Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Dinsdag 7 juni 2005 - Straatsburg Uitgave PB

30. Accijnsproducten
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0138/2005) van de Dariusz Rosati, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/12/EEG betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (COM(2004)0227 – C6-0039/2004 – 2004/0072(CNS)).

 
  
MPphoto
 
 

  Dariusz Rosati (PSE), rapporteur. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, vandaag bespreken wij het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van de artikelen 7, 8, 9 en 10 van Richtlijn 92/12/EEG. Ik wil eraan herinneren dat deze richtlijn de algemene voorschriften bevat voor het vervoer en bezit van accijnsproducten. Hierbij gaat het vooral om alcohol en tabaksproducten, maar ook om vloeibare brandstoffen. Voorts wil ik eraan herinneren dat artikel 27 van de richtlijn uit 1992 de Commissie de plicht oplegde om aan de Raad een verslag voor te leggen over de gevolgen en de toepassing van de artikelen 7, 8, 9 en 10 in de periode tot 1997. Om verschillende door de Commissie aangegeven redenen wordt het verslag over de toepassing van de genoemde artikelen pas vandaag besproken, na een vertraging van enkele jaren.

Ik wil eraan herinneren dat artikel 7 het vervoer betreft van accijnsproducten door ondernemingen met commerciële doeleinden. Artikel 8 betreft het vervoer van accijnsproducten door het individu voor persoonlijk gebruik, artikel 9 beschrijft de drempel vanaf welke een accijns betaald moet worden en geeft indicatieve hoeveelheden aan de hand waarvan bepaald moet kunnen worden of vervoerde accijnsproducten bedoeld zijn voor commercieel of voor persoonlijk gebruik. Ten slotte omschrijft artikel 10 regelingen voor de heffing van accijnzen en het land waar deze moeten worden geheven, alsmede de verplichtingen van belastingvertegenwoordigers en de voorwaarden voor verkoop op afstand, de zogenoemde distance sales.

Niet alleen individuele personen, reizigers en toeristen, maar ook ondernemingen die zich bezighouden met de handel en het vervoer van accijnsproducten hebben talloze twijfels geuit over de bepalingen van deze artikelen. Dit was de reden dat de Commissie heeft besloten om een aantal wijzigingen in deze vier artikelen voor te stellen, waarbij zij vooral de naleving van twee beginselen op het oog had.

In de eerste plaats wilde de Commissie de consistente toepassing van een van de beginselen van de interne markt verzekeren. Ik doel hier op het feit dat accijnzen op producten die voor commerciële doeleinden worden vervoerd, betaald moeten worden in het land van bestemming, terwijl accijnzen op producten die door personen voor eigen gebruik worden gekocht, in het land van oorsprong moeten worden betaald.

De belangrijkste door de Commissie voorgestelde wijzigingen in artikel 7 betreffen derhalve de omschrijving van het vervoer voor commerciële doeleinden. Volgens de definitie van de Commissie valt elk vervoer dat niet voor persoonlijk gebruik is bestemd, onder het vervoer met commerciële doeleinden. De andere wijzigingen in artikel 7 betreffen een taalkundige vereenvoudiging en een exacter terminologiegebruik. Ten slotte stelt de Commissie voor dat artikel 7 duidelijk omschrijft wie de accijns moet betalen.

Een van de wijzigingen van de Commissie van artikel 8 is van doorslaggevend belang. Hier wordt namelijk de intrekking voorgesteld van de plicht dat personen die de producten kopen, deze ook zelf moeten transporteren. In plaats daarvan kunnen personen goederen accijnsproducten op afstand bestellen en thuis laten bezorgen. Dit geldt ook voor de zogenoemde “geschenken”. Dit komt neer op de invoering van een nieuw beginsel, dat het vervoer van producten voor persoonlijk gebruik ook mogelijk maakt wanneer deze niet worden vervoerd door de persoon in kwestie, maar namens hem door iemand anders op zijn kosten worden vervoerd.

Ook in artikel 9 stelt de Commissie een belangrijke wijziging voor, namelijk de afschaffing van de kwantitatieve beperkingen, die tot nog toe niet naar behoren hebben gewerkt. Met de door de Commissie voorgestelde wijziging in artikel 10 wordt de procedure vereenvoudigd.

De rapporteur is van mening dat alle wijzigingen op het gebied van de belastingwetgeving van de Europese Unie moeten voldoen aan de volgende vier criteria. Ten eerste moeten deze wijzigingen stroken met de logica van de interne markt, met andere woorden, discriminatie moet worden voorkomen. Ten tweede moeten deze wijzigingen eenvoudig en transparant zijn, zodat zij gemakkelijk kunnen worden toegepast. Ten derde mogen zij niet leiden tot ernstige verstoringen in de belastingopbrengsten in afzonderlijke landen. Ten vierde moeten zij in overeenstemming zijn met de normen op het gebied van de gezondheid in de lidstaten die een dergelijk beleid voeren.

De rapporteur is van mening dat de voorstellen van de Commissie een stap in de juiste richting vormen en aan deze criteria voldoen, en daarom steun ik al deze wijzigingen. Bij de amendementen van het Parlement gaat het vooral om taalkundige wijzigingen, betere formuleringen van afzonderlijke bepalingen en een exacter gebruik van de terminologie. Verder heeft het Parlement voorgesteld dat de bewijslast inzake de vraag of goederen voor commercieel gebruik bestemd zijn, bij de autoriteiten van de lidstaten berust. Onder de huidige regels ligt de bewijslast maar al te vaak bij de reizigers en wij zijn van mening dat dit niet strookt met de beginselen van de interne markt.

Onze amendementen dienen zonder uitzondering uitsluitend de verbetering van de tekst en geven de nodige nadere uitleg. Wij steunen alle wijzigingen van de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  László Kovács, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur, de heer Rosati, graag complimenteren met zijn zeer duidelijke en nauwkeurige analyse van het Commissievoorstel. Ik ben erg blij dat in dit verslag krachtige steun wordt gegeven aan het voorstel van de Commissie, dat tot doel heeft het functioneren van de interne markt op dit gebied zowel voor burgers als voor de handel te verbeteren.

Het voorstel heeft betrekking op het zogenoemde “verkeer van veraccijnsde goederen” tussen de lidstaten. Het is waar dat dit soort intracommunautair verkeer slechts een klein deel van het totale intracommunautair verkeer van accijnsproducten uitmaakt. Desondanks dient te worden benadrukt dat hier met name de Europese burgers en kleine en middelgrote ondernemingen bij betrokken zijn.

Wat betreft de Europese burgers worden de bestaande regels voor het goederenverkeer tussen de lidstaten toegelicht. Uit het aantal vragen dat de Commissie dagelijks over dit onderwerp ontvangt, blijkt namelijk duidelijk dat de huidige regels, inclusief de waarde van de “indicatieve niveaus”, voor verwarring zorgen. In het voorstel wordt op dit punt helderheid verschaft en burgers krijgen meer mogelijkheden om veraccijnsde goederen in de lidstaten van hun keuze aan te schaffen zonder dat zij deze goederen hoeven aan te geven en daarover in hun eigen land belasting hoeven te betalen. Op die manier wordt het systeem beter afgestemd op de beginselen van een echte interne markt.

Wat betreft het commerciële goederenverkeer stelt de Commissie voor om het grondbeginsel te handhaven dat de accijns in de lidstaat van bestemming moet worden betaald, maar ook om de procedures die in die lidstaat moeten worden gevolgd, te harmoniseren en te vereenvoudigen. Dat zal vooral gunstig uitwerken voor kleine en middelgrote ondernemingen als wijnhandelaars die proberen hun producten rechtstreeks in andere lidstaten op de markt te brengen. Op dit moment weerhouden de complexe regels, die per lidstaat aanzienlijk verschillen, deze bedrijven er vaak van zaken te doen in andere lidstaten.

Gezien het belang van deze onderwerpen voor zowel burgers als bedrijven hoop ik dat de positieve toon van dit verslag, dat vandaag voor ons ligt, morgen in de stemming wordt weerspiegeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling, namens de PPE-DE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, een grote meerderheid van mijn fractie is van plan het verslag van de heer Rosati goed te keuren. Ik wil er echter niet aan voorbijgaan dat deze door de Commissie economische en monetaire zaken goedgekeurde tekst tal van problemen oproept. Doordat uiteenlopende belangen zijn geformuleerd, is er een algehele constructie ontstaan die enigszins wankel is en een zeker gebrek aan samenhang en zelfs tegenstrijdigheden vertoont. Nogmaals, we hebben gezien hoe gevoelig belastingkwesties in de Europese Unie nog steeds zijn. Daarom zou het wenselijk zijn dat wij ons bij de behandeling van deze zaken strikt houden aan de principes die wij voortdurend verkondigen.

Doelstelling van het voorstel van de Commissie is om vooruitgang te boeken bij de totstandbrenging van de interne markt, om het vrij verkeer van aan accijns onderworpen producten te bevorderen en, ten slotte, om de consumenten tegemoet te komen door hen in staat te stellen hun aankopen te verrichten op de plaats die hun goeddunkt. Onder deze omstandigheden verbaas ik mij over de voorstellen van sommige van mijn collega's, waardoor een situatie zou ontstaan die in strijd is met deze gedachtegang en waardoor we zelfs zouden terugkeren naar de situatie die vóór 1993 bestond.

Dit alles is verbazingwekkend en zelfs verontrustend, maar laten we terugkomen op de principekwesties. De logica van de interne markt schrijft heel duidelijk voor dat de eindverbruiker over producten die voor persoonlijk gebruik zijn bestemd, accijns betaalt in de lidstaat van verkrijging. Het bestaan van indicatieve niveaus, die de maximale hoeveelheid bepalen van goederen die van de ene naar de andere lidstaat kunnen worden vervoerd, is een te starre belemmering geworden, hetgeen de Commissie ertoe heeft aangezet om voor te stellen deze niveaus te schrappen. Dat is een goede suggestie, die de Commissie economische en monetaire zaken helaas slechts gedeeltelijk heeft overgenomen, aangezien zij instemt met het principe om de indicatieve niveaus af te schaffen, maar in een amendement naar deze zelfde niveaus verwijst alsof ze zouden worden gehandhaafd.

Een ander voorbeeld van een gebrek aan samenhang is dat consumenten in de toekomst niet langer verplicht zijn de producten zelf te vervoeren om te kunnen profiteren van de regel dat accijns in het land van verkrijging moet worden betaald. Ook dat betekent een aanzienlijke vooruitgang.

Voor “afstandverkopen” (distance sales) daarentegen blijft de regel van het land van bestemming gelden. Het probleem is dat de scheidslijn tussen de twee gevallen niet altijd duidelijk is en dat een verschillende behandeling tot tal van praktische problemen zal leiden; daar ben ik van overtuigd.

Op basis van deze overwegingen heb ik een aantal amendementen ingediend om het onderscheid tussen verkoop ter plaatse en verkoop op afstand weg te nemen, maar de Commissie economische en monetaire zaken heeft mij hierin niet gevolgd. Ik heb mijn voorstellen ingetrokken, omdat men zei dat de burgers er nog niet aan toe waren en dat de voorstellen een revolutie zouden betekenen. Toch zou het louter een kwestie zijn van het volgen van de logica van de interne markt. Op een moment dat de Europese eenwording een uiterst gecompliceerde zaak blijkt te zijn – een situatie waarin we ons thans bevinden – kunnen wij dergelijke inconsistenties niet blijven aanmoedigen, omdat de Europese burgers hierover zeer streng zullen oordelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Katerina Batzeli, namens de PSE-Fractie.(EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, de herziening van het bestaande wetgevende kader is onvermijdelijk, willen we de Europese burgers en ondernemers duidelijke en eenvoudigere wetten geven.

In het kader van die inspanning wil ik twee punten benadrukken, die volgens mij een beslissende rol kunnen vervullen. Ten eerste schrapt de onderhavige ontwerprichtlijn de verwijzing naar indicatieve niveaus. Die niveaus fungeren vandaag als enige kwantitatieve criteria voor de overheidsdiensten van de lidstaten, wanneer deze bij de invoer van producten, waarop accijnzen worden geheven, dienen te oordelen over het al dan voor commerciële doeleinden voorhanden hebben van die producten. De afschaffing van de indicatieve niveaus geeft de nationale overheidsdiensten de mogelijkheid om telkens eigen criteria vast te leggen en toe te passen om te beoordelen of accijnsgoederen bestemd zijn voor particulier of commercieel gebruik. Volgens mij strookt dat niet met de beginselen van de interne markt; integendeel, dit is een stap terug in de richting van renationalisatie. Het behouden van de indicatieve niveaus of zo nodig het uitvoeren van een studie ter beoordeling van de bestaande niveaus of van hun vervanging door nieuwe indicatieve niveaus, zou volgens mij een correctere oplossing zijn.

Ten tweede moet de onderhavige ontwerprichtlijn worden beschouwd als een overgangsfase met het oog op de harmonisering van de nationale wetgevingen en de voltooiing van de interne markt in alle sectoren. Uiteindelijk moeten de nationale wetgevingen en de interne markt worden voorbereid op het harmoniseren van de accijnzen die elke lidstaat heft. Dat is trouwens het logische gevolg van de marktvrijheid die de interne markt kenmerkt.

Toch wil ik benadrukken dat de ontwerprichtlijn het huidige stelsel in grote mate verbetert. De voorstellen inzake een betere omschrijving van problematische begrippen als “het commerciële doeleinde”, inzake de definitie van “geschenk” bij producten waarop in de lidstaat van verkrijging accijnzen worden geheven, inzake afstandsverkoop en ten slotte inzake de vereenvoudiging van de mechanismen, dragen allemaal bij tot een oplossing voor de huidige problemen.

Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik wil rapporteur Rosati gelukwensen mijn zijn omvattende voorstel over dit thema en ik vind dat het Parlement zijn voorstel morgen moet aannemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Margarita Starkevičiūtė, namens de ALDE-Fractie. – (LT) De indruk bestaat dat de wellicht wat technische vraag waarover we ons vanavond buigen, in feite verband houdt met het probleem van het overheidsbeleid. Hoe kunnen we het staatsbestuur combineren met elementen van een vrije markt teneinde optimale omstandigheden te creëren voor economische ontwikkeling? Op deze vraag is duidelijk geen eenvoudig antwoord te geven; de ervaring met de economische hervormingen die wij, de nieuwe lidstaten, echter hebben doorgevoerd, levert echter het waterdichte bewijs dat de beste resultaten behaald kunnen worden als het probleem op geïntegreerde wijze wordt aangepakt. Ik ben blij met het voorstel van de Commissie om een einde te maken aan de indicatieve kwalitatieve beperkingen die momenteel door de douane in de verschillende landen worden gehanteerd om de hoeveelheid accijnsproducten te bepalen die mag worden ingevoerd voor persoonlijke doeleinden. Een dergelijke procedure is namelijk in strijd met de essentiële voorwaarden voor de werking van de gemeenschappelijke markt. Hoe kunnen we het immers hebben over een gemeenschappelijke markt als mensen geen goederen kunnen invoeren voor persoonlijke doeleinden? We kunnen echter niet voorbijgaan aan de problemen die met dit vraagstuk verbonden zijn.

Allereerst zouden de grenslanden, met name de oostelijke grenslanden, te maken kunnen krijgen met een grotere stroom smokkelwaar, omdat de prijzen van sterkedrank, zowel in Rusland als in Wit-Rusland, veel lager zijn en omdat bij het besluit om smokkel te bestrijden niet alleen gekeken zou moeten worden naar het verbeteren van de grensbewaking. Ik verzoek de Commissie met klem de noodzaak in overweging te nemen van het sluiten van overeenkomsten met naburige Oost-Europese staten en hen uit te nodigen samen te werken in onze strijd tegen smokkel.

Het andere probleem waar we tegenaan zullen lopen, is het ontstaan van een kleine groep handelaren die sterkedrank zullen verhandelen van de ene naar de andere lidstaat, bijvoorbeeld van Estland, waar de accijnzen laag zijn, naar Finland, waar de accijnstarieven, en dus de prijzen, hoger zijn. Dit probleem kan bijna niet worden opgelost zonder een geïntegreerde aanpak van de ontwikkeling van grensregio’s en het scheppen van nieuwe banen, teneinde deze mensen de kans te geven op een andere manier in hun levensonderhoud te voorzien.

De economische maatregelen die zouden kunnen bijdragen tot het voorkomen van negatieve gevolgen zijn altijd voorhanden. Bovendien hebben wetenschappers aangetoond dat een gemeenschappelijke markt veel meer voordelen biedt; zo ligt het BBP per hoofd in de Europese Unie 20 procent hoger vanwege de gemeenschappelijke markt. De voordelen wegen dus zwaarder dan de problemen die zullen ontstaan wanneer de bepalingen in deze richtlijn ten uitvoer worden gelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter, namens de Verts/ALE-Fractie. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, de huidige minimumaccijns op alcoholische dranken kan in een bepaald land nul bedragen, terwijl andere landen juist voor een hogere accijns kiezen, voornamelijk met het oog op de volksgezondheid.

Door oneerlijke belastingconcurrentie legt de onbeperkte vrijheid van verkeer in beginsel alle lidstaten de verplichting op om het beleid toe te passen van de lidstaat met de laagste accijns. Dat zou het geval zijn als we de term “persoonlijk gebruik” zonder tijdslimiet hanteren. Omdat veel alcoholhoudende dranken levenslang bewaard kunnen worden, kan iedereen beweren dat een vrachtwagen vol met drank bedoeld is voor persoonlijk gebruik gedurende de komende veertig jaar. Als dat zo zou zijn, krijgen smokkelaars de vrije hand. Op basis van een 120-dagen-beginsel kan echter bijvoorbeeld rekening worden gehouden met verjaardagsfeestjes of verschillen in consumptieniveaus tussen landen, terwijl er tegelijkertijd ook een juridisch referentiepunt beschikbaar is om te bepalen wat er in termen van persoonlijk gebruik als redelijk beschouwd kan worden.

Indien dit amendement wordt weggestemd, betekent dat in de praktijk een verbod voor alle EU-landen om met het oog op de volksgezondheid maatregelen te nemen ter bestrijding van de tabaks- en alcoholconsumptie. Dat kan toch niet echt de bedoeling zijn van dit Parlement, want dat zou in strijd zijn met artikel 30 van het Verdrag.

 
  
MPphoto
 
 

  John Purvis (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, in zijn Engelse woordenboek van 1755 beschreef Samuel Johnson accijns als een “onsympathieke belasting”. Nu zijn deze belasting en de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend, eveneens zeer onsympathiek voor mijn Schotse kiezers geworden. Zij bellen me in tranen op om te vertellen hoe hun auto binnenstebuiten wordt gekeerd en hoe douanebeambten hun kinderen schrik aanjagen. Weliswaar wordt hun verteld dat ze bij de rechtbank in beroep kunnen gaan, maar ze hebben veel minder mogelijkheden om de gerechtskosten te betalen dan de douanediensten die daarvoor onbeperkte middelen tot hun beschikking hebben. Bovendien berust de bewijslast bij de burger.

En wat is het voordeel van deze overdreven hoge accijnzen? Eerlijke detailhandelaren zijn er het slachtoffer van. Zij kunnen niet concurreren met persoonlijke aankopen in het buitenland, of met de veel ernstigere smokkelpraktijken van de georganiseerde misdaad, die door deze vorm van belasting worden bevorderd. Accijnzen leiden zelfs tot een algehele daling van de belastinginkomsten. Daar komen ook nog eens de kosten van al die extra douane-inspecteurs bij.

Dan de gezondheid. Worden roken en drinken werkelijk door accijnsheffing ontmoedigd? Welnee! Dat er zoveel sigaretten en alcohol door individuen worden ingevoerd en gesmokkeld, betekent immers dat de daadwerkelijke kosten van roken en drinken juist lager liggen. Accijnzen zijn niet alleen onsympathiek, ze zijn ook zinloos en dit laatste geldt in nog sterkere mate voor hoge accijnzen die uit de pas lopen met de tarieven in andere landen. Het enige effect ervan is dat de aankooppatronen absurd worden verstoord en dat er een vruchtbare voedingsbodem voor een florerende georganiseerde misdaad ontstaat.

U, mijnheer de commissaris, hebt de taak ervoor te zorgen dat de interne Europese markt naar behoren functioneert, met vrij verkeer van goederen en personen; en het is duidelijk dat die macht niet functioneert wanneer er grote verschillen in de accijnstarieven bestaan. Ik, wij, zijn voorstander van belastingconcurrentie. Er bestaat al concurrentie op het gebied van de inkomsten- en vennootschapsbelasting en dat is een goede zaak. Waarom kan dat ook niet voor accijnzen gelden? Misschien is het tijd om de accijnsheffing volledig af te schaffen en als enige verbruikersbelasting de belasting op de toegevoegde waarde te innen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zsolt László Becsey (PPE-DE).(HU) Ook ik ben van mening dat de amendementen voorstellen zouden moeten omvatten om het verkeer van accijnsproducten te vereenvoudigen, met het oog op de voltooiing van de interne markt. Ik ben het er tevens mee eens dat in het verslag de bewijslast duidelijk bij de nationale autoriteiten wordt neergelegd. Verder beschouw ik het als een stap voorwaarts dat er in de onderhavige ontwerpresolutie van het Europees Parlement kwantitatieve indicatieve niveaus zijn opgenomen voor het grensoverschrijdend verkeer van accijnsproducten. De Unie wordt echter niet alleen verdiept, zij breidt zich ook uit. Dit betekent dat de verschillen in inkomens en prijzen tussen de lidstaten gedurende langere tijd aanzienlijk groter zullen zijn. Met name aan de oostelijke grenzen van de EU, bijvoorbeeld in Roemenië, een buurland van Hongarije, zal het behoorlijk lang duren voor de prijzen en inkomens het niveau zullen kunnen bereiken van dat in buurlanden met hogere inkomens. Of, als zij zich hiervan niets aantrekken en de prijzen toch verhogen via door de overheid vastgestelde prijzen en accijnzen, dan zal het aandeel van de illegale goederen in omloop aanzienlijk stijgen. Een logisch en rampzalig gevolg hiervan zou zijn dat er een verkeer ontstaat van goederen die eigenlijk bestemd zijn voor de handel, maar die bij het passeren van nationale grenzen worden aangegeven als goederen voor persoonlijke doeleinden. Het resultaat daarvan zou het georganiseerde verkeer van dergelijke goederen zijn, onder de onzorgvuldig gebruikte slogan van het verdiepen van de interne markt. In Hongarije zou dit bijvoorbeeld niet alleen een verlies aan accijnsopbrengsten voor de schatkist betekenen, maar het zou ook in algemene zin schadelijk zijn voor de detailhandel en voor producenten van accijnsproducten.

Mijn tweede opmerking naar aanleiding van het verslag is dat het moeilijk is concurrentie en het verlagen van de indirecte belastingen te rijmen met het doel om de rol van indirecte wijzen van belastingheffing te vergroten ten opzichte van de directe belastingen, teneinde ons concurrentievermogen te vergroten. Ik ben van mening dat een van de lessen die moeten worden getrokken uit de schok die de referenda van vorige week teweeg hebben gebracht, is dat de uitbreiding van de EU niet alleen mooie, ideale effecten heeft op de lange termijn; zij heeft ook directe gevolgen voor de echte economie, die op de korte termijn zelfs negatief kunnen zijn. Het is oneerlijk om onze naaste buurlanden alleen te laten opdraaien voor deze negatieve gevolgen, onder het mom van de almacht van de interne markt. In gevallen waarin sprake is van aanzienlijke inkomens- en prijsverschillen, zou een overgangsperiode zeker moeten worden toegestaan. Gedurende die periode kunnen welvarender buurlanden hun interne markt beschermen – zelfs na 2009, zoals is vastgelegd in de Toetredingsverdragen in gevallen van aantoonbare noodzaak – door van overheidswege vastgestelde drempels te handhaven en deze drempels te blijven controleren.

 
  
MPphoto
 
 

  László Kovács, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag enkele opmerkingen maken over de ingediende amendementen. Via een aantal amendementen worden overwegingen gewijzigd of toegevoegd om te benadrukken dat er ook voor accijnsproducten een interne markt moet worden gecreëerd. Ik kan u verzekeren dat dit precies het doel is van het Commissievoorstel. Volgens mij komt dat reeds naar behoren in de overwegingen tot uitdrukking.

Wat betreft het amendement waarin de Commissie verzocht wordt de “indicatieve niveaus” te bestuderen en te herbeoordelen, kan ik alleen maar zeggen dat de Commissie deze in dit verslag heeft bestudeerd. Dat vormde de basis voor haar voorstel, en zij is tot de conclusie gekomen dat de genoemde niveaus uit de EU-wetgeving moeten worden geschrapt. Daarom, en omdat zulke indicatieve niveaus door het voorgestelde amendement niet opnieuw in de richtlijn worden opgenomen, acht ik het niet nodig dat de Commissie een nieuw verslag over dit vraagstuk opstelt.

Ten slotte wordt in het amendement over de bewijslast met betrekking tot goederen voor particulier gebruik de bewijslast ogenschijnlijk volledig bij de overheidsdiensten gelegd. Op dit punt is de aanpak van de Commissie iets anders en wellicht wat neutraler. Het is aan de burger om uit te leggen of aan te tonen waarom hij de goederen in kwestie vervoert. Het is aan de overheidsdiensten om op grond van deze gegevens een besluit te nemen. Omdat een dergelijke beslissing altijd kan worden betwist, moet zij goed gefundeerd zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Othmar Karas (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik ben van mening dat dit debat zonder meer duidelijk maakt dat ons nog veel te doen staat, als we werkelijk een interne markt op alle terreinen van ons leven willen verwezenlijken.

Enerzijds moeten wij liberaliseren, vereenvoudigen, harmoniseren of minimumnormen ontwikkelen, anderzijds bestaat er natuurlijk ook een behoefte om beschermingsmechanismen in te bouwen, met name als het gaat om gezondheid. We zijn bezig beide doelen stap voor stap te verwezenlijken. Ik ben voorstander van de interne markt, en iedere inspanning waarmee de interne markt wordt versterkt, is in het belang van de economische groei en de werkgelegenheid, en dat van de consumenten.

Het tweede punt is in het debat duidelijk aan bod gekomen: dit is geen medebeslissingsprocedure. Het Europees Parlement moet over iedere kwestie geraadpleegd worden via de medebeslissingsprocedure, ook over kwesties met betrekking tot het belastingbeleid, en als we een interne markt willen verwezenlijken, moeten wij meer aandacht besteden aan het belastingbeleid binnen de Europese Unie. Ik ben voorstander van belastingconcurrentie, maar iedere vorm van concurrentie heeft zijn grenzen. Als de bandbreedten te groot zijn, kan dat leiden tot ernstige concurrentievervalsing. Maar ook met betrekking tot het belastingbeleid is actie noodzakelijk.

Tot slot juich ik het als voorzitter van de intergroep kleine en middelgrote ondernemingen toe dat het onderhavige voorstel de burgers meer duidelijkheid verschaft en – zoals de commissaris heeft gezegd – via de vereenvoudiging van de procedures tot meer duidelijkheid en vermindering van de lasten leidt voor de kleine en middelgrote ondernemingen en derhalve ook voor handelaren. Met dit voorstel zijn we er echter nog niet, want we hebben nog altijd geen interne markt en dus blijven nieuwe inspanningen noodzakelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag om 12.00 uur plaats.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid