De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag van Johannes Voggenhuber en Andrew Duff, namens de Commissie constitutionele zaken, over de Denkpauze: structuur, onderwerpen en kader voor een evaluatie van het debat over de Europese Unie (2005/2146(INI)) (A6-0414/2005).
Andrew Duff (ALDE), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is het eerste respons van het Parlement op de crisis die Frankrijk en Nederland hebben veroorzaakt door de Grondwet te verwerpen. Het is een kans voor ons om na te denken over wat, vooral voor het Parlement, verloren zal gaan als we niet in staat zijn om het project te redden en tot een succesvol einde te brengen. Het is een kans voor ons om te reageren op de kakofonie van geluiden die uit de gelederen van de Raad komt. Sommige van die geluiden zijn simplistisch, andere in strijd met het Verdrag, en weer andere politiek onwaarschijnlijk. Het is een kans voor ons om de Commissie aan te moedigen tot meer vastberadenheid en doortastender optreden en om haar te vragen ons te helpen bij het vinden van een uitweg uit deze crisis. Het is een kans voor het Parlement om een politieke leemte op te vullen en de periode van bezinning duidelijk te omlijnen.
We weten dat we dit niet allemaal alleen kunnen bereiken, maar dat we de nauwe samenwerking van de nationale parlementen nodig hebben. Ik moet zeggen dat ik het in dit verband tamelijk curieus vind dat de voorzitters van het Oostenrijkse, Finse en Duitse parlement enigszins terughoudend lijken te zijn om met ons samen te werken. Het is aan de parlementen om te beslissen of ze wel of niet komen opdagen. De parlementen die besluiten wel te komen opdagen, zullen een beslissende stem hebben in de modellering van de besluiten over de toekomst van Europa.
In de voorstellen, die ruime steun hebben gekregen van de commissie, wordt een parlementair proces beschreven. We proberen een reeks parlementaire fora op te zetten om te debatteren over enkele fundamentele, misschien zelfs primitieve vragen over de aard en het doel van Europa. We willen dat het debat gaat over de hervorming van het gemeenschappelijk beleid, een debat dat de eerste Conventie - tot haar frustratie - helaas ten dele werd ontzegd. Dit debat over het beleid kan en moet radicaal zijn, maar het moet plaatsvinden binnen de constitutionele context, en het moet nauw samenhangen met de vraagstukken van de bevoegdheden, de instrumenten en de procedures.
Het eerste van deze fora zal plaatsvinden op 9 mei. De conclusies daarvan zullen gericht worden tot de Europese Raad, die enkele eerste besluiten zal moeten nemen over de voortzetting van het project.
We zouden eind 2007 de periode van bezinning willen afsluiten met een stevig, helder besluit over wat we met het Verdrag moeten doen. Zoals de resolutie aangeeft, zijn er in theorie meerdere scenario's die we zouden kunnen volgen, maar in de praktijk zijn het er slechts twee. Het eerste scenario is dat we het huidige Verdrag aanvullen met interpretatieve protocollen en verklaringen. Het tweede scenario is dat we inhoudelijke veranderingen aanbrengen in deel III, zodat we iets doen aan de legitieme zorgen en onrust die zijn geuit door de burgers van Frankrijk en Nederland en enkele andere lidstaten.
Tussen en binnen de fracties is zeker sprake van een controverse over de juiste manier om onze mening te geven. Ten aanzien van het essentiële punt van het redden van het Verdrag zijn we echter zeer eensgezind, en ik wil derhalve de ontwerpresolutie aan het Parlement aanbevelen.
(Applaus)
Johannes Voggenhuber (Verts/ALE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, wij presenteren u vandaag het verslag over de denkpauze in het debat over de Europese Unie. Dit verslag heeft na maandenlange discussies een, door de overgrote meerderheid van de Commissie constitutionele zaken gesteunde road map opgeleverd voor het overwinnen van de constitutionele crisis. We hebben voor deze grote stap en voor deze belangrijke beslissing van het Parlement slechts enkele minuten, maar zelfs als ik slechts één minuut spreektijd had, zou ik die gebruiken om mijn co-rapporteur, de heer Duff, te danken voor de buitengewone eer en het genoegen om dit werk samen met hem te mogen doen.
Hij heeft mij geleerd dat er verschillende wegen zijn die naar de toekomst leiden, en dan bedoel ik onze gezamenlijke Europese toekomst. Hartelijk dank daarvoor! Een groene Oostenrijker en een liberale Engelsman - als dat al geen handicap voor de start vormt, dan zullen ook anderen elkaar wel kunnen vinden.
Mijnheer de Voorzitter, de harmonische tonen die vanochtend uit de politieke toverfluit van de fungerend voorzitter van de Raad klonken, hebben de Europese crisis natuurlijk niet kunnen camoufleren. Hij heeft er niets over gezegd. Ik wil er wel iets over zeggen. Ik wil het hebben over de werkelijke aard van deze crisis. Bij alle ruzies en controverses die opnieuw tot uitbarsting zijn gekomen, bij de hele Europese crisis, draait het om één enkele zin, uitgesproken door dé grondlegger van de Europese Unie, Jean Monnet: “Wij verenigen mensen, geen staten”. Daarover gaat het conflict dat op dit moment speelt.
Gaat het om een Europa van ambtenaren, regeringen, bureaucraten en elites? Of om de Unie van burgers waarvoor de Grondwet de weg heeft vrijgemaakt? Wie het vandaag over de dood van de Grondwet heeft, wijst het Europa van de mensen af, maakt het Europa van de regeringen sterker en roept de geesten van de negentiende eeuw op, al die oeroude plagen uit de doos van Pandora: het nationalisme, de rivaliteit tussen staten, het evenwichtsdenken, het streven naar hegemonie, het Europa van de versplintering dat zijn eigen vrede niet kan bewaren, laat staan dat het zich tot een vredesmacht kan ontwikkelen. Daarover gaat dit conflict.
Bij de ingang van deze zaal werden wij opgewacht door medeafgevaardigden die als struisvogel waren verkleed. Ze hadden zich niet hoeven te verkleden, want we konden ze ook zo wel herkennen. We zijn niet blind. We weten dat het voorlopige falen van het ratificatieproces in de ogen van de nationalisten een historische kans is om het nationalisme nieuw leven in te blazen. Daarmee maakt het Parlement met dit verslag echter korte metten. In alle fracties die in de Commissie constitutionele zaken zijn vertegenwoordigd, bestaat daarover grote eensgezindheid.
(Applaus)
De Grondwet is niet dood, omdat de behoefte van de mensen om in de toekomst in vrijheid, gelijkheid en vrede, binnen en buiten Europa, samen te leven in hoofd en hart verankerd is. Bij het zoeken naar een bestel, bij het ontwerpen van een politieke structuur, een politieke ruimte waarin dat mogelijk is, is de Grondwet een beslissende stap.
Wij leggen u vandaag een verslag voor waarin geprobeerd wordt een strategie uit te zetten om de crisis te boven te komen. Het is een vertrouwenscrisis. Het is de crisis van een Unie die geen onderscheid kan maken tussen de Unie van de burgers en de Unie van de staten, een Unie waarin de mensen welhaast systematisch in hun verwachtingen worden teleurgesteld: er is geen antwoord op het sociale vraagstuk, er is een democratisch tekort, de grondrechten zijn niet verankerd, er is onvoldoende transparantie, de macht van de regeringen wordt onvoldoende gecontroleerd en beteugeld. De Grondwet is echter een stap in de goede richting. Ook als de Grondwet in moeilijkheden verkeert, proberen we in die richting verder te gaan.
We hebben een Europees debat opgezet. Ik denk dat we daarmee het proces terugbrengen naar de burgers, en dat betekent niets minder dan dat we van een elitair project weer een res publica maken, een zaak van de mensen zelf.
Ik hoop dat het Parlement - wanneer het dit verslag aanneemt - samen met ons alle partijen: de bevolking, de gemeenten en regio’s, de vakbonden en het maatschappelijk middenveld, wil oproepen om dit debat te voeren en de toekomst van Europa als een res publica te zien en daarover met ons in discussie te gaan.
We stellen ook een structuur voor dit debat voor. We zijn het, dwars door alle fracties heen, eens geworden over zes vraagstukken, waaronder ook tal van vragen waarop een taboe rust: het doel van de Europese integratie, de grenzen van Europa, de toekomst van het economisch en sociaal model, de rol van Europa in de wereld, het vraagstuk van de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid en ook het sociale vraagstuk. Ook als de Grondwet niet alle wensen vervult - en natuurlijk doet ze dat niet - dan hoop ik toch dat we met dit plan een stuk dichter bij ons doel komen.
Ik wil tot slot nog kort aangeven op welk punt wij met de Commissie constitutionele zaken van mening verschillen. De rapporteurs willen een stap verder gaan. Zij hebben er nadrukkelijk voor gepleit dat de inzet van het debat niet alleen maar de voortzetting van het ratificatieproces moet zijn. We moeten ook een mogelijkheid bieden om de Grondwet te verbeteren, waarbij de essentie behouden blijft, en in 2007 tot een herzieningsprocedure te besluiten. Daardoor wordt het debat geloofwaardiger. Een eventuele herziening willen we ook door middel van een Europees referendum aan de burgers voorleggen. Ik hoop dat voor deze verdere stap de behoedzaamheid van de Commissie wordt aangevuld met de moed van het Parlement.
(Applaus)
Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden van het Europees Parlement, het is mij een groot genoegen hier vandaag voor het eerst in de plenaire vergadering te mogen spreken en u allen hier te mogen ontmoeten. Ik ben erg blij dat het bij de interinstitutionele dialoog die tussen de verschillende instellingen moet worden gevoerd, om een onderwerp gaat waarbij samenwerking buitengewoon belangrijk is. Inderdaad was, zoals beide rapporteurs reeds zeiden, 2005 een moeilijk jaar. De heer Voggenhuber gebruikte zelfs het woord “crisis”. Er is inderdaad sprake van een vertrouwenscrisis tussen ons en de Europese burgers. We moeten antwoorden geven op de legitieme vragen van de burgers. Ik ben het ook eens met de heer Duff dat er in deze vertrouwenscrisis, in deze twijfels omtrent het Europees project, een kans ligt besloten voor ons allen. Wij allen - Commissie, Parlement en Raad - moeten deze kans benutten.
Ik wil vanaf deze plaats een bijzonder woord van dank richten aan het Parlement, want op een moment dat de regeringen nog niet bereid waren serieus aan een debat te beginnen, hield het Parlement zich reeds met deze kwestie bezig. Op basis van het verslag-Duff/Voggenhuber vond in het Parlement een debat plaats dat ons verder zal helpen. Het Oostenrijkse voorzitterschap heeft van meet af aan pogingen ondernomen om zich bij dit debat aan te sluiten en de discussie voort te zetten en te verdiepen. U zult allen hebben bemerkt dat het debat vanaf het begin erg fel was. Het hele scala van meningen kwam tot uiting, zoals ook blijkt uit het door de Commissie constitutionele zaken goedgekeurde ontwerpverslag.
Laat dit duidelijk zijn: er bestaan geen eenvoudige oplossingen, trucs of sluiproutes waarmee de vertrouwensbreuk tussen Europa en zijn burgers zogezegd in ijltempo kan worden hersteld. Een serieuze, op lange termijn effectieve oplossing kan alleen worden bereikt als we ons oprecht met de problemen bezighouden. Wij vinden dat het om een brede discussie moet gaan, zoals ook tot uitdrukking komt in het vandaag besproken verslag. Het gaat niet alleen om het Grondwettelijk Verdrag of om een juridisch debat. De discussie is breder en gaat over de vraag welk Europa willen wij, waar we naartoe willen, waar de grenzen van Europa liggen en hoe wij moeten omgaan met de angsten en zorgen van de Europese burgers.
We willen als Raad de discussie niet alleen voortzetten, maar ook verdiepen. We zijn van plan een aantal bijeenkomsten te organiseren, waar we met de Europese burgers een breed opgezette discussie willen voeren. Gisteren nog hebben we samen met de Commissie en het Parlement gesproken over de methoden en strategieën waarmee we Europa en datgene waarvoor Europa staat, dichter bij de burgers kunnen brengen. Met welke middelen, in welke discussiefora en met welke intensiteit kunnen we het beste voldoen aan de verwachtingen die men van Europa heeft?
Zoals de fungerend voorzitter van de Raad vanmorgen al heeft gezegd, komt er een bijeenkomst die als opmaat voor deze discussie fungeert, waarbij we ons ook over het vraagstuk van de identiteit van Europa willen buigen. Op de 250e geboortedag van Mozart zullen we ons in Salzburg bezighouden met de vraag: “Wat is Europa, wat is de Europese identiteit?”
Tijdens het Oostenrijkse voorzitterschap zal nog een groot aantal andere evenementen plaatsvinden, want het debat over de toekomst van Europa heeft vele facetten. Alleen wanneer die allemaal worden belicht, zullen we ons volledig bewust kunnen worden van de dimensies van het vraagstuk. Naast dit publieke debat, dat belangrijk is, moet er ook concreet werk worden verricht. Dat werk moeten de regeringen van de lidstaten gezamenlijk op zich nemen. Zij moeten meer duidelijkheid verschaffen over de weg die we willen inslaan.
De belangrijkste opgave van het voorzitterschap van de Raad is alle lidstaten mee te krijgen, want alleen gezamenlijk zullen we vooruitgang kunnen boeken. Zoals de bondskanselier al zei, willen we aan het eind van ons voorzitterschap een routekaart presenteren en met elkaar afspreken wat we gezamenlijk het beste kunnen doen om de gemeenschappelijke doelen te bereiken.
Ik hoop dat we er de komende maanden door middel van een gezamenlijke inspanning in slagen het positieve denken in Europa een impuls te geven. Inderdaad, mijnheer Voggenhuber, we moeten Europa behandelen als res publica, als iets dat werkelijk alle burgers ten goede komt.
(Applaus)
Margot Wallström, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik zou u allen graag, in deze eerste voltallige vergadering van het nieuwe jaar, een uitstekend 2006 toe willen wensen. Wat de Grondwet betreft kan het denk ik alleen maar beter worden dan vorig jaar. Als commissaris voor constitutionele vraagstukken en interinstitutionele zaken hoop ik dat wij onze vruchtbare, effectieve en nauwe samenwerking zullen kunnen voortzetten.
Ik wil graag de rapporteurs hartelijk danken voor hun verslag over de denkpauze en de bijbehorende ontwerpresolutie. Ik heb daarover reeds bij verschillende gelegenheden met beide afgevaardigden van het Europees Parlement, die ook lid waren van de Europese Conventie, kunnen spreken. Ik wil er graag op wijzen dat er sinds de aanvang van het proces aanzienlijke vooruitgang is geboekt en ben vol lof over de werkzaamheden van beide rapporteurs, vooral ook omdat zij in hun verslag de vele uiteenlopende opvattingen hebben weten mee te nemen, die tijdens de intensieve commissiebesprekingen naar voren zijn gebracht.
Ik zal mij beperken tot vier opmerkingen. Ten eerste willen wij allemaal dat er een akkoord wordt bereikt over de Grondwet en Europa transparanter, democratischer en effectiever wordt gemaakt. De vraag is nu hoe na het Franse en Nederlandse ‘nee’ zo’n akkoord kan worden bereikt. Het doet mij deugd dat u in uw ontwerpresolutie alle opties met betrekking tot de Grondwet openhoudt. Het is van essentieel belang dat er tijdens de denkpauze naar de burgers, de sociale partners, de politieke partijen, alsmede naar de nationale en regionale parlementen wordt geluisterd, zonder dat daarbij wordt vooruitgelopen op de resultaten van de brede dialoog en dito discussie. Doen we dat wel, dan wordt de hele denkpauze een nutteloze exercitie.
Verder heb ik kennis genomen van uw favoriete optie. Echter, voor handhaving van de Grondwet is Franse en Nederlandse steun onontbeerlijk. Mogelijkerwijs zijn er extra uitleg en aanvullende maatregelen nodig. Uit een recent Eurobarometeronderzoek blijkt dat de steun van de Europese burger voor de idee van een Europese Grondwet in de laatste twee maanden met twee procentpunten is gestegen tot 63 procent. Daarom is het - zoals al zo vaak werd gezegd in de Commissie constitutionele zaken - zo belangrijk om de context te veranderen en niet de tekst. De dialoog dient zich daarom te richten op het Europese project, in samenhang met constitutionele hervormingen, en daarnaast op het uiteindelijke doel, gekoppeld aan de middelen waarmee dit doel tot stand kan worden gebracht. Pas na het afsluiten van de luisteroefening zal, uitgaande van de resultaten van de nationale debatten, het mogelijk zijn om conclusies te trekken omtrent de voor Europa best mogelijke regeling voor de Grondwet. Mede daarom wil de Commissie zich concentreren op beleidsprioriteiten die gericht zijn op de zaken die de burger bezighouden: groei, banen, werkgelegenheid en veiligheid.
Ten tweede ben ik net als u sterk gekant tegen voorstellen tot de vorming van kerngroepen van lidstaten. Wat wij willen, is een Europa voor iedereen, niet slechts voor enkelen. Op dit moment is de EU nog volop bezig met de consolidering van de meest recente uitbreiding. Er zal nog hard moeten worden gewerkt om de integratie van de nieuwe lidstaten gladjes te laten verlopen. Mijns inziens dient elke vorm van verdergaande samenwerking plaats te vinden binnen het kader van de huidige Verdragen en toegankelijk te zijn voor alle lidstaten.
U kunt ervan op aan dat de Commissie en ikzelf nooit en te nimmer een voorstel zullen steunen voor verdergaande samenwerking buiten het institutionele kader van de Europese Unie om.
(Applaus)
Ten derde lijkt het me inderdaad redelijk om in 2007 de eindconclusies van de denkpauze op te stellen, tijdens het Duitse of Portugese voorzitterschap. Het moge duidelijk zijn dat de Raad van juni 2006 een belangrijke mijlpaal zal zijn in dit proces, maar niet het einde ervan mag betekenen. Natuurlijk is het aan de Europese Raad om te beslissen of de denkpauze al dan niet - zoals eveneens voorgesteld door het Oostenrijkse voorzitterschap - na juni 2006 wordt verlengd. Hoe dan ook zal de Commissie, zoals aangekondigd in Plan D, een mededeling opstellen voor de Europese Raad van juni, en daarin haar gedachten uiteenzetten over de eerste feedback die zij gedurende de denkpauze heeft ontvangen. Deze zal gebaseerd zijn op zowel de nationale bezoeken die de voorzitter, ikzelf en een aantal medecommissarissen momenteel aan afleggen, als een speciaal Eurobarometerverslag, discussiefora en conferenties ter gelegenheid van 9 mei.
De Commissie zal trachten om met dit syntheseverslag inzicht te geven in zowel de achtergronden van de kwestie als haar aanpak van het afgelopen jaar. Het verslag zal verder een overzicht bevatten van de eerste resultaten van de luisteroefening, alsook een aantal tot het Oostenrijkse voorzitterschap gerichte aanbevelingen voor de volgende stappen. Dit alles zal een aanvulling zijn op het feitenverslag dat het Oostenrijkse voorzitterschap zal opstellen uitgaande van de bijdragen van de lidstaten.
Ten vierde ondersteun ik uw afwijzing van een stuksgewijze invoering van de Grondwet, en wel om een heel eenvoudige reden: respect, respect voor degenen die ‘nee’ hebben gezegd, respect voor degenen die de Grondwet reeds hebben geratificeerd en ook respect voor het institutioneel evenwicht. Bij invoering van slechts enkele specifieke elementen van de Grondwet zou de indruk kunnen worden gewekt dat de Unie probeert de resultaten van de nationale referenda te negeren. Ook zou hierdoor het algehele institutionele evenwicht kunnen worden verstoord.
We moeten het verschil respecteren tussen onze instellingen en die van de lidstaten. Sterker nog, bij het op stapel zetten van de diverse lovenswaardige initiatieven en projecten mogen we nooit de van land tot land verschillende democratische tradities uit het oog verliezen. We spelen allemaal een belangrijke, maar onderscheiden rol.
Ter afsluiting wil ik graag benadrukken dat het onmogelijk is over al deze zaken te spreken zonder een politiek debat aan te gaan en zonder politieke prioriteiten vast te stellen. De Europese burger zal zien dat er wel degelijk politieke verschillen bestaan in Europa. Dit mag dan een van de vele fora zijn voor de bespreking van de politieke prioriteiten, maar zonder dit specifieke forum en zonder discussie over constitutionele zaken loopt alles gegarandeerd spaak. We moeten parallel aan dit proces legitimiteit creëren voor onze instellingen, door de politieke resultaten te boeken die de Europese burger wil zien. We moeten ons dus zowel op de constitutionele zaken richten, als op de dagelijkse zorgen van de burger.
(Applaus)
Elmar Brok (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie buitenlandse zaken. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, dames en heren, de Europese Conventie en de Intergouvernementele Conferentie hebben geresulteerd in een evenwichtig ontwerp-Verdrag tot vaststelling van een Grondwet, dat in essentie door de nationale parlementen, die de sterkste groep vormden in de Europese Conventie, gesteund werd. Veertien landen hebben het Verdrag geratificeerd, twee daarvan via een referendum, twee niet. Deze mislukking, die niet alleen met nationale kwesties te maken had, maar ook met de stemming in Europa als geheel, kan de nationale politiek worden aangerekend, maar ook de Europese, omdat het ons niet gelukt is Europa te rechtvaardigen.
We moeten de zorgen van onze burgers serieus nemen, vooral ook in Frankrijk en Nederland, en mogen daaraan niet simpelweg voorbijgaan. Wij zullen echter wel duidelijk moeten maken waarom we dit type Europa nodig hebben. Daarvoor moet deze denkpauze worden gebruikt. Dit is niet een fase in het debat om het over specifieke punten van de Grondwet te hebben, maar om mensen te overtuigen van de noodzaak van Europa.
Daarbij moeten we inzien en duidelijk maken dat het Grondwettelijk Verdrag zaken bevat die nu ontbreken, wat juist kritiek uitlokt van onze burgers. Ik denk bijvoorbeeld om het uitbreiden van de bevoegdheden op het terrein van het buitenlands en veiligheidsbeleid, waarop mijn advies is toegespitst. Uit alle opiniepeilingen blijkt dat dit precies is wat de burgers willen. Zij willen dat Europa extern wordt vertegenwoordigd, en daarvoor bevat de Grondwet regelingen die alleen daarin zijn opgenomen en die we met de geldende bepalingen niet zonder de Grondwet kunnen creëren. De Grondwet voorziet in een nieuwe vorm van subsidiariteit waarbij een rol voor de nationale parlementen is weggelegd, teneinde centralisatie te voorkomen, en waarbij het concept van subsidiariteit wordt ondersteund met solidariteit.
De burgerrechten en het Handvest van de grondrechten spelen hierin een grote rol. De burgers worden door deze Grondwet actoren met beslissingsbevoegdheid, en worden daardoor tevens beschermd. We mogen voorts niet uit het oog verliezen dat in de toekomst bijvoorbeeld de voorzitter van de Commissie, als hoofd van de Europese uitvoerende macht, rechtstreeks zal worden gekozen bij verkiezingen voor het Europees Parlement en dat de burgers daarbij dus een rol spelen. Daarom moeten we er ons rekenschap van geven dat de delen I en II het eigenlijke Grondwettelijk Verdrag vormen, terwijl deel III het Verdrag van Nice is. Dit misverstand hebben we tot op heden niet uit de wereld kunnen helpen. Daarom juich ik het toe dat het Oostenrijkse voorzitterschap met een voorstel voor een routekaart zal komen en dat Duitsland voornemens is om tijdens zijn voorzitterschap nieuwe initiatieven te ontplooien. We moeten ons op dit moment concentreren op de dialoog, de denkpauze evalueren en in 2007 met voorstellen komen. Dit betekent dat we niet nu al actie moeten ondernemen, zoals de heren Duff en Voggenhuber in hun verslag voorstellen. Dat zou te vroeg zijn en strookt niet met de wensen van de burgers.
Hannes Swoboda (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de twee rapporteurs hartelijk bedanken voor hun verslag. Ik weet dat de kwesties die collega Brok zojuist aan de orde stelde, veel discussie hebben veroorzaakt, zeker ook binnen de fracties in dit Parlement. Voor beide standpunten is veel te zeggen. Misschien is de vraag te vroeg gesteld. Misschien moeten we beginnen met iets wat we wellicht een klein beetje hebben veronachtzaamd, namelijk de inhoudelijke kwesties. Hoe kunnen we de burgers er bijvoorbeeld van overtuigen dat we in Europa de Grondwet, zoals die is opgesteld, nodig hebben? In mijn advies, dat ik namens de Commissie industrie, onderzoek en energie heb opgesteld, heb ik een aantal voorbeelden gegeven. Misschien mag ik een voorbeeld noemen dat destijds nog niet erg belangrijk was, maar dat de afgelopen dagen in dit Parlement aan belang heeft gewonnen. Ik doel uiteraard op het energievraagstuk.
Het was behoorlijk verrassend en verbazingwekkend dat veel afgevaardigden, die tot voor kort wellicht nogal sceptisch tegen dergelijke zaken aankeken, zich nu onomwonden hebben uitgesproken voor een gemeenschappelijk energiebeleid. Ik heb mij bijzonder verheugd over de woorden van de heer Saryusz-Wolski. Ook de bondskanselier, die altijd weer de nadruk legt op subsidiariteit, heeft zich vandaag als fungerend voorzitter van de Raad duidelijk uitgesproken voor een gemeenschappelijk energiebeleid. Dit is maar één voorbeeld om te laten zien hoe belangrijk het is dat de bevoegdheden en rechten die we op Europees niveau, en juist ook in de Grondwet, hebben verankerd, ten volle worden benut. Dat is, denk ik, de weg die we moeten bewandelen.
Ik zou bijvoorbeeld de kwestie van het ruimtevaartbeleid kunnen noemen, waarover we hier ook gesproken hebben en waarbij het er niet om gaat Europeanen de ruimte in te sturen, maar veeleer om het verrichten van milieucontroles of het op tijd waarschuwen voor tsunami's. Er zijn nog vele andere dingen die realistisch en haalbaar zijn, en aan de burgers kunnen worden uitgelegd, als we ons niet op institutionele vraagstukken maar op inhoudelijke zaken concentreren.
Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, wij verwachten in dit Parlement natuurlijk een road map, oftewel een voortgangsschema. Ik verzoek u met klem om bij alle gewichtige zaken die u in de komende weken en maanden van uw voorzitterschap van de Raad zult behandelen, duidelijk te maken hoe veel beter we de zaken hadden kunnen aanpakken als we de Europese Grondwet al hadden gehad. Dat is essentieel.
Paolo Costa (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie vervoer en toerisme. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, zoals iemand op briljante wijze heeft geformuleerd, is de Europese geschiedenis vijftig jaar lang een voetbalwedstrijd achter gesloten deuren geweest. Met het referendum over de Grondwet in Frankrijk en Nederland hebben de burgers er geen genoegen mee genomen om als toeschouwers op de tribune plaats te nemen, maar zij zijn zelf het speelveld op gerend. Vandaag de dag is de Europese crisis deels te wijten aan het feit het niet meer mogelijk is terug te keren naar de gesloten deuren, naar het Europa van de Verdragen en de elitaire besluiten. Tegelijkertijd is de crisis te wijten aan het feit dat men niet weet hoe de burgers weer teruggevoerd kunnen worden naar de tribune zodat zij daar als eerlijke supporters hun meningen kunnen uiten.
Een eerste vereiste om het Europees project weer op de rails te zetten - wat ook de nieuwe inhoud daarvan wordt - is dat er een nieuw systeem wordt opgezet voor inspraak en verantwoording. De Unie moet rechtstreeks verantwoording afleggen tegenover de burgers, zonder dat de lidstaten als egoïstische, verdraaiende of misleidende bemiddelaars optreden. Maar verantwoording waarvoor? De fout die voorkomen moet worden, is dat van een denkpauze een rustpauze wordt gemaakt.
Geen enkel plan D zal succes boeken als naast de D van “debat”, “dialoog” en “democratie” niet ook de D van “delivery” komt. Delivery is de beste context waarbinnen de tekst van de Grondwet geherdefinieerd kan worden, de beste manier om de mensen in te prenten hoe nuttig Europa is. En daarom kunnen ook zelfveroorzaakte mislukkingen - zoals het feit dat men vandaag praktisch weigert de toegang tot de markt van de havendienst te regelen - een symbolisch gevaar worden.
Er zijn beleidsgebieden die duidelijk onder Europese bevoegdheid vallen en waarvoor de bestaande Verdragen nu al in een stemming met gekwalificeerde meerderheid en interinstitutionele medebeslissing voorzien. De vervoerssector is daar een voorbeeld van. Ook zijn er beleidsgebieden waarvoor het subsidiariteitsbeginsel juist andersom geïnterpreteerd moet worden: de lidstaten moeten niet datgene slecht doen wat op Europees niveau beter kan worden afgehandeld. Voor deze beleidsgebieden moet de Unie haar delivery-gehalte verhogen. Zij moet de moed opbrengen om te laten zien hoe nuttig zij is.
Vandaag de dag is het niet meer voldoende de Europese Unie te zien als een intelligent middel tegen oorlog, met inbegrip van de koude oorlog. Wij hebben nu een Unie nodig die is opgewassen tegen de mondiale uitdagingen van het derde millennium. Wij mogen gerust nadenken om beter te begrijpen wat er morgen moet gebeuren, maar wij moeten wel oppassen dat dit geen excuus wordt om vandaag niets te doen. Want dan leidt iedere bezinning van ons, hoe diepzinnig die ook is, nergens toe.
Vladimír Železný (IND/DEM), rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. - (CS) Ik ben er trots op lid te zijn van de Fractie Onafhankelijkheid/Democratie, die ten onrechte is afgeschilderd als eurosceptisch. Het is daarom wellicht verrassend dat ik werd aangewezen als rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling met betrekking tot het verslag over de periode van bezinning die na de afwijzing van de Grondwet volgde. Ik beschouw dit als een teken van de openheid waarmee onze commissie deze kwestie benadert. Het beginsel audiatur et altera pars - hoor en wederhoor - is een van de allereerste voorwaarden voor een echte dialoog.
Mijn standpunten waren aanleiding tot een opbouwend debat in de commissie, een debat dat uiteindelijk resulteerde in een goed doordacht en zeker niet tandeloos compromis. Het verslag heeft de steun van elk lid van de commissie gekregen en is goedgekeurd zonder tegenstemmen en met vier onthoudingen. Daaruit blijkt dat een dialoog over de toekomst van de Unie mogelijk is. In feite pleit ons verslag voor beginselen die ontbreken in het verslag van de heer Duff en de heer Voggenhuber. Ik bedoel met name het beginsel van juridische behoedzaamheid. Dat zouden wij in acht moeten nemen om te voorkomen dat we in de regelgeving die we in de periode van bezinning aannemen, voortdurend verwijzen naar een Grondwet die juridisch gezien op dit moment dood is maar die in zijn oorspronkelijke vorm wellicht tot leven kan worden gebracht. Het is naïef en ondoordacht aan te nemen dat we met elke nieuwe verwijzing naar de Grondwet de kansen op herleving ervan vergroten. Dat soort regelgeving loopt nodeloos het risico ergens in de toekomst te worden ondermijnd.
Zoals in het onderhavige verslag staat, beveelt onze commissie eveneens aan om samen te werken met de nationale en regionale parlementen, die buitengewoon gekwalificeerd en legitiem zijn, en om ons dus niet te beperken tot één keer samenwerken per jaar omwille van de schijn. Helaas slaat het verslag op andere onderdelen een valse noot aan. Het meest verbazingwekkend is wel dat wordt beschreven wat de uitkomst van een open dialoog zou moeten zijn. Hierin wordt zelfs gesteld dat de op dit moment dode Grondwet in 2009 moet worden geratificeerd. Dat betekent dat de democratische wil van de bevolking van tenminste twee lidstaten met voeten wordt getreden. Als we de uitkomst van de dialoog voorschrijven, als we de dialoog terugbrengen tot een geënsceneerde uitvoering zonder vertegenwoordiging van de wil van de bevolking, als we geld zo blijven uitgeven dat alleen naar die adviezen wordt geluisterd die het meest behagen, zal de EU nooit de kans krijgen om doelmatige structuren te ontwikkelen.
Willem Schuth (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst wil ik de heren Duff en Voggenhuber feliciteren met hun evenwichtige verslag. Ik ben bijzonder blij dat ik vandaag kort het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling over dit verslag aan u mag presenteren. Het Europees Parlement heeft lang voor het medebeslissingsrecht op landbouwgebied moeten strijden. Het dient te worden toegejuicht dat in de ontwerp-Grondwet het medebeslissingsrecht - dat teruggaat op het Verdrag van Amsterdam - op de terreinen milieubescherming, voedselveiligheid en consumentenbescherming is overgenomen. Bij het landbouwbeleid hoeft de Landbouwraad zich echter nog altijd niets aan te trekken van het standpunt van het Europees Parlement, aangezien het medebeslissingsrecht op grond van het huidige Verdrag niet geldt voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Tegen deze achtergrond werd met de ontwerp-Grondwet weliswaar meer democratische legitimiteit in het vooruitzicht gesteld - omdat alle beginselbesluiten op het vlak van het landbouwbeleid aan de medebeslissingsprocedure onderworpen zouden moeten worden - maar vanuit het oogpunt van de Commissie landbouw dienen desalniettemin verbeteringen te worden aangebracht in de voorliggende tekst. De in artikel III-227 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn in tegenspraak met de in artikel I-3 geformuleerde doelstellingen van de Europese Unie en kunnen niet meer aan de man worden gebracht. Zij moeten daarom dringend worden geactualiseerd, zodat hierin ook daadwerkelijk rekening wordt gehouden met de multifunctionele aard van onze huidige landbouw. De landbouw biedt in de EU momenteel werk aan 10 miljoen mensen, is de enige garantie voor duurzame ontwikkeling van het platteland en is hiermee onlosmakelijk verbonden.
De voorliggende ontwerp-Grondwet leidt niet tot een maatschappelijk aanvaardbaar gemeenschappelijk landbouwbeleid. Daarom dient het uitbreiden van het medebeslissingsrecht naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid in een toekomstig Verdrag als prioriteit te worden aangemerkt, waarbij met name in de artikelen III-230, lid 2 en III-231, lid 2 van de onderhavige tekst de resterende mazen kunnen worden gedicht.
Gezien de grote betekenis van het GLB en zijn dominante positie binnen de begroting van de EU hebben de Europese burgers recht op de grootst mogelijke transparantie en vooral op medebeslissingsbevoegdheid op dit gevoelige terrein. Dit kan in mijn ogen alleen maar betekenen dat het Europees Parlement het volledige medebeslissingsrecht moet krijgen voor alle vraagstukken die verband houden met het landbouwbeleid, consumentenbescherming en voedselveiligheid.
Maria Berger (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, in dit geval spreek ik werkelijk uit de grond van mijn hart als ik zeg dat de rapporteurs alle lof verdienen, niet alleen vanwege het nu aan ons voorliggende verslag, maar ook vanwege hun niet-aflatende inzet voor de Grondwet, ook in tijden waarin dit thema niet goed in de markt lag. Ik hoop dat deze tijden nu voorbij zijn.
Ik mocht het advies van de Commissie juridische zaken opstellen. De strekking van dit advies sluit zeer goed aan op het ontwerpverslag van de commissie ten principale, zoals dat nu aan ons voorligt. Er was ons, specifiek vanuit de optiek van de Commissie juridische zaken, veel aan gelegen niet vroegtijdig afscheid te nemen van de voorliggende ontwerp-Grondwet. Op de terreinen die voor ons van zeer groot belang zijn, zoals de samenstelling en de bevoegdheden van het Europees Hof van Justitie, de hervorming van het wetgevingsproces en de comitologieprocedure, en de samenwerking op het terrein van justitie, zien wij simpelweg niet in hoe wij door helemaal opnieuw te beginnen werkelijk verbeteringen kunnen realiseren, integendeel! Ik heb vandaag helaas de kritiek kunnen horen van het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad op de bevoegdheden van het Europees Hof van Justitie en kunnen constateren dat het voorzitterschap hierin niet alleen staat. Ik trek hieruit de conclusie dat de oplossingen die in de ontwerp-Grondwet worden aangedragen, zeer goed zijn.
Vanuit juridisch oogpunt verzetten we ons natuurlijk ook tegen een lichtvaardige splitsing van de ontwerp-Grondwet. Deel I omvat zeer veel grondbeginselen. We weten allemaal dat deze beginselen alleen politiek aanvaardbaar waren in combinatie met de uitzonderingen van deel III. Ook vanuit juridisch oogpunt waren er - helaas - goede redenen om deel I en deel III te beschouwen als onderling met elkaar verbonden delen, en zonder principiële herziening van deel III zullen we dan ook niet tot een nieuwe structuur kunnen komen.
Staat u mij toe om tot slot nog mijn grote teleurstelling te uiten over de brief van drie voorzitters van nationale parlementen. Als ik bedenk - en ik zie ook veel leden van de voormalige Conventie hier in deze zaal - met hoeveel inzet de nationale parlementsleden hebben meegewerkt aan de ontwerp-Grondwet, en welke belangrijke voorstellen zij hebben gedaan, dan kan ik de brief die aan ons voorligt van de drie voorzitters eenvoudigweg niet beschouwen als het laatste woord in deze kwestie.
Jean-Marie Cavada (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, minister Winkler, commissaris Wallström, op 28 november jongstleden heeft de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken met grote meerderheid het advies goedgekeurd dat ik had voorbereid. Wat houdt dit advies in? Allereerst wordt gewezen op het grote aantal aanzienlijke verbeteringen die met de Grondwet in de bestaande Verdragen worden aangebracht op het gebied van veiligheid, vrijheid en rechtvaardigheid, verbeteringen waarover eensgezindheid bestond onder de naties die Europa vormen.
Ik zal niet alles herhalen, maar vier punten eruit lichten die ik wel wil noemen. Deze punten zouden ons uit het lastige parket kunnen helpen waarin we verzeild zijn geraakt, en worden in het uitstekende verslag van mijn collega's, de heer Duff en de heer Voggenhuber, opnieuw aan de orde gesteld.
Ten eerste de algemene invoering van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid en de vereenvoudiging van de wetgeving, zodat wij beleid kunnen maken zonder verstrikt te raken in de detail. Ten tweede de uitbreiding van de jurisdictie van het Hof van Justitie, een fabriek voor communautair recht wanneer het Parlement het laat afweten. Ten derde de versterking van de rol van het Parlement als medewetgever, iets waarvoor wij ons sterk moeten maken. En ten slotte de opname van het Handvest van de grondrechten in de tekst zelf van de Grondwet, zodat het een juridische status krijgt. Natuurlijk zijn er nog andere positieve punten, maar de vier die ik zojuist heb genoemd zijn werkelijk fundamenteel.
Neemt u mij niet kwalijk dat ik zinspeel op deze overblijvende mogelijkheden, maar ik wilde de nadruk leggen op de verbeteringen die deze Grondwet aanbrengt op een terrein dat voor geen enkele lidstaat van de Unie ter discussie staat, namelijk het Handvest van de grondrechten en de ruimte van de vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Daar hebben wij mogelijkheden die wij kunnen gebruiken om nu al een begin te maken met het vormen van een kader, in afwachting van een nieuwe tekst. Waarom toch maken de lidstaten niet meer gebruik van die mogelijkheden en proberen ze niet onze Unie er weer bovenop te helpen, nu deze er zo van langs heeft gekregen?
Tot slot is het voor ons een prioriteit systematisch rekening te houden met het effect van de beleidsmaatregelen van de Unie op de grondrechten, en wijzen wij op de dringende noodzaak om, zoals het Parlement op 26 mei jongstleden heeft gevraagd, een agentschap van de grondrechten op te richten, teneinde onverwijld een eerste daad te stellen.
Edit Bauer (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. - (SK) Mijnheer de Voorzitter, minister Winkler, mevrouw de commissaris, het komt niet vaak voor dat we over zulke belangrijke kwesties spreken als deze van vandaag. Onze dank gaat uit naar de rapporteurs die het initiatief tot dit verslag genomen hebben en op basis van uitgebreide discussies dit thema aan de orde gesteld hebben.
De toekomst van Europa is een zaak die ons allen in gelijke mate aangaat: jongeren en ouderen, mannen en vrouwen. De meeste Europese burgers - mevrouw Wallström gaf het al aan - hebben geen problemen met de besluitvormingsmechanismen van de Europese instellingen. Hun probleem is eerst en vooral dat ze geen duidelijk beeld hebben van wat de toekomst brengen zal. Ze weten niet wat hun perspectieven zijn, hoe het met de veiligheid zal gaan en hoe het verder moet met de nieuwe uitdagingen waarop ze nog steeds geen antwoord hebben weten te vinden.
Onzekerheid en angst voor de toekomst waren duidelijk de belangrijkste factoren in de negatieve uitslag van twee referenda over de Grondwet. We hebben zonder meer allemaal een verantwoordelijkheid als het gaat om het vinden van een uitweg. Wij leden van het Europees Parlement moeten ons bewust zijn van de boodschap die wij uitdragen met de besluiten die wij hier nemen, en van de signalen die we daarmee afgeven. Ik denk bijvoorbeeld aan de besluiten over de cohesie-instrumenten of over de overdracht van pensioenrechten, maar ook aan het besluit om migranten uit derde landen wel, maar de burgers uit de nieuwe lidstaten geen preferentiële behandeling toe te kennen.
De regeringen van de lidstaten moeten aangesproken worden op het feit dat zij vaak net doen alsof de Europese aangelegenheden - zoals de doelstellingen van de Strategie van Lissabon inzake het combineren van werk en gezin - hun niet aangaan. Kernvraag is en blijft of wij in staat zullen zijn een gemeenschappelijke visie te ontwikkelen waarvan voldoende aantrekkingskracht uitgaat, en of onze Europese waarden sterk genoeg zullen zijn om een passend niveau van sociale cohesie te garanderen.
Mijnheer de Voorzitter, vrouwen maken meer dan de helft van alle Europese burgers en stemgerechtigden uit. Ze hebben hun eigen, specifieke problemen, problemen die vragen om een specifieke aanpak en adequate oplossingen. De standpunten van de vrouwen moeten dan ook in afdoende mate in aanmerking genomen worden tijdens het komende debat. Mijnheer de Voorzitter, tot slot zou ik willen onderstrepen dat naar oordeel van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid het ontstaan van een nieuwe kloof tussen de kernlanden van Europa en de andere landen een heel slecht, zo niet het slechts denkbare resultaat zou zijn van onze inspanningen om een uitweg uit de huidige situatie te vinden.
Alexander Stubb, namens de PPE-DE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag drie opmerkingen willen plaatsen. Ten eerste is het leuk om weer over de Grondwet te spreken. We hebben de begrotingsperikelen achter de rug en kunnen ons dus weer op andere zaken richten. Het lijkt mij dat de Grondwet de afgelopen acht, negen maanden op de intensive care heeft gelegen en dat ze nu voorzichtig naar een gewone zaal is gebracht. Ik denk weliswaar dat ze daar slechts langzaam zal genezen, maar het jaar 2009 is denk ik toch wel haalbaar.
De boodschap van dit verslag is naar mijn idee dat alle opties open zijn: kalmpjes aan, dan breekt het lijntje niet; niet zeggen dat de Grondwet dood is; niet met heronderhandelingen beginnen; niet zeggen dat dit Verdrag niet van kracht kan worden. We hebben de tijd en we moeten nadenken.
Ten tweede zijn er recentelijk wat strubbelingen geweest tussen het Europees Parlement en de voorzitters van drie nationale parlementen. We moeten dat in iets positiefs zien om te buigen. Het Europees Parlement kan en mag zich niet arrogant of paternalistisch opstellen jegens de nationale parlementen. Prima, laten we een Europees forum houden, maar dan wel samen, met een echt debat over de toekomst van de EU.
Mijn laatste opmerking betreft het geleuter over een “kern-Europa” dat de afgelopen maanden her en der in het parlement te horen was: pure nonsens allemaal! Het zijn juist meestal degenen die tegen verdere integratie zijn die hiermee op de proppen komen. Laten we nu eerst de Grondwet ratificeren; laten we de zaak op gang brengen; laten we de handen ineenslaan en vooral, laten we samenwerken binnen de instellingen van de Europese Unie. Ik krimp ineen bij elke opmerking over een “kern-Europa” buiten het Verdrag om. Voortgang kan het best geboekt worden bínnen het kader van het Verdrag, met z’n allen samen. Ik weet zeker dat we het allemaal te boven kunnen komen en dat we straks in 2009 een Grondwet hebben.
Richard Corbett, namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, nog maar net een jaar geleden keurde dit Parlement met overweldigende meerderheid de Grondwet goed. Nu bestaan er op z’n minst twee stromingen binnen deze meerderheid. De ene zegt dat als gevolg van de nederlagen in het Franse en Nederlandse referendum de Grondwet in zijn huidige vorm dood is, dat we maar beter over iets anders kunnen gaan nadenken en een andere weg kunnen inslaan. De andere zegt: wacht even, deze Grondwet is al in een meerderheid van de lidstaten goedgekeurd, en de regeringsleiders in de Europese Raad hebben haar niet dood verklaard. Integendeel, zij hebben de ratificatieperiode verlengd en een denkpauze ingelast. Tijdens die pauze moeten we luisteren naar de neestemmers, maar we moeten ook luisteren naar de meerderheid die voor heeft gestemd en zoeken naar een manier waarop de twee kampen uiteindelijk tot elkaar kunnen komen.
Dit verslag slaagt er inderdaad in deze twee zienswijzen samen te brengen. Daarin staat dat het te vroeg is om nu al conclusies te trekken, en dat de denkpauze tenminste tot 2007 moet worden verlengd. Tot die tijd moeten we alle opties open houden. We moeten ons langer en dieper bezinnen. Natuurlijk - en dat was te verwachten - stellen wij dat dit Parlement de Grondwet het liefst in de huidige gedaante zou willen behouden. We zien echter in dat dit alleen mogelijk is als er maatregelen worden genomen om de publieke opinie gerust te stellen en te overtuigen. Het wordt opengelaten hoe deze maatregelen dan concreet eruit zouden moeten zien. In theorie zijn er vele opties: aanvullende verklaringen, extra protocollen, een gedeelte van de tekst herschrijven, de tekst in z’n geheel herschrijven, of een volledig nieuwe tekst opstellen. Aan het einde van de denkpauze zullen we een van de opties kiezen, maar laten we nu vooral doorgaan met ons te bezinnen, het proces te verdiepen en te verbreden, en dan zullen wij daar over een jaar de conclusies uit trekken.
Een ding staat buiten kijf, mijnheer de Voorzitter: de status-quo - in de vorm van de huidige Verdragen - is niet langer houdbaar. Op die basis kan de uitgebreide Unie onmogelijk efficiënt en democratisch functioneren. Dit vraagstuk zal onze aandacht blijven vragen.
Bronisław Geremek, namens de ALDE-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, de liberaal-democraten van de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa fractie nemen met genoegen kennis van het verslag-Duff-Voggenhuber over de denkpauze. Wij waren de overtuiging toegedaan dat de Unie een grondwettelijk kader nodig had. We beschouwden het Grondwettelijk Verdrag als een doelmatig instrument om de Unie verder te brengen en om haar de politieke dimensie en het sociale gezichtsveld te geven die allebei broodnodig zijn. Wij denken er nog steeds zo over en we vinden dat de Grondwet niet dood verklaard mag worden zonder te zoeken naar tekenen van leven. Anders kan niet worden bevestigd dat de patiënt is overleden.
We mogen echter evenmin de ogen sluiten voor het feit dat tijdens het ratificatieproces de Europese elites met hun streven naar verdergaande integratie de aansluiting zijn kwijtgeraakt met de gevoelens van een deel van de Europese samenlevingen. Dat geldt niet alleen voor de twee landen die de ratificatie hebben afgewezen. Het is een ernstig probleem.
Jean Monnet zei dat men bij een ernstig probleem soms de context moet veranderen. Dat is precies waar de denkpauze voor is bedoeld. Het grote openbare debat over de toekomst van de Europese Unie zou een nieuwe context moeten scheppen voor het Europese Grondwetsproject. Het is aan het Europees Parlement om het kader en de vormgeving van deze debatten vast te stellen, om de nationale parlementen en de maatschappelijke organisaties erbij te betrekken, de vragen helder te formuleren en de benodigde agenda op te stellen. Op die manier zal een Europees forum kunnen ontstaan, als openbare ruimte van Europa. We moeten nu nog niet beslissen over de toekomst van de tekst. Die tijd komt na de denkpauze, na het Europees debat, na de verandering van de context. In het voorliggende verslag wordt dat heel goed gezegd.
Monica Frassoni, namens de Verts/ALE-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie steunt het verslag-Duff/Voggenhuber. De Europese Unie heeft een democratische Grondwet nodig en kan niet voortsukkelen met het Verdrag van Nice. Het debat over de Grondwet moet een Europees debat worden. Ook de brief van de drie parlementsvoorzitters toont aan dat de verantwoordelijkheid voor die bespreking niet op het nationale niveau kan worden afgeschoven, maar dat er een echt Europees orgaan moet komen, zoals het Parlement, om dit overleg te voeren, en - laten wij daar maar rond voor uitkomen - te sturen.
In het verslag ontbreken echter twee elementen, die hopelijk met de stemming in dit Parlement alsnog ingelast kunnen worden. Ik ben het dan ook niet eens met de heer Corbett: het is absoluut niet waar dat het front van degenen die ‘ja’ hebben gezegd tegen de Grondwet, verdeeld is tussen degenen die de tekst nu om zeep willen helpen en degenen die de tekst willen handhaven. Zo zit de vork niet in de steel. In het amendement dat wij zullen indienen met het oog op de stemming van morgen, wordt expliciet gezegd dat een mogelijkheid - geen theoretische maar praktische mogelijkheid - zou kunnen zijn de tekst te wijzigen. Als dat gebeurt, is het wenselijk dat er een nieuw grondwettelijk proces komt, dat ook met een referendum afgerond zou kunnen worden.
Als men daarentegen denkt dat wij als Europees Parlement maar één voorstel kunnen doen, namelijk de huidige tekst steunen, dan getuigt dat van kortzichtigheid. Met een dergelijke houding wordt het pro-Europese front wel degelijk opgesplitst, dus het front dat in deze Vergadering met vijfhonderd stemmen een ruime steun voor de Grondwet heeft verkregen.
Ik vind dus dat de twee amendementen die de rapporteurs hebben ingediend, gesteund moeten worden door een ruime meerderheid in dit Parlement. Daarin wordt immers simpelweg gezegd dat het mogelijk is over verschillende opties te discussiëren. Wellicht is de ene optie niet beter dan de andere, maar ik geloof wel dat ze allemaal besproken moeten worden, met inbegrip van de optie die momenteel zo vreemd dramatisch overkomt, namelijk dat ook het debat met de burgers over de Grondwet heropend moet worden.
(Applaus)
Francis Wurtz, namens de GUE/NGL-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, de denkpauze die de Europese Raad na het ‘nee’ in Frankrijk en Nederland heeft afgekondigd, heeft al een eerste resultaat gehad: de gemoederen zijn tot bedaren gekomen. Zo achtten de beide rapporteurs van de onderhavige resolutie het vandaag niet opportuun om in hun oordeel over de meerderheid van de Franse en Nederlandse kiezers dezelfde, weinig vriendelijke kwalificaties te hanteren waarop sommigen hen enige maanden geleden hadden getrakteerd.
Hartelijk dank dus, mijnheer Voggenhuber en mijnheer Duff, dat u nogmaals - althans in uw resolutie - hebt benadrukt dat, ik citeer: "de burgers toch uitdrukking hebben gegeven aan bezorgdheden waarmee rekening moet worden gehouden", dat we hun besluit ernstig moeten nemen en dat we "grondig [moeten] analyseren welke redenen aan de negatieve resultaten in Frankrijk en Nederland ten grondslag liggen". Dat is een hele stap vooruit. Het was nog duidelijker geweest als in het verslag met zoveel woorden te lezen zou staan dat dit ontwerp-Verdrag sindsdien dood is en het debat nu gaat over wat ervoor in de plaats moet komen. Mijn fractie is bereid actief deel te nemen aan het debat met onze medeburgers over de toekomst van de Unie. We zijn het in hoofdzaak eens met de thema's die voor deze gedachtewisseling zijn voorgesteld.
De vraag die aan de orde is, luidt: wat wordt de politieke uitkomst van dit debat? Tot welke ingrijpende veranderingen in de beleidslijnen en structuren van de huidige Unie bent u bereid, om tegemoet te komen aan de eisen vanuit het merendeel van de Europese samenlevingen, die het meest spectaculair tot uiting kwamen in de verwerping van het Grondwettelijk Verdrag? Daar wringt de schoen. In het onderhavige verslag wordt slechts voorgesteld, ik citeer, “de publieke opinie gerust te stellen”, waarbij men ervan uitgaat dat, ik citeer nogmaals, “hoe dan ook [...] de Grondwet in de loop van 2009 in werking treedt”. Vanaf dat moment gaat het niet meer om een debat, maar om een voorlichtingscampagne.
Het zou spijtig zijn om deze koers te volgen. Dat zou een gemiste kans zijn. Daarom zal het overgrote deel van mijn fractie daar niet in meegaan.
Jens-Peter Bonde, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag de struisvogelmeerderheid van dit Parlement willen vragen: heeft u soms niet gehoord dat 55 procent van de Franse kiezers ‘nee’ heeft gezegd, tegen het advies van 90 procent van hun afgevaardigden en senatoren in? Heeft u soms niet gezien dat 62 procent van de Nederlandse kiezers het advies van 80 procent van hun volksvertegenwoordigers niet heeft opgevolgd? Heeft u soms de Verdragen niet gelezen, waarin staat dat voor Verdragswijzigingen eenparigheid is vereist? Waarom wilt u uw eigen regels overtreden? Het lijkt mij dat u zowel ogen als oren heeft. Gebruikt u ze dan!
De voorgestelde Grondwet is dood! En toch roept u de nationale parlementen op om de wet te overtreden. U blijft de Grondwet propageren. Buiten op dit gebouw prijkt nog steeds een ‘ja’ voor die Grondwet. Kunt u zich een nationaal parlement voorstellen dat op de voorgevel van het gebouw waarin het zetelt, labourbeleid aanprijst en conservatief beleid veroordeelt? Nee toch, of wel soms? U besteedt nog steeds belastinggeld aan de verspreiding van miljoenen brochures om iets dat afgewezen is aan te prijzen. U begon met de ratificatie van een wetstekst die zelfs niet fatsoenlijk was vertaald. U heeft geweigerd om een gebruikersvriendelijke uitgave van de Grondwet te publiceren, omdat u wilde dat deze zou worden goedgekeurd zonder te zijn gelezen. U heeft gemanipuleerd met het tijdschema voor de referenda en hoopte hiermee het VK na 24 ratificaties in een hoek te kunnen drijven. Maar, waarde collega’s, u heeft verloren, net zoals ík reeds een aantal malen.
Het is nu úw beurt om de wil van de kiezer uit te voeren. Maar wat doet u? U financiert nog meer propaganda: 300 duizend euro voor de Europese Beweging; 110 duizend euro voor de Europese Federalisten; miljoenen euro’s voor voorstanders van de Grondwet.
Wij vragen om een vrij, eerlijk en open debat met een gelijkwaardige vertegenwoordiging van zowel het ja- als het nee-kamp. Degenen onder u die zullen stemmen voor het overrulen van de Franse en Nederlandse kiezers moesten zich een potje schamen! De Interfractiewerkgroep SOS Democratie is begonnen aan een minderheidsverslag. Wij verwerpen de idee van een Grondwet, vragen om herziening van de huidige Verdragen en hiervoor in de plaats om een samenwerkingsovereenkomst.
Zo’n overeenkomst zou kunnen worden opgesteld door een direct gekozen conventie en per referendum kunnen worden voorgelegd aan de bevolking in alle lidstaten, wellicht tegelijkertijd met de volgende Europese verkiezingen. Op die manier beslist de kiezer. De Franse kiezers hebben geen spijt van hun neestem. Veel Nederlandse kiezers zijn van gedachten veranderd, maar dan wel diegenen die voor hebben gestemd. Luistert u naar de kiezers, en laten we een frisse start maken.
(Applaus)
VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS Ondervoorzitter
Brian Crowley, namens de UEN-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag ten eerste de rapporteurs hartelijk willen bedanken voor hun werk en voor wat zij met dit verslag hebben willen bereiken. Ten tweede zou ik bovenal graag het Oostenrijkse voorzitterschap willen bedanken voor de politieke moed waarvan het blijk geeft door dit onderwerp uit de sfeer van academische discussies te halen en weer op de politieke agenda te zetten.
Een van de belangrijkste zaken waar we naar moeten kijken - en dit vloeit vooruit uit hetgeen de heer Bonde zojuist heeft gezegd - is de vraag: wanneer is ‘nee’ nu werkelijk ‘nee’? Wanneer mag één land alle andere landen verhinderen vooruitgang te boeken? Wanneer mogen twee landen andere landen verhinderen vooruitgang te boeken? Dat wat de Europese Unie altijd zo uniek heeft gemaakt, is het streven naar compromissen tussen zeer verschillende en uiteenlopende belangen. Moeten wij vanwege het blote feit dat we op een obstakel zijn gestuit bij de constitutionele veranderingen en Verdragswijzigingen ons hoofd in het zand steken, zoals enkele van mijn collega’s zouden zeggen? Struisvogels mogen dan soms hun hoofd in het zand steken, het zijn wél de snelste landdieren ter wereld.
We moeten vlug leren hoe wijzelf zulke snelle lopers kunnen worden, om gezwind de zorgen van de mensen aan te kunnen pakken. Die zorgen hebben niet louter en alleen betrekking op het model van de Europese Unie. Veel van de kiezers in Frankrijk en Nederland die tegen stemden, deden dat namelijk om redenen van binnenlandse politiek. Ook deden zij dat uit angst. Zoals een aantal jaren geleden in Ierland was te zien, werd de neestem van sommige mensen ingegeven door irrationele angst. Angst voor een grote toevloed van immigranten die al onze banen zouden afpakken, onze sociale voorzieningen zouden misbruiken en ons land ten gronde zouden richten. Maar het bleek totaal anders uit te pakken. Integratie is wél mogelijk; gezond verstand en kalmte ook, en wat het belangrijkste is: dit gaat niet alleen op binnen de ivoren toren van dit Parlement of de nationale parlementen. Pas als wij de burgers weten te overtuigen en als wij hen in staat stellen zich te vereenzelvigen met het Europese project, pas dan, en alleen dan, kunnen we zeggen dat we een Europa van de burger hebben, dat hen werkelijk toebehoort.
James Hugh Allister (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, nu de Grondwet op zo'n spectaculaire wijze de lakmoesproef - goedkeuring door alle lidstaten - niet heeft doorstaan, viel zo’n, de realiteit ontkennend verslag ook alleen maar te verwachten van die gelukzalig boven de werkelijkheid zwevende club van de Commissie constitutionele zaken. Met een ongelooflijke arrogantie wordt in dit verslag, en ook nog eens door de laatste spreker, getracht de democratische wilsuiting van het Franse en Nederlandse volk te herinterpreteren en te bagatelliseren, door te beweren dat het hier eigenlijk niet zozeer ging om de Grondwet, maar om algemene onvrede en andere zaken.
Onzin! De vraag op het stembiljet ging maar over één ding: of de Grondwet wel of niet aanvaardbaar was. Het antwoord hierop was ook al ondubbelzinnig. Accepteert u het nu maar; u hebt verloren. Maar wat doen de eurofielen in dit Parlement? Ze bedenken een nieuwe mantra, en o wat vinden zij zichzelf slim: “Het ligt niet aan de tekst, maar aan de context”. Hoe toepasselijk dat het begint met het woord ‘con’! Want daar gaat deze denkpauze om, om te kijken hoe oude wijn in nieuwe vaten kan worden gedaan, om de volgende keer dat bocht - de Grondwet - wél aan de kiezer te kunnen slijten.
Jean-Luc Dehaene (PPE-DE). - Voorzitter, ik moet wel zeggen dat de laatste sprekers mij met verbazing doen vaststellen dat een burger belangrijk is als hij "neen" zegt en blijkbaar niet als hij "ja" zegt, maar ik moet toch wel vaststellen dat er ook positieve referenda geweest zijn en dat op dit ogenblik reeds 13 lidstaten de grondwet hebben goedgekeurd. Dit is voor mij al even belangrijk, wat niet wil zeggen dat je niet met de "neen's" rekening moet houden, zij geven ook een heel duidelijk signaal waarmee we rekening moeten houden. Alleen is dit een louter negatief signaal dat geen alternatief biedt, terwijl de angst die dat "neen" uitdrukt, paradoxaal wellicht het beste antwoord vindt in een Europese grondwet, in een Europees antwoord.
Inderdaad, wanneer je naar de eurobarometer kijkt - en de commissaris heeft er terecht op gewezen - dan stel je vast dat de burger zich er inderdaad wel van bewust is dat een aantal grensoverschrijdende problemen een Europees antwoord vereisen en meer Europa vergen. Ik denk dan vooral aan de tweede en de derde pijler en dat is vooral wat de grondwet wou aanbieden. Opnieuw paradoxaal is, dat juist in de referendadebatten die versterking van dat politiek Europa in de tweede en de derde pijler nagenoeg niet aan bod is gekomen.
Ik denk dat wij vandaag inderdaad de reflectieperiode actief moeten gebruiken in de zin van het plan D van de Commissie, dat wij tijd aan de tijd moeten geven en dat overhaasting hier een slechte raadgever is. Vandaar dat ik het met het verslag eens kan zijn, zoals het thans voorligt, omdat het die weg aangeeft; ik vrees dat bepaalde amendementen die de rapporteurs opnieuw hebben ingediend, eigenlijk de weg van die overhaasting ingaan en op voorhand reeds conclusies trekken. Ik denk dat wij de tijd moeten nemen, vooral om op de basisvraag die in het verslag staat, samen met de nationale Parlementen, een antwoord te geven.
Carlos Carnero González (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de commissaris en enkele collega’s eraan willen herinneren dat Spanje twintig jaar geleden is toegetreden tot de Europese Unie. Dat was goed nieuws voor mijn land en ongetwijfeld ook voor de Unie als geheel. Ik zeg dit omdat wij Spanjaarden twintig jaar geleden zijn toegetreden, en ruim een jaar geleden in een referendum onze stem hebben uitgebracht en ‘ja’ hebben gezegd tegen de Europese grondwet, met dezelfde rechten, plichten en verantwoordelijkheden waarmee andere landen, Frankrijk en Nederland, ‘nee’ hebben gezegd. Een ‘ja’ is evenveel waard als een ‘nee’, of dat nu tot uitdrukking komt door middel van een referendum of langs parlementaire weg. Een absolute meerderheid van de leden van de Unie heeft thans ‘ja’ gezegd tegen de Europese grondwet.
Als schaduwrapporteur van de socialistische fractie heb ik vier maanden lang de gelegenheid gehad om samen te werken met de twee rapporteurs van het onderhavige verslag, dat een evenwichtig eindresultaat is en waarin in wezen vier dingen gezegd worden:
In de eerste plaats beschouwt dit Parlement de Europese Grondwet nog steeds als het beste instrument om de Unie democratischer en doelmatiger te maken.
In de tweede plaats is het zo dat als de Grondwet niet van kracht wordt, de politieke en institutionele problemen van de Unie niet alleen onopgelost blijven maar ook steeds nijpender zullen worden, en bovendien zal het op grond van het Verdrag van Nice na de toetreding van Bulgarije en Roemenië uitgesloten zijn dat er nog meer uitbreidingen plaatsvinden.
In de derde plaats moeten we een periode starten van daadwerkelijke bezinning en overleg tussen de instellingen en met de burgers van Europa om oplossingen te zoeken voor de huidige crisis. Aan het eind van die periode zullen we conclusies moeten trekken waarmee we verder kunnen en de politieke unie kunnen afronden.
In de vierde plaats zou moeten wij coherent zijn met ons optreden in januari 2005. Een positief resultaat van deze bezinningsperiode zou zijn dat de huidige tekst werd gehandhaafd, wat alleen mogelijk is met de juiste maatregelen. Dus zullen we de juiste maatregelen moeten vaststellen.
Gezien de politieke context van vandaag kunnen we zeggen dat er nieuwe elementen zijn op grond waarvan we door kunnen gaan met de Grondwet. Twee uitspraken kunnen worden ontkracht: allereerst de verklaring dat de Grondwet dood is - die uitspraken over zijn dood zijn schromelijk overdreven -, en ten tweede het idee dat we ons eerst met werkloosheid, immigratie of misdaadbestrijding zouden moeten bezighouden. Daarbij wordt namelijk over het hoofd gezien dat we daarvoor die Grondwet juist nodig hebben. Dit is niet alleen een zaak voor institutionalisten.
(Applaus)
Ignasi Guardans Cambó (ALDE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik voor mij zou de beeldspraak willen verschuiven van het ziekenhuis naar de keuken, en dit Parlement willen oproepen ‘nee’ te zeggen tegen deze in de magnetron opgewarmde prak. Wat men ons heeft voorgeschoteld is een uitgedroogd, koud gerecht, dat al zijn smaak en al zijn geur is kwijtgeraakt. Natuurlijk zou men met dezelfde ingrediënten een ander gerecht kunnen maken, waarbij allicht nog wat kruiden zouden kunnen worden toegevoegd en wat onsmakelijke bestanddelen zouden kunnen worden weggelaten. Maar de burgers van Europa hebben recht op een heel nieuw recept, een maaltijd die vers is bereid en die iedereen lust, in plaats van de opgewarmde kliekjes van gisteren.
Ik wil graag, met alle respect voor mijn mede afgevaardigden, zeggen dat ik, wanneer ik sommigen van hen hoor spreken, soms de indruk heb dat zij persoonlijk te zeer gehecht zijn aan de dode Grondwetstekst - om maar weer terug te keren tot de klinische beeldspraak. Ik zou graag zien dat deze collega’s deze tekst, die zij in hun handen geboren hebben zien worden, los durfden te laten en dat ze een nieuwe stap durfden te nemen: dat ze het nieuwe recept zouden vinden waar Europa en de Europeanen behoefte aan hebben.
Bernat Joan i Marí (Verts/ALE). -(Spreker spreekt Catalaans)
De Voorzitter. - Mijnheer Joan i Mari, ik wil u verzoeken deze toespraak niet voort te zetten, want de tolken hebben instructies niet uit het Catalaans te vertalen. Als u Catalaans blijft spreken, dan zullen de leden van dit Parlement niet kunnen verstaan wat u zegt.
Bernat Joan i Marí (Verts/ALE). -(Spreker spreekt opnieuw Catalaans)
De Voorzitter. - Zoals ik al heb gezegd, mijnheer Joan i Mari, is uw toespraak niet vertaald door de tolken en zal de tekst ervan niet worden opgenomen in het verslag in extenso van de vergadering.
Sylvia-Yvonne Kaufmann (GUE/NGL). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, één zin in het verslag kan niet vet genoeg worden onderstreept: " (...) dat het Verdrag van Nice geen levensvatbare basis voor de voortzetting van het Europese integratieproces is". Ik voeg daaraan toe dat het Verdrag van Nice het begin van het einde is van een uitgebreide Unie van burgers. Wat is immers de betekenis van Nice? Het betekent geen bindende grondrechten, geen burgerinitiatieven, geen duidelijke afbakening van de bevoegdheden, geen volledige begrotingsbevoegdheid voor het Europees Parlement, geen recht van de nationale parlementen om te reageren op voorstellen van de Commissie, geen parlementaire controle op Europol, geen minister van Buitenlandse Zaken en geen Europese diplomatieke dienst.
De lijst van alle zaken die Europa zonder Grondwet te verliezen heeft, is bijzonder lang. Er mag geen stap terug in de tijd worden gedaan. Moet het Verdrag van Nice werkelijk in beton worden gegoten? Ik wil niet dat de Europese Unie vervalt tot een vrijhandelszone met beperkte sociale verantwoordelijkheden. Het ontstaan van een Europese kopgroep, waardoor nieuwe scheidslijnen in Europa ontstaan, is onaanvaardbaar. Daarom moet het constitutionele proces worden voortgezet, want Europa heeft een nieuw Verdrag nodig. Eén ding is echter volstrekt duidelijk: door simpelweg te zeggen "We gaan op dezelfde voet verder" zal het ons niet lukken.
De zorgen en problemen van de mensen moeten eindelijk eens serieus worden genomen. Dat is de heldere boodschap van de referenda over de Grondwet in Frankrijk en Nederland. Wij hebben in de Europese Unie behoefte aan een politieke koerswijziging, en wel richting een sociaal Europa. Alleen dan kunnen we namelijk rekenen op de actieve steun van de burgers voor de uitgebreide Unie en voor een vreedzaam en verenigd Europa.
Bastiaan Belder (IND/DEM). - Voorzitter, de toonzetting van het verslag van de collega's Duff en Voggenhuber doet mij erg terugdenken aan het plenaire debat van een jaar gelden. Het Europees Parlement omhelsde toen met groot vertoon de Grondwet en niets leek een succesvolle ratificatie door alle vijfentwintig lidstaten in de weg te staan.
Tot mijn teleurstelling moet ik nu constateren dat het EP niets van de les van het dubbele nee begrepen heeft. Dit huis bezint zich niet op de toekomst van Europa, maar op een strategie om de tweevoudig afgewezen Grondwet alsnog geratificeerd te krijgen. Dit alles natuurlijk onder de dekmantel van aanzienlijke maatregelen om de publieke opinie gerust te stellen.
Tegenover deze doorzichtige pogingen de uitdrukkelijke wil van het Franse en Nederlandse electoraat te negeren, wil ik mijn waardering toch uitspreken voor een aantal van de amendementen van de beide rapporteurs. Zij houden in ieder geval niet obsessief vast aan de huidige Grondwet. Bovendien lijken zij het ‘nee’ in Frankrijk en Nederland beter begrepen te hebben dan mijn collega's van de grote fracties en tonen zij een grotere bereidheid tot werkelijk reflectie.
Voorzitter, ik heb mijn geachte collega Voggenhuber horen spreken over nationalisme. Ik acht zijn intellectuele capaciteiten zo hoog dat hij daar niet alle opponenten van deze Grondwet onder verstaat, want ik heb er werkelijk niets mee.
Irena Belohorská (NI). - (SK) Ik zou de heer Duff willen bedanken voor zijn waardevolle verslag. Veel Europese burgers zien de EU toch vooral als een organisatie die zich alleen maar bezighoudt met bananen, de vorm van wortels en zonnestralingsniveaus, maar zich niet bekommert om zaken die van belang zijn voor het dagelijks leven van de burger. Zeven van de tien burgers in Slowakije zijn niet of nauwelijks op de hoogte van wat de EU doet en hoe ze in elkaar zit. De burgers zien de Unie als een abstract geheel dat ver weg staat van hun dagelijkse problemen. Het is bepaald schokkend dat onlangs, tijdens een uitzending van de reality show "Big Brother", meer mensen hebben gestemd dan tijdens de verkiezingen voor het Europees Parlement.
De massamedia spelen een belangrijke, zelfs cruciale rol in de informatie van de Europese burgers. Die zijn geïnteresseerd in de EU en willen weten hoe ze functioneert, en het is de taak van de massamedia ze een eerste uitleg te geven over het werk van de Europese instellingen en over de manier waarop besluiten van die instellingen van invloed kunnen zijn op het dagelijks leven. Daarvoor moeten echter wel de juiste voorwaarden gecreëerd worden. Ik kan me voorstellen dat het voor een journalist lastig kan zijn uitleg te geven over een ontwerpwetgeving met een grote hoeveelheid amendementen, zeker als de tekst in kwestie pas enkele dagen voor de stemming openbaar gemaakt wordt en dan ook nog niet in alle talen beschikbaar is. Verder is het zo dat de media objectief moeten berichten over datgene wat de EU doet, en dat betekent dat ze zich moeten richten op de feitelijke werkzaamheden, en niet op interessante nieuwtjes of schandalen. Tegelijkertijd moeten wij er van onze kant voor zorgen dat de burgers inderdaad ook beter kunnen begrijpen wat we doen. Daartoe moeten we de Europese wetgeving minder ingewikkeld maken en minder debatten achter gesloten deuren houden.
Íñigo Méndez de Vigo (PPE-DE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik hoop dat ik begrepen word, want ik zal in een officiële taal spreken. Taal is naar mijn idee een middel om te communiceren en niet om je te isoleren.
Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat er in het onderhavige verslag drie belangrijke punten worden vastgesteld. Mijn collega’s Dehaene en Stubb hebben al belangwekkende dingen gezegd, maar dit zijn drie punten die ik onder de aandacht zou willen brengen.
In de eerste plaats is deze Grondwet het resultaat van een consensus, en zolang we geen alternatief menu hebben gekregen, moeten we het hiermee doen. Het is een goede consensus, want degenen die in sommige landen van de Europese Unie ‘nee’ hebben gestemd, zijn niet in staat om samen een kop koffie te pakken, om samen een alternatieve tekst te produceren. Dat is de realiteit. Degenen die ‘nee’ hebben gestemd zijn mensen die verwerpen maar niet opbouwen, die met geen enkel ander voorstel komen. Zolang er geen ander menu op tafel ligt, kies ik voor dit menu en kiest het Europees Parlement voor dit menu.
In de tweede plaats zijn we tegen de gedeeltelijke toepassing van onderdelen van de grondwet. Waarom? Om dezelfde reden! Omdat de Grondwet het resultaat is van een consensus, en niet iedereen het overal mee eens is. We zijn het echter wel mee eens met de Grondwet als geheel, en daarom kunnen wij niet aanvaarden - het Parlement heeft gelijk als het dat opmerkt in zijn verslag - dat er bepaalde dingen worden uitgepikt en andere niet. We zijn het eens met het geheel maar we zijn het niet eens met cherry picking.
In de derde plaats zegt het Parlement in dit verslag dat de Europese Unie zonder Grondwet niet verder zal uitbreiden, en daar is een goede reden voor. Wij beseffen dat de Unie zonder de in de Grondwet vastgelegde voorschriften democratisch noch doelmatig zal kunnen functioneren. Dat staat in artikel 49 van de huidige Verdragen, mijnheer de Voorzitter, en ik zeg dit aan de struisvogel-vrienden, want dit Parlement moet zijn standpunt geven over elke vorm van uitbreiding van de Europese Unie. Met het onderhavige verslag doet dit Parlement een duidelijke en plechtige toezegging: zonder Grondwet zullen er geen uitbreidingen meer zijn.
Jo Leinen (PSE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, als voorzitter van de Commissie constitutionele zaken bedank ik de rapporteurs. Zij hebben een zeer belangrijk thema behandeld in een behoorlijk moeilijke periode. Het verslag-Duff/Voggenhuber heeft tot levendige debatten geleid, en past als zodanig binnen het plan D van Margot Wallström.
Het resultaat van onze beraadslagingen is echter zeer verheugend. De overgrote meerderheid van dit Parlement blijft vasthouden aan de Europese Grondwet. De redenen voor het nieuwe Europese Verdrag zijn dus niet verdwenen. Integendeel, zij worden met de dag dringender: meer effectiviteit, meer transparantie, meer democratie. Alle hervormingen en alle vooruitgang die de Grondwet zal opleveren, zijn dringend noodzakelijk. Zij zijn door het debat in Nederland of Frankrijk niet verdwenen. Ik ben bijzonder blij dat het Oostenrijkse voorzitterschap dit debat nieuw leven inblaast. We leken de afgelopen maanden wel verlamd. Er moet in 2006 een allesomvattend debat worden gevoerd in alle vijfentwintig lidstaten, en ik hoop, mijnheer de voorzitter van de Raad en mevrouw de commissaris, dat ook alle vijfentwintig lidstaten hun bijdrage zullen leveren. Ik heb het tussentijdse verslag van de Top van december gezien. Dat liet zeer veel te wensen over. In het merendeel van de landen is het debat nog helemaal niet begonnen. Daarom zou het ook volstrekt verkeerd zijn om nu, in januari 2006, al de resultaten van een debat te presenteren dat nog niet eens gevoerd is. We moeten nu een jaar lang in alle landen, op alle niveaus en met alle actoren de voornaamste thema's van het Europees beleid bespreken. Dan kunnen er in 2007 conclusies worden getrokken over het soort Grondwet waarvoor we kiezen, zodat dit project succesvol kan worden afgerond. Daarvoor hebben we verschillende mogelijkheden. De bondskanselier van mijn land heeft voorgesteld de Grondwet uit te breiden met een protocol over het sociale Europa. Dat is een optie die we moeten bespreken.
Deze denkpauze zal ons sterker maken, en de Europese democratie zal er sterker uit naar voren komen. We hebben alle kans om gezonder uit deze crisis tevoorschijn te komen dan we waren toen we erin terechtkwamen.
(Applaus)
Jules Maaten (ALDE). - Voorzitter, het Grondwetsverdrag is dood, leve het Verdrag. Het is wel waar, het Grondwetsverdrag is verworpen vanwege de context meer dan vanwege de tekst, maar het is ook waar dat de tekst van het Grondwetsverdrag te zwak is gebleken om de problemen met de context op te lossen. Er zaten onvoldoende of geen gedurfde en aansprekende ideeën in.
Waarom geven we de burgers toch geen echte invloed en laten we ze, bijvoorbeeld, de voorzitter van de Europese Commissie direct verkiezen, of scheppen we de mogelijkheid van een Europees collectief referendum? Dus, niet vijfentwintig of zevenentwintig kleine referenda, maar één echt Europees referendum. Oftewel, waarom scheppen we niet echt een Europese politieke ruimte, jawel een Europese res publica?
Maar dan over die context. De burgers in mijn land Nederland - maar ik vermoed ook in de meest andere lidstaten - willen in elk geval even niet over de instituties praten; dank u vriendelijk. Wat ze wel willen is een Europa dat concurrerend wordt, dat banen schept, dat optreedt tegen terrorisme en tegen grensoverschrijdende misdaad, dat een behoorlijk buitenlands beleid voert, dat gewoon zijn werk eindelijk eens doet. Als dat niet lukt, dan is het proberen een Verdragsherziening nieuw leven in te blazen, trekken aan een dood paard en dan praten we in het ijle.
Zeker, wij hebben een nieuw verdrag nodig om Europa democratischer en efficiënter te maken, maar wij hebben geen haast. De vele uitstekende ideeën waar onze rapporteurs mee zijn gekomen, zijn onder meer om de reflectieperiode langer te laten duren en wel tot eind 2007, meerdere opties open te houden, en ook in het algemeen een benadering over hoe we het debat moeten voeren vind ik uitstekend. Maar wat we niet nodig hebben is een document dat Grondwet heet. Dat heeft mensen afgeschrikt, in plaats van ze erbij te betrekken; een roos ruikt bovendien net zo lekker als je deze een andere naam heeft. Het krampachtig en halsstarrig vasthouden aan de naam en de tekst is voor mijn partij dan ook een onoverkomelijk probleem.
Als de oplossing is, een verbeterde tekst voor te leggen - en ik hoop werkelijk dat ons dat lukt, want het is belangrijk - dan ben ik er een voorstander van om deze inderdaad tegelijk met de volgende Europese verkiezingen in een referendum aan alle Europese burgers voor te leggen.
Roger Knapman (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is niet een Voggenhuber/Duff-verslag, maar kortweg een dom-duf verslag. De vraag is nu of de Grondwet dood is of dat zij alleen maar slaapt. Als het antwoord op beide vragen ‘ja’ was geweest, dan zouden de commissarissen ongetwijfeld zonder enig probleem uit hebben kunnen leggen wat dat ‘ja’ precies betekende. Alleen wij arme stumpers die toevallig in ‘nee’ geloven, hebben uitleg nodig over wat nu eigenlijk de betekenis is van dat ‘nee’.
“Nee” betekent hier je reinste arrogantie van de kant van de Commissie, omdat zij het waagt dit project door te zetten, terwijl zeventig procent van de Oostenrijkse bevolking dit niet wil, terwijl tweederde van de Britse bevolking geen enkel nut ziet in het toekomstige lidmaatschap van dit pseudo-parlement, terwijl het Franse volk ‘nee’ heeft gezegd, en terwijl het Nederlandse volk ‘nee’ heeft gezegd.
Welk deel van ‘nee’ begrijpt de Commissie niet? ‘Nee’ betekent dat grote delen van de Europese bevolking niet verder willen met deze schijnvertoning. We dachten dat we ons aansloten bij een gemeenschappelijke markt, maar het groeide en groeide maar, het hield niet op, en nu zijn we aanbeland bij dit verslag dat ons in de richting stuwt van een volwaardige politieke unie. Ik geef u op een briefje dat dit alles straks als los zand uit elkaar valt, want dit is niet datgene waarvoor de mensen dachten te stemmen. Ik ben blij dat UKIP niet zal falen, want de tijd is rijp voor een idee dat door niemand te stuiten valt, en dat is nationale vrijheid.
Jan Tadeusz Masiel (NI). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, Europa is in de middeleeuwen gevormd met het christendom als fundament. De Europese Unie is eigenlijk ontstaan als vrijwaring tegen een nieuwe oorlog. Mensen en volken verbinden zich rondom iets of tegen iets.
Europa is dood. In haar plaats is de Europese Unie gekomen, die nog altijd geen bindend gemeenschappelijk concept heeft gevonden. Iedereen heeft nu wel een of ander argument om de grondwet te verwerpen: de één vindt de begroting te laag, een ander vindt haar juist te hoog, weer een ander struikelt over de kwestie Turkije. De nieuwe lidstaten klagen over het onrechtvaardige gemeenschappelijk landbouwbeleid, en de gesloten arbeidsmarkten. Maar kennelijk willen we toch niet uit elkaar gaan.
Voordat we de burgers opnieuw een grondwet voorleggen, moeten we eerst de bestaande onenigheden oplossen, luisteren naar de stem van de burgers, en er deze keer ook rekening mee houden.
József Szájer (PPE-DE). - (HU) Mijnheer de Voorzitter, hoe hard de minderheid ook roept, feit is dat veel leden van dit Parlement van mening zijn dat de Europese Unie enkel goed kan functioneren wanneer ze over een Grondwettelijk Verdrag beschikt, zeker als het gaat om zaken als meer transparantie en versterking van de controlebevoegdheden rol van het Parlement, of juist ook de bescherming van de rechten van minderheden in Europa.
De belangrijkste reden voor de ontstane crisis is namelijk niet de inhoud van de Grondwet, die regels bevat op basis waarvan de Europese Unie in de toekomst beter kan functioneren, maar het feit dat de Unie in de ogen van veel burgers onder de maat presteert en weinig overtuigend is in wat ze doet. De instellingen en de elite die de Europese Unie besturen, hebben het vertrouwen van een aantal burgers verloren.
Ik onderschrijf het standpunt van de Europese Commissie. Het is van belang - zoals ik ook heb aangegeven in mijn aangenomen amendement - dat de denkpauze onder andere gebruikt wordt om na te denken over de manieren waarop het vertrouwen van de burgers in de EU hersteld kan worden. Verder zijn wij van oordeel dat we alleen succes kunnen hebben als we stilstaan bij de vraag hoe de Europese Unie haar prestaties kan verbeteren en hoe ze kan bijdragen tot het oplossen van de concrete problemen waarmee de burgers te kampen hebben.
Ik pleit voor handhaving van het Grondwettelijk Verdrag, of in ieder geval van de belangrijkste onderdelen ervan, maar we moeten wel beseffen dat we het vertrouwen van de burgers van de EU niet zullen herstellen door met ingewikkelde teksten te komen. Daarvoor is het nodig dat de Unie beter presteert, banen creëert, zorgt voor economische groei en de gemeenschappelijke Europese belangen effectief behartigt op het internationale toneel. Als we het vertrouwen zo hersteld hebben, zullen de burgers ook steun geven aan het Grondwettelijk Verdrag.
Pierre Moscovici (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik beide rapporteurs, de heren Duff en Voggenhuber, willen bedanken. Zij hebben uitstekend werk verricht en daarbij blijk gegeven van een heel open instelling, hetgeen een uitstekende basis voor discussie is, zoals al is gezegd.
Ikzelf ben voormalig lid van de Conventie, socialist en Fransman - in willekeurige volgorde - en wil in dit stadium graag mijn bijdrage leveren aan dit beruchte debat over de vraag of de Grondwet al dan niet dood is. Ik heb diep respect voor de mensen die voor deze tekst hebben gestemd - ik heb zelf ‘ja’ gestemd -, maar we kunnen natuurlijk niet doen alsof er niets is gebeurd, alsof na de stemuitslagen in Nederland en Frankrijk de kaarten niet anders zijn komen te liggen. En we kunnen ook niet doen alsof er nu maar één oplossing is, één uitweg, namelijk via een aantal omwegen de tekst, die de Fransen en de Nederlanders al hebben verworpen, alsnog ongewijzigd te ratificeren.
Wij moeten de rapporteurs dan ook terzijde staan en daartoe heb ik samen met hen en met mevrouw Berès, een aantal amendementen ondertekend waarin wij erop aandringen de feiten onder ogen te zien. Er zijn drie amendementen waar ik met name op wil wijzen, namelijk de amendementen 18, 24 en 27. Als wij die amendementen aannemen, als het Europees Parlement ze aanneemt, verschaft het zich mijns inziens een scala van mogelijkheden, geeft het blijk van een open instelling, draagt het werkelijk bij aan het debat, en legt het zich niet vast op één oplossing, één idee, of één gedachtegang. Uiteindelijk ben ik weliswaar van zins voor deze tekst te stemmen, en zijn de Franse socialisten eveneens van zins om ervoor te stemmen, maar we kunnen dat niet doen als we daarmee voor een enkele oplossing kiezen. Laten we dus verder vooruitkomen door morgen voor deze amendementen te stemmen.
(Applaus)
Nils Lundgren (IND/DEM). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, met de referenda in Frankrijk en Nederland is de ontwerp-Grondwet verworpen. Daar kan geen enkele twijfel over bestaan. Twee landen hebben tijdens referenda tegen gestemd, en wel met een grote meerderheid en opkomst. Het feit dat het Europees politiek establishment dit nu probeert weg te redeneren is een democratisch schandaal. Politici en hoge ambtenaren spreken nu openlijk over de vraag hoe de uitslag van deze referenda omzeild kan worden. Zij deinzen er zelfs niet voor terug om de uitslag te interpreteren als ongenoegen jegens de in beide landen aan de macht zijnde regeringen. Zij maken een optelsommetje van het aantal landen dat voor de ontwerp-Grondwet is, ofschoon duidelijk is dat alle landen het ontwerp moeten goedkeuren.
Zelden was zo duidelijk hoe diep de kloof tussen de politieke elite en de volkeren is als het om Europese aangelegenheden gaat. Alles wijst erop dat de ontwerp-Grondwet ook in Duitsland zou zijn verworpen als daar een referendum was gehouden. Hetzelfde geldt voor het Verenigd Koninkrijk, Oostenrijk, Zweden, Denemarken en misschien nog andere landen. De aan de macht zijnde EU-elite spreekt echter zonder blikken of blozen over de moeilijke tegenslagen van vorig jaar. Ik wil er evenwel op wijzen dat democratische resultaten alleen tegenslagen zijn voor degenen die er bekaaid van afkomen wegens hun gebrek aan steun bij de achterban. Dat is een feit waar men niet omheen kan.
Daniel Hannan (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, bij het beluisteren van dit debat moet ik denken aan Bertolt Brechts woorden:
(DE)" Wäre es dann nicht doch einfacher, die Regierung löste das Volk auf und wählte ein anderes?’ - Zou het dan niet gemakkelijker zijn voor de regering om het volk te ontbinden en een ander volk te kiezen?
(EN) De bevolkingen van twee tot de kerngroep van oprichters behorende landen hebben uw projecten neergesabeld, geachte collega's. Ik weet dat het moeilijk is om u bij een afwijzing neer te leggen, maar kijk eens naar de cijfers: 55 procent van de Franse kiezers; 62 procent van de Nederlandse kiezers. U kunt wel beweren dat de kiezers het bij het verkeerde eind hebben, dat zij lijden aan wat marxisten "vals bewustzijn" pleegden te noemen, dat zij behoefte hebben aan betere propaganda, dat het onze taak is - als euro-elite - hun de juiste weg te wijzen. Daarop zeg ik: "Ik zou mijn stinkende best maar doen".
Uit recente opiniepeilingen in Nederland blijkt dat 82 procent van de Nederlandse kiezers op dit moment ‘nee’ zou stemmen - een eerbetoon aan de nuchterheid van dat dappere volk. Maar als u denkt dat u ze van het tegendeel kunt overtuigen, beste collega's, ga u gang. Als u dat zou lukken, zou dat in ieder geval een bewijs zijn van uw gehechtheid aan de democratische idealen waarop u zich zo vaak beroept.
Het zou nog veel schandaliger zijn om de tenuitvoerlegging van de Grondwet - of althans de inhoud ervan - door te drijven zonder instemming van de bevolking. Toch is dit precies wat u doet. Kijk eens naar de beleidsvormen en instellingen die in de Grondwet zijn opgenomen maar desondanks gewoon worden gerealiseerd, of reeds zijn gerealiseerd: de Europese Dienst extern optreden, het Europees Bureau voor de mensenrechten, het Europees Defensieagentschap, het Europees ruimtevaartprogramma, het Europees Buitengrenzenagentschap, een afdwingbaar Handvest van de grondrechten: geen van deze zaken heeft buiten de Grondwet om een rechtsgrondslag. Door hieraan toch uw goedkeuring te hechten, laat u blijken dat u niet zal toestaan dat welke kracht dan ook - of deze nu van binnen of van buiten komt, voortvloeit uit uw eigen regels of uit de door uw bevolking via de stembus geuite bezwaren - uw streven naar politieke assimilatie in de weg staat. Op deze manier rechtvaardigt u zelfs de zwaarste kritiek van uw tegenstanders.
Zoals mijn landgenoot Oliver Cromwell al zij "Ik smeek u bij het hart van Christus, houd het voor mogelijk dat u zich vergist".
(Applaus)
Genowefa Grabowska (PSE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de resolutie die we vandaag bespreken is een goed, evenwichtig document, het resultaat van een compromis dat heel snel is bereikt. Bovendien sluit de resolutie naadloos aan bij de hoofdpunten uit het werkprogramma van het Oostenrijkse voorzitterschap dat ons vandaag werd voorgelegd, evenals bij de programma’s van het Finse en het toekomstige Duitse voorzitterschap.
Dat toont aan dat de Grondwet, ondanks alle twijfels en onwil, niet zonder meer naar de prullenbak is verwezen, dat de Grondwet geen dood document is. De Grondwet leeft, juist door het Franse en Nederlandse ‘nee’, omdat we er over blijven discussiëren. Alle Europeanen moeten nu antwoord geven op de vraag, welk Europa ze willen.
Met deze resolutie nodigt het Parlement alle burgers, alle nationale parlementen en alle regeringen uit tot een brede discussie, en daarin aan te geven wat ze van Europa verwachten. De regeringen van de negen landen die de Grondwet nog niet hebben geratificeerd, moeten we op hun plichten wijzen. Hun premiers hebben dit document ondertekend, en dus is het hun internationale recht en plicht om te beginnen met de ratificering. Die verplichting vloeit voort uit de Verdragen.
Ten slotte nog een laatste opmerking. De houding van een land jegens de Europese Grondwet is niet alleen een test voor zijn bereidheid om het gemeenschappelijk Europa op te bouwen. Het is in de eerste plaats een test voor de betrouwbaarheid van dat land als partner in de internationale betrekkingen.
Maria da Assunção Ferreira (PPE-DE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, het Europees Parlement geeft vandaag het startsein voor een belangrijk debat. De politieke instellingen en de sociale partners zullen zich nu onder het belangstellend oog van de media over de volgende vraag buigen: is Europa wel of niet van plan zijn toekomst te bepalen?
Het constitutionele vraagstuk is meer dan alleen maar een kwestie van hoe we de instellingen vormgeven. Het gaat er nu juist om dat Europa over efficiënte instellingen kan beschikken en tegelijkertijd een moreel bewustzijn heeft van de wereld. Wij, de Europese burgers die hier in het hart van de Unie aan de besluitvorming deelnemen, zijn ons allemaal van deze uitdaging bewust. Hoe moeten we een uitgebreide en open, kosmopolitische ruimte beheren? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat onze ideeën over rechtvaardigheid zowel binnen als buiten de grenzen van Europa uitdrukking krijgen? Hoe organiseren we een bestaanswijze die niet op traditie is gebaseerd? Hoe maken we van Europa een democratische mogendheid en grondlegger van een nieuwe wereldorde? Hoe geven we het voorbeeld voor een Unie van volkeren? Hoe kunnen we samen iets doen voor de bescherming van de mensenrechten in de gehele wereld? Hoe kunnen we samen in deze wereld invloed uitoefenen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de politiek weer grip krijgt op de gemondialiseerde en gedereguleerde economie? Hoe kunnen we rechtvaardigheid en efficiënte met elkaar combineren? Hoe kunnen we de deur openzetten voor politieke modellen?
De toekomst staat ons niet toe bevreesd te zijn. Het is van groot belang dat we nu over politieke integratie praten, over een kosmopolitische en menselijker levensstijl, over de mate waarin de Grondwet de Europese identiteit vertegenwoordigt en daar zelf ook actief toe bijdraagt. Die identiteit spruit niet voort uit traditie - ze spruit voort uit moraal, wil en rede.
Pasqualina Napoletano (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, het risico dat het Europees project afglijdt, is reëel en het is voor ons momenteel zelfs heel tastbaar. Om weer vertrouwen te kweken bij de burgers, moeten wij met visie komen, met doeltreffend beleid, alsook met middelen, en dat laatste impliceert geldmiddelen en instellingen.
Ik geloof dat wij als Parlement het perspectief van het Grondwettelijk Verdrag niet in de steek mogen laten. Wat het gekijf over de huidige tekst betreft, vind ik dat het Parlement in de bres moet springen voor al hetgeen met die tekst verworven is. Kan het debat nog verder gaan? Ik denk niet dat dit zal meevallen, maar eerlijk gezegd zou ik het niet uitsluiten.
Bovendien hoop ik, zoals al is gezegd, dat wij een dergelijk parcours in nauwe samenwerking met de nationale parlementen zullen afleggen, aangezien het debat daarover volgens mij niet op de juiste manier en niet grondig genoeg is gevoerd, vooral door de Europese regeringen. Ik wil het Oostenrijkse voorzitterschap bedanken, omdat men het debat nu eindelijk weer heeft aangezwengeld. Laten wij hopen dat er voortaan meer eensgezindheid tussen de verschillende instellingen is.
Panayiotis Demetriou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik zal de argumenten die de rapporteurs en ook andere sprekers naar voren hebben gebracht met betrekking tot de Grondwet niet herhalen. Ik wil het ook niet hebben over de uitvoerige, omvangrijke en uitputtende besprekingen die vorig jaar hebben plaatsgevonden, maar wel over de genoemde dialoog.
Mijns inziens moet er, mijnheer de Voorzitter, geen dialoog worden gevoerd over de Grondwet maar over de existentiële problemen van de Europese Unie. Ten eerste stelt zich de vraag of de Europese Unie wel nodig is. Als het antwoord bevestigend is, is de tweede vraag welke Europese Unie wij willen, en de derde vraag hoever wij de Europese Unie willen uitbreiden.
Als er geen gemeenschappelijke lijn zit in de antwoorden die zowel de politici als de burgers geven op deze existentiële problemen, dan zal naar ik vrees geen enkele Europese grondwet voor de Europese burgers aanvaardbaar zijn. Als wij in de Europese Unie van mening zijn dat de eenmaking en de versterking van de eenmaking noodzakelijk zijn, moeten wij de weddenschap aangaan en de burgers overtuigen van de juistheid van deze koers. Het vertrouwen en het geloof in de Europese visie is de grondslag voor een volledige instemming van de landen en de burgers met de grondwettelijke verankering van de werking van de Europese Unie.
Als de burgers van de Europese landen niet inzien hoe belangrijk het bestaan en de verdere eenmaking en versterking van de Europese Unie voor de mensheid zijn, dan zal mijns inziens in de toekomst geen enkele grondwettelijk voorstel erdoor komen. Daarom mogen wij niet nog meer tijd verliezen. Wij moeten voortbouwen op hetgeen wij hebben, en wat wij nu hebben is de Grondwet. Daar moeten wij verder mee gaan en daarop moeten wij voortborduren. Elke poging om iets anders tot stand te brengen zal, naar ik ten zeerste vrees, tot mislukken gedoemd zijn, en die mislukking zal ten koste gaan van de eenmaking en vooruitgang van de Europese Unie.
Stavros Lambrinidis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, acht maanden zijn verstreken sedert de tekst van het Grondwettelijk Verdrag tijdens de referenda in Frankrijk en Nederland werd verworpen, maar wij bevinden ons nog steeds in een eindeloze periode van nadenken over de manier waarop wij vorm zullen geven aan de inhoud van het Verdrag. Laten wij eindelijk ons werk doen. En wat is ons werk? Mijns inziens is het niet ons werk om ons te verliezen in eindeloze discussies over een gedetailleerde definitie van de nieuwe welvaartsstaat, over de financiering van de EU, enzovoort. Als wij denken dat wij met ons allen tot iets gemeenschappelijks kunnen komen, en als dat voor ons de voorwaarde is om opnieuw aan de slag te gaan met de Grondwet, zullen wij volgens mij nooit tot een Europese Grondwet komen.
Ik ben veeleer van mening dat wij tijdens deze denkpauze één einddoel voor ogen houden. Los van eenieders politieke overtuigingen moeten wij allen ervan doordrongen raken dat wij meer kans maken om deze belangrijke weddenschappen voor Europa te winnen, als wij onze krachten bundelen, in plaats van dat eenieder op eigen houtje handelt. Dat is misschien de belangrijkste ‘context’ die ontbreekt om ongeacht welke ‘tekst’ voor allen aanvaardbaar te maken.
Reinhard Rack (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik heb totaal geen begrip voor de democratische opvattingen van sommige EU-critici, die zich normaal gesproken verschansen achter hun nationale vlag en proberen andere Europese burgers voor hun karretje te spannen. Nu werd al meerdere malen gezegd dat 70 procent van de Oostenrijkse bevolking deze Grondwet niet wil. Daarbij werd kennelijk gezinspeeld op de laatste Eurobarometeronderzoeken, maar werden evenzeer de democratische regels en tradities in mijn land Oostenrijk volledig geminacht. De Nationalrat en de Bundesrat hebben de Grondwet namelijk met een overweldigende meerderheid geratificeerd, maar blijkbaar tellen bij sommigen de uitkomsten van enquêtes zwaarder dan staatsrechterlijke procedures.
Ik heb evenmin begrip voor degenen die nu al over alternatieven willen discussiëren, voordat het huidige ratificatieproces überhaupt is afgesloten. Wie nu al roept om alternatieven, negeert de democratische besluitvorming in het merendeel van de lidstaten van de Europese Unie.
Trouwens, waar zijn die alternatieven eigenlijk? We hebben in de Conventie over de toekomst van de Europese Unie lange discussies gevoerd over al deze alternatieven, over een meer democratisch Europa, een meer sociale Unie, enzovoort. We zijn steeds weer tot dezelfde conclusies gekomen. Elke verbetering - hoe wenselijk ook - voert uiteindelijk tot meer Europa en een sterker Europa. Dat betekent ook dat de nationale overheden aan macht inboeten, iets wat door de meeste lidstaten en hun inwoners destijds ongewenst werd geacht. Daarom doen we datgene wat de meerderheid van de Commissie constitutionele zaken heeft voorgesteld. We moeten proberen de Europese burgers te informeren over wat er werkelijk in het Grondwettelijk Verdrag uit 2004 staat, over wat er niet in staat, en we moeten een tweede poging ondernemen om consensus te bereiken over het beste concept voor een grondwet waarover we beschikken.
Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik vond het zeer interessant om aan dit debat deel te nemen en de gedachtewisseling te volgen. Er is een grote verscheidenheid aan meningen tot uitdrukking gebracht, maar één daarvan lijkt mij toch overeen te stemmen met de opvatting van de meerderheid van de leden van de Raad, namelijk dat de Europese Unie op dit moment, in afwachting van meer duidelijkheid, alle realistische en verstandige mogelijkheden open moet houden. De ervaringen van het afgelopen jaar hebben immers laten zien dat snelle, misschien zelfs wel overhaaste of lichtzinnige inschattingen ons in dit debat niet verder helpen. Ik ben het met de heer Leinen eens dat het voor het voorzitterschap van de Raad in deze fase niet verstandig is, of misschien zelfs contraproductief, om op de resultaten vooruit te lopen.
Wat we op dit moment nodig hebben is een discussie. Ik zeg nog maar eens dat ik de Commissie constitutionele zaken en de rapporteurs Duff en Voggenhuber dankbaar ben voor het feit dat ze dit debat op gang hebben gebracht. Het voorzitterschap zal daaraan meewerken. We geloven ook dat alle standpunten die in dit debat tot uitdrukking worden gebracht, moeten worden gerespecteerd. Zoals mevrouw Wallström zo treffend formuleerde, gaat het erom een Europa op te bouwen voor iedereen. Dat is de taak die ook het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad zich heeft gesteld. Samen met de andere lidstaten, en in goede verstandhouding met de andere instellingen, zullen we aan de reeds genoemde road map werken.
Als hier wordt gezegd dat de burgers van Europa niet geïnteresseerd zijn in een debat over de instellingen, dan is mijn weerwoord dat dit Europa juist adequate instellingen en institutionele structuren nodig heeft om dat te kunnen doen wat de burgers van Europa verlangen.
Ik hoop ten zeerste dat ook de fungerend voorzitter vandaag met zijn betoog heel duidelijk heeft gemaakt dat het Oostenrijkse voorzitterschap zich serieus bezig zal houden met de problemen waarin de Europese burgers geïnteresseerd zijn en waar ze mee te maken hebben.
Margot Wallström, vice-voorzitter van de Commissie. - (SV) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb eigenlijk maar twee opmerkingen. Ten eerste moet ik de heer Brok citeren die aan het begin van het debat zei dat de burgers hier de belanghebbenden zijn. De Europese burgers zijn de belangrijkste doelgroep en hebben het meest te winnen of te verliezen bij de manier waarop wij het vraagstuk van het nieuw Grondwettelijke Verdrag voor Europa aanpakken.
Ten tweede moet ik zeggen dat democratie geen sport met toeschouwers is. Daarvoor is engagement nodig, engagement in debatten en dialoog met de mensen. Daarbij moeten onze politieke leiders en onze burgers op elke mogelijke manier worden betrokken, en daarbij moeten wij elkaar helpen bij onze verschillende taken.
Ik heb zo vaak het zure commentaar gehoord van het genre: “wat begrijp je niet aan de ‘nee’ stem?”, en daarom wil ik hieraan toevoegen dat inderdaad uit opiniepeilingen en interviews precies is gebleken waarom de mensen voor of tegen het Grondwettelijk Verdrag hebben gestemd. Dat hebben wij niet uitgevonden. Wij weten dat elk referendum waarbij ook constitutionele vraagstukken aan bod komen, het risico met zich meebrengt dat men antwoorden krijgt op vragen die niet zijn gesteld. Daar zijn zich de politici in alle lidstaten bewust van.
Er is ook niets vreemds aan het feit dat vijfentwintig lidstaten die een debat opzetten over de vraag hoe wij het hoofd kunnen bieden aan de constitutionele uitdaging van een Europa dat niet meer uit vijftien maar uit vijfentwintig lidstaten bestaat, zich afvragen hoe zij een uitweg moeten vinden uit een situatie waarin twee lidstaten het Grondwettelijk Verdrag hebben verworpen en veertien lidstaten dit hebben goedgekeurd. Hoe pakken wij die situatie aan? Gaan wij nu gewoon een punt zetten achter dit proces? Of is er een uitweg uit deze situatie? Het is absoluut niet zo vreemd dat men daarover nadenkt. U maakt de dingen te gemakkelijk voor uzelf. Het interessantste is eigenlijk dat al degenen die de UKIP (Onafhankelijkheidspartij van het VK) vertegenwoordigen en dit Parlement als een schijnparlement betitelen, er totaal geen been inzien om zelf met geen enkel opbouwend idee te komen maar de Europese belastingbetalers wel rustig hun salarissen als leden van dat schijnparlement te laten betalen.
Ik denk dat wij onze ideeën met moed naar voren moeten brengen en een intellectueel eerlijk debat moeten voeren over de vraagstukken met betrekking tot Europa. Wij weten veel, en er is geen binnenweggetje. Hoezeer u ook moge lachen, wij kunnen maar één ding doen, en dat is praten met de mensen, een dialoog met hen voeren en discussiëren over de feiten voordat wij deze in verband brengen met de constitutionele oplossingen die nodig zijn als wij een opener, democratischer en efficiënter Europa willen bewerkstelligen.
De Voorzitter. - Het debat is gesloten.
De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Bruno Gollnisch (NI). - (FR) Dikwijls zien mensen wel de splinter in andermans oog, maar niet de balk in hun eigen. Dezelfden die gisteren op hun achterste poten stonden om de onvoorstelbare verloochening van de parlementaire democratie door de Commissie in Brussel, toen deze haar richtlijn voor havendiensten nogmaals voorlegde terwijl deze al was verworpen, zijn vandaag bereid voor een verslag te stemmen dat - erger nog - een verloochening is van de democratie van het volk.
De Europese Grondwet is verworpen door twee grondleggers van de Europese Unie, Nederland en Frankrijk. Alle onafhankelijke waarnemers zijn het erover eens dat de burgers van die landen goed geïnformeerd waren voordat zij gingen stemmen. Ze stemden niet alleen volgens een context, ze stemden tegen een tekst. Tien lidstaten hebben zich nog niet uitgesproken en meerdere van hun leiders verwachten niet dat ze dat alsnog moeten doen. Volgens het recht en volgens de tekst zelf kan de Grondwet namelijk niet van kracht worden, aangezien verscheidene lidstaten geweigerd hebben hem te ratificeren. De Grondwet is dood.
Al wat dit Parlement echter voorstelt, is om ons te bezinnen op de beste manier om dezelfde gerechten opnieuw aan de burgers voor te schotelen, in dezelfde bewoordingen, en hen in samenspanning met de media te hersenspoelen met propagandacampagnes. Dat is schandelijk en onaanvaardbaar.
Ian Hudghton (Verts/ALE). - (EN) Ik kan dit verslag eenvoudigweg niet steunen. Het erkent niet dat het Grondwettelijk Verdrag is afgewezen door kiezers in twee lidstaten. Meer referenda zouden ongetwijfeld tot meer afwijzingen hebben geleid. De twee rapporteurs willen op een of andere manier de kern van de huidige, afgewezen tekst nieuw leven inblazen. Dat lijkt mij niet geloofwaardig. Hoe kan van Franse en Nederlandse kiezers worden verwacht dat zij zulke arrogantie tolereren? We zitten in een zogeheten bezinningsperiode. Laten we daar dan een periode van maken waarin we de zaken herzien of vervangen, maar niet een document dat al zo overduidelijk is verworpen, opnieuw opbraken.