde Strategie van Lissabon en de onrechtvaardige Europese Grondwet slechts een doodlopende weg vormen, en niet zullen leiden tot meer rechtvaardigheid, vrijheid of welvaart. Het enige correcte antwoord op de huidige toestand van de wereldeconomie en de wereldpolitiek is openstelling, beperking van onze bemoeienis met economische zaken, belastingverlaging, meer bewegingsvrijheid voor de natiestaten en doelmatige coördinatie op EU-niveau, alleen indien dat nodig blijkt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Tot besluit van het debat heb ik een ontwerpresolutie ontvangen, overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag plaats.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL). - (PT) Deze herdenking van de zestigste verjaardag van de overwinning op het nazi-fascisme heeft geleid tot een reeks weerzinwekkende voorbeelden van revisionisme en geschiedenisvervalsing, waarin ook de onaanvaardbare ontwerpresolutie van de Commissie buitenlandse zaken thuishoort.

Wij hebben hier niet te maken met een blijk van naïviteit, maar met een vreselijke vervalsing van de geschiedenis, waarmee zeer concrete doelstellingen worden nagestreefd.

Een van die doelstellingen is het wissen van zowel de beslissende bijdrage van de Sovjet-Unie en haar heldhaftige bevolking aan de vernieling van de vernietigingsmachine die door de fascistische nazi-legers en nazi-regimes in het leven was geroepen als de fundamentele rol van dit land bij het intomen van de imperialistische agressie in de periode na de oorlog.

Bovendien wordt getracht om de onmiskenbare heldenrol van de communisten in de strijd tegen het fascisme dood te zwijgen en te blameren.

Er wordt een poging ondernomen om de nazi-gruwel, met zijn zes miljoen doden in de concentratiekampen, de vele miljoenen vermoorde mannen, vrouwen en kinderen en de stelselmatige verwoesting van gehele landen, in de vergeethoek te manoeuvreren.

De rol van het Duitse kapitaal bij het aan de macht komen van Hitler wordt bewust verbloemd. Hetzelfde geldt voor de medeplichtigheid van de grote kapitalistische mogendheden, die tot het bittere einde de hoop koesterden dat de oorlogsmachine van de nazi’s in staat zou zijn om hun aartsvijand, de Sovjet-Unie, te vernietigen.

Net zoals zestig jaar geleden tracht men te rechtvaardigen wat niet te rechtvaardigen is: agressief imperialisme, militarisme en schending van de soevereiniteit van de volkeren.

Dat zal niet lukken!

 

17. Vragenuur (Raad)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het vragenuur (B6-0236/2005), overeenkomstig artikel 109 van het Reglement. Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Vraag nr. 1 is ingetrokken.

Vraag nr. 2 van de heer Robert Evans (H-0284/05):

Betreft: Universitair docenten in de VS

Is het de Raad bekend dat aan universitair docenten aan particuliere universiteiten in de VS door de National Labor Relations Board van de Verenigde Staten van Amerika de bescherming van de arbeidswetgeving van de VS is ontnomen? Het recht van organisatie in een vakbond is een mensenrecht. Is de Raad bereid de regering-Bush onder druk te zetten zodat deze toestaat dat academici zich organiseren om de kwaliteit van de werkgelegenheid, de academische vrijheden en het intellectuele niveau van universiteiten in de VS te beschermen?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, wat de situatie van de universitair docenten in de Verenigde Staten betreft, kan ik de heer Evans antwoorden dat de Raad niet op de hoogte is van de situatie die in deze vraag uiteengezet wordt.

Het soort beroepsmatige betrekkingen dat door het geachte parlementslid wordt genoemd, valt onder de bevoegdheid van de afzonderlijke lidstaten. Hoewel kwesties met betrekking tot de mensenrechten een belangrijk deel uitmaken van de regelmatige dialoog tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten, betekent dit nog niet dat de Unie in staat is dit soort beroepsmatige aangelegenheden met de Amerikaanse autoriteiten te bespreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Evans (PSE). - (EN) Dank u voor dit antwoord, hoewel het niet precies het antwoord is dat ik graag wilde horen. Dit is uiteraard geen terrein waarop 25 landen afzonderlijk moeten optreden; het is een uiterst serieuze zaak.

Onze betrekkingen met de Verenigde Staten gaan niet alleen maar over handel, zakendoen en geld verdienen, en het is ook geen onderwerp dat alleen betrekking heeft op de Verenigde Staten of op Amerikaanse burgers, aangezien er een behoorlijk aantal Europeanen docent is aan die Amerikaanse instellingen. Ik heb begrepen dat de rector van Columbia University in New York instructies heeft gegeven over de manier waarop moet worden omgegaan met universitair docenten en hoe zij gestraft moeten worden.

Ik wil het voorzitterschap, in naam van de solidariteit en ter bescherming van de internationale arbeidswetgeving, zeggen dat wij onze mond hierover open moeten doen, en niet gewoon moeten toekijken hoe de rechten van werknemers op flagrante wijze worden geschonden. Hoewel dit in de Verenigde Staten gebeurt, kan het ook Europese burgers raken. Ik doe een dringend beroep op hem om terug te gaan en te kijken wat er verder kan worden gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Tot mijn spijt kan ik u niets anders antwoorden dan hetgeen ik reeds gezegd heb. Ik neem niettemin goede nota van het commentaar van de geachte afgevaardigde. Ieder land moet beslist de internationale arbeidswetten naleven - dat is een standpunt waar ik het absoluut mee eens ben. Het is een punt dat ik in aanmerking neem en dat beslist ter sprake kan worden gebracht in het kader van de betrekkingen met de Verenigde Staten, zoals ik heb gezegd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 3 van de heer Posselt (H-0294/05):

Betreft: Minderhedenregelingen in Macedonië en Servië

Voldoen de in Servië, met name in Vojvodina, de Sandzak van Novi Pasar en het Presevo-dal geldende minderhedenregelingen aan de Europese normen, en hoe beoordeelt de Raad ze in vergelijking met de maatstaven die op grond van de overeenkomst van Ohrid voor Macedonië gelden?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) De Raad volgt de ontwikkeling van de situatie met betrekking tot de rechten van de minderheden in de Westelijke Balkan van nabij. Het laatst uitgevoerde onderzoek naar de rechten van de minderheden in Servië-Montenegro is vervat in de analyse die de Commissie heeft gepresenteerd in haar haalbaarheidsstudie voor het openen van onderhandelingen over een Stabilisatie- en Associatieovereenkomst met Servië-Montenegro. De situatie met betrekking tot de rechten van de minderheden in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië is beschreven in het laatste jaarverslag van de Commissie dat in het kader van het Stabilisatie- en Associatieproces is opgesteld.

Over het algemeen is de situatie op het gebied van de rechten van de minderheden op de Westelijke Balkan gedurende de afgelopen jaren verbeterd, hoewel er nog veel vooruitgang moet worden geboekt. In plaats van een vergelijking te maken tussen de maatregelen die getroffen zijn jegens de minderheden in Servië-Montenegro en in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, is de Raad van plan beide landen te blijven aanmoedigen een minderhedenbeleid te voeren dat volledig in overeenstemming is met de Europese normen, daarbij rekening houdend met hun geheel eigen, specifieke omstandigheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de voorzitter, in de overeenkomst van Ohrid zijn voor Macedonië zeer strenge criteria vastgelegd voor de bescherming van minderheden. Ik zou dan ook graag willen dat er niet met twee maten werd gemeten. Dat gevaar dreigt hier volgens mij een beetje. De twee belangrijkste vraagstukken zijn de Sandjak-moslims van Novi Pazar en Vojvodina, waar de problemen in verband met de minderheden nog altijd zeer groot zijn en waar ik uw aandacht op wil vestigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Ik geef graag toe dat het belangrijk is de aandacht van de Raad te vestigen op de behandeling van de minderheden in de regio's die u zojuist hebt genoemd, en een soort vergelijking te maken met de bescherming van de minderheden volgens de overeenkomst van Ohrid.

Ik vind niettemin dat het om twee verschillende situaties gaat die als zodanig moeten worden beoordeeld. De Unie zal beslist niet verzuimen om in het kader van de ontwikkeling van haar betrekkingen met Servië krachtig aan te dringen op de bescherming van de minderheden in de door u genoemde regio's.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 4 van de heer Davies (H-0295/05):

Betreft: Directe handel met Noord-Cyprus

Wat is het antwoord van de Raad op het voorstel dat commissaris Rehn, in een poging om de huidige patstelling te doorbreken, tijdens de vergadering van de Commissie buitenlandse zaken in januari heeft gedaan? Hij zei namelijk dat de Commissie bereid zou zijn te overwegen om artikel 308 van het EG-Verdrag als tweede rechtsgrond toe te voegen aan de verordeningen inzake steun en handel?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Zoals reeds is benadrukt in antwoorden op soortgelijke vragen, heeft de Raad de pogingen om Cyprus te herenigen steeds gesteund. De Raad hoopt dat alle Cyprioten binnenkort weer samen kunnen leven, als Cypriotische en Europese burgers van een binnen de Europese Unie herenigd eiland.

Met dit doel voor ogen heeft de Europese Raad maatregelen bestudeerd die een einde kunnen maken aan het isolement van de Turks-Cypriotische gemeenschap en die kunnen bijdragen aan de hereniging van Cyprus door de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap te stimuleren. Bepaalde maatregelen hiertoe zijn reeds genomen, zoals de zogenaamde groenelijnverordening, die in 2004 werd aangenomen en onlangs is gewijzigd teneinde het toepassingsgebied ervan te verruimen en de doeltreffendheid ervan te vergroten.

Belangrijk werk is daarnaast verricht rondom andere maatregelen, te weten de voorstellen van de Commissie betreffende enerzijds het instrument van financiële steun om de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap te bevorderen en anderzijds het handelsverkeer met de regio´s waar de overheid van de republiek Cyprus geen feitelijk gezag uitoefent. Deze beide voorstellen kunnen nog niet worden goedgekeurd aangezien er nog obstakels te overwinnen zijn, met name als het gaat om het directe handelsverkeer.

De geachte afgevaardigde doelt met name op dit laatste voorstel. De suggestie die commissaris Rehn tijdens de in januari gehouden bijeenkomst van de parlementaire commissie buitenlandse zaken heeft gedaan, namelijk om de rechtsgrondslag van dit voorstel eventueel te wijzigen, is nog niet voorgelegd aan de Raad. Het is namelijk aan de Commissie om haar voorstel in deze zin aan te passen, indien ze dit wenselijk acht. Het Raadsvoorzitterschap kan in dit stadium vanzelfsprekend niet vooruitlopen op de eventuele beraadslagingen van de Raad op dit punt.

Niettemin moet ik constateren dat de aanpak die de Commissie oorspronkelijk hanteerde ten aanzien van de rechtsgrondslag, haaks stond op sommige juridische adviezen. Als voorzitter kan ik de geachte afgevaardigde wederom verzekeren dat de Raad zal blijven proberen de economische integratie van het eiland te bevorderen en de betrekkingen tussen de beide Cypriotische gemeenschappen en met de Europese Unie te verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford (ALDE), ter vervanging van de vraagsteller. - (EN) Ik dank de fungerend voorzitter van de Raad voor dit antwoord. Ik heb sterk de indruk dat iedereen met de beschuldigende vinger naar elkaar wijst. Het is al meer dan een jaar geleden dat de Raad beloofd heeft een eind te zullen maken aan het isolement van de Turks-Cyprioten en recht te doen aan het feit dat tweederde van hen ‘ja’ zei tegen het plan van VN-baas Annan voor een politieke regeling. We moeten onszelf afvragen wat de beloften van de EU nog waard zijn als dit een voorbeeld is van het niet-nakomen ervan. Zoals de minister al zei, zouden directe handel en ondersteuning van de economie van Noord-Cyprus bijdragen tot een politieke regeling. Niemand heeft er belang bij dat de Turks-Cyprioten qua inkomen en economische ontwikkeling zo ver achterlopen bij de Grieks-Cyprioten.

Wanneer zal er enige serieuze druk worden uitgeoefend om die één jaar oude belofte nu eens echt in te lossen? Intussen laten we de Turks-Cyprioten maar bungelen in hun isolement, zodat ze alle vertrouwen in de beloften van de EU verliezen. Ik moet zeggen dat ik het hun niet kwalijk kan nemen. Wanneer verwacht men dat die twee verordeningen zullen worden aangenomen?

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Ik kan u alleen zeggen dat uw vraag als geroepen komt, daar ikzelf, als vertegenwoordiger van het voorzitterschap, over anderhalf uur samen met commissaris Rehn naar Cyprus afreis om te proberen de problemen te bespreken die u zojuist heeft genoemd. Ik denk dat het voorzitterschap er alles aan gelegen is om deze problemen zo snel mogelijk uit de wereld te helpen en daarmee de politieke beloften na te komen die de Raad in april jongstleden heeft gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Daar de vraagsteller afwezig is komt vraag nr. 5 te vervallen.

Vraag nr. 6 van de heer Mitchell (H-0299/05):

Betreft: Uitvoering van steuntoezeggingen door de EU-lidstaten

Oxfam, ActionAid en de Europese Coalitie voor schulden en ontwikkeling hebben onlangs samen een rapport gepubliceerd waarin de prestaties van EU-lidstaten op het gebied van de ontwikkeling worden geëvalueerd. De rijke landen van de wereld zijn in 1970 op de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties overeengekomen om uiterlijk in 1980 hun buitenlandse hulp te laten oplopen tot 0,7 procent van hun bruto nationaal inkomen. Twintig jaar na die einddatum zijn er maar vijf landen die de doelstelling gehaald hebben, waarvan vier lidstaten van de Europese Unie. Een groot aantal andere landen hebben hun beloften voor de uitroeiing van de armoede gebroken. Ierland bijvoorbeeld heeft zijn plannen om tegen 2007 het streefdoel van 0,7 procent te bereiken, opgegeven.

Het Luxemburgs voorzitterschap heeft verklaard dat de strijd tegen de armoede het hoofddoel zal zijn van zijn programma. Zal het zijn invloed aanwenden om de lidstaten ertoe aan te zetten hun toezeggingen op het gebied van hulpverlening te bekrachtigen? En hoe denkt het ervoor te zorgen dat de doelstellingen van de EU-ontwikkelingshulp verwezenlijkt worden?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) De voorstellen van de Commissie, met daarin de te nemen maatregelen om de millenniumdoelstellingen sneller te verwezenlijken, zijn op 14 april 2005 voorgelegd aan de werkgroep van de Raad. Het Luxemburgse voorzitterschap is er alles aan gelegen dat de Raad tijdens zijn bijeenkomst van 23 en 24 mei de contouren van haar vernieuwde voornemens kan schetsen. Deze voornemens zijn vierledig. Allereerst willen wij nieuwe tussentijdse doelstellingen formuleren om tussen nu en 2010 de budgetten voor ontwikkelingshulp te vergroten, in de afzonderlijke lidstaten en binnen de Unie als geheel, teneinde in 2015 over de hele linie uit te komen op 0,7 procent van het bruto nationaal product. Ten tweede willen wij meer vaart zetten achter de hervormingen voor de verbetering van de kwaliteit van de hulp. Ten derde willen wij opnieuw bekijken hoe de Europese Unie, via haar eigen model van duurzame ontwikkeling en met haar intern en extern beleid, invloed kan uitoefenen op de ontwikkelingsvoorwaarden. Het is immers zaak onze inspanningen op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking beter te coördineren. Ten vierde willen wij prioriteit toekennen aan Afrika bij deze nieuwe koers en de nieuwe kansen die een partnerschap tussen de beide continenten biedt met beide handen aangrijpen.

De Europese Unie is zich terdege bewust van het belang en het spoedeisende karakter van deze kwestie. Tijdens haar bijeenkomst van 22 en 23 maart heeft de Europese Raad de Commissie en de Raad dan ook gemaand zo spoedig mogelijk een definitief standpunt in te nemen, met name als het gaat om de diverse ontwikkelingsaspecten, zodat de Europese Unie een actieve rol kan spelen bij de beraadslagingen in het kader van de VN-top in september 2005. Ik heb vanochtend reeds aangekondigd dat de Ecofin-Raad, die tijdens zijn laatste bijeenkomst de nieuwe mogelijke financieringswijzen heeft besproken, dit weekend op deze kwestie terug zal komen tijdens de informele bijeenkomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Ik zou de fungerend voorzitter erop willen attenderen dat dit streefcijfer van 0,7 procent 35 jaar geleden is afgesproken en dat tot dusver slechts vijf landen, waarvan vier EU-lidstaten - vier op een totaal van vijfentwintig - dit streefcijfer van 0,7 procent hebben gehaald. Tegen 2025 zal de wereldbevolking met 2 miljard mensen zijn toegenomen, waarvan 90 procent in de derde wereld geboren zal zijn. Wat voor wereld zullen wij achterlaten aan de volgende generatie? Wij hebben het zojuist gehad over de Tweede Wereldoorlog. Wat bouwen wij op voor onze kinderen en kleinkinderen? Welke ferme stappen zal de Raad zetten om erop toe te zien dat de lidstaten hun verplichtingen nakomen?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Ik denk inderdaad dat er een nieuwe wil bestaat om duidelijk en resoluut naar de doelstelling van 0,7 procent toe te werken. Ik ben het uiteraard eens met hetgeen zojuist is gezegd door de geachte afgevaardigde: het duurt allemaal te lang. We praten namelijk al ruim dertig jaar over deze doelstelling. Het is nu tijd om de daad bij het woord te voegen en de gestelde termijn is wellicht nog veel te ruim.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 7 van de heer David Martin (H-0302/05):

Betreft: Mordechai Vanunu

In mijn vraag tijdens het Vragenuur van 23 februari 2005 verzocht ik de Raad de Israëli's erop te wijzen dat de heer Mordechai Vanunu op illegale wijze uit Europa was verdwenen, en in feite is gekidnapt om in Israël terecht te staan wegens vermeende misdrijven die hij twintig jaar eerder zou hebben bedreven, en dit alles op grond van de bespottelijke gedachte dat hij nog steeds in het bezit zou zijn van geheime informatie die schadelijk zou kunnen zijn voor Israël. In bovengenoemde vraag verzocht ik de Raad om er bij de Israëlische regering op aan te dringen te stoppen met het vervolgen van deze persoon, hem toe te staan Israël te verlaten en, indien hij dat wenst, in Europa te leven.

Kan de Raad meedelen - nu blijkt dat de Israëlische regering toch voortgaat de heer Vanunu te vervolgen - wat hij voornemens is te ondernemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Sinds mijn interventie in het Parlement van februari jongstleden heeft de Israëlische regering tot onze grote spijt besloten de beperkingen op de vrijlating van de heer Mordechai Vanunu met nog eens twaalf maanden te verlengen. Verder is een rechtszaak gaande waarin de heer Vanunu ervan wordt beschuldigd deze beperkingen te hebben overtreden en waarna hem mogelijk weer een gevangenisstraf te wachten staat. Blijkbaar ligt deze kwestie voor de Israëlische overheid buitengewoon gevoelig. De autoriteiten lijken op deze manier de veiligheid van de staat Israël te willen beschermen. Met haar besluit om de aan de heer Vanunu opgelegde beperkingen te verlengen geeft de Israëlische regering aan te vrezen dat hij nog meer staatsgeheimen naar buiten zal brengen.

Bijna twintig jaar na dato is het nochtans ook gerechtvaardigd om iemand die achttien jaar in de gevangenis heeft gezeten, zijn fundamentele rechten toe te kennen, zoals de mogelijkheid om in waardigheid, vrijheid en vrede te leven. Wij zullen derhalve met de Israëlische autoriteiten in gesprek blijven, met name over deze kwestie van eerbiediging van de mensenrechten, in het kader van de politieke dialoog die we met hen voeren en in het kader van het nabuurschapsbeleid waaraan de Israëlische regering haar medewerking heeft toegezegd, en waarbij zaken als veiligheid en non-proliferatie van massavernietigingswapens en - ook hier weer - eerbiediging van de mensenrechten aan de orde komen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE). - (EN) Ik dank de fungerend voorzitter voor zijn antwoord. Meer had hij mij onder de huidige omstandigheden niet kunnen vertellen. Toch is het voor mij wel duidelijk dat het voor Israël geen zaak meer is van bescherming van de staatsveiligheid, maar van vervolging van deze man. Ik hoop dat de Raad echt druk op Israël zal blijven uitoefenen en blijft aandringen op zijn vrijlating. Mordechai Vanunu is tot rector van de Glasgow University in mijn land gekozen, en wij zouden heel graag zien dat hij naar de universiteit kon komen om deze taak op zich te nemen. Daarom hoop ik dat de Raad druk zal blijven uitoefenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) De Raad neemt hier nota van en zal doen wat ik zojuist gezegd heb.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 8 van de heer Beglitis (H-0306/05):

Betreft: Schending van de grondrechten van Grieken in Georgië

In Georgië worden op dit moment misdaden gepleegd tegen de Griekse burgerbevolking. Er worden aanslagen gepleegd in de streek van de Tsalka, de bakermat van de Griekse gemeenschap. Hele Griekse gezinnen zijn omgebracht en anderen zijn uit hun dorpen verjaagd, zoals door Griekse organisaties wordt bericht. Ook zijn er problemen met hun onroerende goed. Volgens de gegevens hebben gedurende de laatste zeven jaar ongeveer 7000 "indringers" zich van hun woningen en bezittingen meester gemaakt, die zij niet aan de wettige eigenaars willen teruggeven.

Is de Raad van de Europese Unie bekend met deze feiten? Welke maatregelen denkt hij te nemen ter bescherming van de grondrechten van de Grieken in Georgië? Worden er door het voorzitterschap en de heer Solana stappen ondernomen te Tbilisi inzake deze kwestie? Is de heer Solana bereid om in samenwerking met de OVSE, de Raad van Europa en de VN-Commissie voor de mensenrechten verslag uit te brengen over de toestand van de mensenrechten van de Grieken in Georgië?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) De Raad wil allereerst het geachte parlementslid bedanken voor de informatie die hij heeft verstrekt over de schending van de grondrechten van de Grieken in Georgië. In de politieke dialoog die de Europese Unie voert met Georgië, heeft de Raad er meermalen op gewezen dat de mensenrechten in dit partnerland beter moeten worden beschermd. De Unie zal geen gelegenheid onbenut laten om zijn bezorgdheid over de mensenrechtensituatie in Georgië kenbaar te maken, met name in het kader van haar samenwerking met de OVSE, de Raad van Europa en de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties.

De Secretaris-generaal en Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB heeft op 17 januari 2005 de heer Michael Matthiessen aangesteld als zijn persoonlijke vertegenwoordiger voor de mensenrechten. De speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de zuidelijke Kaukasus, de heer Talvitie, helpt Georgië daarnaast bij het in goede banen leiden van de politieke en economische hervormingen, met name als het gaat om rechtsstaat, democratisering, mensenrechten, goed openbaar bestuur, ontwikkeling en armoedebestrijding.

In zijn conclusies van 25 april heeft de Raad gewezen op het belang van deze doelstellingen, en wederom toegezegd deze aspecten te zullen ontwikkelen in het kader van zijn betrekkingen en van met name het Europese nabuurschapsbeleid. Bij het opstellen en uitwerken van het actieplan betreffende het Europese nabuurschapsbeleid tussen de Europese Unie en Georgië zal de Europese Unie aandringen op verbetering van de mensenrechtensituatie in dit land. De Raad is dus van zins de situatie van de Griekse gemeenschap van zeer dichtbij te volgen en de kwestie bij elke gepaste gelegenheid aan te kaarten bij de Georgische autoriteiten.

Het Europees Parlement kan deze kwestie wellicht ook zelf te berde brengen tijdens de eerstvolgende bijeenkomst van het parlementaire samenwerkingscomité Europese Unie-Georgië, die naar mijn weten plaatsvindt op 13 en 14 juni 2005.

 
  
MPphoto
 
 

  Panagiotis Beglitis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de Raadsvoorzitter willen danken voor zijn antwoord. Ik kan mij volledig vinden in het zojuist door hem geschetste kader met beginselen.

Het probleem ligt echter niet alleen bij de beginselen: de vraag is wat we in de Europese Unie concreet kunnen ondernemen ter bescherming van de mensenrechten en de rechten van de minderheden in Georgië en overal ter wereld. Welke pressie- en controlemogelijkheden heeft de Europese Unie om de Georgische autoriteiten ervan te overtuigen of ertoe aan te sporen de rechten van de Griekse minderheid te eerbiedigen.

Ik zeg dit omdat voor mij het verslag ligt van de - ook door u genoemde - speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie over de mensenrechten in Georgië. In dat verslag van 12 april wordt de toestand van de mensenrechten beschreven, en de hachelijke situatie van de Grieken in Georgië komt er ook in aan bod.

Wat doen wij? Welke instrumenten kunnen we hanteren in het kader van onze betrekkingen met Georgië? Op dit moment een belangrijke vraag, me dunkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Georgië heeft een bijzonder turbulente tijd achter de rug, maar bevindt zich momenteel op het pad van de democratisering. Het land zoekt overigens toenadering tot de Europese Unie. Ik denk dat we deze toenadering, met name in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid, zouden moeten aangrijpen om de Georgische autoriteiten ertoe te bewegen niet alleen de mensenrechten in het algemeen, maar vooral ook de rechten van minderheden te eerbiedigen. Ik denk dus dat deze kwestie in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Georgië een voorname plaats moet innemen. Het feit dat Georgië toenadering zoekt tot Europa, en met name tot de Europese Unie, is reden temeer om tevens op te komen voor de rechten van de Griekse minderheden waarover u sprak.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 9 van de heer Moraes (H-0309/05):

Betreft: Decennium Roma-integratie 2005-2015

Op 2 februari 2005 hebben acht Europese staatshoofden en regeringsleiders in Sofia het startschot gegeven voor het "Decennium Roma-integratie 2005-2015". Zij beloofden te zullen ijveren voor opheffing van discriminatie en overbrugging van de onaanvaardbare kloof die de Roma van de rest van de samenleving scheidt.

Kan de Raad meedelen of hij voornemens is bij te dragen aan de uitvoering van de doelstellingen van deze onderneming? Is hij bereid regelmatig verslag uit te brengen over de vorderingen bij de integratie van de Roma in de Europese samenleving?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) De Raad is blij dat een aantal staatshoofden en regeringsleiders op 2 februari 2005 in Sofia toegezegd heeft alle vormen van discriminatie van de Roma vóór 2015 te zullen uitbannen. Iedereen herinnert zich nog de debatten die we zojuist hebben gevoerd over het einde van de Tweede Wereldoorlog en over het leed dat de Roma daarbij is berokkend. Deze belofte is van groot belang, gezien het feit dat de Roma-gemeenschappen sinds 1 mei 2004 de grootste etnische minderheid binnen de Europese Unie zijn geworden. Gezien hun specifieke situatie zal het beslist niet eenvoudig zijn de grondrechten van de Roma te beschermen en ervoor te zorgen dat ze maatschappelijk gezien meetellen.

Zoals het geachte parlementslid ongetwijfeld weet heeft de Europese Unie tijdens de toetredingsonderhandelingen met de nieuwe lidstaten en met Bulgarije en Roemenië de situatie van de Roma herhaaldelijk onder de aandacht gebracht van de regeringen van deze landen, met name door te wijzen op het politieke criterium van Kopenhagen betreffende de eerbiediging en de bescherming van de minderheden.

Het is zaak om de integratie van de Roma-gemeenschappen in goede banen te leiden, en de hoofdverantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de nationale autoriteiten en de regionale en lokale gemeenschappen waar de Roma het meest vertegenwoordigd zijn. Ook het maatschappelijk middenveld en de Roma zelf vervullen hierbij een voorname rol. Op hun beurt kunnen de lidstaten op communautair niveau verschillende politieke programma´s en relevante instrumenten ten uitvoer leggen om discriminatie tegen te gaan, gelijke behandeling af te dwingen en maatschappelijke integratie te bevorderen. Daarbij kunnen ze een beroep doen op Richtlijn 2000/43 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen, ongeacht ras of etnische afkomst. Deze richtlijn heeft namelijk betrekking op talloze terreinen waar discriminatie van de Roma mogelijk is: werkgelegenheid, opleiding, onderwijs, sociale zekerheid, toegang tot goederen en diensten, en huisvesting.

Tot slot kunnen de structuurfondsen, en met name het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Europees Sociaal Fonds, worden aangewend om een aantal initiatieven ten behoeve van de Roma-gemeenschap te steunen. Dat geldt in het bijzonder voor het communautaire initiatief Equal, dat wordt gefinancierd door het Europees Sociaal Fonds en waarmee nieuwe benaderingswijzen worden ontwikkeld om discriminatie en achterstelling van de Roma-gemeenschap op de arbeidsmarkt tegen te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Claude Moraes (PSE). - (EN) Dank u voor dit antwoord. Daarmee laat u duidelijk zien hoe serieus de uitdaging is waar wij voor staan. De Roma vormen momenteel immers de grootste homogene minderheid in de uitgebreide Europese Unie.

Zijn wij ons bewust van het gebrek aan daadkracht bij de lidstaten? Deze laten bijvoorbeeld na om uitvoering te geven aan de richtlijn betreffende gelijke behandeling en aan artikel 13 van de richtlijn betreffende rassengelijkheid, waarvoor de Commissie momenteel handhavingsmaatregelen treft. Zijn wij ons ervan bewust dat de lidstaten ver achterliggen op het schema voor de omzetting van de bestaande wetgeving, die de Roma-gemeenschap met name op werkgelegenheidsterrein moet beschermen? Dit is een ernstige zaak. Kan er, gezien de omvang en het belang ervan, aandacht aan worden geschonken aan het Roma-probleem in de slotverklaringen van het Luxemburgse voorzitterschap, om ervoor te zorgen dat het Britse voorzitterschap, dat het stokje overneemt, dit onderwerp even serieus neemt?

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE). - (EN) Ik wil de fungerend voorzitter vooral attenderen op het laatste punt, dat mijn collega heeft aangestipt. Het zou een zeer positief signaal zijn als dit onderwerp aan bod zou komen op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders, en als er in het slotcommuniqué naar werd verwezen. De Roma hebben het gevoel veronachtzaamd te worden binnen deze Europese Unie. Dit zou een goed signaal in hun richting zijn en het zou de lidstaten er wellicht toe kunnen aanzetten om passende maatregelen te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Laat ik vooropstellen dat het communautaire recht integraal moet worden toegepast door alle lidstaten. Ik vind dat alle lidstaten zich hiertoe verplichten vanaf het moment dat ze lid worden van de Europese Unie.

Ik zou hieraan willen toevoegen dat het communautaire actieplan ter bestrijding van discriminatie tot doel heeft maatregelen te bevorderen die discriminatie op grond van ras of afkomst tegengaan. Een van de prioriteiten in het werkprogramma voor 2004 was de integratie van de Roma op de arbeidsmarkt. Alle lidstaten waar Roma-minderheden verblijven, moeten in hun nationale actieprogramma´s voor de arbeidsmarkt een plaats inruimen voor deze minderheden. Het is mijns inziens zaak de communautaire instrumenten die ik eerder heb genoemd, te gebruiken om de lidstaten ertoe te bewegen de maatschappelijke integratie van de Roma op deze manier te benaderen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 10 van de heer Seppänen (H-0311/05):

Betreft: Pakket maatregelen inzake kernenergie

De Commissie heeft nieuwe voorstellen gedaan voor richtlijnen inzake de veiligheid van kerncentrales en de definitieve opslag van kernafval. Onder het huidige voorzitterschap van de Raad is de behandeling van deze kwestie in het geheel niet opgeschoten. Kan de Raad aangeven wat de reden is van het gebrek aan voortgang en wanneer kunnen verdere stappen verwacht worden?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Zoals de Raad reeds heeft aangegeven in zijn antwoord op de door de heer Rübig gestelde vraag 1778, heeft de Raad, na bestudering van de Commissievoorstellen, de conclusies inzake nucleaire veiligheid en het verantwoorde beheer van bestraalde reactorbrandstoffen en radioactieve afvalstoffen op 28 juni jongstleden goedgekeurd.

Deze conclusies getuigen eens te meer van de vastberadenheid van de Gemeenschap en haar lidstaten om een hoog niveau van veiligheid te waarborgen. Tegelijkertijd gaat het erom - en ik citeer deze conclusies - in het kader van het Euratom-Verdrag de keuze van een of meer instrumenten te vergemakkelijken die de nucleaire veiligheid en het verantwoorde beheer van bestraalde reactorbrandstoffen en radioactieve afvalstoffen mogelijk beter kunnen waarborgen, zonder enig instrument uit te sluiten en conform de principes met betrekking tot verbetering van de wetgeving.

Krachtens deze conclusies is in het tweede kwartaal van 2004 een actieplan opgesteld dat zich toespitst op drie hoofdpunten: veiligheid van kerncentrales, verantwoord beheer van bestraalde reactorbrandstoffen en radioactieve afvalstoffen, en financiering van ontmanteling van kerncentrales en verantwoord beheer van bestraalde reactorbrandstoffen en radioactieve afvalstoffen.

In dit verband heeft het Luxemburgse voorzitterschap een werkprogramma opgesteld waarin de uit te voeren taken zijn vastgelegd en waarmee drie deskundigengroepen worden ingesteld die zich zullen moeten buigen over de verschillende onderdelen van dit actieplan. Op basis van dit programma, en gezien het tijdsplan van de diverse internationale instanties wier bijdrage relevant is voor de uit te voeren taken, zal naar verwachting eind 2006 een allesomvattend verslag worden opgesteld.

Ik kan u verzekeren dat Luxemburg bijzonder veel belang hecht aan dit onderwerp. Tevens moet ik constateren dat er blokkerende minderheden zijn, waardoor we op dit punt niet sneller vooruitgang kunnen boeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonas Sjöstedt (GUE/NGL), ter vervanging van de vraagsteller. - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de Raad bedanken voor zijn antwoord op de vraag van de heer Seppänen. Ik heb twee aanvullende vragen. De eerste vraag is of de definitieve opslag van radioactief afval een kwestie van zodanig gemeenschappelijk belang is dat de EU moet streven naar gemeenschappelijke oplossingen voor de verschillende lidstaten en voor het probleem hoe en waar men zijn afval definitief moet opslaan. Mijn tweede vraag betreft het Euratom-Verdrag. Een van de discussiepunten in de onderhandelingen over de nieuwe Grondwet was immers de vraag of het Euratom-Verdrag zou moeten blijven bestaan, wat volgens de Grondwet toegestaan is. Vindt de Raad dat het moeilijker geweest zou zijn om een supranationaal beleid op dit gebied te voeren als het Euratom-Verdrag niet als rechtsgrondslag had bestaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Laten we beginnen met het Euratom-Verdrag. In de marge van de Conventie zijn er initiatieven genomen in de richting van hervorming van het Euratom-Verdrag. Ik denk dat het inderdaad tijd is dit Verdrag grondig te herzien. Wij weten echter dat deze hervorming een buitengewoon moeilijke onderneming is, aangezien niet alle lidstaten er dezelfde benadering op na houden als het gaat om de ontwikkeling van de kernindustrie. Sommigen vinden overigens dat de kernindustrie helemaal niet moet worden ontwikkeld. Mede om deze reden zijn we in een impasse beland.

Ten aanzien van de opslag heb ik u reeds gezegd dat momenteel overleg plaatsvindt tussen deskundigen over een betere manier om kernafval op te slaan. Ik kan u verzekeren dat het Raadsvoorzitterschap er alles aan zal doen om op dit punt vooruitgang te boeken, waarbij het veiligheid en optimale bescherming van het milieu, maar ook de mens, niet uit het oog verliest.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 11 van mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou (H-0312/05):

Betreft: Opschorting van inwerkingtreding van nieuw wetboek van strafrecht in Turkije

Onlangs maakte de Turkse premier Tagip Erdogan bekend, dat de regering had besloten de inwerkingtreding van het nieuwe en herziene wetboek van strafrecht, die volgens plan deze maand zou plaatsvinden, uit te stellen.

Deze herziening en toepassing van het wetboek van strafrecht was een eerste vereiste van de EU-instellingen voor de aanpassing van Turkije aan het communautair acquis: hoe oordeelt de Raad over dit uitstel? Is hij door de Turkse regering officieel op de hoogte gesteld van de redenen van dit uitstel en tevens van de uiteindelijke datum waarop het nieuwe wetboek in werking zal treden, en zo ja, wat heeft hij de Turkse regering ge antwoord? Gelooft hij dat de niet-toepassing van dat wetboek consequenties zal hebben voor de opening van de onderhandelingen met dit kandidaat-land op 3 oktober 2005?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Het wetboek van strafrecht vormt een van de zes specifieke wetsteksten die door de Commissie worden genoemd in haar aanbeveling van oktober 2004, en die volgens de conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 december 2004 eerst van kracht moeten worden voordat de toetredingsonderhandelingen van start kunnen gaan.

De Unie is op de hoogte gebracht van het door de Turkse regering genomen besluit om de datum van inwerkingtreding van dit wetboek op te schorten. De Turkse autoriteiten hebben aangegeven dat het nieuwe wetboek van strafrecht nu op 1 juni 2005, in plaats van op 1 april 2005, van kracht zal worden. Turkije heeft verklaard van deze gelegenheid gebruik te willen maken om de tekst op een aantal punten te wijzigen, met name om de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid beter te waarborgen.

In de onlangs gehouden bijeenkomst van de Associatieraad met Turkije heeft de Europese Unie dit belangrijke onderwerp te berde gebracht en er bij Turkije op aangedrongen zijn wetgeving te herzien teneinde de bezorgdheid van de Unie op dit gebied weg te nemen en zich te conformeren aan de principes en criteria van Kopenhagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een concrete vraag: volgt u de voortgang bij de herziening van het strafrecht, volgt u de richting die daarbij wordt gekozen en het tijdschema voor de toepassing? Wat is uw concrete eis? Heeft u een termijn gesteld? Zal dit, vóór 3 oktober, zwaar doorwegen bij uw beoordeling van de criteria en de verplichtingen van Turkije?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit , fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Ik denk echt dat de Commissie en de Raad de ontwikkeling van dit cruciale en belangrijke vraagstuk zeer nauwlettend volgen. Ik heb in dit stadium geen enkele reden om te twijfelen aan de vastberadenheid van de Turkse autoriteiten om een wetboek van strafrecht aan te nemen en toe te passen. Het uitstel houdt louter verband met het doorvoeren van terechte wijzigingen, om de redenen die ik heb genoemd. Derhalve zie ik geen aanleiding om de door de Europese Raad genomen besluiten in twijfel te trekken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 12 van de heer Papadimoulis (H-0317/05):

Betreft: Doodstraf

Kan de Raad mij, gezien de mogelijke veroordeling van Saddam Hoessein tot de doodstraf en het categorische standpunt van de EU vóór afschaffing of niet-uitvoering van de doodstraf en het recht op een eerlijk proces, maar ook gelet op de verklaring van de president van Irak dat het ondertekenen van de terdoodveroordeling van Saddam Hoessein indruist tegen zijn opvattingen betreffende de mensenrechten, waar hij een voorstander van is, en tegen zijn stellingname vóór afschaffing van de doodstraf, meedelen wat hij van plan is te gaan doen om nog eens duidelijk te maken dat de EU tegenstander is van elke oplegging van de doodstraf?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Het standpunt van de Europese Unie vóór afschaffing van de doodstraf is bekend en wordt actief verdedigd door de Europese Unie in het kader van haar betrekkingen met derde landen alsmede op multilateraal niveau, overeenkomstig de oriëntatie van de Europese Unie ten aanzien van de doodstraf.

Toen in juli 2004 de doodstraf in Irak opnieuw werd ingevoerd, heeft de Raad gereageerd door deze kwestie herhaalde malen aan te kaarten bij de Iraakse autoriteiten. De Raad zal dit ook in de toekomst blijven doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Adamos Adamou (GUE/NGL), ter vervanging van de vraagsteller. - (EL) Mijnheer de minister, ik dank u hartelijk voor het antwoord dat u heeft gegeven op de vraag van de heer Papadimoulis. Ik heb er niets meer aan toe te voegen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 13 van mevrouw Pack (H-0319/05):

Betreft: Mogelijkheden om aan verkiezingen deel te nemen en gelijke kansen van partijen van de etnische Hongaarse minderheid in Roemenië

De voorwaarden waaronder partijen van etnische minderheden aan verkiezingen kunnen deelnemen, zijn in Roemenië wettelijk vastgesteld: lidmaatschap van ten minste 15 procent van de leden van de etnische minderheid; meer dan 300 handtekeningen in de 15 regio's van Roemenië. Het Congres van de Raad van Europa heeft op 16 juli 2004 geconstateerd dat "deze rechten op geen van de bestaande partijen worden toegepast". De Venetië-commissie van de Raad van Europa heeft op 6 december 2004 vastgesteld dat "de voorwaarden voor etnische minderheden om kandidaten voor de verkiezingen voor te dragen, prohibitief zijn", en het derhalve onmogelijk is aan deze voorwaarden te voldoen (advies nr. 300/2004 van de genoemde commissie). De Europese Commissie heeft in haar landenrapport geconstateerd dat de aanmelding van partijen van etnische minderheden voor de verkiezingen door administratieve en technische belemmeringen aanzienlijk wordt bemoeilijkt.

Over welke nadere informatie beschikt de Raad met betrekking tot deze toestanden in Roemenië? Welke maatregelen heeft de Raad in reactie hierop ondernomen? Welke maatregelen is de Raad, met het oog op de aanstaande toetreding van Roemenië tot de EU, van plan te gaan nemen om deze situatie te veranderen en de nationale etnische minderheden in Roemenië een aan de Europese normen voldoend recht op democratische vertegenwoordiging mogelijk te maken?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Evenals de Commissie en het Parlement heeft de Raad tijdens het uitbreidingsproces het grote belang onderstreept van de bescherming van de minderheden alsmede van gelijke kansen bij de politieke vertegenwoordiging van die minderheden.

De Unie heeft met name tijdens de laatste vergadering van de Associatieraad EU-Roemenië, dus nog vòòr de ondertekening van het toetredingsverdrag, gesteld dat politiek pluralisme een essentieel democratisch principe is dat fundamenteel gekoppeld is aan de naleving van de politieke criteria van Kopenhagen. Zij heeft er bij Roemenië met nadruk op aangedrongen alle restrictieve wettelijke bepalingen ten aanzien van politieke partijen en van de organisatie van lokale verkiezingen te wijzigen waardoor sommige partijen in het verleden niet konden deelnemen aan de verkiezingen.

De Raad is zich terdege bewust van de problemen waarmee sommige nieuwe politieke partijen van de etnische minderheden in Roemenië worden geconfronteerd bij hun aanmelding voor de verkiezingen. Wij blijven de ontwikkelingen op dit gebied volgen, rekening houdend met de politieke criteria van Kopenhagen en in het kader van het versterkte toezicht op de voorbereidingen van Roemenië voor zijn toetreding.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 14 van mevrouw Wallis (H-0322/05):

Betreft: Ratificatie van het Verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen

De lidstaten hebben twee fundamentele internationale instrumenten voor de bescherming van kinderen en hun familie vastgesteld. Een daarvan is Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen. Het andere is de "Verdrag van Den Haag" van 1996, die betrekking heeft op kwesties waarbij het gaat om de ouderlijke verantwoordelijkheid in zaken tussen EU-lidstaten en derde landen. Gepland was, deze twee complementaire instrumenten rond hetzelfde tijdstip in werking te laten treden.

De lidstaten hadden hun instrumenten ter ratificatie vóór 1 januari 2005 moeten deponeren. Kan de Raad bevestigen dat dit door het Verenigd Koninkrijk en Spanje wordt geblokkeerd in verband met de toetreding van Gibraltar tot de Conventie? Kan de Raad schetsen welke stappen hij denkt te nemen om dit probleem aan te pakken, zodat er een juridisch kader voor gevallen van kinderontvoering tussen de EU en derde landen tot stand komt?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) De Raad wil de geachte afgevaardigde eraan herinneren dat naar zijn mening het op 19 oktober 1996 in Den Haag gesloten Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, een waardevolle bijdrage levert aan de bescherming van kinderen op internationaal niveau en dat het bijgevolg wenselijk is dat de bepalingen ervan zo snel mogelijk worden toegepast. Om die reden heeft de Raad op 19 december 2002 de lidstaten bij beschikking gemachtigd het verdrag in het belang van de Gemeenschap te ondertekenen.

Wat betreft de ratificatie van dit verdrag laat de Raad de geachte afgevaardigde weten dat het naar de algemeen heersende opvatting opportuun is het verdrag te ratificeren en dat er nog één probleem is, en wel ten aanzien van Gibraltar. De Raad verwacht dat de twee betrokken lidstaten alles in het werk zullen stellen om een oplossing te vinden ten aanzien van dit punt, zodat het verdrag in het belang van de Gemeenschap geratificeerd kan worden door de lidstaten, indien mogelijk vòòr eind 2005.

 
  
MPphoto
 
 

  Diana Wallis (ALDE). - (EN) Ik ben de voorzitter dankbaar, maar volgens mij was het de bedoeling het verdrag in maart te ratificeren. Brieven van de conferentie van Den Haag zijn onbeantwoord gebleven, waar een zeer mager signaal van uitgaat richting ouders en anderen die in het genot willen komen van dit verdrag, zowel binnen als buiten de Gemeenschap. Er gaat ook een ongelukkig signaal richting buitenwereld van uit. U verzekert nu dat het verdrag vóór het eind van dit jaar in werking zal treden, en ik hoop dat dit uit zal komen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 15 van de heer Ryszard Czarnecki (H-0323/05):

Betreft: Begroting voor de periode 2004-2007

Als er tijdens het Luxemburgse voorzitterschap geen compromis wordt bereikt over de begroting voor de periode 2004-2007, is de kans dan niet reëel dat de kwestie blijft aanslepen tot begin 2006? Is het immers niet waarschijnlijk dat het Britse voorzitterschap niet bereid zal zijn hierover een definitief standpunt in te nemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) In antwoord op deze vraag en op de suggesties die zijn gedaan, kan ik slechts herhalen dat het Luxemburgse voorzitterschap vastbesloten blijft in juni 2005 een politiek akkoord te sluiten over de meerjarenbegroting. Dit geldt eveneens voor de overgrote meerderheid van de afgevaardigden van dit Parlement. Wij hebben geen enkel ander scenario voor ogen, en het huidige voorzitterschap twijfelt er niet aan dat de toekomstige voorzitterschappen, ongeacht het resultaat, de verantwoordelijkheid die op hen rust, serieus zullen nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (NI). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de vertegenwoordiger van de Raad bedanken voor de vastberadenheid van het voorzitterschap om een akkoord te bereiken. Dit doet deugd. Daarentegen verontrusten mij de laatste meldingen over dit compromis, omdat het buitengewoon onvoordelig uitpakt voor de nieuwe lidstaten zoals Polen, en wellicht in het bijzonder voor Tsjechië en Hongarije. Ik ben van mening dat het van het grootste belang is dat er nog tijdens het Luxemburgse voorzitterschap, dat wil zeggen tijdens de eerste helft van dit jaar, een akkoord wordt bereikt. Dit hoop ik voor het Luxemburgs voorzitterschap en voor onszelf. Het is mijns inziens echter van het grootste belang dat er voor dit compromis een draagvlak is in onze landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Het Luxemburgse voorzitterschap rekent op de krachtige en vastbesloten ondersteuning van het Parlement om een akkoord te bereiken. Ik hoop overigens dat wij dankzij de goede wil van alle regeringen hierin zullen slagen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 16 van mevrouw Geringer de Oedenberg (H-0327/05):

Betreft: Europese Groeperingen voor Grensoverschrijdende Samenwerking (EGGS)

In verband met het debat over de beginselen die ten grondslag liggen aan de werking en financiering van het volstrekt nieuwe beleidsinstrument van de Europese Groeperingen voor Grensoverschrijdende Samenwerking (EGGS), en de controle daarop, zou ik de Raad de volgende vraag willen stellen: wat is het voorlopige standpunt van de Raad in verband met de mogelijkheden tot verwezenlijking en ontwikkeling van dit instrument, en in welke richting gaan de debatten hierover?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) De Commissie heeft op 14 juli 2004 een voorstel ingediend voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende Europese Groeperingen voor Grensoverschrijdende Samenwerking. Dit voorstel voor een verordening wordt momenteel behandeld door één van de werkgroepen van de Raad die zich met name bezighoudt met structurele maatregelen. In aansluiting op de discussies die deze werkgroep sinds afgelopen zomer heeft gevoerd, heeft het voorzitterschap op 19 april een compromistekst voorgelegd, die toegankelijk is voor het publiek en die als uitgangspunt dient voor de werkzaamheden van de werkgroep die belast is met de structurele maatregelen. Het is derhalve onmogelijk in dit stadium te zeggen welk standpunt de Raad inneemt als de discussie wordt afgesloten. Aangezien het gaat om een verordening die volgens de medebeslissingsprocedure wordt aangenomen, neemt het Parlement vanzelfsprekend deel aan deze procedure.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). - (PL) Dank u wel, mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad. Uiteraard heb ik de ontwerpverordening gelezen. Ik heb echter een paar punten, die ik aan de Raad wil voorleggen en waarover ik het standpunt van de Raad zou willen weten. Artikel 159, lid drie van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bepaalt dat voor de verwezenlijking van de in het Verdrag opgenomen doelstellingen van economische en sociale cohesie buiten de fondsen om specifieke maatregelen kunnen worden genomen. Nu wil ik vragen om wat voor soort maatregelen het hier gaat en buiten welke fondsen om. Worden er voor deze doelstellingen nieuwe fondsen ingericht? Verder is er in de ontwerpverordening, in het bijzonder in de preambule, sprake van transnationale, interregionale en grensoverschrijdende samenwerking. In de daaropvolgende artikelen wordt echter uitsluitend de transnationale samenwerking benadrukt. Nu wil ik weten of het hier gaat om een beperking van deze samenwerking, of blijft de vorm van samenwerking mogelijk die totnogtoe bestond in het programma INTERREG IIIA?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) U refereert aan artikel 159, lid 3 van het Verdrag, dat bepaalt dat, buiten de fondsen van lid 1 van dat artikel om, specifieke maatregelen kunnen worden vastgesteld om de doelstelling van economische en sociale samenhang te verwezenlijken, waarin het Verdrag voorziet. Hierbij kan het gaan om maatregelen op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking of andere structurele maatregelen.

Ik kan u niet meer informatie verstrekken omdat de werkgroep juist als taak heeft de andere structurele maatregelen te definiëren waarop de maatregelen van artikel 159, lid 3 betrekking kunnen hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Daar de vraagsteller afwezig is komt vraag nr. 17 te vervallen.

Vraag nr. 18 van de heer Van Hecke (H-0332/05):

Betreft: Steun aan het verkiezingsproces in Burundi

De Europese Unie heeft zich in een verklaring verheugd getoond over het goede verloop van het referendum over een nieuwe grondwet in Burundi, maar heeft Burundi tegelijkertijd ook aangespoord om de in de vredesakkoorden genoemde resterende stappen van het verkiezingsproces zo snel mogelijk te verwezenlijken.

Welke concrete initiatieven hebben de Raad en de lidstaten al ondernomen om het Burundese verkiezingsproces te ondersteunen en om ook na de verkiezingen de duurzame stabiliteit in het land mee te helpen verzekeren?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) De Europese Unie volgt het vredesproces in Burundi aandachtig en ondersteunt het. In dit verband is zij verheugd over het goede verloop van het referendum over de goedkeuring van een nieuwe grondwet, dat op 28 februari van dit jaar in Burundi is gehouden. De goedkeuring van de grondwet is een belangrijke stap op weg naar herstel van de vrede en de stabiliteit in Burundi en alle regio’s rond de Grote Meren.

Tijdens de onderhandelingen over een staakt-het-vuren en de overgangsperiode van drie jaar heeft de Unie nauw contact onderhouden met de betrokken partijen in Burundi, zowel in de persoon van de heer Ajello, Speciaal Vertegenwoordiger van de Europese Unie, als in de vorm van enkele bezoeken van de achtereenvolgende voorzitterschappen van de Europese Unie. Wij hebben onze ondersteuning tot uitdrukking gebracht in meerdere verklaringen en verzoeken, niet alleen in Burundi zelf maar ook in zijn buurlanden en in Zuid-Afrika. Het laatstgenoemde land heeft het initiatief genomen tot onderhandelingen over een staakt-het-vuren, eerst onder leiding van president Mandela en later van vice-president Zuma.

De Europese Unie heeft deelgenomen aan de financiering van de stationering van Afrikaanse troepen in Burundi, die de Afrikaanse Unie vervolgens heeft overgenomen, en zij levert een bijdrage aan de huidige missie van de Verenigde Naties in het land. De Europese Unie heeft 4,4 miljoen euro toegezegd voor de organisatie van de verkiezingen en oefent in samenwerking met regionale initiatiefnemers druk uit opdat een tijdschema voor de verkiezingen wordt opgesteld voordat de onlangs tot 26 augustus verlengde overgangsperiode afloopt.

De bijdrage van de Europese Unie aan de verkiezingen dekt een derde van het totale budget dat hiervoor is bestemd, en wij treffen voorbereidingen voor een waarnemersmissie die op 4 juli in Burundi zal zijn voor de parlementaire verkiezingen. Het indicatieve nationale programma dat in augustus 2003 is ondertekend in het kader van het negende EOF, voorziet in 172 miljoen euro voor Burundi, met name ten behoeve van de plattelandsontwikkeling, de begrotingssteun en het behoorlijk bestuur. Dankzij die steun zal op deze gebieden een bijdrage worden geleverd aan de handhaving van een duurzame stabiliteit in het land na de verkiezingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Johan Van Hecke (ADLE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de minister bedanken voor zijn zeer duidelijke antwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 19 van de heer Hans-Peter Martin (H-0334/05):

Betreft: Nieuw Statuut van de leden

Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe versie van het Statuut van de leden van het Europees Parlement. Het gaat daarbij niet alleen om het vaststellen van een algemeen van toepassing zijnd bezoldigings- en vergoedingenstelsel, maar ook om het transparant maken en geleidelijk afschaffen van talrijke voorrechten die de leden van het EP tot nu toe hadden, zoals de onevenredig hoge dagvergoedingen, forfaitaire bedragen voor secretariaatskosten zonder de verplichting om de daadwerkelijk gemaakte kosten te bewijzen, zeer genereuze vergoeding van ziektekosten uit het budget van het Parlement en een gratis levensverzekering.

Hoe denkt de Raad bij het transparant maken en beperken van dergelijke voorrechten invloed op het Europees Parlement uit te oefenen?

Is de Raad bereid zijn op 26 april 2005 gepresenteerde document, met zijn standpunt ten aanzien van het Statuut van de leden van het EP, volledig openbaar te maken in de vorm die gebruikt werd in de onderhandelingen?

Hoe denkt de Raad te verhinderen dat nieuwe voorrechten opnieuw via de achterdeur - bijvoorbeeld door een besluit van de quaestoren van het Parlement - ingevoerd worden, en welke mogelijkheden heeft de Raad om op een zuinig en efficiënt gebruik van de EP-begrotingsmiddelen door het Parlement aan te dringen, respectievelijk dit af te dwingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Over het Statuut van de leden, waarop de vraag van de geachte afgevaardigde betrekking heeft, en met name over de principes die toegepast dienen te worden op de vergoeding van de kosten van de leden van het Europees Parlement, vinden momenteel onderhandelingen en discussies plaats tussen het Europees Parlement en de Raad. Ik kan hierover thans niet meer zeggen, aangezien de discussies nog niet zijn afgesloten. Het zou derhalve prematuur zijn vandaag uitgebreid in te gaan op dit onderwerp.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI). - (DE) Mijnheer de voorzitter, mijn vragen zijn heel concreet en daar wil ik graag een antwoord op.

Waarom kan de standpuntnota niet openbaar worden gemaakt? Ik vraag hier om standpunten en u gaat in op het begin van mijn vraag. In deze vorm - de Raad moet dat maar eens weten – heeft een vragenuur geen enkele zin. Hoe zit dat met die standpuntnota van 26 april 2005? Waarom kunnen we deze nota, die toch in de kern betrekking heeft op ons, niet inzien? Ik zou de vragen willen voorlezen, maar mijn dertig seconden zijn voorbij. Geeft u ons alstublieft antwoord!

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi (PPE-DE). - (EN) Ons is verteld dat het Coreper dit onderwerp vandaag heeft besproken, dat het zal worden behandeld door de juridische diensten van de Raad en het Parlement en dat daarna goedkeuring zal plaatsvinden tijdens de vergadering van de Raad op 23 mei. Kunt u ons garanderen dat wij, zodra het definitieve besluit door de Raad is genomen, toegang zullen krijgen tot alle stukken voordat het Parlement zijn definitieve besluit moet nemen? Kunt u beloven dat wij hier volledig over geïnformeerd zullen worden, en kunt u dat tijdschema bevestigen?

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Hedh (PSE). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag zeggen dat ik het met de heer Martin eens ben dat er vele privileges zijn die wij als Parlementsleden zouden kunnen missen. Wat de reiskostenvergoeding betreft, zou ik in elk geval graag een standpunt van de Raad horen. Ik kan meedelen dat wij Zweedse sociaal-democraten alles buiten de feitelijke reiskosten om terugbetalen, en voor mij was dat 6 300 euro in slechts een half jaar. Voor dat geld zouden we veel meer kunnen doen in de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Om te beginnen moet ik rechtzetten wat mevrouw Kauppi heeft gezegd: het Coreper heeft vandaag niet vergaderd en heeft derhalve niet kunnen discussiëren over een voorstel ten aanzien van het Statuut.

Ik kan slechts bevestigen dat er discussies gaande zijn over een aantal aspecten van het Statuut, met name op basis van de voorstellen die het Parlement bijna twee jaar geleden aan de Raad heeft gedaan. Ik wil er overigens op wijzen dat het Europees Parlement het recht heeft het Statuut vast te stellen na goedkeuring door de Raad. Ik wil hieraan toevoegen dat de Raad een bijzonder, en minstens even groot belang als het Parlement heeft bij de goedkeuring van dit Statuut. Ik denk dat het Statuut in werking kan treden zodra we overeenstemming hebben bereikt, indien het Parlement dit wenst.

Over al deze kwesties moeten in het kader van het Reglement besluiten worden genomen door het Parlement zelf. Ik kan u tevens verzekeren, mijnheer Martin, dat de Raad het belang van transparantie op het gebied van de kosten nadrukkelijk onderstreept. U bent niet de enige; de Raad hecht aan dit punt evenveel waarde als u.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 20 van de heer Casaca (H-0340/05):

Betreft: Gebruik van een algemene regel voor een specifiek doel

Een van de twee Portugese suikerraffinaderijen - die overigens door de Europese Commissie wordt gesubsidieerd - heeft een conservatoir bevelschrift ingediend tegen de bietsuikerfabriek van de Azoren, met als doel een verbod op de uitvoer van suiker van de Azoren, op grond van het feit dat de traditionele uitvoer van deze onderneming berekend had moeten worden op basis van het gemiddelde van drie jaar tijdens welke er geen bestond, nl. 1989, 1990 en 1991.

De Portugese rechter heeft hierover een prejudiciële vraag gericht tot het Europese Hof van Justitie, dat uitspraak heeft gedaan (C-0282/00) in die zin dat de Portugese justitie de zaak, die door de Europese Commissie werd ondersteund, heeft verworpen. Hiertegen is beroep aangetekend.

De Europese Commissie is kennelijk niet van plan zich bij het arrest neer te leggen en probeert het met alle mogelijke middelen om te buigen. Een van de middelen was het wijzigen van de voorwaarden bepaald in Verordening (EEG) nr. 1600/1992. Tot nu toe heeft het Hof de Europese Commissie niet in het gelijk gesteld omdat zij de verordening zo heeft gewijzigd dat de traditionele uitvoer van de Azoren berekend zou worden op basis van het gemiddelde van de jaren 1989, 1990 en 1991, hetgeen zou neerkomen op een regelrecht verbod.

De door de Commissie voorgestelde wijziging (COM(2004)0687 def) van artikel 4 van de verordening komt bijgevolg neer op het zich beroepen van een algemene regel voor een specifiek doel, nl. het uitschakelen van de concurrentie van de suikerbiet van de Azoren.

Meent de Raad niet dat het ombuigen van algemene regels voor specifieke doelstellingen onwettig is? Beschouwt de Raad het gebruik van het initiatiefrecht om via wetgeving te winnen wat voor het Hof van Justitie is verloren niet als machtsmisbruik?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Het onderwerp dat wordt aangesneden in deze vraag, wordt behandeld in het voorstel voor een verordening van de Raad houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de EU, dat de Commissie op 24 oktober 2004 heeft ingediend. Dit voorstel is in grote lijnen besproken door een van de werkgroepen van de Raad. Het Luxemburgse voorzitterschap zal zo spoedig mogelijk een nieuwe vergadering van deze werkgroep bijeenroepen om de werkzaamheden te bespoedigen, zodat de Raad een akkoord kan bereiken zodra hij beschikt over het advies van het Europees Parlement ten aanzien van dit voorstel voor een verordening. De Raad is niet bevoegd uitspraken te doen over de wijze waarop de Europese Commissie haar door de Verdragen gegarandeerde initiatiefrecht uitoefent.

 
  
MPphoto
 
 

  Paulo Casaca (PSE). - (PT) Mijnheer de voorzitter, om te beginnen wil ik u van harte feliciteren en gelukwensen aangezien het de eerste maal is dat ik het woord voer sinds u uw nieuwe functie bekleedt.

Verder wil ik het voorzitterschap van de Raad danken voor de aandacht die het heeft besteed aan een kwestie die weliswaar slechts een kleine, perifere regio van de Europese Unie aangaat, maar daarom niet minder belangrijk is. Ik zou u willen vragen, mijnheer de voorzitter, of het Luxemburgse voorzitterschap voornemens is om, in afwachting van het definitieve besluit, evenveel aandacht en zorg aan deze kwestie te besteden als het tot dusver heeft gedaan, of het zich met andere woorden ten volle zal blijven inzetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Ik wil u bedanken voor uw goede wensen.

Ik kan u verzekeren dat het Luxemburgse voorzitterschap bijzondere aandacht wil schenken aan de problemen van de ultraperifere gebieden en, in het onderhavige geval, aan de problemen van de landbouw in die ultraperifere gebieden. Evenals u hopen wij dit dossier tot een goed einde te kunnen brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Vraag nr. 21 is ingetrokken. Daar de vraagstellers afwezig zijn komen de vragen nrs. 22 en 23 te vervallen.

Vraag nr. 24 van de heer Ó Neachtain (H-0347/05):

Betreft: Palestina

De Raad heeft verklaard dat het voor de EU een prioriteit is en blijft om de Palestijnse Autoriteit bij te staan in haar cruciale taak van handhaving van de rechtsstaat en verbetering van de civiele politiemacht.

Met het oog hierop heeft de EU onlangs in Ramallah het EU-coördinatiebureau opgezet voor Palestijnse politie-ondersteuning.

Kan de fungerend voorzitter aangeven wat precies de taakstelling is van dit "bureau" en welke financiële middelen ter beschikking zullen worden gesteld om deze taken zinvol te kunnen uitvoeren?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Het coördinatiebureau van de Europese Unie voor Palestijnse politie-ondersteuning verleent bijstand aan de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het vredesproces in het Midden-Oosten. Het heeft als taak de hulp te coördineren die de lidstaten van de Europese Unie en, in een voorkomend geval, de internationale donorlanden geven aan de Palestijnse civiele politiemacht. Het bureau werkt samen met de Palestijnse Autoriteit en geeft in dat kader praktische adviezen aan zowel de Palestijnse civiele politiemacht als aan de personen die bij de Palestijnse Autoriteit belast zijn met politiezaken. Op strategisch niveau dient het als aanspreekpunt voor de andere betrokken partijen en houdt het toezicht op de hervorming van de politie. Dit orgaan telt vier hoofdadviseurs van de Unie op het gebied van de politie en een lokale office manager. Momenteel loopt een aanwervingsprocedure voor twee toegevoegde adviseurs.

Op basis van een intentieverklaring van de speciale vertegenwoordiger van de Unie, de heer Marc Otte, en het ministerie van Internationale Samenwerking van het Verenigd Koninkrijk zijn de kosten voor de organisatie en de activiteiten in het eerste jaar, ten bedrage van 390.000 euro, betaald door het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk heeft een aanvullend bedrag van 220.000 euro ter beschikking gesteld voor een steunregeling ten behoeve van kleine investeringen, die wordt beheerd door het coördinatiebureau van de Unie.

Uit hoofde van zijn taak brengt het coördinatiebureau van de Unie enkele specifieke bilaterale hulpprojecten in kaart, legt deze voor en helpt bij het beheer ervan. Sommige hiervan zijn reeds in gang gezet. Deze projecten zijn met name gericht op: renovatie van het opleidingcentrum van de politie in Jericho, opleidingen, leverantie van uitrusting voor de handhaving van de openbare orde, en het verrichten van een audit met betrekking tot de communicatie-infrastructuur en -apparatuur.

Deze projecten, die worden gefinancierd en uitgevoerd door de lidstaten van de Europese Unie en andere donorlanden, maken het leeuwendeel uit van de aanzienlijke financiële, materiële en technische hulp aan de Palestijnse civiele politiemacht. Het coördinatiebureau van de Europese Unie zorgt voor de voorzieningen die voor de uitvoering bedoeld en onontbeerlijk zijn, alsmede voor het strategische kader.

De salarissen en de huisvestingskosten van de hoofdadviseurs voor de politiemacht komen voor rekening van de lidstaten die hen detacheren, en moeten worden beschouwd als aanvullende bijdragen in natura. Voorts zorgt een in Brussel gestationeerde politie-eenheid voor administratieve ondersteuning.

De oorspronkelijk gekozen omvang van het coördinatiebureau van de Europese Unie heeft als voordeel dat het bureau administratief gezien soepel en flexibel is, waardoor de Europese Unie snel, efficiënt en adequaat kan inspelen op de behoeften van de Palestijnse civiele politiemacht, die in kaart worden gebracht volgens de politieke richtsnoeren van de Raad, waarnaar de vraag verwijst.

 
  
MPphoto
 
 

  Séan Ó Neachtain (UEN). - (EN) Ik wil de fungerend voorzitter bedanken voor zijn zeer uitvoerige antwoord. Deze activiteiten zijn zeer bemoedigend. Kan hij aangeven of zij in de toekomst nog een vervolg zullen krijgen, met nog meer gemeenschappelijke verantwoordelijkheid? Dit is precies het soort samenwerking waar we momenteel dringend behoefte aan hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Raad, mijn vraag betreft het coördinatiebureau in Ramallah. Een van de grootste problemen daar is de werkloosheid. Denkt u dat dit coördinatiebureau ook de economische activiteiten tussen Europa en de Palestijnse staat zou kunnen coördineren?

 
  
MPphoto
 
 

  Nicolas Schmit, fungerend voorzitter van de Raad. - (FR) Ten aanzien van de veiligheid kan ik slechts zeggen dat de Europese Unie met het oog op de ontwikkelingen die zich thans lijken voor te doen, en met het oog op de verkiezingen die zijn gehouden in de Palestijnse gebieden, duurzamere verplichtingen moet aangaan om alle veiligheidsvoorzieningen in te voeren waarmee het vredesproces voortgezet kan worden, en om zodoende het doel, de oprichting van een Palestijnse staat, te verwezenlijken.

Wat de economische samenwerking betreft, moeten wij onderzoeken in hoeverre de Europese Unie via haar aanzienlijke economische hulp aan de Palestijnse gebieden bijdraagt aan de versterking van het betreffende bureau.

U hebt intussen vernomen dat de heer Wolfensohn de vertegenwoordiger wordt van de Wereldbank in de Palestijnse gebieden en dat hij de maatregelen op het gebied van de economische hulp zal coördineren; wij hebben vanochtend hierover gesproken. Wij moeten nauw samenwerken met het bureau van de heer Wolfensohn en wij moeten onderzoeken of het Europese bureau niet het geschikte kader biedt om die samenwerking te concretiseren en zo efficiënt mogelijk te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aangezien de voor het vragenuur aan de Raad uitgetrokken tijd verstreken is, zullen de vragen nrs. 25 t/m 28 schriftelijk worden beantwoord.(1)

Het vragenuur is gesloten.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN). - (EN) Bij wijze van motie van orde bied ik de fungerend voorzitter en u, mijnheer de voorzitter, mijn excuses aan voor het feit dat ik niet hier was voor mijn vraag. Ik was bij een andere vergadering in het Winston Churchill-gebouw, en toen ik terugkwam was de vraag reeds vervallen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dat wordt genoteerd, mijnheer Crowley. Hoe dan ook, ik herhaal wat ik zojuist al zei: ik beschouw het vragenuur als gesloten.

(De vergadering wordt om 18.20 uur onderbroken en om 21.05 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER McMILLAN-SCOTT
Ondervoorzitter

 
  

(1) Zie bijlage “Vragenuur”.


18. Begrotingsjaar 2006
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is de presentatie door de Commissie van het voorontwerp van algemene begroting - begrotingsjaar 2006.

 
  
MPphoto
 
 

  Dalia Grybauskaitė, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie wil gaarne het voorontwerp van algemene begroting presenteren, dat wij op 27 april hebben goedgekeurd. Dit is de laatste begroting in het kader van de lopende financiële vooruitzichten. In ons ontwerp concentreren wij ons op de belangrijkste, door de Commissie en het Parlement overeengekomen beleidsdoelstellingen. Deze hebben betrekking op vier belangrijke beleidsterreinen: de opnieuw aangezwengelde Strategie van Lissabon, veiligheid en solidariteit, uitbreiding, en externe betrekkingen. Ik zal op deze vier beleidsterreinen ingaan.

Deze begroting kent de hoogste prioriteit toe aan de opnieuw aangezwengelde Strategie van Lissabon, die is gericht op het versterken van de economische groei en het scheppen van werkgelegenheid. De Europese begroting draagt hiertoe bij via beleidsmaatregelen op drie terreinen: intern beleid, landbouwontwikkeling en structuurbeleid.

Voor het interne beleid is voorzien in een toename van 2 procent. Voor onderzoek en ontwikkeling zal 4,7 procent meer worden uitgetrokken, omdat zij rechtstreeks bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon.

Ook het gemeenschappelijk landbouwbeleid houdt duidelijk verband met de doelstellingen van de Strategie van Lissabon. Het jaar 2006 zal het eerste jaar zijn waarin middelen uit directe inkomsten zullen worden aangewend voor uitgaven ten behoeve van de plattelandsontwikkeling, die opgekrikt zullen worden tot 13,6 procent.

Het bedrag voor de gezamenlijke Europese structuurfondsen zal met een stijging van 5 procent oplopen tot 44,6 miljard euro. De kerntaken van die fondsen zijn het versterken van het groeipotentieel van achtergebleven regio’s en het verbeteren van de werkgelegenheid. Tezamen dragen al deze maatregelen bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Strategie van Lissabon, en zijn ze goed voor ten minste eenderde van de begroting.

Dan kom ik nu bij de andere hoofddoelstellingen van de begroting: solidariteit en veiligheid. Het voorstel van de Commissie voorziet in maatregelen voor de verbetering van de sociale en milieuveiligheid, de waarborging van de grondrechten en de bevordering van de betrokkenheid van de burgers, met name jongeren. De bestrijding van terrorisme, de verbetering van de voedsel- en vervoersveiligheid en de verzekering van de energievoorziening behoren eveneens tot de prioritaire maatregelen. Daarvoor is in het voorontwerp van algemene begroting een verhoging van 5 procent opgenomen.

Ter afronding van het onderdeel intern beleid zou ik willen benadrukken dat het Commissievoorstel voldoende ruimte laat voor de begrotingsautoriteit, en in het bijzonder voor het Parlement, om de middelen te verhogen voor de programma’s waarvoor dit noodzakelijk wordt geacht. Deze verhogingen zullen overigens wel besproken moeten worden met de Raad. De Commissie is uiteraard bereid om een dergelijk initiatief te ondersteunen.

De volgende prioriteit is het welslagen van de uitbreiding. De verdere phasing-in van de nieuwe lidstaten komt tot uitdrukking in alle interne titels, met bijzonder scherpe verhogingen voor het structurenbeleid - tot maximaal 30 procent - en het beleid voor plattelandsontwikkeling - tot maximaal 9 procent. Op administratief vlak komt deze verdere integratie tot uiting in het verzoek om 700 nieuwe posten.

Voor de kandidaat-landen stelt de Commissie voor alleen de bedragen te begroten die al zijn goedgekeurd voor de respectievelijke pretoetredingsstrategieën. Ter ondersteuning van die strategieën verzoekt de Commissie tevens om 100 nieuwe posten voor extern personeel.

Op het gebied van de externe betrekkingen is het niet mogelijk om, binnen het vastgestelde plafond, in zowel de nieuwe prioriteiten voor 2006 te voorzien als tegelijkertijd de continuïteit van de lopende samenwerkingsprogramma’s te garanderen. Daarom stelt de Commissie voor om terug te vallen op het flexibiliteitsinstrument voor het grootste deel van de wederopbouwhulp voor Azië. Wij willen er graag op wijzen dat het in Berlijn vastgestelde plafond voor de vijfde maal in zeven jaar ontoereikend is.

Dat brengt mij bij de totale cijfers van de begroting voor 2006. In het Commissievoorstel worden bedragen genoemd van 112,6 miljard euro aan betalingen en 121,3 miljard euro aan vastleggingen. De verhogingen zijn respectievelijk 6 en 4 procent. Dit komt neer op 1,02 procent van het BNI van de Europese Unie in betalingen en 1,09 procent van het BNI van de Europese Unie in vastleggingen.

Met de lopende onderhandelingen over de toekomstige financiële vooruitzichten in gedachten zou ik erop willen wijzen dat de Commissie vraagt wat nodig en, in dit stadium, voldoende is voor de financiering van het EU-beleid in 2006. Daarbij moeten wij niet vergeten dat wij het nu hebben over de jaarlijkse begroting. In dit voorontwerp van algemene begroting voor 2006, dat al goed is voor 1,02 procent van het BNI van de EU in betalingen, is geen rekening gehouden met de behoeften in verband met de toekomstige uitbreiding met Bulgarije en Roemenië, of met de volledige integratie van de nieuwe lidstaten, in het bijzonder met betrekking tot de reeds vastgestelde landbouw- en cohesiebeleidsmaatregelen, en uiteraard evenmin met hogere investeringen in groei en werkgelegenheid, die nodig zijn uit hoofde van de opnieuw aangezwengelde Strategie van Lissabon.

Ik ben er zeker van dat dit een belangrijk jaar voor ons allen zal worden, en ik kan u verzekeren dat de Commissie haar best zal doen om de begrotingsautoriteit te helpen bij het bereiken van voor de Unie en haar burgers goed akkoord over de begroting 2006.

 
  
MPphoto
 
 

  Giovanni Pittella (PSE), rapporteur. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, ik hoop dat het debat dat op de presentatie van vanavond zal volgen, uiteindelijk een gunstig resultaat zal opleveren. Hopelijk wordt dit een positief jaar. Maar eerlijk gezegd zijn de eerste signalen slechts gedeeltelijk bemoedigend.

Ik moet toegeven dat commissaris Grybauskaitė in de ontwerpbegroting positief heeft gereageerd op een paar kwesties die het Parlement na aan het hart liggen en die in de richtsnoeren terug te vinden zijn. Ik doel op de modulering van de landbouwuitgaven ten bate van de plattelandsontwikkeling, de verhoging van rubriek 2 voor het regionaal beleid, de verhoging van de uitgaven voor jeugd en cultuur en de uitgaven voor de agentschappen.

Datzelfde kan ik niet zeggen over rubriek 4 met betrekking tot externe acties en acties bestemd voor het MKB. Commissaris Grybauskaitė heeft ons verteld dat de maatregelen voor de Strategie van Lissabon meer dan een derde van de ontwerpbegroting in beslag nemen. Wij zullen dat post per post nagaan, maar zo op het eerste gezicht geloof ik dat de bedragen ontoereikend zijn. Het kan zijn dat mijn beoordeling onjuist is, maar in ieder geval is de verwijzing naar het akkoord voor duurzame ontwikkeling, dat in de Europese Raad van Göteborg tot stand is gekomen, onbevredigend. Een concurrerende groei die niet ook duurzame groei is, bestaat gewoonweg niet.

Bovendien valt het voorstel met betrekking tot de externe acties tegen. Dit is geen nieuw knelpunt: het is juist een schrijnende wond die bij iedere begrotingsprocedure opnieuw wordt opengehaald. Echter, met wat meer moed had de Commissie de Raad voor zijn eigen verantwoordelijkheid gesteld, en het Parlement zou de Commissie daarin volledige bijval gegeven hebben.

In het algemeen hadden wij een groter elan verwacht. Dit neemt niet weg dat onze houding constructief zal zijn. Het gaat ons er niet om een lijst van uitgaven op te stellen. Wij willen alleen maar de rechten van het Parlement en van de Europese Unie beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), voorzitter van de Begrotingscommissie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, men krijgt de indruk dat de presentatie van vandaag voor de vele afwezige parlementsleden louter een routinekwestie is. Dit geldt niet voor de commissaris, die mij bovendien verstaat wanneer ik Pools spreek, en evenmin voor mij.

Wat is er zo bijzonder aan de begroting van 2006? In de eerste plaats is dit het laatste jaar van de lopende financiële vooruitzichten. Dit betekent nieuwe en kostbare opgaven die eerder niet waren voorzien. Dit betekent dat het krap wordt, vooral in de rubrieken 3 en 4. Hierover zullen wij ongetwijfeld akkoorden moeten sluiten met het, dan Britse, voorzitterschap.

Ten tweede vormt het jaar 2006 een overgangsperiode naar de nieuwe financiële vooruitzichten. Dit confronteert ons met het probleem van het lage niveau van de uitgaven, namelijk bijna 7 miljard euro onder het in de financiële vooruitzichten vastgelegde plafond en als percentage van het Bruto Binnenlands Product lager dan de begroting van 2005 van 1,03 procent. Wij moeten nauwkeurig nagaan in hoeverre dit beantwoordt aan de reële behoeften in 2006.

Naast continuïteit is er in de begroting van 2006 ook sprake van nieuwe prioriteiten. Hieronder valt de poging om de Strategie van Lissabon aan te zwengelen met bijkomende middelen. De commissaris heeft erop gewezen dat de uitgaven voor de Strategie van Lissabon stijgen met 8 procent. Dit betekent dat besparingen op andere uitgaven in rubriek 3 onvermijdelijk zijn. Ik wil opmerken dat bijkomende middelen niet in de plaats mogen komen van daadwerkelijke hervormingen, want die vormen het hart van de Strategie van Lissabon. Een andere nieuwe prioriteit wordt gevormd door sommige uitdagingen op het gebied van het buitenlands beleid, in het bijzonder de wederopbouw in de door de tsunami getroffen landen en de ondersteuning door de Europese Unie van het ontwaken van de democratie en de burgers in de landen voorbij onze oostgrens. Dit zal ongetwijfeld de toepassing van het flexibiliteitsinstrument vereisen. Onze rapporteur heeft nog een nieuwe prioriteit toegevoegd, en wel de jeugd. Dit zal het sleutelelement vormen in de begrotingsstrategie van het Parlement voor 2006.

Ik heb reeds de aandacht gevestigd op het nauwe verband tussen de onderhandelingen over de jaarlijkse begroting en de financiële meerjarenvooruitzichten. Het leidt geen twijfel dat wij gemakkelijker en in een betere atmosfeer met het Britse voorzitterschap over de begroting voor 2006 zullen kunnen onderhandelen als het Luxemburgse voorzitterschap erin slaagt de onderhandelingen over de financiële meerjarenvooruitzichten tot een goed einde te brengen. Ik weet niet in hoeverre deze doelstelling realistisch is, maar dit zou het doel van ons allemaal moeten zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Ik heb vernomen dat het eigenlijke exemplaar van het voorontwerp van algemene begroting bij het commissiesecretariaat is, maar dat andere exemplaren in de loop van deze week beschikbaar zullen komen.

Het debat is gesloten.

 

19. Raming van het Europees Parlement voor 2006
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0106/2005) van de heer Dombrovskis, namens de Begrotingscommissie, over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2006 (2005/2012(BUD)).

 
  
MPphoto
 
 

  Valdis Dombrovskis (PPE-DE), rapporteur. - (LV) Mevrouw de commissaris, dames en heren, in de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2006 wordt een aantal prioriteiten naar voren gebracht.

De eerste prioriteit is de succesvolle afronding van de uitbreidingsronde van 2004, door middel van een volledige integratie van de afgevaardigden uit de nieuwe lidstaten in de instellingen van de Europese Unie, en de voorbereidingen voor de uitbreidingsronde van 2007, met de toetreding van Roemenië en Bulgarije. De huidige situatie is zorgwekkend. Hoewel al ruim een jaar is verstreken sinds de uitbreiding, zijn veel vaste, voor de nieuwe lidstaten gereserveerde posten nog altijd vacant. De secretaris-generaal van het Europees Parlement zal daarom verslag moeten uitbrengen over de redenen van de vertraging en voorstellen moeten doen om deze situatie aan te pakken. Een van de problemen die in dit verband nadruk verdient, is de overmatige bureaucratie en de langzame procedures voor het aannemen van personeel.

De tweede prioriteit is een efficiënt en doelgericht gebruik van de begrotingsmiddelen van het Europees Parlement. Deze prioriteit houdt onder andere in dat de institutionele uitgaven van de Europese Unie moeten worden toegespitst op de fundamentele taken, dat verzoeken om nieuwe, vaste posten slechts met de begroting mogen worden ingewilligd indien is vast komen te staan dat er geen mogelijkheden zijn tot herschikking van posten en hulpbronnen binnen de bestaande begroting, en dat nieuwe initiatieven alleen mogen worden gesteund indien is vast komen te staan wat de gevolgen zijn voor de begroting en de interinstitutionele samenwerking, met het oog op een zuinig en doeltreffend gebruik van begrotingsmiddelen.

Natuurlijk is de kwestie van het bedrag van meer dan 200 miljoen euro, dat jaarlijks, naast al het andere, moet worden uitgegeven om het Europees Parlement een zetel in Straatsburg te bieden, nog steeds actueel. Het belangrijkste probleem bestaat in het tegelijkertijd handhaven van twee gebouwen voor het Europees Parlement, in Brussel en in Straatsburg. Erkend moet echter worden dat dit onder de bevoegdheid van de Europese Raad valt.

De derde prioriteit is het verbeteren van de communautaire begrotingsterminologie door deze vollediger en transparanter te maken, zodat de belastingbetalers duidelijker kunnen zien hoe hun middelen worden gebruikt. Er zullen verbeteringen moeten worden aangebracht in het voorgestelde ontwerp voor de terminologie, om deze beter aan deze criteria te laten voldoen.

Nu ik het over de begroting van het Europees Parlement heb, wil ik benadrukken dat het totale plafond voor de begrotingsuitgaven zal worden bepaald aan de hand van een zorgvuldige raming van de gerechtvaardigde behoeften. Het bereiken van een plafond van 20 procent van de totale administratieve uitgaven is geen doel op zich. De secretaris-generaal van het Europees Parlement stelt in zijn voorstel de begroting voor het Europees Parlement voor 2006 op 1,3416 miljard euro. Wij zijn ingenomen met de steun van de Begrotingscommissie voor het voorstel van de rapporteur om dit bedrag met 20 miljoen euro terug te brengen. De ervaring van voorgaande jaren, waarin grote sommen ongebruikte middelen zijn herverdeeld of in het geheel niet zijn gebruikt, leert dat wij zorgvuldiger zouden kunnen omspringen met het geld van de Europese belastingbetalers. Het uiteindelijke plafond voor de uitgaven op de begroting van het Europees Parlement zal bij de eerste lezing worden vastgesteld. Als belangrijke aspecten van het werk van het Parlement in 2006 zou ik willen wijzen op, ten eerste, een betere uitleg aan onze burgers van het werk van het Europees Parlement, waarbij ik in het bijzonder de nadruk wil leggen op de rol van de informatiebureaus van het Europees Parlement in onze lidstaten, en ten tweede op de voorbereidingen door het Europees Parlement op het spelen van een grotere rol op wetgevingsgebied, zoals voorzien in het Grondwettelijk Verdrag van de Europese Unie.

Tot slot zou ik willen beklemtonen dat 2006 het laatste jaar is van de huidige financiële vooruitzichten. In dat opzicht is de vraag betreffende het bedrag aan betalingskredieten op de gezamenlijke EU-begroting bij uitstek actueel. Het is van belang dat het totaalbedrag aan vastleggings- en betalingskredieten op de begroting van 2006 overeenkomt met de verbintenissen die de Europese Unie is aangegaan, met inbegrip van de verbintenissen in verband met de uitbreiding.

Ik wil de Europese Raad oproepen zijn houding ten aanzien van de communautaire begroting voor 2006, waarbij hij het bedrag aan betalingskredieten kunstmatig geblokkeerd heeft, te heroverwegen. Als wij willen dat de Europese Unie een betrouwbare partner is, is het van belang dat zij haar verbintenissen nakomt, met inbegrip van de verbintenissen die zij is aangegaan in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie. Het is van belang dat de verbintenissen binnen deze financiële vooruitzichten, waarmee al rekening is gehouden, op evenredige wijze terugkomen op de begroting voor 2006.

 
  
MPphoto
 
 

  Markus Ferber, namens de PPE-DE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de secretaris-generaal, dames en heren, om te beginnen wil ik onze rapporteur, mijnheer Dombrovskis, hartelijk bedanken voor het feit dat hij zich heeft beziggehouden - en nog bezighoudt - met de begroting van het Parlement. Dit is een ondankbare taak, een zware taak, en daarbij kan hij rekenen op meer dan alleen maar lof en enthousiasme van de collega’s. Hij heeft zich vol overgave van deze taak gekweten en wij van de PPE-DE-Fractie zijn hem daar buitengewoon erkentelijk voor.

Ik wil slechts ingaan op één specifiek thema dat mij na aan het hart gaat, en dat is de vraag hoeveel geld het Europees Parlement nu eigenlijk nodig heeft. Er waart hier een getal rond dat als een evangelie wordt verkondigd: 20 procent van de administratieve uitgaven. Alleen al dit jaar, in 2005, mijnheer de secretaris-generaal, is er circa vijftig miljoen euro meer dan we nodig hebben, gewoon omdat we ons moeten houden aan dit magische getal van 20 procent. Er is echter niets waaraan het kan worden besteed.

In 2006 zal hetzelfde gebeuren. Er is nu al in uw raming, die het Bureau heeft goedgekeurd, een bedrag van 90 miljoen euro vastgesteld voor ongebruikte middelen. Ik vraag me echt af wat het daar doet. Is het nu echt nodig om geld uit de zakken van de burgers te kloppen en in een opgeblazen begroting op te nemen, terwijl men heel goed weet dat we dat geld helemaal niet kunnen uitgeven? Ik vraag mij af of we daarmee op den duur het juiste pad volgen.

Ik stel voor om het geld dat we niet nodig hebben, het geld waarvan nu al blijkt dat we het in het komend jaar niet nodig hebben, niet in de begroting op te nemen.

Ik had graag gewild dat de heer Onesta, die amendementen over dit onderwerp heeft opgesteld, vandaag aanwezig was geweest om verantwoordelijkheid te nemen voor de voorstellen die hij heeft gedaan. Deze middelen worden bovendien niet aangewend, en ook niet voor andere dingen uitgegeven, omdat we heel goed weten dat wij bedragen in deze orde van grootte nodig hebben als er een Statuut komt. Ik stel toch echt voor een afgeslankte begroting op te stellen!

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Grech, namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe allereerst de rapporteur te bedanken voor zijn verslag. In grote lijnen zijn we het eens met de hoofdmoot van zijn betoog. Uiteraard zijn we het met hem eens dat er meer moet worden gedaan om de middelen rationeel te gebruiken, de begroting goed te verantwoorden en de begrotingsdiscipline in acht te nemen.

De personeelswerving lijkt een problematisch punt te zijn. Mijns inziens kan terecht worden gesteld dat de verzoeken om posten gebaseerd waren op gerechtvaardigde en reële behoeften. Daarom is het nauwelijks te begrijpen, en te rechtvaardigen, waarom de selectie- en aanwervingsprocedure voor uitbreidingsgerelateerde posten zo langzaam verlopen. Er moet actie worden ondernomen om wat aan deze situatie te doen en dit dringende probleem aan te pakken. Overigens ben ik het er niet mee eens dat een geïmproviseerde tussenoplossing in de vorm van het aanstellen van tijdelijk personeel een levensvatbare optie of reëel alternatief is. Op zich kan ik een heel eind meegaan in de redenering die hierachter zit, maar ik ben bang dat dergelijke compromissen, wanneer ze eenmaal zijn aanvaard, kunnen leiden tot het ontstaan van een verkeerde praktijk, en af en toe ook de kop kunnen opsteken in onze toekomstige begrotingen.

Verder heeft de rapporteur ons een verlaging van de marge in de reserve voor onvoorziene uitgaven voorgesteld. In principe zijn we het ermee eens dat de kredieten betrekking moeten hebben op specifieke activiteiten, en we moeten voorkomen dat er kredieten worden geannuleerd aan het eind van het begrotingsjaar.

Toch moeten we ook rekening houden met de uitdagingen waar we in de nabije toekomst voor komen te staan en de onzekerheden die er nog steeds zijn, onder meer met betrekking tot de vertaaldiensten, de investeringen in onroerend goed, het Statuut van de leden en de invoering van het statuut voor assistenten, waar wij volledig achter staan.

Het zou in dit licht bezien verstandig zijn om in te stemmen met het amendement waarin wordt voorgesteld om pas later een definitief besluit hierover te nemen. Eigenlijk denk ik dat de rapporteur er goed aan heeft gedaan om het definitieve besluit over het gentleman’s agreement betreffende het niveau van 20 procent van rubriek 5 uit te stellen. Ik ben het ermee eens dat dit percentage geen wet van Meden en Perzen is, en we moeten niet aarzelen om dit akkoord te herzien als we ervan overtuigd zijn dat dat nodig is. Toch denk ik niet dat dit het geval is, en het zou onverstandig zijn om deze richtsnoeren nu aan de kant te zetten.

Ironisch genoeg kan de stabiliteit van het 20 procent-richtsnoer, mits doelmatig toegepast, zelfs in zekere mate zorgen voor een gezonde begrotingsdiscipline en voor begrotingsefficiëntie. Uiteraard zijn we het ermee eens dat we, om meer begrotingsefficiëntie te bewerkstelligen, kritisch moeten kijken naar alle vormen van uitgaven, dat we de middelen efficiënter moeten benutten en verspilling en doublures moeten voorkomen.

We moeten ons blijven richten op onze kerndiensten en -activiteiten, wat mij op een ander belangrijk punt brengt. Hoewel daar best wel een aantal redenen voor aan te voeren zijn, hebben we tot dusver nog niet kunnen zien dat het ‘Raising the game’-project alle gewenste resultaten heeft opgeleverd. Naar mijn idee zijn er tot nu toe pas een paar doelstellingen bereikt. Gezien het feit dat de noodzakelijke structuren er zijn, mogen we er normaal gesproken van uitgaan dat de meeste doelstellingen in het komende begrotingsjaar gehaald zullen worden en dat er een hervorming doorgevoerd zal worden om al dan niet zichtbare knelpunten op te lossen.

Een ander punt: wij staan zeer positief tegenover het voorstel ter verbetering van de bezoekersdienst. Sprekend vanuit mijn zeer korte en beperkte ervaring in het Europees Parlement denk ik dat de programma’s een praktisch en direct instrument zijn waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan een positievere kijk op de EU. Bovendien hebben ze een multiplicatoreffect, dat niet mag worden onderschat.

Ik ben ook een vurig pleitbezorger van het voorstel ter verbetering van de communicatie- en voorlichtingsstrategie. We zijn door de jaren heen niet goed met dit probleem omgegaan. We weten dat er tussen de EU en haar burgers een kloof bestaat, of die nu echt is of alleen maar zo gevoeld wordt. Op dit belangrijke punt kan en moet er meer worden gedaan. Als we echt willen dat onze burgers het gevoel hebben dat het Europees Parlement hun parlement is en hun idealen tracht te verwezenlijken, moet er snel een doeltreffende voorlichtings- en communicatiestrategie ten uitvoer worden gelegd. Dat moet een van onze belangrijkste prioriteiten zijn. Als we op dit punt falen, zullen we gefaald hebben op het vlak van een even echte als fundamentele hoofddoelstelling.

Tot slot feliciteer ik de heer Dombrovskis nogmaals, en dan niet gewoon met zijn verslag, maar met het feit dat hij ons, als nieuw lid uit een nieuw land, een voorbeeld heeft gegeven en heeft aangetoond dat dit integratieproces vruchtbaar en doeltreffend kan zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Kyösti Tapio Virrankoski, namens de ALDE-Fractie. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst de rapporteur, de heer Dombrovskis, bedanken en hem complimenteren met zijn uitstekende verslag. De begroting van het Parlement is een gecompliceerde administratieve begroting, die een grondige kennis van de werkwijzen en procedures van het Parlement vereist. De rapporteur is hier goed in geslaagd, wat onder andere te zien is aan het kleine aantal amendementen. Ik wil hem ook voor de toekomst succes wensen.

De begroting van het Parlement kenmerkt zich nog steeds door de tekortkomingen van de recente uitbreiding. Hoewel de nieuwe lidstaten nu al meer dan een jaar meedoen, is een aanzienlijk deel van de posten die voor hen zijn gecreëerd, nog steeds onbezet. De quaestoren schatten zelfs dat misschien nog geen 80 procent daarvan voor het einde van het jaar zal zijn bezet. De situatie ziet er vooral in de talensector problematisch uit. Aangezien het democratisch functioneren van het Europees Parlement meertaligheid en goede vertaaldiensten vereist, moet er op adequate wijze aandacht worden besteed aan het soepel en doeltreffend functioneren van de vertaaldiensten.

De rapporteur besteedt zeer terecht aandacht aan de presentatie van de begroting. Die moet voortdurend worden ontwikkeld. De begroting van het Parlement moet net als de begroting van de Commissie steeds meer op activiteiten worden gebaseerd, zodat de persoonlijke verantwoordingsplicht duidelijker en sterker wordt. De doeltreffendheid van de activiteiten moet duidelijk uit de presentatie kunnen worden afgeleid. In de toekomst moeten er dan ook verschillende indicatoren komen op basis waarvan wij de activiteiten kunnen analyseren.

Het is vooral van belang aandacht te schenken aan de doeltreffendheid van de werkzaamheden van het Parlement zelf. De raising the game-hervorming is van groot belang voor de Parlementsleden. Zij moeten besluiten nemen over zaken die steeds ingewikkelder worden. Het is daarom noodzakelijk dat er aanvullende steun komt voor het wetgevingswerk.

De begroting van het Parlement is traditiegetrouw op het niveau gehouden dat overeenkomt met ongeveer 20 procent van de administratieve uitgaven. Aangezien men er in geslaagd is de uitgaven van het Parlement in de hand te houden, vooral dankzij een goed onroerend-goedbeleid, lijkt er momenteel vrij veel speelruimte te zijn: maar liefst 90 miljoen euro. Omdat er ook van vorig jaar nog een overschot is, is het in deze fase onmogelijk te voorspellen wat de daadwerkelijke behoeften zullen zijn. Daarom moeten wij het definitieve besluit over de reserve pas in het najaar nemen. Het is niet nodig de begroting van het Parlement te vergroten als daar geen goede redenen voor zijn. Een grens van 20 procent is geen doel waar wij naar moeten streven, maar een zelf opgelegd plafond. Het onderhavige verslag biedt een goede basis voor een voortzetting van de werkzaamheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sergej Kozlík (NI). - (SK) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, geachte afgevaardigden, de conclusie uit de meest recente opiniepeiling naar de houding van de Slowaakse burgers ten aanzien van de Europese Unie was duidelijk: een jaar na de toetreding tot de Europese Unie heeft 83 procent van de bevolking van Slowakije een positief oordeel over die stap, en vandaag heeft het Slowaaks parlement de ontwerp-Grondwet voor Europa geratificeerd. Anderzijds worden de burgers van Slowakije steeds gevoeliger voor de problemen die voortvloeien uit de beperkingen die zijn opgelegd aan de uitoefening van het lidmaatschap van het Europees Parlement, in het bijzonder als het gaat om het mandaat van de leden die de nieuwe lidstaten vertegenwoordigen. Deze beperkingen zijn toe te schrijven aan de tijdrovende administratieve procedures binnen het Europees Parlement bij het leveren van taalkundige ondersteuning en toereikende vertaalcapaciteiten en bij het beschikbaar stellen van tolkdiensten in parlementaire commissies en fracties.

De ontwerpresolutie over de begroting van het Europees Parlement, die is ingediend door de heer Dombrovskis - en ik maak van de gelegenheid gebruik om hem te bedanken voor zijn prima werk - vormt een passend antwoord op deze situatie. Het valt slechts te betreuren dat de oorspronkelijke formulering van de ontwerpresolutie, waarin de vertragingen bij het aannemen van nieuw personeel “onaanvaardbaar” werd genoemd, in de huidige versie is vervangen door een minder harde bepaling: “betreurenswaardig”. Ontoereikende vertaalcapaciteiten vormen een ondermijning van het beginsel van gelijke kansen en beperkt afgevaardigden, met name uit de nieuwe lidstaten, in de uitoefening van hun mandaat. In wezen komt dit neer op discriminatie. Dat is in strijd met de geest van een verenigd Europa, een Europa waar wij ons als nieuwe leden bij hebben aangesloten, en is volstrekt onaanvaardbaar.

Het zou ontegenzeggelijk betreurenswaardig en misplaatst zijn als het draagvlak voor het verenigd Europa in de nieuwe lidstaten zou inkrimpen als gevolg van administratieve tekortkomingen in het Europees Parlement, en niet door financiële beperkingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil me beperken tot drie onderwerpen: de totale omvang van de begroting van het Parlement, het personeelsbeleid en het voorlichtingsbeleid.

Wat de omvang van de begroting van het Parlement betreft wordt in het voorstel van de secretaris-generaal het niveau van de Parlementsbegroting vastgesteld op 20 procent van rubriek 5, ofwel 1.340 miljoen euro. Ik ben een groot voorstander van het voorstel van de rapporteur om de middelen van de reserve voor onvoorziene uitgaven te verlagen met 30 miljoen euro en de reserve voor gebouwen te verhogen met een bedrag van 10 miljoen euro. In het verslag wordt ook benadrukt dat de omvang van de begroting van het Parlement moet worden vastgesteld op basis van gerechtvaardigde behoeften, en er wordt op gewezen dat bemiddelingskredieten moeten worden vermeden.

Het personeelsbeleid van het Europees Parlement moet worden verbeterd, opdat de aanwervingsprocedures voor het vervullen van 750 onbezette posten bij het secretariaat-generaal van het Europees Parlement kan worden versneld en een daadwerkelijk, op verdienste gebaseerd bevorderingssysteem kan worden opgezet.

In het verslag wordt ook uiting gegeven aan de bezorgdheid over de versnelde verschuiving van hulpfunctionarissen naar arbeidscontractanten, en verzocht om gedetailleerde informatie over dit onderwerp. Ik stel voor dat wij, het Europees Parlement, de secretaris-generaal verzoeken om na te gaan hoe de gevolgen van het opheffen van de rechtspositie van bestaande hulpfunctionarissen bij de fracties, die wachten op de afronding van de aanwervingsprocedures, kunnen worden verzacht. Wij moeten de secretaris-generaal verzoeken om bij het Bureau een voorstel in te dienen tot een zodanige wijziging van de op 3 mei 2004 door het Bureau goedgekeurde interne regels voor personeelswerving dat de fracties van dezelfde aanwervingsmogelijkheden kunnen profiteren als de administratie van het Parlement.

En last but not least: het voorlichtingsbeleid. De rapporteur steunt de verbetering van de bezoekersdienst en de versterking van de rol van externe bureaus. Benadrukt wordt dat op het vlak van het communicatiebeleid van de lidstaten rekening moet worden gehouden met nationale verschillen, wil men de burgers beter bereiken.

Tot slot wil ik de heer Dombrovskis bedanken voor zijn uitstekende verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, het onderhavige verslag, dat het meerderheidsstandpunt in dit Parlement weerspiegelt, is een regelrecht schandaal. Daaruit blijkt weer eens duidelijk - en dat is een bittere constatering - van welke trucjes men zich in dit Parlement bedient. Dit is een verslag in zeer algemene bewoordingen, waarin via mondelinge amendementen besluiten zijn ingeslopen die ertoe leiden dat 60 miljoen euro van het geconstateerde overschot van 90 miljoen euro voor 2006 simpelweg in de reserve wordt opgenomen - en we weten hoe men daarmee begrotingstechnisch kan omgaan - en nog eens 10 miljoen euro voor gebouwen wordt gereserveerd. Ik wijs erop dat de secretaris-generaal, die vandaag niet aanwezig is, en anderen herhaaldelijk hebben beweerd dat hier eigenlijk geen behoefte aan is.

In plaats van dit geld aan de Europese belastingbetaler terug te geven, in plaats van iets te ondernemen dat de reputatie van dit Parlement kan opvijzelen en te zeggen, “ja”, we hebben de boodschap begrepen, we kunnen met minder uit de voeten, is men er via gesjoemel met - let wel, mondelinge - amendementen in geslaagd om dergelijke besluiten via de achterdeur naar binnen te loodsen. Waarom zeg ik gesjoemel? Omdat mijn bezwaren tegen deze mondelinge amendementen domweg genegeerd zijn, en dat terwijl ik volwaardig en stemgerechtigd lid van de betrokken commissie ben. De bezwaren die ik heb geuit tegenover het Bureau en de Voorzitter van het Parlement zijn tot op de dag van vandaag onbeantwoord gebleven. In een ongedateerd schrijven staat dat het allemaal niet zo bedoeld was, maar ik ben van plan dat aan te vechten.

Ik zal alle wettelijke middelen aangrijpen die tot mijn beschikking staan. Deze resolutie, noch dit verslag is rechtmatig tot stand gekomen en zou morgen niet in stemming mogen worden gebracht. In het belang van de Europese belastingbetaler roep ik de weinige aanwezigen op tegen dit verslag en in het bijzonder tegen de genoemde specifieke onderdelen te stemmen. Er zullen hierover ondertekende moties worden ingediend.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Kunt u misschien bevestigen of u het schrijven van de Parlementsvoorzitter in antwoord op uw klachten hebt ontvangen? Zo niet, dan laat ik een bode een kopie brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik heb vanmiddag per fax een ongedateerd schrijven in het Engels ontvangen. Ik neem aan dat u hierop doelt. Ik stel vast dat, in tegenstelling tot hetgeen gebeurt met andere collega’s, die binnen drie dagen eindeloos lange antwoorden ontvangen, de kwestie in dit geval - ondanks herhaaldelijke waarschuwingen - telkens weer op de lange baan is geschoven. Bovendien heb ik al in een reactie laten weten absoluut geen genoegen te nemen met dit schrijven. Ik vind dat de methoden zoals die hier zijn toegepast, onoorbaar en in strijd met het recht zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Hynek Fajmon (PPE-DE). - (CS) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, in de begroting van het Parlement voor 2006 zou een aantal van de speerpunten die de heer Dombrovski in zijn verslag heeft beschreven, moeten terugkomen.

Als afgevaardigde van een nieuwe lidstaat zou ik het Parlement attent willen maken op een aantal praktische problemen, die rechtstreeks verband houden met het feit dat bepaalde aspecten van de werkwijze van het Parlement nog steeds niet zijn veranderd na de uitbreiding van vorig jaar. Mijn belangrijkste punt van zorg is dat niet alle officiële talen een gelijke status genieten, terwijl er toch inmiddels een jaar is verstreken sinds de uitbreiding, en dat op veel commissie- en delegatievergaderingen geen tolken beschikbaar zijn voor de talen van alle aanwezigen. Ook zijn er aanzienlijke vertragingen bij de verspreiding van documenten in de officiële talen van afgevaardigden.

Deze problemen zijn een direct gevolg van de trage gang van zaken bij het aannemen van ambtenaren uit nieuwe lidstaten in de administratie van het Parlement, en daar hebben niet alleen de tolken- en vertaaldiensten mee te kampen. Het aantal mensen uit de nieuwe lidstaten dat in dienst is van het Parlement, is nog altijd zeer gering en we hebben nog een lange weg te gaan voordat alle posten waarvoor op de begroting middelen waren gereserveerd, ook daadwerkelijk zijn vervuld.

Er is geen enkele rechtvaardiging voor deze vertragingen, die echt niet gering zijn. Volgens het verslag-Dombrovskis zal waarschijnlijk slechts 78 procent van de reeds ingestelde posten ook daadwerkelijk zijn vervuld eind dit jaar. Mijns inziens moeten hoognodig stappen worden ondernomen om verbetering te brengen in deze stand van zaken en ervoor te zorgen dat de burgers van de nieuwe lidstaten in gelijke mate worden vertegenwoordigd in de administratie van het Parlement.

Daarnaast vind ik het onduldbaar dat de opschriften van het Europees Parlement in parlementaire gebouwen nog altijd niet in alle talen van de Europese Unie worden weergegeven. Mijn aandacht werd hierop gevestigd door de eerste groep bezoekers uit de Tsjechische Republiek in november 2004, en hoewel ik de quaestor hier herhaaldelijk op heb gewezen is er vooralsnog niets aan gedaan.

De diensten die bezoekers aan het Parlement worden geboden, functioneren daarentegen betrekkelijk soepel. Al twee keer heb ik een groep burgers uitgenodigd in Straatsburg en uit hun reacties maak ik op dat dergelijke bezoeken buitengewoon belangrijk zijn. Niettemin is de manier waarop wij met de mensen communiceren nog steeds voor verbetering vatbaar. Ik moet helaas zeggen dat er geen voorlichtingsmateriaal beschikbaar is in het Tsjechisch, noch in de andere talen van de nieuwe lidstaten, en dat er geen exemplaren van de Europese Grondwet beschikbaar zijn voor bezoekers uit de nieuwe lidstaten. Ik vind dat daar in de nabije toekomst iets aan gedaan moet worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik neem het woord over de raming van het Europees Parlement voor 2006 en het verslag van de heer Dombrovskis over dit vraagstuk. Nu is zojuist het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie voor 2006 aan het Parlement voorgelegd. Ik wil beginnen met drie opmerkingen over dit ontwerp.

In de eerste plaats ben ik als vertegenwoordiger van een nieuwe lidstaat, Polen, ongerust over de extreem geringe omvang van de begroting, die slechts 1,02 procent van het BBP van de Europese Unie bedraagt. Ik wil er in dit verband op wijzen dat het plafond voor de uitgaven in 2006 overeenkomstig de lopende financiële vooruitzichten 1,08 procent van het BBP bedraagt; in absolute bedragen komt dit neer op 7 miljard euro meer.

Ten tweede bedraagt het door de Europese Commissie voorgestelde, en onlangs bevestigde, niveau van de uitgaven voor de financiële vooruitzichten voor de jaren 2007-2013 1,14 procent van het Bruto Binnenlands Product. Het zal mijns inziens moeilijk worden om aan de burgers van de Europese Unie uit te leggen hoe alle uitgaven van de Europese Unie kunnen worden gefinancierd met 112 miljard euro, terwijl de uitgaven al in 2007 naar verwachting tegen de 130 miljard euro zullen bedragen.

Ten derde is het moeilijk te begrijpen waarom er op deze begroting sprake is van een zo sterke stijging van de administratieve kosten, namelijk met 6,2 procent, terwijl de middelen voor het externe optreden tegenover 2005 dalen met 2 procent en voor de pretoetredingsstrategie zelfs met 4 procent.

Deze laatste opmerking brengt mij bij de raming van de begroting van het Europees Parlement voor 2006. Deze zal naar verwachting 20 procent bedragen van de volledige administratieve uitgaven, ofwel 1.342 miljoen euro. Dit komt neer op een stijging van 5,5 procent tegenover 2005. Ik wil erop wijzen dat de belangrijkste reden voor deze verhoging is dat middelen moeten worden verzekerd voor de voltooiing van de uitbreiding van de Europese Unie met de 10 nieuwe lidstaten en voor de toetreding van Bulgarije en Roemenië in januari 2007, waar ook middelen voor uitgetrokken moeten worden. In dit verband wil ik erop wijzen dat tot het einde van 2005 slechts 78 procent van de posten zal zijn bezet die als gevolg van de uitbreiding op de begrotingen van 2004 en 2005 waren opgenomen. Dit is een onrustbarende situatie.

Tot slot wil ik de heer Dombrovskis gelukwensen met de uitwerking van zijn zeer volledige verslag over de uitgaven van het Europees Parlement in 2006. Het verslag gaat niet alleen in op de kwesties in verband met de uitbreiding, maar ook op de kwaliteit en de productiviteit van het werk van het Parlement, en in het bijzonder op het feit dat de Parlementsleden moeten kunnen werken met documenten in hun eigen taal. Verder gaat hij in op de uitdaging om het Parlement en de resultaten van zijn werk dichter bij de burgers te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Dombrovskis en de anderen die aan dit verslag hebben meegewerkt, hartelijk bedanken. Er is denk ik geen parlement ter wereld waar in één jaar, vanuit de optiek van de belastingbetaler, een besparing van een uit twee cijfers bestaand miljoenenbedrag wordt verwezenlijkt. Deze zuinige omgang met de middelen verdient grote lof. We dringen sterk aan op de komst van het Statuut, dat de nationale begrotingen in hoge mate zal ontlasten, maar die van het Parlement juist zal belasten. Gelet op de gemiddelde kosten van een ambtenaar verdient deze voorzorgsmaatregel - naast hetgeen het Statuut ons zal brengen - grote steun en lof.

Het is onze taak om Europa in de toekomst nog dichter bij de burger te brengen. We moeten de bevolking informeren over waar het Europees Parlement zich mee bezighoudt. Een van de grootste punten van kritiek in de verkiezingscampagne was dat de mensen te weinig horen over de politieke activiteiten van het Europees Parlement. Ik zou daarom degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn, willen oproepen om de inspanningen in het kader van het informatiebeleid meer dan ooit te intensiveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), voorzitter van de Begrotingscommissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik reageer op het bezwaar van de heer Martin ten aanzien van de juridische aspecten, niet op de inhoud.

De reeks mondelinge amendementen die hij noemde, werd daags vóór de stemming in de Begrotingscommissie aan de leden voorgelegd, en toen werd er geen bezwaar gemaakt. Na vóór verschillende van die amendementen gestemd te hebben begon de heer Martin bezwaren te maken, echter zonder toe te lichten op grond van welk artikel uit het Reglement hij bezwaar maakte. Daarom ging ik door met de stemming, met de unanieme steun van de Begrotingscommissie. Dit ter verduidelijking.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil een verklaring afleggen op basis van artikel 145 van het Reglement. Wat de heer Lewandowski zei, klopt absoluut niet. De procedure in dit Parlement, zowel in de plenaire vergadering als in de commissie, is dat als er bezwaar wordt aangetekend tegen een mondeling amendement - en het quorum daarvoor betekent dat in de commissie één persoon bezwaar moet maken en in de plenaire vergadering 37 personen moeten gaan staan - het amendement niet in stemming kan worden gebracht. Ik wil de voorzitter van de Begrotingscommissie erop wijzen dat deze procedure, dit voorschrift, niet is gebonden aan het tijdstip van indiening van zulk een mondeling amendement. We weten allemaal dat een schriftelijk amendement meestal veel dieper op de zaak ingaat.

Precies dezelfde situatie als zojuist door mij beschreven, deed zich afgelopen maandag voor in de Commissie begrotingscontrole. De voorzitter - ook afkomstig uit een nieuwe lidstaat - vroeg verschillende malen op duidelijke toon of er bezwaar was tegen een bepaald mondelinge amendement en het was voor iedereen duidelijk dat er bij een bezwaar geen stemming zou zijn geweest.

Wat hier gebeurt, is dat men zich tracht te onttrekken aan de verantwoordelijkheid te moeten toegeven dat er iets in gang is gezet dat in deze vorm helemaal niet kan. Ik houd vol dat ik, ook met het oog op de inhoudelijke kant van de zaak - deze spreektijd komt mij toe; ik heb er recht op uit hoofde van het Reglement -, een beroep heb gedaan op artikel 150, dat precies ...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het is dat de commissaris voor het volgende debat nog niet is gearriveerd, want anders had ik deze discussie niet toegelaten.

In een schrijven aan de heer Martin heeft de Voorzitter verklaard dat de door de heer Martin aangevoerde bezwaren geen taalkundige problemen betroffen maar de inhoud van elk amendement. De Voorzitter is dan ook van mening dat het door de commissievoorzitter genomen besluit om over te gaan tot de stemming, in overeenstemming was met het Reglement en met de gebruikelijke gang van zaken.

Aangezien de heer Martin heeft aangegeven dit morgen opnieuw aan de orde te willen stellen, stel ik hem voor die procedure te volgen. Ik wil hier nu niet op doorgaan.

Ik wil hier nog het volgende aan toevoegen, mijnheer Martin: ik hoop niet dat ik u de beschuldiging heb horen uiten dat de commissievoorzitter een verkeerde voorstelling van het gebeurde heeft gegeven. U moet goed op uw woorden passen. In de vertaling die ik te horen kreeg leek het alsof u suggereerde dat hij loog. Dergelijke woorden moet u niet in de mond nemen.

De secretaris-generaal heeft zeer aandachtig geluisterd naar wat alle sprekers gezegd hebben. Ik ben u zeer erkentelijk.

Daarmee is het debat gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 

20. Europese dienst voor extern optreden
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is de mondelinge vraag (B6-233/05) van de heer Leinen, namens de Commissie constitutionele zaken, aan de Commissie, over institutionele aspecten van de Europese Dienst externe acties.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. - Voorzitter, ik vind dat we als leden van dit Huis de plicht hebben om precies te weten wanneer het debat begint en er is geen enkele verontschuldiging voor afwezigheid. Wij hebben genoeg middelen om te zien wanneer we hier bij een debat present kunnen zijn. Daarnaast moet ik u eerlijk zeggen dat het niet erg vaak voorkomt dat de Commissie op pertinente vragen van mijn kant antwoord geeft, dus ik ben eigenlijk niet erg benieuwd naar de stellingname van de Commissie. Goed.

Voorzitter, ik heb met een wisselend gevoel van verbazing en vermaak de nerveuze toonzetting van de vraag van commissievoorzitter Leinen opgemerkt. Hier spreekt de angst van een uitgesproken voorstander van de Grondwet dat een van de meest in het oog springende vernieuwingen van deze Grondwet, namelijk de komst van een Europees minister van Buitenlandse Zaken, het intergouvernementele paard van Troje zal blijken te zijn. Deze minister en zijn ambtelijke apparaat, de Europese Dienst voor extern optreden, veroorzaakt nu blijkbaar ook twijfel bij de verdedigers van zijn komst. Dat is rijkelijk laat. Henry Kissinger heeft in Die Welt van vrijdag 6 mei nog eens duidelijk aangegeven dat de creatie van één telefoonnummer het gebrek aan een gemeenschappelijk extern beleid niet zal oplossen. Dat artikel kan ik u trouwens allen aanbevelen. Het gaat er immers om wat er inhoudelijk gezegd zal worden, wanneer de telefoon overgaat.

Ook nu weer vervalt de Europese Unie in de klassieke fout het gebrek aan politieke overeenstemming op te vangen met louter institutionele maatregelen. Een eerlijke analyse van deze institutionele maatregelen laat zien dat de veel geprezen, maar bijzonder ongelukkige constructie van de dubbele hoed het institutionele evenwicht tussen de Europese instellingen verstoort. De komst van een Europees minister van Buitenlandse Zaken gaat in tegen de belangrijke stelregel dat de verschillende instellingen onafhankelijk van elkaar opereren. In artikel I-26 wordt in het zevende lid immers gesteld dat leden van de Commissie geen instructies van enige regering, instelling, orgaan of instantie mogen ontvangen. Deze bepaling is blijkbaar niet van toepassing op de toekomstige ondervoorzitter van de Commissie. Ik daag alle voorstanders van deze nieuwe functie uit om dat nu eens te weerleggen.

Niet alleen deze minister, maar ook de Europese Dienst voor extern optreden zullen een constante bron van interinstitutionele spanningen zijn en dan heb ik het nog niet eens over de financiering van het ambtenarenkorps en de relaties met de nationale diplomatie. Daar hebben wij ook zo'n fraaie hoorzitting aan gewijd, met veel vraagtekens. De spagaatpositie van collega Leinen is echter nog maar kinderspel in vergelijking met de atletische acrobatie die de toekomstige minister en aanvoerder van de externe dienst zal moeten beoefenen.

Mijnheer de Voorzitter, als fervent tegenstander van dit Grondwettelijk Verdrag hoop ik dat het in Frankrijk al mis zal gaan, en ook in mijn land. Mocht dit niet het geval zijn, dan zullen we dit gevaarlijke avontuur van de Europese Unie nauwgezet blijven volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jo Leinen (PSE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik kom net terug van een openbare bijeenkomst over de Europese Grondwet in Lotharingen en daar was de meerderheid van de aanwezigen voor de benoeming van een Europese minister van Buitenlandse Zaken en de inrichting van een Dienst extern beleid, ten behoeve van de minister. Ik ben vol vertrouwen dat men er overal in Europa zo over denkt. Uit de eurobarometer blijkt telkens weer dat de mensen willen dat Europa met één stem in de wereld spreekt. Daarom zijn hiervoor bepalingen opgenomen in de Europese Grondwet.

De minister van Buitenlandse Zaken zal het gezicht en de stem zijn van de Europese waarden en belangen in de wereld. Het staat buiten kijf dat hij voor de vervulling van zijn taken een dienst extern beleid nodig heeft. Doordat hij een dubbele pet op heeft, gaat het om een tamelijk ingewikkelde constructie, en daar moeten we een oplossing voor vinden. Dat moet een oplossing in de geest van de Grondwet zijn. Wat bedoel ik daarmee? In de geest van de Grondwet houdt in dat de voormalige tweede pijler, met zijn eerder intergouvernementele methode, wordt geïntegreerd in de communautaire methode. De debatten die in de Conventie en in de Intergouvernementele Conferentie hebben plaatsgevonden, hadden juist de bedoeling de voormalige tweede pijler op te nemen in een Europese Unie met rechtspersoonlijkheid en met de mogelijkheid om zowel intern als extern op te treden.

Artikel 296 van de Grondwet luidt dat de Dienst extern beleid wordt opgericht bij besluit van de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement en na instemming van de Commissie. Dat is het punt waarom het gaat. De Commissie heeft de mogelijkheid om het profiel van de Dienst extern beleid mede te bepalen. Wij in het Parlement waren bang dat de werkzaamheden in de Raad al zo ver gevorderd waren dat er spijkers met koppen waren geslagen en concrete ideeën bestonden. De Commissie heeft zich hier tegenover veel te aarzelend opgesteld en deze kwestie niet kordaat genoeg aangepakt. Daarom hebben we vandaag de volgende vraag gesteld: hoe denkt de Commissie de nadere ontwikkeling en waarborging van de communautaire methode op het vlak van de externe betrekkingen veilig te stellen? Hoe moet de administratieve en financiële organisatie van de Dienst eruit komen te zien? Hoe kan de controle van het Parlement op dit gebied mogelijk worden gemaakt?

We moeten alles in het werk stellen om te verhinderen dat er naast de administratie van de Commissie en de Raad een derde bureaucratie tot stand komt. Dat zou het slechtst mogelijke scenario zijn. Dat leidt tot de vraag of de Dienst externe betrekkingen bij de Raad of bij de Commissie moet worden gevestigd. We moeten in dit verband bedenken dat we al in vele landen delegaties hebben die tot EU-ambassades kunnen worden uitgebreid. Ik wil daarmee aangeven dat het een goede en nuttige oplossing zou zijn als deze Dienst organisatorisch en begrotingstechnisch bij de Commissie, en niet bij de Raad zou worden ingedeeld.

De rol van de Raad zou desondanks volledig gehandhaafd blijven, omdat duidelijk is dat deze Dienst de besluiten moet uitvoeren die het politieke orgaan van de Raad neemt. Dit soort tweeledige constructies komt in veel landen voor. Ook in Duitsland doet zich op bepaalde bestuursniveaus de situatie voor dat een instantie taken uitvoert voor zowel gemeenten als de staat. Dat is geen onbekend fenomeen; het zou ook hier kunnen functioneren.

We zullen ook het takenpakket van de Dienst extern beleid moeten afbakenen. Ik denk niet dat het zinnig is een mammoetinstelling in het leven te roepen die zich met van alles en nog wat bezighoudt, variërend van de portefeuille handel van commissaris Mandelson tot de portefeuille ontwikkelingsbeleid van commissaris Michel. We moeten een scheiding aanbrengen tussen de klassieke externe dienst onder de hoed van de minister van Buitenlandse Zaken en andere algemene directoraten-generaal en commissarissen, die hun eigen domein beheren. Als de minister van Buitenlandse Zaken tegelijk vice-voorzitter van de Commissie zou zijn, biedt dat natuurlijk mogelijkheden tot clustervorming en kan er coherentie worden verwezenlijkt op dit gebied.

We zijn benieuwd wat de Commissie ons gaat vertellen en hopen dat bij dit belangrijke onderwerp de geest van de grondwet zal worden geëerbiedigd en zijn beslag zal vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Margot Wallström, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de nieuwe bepalingen op het gebied van de buitenlandse betrekkingen die zijn opgenomen in het Grondwettelijk Verdrag, bieden de Europese Unie de gelegenheid om de doeltreffendheid en de samenhang van haar extern optreden te versterken. Dat is één goede reden om het Grondwettelijk Verdrag te ratificeren, wat naar ik hoop ook gebeurt.

Wij moeten met name de twee pijlers van het extern optreden van de Unie zoveel mogelijk bijeenbrengen: de externe betrekkingen van de Gemeenschap en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Dat zal onze invloed versterken, onze stem krachtiger maken en helpen onze Europese belangen en waarden wereldwijd te bevorderen. Daarom steunt de Commissie de instelling van de functie van EU-minister van Buitenlandse Zaken, een functie waarvan de bekleder inderdaad twee petten op heeft. In feite was het de Commissie die dit idee opperde in de Conventie. Het is een logische en noodzakelijke verbetering van de structuur die in het leven is geroepen met de Verdragen van Maastricht en Amsterdam.

De toekomstige minister, die voortbouwt op zijn ervaring als Hoge Vertegenwoordiger, zal tegelijkertijd een van de vice-voorzitters van de Commissie zijn. Als lid van het college zal hij toegang hebben tot communautaire expertise en de instrumenten van de communautaire methode, die van essentieel belang zullen zijn bij de uitvoering van zijn taken. Hieruit volgt dat wij een warm voorstander zijn van het opzetten van een effectieve Europese Dienst voor extern optreden, die de minister/vice-voorzitter in staat moet stellen zijn taken op efficiënte wijze te vervullen, met volledige inachtneming van de communautaire procedures.

De Grondwet bevestigt de belangrijke verantwoordelijkheden van de Commissie op het gebied van buitenlandse zaken, met inbegrip van haar rol in het naar buiten toe vertegenwoordigen van de Unie en het uitvoeren van de begroting. De Grondwet versterkt de coördinerende en liërende rol van de Commissie op de verschillende terreinen van extern beleid, en dit zal ook de speciale verantwoordelijkheid worden van de minister/vice-voorzitter.

De Commissie zal de begroting uitvoeren onder het wakend oog van het Parlement. Dit was al zo met het huidige Verdrag, en zo zal het ook blijven met de Grondwet. De rechten van het Parlement zullen geëerbiedigd moeten worden, in zowel zijn hoedanigheid van begrotingsautoriteit voor de operationele en administratieve begroting als zijn rol in de meerjarenprogrammering.

Voorzitter Barroso en Hoge Vertegenwoordiger Solana hebben afgesproken nauw samen te werken. Zoals u weet zal het toekomstige voorstel voor de oprichting van de Dienst worden gedaan door hem, als minister, en dan zal de Raad na raadpleging van het Parlement en instemming van de Commissie besluiten.

De Commissie zal, met inbegrip van de minister/vice-voorzitter, trachten de communautaire methode te behouden en te bevorderen, aangezien is gebleken dat deze methode werkt en tot goede resultaten in de externe betrekkingen leidt. Meer in het algemeen zal de Commissie er actief op toezien dat het institutionele evenwicht gehandhaafd blijft.

De lidstaten hebben een begin gemaakt met de bespreking van de kwesties die te maken hebben met de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden, en beginnen nu meer inzicht te krijgen in de complexe materie die hier speelt. Er is een proces van overpeinzing en begripsvorming gaande in de hoofdsteden, met name over de status van de toekomstige Dienst. Men is het erover eens dat de aard van de Dienst sui generis moet zijn, maar de ideeën over de concrete invulling hiervan lopen uiteen.

Ik wil ook iets zeggen over de positie die de nieuwe Dienst in bestuurlijk opzicht zal innemen ten opzichte van de Commissie en de Raad. Dit is een kernpunt in de ontwerpresolutie van de Commissie constitutionele zaken. Er wordt nog steeds overleg gevoerd over de diverse punten, zodat het te vroeg is om een definitief antwoord te geven. Er zal voldaan moeten worden aan de verschillende eisen die in de Grondwet worden gesteld, bijvoorbeeld met betrekking tot het opnemen van medewerkers van de Commissie, de Raad en nationale diplomatieke diensten. De verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de begroting en voor het communautaire beleid moet worden behouden. Tegelijkertijd moeten er ook doublures worden voorkomen. Synergie en efficiëntie moeten als leidraad fungeren bij de voorbereidingen. Een sterker en coherenter extern optreden moet het leidend beginsel zijn.

De volgende stap bestaat uit een gezamenlijk voortgangsverslag, dat in juni door de Hoge Vertegenwoordiger en de Commissie moet worden ingediend bij de Europese Raad. De standpunten van het Parlement zijn in dezen van belang, en ik ben dan ook verheugd dat ik vandaag aan uw debat kan deelnemen.

Tot slot wil ik herhalen dat wij, binnen de Commissie, achter de doelstelling van de afgevaardigden staan om de communautaire methode, alsook de rol van de Commissie en het Parlement in dit proces te behouden en te versterken. Tegelijkertijd denk ik echter dat wij net als u streven naar de verwezenlijking van structuren die daadwerkelijk kunnen bijdragen tot de verbetering van de doeltreffendheid, samenhang en invloed van het beleid en optreden van de Unie in de wereld.

Uiteraard is er nog steeds onzekerheid onder de verschillende partijen. Het Parlement, de Commissie, het secretariaat van de Raad en de lidstaten hebben allemaal zo hun zorgen en bedenkingen. Wij geloven echter dat de kansen en mogelijkheden voor de Unie en haar instellingen het uiteindelijk zullen kunnen winnen van die bezorgdheid. Wij moeten van deze gelegenheid gebruikmaken om verdere stappen te zetten op weg naar een sterker en effectiever Europees buitenlands beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mevrouw de commissaris, wij zijn het debat zonder u begonnen. Misschien zou u in uw antwoord aan het einde van het debat iets kunnen zeggen over uw late binnenkomst en de reden daarvan. Aangezien u verantwoordelijk bent voor de betrekkingen met het Europees Parlement zou dit nuttig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Íñigo Méndez de Vigo, namens de PPE-DE-Fractie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, wij hebben hier lijdzaam moeten aanhoren wat de heer Belder vindt, of liever gezegd niet vindt, van de Dienst voor extern optreden. Dat is het masochisme dat wij hier in dit Parlement te verduren hebben en daar bent u in hoge mate verantwoordelijk voor, mijnheer de Voorzitter. Maar goed, afgezien daarvan ben ik van oordeel dat wij hier te maken hebben met een vitale kwestie. Daarom verheugt het mij dat de Commissie constitutionele zaken dit initiatief heeft genomen.

Tijdens het debat in de Conventie is er over deze kwestie een enorme controverse ontstaan. Mijn vriend en collega Elmar Brok is een van degenen die zich het sterkst hebben ingezet om dit punt door te zetten. Als u mij zou vragen wat de belangrijkste innovatie van de Europese Grondwet is, zou ik zonder twijfel antwoorden: de minister van Buitenlandse Zaken.

Mijns inziens heeft de functie van een minister van Buitenlandse Zaken met twee hoeden - in die zin dat hij door de Europese Raad benoemd wordt maar tegelijkertijd ook vice-voorzitter van de Europese Commissie is - uiteindelijk ingang gevonden omdat deze oplossing enerzijds voor de aanhangers van de intergouvernementele methode een manier is om het geld en het personeel van de Commissie te behouden en anderzijds voor de aanhangers van communautaire methode een manier is om deel te nemen aan het extern beleid van de Unie.

Daarom is de structuur van het voornaamste instrument van deze minister, namelijk de Dienst voor extern optreden, van wezenlijk belang. Mevrouw de vice-voorzitter, u bent wel zeer terughoudend geweest. Wat bedoel ik daarmee? Dat u ons eenvoudigweg niets hebt verteld. In het document dat door uw diensten is voorbereid, wordt ons gezegd dat er onderhandeld wordt en dat wij moeten afwachten hoe deze zaak zich verder zal ontwikkelen. Welnu, ik zou u erop willen attenderen dat mijn fractie, de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, aan deze kwestie uitzonderlijk belang hecht, en dat wij in dit Parlement controle willen uitoefenen op het extern beleid van de Unie, temeer daar dit volgens een oud gezegde meer iets is voor regeringen en prinsen dan voor volkeren. Daarom is de vestigingsplaats van de Dienst voor extern optreden van cruciaal belang.

Wij zullen dit punt dan ook aan een grondige analyse onderwerpen en mijn fractiegenoten zullen u in hun toespraken ongetwijfeld duidelijk uitleggen waar de dienst volgens ons gevestigd moet worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Margrietus van den Berg, namens de PSE-Fractie. - Voorzitter, ik spreek vanuit de ontwikkelingssamenwerking. Voor ons is de Europese Dienst voor extern optreden die in het kielzog van de Europese Grondwet tot stand gebracht wordt, enorm belangrijk. De instelling van deze Dienst is voor ons een belangrijke stap naar een Europa dat met één stem in de wereld spreekt en naar een effectievere en coherentere rol van Europa in de wereld.

Mijn bijdrage gaat over het belang van het beleidsterrein ontwikkelingssamenwerking als een van de poten, een grote poot, waar het beleid voor externe betrekkingen van de Europese Unie op steunt. Daarbij zijn twee begrippen erg centraal: zelfstandigheid en coördinatie.

Zelfstandigheid: ontwikkelingssamenwerking is een zelfstandig terrein binnen het zeer grote scala van de externe relaties. Deze positie wordt in de nieuwe Europese Grondwet verstevigd, doordat ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp zelfstandige doelstellingen vormen, met een eigen rechtsgrondslag. Deze beleidsterreinen zijn communautair en er is dus een belangrijke rol weggelegd voor de Commissie en het Parlement. Het is van het grootste belang dat die verantwoordelijkheid ook bij beiden blijft.

Maar tegelijkertijd moet de coördinatie tussen de verschillende onderdelen van het buitenlands beleid worden verbeterd. Wij zijn er voorstander van om deze Dienst onder te brengen bij de Commissie, met de garantie dat de invulling van de intergouvernementele bevoegdheden wordt bepaald door de Raad. Coördinatie tussen de verschillende onderdelen is nodig voor een coherent beleid, dat een expliciete opdracht in de Grondwet is - overigens ook al in het Verdrag van Maastricht. Coherent beleid moet ervoor zorgen dat het bereiken van de hoofddoelstellingen van het ontwikkelingsbeleid (de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling) niet via een andere poot van het buitenlands beleid - zoals het handelsbeleid of het defensiebeleid - onderuit wordt gehaald. Ook moet voorkomen worden dat zaken dubbelop gedaan worden. Dat is verspilling van tijd en geld. De krachten bundelen dus, ook ter plekke.

Tot slot wil ik hier nog aan toevoegen dat de financiering van deze Dienst niet ten koste mag gaan van de bestaande budgetten voor buitenlands beleid en het bereiken van de millenniumdoelstellingen.

De Europese Dienst voor externe acties is een belangrijk nieuw gegeven binnen het Europees buitenlands beleid, die we zorgvuldig vorm moeten geven, door de bepalingen van de Grondwet, inclusief de rechten van het Europees Parlement, te eerbiedigen. Het is van het grootste belang dat het Gemeenschapsmodel op dit terrein gerespecteerd wordt en dat de Commissie haar rol als uitvoerder van het beleid behouden ziet.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrew Duff, namens de ALDE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden is bijzonder belangrijk, maar het is ook een hachelijke onderneming, als je het goed wilt doen. Als deze missie slaagt, zullen we in derde landen ter plekke een functionele voet aan de grond krijgen. De daaruit voortvloeiende efficiëntieverhoging zal er voor zorgen dat niet alleen de belangen van de Unie in de hele wereld beter voor het voetlicht worden gebracht, maar ook het analyse- en planningsniveau in Brussel wordt verbeterd.

De minister van Buitenlandse Zaken heeft een eersteklas dienst nodig die hem de middelen en de intellectuele ondersteuning verschaft die hij nodig heeft, en tevens zorgt voor de werving en opleiding van medewerkers van een diplomatieke dienst die echt Europees is.

Ik verwelkom de behoedzame verklaring van de commissaris, maar het is overduidelijk dat er nog lang geen overeenstemming bestaat binnen de Raad, met name vanwege de tegenstellingen tussen de belangen van kleine en grote lidstaten. Bovendien moeten enkele van de belangrijkste problemen nog worden opgelost.

De Commissie moet zeker proberen om het vertrouwen van de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten te winnen, maar zij moet ook waken over haar bijzondere prerogatieven en de ervaring die zij in tientallen jaren op alle beleidsterreinen heeft opgebouwd, van ontwikkeling tot milieu, en uiteraard ook handel.

Het Parlement maakt zich duidelijk zorgen over de mogelijkheid dat de voorzitter van de Commissie straks nog slechts een soort EU-minister van Binnenlandse Zaken is, en dat de buitenlandse dimensie volledig bij de minister van Buitenlandse Zaken/vice-voorzitter komt te liggen. Dat zou de Commissie verzwakken en alle betrokkenen een zeer slechte dienst bewijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Irena Belohorská (NI). - (SK) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, de geachte afgevaardigde, de heer Leinen, heeft zijn vraag gesteld juist op het moment dat de lidstaten op het punt stonden het Grondwettelijk Verdrag te ratificeren. Ik ben blij dat mijn land, Slowakije, dit Grondwettelijk Verdrag vandaag heeft geratificeerd, te meer daar ik betrokken ben geweest bij de opstelling ervan.

In overeenstemming met dit Grondwettelijk Verdrag zou het Europees Parlement zich moeten voorbereiden op het spelen van een nieuwe, belangrijkere rol. Tot nu toe was de invloed van het Europees Parlement op het buitenlands beleid minimaal en werd deze grotendeels uitgeoefend via zijn besluitvormingsbevoegdheden op het gebied van de begroting. We moeten beseffen dat het Europees Parlement de enige Europese instelling is die rechtstreeks door de burgers wordt verkozen. Daarom moeten we het democratisch tekort elimineren en ervoor zorgen dat het Europees Parlement direct wordt betrokken in het besluitvormingsproces inzake het buitenlands beleid. Het Europees Parlement moet niet slechts worden geraadpleegd. Het vormgeven van de positie van de Europese Unie in het buitenlands beleid mag niet uitsluitend aan diplomaten worden overgelaten. De Commissie en de Raad moeten zoals voorgeschreven samenwerken met de Commissie Buitenlandse Zaken en de andere commissies.

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, de oprichting van een Dienst externe betrekkingen, een administratieve onderneming van allure, is voor de toekomstige institutionele opbouw van de Europese Unie waarschijnlijk het belangrijkste vraagstuk dat uit de Grondwet zal voortvloeien.

Deze exercitie moet tot een succesvol einde worden gebracht, omdat de wijze waarop Europa zijn rol in de wereld speelt, van cruciaal belang is. Het zou niet goed zijn deze uitdaging vanuit een defensieve houding aan te gaan, door te zeggen dat de minister van Buitenlandse Zaken moet uitvoeren wat de Raad vandaag doet. Dan worden dingen samengevoegd. Ontwikkeling en handel blijven dan, zoals het was, onder de hoede van de Commissie.

De minister van Buitenlandse Zaken heeft tot taak het gehele externe optreden inhoudelijk te bepalen, ongeacht waar de Dienst wordt gevestigd. Daaruit zal zich een dynamiek ontwikkelen die ertoe leidt dat alles onder het mandaat van de minister van Buitenlandse Zaken valt. We moeten dan ook wel beseffen dat een defensieve houding van de Commissie niet bevorderlijk is. De Commissie moet zich daarom offensief opstellen en niet toelaten dat de besluitvorming ergens anders plaatsvindt, en enkel bepaalde gebieden onder haar mandaat overblijven. Ze moet de opvatting verdedigen dat alle besluitvorming in de Commissie plaatsvindt. Daar zal het allemaal om draaien.

Collega Dehaene, die dadelijk het woord zal voeren, weet als hoofd van de desbetreffende werkgroep van de Conventie, waar de Conventie naar streefde, en dat was de bevordering van de communautaire methode.

Mevrouw de commissaris, tot mijn voldoening hebt u verklaard net als het Parlement de communautaire methode te willen bevorderen, maar betekent dat ook dat er een uniforme Europese Dienst externe betrekkingen zal komen die organisatorisch, bestuurlijk en begrotingstechnisch aan de Commissie gebonden zal zijn? Dit is een duidelijke vraag die nog niet is beantwoord. Wij verzoeken u deze vraag in een tweede poging alsnog te beantwoorden.

Wij zijn voornemens de Commissie te ondersteunen. Het is ook aan de afgevaardigden van het Parlement te danken dat in de Conventie en de Intergouvernementele Conferentie de regel erdoor kwam dat een besluit enkel met toestemming van de Commissie kan worden genomen. Ik hoop dat de Commissie de moed heeft haar kans te grijpen. Er kan geen besluit worden genomen als de Commissie daar niet mee instemt, en ik hoop daarom dat u verder gaat dan de toepassing van de algemene communautaire methode en uw goedkeuring hecht aan het standpunt dat in de door collega Leinen ingediende verklaring tot uiting komt en volgens welke de Dienst externe betrekkingen weliswaar administratief, organisatorisch en begrotingstechnisch wordt gebonden aan de Commissie, maar in geval van een bevoegdheid van de Raad het besluit van de Raad vanzelfsprekend loyaal dient uit te voeren.

Ik ben van mening dat dit binnen de eigen dynamiek waarin bestuurslichamen zich ontwikkelen, de enige weg is die in uw en ons belang is. Misschien kunt u in uw antwoorden wat concreter zijn, waardoor het ook voor mij duidelijk wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Panagiotis Beglitis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, wij zijn het er allemaal over eens dat het Grondwettelijke Verdrag belangrijke institutionele vernieuwingen bevat op het vlak van onze buitenlandse betrekkingen. Wij hadden het al over de functie van minister van Buitenlandse Zaken en de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden. Het is niet overdreven te stellen dat die nieuwe instellingen het institutionele embryo vormen voor een toekomstig Europees Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Ik behoor tot degenen die vinden dat het Grondwettelijke Verdrag op het vlak van het gemeenschappelijke buitenlands beleid ambitieuzer had moeten zijn en had moeten zorgen voor meer diepgang van dat beleid, voor uitbreiding van de besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid en voor versterking van de bevoegdheden van het Europees Parlement. Maar gezien de huidige constellatie hebben we in elk geval een positief en toekomstgericht compromis bereikt. Daarom steun ik de tekst van het Grondwettelijke Verdrag.

We moeten ons nu al voorbereiden op het functioneren van de nieuwe instelling, van de Dienst voor extern optreden. Dan zijn we paraat zodra het Grondwettelijk Verdrag - in november 2006 hopelijk - van kracht wordt. De tijd is in feite te krap, als we denken aan de grote institutionele en organisatorische problemen die nog op een oplossing wachten. Daarom is het initiatief van collega Jo Leinen niet alleen erg juist maar ook juist op tijd.

Ik wil er wel op wijzen dat we optimale oplossingen moeten vinden ter versterking van de efficiëntie, de doelmatigheid, de cohesie en de zichtbaarheid van de externe activiteiten.

Een van de kernvraagstukken is het versterken van de raadplegende en controlerende rol van het Europees Parlement, dat meer moet worden betrokken bij zowel de voorbereiding als de werking van de Europese Dienst. Daarom stel ik voor dat we de voorzitter van de Commissie en de heer Solana vragen het gemeenschappelijke voortgangsverslag eerst voor te leggen aan het Parlement en pas dan aan de Europese Raad in juni. Ik wil hen ook vragen te beloven dat ze in alle daaropvolgende stadia overleg zullen plegen met het Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Mirosław Mariusz Piotrowski (IND/DEM). - (PL) De oprichting van een Europese Dienst voor extern optreden wekt talloze twijfels en voorbehouden. Ik wil op drie mijns inziens fundamentele voorbehouden ingaan.

Het eerste betreft de verankering van de Europese Dienst voor extern optreden in het Gemeenschapsrecht. Weliswaar wordt er onder andere verwezen naar de relevante artikelen van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maar het belangrijkste uitgangspunt voor de oprichting van deze dienst is het ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. De oprichting van een diplomatieke dienst van de Europese Unie vloeit voort uit het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de benoeming van een minister van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie, waar reeds naar is verwezen. Ik wil er echter op wijzen dat het Grondwettelijk Verdrag nog niet is aangenomen. Sterker nog, er zijn steeds serieuzere tekenen dat het door de burgers van de Europese Unie zal worden verworpen. Moeten wij in dit verband niet erkennen dat het nog te vroeg is om nu al over de Europese Dienst voor extern optreden te spreken? Is dit geen blijk van arrogantie tegenover de burgers van de soevereine staten van Europa? Als de Europese instellingen zich toch het recht toe-eigenen om op de toekomst vooruit te lopen, wil ik de Commissie vragen of zij over een plan B beschikt voor het geval het Grondwettelijk Verdrag wordt verworpen?

Mijn tweede punt is dat de regeringen van de lidstaten bij de ondertekening van het Grondwettelijk Verdrag in november 2004 een verplichting met twijfelachtige gevolgen zijn aangegaan. Zij hebben zich er namelijk toe verplicht om af te zien van, ik citeer, ”enige actie die de inwerkingtreding van de Grondwet kan bemoeilijken”. Betekent dit automatisch dat zij kritiekloos propaganda moeten voeren voor de aanneming van de Grondwet? Hoe verhoudt zich dit tot het verstrekken van eerlijke en objectieve informatie over de inhoud van de bepalingen van de Grondwet en de mogelijke gevolgen ervan voor het dagelijks leven in de Europese landen?

Mijn derde en laatste twijfel betreft de geplande structuur van de Europese Dienst voor extern optreden. Het gevolg kan namelijk zijn dat er nog een leger van ambtenaren wordt gecreëerd met onduidelijke of slechts gedeeltelijke bevoegdheden. Wij kunnen niet uitsluiten dat de Dienst zich met dezelfde zaken zal bezighouden als verschillende Directoraten-generaal, de Dienst voor extern optreden of andere organen van de Commissie. Het resultaat is een versterking van de bureaucratische machine van de Europese Unie die nu al ondoorzichtig is, en de belastingbetalers in de lidstaten alleen een nodeloze last oplegt.

Wat zijn de geplande financiële gevolgen van de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden? Hoe worden de kosten gedeeld en wie zal de grootste last torsen? Voorts wil ik vragen hoeveel ambtenaren thans werken in de voor het extern optreden van de Europese Unie verantwoordelijke diensten van de Commissie. Wat is het geplande aantal werknemers in de Dienst voor extern optreden in de toekomst?

 
  
MPphoto
 
 

  James Hugh Allister (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de commissaris willen verzoeken om zich bij het beantwoorden van de vragen in dit debat te richten op twee punten. Een daarvan volgt uit de woorden van de vorige spreker.

De Europese Dienst voor extern optreden is alleen dan wettelijk en legitiem als de Grondwet wordt goedgekeurd, maar de Commissie en de Raad zijn druk bezig met de opzet van de structuur, het personeelsbestand en het kader van deze Dienst, en nemen dus voetstoots aan dat de uitkomst van het ratificatieproces positief zal zijn. Kan de Commissie ons in dit verband vertellen hoeveel geld zij op de begroting heeft gezet voor de op vermoedens gebaseerde en voorbarige stappen die zij zet? Hoeveel heeft deze speculatieve onderneming ons tot nu toe al gekost, en wat gaat zij ons waarschijnlijk nog kosten in de komende achttien maanden?

Tweede punt: zou de Commissie voor een breder publiek uiteen kunnen zetten hoe volgens haar de buitenlandse zaken van de lidstaten moeten worden beheerd als de Dienst voor extern optreden er eenmaal is? Is het, meer specifiek, juist om te concluderen dat de nationale ministeries van Buitenlandse Zaken dan alleen nog maar gerund kunnen worden op een manier die aansluit bij het gemeenschappelijk buitenlands beleid, en alleen nog maar kunnen opereren als zij dienstbaar zijn aan de Dienst voor extern optreden?

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u feliciteren met het feit dat u zo enthousiast overkomt, maar ik heb zo het vermoeden dat u op dit moment eigenlijk toch liever asperges zou eten met de rest van het Parlement.

Ik heb drie algemene punten. In de eerste plaats denk ik dat dit waarschijnlijk het belangrijkste institutionele vraagstuk van de komende vier tot vijf jaar zal zijn. Het gaat hier echt om de uitvoerende macht; het gaat erom wie de baas zal zijn over het buitenlands beleid: de Commissie of de Raad. Ik ben zeer blij dat de lidstaten deze kwestie naar voren hebben gebracht. Ik ben blij dat ze vijf fiches voor de Antici-groep hebben verstrekt. Ik ben blij dat die tijdens de vergaderingen van het Coreper zijn besproken, en ik ben ook blij dat de Commissie vertrouwelijke gesprekken heeft gevoerd met de lidstaten. Maar vóór alles ben ik blij dat wij in het Europees Parlement het debat en de discussie hebben opengegooid.

Het tweede punt waar ik het over wil hebben, is dat een Dienst voor externe betrekkingen ons volgens mij alleen maar voordelen zal brengen. In veel opzichten zijn er bij deze kwestie alleen maar winnaars. We krijgen er betere consulaire diensten door; we krijgen er betere verslaglegging door, en in algemene zin krijgen we er een beter gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid door. Zoals wij allen weten, kan dit beleid immers niet werken zonder een goed functionerend ambtenarenapparaat op Europees niveau.

Het derde punt dat ik wil aanroeren - en ik herhaal hiermee wat de heren Méndez de Vigo en Brok hebben gezegd - is dat twee zaken voor ons van groot belang zijn. Ten eerste is het, hoewel het een systeem sui generis zou kunnen worden, zeer belangrijk dat twee dingen in handen van de Commissie blijven: begroting en algemeen bestuur.

Ter afronding zou ik de Commissie willen zeggen dat ik hoop dat zij fier overeind blijft tot het eind, omdat we moeten voorkomen dat terreinen als handel en ontwikkeling overgaan naar de intergouvernementele kant en de kant van de Raad. Onderschat nooit het vermogen van het secretariaat van de Raad om de Commissie onderuit te halen - ze doen het als ze de kans ertoe krijgen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Dehaene (PPE-DE). - Voorzitter, commissaris, ik wil in de eerste plaats, zoals Elmar Brok al aanstipte, getuigenis afleggen als voorzitter van de conventiewerkgroep externe betrekkingen. De hoofdbekommernis van deze werkgroep was te voorkomen dat mettertijd een dubbel extern beleid zou ontstaan, één van de Raad en één van de Commissie. Positief wilde de werkgroep een grotere coherentie en continuïteit van het beleid, alsmede de mogelijkheid om alle middelen van de Unie voor gemeenschappelijke acties op het gebied van buitenlands beleid in te zetten.

Hoewel een meerderheid van de conventieleden van oordeel was dat dit het beste kon worden gerealiseerd via de communautaire methode, waren wij realistisch genoeg om te weten dat dit op dit ogenblik niet haalbaar is. Daarom werd een compromis tussen de voorstanders van een verbeterde status-quo en de voorstanders van communautarisering uitgewerkt.

De minister van Buitenlandse Zaken is voorzitter van de ministerraad, hij bepaalt de agenda ervan en is er ook de woordvoerder van. Hij staat dus borg voor de coherentie en de continuïteit van het beleid. Als vice-voorzitter van de Commissie maakt hij ook de brug naar het communautaire beleid. Hij kan tevens met het akkoord van de Commissie communautaire middelen ter ondersteuning van zijn beleid aanwenden. De visie van de werkgroep was dat hij idealiter van meet af aan met de Commissie over zijn initiatieven zou overleggen en deze van meet af aan door de Commissie laten ondersteunen.

Wij hadden zelfs voorgesteld dat in geval van een gemeenschappelijk initiatief van de minister van Buitenlandse Zaken en de Commissie, de Raad bij meerderheid zou beslissen. Dat bleek voor de meesten een brug te ver, maar toch stel ik hier dat het succes van de minister van Buitenlandse Zaken en de invloed die hij zal kunnen uitoefenen, in grote mate zal afhangen van de manier waarop hij zich in de Commissie integreert en met haar samenwerkt.

Van meet af aan heeft de werkgroep onderkend dat de logistieke ondersteuning van de minister van Buitenlandse Zaken cruciaal was. Wij hebben steeds gepleit voor de omvorming van de delegaties tot een eengemaakte externe vertegenwoordiging in de vorm van ambassades van de Unie. Ook in Brussel moet de minister beschikken over een strategische dienst, die zowel uit ambtenaren van de Commissie en de Raad op dit ogenblik als uit diplomaten die gedetacheerd worden uit de lidstaten, bestaat.

Hoewel deze dienst zowel voor de ministerraad als voor de Commissie zal moeten werken, was de werkgroep van mening dat hij in de dynamiek der dingen het beste kon worden ondergebracht bij de Commissie, ook al moet hij loyaal ten dienste van de minister van Buitenlandse Zaken en de ministerraad staan.

De oprichting van een nieuwe autonome administratie lijkt mij mijlenver verwijderd van wat we wilden. Wij wilden namelijk de pijlers afschaffen, terwijl men met de nieuwe dienst een superpijler opricht. De diensten van de Commissie decommunautariseren lijkt mij ook een stap in de verkeerde richting. De Commissie moet volop haar positie verdedigen en ook deze administratie voor buitenlandse zaken bij haar diensten onderbrengen. Zij mag niet vergeten dat zij akkoord moet gaan en dus de sleutel in handen heeft. Wij, als Parlement, zullen ons in het verslag-Brok duidelijk voor deze oplossingen uitspreken en de Commissie duidelijk ondersteunen, maar het is aan de Commissie om de onderhandelingen te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, mijn nationale partij en ik hebben ernstige bedenkingen bij dit hele onderwerp van de gemeenschappelijke communautaire diplomatie. Ik kan niet ontkennen dat de enorme invloed die de Commissie nu heeft verworven, dankzij haar hulpbeleid en haar monopolie op het gebied van externe handel, tevens een grote politieke en economische rol op internationaal vlak inhoudt. Bovendien is, gezien de daarmee gepaard gaande ontwikkeling van het GBVB en het GEVDB, die ogenschijnlijk intergouvernementeel is, het internationaal profiel van de EU als speler op het wereldtoneel scherper geworden.

Maar omdat ik uit een groot land - het VK - kom, met een trots en onafhankelijk buitenlands beleid, ben ik tegen de voorstellen in de ontwerp-Grondwet van de EU om de EU voor het eerst rechtspersoonlijkheid toe te kennen en de post van minister van Buitenlandse Zaken in te voeren, onder leiding van een nieuwe, voor vijf jaar aan te stellen voorzitter van de Raad. Dit alles is bedoeld om het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dwingender en juridisch bindend te maken, hetgeen een bedreiging vormt voor een volledige beleidsonafhankelijkheid van het VK op het gebied van buitenlandse zaken. Het is duidelijk dat er in de EU van de Vijfentwintig nu veel meer kleine landen zijn, zoals het vaderland van de heer Stubb, Finland, voor wie het EU-voorzitterschap van zes maanden aan de einder gloort als de Grondwet er niet komt. Voor hen zijn de schaalvoordelen die kunnen voortvloeien uit een diplomatieke dienst van de EU en het bemannen van communautaire delegaties met medewerkers uit hun landen, aantrekkelijk. In het onwaarschijnlijke geval dat de Grondwet er komt, zullen er ook financiële besparingen voortvloeien uit de oprichting van volledig toegeruste EU-ambassades, die de bilaterale missies van de kleine landen zo nodig deels kunnen vervangen.

Niettemin sta ik positief tegenover een betere en grondiger diplomatieke opleiding voor Relex-medewerkers die op pad worden gestuurd als lid van Commissiedelegaties. Ik ben voorstander van een formeler toezicht door het Europees Parlement, in de vorm van hoorzittingen in de Commissie buitenlandse zaken met door het Parlement aangewezen delegatiehoofden van missies. De leden van het Parlement moeten ook sterker geformaliseerde bijstand krijgen wanneer zij op missie zijn, hetgeen - het zij gezegd - normaliter ook het geval is.

Toch heb ik ernstige bedenkingen bij het feit dat de EU meer als een soevereine staat wordt opgetuigd, hetgeen het geval is als de Dienst voor extern optreden er komt, als dit voor mijn land een verdere beperking inhoudt van de mogelijkheid om ons eigen, onafhankelijke buitenlands en veiligheidsbeleid te voeren, wanneer dit in ons eigen, nationale belang is.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria da Assunção Esteves (PPE-DE). - (PT) Het externe optreden is wellicht het meest complexe, controversiële en fascinerende aspect van de uitdaging waarvoor de constitutionalisering van Europa ons stelt. Via zijn extern beleid verspreidt Europa over de wereld een nieuwe bestuursstijl die gekenmerkt wordt door het actief delen van democratische waarden en de eerbiediging van de mensenrechten.

De Europese Dienst voor extern optreden is dus niet uitsluitend gericht op administratieve en financiële stroomlijning, en geeft niet alleen uiting aan een verlangen naar organisatie. De dienst is tevens een duidelijk bewijs dat het extern beleid van de Europese Unie thans een gemeenschappelijk levensproject is, een model dat gegrondvest is op een consensus over de grote bakens voor de mensheid, die Europa uitzet voor zichzelf en voor zijn betrekkingen met de rest van de wereld.

Voorwaarde hiervoor is dat de Europese instellingen op transversale en goed gecoördineerde wijze samenwerken en dat de besluiten inzake extern beleid democratisch verankerd zijn. Uit de Grondwet die thans voorligt, blijkt dat het gemeenschappelijk buitenlands beleid niet op grond van louter intergouvernementele criteria wordt vastgesteld, maar gebaseerd is op een transversale benadering, waarbij de politieke beslissingen in de verschillende Europese instellingen uitgewerkt worden en het optreden van de Commissie automatisch een band met het Parlement tot stand brengt.

Een coherent Europa met een duidelijk gedefinieerde strategische visie, die gebaseerd is op multilateralisme en een nieuw internationaal rechtssysteem, vereist betere betrekkingen tussen de instellingen, een nauwe samenwerking tussen de verschillende partijen en een permanente interne consensus. Dat is de koers die de Europese Dienst voor extern optreden moet varen. Wij zitten echter nog met een hoop onopgeloste vragen. Hoe moet de Dienst intern georganiseerd worden? Hoe moeten de talloze multidisciplinaire taken beheerd worden? Hoe zal de gezagsstructuur worden vastgesteld? Hoe zal worden voorkomen dat tussen de Raad en de Commissie spanningen of zelfs feodale betrekkingen ontstaan? En ten slotte: hoe zullen de verantwoordelijkheden verdeeld worden, met name ook de democratische verantwoordelijkheid?

 
  
MPphoto
 
 

  Margot Wallström, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik bedank de weinigen die in de regel aanwezig zijn bij nachtzittingen van het Europees Parlement. Het kost soms wat moeite om de tijdsplanning van het Europees Parlement te volgen. Ik dacht dat de zitting om tien uur ’s avonds zou beginnen. Daarom was ik hier tien minuten eerder - samen met de heer Leinen gelukkig - en ik dank u dat u mij welkom heet bij het debat.

Ik heb met grote belangstelling geluisterd naar wat de afgevaardigden vanavond in dit debat hebben gezegd, omdat de Europese Dienst voor extern optreden een onderwerp is dat de gemoederen verhit. Het raakt aan institutionele en constitutionele kwesties van fundamenteel belang. De instelling van het ambt van minister van Buitenlandse Zaken van de EU, die tegelijkertijd een van de vice-voorzitters van de Commissie zal zijn, is een zeer belangrijke innovatie in de institutionele architectuur van deze Europese Unie. Zij brengt de twee pijlers op het gebied van buitenlandse zaken - de communautaire methode en de intergouvernementele methode - dicht bij elkaar. Deze minister met twee petten op krijgt uiteenlopende taken. Daarom is de oprichting van deze Dienst zo’n belangrijke en moeilijke uitdaging.

Ik zal kort ingaan op een paar naar voren gebrachte punten. Ik zou tot de heer van den Berg willen zeggen dat het ontwikkelingsbeleid een hoofdonderdeel van het EU-beleid is en blijft, een waardevol bezit voor Europa in de wereld en binnen de context van de Grondwet. Het ontwikkelingsbeleid is niet ondergeschikt aan andere beleidsterreinen. Het behoudt zijn bijzondere status binnen het raamwerk van de communautaire methode, maar alle beleidsterreinen moeten beter worden geïntegreerd in een samenhangend concept inzake buitenlands beleid. Dit zal de doeltreffendheid van het ontwikkelingsbeleid van de Unie versterken in plaats van verzwakken.

Ik kan de heer Duff verzekeren dat de Commissie niet zal worden verzwakt door de Grondwet waar het gaat om de bevoegdheden binnen de Gemeenschap. De minister en zijn diensten zullen gebonden zijn aan Commissieprocedures en de beginselen van collegialiteit, waarover de voorzitter van de Commissie de leiding heeft.

Ik ben het volledig met de heer Brok eens dat wij niet defensief moeten zijn. Voor de Commissie houden de nieuwe bepalingen van de Grondwet meer mogelijkheden dan risico’s in. Ook moet worden benadrukt dat er op dit terrein niets kan worden besloten tegen de wil van de Commissie.

Tot de heer Allister en enkele anderen zou ik willen zeggen dat wij niet vooruitlopen op de ratificatie van de Grondwet. Wij zijn alleen maar bezig met de voorbereiding van het besluit, dat pas kan worden genomen nadat de Grondwet is geratificeerd en in werking treedt, en nadat het Parlement er zijn advies over heeft uitgebracht.

Ten aanzien van de gevolgen voor de begroting en het personeel kan ik zeggen dat er geen plannen, ramingen of berekeningen zijn gemaakt, omdat we ons nog niet in dat gedetailleerde planningsstadium bevinden. Als begrotingsautoriteit zal het Parlement later over al deze cijfers beslissen.

Ik denk dat dit de belangrijkste punten zijn die naar voren zijn gebracht, en ik kan u verzekeren dat rekening zal worden gehouden met de standpunten van het Parlement naarmate dit dossier zich de komende maanden ontwikkelt. Met name de resolutie die de Commissie constitutionele zaken dinsdag heeft aangenomen - en die naar ik heb begrepen over twee weken in de plenaire vergadering aan bod zal komen - is een bijdrage waar noch de Commissie, noch de lidstaten en de Raad aan voorbij mogen gaan.

Naar verwachting zullen er in het tweede semester van dit jaar verdere technische werkzaamheden plaatsvinden, zodat er in de loop van volgend jaar principebesluiten genomen kunnen worden wanneer de ratificatie van de Grondwet is voltooid. Het Parlement zal op het juiste moment formeel worden geraadpleegd over het voorstel betreffende de minister, zodat dit debat van vanavond gevolgd zal worden door andere debatten. Dan zal het Parlement zijn standpunten kenbaar kunnen maken in het licht van de gemaakte vorderingen, waarvan het op de hoogte zal worden gehouden.

Ter afronding wil ik herhalen dat wij ons in de Commissie bewust zijn van de zorgen die bij de afgevaardigden leven ten aanzien van de instandhouding en versterking van de communautaire methode en de rol van de Commissie en het Parlement in dit proces. Ik weet dat de heer Brok zich hier zorgen over maakt. U vindt ons echter aan uw zijde als het gaat om de volgende doelstelling: het opzetten van nieuwe structuren die wezenlijk kunnen bijdragen tot het verbeteren van de doeltreffendheid, de samenhang en de invloed van het EU-beleid en -optreden in de wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - We zullen nagaan welke informatie u werd verstrekt. Wat mij betreft mag een aantrekkelijke dame altijd te laat komen.

Op één afgevaardigde na, die voor uw binnenkomst het woord heeft gevoerd, is iedereen die in het debat aan het woord is geweest, nog aanwezig. Dat gebeurt niet vaak.

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw de commissaris bedanken voor haar verklaring dat er geen besluiten kunnen worden genomen als de Commissie daarmee niet instemt. Zo staat het in de ontwerp-Grondwet. Het doet me deugd dat dit nog eens is vastgesteld.

Het gaat op dit moment even niet om de inachtneming van de standpunten van het Parlement; het gaat om onze vraag welke onderhandelingspositie de Commissie heeft, en of zij ervoor pleit dat de Dienst externe betrekkingen aan de Commissie wordt gebonden. We zouden heel graag uw mening daaromtrent willen horen.

Voorts gaat het er vandaag om de Commissie te helpen voorkomen dat zij wordt omgevormd tot een interne-marktmachine en de minister van Buitenlandse Zaken een eigen machtige positie verkrijgt. De Commissie moet in administratief opzicht de rol van de Europese Unie in de wereld vervullen.

Mijnheer de Voorzitter, misschien kunt u mij vertellen wat de rechtsgrondslag is waarmee we als Parlement de Commissie achter de vodden kunnen zitten.

 
  
MPphoto
 
 

  Margot Wallström, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil alleen maar zeggen dat we ons nog niet in het onderhandelingsstadium bevinden. Laat dat duidelijk zijn. We zitten nog steeds in het voorbereidingsstadium, waarin naar alle technische details wordt gekeken. Het zou niet goed zijn om ons nu al vast te leggen op onderhandelingsposities. Er is vóór die tijd nog te veel technisch en voorbereidend werk te doen. Zoals ik al eerder heb gezegd, zullen we het Parlement op de hoogte houden van onze vorderingen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt op donderdag 26 mei in Brussel plaats.

 

21. Evaluatie van de Doha-Cyclus na de overeenkomst van de WTO van 1 augustus 2004
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0095/2005) van de heer Moreno Sánchez, namens de Commissie internationale handel, over de evaluatie van de Doha-ontwikkelingsronde na het besluit van de Algemene Raad van de WTO van 1 augustus 2004 (2004/2138(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Javier Moreno Sánchez (PSE), rapporteur. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijnheer de commissaris, om te beginnen wil ik mijn dank uitspreken aan al degenen die hebben bijgedragen aan de verrijking van dit verslag, dat morgen in stemming zal worden gebracht. De tekst weerspiegelt het evenwicht tussen enerzijds de absolute steun van dit Parlement voor de bescherming van de belangen van de Unie in de aan de gang zijnde onderhandelingen en anderzijds ons streven naar een gunstige afloop van de huidige ontwikkelingsronde, die moet uitmonden in de volwaardige integratie en deelname van de ontwikkelingslanden aan de wereldeconomie.

Het Parlement wil met dit verslag een vastberaden politieke boodschap van steun uitdragen. Wij willen het verloop van de onderhandelingen bevorderen, waarin de Commissie een essentiële rol vervult. Anders gezegd, wij spreken hiermee nogmaals onze steun uit voor de WTO en haar multilaterale handelssysteem, dat ongetwijfeld het beste instrument is om een eerlijke en solidaire handel tot stand te brengen, waarmee iedereen gebaat is. Deze boodschap komt overigens bijzonder gelegen aangezien het Doha-programma zich op een kruispunt bevindt. De huidige fase is van wezenlijk belang voor het welslagen van de onderneming, zodat er zeker geen stap terug mag worden gezet.

Het akkoord van 1 augustus 2004 is vanuit politiek oogpunt bijzonder belangrijk, vooral ook na de mislukking van de ministerconferentie van Cancún. Sinds augustus 2004 staan de onderhandelingen weer op het spoor en wordt expliciet gestreefd naar een volwaardige integratie van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie. Toch gaat het hier slechts om een stappenplan. De gunstige afloop van de onderhandelingen is afhankelijk van de politieke wil van alle betrokken partijen om in Hong Kong een fundamenteel akkoord te bereiken.

Op die bijeenkomst moet een ambitieus en evenwichtig voorstel gepresenteerd worden waarin de verschillende onderdelen van het akkoord aan bod komen: ontwikkeling, landbouw, industriële producten (NAMA), diensten en het bevorderen van de handel, waarbij evenwel niet mag worden vergeten dat de ontwikkeling de spil van de onderhandelingen vormt, ofschoon de landbouw ongetwijfeld de motor is. Om dit doel te bereiken moeten er concrete afspraken worden gemaakt en duidelijke tijdschema’s en termijnen worden vastgesteld. Dat moet gebeuren via een transparant, doeltreffend en alomvattend onderhandelingsproces waaraan alle lidstaten van de WTO actief deelnemen.

Op ontwikkelingsgebied moeten wij ervoor zorgen dat tijdens de onderhandelingen de nodige aandacht wordt besteed aan de problemen die gerelateerd zijn aan armoede, ondervoeding en honger in de wereld, zodat wij deze tegen 2015 met de helft kunnen terugdringen, overeenkomstig de doelstelling van de Millenniumverklaring. Om in deze opzet te slagen moet de band tussen de WTO en de overige internationale organisaties worden aangehaald.

Het zou tevens nuttig zijn als de Commissie voorstellen zou formuleren om mechanismen te ontwikkelen voor handelsintegratie, waarmee eventuele verliezen van de ontwikkelingslanden ten gevolge van de liberalisering van de handel kunnen worden gecompenseerd.

Ook de vooruitgang die is geboekt op het gebied van de technische bijstand en de capaciteitsopbouw en de bevordering van de zuid-zuidhandel zijn van essentieel belang om de integratie van de ontwikkelingslanden in de wereldeconomie te waarborgen en de exportcapaciteit van deze landen op te drijven.

Op landbouwgebied moeten de leden van de WTO hun werkzaamheden met betrekking tot de drie pijlers - exportsubsidies, binnenlandse steun en markttoegang - op evenwichtige wijze voortzetten, gedetailleerde handelsrichtsnoeren voor Hong Kong vaststellen en een gelijktijdige ontwapening door alle leden van de WTO waarborgen.

In verband met de toegang tot de markten voor niet-agrarische producten, de zogeheten NAMA, moet gestreefd worden naar flexibiliteit en gedeeltelijke wederkerigheid voor de ontwikkelingslanden, waarbij op deze landen het beginsel van de speciale en gedifferentieerde behandeling moet worden toegepast.

Op het gebied van de dienstverlening moeten er in de loop van deze maand herziene voorstellen van hoge kwaliteit worden ingediend. Verder is het mijns inziens ongepast van de ontwikkelingslanden te verlangen dat zij de diensten die betrekking hebben op de basisbehoeften van de burgers liberaliseren.

Dames en heren, mijnheer de commissaris, het welslagen van deze ronde en de legitimiteit en geloofwaardigheid van de WTO zijn ongetwijfeld ook afhankelijk van de mate waarin het maatschappelijk middenveld daadwerkelijk profijt trekt van de internationale handel.

Gelet op het feit dat dit proces sinds Seattle bijzonder veel maatschappelijke belangstelling geniet, lijkt het noodzakelijk om de rol van democratische parlementen in internationale fora, zoals de WTO, te versterken, als uitdrukking van de standpunten van de burgers, en in het geval van dit Parlement, als instelling die belast is met de democratische controle op het handelsbeleid van de Unie en, zodra de Europese Grondwet in werking treedt, als toekomstige wetgever op dit gebied. Staat u mij toe in dit verband even een brandende kwestie aan te kaarten. Het voornoemde argument moet worden toegevoegd aan de lange lijst van voordelen die aan de Grondwet verbonden zijn en die een ja-stem rechtvaardigen, zowel in Frankrijk als in andere landen.

Dames en heren, mijnheer de commissaris, ik zal het zeggen met de woorden van de Spaanse dichter Antonio Machado: "Wandelaar, er is geen weg; je baant je al gaande een weg". Wij bevinden ons halverwege Genève en Hong Kong. Enerzijds kijken wij vol heimwee terug naar wat achter ons ligt, en anderzijds zijn wij ongeduldig om het einddoel te bereiken. Wij moeten naar Hong Kong gaan met een ambitieus en evenwichtig voorstel, waarin alle burgers en alle lidstaten van het WTO zich kunnen terugvinden en waarin voor iedereen aanvaardbare resultaten vervat zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de heer Moreno Sánchez bedanken voor zijn uitstekende verslag, dat een goede afspiegeling vormt van zijn standpunten en die van het Parlement als geheel. Ik ben blij met dit debat, omdat ik het Parlement beschouw als een voorname partner van de Commissie bij het voeren van ons handelsbeleid, met name in de aanloop tot de Doha-ronde, die onze topprioriteit blijft.

De heer Moreno Sánchez heeft erop gewezen dat vooruitgang moet worden geboekt op alle punten van deze ruime agenda, waarbij - en daar ben ik het roerend me eens - een sterk accent moet komen te liggen op de doelstellingen van armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling. Deze doelstellingen vormden de kern van het handvest ter oprichting van deze ronde, en ze zijn vandaag nog even belangrijk als toen ze voor het eerst werden geformuleerd.

Sinds mijn aantreden heb ik mijn uiterste best gedaan om de ontwikkelingsagenda van Doha vooruit te helpen en op koers te houden. Ik wil dat met Doha de handel in dienst van de ontwikkeling wordt gesteld. Daar geloof ik in, en daar sta ik voor: het is de kern van het beleid dat ik nastreef.

Europa kan dit echter niet in zijn eentje. Zoals ik al in Genève zei, op de allereerste dag van mijn optreden als commissaris van Buitenlandse handel, kan de EU niet de enige bankier van de WTO zijn. Afgelopen zomer had Europa de moed om zijn landbouwexportsubsidies bespreekbaar te maken aan de onderhandelingstafel. Nu zijn de anderen aan de beurt. Concreet gesteld moet deze ronde zorgen voor opener markten en een beter ondernemingsklimaat over de hele linie, niet alleen voor de ontwikkelingslanden - ik verwacht en wil dat zij de grootste winnaars van deze ronde zullen zijn -, maar ook voor onze eigen industrie en dienstverleners in Europa. Daardoor zullen wij voort kunnen bouwen op Europa’s sterke punten in de kenniseconomie, waar iedereen profijt van zal hebben.

De toegang tot de markt van niet-agrarische producten - NAMA - en tot de dienstenmarkt staan hoog op de agenda van de ronde. Als er geen vooruitgang op deze terreinen wordt geboekt, kan de ronde niet worden afgesloten. Om afsluiting mogelijk te maken probeer ik de verder gevorderde ontwikkelingslanden aan te zetten tot meer engagement op het gebied van de niet-agrarische onderwerpen. Tot dusver hebben zij zich zeer sterk gemaakt voor hun landbouw, waar zij overigens het volste recht toe hebben en wat ik ook normaal vind van die landen, maar hebben zij weinig bereidheid getoond om van hun kant echt in beweging te komen op het gebied van NAMA en diensten, ook al lijkt objectief onderzoek erop te wijzen dat dit in hun eigen economisch belang is. Dit moet veranderen. We moeten ons allemaal bereid tonen om ons aan te passen en rekening te houden met de belangen van anderen. Daarom hebben wij een stap gezet op landbouwgebied.

De andere grote industrielanden moeten ons voorbeeld nu volgen en een pro-actievere houding aannemen op dienstengebied. Ook moeten zij werken aan hun eigen landbouwhervormingen om gelijke tred te houden met wat wij in Europa hebben voorgesteld.

Afgelopen week vonden er in Parijs verschillende informele bijeenkomsten van WTO-handelsministers plaats. Ik heb mijn oprechte bezorgdheid kenbaar gemaakt over het trage tempo van de lopende onderhandelingen. Ik heb alle leden opgeroepen om hun terughoudendheid te laten varen en de kaarten op tafel te leggen. Dat geldt voor iedereen; ik wijs niet alleen naar anderen. Wij moeten dat allemaal doen, niet alleen Europa.

Ik heb ook uiteengezet wat een ambitieuze ronde volgens ons moet opleveren. Er moet gelijktijdig vooruitgang worden geboekt bij de drie pijlers van de landbouwonderhandelingen, niet alleen bij exportsubsidies maar ook bij de tarieven en de quota die de markttoegang beperken. Er moeten concrete inspanningen worden geleverd door alle industrielanden - niet alleen binnen de EU - om hun landbouwbeleid te hervormen, en er moet een substantiële en echte - dat wil zeggen: niet alleen papieren - verlaging van de industriële tarieven komen van de kant van alle landen die dit financieel op kunnen brengen, met inbegrip van de verder gevorderde ontwikkelingslanden, waarbij steeds rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin de zwakkeren verkeren. Er moet gepraat worden over voorstellen inzake diensten die echt nieuwe businesskansen bieden, en de WTO-regels moeten aanzienlijk worden versterkt, of het nu gaat om het vergemakkelijken van de handel, antidumping of geografische aanduidingen.

Ook heb ik opnieuw gepleit voor extra inspanningen om de specifieke problemen van de ontwikkelingslanden aan te pakken, en dan met name - doch niet uitsluitend - die van de arme en kwetsbare landen, via een speciale en gedifferentieerde behandeling in de ronde en een substantiële verhoging van de handelshulp door de rijkere delen van de wereld. U noemt terecht capaciteitsopbouw - de essentiële steun die wij moeten verlenen - om handel mogelijk te maken en daarmee die aanpassing te vergemakkelijken, zodat ontwikkelingslanden, en dan met name de zwakkere, daadwerkelijk kunnen profiteren van de handelsmogelijkheden die we via deze ronde willen bevorderen.

We hebben vooruitgang geboekt in Parijs. We hebben een akkoord bereikt over het uiterst belangrijke, doch zeer technische thema van de omzetting van specifieke heffingen - zoveel euro per bushel voor het ene product, zoveel euro per kilo voor het andere - in hun procentuele ad valorem equivalenten. Er moet nog verder overleg worden gevoerd over het kernpunt van de mate en de grondslag van de verlaging van deze tariefequivalenten - dit is evenwel van later zorg - maar we hebben nu een basis waarmee we verder kunnen bij het thema van de landbouw, en in het verlengde daarvan bij alle andere aspecten van de ontwikkelingsagenda van Doha. Op dit punt wil ik hulde betuigen aan het werk dat mevrouw Fischer Boel heeft verzet. Landbouw is een moeilijk onderwerp, en ik heb grote waardering voor haar aanpak.

Ook op het gebied van de industriële tarieven mogen we de komende maanden vooruitgang verwachten. Veel leden hebben toegezegd vóór het eind van deze maand met betere voorstellen op het gebied van diensten te komen. Tussen nu en de mini ministerbijeenkomst op 12 en 13 juli in China verwachten we intensief overleg tussen de belangrijkste spelers. Vóór het zomerreces zouden we een eerste indruk moeten hebben van hoe het eventuele pakket van Hongkong eruit gaat zien. Als er ook maar enig zicht is op een ambitieus resultaat in Hongkong eind dit jaar, en daarmee op een ambitieuze ronde, dan moet die eerste indruk, die we naar ik hoop in juli zullen hebben, op zijn allerminst en in de allereerste plaats, thema voor thema, duidelijk maken op welke terreinen de WTO-leden naar elkaar toe groeien. Daarmee zal dan ook duidelijkheid verschaft moeten worden over ons gemeenschappelijke ambitieniveau met betrekking tot de sectoren waar het onderwerp markttoegang nu het meest speelt: landbouw, NAMA en diensten, en tot slot moet duidelijk worden waar de grootste problemen liggen waarover een akkoord moet worden bereikt als men van Hongkong een succes wil maken en de ronde daarna wil afsluiten.

Ik ben blij dat deze ideeën terugkomen in de samenvatting van de voorzitter van de mini ministerbijeenkomst in Parijs. U kunt er zeker van zijn dat de Commissie op deze zeer ambitieuze voet verder zal gaan op weg naar Hongkong.

De Commissie is het roerend eens met het grootste deel van het verslag, maar ik wil er twee punten uitlichten. De Commissie is het eens met de strekking van paragraaf 6 van het verslag, waar expliciet wordt ingegaan op de flexibiliteit voor ontwikkelingslanden. Wij zijn bereid en gereed om de ontwikkelingslanden flexibiliteit te verzekeren middels een speciale en gedifferentieerde behandeling. Dit geldt zowel voor de minst ontwikkelde landen als voor andere, zwakke en kwetsbare landen. We kunnen dit echter alleen maar doen als we rekening houden met het ontwikkelingsniveau, en dat betekent dat we per thema moeten differentiëren tussen de ontwikkelingslanden. Een aanpak die voor alle landen hetzelfde is, werkt hier niet.

Het tweede punt betreft de suggestie in paragraaf 9 met betrekking tot een ‘ontwikkelingsbox’ in de landbouwonderhandelingen. De Commissie is het ermee eens dat het kader de EU-belangen zou moeten beschermen, en ook kan beschermen. Het is echter al te optimistisch om te zeggen dat ‘… de EU in staat zal zijn om op een comfortabele wijze aan die verminderingen het hoofd te bieden’ waar het gaat om binnenlandse steun die handelsverstorend werkt. Met betrekking tot markttoegang wordt er in het verslag van uitgegaan dat een zeer positieve behandeling van gevoelige producten de EU in staat zal stellen haar marktorganisaties te beschermen. Dit is zeker wat de EU hoopt, maar voor sommige producten moeten er, zelfs in het meest gunstige geval, nog altijd lastige concessies worden gedaan.

Hier wil ik het bij laten. Ik wil luisteren naar wat de leden van het Parlement te zeggen hebben en daarop reageren, indien en wanneer ik in de gelegenheid ben om dat te doen. Ik dank de heer Moreno Sánchez nogmaals voor zijn verslag, en ik bedank het Parlement dat het de gelegenheid biedt om over dit uiterst belangrijke onderwerp te debatteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Martens (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking. - De onderhandelingen van de Doha-ontwikkelingsronde zijn bedoeld om de economieën van de ontwikkelingslanden te stimuleren en een eerlijke plaats in de wereldeconomie te geven. Ze zijn gericht op een rechtvaardiger verdeling in de wereld.

Om de armoede in de wereld te bestrijden hebben we de zogeheten millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling afgesproken. Goede handelsomstandigheden voor ontwikkelingslanden kunnen daar een belangrijke bijdrage toe leveren. Dat moet ook ons doel in Hong Kong zijn. Ik wil op een paar punten ingaan. Enkele zijn al door de commissaris genoemd.

In ons handelsbeleid zouden we meer onderscheid tussen de verschillende ontwikkelingslanden moeten kunnen maken. De onderlinge verschillen zijn te groot voor één uniform raamwerk. Er zijn sterke en zwakke, grote en kleine economieën. Er zijn landen met veel en weinig productie- en groeimogelijkheden. We moeten meer beleid op maat kunnen voeren. Daarom dient een speciale en differentiële behandeling van de ontwikkelingslanden een hoofdpunt bij de besprekingen in Hong Kong te zijn.

Vaak is gesproken over de consequenties die de afspraken in Hong Kong voor de aan de ontwikkelingslanden gegeven handelsvoordelen zullen hebben. Men vreest erosie. Ik vraag de commissaris het Europees Parlement na de onderhandelingen op de hoogte te stellen of er erosie heeft plaatsgevonden.

Ten derde: het blijkt dat de ontwikkelingslanden nog altijd nauwelijks in staat zijn om echt te profiteren van de kansen die worden geboden. Vandaar mijn volgend punt: het belang van capaciteitsopbouw en technische assistentie. Daar moeten we ook hard aan werken, om de export- en handelscapaciteit van de landen te versterken. Ook van belang is het om waar landen afhankelijk zijn van een of twee exportproducten, te proberen ze te stimuleren hun inkomen uit een diversiteit van producten te halen.

Dan exportsubsidies. De commissaris ging er ook al op in. De nadelige effecten hiervan op de lokale markten zijn bekend. We moeten dringend werken aan een tijdspad om exportsubsidies af te bouwen. Het is jammer dat er geen einddatum in de tekst is opgenomen.

Tot slot: de Europese Unie heeft een belangrijke taak in Hong Kong. We weten allemaal hoe de onderhandelingen in Cancún zijn verlopen. Dit mag niet nog een keer gebeuren. Tenslotte dank aan de rapporteur voor het goede verslag en de goede samenwerking.

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Daul (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, het debat van vandaag is zeer belangrijk omdat de onderhandelingen in Genève in een stroomversnelling komen. U hebt gezegd dat tijdens de ministersbijeenkomst vorige week in Parijs vooruitgang is geboekt. Ik wil van mijn kant, commissaris, vier kanttekeningen plaatsen.

In de eerste plaats baart mij de houding van sommige landen, die niet echt deelnemen aan de onderhandelingen, grote zorgen. Dit blijkt uit het feit dat er afgezien van de landbouw op geen enkel dossier werkelijk vooruitgang is geboekt. De discussies over de toegang tot de markt van de industriële producten en van de diensten, alsmede die over de regels zijn vastgelopen. Wij kunnen dergelijke onevenwichtige onderhandelingen niet accepteren, waarbij de landbouw zou betalen voor alle andere sectoren, terwijl de Europese Unie reeds aanzienlijke inspanningen heeft geleverd in deze sector.

In de tweede plaats kan deze onderhandelingsronde slechts slagen indien nieuwe industrielanden zoals Brazilië, India en China hun verantwoordelijkheid nemen in de onderhandelingen. Ook deze landen moeten hun markten openstellen voor de andere ontwikkelingslanden, omdat de ware drijvende kracht achter de ontwikkeling de komende jaren wordt gevormd door de groei van de handel tussen de landen van het zuiden.

In de derde plaats worden we door het recente besluit van de beroepsinstantie voor suiker met de neus op het feit gedrukt dat goede trouw niet bestaat bij onderhandelingen. Het is derhalve van fundamenteel belang dat wij elk punt van de onderhandelingen toetsen aan het recht van de WTO, om te voorkomen dat het compromis dat we hebben aanvaard, over enkele jaren wordt vernietigd door een besluit van de arbiters van de WTO en waarschijnlijk tevens, commissaris, de arme landen treft. Wij moeten deze kwestie weer bespreken.

In de vierde plaats wil ik u, commissaris, ten slotte wijzen op het belangrijkste punt: de onderhandelaars die nu besluiten nemen, hebben een zware verantwoordelijkheid ten opzichte van de toekomst van miljoenen vrouwen en mannen. Het is gemakkelijk om onderhandelingen af te sluiten, maar ik stel vast dat de problemen misschien pas in een verre toekomst aan de dag zullen treden, wanneer u niet meer aan het roer staat. Ik vertrouw u. Laat echter vooral niet de oplossing van de moeilijkheden aan uw opvolgers over. Voordat we ondertekenen en ja zeggen, moeten we ons derhalve twee keer bedenken en een opgeschoond dossier doorgeven aan uw opvolgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos, namens de PPE-DE-Fractie. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, de conferentie van Hong-Kong is een uitdaging die de geloofwaardigheid, de werking en de dynamiek van de WTO op de proef stelt.

Ik zie vijf structurele redenen die de onderhandelingen van de Doha-ronde bemoeilijken.

Ten eerste kunnen de belangrijkste handelspartners zich maar moeilijk neerleggen bij het tanen van hun interne beslissingsmacht op economisch vlak.

Ten tweede wordt het steeds lastiger beslissingen te nemen vanwege het enorme aantal leden van de WTO en de groeiende heterogeniteit van de organisatie.

Ten derde verloopt de liberalisering tussen de ontwikkelde handelsstelsels onderling onevenwichtig. De Unie heeft relatief gesproken de meeste concessies gedaan, waardoor de Europese markt de meest open markt ter wereld is.

Ten vierde willen andere internationale actoren ook geen leidende rol spelen in de onderhandelingen.

Ten vijfde stellen de ontwikkelingslanden zich defensief op tegenover nieuwe onderhandelingsitems.

De uitbreiding en versterking van de multilaterale regelgeving van de WTO - een strategie van de Unie - staat haaks op het beginsel dat internationale organisaties zich moeten specialiseren. Dat beginsel bepaalt wat de grenzen zijn van de verdere ontwikkeling van de WTO tot een internationale organisatie voor sociaal beleid en een internationale milieuorganisatie.

Bijgevolg moet volgens mij een nieuwe internationale architectuur, een koepelorganisatie, worden opgezet, bestaande uit volgende pijlers:

- de WTO, die op tevredenstellende wijze een efficiënte verdeling van de middelen moet bevorderen;

- een internationale financiële instelling ten behoeve van de economische stabiliteit op wereldvlak;

- een internationaal ontwikkelingsmechanisme voor de herverdeling van middelen en het ondersteunen van het groeiproces van arme landen;

- een internationale milieuorganisatie ter bescherming van het internationale milieu en de natuurlijke hulpbronnen.

De globalisering vergt een alomvattende hervorming van de internationale economie op basis van een sociale en ecologisch verantwoorde markteconomie, een hervorming die zal zorgen voor herverdeling van de middelen, stabiliteit, internationale solidariteit, milieubescherming en bescherming van de consument.

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann, namens de PSE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik wil de aandacht vestigen op een paar punten waarop in de context van dit verslag moet worden gelet. Het is het eerste verslag dat de commissie dit jaar voorlegt. In de tweede helft van het jaar komt er dan een tweede verslag, een follow-up met beschouwingen en commentaar op de overpeinzingen en onderhandelingen van de Commissie.

Daarbij doemen voor de commissie en mijn fractie de volgende vragen op. Hoe kunnen wij om te beginnen ervoor zorgen dat we nuttig zijn en steun bieden aan de bewerkstelliging van een gunstig resultaat in Hongkong? Er zal wel geen definitieve afsluiting komen, maar het zou fijn zijn als er een positief resultaat uit de bus zou komen, zodat de onderhandelingen succesvol kunnen worden voortgezet. Wat kan er vervolgens worden gedaan om ervoor te zorgen dat onze belangrijkste doelstelling, die tot uiting komt in de titel “ontwikkelingsronde”, wordt verwezenlijkt en, ten slotte, om ervoor te zorgen dat de belangen van de Europese Unie worden behartigd?

Die vragen zijn heel moeilijk te beantwoorden als men voor ogen houdt dat Cancún niet zo best is afgelopen, we een buitengewoon moeizame start doormaken en de onderhandelingen momenteel op nogal wankele voet staan. Daar komt het probleem bij dat de drempellanden staan te popelen om hun voortrekkersrol, hun mondiale rol in de wereld in te nemen. Dat zien we heel duidelijk aan China - waarover we morgen zullen debatteren -, aan Brazilië en natuurlijk ook aan India. De situatie is dus buitengewoon moeilijk en gecompliceerd.

Voorts is er nog een aspect waar we bij stil moeten staan. Ik zou u willen verzoeken, mijnheer de commissaris, nog eens toe te lichten welke vorm het samenspel tussen het Europees Parlement, de Commissie internationale handel en uzelf in de loop van het jaar zal aannemen. Mocht het nieuwe Verdrag er komen, dan krijgt het Parlement veel meer macht en zouden we beschikken over mechanismen voor een meer rechtstreekse raadpleging. De mechanismen waarvan we ons thans bedienen voldoen weliswaar, maar zijn informeel van karakter.

Tegelijkertijd willen de burgers dat wij directer bij de werkzaamheden worden betrokken en dat we over meer macht en bevoegdheden beschikken bij de onderhandelingen over de landbouw en bepaalde takken van dienstverlening. Dat zijn bijzonder gevoelige terreinen waarover de meningen in de discussies sterk uiteenlopen en waarbij in onze fractie, noch in het Parlement of onder de bevolking eenduidige standpunten bestaan.

Hoe kunnen we dus verzekeren dat dit cruciale proces tussen de Europese Commissie, de commissie en het Europees Parlement in een vorm wordt gegoten die uitmondt in een vruchtbare samenwerking, in een samenwerking die verder gaat dan wat er reeds is bereikt en eveneens de cruciale terreinen omvat?

Als het onderhandelingsproces daadwerkelijk moet worden herzien, als er dispositiewijzigingen in aangebracht moeten worden - daar zult u zeker mee te maken krijgen, mijnheer de commissaris -, hoe kunnen we er dan voor zorgen dat de samenwerking dermate nauw is dat wij onze verantwoordelijkheid tegenover de burgers kunnen waarmaken?

 
  
MPphoto
 
 

  Johan Van Hecke, namens de ALDE-Fractie. - Voorzitter, ik zou eerst en vooral de rapporteur willen gelukwensen met zijn verslag, dat volgens mij een zeer goed overzicht van de huidige stand in de onderhandelingen na het WTO-raamakkoord van Genève en aan de vooravond van de conferentie in Hong Kong geeft. Het is duidelijk dat het welslagen van de Doha-onderhandelingsronde cruciaal is voor een verdere liberalisering van de wereldhandel. Na de mislukking van Cancún staat immers de geloofwaardigheid van het multilaterale handelssysteem op het spel. Het welslagen van Hong Kong is essentieel voor verdere economische groei, maar zal ook een ernstige test voor de legitimiteit van de WTO zijn. Ik deel de mening van commissaris Mandelson dat de Doha-ronde in de allereerste plaats als een ontwikkelingsronde moet worden beschouwd. Handel én ontwikkeling moeten hand in hand gaan en een grotere betrokkenheid van de ontwikkelingslanden in het kader van een faire wereldhandel is een essentieel onderdeel van de strijd tegen honger en armoede in de wereld.

Het is hoopgevend dat vorige week een compromis over de invoerheffingen op landbouwproducten werd bereikt en dat daarmee een dreigende mislukking van de Doha-ronde werd afgewend. De omzetting van lineaire importheffingen in gemeenschappelijke procentuele tarieven, gebaseerd op de waarde van de producten, is een voorzichtige, maar niettemin belangrijke stap in de richting van een alomvattende overeenkomst inzake de handel in landbouwproducten.

Mijn fractie blijft er evenwel van overtuigd dat op termijn alle exportsubsidies in de landbouw moeten worden afgeschaft. Het is en het blijft immers onaanvaardbaar dat het huidige EU-landbouwbeleid een gemiddeld Europees gezin ongeveer 100 euro extra per maand kost en het de ontwikkelingslanden tegelijk moeilijk maakt om uit de armoedeval te geraken. De Wereldbank heeft onlangs berekend dat succes bij deze handelsronde kan zorgen voor een toename van het wereldwijde inkomen met 385 miljard euro per jaar. Als Afrika zijn aandeel in de wereldhandel van 2 naar niet meer dan 3 procent kan opvoeren, verhoogt het zijn jaarinkomen met 70 miljard dollar. Dat is veel meer dan het nu krijgt aan ontwikkelingshulp. Daarom alleen al kunnen we ons geen tweede mislukking permitteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Caroline Lucas, namens de Verts/ALE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de heer Moreno Sánchez voor het werk dat hij voor dit vraagstuk heeft verricht, maar ik denk dat het voor hem niet als een verrassing komt als ik zeg dat onze fractie het verslag in deze vorm helaas niet kan steunen. Het bevat zeker een aantal goede onderdelen. Zo wordt bijvoorbeeld de nadruk gelegd op de doelstellingen van duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding, maar deze worden helaas ondermijnd door de algemene teneur van het verslag, dat zonder een spoor van kritiek bevestigt dat gedereguleerde vrijhandel het belangrijkste middel is om die doelen te bereiken.

De vooronderstelling hierbij is blijkbaar nog steeds dat meer handel automatisch leidt tot meer groei, die op zijn beurt automatisch leidt tot minder armoede, terwijl de realiteit ter plekke er heel anders uitziet en, zoals blijkt uit het onlangs verschenen UNDP-rapport over de minst ontwikkelde landen, een grotere mate van integratie van sommige van de armste landen in het internationale handelsstelsel in de meeste gevallen niet heeft geleid tot vermindering van de armoede onder de allerarmsten.

Een andere aanname die ten grondslag ligt aan het verslag, is dat, als de WTO-critici deze instelling ook maar iets beter zouden begrijpen, zij er op de een of andere mysterieuze wijze verliefd op zouden worden, of om het in de woorden van het verslag te zeggen: ‘de WTO moet voldoende informatie en uitleg […] aan het maatschappelijk middenveld geven om te voorkomen dat het proces van globalisering en de rol die de WTO daarin vervult op grote schaal verkeerd wordt begrepen of weergegeven’. Dit is eerlijk gezegd niet bijster constructief, en het is ook nog eens paternalistische nonsens. Een steeds groter deel van dit maatschappelijk middenveld weet precies waar de WTO voor staat, en weet precies hoeveel schade het proces van economische globalisering kan aanrichten. We hebben geen cosmetische PR-operatie nodig, maar een fundamentele, ingrijpende hervorming van de instellingen en de regels van de wereldhandel, en wel zodanig dat er écht een plaats wordt ingeruimd voor duurzaamheid en billijkheid.

Na deze algemene opmerkingen wil ik ingaan op een aantal specifieke punten. Onze fractie heeft haar oorspronkelijke amendement over de grondstoffenprijzen opnieuw ingediend. Dalende grondstoffenprijzen zijn er in belangrijke mate debet aan dat armere landen geen eerlijker aandeel in de wereldhandel krijgen. Maar liefst 43 ontwikkelingslanden zijn voor meer dan 20 procent van hun totale exportinkomsten afhankelijk van één grondstof. Als de prijzen voor de tien belangrijkste agrarische grondstoffen die door ontwikkelingslanden worden uitgevoerd, sinds 1980 gestegen zouden zijn met hetzelfde percentage als de inflatie, zouden deze exporterende landen in 2002 ongeveer 112 miljard Amerikaanse dollar méér hebben ontvangen dan nu, ofwel tweemaal het bedrag van de officiële ontwikkelingshulp. Eerlijk gezegd vind ik het buitengewoon vreemd dat de Commissie internationale handel, die zo trots is op haar stelling dat handel armoedebestrijding moet ondersteunen, een amendement heeft kunnen verwerpen dat stabilisering van de grondstoffenprijzen beoogt. Ik hoop dat de plenaire vergadering ons daar morgen in zal steunen.

We hebben ook een amendement ingediend op het mandaat van de Commissie. We kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe de Commissie het feit kan rechtvaardigen dat zij werkt met een zes jaar oud mandaat. In dat mandaat kan immers onmogelijk rekening zijn gehouden met de belangrijke veranderingen die hebben plaatsgevonden sinds de goedkeuring van dat mandaat. Misschien kan de heer Mandelson ons vertellen welke redenen daarvoor bestaan, omdat we vanuit institutioneel gezichtspunt niet net kunnen doen alsof het business as usual is, nadat er van de laatste drie ministersbijeenkomsten twee op een fiasco zijn uitgelopen. We kunnen niet voorbijgaan aan de weerstand die veel landen in het zuiden hebben tegen het creëren van alsmaar meer nieuwe bevoegdheden voor de WTO.

Nu er een nieuwe Commissie is aangetreden en de nieuwe WTO-ministerbijeenkomst naderbij komt, moeten we een signaal afgeven aan de internationale gemeenschap waaruit blijkt dat Europa deze veranderingen ter harte neemt en in staat is lering te trekken uit de fouten die in Seattle en Cancún zijn gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Vittorio Emanuele Agnoletto, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, waarde collega’s, ik stond werkelijk versteld toen ik hier hoorde dat de WTO het instrument is om een gelijke en solidaire handel te bevorderen en te verbeteren. Hoe halen we zoiets in ons hoofd?

Kijkt u maar eens naar de concrete resultaten die tijdens de onderhandelingsrondes geboekt zijn en nog steeds geboekt worden! Hoe kun je spreken over wederkerigheid in het geval van een reus en een dwerg, in het geval van David en Goliath? Hoe kun je de hoop uitspreken dat de ontwikkelingslanden deze ronde gaan winnen als wij onze koers niet omgooien?

Waarom wordt niet tot de kern van de resultaten doorgedrongen? Waarom wordt niet gezegd dat de subsidies die aan 25.000 katoenkwekers in de Verenigde Staten zijn verstrekt, miljoenen mensen in Centraal-Afrika tot de bedelstaf hebben gebracht? Waarom wordt niet gezegd dat dankzij de TRIPS, de trade-related aspects of intellectual property rights, 30 miljoen mensen - waarvan verreweg de meesten in Afrika leven - geen aidsbestrijdingsmiddelen meer hebben? Waarom wordt niet gezegd dat nog maar half zoveel mensen in de derde wereld toegang hebben tot anti-aidsmiddelen nu de TRIPS India zijn opgedwongen?

Waarom wordt niet gezegd wat voor rampspoed is teweeggebracht door de subsidies die Europa en de Verenigde Staten aan hun intensieve landbouw hebben gegeven? Daardoor hebben Brazilië, India en de zuidelijke landen van de wereld tijdens de top van Cancún een coalitie gevormd tegen Europa en de Verenigde Staten.

En hoe bereiden wij ons eigenlijk voor op de nieuwe top van de WTO in Hong Kong? De indruk bestaat dat er een liberalisering van de sociale en gezondheidsdiensten komt. Uit naam van het liberalisme worden deze diensten in de zuidelijke landen van de wereld op den duur alleen nog maar tegen betaling verricht; dat alles onder controle van de grote multinationals. Op die manier wordt het gros van de bevolking de toegang tot die diensten volledig ontzegd.

Waarom praten wij niet over de economische partnerschapsovereenkomsten? De dramatische uitkomst daarvan hebben wij in de Paritaire Vergadering ACS-EU, die in Bamako is bijeengekomen, besproken. Door aan te dringen op volledige liberalisering van de handel met het zuiden van de wereld - met name Afrika - en te pleiten voor afschaffing van de douaneheffingen van die landen, hebben deze overeenkomsten bijgedragen aan de economische vernietiging van de zuidelijke landen. Daarbij wordt die landen niet de mogelijkheid gegeven om eigen strategieën voor een andere ontwikkeling te kiezen.

Ik vind juist dat wij moeten streven naar terugdringing van de rol van de Wereldhandelsorganisatie. Wij moeten ervoor ijveren dat een hele reeks producten onder het beheer van andere agentschappen komt, bijvoorbeeld de agentschappen van de Verenigde Naties, te beginnen bij landbouwproducten en farmaceutische producten. Om al die redenen geeft mijn fractie een uiterst negatief advies over het verslag dat in het Parlement is voorgelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain, namens de UEN-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, hoewel de conferentie in Cancún in september 2003 is uitgelopen op een mislukking, verloopt het multilaterale handelsoverleg binnen de WTO nog steeds via het Doha-programma. In augustus 2004 heeft de Algemene Raad van de WTO een akkoord bereikt waarmee dit overleg opnieuw van start is gegaan, en ik juich dit van harte toe.

Laat ik allereerst zeggen dat ook ik het een goed verslag vind en de rapporteur feliciteer met zijn werk. Het is met name positief dat met het voorstel van de Commissie internationale handel het oorspronkelijke document aanzienlijk wordt verbeterd. Het gaat hierbij vooral om de manier waarop ontwikkelingslanden toegang wordt geboden tot de wereldhandel, en om het belang dat wordt gehecht aan de liberalisering van bepaalde niet-essentiële diensten. Ook is het belangrijk dat het voorstel oplossingen aandraagt voor het verminderen van de landbouwbescherming.

Ik ben van mening dat de compromisamendementen die de commissie heeft goedgekeurd, de tekst hebben verbeterd. Dit verslag biedt een eerlijke analyse, waarin duidelijk rekening wordt gehouden met de Europese verwachtingen en belangen in verband met de lastige onderhandelingsronde die ons ongetwijfeld te wachten staat.

Wat het overleg binnen de WTO betreft, maak ik me zorgen over de landbouw en met name over de toekomst van kleine gezinsbedrijven in mijn eigen land. We mogen gerust stellen dat zij de ruggengraat vormen van de Ierse samenleving. Het Europees landbouwmodel en het Akkoord van Luxemburg over de hervorming van het GLB mogen niet op losse schroeven worden gezet. De Europese landbouwers hebben ingestemd met een hervorming die, wat mij betreft, in steen staat gebeiteld en geldig blijft tot 2013. Zij hebben ingestemd met een hervorming die het GLB beter moet afstemmen op de WTO, en die voor de sector diepgaande veranderingen met zich meebrengt. Onze landbouwers hebben behoefte aan een stabiel beleid, zodat zij de toekomst van hun bedrijven kunnen plannen en in het onderhoud van hun gezinnen kunnen blijven voorzien. Er mag niet aan deze afspraken worden gemorreld. Mijnheer de commissaris, ik moet toegeven dat u mij zojuist een hart onder de riem hebt gestoken. Ik geloof dan ook dat u onze belangen op dit vlak vurig zult verdedigen.

Tot slot zijn we het er denk ik allemaal over eens dat de WTO het beste forum is om de rechten van alle landen te beschermen. Hiermee bedoel ik zowel de rijke als de arme, zowel de ontwikkelde als de ontwikkelingslanden. Ook ik geloof dat we multilateralisme moeten nastreven en ik ben daarom tevreden dat de Commissie bij dit standpunt blijft. Ik verheug me op de conferentie in Hong Kong in december van dit jaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Caspary (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, we zullen nu toch echt vorderingen moeten maken met deze onderhandelingsronde, met de hervorming en liberalisering. Volgens berekeningen van de Wereldbank - waar de heer Van Hecke zojuist al over sprak - zou een succesvolle afsluiting van de Doha-ronde de wereldwijde inkomsten met ten hoogste vijfhonderd miljard euro per jaar doen stijgen. Een succesvolle Doha-ronde betekent derhalve dat armoede wordt bestreden, uitgebreide en effectieve ontwikkelingshulp wordt verleend en alle mensen op aarde zodoende de kans wordt geboden op welvaart en sociale rechtvaardigheid. Het is een kans die we moeten aangrijpen in het belang van de mensen in Europa en van de mensen in de rest van de wereld.

Ik wil inhaken op een onderwerp dat reeds ter sprake is gebracht door mevrouw Mann en mevrouw Lucas, te weten de betrokkenheid van de burgers. De beelden van de Battle of Seattle staan ons nog in het geheugen gegrift. We zien dat het begrip globalisering door een groeiend aantal mensen niet als een kans maar als een gevaar wordt beschouwd. We zien hoe in Europa hele generaties scholieren de school verlaten zonder ook maar enige basiskennis te hebben opgedaan van de sociale markteconomie en de wereldhandel, waardoor ze vaak ontvankelijk zijn voor valse voorstellingen en leugenachtige campagnes. We zien dat ook in onze media bijna uitsluitend wordt bericht over de verplaatsing van productie en niet over het ontstaan van nieuwe arbeidsplaatsen of extra welvaart als gevolg van de wereldhandel. We zien dat de mensen hierdoor steeds onzekerder worden. We zien dat radicale groeperingen, zoals Attac, Europees geld ontvangen en met dit geld activiteiten financieren die tegen het gemeenschappelijk belang ingaan en de mensen verkeerde informatie verstrekken en bang maken.

Waarde commissaris Mandelson, tegen deze achtergrond verzoek ik de Commissie een programma op te stellen waarin parallel aan de onderhandelingen een lans wordt gebroken voor een vrije en rechtvaardige wereldhandel, een programma dat de mensen in Europa en de wereld overtuigt van de zegeningen van de wereldhandel, die ze op de ingeslagen weg, die juist en noodzakelijk is, goed kunnen gebruiken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Kader Arif (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, geachte dames en heren, sinds haar oprichting staat de WTO bloot aan kritiek. Het tienjarig bestaan van deze organisatie is een aanleiding om een balans op te maken en ons de vraag te stellen of wij de WTO nodig hebben.

Met het oog op de alsmaar toenemende mondialisering valt het niet te ontkennen dat wij een multilaterale organisatie nodig hebben. Op die andere vraag: "Hebben wij deze organisatie nodig, met de huidige manier van functioneren?", geef ik echter een veel gereserveerder antwoord. De wereld slaagt er vandaag de dag nog steeds niet in haar rijkdommen evenwichtig te verdelen. De handel speelt een grote rol bij het tot stand brengen van dit evenwicht, maar de huidige regels gaan tot nu toe grotendeels voorbij aan de eisen en de behoeften van een groot deel van onze planeet. Voortbordurend op deze constatering hoop ik soms in al mijn naïviteit dat de conferentie van Hongkong, die eind van dit jaar gehouden wordt, verandering zal brengen in deze situatie en vooral eindelijk tegemoet zal komen aan de verwachtingen die zijn gewekt door het in gang gezette Doha-ontwikkelingsprogramma.

Van 10 tot 16 april hebben honderden NGO’s en andere organisaties overal ter wereld gepleit voor een rechtvaardigere handel. Ik ben het met hen eens wanneer zij zeggen dat een handel die enkel en allen gebaseerd is op het principe ‘iedereen zijn gang laten gaan’, niet zal leiden tot een betere verdeling van de rijkdommen. Integendeel!

Onze prioriteit moet zijn de internationale handel te heroriënteren, zodat deze zowel in sociaal als in economisch opzicht werkelijk fair wordt. Als wij de arme landen echt willen helpen en willen laten profiteren van de mondialisering, moeten wij alle regels voor de wereldhandel herzien en rechtvaardiger maken, en handel en duurzame ontwikkeling meenemen in onze overwegingen. Naar mijn mening moeten de leden van de WTO deze principes derhalve zien als onderdeel van hun doelstellingen, maar zij moeten vooral de consequenties trekken uit de praktijken en de uitgevaardigde regels, zodat zij in staat zijn het gevoerde beleid in een rechtvaardigere en billijkere zin aan te passen.

Ik ben eveneens voorstander van een transparante WTO, een geloofwaardige en legitieme organisatie, waarvan de besluiten kunnen rekenen op de steun van haar leden en het maatschappelijk middenveld. Als door de Europese burgers gekozen lid van het Europees Parlement kan ik slechts constateren, en vooral betreuren, dat ik nu het slachtoffer ben van een gebrek aan informatie, zodat ik mijn taak als democratisch controleur niet goed kan uitoefenen. Nog betreurenswaardiger is het dat wij, leden van het Europees Parlement, geen stem in het kapittel hebben ten aanzien van het onderhandelingsmandaat van de Commissie. Het gaat per slot van rekening om onze toekomst.

Ik maak me zorgen over de consequenties en de gevolgen van de dienstenrichtlijn voor onze Europese openbare diensten, maar ik maak me ook bij het minste of geringste boos over de effecten van de liberalisering van de diensten op mondiaal niveau, waardoor vaak openbare diensten in het gedrang komen die betrekking hebben op de basisbehoeften van de burgers in de landen die deze het hardste nodig hebben. Wij zij het er weliswaar in het algemeen over eens dat diensten met betrekking tot gezondheidszorg, onderwijs en de audiovisuele sector moeten worden uitgesloten van de onderhandelingen, maar wij mogen daarbij niet de diensten vergeten die te maken hebben met basisbehoeften zoals water en energie. Het zou immers ongepast zijn van de ontwikkelingslanden te verlangen dat zij deze diensten liberaliseren op een manier die tot hun ontmanteling leidt.

Ik wil erop wijzen dat wij ons in het jaar 2000 in New York hebben verbonden tot de verwezenlijking van acht millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. Deze doelstellingen kunnen niet los worden gezien van het Doha-ontwikkelingsprogramma en van de lopende onderhandelingen. Wij kunnen niet vandaag beloftes doen en deze morgen snel weer vergeten. Het geval van de Filippijnen is een van de vele waaruit de schadelijke effecten blijken van de liberalisering van de diensten op het gebied van de watervoorziening. Als gevolg van de liberalisering van deze dienst in 1997 is de prijs van water niet alleen gestegen met 600 procent, maar het water is ook dermate in kwaliteit achteruitgegaan dat het nu ziekten veroorzaakt.

Ik vrees met grote vreze dat wij er tegen 2015 niet in zullen slagen het percentage van de bevolking dat geen duurzame toegang heeft tot water, met de helft terug te brengen. En wanneer er geen toegang is tot water, is er geen leven.

 
  
MPphoto
 
 

  Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, er is vanavond met veel woorden gesproken over een rechtvaardige en solidaire handel. De rapporteur wil een dergelijk handel, tot eenieders nut, en de heer Caspary heeft ons voorgerekend hoe vijfhonderd miljard euro iedereen rijk en gelukkig zal maken. Ook commissaris Mandelson wekt bij mij de indruk te denken dat, als wij hier stoppen met de landbouwproductie, de welvaart vanzelf zal binnenstromen in de derde wereld.

Ik deel deze idealistische opvattingen niet. Handel vult de maag niet en maakt armen niet rijk. Degenen die eraan verdienen zijn voornamelijk de belangengroepen die pleiten voor een vrije handel, vanuit de wens ervan te profiteren en anderen ervan uit te sluiten. De heer Caspary spreekt onbekommerd over een “vrije en rechtvaardige handel”, maar misschien bergt vrije en rechtvaardige handel wel een contradictio in terminus in zich. Dit vraagt om een nadere beschouwing, die ik op mij wil nemen.

De heer Mandelson verklaarde dat wij met name een einde moeten maken aan de beperkte markttoegang voor voedingsmiddelen. Mijnheer Mandelson, de Europese Unie is het grootste invoergebied voor voedingsmiddelen ter wereld. Het gaat dus niet om de markttoegang, maar om de voorwaarden waarop producten hier op de markt komen. Als de Europese Unie de minst ontwikkelde landen vrije toegang tot de markt verleent, maakt dat hen nog niet automatisch rijk; de vraag is onder welke voorwaarden men zich vrij op de markt mag begeven. Als zij hun producten verkopen tegen prijzen die overeenkomen met ons prijsniveau kunnen ze hun economieën ontwikkelen. Als de multinationals van deze wereld hun producten echter kopen tegen prijzen onder de armoedegrens gaan ze eraan te gronde! Ze komen dan met prijzen op onze markt die onze landbouw ruïneren.

U zei dat er pro-actief moet worden toegewerkt naar dienstverlening. Mijnheer Mandelson, we komen er niet met het knippen van elkaars haren; we zullen toch ook wat moeten produceren! In de landbouw hebben we behoefte aan diensten die via productie tot stand komen. We bewijzen de Europese maatschappij een grote dienst door de instandhouding van cultuurlandschappen en daarvoor moeten de boeren op basis van de betreffende voorwaarden worden beloond.

Op de wereldmarkt zijn professoren, bankiers en zelfs commissarissen goedkoper te krijgen dan landbouwproducten. Daarom moeten we ons buigen over eerlijke voorwaarden en compensatie. Dat is geen gemakkelijk onderwerp. Het is eenvoudig om het woord “vrij” in kwantitatieve termen te definiëren, maar in kwalitatieve termen is dat een stuk moeilijker.

Het was een goede stap om exportsubsidies af te schaffen in een van de grootste importsectoren, maar het zou natuurlijk waanzin zijn om nu te zeggen: we geven onze productie op en laat de wereld maar op ons afkomen. We hebben een bepaalde vorm van externe beveiliging nodig, waarbij de voorwaarden die aan de productie hier en onze boeren worden opgelegd ook in de landen daar moeten gelden. Bovendien moeten we de voorwaarden, de prijzen en het niveau op een zodanig peil brengen dat deze landen hun economieën kunnen ontwikkelen. We moeten voorkomen dat zij onder de armoedegrens worden gedrukt en onze boeren het loodje leggen.

Mijnheer Mandelson, ik hoop dat we dit onderwerp binnenkort in de Landbouwcommissie wat langer en intensiever met u kunnen bespreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Helmuth Markov (GUE/NGL). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, gebleken is dat de Commissie het mandaat dat haar in 1999 is verleend voor de onderhandelingen in Seattle en Cancún niet heeft kunnen waarmaken. Ik vind dat een goede zaak. De Commissie had vervolgens een ander mandaat moeten krijgen, niet gericht op liberalisering en openstelling van de markten maar op de organisatie van echt rechtvaardige handel tussen de landen in de wereld, die een zo verschillend ontwikkelingsniveau hebben.

Rechtvaardige handel omvat de invoering van een systeem waarin alle deelnemers reële ontwikkelingskansen krijgen en benutten. Dit zou voor bepaalde landen kunnen betekenen dat hun markten worden beschermd totdat de regionale economie zodanig is versterkt dat ze de concurrentie met het buitenland aankan. In andere regio’s kan het betekenen dat de markt wordt opengesteld om andere aanbieders exportmogelijkheden te scheppen. Een en ander zou erop neerkomen dat de voortdurende druk om markten open te stellen, moet worden verminderd in plaats van opgevoerd. Overeenkomsten als GATS of NAMA kunnen ontwikkelingslanden beroven van de kans om hun eigen industriële en dienstverleningsstructuren op te bouwen en tegelijkertijd hoge sociale en milieunormen te ontwikkelen.

Wat openstelling van de markten voor de industrielanden betekent, kunnen we zien aan het debat over de invoer van textiel. Bij de Doha-ontwikkelingsagenda - het woord zegt het al - moet het gaan om ontwikkeling en niet enkel om openstelling van markten. Vraagstukken as preventieve gezondheidszorg, onderwijs, sociale bescherming en milieuvriendelijke productiemethoden zijn daar onlosmakelijk mee verbonden.

Dit is voor ons belangrijker dan de Singapore-onderwerpen, zelfs nu het erop lijkt dat het aantal is afgenomen van vier naar twee. Er moeten handelsstelsels tot stand worden gebracht die zorgen voor stabiele prijzen voor koffie, cacao, textiel, bananen, katoen, suiker en nog vele andere producten. De juiste aanpak is volgens mij niet gelegen in meer concurrentie maar in meer samenwerking.

De exportsubsidies voor grootschalige landbouwbedrijven moeten worden geschrapt. Er mogen geen pogingen worden ondernomen tot liberalisering van openbare diensten, in het bijzonder de watervoorziening. Naast de WTO moeten ook de relevante VN-organisaties, zoals UNCTAD of ILO, meer gewicht krijgen op het gebied van ontwikkelingsvraagstukken. De Europese Unie moet een ander antwoord formuleren dan zij tot dusver heeft gedaan als reactie op de oproepen van de ontwikkelingslanden voor de tenuitvoerlegging van “Mode 4”.

Er kan geen sprake zijn van gelijke rechten als van de ontwikkelingslanden wordt verlangd dat ze hun markten voor goederen, diensten en kapitaal openstellen, terwijl de Europese Unie tegelijkertijd haar arbeidsmarkten - waarop zogenaamd vrij verkeer van werknemers geldt - voor minder geschoolde arbeidskrachten gesloten houdt. Wie wereldhandel wil, moet eerst zorgen voor een evenwichtige ontwikkeling, anders zal de handel niet de vooruitgang bevorderen, maar de kloof tussen arm en rijk vergroten.

Mijnheer Caspary, dit wil ik u nog even tegen u zeggen: wie Attac een radicale groepering noemt, heeft niet begrepen dat democratie bestaat bij de gratie van verschillende standpunten!

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, we moeten ons ook afvragen welke bijdrage Hong Kong en de Doha-ronde kunnen leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon. We streven in de eerste plaats naar groei en werkgelegenheid, in de wetenschap dat vakbonden, verenigingen van gepensioneerden en kinderen meer zakgeld willen. Groei is voor onze maatschappij essentieel en ik denk liever niet aan het debat dat we hier zouden voeren als we zouden zeggen dat we het tegendeel van Lissabon willen bereiken. We zijn het eens over het belang van de doelstellingen van Lissabon, en daarom is het belangrijk dat de WTO-ronde goed wordt voorbereid. Er is behoefte aan een betere organisatie binnen de WTO, maar we moeten er ook voor zorgen dat we met een verantwoord minimumcompromis naar Hong Kong afreizen, want daar ontbrak het aan in Cancún. Als onze deskundigen in Genève er niet in slagen een minimumcompromis uit te werken, riskeren we opnieuw het gevaar van mislukking.

Het centrale thema van de ontwikkelingsagenda is dat er voor welvaart moet worden gewerkt. De verdeling ervan is slechts één keer mogelijk. Degenen die duurzame welvaart willen, zullen er zelf voor moeten werken. Daarom is het nodig dat kleine en middelgrote ondernemingen toegang krijgen tot de markten. Er zijn kredieten nodig voor de oprichting van bedrijven, voor onderwijs en infrastructuur. We moeten ons buigen over de vraag hoe we er in deze ronde voor kunnen zorgen dat de welvaart in de betrokken landen toeneemt, niet door herverdeling van welvaart, maar door hulp te verlenen aan de mensen, zodat zij zichzelf kunnen helpen via de klassieke structuren van het gezinsbedrijf, via de structuren waaraan men in die landen gewend is. We moeten de armste landen toegang verlenen tot niet alleen lokale en regionale markten, maar ook tot mondiale markten en daarvoor is de parlementaire dimensie nodig. Mijnheer de commissaris, we hebben geen behoefte aan meer macht, we hebben simpelweg behoefte aan een wedstrijd tussen de beste ideeën. Wij van het Parlement zijn bereid u de helpende hand toe te steken en met u de dialoog aan te gaan om samen te verwezenlijken wat het beste is voor Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Katerina Batzeli (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het akkoord van 2004, dat in grote mate het gevolg was van de inspanningen van de Gemeenschap, is voor ons allemaal een positief uitgangspunt. Hopelijk maakt het eindresultaat het initiatief en de inspanningen van de Gemeenschap lonend.

Landbouw is het belangrijkste hoofdstuk geworden in de onderhandelingen, al hebben wij van meet af aan aangedrongen op een evenwicht tussen alle facetten van deze ronde, met billijke resultaten voor alle partners en sectoren.

Het definitieve akkoord mag echter geen enkel aspect van de recente hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op de helling zetten en moet gelijke verbintenissen vragen van alle handelspartners.

De markttoegang voor landbouwproducten en vooral de technische aspecten van de methode ter berekening van de ad valorem-heffingen bleken essentiële onderhandelingspunten te zijn. De technische verbintenissen moeten van dien aard zijn dat ze de levensvatbaarheid van de gemeenschapsproducten verzekeren.

De bescherming van geografische aanduidingen en ook de integratie van de niet-handelsaspecten vormen niet alleen een streefdoel, maar tevens een voorwaarde voor een definitief akkoord. Die elementen zijn bepalend voor het multifunctionele karakter van de Europese landbouw.

Katoen bleek bij het stimuleren van de onderhandelingen met de minst ontwikkelde landen van cruciaal belang te zijn. Wij hopen dat de aanvullende verbintenissen voor katoen ook zullen worden gesteund door andere handelspartners. Het verslag van Javier Moreno Sánchez heeft evenwichtige voorstellen opgeleverd voor de WTO-onderhandelingen.

Mijnheer de commissaris, ik zou u willen voorstellen het “kwaliteitsbeginsel” van de rapporteur te volgen. De tussentijdse overeenkomst is inderdaad een stap op een nog onbestaand pad: dat ontstaat pas als men het bewandelt. Maar de doelstellingen bestaan wel degelijk en de mogelijke afwijkingen mogen niet oneindig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Antolín Sánchez Presedo (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijnheer de commissaris, ik feliciteer de heer Moreno Sánchez met zijn uitstekende verslag, dat blijk geeft van visie en van een vermogen om gemeenschappelijke doelstellingen te identificeren in een breed en complex dossier als dat van de Doha-onderhandelingen.

Het doel van deze ronde, die vanaf het begin in 2001 als "ontwikkelingsronde" bekendstaat, is de basisbeginselen van het multilaterale handelskader te versterken en een doeltreffend antwoord te geven op de problemen van de ontwikkelingslanden.

Het welslagen van de onderhandelingen moet deze landen in de gelegenheid stellen om de handel onder te brengen in hun nationaal ontwikkelingsbeleid. Daarom is het van essentieel belang dat wij de nodige flexibiliteit aan de dag leggen om de precaire situatie van de minst ontwikkelde landen aan te pakken, de nieuwe rol van de opkomende landen te erkennen en de specifieke gevolgen van de liberaliseringsprocessen in de kwetsbare landen te ondervangen.

De rapporteur is zich van deze problematiek bewust en dringt dan ook terecht aan op de noodzaak van specifieke technische bijstand en passende capaciteitsopbouw voor de ontwikkelingslanden, op de mogelijkheid om voor de minst ontwikkelde landen in de landbouwonderhandelingen een ontwikkelingsbox te introduceren, op de bevordering van de zuid-zuidhandel en de noodzaak dat de opkomende landen hun markten verder blijven openstellen voor de minst ontwikkelde landen. Bovendien erkent hij dat het beginsel van de speciale en gedifferentieerde behandeling de ruggengraat van het proces vormt, hetgeen betekent dat in de handelsronden het beginsel van niet-wederkerigheid moet worden toegepast en dat elk ontwikkelingsland een behandeling moet krijgen die in overeenstemming is met zijn profiel.

De toepassing hiervan moet het Internationaal Monetair Fonds en andere organisaties in staat stellen om het mechanisme van handelsintegratie ten uitvoer te leggen. Dat mechanisme is bedoeld om verliezen die deze landen kunnen lijden door handelsliberalisering te compenseren.

Als rapporteur voor het verslag over het stelsel van algemene preferenties verheugt het mij dat de rapporteur kan instemmen met mijn voorstel om rekening te houden met het feit dat de ronde een erosie van de tariefpreferenties kan veroorzaken. Ik vind het dan ook een goede zaak dat hij de Commissie nogmaals verzoekt een speciaal verslag op te stellen waarin de gevolgen van de ronde worden bestudeerd en de nodige maatregelen worden vastgesteld.

Met het voortreffelijke verslag van de heer Moreno Sánchez worden een hoop twijfels weggenomen. Bovendien geeft het een nieuwe impuls aan een ronde waarin alle betrokken partijen vooruitgang willen boeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Saïd El Khadraoui (PSE). - Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega's, ik zou om te beginnen de rapporteur willen danken voor het goede werk en het uitstekende verslag. Ik wil ingaan op drie punten die ik belangrijk vind.

Ten eerste: transparantie. Het is al aangehaald door andere collega's. Het is duidelijk dat hetgeen waarover onderhandeld wordt en dat, als de onderhandelingen tot een goed einde worden gebracht, ook effectief beslist zal worden, een aanzienlijke impact zal hebben op heel veel mensen. Daarom is het essentieel dat een democratisch verkozen Parlement als het onze op continue wijze en in detail over de onderhandelingen op de hoogte wordt gehouden en bij de onderhandelingen wordt betrokken. De Grondwet zal ons ter zake meer mogelijkheden bieden, maar ik pleit er toch voor, mijnheer de commissaris, dat u de komende maanden en jaren meer zal doen dan u strikt genomen moet doen om het Parlement en bij uitbreiding het middenveld bij de zaak te betrekken.

Twee: wereldhandel moet ook eerlijk zijn. Hij moet iedereen ten goede komen, maar in het bijzonder de ontwikkelingslanden. Eén van de hoofddoelstellingen moet zijn om met een nieuw en aangepast handelsbeleid de armoede uit de wereld te bannen. Te dien einde moeten we er om te beginnen voor zorgen dat deze landen tijdens de onderhandelingen de nodige technische ondersteuning krijgen, om hun onderhandelingsmogelijkheden verder uit te bouwen en ook aan capaciteitsopbouw te doen. Daarnaast zal het resultaat van de onderhandelingen wat ik zou noemen "ontwikkelingslandenvriendelijk" moeten zijn. Dat zal wat politieke moed en ook toegevingen van onze kant vergen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de geleidelijke afschaffing van onze exportsubsidies, waarvoor volgens mij een duidelijk tijdschema moet worden vastgesteld.

Een derde en laatste punt is dat van de vrijmaking van de handel in diensten. Die is belangrijk en laat mooie opportuniteiten ontstaan, maar we moeten het terrein duidelijk afbakenen. Er zijn nu eenmaal diensten die het beste niet door de vrije markt worden beheerd, namelijk de diensten van algemeen belang. Deze moeten buiten de onderhandelingen blijven. Het gaat daarbij volgens mij niet alleen om onderwijs en gezondheidszorg, maar bijvoorbeeld ook om water, bron van alle leven, zoals eerder al gezegd. Er bestaan intussen in enkele ontwikkelingslanden helaas al voorbeelden waarbij de privatisering van de watervoorzieningen zeer nefaste gevolgen heeft gehad. Ik hoop dan ook, mijnheer de Commissaris, dat u die mening deelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst de opvattingen van de vorige spreker ondersteunen. Ik begrijp exact wat hij zegt over watervoorziening en andere diensten van algemeen belang. Ik verzeker u dat deze elementaire levensbehoeften op geen enkele wijze in het gedrang zullen komen in deze ronde, en zeker niet in het beleid dat de Commissie nastreeft.

Ik wil even reageren op wat mijnheer Rübig zo-even zei, namelijk dat de ronde moet eindigen met een solide minimumcompromis. Hij heeft gelijk, maar het klinkt alsof hij uitkijkt naar een ambitieloze afsluiting van de ronde. Zo bedoelde hij dat echter niet. Een solide minimumcompromis bereiken is namelijk het moeilijkst wat er is. Nu ik hier vanavond deelneem aan dit debat, lijkt deze doelstelling nog erg ver weg. Toch komen we dichter bij, en wel om twee redenen. Ten eerste moeten we ons realiseren dat de onderhandelingsautoriteiten van de Verenigde Staten met hun onderhandelingsmandaat deze ronde niet eindeloos in leven zullen houden. Ten tweede bestaat er zoiets als onderhandelingsmoeheid. Ik begin bepaalde tekenen van vermoeidheid te zien. Men wordt ongeduldig, men wil de zaak afronden en verdergaan. Ik geloof dat ongeduld gezond is, dat hoop ik althans. Ook hoop ik dat de onderhandelingsmoeheid die we beginnen waar te nemen, de mensen ertoe aanzet wat meer open kaart te spelen, zodat we ons kunnen richten op de eindfase van deze ronde. Wanneer alle puzzelstukjes in elkaar vallen, kunnen we de ronde afsluiten met winst voor alle betrokkenen, met name voor de WTO-leden die een succesvol en ambitieus einde het hardst nodig hebben.

Ik heb het volste respect voor de opmerkingen van onder andere mevrouw Lucas en de heer Graefe zu Baringdorf. Ik ben het echter grondig met u oneens wanneer u de beginselen van het internationale handelssysteem verwerpt. Ik hoop dat u mij toestaat te wijzen op de enorme voordelen die het internationale handelssysteem de welvarende landen heeft geboden. De ontwikkelde landen hebben er veel baat bij gehad en zijn momenteel zeer welvarend. Hier in Europa gaat het na decennia van open handel uitstekend. Ik krijg dan ook de indruk dat u de rest van de wereld gewoonweg de kans niet gunt om de achterstand in te lopen, en daar ben ik tegen. Bovendien snijdt u zichzelf hiermee in de vingers. Uiteraard is handel geen toverformule; uiteraard is handel niet het antwoord op de ontwikkelingsbehoeften van elk arm en kwetsbaar land. We moeten echter inzien dat geen enkel land ooit welvarender is geworden door zich af te sluiten van de rest van de wereld. Dat is echter wel wat u voorstaat.

Het klopt dat markttoegang alleen niet voldoende is. De arme landen moeten steun krijgen om producten met een steeds grotere toegevoegde waarde te produceren, zodat zij op winstgevende wijze kunnen deelnemen aan de wereldhandel en -economie. De openstelling van de markten is geen doel op zich. De mensen moeten ook in staat worden gesteld om deze markten van producten te voorzien. Dit was overigens ook de kern van de interventie van mevrouw Martens aan het begin van dit debat. Zij wijst erop dat preferentie-erosie een probleem is voor veel ontwikkelingslanden die afhangen van één handelsartikel. Dit ben ik helemaal met haar eens. Het is een zeer lastig probleem, en het is voor ons in Europa dan ook een grote uitdaging om doeltreffende bijstand te bieden aan de landen die sterk afhankelijk zijn van één product.

Eerder in het debat hebben we over de suikerhervorming gesproken. We weten dat we op dit vlak een verantwoordelijkheid hebben. Enerzijds moeten we deze hervorming beheren en uitvoeren, in het belang van de mensen die u als Parlement vertegenwoordigt, en wiens belangen ik eveneens behartig, maar anderzijds moeten we er ook voor zorgen dat onze herstructureringssteun voor minder welvarende ontwikkelingslanden doeltreffend is. Suiker en aanverwante producten zijn in deze landen namelijk van cruciaal belang voor de economie en de organisatie van de samenleving. We weten dan ook welke verplichtingen en verantwoordelijkheden wij tegenover deze landen hebben.

Landbouw is ongetwijfeld de grootste uitdaging en het meest complexe onderwerp in deze onderhandelingsronde. Ik ben het met de heer Daul eens dat we in deze ronde niet alle lasten op de schouders van de landbouw mogen leggen. Ik heb dit al duidelijk naar voren gebracht in mijn inleiding, en ik ben het dan ook zeker met de heer Daul eens dat de landbouw niet mag opdraaien voor de kosten van alle andere sectoren. We moeten tijdens deze ronde de lange termijn voor ogen houden. Dit betekent dus dat we verder moeten kijken dan het einde van mijn ambtsperiode als commissaris. Niet dat ik hier vol ongeduld naar uitkijk, maar ooit zullen anderen het overnemen. Kortom, u hebt helemaal gelijk. De maatregelen die wij nu treffen en de onderhandelingen die wij in deze ronde voeren, moeten zorgen voor een duurzame toekomst voor de Europese landbouw. Die mogen wij niet op het spel zetten. Noch de Commissie, noch ikzelf zullen in de loop van deze ronde dan ook een dergelijk risico creëren. Dit betekent uiteraard ook dat een en ander moet worden aangepast en men de noodzaak van hervorming en verandering moet inzien. In ieder geval staat vast dat landbouw niet zomaar aan de vrije markt kan worden overgelaten, want we moeten de voedselvoorziening veiligstellen, en we hechten belang aan het voortbestaan van plattelandsgemeenschappen. Zij vormen namelijk een essentieel deel van onze Europese samenleving.

Wanneer we spreken over de landbouw en over de belangen die de mensen op het platteland bij deze ronde hebben, blijkt hieruit steeds weer hoe belangrijk het is om verantwoording af te leggen over wat wij in deze ronde doen. Ik meen dat u in dit verband de term ‘adverteren’ gebruikte. Adverteren is letterlijk wat we moeten doen. We moeten ruchtbaarheid geven aan de enorme potentiële voordelen die binnen handbereik komen als we deze ronde met succes en ambitie afsluiten. We moeten naar buiten brengen wat de drijfveer is achter de onderhandelingen, want zij zijn complex en voor de gewone burger moeilijk te bevatten. Zij gaan soms zelfs boven mijn pet, terwijl ik toch de commissaris voor handel ben. Het zou verkeerd zijn ervan uit te gaan dat wij in deze ronde achter gesloten deuren kunnen praten en besluiten, en aan het eind van de dag de resultaten kunnen opdissen aan een dankbaar publiek. Het zou verkeerd zijn te doen alsof daarmee de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld begint en eindigt.

Enerzijds zeg ik dit omdat ik me zeer wel bewust ben van de gevoeligheden en zorgen die met deze onderhandelingen gepaard gaan. Handel is namelijk een politiek zeer geladen onderwerp. Anderzijds zeg ik dit ook om te wijzen op de belangrijke rol van de parlementsleden, van niet alleen de leden van dit Parlement maar ook de leden van de nationale parlementen. Die zijn allen hierbij betrokken, en wel om twee redenen. Ten eerste is het van groot belang dat de parlementen via hun controlefunctie druk uitoefenen op mensen zoals ik en hun rekenschap laten afleggen. Ten tweede vertegenwoordigt u het maatschappelijk middenveld op een representatieve en authentieke manier. Niet-gouvernementele organisaties slagen hierin niet altijd volledig. Uw controle en representatieve rol verleent legitimiteit aan dit proces. Deze legitimiteit zou ontbreken als dit proces in het geheim zou verlopen, zonder transparantie en zonder verantwoording af te leggen voor wat we tijdens deze onderhandelingen doen en zeggen. Ik ben het dus eens met de afgevaardigden die hebben benadrukt dat de leden van het Parlement in dit proces een rol toekomt. Met een Grondwet zou deze rol inderdaad formeel zijn verankerd, maar onze relatie is ook nu, zonder Grondwet, zeer goed. Ik hoop en verwacht dan ook dat we op termijn formeel kunnen vastleggen wat we nu op basis van onze informele werkzaamheden hebben bereikt.

Het grote publiek maakt zich met name zorgen over de diensten van algemeen belang, zoals watervoorziening. Daarom is het goed dat de burgers zien dat hun Parlement als democratisch forum hun zorgpunten duidelijk verwoordt en vertegenwoordigt. Ik ben degenen die vanavond de diensten op een zo constructieve wijze ter sprake hebben gebracht dan ook dankbaar. Ik hoop dat dit tegemoet komt aan de sprekers die terecht hebben benadrukt dat het maatschappelijk middenveld op dit vlak een rol moet spelen. Dit heeft ook gevolgen voor de toekomstige rol van de WTO zelf. Ook de heer Papastamkos verwees hiernaar in zijn bijdrage en ik ga hier volledig mee akkoord.

Tegen degenen die een nogal scherpe aanval doen op de WTO, zou ik het volgende willen zeggen: ik ken in de wereld van vandaag geen internationale instelling of mondiale bestuursvorm die qua democratisch gehalte kan tippen aan de WTO. Elk lid van de WTO, klein of groot, sterk of zwak, heeft hetzelfde aantal stemmen, namelijk één. Bovendien neemt deze organisatie besluiten en maatregelen tegen de machtigste landen op aarde. Het is de enige internationale instelling op wereldniveau die de soevereiniteit van de Verenigde Staten ongestraft kan betwisten. Het is de enige organisatie die haar besluiten kan afdwingen en tussen landen kan bemiddelen, hoe machtig deze soms ook zijn binnen de internationale gemeenschap. We moeten dit toejuichen en hierop voortbouwen in plaats van het te verwerpen.

Het spijt me dat ik niet alle vragen heb beantwoord. Toch wil ik ter afsluiting benadrukken dat wij ontwikkeling - de kern van Doha - in deze ronde echt centraal moeten stellen. Ik ben het volledig eens met de sprekers die vanavond hebben aangegeven dat handelscapaciteit van cruciaal belang is. Dit betekent dat belemmeringen in havens moeten verdwijnen, want dat bevordert de handel. Dit deel van onze onderhandelingen is dus van groot belang. Het gaat om de mogelijkheid om goederen op de markt te brengen en aan de normen te voldoen. Handelssteun is dus cruciaal. Inderdaad, onze SPS-normen, onze normen ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de Europese burgers en consumenten, zijn zeer belangrijk en wij moeten ze zien te handhaven. Dit verwachten de burgers - die u vertegenwoordigt - ook van ons. Anderzijds moeten we inzien dat deze normen in ontwikkelingslanden vaak als belemmeringen worden gezien. Deze strenge regels voor de gezondheids- en consumentenbescherming worden door de rest van de wereld gezien als protectionisme. Er is geen sprake van protectionisme, maar dit betekent wel dat we een grote verplichting hebben. We moeten namelijk niet alleen de integriteit van onze normen behouden, maar ook ter plaatse steun verlenen aan arme landen bij het naleven ervan. Zo kunnen we voorkomen dat de landen voor de normen terugschrikken en achterblijven in het proces, waardoor onze markten voor hen gesloten blijven.

Laat ik afsluiten met het volgende. Ik geef toe dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid in bepaalde opzichten wat problematisch is. In veel opzichten is het beleid echter hard nodig, want het is een bron van leven en inkomsten. Ook is het van groot belang voor het behoud van onze plattelandsgemeenschappen. Met welke problemen hebben we binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid eigenlijk te maken? Het GLB kan werkelijk niet verantwoordelijk worden gehouden voor de mondiale armoedeproblemen van dit moment. Europa heeft de meest open markten ter wereld. Waar het gaat om ontwikkelingslanden hebben sommigen de neiging om het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor te stellen als de duivel zelve. Dit is onterecht en misplaatst, hoewel het GLB uiteraard wel moet worden hervormd. Ik zou nog even willen reageren op de opmerking over gezinsbedrijven van mijnheer Ó Neachtain. Ook ik wil kleine boeren beschermen. Ik vind echter wel dat ik in verband met onze discussies over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid mag wijzen op het feit dat 75 procent van de GLB-betalingen naar boeren met een bovengemiddeld inkomen gaat. Wanneer we dus kleine boeren willen beschermen, wanneer we de inkomens van minder welgestelde mensen - die u als Parlement vertegenwoordigt - willen beschermen, dan mogen we niet vergeten dat ook zij gebaat zijn bij een hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. We moeten inderdaad het Europees landbouwmodel behouden, maar dit betekent niet dat we het GLB voor eeuwig in steen beitelen. Het kan en moet voor de meest behoeftigen nog effectiever gaan functioneren dan nu het geval is.

Als we, tot slot, brede overeenstemming kunnen bereiken in Doha, Hong Kong en daarna, dan is dat voor de wereld een enorme prestatie. Dit betekent namelijk dat we een ronde afsluiten die maar liefst drie mandaten lang, van drie Commissies, hebben geduurd. Een schitterende beloning ligt binnen handbereik. Daarom mogen en zullen we niet opgeven, hoe zwaar en vervelend deze ronde ook is. Er valt enorm veel te bereiken voor de mensen die dit in deze wereld het hardst nodig hebben en die dit het meest verdienen. Dit geldt ook voor de miljoenen burgers binnen de Europese Unie. Er staat veel op het spel en de inzet is hoog. Op deze basis maken we ons sterk voor een succesvolle afronding.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil een korte verklaring afleggen. Commissaris Mandelson heeft me niet goed begrepen als hij zegt dat ik de armoede in de wereld niet wil aanpakken. Waar het om gaat is dat mijn fractie en ikzelf nadenken over de vraag hoe we de in armoede levende mensen in onze rijkdom kunnen laten delen. We hebben duidelijke ideeën over hoe we daarbij te werk moeten gaan. Ik hoop dat commissaris Mandelson bereid is om dieper in discussie te gaan met ons, opdat hij een juister beeld van onze opvattingen krijgt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen plaats.

 

22. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen

23. Sluiting van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 00.10 uur gesloten)

 
Juridische mededeling - Privacybeleid