Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Woensdag 8 juni 2005 - Straatsburg Uitgave PB

22. Versterking van de Europese concurrentiepositie
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0148/2005) van Dominique Vlasto, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over de versterking van de Europese concurrentiepositie: gevolgen van de industriële veranderingen voor het beleid voor en de rol van het MKB (2004/2154(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, het verslag dat ik u vanavond voorleg bevestigt dat we opnieuw de ambitie koesteren een industrieel beleid voor de uitgebreide Unie te ontwerpen. Daar was dringend behoefte aan. Het is echter van belang dat we verder gaan. Bij het industriebeleid is tijd een schaars goed en we moeten onze ambities vlugger in maatregelen omzetten.

Ik ben de afgelopen week met een afvaardiging van de stad Marseille in Sjanghai geweest. Industrie is de ruggegraat van de ontwikkeling in China. Innovatie en nieuwe technologieën zijn de belangrijkste elementen bij de ontwikkeling van de Chinese industrie – de economische groei in dit land is constant. De dynamiek van deze maatschappij is in één woord duizelingwekkend. Laat ik echter duidelijk stellen dat ik er geen voorstander van ben dat de Europese Unie het Chinese ontwikkelingsmodel volgt. Ik zou daarentegen wel graag willen dat ons Europa zich de middelen verschafte om te kunnen concurreren met economische reuzen als de Verenigde Staten, China, India en een aantal andere landen.

Voor ons bestaat de uitdaging dus vooral in het verbeteren van ons concurrerend vermogen – door innovatie, door investering in onderzoek, door meer know-how, door kennis. De Commissie en vice-voorzitter Verheugen hebben een hele reeks voorstellen in die richting gedaan. Waar we nu op wachten is dat deze voorstellen omgezet worden in concreet beleid. Dat is de achtergrond waartegen u dit verslag en al hetgeen daarin gesteld wordt moet zien.

Om te beginnen geloven wij dat een beleid geconcentreerd moet zijn op doelstellingen die het beleid een richting kunnen geven, zoals het ontwikkelen van een solide Europese industriële basis, het scheppen van werkgelegenheid – vooral voor jongeren –, en het creëren van een Europese industriële voorhoede die het merk 'Made in Europe' kan uitdragen. Het Europees industriebeleid moet zich op werkelijk alle ondernemingen richten en een integraal onderdeel van de strategie van Lissabon worden. De Commissie houdt vast aan een sectoriële aanpak, en wij vinden dat een goede zaak, omdat er bij het industriebeleid ook rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van de verschillende sectoren. Een doeltreffend beleid zal echter ook rekening moeten houden met de aard van de bedrijven zelf, aangezien slechts 1 procent van de Europese ondernemingen bestaat uit grote groepen, terwijl er miljoenen kleine en middelgrote ondernemingen zijn die tezamen het Europese industrienetwerk vormen. De Commissie zal zich een heuse inspanning moeten getroosten om met de kleine bedrijven rekening te houden.

Een tweede aspect is de territoriale dimensie en die mogen we niet uit het oog verliezen. Industrie oefent een aantrekkingskracht uit op andere economische activiteiten, en dat betekent dat de vestiging van industrieën bij de ontwikkeling van veel regio’s een belangrijke rol speelt. De structuurfondsen moeten dus hulp bieden bij de industriële ontwikkeling en als instrument dienen bij de economische omschakeling van regio’s die door het wegtrekken van bedrijven getroffen zijn. We zullen een specifiek antwoord moeten formuleren op dit probleem. We moeten vaststellen welke sectoren gevaar lopen, proberen te voorspellen waar bedrijven zullen verdwijnen en steun bieden bij de omschakeling van de getroffen regio’s. Daarbij moet rekening worden gehouden met de verschillen tussen de vijfentwintig landen van de Europese Unie.

Tot slot geloven we dat elk beleid moet zijn gebaseerd op een duidelijke en doeltreffende methode, en dat geldt vooral, mijnheer Verheugen, voor uw belofte om kwalitatief betere wetgeving af te leveren. We hebben behoefte aan een methode voor het vereenvoudigen van de wetgeving en die methode dient rekening te houden met de cumulatieve impact van de wetgeving voor elke sector afzonderlijk. Er moet dus een systeem worden ontwikkeld om onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van voorgestelde wetgeving, waarbij rekening gehouden wordt met de kleine en middelgrote ondernemingen. Dat systeem moet ons vooral in staat stellen om aan de hand van heel precieze criteria na te gaan hoe er op elke raadpleging van de Commissie gereageerd is. Ik voeg daaraan toe dat ook de Raad en het Parlement zich een inspanning zullen moeten getroosten en dat ook zij actief moeten deelnemen aan de verwezenlijking van deze doelstelling – het tot stand brengen van betere wetgeving.

Mijnheer Verheugen, u zult zeker hebben vastgesteld dat we grote verwachtingen koesteren. Wat daarvan komt hangt voor een deel samen met de uitkomst van de onderhandelingen over de financiële vooruitzichten met betrekking tot de verschillende instrumenten voor het industriebeleid, maar ook van ons vermogen om de instrumenten die ons nu reeds ter beschikking staan te gebruiken – het mededingingsbeleid, onderwijs, toewijzing van overheidssubsidie, en zelfs het handelsbeleid. Ik hoop dat de bijdrage van dit Parlement zal helpen om deze uitdaging tegemoet te treden.

 
  
MPphoto
 
 

  Günther Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het verslag dat vanavond ter discussie staat, is volledig in lijn met de overtuigingen van de Commissie en met het beleid dat wij voeren, en daarom ben ik bijzonder dankbaar voor de steun van het Europees Parlement.

In de eerste plaats moesten we ervoor zorgen dat het industriebeleid in Europa in het algemeen weer als een politieke taak wordt opgevat. We moesten duidelijk maken dat we in Europa niet zonder een sterke, efficiënte industriële basis kunnen en dat het een vergissing is om te denken dat wij alleen van dienstverlening kunnen leven. Dat is al bereikt.

Ten tweede dienen we zeker te stellen dat de Europese industrie zich op lange termijn in de steeds feller en mondialer wordende concurrentiestrijd staande houdt. Dat is het hoofdpunt in de nieuwe strategie voor groei en werkgelegenheid die de Commissie heeft gepresenteerd en waarmee het Parlement met grote meerderheid heeft ingestemd. Waar wij vooral op aansturen, is de verbetering van ons innovatieve vermogen. De Europese industrie kan alleen op wereldwijde schaal overleven en voor groei en werkgelegenheid zorgen als het product 'Made in Europe' een absoluut topproduct is. We kunnen niet concurreren met lagere sociale standaards, met lagere milieunormen of met lagere lonen, maar we moeten concurreren door middel van efficiëntie, kwaliteit en technologische vooruitgang.

Ten derde moeten we heel precies analyseren waar onze industrie structurele problemen heeft. Ik zal binnenkort al een mededeling presenteren waarin de industriële sectoren in Europa exact worden geanalyseerd en waarin we zullen uiteenzetten welke afzonderlijke stappen er nodig zijn om de concurrentiekansen van de Europese industrie te verbeteren. Want iedereen zal inzien dat de problemen van de auto-industrie niet dezelfde zijn als die van de chemische industrie en dat de problemen van de textielindustrie niet dezelfde zijn als die van de machinebouw.

Ik ben de rapporteur bijzonder dankbaar dat zij nadrukkelijk heeft gewezen op het probleem van het midden- en kleinbedrijf. Dat heeft voor mij hoge prioriteit; er zijn 25 miljoen van deze bedrijven, en de Europese economie drijft op hun flexibiliteit en het innovatievermogen. We mogen nooit vergeten dat nieuwe banen in Europa in deze sector worden geschapen, en in deze sector alléén.

De toegenomen productiviteit van de Europese industrie zal ertoe leiden dat er de komende jaren geen nieuwe banen in de industrie bij zullen komen. Banen worden alleen door het midden- en kleinbedrijf gecreëerd, en daarom moeten wij hen helpen hun structurele problemen te overwinnen. Dat houdt in: toegang tot risicokapitaal, toegang tot kennis, knowhow en innovatie, alsmede betere randvoorwaarden, en dan denk ik vooral aan minder bureaucratie, voor het midden- en kleinbedrijf.

De reguleringsdichtheid die we in Europa in vele sectoren hebben gecreëerd is eenvoudigweg te veel voor kleine en middelgrote ondernemingen. Daarom doe ik vandaag een aankondiging die ook aan het adres van het Europees Parlement is gericht. Deze Commissie neemt het project 'betere wetgeving' uiterst serieus. Dat betekent niet alleen dat wij de kwaliteit van de wetgeving zullen verbeteren, het betekent ook dat wij voortaan veel vaker 'nee' zullen zeggen.

We zullen 'nee' zeggen tegen verzoeken vanuit de lidstaten om regelgeving die we niet nodig hebben, en ik zal ook 'nee' zeggen tegen verzoeken vanuit het Europees Parlement om overbodige regelgeving – zoals helaas vaak gebeurt –, terwijl datzelfde Parlement de Commissie vervolgens op de korrel neemt omdat zij te veel reguleert. U zult op dit vlak een nieuwe Commissie meemaken. We zullen 'nee' zeggen tegen het in gang zetten van overregulering en we zullen zien hoe het Europese publiek reageert. Ik ben benieuwd en ik hoop op uw medewerking.

Een gezonde zelfregulering op het terrein van de wetgeving, dat verwachten de burgers van Europa momenteel van ons. En dat is ook wat onze economie nodig heeft om haar groeikansen en investeringsmogelijkheden te verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Romana Jordan Cizelj, namens de PPE-DE-Fractie. – (SL) In vergelijking met grote ondernemingen hebben kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s) speciale behoeften als het erom gaat hun concurrentiekracht te ontwikkelen. Bij het formuleren van beleid moet er dus ook speciale aandacht aan hen worden besteed en het industrieel beleid mag daarbij geen uitzondering vormen. Industriële ontwikkeling op basis van kennis is immers niet voorbehouden aan grote ondernemingen. Meer financiële middelen voor onderzoek zijn bijvoorbeeld nog altijd geen garantie voor meer innovaties en om die reden hebben we de ondernemingszin nodig die belichaamd wordt in KMO’s.

Kleine en middelgrote ondernemingen zijn niet alleen de drijvende kracht achter economische groei. We moeten ons realiseren dat zij ook in politieke zin een kans betekenen voor de Europese Unie. Ze hebben ook een politieke dimensie: de verwerping van het Grondwettelijk Verdrag in Frankrijk en Nederland is onder meer een gevolg van het feit dat de burgers van Europa niet rechtstreeks voelen wat de effecten zijn van het functioneren en de besluiten van de Europese instellingen.

Iets dergelijks geldt ook voor KMO’s, die het aan eigen middelen ontbreekt om te profiteren van de voordelen die de Europese Unie verschaft. In het verslag hechten wij als Europees Parlement daarom met name onze steun aan institutionele maatregelen die het innovatieve vermogen van KMO’s zullen versterken. Wij zijn er voorstander van dat de Europese Unie prioriteit geeft aan onderling verbonden processen zoals onderzoek, onderwijs en het uit de weg ruimen van administratieve belemmeringen, die kleine en middelgrote ondernemingen in het bijzonder verhinderen de mogelijkheden die de EU hun biedt, te benutten.

Mijnheer de commissaris, bij het opstellen van het verslag hebben wij zeer enthousiast samengewerkt met leden uit de nieuwe lidstaten. Wij zijn ons er ten zeerste van bewust dat het industrieel beleid een kans kan zijn voor zowel de in geografisch opzicht grotere oude lidstaten, waarin de voorwaarden aanwezig zijn voor de ontwikkeling van industriële zwaargewichten, als de nieuwe lidstaten, die met hun dynamische sectoren van innovatieve KMO’s de basis kunnen vormen voor aanzienlijke economische groei en voor het vergroten van het Europese concurrentievermogen op de lange termijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Joan Calabuig Rull, namens de PSE-Fractie. (ES) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, verschillende evaluaties duiden erop dat de onzekerheid, met name met betrekking tot de werkgelegenheid en de sociale zekerheid, een belangrijke reden is geweest waarom veel inwoners van Frankrijk en Nederland het Grondwettelijk Verdrag hebben afgewezen.

Na vele jaren waarin het woord 'industriebeleid' was verdwenen, duikt het nu weer op. Daar zouden wij ons allemaal over moeten verheugen want het stimuleren van een solide industriesector is de manier om ervoor te zorgen dat de burgers beter betaald werk dat meer zekerheid biedt, kunnen vinden. Op die manier wordt een bijdrage geleverd aan de vergroting van het vertrouwen van de burgers in het Europese project.

In de mededeling van de Commissie wordt een geïntegreerde aanpak voorgesteld, inclusief de vereenvoudiging en harmonisering van de wetgeving om de interne markt te consolideren. Verder wordt ingezet op onderzoek en ontwikkeling en op de noodzaak om de overdracht hiervan naar het bedrijfsleven te stimuleren. Deze harmonisering zou echter ook een fiscale dimensie moeten krijgen.

Het Europese industriële netwerk bestaat uit verschillende sectoren, variërend van vliegtuigbouw tot de textielindustrie, die allemaal een specifieke aanpak behoeven. De analyses per sector moeten leiden tot een betere samenwerking tussen industrie, Commissie en lidstaten om nieuwe mogelijkheden te kunnen creëren.

De kleine en middelgrote bedrijven, die 90 procent van de Europese industrie vormen, hebben speciale aandacht nodig met name wat betreft de toegang tot financieringen en de overdracht van onderzoek. Verplaatsing van industrieën is in sommige gevallen onvermijdelijk en wij moeten anticiperen op de veranderingen.

Met dat doel moet een dialoog tot stand worden gebracht tussen de overheid en de sociale en economische partners, waarbij rekening moet worden gehouden met de beschikbare instrumenten voor onderzoek en innovatie. Uiteraard is het instellen van een aanpassingsfonds bij het doorvoeren van deze herstructureringen onvermijdelijk.

Tot slot wil ik de Commissie gelukwensen met het feit dat zij in het kader van de Lissabonstrategie de juiste instrumenten heeft voorgesteld om de Europese concurrentie te verbeteren. Als wij echter willen dat de burgers de Unie zien als een instrument om vooruit te komen en niet als een bedreiging, dan moeten wij het evenwicht zien te bewaren tussen de drie pijlers van deze strategie, namelijk de economische, sociale en milieupijler.

 
  
MPphoto
 
 

  Marcin Libicki, namens de UEN-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik heb met genoegen geluisterd naar de woorden van mevrouw Vlasto en commissaris Verheugen. Ik kan evenwel niet reageren op wat hier in het Parlement naar voren is gebracht, want ik ben van mening dat ik op de inhoud van het verslag moet ingaan. Helaas moet ik zeggen dat er niets instaat over de bevordering van gezonde concurrentie, wat toch de hoeksteen is van een gezonde economie. In plaats daarvan staat het verslag bol van een interventionistische ideologie.

Paragraaf 1 luidt als volgt: "[Het Europees Parlement] verheugt zich over het besluit van de Europese Commissie om van het industriebeleid een prioriteit op de Europese agenda te maken". Nu wil ik het Parlement op het hart drukken om niet te vergeten dat er in een vrije economie niet zoiets bestaat als prioriteiten. In een vrije economie wordt alles bepaald door de behoeften van de samenleving en vertelt de vrije markt ons wat die behoeften zijn. Prioriteiten voor de economie bespreken staat gelijk aan het miskennen van de economie als zodanig.

Laat ik nu paragraaf 2 citeren: "[Het Europees Parlement] steunt het bevorderen van en vooruitlopen op een vrijwillig industriebeleid". Met alle respect, maar als moet worden benadrukt dat enig aspect van de economie op de toekomst moet vooruitlopen, dan is er ergens iets faliekant misgegaan. Dit impliceert immers dat de vrijheid voor ons geen wezenlijk kenmerk is van de economie, terwijl een vrije economie toch het fundament is voor succes.

In paragraaf 5 staat dat "de sociale dialoog de best presterende sectoren moet helpen aanwijzen". Ik wil het Parlement eraan herinneren dat de beoordeling of iets goed presteert en of diegenen die aan het roer van de ondernemingen staan zich niet te vlijtig aan de gezonde beginselen van de vrije markt houden, geen taak is voor de sociale dialoog.

Dat brengt mij bij paragraaf 6: "[Het Europees Parlement] zou graag zien dat vrouwen worden gestimuleerd om zich te laten opleiden voor industriële carrières". Dames en heren, dit is een ernstige pervertering van feministische idealen. Het heeft geen zin om vrouwen te stimuleren om zich te laten opleiden voor industriële carrières, want zij zullen werk vinden in welke sector zij maar willen. Ik zie niet in waarom vrouwen met de pneumatische boor zouden moeten werken.

Paragraaf 12 luidt: "een EU-industriebeleid moet leiden tot evenwichtige ontwikkeling door de maatschappelijke cohesie te handhaven". Ik wil het Parlement erop wijzen dat dit de verkeerde weg is voor wie uit is op concurrentievermogen en succes. 130 jaar geleden zei de toenmalige Britse premier dat het de taak van economen is om te voorkomen dat de overheid de economie schade berokkent. Het Verenigd Koninkrijk was toen het snelst ontwikkelende land ter wereld.

Ik reken er niet op dat de Europese Commissie mijn adviezen volledig zal overnemen, maar ik wil haar toch vragen met mijn opmerkingen rekening te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Leopold Józef Rutowicz (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil erop wijzen dat de leuze "het versterken van de Europese concurrentiepositie" al jaren tot vervelens toe wordt herhaald. Het is tijd dat wij duidelijk maken dat het verwezenlijken van een mondiale economie een reusachtige, doch essentiële uitdaging vormt. Hieruit volgt een aantal conclusies: De belangrijkste is dat er nauwkeurige en gedetailleerde uitvoeringsplannen en tijdschema's moeten worden opgesteld voor alle aan de orde gestelde zaken en te nemen maatregelen.

Met het oog op de beperkte middelen is het van belang dat wij besluiten op welke doelstellingen en prioriteiten wij ons concentreren, bijvoorbeeld het midden- en kleinbedrijf in de mondiale economie. Tegelijkertijd moeten wij oog hebben voor de bescherming van het milieu en de werkzekerheid, voor de wetenschap, onderzoeksprogramma's en opleidingen op het gebied van de nieuwe technologieën en nieuwe generaties producten en diensten, voor de productiviteit, mogelijke besparingen en de toegang tot onderzoek voor het midden- en kleinbedrijf.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Hudacký (PPE-DE). (SK) Ik wil allereerst de rapporteur bedanken voor haar uitstekende, evenwichtige verslag. In de Lissabonstrategie wordt versterking van de concurrentiekracht van het Europese bedrijfsleven duidelijk aangewezen als prioriteit van de Europese Unie. Ik zou de commissaris er echter op willen wijzen dat we ook de volgende punten in aanmerking moeten nemen als we deze doelstellingen willen realiseren.

Ten eerste moet er een eind gemaakt worden aan overbodige administratie en bureaucratische rompslomp binnen de EU. De Europese instellingen moeten de wetgeving waaraan bedrijven in de industriële sector, met name kleine en middelgrote ondernemingen, onderworpen zijn, verminderen en vereenvoudigen. Nationale wetgeving moet voorop staan, terwijl het industriebeleid van de Europese Unie uitsluitend beperkt dient te blijven tot noodzakelijke coördinatie en harmonisatie.

Ten tweede moet nadruk komen te liggen op het steunen en aanmoedigen van kleine en middelgrote ondernemingen in de industriële sector. Het MKB heeft duidelijk blijk gegeven van flexibiliteit en dat laatste is onontbeerlijk voor het bereiken van een noodzakelijk en duurzaam concurrentieniveau, zowel in Europa als op de wereldmarkt. Ik kan mij dan ook niet volledig vinden in het steunen van “nationale kampioenen”. Deze aanpak, waarbij het ontstaan van een klein aantal grote, dominante bedrijven gesteund wordt, zou vanzelfsprekend beslag leggen op een aanzienlijk deel van de EU-begroting en waarschijnlijk in strijd zijn met de beginselen van gezonde concurrentie, terwijl er geen enkele garantie is dat het concurrentievermogen van dergelijke ondernemingen er positief door wordt beïnvloed.

Ten derde hebben kleine en middelgrote ondernemingen in de industriële sector behoefte aan nieuwe stimulansen voor verdere technologische ontwikkeling, onderzoek en innovatie. De geplande programma’s, zoals het zevende kaderprogramma en het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie, moeten echter veel toegankelijker worden gemaakt voor kleine en middelgrote ondernemingen dan tot op heden het geval is. Er moeten meer structurele subsidies worden toegekend aan minderontwikkelde regio’s en aan de nieuwe lidstaten, zodat zij adequate technische infrastructuren kunnen ontwikkelen om de industriële basis in deze regio’s te verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Gierek (PSE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het verslag-Vlasto bevat zeer volwassen en evenwichtige afwegingen en luidt een nieuw stadium in voor het debat over het industriebeleid in Europa, dat momenteel in een crisis verkeert. Tegelijkertijd geven de burgers blijk van irrationele angst, zoals in de referenda in Frankrijk en Nederland.

Outsourcing is thans een dagelijks verschijnsel. Hoewel er ogenschijnlijk een economische rechtvaardiging voor bestaat, lijdt het geen twijfel dat er negatieve gevolgen aan zijn verbonden voor de samenleving. Wanneer wij het hebben over outsourcing mogen wij echter niet vergeten dat het gaat om een verzamelnaam voor uiteenlopende praktijken, namelijk enerzijds outsourcing binnen de Europese Unie, wat een positieve synergie op gang brengt, en anderzijds outsourcing buiten de Europese Unie, waaraan uitsluitend nadelen zijn verbonden.

De Europese Unie heeft een homogene markt nodig met een grote mondiale concurrentiekracht en een hoge mate van innovatie. Er bestaan twee soorten mechanismen om het concurrentievermogen te versterken. In de eerste categorie vallen de simplistische mechanismen die de voordelen van het zogenaamde Europese sociaal model beknotten. De tweede categorie omvat complexe mechanismen die berusten op intellectueel en sociaal kapitaal dat het uitgangspunt vormt voor organisatorische, technologische, technische en marktinnovatie.

Europa zou het voorbeeld moeten volgen van Japan en het Europa van het einde van de jaren ’60 door te relokaliseren, dat wil zeggen door moderne productie en kapitaal terug te brengen naar de gemeenschappelijke Europese markt. Een dergelijke relokalisering is dringend gewenst om de intellectuele eigendom te beschermen, om Europa op het gebied van knowhow weer aan de top te brengen, om banen te scheppen en om het concurrentievermogen van het Europees kapitaal te vergroten.

Dit ligt allemaal binnen de mogelijkheden op voorwaarde dat Europa zich losrukt uit de stagnatie en een economische groei van enkele procenten van het BBP bewerkstelligt. Er bestaan instrumenten die de relokalisering zonder meer zouden bevorderen. In tegenstelling tot het standpunt van diegenen voor wie de spreekwoordelijke Poolse loodgieter en metselaar synoniem zijn met angst en frustratie, valt hieronder ook de volledige liberalisering van de commerciële dienstverlening, zoals de Poolse socialisten voorstaan. Andere maatregelen betreffen de oprichting van bedrijvenparken rond innnovatiecentra en de invoering van het beginsel dat alle overheidsaankopen 'Made in Europe' moeten zijn. Voor dit laatste zou een Europese richtlijn moeten worden opgesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil mevrouw Vlasto bedanken voor haar verslag. Dit verslag is voor mij van groot belang, omdat ik gedurende jaren zelf als ondernemer actief was in het midden- en kleinbedrijf. Door de ervaring die ik daar heb opgedaan kan ik het concurrentievermogen van Europa en het midden- en kleinbedrijf vanuit de praktijk benaderen.

Ik ben ervan overtuigd dat de Europese economie dringend behoefte heeft aan echte mededinging en dat de Europese burgers meer inzicht in economische vraagstukken nodig hebben. De eerste van deze opgaven was opgenomen in de strategie van Lissabon, als een van de hoofddoelstellingen van de Europese Unie om onder meer de economische verschillen tussen de oude en de nieuwe lidstaten te overbruggen. Bedrijven uit de nieuwe lidstaten, en in het bijzonder de sector van het MKB in deze landen, met zijn flexibiliteit en vermogen zich aan te passen aan veranderende omstandigheden, bieden Europa een aanzienlijk potentieel voor economische ontwikkeling. Er moet echter wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan, wil dit potentieel tot wasdom komen. Zo moeten de bestaande obstakels in de interne markt worden weggewerkt (thans zijn dit er rond de 90). Voorts moeten de voorwaarden voor het opzetten van ondernemingen in de sector van het MKB worden verbeterd en moeten de lonen worden gekoppeld aan de arbeidsproductiviteit en doelmatigheid.

Ik denk dat de werkgelegenheid zal toenemen als wij een gunstig klimaat scheppen voor de ontwikkeling van de MKB-sector, de regelgeving vereenvoudigen en nieuwe regelgeving aannemen. De liberalisering van de markt voor dienstverlening zal als een katalysator werken voor de economische ontwikkeling van Europa en is tevens een nieuwe bron van werkgelegenheid. Voorts geloof ik dat wij onze burgers moeten sensibiliseren voor economische vraagstukken. Alleen als onze burgers de invloed van economische mechanismen op hun leven begrijpen en inzien dat veranderingen nodig zijn voor de verbetering van de levensstandaard, zullen zij niet meer bang zijn voor veranderingen.

De ontwikkeling van de kenniseconomie is de enige manier om het concurrentievermogen van de Europese economie te verhogen. Dit vergt investeringen in onderzoek, ontwikkeling en innovatie die nauw gelieerd moet zijn aan het bedrijfsleven, want de ontwikkeling van het MKB is afhankelijk van dergelijke investeringen. Bovendien moeten de onderwijs- en opleidingsstelsels beantwoorden aan de behoeften van de arbeidsmarkt. Daarnaast moet de idee van het levenslange leren brede ingang vinden.

Dit verslag kan een belangrijke factor worden in de ontwikkeling van de Europese economie en werkelijk vrije mededinging. Ik zal daarom voor dit verslag stemmen en ik wil ervoor pleiten dat de MKB-sector wordt erkend als de drijvende kracht van de economie.

 
  
MPphoto
 
 

  Pier Antonio Panzeri (PSE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, wat wij momenteel bespreken is bijzonder belangrijk, vooral in deze huidige fase, nu een groot deel van Europa in economische en sociale problemen verkeert. Deze problemen ondermijnen de concurrentiepositie van de Europese Unie en wijzen duidelijk op een productiviteitskloof met de VS en Japan, lage investeringsniveaus en een laag niveau van onderzoek en ontwikkeling, een gering innovatievermogen, met op het vlak van high tech, en delokalisatie van onderzoeksactiviteiten. Al die problemen moeten worden aangepakt. Verschillende malen hebben wij gezegd dat dit gedaan moet worden door de strategie van Lissabon opnieuwe te lanceren, maar deze strategie blijft schimmig en zal wegkwijnen als wij geen serieuze en krachtige investeringen in ons industriebeleid doen.

Ik moet zeggen, mijnheer de commissaris, dat het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie nog niet aan de verwachtingen beantwoordt. Het lijkt een opsomming van wat reeds bestaat terwijl wij juist behoefte hebben aan wezenlijke vernieuwingen. Vanavond hebben wij gehoord dat u een nieuwe mededeling zult presenteren: hopelijk bevat die wel de vereiste vernieuwingen. Er moeten keuzes worden gemaakt op het vlak van het algemeen economisch beleid, de voltooiing van de interne markt en het hervormingsbeleid van het openbare bestuur, het belastingstelsel en de infrastructuur. Daarnaast moet er gewerkt worden aan een bestuursplan, om tussen alle bestaande institutionele niveaus een coöperatieve interactie tot stand te brengen. Bovendien moet men zich bewust zijn van de noodzaak te investeren in sectoraal beleid en in horizontaal beleid, om de kleine en middelgrote ondernemingen te helpen die een belangrijke rol vervullen in de Europese Unie.

Tenslotte moeten de zogeheten heilzame cirkels opgezet dan wel uitgebreid worden: universiteiten, industriedistricten, onderzoekslaboratoria. Ik doel op de kweekvijvers voor innovatie, die van vitaal belang zijn voor het industriebeleid. Kortom, we moeten ons tempo veranderen, en zo snel mogelijk, als wij echt willen dat de Europese Unie de meer concurrerende en dynamische regio wordt die wij al zo lang als doelstelling voor ogen hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Werner Langen (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, de rapporteur, mevrouw Vlasto, heeft in de Commissie industrie, onderzoek en energie brede steun weten te verkrijgen. Ze heeft alle details belicht, maar ook dit verslag ontbeert de noodzakelijke aanzet tot een nieuw industriebeleid, zoals zoveel dingen die wij hier aannemen. Ik ben het volmondig eens met de heer Libicki: het regelgevingskader moet nog eens goed onder de loep worden genomen. Daarom zal dit verslag tot mijn spijt niet de uitwerking kunnen hebben die het zou moeten hebben.

De heer Verheugen heeft gezegd dat de Commissie in het kader van het project 'betere wetgeving' voortaan vaker 'nee' zal zeggen, met name tegen het Parlement en de lidstaten. Daarbij ziet hij de Commissie zelf over het hoofd. Juist daar zou hij een begin kunnen maken door de voorstellen door te kijken die al vijftien jaar niet ten uitvoer zijn gelegd en door binnen de Commissie concurrentie in te voeren op het terrein van de consumentenbescherming en de milieubescherming. Er zijn voldoende beginpunten, en naar mijn mening dient iedere Europese maatregel, zoals de voorzitter van de Commissie ooit voorstelde, drie tests te doorstaan: de kostentest, de mededingingstest en de subsidiariteitstest. Op dit punt wil ik de heer Hudacký gelijk geven: geen regelgeving op terreinen die onder de bevoegdheid van de nationale staten vallen.

We zien ons geconfronteerd met de vraag hoe Europa beslist tussen mededinging en afscherming. Werkt de grotere concurrentiedruk als een fitnessprogramma voor de Europese economie of is het oude Europa in economisch opzicht allang uitgerangeerd? De uitdagingen zijn reusachtig. Mijn overtuiging is dat de kern van Europa niet fit genoeg is voor de internationale mededinging en er daarom voor kiest om zichzelf af te schermen en buiten spel te zetten. Daar moeten wij beginnen. Europa staat onder concurrentiedruk van boven en van onderen. Enerzijds zijn wij te duur, anderzijds niet productief genoeg om ons de hoge kosten te kunnen permitteren. Daar komt alleen verbetering in door de zojuist toegetreden nationale economieën. De nieuwe lidstaten brengen ons deze concurrentie. Dat is het belangrijke pluspunt van de uitbreiding: meer concurrentie en daarmee een fatsoenlijk industriebeleid. Dat hebben we dringend nodig, en niet nog meer Europese programma’s waar we niets aan hebben en waarmee we het regelgevingskader uiteindelijk uit het oog verliezen.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik geloof in drie dingen: de Europese economie, de Europese industrie en het vermogen van de Europese industrie om concurrerend te zijn.

Helaas verlenen we echter vaak lippendienst aan de idee van concurrentiekracht, terwijl we intussen initiatieven steunen die de concurrentiekracht juist ondermijnen. Zo heeft de commissaris terecht opgemerkt dat we soms geneigd zijn tot overregulering, hetgeen extra bureaucratie en productiekosten oplevert. Soms zijn we er ons niet eens van bewust dat we de concurrentiekracht met onze eigen ideeën en wetgeving uithollen. Onlangs hebben we de limiet in de arbeidstijdenrichtlijn verlaagd. Dit is natuurlijk heel paradoxaal gelet op de concurrentiekracht.

We praten soms over investeringen in technologische vernieuwing en dat we afhankelijk zijn van publiekprivate samenwerking. Dit is de manier waarop dit onderwerp naar voren wordt gebracht. Maar Europa is geen ideaal model voor publiekprivate samenwerking. Wij proberen onderzoek op basis van vage morele kwesties aan banden te leggen.

Tenslotte is er naast de bevordering van investeringen in innovatie en onderzoek een trend zichtbaar tegen het verlenen van octrooien. We dienen te beseffen dat we onze prioriteiten moeten stellen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Othmar Karas (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst wil ik graag zeggen dat ik het feit dat het belang van de kleine en middelgrote ondernemingen voor de werkgelegenheid en voor het concurrentievermogen in de Europese Unie erkend wordt in het mededingingsbeleid en in het debat over het industriebeleid als verfrissend ervaar en zeer op prijs stel. Deze erkenning in het debat van vandaag toont ook aan dat iedere poging om het industriebeleid tegen het MKB-beleid uit te spelen onjuist, schadelijk en in strijd met de werkelijkheid is. We hebben industriële vlaggenschepen nodig als we concurrerend willen zijn in de wereld, en we hebben samenwerkingsverbanden nodig tussen kleine en middelgrote ondernemingen en industriële vlaggenschepen, zodat er vanuit het industriële concurrentievermogen ook een impuls uitgaat naar het concurrentievermogen van het MKB.

Ik ben het met u eens als u 'nee' zegt tegen meer regelgeving. Maar tegelijkertijd moeten we 'nee' zeggen tegen de trend van meer nationalisering, de trend van anti-efficiëntie, de trend van moedeloosheid, we moeten 'nee' zeggen tegen populisme, tegen het aanpassen van wetgeving, tegen anti-industrialisme en we moeten 'ja' zeggen tegen meer efficiëntie, tegen de interne markt, tegen de vier vrijheden – punten kortom die Werner Langen al aansneed. De uitbreiding versterkt de interne markt. De interne markt versterkt het concurrentievermogen. Dat betekent ook een 'ja' tegen de dienstenrichtlijn. Maar het betekent ook een grotere toewijding aan het belastingbeleid, en een grotere toewijding in de financiële vooruitzichten aan onderzoek, onderwijs, groei en werkgelegenheid en aan nieuwe ondernemingen.

Voor mij houdt dat natuurlijk ook in dat wij de besten moeten stimuleren zodat wij er voor de zwakken kunnen zijn. Middelmatigheid moet uit Europa worden gebannen. Het nieuwe type nationalisatie moet uit ons beleid worden gebannen. Dat de lidstaten en Europa elkaar steeds de schuld in de schoenen schuiven, dient ook te worden uitgebannen, zodat er meer kansen zijn voor concurrentievermogen, innovatie, onderzoek en de wil om op basis van prestaties meer te bereiken. Ik vertrouw erop dat op het debat en op de aankondigingen van vandaag daden zullen volgen, want alleen zo kan er een nieuwe dynamiek in de Europese Unie ontstaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid