De Voorzitter. – Aan de orde is het vragenuur (B6-0002/2006).
Wij behandelen een reeks vragen aan de Commissie.
Eerste deel
Vraag nr. 33 van Andreas Schwab, vervangen door Richard Seeber (H-0005/06)
Betreft: Verenigbaarheid van de tol voor personenauto's met EU-recht
Na invoering van de tolheffing voor vrachtauto's in Duitsland wordt erover nagedacht spoedig ook een tol voor personenauto's in te voeren. Aangezien dit tot een zwaardere belasting van de Duitse autorijders zou leiden, zou de invoering vergezeld moeten gaan door een compenserende verlaging van de motorrijtuigenbelasting.
Acht de Commissie de invoering van de tol voor personenauto's in Duitsland, mits tevens tot verlaging van de motorrijtuigenbelasting wordt besloten, verenigbaar met het discriminatieverbod van artikel 12 van het EG-Verdrag?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Ik zou het geachte Parlementslid ervan op de hoogte willen brengen dat de motorrijtuigenbelasting, met uitzondering van die voor zware vrachtvoertuigen, momenteel niet geharmoniseerd is op Gemeenschapsniveau. Hoewel er in Richtlijn 1999/62/EG jaarlijkse minimumtarieven voor motorrijtuigenbelasting op zware vrachtvoertuigen zijn vastgelegd, staat het de lidstaten vrij naar eigen goeddunken nationale bepalingen voor het belasten van auto’s vast te leggen. Een vergelijkbare toestand bestaat er op het gebied van tolgelden en heffingen voor wegvoertuigen. Deze houden vaak verband met en worden gerechtvaardigd door de kosten die nationale overheden maken voor het aanleggen en het onderhouden van de wegeninfrastructuur.
Richtlijn 1999/62/EG verschaft een kader voor het op een niet-discriminerende en evenredige manier heffen van tol en het aanrekenen van kosten voor zware vrachtvoertuigen. Voor personenvoertuigen bestaat dergelijke Gemeenschapswetgeving niet. Nationale bepalingen waarmee belastingen op auto’s, tolgelden of heffingen ingevoerd worden, moeten echter sporen met het algemeen beginsel van het EG-Verdrag, mogen niet leiden tot grensoverschrijdende formaliteiten bij de handel tussen de lidstaten en moeten het non-discriminatiebeginsel in acht nemen.
De Commissie is van mening dat als het innen van tolgelden voor wegvoertuigen niet afhankelijk wordt gemaakt van een beslissing om tegelijkertijd belastingen op auto’s te verlagen en als deze maatregelen geen enkele rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie vormen op basis van de nationaliteit van het wegvoertuig, zij niet indruisen tegen artikel 12 van het EG-Verdrag.
Ik zou eraan willen herinneren dat de Commissie een vergelijkbaar antwoord heeft gegeven op een mondelinge vraag tijdens het Vragenuur in de vergaderperiode van het Parlement in december. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, overweegt Duitsland momenteel niet om tol te gaan heffen op personenauto’s. Als Duitsland een tolsysteem zou invoeren, zoals in de mondelinge vraag gesteld werd, dan zou de Commissie dergelijke bepalingen natuurlijk uitgebreid onderzoeken.
Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, met het oog op de infrastructuurkostenrichtlijn zou ik de commissaris willen vragen hoe de Commissie het principe van de internalisering van externe kosten verder denkt te gaan bevorderen. We hebben de infrastructuurrichtlijn nu wel aangenomen, maar hoe denkt de Commissie, vooral in termen van wetenschappelijk onderzoek, het verband tussen milieuvervuiling en het zware goederentransport duidelijker aan te tonen en vervolgens met de resultaten in de hand een nieuw voorstel voor een betere, beter op het milieu afgestemde Eurovignet-richtlijn voor te leggen?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) In het Witboek inzake vervoersbeleid tot 2010 wordt vastgesteld dat een van de belangrijkste oorzaken van de onevenwichtigheden in het vervoerssysteem gelegen is in het feit dat de gebruikers van de verschillende vervoersmodaliteiten niet altijd hoeven te betalen voor de door hen veroorzaakte kosten.
Door op januari 2003 het verslag over de conclusies van het Witboek aan te nemen, bevestigde het Europees Parlement dat er infrastructuurheffingen nodig zijn. Afstandsafhankelijke wegentol en heffingen die gebaseerd zijn op de duur van het weggebruik, worden historisch gezien geïnd op autosnelwegen of andere hoofdwegen om er de bouw, de exploitatie en het onderhoud van infrastructuur mee te financieren. Met het voortschrijden van de technologie kunnen deze instrumenten in toenemende mate ook ingezet worden om het verkeer in goede banen te leiden: spitsheffingen, uitstootafhankelijke heffingen, enzovoort.
De meeste lidstaten innen op tenminste een deel van hun wegennet tol of heffingen. Het Commissiebeleid inzake tol en andere heffingen is dat ze een belangrijk instrument vormen om investeringen in de infrastructuur te financieren, het verkeer in goede banen te leiden en investeringen van de privé-sector in het infrastructuurbeheer aan te moedigen. Hoewel de Commissiewetgeving zich momenteel beperkt tot zware vrachtvoertuigen, zoals ik al heb vermeld, is deze materie dus wel degelijk onderdeel van ons beleid.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 34 van Robert Evans (H-0016/06)
Betreft: Junk food
Deelt de Commissie mijn bezorgdheid over de reclame voor zogenaamd 'junk food' onder kinderen via televisie, internet en andere media? Acht de Commissie maatregelen op EU-niveau gepast in het licht van de internationale aard van de markt en de distributiekanalen, in combinatie met de duidelijk nadelige gevolgen van deze producten?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, de Commissie hecht veel belang aan de mogelijke uitwerking van reclame op het gedrag van kinderen. Dat is met name het geval bij reclame voor voedingsmiddelen, gelet op het mogelijk verband met de voeding en de gezondheid van kinderen. In het algemeen heeft de Europese Unie een aantal horizontale normen die met dit terrein te maken hebben en waarbij die reclameactiviteiten worden gereguleerd die het gedrag van kinderen kunnen beïnvloeden en die ook voedingsmiddelen bestrijken.
Ten eerste de televisiereclame: sinds 1989 wordt in de richtlijn Televisie Zonder Grenzen bepaald dat dergelijke reclame minderjarigen geen geestelijke of lichamelijke schade mag berokkenen. In het bijzonder mag televisiereclame minderjarigen niet rechtstreeks aansporen een product of een dienst te kopen door te profiteren van hun onervarenheid of goedgelovigheid, mag ze minderjarigen er niet rechtstreeks toe aanzetten hun ouders of anderen te overreden tot de aankoop van producten of diensten waarvoor reclame wordt gemaakt noch het speciale vertrouwen uitbuiten dat minderjarigen hebben in ouders, leerkrachten of anderen in hun nabijheid.
In een voorstel voor een wijziging van deze richtlijn dat op 13 december 2005 door de Commissie is aangenomen, zouden deze bepalingen uitgebreid worden naar andere vormen van audiovisuele inhoud. In de richtlijn oneerlijke handelspraktijken, die in 2005 werd aangenomen, staan gelijksoortige bepalingen. Hierdoor zullen kwetsbare groepen consumenten beter beschermd worden, omdat men kinderen niet rechtstreeks mag aansporen producten te kopen waarvoor reclame wordt gemaakt, of hun ouders of andere volwassenen te overreden de geadverteerde producten voor hen te kopen.
In dit stadium is de Commissie niet van plan andere wetgevende initiatieven te nemen. De Commissie verwacht nu dat de sector door middel van zelfregulering optreedt en de geldende wettelijke bepalingen op een effectieve en precieze manier aanvult. Daartoe heeft ze een vergaand proces opgestart.
Zo moet het Europees platform voor voeding, lichaamsbeweging en gezondheid leiden tot niet-regelgevende maatregelen en harde toezeggingen van het bedrijfsleven. De Commissie verwacht onder andere een aantal toezeggingen met betrekking tot reclame voor kinderen. Tegelijkertijd heeft de Commissie de dialoog met het bedrijfsleven en met anderen geïntensiveerd om te bekijken hoe zelfregulerende reclamemaatregelen verder verbeterd kunnen worden.
In december 2005 heeft de Commissie een Groenboek aangenomen over de bevordering van gezonde voeding en lichaamsbeweging. Een van de vragen waarop in het Groenboek specifiek om antwoord wordt verzocht, luidt: “Zijn vrijwillige gedragscodes (‘zelfregulering’) een geschikt middel om de reclame voor en verkoop van levensmiddelen die energierijk en arm aan micronutriënten zijn, aan banden te leggen? Welke alternatieven moeten overwogen worden als zelfregulering niet werkt? De Commissie hoopt dat deze aanpak significante toezeggingen op zal leveren die alle betrokkenen en de samenleving in haar geheel ten goede zullen komen. Mocht dit niet het geval zijn – en dit is belangrijk – dat zal de Commissie niet aarzelen gepaste wetgevende maatregelen voor te stellen.
Robert Evans (PSE). – (EN) Dank u wel, commissaris, mag ik u op dat laatste punt nog een beetje verder laten gaan, want tot dan toe was ik een beetje teleurgesteld over uw antwoord, omdat u suggereerde dat de wetgeving er al lag. Ik kan u tal van voorbeelden geven waar ik me zorgen over maak, maar ik zal het bij één laten. Nestlé “Cheerios” zijn ontbijtgranen met 21 procent suiker en veel zout. De fabrikanten maken hun eigen kleurboeken en moedigen kinderen aan meer en meer van hun product te eten, naarmate ze meer inkleuren.
Zoals u in uw opmerkingen aanstipte, beschikt de EU al over wetgeving op dit punt, maar u suggereerde ook dat die wetgeving als basis gebruikt zou kunnen worden. Als er geen nieuwe wetgeving nodig is, mag ik u dan met klem verzoeken de bestaande maatregelen en de zelfregulering – waarvan ik niet zeker ben dat deze wel zo precies is – opnieuw te bekijken en te zien of ze werken of dat ze aangescherpt moeten worden?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Het ligt nogal voor de hand dat de voeding en de gezondheid van jonge mensen niet alleen voor de Commissie erg belangrijk is. Ik denk dat we het daar allemaal over eens kunnen zijn. Ook is het vrij duidelijk dat we niet graag in een situatie belanden waarin jonge mensen te zwaar kunnen worden. Dat kan later in hun leven ernstige problemen veroorzaken, niet alleen voor hun eigen gezondheid, maar ook voor de samenleving. Daarom zullen we nagaan hoe een en ander momenteel functioneert. Als – met de nadruk op als – dit niet lijkt te werken, zal de Commissie dan ook bereid zijn verdere stappen te nemen.
Philip Bushill-Matthews (PPE-DE). – (EN) In tegenstelling tot mijn collega ben ik verheugd dat u vandaag geen extra wetgeving voorstelt. Uw standpunt klopt als een bus.
Ook wil ik u ervoor bedanken dat u ons eraan herinnerd heeft dat het hier over voeding, lichaamsbeweging en gezondheid gaat. Het is erg makkelijk om in te blijven hakken op de levensmiddelenindustrie, maar bent u het niet met mij eens dat het tijd wordt dat mensen inzien dat individuen verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven en dat beweging een enorme rol speelt in dit duidelijk zeer belangrijke vraagstuk?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Zoals ik eerder al zei, hebben wij allemaal een verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat jongeren niet in een situatie terechtkomen waardoor ze later in hun leven meer kans lopen ziek te worden. Natuurlijk kan de samenleving niet voor iedereen verantwoordelijk zijn. Daarom dragen ouders en andere volwassenen die overdag jongeren begeleiden, op dit gebied ook verantwoordelijkheid.
In de lidstaten moet er een discussie op gang komen over hoeveel jongeren door de week op school bewegen. Er bestaat een duidelijk verband tussen beweging en gezondheid, als functie van de ziektes die je op kunt lopen, als je onvoldoende beweegt. Nu ben ik oud genoeg om te zeggen dat toen ik jong was al die videospelletje nog niet bestonden: we zaten niet achter computerschermen om ons te vermaken. We moeten jongeren dus aanmoedigen eropuit te gaan en wat te bewegen om te proberen te voorkomen dat ze later in hun leven in een toestand belanden die niemand van ons zou willen.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 35 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-0052/06)
Betreft: Financiering van de trans-Europese vervoersnetwerken
Het tijdens de Europese Top van december 2005 bereikte politieke akkoord betreffende de financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013 behelst onder andere een reductie van de financiële middelen die voor de trans-Europese vervoersnetwerken zijn gereserveerd van 20 miljard euro, zoals oorspronkelijk voorgesteld door de Commissie, naar 7 miljard euro.
Is de Commissie, in de wetenschap dat de trans-Europese netwerken erg belangrijk zijn voor de verwezenlijking van de strategie van Lissabon en voor de werking van de interne markt, van oordeel dat de 30 voor de nabije toekomst geplande prioritaire projecten met het bedrag van 7 miljard euro daadwerkelijk zullen kunnen worden gerealiseerd? Deelt de Commissie de vrees dat de verlaging van de gereserveerde financiële middelen met tweederde een negatieve uitwerking zal hebben op de hele vervoerssector, gezien ook het feit dat sommige van de bedoelde projecten reeds problemen bij de uitvoering ondervinden, en hoe denkt zij hier iets aan te doen? Beschikt de Commissie over een inschatting van het verloop van de verwezenlijking van de prioritaire projecten en deelt zij de verwachting dat sommige van deze prioritaire projecten vanwege de verlaging van de gereserveerde financiële middelen misschien herzien of zelfs opgeschort zullen moeten worden?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) In juli 2004 heeft de Commissie een voorstel gepresenteerd om de verordening over de trans-Europese netwerken – TEN’s – te wijzigen op grond van de financiële vooruitzichten voor 2007-2013. Die voorzien onder andere in een hoger steunpercentage, tot 50 procent, voor het grensoverschrijdende gedeelte van prioritaire projecten. De totale kredieten belopen 20,35 miljard euro voor deze TEN-vervoersprojecten.
De overeenkomst die tijdens de Europese Raad van december 2005 is bereikt over de vooruitzichten voor 2007-2013 betekent een aanzienlijke verlaging van ongeveer 40 procent van het totaal aan kredieten dat toegekend wordt aan rubriek 1a, die naast de vervoerssector terreinen bestrijkt als onderzoek, onderwijs, concurrentiekracht en nieuwe technologieën. Over de verdeling van de kredieten over de verschillende onderdelen van rubriek 1a is nog geen beslissing genomen.
De Commissie kan daarom geen precies antwoord geven aan het geachte lid ten aanzien van de weerslag van de verlaging van de bedragen die in het oorspronkelijke voorstel voor de financiële vooruitzichten stonden, totdat de cijfers definitief zijn vastgelegd in interinstitutionele overeenkomsten. Die discussies lopen nog.
Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE). – (EL) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik dank u voor uw antwoord en uw oprechtheid, maar u heeft me er niet van overtuigd dat de Commissie dit probleem met de vereiste ernst aanpakt, want het gaat om een erg belangrijke sector voor de voltooiing van de interne markt en de concurrentiekracht van de Europese Unie.
Het lijkt duidelijk dat het voorstel van de Commissie drastisch zal worden teruggeschroefd. Oplossingen in deze sector vergen tijd. Voor de planning zijn tijd en middelen vereist. Heeft u nog niet gedacht aan betere samenwerking met het bedrijfsleven, aan een grotere participatie van de lidstaten, aan een grotere inbreng van de Europese Investeringsbank? Het verbaast me dat u zich op dit gebied niet aan het voorbereiden bent.
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Het is natuurlijk niet onbelangrijk te onderstrepen dat de Commissie het belang van deze trans-Europese netwerken niet onderschat. Ik ben vandaag echter geenszins in de positie om welk signaal dan ook te geven over de lopende besprekingen over de financiële vooruitzichten voor de periode tot 2013. Zoals ik in mijn eerste antwoord al aangaf, zullen deze besprekingen plaatsvinden op de interinstitutionele beleidsterreinen die op dit cruciale tijdstip altijd het onderwerp van deze onderhandelingen zijn.
Justas Vincas Paleckis (PSE). (LT) Ik zou willen vragen wat de gevolgen zullen zijn van de verlaging van de begroting voor de TEN-projecten voor de nieuwe lidstaten van de Unie. De vervoersinfrastructuur in deze landen, in het bijzonder het spoorvervoer, vertoont een aanzienlijke achterstand in vergelijking met de landen van het Oude Europa. Om preciezer te zijn: hoe zal het voor de Baltische landen essentiële project "Rail Baltica", waardoor hun hoofdsteden worden verbonden met Warschau en Berlijn, ten uitvoer worden gelegd?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Ik heb geen vraag gehoord, alleen maar een uitspraak.
Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik stel vast dat er op mijn eerste vraag geen inhoudelijk antwoord van de Commissie is gekomen. Daarom herhaal ik hem bij deze. Het is begrijpelijk dat de Commissie ons vandaag nog niet kan zeggen hoe zij denkt een begroting te besteden die nog niet vastgesteld is, maar de Commissie is volgens mij wel heel goed in staat te schetsen hoe we de noodzakelijke financiering van de trans-Europese netwerken toch nog veilig kunnen stellen.
En ik vraag nog even door: we weten allemaal dat men er in de verschillende delen van de transportbranche geen moeite mee heeft voor het gebruik van de infrastructuur te betalen. Helaas heeft de nieuwe infrastructuurkostenrichtlijn het plafond voor heffingen erg laag gelegd. Zou men niet een voorstel kunnen maken om dat op te rekken en kruisfinanciering mogelijk te maken?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, het spijt me, maar ik ben niet in de positie om specifieke antwoorden te geven. Zelfs al zou ik het willen, dan liggen de zaken in dit stadium gewoon niet in mijn handen. Ze liggen onder andere in de handen van het Europees Parlement en ik verzoek om uw begrip voor deze situatie.
Er zijn vele belangrijke beleidsterreinen in deze onderhandelingen die sommige leden van het Parlement willen ondersteunen, wat begrijpelijk is, maar in dit stadium is dat onmogelijk. Het spijt me.
Tweede deel
Vragen aan commissaris Potočnik
De Voorzitter. –
Vraag nr. 36 van Justas Vincas Paleckis (H-0054/06)
Betreft: Financiering van het zevende communautaire kaderprogramma voor onderzoek (2007-2013)
De financiering van het zevende communautaire kaderprogramma voor onderzoek (2007-2013) zal dit jaar worden goedgekeurd. Het budget zal waarschijnlijk 72 miljard euro bedragen. Gepland is het aantal aan de projecten deelnemende onderzoekers te verdubbelen, nieuwe posten voor onderzoekers te creëren en betere voorwaarden te scheppen voor de samenwerking tussen de onderzoekers en de ondernemerswereld.
Uit statistische gegevens over de deelneming aan het zesde communautaire kaderprogramma blijkt dat in de meeste lidstaten, waaronder ook Litouwen, kleine en middelgrote ondernemingen weinig van deze bron van financiering hebben geprofiteerd in vergelijking met universiteiten en andere onderzoekscentra of onderzoeksinstituten. In de landen van de Europese Unie, en meer in het bijzonder in de nieuwe lidstaten, is er nog weinig sprake van samenwerking tussen particuliere ondernemingen en onderzoekers. Dit is nadelig voor het wereldwijde concurrentievermogen van de Europese Unie.
Zou er niet een zeker deel van de middelen van het zevende communautaire kaderprogramma (bijv. 15 – 20 procent) gereserveerd moeten worden voor financiële bijdragen aan kleine en middelgrote ondernemingen? De steller van deze vraag is van mening dat dit een stimulans zou vormen voor de samenwerking tussen particuliere ondernemingen en individuele onderzoekers, wat tot een uitgebreider gebruik van nieuwe technologische vindingen en vernieuwingen zou leiden.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. –- (EN) De Commissie wil de vraag van de geachte afgevaardigde graag als volgt beantwoorden. In de eerste plaats moet het Commissievoorstel voor de totale begroting voor het zevende kaderprogramma voor onderzoek worden herzien in het licht van de ontwikkelingen rond de financiële vooruitzichten voor 2007-2013.
In de tweede plaats erkent de Commissie dat samenwerking tussen onderzoeksinstituten en bedrijven, in het bijzonder KMO’s, van uitermate groot belang is. Deelname van de KMO’s is en blijft een van de kerndoelstellingen van de kaderprogramma’s.
In kaderprogramma 6 is een scala van maatregelen genomen om de deelname van KMO’s aan de thematische gebieden waarop zij met andere bedrijven en onderzoeksorganisaties samenwerken, te bevorderen. Tot deze maatregelen behoren: steun voor netwerken van tussenpersonen in specifieke technologische sectoren om KMO’s te helpen bij het opstellen van voorstellen, de voorbereiding, het vinden van partners, et cetera; gerichte uitnodigingen tot het indienen van voorstellen op terreinen die van speciaal belang zijn voor KMO’s, alsmede financieringsregelingen ter ondersteuning van KMO’s, de uitbesteding van onderzoek door KMO’s en associaties van KMO’s. Gezien het succes van deze maatregelen stellen wij voor ze in kaderprogramma 7 voort te zetten. Met de kaderprogramma’s wordt de deelname van KMO’s en de samenwerking van KMO’s met onderzoeksorganisaties dus al heel actief bevorderd.
De geachte afgevaardigde stelde ook voor een gekwantificeerde doelstelling voor KMO-deelname vast te stellen. De Commissie heeft nota genomen van het feit dat de Raad in het kader van het gedeeltelijk algemeen akkoord inzake KP7 een doelstelling van 15 procent voor KMO-deelname heeft opgenomen. Een dergelijke doelstelling bestaat al in KP6, maar de Commissie heeft haar twijfels over het nut van zo’n algemene ondergrens als budgettaire doelstelling voor KMO-deelname, en wel om de volgende redenen.
In de eerste plaats varieert de mogelijke deelname van KMO’s aanzienlijk van het ene thematische gebied tot het andere, van zo’n 5 tot 20 procent. Het is dan ook praktisch onmogelijk om vooraf een realistische algemene doelstelling vast te stellen. Dit kan zelfs misleidend zijn.
In de tweede plaats kunnen streefwaarden voor KMO’s worden opgevat als een ondermijning van de doelstelling dat alleen onderzoek van de hoogste kwaliteit wordt gesteund. Daarmee zouden zij in strijd zijn met de beginselen van gelijke toegang en excellentie die de basis vormen van het kaderprogramma.
In de derde plaats moet de steun voor de KMO’s gericht zijn op reële maatregelen die KP7 werkelijk aantrekkelijk en nuttig maken voor KMO’s, door het afbakenen van onderzoekthema’s, het vereenvoudigen van de administratie, enzovoort.
De Commissie is dan ook van mening dat we KMO’s het beste bij dit programma kunnen betrekken door belemmeringen voor KMO-deelname weg te nemen, en dat is precies wat wij willen doen. Dit kan ook worden bereikt door vereenvoudiging en verbetering van de administratieve en financiële procedures, kortere contracteringstijd, vereenvoudiging van de rapportage-eisen en meer flexibiliteit voor KMO’s om projecten te kiezen die qua bereik en omvang het beste aansluiten bij hun behoeften. Ook moet bij de ontwikkeling van de inhoud van de thema’s van de specifieke programma’s en in het bijzonder van de werkprogramma’s meer rekening worden gehouden met de behoeften en mogelijkheden van de KMO’s.
Daarnaast is het van groot belang te onderstrepen dat voor de KMO’s de communautaire financiële bijdrage kan oplopen tot 75 procent van de subsidiabele kosten, in plaats van de gebruikelijke 50 procent. Dit voorstel is opgenomen in de regels voor deelname.
Justas Vincas Paleckis (PSE). – (EN) Hartelijk dank, commissaris, voor uw overtuigend antwoord. Het gaat in het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling in elk geval om forse bedragen. Hoe wil de Commissie deze middelen tussen de lidstaten gaan verdelen? Waarschijnlijk zal de voorkeur worden gegeven aan grote en belangrijke projecten. Zou het ook zo kunnen zijn dat de financiële bijstand voor het overgrote deel zal worden toegewezen aan landen waar al veel aan onderzoek wordt gedaan, en dat de landen waar dat niet het geval is het met wat kruimels moeten doen?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, het kaderprogramma is slechts een van de instrumenten die op het niveau van de Europese Unie worden ingezet; het betreft ongeveer 4 tot 5 procent van de EU-begroting. Ik ben het met de geachte afgevaardigde eens dat dit een enorm bedrag is, maar als het gaat om zulke vragen als hoe wij onze levenskwaliteit op peil kunnen houden en mondiaal kunnen blijven concurreren, liggen er ook belangrijke uitdagingen voor ons. Dat is de belangrijkste vraag van de Lissabon-agenda en het partnerschap voor groei en werkgelegenheid dat een vervolg daarop is.
Het is mijns inziens van cruciaal belang dat wij enerzijds de minder ontwikkelde en kleinere lidstaten, die op dit moment misschien nog niet de mogelijkheid hebben om op gelijke voet te concurreren, proberen te stimuleren. Er zijn verschillende speerpunten; het zevende kaderprogramma bevat voorstellen voor specifieke maatregelen om dat concurrentievermogen te versterken. Anderzijds moeten wij ons ook goed realiseren dat wij als Europese Unie naar de top moeten streven. Wij moeten excellentie stimuleren en ervoor zorgen dat wij echt kunnen concurreren met de veranderende en uitdagende wereld van vandaag.
Het punt dat u noemde vinden wij dan ook uitermate belangrijk, maar wij zijn er ook van overtuigd dat de verschillende geldstromen moeten worden gecombineerd, zodat wij beide vraagstukken die ik zojuist noemde, kunnen aanpakken, namelijk enerzijds streven naar de top en naar het beste voor Europa, en anderzijds de vraag hoe om te gaan met de anderen die op dit moment misschien nog niet zover zijn.
Anne E. Jensen (ALDE). – (DA) Mevrouw de Voorzitter, er zijn nogal wat landen die verklaard hebben dat de Europese Investeringsbank leningen van maximaal 10 miljard euro zou kunnen verstrekken ten behoeve van onderzoeksdoeleinden of voor onderzoek en innovatie. In hoeverre heeft de Commissie nagedacht over de mogelijkheid de EIB nieuwe financieringsinstrumenten te laten ontwikkelen ter ondersteuning van innovatie?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. –- (EN) Dank u voor deze vraag. U hebt gelijk dat dit in de discussie is genoemd. De Commissie heeft echter al voordat dit punt in de discussie werd genoemd in haar oorspronkelijke voorstel en samen met de Europese Investeringsbank getracht een instrument te ontwikkelen met de naam “risicodelende financieringsfaciliteit”. Een van de grootste problemen waar wij op EU-niveau mee te maken hebben, is dat wij niet allemaal op dezelfde manier met risico’s omgaan. Dat verschilt van cultuur tot cultuur. Daarom is het van cruciaal belang dat wij instrumenten ontwikkelen om dat probleem aan te pakken. Daardoor zitten wij namelijk niet helemaal op één lijn met onze belangrijkste concurrenten, met name waar het gaat om het percentage van het BBP dat in onderzoek en ontwikkeling wordt geïnvesteerd. Het is van cruciaal belang dat wij dat stimuleren.
Dat was ook het idee achter de invoering, samen met de EIB, van de risicodelende financieringsfaciliteit. Die zou het potentieel vergroten, omdat wij voor ieder bedrag aan subsidie dat wij op de een of andere manier aan de EIB zouden geven het vier- of vijfvoudige als krediet zouden terugkrijgen. Dit zou ons ook de mogelijkheid geven een aantal risicovolle zaken aan te pakken waar de EIB zelf - geheel volgens de logica van het bankwezen - zich niet aan waagt. Dit is zeker geen toverformule die al onze problemen zal oplossen, maar ik hoop oprecht dat dit voorbeeld navolging zal krijgen van sommige andere financiële instellingen in Europa.
Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik zou de commissaris willen vragen hoe hij zich die ontbureaucratisering concreet voorstelt, aangezien van het MKB voortdurend de klacht komt dat de bureaucratie – anders dan bij de nationale onderzoekstimuleringsprogramma’s - oeverloos is. Mijn tweede vraag luidt: hoe stelt hij de bescherming van handelsgeheimen veilig?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. - (EN) U raakt hier aan een van de moeilijkste kwesties waarmee wij te maken hebben. Zoals u terecht zegt, is waarschijnlijk de beste manier om de deelname van de KMO’s te stimuleren het terugdringen van de bureaucratie. Grote bedrijven hoeven hier relatief minder energie en geld aan te besteden dan kleinere. Wij proberen dit probleem op een consistente manier te benaderen, namelijk door in het hele proces onnodige bureaucratie terug te dringen, van het Financieel Reglement tot de regels voor deelname en de maatregelen die wij vervolgens intern moeten nemen. Het is een van de moeilijkste operaties die wij uitvoeren. Ik ben er echter vast van overtuigd dat wij, als we het echt willen, een belangrijke stap kunnen zetten die ertoe zal bijdragen dat de negatieve trend op zijn minst wordt omgebogen.
Op dezelfde dag dat wij het kaderprogramma vaststelden, hebben wij ook een speciale nota over vereenvoudigingskwesties aangenomen. Bovendien hebben wij een soort vereenvoudigingscommissie in het leven geroepen. Deze commissie bestaat uit een aantal kleine actoren die ons hebben geadviseerd bij de voorbereiding van de regels voor deelname, en die ons ook zullen adviseren over verder interne vereenvoudigingsprocessen.
Ik zie de vereenvoudiging als een proces waaraan wij in alle fasen moeten werken en dat in de hele periode consequent moet worden doorgevoerd. Ik hoop dat ik bij deze gigantische operatie ook de steun zal krijgen van het Europees Parlement en de Raad, want dit is in zekere zin een probleem van ons allemaal.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 37 van Seán Ó Neachtain (H-0076/06)
Betreft: Financiering van onderzoek voor Europese regio's
Kan de Commissie duidelijk aangeven welke specifieke maatregelen zij denkt te nemen om de rol van de regio's in Europa te bevorderen in het kader van het komende O & O-kaderprogramma?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Het voorstel voor het zevende kaderprogramma bevat een uitgebreide regionale dimensie in het kader van het specifiek programma Capaciteiten, met een aantal nieuwe initiatieven die de Europese regio’s nieuwe mogelijkheden bieden om meer te doen aan onderzoek en technologische ontwikkeling.
Allereerst wordt met een nieuw plan voor kennisregio’s steun gegeven aan regionale onderzoeks- en ontwikkelingsintensieve clusters. Dit plan bouwt voort op twee pilot-acties waarvoor bij onze regionale belanghebbenden veel belangstelling bestaat. De leden herinneren zich ongetwijfeld dat het Europees Parlement zich met name voor de eerste daarvan nogal heeft ingespannen. In het voorstel voor het zevende kaderprogramma wordt de rol van de regionale actoren bij de ontwikkeling van de onderzoekscapaciteit van hun regio erkend en worden projecten gesteund die zijn gericht op regionale, door onderzoek aangestuurde clusters.
Een ander belangrijk nieuw initiatief in het kader van het specifiek programma Capaciteiten betreft de ontsluiting van onderzoekspotentieel; het beoogt het onderzoekspotentieel in de convergentieregio’s van de EU te ontwikkelen door middel van steun voor de detachering van onderzoekspersoneel, de aanschaf van uitrusting of de organisatie van conferenties om de kennisoverdracht te vergemakkelijken.
Ook zullen activiteiten worden ondernomen met het oog op coherente beleidsontwikkeling, een onderdeel van het specifiek programma Capaciteiten dat de uitwisseling van ervaringen tussen beleidsmakers op regionaal niveau mogelijk maakt. Het programma voorziet in activiteiten in het kader van onderzoeksinfrastructuur die belangrijke gevolgen zouden hebben voor sommige regio’s in Europa, en last but not least de activiteiten in het kader van Eranet en Eranet-plus, waarbij ook onderzoeksspelers op regionaal niveau betrokken zullen zijn.
De regio’s zijn altijd partners bij het kaderprogramma geweest. Het feit dat dit programma nu nog een stap verder gaat en ook regelingen bevat die speciaal op de regio’s gericht zijn, mag ons niet doen vergeten dat het kaderprogramma op veel meer manieren heeft bijgedragen aan onderzoek en ontwikkeling in de regio’s, en dat ook zal blijven doen.
Projecten van het kaderprogramma helpen regionale hokjesmentaliteit en provincialisme tegen te gaan. Door de Europese onderzoeksprojecten zullen vernieuwende bedrijven in de convergentieregio’s een rol blijven spelen in de belangrijke technologische netwerken en kunnen zij hun profiel en capaciteit versterken. Ook zullen universiteiten in afgelegen gebieden toegang houden tot innovatieve manieren om hun onderzoeksmodellen aan te passen en in sommige gevallen werkelijk voortrekkers te worden bij de ontwikkeling van hun regio.
KMO-netwerken die aan het kaderprogramma deelnemen, zullen hun technologische kwaliteiten blijven verbeteren. Met de Marie Curie-beurzen wordt het menselijk potentieel op het gebied van onderzoek en ontwikkeling gesteund. Dit heeft een direct effect op de regionale onderzoekscapaciteiten. Nieuwe acties in het kaderprogramma moeten leiden tot betere synergieën met het Europees regionaal beleid, zodat de steun van de structuurfondsen voor onderzoek in de regio’s wordt versterkt.
Door onze acties in het kaderprogramma wil de Commissie bereiken dat er bruikbare modellen komen waarmee de Europese regio’s op een doelmatiger manier hun onderzoeksbeleid kunnen ontwikkelen en uitvoeren, en dus beter in staat zijn hun onderzoeksspelers te steunen. Bovendien zullen zij de middelen uit de structuurfondsen op een doelmatiger manier kunnen aanwenden voor onderzoeksinvesteringen.
Dit biedt een uitstekende mogelijkheid om vooruitgang te boeken inzake de realisering van de Barcelona-doelstelling om 3 procent van het BBP te investeren in onderzoek en ontwikkeling in verband met de Lissabon-strategie. Het is duidelijk dat er een forse inhaalslag nodig is op Europees, nationaal en regionaal niveau, en dat wordt in het voorstel voor het kaderprogramma duidelijk erkend.
Seán Ó Neachtain (UEN). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik dank de commissaris voor zijn uitvoerige antwoord. Ik wil hem vragen op welke manier de Commissie ervoor denkt te gaan zorgen dat het geld eerlijk en evenwichtig over de regio’s wordt verdeeld. Zoals de commissaris weet, zijn sommige regio’s niet in staat van dit geld gebruik te maken, en deze onevenwichtigheid zal onvermijdelijk leiden tot een ongelijke ontwikkeling binnen Europa. Kan de commissaris mij vertellen wat de Commissie daaraan denkt te gaan doen?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) De geachte afgevaardigde wijst terecht op een vraagstuk dat ook ons zorgen baart. De bedoeling van het kaderprogramma is niet in de eerste plaats evenwicht, maar excellentie. Wij realiseren ons dat wij het potentieel van de regio’s moeten ontwikkelen, en daarom is de aanpak van de Commissie in het voorstel steeds gericht geweest op synergie, en dat is hij nog steeds. Het is van cruciaal belang dat de door de Commissie opgestelde richtsnoeren voor de cohesie zorgvuldig worden gelezen. Hierin probeert de Commissie heel duidelijk de boodschap af te geven dat de lidstaten bij hun aanpak van de problemen in hun regio’s terdege rekening moeten houden met de structuur- en cohesiefondsen die in dit verband van belang zijn om de Lissabon-doelstellingen te kunnen realiseren.
Zoals ik al zei, proberen wij dat ook te doen door middel van onze programma’s. Echter, ook als wij specifieke programma’s hebben - zoals het specifiek programma inzake het onderzoekspotentieel in de cohesieregio’s - moeten wij doorgaan met onze aanpak van open oproepen tot het indienen van voorstellen en daaruit de meest stimulerende kiezen. Het is van cruciaal belang dat wij diegenen die op dit moment nog niet bovenaan staan, een steuntje in de rug geven.
Anne E. Jensen (ALDE). – (DA) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de commissaris ervoor bedanken dat hij de aandacht erop heeft gevestigd dat onderzoek kan worden gesteund met middelen uit de structuurfondsen. Ik zou heel graag willen weten hoe dit proces beheerd moet worden en hoe gezorgd kan worden voor onderlinge samenhang tussen verschillende onderzoeksinspanningen: die waarbij gebruik wordt gemaakt van structuurfondsen, die welke op nationaal niveau plaatsvinden en die welke in de EU in het algemeen verricht worden. Hoe kunnen de zaken zo beheerd worden dat er zinnige projecten worden uitgevoerd? Een tweede vraag is: als het gaat om de middelen uit de structuurfondsen die worden gereserveerd voor onderzoek, aan welke bedragen zouden we dan kunnen denken in vergelijking met de bedragen die onder het zevende kaderprogramma beschikbaar zijn? De Raad heeft het erover dat 60 procent van de middelen uit de structuurfondsen aan de verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen besteed moet worden.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Om met het laatste te beginnen, dat was ook het voorstel van de Commissie in de brief die voorzitter Barroso aan het Parlement en de Raad heeft gestuurd.
Het is belangrijk dat wij de noodzaak erkennen van een goede balans tussen fysieke infrastructuur aan de ene kant en intellectuele infrastructuur en andere maatregelen aan de andere kant. Zo kunnen wij de innovatie stimuleren in regio’s die nu nog cohesieregio’s zijn en die qua ontwikkeling onder het gemiddelde in de Europese Unie zitten. Dat is van cruciaal belang.
Onlangs heb ik samen met mijn collega, mevrouw Hübner, een conferentie bijgewoond in Polen. Het was een goede conferentie, waar wij beiden de gelegenheid hadden de aanwezigen uit te leggen hoe belangrijk het is dat wij beide kanten in het oog houden. Wij moeten ons realiseren dat het, als deze aanbevelingen worden overgenomen, uiteindelijk de lidstaten zijn die ermee aan de slag moeten. Wij moeten inzien hoe belangrijk het is dat wij dit soort steun in de praktijk op een evenwichtige manier toepassen.
Ik realiseer mij ook ten volle dat door de verschillen in ontwikkelingsniveau de behoeften van de landen verschillend zijn. Het is dan ook heel belangrijk dat met dit aspect terdege rekening wordt gehouden, net als met deze accentverschuiving.
Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, dames en heren, in het regionale beleid is het belangrijk regelmatig andere voorbeelden voor het voetlicht te brengen. Vandaar mijn vraag: we hebben allerlei best-practice-methoden en we hebben het innovation scoreboard. Commissaris Potočnik kunt u niets eens overleggen met uw collega’s Hübner en Wallström over een manier om deze optimale praktijken ook onder de aandacht van de Europese burger te brengen, zodat er prikkels worden geschapen om deze samenwerking in de toekomst uit te bouwen?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. –- (EN) Ik kan alleen maar zeggen dat ik het helemaal met de opmerkingen van de geachte afgevaardigde eens ben. Het is op alle gebieden van groot belang dat wij weten dat wij naar hetzelfde doel toe werken. Alleen als wij op een praktische manier alle financiële middelen bundelen, kunnen wij werkelijk veranderingen realiseren.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 38 van Teresa Riera Madurell (H-0084/06)
Betreft: Communautaire begroting en het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling
Bij zijn optreden op 26 januari in het Europees Parlement heeft commissaris Potočnik erkend dat de beoogde korting op de financiële vooruitzichten ernstige problemen met zich mee zal brengen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het zevende kaderprogramma. Men zal tot het einde van de onderhandelingen over de uiteindelijke communautaire begroting moeten wachten om te weten hoeveel de vermindering van de kredieten exact zal bedragen.
Kan de Commissie meedelen wat de belangrijkste uitgangspunten zijn die zij hanteert voor de aanpassing van het kaderprogramma aan de vermindering van de kredieten? Is de Commissie voornemens dezelfde verhouding te hanteren bij de toewijzing van de kredieten voor de verschillende programma's? Is de Commissie ook niet van mening dat niet mag worden getornd aan de versterking van de steun voor de onderzoekers ten einde de "braindrain" een halt toe te roepen?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) De Commissie is voornemens bij de herziening van het zevende communautaire kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling vast te houden aan de structuur en de basisgedachte van het oorspronkelijke voorstel. Daarover is immers vrijwel iedereen het eens, zoals is gebleken bij de discussies in het Parlement en de Raad.
Onze uitgangspunten bij de herziening zijn uiteengezet tijdens een vergadering van de Commissie industrie, onderzoek en energie van het Parlement op 26 januari 2006. De kleinere acties kunnen niet zo sterk worden gereduceerd als de grotere, omdat zij anders hun raison d’être verliezen. Sommige begrotingslijnen zijn bijvoorbeeld afhankelijk van internationale verplichtingen die door de Europese Unie of andere organen zijn aangegaan. Prioriteitstelling binnen de thema’s en een grote flexibiliteit zijn ook noodzakelijk.
Het onderdeel samenwerking moet de kern van het programma blijven. Naast het onderdeel samenwerking zal in het herziene voorstel ook veel aandacht worden geschonken aan veel andere activiteiten, zoals infrastructuur, KMO’s en de mobiliteit van onderzoekers.
In verband met de verlaging van het budget zal wellicht niet alleen worden gekeken naar de verdeling, maar ook naar het tijdstip waarop nieuwe initiatieven worden gestart. Het kaderprogramma heeft tot doel het Europese onderzoek aantrekkelijker te maken en de mobiliteit van onderzoekers te vergroten. Dat moet vooral gebeuren door het programma Mensen, dat erop gericht is de mobiliteit, opleiding en loopbaanontwikkeling van onderzoekers in heel Europa te structureren. Dit is van essentieel belang voor een gemeenschappelijke arbeidsmarkt voor onderzoekers, maar het is niet het enige programma dat de Europese onderzoeksruimte aantrekkelijk moet maken.
Teresa Riera Madurell (PSE). – (ES) Mijnheer de commissaris, dank u voor uw toelichting. Met mijn vraag wilde ik u duidelijk maken dat er bezorgdheid heerst in onze wetenschappelijke wereld over de voorziene bezuinigingen op de begroting voor de Europese wetenschap en technologie.
Hoewel het klopt dat we de uitkomst van de onderhandelingen moeten afwachten, is het in de praktijk van groot belang dat we zo spoedig mogelijk weten wat uw plannen zijn voor de aanpassing van het kaderprogramma aan een kleiner budget, en daarom zijn we u dankbaar voor uw toelichting. Het is belangrijk voor de voortzetting van onze parlementaire werkzaamheden, en ook om onze onderzoekers te kunnen informeren, die willen dat er een einde komt aan deze situatie van onzekerheid – die al te lang aanhoudt – omtrent de toekomst van hun onderzoeksprojecten.
Ik wilde u ook nog vragen of het een prioriteit zal blijven om van de Europese Unie een echt aantrekkelijke ruimte te maken voor onderzoekers. Die kwestie ligt ons na aan het hart en ik wil u vragen of u daar iets meer over kunt zeggen.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Wij proberen allemaal om een van de doelstellingen te verwezenlijken waartoe de lidstaten in 2002 in Barcelona hebben besloten, namelijk om 3 procent van het BBP te besteden aan investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Het is van cruciaal belang dat wij onze krachten op een praktische manier bundelen. Het is duidelijk dat samenwerking op EU-niveau waarschijnlijk de beste manier is om het geld te gebruiken en te investeren. Dat gebeurt met of zonder onze investeringen. Deze trend zal zich voortzetten, omdat dit de enige manier is om de uitdagingen die voor ons liggen werkelijk aan te pakken. Door dat op Europees niveau te stimuleren, kunnen wij dit proces echter wel versnellen. Daarom ben ik het helemaal met u eens dat onze gemeenschappelijke inspanningen heel belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat Europa daarvan kan profiteren.
Momenteel loopt ongeveer 5 procent van de publieke middelen voor onderzoek en ontwikkeling via het Europese kaderprogramma. De rest komt uit de begrotingen van de lidstaten. De private financiering is nog belangrijker dan de publieke financiering. Van al het geld dat in de Europese Unie in onderzoek en ontwikkeling wordt geïnvesteerd, komt ongeveer 55 procent uit de particuliere sector, tegenover 45 procent uit de publieke middelen. Het is van groot belang dat wij niet alleen de publieke, maar ook de particuliere sector proberen te stimuleren. Het is van groot belang dat bedrijven in Europa werken en investeren. Daarom is het van groot belang dat wij deze bedrijven stimuleren door de juiste voorwaarden te scheppen, dat wil zeggen dat wij zorgen dat er gunstige fiscale regelingen zijn, dat overheidssteun beschikbaar is, dat de intellectuele eigendomsrechten goed geregeld zijn, dat de overheidsopdrachten hierbij aansluiten, dat risicodragend kapitaal beschikbaar is, dat de mobiliteit van hoogopgeleide personen wordt gestimuleerd, enzovoort. Al die dingen spelen mee.
Drie procent is een soort indicator die aangeeft of wij goed bezig zijn. Ons horizontale beleid, dat dwars door alle sectoren heen loopt, is een consistent beleid, waarmee wij de uitdagingen waar wij vandaag voor staan werkelijk aankunnen.
Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, dames en heren, vandaag wordt een uitspraak van Jean-Claude Juncker in de krant geciteerd, volgens welke het laatste woord nog niet gesproken is over de financiële vooruitzichten, het aanbod van de Raad. Hij zegt zich een bedrag van 875 miljard euro voor te kunnen stellen.
Gelooft u dat er nog een kans bestaat om een groter bedrag vrij te maken voor het zevende kaderprogramma voor onderzoek?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Het laatste woord is hier nog niet over gesproken. De interinstitutionele onderhandelingen zijn nog gaande en we weten allemaal dat het standpunt van het Parlement vaststaat. Ik was altijd verheugd over de steun van het Parlement aan onze gezamenlijke inspanningen voor het bevorderen van onderwijs, onderzoek en ontwikkeling en innovatie – de zogenaamde kennisdriehoek.
Hierover moet tijdens de volgende fase in het proces worden beslist. Ik kan alleen maar zeggen dat de investeringen van de Europese Unie in onderzoek en ontwikkeling lonend zijn geweest; dit is werkelijk van belang. Ik waardeer uw steun ten zeerste.
Margarita Starkevičiūtė (ALDE). (LT) Mijnheer de commissaris, voor het welslagen van de programma's voor wetenschappelijk onderzoek is de participatie van het bedrijfsleven van groot belang, doordat dit nieuwe vindingen uit wetenschappelijk onderzoek zowel toepast als financiert. Gisteren presenteerde de heer Verheugen, lid van de Commissie voor een ander beleidsterrein, ons in het Europees Economisch en Sociaal Comité zijn programma's als programma's ter bevordering van innovatie. Ik zou de volgende vraag willen stellen: werkt u samen en coördineert u in het algemeen de activiteiten van twee leden van de Commissie en twee soorten programma's?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) “Inderdaad” – dat zou het kortste antwoord zijn. Binnen het kaderprogramma voor concurrentiekracht en innovatie wordt in één fase gewerkt aan het betreffende onderwerp en de andere fasen komen in het kaderprogramma aan bod. Vanaf het allereerste begin hebben wij onze activiteiten, waarvan het effect op innovatie vergelijkbaar is met het effect van de structuurfondsen op de regio’s, gecoördineerd.
Wanneer we het hebben over het betrekken van het bedrijfsleven bij het werk dat we doen, is het bovendien van cruciaal belang te onderstrepen dat we beschikken over een nieuw instrument dat er in het verleden niet was: ik doel hier op de technologieplatforms die aan het begin van deze eeuw zijn opgericht en die zich uitermate snel ontwikkelen. De hele gedachte achter de technologieplatforms – ik geloof dat we er op dit moment 28 hebben – is dat het initiatieven van onderaf zijn, die uitgaan van het perspectief van het bedrijfsleven. Binnen deze platforms wordt rekening gehouden met de gezichtspunten van vrijwel alle belanghebbenden. Hoewel deze platforms dus geworteld zijn in een initiatief van het bedrijfsleven, maken ook onderzoekers, politici, NGO’s, financiële instellingen, regelgevende instanties en anderen er deel van uit. Zij ontwikkelen zogeheten “strategische onderzoeksagenda’s” voor de komende twintig jaar – of meer, afhankelijk van diverse factoren.
Dit is de eerste keer dat dit soort instrument en dit soort logica zijn ontwikkeld op het niveau van de Europese Unie. Ik spreek dagelijks industriëlen en anderen, die duidelijk zeer enthousiast zijn over de ontwikkelingen. Zelfs als we nu de stimulansen wegnemen – die aanvankelijk, als we eerlijk zijn, gefinancierd werden via het kaderprogramma – dan nog blijft onverlet dat dit inmiddels een proces met een eigen verhaal is. Het zal zonder twijfel verandering teweegbrengen op EU-niveau.
Naar mijn mening zitten we in een proces dat enorm belangrijke voordelen zal opleveren. De input die zij geven op basis van hun visie voor de lange termijn – van ideeën over het onderzoek dat verricht zou moeten worden tot ideeën over het eindproduct, alsmede de opvattingen van het bedrijfsleven over hoe de waarde ervan binnen hun werkzaamheden bepaald moet worden – nemen we mee in onze overwegingen wanneer we onze coördinatieactiviteiten ontwikkelen. Dat is in de praktijk het geval in het merendeel van onze programma’s.
Op sommige gebieden, waar volgens ons zo’n langdurig, sterk partnerschap bestaat en waar de bedrijven en andere actoren, bijvoorbeeld de lidstaten, zich zeer betrokken tonen, zijn wij bovendien bereid zogeheten “gemeenschappelijke technologische initiatieven” te ontplooien, die een nieuw instrument voor de lange termijn vormen en als zodanig duidelijk medegefinancierd worden door de Europese Commissie.
Nooit eerder hebben we bij het ontwikkelen van het kaderprogramma – en uiteraard, in de slotfase, bij het ontwikkelen van de specifieke werkprogramma’s – een zo duidelijk overzicht gehad van de bedoelingen, strategieën en gezichtspunten van het bedrijfsleven.
Vragen aan commissaris Wallström,vertegenwoordigd door commissaris Potočnik
De Voorzitter. –
Vraag nr. 39 van Hélène Goudin (H-0013/06)
Betreft: Voorstel van de Commissie voor "Europese goodwillambassadeurs"
Op mijn schriftelijke vraag (E-4200/05) over Plan-D heeft de Commissie geantwoord dat zij zich buigt over de gezichtspunten die van de burgers binnenkomen. De Commissie zegt verder niet van plan te zijn vooraf te definiëren welke personen als "Europese goodwillambassadeurs" zouden kunnen optreden. Op grond van deze informatie heb ik twee vragen die ik graag concreet beantwoord zou zien.
Als de burgers hoofdzakelijk standpunten naar voren brengen die inhouden dat de EU-samenwerking moet worden beperkt en dat meer EU-integratie niet wenselijk is, zal de Commissie dit dan ter harte nemen, dat wil zeggen: zich voor meer internationaliteit inzetten?
Hoe zullen de personen die als "goodwillambassadeurs" moeten optreden worden geselecteerd? Iemand of enige organisatie zou dan redelijkerwijs geschikte "goodwillambassadeurs" moeten voordragen, of kan iedere willekeurige bekende persoon onafhankelijk van zijn politieke opvatting officieel in deze rol optreden?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Mevrouw Wallström ligt met griep in bed. Vandaar dat ik hier ben.
In aanvulling op het antwoord van de Commissie op de vraag die mevrouw Goudin eerder gesteld heeft over het onderwerp ‘Europese goodwillambassadeurs’, namelijk schriftelijke vraag E-4200/05, kan de Commissie de geachte afgevaardigde de verzekering geven dat het haar bedoeling is tijdens de bezinningsperiode te luisteren naar de standpunten van burgers over allerhande EU-kwesties en conclusies te trekken op basis van debatten op alle niveaus. De behandelde onderwerpen zullen zeer uiteenlopend zijn en er zullen al dan niet aanbevelingen worden gedaan over de gewenste mate van integratie op EU-niveau, maar de rol van de Unie zal zeker aan de orde komen en de inhoud van de database van debatten zal weerspiegeld worden in het terugkoppelingsproces.
Het begin van dit proces zal gemarkeerd worden door een eerste syntheseverslag dat de Commissie zal voorleggen aan de Europese Raad onder het Oostenrijkse voorzitterschap, ter voorbereiding van de inventarisatie die tijdens de Europese Raad van juni 2006 zal plaatsvinden. De Commissie maakt graag van deze gelegenheid gebruik om de geachte afgevaardigde eraan te herinneren dat de verklaring waarin wordt opgeroepen tot een periode van bezinning werd aangenomen door de regeringsleiders en staatshoofden zelf, en het is dus ook aan de Raad deze periode te evalueren.
Voorts is er voor de Europese instellingen weliswaar een belangrijke rol weggelegd in de organisatie van nationale debatten, maar de hoofdverantwoordelijkheid berust bij de lidstaten. De aanbeveling die de Commissie in Plan D heeft gedaan, is dat de nationale debatten moeten worden gestructureerd om een directe impact van de feedback op de politieke agenda van de Europese Unie te garanderen.
Wat het tweede deel van de vraag van de geachte afgevaardigde betreft, zou de Commissie er nadrukkelijk op willen wijzen dat de verschillende initiatieven op Europees niveau die in Plan D worden voorgesteld, onderdeel zijn van een langetermijnplan en dat het tempo waarin ze in de 25 lidstaten worden uitgevoerd, varieert. Het plan om met Europese goodwillambassadeurs te gaan werken is een van de maatregelen die verder uitgewerkt dienen te worden in de meeste landen van de EU en in samenwerking met de lidstaten, afhankelijk van de creativiteit en de voorstellen die worden gedaan door degenen die bij het proces betrokken zijn.
Er is geen sprake van één enkel model dat voor alle landen geldt, net zoals er geen standaardmodel is voor de wijze waarop de debatten in de lidstaten georganiseerd worden. Hoe dan ook, de Commissie vindt het belangrijk te herhalen dat de ambassadeurs te allen tijde op vrijwillige basis zouden werken en dat de door hen verkondigde standpunten, hun eigen standpunten zouden zijn. Het is geenszins de bedoeling van de Commissie hun een bepaalde gedragslijn voor te schrijven.
Hélène Goudin (IND/DEM). – (SV) Denkt commissaris Potočnik niet dat het project met de goodwillambassadeurs weleens belachelijk zou kunnen overkomen? Horen het geen verkozen, representatieve parlementariërs te zijn die ambassadeurs zijn voor de EU?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Wij hebben er zonder meer alle vertrouwen in dat leden van het Parlement als ambassadeurs voor de Europese Unie zullen optreden. Dat is een taak voor ons allemaal. Naar mijn mening is Europa eenvoudigweg te groot en er heersen tegenwoordig zoveel misverstanden in Europa dat niemand van ons, zelfs als we onze uiterste best doen, ze echt uit de wereld kan helpen. Ik denk dat het betere resultaten oplevert als we op wat voor manier dan ook de mensen meer bewust maken van wat de Europese Unie werkelijk inhoudt.
Ik ben het met de geachte afgevaardigde eens dat het een taak is van ons allemaal, als leden van het Parlement en de Commissie, maar de maatregel die wij voorstellen is eveneens van belang.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 40 van Richard Corbett (H-0021/06)
Betreft: Middelen voor het debat over de toekomst van Europa
Welke middelen worden er beschikbaar gesteld voor maatschappelijke organisaties om het debat over de toekomst van Europa te stimuleren? Wanneer wordt de oproep tot het indienen van voorstellen gepubliceerd?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) De Commissie deelt de geachte afgevaardigde mee dat er in de begroting voor 2006 7,6 miljoen euro zal worden uitgetrokken voor de Prince-begrotingslijn, die bedoeld is om maatregelen te financieren zoals die welke in Plan D worden voorzien om het debat tijdens de periode van bezinning waartoe de Europese Raad van juni 2005 besloten heeft, uit de verf te doen komen.
Deze begrotingslijn zal als volgt worden beheerd: in de komende weken zal een oproep tot het indienen van voorstellen worden gedaan, om steun te bieden aan pan-Europese projecten die ten doel hebben de voorwaarden te scheppen voor debatten door burgers over EU-kwesties. Deze oproep, waarmee 2 miljoen euro gemoeid zal zijn, zal enerzijds gericht zijn op het – vooral in kwalitatieve zin en op grote schaal – verzamelen van standpunten van burgers en anderzijds op het analyseren van de bijdragen van burgers ten behoeve van beleidsmakers. Daarnaast zal 850 000 euro worden uitgetrokken voor het ontwikkelen van specifieke informatieproducten.
Om te bevorderen dat Plan D op lokaal niveau ten uitvoer wordt gelegd, zal op aanvullende basis 4,5 miljoen euro verspreid worden onder de vertegenwoordigingen van de Commissie. Doel is op regionaal en lokaal niveau debatten op gang te brengen en de synergie en de coördinatie tussen het nationale, regionale en EU-niveau te verbeteren bij de tenuitvoerlegging van Plan D. Deze 4,5 miljoen euro zal worden verstrekt via oproepen tot het indienen van voorstellen dan wel aanbestedingen.
Tot slot zal er 250 000 euro nodig zijn om een website te bouwen die speciaal gewijd is aan het debat over Europa. In een breder verband heeft de Commissie al uiting gegeven aan haar teleurstelling over het recente akkoord van de Europese Raad om de globale vastleggingskredieten van de volgende financiële vooruitzichten, rubriek 3, te verlagen juist nu het debat over Europa van werkelijk cruciaal belang wordt.
Richard Corbett (PSE). – (EN) Ik ben blij met het antwoord van de commissaris. Het doet mij deugd dat de nadruk ervan ligt op het maatschappelijk middenveld en NGO’s en op het luisteren naar hun meningen, en niet op het alleen maar luisteren naar sensatiebladen en andere protagonisten van het debat. Ik zou ook willen vragen of de Commissie, hoewel de nadruk in deze bezinningsperiode tot nu toe meer op de context dan op de tekst van de Grondwet heeft gelegen, het ermee eens is dat het debat te zijner tijd zal moeten gaan over wat we feitelijk aan deze tekst gaan doen, misschien niet dit jaar, maar toch zeker volgend jaar.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Uiteraard ben ik van mening dat er ook aandacht moet worden geschonken aan de inhoud en aan de kwesties die u naar voren bracht. Zoals u zei, misschien niet dit jaar, misschien volgend jaar, maar ook daaraan moet aandacht worden besteed.
James Hugh Allister (NI). – (EN) Commissaris, zoals blijkt uit het onlangs bekendgemaakte voorstel van commissaris Wallström voor een politiek gecontroleerde Europese nieuwsdienst, de EBS, ofwel Europe by Satellite, heeft de Commissie graag de touwtjes in handen als het haar eigen propaganda betreft. In hoeverre kunnen we er, dit in aanmerking genomen, op vertrouwen dat er ook maar enige poging gedaan zal worden om de financiële middelen evenwichtig te verdelen tussen organisaties en personen die reclame maken voor de Grondwet en organisaties en personen die zich tegen de Grondwet uitspreken?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Het moet een open debat zijn en dat is ook altijd de bedoeling geweest. Het moet een debat zijn waarin beide kampen, voor en tegen, gehoord worden. Zo is het gedurende het hele proces van debatten over de Grondwet gegaan en daarbij was sprake van brede raadpleging. Dat is ook ons voornemen voor de toekomst.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 41 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0030/06)
Betreft: Maatregelen ter verbetering van de Europese voorlichtingsnetwerken
Hoe beoordeelt de Commissie de tot nu toe verrichte activiteiten van de Europese voorlichtingsnetwerken?
Is zij van plan een nieuwe programmering in te voeren om de Europese burgers efficiënter voor te lichten en, zo ja, welke financieringsmechanismen denkt zij hierbij te gebruiken?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Op 1 mei 2005 lanceerde de Commissie het nieuwe Informatienetwerk Europe Direct. 393 nieuwe, lokale informatiecentra, verspreid over de gehele uitgebreide Europese Unie, hebben de plaats ingenomen van de vroegere Info Points Europe en de voorlichtings- en adviescentra voor het platteland (de zogeheten carrefours) die zich op de burgers in respectievelijk stedelijke en plattelandsgebieden richtten. De doelstellingen van het nieuwe netwerk zijn efficiënter gemaakt zodat beter tegemoet kan worden gekomen aan de informatiebehoefte van het publiek.
De financieringsmechanismen die nodig zijn om het netwerk te ondersteunen, moeten in overeenstemming zijn met het Financieel Reglement van de EG. De nieuwe informatiecentra zijn daarom, na het betreffende besluit van de Commissie, C/2004/2869, geselecteerd aan de hand van een oproep tot het indienen van voorstellen. Elk Europe Direct informatiecentrum krijgt een exploitatiesubsidie van maximaal 24 000 euro, terwijl de maximale subsidie voor de voormalige Info Points en carrefours 20 000 euro bedroeg. Bovendien is Digicom van plan begin 2007 een aanvullende oproep tot het indienen van voorstellen te publiceren, zodat nieuwe informatiecentra geopend kunnen worden in geografische gebieden die door het huidige netwerk onvoldoende gedekt worden, waarbij ook rekening zal worden gehouden met de toekomstige toetreding van Roemenië en Bulgarije.
Wat de beoordeling van het effect van de netwerken betreft: uit een in 2003 uitgevoerde interne beoordeling van de vroegere informatiecentra, kwam naar voren dat de informatiecentra een zeer waardevolle functie vervulden als partners in het communicatiebeleid, vooral op lokaal en regionaal niveau. Over het nieuwe netwerk kan ik u meedelen dat vanaf het tweede semester van 2006 een on-line toezichtssysteem zal worden ingevoerd om de activiteiten van de informatiecentra te beoordelen.
In het kader van het actieplan van de Commissie ter verbetering van de communicatie over Europa, dat in juli 2005 gepubliceerd is, is de Commissie tenslotte van plan een haalbaarheidsstudie uit te voeren – actie 6 van het actieplan – om te beoordelen in hoeverre het wenselijk is de diverse informatiebronnen van de Commissie stap voor stap te stroomlijnen. Zoals in actie 42 van hetzelfde actieplan staat, zal het effect van de communicatie over de activiteiten van de informatiecentra worden beoordeeld; deze effectbeoordeling staat voor eind 2006 op de planning.
Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). – (EL) Mevrouw de Voorzitter, ik heb uw antwoord op de vorige vraag gehoord en wil u vragen wat de verhouding is tussen de uitgaven voor permanente voorlichting in Europa en de uitgaven voor het betreffende plan D?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Er is geen geld voor die verhouding. Het vorige punt en dit zijn niet gerelateerd.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 42 van Margarita Starkevičiūtė (H-0072/06)
Betreft: Berichtgeving van Euronews in Litouwen
Euronews verzorgt de dagelijkse berichtgeving over actuele Europese onderwerpen en wordt gedeeltelijk gesubsidieerd via de EU-begroting. Aangezien de inwoners van Litouwen geen toegang tot dergelijke programma's hebben, verkeren zij in een nadelige positie ten opzichte van de burgers van andere lidstaten, met name omdat de plaatselijke media het zich niet kunnen veroorloven verslaggevers in de Europese Unie aan te trekken.
Ziet de Commissie mogelijkheden om de inwoners van Litouwen via de nationale publieke zender toegang te bieden tot de dagelijkse uitzendingen van een half uur van Euronews?
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) In 2005 heeft de Commissie een servicecontract met Euronews ondertekend waarin is vastgelegd dat Euronews in zijn berichtgeving en zijn nieuwsrubrieken aandacht besteed aan EU-kwesties, waarbij een strikte redactionele onafhankelijkheid gewaarborgd blijft. De productiekosten en distributiekosten van de EU-programma’s zijn in het contract geregeld. De ondertekening was gebaseerd op de zeven talen waarin Euronews uitzendt – Duits, Engels, Frans, Italiaans, Portugees, Spaans en Russisch – en op de verspreidingsgraad. Het contract bevat geen enkele verplichting voor de zender om zijn geografische dekking of het aantal talen uit te breiden. Het contract stipuleert echter dat, hoezeer de dekking of het aantal talen ook zou worden uitgebreid, er EU-programma’s zouden worden uitgezonden.
Een van de selectiecriteria was de capaciteit en de bereidheid van Euronews om zijn geografische dekking en het aantal gebruikte talen uit te breiden. Sinds het contract ondertekend is, is er een venster geopend naar Roemenië, en daar wordt in het Roemeens uitgezonden; er zijn overeenkomsten gesloten in India, China en elders.
Euronews diversifieert ook de verschillende distributietechnologieën met behulp waarvan de zender ontvangen kan worden: kabel, DTT, mobiele telefoons, enzovoort. De distributie is evenwel een commerciële aangelegenheid waarover uitsluitend Euronews beslist. Het spreekt voor zich dat de Commissie Euronews aanmoedigt zijn technologieën voor geografische spreiding en het aantal talen waarin de zender beschikbaar is, uit te breiden met behulp van alle middelen waarover het beschikt.
Wat Litouwen aangaat: op dit moment kunnen slechts 49 000 van de 1,33 miljoen huishoudens Euronews ontvangen via de kabel of satelliet. Euronews heeft een aanvraag voor distributie via digitale aardse televisie ingediend bij Lietuvos Telekomas en hoopt op een positief antwoord. Voorts zijn er onderhandelingen aan de gang met de publieke omroep LRT om het mogelijk te maken Euronews-programma’s uit te zenden op de lagere frequenties van LRT, zo vaak als men wil. Er wordt momenteel ook overlegd over een venster naar Litouwen, dat vergelijkbaar is met dat naar Roemenië.
Margarita Starkevičiūtė (ALDE). (LT) Ik wil u enkel even bedanken voor uw antwoord. Ik ga ervan uit dat de Commissie er in de toekomst voor zal proberen te zorgen dat al die "Euro News"-faciliteiten beschikbaar komen in alle landen waar ze niet worden uitgezonden, en in, laten we zeggen, de buurlanden, aangezien televisie nog altijd het populairste informatiemedium is, vooral als het gaat om Europa.
Janez Potočnik, lid van de Commissie. – (EN) Wij doen ons best, rekening houdend met de contracten en de onafhankelijkheid van Euronews.
Vragen aan commissaris Fischer Boel
De Voorzitter. –
Vraag nr. 43 van Henrik Dam Kristensen (H-0007/06)
Betreft: Suikerakkoord en renationalisering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
In het akkoord over hervorming van de suikersector wordt een aantal lidstaten de mogelijkheid geboden nationale steunbetalingen aan de suikerbietenproducenten te doen. Wat is in het verlengde hiervan het principiële standpunt van de Commissie inzake het gebruik van nationale steun als reguleringsinstrument in het gemeenschappelijk landbouwbeleid? Valt te verwachten dat de Commissie in toekomstige voorstellen van dit instrument gebruik zal maken? Of blijft het een uitzondering dat hiervan in verband met de hervorming van de suikersector gebruik wordt gemaakt? Wat zijn volgens de Commissie de vooruitzichten voor de afwikkeling van de subsidies voor de landbouwproductie als de landbouwsteun geheel of gedeeltelijk wordt gerenationaliseerd?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (DA) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigde, wat de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van Europa betreft, heeft van meet af aan het algemeen erkende beginsel gegolden dat er rekening gehouden moest worden met de specifieke aard van landbouw en met de structureel bepaalde verschillen tussen de diverse regio’s van de EU – van Finland in het noorden tot het allerzuidelijkste puntje van Italië. Deze aspecten kunnen bovendien zo nodig worden verdisconteerd met behulp van staatssteun.
Het is momenteel toegestaan staatssteun te verlenen voor de productie en verwerking van diverse landbouwproducten die zijn op genomen in bijlage 1 bij het EG-Verdrag, mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. Ten eerste moeten de mededingingsvoorwaarden in acht worden genomen. Ten tweede moet de steun in overeenstemming zijn met het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het algemeen, en ten derde moet deze steun uiteraard verenigbaar zijn met de internationale verplichtingen die wij zijn aangegaan. Ik zou in dit verband onze WTO-akkoorden over de landbouw kunnen noemen.
Tijdens de Europese Raad van november hebben de ministers van Landbouw de politieke strategie uitgestippeld voor de hervorming van het gemeenschappelijk EU-beleid ten aanzien van suiker. Volgens dit akkoord wordt het mogelijk beperkte en specifieke staatssteun ten bedrage van maximaal 350 euro per hectare te verlenen aan suikerbietenproducenten in Finland, en geldt een maximum van 90 miljoen euro per jaar voor steun die specifiek bestemd is voor de ultraperifere regio’s van de EU. Ook is besloten dat die lidstaten die hun suikerquota met meer dan 50 procent verlagen tijdelijke steun kunnen ontvangen voor een overgangsperiode van vijf jaar, gerekend vanaf het productiejaar waarin zij beginnen hun quota te verlagen of waarin zij hun quota verlagen tot minder dan 50 procent. In het geval van Italië heeft een dergelijke overgangssteun, overeenkomend met ongeveer 11 euro per ton suikerbieten per productiejaar, al realiteit kunnen worden. De steun is hoofdzakelijk bestemd voor het vervoer van bieten.
De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), die in 2003 is aangenomen overeenkomstig de besluiten op landbouwgebied die eerder in Berlijn, Göteborg en Brussel waren genomen, wordt nu ten uitvoer gelegd. In de nieuwe lidstaten valt de hervorming duidelijk onder het begrotingskader voor de uitgebreide EU zoals dat in 2002 in Brussel is vastgesteld. Het is in connectie met de aanneming van de GLB-hervorming geenszins de bedoeling geweest het Europees landbouwbeleid te renationaliseren.
Henrik Dam Kristensen (PSE). – (DA) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de commissaris hartelijk danken voor haar antwoord. Allereerst wil ik mijn genoegen uiten over het feit dat we een akkoord over hervorming van de suikersector bereikt hebben. Sterker nog, ik twijfel er geen moment aan dat het optreden van de commissaris legitiem is. Ik zet geen vraagtekens bij de manier waarop de hervorming is uitgewerkt.
Waar het me in feite eigenlijk om gaat, is een politiek antwoord en een politieke verklaring. Mijns inziens zullen er de komende jaren meer hervormingen op landbouwgebied nodig zijn. Ik zou dus willen weten hoe de commissaris staat tegenover het aanwenden van renationalisatie als hervormingsinstrument. Heeft de commissaris er geen bezwaar tegen die richting in te slaan? Zoals ik het zie, zou renationalisatie betekenen dat wij het gemeenschappelijk landbouwbeleid loslaten. Met andere woorden, ik zou willen weten hoe de commissaris in principe staat tegenover de gedachte het landbouwbeleid in de toekomst te renationaliseren.
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (DA) Mevrouw de Voorzitter, ik denk niet dat de geachte afgevaardigde enige twijfel kan hebben over mijn standpunt ten aanzien van renationalisatie als we het hebben over het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU. Er is nooit sprake geweest van voorstellen tot renationalisatie. Integendeel.
Ik zou bovendien, als u mij toestaat, willen verwijzen naar een relatief actueel onderwerp. Het staat buiten kijf dat ik mij met alle juridische middelen die mij ter beschikking stonden, heb verzet tegen de vrijwillige differentiatie van maximaal 20 procent die het Britse voorzitterschap voorstelde in verband met de onderhandelingen over de volgende financiële vooruitzichten, namelijk die voor 2007-2013.
In mijn ogen zou aanneming van een dergelijk voorstel de eerste stap betekenen op weg naar renationalisering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van Europa. Het zou betekenen dat we niet op basis van dezelfde voorwaarden concurreren, maar in een situatie terechtkomen dat het landbouwbeleid een kwestie wordt van concurrentie tussen de verschillende nationale schatkisten en tussen de verschillende ministers van Financiën van de 25 lidstaten van de EU.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 44 van Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (H-0011/06)
Betreft: Hervorming suikermarkt
De door de Commissie en de Raad goedgekeurde suikermarkthervorming voorziet onder andere in een bedrag van 730 euro aan compensatie voor suikerproducenten voor elke ton quotum dat ze opgeven. In Polen, waar productiequota aan suikerfabrieken worden toegekend en niet aan boeren die suikerbieten telen, zou dit tot een verlaging van de suikerproductie kunnen leiden, en boeren kunnen dwingen de suikerbietenteelt op te geven.
Wat voor vorm van steun gaan boeren in Polen krijgen indien ze gedwongen worden de teelt van suikerbieten op te geven?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Suikerquota worden in principe per land vastgesteld, op basis van EU-wetgeving. Onder het huidige suikerregime worden de quota door de lidstaten toegekend aan de suikerproducerende ondernemingen en worden deze dus niet direct toegekend aan de suikerbietentelers. Dit principe blijft na de hervorming onveranderd, en Polen vormt hierop geen uitzondering.
Het herstructureringsfonds zal worden opgezet ter facilitering van de noodzakelijke herstructureringsmaatregelen. Deze dienen te leiden tot een lagere suikerproductie in de minder concurrentiekrachtige regio’s binnen de Europese Unie.
Ondernemingen die afzien van hun suikerquota zullen in aanmerking komen voor herstructureringssteun tijdens een overgangsperiode van vier jaar. Deze financiële steun zal echter verbonden zijn aan een aantal voorwaarden, waaronder verplicht overleg met de suikerbietentelers en de indiening van een herstructureringsplan, opgesteld door de regering en de bedrijfstak samen. Lidstaten krijgen in aanzienlijke mate de vrije hand bij het opstellen van gedetailleerde regels voor de implementatie van de herstructureringssteun, zolang deze maar in overeenstemming zijn met de algemene regels van toekomstige EU-wetgeving op dit vlak. Om die reden – en dit is erg belangrijk en ik hamer er bij elke gelegenheid weer op – kan het geld voor de herstructureringen niet worden opgestreken door de industrie. Dit is buitengewoon belangrijk en het is het hele idee achter dit herstructureringsfonds.
Naast de ondernemingen zullen ook bietenproducenten en loonwerkbedrijven in aanmerking komen voor steun uit het herstructureringsfonds. Er dient voor de boeren een bedrag te worden gereserveerd ter hoogte van tenminste 10 procent van het fonds, ofwel 730 euro per ton, voornamelijk ter compensatie van investeringen in gespecialiseerde machines voor de suikerbietenteelt. Het moge duidelijk zijn dat gezien de bewoording “tenminste 10 procent” de lidstaten eventueel kunnen besluiten een hoger percentage toe te kennen aan de suikerbietenproducenten, de boeren.
Ook dient te worden benadrukt dat onafhankelijk van het herstructureringsfonds waar wij het zojuist over hadden, de suikerbietentelers directe steun zullen ontvangen ter compensatie van de door de prijsverlagingen veroorzaakte inkomstendervingen. Zij krijgen deze directe steun zelfs indien zij stoppen met de suikerbietenproductie. Dat is een belangrijk punt.
Nog een speciale opmerking betreffende de nieuwe lidstaten: er zal voor hen géén overgangsperiode gelden wat betreft de genoemde directe compensatiebetalingen. De suikerbietenproducenten in de nieuwe lidstaten krijgen exact hetzelfde compensatiebedrag per hectare als de producenten in de EU-15. Dat betekent dat hier niet zoals bij granen sprake is van een overgangsperiode. Vanaf dag één van de inwerkingtreding van de suikerhervorming bedraagt de compensatie honderd procent.
Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag nog een vraag stellen. Beschikt de Commissie over instrumenten om de overheveling van productiecontingenten van suiker tussen de lidstaten te beperken, bijvoorbeeld vanuit Polen naar andere landen? Zijn er zulke instrumenten en zijn ze doeltreffend?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Het was geen onderdeel van deze overeenkomst in de Raad om de mogelijkheid te bieden quota tussen lidstaten over te dragen. Binnen een lidstaat kan dit wel. Zo is het mogelijk om binnen Polen of enig ander land een quotum over te hevelen van de ene fabriek naar de andere. Grensoverschrijdende quotaoverdrachten maken echter geen deel uit van het hervormingsvoorstel.
De Voorzitter. –
Vraag nr. 45 van Glenys Kinnock (H-0089/06)
Betreft: Raffinagesteun
Het is de Commissie bekend dat ACS-landen die het Suikerprotocol hebben ondertekend, een gegarandeerde prijs voor hun ruwe suiker ontvangen, die gelijk is aan de minimuminterventieprijs van de EU. Op dit moment omvat deze prijs een basisaanpassingssteun aan traditionele raffinaderijen ten belope van 5,1 procent van de gegarandeerde prijs. Deze steun bedraagt in totaal ongeveer 35 miljoen euro. In de voorgestelde hervorming van de suikerregeling van de EU wordt deze raffinagesteun niet langer uit de begroting van de EU betaald, maar wordt deze afgewenteld op de ACS-landen in de vorm van een prijsdaling met 5,1 procent, wat voor deze landen een inkomstenverlies van 35 miljoen euro betekent.
Is de Commissie bereid een kleine aanpassing aan het compromispakket voor de GMO, dat op 20 februari bij de Raad ter tafel zal liggen, in overweging te nemen, zodat de aanpassingssteun voor de raffinage-industrie ook in de toekomst uit de EU-begroting kan worden gefinancierd?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Ter garantie van de prijs voor de landen die onder het Suikerprotocol vallen, zijn de prijzen altijd volledig gelijk opgegaan met de institutionele suikerprijs van de EU. Dat houdt in dat deze landen nooit en te nimmer de garantie hebben gehad een vaste prijs te ontvangen. Aan de andere kant krijgen deze onder het Suikerprotocol vallende landen tot aan het productiejaar 2008-2009 minder grote prijsdalingen te verwerken. Hierdoor hebben zij een periode van drie jaar om zich aan te passen aan de nieuwe regelingen inzake prijssteun binnen de Europese Unie.
In de periode 2006-2007 en 2007-2008 zal de referentieprijs voor ruwe suiker slechts met vijf procent dalen, terwijl de suikerbietenproducenten in de Europese Unie in het eerste jaar te maken krijgen met een daling van twintig procent, en in het daaropvolgende jaar van 27,5 procent. De reden dat deze daling slechts vijf procent bedraagt, ligt in het feit dat de raffinaderijen, en daarmee de leveranciers uit de ACS-landen, vrijgesteld zullen zijn van de herstructureringsheffing. Zij hoeven überhaupt geen herstructureringsheffing te betalen. Wél zullen de raffinaderijen de inkomsten uit de raffinagesteun moeten ontberen, aangezien deze in het kader van de hervormingen wordt afgeschaft.
Het moge duidelijk zijn dat de afwijkende voorwaarden die na het doorvoeren van hervormingen binnen de Europese Unie zullen gelden voor de ACS-landen, uitvoerig zijn besproken vóór de definitieve uitwerking van het politiek akkoord in de Raad. Het moge eveneens duidelijk zijn, en dat was het al vanaf het allereerste begin, dat het belangrijk was om middelen te vinden voor de tweede helft van 2006, aangezien deze buiten de volgende financiële periode valt. Om die reden is besloten tot de toewijzing van veertig miljoen euro, speciaal voor de periode van 1 juli tot het einde van het jaar.
Wat betreft de periode die valt onder de volgende financiële vooruitzichten moge het duidelijk zijn dat de wens van de Commissie om een significant hoger bedrag te reserveren dan de eerder genoemde veertig miljoen euro, geheel afhankelijk is van de lopende discussies over de financiële vooruitzichten voor de komende periode. Maar het ligt significant hoger dan het genoemde bedrag. Het enige dat ik kan zeggen, is dat in het begrotingsvoorstel van de Commissie er 190 miljoen euro per jaar was uitgetrokken. Ik hoop dat er begrip bestaat, ook in dit Parlement, voor de noodzaak om deze ACS-landen te helpen, temeer daar het nu gaat om een overgangsperiode.
Glenys Kinnock (PSE). – (EN) Dank u wel, commissaris. Ik heb het over het feit dat de door de hervorming van het suikerstelsel veroorzaakte collaterale schade stevig wordt gevoeld door de achttien landen die onder het Protocol vallen. U zegt dat het gaat om veertig miljoen euro voor achttien landen. Drie commissarissen – u, de heer Mandelson en de voorzitter van de Commissie – hebben de ACS-landen verzekerd dat zij 190 miljoen krijgen. Ik volg deze zaak uiterst minutieus. In de begroting is er geen enkele plek te zien voor dat geld; het is onwaarschijnlijk dat er daar een gaatje te vinden is voor ook maar iets dat bij de door u beloofde bedragen in de buurt komt. Hoe hard dit Parlement ook z’n best doet, het is begrotingstechnisch allemaal erg moeilijk, dus we moeten er alles aan doen om het benodigde geld reserveren.
Mevrouw de commissaris, kunt u de Raad ertoe aansporen om alle niet-toegewezen middelen die ook maar onder rubriek IV te vinden zijn voor dit doel te oormerken? Wilt u zich ditmaal persoonlijk inzetten voor de bescherming van de suikerproducerende ACS-landen, nu zij zo kwetsbaar zijn?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw Kinnock, ik ben ervan overtuigd dat gezien het feit dat u zo goed bent geïnformeerd over deze kwestie en het niet de eerste keer is dat wij samen over dit onderwerp spreken, u welzeker weet dat wij in zeer nauw contact staan met de suikerproducerende ACS-landen. Niet al deze landen produceren suiker. Het is voor ons zeer belangrijk om te proberen hen te helpen. Misschien niet om suiker te blijven produceren als dat niet op concurrerende wijze lukt, maar dan in ieder geval om te proberen iets anders te doen. Daarom was ik ook zo verheugd dat wij tijdens de Commissievergadering van vorige week een mededeling goedgekeurd hebben weten te krijgen over bio-ethanol. Na afloop heeft de heer Michel, verantwoordelijk voor de ontwikkelingshulpgelden, samen met mij deelgenomen aan een persconferentie hierover, want bio-ethanol is mogelijk een alternatief voor de landen die willen stoppen met de productie van suiker.
Wat betreft de bedragen, die zijn nog onderwerp van discussie. Maar het was belangrijk voor de Commissie om een duidelijk signaal af te geven dat wij ons gelegen laten liggen aan de mogelijkheden voor deze suikerproducerende ACS-landen. Ik weet bijna wel zeker dat wanneer u met hen spreekt, zij zullen erkennen dat wij vele ontmoetingen met deze landen hebben gehad. Zo zijn we tot tweemaal toe in staat geweest om direct contact te leggen tijdens Raadsvergaderingen. Het is deze landen duidelijk dat dit echt een zaak is die ons nauw aan het hart ligt.
De Voorzitter. – De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).
Het vragenuur is gesloten.
(De vergadering wordt om 19.20 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)
VOORZITTER: MANUEL ANTóNIO DOS SANTOS Ondervoorzitter