Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Volledig verslag van de vergaderingen
Woensdag 6 juli 2005 - Straatsburg Uitgave PB

28. Een mijnvrije wereld
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.   Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over een mijnvrije wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Douglas Alexander, fungerend voorzitter van de Raad.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik voel me vandaag vereerd dat ik de gelegenheid krijg dit debat over ‘een mijnvrije wereld’ te openen. Ondersteuning van internationale actie tegen mijnen is een van de belangrijkste politieke prioriteiten van de Europese Unie, en ik ben oprecht dankbaar voor de inspanningen van het Europees Parlement om er samen met anderen voor te zorgen dat dit onderwerp geen duikeling maakt op de internationale agenda.

De Europese Unie heeft een actieve rol gespeeld tijdens de in november 2004 gehouden eerste Conferentie tot herziening van het verdrag inzake het verbod op het gebruik, de aanleg van voorraden, de productie en de overdracht van antipersoneelmijnen en inzake de vernietiging van deze wapens, de zogeheten Top van Nairobi voor een mijnvrije wereld van 2004. De Europese Unie beschouwt de eerste Conferentie tot herziening van het verdrag als een belangrijke mijlpaal, waarbij werd nagegaan welke vooruitgang er tot dusver is geboekt bij de uitvoering van het verdrag en wat moet worden gedaan om ervoor te zorgen dat de staten die partij zijn bij het verdrag, zich er opnieuw op vastleggen al het mogelijke te doen om de onmenselijke gevolgen van antipersoneelmijnen uit te bannen.

In de veilige beschutting van het hart van Europa, waar we vandaag debatteren, of van New York of Genève, dreigen we uit het oog te verliezen hoe belangrijk deze kwestie is. Daarom zou ik in de aanloop naar het debat van vanmiddag nog eens willen wijzen op de omvang en de ernst van het probleem en op de redenen waarom het belangrijk is dat de Europese Unie en het Europees Parlement een voortrekkersrol blijven vervullen.

Naar schatting zijn er jaarlijks tussen 15 000 en 20 000 doden en gewonden te betreuren als gevolg van landmijnen. Deze slachtoffers vallen in meer dan tachtig landen over de gehele wereld, van Angola tot Zimbabwe, maar ook dichter bij huis, in de Balkan. Dit komt neer op het verbazingwekkende aantal van ruim veertig slachtoffers per dag, en ik weet zeker dat iedereen hier vandaag het er wel mee eens zal zijn dat dit aantal eenvoudigweg onacceptabel is. De overgrote meerderheid van deze slachtoffers valt in landen die niet langer in de greep zijn van een conflict. Landmijnen weten niet wanneer er een eind aan de vijandelijkheden is gekomen. Het is een gruwelijke werkelijkheid dat er nog miljoenen antipersoneelmijnen bestaan en dat er in sommige delen van de wereld nog steeds mijnen worden gelegd, die de armsten in de armste landen treffen, de mensen die het minst in staat zijn deze dreiging het hoofd te bieden en het meest behoefte hebben aan onze hulp en steun.

Antipersoneelmijnen zijn genadeloos en niet kieskeurig. Ze kunnen niet nauwkeurig op hun doel worden gericht; ze maken geen onderscheid tussen soldaten en burgers, volwassenen en kinderen. De verwondingen die door landmijnen worden veroorzaakt bij degenen die zo ongelukkig waren ermee in aanraking te komen, zijn werkelijk gruwelijk. Laat er geen misverstand over bestaan: antipersoneelmijnen zijn vooral gemaakt om te verminken, niet zozeer om te doden. De slachtoffers van landmijnen lijden vreselijk, ze worden letterlijk in stukken gescheurd. Kortom: landmijnen veroorzaken verlies, willekeurige dodelijke slachtoffers en onuitsprekelijk lijden onder talrijke onschuldige burgers.

Het is dus juist dat de internationale gemeenschap actie moet ondernemen en dat de Europese Unie hierbij voorop moet lopen. Het Verdrag van Ottawa, dat antipersoneellandmijnen verbiedt, heeft brede internationale steun gekregen en is op dit moment ondertekend door 152 landen. Sinds de inwerkingtreding van het verdrag in 1999 is er veel vooruitgang geboekt bij de bestrijding van de plaag van deze gruwelijk wapens. Het verdrag is een succesverhaal. Vóór het verdrag werd van 34 landen aangenomen dat ze handelden in antipersoneelmijnen. Op dit moment wordt hier, afgezien van wat illegale activiteiten, vrijwel niet meer in gehandeld. Voorheen hielden 54 landen zich bezig met de productie van antipersoneellandmijnen; vandaag de dag zijn er vermoedelijk nog 15 landen die over de capaciteit beschikken om mijnen te maken, maar het merendeel daarvan benut die capaciteit niet. Zeven jaar geleden werden in 19 landen mijnen gebruikt; dit aantal ligt nu vermoedelijk op 5. Het verbod op deze antipersoneelmijnen is feitelijk wereldwijd, gezien het even grote als terechte stigma dat nu op het gebruik van deze wapens rust.

Op dit moment is er een hoeveelheid van meer dan 37 miljoen antipersoneelmijnen vernietigd. Grote delen van de wereld zijn mijnvrij en weer productief gemaakt. Dit zijn resultaten waar de internationale gemeenschap trots op kan zijn en die nooit bereikt zouden zijn zonder het verdrag inzake het verbod op mijnen. Dit betekent echter niet dat we niet langer hoeven vast te houden aan onze doelstelling om het Verdrag van Ottawa wereldwijd van toepassing te doen zijn, en we moeten toewerken naar een akkoord om ervoor te zorgen dat het brede actieplan van de herzieningsconferentie van Nairobi onverkort wordt uitgevoerd.

Ik zeg u hier vanaf deze plaats dat ik bijzonder trots ben op en dankbaar ben voor de rol die de Europese Unie heeft gespeeld in de strijd tegen antipersoneellandmijnen. De Europese Unie heeft bijgedragen tot de instandhouding van de politieke samenwerking en ondersteuning in de praktijk. Ik sta volledig achter het doel van de Europese Unie om ‘de zich voortslepende dreiging en impact van landmijnen drastisch te verminderen binnen de context van grotere plaatselijke veiligheid en toegenomen regionaal vertrouwen’. Er zijn mensen die zeggen dat het streefcijfer van de Europese Unie van ‘nul slachtoffers’ te optimistisch en onhaalbaar is. Maar dit moet ons streven blijven, en we willen er alles aan doen om deze doelstelling te halen.

Bij de strategie van de Europese Unie inzake mijnbestrijdingsactiviteiten voor de periode 2005-2007 staan drie thematische doelstellingen centraal: het terugdringen van de dreiging van antipersoneellandmijnen; het verlichten van het lijden van de slachtoffers van mijnen en het ondersteunen van de sociaal-economische reïntegratie; het versterken van de lokale en regionale effecten van de effectieve capaciteit op het gebied van mijnbestrijding.

Zowel in politiek als financieel opzicht hebben we de wil getoond om onze doelen te realiseren. We zullen dit ook blijven doen. De Europese Unie heeft getracht alle inspanningen te ondersteunen die kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling van de totale uitbanning van antipersoneellandmijnen, waaronder gezamenlijke actie en diplomatieke stappen, dialoog met derde landen en activiteiten binnen internationale organisaties.

Er moet nog veel worden gedaan. Evenals voorheen zal de Europese Unie het beleid op dit gebied met de benodigde middelen blijven ondersteunen. De totale bijstand van de Europese Unie voor mijnbestrijdingsactiviteiten in het kader van onze strategie voor 2005-2007 is geraamd op minimaal 140 miljoen euro, waarbij ook een link zal worden gelegd naar de bredere ontwikkelingsdoelstellingen van de Europese Unie. De lidstaten zullen dit bedrag aanvullen met bilaterale steun voor de landen die dit nodig hebben.

Het is duidelijk dat de ontwikkelingsvooruitzichten op plaatsen waar landmijnen liggen, somber zijn. Alleen al de aanwezigheid van mijnen verergert de armoede doordat het land en de infrastructuur niet benut kunnen worden voor productieve doeleinden, terwijl de kosten van de behandeling van gewonden die een ongeval met een landmijn hebben overleefd, de armste landen beroven van middelen die toch al schaars zijn. Daarom is humanitaire mijnopruiming zo belangrijk. We zullen mijnbestrijdingsactiviteiten die gericht zijn op de armste landen, blijven steunen. Eventuele toekomstige activiteiten zullen in sterke mate afhangen van het al dan niet opnemen van mijnbestrijdingsactiviteiten in de ontwikkelingsplannen van de landen. Gebeurt dit niet, dan zal de kans er alleen maar kleiner op worden dat de millenniumontwikkelingsdoelstellingen, die het centrale thema vormen van de Millenniumtop in september, worden gehaald.

Tot slot wil ik u zeggen dat de Europese Unie vastbesloten is om te komen tot de volledige uitbanning van de dreiging die uitgaat van landmijnen, door te streven naar de wereldwijde toepassing van het verdrag, voorraden te vernietigen, mijnen op te ruimen en slachtoffers bij te staan. We doen dit in nauwe samenwerking met de internationale gemeenschap, of het nu gaat om regeringen, internationale organisaties of, inderdaad, non-gouvernementele organisaties. Laat ons gezamenlijke actie blijven ondernemen totdat de laatste antipersoneelmijn uit de aardbodem is verdwenen en het streefcijfer van nul landmijnslachtoffers uiteindelijk zal worden gehaald.

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, de kwestie van de landmijnen is niet alleen uiterst belangrijk voor de internationale gemeenschap en de Europese Unie, maar is ook van groot belang voor mijzelf. Tijdens de oorlog stapte mijn vader op een landmijn waardoor een been moest worden geamputeerd, dus u kunt zich voorstellen dat dit in zekere zin een stempel heeft gedrukt op mijn gehele kindertijd. Als minister van Buitenlandse Zaken voelde ik me dan ook zeer sterk verbonden met de strijd tegen landmijnen, en ik denk dat die een cruciaal onderdeel vormt van onze activiteiten op het gebied van de menselijke veiligheid. Zoals we hebben gehoord vormen landmijnen nog altijd een bedreiging in te veel landen.

Vijf jaar nadat het verdrag inzake het verbod op mijnen in werking trad, en na het positieve resultaat van de vorig jaar in Nairobi gehouden Conferentie tot herziening van dit verdrag, heeft de internationale gemeenschap, met de Europese Unie in een leidende rol, aanzienlijke vooruitgang geboekt op weg naar een wereld zonder landmijnen. Op dit moment hebben 144 landen dit verdrag geratificeerd.

Hoewel we inderdaad grote successen hebben behaald moet er nog veel worden gedaan, en veiligheid op de lange termijn is onmogelijk zonder menselijke veiligheid. De ondersteuning van internationale mijnbestrijdingsactiviteiten blijft dan ook tot de voornaamste politieke prioriteiten van de Europese Unie behoren.

Onze inspanningen ter bestrijding van landmijnen vormen een integraal onderdeel van ons buitenlands humanitair en ontwikkelingsbeleid. Als reactie op het actieplan van Nairobi nam de Europese Commissie eind vorig jaar de tweede strategie inzake mijnbestrijdingsactiviteiten aan voor de periode 2005-2007. De overkoepelende doelstelling daarvan is een streefcijfer van nul slachtoffers. Wat wij willen is een wereld waarin niemand gewond raakt of gedood wordt door landmijnen. Dit is geen vage politieke droom. Het is een haalbare doelstelling. Om die te realiseren is de Commissie de internationale bijstand op het gebied van mijnbestrijdingsactiviteiten aan het versterken door staten krachtig aan te moedigen het verdrag inzake het verbod op mijnen te ratificeren, en ook door hen te helpen bij de uitvoering van dat verdrag.

In dit verband heb ik het genoegen bekend te maken dat de Commissie en de Oekraïnse regering, naar aanleiding van de recente ratificatie door het Oekraïns parlement van het verdrag inzake het verbod op mijnen, onlangs overeenstemming hebben bereikt over de details van een omvangrijk project voor de vernietiging van landmijnvoorraden. We hebben onze Oekraïnse partners uitgelegd dat zij het verdrag inzake het verbod op mijnen moeten ratificeren voordat we financiële middelen kunnen vrijmaken. Dit is dus een bemoedigend voorbeeld van concrete samenwerking, dat ertoe zou kunnen bijdragen dat alle landen zich bij dit verdrag gaan aansluiten.

Onze strategie wordt ondersteund door een budget van 140 miljoen euro, tien procent meer dan voor de strategie 2002-2004. Dit geld wordt goed besteed, niet alleen voor het opsporen, opruimen en vernietigen van mijnen, maar ook voor het verlichten van het lijden van de slachtoffers, voor sociaal-economische reïntegratie en voor het versterken van de lokale en regionale capaciteit. Ik noem u een concreet bedrag: in Afghanistan zullen we in het tijdvak 2001-2006 ongeveer 40 miljoen euro uitgeven om het land veilig te maken voor de burgerbevolking.

Ik zou willen benadrukken dat de totale financiële steun van de Gemeenschap en de lidstaten sinds de ondertekening van het verdrag inzake het verbod op mijnen een recordbedrag van meer dan één miljard euro heeft bereikt, bijna de helft van het totale budget voor landmijnen. Hieruit blijkt dat de Europese Unie ook op dit terrein een mondiale speler is die het verschil kan maken, en het laat ook zien dat het Europees Parlement en de Commissie samen met de Raad een sterk team vormen in buitenlandse zaken. Ik verwelkom en ondersteun al uw initiatieven van harte en dank u dat u ze ter sprake heeft gebracht.

Tot slot zou ik willen zeggen dat we ons momenteel in zwaar weer bevinden, maar dat is geen reden om in onszelf gekeerd te raken. We moeten krachtig blijven vasthouden aan ons uiteindelijke doel van extern beleid, een veilig Europa in een betere, veiligere wereld.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden, namens de PPE-DE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw Ferrero-Waldner bedanken voor haar opmerkingen en toewijding. Ik heet de Britse minister voor Europese Zaken, de heer Douglas Alexander, hartelijk welkom. Het is heel leuk om hem hier te zien.

Ik ben nu al zo’n jaar of tien betrokken bij de activiteiten tegen de plaag van de antipersoneellandmijnen. Het is jammer dat deze kwestie nog altijd onderwerp van gesprek is. Zoals de minister al aangaf worden vele van de armste delen van de wereld nog steeds getroffen door deze wapens. Naar schatting vallen er jaarlijks nog altijd zo’n 15 000 slachtoffers door mijnen, en liggen er nog steeds miljoenen mijnen opgeslagen. Dit komt mede door het feit dat de legers van de getroffen landen te weinig worden ingezet voor de mijnopruiming. Er wordt te veel overgelaten aan NGO’s en de internationale gemeenschap, en het gevaar bestaat dat de politieke campagne ter ondersteuning van de mijnbestrijding een andere weg inslaat in plaats van zich te concentreren op waar het werkelijk om gaat: het veilig maken van de gebieden waar de vermoedelijke aanwezigheid van mijnen een hinderpaal vormt voor een normaal leven, economische ontwikkeling en hulp aan slachtoffers van mijnen.

Het is van het grootste belang dat het landmijnprobleem in 2010 vrijwel geheel tot het verleden zal behoren, in een tijdsbestek van slechts vijf jaar, en niet een van die problemen wordt die zich maar blijven voortslepen. Om dit te bereiken moeten de internationale gemeenschap en de getroffen landen meer politieke wil tonen en sneller met financiële middelen over de brug komen.

De Commissie verdient een compliment voor de omvang, kwaliteit en continuïteit van haar bijdrage, maar zij moet een nog hogere prioriteit toekennen aan dit probleem, en we moeten zorgen voor een gepaste meerjarenfinanciering en erop toezien dat het geld goed wordt besteed.

Belangrijk is ook dat we ons niet op te veel zaken tegelijk richten, gezien de eisen en beperkingen van onze eigen beroepslegers die hierin verantwoordelijkheid dragen. Sommigen lijken te vergeten dat de westerse democratieën niet het probleem zijn. In de meeste gevallen vormen zij een deel van de oplossing. Ik doel op onze eigen regeringen – de Britse en andere Europese regeringen, en ook die van de Verenigde Staten, die een van de grootste bijdragen op dit terrein levert.

De PPE-DE-Fractie dient haar eigen resolutie in en kan die van de andere fracties, waarin de nadruk wordt gelegd op de verbreding van de campagne tot antitankmijnen en andere soorten munitie, niet steunen.

Deze week is de aandacht gericht op Afrika, bij de top van de G8 in Gleneagles en hier, binnen de Europese instellingen. We moeten niet vergeten dat veel Afrikaanse landen tot de landen behoren die het zwaarst onder landmijnen te lijden hebben, en dat de aanwezigheid van die mijnen een belangrijke hinderpaal vormt voor de snelle ontwikkeling die in geheel Afrika moet plaatsvinden als de Afrikanen aan hun armoede willen ontsnappen. Laten we ons er opnieuw toe verbinden om de afschuwelijke gevolgen van antipersoneellandmijnen te boven te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Maria Gomes, namens de PSE-Fractie.(PT) Ook ik ben geroerd door de interventies van de premier en commissaris Ferrero-Waldner. Daarin werd verwezen naar een incident dat tijdens de Tweede Wereldoorlog moet hebben plaatsgevonden. Toch worden ook nu nog elk jaar weer 20 000 mensen het slachtoffer van mijnen of achtergelaten munitie. Tussen de acht- en tienduizend daarvan zijn kinderen, en het merendeel daarvan wordt gedood of verminkt door zogenaamde anti-personeelsmijnen. Deze immorele wapens blijven hun sociale, economische, ecologische en humanitaire tol eisen van de bevolking en vormen aldus voor hele gemeenschappen een onaanvaardbare bedreiging.

Het Verdrag van Ottawa is een belangrijke stap voorwaarts in de strijd tegen deze gesel. We hebben op 16 juni tijdens de in dit Parlement georganiseerde informatiedag van Jody Williams en ambassadeur Wolfgang Petrisch echter kunnen horen dat er nog veel gedaan moet worden. Nog even afgezien van de juridische verplichtingen die de ondertekenende staten op zich hebben genomen, is de internationale gemeenschap gehouden niet alleen voor eens en altijd alle anti-personeelsmijnen af te schaffen, maar ook alle andere soorten mijnen en mechanismen die ontworpen zijn om zonder enig onderscheid des persoons te doden of te verminken. Op al die landen die – zoals mijn land, Portugal – ooit mijnen in andere landen hebben gelegd, hetzij in koloniale oorlogen hetzij in andere typen conflicten, rust nu een bijzondere verplichting om de gelegde mijnen te verwijderen en assistentie te verlenen bij de revalidatie en de maatschappelijke herintegratie van de slachtoffers.

Europa dient zijn leidersrol op dit gebied voort te zetten en uit te breiden tot andere aspecten van de ontwapening. De productie, het verhandelen en het gebruik van anti-voertuigenmijnen, fragmentatiemunitie en lichte wapens vormen de uitdagingen die we nu moeten aangaan – anders laten we een gelegenheid voorbijgaan. De lidstaten van de Unie en de Commissie dienen daarom een vereend front te vormen en met één stem te spreken, welke luider moet klinken en sterker moet overtuigen. We moeten streven naar universele gelding van het Verdrag van Ottawa en op alle internationale fora en in al onze betrekkingen met derde landen aandringen op de ratificatie en toepassing van deze overeenkomst. Daarom is het zo belangrijk dat de landen van de Unie die deze Overeenkomst nog niet hebben ondertekend of geratificeerd dat alsnog doen, en wel zo snel mogelijk. Ze sluiten zich dan aan bij de 144 landen die menen dat het uitbannen van mijnen en andere aspecten van de ontwapening overal ter wereld van doorslaggevend belang zijn voor het garanderen van duurzame stabiliteit en veiligheid voor iedereen.

Zoals in de conclusies van de zogenaamde herzieningsconferentie van Nairobi wordt gesteld moeten we de wereld mijnenvrij zien te maken. Wij zijn dat verplicht aan al die duizenden gemeenschappen die hun ontwikkeling bedreigd zien door mijnen en andere wapens die zonder onderscheid des persoons doden en verminken. Omwille van de mensenrechten, omwille van de veiligheid, omwille van de vrede en omwille van al hetgeen wordt belichaamd door de fundamentele waarden waarop de Europese Unie gebaseerd is. Dit alles vindt zijn weerslag in de resolutie die we u voorleggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jelko Kacin, namens de ALDE-Fractie. - (SL) Alhoewel een groot aantal landen het gebruik, de opslag, de vervaardiging en de verspreiding van anti-personeelmijnen heeft verboden en heeft toegezegd zulke mijnen te helpen elimineren door het verdrag te ratificeren, zijn er nog steeds anti-personeelmijnen en andere vormen van landmijnen. Gisteren nog is een Sloveens militair voertuig in Afghanistan op een mijn gereden. Ze liggen verborgen op het land en rond bewoonde plaatsen en vormen een bedreiging voor mens en dier, en ze veroorzaken dood en lichamelijk en geestelijk letsel, met alle sociale en andere langdurige gevolgen van dien. De wereld heeft zich nog altijd niet bevrijd van het gevaar van het meest onmenselijke wapen dat ons planeet vervuilt.

Ik begrijp de situatie en de historische omstandigheden in de drie lidstaten van de Europese Unie die het verdrag noch niet hebben geratificeerd, maar het is nu tijd voor veranderingen. Er moeten andere middelen worden gebruikt om het gevaar van militaire conflicten in Europa te voorkomen.

Er zijn meer slachtoffers van mijnen dan we vermoeden, of dan waar we ons bewust van zijn. De slachtoffers zijn niet alleen onschuldige burgers, voornamelijk boeren en hun kinderen, die geestelijk en lichamelijk letsel hebben opgelopen en voor de rest van hun leven getekend zijn, als ze al overleven. Hun ouders, hun familieleden, hun buren en vrienden zijn ook slachtoffer. Het is juist en passend dat we het in onze ontwerpresolutie ook hebben over geld voor de revalidatie en de reïntegratie van slachtoffers. Het terugbrengen van deze mensen in de maatschappij is een langdurig en uiterst veeleisend proces als volledige en echte revalidatie het doel is.

Het opruimen van mijnen is echter veel nuttiger dan het aanpakken van de gevolgen van een explosie of de revalidatie van de slachtoffers. Ook in Zuidoost-Europa, nog geen duizend kilometer van Straatsburg, registreren we nog steeds nieuwe slachtoffers van mijnen, dus we moeten doorgaan met de opruiming, totdat de laatste mijn in Europa is verwijderd. Als we dit niet sneller doen, zullen we te maken krijgen met nieuwe slachtoffers. Ook zullen we niet overtuigend of succesvol kunnen optreden in andere werelddelen als we niet eerst ons eigen huis op orde krijgen.

Alleen in een wereld zonder mijnen staat toe dat vluchtelingen terugkeren, en dat de landbouw, die een cruciale economische factor is, nieuw leven wordt ingeblazen, met name in landen waar oorlog heeft gewoed.

 
  
MPphoto
 
 

  Caroline Lucas, namens de Verts/ALE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, nog maar een paar weken terug reed een bus in Nepal op een antitankmijn, die door rebellen op de weg was gelegd. Hierbij kwamen meer dan zestig burgers om het leven. Dit voorval – slechts één van de duizenden – werpt een licht op de enorme schade die kan worden aangericht door moderne antitankmijnen.

Het krachtens het Verdrag van Ottawa ingestelde verbod op antipersoneellandmijnen was een belangrijke eerste stap. Voor een werkelijke mijnvrije wereld is het echter van cruciaal belang dat we nog een stap verder gaan en oproepen tot een algeheel verbod, dat betrekking heeft op alle soorten mijnen, inclusief antitankmijnen en fragmentatiebommen. Het is jammer dat de PPE-DE-Fractie hierin niet met ons mee wil gaan. Het gruwelijke voorval in Nepal toont aan dat het de hoogste tijd is deskundige NGO’s toe te staan om ook particuliere organisaties te betrekken bij het opruimen van mijnen in gebieden die onder hun controle staan.

We mogen niet voorbijgaan aan de rol die door financiële instellingen wordt gespeeld. Ik ben zeer te spreken over het initiatief van particuliere Belgische banken om niet langer te investeren in bedrijven die zijn betrokken bij de productie van landmijnen. De EU en de lidstaten moeten er alles aan doen om dit mooie voorbeeld van maatschappelijk verantwoord ondernemen tot wet te verheffen in heel Europa. Ik hoop dat we morgen een krachtig signaal zullen afgeven met het aannemen van deze uitstekende resolutie, en een nieuw elan zullen geven aan de o zo belangrijke campagne die uiteindelijk moet leiden tot de uitbanning van alle mijnen, die al zovelen hebben gedood en verminkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Douglas Alexander, fungerend voorzitter van de Raad.(EN) Mijnheer de Voorzitter, het is niet meer dan terecht dat wij dit belangrijke debat hebben gehouden. Ik heb de levendige en gedachterijke discussie die we hebben kunnen voeren in de beperkte tijd die we vandaag tot onze beschikking hadden zeer op prijs gesteld. We hebben de ontroerende persoonlijke getuigenis van de commissaris mogen horen en kunnen zien hoe betrokken ze is bij dit onderwerp en deze agenda.

Zoals we gehoord hebben, is er bijna algemene overeenkomst over de noodzaak om de verschrikkelijke problemen aan te pakken die veroorzaakt worden door antipersoneelsmijnen. Ook is er brede erkenning voor het feit dat onze kiezers, op het hele continent, niet anders van ons verwachten. Ik zal proberen te reageren op sommige van de belangrijkste punten die in de loop van ons debat naar voren zijn gebracht.

Ik begin met het uitspreken van mijn waardering voor de jarenlange inzet op dit gebied door de heer Van Orden. Hij sprak met werkelijke kennis van zaken en met besef voor de urgentie van dit dossier, gezien de omvang van de uitdaging waarvoor we ons gesteld zien. Ik sluit me aan bij zijn waarderende woorden voor het werk van de Commissie en bij de lof die hij de Commissie toezwaait voor de arbeid die zij op dit terrein al heeft verricht, en ik erken, zoals hij heeft duidelijk gemaakt, dat met name Afrika zich voor een bijzondere uitdaging gesteld ziet met betrekking tot het opruimen van mijnen. Wij allen, met oprechte zorg over de toestand waarin dat continent zich bevindt, erkennen welke belangrijke bijdrage het weghalen van mijnen kan leveren aan de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen daar.

Mevrouw Gomes sprak met name over de risico’s die mijnen opleveren voor kinderen, waarbij ze tegelijk haar erkenning uitsprak voor de belangrijke stap voorwaarts die de Conventie betekent. Ik ben het eens met haar eerste punt, dat Europa in dit opzicht een leidende rol moet spelen. De Europese Unie heeft ook altijd in de voorste linies geopereerd bij de strijd tegen antipersoneelmijnen. Ik kan haar verzekeren dat wij daarmee zullen doorgaan. In het kader van de strategie voor de jaren 2005-2007 mikken we op het ambitieuze doel van nul slachtoffers, waarbij niemand nog gewond raakt of omkomt door landmijnen. Deze strategie vormt een gemeenschappelijk doel dat door alle vijfentwintig lidstaten wordt onderschreven.

De heer Kacin sprak over de actuele dreiging die van landmijnen uitgaat in relatie met een recent incident in Afghanistan. Wat betreft het streven naar universele toetreding tot het verdrag, als onderdeel van het actieplan waarover overeenstemming is bereikt tijdens de eerste herzieningsconferentie van het verdrag van Ottawa, afgelopen december, heeft de Europese Commissie zich verbonden aan het bevorderen van de universele aanvaarding van het verdrag, en de internationale gemeenschap boekt vooruitgang: 152 landen hebben het verdrag nu ondertekend en 144 hebben het geratificeerd, zodat het verdrag van Ottawa nu in hoge mate de internationale norm is geworden, hoewel dat niet betekent dat we het wat rustiger aan kunnen gaan doen bij onze inspanningen om het Verdrag universeel te maken.

Mevrouw Lucas sprak terecht, vond ik, haar waardering uit voor het belangrijke werk dat niet-gouvernementele actoren doen bij het lopende werk met betrekking tot zowel de universele aanvaarding van het verdrag als het onverminderd bepleiten van verdere actie. We hebben de kans gekregen en ik geloof ook dat we nu de verantwoordelijkheid hebben om echt een verschil te maken in de levens van miljoenen mensen over de hele wereld, door actie te ondernemen op het gebied van landmijnen. Dit is een kans om hen te helpen zich van de donkere schaduw van angst te bevrijden die door de antipersoneelsmijnen permanent over hun dagelijkse levens hangt, week in, week uit, en we hebben de verantwoordelijkheid om die handschoen op te nemen en echte resultaten te boeken die helpen bij het creëren van welvaart en veiligheid voor toekomstige generaties, niet alleen op dit continent, maar op alle continenten van de wereld.

Ik ben dankbaar voor de bijdragen die ik vanmiddag in dit debat heb gehoord. Ik voel me gesterkt door de betrokkenheid van de Commissie. Ik kan u verzekeren dat het Britse voorzitterschap zal doorgaan met het ondernemen van actie in dit belangrijke dossier.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.   Tot besluit van het debat heb ik zes ontwerpresoluties¹(1) ontvangen, die zijn ingediend conform artikel 103, lid 2 van het Reglement.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt plaats op 7 juli 2005.

(De vergadering wordt om 17.50 uur onderbroken en om 18.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: SYLVIA-YVONNE KAUFMANN
Ondervoorzitter

 
  

(1)¹ Zie notulen.

Juridische mededeling - Privacybeleid