Index 
Debatten
PDF 1374k
Dinsdag 14 maart 2006 - Straatsburg Uitgave PB
1. Opening van de zitting
 2. Opening van de vergadering
 3. Ingekomen stukken: zie notulen
 4. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (bekendmaking van de ingediende ontwerpresoluties): zie notulen
 5. Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid (debat)
 6. Herstructureringen en werkgelegenheid (debat)
 7. Europees Genderinstituut (debat)
 8. De aanpak van racisme in het voetbal (schriftelijke verklaring) : zie notulen
 9. Stemmingen
  9.1. Overeenkomst EG/Oekraïne inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (stemming)
  9.2. Garantiefonds voor externe acties (stemming)
  9.3. Oprichting en kapitaal van naamloze vennootschappen (stemming)
  9.4. Europees Genderinstituut (stemming)
  9.5. Instrument voor snelle respons en paraatheid bij ernstige noodsituaties (stemming)
 10. Plechtige vergadering - Bondsrepubliek Duitsland
 11. Stemmingen (voortzetting)
  11.1. Herziening van de strategie van het Internationaal Monetair Fonds (stemming)
  11.2. Bedrijfsverplaatsingen in het kader van regionale ontwikkeling (stemming)
  11.3. Communautaire strategie inzake kwik (stemming)
  11.4. Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid (stemming)
 12. Stemverklaringen
 13. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
 14. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 15. Situatie van de Europese schoenensector één jaar na de liberalisering (debat)
 16. Evaluatie van het Europees aanhoudingsbevel (debat)
 17. Vragenuur (vragen aan de Raad)
 18. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
 19. Sociale bescherming en sociale integratie (debat)
 20. Richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2007 (debat)
 21. Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (debat)
 22. Milieuvriendelijker visserijmethoden (debat)
 23. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 24. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: LUIGI COCILOVO
Ondervoorzitter

 
1. Opening van de zitting
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik verklaar de zitting 2006-2007 van het Europees Parlement voor geopend.

 

2. Opening van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 9.05 uur geopend)

 

3. Ingekomen stukken: zie notulen

4. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (bekendmaking van de ingediende ontwerpresoluties): zie notulen

5. Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0036/2006) van Reino Paasilinna, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid (2005/2167(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Reino Paasilinna (PSE), rapporteur. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, toen ik met het opstellen van het verslag begon, was de telecomsector er vrij slecht aan toe. De meeste lidstaten hadden nog niet eens hun nationale verslagen geleverd over de vooruitgang die zij bij de tenuitvoerlegging hadden geboekt. Nu is de situatie beter: de Commissie heeft alle nationale verslagen gekregen en in bijna alle lidstaten zijn de vijf richtlijnen op een of andere wijze van kracht geworden. Ondertussen hebben veel lidstaten echter jarenlang hun monopolies beschermd, waardoor zij het geld hadden voor een doorbraak op de markten van de lidstaten die hun markten op tijd openden.

De richtlijnen zijn echter al verouderd. Deze industriesector ontwikkelt zich in een zodanig tempo dat er nieuwe wetgeving nodig is om de levensvatbaarheid en ontwikkeling van de markt en daarnaast het potentieel ervan om werkgelegenheid te creëren, te waarborgen. Het is daarom goed dat de Commissie heeft besloten de i2010-strategie te presenteren, die gericht is op het ontstaan van een goed functionerende gemeenschappelijke regio die op kennis is gebaseerd. Wij moeten investeringen en onderzoekskredieten waarborgen en alle Europeanen, ook de armen, moeten toegang krijgen tot dit systeem.

Technologie verandert sneller dan wetgeving en daarom ga ik ervan uit dat de in mijn verslag voorgestelde strategie zo transparant mogelijk moet zijn en de technologie neutraal. Op die manier stimuleert zij de toegang tot de markt van allerlei nieuwe uitvindingen, alternatieven en concurrenten. Wij veranderen de wereld meer met technologie dan met politiek. Maar wie gaat deze verandering leiden? Wij moeten het hebben over de alomtegenwoordige kennismaatschappij. Informatie- en communicatietechnologie betekent niet meer alleen audiovisuele technologie. Er wordt bijvoorbeeld informatie overgedragen tussen een autoband en een auto, tussen een koelkast en een draagbare terminal, een portemonnee en een sleutelhanger en tussen de klimaatregeling in huis en een navigator. Het gaat dus om digitale technologie die voortdurend overal aanwezig is.

Hoeveel slimmer is een persoon in intelligente kleding? Hij is een mobiele bron en een mobiel doel van informatie. Wanneer wordt hij als een robot bestuurd? Digitale technologie maakt ook het leven voor velen heel makkelijk, met als gevolg dat wij vertier buiten dit milieu gaan zoeken. Er is berekend dat 80 procent van ons nationaal vermogen immaterieel is, dat wil zeggen onderwijs, kennis en beheer, en slechts 3 procent uit natuurlijke hulpbronnen bestaat. Het is daarom alarmerend dat wij op het gebied van die 80 procent nonchalant achterblijven op onze concurrenten. Wij investeren niet, wij onderzoeken niet en leggen de richtlijnen niet goed en niet op tijd ten uitvoer. In feite zijn alleen de noordse en enkele andere landen hierop een uitzondering.

Informatie- en communicatietechnologie is de snelst groeiende industriesector. Zij creëert de meeste arbeidsplaatsen in de industrie. Als wij niet samen actie ondernemen, staat ons een ramp te wachten. Degenen die in de sector investeren zoeken hun partners in landen als China en India en op die manier blijven de oude krimpende economieën, ofwel wij hier in Europa, achter. Nu al komen er in deze sector goed geschoolde mensen uit China en India, veel meer dan uit Europa. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling waarschuwde Europa eergisteren voor deze verandering. Dames en heren, is het niet de hoogste tijd maatregelen te nemen, zoals ook de Commissie voorstelt?

Er zijn enkele amendementen op mijn verslag ingediend. Mijn collega, mevrouw Riera Madurell, en ik hebben er drie van opgesteld, die in deze samengevatte vorm als compromissen kunnen worden beschouwd. De bedoeling ervan is duidelijk rekening te houden met de gelijke behandeling van vrouwen en mannen en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, maar dit advies iets in te korten. Ik hoop dat men positief tegenover deze benadering staat. Bovendien heeft mijn collega, de heer Guidoni, enkele amendementen opgesteld waar wij in de commissie tegen hebben gestemd, voornamelijk vanwege een vertaalfout. Ik ben ook van mening dat ik deze amendementen kan steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen dank ik het Parlement en met name de rapporteur, de heer Paasilinna, voor zijn zeer uitgebreide verslag. Hij heeft zeer nauw met de andere rapporteurs samengewerkt en hun standpunten verzameld. Ik dank hen allen.

Het is zeer bemoedigend om te zien dat het Parlement en de Commissie op het gebied van de informatiemaatschappij voor de komende vijf jaar dezelfde aandachtspunten en beleidsprioriteiten delen. Zoals de diverse commissies en rapporteurs hebben aangetoond, is het zeer moeilijk vandaag te voorspellen hoe de informatiemaatschappij er morgen uit ziet. Om die reden hebben we niet voor een uitgebreid actieplan gekozen maar voor een breed en ambitieus strategisch kader dat ruimte biedt om door middel van evaluatie en aanpassingen in te spelen op opkomende uitdagingen. Het i2010-initiatief wil zo een toekomstbestendig beleidskader bieden.

Ik ben blij om te zien dat het Parlement en de Commissie het over de belangrijkste onderdelen van i2010 eens zijn: ze streven er beide naar om vooruitziende ICT-wetgeving tot stand te brengen waarmee kan worden ingespeeld op de veranderingen ten gevolge van convergentie. De wetgeving moet dus technologisch neutraal en concurrentiebevorderend zijn en tegelijkertijd moeten de lidstaten het bestaande wetgevingskader volledig ten uitvoer leggen, wat helaas niet altijd gebeurt, maar u weet dat ik er alles aan doe om daar verandering in te brengen.

We zien ook dat er behoefte is aan een vorm van spectrumbeheer die het mogelijk maakt om snel op technologische ontwikkelingen en een veranderende vraag te kunnen inspelen en die wordt gesteund door regelgevers, exploitanten en andere betrokkenen. Hier zullen we de komende maanden hard aan moeten werken.

Onze gedeelde prioriteiten omvatten ook steun voor de vervaardiging en distributie van Europese inhoud, de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, de bevordering van de veiligheid en de bescherming van gebruikers tegen schadelijke inhoud. De Commissie en het Parlement zitten ook op één lijn als het gaat om het stimuleren van de lidstaten en bedrijven om meer in ICT-onderzoek te investeren en we zijn beide van mening dat het zevende kaderprogramma en het programma voor concurrentievermogen en innovatie de nodige financiële middelen voor ICT bieden.

We zijn het er ook over eens dat de rechten van de burgers in de informatiemaatschappij moeten worden bevorderd en beschermd en daarom moeten we de bewustwording van de burgers met betrekking tot de uitoefening van hun rechten, de vrijheid van meningsuiting, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonlijke gegevens en het recht om informatie te ontvangen of uit te wisselen, in de informatiemaatschappij stimuleren.

Samen met het Parlement dring ik er bij de lidstaten op aan dat ze hun nationale hervormingsplannen benutten om hun eigen ICT-prioriteiten gestalte te geven en hun openbare diensten te verbeteren. Ik denk hierbij onder andere aan e-overheidsinitiatieven, waar ik een grote verschuiving zie naar meer investeringen in het gebruik van ICT door overheidsdiensten.

Ik deel de bezorgdheid van het Parlement over de digitale kloof. We moeten ervoor zorgen dat iedereen kan participeren, niet alleen mensen in steden, niet alleen mensen met een zeker opleidingsniveau, niet alleen jonge mensen. Dit is een zeer duidelijke doelstelling en een kans die we moeten benutten. We zullen samen stappen nemen om deze digitale kloof te overbruggen.

Als ik het heb over de digitale kloof, heb ik het ook over het bevorderen van digitaal alfabetisme voor iedereen en dat brengt me op het punt van de participatie van vrouwen op het gebied van ICT in de academische wereld en het bedrijfsleven. Ik heb goed nieuws: uit onze statistieken blijkt dat gender niet langer de belangrijkste factor is van de digitale kloof. De rol die gender speelt, neemt snel af. Ik vind dat bemoedigend, maar dat betekent niet dat we niets aan het restprobleem moeten doen. We moeten samenwerken en ons blijven inspannen voor grotere gendergelijkheid op het gebied van ICT, onder andere in de wetenschap. Veel regeringen zijn bezig met initiatieven op dat gebied.

Ik ben het met u eens dat internet van cruciaal belang is voor een informatie-economie. Daarom heeft de EU ook een actieve rol gespeeld bij de totstandkoming van de overeenkomst over de progressieve internationalisering van internet governance tijdens de Wereldtop over de informatiemaatschappij vorig jaar in Tunis. Mijns inziens is dat de beste benaderingswijze voor internet governance. Later dit jaar zullen de Commissie en het Parlement samen een forum organiseren.

Ik ga ook de controleactiviteiten op het gebied van mediapluralisme intensiveren en ik kom binnenkort met een werkdocument over deze kwestie. In het werkdocument maak ik een inventarisatie van de wijd uiteenlopende omstandigheden in de verschillende lidstaten, maar ik zeg er meteen bij dat mijn opvattingen over eigendom en mediapluralisme niet gewijzigd zijn en dat zal ik blijven herhalen. Eigendomskwesties zijn een zaak voor de lidstaten: zij moeten de verantwoordelijkheid daarvoor op zich nemen en die op doeltreffende wijze en overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel uitoefenen. Daarom ondersteunt de Commissie de lidstaten slechts en schrijft ze niets voor inzake deze belangrijke nationale kwestie.

Ik had u in dat verband beloofd hierop terug te komen en met u samen te werken. In dat kader zal ik het Parlement binnenkort maatregelen voorstellen.

Wat betreft uw verzoek om het voor 2008 geplande initiatief voor e-integratie te bespoedigen, vraag ik u zich niet blind te staren op het tijdstip 2008, want dan hebben we onze doelstelling gehaald. We zijn bezig met de voorbereidingen om dat voor elkaar te krijgen. Om die reden heb ik gesproken met de volgende EU-voorzitterschappen Finland, Duitsland en Portugal en zullen we praktische acties ondernemen tot we de doelstelling van het initiatief voor e-integratie hebben gehaald.

Sinds de publicatie van het actieplan i2010 hebben we de bewustwording inzake ICT-kwesties aanzienlijk vergroot. We boeken inmiddels voortgang met betrekking tot belangrijke doelstellingen, met de aanneming van verschillende voorstellen, met plannen voor andere voorstellen en met initiatieven die niet in het initiatief i2010 zijn opgenomen. De flexibiliteit van het actieplan stelt ons in staat om waar nodig initiatieven toe te voegen. Het laatste initiatief dat ik tot nu toe heb genomen betreft een raadplegingsprocedure over RFID’s, waarin de economische noodzaak en de noodzaak om de persoonlijke levenssfeer van onze burgers te beschermen, worden samengebracht.

Om onze ambitieuze doelstelling te kunnen halen moeten we echter toereikende financiële middelen tot onze beschikking hebben. Zodra er interinstitutionele overeenstemming over het financiële vooruitzicht bereikt is, moeten er belangrijke besluiten en aanpassingen in het zevende kaderprogramma en in het programma voor concurrentievermogen en innovatie worden opgenomen. Daarom dring ik er bij u op aan om erop toe te zien dat de noodzakelijke financiële middelen voor deze twee programma’s worden vrijgemaakt ter ondersteuning van ICT als een drijvende motor voor concurrentievermogen en groei. Ik ben heel blij dat deze opvatting en deze doelstelling niet alleen in het Parlement worden gedeeld maar ook in de drie instellingen. Dat is een garantie voor succes.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik voer het woord namens de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, en na de rapporteur geluk te hebben gewenst met zijn geweldige prestatie, moet ik de woorden van de commissaris onderschrijven dat het voor de verwezenlijking van de Lissabon-doelstellingen onontbeerlijk is dat we een informatiemaatschappij opbouwen waaraan iedereen kan deelnemen, waarin iedereen toegang heeft tot de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën en daar onder gelijke voorwaarden zijn of haar voordeel mee kan doen.

In deze context is de schaarse vertegenwoordiging van vrouwen op ICT-gerelateerde gebieden typerend voor het concrete feit dat er in de Europese Unie een digitale kloof bestaat tussen mannen en vrouwen waarvan de gevolgen op arbeidsgebied onmiskenbaar zijn en die met behulp van speciale acties moet worden aangepakt.

We moeten de oorzaken van deze scheiding aanpakken, en het is dan ook zaak maatregelen te bevorderen die gericht zijn op de opleiding van vrouwen, zodat het aantal vrouwen toeneemt dat op dit gebied en op alle niveaus een gedegen ICT-gerelateerde opleiding hebben genoten. Ook is het zaak dat vrouwen meer vertegenwoordigd zijn en deelnemen in alle organen waarin de besluitvorming plaatsvindt en het beleid inzake informatie- en communicatietechnologieën gemaakt wordt. Op het ogenblik zijn zij hierin nog uiterst mager vertegenwoordigd.

Speciale aandacht vragen wij voor vrouwen in geïsoleerde en geografisch afgelegen plattelandsgebieden, voor wie informatie- en communicatietechnologie een doeltreffend middel kan zijn om aan het economische, politieke en sociale leven deel te nemen.

Om al deze redenen is het dan ook van fundamenteel belang dat we over betrouwbare gegevens beschikken die naar gender gesplitst zijn alsook over een wettelijk kader waarin het genderperspectief is opgenomen en dat de gelegenheid biedt om de oorzaken van de discriminatie te achterhalen en aan te pakken. In dit opzicht kan het nieuwe Europese Instituut voor Gendergelijkheid een fundamentele rol spelen.

Ons verslag gaat ook in op het seksistische gebruik van afbeeldingen van de vrouw in de media, met name in de digitale media, en daarom verzoeken wij de Commissie de opstelling van een code voor gendergelijkheid in de media te bevorderen, die het stimuleren van gendergelijkheid kan ondersteunen, zowel vanuit de media via de door hen uitgezonden informatie, alsook binnen die media zelf.

Voordat ik afsluit, wil ik de Commissie vragen om speciaal aandacht te schenken aan het crimineel gebruik van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, zoals bijvoorbeeld het gebruik van internet voor de handel in vrouwen en kinderen. Met het oog daarop verzoeken wij de Commissie alle wettelijke en technologische initiatieven te ondersteunen die nodig mochten zijn om daar een einde aan te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Giulietto Chiesa (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie cultuur en onderwijs. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dit verslag is een belangrijke stap vooruit om het begrip “informatiemaatschappij” te doorgronden. Ik zal met name één aspect naar voren halen, en wel het feit dat in dit verslag heel nauwkeurig wordt aangegeven wat voor hechte relatie er is tussen de indrukwekkende technologische ontwikkelingen en het lot van de democratie.

Men heeft terecht getoond welke gevolgen de informatiemaatschappij voor de groei en de werkgelegenheid heeft. Daarnaast zijn voordelen, problemen en mogelijke uitwegen geschetst. Maar de gevolgen zijn nog veel grootscheepser dan men zoal aanneemt: de media zijn onderhand een beslissende factor geworden om denkbeelden en gedragspatronen van miljarden mensen te conditioneren. De rol van de media is maatschappelijk gesproken heel belangrijk en in menig geval zelfs doorslaggevend. Het bezit van de media kan niet los gezien worden van een zekere verantwoordelijkheid jegens de samenleving, het effect van de media kan niet alleen in markttermen gezien worden.

Rondom deze problematiek spelen al onze normen en waarden, onze rechten, het lot zelfs van de vrede en de overleving van de mensheid. Niet alleen zijn wij voor een reeks economische en technische problemen komen te staan, ook zijn er grondrechten in het geding gekomen, zoals het recht van iedereen om geïnformeerd te worden, om zijn mening te kunnen uiten en iets mee te delen. Daarbij moeten wij niet uit het oog verliezen dat de informatiemaatschappij steeds meer een samenleving van het bewegende beeld wordt: dat is de taal van de toekomst.

Wie niet in staat zal zijn die beelden te ontcijferen en zich te verdedigen tegen de manipulatie daarvan, zal geen vrij persoon zijn. De enige manier om van onze kinderen mondige burgers te maken, is hen te helpen deze taal aan te leren.

 
  
MPphoto
 
 

  Pilar del Castillo Vera, namens de PPE-DE-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de commissaris bedanken voor het verslag dat de Commissie heeft opgesteld. Dankzij dat verslag hebben we denk ik een buitengewoon boeiend debat kunnen hebben, omdat hierin de in mijn ogen essentiële punten van de Agenda van Lissabon nogmaals worden benadrukt.

Als één gebied beslissend is voor de ontwikkeling van de Agenda van Lissabon, dan is het wel dat van de informatie- en communicatietechnologieën, voor dit Parlement en de Europese instellingen een prioritair onderwerp.

Ik zou de gelegenheid willen aangrijpen om in te gaan op de begrotingskwesties, die nog moeten worden afgerond. Zo mogen we wat het zevende kaderprogramma betreft niet vergeten hoe essentieel en doorslaggevend de rol van de informatie- en communicatietechnologieën is in de Agenda van Lissabon.

Ik zou hier slechts twee aspecten willen toelichten van het debat dat we in de commissie hebben gevoerd en waarin we overeenstemming hebben bereikt over het onderhavige verslag. In de eerste plaats wat betreft artikel 66, dat in de Commissie industrie, onderzoek en energie werd goedgekeurd, en dat ingaat op de noodzaak om aandacht te schenken aan de liberalisatie. Die is noodzakelijk voor deze sector, waarin een slechts conjuncturele en tijdelijke behoefte aan regelgeving bestond.

Het lijkt me bijzonder belangrijk dat we hier aandacht aan schenken omdat we anders tegen de Agenda van Lissabon ingaan door hier geen rekening mee te houden en dit voorstel vandaag niet aan te nemen.

Tenslotte, wat de kwestie van de vrouwen betreft zijn alle fracties het eens geworden over een compromisamendement dat is aangenomen, maar naderhand zijn er nog acht amendementen ingediend met betrekking tot de kwestie van de vrouwen, die weer tot drie zijn teruggebracht, zoals de heer Paasilinna ons vandaag heeft laten weten.

Vrouwen hebben geen behoefte aan herhalingen, ze hebben behoefte aan vastberaden acties. Ze hebben er geen behoefte aan dat twintig keer hetzelfde wordt herhaald wanneer er problemen zijn, maar dat er serieus en daadkrachtig iets gedaan wordt wat definitief is. Daarom zijn wij voor het compromisamendement, maar niet voor de steeds maar terugkerende retoriek van deze aanvullende amendementen.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Trautmann, namens de PSE-Fractie.(FR) De kennismaatschappij kan slechts totstandkomen als de digitale kloof in al zijn vormen verdwijnt. Deze kloof bestaat tussen arme en rijke landen, ook in de Unie. Om dit probleem effectief te bestrijden moeten de verschillende dimensies ervan worden aangepakt, zowel de technologische als de sociaal-economische. Kennis op ICT-gebied is in feite het beste antwoord op deze problematiek. De strategie i2010 is gericht op de ontwikkeling van de goede benutting van ICT-goederen en –diensten en de bevordering van interactieve en kritische deelname aan de informatiemaatschappij door en ten voordele van iedereen. Dit actieplan is dan ook zeer welkom.

Wij hebben in onze amendementen de wens uitgesproken dat kwetsbare groepen, zoals bejaarden, gehandicapten, mensen die in een isolement verkeren en mensen met sociale problemen, niet worden vergeten. Een analyse van de economische, culturele en sociale gevolgen van de overgang naar de informatiemaatschappij lijkt mij eveneens zeer nuttig voor een goed begrip en voor de follow-up van dit plan, omdat ik denk dat concurrentievermogen niet kan bestaan zonder het delen van kennis en vaardigheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Laperrouze, namens de ALDE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, de innovatie op ICT-gebied gaat zo snel dat we moeten vrezen dat de Europese Unie, die slechts 80 euro per inwoner investeert, tegen omgerekend 350 euro voor Japan en 400 euro voor de Verenigde Staten, snel zal worden ingehaald. De EU moet haar investeringen in onderzoek dan ook verhogen en de lidstaten aansporen hetzelfde te doen.

Gezien deze stormachtige ontwikkeling moeten wij overigens ook vrezen voor de verbreding van de digitale kloof, en als gevolg daarvan, van de sociale verschillen, ten koste van de sociale en territoriale samenhang die we nastreven. Het is derhalve van essentieel belang om te bouwen aan een informatiemaatschappij die gebaseerd is op participatie, op het wijdverbreide gebruik van informatie- en communicatietechnologieën door de overheid, het MKB en particulieren.

Wil de strategie i2010 slagen, dan moet de Europese Commissie met voorstellen komen om, rekening houdend met de cruciale rol die aan de regio’s is toebedeeld, de technologieën voor alle burgers toegankelijk te maken, om de beginselen van vrijheid en pluriformiteit van de media te garanderen en om duidelijke beleidsmaatregelen vast te stellen op het gebied van de bescherming tegen illegale en schadelijke inhoud, de bescherming van minderjarigen, de waardigheid van de mens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Commissie zal ook het accent moeten leggen op het goede gebruik van ICT binnen de openbare diensten, met name gezondheidszorg en onderwijs.

Hoewel ik me er, tot slot, in kan vinden dat de markten op middellange termijn, na een overgangsperiode, in die zin worden opengesteld dat voortaan de algemene mededingingsregels gelden, wijs ik erop dat de regels voor vrije mededinging in de Verdragen zijn vastgelegd, waarbij ik oproep tot economische, sociale en territoriale samenhang.

Vrije mededinging op ICT-gebied mag er niet toe leiden dat particulieren niet langer meer wensen te investeren in onrendabele infrastructuur. De lidstaten en regio’s zullen dus een doorslaggevende rol spelen waar het gaat om het bevorderen van de noodzakelijke infrastructuur.

Wij allen hebben de taak om van informatie- en communicatietechnologieën echte instrumenten voor de economische ontwikkeling en de sociale en territoriale samenhang van de Europese Unie te maken. Ik bedank de heer Paasilinna voor zijn kwalitatief hoogstaande werk, en mijn collega’s voor hun bijdrage aan het debat.

 
  
MPphoto
 
 

  Umberto Guidoni, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de informatietechnologieën vormen een sleutelelement om een cultureel rijkere en meer saamhorige samenleving op te bouwen. De informatiemaatschappij moet voor iedereen open staan. Zij moet een element van democratie worden dat rekening houdt met de culturele diversiteit en de deelname van de burgers bevordert. De burgers moeten dus een centrale functie vervullen en mogen niet slechts als consumenten gezien worden.

Wij moeten pogen de digitale kloof weg te werken, wat een probleem van evenwichtige ontwikkeling maar vooral van sociale gerechtigheid is. De rol van de overheidsinvesteringen moet worden beschouwd als fundamenteel voor de bescherming van het open karakter van ICT, om borg te kunnen staan voor de ontwikkeling van technische middelen en cultuurgoederen met behulp waarvan alle burgers in aanmerking komen voor een steeds grotere stroom van communicatie- en informatiediensten. Om te zorgen voor een goed beheer daarvan en alle Europeanen een volwaardig burgerschap te garanderen, moet er een Europees handvest van rechten van consumenten van digitale diensten komen, de zogeheten e-rechten, met gezamenlijke beginselen en richtsnoeren waarmee het kader van de rechten van de burgers gedefinieerd kan worden. In dat handvest moet met name het recht worden opgenomen op vrije en kosteloze toegang, dus geen discriminerende toegang, het recht op een transparante, pluralistische en volledige informatievoorziening, in een veilige omgeving via telecommunicatiediensten en -platforms die gebaseerd zijn op open en interoperationele standaardvoorschriften; bijvoorbeeld een draagbaar e-mailadres.

Met de i2010-richtlijn krijgt Europa de essentiële taak toebedeeld om de informatiemaatschappij voor iedereen toegankelijk te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Mieczysław Edmund Janowski, namens de UEN-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn voldoening uitspreken over twee documenten: het document dat voor ons ligt en de mededeling van de Commissie.

Ik wil kort ingaan op een paar punten. Men dient te beseffen dat ICT-diensten en met name internet in hun meest brede zin invloed uitoefenen op zowel het bewustzijn als het onderbewustzijn van mensen. Het is dan ook essentieel om te zorgen voor bescherming op technologisch, juridisch en distributiegebied om te voorkomen dat ze worden gebruikt voor de verspreiding van schadelijke inhoud. Ik denk daarbij aan inhoud die aanzet tot verloedering, haat of crimineel gedrag. Voorts is het noodzakelijk financiële en administratieve diensten doelmatig te beschermen om te voorkomen dat onbevoegden er zich toegang toe verschaffen. Er dient met name aandacht besteed te worden aan materiaal dat gericht is op kinderen en jongeren. Er moet prioriteit worden gegeven aan de bevordering van breedbandnetwerken voor informatie. De mensen moeten worden aangemoedigd om thuis meer gebruik te maken van elektronische netwerken voor gegevensoverdracht. Het is buitengewoon belangrijk de maatschappij voor te lichten en te informeren over dit onderwerp. Bij het in kaart brengen van de taken die we op dit terrein moeten verrichten, moeten we bedenken dat het niet alleen een probleem is voor de Unie maar voor de hele wereld. Laten we daarom alles in het werk stellen om te verzekeren dat al onze burgers toegang krijgen tot het informatienetwerk en dat zij er zoveel mogelijk van kunnen profiteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Nikolaos Vakalis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, de technologische ontwikkelingen en de veranderingen die zich tegenwoordig voordoen op ICT-gebied gaan duizelingwekkend snel en zijn moeilijk bij te houden. Zo ontstaat een digitale kloof tussen lidstaten, regio’s, maar vooral ook tussen mensen, die maar weinig in leeftijd van elkaar verschillen. Ik sta stil bij twee punten die ik cruciaal vind voor het verwezenlijken van de i2010-doelstellingen. Het eerste punt is het institutionele kader en het tweede punt de financiën.

Wat het eerste punt betreft, worden met de strategie i2010, die we vandaag bespreken, de behoeften beschreven en wordt de herziening van het huidige institutionele kader gepland op basis van de nieuwe gegevens inzake digitale convergentie. Dat is een grote uitdaging, omdat het nieuwe institutionele kader a) flexibel moet zijn om zich te kunnen aanpassen aan de snelle technologische ontwikkelingen en behoeften van de markt zonder innovatieve ideeën te belemmeren en b) de ontwikkeling en productie van inhoud moet beschermen en de burger ongehinderde toegang tot informatie moet verzekeren. Sommige van deze parameters spreken elkaar tegen, dus moet een gulden middenweg worden gevonden om uit het slop te komen en Europa in staat te stellen concurrentieel te blijven en tegelijk baanbrekend te zijn.

Wat het tweede punt betreft, bevat de nieuwe strategie ambitieuze doelstellingen. Maar bij de financiering van onderzoek en innovatie op ICT-gebied zal Europa zelfs met de voorgestelde 80 procent meer middelen in de nieuwe strategie heel ver achterop blijven hinken bij zijn concurrenten. Dat stemt me pessimistisch en dat moet een van onze grootste aandachtspunten zijn.

Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, doelstellingen zonder middelen om ze waar te maken, zijn geen doelstellingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Eluned Morgan (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik juich dit verslag toe. Dit was natuurlijk een van de tien belangrijkste prioriteiten van het Brits voorzitterschap en een prioriteit die noodzakelijk is om de doelstellingen van Lissabon te kunnen halen. ICT is nu verantwoordelijk voor 40 procent van de groei van de productiviteit van Europa en voor 25 procent van de groei van het BBP van de EU. Een van de kernpunten voor mij - en ook voor de commissaris en de rapporteur - is dat het niet alleen om de economische doelstellingen van Lissabon moet draaien, maar dat de doelstellingen van Lissabon allesomvattend moeten zijn. Sociale integratie is natuurlijk een cruciale factor.

Ik weet dat er in Ely in Cardiff, waar ik ben opgegroeid, arme eenoudergezinnen wonen die geen auto hebben. Als ze hun wekelijkse boodschappen willen doen, kunnen ze niet met de bus omdat ze een lading tassen met zich mee moeten sjouwen en kleine kinderen bij zich hebben, dus bestellen ze een taxi en dat kost ze zo’n tien pond. Als ze online boodschappen zouden doen, konden ze die tien pond in hun zak houden. Voor veel arme gezinnen is dat een hoop geld. Het is belangrijk dat we wijzen op de voordelen van ICT zodat de minder draagkrachtigen in onze samenleving de nieuwe technologieën omarmen.

Tot slot wijs ik erop dat we wat ICT betreft realistisch moeten zijn. De belangrijkste investering voor de sector moet van de particuliere sector komen. De overheidssector kan niet snel genoeg inspelen op veranderingen op het gebied van technologie. Het is onze verantwoordelijkheid om een stabiel wetgevingskader voor dit type investering te bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Niebler (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, dames en heren, allereerst mijn hartelijke dank aan de rapporteur voor zijn goede verslag en ook voor zijn constructieve samenwerking.

Door de digitalisering verandert het media- en communicatielandschap zeer ingrijpend. In de toekomst zal het onderscheid tussen infrastructuur en inhoud minder belangrijk worden, daar iedere inhoud toegankelijk zal zijn op ieder platform. Ieder soort inhoud zal uiteindelijk toegankelijk worden via alle mogelijke technologische toepassingen, zoals televisie, computer of mobiele telefoon. En wat natuurlijk ook revolutionair is, is dat al deze inhoud nu al beschikbaar is op alle platforms en via alle technologieën, in goede kwaliteit. Het aantal dienstenaanbieders dat met elkaar concurreert, neemt steeds verder toe op een markt met telecombedrijven, kabelexploitanten, satellietomroepen, aanbieders van mobiele telefonie, van inhoud, van internet, enzovoorts, enzovoorts. Al deze ondernemingen ontwikkelen hun eigen zakelijke modellen, en geen van hen weet – en wij ook niet – welk model uiteindelijk de overhand krijgt en waartoe de kijkers uiteindelijk werkelijk toegang willen hebben, wat zij willen zien en wat voor inhoud zij wensen.

Dit leidt natuurlijk ook voor ons als Europese wetgevers tot problemen, want wij moeten het rechtskader formuleren en daarbij uiteindelijk deze onweegbare zaken en de ongewisse manier waarop deze zaken zich ontwikkelen, voorspellen. De komende weken en maanden zullen we een zeer groot aantal vragen moeten beantwoorden.

Ik ben de heer Paasilinna en alle afgevaardigden die een bijdrage hebben geleverd aan dit verslag, erg dankbaar dat wezenlijke vraagstukken hierin nogmaals zijn geformuleerd en samengevat. Ik zal er een paar noemen. Hoeveel regelgeving zal er in de toekomst nog nodig zijn op het terrein van de telecommunicatie? Hoeveel invloed dient de Europese Unie daarop te hebben? Hoe willen wij het frequentiebeleid vormgeven? Het internationale roaming is een probleem dat voor onze burgers bijzonder ergerlijk is, omdat zij nog steeds te hoge tarieven betalen voor internationale mobiele telefoongesprekken. De komende weken en maanden zullen we onszelf bezighouden met deze vraagstukken. Ik zie uit naar een interessante dialoog met u en ik denk dat de digitale wereld, die wetgevers zoals wij voor zoveel uitdagingen stelt, ons in de komende weken en maanden zeker flink zal bezighouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Reino Paasilinna (PSE), rapporteur. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik wil in deze interventie van één minuut de noodzaak van de toegang tot relevante informatie onderstrepen. Als de burgers niet de informatie krijgen die voor hun eigen leven van wezenlijk belang is, zal er geen sprake zijn van duurzame ontwikkeling. Essentiële informatie is de kern, het belangrijkste aspect, van de informatiemaatschappij. Zij wordt nu echter verborgen achter spelletjes en een fictieve amusementswereld, waarin het moeilijk is de essentiële informatie te vinden en te verzamelen waarmee de mens zijn leven kan beheersen en aan de democratie kan deelnemen. Het gaat dus om een kwestie die van wezenlijk belang is voor de democratie. Ik denk dat de commissaris hierover heeft nagedacht en ik wil dan ook haar mening over relevante informatie horen, terwijl zij nu deze hoge ambtenaar begroet.

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteurs voor advies bedanken en alle leden van het Parlement die zich hebben beziggehouden met dit onderwerp, dat niet alleen uiterst belangrijk is voor de economische en industriële ontwikkeling, maar ook voor het welzijn van onze samenlevingen.

Om te beginnen zou ik kort willen antwoorden op de vraag van de heer Paasilinna over de informatie. Informatie speelt op twee niveaus, waarvan het eerste de jaarlijkse benchmarking is. Ik ben me ervan bewust, mijnheer de rapporteur, dat deze benchmarking en die cijfers voor verbetering vatbaar zijn. Ook ik ben soms gefrustreerd omdat ik niet over cijfers beschik die het belang van de sector en de ontwikkeling daarvan beter doen uitkomen. Een van de problemen is gelegen in het feit dat dit geen sector is waar nauwelijks beweging in zit, maar juist een die volop in beweging is. We zouden onze informatie dus bijna om de twee of drie maanden moeten bijstellen.

Het tweede niveau: welke informatie krijgt de consument? Het is in dit verband uiterst belangrijk dat we zaken aanpakken. Zo heb ik onlangs het startsein gegeven voor een enquête en raadpleging over RFID, omdat ik weliswaar van mening ben dat de economische bedrijvigheid op RFID-gebied tot ontwikkeling moet komen, maar daarnaast ook vind dat er met consumentenverenigingen en organisaties voor privacybescherming overleg moet worden gevoerd over de invloed van de nieuwe technologieën op de burger, en wellicht ook over maatregelen die getroffen moeten worden om de burger beter te beschermen. Er wordt dus het nodige gedaan. Ik reken erop dat het Europees Parlement bij deze discussies als spreekbuis van de burgers optreedt.

Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag kort willen antwoorden op enkele vragen die zijn gesteld.

Vrijwel alle sprekers hebben het gehad over de veiligheid op internet, en terecht. Internet is formidabel, maar zoals alles wat formidabel is heeft ook internet zijn negatieve kanten: het verkeerde gebruik van internet is er een van. Daarom gaan we in de komende weken een mededeling over spam, spyware en malware presenteren. Dit was het onderwerp van het seminar “Trust in the Net”, dat in februari dit jaar werd georganiseerd onder Oostenrijks voorzitterschap. Daarom werken wij samen met organisaties voor de bescherming van kinderen en vrouwen. Er zijn immers criminelen actief op het net, die een halt toegeroepen moet worden. In dit kader gaan we op onderzoeksgebied in 2007 het European Security Research Program presenteren, dat betrekking heeft op alle facetten – cryptografie, biometrie, smart cards, authentificatie, RFID, enzovoorts – waar altijd een veiligheidsaspect aan zit.

Een tweede steeds terugkerend thema, dat terecht door alle sprekers is genoemd, is dat van de digitale kloof en de regionale ontwikkeling. Als men de concurrentie immers vrij baan geeft, zal die ongetwijfeld daar tot ontwikkeling komen waar iets van de investeringen kan worden terugverdiend, ofwel in onze steden. De politiek moet de nieuwe technologieën dus de mogelijkheid bieden zich ook buiten onze steden te ontwikkelen. Tegen deze achtergrond zal de Commissie eind deze maand met een initiatief komen, dat ook betrekking zal hebben op regionale ontwikkeling en plattelandsontwikkeling.

Een derde thema, dat door sommige leden is aangeroerd, is het niveau van vaardigheden en vakbekwaamheden, en vooral de noodzaak van specifieke maatregelen voor vrouwen. Wat de vaardigheden en vakbekwaamheden betreft weten we al dat er op dit moment op technologisch gebied sprake is van een niveau van economische ontwikkeling dat 15 procent lager ligt dan zou moeten en kunnen, als gevolg van het tekort aan technici en ingenieurs. Het is dan ook van primair belang om ons onderwijs op dit terrein te hervormen. We hebben ook cijfers over het tekort aan vrouwen op dit vakgebied. Ik moet toegeven dat die cijfers wel minder somber zijn dan ik aanvankelijk dacht. Vrouwen doen het beter dan doorgaans wordt gedacht. Er is dus geen aanleiding voor al te grote bezorgdheid, maar wel voor actie. Samen met de commissaris die verantwoordelijk is voor onderwijs, en de commissaris die verantwoordelijk is voor onderzoek, ga ik dan ook een roadmap opstellen voor de betere integratie van vrouwen in wetenschappelijke opleidingen en onderzoek. Bovendien sporen wij vrouwelijke onderzoekers aan zich meer met technologisch onderzoek bezig te houden.

In 2007 komen we ook met een Europese gids met beste praktijken op dit gebied. Ik sta volledig achter de roep om begrotingsmiddelen voor onderzoek op ICT-gebied. U moet weten, dames en heren afgevaardigden, dat de huidige technologische successen – GSM bijvoorbeeld, die een wereldstandaard is geworden op basis van Europees onderzoek – gestoeld zijn op onderzoek uit de jaren tachtig. Als we ook morgen nog voorop willen lopen bij de wereldwijde technologische ontwikkelingen, moeten we het onderzoek van vandaag koesteren, dat immers leidt tot de resultaten van morgen. Als er dus niet in onderzoek wordt geïnvesteerd, kunnen we er zeker van zijn dat er morgen überhaupt geen economische sector meer zal zijn die zich op dit terrein gaat ontwikkelen.

Als ik dus vraag om voldoende middelen voor technologisch onderzoek, is dat niet om mezelf een plezier te doen, maar om de economie te ontwikkelen en daarmee ook voor morgen banen te scheppen hier in Europa, en om te voorkomen dat er arbeidsplaatsen en bedrijven naar landen buiten Europa worden overgebracht.

Sommigen van u zijn ingegaan op het juridisch kader. Ik zal hier heel duidelijk in zijn: de telecomverordening – overigens een zeer positief voorbeeld, dat naar het zich nu laat aanzien als model gaat dienen voor de hervorming van de markt en het juridisch kader in de sectoren vervoer en energie – is niet gemaakt voor regulering, maar voor deregulering, om markten open te stellen voor concurrentie.

Onze cijfers maken één ding duidelijk: op markten waar concurrentie heerst, dalen de prijzen en is de take-up van technologieën door de burger veel hoger. Op markten zonder concurrentie en met monopolies is er daarentegen helemaal geen take-up, omdat er geen aanbod op de markt is en omdat de prijzen te hoog zijn. Kijk bijvoorbeeld naar de statistieken voor breedband, en u zult begrijpen dat deze markt alleen functioneert dankzij concurrentie, waarbij het – ik herhaal wat ik eerder heb gezegd – dan wel gaat om concurrentie op markten waar ook concurrentie mogelijk is. Er zijn correcties nodig op markten die te duur zijn voor de industriële economie, met andere woorden het regionaal beleid moet zich ontfermen over regio’s die wat verder van de stedelijke centra af liggen.

Het juridische kader wordt momenteel herzien. Ik heb een begin gemaakt met het overleg hierover en zal vóór de zomer met een herzieningsvoorstel voor de betreffende markten en een eerste voorstel voor de hervorming van het telecompakket komen. De raadpleging hierover zal in het tweede semester van dit jaar beginnen, en eind dit jaar zal ik u een nieuw telecompakket voorleggen, dat veel eenvoudiger zal zijn dan het telecompakket dat is voorgesteld, of het pakket dat nu geldt. Maar – ik ben hier heel duidelijk in – dit nieuwe pakket zal niet toestaan dat er wederom nieuwe monopolies ontstaan: ik ben zeer stellig op dit punt.

Het onderwerp roaming is ook ter sprake gebracht. Ik neem aan dat u weet dat ik afgelopen zomer heb gezegd dat ik overdreven hoge prijzen niet langer zou tolereren; u zult zich herinneren dat ik vorig jaar oktober een prijsvergelijking op een website heb gezet. Ik ben bezig met een vergelijking tussen de ontwikkelingen in die prijzen sinds oktober. Teleurgesteld als ik was over die ontwikkelingen, heb ik een verordening aangekondigd om de prijzen naar beneden te krijgen. En ziedaar: na die aankondiging dalen de prijzen van internationale roaming, wat een goede zaak is.

Ik zal binnen enkele weken bekendmaken wat ik hieraan ga doen, en aangeven of er wel of juist niet gereguleerd moet worden. Ik denk van wel: ik zal u dus een verordening voorleggen die ervoor zorgt dat de prijzen van internationale roaming weer reëel worden, en niet langer het karakter hebben van uit de lucht gegrepen prijzen die zwaar op het huishoudbudget drukken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt om 11.30 uur plaats.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Edit Herczog (PSE). – (HU) Honderdtwintig jaar geleden zei Thomas Edison: ‘Elektrisch licht zal zo goedkoop zijn dat alleen de allerrijksten kaarsen als verlichting zullen gebruiken’. Tegenwoordig kunnen alleen de allerrijksten het zich veroorloven niet over een mobiel telefoonnummer of e-mailadres te beschikken. Het is vandaag de dag bijzonder moeilijk om zonder deze twee instrumenten naar een betrekking te solliciteren, laat staan een bedrijf op te starten.

De verwezenlijking van de informatiemaatschappij is niet alleen een middel maar ook een basisvereiste voor groei en werkgelegenheid. Wij moeten ervoor zorgen dat alle gebieden tegelijkertijd op snelle en flexibele wijze ontwikkeld worden.

Wij moeten zelfs netwerken opzetten op terreinen waar dat vanuit marktoogpunt niet rendabel is. Dat moet eenvoudigweg een onderdeel van ons cohesiebeleid worden.

Wij moeten de bevolking betaalbare toegang tot de netwerken verschaffen. De markt zal ons daarbij helpen op voorwaarde dat wij geen nodeloze hindernissen opwerpen.

Wij moeten garanties bieden voor een veilige inhoud van goede kwaliteit. Dat vergt moderne opleidingsprogramma’s, innovatie, onderzoek en ontwikkeling en ongetwijfeld ook een efficiëntere bescherming van de intellectuele rechten.

Als wij te lang gewacht zouden hebben met het aanknippen van de elektriciteit, zouden wij onze vingers verbrand hebben aan de kaarsenwas. Als wij al wat verband houdt met de informatiemaatschappij op de lange baan schuiven, zal de geglobaliseerde ICT-economie ons maar al te graag voorbijrennen. Wij moeten dan ook dringend actie ondernemen.

 

6. Herstructureringen en werkgelegenheid (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0031/2006) van Jean Louis Cottigny, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over herstructureringen en werkgelegenheid (2005/2188(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Louis Cottigny (PSE), rapporteur.(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik wil voor alles mijn collega’s bedanken, die mij vertrouwen hebben geschonken door mij te belasten met het opstellen van dit verslag.

Een van de dingen die ik daarbij heb gedaan, is mijn oor te luisteren leggen. Ik heb de sociale partners – werknemers en werkgevers – ontvangen, ik heb gesproken met het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, en ik heb een onderhoud gehad met commissaris Špidla en de partners van de Commissie.

We hebben ook zeer intensief overleg gevoerd met de schaduwrapporteurs en ik wil op deze plaats mevrouw Bachelot, mevrouw McDonald, mevrouw Schroedter en de heer Beaupuy bedanken voor hun compromisbereidheid en de kwaliteit van hun werk.

Wanneer je over herstructureringen hoort praten, krijg je altijd de indruk dat er stomme verbazing heerst over iets compleet nieuws dat uit de lucht komt vallen. Dit is echter een eeuwenoud en onvermijdelijk fenomeen. De samenleving verandert, schrijdt voort en moderniseert zich. Het is normaal dat haar economische activiteit dezelfde ontwikkelingscurve volgt.

De technologische vooruitgang die al eeuwenlang het resultaat is van menselijk handelen, leidt ook tot herstructureringen. Ik zal een voorbeeld geven waar niemand in deze zaal aanstoot aan zal nemen: in de ontwikkeling van de jacht naar de veeteelt hebben onze voorouders talrijke belangrijke herstructureringen gekend. Wel is het zo dat deze herstructureringsverschijnselen een nieuw gezicht hebben gekregen door het snellere tempo waarin de vooruitgang zich voltrekt en de inmiddels wereldwijde dimensie van de markt.

Elk nieuw besluit dat we nemen, kan herstructureringen tot gevolg hebben. Daarom, als u het mij toestaat, wil ik op deze plaats de Commissie gelukwensen met het feit dat zij in haar mededeling heeft onderkend dat de Unie, die soms, zoals in het textieldossier, aan de basis staat van herstructureringsbewegingen, haar deel van de verantwoordelijkheid op zich moet nemen door die herstructureringen zo goed mogelijk te begeleiden.

Zoals u heeft kunnen constateren, hamer ik in mijn hele verslag op het noodzakelijke karakter van herstructureringen, aangezien die naar mijn mening garant staan voor het behoud van het economische concurrentievermogen van onze bedrijven en daarmee voor het behoud van werkgelegenheid. Maar bij de bestudering van dit dossier kunnen we niet de ogen sluiten voor herstructureringen die gebaseerd zijn op valse voorwendselen, waar slechts het streven naar onmiddellijke winst achter schuilgaat. Dergelijke gedragingen mogen met recht en reden immoreel worden genoemd, omdat het vandaag de dag in Europa ontoelaatbaar is dat een alleenverdienende werknemer maandagochtend voor de gesloten poort van een fabriek staat die in het weekend in allerijl is ontruimd.

Het is de taak van onze instellingen en die van de sociale partners om zoveel en zo vroeg mogelijk in actie te komen om beter te anticiperen op herstructureringen en de gevolgen ervan in termen van sociale kosten te verzachten. Want of ze nu wel of niet gerechtvaardigd zijn, in veel gevallen komen mensen bij herstructureringen aan de kant te staan.

Herstructureringen vormen geen verschijnsel dat een bepaalde lidstaat in het bijzonder treft. We mogen ons er niet toe laten verleiden ons tegen elkaar te laten opzetten zodra het thema werkgelegenheid ter sprake komt in deze vergaderzaal. Er bestaat niet zoiets als twee blokken met aan de ene kant de oude en aan de andere kant de nieuwe lidstaten. Er bestaat wel zoiets als 450 miljoen Europeanen, die van de ene op de andere dag, van Tallin tot Lissabon, met zo’n situatie geconfronteerd kunnen worden.

Ik probeer in mijn verslag drie actieterreinen aan te geven. Het eerste is de begeleiding van, laten we zeggen, de bedrijven van de burger, via de versterking van de instrumenten voor de analyse van het fenomeen om hen tijdig te waarschuwen, en via grotere financiële steun voor kleine en middelgrote ondernemingen, het stimuleren van permanente beroepseducatie, hetgeen een recht van werknemers en een onmiskenbare troef voor het bedrijfsleven is, de hervorming van de staatssteun ter ondersteuning van de groei en, bovenal, de instelling van een fonds voor aanpassing aan de globalisering.

Het tweede actieterrein betreft het instellen van sancties tegen “gangsterbedrijven” – vergeef me de term – die weliswaar ver in de minderheid zijn, maar wel het vaakst onderwerp van gesprek zijn. Dit soort actie neemt de vorm aan van betere controle op de aanwending van de Europese fondsen om het subsidieshoppen tegen te gaan, van het opnieuw ter discussie stellen van sommige herstructureringen die op dubieuze gronden zouden zijn doorgevoerd, en van het doen eerbiedigen van het juridische acquis communautaire en de juiste toepassing daarvan.

Het derde actieterrein betreft de begeleiding van de eerste slachtoffers van herstructureringen: de werknemers. Het gaat hier om het bieden van permanente omscholingsfaciliteiten, om de tijd tussen het verlies van de baan en het vinden van een nieuwe baan zo kort mogelijk te houden. Het gaat om de versterking van de rol van de sociale partners, die onze echte troefkaart zijn bij het omgaan met dit soort verschijnselen, en daarom verzoek ik mijn collega’s nogmaals om hun gedachten te laten gaan over een eventuele herziening van de richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraden. Het gaat ook om het stimuleren van de participatie van werknemers in het kapitaal van hun onderneming en het invoeren van één loket om alle burgers van de Unie gelijke toegang tot zorg en begeleiding te bieden.

Tot slot denk ik dat wij, aan de zijde van de sociale partners en los van partijpolitieke voorkeuren, kunnen helpen bij de begeleiding van herstructureringen teneinde de strijd om de werkgelegenheid te winnen. Laten we daaraan denken als het, van het ene moment op het andere, zomaar mogelijk is dat door een besluit van één raad van bestuur aan de andere kant van de wereld, hier bij ons het resultaat van tientallen jaren werk teniet kan worden gedaan. Dit dossier biedt ons de gelegenheid om op positieve wijze in te grijpen in het leven van onze burgers, want dat is waar het eigenlijk om gaat, deze wirwar van technische termen ten spijt: om mannen en vrouwen die slechts naar geluk streven. In dezelfde geest als die van de stichters van het Europa van de vrede, is het nu aan ons om bij te dragen tot het Europa van de sociale vrede.

 
  
  

VOORZITTER: ANTONIOS TRAKATELLIS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren afgevaardigden. Herstructureren is een noodzaak. Het is goed voor de economische ontwikkeling en het maakt de afstoting van minder productieve activiteiten mogelijk, alsook de versterking van sleutelsectoren. De arbeidsplaatsen die in dit proces worden geschapen zijn echter gewoonlijk van andere aard dan de arbeidsplaatsen die verdwijnen. Het leeuwendeel van de nieuwe banen is te vinden in de dienstensector en de kennisintensieve beroepen, terwijl er in de industrie en de onderste regionen van de arbeidsmarkt juist arbeidsplaatsen verdwijnen. Dat brengt de nodige sociale kosten met zich mee. Het is daarom noodzakelijk om op veranderingen te anticiperen en te zorgen voor begeleidende maatregelen. De overheid, het bedrijfsleven en de sociale partners dragen hiervoor gezamenlijk de verantwoordelijkheid. Juist deze gedachte is de leidraad van de mededeling "Herstructurering en werkgelegenheid" van 31 maart 2005. De Commissie spreekt haar dank uit aan de heer Cottigny en aan alle afgevaardigden die hebben bijgedragen aan het verslag, dat in principe in de lijn ligt van de algemene consensus op het vlak van herstructureringen die zich begint af te tekenen.

De Commissie is verheugd dat het Parlement zich er voorstander van heeft getoond om aanzienlijke bedragen uit de EU-begroting in te zetten voor maatregelen ter anticipatie op herstructureringen alsook voor de financiering van begeleidende maatregelen. De structuurfondsen dienen in grotere mate te worden aangewend voor de ondersteuning van economische en sociale veranderingsprocessen in de regio’s, alsook voor de omscholing van de meest door de herstructureringen getroffen werknemers, en dat laatste wel op zodanige wijze dat wij het hun eenvoudiger maken een nieuwe, kwalitatief hoogstaande bestaansbasis op te bouwen. Afgezien daarvan heeft de Commissie onlangs een reeds aan u voorgelegd voorstel voor de oprichting van een Europees globaliseringsfonds goedgekeurd. Dit fonds zal tot doel hebben de noodzakelijke toekomstige solidariteit te organiseren tussen degenen die profiteren van de voordelen van de liberalisering van de handel enerzijds en de werknemers die als gevolg van de mondialisering worden ontslagen anderzijds.

De Commissie heeft in het verslag van de heer Cottigny een groot aantal interessante analyses en uitspraken opgemerkt die zij zeker meer in detail zal bestuderen. Eén daarvan betreft de gedachte een centrale Europese coördinerende organisatie voor de herstructureringsproblematiek op te richten, een wat mij betreft buitengewoon interessant idee. En wat het verkrijgen van een beter inzicht in het gebruik van de Europese fondsen aangaat, heeft de Commissie voor de periode 2007-2013 voorgesteld om de regels omtrent de vestigingsplaats van bedrijven aan te scherpen en de verplichting om investeringen te doen renderen, uit te breiden. De Commissie stelt eveneens voor om ondernemingen die deze regels schenden te verplichten de ontvangen steun terug te storten en deze voortaan uit te sluiten van elke vorm van steun.

Voor een positieve en opbouwende benadering van economische en sociale veranderingen is optreden van de overheid noodzakelijk, zowel op Europees, nationaal als regionaal niveau. Desalniettemin dient de herstructureringsproblematiek vooral te worden aangepakt door degenen die de herstructureringen uitvoeren en degenen die de gevolgen ervan dragen, dat wil zeggen het bedrijfsleven en de werknemers. Om die reden richtte de mededeling van vorig jaar zich eveneens tot de Europese sociale partners en riep deze hen op om door te gaan met het gezamenlijke werk, dat tot doel heeft preventieve en positieve procedures op het gebied van herstructureringen uit te werken en vervolgens in te voeren. De Commissie heeft de sociale partners eveneens verzocht om te zoeken naar middelen ter versterking van de positie van de Europese ondernemingsraden. In het onlangs door de Europese sociale partners goedgekeurde werkprogramma voor de komende jaren, wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden op beide gebieden zullen worden voortgezet. De Commissie dringt er bij de sociale partners op aan om vaart achter het geheel te zetten en concrete resultaten te boeken.

Dames en heren, herstructureren mag niet symbool komen te staan voor sociale en economische achteruitgang. Neen, economische herstructurering kan juist leiden tot economische en sociale vooruitgang, en wel onder de voorwaarde dat op tijd op toekomstige herstructureringen wordt geanticipeerd, dat ondernemingen in staat zijn er effectief en snel mee om te gaan, en dat de overheid een bijdrage levert in de vorm van begeleidende maatregelen. Ik ben verheugd dat deze overtuiging ook tot uitdrukking wordt gebracht in de inleiding van het verslag van het Europees Parlement. Deze overtuiging dient de leidraad te zijn op de weg naar groei, sociale solidariteit en een hogere levenskwaliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Roselyne Bachelot-Narquin, namens de PPE-DE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, herstructureringen brengen twee werelden samen: die van de economie, waar ze nodig zijn om het hoofd te bieden aan de veranderingen als gevolg van de globalisering en de eisen van de consumenten, en die van de sociale dimensie, waar ze maar al te vaak een bron van leed en angst voor werknemers zijn. Deze herstructureringen krijgen een ander karakter met de opkomst van nieuwe machten, die een nieuwe dimensie in de werkverdeling teweegbrengen die er uiteindelijk toe zou leiden dat Europa wordt veroordeeld tot het ontwikkelen van de dienstensector en het opgeven van zijn status van landbouw- en industriële macht. Wij leggen ons niet bij dat vooruitzicht neer.

Tegen deze achtergrond wijst de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten elke vorm van demonisering van noodzakelijke herstructureringen af, maar zij is wel van mening dat de Europese markt een regulerend kader moet opzetten om de schokken van deze globalisering op te vangen. De interne markt is niet de oorzaak van herstructureringen, hij is er het tegengif voor.

Dit Europees model is echter ook een humanistisch model, en we mogen niet voorbijgaan aan het leed dat wordt toegebracht aan mensen en gebieden die door dit verschijnsel worden getroffen. De vraag die wordt gesteld is: hoe moeten we maatschappelijk verantwoorde herstructureringen bevorderen? In het verslag van de heer Cottigny worden diverse mogelijkheden aangegeven, waar onze fractie aan heeft meegewerkt.

De eerste mogelijkheid is de herziening van de richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraad en de versterking van de rol van de sociale partners na diepgaand overleg met hen: de rapporteur heeft een amendement in deze richting voorgesteld, dat onze goedkeuring kan wegdragen. Andere mogelijkheden: toegang tot expertise en uitwisseling van goede praktijken, die een relevant terrein voor de open coördinatiemethode vormen; beroepsopleidingen, en in dit verband zijn wij verheugd dat het door de heer Barroso voorgestelde begeleidingsfonds het pad van de herscholing van getroffen werknemers volgt, en niet wordt bestemd voor hachelijke reddingsoperaties; optimalisering van de ondersteuning vanuit het solidariteitsbeleid via de structuurfondsen ESF en EFRO, mits die, mijnheer de commissaris, niet onder druk komen te staan als gevolg van teruglopende financiële vooruitzichten. Tot slot noem ik uiteraard onderzoek en innovatie.

Ter afronding bedank ik rapporteur Cottigny voor zijn openheid van geest, dankzij welke wij talrijke compromissen hebben kunnen sluiten en onze fractie normaliter voor zijn verslag zou moeten gaan stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, namens de PSE-Fractie. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de rapporteur bedanken voor zijn open houding bij het werk aan dit verslag, waarmee hij de parlementaire commissie op één lijn heeft weten te krijgen. Dat heeft hij op werkelijk uitstekende wijze gedaan.

Ik ben het ook eens met het standpunt van de rapporteur dat herstructurering niets nieuws is. Als ik naar mijn eigen stad van herkomst kijk, constateer ik dat de grote bedrijven die daar in mijn jeugd waren, er niet meer zijn. Er is een heel ander soort werkgelegenheid ontstaan. Daardoor is de maatschappij veranderd, de huidige banen zijn van een veel hoger niveau dan toen ik opgroeide. Die ontwikkeling zal zich voortzetten. Het nieuwe is dat dat veel sneller gebeurt in de geglobaliseerde wereld van vandaag, en daarom hebben wij de herstructurering nodig als instrument.

Men kan dat als een bedreiging of als een kans beschouwen, maar nu wij een bepaalde weg hebben gekozen en hebben gezegd dat we niet moeten concurreren met India en China met hun lage lonen en arbeidsvoorwaarden, maar dat we een hoog salarisniveau en goede sociale voorwaarden moeten behouden, moet de herstructurering een instrument in het Lissabon-proces zijn. De vraag is dan echter hoe we die herstructurering teweeg moeten brengen.

Ten eerste moeten we een planning voor de lange termijn maken. Er zijn trends die we moeten kunnen zien. Bovendien moeten we tijdig handelen, want als we laat tot actie overgaan, is het soms al te laat. Dan kunnen de fabrieken alleen nog maar sluiten, dan zijn er geen alternatieven meer. We moeten op tijd aan veranderingen gaan werken.

Ten tweede moeten we alle partijen erbij betrekken. De sociale partners en de werknemers moeten aan het hele proces meedoen, zodat ze voorbereid zijn op de herstructurering wanneer dat proces plaatsvindt in de vorm van competentieontwikkeling, enzovoort.

Ten derde moet men ervaringen uitwisselen. Vorig weekend heb ik het Instituut van Dublin bezocht. Er is een uitvoerige analyse verricht en er is veel informatie verzameld op het gebied van geslaagde herstructureringsprocessen. Zo kan ik u vertellen dat reeds op dit moment 75 procent van de werknemers in Västervik, waar Electrolux vorig jaar zijn vestiging sloot, nieuw werk heeft gekregen. Het bedrijf, de sociale partners en de plaatselijke gemeenschap hebben samengewerkt om nieuwe banen te creëren.

Laten we bij het instellen van een nieuw globaliseringsfonds de oude instrumenten niet vergeten: het Sociaal Fonds, competentieontwikkeling en de verantwoordelijkheid op nationaal en regionaal niveau. Ik ben een aanhanger van het globaliseringsfonds als dat wordt gebruikt om individuen en de werkgelegenheid te versterken, en niet om de oude structuren te bewaren. We moeten echter ook de oude instrumenten bewaren, zoals het Sociaal Fonds, om de competentieontwikkeling te versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Marie Beaupuy, namens de ALDE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik vind dit een nogal voorbeeldig verslag, in meerdere opzichten. Volgens mij is het vooral voorbeeldig omdat het het probleem goed stelt.

Enkelen van u, waaronder de rapporteur zelf, hebben erop gewezen dat het geen nieuw probleem is, dat het al sinds mensenheugenis bestaat. Ik wil alleen maar onderstrepen dat deze aanpassingen – want dat zijn herstructureringen in feite, het zijn slechts stappen in het aanpassingsproces van bedrijven – noodzakelijk zijn om beter te kunnen inspelen op de behoeften van de klant, die wij allen zijn.

Ik ga de verschillende punten die de rapporteur in zijn uiteenzetting over het onderwerp heeft genoemd, niet herhalen. Wat ik wel wil zeggen, omdat ik dat voorbeeldig vind, is dat hij zeer pragmatische voorstellen heeft gedaan, die ik in zes groepen zou willen onderverdelen. Dat is door deze en gene onderstreept. Het eerste punt is de noodzaak om zoveel mogelijk te anticiperen. Overigens, en als daar behoefte aan is zal ik het nog eens bij onze collega’s onder de aandacht brengen, hoort men niets over de grote meerderheid van de herstructureringen, juist omdat daar in een vroeg stadium over wordt beslist.

Ten tweede moeten de partners, uiteraard die van de onderneming maar ook de regionale en externe partners, erbij betrokken worden.

Tot slot, en dit punt is al genoemd, gaat het om steun aan de werknemers. Ik wil in dit verband op één specifiek punt hameren, namelijk de individuele steun aan werknemers, want er zijn niet alleen maar globale oplossingen. Op het individu toegesneden oplossingen zijn echt nodig. Elke werknemer moet een oplossing kunnen vinden, via informatie, hulp bij het zoeken van een baan, enzovoorts.

Bij de bedrijven moet onderscheid worden gemaakt tussen, zoals u heeft gezegd, frauduleuze bedrijven – waarvan er enkele zijn – en de meest essentiële bedrijven, die steun nodig hebben. Ik noem tot slot de steun aan getroffen regio’s.

Dank u, mijnheer Cottigny, voor uw werkwijze. Zoals mevrouw Bachelot namens haar fractie heeft gezegd, zeg ik namens mijn fractie dat er een goede kans, zelfs een zeer goede kans is dat wij u steunen.

Ter afsluiting hoop ik natuurlijk, mijnheer de commissaris, dat de Commissie naar de voorstellen van ons Parlement luistert, maar ik hoop ook dat de diverse betrokken partijen buiten onze Europese instellingen om – in de lidstaten, de regio’s, de kamers van koophandel – en de betrokken werkgevers en werknemers in de sectoren de inhoud en de geest van dit verslag oppakken opdat herstructureringen geen onontkoombaar noodlot zijn, maar juist een kans voor deze bedrijven en werknemers om weer op te leven.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, het is inderdaad het geval dat de betrokken ondernemingen de druk om tot herstructurering over te gaan altijd vergelijken met een natuurverschijnsel dat ze plotseling overvalt. Ik ben van mening dat dat niet zo is.

Herstructurering en modernisering zijn een permanente verantwoordelijkheid van ondernemingen, en ook een sociale plicht tegenover hun personeel. Zij zijn verantwoordelijk voor voortdurende bijscholing, en op dit punt ben ik het eens met de rapporteur: werknemers hebben recht op een opleiding, of dat nu een basisopleiding is, een opleiding voor gevorderden of een opleiding onder werktijd. Uiteraard bestaat er de mogelijkheid dat bedrijfsbijscholing en de opleiding van vakmensen met publieke gelden worden gesteund, maar het zou schandalig zijn als bedrijven zich op het standpunt stellen dat het de taak van de publieke sector is om dit te doen, en dat de publieke sector daarvoor de verantwoordelijkheid moet nemen.

Ik geef toe dat dergelijke herstructureringen of zelfs verplaatsingen in sommige regio‘s zeer veel werkloosheid tot gevolg hebben. In dergelijke situaties doe ik echter een beroep op instrumenten zoals de territoriale pacten voor de werkgelegenheid die wij – dit Parlement samen met de Commissie – hebben gecreëerd. Uit studies blijkt dat deze uitstekend werkten doordat alle plaatselijke belanghebbenden erbij werden betrokken. Ze zijn efficiënt, ze werden door de Europese structuurfondsen gesteund en ze waren een succes. Het verbaast me werkelijk dat de Commissie terughoudender is in haar steun aan de territoriale werkgelegenheidpacten en niet meer zo snel haar toevlucht neemt tot deze mogelijkheden als in het verleden.

Nog een kanttekening bij het groeiaanpassingsfonds. Ook onze fractie is voorstander van een dergelijk fonds, maar er dient op te worden gelet dat alleen ondernemingen kunnen deelnemen aan dit fonds die zelf de sociale verantwoordelijkheid nemen voor permanente scholing en ontwikkeling, en die deze taken niet op anderen afschuiven. Alleen zo wordt voorkomen dat dit fonds alleen een symbolische functie krijgt. Daarom moet de betrokkenheid van de publieke sector afhangen van de deelname aan de sociale plannen door alle belanghebbenden, inclusief de ondernemingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo, namens de GUE/NGL-Fractie.(PT) Dit verslag gaat over één van de ernstigste problemen waarmee de Europese Unie nu te kampen heeft. Het gaat hier om een verschijnsel dat leidt tot veel extra werkloosheid en een sterke toename van de sociale en economische ongelijkheid. Hele regio’s komen zo braak te liggen en dat zet een rem op de ontwikkeling van die regio’s.

Wij geloven dat ondernemingen alleen een herstructurering zouden mogen doorvoeren als dat beslist nodig is om banen te beschermen en de ontwikkeling van de betrokken onderneming te verzekeren, en nooit om de winst te vergroten ten koste van banen, of – wat de laatste tijd steeds vaker gebeurt – om uitsluitend financiële en speculatieve redenen.

Daarom dringen we erop aan dat er strenge regels worden opgesteld om de strijd aan te binden met dit soort herstructureringen, waarbij wel geïnvesteerd wordt maar geen banen worden geschapen en duizenden banen verloren gaan. Belangrijk is ook dat de overheid toezicht houdt op de wijze waarop communautaire middelen worden gebruikt en onder welke voorwaarden ze aan ondernemingen worden toegekend. De nieuwe verordeningen moeten zodanig worden geformuleerd dat de toekenning van steun gekoppeld wordt aan de verplichting om banen met rechten te behouden en bij te dragen tot de ontwikkeling van de regio op de middellange termijn. Als aan die voorwaarden niet wordt voldaan, kan geen steun worden toegekend.

Daarom dringen wij aan op garanties dat de werknemers via hun vertegenwoordigers – in de eerste plaats de Europese ondernemingsraden – het recht krijgen om op elk punt van dit proces in te grijpen. Belangrijk is vooral dat ze een vetorecht krijgen. Daarom roepen we op tot een herziening van de richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraden.

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Roland Clark, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zie dat we vanmiddag over de Europese schoenensector gaan debatteren. Voor mij is dat een voorbeeld van herstructurering. Ik woon namelijk in Northampton en dat was ooit de hoofdstad van de Britse schoenensector. De afgelopen veertig jaar is het aantal arbeidsintensieve schoenmakers in Northampton teruggelopen van zeven of acht tot hoogstens één en de metaalbedrijven zijn zelfs allemaal uit de stad verdwenen. In diezelfde tijd is het aantal inwoners en werkzoekenden verdubbeld, maar er is geen werkloosheidsprobleem. Het werkloosheidspercentage ligt momenteel iets onder het Britse gemiddelde van 5,5 procent. Afgezien van Zweden en Denemarken is dat het laagste percentage in de EU.

Hoe hebben we dat voor elkaar gekregen? Hoe hebben we geherstructureerd? Daar zijn geen Europese programma’s aan te pas gekomen. In die tijd was het Verenigd Koninkrijk nog geen lid van de EG en was er ook geen sprake van subsidies van de EU. We hebben dat helemaal op eigen kracht gedaan door onze stad aantrekkelijk te maken voor de dienstensector. Barclaycard, een van de grootste creditcardmaatschappijen, bijvoorbeeld, heeft al heel lang haar hoofdkantoor in Northampton.

Ik weet dat u weinig op hebt met deze zelfhulpbenadering omdat die niet goed samengaat met de bemoeizucht, regels en verordeningen van de EU en het via niet-gekozen regionale organen en ontwikkelingsbureaus terugsluizen van geld dat een lidstaat zelf heeft betaald. Gisteren nog klaagde de heer Schultz dat de gekozen leden van dit Parlement minder te zeggen hebben dan de Raad en de niet-gekozen Commissie.

We kunnen Lissabon 2 dus maar beter schrappen zodat de nationale regeringen en gemeenteraden van lidstaten het werk kunnen doen waarvoor ze democratisch zijn gekozen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański, namens de UEN-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, we kunnen niet anders dan ervan uitgaan dat ondernemingen zich moeten aanpassen aan de nieuwe omstandigheden en uitdagingen die voortvloeien uit een geglobaliseerde economie, meer concurrentie en maatschappelijke veranderingen. Het is onze taak ervoor te zorgen dat de veranderingen gepaard gaan met een vergroting van het concurrentievermogen tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

Bij het zoeken naar nieuwe juridische oplossingen op Europees niveau moeten we ons niet uitsluitend richten op de noodzaak tot verbetering van de financiële resultaten en winstgevendheid. Onze grootste zorg moet het welzijn van de burgers betreffen. Zij zijn het die ons hebben gekozen om hun belangen en welzijn te behartigen. De beschikbare middelen moeten met name worden aangewend voor hulp aan de zwakste regio's - de meeste daarvan bevinden zich in de landen die recent tot de Unie zijn toegetreden.

Tot slot, onder verwijzing naar het debat van gisteren over de verplaatsing van bedrijfsactiviteiten en in de context van regionale ontwikkeling, ben ik zo vrij te beweren dat de hoop die de nieuwe lidstaten gedurende de pretoetredingscampagnes hebben gekoesterd, bij veel mensen, waaronder leden van dit Huis, al gauw uit het geheugen is verdwenen. Ook dreigen de toezeggingen die aan die landen zijn gedaan, in het vergeetboek te geraken. We moeten ons realiseren dat dit de landen zijn waar de situatie het moeilijkst is en de werkloosheid het hoogst.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (NI). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik spreek namens de nieuwe Italiaanse Socialistische Partij. Ook vandaag staan wij als Parlement voor een tweesprong. Europa moet kiezen: of het gaat voort in de richting van een opening van de markten die blindelings de natuurwetten van de mededinging volgt, of Europa besluit zijn werknemers in bescherming te nemen tegen de risico’s van een vergaande liberalisering.

Als rechtgeaarde reformist geloof ik wederom dat de beste weg de gulden middenweg is. Het is een utopie te denken dat herstructureringen tegengehouden kunnen worden. Wat de Europese Unie wel kan en moet doen, is deze herstructureringen proberen te voorkomen met stimuleringsmaatregelen voor het midden- en kleinbedrijf: deze ondernemingen moeten internationaal zo concurrerend mogelijk worden gemaakt. Ook moet de Unie met ontmoedigende maatregelen komen om subsidiehoppen te bestrijden. Daarnaast moet er een strategie worden opgezet waarin alle middelen worden aangewend om ons arbeidspotentieel volledig en op volwaardige manier de markt te laten betreden, om de werkloosheid te bestrijden en de braindrain te voorkomen waardoor onze knapste koppen hun heil buiten de Unie zoeken.

In geval van onvermijdelijke herstructureringen zal de Europese Unie alle mogelijke steun moeten garanderen om de ontslagen beperkt te houden en de werknemers een loyale bescherming te bieden, met behulp van ad-hocfondsen, zoals de rapporteur terecht gevraagd heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bushill-Matthews (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het eens met wat de commissaris aan het begin van dit debat zei, namelijk dat herstructurering nodig is om activiteiten die niet productief genoeg meer zijn, te kunnen beperken. Het punt is hoe we de herstructurering begeleiden en wie dit moet doen. Ook op dit punt ben ik het met de commissaris eens: dat moeten de bedrijven, de werkgevers en de direct betrokken werknemers zelf doen.

Aanvankelijk zou tijdens de vergaderperiode van februari over dit verslag worden gestemd, maar de grootste fracties hebben om begrijpelijke redenen afgesproken om de stemming een maand uit te stellen zodat er nog wat tijd is om verbeteringen aan te brengen. Dat was zeker nodig. Een aantal van de nu ingediende amendementen zijn een verbetering. Mijn collega, mevrouw Bachelot-Narquin is in dit verband zeer actief geweest en daar ben ik haar erkentelijk voor. Maar we moeten niet alleen de positieve amendementen aannemen. Een aantal van de oorspronkelijke paragrafen moeten we echt in hun geheel schrappen. Zolang we dat niet doen, draait het in dit verslag vooral om weerstand tegen verandering en het vergroten van het vermogen van de vakbonden om ermee om te gaan. We moeten verandering mogelijk maken en het vermogen van de werknemers om ermee om te gaan vergroten.

Het zal de rapporteur duidelijk zijn dat ik nog steeds weinig zie in zijn verslag. Er moeten niet alleen verbeteringen in worden aangebracht. Het moet ook worden geherstructureerd - als ik dat zo mag zeggen. Zoals hij weet, was ik een van degenen die in de commissie tegen zijn verslag hebben gestemd, deels om het mogelijk te maken verdere amendementen voor deze vergaderperiode in te dienen, maar ik moet nu zeggen dat mijn Britse medeconservatieven en, naar ik weet, ook enkele andere nationale delegaties, het recht voorbehouden om morgen tijdens de plenaire zitting tegen het verslag te stemmen. Het is dan wel een niet-wetgevend verslag, maar het zou jammer zijn om een verslag over zo’n belangrijk onderwerp weg te stemmen. Het is echter altijd nog beter om het weg te stemmen dan om de foute boodschap af te geven dat dit Parlement zich meer aan het verleden vastklampt dan dat het werkgevers en werknemers helpt om zich voor te bereiden op de toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, na het verslag-Hutchinson, waarover we gisteravond hebben gedebatteerd, is het verslag-Cottigny onderwerp van het debat over herstructureringen en verplaatsingen van bedrijven.

Ik wil beide rapporteurs ervoor bedanken dat ze deze sociaal-economische problemen aan de orde hebben gesteld, problemen die zeer veel angst en sociale onzekerheid bij onze medeburgers teweegbrengen. Gelukkig debatteert ons Parlement hierover: de Commissie moet op dit gebied dringend maatregelen treffen, mijnheer de commissaris. Deze kwesties stellen de Europese Unie voor de uitdaging van het economisch concurrentievermogen van ons bedrijfsleven en die van de baanzekerheid voor onze werknemers. In de beleving van de Europese werknemers zijn verplaatsingen en herstructureringen nauw met elkaar verbonden en vrijwel synoniem, omdat de gevolgen ervan voor hen hetzelfde zijn: het verlies van hun baan na jaren werken in dezelfde sector, soms zelfs in hetzelfde bedrijf, en dezelfde vraagtekens die worden gezet bij hun waarde als werknemer. Dat zou niet zo moeten zijn, omdat herstructureringen soms een teken van vooruitgang, van technische vooruitgang, zijn. Herstructureringen hebben niet dezelfde economische oorzaken als verplaatsingen, en het is aan de wetgever om voor elk probleem de geëigende oplossing te creëren.

Ik zou hier nader willen ingaan op de kwestie van bedrijfsherstructureringen om technologische redenen. Dat is in feite het centrale thema van het verslag-Cottigny. Bij deze kwestie is de uitdaging voor de Europese Unie gelegen in de vraag of zij zich weet aan te passen aan de steeds snellere veranderingen in ons tijdperk van technische vooruitgang. Zij stelt ons echt voor de uitdaging om op die vooruitgang te anticiperen. Regeren is vooruitzien, zegt men! Op dezelfde manier is ondernemen, zich in de voorhoede van de economische productie en concurrentie bevinden, ook vooruitzien. Het gaat er niet om dat we ons aan de vooruitgang aanpassen, we moeten daarop anticiperen, die vooruitgang zelf bedenken. Op dit gebied dragen de bedrijven de volledige verantwoordelijkheid, zij moeten produceren, en zij moeten hun werknemers helpen bij de anticipatie door zorg te dragen voor hun permanente educatie. Dat is het thema van het verslag-Cottigny, en ik vraag u, geachte collega’s en mijnheer de commissaris, om deze voorstellen te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gabriele Zimmer (GUE/NGL). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik ben de heer Cottigny bijzonder dankbaar voor zijn zeer intensieve werk aan dit rapport. Ik betwijfel echter of de onderliggende doelstelling van het verslag, namelijk het afzwakken van de sociale gevolgen van de herstructurering, wel haalbaar is.

Ten eerste: de Europese Unie beoogt met haar economische activiteiten en dus ook met de herstructureringen een groter concurrentievermogen op de mondiale markten te bewerkstelligen. Dat wil niets anders zeggen dan dat zij probeert om de zwakke gebieden buiten de EU te zoeken en te vinden, waarheen de verliezers kunnen worden getransporteerd.

Ten tweede: om de gevolgen van de herstructurering werkelijk te verzachten, moeten de fondsen voor de verliezers van de globalisering zo omvangrijk zijn dat daarmee het concurrentievermogen eigenlijk weer wordt verkleind. Als we onze problemen in de EU niet willen exporteren, moeten we “ja” zeggen tegen de herstructurering, maar onszelf tegelijkertijd afvragen hoe we het precies aanpakken. Wat we nodig hebben, is een andere manier om het economisch proces te beheren, een andere manier van maatschappelijk produceren, waarbij we ons baseren op sociale en mondiale duurzaamheid. Het doel mag niet zijn om het tot elke prijs te winnen van onze mededingers, en we mogen onze manier van denken daaraan niet aanpassen. Dat is de werkelijke uitdaging waarmee we worden geconfronteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Karatzaferis (IND/DEM). (EL) Mijnheer de Voorzitter, woorden zijn mooi, maar laten we overgaan tot daden. Laten we alles wat hier verteld wordt, eens gaan uitleggen aan onze kiezers in Thessaloniki of in Macedonië of in Naoussa, dat een dode stad is geworden: bedrijfsverhuizingen hebben gezorgd voor werkloosheid, armoede, sociaal onrecht en dood. Dat is de waarheid.

Ikea heeft in Athene een winkel geopend en 2 500 kleine winkeltjes en bedrijfjes zijn dichtgegaan. Hoe zouden zij moeten herstructureren? Waar het kapitaal neerstrijkt, worden kleine bedrijfjes doodgeknepen. Het is een jungle, een oceaan waarin de grote vis de kleine opslokt. Carrefour opent een winkel van 20 000 vierkante meter en de kleine winkels in de hele regio moeten sluiten. Wat doen wij? Wat ondernemen wij? Hoe kunnen wij helpen? Dit is de realiteit. Wij hebben een groot probleem. Een losgeslagen kapitalisme dringt ons leven binnen en begraaft de dromen van de allerzwaksten. Niets werkt nog tegenwoordig. Er is 20 procent werkloosheid in Macedonië, ooit de fabriek van heel Europa. Wat gaan wij doen? Hoe gaan wij die mensen redden van gebrek en armoede? Wij maken een nieuw leger van havelozen! U moet hier optreden, hier moet u hulp bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Guntars Krasts (UEN). – (LV) Mijnheer de Voorzitter, de conclusie van het Commissievoorstel inzake herstructureringen en werkgelegenheid luidt dat beleidsmaatregelen die gericht zijn op het weren van veranderingen en het bevriezen van economische structuren het probleem alleen maar verschuiven en derhalve de negatieve effecten nog verergeren. Helaas gaan ook tal van herstructureringsmaatregelen die in het verslag van het Parlement genoemd worden in die richting. Dat kan ertoe leiden dat bedrijven ernstige moeilijkheden ondervinden om zich aan te passen aan de marktveranderingen.

De analyse van de situatie en de conclusies die in het verslag zijn vervat, zijn in strijd met de voorgestelde maatregelen. In de tekst wordt bijvoorbeeld gewag gemaakt van de trage groei van de economie van de Europese Unie, het zwakke concurrentievermogen van de Europese bedrijven en de geringe arbeidsmobiliteit. Verder in het verslag wordt evenwel gesuggereerd dat herstructurering niet gebruikt mag worden om bedrijven rendabeler te maken door het aantal werknemers terug te schroeven. Ook het voorstel voor een groeiaanpassingsfonds is een voorbeeld van kortetermijndenken. De beste manier om banen in stand te houden is nieuwe banen te scheppen. Ook dit aspect zou in het verslag benadrukt moeten worden. Het herstructureringsbeleid zou dus in de eerste plaats gericht moeten zijn op het ten uitvoer leggen van sociaal-economische modellen die verenigbaar zijn met permanente verandering. De beoogde maatregelen moeten bijdragen aan de ontwikkeling van het zelfreguleringsvermogen in de lidstaten en de Europese Unie als zodanig. Alleen op die manier zal het mogelijk zijn om ook op de lange termijn het evenwicht tussen groei en hoge werkgelegenheid te bewaren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacek Protasiewicz (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, er is in dit Huis al veel gezegd over het feit dat economieën steeds verder globaliseren en steeds concurrerender worden. Zo staan de zaken er voor en ondernemers moeten daarop inspelen met een moderne bedrijfsvoering. Een belangrijk kenmerk daarvan is het vermogen om op flexibele wijze om te gaan met veranderende marktomstandigheden, met name als het gaat om nieuwe uitdagingen op concurrentiegebied. Gezien de omstandigheden is het niet mogelijk om ondernemingen doeltreffend te besturen zonder een permanente kostenanalyse en de bereidheid de nodige herstructureringsmaatregelen te treffen. Het is belangrijk om te bedenken dat als die maatregelen niet worden genomen, de gevolgen voor zowel de werkgevers als de werknemers altijd pijnlijk zijn. Dat moeten we steeds voor ogen houden als we spreken over het verslag van de heer Cottigny betreffende herstructureringen en werkgelegenheid.

Ik ben er zeker van dat het werk van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken de kwaliteit van het document aanzienlijk heeft verbeterd. Niettemin moet ik zeggen dat ik nog steeds moeite heb met de tekst, omdat er een overdaad aan wantrouwen van uitgaat tegenover ondernemers die herstructureringen uitvoeren of overwegen. Als afgevaardigde van een van de landen die recent tot de Europese Unie zijn toegetreden, ben ik met name bezorgd over de voorstellen om bedrijven te straffen die hun activiteiten geheel of gedeeltelijk willen verplaatsen naar gebieden van de Unie waar de productiekosten lager zijn. Ondernemers die dergelijke besluiten nemen, maken zich helemaal niet schuldig aan "immorele concurrentiepraktijken", zoals letterlijk in het verslag staat. Ik vind dat juist het tegenovergestelde het geval is. Ze bewijzen daarmee dat ze over de juiste bestuurscapaciteiten beschikken en dat ze de verantwoordelijkheid durven te nemen voor de toekomst van het bedrijf. Daarmee dragen ze bij aan de ontwikkeling van de economie in de Unie en aan de vergroting van haar concurrentievermogen. Ik wil u eraan herinneren dat dit een van de fundamentele doelstellingen is van de strategie van Lissabon, die ons zo na aan het hart ligt.

De invoering van aspecten uit het model van centrale planning in de Europese economie is ook niet het juiste antwoord op de maatschappelijke gevolgen van herstructureringen. Dat model is al een mislukking gebleken, en niet alleen in de voormalige communistische landen. De enige juiste oplossing is de kwalificaties van de mensen te verbeteren, het levenslang leren onder werknemers te bevorderen en hun mobiliteit te stimuleren. Ik pleit ervoor te werken aan deze drie aspecten en de overgangsregelingen voor toegang tot de arbeidsmarkten zo spoedig mogelijk op te heffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Emine Bozkurt (PSE). – Voorzitter, collega's, ik feliciteer mijnheer Cottigny met zijn verslag. In mijn land, Nederland, zijn herstructureringen en globalisering belangrijke onderwerpen. De meningen over hoe ermee om te gaan, lopen uiteen. De sociaal-democraten, waarvan ik er een ben, zijn van mening dat nodeloos rondpompen van geld, van Nederland naar Brussel en weer terug, niet de oplossing is.

Niet iedereen in mijn land is dan ook blij met het voorgestelde Europese globaliseringsfonds. Toch wil ik hier mijn steun uitspreken voor dit fonds met de toevoeging dat ik vind dat er zoveel mogelijk aansluiting te vinden zou moeten zijn bij bestaande ESF-structuren. Waarom ben ik toch vóór? Omdat burgers steun nodig hebben bij het omgaan met de negatieve effecten van globalisering. Als die steun niet te verwachten is van de eigen overheid, zoals bijvoorbeeld in Nederland voor bepaalde regio's, zoals het noorden, dan ontvangen we die steun graag van Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Dames en heren, ik heb met grote belangstelling geluisterd naar uw discussie, en als u het mij vraagt zijn er grondige voorbereidingen aan voorafgegaan en is de consensus die er uit blijkt buitengewoon sterk. Graag zou ik een aantal direct en indirect gestelde vragen willen aanstippen. Wat de informering en raadpleging van werknemers aangaat, verwijs ik naar de tweede- faseconsultatie met de sociale partners. Wat betreft het naleven van het recht van werknemers om ingeval van herstructureringen tevoren te worden geïnformeerd en geraadpleegd: die plicht is reeds vastgelegd in een aantal EU-richtlijnen. Deze richtlijnen dienen strikt te worden nageleefd.

Graag wil ik wijzen op het fundamentele belang van de sociale dialoog binnen bedrijven. Dit is een van dé instrumenten om te kunnen anticiperen op herstructureringen en om deze in goede banen te leiden. De mededeling luidt aldus de tweede fase in van de raadpleging van de Europese sociale partners over zowel de herstructurering van ondernemingen als de Europese ondernemingsraden. Ik hoop dat de sociale partners hard aan de slag zullen gaan. Zowel om de door hen anderhalf jaar geleden opgestelde mechanismen voor de toepassing en monitoring van de referentiebeginselen op het gebied van herstructureringen in te voeren, alsook om het potentieel van de Europese ondernemingsraden als vehikel van veranderingen in het bedrijfsleven volledig te benutten. De Commissie is van mening dat dit alles vooral hun taak is. De wetgevende weg kan niet geheel worden uitgesloten, maar in de huidige fase lijkt het gepaster en effectiever om deze kwestie aan de sociale partners over te laten.

Wat betreft eventuele steunverlening door de EU aan bedrijven die hun activiteiten verplaatsen, wil ik eraan herinneren dat onder de huidige regels steun uit de structuurfondsen wordt stopgezet indien er sprake is van aanzienlijke wijzigingen met betrekking tot de bedrijfsvestiging in kwestie, zoals bijvoorbeeld een bedrijfsverplaatsing binnen vijf jaar na toekenning en uitbetaling van de steun. Ook wil ik erop wijzen dat de Commissie voor de volgende programmeringsperiode (2007-2013) het voorstel heeft gedaan om deze termijn te verlengen tot zeven jaar, en om ingeval van schending van deze regel de ontvangen steun te laten terugbetalen. Ook stelt zij voor om zulke bedrijven voortaan van verdere steun uit te sluiten.

De Commissie heeft onlangs een richtlijnvoorstel aangenomen inzake de oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering. Het is nu aan u om dit voorstel samen met de Raad te behandelen en het al dan niet goed te keuren. De Commissie staat geheel open voor discussies over de voorwaarden van dit fonds. Zo heb ik reeds enkele ideeën genoteerd die mijns inziens belangwekkend zijn. Eén van die gedachten is onbetwistbaar van grote waarde, en wel dat bedrijven bij herstructureringen zelf een bijdrage dienen te leveren, en dat afwenteling van de kosten op de overheid geen goede zaak is. Verder wil ik graag wijzen op het directe en kortstondige karakter van de uit dit fonds afkomstige steun, dit in tegenstelling tot de meer gestructureerde werking van de structuurfondsen, het Europees Sociaal Fonds in het bijzonder. Dit betekent dat het fonds voor aanpassing aan de globalisering uitdrukkelijk en strikt dient te worden gezien als een aanvulling op de huidige instrumenten, daar waar deze instrumenten niet effectief zijn. Zoals ik al zei, hebben het Europees Sociaal Fonds en de andere structuurfondsen, in tegenstelling tot kortstondige ingrepen in uitzonderlijke situaties, een meer langdurige werking. Ze zijn gericht op de aanpassing van regio's, bedrijfstakken en arbeidsprocessen op economische en sociale veranderingen over een langere periode. Dit is dan ook de prioriteit van de structuurfondsen voor de periode 2007-2013, voortvloeiend uit de centrale doelstelling: regionale concurrentiekracht en werkgelegenheid.

Dames en heren, dé leidraad van deze discussie was ongetwijfeld de idee dat herstructureringen een kans zijn, maar dat deze kunnen resulteren in onaanvaardbare menselijke kosten, indien niet in goede banen geleid. De kansen die door herstructureringen worden geboden zijn een voortvloeisel van de kwintessens van onze maatschappelijke structuur en de fundamentele tendensen in de moderne wereld, namelijk de zoektocht naar steeds effectievere, efficiëntere en technisch vooruitstrevendere oplossingen in de economie, alsook op sociaal vlak. Dames en heren, een fundamenteel onderdeel van het EU-verdrag is het streven naar een goede levenskwaliteit in de algemene zin van het woord. Naar mijn mening is de mededeling, of eerder, het verslag dat het Parlement nu naar buiten brengt, buitengewoon inspirerend en een goede stap in die richting.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag om 11.30 uur plaats.

 

7. Europees Genderinstituut (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0043/2006) van Lissy Gröner en Amalia Sartori, namens de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees Genderinstituut [COM(2005)0081 - C6-0083/2005 - 2005/0017(COD)].

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Geachte Voorzitter, dames en heren afgevaardigden. De oprichting van een Europees genderinstituut voorziet in de noodzaak het Europees beleid op het gebied van de gelijkberechtiging van vrouwen en mannen te versterken met nieuwe beleidsinstrumenten, zodat vooruitgang kan worden geboekt. U zult het wel met mij eens zijn dat de gelijkheid van vrouwen en mannen zowel een politiek doel is – en zelfs een basisbeginsel van onze democratische samenlevingen – alsook een economisch doel. Zij is een buitengewoon belangrijk aspect van het economische, sociale en politieke leven in Europa. De volledige participatie van vrouwen, de volledige gelijkheid van kansen en de volledige deelname aan de arbeidsmarkt zijn daarbij eveneens speerpunten geworden van de Europese economie in een Unie die te kampen heeft met de vergrijzing en de daling van de bevolkingsomvang. In de jaarverslagen van de Commissie voor de jaren 2005 en 2006 over de gelijkheid van vrouwen en mannen, wordt echter aangetoond dat er op dit gebied slechts langzaam vooruitgang wordt geboekt. Er zijn nog vele obstakels te overwinnen alvorens dit maatschappelijk doel wordt bereikt.

Dames en heren, indien wij het potentieel dat de vrouwen vertegenwoordigen niet benutten, dan zal het onmogelijk zijn de Lissabon-doelstellingen te halen, maar meer nog, dan zullen we niet in staat zijn de wereldwijde concurrentie het hoofd te bieden. De gelijkheid van vrouwen en mannen is niet alleen politiek gezien een uiterst belangrijke kwestie, zij is voor Europa tevens een sleutelfactor in de buitengewoon harde wereldwijde concurrentiestrijd. Ter bestrijding van de nog steeds bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen, is het dus van prioritair belang om de inspanningen op zowel Europees niveau als op het niveau van de lidstaten te verdubbelen, en daarbij in het bijzonder rekening te houden met de verscheidenheid binnen de uitgebreide Unie. Om die redenen wordt er al sinds 1999 sterk aangedrongen op de creatie van een beleidsinstrument op Europees niveau. De Europese Raad heeft in lijn hiermee in juni 2004 de Commissie verzocht een voorstel te doen. Daarop heeft de Commissie een voorstel ingediend tot de oprichting van een instituut, een technisch instrument dat de Europese organen in het algemeen en de Commissie in het bijzonder zou moeten ondersteunen bij het opstellen van beleid, alsook de lidstaten bij de uitvoering ervan. In de eerste plaats zal het binnen de Unie objectieve, betrouwbare en onderling vergelijkbare gegevens vergaren, analyseren en verspreiden. Het zal eveneens passende methodologische instrumenten ontwerpen, vooral om de genderoptiek een vast onderdeel te maken van het gemeenschappelijk beleid. En tenslotte zal het instituut bijdragen tot een grotere zichtbaarheid van het Europees beleid, hetgeen juist in deze tijd buitengewoon belangrijk is en in wezen ook de kern van het democratische politieke proces; zaken moeten gewoonweg goed zichtbaar zijn. Als ze dat niet zijn, of aan het oog onttrokken, dan is het buitengewoon moeilijk om het algemene publiek te mobiliseren en een meerderheid voor een standpunt te kweken.

Ons voorstel is het resultaat van talrijke analyses, en is eveneens gebaseerd op het resultaat van twee haalbaarheidsstudies, alsmede op de vele discussies die er zijn gevoerd. Een van de twee genoemde studies werd uitgevoerd door de Commissie en de andere door het Europees Parlement, dat al sinds 2002 de oprichting van het instituut steunt. In het voorstel wordt rekening gehouden met de begrotingstechnische beperkingen die er bestaan, en er zal dan ook geen extra geld uit de Europese begroting nodig zijn.

Dames en heren, de Commissie zou graag zien dat het instituut een centre of excellence wordt. Op Europees niveau bestaat iets dergelijks nog niet. Weliswaar bestaat er een aantal uitstekende wetenschappelijke centra binnen universiteiten of elders, maar op Europees niveau is er nog niets. Daarom is het belangrijk dat de zaak in beweging komt. De Commissie heeft om die reden besloten de verregaande wensen van alle betrokken partijen in te willigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lissy Gröner (PSE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, het Europees Parlement heeft het Europees Genderinstituut al lange tijd op zijn verlanglijstje staan. We vragen er niet alleen ieder jaar ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag om, maar we willen ook verbeteringen zien in de kwaliteit van het genderbeleid, en daarom onderschrijven wij het voorstel van de Commissie.

Om brede steun te verkrijgen, heeft de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid de opdracht om het verslag te schrijven toebedeeld aan de twee grote fracties in de persoon van mevrouw Sartori en mij. We zijn compromissen aangegaan en hebben gezamenlijk een aantal amendementen ingediend die met name zijn gericht op een afgeslankte administratie en op borging van het primaat van de politiek. We willen dubbel werk vermijden, en dat geldt ook voor overlappingen met andere agentschappen. We willen zekerstellen dat alle expertise over vraagstukken met betrekking tot gendergelijkheid die bij nationale instituten te vinden is – bij genderdeskundigen, universiteiten en non-gouvernementele organisaties – kunnen worden gebundeld in één netwerk. Als aanvulling op het Commissievoorstel hebben wij amendementen ingediend die erop gericht zijn om maatschappelijke organisaties hierbij een adviserende rol te verlenen.

Het Genderinstituut is een uiterst belangrijk instrument om te waarborgen dat wij als politieke beleidsmakers snel inzicht kunnen krijgen in de uitkomsten van genderonderzoek om zo het wetgevingsproces te kunnen verbeteren. Het ligt in de bedoeling dat dit instituut een onafhankelijk centre of excellence wordt dat uiteraard wel de richtlijnen van de Europese Unie en ons beleid dient te volgen. Het zal een mijlpaal zijn die zijn uitwerking ver buiten de grenzen van de Europese Unie niet zal missen. Maar er bestaat natuurlijk ook het risico dat mensen zeggen – zoals sommige afgevaardigden in dit Parlement nu al doen – dat we geen afzonderlijk genderinstituut willen, maar dat het dient op te gaan in het Europees Agentschap voor de Mensenrechten.

Dat vind ik erg gevaarlijk omdat daarmee niet langer is verzekerd dat de programma‘s van de Europese Unie voor de burgers zichtbaar zijn. Voor het gendergelijkheidsprogramma dient er een instrument te komen waarvan de buitenwereld ziet dat het werkt. In mijn ogen zijn we er bij Progress niet in geslaagd om het zichtbaar te maken. Bij het Genderinstituut moet dat wel zijn gewaarborgd. Wat nodig is, is een klein, maar fijn instituut dat daadkrachtig werkt.

Een “nee” vandaag zou een grote tegenslag zijn voor het gendergelijkheidsbeleid van de Europese Unie, een grote tegenslag ook voor de routekaart voor gendergelijkheid, die vorige week zo overtuigend is gepresenteerd. De heer Barroso, de voorzitter van de Commissie, heeft vorige week het tijdpad gepresenteerd. Laten we, door “ja” te zeggen tegen het verslag-Sartori/Gröner, ervoor zorgen dat we ons aan dit tijdpad houden en dat er geen vertragingen ontstaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Amalia Sartori (PPE-DE), rapporteur. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik voeg mijn stem bij die van collega Lissy Gröner om steun te geven aan dit Commissievoorstel dat ingaat op een behoefte die in alle Europese landen, en niet alleen onder vrouwen, leeft.

In feite wordt er al heel lang over deze kwestie gedebatteerd, zoals zowel de commissaris als mevrouw Gröner hebben uitgelegd. Het idee om een genderinstituut op te richten dateert van meer dan tien jaar geleden, en geschiedde op instigatie van de toenmalige Zweedse minister voor gelijke kansen. De voorbereidingen zijn vijf jaar voortgegaan, er is een diepgaand debat van de grond gekomen en in 2000 erkende de Europese Raad van Nice dat er behoefte was aan een instrument om de uitwisseling van informatie en ervaringen op het vlak van gelijke behandeling van mannen en vrouwen te stimuleren.

De Europese Commissie heeft toen een haalbaarheidsstudie opgezet. Die is vervolgens gepresenteerd en een jaar geleden, op 8 maart, is het onderhavige besluit genomen. Van deze studie is reeds gezegd dat het een gemeenschappelijk en uiterst belangrijk werk van onze parlementaire commissie is. Onze commissie is in actie gekomen om ervoor te zorgen dat het genderinstituut werd wat wij allemaal wilden: een heel wendbaar technisch instrument dat alle gegevens van de statistische instanties aan elkaar moet koppelen en deze kennis moet verspreiden, teneinde alle betrokkenen, al degenen die de wetten maken en op dit vlak opereren, de mogelijkheid te geven keuzen te maken die stroken met een genderoptiek.

Sommigen zullen zich afvragen: was zo’n genderinstituut nu zo nodig? Volgens mij wel en de gegevens die ieder onder ogen heeft bevestigen dat ook. Om maar een voorbeeld te geven: de Europese richtlijn over gelijke beloning is dertig jaar geleden aangenomen, in 1975, maar vandaag de dag kampen wij in Europa nog steeds met een gemiddelde ongelijkheid van 15 procent, die in sommige landen oploopt tot zelfs 30 procent.

Ook de werkgelegenheidscijfers spreken boekdelen: Lissabon zal alleen werkelijkheid worden als steeds meer vrouwen toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. En dan hebben wij het nog niet eens over de problemen van geweldpleging en het dalende geboortecijfer.

Naar mijn mening bestaat er behoefte aan dit instituut. Een genderinstituut voor de vrouwen en gericht op de vrouwen is nog steeds nodig. Dit instituut zal sterk geconsolideerd worden, negen leden zullen in de raad van bestuur zitting nemen plus een vertegenwoordiger van de Commissie, en voor elk land zal een vertegenwoordiger in het raadgevend comité komen.

Ik sluit af. Er zijn twee soorten standpunten die tegen het genderinstituut zijn. Sommigen willen alles bundelen in een mensenrechteninstituut, en er zijn al voornemens om dat in Wenen op te richten. Als ik commissaris Frattini een handje zou willen helpen, zou ik daarmee instemmen. Maar ik geloof dat de vrouwen daar geen boodschap aan hebben. Volgens anderen kost het allemaal veel te veel. Maar dan zeg ik dat wij in Europa vier instituten hebben die zich bezighouden met werkgelegenheid en die kosten 66 miljoen euro per jaar. Dit genderinstituut zal maar 8 miljoen kosten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jutta D. Haug (PSE), rapporteur voor advies van de Begrotingscommissie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het is inderdaad het geval dat we in de Europese Unie nog een effectief instrument nodig hebben om grotere stappen te kunnen nemen op de weg naar gelijkheid van mannen en vrouwen. Want als we verder kruipen zoals tot nu toe dan zullen onze achterkleindochters nog steeds voor gelijke kansen moeten vechten. Het geplande Europees Genderinstituut kan dat aanvullende instrument zijn, maar omdat wij afgevaardigden in het Europees Parlement – en wij vrouwen in het bijzonder – niet alleen hard willen werken, maar ook een duurzaam effect willen bewerkstellingen, moeten de randvoorwaarden voor het toekomstige genderinstituut in orde zijn. Daartoe behoren ook de financiële middelen waarmee het instituut moet uitkomen.

Met het oog hierop zijn er twee kanttekeningen die de Begrotingscommissie en haar permanente rapporteur voor de agentschappen wil maken. Ten eerste: we hebben al 23 agentschappen, waarvan er vele in oprichting zijn dan wel worden geherstructureerd, en zij hebben allemaal veel geld nodig. Mocht onze overeenkomst met de Raad over het volgende financieel kader tot al met al lagere bedragen leiden dan door het Parlement voorgesteld, dan zullen daardoor ook de gedecentraliseerde agentschappen worden getroffen.

Ten tweede: de Commissie heeft voorgesteld, en tegen dit voorstel heeft dit Parlement geen bezwaar aangetekend, dat het Genderinstituut volledig gefinancierd dient te worden door de vijfde actielijn van Progress. In juni vorig jaar heeft dit Parlement in zijn standpunt ten aanzien van de financiële vooruitzichten ruim 850 miljoen euro voor Progress uitgetrokken. De Raad echter heeft daar in december bijna 300 miljoen euro van geschrapt. Maar zonder voldoende financiële middelen zullen we niet in staat zijn om duurzame effecten te bereiken op het terrein van gendergelijkheid. Voor een behoorlijk beleid en behoorlijk werk is behoorlijk wat geld nodig. Want anders bouwen we weer Potemkindorpen, zorgen we voor gefrustreerde medewerkers en strooien we de burgers zand in de ogen.

 
  
MPphoto
 
 

  Borut Pahor (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie constitutionele zaken. – (SL) Vooraleer ik hier enkele van mijn gedachten uit de doeken doe, zou ik mijn collega willen steunen, die daarnet het belang van financiële middelen voor een geslaagde werking van het instituut onderstreepte.

Ik voer het woord als rapporteur voor advies van de Commissie constitutionele zaken en ik ben tevreden met het voorstel voor de oprichting van een Europees Genderinstituut. Ik heb in de Commissie constitutionele zaken weliswaar voorgesteld om het instituut te herdopen tot agentschap. Met dat amendement wilde ik het politieke engagement van de instelling benadrukken en minder haar academische kant, die in de term “instituut” vervat zit.

In de periode waarin de internationale vrouwendag plaatsvond, geeft het Europees Parlement met die beslissing in elk geval een aanmoediging tot een nieuwe stap bij de tenuitvoerlegging van gelijke kansen, volgens mij één van de fundamentele ambities van het moderne Europa. Ik hoop dat het instituut meer wordt dan een passieve statistische dienst die de gelijkheid of ongelijkheid in kaart brengt, maar dat het ook een actieve voortrekker zal zijn voor nieuwe strategieën die voor een feitelijke vooruitgang op het vlak van gelijkheid zullen zorgen.

Ik kan niet aan de verleiding weerstaan om in dit eminente Huis de kandidatuur van Slovenië als zetel voor het instituut te noemen. Als Slovenië verkozen wordt, is dat een bemoedigende beslissing. Enerzijds kunnen we bogen op uitzonderlijk succesvolle resultaten in onze overgangsperiode, maar de gegevens tonen aan dat die resultaten succesvoller zijn voor mannen dan voor vrouwen. Anderzijds zet de overheid er zich ook actief voor in om de situatie een andere wending te geven. In dat licht zou de oprichting van het instituut in een nieuwe lidstaat een geslaagde beslissing zijn, aangezien die de beweging een duwtje in de goede richting zou geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská, namens de PPE-DE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik betuig mijn diepe erkentelijkheid aan Lissy Gröner en Amalia Sartori voor hun uitstekende teamwerk binnen de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid.

Ik durf met de volgende vraag aan een teer punt te raken: kunnen we buiten een centrum van waakzaamheid dat zich exclusief bezighoudt met de verschillende behandeling van mannen en vrouwen?

Ondanks al onze Europese richtlijnen is de voortdurende ongelijkheid in de behandeling van mannen en vrouwen bij alle economische activiteiten nu al dertig jaar lang een belediging voor onze democratie. De demografische problematiek is niet opgelost. In het belang van vaders, moeders en kinderen moeten we het gezins- en beroepsleven nu snel met elkaar verzoenen. De strategie van Lissabon is verre van geslaagd. Wie neemt de totstandbrenging van het menselijk kapitaal van de toekomstige generaties serieus? Wie neemt de solidariteit tussen de generaties serieus? Deze economische, doch informele en niet in geld uitgedrukte activiteiten vormen een zware klus, die overwegend door vrouwen wordt geklaard. Aan de rol van mannen in het gendergelijkheidsproces wordt evenmin enige aandacht besteed.

Het lijkt me dus niet overbodig voor middelen te zorgen om de onaanvaardbare verschillen met mannen waarvan vrouwen nog steeds het slachtoffer zijn, nauwlettend in het oog te houden en aan de kaak te stellen. Elk initiatief dat dit onrecht op objectieve wijze, over de politieke scheidslijnen heen, aan de kaak stelt, kan alleen maar welkom zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford, namens de ALDE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, we moeten de mate van inzet voor gendergelijkheid niet afmeten aan de steun voor de oprichting van een Genderinstituut. De rapporteurs leggen uit dat ze dat orgaan steunen: “aangezien zo kan worden gewaarborgd dat de overkoepelende doelstelling van gendergelijkheid ... niet ondergeschikt wordt gemaakt aan ander antidiscriminatiebeleid op EU-niveau”. Deze op een misvatting gebaseerde doelstelling verklaart waarom een apart instituut geen goed idee is. Op het gebied van verdrukking bestaat geen rangorde. De voorstanders hebben meer oog voor het prestige van een afzonderlijk orgaan dan voor een brede verandering van de maatschappij.

Het Genderinstituut zou onderdeel moeten uitmaken van het nieuwe Europees Agentschap voor de grondrechten, net zoals het Waarnemingscentrum voor racisme. Indien gender als enige gelijkheidsdoelstelling niet onder het Agentschap voor de grondrechten valt, zal dat tot een onevenwichtig model leiden en het Agentschap verzwakken. Het zou er ook wel eens toe kunnen leiden dat gendergelijkheid in een impasse geraakt en niet het zeer opvallende vlaggenschip wordt dat de voorstanders willen.

Volgens mij is het een teken van grote onzekerheid als je zegt dat je een apart instituut nodig hebt om gendergelijkheid hoog op de politieke agenda van de EU te houden. Integendeel: vrouwen kunnen de campagne voor gelijke mensenrechten aanvoeren voor iedereen via het Europees Agentschap voor de grondrechten. Dat is het standpunt van de Britse commissie voor gelijke kansen en daar sta ik achter.

 
  
MPphoto
 
 

  Hiltrud Breyer, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de Fractie de Groenen/Vrije Europese Alliantie staat als één man achter een onafhankelijk en effectief genderinstituut, en wij steunen het verslag van mevrouw Gröner en mevrouw Sartori volledig.

Veel afgevaardigden hier vragen zich af waarom we een nieuw instituut nodig hebben. We hebben het nodig omdat gendergelijkheid het waarmerk van de Europese Unie is, omdat we hebben gezegd dat we gelijkheid als een van de waarden van de Europese Unie beschouwen, en omdat we weten dat vrouwen nog steeds worden gediscrimineerd. En daarbij gaat het niet alleen om schendingen van de mensenrechten, zoals mevrouw Ludford zojuist zei. De discriminatie gaat door op de arbeidsmarkt, in de sport en op vele andere terreinen. We weten dat vrouwen een belangrijke rol spelen bij het vormgeven van de toekomst, niet alleen wat betreft hun potentieel in het proces van Lissabon, maar ook met het oog op de demografische ontwikkeling, waarbij vrouwen een uiterst cruciale rol spelen. Met name moeders spelen een centrale rol waar het gaat om de schendingen van de rechten van vrouwelijke migranten. Gisteren nog hebben we van commissaris Frattini gehoord dat we te weinig statistieken hebben over gedwongen prostitutie. Dit Europees Genderinstituut is hard nodig.

In het verleden was de Europese Unie de baken van het gendergelijkheidsbeleid. Een “nee” zou een ramp betekenen, een “nee” zou een echte breuk betekenen in de Europese Unie. Daarmee zou het Europees Parlement in feite toegeven dat zijn gendergelijkheidsbeleid niets meer te bieden heeft. Daarom roep ik het Parlement op om in groten getale voor het Europees Genderinstituut te stemmen. Dat moeten we op die manier zichtbaar maken.

Het Genderinstituut kan echter geen wetgevingsinitiatieven vervangen. We zullen er met argusogen over waken dat het gendergelijkheidsbeleid niet tot stilstand komt. Het Genderinstituut mag geen zoethoudertje worden en geen middel om de aandacht af te leiden van de passiviteit in het wetgevingsproces. Een genderinstituut kan dit gelijkheidsbeleid in de wetgeving niet vervangen, en daar zullen wij de Commissie ook aan houden.

Ik verzoek u dus nogmaals dit verslag met kracht te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Eva-Britt Svensson, namens de GUE/NGL-Fractie. – (SV) Ik wil mij collega’s in de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, en speciaal mevrouw Gröner en mevrouw Sartori, bedanken voor hun betrokkenheid en voor hun werk inzake dit vraagstuk. Ik sta er volledig achter en dat geldt voor onze hele fractie. We beseffen dat een instituut op zichzelf niet leidt tot meer gendergelijkheid, maar dat het in een juiste vorm een ongelooflijk belangrijk werktuig is om succes te boeken in de strijd voor gelijke kansen.

Ik zou willen wijzen op twee voorstellen die het werk van het instituut nog sterker zouden maken. Dat is ten eerste de mogelijkheid van een effectieve evaluatie van de gevolgen voor respectievelijk vrouwen en mannen van besluiten op alle niveaus, en ten tweede de samenstelling van het bestuur: zes personen van de Raad, zes personen van de Commissie, en nog drie leden van respectievelijk een werknemers-, een werkgevers- en een vrijwilligersorganisatie. Ik vind dat de drie laatstgenoemde leden ook stemrecht moeten hebben en dat de vrijwilligersorganisatie een vrouwenorganisatie moet zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Urszula Krupa, namens de IND/DEM-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, in haar pogingen om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op te heffen is de Europese Commissie voornemens 50 miljoen euro uit te trekken voor de uitvoering van de taken waarmee het nieuwe Europese Instituut voor Gendergelijkheid wordt belast. Dit instituut moet werken aan gelijke beloning voor gelijk werk, de uitbanning van genderstereotypen en de bevordering van gelijkheid tussen mannen en vrouwen buiten de Europese Unie.

Ik wil het Huis er evenwel aan herinneren dat van de 450 miljoen inwoners van de Europese Unie er bijna 70 miljoen, 15 procent van de bevolking, in armoede leven. Dat percentage is niet alleen een duidelijk bewijs van ongelijkheid, maar ook een schending van de fundamentele rechten van de mens en een belediging van de menselijke waardigheid.

In het belang van de maatschappelijke vrede zou het goed zijn de armen te helpen, de werkloosheid op te lossen en de gezondheidszorg in orde te maken. Dat is veel nuttiger dan negatieve gevoelens tussen mannen en vrouwen losmaken, wat altijd ten koste gaat van de vrouw. Eventuele ongelijkheden bij beloning voor werk zouden met een simpele rechtshandeling kunnen worden opgelost; daar zijn dit soort uitgebreide financiële middelen niet voor nodig. In plaats van te pogen de natuurlijke ongelijkheden op verschillende gebieden van de economie en het beroepsbestaan weg te nemen en de gelijkheid in derde landen te bevorderen, zouden we ons moeten richten op gelijkheid binnen de Unie. De bovengenoemde fondsen kunnen beter worden besteed aan het verbeteren van de levensomstandigheden van kinderen die in armoede leven. Opkomen voor het gezin zou voorrang moeten krijgen boven het uitbannen van genderstereotypen en zou helpen de huidige trend te keren waarin het gezin wordt gedegradeerd tot een achterhaalde culturele curiositeit.

 
  
MPphoto
 
 

  Wojciech Roszkowski, namens de UEN-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, gelijkheid tussen mannen en vrouwen is in de Europese Unie een steeds terugkerende mantra. Iedereen weet echter dat het allemaal niet zo eenvoudig ligt. Juist omdat ze verschillend zijn, wordt er onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Ook al zijn ze gelijk in waardigheid, het verschil staat buiten kijf. Zoals eerder al is gezegd, komen de verschillen duidelijk tot uiting in de sport. Ik heb de laatste tijd geprobeerd te ontdekken hoe de Europese Commissie met dit gegeven omgaat, met name vanwege de gevolgen ervan op alle gebieden. Enfin. Ik heb dus gevraagd of deze ongelijkheid voortvloeit uit de wet der natuur of uit geschreven recht en wat er kan worden gedaan om mannen in staat te stellen kinderen te baren. Commissaris Špidla antwoordde dat het beginsel van gendergelijkheid enkel van toepassing is op werk en op de toegang tot goederen en diensten. Die bewering strookt niet met de feiten. Artikel 23 in hoofdstuk III van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is immers duidelijk van toepassing op alle gebieden. Als de Europese Commissie niet in staat is het probleem in de Europese wetgeving op te lossen, betwijfel ik of het nieuwe instituut dat wel zal kunnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (NI).(FR) Mijnheer de Voorzitter, een ding is zeker, aan allerlei soorten structuren en netwerken voor de bestudering van en de belangenbehartiging voor vrouwen geen gebrek. Voorbeelden hiervan zijn het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, de diverse NGO’s, ad-hoccomités, bureaus voor grondrechten, adviesforums over vrouwenrechten, de Europese vrouwenlobby en onze eigen commissie in het Parlement.

Is het dus echt verstandig een nieuw Europees instituut op te richten dat zich gaat bezighouden met de gelijkheid van mannen en vrouwen? Is het, in deze wirwar van structuren die niet altijd in perfecte harmonie functioneren bij de uitwisseling van informatie, niet de vraag of dit nieuwe orgaan, dat geacht wordt al deze informatie in één netwerk samen te brengen, wel over de reële middelen zal kunnen beschikken om te bestaan? Om het duidelijk te stellen, kunnen wij dat instituut op dit moment, los van de vraag of het überhaupt wel operationeel zal worden, garanderen dat het in politiek en financieel opzicht volledig onafhankelijk zal zijn?

Het lijkt van niet, aangezien de Commissie niet bereid is dit toekomstige instituut al te veel speelruimte te gunnen. Haar terughoudendheid om de directeur van het instituut uitsluitend verantwoording te laten afleggen aan de raad van bestuur en niet aan haar, is in dit verband veelzeggend.

Om al deze en andere redenen kan dit initiatief tot oprichting van wat ik “de zoveelste doolhof” zou willen noemen, niet mijn goedkeuring wegdragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) Dames en heren, de oprichting van een Europees Genderinstituut, een fundamentele langetermijndoelstelling die wordt benadrukt in het Verdrag van Amsterdam en gunstig beïnvloed is door het proces dat in gang is gezet na de Vierde Wereldvrouwenconferentie in Peking, is uitgegroeid tot een politiek discussiepunt tussen voor- en tegenstanders van het instituut.

Ik behoor tot degenen die het standpunt van de rapporteurs onderschrijven. Mevrouw Gröner en mevrouw Sartori zijn erin geslaagd een oplossing te vinden die kan rekenen op de steun van de twee grootste fracties in het Europees Parlement. Ik bewonder en waardeer het werk dat zij in het kader van dit verslag verricht hebben en ben met name vol lof over de geduldige bewustmakingscampagne waarmee zij pleiten voor de oprichting van een instituut met een coördinerende functie dat als taak heeft technische bijstand te verlenen bij de tenuitvoerlegging van het genderbeleid van de Europese Unie, de werkzaamheden van bestaande instellingen te stimuleren en de samenwerking ermee te bevorderen, informatie te verspreiden en de zichtbaarheid van het vraagstuk van gendergelijkheid te vergroten.

Ik kan mij niet vinden in het amendement waarin wordt gesuggereerd om het instituut te integreren in het Europees Agentschap voor de mensenrechten te Wenen, aangezien de gehele problematiek dan deel zou gaan uitmaken van een reeds bestaande agenda, hetgeen zeker niet beantwoordt aan het streven van de Europese Unie om haar gelijkekansenbeleid te versterken. Zoals ook blijkt uit de meest recente verslagen is de gelijkheid tussen mannen en vrouwen nog steeds niet gewaarborgd. Het voortbestaan van de genderongelijkheden is een probleem dat de maatschappij als geheel aangaat, niet alleen vrouwen. De oprichting van het instituut zal een belangrijke bouwsteen vormen in het kader van de onlangs aangenomen routekaart voor de tenuitvoerlegging van het gelijkekansenbeleid. Vanuit financieel oogpunt zal het instituut geen zware inspanningen vergen aangezien het bekostigd zal worden uit reeds bestaande bronnen. De toegevoegde waarde van het instituut zal ook activiteiten buiten de Europese Unie omvatten, met name acties die betrekking hebben op de uitbreiding, een terrein waar gelijke kansen bijzonder actueel zijn en dat ook zullen blijven.

Tot slot ben ik ervan overtuigd dat het voorstel om het instituut in een van de nieuwe lidstaten te vestigen zal bijdragen aan een evenwichtige decentralisatie van de instellingen van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de rapporteurs gelukwensen met hun verslag, en aangeven dat ik blij ben met de inspanningen van de Commissie om de Europese Unie de beschikking te geven over een onafhankelijk orgaan dat zich speciaal zal bezighouden met kwesties inzake gendergelijkheid.

Ik zou willen benadrukken dat dit instituut volkomen onafhankelijk dient te zijn en niet gebonden mag zijn aan voorwaarden van welke aard dan ook. Dat is een fundamentele vereiste als het instituut zijn doelstellingen wil verwezenlijken, die veel verder gaan dan alleen het verlenen van technische bijstand aan de Commissie.

Het idee een Europees netwerk voor gendergelijkheid op te zetten, lijkt me zonder meer innovatief en doeltreffend, met name om te voldoen aan de vereisten van tijd en afstand bij het delen en uitwisselen van kennis, informatie en beleidsvormen.

Wat de structuur van het instituut betreft vind ik dat er uiteindelijk een aanvaardbare oplossing gevonden is in de samenstelling van de raad van bestuur. Die samenstelling wordt gekenmerkt door een rechtvaardige en efficiënte rolverdeling tussen de drie instellingen, afgestemd op wat de realiteit van dit orgaan zal zijn, met helaas maar een kleine begroting en weinig personeel. In dit verband wil ik benadrukken dat het instituut als het aan zijn doelstellingen wil voldoen, moet kunnen beschikken over de juiste financiering, over een adequate financiering die de betrokkenheid van de Europese Unie bij gendergelijkheid geloofwaardigheid verleent.

Dat is een punt dat we deze dagen allemaal goed voor ogen moeten houden nu de onderhandelingen over de financiering tussen de verschillende instellingen plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik ben voorstander van de oprichting van een apart, actief en onafhankelijk Europees Genderinstituut. Het stevige gelijkekansenbeleid van de Europese Unie kan hiervoor de basis zijn. Vrouwen nemen in toenemende mate deel aan de arbeidsmarkt, maar nog steeds minder dan mannen. In de toekomst kunnen wij het ons niet veroorloven het bestaande menselijk potentieel te verwaarlozen en niet te benutten. Het Europees Genderinstituut kan hier echter invloed op uitoefenen. In de strategie van Lissabon was het aspect van gelijke kansen aanvankelijk van grote betekenis, maar het is in vergetelheid geraakt. Gelijke kansen moeten prominenter naar voren worden gebracht en daarbij kan een actief instituut ervoor zorgen dat de Europese Unie nog sterker en concurrerender wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Irena Belohorská (NI). (SK) Ik dank de rapporteurs voor hun verslag, dat moet uitmonden in de oprichting van een Europees Genderinstituut. Het is de taak van het instituut om de gegevens inzake gendergelijkheid uit de verschillende EU-landen te verzamelen en te analyseren en conferenties en campagnes te organiseren. Het lijkt mij overigens volkomen fout om de oprichting van het instituut ter discussie te stellen. In dit verband teken ik ook protest aan tegen de wijze waarop twijfel is gezaaid over de Slowaakse Republiek als mogelijke vestigingsplaats voor het instituut.

Ik ga hier niet alle instellingen noemen die op het grondgebied van de vijftien oude lidstaten gevestigd zijn. Ik heb respect voor het feit dat deze centra tijdens het ontstaansproces van de Europese Unie moesten worden opgericht en verder ontwikkeld moesten worden als een deel van het gecoördineerd gezamenlijk optreden. Daarom roep ik u op om voor de oprichting van dit instituut te stemmen.

Het Genderinstituut zou kunnen functioneren als een ombudsman voor vrouwen die bemiddelt tussen de regering en de niet-gouvernementele organisaties om ongelijkheden weg te werken. Ik denk bijvoorbeeld aan discriminerende arbeidsverhoudingen. Per slot van rekening is het algemeen bekend dat de laagste lonen doorgaans in de zogeheten “vrouwelijke sectoren” te vinden zijn, met name in het onderwijs en in de gezondheidszorg, terwijl de hoogste salarissen kenmerkend zijn voor typisch mannelijke beroepen zoals de strijdkrachten en de politie. Zijn de gezondheid en het onderwijs van de komende generaties misschien minder belangrijk?

 
  
MPphoto
 
 

  María Esther Herranz García (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, uiteraard wil ik beide rapporteurs gelukwensen, alsook alle leden van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, die zo hard aan dit verslag hebben gewerkt.

Ik denk dat dit instituut een nuttig instrument behoort te zijn, maar dat nut zal wel afhankelijk zijn van de politieke bereidheid van de regeringen daadwerkelijk te streven naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Ik zeg dit omdat we, zoals mevrouw Sartori heeft opgemerkt, al ruim vijftig jaar een wetgeving hebben die ervoor zorgen moet dat mannen en vrouwen hetzelfde loon voor hetzelfde werk krijgen. Niettemin is het zo dat er nu, anno 2006, nog steeds veel vrouwen zijn die voor hetzelfde werk minder betaald krijgen dan mannen, of wier arbeidscontract niet overeenstemt met het werk dat zij in werkelijkheid doen.

Die maatregelen, die voor vrouwen zichtbaar moeten zijn in onze Europese samenleving, kunnen dan ook alleen doeltreffend zijn als de wetten daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd en er niet alleen maar steeds meer wetten bijkomen. Hiervoor is politieke bereidheid nodig die zich in geld vertaalt, in het geld dat naar de begrotingen moet gaan, zowel de nationale als de communautaire begrotingen.

Zoals gezegd wil ik echt gelijkheid, en wat ik uiteraard niet wil, is politieke propaganda. Het komt heel vaak voor dat zich progressief noemende regeringen in de plannen die zij presenteren, zoals de Spaanse regering bijvoorbeeld in het Nationale Plan voor Hervormingen heeft gedaan, zinnen opnemen als de volgende: “er zullen voordelen worden verbonden aan het aannemen van werkloze jonge mannen van onder de dertig jaar”, terwijl ze geen enkele maatregel overwegen ten behoeve van vrouwen van onder de dertig, waaronder de werkloosheidspercentages, in mijn land, veel hoger liggen dan onder mannen. Dat noem ik nou demagogie: één ding zeggen en het andere doen, en dat is precies wat wij moeten vermijden in de Europese Unie.

Daarom zeg ik “ja” tegen dit instituut, maar dan moet het wel een concreet doel dienen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Line Reynaud (PSE).(FR) Ik wil beide co-rapporteurs, de dames Gröner en Sartori, feliciteren met het uitstekende werk dat ze hebben geleverd. Ten opzichte van de oorspronkelijke tekst van de Commissie houdt dit verslag immers een aantal verbeteringen in, die ik eveneens had voorgesteld in mijn ontwerpadvies in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken.

Ik zal er vier noemen. Allereerst de proactieve rol die het instituut is toebedacht, met name via het verrichten van analyses en het bieden van expertise, en de mogelijkheid die het krijgt om aanbevelingen en richtsnoeren voor te stellen aan de Gemeenschapsinstellingen. Vervolgens het belang van de samenwerking met het Agentschap voor de grondrechten. Verder de noodzaak van een evenwichtige deelname van mannen en vrouwen in de raad van bestuur, en tot slot de rol van het Europees Parlement, met name voor wat betreft de benoeming van de directeur van het instituut en de leden van de raad van bestuur, alsmede de follow-up van hun werkzaamheden.

Dit Genderinstituut is onontbeerlijk voor een echt Europa van mannelijke én vrouwelijke burgers, en ik was zeer teleurgesteld dat mijn ontwerpadvies in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken is verworpen met achttien tegen achttien stemmen, omdat een deel van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten en de Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa fractie wilde voorkomen dat dit instituut er komt. Daar staat tegenover dat het mij wel deugd doet te constateren dat de co-rapporteurs de hoofdlijnen van mijn bezorgdheid hebben overgenomen in hun verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Eugenijus Gentvilas (ALDE).(LT) Ik ben bijzonder blij met dit verslag. Ik ben van oordeel dat het uitermate belangrijk is voor de identiteit van het nieuwe moderne Europa. Gendergelijkheid vormt met name een probleem in de landen van Oost-Europa. Het is dan ook geen toeval dat Slovenië, Slowakije en Litouwen verlangen dat het instituut in hun land wordt gevestigd. In de Oost-Europese landen worden vrouwen nog vaak beschouwd als huismoeders. Zij worden niet geïntegreerd in de economische processen. Het Europees Parlement beschikt over een Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. In tal van Europese landen bestaan er ministeries, departementen en andere instanties die zich bezighouden met gendergelijkheid. Daarom lijkt het mij logisch dat wij een instelling oprichten die de gehele Europese Unie beslaat. Ik onderschrijf dan ook de inspanningen van de rapporteurs L. Gröner en A. Sartori en kan mij vinden in het argument dat een onafhankelijk instituut veel effectiever te werk kan gaan dan een instituut dat deel uitmaakt van een ander agentschap. Ik wil onderstrepen dat zowel mannen als vrouwen baat hebben bij een dergelijk instituut. Het is een schande dat hier vandaag overwegend vrouwen het woord hebben gevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Maciej Marian Giertych (NI).(PL) Mijnheer de Voorzitter, het belachelijke motto van feministen over gelijkheid van mannen en vrouwen is een ramp voor vrouwen. In het kader van dit motto wordt grote waarde toegekend aan mannelijke eigenschappen en wordt ervan uitgegaan dat ook vrouwen die bezitten. Dat is niet zo. Vrouwen bezitten vrouwelijke eigenschappen en die moeten evenzeer worden gewaardeerd. Verwijzingen naar vrouwen die niet werken zijn beledigend, want die vrouwen werken immers hard in de huishouding. Hun werk moet gewaardeerd worden en erkend als werk dat van even grote - zo niet meer - waarde is als het werk van mannen. Een van de meest ongelukkige aspecten van de huidige maatschappij is dat vrouwen om financiële redenen worden gedwongen buitenshuis te werken, omdat het onmogelijk is een gezin te onderhouden met één inkomen. Dat gebeurt tegen een achtergrond van hoge werkloosheid. Er kan niet van vrouwen worden verlangd dat zij dezelfde bijdrage leveren als mannen. Er kan bijvoorbeeld niet van hen worden verwacht dat zij meedraaien in ploegendiensten of verschillende dagen van huis blijven. Dat komt omdat we domweg anders zijn. Vrouwen vervullen als moeder een rol van onschatbare waarde, en daarom hebben ze speciale aandacht en bescherming nodig. Waar ze geen behoefte aan hebben is een instituut.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, een Europees Instituut voor Gendergelijkheid is dringend nodig, zeker nu we zelfs in het hart van het Europa van de 21e eeuw nog steeds regelmatig getuige zijn van discriminatie op grond van geslacht.

Tweeënvijftig procent van de Europese bevolking bestaat uit vrouwen, die op tal van gebieden nog steeds discriminatie ondervinden. Als dit nieuwe instituut succesvol wil zijn in de bevordering en tenuitvoerlegging van doeltreffend genderbeleid in de uitgebreide Europese Unie, moet het zich niet beperken tot het domweg verzamelen van statistische gegevens. Het zou zich in plaats daarvan moeten bezighouden met een gedetailleerde analyse van de gegevens en het opstellen van de adviezen en richtsnoeren die nodig zijn om het concept van gendergelijkheid doelmatig te integreren in het Europese rechtsstelsel. Men moet bedenken dat de gelijkheid van vrouwen en mannen, die het instituut geacht wordt te bevorderen, een fundamenteel recht is, een prioriteit binnen het Gemeenschapsbeleid en vervat in het Verdrag. Gelijkheid moet binnen alle maatschappelijke en economische activiteitengebieden worden verwezenlijkt, met name bij werkgelegenheid en ondernemerschap.

Het zou goed zijn als het instituut werd gevestigd in het nieuwe deel van het verenigde Europa , misschien wel in Polen. Polen is het grootste land van alle nieuwe lidstaten en bovendien een land waar discriminatie nog steeds welig tiert maar door de autoriteiten wordt gebagatelliseerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). (LT) Emile Zola zei ooit dat vrouwen de as van de beschaving zijn. Welnu, dit instituut moet de as worden van het Europees beleid inzake gendergelijkheid, voor wat zowel de vaststelling als de tenuitvoerlegging betreft. Het enige dat nodig is om het Europees Instituut voor Gendergelijkheid daadwerkelijk tot stand te brengen is een duidelijke omschrijving van het probleem, politieke wil en wat financiële middelen. De taak waarmee het instituut belast wordt, heeft heel wat meer voeten in de aarde, aangezien het geen sinecure is om de houding ten aanzien van vrouwen te veranderen en de discriminatie waarvan zij in vele Europese landen het slachtoffer zijn uit te bannen. Het instituut moet behalve specialisten ook mensen van beide geslachten in dienst nemen die werkelijk begeesterd zijn door het genderprobleem. Het is dan ook absoluut noodzakelijk dat het Europees Parlement betrokken wordt bij de opleiding van het team van het instituut en voortdurend controle uitoefent. Het instituut moet de situatie op de verschillende gebieden en in de verschillende landen evalueren en streefdoelen vaststellen. Op grond daarvan moeten de Europese instellingen doeltreffende maatregelen nemen en de nationale regeringen verzoeken hetzelfde te doen. Het instituut moet met zijn werkzaamheden een begin maken in een van de nieuwe lidstaten van de Unie. Behalve het resultaat dat het genderbeleid alleen al in Litouwen kan opleveren, biedt Vilnius ook de gelegenheid om de ervaring van de toonaangevende Scandinavische landen te combineren met het potentieel van Midden-Europa, sterker nog, van geheel Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Dames en heren, ik heb met buitengewone belangstelling geluisterd naar uw discussie en zou graag willen reageren op enkele punten die daarin aan bod kwamen. Ten eerste wil ik mijn waardering uitspreken voor de uitzonderlijke kwaliteit van het verslag van de rapporteurs. Ik kan niets anders zeggen dan dat het verslag briljant is, zeker als men zich realiseert om wat voor een moeilijke materie het gaat. Dames en heren, ik denk dat het goed is dat ik mij uitspreek over een aantal in het debat gebezigde argumenten en standpunten.

De eerste mening die werd geponeerd, was de opvatting dat het instituut deel zou moeten uitmaken van de mensenrechtenagenda. Vele deelnemers aan de discussie wezen er echter op – en ik ben het volledig met hen eens – dat de kwestie van gelijke kansen veel verder reikt dan alleen het mensenrechtenvraagstuk an sich, hoe fundamenteel en relevant dit vraagstuk ook is. De kwestie van gelijke rechten is breder.

Verder was er de vraag of de Europese Unie in haar internationale betrekkingen wel of niet dient te ijveren voor gelijke kansen. Ook hierover kan ik heel kort zijn: ja, dat is nodig. De Europese Unie heeft ontelbare internationale contacten: met de lidstaten, in het kader van de ontwikkelingshulp en op multilateraal niveau. Bij elk van deze gelegenheden kan effectief worden gewerkt aan de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen.

Dames en heren, ik ben er zeker van dat de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen op wereldschaal een belangrijke bron zal zijn van wereldwijde stabiliteit, en dat de gelijkheid van vrouwen en mannen een rem zal kunnen zetten op veel van de nu bestaande conflicten. De tijdens het debat opgevoerde stelling dat het instituut zal zorgen voor grotere duidelijkheid en een grotere politieke zichtbaarheid voor de problematiek van gelijkheid en gelijke kansen, kan ik volledig onderschrijven. Verder is het goed, zoals ook vele malen tijdens het debat werd gezegd, om ons te realiseren dat we nog veel werk voor de boeg hebben. Het staat eveneens buiten kijf – en het betreft hier een van de beschaafde verworvenheden van de moderne Europese samenleving – dat wij met z’n allen trachten beleid te baseren op argumenten. Ofwel: beleid op basis van op feiten gefundeerde bewijzen en op feiten gefundeerde meningen. Ook in deze richting zal het instituut een nieuwe dimensie kunnen toevoegen.

Het lijkt mij zonneklaar dat er vele interessante gegevens bestaan die helaas niet effectief inzetbaar zijn in het politieke besluitvormingsproces. Wie van u heeft er bijvoorbeeld weet van dat Spaanse mannen jaarlijks 52 miljoen uur besteden aan zorg voor afhankelijke personen, terwijl vrouwen in dit land hier tweehonderd miljoen uur aan besteden? Dit is een buitengewoon interessant voorbeeld van de manier waarop wij sommige plichten en verantwoordelijkheden die wij – vrouwen én mannen – als mensen hebben, ongelijk verdelen. Toch zijn de genoemde gegevens geen input geweest voor het politiek besluitvormingsproces. Ik ben ervan overtuigd dat er wat dit betreft dankzij het instituut meer mogelijk zal zijn.

Dames en heren, een van de waardevolle principes van het Europese parlementarisme is meertaligheid en vaak merken we dat een bepaalde zaak eleganter en directer kan worden uitgedrukt in een andere Europese taal. Daarom zou ik nu graag een Duitse uitdrukking willen gebruiken, en wel Stillstand ist Rückschritt. Ik ben er absoluut van overtuigd dat afwezigheid van vooruitgang in werkelijkheid achteruitgang betekent. Dames en heren, nu zou ik u graag een uiteenzetting willen geven van mijn standpunt met betrekking tot de in het verslag opgenomen of tijdens de komende stemming te behandelen amendementen. Wij kunnen ons gezien het advies van de parlementaire commissie flexibel opstellen inzake de aard van het instituut en kunnen het grootste deel van de amendementen die leiden tot een versterking van de taken en de werkmethodes van het instituut aanvaarden, inclusief de creatie van een netwerk voor het instituut. De genoemde amendementen zijn in de oorspronkelijke versie gedeeltelijk, of na wijziging geheel aanvaardbaar. De tweede categorie betreft amendementen die de tekst verduidelijken en die de Commissie zonder meer, ofwel na lichte aanpassingen, kan aanvaarden. De derde categorie amendementen betreft aspecten van de juridische formulering. Deze amendementen zijn weliswaar opbouwend van aard, maar zouden doen afwijken van soortgelijke bepalingen in reeds bestaande verordeningen en kunnen dus om redenen van uniformiteit niet worden aanvaard. Tot slot zijn er nog de amendementen met betrekking tot horizontale vraagstukken, dat wil zeggen vraagstukken die betrekking hebben op alle agentschappen en organisaties. Het gaat om de selectieprocedure voor de directeur, de verlenging van zijn of haar arbeidsovereenkomst, alsmede de procedures ter beoordeling van de organisaties. Deze amendementen kunnen niet worden aanvaard, aangezien er een zekere mate van uniformiteit met betrekking tot de agentschappen vereist is.

Het vraagstuk van de samenstelling van de raad van bestuur heb ik tot het einde bewaard. Wij zijn verheugd dat de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid zich heeft uitgesproken ten faveure van een beperkt aantal leden in de raad van bestuur, en dat zij zich voegt naar de resolutie van het Europees Parlement van december vorig jaar over het operationele kader van toekomstige regelgevende agentschappen. Wij kunnen ons dus door dit voorstel laten leiden, ook al is het aantal vertegenwoordigers van de Commissie niet hetzelfde als voor de Raad. Het benodigde evenwicht tussen deze twee organen en tussen de twee belangenniveaus – het nationaal niveau en het gemeenschappelijk niveau – kan worden veiliggesteld indien er in overeenstemming met het voorstel van de Commissie in een zeer beperkt aantal gevallen waarvoor de Commissie de verantwoordelijkheid draagt – dat wil zeggen goedkeuring van de begroting en het werkprogramma – de stem van de Commissievertegenwoordiger hetzelfde gewicht krijgt als alle stemmen van de Raadsvertegenwoordigers tezamen. Daarom aanvaarden wij de amendementen 66, 82 en 85 inzake de samenstelling van de raad van bestuur en de stemmingsregels. In dezelfde lijn kunnen wij instemmen met een verlaging van het aantal leden in het adviesforum naar slechts 25 voor de lidstaten, zoals bepaald in de amendementen 67 en 83, en volstaat het naar onze mening dat de betrokken partijen zonder stemrecht bij de zittingen van de raad van bestuur aanwezig kunnen zijn. Wij hopen dat de Raad zich zal kunnen vinden in uw voorstel met betrekking tot de raad van bestuur, dat in combinatie met het rotatiesysteem ervoor zal zorgen dat binnen drie mandaten er van alle lidstaten vertegenwoordigers in de raad van bestuur zitting zullen hebben gehad.

Tot slot wil ik nog zeggen dat wij gepoogd hebben een zo groot mogelijk aantal van uw amendementen te aanvaarden. Aldus aanvaardt de Commissie amendementen 2 t/m 10, 13, 15, 17, 18, 20, 24, 25, 26, 28, 29, 35, 36, 38 t/m 42, 44, 45, 48, 53, 55, 59 t/m 69, 74 en 76 t/m 85. De Commissie kan de amendementen 1, 11, 12, 14, 16, 19, 21 t/m 23, 27, 30 t/m 34, 37, 43, 46, 47, 49 t/m 52, 54, 56 t/m 58, 70 t/m 73 niet en 75 slechts gedeeltelijk aanvaarden. Verder dienen we rekening te houden met de onderhandelingen in de Raad, en moeten we alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat we voor het einde van het jaar een aanvaardbaar compromis op tafel hebben. De Commissie rekent op de steun van het Europees Parlement bij de oprichting van dit instituut. Totnogtoe moesten we zo'n instituut node missen. In het belang van de benodigde vooruitgang op het gebied van het beleid ten behoeve van de gelijkheid van vrouwen en mannen, alsook in het belang van de zichtbaarheid ervan, zou het instituut zijn werk in 2007 moeten kunnen aanvangen. Dames en heren, uiteraard zal ik u de standpunten met betrekking tot elk van de amendementen schriftelijk doen toekomen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt vandaag plaats om 11.30 uur.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM).(SV) De Junilistan erkent het belang van gendergelijkheidszaken en vindt het absoluut vanzelfsprekend dat vrouwen en mannen onder alle omstandigheden gelijk dienen te worden behandeld. Het nieuwe Genderinstituut van de Europese Unie zal de gendergelijkheid in de EU onderzoeken door gegevens uit de verschillende lidstaten te vergelijken.

De vraag die zich opdringt is: welke toevoegde waarde zal deze autoriteit kunnen bieden? Zal zij een concrete en significante taak hebben, of zal zij hoofdzakelijk dienen als teken van daadkracht van de EU-instellingen? Zal het Genderinstituut de gendergelijkheid verder helpen, of zal het voornamelijk een soort alibi vormen, een bewijs dat de gelijkheidsproblematiek de EU niet onverschillig laat?

De in het verslag aangevoerde argumenten zijn weinig overtuigend. De taken van deze autoriteit zouden prima binnen het kader van de bestaande structuren kunnen worden uitgevoerd. Zo beschikt de EU al over een eigen centraal Bureau voor de Statistiek, Eurostat, dat vergelijkende statistieken kan produceren voor de gendergelijkheid in EU-landen. Daarnaast zijn er nationale autoriteiten die zich met gendergelijkheidszaken bezighouden en die grensoverschrijdend met elkaar kunnen samenwerken.

De Commissie bestaat uit achttien mannen en zeven vrouwen. In het Parlement is ongeveer dertig procent van de afgevaardigden vrouw. De EU-instellingen moesten eerst maar eens voor gendergelijkheid binnen hun eigen structuren zorgen, om op die manier een voorbeeld te stellen, alvorens nieuwe gecentraliseerde EU-autoriteiten op te richten. Er zijn ook meer gedecentraliseerde vormen van samenwerking mogelijk, die er niet toe bijdragen dat de EU almaar uitdijt door voor ieder belangrijk onderwerp nieuwe autoriteiten in het leven te roepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Katalin Lévai (PSE).(HU) Dames en heren, de oprichting van het Europees Genderinstituut, waarmee het gemakkelijker zal worden om overal in Europa alle vormen van seksediscriminatie uit te bannen, is van het allergrootste belang.

De rapporteurs hebben de wens geuit de activiteiten van dit instituut niet te beperken tot alleen het verzamelen van gegevens, het bijhouden van dossiers en onderzoek. Ik ben het daarmee eens. De analysen moeten op innovatieve wijze in het beleid van de lidstaten worden geïntegreerd, met als doelstelling dat voor wetgevers gelijke kansen een prioritair beleidsrichtsnoer en gemainstreamd worden. Daarnaast moeten de uitkomsten van het onderzoek beschikbaar komen voor het grote publiek, zodat Europese burgers de mogelijkheid krijgen een bewust standpunt in te nemen ten aanzien van aangelegenheden omtrent gendergelijkheid. Dit vereist wel dat de betrekkingen tussen het instituut en de civiele sector en de forums voor communicatie worden versterkt en geïnstitutionaliseerd. Ik zou graag willen benadrukken dat samenwerking met de media en de inzet van moderne communicatiemiddelen een belangrijke taak van het Genderinstituut vormt!

Er moet geld worden vrijgemaakt om te zorgen dat de onderzoeksresultaten niet alleen de beroepsmatig betrokkenen bereiken, maar zo algemeen mogelijk beschikbaar en bruikbaar zijn. Het werk van het Genderinstituut zal alleen dan effectief zijn als het daadwerkelijk als Europees netwerk voor gendergelijkheid opereert, als het in staat is de nationale centra, organisaties en specialisten die bij de algemene tenuitvoerlegging van gelijke kansen zijn betrokken te coördineren, en als de boodschap die het afgeeft de regeringen en burgers van Europa bereikt.

Ik wil de rapporteurs feliciteren en stel voor dat de tekst wordt aangenomen!

Dank u voor uw aandacht!

 
  
  

VOORZITTER: PIERRE MOSCOVICI
Ondervoorzitter

 

8. De aanpak van racisme in het voetbal (schriftelijke verklaring) : zie notulen

9. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Wij gaan over tot de stemming.

De stemming zal vandaag in twee gedeelten verlopen om ruimte te maken voor de plechtige vergadering waarin de president van de Bondsrepubliek Duitsland het Parlement zal toespreken.

(Uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 

9.1. Overeenkomst EG/Oekraïne inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (stemming)

9.2. Garantiefonds voor externe acties (stemming)

9.3. Oprichting en kapitaal van naamloze vennootschappen (stemming)

9.4. Europees Genderinstituut (stemming)

9.5. Instrument voor snelle respons en paraatheid bij ernstige noodsituaties (stemming)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – In afwachting van de toespraak van president Köhler wordt de vergadering nu enkele minuten onderbroken. Wij zullen de stemmingen direct na de plechtige vergadering voortzetten.

(In afwachting van de plechtige vergadering wordt de vergadering van 11.55 uur tot 12.00 uur onderbroken)

 
  
  

VOORZITTER: JOSEP BORRELL FONTELLES
Ondervoorzitter

 

10. Plechtige vergadering - Bondsrepubliek Duitsland
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.(ES) Mijnheer de president van de Bondsrepubliek Duitsland, dames en heren, alvorens onze illustere gast van vandaag welkom te heten, moet ik u meedelen dat we tijdens het onderhoud met president Köhler voorafgaand aan deze plenaire vergadering het treurige bericht hebben ontvangen dat de heer Lennart Meri, president van Estland tussen 1992 en 2001, overleden is. Zoals u weet, werd president Meri beschouwd als symbool van de strijd voor de vrijheid en de nationale identiteit van Estland, en met zijn dood verliezen we een belangrijke Europese persoonlijkheid, wier nagedachtenis wij hierbij eren.

Mijnheer de president, dames en heren, het is voor mij en voor het Europese Parlement als geheel een grote eer om u vandaag welkom te heten in deze plechtige vergadering.

Mijnheer de president, staat u mij toe de aandacht te vestigen op uw persoonlijke betrokkenheid bij de opbouw van Europa, een betrokkenheid die bijzonder nuttig en noodzakelijk is op een moment waarop de situatie van de Europese Unie vele twijfels oproept bij de burgers. Ik weet dat u daar bezorgd over bent, en dat u dit met hartstocht onder de aandacht brengt. Ik weet dat u doordrongen bent van ons aller verantwoordelijkheid voor de problemen die de Europeanen op het ogenblik bezighouden, en die niet kunnen worden opgelost zonder “meer Europa”.

We zijn op de hoogte van de initiatieven die u ontwikkelt om te zorgen voor een verbreding en verdieping van het debat over Europa. Een van die initiatieven was bijvoorbeeld de uitnodiging van uw ambtgenoten van Finland, Italië, Letland, Oostenrijk, Portugal en Hongarije voor de bijeenkomst in Dresden – waarover u ons vanochtend ongetwijfeld het een en ander zult vertellen – met studenten en bekende personen uit die landen, om te debatteren over de Europese identiteit en de toekomst van Europa.

Dit belangrijke initiatief staat niet op zichzelf. Alle gelegenheden worden door u aangegrepen om van mening te wisselen met de burgers, en met name met de jongeren, die vreemd genoeg de meeste scepsis aan de dag leggen als het gaat om een plan dat zo belangrijk is voor hun toekomst.

Verder voegt u de daad bij het woord: u brengt “Europa” niet alleen ter sprake bij officiële handelingen, maar u wijdt ook dagelijks een deel van uw tijd aan de behandeling van concrete punten van de Europese agenda.

Mijnheer de president, uw persoonlijke ervaring maakt u welhaast tot een prototype van de Europeaan. Als jongen, kind nog, was u vluchteling in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog. Tijdens mijn bezoek aan Duitsland heeft u mij op heel open en persoonlijke wijze verteld over uw ervaringen: hoe u onder de oorlog geleden heeft, de uittocht uit het vluchtelingenkamp, hoe u het hoofd boven water wist te houden in een vernietigd land, dat uit de puinhopen van de geschiedenis ook beetje bij beetje uw toekomst opbouwde.

Door uw persoonlijke ervaring kwam u buiten Europa terecht, u heeft buiten Europa geleefd en ons van buitenaf gezien, en juist om die reden, omdat u op dramatische wijze het leven binnen Europa ervaren heeft en van buitenaf heeft gevolgd hoe het werd opgebouwd, weet u dat Europa geen ander alternatief heeft dan zijn eigen plan voor een Europese Unie.

U weet echter ook dat deze waarden en plannen elke dag weer actief moeten worden verdedigd, dat ze willekeurig noch vanzelfsprekend zijn, en daarom wil ik u bedanken voor het feit dat u hier vandaag bij ons bent om ons uw ideeën over te brengen, die ongetwijfeld een belangrijke bijdrage zullen leveren aan ons brede debat over Europa.

President Köhler, het doet mij plezier u het woord te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Horst Köhler, president van de Bondsrepubliek Duitsland. (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte voorzitter van de Europese Commissie, geachte afgevaardigden, dit Parlement is voor de Europese Unie het centrum van het politieke en democratische discours. Ik ben dankbaar dat ik hier mag spreken over Europa en zijn toekomst.

Europa stelt de wereld voor raadselen. Waarom lijkt het zo kort na zijn hereniging alweer zo verdeeld? Waarom heeft het zo weinig vertrouwen in de Europese interne markt, ondanks de successen daarvan? Waarom komt het zo weifelachtig over, terwijl het zo sterk is en zoveel kansen biedt?

In mijn tijd bij de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en bij het Internationaal Monetair Fonds heb ik vele landen in de hele wereld leren kennen. Door er van buitenaf tegenaan te kijken, kreeg ik een scherpere kijk op Europa, en ik ben te weten gekomen hoe de buitenwereld aankijkt tegen ons continent en tegen de Europese Unie. In dit deel van de wereld behoort democratie gebaseerd op vrijheid, het vreedzaam bijleggen van conflicten en wederzijdse solidariteit in de vijfentwintig lidstaten allang tot de realiteit van alledag. Deze dagelijkse realiteit is echter, slechts twee generaties na de Tweede Wereldoorlog en een halve generatie na de val van het IJzeren Gordijn, het resultaat van een ongelooflijke prestatie, een prestatie waarvan de werkelijke omvang van buitenaf veel duidelijker te zien is.

Veel mensen overal ter wereld bewonderen Europa vanwege deze prestatie. Hun bewondering echter vermengt zich stilaan met ongeduld en ook onbegrip. Ze vinden dat te veel Europeanen wel erg weinig zelfbewustzijn hebben, dat ze te veel twijfelen en dat het hun aan moed ontbreekt. En ze zeggen vriendelijk: “Europa, als je moe bent, ga dan aan de kant, wij willen vooruit.” Wat is daarop ons antwoord?

Mijn antwoord luidt: Europa zal altijd vol creatieve onrust zijn. Wij Europeanen zijn niet bang voor uitdagingen, we gaan ze aan. En daarom heeft de Europese Unie een goede toekomst voor zich.

Ik wil de drie dingen die ik juist gezegd heb, nader onderbouwen.

Wie Europa wil begrijpen, moet onze geschiedenis bestuderen en begrijpen wat de ideeën en idealen zijn die ons Europeanen binden. Centraal staat voor ons de onvervreemdbare waarde van ieder mens in zijn eigenheid, alsmede zijn waardigheid en vrijheid. Duizenden jaren geleden al hebben de mensen in Europa dit opgevat als een geschenk, een geschenk dat alleen degene werkelijk verdient die het zo goed mogelijk gebruikt en desnoods steeds opnieuw bevecht. En dat hebben de Europeanen steeds opnieuw gedaan, ondanks alle verschrikkelijke tegenslagen. Ze hebben hun talenten goed gebruikt, waardoor ze de diepte van de geest hebben ontdekt, de filosofie, de wetenschappen en de rijkdom van de kunsten. Daarbij hebben de mensen in Europa ook geleerd om eigen gezichtpunten in twijfel te trekken en goede redenen te vragen en te geven voor iedere actie, en dit proces van verlichting zal nooit afgelopen zijn.

De bewoners van Europa begrepen al heel vroeg hoe belangrijk sociale samenhang, zelfbeschikking en autonomie zijn, en handelden daar ook naar – van de Griekse stadstaten in de Oudheid tot de republieken van het middeleeuwse Italië, van Spanje, Frankrijk, Polen en Engeland met hun zelfbewustzijn tot de kleurrijke diversiteit van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie.

En bovendien waren de Europeanen altijd even godsvruchtig als nijver. Ze zagen werken als een vrome plicht die niet alleen thuis diende te worden vervuld, maar ook in de buitenwereld. Ze dreven handel en leerden met mensen van een ander geloof en uit andere culturen overweg te kunnen en samen te leven.

Het is waar: meer dan eens hebben de Europeanen vreselijk onrecht begaan tegen andere volken en culturen, en ook tegen elkaar. Maar ze hebben er de juiste les uit getrokken: ze komen op voor mensenrechten, vrede en democratie, en ze hopen dat ook anderen deze les ter harte nemen. En is nog iets wat deel uitmaakt van ons Europees erfgoed: een cultuur van actieve naastenliefde en van het actieve streven naar sociale gerechtigheid.

Dergelijke goede eigenschappen zijn natuurlijk op alle continenten te vinden, en Europa heeft ook van hen geleerd. Maar deze specifiek Europese combinatie van de liefde voor de vrijheid, het streven naar waarheid, solidariteit en creatieve onrust is uniek en heeft niet alleen veel te bieden aan ons nageslacht, maar ook aan al degenen buiten Europa die van ons verwachten dat wij een bijdrage leveren aan de vrede en aan een betere wereld.

Maar de Europese Unie en haar lidstaten staan – wederom – voor enorme uitdagingen.

In de hele wereld komen nieuwe groeiregio’s op, ontstaan er nieuwe concurrentieverhoudingen, nieuwe invloedszones en ook nieuwe conflicten. In veel Europese landen is het werkloosheidscijfer onaanvaardbaar hoog.

Onze burgers en kiezers zijn aantoonbaar vervreemd geraakt van de Europese Unie. In twee EU-lidstaten van het eerste uur hebben de kiezers het Europees Grondwettelijk Verdrag van de hand gewezen.

Zoveel uitdagingen, en zoveel kansen! We moeten ons weer in herinnering roepen hoe vaak Europa juist in moeilijke tijden overeind bleef omdat het in staat was tot vernieuwing. Neem alleen al de Europese interne markt en de Economische en Monetaire Unie.

Dertig jaar geleden zei de toenmalige Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Max van der Stoel, over de Europese Gemeenschap dat haar motto “voltooiing, verdieping en uitbreiding” was vervangen door “matheid, achteruitgang en vlucht.” Europa verkeerde op dat moment in een zware economische en institutionele crisis.

Twintig jaar geleden werd in de Europese Akte de doelstelling gepresenteerd om een interne markt te scheppen. Destijds bestonden er nog dermate veel obstakels voor het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal dat Philips bijvoorbeeld voor de Europese markt zeven verschillende varianten van een en hetzelfde scheerapparaat moest produceren en Siemens vijfentwintig verschillende soorten stekkers moest fabriceren.

Tien jaar geleden was de interne markt grotendeels een feit. Dat droeg ertoe bij dat de instellingen van de Europese Unie konden consolideren, en dat de economie en de sociale samenhang tussen de lidstaten werden versterkt. Sindsdien produceren de Europese bedrijven voor een thuismarkt met inmiddels 450 miljoen klanten. Dit biedt met name aanbieders uit de kleinere lidstaten nieuwe kansen omdat zij nu in veel grotere aantallen en dus veel concurrerender kunnen produceren. Het belangrijkst is nog dat de interne markt een uitstekend fitnessprogramma is voor bedrijven in Europa, een hoogst effectieve manier om ze klaar te stomen voor de wereldmarkt. Wie hier overeind blijft, hoeft ook niet bang te zijn voor concurrentie uit andere delen van de wereld.

De Economische en Monetaire Unie was en is het logische vervolg op de interne markt. De Unie beschermt de markt tegen de mogelijkheid dat deze opnieuw uiteenvalt door willekeurige devaluaties en biedt bescherming tegen monetaire crises en speculatiegolven, zoals zich die nog in het begin van de jaren negentig in Europa voordeden. De Unie geeft de bedrijven een solide basis waarop zij kunnen plannen, maakt het de consumenten gemakkelijk om prijzen te vergelijken en bespaart hoge wisselkosten van valuta en kosten om wisselkoersrisico’s af te dekken. Daarom is, net als de interne markt, ook de euro allang een succesverhaal. Uit de sterke positie van deze munt op de internationale valutamarkten blijkt dat de wereld, gesterkt door jarenlange ervaringen, gelooft dat haar vertrouwen terecht is: Europa heeft het vermogen om uitdagingen te veranderen in kansen die kunnen worden gegrepen. Dat is iets wat we ons steeds weer voor ogen moeten houden, dag in dag uit.

(Applaus)

Ook nu zullen wij weer slagen, maar wel onder twee voorwaarden: we mogen onze beproefde beginselen en verworvenheden niet verzwakken. En we moeten een serieuze en oprechte poging doen om gemaakte fouten te herstellen en orde te scheppen waar dat nodig is.

Over de eerste voorwaarde kan ik kort zijn: wie de Europese interne markt verzwakt door protectionisme gooit zijn eigen glazen in.

(Applaus)

Wie nu weer vervalt in de aloude houding dat iedereen maar voor zichzelf moet zorgen, negeert de dimensie van de wereldwijde mededinging en biedt zijn burgers alleen maar schijnzekerheid.

(Applaus)

Iedereen die dit doet, vermindert op de lange termijn het vermogen van Europa om zijn positie in de wereld te handhaven, om duurzame arbeidsplaatsen te scheppen en om de middelen te genereren die nodig zijn voor een rechtvaardiger samenleving.

Daaruit volgt dat er slechts één weg voorwaarts is: Europa moet weer fit zien te worden. Om dat te bereiken, moet iedereen bij zichzelf beginnen. Sommige lidstaten zijn al flink opgeschoten met de noodzakelijke structuurhervormingen en daar plukken zij de vruchten van. Andere lidstaten hebben nog heel wat werk te verzetten in die richting. Uit veel voorbeelden blijkt dat het de moeite loont. We mogen ons de moeite niet besparen.

Ook de Europese Unie moet aan haar conditie werken. Dat begint met het beantwoorden van de vraag op welke terreinen zij als EU eigenlijk actief dient te worden. Zij moet tenslotte niet alles doen wat gedaan kan worden, maar alles doen wat gedaan moet worden. En daartoe behoort nu eenmaal niet wat al kan worden gedaan op plaatselijk, regionaal of nationaal niveau. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de eigen verantwoordelijkheid en identiteit van de burgers van de EU zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. En wie weet hoe besluiten in de Europese Unie werkelijk tot stand komen, die weet dat dit gebod minstens net zozeer is gericht op de regeringen van de lidstaten als op de organen van de Europese Unie.

(Applaus)

Als echter de Europese Unie terecht in actie komt, dan graag met zo min mogelijk bureaucratische rompslomp en op een manier die de mensen kunnen begrijpen. Wij zijn tenslotte de erfgenamen van een grote juridische en administratieve traditie in Europa, en dat zou ons moeten aanmoedigen om eindelijk eens flink te snoeien in het woud van bureaucratie dat wij hebben gecreëerd in onze vroegere ijver om regelgeving te maken. Daarom is het goed dat de Europese Commissie een groot programma heeft gelanceerd om overregulering te verminderen en de Europese wetgeving te vereenvoudigen. Over dat onderwerp had ik zojuist een goed gesprek met commissaris Verheugen.

De burgers zullen het ook weten te waarderen als er ook voor meer transparantie wordt gezorgd in de Europese besluitvorming. Momenteel staan de besluitvormingsprocessen op Unieniveau vaak mijlenver van de burgers af. Veel mensen kunnen nauwelijks volgen wie er in Europa voor wat verantwoordelijk is en wie de eindverantwoordelijkheid heeft. Dat leidt tot desinteresse of zelfs wantrouwen, wat allebei schadelijk is.

De burgers willen echter niet alleen toeschouwers zijn die begrijpen hoe het zit, maar ze willen zoveel mogelijk democratisch participeren, en niet alleen via de Europese verkiezingen. Ze willen gehoord worden en ze willen het initiatief kunnen nemen om het handelen van de Europese instellingen te beïnvloeden.

Nu zult u zeggen: subsidiariteit, transparantie, democratische participatie, het recht om als burger initiatieven te nemen, dat alles is opgenomen in het Europees Grondwettelijk Verdrag. Dat is juist, en er staan nog veel meer goede en waardevolle zaken in. En dat mag niet zomaar overboord worden gezet, temeer daar veertien lidstaten er reeds mee hebben ingestemd.

(Langdurig applaus, hevig protest van rechts)

Europa heeft zichzelf nu een “denkpauze” opgelegd. Dat woord kan in het Duits “een pauze om na te denken” betekenen of “een pauze tijdens het nadenken”. We dienen deze pauze te gebruiken om alles nog eens goed te overdenken, waarna we serieus en zakelijk met elkaar moeten spreken – binnen de Europese instellingen en partijen, maar ook in de openbare fora voor het politieke debat in alle lidstaten. Dat vraagt juist van de leden van dit Parlement ideeën en een onvermoeibare inzet, ook in de discussie met hen die minder tevreden waren over mijn uitspraken.

(Applaus)

Verscheidenheid en creativiteit kunnen dit Europees debat alleen maar goeddoen, waarbij maar één ding mag tellen: de kracht van het goede argument. Een intensief debat over de zin en de inhoud van de Europese integratie zal een positieve en verhelderende uitwerking hebben en zal de acceptatie van de Unie duurzaam vergroten. Ik heb vertrouwen in de burgers van Europa, een vertrouwen dat zij verdienen.

Wij Europeanen willen altijd goede redenen horen en geven ook graag goede redenen. Dat vind ik kenmerkend voor Europa. Ik zie bijvoorbeeld meer dan één goede reden waarom Europa op het terrein van het buitenlands en veiligheidsbeleid met één stem moet spreken in de nieuwe wereldorde die aan het ontstaan is. Dat geeft ons meer gewicht als wij bijvoorbeeld met anderen in de wereld spreken over de internationale dimensie van sociale verantwoordelijkheid en milieubescherming. En de burgers weten ook allang dat wij om de internationale mededinging te overleven betere kwaliteit moeten leveren om onze hogere prijzen te rechtvaardigen. Onderwijs, opleiding, onderzoek en ontwikkeling zijn dus van cruciaal belang voor de toekomstperspectieven van Europa en voor alle jonge mensen die geen werk kunnen vinden, en dat zijn er veel te veel. Dit zijn genoeg redenen om daarvoor ook meer Europese begrotingsmiddelen uit te trekken en daarvoor de waardering van onze lidstaten te krijgen.

(Applaus)

De burgers juichen het ook toe als de Unie zichzelf nieuwe doelen stelt en maatregelen neemt die het leven van de Europeanen eenvoudiger en veiliger maken. Die mogelijkheid bestaat. Een recent, sprekend voorbeeld daarvan is het energiebeleid. Het zal ieder weldenkend mens duidelijk zijn dat alle lidstaten een wezenlijk belang hebben bij een veilige en goedkope voorziening van milieuvriendelijke energie en dat zij moeten samenwerken om dit doel zo goed mogelijk te bereiken. “Iedereen moet maar voor zichzelf zorgen”, dat kan in dit geval niet. De Europese Commissie heeft een groenboek over het energiebeleid gepresenteerd. Dat juich ik ten zeerste toe. Er moeten op dit terrein snel goede besluiten worden genomen. De debatten die ik zojuist noemde en die de Europese Unie van een goede toekomst verzekeren, zijn al aan de gang.

Een klein voorbeeld daarvan: enkele weken geleden heb ik in Dresden zes andere Europese presidenten ontmoet. We zetten een dialoog voort die was ontstaan op initiatief van de voormalige Portugese president Sampaio, en we spraken met jonge mensen, met zo’n honderd studenten uit zeven Europese landen. We vroegen hun hoe ze over Europa denken, welke voordelen ze uit Europa zien voortkomen en wat ze van de Europese Unie en haar leden verwachten. Deze studenten waren niet zorgvuldig uitgekozen, maar waren gevonden via een openbare loterij. Maar deze jonge mensen waren goed voorbereid. Ze hadden anderhalve dag lang onderling beraadslaagd en noemden het resultaat van hun eigen debat “De eisen van Dresden voor Europese samenhang”. Ze stelden bijvoorbeeld uniforme verkiezingsregels voor en pleitten voor een Huis van Europese Geschiedenis. Zij stelden voor om vijf procent van het bruto binnenlands product te besteden aan onderzoek en wetenschap.

(Applaus)

En zij willen een Europees leger en een Europese vrijwilligersdienst.

(Applaus)

Als bijlage bij mijn rede presenteer ik het Parlement wat deze jonge mensen op schrift hebben gesteld. Zeker, zij vormden geen representatieve groep. Zeker, hun eisen komen idealistisch over. Maar toch maakt dit idealisme indruk. Het heeft veel weg van het enthousiasme van de mensen die Europa na de oorlog weer hebben opgebouwd en die hebben gevochten voor zijn eenheid en vrijheid. Daar is hij dan, die typische creatieve onrust. Daar zijn ze dan, de Europeanen die iets van Europa verwachten en die bereid zijn om iets voor Europa te doen. Die mensen zijn in Europa te vinden.

(Applaus)

Overigens, enkele studenten hadden geprofiteerd van het Erasmus-programma. Laten we blij zijn met deze Erasmus-generatie en laten we zorgen dat zij groeit.

(Levendig applaus)

En nu ik het er toch over heb: ook stagiairs en leerlingen dienen meer kansen te krijgen om van hun buren te leren en de waarde van Europa te ondervinden.

(Applaus)

Het was Jacques Delors die een Europese opleidingscheque voorstelde, en ik roep het Parlement op om die cheque uit te schrijven.

(Applaus)

Laten we een voorbeeld nemen aan het elan van deze jonge mensen. Laten we ons ware Europeanen betonen. Laten we ons geen zorgen maken over de toekomst, maar laten we vol zijn van de creatieve onrust die Europa en de Europese Unie gestalte kan geven. Laten we samen onze uitdagingen omzetten in kansen ten bate van iedereen. Dan blijft Europa wat het vandaag is: een goede plek om te leven en een kracht voor het welzijn van onze wereld die van ons allemaal is.

(De afgevaardigden verheffen zich en geven een langdurig applaus)

Bijlage

De eisen van Dresden voor Europese samenhang (5 februari 2006)

I. Europa dichter bij de mensen brengen.

1. Uitwisselingsprogramma´s voor alle lagen van de samenleving.

2. Uniform verkiezingsrecht in de EU.

3. Een rechtstreeks gekozen president om Europa een gezicht te geven.

4. Een bondige en begrijpelijk grondwet van de EU.

5. Europa door sterkere symbolen “‘zichtbare kleren” geven, bijvoorbeeld door:

– een Huis van Europese Geschiedenis;

– een Europese orde van verdienste;

– een “Dag van Europa” als feestdag in de gehele EU;

– een blauwe EU-pas, enzovoorts, enzovoorts.

6. “Europese studies” op alle scholen in Europa en een “Europees Centrum voor politieke educatie”.

7. Ontwikkeling van “Euro-News” tot een populair “Europees kanaal”.

8. Een “Wij zijn Europa”-campagne.

9. Een “Europabus” om Europa concreet dichter bij de burgers te brengen.

II. De kansen van Europa benutten.

1. 5 procent van het bruto binnenlands product van de lidstaten van de EU dient naar onderzoek en wetenschap te gaan.

2. Volledige begrotingsbevoegdheden voor het Europees Parlement.

3. Vermindering en herziening van de landbouwsubsidies.

4. Er moet een “Europese vrijwilligersdienst” worden opgezet.

III. Samen werken aan veiligheid en verantwoordelijkheid.

1. Wit-Rusland moet op de politieke agenda komen.

2. Oprichting van een “Europees leger” in het kader van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

3. Verankering van het duurzaamheidsbeginsel in de Europese wetgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u, mijnheer de president.

Voordat wij onze vergadering voortzetten, wil ik de president bedanken voor zijn speech.

Het is waar dat er een tijd was dat wij vijfentwintig soorten stekkers hadden; nu hebben wij allemaal dezelfde stekker, maar vijfentwintig verschillende elektriciteitsnetwerken.

Zoals u duidelijk hebt gemaakt, moeten we als volgende stap voortmaken met het Europa van energie en met vele andere elementen die gemeengoed moeten worden.

Hartelijk dank voor uw woorden en uw bemoediging, mijnheer de president.

(Applaus)

 
  
  

VOORZITTER: PIERRE MOSCOVICI
Ondervoorzitter

 

11. Stemmingen (voortzetting)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dames en heren, wij gaan nu verder met de stemming.

 

11.1. Herziening van de strategie van het Internationaal Monetair Fonds (stemming)
  

- Vóór de stemming over amendement 9:

 
  
MPphoto
 
 

  Benoît Hamon (PSE), rapporteur.(FR) Mijnheer de Voorzitter, als mondeling amendement op amendement 9 zou ik willen voorstellen de verwijzing naar de burgermaatschappij te schrappen. De rest van het amendement blijft ongewijzigd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Zijn er bezwaren tegen dit mondeling amendement?

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 

11.2. Bedrijfsverplaatsingen in het kader van regionale ontwikkeling (stemming)

11.3. Communautaire strategie inzake kwik (stemming)

11.4. Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid (stemming)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hiermee is de stemming beëindigd.

 

12. Stemverklaringen
  

Verslag-Kauppi (A6-0050/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het uitstekende verslag van mijn collega Piia-Noora Kauppi gestemd over het voorstel tot wijziging van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het kapitaal van naamloze vennootschappen.

Zonder afbreuk te doen aan de rechten van aandeelhouders en crediteuren, werd het de hoogste tijd om de bepalingen inzake het vaststellen en ontwikkelen van het kapitaal van naamloze vennootschappen te vereenvoudigen, gezien het feit dat de economische spelers met steeds meer uiteenlopende situaties te maken krijgen. In het verlengde van de overwegingen die ten grondslag liggen aan deze ontwikkeling in de wetgeving, wordt het naar mijn mening noodzakelijk een breder bezinningsproces over het beleid op gang te brengen, dat zich, met name voor natuurlijke of rechtspersonen die niet in de Europese Unie zijn gevestigd, moet richten op de regulering van de al dan niet rechtstreekse toegang tot het kapitaal van vennootschappen die actief zijn op de Europese interne markt.

 
  
  

Verslag-Gröner/Sartori (A6-0043/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI). – Voorzitter, voor alle duidelijkheid, ik heb tegen het verslag-Gröner gestemd, niet omdat ik tegen de gelijkheid van mannen en vrouwen ben, verre van, maar wél omdat dit verslag en het daarin vervatte Instituut voor Gendergelijkheid (wat een woord!), illustratief zijn voor de verstikkende, politieke correctheid die Europa meer en meer in zijn greep neemt.

Het Handvest van de grondrechten, een politiek correct links beleidsdocument dat via het even politiek correcte bureau voor de grondrechten dwingend wordt gemaakt, de jobquota en de andere maatregelen die in de reeds dode, maar steeds opnieuw weer ten tonele verschijnende Europese Grondwet worden voorgesteld, kaderen in dezelfde ideologie.

Laten wij in godsnaam die zaken laten vallen, laten we ons concentreren op de echt belangrijke kwestie, namelijk dat vrouwen het recht hebben om op een gelijke manier als mannen ingeschakeld te worden in het gehele arbeidsproces en gelijk loon voor gelijk werk moeten krijgen. Daarover zijn we het allen eens. Al de rest is eigenlijk alleen maar politieke correctheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil benadrukken dat ik er absoluut van overtuigd ben dat de mensenrechten, van mannen en van vrouwen, gewaarborgd moeten worden. Ik ben er evenwel niet zeker van of deze tekst daarin slaagt of voor deze onderwerpen het subsidiariteitsbeginsel eerbiedigt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Wij hebben voor gestemd, omdat we geloven dat het belangrijk is dat er een Europees Genderinstituut wordt opgezet. We tekenen daar wel bij aan dat dit instituut zich niet mag beperken tot het uitvoeren van onderzoeken en analyses en het opstellen van statistieken, hoe belangrijk dat ook is.

Het instituut moet een dialoog opzetten en samenwerken met NGO’s en organismen die gespecialiseerd zijn in gelijke kansen voor mannen en vrouwen zowel in nationaal als Europees verband, alsook met derde landen. Het zal verder maatregelen en acties gericht op het uitbannen van discriminatie moeten ondersteunen.

Van belang is ook dat het instituut analyseert en bijhoudt hoe het beginsel van gendergelijkheid in het beleid en de begrotingsprocedure van de Europese Unie wordt geïntegreerd. Daarbij moet vooral gekeken worden naar de gevolgen die het nationale beleid en communautaire beleid voor mannen en vrouwen hebben. Wij hebben dat ook voorgesteld, maar dat voorstel is helaas niet goedgekeurd.

We hopen dat er voor dit instituut voldoende communautaire middelen zullen worden gereserveerd en dat er bij de benoeming van de raad van bestuur verstandig te werk zal worden gegaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, Nils Lundgren en Lars Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) In het verslag wordt de oprichting van een nieuw Europees Genderinstituut voorgesteld.

Het principiële standpunt van de Zweedse partij Junilistan is dat gendergelijkheidskwesties een zeer hoge prioriteit hebben. Gelijke behandeling van vrouwen en mannen is een dwingende eis waaraan alle EU-landen moeten voldoen. Dat betekent echter niet dat de EU voor dit doel de zoveelste bureaucratie moet opzetten. Zweden is al heel ver gevorderd met zijn inspanningen op het gebied van gelijke kansen, en Junilistan is ervan overtuigd dat dit werk het best op nationaal niveau kan worden geregeld. Een genderinstituut op Europees niveau betekent meer bureaucratie en minder effectiviteit.

Om burgers van zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht te betrekken in de strijd voor gelijke kansen, moet die van onderop worden aangedreven in de lidstaten, en niet van boven af door daartoe aangestelde eurocraten. In de behoefte aan vergelijkende statistiek kan worden voorzien door Eurostat.

Wij hebben daarom besloten om tegen het verslag in zijn geheel te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Timothy Kirkhope (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Ik en mijn Britse conservatieve collega’s zijn grote voorstanders van gelijke kansen voor iedereen in de maatschappij. We willen graag dat zowel mannen als vrouwen een volwaardige rol spelen in het leven in ons land en elders en we zijn tegen discriminatie op grond van gender.

We hebben vandaag echter tegen dit verslag gestemd. We zijn tegen een uitbreiding van het aantal Europese agentschappen en instituten, aangezien de belastingdruk en de bureaucratie daardoor zouden toenemen zonder enig aantoonbaar voordeel voor de zogenaamde doelgroep. De oprichting van een apart instituut op dit terrein kan tot gettovorming leiden want als pressiegroepen met slechts één belang alle ruimte krijgen, ontstaat het gevaar dat zo’n instituut wordt genegeerd en gemarginaliseerd. Gendergelijkheid moet vanuit een wereldwijd kader van grondrechten worden benaderd.

 
  
MPphoto
 
 

  Christa Klaß (PPE-DE), schriftelijk. (DE) De Europese Commissie heeft de komst van het Europees Genderinstituut aangekondigd, nog voordat het Parlement zijn verslag over dit onderwerp had gepresenteerd. Procedureel gezien is dat niet correct. Wij stemmen er vandaag over, en de stem van het Parlement is in deze zaak van belang.

De bedoeling is dat er een instituut wordt opgezet met een begroting van 54,5 miljoen euro dat moet waken over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen door middel van het opstellen van statistieken en rapporten. Uit praktische en financiële overwegingen heeft dit Parlement echter vorig jaar al een aanbeveling gedaan dat dit Genderinstituut deel moet gaan uitmaken van het Europees Agentschap voor de mensenrechten. Om vraagstukken betreffende de gendergelijkheid effectief te aanpakken, zijn er meer acties en middelen nodig, maar daarvoor zijn geen voorzieningen getroffen. Daarom verdient het oorspronkelijke idee steun om de twee agentschappen te verenigen in één Europees Agentschap voor de grondrechten.

Daarom heb ik amendement 73 ingediend. Dat ik de oprichting van een autonoom instituut voor gendergelijkheid van de hand wijs, wil niet zeggen dat ik tegen het beleid over vrouwenvraagstukken ben. Het beschikbare geld dient in het onderwijs voor vrouwen te worden gestoken. Dat zou de eerste stap zijn naar gelijkheid. Het huidige debat over de terugdringing van bureaucratie is een andere reden waarom een extra agentschap zinloos is en niet valt uit te leggen aan de burgers. Om die reden heb ik niet voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Al ruim veertig jaar zet ik mezelf in voor de rechten van de vrouw en voor gendergelijkheid.

Men kan mij dus niet verwijten dat ik geen affiniteit heb met dit onderwerp.

Als ik niettemin enkele vragen stel over de noodzaak om een Europees instituut voor gendergelijkheid in het leven te roepen, dan doe ik dat omdat er sinds het Genderinstituut ruim tien jaar geleden ter sprake kwam veel tijd is verstreken en omdat de prioriteiten waaraan wij onze steeds schaarser wordende middelen kunnen besteden, heden ten dage andere zijn.

Ik kan wel betere bestedingen in het kader van gelijke kansen voor vrouwen en mannen bedenken voor die 50 miljoen euro dan de oprichting van een instituut waarvan de taken en bevoegdheden die van nationale, Europese en mondiale organen veelal overlappen.

Als ik de boodschappenlijst bekijk, want dat zijn deze 85 amendementen in feite, dan maak ik me zorgen over de uiteindelijke kosten van een veel te grote speeltuin voor feministes met achterhaalde opvattingen.

Ik steun het amendement waarin in herinnering wordt geroepen dat dit Parlement al heeft besloten dat een dergelijk instituut deel dient uit te maken van het Europees Agentschap voor de grondrechten. Dat zou in ieder geval de schade beperken die het kan aanrichten.

Gezien de vele ongerijmdheden en de ontbrekende financiële vooruitzichten kan ik vandaag niet voor dit verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik juich het verslag toe, met name het onderdeel dat is gericht op de oprichting van een onafhankelijk orgaan dat zich specifiek op de genderproblematiek richt. Ik sta achter het idee om een orgaan op te richten dat zich uitsluitend met gendergelijkheid bezighoudt, aangezien zo kan worden gewaarborgd dat de overkoepelende doelstelling van gendergelijkheid, zoals die is vastgelegd in het Verdrag, niet ondergeschikt wordt gemaakt aan ander antidiscriminatiebeleid op EU-niveau.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Het is alsof onze meningen door de denkpolitie worden gecontroleerd en er over elk onderwerp nog maar één standpunt mag bestaan. Dat heeft tot gevolg dat op bepaalde beleidsterreinen serieuze debatten over belangrijke onderwerpen ontaarden in geloofsbelijdenissen – zeker als het gaat om het zogenaamde genderbeleid.

Onze maatschappijen zullen eerlijker moeten worden ingericht en de verdeling van de taken tussen en mannen en vrouwen zal beter moeten aansluiten bij ons tijdsgewricht. Er zal meer keuze moeten zijn. Met het oog op de verwezenlijking van die doelstellingen worden ons echter maar al te vaak bepaalde strategieën opgelegd.

Alsof er beleidsterreinen zijn waarvoor geldt dat men niet van mening kan verschillen over methoden of modellen! Dat is, kort gezegd, mijn eerste bezwaar tegen het idee om voor de Europese Unie een Europees Genderinstituut op te richten. Ik heb zojuist aangegeven dat ik voorstander ben van een rechtvaardiger inrichting van onze maatschappijen. Dat wil echter niet zeggen dat ik de oprichting van dit instituut voorsta.

De bureaucratisering van de vrijheid lijkt me niet de juiste aanpak. Voor het verwezenlijken van een gerechtvaardigd doel zijn niet alle methoden geschikt. Ik geloof verder dat deze wildgroei van “agentschappen” en “instituten” niet de juiste wijze is om de organisatie van de Europese instellingen vorm te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Wij, de afgevaardigden in het Europees Parlement die deel uitmaken van de Oostenrijkse Volkspartij zijn voorstanders van gendergelijkheid en van een actieve rol van de politiek op dat terrein. Daarom menen wij dat het een juist signaal zou zijn als dit vraagstuk onder de hoede komt van het op te richten Europees Agentschap voor de mensenrechten, en herhalen we dat wij de behandeling van vraagstukken met betrekking tot de gendergelijkheid als een belangrijke taak van het Agentschap beschouwen, zoals vastgelegd in de resolutie van het Europees Parlement van 26 mei 2005 over het verslag Kinga-Gál.

We zijn echter tegen het oprichten van nieuwe zelfstandige instanties, die uiteindelijk zullen leiden tot een nieuwe en dure bureaucratie, en aangezien de financiële vraagstukken geenszins zijn opgelost wijzen we de geplande ongespecificeerde financiële verplichtingen van circa 52 miljoen euro van de hand.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. – (SV) De EU heeft te veel autoriteiten en bureaus. Toch stem ik voor de instelling van dit instituut. De situatie op het gebied van gelijke kansen is rampzalig, wat vooral gesymboliseerd wordt door het feit dat 83 procent van de topposities wordt bekleed door mannen, en door ouderwetse regels voor ouderverlof, een totaal gebrek aan seksuele opvoeding en een armzalige wetgeving. Het is wel een paar miljoen euro waard om te proberen hier wat aan te doen met een instituut dat bedoeld is ter aanvulling op het reeds bestaande instituut inzake discriminatie van minderheden. In dat verband is het redelijk dat er een instituut is inzake discriminatie van de meerderheid, want dat zijn de vrouwen.

 
  
  

Verslag-Papadimoulis (A6-0027/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Liam Aylward (UEN), schriftelijk. - (EN) Dit is een voortreffelijk verslag. We hebben gezien dat er sprake is van een toename van het aantal ernstige natuurrampen in de EU en de rest van de wereld. De afgelopen vijftien maanden hebben we bijvoorbeeld de tsunami in Azië gehad, de krachtige tropische cycloon in Louisiana en Mississippi, verwoestende overstromingen in Roemenië, Bulgarije, Zwitserland, Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk, ernstige droogte in Spanje en Portugal en branden die in Portugal bijna 180 000 hectare bos hebben verwoest. Het is duidelijk dat natuurlijke gevaren een wereldwijde bedreiging vormen die om een wereldwijde respons vragen.

Daarom verwelkom ik het voorstel voor een verordening van de Raad en het verslag van het Parlement, met name het idee van preventie als onderdeel van een Europese respons op natuurrampen. Preventie is in alle opzichten net zo belangrijk als een reactie op natuurrampen en ik ben blij dat preventie in het verslag is opgenomen.

Ik ben het er ook mee eens dat de rechtsgrondslag duidelijker is op grond van artikel 175, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en ik steun de rapporteur.

Ik ben het ermee eens dat de doctrine van de EU voor civiele bescherming moet worden gebaseerd op een benadering van onderaf en dat de primaire verantwoordelijkheid voor maatregelen inzake civiele bescherming moet berusten bij de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland (IND/DEM), schriftelijk. De ChristenUnie-SGP parlementariërs hebben niet kunnen instemmen met het advies aan de Raad over het instrument voor snelle respons en paraatheid bij ernstige noodsituaties. De wijziging van de rechtsgrondslag, de uitbreiding van het instrument, waardoor ook preventieve maatregelen gefinancierd kunnen worden, en de verhoging van het budget kunnen niet op onze instemming rekenen.

Met name de wijziging van de rechtsgrondslag betreuren wij, temeer daar het Parlement in eerdere, vergelijkbare stemmingen wel gekozen heeft voor artikel 308 als enige juiste rechtsgrondslag. Het oprekken van de definitie van artikel 175 van het Verdrag, zodat ook dit instrument eronder kan vallen is niet de goede weg, en kan alleen worden geïnterpreteerd als een stellingname van een meerderheid in het Parlement om de invloed uit te strekken naar onderwerpen die niet door het Verdrag tot diens bevoegdheden worden gerekend.

Daarnaast zouden de financiële consequenties van het inzetten van hulpteams niet door een communautair instrument geregeld moeten worden. Dit is een kwestie van solidariteit tussen landen onderling.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE), schriftelijk. - (MT) Hoewel er al veel verbeterd is in de wijze waarop er op ernstige noodsituaties wordt gereageerd, moet ik helaas toch constateren dat er nog steeds veel werk moet worden verzet. Er is duidelijk behoefte aan een collectieve inspanning om dergelijke rampen zoveel mogelijk te voorkomen.

Volgens mij is iedereen het er over eens dat de lidstaten en de Europese Unie gezien ons huidige beleid enorm veel geld kunnen besparen als wij ons inspannen om rampen op nationaal niveau te voorkomen.

Wij moeten bereid zijn om meer geld en mankracht te investeren in het uitvoeren van een onderzoek waarin duidelijk aangegeven wordt of - wellicht nog beter - geëvalueerd wordt welke locaties en regio’s het meest rampgevoelig zijn.

Op die manier zijn wij op elke mogelijke gebeurtenis voorbereid en kunnen wij, zoals ik al eerder heb gezegd, niet alleen vele miljoenen besparen, maar ook onze morele plicht vervullen om de levens te beschermen van de mensen die een groter risico lopen om slachtoffer van een ramp te worden.

Naar mijn idee moeten wij een politieke koers uitzetten op basis waarvan elk land op steun van de Unie kan rekenen bij het opzetten van projecten om de levensstandaard te verbeteren van degenen die in de regio’s leven waar het risico op grootschalige problemen het grootst is.

Volgens mij is voorkomen beter dan genezen en dat betekent dat wij alles in het werk moeten stellen om op alle mogelijke calamiteiten voorbereid te zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) De meest recente natuurrampen – de overstromingen, extreme droogte en bosbranden die niet alleen landen in Europa, maar ook daarbuiten treffen, zoals de tsunami in Azië en de cyclonen in de VS – tonen aan hoe belangrijk het is dat er doeltreffende mechanismen voor burgerbescherming bestaan.

Het door de Commissie voorgestelde instrument voor snelle respons en paraatheid bij ernstige noodsituaties is bedoeld om het reactievermogen van de EU in het kader van het mechanisme voor civiele bescherming te verbeteren en de bijstand in termen van de paraatheid voor en snelle respons op ernstige noodsituaties zoveel mogelijk te vergroten. Het Commissievoorstel gaat echter niet in op preventie. Daarom vinden we het zo belangrijk dat dit verslag wordt goedgekeurd. Het legt de nadruk op preventie en stelt voor dit onderwerp ook op te nemen in de werkingssfeer van het instrument.

We wijzen verder op de voorstellen met betrekking tot geïntegreerde strategieën voor het beheer van milieu en natuurlijke hulpbronnen, waarvan ook het beheer van de bossen en van gebieden met gevaar voor overstroming, wetlands en andere broze ecosystemen deel moeten uitmaken, evenals risico-evaluaties in stedelijke gebieden. Het verslag stelt verder dat geïsoleerde en ultraperifere regio's bijzondere aandacht verdienen, dat er voorlichtings- en bewustmakingsacties voor de burgers moeten worden opgezet en dat de opleiding voor het personeel moet worden uitgebreid en verbeterd.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk.(PT) De door de Commissie voorgestelde tekst houdt goed nieuws in voor de civiele bescherming op Europees niveau. De maatregelen en acties die op basis van dit instrument kunnen worden ontwikkeld zullen van groot nut zijn voor de paraatheid en respons bij ernstige noodsituaties.

Als gevolg van de door het Parlement aangebrachte wijzigingen zal in dit instrument nu ook een plaats worden ingeruimd voor preventie. Wij geloven dat preventie van fundamenteel belang is voor het verwezenlijken van zulke belangrijke doelstellingen als de bescherming van de bevolking, het milieu en eigendommen.

Voor een land als Portugal, dat elk jaar weer wordt geteisterd door bosbranden en droogten die onherstelbare schade aanrichten, houdt dit voorstel in dat er nu gespecialiseerd personeel kan worden opgeleid en dat er mechanismen kunnen worden ontwikkeld voor de paraatheid bij noodsituaties. We zullen nu ook materieel en beste werkwijzen kunnen uitwisselen met landen die op dit gebied verder gevorderd zijn.

Ik kan mij dus vinden in het verslag van de heer Padadimoulis en de wijzigingen die in de Commissietekst zijn aangebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, Nils Lundgren en Lars Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Er zijn goede redenen voor de regeringen van de lidstaten om prioriteit toe te kennen aan maatregelen die het gevaar voor het uitbreken van natuurrampen verminderen. Wij plaatsen echter vraagtekens bij de vooraanstaande rol die het Europees Parlement in dit verband aan de EU wil geven. Het Europees Parlement wil onder meer:

– dat de EU een actieve rol gaat spelen om rampen te voorkomen, zoals ernstige droogte in Spanje en Portugal of branden in Zuid-Europa;

– dat de EU ingrijpt bij rampen buiten de Unie door middel van het inzetten van reddingsdiensten en dergelijke;

– dat de begroting voor snelle respons en paraatheid wordt verhoogd met 105 miljoen euro (ten opzichte van het Commissievoorstel) voor de periode 2007–2013.

Wij vinden dat het primair de taak van de individuele lidstaten is om actie te ondernemen in verband met natuurrampen. Veel soorten natuurrampen (zoals droogte en branden) keren vaak terug en kunnen worden voorspeld. De lidstaten moeten alle mogelijke investeringen kunnen doen om de risico’s voor het uitbreken van dit soort rampen tot een minimum te beperken.

Bovendien hebben de Verenigde Naties al een operationeel systeem voor hulp aan landen die door rampen en ernstige ongelukken worden getroffen. De lidstaten zouden dit systeem in hun eigen voordeel kunnen steunen in plaats van een parallelle structuur op te zetten waarmee ze onnodig dubbel werk riskeren. We hebben op grond van de bovenstaande argumenten besloten om tegen dit verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor deze verordening gestemd.

Ik sta positief tegenover de versterking van de mechanismen voor civiele bescherming in de Europese Unie in noodsituaties. Dit EU-instrument voor snelle respons moet zichtbaar, gecoördineerd en zeer snel inzetbaar zijn. Bij natuurrampen is er altijd sprake van een race tegen de klok. De sleutel tot het welslagen van deze interventies is gelegen in perfecte samenwerking tussen de betrokken partijen.

Met verschillende amendementen heb ik het aspect preventie naar voren willen halen. Hoe belangrijk het ook is om te weten hoe er op een ramp gereageerd moet worden, het is nog belangrijker om te weten hoe die voorkomen moet worden. Preventie vormt een wezenlijk onderdeel van risicovermindering. Branden zijn bijvoorbeeld heel vaak het gevolg van menselijk handelen. Een oproep tot waakzaamheid, vergezeld van informatie over de strafmaat, is dan ook een niet te veronachtzamen preventiemethode.

Anderzijds moet er, voordat er actieplannen worden opgesteld, een inventaris van de bestaande materiële en personele middelen worden opgemaakt. Deze inventaris moet in overleg met de lidstaten door de Europese Commissie worden opgesteld.

Tot slot ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de civiele bescherming bij de lidstaten. Deze communautaire mechanismen dienen dan ook ter aanvulling van het beleid van nationale, regionale of lokale autoriteiten.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Uiteraard zijn we het eens met de in dit verslag opgenomen voorstellen. Ik noem – onder andere – het voorstel om preventie in dit instrument te integreren en prioritair te maken. Preventie speelt immers een heel belangrijke rol bij het verminderen van de met natuurrampen verband houdende risico’s. De internationale rol van de VN bij het beheer van de hulp aan de bevolking dient inderdaad versterkt te worden, en ook het idee om de bescherming van de volksgezondheid en het cultureel erfgoed in dit instrument op te nemen kan onze goedkeuring wegdragen.

Het debat over de solidariteit tussen de verschillende landen in het geval van een noodsituatie maakt ook – pijnlijk – duidelijk hoeveel middelen er worden opgeslokt door de wapenwedloop en de militarisering van de internationale betrekkingen door de belangrijkste kapitalistische mogendheden, de Verenigde Staten voorop.

Wat zouden we allemaal niet kunnen doen als we de enorme sommen die aan oorlog en bewapening worden besteed, gebruikten voor preventie, noodhulp, directe respons en het herstel van door rampen getroffen gebieden?

Hoeveel levens zouden er gespaard kunnen worden, en hoeveel leed en vernietiging van economische, sociale en ecologische hulpmiddelen zouden vermeden kunnen worden als we in het kader van de internationale betrekkingen een op ontspanning gericht beleid zouden voeren, met vreedzame conflictoplossing, ontwapening en een voor iedereen gunstige samenwerking tussen de verschillende landen en volkeren?

 
  
MPphoto
 
 

  Caroline Jackson (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) De Britse conservatieven steunen de gedachte dat de lidstaten bij ernstige noodsituaties ter aanvulling op de inspanningen van een afzonderlijke lidstaat of lidstaten de solidariteit van Europa willen tonen door middel van een collectieve bijdrage uit de EU-begroting. Daarom stemmen we voor het verslag als geheel. Maar de voorgestelde wijzigingen van de rechtsgrondslag, het idee om een respons op noodsituaties buiten de EU op te nemen en de verhoging van de begroting steunen we niet. Als de respons wereldwijd van toepassing is, is geen enkele denkbare begroting toereikend. Het Parlement moet geen hoop wekken die de EU niet zal waarmaken.

 
  
MPphoto
 
 

  Diamanto Manolakou (GUE/NGL), schriftelijk. (EL) De feiten tonen aan dat de arme lagen van de bevolking de eerste slachtoffers zijn van het vaak misdadige gebrek aan geschikte maatregelen om hen te beschermen tegen natuurrampen.

De grote overstromingen in New Orleans hebben duizenden mensen gedood, hoewel ze voorzorgsmaatregelen hadden kunnen nemen, omdat ze het wisten. In Cuba daarentegen, waar algemene preventie en bescherming van staatswege bestaan, zijn geen slachtoffers gevallen.

Bijgevolg zijn preventie- en beschermingsmaatregelen vereist ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid, waarvoor uitsluitend de overheid verantwoordelijk is en niet de NGO’s en het spreekt vanzelf dat er voldoende financiële middelen ter beschikking moeten zijn.

Het voorstel van de Commissie houdt geen rekening met preventie, want in dat geval moet je de sociaal-economische oorzaken aanpakken, die de gevolgen veroorzaken of verergeren en moet je de vereiste kredieten leveren, die nog steeds ontoereikend zijn.

Toch is het vreemd dat noodsituaties en de behoefte aan communautaire solidariteit in het geval van natuurrampen, industriële of technologische rampen ook solidariteit bij terreuraanslagen omvat. Op die manier komt het afschuwelijkste artikel van de "Europese Grondwet" via een achterdeurtje weer binnen, het artikel betreffende solidariteit in het geval van terroristische activiteiten. We weten dat de definitie van terreur rekbaar is en door het Europese kapitaal wordt aangepast aan de omstandigheden en is gericht tegen de sociale massabewegingen, via de kapitalistische strijd tegen de volksbewegingen en het repressieve beleid van de Unie en de regeringen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) De Europese Unie heeft op een proactieve en solidaire wijze gehoor gegeven aan hulpverzoeken van de zijde van lidstaten in ernstige noodsituaties. De meest recente rampen – zoals bijvoorbeeld de extreme droogte en de bosbranden in Portugal en Spanje – hebben echter aangetoond dat het communautaire mechanisme voor civiele bescherming dringend versterking behoeft, voordat er zich nieuwe noodsituaties voordoen.

Deze tekst houdt beslist een verbetering in van het voorstel van de Commissie. Het toepassingsgebied van de verordening wordt uitgebreid en er worden meer middelen voorgesteld voor preventie, paraatheid en bijstand in noodsituaties.

Er is ook aandacht besteed aan maritieme incidenten. We moeten immers erkennen dat een individuele kuststaat zonder hulp van andere landen niet is opgewassen tegen de gevolgen van een grote olievlek.

We zijn een open Unie die een beleid van internationale solidariteit voorstaat. We moeten dus voorzover onze mogelijkheden dat toestaan, hulp bieden wanneer andere volken door een ernstige noodsituatie getroffen worden, zonder daarbij evenwel te vergeten dat versterking van de wederzijdse hulp tussen de lidstaten van de Unie op de eerste plaats komt.

Samenvattend: deze maatregelen zullen ons in staat stellen adequater te reageren op hulpverzoeken. Ik heb daarom voor gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. – (SV) De lidstaten van de EU zouden structuren moeten opbouwen om elkaar te kunnen helpen bij bosbranden en andere natuurrampen. Dit is typisch een gebied waar internationale coördinatie goed en noodzakelijk is. Het Parlement verandert ook de rechtsgrondslag, waardoor de mogelijkheden voor invloed van de burgers groter worden.

Daarom stem ik vóór, ook al heb ik verloren bij de stemming over het voorstel om ook terroristische aanslagen eronder te laten vallen. Ik vind dat zulke aanslagen van heel andere aard zijn dan andere rampen en dat we ons daar op heel andere wijze tegen moeten beschermen. Daarom moeten ze niet onder het fonds vallen. In geval van terrorisme zijn heel andere maatregelen nodig, en alleen de zuiver civiele delen daarvan, zoals hulp met sanering na een aanval, moeten onder het fonds vallen.

Terrorisme treft hoofdzakelijk landen met een kolonialistisch buitenlands beleid, maar in plaats van dat te wijzigen, willen zij hun beleid en de gevolgen ervan verspreiden naar alle lidstaten van de EU. Nu zal waarschijnlijk echter slechts een miniem deel voor deze doeleinden worden gebruikt en dus is het toch een acceptabel voorstel.

 
  
  

Verslag-Hamon (A6-0022/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Het IMF is één van de instellingen van Bretton Woods die samen met de Wereldbank en de GATT/WTO hebben bijgedragen tot het consolideren van de ongelijkheid tussen het ontwikkelingsniveau van het kapitalistische centrum en dat van de periferie. Het IMF heeft meegeholpen bij de liberalisering van de handel en de dienstverlening en daarbij de verbreiding van de heersende liberale ideologie bevorderd, onder andere door het doen van aanbevelingen over het terugbrengen van de rol van de staat, privatiseringen en flexibiliteit op de arbeidsmarkt. We vinden die aanbevelingen terug in de zogenaamde strategie van Lissabon.

Men beweert de economieën van de zuidelijke landen nu via structurele aanpassingsplannen voor te bereiden op de zogenaamde markteconomie en de daarbij horende mededinging. Deze landen moeten zich openstellen voor buitenlandse investeringen en een model voor economische specialisering volgen dat gunstig is voor het centrum. De rampzalige economische en sociale gevolgen van deze plannen zijn bekend. Ook van de veelgeroemde stabiliteit die het IMF beweert na te streven blijkt in de praktijk niets. Integendeel: het huidige economische bestel wordt voortdurend onstabieler en financiële crises doen zich steeds vaker voor.

We hebben behoefte aan een ander, op de VN gebaseerd monetair systeem. Dat systeem moet alle deelnemers tot voordeel strekken en ontwikkeling bevorderen. De nu voorgestelde hervorming van het IMF verandert echter niets aan de aard van dit instituut, ook niet als de zich ontwikkelende landen een grotere inbreng zouden krijgen (wat niet het geval is). Vandaar onze onthouding.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik verwelkom dit verslag waarin de nauwe coördinatie van de lidstaten bij de onderhandelingen in het IMF wordt aangemoedigd. Aangezien er geen volledige erkenning is voor één bepaald Europees representatief blok met door de lidstaten gedelegeerde bevoegdheden, is het van belang dat afzonderlijke lidstaten zichzelf binnen het IMF blijven vertegenwoordigen. Bij veel belangrijke kwesties, zoals ontwikkeling, gaat het erom dat een standpunt door zoveel mogelijk stemmen wordt uitgedragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Claude Moraes (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik juich nauwe coördinatie van de lidstaten bij onderhandelingen in het IMF toe. Aangezien er geen volledige erkenning is voor één bepaald Europees representatief blok met door de lidstaten gedelegeerde bevoegdheden, ben ik van mening dat afzonderlijke lidstaten zichzelf binnen het IMF moeten blijven vertegenwoordigen. Hierbij zit ik op één lijn met talrijke andere internationale organen zoals de VN. Bij veel belangrijke kwesties, waaronder ontwikkeling, gaat het erom dat een standpunt door zoveel mogelijk stemmen wordt uitgedragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (PSE), schriftelijk. - (EN) De EPLP juicht nauwe coördinatie van de lidstaten bij onderhandelingen in het IMF toe. Aangezien er geen volledige erkenning is voor één bepaald Europees representatief blok met door de lidstaten gedelegeerde bevoegdheden, is de EPLP van mening dat afzonderlijke lidstaten zichzelf binnen het IMF moeten blijven vertegenwoordigen. Hierbij zitten we op één lijn met talrijke andere internationale organen zoals de VN. Bij veel belangrijke kwesties, waaronder ontwikkeling, gaat het erom dat een standpunt door zoveel mogelijk stemmen wordt uitgedragen. Als we de stem van de EU terugbrengen tot één, kan dat onder bepaalde omstandigheden duidelijk van invloed zijn op het gewicht van het standpunt van de internationale gemeenschap.

 
  
  

Verslag-Hutchinson (A6-0013/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Oldřich Vlasák (PPE-DE). – (CS) Geachte Voorzitter, dames en heren. Graag wil ik u uitleggen waarom ik tegen dit verslag heb gestemd. De reden is dat het verslag overbodig en onevenwichtig is, niet gebaseerd op harde feiten, maar slechts op niet door feiten geschraagde veronderstellingen. De verlenging van de wachttermijn van vijf naar zeven jaar is onacceptabel en druist in tegen het fundamentele recht van vrij verkeer. Als we doorgaan met het opstellen van regels, in plaats van de beperkingen voor het bedrijfsleven weg te nemen en de arbeids- en dienstenmarkt vrij te maken, dan zal de Europese economie niet worden bevorderd, maar juist verder stagneren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Anna Hedh, Ewa Hedkvist Petersen, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. – (SV) Wij Zweedse sociaal-democraten steunen het verslag-Hutchinson in hoofdlijnen, maar ons standpunt over bedrijfsverplaatsingen is het volgende. Wij vinden dat EU-middelen niet mogen worden gebruikt voor het verplaatsen van productie, omdat dat in de praktijk betekent dat men de werkloosheid verplaatst en dat werknemers in verschillende regio’s tegen elkaar worden opgezet. Wij vinden echter niet dat alle bedrijfsverplaatsingen in hun algemeenheid verkeerd zijn. Herstructurering van bedrijfstakken moet mogelijk zijn opdat die zich kunnen ontwikkelen. Als het kennis- en competentieniveau in een land stijgt, kan dat betekenen dat er bedrijfsverplaatsingen moeten plaatsvinden om de regio tot ontwikkeling te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het verslag over bedrijfsverplaatsingen in het kader van de regionale ontwikkeling gestemd, aangezien het van essentieel belang is onze medeburgers gerust te stellen door duidelijk te maken dat de Europese Unie niet de oorzaak is van de problemen, maar juist oplossingen aanreikt in het kader van de grote economische en sociale veranderingen van vandaag de dag.

Gezien de ernst van de economische en sociale vraagstukken die samenhangen met de bedrijfsverplaatsingen, is een krachtig Europees beleid nodig om de noodzakelijke veranderingen en de cohesiedoelstelling met elkaar te verzoenen. Met zeer grote tevredenheid onderschrijf ik het verzoek om objectieve informatie en prognoses over het verschijnsel van de bedrijfsverplaatsingen. Deze informatie is onontbeerlijk, met name in het kader van de onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie over economische sectoren die in ernstige mate blootstaan aan deze veranderingen, die zeer ingrijpend kunnen zijn. Het is eveneens urgent duidelijkheid te verschaffen over de Europese steunmaatregelen ten aanzien van bedrijfsverplaatsingen, met name door het verlenen van steun te koppelen aan de verplichting om de productie te doen plaatsvinden op het grondgebied van de Unie.

Tot slot juich ik het verzoek toe dat betrekking heeft op het opnemen van sociale bepalingen in internationale verdragen, en wel op basis van de prioritaire conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Brigitte Douay (PSE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het verslag-Hutchinson over bedrijfsverplaatsingen in het kader van de regionale ontwikkeling gestemd, na te hebben deelgenomen aan de debatten in de commissie en het verslag te hebben geamendeerd.

Dit verslag poogt te voorkomen dat de structuurfondsen maatregelen in de hand werken die bijdragen tot bedrijfsverplaatsingen met hoge sociale kosten in onze regio’s.

Het bepleit de invoering van een Europese strategie ter bestrijding van bedrijfsverplaatsingen en de oprichting van een Europese waarnemingspost van bedrijfsverplaatsingen om de reële impact van de Europese steun op de bedrijfsverplaatsingen te becijferen.

Het is geenszins de bedoeling om terug te keren naar een geleide economie, noch om schade toe te brengen aan de vrije en onvervalste concurrentie, de grondslag van de gemeenschappelijke markt. Het is evenmin de bedoeling alle ondernemingen te controleren of de ontwikkeling van de nieuwe lidstaten in de weg te staan. Het is echter wel belangrijk erop te wijzen dat de structuurfondsen instrumenten voor ontwikkeling en sociale cohesie moeten zijn, en geen wapens in een strijd tussen onze regio’s. Want zelfs in de rijkste landen van de Europese Unie zijn er nog arme regio’s, waar werknemers wanhopig toezien hoe hun werkgelegenheid verdwijnt, vaak zonder omscholingsmogelijkheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek en Cecilia Malmström (ALDE), schriftelijk. – (SV) Een steeds verder geglobaliseerde wereld stelt nieuwe eisen. Er ontstaan nieuwe problemen die moeten worden aangepakt en nieuwe mogelijkheden die we moeten aangrijpen. Vandaag stemt het Europees Parlement over het initiatiefverslag-Hutchinson betreffende “Bedrijfsverplaatsingen in het kader van de regionale ontwikkeling”. Wij hebben besloten tegen dit verslag te stemmen omdat wij vinden dat het de problematiek rond bedrijfsverplaatsingen verkeerd aanpakt.

We zijn het ermee eens dat er geen redenen zijn om met EU-middelen uit onder andere de structuurfondsen verbeterde concurrentievoorwaarden te financieren voor Europese ondernemingen die kort daarna besluiten om hun activiteiten naar buiten de EU te verplaatsen. Daarentegen moeten noch de staat noch Europese autoriteiten aan bedrijven gaan voorschrijven hoe ze hun activiteiten moeten regelen en aan welke voorwaarden ze moeten voldoen. Anders verhinderen ze dat bedrijven rationele besluiten nemen om te overleven.

We scheppen geen volledige werkgelegenheid door meer sturing door de overheid; we doen dat door de komst van meer bedrijven en nieuwe investeringen op de particuliere markt mogelijk te maken. Daarom kunnen we ook niet stemmen voor een verdere beperking van het vrije verkeer van ondernemingen op de interne markt, zoals in dit verslag wordt voorgesteld. Ter bestrijding van de problemen en verplaatsingen die een geglobaliseerde markt met zich meebrengt hebben we dus een ander uitgangspunt nodig dan deze nieuwe trend, die gebaseerd is op economisch patriottisme.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Ferreira (PSE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het verslag van de heer Hutchinson over bedrijfsverplaatsingen gestemd, waarin wordt benadrukt dat de EU zich dringend rekenschap dient te geven van de ernst van de gevolgen van bedrijfsverplaatsingen voor de bevolking en de betreffende gebieden.

Er moet licht worden geworpen op de ontwikkeling van dit verschijnsel en de gevolgen ervan, wat mogelijk zou moeten zijn met een waarnemingspost.

Dit moet echter ook gebeuren via een dwingender wettelijk kader binnen de EU en het toepassen van sociale en milieubepalingen in het internationale handelsverkeer.

Het belang van werknemers en het behoud van werkgelegenheid moeten centraal staan binnen ons beleid. Dat is absoluut noodzakelijk om de in 2000 aangeprezen doelstellingen van volledige werkgelegenheid en van de strategie van Lissabon te bereiken, wat niet zal lukken als er geen Europees industriebeleid wordt gevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, Nils Lundgren en Lars Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) In dit verslag, dat buiten de wetgevingsprocedure valt, wordt een belangrijk thema behandeld. Wij hadden deze problematiek echter graag anders willen formuleren.

Bedrijfsverplaatsingen naar derde landen buiten de EU vormen een kwestie waar wij ons niet mee moeten bemoeien. Over het algemeen moeten marktoverwegingen bepalend zijn voor de plaats in de wereld waar bedrijven zich vestigen. De lidstaten van de EU kunnen zich in dat verband inspannen om te concurreren, bijvoorbeeld op het punt van kennis, competentie en stabiliteit die zij kunnen bieden.

Wat bedrijfsverplaatsingen binnen de Unie betreft, moeten we iets doen aan het probleem dat individuele lidstaten discriminerende belastingverlichtingen en overheidssteun aanbieden ter aanvulling op de structuursteun van de EU. Dat gebeurde in 2002, toen de bandenfabriek in Gislaved werd gesloten en het betrokken bedrijf, Continental, in plaats daarvan investeerde in een bandenfabriek in Noord-Portugal. Dat zoiets kan gebeuren op de interne markt van de EU is volgens ons een groter probleem.

Verder stelt de rapporteur in zijn toelichting dat er eventueel een waarnemingspost van bedrijfsverplaatsingen zou kunnen worden opgericht in de EU. Het is echter niet de taak van een nieuwe waarnemingspost maar de taak van de Commissie om erop toe te zien dat er geen bedrijven worden gesloten ten gevolge van herstructureringen en discriminerende belastingstelsels.

Wij hebben daarom besloten om tegen het verslag te stemmen. In beginsel vinden wij dit een belangrijk thema, maar we hadden graag een resolutie met een andere benadering van dit belangrijke onderwerp gezien.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Deze door het Europees Parlement aangenomen resolutie over bedrijfsverplaatsingen was de enig mogelijke. De dominante politieke stromingen in het EP – de sociaal-democraten en rechts – hebben immers een compromis gesloten dat een scherper geformuleerde resolutie uitsloot. De door ons ingediende amendementen (zie hieronder) zijn verworpen. Wij wilden:

- duidelijk maken dat bedrijfsverplaatsingen doorgaans gemotiveerd worden door het streven naar een zo groot mogelijke winst. Bedrijven proberen zo fiscale voordelen en financiële steun te verkrijgen en maken daarbij gebruik van goedkope arbeid. Dit zijn banen zonder rechten;

- duidelijk maken dat bedrijfsverplaatsingen deel uitmaken van de liberalisering van de handel en de deregulering van de mondiale arbeidsmarkt onder aegide van de WTO;

- een juridisch kader opzetten waarin – onder andere – het volgende zou worden vastgelegd: het instellen van een contractuele verplichting om het bedrijf tenminste zeven jaar voort te zetten en zo stabiele en duurzame werkgelegenheid te creëren en bij te dragen tot de ontwikkeling van de betrokken regio; het instellen van sancties die bij niet-nakoming kunnen worden opgelegd (terugbetaling van de toegekende steun en uitsluiting van communautaire steun in de toekomst); bescherming van de werknemers via informatie en inspraak, waaronder een vetorecht;

- dat er elk jaar een mededeling wordt opgesteld over bedrijfsverplaatsingen en de daaruit voortvloeiende gevolgen.

We moeten nu maar hopen dat wat wordt goedgekeurd tenminste wordt uitgevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Marine Le Pen (NI), schriftelijk.(FR) Met het voorstel om terugbetaling te eisen van Europese steun die is verleend aan bedrijven die hun activiteiten verplaatsen, komt in het verslag van de heer Hutchinson een van de voorstellen terug die bij de regionale verkiezingen in Île de France door het Front National zijn gedaan naar aanleiding van de subsidies van de regionale raad.

Langzaam maar zeker begint het de Europese instellingen te dagen wat de economische en sociale gevolgen van hun beleidskeuzes zijn: vele van onze bedrijven zien zich gedwongen hun activiteiten te verplaatsen, omdat het verdwijnen van de grenzen hen blootstelt aan concurrentie met producenten met extreem lage arbeidskosten.

Om onze economieën tegen deze sociale dumping te beschermen en ons sociaal model te behouden moeten we een ander beleid voeren: onze grenzen in ere herstellen, onze bedrijven concurrerender maken door onze sociale zekerheid te financieren via een sociale BTW, die in de plaats zou komen van de sociale premies. De nationale regeringen moeten hiervoor soeverein zijn op belastinggebied.

Dit zijn enkele van de zinnige economische en sociale maatregelen die niet door het huidige Europa van Brussel, dat vorig jaar door de Fransen is afgekeurd, maar wel door een Europa van vrije en soevereine naties getroffen zouden kunnen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Toine Manders (ALDE), schriftelijk. De VVD-delegatie heeft gemeend tegen het verslag-Hutchinson over bedrijfsverplaatsingen in het kader van regionale ontwikkeling te moeten stemmen, omdat hierin onomwonden steun wordt uitgesproken voor het Commissievoorstel om een globalisatiefonds op te richten. De VVD is fel gekant tegen dit fonds, omdat deze vorm van staatsinterventie de interne markt tegenwerkt. Sociaal beleid is een kwestie van de lidstaten zelf. Daarnaast bestaat er al een Europees systeem dat voorziet in de mogelijkheden tot omscholing van werknemers. De bestaande Europese structuurfondsen geven de lidstaten namelijk de financiële middelen om hun bevolking (om) te scholen. Voorts zijn in het verslag-Hutchinson een aantal onnodige en bemoeizuchtige bureaucratische bepalingen opgenomen die de vrijheid van vestiging belemmeren, waardoor de dynamiek uit de interne markt wordt gehaald.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik verwelkom dit verslag over bedrijfsverplaatsingen in het kader van de regionale ontwikkeling. Het partnerschapsbeginsel maakt dat de lidstaten en de Commissie erop toe moeten zien dat bedrijven die overheidssteun hebben ontvangen en vervolgens binnen zeven jaar na de toekenning van de steun hun activiteiten naar een andere lidstaat of een derde land verplaatsen, worden uitgesloten van de toekenning van middelen uit de structuurfondsen.

In dit opzicht is het van belang dat de EU in samenwerking met alle lidstaten een Europese strategie ter bestrijding van bedrijfsverplaatsingen uitwerkt en een Europese waarnemingspost van bedrijfsverplaatsingen opricht die zich bezighoudt met de studie, de evaluatie, de follow-up en het ontwikkelen van concrete voorstellen op het gebied van overeenkomsten op lange termijn op het vlak van werkgelegenheid en lokale ontwikkeling.

Gezien de toename van het aantal getroffen regio’s in Schotland is het belangrijker dan ooit dat er positieve maatregelen worden genomen zodat toegekende middelen op doeltreffende wijze worden besteed en de hele looptijd van het programma wordt gerespecteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez (NI), schriftelijk.(FR) Van 25 lidstaten met zeer uiteenlopende loonkosten en een even uiteenlopende premie- en belastingdruk één markt proberen te smeden, het moest wel leiden tot het verplaatsen van bedrijven naar landen met lagere productiekosten. En dat is dan ook gebeurd. De tien nieuwe lidstaten trekken bedrijven uit het “oude Europa” en zelfs in Mexico gevestigde Amerikaanse bedrijven.

Dat is des te schokkender omdat deze lidstaten zichzelf bedenken met een aantrekkelijke belastingdruk en hun gezondheids- en sociale voorzieningen en hun wegen en dergelijke vervolgens laten betalen door de lidstaten in het Westen, die met het verhogen van hun belastingen om de Tien te bekostigen tegelijkertijd hun productiehandicap verzwaren.

Voor bedrijfsverplaatsingen buiten de Unie bestaat een oplossing die hout snijdt. Er moeten douanerechten nieuwe stijl worden uitgevonden met drie kenmerken. Ze moeten variabel zijn naargelang het verschil in de productiekosten tussen de twee betreffende landen. Ze moeten terug te betalen zijn, waarbij het door de exporteur betaalde douanerecht een “belastingkrediet” wordt dat aftrekbaar is bij aankopen in de economie van de importeur. Met andere woorden, het douanerecht zou de exporteur een trekkingsrecht bieden op de economie van de importeur, waarmee een internationale-handelsmultiplicator op gang wordt gebracht die als win-win kan worden aangemerkt.

Tot slot zouden die rechten kunnen worden vergoed, als de importeur de exporteur een voordeel zou willen toekennen. Het douanekrediet zou dan een matching credit worden, zoals we dat al kennen in het internationale belastingrecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Mijn instemming met dit verslag heeft vooral betrekking op het hoofdstuk waarin de diagnose wordt gesteld. Het hoofdstuk over de therapie verwijst namelijk naar oplossingen die al eerder zijn geprobeerd maar weinig succesvol zijn gebleken.

Afgezien daarvan ben ik het eens met het in dit verslag verwoorde idee dat bedrijfsverplaatsingen te vaak pas aan de orde komen als de verplaatsing reeds een feit is. Dat is weinig zinvol en toont aan dat we bij het vooruitlopen op de gebeurtenissen ernstig tekortschieten. Ik geloof inderdaad dat er maatregelen moeten worden getroffen om te verhinderen dat de schatkist geplunderd wordt en bedrijven openbare steun ontvangen zonder daar een verantwoordelijk bedrijfsbeheer tegenover te stellen.

Ik geloof echter wel dat sommige bedrijfsverplaatsingen onvermijdelijk zijn. En ik geloof ook dat we bij het voeren van dit debat naar de balans moeten kijken en de kosten tegen de baten moeten afzetten. We verliezen banen vanwege de opening van de markten, maar daar staat tegenover dat diezelfde opening tot het scheppen van banen heeft geleid – en dan zwijg ik over de voordelen voor de consument. We moeten verhinderen dat de wet van de jungle het overwicht krijgt, maar ons niet proberen te verzetten tegen een onontkoombare realiteit. Integendeel: we moeten juist proberen van die realiteit zo goed mogelijk gebruik te maken.

 
  
  

Verslag-Matsakis (A6-0044/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Milan Gaľa (PPE-DE). – (SK) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb mij van stemming over het verslag-Matsakis over de communautaire strategie inzake kwik onthouden en ik wil u uitleggen waarom. Ik ben tandarts van beroep en ik weet dat de amendementen betreffende het uitbannen van amalgaam uit de tandheelkunde niet haalbaar zijn, zeker niet in de nieuwe lidstaten, in de eerste plaats om economische redenen. Tandvullingen die vervaardigd zijn uit andere materialen dan amalgaam zijn drie keer duurder. Het gebruik van deze vullingen zou een buitensporige last leggen op de ziekteverzekeringsmaatschappijen. Bovendien is de informatie betreffende de schadelijke effecten van amalgaam onduidelijk en onvolledig. Wij moeten er uiteraard voor zorgen dat het amalgaamafval in tandartspraktijken beter verwijderd wordt, maar wij mogen tandartsen er niet van weerhouden kwik te gebruiken. Ik ben tevens van oordeel dat het aan de lidstaten is om een passende wetgeving vast te stellen. De Slowaakse Vereniging van Tandartsen deelt dit standpunt. Daarom heb ik niet voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland (IND/DEM), schriftelijk. De ChristenUnie-SGP parlementariërs kunnen instemmen met de ontwerpresolutie over de kwikstrategie, maar willen daarbij de opmerking laten aantekenen dat op het verbod voor kwikgebruik in meet- en regelapparatuur uitzonderingen mogelijk moeten blijven.

Een van die uitzonderingen zou de productie van klassieke kwikbarometers moeten betreffen, zoals weergegeven in de aangenomen tekst van de resolutie. Voor de productie hiervan wordt zeer weinig kwik gebruikt, dat bovendien ook relatief weinig milieurisico oplevert, doordat het in glas wordt opgesloten.

Diverse kleine bedrijven in de EU zijn voor hun inkomsten afhankelijk van de productie hiervan en zouden door een absoluut verbod moeten sluiten wegens gebrek aan een voldoende geschikt alternatief materiaal. Wij vinden dat in een gecontroleerde omgeving de productie van dit Europees erfgoed toegestaan zou moeten blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Het voorstel van de Commissie vult een lacune. Het behelst een Europese strategie met betrekking tot de productie en het gebruik van kwik in Europa gedurende de nu komende jaren.

Het stopzetten van de uitvoer van kwik, het staken van het gebruik van kwik in medische apparatuur en amalgaamvullingen, het toezicht op kwikemissies en het onderzoek naar het gebruik van kwik bij de productie van vaccins vormen belangrijke punten in dit verslag: ze kunnen zeker een gunstig effect hebben voor de volksgezondheid.

De in amendement 2 opgenomen uitzonderingen hebben betrekking op kleine producenten (als er op de productie toezicht kan worden gehouden), museumstukken, ouderwetse barometers en andere objecten met een historische waarde. Het verkorten van de termijn voor de inwerkingtreding van de beperkingen op de uitvoer (amendement 6) is mogelijk te voortvarend. Het zou Europa schade kunnen toebrengen door derde landen die kwik uitvoeren te begunstigen.

Ik ben het in grote lijnen eens met het voorstel van de Commissie en het verslag van de heer Matsakis.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, Nils Lundgren en Lars Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) De Zweedse partij Junilistan steunt het voorstel om maatregelen te nemen teneinde de emissies van kwik te reduceren en uiteindelijk stop te zetten. Het gaat hier om een grensoverschrijdend milieuprobleem, waarbij een gemeenschappelijke en gecoördineerde strategie op haar plaats is. Daarom hebben we besloten om vóór dit verslag te stemmen.

We hebben echter wel commentaar op afzonderlijke punten in het voorstel van het Europees Parlement. We vinden bijvoorbeeld dat de lidstaten heel goed in staat zijn om zelfstandig voorlichtingscampagnes te voeren over de gezondheidsrisico’s ten gevolge van blootstelling aan kwik. Verder zijn wij van mening dat de aanpak van de sociale gevolgen van het sluiten van kwikmijnen primair een taak van de lidstaten is, en niet zozeer een taak van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor deze tekst gestemd.

We hebben een krachtige communautaire strategie inzake kwik nodig. Krachtig zijn is echter ook realistisch zijn.

Merthiolaat, dat kwik bevat, wordt gebruikt als conserveermiddel in bepaalde medicijnen, met inbegrip van vaccins. Er bestaan ongeveer een miljoen vaccindoses waarvoor merthiolaat in het productieproces wordt gebruikt voor ontsmettingsdoeleinden. Deze hoeveelheid komt neer op 0,0000003 procent van het jaarlijks in Europa gebruikte kwik.

Gelet op het buitengewoon positieve effect van vaccinatie op de volksgezondheid, ook in de ontwikkelingslanden, is een onmiddellijk verbod op het gebruik van dit product in vaccins dan ook ongerechtvaardigd.

Dit neemt niet weg dat het zoeken naar andere methoden gestimuleerd moet worden om het gebruik van merthiolaat in de toekomst terug te dringen of uit te bannen.

Ik wijs er eveneens op dat de fabrikanten op grond van de farmaceutische regelgeving moeten aantonen dat hun producten onschadelijk zijn voor het milieu.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik verwelkom dit verslag over de communautaire strategie inzake het effect van kwik op het milieu en op de mens. Kwik is een bijzonder giftige stof en het is van belang dat we aan de hand van wetenschappelijk bewijs vaststellen wanneer kwik veilig kan worden gebruikt en wanneer het gebruik ervan moet worden verboden. Ik doe een beroep op de Commissie om de resultaten van haar onderzoek zo spoedig mogelijk te publiceren.

 
  
MPphoto
 
 

  Linda McAvan (PSE), schriftelijk. - (EN) De sociaal-democratische parlementsleden steunen de strategie die de Commissie voorstelt voor controle op het gebruik van kwik. Kwik is een bijzonder giftige stof waarvoor strenge regels moeten gelden. We zijn echter van mening dat verboden of beperkingen pas mogen worden ingevoerd als er een dialoog is gevoerd met de belanghebbenden, als er een grondige effectbeoordeling van de gevolgen heeft plaatsgevonden en als de industrie genoeg tijd heeft gehad om aanpassingen door te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Claude Moraes (PSE), schriftelijk. - (EN) De wijze waarop ik heb gestemd over het verslag-Matsakis over een communautaire strategie inzake het effect van kwik op het milieu komt voort uit het feit dat de Commissie heeft vastgesteld welke terreinen ze verder wenst te onderzoeken voordat ze een aanbeveling doet voor verdere communautaire wetgeving of actie. Ik vind dat we moeten erkennen dat kwik een bijzonder giftige stof is en dat we de strategie en de effectbeoordeling van de Commissie moeten steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk.(FR) Met het aannemen, op deze dinsdag, van het verslag van mijn collega Marios Matsakis over de communautaire strategie inzake kwik, heeft het Europees Parlement zojuist een krachtig signaal afgegeven aan de internationale gemeenschap: er moet strenge regelgeving komen voor de meest giftige chemische stoffen, en het Europa van de 25 moet het voorbeeld geven door de uitvoer ervan snel te verbieden.

Dat is het lot dat kwik in de toekomst beschoren zal zijn, een voor mens en ecosystemen giftig zwaar metaal waarvan Europa de grootste exporteur ter wereld is.

Ik ben met name verheugd over het aannemen van paragraaf 17, waarin wordt voorgesteld het gebruik van kwik in amalgaam voor de tandheelkunde tegen eind 2007 aan banden te leggen. Het Parlement bevestigt daarmee zijn stemming van 25 januari 2005 over mijn verslag betreffende het Europees actieplan voor milieu en gezondheid, waarin in paragraaf 6 werd voorgesteld om in plaats van het in amalgaamvullingen gebruikte kwik veiliger alternatieven te gebruiken. Het gezond verstand heeft hier gezegevierd. De blootstelling van de mens moet tot het strikte minimum beperkt blijven. Even belangrijk is het daarom dat de Europese Unie snel een oplossing vindt voor de behandeling van de 12 000 ton kwikafval die binnen vijftien jaar door de chloor- en alkali-industrie zullen worden geproduceerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE), schriftelijk. (DE) Kwik en de verbindingen daarvan zijn bijzonder giftig voor mensen, ecosystemen en voor in het wild levende dieren. Kwik is aangemerkt als prioritair gevaarlijke stof in de kaderrichtlijn water en vertraagt ook microbiologische activiteit in de bodem.

Kwik is een persistente stof en kan in het milieu transformeren tot methylkwik, dat eveneens enorm negatieve effecten op de menselijke gezondheid heeft.

Kwik in amalgaamvullingen dat via tandheelkundige operaties en crematoria vrijkomt, is een belangrijke bron van kwikemissies.

Daarom is het noodzakelijk dat tandheelkundig amalgaamafval naar behoren wordt afgevoerd.

Het gebruik van kwik in amalgaam voor de tandheelkunde is een onderwerp dat sterk leeft. De aangewezen benadering is alle potentiële risico‘s bij het gebruik van kwik in tandheelkundig amalgaam te onderzoeken. Op basis van de uitslagen van dat onderzoek dient actie te worden ondernomen.

 
  
  

Verslag-Paasilinna (A6-0036/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Nina Škottová (PPE-DE). – (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik zou graag een aantal opmerkingen willen plaatsen als toelichting op mijn tegenstem tegen het verslag van de heer Paasilinna inzake een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid. Een van de doelstellingen van het i2010-project betreft innovatie en investeringen in onderzoek. Tot mijn verbazing kwam ik er achter dat het verslag zo goed als niet ingaat op de onderzoeksproblematiek; het onderwerp krijgt niet de aandacht die het verdient. Er wordt alleen over onderzoek gesproken in verband met de ondersteuning van onderzoek naar specifieke technologieën.

Een verder belangrijk punt is het feit dat onderzoek op alle mogelijke gebieden van het menselijk handelen leidt tot een bepaalde vraag naar informatie- en communicatietechnologie. Deze terugkoppeling mis ik node in dit verslag, terwijl deze in het kader van de Lissabon-strategie juist een van de aanjagers zou moeten zijn van economische groei en de schepping van werkgelegenheid. Het feit dat er slechts één enkele verwijzing naar het zevende kaderprogramma is opgenomen, staat in geen verhouding tot het belang van het programma voor groei en werkgelegenheid. Digitale vaardigheden worden vandaag de dag beschouwd als een van de basisvaardigheden. We moeten deze dan ook ontwikkelen in het kader van het concept levenslang leren.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, we willen de digitale opmars nu middels nieuwe initiatieven ondersteunen. Digitale bibliotheken en tachografen, biometrische paspoorten en e-government moeten voor wonderen zorgen. Het aandeel van de informatie- en communicatietechnologie van 40 procent in de productiviteitsgroei is inderdaad indrukwekkend.

Bij alle euforie rond de nieuwe technologieën mogen we de realiteit echter niet uit het oog verliezen. Voor de digitale sector is wederom groei voorspeld, maar dit zal het aantal banen eerder doen afnemen dan laten stijgen: de hightechindustrie is bijzonder mobiel en verplaatst zich moeiteloos naar de Oost-Europese lidstaten en uiteindelijk naar landen als India en China.

De dromen van de EU over grote concerns die als banenschepper dienen, zullen ook ditmaal niet uitkomen, maar gelukkig wordt het MKB steeds actiever op dit gebied. Het MKB is aan een inhaalslag bezig om productiever en concurrerender te worden en nieuwe markten op te gaan. We zullen deze bedrijven meer moeten ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het verslag over een Europees informatiemodel voor groei en werkgelegenheid gestemd, omdat ik van mening ben dat toegang tot informatie- en communicatietechnologieën een noodzakelijke voorwaarde is voor economische ontwikkeling en maatschappelijke vooruitgang. De toepassing van deze technologieën raakt aan vrijwel alle sectoren, technische, bestuurlijke, commerciële, culturele, sociale, gezondheid, enzovoort. Het is absoluut noodzakelijk dat alle inwoners van de Europese Unie gelijke kansen hebben op toegang tot deze technologieën, tegen kosten die overeenkomen met normale marktprijzen. Ik juich het idee van de bestrijding van de digitale kloof toe, en het is goed om er nog eens aan te herinneren hoezeer de Europese Unie een kans op toepassing van een coherent beleid heeft gemist bij de licenties voor de derde generatie mobiele telefonie, het UMTS (Universal Mobile Telecom System), die door de lidstaten onder lamentabele voorwaarden zijn geveild gezien de mogelijkheden die deze technologie bood op het gebied van samenhangend beleid. We mogen niet in dezelfde fout vervallen. Ik onderschrijf zonder voorbehoud de noodzaak van investeringen in onderzoek en innovatie met betrekking tot deze technologieën, die belangrijke katalysatoren zijn van concurrentievermogen, groei en werkgelegenheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Wij betreuren het dat de door onze fractie, de Confederale Fractie Europees Unitair Links voorgestelde amendementen op dit verslag niet zijn goedgekeurd. Deze waren bedoeld om vrije toegang tot technologieën en kennis te garanderen en te verzekeren dat kennis vrij kan circuleren en zonder belemmeringen kan worden uitgewisseld. Intellectuele eigendomsrechten mogen de verspreiding van kennis niet in de weg staan. Als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan lopen we het risico dat de kennismaatschappij beperkt blijft tot een elite.

Het verslag spreekt zich echter uit voor het voortzetten van het liberaliseringsbeleid en het gebruik van communicatiemiddelen voor het overbrengen van “Europese denkbeelden en waarden”. Het komt er dus op neer dat ook de ICT gebruikt zou moeten worden als een mechanisme voor het verspreiden van propaganda voor de Europese Unie.

Er wordt op gewezen dat de ICT ingezet kan worden voor het bevorderen van de sociale en territoriale cohesie, maar dat de nieuwe technologieën ook kunnen bijdragen tot meer sociale uitsluiting. Dat laatste onderwerp wordt echter niet voldoende uitgewerkt, en er worden geen voorstellen gedaan om het verergeren van de situatie tegen te gaan.

De contradicties in dit verslag rechtvaardigen onze stemonthouding.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Harkin (ALDE), schriftelijk. - (EN) In hoofdlijnen steun ik het verslag-Paasilinna en ik erken dat ICT een belangrijke bijdrage kan leveren aan de realisatie van de doelstellingen van Lissabon. Ik ben echter tegen de creatie van een gemeenschappelijke geconsolideerde vennootschapsbelasting aangezien ik van mening ben dat het subsidiariteitsbeginsel dient te worden toegepast en besluiten op het gebied van belasting op nationaal niveau moeten worden genomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sérgio Marques (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Ik wil de heer Paasilinna graag gelukwensen met zijn belangrijke en goed getimede verslag over een Europese informatiemaatschappij voor groei en werkgelegenheid. Ik steun dit verslag, vooral omdat erin wordt aangedrongen op de spoedige goedkeuring van twee kaderprogramma’s: het zevende kaderprogramma voor onderzoek en het kaderprogramma voor mededinging en innovatie voor de periode 2007-2013. Via deze twee programma’s moeten er adequate financiële middelen beschikbaar worden gesteld voor het ondersteunen van de ICT als katalysator – voor een beter concurrentievermogen, voor economische groei en voor extra werkgelegenheid.

Deze twee programma’s zouden ons in staat moeten stellen in de EU een op het ondernemersschap gerichte instelling en cultuur te ontwikkelen. Dat is van fundamenteel belang voor de regionale ontwikkeling. Het “digitale isolement” van die regio’s moet worden doorbroken en KMO’s moeten steun ontvangen voor het ontwikkelen van innovatieve programma’s.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik verwelkom dit verslag, dat in juni 2005 is gelanceerd om de groei en de werkgelegenheid in de informatiemaatschappij en de media-industrie te stimuleren.

Het verslag bevat drie belangrijke hoofddoelstellingen. De eerste is het bevorderen van een informatieruimte zonder grenzen, de tweede het bevorderen van innovatie door middel van investering en onderzoek, en de derde het overal en voor iedereen toegankelijk maken van ICT’s.

Ondanks mijn bezorgdheid over verdere regulering vind ik het bemoedigend dat i2010 de digitale kloof kan helpen verkleinen en regionale en sociale ongelijkheden kan helpen bestrijden, want daar hebben alle burgers profijt van.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.(PT) In dit verslag zijn twee ideeën verwerkt die volgens mij van fundamenteel belang zijn en daarom alleen al mijn stem vóór rechtvaardigen, ook al ben ik het met andere aspecten van het verslag niet eens.

Het is volgens mij om te beginnen heel belangrijk dat we goed beseffen dat we in de context van de nieuwe technologieën steeds achterom kijken. Wat de toekomst zal brengen weten we niet – alleen dat die vlug zal komen en heel anders zal zijn. Daarom is het zo belangrijk dat deze regeling niet alleen garandeert dat de markt voor mededinging wordt opengesteld: we moeten ook aanzetten tot investeringen in innovatie. De Europese economie zal alleen kunnen concurreren als ze een innovatieve economie is – een economie van de toekomst, en niet één van het heden.

Ik ben het ermee eens dat privacy en betrouwbaarheid van informatie een belangrijk probleem vormen. De maatschappij die nu ontstaat kan er een worden waarin iedereen elkaar in de gaten houdt – dat zou voor de openbare vrijheden wel een van de meest tragische moderne ontwikkelingen zijn.

Tot slot zullen we moeten erkennen dat innovatie – en dan heb ik het in de eerste plaats over de nieuwe technologieën – in de hedendaagse maatschappijen een democratische revolutie hebben teweeggebracht, en dat is een ontwikkeling die we moeten verwelkomen en aanmoedigen.

 

13. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
  

(De vergadering wordt om 13.00 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: MARIO MAURO
Ondervoorzitter

 

14. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

15. Situatie van de Europese schoenensector één jaar na de liberalisering (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de mondelinge vraag (O-0005/2006) van Enrique Barón Crespo, namens de Commissie internationale handel, aan de Commissie: Situatie van de Europese schoenensector een jaar na de liberalisering (B6-0007/2006).

 
  
MPphoto
 
 

  Enrique Barón Crespo (PSE), auteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, de schoenenindustrie is een belangrijke economische sector in de Europese Gemeenschap, wereldbekend door de uitstekende kwaliteit van zijn producten.

Het is een sector die grotendeels bestaat uit kleine en middelgrote bedrijven die zich vaak in regio’s bevinden waar zij de belangrijkste bron van werkgelegenheid zijn. In 2005 telde de sector meer dan 11 000 bedrijven die hetzij rechtstreeks dan wel indirect meer dan 500 000 werknemers in dienst hadden, en die ongeveer 700 miljoen schoenen produceerde, wat neerkomt op zo’n 10 procent van de wereldproductie. Voorts zij erop gewezen dat de schoenenindustrie als reactie op het liberalisatieproces een omvangrijke herstructurering ondergaan heeft, waarbij de productie vooral werd gericht op de duurdere prijsklasse. Ik zou zeggen dat de meest uitgesproken Europese specialisatie de lederindustrie is.

Net zoals in het geval van de textiel heeft de impact van het liberalisatieproces een belangrijke rol gespeeld in die zin dat het een einde heeft gemaakt aan het quotasysteem. Het door de Commissie ingevoerde controlesysteem toont duidelijk aan dat de import spectaculair gegroeid is, met name die uit China, maar niet alleen die uit China. Het afgelopen jaar bedroeg de toename van de import in termen van waarde en omvang gemiddeld meer dan 450 procent en in sommige gevallen zelfs 900 procent.

De gemiddelde prijs van geïmporteerde schoenen is aanzienlijk gedaald, maar de verkoopprijs van de producten is niet gedaald. Daarmee wordt niet de stelling bevestigd - die naar ons idee moet worden verdedigd – dat degenen die werkelijk gebaat zouden moeten zijn bij het liberalisatieproces van de handel, de consumenten zijn.

Een jaar geleden heeft de Europese Confederatie voor Schoeisel een klacht ingediend wegens dumpingpraktijken van leren schoenen. Dit is een van de belangrijkste zaken die in de Europese Unie aan de orde zijn en waardoor een groot aantal bedrijven voor een bedrag van meer dan 800 miljoen euro gedupeerd is.

Op 23 februari heeft de commissaris, de heer Mandelson, in de pers aangekondigd dat de Commissie zou voorstellen om de invoerrechten voor China met 19,4 procent en die voor Vietnam met 16,8 procent te verhogen. Kinderschoenen en overige schoenen, die een groot deel van de import uitmaken, werden niet aan dit soort regelingen onderworpen. Feitelijk heeft de Commissie een besluit zonder precedent genomen, met het instellen van een aantal voorlopige invoerrechten voor een periode van vijf maanden als antidumpingmaatregel. Gezien de eenheidswaarde van de producten kan dit niet als een extreme maatregel worden beschouwd, want het gaat om een relatief laag percentage.

Wat de dumping betreft zal ik het hierbij laten. Als voorzitter van de Commissie internationale handel zou ik echter wel enkele overwegingen naar voren willen brengen vanuit een bepaalde grondgedachte, en wel de noodzaak om de regels die we in het kader van de WTO hebben vastgelegd, zowel binnen als buiten de Gemeenschap te eerbiedigen. Ik begrijp best dat het hier om meer gaat dan om een geval van dumping alleen. In sommige gevallen hebben we het over de overleving van de sector in Europa, en over de mogelijkheid dat de verplaatsing van bedrijven een adequate respons op de ontwikkelingen is. Zoals u weet, heeft iedereen in zulke gevallen zijn eigen motieven; welnu, het is ondenkbaar dat de hele Europese industrie naar buiten de Unie verplaatst wordt.

Tegelijkertijd probeert China om in het kader van de WTO de status van markteconomie te verkrijgen. Bepaalde aspecten van het communautaire onderzoek tonen aan dat China wat dit punt betreft zijn verplichtingen in het kader van de WTO niet volledig is nagekomen: noch op het terrein van de min of meer verkapte subsidies, noch op het terrein van de vervalsingen. Commissaris, daarom is dit een goede gelegenheid om de Europese burgers te laten zien dat de Commissie alles zal doen wat in haar vermogen ligt om ervoor te zorgen dat de handelsregels worden nageleefd, onder meer door zonodig in beroep te gaan bij het orgaan voor de oplossing van geschillen in de WTO.

Deze marktverstoringen beperken zich niet tot de schoenenbranche. Er bestaan gerede vermoedens dat er regelmatig op onwettige wijze wordt ingegrepen om Chinese exportbedrijven te ondersteunen. Commissaris, de vooruitzichten van de getroffen industrie en de gevoeligheid van de Europese publieke opinie in aanmerking nemende, zou ik willen weten welke acties de Commissie zal ondernemen om ervoor te zorgen dat China zich aan de WTO-regels houdt. Politieke overwegingen mogen niet zwaarder wegen dan de technische conclusies, in een geval van antidumping. De maatregelen die u voorstelt, zijn omstreden. De Europese industrie en bepaalde lidstaten zijn niet ingenomen met uw voorstel. De bezwaren tegen de “creativiteit” die de Commissie aan de dag heeft gelegd bij de toepassing van haar goed vastgelegde regels en handelwijzen op antidumping-gebied, zijn algemeen bekend. Ik weet niet of deze aantijgingen terecht zijn. Wat ik wel weet, is dat het antidumping-onderzoek op wetten gebaseerd is die strikt en zonder parallelle overwegingen moeten worden toegepast.

Concluderend kan ik u erop wijzen, commissaris, dat de Commissie internationale handel van het Europees Parlement dit hele proces op de voet zal volgen, omdat wij vinden dat de stap van de Commissie een eerste stap is die echter vergezeld dient te gaan van een positieve houding tegenover China en andere landen zoals Vietnam, om hun mogelijkheden in de internationale handel te verbeteren, terwijl de regels die we hebben vastgesteld, door iedereen worden nageleefd.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in antwoord op de zeer welkome vragen benadruk ik dat ik een groot voorstander ben van de ontwikkeling van tweerichtingsverkeer op het gebied van handel en investeringen tussen Europa en China en andere Aziatische markten, waaronder Vietnam. Mijns inziens is de grootste beloning die het Europese handelsbeleid zich de komende jaren kan wensen dat deze betrekkingen een succes worden.

Ik vind dat Europa de natuurlijke voordelen van die economieën moet respecteren en zich moet aanpassen. We moeten ons meer gaan richten op sectoren en producten waar we vanwege onze kennis en technologie een voorsprong hebben. Zo kan de handel groeien. Zo zijn de economieën van Europa door de eeuwen heen altijd gegroeid.

De Europese schoenensector bevindt zich in het voorste gelid op de concurrerende wereldmarkt. Ondanks de vindingrijkheid, creativiteit en voortreffelijke kwaliteit van de Europese schoenenfabrikanten worden ze geconfronteerd met een reusachtige uitdaging van de zijde van Aziatische fabrikanten. Het geval van dumping noodzaakt mij evenwel om onderscheid te maken tussen deze nieuwe, sterke concurrentie enerzijds en de ronduit oneerlijke handel anderzijds.

De beschermende handelsmaatregelen van Europa zijn gericht tegen oneerlijke handel. Ze kunnen ons niet beschermen tegen sterke concurrentie. Ze kunnen ons niet beschermen tegen het natuurlijke voordeel van de lage lonen in Azië. Maar als naast deze betrekkelijke voordelen ook nog eens sprake is van oneerlijke en concurrentievervalsende praktijken, hebben we het recht en de plicht om in actie te komen. Nadat ik een voorlopige analyse en beoordeling van mijn diensten had ontvangen, heb ik de Commissie en de lidstaten daarom aanbevelingen gedaan omtrent het tijdelijk opleggen van anti-dumpingrechten.

Er is duidelijk sprake van overheidsinterventie in de industrie voor lederen schoenen in China en Vietnam: goedkope financiering, belastingvoordelen, pachtprijzen onder de marktwaarde en onjuiste waardering van activa met dumping als gevolg. Deze dumping is zeer schadelijk voor Europese fabrikanten.

De anti-dumpingrechten die ik aanbeveel, kunnen ervoor zorgen dat detailhandelaars die goederen laten vervoeren, aan de grens niet plotseling met onverwachtse kosten worden geconfronteerd. Ik stel voor dat we deze anti-dumpingrechten over een periode van vijf maanden geleidelijk invoeren, te beginnen met ongeveer 4 procent in april. Dat betekent dat importeurs op basis van maximale transparantie en voorspelbaarheid zes maanden vooruit kunnen plannen. Het betekent echter dat na zes maanden de volledige rechten zullen worden geheven en dat er zo iets tegen de gevolgen van de dumping wordt gedaan.

Ik heb in dit verband goed nagedacht over de belangen van de consumenten en detailhandelaars, zoals ik wettelijk verplicht ben. Ik heb voorgesteld om hightech sportschoenen buiten de regeling te houden omdat die niet grootschalig in Europa meer worden geproduceerd. Ik stel voor om kinderschoenen ook vrij te stellen om te voorkomen dat minder draagkrachtige gezinnen de dupe worden van ook maar de kleinste prijsstijgingen.

Ik weet dat sommigen zich zorgen maken over het mogelijke effect op de consumentenprijzen. Op basis van de feiten geloof ik dat er binnen de toeleveringsketen een marge bestaat om de beperkte kosten in verband met invoerrechten op te vangen door de kosten uit te spreiden over verschillende producten en de distributieketen. Zoals ik al zei: dit zijn voorstellen voor tijdelijke maatregelen. Ze zullen met de lidstaten worden besproken en moeten door het college van commissarissen worden bekrachtigd.

Ik geloof dat ik een evenwichtige oplossing voorstel die de steun van de lidstaten en dit Parlement verdient. De schade wordt zo ongedaan gemaakt terwijl de voorspelbaarheid voor importeurs maximaal is en er zo weinig mogelijk bijkomende kosten worden doorberekend aan de consumenten. Er komen geen quota en geen invoerbeperkingen voor lederen schoenen uit China en Vietnam. Ik heb de Chinese en Vietnamese regering verteld dat ik samen met hen wil gaan kijken hoe ze iets kunnen doen aan de knelpunten die uit het EU-onderzoek naar voren zijn gekomen.

Het opleggen van anti-dumpingrechten is geen kwestie van protectionisme. We vragen consumenten niet om niet-concurrerende Europese producenten te subsidiëren, ook al wordt dat heel snel gezegd. Laat ook duidelijk zijn dat met schoenen niet hetzelfde gaat gebeuren als met textiel. De textielkwestie betrof de invoer van op eerlijke wijze verhandelde textiel. De anti-dumpingmaatregelen die wij voorstellen voor lederen schoenen, zijn daarentegen gericht tegen oneerlijke concurrentie. De Commissie heeft de wettelijke verplichting om een dergelijke kwestie te onderzoeken en het wettelijke recht om Europese fabrikanten tegen dergelijke praktijken te beschermen.

Een aantal van uw vragen heeft te maken met de algehele situatie in de Europese schoenensector. Ik wil hier heel even bij stilstaan. De inkrimping van de schoenensector is een langdurig proces dat al lang voor de liberalisering van de handel in schoenen met China in 2005 is begonnen. Toch is het duidelijk dat deze verandering zowel winaars als verliezers heeft opgeleverd. Sommige fabrikanten hebben hun export vergroot en andere, waaronder Turkije en een aantal ACS-landen, hebben hun export naar de EU en andere landen zien stagneren of teruglopen.

Het is duidelijk dat China, met zijn reusachtige productie- en exportcapaciteit het meeste heeft geprofiteerd. Sinds 2001 zijn hier in Europa ruim 40 000 banen in de schoenensector verloren gegaan en hebben meer dan duizend bedrijven hun deuren gesloten. De Europese productie van lederen schoenen is met 30 procent gedaald en de winstmarges zijn teruggelopen tot nauwelijks meer dan 1 procent.

We moeten echter niet doen alsof deze intensieve concurrentiedruk op Europese schoenenfabrikanten uitsluitend het gevolg is van dumping. Het probleem wordt grotendeels veroorzaakt door veranderende productie- en consumptiepatronen in de mondiale economie. Ik ben van mening dat we dit moeten accepteren en dat we de betrokkenen moeten helpen zich aan deze veranderingen aan te passen. We moeten ook erkennen dat Europese fabrikanten in grote mate aan de verandering hebben bijgedragen doordat ze hun productie in veel gevallen naar Azië hebben verplaatst. Als gevolg daarvan moeten we bij de beoordeling van onze belangen rekening houden met een hele reeks belangen van Europese fabrikanten.

Als we de Aziatische uitdaging aangaan, zet dat onze bedrijven en werknemers onder grote druk. De groei- en werkgelegenheidsstrategie van de Commissie is gestoeld op het idee dat Europa de Europeanen van nu toerust om de uitdaging het hoofd te kunnen bieden en de banen van morgen te scheppen. We kunnen de globalisering en economische verandering niet tegenhouden. Ik denk niet dat Europa erbij gebaat is om dat te proberen. Zij die denken dat de commissaris voor handel de mondiale economische verandering ongedaan kan maken, vragen het onmogelijke.

We kunnen de globalisering echter wel vormgeven en de dynamische mogelijkheden die de globalisering biedt aanwenden voor vernieuwing in Europa. Ik geloof dat de bredere schoenenkwestie ons daartoe dwingt. We moeten investeren in verandering en in hen die met de gevolgen van verandering worden geconfronteerd, maar we moeten de veranderende wereld daarbij onder ogen durven te zien. We moeten ook resoluut zijn als het gaat om het naleven van de regels en om eerlijke mededinging. Als we het bredere politieke argument voor vrije handel willen winnen, zullen we bereid moeten zijn om ons in te zetten voor eerlijke handel.

We kunnen Azië echter niet zijn betrekkelijke voordelen of de concurrerende industrie die honderden miljoenen mensen in ontwikkelingslanden uit de armoede helpt, ontzeggen. Het enige duurzame tegenwicht voor die concurrentie zijn de creativiteit, innovatie en betrokkenheid van de Europese bedrijven zelf in combinatie met de juiste hulp van de politieke autoriteiten.

Ik zal graag verder ingaan op al deze punten en op de vragen waar Parlementsleden mee komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Sturdy, namens de PPE-DE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het verontrust me enigszins dat wij, en met name de Commissie, niets hebben geleerd van de toestand rond de zogenaamde bh-oorlogen, toen we ons standpunt hebben moeten herzien. Ik begrijp de situatie rond de anti-dumpingmaatregelen volkomen en ik ben het roerend eens met de standpunten van de Commissie, maar commissaris, u hebt in uw toespraak een paar dingen gezegd die me zorgen baren.

U verwees naar Vietnam en China, waar sprake is van goedkope financiering, speciale financieringsovereenkomsten, belastingvoordelen, enzovoorts. Komt dat in de Europese Unie nooit voor? Komt dit juist niet heel vaak voor in de Europese Unie? Is er bijvoorbeeld nooit sprake van Europese financiering, structuurfondsen, enzovoorts? Lopen wij niet het risico dat de WTO ons aanklaagt wegens onze anti-dumpingmaatregelen of onze steun?

Ik heb nog een paar andere vragen voor u. Ik begrijp de situatie rond China volkomen en ik zou geneigd zijn het met uw standpunt eens te zijn, maar we zijn in de Westerse wereld momenteel bezig van armoede geschiedenis te maken. Daar is al veel over gezegd. Maar Vietnam was dertig jaar geleden en ook tien jaar geleden een zeer arm land, waarschijnlijk armer dan veel Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara. Hoe zit dat? Het heeft toch ook kunnen concurreren zonder de hulp van een steunmechanisme? Kunt u daar antwoord op geven? Vietnam was ooit een van de armste landen ter wereld en nu heeft het in ieder geval een soort infrastructuur.

Ik ben bang dat we wat betreft de Europese schoenensector te protectionistisch willen zijn. U zegt van niet, maar ik maak me daar toch zorgen over.

Ik heb nog één vraag voor u. Ik vind dat wij als Parlement en u als Commissie een kans hebben gemist om een duidelijk boodschap af te geven over dumping. Mensen beschouwen ons als protectionistisch. Uw personeel vertelde me dat een paar exclusieve laarzen uit China in Europa voor ongeveer 180 euro wordt verkocht terwijl de laarzen voor slechts tien euro uit China worden geïmporteerd. Als het effect van de 19 procent rechtstreeks aan de consument wordt doorberekend, wordt dit percentage dan berekend op basis van de 180 euro of op basis van de tien euro die het kost om de laarzen te importeren?

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann, namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een paar vragen en ik kan in dit geval niet namens mijn fractie spreken omdat we net als over de anti-dumpinggevallen behoorlijk verdeeld zijn en allemaal onze eigen opvattingen over deze kwestie hebben. Desalniettemin dank ik de commissaris voor het feit dat hij zijn standpunt heeft gepresenteerd en voor zijn interventie.

Mijn uitgangspunt is dat we anti-dumpingmaatregelen en -instrumenten zeer serieus moeten nemen. Op dat punt steun ik mijn collega, de heer Sturdy. Hij heeft gelijk. Als we het instrument niet op een transparante en eerlijke manier hanteren, zouden we het onszelf wel eens heel moeilijk kunnen maken.

Mijn eerste vraag aan de commissaris is: gaat de EU een algehele beoordeling van de voorwaarden voor concurrentie en overheidsinterventie in de Volksrepubliek China uitvoeren? Het Europees Parlement wil ook graag een verslag ontvangen over de naleving van de WTO-regels en de toetredingsverplichtingen door China nu het vijf jaar geleden is dat het land is toegetreden tot de WTO.

Gaat de EU stappen ondernemen als China en Vietnam niet binnen een redelijke termijn een einde maken aan hun oneerlijke praktijken en welke maatregelen zullen dat zijn?

Commissaris, bent u het met me eens dat de EU-overeenkomst en de resultaten van de AD-onderzoeken vertrouwelijk zijn en dat informatielekken tot marktverstoring kunnen leiden? Kunt u wat dieper ingaan op de grondgedachte achter de vrijstelling voor kinderschoenen, vooral gezien het feit dat kinderschoenen in sommige landen door volwassenen worden gedragen? Kunt u uitleggen waarom de publicatie van de resultaten van het anti-surveillancesysteem zolang uitgesteld is? Wel een jaar, als ik me niet vergis. Een klein puntje: hoe ziet u dit onderzoek in verhouding tot een andere evaluatie die momenteel plaatsvindt over de vraag of China de status van markteconomie moet krijgen?

 
  
MPphoto
 
 

  Johan Van Hecke, namens de ALDE-Fractie. – Voorzitter, mijnheer de commissaris, recente cijfers van uw diensten die u blijkbaar allang kende, hebben ons geleerd dat sinds de vrijmaking van de Europese invoer vorig jaar, de maandelijkse import uit China van schoenen is gestegen met 400 procent en in sommige gevallen zelfs met 900 procent. Nu pas hebt u dumpingheffingen aangekondigd. Volgens sommigen too little and too late. Zij geloven dat u een en ander had kunnen voorkomen door alerter, door sneller te reageren.

De Europese schoenenindustrie is een relatief kleine sector, beperkt tot een viertal Europese landen en zelfs al voor een groot deel gedelokaliseerd. De vraag die zich stelt is, of dit überhaupt een voldoende reden is om deze sector compleet te laten teloorgaan, zeker als hij moet optornen - en dat heeft u zelf goed gezegd - tegen onbillijke handelspraktijken, zoals dumping of rechtstreekse en verdoken staatssteun.

De vrije markt is vandaag een sociaal gecorrigeerde markt waar op wereldvlak spelregels gelden die door iedere deelnemer moeten worden nageleefd. Dit is hier duidelijk niet het geval. China wil graag de voordelen van het WTO-lidmaatschap, maar vergeet dat daar ook verplichtingen aan verbonden zijn. Het is duidelijk dat de ganse wereldmarkt hierdoor ontwricht dreigt te worden. Gisteren textiel, vandaag schoenen, wat wordt het morgen?

Waarom, mijnheer de commissaris, werd er niet vroeger gereageerd? Of is de Commissie echt bang om de grote gele reus China voor het hoofd te stoten? En vooral, kan de commissaris ons uitleggen hoe wij aan de werknemers in de Europese schoenindustrie, die nu hun job dreigen te verliezen als gevolg van onbillijke concurrentie, de voordelen moeten uitleggen van dit soort globalisering?

 
  
MPphoto
 
 

  Caroline Lucas, namens de Verts/ALE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, er is sprake van een zeker gevoel van déjà vu in dit debat. Anti-dumping is weliswaar niet hetzelfde als het multi-vezelakkoord, maar het is volgens mij geen toeval dat deze crisis volgt op de afschaffing van de quota. Het is duidelijk dat in een wereld van volledig gedereguleerde en vrije handel de zogenaamde Chinese prijs de kosten en de normen wereldwijd omlaag drukt, waarbij de armsten de grootste klappen opvangen. Ik denk dat we meer met dit soort gevallen te maken zullen gaan krijgen zolang we niet inzien dat de oplossing ligt in een quotastelsel dat ervoor zorgt dat iedereen van de handel kan profiteren en niet slechts enkelen.

De heer Mandelson zegt dat Europa in staat moet zijn om zich aan te passen door hoger in de keten van toegevoegde waarde te gaan zitten, maar die discussie hebben we al veel vaker gevoerd. Zoals hij weet, ben ik van mening dat China precies hetzelfde gaat doen en dat kunnen we het land niet kwalijk nemen. Daar moet Europa het niet van hebben en de rest van de wereld ook niet.

Het is boeiend om te zien hoe de Commissie moeite doet om de zaak te bagatelliseren. Het lijkt wel of het neo-liberale dogma en de neo-liberale ideologie met de feiten op de loop gaan.

Daarom moeten er een paar belangrijke vragen worden beantwoord, onder andere over de hoogte van de invoerrechten op basis van de hoogte van de schade die de commissaris heeft vastgesteld: 19,4 procent voor China en 16,8 procent voor Vietnam. Deze percentages zijn kennelijk gebaseerd op aanpassingen die nooit eerder in de Europese Gemeenschap hebben plaatsgevonden. De sector maakt zich ernstig zorgen dat dit ontoereikend is. Als gevolg van de vrijstelling van kinder- en sportschoenen wordt ongeveer 42 procent van de schoenen die tegen dumpprijzen worden geïmporteerd maar waarvoor geen anti-dumpingrechten worden betaald, uitgesloten. Ik geloof niet dat dit eerlijk is tegenover Europese fabrikanten, maar het is ook niet eerlijk tegenover Chinese werknemers, die werken voor een hongerloontje - volgens reportages in China Labor Watch zo’n 12 dollar per week - terwijl hun sociale rechten tot een absoluut minimum worden beperkt. Je zou het misschien als een voordeel voor de consument kunnen zien, maar volgens mij zullen de anti-dumpingrechten niet zozeer tot hogere consumentenprijzen leiden maar eerder tot lagere winstmarges van de importeurs.

Ik denk dat we ons ernstig zorgen moeten maken over de gevolgen van de concurrentie van in China gevestigde bedrijven - niet alleen voor Europa maar ook voor armere landen zoals de EuroMed-landen - en we zullen moeten erkennen dat de winnaars zich in een steeds kleiner wordende groep landen zullen bevinden en dat de rest aan het kortste eind zal trekken zolang we geen systeem hebben om de handel te beheersen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vittorio Agnoletto, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, tien jaar lang hebben de Europese Unie en de Verenigde Staten het voortouw gehad in de onderhandelingen voor de toetreding van China tot de WTO. Nu heeft Peking zijn lesje geleerd en past het de regels van de WTO toe met dezelfde meedogenloze vastberadenheid als zijn leermeesters dat deden.

Volgens ons stroken de anti-dumpingmaatregelen helemaal niet met de communautaire wetgeving en rechtspraak. Deze maatregelen kunnen een uiterst negatief effect sorteren op het hele communautaire handelsstelsel en op de consumenten. Daarom moeten de laissez faire-doctrines van de WTO volledig ter discussie worden gesteld.

Wij vinden het belangrijk dat de Europese Unie een economisch model steunt waarin een centrale plaats wordt toegekend aan de eerbiediging van de sociale clausules en de werknemersrechten.

Europa moet bij de diverse internationale instanties sterker aandringen op bevordering van menswaardig werk. Europa moet regels opstellen zodat er meer waarde wordt toegekend aan merken, waarmee de geografische oorsprong en naleving van sociale en milieuregels gecertificeerd kunnen worden.

Als wij de vrijhandel van de WTO niet ter discussie stellen, zal zich na het textiel en de schoenen een nieuwe waslijst van producten aandienen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nigel Farage, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik betuig mijn sympathie aan commissaris Mandelson. Commissaris, u hebt een onmogelijke baan. Hoe kunnen 25 landen één gemeenschappelijk handelsbeleid hebben? Niet iedereen heeft dezelfde maat, of het nu gaat om handelsbeleid of om schoenen.

U hebt ook het probleem dat u zelf een globalist bent, een voorstander van vrije handel en modernisering. U hebt oog voor wat er omgaat in de wereld, maar u vecht tegen een opleving van economisch nationalisme in de Europese Unie. U kunt uw werk gewoon niet doen en u moet toezien op een stelsel dat doorspekt is met protectionisme en pure hypocrisie dat natuurlijk zijn eigen landbouw blijft subsidiëren en de exportsubsidies tot 2013 in stand houdt.

Maar, aansluitend op wat John Blundell, directeur-generaal van het IEA, onlangs zei, wil ik u het volgende vragen: erkent u dat de overgrote meerderheid van de Britse bedrijven thans wil dat Groot-Brittannië zich terugtrekt uit het gemeenschappelijk handelsbeleid en dat we weer volgens ons eigen handelsbeleid gaan werken? Erkent u dat?

 
  
MPphoto
 
 

  Cristiana Muscardini, namens de UEN-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de liberalisering van de schoenenmarkt sinds 1 januari 2005 heeft in één jaar tijds een verhoging van de import uit China met 500 procent veroorzaakt. Daardoor is de communautaire schoenensector nog verder ingekrompen en is het aantal faillissementen gestegen, samen met de werkloosheid.

De invoerprijzen zijn kunstmatig laag. Er kan geen sprake zijn van eerlijke concurrentie met dergelijk verschillende uitgangssituaties, en er is geen sprake van gelijkheid als er overal om ons heen gedumpt wordt. Van deze situatie zijn trouwens ook de leveranciers van schoenen en componenten uit derde landen de dupe, waaronder de kandidaat-lidstaten en de ontwikkelingslanden, die inmiddels uit de communautaire markt zijn verdrongen.

Na de klacht van de Europese industrie tegen China en Vietnam heeft de Commissie een anti-dumpingonderzoek ingesteld. Qua omvang is dat het grootste onderzoek van dit soort dat de Gemeenschap ooit heeft opgestart.

Het Parlement neemt echter geen genoegen met goede intenties. Wij eisen informatie over specifieke punten. Wat voor effect heeft de afschaffing van het quotastelsel op de communautaire industrie en de ontwikkelingslanden gehad? Hoe denkt de Commissie om te gaan met de eis van herstructurering van de Europese schoenenindustrie? Hoe oordeelt de Commissie over de resultaten van het communautaire toezichtsysteem in deze sector? Hoe is het met het anti-dumpingonderzoek gesteld en wat zijn de perspectieven voor bescherming van het communautair belang? Is de Commissie van plan om nog meer internationale initiatieven op te zetten, zoals in het textielwezen is gebeurd, of wachten wij tot het te laat is? Heeft de Commissie er rekening mee gehouden dat een onderzoek tegen China noodzakelijk kan blijken in het kader van het overgangsmechanisme voor specifieke productbescherming?

Het beschermingsniveau dat de Commissie in haar voorstel oppert, is te laag en bepaald ongeschikt, vooral als het over zes maanden wordt uitgesmeerd. In de tussentijd zullen de Chinezen heus niet zitten wachten tot de douaneheffing twintig procent wordt, maar zullen ze al veel eerder beginnen met het exporteren van enorme hoeveelheden schoenen. Dit, mijnheer de Voorzitter en mijnheer de commissaris, is geen vrije markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het is zonneklaar dat Europa zichzelf moet beschermen. De schaal van de dreiging waarvoor we ons gesteld zien, wordt pas goed duidelijk als we beseffen dat de invoer van schoeisel uit China met enkele honderden procenten is toegenomen. De situatie is nog veel erger als we die betrekken op Vietnam, want daar is de dynamiek zelfs nóg groter. Het is duidelijk dat we ons moeten bedienen van instrumenten die slechts schijnbaar in strijd zijn met de geest van de vrije markt. Ik zeg "slechts schijnbaar" omdat de productie in een werelddeel als Azië niets te maken heeft met de vrije markt, omdat de lokale arbeidsbevolking voor extreem lage lonen werkt. De Europese Unie heeft daarom het recht zich te verdedigen en haar toevlucht te zoeken tot standaard economische procedures en instrumenten.

Wel pleit ik voor consistentie. Uit een studie naar de situatie in bredere zin blijkt dat een aantal EU-lidstaten het zwaarst zijn getroffen door werkloosheid in deze sector. Ook is gebleken dat diezelfde staten weigeren de vrije markt binnen de Europese Unie te erkennen. Dat duidt naar mijn mening op een zeker gebrek aan consistentie en ik roep de regeringen van de lidstaten in kwestie daarom op een oplossing te vinden voor deze situatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Tokia Saïfi (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, u heeft ons de cijfers gegeven: de actuele stand van zaken is dat de schoenproductie in Europa met circa 30 procent is afgenomen, dat de importprijzen met ruim 20 procent zijn gedaald en, bovenal, dat er in de sector bijna 40 000 banen verloren zijn gegaan. Zes maanden na de textiel – wij hadden het destijds al voorzien – wordt de communautaire markt opnieuw geconfronteerd met oneerlijke handelspraktijken. Zoals u heeft aangegeven, hebben wij immers aanwijzingen dat er staatssteun en verkapte subsidies zijn verleend aan producenten in China en Vietnam. Gezien het feit dat een dergelijke schending van de handelspraktijken is vastgesteld, heeft de Europese Unie de plicht te reageren en de schade die aan de bedrijfstak in de Gemeenschap wordt toegebracht, te corrigeren volgens de regels van de WTO.

Daarom moeten er, zoals u heeft uiteengezet mijnheer de commissaris, antidumpingmaatregelen tegen deze invoer worden getroffen. Een recht heffen op goederen die worden gedumpt, is niet hetzelfde als de consument vragen niet-competitieve Europese bedrijven te subsidiëren. Nee, het gaat hier veeleer om het veiligstellen van de voorwaarden voor een evenwichtige handel, die zowel de belangen van de consumenten als die van de producenten beschermt. Interveniëren om de nadelige gevolgen van dumping te beperken, moet dan ook niet worden beschouwd als protectionisme.

De Europese Unie streeft naar harmonieuze en open handelsbetrekkingen met haar Aziatische partners om ook deze bevolkingen een uitweg uit de armoede te bieden, maar zij streeft er evengoed naar dat eerlijke en billijke handelsregels door iedereen worden nageleefd.

 
  
MPphoto
 
 

  Francisco Assis (PSE).(PT) Het is thans één jaar geleden dat de laatste invoerbeperkingen voor schoeisel uit China werden opgeheven, en we kunnen nu een objectieve beoordeling uitvoeren van de gevolgen van de liberalisering van de handel in deze sector. We hebben kunnen vaststellen dat de invoer enorm gestegen is, met alle gevolgen van dien voor de productie in Europa.

Er is een nieuwe situatie ontstaan en die noodzaakt ons het herstructureringsproces van de sector schoeisel heel zorgvuldig in de gaten te houden. We moeten ervoor zorgen dat ondernemingen al het nodige doen om zich aan te passen. De economie van de getroffen regio’s moet worden geherstructureerd en we zullen oplossingen moeten vinden voor de sociale gevolgen van de veranderende situatie. Het is echter ook heel belangrijk dat de Commissie er alles aan doet om oneerlijke mededingingspraktijken op te sporen en tegen te gaan. Die praktijken maken de toch al problematische situatie nog veel ernstiger. Oneerlijke mededinging werkt protectionistische reacties in de hand – de Europese Unie dient op dit punt dus hoge eisen te stellen.

We mogen dus heel tevreden zijn met het besluit van de Commissie om antidumpingmaatregelen te treffen nu gebleken is dat China en Vietnam zich schuldig hebben gemaakt aan onoorbare praktijken bedoeld om de prijs van hun uitvoer in deze sector kunstmatig te verlagen. Dat is des te kwalijker als je bedenkt dat deze landen zich vergeleken bij ons toch al in een heel voordelige positie bevinden. Gesjoemel kan dus onder geen beding getolereerd worden.

De aangenomen maatregelen zijn in het algemeen positief, maar we hebben toch nog enige twijfels. Het idee om antidumpingmaatregelen volgens een voortschrijdende schaal toe te passen en met een laag bedrag te beginnen zou wel eens kunnen leiden tot een sterke toename van de invoer uit China en Vietnam. Men zal daar immer op de zaken willen vooruitlopen, en dat zou de huidige situatie alleen maar verergeren. Dit is een heel ernstig probleem. Verder heeft men ervoor gekozen bepaalde productcategorieën buiten het toepassingsbereik van de maatregelen te laten vallen. Dat moet worden rechtgezet. We zijn namelijk bang dat er van deze regeling misbruik zal worden gemaakt en we kunnen daar alleen iets aan doen als er – zoals we hopen – serieus werk wordt gemaakt van het toezicht op deze invoer.

 
  
MPphoto
 
 

  Sajjad Karim (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in september stond ik hier om een beroep op de commissaris te doen om wat meer vooruitziendheid te betrachten in het eerste tijdperk na de quota. Wat ik toen nog niet wist, was dat de Commissie al sinds juni cijfers tot haar beschikking had waaruit bleek dat de import van schoenen uit China met bijna 700 procent was gestegen, wat wees op de alarmerende overheidsinterventie in de sector die de Commissie vijf maande later onthulde. De cynicus in mij zegt dat deze cijfers onder het kleed zijn geveegd om een einde te maken aan de ‘bh-oorlogen’, wat slechts een pleister op de wond was, terwijl de EU oplossingen voor de lange termijn nodig heeft.

Om de zaak nog erger te maken publiceerde de Commissie vervolgens haar plannen voor anti-dumpingrechten voor lederen schoenen nog voordat de lidstaten van de voorstellen hadden kennisgenomen, laat staan dit Parlement. Commissaris, Europese fabrikanten en detailhandelaars zien met vrees een toekomst tegemoet waarin de markt wordt overspoeld door goedkope Aziatische producten, en ze willen antwoorden, maar u houdt die voor hen achter. Ze hebben behoefte aan hoop en vertrouwen, maar u ontneemt hen die, en bovenal hebben ze behoefte aan innovatie, ideeën en leiding van uw kant, maar die schijnt u niet te kunnen bieden.

Commissaris, eerst was het textiel, nu zijn het schoenen, de volgende keer zijn het meubelen. Als u niet meer vooruitziendheid betracht en uw EU-partners niet volledig op de hoogte stelt, is samenwerking onmogelijk en kunnen we de Europese industrie niet helpen om de uitdaging van deze opkomende markten het hoofd te bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder (IND/DEM). – Voorzitter, nog geen jaar na de problemen in de textielsector staat Europa aan de vooravond van een nieuw handelsconflict met China. De snelle economische opkomst van Aziatische landen verrast Europa keer op keer en opnieuw is Europa verdeeld. De EU mag zich echter niet laten verlammen door de tegenstellingen tussen noordelijke en zuidelijke lidstaten. Ook deze keer vormt het beleid van de Commissie een zwak compromis tussen vrije handel en protectionisme. De Commissie moet daarom prioriteit geven aan de ontwikkeling van een solide en eenduidig handelsbeleid met de Aziatische regio. De aaneenrijging van sectorale conflicten moet immers doorbroken worden.

Ik begrijp de frustratie van de importeurs en van de lidstaten die geen eigen industrie bezitten. Anderzijds ben ik van mening dat het van groot belang is om China te wijzen op de spelregels van de WTO. Die woorden moeten soms worden gevolgd door daden, mijnheer de commissaris. Ik roep u daarom op de geconstateerde staatsinterventie in de schoenensector ook mee te nemen in de onderhandelingen over de toekenning van de market economy status aan de Volksrepubliek China.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het is weer zover. Eerst hebben wij elke restrictie op de invoer van schoenen uit het Verre Oosten afgeschaft en op die manier hebben wij de Europese en Italiaanse schoenenindustrie nogal wat schade toegebracht, wat natuurlijk ook de nodige weerslag op de werkgelegenheid had. Thans hebben wij de basis gelegd voor een toekomstige en trefzekere bedreiging van het lot van kleine en middelgrote ondernemingen. Deze zullen definitief het loodje leggen bij zo’n oneerlijke concurrentie van goederen tegen zulke lage kostprijzen. Die goederen worden gefabriceerd zonder dat er enige serieuze toetsing van de productie- en distributieketen is, zowel qua milieuomstandigheden als wat betreft sociale garanties en inzet van arbeidskrachten.

Dit zijn toevallig wel precies de productiefactoren die de bedrijfskosten kunnen drukken. Op die manier wordt iedere mededingingscapaciteit onderuitgehaald. Zo verandert de concurrentie niet in een vrij marktspel maar in een openlijke dumping. Dat druist natuurlijk tegen de belangen in van niet alleen de bedrijfstak maar van de gehele Gemeenschap.

Ik vraag dat de Commissie ingrijpt om de schoenensector te verdedigen tegen deze oneerlijke concurrentie van producten uit landen van buiten de EU; ook omdat de bewakingsmaatregelen die de Unie tot nu toe heeft genomen, praktisch geen zoden aan de dijk hebben gezet.

Wij eisen niet alleen waakzaamheid, maar een actieve verdediging van het vernuft en de kwaliteit van de Europese schoenensector. De import moet sterk aan banden worden gelegd, er moeten heffingen worden ingevoerd en er moet een certificatie komen inzake het niveau van sociale en milieubescherming van de producten, zoals ik al bij andere gelegenheden gevraagd heb.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik behoor tot degenen die zowel institutioneel als politiek pleiten voor een multilateraal, evenwichtig en vrij wereldhandelsstelsel. Hiermee bedoel ik een stelsel dat steunt op nog strengere regels, op sterkere instellingen en op meer transparante en democratische procedures.

De toename met 500 procent van de invoer van schoenen in het jaar 2005 - de heer Barón Crespo sprak zelfs over 900 procent - is niet alleen het gevolg van de liberalisering. Laten we dat goed voor ogen houden. Het is het gevolg van ongeoorloofde praktijken in overtreding van de regels van de internationale handel door China en Vietnam, door die twee ontluikende economieën.

Zoals andere collega's al hebben gezegd, zijn gisteren duizenden banen en honderden bedrijven verdwenen in de Europese textielsector, vandaag overkomt dit de schoenensector. Mijnheer de commissaris, de Europese Unie moet een niet mis te verstane boodschap uitsturen, zoals u suggereerde. Wij steunen u daarin. Wij staan achter u. Ja tegen concurrentie, nee tegen openlijke en verdoken scheeftrekkingen van de markt. Antidumpingheffingen zijn beslist geen protectionistische maatregelen, maar wel een wettig handelsverdedigingsmiddel. Zij kunnen echter enkel effect sorteren als ze in verhouding staan tot de omvang van de dumping.

Wie als argument tegen die heffingen stelt dat we nu goedkopere prijzen kennen, vraag ik of de consument echt wel iets merkt van de lagere invoerprijzen sinds de liberalisering? Mijn persoonlijke mening is dat alleen een paar leveranciers uit China en Vietnam er wel bij zijn gevaren. De Commissie moet de institutionele tegenaanval inzetten. Een gecoördineerde tegenaanval, waarbij intellectueel en industrieel eigendom doelmatig worden beschermd, een aanval tegen ecologische en sociale dumping, tegen ondoorzichtige en illegale staatsinterventie. Anders kunnen de voortdurende schendingen van de internationale handelsregels met de Europese Unie die achter de feiten aan holt, het vertrouwen van de burgers in de liberalisering van het internationale handelsstelsel in gevaar brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kader Arif (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, sinds de afschaffing van de quotaregeling afgelopen jaar is de invoer vanuit China, zoals gezegd, spectaculair gegroeid: met circa 500 procent.

Dit heeft ernstige gevolgen voor de concurrentiepositie van de Europese schoenensector, waar als gevolg van deze vloedgolf van zeer laag geprijsde importproducten sprake is van een dramatisch aantal faillissementen, waarbij we het daarmee gepaard gaande verlies van arbeidsplaatsen dan nog buiten beschouwing laten.

Bovendien zijn onze traditionele leveranciers, kandidaat-landen en landen in de Euromed-zone, van de communautaire markt verdrongen. De Commissie zwijgt hier in alle talen over en lijkt niet bereid tot een effectbeoordeling van de schade als gevolg van deze liberalisering.

Naar aanleiding van de klacht die door de marktpartijen binnen de branche is ingediend, heeft u een antidumpingonderzoek ingesteld. De resultaten hiervan zijn alarmerend: er zijn harde bewijzen van staatssteun en sociale-dumpingpraktijken, met alle materiële schade voor onze industrieën van dien.

U stelt ons vandaag een aantal maatregelen voor ter bestrijding van deze overtreding van de elementaire regels van de internationale handel. Toch maak ik me zorgen over de geleidelijke, over een periode van vijf maanden uitgesmeerde inwerkingtreding van deze antidumpingrechten, een precedent dat me nauwelijks opportuun, juridisch aanvechtbaar en niet vrij van averechtse effecten lijkt. Op basis van deze rechten zou ofwel de dumping, ofwel de schade geëlimineerd moeten kunnen worden. Met de voorgestelde geleidelijke tarieven is echter geen van beide opties haalbaar. Tot slot is de uitsluiting van kinderschoenen in mijn ogen ongerechtvaardigd en onbegrijpelijk. Het zou goed kunnen dat uw voorstellen zeer spoedig ontoereikend blijken gezien de omvang van de door onze bedrijven geleden schade.

Om deze oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan zouden andere initiatieven genomen kunnen worden, bijvoorbeeld het openen van een onderzoek in het kader van het tijdelijke vrijwaringsmechanisme dat van toepassing is op de Chinese invoer, een instrument dat als voordeel heeft dat het eenvoudig en doeltreffend is.

Als de lidstaten u daarom zouden verzoeken, zou de Commissie dan overwegen dit instrument in te zetten? Is het wellicht een optie, mijnheer de commissaris, om een onderzoek in te stellen naar de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de handelsregels van de WTO door China, en naar de eerbiediging door China van de billijke en eerlijke handelspraktijken, anders dan de overduidelijke schendingen van het WTO-recht waaraan het land zich overgeeft? Uw voorstellen zijn krachtig noch helder. Welke sectoren zullen morgen te lijden hebben onder deze oneerlijke praktijken, na de textiel vorig jaar en de schoenen nu?

 
  
MPphoto
 
 

  Giulietto Chiesa (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de situatie van de Italiaanse schoenensector noopt mij ertoe te vragen om een grondige wijziging van de maatregelen die u hebt voorgesteld en die deels door de Italiaanse regering zijn geaccepteerd. Italië betaalt nu al een uiterst hoge tol op het vlak van de werkgelegenheid.

Dit verzoek van mij stoelt niet op protectionistische neigingen maar is gebaseerd op een berekening van maatschappelijke gevolgen. Het gaat mij er niet om de globalisering of de markt te verheerlijken dan wel te verloochenen, want mijn analyse is gematigd en tevens realistisch. Het is een kwestie van accenten. Het pad tussen het paradijs en de hel is smal, net zo smal als het verschil tussen een harde concurrentie en een oneerlijke concurrentie, zoals u zelf hebt herhaald.

Ik baseer me op wat uzelf zegt: China en Vietnam hebben de regels geschonden. U stelt voor om daarop te reageren, maar de proporties van hun dumpingpraktijken lijken mij nogal fors vergeleken met de invoerheffingen die u voorstelt. Ik denk eerlijk gezegd dat er over uw maatregelen opnieuw onderhandeld moet worden. Zowel de cijfers als het tijdpad moeten herzien worden; dat wil zeggen onmiddellijke toepassing van de heffingen – dus niet pas over een paar maanden – alsmede een verhoging daarvan door ook hightech sportschoenen uit te sluiten van ontheffing van douanerechten. Anders worden noch de Europese producenten noch de consumenten beschermd, en zal ook de markt er niet op vooruitgaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Louis (IND/DEM).(FR) Mijnheer de Voorzitter, het werkloosheidspercentage in Romans, in de Drôme, is 18 procent – het dubbele van het Franse gemiddelde – omdat de schoenensector daar geteisterd wordt en de eeuwenoude knowhow verdwijnt. Deze ondergang is het resultaat van de anachronistische toepassing van het Ricardiaanse model waar uw beleid op gebouwd is. De nieuwe internationale arbeidsverdeling heeft de lagelonenlanden gestimuleerd zich te specialiseren in arbeidsintensieve industrieën, terwijl de landen met een hoge spaarquote zich concentreren op de zeer kapitaalintensieve industrieën.

Op dit moment vertrekt het kapitaal, hunkerend naar groei, eveneens naar deze landen. De landen van de Unie, die een hoge productiviteit en hoge lonen hadden, worden dus gevloerd door landen met een gelijke productiviteit en lage lonen.

Opdat dit alles niet helemaal fout afloopt, moet het werk van de liberaal Maurice Allais worden herlezen, moeten de deugden van het gemeenschappelijk buitentarief zaliger nagedachtenis worden herontdekt en moeten we ons aan de buitenkant beschermen om vrij te zijn binnen de Unie. Gebeurt dit niet, dan zal het al onze arbeidsintensieve industrieën hetzelfde vergaan als de schoenenindustrie.

 
  
MPphoto
 
 

  Christofer Fjellner (PPE-DE). – (SV) Mijnheer de commissaris, de Unie heeft een verschrikkelijke geschiedenis op het punt van antidumping. Goed georganiseerde speciale belanghebbenden krijgen keer op keer de gelegenheid om via invoerheffingen kleine winsten te maken die grote kosten voor de consumenten opleveren.

Toen de Commissie invoerheffingen op tv-toestellen introduceerde, moesten de consumenten een bedrag van 2 Zweedse kroon betalen voor elke kroon die de industrie verdiende. Bij de heffingen op Pakistaanse beddenlakens leverde elke kroon voor de producenten onze consumenten een kostenpost op van 3 kroon. In het geval van de Noorse zalm was het nog erger: elke kroon die de zalmproducenten verdienden kostte de consumenten maar liefst 70 kroon. De Commissie slaagt er niet in om voldoende rekening te houden met de consumenten en dus met het communautair belang.

Nu staat men op het punt om dezelfde fout opnieuw te maken – in verband met schoenen uit China en Vietnam – maar deze keer kennen we bij voorbaat de prijs voor dit beleid. De Deense regering heeft een studie laten verrichten waaruit is gebleken dat de kosten voor de consumenten in de Unie acht keer groter zijn dan de winsten voor de producenten, en in totaal verliest de Unie meer dan tweeënhalf miljard kroon.

Voor Zweden is dit cijfer nog erger. Elke kroon die Zweedse producenten verdienen kost de Zweedse consumenten 44 kroon. In totaal moeten de Zweedse consumenten erop rekenen dat ze bijna 60 miljoen kroon meer moeten betalen voor hun schoenen. Het enige land in de Unie waar een en ander volgens de berekeningen winstgevend zal zijn, is Slowakije. Daar zal men volgens berekening 300 000 kroon verdienen. Het zou goedkoper zijn als wij hier in het Europees Parlement het geld bijeenleggen, dan ontsnappen de consumenten aan de heffing.

Eerlijk gezegd geloof ik niet dat dat verkeerd zou zijn. De Commissie heeft er ondanks alles bewust voor gekozen om vergelijkingen te maken met dure schoenen uit Brazilië en heeft de invoerstijging vóór de afschaffing van het quotum vergeleken met die na de afschaffing. Geen enkele fabriek heeft de status van marktgericht bedrijf gekregen, hoewel men erkent dat de fabrieken op marktconforme wijze leer kopen en arbeidskrachten werven. Ik ben ernstig ongerust over het toenemende protectionisme dat ik in de Unie tegenkom, en ik hoop dat dit de laatste keer is dat de Commissie zwicht voor de eisen van de protectionisten ten koste van de burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Joan Calabuig Rull (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, de Europese schoenenbranche verkeert in een moeilijke situatie, en wel om twee redenen: enerzijds heeft zij met oneerlijke praktijken te maken, en anderzijds, commissaris, heeft zij te kampen met de problemen van invoerrechten en andere belemmeringen van praktische aard om toegang te krijgen tot de markten van derde landen.

Ik denk dat dit alles een doeltreffende actie tegen dumping noodzakelijk maakt, waarmee we op rechtvaardige maar tegelijkertijd soepele wijze op deze situatie kunnen reageren, om te vermijden wat er in de textielsector gebeurd is, namelijk dat zich in de tijd van geaarzel over het al dan niet nemen van maatregelen, speculatieve ontwikkelingen voordoen en we uiteindelijk een sterkere stijging van de import hebben bevorderd.

Het voorstel van de Commissie over de antidumping-procedure voor schoenen afkomstig uit China en Vietnam is redelijk en evenwichtig, maar het bevat wonderlijke ideeën die voor veel mensen onbegrijpelijk zijn, zoals het niet-toepassen van de door u voorgestelde maatregelen op kinderschoenen die, zoals u weet, vaak niet alleen door kinderen worden gebruikt, alsook op de met speciale technologie vervaardigde sportschoenen (STAF).

Als dumping een feit is, zullen invoerrechten moeten worden opgelegd die zo doeltreffend zijn dat ze eerlijke concurrentievoorwaarden kunnen garanderen, en de hoogte van de rechten en hun concrete toepassing zouden dan ook gebaseerd moeten zijn op hun effectiviteit, dat wil zeggen, op hoe doeltreffend dumping hiermee kan worden uitgebannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Caspary (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, waarde commissaris, de Europese Unie beschikt niet over een strategie om de globalisering het hoofd te bieden. We hebben nu een globaliseringsfonds om de gevolgen van globalisering uit het verleden op te vangen. Maar welke oplossingen hebben we voor de toekomst? Mijn eerste reactie op deze kwestie was: net als bij textiel gaat het hier om protectionisme. Dat zou niet best zijn omdat we behoefte hebben aan een wereldwijde vrije en eerlijke toegang tot de markt. Vrije markttoegang is belangrijk voor onze producenten in de Europese Unie. En omdat we van onze handelspartners verwachten dat zij zich aan de regels houden, kunnen we zelf als Europese Unie niet achterblijven.

Toen ik over meer informatie beschikte, werd me duidelijk dat hier geen sprake is van protectionisme, maar van dumping. Ook besefte ik dat de maatregelen die u neemt technisch veel beter in elkaar steken dan destijds bij de textiel. Mij werd echter ook duidelijk dat onze maatregelen wederom inconsequent zijn, en de Chinezen zullen dat zien als een teken van zwakte. Ik kan nog wel begrijpen dat we sportschoenen hebben uitgesloten van de procedure. Maar waarom een uitzondering voor kinderschoenen? Of het is dumping of niet.

De gevolgen voor de consument bij de kinderschoenen zijn mijns inziens geen geldig argument, omdat de consument ook absoluut geen baat heeft gehad bij de verlaging van de importprijzen van de afgelopen jaren. En als je ziet dat schoenen met een importprijs van 6,50 euro in de winkel 120 euro kunnen kosten, dan wordt duidelijk dat ook voorspelde prijsstijgingen van 20 procent, waarvoor importeurs waarschuwen, geen steek houden.

En dan de kwestie China. Wat ligt ten grondslag aan deze dumpingkwestie? Aan de ene kant baart deze zaak mij grote zorgen. Bedrijven blijken niet in staat hun boekhouding op orde te houden of fatsoenlijk leiding te geven. Dat is een van de redenen. Aan de andere kant maak ik mij ook grote zorgen over de steeds toenemende rol van de staat in dumping door middel van onrealistische grondprijzen, belastingvoordeel voor exportbedrijven, riskante leningen van banken, kosten van grondstoffen waarvoor subsidie wordt verstrekt, enzovoort. Het heeft daarom geen zin China in dit verband de status van “markteconomie” toe te kennen, zoals sommige leden van de Commissie blijkbaar willen. Ook op dit punt moeten we consequent blijven.

Ik hoop dat we in de toekomst in al deze gevallen consequenter zijn en ons beter aan de regels houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisa Ferreira (PSE), schriftelijk.(PT) Ik wil om te beginnen zeggen dat ik dit voorstel om antidumpingmaatregelen te nemen steun. Dat is wel het minste dat we kunnen verlangen. Dumping ondergraaft immers het hele idee van vrijhandel. De Europese industrie mag niet wegkwijnen omdat we niets ondernemen of aan kwalijke praktijken meewerken.

Wegens tijdgebrek zal ik me beperken tot twee opmerkingen. Zodra eenmaal is vastgesteld dat er sprake is van dumping, kan die dumping niet langer worden getolereerd. Dat zou onzinnig zijn. En toch is dat wat er gaat gebeuren als gevolg van het idee om bij de toepassing van de antidumpingmaatregelen een glijdende schaal aan te houden. Daar is geen enkele rechtvaardiging voor.

Tweede opmerking: het is volstrekt onaanvaardbaar dat kinderschoeisel van de maatregelen is uitgesloten. Daar is geen rechtvaardiging of rechtsgrond voor en het kan ook niet op technische gronden verdedigd worden. Als deze en andere ongerechtvaardigde uitzonderingen worden gehandhaafd tast je de geloofwaardigheid van deze voorgestelde maatregelen onherstelbaar aan. Ik dring er dus met klem op aan dat deze bepalingen worden herzien.

Tot slot wijs ik erop dat het van cruciaal belang is dat de Commissie haar reactieve houding opgeeft en ons laat zien dat er concrete resultaten voortvloeien uit haar beleid dat prioriteit geeft aan de opening van derde markten voor de uitvoer van – in de eerste plaats – Europees schoeisel. Ik denk dan aan toegang tot de Japanse markt, de mechanismen voor de opening van de Russische en inderdaad de Chinese markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Syed Kamall (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen dank ik de Commissie omdat ze van ervaringen uit het verleden heeft weten te leren. Ik ben blij dat het besluit is genomen om geen quota op te leggen in verband met importkwesties. Dit zou namelijk rampzalige gevolgen hebben voor de hele toeleveringsketen en voor de consumenten. Ik denk dat we het daar allemaal wel over eens zijn.

We moeten ons echter afvragen in wiens belang deze anti-dumpingrechten worden opgelegd. Ik zie niet hoe consumenten hiervan kunnen profiteren. Of we het nu leuk vinden of niet, de Europese burgers stemmen met hun portemonnee en kopen geïmporteerde schoenen. Door invoerrechten op te leggen straffen we de consumenten doordat de prijs van schoenen omhoog gaat.

Ik geef toe dat een aantal van de voorspellingen over prijsstijgingen paniekzaaierij zijn, maar er zullen prijsstijgingen optreden. Ons wordt verteld dat 20 procent invoerrechten op de importprijs van schoenen niet tot een grote stijging van de verkoopprijs hoeft te leiden. Detailhandelaars en anderen in de toeleveringsketen vangen de invoerrechten naar verwachting op. Het verbaast mij echter zeer dat de Commissie vandaag de dag detailhandelaars en schoenenfabrikanten meent te kunnen vertellen hoe ze hun bedrijf moeten voeren en hoeveel ze hun klanten in rekening moeten brengen. Wat is er gebeurd met de wet van vraag en aanbod die geldt voor verkopers en Europese burgers en consumenten?

Als de Commissie echt van mening is dat detailhandelaars een te grote winstmarge hebben op schoenen, moet ze een onderzoek uitvoeren naar het concurrentievermogen van de schoenensector in plaats van de detailhandelaars en de toeleveringsketen te straffen door botweg anti-dumpingrechten te heffen. Zijn de Europese schoenenfabrikanten er echt mee geholpen als we de prijzen van schoenen uit China en Vietnam omhoog jagen of dwingen we detailhandelaars gewoon om hun schoenen te betrekken van andere niet-Europese markten, zoals India?

Tot slot nog dit: hebben we het recht om zo hoog van de toren te blazen en te klagen over de Chinese overheid die de schoenensector subsidieert terwijl we zelf zo’n groot deel van onze EU-begroting besteden aan het subsidiëren van inefficiënte boeren? Laten we het naoorlogse protectionistische model aan de kant zetten en een voortrekkersrol aannemen door de globalisering te omarmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pia Elda Locatelli (PSE), - (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Mandelson, dames en heren, ik wil alleen maar zeggen dat ik de indruk heb mij bezig te houden met een inmiddels lege huls. Sportschoenen worden uitgesloten van de maatregelen, maar hoe bepaal je wat sportschoenen zijn? Kinderschoenen zijn ook uitgesloten, maar die draag ikzelf en heel veel andere vrouwen nog steeds, terwijl wij al jaren geen kind meer zijn.

De toepassing van de antidumpingmaatregelen is gebeurd met een geleidelijkheid die wij voorheen nooit meegemaakt hebben. Vooral worden er antidumpingheffingen voorgesteld die niet helpen om een situatie van oneerlijke concurrentie aan te pakken die de Commissie zelf als ernstig heeft bestempeld.

Daarom vraag ik u: gelooft u niet dat achter de consumentenbescherming, met name de bescherming van de armste gezinnen - zoals u in de zondagseditie van Le Figaro schreef - ook of misschien vooral de poging schuilgaat om de belangen van de multinationals te beschermen?

Gelooft u niet dat het beleid van de Commissie, dat in mijn ogen soms halfslachtig is, het belangrijke, om maar niet te zeggen unieke, instrument van het Europese handelsbeleid in gevaar kan brengen?

Tot slot vraag ik u commentaar te leveren op hetgeen momenteel aan de hand is met beddengoed, omdat ook hier het optreden van de Commissie niet duidelijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, als u het niet erg vindt, ga ik nu niet in op het punt van het beddengoed. In de tijd die ik ter beschikking heb, kan ik me beter beperken tot het onderwerp schoenen, maar ik kan u verzekeren dat de kwestie anti-dumpingrechten op beddengoed naar behoren zal worden beoordeeld en naar behoren zal worden toegepast, zoals dat volgens mij momenteel ook het geval is.

Ik denk dat de waarde van debatten als dit en de belangrijke rol van dit Parlement blijken uit de zeer belangrijke en van inzicht getuigende opmerkingen die de afgelopen drie kwartier zijn gemaakt. Het is mijn rol om namens de Commissie te luisteren naar de punten en argumenten die naar voren worden gebracht. Ik verzeker u dat ik dat zal doen en dat ik ook over de opmerkingen van de lidstaten zal nadenken, zodat ik op basis van al deze uiteenlopende punten en argumenten met definitieve aanbevelingen terug naar de Commissie kan gaan.

Nu ik vanmiddag echter zoveel mensen heb horen klagen dat mijn interventie protectionistisch, onnodig en ongerechtvaardigd is, en een nog iets groter aantal Parlementsleden heb horen zeggen dat ik niet ver genoeg ga, dat mijn maatregelen ontoereikend zijn en dat ik verder moet gaan, kom ik in de verleiding om te zeggen dat mijn maatregelen, die het midden houden tussen die twee tegengestelde standpunten, misschien precies goed zijn! De verleiding om zo’n goedkope opmerking te maken, is groot, maar ik zal mezelf ervan weerhouden.

Ik ben het echter met name eens met de heer Papastamkos en mevrouw Saïfi, die beiden de noodzaak inzien van interventie gericht tegen anti-concurrerend en handelsverstorend gedrag van onze partners maar tevens vinden dat daarbij een zekere mate van perspectief en evenwicht moet worden betracht, zoals het mij betaamt. Ik denk dat de heer Assis gelijk heeft dat het belangrijk is dat we bij de tijdelijke maatregelen die we invoeren, nauwlettend toezien op het effect van ons handelen zodat we, als we in gebreke blijven, in staat zijn om de situatie te evalueren en eventueel herzieningen door te voeren als we later dit jaar overgaan op definitieve maatregelen.

Ik wil nog snel even reageren op een paar andere punten die naar voren zijn gebracht.

Sommigen trokken een parallel tussen de voorgestelde maatregelen inzake schoenen en de maatregelen die zijn genomen in verband met textiel. Dit zijn zeer verschillende kwesties. In het geval van textiel hadden we te maken met op eerlijke wijze verhandelde goederen, al zij het dat er sprake was van een rigoureuze en plotselinge groei in volume na het afschaffen van de quota op Chinese textiel begin 2005. Daarom hebben we bij wijze van vrijwaringsmaatregel quota ingevoerd en daar waren wij toe gerechtigd. Anders dan nu, was er toen geen sprake van anti-concurrerende maatregelen - dumpingacties - die uitnodigen tot anti-dumpingmaatregelen in de vorm van invoerrechten – of een quotum of een fysieke limiet. Daarom verwacht ik niet dat we te maken zullen krijgen met de kinderziekten die zich bij textiel voordeden. Dat moeten degenen die doen alsof de textielepisode een soort gevecht of oorlog met China was, niet vergeten. Dat was absoluut niet zo. We hebben toen op zeer onvijandige wijze een overeenkomst met China bereikt over de te nemen maatregelen.

Enkele andere Parlementsleden brachten nog twee andere punten naar voren. Een ervan betreft het effect op de consumentenprijzen. Dit moeten we in het juiste perspectief zien. Het betreft slechts negen van de honderd paar schoenen die Europese consumenten kopen. Met andere woorden, een fractie van het aanbod van producten. De invoerrechten zouden iets meer dan 1,50 euro bedragen over een gemiddelde groothandelsprijs van 8,50 euro voor schoenen die voor een prijs tussen de 40 en 120 euro worden verkocht, en niet gewoon 1,50 euro. Je maakt mij niet wijs dat importeurs en detailhandelaars, met name importeurs en detailhandelaars die van de lage importprijzen van producten uit China en Vietnam hebben geprofiteerd maar die de consumenten niet van de effecten van deze goedkopere importprijzen hebben laten profiteren, deze 1,50 euro niet ergens in de toeleveringsketen kunnen opvangen - daar moeten consumenten hun detailhandelaars maar eens over aanspreken als ze daar in de toekomst toe in de gelegenheid zijn.

Een aantal Parlementsleden heeft mij gevraagd waarom ik voorstel om hightech sportschoenen en kinderschoenen buiten het onderzoek te houden. Wat de sportschoenen betreft: die worden buiten het onderzoek gehouden omdat die in Europa niet in zodanige hoeveelheden worden gemaakt dat dumping een gevaar oplevert. Europese fabrikanten van dit type sportschoenen lopen dus geen gevaar want die zijn er nauwelijks.

In het geval van kinderschoenen stel ik uitsluiting voor op grond van het belang voor de Gemeenschap. Kleine kinderen hebben drie à vier maal per jaar nieuwe schoenen nodig. Het effect van invoerrechten op de prijs van dergelijke schoenen is mogelijk dus groter dan in het geval van gewone schoenen.

Ik vind dat we geen hindernissen moeten opwerpen die ouders beletten kwalitatief goede schoenen voor hun kinderen te kopen. Degenen die willen dat ik de indeling in tariefposten voor deze schoenen herzie, moeten weten dat de tariefpost voor kinderschoenen loopt tot maat 37½ met hakken tot 3 cm. Ik ben best bereid om daar met mijn collega’s in TAXUD over te praten, maar dit is de indeling waarmee ik moet werken, niet een die ik voorstel.

Ik wil nog snel een paar opmerkingen plaatsen. Er werd gezegd dat het onderzoek te lang heeft geduurd. Het steekproefonderzoek neemt veel tijd in beslag. De binnen de Europese Gemeenschap geldende regels verplichten mij om zeer strenge procedures te hanteren en uit te gaan van zeer strenge referentielanden en -bedrijven als ik een land dat niet de status van markteconomie geniet, onder de loep neem.

Zoals ik niet vooruit kan lopen op klachten over dumping - enkele Parlementsleden klaagden dat ik niet genoeg vooruitziendheid betracht, alsof ik een glazen bol heb waarin ik kan zien uit welke hoek de volgende klacht over dumping gaat komen - zo kan ik ook niet heen om de juiste procedures en onderzoeken die in onze regelgeving zijn vastgelegd en waar ik me stipt aan moet houden.

De opmerking dat er sprake was van een zekere vertrouwensbreuk, begrijp ik niet. De lidstaten hebben het werkdocument van de Commissie voorafgaand aan mijn persconferentie op 23 februari ontvangen. Ik kan u verzekeren dat deze werkdocumenten vrijwel op hetzelfde moment als waarop ze naar de lidstaten gaan, naar de media worden opgestuurd. Ik moet dus onmiddellijk uitleg geven en verdedigen waarmee ik bezig ben. Dat ontneemt de lidstaten zeker niet het recht om een standpunt over de zaak in te nemen of uitvoerige antwoorden van de diensten van de Commissie te ontvangen.

Ik zal er verder niets over zeggen, behalve dan dat het belangrijk is dat we de ontwikkelingen in China, Vietnam, India en andere Aziatische landen in het juiste perspectief moeten plaatsen. Natuurlijk is er sprake van sterke concurrentie en staan Europese fabrikanten voor een moeilijke uitdaging en het is onze plicht alles in het werk te stellen om de Europese fabrikanten daarbij te helpen en om werknemers van bedrijven te helpen zich aan te passen aan deze uidagingen en aan de nieuwe situatie in de internationale handel waarmee we worden geconfronteerd. Ik geloof niet dat we er goed aan doen en dat het aanvaardbaar is om mensen ertoe aan te zetten zich van de nieuwe krachten in de mondiale economie af te schermen of om te doen alsof deze veranderingen, uitdagingen en nieuwe concurrentiebronnen vanzelf zullen verdwijnen en ons niet zullen raken als we onze ogen ervoor sluiten of onze kop in het zand steken.

Een politicus die een dergelijke boodschap afgeeft aan het publiek, maakt zich schuldig aan slecht en zwak leiderschap. Het publiek moet uitgelegd worden wat er gaande is en in staat worden gesteld om daarop in te spelen. We kunnen niet blijven doen alsof we er in Europa op de een of andere manier wel in zullen slagen de uitdaging op het gebied van concurrentie waarmee we in de mondiale economie worden geconfronteerd, uit de weg te gaan zonder onze levensstandaard en onze welvaart in de toekomst op het spel te zetten. Dat mag en zal niet gebeuren.

We moeten op deze uitdaging reageren door de nadruk te leggen op onze concurrentie- en innovatiekracht en ons vermogen om in te spelen op veranderingen en in de toekomst effectiever te concurreren. Als we deze uitdaging niet aangaan en dat onze burgers niet duidelijk maken, kunnen we het ze vervolgens niet kwalijk nemen dat ze angstig en met onbegrip reageren op wat er in de mondiale economie gebeurt.

(Applaus)

 
  
  

VOORZITTER: LUIGI COCILOVO
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de commissaris vragen of hij kort commentaar kan geven op een kwestie die door veel van mijn collega's ter sprake is gebracht, namelijk de toekenning van de status van markteconomie aan China.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, China voldoet nog niet aan de eisen om door Europa te worden erkend als markteconomie. Er zijn technische criteria waaraan China moet voldoen, en het land maakt vorderingen op dit gebied. We kunnen en moeten China helpen om gemakkelijker en sneller de technische veranderingen door te voeren waardoor het land aan de criteria kan voldoen, en we staan China ook op alle mogelijke manieren bij. Het is belangrijk dat we dat doen.

Ik wil nog een opmerking maken die hiermee verband houdt. De sfeer waarin de lidstaten en de leden van dit Huis over de markteconomiestatus van China oordelen, zal er zeker bij gebaat zijn wanneer China meer zou doen dan het op dit moment doet, om zijn markten open te stellen voor onze uitvoer en de handel van anderen, om ervoor te zorgen dat het volledig voldoet aan zijn verplichtingen voor toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie, en om te waarborgen dat het land zo snel mogelijk de noodzakelijke veranderingen doorvoert op de punten waar het onredelijk veel tijd neemt om volledig aan de afspraken en de regels van de WTO te voldoen. Als China dat zou doen, als het land zou reageren op de bezorgdheid die in Europa en de rest van de wereld leeft over de groei van zijn exportcapaciteit, en als het dit zou doen op een manier die het handelsevenwicht zou herstellen – zodat mensen niet alleen steeds meer goederen vanuit China zien komen, maar de containers ook weer gevuld met Europese goederen en andere goederen terug naar China zouden zien vertrekken – zou dat bij het publiek meer dan wat ook de zorgen wegnemen over wat we nu in China zien. De mensen in Europa zien de groei van de Chinese markt begrijpelijkerwijs als een bedreiging. We moeten deze groei echter zien als een geweldige kans voor ons in Europa om in de toekomst onze eigen goederen en diensten op de Chinese markt te verkopen.

China heeft evenwel de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat er geen kunstmatige of onredelijke belemmeringen blijven bestaan voor Europese goederen en diensten, die in toenemende aantallen op de Chinese markt worden verkocht. Wanneer we dat gedaan weten te krijgen, zullen de mensen misschien positiever en meer vanuit een technisch gezichtspunt tegen het vraagstuk van de markteconomiestatus voor China aankijken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (NI). - (IT) Ik waardeer de inzet van de Commissie, want zij luistert naar de verzoeken van het Europese MKB dat zich zorgen maakt om de toenemende invoer uit derde landen. Ook waardeer ik het jongste voorstel inzake compenserende antidumpingheffingen op leren schoenen die gericht zijn tegen China en Vietnam. Maar ik vind dat de voorgestelde maatregelen nog uitermate ontoereikend zijn gezien de ernst van de zaak. De heffingen die worden voorgesteld zijn niet adequaat, want ze zijn te laag en dus ondoelmatig. De geleidelijke invoering (over een periode van zes maanden) schiet tekort en de procedure is te zwak voor zo’n ernstig geval van dumping. Bovendien is de uitsluiting van niet-professionele sportschoenen en kinderschoenen (waaronder ook vrouwenschoenen kunnen vallen) onaanvaardbaar.

Ik wijs er bovendien op dat een ander belangrijk verzoek, de verplichte invoering van een oorsprongsmerk voor producten die de EU binnenkomen, zich al twee jaar lang voortsleept zonder dat de lidstaten een akkoord hebben bereikt.

Voorts moet iets gedaan worden aan de verontrustende verhoging van de “driehoeksverplaatsingen”, dat wil zeggen abnormale verplaatsingen van producten met het doel strengere douanecontroles te omzeilen. Zo is bijvoorbeeld de invoer uit België qua volume met 17,8 procent gestegen, wat volkomen onverklaarbaar is. Het pleidooi van de Commissie voor innoverende veranderingen is redelijk en interessant, maar heeft alleen zin in een concurrentiesituatie die werkelijk eerlijk en rechtvaardig is. De Commissie heeft de plicht erover te waken dat de internationale markt ook echt zo is.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE). - (EN) Ik wil de commissaris graag wijzen op de benarde positie van een fabriek in mijn kiesdistrict, te weten Dickies in Midsomer Norton, bij Radstock in het graafschap Somerset in het Verenigd Koninkrijk. Zowel de toekomst van de fabriek als haar personeel loopt gevaar wanneer het huidige onderzoek van uw diensten naar een klacht over beschermend schoeisel dat met dumping uit China zou worden ingevoerd, een ongunstige uitkomst oplevert.

Ik heb vertegenwoordigers van zowel het management als het personeel ontmoet, met inbegrip van vertegenwoordigers van de vakbond GMB. Zij stellen unaniem dat banen en de bestaanszekerheid op het spel staan als de Commissie deze specifieke sector anti-dumpingrechten oplegt. Het vanuit China ingevoerde schoeisel schraagt de distributie- en productiesecties van de fabriek in Midsomer Norton. Degenen die de klacht hebben ingediend, produceren over het algemeen niet in Europa, maar halen hun producten uit andere derde landen dan China. Ik denk dat het onderzoek tot de conclusie zal leiden dat deze invoer vanuit China de Europese industrie geen schade heeft berokkend, en zelfs dat de betrokken fabrieken, waarvan de meeste de status van markteconomiebedrijf hebben aangevraagd, zich niet schuldig hebben gemaakt aan dumping. Maak een einde aan deze dreigende belasting op bescherming, maak een einde aan de begrijpelijke zorgen van mensen, en sluit het dossier zo snel mogelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) De toestand in de schoenensector is zorgwekkend, zeker in Portugal.

Bij wijze van voorbeeld vermeld ik dat tientallen bedrijven in het district Aveiro in 2005 de poorten hebben gesloten of werknemers hebben laten afvloeien. We zien dat bij Ecco en Rhode. Dat leidt tot meer werkloosheid, waardoor mensen tot armoede dreigen te vervallen. Ik wijs in dit verband op de onderneming C&J Clarks in Castelo de Paiva. Daar hebben de werknemers de belofte gekregen dat ze werk, scholing en subsidies zouden ontvangen. Nu, twee jaar later, zien we dat ze naar huis gestuurd zijn.

We moeten dus opnieuw vaststellen dat:

- de sterke toename van de invoer van schoeisel uit derde landen de druk op de portemonnee van de consumenten niet heeft verlicht – het zijn de distributeurs en de grote verkoopketens die geweldige winsten hebben gemaakt.

- de verantwoordelijkheid voor de sluiting van bedrijven en het verlies van banen niet bij derde landen ligt, maar bij de Europese Unie, die voorop loopt bij het bevorderen van de mededinging en de liberalisering van de internationale handel en die de waarde van de euro op een zodanig niveau houdt dat de productieve sector en de uitvoer – van, onder andere, schoeisel – er schade van ondervinden.

De echte verliezers bij dit beleid zijn de werknemers, de KMO’s en micro-ondernemingen evenals landen zoals Portugal. Dat wordt door onderzoek en – belangrijker nog – de werkelijkheid bevestigd.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE). - (EN) Het is duidelijk dat de EU op de wereldmarkt voor nieuwe concurrentie-uitdagingen staat. Deze uitdagingen maken onze industrie, onze werknemers en onze consumenten bezorgd en onzeker. We passen ons aan de nieuwe mondiale omgeving aan, maar we moeten wel de populistische aantrekkingskracht van protectionistische maatregelen vermijden, die op zijn best een kortwerkend geneesmiddel zijn bij langdurige kwalen.

In dit geval lijkt er echter sprake te zijn van een goedgedocumenteerd geval van dumping en schade voor de Europese industrie. Ik vrees dat enkele Europese ondernemingen met goede arbeidsnormen en belangen in het Verre Oosten (bijvoorbeeld Clarks) door deze maatregelen zullen worden getroffen, maar ik ben blij te zien dat er bepaalde uitzonderingen zijn gemaakt op de invoerheffingen die Commissie bij wijze van sanctie heeft voorgesteld, met name in de gevoelige sector van de kinderschoenen.

Alles in aanmerking genomen, denk ik dat de Commissie hier de juiste toon heeft getroffen. Ik ben geneigd het met de commissaris eens te zijn wanneer hij stelt dat de consumenten zich meer zorgen zouden moeten maken over de winstmarges die de detailhandelaren tot nu toe hebben genoten op goederen die goedkoop zijn geproduceerd onder slechte arbeids- en milieuomstandigheden, en die vervolgens voor een prijs onder de productiekosten zijn verkocht. Onze partners moeten nu deze sociale en arbeidsvraagstukken oplossen. Wij hebben ook zelf voor deze vraagstukken gestaan en hebben er veel tijd en energie in gestoken ze in het Europese project gezamenlijk op te lossen.

 

16. Evaluatie van het Europees aanhoudingsbevel (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0049/2006) van Adeline Hazan, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, met een ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad over de evaluatie van het Europees aanhoudingsbevel (2005/2175(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Adeline Hazan (PSE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Gastinger, mijnheer Frattini, dames en heren, ik blij dat wij vandaag de gelegenheid hebben gekregen te debatteren over de Europese rechtsruimte, op basis van het door mij opgestelde verslag over de – nog zeer recente en dus onvermijdelijk incomplete – evaluatie van een jaar ervaring met het Europees aanhoudingsbevel. We hebben al eerder over dit onderwerp kunnen discussiëren.

Alvorens in te gaan op het Europees aanhoudingsbevel zelf zou ik nog ergens aan willen herinneren. De achterliggende ambitie van dit concept van een rechtsruimte, dat geleidelijk is ontstaan na het appel van Genève in 1996, was namelijk om de burgers een gemeenschappelijk gevoel van rechtvaardigheid te geven in een omgeving waar de autoriteiten alles in het werk stellen om te vermijden dat vrijheid van de Europeanen wordt ingeperkt of dat hun rechten worden geschonden.

In oktober 1999 werd op de Top van Tampere een belangrijke stap gezet, met de instelling van het beginsel van wederzijdse erkenning. Dit was een radicale verandering, die berust op wederzijds vertrouwen, de uitoefening van een gedeelde soevereiniteit en de erkenning van de Europese ruimte als een gemeenschappelijk grondgebied.

Sindsdien zijn er – zoals we hebben ervaren – nog altijd problemen en daar moet men zich van bewust zijn. Gezegd moet worden dat de teksten die sindsdien zijn gepresenteerd, niet eenzelfde enthousiasme hebben gewekt in de debatten als de inspiratie en de ambitie van de staatshoofden in Tampere. De wederzijdse erkenning heeft de aanzet gegeven tot talrijke projecten, maar de meest tot de verbeelding sprekende maatregel is natuurlijk de invoering van het Europees aanhoudingsbevel. Dit vormt een duidelijk vooruitgang, ook al stuit het soms op hardnekkige problemen.

Wat was dan het doel van deze maatregel, die officieel op 1 januari 2004 van kracht is geworden?

Het Europees aanhoudingsbevel is van toepassing op een breder scala van vergrijpen dan de uitleveringsprocedure. Dankzij het aanhoudingsbevel wordt de overlevering een zuiver justitiële en niet langer een politieke procedure, en dat is een voordeel. Tenslotte komt het de helderheid van het recht van de Unie in de praktijk ten goede, want het huidige uitleveringsrecht berust op een wirwar van bilaterale en nationale overeenkomsten. Bovendien wordt er veelvuldig op gewezen, met name in het eerste artikel van het kaderbesluit, dat de lidstaten en de justitiële autoriteiten zowel bij de uitvaardiging als bij de uitvoering van het aanhoudingsbevel erop moeten toezien dat de beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten, nauwgezet in acht worden genomen.

Als de beginselen van dit instrument eenmaal zijn neergelegd, hoe gaat het dan in de praktijk? We beschikken op dit moment over een evaluatie van de Europese Commissie over een korte periode – zoals ik al zei – en we moeten de resultaten van deze evaluatie, die nog verdere aanvulling behoeft, met omzichtigheid benaderen. Sommige van de gestelde doelen zijn volkomen bereikt. Zo is het aanhoudingsbevel recentelijk van grote waarde geweest bij de vervolging van een Ethiopiër die door de Britse autoriteiten werd verdacht van betrokkenheid bij de bomaanslagen in Londen. Zijn uitlevering door de Italiaanse autoriteiten is in een recordtijd tot stand gekomen. Een ander succes was de arrestatie van een corrupte rechter die door haar eigen land, Griekenland, werd gezocht.

Met 3 000 uitvaardigingen in 2004, 1 000 aanhoudingen en 650 overleveringen staat het succes van het Europese aanhoudingsbevel als een paal boven water. De cijfers over 2005 zullen vast en zeker een toename laten zien, maar deze zullen pas in juni of juli officieel beschikbaar komen. De uitleveringsprocedure is danig bekort: met de vervanging van de oude uitleveringsprocedure door het Europees aanhoudingsbevel is de gemiddelde duur van de procedures teruggebracht van negen maanden naar 43 dagen, hetgeen voor zowel rechters als justitiabelen een aanzienlijk winstpunt is. En tenslotte en bovenal is de procedure van heel haar politieke karakter ontdaan, aangezien de regeringen er niet meer aan te pas komen en het louter een zaak is geworden van justitie.

Vastgesteld moet echter worden dat er nog talrijke hinderpalen zijn die de toepassing van het aanhoudingsbevel in de weg staan. Om een voorbeeld te noemen: afgelopen najaar heeft de Spaanse justitie het Europese aanhoudingsbevel dat Duitsland had uitgevaardigd naar aanleiding van de weigering van Berlijn om de Duits-Syrische Mamoun Darkazanli, vermeend Al Qaida-lid, uit te leveren, nietig verklaard. Bovendien willen meerdere lidstaten bepaalde elementen van de traditionele uitleveringsprocedure behouden, met name de toetsing van dubbele strafbaarheid. Aan de in het kaderbesluit voorziene facultatieve redenen voor niet-toepassing hebben sommige lidstaten aanvullende weigeringsgronden toegevoegd.

Wat nog belangrijker is: de kwestie van de grondrechten heeft geleid tot flinke problemen bij de omzetting in Polen en Duitsland. Deze moeilijkheid dient te worden geïnterpreteerd als een gebrek aan begrip voor het beginsel van wederzijdse erkenning. En dat beginsel is nu juist de hoeksteen voor de opbouw van een Europese rechtsruimte.

Tot slot zou ik willen zeggen dat het Europees aanhoudingsbevel een grote vooruitgang is voor de misdaadbestrijding – in de eerste plaats in het belang van de burgers – en voor de totstandbrenging van de Europese rechtsruimte. Er zijn echter nog tal van moeilijkheden en die mogen niet worden onderschat. De eerste daarvan heeft te maken met de grote onderlinge verschillen tussen onze rechtssystemen en de tweede moeilijkheid is dat de meeste lidstaten nog te zeer hechten aan het controleren van de internationale wederzijdse rechtshulp. Het rechtssysteem mag dan historisch gegroeid zijn, de problemen die zich voordoen moeten worden opgelost. Kortom: moeten we meer of minder harmoniseren? Ik denk dat we meer moeten harmoniseren. Moeten we verder gaan in de wederzijdse erkenning van rechtssystemen? Ook op die vraag denk ik dat het antwoord bevestigend is.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte vice-voorzitter van de Commissie Frattini, geachte rapporteur, geachte dames en heren van het Europees Parlement. Allereerst wil ik namens het voorzitterschap mijn dank uitspreken voor dit verslag over de evaluatie van het Europees aanhoudingsbevel, dat ik met grote interesse heb gelezen. Ik deel de mening van het voorzitterschap dat het Europees aanhoudingsbevel in feite een succesverhaal is. Het vormt in elk geval een mijlpaal in de verbetering van de samenwerking tussen lidstaten van de Europese Unie, vooral op het gebied van ons gemeenschappelijk doel de georganiseerde misdaad en het terrorisme te bestrijden.

Volgens mij zijn wij het erover eens dat hier sprake is van een geheel nieuwe innovatieve en voorbeeldige aanpak die een fundamentele bijdrage heeft geleverd aan de bevordering van het beginsel van wederzijdse erkenning, een beginsel dat ook Parlementslid Hazan meermaals heeft genoemd en dat we tijdens de Raad van Tampere hebben onderschreven. Dit Europese aanhoudingsbevel vormt – althans voor ons in de Raad – de basis voor al onze toekomstige werkzaamheden in dit verband. Het verheugt mij ten zeerste dat ook het Europees Parlement deze mening is toegedaan.

Een korte terugblik: voorheen hadden we een zeer langdurige, omslachtige en veelal van politieke beslissingen afhankelijke uitleveringsprocedure. Deze situatie was voor iedereen hier absoluut ontoelaatbaar. Inmiddels hebben alle 25 lidstaten het kaderbesluit inzake een Europees aanhoudingsbevel in nationaal recht omgezet. Als we naar de huidige situatie kijken, beschikken we over een snelle en efficiënte procedure van overlevering die alleen is voorbehouden aan onafhankelijke rechtbanken. Dat is al een zeer belangrijk voordeel dat dit kaderbesluit heeft opgeleverd.

Een ander belangrijk punt is de aanzienlijke verkorting van de duur van overbrengingsprocedures – ook dit is al door de vorige spreekster naar voren gebracht. Tot op heden duurde de overbrengingsprocedure gemiddeld negen maanden; dit is teruggebracht tot gemiddeld 40 tot 45 dagen. Dit is met name met het oog op de grondrechten een belangrijke stap voorwaarts. U weet immers allen dat we volgens artikel 5, lid 3, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens verplicht zijn, aanhoudingsprocedures te versnellen. Met dit kaderbesluit inzake een Europees aanhoudingsbevel hebben we ruimschoots voldaan aan deze verplichting.

U spreekt in uw verslag de vrees uit dat nationale constitutionele hoven in hun beslissingen een aantal nationale omzettingsaspecten kritisch tegen het licht zullen houden; wij als voorzitterschap constateren echter geen principiële afwijzing van het Europees aanhoudingsbevel in de lidstaten. Ik heb het nergens kunnen constateren en er is volgens mij ook geen sprake van. We moeten echter wel rekening houden met de – uit het oogpunt van de rechtsstaat beslist noodzakelijke – mogelijkheid dat onze hoogste nationale gerechtshoven deze omzetting, die we in het kader van het kaderbesluit in de lidstaten hebben doorgevoerd, zullen toetsen, vooral omdat dat van essentieel belang is voor het vertrouwen van onze burgers. Dit is een belangrijk aspect. Als uit deze toetsing blijkt dat wijzigingen in de nationale omzetting nodig zijn, dan moeten we deze doorvoeren. Maar het blijft van essentieel belang dat de burger vertrouwen heeft in wat we in Europa doen.

Een ander belangrijk punt is het voorbeeldkarakter van de grondrechtenclausule, die formeel geen reden voor afwijzing is; ook dit is ter sprake gebracht, en het kan telkens weer voor interpretatieproblemen zorgen, al denk ik dat het minder erg is dan u in uw verslag schetst. Dit is een zeer belangrijk punt.

We moeten onze nationale rechtbanken echter ook de kans geven zich in eigen land van hun hoofdtaak te kwijten, namelijk te controleren of de grondrechten in het betreffende nationale rechtssysteem worden geëerbiedigd. Op dit punt mogen er geen tegenstrijdigheden zijn.

Volgens mij is er in dit verslag echter wel degelijk sprake van een tegenstrijdigheid: aan de ene kant wordt gewezen op het gevaar van discriminerend gebruik van de grondrechtenclausule, terwijl aan de andere kant – en daar ben ik het van harte mee eens – wordt gewezen op de eerbiediging van de mensenrechten en persoonlijke vrijheden bij de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel. We moeten ervoor zorgen dat er geen tegenstrijdigheden ontstaan.

Zoals ik al zei, moet het de taak van nationale rechtbanken zijn er op basis van de grondrechtenclausule over te waken dat de grondrechten van EU-burgers niet worden geschonden. Ook dit moet deel uitmaken van de procedure in het kader van het Europees aanhoudingsbevel.

Bij deze gelegenheid wil ik tevens wijzen op een door België tegen het Europees Hof van Justitie aanhangig gemaakt beroep waarin het eist dat de constitutionele aspecten van het Europees aanhoudingsbevel aan een onderzoek worden onderworpen. We verwachten hierbij een duidelijke uitspraak van het Europees Hof van Justitie over de wettelijke basis, maar ook over de lijst met delicten waarbij dubbele strafbaarheid niet langer wordt getoetst. Over deze lijst met 32 delicten, waarover telkens weer wordt gedebatteerd, verwachten we een duidelijk standpunt.

Aan de hand van dit duidelijke standpunt zal er ongetwijfeld meer overleg plaatsvinden over de noodzakelijke herziening van deze lijst – maar misschien laten we alles ook bij het oude. We zullen eerst moeten bepalen in hoeverre de lijst zinvol en doelmatig is en dan onze conclusies moeten trekken.

Ik wil erop wijzen dat het vanuit het oogpunt van het voorzitterschap van de Raad van groot belang is dat we ons vooral richten op een uniforme toepassing van het kaderbesluit in de lidstaten van de Europese Unie. Dit is noodzakelijk als we het principe van wederzijdse erkenning tot een realiteit willen maken.

Iedereen is het erover eens dat de mensenrechten geëerbiedigd en vooral ook procedurele garanties gewaarborgd moeten worden bij de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat. Ook dit is een taak voor ons allen.

Het voorzitterschap gaat net als het Europees Parlement uit van de noodzaak van verdere evaluatie van het toepassen en functioneren van het Europees aanhoudingsbevel door uitvoerig en onpartijdig onderzoek. Dit is een belangrijk punt. Om die reden hebben we in de Raad inmiddels besloten tot een vierde ronde van wederzijdse evaluatie. De werkzaamheden in dit kader verlopen volgens plan. We verwachten meer resultaten uit de praktijk die we eventueel kunnen gebruiken bij de praktische uitwerking van details.

Met het oog op de tijd heb ik nog een korte opmerking met betrekking tot de praktische toepassing van het Europees aanhoudingsbevel. De via het internet gemakkelijk toegankelijke informatie die het secretariaat van de Raad en het Europese justitiële netwerk beschikbaar stellen, ondersteunt de praktische toepassing over de lange termijn. Met name de gerechtelijke atlas bewijst uitstekende diensten, en vergemakkelijkt het dringend noodzakelijke directe contact tussen de justitiële autoriteiten bij de optimale toepassing van het Europees aanhoudingsbevel aanzienlijk.

In deze context wil ik op een ander, niet onbelangrijk aspect van de praktische toepassing wijzen: het Europees aanhoudingsbevel heeft er eveneens toe bijgedragen dat formaliteiten zoals waarmerkingen in het verkeer tussen lidstaten worden opgeheven omdat we nu weten dat deze niet nodig zijn, omdat we elkaar vertrouwen en het principe van wederzijdse erkenning toepassen. Naar mijn mening heeft het Europees aanhoudingsbevel ook hieraan een substantiële bijdrage geleverd.

Ik kijk nu al uit naar het vervolg van de discussie en zal in mijn slotverklaring terugkomen op dit onderwerp.

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, vice-voorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Gastinger, mevrouw Hazan, ik denk wel dat gezegd kan worden dat het Europees aanhoudingsbevel een sprekend voorbeeld is van de Europese gerechtelijke samenwerking in strafzaken, waarmee het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen voor het eerst in de praktijk wordt gebracht en dat, naar ik hoop, weldra zal worden aangevuld met andere instrumenten zoals het voorgestelde Europees bewijsverkrijgingsbevel. Behalve de Europese instellingen is het van groot belang de nationale parlementen in dit debat te betrekken, zoals is gebeurd tijdens de vruchtbare parlementaire bijeenkomsten van oktober jongsleden, die waren georganiseerd door dit Europees Parlement.

De conclusies van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel worden in het verslag van mevrouw Hazan, naar ik meen, op tal van punten aangevuld en bijgewerkt. We zullen deze punten in aanmerking nemen bij het opstellen van ons tweede evaluatieverslag over de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel, dat het Parlement in juni zal ontvangen. Inmiddels heeft de Commissie in januari van dit jaar een aanvulling gepresenteerd op haar eerste verslag, teneinde Italië erin te verwerken. Door een verlate omzetting kon deze lidstaat namelijk niet meteen in het eerste verslag worden meegenomen.

Ik ben het grotendeels eens met de ontwerp-aanbeveling aan de Raad. Als het erom gaat – zoals aangegeven in de ontwerp-aanbeveling – na te gaan of het mogelijk is de lijst van 32 categorieën strafbare feiten waarvan de dubbele strafbaarheid niet langer wordt getoetst, uit te breiden, kan ik u zeggen dat in mijn ogen iedere mogelijke vooruitgang in die richting in principe wenselijk is.

De Commissie zal er evenwel op toezien dat de samenhang wordt bewaard tussen de verschillende instrumenten van wederzijdse erkenning. De Commissie behoudt zich dan ook het recht voor voorstellen te presenteren met het oog op wijziging van het kaderbesluit in het licht van langduriger ervaring. Mijnheer de Voorzitter, ik geef nu ruim baan aan het debat, aan het slot waarvan ik allicht nog het woord zal voeren voor aanvullende opmerkingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Panayiotis Demetriou, namens de PPE-DE-Fractie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, het verslag van mevrouw Hazan is uitzonderlijk. Ik ben het eens met al haar aanbevelingen en opmerkingen. Gelukwensen, mevrouw Hazan!

Dames en heren, het Europees aanhoudingsbevel is een test voor de bereidheid tot samenwerken en het wederzijdse respect en vertrouwen tussen de lidstaten van de Europese Unie. Het vormt een grote stap in de richting van een gemeenschappelijke ruimte van rechtvaardigheid en veiligheid, maar ook een belangrijk middel in de strijd tegen de misdaad. Het is voortaan afgelopen met de straffeloosheid, afgelopen met de complicaties van politieke procedures om iemand uit te leveren.

Het is gevaarlijk en arrogant dat sommige lidstaten zich beroepen op hun nationale soevereiniteit, op de mensenrechten en op de zogenaamde superioriteit van hun nationale recht om het Europees aanhoudingsbevel te omzeilen. Alle lidstaten hebben nu eenmaal gezamenlijk en individueel de fundamentele plicht om bij gerechtelijke procedures de mensenrechten strikt te eerbiedigen. Onnodige twijfels zijn hier niet op hun plaats.

De instelling moet worden versterkt en daartoe zijn drie stappen vereist: ten eerste moet de instelling van het Europees aanhoudingsbevel worden overgeheveld van de derde naar de eerste pijler. Ten tweede moet de Raad zo snel mogelijk het voorstel goedkeuren betreffende de harmonisatie van minimumcriteria in strafrechtelijke procedures. Ten derde moet elke constitutionele belemmering voor de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel worden verwijderd. In mijn land, Cyprus, wordt de grondwet de komende dagen aangepast om het Europees aanhoudingsbevel probleemloos te kunnen gebruiken. De strijd tegen de misdaad is niet alleen een nationale aangelegenheid, het is een pan-Europese verplichting! Daarom moeten we allemaal bijdragen aan het versterken van het Europees aanhoudingsbevel.

 
  
MPphoto
 
 

  Martine Roure, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil onze rapporteur graag bedanken voor haar grondige werk. Dankzij dit verslag kunnen wij namelijk niet alleen het Europees aanhoudingsbevel evalueren – het eerste concrete instrument van de Europese rechtsruimte – maar zijn we eveneens in de gelegenheid onze prioriteiten voor de totstandbrenging van een daadwerkelijke Europese rechtsruimte te herzien.

Het is door meerderen van ons gezegd: het Europees aanhoudingsbevel is een klinkend succes geworden. Sinds de invoering ervan zijn er in de gehele Europese Unie in totaal 2 600 bevelen uitgevaardigd, dankzij welke de rechtsprocedures aanzienlijk zijn versneld.

Landsgrenzen vormen dus niet langer een justitiële belemmering. Dit succes laat zien dat de lidstaten bereid zijn samen te werken. Op die manier versterken wij het beginsel van wederzijdse erkenning, de hoeksteen van de Europese rechtsruimte. Niettemin is het Europees aanhoudingsbevel op belemmeringen gestuit, die door bepaalde regeringen aan de toepassing ervan zijn verbonden. Bovendien betreur ik de vertraging die de omzetting in Italië heeft opgelopen en waardoor de evaluatie door de Commissie voor dat land is verlaat.

Daar komt bij dat de manier waarop de lidstaten het aanhoudingsbevel in hun nationale wetgeving interpreteren uiteenloopt. Dat is ook illustratief voor het gebrek aan politieke wil bij de lidstaten en de grenzen van de wijze van besluitvorming op dit terrein. Uit het succes van het Europees aanhoudingsbevel blijkt echter dat we ons onmogelijk kunnen beperken tot alleen het burgerlijk recht. We moeten meer ambitie tonen en de gerechtelijke samenwerking uitbreiden tot het strafrecht.

Wij achten het daarom essentieel een beroep te doen op artikel 42 en de passerelle, teneinde een minimale harmonisering van de Europese strafrechtssystemen mogelijk te maken. Op die manier kunnen we een einde maken aan de unanimiteitsregel, die de tenuitvoerlegging van een daadwerkelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid belemmert.

Daarnaast moeten we het democratische tekort beperken. De grondrechten kunnen alleen echt worden beschermd door het Europees Parlement volledig bij de tenuitvoerlegging van de Europese rechtsruimte te betrekken. Anderzijds, hoe kunnen we doelmatig vooruitgang boeken als we ons beperken tot het terrein van de veiligheid? Natuurlijk zijn verbeteringen op politioneel gebied noodzakelijk, maar we moeten evengoed hoge eisen stellen op het gebied van de grondrechten. Het voorstel betreffende de procedurele waarborgen moet dus tegelijkertijd ook worden behandeld.

Ter afronding wil ik een duidelijke vraag stellen aan de Commissie en aan de Raad: wanneer kunnen we eindelijk voortgang maken met andere concrete instrumenten, zoals de uitwisseling van bewijzen en de uitwisseling van gegevens tussen strafregisters?

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer mevrouw Hazan, de rapporteur van het Parlement. Mijn fractie is het in grote lijnen met haar beoordeling en haar zorgen eens. Ik was de rapporteur die deze kwestie in 2001 door dit Huis heeft geleid. Ik zou hier vandaag echter niet namens mijn fractie staan te spreken, ware het niet dat onze collega de heer Duquesne, die indertijd minister van Binnenlandse Zaken van België was en die een groot voorstander van deze maatregel was, momenteel ernstig ziek in het ziekenhuis ligt.

Toen we indertijd de maatregelen doornamen, dachten we dat het Europese aanhoudingsbevel praktische oplossingen bood voor het belangrijkste probleem dat de Europese burgers zorgden baarde: hun veiligheid.

De ervaring heeft geleerd dat het aanhoudingsbevel Europa's belangrijkste wapen is in de strijd tegen de grensoverschrijdende misdaad. Met dit bevel kunnen onze gerechtelijke apparaten het uitleveringsproces in meer dan de helft van de gevallen bekorten tot gemiddeld dertien dagen. Dat is dertien dagen, vergeleken met maanden wachten voorheen. De lidstaten hebben goed gebruikgemaakt van het Europees aanhoudingsbevel, en het heeft over het algemeen goed gewerkt.

Niemand zal ontkennen dat er wat kinderziekten waren. Er waren niet alleen vertragingen in de tenuitvoerlegging, maar controversiële gerechtelijke uitspraken hebben in Polen en Duitsland ook tot opgetrokken wenkbrauwen geleid, en tot beschuldigingen dat deze maatregel de grondrechten schendt. Alle lidstaten zijn evenwel gebonden aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en aan de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, zoals expliciet in deze maatregel is gesteld.

Ik heb vandaag twee vragen. De eerste vraag is aan de Raad. Gaat de Raad bij naam de lidstaten noemen die het kaderbesluit over bepaalde procedurele rechten blokkeren, dat een einde zou maken aan de zorgen over schendingen van de grondrechten in deze maatregel? Wat is volgens de Raad het waarschijnlijke tijdpad voor overeenstemming over het kaderbesluit?

De tweede vraag is aan de Commissie. Kan de commissaris ons vertellen of het aanhoudingsbevel nu op de juiste wijze ten uitvoer is gelegd in het land dat hij het beste kent, en of een of meer andere lidstaten de zaak proberen te traineren? Is hij van plan een procedure te beginnen tegen lidstaten die de wet onjuist hebben toegepast of die de uitwerking van de wet hebben beperkt?

 
  
MPphoto
 
 

  Kathalijne Maria Buitenweg, namens de Verts/ALE-Fractie. – Voorzitter, het is absoluut waar dat het Europees arrestatiebevel al veel voordelen kent. Het maakt het uitleveringssysteem efficiënter, aanzienlijk sneller en ook minder arbitrair, maar dat neemt niet weg dat het arrestatiebevel nog steeds mank is. Mijn fractie was destijds tegen de invoering van het Europees arrestatiebevel, omdat het niet gepaard ging met afspraken over de minimumnormen in strafprocedures. Er is alleen iets gedaan aan de opsporingskant, zonder de nodige garanties te treffen voor de rechten van verdachten. Dat lijkt heel daadkrachtig en tough on crime, maar dat blijkt nu juist ook een obstakel te zijn voor samenwerking bij die overlevering.

Drie jaar na de aanname van het arrestatiebevel is de situatie onveranderd. Het kaderbesluit voor de procedurele rechten van verdachten is nog niet aangenomen door de Raad. Ik sluit me aan bij de oproep van collega Watson om de Raad te vragen om eens duidelijk te maken, welke lidstaten er om welke reden tegen zijn dat de rechten van verdachten worden verbeterd. Want er wordt wél gezegd, ook door mijnheer Demetriou, dat alle lidstaten zich sowieso moeten houden aan de rechten van verdachten, aan de conventie voor de rechten van de mens, maar er lopen wel erg veel rechtszaken in Straatsburg. En er zijn ook heel veel verschillen tussen de lidstaten, juist over de procedures.

Als we het allemaal wél eens waren over de rechten van verdachten, dan konden we natuurlijk dat akkoord over de procedurele rechten in een goede achternamiddag gewoon even tekenen, maar dat lukt niet, omdat er wel degelijk heel grote verschillen zijn. En het gevolg van die grote verschillen is dat de nationale rechters nu alsnog proberen te bekijken wanneer je iemand wel mag overleveren en wanneer niet? Dat leidt ertoe dat er een aantal rechtszaken zijn geweest, waardoor mensen juist niet werden overgedragen aan een andere EU-lidstaat. Een voorbeeld hiervan was een rechtszaak in Bolzano; rechtbank aldaar weigerde een Italiaan over te dragen aan Oostenrijk.

Op het moment dat we gezamenlijke afspraken hebben over de rechten van verdachten, zal ook de overlevering van verdachten, veel soepeler verlopen. Dus ik zou ook de Raad willen vragen het niet te zien als een cadeautje voor de rechten van verdachten, maar als een noodzakelijk samengaan, dat je én aan repressie moet doen én aan opsporing, maar dat je ook de rechtsstaat, ook op Europees niveau, moet garanderen; wanneer er geen vertrouwen is tussen de lidstaten, zal dat uiteindelijk ook die opsporing geen goed doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Giusto Catania, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de evaluatie van het Europees aanhoudingsbevel moet geschieden door over de hele linie te bekijken welke gevolgen het kaderbesluit heeft voor de justitiële samenwerking, voor de wederzijdse erkenning van misdrijven, alsook voor het respect van individuele procedurele garanties en burgerlijke vrijheden.

Helaas zitten wij momenteel in een lastig parket. Een aantal lidstaten heeft problemen gehad met de toepassing omdat onder meer hun eigen nationale grondwet in de weg stond. Maar het zou verkeerd zijn te denken dat het mogelijk is wijzigingen van de nationale grondwetten door te drukken om het aanhoudingsbevel te garanderen.

De evaluatie van vandaag moet het helaas stellen zonder de gegevens van één land: Italië moest zo nodig particuliere belangen behartigen voor een duidelijk eurosceptische en anti-Europees minister, en op die manier heeft het land de communautaire wetgeving niet bijtijds overgenomen.

Tot slot vinden wij dat niet gedacht kan worden aan invoering van een Europees aanhoudingsbevel als er van tevoren geen gemeenschappelijke minimumnormen in strafprocedures worden opgesteld en als er niet voorzien wordt in garanties waar iedereen zich in kan vinden. Over de minimumprocedures heeft het Parlement zich al uitgesproken. Nu is de Raad aan de beurt om op dit punt voort te borduren. Dit was overigens wel een beetje als het bouwen van een flatgebouw door met het dak te beginnen in plaats van met de fundamenten.

Uiteindelijk kan het Europees aanhoudingsbevel zeer zeker een nuttig instrument worden om de uitlevering van misdadigers los te maken van politieke overwegingen. In dit verband zijn er al een paar positieve voorbeelden geweest. Maar aan de procedure kleeft een fout die er vanaf het begin al was, en dat is te wijten aan het feit dat men zo’n haast had om met noodwetgevingen te reageren op terreuraanslagen.

Ik sta achter een groot deel van de evaluatie die mevrouw Hazan in haar verslag voorstelt. In de commissie is de tekst verbeterd, en daarbij is ook voorkomen dat de lijst van 32 misdrijven werd uitgebreid. Maar onze evaluatie kan zich niet losmaken van de valse start die is gemaakt door de obsessie voor veiligheid. Er is een oud Italiaans spreekwoord dat zegt: “haastige spoed is zelden goed”. Dit past perfect op de evaluatie van het eerste jaar van toepassing van het Europees aanhoudingsbevel.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland, namens de IND/DEM-Fractie. – Voorzitter, ik steun deze maatregel om terrorisme beter te bestrijden. In het debat van 2002 heb ik ingebracht dat alleen delicten, waarvoor een Europese of internationale definitie bestond, op de lijst mochten staan. De huidige lijst delicten is te ruim, hierdoor ontstaat kans op rechtsonzekerheid en discriminatie. Lidstaten grijpen daarom iedere kans aan om het criterium van dubbele strafbaarheid te handhaven.

Collega Hazan roept de Raad terecht op toe te zien op de afschaffing van die dubbele strafbaarheid. Aanvankelijk vroeg ze zelfs een uitbreiding van de lijst van delicten; dat werd binnen de Commissie verworpen. Gezien de huidige signalen was dit ook absoluut niet opportuun. Beter is het de ontwikkelingen in de komende twee jaar goed te volgen. Beoordeling zal, naar ik verwacht, juist moeten leiden tot een inperking van de huidige lijst. Een rechtszekere uitbreiding van de lijst is alleen mogelijk, als alle genoemde delicten Europees gedefinieerd worden. Het is echter onwenselijk dat sluipenderwijs harmonisatie van strafrecht plaatsvindt via dit besluit.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley, namens de UEN-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik bedank de rapporteur voor haar werk op dit punt. Helaas lijkt de rapporteur in het nadeel te zijn, net als wij allemaal hier in het Parlement, want we hebben nog geen toegang tot de evaluatie van de Raad en de Commissie van de werking van het Europees aanhoudingsbevel.

We kunnen enkele dingen leren van de reeds opgedane ervaring. Aan de positieve kant is de vertraging sterk gedaald ten opzichte van het oude uitleveringsproces. De leden hebben het over 42 tot 90 dagen, maar enkele uitleveringsprocedures tussen lidstaten van de Europese Unie die in het verleden jaren zouden hebben geduurd, duren nu niet meer dan 42 dagen.

We moeten echter heel voorzichtig omgaan met de constitutionele rechten en fundamentele vrijheden. Enkele rechtbanken hebben een vraagteken geplaatst bij de werking van het Europees aanhoudingsbevel, hetzij bij de omzetting in internationaal recht door het gebruikte mechanisme, hetzij bij de manier waarop bepaalde rechtbanken de procedurele elementen van het aanhoudingsbevel hebben geïnterpreteerd.

Ongeacht een eventuele harmonisatie, is de idee van wederzijds respect, vertrouwen en begrip tussen de gerechtelijke autoriteiten de eerste stap naar de totstandkoming van een groter en meer omvattend gebied van justitiële samenwerking. Een van de problemen waarmee we geconfronteerd worden, is dat de lidstaten van de EU verschillende rechtssystemen hebben, die wetten en precedenten hebben opgebouwd. Dit heeft tot op zekere hoogte een nadelige invloed op de manier waarop we het beste met dit gebied kunnen omgaan. En dit is ook de reden waarom het een goed idee was om in de beginfase het aantal misdaadcategorieën tot 32 te beperken. Met de ervaring die we inmiddels hebben opgedaan, kunnen we deze categorieën nu echter nader bekijken.

Mijn laatste opmerking is dat we ons niet moeten overhaasten om al deze doelen op korte termijn te verwezenlijken. Laten we niet vergeten dat enkele landen het kaderbesluit pas in de afgelopen maanden hebben omgezet. We hebben meer tijd nodig om naar de evaluatie te kijken en om te zorgen voor een juiste werking.

Tot slot: in al ons werk op dit gebied moet fundamenteel respect voor de mensenrechten en vrijheden centraal staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (NI). – Voorzitter, geachte collega's, twee weken geleden is België andermaal de risée van heel de Europese Unie geworden, toen onze staatsveiligheid erin slaagde om een gevaarlijke terroriste van de Turkse terreurbeweging DHKP-C Fehriye Erdal te laten ontsnappen, zonder dat een minister zijn verantwoordelijkheid moest nemen. Het was een dag voor haar veroordeling tot vier jaar cel. In andere lidstaten staat de DHKP-C al lang gecatalogeerd als een gevaarlijke terreurgroep, echter niet zo in België, waar Erdal ongestoord onderdak en asiel kon krijgen.

Ik moet hier onwillekeurig aan denken, mijnheer de Voorzitter, nu wij de evolutie van het Europees aanhoudingsbevel evalueren. Willen wij evolueren naar uniforme regels en procedures om de grensoverschrijdende criminaliteit, maar ook het terrorisme efficiënt te bestrijden, onder meer met het Europees aanhoudingsbevel, dan kan ik uit dit soort flaters alleen maar afleiden dat de Europese Unie nog een zeer lange weg heeft af te leggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jaime Mayor Oreja (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de rapporteur, mevrouw Hazan, gelukwensen met een verslag dat ongetwijfeld nauwkeurig en zorgvuldig is.

Ik wil zeggen – en laten we dat nooit vergeten – dat we met de goedkeuring van het Europese aanhoudingsbevel destijds niet alleen het zoveelste juridische instrument omarmden, en zelfs niet alleen maar een verouderd uitleveringssysteem vervingen, maar dat die goedkeuring feitelijk een symbolische daad was, een reactie, die een nieuwe houding weerspiegelde.

Die goedkeuring was symbolisch met het oog op de dringende noodzaak om een Europese rechterlijke en politionele ruimte te creëren, zij was de reactie van Europa op de afschuwelijke aanslag van 11 september op de Twin Towers in New York. Tegelijkertijd weerspiegelde zij het politieke standpunt dat terrorisme actief moest worden bestreden, dat de kwestie van de veiligheid moest worden aangepakt door middel van een intern beleid van de Europese Unie, een van de belangrijke doelstellingen die we nadrukkelijk moeten nastreven.

Ik moet zeggen dat ik de gelegenheid had om dit bevel voor te leggen in de periode dat ik in de Ministerraad zat, en helaas werd het pas goedgekeurd toen de aanslag van 11 september had plaatsgevonden. Het is dan ook van fundamenteel belang dat we de toetsing van de dubbele strafbaarheid niet opnieuw invoeren, dat we een oplossing vinden voor de aspecten die onverenigbaar zijn met de verschillende grondwetten, en dat de nationale rechters geen extra instrumenten invoeren voordat een nieuwe aanslag ons dwingt dit zo belangrijke bevel in allerijl te wijzigen.

Er mogen derhalve geen obstakels of terughoudendheid bestaan op dit gebied. Een duidelijke bereidheid, dat is wat we nodig hebben, en verder wil ik u wijzen op de bijzonder belangrijke taak die een voormalige minister van Binnenlandse Zaken, Antoine Duquesne, vervuld heeft, die hier vandaag niet aanwezig is maar die een beslissende en cruciale rol heeft gespeeld door het mogelijk te maken dat het Europese aanhoudingsbevel nu het voornaamste punt van het debat van vanmiddag is.

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Lambrinidis (PSE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de minister, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, dames en heren, ook ik wil de rapporteur danken voor haar verslag. Het Europees aanhoudingsbevel op zich volstaat niet om een Europese ruimte van veiligheid, vrijheid en rechtvaardigheid te verwezenlijken. Het kan alleen correct worden gebruikt als we het wederzijdse vertrouwen tussen rechters sterk verbeteren, als we in strafrechtelijke procedures een minimum aan gemeenschappelijke regels toepassen, die de grondrechten van de verdachten garanderen, en als we de nationale wetgevingen ingrijpend harmoniseren.

Daarom vragen wij ook - als eerste stap - dat het kaderbesluit wordt goedgekeurd, samen met de amendementen van het Europees Parlement betreffende bepaalde procedurerechten in het kader van de strafrechtsbedeling in de Europese Unie. Wij hopen ook dat de toekomstige dienst voor de mensenrechten een fundamentele rol gaat spelen bij het beschermen en eerbiedigen van de mensenrechten en de persoonlijke vrijheden en bij het gebruik van het Europees aanhoudingsbevel.

 
  
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de bruikbaarheid van het Europees aanhoudingsbevel is, vooral voor de mensen in mijn kiesdistrict in Londen, geïllustreerd toen Hussein Osman, een verdachte van de bomaanslagen op 21 juli, binnen enkele weken in plaats van na jaren naar Groot-Brittannië terugkeerde om terecht te staan. Tweederde van de lidstaten heeft evenwel expliciete gronden voor weigering ingevoerd, te weten schending van de grondrechten. Voorzover het steekhoudend is, rechtvaardigt dit de welkome verandering van standpunt van het Oostenrijkse voorzitterschap naar het standpunt dat er overeenstemming moet zijn over de minimumnormen voor eerlijke rechtszaken.

We moeten echter meer investeren in het strafrechtssysteem, waartoe het Europees Parlement een jaar geleden heeft opgeroepen. Helaas geven veel belangrijke politici toe aan de verleiding rechters te bekritiseren vanwege uitspraken die hun niet aanstaan. Afgelopen jaar nog heeft de Britse premier, Tony Blair, opgeschept over de manier waarop hij het strafrechtssysteem had aangevallen. In plaats van dat we vraagtekens plaatsen bij de basisrechten, zoals het vermoeden van onschuld en de persoonlijke vrijheid, en we mogelijk meewerken aan foltervluchten en buitengewone uitleveringen, zouden we de normen moeten verhogen in plaats van ze te verlagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvia-Yvonne Kaufmann (GUE/NGL). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Gastinger, mijnheer de commissaris, vorig jaar juli heeft het Duitse Constitutionele Hof de uitvoeringswet voor het Europees aanhoudingsbevel in Duitsland nietig verklaard. Met recht heeft het Hof geëist dat de Duitse wetgever zijn volledige verantwoordelijkheid neemt bij de bescherming en eerbiediging van de burgerlijke grondrechten die door de Duitse grondwet worden gewaarborgd. Deze uitspraak is ongetwijfeld een klinkende oorveeg voor de Duitse wetgever.

Juist met het oog hierop is het voor mij gewoon onbegrijpelijk, mevrouw Gastinger, dat de Raad draalt met het kaderbesluit over procedurele rechten in strafprocedures en tot nu toe nog geen actie heeft ondernomen. Het is gewoonweg onacceptabel; juist met het oog op het Europees aanhoudingsbevel moeten de rechten van verdachten worden versterkt. Ik sluit mij aan bij de uitspraken van mijn collega’s over dit onderwerp.

Tot deze rechten hoort onder andere, dat de verdachte uiteraard in een taal die hij beheerst over zijn rechten wordt geïnformeerd; hij moet recht hebben op een tolk, en uiteraard moet worden gezorgd voor de vertaling van de documenten die voor een strafprocedure relevant zijn.

Mevrouw Gastinger, de Raad moet eindelijk tot actie overgaan. Dit is van essentieel belang, omdat de inwoners van de Europese Unie ervan opaan moeten kunnen dat hun rechten overal in Europa worden beschermd en gerespecteerd.

 
  
  

VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Ashley Mote (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de landen die gewend zijn aan het Romeinse en napoleontische recht, zullen moeten accepteren dat de staat hun leven beheerst, maar die idee is in het Verenigd Koninkrijk een gruwelgedachte. Waar ik vandaan kom, bestaat de staat niet op zichzelf staand, en is de zittende regering verantwoording schuldig aan ons, aan degenen die haar hebben gekozen.

Onze beveiligingen tegen pogingen van de staat zich te bemoeien met de vrijheden en rechten, zijn honderden jaren oud en worden beschermd door het gewoonterecht en het geschreven recht. Geen enkele Europeaan heeft het recht een Brits onderdaan zonder gedegen proces gevangen te houden en uit het Verenigd Koninkrijk weg te voeren. Dit houdt in dat elke Britse onderdaan wordt beschermd tegen opsluiting langer dan drie dagen, tenzij een rechtbank het bewijs heeft gehoord en anders beslist. Het betekent ook dat er geen overtreding is, tenzij die als zodanig bestaat in het Verenigd Koninkrijk: vreemdelingenhaat is bijvoorbeeld iets waarvoor men in het Verenigd Koninkrijk kan worden aangeklaagd. We kennen nog altijd het vermoeden van onschuld, de bescherming door juryrechtspraak en de vrijwaring van double jeopardy, ondanks de beschamende pogingen van het kabinet Blair zich te schikken naar dat wat de EU verkiest recht te noemen.

De mensen zouden in uw landen veel beter af zijn wanneer ze de rechten en vrijheden genoten die de Britten genieten. Leer die les, en misschien dat u dan de harten en geesten zult winnen. Iemand zou mevrouw Wallström moeten vertellen…

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE-DE).(PT) Mevrouw Gastinger, mijnheer Frattini, ik wil om te beginnen mevrouw Hazan gelukwensen met haar uitstekende verslag. Zoals de heer Mayor Oreja al heeft aangegeven, waren we heel tevreden met de instelling van een Europees aanhoudingsbevel. Dat was een innovatieve en buitengewoon doeltreffende stap bij de verbetering van de justitiële samenwerking en het opbouwen van wederzijds vertrouwen. Op deze wijze wordt gegarandeerd dat de burgers van de Unie overal dezelfde rechtsbescherming genieten. Het aanhoudingsbevel zal zo één van de belangrijkste instrumenten bij de bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad worden.

Er zijn nu bij deze eerste beoordeling helaas enige problemen geconstateerd die de integrale implementatie van dit instrument in de weg staan, en deze problemen hebben ertoe geleid dat het wederzijds vertrouwen is geschaad. Bij de omzetting in nationaal recht zijn er moeilijkheden ontstaan – in een aantal lidstaten is het constitutioneel hof zich met dit onderwerp gaan bezig houden. Er zijn bovendien praktische problemen ontstaan, met name bij de vertaling, de overdracht en het gebruik van de verschillende formulieren. En diverse lidstaten hebben duidelijk te kennen gegeven bepaalde elementen van de traditionele uitleveringsprocedure te willen behouden, zoals de toetsing van dubbele strafbaarheid of politieke inmenging in de gerechtelijke procedure.

Ik wil drie punten toelichten. Om te beginnen moet ik u erop wijzen dat het Ontwerpverdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa een vooruitgang betekent voor talloze aspecten van de justitiële en politiële samenwerking in Europa, en dan vooral door de slechting van de pijlers. Zoals de heer Demetriou heeft aangegeven moeten we al de ons ter beschikking staande middelen inzetten en dus ook gebruik maken van de passerelle van artikel 42 van het EU-Verdrag, die de lidstaten de mogelijkheid biedt te beslissen om het Europees aanhoudingsbevel bij de “eerste pijler” onder te brengen, teneinde democratische controle door het Europees Parlement en jurisdictionele controle door het Europees Hof van Justitie te garanderen.

Ten tweede is het zo dat we het noords aanhoudingsbevel moeten gebruiken als inspiratiebron voor een efficiënter Europees aanhoudingsbevel. Het noords aanhoudingsbevel heeft een aantal innovatieve aspecten – de regeling voor uitlevering is doeltreffender en de termijnen voor de procedure zijn korter.

Ten derde – en tot slot: het is, zoals de heer Frattini al heeft aangegeven van fundamenteel belang dat niet alleen het Europees Parlement, maar ook de nationale parlementen betrokken worden bij de nu volgende evaluaties van de vorderingen die er bij de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel zijn gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik sluit mij aan bij de felicitaties van de vorige sprekers aan het adres van de rapporteur.

In 2002 heeft de Europese Unie voorgesteld een nieuw mechanisme in te voeren in het kader van haar inspanningen ter bestrijding van de criminaliteit. Ik doel op het Europees aanhoudingsbevel. Nu, bijna vier jaar later, moeten we beoordelen in hoeverre het doeltreffend geïmplementeerd is en antwoord geven op de vraag wat er moet worden gedaan om het criminelen in Europa zo moeilijk mogelijk te maken. Staat u mij twee opmerkingen toe.

Om te beginnen is het betreurenswaardig dat het Europees aanhoudingsbevel volgens het huidige rechtsstelsel een instrument is van de derde pijler en niet onder de bevoegdheid valt van het Europees Parlement of het Europees Hof van Justitie. het is duidelijk dat daar verandering in moet komen. Er moet echter rekening worden gehouden met het feit dat de pijlerstructuur op grond van de Europese Grondwet zal verdwijnen en dat er instrumenten voor de rechtspraak zullen worden ontwikkeld. Daarnaast zullen meer procedures vallen onder de bevoegdheid van de Gemeenschap. Dat moet de Unie slagvaardiger en haar besluitvorming doorzichtiger en democratischer maken. In dit verband dient benadrukt te worden dat het onderdeel van het Grondwettelijk Verdrag waarin de betreffende methoden worden uiteengezet nooit op enig bezwaar is gestuit. Er is in de recente ratificatiecampagnes nooit bezwaar tegen gemaakt, hetgeen een goed voorteken is voor deze instelling.

Ten tweede: ondanks het behaalde succes bij de implementatie van het Europees aanhoudingsbevel was er in bepaalde landen sprake van juridische obstakels. Het Huis heeft kennis genomen van de situatie in Duitsland en in Cyprus. Ook kennen we het standpunt van België en Italië. Verder zijn er in mijn eigen land, Polen, problemen bij de implementatie van het Europees aanhoudingsbevel. Het is onderdeel geworden van het strafrecht en wordt als zodanig geïmplementeerd, maar in april 2005 oordeelde het Constitutioneel Hof dat het aanhoudingsbevel in strijd was met de grondwet. We kregen achttien maanden om een oplossing te vinden, en daarvan zijn er nog zeven over. Ik hoop maar dat Polen deze situatie op tijd zal oplossen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioannis Varvitsiotis (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, de twee hoofdpijlers in de Europese samenwerking op strafrechtelijk gebied zijn het beginsel van wederzijdse erkenning van vonnissen en de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten. Die twee beginselen vullen elkaar aan, maar zijn in de praktijk moeilijk uit te voeren. Dat zal veel tijd vergen.

Toch moet elke mogelijke inspanning worden geleverd om te komen tot een gemeenschappelijk strafrechtbeleid in de Europese Unie. Het Europees aanhoudingsbevel is een eerste belangrijke stap op weg naar wederzijdse erkenning van strafvonnissen en draagt bij tot het consolideren van een gemeenschappelijke rechtscultuur. Hoewel veel vooruitgang is geboekt met de procedure tot aanpassing van het Europees aanhoudingsbevel, resten er nog bepaalde problemen, die onder meer te maken hebben met de al dan niet volledige omzetting van het kaderbesluit in het nationale recht van de lidstaten en met de categorieën van misdrijven, waarvan de strafbaarheid niet wordt getoetst. Die problemen vereisen specifieke aandacht.

Ook wil ik de fungerend voorzitter van de Raad en Oostenrijks minister, mevrouw Gastinger, vragen waarom is gekozen voor deze lijst met 32 misdrijven en niet voor een eenvoudigere procedure, waarbij alle misdrijven waarop meer dan drie jaar gevangenisstraf staat onder deze regeling zouden vallen? Dat zou het werk van de nationale wetgevers en rechters sterk vereenvoudigen. Mevrouw de minister, ik ben er zeker van dat u dit probleem met de u kenmerkende bekwaamheid zult aanpakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte vice-voorzitter van de Commissie, geachte leden van het Europees Parlement, in mijn definitieve standpunt wil ik er gewoon nogmaals op wijzen dat we allemaal best wel trots mogen zijn op het Europees aanhoudingsbevel, ondanks de kritiek ten aanzien van een aantal punten die hier – geheel terecht – naar voren is gebracht. Het is immers de eerste stap in de Europese bestrijding van georganiseerde criminaliteit en terrorisme volgens het principe van de wederzijdse erkenning. Dit is een belangrijk feit dat we niet mogen vergeten.

Verschillende Parlementsleden hebben mij aangesproken over de minimale procedurele garanties in strafprocedures. Mijns inziens is dit een zeer belangrijk punt. De heer Watson, mevrouw Buitenweg, de heer Catania, de heer Lambrinidis, mevrouw Ludford en mevrouw Kaufmann hebben het thema ter sprake gebracht. Zoals u wellicht weet, is dit thema uitvoerig behandeld tijdens de informele zitting van de Raad op 13 en 14 januari 2006 in Wenen.

U weet wellicht ook dat dit kaderbesluit – ik zeg het maar gewoon zoals het is – momenteel op een dood spoor zit, iets wat wij in de Raad zeer betreuren. Want ik kan u verzekeren dat in de Raad wel degelijk de politieke wil bestaat om deze minimale procedurele garanties voor verdachten in strafprocedures in de een of andere vorm in een regeling op te nemen. Dit is een belangrijk politiek signaal dat wij willen afgeven.

Er is bij dit kaderbesluit echter ook sprake van problemen, omdat een aantal lidstaten twijfelt aan de wettelijke basis voor het uitvaardigen van een rechtsinstrument op Europees niveau. U kunt zich wellicht voorstellen dat dit nogal moeilijk valt te omzeilen. Bij nader inzien blijkt dat met name twijfels bestaan over de werkingssfeer en aanverwante onderwerpen die in deze discussie aan de orde komen. Namens het Oostenrijkse voorzitterschap kan ik u verzekeren dat het onderwerp hoog op de agenda staat, en dat we tijdens ons voorzitterschap echte vooruitgang willen boeken.

We mogen echter niet vergeten dat we juist bij de minimale procedurele garanties in strafprocedures ten opzichte van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens een meerwaarde moeten zien te bereiken – vooral ten opzichte van artikel 6 van dat Verdrag, omdat dit artikel onze gemeenschappelijke basis in Europa vormt die wij allen onderschrijven.

Wij zullen daarom tijdens ons voorzitterschap proberen om tot een oplossing te komen, zodat we daadwerkelijk vooruitgang kunnen boeken. Het belangrijkste is dat we uit de impasse raken waarin we ons nu bevinden.

Mevrouw Roure heeft een andere belangrijke kwestie naar voren gebracht, namelijk de vraag hoever we bij de andere instrumenten zijn. Het gaat haar in principe om de Europese bewijsvoering en de uitwisseling van informatie tussen justitiële autoriteiten. Met betrekking tot de Europese bewijsvoering kan ik u meedelen dat we in de Raad belangrijke vooruitgang hebben geboekt. Uiteraard zijn – het is hier meermalen ter sprake gekomen – ook de 32 delicten van de lijst weer onderwerp van discussie. Op die vraag zal ik nog terugkomen.

Ook dit is onderwerp van discussie, maar ik heb goede hoop dat we tijdens ons voorzitterschap flinke vooruitgang kunnen boeken. Misschien lukt het ons dit dossier af te sluiten. Als dit niet lukt, zullen we het Finse voorzitterschap in elk geval een dossier kunnen overhandigen dat zich al in een vergevorderd stadium bevindt.

Over het kaderbesluit over de (inhoud van de) uitwisseling van informatie uit strafregisters tussen lidstaten en het kaderbesluit over de bescherming van persoonsgebonden gegevens, die in het kader van de samenwerking van politie en justitie in strafzaken worden verwerkt, wordt op werkgroepniveau overlegd, en ook op dit vlak verwachten we vooruitgang te boeken.

De heer Varvitsiotis heeft gevraagd waarom we niet een gevangenisstraf van drie jaar als basis nemen in plaats van de lijst met 32 delicten. Zoals u wellicht weet, zijn juist die 32 delicten onderwerp geweest van lange en uitvoerige discussies in de Raad totdat er overeenstemming over werd bereikt. Het was een moeizaam proces, maar nu zijn we blij dat we deze lijst hebben. We mogen bij deze 32 delicten één ding niet vergeten: dat met de lijst is vastgelegd dat dit de gebieden zijn waarop we het principe van dubbele strafbaarheid niet extra toetsen. Dat is de achtergrond van deze lijst met 32 delicten. Op andere gebieden is uitlevering en toepassing van het Europees aanhoudingsbevel wel mogelijk. Hier wordt alleen gecontroleerd op dubbele strafbaarheid om gebruik te kunnen maken van het Europees aanhoudingsbevel.

Zoals ik eerder al zei, staan deze 32 delicten weer ter discussie bij het Europees bewijsverkrijgingsbevel omdat we natuurlijk weten dat sommige van deze delicten erg ruim zijn geformuleerd terwijl andere zeer nauw zijn omschreven. Als we er nu op terugkijken, is dit niet erg coherent, daarvan zijn we ons bewust. Toch zijn we blij met deze lijst, en op basis van de ervaringen die we inmiddels hebben opgedaan met het Europees aanhoudingsbevel zullen we de lijst bijwerken. Maar geeft u ons dan wel de tijd! We hebben tijd nodig om aan het eind van de rit een goede basis te hebben voor een nog betere samenwerking op dit terrein.

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, vice-voorzitter van de Commissie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, na dit interessante debat heb ik een paar overwegingen.

In de eerste plaats herinner ik eraan dat de controle op de omzetting van het Europees aanhoudingsbevel voort zal gaan en het Parlement heeft inmiddels onze evaluaties over alle lidstaten ter beschikking. Sedert januari hoort ook Italië daarbij met een extra verslag. In juni komt er een vervolgverslag.

Ik richt me thans tot de heer Watson om te zeggen dat de Commissie helaas niet in staat is inbreukprocedures te openen volgens het communautaire recht, want het betreft hier een instrument van de derde pijler. Het verheugt me bijzonder te horen wat een paar leden hebben gezegd over de mogelijkheid om een instrument dat zo belangrijk is in de strijd tegen terrorisme en criminaliteit, over te hevelen naar de eerste pijler. Daar zou ik het uiteraard mee eens zijn. Dit zou duidelijk leiden tot een nog efficiëntere en meer doelgerichte controle dan wij momenteel al hebben.

Wij zullen de klemtoon blijven leggen op de sterke en zwakke kanten van iedere omzettingswet. Dat zullen wij doen door in doorlopend contact te blijven met de nationale parlementen, mijnheer Coelho, omdat wij ons natuurlijk rekenschap moeten geven van de bestaande problemen die in een aantal lidstaten een volledige uitvoering van de procedure in de weg hebben gestaan; soms hebben die problemen te maken met de grondwet, soms ook houden ze verband met parlementaire vraagstukken. Naar mijn mening is dit trouwens een kwestie van respect van het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen.

Ter afsluiting van mijn betoog wil ik u zeggen dat dit Europese actieprogramma aangevuld zal moeten worden met een Europees bewijsverkrijgingsbevel. Ik heb het al eerder gezegd, maar ik bevestig het thans: het lijkt me vreemd dat wij in staat zijn gebleken een akkoord te bereiken om personen van het ene land naar het andere over te brengen, terwijl het ons niet lukt bewijzen over te dragen. Bewijzen zijn toch een veel minder belangrijk element waar het gaat om aantasting van de grondrechten en wederzijdse erkenning? Er bestaat voldoende vertrouwen om een gearresteerd persoon uit te leveren, maar wij kunnen het niet eens worden om een bewijs van het ene land naar het andere over te brengen.

Ik ben het eens met wat mevrouw Gastinger zegt over de noodzaak om echt een stap vooruit te zetten en ik hoop dat wij met het Oostenrijkse voorzitterschap tot een akkoord komen op de weinige punten waarover nog verschil van mening bestaat.

Ditzelfde geldt voor de procedurele rechten. Ik moet toegeven dat het Oostenrijkse voorzitterschap heel wat energie steekt in pogingen om een akkoord te bereiken, en het ziet er niet naar uit dat de rechtsgrondslag een obstakel vormt. Er zijn wel juridische argumenten, maar alle juridische argumenten lenen zich ervoor om besproken te worden.

Ik ben ervan overtuigd dat er een grondslag bestaat om een akkoord te vinden over een Europees initiatief inzake procesrechten. Dat zou een heel belangrijk politiek signaal zijn.

Ik weet dat het voorzitterschap zijn best doet. Even belangrijk zijn de inspanningen voor uitwisseling van informatie inzake strafregisters. In een dergelijke context moet de repressieve aanpak voortdurend tegenwicht krijgen in de vorm van versterking van de rechten en vrijheden. Op die manier krijgen wij een extra politieke troef in handen om de criminaliteit te bestrijden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag om 11.30 uur plaats.

 

17. Vragenuur (vragen aan de Raad)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vragenuur (B6-0013/2006).

Wij behandelen de volgende reeks vragen aan de Raad.

Eerste deel

Vraag nr. 1 van Eoin Ryan (H-0110/06):

Betreft: Ethiopische oppositiefiguren

Momenteel zitten 131 vooraanstaande oppositiefiguren, met inbegrip van 10 verkozen leden van het Ethiopische parlement alsook professoren, rechters en journalisten, in Ethiopië in de gevangenis.

Kan de Raad mededelen welke maatregelen hij heeft genomen om dit grove onrecht bij de Ethiopische regering aan te klagen, wetende dat deze gevangenhoudingen strijdig zijn met het internationale recht en dat de Europese Unie 's werelds grootste donor is van internationale steun aan Ethiopië?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, namens de Raad wil ik het volgend antwoord geven op de vraag van de heer Ryan over leden van de oppositie in Ethiopië.

De Raad volgt de situatie van gearresteerde oppositieleiders, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, uitgevers van kranten en journalisten op de voet. Na hun arrestatie heeft de Europese Unie op 6 november vorig jaar een verklaring afgelegd waarin ze haar bezorgdheid tot uitdrukking brengt en de autoriteiten oproept alle politieke gevangenen vrij te laten. Bovendien heeft de EU de onmiddellijke vrijlating geëist van alle gevangenen die niet in staat van beschuldiging zijn gesteld via een gewone procedure die aan bepaalde minimumnormen voldoet. Daarnaast eist zij dat alle gevangenen het recht moeten hebben bezoek te ontvangen van familie, het Rode Kruis en/of andere geschikte vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap. Een gezamenlijke verklaring van de ambassadeurs van de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika van 6 november 2005 in Addis Abeba bevatte een soortgelijke eis.

Sinds de arrestaties begin november 2005 hebben vertegenwoordigers van de Europese Unie de zaak van deze gevangenen regelmatig ter sprake gebracht bij de Ethiopische regering en ook direct bij premier Meles Zenawi in het kader van de politieke dialoog met Ethiopië conform artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou. De diplomatieke vertegenwoordigers van de Europese Unie in Addis Abeba zijn overeengekomen het respecteren van de mensenrechten en de rechtsstaat als centraal onderwerp in de politieke dialoog met Ethiopië ter sprake te brengen, samen met de eis dat alle gevangenen moeten worden vrijgelaten die na de politieke demonstraties van juni en november zijn gearresteerd, en dat familie en advocaten evenals humanitaire organisaties toegang tot de gevangenen moeten hebben.

Mag ik er bij deze gelegenheid op wijzen dat ik zelf deze onderwerpen heb aangesneden in gesprekken met Lord Triesman en de heer Hilary Benn, omdat we – zoals ik al zei – weten dat juist de stappen die tijdens het Britse voorzitterschap zijn genomen van groot belang waren en ik er uiteraard waarde aan hecht dat het proces wordt voortgezet.

Bovendien zijn de diplomatieke vertegenwoordigers overeengekomen druk uit te oefenen op de autoriteiten om familieleden te informeren over de verblijfplaats van gevangenen en gevangenen toegang tot rechtsbijstand en een menswaardige behandeling te geven.

Een andere prioriteit die onze speciale aandacht heeft, is te zorgen voor lokale en internationale waarnemers bij de processen tegen oppositieleiders en andere personen. We willen dat een waarnemer bij het proces tegen oppositieleider Hailu Shawel en andere personen aanwezig is en rapporteert aan de EU-vertegenwoordigers in Addis Abeba.

De Europese Unie zal deze kwesties onder de aandacht van de Ethiopische regering blijven brengen en de toestand van de gevangenen nauwgezet blijven volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Eoin Ryan (UEN). - (EN) Ik ben enigszins teleurgesteld over het antwoord op de vraag. Ons beleid inzake ontwikkelingshulp richt zich op goed bestuur en respect voor de mensenrechten, en daar lijkt hier zeker geen sprake van te zijn. We hebben tussen 2002 en 2005 ongeveer negenhonderd miljoen euro aan Ethiopië gegeven, maar we krijgen daar in dat land geen respect voor de mensenrechten voor terug. Er wordt veel gepraat, maar heel weinig gedaan.

Ik wil met name de zaak van Berhanu Nega, de gekozen burgemeester van Addis Abeba, onder de aandacht brengen. Wat gebeurt er met hem, en heeft de Raad deze zaak aangekaart?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) In antwoord op de aanvullende vraag: zoals de geachte afgevaardigde weet, en zoals we allemaal weten, is Ethiopië een van de armste landen in de wereld. Delen van het land, met name in het zuiden, hebben het zwaar; er is sprake van een voedseltekort, en we hebben de plicht de bevolking te helpen.

We vinden dat de ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking voor de armen van het land niet mogen worden gebruikt om druk op de regering uit te oefenen, en dat zij niet tot represailles tegen de bevolking mogen leiden. Daarom houdt de Europese Unie geen middelen voor ontwikkelingssamenwerking in, maar leidt zij de middelen via andere kanalen. Dat is een punt dat we in gedachten moeten houden.

We vragen ons dus af hoe we verder moeten. We verlagen momenteel het gedeelte van onze hulp dat direct naar de regering gaat, en we proberen manieren en methoden te vinden om deze middelen rechtstreeks naar de bevolking te leiden, waar het geld nodig is.

Op 13 en 14 maart is er in Parijs een conferentie waarop de toekomst van de ontwikkelingshulp aan Ethiopië zal worden besproken, en waarop nieuwe wegen zullen worden gezocht om de armen van Ethiopië rechtstreeks te helpen, zonder het geld direct aan de regering uit te keren.

Ik heb geen specifieke informatie over de zaak die de heer Ryan noemde; ik zal er zeker naar kijken en ik zal u het resultaat van onze navraag laten weten.

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Maria Gomes (PSE). - (EN) Waarom is Ethiopië een van de armste landen in de wereld, zoals u zei? Dat komt door de aard van het politieke regime; het regime vertrouwt het maatschappelijk middenveld zelfs nog niet toe de voedselhulp in goede banen te leiden, zoals ik heb kunnen zien toen ik hoofdwaarnemer bij de verkiezingen in Ethiopië was. Het komt ook doordat Ethiopië een land is waar 85 procent van de bevolking boer is: ze hebben het land niet in eigendom en ze worden daardoor niet gestimuleerd om te werken aan een grote oogst.

Is er tijdens de donorbijeenkomsten van gisteren en vandaag rekening gehouden met de conclusies van de waarnemingsmissie van de Europese Unie bij de verkiezingen, waarin is aangegeven dat de beginselen voor waarlijk democratische verkiezingen niet zijn gerespecteerd, en waarin de oorzaken van dit verzuim zijn genoemd? Waarom heeft de Raad de oproepen om een dialoog aan te gaan, die dit Parlement in drie resoluties heeft gedaan, genegeerd…

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Het spijt me, maar ik begrijp het laatste deel van uw vraag niet.

Zoals ik zei, zijn we ons terdege bewust van de politieke en sociale omstandigheden in het land. Ik kan u verzekeren dat we daar zeer goed rekening mee houden. Ik kan u ook verzekeren dat de conferentie die momenteel plaatsvindt, beschikt over alle informatie over de politieke, sociale, economische en financiële situatie in Ethiopië.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE). - (EN) Ik ben het met de Raad eens dat we de armen in Ethiopië niet de dupe mogen laten worden van de tekortkomingen van hun regering.

Hoe gaat de Raad het maatschappelijk middenveld steunen bij het brengen van hulp in Ethiopië? Het is duidelijk dat we geen middelen via de Ethiopische regering moeten leiden, maar we moeten de NGO's wel blijven aanmoedigen betrokken te blijven in Ethiopië. Ze hebben echter logistieke steun nodig om dit met succes te kunnen doen. Hoe gaat de Raad de NGO's in Ethiopië bijstaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Er zijn diverse manieren waarop de Raad kan optreden, en waarop hij dat ook doet. We zijn zeer geïnteresseerd in het democratiseringsproces in Ethiopië, en we willen dit proces steunen.

Ik wil graag kort enkele van de instrumenten noemen die we gebruiken. Een van deze instrumenten betreft de parlementaire procedures. We hebben kritisch naar deze procedures gekeken. We hebben een aantal onderzoeken laten verrichten en we willen het parlement helpen zijn parlementaire procedures te verbeteren, teneinde de kansen van de oppositiepartijen te vergroten en deze procedures op internationaal niveau te brengen. In dat verband proberen we ook programma's en projecten op te zetten om de parlementsleden te scholen.

We helpen door logistieke steun te geven voor de uitbreiding en de opzet van een parlementaire infrastructuur. Het parlement heeft, voorzover ik weet, geen voorzieningen voor de oppositiepartijen. Ze hebben geen technische communicatiemiddelen, dus we proberen samen met het Ontwikkelingsprogramma van de VN projecten op te zetten die op dit punt nuttig zijn.

We helpen de parlementariërs, met name die van de oppositiepartijen, ook om naar andere parlementen te reizen om ervaring op te doen, bijvoorbeeld naar de parlementen van India, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Zoals u waarschijnlijk weet, is het partijenlandschap in Ethiopië nog heel jong en zeer onderontwikkeld. We proberen de onervaren parlementariërs kennis te laten maken met traditionelere parlementen, zodat ze daarvan kunnen leren.

We helpen de nationale kiesraad hervormen. Dit is in mijn ogen een bijzonder interessant initiatief. Onze ambassadeurs in Ethiopië werken aan deze hervorming, teneinde te verzekeren dat de nationale kiesraad aan de internationale normen voldoet.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 2 van Cecilia Malmström (H-0148/06):

Betreft: Steun aan de Iraanse democratie

Het is heel onrustig op het vlak van de politieke ontwikkeling in Iran. De reactionaire en antidemocratische mullahs hebben hun macht versterkt dankzij de verkiezing van Mahmoud Ahmandinejad tot president. Het is momenteel van groot belang dat de internationale gemeenschap, de EU inbegrepen, de democratische krachten steunt die in Iran aan het werk zijn. De druk op de politieke machthebbers moet worden verhoogd, met name op het gebied van mensenrechten, economische steun aan terreurorganisaties en de ontwikkeling van kernwapens. Vorige week heeft de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken bekendgemaakt dat de regering ernaar streeft om een bijkomende 75 miljoen dollar vrij te maken om de democratie in Iran te steunen. Een groot deel van het geld wordt in radio en televisie ten behoeve van de Iraanse bevolking geïnvesteerd. Er worden tevens grote investeringen gedaan om het Iraanse volk via het Internet te bereiken. De VS neemt zich bovendien voor om verhoogde steun te bieden aan het radiostation FARDA, dat in Iran kritische berichten over het regime uitzendt.

Welke maatregelen wil het voorzitterschap binnen de EU nemen zodat onafhankelijke radio- en televisiestations en andere democratische krachten in Iran versterkt kunnen worden?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, de Raad is unaniem van mening – zoals ook blijkt uit de conclusies van de Raad van 7 november 2005 – dat het van belang is politieke hervormingen in Iran te ondersteunen en mensenrechten en democratie te bevorderen. Vanzelfsprekend is het de wens van de Europese Unie dat Iran zich ontwikkelt tot een maatschappij waarin de mensenrechten en de burgerlijke en politieke rechten volledig worden geëerbiedigd, waarin democratische waarden en vrijheid van meningsuiting zich kunnen ontwikkelen en waarin geen sprake is van discriminatie, maar van gelijke behandeling en gelijke kansen.

We beseffen echter dat voor het realiseren van deze doelstelling langdurige inzet en geduld noodzakelijk zijn. De Raad heeft in het verleden geprobeerd en zal ook in de toekomst proberen politieke hervormingen te ondersteunen, en wel door verschillende instanties en organisaties in Iran te steunen met inbegrip van Iraanse maatschappelijke organisaties. Met dit doel voor ogen heeft de Europese Unie de uitvoerige politieke dialoog nieuw leven ingeblazen, en we doen ons uiterste best een zinvolle, constructieve dialoog over mensenrechten op gang te brengen. De Europese Unie zoekt momenteel naar de beste manier om de politieke hervormingen en de democratie in Iran te ondersteunen. Gekeken wordt hoe de rol van de media en de democratische krachten versterkt kunnen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Cecilia Malmström (ALDE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Winkler, dank u hartelijk voor dit antwoord.

Helaas vindt er geen dialoog over de mensenrechten plaats in Iran. Er is niets gebeurd. Het aantal schendingen van de mensenrechten in Iran is op dit moment enorm. Iran heeft een regime dat de meeste mensenrechten schendt. Dat raakt een beetje op de achtergrond tijdens onze discussies over het uiteraard zeer belangrijke kernwapenprogramma.

Volgens mij is er een weldoordachte strategie nodig om de mensenrechtensituatie in Iran aan te pakken en ik vraag me af of we misschien gebruik kunnen maken van onze ervaringen uit de tijd dat we de Wit-Russische oppositie steunden door uitzendingen in het Wit-Russisch naar dat land te verzorgen. Ik vraag me af of dat een ervaring is waar we gebruik van kunnen maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mevrouw Malmström, we beseffen wel degelijk dat we niet alles in één keer voor elkaar kunnen krijgen, hoe graag we dat ook zouden willen. Toch zijn we van mening dat de dialoog het enige alternatief is; het afbreken van de dialoog, waarmee we de maatschappelijke organisaties zouden straffen, is beslist geen optie.

Het stelt ons absoluut teleur dat de dialoog over de mensenrechten sinds juni 2004 tot stilstand is gekomen. Daarom heeft de Raad Algemene Zaken Iran in november vorig jaar opgeroepen stappen te ondernemen om de inhoudelijke gesprekken in het kader van de dialoog te hervatten. Mevrouw Malmström, ik kan u melden dat Iran de afgelopen weken wel degelijk interesse heeft getoond om deze dialoog nieuw leven in te blazen. De Europese Unie stelt echter wel bepaalde voorwaarden, want een dialoog omwille van de dialoog is niet zinvol.

Als het ons lukt de randvoorwaarden zo te formuleren dat een zinvolle dialoog kan samengaan met steun aan maatschappelijke organisaties, zijn we zeker bereid de dialoog te hervatten. We hopen dat de hopelijk zinvolle dialoog al tijdens het Oostenrijkse voorzitterschap kan worden hervat.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bushill-Matthews (PPE-DE). - (EN) De vraag gaat specifiek over versterking van de democratische krachten in Iran. Een van de grotere democratische krachten in Iran wordt in het Engels de People’s Mujahedin genoemd. Deze People’s Mujahedin staat momenteel op de Europese lijst van terroristische bewegingen, vermoedelijk omdat de regering van Iran de beweging daarop heeft laten zetten.

Ik wil de fungerend voorzitter vragen te overwegen in de Raad te bespreken of deze anomalie snel kan worden rechtgezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Ik kan de geachte afgevaardigde verzekeren dat ik niet slechts zal overwegen het onder de aandacht van de Raad te brengen, maar dat ik het ook daadwerkelijk onder de aandacht van de Raad zal brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE). - (EN) Het antwoord van de Raad doet me genoegen, want megafoondiplomatie zal in het geval van Iran niet werken.

Toen George Bush zijn beroemde toespraak hield waarin hij zei dat Iran deel uitmaakt van de “as van het kwaad”, was Iran nog partner in het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens. Het is momenteel geen partner meer in dat Verdrag, deels omdat het zich door de rest van de wereld uitgesloten voelt. Wanneer je mensen als “het kwaad” bestempelt, zullen ze ook handelen alsof ze het kwaad zijn.

Kan de Raad ons verzekeren dat hij de dialoog met Iran zal voortzetten, en dat hij Iran zich zal doen openstellen voor een bredere discussie, zonder dat de Raad zich mengt in de interne politiek, en zonder dat de Raad afzonderlijke politieke partijen steunt, zoals enkele van mijn collega's hebben gesuggereerd? Wanneer de EU één politieke partij zou steunen, zou dat binnen Iran de dood voor die partij betekenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Ik bedank de geachte afgevaardigde voor de aanmoediging. We proberen momenteel een zinvolle dialoog te voeren, en we proberen niet op een zodanige manier te reageren, dat de deur wordt gesloten voor de mogelijkheid van een dialoog. Ik kan u verzekeren dat we hiermee door zullen gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 3 van Panagiotis Beglitis (H-0150/06):

Betreft: Besluit van de Israëlische regering tot aanleg van een tramlijn die het onwettige nederzettingengebied van Pisgat Ze'ev in Oost-Jeruzalem moet verbinden met het centrum van West-Jeruzalem

Onlangs besloot de Israëlische regering tot de aanleg van een tramlijn die het onwettige nederzettingengebied van Pisgat Ze'ev in Oost-Jeruzalem moet verbinden met het centrum van West-Jeruzalem. Dat besluit, dat onderdeel uitmaakt van de strategie van de facto annexatie van Palestijnse gebieden bij Israël, druist regelrecht in tegen de beginselen van het volkenrecht en met name het vierde Verdrag van Genève, en ook tegen de besluiten van de VN-Veiligheidsraad. Twee Franse particuliere firma's, Alstom en Connex, hebben zich nota bene al met de aanleg van het project ingelaten.

Welke actie denkt de Raad te ondernemen tegen de Israëlische autoriteiten, die ongehinderd het volkenrecht blijven overtreden?

Waarom maakt hij geen gebruik van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen EU en Israël om te zorgen dat er maatregelen worden genomen die een einde maken aan de onwettige nederzettingen?

Welke stappen gaat hij ondernemen tegen Frankrijk en de Franse regering, om te bereiken dat ondernemingen die zich met het project willen inlaten, het volkenrecht eerbiedigen?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de vraag van Panagiotis Beglitis als volgt beantwoorden.

De ondubbelzinnige houding van de Europese Unie jegens alle activiteiten van Israël in de Palestijnse gebieden en Oost-Jeruzalem die in strijd zijn met het volkenrecht, geldt nog steeds, en wordt regelmatig nadrukkelijk en duidelijk ter sprake gebracht op alle niveaus in de structurele politieke contacten tussen de Europese Unie en Israël. Als basis voor deze politieke lijn gebruikt de Europese Unie de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Israël, waarin dergelijke contacten zijn voorzien, en het Actieplan EU-Israël, dat begin 2005 in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid is overeengekomen. Deze houding is niet veranderd, zoals bleek bij de laatste twee gelegenheden waarbij het vredesproces en de situatie in het Midden-Oosten werden besproken, te weten de laatste Raad Algemene Zaken en de informele bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken, de zogenaamde Gymnich-bijeenkomst in Salzburg afgelopen weekeinde. De Europese Unie en de ministers van Buitenlandse Zaken staan nog steeds achter ons beleid van eerlijkheid en duidelijke taal, ook jegens Israël, als het activiteiten betreft die ons inziens indruisen tegen het volkenrecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Panagiotis Beglitis (PSE). (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de vertegenwoordiger van het Oostenrijkse voorzitterschap willen danken, maar tegelijk vind ik het jammer dat hij, als vertegenwoordiger van het voorzitterschap, zulk een bureaucratisch antwoord heeft gegeven op mijn vraag over een vraagstuk dat neerkomt op een schending van de beginselen van het internationaal recht en het Handvest van de Verenigde Naties.

Om eerlijk te zijn, mijnheer de minister, begrijp ik niet waarom de Europese Unie dubbele taal hanteert tegenover de Palestijnen en Israël. Ik zie geen enkele verklaring, geen enkele maatregel in verband met nederzettingen die blijven bestaan in bezet Palestijns gebied. Ik zie geen reactie van de Europese Unie op de verklaring van de Israëlische premier, de heer Olmert, dat hij tegen 2010 eenzijdig de grenzen van Israël zal bepalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Het spijt mij dat het geachte Parlementslid mijn antwoord bureaucratisch vond – dat was niet mijn bedoeling. Volgens mij was ik erg duidelijk. Ik heb gezegd dat de Raad zijn mening niet onder stoelen of banken steekt in al die gevallen waarin we vinden dat het volkenrecht wordt geschonden, ongeacht op welk niveau of in welke aangelegenheid.

Om slechts een aantal voorbeelden te noemen: we hebben duidelijk gemaakt dat de muur of afscheidingsmuur daar waar hij over Palestijns grondgebied loopt, indruist tegen het internationaal recht. Wij hebben bij herhaling forse kritiek geuit op de bouw van nieuwe nederzettingen en zullen dit blijven doen. Ik hoop dat u dat niet als bureaucratisch ervaart. We doen dit ook niet op een bureaucratische, maar op een zeer politieke manier.

 
  
MPphoto
 
 

  James Hugh Allister (NI). - (EN) De EU waardeert en bevordert grensoverschrijdende infrastructurele projecten op haar eigen grondgebied. Zou het dan niet onlogisch en verkeerd zijn wanneer de EU bezwaar zou maken tegen een dergelijk project in Israël, want betere communicatieverbindingen kunnen deze ongelijksoortige gebieden toch alleen maar cohesie en sociale en economische verbetering brengen?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (EN) Ik ben het met u eens dat we alle intermenselijke contacten en alle infrastructurele maatregelen die dergelijke contacten bevorderen, moeten aanmoedigen en steunen. Ze moeten echter wel in overeenstemming zijn met de erkende regels van het volkenrecht. Dat is precies het beleid van de Europese Unie. We moedigen de contacten en projecten aan die in overeenstemming zijn met het volkenrecht, en we leveren kritiek wanneer ze niet in overeenstemming zijn met het volkenrecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonas Sjöstedt (GUE/NGL). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, zoals in de vraag wordt benadrukt, dragen ondernemingen uit de EU bij aan infrastructurele projecten in bezet gebied. Het gaat om projecten die duidelijk in strijd zijn met internationaal recht en internationale humanitaire wetgeving. Dat geldt bijvoorbeeld voor de tramlijn naar de nederzettingen en de in aanleg zijnde nieuwe spoorweg naar Jeruzalem, die over de bezette westelijke Jordaanoever loopt. Het Franse bedrijf Connex is daarbij betrokken. Wat vindt de Raad ervan dat ondernemingen uit de EU deelnemen aan deze activiteiten die strijdig zijn met het volkenrecht?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) De vraag of de Europese Unie moet deelnemen aan ondernemingen kan ik beantwoorden, omdat dit niet een aangelegenheid is waar de Raad per definitie niet over gaat. Ik kan slechts herhalen wat ik al eerder heb gezegd, met excuses voor eventuele herhalingen. De Europese Unie ondersteunt uiteraard alleen projecten die verenigbaar zijn met het volkenrecht en die voldoen aan de regels. De meningen verschillen over wat verenigbaar is met het volkenrecht en wat niet, maar de Raad is in elk geval van mening dat we uiteraard alleen projecten steunen die verenigbaar zijn met het volkenrecht.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 4 van Reinhard Rack (H-0175/06):

Betreft: Bescherming van grondrechten

Hoe moet worden gewaarborgd dat versterking van de wederzijdse erkenning en vereenvoudiging van grensoverschrijdende procedures niet gepaard gaan met een vermindering van de bescherming van de grondrechten?

Welke bindende voorschriften zijn nodig om ervoor te zorgen dat bij grensoverschrijdende zaken procedurele minimumgaranties in acht worden genomen, vooral met het oog op de bescherming van de grondrechten?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, het gaat hier over de bescherming van de grondrechten en het net al besproken principe van de wederzijdse erkenning. De Raad heeft altijd heel duidelijk gezegd dat hij absoluut voorrang geeft aan het respecteren van de mensenrechten. We strijden bovendien heel actief voor het afschaffen van het martelen en van andere vormen van wrede, onmenselijke en mensonwaardige praktijken. Daarbij gaan we vooral uit van artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van de richtsnoeren ter zake.

Bovendien heeft de Raad er in de conclusies van het voorzitterschap ter voorbereiding van de Europese Raad in Tampere, die hier vandaag al is genoemd, op gewezen dat het principe van de wederzijdse erkenning een hoeksteen van de justitiële samenwerking zou moeten worden. De Raad is ook van mening dat de wederzijdse erkenning en een zekere harmonisering van de wettelijke bepalingen het voor Justitie heel wat makkelijker zouden maken om de rechten van het individu te beschermen.

In een mededeling van 26 juli 2000 aan de Raad en aan het Europees Parlement met de titel "Wederzijdse erkenning van definitieve oordelen in strafprocessen" heeft de Commissie verklaard dat we moeten garanderen dat dit principe van wederzijdse erkenning er niet toe mag leiden dat verdachten slechter worden behandeld, of dat de rechten van de verdediging worden ingeperkt, integendeel, dat zou juist beter moeten worden.

Dit is ook bevestigd in het door de Raad en de Commissie aangenomen programma met maatregelen voor het toepassen van het principe van wederzijdse erkenning van gerechtelijke oordelen in strafprocessen. De Commissie heeft op 28 april 2004 een voorstel gedaan voor een kaderbesluit van de Raad inzake bepaalde procesrechten in strafprocessen in de Europese Unie. Dat voorstel is op 3 mei 2005 aan de Raad voorgelegd. Tijdens de behandeling van het vorige punt op de agenda hebben we het daar al vrij uitvoerig over gehad.

Dit voorstel wordt op dit moment behandeld door de bevoegde werkgroepen van de Raad, en we proberen om onder ons voorzitterschap een grote stap te zetten. We willen alle verdachten en alle beklaagden meer rechten geven door in de hele Europese Unie hetzelfde niveau van bescherming te garanderen. De Raad wijst er bovendien op dat de lidstaten van de EU hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht na moeten komen. Ik denk daarbij met name aan het Europese Verdrag voor de rechten van de mens, dat wij tenslotte allemaal hebben getekend. Dat wordt ook bevestigd in artikel 6 van het EU-Verdrag.

Het feit dat het principe van de wederzijdse erkenning wordt toegepast in een zuiver justitiële procedure betekent bovendien dat de rechtsbescherming wordt gegarandeerd door onafhankelijke justitiële instanties, en dat is een groot voordeel. In dit verband mogen we ook niet vergeten dat in de rechtsinstrumenten die gebaseerd zijn op de wederzijdse erkenning meestal een algemene mensenrechtenclausule is opgenomen, waarin wordt bevestigd dat ze niets afdoen aan de verplichting om de grondrechten en de algemene principes van het recht te respecteren, op basis van artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

De Commissie heeft in juli 2005 ook een voorstel voor een verordening van de Raad voorgelegd inzake het oprichten van een Europees Agentschap voor de grondrechten. Dat wordt op dit moment door de bevoegde werkgroepen van de Raad behandeld en is een verdere stap op weg naar een doelmatig Europees beleid voor de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE). – (DE) Dank u wel voor dit complete antwoord, mevrouw de fungerend voorzitter. Ik heb nog een aanvullende vraag over de Europese Grondwet. In het tweede deel daarvan hebben we bepaald dat het resultaat van de werkzaamheden van de Conventie inzake de grondrechten, die indertijd bestond, de inhoud van artikel 6 van het huidige Verdrag eigenlijk zou moeten aanvullen en verdiepen. De Commissie en het Parlement hebben al gesproken over het in werking treden van deze tekst. Mogen we dit van de Raad ook verwachten? Zou dat de situatie al met al kunnen verbeteren?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Natuurlijk. Dat is dan ook een van de redenen waarom we betreuren dat het ontwerp voor een Europese Grondwet nog niet rechtsgeldig is. Een van de grote voordelen van de Europese Grondwet is volgens mij namelijk dat dit Handvest van de grondrechten daarin is opgenomen. We hebben vroeger heel uitvoerig gesproken over de minimale garanties voor een proces, en als we in onze Verdragen allemaal dezelfde rechtsgrondslag zouden hebben zou die discussie niet meer nodig zijn.

Dat is volgens mij een heel groot voordeel. Daarom is het ook zo belangrijk dat we de discussie op de ene of andere manier voortzetten. Ik ben optimistisch, en denk dat we er vroeger of later wel een oplossing voor vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 5 van Diamanto Manolakou (H-0193/06):

Betreft: Noodtoestand op de Filippijnen

Op de Filippijnen blijft, zogezegd wegens een poging tot staatsgreep tegen het bewind van president Gloria Arroyo, de noodtoestand gehandhaafd ondanks de verzekeringen en beloftes dat deze zou worden opgeheven. Er zijn steeds meer vervolgingen en arrestaties van leden van de democratische massabeweging, terwijl het leger documenten laat uitlekken om te bewijzen dat er wel degelijk plannen waren om de president omver te werpen.

Veroordeelt de Raad het opleggen van de noodtoestand, die door velen wordt bestempeld als een krijgswet met een andere naam waarbij fundamentele burgerlijke vrijheden worden opgeschort? Zal hij vragen dat de noodtoestand onmiddellijk wordt opgeheven en de democratische rechten hersteld worden?

Tweede deel

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, u weet ongetwijfeld dat de president van de Filippijnen op 24 februari jongstleden de nationale noodtoestand had uitgeroepen en dat zij die een week later, op 3 maart, weer heeft opgeheven. Het voorzitterschap van de EU had voor die tijd al overleg gepleegd met onze plaatselijke diplomatieke vertegenwoordigers in Manilla, en de EU-Trojka was van 28 februari tot 4 maart in Manilla om deel te nemen aan de vergadering van de steungroep van het regionale ASEAN-Forum voor vertrouwenwekkende maatregelen en preventieve diplomatie, die tussen de vergaderingen bijeenkomt. Samen hebben ze tijdens vergaderingen in het Filippijnse ministerie van Buitenlandse Zaken op 1 maart mondeling duidelijk gemaakt dat de Europese Unie zich zorgen maakt over de meest recente ontwikkelingen. Ze hebben bovendien een beroep gedaan op de regering van de Filippijnen om de rechtsstaat en het recht volledig te respecteren, het recht op een geordend proces en de mensenrechten te garanderen en de noodtoestand snel te beëindigen. Op 3 maart is die ook inderdaad opgeheven, daar had ik net al op gewezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Diamanto Manolakou (GUE/NGL).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de minister, ik dank u voor de informatie. Toch moet ik u zeggen dat de noodtoestand misschien wel is opgeheven, maar toch zitten vijf parlementsleden van de oppositie nu in de gevangenis. Dus wil ik u vragen wat u zult ondernemen met het oog op de onmiddellijke vrijlating van de gevangen parlementsleden, maar ook van de vakbondsmensen die nog steeds achter de tralies zitten?

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Ik kan de geachte afgevaardigden verzekeren dat de Europese Unie er regelmatig, altijd en telkens weer voor strijdt dat de relevante bepalingen en normen inzake de mensenrechten worden gerespecteerd. Dat doen we in deze gevallen, maar ook in andere gevallen waar de mensenrechten met voeten worden getreden, vooral ook als het gaat om volksvertegenwoordigers.

Zoals terecht is gezegd, gebeurt dat niet altijd in het openbaar, want dat leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Soms is stille diplomatie zinvoller. Het gebeurt echter wel degelijk, en het gebeurt regelmatig. Vaak wordt dit gedaan door de plaatselijke vertegenwoordigers van de Europese Unie, of ook door de Trojka, in gesprekken met hoge ambtenaren van de betrokken landen. Ik verzeker u nogmaals dat we de gevallen die u heeft genoemd natuurlijk niet vergeten, we werken daaraan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 6 van Agnes Schierhuber (H-0179/06):

Betreft: Rechtsgang voor consumenten

De verbetering van de rechtsgang, in het bijzonder voor consumenten, is een pijler van het Weense actieplan en de Raad van Tampere. Binnen het kader van de juridische samenwerking in civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken zijn inmiddels enkele stappen gezet om de rechtsgang in het buitenland te vergemakkelijken. Juist bij grensoverschrijdende rechtszaken bestaat echter behoefte aan eenvoudige snelle procedures opdat de EU-burger zijn recht kan halen.

Welke procedurele vereenvoudigingen kunnen de EU-burgers verwachten op dit gebied binnen afzienbare toekomst en welke verbeteringen vooral voor de rechtsgang van consumenten?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) De vraag van mevrouw Schierhuber gaat over de verbetering van de rechtsgang voor Europese consumenten. Ik zou daarop willen antwoorden dat de Raad zich op het gebied van de justitiële samenwerking in civielrechtelijke en handelsrechtelijke zaken op dit moment bezig houdt met het programma van Den Haag van 2004 en met het actieplan op basis daarvan uit 2005. Dat betekent ook dat we nieuwe procedures willen creëren om ervoor te zorgen dat de burgers van de EU bij grensoverschrijdende conflicten makkelijker en sneller een oordeel van een rechter kunnen verkrijgen.

Daarvoor hebben we twee verordeningen nodig: de eerste gaat over het invoeren van de Europese procedure inzake betalingsbevelen, en de tweede over het invoeren van een Europese procedure voor geringe vorderingen. Aangezien beide procedures op een verordening gebaseerd zijn speelt ook het Parlement in de medebeslissingsprocedure een grote rol.

Met deze verordeningen creëren we nieuwe procedurele mogelijkheden waardoor vooral ook de rechten van de consument in heel Europa worden versterkt. Als een consument na een grensoverschrijdende aankoop met een rechtszaak wordt geconfronteerd moet hij gebruik kunnen maken van de diensten van de instellingen die zorgen voor de justitiële samenwerking tussen de gerechtelijke instanties van de lidstaten.

Deze twee nieuwe procedures zijn dus een aanvulling op de instrumenten die we tot nu toe hebben voor de justitiële samenwerking op dit vlak. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de vereenvoudigde gerechtelijke bewijsverkrijging en aan de minimumnormen voor een verzoek om rechtsbijstand. Op die manier verbeteren we de rechtsbescherming in de Europese Unie nog verder.

Door de verordening voor een Europese betalingsbevelprocedure kunnen de Europese burgers in de toekomst met behulp van een bevel, waartegen de schuldenaar misschien helemaal geen bezwaar aantekent, bij de rechtbank een aanvraag indienen voor het uitvaardigen van een Europees betalingsbevel. Als de schuldenaar daartegen geen bezwaar aantekent is dit betalingsbevel rechtsgeldig en kan dus ook worden uitgevoerd. Voor de schuldeiser is het dan makkelijker om dit bevel vervolgens in de lidstaten uit te voeren.

Na het positieve advies van het Europees Parlement van december 2005 heeft de Raad van ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken tijdens zijn laatste vergadering op 21 februari 2006 al een politiek akkoord weten te bereiken over deze verordening voor een Europese procedure inzake betalingsbevelen. Het is de bedoeling dat de verordening na de revisie ervan door de linguisten-juristen in april 2006 als A-punt in eerste lezing door de Raad wordt vastgesteld. We gaan ervan uit dat de verordening zelf dan over twee jaar in werking treedt.

Met behulp van een Europese procedure voor geringe vorderingen – en dat is het tweede punt, een essentieel punt – willen we ervoor zorgen dat geringe vorderingen makkelijker en sneller grensoverschrijdend kunnen worden gehonoreerd. De procedure voor geringe vorderingen is in principe bedoeld als schriftelijke procedure waarin een gerechtelijk oordeel wordt geveld voor claims van maximaal 2 000 euro. Om de procedure daadwerkelijk te versnellen gelden er voor alle etappes in de procedure termijnen, en daar moeten niet alleen de rechtbanken, maar ook de procesdeelnemers zich aan houden.

Als het om een hoger bedrag gaat bepaalt de rechtbank zelf aan de hand van de merites van de zaak met welke middelen de instructie plaats zal vinden, en hoever men daarbij gaat. Voor de instructie kan ook gebruik worden gemaakt van de moderne communicatiemiddelen, zoals een videoconferentie, maar natuurlijk slechts voorzover dat in de betrokken lidstaten in een dergelijke procedure is toegestaan. We zijn van plan om tijdens ons voorzitterschap intensief door te werken aan de verordening inzake een Europese procedure voor geringe vorderingen, en hopen dat we de zaak af kunnen ronden.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE). – (DE) Ik dank u voor dit antwoord, mevrouw de fungerend voorzitter. U heeft het gehad over deze procedure voor geringe vorderingen en ook over de grensoverschrijdende bescherming voor beide partijen. Mijn aanvullende vraag luidt: hoe zullen de Europese consumenten te horen krijgen dat ze in de toekomst van deze rechtsbescherming kunnen profiteren?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, in het algemeen kan ik zeggen dat de Europese burger allerlei mogelijkheden heeft om informatie te verkrijgen. Vooral de gerechtelijke atlas van de Europese Commissie, die op internet voor iedereen beschikbaar is, is bijzonder waardevol. Hier vindt u namelijk zonder moeite welke rechtbanken voor welke rechtszaken verantwoordelijk zijn, overal in Europa. Dat is een uitstekende zaak.

We willen er natuurlijk voor zorgen dat we onze burgers zoveel mogelijk informatie ter beschikking kunnen stellen, juist als het gaat om de toegang tot het recht, maar het is ook belangrijk dat we die informatie snel toegankelijk maken. Daarom is het volgens ons absoluut noodzakelijk dat de verschillende instellingen die hierbij betrokken zijn, heel goed, heel snel en heel efficiënt met elkaar samenwerken. Dat is heel belangrijk. Volgens mij moeten de rechtbanken in de lidstaten beslist een heel actief informatiebeleid voeren. Op die manier krijgen de burgers de informatie die ze nodig hebben. De rechtspraak kan in Europa alleen maar goed functioneren wanneer de burger weet tot wie hij zich moet richten.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, de consumenten maken al meer gebruik van de nieuwe mogelijkheden op internet, met name van e-commerce. Houdt u zich bezig met het verbeteren van de rechtsbescherming? Mogen we ervan uitgaan dat er snel resultaten zullen worden bereikt?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) In het algemeen heeft u zeker gelijk, geachte afgevaardigde. De e-commerce zal in Europa zeker een hoge vlucht nemen. Zoals u weet bestaan er nu al regelgevende instrumenten die ook al de consumentenbescherming omvatten, vooral op het gebied van de elektronische handel. We weten namelijk dat er daarbij heel vaak kan worden gefraudeerd. Ik weet ook dat sommige leveranciers in de e-commerce al met een keurmerk of iets dergelijks werken, dat is hun aanpak van het probleem. Ik ga ervan uit dat ook wij ons in de toekomst met deze instrumenten bezig zullen moeten houden, maar dat is niet primair een taak voor de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, maar voor de Raad Mededinging.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, ook ik geloof dat we op de interne markt moeten kunnen beschikken over een functionerende rechtspraak en vooral een functionerende wetshandhaving. Ik wil echter graag weten wat er voor de kosten is voorzien. De wetshandhaving brengt tenslotte altijd kosten met zich mee. Komt er een geharmoniseerde Europese regeling voor deze kwestie, of blijft het eigenlijk bij de individuele regelingen van de lidstaten?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, u legt de vinger op de wonde, en dat was natuurlijk ook één van de hoofdpunten tijdens de discussie over de verordening inzake de Europese procedure voor geringe vorderingen. In die procedure is het eigenlijk niet verplicht om gebruik te maken van de diensten van een advocaat. Dat leidt natuurlijk tot een belangrijke vraag naar de kosten, vooral ook in verband met de vergoeding van de proceskosten, die in de lidstaten verschillend geregeld is.

We hebben met name voor de rechtsbijstand al rechtsmiddelen ontwikkeld, en die worden ook al omgezet. Wat de tweede kwestie betreft zullen we zeker nog moeten nadenken over de nodige instrumenten. Ik heb vastgesteld dat mijn deskundigen tijdens de vergaderingen van de werkgroepen van de Raad hier vaak over discussiëren. We zullen er ongetwijfeld in slagen om ook in verband met de Europese procedure voor geringe vorderingen hiervoor een oplossing te vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 7 van Sarah Ludford (H-1113/05):

Betreft: Kaderbesluit racisme en vreemdelingenhaat

Is het Oostenrijkse voorzitterschap voornemens te streven naar overeenstemming in de Raad over een kaderbesluit tot bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat, dat door de Commissie in 2001 is voorgesteld en dat door het Parlement krachtig wordt gesteund?

Hoe is het, gezien het verontrustende beeld dat in verslagen van het Europees Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat in Wenen wordt gegeven van de omvang van de racistische misdaad in Europa en het gebrek aan actie daartegen, mogelijk dat de Raad geen voorrang geeft aan deze wetgeving voor een pan-Europese aanpak om misdadig gedrag wegens rassenhaat onwettig te maken?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, ook dit onderwerp ligt zeer gevoelig. Zoals u weet had de Commissie op 29 november 2001 een voorstel gedaan voor een kaderbesluit ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat. De Raad heeft zich er intensief mee bezig gehouden, maar desondanks konden de lidstaten het er in februari 2003 niet over eens worden.

Daarna heeft de Italiaanse delegatie in maart 2003 een alternatief voorstel op tafel gelegd, maar ook dat kon de goedkeuring van de delegaties niet wegdragen. Op 24 februari 2005 heeft de Raad daarom zijn werkgroep inzake materieel strafrecht gevraagd om de behandeling van het voorstel voor een kaderbesluit weer voort te zetten. Daarmee is die groep op basis van de stand van zaken van 2003 weer begonnen. De Raad heeft dit kaderbesluit tijdens zijn vergadering op 2 en 3 juni 2005 opnieuw behandeld, en vastgesteld dat er geen basis bestaat voor een consensus tussen de lidstaten. Dat was natuurlijk een bittere pil, vooral voor de lidstaten die altijd voor dit kaderbesluit hebben gepleit.

Gezien deze voorgeschiedenis is het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad van mening dat het op dit moment niet veel zin heeft om de onderhandelingen over dit kaderbesluit weer op te pakken. Het voorzitterschap wil dit belangrijke dossier, en vooral ook de politieke boodschap die er achter zit, echter niet gewoon in een la stoppen. Daarom hebben we ook in overleg met de Europese Commissie en met het Europees Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat besloten om nog tijdens ons voorzitterschap een seminar over dit onderwerp te organiseren. We verwachten ongeveer honderd deelnemers. Dit seminar zal van 20 tot 22 juni 2006 in Wenen plaatsvinden. We zullen meerdere kwesties bespreken die verband houden met dit voorstel.

U kunt zich ongetwijfeld voorstellen dat we voor een dilemma staan, net als bij de discussie die we onlangs hebben gevoerd over de spotprenten. Aan de ene kant hebben we onze politieke overtuiging, we willen racisme en vreemdelingenhaat vastberaden bestrijden, maar aan de andere kant hebben we vrijheid van meningsuiting. Dat is een groot dilemma, en we moeten de juiste keuzes maken om verder te komen. Dat is ook precies wat tijdens het seminar zal worden besproken.

We stellen voor om per lidstaat, per toetredingskandidaat en per kandidaatland twee vertegenwoordigers uit te nodigen voor dit seminar. Bovendien willen we NGO´s uitnodigen die over specifieke kennis beschikken, vertegenwoordigers van de Raad van Europa, van het Bureau van de OVSE voor democratische instellingen en mensenrechten, het Netwerk van onafhankelijke deskundigen voor grondrechten en de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie. We zullen natuurlijk ook vertegenwoordigers van het Europees Parlement uitnodigen. U krijgt eind maart een officiële uitnodiging voor dit seminar, zodra het programma definitief is vastgelegd.

Zoals ik al heb gezegd in mijn antwoord op vraag 4 over de bescherming van de grondrechten heeft de Europese Raad in december 2003 besloten om een Europees Agentschap voor de grondrechten in het leven te roepen, en dat is in december 2004 nog eens bevestigd. De ad-hocwerkgroep van de Raad voor grondrechten en burgerschap van de Unie behandelt op dit moment het voorstel voor een verordening dat de Europese Commissie in juni 2005 heeft voorgelegd. Het is de bedoeling dat het Agentschap op 1 januari 2007 met zijn werkzaamheden begint. We weten dat het een zeer krap schema is, maar we hopen dat het ons zal lukken.

Het Oostenrijkse voorzitterschap hecht heel veel belang aan dit onderwerp, en we hopen dat we de onderhandelingen kunnen afsluiten, zodat het Agentschap daadwerkelijk op tijd aan de slag kan.

 
  
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford (ALDE). - (EN) Er zijn enkele moeilijke kwesties, zoals de ontkenning van de holocaust en de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, maar het is een schandaal dat er in 2006 nog geen Europees antwoord is op het alarmerende en toenemende probleem van het racistische geweld. Het moet toch mogelijk zijn om in de EU tot overeenstemming te komen over het kernvraagstuk van de preventie van dagelijks racisme en haat, waar veel van onze burgers en inwoners onder lijden.

Enkele landen, zoals Griekenland, Italië en Polen, registreren aanvallen wegens rassenhaat momenteel niet eens. Noemt u alstublieft de lidstaten bij naam die proberen de overeenstemming over dit kaderbesluit tegen te houden, en die tijdens uw voorzitterschap een serieuze poging ondernemen om misdadig gedrag wegens rassenhaat buiten de wet te stellen. Gebruik uw invloed!

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Ik kan volledig onderschrijven wat u net heeft gezegd. Het voorzitterschap heeft er natuurlijk alle belang bij dat we ook hier een duidelijk politiek geluid laten horen. We gaan ervan uit dat we met dit seminar het debat weer wat zakelijker kunnen maken. We hopen dat we met de hulp van deskundigen, van veel deskundigen, een resultaat kunnen bereiken waardoor we in de toekomst een evenwicht kunnen vinden tussen twee gezamenlijke ambities: enerzijds willen we racisme en vreemdelingenhaat efficiënt bestrijden, anderzijds willen we de vrijheid van meningsuiting daardoor natuurlijk niet beknotten. We willen in ieder geval een grote stap naar voren zetten, en hopen dat het onder het Finse voorzitterschap dan mogelijk zal zijn om op basis van ons voorbereidend werk een nieuwe poging te wagen om dit dossier af te sluiten, of er tenminste weer over te onderhandelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manolis Mavrommatis (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de minister, racisme en vreemdelingenhaat hebben zelfs de sport en het voetbal besmet. U bent beslist op de hoogte van de verschillende incidenten gericht tegen gekleurde sportlui en voetballers tijdens vele evenementen en wedstrijden – vooral voetbalwedstrijden – in Engeland, Spanje, Frankrijk en andere landen. Wil het Oostenrijkse voorzitterschap Duitsland aanbevelen maatregelen te treffen tegen racisme en vreemdelingenhaat tijdens het wereldkampioenschap komende zomer? En hoe zult u het aanpakken, zolang u nog het voorzitterschap bekleedt?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) We gaan ervan uit dat Duitsland een rechtsstaat is, en dat we het aan de Duitse overheid over kunnen laten om de nodige maatregelen te nemen om racisme en vreemdelingenhaat tijdens het voetbalkampioenschap tegen te gaan. Ik ben ervan overtuigd dat Duitsland daartoe in staat is.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Mijn vraag, vraag 8, gaat ook over vreemdelingenhaat. Ministers geven hier heel lange antwoorden. Is het, als teken van hoffelijkheid naar de afgevaardigden, niet mogelijk om vragen samen te nemen wanneer ze op hetzelfde onderwerp betrekking hebben?

Ik kom hier elke maand vragen indienen, maar we komen nooit aan mijn vragen toe. We komen slechts aan een zeer klein aantal vragen toe, en er worden antwoorden toegestaan waar geen eind aan komt. De volgende vraag uit mijn naam betreft het probleem van de vreemdelingenhaat. Ik begrijp niet waarom deze vraag niet samen met vraag 7 is beantwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  Bill Newton Dunn (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik heb een organisatorisch punt. De minister van Justitie van Oostenrijk is helemaal hiernaartoe gekomen. Er is ons gevraagd vragen aan haar in te dienen. We moesten tot maart wachten. Enkele van deze vragen zijn al in december ingediend, maar we hebben geduldig drie maanden gewacht om haar de vragen te kunnen stellen. Nu mag ze precies twee vragen in drie maanden beantwoorden!

Het ligt niet aan haar. We zijn blij dat ze is gekomen. Dank u wel voor uw komst, minister. Maar wilt u Voorzitter Borrell alstublieft laten weten dat dit een mislukking is. Het werkt niet. Het is geen goed systeem wanneer een minister komt en in drie maanden slechts twee vragen beantwoordt.

 
  
  

VOORZITTER: SYLVIA-YVONNE KAUFMANN
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 8 van Gay Mitchell (H-0138/06):

Betreft: Vreemdelingenhaat in de EU

Heeft de Raad een coherent actieplan ten aanzien van de toenemende vreemdelingenhaat die in de gehele EU wordt ervaren, met name jegens burgers uit EU-lidstaten die leven en werken als minderheden in andere EU-lidstaten?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik heb de vragen 7 en 8 van Sarah Ludford en Gay Mitchell eigenlijk samen beantwoord, maar ik ben natuurlijk graag bereid om aanvullende vragen te beantwoorden.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Vreemdelingenhaat en racisme zijn vaak merkbaar bij sportwedstrijden. Zou de fungerend voorzitter als onderdeel van het plan willen overwegen sport te gebruiken als manier om de vreemdelingenhaat te bestrijden? Eikels worden bomen.

De Crumlin United Football Club in mijn kiesdistrict is een club voor jongeren; Robbie Keane komt ervandaan. Deze club organiseert elk jaar een weekend met een sportfestival waarop niet alleen mensen samen sporten, maar ook culturele uitwisselingen plaatsvinden. Zou de fungerend voorzitter van de Raad willen overwegen in de hele Europese Unie een weekend in te stellen waarin vergelijkbare sportieve en culturele uitwisselingen plaatsvinden, zodat we sport kunnen gebruiken om vreemdelingenhaat te bestrijden?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Gastinger, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigde, ik vind dat in principe een goed idee. Ook ik ben namelijk van mening dat we er samen voor moeten zorgen dat racisme en vreemdelingenhaat in Europa geen voet aan de grond krijgen. Ik geloof ook dat we met sport bruggen kunnen bouwen, omdat vooral jongeren, die onze toekomst zijn, maar ook volwassenen, zich daar samen lichamelijk uit kunnen leven, en dat daarna kunnen verbinden met andere gezamenlijke activiteiten.

Volgens mij is er in dit verband niet alleen voor de sport maar zeker ook voor de cultuur een rol weggelegd. Dat houdt hier weliswaar niet direct verband mee, maar we moeten proberen om op allerlei verschillende gebieden bruggen te bouwen. Racisme en vreemdelingenhaat zijn vaak verbonden met vooroordelen. Vooroordelen ontstaan meestal als iemand een andere cultuur niet kent, omdat we vaak bang zijn voor alles wat we niet kennen. Angst leidt dan weer tot negatieve gevoelens, en dat kan natuurlijk leiden tot racisme en vreemdelingenhaat. Daarom steunen we alles wat ertoe kan leiden dat we elkaar beter leren kennen, de andere cultuur beter leren kennen, om op die manier de vreemdelingenhaat te kunnen overwinnen.

U heeft een concrete vraag gesteld aan mij als minister van Justitie, en wel of het EU-Verdrag de Raad wel de nodige bevoegdheid geeft. Ik denk dat dit in ieder geval een belangrijke politieke boodschap is, die we samen uit moeten dragen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u wel voor dit commentaar. We zullen met het voorzitterschap van de Raad bespreken hoe we dat de volgende keer aanpakken, zodat iedereen tevreden is.

 
  
MPphoto
 
 

  Claude Moraes (PSE). - (EN) Een organisatorisch punt: ik weet niet zeker of de boodschap is overgekomen. Het Oostenrijkse voorzitterschap heeft ervoor gekozen de regeling voor de beantwoording van vragen aan de Raad te wijzigen. Dat betekent dat veel mensen die hier op de lijst staan, waaronder ikzelf, drie maanden hebben moeten wachten. De heer Newton Dunn heeft dit al opgemerkt.

We hebben drie maanden gewacht. De minister is bijzonder vriendelijk geweest. Het ligt niet aan haar dat het voorzitterschap heeft besloten de regeling te wijzigen. De minister is ongelooflijk vriendelijk geweest door een extra vraag te beantwoorden. Dat heb ik nog nooit meegemaakt.

Kunt u dit besluit nu echter nog eens bekijken en terugkomen op de oude regeling? De huidige regeling werkt gewoon niet. We hebben serieuze vragen ingediend over radicalisering en andere kwesties, die nu na drie maanden nog steeds niet zijn beantwoord. Wilt u alstublieft overwegen terug te komen op de oude regeling?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur met vragen aan de Raad is beëindigd.

 

18. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het volgende punt is her vragenuur met vragen aan de Commissie (B6-0013/2006).

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Carnero González (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, vergeeft u mij dat het vragenuur voor vragen aan de Commissie door mijn toedoen iets later begint, maar ik moet zeggen dat het lot van een van de vragen die ik voor deze zitting had ingediend, mij bevreemd zo niet verbijsterd heeft.

Terwijl mij vorige week nog werd meegedeeld dat mijn vraag over de handhaving of wijziging van het besluit om het aantal vertalers in het Spaans bij de Europese Commissie te beperken tijdens dit vragenuur als derde vraag zou worden beantwoord, ontving ik gisteravond een bericht dat de Voorzitter van het Parlement mijn vraag niet-ontvankelijk had verklaard.

Vandaag heb ik een schrijven gekregen van de adjunct-secretaris-generaal, de heer Harald Rømer, waarin hij mij uitlegt dat die beslissing is ingegeven door het feit dat een soortgelijke vraag van mij in februari jongstleden al mondeling beantwoord is.

De heer Rømer heeft hoogstwaarschijnlijk alleen de titel van mijn vraag gelezen, die hetzelfde is, maar de tekst heeft hij niet gelezen. De tekst van mijn vraag in februari is absoluut niet dezelfde als die van mijn vraag voor deze maand; laat iemand mij bijvoorbeeld maar eens aantonen wanneer de Commissie gezegd heeft of zij het aantal vertalers van de Spaanse vertaaldienst voor het eind van het jaar zal terugbrengen tot 67, of hoe zij een besluit van deze aard gaat verdedigen op de aanstaande Top EU-Latijns-Amerika in Wenen.

Ik ben het niet eens met deze verklaring van niet-ontvankelijkheid. Ik denk dat mijn rechten van parlementslid worden geschonden en ik eis dat mijn vraag wordt beantwoord, zo niet in dit vragenuur dan wel volgende maand.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u wel, geachte collega. Ik zal het doorgeven aan de heer Rømer van het Secretariaat-generaal. Daar is dit besluit genomen. Ik wil u echter ook nog eens wijzen op ons Reglement. In punt 3 van bijlage II staat hoe artikel 109 over het vragenuur moet worden toegepast. Daarin staat dat een vraag niet wordt aanvaard indien in de periode van drie maanden, voorafgaande aan het tijdstip waarop de vraag is gesteld, dezelfde of een soortgelijke vraag al is gesteld. Het is duidelijk dat dit de basis was voor dit besluit. Dat is wat ik u daarover nu al kan vertellen. Ik zal uw opmerking echter hoe dan ook doorspelen.

Eerste deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 44 van Bill Newton Dunn (H-0134/06):

Betreft: Budget voor het Trans Crime-project

Het door de Commissie voor het Trans Crime-project uitgetrokken budget is slechts toereikend voor de EU-15. Zou het, omdat de meeste grootschalig georganiseerde misdaad afkomstig is van buiten de EU - in het Oosten en het Zuidoosten - wellicht aan te bevelen zijn het budget voor het project te verhogen zodat alle 25 EU-landen eraan kunnen deelnemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, vice-voorzitter van de Commissie. - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, met deze vraag wordt een belangrijk probleem aan de orde gesteld. Het heeft betrekking op de financiering van een project dat voor ons essentieel is, namelijk een onderzoeksproject op het vlak van criminaliteit.

Om technische redenen is het niet mogelijk om, zoals de geachte afgevaardigde vraagt, het budget hiervoor te verhogen. Het project dateert van 2004 en zal binnenkort, in 2006, ten einde lopen. Wel is het mogelijk om in het kader van het programma seminars te organiseren inzake de activiteiten en onderzoeken van de nieuwe lidstaten, wat de geachte afgevaardigde zelf ook wenselijk acht.

Daarnaast bestaat er nog een ander programma dat door de Commissie wordt gefinancierd. Dit programma geldt voor alle lidstaten, dus ook de nieuwe lidstaten, en het is gericht op het verzamelen van statistische gegevens en informatie over vijf typen ernstige misdrijven: corruptie, fraude, verboden handel in cultuurgoederen, namaak en piraterij, alsook seksuele uitbuiting van kinderen en pornografie. Deze thema’s worden in het project behandeld met betrekking tot alle lidstaten van de Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Bill Newton Dunn (ALDE). - (EN) Ik bedank de commissaris hiervoor. Ik denk dat we op dezelfde golflengte zitten, en hij weet dat. We hadden eigenlijk hetzelfde doel.

Dus dank u wel voor deze informatie, commissaris. Ik wil alleen nog vragen wanneer u verwacht dat de resultaten beschikbaar zullen zijn. Wanneer is het programma gereed, zodat er ook echt geharmoniseerde statistische gegevens zullen worden verzameld in de EU?

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, Vice-voorzitter van de Commissie. - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, het huidige project zal in april 2006 aflopen, dus over een paar weken. Het volgende project is al van start gegaan en zal in de loop van dit jaar afgerond worden. Wij kunnen dus stellen dat wij nog dit jaar de beschikking krijgen over geactualiseerde statistische gegevens, zowel voor de landen die vóór 2004 lidstaat waren, als, tegen het einde van het jaar, voor alle andere lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 45 van Cristobal Montoro Romero (H-0157/06):

Betreft: De toestand van de Europese economie

Maakt de Commissie zich zorgen over stijgende rentes, juist nu de inflatie in Europa geen tekenen van versnelling vertoont?

Welke gevolgen zou volgens haar deze stijging hebben voor het beginnend herstel van de Europese economie en de werkgelegenheid in de eurozone?

Tweede deel

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) De vraag betreft het beleid inzake de rentetarieven en het monetaire beleid.

Namens de Commissie moet ik zeggen dat de verantwoordelijkheid voor het monetaire beleid, en daarmee voor besluiten tot wijziging van de rentetarieven, geheel bij de Europese Centrale Bank ligt. De onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank is vastgelegd in het Verdrag. Het voornaamste doel van de Europese Centrale Bank is de prijsstabiliteit in de eurozone te bewaren door ervoor te zorgen dat de verwachte inflatie op de middellange en lange termijn in de eurozone stevig verankerd blijft op een niveau dat het beste tegemoet komt aan het handhaven van prijsstabiliteit. De Europese Centrale Bank ondersteunt de economische groei en het scheppen van banen in de eurozone. Het huidige niveau van de rentetarieven in het hele vervalspectrum blijft historisch gezien laag, zowel in nominaal als in reëel opzicht.

Wat betreft het laatste deel van de vraag over de economische vooruitzichten: de Commissie heeft in haar laatste tussentijdse prognoses aangegeven dat zij verwacht dat de economische groei in 2006 in de eurozone zal stijgen naar 1,9 tot 2 procent. Dit ligt dicht in de buurt van de schattingen van het potentiële groeitempo van de eurozone. De Commissie is evenwel voorzichtig en levert geen commentaar op het beleid van de Europese Centrale Bank, aangezien dit beleid uitsluitend de verantwoordelijkheid van de Bank is.

 
  
MPphoto
 
 

  Cristobál Montoro Romero (PPE-DE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, het getuigt niet van onvoorzichtigheid of van een gebrek aan eerbied jegens de instellingen als we de besluiten van die instellingen aan politieke evaluaties onderwerpen, zoals in het geval van de Europese Centrale Bank. Op een moment van geringe economische groei en van gebrek aan werkgelegenheid in de Europese Unie heeft de Europese Centrale Bank besloten de rentevoeten te verhogen, een verhoging die voor miljoenen Spanjaarden, voor miljoenen Europese burgers, voor miljoenen kleine bedrijven in heel Europa en voor miljoenen gezinnen die een hypotheek hebben, verontrustende gevolgen begint te krijgen.

Daarom zei ik u, commissaris, dat ik de Commissie oproep om ook een politiek standpunt in te nemen, uiteraard met het nodige respect voor de Europese Centrale Bank.

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) De politieke boodschap is dat de Europese Centrale Bank een zeer onafhankelijk orgaan is, zoals is bepaald in het Verdrag. Als econoom en voormalig president van de centrale bank van Estland zou ik in detail over dit onderwerp kunnen uitweiden. Ik kan slechts zeggen dat de monetaire beleidsdoelen van Europa zijn gebaseerd op de bestrijding van de inflatie, wat van groot sociaal belang is. Bijstelling van het monetaire beleid is in dit kader een heel verfijnd mechanisme.

Iedereen die geld leent, wil een zo laag mogelijke rente. Deze rentetarieven zijn momenteel in Europa heel laag. Dit is niet schadelijk voor de economische groei. Ik kan slechts als econoom spreken. Het standpunt van de Commissie is dat het beleid inzake de rentetarieven in de handen van de Europese Centrale Bank blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, het rentebeleid heeft natuurlijk ook grote gevolgen voor de staatsschuld. Wat is volgens u de relatie tussen het rentebeleid en het Stabiliteits- en groeipact?

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) In het verleden hebben regeringen en centrale banken verschillende, soms radicale maatregelen getroffen. In de Verenigde Staten zijn de rentetarieven bijvoorbeeld plotseling verhoogd naar 17 procent, en is de additionele geldhoeveelheid daarna werkelijk omlaag gebracht. In dit stadium is de verandering in het rentetarief bij de Centrale Bank echter heel bescheiden. De wijziging is in overeenstemming met de prognoses, de economische overwegingen en de vooruitzichten. We bemoeien ons niet met dit beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). - (EN) Commissaris, volgend jaar treden drie staten toe tot de eurozone, te weten, Slovenië, Litouwen en Estland. Wat voor effect zal het op de rentetarieven en de inflatie in Europa hebben als deze drie kleine economieën inderdaad tot de eurozone toetreden? Zijn er tekenen van een wijziging?

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Wat betreft eventuele wijzigingen wanneer deze landen toetreden tot de eurozone, kent u allemaal de situatie, en weet u allemaal dat in het Verdrag van Maastricht heel strenge criteria zijn vastgesteld. Ik kan dit onderwerp slechts als econoom bespreken. Als burger van een van deze landen ben ik natuurlijk voor uitbreiding van de eurozone. Landen met een goed financieel beleid zullen de eurozone beslist versterken. Het zou ook uitbreiding voor de euro en de invloed van de euro in de wereld betekenen. Deze landen hebben een stabiel begrotingsbeleid, dus ze zullen de geloofwaardigheid van de euro vergroten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 46 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0100/06):

Betreft: Onderwijs- en opleidingsprogramma's en de Europese identiteit

Er staat een nieuwe serie programma's op stapel (Cultuur 2010, Levenslang leren 2007-2013, Onderwijs en opleiding 2010 en Jeugd in actie 2007-2013). Met welke concrete acties, maatregelen ter vereenvoudiging van de procedures en eliminatie van bureaucratie wil de Commissie de nieuwe onderwijs- en opleidingsmogelijkheden gebruiken voor de geestelijke en wetenschappelijke ontwikkeling van jongeren en voor de verwerving van kennis en beroepskwalificaties, en tegelijktijdig bij hen het gevoel te versterken dat zij tot Europa behoren, teneinde ze een bijdrage te laten leveren aan het economische, maatschappelijke en politieke leven van de EU?

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. - (EN) De vraag betreft de vereenvoudiging van en een gebruikersvriendelijkere ruimte voor onderwijsmobiliteit en onderwijsprogramma's verband houdend met jeugd, cultuur en burgerschap.

Zoals u weet, zijn in 2004 het voorstel voor het onderwijs en de nieuwe generatie programma's op het gebied van levenslang leren, jeugd en cultuur voor de periode 2007-2013 vastgesteld. We zijn nog bezig met de voorbereidingen, want de programma's zijn nog niet helemaal vastgesteld, maar ze zullen de bestaande programma's vervangen en ze zullen ook bijdragen tot duidelijkere en eenvoudigere voorwaarden voor de gebruikers. De nieuwe programma's zullen, wanneer ze eenmaal volledig zijn vastgesteld, individuele mensen de kans geven meer te profiteren van een werkelijk gemeenschappelijk Europees mobiliteitsgebied. Hopelijk zullen er voldoende middelen beschikbaar zijn. Deze programma's zullen instellingen op het gebied van onderwijs, opleiding en cultuur de mogelijkheid bieden om hun samenwerking te verbeteren. In dit verband is de vereenvoudiging van de administratieve en financiële procedures zeer belangrijk. Uit opeenvolgende evaluaties en grootschalige raadplegingen van het publiek is naar voren gekomen dat de huidige programma's werkelijk baat zouden hebben bij vereenvoudiging. Daarvoor zijn echter op verschillende vlakken inspanningen nodig, zowel op het niveau van de administratieve regelingen voor de programma's zelf als op het niveau van het Financieel Reglement en zijn uitvoeringsregels.

Op programmaniveau wordt voorgesteld het aantal programma's op het gebied van onderwijs en opleiding te verlagen door Erasmus, Leonardo da Vinci, Comenius en Grundtvig onder één paraplu te brengen: een geïntegreerd programma voor levenslang leren. De nieuwe programma's, vooral die op het gebied van jeugd, cultuur en burgerschap, zullen zo worden opgezet, dat de toegang voor de potentiële begunstigden wordt vereenvoudigd. Het nieuwe programma Cultuur 2007 heeft bijvoorbeeld een opener en toegankelijker structuur, met drie hoofddoelstellingen, in plaats van de vroegere acht doelstellingen. Het is dus gemakkelijker de essentie van het programma te begrijpen, vooral omdat het programma een niet-sectorale aanpak heeft waarin elke speler zich welkom kan voelen, en omdat het zich specifiek richt op een divers publiek van begunstigden.

De Commissie beoogt voorts de betrokken aanvraag- en rapportageregelingen te vereenvoudigen en natuurlijk de selectieprocedure te versnellen. We hebben in het ontwerpbesluit bepalingen van die strekking opgenomen. In de lopende medebeslissingsprocedure voor de goedkeuring van de programmabesluiten heeft zowel het Parlement als de Raad zich geschaard achter de doelstelling van de Commissie om te komen tot een maximale vereenvoudiging, niet slechts van de vorm van de programma-acties, maar ook van de administratieve en financiële eisen, en tot het vinden van het juiste evenwicht tussen enerzijds flexibiliteit en gebruiksgemak en anderzijds een duidelijk doel en passende financiële en procedurele beveiligingen.

Voor het Financieel Reglement heeft de Commissie een reeks wijzigingen voorgesteld die momenteel door het Parlement worden bestudeerd. Deze wijzigingen zullen onder meer het evenredigheidsbeginsel introduceren. Dit betekent dat de administratieve en verantwoordingseisen evenredig moeten zijn met de hoogte van de subsidie. Op het punt van de uitvoeringsregels is al vooruitgang geboekt, want de Commissie heeft in juli 2005 de gedetailleerde regels voor de tenuitvoerlegging van Financieel Reglement nr. 1 gewijzigd, wat onder meer heeft geleid tot de volgende verbeteringen in de vorm van vereenvoudigde procedures.

Op de eerste plaats is de eis van een externe audit ter onderbouwing van betalingen nu uitsluitend verplicht voor tussentijdse betalingen of betalingen voor het saldo, wanneer het een subsidiebedrag betreft dat hoger is dan 750 000 euro voor acties, of hoger dan 100 000 euro voor exploitatiesubsidies. De tweede wijziging houdt in dat de grens voor vaste bedragen is verhoogd van 5 000 euro naar 10 000 euro. Tevens zijn nu meerdere vaste bedragen binnen één subsidie mogelijk, en kan de Commissie ook toestemming geven tot het gebruik van vaste bedragen als deze niet in het basisbesluit zijn gespecificeerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de commissaris, ik dank u van harte voor uw volledige en informatieve antwoord. Ik ben erg tevreden over de vereenvoudigingsmaatregelen die u heeft voorgesteld. Moeten we er echter van uitgaan dat die vereenvoudiging ook zal gelden voor de financiering van deze programma’s? De burgers zijn bang dat die programma’s niet even gul zullen worden gesteund als in het verleden. Is hun vrees gegrond?

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. (SK) Hartelijk dank voor uw aanvullende vraag. Ik heb met enorm veel belangstelling geluisterd — al zij het via een uitzending — naar de toespraak van de president van de Bondsrepubliek Duitsland, die vol enthousiasme sprak over onderwijs, jongeren en het Erasmus-programma. Dat is mijns inziens een passende houding voor een staatshoofd en Europees burger die gelooft dat wij door onderwijs en mobiliteit een stuk verder kunnen komen op economisch, sociaal, cultureel en politiek gebied. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de nieuwe programma`s voor vrijwilligersgroepen en jongeren op onderwijs- en cultuurgebied vanuit zowel kwantitatief als kwalitatief oogpunt verbeterd moeten worden, aangezien zij van wezenlijk belang zijn voor de afzonderlijke burgers en de Gemeenschap in haar geheel. De situatie is thans voornamelijk in handen van de partners die zich buigen over de financiële vooruitzichten, maar ik denk dat wij op het juiste moment een boodschap uitdragen naar het land dat het voorzitterschap waarneemt, het Parlement, de Raad en de gehele uitgebreide Europese Unie. Ik ben u met name dankbaar voor uw niet-aflatende steun betreffende de Europese onderwijsprogramma’s. Dat is broodnodig.

 
  
MPphoto
 
 

  Josu Ortuondo Larrea (ALDE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, we hebben het nu over integratie en over het gevoel bij Europa te behoren, en een paar minuten geleden hadden we het over racisme en vreemdelingenhaat. Ik denk dat deze onderwerpen gemeenschappelijke elementen bevatten. Een paar maanden geleden heb ik Canada bezocht en gezien dat daar een bijzonder volledig programma bestaat voor de integratie van immigranten en hun gezinnen.

Ik zou de Commissie willen vragen of zij in dit verband voornemens is een integratieprogramma voor jonge immigranten op te zetten, zodat ook wij erin slagen om racisme en vreemdelingenhaat terug te dringen, want deze nieuwe Europese burgers hebben immers ook het gevoel bij onze samenleving te horen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. - (EN) Ik weet zeker dat ook het gebruik van onderwijs als instrument tegen racisme en vreemdelingenhaat, en voor sociale insluiting en integratie, sterk wordt ervaren als een dringende, gemeenschappelijke taak. Een geïntegreerd, vrij en democratisch Europa kan alleen zijn gebaseerd op geïntegreerde, vrije, democratische samenlevingen. De lidstaten, hun regeringen, hun openbare instanties in de bredere zin en de Europese instellingen worden dus uitgenodigd dergelijke instrumenten te steunen.

Enkele van de programma's worden al daarvoor gebruikt. Het Europees Jeugd Pact, dat vorig jaar is vastgesteld, is een van de speciale instrumenten voor integratie en biedt antwoorden voor de jeugd van Europa, voor jongeren in de verschillende landen die met veel problemen kampen of die in een kwetsbare positie verkeren. Sociale insluiting is een van de belangrijkste onderdelen van sociaal beleid. Ik wil niet namens mijn collega's spreken, maar er wordt rekening gehouden met deze vraagstukken, en ze worden bevorderd via verschillende programma's in onze portefeuilles.

Op basis van samenhangend beleid op Europees en nationaal niveau kan meer worden gedaan. Het gaat om een doorlopende zaak, die niet alleen moet worden opgelost via onderwijs, maar ook via sport, cultuur en de interculturele dialoog. Dit zijn bijzonder nuttige en doelmatige instrumenten om sociale insluiting en integratie te bevorderen en om problemen zoals geweld, hooliganisme, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, net als alle andere leden van de Commissie, heeft de commissaris het over vereenvoudiging, en er is inderdaad veel kritiek op die ingewikkelde Europese procedures. Kan hij mij misschien een paar concrete voorbeelden geven van wat er nu vereenvoudigd wordt, van wat er nu beter wordt? Ten tweede wil ik graag weten of bekend is hoeveel het beheer van de programma´s daadwerkelijk gaat kosten, en hoeveel geld er via deze programma´s bij de burgers terecht zal komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. - (EN) Ik heb Erasmus genoemd omdat de Duitse president dat voorbeeld heeft gebruikt. Volgens mij noemde hij het programma terecht, want het is waarschijnlijk het bekendste en populairste programma. Er zijn al 1,4 miljoen Erasmus-alumni sinds 1987. De programma's zijn van grote invloed voor individuele mensen en samenlevingen. Mensen halen veel uit deze programma's, en er is steeds meer vraag naar. Ik heb mijn dank geuit voor de steun in het Parlement voor deze programma's, omdat ze effect hebben. De toekomst van Europa zou zonder deze programma's veel onzekerder zijn.

De programma's hebben ook op andere gebieden effect: Erasmus was de stuwende kracht voor het proces van Bologna, dat voor elke student, elke hoogleraar en elke universiteit in Europa van grote invloed is.

Ik heb enkele van de voorstellen genoemd die al zijn opgenomen in de uitvoeringsregels die door de Commissie zijn vastgesteld. De Commissie heeft meer dan honderd wijzigingen in het Financieel Reglement voorgesteld. Het is nu uw beurt om te beslissen en het Reglement te verbeteren. Vanaf januari 2006 hebben we een nieuw uitvoerend agentschap dat alle individuele gevallen en alle individuele projecten behandelt, en dat nauw samenwerkt met de nationale agentschappen. Dit gecentraliseerde systeem voor de uitvoering van onze programma's is een redelijk instrument. De nationale agentschappen werken in de lidstaten in concrete nationale talen. Zij staan veel dichter bij de burgers, zodat ze de gebruikers van de programma's de best mogelijk dienstverlening kunnen bieden.

Misschien kunnen we in de toekomst, wanneer we het Financieel Reglement zelf bespreken, nader ingaan op de details. Er liggen enkele concrete maatregelen en voorstellen voor de manier waarop het leven kan worden vereenvoudigd voor de gebruikers van kleine subsidies, in tegenstelling tot de miljoenen die worden besteed aan infrastructuur of onderzoeksprojecten.

We willen ook meer geld steken in bijvoorbeeld Erasmus of programma's voor levenslang leren. We zijn namelijk van mening dat 125 euro per persoon per maand geen substantiële Europese steun is, gelet op de werkelijke kosten van het dagelijks leven in onze landen. ‘Meer’ betekent dus ook meer in de sociale dimensie. Dit geld geeft vaak de doorslag voor degenen die een Europese beurs nodig hebben om in het buitenland te kunnen studeren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 47 van Maria Badia i Cutchet (H-0132/06):

Betreft: Plan ter bevordering van de ondernemingsgeest in het onderwijs

In het door de Commissie opgestelde plan ter bevordering van de ondernemingsgeest van het lager onderwijs tot de universiteit wordt gewezen op de noodzaak van grotere economische groei en initiatiefzin in het bedrijfsleven, teneinde het Europese sociale model op peil te houden. Ik ben het daar helemaal mee eens, maar vraag me toch af of dit niet het risico inhoudt dat het onderwijs onderworpen wordt aan de logica van de concurrentie en de markt. Ik acht het voor het Europese sociale model en de persoonlijke zelfontplooiing van essentieel belang dat het onderwijs een middel blijft om vrije, zelfstandige burgers te vormen met een goed inzichtsvermogen.

Ondanks een aantal goede praktijken waar wij ongetwijfeld van kunnen leren, bijvoorbeeld het bevorderen van programma's voor beroepsstages in bedrijven, en zonder dat zulks ten detrimente mag gaan van ondernemingsgerichte studies, mag het te zeer op mercantilistische leest geschoeide Noord-Amerikaanse onderwijsmodel niet ons referentiemodel worden.

Is de Commissie niet van oordeel dat wij er ons in het belang van de toekomst van het onderwijs als pijler van het burgerschap ook op moeten toeleggen de onderwijsprogramma's van de lidstaten te herzien, teneinde het onderwijs te verbeteren, inclusief op humanistisch en cultureel gebied?

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. (SK) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, het actieplan dat bekendstaat als de Europese agenda voor ondernemerschap is goedgekeurd in 2004. In het kader van dit plan zijn voor de huidige periode vijf strategische beleidsterreinen vastgesteld voor de Europese agenda voor ondernemerschap. De eerste beleidsacties zijn gericht op het stimuleren van de ondernemingszin onder jongeren. Onlangs, op 13 februari, heeft de Europese Commissie als onderdeel van het actieplan een mededeling aangenomen met als titel “De ondernemingszin bevorderen door onderwijs en leren”. In deze tekst formuleert zij een reeks aanbevelingen voor de lidstaten, aangezien de Europese Unie op dit gebied geen macht en geen bevoegdheden bezit.

Doel is om de rol van het onderwijs bij de totstandkoming van een sterkere ondernemingscultuur in Europa en de Europese bedrijven te bevorderen. Het onderwijs moet de ondernemingszin van jongeren aanscherpen en nieuwe toekomstmogelijkheden openen. Het moet tevens bijdragen aan de ontwikkeling van basisvaardigheden op het gebied van ondernemerschap. Een van de doelstellingen van de mededeling is te waarborgen dat jonge mensen worden voorbereid op hun toekomstige leven en met name op hun toekomstige beroepsleven. De Commissie is van oordeel dat de voordelen van het ondernemerschap en het onderwijs op het gebied van ondernemerschap niet enkel gemeten mogen worden aan de hand van het aantal nieuwe ondernemingen of innoverende bedrijven en het aantal nieuwe banen. Ondernemerschap is bovenal een kerncompetentie waar iedereen baat bij heeft, aangezien het jonge mensen helpt om creatiever te zijn, meer initiatief te nemen, meer in zichzelf te geloven en op een meer sociaal verantwoorde manier te werken en beslissingen te nemen, ongeacht de sector waarin zij werkzaam zijn.

Vanuit dit perspectief en gelet op het geheel van competenties dat is vastgesteld binnen het Programma voor onderwijs en beroepsopleiding 2010 is het ondernemerschap een van de elementen die vervat zijn in het referentiekader van acht essentiële kerncompetenties voor levenslang leren. Wij zijn van oordeel dat deze kerncompetenties van cruciaal belang zijn voor zelfontplooiing, sociale integratie, actief burgerschap en inzetbaarheid. Bovendien omvatten zij ook een burgerlijke, culturele en educatieve dimensie. Zoals blijkt uit de mededeling is de Commissie van oordeel dat het bevorderen van de ondernemingszin door onderwijs en leren volledig coherent en verenigbaar is met de doelstellingen van zowel de Commissie als de afgevaardigden van het Europees Parlement, inclusief de vraagstelster, mevrouw Maria Badia i Cutchet, inzake het verbeteren van het algemeen onderwijs en het waarborgen dat de Europese burgers in de toekomst vrij en onafhankelijk zullen blijven en over betere ontwikkelingsvoorwaarden zullen kunnen beschikken.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Badia i Cutchet (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dank u voor uw woorden, die mij beslist een beetje gerust hebben gesteld, want als je deze mededeling leest, bekruipt je de vrees dat we het onderwijs misschien al te zeer onderwerpen aan de eisen van de concurrentie en de markt.

Ik heb op het ogenblik veel contact met studenten en ik ben ervan overtuigd dat sommigen onder hen in de toekomst ondernemer willen worden, maar misschien zijn vele anderen in heel andere zaken geïnteresseerd, bijvoorbeeld in cultuur of in mensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. - (EN) Ik weet zeker dat we niet allemaal zakenmensen zijn. Evenmin zullen al onze kinderen zakenmensen zijn. Het is echter belangrijk dat we wel begrijpen hoe bedrijven werken. We - en met “we” bedoel ik ook de lidstaten, omdat er sterke consensus is over de belangrijkste competenties, zoals initiatiefzin in het bedrijfsleven - zijn van mening dat het gaat om het vermogen de complexiteit te begrijpen, het vermogen initiatieven te nemen, initiatieven om te zetten in actie en persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen.

Dit is niet alleen goed voor werkgevers, maar ook voor werknemers: werknemers die actief en creatief zijn, zijn goede werknemers voor elke serieuze onderneming. Daarom vinden we ook dat deze competenties van groot nut zijn voor alle mensen en de hele maatschappij, en dat het niet alleen gaat om het voortbrengen en afleveren van ondernemingen en zakenmensen. Het gaat om een mentaliteit die in een veranderende omgeving, in een omgeving die een dieper begrip vraagt van invloeden en hun dynamiek, verder ontwikkeld moet worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de commissaris, in principe is het een goede zaak dat de Europese Commissie initiatieven neemt om de ondernemingsgeest te bevorderen, bijvoorbeeld met het programma voor concurrentievermogen en innovatie, maar ook hier. Werkgelegenheid kan tenslotte alleen maar ontstaan waar iets wordt aangeboden wat ook gekocht wordt. Is het volgens u denkbaar dat de Commissie ervoor zorgt dat deze initiatieven aan een wat groter publiek worden voorgesteld, misschien ook door mevrouw Wallström?

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. - (EN) Dit zou moeten worden bestreken door een communicatie– of promotiebeleid van collega’s zowel in de Commissie als in dit Huis, want Europa is geneigd zijn potentieel met dat van allerlei andere partners te vergelijken.

Ik denk dat we het potentieel wel hebben. De meeste obstakels en belemmeringen komen echter van onze regels, dat wil zeggen, van de manier waarop we onze economieën en samenlevingen organiseren, of van onze mentaliteit. Daarom steun ik volmondig de opmerking van de heer Rübig dat dit basisconcept, te weten de belangrijkste competenties zoals onderricht in ondernemerschap, onderricht in cultuur, cultureel bewustzijn, burgerschap en natuurlijk talen, wiskunde, natuurwetenschappen, digitale geletterdheid en leren leren, belangrijk is voor iedereen.

Levenslang leren is en moet zijn gebaseerd op basiscompetenties, en daartoe behoren ondernemersvaardigheden of een ondernemersgeest. Ik wil daarom u en alle vrienden van het MKB, alle vrienden van de initiatieven van onze burgers en instellingen, uitnodigen om de belangrijke idee van levenslang leren te bevorderen.

Ik was niet zozeer verbaasd als wel aangemoedigd toen een collega tijdens het laatste Vragenuur levenslang leren een recht van burgers noemde: niet slechts een recht op toegang tot basisonderwijs of secundair onderwijs, maar ook een recht op toegang tot levenslang leren, iets dat het individu bij de staat of zijn instanties kan opeisen.

Om dergelijke systemen te implementeren is ook een grotere mentale bereidheid nodig. Dank u wel, en laten we hieraan samen werken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Vraag nr. 48 is niet-ontvankelijk verklaard op grond van bijlage II, deel A, punt 3 van het Reglement.

Vraag nr. 49 van Andreas Mölzer (H-0102/06):

Betreft: Turks lira muntstuk

Sinds een jaar brengt Turkije een muntstuk van één lira (waarde 0,6 euro) in omloop, dat ongelooflijk veel lijkt op het twee-euro-muntstuk. Enerzijds kan het op het muntstuk van één lira afgebeelde hoofd van Kemal Atatürk tot op zekere hoogte worden verwisseld met dat van Koning Albert II. Als gevolg van technische overeenstemmingen qua gewicht en dikte hebben eigenaren van automaten in de EU grote schade geleden. Problemen zijn er ook bij de sorteermachines van de banken, nog afgezien van het feit dat de gewone burger zich misschien nog niet eens bewust is van het gevaar van verwisseling.

Wat vindt de Commissie van deze jongste Turkse maatregel? In hoeverre is het toegestaan dat een land zijn geld zo sterk op de euro laat lijken? Wat denkt de Commissie te doen om de Europese burgers te beschermen?

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) De vraag betreft Turkse munten die sinds begin 2005 in omloop zijn en veel lijken op EU-munten. Natuurlijk deelt de Commissie de zorgen van de geachte afgevaardigde hierover. Dit soort dingen zou niet mogen gebeuren. Het recht munten uit te geven is een van de meest fundamentele soevereine rechten van een land. Informele raadplegingen worden evenwel aanbevolen. Er is een netwerk dat het Coin Registration Office wordt genoemd. Dit is opgezet door de International Mint Directors Conference. De Munten van de leden worden geacht het Coin Registration Office te raadplegen wanneer ze een nieuwe munt voorbereiden, zodat gelijkenissen tussen munten kunnen worden voorkomen. Het is duidelijk dat dit in dit geval niet goed is gebeurd, waardoor munten zijn uitgebracht die lijken op euromunten.

Dit is niet de eerste keer dat iets dergelijks is gebeurd. In 2000 leken enkele munten in bepaalde landen heel sterk op euromunten. Zelfs in mijn eigen land hebben we, in de tijd dat ik verantwoordelijk was voor dit gebied, munten uitgebracht die leken op Duitse marken, waardoor we onze productie moesten aanpassen.

De Commissie werkt samen met de Turkse autoriteiten, die hebben toegezegd hun munten enigszins te wijzigen. De productie van munten is zeer duur en een hele onderneming.

Er is echter geen sprake van paniek, en de risico's zijn heel beperkt. De verkoopautomaten vormen het grootste probleem, maar deze kunnen worden aangepast. We schatten dat enkele oude modellen verkoopautomaten moeilijker aan te passen zullen zijn, maar de meeste nieuwe automaten kunnen uitstekend zodanig worden aangepast, dat ze de juiste munten accepteren. Op het oog verschillen de munten duidelijk. In de detailhandel kunnen deze munten gemakkelijk worden onderscheiden. De risico's zijn dus beperkt.

De Commissie werkt ook samen met de producenten van de muntmechanismen, teneinde hen ervan op de hoogte te houden dat de mechanismen moeten worden aangepast vanwege dit probleem. We werken met de Turkse autoriteiten samen om ervoor te zorgen dat de productie van de munten enigszins wordt aangepast, zodat de munten niet meer zo sterk zullen lijken op de euromunten.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik weet ook wel dat er geen reden voor paniek is, zoals de commissaris zegt. Ik wil hem echter toch vragen of het niet zinvol zou zijn om dit aan de orde te stellen tijdens de onderhandelingen met Turkije over de toetreding, zodat die munten heel snel uit de omloop worden gehaald. Voor bepaalde allochtone groeperingen in Europa, zoals onze Turkse medeburgers in Duitsland of in Oostenrijk, is de verleiding natuurlijk groot om deze munten te misbruiken. Het is heel duur om munten te slaan, dat heeft u ook al gezegd, maar kunnen we hier niet toch meer aan doen, om de schade voor de Europese economie te beperken?

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Hierover moet in alle kaders worden onderhandeld, met inbegrip van het kader van de toetredingsonderhandelingen. Er is een soort van herenakkoord dat dit soort dingen niet mag gebeuren. Als het toch gebeurt, dienen de producenten van de kleinere munten wijzigingen door te voeren zodat de situatie kan worden vermeden dat op elkaar lijkende munten in omloop zijn.

Hierover zal worden onderhandeld. Ik ben binnenkort in de gelegenheid de leden van de Turkse regering te ontmoeten. Ik zal de kwestie dus zeker op korte termijn ter sprake brengen, want de productie van munten is, zoals ik al zei, een grote en zeer kostbare onderneming. Op termijn kunnen we dit probleem oplossen, maar tot het zover is, zullen we met de producenten van de muntmechanismen werken aan een oplossing om mogelijke schade te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 50 van Enrico Letta (H-0104/06):

Betreft: Europese School Brussel II - overplaatsing van taalafdelingen

De Hoge Raad van de Europese Scholen heeft de criteria vastgesteld voor het selecteren van de taalafdelingen die zullen worden opgericht in de vierde Europese School in Laken. De "Groupe de suivi", voorgezeten door de secretaris-generaal van de Europese Scholen, heeft in diverse officiële stukken aangegeven dat aan de Raad zal worden voorgesteld o.a. de Italiaanse afdeling van Brussel II over te plaatsten naar Brussel IV. Ik ga ervan uit dat deze beslissing op een vergelijkend onderzoek berust waarbij de selectiecriteria voor alle bestaande afdelingen zijn geëvalueerd.

Kan de Commissie gedetailleerd verslag uitbrengen over dit onderzoek? Indien er geen onderzoek heeft plaatsgevonden, kan de Commissie dan verklaren hoe men tot de beslissing is gekomen en in het bijzonder op welke basis de andere taalafdelingen zijn uitgesloten? Ik ben mij er natuurlijk wel van bewust dat het definitieve besluit nog niet is genomen, maar toch wilde ik graag in detail vernemen welke procedure tot nu toe is gevolgd bij de beraadslagingen van de "Groupe de suivi". Berusten deze op wetenschappelijk voldoende onderbouwde criteria om de voorstellen, die bijzonder negatieve gevolgen dreigen te hebben voor honderden gezinnen van Europese ambtenaren, te rechtvaardigen?

Vraag nr. 51 van Richard Seeber (H-0172/06):

Betreft: Verhuizing van de Duitstalige afdeling

De Raad van bestuur van de Europese Scholen zal binnenkort een besluit nemen over de taalafdelingen die in de school Brussel IV in Laken zullen worden ondergebracht. Een van de opties die aan de Raad van bestuur zijn voorgelegd, houdt in dat de Italiaanse en Nederlandse afdeling van Woluwe en de Duitstalige van Elsene naar Laken worden overgeplaatst.

Beseft de Commissie dat kinderen uit Woluwe en Elsene en omgeving dagelijks in totaal drie à vier uur in de schoolbus zullen zitten als zij naar Laken worden overgeplaatst?

Welke alternatieven voor een gedwongen overplaatsing van afdelingen en welke bijbehorende uitvoeringsmaatregelen heeft de Commissie onderzocht? Of vertrouwt zij op de ervaring van de secretaris-generaal en de Raad van bestuur met dergelijke verhuizingen, terwijl hun handelwijze bij de opening van de school in Elsene al tot onhoudbare toestanden heeft geleid?

Is de Commissie bereid de instructies voor het stemgedrag van haar vertegenwoordiger in de Raad van bestuur openbaar te maken en toe te lichten?

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Vraag 50 en vraag 51 lijken veel op elkaar, maar ik zal ze, indien nodig, apart beantwoorden, al zal de strekking van het antwoord vrijwel hetzelfde zijn.

Ik moet eerst zeggen dat de Europese Scholen een van de meest ingewikkelde onderwerpen in mijn portefeuille zijn, en er zijn veel problemen mee. Het stelsel is heel onafhankelijk en ingewikkeld. Het is niet de Commissie die het stelsel bestuurt; de Commissie is in feite niet meer dan een van de leden van de Raad van bestuur, die 29 leden telt.

De snelle uitbreiding van de Europese Unie heeft veel mensen naar onze locaties gebracht, niet alleen naar Brussel. We hebben hierdoor op de scholen en bij andere voorzieningen veel te weinig plaatsen voor de kinderen. Een oplossing is hard nodig. Een mogelijke oplossing zou zijn in 2009 in Laken een vierde Brusselse school te openen. Waarom Laken? Dat is door de Belgische regering zo besloten. België is het gastheerland en levert een grote bijdrage aan de infrastructuur voor de scholen. Alle infrastructuur wordt geleverd door het gastheerland. Ik heb contact gehad met de Belgische regering en ministers. Voorzitter Barroso heeft de kwestie besproken met de Belgische regering om het proces te versnellen, en 2009 is eerder dan men aanvankelijk voor ogen had.

Het is nu een kwestie van een besluit nemen over de interne organisatie van de taalafdelingen binnen de school: welke taalafdelingen zullen worden geopend, en welke afdelingen zullen worden overgeplaatst. Allereerst is het nog te vroeg om te zeggen dat er iets is besloten. Er wordt nog over de kwestie gediscussieerd. De Commissie heeft slechts één stem in deze discussies, en zeker niet de belangrijkste stem. De Raad van bestuur neemt de besluiten. De Commissie probeert natuurlijk wel een inbreng te leveren op basis van haar ervaring en haar kennis. Zij probeert ook deel te nemen in dit proces, de belangen van de ouders bij de Europese instellingen veilig te stellen, en te zorgen voor transparantie en een eerlijk proces.

In haar bijeenkomst van 25 en 26 oktober heeft de Raad van bestuur een lijst van criteria vastgesteld voor de omgang met de taalafdelingen. Er is een werkgroep opgezet, de “Groupe de suivi Bruxelles IV”, en de secretaris-generaal van de Europese School heeft een voorlopig document aan deze groep aangeboden. Nogmaals, de Commissie neemt actief deel aan deze groep, maar we zijn slechts een van de partners. Deze “Groupe de suivi Bruxelles IV” moet, tot slot, met alle aspecten rekening houden en met een goede oplossing komen.

Er zijn enkele voorlopige oplossingen besproken, de opties A en B, maar het is echt nog te vroeg om te zeggen dat de ene oplossing de voorkeur heeft boven de andere. De werkgroep bespreekt momenteel tussenopties die de beste elementen van beide oplossingen in zich verenigen, zoals het door de Commissie gesteunde beginsel dat de kinderen die momenteel bij een van de bestaande scholen bij een afdeling staan ingeschreven, niet mogen worden verplicht naar Laken te gaan. Dat is waarschijnlijk gunstig voor ouders van wie de kinderen al naar deze scholen gaan. Het is heel moeilijk voor te stellen dat de definitieve oplossing iedereen tevreden zal stellen, maar we moeten een oplossing vinden die waarborgt dat de leerlingen het best mogelijke onderwijs krijgen.

We werken samen met de Raad van bestuur en met de Nederlandse regering, die de Raad van bestuur voorzit, aan de hervorming van de Europese Scholen, want er zijn allerlei problemen, waaronder structurele problemen, en het stelsel moet duidelijk worden aangepast.

Dit is mijn conceptuele antwoord. Ik kan vandaag niet zeggen dat we verborgen agenda's en oplossingen hebben opgesteld. We werken heel serieus samen met de “Groupe de suivi Bruxelles IV”. Ik kan u geruststellen dat we deze problemen heel serieus nemen. Het is echter een heel moeilijk terrein. Er hebben zich veel problemen opgestapeld, en nu moeten we definitieve oplossingen voor de lange termijn vinden. We zullen met de Belgische regering en de Brusselse instanties hard werken aan enkele overgangsoplossingen om de kortetermijnproblemen en tekorten bij al onze voorzieningen op te lossen.

Dit is de situatie op dit moment.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. U heeft natuurlijk gelijk, mijnheer de commissaris. We moeten de vragen nrs. 50 en 51 samen behandelen, ze horen bij elkaar. Er zijn ook heel wat collega´s die hier belangstelling voor hebben. Maar eerst geef ik de beide vraagstellers het woord voor hun aanvullende vraag.

 
  
MPphoto
 
 

  Enrico Letta (ALDE). - (IT) Mijnheer Kallas, ik dank u voor uw antwoord. Aangezien optie B vanuit verschillende gezichtspunten duidelijk beter lijkt dan optie A, vraag ik me af of u nu al kunt uitsluiten dat de Commissie een probleem van kosten zal opwerpen. In het bijzonder vraag ik of het probleem van de lichte verhoging der kosten de Commissie ertoe zal brengen de optie die verreweg de beste lijkt, tegen te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Natuurlijk betaalt de Commissie het grootste deel van de rekening van de Europese Scholen. Het probleem van de kosten is ook een ernstig probleem. Ik zou me echter niet in de eerste plaats concentreren op de kosten, maar vooral op een werkend stelsel en op het bieden van optimaal onderwijs aan leerlingen. Optie B is in dat opzicht niet de beste optie.

Bij optie B zal bijna elke afdeling overal worden aangeboden, en zal er sprake zijn van sterke fragmentarisering, met kleine groepen en kleine klassen. In het geval van optie B zullen we te maken krijgen met het probleem hoe we kwalitatief goed onderwijs kunnen waarborgen. Optie B is dus niet de beste optie. Deze optie is bovendien veel duurder, maar in de Commissie vinden we het kostenaspect niet het belangrijkste. Het belangrijkste is dat wordt gewaarborgd dat het stelsel van de Europese Scholen efficiënt functioneert. Er zijn ook allerlei problemen op het punt van de toekomstige kwaliteit van het onderwijs.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, u zegt dat het een ingewikkelde procedure is, een ingewikkelde situatie. Daarvan zijn we ons allemaal bewust. Het maakt de situatie echter nog ingewikkelder wanneer de Commissie niet bereid is om bij de besluitvorming meer openheid van zaken te geven. De Raad van bestuur neemt zijn besluit al tijdens zijn vergadering midden april. Waarom is de Commissie niet bereid om, uitgaande van haar eigen criteria, gewoon te zeggen: dit is de stand van zaken, dit zijn de cijfers en zover kunnen we gaan?

Als u iedereen in het duister laat tasten kunt u niet verwachten dat de taalafdelingen tevreden zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Dank u wel, maar ik kan de mening dat we in dit proces niet transparant zouden zijn, niet delen. Het hele proces is voor alle partijen transparant, en de opties liggen er. Als u wilt, zal de Commissie meer initiatief nemen in het uitwerken van deze opties. Het spreekt echter vanzelf dat zowel de ouderorganisaties als de scholen zelf en het onderwijzend personeel bij de uiteindelijke overeenstemming moeten worden betrokken. De Commissie heeft inbreng, en zij neemt zeker alle mogelijke opties die door de andere partijen naar voren worden gebracht, in overweging. We proberen een rol te spelen in het vinden van een definitieve oplossing die voor iedereen min of meer aanvaardbaar is.

We zijn in dit hele proces transparant. We denken nu na over een soort van compromisoplossing, een tussenoptie tussen de opties A en B. Het proces is dus transparant. Er vinden zeer ingewikkelde onderhandelingen met alle partijen plaats. De Commissie is hier slechts een van de onderhandelingspartners en zij wil ook de andere partijen respecteren, waaronder de Belgische autoriteiten, die een substantiële inbreng hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Luigi Cocilovo (ALDE). - (IT) Mijnheer Kallas, er is verwezen naar optie A, dat wil zeggen de overplaatsing van taalafdelingen. Als die optie wordt aangenomen, denkt u dan dat er een risico is dat veel gezinnen hun kinderen op verschillende scholen krijgen?

Uit gegevens die binnen de “Groupe de suivi” zijn verspreid, blijkt dat het aantal leerlingen van een paar afdelingen, bijvoorbeeld de Italiaanse afdeling, in de komende jaren groter zal zijn dan dat van andere nationaliteiten: denkt u dus niet dat dit element de Commissie ertoe zou moeten brengen om uit de genoemde alternatieven optie B te kiezen?

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Het definitieve besluit zal door de Raad van bestuur worden genomen.

U hebt gezegd dat de kinderen uiteindelijk mogelijk naar verschillende locaties zullen moeten reizen. De stukken met het basisconcept bevatten de criteria op dit punt. De Commissie staat op het standpunt dat we iets dergelijk op alle mogelijke manieren moeten proberen te voorkomen. Kinderen uit hetzelfde gezin, broers en zussen, moeten naar dezelfde school kunnen gaan.

Optie B heeft enkele belangrijke nadelen voor de toekomstige ontwikkeling van het onderwijs. We delen het standpunt dat optie B de beste is, niet, maar er zal intensief worden gezocht naar oplossingen die zoveel mogelijk partijen en ouders tevredenstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfonso Andria (ALDE). - (IT) Mijnheer Kallas, ik kom nog even op dit onderwerp terug: van de criteria die in oktober zijn aangenomen stelt criterium F dat als een taalafdeling in meer dan een school bestaat, die afdelingen moeten worden ondergebracht in scholen in de periferie en in centraal gelegen scholen. Ik zal het nog duidelijker zeggen: als wordt gekozen voor optie A, die door de “Groupe de suivi” is voorgedragen, zou de Italiaanse taalafdeling als enige de dupe daarvan worden, omdat die dan zou worden verplaatst naar twee perifere scholen: Ukkel en Laken. Denkt u niet, mijnheer de commissaris, dat optie A discriminerend is ten opzichte van de Italiaanse leerlingen? Ik vraag van u dus de nodige toezeggingen, door optie A af te wijzen en optie B aan te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Siim Kallas, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Ik zeg niet dat we optie B zullen steunen. Ik heb evenmin gezegd dat we optie A zullen steunen. We proberen een compromisoplossing te vinden. Ik kan niet toezeggen dat ik alles zal inzetten op optie B.

Ik herhaal nogmaals dat het de Raad van bestuur is die de besluiten neemt, samen met de werkgroep (de “Groupe de suivi”), waarin ouders en andere betrokken partijen zitting hebben. Dat is de procedure. Bij een ingewikkeld vraagstuk als dit, probeer ik altijd een compromisoplossing te vinden. Dat zal waarschijnlijk ook het geval zijn in deze ingewikkelde situatie. De volgende vergadering van de Raad van bestuur vindt eind april plaats. Dan zullen alle mogelijke oplossingen en alle aspecten worden besproken.

Uw vraag over de Italiaanse afdeling is al diverse keren gesteld. Er zijn ook andere bij betrokken. We hebben geprobeerd een evenwichtige oplossing te vinden en niemand te benadelen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 53 van Manuel Medina Ortega (H-0098/06):

Betreft: Uitbreiding van de EU met Bulgarije en Roemenië - gevolgen voor adoptierecht

Wat zijn de gevolgen van de uitbreiding van de Europese Unie tot Bulgarije en Roemenië in het privaatrecht voor de Europese burgers, en meer in het bijzonder voor de adopties over de toekomstige binnengrenzen van de Europese Unie heen? Wordt het adoptierecht gewaarborgd of worden adopties die al plaatsgevonden hebben aan herziening onderworpen?

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. - (EN) Ik ben mij zeer goed bewust van de hangende internationale verzoeken tot adoptie van Roemeense kinderen en de begrijpelijke ongerustheid hierover bij de families die deze kinderen graag een nieuw thuis willen geven. Als onderdeel van de hervormingen van de wetgeving ter voorbereiding op de toetreding tot de Unie heeft Roemenië met steun van het Europees Parlement onlangs nieuwe wetgeving aangenomen betreffende de bescherming van kinderen.

Deze wetgeving is op 1 januari 2005 in werking getreden en hierin is vastgelegd dat internationale adoptie slechts een allerlaatste redmiddel is, indien er in Roemenië zelf geen adequate oplossing gevonden kan worden door plaatsing van de kinderen in kleinere tehuizen en pleeggezinnen. Dankzij deze wetgeving zit Roemenië op één lijn met de wettelijke bepalingen van de Europese Unie op dit gebied, zoals ook vastgelegd in het VN-Verdrag over de rechten van het kind. De invoering van deze bepalingen dient gezien te worden tegen de achtergrond van het misbruik dat in het verleden bij internationale adopties in Roemenië werd gemaakt.

Wat de meer specifieke wettelijke aspecten betreft, dient opgemerkt te worden dat er op dit moment geen communautaire wetgeving bestaat op het gebied van internationale adoptie. Sterker nog, in Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid wordt adoptie expliciet van de werkingssfeer van de verordening uitgesloten.

In principe hebben deze ontwikkelingen ertoe geleid dat het acquis communautaire op het gebied van de kinderbescherming in Roemenië en Bulgarije ten uitvoer is gelegd. Zowel in Roemenië als in Bulgarije is de wetgeving gebaseerd op het VN-Verdrag over de rechten van het kind. In dat VN-Verdrag wordt geen onderscheid gemaakt tussen de binnen- en buitengrenzen van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dit is niet de enige vraag over dat onderwerp; ook de vragen nrs. 55 en 56 gaan daarover. Als u het ermee eens bent, collega’s, kunnen we deze vragen samen behandelen. Allereerst wil ik echter het woord geven aan de auteur van de vraag, Manuel Medina Ortega, voor een aanvullende vraag.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, ik denk dat het een vooruitgang is dat de wetgeving van Bulgarije en Roemenië aan de Europese regelingen wordt aangepast, want bij adoptie is de bescherming van het kind het allerbelangrijkste aspect.

Helaas weten we echter dat er in die landen, net als in andere, kinderen zijn wier gezinssituatie veel te wensen overlaat, en in de Europese Unie hebben we gezinnen die bereid zouden zijn om de ouderrol met allerlei garanties op zich te nemen.

Ik weet dat er geen Europese wetgeving inzake deze materie bestaat, maar wel bestaat de mogelijkheid dat de Europese Unie op de een of andere manier bemiddelt met de overheden van Bulgarije en Roemenië, om te garanderen dat de gezinnen in de Europese Unie die bereid zijn dergelijke stappen te ondernemen dat onder optimale omstandigheden doen, en om op die manier zonodig de adoptie door gezinnen van de Europese Unie te vergemakkelijken.

Ik zou uw standpunt willen weten over de eventuele mogelijkheid dat de Commissie op dit vlak actie onderneemt.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. - (EN) Er is sprake van een uiterst consequente samenwerking met de Roemeense regering. Het is bekend dat Roemenië zijn wetgeving inmiddels heeft herzien, en op dit moment is een deskundigengroep bezig met een evaluatie van de hangende zaken op basis van die herziene wetgeving. Naar verwachting zal die deskundigengroep haar werkzaamheden in de loop van deze maand afronden.

Wij hebben regelmatig contact met de Roemeense autoriteiten over deze kwestie. Wij vinden dat het de taak van de Roemeense regering en autoriteiten is om een oplossing hiervoor te zoeken, mits zij daarbij wel het VN-Verdrag over de rechten van het kind en de Europese wetgeving eerbiedigen.

Wat de situatie in de kinderzorg betreft, hebben wij op basis van de zeer uitgebreide voortgangsverslagen geconstateerd dat deze zorg in praktische zin is verbeterd, niet in het minst dankzij de substantiële bijdrage van de Europese Unie voor de herstructurering van de kinderzorg. Die steun bedroeg in de laatste vijftien jaar ongeveer 160 miljoen euro.

In algemene zin zal het toetsingsproces voor internationale adoptieverzoeken die vóór het in werking treden van de nieuwe wetgeving zijn geregistreerd, naar verwachting deze maand voltooid worden. Wij gaan ervan uit dat de Roemeense autoriteiten de aanvragers persoonlijk op de hoogte zullen stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (NI). - (IT) Mijnheer Rehn, u heeft al een gedeeltelijk antwoord op mijn vraag gegeven. Het gaat om nog onopgeloste adoptiegevallen. Op grond van oproepen die het Europees Parlement in verschillende resoluties heeft gedaan, is een team van deskundigen opgericht die de nog onopgeloste situaties geval per geval gaat onderzoeken. Ik wil weten of er al nieuws is over het tijdstip waarop de verzoeken zullen worden afgehandeld, en ik wil dus weten of wij informatie krijgen over de resultaten van het werk dat tot nu toe door deze groep is gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. - (EN) Wij onderhouden een regelmatig contact met de Roemeense autoriteiten. Als antwoord op de vraag van de geachte afgevaardigde kan ik zeggen dat de Roemeense autoriteiten op schema liggen wat het oplossen van de hangende adoptieverzoeken betreft die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet op 1 januari 2005 zijn ingediend.

De Roemeense autoriteiten hebben een werkgroep samengesteld die haar werkzaamheden op 31 maart zou moeten afronden. De Commissie houdt de voortgang van deze kwestie nauwlettend in de gaten. Wij zullen de Raad en het Parlement over die voortgang informeren middels ons uitgebreide monitoringverslag dat conform onze planning op 16 mei aangenomen wordt.

Wat het andere aspect van uw vraag betreft - de 82 000 Roemeense kinderen die momenteel sociale bescherming genieten of in zorginstellingen, tehuizen of pleeggezinnen zitten, - kan ik zeggen dat deze kinderen terug kunnen vallen op een systeem voor kinderbescherming dat in overeenstemming is met het VN-Verdrag over de rechten van kind. Dat geldt ook voor de toegang tot de gezondheidszorg en het onderwijs.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 54 van Mairead McGuinness (H-0137/06):

Betreft: Toetreding tot de Europese Unie van Roemenië

Kan de Commissie, met het oog op haar algemene monitoringverslag over de mate waarin Roemenië gereed is om in 2007 tot de Europese Unie toe te treden, waarin zij haar bezorgdheid laat doorklinken betreffende het gebrek aan vooruitgang van Roemenië op bepaalde gebieden op het vlak van de kinderbescherming en van het gezondheidsstelsel voor gehandicapten en psychiatrische patiënten, meedelen hoeveel waarde zij hecht aan deze onderwerpen in de lopende onderhandelingen met de Roemeense autoriteiten?

Kan de Commissie voorts meedelen of zij van mening is dat voldoende vooruitgang is geboekt en zal worden geboekt, zodat Roemenië in 2007 kan toetreden tot de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. - (EN) Voor een deel heb ik deze vraag al beantwoord, dus zal ik nu alleen op die aspecten ingaan die ik nog niet heb behandeld.

In de eerste plaats hebben wij, naast de algemene evaluatie van de kinderbescherming en van de situatie binnen het gezondheidsstelsel voor gehandicapten en psychiatrische patiënten, ook een peer review over de geestelijke gezondheidszorg opgezet om de situatie in de praktijk te evalueren. Wij zijn thans in afwachting van het deskundigenverslag naar aanleiding van die peer review. In totaal worden er in zowel Bulgarije als Roemenië vijftien expertises casu quo. peer reviews uitgevoerd met betrekking tot een aantal kritieke kwesties. Het onderwerp dat de geachte afgevaardigde in haar vraag aan de orde stelt, is een van die essentiële kwesties die onderworpen worden aan een peer review. Dat onderzoek wordt uitgevoerd door functionarissen van de Commissie in samenwerking met de beste deskundigen uit de lidstaten op dit gebied.

Wat de zorg voor gehandicapten betreft, ligt de grootste nadruk nu op het ontwikkelen van een omvattende strategie met het oog op het sluiten en herstructureren van de grote residentiële instellingen door alternatieve diensten op gemeenschapsniveau te ontwikkelen, door steun te geven aan gezinnen met gehandicapte familieleden en door kleinere residentiële afdelingen op te zetten. In dat verband verstrekken wij bijvoorbeeld tot een bedrag van 15 miljoen euro aan steun. Daarnaast is er in Roemenië ook een voorlichtingscampagne aan de gang om de aandacht te vergroten voor de rechten van gehandicapten.

Hoewel de hervormingen in deze sector zich nog in een vroeg stadium bevinden, is de Commissie van mening dat het land op dit gebied op de goede weg zit.

Tot slot dient het aanhoudende probleem van de slechte behandelingen in psychiatrische ziekenhuizen in Roemenië onmiddellijk aangepakt te worden. Daar is ook al op gewezen in ons uitgebreide monitoringverslag van oktober. Er dient snel een oplossing te komen voor de erbarmelijke leef- en zorgomstandigheden in sommige instellingen.

Wij hebben er bij de Roemeense autoriteiten met klem op aangedrongen om de geestelijke gezondheidszorg tot een prioritair thema te maken en voldoende middelen toe te wijzen om de situatie op dit gebied te verbeteren. De Roemeense autoriteiten worden ook intensief gestimuleerd om gebruik te maken van de huidige steun in het kader van het Phare-programma en om een strategie- en actieplan op te stellen voor de hervormingen in de geestelijke gezondheidszorg.

Uiteraard is de tenuitvoerlegging van cruciaal belang. De haalbaarheid van de praktische regelingen die zijn voorgesteld, moet eerst nog aangetoond worden, bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van voldoende financiële middelen. Dit zal ook in het kader van de peer review onderzocht worden en hieraan zal ook aandacht worden besteed in het voortgangsverslag van mei 2006.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de commissaris, zou u nader in kunnen gaan op de kwestie van de kooibedden? Als wij het over probleemgebieden hebben, dan is dit zeker een van de kwesties die uw aandacht verdienen. Wij maken ons op dit vlak grote zorgen.

Ik sta positief tegenover de peer review maar ik zou graag willen weten of hierbij ook sprake is van onaangekondigde bezoeken aan instellingen. Naar mijn idee is dat van essentieel belang. Kunt u vanuit het oogpunt van de Commissie een schatting gegeven van de tijd die Roemenië nodig zal hebben om dit enorme probleem op te lossen? Bent u er daarnaast van overtuigd dat, als Roemenië volgend jaar zou toetreden, het land ook de ingeslagen hervormingsweg zal blijven volgen? Ik denk dat wij alleen maar vooruitgang kunnen boeken als wij druk uit blijven oefenen.

Bovendien zou ik willen voorstellen om, wanneer wij het hebben over kinderen die in kraamklinieken worden achtergelaten, of over internationale adoptiekwesties, het belang van het kind te laten prevaleren boven alle andere eventuele belangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. - (EN) Als er behoefte aan bestaat, ben ik bereid om meer informatie over de peer review te verstrekken. In het kader van de peer review worden er in principe zowel aangekondigde als onaangekondigde bezoeken gebracht aan verschillende instellingen die op verschillende gebieden actief zijn, uiteenlopend van de rechtsorde - bijvoorbeeld wat het functioneren van de rechtbanken en het OM betreft - tot de kinderzorg en geestelijke gezondheidszorg. Er worden in alle gevallen soortgelijke acties uitgevoerd.

U vraagt hoeveel tijd er op dit gebied nodig is. Tijd is een zeer relatief begrip. Wij vinden het belangrijk dat er geloofwaardige en praktische maatregelen worden genomen waaruit blijkt dat Roemenië op de goede weg is. Daar zal ook in de peer review de nadruk op liggen.

Uw opmerking raakt overigens de kern van deze zaak: de zorg voor en het belang van de kinderen dient centraal te staan bij onze evaluatie. Dat is ook precies ons streven, zowel bij het uitvoeren van de peer review als bij het presenteren van de resultaten.

In dit verband hebben wij ook het vermeende gebruik van kooibedden in Roemenië onderzocht. Ik kan u de verzekering geven dat er gedurende de vijftien jaar dat de Commissie deze kwestie heeft onderzocht, nooit enig bewijs is gevonden voor de aantijgingen dat er in Roemenië gebruik wordt gemaakt van kooibedden. De Commissie zal deze kwestie echter in de gaten blijven houden in het kader van onze periodieke contacten met diverse non-gouvernementele organisaties.

 
  
MPphoto
 
 

  Panagiotis Beglitis (PSE). (EL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de commissaris bedanken en zeggen dat wij allemaal vinden dat we Roemenië moeten helpen bij het verbeteren van de levensomstandigheden en de bescherming van kinderen maar ook van de gezondheidszorg.

Ik wil de commissaris vragen of de Europese Commissie via twinningprojecten niet meer kredieten kan besteden aan het verbeteren van de gezondheidstoestand, het beschermen van de kinderen en het verbeteren van de toestand in psychiatrische instellingen. Ook wil ik hem vragen of de Europese Commissie kan samenwerken met de Wereldgezondheidsorganisatie en met andere internationale instellingen op gezondheidsgebied om de toestand in Roemenië te verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. - (EN) Er zijn twinningregelingen met Roemenië van kracht op een aantal gebieden die verband houden met de hervorming van het overheidsapparaat in Roemenië. Wij hebben geconstateerd dat twinning voor zowel Oost- en Midden-Europa - de zogeheten nieuwe lidstaten - als voor de toekomstige lidstaat Roemenië een van de meest effectieve manieren is om kennis over te dragen.

Wij zijn inderdaad van plan om in de toekomst op dit gebied meer gebruik van twinning te gaan maken. Het is een zeer nuttige methode die binnen het kaderprogramma Phare ook toegestaan is. Wij moeten deze kwestie wel eerst nog nader bestuderen om te bezien welke praktische regelingen er mogelijk zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  John Bowis (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de commissaris, als u echt nog niet op de hoogte bent van het bewijsmateriaal omtrent de kooibedden in Roemenië, maak ik u attent op het verhaal op de voorpagina van een recent nummer van de Londense Sunday Times en op de zeer goed gedocumenteerde gevallen die door het Mental Disability Advocacy Centre zijn gepubliceerd. Ik hoop dat u niet alleen Roemenië, maar ook alle andere landen die zich van dergelijke barbaarse praktijken bedienen, duidelijk zult maken dat het gebruik van kooibedden voor kinderen, verwarde oudere mensen en mensen met psychische problemen absoluut onaanvaardbaar is. Dat geldt voor elk beschaafd land, en zeker voor lidstaten van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. - (EN) Ik heb hier al op gereageerd op basis van de zeer zorgvuldige evaluatie die de Commissie heeft uitgevoerd. Zoals gezegd, hebben wij nog geen enkel bewijs kunnen vinden voor het gebruik van kooibedden in Roemenië. Als u daarentegen wel over concrete bewijzen beschikt, ben ik bereid om deze nader te bestuderen en mijn ambtenaren te vragen om deze kwestie nog eens nader te bekijken. Indien noodzakelijk kunnen wij deze zaak vervolgens bij de Roemeense autoriteiten aan de orde stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur aan de Commissie is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.50 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat.)

 
  
  

VOORZITTER: MIROSLAV OUZKÝ
Ondervoorzitter

 

19. Sociale bescherming en sociale integratie (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0028/2006) van Edit Bauer, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over sociale bescherming en sociale integratie [2005/2097(INI)].

 
  
MPphoto
 
 

  Edit Bauer (PPE-DE), rapporteur. (HU) Mijnheer de Voorzitter, vanmiddag zei de president van de Bondsrepubliek Duitsland, Horst Köhler, dat velen het huidige Europa niet begrijpen. Als de mensen zien hoe ontzettend veel energie Europa heeft geïnvesteerd in het herformuleren van zijn migratiebeleid, dan ben ik ervan overtuigd dat zij het probleem van de kinderarmoede in Europa niet kunnen bevatten.

Terwijl wij praten over het gebrek aan hoogopgeleide migranten, registreren we onvermijdelijke en enorme verliezen ten gevolge van kinderarmoede, verliezen waarvoor toekomstige generaties ons terecht verantwoordelijk zullen stellen.

Daarom is het geen toeval dat het gepresenteerde verslag over sociale bescherming en sociale integratie zich voornamelijk concentreert op kinderarmoede, omdat 15 procent van de Europese bevolking het risico loopt onder de armoedegrens te komen. In het geval van kinderen is dat 19 procent, en uitgaande van de gegevens over 2004 is het risico dat kinderen onder de armoedegrens komen in 12 van de 25 lidstaten tenminste 25 procent hoger dan bij de volwassen bevolking. Ik wil graag onderstrepen dat dit geen emotioneel of wellicht juridisch vraagstuk is, daar het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind hierover bindende clausules bevat.

Europa wordt ook geconfronteerd met het probleem dat het, ten gevolge van de stagnerende bevolkingsgroei en de vergrijzing van de samenleving, in de komende decennia vijftig miljoen nieuwe migranten nodig heeft om de huidige arbeidsparticipatie te handhaven. Kinderarmoede, de uitsluiting waarmee die gepaard gaat en het hoge percentage leerlingen die vervroegd de school verlaten, dit alles doet betwijfelen of het wel mogelijk is om een kennismaatschappij te ontwikkelen zonder dat bepaalde lagen van de bevolking steeds verder achterop raken.

De Commissie heeft gelijk dat zij de behandeling van het vraagstuk van de kinderarmoede prioriteit geeft, maar anderzijds constateren we dat we geen nauwkeurige gegevens bezitten en dat er geen vergelijkbare gegevens over kinderarmoede zijn. Het is duidelijk dat er snel verandering dient te komen in deze situatie.

In mijn verslag wilde ik graag onderstrepen dat sociale integratie de toegevoegde waarde is van het proces van Lissabon. Het Europees sociaal beleid vergt een nieuwe solidariteit tussen de generaties. De schade die door kinderarmoede wordt toegebracht aan de menselijke hulpbronnen van de toekomst, en de daarmee samenhangende te lage opleidingsgraad, mag immers niet worden onderschat.

Ik zou natuurlijk nog veel meer problemen kunnen noemen die in het verslag naar voren zijn gebracht, maar aangezien de tijd beperkt is, zal ik er nog slechts één aanstippen, namelijk de vervanging van oudere werknemers op de arbeidsmarkt. Hoewel er op dit terrein een antidiscriminatierichtlijn van kracht is, doet zich nog steeds discriminatie voor, maar die is moeilijker te achterhalen. Ik ben ervan overtuigd dat de Commissie de juiste weg is ingeslagen toen zij heldere en controleerbare doelstellingen vaststelde voor de modernisering van sociale bescherming. En tot slot, maar niet in de laatste plaats wil ik het secretariaat van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken bedanken voor de uitstekende samenwerking en wil ik mijn dank uitspreken aan mijn collega’s voor het ontwerpamendement. En eveneens niet in de laatste plaats wil ik hen ook bedanken voor hun aanwezigheid hier en voor hun deelname aan het debat.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, Commissie.(CS) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik dank u allen hartelijk en in het bijzonder dank ik de rapporteur, mevrouw Bauer, voor haar verslag. Het doet mij genoegen u te kunnen meedelen dat er volledige overeenstemming bestaat tussen u en de Commissie in het oordeel dat de strategie van Lissabon gebaseerd is op de gecombineerde kracht en wederzijdse versterking van economisch, werkgelegenheids- en sociaal beleid. Ik waardeer de instemming die het verslag uitspreekt met het initiatief van de Commissie om de open methode van coördinatie voor de beleidsterreinen sociale bescherming en sociale integratie te moderniseren en doeltreffender te maken. De vraag is hoe we via sociaal beleid meer kunnen bijdragen aan het welslagen van de strategie van Lissabon en tegelijkertijd de coördinatie op genoemde beleidsterreinen kunnen versterken. Beter gebruik maken van het proces van sociale coördinatie in de strategie van Lissabon komt onder andere neer op het ontwikkelen van actieve functies van sociale bescherming en het verwijzen naar de meerwaarde die schuilt in de werkgelegenheid en de groei die gerealiseerd zijn. Voor de praktijk betekent dit dat zowel de nieuwe gemeenschappelijke doelstellingen voor de open methode van coördinatie als de thematische doelstellingen die de Raad onlangs heeft geformuleerd zullen worden omgezet in nationale strategieën. De nieuwe instellingen op nationaal niveau zullen allereerst een strategische benadering voor elke lidstaat voorleggen, waarin zij schetsen hoe het beleid op een aantal specifieke terreinen te moderniseren. Daarop presenteren de lidstaten dan de drie thematische plannen: sociale integratie, pensioenen en gezondheidszorg.

De Commissie heeft ook een mededeling goedgekeurd die de aanzet geeft tot een openbare raadpleging over mogelijke maatregelen op EU-niveau aangaande veranderingen van het minimumloon en de integratie van mensen die buitengesloten zijn van de arbeidsmarkt. Die raadpleging omvat natuurlijk ook het Europees Parlement en andere organisaties, maar gezien het brede karakter van het onderwerp wordt zij uitgebreid tot publiekrechtelijke lichamen op alle niveaus en verder tot organisaties, belangengroepen en sociale partners. Uw verslag opent tevens de mogelijkheid van nieuwe interinstitutionele overeenkomsten waarin de rol van het Europees Parlement bij de implementatie van de open methode van coördinatie wordt geformaliseerd. Ik ben het met u eens dat de participatie van het Europees Parlement in de besluitvormende context van de open coördinatie hinder ondervindt van het feit dat een omvattend statutair raamwerk ontbreekt. Wat mij betreft kan ik de afgevaardigden verzekeren dat ik de inspanningen van mijn ambtenaren steun om de dialoog met het Parlement voort te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Věra Flasarová (GUE/NGL), rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid.(CS) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, ik ben zeer ingenomen met het verslag van mevrouw Bauer, dat we in de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid besproken hebben en waar wij achter staan. Het verslag formuleert zijn doelen met het oog op een gelijke positie van mannen en vrouwen en schetst de behoeften van vrouwen, met name op het gebied van de sociale integratie.

Toch wil ik het hier niet alleen over vrouwen hebben, maar ook over de uitwerking van armoede en sociale uitsluiting op kinderen en jongeren. Laten we niet vergeten hoe de houding ten opzichte van armoede in industrielanden na verloop van tijd veranderd is en hoe een omgeving van toenemende welvaart ertoe geleid heeft dat we een lagere levensstandaard zijn gaan beschouwen als iets dat steeds verder teruggedrongen wordt. Ik durf zelfs te stellen dat we die als een vernederende en abnormale toestand zijn gaan beschouwen, die mensen aan zichzelf te wijten hebben. Wat ik daarmee wil zeggen is dat de media en de reclame een beeld van een overweldigende rijkdom schetsen en dat mensen die zo’n rijkdom niet verwerven geplaagd worden door gevoelens van machteloosheid. Succes en de materiële overvloed waar dat mee gepaard gaat, lijken voor iedereen weggelegd, zodat mensen zonder succes verstoken blijven van de voordelen die de maatschappij te bieden heeft. Die uitsluiting heeft niet alleen betrekking op materiële factoren, maar ook op opleiding, gezondheid en een onbezorgde oude dag en hij wordt van generatie op generatie doorgegeven. Kinderen uit gelimiteerde sociale omstandigheden hebben moeite toegang tot hoger onderwijs te verwerven, reizen minder en hebben een lagere levensstandaard. Natuurlijk is de armoede hier niet zo kras als in ontwikkelingslanden, maar ook zo, verborgen als zij blijft achter schaamte en in de lacunes van statistisch onderzoek, leidt armoede tot uitsluiting van het normale leven en tot de indruk dat iets normaals en alledaags tegelijk ook onbereikbaar is.

Waarom zou dat zo moeten zijn? Hoe leg je een kind uit dat het af moet zien van de dingen die andere kinderen wel hebben? Het is waar dat er altijd sociale verschillen zijn geweest en dat die de ontwikkelingsgang van kinderen hun hele leven lang hebben bepaald. Maar het is evengoed waar dat overvloed nog nooit zozeer tot norm geworden is als nu en dat gebrek aan financiële middelen nooit eerder mensen van zoveel kansen heeft buitengesloten als nu. Dat is de paradox van hoogontwikkelde maatschappijvormen. Een redelijke levensstandaard hoort meer dan vroeger tot de mogelijkheden, maar des te harder is het gelag voor hen die deze standaard, om verschillende redenen, niet weten te bereiken. Ik vraag uw aandacht voor het feit dat dit niet alleen materiële gevolgen heeft, maar ook leidt tot ontoereikende sociale bescherming, vooral in het geval van kinderen en jongeren. Daarmee bergt de toekomst zowel gevaren in zich voor het waardenstelsel van onze maatschappij als voor het individu, aangezien sociaal onrecht tot spanning leidt. En die kan, zoals we nu al overal om ons heen zien, tot uitbarsting komen in de vorm van geweld of leiden tot een vlucht uit de werkelijkheid via drugs of escapistische vormen van vermaak.

Ik onderschat liefdadigheid niet, maar die laat onverlet dat sociale bescherming en sociale integratie deel horen uit te maken van een systeem waar iedereen toegang toe heeft. Liefdadigheid is een gift en hoort in een moderne samenleving die de menselijke waardigheid hoog in het vaandel heeft een uiterste redmiddel te zijn, iets wat geen substituut is voor een goed sociaal beleid, passend bij de vereisten van het Europa van de 21e eeuw.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Panayotopoulos-Cassiotou, namens de PPE-DE-Fractie. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, het eerste gezamenlijke verslag van de Europese Commissie over sociale bescherming en sociale integratie is eigenlijk al een oude tekst, want deze werd in januari 2005 opgesteld. Daarom moet dit nog eens tegen het licht worden gehouden, uitgaande van de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad en van het tussentijds verslag over de strategie van Lissabon.

Het verslag-Bauer is een zorgvuldig opgesteld document en ik wil de rapporteur daarmee gelukwensen. Het verslag is goed gestructureerd en hamert - met vermelding van alle daarmee verband houdende aspecten - op de absolute noodzaak dat een drastische vermindering van armoede en sociale uitsluiting tot 2010 wordt gehandhaafd als centraal doel van de strategie van Lissabon. De twee rondes van de open coördinatiemethode voor sociale integratie - eerst op het niveau van de Vijftien en vanaf 2004 op dat van de Vijfentwintig lidstaten - hebben aangetoond dat de open coördinatiemethode bij sociale bescherming en sociale integratie gestroomlijnd moet worden. Economische groei en verhoging van de werkgelegenheid zijn, samen met efficiënte onderwijs- en opleidingssystemen, de middelen bij uitstek om een hoger niveau van sociale samenhang te bewerkstelligen.

Met het oog daarop wordt in het verslag-Bauer eraan herinnerd dat maatregelen genomen moeten worden om vroegtijdig schoolverlaten of het vroegtijdig ophouden met een opleiding tegen te gaan en om, met name bij laag geschoolde schoolverlaters, de overgang van school naar werk te vergemakkelijken.

Er wordt in het bijzonder verwezen naar investeringen in onderwijs en levenslang leren wegens de waargenomen stagnatie in de arbeidsparticipatie. Daarom wordt ook het particulier initiatief gevraagd hieraan deel te nemen. Dit is een krachtig middel om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden. Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan de bestrijding van kinderarmoede, en daarom zegt de rapporteur, mevrouw Bauer, in haar verslag volkomen terecht dat het doorgeven van armoede van generatie op generatie bestreden moet worden met de bespoediging van de werkzaamheden van de Commissie via de opstelling van een kinderhandvest, met als doel de rechten van het kind te bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa, namens de PSE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil commissaris Špidla en mevrouw Bauer bedanken voor het verslag en voor het initiatief met betrekking tot sociale bescherming en integratie. Dat we in de Europese Unie bijna zeventig miljoen mensen hebben die bedreigd worden door armoede is een beschamend statistisch gegeven en is onacceptabel.

Armoede is een gevolg van het handelen van mensen en kan worden opgelost door het handelen van intelligente mensen. We weten hoe we het armoedeprobleem kunnen oplossen, maar ons economisch systeem blijft doorgaan met het reproduceren van ellende voor tientallen miljoenen mensen, die wordt doorgegeven, zoals al eerder is gezegd, van generatie op generatie.

Dat is zo omdat we er op nationaal niveau niet in slagen het economisch, sociaal, cultureel en milieubeleid dat we nastreven te integreren. We slagen er niet in om de oplossingen die verschillende adviesraden en rapporten hebben aangedragen samen te voegen tot één geïntegreerd beleid. Een van de allerbelangrijkste oplossingen is niet, zoals vaak wordt gesteld, een baan; nee, het is onderwijs: te beginnen met de kleuterschool, zeker basisonderwijs, en minimaal ook middelbaar onderwijs.

Werkgelegenheid speelt natuurlijk een belangrijke rol, maar opgemerkt moet worden dat te veel van onze daklozen, en in het algemeen van de mensen die in armoede leven, wel degelijk een baan hebben. Het is daarom duidelijk dat de baan een kwaliteitsbaan met fatsoenlijke beloning en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden moet zijn wil hij bijdragen aan het oplossen van het armoedeprobleem.

Ik zou ook willen stellen dat sociale bescherming breder moet worden opgevat dan als alleen sociale zekerheid. Onze publieke diensten moeten gezien worden als mechanismen voor sociale bescherming. Diensten op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, vervoer en cultuur helpen niet alleen bij het beschermen van mensen die het risico lopen in armoede te vervallen, maar houden ook tientallen, zo niet honderden miljoenen mensen uit de armoede, gewoonweg doordat ze bestaan. Als ze niet zouden bestaan, zouden er vele miljoenen mensen meer op of onder de armoedegrens leven.

Ik zou eveneens willen stellen dat de notie dat sociale zekerheid niet meer is dan een vangnet vermeden dient te worden en dat we bij de hervorming van onze socialezekerheidsstelsels speciale aandacht moeten schenken aan het elimineren van situaties waarbij armoedeval optreedt.

 
  
MPphoto
 
 

  Siiri Oviir, namens de ALDE-Fractie. - (ET) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, collega's, de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting is een van de strategische prioriteiten van de Europese Unie. Het interim-verslag over de strategie van Lissabon was kritisch over de maatregelen, of beter de passiviteit, van de lidstaten. In Europa leeft 15 procent ofwel meer dan 68 miljoen mensen in armoede, waarvan een derde kinderen. Het verschil in loon tussen mannen en vrouwen bedraagt gemiddeld 20 procent ten nadele van vrouwen. Armoede ontstaat natuurlijk door armoede.

Sociaal evenwicht is in het belang van de hele maatschappij. Persoonlijk falen is niet de belangrijkste reden waarom mensen in armoede geraken. Het in elk beleid opnemen van sociale participatie en het stoppen met de verwaarlozing van het menselijk potentieel zijn directe stimulansen voor de ontwikkeling die wij met de strategie van Lissabon willen bereiken. Dit wordt ook in het onderhavige verslag onderstreept.

Europa moet zijn eigen zaken weer eens op orde brengen. De Noordse landen zijn hierbij goede voorbeelden. Deze landen hebben enerzijds economieën die wat hun concurrentievermogen betreft bij de beste tien van de wereld horen en anderzijds de doeltreffendste sociale bescherming.

Ik wil vooral de oproep in het verslag onderstrepen om onderhandelingen te beginnen over het kiezen van beleidsterreinen, waarop de open coördinatiemethode wordt toegepast. Europa moet er rekening mee houden dat terwijl wij nu 38 niet-werkende gepensioneerden voor elke honderd werkenden hebben, dit in de komende decennia kan verdubbelen wanneer het arbeidsparticipatiebeleid niet wordt gewijzigd. Dit probleem moet echter al vandaag worden aangepakt. Levenslang leren en het vergroten van de arbeidsparticipatie onder ouderen zijn hierbij belangrijke doelen.

Helaas staan er in de wetgeving van sommige lidstaten bepalingen die discriminatie van ouderen op de arbeidsmarkt bevorderen. Deze praktijk moet uit de Europese rechtsruimte verdwijnen.

Van de risicogroepen lopen vrouwen ouder dan vijftig jaar het grootste gevaar op uitsluiting en dit wordt erger na de pensionering. Het is zeer goed dat het verslag hier veel aandacht aan besteedt. In het verslag worden de lidstaten opgeroepen te waarborgen dat vrouwen bij de berekening van hun pensioenen niet worden gestraft voor hiaten in hun arbeidsverleden ten gevolge van ouderschapsverlof of de verzorging van kinderen. Van zeer wezenlijk belang vind ik de oproep aan alle lidstaten, vooral de nieuwe, om hun eigen solidaire pensioenstelsels te herzien en hierbij rekening te houden met de lagere gemiddelde levensverwachting van mannen en de grote inkomensverschillen tussen vrouwen en mannen, die tot uiting komen in de omvang van de pensioenen van gepensioneerde weduwen, die er vaak voor zorgt dat ze onder de armoedegrens terechtkomen.

Ik wil mevrouw Bauer bedanken voor haar deskundige werk en ik hoop dat de beginselen van dit document snel door de lidstaten in de praktijk worden gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Lambert , namens de Verts/ALE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw Bauer bedanken voor haar werk aan dit uitstekende verslag, en de Commissie voor haar werkdocument.

Een van de punten die uit het verslag naar voren komen is dat er meerdere oorzaken van armoede zijn die vaak verband houden met discriminatie; dat wanneer je kijkt naar sommige groepen die in het bijzonder getroffen worden - vrouwen, zoals we zojuist hebben gehoord, mensen met een handicap, mensen afkomstig uit zwarte gemeenschappen en andere etnische minderheden, en zowel ouderen als jongeren - het goed te zien is waarom de artikel 13-richtlijnen inzake non-discriminatie zo belangrijk zijn en waarom ze zo integraal mogelijk moeten worden toegepast.

Het beklemtonen van kinderarmoede is welkom. We weten dat er een verband bestaat tussen slechte voeding, slechte huisvesting, een slecht sociaal milieu - de armen leven vaak in de slechtste sociale milieus - en slechte vooruitzichten op het gebied van onderwijs, die doorwerken in het hele leven van mensen en zelfs in het leven van hun kinderen. Ik verwelkom de roep om een groenboek over kinderarmoede. We moeten daar naar kijken in de context van sociale cohesie in het algemeen, want het heeft implicaties voor de kloof tussen rijk en arm.

De heer De Rossa noemde de problemen rond onderwijs en werkgelegenheid. De werkelijke oorzaak van armoede is echter gebrek aan contant geld. Je kunt niet enkel en alleen vertrouwen op het ‘trickle-down effect’ van economische groei. Je moet specifieke acties ondernemen om de mensen aan de onderkant te bereiken. Neem bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, dat hoog scoort als het gaat om het risico om in armoede te vervallen. Ondanks de vele inspanningen die onze regering op dit moment verricht, zie je dat het aandeel van de armste 10 procent in het netto-inkomen van de bevolking 2,8 procent is, terwijl het aandeel van de rijkste 10 procent 28 procent is: tien keer zoveel. Je kunt het in mijn eigen regio zien, de binnenstad van Londen, het rijkste gebied van de Europese Unie, waar ook ongelooflijke armoede bestaat. We moeten deze percentages veranderen en die aan de onderkant verhogen.

Ik ben het eens met de rapporteur over het belang van publieke diensten en de rol die sociale zekerheid hierbij te spelen heeft. De lidstaten moeten bekijken of hun socialezekerheidsstelsels zodanig functioneren dat ze mensen in staat stellen opleidingen of onderwijs te volgen, of dat ze mensen juist inperken omdat deze mensen op elk moment klaar moeten staan om aan het werk te gaan.

Ik sluit me eveneens aan bij de opmerkingen die zijn gemaakt over de open coördinatiemethode en de rol die het Europees Parlement hierbij zou moeten spelen, niet in de laatste plaats door de nationale actieplannen en de resultaten daarvan tegen het licht te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo, namens de GUE/NGL-Fractie. (PT) De voorgaande sprekers hebben al duidelijk gemaakt dat armoede en sociale uitsluiting in de Europese Unie zeer omvangrijk zijn en meer dan 70 miljoen burgers in de Europese Unie treffen. In het verslag staat het bekende gegeven dat in 14 van de 17 lidstaten waarvoor data beschikbaar zijn de kinderarmoede in de jaren negentig is toegenomen. Maar de huidige situatie neigt verder te verslechteren vanwege de hoge werkloosheid, toename van slecht betaald en onzeker werk, flexibiliteit en privatisering van basissectoren en basisvoorzieningen.

Daar zoals bekend armoede een schending van de rechten van de mens is, dienen we meer aandacht te schenken aan de oorzaken en op basis van een multidisciplinaire aanpak de nodige maatregelen te nemen om de sociale integratie te bevorderen. Daarom hebben we voorstellen gedaan om het macro-economisch beleid te wijzigen en sociale integratie, banen met rechten, openbare gezondheidszorg, onderwijs, toegang tot justitie en cultuur en fatsoenlijke huisvesting centraal te stellen bij onze politieke prioriteiten. Om dezelfde reden pleiten we ervoor het Stabiliteitspact te vervangen door een echt pact voor ontwikkeling en vooruitgang en de Lissabon-strategie in te ruilen voor een echte strategie voor economische en sociale cohesie. Voorts zijn we van mening dat het accent niet moet worden gelegd op de ontwerprichtlijn voor het totstandbrengen van een interne markt voor diensten.

De ervaring heeft aangetoond dat de open coördinatiemethode in het kader van de strategie van Lissabon de armoede niet heeft verminderd. Op grond van de Lissabon-strategie zijn daarentegen juist de liberaliseringen en privatiseringen van overheidsbedrijven en openbare diensten toegenomen met meer armoede en problemen voor de sociale integratie als gevolg. Terwijl die maatregelen verplicht waren, heeft de open coördinatiemethode geen enkele lidstaat verplicht de armoede te verminderen. Dat verschil betekent dat het proces van Lissabon met twee maten meet.

Overheidsbeleid is essentieel om armoede te verminderen en naleving van de mensenrechten te garanderen. Daarom is een universeel en solidair socialezekerheidsbeleid van de overheid nodig en wijzen wij de privatisering van de gezondheidszorg van de hand.

Zo heeft de staat eveneens een essentiële rol bij het garanderen van goed openbaar onderwijs en arbeidsrechten uit respect voor de waardigheid van de werknemers. Daarom herhalen we dat het niet volstaat armoede te betreuren. We dienen het neoliberaal beleid dat de oorzaak is van de stijging van het aantal mensen dat arm dreigt te worden, te veranderen. Die uitdaging willen we hier formuleren in de hoop dat dit debat niet het zoveelste debat zonder gevolgen zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Guntars Krasts, namens de UEN-Fractie. (LV) Mijnheer de Voorzitter, in paragraaf 37 van het verslag van het Parlement, dat wij over het geheel genomen omarmen, lezen wij de conclusie dat de snelle veranderingen ten gevolge van de globalisatie en het brede gebruik van informatie- en communicatietechnologieën de kwetsbaarheid van mensen voor sociale risico’s vergroten. Globalisatie, informatie en communicatie worden beoordeeld als risico’s.

In mijn ogen wordt een samenleving bedreigd als de snelle veranderingen ten gevolge van de globalisatie niet vergezeld gaan van het brede gebruik van informatie- en communicatietechnologieën. Dreigingen ontstaan als de voordelen van verandering worden beschouwd als risico’s.

Door het brede gebruik van informatie- en communicatietechnologieën nemen de kansen van de burgers op onderwijs en opleiding toe, en dat geldt ook voor hun kansen om toe te treden tot de arbeidsmarkt, waarbij dat nog het meest van toepassing is op de sociaal kwetsbaarste groepen, zoals de gehandicapten. Met behulp van de elektronische overheid ofwel e-government kunnen sociale groepen of individuen direct worden betrokken bij de sociale dialoog met de nationale overheid. Ook om deze reden dienen we de nadruk te leggen op die maatregelen die de burger helpen gebruik te maken van deze mogelijkheden. Het beleid ten aanzien van de welvaartsstaat en de informatiemaatschappij dienen te worden gecoördineerd.

Laten we de vrees voor de snelle verspreiding van de informatietechnologie overlaten aan de dictators van Noord-Korea en Wit-Rusland.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Tadeusz Masiel (NI).(PL) Mijnheer de Voorzitter, de trieste uitkomst van recent onderzoek is dat de wereldwijde toename in het aantal miljardairs geen gelijke tred houdt met een algehele welvaartsgroei onder gewone mensen. Het tegendeel is het geval: het aantal mensen dat in armoede leeft, stijgt gestaag, zowel in de oude als de nieuwe lidstaten van de Europese Unie. Het lijdt geen twijfel dat het gebrek aan sociale bescherming en een behoorlijke mate van sociale integratie in de nieuwe lidstaten het scherpst gevoeld wordt. Een land als Polen verkeert in een paradoxale situatie. Een voormalig socialistisch land biedt zijn burgers nu minder sociale bescherming dan landen die altijd kapitalistisch zijn geweest. Aan de sociale problemen van het oude Europa van de vijftien voegen wij onze eigen specifieke problemen toe, zoals een grote werkloosheid onder hoger opgeleide jongeren of een gebrekkige toegang tot medische basiszorg.

Mijnheer de commissaris, de Unie wordt vaak bekritiseerd om het teveel aan regels, maar het komt mij voor dat zij één cruciale regel mist: de Unie zou de lidstaten op een sociaal minimum moeten vastleggen. Daarmee zouden alle burgers van Europa zich veilig voelen. Bovendien zou het de sociale integratie bevorderen, doordat de bestaanszorgen afnemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tomáš Zatloukal (PPE-DE).(CS) Mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, ons debat van vandaag over sociale bescherming en sociale integratie lijkt mij bijzonder op z’n plaats, want ondanks een afname van 3 procent in de jaren 1995-2000 ligt de relatieve armoede op het onrustbarend hoge niveau van 15 procent. Zulke cijfers, in combinatie met de huidige situatie, wekken in mij dan ook de vrees dat we er niet in zullen slagen armoede en de sociale uitsluiting die daar het gevolg van is voor 2011 uit te bannen. Verschijnselen als dit zijn het gevolg van structurele veranderingen waar de sociale en economische ontwikkeling van onze samenleving mee gepaard gaat. De arbeidsmarkt ondergaat veranderingen, technologie verandert de samenleving en er zijn demografische veranderingen. Er is etnische diversificatie, huishoudens veranderen van samenstelling en de rollen van mannen en vrouwen krijgen een andere invulling. Hulp moet in de eerste plaats gericht zijn op de meest kwetsbare groepen – op werklozen, eenoudergezinnen, ouderen, alleenstaanden, gezinnen met meerdere hulpbehoevenden en op minderheden en gehandicapten. Het feit dat armoede vaak ook invloed heeft op kinderen is in mijn ogen heel triest en verontrustend.

Onder de vele oplossingen die voor armoede en sociale uitsluiting aangedragen worden, zou ik onderwijs willen benadrukken. Het gaat erom het juiste onderwijsniveau te garanderen, te zorgen voor een soepele overgang van onderwijs naar de werkvloer en de integratie van achtergestelde groepen in het onderwijsstelsel door e-learning te bevorderen. Onderwijs is meer dan alleen school, het is een doelgericht systeem van levenslang leren. Voor het verwezenlijken van deze en andere prioriteiten is echter wel geld nodig. Met name de nieuwe lidstaten weten nog onvoldoende gebruik te maken van het aangewezen financieringsinstrument hiervoor, het Europees Sociaal Fonds. Ik doe daarom een beroep op de nieuwe lidstaten en in het bijzonder op de Tsjechische Republiek om alles in het werk te stellen om de bureaucratische ballast voor aanvragers met betrekking tot de onlangs opgestelde programmadocumenten voor de periode 2007-2013 te verminderen. Tot slot dank ik mevrouw Bauer voor een goed verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Jöns (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, geachte collega's, pensioenbeleid en armoedebestrijding zijn net als gezondheidszorg en langdurige zorg belangrijke taken voor ons en cruciale thema's voor alle burgers in de Europese Unie. Daarom moet het Parlement zijn betrokkenheid bij de open coördinatie van alle aspecten van sociale bescherming en sociale integratie aanzienlijk vergroten. De huidige procedure is volstrekt onaanvaardbaar. We behandelen vandaag een stand van zaken die al achterhaald is. De Raad heeft al gesproken over de vervolgmededeling van de Commissie. We hebben dan ook zeer dringend behoefte aan een Interinstitutioneel Akkoord.

Mijnheer de commissaris, u hebt vandaag gezegd dat u zich zult inzetten voor een dialoog met het Parlement. Ik wil u daarvoor hartelijk bedanken, maar we willen niet alleen graag een vlotte dialoog, we willen dat er echt een Interinstitutioneel Akkoord wordt gesloten met volstrekt heldere spelregels. Ook moet in het vervolg bij de open coördinatiemethode op het terrein van de sociale bescherming meer prioriteit worden gegeven aan kwesties in verband met het combineren van werk en gezinsleven en bijzondere aandacht worden geschonken aan kinderopvang.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN).(PL) Mijnheer de Voorzitter, de voortschrijdende globalisering leidt tot de herstructurering van zowel ondernemingen als de arbeidsmarkt. Een ander gevolg van de globalisering is de nadruk op het internationaal niveau, niet slechts het lokale en nationale. Grote ondernemingen hebben steeds meer de neiging de kleine en middelgrote van de markt te drukken, met alle gevolgen van dien voor de bestaansmiddelen van plaatselijke gemeenschappen.

De aard van de herstructurering verschilt van streek tot streek. In de oude lidstaten leidt die tot bezorgdheid over banenverlies en in de nieuwe lidstaten vreest men dat bedrijven stilgelegd worden en al het personeel op straat komt te staan. De arbeidsmarkt in de nieuwe lidstaten heeft het zwaar te verduren gekregen door het ontstaan van hypermarkten en supermarkten, vooral in binnensteden en grote nieuwbouwwijken. Deze grote winkelcentra waren fnuikend voor kleine middenstanders en dienstverleners in de nabije omgeving, van wie velen gedwongen waren hun zaak te sluiten. Voor elke baan die er in een hypermarkt bijkomt, verdwijnen er vijf tot acht in de nabije omgeving. Investeerders sluiten vaak de ogen voor de menselijke kant van de zaak, voor de natuurlijke omgeving van de mens en diens band met het verleden. Mevrouw Bauer heeft daar in haar verslag zeer terecht op gewezen.

Samenvattend kun je stellen dat de voornaamste slachtoffers van structuurhervormingen op de werkvloer de werknemers en toeleveranciers zijn, waaronder ook agrariërs. Hulpmaatregelen dienen zich vooral op deze groepen mensen te richten. Zij zouden de gelegenheid moeten krijgen een nieuwe baan te zoeken, een nieuw beroep te leren of nieuwe markten voor hun producten aan te boren.

 
  
MPphoto
 
 

  Ljudmila Novak (PPE-DE). – (SL) Volgens mij is het meest sociale land een land dat voorwaarden uitwerkt voor kwalitatieve arbeidsplaatsen en zijn bevolking gelijke kansen biedt. Voor kwalitatieve arbeidsplaatsen kunnen we zorgen door te investeren in menselijk kapitaal, door levenslang leren, door de flexibiliteit van de arbeidsmarkt te bevorderen en door een wetgeving ten gunste van de economie.

Burgers hebben nood aan gunstige externe omstandigheden voor hun werk, om creatief te zijn en om aan hun persoonlijke behoeften te voldoen. Dat ligt anders voor zwakkere groepen als oudere mensen, jongeren zonder werkervaring, zieken, personen met een handicap, alleenstaande moeders of kroostrijke gezinnen. Al die groepen hebben aandacht en hulp van de samenleving nodig zodat ze sociaal beschermd en niet van de maatschappij uitgesloten zijn.

Ik begrijp echter niet waarom de Europese Raad beslist heeft om bij de onderhandelingen over de financiële perspectieven net de middelen voor opleiding en beurzen voor jongeren te reduceren. Relatief bescheiden middelen kunnen belangrijke gevolgen hebben op het vlak van opleiding, vreemdetalenonderwijs, internationale contacten en de verhouding met de Europese Unie. In bijna al onze documenten zetten we ons voor die waarden in. Zolang we in de Europese Unie concrete maatregelen nemen die ingaan tegen onze woorden en inzichten, kunnen we de gestelde doelstellingen niet sneller bereiken.

In de geschiedenis van de mensheid is de tijd misschien nog nooit zo snel verstreken als vandaag het geval is, en niets wijst erop dat het tempo zal verminderen. Daarom hebben we behoefte aan snelle en eenvoudige oplossingen voor de aanpassing aan de veranderingen, om zo meer economische groei en een betere sociale bescherming van de zwakkere groepen van de bevolking te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Mikko (PSE). - (ET) Dames en heren, als sociaal-democraat ben ik van mening dat werk de enige bron van welvaart is, maar als productiefactor verliest arbeid zijn positie aan machines, dat wil zeggen aan kapitaal.

Veel gepensioneerden in de oude lidstaten genieten van een goede oude dag, omdat de regeringen van deze landen hebben voorzien in een zodanige wetgeving dat de werknemers verplicht zijn hen tot op een zeker niveau te steunen. Veel mensen die van een laag inkomen moeten rondkomen terwijl zij zich nuttig maken voor de samenleving, lopen daarentegen het gevaar onder de armoedegrens terecht te komen wanneer zij met pensioen gaan. De pensioenstelsels van te veel lidstaten zijn in wezen piramidesystemen. Ik wil de aandacht vestigen op het feit dat degenen die er het laatst bijgekomen zijn, de jongeren, niet langer de mensen kunnen vinden die hen later van hun eigen loon zouden moeten onderhouden. Hun werk, loon en financiële verplichtingen maken het niet mogelijk kinderen te krijgen of geld te sparen.

Ik prijs weliswaar het verslag van mevrouw Bauer, maar pensioenproblemen kunnen niet met één verslag worden opgelost. Toch kunnen wij nu al maatregelen nemen om de toekomst te verzekeren. Pensioenstelsels, van de overheid of de particuliere sector, moeten reëel geld bevatten en niet alleen op beloften zijn gebaseerd.

In Estland was de overstap naar een stelsel van pensioenfondsen een succes. Als de oude lidstaten dat succes kunnen herhalen, zou dat goed zijn voor het concurrentievermogen en de duurzame ontwikkeling van Europa. Ik hoop dat ons Parlement zich snel weer met pensioenstelsels gaat bezighouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Gurmai (PSE).(HU) Mijnheer de Voorzitter, mensen de kans bieden om uit de vicieuze cirkel van de sociale uitsluiting te breken, dat is de werkelijke uitdaging voor de Europese Unie. Het is onaanvaardbaar dat 15 procent van de Europese burgers, bij benadering 68 miljoen mensen, leven in het bewustzijn het risico te lopen om onder de armoedegrens te komen, zoals dat wordt beschreven in het rapport van de Europese Commissie dat op 27 januari 2005 is gepubliceerd.

Het is onaanvaardbaar dat sociale uitsluiting de kwetsbaarste groepen treft: vrouwen en etnische minderheden. Deze groepen hebben te kampen met nadelen bij het verkrijgen en behouden van werk, inkomen, sociale zekerheid, gezondheidszorg en toegang tot culturele faciliteiten.

In het verslag staat dat het percentage mensen dat door armoede wordt bedreigd in Hongarije lager ligt dan het gemiddelde van de Europese Unie, namelijk onder de 10 procent, net als in de Republiek Tsjechië, Zweden, Denemarken en Slovenië. In de Republiek Ierland, de Republiek Slowakije, Griekenland en Portugal bedraagt dit percentage 20 procent.

Commissaris Vladimir Špidla onderstreepte in zijn rede dat vrouwen in hun leven vier keer meer tijd aan de zorg voor anderen besteden dan mannen. Als we de sociale waarde van dit feit erkennen, bieden we een echte kans om de kloof te dichten.

De arme en kwetsbare groepen in de samenleving kunnen alleen uit de vicieuze cirkel van sociale uitsluiting breken als we werkgelegenheid voor hen kunnen scheppen, als we een marktgerichte opleiding voor hen verzorgen. Werk vinden betekent een inkomen vergaren, en dat vergemakkelijkt sociale integratie en verbetert de financiële situatie van het individu. Dit is de werkelijke uitdaging. Laten we die aangaan. Ik stel voor om het verslag aan te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Aloyzas Sakalas (PSE).(LT) Ik wil mevrouw Bauer bedanken voor haar kundig voorbereide verslag. Het ware echter beter geweest als er een systeem in had gezeten waaruit was gebleken wat de voornaamste prioriteiten zijn. Naar mijn mening is de belangrijkste prioriteit het kind, want bij hem of haar begint alles, en een volwassene is niet meer dan de uitkomst van de opvoeding van dat kind. Als kinderen niet naar school gaan, zullen ze ook geen werk vinden. Als kinderen voortdurend honger lijden, gaan ze bedelen en zelfs uit stelen. Als kinderen worden mishandeld of seksueel worden misbruikt, worden zij zelf als volwassene ook gewelddadig. Als kinderen geen ouders hebben of gescheiden van hen zijn, dan gaan zij op straat leven. In alle genoemde gevallen neemt de onderwereld deze kinderen maar al te graag op, om ze op te voeden tot misdadigers. Dergelijke kinderen zullen niet toetreden tot de arbeidsmarkt. Daarom moet het onze basisprioriteit zijn om de oorzaken weg te nemen die kinderen ongeschikt maken voor de arbeidsmarkt. Als we die oorzaken niet weten weg te nemen, dan zullen alleen de gevolgen worden bestreden met de andere maatregelen die in het verslag worden genoemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, Commissie.(CS) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik ben verheugd over het hoge niveau van dit debat en de voorstellen die de afgevaardigden geopperd hebben en ik bevestig nog eens mijn bereidheid om samen met u de doelstellingen van de Unie te verwezenlijken en de rol te vervullen die de Europese burgers ons toebedeeld hebben. Ik kan u verzekeren dat de Commissie onverdroten blijft werken aan een krachtiger profilering van de sociale dimensie van de strategie van Lissabon. Graag zou ik u een paar ideeën aan de hand doen voor ons werk in de toekomst.

Een eerste vereiste is de Europese coördinatie sterker aan te zetten. We hebben een uitgewogen benadering weten te vinden, waarbij de nadruk komt te liggen op de noodzaak om sociale doelstellingen met een financiële taakstelling te combineren. Dat is geen geringe prestatie en van fundamentele betekenis voor het herstel van het vertrouwen van de burger in de hervormingen. We moeten het partnerschap tussen de lidstaten en de Unie versterken. De Europese strategie voor groei en werkgelegenheid en de sociale agenda zijn niet het eigendom van de Commissie of andere Europese instellingen. Ze moeten het hebben van het engagement van alle betrokkenen – de lidstaten, Europese burgers, parlementen, sociale partners en belangengroepen alsmede alle instellingen en organen van de Europese Unie. Dit partnerschap kan alleen slagen bij een duidelijke rolverdeling. De lidstaten implementeren de hervormingen op landelijk niveau en het structuurbeleid zoals dat in het kader van de herziene strategie van Lissabon is vastgesteld. De Unie blijft hervormingsinspanningen ondersteunen en maakt tegelijkertijd gebruik van alle nieuwe instrumenten, zoals steun uit de structuurfondsen, respect voor grondrechten, steun voor sociale dialoog en het propageren van succesvolle werkwijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.30 plaats.

 

20. Richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2007 (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0058/2006) van Louis Grech, namens de Begrotingscommissie, over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2007 - Afdelingen II, IV, V, VI, VII, VIII(A) en VIII(B) en voor het voorontwerp van raming van het Europees Parlement (Afdeling I) voor de begrotingsprocedure 2007

Afdeling I, Europees Parlement
Afdeling II, Raad
Afdeling IV, Hof van Justitie
Afdeling V, Rekenkamer
Afdeling VI, Europees Economisch en Sociaal Comité
Afdeling VII, Comité van de regio's
Afdeling VIII (A), Europese Ombudsman
Afdeling VIII (B), Europees toezichthouder voor de gegevensbescherming [2006/2021(BUD)].

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Grech (PSE), rapporteur. (EN) Mijnheer de Voorzitter, het verslag dat ik het Parlement ter beoordeling en goedkeuring heb voorgelegd, schetst de belangrijkste richtsnoeren voor de begroting voor 2007 van andere instellingen. Het voornaamste deel van mijn verslag gaat echter over de begroting van het Parlement.

Het verslag legt grote nadruk op de noodzaak om te consolideren wat in deze afgelopen jaren is bereikt. Er zijn geen grote projecten voorzien voor 2007, waardoor we genoeg tijd zouden moeten hebben om een diepgaande inventarisatie uit te voeren en kritisch en objectief te bekijken en te evalueren wat er in de komende jaren gedaan moet worden.

In een situatie van beperkte begrotingsruimte is het noodzakelijk dat we begrotingsdiscipline invoeren bij alle doorlopende activiteiten, waarbij waarde wordt toegevoegd voor de belastingbetaler. Ik wil beklemtonen hoe belangrijk een bestemmingsgerichte budgettering is, omdat die resulteert in rationelere en analytisch beter te verantwoorden ramingen. Bovendien moet de toewijzing van kredieten betrekking hebben op specifieke activiteiten. Dat zou annulering van kredieten aan het eind van het jaar helpen voorkomen.

De instellingen moeten hun ramingen op duidelijk omschreven behoeften baseren, waarbij duplicatie van functies moet worden vermeden, de focus sterker op kernactiviteiten moet komen te liggen en wanbeleid en alle andere knelpunten uitgebannen worden. In dit verband worden de instellingen uitgenodigd om beter gebruik te maken van de hun ter beschikking gestelde middelen, wat zou moeten leiden tot meer interinstitutionele samenwerking, die op haar beurt weer zou moeten leiden tot een grotere efficiëntie en hopelijk meer besparingen. Het is redelijk om aan te nemen dat bepaalde administratieve taken door de instellingen gedeeld kunnen worden, zonder dat deze hun onafhankelijkheid verliezen. Dit kan schaalvoordelen opleveren en de effectiviteit van diensten vergroten.

Een ander essentieel punt in het verslag betreft het voorlichtingsbeleid, dat betrekking heeft op de doelstelling van het Parlement om Europa en zijn instellingen dichter bij de burgers te brengen. Om het beeld dat de burgers van de Europese Unie hebben te verbeteren, is een doeltreffende, krachtige voorlichtingsstrategie van cruciaal belang. Dit gezegd hebbende, houd ik echter staande dat in ieder voorlichtingsproject speciale aandacht moet worden gegeven aan de mate waarin fracties erin participeren en samenwerken, aan de veelheid aan meningen, en aan de inhoudelijke waarde en kostenstructuur ervan. In de uiteindelijke analyse zal het succes van elk project moeten worden afgemeten aan het positieve effect dat het heeft op de burgers van de EU.

Met betrekking tot personeel, gezien de buitengewoon forse rekrutering die in de afgelopen drie jaar heeft plaatsgevonden en de nieuwe Streamline-software, die aan het eind van het jaar moet functioneren, is het gerechtvaardigd te stellen dat, afgezien van de uitbreiding en een uiterst beperkte rekrutering van gespecialiseerd personeel, er geen nieuwe aanwervingen mogen plaatsvinden in 2007, hetgeen in de toekomst tot concrete besparingen moet leiden.

In mijn verslag stel ik ook een aantal additionele prioriteiten voor 2007 vast, die met name betrekking hebben op het vastgoed- en gebouwenbeleid, de uitbreiding, assistentie aan leden, een statuut voor de ledenassistenten, en training. Helaas kan ik gezien de beperkte tijd niet op al die onderwerpen in detail ingaan.

Het is wat ongelukkig dat deze begrotingsprocedure in een situatie van onzekerheid van start gaat vanwege het ontbreken van een interinstitutioneel akkoord. Begrijpelijkerwijs moeten we ons uiterste best doen om overeenstemming te bereiken over de financiële vooruitzichten, maar niet tegen elke prijs. We kunnen en moeten geen lippendienst bewijzen aan hoogdravende toverwoorden als ‘groei’, ‘werkgelegenheid’, ‘onderzoek’, ‘sociale solidariteit’ en ‘uitbreiding’ als we daar niet tegelijkertijd de middelen of de flexibiliteit bij verschaffen om ze te verwezenlijken. Met andere woorden, als we werkelijk menen wat we zeggen, moeten we de daad bij het woord voegen.

Bovendien, en onder deze omstandigheden, is het aan te raden, althans in deze fase, om uit te gaan van de aanname dat het zelf opgelegde plafond van 20 procent van de uitgaven in rubriek 5 gehandhaafd zal worden. Dat gezegd hebbende, weten we echter dat het zelfopgelegde plafond geen onbetwistbare en onveranderlijke wet is. In de toekomst moet we niet aarzelen om deze afspraak te betwisten en te herzien als we er werkelijk van overtuigd zijn dat het uit financieel en begrotingstechnisch oogpunt zinvol is om dat te doen.

Concluderend, ik heb er vertrouwen in dat de verschillende richtsnoeren die in dit verslag naar voren worden gebracht, wanneer ze ook werkelijk worden aangenomen, zullen leiden tot verbetering van de efficiëntie, kwaliteit, prestaties en transparantie van de Europese instellingen, en daarbij meer toegevoegde waarde zullen creëren voor de Europese burgers en hopelijk meer toegevoegde waarde voor de geloofwaardigheid van de instellingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ville Itälä, namens de PPE-DE-Fractie. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst de rapporteur, de heer Grech, bedanken voor zijn uitstekende voorstel en onze prettige samenwerking bij de behandeling van het verslag. Mijnheer de Voorzitter, de begroting van het Parlement moet op een doeltreffende, verantwoordelijke en geloofwaardige wijze worden behandeld. Hiervoor zijn enkele zaken vereist.

Ten eerste moeten wij het niet meer hebben over een jaarlijkse toename of plafond van 20 procent. Wij moeten alleen een begroting behandelen en uitvoeren die op daadwerkelijke behoeften is gebaseerd. Wij moeten altijd onze verantwoordelijkheid tegenover de belastingbetaler in ogenschouw nemen. Dit schept de geloofwaardigheid die van het Parlement wordt verwacht. Een belangrijk voorbeeld hiervan is het voorlichtingsbeleid. Wij moeten geen overdreven projecten in het leven roepen, zoals onze eigen televisiezenders, maar er altijd voor zorgen dat de fracties nauw bij alle voorlichting van het Parlement zijn betrokken. Wij moeten ook alle voorlichting die wij geven goed van tevoren plannen, zodat wij weten wat de kosten en de personeelsbehoeften van de projecten zijn. Het beste voorbeeld van voorlichting zijn bezoekersgroepen. Wij moeten er nu snel voor zorgen dat de vijf miljoen euro waarover wij vorig jaar een besluit hebben genomen, zo spoedig mogelijk worden gebruikt.

Ik wil verder een amendement ter sprake brengen inzake het kinderdagverblijf van het Parlement. Dit lijkt politiek gezien misschien niet zo'n belangrijke zaak, maar voor de positie van het Parlement als werkgever is het van groot belang hoe wij werknemers met kinderen behandelen. Dit is vooral een kwestie van gelijke behandeling en wij kunnen geen alleenstaande ouders en vrouwen straffen die kinderen hebben en in het Parlement willen werken. Daarom moet een crèche zo dicht mogelijk bij het Parlement en het openbaar vervoer blijven. Het voorstel dat nu is gedaan om de Eastman-crèche niet langer te gebruiken, is natuurlijk zeer alarmerend en ik hoop dat er overeenstemming wordt bereikt over de aanneming van het amendement in dit verband.

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill, namens de PSE-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Grech bedanken voor zijn harde werken en voor het uitstekende verslag dat hij heeft geproduceerd over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2007.

Ik hoop echt, zoals het verslag voorstelt, dat de instellingen in het licht van de huidige financiële situatie in staat zullen zijn om met realistische wensen te komen, op basis van begrotingsdiscipline. Net als de rapporteur ben ik ervan overtuigd dat we in alle instellingen efficiënter kunnen werken zonder concessies aan de kwaliteitsnormen te hoeven doen. Ik dring er bij alle verantwoordelijken op aan - en dat betekent ieder van ons en alle leden van alle instellingen - om dit in gedachten te houden en onze werkwijze dienovereenkomstig te veranderen.

Ik wil speciaal wijzen op enkele andere aspecten van het verslag die in het bijzonder belangrijk zijn. Er wordt iets gezegd over voorlichting en communicatie. Ik juich toe dat de nadruk wordt gelegd op resultaten, in tegenstelling tot alleen op uitgaven. Dure oplossingen zijn niet altijd de meest effectieve oplossingen. Zoals de rapporteur stelt, moeten we niet bang zijn om te stoppen met instrumenten en strategieën die niet leiden tot de gewenste resultaten. Dat betekent regelmatige evaluatie en een duidelijke en goede verdeling van verantwoordelijkheden.

Er wordt ook iets gezegd over voorlichtingsinstrumenten. Een idee dat is onderzocht is web-TV. Ik ben een groot voorstander van dat idee. Heel veel jonge mensen halen hun informatie tegenwoordig van internet. Als het goed wordt beheerd en er goed mee wordt omgegaan, kan het een nieuwe manier zijn om in contact te komen met burgers en om onze doelstellingen dichterbij te brengen. We moeten betere manieren vinden, maar dat moet wel op een goede manier gebeuren. Ik ben een groot voorstander van het idee van web-TV, om te kijken hoe alle instellingen met elkaar kunnen samenwerken en hoe we onze informatie kunnen overbrengen aan de verschillende leden van de samenleving.

 
  
MPphoto
 
 

  Kyösti Virrankoski, namens de ALDE-Fractie. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, de heer Grech heeft een uitstekend verslag opgesteld over de richtsnoeren voor volgend jaar betreffende de andere afdelingen in de begroting dan die van de Commissie, waarvoor mijn hartelijke dank.

Een kenmerk van de begroting voor volgend jaar is nog steeds de ingebruikname van het nieuwe, op activiteiten gebaseerde boekhoudsysteem in alle instellingen. Het is van belang, ook de rapporteur dringt er op aan, dat alle instellingen dezelfde begrotingsnomenclatuur toepassen, zodat Parlementsleden en andere belanghebbenden de tenuitvoerlegging van de begroting beter kunnen volgen. Het is van belang vergelijkbare gegevens te krijgen over de kosten en resultaten van verschillende activiteiten.

Ook de verwachte uitbreiding drukt een stempel op de begroting voor volgend jaar. Roemenië en Bulgarije worden zeer waarschijnlijk volgend jaar lid van de Europese Unie. Dit heeft specifieke eisen tot gevolg waarmee rekening moet worden gehouden. Wij moeten de nadruk leggen op het organiseren van vertaaldiensten en het in dienst nemen van personeel. Op die manier wordt een soepele overgangsfase gewaarborgd.

De rapporteur vestigt zeer terecht de aandacht op het feit dat er inzake de begroting van het Parlement een limiet moet worden gesteld van 20 procent voor alle administratieve bestedingen van de EU. Een en ander vormt een indicatie van de administratieve discipline van het Parlement.

Mijnheer de Voorzitter, het is de bedoeling in de begroting voor volgend jaar zeer veel aandacht te vestigen op voorlichtingsactiviteiten. Dit is op zich een zeer goede zaak. Wij moeten er echter op aandringen dat het geven van voorlichting zakelijk en doelmatig blijft gebeuren. Wij kunnen ons geen al te dure oplossingen veroorloven, vooral niet als ze geen nut hebben.

Wij moeten de aandacht vestigen op diensten voor bezoekers en bezoekersgroepen. Hoewel er verbeteringen zijn aangebracht in de huidige faciliteiten, blijft er nog veel te wensen over. Er zijn te weinig ruimten waar wij bezoekers kunnen ontvangen en er moet te lang in de rij worden gestaan. Het zou goed zijn als er in de ruimten van het Parlement meer dan nu gebruik kan worden gemaakt van deskundigen van de communautaire instellingen van buiten het Parlement, zodat bezoekers een veelzijdiger beeld van de organisatie kunnen krijgen. De daadwerkelijke kosten van bezoekersgroepen moeten beter worden gedekt. Belangrijker dan het verhogen van het aantal bezoekers is een betere vergoeding van de reiskosten van de huidige bezoekers.

Wat de verdere behandeling van de begroting betreft hopen wij dat de kredieten voor volgend jaar meteen in het voorontwerp van de begroting worden gepresenteerd. Het is veel te vaak de gewoonte dat er tijdens de behandeling van de begroting in het najaar steeds meer eisen betreffende de begroting op tafel worden gelegd, wat men niet zou mogen accepteren. Dit gezegd zijnde wil ik mijn steun geven aan het voorstel van de rapporteur.

 
  
MPphoto
 
 

  Lars Wohlin, namens de IND/DEM-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ga het hebben over het Comité van de regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité.

(SV) Deze comités hebben hun langste tijd gehad. Hun waarde voor de EU staat niet in verhouding tot de kosten van de huidige integratie. Het oorspronkelijke idee achter de comités was dat zij de democratische legitimiteit van de EU zouden vergroten. Inmiddels heeft het Europees Parlement deze rol echter grotendeels overgenomen. Wat er nu overblijft is een Comité van de regio's met een gebrekkige verantwoordingsstructuur, waarbij de meerderheid van de leden van de Begrotingscommissie vraagtekens plaatst.

Tevens hebben we kunnen zien hoe zowel vakbonden als werkgevers succesvolle campagnes hebben gevoerd buiten het Economisch en Sociaal Comité om. Niemand twijfelt eraan dat dit tegenwoordig gevestigde partijen zijn die hun stem kunnen laten horen zonder hulp van een door de EU gefinancierde instelling.

In plaats daarvan moeten wij in de EU streven naar adviezen van de direct betrokken partijen. Op die manier ontstaan er mogelijkheden om te bezuinigen die nog niet worden benut. Bovendien zou het nuttig zijn om respons te krijgen van organisaties en partijen die niet noodzakelijkerwijs volledig afhankelijk zijn van de EU-begroting. Ik vind dan ook dat de kredieten op de begroting voor 2007 aanzienlijk moeten worden beperkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, in een parlementaire democratie kunnen, moeten en mogen volksvertegenwoordigers het goede voorbeeld geven. Zo velen van ons zien zich op het moment gedwongen van hun nationale bevolkingen offers te vragen, maar dat werkt alleen - het is in de geest van de democratie - als ook hier offers worden gebracht. Het verlagen van de begroting van het Parlement van 1,2 of 1,3 miljard euro naar onder het miljard zou u geloofwaardigheid verschaffen.

Een paar voorbeelden: de vele afgevaardigden die hebben beloofd alleen nog aanspraak te maken op hun daadwerkelijk gemaakte reiskosten, moeten hun overschot vanaf nu terugbetalen. In het jaar 2004 waren slechts 37 afgevaardigden goed voor het bespottelijke bedrag van 234 000 euro. We weten dat er voor 26 miljoen euro is verspild doordat de tolkendiensten niet naar behoren zijn ingezet. De vele minuten die hier zinloos wordt gezwegen kosten nog eens miljoenen, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Honderd miljoen euro per jaar wordt zomaar ergens aan uitgegeven. Dan wordt er vervolgens iets gezocht waaronder dit geld geboekt kan worden. Dat moet afgelopen zijn! Het is echt geen probleem om 300 miljoen euro te bezuinigen. Op die manier zouden ons niet alleen de negatieve krantenkoppen in de internationale pers bespaard blijven, het zou zelfs positieve koppen opleveren. Ik zeg dit als voorstander van Europa. U zult morgen weer opstaan met iets waarover u roept dat het een schandaal is, maar wat zich hier afspeelt dat is pas echt schandalig. Het spijt me, maar Europa kan pas vooruitgang boeken als hier aan de top eindelijk eens wordt bezuinigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Salvador Garriga Polledo (PPE-DE). (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het hebben over datgene wat volgens mijn fractie het leidende beginsel zou moeten zijn in de begroting van het Parlement, en dat is maximalisatie van de effectiviteit van het parlementaire werk in combinatie met minimalisatie van de kosten.

Bij het opstellen van de begroting van het Europees Parlement zouden we antwoord moeten geven op vragen als deze: geven we de afgevaardigden de juiste instrumenten in handen om hun functie goed te kunnen uitoefenen? Kunnen de Europese afgevaardigden beschikken over tolken voor alle talen, worden documenten snel vertaald en is er correcte juridische en technische ondersteuning? Hebben de afgevaardigden een goed computersysteem en voldoende medewerkers? Vanuit een extern perspectief, krijgen de afgevaardigden de juiste informatie? Spelen de fracties een rol bij de uitwerking en controle van deze informatie? Hebben de Europese afgevaardigden nieuwe informatiedragers nodig, of moeten de bestaande juist beter benut worden?

De Europese Volkspartij heeft concrete amendementen ingediend die antwoord geven op deze vragen.

Aan de andere kant moeten we ook denken aan het minimaliseren van de kosten. Is het echt nodig om dat plafond van 20 procent te halen? Zou het niet beter zijn om te laten zien dat ook in dit Huis soberheid en spaarzaamheid fundamentele leidraden voor gedrag vormen?

Ik hoop dat de begroting voor het jaar 2007 dezelfde lijn volgt als die voor het jaar 2006 en dat we niet terugkeren, in geen geval, op het pad van de veralgemeniseerde uitgaven.

 
  
MPphoto
 
 

  Brigitte Douay (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn collega, de heer Grech, bedanken voor de helderheid en de nauwgezetheid van zijn even volledige als pragmatische verslag. Mijn aandacht werd met name getrokken door de paragrafen over onze instelling – het enige democratisch gekozen vertegenwoordigingsorgaan van de burgers van de EU, om de woorden van Louis Grech aan te halen – met name waar het gaat om de bezoekers aan het Parlement.

Uit de recente debatten over het grondwettelijk verdrag en de uitslag van het referendum in mijn land – waar ik persoonlijk niet blij mee was – komt naar voren dat te veel van onze medeburgers onbekend zijn met hetgeen de Europese Unie inhoudt en wat het belang ervan is voor hun dagelijks leven. Angsten en vooroordelen nemen maar al te vaak de plaats in van feitelijke informatie. In mijn korte ervaring als nieuw lid van het Europees Parlement heb ik eveneens gemerkt dat telkens als ik bezoekers mocht ontvangen, in Brussel of in Straatsburg, ongeacht hun leeftijd, hun herkomst of hun plaats op de sociaal-economische ladder, zij overtuigd – naar ik hoop – weer naar huis zijn gegaan, of in elk geval beter geïnformeerd en altijd geïnteresseerd – dat weet ik zeker.

Een welbekende marketingregel luidt dat een ontevreden klant zijn ongenoegen tegen elf anderen uit terwijl een tevreden klant zijn positieve oordeel met slechts vier mensen deelt. Wat ons dus te doen staat is zorgen dat meer burgers tevreden want beter op de hoogte zijn, zodat de Europese gedachte beter ingang vindt onder onze bevolkingen. Daarvoor moet echter, zoals in het verslag-Grech wordt aangegeven, het aantal bezoekers per afgevaardigde omhoog: ik steun dat verzoek. Onlangs nog heeft het informatiebureau van het Europees Parlement voor Frankrijk in mijn district een boeiend forum georganiseerd rond het thema Dialoog over Europa: het verkleinen van de afstand tussen de Europese Unie en de burger. Veel deelnemers vonden het jammer dat het aantal begeleide bezoeken aan het Parlement niet groter is. Dit is een oprecht verzoek.

Een laatste punt nog: bij het ontvangen van onze bezoekers en het organiseren van ons werk spelen onze persoonlijke assistenten een onvervangbare rol. Zij vergezellen ons in ons leven als volksvertegenwoordiger en laten ons ruimschoots beschikken over hun intelligentie en hun tijd. Er bestaat echter grote ongelijkheid tussen hen onderling en hun sociale situatie is dikwijls onzeker. Zij verdienen het werkelijk, zoals Louis Grech benadrukt in zijn verslag, eindelijk een concreet en zinvol statuut te krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, allereerst wil ook ik mijn waardering uitspreken voor het werk van onze collega Louis Grech en voor de zeer hoge kwaliteit van zijn verslag.

In de huidige situatie en gezien de problemen die wij ondervinden in het kader van de onderhandelingen met de Raad over de financiële vooruitzichten 2007-2013, komt dit verslag op het juiste moment om te bepalen welke financiële middelen er in 2007 nodig zijn voor de financiering van de belangrijkste instellingen van onze Unie: het Parlement, de Raad, het Hof van Justitie, enzovoorts.

Ik wil mij vanavond graag aansluiten bij de verzoeken ten aanzien van de beginselen van een gezond financieel beheer en van het streven naar meerwaarde, maar ik zou graag zien dat we deze beginselen uitbreiden naar alle instellingen, en natuurlijk ook in het bijzonder de agentschappen van de Europese Unie.

We moeten ons nog meer inspannen voor de optimalisering van onze beleidsinstrumenten, het beheer van de voorlichtingsinstrumenten, de aan de overdracht van gegevens verbonden kosten en tot slot ons personeelsbeleid.

Ik voor mij zou ons communicatiebeleid willen beklemtonen: dit moet onze medeburgers daadwerkelijk toegang bieden tot niet alleen informatie, zoals zojuist werd uitgelegd, maar tot alle facetten van de Unie. Want het is werkelijk nodig dat de burgers van de Unie niet alleen de besluiten die wij in hun naam nemen kunnen begrijpen, maar ook deze geweldige blauwdruk van een samenleving die wij voor hen, en naar ik hoop met hen, bouwen tot hun eigen project maken.

We moeten onze communicatie-inspanningen in die richting intensiveren, en middelen aanwenden die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van een communicatiebeleid dat modern, doelmatig, voorlichtend, kortom aangepast aan onze tijd is, met name middels instrumenten als web-tv.

Evenzo lijkt het me noodzakelijk te benadrukken dat ook de ontvangst van bezoekers en van de pers op de verschillende vergaderplaatsen moet worden verbeterd. In het vooruitzicht van de toekomstige uitbreiding schort het ons ontegenzeglijk aan voldoende infrastructuur. Het overkomt mij maar al te vaak dat ik voor het ontvangen van delegaties op de gangen van het Parlement ben aangewezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jeffrey Titford (IND/DEM). (EN) Mijnheer de Voorzitter, als Brits staatsburger ben ik sterk gekant tegen het begrotingsakkoord waarvan de heer Tony Blair net doet alsof hij het heeft uitonderhandeld in december. Ik noem het liever ‘het grote cadeautjesfestijn’. Je chequeboekje trekken en vragen hoeveel iemand nodig heeft is niet wat ik onder onderhandelingen versta. Toestaan dat de Britse bijdrage stijgt van gemiddeld drie miljard pond netto naar meer dan zes miljard pond netto per jaar met ingang van 2007 is volkomen onacceptabel en betekent het vergooien van mevrouw Thatchers zwaarbevochten korting. Daarom heb ik tegen deze begroting gestemd toen hij aan dit Parlement werd voorgelegd, maar ik vermoed dat mijn redenen enigszins anders waren dan die van de meeste andere leden van de instelling die eveneens tegen hebben gestemd.

Geen enkele grote politieke partij in mijn land, behalve mijn eigen partij, is bereid om in verkiezingstijd eerlijk en open campagne te voeren over Europese thema’s. Het is de beroemde olifant in de kamer waar iedereen probeert niet over te praten. Ze worden geholpen door een lethargische pers die maar al te graag meedoet aan wat in feite een doofpotaffaire is. De heer Blair en zijn regering mogen zichzelf dan heel slim vinden omdat ze erin geslaagd zijn een behoorlijk debat over de EU uit de weg te gaan tijdens de laatste algemene verkiezingen, maar dat heeft een keerzijde. Hoe kunnen ze rechtmatig claimen dat ze een mandaat hebben om al dat extra geld van de belastingbetalers weg te geven, waarvan het grootste gedeelte gebruikt zal worden om projecten te subsidiëren in Oost-Europese landen, ten koste van de bestedingen aan onze eigen binnenlandse infrastructuur?

Ik heb de richtsnoeren in dit verslag bekeken en het grootste deel ervan vormt een fraai verlanglijstje met modekreten als ‘Hart van Europa’ en ‘kwaliteitssprong’. In mijn visie zou de EU, als het echt geïnteresseerd is in het maken van een kwaliteitssprong, kunnen beginnen met te vragen om minder geld, niet om meer geld, en het zou een grote studie moeten starten naar de middelen die nodig zijn om de bevoegdheden die de EU heeft afgenomen van democratisch gekozen regeringen weer aan deze regeringen terug te geven. Zo, dat is mijn verlanglijstje.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.30 plaats.

 

21. Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0057/2006) van Ingeborg Gräßle, namens de Begrotingscommissie, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen [COM(2005)0181 - C6-0234/2005 - 2005/0090(CNS)].

 
  
MPphoto
 
 

  Dalia Grybauskaitė, Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het Parlement feliciteren met een zeer belangrijke dag, die de afsluiting vormt van onze debatten over het Financieel Reglement. Het is een belangrijke week omdat deze week de stemming in het Parlement zal plaatsvinden. Ik wil beide rapporteurs feliciteren met hun werk. Ik heb waardering voor de enorme klus die zij met het indienen van deze amendementen hebben geklaard. Ik wil graag bevestigen dat de Commissie het overgrote deel van de voorstellen van het Parlement zal opnemen in haar nieuwe, herziene voorstel.

Ook wil ik bevestigen dat de doelen van het Parlement en de Commissie min of meer dezelfde zijn.

In het licht van deze gedeelde doelen met betrekking tot het vereenvoudigen van regels en het verminderen van de bureaucratische rompslomp doet het mij genoegen om te kunnen aankondigen dat we heel snel na de stemming in het Parlement met een nieuw, herzien voorstel zullen komen. We weten dat de Raad bereid is om zeer binnenkort met een definitief besluit en een definitief standpunt te komen.

Ik wil u enkele voorbeelden geven van de vele amendementen die we heel graag willen opnemen in ons nieuwe voorstel: een expliciete verwijzing naar het proportionaliteitsbeginsel - dit zal helpen bij het vaststellen van een lichtere procedure voor kleinere projecten; voorlichting aan aanvragers van subsidies en gestandaardiseerde aanvraagformulieren voor dezelfde beleidsterreinen; en het versterken van de opsplitsing van aanbestedingscontracten in gespecialiseerde en/of deelkavels. Het vierde element dat we positief beoordelen is de tweefasenprocedure in het subsidieverleningsproces, waardoor voorkomen zal worden dat in de beginfase onnodige kosten gemaakt worden.

De Commissie en het Parlement zijn niet de enige twee spelers in het huidige wetgevingsproces. Het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Europese Rekenkamer hebben hun mening gegeven tussen oktober en december 2005. De Raad is bijna klaar met zijn eerste lezing.

Ik wil beklemtonen dat in het wetgevingsproces met betrekking tot de herziening van de financiële regels van de Gemeenschap inmiddels substantiële vooruitgang is geboekt. Ons gezamenlijke doel is om nieuwe, eenvoudigere en modernere financiële regels te krijgen die beter zijn aangepast aan de nieuwe generatie uitgavenprogramma’s, en die hopelijk in werking zullen treden in januari 2007. Dat is waarom de timing zo belangrijk is en waarom we onze deadlines absoluut niet mogen overschrijden.

Ik zal mijn uiterste best doen tijdens de aankomende interinstitutionele onderhandelingen en trachten een verzoeningsproces tot stand te brengen dat gericht is op het bereiken van een werkzame consensus tussen het Parlement en de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Ingeborg Gräßle (PPE-DE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Grybauskaitė, dames en heren, ik leg vandaag aan het Parlement 135 amendementen op het Financieel Reglement voor. Mevrouw Grybauskaitė heeft mij vandaag een groot plezier gedaan door aan te kondigen dat zij de meest cruciale punten uit het verslag zal overnemen in de herziene versie van de Commissie.

Het Europees Parlement gebruikt deze eerste periodieke herziening van deze tekst, die zo belangrijk is op administratief vlak, om fundamentele problemen te verhelpen. We hebben zeer principiële en harde kritiek gehoord op de bureaucratische procedure. Aan onze hervorming en onze amendementen hebben talloze organisaties meegewerkt die subsidies aanvragen en bedrijven die deelnemen aan aanbestedingen voor het leveren van goederen en diensten, alsook de mensen in de Commissie en andere instellingen die het Financieel Reglement toepassen. Ik wil hen allemaal hartelijk bedanken. Uw vakinhoudelijke adviezen maken het mogelijk de procedures te verbeteren.

Ik wil in dit Parlement met name Voorzitter Borrell bedanken, evenals natuurlijk mijn collega's uit de Begrotingscommissie en de Commissie begrotingscontrole, allereerst de heer Pahor en iedereen die in de interfractiewerkgroep maandenlang aan de amendementen heeft meegewerkt. Niet alleen vanwege de goede samenwerking, maar ook vanwege de algemeen gevoelde noodzaak om te hervormen hebben beide commissies het verslag met een grote meerderheid respectievelijk met eenparigheid van stemmen aangenomen. Ook mijn persoonlijke assistent, de heer Sichel, heeft hierbij een prima prestatie geleverd. Ik wil hem hiervoor dan ook hartelijk bedanken. Verder bedank ik de Commissie, mevrouw Grybauskaitė, directeur-generaal Romero en de heer Taverne en zijn medewerkers voor de vele vruchtbare gesprekken, die naar ik hoop zullen worden voortgezet en waarop ik mij echt bijzonder verheug.

Ik houd me al jarenlang bezig met het Financieel Reglement en iedereen vraagt zich af: wat is dit voor Europa dat zulke ingewikkelde en dure aanvraagprocedures eist? Tot een derde van het subsidiebedrag gaat op aan aanvraagkosten. Jaar na jaar gooien organisaties aanzienlijke bedragen weg door aan Europese aanbestedingen deel te nemen zonder dat zij enig zicht op succes hebben. Veertig bladzijden aan formulieren, met nog eens vijfhonderd bladzijden aan handleidingen daarbij: dat is eerder regel dan uitzondering. Slechts 5 tot 25 procent van de aanvragen wordt gehonoreerd. Stelt u zich met kosten die kunnen oplopen tot 200 000 euro per aanvraag eens het geld voor dat in Europa bij iedere deelname aan een EU-aanbesteding wordt verspild.

Wat is dit voor Europa, waar bedrijven niet meer willen meedoen aan aanbestedingen omdat zij zelfs voor routineaanvragen twee jaarrekeningen moeten overleggen? De Commissie heeft hieraan al veel gedaan en zij zal hieraan verder blijven werken om de belangrijke uitvoeringsvoorschriften te veranderen. Ik wil commissaris Grybauskaitė hierbij dan ook aanmoedigen en haar vriendelijk verzoeken alle voorstellen van het Europees Parlement over te nemen, omdat we niet willen dat de Commissie in Europa wordt gelijkgesteld met traagheid, bureaucratie en geldverspilling. We willen juist dat de Commissie in Europa als een dienstverlenende instelling wordt gezien voor iedereen die Europees beleid wil uitvoeren en ondersteunen.

Over onze belangrijkste amendementen zal morgen bij hoofdelijke stemming worden gestemd. Mevrouw Grybauskaitė heeft al aangekondigd enkele amendementen over te zullen nemen. Ik wil er nog een paar aan u voorleggen. Er moet een gegevensbank komen voor de registratie van aanvragers. Daardoor hoeven dezelfde documenten niet telkens opnieuw ingediend te worden en dit bespaart aanvragers tijd en geld. We willen verder dat de Commissie subsidie verleent op basis van een beschikking in plaats van op basis van uitgebreide contracten. Hierdoor kan de procedure worden verkort en kan juist in verband met kleine bedragen worden vermeden dat er onnodig hoge kosten moeten worden gemaakt.

Ons belangrijkste punt is dat de Commissie toekomstige aanvragers dient te ondersteunen gedurende de procedures. Dat is een cultuuromslag, maar wel een die positief zal uitpakken, vooral ook voor het aanzien van de Europese Unie. Onze doelen zijn meer voorspelbaarheid, betrouwbaarheid en rechtszekerheid. Ter verbetering van de flexibiliteit ligt er aan u een amendement voor dat betrekking heeft op de beperkte overdraagbaarheid van verplichtingen, die anders zouden vervallen. Ik zal morgen nog een mondeling amendement voorstellen dat geen concreet bedrag bevat, maar waarin wel een maximumbedrag wordt opgenomen. De onderhandelingen daarover zullen afhangen van de financiële vooruitzichten.

Ik doe een beroep op de Raad om de situatie niet te laten zoals die nu is. Wat heeft de Raad aan procedures die het onmogelijk maken geld beschikbaar te stellen, terwijl de organisaties uit de lidstaten tegelijkertijd zo veel geld verliezen? Dit Parlement heeft erkend dat wij zo niet verder kunnen gaan, vooral omdat we met deze ingewikkelde bureaucratische procedures niet eens het beoogde doel bereiken, te weten de bescherming van de communautaire middelen.

Daarom doe ik u een laatste verzoek: staat u ons toe te streven naar een herziening van het Financieel Reglement op de middellange termijn. In de lidstaten zijn financiële reglementen eenvoudige administratieve teksten; ze moeten immers dagelijks worden gebruikt. In de EU mag het Financieel Reglement niet behoren tot het ingewikkeldste wat het bestuur voor zijn eigen beheer heeft bedacht. Wat het Parlement betreft, blijft ook dit punt op de agenda staan.

Ik wil iedereen nogmaals bedanken voor de medewerking en hoop morgen op uw steun te kunnen rekenen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Borut Pahor (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie begrotingscontrole. – (SL) Ik zou eerst twee dankbetuigingen willen uitspreken: een eerste aan rapporteur Gräßle, die een belangrijke bron van inspiratie is geweest voor iedereen die samen met haar aan de voorbereiding van dit verslag gewerkt heeft. Ook bedank ik de voorzitter van de Commissie begrotingscontrole, collega Fazakas, die er onder enorme tijdsdruk alles aan gedaan heeft om de twee commissies, die uitstekend samenwerkten, dit verslag aan het Parlement te laten voorleggen.

Als co-rapporteur en rapporteur voor advies in verband met het Financieel Reglement benadruk ik dat de hoofdbedoeling van het verslag was het Financieel Reglement en zijn uitvoeringsvoorschriften minder bureaucratisch te maken, begrijpelijker, eenvoudiger en vooral gebruiksvriendelijker. Tegelijkertijd zouden we daardoor de begrotingsmiddelen efficiënter gebruiken. Zoals de rapporteur al opmerkte, schenkt het verslag extra aandacht aan aanbestedingen en subsidies. We hoorden namelijk tijdens verschillende vergaderingen vooral van niet-gouvernementele organisaties dat ze niet meer met de Europese Unie willen samenwerken omdat de bureaucratische procedures voor hen te lang en vooral te duur zijn.

Niemand, ook ik niet, drukt de wens uit om in de verordening ook maar iets te veranderen waardoor het gebruik van het geld van de belastingbetaler minder doorzichtig zou worden. Bij de voorbereiding van het verslag hebben we ons ingezet om een nieuw, succesvoller evenwicht te vinden tussen enerzijds een efficiënte aanwending van het geld en anderzijds een democratische controle erop. Vooral bij de Commissie begrotingscontrole, met voorzitter Fazakas, ligt deze kwestie extreem gevoelig. Daarom waren de adviezen van de Rekenkamer voor beide rapporteurs en vooral voor de Commissie begrotingscontrole vaak van doorslaggevend belang en werd er in dit verslag ook rekening mee gehouden.

Ten slotte wil ik nog opmerken dat niemand financiële schandalen wenst, zeker politici niet. Geen enkel voorschrift, hoe goed het ook opgesteld is, kan die echter ooit verhinderen. Voorschriften kunnen daarentegen wel een min of meer succesvolle omgang met begrotingsmiddelen mogelijk maken en het publiek een zeker vertrouwen in legitimiteit en efficiëntie geven. Sta me ten slotte toe om op te merken dat het verslag in de goede richting gaat, dat de voorgestelde oplossingen een nieuw, succesvol evenwicht mogelijk maken en dat ik uitkijk naar de aanvaarding van het verslag morgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Simon Busuttil, namens de PPE-DE-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer de rapporteur met haar imposante en doortastende werk.

Dit verslag zendt een duidelijke en krachtige boodschap aan de burgers, die inhoudt dat het Europees Parlement wil dat zij gemakkelijker toegang krijgen tot EU-gelden. Er wordt veel gewicht gegeven aan het debat over de financiële vooruitzichten, dat gaat over de vraag hoe hoog de begroting van de EU moet worden. Dat is prima, maar we moeten niet voorbijgaan aan de even belangrijke vraag hoe we dat geld gaan besteden en hoe we het voor de burgers makkelijker kunnen maken om ervan te profiteren. Wat voor zin heeft het om over grote bedragen aan EU-geld te praten wanneer burgers in toenemende mate gefrustreerd raken over de buitensporige bureaucratie bij het aanvragen van subsidies, over lange en onbegrijpelijke aanvraagformulieren en ambtenaren die weinig of niets doen om nadere uitleg te geven? Geen wonder dat veel mensen het zo snel opgeven. Dat is verkeerd en dat moeten we veranderen. We moeten dat veranderen door het Financieel Reglement te hervormen en ervoor te zorgen dat het allemaal makkelijker en toegankelijker wordt.

Dat is wat het verslag van de rapporteur doet: het stelt verschillende maatregelen voor om de toegang tot EU-gelden makkelijker te maken en verandert in dat opzicht virtueel EU-geld, dat je misschien wel kunt krijgen, in echt EU-geld dat werkelijk toegankelijk is. Dat is goed nieuws voor burgers, maar het is ook goed nieuws voor niet-gouvernementele organisaties en kleine ondernemingen. Ik roep de Commissie daarom op om onze bondgenoot te zijn bij deze hervorming.

Onze boodschap is duidelijk: als we echt het contact met de mensen willen herstellen, moeten we de dingen eenvoudiger maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Paulo Casaca, namens de PSE-Fractie. (PT) Woorden van lof zijn in dit geval niet louter een formaliteit maar de erkenning van zeer voorbeeldig werk waar velen zich met toewijding voor hebben ingezet om twee duidelijke doelen te bereiken: eenvoudiger regels en evenredigheid bij de toepassing ervan. In dat opzicht is het verslag zeer geslaagd en kunnen we het niet genoeg prijzen.

Daarom zou ik u willen zeggen dat het mij van fundamenteel belang lijkt nu al te onderzoeken wat noodzakelijkerwijs de volgende fase zal zijn van dit hervormingsproces van het Financieel Reglement. Het is essentieel dat we garanderen dat het Europees Parlement net als bij de huidige financiële vooruitzichten ook tijdens de hele komende periode zijn medebeslissingsbevoegdheid kan blijven uitoefenen. Voor vier wezenlijke taken moeten wij namelijk mijns inziens in de nabije toekomst garant staan.

Op de eerste plaats dienen we de begrotingsdoctrine te actualiseren op een aantal specifieke terreinen als het jaarperiodiciteitsbeginsel en de flexibiliteitsmechanismen. Op de tweede plaats moeten we het aantal uitzonderingen tot het absoluut noodzakelijke minimum beperken, het primaat van het Financieel Reglement ten opzichte van sectorwetgeving bekrachtigen en een einde maken aan overlappingen en tegenspraken tussen de basisverordening en de toepassingsverordeningen, met inbegrip van de sectorverordeningen. Op de derde plaats dienen we de plichten, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de verschillende deelnemers aan de begrotingsprocedure te verduidelijken en op gepaste wijze tot uiting te laten komen in de budgettaire boekhouding. Tot slot moeten we het Financieel Reglement en het in de Interinstitutionele Overeenkomst afgesproken financiële kader elkaar onderling laten aanvullen en met elkaar coherent maken.

Deze taken lijken misschien eenvoudig maar zijn in werkelijkheid complex. Daarom dienen we er reeds vanaf nu alle mogelijke aandacht aan te schenken.

 
  
MPphoto
 
 

  Kyösti Virrankoski, namens de ALDE-Fractie. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteurs, mevrouw Gräßle en de heer Pahor, bedanken voor het enorme werk dat zij hebben verricht met de voorbereiding van dit onderwerp. De herziening van het Financieel Reglement is een enorme klus geweest en bovendien zeer technisch en zwaar. Ze heeft veel tijd en concentratie geëist. Mevrouw Gräßle heeft onvermoeibaar veel vergaderingen van werkgroepen voorgezeten. Het feit dat het standpunt van het Parlement voor iedereen duidelijk is, is vooral te danken aan de uitstekende voorbereiding. Hiervoor wil ik hen hartelijk danken.

Het voorstel van de Commissie was gericht op de herziening van de verordening die drie jaar van kracht is geweest. De hoofddoelen waren het verminderen en vereenvoudigen van de bureaucratie, het vergroten van de flexibiliteit en het waarborgen van de financiële veiligheid.

De ontwikkeling van een nieuwe administratieve cultuur ligt hieraan ten grondslag. In 1999, na de crisis die leidde tot het aftreden van de Commissie, stelde een werkgroep van deskundigen voor het beheer van de Europese Unie zodanig te organiseren dat de persoonlijke verantwoordingsplicht duidelijker en het financieel beheer vereenvoudigd zou worden. Dit wetgevingspakket omvatte een hervorming van de begrotingsstructuur, opdat die op activiteiten gebaseerd zou zijn alsmede een herziening van het Financieel Reglement en de daarmee verband houdende bepalingen inzake de tenuitvoerlegging. Nu is het tijd voor een tussentijdse beoordeling.

Men kan zeggen dat het oorspronkelijke ambitieuze doel deels is bereikt. Tegenwoordig krijgen wij een duidelijker beeld van de kosten en resultaten van de verschillende beleidsterreinen van de Europese Unie. De enorme bureaucratie en de verschillende controles en inspecties bestaan echter nog steeds.

Het voorstel van de Commissie om het Financieel Reglement te wijzigen is naar onze mening juist, hoewel zeer voorzichtig wat de doelen betreft. De moed ontbreekt nog steeds om macht en verantwoordelijkheid beter te delegeren en wij zijn nog ver verwijderd van een op activiteiten gebaseerd beheer.

De rapporteurs hebben naar onze mening voor de juiste benadering gekozen door ernaar te streven het noodzakelijke beheer te koppelen aan een beheersbaar geldbedrag. Momenteel zijn de procedures soms zo ingewikkeld en duur dat de maatregelen niet resulteren in het bereiken van de doelen die wij nastreven, zoals samenwerking met de particuliere sector.

Het verslag, dat door de commissies is aangenomen, is naar onze mening te voorzichtig. Wij hadden graag een liberaler en moediger benadering willen zien. Volgens ons bemoeit het Parlement zich nog steeds met het zogeheten microbeheer. Het belangrijkste bij het beheer zijn de resultaten en niet de procedures waarmee het beheer wordt uitgevoerd. Ingewikkelde beheerprocedures zorgen er alleen maar voor dat zwakke ambtenaren geen besluiten hoeven te nemen. Financieel beheer moet gebaseerd zijn op rationele beslissingen en persoonlijke verantwoordelijkheid.

Dit gezegd zijnde zijn wij toch bereid het verslag als geheel te steunen en wij kijken uit naar het komende debat over de bepalingen inzake de tenuitvoerlegging.

 
  
MPphoto
 
 

  Kathalijne Maria Buitenweg, namens de Verts/ALE-Fractie. Voorzitter, ook ik wil mevrouw Gräßle van harte danken voor haar werk, voor het zelfs opofferen van haar kerstvakantie, zo heb ik begrepen, en voor de vele vruchtbare overleggen die wij gezamenlijk hebben gehad. De herziening van het Financieel Reglement is echt heel hard nodig.

Als gevolg van het ontslag van de Commissie Santer zijn toen strengere regels vastgesteld, zijn de controlemechanismen herzien en ook mijn fractie heeft zich daar steeds voor ingezet. Wij hebben echter ook moeten concluderen dat dit opschoningsproces iets te ver is doorgeschoten. Het heeft tot overdreven bureaucratie geleid voor de aanvragen van subsidies en daar zijn met name de NGO's, de niet-gouvernementele organisaties en kleine en middelgrote bedrijven de dupe van. De angst voor een verkeerde besteding van geld is inmiddels zo groot dat Europese ambtenaren het risico, waar mogelijk, afschuiven naar de aanvrager van een subsidie. Daarmee hebben we dus nog steeds niet hetgeen wat we beoogden, namelijk een Europese Commissie waarin ambtenaren echt verantwoordelijk zijn en die verantwoordelijkheid ook kunnen nemen.

Ik ben dan ook een groot voorstander van de amendementen die hier voorliggen. De meeste van de voorliggende amendementen gaan over het versimpelen van de procedures. Het evenredigheidsprincipe wordt geïntroduceerd en ik ben ook erg blij met amendementen 110 en 101, die over de percentageregel gaan. Op dit moment is het zo dat op het moment dat begunstigden eigen middelen verwerven, ze dan ook waarschijnlijk meteen veel geld moeten gaan terugbetalen en het gevolg daarvan is dat je mensen eigenlijk afremt om initiatieven te nemen om ook verder eigen middelen te verwerven.

De Europese Commissie heeft gezegd dat zij een aantal hoofdpunten zal overnemen van die amendementen, maar de duivel schuilt natuurlijk ook vaak in de details. U heeft gezien bij de voorstellen die hier voorliggen, dat het doel van het Europees Parlement is om de procedures te versimpelen. Dat hangt niet alleen maar op het Financieel Reglement; veel zal ook afhangen van de uitvoeringsbepalingen; ook die zal de Europese Commissie gaan opstellen. Dus ik hoop dat u het principe zult overnemen dat er versimpeling moet optreden, die zal leiden tot een echte lastenverlichting.

Op dit moment wordt vaak gesproken over vermindering van de regeldruk vanuit Europa en dan denkt men meteen ook aan de grote bedrijven die anders gehinderd worden in hun concurrentiekracht. Maar het is ook van heel groot belang voor de kleine bedrijven en de non-profit organisaties, als zij nu van een administratieve lastenverlichting kunnen gaan profiteren. Dat is van belang voor de Europese Commissie bij het opstellen van de uitvoeringsregels, maar ik hoop dat ook de Raad dit tot zich zal nemen, dat het niet alleen gaat om de grote bedrijven, maar dat ook de kleinere bedrijven en de NGO's moeten profiteren van lastenverlichting uit Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk, namens de UEN-Fractie.(PL) Mijnheer de Voorzitter, nu ik het spreekgestoelte betreed voor mijn bijdrage aan het debat over het verslag van mevrouw Gräßle over het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Unie, vraag ik de aandacht van het Huis voor de volgende onderwerpen.

Daar is allereerst de overtuiging van de Europese Commissie dat het niet nodig is wijzigingen aan te brengen in de structuur of de grondbeginselen van het Financieel Reglement, dat nu drie jaar van kracht is. Toch stelt de Commissie een hele reeks veranderingen voor die begrotingstechnische basisprincipes raken, onder meer de bekrachtiging van vorderingen. Volgens het voorstel dienen de vorderingen van de Gemeenschap door de lidstaten op dezelfde manier afgehandeld te worden als nationale financiële vorderingen. Bovendien noemt het voorstel een verjaringstermijn van vijf jaar voor deze vorderingen, die zowel voor overheidsopdrachten als voor contracten moet gelden. De bepalingen van het voorstel omvatten ook wijzigingen die nodig zijn om tegemoet te komen aan de nieuwe richtlijn van de Gemeenschap betreffende overheidsopdrachten en de gunningscriteria daarvoor. Doel is de regelgeving voor controles en garanties te vereenvoudigen.

De rapporteur stelt een groot aantal amendementen op de eerder al door de Europese Commissie geamendeerde verordening voor. De wijzigingen zijn bedoeld om de uitvoering van de EU-begroting te vergemakkelijken en de toegang tot fondsen uit die begroting voor begunstigden te verbeteren. Ik steun de meeste van deze amendementen en hoop oprecht dat het Financieel Reglement, zoals geamendeerd door de Europese Commissie en het Europees Parlement, het mogelijk maakt om de gelden die in de financiële vooruitzichten voor 2007-2013 gereserveerd zijn op een doeltreffendere en transparantere manier toe te wijzen dan tot nu toe het geval was. Dat is vooral van belang voor de nieuwe lidstaten, die in de periode 2007-2013 een bedrag tegemoet zien dat vele malen groter is dan in het verleden.

Tot besluit dank ik mevrouw Gräßle voor een goed verslag.

 
  
MPphoto