Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Dinsdag 5 juli 2005 - Straatsburg Uitgave PB

6. Octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de aanbeveling (A6-0207/2005) voor de tweede lezing van Michel Rocard, namens de Commissie juridische zaken, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen (11979/1/2004 – C6-0058/2005 – 2002/0047(COD)).

 
  
MPphoto
 
 

  Michel Rocard (PSE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, we zitten in de laatste fase van een lang en mooi parlementair gevecht. Ik wil de inzet ervan in herinnering roepen, ook al is vijf minuten bespottelijk weinig voor een dergelijk ingewikkeld probleem.

Het gaat om drie dingen: het beginsel van het vrije verkeer van ideeën, het respect voor de mededinging en de weigering van het monopoliseringseffect van octrooien en tot slot om de bescherming van individuele uitvinders en van kleine en middelgrote ondernemingen tegen de verpletterende macht van enkele zeer grote bedrijven.

Iedereen in dit Parlement wil het recht duidelijker maken en vindt dat een richtlijn noodzakelijk is. Niemand in dit Parlement wil dat alle software octrooieerbaar is. Er is dus schijnbaar geen vuiltje aan de lucht, maar een recente ontwikkeling, die iets meer dan twintig jaar geleden is begonnen, heeft de zaak gecompliceerd.

Toen de IT-industrie opkwam en de eerste computersoftware werd ontworpen, dacht niemand nog aan octrooien. Mijnheer de Voorzitter, Silicon Valley heeft twintig of dertig jaar op deze basis gefunctioneerd en zich zonder octrooien ontwikkeld. Software werd beschermd door het auteursrecht, en dat was voldoende. Later werd vanuit de Verenigde Staten, die geen wet hierop hebben, het idee geopperd de octrooieerbaarheid naar dit gebied uit te breiden. Uitgangspant is de idee dat het immateriële niet technisch is en dat alles wat betrekking heeft op de materiële wereld en gebruikt maakt van materie, energie of werktuigen, octrooieerbaar is. Om voor een octrooi in aanmerking te komen, moet iets nieuw zijn, op een uitvinderswerkzaamheid berusten, industrieel toepasbaar zijn en een technische bijdrage leveren. Alles wat draagt of uitvoert, wat gegevens levert aan een softwareprogramma dat deze vervolgens verwerkt of wat het resultaat van de door het softwareprogramma uitgevoerde berekeningen overbrengt naar de reële wereld via een bewegend onderdeel of een signaal, is octrooieerbaar, terwijl het softwareprogramma zelf niet octrooieerbaar is.

Vervolgens werden softwareprogramma’s onlosmakelijk geïncorporeerd in uitvindingen waarin dragers, software en in-/uitvoerbehandelaars opnieuw onlosmakelijk werden verbonden. Later zijn uitvindingen op de markt gekomen waarvan alleen de software nieuw was terwijl de dragers en in-/uitvoerbehandelaars oud waren. Sommige rechtbanken, nationale octrooibureaus en het Europees Octrooibureau raakten hierdoor het spoor bijster en beschouwden alles als technisch, met als resultaat dat 200 000 octrooien van deze aard of meer zijn verleend in de Verenigde Staten en 30 000 door het Europees Octrooibureau, in strijd met artikel 52, lid 2, van zijn handvest, dat bepaalt dat softwareprogramma’s niet octrooieerbaar zijn.

De misstanden zijn alom bekend en dienen genoemd te worden: er zijn octrooien verleend voor lesmethoden, bedrijfsmethoden en handboeken voor chirurgen. Wanneer de softwareprogramma’s in al deze gevallen gratis zouden zijn geweest, zou geheel Afrika er meteen zijn voordeel mee hebben kunnen doen, bijvoorbeeld in het onderwijs of de gezondheidszorg. Hiervoor zijn echter octrooien verleend in de Verenigde Staten, waardoor ze zeer duur en buiten het bereik zijn van de wereld van vandaag. Wij allen hebben die misstanden veroordeeld, ook bij het Europees Octrooibureau, maar diens vergissingen hebben ertoe geleid dat er geen duidelijke scheidslijnen zijn.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, u wordt gevraagd terug te keren naar basisbeginselen en naar het recht. Enkele van onze gerenommeerdste ondernemingen hebben echter niet begrepen wat wij aan het doen zijn. Zij zijn bang dat ze niet meer worden beschermd, wat wij voor de korte termijn wel begrijpen omdat de opheffing van de bescherming het evenwicht op enkele gebieden zal verstoren. Hoe gaan de grootste ondernemingen tegenwoordig te werk? Zij ruilen onderling octrooipakketten om de nadelen van octrooieerbaarheid te vermijden die iedereen ondervindt die niet kan meedoen aan dit spel, dat wil zeggen iedereen die kleiner is dan zij. Het aandeel van de juridische kosten in de onderzoeks- en ontwikkelingsbudgetten van al die ondernemingen blijft maar stijgen en bedraagt tegenwoordig bijna altijd meer dan 20 procent. Tweederde van de geldige octrooien in de Europese landen is Amerikaans of Aziatisch, niet Europees. Wanneer Siemens, GEM PLUS of Alcatel hum bedrijfsonderdeel mobiele telefoons verkopen, gaat dat onderdeel inclusief octrooien naar Azië, waardoor Europa op dit gebied geen enkele kans meer krijgt voor ontwikkeling.

Wij vinden derhalve, mijnheer de Voorzitter, dat de bescherming van ons Europese bedrijfsleven op den duur meer gebaat is bij vrijheid en vrije toegang dan bij octrooien. Bovendien leidt China per jaar tweeëneenhalf miljoen informatici op. Hoe kunnen we het hoofd bieden aan die uitdaging? Het beste middel is vrijheid. Onze captains of industry zouden dit hebben moeten begrijpen, maar in plaats daarvan hebben ze geprobeerd hiermee de spot te drijven. Bovendien zijn in het kader van dit debat enkele beledigingen geuit. Momenteel spreekt bijvoorbeeld een “man uit de middeleeuwen” tot u. Hieruit blijkt wel hoe zwak hun positie is. Onze vrienden uit het bedrijfsleven zouden moeten toegeven dat er geen reden is om onze beginselen en ons recht aan te passen omdat er een vergissing is gemaakt.

Het laatste probleem is dat de TRIP’s-Overeenkomst (in het Frans ADPIC) voor tweeërlei uitleg vatbaar is: ofwel alle softwareprogramma’s zijn octrooieerbaar, en dan is er geen vuiltje aan de lucht omdat ze allemaal onder de TRIP’s-Overeenkomst en de WTO-panels vallen. Dat willen wij echter niet. Ofwel geen enkel softwareprogramma is octrooieerbaar, en dan vallen ze allemaal onder de internationale wetten ten aanzien van het auteursrecht. Ze vallen dan tevens onder de WTO-panels, maar onder andere voorschriften. In het laatste geval houden wij ons tevens aan de TRIP’s-Overeenkomst, hoewel we weten dat deze overeenkomst uitsluitend het grijze gebied verbiedt. Bestaat er onenigheid over de vraag waarom een bepaald softwareprogramma octrooieerbaar is, dan is de scheidslijn niet meer relevant en is de situatie waarin “alles octrooieerbaar is” mogelijk of althans toegestaan.

Dames en heren, u wordt nu gevraagd beginselen, het recht, consistentie en duidelijkheid met elkaar in overeenstemming te brengen en alleen maar onze captains of industry te vragen zich aan te passen, wat naar het zich laat aanzien minder pijnlijk zal zijn dan zij denken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Joaquín Almunia, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, omdat commissaris McCreevy vandaag niet aanwezig kan zijn, vertegenwoordig ik de Commissie in dit debat. Ik wil beginnen met het uitspreken van mijn dank aan Michel Rocard, de rapporteur voor dit complexe en technische dossier, voor het vele werk dat hij heeft verricht. Ik wil daarnaast de schaduwrapporteurs bedanken, die ook een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het werk van het Parlement met betrekking tot dit onderwerp.

Dit voorstel is niet alleen relevant voor uitvindingen die zijn geïmplementeerd in standaardcomputers, bijvoorbeeld een laptop, het betreft ook veel alledaagse consumentengoederen en apparaten die in toenemende mate een belangrijke rol spelen in ons dagelijks leven, zoals auto's, wasmachines, mobiele telefoons, camera's, dvd-spelers, tv-toestellen, stofzuigers en medische apparatuur als scanners.

De beoogde richtlijn heeft niet tot doel een einde te maken aan de praktijk van het Europees Octrooibureau, noch die praktijk uit te breiden zodat zij ook octrooiaanvragen zou bestrijken voor zuivere computerprogramma's, zoals veel tegenstanders van het voorstel hebben betoogd. Velen hebben inderdaad eveneens, en onterecht, betoogd dat met de richtlijn voor het eerst de notie van octrooieerbaarheid van software-uitvindingen zou worden geïntroduceerd in de Europese octrooipraktijk. De voorgestelde tekst sluit duidelijk octrooien voor zuivere software uit, evenals octrooien voor bedrijfsprocessen als zodanig. Alleen technische innovaties die zijn opgenomen in computerprogramma's en die voldoen aan de eisen van nieuwheid, uitvinderswerkzaamheid en industriële toepasbaarheid zijn octrooieerbaar.

Een juridisch kader dat op dit terrein bescherming van octrooien biedt, is van essentieel belang om Europese industrieën, ook in het midden- en kleinbedrijf, in staat te stellen te concurreren in een hightechomgeving. Octrooien garanderen een rendement op O&O-investeringen, trekken risicodragend kapitaal aan en versterken de onderhandelingspositie. Dat heeft een neveneffect dat innovatie bevordert.

De Commissie is van mening dat het gemeenschappelijke standpunt voldoet aan de eis tot invoering van een voorspelbaar juridisch kader dat innovatie bevordert en beloont.

Er zijn amendementen ingediend die verwerping van het gemeenschappelijk standpunt beogen. Ik wil erop wijzen dat dat alleen maar de rechtsonzekerheid met betrekking tot de uitvindingen in kwestie zou vergroten. Het ontbreken van harmonisatie op dit terrein zou het concurrerend vermogen van Europese ondernemingen negatief beïnvloeden en een obstakel zijn voor een soepel functioneren van de interne markt.

Vanuit deze gedachte blijft de Commissie de lijn van het gemeenschappelijk standpunt steunen. We kunnen amendementen accepteren die leiden tot bruikbare technische of contextuele verduidelijkingen, waar nodig eventueel preciezer geformuleerd of geïnterpreteerd, maar het algemene karakter van het voorstel moet gehandhaafd blijven.

De huidige definitie van technische bijdrage in de richtlijn is ontleend aan bestaande jurisprudentie en dat betekent dat we misschien wel een meer elegante formulering kunnen zoeken, maar dat we haar niet op haar kop kunnen zetten. In plaats daarvan lijkt het zinvol de aandacht te richten op wat wel en niet octrooieerbaar is in artikel 4, om de uitgesloten onderwerpen duidelijker te bepalen. Ze wijzigen in strijd met het Europees Octrooiverdrag zou echter eenvoudigweg verwarring stichten. Bovendien kunnen kwesties van interoperabiliteit worden opgelost door noodzakelijke technologieën waar mogelijk beschikbaar te maken bij gelijktijdige bescherming van de wettige rechten van uitvinders.

Het verslag van de Commissie juridische zaken doet in het algemeen recht aan de evenwichtige benadering in het voorstel van de Commissie. Desondanks zijn een paar aanpassingen nodig om de definities en criteria in overeenstemming te brengen met het algemeen octrooirecht.

De Commissie kan aanvullende eisen voor verslaggeving accepteren, inclusief het instellen van nieuwe adviescommissies, vooropgesteld dat het Parlement de budgettaire gevolgen daarvan in gedachten houdt.

De Commissie kan amendementen die betrekking hebben op het recht van initiatief van de Commissie of op de betrekkingen met instellingen die niet tot de Gemeenschap behoren, niet accepteren.

Met betrekking tot essentiële zaken zet de Commissie zich in voor de bevordering van interoperabiliteit als middel om innovatie en concurrentie te versterken en te garanderen dat wetgeving van de Gemeenschap geen hindernis vormt voor verschillende modellen voor softwareontwikkeling, in eigendom of open source. De Commissie beoogt daarom een zekere mate van flexibiliteit met betrekking tot de oplossing die is gevonden voor interoperabiliteit, voorzover internationale verplichtingen worden gerespecteerd.

Met betrekking tot wat wel en niet octrooieerbaar is, is nadere precisering van het gemeenschappelijk standpunt acceptabel, maar ingrijpende wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie of algemene octrooiwetgeving zijn niet acceptabel. Ik moet hier opmerken dat wij specifieke formuleringsproblemen constateren voor bepaalde amendementen met betrekking tot technische bijdrage en uitvinderswerkzaamheid.

Met betrekking tot claims voor computerprogramma's op een drager, waarbij in dergelijke programma's een geoctrooieerde uitvinding is geïmplementeerd, kan de Commissie iedere oplossing accepteren die ligt tussen het gemeenschappelijk standpunt en het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, ook alternatieve formuleringen voor het bereiken van het doel om geldige octrooien af te dwingen.

De Commissie heeft notitie genomen van het grote aantal amendementen dat in aanvulling op het verslag van de Commissie juridische zaken is ingediend. Aan het einde van het debat van deze ochtend zal ik het standpunt van de Commissie met betrekking tot alle amendementen uiteenzetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi, namens de PPE-DE-Fractie. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, het belangrijkste bij de stemming van morgen is dat wij garanderen dat het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, dat de octrooieerbaarheid van software verder uitbreidt, niet ongewijzigd door het Parlement wordt aangenomen.

Er zijn uitzonderlijk veel problemen met dit voorstel geweest. De Commissie en de Raad hebben helemaal geen rekening gehouden met de wijzigingen die een meerderheid van het Parlement in eerste lezing in de ontwerprichtlijn heeft aangebracht. Het grofste voorbeeld staat op de SCADPlus-website van de Commissie. Daarop staat letterlijk: “In het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van mei 2004 is geen enkel significant amendement van het Parlement overgenomen”. Het Parlement werd dus met schouderophalen gepasseerd. Dit is niet de correcte handelwijze, noch in dit geval noch bij andere zaken die onder de medebeslissingsprocedure vallen.

Ik hoop dat een meerderheid in het Parlement de gematigde amendementen steunt die op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad zijn ingediend en waarmee de voorwaarden van de octrooieerbaarheid van software worden aangescherpt. Het belangrijkste is dat het toekennen van octrooien voor zuivere software- en zakelijke ontwerpen in Europa wordt voorkomen. In bepaalde opzichten is de huidige praktijk van het Europees Octrooibureau te ver in een grijs gebied terechtgekomen, waarbij octrooien op ondeugdelijke gronden worden toegekend.

De octrooieerbaarheid van software in Europa moet niet verder worden uitgebreid. Anderzijds maken de meeste hedendaagse technologische producten gebruik van software en moeten octrooien die aan een technologisch product zijn toegekend niet alleen worden afgewezen, omdat software daar een onderdeel van vormt. Het is ook belangrijk te garanderen dat octrooien niet kunnen worden gebruikt om het ontstaan van verenigbare software te verhinderen. Het is goed dat wij het in dit opzicht met de Commissie eens zijn.

De richtlijn moet Europees innovatief onderzoek en productontwikkeling in de softwaresector ondersteunen. Dit betekent dat er geen onnodige belemmeringen mogen worden opgelegd aan onder andere de ontwikkeling van open source software, waarbij wel rekening moet worden gehouden met het feit dat octrooien voor veel Europese ondernemingen van vitaal belang zijn. Academisch onderzoek, zowel bij ons als in de rest van de wereld, heeft echter aangetoond dat investeringen in onderzoek en ontwikkeling niet afhankelijk zijn van octrooien of geografie. Ondernemingen moeten daar software ontwikkelen waar de beste omgeving voor innovatie beschikbaar is, ongeacht de mate van octrooibescherming in een geografische regio. Er is geen enkele verplichting om deze octrooieerbare software in Europa te produceren. Hij kan heel goed in India, China of elders in de wereld worden geproduceerd en vervolgens ergens anders worden geoctrooieerd.

Het doel van de richtlijn is het harmoniseren van de wijze waarop softwareoctrooien bij de toekenning ervan worden geregistreerd bij het Europees Octrooibureau en in de lidstaten. Daarom ben ik er voor dat de richtlijn in wetgeving wordt omgezet. De algemene problemen van octrooisystemen, zoals de traagheid en de hoge kosten, zijn in dit debat niet van belang, maar het is nu duidelijk dat communautaire octrooien noodzakelijk zijn. Het Europees octrooi moet er snel komen.

Ik acht het waarschijnlijk dat de amendementen die het Parlement morgen aanneemt, ons naar bemiddeling leiden. Ik wil iedereen erop wijzen dat als het Parlement niet tevreden is met het resultaat van de bemiddeling, het ook na de bemiddeling het hele voorstel kan verwerpen. Er mag in geen geval een slechte richtlijn worden aangenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Berger, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil allereerst onze rapporteur, de heer Rocard, heel hartelijk bedanken. Ik dank echter ook mevrouw McCarthy, onze rapporteur bij de eerste lezing. Beiden hebben ons tot nu toe zeer goed door dit lastige wetgevingsproces heen geloodst.

Ik heb het proces al vanaf het begin kunnen volgen. Alles wat zich rondom deze ontwerprichtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen heeft afgespeeld, is geen alledaags verschijnsel als het om de totstandkoming van Europese wetgeving gaat. De omvang van de lobby wordt door sommigen als onverdraaglijk ervaren, terwijl anderen het als een uiting van democratie zien. Velen bezwoeren ons hetzelfde te beogen als wij, namelijk Europese bedrijven tot innovatie te stimuleren. Toch zijn we het nauwelijks over concrete formuleringen eens geworden.

Ook vandaag werd weer bevestigd dat we te maken hebben met een uiterst onbuigzame houding van de Europese Commissie en dat het gemeenschappelijk standpunt van de Raad niet werkelijk een gemeenschappelijk standpunt is. Hoe langer en intensiever we ons met deze materie bezighouden, des te duidelijker treden twee dingen aan het licht. Er zijn grenzen aan de wetgeving, waarop we nu zeker gestuit zijn. Als we eenduidige en heldere definities en criteria voor de toepassing willen vaststellen, bestaat het risico dat we te veel aan de oppervlakte blijven en veelbelovende ontwikkelingen uitsluiten. Laten we echter meer speelruimte toe, dan gaat dat ten koste van de rechtszekerheid en de consistentie van de wetgeving. Normaal gesproken wordt dit conflict opgelost door een goed functionerend systeem van rechtsbescherming dat iedereen, groot of klein, een min of meer eerlijke kans op rechtsbescherming en controle biedt. Helaas kunnen we daar in dit geval, wat Europa betreft, niet van uitgaan. Wellicht belangrijker dan deze richtlijn is daarom een werkelijk Europees octrooisysteem en een goed functionerend systeem van rechtsbescherming op Europees niveau, dat voor iedereen, groot of klein, gelijkelijk toegankelijk is.

Mijn fractie zal vanavond haar definitieve standpunt bepalen: ik kan u in ieder geval verzekeren dat wij en bloc achter de amendementen van de heer Rocard staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Toine Manders, namens de ALDE-Fractie. – Voorzitter, Commissie, collega's, iedereen bedankt. Ik wil vooral de collega's Rocard en McCarthy bedanken, die toch bijna een mer à boire hebben verricht met deze richtlijn waarover zoveel spanning is ontstaan en ten aanzien waarvan in dit Huis een aantal stromingen te ontwaren zijn die de verschillende meningen hierover vertegenwoordigen.

Het doel van deze richtlijn is vooral het voorkomen van de triviale octrooien die er de laatste jaren bij het Europees octrooibureau in München zijn doorgeslipt, onder andere voor software als zodanig, die blijkbaar gepatenteerd kan worden. Ik heb begrepen, en daar zijn we het allemaal over eens, dat het gemeenschappelijke doel van deze richtlijn is dit onmogelijk te maken. In principe is deze richtlijn dus bedoeld om artikel 52 van de Conventie van München te verbeteren en te versterken.

Als advocaat heb ik dat artikel er nog eens op nageslagen. Wetgeving kan niet helderder zijn dan artikel 52 van de Conventie van München. Als er iets eenvoudig is, is het dit artikel. Het vervelende is echter dat het in alle lidstaten verkeerd of in ieder geval anders wordt geïnterpreteerd, hetgeen enorme rechtsonzekerheid teweegbrengt.

Het is heel belangrijk om triviale octrooien te voorkomen, omdat wij innovatie en onderzoek, dus ook concurrentie en werkgelegenheid, binnen Europa moeten beschermen en versterken. Zonder beloning hebben wij geen uitvinders. Ik denk dus dat er een rechtvaardig beloningstelsel moet zijn voor uitvinders die hun ideeën, hun geestelijk eigendom, moeten kunnen beschermen. Zo niet, dan vrees ik dat na de arbeidsintensieve productie die nu al naar China vertrekt ook heel veel onderzoeks- en ontwikkelingsafdelingen van ondernemingen vertrekken. Met name van multinationals, gevolgd door het midden- en kleinbedrijf. Als dat gebeurt, denk ik dat wij moeten betreuren dat wij in Europa zo ontzettend moeilijk tot wetgeving komen, dat wij een ontzettend gebrek aan daadkracht tonen en dat wij geen wetgeving durven maken die onze concurrentie mondiaal versterkt. Ik denk dat het betreurenswaardig is voor onze kinderen, voor ons nageslacht, als we dat niet aandurven. Ik hoop derhalve dat er een sterke richtlijn komt en wellicht gaat dat ook gebeuren.

Wat is het grootste probleem? Het grootste probleem is dat dit Huis, de Europese Commissie en de Raad geen democratische controle hebben op het Europees Octrooibureau en dat is wat wij willen. Daarom ook hebben wij als liberalen een amendement ingediend, amendement 65, waarin we verzoeken om verwerping van deze hele richtlijn en de Commissie vragen te komen met een Europees Gemeenschapsoctrooi, zodat dit Huis het Europees Octrooibureau kan controleren. Dat komt dan onder de vleugels van Europese regels en ik denk dat wij over een juridisch juist medium en een juridisch juiste organisatie beschikken. Dan kunnen we, en dat is vooral in het belang van midden- en kleinbedrijf, zorgen voor geharmoniseerde juridische procedures en duidelijkheid.

Op dit moment is het zo dat als een klein bedrijf wil procederen omdat er inbreuk is gemaakt op zijn patent, dat miljoenen kost en een klein bedrijf kan zich dat nooit permitteren. Ik hoop dat wij vanavond als liberale en democratische fractie tot een goed afgewogen standpunt komen, maar ik hoop vervolgens dat de hele richtlijn morgen wordt weggestemd, zodat de Commissie kan komen met een deugdelijk onderbouwd voorstel voor een Europees patent, ingebouwd in een richtlijn zoals deze, zodat we de beschikking krijgen over een geharmoniseerde en afgewogen richtlijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Eva Lichtenberger, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, wij beslissen vandaag of innovatie op het gebied van informatietechnologie mogelijk zal zijn en of daarvoor de nodige vrijheid zal worden geboden: de vrijheid voor kleine en middelgrote bedrijven om zich te ontwikkelen. Nu beweren alle betrokkenen dat ze dat willen, zowel voor- als tegenstanders van het octrooi.

Niemand zegt hier openlijk dat hij software wil patenteren. Het verschil zit in de amendementen zelf, namelijk in de vraag hoeveel achterdeurtjes er worden opengehouden voor het octrooieren van software. Het verschil zit hem hierin, of er een duidelijke scheidslijn wordt getrokken tussen technische uitvindingen, waarvoor de octrooibescherming uiteraard moet blijven gelden, en software, die al door het copyright wordt beschermd. De vraag is: zijn er tien tot vijftien achterdeurtjes en is er rechtsonzekerheid of is er vrijheid voor de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf?

Als u vandaag kiest voor het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, dan zet u de deuren voor het hele octrooistelsel wagenwijd open en zal het de Europese markt stap voor stap veroveren. Dan kiest u ervoor dat de TRIP’s-Overeenkomst volledig op software van toepassing zal zijn. Dan kiest u ervoor dat ideeën tot handelswaar worden, en dat op een markt die kleine en middelgrote bedrijven nauwelijks kunnen bijbenen, omdat de kosten voor het aanvragen van octrooien en de proceskosten bij het verdedigen van octrooien voor de rechter te hoog zijn. We moeten voorkomen dat ieder klein of middelgroot bedrijf ertoe is veroordeeld een octrooiadvocaat in de arm te nemen om zijn innovaties te verdedigen.

Als u zich echter uitspreekt voor de 21 amendementen, die breed worden gesteund, dan geeft u innovatieve en creatieve kleine en middelgrote bedrijven room to move, dus ruimte en kansen om zich te ontwikkelen. Met die 21 amendementen corrigeren we de fout van de regeringen, die het duidelijk bij het verkeerde eind hadden en voor de druk van de industrie zijn bezweken.

De industrie wil – laten we ons daarover geen illusies maken – de volledige octrooieerbaarheid van software, want dat levert een aardige bijverdienste op, het spekt de kas en het zou het midden- en kleinbedrijf, samen met de innovatie, uiteraard van de markt verdringen. Dat blijkt duidelijk uit enkele advertenties die bijvoorbeeld door SAP en andere bedrijven in onder andere de European Voice werden geplaatst. Leest u die maar eens en dan weet u wat het gemeenschappelijk standpunt van de Raad in werkelijkheid betekent.

Met de 21 amendementen zorgt u ervoor dat we een vrije markt hebben, waarbij concurrentie op de markt en niet in de rechtszaal plaatsvindt. Daarom verzoek ik u dringend de 21 amendementen te steunen. We hebben ze hard nodig, als we Europese innovatie willen bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo, namens de GUE/NGL-Fractie. – (PT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dit is een uiterst belangrijk debat, want hier staat veel op het spel. De intellectuele vrijheid, de technologische innovatie en ook het economisch concurrentievermogen van Europa zijn hier in het geding. Wetenschappers, professoren, de studentengemeenschap, talrijke organisaties en KMO’s hebben daar terecht op gewezen.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 7 maart jongstleden is even onaanvaardbaar als de ontwerprichtlijn die de Commissie op 20 februari 2002 heeft gepresenteerd. Het Europees Parlement heeft zich tijdens de plenaire vergadering van 24 september 2004 over dat ontwerp uitgesproken en het is onacceptabel dat de Raad dat advies volledig heeft genegeerd.

Net als toen zeggen wij ook nu weer dat het ontoelaatbaar is octrooien te verlenen op ideeën, kennis en - wie weet, waar het eindigt - op het leven zelf. Daarom bepleiten wij ook nu weer de verwerping van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad over de ontwerprichtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen. Dat lijkt mij op dit moment het meest correct en het enige voorstel dat ons ervoor behoedt een zeer gevaarlijke weg in te slaan voor innovatie en kennis.

Zoals bekend bieden de auteursrechten nu al een gedegen bescherming voor de ontwerpers van software door hen de controle te geven over het gebruik van hun werk. Maar het is onaanvaardbaar dat het een ieder die daartoe in staat is onmogelijk wordt gemaakt achter de computer te gaan zitten om software te schrijven of dat een bedrijf belet wordt speciale software te ontwikkelen voor zijn eigen behoeften.

Het in weinige handen concentreren van het recht om software te maken zou zeer ernstige beperkingen met zich meebrengen. Het is bekend dat software de ontwikkeling van de economieën, automatisering en vereenvoudiging van vele taken tegen relatieve geringe kosten mogelijk heeft gemaakt. In een rechtskader met octrooien op software zou dat niet mogelijk zijn.

Alvorens software te ontwikkelen zouden bedrijven of particulieren thuis verplicht zijn een team van gespecialiseerde advocaten in te huren om na te gaan of het desbetreffende idee mogelijk een schending vormt van bestaande octrooirechten. Hier bevinden wij ons op een zeer hellend vlak, want in tegenstelling tot gewone octrooien die een uitvinding beschermen zouden octrooien op software onterecht gebruik van een idee in de hand werken. Om het anders te formuleren: octrooien op software zouden een aanslag zijn op de intellectuele vrijheid en op de capaciteit van de Europese industrie nieuwe ideeën te creëren en te ontwikkelen.

Octrooien op software zijn dan ook louter juridische constructies teneinde de ontwikkeling van kennis en innovatievermogen te concentreren bij grote multinationale ondernemingen, zoals Microsoft en andere. Particulieren, microbedrijven en KMO’s zouden namelijk economisch gezien niet in staat zijn het bij de rechtbank op te nemen tegen grote ondernemingen die een abstract idee bezitten.

Daarom is het van fundamenteel belang de goedkeuring van het standpunt van de Raad te beletten. Wij achten een richtlijn op dit gebied overbodig, maar mocht het toch zover komen, dan moeten we er in ieder geval voor zorgen dat de mensen, naast hun intellectuele vrijheid het recht behouden te creëren en te innoveren en we vertrouwen erop dat de door ons voorgestelde amendementen worden aangenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Wise, namens de IND/DEM-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, computerondernemers behoren tot de meest onafhankelijke geesten ter wereld. Ik weet hoe ze zich voelen met het vooruitzicht van deze richtlijn. Ze verwerpen net als iedereen het idee van vrijheidsbeperkende kolossen. Ze weten dat de EU nu juist zo'n kolos is. De richtlijn is typerend voor de monolithische maatregelen die ze proberen tegen te houden.

Ik heb de afgelopen weken hard gewerkt om de kleine en middelgrote computerbedrijven te steunen bij het verzet tegen deze richtlijn. Ik ben echter tot de slotsom gekomen dat de amendementen die de rapporteur heeft voorgesteld, het wezenlijke probleem niet oplossen. De heer Rocard probeert niet-technische aspecten van door computers ondersteunde uitvindingen buiten de reikwijdte van de richtlijn te brengen. Dat is op zich een loffelijk streven, maar hij probeert niet om de richtlijn in zijn geheel tegen te houden; in feite steunt hij de richtlijn. Daarmee komen, zou je kunnen zeggen, kleine computerbedrijven van de regen in de drup.

De heer Rocard gaat in zijn toelichting zover om te verklaren dat hij het standpunt van de Raad in principe steunt. In zijn amendementen verwerpt hij het idee van harmonisatie niet. Hij steunt dat idee expliciet. In één van zijn amendementen stelt hij zelfs dat de doelstelling van de richtlijn, namelijk het harmoniseren van de nationale regelingen voor de octrooieerbaarheid van door computers ondersteunde uitvindingen, niet effectief kan worden bereikt door de lidstaten. Helaas is de heer Rocard een van die mensen, waarvan er in de EU zo veel zijn, die steeds meer denken dat het Europees Octrooibureau op de een of andere manier een instelling is van de EU, terwijl ook landen die niet zijn aangesloten bij de EU onder het bureau vallen.

Ik verwerp deze richtlijn volledig. Daarom zal ik er tegen stemmen, evenals tegen de versie van de heer Rocard. Ik heb steeds gezegd dat, als de EU het antwoord is, de vraag belachelijk moet zijn geweest. Dat is in dit geval zo duidelijk dat je er patent op zou kunnen aanvragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley, namens de UEN-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik graag persoonlijk de heer Rocard hulde brengen, omdat het een zware taak is geweest om compromissen en overeenstemming te zoeken in deze kwestie. Maar ik moet helaas ook zeggen dat ik vele malen heb moeten luisteren naar het debat over deze zaak, zowel in de commissie als hier in het Parlement, en dat het lijkt of wij geen enkel lijntje hebben met de werkelijkheid buiten deze muren.

Innovatie is de sleutel, is de ware motor achter onze economieën. Als men spreekt over garanties dat anderen gebruik kunnen maken van octrooien op software, lijkt men te denken dat iedereen deze ideeën zelf kan bedenken en dat er geen bescherming of scholing voor nodig is. Wat we echter constateren met betrekking tot sommige mensen die een aantal van de amendementen hebben ingediend en met betrekking tot het lobbyen dat in deze kwestie heeft plaatsgevonden, is dat ze eenvoudigweg een vrijbrief voor iedereen willen: geen bescherming binnen de Europese Unie, en waar zou dat toe leiden? Dat zou ertoe leiden dat Amerikaanse bedrijven, Japanse bedrijven of andere bedrijven octrooi zouden nemen op precies die ideeën die Europese softwareontwikkelaars, Europese vernieuwers hebben ontwikkeld, en vervolgens diezelfde Europese vernieuwers zouden dwingen ze terug te kopen.

Een octrooi is geen zwaard, een octrooi is een schild. Octrooien zijn er om ideeën te beschermen. Wij zouden ervoor moeten zorgen dat de regels en regelingen die we vastleggen, garanderen dat die vernieuwers die bescherming en die rechten krijgen. Sommige betogen in het Parlement hier en een deel van het lobbymateriaal dat ik de afgelopen weken rond dit onderwerp heb ontvangen, hebben betrekking op de bescherming van het midden- en kleinbedrijf. Ik zal u een voorbeeld geven: de innovatieve computertechnologiesector in Ierland biedt werk aan 100 000 mensen, waarvan 62 000 in het midden- en kleinbedrijf. Zij steunen het gemeenschappelijk standpunt volledig en daarom zouden wij alle afgevaardigden op het hart willen drukken hun gevoel, maar vooral hun verstand te laten spreken als het gaat om de vraag welke vorm van bescherming zij zouden wensen voor hun ideeën.

Het gaat hier niet om harmonisatie. Het gaat meer om het over en weer erkennen van 25 verschillende en onderling afwijkende regelingen in de lidstaten om ervoor te zorgen dat kleine bedrijven, kleine vernieuwers op rechtszekerheid kunnen rekenen en op financiële zekerheid met betrekking tot de bescherming en promotie van hun ideeën.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI).(FR) Mijnheer de Voorzitter, zijn computerprogramma’s octrooieerbaar? Voor de giganten in de IT-wereld zoals de Amerikaanse ondernemingen IBM en Microsoft is dit zo klaar als een klontje. Voor de meeste innovatieve KMO’s, maar ook voor werknemers in de softwarebranche, zoals programmeurs, onderzoekers en onafhankelijke ontwikkelaars, is de octrooieerbaarheid van computerprogramma’s een doodvonnis. Dit zware dossier wordt reeds meer dan twee jaar heen en weer geschoven tussen het Europees Parlement en de Raad van ministers. Deze parlementaire marathon zou kunnen leiden tot de goedkeuring van nog een Bolkestein-richtlijn, ditmaal over de octrooieerbaarheid van computerprogramma’s.

In strijd met de letter en de geest van de wet heeft het Europees Octrooibureau meer dan 30 000 octrooien verleend op projecten voor wiskundige berekeningen of methoden voor gegevensverwerking of -weergave. Die octrooien zijn vaak net zo uitgebreid, triviaal en schadelijk als hun equivalenten in de Verenigde Staten. Ik vind dat we de octrooieerbaarheid van computerprogramma’s moeten afwijzen om meerdere redenen. De belangrijkste is dat computers gebruik maken van talen en dat we geen octrooien kunnen verlenen op de woorden van een taal omdat anderen deze dan niet meer vrij zouden kunnen gebruiken. De specifieke combinatie van die woorden wordt beschermd door het auteursrecht, net zoals in de muziek een partituur wordt beschermd door het auteursrecht, en niet de muzieknoten zelf. Dat is bovendien juist het beginsel van het Verdrag van München.

Waarom moeten we dit deel van het gevestigde recht herzien? Waarom moeten we het auteursrecht opheffen? Opheffing zou het ontwikkelen van nieuwe computerprogramma’s onmogelijk maken. Zouden wij in een land kunnen leven waar een onderneming exclusieve rechten kan krijgen omdat voor haar teksten vet gedrukte letters en schuin gedrukte ondertitels of een spatiebalk, dubbelklikken of  het elektronische boodschappenmandje worden gebruikt, waarop reeds octrooi is verleend in de Verenigde Staten? Wij moeten de Commissie en de Raad het recht ontzeggen om het innovatief vermogen van de kleine softwarefabrikanten de das om te doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Klaus-Heiner Lehne (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik dank de rapporteur en de schaduwrapporteurs. Een speciaal woord van dank verdient echter de schaduwrapporteur van onze fractie, mevrouw Kauppi. Zij heeft zich geweldig ingespannen om tot verstandige compromissen en een goede oplossing te komen, waarbij ze blijk heeft gegeven van een enorme kennis op dit gebied. Voor het werk dat ze heeft verricht, verdient ze het grootste respect.

Laat er over het volgende geen misverstand bestaan: zoals ook in het debat in de Commissie juridische zaken bleek, wil niemand, geen enkele fractie dus, octrooien op software - individuele meningen daargelaten. Daar gaat het ook helemaal niet om. De bedoeling van deze richtlijn was te voorkomen dat zich in Europa eenzelfde juridische ontwikkeling zou voordoen als in de Verenigde Staten. Dat is het doel en het gemeenschappelijk standpunt beantwoordt ook aan dat doel.

Eind mei ontvingen we een advies van de Kamer van Koophandel voor München en Opper-Beieren. Wat een vorige spreker over Ierland zei, geldt in Duitsland voor deze regio: in München en omgeving bevindt zich de grootste concentratie van kleine en middelgrote softwarebedrijven. Ze hebben daar een hoorzitting georganiseerd. De uitkomst was heel duidelijk: het gemeenschappelijk standpunt voldoet aan de gestelde voorwaarden en biedt een oplossing voor de problemen. Desondanks valt er natuurlijk wel iets te verbeteren.

We hebben in de Commissie juridische zaken door middel van 39 amendementen een heel aantal belangrijke verbeteringen in het verslag-Rocard aangebracht. We hebben misverstanden uit de weg geruimd en nieuwe opties gecreëerd. Ik wil hier slechts wijzen op het begrip interoperabiliteit en de definitie van techniek. Dit verslag van de Commissie juridische zaken is dus een gematigd verslag, geschikt om eventueel nog bestaande problemen op te lossen. De amendementen van rapporteur Rocard en de amendementen die de andere fracties hier hebben ingediend, schieten hun doel ver voorbij.

Een paar maanden geleden zaten we hier bij elkaar en hebben we ons nog eens gecommitteerd aan het proces van Lissabon. Een centrale gedachte van het Lissabon-proces is, dat Europa een kenniseconomie is. We hebben geen grondstoffen. We zijn op onze hersenen, op onze kennis, op de capaciteiten van onze mensen aangewezen. Als we zouden toestaan dat door overtrokken amendementen een situatie ontstaat waarin een groot deel van de Europese geavanceerde technologie niet meer octrooieerbaar is, dan komen de middelen van bestaan voor toekomstige generaties in dit werelddeel op losse schroeven te staan. Daarom is een dergelijk standpunt onverantwoord. Een zeer grote meerderheid van mijn fractie steunt dat standpunt dan ook niet.

Ik wil nog een kwestie aansnijden die van belang is, namelijk het punt van een zogenoemd voorstel tot verwerping van het gemeenschappelijk standpunt. We zullen vanavond in de fractie over deze optie moeten nadenken. Die optie is namelijk vanuit twee invalshoeken het overwegen waard. Ten eerste: het heeft geen zin om eerst een lange bemiddelingsprocedure op basis van de amendementen van de Commissie juridische zaken te doorlopen, als de richtlijn uiteindelijk in derde lezing door een gewone meerderheid in het Parlement sneuvelt. Ten tweede: we willen geen richtlijn die door amendementen van het Parlement zodanig in negatieve zin is gewijzigd, dat daarmee het Lissabon-proces en Europa schade wordt toegebracht. Dan maar liever helemaal geen richtlijn! Daarom zullen we over deze kwestie vanavond ook in onze fractie een beslissing moeten nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het invoeren van octrooien voor computersoftware is niet alleen ongunstig voor de Europese kleine en middelgrote ondernemingen, voor het wetenschappelijk onderzoek en de IT-sector in het algemeen, maar is met name ook ongunstig voor de doorsnee burger die een computer op zijn of haar bureau heeft staan en die zich nu al blauw betaalt aan dure beschermde software.

Uit analyses van onafhankelijke deskundigen is gebleken dat computerprogramma’s op basis van het gemeenschappelijke standpunt van de Raad octrooieerbaar zijn. In de tekst die het Parlement echter twee jaar geleden heeft ontvangen, is die mogelijkheid er als het ware via de achterdeur stiekem binnengesmokkeld.

Op basis van de amendementen die de Commissie juridische zaken heeft aangenomen, kan er geen goed compromis tot stand worden gebracht. Die amendementen hebben ook geen enkel positief effect op de meest controversiële en twijfelachtige kwesties, met name wat het meest urgente onderwerp betreft, namelijk de bepaling welke uitvindingen nu precies octrooieerbaar zijn en welke niet. Die amendementen zullen ons ook weinig baten bij onze pogingen om af te stappen van de overdreven liberale praktijken die op dit moment door het Europees Octrooibureau worden toegepast bij het evalueren van applicaties waarbij computerprogramma’s zijn gebruikt. Daarnaast zijn in die amendementen ook niet de nuttige bepalingen opgenomen uit de ontwerpaanbeveling voor de tweede lezing van 29 april en 4 mei 2005. Dat zou namelijk bevorderlijk zijn geweest voor het maken van een duidelijk onderscheid tussen wat wel en wat geen uitvinding is.

Het risico is absoluut aanwezig dat de richtlijn geen harmoniserend effect zal hebben omdat deze niet alleen geen oplossing biedt voor de meest controversiële kwesties, maar de bestaande twijfels juist nog meer vergroot. Die richtlijn kan ook als illustratie worden gezien van de overdreven liberale praktijken om oplossingen waarbij computerprogramma’s worden gebruikt als uitvindingen aan te merken uit hoofde van artikel 52, lid 2 en lid 3, van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien dat in München is ondertekend.

Het is onze plicht om onze stem uit te brengen in de geest van de eerste lezing en in de geest van de ideeën die door Michel Rocard naar voren zijn gebracht. Wij moeten het besluit van onze collega’s uit de vorige parlementaire zittingsperiode steunen. Dat is niet alleen noodzakelijk om te voorkomen dat hun werk vergeefs is geweest, maar ook en vooral om de vrije softwaremarkt en de kleine en middelgrote ondernemingen te beschermen en om een grote impuls te geven aan innovatieve ontwikkelingen. Tegelijkertijd mogen wij niet uit het oog verliezen dat intellectuele eigendom op de interne markt uiteraard wel adequaat beschermd dient te worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sharon Margaret Bowles (ALDE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, de kwestie van de territoriale beperkingen voor medeplichtigheid bij inbreuk op octrooien is de reden voor het feit dat claims op softwareproducten oorspronkelijk werden geschreven en uitgegeven door het Europees Octrooibureau. De nieuwe benadering die ik voorsta in mijn amendement 66, sluit softwareclaims uit en dientengevolge de problemen die daarmee gepaard gaan, maar breidt voorzieningen voor medeplichtigheid bij inbreuk die al gelden in de meeste lidstaten, uit, zodat ook import uit China, Rusland en elders wordt gedekt. Dit voorstel, samen met de voorstellen voor controle van het Europees Octrooibureau, voegt zicht beter in de context van het octrooirecht in de Gemeenschap en de wijze waarop dat correct kan worden toegepast, en dat is waar deze hele zaak ook thuishoort.

Mijnheer Rocard, uw amendementen zijn gericht op weinig meer dan op programma's op personal computers, in plaats van op het uitgebreide terrein dat afhankelijk is van door computers ondersteunde uitvindingen. Op vrijwel alle terreinen van technologie wordt gebruikgemaakt van programmeerbare apparatuur. Van het sturen van fermentatieprocessen voor antibiotica tot aëronautiek en telecommunicatie, de lijst is oneindig. Programmeerbare apparaten zijn overal, in vrijwel alles wat kan worden aangesloten op een stroombron of kan worden in- en uitgeschakeld, en uw amendementen haken daarbij aan in termen van apparaten en methoden, niet alleen maar software. De simplistische manier waarop u gegevensverwerking uitsluit, sluit signaalverwerking en digitale technologie uit. Informatie is al sinds de begindagen van het radioverkeer een term waarmee onderscheid wordt gemaakt tussen betekenisvolle signalen en ruis. Toegepaste natuurwetenschap sluit techniek uit. De uitdrukking “beheersbare natuurkrachten” is voor veel lidstaten een juridische nachtmerrie. Alles bij elkaar maakt uw terminologie een einde aan de octrooieerbaarheid voor grote delen van de technologie, niet alleen maar voor programmering.

Als het uw wens is geweest een reeks amendementen op te stellen om de Europese industrie, zowel groot als klein, te verlammen en uiteen te laten vallen, dan had u geen duivelser plan kunnen kiezen. Het spijt mij, maar voor de echte wereld van de industriële technologie, zijn uw amendementen eenvoudigweg niet goed genoeg.

 
  
MPphoto
 
 

  David Hammerstein Mintz (Verts/ALE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, deze misleidende en tweeslachtige richtlijn is de droom van patentadvocaten en tegelijkertijd een grote nachtmerrie voor de kleine softwarebedrijven, voor de consument en de vrijheid van meningsuiting op het net. Het gaat om een richtlijn die door meer dan 90 procent van de kleine softwarebedrijven van het continent is afgewezen. Het gaat om een echte monopolierichtlijn, want het is een antiliberale richtlijn.

Het is een richtlijn die leidt tot een afgesloten wereld zoals die van de Rockefellers en Morgans aan het begin van de vorige eeuw. Een wereld die niet in het voordeel is van de kleine Europese bedrijven, waarvan er steeds meer komen, vele in de minder ontwikkelde regio’s van Europa, zoals bijvoorbeeld in Extremadura in Spanje, waar honderden en honderden nieuwe softwarebedrijven worden opgezet. Die bedrijfjes zijn in gevaar, zoals al die andere kleine bedrijven die in Polen en de andere landen van de uitbreiding worden opgezet.

Er zijn hier veel leugens verteld. Er is gezegd dat wij tegen patenten op technische software zouden zijn: dat is niet waar. Het spreekt vanzelf dat wij daarvoor zijn als het om fysieke objecten gaat, om het gebruik van natuurkrachten, zoals bij een wasmachine of een auto...in die gevallen is niemand tegen patenten! Maar het spreekt vanzelf dat we wel tegen de patenten zijn die een gevaar vormen voor de informatie- en innovatiestroom. Er is hier veel gezegd over innovatie. Het vrij en onbeperkt verstrekken van patenten is verward met innovatie, twee zaken die niets met elkaar te maken hebben.

Waar wij voor opkomen, is het recht om software te ontwikkelen, om deze bedrijfstak tot ontwikkeling tot brengen. En deze richtlijn zal allerlei obstakels en belemmeringen opwerpen voor de concrete innovatie binnen dit continent dat Europa heet.

Naar mijn idee verdienen wij een softwarewereld, een ondernemingswereld, een wereld voor de consument, die openstaat voor concrete innovatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Umberto Guidoni (GUE/NGL). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ofschoon men in het gemeenschappelijk standpunt zegt octrooieerbaarheid van zuivere software geheel te willen uitsluiten, worden in feite de voorwaarden gecreëerd om het octrooieren van softwarealgoritmen mogelijk te maken.

In tegenstelling tot copyright, waarmee heel het programma wordt beschermd, zou met octrooieerbaarheid van software een monopolie kunnen worden gecreëerd op het gebruik van de algemene instructies. Met de octrooieerbaarheid van deze algoritmen in een complex programma, dat niets anders is dan een combinatie van duizenden instructies, zou men wel eens honderden octrooien tegelijk kunnen overtreden. Linux bijvoorbeeld, dat nu in diverse programma’s ook door overheidsinstanties wordt gebruikt, zou bijvoorbeeld 283 Amerikaanse octrooien overtreden. De invoering van de wetgeving betreffende octrooieerbaarheid zou bijgevolg, tenminste in Europa, het einde kunnen betekenen van vrije en open source software.

Als de octrooieerbaarheid van software wordt goedgekeurd - hetgeen de Amerikaanse multinationals en de Europese landen die profijt trekken van het Amerikaanse monopolie, dolgraag willen - worden de kosten verplaatst van de technologische en innovatieve sector naar de juridische en verzekeringssector. Dat zou ertoe leiden dat het midden- en kleinbedrijf wordt uitgesloten van het ontwikkelingsproces van software, vanwege de hoge kosten en de complexe juridische problemen. Uiteindelijk zou er dan minder mededinging en minder innovatie zijn, en zouden de Europese consumenten hogere kosten moeten betalen en minder keuzemogelijkheden hebben

De strategie van Lissabon met betrekking tot het Europese economische model verenigt technologische innovatie, mededinging en solidariteit. Het standpunt van de Raad gaat evenwel precies de andere kant uit. Met de richtlijn betreffende octrooieerbaarheid van software wordt het recht op vrij verkeer van kennis aangetast en wordt het doel van een voor iedereen toegankelijke informatiemaatschappij op de helling gezet.

Daarom wordt de strijd die wij in dit Parlement voeren tegen octrooieerbaarheid van software een strijd voor vrijheid en democratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland (IND/DEM). – Voorzitter, voor ons ligt een voorstel over octrooien voor software-gerelateerde innovaties, omdat de huidige praktijk niet optimaal is. Uiteenlopende opvattingen over de vraag of software wel of niet geoctrooieerd kan worden, maken het juridische kader weinig eenduidig en de komst van nieuwe wetgeving op dit terrein is dan begrijpelijk. Het is de vraag of het gemeenschappelijk standpunt een gebalanceerde oplossing biedt die voor zowel grote als kleine ondernemingen gewenst is. Zelfs deskundigen hebben helaas niet kunnen aangeven of de richtlijn de innovatie in het midden- en kleinbedrijf zal bevorderen of juist zal belemmeren vanwege obstakels die zich voor hen voordoen. De vrees bij kleine innovatieve ondernemingen voor een onwenselijke uitwerking kon niet worden weggenomen. Drie aspecten zijn hierbij van groot belang voor het midden- en kleinbedrijf.

Allereerst de toegankelijkheid tot het verkrijgen van een octrooi. De richtlijn biedt geen oplossing voor de hoge kosten die het verkrijgen van een octrooi met zich meebrengt. Ten tweede, de mate waarin kleine en middelgrote ondernemingen zich kunnen beschermen indien ze een octrooi bezitten. Het kan zijn dat een ander bedrijf daar inbreuk op maakt. Is het voor hen praktisch haalbaar om dat voortdurend te monitoren? Daarbij komt dat zij evenmin beschikken over de personele en financiële middelen om zich te beschermen wanneer zij beschuldigd worden van inbreuk op octrooien van andere bedrijven. De richtlijn in deze vorm herbergt het risico van een aanzienlijke juridisering van software-gerelateerde innovaties. Ten derde is er het probleem van de hoge licentiekosten wanneer kleine bedrijven gebruikmaken van software van een octrooihouder. Daar komt nog bij dat onduidelijk is wat het effect van de richtlijn zou zijn op het gebruik en de ontwikkeling van software met open standaarden.

Het Europees Parlement heeft met wijzigingsvoorstellen geprobeerd deze zorgpunten aan te pakken, maar de amendementen hebben bij de Raad weinig weerklank gevonden. Het gemeenschappelijk standpunt kent nu onvoldoende overtuigingskracht en de bereidheid van de Raad om alsnog overstag te gaan, lijkt nihil. Daarom dient het gemeenschappelijk standpunt te worden verworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Angelilli (UEN). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, innovatie en onderzoek moeten een gemeenschappelijk bezit zijn, en geen voorrecht voor enkelen.

Daarom moet nogmaals met klem naar voren worden gebracht dat octrooieerbaarheid van software als dusdanig moet worden tegengehouden. Het is goed dit beginsel in herinnering te brengen, want de uit te vaardigen richtlijn moet een goede middenweg zijn tussen enerzijds ongebreidelde octrooieerbaarheid, waardoor innovatie en mededingingsvermogen gedwarsboomd zouden kunnen worden, en anderzijds de noodzaak om gepaste bescherming te bieden aan degene die met zijn of haar uitvinding voor echte toegevoegde waarde op de markt zorgt.

Wij vragen verder dat de vereisten inzake octrooieerbaarheid met de allergrootste aandacht worden bestudeerd, en dat rekening wordt gehouden met noviteit, originaliteit en industriële toepasbaarheid. Slechts op die manier kan men voorkomen dat de exclusieve rechten op overdreven wijze worden uitgebreid, ten koste van het midden- en kleinbedrijf, en dat bijgevolg het aantal juridische geschillen omtrent octrooien de pan uitrijst, zoals nu al vijftien jaar in de Verenigde Staten het geval is.

Tot slot zijn wij van mening dat het een goed idee is om een fonds in te stellen voor financiële, technische en administratieve ondersteuning van het MKB dat zich op het terrein van de octrooiering wil begeven. Wij zijn met name van mening dat het onontbeerlijk is een gepast Europees octrooisysteem op te zetten dat de kleine en middelgrote bedrijven gelijke toegang kan garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dankzij de ononderbroken vindingrijkheid op het gebied van de computertechnologie heeft men in weinig jaren de technologische en automatiseringskloof kleiner kunnen maken.

Met de octrooieerbaarheid van software wordt de vrije uitvinding - die tot nu toe mogelijk was ook zonder veel kapitaal - gedwarsboomd en het monopolie op het gebruik van generieke technieken verdedigd, dat de vrucht is van een politiek uiterst gevaarlijk marktabsolutisme.

Dit is een ernstige beperking van de vrijheid van ideeën en van de herinterpretatie daarvan. Het enige doel daarvan is de Microsoft-lobby en een klein aantal niet-Europese multinationals in staat te stellen de bedrijven en overheden gegijzeld te houden.

Octrooien zijn een gevaar voor de ontwikkeling van open source software en schaden alle, Italiaanse en Europese, informatie- en communicatieondernemingen. Dit zijn met name middelgrote, kleine, en zelfs micro-ondernemingen. Ook veroorzaken zij economische schade aan de diversificatie van de automatiseringsystemen van de overheid.

Wij moeten de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek en het recht op overdracht van cultuur en kennis verdedigen. Ook moeten wij de grondrechten van de mens beschermen, en daarom moeten wij Europa redden van de octrooieerbaarheid van software door ons te verzetten tegen de Europese richtlijn waarmee die octrooieerbaarheid moet worden ingevoerd. Laten wij daarom voor de door de heren Buzek, Rocard en Duff ingediende amendementen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Giuseppe Gargani (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als voorzitter van de Commissie juridische zaken is het mijn plicht om de heer Rocard, mevrouw Kauppi en de heer Lehne geluk te wensen met hun werk. Ook moet ik allen bedanken die zich voor deze zeer moeilijk onderhandelingen hebben ingezet.

Ik moet zeggen dat de Commissie juridische zaken een aanvaardbaar evenwicht heeft gevonden, dat recht doet aan zowel de culturele keuzes als het debat dat tot nu toe hier, en elders, heeft plaatsgevonden. Het is natuurlijk mijn plicht om dit evenwicht te verdedigen, aangezien dit het resultaat is van het Parlement.

Net als alle anderen die zich met deze materie bezighouden, ben ik van mening dat het nuttig is voor de harmonisatie op het gebied van octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen een richtlijn uit te vaardigen waarmee een einde kan worden gemaakt aan de dubbelzinnigheden en onzekerheden die voortvloeien uit het feit dat de nationale octrooibureaus er uiteenlopende interpretatiepraktijken op na houden. Ook moet met die richtlijn het toepassingsgebied van de bescherming nauwkeurig kunnen worden afgebakend.

Men moet evenwel voor ogen houden dat de aanneming van de richtlijn inzake octrooieerbaarheid slechts een stimulans kan zijn voor het technologische innovatieproces als een oplossing wordt gevonden voor twee fundamentele aspecten. Ten eerste moet een einde worden gemaakt aan de dubbelzinnigheid ten aanzien van het concept “technische bijdrage”, waardoor de efficiëntie van de richtlijn als instrument voor de harmonisatie van de procedures voor octrooiverstrekking geheel ongedaan wordt gemaakt. Ten tweede moet hierin een nauwkeurige en effectieve bepaling worden opgenomen voor het vraagstuk van de interoperabiliteit, waardoor de ontwikkeling van gestandaardiseerde oplossingen op het gebied van de ICT wordt belet.

Bij de verwezenlijking van het doel van de harmonisatie mogen de beginselen die ten grondslag liggen aan het bestaand octrooisysteem, niet worden geschonden. In de loop der jaren is immers gebleken dat dit systeem een geschikt instrument is en een efficiënte stimulans kan zijn voor het bedrijfsleven, voor zowel de grote als de kleine ondernemingen. Men hoeft alleen maar te denken aan de steeds groter wordende convergentie tussen informatica en telecommunicatie, waardoor het voor de bedrijven mogelijk wordt om geïntegreerde softwarepakketten en computergeïmplementeerde diensten aan te bieden en te gebruiken. Om de ontwikkeling van deze nieuwe pakketten in goede banen te leiden is het noodzakelijk bij in computers geïmplementeerde uitvindingen cumulatie mogelijk te maken van de met auteursrechten verleende bescherming en de bescherming via octrooi, zonder de software octrooieerbaar te maken.

Zeker in deze moeilijk periode moet Europa het vraagstuk van zijn mededingingsvermogen aanpakken. Het octrooi moet de Europese economie en de Europese burgers helpen. Als de richtlijn niet duidelijk zou zijn, zouden niet-Europese bedrijven er profijt van hebben, en dan zouden wij ons onttrekken aan onze functie en onze plicht ten aanzien van de strategie van Lissabon, ten aanzien van het nieuwe sociale project - waar alsmaar over gesproken wordt - en de ontwikkeling.

Zoals ik reeds zei, heeft de Commissie waardevol werk verricht. Zij is er namelijk in geslaagd om verder te gaan dan het gemeenschappelijk standpunt. Het is nu de taak van het Parlement om de tekst te perfectioneren door de onduidelijke punten daarin op te sporen. Als dat niet gebeurt, zal de Commissie verantwoordelijk zijn voor de aanneming van een nauwelijks te definiëren, niet-sectoraal voorstel, in plaats van een allesomvattend voorstel voor heel het octrooigebied, een voorstel waarmee ook tegemoet kan worden gekomen aan de kleine en middelgrote bedrijven.

Daarom doe ik een beroep op zowel het Parlement als de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, de vorige spreker, de heer Gargani, heeft laten blijken dat hij er veel waarde aan hecht dat we inzake dit voorstel voor een richtlijn een evenwichtig standpunt innemen. Naar mijn idee hebben de rapporteur, de heer Rocard, en mevrouw Berger in amendement 53, duidelijk aangegeven welke doelstellingen bij dit evenwichtige standpunt horen, door te stellen dat: “de voorwaarden voor de verlening van octrooien en de mogelijkheden om die daadwerkelijk te beschermen, zorgvuldig moeten worden gedefinieerd, met name om ervoor te zorgen dat de onvermijdelijke gevolgen van het gebruik van octrooisystemen, zoals de beperking van de vrijheid van creativiteit, de juridische onzekerheid en de effecten die in strijd zijn met het concurrentievermogen, binnen redelijke grenzen blijven”.

De door de heer Rocard en mevrouw Berger ingediende amendementen zijn gericht op het bewaren van dat evenwicht, allereerst op het niveau van de uitvindingen die door de computer worden toegepast: we hebben het hier niet over computeruitvindingen. Computeruitvindingen - computerprogramma’s – worden al beschermd door een communautaire richtlijn van 1991, waarin het recht op intellectuele eigendom, of zo u wilt op auteursrechten, is vastgelegd. Die richtlijn is ook werkelijk van kracht.

We hebben het hier over iets heel anders, namelijk over uitvindingen die door computers worden toegepast of ondersteund - zoals het in een aantal amendementen wordt genoemd - dus over apparaten die computerprogramma’s gebruiken. We moeten er heel erg op letten dat we die zaken niet door elkaar halen en zo het gebruik of de ontwikkeling van uitvindingen door middel van de computer in de weg staan.

Van groot en concreet belang is amendement 50, ingediend door de heer Rocard en mevrouw Berger, om het recht op interoperabiliteit van computerprogramma’s te handhaven. Het feit dat er een octrooi kan rusten op een bepaald aspect van een computerprogramma mag geen belemmering zijn voor het creëren of gebruiken van computerprogramma’s om de ontwikkeling te continueren. Voor de interoperabiliteitsclausule, die in amendement 50 wordt bepleit, wordt ook in iets andere bewoordingen gepleit in de tekst van amendement 68 van de afgevaardigden Mann, McCarthy en Roth-Berendt.

Kortom, we moeten hoe dan ook vermijden dat de ontwikkeling, het uitvoeren van experimenten, de productie, de verkoop, de verstrekking van vergunningen en de invoer van programma’s die gebruik maken van een gepatenteerde techniek voor het bewerkstelligen van interoperabiliteit, als een aantasting van het octrooi kunnen worden beschouwd. De amendementen van de heer Rocard en mevrouw Berger zijn erop gericht de mogelijkheden open te houden om uitvindingen op dit gebied te doen, en projecten zoals het project LinEx, dat is ontwikkeld door de deelregering van Extremadura, in Spanje, zo mogelijk de kans te geven om zich verder te ontwikkelen, wat in het voordeel is van de creatieve innovatie op het grondgebied van de Europese Unie.

 
  
  

VOORZITTER: JACEK EMIL SARYUSZ-WOLSKI
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Vittorio Prodi (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, octrooien zijn een belangrijk bestanddeel van de technologische vooruitgang. Het is echter noodzakelijk terug te gaan naar de oorspronkelijke betekenis van het pact tussen uitvinder en samenleving. Dat pact zegt namelijk dat de uitvinder een tijdelijke monopolie heeft op de exploitatie van de uitvinding, maar dat de samenleving profiteert van de kennistoename die voortvloeit uit de volledige openbaarmaking (full disclosure) van de inhoud van het octrooi, en dus van de verbreding van de grondslag voor verdere vooruitgang.

Mijns inziens is het goed na te gaan hoe bepaalde octrooien worden gepresenteerd. Ik heb de indruk dat er een stijgende tendens is tot algemene octrooien, juist omdat men de claims zo ruim mogelijk wil houden. Ik heb de indruk dat de advocatenkantoren nu aan het langste eind trekken, en de samenleving aan het kortste. Dit moet met name worden vermeld in het geval van de software. Veel van de verstrekte octrooien zijn namelijk niets anders dan vage beschrijvingen van een logisch proces.

Wat software betreft, is mijns inziens het auteursrecht - het copyright - voldoende. Daarom heb ik steun gegeven aan veel van de amendementen van de heer Rocard, die ik bij deze bedank voor zijn inzet als rapporteur. Ik ben zelfs van mening dat hier de beschermingsperiode kan worden ingekort. Als de uitvinder een sterkere bescherming ambieert en een octrooi wil, kan hij zich niet onttrekken aan een volledige openbaarmaking van de uitvinding, waarvan hij dan de bindende grondslag moet maken voor de claims. Dit geldt ook meer algemeen, als men de mogelijkheid van juridische onzekerheid wil beperken.

Daarom geloof ik dat het Parlement een krachtigere rol moet spelen in het kader van de versterking van de Unie, onder meer via de vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt ten aanzien van het Europees Octrooibureau.

Persoonlijk ben ik voor een hervorming waarmee de procedures kunnen worden vereenvoudigd, via onder meer het gebruik van één taal, het Engels, en waarmee regels worden uitgevaardigd die het klein en middenbedrijf in staat stellen gebruik te maken van dit basisinstrument.

 
  
MPphoto
 
 

  Rebecca Harms (Verts/ALE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik moet u zeggen dat de hele discussie over softwareoctrooien hier in het Parlement voor een groot deel in tegenspraak is met hetgeen de Europese instellingen anders voortdurend als een mantra in dit werelddeel verkondigen: met name initiatieven van de Commissie en de Raad benadrukken steeds weer dat we er alles aan willen doen om de fundamentele belangen van het midden- en kleinbedrijf te beschermen.

De softwarebranche heeft zich tot nu toe in Europa uitstekend en met succes kunnen ontwikkelen op basis van regelingen die prima voldeden, zoals regelingen met betrekking tot het auteursrecht, reverse engineering en op bepaalde gebieden ook met betrekking tot octrooien. Waarom hebben we deze nieuwe regels eigenlijk nodig? We hebben het doorlopend over overregulering. Wanneer u met betrekking tot softwareoctrooien daadwerkelijk gaat doen wat momenteel wordt bediscussieerd, dan helpt u daarmee slechts twee of drie grote ondernemingen, met name Microsoft en SAP, dus een Amerikaans en een groot Duits bedrijf, misschien ook nog Siemens en bedrijven van hetzelfde kaliber. U schaadt echter de fundamentele belangen van veel kleine en middelgrote bedrijven die in de afgelopen jaren zeer succesvol zijn geweest.

Wat hier wordt bediscussieerd als een regeling voor de octrooieerbaarheid van software, heeft erg veel weg van een werkgelegenheidsmaatregel, en wel voor advocaten. Als we niet afwijzen wat vandaag van ons wordt gevraagd, zullen die nog veel te doen krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vittorio Agnoletto (GUE/NGL). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, in weerwil van alle officiële verklaringen is in artikel 2 een wijziging aangebracht waarmee ook de software die in een computer gebruikt wordt, onder octrooibescherming gebracht kan worden.

Dit is het achterdeurtje voor octrooieerbaarheid van software. Dat zou hetzelfde zijn als wanneer men op een goeie dag toonladders, muzieknoten en akkoorden zou octrooieren. Dat zou hetzelfde zijn als wanneer men de pentatonische toonladder zou octrooieren, waardoor plotseling een groot deel van de blues dat octrooi zou overtreden en alle auteurs royalties zouden moeten betalen aan degenen die het octrooi hebben geregistreerd.

Er zijn reeds octrooien aangevraagd voor ideeën die niet nieuw waren, zoals de klik van de muis om een bepaalde handeling te verrichten, of de ongelijkheidsoperator in de source code, of voor andere banale ideeën die tegenwoordig in praktisch alle in omloop zijnde software worden gebruikt.

Als de interoperabiliteit zou worden tegengehouden door octrooien op programma’s, en als de consument ertoe zou worden aangezet om zijn producten altijd en eeuwig van hetzelfde bedrijf te kopen en te gebruiken, zou dat enorme gevolgen hebben van met name economische aard. Geen enkel bedrijf mag in de gelegenheid worden gesteld om een monopolie op te bouwen via geoctrooieerde software. Een klein bedrijf moet dan enorme hoeveelheden geld uitgeven om enerzijds elke overtreding van octrooien te voorkomen en anderzijds zijn eigen werk voor de rechter te verdedigen. De mededinging zou dus niet enkel een marktkwestie meer zijn, maar tevens een juridische zaak worden.

Wij denken aan al de onderzoeksinstituten van universiteiten of ziekenhuizen die nu, dankzij de afwezigheid van een dergelijke richtlijn, onderzoek doen en daarbij kunnen besparen op de software, omdat zij gebruik maken van door hun eigen instituten ontwikkelde en dus gratis software, of van alternatieve software die veel goedkoper is dan Microsoft. Zonder octrooien op software kan Europa de kosten laag houden, innovatie aanmoedigen, de veiligheid verbeteren en banen creëren.

In de Harvard Business Review stond de titel: “Octrooien zijn intelligente bommen”. Ik zou daaraan willen toevoegen: “…tegen de mogelijkheid om in de toekomst interactie tot stand te brengen tussen verschillende culturen en werelden”.

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM). (EN) Mijnheer de Voorzitter, het programmeren van software is van enorme betekenis voor mijn kiezers in Ierland. Zozeer zelfs, dat ik letterlijk zakken met post heb ontvangen waarin ik werd gevraagd mijn stem op een bepaalde manier uit te brengen. Het is verre van eenvoudig alle nuances en gevolgen van ons besluit te doorgronden. We praten vandaag over, om het maar eenvoudig te zeggen, het eigendom van ideeën. Bij software zijn de grote ideeën van gisteren de bouwstenen voor de grote ideeën van morgen. Die ideeën kunnen door iedereen gebruikt worden om de wetenschap verder te ontwikkelen en de vooruitgang te stimuleren.

Een van de mooie kanten van de software-industrie is dat een enkele programmeur zich aan zijn bureau kan zetten en een interessant programma kan schrijven. Hij kan dat anderen doen toekomen tegen betaling of het als open source beschikbaar stellen zodat iedereen het kan gebruiken en eraan toe kan voegen. Wat hij heeft gedaan is van nature ongecompliceerd en miljoenen mensen doen precies hetzelfde als hij. Dat is tot op de dag van vandaag de motor achter innovatie, dat heeft de informatiesamenleving voortgedreven en dat bepaalt de stand van zaken in de wetenschap.

Hoeveel innovatie, denkt u, zal er plaatsvinden als die ene programmeur een team van octrooiadvocaten in de arm moet nemen? Als wij hier morgen besluiten om software octrooieerbaar te maken, zouden programmeurs in heel Europa wel eens de wet kunnen overtreden om daar pas achter te komen als het te laat is. Als wij octrooien toestaan, hoeveel creativiteit en vrijheid om te denken zal dan worden verstikt door de angst van inbreuk op een van de honderdduizenden octrooien die er zullen komen? Geregistreerde of gekochte octrooien zullen nu juist de gereedschappen die de programmeur nodig heeft voor zijn werk als programmeur, beheersen. Ik roep de afgevaardigden op elk amendement te steunen dat de vrijheid tegenover het octrooirecht overeind houdt. Dat zal ons de beste uitgangspositie bezorgen voor onderhandelingen met de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Marcin Libicki (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, een arts mag zijn patiënten geen schade berokkenen en naar analogie daarvan mag dit Parlement geen schade toebrengen aan de maatschappijen waardoor het gekozen is. Dat betekent dat vrijheid onze hoogste prioriteit moet hebben en dan met name de vrijheid van economisch handelen.

Dat roept de vraag op of er op dit gebied überhaupt wel regels nodig zijn. Gezien het feit dat wij, zeg maar, het afgelopen decennium een ongekende ontwikkeling van computersoftware hebben meegemaakt, is het bijzonder twijfelachtig of wij nu plotseling gedetailleerde voorschriften moeten gaan invoeren om die ontwikkeling te reguleren. Alles liep op rolletjes dus waarom zouden wij daar verandering in aan moeten brengen? Het economische succesverhaal is overduidelijk en als wij nu nieuwe regels gaan invoeren zou dat alleen maar een belemmering vormen voor een succesvol vervolgverhaal in de toekomst.

Mededinging is absoluut essentieel omdat deze als “gist” voor het rijzen van economisch succes fungeert, of beter gezegd, mededinging is de drijvende kracht achter dat succes. Enerzijds is het waar dat grote bedrijven bepaalde mogelijkheden hebben om nieuw onderzoek te doen, die kleine bedrijven niet hebben. Anderzijds is het echter ook zo dat wanneer grote bedrijven eenmaal een monopoliepositie hebben verworven, zij geneigd zijn om een lethargisch en stagnerende houding aan te nemen. Monopolies zijn nooit bevorderlijk voor economisch succes, dat geldt zowel voor staatsmonopolies als voor monopolies van grote bedrijven. Wanneer over dit verslag - en met name over de amendementen die hierop zijn ingediend - wordt gestemd, moeten wij ervoor oppassen dat wij geen monopoliepositie voor grote bedrijven creëren aangezien dat een zeer schadelijk effect zou hebben.

Wij moeten vooral voor ogen houden dat de economische groei bij deze kwestie niet ten koste gaat van de kleine en middelgrote ondernemingen. Het allerbelangrijkste is echter dat wij de belangen van de doorsneegebruikers van computerprogramma’s niet schaden, aangezien uiteindelijk zal blijken dat daar helemaal niemand bij gebaat is.

Wij zijn voorstanders van het beschermen van de vrijheid en van economische groei en niet van onderdrukking en lethargie.

 
  
MPphoto
 
 

  Sergej Kozlík (NI).(SK) De enige richtlijn die in aanmerking komt, is een richtlijn waarin duidelijk de criteria worden neergelegd die nodig zijn om octrooieerbare, in computers geïmplementeerde uitvindingen te kunnen onderscheiden van niet-octrooieerbare uitvindingen, zodat dergelijke uitvindingen in de EU-lidstaten doeltreffend beschermd kunnen worden. De richtlijn dient een einde te maken aan de pogingen een octrooi aan te vragen voor niet-octrooieerbare zaken, zoals triviale, niet-technische procedures, handelsmethoden en zuivere software.

Het belangrijkst zijn de amendementen die tot doel hebben de zinsnede in computers geïmplementeerde uitvinding te vervangen door door computers ondersteunde uitvinding of computerondersteunde uitvinding, de amendementen waarin het begrip technische bijdrage wordt gedefinieerd en, nauwkeuriger gezegd, ook de termen worden gedefinieerd die van belang zijn voor de beoordeling van de technische aard van de uitvinding in kwestie, en tot slot de amendementen waarin duidelijk wordt gesteld dat zuivere software, of zelfs media, niet in aanmerking komen voor een octrooi. Zonder deze amendementen zullen wij de ontwerprichtlijn niet kunnen steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Mayer (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, men zegt dat we het over een van de meest omstreden wetsvoorstellen hebben. Dat zou echter alleen het geval zijn wanneer de ene helft voor zou zijn en de andere helft tegen, maar hier liggen de verhoudingen heel anders: een grote meerderheid van het Parlement is voor datgene wat de wetgeving beoogt, namelijk het heldere beginsel dat zuivere software niet octrooieerbaar is.

Ook bij deze regeling blijft het zo dat software via het auteursrecht wordt beschermd. Ook dan geldt die bescherming natuurlijk niet voor afzonderlijke regels, maar alleen voor het werk als geheel, net zoals bij een boek geen losse zinnen worden beschermd, maar alleen het boek als geheel. Wat we in onze economie echter nodig hebben, zijn octrooien. Octrooien zijn een kenmerk, een indicator van een kenniseconomie. Het gaat daarbij om technische uitvindingen met aanvullende eisen, bijvoorbeeld dat de uitvinding nieuw moet zijn en dergelijke, ook wanneer het om door computers ondersteunde, in computers geïmplementeerde of computergestuurde uitvindingen gaat.

Waarom is deze wetgeving nodig? Om toestanden zoals in de Verenigde Staten te voorkomen. Het is toch bekend dat er nu al meer dan 30 000 softwareoctrooien zijn. We willen dat in de toekomst tegengaan. Daarom is deze wetgeving nodig. Via monitoring door de Commissie bouwen we terecht garanties in. De Commissie moet over drie jaar verslag uitbrengen. Worden er werkelijk nog achterdeurtjes opengehouden, ook al hebben we geprobeerd die met de laatste compromissen dicht te doen? Als ze er nog zijn, dan moet de Commissie ons daarover inlichten, evenals over de “open source-beweging”. Over drie jaar buigen we ons er dan weer over en kunnen we eventuele achterdeurtjes alsnog sluiten.

De zaak is dus nog niet afgerond, niet alleen omdat we met de Raad nog tot overeenstemming moeten komen, maar ook omdat we blijven toezien op de toepassing van de wetgeving en ons het recht voorbehouden om, afhankelijk van de wijze waarop onze wetgeving wordt toegepast, over drie jaar verdere maatregelen te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Arlene McCarthy (PSE). (EN) We krijgen de kans de wereld voor te gaan met goede octrooiwetgeving, maar kunnen wij dat aan? Het juridische kader is duidelijk: in artikel 52 van het Europees Octrooiverdrag staat dat software als zodanig niet octrooieerbaar is. We zijn allemaal van mening dat we duidelijke grenzen moeten stellen aan octrooieerbaarheid. We zijn het er eenvoudigweg niet over eens hoe we dat het beste kunnen doen.

We moeten de wetgeving aanscherpen en ervoor zorgen dat uitgevoerde inspecties geen octrooien op software of handelsmethoden toelaten. Laten we echter niet vergeten dat het ons vernuft en ons talent voor innovatie van software en daarvan afhankelijke technologie is, die Europa kan steunen bij het streven de meest concurrerende economie van de wereld te worden in 2010.

In deze tijd, waarin onze traditionele industrieën uitwijken naar China en het verre oosten, moeten we vertrouwen op onze vindingrijkheid om ons brood te verdienen. De opbrengsten van octrooien en het in licentie geven van onze uitvindingen aan concurrenten wereldwijd vormen het rendement op investeringen en helpen ons bij het creëren van werk en groei.

Innoverende bedrijven in het MKB betogen dat ze zonder bescherming van octrooirecht niet in een positie zijn om te kunnen onderhandelen met grote ondernemingen of zich niet kunnen beschermen tegen grote bedrijven die aan de haal gaan met hun uitvindingen. Ze hebben bescherming van octrooirecht nodig die betaalbaar is en bij grote ondernemingen kan worden afgedwongen. We moeten echter waarborgen dat kleine softwareontwikkelaars niet terechtkomen in een mijnenveld van triviale octrooien. Ze moeten kunnen innoveren, code kunnen schrijven en ontwikkelen en softwareprocessen kunnen maken zonder octrooiwetgeving te overtreden.

Er is een aantal amendementen dat dit probleem zo kan oplossen dat er evenwichtige, uitvoerbare EU-wetgeving komt, die octrooien via de achterdeur tegenhoudt, maar verzekert dat Europa's meest vernieuwende bedrijven toegang krijgen tot octrooien in een in toenemende mate nietsontziende, wereldwijde arena, en in staat worden gesteld de aanval te openen op de overheersende positie van de Verenigde Staten op dit terrein.

De heer Crowley heeft gezegd dat we terecht zouden kunnen komen in de perverse situatie dat we licentierechten zouden moeten betalen aan Amerikaanse en Japanse bedrijven voor octrooien en innovaties die eigenlijk van ons zelf zijn. In feite kunt u India aan die lijst toevoegen. In zijn nieuwe octrooiwet uit 2005 staat India het nemen van octrooi op ingesloten systemen toe. Zijn wij serieus van mening dat we hier in Europa minder waarde hechten aan onze vernieuwingsdrang dan die landen die nieuw zijn op de terreinen van innovatie en uitvindingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andrew Duff (ALDE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, het Parlement staat voor een belangrijke strategische uitdaging om een regulerend kader te scheppen waarmee de verspreiding van de octrooieerbaarheid van software een halt kan worden toegeroepen. Tactisch gezien moet onze eerste taak morgen zijn de simplistische voorstellen te verslaan die de tweede lezing verwerpen. We moeten ervoor zorgen dat we in staat zijn geleidelijk voortgang te boeken bij het amenderen van het gemeenschappelijk standpunt. Voor het ontwikkelen van een kwaliteitswetgeving moeten we eenvoudigweg het proces van het zoeken naar overeenstemming volgen. Als we er in het geheel niet in slagen tot wetgeving te komen, zouden we de industrie overleveren aan de genade van het Europees Octrooibureau, de gerechtshoven en commissies van de Wereldhandelsorganisatie. Ik ben bang dat dat zou leiden tot een kostbare, bureaucratische en verwarrende situatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul van Buitenen (Verts/ALE). – Voorzitter, de manier waarop het voorstel voor softwarepatenten tot stand is gekomen, is in mijn ogen een schandaal. Grote bedrijven zoals Microsoft zien geld in softwarepatenten en zij hebben via de Business Software Alliance het voorstel van de Europese Commissie mede opgesteld. Dit werd toevallig ontdekt, omdat men had vergeten de naam van de auteur uit het document te verwijderen. De inteeltcultuur tussen de beheerders van de octrooibureaus, de octrooiadvocaten van grote bedrijven en de octrooibeheerders van de Europese Commissie, bepaalden het voorstel van de Commissie. Het Europees Parlement trad in 2003 corrigerend op, maar de Raad van ministers heeft via dubieuze stemprocedures het voorstel weer op tafel gekregen. Er was geen gekwalificeerde meerderheid van lidstaten en verzoeken van verscheidene lidstaten om onderhandelingen te heropenen werden snel genegeerd.

Ook in Nederland is de discussie rond de softwarepatenten dubieus. Terwijl het parlement verkeerd werd ingelicht door de regering, werkten de Nederlandse ambtenaren binnen de EU-comités door aan het voorstel. De Nederlandse minister negeerde het parlement bij de besluitvorming in de Raad van ministers. Ik steun daarom de amendementen waarin dit voorstel wordt afgewezen. Het Europees Parlement maakt zich in mijn ogen belachelijk wanneer het de manier waarop dit wetsvoorstel tot stand is gekomen, tolereert.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL). – Voorzitter, in 1991 was Microsoft een klein bedrijf dat moest opboksen tegen de grotere. Toen vertelde Bill Gates dat de industrie tot stilstand zou komen als al onze oude kennis aan patenten zou zijn onderworpen. Enkele reuzen zouden nieuwkomers dan onbeperkte betalingen kunnen opleggen. Nu zijn bedrijf bij de groten hoort, vertellen zijn lobbyisten een heel ander verhaal.

Gedurende lange tijd voeren tegenstanders actie tegen de softwarepatenten. Zij hebben doorzettingsvermogen en goede argumenten. Ik ben het eens met de "Foundation for a free information infrastructure". Deze stichting zegt dat softwarepatenten de vrijheid van ontwikkeling van software bedreigen en dat softwarepatenten slecht zijn voor de innovatie, want zij bevorderen monopolievorming en zorgen voor hogere prijzen. Softwarebedrijven, internetwinkels, scholen en consumenten worden daardoor getroffen. Willen wij toe naar een situatie dat computers overgeleverd worden aan één of enkele software-aanbieders?

Morgen zijn er tenminste 367 stemmen nodig om de Raadstekst te amenderen of te verwerpen. Ik roep alle tegenstanders van softwarepatenten ertoe op massaal aanwezig te zijn. Dan kiezen we voor open source en creativiteit in plaats van machtsconcentratie en monopolievorming.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mij vandaag een keer tot degenen richten die hier niet in de zaal zitten: niet direct tot de 450 miljoen Europeanen, maar tot degenen die buiten voor de deur staan en tot degenen die ons met e-mails, faxen en telefoontjes hebben bestookt. Ik vind dat fantastisch! Wat hier vandaag en morgen gebeurt, is belangrijk: zo ziet straks de democratie van Europa eruit. De betrokkenen maken zich sterk voor wat hun na aan het hart ligt. We hebben het toch zelf kunnen zien: de vele argumenten die hier naar voren worden gebracht, zijn toch vaak veel zinniger, gedetailleerder en preciezer dan datgene wat wij ons zelf ooit eigen kunnen maken bij alles waarmee wij ons moeten bezighouden.

Na vijf jaar, waarin leden van het Parlement 5 500 amendementen indienden en er nog eens 50 000 stemmingen plaatsvonden, kan toch niemand van ons beweren dat hij door de bomen het bos nog ziet. De inbreng die we nu kregen, was goed en heeft mij overtuigd. Ik ben ervan overtuigd dat we de democratie, het midden- en kleinbedrijf, ja ook de economische welvaart een dienst bewijzen, wanneer we tegen de softwareoctrooien stemmen. Ik wil degenen buiten met hun fluitjes en T-shirts aanmoedigen: hou vol, maak de uitslagen van de stemming openbaar, laat van iedereen zien hoe hij heeft gestemd! Dan kun je zien of de leden van het Parlement partijbesluiten, lobbyisten of hun eigen geweten hebben gevolgd.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE). – Voorzitter, de hardnekkige bewering dat het voorstel dat het voorwerp van dit debat uitmaakt vooral de kleine en middelgrote ondernemingen zou treffen en benadelen, blijft circuleren. Meer rechtszekerheid en een uniforme toepassing van de rechtsregels op de interne markt zijn nochtans objectieven waar vooral KMO's baat bij hebben. Ik heb zelf altijd geloofd, en ik ben er nog steeds van overtuigd, dat KMO's niet zozeer een specifiek probleem hebben met dit voorstel, maar veeleer een algemeen probleem hebben met het octrooistelsel als zodanig. Zowel wat de toegang als wat de verdediging betreft.

In eerste lezing is hier over een amendement gestemd waarin de Commissie werd verzocht te rapporteren over wat het effect van in computers geïmplementeerde uitvindingen is op KMO's. In eerste lezing, heb ik de Commissie uitdrukkelijk gevraagd nog eens grondig na te denken over de wijze waarop er, via een Europese aanpak, voor kan worden gezorgd dat KMO's een betere plaats krijgen in octrooiland.

Tot mijn genoegen lees ik in het verslag-Rocard opnieuw vier amendementen waarin bijzondere aandacht wordt gevraagd voor dit segment van het bedrijfsleven. Alleen vinden veel KMO-organisaties dit lang niet voldoende, want zij geloven niet meer in lippendienst. Zij willen feiten en zij willen resultaten. Daarom heb ik de volgende vragen.

Waarom heeft de Commissie sinds deze problematiek en deze zorgen bij KMO's haar bekend zijn - laat ons zeggen sinds begin 2002, nu drie jaar geleden - nog niets concreets ondernomen ten voordele van KMO's? Er is toch grondstof genoeg, vermits in Europa al tienduizenden in computers geïmplementeerde uitvindingen geoctrooieerd zijn.

Ten tweede, gaat de Commissie nu iets concreets doen voor KMO's en waaraan denkt zij dan? Ik zou heel graag een duidelijk antwoord krijgen. Mijn vraag verwoordt de zorg van grote groepen KMO's en uw antwoord, mijnheer de commissaris, zal mede bepalend zijn voor mijn stemgedrag morgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Gierek (PSE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, dit richtlijnvoorstel van de Commissie en de Raad is om een aantal redenen onaanvaardbaar. De belangrijkste reden is dat in artikel 4 van dit voorstel de octrooieerbaarheid van computerprogramma’s eerst wordt verboden, terwijl meteen daarna in artikel 5 de deur weer wijd open wordt gezet voor octrooien die betrekking hebben op - en ik citeer - “een geprogrammeerde computer” of een “geprogrammeerd computernetwerk”. De vraag is wat er hier nu precies op het spel staat. Naar mijn idee gaat het hier om de enorme softwaremarkt die er in Europa bestaat, en om het creëren van een monopolie voor die markt. Het draait hier om minstens enkele tientallen miljarden euro. De ongeamendeerde richtlijn brengt de volgende risico’s met zich mee: Ten eerste het risico dat de softwaremarkt gemonopoliseerd gaat worden door een aantal grote spelers van buiten Europa met een zeer brede financiële basis. Vanuit een mondiale optiek en het gegeven dat iedereen wereldwijd met iedereen concurreert, is dit erg gevaarlijk voor de EU.

Het tweede risico is dat een aantal kleine en middelgrote automatiseringsbedrijven dat zich met software bezighoudt, failliet zal gaan. Het derde risico is dat bedrijven die octrooien in de dienstensector verkrijgen (en daarmee doel ik ook op de internetsector) - en die daardoor feitelijk een monopoliepositie hebben - de prijzen zullen dicteren. Het vierde en laatste risico is dat de democratie in Europa het zwaar te verduren zal krijgen gezien het belang van internet als mediavorm.

In zijn hoedanigheid van rapporteur heeft de heer Rocard er erg veel energie in gestoken om een oplossing voor deze ingewikkelde zaak te bewerkstelligen. In zijn voorstellen wordt niet alleen een lans gebroken voor de “open source”-beginselen, hetgeen te prijzen valt, maar maakt hij zich ook sterk voor het verdedigen van de democratie tegen de dictatuur van monopolies. In deze fase van het wetgevingsproces zullen zijn voorstellen uiteindelijk tot een bemiddelingsprocedure leiden en naar mijn idee wordt langs die weg de optimale oplossing bereikt.

Net als wiskundige theorieën en het denkproces op zich, is software niet octrooieerbaar. Wat wel octrooieerbaar is, zijn de uitvindingen die met behulp van computers worden gecreëerd. In de praktijk worden dergelijke octrooien overigens ook al verleend. Die octrooien bevatten technisch “onafhankelijke conclusies” die betrekking hebben op concrete systemen, en “afhankelijke conclusies”, die alleen maar geldigheid hebben in de context van een bepaald octrooi en die ook verwijzingen kunnen omvatten naar computers en naar alles aspecten die met hun werking te maken hebben. Dit uitvindingengebied is cruciaal voor bijvoorbeeld de motorvoertuigensector, de huishoudelijke apparatenbranche, de mobiele telefonie en ook voor andere sectoren en dergelijke uitvindingen dienen wel gereguleerd te worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Mojca Drčar Murko (ALDE).(SL) In het octrooirecht geldt voor uitvindingen een speciale vorm van rechtsbescherming. Het is niet de concrete uitvoering van een bepaald idee die beschermd wordt, maar het idee of concept zelf. De uitvinding is dus altijd iets immaterieels. Deze tweeledige aard van octrooibescherming leidt tot problemen als we kijken naar de gevolgen van het octrooirecht in de praktijk, wanneer de belangen en rechten van softwareontwikkelaars in het geding zijn. De moeilijkheid is derhalve dat je enerzijds bedrijven hebt die het octrooirecht willen gebruiken om hun investeringen in onderzoek en ontwikkeling te beschermen, terwijl je anderzijds de samenleving hebt, en de individuen waaruit zij bestaat, die ernaar streven een scala aan intellectuele prestaties waarvan veel gebruik wordt gemaakt, beschikbaar te houden voor iedereen.

Als wetgevers moeten wij beide partijen recht doen: zowel degenen die van mening zijn dat de scheidslijn een gebied binnendringt waarop vanouds octrooibescherming van toepassing is, als degenen die daarentegen vinden dat het gemeenschappelijk standpunt van de Raad de octrooieerbaarheid van software niet geheel uitsluit. De meerderheid van de amendementen die de Commissie juridische zaken heeft ingediend, draagt bij aan het bereiken van een meer evenwichtige afbakening, en deze amendementen lijken mij dan ook een nuttige aanvulling op het gemeenschappelijk standpunt, alsmede een goede basis voor een definitief besluit.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (NI). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, vandaag is een belangrijke dag voor het Europees Parlement omdat wij nu een concrete mogelijkheid hebben om aan te tonen dat dit Parlement ook daadwerkelijk miljoenen Europeanen vertegenwoordigt. Wij kunnen namelijk niet alleen de belangen van miljoenen computerbezitters verdedigen - en wel zeer effectief verdedigen - maar ook de belangen van honderdduizenden kleine en middelgrote ondernemingen. Er zijn e-mails en brieven geschreven en oproepen aan ons gedaan om die belangen hier vandaag ook inderdaad te behartigen.

Naar mijn idee heeft het Europese publiek zich plotseling gerealiseerd dat een Europa van de burgers het Europees Parlement nodig heeft. Wij moeten niet handelen als woordvoerders van of lobbyisten voor grote bedrijven, maar wij moeten handelen als de woordvoerder van de sociale basisbeweging die ageert tegen ondoordachte besluiten van instellingen van de EU. Dergelijke besluiten kunnen uitsluitend door een andere communautaire instelling worden rechtgezet. Het draait vandaag niet alleen, en zelfs niet eens hoofdzakelijk, om octrooien voor computers. Het belangrijkste aspect van dit debat is het publieke belang en de publieke belangstelling. Daardoor heeft het Parlement nu een enorme kans om de burgers echt te vertegenwoordigen, niet alleen in prachtige theoretische verklaringen, maar ook in de praktijk. Wij mogen deze kans dan ook niet aan ons voorbij laten gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, dames en heren, in tegenstelling tot veel collega’s wil ik erop wijzen dat wij er het gedurende de besprekingen allemaal over eens werden – in ieder geval in grote meerderheid – dat in computers geïmplementeerde uitvindingen octrooieerbaar moeten kunnen zijn. We vinden ook dat de grote kracht van onze Europese industrie daarvan afhankelijk is. De schizofrene situatie wordt veroorzaakt door het feit dat bedrijven die momenteel op dit gebied graag willen octrooieren, dat ook kunnen en dat het Commissievoorstel eigenlijk niets anders bepleit dan een verdere harmonisatie in Europa.

Het tweede punt, waarover we het denk ik ook allemaal eens zijn, is dat we op het gebied van octrooien niet de weg willen bewandelen die de Amerikanen zijn ingeslagen, waardoor het bijvoorbeeld mogelijk zou worden software to software te octrooieren. Wat wij willen is – om het even heel simpel in computertermen te zeggen – software to hardware.

Het grote probleem van dit moment is hoe we een en ander duidelijk kunnen formuleren. Daarom wil ik met het oog op de stemming van morgen de Commissie nogmaals vragen hoe we daarvoor kunnen zorgen, want er liggen nu tal van voorstellen. Het gaat in hoofdzaak om de amendementen die op het gebied van interoperabiliteit zijn ingediend, door de heer Rocard en anderen en door mevrouw Kauppi en mijzelf. Ik zou graag van de Commissie willen weten wat ze van die verschillende voorstellen vindt, met name van de voorstellen ten aanzien van gedwongen licenties of van beperkte uitsluiting als het om pure software to software gaat. Misschien kan de commissaris daar nog iets over zeggen?

 
  
MPphoto
 
 

  Marco Pannella (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, al sinds de vorige legislatuur hebben wij, radicale afgevaardigden, en met name de heer Cappato, ons voor dit vraagstuk ingezet. Wij hebben het standpunt van het Parlement duidelijk verwoord, maar het is niet overgenomen.

Nu spreken wij hier opnieuw over, en wel in een situatie waarin van extreem rechts tot extreem links in ons Parlement interventies worden gepleegd die ik als liberaal ten zeerste waardeer, interventies waarin een lans wordt gebroken voor de door de jungle van het bureaucratisch leger bedreigde en vervuilde markt. Dat bureaucratisch leger vaart in het zog van de grote monopolistische en oligopolistische groepen en is bereid om met de taal van de bureaucratische juridische macht de uitoefening van de vrijheid van uitvinding en de marktvrijheid te dwarsbomen.

Als morgen de amendementen van de heer Rocard en de amendementen die ik samen met vijftig andere collega’s, onder wie Emma Bonino, heb ingediend, worden aangenomen, zullen wij een strategie hebben en mijns inziens kunnen zegevieren. Zo niet, dan moet ik het eens zijn met de heer Duff, die zei dat men in de bemiddelingsprocedure niet alleen meer geconfronteerd zal worden met de weigering van Spanje, Oostenrijk, België en Italië om in te stemmen met de richtlijn, zoals in mei 2004. Ik ben er namelijk van overtuigd dat wij erin zullen slagen de standpunten van de Commissie en de Raad een wending in de richting van liberalisme en rechtvaardigheid te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Joachim Wuermeling (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, al vaak zijn in deze zaal de waarde van innovatie en het belang van de kenniseconomie onderstreept. Er werd gezegd dat kennis onze troef is, de troef van Europa op een globaliserende markt.

Even belangrijk als de ontplooiing van deze kennis is uiteraard dat we moeten voorkomen dat anderen er met onze ideeën vandoor gaan. Stelt u zich eens voor: een uitvinder investeert twee jaar lang miljoenen euro’s in een uitvinding en drie maanden later maakt iemand die uitvinding na, brengt haar op de markt en berooft de uitvinder van het loon voor zijn inspanningen. Octrooien vormen de bescherming van de zwakkere, de bescherming van de uitvinder tegen degene die de markt domineert. Het octrooi beslist de strijd tussen de macht van het intellect en de macht van de markt in het voordeel van de macht van het intellect, ongeacht de vraag of het om een groot of klein bedrijf gaat.

Ik ben erg ontevreden over de wijze waarop het debat zich in de afgelopen weken heeft ontwikkeld. Er is een opgefokte sfeer ontstaan, een lobbystrijd zonder weerga. Als we eerlijk zijn, moeten we erkennen dat we in feite nog over zeer veel formuleringen moeten beslissen, ondanks het feit dat we dit in tweede lezing behandelen. We treffen een groot aantal uiteenlopende standpunten aan, waarvan we de effecten in deze fase slechts in beperkte mate kunnen inschatten. De Commissie juridische zaken heeft veertig amendementen tot nog geen tien amendementen teruggebracht. Er liggen nog tientallen andere amendementen op tafel, waarvan we de gevolgen nauwelijks kunnen overzien.

Ik heb langzamerhand het idee dat dit dossier nog niet echt rijp is voor besluitvorming. We moeten ons inderdaad afvragen of we het gemeenschappelijk standpunt niet moeten afwijzen om het wetgevingsproces op te schorten. Dat zou wellicht de meest verantwoorde beslissing zijn die we in deze fase kunnen nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edit Herczog (PSE). (HU) Ik heb het debat over de ontwerprichtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen met grote belangstelling gevolgd, onder meer vanwege de betekenis van dit onderwerp (ik ben ervan overtuigd dat dit een van de belangrijkste ontwerprichtlijnen is die in het Parlement ter tafel liggen). Een andere reden voor mijn belangstelling is echter dat ik nog nooit, in mijn hele loopbaan als lid van een nationaal parlement of van het Europees Parlement, een stuk ontwerpwetgeving heb gezien dat door zoveel mensen zo verkeerd begrepen of geïnterpreteerd werd. We hebben al zoveel gehoord in verband met deze richtlijn – over Microsoft, over Linux, over de belangen van multinationale ondernemingen en het midden- en kleinbedrijf, legale software, open-broncode en auteursrechten – dat we uit het oog zijn verloren wat werkelijk belangrijk is, waar het hier eigenlijk om gaat. Wat van belang is, is Lissabon. Wat van belang is, is de op kennis gebaseerde economie en samenleving. Wat van belang is, is dat we de kennis die we creëren, moeten kunnen beschermen. En het voornaamste marktinstrument om kennis te beschermen, is het octrooi.

Het is een schande voor Europa dat het gemeenschappelijk Europees octrooi niet van de grond is gekomen, terwijl dat onontbeerlijk is als we kennis en innovatie willen laten resulteren in investeringen en winst. Nú hebben we een gelegenheid om verder te komen op het gebied van octrooiwetgeving en eraan bij te dragen dat de bescherming van kennis een zodanige nieuwe invulling krijgt, dat zij voldoet aan de eisen van de 21e eeuw. Het zou naïef zijn te denken dat deze richtlijn een compleet nieuwe oriëntatie inhoudt die in kwalitatieve zin iets biedt dat in eerdere wetgeving ontbrak. Deze richtlijn staat niet voor iets nieuws en revolutionairs, hij staat voor de erkenning van het simpele feit dat deze moderne wereld waarin we leven gebaseerd is op digitale informatie en hightechoplossingen, en dat deze zozeer geïntegreerd zijn in ons dagelijks leven dat je je geen ontwikkeling en technologie kunt voorstellen waarin ze geen rol spelen. We hebben deze richtlijn nodig. De heer Rocard heeft geprobeerd het kader voor de richtlijn te herformuleren en daarmee heeft hij een belangrijke klus geklaard, waarvoor hij erkenning verdient. Het is hem niet aan te rekenen dat het gewenste resultaat niet bereikt is; dit was waarschijnlijk het maximaal haalbare.

Het is echter zaak dat de richtlijn inzake het softwareoctrooi tot stand komt in de vorm die de Commissie heeft voorgesteld – of met slechts enkele amendementen. Zonder deze richtlijn zal Europa op een concurrentieachterstand komen te staan ten opzichte van al die regio’s die niet bang zijn om hun eigen stelsels aan te passen aan de vereisten van de moderne tijd. Er zijn ook andere mogelijkheden om innovatie te beschermen. Maar octrooien vormen de oplossing die een link legt tussen een uitvinding en de markttoepassing ervan en die van kennis een economische factor maakt. We moeten ons deze oplossing niet laten ontglippen. Alleen een sterke Europese economie kan immers de Europese waarden schragen waar ieder van ons in dit Parlement voor staat.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrizia Toia (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, er zijn twee werelden die op dit moment de Europese instellingen vragen om aan te tonen dat zij bij machte zijn om een door meer openheid en soepelheid gekenmerkte strategie uit te werken voor een vraagstuk dat van doorslaggevend belang is voor de ontwikkeling van niet alleen de economie maar ook de samenleving. Zij vragen ons dus om het gemeenschappelijk standpunt te wijzigen in de richting van meer openheid en soepelheid.

Dat zijn voor Europa en zijn toekomst twee belangrijke werelden: het midden- en kleinbedrijf en de jongeren. Over het midden- en kleinbedrijf hebben reeds talrijke collega’s gesproken, en ik ben het eens met degenen die zeiden dat er meer soepelheid nodig is, dat de richtlijn betreffende octrooieerbaarheid niet mag verstarren en geen hinderpaal voor de activiteiten van het midden- en kleinbedrijf, of een tegen hun mededingingsvermogen en ontwikkeling gericht wapen mag worden.

Ik wil herinneren aan de verwachtingen van de jongeren. Mijns inziens zijn er zelden in deze zaal onderwerpen behandeld waarvoor wij een dermate sterk engagement hebben gekregen van de jongeren, van de bewegingen en verenigingen die software gebruiken, niet alleen om te communiceren en te leren maar ook om hun activiteiten uit te oefenen - als zelfstandigen, in de duizenden jobs die het midden houden tussen vrijwilligerswerk en de nieuwe beroepen -, activiteiten die op zelfstandige wijze worden beheerd en zo belangrijk zijn voor de ontwikkeling van een samenleving met meer openheid in haar economische organisatie, van een samenleving die sterker inspeelt op het vermogen van de jongeren om zich te organiseren.

Hoe vaak hebben wij niet - meestal retorisch - gezegd dat Europa dichter bij de jongeren moet staan? Nu hebben wij de kans - en ik hoop dat het Parlement die niet zal laten liggen - om aan te tonen dat wij inderdaad dichter bij de jongeren staan die ons hebben opgezocht, en bij de talloze bewegingen die zich hierover hebben geuit. Mijns inziens mag het Parlement hen niet teleurstellen.

Daarom geef ik steun aan de amendementen van de heren Rocard en Duff, en van andere collega’s, die tot doel hebben het gemeenschappelijk standpunt meer zekerheid en duidelijkheid te geven. Mijns inziens moeten wij coherent zijn ten aanzien van twee punten: ten eerste moeten wij met onze bewering dat software niet octrooieerbaar is, oppassen dat wij het toepassingsgebied niet uitbreiden, omdat wij op die manier onszelf zouden kunnen tegenspreken, en ten tweede is het weliswaar belangrijk octrooibescherming te waarborgen, maar ook te vermijden dat dit instrument verstart en in de handen van weinigen terechtkomt. Dan zou het namelijk een hinderpaal zijn voor de ontwikkeling en de innovatie in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, als iemand drie jaar geleden in dit Parlement de vraag had gesteld wat een in computers geïmplementeerde uitvinding is, zouden de meeste leden hebben geantwoord dat ze dat niet echt wisten. U hebt vandaag buiten allemaal de demonstranten gezien. Sommigen waren wat agressief. Een van hen sprong recht voor onze auto en een in een computer geïmplementeerde uitvinding met de naam ABS heeft waarschijnlijk zijn leven gered.

Dit is al een oud verhaal. De verhaallijn heeft een groot aantal verrassende wendingen genomen. Om te beginnen was er de dramatisch verlopen eerste lezing in het Europees Parlement. Vervolgens werd ons standpunt in zijn geheel verworpen door de Raad. Daarna weigerde de Commissie terug te keren naar de eerste lezing. Nu worden we geconfronteerd met een twijfelachtig gemeenschappelijk standpunt van de Raad en tot slot zijn we aan het einde van de tweede lezing gekomen. Ik ben bang dat deze wetgeving morgen zal worden verworpen, zoals de heer Wuermeling al aangaf.

Ik weet niet of dat goed of slecht is, maar ik weet twee dingen wel en ik heb twee boodschappen. De ene boodschap is gericht tot de “David”-groep, met andere woorden de aanhangers van open source en het MKB. Als we dit goed hadden uitgewerkt, zou het nog niet zo slecht zijn geweest. Het zou open source niet tegen hebben gehouden. Als Fin kan ik zeggen dat het de uitvinding en ontwikkeling van Linux niet zou hebben tegengehouden. Tegen Goliath, ofwel de grote ondernemingen, zeg ik: “Let op uw zaak”. Uw lobby was erbarmelijk. De lui van open source hebben u op één been verslagen, met 100 tegen nul.

De vraag die rijst, is wat betekent dit institutioneel? Institutioneel heb ik een boodschap voor de Commissie en de Raad. Het Europees Parlement is mede-wetgever. U dient dat serieus te nemen. Als u morgen wordt geconfronteerd met verwerping van dit voorstel, dient u terug te keren naar de tekentafel en een nieuw wetsontwerp te ontwikkelen. Europa heeft octrooieerbaarheid voor in computers geïmplementeerde uitvindingen in de een of andere vorm nodig, maar morgen zullen we die nog niet krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lasse Lehtinen (PSE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, het verhitte debat over deze richtlijn toont aan dat democratie werkt. Gisteren nog werden in de trein naar Straatsburg petities in de handen van reizigers geduwd en er is een buitensporige hoeveelheid e-mails over dit onderwerp verstuurd. Ook hier raken alle verhoudingen zoek.

Zelfs in de toekomst zal men niet in staat zijn een gewoon computerprogramma zonder technische invloed te octrooieren en het uitstekende idee van open source verdwijnt ook niet, nadat deze richtlijn in werking is getreden. Dit durf ik te beweren, want ik kom uit hetzelfde land als het Linux-systeem.

Voor het Europese concurrentievermogen kan het sneuvelen van deze richtlijn daarentegen een nieuwe terugslag betekenen. Er blijft steeds minder over van de verklaring van Lissabon als wij de richtlijn verwerpen. Dat het de grote, slechte supranationale ondernemingen tegen het MKB zou opzetten is overdreven en een kunstmatig argument. Ik heb contacten met veel kleine en middelgrote ondernemingen uit mijn land, Finland, en zij vertellen dat zij baat hebben bij deze richtlijn. Deze zou hen en hun innovaties beschermen tegen de grote ondernemingen. De grote ondernemingen redden het altijd, zelfs zonder regels, maar duidelijke regels zijn daarentegen altijd gunstig voor de kleine ondernemingen.

Ik behoor niet tot degenen die zich uit principe tegen octrooien verzetten. Het octrooi is een van de tradities van de Europese geest. Het is het fundament van de moderne, goed functionerende markteconomie. Het biedt zekerheid en bovendien bescherming tegen piraten. Waarom mogen wij in computers geïmplementeerde uitvindingen, waar wij allemaal in ons dagelijks leven van profiteren, niet octrooieren? Momenteel is er geen geharmoniseerde octrooiwetgeving in Europa. Dat zorgt voor een onzeker klimaat voor ondernemingen en investeringen. Wij hebben alleen al vanwege de werkgelegenheid een goede en transparante octrooiwetgeving nodig.

Hopelijk wordt dit niet weer een voorbeeld van hoe Europa zichzelf voor de voeten loopt en zijn concurrentievermogen verzwakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Cecilia Malmström (ALDE). (SV) Mijnheer de Voorzitter, dit is een zeer ingewikkelde kwestie, waarvoor enorm gelobbyd wordt door diverse groepen. Ik vind het ontzettend fijn dat de burgers nu eens geïnteresseerd zijn in wat ons in het Parlement bezighoudt – een interesse waar we niet mee worden verwend.

Het is belangrijk dat we in Europa een goed functionerend octrooistelsel hebben. Afzonderlijke uitvinders en ondernemingen moeten hun uitvindingen natuurlijk kunnen octrooieren, ook als het gaat om in computers geïmplementeerde uitvindingen. De huidige tendens is echter dat zuivere software ook geoctrooieerd wordt, en dat is geen goede zaak. We hebben behoefte aan onderzoekers, innovatoren en individuele programmaontwikkelaars die met nieuwe ideeën kunnen komen zonder te riskeren dat ze inbreuk maken op triviale octrooien en in eindeloze processen belanden.

In de eerste plaats moeten we het hele voorstel verwerpen en de Commissie oproepen om terug te komen met een breed voorstel inzake een Gemeenschapsoctrooi, dat alle uitvindingen omvat. Het is verkeerd om alleen softwaregerelateerde uitvindingen er als aparte sector uit te halen.

In de tweede plaats moeten we het gemeenschappelijk standpunt veranderen, dat geen goede wetstekst vormt. Het bevat te veel onduidelijkheden. Op basis van de meeste voorstellen van de heer Rocard kunnen we misschien tot een constructief compromis komen, dat in het voordeel is van kleine, grote en particuliere ondernemingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tomáš Zatloukal (PPE-DE).  – (CS) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, het komt maar zelden voor dat een debat naar aanleiding van een richtlijn zo verhit is. Ik denk dat niemand de hartstochtelijke argumenten van de voor- en tegenstanders van deze richtlijn heeft gemist. In de richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen, zijn verregaande regels opgenomen voor de sector in de Europese economie die zich het snelst ontwikkelt. Er is echter een fel debat ontstaan over de dubbele interpretatie van de term “programma op zich”, waardoor uitzonderingen worden uitgesloten van octrooieerbaarheid.

Ik ben voor een consequente bescherming van software. Een creatieve vondst ten behoeve van een compleet programma of een gedeelte van een programma moet worden beschermd. Ik ben echter tegen het verlenen van patenten voor afzonderlijke ideeën. In plaats daarvan moet in uitvindingen die voor een patent in aanmerking komen, het idee worden gecombineerd met de technische uitvoerbaarheid ervan - bijvoorbeeld bij veiligheidssystemen voor auto’s. Bescherming van individuele formules, commando’s of instructies zou duidelijk een stap in de verkeerde richting zijn. Ik ben niet tegen het verlenen van patenten in het algemeen, maar ik kan niet instemmen met de aanneming van de versie van de Raad van deze richtlijn. Deze versie kan naar mijn mening op meerdere wijzen worden geïnterpreteerd.

Om deze reden wil ik slechts een versie van de tekst steunen waarin de mogelijkheid van meerdere interpretaties is uitgesloten en waarvan de inhoud nauwkeuriger is. De serie amendementen die door mijn fractie is ingediend, biedt de mogelijkheid tot het oplossen van de problemen die ik zojuist heb geschetst. Ik voel me verplicht om uit te spreken dat de Raad wat mij betreft een betreurenswaardige positie heeft gekozen door het verzoek te negeren om de richtlijn opnieuw in te dienen voor een eerste lezing. Dit verzoek is door mij en velen van mijn collega’s gedaan en werd bovendien gesteund door de Commissie juridische zaken. Ik ben ervan overtuigd dat de Raad er goed aan zou doen om beter te luisteren naar onze opmerkingen, omdat daarmee het wederzijds respect tussen het Parlement en de Raad zou groeien en de samenwerking tussen deze twee belangrijke instellingen zou verbeteren.

Ik zou tot besluit de rapporteur, de heer Rocard, en in het bijzonder de schaduwrapporteur uit onze fractie, mevrouw Kauppi, willen gelukwensen met hun uitstekende werk.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, het debat over in computers geïmplementeerde uitvindingen is een interessant, vurig debat geweest, maar helaas hebben de meeste deelnemers een wit, dan wel zwart standpunt ingenomen. Iedereen realiseert zich dat dit een uitermate gecompliceerde zaak is. Ernaar verwijzen in bijbelse termen lost niets op, omdat dat de verschillende argumenten blijft indelen in hokjes. Enerzijds is ons met betrekking tot deze richtlijn verteld dat we innovatie verstikken en de concurrentiepositie van Europa verzwakken als we niets doen aan octrooien in het algemeen. We zullen dan lijnrecht ingaan tegen wat proberen te bereiken met de Lissabon-agenda.

Anderzijds is ons verteld dat regulering van octrooien zal bijdragen aan bureaucratie en de consument zal schaden. Volgens één spreker zal dat een bedreiging betekenen van de democratie. Ik ben van mening dat we de hele kwestie vanuit globaal perspectief moeten bezien.

In de eerste plaats is het zinloos als we ons in Europa op deze materie concentreren zonder daarbij de hele kwestie van octrooien te betrekken.

In de tweede plaats is het met betrekking tot de positie van Europa in een geglobaliseerde wereld zinloos over te gaan tot wetgeving die niet is ingebed in een internationale juridische structuur die andere continenten en ontwikkelingslanden of ontwikkelde landen aanmoedigt op een internationaal platform deel te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Simon Coveney (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is een gecompliceerd en technisch onderwerp en ik wil graag de rapporteur bedanken, en in het bijzonder de schaduwrapporteur uit mijn fractie voor haar werk in dezen. Iedereen die in dit debat is blootgesteld aan de lobby van beide zijden, zal overtuigende argumenten voor en tegen het voorgestelde gemeenschappelijk standpunt hebben gehoord.

Ik wil een aantal opmerkingen maken in de geringe beschikbare tijd. In de eerste plaats moet worden benadrukt dat de richtlijn betreffende octrooieerbaarheid niet de introductie van een nieuw octrooisysteem in de EU beoogt, maar in plaats daarvan harmonisatie van en consistentie tussen de octrooibureaus in de verschillende lidstaten. Welk standpunt u ook huldigt over octrooien, u zult moeten toegeven dat de huidige situatie, waarin 25 octrooibureaus geen consistente benadering hebben, niet bijdraagt aan de vooruitgang van een geïntegreerde en goed functionerende gemeenschappelijke markt.

Het is echter waar dat in de afgelopen jaren de software- en IT-sector in de EU onder de huidige omstandigheden bloeide. Waarom hebben we dan een gemeenschappelijke benadering nodig? Met name het MBK lijkt verdeeld in deze kwestie. Sommigen hebben besloten de indruk te wekken dat dit een zaak is waarbij de grote multinationals tegenover kleine bedrijven in het MKB staan. In mijn ervaring is dat niet zo. Bedrijven in het MKB kiezen beide zijden, omdat sommige hun ideeën en uitvindingen willen beschermen en andere op grond van het gemeenschappelijk standpunt bang zijn voor een mijnenveld van octrooien. Niemand in dit Parlement zal een stem willen uitbrengen voor een situatie die de toekomstige bloei van het MKB op de een of andere manier zal belemmeren.

Ik wil kort stilstaan bij twee essentiële aspecten van deze richtlijn: in de eerste plaats de definitie van datgene waarvoor wij octrooien willen toestaan. We stellen niet voor om zoals in de VS software octrooieerbaar te maken. Dat moet worden benadrukt. Als er amendementen moeten worden aangenomen om dat punt duidelijk te maken, zo zij het, al is de huidige formulering niet slecht. Voor de bescherming van software is er auteursrecht.

Het tweede belangrijke aspect is de kwestie van interoperabiliteit en de McCarthy-amendementen verdienen op dit punt steun. We moeten ervoor zorgen dat de apparatuur en de netwerken die meerdere gebruikers nodig hebben ten behoeve van innovatie niet worden achtergehouden op de markt. Dat geldt in het bijzonder voor open source en de open-sourcebeweging, die de afgelopen jaren zo succesvol is geweest.

Tot slot, velen neigen in dit stadium naar een pessimistische benadering, en alles met elkaar zal het voorstel morgen waarschijnlijk worden verworpen. Dat zal een ernstig falen aan het licht brengen van de instellingen om een gemeenschappelijk uitgangspunt en overeenstemming te bereiken op een voor de Europese economie in het algemeen zeer belangrijk terrein.

 
  
MPphoto
 
 

  Barbara Kudrycka (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de wettelijke status van computerprogramma’s is al lange tijd duidelijk gedefinieerd. Software wordt beschermd door het copyright, en uit hoofde van het Europees Octrooiverdrag zijn computerprogramma’s niet octrooieerbaar. Zowel rechtswetenschappers als IT-specialisten zijn tegen een wijziging van de huidige situatie. Het enige doel van de richtlijn van de Raad is het bekrachtigen van de werkwijze van het Europees Octrooibureau en die werkwijze is zowel misplaatst als gevaarlijk.

Namens professor Buzek en mijzelf zou ik het Parlement willen vragen om hetzij alle 21 amendementen te ondersteunen - omdat hierdoor de strekking van de richtlijn in ere wordt hersteld zoals die was na de eerste lezing - hetzij de totale richtlijn af te wijzen. In zijn resolutie van 17 februari 2005 constateerde het Duitse parlement dat een inflatie van octrooien het risico met zich meebrengt dat de publieke opinie gaat twijfelen aan de effectiviteit van een octrooisysteem als instrument voor innovatie en vooruitgang. In die context is het de verantwoordelijkheid van dit Parlement om op de rem te gaan staan.

Het is niet nodig om het toepassingsgebied van de octrooiwetgeving uit te breiden met computerprogramma’s. Het belangrijkste argument ten gunste van het octrooirecht was dat de investeringen beschermd moesten worden. Concrete innovaties vereisen namelijk een langdurige testfase gevolgd door kapitaalinvesteringen voordat er van enige winst sprake kan zijn. Investeringen in IT-activa zijn echter meestal gering als daar überhaupt al sprake van is. Daarom is het ook niet noodzakelijk om op dat vlak voor aanvullende wettelijke bescherming te zorgen.

Het Europees Octrooibureau beweert dat octrooien voor software nieuwe mogelijkheden creëren, maar dat is absoluut niet waar. Octrooien herbergen ook risico’s in zich en moeten dan ook zorgvuldig worden gebruikt. Over octrooien doen heel veel fabels en halve waarheden de ronde en ik zal u hiervan een paar voorbeelden geven: het is een fabel dat het altijd goed is voor de economie als er octrooien worden verleend. Ambtenaren meten economische innovatie vaak aan de hand van het aantal octrooien, maar deze kunnen juist ook nadelig zijn voor investeringen doordat de mededinging wordt beperkt. Een aantal toonaangevende IT-bedrijven heeft nog nooit een aanvraag voor een octrooi ingediend en vrijwel geen enkele IT-specialist is geïnteresseerd in een octrooibeschrijving. Niemand heeft ooit aangetoond dat er een direct verband bestaat tussen een toename van het aantal octrooien en economische groei.

Een andere fabel is dat kleine en middelgrote ondernemingen zouden profiteren van octrooien voor programma’s omdat deze ondernemingen zo de exclusieve rechten zouden krijgen op de daarin beschreven innovatieve ideeën. Octrooien kunnen echter niet alleen een beschermend, maar ook een belemmerend effect hebben. Het is voor kleine bedrijven zeer moeilijk om die bescherming af te dwingen, aangezien de kosten voor het handhaven van een octrooi extreem duur zijn, soms zelfs meer dan honderd keer zo hoog als die van het octrooi zelf. Daarnaast is het ook noodzakelijk om een uitgebreid onderzoek te doen om vast te stellen of een bepaalde uitvinding al eerder door iemand anders is geclaimd. Met name wat de IT-sector betreft, waar het aanbrengen van kleine veranderingen zeer eenvoudig is, zou een octrooiverlening voor programma’s gelijk staan met het creëren van een mijnenveld.

 
  
MPphoto
 
 

  Tadeusz Zwiefka (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, geachte dames en heren, de fundamentele taak van instellingen van de EU in het wetgevingsproces is het maken van goede, eenvoudig te begrijpen en effectieve wetgeving. Ik hoef dit Parlement er niet aan te herinneren hoe vaak wij al de verzekering van zowel de voorzitter van de Commissie als van de vertegenwoordigers van de opeenvolgende voorzitterschappen te horen hebben gekregen dat dit zo is en dat het Parlement absoluut een belangrijke rol speelt in dit proces.

Het debat van vandaag markeert het einde van onze werkzaamheden ten behoeve van een richtlijn die helaas als voorbeeld fungeert van een totaal andere aanpak. Zowel de Commissie als de Raad zijn van mening dat alleen hun ontwerpen van belang zijn en dientengevolge hebben beide instellingen de voorstellen van de afgevaardigden van dit Parlement verworpen. Ik zou graag willen geloven dat het deze keer anders zal gaan en dat de belangen van miljoenen Europese burgers en van kleine en middelgrote ondernemers nu prioriteit krijgen. Deze laatste groep zorgt voor 90 procent van de werkgelegenheid en dat mag zeker niet worden vergeten. Dat is ook de reden dat wij ons niet alleen mogen richten op de belangen van grote en rijke bedrijven.

Onze grootste twijfels hebben betrekking op het gebrek aan een duidelijk onderscheid tussen een uitvinding - of in andere woorden een octrooieerbare technische oplossing - en een computerprogramma of algoritme, of dat nu een rekenmethode, een mathematisch concept of een methode voor het uitvoeren van economische activiteiten is, met name met betrekking tot de detailhandel. Tegen deze achtergrond is de beoogde harmonisatie op zijn zachtst gezegd uiterst dubieus. Helaas zal het artikel op basis waarvan octrooien voor computerprogramma’s als zodanig van het toepassingsgebied worden uitgesloten, niet meer dan een illusie blijken te zijn; dat geldt eveneens voor de hoop op een verandering in de huidige werkwijze van het Europees Octrooibureau. De commissaris heeft ons in zijn betoog aan het begin van dit debat namelijk meteen ook al meegedeeld dat er door deze richtlijn niets zal veranderen aan de werkwijze van het Europees Octrooibureau en dat is een verontrustende opmerking.

Het staat buiten kijf dat de harmonisatie van het octrooirecht dringend noodzakelijk is, onder andere met betrekking tot uitvindingen die zijn gedaan met behulp van een computer. Een essentiële voorwaarde voor een dergelijke wetgeving is dat het om goede wetgeving moet gaan en wel goed voor iedereen.

Zonder de amendementen van de heer Rocard en de heer Buzek zou de onderhavige richtlijn de overdreven liberale aanpak van de fundamentele aspecten in de definitie van een uitvinding niet alleen verder versterken, maar zelfs ook nog eens een wettelijke basis verschaffen. Ik roep dit Parlement dan ook op om alle amendementen die door de heer Buzek en door de heer Rocard zijn ingediend, te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Othmar Karas (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, is er na dit debat van twee uur nog iemand die denkt dat hier een bruikbaar gemeenschappelijk standpunt ter tafel ligt waaraan we onze goedkeuring kunnen geven? Is er nog iemand die denkt dat we over dit netelige vraagstuk zijn uitgepraat, dat we er een besluit over kunnen nemen en dat we de vereiste gekwalificeerde meerderheid voor het voorstel en voor de veelheid van amendementen hebben? Ik denk het niet en dat heeft een reden.

Met de eerste lezing van 24 september 2004 hield de Raad in zijn politieke akkoord helemaal geen rekening. Mevrouw Kauppi zei naar aanleiding van het besluit van de Raad dat “de Raad de wil van de gekozen Europese wetgevers kennelijk wilde negeren”. De Raad verkeert zelf in onzekerheid. Op 21 december werd de stemming op verzoek van Polen van de agenda geschrapt. De parlementen in Duitsland, Nederland en Spanje spraken zich tegen de richtlijn in de voorgestelde vorm uit. Stemmingen werden steeds verder uitgesteld.

Het Europees Parlement verzocht de Commissie om een nieuw voorstel in eerste lezing. Daartoe liggen er resoluties van de Commissie juridische zaken, van de Conferentie van voorzitters en van de plenaire vergadering.

Hoe reageerde de Raad daarop? De Raad vaardigde een discussieverbod uit: het onderwerp werd tot A-punt verklaard om een debat erover te verhinderen. Ondanks het Verdrag van Nice werd het omstreden politieke akkoord gewoon aangenomen. Resultaat: er bestaat onvrede over het gemeenschappelijk standpunt en bij ons liggen er 178 amendementen.

Dit gemeenschappelijk standpunt bevat dingen die ik punt voor punt zou kunnen noemen en die in de amendementen ter sprake komen en aan de hand daarvan ben ik tot de conclusie gekomen dat het geen rechtszekerheid biedt, de innovatie niet bevordert en de kleine bedrijven schrik aanjaagt. Daarom doen we er goed aan morgen het gemeenschappelijk standpunt af te wijzen en al onze energie in een harmonisatie van het Europese octrooirecht te steken. Dat is beter dan dit surrogaat van omstreden sectorale maatregelen goed te keuren.

 
  
MPphoto
 
 

  Romana Jordan Cizelj (PPE-DE).(SL) Het is nu een jaar geleden dat ik lid werd van het Europees Parlement. De octrooieerbaarheid van software-uitvindingen is een van de belangrijkste onderwerpen waarover wij in die periode gedebatteerd hebben.

In mijn eigen land, Slovenië, en in andere Europese landen is door een enorm aantal mensen deelgenomen aan de discussie over deze richtlijn. In dat opzicht heeft de voorgestelde richtlijn al positieve resultaten opgeleverd, aangezien grote aantallen burgers rechtstreeks betrokken zijn geraakt bij het democratisch proces. Zij zijn zich ervan bewust geworden dat de Europese instellingen niet zover van hen af staan als sommige activiteiten van die instellingen wellicht doen vermoeden. Hier in het Parlement zijn het echter niet de burgers die besluiten nemen, maar zijn wij het, de afgevaardigden, die voor hen beslissen en namens hen besluiten nemen.

Wat houd ik in mijn achterhoofd bij het bepalen van mijn definitieve standpunt ten aanzien van de richtlijn? Het feit dat wij ons hier in Europa aan de doelstellingen van de Lissabon-strategie moeten houden als we op adequate wijze het hoofd willen bieden aan de uitdagingen waar de globalisering ons voor stelt. We moeten ons concurrentievoordeel ten opzichte van andere regio’s uitbuiten en onze ontwikkeling baseren op kennis, onderzoek en de toepassing daarvan. We zullen mensen kunnen aanmoedigen deel te nemen aan deze activiteiten als wij er, onder meer, zorg voor dragen dat intellectuele eigendom naar behoren beschermd wordt. En daarom moeten we de moed hebben een passend, uniform Europees rechtsstelsel te ontwikkelen waarbinnen innovatie beloond wordt.

Ik ben er rotsvast van overtuigd dat het nú de tijd is de voorgestelde richtlijn aan te nemen. Het is goed en terecht dat in de richtlijn, om de eventuele ongerustheid weg te nemen dat octrooien verleend worden aan softwareprogramma’s als zodanig, duidelijk wordt gesteld dat software te allen tijde buiten octrooibescherming dient te vallen en tot het domein van het auteursrecht behoort.

Mijns inziens moet de richtlijn heldere definities van de fundamentele begrippen bevatten. Gezien de belangrijke rol die kleine en middelgrote ondernemingen in de Europese Unie vervullen, is het evenzeer van belang dat we de invloed van de richtlijn op hun activiteiten volledig in aanmerking nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Malcolm Harbour (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, aan het einde van wat een interessant debat is geweest, is het tijd terug te keren naar waar we over praten, de kern van de zaak. Dit is geen uitbreiding van bestaand octrooirecht; we bewandelen niet echte nieuwe paden. Het doel is de bestaande situatie te verduidelijken, omdat het huidige octrooirecht inconsistent wordt toegepast. In veel gevallen weten bedrijven die octrooien willen, niet waar ze aan toe zijn. Een octrooi wordt in het ene land wel verleend, in het andere niet.

Tegelijkertijd denk ik dat we het er allemaal over eens zijn dat we niet het soort octrooistelsel willen dat in de VS en andere landen een hoge vlucht lijkt te nemen. Een octrooistelsel met octrooi op wat we betrekkelijk triviale uitvindingen zouden kunnen noemen, voor bedrijfsprocessen of eenvoudige software die eigenlijk moeten worden afgedekt door auteursrecht, waarvoor wij geen octrooi willen verlenen.

De kern van de zaak is echter: voldoet het voorstel dat wij voor ons hebben aan die eis? Verplaats u zelf in de positie van een octrooi-inspecteur, degene die moet beoordelen of een octrooi wordt verleend. Ik zou u willen zeggen dat deze formulering en veel van de hier gebruikte formuleringen niet alleen gecompliceerd, moeilijk en ondoorzichtig zijn, maar in feite helemaal de verkeerde kant opgaan.

Een deel van het probleem, en ik proef dat bij veel van de hier gevoerde discussies, is dat veel collega's niet accepteren dat op vrijwel elk terrein van technologische uitvindingen digitale technologie op de een of andere manier een rol speelt. Het idee dat een computer de zaken ondersteunt of beheert, is in feite behoorlijk achterhaald. U draagt in uw mobiele telefoon meer computerkracht mee dan waarover een grote computer tien jaar geleden kon beschikken. Die wordt met instructies geprogrammeerd en het is zonder meer redelijk dat bedrijven in staat worden gesteld de technische innovaties rond die software te beschermen.

Ik zou u willen zeggen dat dit de verkeerde kant op gaat: kleine bedrijven zijn er niet mee gediend, grote bedrijven zijn er niet mee gediend en open source is er niet mee gediend. Misschien moeten we ons afvragen of we niet volledig hebben gefaald en het tijd wordt om overnieuw te beginnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).  – (CS) Dames en heren, het Europees Octrooiverdrag beschermt het publieke belang door alles wat niet een technische oplossing is – en in het bijzonder natuurwetenschappelijke theorieën, esthetische vormgevingen, wiskundige methoden, regels of methoden voor het verrichten van geestelijke arbeid en computerprogramma’s – uit te sluiten van octrooieerbaarheid. Het auteursrecht maakt het weliswaar mogelijk misbruik op dit gebied te voorkomen, maar desondanks zijn er door ongeveer twintig bedrijven meer dan twintigduizend octrooiaanvragen voor computerprogramma’s ingediend. Het gaat hierbij niet alleen om controleprogramma’s voor toepassingen variërend van wasmachines tot unieke medische hulpmiddelen, maar ook om zuivere software en methoden voor de bedrijfsvoering, bijvoorbeeld het gebruik van winkelmandjes voor aankopen op internet. Het is een betreurenswaardig feit dat nationale octrooibureaus en rechtbanken in veel gevallen tot verschillende uitspraken komen, en daarom moeten er op Europees niveau duidelijke regels worden gesteld.

Ik vind het jammer dat we nog altijd wachten op een algemene, aan de huidige tijd aangepaste richtlijn over het Europees octrooi. Dit maakt het debat van vandaag beduidend ingewikkelder, omdat het een specifieke richtlijn betreft die niet over begrippen handelt, maar een grotere werkingssfeer heeft dan de overeenkomst inzake de handelsgerelateerde aspecten van intellectuele eigendom, ofwel de TRIP’s-Overeenkomst. Dat grote ondernemingen gunstig tegenover de richtlijn staan, is zonder twijfel een belangrijke factor, maar een aantal partijen, waaronder juristen, computerdeskundigen, de academische gemeenschap, kleine bedrijven en de Tsjechische senaat, bijvoorbeeld, hebben erop gewezen dat de richtlijn meerduidig is. Een dergelijke dubbelzinnigheid draagt het risico in zich dat de bepalingen van de richtlijn voor ruime interpretatie vatbaar zijn, wat ernstige gevolgen zou hebben voor ondernemers in het MKB en voor consumenten. Daar komt nog bij dat de Raad helaas verzuimd heeft een beoordeling voor te leggen van de gevolgen van de richtlijn voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor de nieuwe lidstaten, zoals het Parlement had gevraagd.

Er is in dit Parlement een ad-hoccoalitie gevormd die de partijgrenzen overstijgt. Ons doel is om een compromis te bereiken over gezamenlijke amendementen en om firmware - met andere woorden controleprogramma’s voor technische toepassingen - octrooieerbaar te maken, maar alleen in die gevallen waarin het onderdeel van een grotere uitvinding is. We willen ook de interoperabiliteit vergroten voor de consument en verhinderen dat octrooien worden verleend voor triviale ideeën. Eén octrooi kost tenslotte 30 000 euro en de goedkeuringsprocedure neemt gemiddeld vier jaar in beslag. Aangezien kleine en middelgrote ondernemingen de drijvende kracht zijn achter de IT-sector, en 70 procent van de omzet en 80 procent van de werkgelegenheid voor hun rekening nemen, belemmeren deze beide factoren de groei in deze sector. Wij stellen daarom voor een duidelijker onderscheid te maken tussen octrooien voor apparaten en octrooien voor zuivere software.

Tot besluit zou ik de Commissie beleefd willen verzoeken duidelijk uiteen te zetten welke vooruitgang is geboekt in de voorbereiding van een up-to-date Europees octrooi. Tenzij de richtlijn wordt gewijzigd, stemt mijn fractie als geheel er liever tegen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, vandaag kunnen we kiezen of we een ouderwetse octrooiwetgeving willen hebben met een ouderwetse visie op grote ondernemingen en op ontwikkeling, dan wel een moderne, kleinschalige en creatieve ontwikkeling, inclusief een moderne wetgeving.

Iedereen zegt geen softwareoctrooien te willen. We hebben in de VS gezien wat voor rampzalige gevolgen de invoering daarvan heeft gehad. De enige manier om onze wensen te doen blijken, is te stemmen voor de 21 compromisamendementen die ik en vele anderen hebben ondertekend. Dan krijgen we een intelligente en evenwichtige wetgeving, met ruimte voor creativiteit en gezonde octrooiregels.

Als we tegen deze amendementen stemmen, laten we zien dat we geheel in de macht van de grote ondernemingen zijn. Dat leidt tot een wetgeving die erop neerkomt dat besturingsprogramma’s van apparaten octrooieerbaar worden. Dat is alsof je gebruiksaanwijzingen voor apparaten met een octrooi beschermt. Zo’n wereld is beslist niet modern.

 
  
MPphoto
 
 

  Joaquín Almunia, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, diegenen onder u die direct betrokken zijn geweest bij het werk aan dit voorstel, weten dat we te maken hebben met een uiterst complex onderwerp. De richtlijn kan niet op zijn kop worden gezet. Wat we nodig hebben, is een juist evenwicht tussen het stimuleren van innovatie en het waarborgen dat het concurrentievermogen niet wordt verlamd.

Zoals commissaris McCreevy in zijn verklaring van maart 2005 heeft gezegd, bent u aan zet. Wat u ook besluit, de Commissie zal er notitie van nemen en het besluit respecteren. Mocht u besluiten het gemeenschappelijk standpunt te verwerpen, dan zal de Commissie geen nieuw voorstel indienen. U dient in gedachten te houden dat verwerping veel Europese ondernemingen zal hinderen en indruist tegen de gemeenschappelijke Lissabon-doelstellingen met betrekking tot verbetering van de Europese concurrentiepositie.

Verschillende leden hebben in het debat de kwestie van interoperabiliteit aan de orde gesteld. Op dat punt beoogt de Commissie een zekere mate van flexibiliteit. Er zijn al verplichte licentieprocedures in de wetgeving van de lidstaten. Dat is een passende oplossing, vooropgesteld dat gewaarborgd is dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende ontwikkelingsmodellen voor software, te weten software in eigendom en open source-software. Bedrijven zouden moeten worden aangemoedigd vrijwillig licenties te nemen. Als echter de houders van rechten misbruik maken van die rechten door onredelijke voorwaarden op te leggen, zouden de autoriteiten moeten optreden om ervoor te zorgen dat eerlijke bepalingen worden gehanteerd.

Een beperkte uitzondering voor interoperabiliteit, toegesneden op promotie van open standaarden, zou ook een gezonde benadering kunnen zijn, vooropgesteld dat internationale verplichtingen worden gerespecteerd.

Verschillende leden hebben ook het onderwerp van het auteursrecht aangesneden. Ik wil dat verduidelijken door erop te wijzen dat auteursrecht een afzonderlijk, van octrooirecht afwijkend recht is. Auteursrecht en octrooirecht beschermen beide verschillende aspecten van iets wat nieuw en origineel is. Octrooirecht heeft dan ook geen gevolgen voor het bestaan van auteursrecht.

Auteursrecht beschermt de uitdrukking van een idee, maar het beschermt geen uitvindingen en de bescherming door auteursrecht kan niemand ervan weerhouden op een andere manier uitdrukking te geven aan een uitvinding.

Met betrekking tot kleine en middelgrote bedrijven en de toegankelijkheid tot het octrooisysteem wil ik de aandacht vestigen op twee aspecten. In de eerste plaats zult u zich bewust zijn van de voorstellen van de Commissie voor een Gemeenschapsoctrooi dat de kosten van bescherming door het octrooirecht in de Europese Unie moet reduceren. In de tweede plaats hebben we opdracht gegeven voor een haalbaarheidsonderzoek naar de mogelijkheid van verzekering tegen de proceskosten van octrooizaken. Dit onderzoek bevindt zich nu in de tweede fase en adviseurs is gevraagd concrete voorstellen te doen.

Gezien het grote aantal amendementen dat is ingediend, geven we het Secretariaat-generaal een schriftelijk overzicht van het standpunt van de Commissie met betrekking tot die amendementen als toevoeging op het volledige verslag van het debat(1).

Tot slot hoop ik dat de stemming een positief resultaat zal opleveren. Mocht er echter aanvullend werk moeten worden verricht om overeenstemming te bereiken met de Raad, dan staat de Commissie klaar om beide mede-wetgevers te assisteren bij het streven naar een constructief resultaat.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter . Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Alyn Smith (Verts/ALE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb nauwgezet geluisterd naar de verschillende argumenten die hedenochtend gedurende het debat naar voren zijn gebracht en ik wil er met kracht bij de leden van dit Parlement op aandringen om de 21 compromisamendementen te steunen, wat bij de stemming morgen de introductie van octrooieerbaarheid van software zou tegenhouden. Als deze amendementen niet worden aangenomen, zal ik en zullen veel anderen tegen de resolutie stemmen.

Dit wetsontwerp is strijdig met de belangen van Europese bedrijven die in het MKB actief zijn in de softwaresector. Als deze wetgeving morgen door het Parlement wordt aangenomen, zal dat innovatie verstikken en vitale Europese bedrijven in het MKB lamleggen. Het Parlement moet tegen deze wetgeving stemmen. We kunnen het ons niet veroorloven vitale Europese bedrijven in het MKB lam te leggen. Het MKB is de motor voor het creëren van werk in Europa. Het auteursrecht doet alles wat het moet doen. Octrooien op software zijn niet de weg die we moeten bewandelen.

 
  
  

Bijlage – Standpunt van de Commissie

 
  
  

Verslag-Rocard (A6-0207/2005)

De Commissie kan de volgende amendementen aanvaarden: 1, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13,

alsmede, mits de wijziging consequent wordt toegepast, de amendementen: 14, 40, 72, 93, 114, 135, 158, en de amendementen:

15, 18, 21, 26-37, 43, 47, 58, 59, 60, 61, 63, 66, 75, 79, 90, 91, 92, 96, 100, 111, 112, 113, 117, 121, 132, 133, 134, 138, 142, 153, 154, 155, 161, 165, 176, 177, 178.

De Commissie kan binnen de context van een bevredigend en evenwichtig algemeen pakket de amendementen 5, 25, 48, 50, 67, 68, 80, 82, 101, 103, 122, 124, 143, 145, 166, 168, aanvaarden.

De Commissie kan de volgende amendementen op voorwaarde van herformulering of herziening aanvaarden: 4, 16, 17, 19, 22, 23 (met een nieuwe positie in de tekst), 53, 85, 106, 127, 148, 171.

De Commissie kan de volgende amendementen niet aanvaarden: 2, 3, 20, 24, 38, 39, 41, 42, 44, 45, 46, 49, 51, 52, 54, 55, 56, 57, 62, 64, 65, 69, 70, 71, 73, 74, 76, 77, 78, 81, 83, 84, 86, 87, 88, 89, 94, 95, 97, 98, 99, 102, 104, 105, 107, 108, 109, 110, 115, 116, 118, 119, 120, 123, 125, 126, 128, 129, 130, 131, 136, 137, 139, 140, 141, 144, 146, 147, 149, 150, 151, 152, 156, 157, 159, 160, 162, 163, 164, 167, 169, 170, 172, 173, 174, 175.

 
  
  

VOORZITTER: DAGMAR ROTH-BEHRENDT
Ondervoorzitter

 
  

(1) Standpunt van de Commissie met betrekking tot amendementen van het Parlement: Zie notulen

Juridische mededeling - Privacybeleid