Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Dinsdag 15 november 2005 - Straatsburg Uitgave PB

26. Europese regelgevende agentschappen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag aan de Raad (O-0093/2005 – B6-0337/2005) van Jo Leinen en Janusz Lewandowski, namens de Commissie constitutionele zaken, over het ontwerp interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE), ter vervanging van de auteur. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, binnen het Europese kader is er een groot aantal gedecentraliseerde of quasi autonoom werkende organen, die men kan samenvatten onder de titel “regelgevende agentschappen”. Deze situatie doet denken aan een uit verschillende lagen bestaand bestuur.

De opzet en de werkwijze van de regelgevende autoriteiten in de Europese Unie worden gekenmerkt door pluralisme. De uitdaging is dus ervoor te zorgen dat er duidelijke en zo mogelijk homogene voorwaarden worden vastgesteld voor de instelling en werking van, en het toezicht op, deze typische vorm, sui generis, van Europees bestuur, opdat de transparantie en de onderlinge samenhang van deze regelgevende agentschappen kunnen worden verbeterd.

Het Europees Parlement is van mening dat met de bepalingen uit het onderhavig ontwerp van interinstitutioneel akkoord een minimaal aantal beginselen en regels wordt vastgesteld voor de structuur en de werking van de regelgevende agentschappen en voor het toezicht daarop, waarmee deze op harmonische wijze kunnen worden onderworpen aan de fundamentele, uit de Verdragen voortvloeiende beginselen. Daarom is het nuttig om niet alleen een kader vast te stellen voor de harmonisatie van de werking van de Europese regelgevende agentschappen, maar ook hun werking te harmoniseren met de democratische instellingen. Daarom roepen wij de Raad op om op creatieve wijze bij te dragen aan de totstandkoming van dit interinstitutioneel akkoord.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), auteur. - (EN) De gezamenlijke vraag van de Commissie constitutionele zaken en de Begrotingscommissie betreft een oproep aan de Raad om serieuze onderhandelingen te beginnen over een operationeel kader voor de Europese regelgevende agentschappen. Ik ben ervan overtuigd dat men zich in de Europese Unie heel goed realiseert dat het noodzakelijk is om de procedures voor het opzetten en het functioneren van regelgevende agentschappen te rationaliseren en te standaardiseren, niet alleen met het oog op de transparantie, maar ook om dubbele werkzaamheden en onnodige uitgaven te voorkomen. Ik refereer daarbij met name aan de agentschappen met uitvoerende taken, mede gezien het feit dat de aan hen opgedragen taken een desintegratie betekenen van de operationele verantwoordelijkheid van de Europese Commissie. Het opzetten van agentschappen is tegenwoordig een populaire reactie op de verschillende uitdagingen waar de Europese Unie mee wordt geconfronteerd. Geen wonder dat er tien jaar geleden vijf agentschappen waren en dat dit aantal volgend jaar tot 23 opgelopen zal zijn. Ze schieten als paddestoelen uit de grond en hebben enorme budgettaire consequenties omdat het niet alleen om operationele uitgaven gaat; het gaat ook om uitgaven met een bureaucratischer karakter.

Wij beschikken thans middels de mededeling van de Commissie over een zeer goede basis voor de discussie over dit onderwerp, namelijk het ontwerp-interinstitutioneel akkoord van februari 2005. Na het Witboek over Europese Governance heeft het Europees Parlement in januari 2004 zijn standpunt ingenomen in de vorm van een resolutie. Wij - en met name de Begrotingscommissie - beseffen hoe belangrijk het is om het beginsel van de begrotingsdiscipline toe te passen op de inrichting en het functioneren van agentschappen. Wij steunen het voorstel van de tijdelijke commissie dan ook volledig om de uitgaven voor agentschappen af te bakenen en zowel de bestaande als nieuwe agentschappen te reguleren. Hieromtrent is in de mededeling van de Commissie echter niets terug te vinden.

Onze mondelinge vraag is in feite een weerspiegeling van onze teleurstelling dat de Raad nog steeds niet met de onderhandelingen is begonnen. De belangrijkste vraag is of de Raad daar nu klaar voor is en of hij het noodzakelijk en haalbaar acht om die onderhandelingen volgend jaar af te ronden, dat wil zeggen aan het eind van de huidige financiële vooruitzichten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lord Bach, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in zijn conclusies van 28 juni 2004 over de mededeling van de Commissie betreffende het operationele kader voor Europese regelgevende agentschappen is door de Raad opgemerkt dat er nogal uiteenlopende gedecentraliseerde communautaire organen onder het brede hoofdstuk “Europese agentschappen” vallen. De Raad constateerde dat deze organen weliswaar bepaalde formele gemeenschappelijke kenmerken hebben, maar dat zij in feite zeer divers zijn. De Raad heeft de Commissie dan ook om een duidelijke definitie van de agentschappen verzocht aan de hand van hun bevoegdheden en taken. De Raad overwoog hierbij tevens dat er in een toekomstig kader aangegeven diende te worden welke criteria er toegepast moeten worden bij het oprichten van regelgevende agentschappen. Het is daarbij met name van belang dat elk besluit om een agentschap op te richten dan wel in stand te houden, gerechtvaardigd kan worden op basis van reële behoeften en een kosten-batenanalyse waarbij rekening gehouden dient te worden met de beschikbaarheid van relevante expertise. Daarnaast dient er ook een effectbeoordeling plaats te vinden.

In februari 2005 heeft de Commissie een ontwerp-interinstitutioneel akkoord gepresenteerd, een “IIA”, betreffende het operationele kader voor de Europese regelgevende agentschappen. In deze versie zijn regels opgenomen voor de taken van agentschappen, de uitvoerende verantwoordelijkheden, de rechtsgrondslag, de doelstellingen en het mandaat, de zetel, de structuur en werkwijze, de evaluatie en het toezicht. Uit het voorstel van de Commissie blijkt dat een IIA afdoende zou moeten zijn “om vanaf het begin de drie instellingen te betrekken bij de vaststelling van de basisvoorwaarden die bij de latere goedkeuring van de besluiten tot oprichting van de sectorale agentschappen moeten worden nageleefd” en dat “de keuze van dit instrument [niet uitsluit] dat in een tweede fase meer gedetailleerde procedures binnen een kaderregeling worden uitgewerkt”.

Het ontwerp-IIA die de Commissie heeft gepresenteerd gaat echter verder dan het vaststellen van regelingen voor een samenwerking tussen instellingen zoals die in het Verdrag zijn vastgelegd. In het ontwerp-IIA wordt ook het vaststellen van supra-wettelijke, materiële rechtsregels voorzien waardoor de wetgevende macht in de toekomst aan een procedure gebonden zou zijn die niet in het Verdrag is verankerd. In dit verband wil de Raad de geachte afgevaardigden graag verwijzen naar de verklaring betreffende interinstitutionele akkoorden die als bijlage bij het Verdrag van Nice is opgenomen en waarin staat dat interinstitutionele akkoorden “geen wijzigingen of aanvullingen van de bepalingen van het Verdrag [mogen] inhouden”.

In zijn conclusies van 28 juni 2004 is door de Raad geconstateerd dat “de zich ontwikkelende en uiteenlopende aard van de verantwoordelijkheden van regelgevende agentschappen een onderzoek rechtvaardigen naar alle aspecten die verband houden met hun structuur, inclusief de samenstelling van de raden van bestuur en de respectieve functies van hun organen.” De Raad voegde daaraan toe dat “bij dit onderzoek onder andere rekening dient te worden gehouden met de bevoegdheden die door elk agentschap uitgeoefend worden en de aard van de taken die aan hen toegewezen zijn.”

Hoewel een IIA bepaalde bindende juridische gevolgen kan hebben in zoverre daarin de wens van de drie instellingen tot uiting komt om bindende verplichtingen ten opzichte van elkaar aan te gaan, kan dit instrument niet gebruikt worden om wettelijke of supra-wettelijke bepalingen vast te stellen. De voorstellen over deze wetstechnische kwestie liggen daarom thans ter overweging bij de Raad.

De Raad is bereid om een horizontaal voorstel voor agentschappen te bestuderen waarin de kwesties op wetgevingsgebied die ik zojuist heb geschetst, aan de orde worden gesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria da Assunção Esteves, namens de PPE-DE-Fractie. (PT) In het Witboek over Europese governance stelt de Commissie dat er voor de Europese regelgevende agentschappen een wetgevingskader moet komen. Daarvoor moet nu een broodnodig interinstitutioneel akkoord tot stand worden gebracht. Met een dergelijk akkoord is spoed geboden, maar tot nu heeft het niet het licht gezien. Als er al een voorbeeld is op het vlak van politieke besluitvorming over een zaak waarvoor rationele en gecoördineerde organisatie vereist is, betreft dat ongetwijfeld de Europese regelgevende agentschappen.

Op de eerste plaats natuurlijk wegens het zeer grote aantal agentschappen en de uiteenlopende vitale sectoren waar zij zich mee bezig houden. Op de tweede plaats echter ook vanwege de Europese institutionele structuur, die nog versnipperd is en op zoek is naar een integrerende factor in de vorm van een Grondwet. Juist daarom heeft Europa in de tussentijd interinstitutionele akkoorden en een voorzichtige en permanente inspanning op organisatorisch vlak nodig. Europa kan niet de ogen sluiten voor het probleem op het gebied van governance ten gevolge van de uitbreiding en de ambities van de Unie. De regelgevende agentschappen vereisen derhalve van de Europese politieke instellingen dat zij hun aandeel in de verantwoordelijkheid op zich nemen.

Een interinstitutioneel akkoord versterkt het succes van de agentschappen, dicht procedurele lacunes en verleent op die manier de uitvoering van het Europese beleid een rationeel en efficiënt stempel. We dienen tenslotte allemaal te erkennen dat een rationele basis het Europese project structuur geeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Corbett, namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, mijn fractie maakt zich grote zorgen over de aanzienlijke toename van de agentschappen in de afgelopen jaren. Dat aantal is enorm gestegen. Zij lijken als paddestoelen in alle lidstaten uit de grond te schieten. Dat is echter meer om te zorgen dat elke lidstaat een agentschap op zijn eigen grondgebied heeft dan dat een nieuw communautair agentschap noodzakelijk of voordeliger is om de betreffende kwestie aan te pakken.

Onze bezorgdheid richt zich op een aantal dingen. Uiteraard op de kosten, maar van groter belang is de vraag of deze wildgroei van agentschappen niet de uitvoerende rol van de Europese Commissie ondermijnt. In een aantal lidstaten zijn er politici die graag zouden zien dat de Commissie in een reeks gespecialiseerde agentschappen wordt opgedeeld om de supranationale uitvoerende macht waar wij thans over beschikken, te ondermijnen.

En hoe zit het met de verantwoordingsplicht? De Commissie is in ieder geval verantwoording aan dit Parlement verschuldigd. Commissarissen en hun ambtenaren kunnen vrij eenvoudig hier uitgenodigd en gehoord worden. Daarnaast is de begroting van de Commissie aan onze goedkeuring onderworpen. Indien noodzakelijk - en hopelijk zal die situatie zich niet nog een keer voordoen - kunnen wij de Commissie ook uit haar functie ontheffen. Als een bepaalde taak echter aan een agentschap wordt overgedragen met weer een eigen, doorgaans intergouvernementele structuur en een raad van bestuur met een hele andere verantwoordingsplicht, is het duidelijk dat onze controle op de wijze waarop taken en bevoegdheden worden uitgevoerd, een stuk minder wordt.

Wij zijn dan ook voorstander van een interinstitutioneel kaderakkoord om een paar van deze problemen op te lossen. Hierdoor kunnen op zijn minst sommige excessen worden gecorrigeerd. Er kan zo bijvoorbeeld gewaarborgd worden dat er op een adequate wijze verantwoording wordt afgelegd. Er kan dan ook een standaardstructuur worden gecreëerd want het lijkt alsof elk agentschap op dit moment een andere structuur heeft. Daarnaast dient het Parlement betrokken te worden bij het aanstellen van en het toezicht op de raad van bestuur van elk agentschap.

Ik begrijp uit het antwoord van de Raad dat hij geen voorstander is van een interinstitutioneel akkoord, maar dat hij wel bereid is om een horizontaal voorstel in overweging te nemen. Ik zou graag van de Raad willen weten op welk soort voorstel hij dan doelt. Gaat het om een kaderverordening of een wetgevingsbesluit of iets van dien aard? Wij zullen echter niet rusten voordat ons doel verwezenlijkt is. Wij steunen de aanpak van de Commissie in haar voorstel en wij blijven vasthouden aan ons uitgangspunt dat agentschappen op een adequate manier verantwoording dienen af te leggen aan de gekozen instellingen van de Europese Unie en dat zij geen eigen koers mogen varen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, sinds de jaren negentig zijn er Europese agentschappen opgezet als antwoord op de ontwikkelingen in het EU-beleid, de successievelijke uitbreidingen en de nieuwe technische en wetenschappelijke behoeften die als gevolg daarvan ontstonden.

Overeenkomstig het Witboek over Europese governance, moeten die Europese regelgevende agentschappen bijdragen tot een effectieve uitvoering en toepassing van de communautaire beginselen en de rol van die agentschappen en de controle die zij uitoefenen zijn van groot institutioneel en politiek belang. Toch vind ik de voortdurende aanwas van deze gedecentraliseerde agentschappen verontrustend. Het zijn er nu 23, terwijl er in 1995 nog slechts vijf waren, en er is geen gemeenschappelijk procedureel kader. Deze wildgroei van namen, taken, structuren en controlemechanismen zorgt voor een onoverzichtelijke situatie voor de burger, die de rechtszekerheid niet bevordert.

Het jaarverslag van de Europese Rekenkamer voor het jaar 2004 geeft aan dat de agentschappen tekortschieten bij het respecteren van de begrotingsbeginselen,, bij het aanwerven van personeel en bij het volgen van de procedures voor openbare aanbestedingen. De agentschappen drukken steeds zwaarder op de begroting van de Unie en daarom moet er absoluut een nauwkeurige analyse worden gemaakt van het financiële effect van de activiteiten van elk nieuw agentschap.

Met het oog op een correcte werking van de Unie met haar 25 lidstaten is meer transparantie en samenhang nodig om te vermijden dat er steeds meer verschillende agentschappen komen en om overlapping van bevoegdheden en werkzaamheden met die van de desbetreffende diensten van de Europese Commissie te vermijden. In die context steunen wij het ontwerpakkoord tussen de Commissie, het Parlement en de Raad waarin gemeenschappelijke richtsnoeren en een kader worden vastgelegd voor de oprichting van nieuwe agentschappen. Ik begrijp niet waarom de Raad tot nu toe zo onwillig is om te beginnen met onderhandelingen over dit akkoord, maar vandaag geloof ik dat die bereidheid er langzaam toch komt.

 
  
MPphoto
 
 

  Lord Bach, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag iedereen bedanken die het woord gevoerd heeft bij deze interessante en informatieve uitwisseling van standpunten. Ik moet toegeven dat sommige punten die vandaag aan de orde zijn gesteld nog niet door de Raad zijn besproken, maar ik kan u de verzekering geven dat dit alsnog zal gebeuren.

Ik zal proberen om zoveel mogelijk van de genoemde punten te behandelen. Uiteraard is ook de Raad van mening dat wij transparante en effectieve agentschappen nodig hebben. Het is belangrijk dat wij voor coherentie, een goede governance, geloofwaardigheid en kosteneffectiviteit zorgen. Ongeacht het kader dat wij straks overeenkomen, biedt het uiteraard voordelen als de flexibiliteit behouden blijft en de toegepaste richtsnoeren niet overmatig rigide zijn. Ik kan het Parlement ook de verzekering geven - voorzover daar nog twijfels over mochten bestaan - dat de Raad op dit onderwerp zal terugkomen zodra de standpunten van zowel het Parlement als de Commissie nader bestudeerd zijn.

De Raad heeft nota genomen van het voorstel van de Commissie voor een juridisch bindend instrument waarmee een horizontaal kader voor regelgevende agentschappen wordt gecreëerd. De Raad is echter van mening dat het onderhavige voorstel van de Commissie bepaalde problemen op wetgevingsgebied met zich meebrengt en daarom wordt dit voorstel eerst zorgvuldig onder de loep genomen.

Wat zou de reikwijdte van een dergelijk kader moeten zijn? De Raad is van mening dat elk kader de essentiële aspecten zou moeten omvatten van zowel de oprichting en het functioneren van regelgevende agentschappen als van het toezicht daarop. Zoals ik al zei, is het met name van belang dat wij voor coherentie, transparantie, een goede governance, geloofwaardigheid en kosteneffectiviteit zorgen.

Hoe dient dan de besluitvorming voor het oprichten van een dergelijk agentschap te verlopen? Wij zijn van mening dat agentschappen een cruciale rol kunnen spelen, maar de Raad is het met het Parlement eens dat een besluit om een agentschap op te richten gebaseerd dient te zijn op een externe kosten-batenanalyse. Wij hopen dat wij in samenwerking met het Parlement een bevredigende oplossing voor deze kwestie kunnen vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, lid van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst zeggen dat de Commissie het gevoel van urgentie bij het Europees Parlement deelt, en dat de bezorgdheid die door de verschillende sprekers is geuit, ook volledig bij ons leeft.

De Commissie is van mening dat een interinstitutioneel akkoord zonder meer de meest geschikte vorm is voor het kader. Alleen op basis van zo’n akkoord kan het Europees Parlement immers op voet van gelijkheid met de Commissie en de Raad worden betrokken bij het vaststellen van een gemeenschappelijk kader. Gezien de algemeen erkende noodzaak van wetgeving moet er zeker iets worden gedaan met dit ontwerp, dat al acht maanden geleden door de Commissie is ingediend. De Commissie doet een dringend beroep op haar institutionele partners om hier nu werk van te gaan maken, zodat de tripartiete onderhandelingen zo snel mogelijk kunnen beginnen. Het is van essentieel belang om te bekijken hoe een eventueel akkoord tussen de drie instellingen er inhoudelijk uit moet komen te zien. Als de inhoud van het instrument eenmaal is vastgesteld, zal het gemakkelijker zijn de vorm ervan te bepalen.

 
  
  

VOORZITTER: SYLVIA-YVONNE KAUFMANN
Ondervoorzitter

De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid