Index 
Volledig verslag van de vergaderingen
PDF 1180k
Donderdag 16 maart 2006 - Straatsburg Uitgave PB
1. Opening van de vergadering
 2. Samenstelling fracties
 3. Ingekomen stukken: zie notulen
 4. Schriftelijke verklaringen (artikel 116): zie notulen
 5. Communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2007-2013) (debat)
 6. Communautair actieprogramma op het gebied van de consumentenbescherming (2007-2013) (debat)
 7. Bekendmaking gemeenschappelijke standpunten van de Raad: zie notulen
 8. Verklaring van het voorzitterschap
 9. Stemmingen
  9.1. Communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2007-2013) (stemming)
  9.2. Gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (stemming)
  9.3. Bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (stemming)
  9.4. Strategiedocument over de uitbreiding (2005) (stemming)
  9.5. 62e zitting van de VN-Mensenrechtencommissie (UNCHR, Genève) (stemming)
  9.6. Voorbereidingen voor de COP-MOP-vergaderingen over biologische diversiteit en bioveiligheid in Curitiba, Brazilië (stemming)
 10. Agenda en indieningstermijnen: zie notulen
 11. Stemverklaringen
 12. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
 13. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 14. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 15. Communautair actieprogramma op het gebied van de consumentenbescherming (2007-2013) (voortzetting van het debat)
 16. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (artikel 115 van het Reglement)
  16.1. Mensenrechten in Moldavië en met name in Transnistrië (debat)
  16.2. Kazachstan (debat)
  16.3. Straffeloosheid in Afrika en met name de zaak Hissène Habré (debat)
 17. Stemmingen
  17.1. Mensenrechten in Moldavië en met name in Transnistrië (stemming)
  17.2. Kazachstan (stemming)
  17.3. Straffeloosheid in Afrika en met name de zaak Hissène Habré (stemming)
 18. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
 19. Besluiten inzake bepaalde documenten: zie notulen
 20. In het register ingeschreven schriftelijke verklaringen (artikel 116 van het Reglement)
 21. Verzending van de tijdens deze vergadering aangenomen teksten: zie notulen
 22. Aan de standpunten en resoluties van het Parlement gegeven gevolg
 23. Rooster van de volgende vergaderingen: zie notulen
 24. Onderbreking van de zitting
 ANNEX (Schriftelijke antwoorden)


  

VOORZITTER: JANUSZ ONYSZKIEWICZ
Ondervoorzitter

 
1. Opening van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 10.00 uur geopend)

 

2. Samenstelling fracties
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – De Fractie Onafhankelijkheid/Democratie meldde mij dat zij met ingang van gisteren, 15 maart 2006, uit de volgende 22 leden bestaat:

Gerard Batten, Bastiaan Belder, Johannes Blokland, Godfrey Bloom, Jens-Peter Bonde, Graham Booth, Derek Roland Clark, Paul Marie Coûteaux, Nigel Farage, Hélène Goudin, Georgios Karatzaferis, Roger Knapman, Patrick Louis, Nils Lundgren, Michael Henry Nattrass, Kathy Sinnott, Jeffrey Titford, Philippe de Villiers, John Whittaker, Thomas Wise, Lars Wohlin en Vladimír Železný.

Dientengevolge horen de volgende leden met ingang van voornoemde datum tot de niet-ingeschrevenen:

Umberto Bossi, Matteo Salvini, Mario Borghezio, Francesco Enrico Speroni, Dariusz Maciej Grabowski, Urszula Krupa, Bogdan Pęk, Mirosław Mariusz Piotrowski, Bogusław Rogalski, Witold Tomczak en Andrzej Tomasz Zapałowski.

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Borghezio (IND/DEM). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil u slechts vragen in de notulen te laten opnemen dat de heren Bossi, Borghezio, Speroni en Salvini protest aantekenen tegen de volstrekte onregelmatigheid van de procedure die gevolgd is ten aanzien van het onderwerp van de mededeling die de Voorzitter zojuist gedaan heeft. Wij zijn van geen enkele vergadering op de hoogte gesteld. Deze beslissing van de Fractie Onafhankelijkheid/Democratie is volslagen onwettig en onregelmatig en daarom dient de mededeling die de Voorzitter deze ochtend heeft gedaan op haar beurt ook beschouwd te worden als een mededeling die gebaseerd is op een onregelmatige en niet-legitieme beslissing.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hartelijk dank, wij hebben kennis genomen van uw opmerkingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Roselyne Bachelot-Narquin (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik neem het woord om te vragen een wijziging aan te brengen in de notulen. Ik ben namelijk gisteren vergeten de presentielijst te tekenen. Ik was uiteraard aanwezig, zoals blijkt uit de notulen van de stemming, en ik heb zelfs deelgenomen aan het debat over het verslag-Cottigny. Gelieve hiervan nota te nemen, Voorzitter.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hartelijk dank, wij hebben kennis genomen van uw opmerkingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik refereer aan artikel 172 in verband met de notulen van de vorige vergadering.

Ik heb dinsdag een vraag gesteld aan de Raad over een kwestie die bijzonder dringend is voor mijn regio, de Canarische Eilanden, aangezien zij betrekking heeft op de humanitaire rampen waarbij honderden immigranten betrokken zijn die mijn regio binnenkomen. Ik heb geen antwoord gekregen − de Raad heeft overigens zeer weinig vragen beantwoord −, maar ik had toch ten minste een schriftelijk antwoord verwacht.

Vandaag, donderdag, heb ik het volledig verslag ontvangen: ook daarin staat het antwoord niet en ik zie geen kans om het antwoord te achterhalen aangezien de diensten van het Parlement het mij niet bezorgen.

Ik wil dan ook protest aantekenen tegen de trage werking van de diensten omdat ik van oordeel ben dat het tijdsinterval tussen het stellen van een niet-beantwoorde vraag en de ontvangst van een antwoord op die vraag bij dringende kwesties − zoals hier het geval is − te lang is, gelet op het feit dat het geschreven antwoord eigenlijk reeds beschikbaar is.

Ik wil dat mijn protest wordt opgetekend en ik hoop zo spoedig mogelijk een schriftelijk antwoord te ontvangen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hartelijk dank, uw verklaring zal in aanmerking worden genomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Francesco Enrico Speroni (IND/DEM). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, om nog even terug te komen op de mededeling over de uitsluiting van mijzelf en andere collega's van de Fractie Onafhankelijkheid/Democratie: u heeft geantwoord dat u kennis nam van de opmerkingen over deze kwestie en ze in de notulen zou laten opnemen. Naar mijn idee is dit antwoord echter niet afdoende. Middels ons delegatiehoofd, de heer Borghezio, hebben wij gewezen op enkele onregelmatigheden in de procedure die gevolgd is om enkele leden uit de fractie te zetten en ik roep het Voorzitterschap dan ook op om de regelmatigheid ervan te toetsen. Indien het Voorzitterschap besluit dat alles volgens de regels is verlopen, dan zal ik mijzelf als niet-ingeschrevene beschouwen, maar ik zou graag willen dat het Voorzitterschap controleert of de procedures op correcte wijze zijn gevolgd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hartelijk bedankt. We zullen deze zaak in een aparte procedure in overweging nemen.

Het debat is gesloten.

 

3. Ingekomen stukken: zie notulen

4. Schriftelijke verklaringen (artikel 116): zie notulen

5. Communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2007-2013) (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0030/2006) van Antonios Trakatellis, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming (2007-2013) – Gezondheidsaspecten [COM(2005)0115 – C6-0097/2005 – 2005/0042A(COD)].

 
  
MPphoto
 
 

  Markos Kyprianou, lid van de Commissie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst rapporteur en ondervoorzitter Trakatellis van harte gelukwensen met het uitstekende werk dat hij heeft verricht ter voorbereiding van dit verslag. Ik wilde echter eveneens de leden van beide commissies bedanken voor hun voortreffelijke bijdragen aan de bestudering en behandeling van dit programma. Ik verheug mij over het grote aantal sprekers maar ook over de talrijke voorstellen met betrekking tot dit programma. Ik wil eveneens van meet af aan zeggen dat ik het, onder andere omstandigheden, ook niet oneens zou zijn geweest met de inhoud van hetgeen wordt voorgesteld.

Wat de opsplitsing in twee programma’s betreft, hebben wij misschien verschillende benaderingen, maar de voorstellen zijn een verrijking van het programma. Het toepassingsgebied wordt in de aanbevelingen uitgebreid tot een groter aantal sectoren en het programma wordt efficiënter gemaakt. Bovendien – en dit is net zo belangrijk – worden niet alleen de middelen beschikbaar gesteld die de Commissie ter ondersteuning van haar programma heeft gevraagd, maar wordt haar begroting zelfs verhoogd.

Helaas moeten wij in de huidige omstandigheden – en ik heb het met name over de financiële situatie – voorzichtig zijn, en ‘realistisch’, ofschoon ik eigenlijk niet van dit woord houd. De belangrijkste kwestie die momenteel nog onbeslist is, is de uitkomst van de besprekingen over de financiële vooruitzichten. Hierin speelt het Parlement een belangrijke rol. Ik wil hier dan ook melding maken van de steun van het Parlement en de Commissie en hun positieve houding ten aanzien van de financiële versterking van het programma.

Het is een feit dat als het blijft bij het in december in de Europese Raad bereikte compromis, het programma aanzienlijk beperkt zal worden. Voorzitter Barroso heeft reeds een brief gestuurd aan Voorzitter Borrell, waarin hij erop wijst dat als het akkoord van december blijft staan, de middelen voor de sector gezondheid en consumentenbescherming niet alleen onvoldoende zullen zijn, maar in 2007 zelfs geringer zullen zijn dan in 2006. Met andere woorden, er zal voor het Europa van de Vijfentwintig en het Europa van de Zevenentwintig minder geld beschikbaar zijn dan voor het Europa van de Vijftien. Mijns inziens – en dat zegt ook voorzitter Barroso in zijn brief – is een dergelijke gang van zaken niet te rechtvaardigen, vooral in een tijd waarin wij Europa dichter bij de burgers willen brengen. Daarom dringt voorzitter Barroso er bij Voorzitter Borrell op aan dat het Parlement nogmaals inspanningen onderneemt ten behoeve van de samenwerking in deze sector.

Het Commissievoorstel voor dit programma wordt ook weerspiegeld in de desbetreffende begroting. Als echter uiteindelijk de ingrijpende vermindering zal plaatsvinden die ik zojuist heb genoemd, zullen vele activiteiten en sectoren van het voorstel opgegeven moeten worden, want het heeft geen zin om het beschikbare geld op te splitsen in kleine bedragen voor een groot aantal sectoren, waardoor uiteindelijk geen enkele sector efficiënt wordt gesteund.

Daarom moet heel het programma nog eens onder de loep worden genomen en moeten prioriteiten worden vastgesteld. Wij zullen de activiteiten, de initiatieven en de sectoren aanzienlijk in aantal moeten verminderen als wij efficiënt willen zijn in de weinige sectoren die uiteindelijk uitgekozen zullen worden.

Natuurlijk wil ik hier de hoop tot uitdrukking brengen dat tijdens de komende besprekingen deze situatie alsnog wordt rechtgezet, dat men gaat inzien dat dit eigenlijk fout is en dat, gezien de enorme politieke betekenis van zowel het vraagstuk van de gezondheid als dat van de consumentenbescherming, er ten minste een klein bedrag aan het programma moet worden toegevoegd.

Wat de opsplitsing van het programma betreft, heb ik begrip voor de naar voren gebrachte standpunten. Ik weet dat beide commissies de voorkeur zouden hebben gegeven aan een apart programma. Ik begrijp hun argumenten en zorgen, maar desalniettemin zijn wij van mening dat de handhaving van een gemeenschappelijk programma voordelen heeft. Daarmee zullen de middelen beter gebruikt kunnen worden. Zolang het vraagstuk van de financiële vooruitzichten echter niet is opgehelderd, kan de Commissie niet definitief besluiten of zij de opsplitsing al dan niet aanvaardt. Daarom moet de Commissie in het huidig stadium de amendementen verwerpen waarin een opsplitsing in twee programma’s wordt voorgesteld. Zodra wij weten wat de uitkomst is van de besprekingen over de financiële vooruitzichten, zullen wij het vraagstuk opnieuw bekijken. Het Parlement heeft zijn standpunt duidelijk gemaakt en wij hebben daar nota van genomen.

Ik zal wegens tijdgebrek niet verder in detail treden. Ik heb het genoegen gehad om dit programma met de bevoegde commissie te bespreken. Ik wil enkel nog vermelden dat, aangezien er geen tijd is en er zoveel amendementen zijn ingediend, het standpunt van de Commissie ten aanzien van elk amendement schriftelijk zal worden ingediend en ik zou het zeer op prijs stellen als het standpunt werd opgenomen in de notulen van dit debat(1). Ik moet er echter met klem op wijzen dat de verwerping van een aantal amendementen niet betekent dat wij het oneens zijn met de inhoud hiervan, en een groot aantal amendementen wordt trouwens overgenomen. De amendementen die wij verwerpen, verwerpen wij vooral omdat er enerzijds wegens de financiële situatie prioriteiten moeten worden gesteld en anderzijds bij de onder de subsidiariteit vallende vraagstukken niet getornd mag worden aan de bevoegdheden van de lidstaten. Daar komt bij dat wij geen dingen willen doen die reeds onder andere communautaire beleidsvormen en activiteiten vallen.

Tot slot wil ik nogmaals u, mijnheer de Voorzitter, bedanken. Ik zal met aandacht luisteren naar het debat.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonios Trakatellis (PPE-DE), rapporteur. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, u zult het ongetwijfeld met mij eens zijn dat het probleem van de vogelgriep de Unie en de lidstaten de gelegenheid heeft geboden om gecoördineerd en efficiënt op te treden, en aldus het vertrouwen van de burgers en hun gevoel van veiligheid te versterken. Dit probleem heeft echter ook opnieuw aangetoond hoe waardevol communautair optreden op het gebied van de volksgezondheid is.

Daarom is dit mijns inziens het beste moment voor een dergelijk debat. Er moet steun worden gegeven aan het onderhavig verslag en worden aangedrongen op meer financiële middelen. Het geld is de noodzakelijke grondslag voor de verwezenlijking van de doelstellingen, die samen met de fundamentele acties de voortzetting en tegelijkertijd de verdere ontwikkeling van het vorig programma verzekeren. Daarom moeten doelstellingen en maatregelen met elkaar worden gecombineerd, zoals de bescherming van de burgers tegen natuurlijke, chemische en biologische gezondheidsgevaren, tegen besmettelijke ziekten, enzovoort. Wij hebben een gemeenschappelijk stelsel nodig om ons daartegen te beschermen en op Europees niveau gecoördineerde maatregelen te kunnen treffen tegen een eventuele pandemie, zoals ook uit de actuele problemen met de vogelgriep blijkt.

De bevordering van beleidsvormen die leiden tot gezondere levenswijzen – gezondheidsdeterminanten. Wij moeten omwille van onze kinderen en de volgende generaties levenswijzen bevorderen waarin serieus rekening wordt gehouden met de gezondheidsdeterminanten: juiste voedingsgewoonten, niet roken, sociale en economische omstandigheden zonder buitensporige stress.

Ziektepreventie moet voornamelijk gebaseerd zijn op het aanpakken van de gezondheidsdeterminanten waarvan de invloed op zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid bewezen is.

Bijdragen aan de vermindering van de incidentie, de morbiditeit en het sterftecijfer van de voornaamste ziekten en vormen van letsel is een aanvullende actie, waarvoor eveneens gecoördineerd en gemeenschappelijk optreden vereist is.

De verbetering van de effectiviteit en efficiëntie van de gezondheidsstelsels: wij moeten de gezondheidsstelsels van de lidstaten gemeenschappelijk onderzoeken en ervoor zorgen dat deze met elkaar verenigbaar zijn. Op die manier zal de effectiviteit voor de burgers worden verhoogd.

Voor iedereen – niet alleen voor diegenen die in de gezondheidssector werken maar ook voor eenvoudige burgers – moet betere informatie en kennis beschikbaar komen, enerzijds ter bevordering van de ontwikkeling van de volksgezondheid en anderzijds om de doelstellingen van het gezondheidsbeleid in ander communautair beleid te integreren.

Een betere medische praktijk is het efficiëntste middel om niet alleen ziekten te bestrijden maar ook verdere achteruitgang van de gezondheidstoestand tegen te gaan. Het behoeft geen betoog dat de financiële kosten geen maatstaf mogen zijn voor de beoordeling van een behandeling. Effectiviteit moet de maatstaf zijn, en die kan op lange termijn ook financieel voordeel opleveren.

Verder wordt de klemtoon gelegd op acties als de invloed van het milieu op de gezondheid en het vergaren van gegevens over de dalende geboortecijfers, de dalende vruchtbaarheid en steriliteit, die een plaag aan het worden zijn in de vergrijzende, toch al door demografische problemen geteisterde Europese samenlevingen. Het vergaren van gegevens en het uitwerken van strategieën voor patiëntenmobiliteit, de verdere ontwikkeling van de elektronische gezondheidskaart, de mechanismen voor de bevordering van orgaantransplantatie, de samenwerking van de Commissie met de lidstaten en met internationale organisaties, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie of het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding, zijn onontbeerlijk om gedachtewisselingen en gezondheidsmaatregelen te bevorderen. Ook voor de lidstaten is een belangrijke rol weggelegd, aangezien een groot deel van de gegevens van hen afkomstig zal zijn.

Daarom is voor mij, mijnheer de commissaris, coördinatie een essentiële en onontbeerlijke factor voor het welslagen van het programma, en ik ben ervan overtuigd dat de open-coördinatiemethode van nut kan zijn bij kwesties rond subsidiariteit, door de strategieën op het gebied van de gezondheid en de gezondheidszorg, zoals mobiliteit van patiënten, te versterken.

Geachte collega’s, ik zou een ellenlange lijst kunnen geven van vraagstukken op het gebied van ziektepreventie en ziektebehandeling. Ik weet echter zeker dat ik niets nieuws zeg als ik zeg dat gecoördineerd optreden noodzakelijk is en gemeenschappelijke maatregelen op Europees niveau gecombineerd moeten worden met de mogelijkheden en het vermogen van de lidstaten om hun efficiëntie te verbeteren. Dit is het, inderdaad, ambitieuze doel van het onderhavig tweede programma. Dit is een volledig programma, want ook de ervaringen die wij hebben opgedaan zijn erin verwerkt, en ik denk dat dit dan ook betere resultaten zal opleveren.

Daarom is het mijns inziens noodzakelijk om amendement 64 te steunen, waarin wordt voorgesteld het bedrag te verhogen, aangezien dit programma meer omvat en anders is dan het door de Commissie voorgestelde programma. Zelfs het beste programma zal immers zonder geld niets opleveren. Daarom wil ik u als rapporteur aanbevelen voor amendement 64 te stemmen. Ik denk dat wij daarmee een boodschap van vastberadenheid sturen aan de Raad, maar tevens de Europese burgers duidelijk kunnen maken dat wij ons echt interesseren voor en bezighouden met hun gezondheid. Dat zal voor hen een boodschap van hoop zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Anders Samuelsen (ALDE), rapporteur voor advies van de Begrotingscommissie. – (DA) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de heer Trakatellis bedanken voor zijn uitstekende werk betreffende de zaak die wij vandaag behandelen. Dit is absoluut een van de gebieden waar men werkelijk steun van de hele bevolking kan krijgen. Er wordt veel gepraat over een enigszins defensieve benadering van de Europese samenwerking op dit moment, vooral na de referenda in Nederland en Frankrijk over het Grondwettelijk Verdrag. Uit alle onderzoeken blijkt echter dat er bij de bevolking nauwelijks weerstand te vinden is tegen grensoverschrijdende samenwerking op de specifieke gebieden die wij vandaag behandelen. Daarom vind ik het natuurlijk ook belangrijk om nadrukkelijk onze steun te betuigen aan het werk dat tot nu toe verricht is. Wij steunen de poging om de twee programma’s op te splitsen, en we steunen het streven om een zo goed mogelijke financiële basis voor de programma’s te garanderen.

Ik wil speciaal benadrukken dat het verslag een voorstel van de Begrotingscommissie bevat, dat bedoeld is om ervoor te zorgen dat de Commissie een basisfinanciering kan verstrekken voor telkens twee jaar via netwerk-partnerschapsovereenkomsten. De bedoeling daarvan is dat er zo min mogelijk middelen naar bureaucratie gaan en zo veel mogelijk naar een versterkte inzet op de gebieden waarover we het eens zijn. Met deze woorden wil ik graag nogmaals mijn dank betuigen aan de heer Trakatellis voor zijn grote inzet en de hoop uitspreken dat het werkelijk lukt om een duidelijk signaal af te geven aan de burgers van Europa dat de EU op dit gebied een verschil kan uitmaken in het voordeel van ons allen.

 
  
MPphoto
 
 

  John Bowis, namens de PPE-DE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik kan het verslag van mijn collega van harte aanbevelen en ik ben verheugd over de opmerkingen die hij en de commissaris in hun inleidende verklaringen over de begroting hebben gemaakt. Naar mijn idee dient het Parlement hier terdege nota van te nemen. Op dit moment gaan wij uit van een absurde begroting van 0,15 cent per burger van de EU – dat is het gemiddelde totale bedrag dat wij elk jaar in deze Europese Unie aan de gezondheidszorg uit geven – terwijl wij toch met talloze risico’s, uitdagingen en mogelijkheden op gezondheidsgebied te maken hebben.

Deze week heb ik een aantal iatrogene patiënten ontmoet. De commissaris en mijn waarde vriend, de rapporteur, zullen begrijpen wat dit betekent omdat het een Grieks woord is. Voor de andere collega’s zeg ik erbij dat iatrogene patiënten mensen zijn die een ernstige handicap of grote gezondheidsproblemen hebben als gevolg van incidenten in ziekenhuizen. Dit is ook een van de kwesties die op onze agenda staat met betrekking tot de veiligheid van patiënten en dit onderwerp is tijdens het Britse voorzitterschap terecht op die agenda gezet.

Wij worden geconfronteerd met het probleem van een vergrijzende bevolking. Mensen leven langer – en voor een groot deel in goede gezondheid – maar naarmate ze ouder worden, wordt die gezondheid brozer en worden ze geconfronteerd met alle neurodegeneratieve problemen die een hoge ouderdom met zich meebrengt. Tegenwoordig geven wij meer geld uit aan geneesmiddelen tegen Parkinson dan aan geneesmiddelen tegen kanker.

Wij moeten onze normen verhogen. In de Europese Unie doen wij dat door te omschrijven wat goede normen zijn, niet door ze voor te schrijven. Dat is de weg die wij moeten volgen en dat is ook geen erg dure weg. Zo zijn wij ook bij het screenen op kanker te werk gegaan; eerst onder het Ierse en later onder het Oostenrijkse voorzitterschap. Zo willen wij ook bij diabetes te werk gaan, met name wat het diabetes type-2 betreft. De Commissie zelf is voornemens om iets soortgelijks ook voor een van de grootste uitdagingen van onze tijd te doen, te weten de geestelijke gezondheid. Een op de drie mensen zal waarschijnlijk op een gegeven moment op dat vlak met problemen worden geconfronteerd. Wij mogen dankbaar zijn als wij er tegen die tijd in geslaagd zijn om vooruitgang op dit gebied te boeken.

De begroting is echter een grote zorg. Een van de grootste dreigingen op dit moment is een grieppandemie. En een van dingen die nu het hardst nodig zijn, is een effectief functionerend Europees Centrum voor ziektebestrijding en -preventie. Zoals wij rechtstreeks van de directie hebben kunnen vernemen, heeft dat Centrum een gebrek aan mankracht en geld en is het daardoor niet in staat zijn werk naar behoren te doen als er in de komende maanden of zelfs jaren een pandemie uitbreekt. Daaraan moeten wij dus prioriteit geven, maar dat mag niet ten koste gaan van onze andere activiteiten op gezondheidsgebied. Wij moeten ook tijd, energie en een aantal hulpmiddelen besteden aan het adequaat benutten van de mogelijkheden die zich via de uitspraken van het Europees Hof voor de mobiliteit van patiënten aandienen. Wij moeten ons concentreren op alle ziekten waarover de burgers zich zorgen maken, van ademhalingsaandoeningen en hartziekten tot reumatologische aandoeningen en hersenziekten.

Wij moeten ook het gehele scala aan medische wetenschappen hierbij betrekken, inclusief de nieuwste ontwikkelingen, zoals de alternatieve geneeskunde. Zij kunnen alle een eigen bijdrage leveren. Ik heb onlangs een acupunctuurkuur gehad om de pijn als gevolg van ischias weg te nemen. Ik kan daardoor in iedere geval de effectiviteit van één soort alternatieve geneeskunst garanderen. Ook voor dit aspect van het verslag zou ik dit Parlement om zijn steun willen vragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Linda McAvan, namens de PSE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik mij aansluiten bij degenen die de heer Trakatellis feliciteren met het resultaat van zijn werkzaamheden en ook ik wil hem bedanken voor de open en coöperatieve wijze waarop hij dit verslag heeft samengesteld.

Wij weten allemaal dat de EU slechts beperkte bevoegdheden en middelen heeft om maatregelen op het gebied van de volksgezondheid te nemen; wellicht zelfs nog minder middelen dan wij gehoopt zouden hebben. Het is dan ook belangrijk dat wij onze activiteiten richten op gebieden waarop de EU een toegevoegde waarde kan hebben en echt iets kan betekenen. Dat is de reden waarom de PSE-Fractie getracht heeft om duidelijke accenten in het gezondheidsprogramma aan te brengen.

Wij hebben een gezondheidsprogramma nodig dat geïntegreerd is in de gezondheidsstrategie van de Europese Unie. Op dit moment is er sprake van een heleboel ad-hocinitiatieven die vaak op bepaalde voorwaarden door uiteenlopende voorzitterschappen zijn geïnitieerd. Dat is echter niet voldoende: wij hebben een effectieve strategie nodig en wij moeten duidelijk afbakenen welke gebieden door die strategie worden bestreken. Ik vind dat daar in ieder geval de grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen bijhoren; er is al een aantal van die bedreigingen de revue gepasseerd en ook de grieppandemie is in dat verband genoemd. Ten tweede horen hier ook kwesties bij die betrekking op de mobiliteit van patiënten hebben: nu er steeds meer mensen op reis gaan, moeten wij ervoor zorgen dat de problemen met de Europese ziekteverzekeringskaart opgelost worden. Er doen namelijk nog steeds veel mensen een beroep op mij omdat zij problemen met die kaart hebben. Ook zijn er mensen die als ze in het buitenland zijn, gebruik willen maken van de gezondheidszorg via het Europese alarmnummer 112. Wij moeten een einde maken aan de praktijk dat het Hof de regels voor de gezondheidszorg bepaalt; dat is namelijk de taak van de wetgevers. In de derde plaats moeten wij bij het aanpakken van de gezondheidsdeterminanten aandacht besteden aan samenwerking en het uitwisselen van goede praktijken. Zoals de heer Trakatellis al zei, is dat van groot belang. Er wordt op dit vlak veel gelobbyd door organisaties die graag zouden zien dat een bepaalde ziekte of aandoening in het actieprogramma wordt opgenomen. De PSE-Fractie is geen voorstander van het opnemen van een lijst met aandoeningen in het verslag omdat wij van mening zijn dat de nadruk op de gezondheidsdeterminanten moet liggen. Wij willen geen hiërarchische lijst van ziekten en aandoeningen creëren omdat veel van die ziekten en aandoeningen vreselijk zijn voor de mensen die daardoor getroffen worden.

Het zal niet eenvoudig zijn om die nadruk op gezondheid in het gezondheidsprogramma voortdurend vast te blijven houden. Daarvoor hoeven wij alleen maar naar het aantal amendementen te kijken dat voor de plenaire zitting is ingediend – bijna tweehonderd – en naar de vele tegenstrijdige wensen. Het zal echter zeer moeilijk zijn om de Raad en de burgers ervan te overtuigen dat de begroting verhoogd moet worden als in ons programma geen duidelijke prioriteiten worden gesteld. Daarnaast moeten wij kunnen aantonen dat de EU een toegevoegde waarde heeft en dat het niet alleen om een reeks loze verklaringen gaat die op topontmoetingen en conferenties zijn uitgesproken.

De bal ligt nu bij de Commissie. Ik hoop dat zij met een duidelijke gezondheidsstrategie zal komen en dat er in ons toekomstige gezondheidsprogramma duidelijke prioriteiten zullen worden gesteld. Wij zullen amendement 64 steunen omdat wij het noodzakelijk vinden een signaal te geven dat de gezondheidszorg een belangrijke zaak is. Wij weten dat het publiek sceptisch tegenover Europa staat, maar als mensen merken dat wij actie ondernemen op gebieden die zij belangrijk vinden, treden zij Europa straks wellicht iets welwillender tegemoet.

Ik hoop van harte dat wij niet alleen een goede begroting zullen verdedigen, maar ook de nadruk zullen blijven leggen op het stellen van prioriteiten in het programma.

 
  
MPphoto
 
 

  Holger Krahmer, namens de ALDE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, het leeuwendeel van het gezondheidsbeleid valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten. En daar zijn goede redenen voor. De nationale zorgstelsels worden betaald uit premies en belastingen en zijn op specifieke behoeften toegesneden. Los daarvan is op het gebied van de gezondheidsdiensten en de medische zorg het subsidiariteitsbeginsel van toepassing.

De EU-lidstaten zijn conform artikel 152 van het Verdrag verplicht een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te waarborgen. Daarnaast kan de EU maatregelen nemen om het beleid van de lidstaten te ondersteunen. Af en toe krijg ik de indruk dat de Commissie evenals sommigen van de collega’s het liefst de concurrentie met het nationale gezondheidsbeleid aan zouden willen gaan. De gezondheidszorg stelt ons voor een probleem dat op vele andere beleidsterreinen terugkeert: de makke van Europa is dat het de hoofdlijnen waarop het zich zou moeten bezinnen, zelf niet uit kan voeren. Het resultaat is dat de EU zich aan vele beleidsterreinen vastklampt die in geval van twijfel beter door de lidstaten geregeld kunnen worden en dat ze naarstig over de verschillende landsgrenzen heen regeert.

Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat Europa zich verre van gezondheidsbeleid zou moeten houden. De EU zou zich juist op zaken moeten concentreren die een echte Europese meerwaarde hebben en op dit punt kan ik direct aanknopen bij de woorden van de spreekster voor mij: Europa moet vooral werk maken van grensoverschrijdende kwesties die een lidstaat niet zelfstandig kan regelen. Een betere informatie-uitwisseling en een nauwere samenwerking bij de bestrijding van besmettelijke ziekten dienen allerhoogste prioriteit te krijgen. De gezondheidsrisico’s die de vogelgriep met zich meebrengt, maken duidelijk hoe dringend noodzakelijk een grensoverschrijdende coördinatie van gezondheidsmaatregelen is.

Dat geldt ook voor HIV en aids, die vooral in de nieuwe lidstaten een groot probleem vormen. Ondanks een stijgend aantal infecties raakt de ziekte steeds meer op de achtergrond en wordt zij veronachtzaamd.

De EU zou bij de bestrijding van ziekten duidelijkere prioriteiten moeten stellen. Mijn fractie heeft amendementen van een dergelijke strekking ingediend, die ik bij dezen nogmaals wil aanbevelen. Het accent zou op de belangrijkste volksziekten moeten liggen, zoals diabetes, kanker en hart- en vaatziekten. Hier zouden we de beleidsinstrumenten en de beperkte financiële middelen van de EU op moeten concentreren.

Ik zie het niet als onze taak om een boodschappenlijstje op te stellen. We hebben er in de commissie veel over gediscussieerd welke ziekten en welke bestrijdingsmaatregelen voorrang zouden moeten krijgen in het actieprogramma. Laten we consequent blijven in de eisen die we stellen. In zijn resolutie van december 2005 over het werkprogramma vraagt het Parlement expliciet om maatregelen ter bestrijding van diabetes, kanker en hart- en vaatziekten. Het Commissievoorstel aangaande het actieprogramma was te algemeen, te breed van opzet. Het wordt tijd dat we politieke prioriteiten stellen en ons op de meest verbreide ziekten concentreren.

Ik wil het ook nog kort hebben over de begroting en de financiering van ngo’s. Mijn fractie steunt het voorstel van de rapporteur om de begroting voor het actieprogramma te verhogen naar 1,2 miljard euro. Als we echt werk willen maken van de prioriteiten in dit programma, hebben we daarvoor natuurlijk voldoende middelen nodig. Patiëntenplatforms en non-gouvernementele organisaties spelen een steeds belangrijker rol, een rol die financiële ondersteuning door de EU rechtvaardigt. Bij de financiële ondersteuning van ngo’s dienen we echter wel strenge criteria te hanteren en te zorgen voor transparantie. Het kan immers niet zo zijn dat een paar organisaties – net als bij het milieubeleid – zo ruimhartig bedeeld worden, dat ze er als een soort dochtermaatschappij van de Europese Commissie Brusselse kantoren op na houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Hiltrud Breyer, namens de Verts/ALE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie is een absoluut voorstander van een afzonderlijk, goed gedoteerd gezondheidsprogramma.

Gezondheid staat nummer een op het verlanglijstje van de Europeanen. Laten we daarom vandaag voor eens en voor altijd duidelijk maken dat de volksgezondheid ook voor ons in het Europees Parlement, in de Europese Unie prioriteit heeft. Natuurlijk is de gezondheidszorg nationaal van opzet, maar over het grensoverschrijdende deel ervan moeten we het samen in Europa hebben. Als er jaarlijks een miljard euro subsidie aan tabak uitgegeven wordt, mag de volksgezondheid ons wel eenzelfde bedrag waard zijn.

Wat de financiering van ngo’s betreft: wij van De Groenen zijn er absoluut voorstander van dat alleen die ngo’s subsidie krijgen, die niet afhankelijk zijn van de industrie. Helaas zijn er tal van ngo’s die zich voor het karretje van de farmaceutische industrie laten spannen, zich als spreekbuis laten gebruiken en uitsluitend bedoeld zijn om reclame te maken voor te dure medicijnen. Dat is niet wat ons voor ogen staat. Wij zijn voor steun aan onafhankelijke ngo’s. U, mijnheer Krahmer, spreekt zichzelf tegen met de eis dat zij ook niet nog eens overheidssteun mogen krijgen. Immers, wat moeten ze dan wel krijgen? Moeten ze dan werkelijk door de farmaceutische industrie gefinancierd en aan de leiband gehouden worden? Dat wil toch niemand! Natuurlijk hebben deze ngo’s ook subsidie nodig om voorlichting te kunnen geven.

Een cruciaal onderdeel is voor ons de ondersteuning van de complementaire en alternatieve geneeswijzen. Het doet mij deugd dat daar al positieve ervaringen mee zijn opgedaan. Miljoenen mensen in de Europese Unie hebben zeer positieve ervaringen opgedaan met complementaire en alternatieve geneeswijzen, waarbij de milieugeneeskunde niet vergeten mag worden. De Europese Unie discrimineert dan ook wanneer zij dit deel van de medische wereld negeert en het nog niet eens een schijnbestaan gunt.

Als het de Commissie ernst is met wat zij onder de naam ‘Lissabon’ uitdraagt, namelijk dat we een innovatieve maatschappij zijn, moeten we de kennis en innovatie in de alternatieve en complementaire geneeskunde benutten, vergroten en toegankelijk maken voor de burgers van de Europese Unie. Dat is echt een cruciaal punt en ik vind dat de Commissie veel te zwaar heeft ingezet op de belangen van de grote farmaconcerns met hun paardenmiddelen. Daar moet nu maar eens een eind aan komen. We moeten ervoor waken een verkapt industrie- en researchbeleid te voeren en ons juist ten doel stellen werkelijke innovatie op gang te brengen. En daarin hoort natuurlijk plaats te zijn voor de complementaire en alternatieve geneeskunde.

Een laatste punt: wij allen doen nogmaals een dringende oproep om elke vorm van discriminatie en genetische selectie te vermijden. Vandaar ook dat we er bij de heer Trakatellis nog een keer op aandringen ons amendement als aanvulling te accepteren, waarin we duidelijk stellen dat er op dit terrein alleen verder gewerkt mag worden in de postnatale fase en alleen dan, als er ook therapieën beschikbaar zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Adamos Adamou, namens de GUE/NGL-Fractie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, mijnheer Trakatellis, ik moet u gelukwensen met het inderdaad uitstekende werk dat u hebt verricht voor dit complexe vraagstuk. Ik ben het ten aanzien van een groot aantal vraagstukken met u eens, vooral als u spreekt over de noodzaak van een ruimer financieel kader voor het programma.

Toch kan ik niet instemmen met uw wens om de ziekten die de meeste slachtoffers maken, niet bij de naam te noemen. Die ziekten noemen is heel iets anders dan boodschappenlijstjes maken, zoals de heer Krahmer het formuleerde.

Kanker: een op de vier sterfgevallen is te wijten aan kanker. Een op de drie Europeanen krijgt op een gegeven moment in zijn leven de een of andere vorm van kanker.

Hartziekten: de belangrijkste doodsoorzaak.

Reuma: meer dan 150 aandoeningen en syndromen. Een op de vijf Europeanen wordt chronisch behandeld voor reumatiek of gewrichtsontsteking. Reumatische aandoeningen zijn de op een na meest voorkomende reden voor een bezoek aan de arts. In de meeste landen betreft 20 procent van de eerstelijnszorg reuma. Daarna komen andere ziekten als suikerziekte en psychische stoornissen.

Aangezien de genoemde ziekten een dermate groot percentage van de Europese bevolking treffen en de levenskwaliteit van de Europese burgers rechtstreeks beïnvloeden, ben ik van mening dat deze in het programma bij de naam moeten worden genoemd. Daarom heb ik namens mijn fractie het desbetreffende amendement ingediend – amendement 156 – en ik vraag u daarvoor te stemmen.

Het is een feit dat de welgestelde leden van de samenleving een rechtstreekse en gemakkelijke toegang hebben tot niet alleen de informatie over gezondheidsvraagstukken maar ook de gezondheidsdiensten. Zij zijn op de hoogte van de gevaren en bedreigingen voor hun gezondheid en kunnen tijdig en regelmatig naar de dokter.

De minderbedeelden hebben daarentegen geen rechtstreekse en gemakkelijke toegang tot informatie en moeten bijna altijd heel lang wachten voordat zij gezondheidszorg krijgen. Daarom moeten wij grote inspanningen ondernemen om ervoor te zorgen dat in onze gezondheidsstelsels rekening wordt gehouden met de behoeften van deze groepen en van de organisaties die hen vertegenwoordigen. Wij moeten rekening houden met hun ervaringen en ervoor zorgen dat er gezondheidsstelsels komen die zijn afgestemd op de behoeften van de Europeanen die het slachtoffer zijn van discriminatie en slecht worden behandeld. Daarom heb ik het amendement dat daarover gaat – amendement 157 – ingediend, en ik vraag u daar eveneens voor te stemmen. Tot slot wil ik u, mijnheer Trakatellis, nogmaals gelukwensen met uw inderdaad uitstekend werk.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland, namens de IND/DEM-Fractie. – Voorzitter, allereerst wil ik collega Trakatellis bedanken voor zijn werk op dit dossier. Het is goed dat hij zich zo inzet voor een verbetering van de volksgezondheid in Europa. Het grootste deel van dit verslag kan ik steunen. Op een drietal punten wil ik echter nog enkele opmerkingen maken.

Allereerst het budget. In amendement 64 wordt dit, hoewel indicatief, substantieel verhoogd. Ik ben van mening dat dit amendement niet op zijn plaats is in dit verslag, omdat de hoogte van het budget niet hier vandaag bepaald wordt, maar afhangt van het resultaat van de onderhandelingen over de financiële perspectieven.

Ten tweede, spreek ik mij uit voor amendement 148 van de EVP-Fractie. Genetische screening kan een waardevolle aanvulling zijn op de huidige diagnosetechnieken, maar alleen als ze daar ethisch verantwoord mee omgaan. We moeten voorkomen dat bijvoorbeeld verzekeraars op grond van het genetisch profiel van een persoon deze a priori gaan uitsluiten van een verzekering.

Als laatste zou ik de aandacht van de commissaris willen vestigen op de zeer bureaucratische wijze waarop de verdeling van het onderzoeksbudget nu plaatsvindt. Mij is gebleken dat een enkele aanvraag duizenden euro's kan kosten. Daarnaast is het voor aanvragers onzeker op welke criteria er uiteindelijk getoetst wordt en op welke gronden aanvragen worden toegekend of afgewezen. Ook is de Commissie naar de aanvragers zeer streng, wanneer het gaat om termijnoverschrijdingen, maar als ze zelf het besluit uitstelt, heeft dat geen consequenties. Dat levert natuurlijk veel frustratie op.

Ik stel voor om te gaan werken met een voortraject waarin aanvragen op een beperkt aantal punten getoetst worden. Vervolgens wordt alleen van de echt kansrijke projecten een volledige aanvraag verlangd. Daarmee wordt de werkdruk bij de Commissie verminderd en kunnen de lasten voor de aanvragers ook aanmerkelijk dalen. Graag hoor ik hier een reactie van de commissaris op.

 
  
MPphoto
 
 

  Liam Aylward, namens de UEN-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, voor de burgers van elk land is de volksgezondheid van essentieel belang en zij is ook duidelijk een zaak voor elke afzonderlijke lidstaat. Een van de grote voordelen voor de lidstaten van de EU is echter dat zij kunnen samenwerken met en gebruik kunnen maken van het kennispotentieel van andere lidstaten. Dat is op elk gebied van belang, maar in dit geval moet samenwerking tussen de lidstaten des te meer worden aangemoedigd als de volksgezondheid, vanwege de omvang of de gevolgen van een gezondheidsprobleem, daardoor beter verwezenlijkt kan worden.

De Ierse regering blijft ernaar streven om de Ierse bevolking zorg van de hoogste kwaliteit aan te bieden, inclusief een adequate, snelle en veilige gezondheidszorg in de juiste setting. Dat wil zeggen een gezondheidszorg die functioneert op een manier die recht doet aan de patiënten, de belastingbetalers en de gezondheidswerkers. De regering streeft ernaar om te zorgen voor professioneel en adequaat personeel, opleidingen, instrumenten en steun om een gezonder leven in een gezondere omgeving te bevorderen.

In de huidige tijd worden wij in Ierland en in de Europese Unie met grote uitdagingen geconfronteerd: hart- en vaatziekten, neuropsychiatrische stoornissen, kanker, spijsverteringsaandoeningen, ademhalingsaandoeningen, aandoeningen van de zintuigen, zwaarlijvigheid en diabetes om er maar eens een paar te noemen. Geen enkel land kan deze problemen alleen aanpakken. De Europese Unie gaat de uitdaging aan haar lidstaten te ondersteunen op het gebied van de volksgezondheid. De Unie maakt daarbij dankbaar gebruik van de ervaring van die lidstaten en hun deskundigen en van de reikwijdte van dit voorstel, dat dankzij de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid vele verbeteringen heeft ondergaan. Sta mij toe om ook de heer Trakatellis te complimenteren met zijn bijdrage aan dit verslag.

Communicatie, onderwijs, toegang tot moderne methoden, het handelen op basis van gedegen medisch advies en het dichten van de kloof die er op het gebied van de volksgezondheid tussen de lidstaten bestaat, zijn op dit punt van essentieel belang.

Meer in het bijzonder, tot slot, ben ik blij met de amendementen over het opnemen van alternatieve geneeswijzen in het programma. Een betere kennis over complementaire en alternatieve geneeswijzen kan er in belangrijke mate toe bijdragen dat burgers meer bewuster en meer verantwoorde keuzes maken met betrekking tot hun gezondheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, veel van de ziekten waar de mensen in Europa tegenwoordig aan lijden, hangen direct of indirect samen met onze levenswijze. We hoeven wat dat betreft alleen maar te denken aan de toename van voedingsgerelateerde ziekten, of aan kwalen die met een tekort aan beweging te maken hebben. We slaan daarom zeker de juiste weg in als we besluiten een gezondere levenswijze te propageren. Het is alleen de vraag of we daar veel succes mee zullen boeken, als we ongeveer 1,4 miljard euro steken in een gezondheidsinformatiesysteem dat slechts dient voor het uitwisselen van gezondheidsrapporten. Want laten we wel wezen: het gros van de ziekten waar de mensen ook hier in Europa aan lijden, komt niet voort uit een gebrekkige toegang tot informatie.

Welbeschouwd begint gezondheid al bij onze levenshouding. Wie veel beweegt en matig, maar natuurlijk eet, blijft gezonder – dat weet een kind. Mensen weten allang wat schadelijk is voor hun gezondheid, ook zonder waarschuwende teksten op pakjes sigaretten, op bier en wijn, snoep en kant-en-klare producten, teksten waarmee de individuele burger, die toch een mondige burger wil zijn, alleen maar betutteld wordt.

Het valt te betwijfelen of dergelijke, zogenaamd afschrikkende maatregelen succesvol zijn en volgens mij zitten burgers daar ook niet op te wachten. Wat wel vaststaat, is dat 66 procent van de mensen, zo blijkt uit een enquête, er voorstander van is om gezond gedrag te stimuleren, bijvoorbeeld door korting op verzekeringspremies te geven bij een regelmatige deelname aan preventieve onderzoeken. Dat is de invalshoek die perspectief biedt en de richting waarin we het moeten zoeken. Daar komt nog een onomstotelijk feit bij: het voorkómen van ziekten zou onze gezondheidszorg ook financieel ontlasten.

 
  
MPphoto
 
 

  Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE). – Voorzitter, een goede gezondheid staat bij Europese burgers altijd bovenaan het lijstje van de wensen die zij hebben. Als Europa daaraan kan bijdragen, dan is dat zeer legitiem, neen beter nog, we moeten eraan bijdragen, want we moeten een hoog niveau van volksgezondheid garanderen volgens het Verdrag.

Voorzitter, mijn gelukwensen voor het programma en de rapporteur. De rapporteur heeft een open oog en oor gehad voor de wensen van zijn collega's, terechte wensen van zijn collega's, en de Europese Commissie heeft een goed programma geleverd, een programma dat echter wel nog op een paar punten door het Parlement is verbeterd. Mag ik beginnen met een van die verbeteringen. Uitdrukkelijk is nu vastgesteld dat de inkoop en de levering van gezondheidszorg moeten worden vergemakkelijkt via samenwerking tussen de lidstaten.

Voorzitter, ik kom uit een grensregio waar we in Maastricht een universitair ziekenhuis hebben, waar we in Luik een universitair ziekenhuis hebben, waar we in Aken een universitair ziekenhuis hebben. Als je boven op de Vaalser berg staat – we noemen dat in een Limburg een berg, die is goed 300 meter hoog – dan kun je die drie academische topklinieken bijna zien liggen. Het is toch noodzakelijk en dan gaat kost voor de baat uit, dat er samengewerkt wordt in die regio's, zodat niet al die topvoorzieningen stilstaan en ons allen erg veel geld kosten.

Voorzitter, ik ben dus blij met de uitbreiding van het programma op die grensoverschrijdende mogelijkheden, dat is het eerste punt. Het tweede punt, gezondheidssystemen staan overal onder druk, enerzijds door demografie en anderzijds doordat we meer en dus ook vaak duurdere voorzieningen hebben. Elke lidstaat is bezig met het aanpassen van de zorgsystemen. Waarom moeten we overal het wiel opnieuw uitvinden? Waarom zouden we niet kunnen leren van elkaar? Ook daarvoor moet aandacht komen.

Voorzitter, ten aanzien van de financiering. Kost gaat voor de baat uit. Vogelgriep, het is niet óf, maar wanneer. Als ik dan nu zie – en ook collega Bowis heeft erover gesproken – dat het managementteam van Stockholm voor overdraagbare ziekten zegt: "ik kan niet functioneren in een tijd waarin zo'n calamiteit zich gaat voordoen", dan denk ik dat we met elkaar nieuwe afspraken moeten maken en ik hoop ook dat de Commissie dat doet.

Voorzitter, ook de uitbreiding naar de complementerende alternatieve zorg en voorzieningen vind ik belangrijk in dit programma. Voorzitter, ook ten aanzien van ziekten als kanker, diabetes, Parkinson, moet meer gedaan worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Evangelia Tzampazi (PSE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe de heer Trakatellis van harte te bedanken voor zijn samenwerkingsgezindheid.

Het communautair actieprogramma op gezondheidsgebied is een belangrijk document, aangezien het tot doel heeft te zorgen voor efficiënte preventie, betere gezondheidsdiensten en een hogere levenskwaliteit voor iedereen. Dat is ons belangrijkste politieke doel.

De fundamentele prioriteit van het programma is dat ongelijkheden in de gezondheidszorg worden bestreden door de bestaande netwerken op het gebied van volksgezondheid te versterken.

Wat gehandicapten betreft moeten wij rekening houden met het feit dat een handicap geen ziekte of ongeschiktheid is, maar een andere gezondheidstoestand, een toestand waarmee rekening gehouden moet worden bij de uitwerking en toepassing van alle communautaire beleidsvormen en programma’s. Het is van groot belang dat er strategieën worden ontwikkeld en dat er uitwisseling van goede praktijken plaatsvindt, teneinde de gezondheid van mensen met een handicap te kunnen bevorderen, en tegelijkertijd betrouwbare, voor gehandicapten toegankelijke informatie te verschaffen. Gehandicapten behoren immers tot de doelgroepen van het programma. Bovendien moeten wij zorgen voor gelijke toegang tot de gezondheidszorgstelsels.

Een andere fundamentele prioriteit is dat de communautaire acties meerwaarde moeten creëren ten opzichte van de nationale gezondheidsacties, opdat de samenwerking tussen de lidstaten op innovatieve gebieden, zoals medische telematica, kan worden versterkt. Deze acties kunnen gehandicapten nieuwe mogelijkheden bieden om een hogere levenskwaliteit na te streven en tijdige en geschikte toegang tot gezondheidsdiensten te eisen, en tegelijkertijd dragen de acties bij tot het rationaliseren van de uitgaven op gezondheidsgebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgs Andrejevs (ALDE). (LV) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, allereerst wil ik mijn collega, de heer Trakatellis, feliciteren met zijn uitstekende verslag. In het nieuwe communautaire actieprogramma van de Commissie op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming (2007-2013) wordt de nadruk gelegd op de belangrijke rol die de Europese Unie kan spelen bij het terugdringen van het aantal ziekten, meer concreet – en dat wil ik graag onderstrepen – het terugdringen van ernstige ziekten. Het is boven alle twijfel verheven dat hart- en vaatziekten tot de belangrijkste doodsoorzaken in Europa behoren. Elk jaar sterven twee miljoen inwoners van de Europese Unie als een direct gevolg van deze ziekten. De besluiten die door de Raad tijdens het Ierse voorzitterschap zijn genomen, waren – en zijn nog steeds – een goed uitgangspunt voor onze inspanningen om hart- en vaatziekten te voorkomen. Net als veel andere collega’s ben ik dan ook van mening dat hart- en vaatziekten absoluut in dit wetgevingsdocument opgenomen moeten worden. Wij moeten hier geen doekjes om winden. Ik roep mijn medeafgevaardigden dan ook op om de amendementen 142 en 143 te steunen, omdat hierin duidelijk wordt gemaakt welke ziekten als de belangrijkste ziekten in Europa beschouwd kunnen worden en door middel van preventie, screening en behandeling moeten worden aangepakt. Ik dank, u mijnheer de Voorzitter.

 
  
MPphoto
 
 

  Caroline Lucas (Verts/ALE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik sta zeer positief tegenover het verslag van de heer Trakatellis. Hij heeft uitstekend werk verricht, waarvoor mijn dank en mijn gelukwensen. Ik sluit mij ook aan bij degenen die betreuren dat er op de financiële middelen op het betreffende gebied is bezuinigd. Mijn fractie zal amendement 64 dan ook steunen. Zoals u zich wellicht herinnert, was mijn fractie oorspronkelijk zelfs voorstander van een nog hoger financieringsniveau.

Ik wil opnieuw de aandacht vestigen op een van de essentiële kwesties die hier ook al eerder aan de orde is gesteld en waarover mijn fractie een amendement heeft ingediend. Ik doel hier op de rol van aanvullende en alternatieve geneeswijzen. Inmiddels maken al meer dan honderd miljoen burgers in de EU gebruik van complementaire geneeswijzen en de populariteit van dergelijke geneeswijzen groeit nog steeds. Het vergroten van de kennis van mensen over complementaire en alternatieve geneeswijzen kan er in belangrijke mate toe bijdragen dat burgers meer bewuste en verantwoorde keuzes maken met betrekking tot hun gezondheid. Ik denk dan ook dat het van essentieel belang is dat wij de onmiskenbare voordelen van alternatieve geneeswijzen onderkennen en dat wij deze tak van de geneeskunde uit het verdomhoekje halen en op dezelfde wijze gaan behandelen als de traditionele geneeswijzen.

De grotere aandacht van burgers voor de risico’s van chemische stoffen in de voedselketen, de grotere resistentie tegen antibiotica vanwege het overmatig gebruik ervan en de bezorgdheid over de bijwerkingen van een aantal conventionele geneesmiddelen dragen ertoe bij dat er op grote schaal een herbezinning plaatsvindt over onze levensstijl en over de manier waarop wij weer een gezond leven kunnen leiden. Alternatieve geneeswijzen met een holistische en persoonsgerichte benadering trekken een steeds groter publiek. Het is belangrijk dat wij die ontwikkeling onderkennen. Desalniettemin bestaat er nog steeds een grote kloof tussen het beroep dat mensen op deze behandelmethoden doen en de financiële middelen die voor onderzoek op dit gebied ter beschikking worden gesteld. Het is van cruciaal belang dat wij die kloof dichten.

Ik sluit mij nadrukkelijk aan bij de amendementen over de reële risico’s voor onze gezondheid als gevolg van de milieuvervuiling en bij de amendementen waarin erop wordt gewezen dat Europese burgers dit als een steeds groter probleem zien. Als onderdeel van een preventieve strategie moeten er op dit vlak dringend maatregelen worden genomen.

Zoals mevrouw Breyer al heeft aangegeven, is onze fractie van mening dat de participatie van de civiele samenleving van essentieel belang is voor het formuleren en uitvoeren van een Europees volksgezondheidsbeleid. Ik verwelkom de voorgestelde verhoging van de financiering om die participatie te vergroten. Ik verwelkom eveneens de criteria zoals die in amendement 53 zijn geformuleerd, omdat hieruit duidelijk blijkt dat wij onafhankelijk moeten opereren van sectorspecifieke, commerciële en zakelijke belangen.

Amendement 141 van de liberalen maakt alles echter weer ondoorzichtiger en dat gaat ten koste van de rechtszekerheid die nu juist door amendement 53 wordt gewaarborgd. Daarom verzoek ik mijn collega’s om amendement 141 te verwerpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún (GUE/NGL).(EN) (Spreekster sprak in het Iers)

Mijnheer de Voorzitter, de huidige bezorgdheid over een eventuele mutatie van de vogelgriep betekent dat de burgers zich realiseren dat het noodzakelijk is dat wij overdraagbare ziekten gezamenlijk gaan aanpakken. Wij moeten tegelijkertijd echter ook onderkennen dat niet-overdraagbare ziekten verreweg de grootste oorzaak zijn van de ziektelasten in onze samenleving en wij moeten onze middelen dan ook gebruiken op die gebieden waar zij het meest effect sorteren.

Ik verzoek dit Parlement om ook het amendement te steunen waarin wordt verzocht om gemeenschappen met een achterstand te betrekken bij het ontwikkelen van het toekomstige gezondheidsbeleid. Wij kunnen niet verwachten dat wij de ongelijkheid in de zorgverlening aan kunnen pakken zonder de actieve bijdrage van de mensen die door hun levenservaring als het ware tot deskundigen op dit gebied zijn uitgegroeid.

Ik steun eveneens de integratie van aanvullende en alternatieve geneeswijzen in het actieprogramma. Daarnaast ben ik er een groot voorstander van om de volksgezondheid en de consumentenbescherming als twee aparte programma’s te beschouwen.

Het communautaire actieprogramma op het gebied van de gezondheid heeft de potentie om ervoor te zorgen dat het gezondheidsbeleid in alle communautaire beleidsterreinen wordt geïntegreerd. De EU verkeert in een uitgelezen positie om de activiteiten in de lidstaten aan te vullen, het effect van andere beleidsmaatregelen op de volksgezondheid te bestuderen, de toegang tot informatie te bevorderen, de vroegtijdige opsporing, beoordeling en melding van risico’s te verbeteren, en aanbevelingen over beste praktijken te doen.

(Spreekster sprak in het Iers)

 
  
MPphoto
 
 

  Urszula Krupa (IND/DEM).(PL) Mijnheer de Voorzitter, als arts zou ik uw aandacht met name willen vestigen op het feit dat de moderne wetenschap de onderliggende psychische oorzaken probeert bloot te leggen van de meeste ziekten die te boek staan als psychosomatisch; dit gaat van zwaarlijvigheid tot hart- en vaatziekten en een te hoge bloeddruk, maar ook auto-immuunziekten en tumoren vallen hieronder. In een kennismaatschappij zou hierover meer informatie beschikbaar moeten zijn, en vooral de Europese wetgevers zouden er meer over moeten horen.

Het communautair beleid zou een belangrijke rol kunnen spelen op het gebied van preventie en bescherming van de volksgezondheid, niet alleen in het geval van de zogeheten beschavingsziekten, maar ook bij psychische stoornissen. Daarbij moet wel de bandeloze levensstijl die zich om God noch gebod bekommert, ingeruild worden voor een levensstijl die gebaseerd is op ethische en morele waarden. Innerlijke rust en een geestelijk evenwicht kunnen immers persoonlijkheidsstoornissen die veroorzaakt worden door psychische aandoeningen en allerlei verslavingen, zoals roken, alcoholisme, drugs en andere zelfdestructieve neigingen, voorkomen.

Er worden enorme sommen geld gestoken in het opvangen van de gevolgen van deze verslavingen. Dit is echter weggegooid geld door het ontbreken van een wettelijk kader. Een soortgelijk probleem zien we bij consumentenbescherming, die vaak blijft steken in mooie woorden, omdat een paar rijken het monopolie hebben op de markt en hun belangen beschermen door een fortuin te besteden aan reclame. Deze stroom manipulatieve informatie zou bestreden moeten worden, op zijn minst door de slogans van de Unie om de grondrechten te eerbiedigen echt in praktijk te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Irena Belohorská (NI). (SK) Geachte dames en heren, ook ik wil de heer Trakatellis bedanken voor dit uitstekende verslag. Ik ben het volledig eens met zijn idee om het verslag in twee delen op te splitsen, te weten een deel gericht op de bevordering van de volksgezondheid en een ander deel bedoeld voor het verbeteren van de consumentenbescherming in de periode tussen 2007 en 2013. Ook ik heb een aantal amendementen op dit verslag ingediend en ik ben blij dat sommige amendementen zijn aangenomen. Ik doel daarbij met name op het amendement dat ik zelf het belangrijkst vind, namelijk het amendement dat betrekking heeft op de nieuwe lidstaten.

Er is sprake van een aantal opvallende verschillen tussen de stelsels voor de gezondheidszorg in de lidstaten van de EU. Op dit punt lijken de nieuwe lidstaten in het nadeel te zijn omdat zij met grote uitdagingen in de gezondheidszorg worden geconfronteerd en over weinig financiële middelen beschikken om de situatie te verbeteren. Ontoereikende middelen ten behoeve van de gezondheidszorg vormen niet alleen een groot obstakel voor de ontwikkeling van deze landen, maar ook voor de groei van de Europese Unie in haar geheel. Daarom is het noodzakelijk dat de nieuwe lidstaten voor de financiering van programma’s in de gezondheidszorg meer gebruik gaan maken van de structuurfondsen van de EU. Deze mogelijkheid kan voor hen een bron van hoop zijn omdat zij zo de kans krijgen om de kwaliteit van de dienstverlening in de gezondheidszorg te verbeteren.

Helaas valt de gezondheidszorg uit hoofde van het subsidiariteitsbeginsel niet onder de wettelijke bepalingen van de Europese Unie. Dat betekent dat deze sector aan nationale wetgeving onderworpen is. Ik waardeer het echter dat geprobeerd is de bescherming van de veiligheid van patiënten in het verslag te integreren. De problemen waarmee Europese burgers worden geconfronteerd wanneer zij in het buitenland toegang tot diensten in de gezondheidszorg willen krijgen, vormen een belemmering voor het vrije verkeer. Het is dan ook noodzakelijk om de ambigue regelingen betreffende de vergoedingen voor medische diensten duidelijker te definiëren. Europese burgers vinden de huidige bepalingen en uitspraken van het Europees Hof van Justitie onduidelijk en moeilijk te begrijpen. Patiënten zouden baat kunnen hebben bij het opzetten van een database met informatie over dienstverleners in de gezondheidszorg in andere lidstaten. Daardoor zou de situatie van patiënten ontegenzeggelijk worden verbeterd en zouden mogelijk ook de lange wachtlijsten voor bepaalde diensten kunnen verdwijnen.

Daarnaast hebben de massamedia de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan het verbeteren van de gezondheidstoestand van de bevolking. Het zou een goed idee zijn om een aantal “reality shows” te vervangen door programma’s met een attractief format om de aandacht op onderwerpen te richten die verband houden met voeding. Te weinig aandacht voor een gezonde voeding kan uiteindelijk tot zwaarlijvigheid, hart- en vaatziekten en kanker leiden. Gezien de dreiging van mogelijke bioterroristische aanslagen is het op dit moment, met het oog op de staatsveiligheid, eveneens belangrijk de massamedia te stimuleren aandacht te besteden aan onderwerpen op gezondheidsgebied. Als er dan een epidemie uitbreekt, is de bevolking beter op de hoogte van de fundamentele strategieën om een verspreiding van de ziekte zoveel mogelijk te voorkomen. Het is noodzakelijk dat er meer gerichte aandacht aan de volksgezondheid besteed wordt en dat er voor deze sector meer financiële middelen uitgetrokken worden. Wij weten immers allemaal dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie van Lissabon zonder een gezonde bevolking niet mogelijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Ulmer (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, allereerst wil ik collega Trakatellis hartelijk danken voor de bijzonder prettige samenwerking en zijn uitstekende verslag.

De drie gemeenschappelijke kerndoelen van het EU-beleid op de terreinen gezondheid en consumentenbescherming worden heel helder geformuleerd. Ten eerste, bescherming van de burger tegen risico’s en gevaren waarop het individu geen invloed uit kan oefenen en die door de afzonderlijke lidstaten niet afdoende bestreden kunnen worden. Hier plaatst de tekst een heel duidelijk accent. Ten tweede, vergroting van het vermogen van de burgers om zelf besluiten te nemen waar het hun gezondheid betreft. Ik verwijs hier ook naar het prijzenswaardige initiatief van de Commissie, dat ten doel heeft de beperkingen in het informatiebeleid van de farmaceutische industrie terug te dringen. Ten derde, integratie van het gezondheidsbeleid in andere beleidsterreinen van de Gemeenschap.

Op het gebied van de gezondheid worden in dit verslag drie nieuwe hoofdthema’s geïntroduceerd die verband houden met de nieuwe uitdagingen van onze tijd. Ten eerste de respons op bedreigingen zoals epidemieën – de vogelgriepepidemieën zijn daarvan een actueel en tot de verbeelding sprekend voorbeeld. In de tweede plaats preventie en het beïnvloeden van gedragspatronen; ik noem hier slechts roken, overgewicht, verslaving en gebrek aan beweging als voorbeelden. In de derde plaats de noodzaak van samenwerking tussen de nationale gezondheidsautoriteiten, een samenwerking die op heel wat terreinen nog een stuk beter kan. De subsidiariteit komt daar volgens mij niet mee in gevaar. Ik voorzie juist betere samenwerking, synergetische effecten en een versterking van de subsidiariteit.

Het lijkt mij belangrijk en juist om een scheiding aan te brengen tussen consumenten- en gezondheidsbescherming, aangezien we hier te maken hebben met twee beleidsterreinen die op een verschillende wettelijke basis rusten en dus binnen de Gemeenschap ook verschillende bevoegdheden van de Unie tot gevolg hebben. Persoonlijk verbaas ik mij er wel over wat we in zeven jaar allemaal met 1,5 miljard willen bewerkstelligen. Ik kan slechts hopen dat een groot deel daarvan werkelijkheid wordt, maar laten we niet vergeten dat er in de Bondsrepubliek Duitsland alleen al aan wettelijke sociale premies jaarlijks 180 miljard omgaat.

Ik steun amendement 64 over verruiming van het financiële kader. Dat lijkt mij het minimaal noodzakelijke om überhaupt iets zinnigs te kunnen doen. En dan valt het nog altijd in het niet bij de bedragen die de Gemeenschap in zeven jaar als subsidie voor de tabaksteelt uitgeeft: we hebben het dan over slechts een vijfde van de tabakssubsidies.

In een kaderprogramma kunnen we onmogelijk alle wensen van de burgers en instellingen in Europa vervullen. We hebben geprobeerd daar zo rechtvaardig mogelijk mee om te gaan. Al met al ligt hier volgens mij een grote kans om Europa via gezamenlijke pr-activiteiten weer een stukje dichter bij de burger te brengen.

 
  
  

VOORZITTER: GÉRARD ONESTA
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Dorette Corbey (PSE). – Voorzitter, commissaris, collega's, allereerst mijn welgemeende complimenten aan collega Trakatellis. Zijn kennis over gezondheid is een bijdrage aan ons debat. Gezondheid is een belangrijk politiek thema, maar in de eerste plaats is gezondheid een nationale bevoegdheid. Het is terecht dat Europa aandacht besteedt aan de gezondheid, maar Europa moet alleen in actie komen als er een duidelijke toegevoegde waarde is. Commissaris, ik verwacht niettemin veel van uw beleid.

Allereerst hoop ik dat u actief al uw collega's aanspoort tot een gezond beleid. Kijk eens door de ogen van de gezondheid naar de landbouwsubsidies; moeten we echt doorgaan met een subsidie op vet, suiker en tabak? Wat mij betreft kiezen we liever groenten en fruit. Of, commissaris, meng u in het gevecht tussen DG Industrie en DG milieu over luchtkwaliteit, chemicaliën en pleit met kracht voor gezondheid. Dat kost geen geld en dat is een van de belangrijkste diensten die u de Europese burgers kan bewijzen.

In de tweede plaats, voer de strijd tegen ongelijkheid en hier sluit ik aan bij wat gezegd is door mevrouw Belohorská. Burgers van Europa hebben een zeer ongelijke toegang tot adequate behandeling. Kankerpatiënten hebben in sommige landen aanzienlijk meer kans om te overleven dan in andere landen. Behandelingsmethoden verschillen, de toegang tot gezondheid is ongelijk. De kennis van patiënten over hun ziekte verschilt per land. Preventie heeft niet in alle landen de aandacht die ze verdient.

Commissaris, breng kennis bij elkaar. Lidstaten, ziekenhuizen, patiëntenverenigingen, behandelaars kunnen van elkaar leren; breng preventie en behandeling bij elkaar. Ik roep u op vooral geen algemene statistieken te verzamelen over de gezondheidstoestand van de bevolking, maar juist heel praktische informatie te verzamelen ten aanzien van de belangrijkste ziekten zoals kanker, reuma, diabetes, longaandoeningen en natuurlijk hart- en vaatziekten en dan kijken waar verbeteringen mogelijk zijn. Misschien kunt u kenniscentra oprichten en netwerken die een waardevolle bron van informatie voor de behandelaar en patiënten kunnen zijn; op die manier levert de Europese Unie een waardevolle bijdrage.

Collega's, mag ik u tenslotte allemaal oproepen om verklaring nr. 1 te ondertekenen, verklaring nr. 1 gaat over diabetes en is door verschillende collega's ingediend. Wij hebben al 260 handtekeningen, er zijn er nog 80 nodig, dus graag uw handtekening.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, veiligheid en consumentenbescherming zijn twee terreinen – zoals door elke Eurobarometer weer bevestigd wordt – waarvoor de burger meer Europa wil, en daarom gaat mijn dank uit naar onze twee rapporteurs, de heer Trakatellis en voor vanmiddag mevrouw Thyssen, die blijk hebben gegeven van gezond verstand door voor te stellen de twee programma’s te splitsen.

Na deze inleidende opmerking wil ik me aansluiten bij al diegenen die zich samen met professor Trakatellis, samen met u, commissaris, en samen met heel wat anderen hebben uitgesproken voor een ambitieus programma “Gezondheid”, ook al weten we maar al te goed dat we niet de 1,5 miljard euro waarom we gevraagd hebben, zullen krijgen en waarschijnlijk ook niet de uiterst symbolische grens van één procent van de Europese begroting zullen halen. Uiteindelijk moeten we dan ook keuzes maken en pijnlijke offers brengen. Daarom lijkt het me belangrijk dat we onze inspanningen richten op de vijf à zes ziekten waaraan de meeste mensen overlijden in Europa. We moeten dan ook rekening houden met wat de WHO zegt en amendement 142 steunen, dat is ingediend door de liberale fractie, niet bang zijn bepaalde ziekten met naam te noemen en een stapje extra zetten om bijvoorbeeld hart- en vaatziekten en verschillende vormen van kanker te voorkomen, want ambitie wil niet zeggen dat we op te veel fronten tegelijkertijd actief moeten proberen te zijn.

Onze burgers willen dat Europa effectief en transparant is: we mogen ze niet teleurstellen door onze middelen te zeer te versnipperen. Ze vragen ons ook om een luisterend oor en willen gerustgesteld worden, vooral nu. We kunnen het in dit opzicht niet maken het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding in Stockholm geen fatsoenlijk budget te geven. Laten we immers niet vergeten dat het centrum in 2005 gelanceerd werd, nadat SARS twee jaar geleden bliksemsnel om zich heen had gegrepen! We hebben er dus alle belang bij dat het centrum zijn doelen realiseert nu de vogelgriep op het Europese continent is neergestreken.

Tot slot en ter afsluiting, geachte commissaris, heb ik nog een vraag voor u en ook voor de Raad: hoe gaat u het actieplan gezondheid en milieu financieren en afstemmen op dit nieuwe volksgezondheidsprogramma? We weten allemaal dat Europa zich moet wapenen in de strijd tegen milieuvervuiling die de meest kwetsbaren onder ons treft, zwangere vrouwen, kinderen. De allerjongsten beschermen, dat is ook het Europa van morgen alle kans van slagen geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heren Trakatellis en Kyprianou bedanken, die uitstekend werk hebben verricht. We bevinden ons echter in een absurde situatie, waarin we vijf keer meer geld aan tabaksteelt uitgeven dan aan de bevordering van de volksgezondheid. Vijf keer meer geld om de gezondheid aan te tasten dan om die te verbeteren.

Wat ik een goede zaak vind, is dat dit verslag zich toespitst op preventieve maatregelen. De middelen zijn zo beperkt dat die slechts voldoende zijn om goede voorbeelden uit te wisselen, informatie te verspreiden en samen te werken. Het grote geld bevindt zich echter op nationaal niveau en daar zal het grote werk plaatsvinden. Wat de amendementen van het Parlement betreft, wil ik met nadruk wijzen op amendement 53, een goed en belangrijk amendement. Omdat er zo weinig geld beschikbaar is, mag dat niet naar organisaties gaan die, al dan niet openlijk, voor de farmaceutische industrie lobbyen. Het is goed dat nauwkeurig wordt gecontroleerd dat dat niet gebeurt.

De amendementen 92 en 144, betreffende gendergelijkheid, zijn tot nu toe nog niet genoemd. Ik vind dat een belangrijk aspect, waar we aandacht aan moeten schenken. Een te groot deel van het geld gaat naar mannen en de gezondheidszorg voor mannen en er gaat te weinig naar de gezondheidszorg voor vrouwen. De grootste inspanning die Europa hier kan verrichten, heeft echter betrekking op gezondheid en handel. De artikelen over volksgezondheid in het Verdrag worden nauwelijks toegepast op het handelsbeleid. Waar is de gezondheidsdimensie in het beleid op het gebied van alcohol? Hetzelfde geldt voor chemicaliën en bestrijdingsmiddelen. Dat zijn de gebieden waar de grote inspanningen moeten worden verricht.

Mijnheer de commissaris, u kunt een eerste aanzet geven tot die totaalvisie door geen goedkeuring te verlenen voor de acht nieuwe bestrijdingsmiddelen die binnenkort op het toneel verschijnen. Die zijn biopersistent, leiden tot endocriene stoornissen en zijn klasse 2 carcinogeen – een omslachtige opsomming van de perfecte redenen om chemicaliën te verbieden. Die kans kunt u nu aangrijpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer de heer Trakatellis met zijn verslag. Het is belangrijk dat wij nog een keer bevestigen dat de volksgezondheid onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. Dat neemt niet weg dat het een goede zaak is dat de EU een manier van leven stimuleert die de gezondheid bevordert en van de lidstaten verlangt dat zij in ieder geval minimumnormen voor de gezondheidszorg hanteren. Dat geldt zeker voor mijn eigen land, Ierland, dat weliswaar over de sterkste economie in Europa beschikt, maar een inadequate gezondheidszorg kent waardoor mensen in risicosituaties terecht komen omdat zij geen beroep kunnen doen op de vereiste primaire zorg.

Diabetes is een goed voorbeeld van een ziekte waarvoor in mijn welvarende kiesdistrict te weinig financiële middelen beschikbaar zijn. Wij beschikken over een halve zorgunit per 250 mensen terwijl er met het oog op een adequate effectiviteit eigenlijk één zorgunit per 50 mensen zou moeten zijn. Ook andere ervaringen met het Ierse gezondheidszorgstelsel hebben mijn evaluatie van dit verslag beïnvloed. Ik zal dan ook een verzoek tot een mondeling amendement indienen dat gericht is op de traceerbaarheid van organen, bloed en weefsel van mensen. De hepatitis-C-schandalen in Ierland hebben immers aangetoond wat de medische gevaren zijn als de bron van de besmetting niet getraceerd kan worden. In een ander Iers schandaal met menselijke organen werden dode kinderen routinematig van organen ontdaan zonder dat hun ouders dat wisten of toestemming daarvoor hadden gegeven. Dit illustreert weer eens dat die traceerbaarheid ook ethisch gezien noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat menselijke producten op een legitieme manier worden verkregen.

Ik sluit af met de opmerking dat Europa een rol moet spelen bij het bevorderen van de gezondheid. Ik ben echter van mening dat communautaire fondsen niet gebruikt moeten worden om de belangen van winstgevende bedrijfstakken in de gezondheidszorg te bevorderen; die beschikken namelijk over meer dan voldoende middelen om hun eigen belangen te behartigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Trakatellis, de rapporteur en lid van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, complimenteren met het werk dat hij aan dit verslag heeft besteed, en waarover het Parlement heeft meegepraat. Ook de burgers en de zorgverleners omarmen het nieuwe actieprogramma waarover dit debat gaat. Het belangrijkst is dat, volgens het verslag, politici en zorgmanagers zullen samenwerken bij het uitstippelen van de route om problemen op te lossen die de grenzen van de lidstaten overschrijden. Het verslag plaveit de weg voor een moderne strategie, met name met betrekking tot de coördinatie van activiteiten, maar helaas gaat dit niet gepaard met een gepaste financiering uit Europese middelen, nu de Raad flink heeft gesneden in de begroting van de EU. Er blijft nog veel werk te doen voor de Europese Unie, en dat geldt vooral voor de taken die de afzonderlijke lidstaten niet zelf kunnen vervullen. Niet alleen transnationale overdraagbare aandoeningen zoals HIV/aids en griep dienen te worden bestreden, maar ook drugsverslaving en ziekten die zijn gerelateerd aan de levenswijze. Het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding is speciaal hiervoor opgericht, in combinatie met nationale referentielaboratoria. Dat hierop wordt bezuinigd, is geen goed nieuws en het geeft aan dat de politieke elite van de EU en sommige afgevaardigden in dit Parlement tekortschieten in het stellen van de juiste prioriteiten.

Graag wil ik nog een ander probleem aanstippen. De moderne geneeskunde zorgt ervoor dat mensen langer leven met meer levenskwaliteit, maar de kosten hiervan lopen steeds verder op – tot 60 à 90 procent van de overheidsbegroting. Hoe hoger de financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de gezondheidszorg, hoe minder verantwoordelijkheid individuele burgers voor hun gezondheid nemen. Dat blijkt wel in landen waar de gezondheidszorg centraal werd bestuurd en volledig was gereguleerd, waar beslissingen werden genomen over de gezondheid van de patiënt en daarmee ook over de kosten van de bewuste behandeling zonder dat de patiënt erbij werd betrokken. Hoewel er bepaalde hervormingen ten uitvoer zijn gelegd, hebben die geleid tot een minder effectief systeem en duurdere diensten; patiënten, artsen en politici laten oude ideeën en gewoonten maar moeilijk los. Daarom zou ik willen zeggen dat er in geen geval bezuinigd mag worden op programma’s die tot doel hebben cliënten van de gezondheidszorg beter te informeren en het systeem compatibel te maken. Deze middelen worden uiteindelijk dubbel en dwars terugverdiend.

Verder heb ik een onbehaaglijk gevoel over de effectiviteit van bepaalde richtlijnen – die cruciaal heten te zijn voor de bescherming van gezondheid en milieu – die we, dom genoeg, hebben aanvaard. Ik ben bang dat het doel in sommige gevallen is om bepaalde industriële pressiegroepen tevreden te stellen en dat er niet voldoende geld wordt uitgegeven aan de gezondheid van de burger. Daarom doe ik een beroep op de Commissie om een groter deel van de begroting toe te kennen aan een analyse gebaseerd op empirische gegevens. Op die manier kan onze besluitvorming over richtlijnen op meer verantwoorde wijze plaatsvinden en kunnen we meer te weten komen over het werkelijke effect op de volksgezondheid, over de economische kosten en uiteindelijk ook over de uitwerking op de Europese economie. Om die reden steun ik ook amendement 64.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Ferreira (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, geachte collega’s, allereerst wil ik, zoals andere collega’s reeds hebben gedaan, mijn instemming betuigen met het besluit om de aspecten gezondheid en consumentenbescherming van het communautaire actieprogramma op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming niet samen te voegen.

Afgezien van het feit dat de bevoegdheden van de Europese Unie op deze twee terreinen uiteenlopen, kan gezondheidsbeleid niet worden beschouwd als consumptiegoed.

Ofschoon ik de invoering van “e-health” een warm hart toedraag, mag dit niet worden gebruikt als een verkapte manier om een voorlichtingsbeleid te testen.

Ik ben de heer Trakatellis erkentelijk dat hij heeft voorgesteld de begrotingsmiddelen voor dit programma fors te verhogen, hetgeen noodzakelijk is om onze doelen en onze acties tot een goed einde te brengen. Meer financiering was welkom geweest gezien de uitdagingen die ons te wachten staan, maar we hebben tot op zekere hoogte al reden tot tevredenheid als de Raad ermee instemt de begrotingsmiddelen voor gezondheid te verhogen in het kader van de financiële vooruitzichten 2007-2013.

Ik wil de nadruk leggen op twee prioriteiten. Ten eerste moeten we de samenwerking en de coördinatie op het gebied van gezondheid verbeteren om sneller te kunnen inspelen op grensoverschrijdende bedreigingen van de volksgezondheid. Was dit het geval geweest, dan hadden we de opmars van de chikungunya-epidemie eerder een halt kunnen toeroepen. Dit moet voor de Europese Unie, de lidstaten en de farmaceutische laboratoria aanleiding zijn een bewakings- en onderzoekssysteem te ontwikkelen voor dit soort ziekten, die dan misschien zeldzaam zijn op het niveau van de wereldbevolking, maar op lokaal niveau rampzalige uitwerkingen hebben.

Tweede prioriteit: om het doel van een betere gezondheid voor alle Europeanen te verwezenlijken, moeten we nagaan welke invloed ecologische en sociale leefomstandigheden hebben op onze gezondheid. Om bepaalde aandoeningen beter te kunnen behandelen, moeten we de oorzaken ervan wegnemen. Iedereen weet dat kwetsbare en kansarme mensen vatbaarder zijn voor bepaalde ziekten dan andere. We moeten de zwaksten te hulp komen.

Wanneer de lidstaten snel vooruitgang zouden boeken op deze twee terreinen, dan zouden onze burgers zich iets meer beschermd voelen door de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer de heer Trakatellis met zijn verslag, dat zoals verwacht van uitstekende kwaliteit is. De bescherming tegen ziekten door preventieve maatregelen is een belangrijk aspect van het gezondheidsprobleem in de EU. De drie belangrijkste bronnen van een slechte gezondheid waartegen preventieve actie mogelijk is – tabak, buitensporig alcoholgebruik en een slechte voeding – zijn elk jaar verantwoordelijk voor het vroegtijdig overlijden van miljoenen Europese burgers. Roken is van die drie de grootste boosdoener omdat wordt aangenomen dat tabak een rol speelt bij de dood van één op de drie mensen die roken. Er overlijden veel meer mensen als gevolg van roken dan door drugsverslaving, verkeersongelukken en HIV-infecties bij elkaar. Nu tabak aan zoveel mensen het leven kost, kunnen wij niet om de vraag heen of wij in er de praktijk wel echt genoeg aan doen om onze burgers te helpen bij het stoppen met deze zelfvernietigende verslaving. Ik denk van niet.

Ten eerste blijven wij de tabaksteelt in de EU subsidiëren. Zoals veel collega’s al eerder hebben gezegd, is dat absoluut onverstandig. Ten tweede bieden wij de steeds machtiger wordende multinationale tabaksproducenten nog steeds de mogelijkheid om te lobbyen, waardoor zij ongestoord belangrijke besluitvormingscentra kunnen beïnvloeden; zij kunnen in ieder geval ongestoord lobbyen bij de afgevaardigden van dit Parlement. Ten derde lopen wij achter bij het ten uitvoer leggen van een effectieve voorlichtingsstrategie. Zo zetten wij afschrikwekkende waarschuwingen op pakjes sigaretten waar niemand meer aandacht aan besteedt, terwijl de tabaksfabrikanten populaire filmsterren betalen om in films te roken.

Wij hebben ook geen gestructureerde voorlichtingsprogramma’s in scholen om het roken tegen te gaan. Wij bouwen wel dure ziekenhuisafdelingen om patiënten te behandelen die aan ernstige ziekten lijden als gevolg van dat roken. Tegelijkertijd staan wij toe dat veel artsen die op die afdelingen werken in het openbaar in ziekenhuizen mogen roken waardoor zij het slechtst denkbare voorbeeld geven. Veel lidstaten geven geld uit aan dure afdelingen voor de behandeling van ziekten die door roken zijn veroorzaakt, maar zij geven geen geld uit om rokers programma’s te laten volgen om van dat roken af te komen voordat het te laat is. Tot slot laten veel lidstaten de passieve rokers, zowel op het werk als in recreatieve omstandigheden, aan hun lot over ten gunste van de rokers.

Wellicht is de tijd nu aangebroken, nu wij een commissaris voor volksgezondheid hebben die sterk tegen roken gekant is, om de dood en verderf zaaiende tabaksreuzen op grote schaal de oorlog te verklaren en redelijk optimistisch te zijn over de vraag wie er als overwinnaar uit de strijd zal komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, sta mij toe om allereerst op te merken dat ik mij volledig aansluit bij alles wat de vorige spreker heeft gezegd; ik zal het niet allemaal herhalen, maar petje af! Daarnaast wil ik de heer Trakatellis bedanken voor zijn uitstekende verslag. Ik wil ook de commissaris bedanken voor het feit dat hij vanochtend tegenover ons zo openhartig is geweest door te verklaren dat het communautaire actieplan op het gebied van de gezondheid eigenlijk nu al weer herzien dient te worden als het effectief wil zijn. Door die herziening kunnen wij namelijk op bepaalde gebieden prioriteiten stellen omdat wij anders in een “boekhoudkundige warboel” terechtkomen, zoals hij dat noemde. Het moet mij echter wel van het hart dat dit eigenlijk een beschamende vertoning is.

In het EG-Verdrag is de volgende verklaring opgenomen: “Bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd.” Het onderhavige verslag betekent een belangrijke stap op weg naar de verwezenlijking van het recht op bescherming van de gezondheid dat elke burger krachtens het Handvest van de grondrechten toekomt.

Hoewel de volksgezondheid onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, kan de Europese Unie hieraan een meerwaarde geven en de activiteiten van de lidstaten aanvullen door niet alleen een coördinerende rol te vervullen – iets wat dringend noodzakelijk is – maar door ook de broodnodige modellen van beste praktijken te inventariseren zodat wij van elkaar kunnen leren en “centres of excellence” kunnen creëren. De EU kan ervoor zorgdragen dat het benodigde platform voor een gezamenlijke aanpak door de lidstaten wordt gecreëerd door het gezondheidsthema in alle communautaire beleidsgebieden te integreren, door het uitvoeren van uitgebreide gezondheidseffectrapportages en uitgebreide evaluaties van alle EU-wetgeving en door het bevorderen van een gezonde levensstijl.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie was in 2000 het aantal mensen met een te hoog gewicht voor het eerst in de geschiedenis gelijk aan het aantal mensen met een te laag gewicht – meer dan één miljard mensen hadden overgewicht, waarvan er driehonderd miljoen aan zwaarlijvigheid leden. Deze situatie heeft enorme gevolgen voor het sterftecijfer. In dit verband is het onontkoombaar dat wij een preventieve aanpak stimuleren en ik ben dan ook verheugd over een aantal recente initiatieven van de Commissie op dit gebied.

De meer algemene gedragsmatige, sociale en omgevingsfactoren die bepalend zijn voor de gezondheid kunnen op communautair niveau optimaal worden aangepakt via een holistische in plaats van een gefragmenteerde benadering. Indien alternatieve geneeswijzen wetenschappelijk onderbouwd zijn, moeten zij opgenomen worden in het communautaire actieprogramma op het gebied van gezondheid.

De Europese Gemeenschap verkeert in de optimale omstandigheid om transnationale gezondheidsproblemen te bestrijden, zoals de bedreigingen als gevolg van epidemieën van besmettelijke ziekten en voedselgerelateerde incidenten. BSE, SARS en de recente bezorgdheid in verband met de vogelgriep hebben, tot onze schade en schande, de noodzaak onderstreept van een proactieve, preventieve gecoördineerde actie op het gebied van de gezondheid.

De oprichting van communautaire gezondheidsagentschappen zoals het Europees Centrum voor ziektebestrijding en -preventie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, is een toe te juichen en noodzakelijke ontwikkeling voor het aanpakken van de gezondheidsbedreigingen. Deze instanties kunnen echter niet adequaat functioneren als er geen duidelijk beleid op communautair niveau is. Daarnaast moeten zij over voldoende middelen kunnen beschikken om dat beleid ook uit te kunnen voeren. Als het benodigde geld niet in de begroting wordt vastgelegd en er dus geen preventieve strategie uitgevoerd kan worden, kunnen de consequenties, zowel financieel als anderszins, veel groter zijn. Het is onaanvaardbaar en, eerlijk gezegd, onverantwoord als een EU van 25 lidstaten minder geld beschikbaar zou stellen dan de oude EU met 15 lidstaten.

Zou de commissaris ons tot slot kunnen vertellen waar onze richtlijn voor de gezondheidsdiensten is gebleven en wanneer wij over een ontwerpvoorstel kunnen beschikken?

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Jöns (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, ook ik dank de heer Trakatellis hartelijk voor zijn voortreffelijke verslag. Het valt inderdaad niet mee om zo goed mogelijk tegemoet te komen aan alle gerechtvaardigde verlangens en tegelijk ook consequent te blijven. Zo betreur ik dat kanker in het nieuwe gezondheidsactieprogramma niet meer uitdrukkelijk als prioriteit wordt genoemd.

Maar, beste collega, het is meer dan terecht dat u er in uw verslag op wijst dat er voor alle doelen die we ons gesteld hebben natuurlijk ook voldoende middelen moeten zijn. Dat is op dit moment nog lang niet het geval, om er nog maar van te zwijgen dat we vandaag het Commissievoorstel voor een communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming als volledig onacceptabel van de hand zullen wijzen.

De burger verlangt ook in het volksgezondheidsbeleid meer en niet minder bescherming van Europa. Bij de door u genoemde prioriteiten voor Europees beleid staat gezondheidsbeleid op een vierde plaats. Alleen daarom al is het dringend geboden dat er weer een zelfstandig gezondheidsactieprogramma komt.

Het is mij een raadsel hoe de Commissie zelf al zo’n laag begrotingsbedrag kon voorstellen, waar de Raad vervolgens nog onder is gaan zitten. We proberen hier dus twee kardinale fouten te herstellen: we willen twee afzonderlijke programma’s en we willen meer geld. Dat zeg ik vooral tegen de Raad. Als de door u verlangde bezuiniging door zou gaan, zou dat betekenen dat uiteindelijk 27 landen het moeten doen met nog maar een derde van het tot nu toe geldende begrotingsvolume. Dat zou dan wel betekenen dat we noch zouden kunnen voorzien in de primaire en secundaire preventie van bepaalde ziekten, noch in de dringend noodzakelijke bescherming tegen de dreiging van ziekten die samenhangen met de globalisering.

 
  
MPphoto
 
 

  Frederika Brepoels (PPE-DE). – Voorzitter, mijnheer de commissaris, collega's, uiteraard wil ook ik allereerst rapporteur Trakatellis feliciteren voor zijn schitterend verslag, maar vooral ook voor het feit dat hij steeds een luisterend oor had voor alle collega's, die uiteindelijk ook graag hun bezorgdheden vertaald zagen in het verslag. Het is een zeer belangrijk verslag, omdat het de communautaire actieprogramma's op het vlak van de volksgezondheid formuleert voor de komende zes jaar, die niet door de lidstaten afzonderlijk kunnen worden ingevuld. Ik denk dat ik mag zeggen dat de rapporteur er perfect in geslaagd is om voor een dergelijk omvangrijk en ook gevoelig gebied, dat volksgezondheid toch is, alle relevante en specifieke aspecten aan bod te brengen.

Ik ben in het bijzonder heel blij dat voor het eerst ook in de mogelijkheid wordt voorzien om de aanvullende en alternatieve geneeskunde op te nemen in de acties, waardoor de burger meer doordachte en verantwoorde keuzes kan maken in verband met zijn eigen gezondheid. Ik besef maar al te goed dat alternatieve geneeswijzen nog al te vaak op hoongelach worden onthaald, maar de vele mensen die er baat bij ondervinden, getuigen natuurlijk van het tegendeel. En nochtans noemt de Europese Commissie zelf een cijfer volgens hetwelk niet minder dan 30% van de bevolking en enkele honderdduizenden artsen en therapeuten hierom vragen.

Een betere kennis van die aanvullende geneeskunde voor onze volksgezondheid zal een belangrijke stap vooruit betekenen. Ik ondersteun ook ten zeerste dat het probleem van het organentekort overal in de Unie wordt aangepakt; zowel het opzetten van gemeenschappelijke platforms voor donoren en ontvangers, als het ontwikkelen van activiteiten ter verbetering van de veiligheid en de kwaliteit van organen kunnen hierbij helpen.

Als lid van de Milieucommissie wil ik vooral de effecten van milieufactoren op de gezondheid benadrukken. Al te vaak blijven mensen in het ongewisse over bijvoorbeeld de impact van blootstelling aan bepaalde giftige stoffen. Het aanleveren van eenduidige informatie, gesteund op wetenschappelijk onderzoek, zou veel menselijk leed kunnen voorkomen en ook misverstanden vermijden.

Zowel op het vlak van preventie, detectie, sensibilisering als van informatie bij ernstige ziekten worden in het actieprogramma specifieke maatregelen voorzien. Als lid van het pas opgerichte MAC, hier in de schoot van het Parlement, de MEPs against Cancer, kan ik deze concrete stappen alleen maar toejuichen. Maar een punt ligt mij nog op mijn lever en ook bij vele andere collega's.

Zolang er geen overeenstemming is bereikt over de financiële vooruitzichten voor de volgende periode blijft dit actieprogramma natuurlijk dode letter. Nochtans zijn de noden groot, de ambities zijn zelfs nog groter en het Parlement zal er in de volgende maanden dus nauw op moeten toezien dat de nodige middelen ook daadwerkelijk ter beschikking komen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ondanks het feit dat gezondheidszorg onder de bevoegdheid van de lidstaten valt, zou de Europese Unie, in het belang van heel de Gemeenschap, optimaal gebruik moeten maken van de mogelijkheid om de maatregelen van de lidstaten aan te vullen. Het is dan ook onaanvaardbaar dat er in de begroting voor de komende jaren gesnoeid wordt in gebieden die bepalend zijn voor de levensstandaard van de burger, zoals gezondheidszorg.

De Europese Unie kan en moet zich inzetten voor de bescherming van de gezondheid en veiligheid van haar burgers, met name omdat de contrasten tussen de lidstaten op het gebied van gezondheidszorg sinds de laatste uitbreiding alleen maar groter zijn geworden. De grote verschillen in de gemiddelde levensverwachting, de gezondheidstoestand en de toegang tot gezondheidszorg houden nauw verband met het ontwikkelingsniveau van de afzonderlijke landen.

Het nieuwe programma ter bescherming van de gezondheid dat de gezondheid van de burger in algemene zin zou moeten verbeteren en waar ook een preventieve werking, in de ruimste zin van het woord, vanuit zou moeten gaan, zou deze verschillen moeten uitvlakken. Nu is het vooral zaak de ongelijkheden in de toegang en de kwaliteit van de gezondheidszorg in de lidstaten weg te werken door vergelijkbare normen in te voeren en de stelsels voor gezondheidszorg in de lidstaten transparanter te maken. Het nieuwe programma zal vooral zijn nut kunnen bewijzen in het geval van een grensoverschrijdende bedreiging van de volksgezondheid. Dan kunnen er gezamenlijke strategieën en maatregelen worden uitgewerkt om, met het oog op de gezondheid en de veiligheid, eventuele bedreigingen te elimineren, de economische belangen van de burger in verband met gezondheid te bewaken en de kosten van de gezondheidszorg voor de burger te verlagen. Een betere doorstroming van informatie over reeds beschikbare medische zorg en de mogelijkheden voor terugbetaling van de kosten op het grondgebied van de Europese Unie zal tot een grotere mobiliteit van patiënten en gezondheidsspecialisten leiden, zoals de auteur van dit bijzonder belangrijke verslag, de heer Trakatellis, terecht opmerkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Christofer Fjellner (PPE-DE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik heb mij diverse malen uitgesproken over het gezondheidsprogramma van de Commissie en ik heb de nodige kritiek geuit, maar ik vind het resultaat heel goed en daarvoor wil ik zowel de heer Kyprianou als de heer Trakatellis bedanken.

Dat gezondheid primair een aangelegenheid voor de lidstaten is, was voor mij een vanzelfsprekendheid. Het verheugt mij dat de meerderheid van het Parlement dezelfde opvatting heeft. Wat wij op EU-niveau doen, moet een meerwaarde voor de patiënten geven. In dat verband zijn er drie elementen waarbij ik betrokken ben geweest en waarvoor ik heb gestreden en die ik vandaag speciaal wil benadrukken. Allereerst is dat het uitgangspunt van dit verslag. Dat is – en moet altijd zijn – dat de eigen betrokkenheid van het individu bij zijn eigen gezondheid het belangrijkste is. Daarom moeten wij politici, in de gezondheidszorg en in de inspanningen voor de volksgezondheid, de burgers – ook als die toevallig ziek zijn – als volwassen mensen beschouwen, met rechten en plichten. Met het recht om over hun eigen leven en hun eigen gezondheidszorg te beslissen. We mogen nooit vergeten dat onze eigen betrokkenheid bij onze eigen gezondheid altijd de beste medicijn is. Daarom is het ongelukkig dat de sociaal-democraten de passages willen schrappen die bedoeld zijn om de eigen betrokkenheid bij de eigen gezondheid te bevorderen.

Als leden van het Europees Parlement moeten wij ook het vrije verkeer in en tussen landen gemakkelijker maken, zodat iedereen de behandeling en de zorg kan zoeken waar hij of zij zelf het meest in gelooft. Op dit moment is er het minst sprake van vrij verkeer in de EU voor degenen die er het meest behoefte aan hebben, namelijk de patiënten. Voor hen worden de grenzen in Europa tot kleine Berlijnse muren, die hun behandelingsmogelijkheden in de weg staan. Voor hen kan het vrije verkeer een kwestie van leven en dood zijn. We moeten niet denken dat de belangrijkste aspecten van de goede samenleving kunnen worden gereguleerd en georganiseerd met planeconomie, een economisch model dat zich zo duidelijk heeft bewezen als het model met de rampzaligste gevolgen voor creativiteit en een gezonde staatshuishouding. We moeten meer keuzevrijheid en meer vrijheid van verkeer hebben.

We moeten ons ook inspannen om ervoor te zorgen dat wij als besluitvormers, uitvoerders en vooral als gebruikers een betere toegang krijgen tot informatie van de gezondheidsdiensten. We moeten de resultaten kunnen vergelijken en niet, zoals op dit moment, alleen de kosten. Dat is niet alleen nodig om van elkaar te kunnen leren, maar ook opdat de gebruikers gebruik kunnen maken van de vrijheid van verkeer en de keuzevrijheid die het Europees Hof van Justitie ze heeft gegeven. Dat is in het voordeel van de patiënten in Europa.

Zo ongeveer tot de Tweede Wereldoorlog was men een slachtoffer als men in contact kwam met de gezondheidszorg. Men was vaak gezonder voordat de dokter werd geroepen dan erna. Door de ontwikkeling van behandelingsmethoden en de komst van medicijnen zijn wij patiënten in onze gezondheidszorgstelsels geworden. Ik ben er echter van overtuigd dat wij in de nabije toekomst consumenten van gezondheidszorg zullen worden, en wij moeten eraan bijdragen om die perspectiefwisseling te bewerkstelligen. Gisteren slachtoffers, vandaag patiënten, morgen gezondheidszorgconsumenten. Dat zou een fantastische ontwikkeling zijn, die ons denk ik niet alleen gezonder, maar ook vrijer maakt.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE).(MT) Net als mijn collega’s wil ook ik de heer Trakatellis danken voor het uitstekende resultaat dat wij hier vandaag voor ons hebben liggen. Het ten uitvoer leggen van een gezondheidsstelsel is voor alle regeringen een prioritaire doelstelling aangezien de gezondheidssector voor iedereen, zonder uitzondering, van vitaal belang is. Het is een sector zonder grenzen die een wezenlijk onderdeel vormt van elk land. Dat wordt uiteengezet en benadrukt in het Handvest van de grondrechten. Bepaald wordt dat de Europese Unie prioritaire aandacht moet verlenen aan de gezondheidssector. Het is haar plicht om actief op te treden. Zij moet doelstellingen vaststellen om de openbare gezondheidszorg te verbeteren, besmettelijke ziekten te helpen voorkomen en andere risico's die de gezondheid van de Gemeenschap in gevaar kunnen brengen trachten uit te bannen. Daarom is het bijzonder belangrijk dat wij het communautaire actieprogramma op het gebied van gezondheid op een objectieve wijze benaderen, als apart programma, en dat we ons daarbij uitsluitend op deze specifieke sector richten. Wij kunnen niet instemmen met één enkel programma voor twee verschillende gebieden, hoe dicht die ook bij elkaar liggen. Ik vrees dat een dergelijke aanpak de essentie verloren zou laten gaan en meer kwaad dan goed zou doen. Mijn woorden gelden ook voor het programma op het gebied van de consumentenbescherming, waarin een op zich reeds complex onderwerp wordt behandeld dat afzonderlijke aandacht verdient. Wij dringen aan op een programma dat enerzijds de gezondheidsstelsels van de verschillende landen beter op elkaar afstemt en anderzijds bijdraagt aan de verwezenlijking van de individuele doelstellingen van elk land. Ik kan niet nalaten om ook even te onderstrepen dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan mensen die aan chronische ziekten lijden of gehandicapt zijn. Wij moeten ervoor zorgen dat deze mensen niet gemarginaliseerd worden en dat zij vooral ook een hoge levensstandaard genieten. Mensen in moeilijkheden moeten in aanmerking komen voor bijstand die hun het leven gemakkelijker maakt en ook voor onderzoeksprogramma’s ter verbetering van hun levensomstandigheden. Wij moeten tevens oog hebben voor de belangrijke rol die vervuld wordt door degenen die zorgen voor mensen in moeilijkheden. Wij moeten programma’s ten uitvoer leggen om deze personen de nodige opleiding te geven, zodat zij zich op efficiëntere wijze van hun taak kunnen kwijten. Wij beschikken over een programma dat zal uitgroeien tot een belangrijk instrument om patiënten in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van de beste behandelingen en de beste medicijnen. Wij beschikken over een opleidingsprogramma dat Europeanen zal helpen om keuzes te maken die hun gezondheid ten goede komen. Het programma zal ons in de gelegenheid stellen om de ongelijkheden tussen de verschillende EU-lidstaten op het gebied van de gezondheidszorg terug te dringen, zodat alle landen op dit vlak over een betere dienstverlening kunnen beschikken. Ja, er staat ons een uitdaging te wachten, een uitdaging die moet uitmonden in effectieve preventie, een efficiëntere gezondheidszorg en een betere levenskwaliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Péter Olajos (PPE-DE). (HU) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de heer Trakatellis bedanken voor zijn uitstekende en grondige werk.

Een goede gezondheid is ons grootste bezit en daarom is het een goede zaak dat ook de Europese Unie hier aandacht aan besteedt. Ik sluit mij overigens aan bij de woorden van de heer Fjellner. Als afgevaardigde uit een nieuwe lidstaat ben ik ook blij dat er een opsplitsing is gemaakt tussen de gezondheidsbescherming en de consumentenbescherming, want in ons land gaan deze twee aspecten met totaal verschillende problemen gepaard.

Een lang leven alleen is niet genoeg; het is net zo belangrijk dat wij zo lang mogelijk gezond blijven. Daarom vind ik het met name bijzonder positief dat het programma gericht is op het verlengen van een gezonde levensverwachting van burgers. Het zo lang mogelijk kunnen genieten van een goede gezondheid is essentieel voor het welbevinden van de Europese burgers.

Tegen de achtergrond van de democratische uitdagingen waar wij tegenwoordig mee worden geconfronteerd, is dit onderwerp ook van groot belang voor de duurzaamheid van de socialezekerheidsstelsels. Dat geldt met name voor Hongarije, waar de gezonde levensverwachting tien jaar lager ligt dan in de oudere lidstaten van de Europese Unie. Dat betekent dat het nieuwe programma ook speciale maatregelen dient te bevatten om de verschillen tussen de gezondheidsniveaus van burgers van de Europese Unie terug te dringen.

Onze belangrijkste taak is echter het waarborgen van de preventie en dat is terecht een van de prioriteiten van dit programma. Dat is ook de reden dat ik in mijn amendement heb voorgesteld dat het programma zich moet richten op de gezondheid van kinderen en jonge mensen. Indien er namelijk al op jonge leeftijd voor een gezonde levensstijl wordt gekozen, is dat doorslaggevend om problemen te kunnen voorkomen die zich later eventueel zouden kunnen voordoen.

Tot slot wil ik erop wijzen dat elke cent die wij aan het verbeteren van de gezondheid van onze burgers spenderen, een rendement oplevert dat vele malen hoger is. Er is vrijwel geen rendabeler investering te vinden voor het geld van de Europese belastingbetalers dan gezondheid. Daarom hoop ik dat de benodigde financiële middelen voor een succesvolle tenuitvoerlegging van het voorgestelde programma ook daadwerkelijk beschikbaar gesteld worden.

Sta mij toe om de heer Trakatellis nogmaals namens ons allen te bedanken voor zijn grondige werkzaamheden. Ik hoop dat alle aspecten van dit programma ook ten uitvoer zullen worden gelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik sluit me aan bij de woorden van dank aan het adres van collega Trakatellis, die prima werk geleverd heeft. Ik dank echter ook de commissaris, omdat ook de Commissie prima werk levert, vooral op het gebied van de vogelgriep, dat nauw met dit onderwerp samenhangt.

Gezondheid is zonder twijfel het gebied dat ons allen en natuurlijk ook de Europese burger het meest interesseert. Het eerste wat opvalt, is dat de levensverwachting de laatste jaren zeer sterk is gestegen. Er zijn cijfers waaruit blijkt dat sinds 1840 de levensverwachting elke tien jaar lineair met 2,5 jaar stijgt. Dat stelt onze gezondheidszorg en sociale zekerheid natuurlijk ook voor nieuwe problemen. Wat ik zeggen wil, is dit: we worden weliswaar steeds ouder, maar we moeten er wel voor zorgen, vooral van de kant van de politiek en de medische wereld, dat al die ouder wordende mensen ook langer gezond blijven.

We staan voor nieuwe uitdagingen. Een deel daarvan werd al genoemd, zoals de vogelgriep. Die zou tot een pandemie kunnen muteren en Europa voor problemen van ongekende omvang kunnen stellen. Daar moeten we goed tegen gewapend zijn, zodat we vroegtijdig de juiste maatregelen kunnen nemen. Verder wil ik erop wijzen dat de problemen die aids, kanker, suikerziekte, hart- en vaatziekten met zich meebrengen nog steeds onze aandacht behoren te hebben, omdat ze nog altijd een groot gevaar voor onze burgers zijn.

Natuurlijk dienen we te beseffen dat de gezondheidszorg in principe een zaak van de lidstaten is, maar dat neemt niet weg dat we ons van Europese zijde moeten afvragen waar wij daadwerkelijk die Europese meerwaarde waarvan zo hoog wordt opgegeven, kunnen helpen verwezenlijken, waar we er vanuit Europa concreet aan kunnen bijdragen dat onze burgers langer in gezondheid leven. Een van die gebieden is stellig dit grensoverschrijdende element. Ziekten trekken zich van grenzen immers weinig aan.

Een ander element is kennis. Laat ik wat dat betreft nog eens enkele cijfers noemen: juist in de medische wereld is de omvang van kennis enorm toegenomen en daar zijn natuurlijk kosten aan verbonden. Als we het kennisniveau van rond de vorige eeuwwisseling, de tijd van Bismarck, zouden nemen en naar onze eigen tijd verplaatsen, zouden we nog maar 1 procent van onze gezondheidsbudgetten nodig hebben. De overige 99 procent gaat op aan kennis die pas sindsdien verworven is. Gezondheid kost dus gewoon geld. Daarom sta ik volledig achter de rapporteur wanneer hij die 1,5 miljard euro ook van de Europese Unie eist. We kunnen nu eenmaal niet allerlei ambitieuze gezondheidsprogramma’s aannemen, zonder het daarvoor benodigde geld ter beschikking te stellen.

Een ander punt is het hele terrein van de preventie. Ik wees er al op dat de mensen steeds ouder worden. Daarmee groeit ook het belang van een gezonde levenswijze en preventie. Nog belangrijker is dat op dit punt veel medisch onderzoek gedaan zal moeten worden om de uitgaven voor de gezondheidszorg op lange termijn te saneren.

Al met al zijn we op de goede weg, maar we mogen niet de ogen sluiten voor de uitdagingen die de toekomst brengt.

 
  
MPphoto
 
 

  Markos Kyprianou, lid van de Commissie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, sta mij toe om de afgevaardigden te bedanken voor een zeer interessant debat. Ik zal hierbij een paar korte kanttekeningen plaatsen.

Ten eerste de agentschappen. Ik ben het er volledig mee eens dat zowel het Europees Centrum voor ziektebestrijding en -preventie (ECDC) als het Europees systeem voor toezicht op influenza (EISS) belangrijke instanties zijn om het gezondheidsbeleid uit te voeren, maar dat mag niet ten koste gaan van andere beleidsopties. Als het financieringsniveau niet wordt verhoogd, zullen wij een onmogelijke keuze moeten maken ofwel om de beide agentschappen volledig te financieren en verder absoluut niets te ondernemen, ofwel om het geld op te splitsen waarbij ik mij wel afvraag of wij daar überhaupt iets mee zouden opschieten. Dat is een belangrijke vraag.

Met betrekking tot de financiering wil ik de afgevaardigden voor hun steun bedanken. Gezien de wijze waarop wij in de Unie op gezondheidsgebied te werk gaan – over het algemeen via niet-wetgevende initiatieven – is er meer geld nodig. Bij wetgeving is het veel eenvoudiger om de aangenomen voorstellen naar de lidstaten te sturen in de verwachting dat zij deze ook ten uitvoer zullen leggen. Als het echter gaat om initiatieven op coördinatiegebied, om aanbevelingen of om het uitwisselen van beste praktijken, is er gewoon meer geld nodig. Ik vind ook dat wij ons niet op het terrein van de bevoegdheden van de lidstaten moeten begeven. Wij gaan ons daarom nadrukkelijk richten op gebieden waarop wij een Europese meerwaarde kunnen creëren door op communautair niveau actie te ondernemen. Dat is in feite precies wat dit programma beoogt.

De gezondheidsdiensten vallen onder de bevoegdheid van de lidstaten. Daar bestaat geen twijfel over. Maar in een Unie van solidariteit mogen wij de ongelijkheden die er vandaag de dag op gezondheidsgebied in de Europese Unie bestaan niet accepteren. Zo kan de levensverwachting tussen lidstaten bijvoorbeeld tien jaar uiteenlopen.

De mobiliteit van patiënten is ook een belangrijke kwestie. Het gaat om een praktisch probleem dat wij moeten oplossen en wij zullen daartoe dan ook voorstellen indienen. Onze doelstelling daarbij moet zijn om patiënten een zorgniveau van hoge kwaliteit aan te bieden in hun woonomgeving, op de locaties waar hun families zich bevinden en waar zij de taal spreken. Dat kan gerealiseerd worden door verwijzingscentra in te richten, door de uitwisseling van beste praktijken, door de coördinatie van lidstaten en gezondheidszorgstelsels en door op basis van samenwerking een optimale dienstverlening te creëren. Nogmaals: dat is niet in strijd met de bevoegdheden van de lidstaten en het subsidiariteitsbeginsel.

Wij besteden niet alleen aandacht aan de ‘populaire, traditionele’ geneeskunst. Integendeel. Er is ook ruimte in het programma voor zeldzame ziekten en voor weesgeneesmiddelen. Wij bevorderen dus ook activiteiten op dat gebied.

Ik ben het absoluut eens met datgene wat er over tabak is gezegd en ik zou het zeer op prijs stellen om hierover ooit een specifiek debat te houden. De opmerking over de subsidies is juist, maar ik zou daaraan toe willen voegen dat die subsidies uiteindelijk uitgefaseerd zullen worden. Een daartoe strekkend besluit is inmiddels genomen. Het tabaksfonds dat wij met betrekking tot communautaire voorlichtingscampagnes hebben gefinancierd, ontvangt echter ook geld via deze subsidies. Zodra die subsidiekraan gesloten is, zal er dus geen geld meer beschikbaar zijn voor communautaire campagnes over de gevolgen van tabaksgebruik. Ook dit is een onmogelijke situatie en ik hoop dat wij hiervoor in de nabije toekomst een oplossing kunnen aandragen.

Wat alcohol betreft, wil ik erop wijzen dat wij tegen het eind van dit jaar, of ergens na de zomer, een communautair voorstel zullen overleggen voor een Europese alcoholstrategie. Ik heb ook nota genomen van de opmerkingen over pesticiden.

Met betrekking tot de financiering wil ik mij graag tot mevrouw Doyle richten: ik neem aan dat het om een boekhoudkundige fout gaat – dat wil zeggen, ik hoop dat het om een boekhoudkundige fout gaat – omdat ik niet kan geloven dat het een bewuste beslissing was om te bezuinigen op de financiering van de gezondheids- en consumentenbescherming. Ik hoop dat iemand straks bij de definitieve, overkoepelende afspraken bemerkt wat het effect van dat compromis op deze twee specifieke gebieden zal hebben, zodat een en ander nog rechtgezet kan worden. Mocht het wel een bewuste beslissing geweest zijn, dan kan ik alleen maar zeggen dat ik die betreur.

Wat de alternatieve geneeswijzen betreft, heb ik nota genomen van de gemaakte opmerkingen. Wij zijn echter van mening dat dit meer een zaak is die onder het subsidiariteitsbeginsel valt. Het voorstel van de Commissie is niet bedoeld voor specifieke behandelmethoden.

Met betrekking tot het milieu en de gezondheid richt ik het woord tot mevrouw Ries. In het kader van het huidige programma zijn er op dat vlak al maatregelen van kracht. Die maatregelen blijven in het nieuwe programma gehandhaafd, met name wat de milieu-gezondheidsdeterminanten betreft.

Dat brengt mij bij de verschillende soorten ziekten. Ik kan u de verzekering geven dat kanker, naast andere ziekten, een van onze prioriteiten is. Wij hebben echter een nieuwe beleidslijn ingevoegd die gericht is op het verminderen van de ziektelasten. Wij zijn van mening dat wij voor een programma van zeven jaar meer flexibiliteit nodig hebben en dat is de reden dat wij geen lijst met specifieke ziekten hebben opgenomen. Dat kan echter alsnog gebeuren door een aantal uiteenlopende besluiten die in de loop van het programma worden genomen. Door bepaalde ziektes wel te noemen, worden andere ziektes automatisch uitgesloten en daarom willen wij graag een meer flexibele aanpak.

Ik wil de geachte afgevaardigden er ook aan herinneren dat ik nog een uitgebreider voorstel met betrekking tot de gezondheidsstrategie zal overleggen. In dat voorstel zal het programma nader uitgewerkt worden op basis van de financiële middelen die uiteindelijk ter beschikking gesteld worden; dat betekent dat wij dan over een omvattende, bredere strategie beschikken die samen met de belanghebbenden en de burgers opgesteld is.

Tot slot wil ik de heer Trakatellis en de leden van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid nogmaals bedanken voor het uitstekende werk dat zij hebben verricht. Ik dank u nogmaals voor uw steun op dit zeer belangrijke beleidsterrein.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

Wij allen willen professor Trakatellis nogmaals bedanken voor zijn uitstekende werk.

De stemming vindt vandaag plaats tijdens de stemmingen.

Bijlage – Standpunt van de Commissie

 
  
  

Verslag-Trakatellis (A6-0030/2006)

De Commissie kan de volgende amendementen aanvaarden: 4, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 17, 20, 21, 22, 24, 25, 30, 34, 35, 36, 44, 51, 55, 59, 60, 61, 65, 66, 69, 70, 72, 78, 80, 84, 85, 86, 88, 99, 100, 101, 102, 103, 106, 108, 111, 113, 119, 120, 122, 123, 124, 126, 132, 135, 139, 146 en 149.

De Commissie kan de volgende amendementen gedeeltelijk aanvaarden: 16, 31, 32, 56, 57 en 90.

De Commissie kan de volgende amendementen in gewijzigde formulering aanvaarden: 10, 14, 23, 26, 27, 28, 29, 39, 46, 50, 63, 67, 71, 73, 79, 81, 91, 110, 115, 116, 118 en 137.

De Commissie kan de volgende amendementen niet aanvaarden: 5, 33, 47, 54, 58, 64, 68, 82, 83, 89, 95, 96, 98, 104, 105, 112, 128, 130, 141, 142, 143, 145, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156 en 157.

De Commissie verwerpt de volgende amendementen voornamelijk vanwege de voorgestelde opsplitsing van het programma of om financiële redenen: 1, 2, 3, 15, 18, 19, 37, 38, 40, 41, 42, 43, 45, 48, 49, 52, 53, 62, 74, 75, 76, 77, 87, 92, 93, 94, 97, 107, 109, 114, 117, 121, 125, 127, 129, 131, 133, 134, 136, 138, 140 en 144.

(De onderstreepte amendementen zijn nieuwe amendementen die op 8 maart 2005 door fracties zijn ingediend.)

 
  

(1)Standpunt van de Commissie ten aanzien van de amendementen van het Parlement: zie bijlage


6. Communautair actieprogramma op het gebied van de consumentenbescherming (2007-2013) (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag van Marianne Thyssen, namens de Commissie interne markt en consumentenbescherming, over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming (2007-2013) – Gezondheidsaspecten [COM(2005)0115 – C6-0225/2005 – 2005/0042B(COD)] (A6-0032/2006).

Alvorens het woord te geven aan de commissaris, wil ik u erop attenderen, geachte collega’s, dat we nog maar een twintigtal minuten over hebben voor het debat voordat de stemmingen van start gaan. U zult begrijpen dat we in deze omstandigheden het debat niet kunnen afronden. Ik zeg het u liever meteen: ik zal het debat moeten onderbreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Markos Kyprianou, lid van de Commissie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, sta mij toe om allereerst de rapporteur, mevrouw Thyssen, de afgevaardigden in dit Parlement en de leden van de Commissie interne markt en consumentenbescherming te bedanken voor de uitstekende en nauwe samenwerking en voor de steun die zij aan het consumentenprogramma hebben gegeven.

Ik wil mij alvast vooraf verontschuldigen als ik een aantal dingen herhaal die ik ook gezegd heb met betrekking tot het gezondheidsgedeelte van het programma. Aangezien het echter om afzonderlijke debatten gaat, is het belangrijk dat een aantal opmerkingen nog een keer worden gemaakt maar dan nu met betrekking tot het consumentenprogramma.

Het probleem met de begroting is bijvoorbeeld vergelijkbaar: een kleinere begroting betekent minder ruimte voor beleidsmaatregelen en dat betekent ook dat wij minder geld ter beschikking hebben voor de Unie van 27 (25 plus 2) dan voor de oude Unie van 15 lidstaten.

In het tijdperk van de consumentenbescherming, waarin wij met name met het oog op de nieuwe lidstaten en de toetredingslanden krachtige initiatieven moeten ontwikkelen, zal dit tot ernstige problemen leiden. Het feit dat er minder geld beschikbaar is, zal uiteraard ook gevolgen hebben voor de steun die wij aan consumentenorganisaties kunnen geven, vooral met betrekking tot het financieren van projecten en het opleiden van personeel.

In datzelfde verband wik u nogmaals wijzen op de brief die Commissievoorzitter Barroso aan Voorzitter Borrell heeft gestuurd over zijn bezorgdheid op dit punt. In die brief heeft hij uitgelegd dat er minder geld dan in 2006 beschikbaar zal zijn als er aan het compromis wordt vastgehouden. Daarnaast heeft hij om aanvullende inspanningen op dit gebied verzocht. Net als bij de gezondheidszorg betekent een bezuiniging op de financiering van deze omvang dat het ook geen zin heeft om kleine hoeveelheden geld over heel veel acties uit te smeren. Bij een dusdanige beperking van de financiële middelen moeten wij een nieuw evaluatie uitvoeren, nieuwe prioriteiten stellen en een besluit nemen op welke gebieden wij ons willen richten; dat zullen dan de gebieden zijn waar wij het grootste effect kunnen bewerkstelligen. Ik hoop dat een en ander nog rechtgezet kan worden en dat het benodigde geld er uiteindelijk toch komt, zodat wij het programma in zijn oorspronkelijke vorm kunnen uitvoeren.

Wat het opsplitsen van de programma’s betreft, heb ik alle begrip voor het standpunt van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. Ik begrijp waarom zij de voorkeur aan twee afzonderlijke programma’s geeft. Zoals ik al eerder heb gezegd, zijn wij van mening dat het een zekere meerwaarde oplevert als wij aan een gecombineerd programma blijven vasthouden, waarbij wel een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen acties gericht op de bescherming van de gezondheid en acties die voor de consumentenbescherming zijn bedoeld. Door een gecombineerde aanpak kunnen wij echter profijt hebben van acties die op overlappende gebieden uitgevoerd kunnen worden en van meer schaalvoordelen.

Gezien het feit dat de onderhandelingen over de financiële vooruitzichten nog niet afgerond zijn en het resultaat daarvan ook van invloed zal zijn op het standpunt van de Commissie, kunnen wij hieromtrent op dit moment nog geen definitief standpunt innemen. Dat betekent dat wij de amendementen die op dat opsplitsen betrekking hebben, moeten verwerpen. Nadat het debat over de financiële vooruitzichten is afgerond, zal de Commissie deze kwestie in heroverweging nemen. Ik zeg nogmaals dat het Parlement zijn wensen heel duidelijk kenbaar heeft gemaakt en ik heb dan ook terdege nota genomen van het overduidelijke – vrijwel unanieme – standpunt van het Parlement.

Ik zal niet op elk amendement afzonderlijk ingaan. Het Parlement krijgt uiteraard de beschikking over een volledig overzicht van het standpunt van de Commissie met betrekking tot elk individueel amendement. Ik zou het op prijs stellen als dat overzicht opgenomen zou kunnen worden in het volledige verslag van deze vergadering.(1)

De amendementen die wij niet kunnen overnemen, hebben over het algemeen betrekking op de genoemde opsplitsing. Wij kunnen die amendementen niet overnemen om de reden die ik zojuist heb genoemd of vanwege het feit dat zij buiten de werkingssfeer van het communautaire consumentenbeleid vallen. Wij zijn het niet zozeer oneens met de inhoud van de voorstellen, maar wij zijn van mening dat zij de grenzen van het communautaire consumentenbeleid overschrijden en dat wij – gezien de huidige situatie – niet in staat zullen zijn om een aantal van die voorstellen te financieren.

De andere kwesties kunnen op onze instemming rekenen, met name wat de integratie van de consumentenbelangen in andere beleidsterreinen betreft. Wij willen graag dat er bij veel andere essentiële initiatieven betreffende het consumentenbeleid voldoende rekening wordt gehouden met de consumentenbelangen en wij gaan ervan uit dat het Parlement ons hierin ondersteunt.

Tot zover dit korte overzicht van het standpunt van de Commissie over deze kwestie. Ik zie uit naar een interessant debat.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), Rapporteur. – Voorzitter, mijnheer de commissaris, collega's, als rapporteur van de IMCO wil ik expliciet bevestigen wat eigenlijk in het vorige debat al duidelijk is geworden; ook de Commissie interne markt is tegen een geïntegreerd programma volksgezondheid en consumentenbescherming en met de steun van de Conferentie van de voorzitters vragen we een eigen meerjarenprogramma voor consumentenbescherming. Omdat de commissaris toch nog niet helemaal overtuigd lijkt, som ik de redenen daarvoor nog even op.

De communautaire bevoegdheden op elk van deze twee terreinen zijn onderling te verschillend. Hetzelfde geldt voor de maatschappelijke doelstellingen van de betrokken middenveldorganisaties; de interne bevoegdheidsverdeling, ook in de lidstaten, staat veelal haaks op een geïntegreerde aanpak. Een patiënt is iets anders dan een consument en niet in het minst, wij willen zekerheid inzake de omvang van het voor consumentenzaken beschikbare budget en wij willen voorkomen dat, wanneer er een crisis is op het vlak van volksgezondheid, het consumentenbeleid het budgettaire slachtoffer zou worden van een dringende volksgezondheidsbehoefte die normaliter via een flexibiliteitsinstrument moet kunnen worden opgelost.

Collega's, eigenlijk voel ik mij bij de behandeling van dit verslag vandaag, bij gebrek aan financiële perspectieven, wat ongemakkelijk. Ongemakkelijk omdat we geen zicht hebben op het budget terwijl ik heel goed aanvoel dat de omvang van het budget en de inhoudelijke invulling van het programma twee keerzijden van eenzelfde medaille zijn. Maar onze ambities op het terrein van het consumentenbeleid kunnen we moeilijk drukken. Alle Europese instellingen gebruiken het communautair consumentenbeleid al jaren om te illustreren dat Europa echt wel bekommerd is om de zorg van de gewone mensen. En in tijden van uitbreiding, wanneer de behoefte des te groter is om de interne markt een consumentendimensie te geven, wanneer we ook de Europese Unie haar menselijk gelaat moeten kunnen laten bewaren, in zulke tijden kunnen wij de ambities op het vlak van consumentenbescherming niet ongestraft terugschroeven.

En alleen al omwille van de aanwezigheid van de drie instellingen – ik ga er dan vanuit dat het Oostenrijks raadsvoorzitterschap hier behoorlijk vertegenwoordigd is – alleen al daarvoor dacht ik dat het toch wel nuttig was vandaag te pleiten voor het bewaren van het in het Commissievoorstel opgesomde budget. Ik denk dat we het daar echt wel bij moeten houden.

Voorzitter, wij hebben in overleg met professor Trakatellis van de Milieucommissie het budget netjes opgesplitst volgens de door de Commissie gehanteerde verdeelsleutel. Wij komen zo voor consumentenbescherming tot een bedrag van 233 miljoen euro over 7 jaar. In afspraak met onze financiële perspectievenonderhandelaar, onze collega Böge, hebben wij er in de IMCO niets aan toegevoegd, maar laten we dit niet verkeerd begrijpen: dit wil absoluut niet zeggen dat we later met minder genoegen zullen nemen. De drie begrotingsautoriteiten wordt verzocht deze boodschap letterlijk op te nemen. Met minder zijn we niet tevreden omwille van het belang van de materie, het door de uitbreiding toegenomen werkveld en het noodzakelijke vertrouwen van de consument in de interne markt.

Voorzitter, ik wil mijn collega's van de IMCO danken, omdat zij zich pal achter deze lijn geschaard hebben en ook omdat wij ons hebben kunnen beperken tot slechts twee grote aanvullende aandachtspunten op het voorstel van de Europese Commissie dat door mijnheer de commissaris overigens meer dan behoorlijk was geconstrueerd.

1. Wij willen dat de programmatie meer oog heeft voor het erbij betrekken van de lidstaten met een minder lange traditie op het vlak van consumentenbescherming, op het vlak van de consumentenbeweging, de capaciteitsopbouw van consumentenbonden en hun participatie aan de beleidsvoorbereiding.

2. Er moet bijzondere aandacht gaan naar de veroudering van de bevolking en ook naar andere kwetsbare consumentengroepen. Mensen met ervaring in consumentenrecht weten dat wij die kwetsbare groepen niet op een afdoende wijze kunnen meenemen in wetgeving, die per definitie een algemene draagwijdte heeft, maar in een consumentenprogramma kunnen we ons op doelgroepen richten en kunnen we die kwetsbare consument wel meepakken en dat moeten we doen, als we willen gaan naar een warme menselijke maatschappij.

Beste collega's, dit is het eerste verslag van de Commissie consumentenbescherming in meer dan 10 jaar waarbij onze betreurde IMCO-voorzitter, Phillip Whitehead, niet het woord neemt. Wij blijven hem missen en mijn jarenlange vriendschappelijke collegiale samenwerking met Phillip brengt me ertoe dit verslag aan hem op te dragen. Collega's, ik vraag uw steun voor dit alles, ik vraag ook de steun van de Commissie en de Raad voor ons voorstel. Ik dank u voor de samenwerking, ik dank u voor uw respect voor Phillip Whitehead, want dat zijn we hem verschuldigd en ik dank ook de mensen van het IMCO-secretariaat, die dit dossier heel professioneel hebben begeleid.

Voorzitter, nog een woord. Waarschijnlijk zullen niet alle collega's kunnen spreken voor de lunch; we zullen dan ook een afspraak moeten maken over de stemming, want dit is een codecisieverslag; mocht niet iedereen kunnen spreken voor de lunch, dan zou ik ervoor willen pleiten om de stemming te verschuiven naar de zitting van volgende week in Brussel; ik denk namelijk dat we dat niet van toevalligheden kunnen laten afhangen en dat we niet met een heel kleine aanwezigheid over zo'n thema, dat zoveel mensen aangaat, kunnen stemmen. Dat is mijn suggestie als rapporteur.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Mevrouw Thyssen, uw verzoek om de stemming te verschuiven zal zo dadelijk, helemaal aan het begin van de stemmingen, aan het Parlement worden voorgelegd door de ondervoorzitter die mijn plaats inneemt.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, de situatie waar collega Thyssen terecht op heeft gewezen, is precies waar ik het over wil hebben. Gisteren beklaagden we er ons over – en met recht – dat het debat gaande was terwijl er nog collega’s binnenkwamen en dat commissarissen het woord voerden, terwijl niemand hen echt goed kon verstaan. Vandaag doet zich precies dezelfde situatie weer voor.

Als we het in dit Huis niet voor elkaar krijgen dat debatten ofwel strak georganiseerd zijn en men zich aan zijn spreektijd houdt, ofwel dat er tijd tussen de stemming en het einde van het debat vrijgehouden wordt, dan dienen we echt te overwegen het over een andere boeg te gooien. Wat collega Thyssen voorgesteld heeft, verdient in elk geval op één punt onze volledige steun: de stemming dient verschoven te worden naar een tijdstip waarop alle collega’s aanwezig kunnen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik begrijp u maar al te goed, meneer Rack, maar op verzoek van de rapporteur zelf, die als ik het goed begrepen heb vanmiddag niet aanwezig kan zijn, hebben we besloten vanochtend een begin te maken met het debat over dit verslag.

Dan geef ik nu het woord aan de rapporteurs voor advies.

 
  
MPphoto
 
 

  Brigitte Douay (PSE), rapporteur voor advies van de Begrotingscommissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, de 460 miljoen Europeanen willen niet alleen dat hun gezondheid steeds beter beschermd wordt, daarover hebben we zojuist gedebatteerd, maar ook hun positie als consumenten. De gezondheidscrises van de afgelopen jaren en de mondialisering, waardoor niet alle producten meer traceerbaar zijn, maken consumentenbescherming in Europees verband zinvoller dan ooit tevoren. De interne markt kan immers niet naar behoren functioneren zonder het vertrouwen van de consument. Door de burgers te laten zien dat het zich echt bekommert om hun gezondheid en veiligheid en dat het zich echt de middelen verschaft om actie te ondernemen, geeft Europa duidelijker aan waar het voor staat.

Ik wil mevrouw Thyssen dan ook bedanken voor haar prima verslag. De Commissie interne markt en consumentenbescherming, ofwel de IMCO, heeft een begroting van 233 miljoen euro voorgesteld, gespreid over zeven jaar voor het specifieke actieprogramma “Consumentenbescherming”; deze begroting, een toename ten opzichte van het huidige programma, is onontbeerlijk als we de doelen willen realiseren, ambitieus als ze zijn met het oog op de nieuwe verplichtingen die de uitbreiding met zich meebrengt. Laten we hopen dat er niet al te drastisch in gesneden zal worden indien de financiële vooruitzichten tegenvallen, want wat Europese consumenten nodig hebben is een begroting waarmee beloften kunnen worden nagekomen zodat hun bezorgdheid kan worden weggenomen. Dit is niet haalbaar als de Europese Unie op dieet wordt gezet!

Ik betreur het niettemin dat de door de Begrotingscommissie goedgekeurde amendementen betreffende voorlichting en de strijd tegen namaak niet zijn overgenomen door de IMCO. In economisch opzicht is namaak een echte plaag, net zo goed voor de gezondheid als voor consumenten. De bekende merken, het MKB en alle sectoren van economische en menselijke activiteit worden erdoor getroffen: valse medicijnen, defecte huishoudelijke apparaten, ondermaatse reserveonderdelen, gevaarlijk speelgoed, giftige huidverzorgingsproducten, en ga zo maar door.

Het lijkt me van belang in het kader van een beleid ter bescherming van de consument, om de potentiële kopers van namaakproducten beter voor te lichten over de risico’s die ze lopen; daarom wil ik dit aspect van consumentenbescherming nogmaals onderstrepen, ook al is de strijd tegen namaak opgenomen in andere acties van dit programma.

 
  
MPphoto
 
 

  Aloyzas Sakalas (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken. (LT) Ik wil mevrouw Thyssen graag gelukwensen omdat zij erin is geslaagd om een uitstekende analyse van het document van de Europese Commissie te maken. Wij moeten ons ook gelukkig prijzen dat de leiders van het Europees Parlement besloten hebben om het hoofdstuk van de bescherming van de consumentenrechten en dat van de gezondheidsbescherming apart te behandelen. Als dat niet gebeurd zou zijn, zou de consumentenbescherming overschaduwd blijven worden door de gezondheidsbescherming. Die aparte behandeling van beide hoofdstukken betekent echter niet automatisch dat ook de problemen op deze gebieden afzonderlijk aangepakt zullen worden. Indien het toezicht op deze twee gebieden niet opgesplitst wordt, vallen beide gebieden immers onder de verantwoordelijkheid van hetzelfde agentschap. De Commissie juridische zaken is van mening dat het voor het verbeteren van de bescherming van de consumentenrechten essentieel is dat de consumentenbescherming in het burgerlijk recht wordt geïntegreerd. In de tussentijd dient het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming van de Commissie nauw samen te werken met het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid en het directoraat-generaal Interne markt en diensten, omdat de consumentenbescherming deels ook onder de verantwoordelijkheid van deze directoraten-generaal vallen. Het is zonneklaar dat het door de uitbreiding van de interne markt voor afzonderlijke landen vrijwel onmogelijk is om de bescherming van de consumentenrechten ten uitvoer te leggen zonder een nauwe samenwerking met andere lidstaten van de EU. Daarom dient ook het Europees agentschap voor consumentenbescherming nauw samen te werken met nationale agentschappen, met name overheidsinstanties, aangezien zij over alle informatie beschikken op het gebied van de consumentenrechten. Wij moeten onderkennen dat kinderen en oudere mensen tot de meest kwetsbare consumenten behoren en dat zij niet in staat zijn om hun rechten op een effectieve manier te beschermen. De betreffende agentschappen dienen daarom speciale aandacht aan deze consumentengroepen te geven. De Commissie juridische zaken heeft amendementen ingediend met het oog op het consolideren van de eerdergenoemde voorstellen. Ik doe een dringend beroep op u allen om steun te geven aan het verslag van mevrouw Thyssen én aan de amendementen van de Commissie juridische zaken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Geachte collega’s, ik zit met een klein probleem dat ik u kort en bondig zal voorleggen. De rapporteurs voor advies van de verschillende commissies zijn zojuist aan het woord geweest. Ik word geacht het debat nu te onderbreken, vóór het blok van de sprekers die het woord voeren namens de fracties. De spreker namens de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, de heer Stubb, kan vanmiddag echter niet aanwezig zijn en heeft derhalve gevraagd nu meteen het woord te mogen nemen, waarbij hij drie minuten spreektijd krijgt. Uit billijkheidsoverwegingen moet ik de andere sprekers die het woord voeren namens de fracties, te weten mevrouw Patrie voor de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement, mevrouw Malmström namens de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa, mevrouw Svensson namens de Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links, de heer Batten namens de Fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten, en de heer Mölzer in zijn hoedanigheid als niet-ingeschrevene of ze ermee instemmen dat de heer Stubb vanochtend nog het woord neemt. Als een van de collega’s die ik zojuist heb genoemd hier bezwaar tegen heeft, kan ik de heer Stubb niet het woord geven. Als daarentegen niemand bezwaar maakt, zal onze collega gedurende drie minuten het woord voeren.

Heeft een van de zes collega’s die ik zojuist heb genoemd er bezwaar tegen dat de heer Stubb nu direct het woord neemt?

Niemand maakt bezwaar, en ik wil iedereen daarvoor bedanken. De heer Stubb is dus hedenochtend de eerste spreker voor dit debat, dat om 15.00 uur zal worden voortgezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb, namens de PPE-DE-Fractie.(EN)

(Luid achtergrondlawaai in de zaal)

Mijnheer de Voorzitter, er is een oud Swahili-gezegde dat als volgt luid: Ga nooit tussen een rivier en een nijlpaard staan. Ik heb een beetje het gevoel dat ik nu in deze positie verkeer!

Ik wil mevrouw Thyssen graag bedanken voor een uitstekend verslag. Ik kan haar meedelen dat mijn fractie en ikzelf elk woord in dat verslag steunen. Sta mij toe om drie opmerkingen te maken.

Ten eerste vind ik niet dat wij een afzonderlijk consumentenprogramma voor nieuwe lidstaten nodig hebben. Wij zijn één grote familie. Laten wij aan die grondgedachte vasthouden.

Ten tweede klopt het dat de samenwerking verbeterd moet worden, maar daar hebben wij geen agentschap voor nodig. Ik roep de Commissie dan ook op om niet nog een nieuw agentschap op te richten.

Ten derde moeten wij proberen om de consumenten te activeren en in gedachten houden dat wij eigenlijk helemaal niet zo veel geld voor consumentenbeleid uittrekken: 40 miljoen euro per jaar; dat is 0,03 procent van de totale begroting.

Sta mij toe om mevrouw Thyssen te feliciteren met het uitstekende werk dat zij heeft verricht.

(Applaus van de PPE-DE-Fractie)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u dat u het nijlpaard hebt laten terugkeren naar de rivier!

Het debat over het verslag van mevrouw Thyssen wordt thans onderbroken en zal vanmiddag om 15.00 uur worden voortgezet.

Verslag-Thyssen (A6-0032/2006)

De Commissie kan de volgende amendementen aanvaarden: 13, 26, 28, 34, 35, 42, 43, 44, 47, 48 en 54.

De Commissie kan de volgende amendementen gedeeltelijk aanvaarden: 10, 41 en 50.

De Commissie kan de volgende amendementen niet aanvaarden: 14, 17, 36, 37, 38, 39, 49, 56, 57, 58 en 59.

De Commissie verwerpt de volgende amendementen vanwege de opsplitsing van het programma: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 11, 15, 18, 19, 20, 27, 29, 30, 31, 32, 40, 45, 46, 51, 52, 53 en 55.

De Commissie verwerpt de volgende amendementen maar kan de consumentenaspecten ervan aanvaarden: 8, 12 en 16.

De Commissie kan de volgende amendementen niet in de huidige formulering aanvaarden: 21, 22, 23, 24, 25 en 33.

(De onderstreepte amendementen zijn nieuwe amendementen die op 8 maart 2005 door fracties zijn ingediend.)

 
  

(1) Standpunt van de Commissie met betrekking tot de amendementen van het Parlement: zie bijlage.


7. Bekendmaking gemeenschappelijke standpunten van de Raad: zie notulen
  

VOORZITTER: INGO FRIEDRICH
Ondervoorzitter

 

8. Verklaring van het voorzitterschap
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Geachte collega’s, voorafgaand aan de stemming zou ik graag een belangrijke verklaring van de Conferentie van voorzitters willen voorlezen. De verklaring heeft betrekking op de arrestatie van oppositieleden in de aanloop naar de verkiezingen in Wit-Rusland. De Conferentie van voorzitters heeft op 16 maart kennis genomen van het feit dat een groeiend aantal oppositionele politici, journalisten en ngo-activisten in Wit-Rusland is gearresteerd. De Conferentie van voorzitters betreurt deze maatregelen, die ernstige twijfels omtrent het democratische karakter van deze verkiezingen oproepen en in strijd zijn met alle democratische grondbeginselen.

Nu volgen zeventien namen. Ik hoop dat u er begrip voor heeft dat ik ze allemaal oplees, want alleen als ze hier in het Europees Parlement met name genoemd worden, zijn de hoop en de verwachting gerechtvaardigd, dat de verklaring ook uitwerking heeft.

Het gaat om de volgende personen:

Siarhiej Malčyk

Viktar Sazonaǔ

Vadzim Sarančukoǔ

Andrej Pisalnik

Mikoła Lemianoǔski

Alaksiej Trubkin

Siaržuk Hudzilin

Jaǔhien Vaǔkaǔviec

Aleś Čyrejka

Vital Broǔka

Vasil Leǔčanka

Tatsiana Klimovič

Dzimitry Šymanski

Ryhor Bakijevič

Anatol Labiedźka

Siarhiej Niaroǔny

Vincuk Viačorka

Vier andere personen zijn in Pinsk aangehouden, onder wie de heer Pavieł Lachnovič, en in Svietłahorsk nog eens zes personen.

De Conferentie van voorzitters eist de onmiddellijke vrijlating van deze personen.

(Levendig, langdurig applaus)

(De afgevaardigden gaan staan)

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). (SK) Dames en heren, de mensen in Wit-Rusland hebben een stil protest in gang gezet tegen het dictatoriale regime in hun land door op elke zestiende dag van de maand kaarsen in hun huizen aan te steken. Met het oog op de komende presidentsverkiezingen aanstaande zondag zou ik u namens mijn collega’s Petr Šťastný en Milan Gaľa willen vragen om precies om 16.00 uur een kaars in uw huis of kantoor aan te steken als teken van solidariteit met de Wit-Russische natie en daarmee uw steun te geven aan de democratisering van de samenleving in dit land. Kaarslicht is niet alleen een symbool voor hoop op een nieuw leven en een nieuw begin, maar ook voor vrijheid en democratie. Hierdoor zou een prachtig signaal van Europese solidariteit met Wit-Rusland worden gegeven.

 

9. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de stemmingen.

(Uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), Rapporteur. – Voorzitter, sorry dat ik hiervoor even de tijd vraag, maar op het lijstje van de in stemming te brengen verslagen staat ook een verslag waarvoor ik verantwoordelijk ben, namens de Commissie-IMCO, over het meerjarenprogramma consumentenbeleid. We zijn er zonet niet in geslaagd om het debat over dit verslag helemaal af te ronden. Zelfs de schaduwrapporteurs van de meeste fracties moeten het woord nog voeren en uit respect voor de collega's, Voorzitter, zou ik willen vragen nu niet te stemmen, het heeft geen zin de stemming te laten plaatsvinden voor het debat afgerond is, om het debat vanmiddag wel voort te zetten, maar de stemming te houden op de zitting van volgende week in Brussel. Het is een codecisie verslag, we kunnen niet met een heel kleine aanwezigheid het risico nemen om daarover te stemmen en wij moeten ervoor zorgen dat zoveel mogelijk mensen kunnen deelnemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Evelyne Gebhardt (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, we hebben zojuist van commissaris Kyprianou gehoord dat hij niet bereid is in te stemmen met de voorstellen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid waar het een onderscheid tussen gezondheids- en consumentenbescherming betreft en dat hij het ook niet eens is met wat wij ten aanzien van het toepassingsgebied zullen voorstellen. Het zou daarom heel goed zijn als we de mening van het Europees Parlement over beide kwesties met een afgetekende en gekwalificeerde meerderheid tot uitdrukking zouden brengen.

Om die reden zou ik ervoor willen pleiten dat we deze stemming uitstellen tot de tweede vergaderperiode van maart en vanmiddag niet door laten gaan.

(Applaus)

 
  
  

(Het Parlement willigt het verzoek in)

 
  
MPphoto
 
 

  Mirosław Mariusz Piotrowski (IND/DEM).(PL) Mijnheer de Voorzitter, ik vraag om het woord op basis van artikel 29 en 30 van het Reglement van het Europees Parlement in verband met de verklaring die de Voorzitter van het Europees Parlement vandaag om tien uur heeft voorgelezen over de nieuwe samenstelling van de Fractie Onafhankelijkheid/Democratie. In mijn hoedanigheid van voorzitter van het bureau van de IND/DEM-Fractie, zou ik het volgende willen zeggen. De Fractie Onafhankelijkheid/Democratie in het Europees Parlement bestaat uit 33 leden, afkomstig uit tien lidstaten van de Unie. Deze samenstelling van de Fractie Onafhankelijkheid/Democratie werd bevestigd tijdens de IND/DEM-fractievergadering van 14 maart jongstleden. Na deze datum heeft de IND/DEM-Fractie niet meer vergaderd. Er is dan ook geen enkele wettelijke procedure ingeleid ter wijziging van deze samenstelling. Alle berichten over een gewijzigde samenstelling zijn dan ook uit de lucht gegrepen en ontberen elke wettelijke grond. De nieuwe lijst IND/DEM-afgevaardigden die is voorgelegd aan de Voorzitter van het Parlement bevat de namen van zeven Polen, maar we hebben niet eens, en dit is denk ik met opzet zo gedaan, de kans gekregen deze te tekenen. Als de anderen hadden geweten dat er geen Polen op stonden, hadden ze niet getekend. Dit soort manoeuvres achter de schermen die haaks staan op elk democratisch beginsel, tonen duidelijk aan dat het maar om één ding gaat: het geld van de niet-gevraagde leden. Daarom zou ik als voorzitter van het bureau van de IND/DEM-Fractie willen vragen de middelen van de fractie te bevriezen tot er duidelijkheid in de situatie is gekomen en er een schriftelijke verklaring is opgesteld.

(Applaus van rechts)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Wij nemen hier nota van, maar de plenaire vergadering is niet de geëigende gelegenheid om te discussiëren over geschillen binnen de fracties.

(Applaus)

 

9.1. Communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2007-2013) (stemming)
  

Vóór de stemming over amendement 126

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil een mondeling amendement indienen. Ik heb dat al afgestemd met de rapporteur en mijn mede-schaduwrapporteurs en het betreft de toevoeging van het woord “traceerbaarheid” aan de amendementen 120 en 138.

Dat zou ertoe leiden dat amendement 120 als volgt komt te luiden: “Bevordering van de beschikbaarheid, traceerbaarheid en toegankelijkheid van veilige organen en stoffen van menselijke oorsprong van hoge kwaliteit voor medische handelingen in de hele Gemeenschap”.

Amendement 138 luidt dan als volgt: “Activiteiten ter verbetering van de veiligheid, kwaliteit en traceerbaarheid van organen en stoffen van menselijke oorsprong, waaronder bloed, bloedbestanddelen en voorlopercellen van bloed”.

Dit amendement is vanwege medische redenen en ook met het oog op de rechtmatigheid noodzakelijk.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 
  
MPphoto
 
 

  Gerard Batten (IND/DEM).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een punt van orde uit hoofde van artikel 151, lid 3, van het Reglement. Toen u vroeg of er nog bezwaren waren, ben ik opgestaan, maar u heeft dat blijkbaar niet gezien. In artikel 151, lid 3, staat:

“De Voorzitter beslist over de ontvankelijkheid van amendementen.

Het besluit van de Voorzitter op basis van lid 3 betreffende de ontvankelijkheid van amendementen wordt niet alleen op basis van de leden 1 en 2 genomen, doch op basis van de bepalingen van het Reglement in het algemeen.”

Wat het Reglement in het algemeen betreft, is er ook nog een ander artikel waarin staat dat onze procedures altijd transparant moeten zijn. Wij worden thans met 140 verschillende amendementen geconfronteerd die mevrouw Sinnott – terwijl wij er zelfs nog over aan het debatteren zijn – wil aanpassen met één enkel mondeling amendement. Hoe kunnen wij “voor” of “tegen” stemmen met betrekking tot 140 amendementen? Dat is complete onzin. Ik verzoek u om het Reglement zodanig te interpreteren dat de amendementen als pakket niet ontvankelijk zijn en dat er over elk amendement afzonderlijk gestemd dient te worden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Wij nemen nota van uw opmerking, maar zo doen we het hier in het Europees Parlement al jaren.

 

9.2. Gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (stemming)
  

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Francis Wurtz (GUE/NGL).(FR) Mijnheer de Voorzitter, zou het mogelijk zijn, ook al is dit niet helemaal volgens de regels, dat geef ik toe, om apart te stemmen over amendement 3 bij het eerste verslag van de heer Graefe zu Baringdorf? En verder, nu ik toch bezig ben, wat het tweede verslag van de heer Graefe zu Baringdorf betreft, zou het mogelijk zijn apart te stemmen over amendement 18? Dit zijn amendementen die behoren tot het pakket door de Commissie ingediende amendementen.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 

9.3. Bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (stemming)

9.4. Strategiedocument over de uitbreiding (2005) (stemming)
  

Vóór de stemming over paragraaf 21

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Zaleski (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, dit korte amendement vraagt om een korte toelichting.

(EN) Mijnheer de Voorzitter, in paragraaf 21 staat “is van oordeel dat een democratisch en seculier Turkije een constructieve rol zou kunnen spelen …”. Ik stel voor om het word “seculier” te schrappen omdat dit ambigu is. Als het om de staat, de regering of het parlement zou gaan, is dat woord geen probleem, maar een “seculier Turkije” verwijst naar de hele natie. Wij hebben niet het recht om te verlangen dat de Turkse bevolking het respect voor hun eigen religie moet opgeven.

Stel u eens voor dat het parlement van Azerbeidzjan zou zeggen dat zij benzine aan ons willen leveren maar dan wel op voorwaarde dat wij allemaal gelovig – of niet-gelovig – zijn. Volgens mij spelen wij met vuur als wij van mensen verlangen dat zij een dergelijke …

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt niet in aanmerking genomen)

Vóór de stemming over amendement 4

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Marinus Wiersma (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, met betrekking tot de zinsnede “het onder het Luxemburgse voorzitterschap gepleegde overleg” zou ik graag de woorden “rekening houdend met” willen invoegen. Dat betekent dat het amendement als volgt luidt: “rekening houdend met het onder het Luxemburgse voorzitterschap gepleegde overleg”.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

Vóór de stemming over amendement 15

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE), rapporteur.(DE) Mijnheer de Voorzitter, door de aanvaarding van paragraaf 43 kan amendement 15 vervallen. Het gaat in paragraaf 43 immers om de naam Macedonië respectievelijk de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en een paragraaf 43 bis over hetzelfde thema zou wat teveel van het goede zijn. De kwestie is reeds afgehandeld.

 
  
  

(Amendement 15 komt te vervallen)

 

9.5. 62e zitting van de VN-Mensenrechtencommissie (UNCHR, Genève) (stemming)
  

Vóór de stemming over paragraaf 5

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Maria Gomes (PSE).(PT) Wij stellen voor om aan het einde van de eerste zin van paragraaf 5 het volgende toe te voegen: ‘en spreekt de hoop uit dat deze participatie in de toekomst wordt verbeterd en versterkt’.

(EN) … en hoopt dat die deelname in de toekomst wordt verbeterd en uitgebreid.

 
  
  

Vóór de stemming over paragraaf 18

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Maria Gomes (PSE). (PT) Wij stellen voor om in paragraaf 18, halverwege de zin, een verwijzing naar de VN-Veiligheidsraad op te nemen.

 
  
  

(De twee mondelinge amendementen worden in aanmerking genomen)

 

9.6. Voorbereidingen voor de COP-MOP-vergaderingen over biologische diversiteit en bioveiligheid in Curitiba, Brazilië (stemming)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hiermee is de stemming beëindigd.

 

10. Agenda en indieningstermijnen: zie notulen

11. Stemverklaringen
  

Verslag-Trakatellis A6-0030/2006

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) De Europese Commissie heeft een communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming gepresenteerd door twee vroegere programma’s op deze terreinen samen te voegen teneinde de krachten van beide initiatieven te bundelen. Daarbij wordt evenwel geen rekening gehouden met het feit dat de doelstellingen, de strategieën en de instrumenten van beide initiatieven elkaar overlappen.

Op 30 juni 2005 heeft de Conferentie van voorzitters van het Europees Parlement echter beslist om het programma opnieuw op te splitsen. Daarom heeft dit verslag slechts betrekking op het gezondheidsprogramma, dat overigens een beperkt toepassingsgebied en een laag financieringsniveau had.

Uiteraard is niets belangrijker dan gezondheid en het lijdt geen twijfel dat iedereen, zonder uitzondering, baat heeft bij een adequate gezondheidsbescherming. Het verslag dat wij hier vandaag in het Europees Parlement voor ons hebben liggen, voorziet dan ook in een verruiming van deze bevoegdheden en een verhoging van zowel de totale begroting als de bedragen die voor de verschillende acties worden uitgetrokken.

Ofschoon wij ons ervan bewust zijn dat de beoogde verhoging verre van ontoereikend is om te voldoen aan de verwachtingen en de belangstelling die dit programma oproept, hebben wij voor het verslag gestemd, aangezien het een aanzienlijke verbetering van het voorstel van de Europese Commissie inhoudt.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, Nils Lundgren en Lars Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) In dit verslag wordt bepleit dat de EU een apart communautair programma op het gebied van de gezondheid voor de periode 2007-2013 opzet. Het Europees Parlement bepleit om voor dit programma 1 200 miljoen euro te begroten (de Commissie bepleit 969 miljoen euro). De Zweedse partij Junilistan is principieel van mening dat gezondheidsvraagstukken een essentieel onderdeel vormen van de bevoegdheid van de afzonderlijke lidstaten.

Voor verscheidene van de door de rapporteur genoemde doelen van het programma (bijvoorbeeld het tegengaan van ziekte ten gevolge van tabak, alcohol en gebrekkige voeding) kunnen de afzonderlijke lidstaten zelfstandig zorgen. Er is dus onvoldoende rekening gehouden met het subsidiariteitsbeginsel.

Uiteraard is internationale samenwerking nodig in verband met bijvoorbeeld virusepidemieën en in ingewikkelde medische vraagstukken. Internationale samenwerking moet echter hoofdzakelijk plaatsvinden via multilaterale overeenkomsten en in het kader van de werkzaamheden die reeds worden verricht door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Wij zijn tegen het toekennen van extra middelen voor dit doel en hebben om bovenstaande redenen besloten om tegen dit verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb vóór deze tekst gestemd.

Ik ben buitengewoon verontrust over de toenemende resistentie van microben tegen antibiotica. Dit is een wezenlijk gevaar. Het is dan ook zaak meer onderzoek te doen op dit gebied en patiënten voor te lichten over de risico’s van oneigenlijk gebruik van deze medicijnen.

Een van de grootste voordelen van de Europese Unie is gelegen in de uitwisseling van gegevens, met name als het gaat om zeldzame ziekten. Op dit punt verwacht ik dat we meer gaan doen om synergievoordelen te behalen.

Dit actieprogramma is tevens de gelegenheid om ons te bezinnen op de mobiliteit van patiënten. Er is in Europa sprake van absurde situaties. Ik sprak onlangs met een patiënt die in Straatsburg woont en die naar Marseille moet om de vorm van kanker waaraan ze lijdt te laten behandelen, terwijl vijf kilometer van haar vandaan een zelfde soort therapie wordt toegepast. Maar deze zorginstelling bevindt zich in het Duitse Kehl.

Daarnaast is het essentieel dat financiering gelijke tred houdt met ontwikkelingen.

Tot slot is er één punt waar ik niet mee kan instemmen: aanvullende of alternatieve geneeswijzen. Deze praktijken zijn geen geneeskunde maar wel een alternatief voor de geneeskunde. De Europese Unie moet zich richten op de essentie, en moet dan ook niet bijdragen aan de financiering van dit soort praktijken.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik steun het communautaire actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid. Naar mijn idee gaat het hier om een voorziening die van primair belang is. Bovendien raakt de bescherming van de gezondheidszorg ons allemaal, zonder uitzondering.

Met de doelstellingen van het programma wordt beoogd de burgers te beschermen tegen gezondheidsrisico’s, een gezondere levensstijl te bevorderen en een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een effectievere en efficiëntere gezondheidszorgstelsels.

Ik steun met name de oproep aan iedereen om een bijdrage te leveren aan het tot stand brengen van een effectievere preventie, betere gezondheidsdiensten en een betere kwaliteit van leven. Daarnaast moeten wij onderkennen dat het opheffen van de bestaande verschillen in de zorgverlening in de lidstaten gekoppeld aan het tot stand brengen van een synergie tussen de nationale gezondheidsdiensten, een belangrijk aspect van het programma is.

 
  
MPphoto
 
 

  Evangelia Tzampazi (PSE), schriftelijk. – (EL) Ik heb voor overweging 3 ter (nieuw) gestemd, waarin de definitie is opgenomen van het aantal gezonde levensjaren, ofschoon de Engelse versie van de tekst mijns inziens ten onrechte disability free life expectancy indicator luidt, hetgeen indruist tegen de Griekse vertaling waarin een dergelijk probleem zich niet voordoet.

Ik wil erop wijzen dat een handicap geen ziekte of ongeschiktheid is, maar een andere gezondheidstoestand, waarmee rekening gehouden moet worden bij de uitwerking en toepassing van alle communautaire beleidsvormen en programma’s.

 
  
  

Verslag-Graefe zu Baringdorf (A6-0033/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Doel van dit Commissievoorstel is om Verordening (EEG) nr. 2082/92 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen te vervangen door een nieuwe tekst waarin een en ander vereenvoudigd en verduidelijkt wordt, in overeenstemming met de WTO-voorschriften.

Ik besef dat de communautaire wetgeving ter zake moet worden aangepast. Daarom kan ik mij vinden in de essentiële punten van het voorstel van de Commissie en zal ik voor het verslag-Graefe zu Baringdorf stemmen.

Ik wil de nadruk leggen op de amendementen 6 (waarmee lidstaten om onverschillig welke andere informatie kunnen verzoeken op voorwaarde dat hun verzoek naar behoren gerechtvaardigd wordt) en 13 (vaststelling van een termijn waarbinnen reeds bestaande particuliere controleorganen een vergunning kunnen aanvragen). Ik zal voor deze amendementen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het eigen karakter van landbouwproducten en levensmiddelen geniet sinds 1993 communautaire bescherming. Dat heeft ertoe geleid dat traditionele producten met eigen kenmerken op het gebied van de productie en de verwerking naar waarde worden geschat.

Het verslag dat hier vandaag in stemming wordt gebracht, houdt tal van vereenvoudigingen en verduidelijkingen in voor wat betreft de procedures en de verantwoordelijkheden van de verschillende autoriteiten die belast zijn met het verwerken van de aanvragen.

Het gaat hier om een belangrijk instrument, aangezien het ervoor zorgt dat de bedoelde producten naar waarde worden geschat en dat de consumenten beschermd worden tegen misbruikpraktijken, zodat garanties worden geboden voor eerlijke handelstransacties.

Door bij te dragen aan het creëren van een toegevoegde waarde voor Europese plattelandsgebieden speelt dit instrument een belangrijke rol bij het ontstaan van nieuwe toeristische trekpleisters. Dat zal bijzonder positieve sociaal-economische gevolgen hebben, niet alleen voor de toeristische sector maar ook voor de groei en de territoriale cohesie binnen de Unie.

Tot slot wil ik nog onderstrepen dat het van fundamenteel belang is dat wij onze traditionele producten naar waarde schatten, indien nodig in ere herstellen en op afdoende wijze beschermen, aangezien het aan ons is om onze erfenis door te geven aan de komende generaties.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. – (SV) Ik vind oorsprongsaanduidingen voor landbouwproducten en levensmiddelen vaak een goede zaak, omdat die lokale productie en handel versterken en ontwikkelen, en daarmee een tegenwicht bieden tegen de dominantie van de handelsmerkgiganten van de WTO op de globale markt. Ik ben er echter tegen dat de EU besluiten neemt over een verplichte etikettering voor deze producten. Dat is iets wat ook in de toekomst vrijwillig moet blijven.

 
  
  

Verslag-Graefe zu Baringdorf (A6-0034/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen gestemd, omdat het hoog tijd werd ons systeem van bescherming voor producenten van regionale specialiteiten aan te passen aan de restricties van de Wereldhandelsorganisatie, zoals bleek uit de onderhandelingsronde van december jongstleden in Hongkong (China). We moeten uiterst strijdbaar zijn op dit punt want sommige landen, met name de Verenigde Staten en Australië die de oorzaak van het probleem zijn, zullen niet zomaar overstag gaan. We zijn gedwongen ingezetenen van derde landen toe te laten tot het Europese systeem en dezelfde rechten te geven als burgers van de Europese Unie als het gaat om het indienen van verzoeken en bezwaren. Hoe het ook zij, de Europese Unie moet de geografische aanduidingen uit alle macht verdedigen tegen de aanvallen van de Wereldhandelsorganisatie, want ze zijn bepalend voor het creëren van toegevoegde waarde. Tot slot moeten de diensten van de Europese Commissie, gezien bijna 300 verzoeken die nog in behandeling zijn, voortvarender te werk gaan bij het erkennen van deze waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Borghezio (NI), schriftelijk. (IT) We hebben voor het verslag over het voorstel voor een verordening van de Raad gestemd, want met deze verordening stelt de Europese Unie een stelsel vast ter bescherming van de producenten van 'regionale specialiteiten' in het kader van de voedsel- en landbouwproductie. Het is zelfs uitermate belangrijk voor onze producenten in het Po-dal dat het toepassingsgebied van dit stelsel, wat betreft de bescherming van zowel de oorsprongsbenaming als de geografische aanduiding van landbouwproducten, adequaat in regelgeving wordt vastgelegd.

In dit verband willen we echter benadrukken dat het noodzakelijk is om een specifieke beschermingsmaatregel in te voeren met als doel de zeer belangrijke Europese bloementeeltsector te steunen, die in Padania, en in het bijzonder in de provincie Imperia, in volle glorie te aanschouwen is.

De maatregelen die bedoeld waren om de douanetarieven te liberaliseren, zijn uiteindelijk namelijk, en dit is een ernstige zaak, juist gunstig gebleken voor de bloementeelt in landen buiten de EU, zoals Israël, Kenia, Colombia, Ecuador, Zimbabwe en Zuid-Afrika. Deze landen hebben hun marktaandeel exponentieel zien stijgen ten nadele van de Europese productie.

Daarom moet er opnieuw onderhandeld worden over het beleid ten aanzien van internationale overeenkomsten betreffende invoer, en wel op een dusdanige manier dat

- er geen tarievenverlichtingen worden verleend voor de productie van derde landen die niet aan de Europese normen voldoen op het gebied van werk (inclusief kinderarbeid), milieu, belasting....

(Verklaring ingekort overeenkomstig artikel 163 van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) De bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen draagt aanzienlijk bij aan de verbetering van de levensomstandigheden van de plattelandsbevolking van de Europese Unie, met inbegrip van Portugal.

Door te verkondigen dat de bestaande verordeningen onverenigbaar zijn met de internationale handelsovereenkomsten, en in het bijzonder met de beruchte overeenkomst over de handelsgerelateerde aspecten van het intellectueel eigendom (TRIPS), oefenen de Verenigde Staten en Australië een onaanvaardbare druk uit. Het Orgaan voor geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie heeft verklaard dat de regelgeving over het geheel genomen niet in strijd is met de in de WTO aangegane verbintenissen.

Toch werd de Europese Unie ertoe verplicht de toegang van derde landen tot de interne markt te bevorderen. Daarom probeert de Commissie een en ander aan te passen. Het Parlement heeft besloten deze aanpassingen te verbeteren om bij te dragen aan de bescherming van de landbouwers en het platteland.

Over het geheel genomen dragen de voorgestelde verbeteringen onze goedkeuring weg, en dat is de reden dat wij voor dit verslag hebben gestemd. Wij achten het van fundamenteel belang dat geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen en gegarandeerde traditionele specialiteiten beschermd worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Doel van dit Commissievoorstel is om Verordening (EEG) nr. 2082/92 inzake de specificiteitscertificering voor landbouwproducten en levensmiddelen te vervangen door een nieuwe tekst waarin eenvoudigere en duidelijkere voorschriften worden vastgesteld, in overeenstemming met de beslissing van het Orgaan voor geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie als antwoord op de klachten die zijn ingediend door de Verenigde Staten en Australië. De beslissing moet worden nageleefd met ingang van 3 april 2006.

Ik besef dat de communautaire wetgeving ter zake moet worden aangepast. Daarom kan ik mij vinden in de essentiële punten van het voorstel van de Commissie en zal ik voor het verslag-Graefe zu Baringdorf stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Christa Klaß (PPE-DE), schriftelijk.(DE) In een tijd van globalisering, standaardisering en wereldwijde toegang tot levensmiddelen vormt bezinning op onze herkomst, traditie en uiteindelijk ook op onze cultuur een stevige en goede basis voor onze verdere ontwikkeling. Europese traditie en Europese oorsprong scheppen eenheid in veelzijdigheid. Die veelzijdigheid is een kenmerk van Europa, van zijn regio’s en vooral van zijn mensen. De mensen hebben zich aangepast aan de regionale omstandigheden, die vaak sterk verschillen. Daaruit zijn traditionele levenswijzen en traditionele streekproducten ontstaan. Traditionele en geografische aanduidingen op producten wekken in ons heel specifieke voorstellingen en verwachtingen.

Tegenwoordig worden onze producten overal ter wereld verhandeld. Dat maakt het echter wel noodzakelijk deze producten, die als het ware als ‘ambassadeurs’ van een bepaalde stad of streek de wereld in gaan, te reglementeren. We moeten kunnen garanderen dat datgene wat achter een goede naam schuilgaat ook goed blijft. En we moeten garanderen dat de herkomst van een product uit een bepaalde streek ook gerelateerd blijft aan de naam van die streek. Dat alles dient zo eenvoudig mogelijk en tegelijk afdoende geregeld te worden. Aan dat doel beantwoordt dit verslag volledig.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez (NI), schriftelijk. – (FR) Het landbouwconflict tussen Europa en de Angelsaksische wereld richt zich op het juridische instrument waarover Europa beschikt om, naar het voorbeeld van de Franse AOC’s, zijn landbouwproductie te beschermen met labels, zoals de BGA. Voor de Verenigde Staten moet de landbouw industrieel zijn met logo’s en merken, en wijn is daarop geen uitzondering. Voor Europa is de landbouw in de eerste plaats kwalitatief, met regionaal verankerde familiebedrijven waarvan de producten beschermd worden door hun geografische herkomstaanduiding. Het symbool hiervan is de wijn, geboren uit gisting en toonbeeld van beschaving, terwijl het in Australië industriële handelswaar is.

Binnen de WTO is het conflict tussen de Verenigde Staten en Europa, tussen het zuidelijk halfrond en Europa, en tussen de Angelsaksische wereld en Europa een echte botsing van beschavingen, namelijk de cultuur van de sikkel en de cultuur van McDonald’s. In Hongkong heeft de Commissie evenwel niet eens het multilaterale register van herkomstaanduidingen ter sprake gebracht om de wijnen van onze kleine boeren te beschermen tegen de grote wijnhandelaren.

Door in Genève eind april de landbouwheffingen verder te verlagen en de deur wagenwijd open te zetten voor 1,2 miljoen ton vlees uit het zuidelijk halfrond of voor het volgens een industrieel procédé gekleurde, gefruite, gezoete Australische vocht dat wijn genoemd wordt, vernietigen we onze landbouwidentiteit waarvan de BGA’s een instrument zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen stelt de betrokken producenten in de gelegenheid de productie, verwerking en bereiding van een product van een bepaalde oorsprong te beschermen door het te registreren.

Gelet op het feit dat de verordeningen moeten worden aangepast en in het licht van het arbitraal vonnis van de WTO houdt dit verslag een duidelijke verbetering in van de bedoelde instrumenten, die een substantiële bijdrage hebben geleverd aan de toegang tot markten met hogere prijzen en het scheppen van werkgelegenheid in Europese plattelandsgebieden. Bovendien hebben zij uitermate positieve sociaal-economische gevolgen voor aan toerisme gerelateerde activiteiten.

Europa heeft eeuwenoude tradities die voor toeristen bijzonder aantrekkelijk zijn. Portwijn en roquefort zijn Europese producten die wereldwijd de toon zetten. Uiteraard is het belangrijk om duidelijk aan te geven welke informatie aan de consument moet worden verstrekt, niet alleen om de bedoelde producten te beschermen, maar ook om de consument de mogelijkheid te bieden eventuele klachten in te dienen.

Tot slot dring ik aan op een duidelijke scheiding van enerzijds de bevoegdheden van de lidstaten en anderzijds die van de Commissie, aangezien de activiteiten van de Unie steeds in overeenstemming moeten zijn met het subsidiariteitsbeginsel. Dat zal er mede voor zorgen dat de beoogde maatregelen een optimaal resultaat opleveren.

 
  
  

Verslagen-Graefe zu Baringdorf (A6-0033/2006) en (A6-0034/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, Nils Lundgren en Lars Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen verrijken Europa. Het is een verrijking als men culinaire tradities met elkaar deelt. Tegelijkertijd moet men echter letten op de nadelen van deze aanduidingen. Wij willen niet dat oorsprongsbenamingen met protectionistische bedoelingen worden gebruikt. Emigranten uit Europa hebben gedurende honderden jaren in hun nieuwe thuislanden etens- en drinkwaren geproduceerd op basis van de tradities die ze uit hun landen van herkomst hadden meegenomen. De Europese Unie moet zich in de Wereldhandelsorganisatie tolerant opstellen tegenover dergelijke tradities en tegenover het feit dat generieke namen en oorsprongsbenamingen soms met elkaar in botsing komen.

De onderhavige twee verslagen van het Europees Parlement zijn slechts aanvullende voorstellen conform de raadplegingsprocedure. Wij vinden dat ze niet zo veel toe te voegen hebben – al is het beter in elk geval enige voorstellen in te dienen dan helemaal geen – en dat dit onderwerp in de Raad moet worden afgehandeld. Ook distantiëren wij ons beslist van de gedachte dat een Europese autoriteit tot taak zou kunnen krijgen om geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen te controleren. Wij vinden dat wij in dezen moeten vertrouwen op de autoriteiten van de lidstaten.

Wij hebben daarom besloten tegen deze twee verslagen te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Roger Knapman (IND/DEM), schriftelijk. (EN) Wij zullen tegen dit verslag stemmen omdat wij onze soevereiniteit met betrekking tot de registratie van landbouwproducten willen behouden. De aanvraagprocedure is veel te bureaucratisch. Wij kunnen niet instemmen met een communautair agentschap dat verantwoordelijk is voor de registratieprocedure. Wij zijn van mening dat de verantwoordelijkheid daarvoor bij de lidstaten moet berusten. Wij willen ook geen communautair etiket. Wij willen dat “dikke room” eenzelfde bescherming geniet als de Griekse feta. Op voorwaarde dat de productaanduidingen ondubbelzinnig zijn, zien wij niet in waarom “Yorkshire feta” – wat heel duidelijk geen Griekse feta is – en Griekse feta niet allebei in de Britse winkels verkocht kunnen worden. Volgens ons is die harmonisatie geen goed idee.

 
  
  

Verslag-Brok (A6-0025/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt, namens de PPE-DE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik voer twee minuten het woord namens mijn fractie. Die heeft mij opgedragen een officiële stemverklaring aangaande het verslag-Brok af te leggen.

Door artikelen in de pers is in grote delen van Europa de mening ontstaan dat het Europees Parlement niet langer eist dat Kroatië snel het volledige lidmaatschap krijgt, een eis waarover het Parlement herhaaldelijk gestemd heeft. Zoals u weet heeft juist onze fractie zich er zeer voor ingespannen de toetredingsonderhandelingen met Kroatië te openen en die nog voor de Europese verkiezingen van 2009 tot een goed einde te brengen. Namens mijn fractie wil ik er hier geen misverstand over laten bestaan dat we onverkort aan dit doel vasthouden en dat ook in het verslag-Brok duidelijk gesteld wordt dat Kroatië een kandidaat-lid is dat bijzonder goed aan de criteria voldoet.

In het verslag wordt op een aantal onderdelen kritiek geuit, maar dat mag niet de indruk wekken dat Kroatië meer geschikt zou zijn voor de nieuwe vorm van multilaterale samenwerking die het verslag-Brok voorstelt. Dat is niet het geval. Kroatië is een Midden-Europees land, dat eigenlijk al in 2004 in de Europese Unie opgenomen had moeten worden en grotendeels aan de criteria voldoet. Onze kritiek geldt details, zaken waar je alleen een punt van maakt bij landen die de toetreding vrij dicht zijn genaderd, terwijl in het geval van Turkije nog niet eens de afschaffing van marteling gegarandeerd is.

Daarom wil ik namens mijn fractie nog eens benadrukken dat Kroatië kandidaat voor toetreding is. Het hoort naar zijn prestaties beoordeeld te worden. Laten we het eindelijk loskoppelen van de toetredingsonderhandelingen met Turkije en onomwonden inzetten op toetreding en dat nog binnen dit decennium.

(Applaus van rechts)

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, de geschiedenis leert dat veel wereldrijken ten onder gingen aan het feit dat ze te snel groeiden en de onderlinge wedijver tussen culturen en stromingen in dit groeiproces niet onder controle konden houden. Dat maakt een discussie over het opnamevermogen van de Europese Unie in mijn ogen dringend noodzakelijk. Daarbij mogen we niet vergeten dat de naam ‘Europese Unie’ alleen al door het woord ‘Europa’ een duidelijke scheidslijn impliceert. Verder dienen we ons er wel bewust van te blijven dat Europa op het christelijke waardenstelsel gebaseerd is. Dat alleen is voor mij al reden genoeg om collega Posselt met het oog op Kroatië van harte bij te vallen.

Anderzijds dient gezegd dat met name de recente gebeurtenissen aantonen dat het tegenwoordig zo wijdverbreide geloof in een grenzenloze tolerantie simpelweg verkeerd is. Tolerantie zou namelijk van twee kanten moeten komen, maar tot nu komt die tolerantie er binnen onze steeds meer multiculturele maatschappij op neer dat islamitische immigranten aanpassing van de christelijke gastlanden verwachten en die steeds vaker met geweld af willen dwingen. Tijdens de toetredingsonderhandelingen heeft Turkije telkens even zijn ware gezicht getoond, door in het verdrag over Cyprus te dreigen met sancties tegen vermeende belediging van het openbaar gezag en nu weer bij het conflict over de cartoons. Zo langzamerhand moet het toch ook de laatste uitbreidingsfantasten dagen dat we Europa duidelijke grenzen moeten geven.

(Applaus van rechts)

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, net zoals de meeste van mijn collega’s uit de Britse conservatieve delegatie heb ik het uitstekende verslag van de heer Brok gesteund en mijn felicitaties gaan in zijn richting. Desalniettemin is mijn partij tegen het Grondwettelijk Verdrag voor de Europese Unie en daarom stemmen wij voor het schrappen van paragraaf 6. Het is immers duidelijk dat de laatste uitbreiding van 15 naar 25 lidstaten, zonder een grondwet voor de EU uitstekend is verlopen op basis van de procedure van Nice.

De Britse conservatieven zijn van mening dat de vijf voorgaande uitbreidingen succesverhalen waren. Ook de toetreding van Roemenië en Bulgarije, die naar alle waarschijnlijkheid op 1 januari 2007 zal plaatsvinden, zal een succes worden. Een eventuele verdere uitbreiding kan dan via nieuwe intergouvernementele conferenties worden geregeld. Wij conservatieven geloven in een grotere, open Europese Unie van samenwerkende landen en daarom steunen wij het uitstekende verslag van de heer Brok.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE).(FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil apart vermelden dat ik vóór amendement 13 in de resolutie van de heer Brok heb gestemd. In dit amendement wordt opgeroepen de racistische en antisemitische organisatie Grijze Wolven illegaal te verklaren. Deze organisatie is verantwoordelijk voor herhaaldelijke terroristische aanslagen op christelijke en joodse instellingen in Turkije. De formulering is natuurlijk stevig, maar ze weerspiegelt de realiteit helaas maar al te goed. Deze groepering terroriseert mensen net als de troepen van Hitler deden voordat hij aan de macht kwam, weliswaar niet op zo'n grote schaal, maar met dezelfde brutaliteit en deels met dezelfde methoden. Het probleem verdient naar mijn mening de aandacht van dit Parlement. Joodse gemeenschappen en christelijke kerken zijn doelen geworden van fysiek en geestelijk terrorisme door de Grijze Wolven en deze zaak vraagt om internationale aandacht.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Anna Hedh, Ewa Hedkvist Petersen, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. – (SV) Wij Zweedse sociaal-democraten willen graag een open en solidaire EU zien, die nieuwe leden op basis van de criteria van Kopenhagen welkom heet. Wij betreuren het daarom dat dit verslag zich veel te veel toespitst op het eigen absorptievermogen van de EU, omdat dat de indruk kan wekken dat het Europees Parlement vraagtekens plaatst bij de mogelijkheid van de EU om meer lidstaten op te nemen. Het eigen absorptievermogen van de EU hangt uiteindelijk af van de wil van de Unie om meer lidstaten op te nemen. Wij kijken ook met ongerustheid naar alle tendensen om het lidmaatschap voor landen uit te sluiten, bijvoorbeeld op basis van hun economische situatie

 
  
MPphoto
 
 

  Giorgos Dimitrakopoulos (PPE-DE), schriftelijk. – (EL) De Europese afgevaardigden van de Nea Dimokratia verduidelijken dat het tweede gedeelte van paragraaf 43 van het verslag niet strookt met hun mening ten aanzien van het betrokken vraagstuk.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, Nils Lundgren en Lars Wohlin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) In dit initiatiefverslag wordt het belangrijke vraagstuk van de verdere uitbreiding van de EU behandeld.

De Zweedse partij Junilistan staat in beginsel positief tegenover een verdere uitbreiding van de EU, mits de beoogde lidstaten de fundamentele waarden onderschrijven die de waardegrondslag van de Unie vormen. Daartoe behoren vooral de eerbiediging van het rechtsstaatbeginsel, de mensenrechten en de democratie. Inzake wetgeving die geen betrekking heeft op de bovengenoemde zaken, zijn de naties soeverein.

De rapporteur stelt ook een zeer krachtige verhoging van de begroting voor, ten bedrage van 25 miljard Zweedse kroon. Daar zijn wij tegen.

Wij hebben daarom tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Ofschoon de Unie de toetreding van de laatste tien landen in 2007 nog niet ‘verteerd’ heeft en Bulgarije en Roemenië nog onderweg zijn, heeft zij, gedreven door een onverzadigbare begeerte, reeds stappen ondernomen om de toetreding van Turkije en de Balkanstaten voor te bereiden, na eerst actief te hebben deelgenomen aan de vernietiging van de Federale Republiek Joegoslavië.

Uit de zogeheten ‘politieke correctheid’ doemen uiteindelijk steeds de echte doelstellingen van een dergelijke wedren op, namelijk het creëren van een vrije handelszone en het ter beschikking stellen van natuurlijke hulpbronnen in ruil voor concrete voordelen; anders gezegd, economische overheersing en uitbuiting van de bevolking en hun landen door de grote economische en financiële groepen uit de invloedrijkste Europese mogendheden, met Duitsland op kop. Dat is geen toeval, aangezien Duitsland, samen met de Verenigde Staten, de dominante kracht in de regio is en deelneemt aan de militaire bezetting.

Ziehier een meesterlijk staaltje van inmenging in een soevereine staat door een meerderheid van het Parlement: “vestigt de aandacht ... op de resterende zwakke punten zoals overmatige staatsbemoeienis met de economie en de ingewikkelde regels ... van het openbaar bestuur die ontwikkelingen in de particuliere sector en op het gebied van rechtstreekse buitenlandse investeringen in de weg staan”.

Of ook de steun voor de splitsing van Servië, tegen het internationaal recht in, die blijkt uit het streven naar “een Kosovo waarvan de territoriale integriteit wordt gewaarborgd door de VN en de Europese Unie …

(Verklaring ingekort overeenkomstig artikel 163 van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE), schriftelijk.(EN) De Labour Party in het Europees Parlement staat een positieve houding voor ten opzichte van een toekomstige uitbreiding van de EU, met name als het gaat om het nakomen van de toezeggingen die aan kandidaat-lidstaten en toekomstige kandidaat-lidstaten zijn gedaan. Wat dat betreft, is het ongepast om in paragraaf 10 van de ontwerpresolutie andere “operationele mogelijkheden” voor te stellen aangezien de betrekkingen met buurlanden heel duidelijk geregeld zijn in het toetredingsproces en in het Europese nabuurschapsbeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Cecilia Malmström (ALDE), schriftelijk. – (SV) Op 1 mei 2004 werd de EU uitgebreid met tien nieuwe lidstaten uit Oost- en Midden-Europa. Landen die voorheen achter het IJzeren Gordijn lagen, hebben zich, met hulp van de EU als lokmiddel en stimulans, ontwikkeld tot democratieën met een markteconomie. Dat was een historische gebeurtenis. Nu moeten we ons houden aan onze beloften aan landen zoals Roemenië, Bulgarije en Kroatië. Wij moeten echter ook de deur openhouden voor nieuwe lidmaatschapsaanvragen. Landen die aan de eisen voldoen, moeten worden toegelaten als lid.

Vandaag stemmen we over een voorstel voor een strategie voor verdere uitbreiding. Daarin wordt voorgesteld om de EU zijn geografische grenzen te laten definiëren. Ik zal tegen dat voorstel stemmen. De grenzen kunnen niet worden gesloten. Het optrekken van grenzen zou er bijvoorbeeld toe leiden dat het Oekraïnse volk, dat balanceert tussen democratie en dictatuur, de indruk krijgt dat wij de deur voor hun neus dichtgooien. Dat zou een historische tegenslag zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Het verslag, de besluiten van de Raad en de Commissie en het debat in het Europees Parlement vallen samen met de zevende verjaardag van de vuile oorlog van de VS-NAVO tegen Joegoslavië en met de georganiseerde moord op Milosevic. Op provocerende wijze wordt onthuld welke plannen de Europese en Amerikaanse imperialistische beulen hebben voor de Balkan: inlijving en totstandbrenging van aan de EU en het imperialisme onderworpen staten-protectoraten, evenals plundering van hun rijkdommen door het EU-kapitaal. De Balkanvolkeren bevinden zich in een dramatische situatie en deze zal met hun toetreding tot de EU alleen maar verergeren. De wedijver en de nieuwe ronde van grenswijzigingen zorgen voor nieuwe spanning.

De Communistische Partij van Griekenland herhaalt dat zij tegen de EU en haar uitbreiding is. Zij zal meehelpen aan de versterking van de volksstrijd tegen het Europees en Amerikaans imperialisme, dat het gebied heeft bezet.

Wij herhalen dat het FYROM-probleem verband houdt met de imperialistische interventies en de grenswijziging, waarbij het vuur van de minderheidsproblemen nog eens wordt opgestookt. Over dergelijke daden hebben de Griekse partijen ND, PASOK en SYN in het verleden gezwegen of ze hebben daar zelfs mee ingestemd. Hun aandacht was immers toegespitst op de naam van het buurland. De demagogische kreten en de politieke aanpassingen van de andere partijen hebben tot doel het volk om de tuin te leiden en de enorme politieke schuld die zij op zich hebben geladen door in het voetspoor te treden van het imperialisme weg te poetsen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het verslag-Brok over de uitbreiding geeft een uitstekend beeld van de kandidaten voor de volgende uitbreidingsronde van de Europese Unie. Belangrijker is echter dat de rapporteur waarschuwt voor de moeilijkheden die aan de toekomstige uitbreidingen verbonden zijn.

In dit verband, vraag ik uw aandacht voor twee punten die mijns inziens enige verduidelijking behoeven.

Het eerste punt betreft de ‘constitutionele impasse’. Gelet op het feit dat de institutionele structuur verduidelijkt of zelfs gereorganiseerd moet worden voordat een nieuwe uitbreiding plaatsvindt, ben ik van oordeel dat de uitbreiding naar de burgers en de politieke leiders toe niet afhankelijk mag worden gemaakt van één enkele institutionele/constitutionele oplossing.

Het criterium van de ‘opnamecapaciteit’ wordt steeds belangrijker. Het vooruitzicht op toetreding en het nabuurschapsbeleid hebben bijgedragen aan de democratisering en de ontwikkeling van de potentiële kandidaat-landen, maar dat is op zich niet toereikend. Ook de Europese Unie moet klaar zijn om nieuwe partners te verwelkomen. Dit betekent dat de toetredende landen op voet van gelijkheid behandeld moeten worden en niet geconfronteerd mogen worden met een egoïstische houding van de landen die reeds tot de Unie behoren. Dat lijkt mij een verantwoorde benadering om de Europese burgers te winnen voor het uitbreidingsproces.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. – (FR) Vandaag heeft het Parlement zich uitgesproken over de te volgen strategie om de toekomstige uitbreiding van de Europese Unie in goede banen te leiden.

Een weerzien met onder meer onze Bulgaarse, Roemeense, Kroatische en Macedonische broeders uit Europa, die lukraak van ons gescheiden zijn na Jalta. Het is net zozeer hun bestemming zich weer bij ons aan te sluiten als het de bestemming van Europa is hen op te nemen. Ik heb dan ook geen moeite met de essentie, maar wel met de vorm en het tijdschema, en daarom heb ik vóór de paragrafen 5 en 6 gestemd.

Het is tijd dat de Unie een echt debat aangaat over haar grenzen, hetgeen ze tot nu toe zorgvuldig heeft vermeden tijdens het werk van de Conventie. Een zwart gat in de Grondwet dat heel wat wantrouwen en onrust teweeg heeft gebracht. Gevoelige zaken uit de weg gaan is geen houding die ons en onze kiezers waardig is, en het feit dat we vragen om een debat betekent niet dat we vierkant tegen de uitbreiding zijn!

Niemand die een krachtig Europa wil, is gebaat bij een Europa zonder grenzen.

Onze grenzen kunnen weliswaar geografisch, historisch en moreel zijn, dat spreekt voor zich, maar ze zijn noodzakelijk om een model, een visie en gemeenschappelijke waarden in stand te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk.(EN) Ik ben een groot voorstander van de uitbreiding van de EU. Hoewel het verslag veel dingen bevat waar ik het mee eens kan zijn, moet ik mij distantiëren van de negatieve houding ten opzichte van Turkije. Dat geldt met name voor de incorrecte opmerking in paragraaf 31 dat Turkije in een bepaald opzicht de NAVO tegenwerkt. Daarnaast ben ik, net als andere Britse conservatieven, een hartgrondig tegenstander van een Europese Grondwet en ik kan mij dan ook niet verenigen met de formulering in paragraaf 6.

 
  
  

62ste zitting van de VN-Mensenrechtencommissie (UNCHR, Genève) (RC-B6-0150/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Gisteren is een resolutie aangenomen die tot doel heeft dat de huidige Mensenrechtencommissie wordt vervangen door de Raad voor de mensenrechten.

Dit proces staat helemaal in het teken van de pogingen van de Verenigde Staten om een instrument te creëren dat zij kunnen manipuleren en waarmee zij hun beleid kunnen rechtvaardigen, een beleid dat stoelt op inmenging in en agressie tegen soevereine volkeren en staten. Het is een proces waarin de Verenigde Staten zoveel mogelijk voorwaarden hebben proberen op te leggen door steeds meer eisen te stellen. Ze waren daarin graag nog verder gegaan en daarom alleen al hebben wij tegengestemd.

Naast vele andere wijzigingen en aspecten die onze aandacht verdienen, wil ik hier onderstrepen dat de nieuwe Raad het aantal landen heeft teruggebracht van 53 tot 47 (de VS wilden er 30). De leden worden bij absolute meerderheid gekozen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (de VS en de EU waren voorstander van een stemsysteem waarin zij en hun bondgenoten een vetorecht bezaten), ondanks de inspanningen om beperkingen op te leggen.

Voor sommigen vormt dit proces slechts een eerste stap op weg naar een verdere beheersing en manipulatie van de VN door de Verenigde Staten en hun bondgenoten.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) In de context van de stemming over de gezamenlijke resolutie betreffende de 62e zitting van de VN-Mensenrechtencommissie (UNHRC, Genève) wil ik hier nader ingaan op wat ik als een mogelijke, zij het niet ideale, oplossing beschouw voor een van de belangrijkste punten die in het debat aan de orde zijn geweest.

Een van de grootste tekortkomingen van de VN op het gebied van de mensenrechten had te maken met het gebrek aan legitimiteit van sommige leden van de VN-Mensenrechtencommissie, met name wanneer zij het voorzitterschap waarnamen. De lijst is bekend. Ik ga hem hier niet opnieuw noemen. De voorgestelde oplossing, met name de methode volgens welke de leden van de toekomstige Raad voor de mensenrechten gekozen zullen worden, biedt weliswaar geen garantie dat zulks niet opnieuw zal gebeuren, maar is toch ten minste een poging om de leden op effectieve wijze te legitimeren. Dat moet erkend worden.

Ik ben tevens van oordeel dat dit een gelegenheid is om het idee te versterken dat de lidstaten van de Europese Unie en hun bondgenoten op het gebied van de mensenrechten een voorbeeldfunctie moeten proberen te vervullen in zowel hun eigen land als in het kader van hun internationale betrekkingen.

 
  
  

Voorbereidingen voor de COP-MOP vergadering over biologische diversiteit en veiligheid (Curitiba, Brazilië) (B6-0170/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben voor deze resolutie gestemd, ofschoon wij van oordeel zijn dat sommige punten onduidelijk en niet altijd coherent zijn. Wij vinden dat de biologische diversiteit beschermd moet worden en dat over deze bescherming een zo breed mogelijk akkoord moet worden bereikt. Het Verdrag inzake de biologische diversiteit geeft hieraan concrete vorm. Het is dan ook belangrijk dat de Europese Unie en haar lidstaten een correcte houding aannemen tijdens de vergadering van de partijen die eind deze maand in Curitiba, Brazilië, zal plaatsvinden.

Wij weten echter dat het minstens even belangrijk is om het verlies van biologische diversiteit een halt toe te roepen door de doelstellingen van het Verdrag op te nemen in het ontwikkelingsbeleid, met name in communautaire beleidsterreinen zoals landbouw en bosbouw, waar de verspreiding van GGO’s moet worden tegengegaan en steun moet worden verleend aan familiebedrijven en traditionele bosbouwpraktijken, aangezien dat de beste manier is om de biologische diversiteit te beschermen.

De mariene biodiversiteit moet beschermd worden tegen destructieve praktijken. Wij moeten met name de traditionele kustvisserij steunen, aangezien zij de beste bescherming biedt voor de instandhouding van biologische diversiteit.

Ten slotte moeten wij ook rekening houden met de reeds bestaande resoluties ter zake, met name voor wat betreft de bestrijding van het illegaal omhakken en verhandelen van bomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Goebbels (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb tegen de resolutie betreffende de Curitiba-conferentie over biologische diversiteit gestemd. Het Parlement begaat een ernstige fout door biodiversiteit en genetica door elkaar te halen.

Alle biologische diversiteit ontstaat door veranderingen in de genetische structuur van alle levende organismen. Zij die in Europa een achterhoedegevecht blijven leveren tegen transgene landbouw willen niet weten dat deze de volksgezondheid in de rest van de wereld geenszins schade berokkent! In 2004 hebben negen miljoen kleine boeren wereldwijd bijna negentig miljoen hectare genetisch gemodificeerde gewassen verbouwd, terwijl in de Europese Unie van 25 11 miljoen kleine boeren 97 miljoen hectare hebben verbouwd, waarvan slechts enkele tienduizenden hectaren bestemd waren voor transgene gewassen.

Europa is bezig weer een slag te verliezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Wij zijn het eens met de meeste vaststellingen, die bevestigen dat het milieu achteruitgaat, de bossen als ecosystemen worden vernietigd en er steeds meer biodiversiteit verloren gaat. Wij zijn het bovendien eens met talrijke voorstellen, met uitzonderingen van de voorstellen waarin wordt verwezen naar het kader van de bestaande wetgeving, aangezien in heel veel landen, en ook in de lidstaten van de EU, dit alles legaal geschiedt. Zo is bijvoorbeeld met communautaire verordeningen het gebruik van genetische gemodificeerde organismen (GGO’s) in de landbouw- en levensmiddelenproductie geliberaliseerd, ofschoon het milieu en de biodiversiteit daardoor worden bedreigd. Met communautaire verordeningen en richtlijnen worden de bossen gecommercialiseerd en nog sneller kapot gemaakt, enzovoort.

Wij zijn het totaal oneens met het voorstel in de resolutie waarmee een beroep wordt gedaan “op de Europese Commissie en de lidstaten om met overtuiging het voortouw te nemen bij het goedkeuren en vergemakkelijken van concrete maatregelen voor de bescherming van de biodiversiteit, zowel in Europa als daarbuiten”, omdat dat erop neerkomt dat men de wolf vraagt de schapen te hoeden. Men vraagt degenen die verantwoordelijk zijn voor de vernietiging om het voortouw te nemen in de strijd tegen hun eigen beleid.

Wij richten ons tot de volksbeweging en haar organisaties (vakbonden, milieuorganisaties, besturen, enzovoort) en vragen hun om met hun strijd maatregelen en beleidsvormen af te dwingen die de verdere achteruitgang van het milieu, de vernietiging van de bossen en het verlies van de biodiversiteit tegengaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Anne Isler Béguin (Verts/ALE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, het behoud van biologische diversiteit is een boeiend onderwerp. Mijn fractie, de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie, is zeer te spreken over de resolutie die met een enorme meerderheid is aangenomen door het Europees Parlement en over het feit dat het Parlement drie jaar na Kuala Lumpur een delegatie afvaardigt naar de achtste Vergadering over biologische diversiteit die zich sterk zal maken voor het behoud van de biodiversiteit. Met dit vooruitzicht, dames en heren, wil ik u herinneren aan enkele basisprincipes die we binnen dit Parlement te vaak uit het oog verliezen.

Voedselveiligheid hangt af van drie factoren: water, bodem en fytogenetische diversiteit, en slechts twaalf gewassen, waaronder graan, rijst, maïs en aardappelen, leveren nagenoeg tachtig procent van de energiebehoeften van de wereldbevolking. De verleiding is dan ook groot voor de industrie om het monopolie op zaaigoed te verwerven door technologieën toe te passen die voortkomen uit de biotechnologie.

Wij vragen de Raad van de Europese Unie, die aanwezig zal zijn bij de vergadering, derhalve om het huidige moratorium op experimenten met en handel in genetisch gemodificeerde soorten te steunen teneinde het gebruik ervan te beperken. In gewonemensentaal, geachte collega’s: Terminator mag niet terugkeren in de gedaante van een of andere biotechnologische innovatie.

Opdat soorten die voortkomen uit biotechnologie onze ecosystemen zo min in de war schoppen, dient biologische diversiteit daarnaast te worden beschermd door protocollen die onderzoekers verplichten hun experimenten in een gesloten omgeving uit te voeren.

Tot slot mogen we niet vergeten dat de strijd tegen het afkalven van de biodiversiteit uitgaat van behoud. Het gaat er uiteraard niet om biologische diversiteit weg te stoppen in reageerbuisjes, maar wel om inheemse gemeenschappen, die we daarmee ook nog steunen, in staat te stellen gebruik te maken van hun traditionele expertise en suprematie over genetische hulpbronnen.

We moeten tot slot erkennen dat geld ook hier de zenuw van de oorlog vormt. Ik vraag u dan ook om het Wereldmilieufonds te steunen. We weten namelijk maar al te goed dat de biodiversiteit niet kan worden behouden als de Europese Unie geen geld uittrekt voor Natura 2000. Als we geen geld vrijmaken voor het Wereldmilieufonds zal het behoud van de natuur eens te meer slechts een aaneenschakeling zijn van tijdens plenaire vergaderingen gesproken mooie woorden.

 

12. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
  

(De vergadering wordt om 13.10 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: MARIO MAURO
Ondervoorzitter

 

13. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

14. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen

15. Communautair actieprogramma op het gebied van de consumentenbescherming (2007-2013) (voortzetting van het debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vervolg van het debat over het verslag van Marianne Thyssen over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming (2007-2013) – Consumentenaspecten.

 
  
MPphoto
 
 

  Béatrice Patrie, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, geachte collega’s, ik wil allereerst mevrouw Thyssen bedanken voor haar verslag en voor haar coöperatieve instelling.

Ofschoon het unaniem is aangenomen binnen de bevoegde parlementaire commissie, heeft de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement een debat aangevraagd over het verslag. Terwijl alle fracties te goeder trouw overeenkomen de hoogste politieke prioriteit toe te kennen aan het beschermen van de consument, constateer ik dat er nochtans verschillen van inzicht blijven over de te volgen koers. Aangezien de haalbaarheid van dit programma afhangt van de uitkomst van de onderhandelingen over de financiële vooruitzichten wil ik graag de aandacht vestigen op een aantal waarden die voor de sociaal-democratische fractie fundamenteel zijn.

Allereerst zijn wij voorstander van twee aparte actieprogramma’s, een voor de volksgezondheid en een voor de consumentenbescherming. Daarnaast, wat de horizontale doelstellingen van het programma betreft, is de sociaal-democratische fractie van mening dat de klachtenmechanismen, voor zowel individuen als groepen, die in bepaalde lidstaten voorhanden zijn, beslist in het belang van de consument zijn. Dat is de reden dat we amendement 55 hebben ingediend.

Wat de specifieke maatregelen van het programma betreft, wil ik het belang benadrukken van de volgende acties: het ontwikkelen van wetenschappelijke instrumenten om na te gaan in hoeverre de consument wordt blootgesteld aan chemische stoffen die worden vrijgemaakt door de producten; het opstellen van een inventaris, een soort vademecum, van in de lidstaten bestaande wetten, regels en praktijken op het gebied van consumentenbescherming evenals een beoordeling van de tenuitvoerlegging op nationaal niveau van de communautaire wetgeving; uitwisselingen tussen nationale en regionale consumentenorganisaties teneinde de overheid te helpen op Europees niveau wetten op te stellen die gebruikers van diensten van algemeen economisch belang beschermen, en dat is de bedoeling van amendement 58.

Ten derde, wat de wettelijke maatregelen betreft die dit programma zullen ondersteunen, zou ik met name commissaris Kyprianou willen vragen naar de politieke en wettelijke maatregelen die hij ons in het najaar zou voorleggen en die specifiek bedoeld zijn ter ondersteuning van dit programma. De lijnen waarlangs het debat zich ontwikkelt, zijn bekend. Hoe moet Europa zich in dezen opstellen? Moeten we voorrang geven aan de Europese wetgeving of juist kiezen voor zelfregulering door de economische actoren? Hoe kunnen we het Europees recht op het gebied van consumentenbescherming, dat nog in de kinderschoenen staat, afstemmen op nationale wetten, die ouder zijn en de burger in sommige lidstaten meer bescherming bieden?

Terwijl de mobiliteit van onze medeburgers toeneemt, ben ik persoonlijk van mening dat het de rol van de Europese autoriteiten is om de consumenten zo goed mogelijk te beschermen. Ik ben zeker niet tegen de voorstellen voor zelfregulering, maar deze moeten worden toevertrouwd aan de economische actoren zelf en tot doel hebben de wettelijke minimumnormen aan te scherpen.

Tot slot zullen we uiterst behoedzaam te werk moeten gaan in twee kwesties die samenhangen met het debat van vandaag. De eerste heeft betrekking op de gesprekken over het gemeenschappelijk referentiekader betreffende Europees contractenrecht en de tweede betreft de uitbreiding van normalisatieprocedures in de dienstensector, met inbegrip van de diensten waarvoor collectieve preferenties gelden, zoals sociale woningbouw.

Dat zijn de opmerkingen die ik namens de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement wilde maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Cecilia Malmström, namens de ALDE-Fractie. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, omdat we vanochtend zoveel te doen hadden, is dit debat nogal verschoven, en het is ongelukkig dat de rapporteur en vele anderen die zich met deze kwestie hebben beziggehouden, hier niet kunnen zijn, maar het zij zo. Ik kreeg plotseling heel veel spreektijd van mijn fractie en ik heb de laatste vijf minuten afgewezen, ook al kreeg ik het aanbod om een lied te zingen. Maar dat zal ik niet doen.

De interne markt heeft miljoenen banen gecreëerd en meer welvaart opgeleverd, grenzen verwijderd en deuren geopend. We kunnen overal wonen, reizen, studeren en werken. De consumenten hebben toegang gekregen tot een grote hoeveelheid nieuwe producten. Daarom moeten we verder gaan en ook een interne markt voor consumenten scheppen. Dat betekent gemeenschappelijke regelgeving en een hoge consumentenbescherming in de hele EU. Naarmate de grenshandel toeneemt, neemt ook de handel op individueel niveau toe. Dus moeten mensen weten wat voor producten ze kopen, wat ze moeten doen als er iets mis mee is, hoe ze een klacht kunnen indienen en wat er voor regels zijn. Hoe weten ze dat dit product echt doet wat het belooft? Wat voor service- en garantiemogelijkheden zijn er en hoe kunnen eventuele geschillen worden opgelost?

Op dat gebied moeten er garanties zijn, willen we het vertrouwen van de burgers terugwinnen, want dit zijn dagelijkse kwesties, die betrekking hebben op de dagelijkse situatie van de consumenten, en daar moeten wij op EU-niveau iets aan doen. Daarom is het werkelijk uitstekend dat de Commissie dit voorstel over een meerjarenprogramma voor consumentenbescherming heeft gepresenteerd.

De liberale fractie is het echter niet eens met de Commissie inzake de noodzaak om consumentenbescherming en volksgezondheid te combineren. Wij delen het standpunt van de rapporteur dat deze gescheiden moeten blijven. Het zijn twee aparte politieke gebieden die om verschillende benaderingen vragen, al zijn er natuurlijk raakpunten. Men moet deze twee gebieden gescheiden houden. Wij willen ook geen aparte autoriteit of apart bureau in dezen.

Andere belangrijke kwesties die tot onze vreugde in het voorstel zijn opgenomen zijn het standpunt dat het consumentenbeleid moet worden geïntegreerd in alle beleid, dat het belangrijk is om samen te werken met de bestaande consumentenorganisaties in onze lidstaten en dat de staten die nog niet zo ver zijn gekomen op het gebied van consumentenbescherming extra steun en aandacht kunnen krijgen. Ik ben zeer blij dat we het daarover eens hebben kunnen worden en dat hierover brede overeenstemming tussen de fracties bestaat. Ik wil mevrouw Thyssen bedanken – hopelijk leest zij de notulen – voor de ruimdenkendheid en de wil tot samenwerking die zij heeft betoond. Wij zijn ambitieus op het gebied van consumentenvraagstukken, zowel wat betreft samenwerking als wat betreft evaluatie en informatie. Daarvoor moet natuurlijk een fatsoenlijke begroting beschikbaar zijn.

Ik hoop dat er ook in de toekomst een goede samenwerking zal blijven bestaan op het gebied van de consumentenprogramma’s die de Commissie deze herfst zal presenteren. Misschien hadden we andersom te werk moeten gaan, dat wil zeggen eerst de grote politieke richtsnoeren moeten behandelen en pas daarna dit programma, maar daar is nu niets meer aan te doen. Wij steunen deze voorstellen en zullen met een grote meerderheid – of eenstemmigheid, geloof ik zelfs – voor het verslag stemmen tijdens de volgende vergaderperiode.

 
  
MPphoto
 
 

  Gerard Batten, namens de IND/DEM-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Unie is voornemens om zowel gouvernementele als niet-gouvernementele consumentenorganisaties financieel te steunen met een bedrag van 1,2 miljard euro zodat zij in overeenstemming kunnen functioneren met de bestaande en toekomstige wetgeving. Zoals bij zoveel dingen die door dit Parlement worden voorgesteld, is het eigenlijk onmogelijk om het niet met de strekking van het voorstel eens te zijn. Wie kan er immers tegen betere en efficiëntere maatregelen voor consumentenbescherming zijn als die maatregelen in de praktijk nodig blijken?

In Engeland beschikken wij al vele jaren over een zeer verregaande wetgeving op het gebied van de consumentenbescherming. Het is logisch dat Europese landen van de ervaringen van elkaar en van niet-Europese landen leren en die internationale beste praktijken overnemen die het meest geschikt zijn voor de eigen, nationale situatie.

Zoals te verwachten, wordt er in dit verslag echter over uniformiteit, integratie en harmonisatie gesproken. De doelstelling van dit verslag is niet het vaststellen van wetgeving – dat is op zich een positief punt – maar het uitbreiden van de bevoegdheden en de heerschappij van de Europese Unie. Dat geldt trouwens voor alle dingen die in dit Parlement naar voren worden gebracht. De bevoegdheden die door dit voorstel aan de wet- en regelgeving van de Europese Unie, het acquis communautaire, worden toegevoegd, zullen nooit meer teruggegeven worden aan de afzonderlijke lidstaten.

Er is ook sprake van een aantal verontrustende implicaties als gevolg van de voorstellen dat er voor bepaalde segmenten van de bevolking ook consumptiepatronen in kaart moeten worden gebracht. Door het verzamelen van dergelijke informatie zou de privacy van burgers in het geding kunnen komen. Dergelijke praktijken worden in Engeland al door particuliere detailhandelsorganisaties gebruikt via bijvoorbeeld “loyalty cards”. De consumenten hebben daarbij echter wel nog de keuze of zij al dan niet aan dergelijke acties willen deelnemen doordat zij zelf kunnen bepalen waar en hoe zij hun inkopen doen.

Het op deze manier verzamelen van informatie over burgers mag niet door de overheid gebeuren en zeker niet in naam van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański, namens de UEN-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, het communautair actieprogramma voor gezondheid en consumentenbescherming voor de periode 2007-2013 geeft aan hoe de Europese Unie, op basis van het Verdrag, de gezondheidsbescherming en het consumentenvertrouwen wil verbeteren.

De gemeenschappelijke strategie voor consumentenbescherming in de Europese Unie bestaat uit een reeks maatregelen, zoals bijvoorbeeld het beter begrijpen van consumenten en markten, het verbeteren van de wettelijke voorschriften aangaande consumentenbescherming, het verbeteren van het toezicht op de naleving van de regels, het verbeteren van de afhandeling van klachten, en een betere voorlichting van de consument.

Het probleem ligt echter op een ander vlak. De voedselveiligheidssituatie in Europa verslechtert. Op de interne markt zijn steeds meer genetisch gemodificeerde levensmiddelen te vinden waar niemand op zit te wachten en die potentieel schadelijk zijn voor de volksgezondheid en het milieu. De maatschappij voelt zich bedreigd door de GGO’s. Dit komt tot uiting in talrijke protesten, in de opkomende maatschappelijke beweging tegen GGO’s en in de regels die door lagere overheden worden uitgevaardigd. Een tweede gevaar, buiten de oprukkende genetisch gemodificeerde levensmiddelen, is de concentratie in de landbouw die boerengezinnen die gezonde landbouwproducten leveren, uit de markt drukt. Het toenemend gebruik van bestrijdingsmiddelen en kunstmest in de landbouw, de bodem-, water- en luchtverontreiniging en de daarmee gepaard gaande verontreiniging van levensmiddelen doet de mens geen goed. Het is dan ook de hoogste tijd dat het welzijn en de gezondheid van de mens op de eerste plaats komen en dat de mens het wint van het kapitaal.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, anders dan men in het bedrijfsleven veelal denkt, heeft consumentenbescherming echt niets met protectionisme te maken. In tegendeel, de economie kan niet bloeien zonder het vertrouwen van de consument en de klant is ook mondiger dan de multinationals en de EU vaak denken.

De opstelling van de Commissie op dit terrein is opvallend inconsistent. Enerzijds formuleert zij, bijvoorbeeld met het Groenboek “Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging”, gecoördineerd beleid, anderzijds ondergraaft zij met de dienstenrichtlijn de consumentenbescherming. Zo maakt die richtlijn de tot nu toe verboden, storende telefoonreclame opeens legaal in de gevallen dat die niet uitgaat van een binnenlands callcenter. Vervolgens maakt de Commissie zich zorgen over de schuldenlast van Europese burgers en probeert zij zelfs geringe saldotekorten te ontmoedigen door het opwerpen van grote administratieve hindernissen. En dat terwijl rood staan een gevolg is van onze consumptiemaatschappij en van de gewoonte om op de pof te leven, een gewoonte die de mensen zo af kunnen kijken van het begrotingsbeleid in veel van de lidstaten.

Zoals het recente schandaal rond bedorven vlees in Duitsland maar weer bewijst, staan er tegenover de zwarte schapen in de levensmiddelenbranche te weinig controleurs. Ook in de branches elektrische apparatuur en speelgoed is het aantal gevaarlijke producten bijna verdubbeld. Het beste antwoord hierop, doeltreffender dan de hoogste boete, zou bekendmaking van de betrokken firmanamen zijn. Dan hadden we waarschijnlijk pas echte consumentenbescherming.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) Dames en heren, sta mij toe om allereerst mevrouw Thyssen te bedanken voor de energie die zij in dit verslag heeft gestoken. Het opstellen ervan was namelijk geen eenvoudige opgave. Ik ben het volledig met het standpunt van de rapporteur eens dat het actieprogramma op het gebied van de consumentenbescherming niet geïntegreerd kan worden in het programma voor de bescherming van de volksgezondheid. Door het opsplitsen van deze twee programma’s zullen de daarmee samenhangende beleidsmaatregelen, die van groot belang zijn voor onze burgers, aan betekenis winnen. Ondanks het feit dat niet alleen de “oude” Europese Unie, maar ook de nieuwe lidstaten tegenwoordig meer aandacht aan consumentenzaken besteden, mogen wij nog niet tevreden zijn met de huidige situatie.

Het bevorderen van de consumentenbescherming dient met name te gebeuren door de consumentenorganisaties financieel te ondersteunen, vooral in de nieuwe lidstaten. De huidige financiële ondersteuning is ontoereikend, om niet te zeggen zorgwekkend. In Slowakije bedragen de subsidies bijvoorbeeld slechts 10 procent van de vergelijkbare steun in de buurlanden. De toegezegde steun wordt meestal met vertraging uitgekeerd en op de toch al lage subsidies wordt zeer vaak bezuinigd waardoor het voortbestaan en de creativiteit van de consumentenorganisaties wordt bedreigd. Ik ben ervan overtuigd dat een gecombineerd actieprogramma deze negatieve consequenties alleen maar zou vergroten.

Consumenten zijn het fundament van een markteconomie. Het leven van consumenten wordt echter steeds moeilijker, met name na de uitbreiding van de EU. Allerlei kwesties – variërend van de veiligheid van producten die zij kopen en het vertrouwen dat zij in detailhandelaren hebben, tot internetwinkelen en reclame – zijn direct van invloed op het consumentengedrag van de 450 miljoen burgers van Europa. Aangezien veel van deze kwesties een grensoverschrijdend karakter hebben, dienen er uitgebreide en preventieve voorlichtingscampagnes georganiseerd te worden om het zelfvertrouwen op te bouwen dat nodig is om te voorkomen dat wij een speelbal van de grote bedrijven worden. Dit moet toch voor de Commissie voldoende aanleiding zijn om voor het beleid op het gebied van de consumentenbescherming een apart actieprogramma met voldoende financiële middelen aan te nemen.

Het communautaire actieprogramma voor consumentenbescherming voor de periode van 2007 tot 2013 vormt een belangrijk kader voor het creëren van een balans op de interne markt, waardoor niet alleen ingespeeld kan worden op de behoeften en eisen van consumenten, maar ook een evenwichtige en adequate verhouding tot stand wordt gebracht tussen consumenten en bedrijven. De onafhankelijke Europese organisaties die de voorlichting verzorgen voor de Europese consumenten van morgen, hebben dringend behoefte aan ingrijpende veranderingen en voldoende financiële ondersteuning. Zij verwachten van de Europese Unie niet alleen een duidelijke visie en regelgeving, maar ook dat zij de bureaucratische en administratieve belemmeringen uit de weg ruimt.

Daarbij dient echter wel speciale aandacht aan de ondersteuning van de nieuwe lidstaten en toetredingslanden te worden gegeven. De datum voor het debat over dit verslag is symbolisch, aangezien 15 maart de Internationale Dag van de Consumentenrechten is. Door dit verslag aan te nemen, geeft het Europees Parlement een signaal dat wij het creëren van een fatsoenlijke en rechtvaardige samenleving voor consumenten in Europa als een van onze prioriteiten beschouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Evelyne Gebhardt (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, zoals vele of eigenlijk bijna alle sprekers voor mij wil ook ik benadrukken dat het niet zinvol is consumentenbescherming en gezondheidsbeleid in hetzelfde actieprogramma onder te brengen. Daarvoor zijn twee afzonderlijke actieprogramma’s nodig, want onder de vele kwesties waar we het hier over hebben, zijn er veel die sterk van elkaar verschillen.

Voor de consumentenbescherming is het van groot belang – en daarom vraag ik u daar in de motie van het Parlement, die hopelijk in zijn huidige vorm aangenomen wordt, nauwkeurig op toe te zien – dat we juist de consumentenorganisaties goed ondersteunen. We hebben vastgesteld dat er vooral in de nieuwe lidstaten op dit punt nog een achterstand is en we moeten ervoor zorgen dat de consumenten daar een zo hoog mogelijk gemeenschappelijk niveau van bescherming krijgen, net als wij hier (waarmee niet gezegd is dat we hier altijd de beste zijn en dat er hier geen achterstanden weggewerkt zouden hoeven worden). Hier is ons zeer veel aan gelegen.

Daarvoor moeten we de consumentenorganisaties wel in staat stellen effectief op te treden ten dienste van de burgers. Consumentenbescherming is namelijk wat de burgers ook willen en dat hebben ze ons steeds weer gezegd. Wij willen een Europa waarin de burgers, de mensen, in het middelpunt staan, een Europa waarin hun rechten op bescherming gewaarborgd zijn. Om die reden is het voor mijn fractie van groot belang dat er een geharmoniseerde consumentenbeschermingswetgeving voor diensten van algemeen economisch belang komt.

Waar is het immers belangrijker dan bij het drinkwater, de post, bij gas of stroom en op aanverwante gebieden om een minimum aan harmonisatie te garanderen, zodat een hoge graad van rechtsbescherming ontstaat ten aanzien van toegankelijkheid, veiligheid, betrouwbaarheid, prijs, kwaliteit en keuzemogelijkheden en de consument optimaal beschermd wordt? Want dat zijn de dingen die onze burgers echt aangaan, die ze nodig hebben, waar ze om vragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Jerzy Bielan (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, door internationale samenwerking op het gebied van consumentenbescherming kunnen we ons beter weren tegen risico’s en kunnen de burgers met meer kennis van zaken beslissingen nemen. Meer veiligheid en meer vertrouwen in de producten op de markt brengt ook een hogere levenskwaliteit voor de burgers van de Europese Unie met zich mee. Daarom is het zaak de communautaire netwerken die de consumenten voorzien van de nodige informatie en ondersteuning in de vorm van rechtsbijstand, bemiddeling of andere vormen van geschillenbeslechting, verder uit te bouwen. Het Solvit-systeem is in dit opzicht van wezenlijk belang omdat het een bestaand systeem is dat de consumenten nu al ten dienste staat. Het is ook belangrijk om vertrouwen in de producten te creëren door de strijd tegen namaakgoederen op te voeren. Deze praktijken moeten gelijkgesteld worden aan ordinaire diefstal van een merk of kenmerk van een product. Er zou hierbij met name aandacht moeten worden geschonken aan een betere voorlichting van de consument over de gezondheids- en veiligheidsrisico’s die vastzitten aan het gebruik van namaakartikelen zoals geneesmiddelen of cosmetica.

Het consumentenbeschermingsbeleid moet ook via consumentenorganisaties lopen. Deze zijn in de meeste lidstaten actief, hoewel het echter vooral in de nieuwe landen van de Unie vaak zo is dat hun werkingsmiddelen en mogelijkheden tot actievoeren beperkt zijn. Het staat buiten kijf dat dit soort organisaties extra middelen moet krijgen. Er hangt een prijskaartje aan consumentenbescherming, maar wij moeten bereid zijn de prijs te betalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edit Herczog (PSE). (HU) Mijnheer de Voorzitter, ik sluit mij aan bij de argumenten van de rapporteur en van de Conferentie van voorzitters om de taken op het gebied van de bescherming van de volksgezondheid en de consumentenbescherming op te splitsen. Ik ben dan ook voorstander van een dergelijke opsplitsing.

Sta mij toe om hier nog een argument aan toe te voegen. Zowel in de nieuwe als in de oude lidstaten wordt de consumentenbescherming met zeer specifieke uitdagingen geconfronteerd die volledig verschillend zijn van die op het gebied van de volksgezondheid. Die uitdagingen moeten op beide gebieden dan ook zo onafhankelijk mogelijk van elkaar worden aangepakt.

Vroeger had de consumentenbescherming alleen maar betrekking op producten, met name op levensmiddelen en artikelen voor huishoudelijk gebruik. In het afgelopen decennium is die situatie echter ingrijpend gewijzigd. Enerzijds dient die consumentenbescherming zich ook, parallel aan de marktintegratie, tot diensten uit te strekken. Anderzijds moet die bescherming aangepast worden aan de herstructurering van de markt die veroorzaakt wordt door de snelle ontwikkeling en uitbreiding van informatietechnologieën.

Vandaag de dag is het bijvoorbeeld voor een Franse consument die zich in een Belgische woning bevindt, mogelijk om via een sms-bericht een lening bij een Nederlandse bank af te sluiten. Vervolgens kan diezelfde consument met een paar keer muisklikken een Zweeds elektronisch product bij een Litouwse internetwinkel kopen dat door een Britse dienstverlener thuis wordt bezorgd. Dergelijke situaties zijn tegenwoordig aan de orde van de dag en zijn een normaal uitvloeisel van de dagelijkse werking van onze interne markt.

En toch is het binnen de huidige wettelijke kaders niet alleen moeilijk om te bepalen welke regelgeving van welk land op welk moment voor de consumentenbescherming geldt, maar is het met name voor consumenten ook moeilijk om vast te stellen welke bevoegdheden de verschillende autoriteiten hebben. Gezien de integratie van de dienstenmarkt en de onomkeerbare groei van on-lineaankopen dient het toekomstige Europees agentschap voor consumentenbescherming naast de traditionele taak van de consumentenbescherming ook andere taken te krijgen die van essentieel belang zijn, zoals taken op het gebied van onderzoek, analyse en planning.

Net als het bedrijfsleven hebben ook ons juridisch stelsel en onze toezichthoudende instellingen behoefte aan innovaties. De kaders die de bescherming van de Europese consument in de 21e eeuw moeten waarborgen, dienen dan ook over voldoende flexibiliteit te beschikken om zich aan te passen aan de onmetelijke variatie van potentiële praktijksituaties. Om dit te bewerkstelligen, hebben wij onafhankelijke middelen en uitstekende en veelzijdige specialisten nodig. Ik ben ervan overtuigd dat het belang van alle 450 miljoen Europese consumenten gediend is met een agentschap voor consumentenbescherming dat als een onafhankelijke maatstaf functioneert. Ik verzoek de Commissie dan ook om hiervoor zorg te dragen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Neemt u mij niet kwalijk, maar ik zou een voorstel willen doen aan onze collega’s uit de nieuwe lidstaten die gewend zijn hun toespraak in het Parlement voor te lezen. Wanneer de toespraak te snel wordt voorgedragen brengt dat de vertaling in gevaar en is het onmogelijk de toespraak zelf te begrijpen. Ik stel daarom voor om nu en dan een zin over te slaan, zolang de toespraak maar op een haalbare snelheid voor de tolken wordt voorgelezen, of om eerst uw toespraak aan de tolken over te dragen zodat ze uw tempo beter kunnen bijhouden. Op die manier kunnen we onze Parlementaire werkzaamheden beter volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE).(PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou willen protesteren tegen de beschuldiging dat “collega’s uit de nieuwe lidstaten” te snel lezen. Als een afgevaardigde te snel leest, dan leest hij gewoon te snel, los van de vraag waar hij vandaan komt, uit een nieuwe of een oude lidstaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Markos Kyprianou, lid van de Commissie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zal kort ingaan op de kwesties die door de afgevaardigden aan de orde zijn gesteld. Ik wil hen ook bedanken voor het zeer interessante debat dat wij hebben gevoerd. Wij hebben nu het voordeel dat wij dit debat in twee delen kunnen opsplitsen, maar dat neemt niet weg dat de kwesties die vandaag aan de orde zijn gesteld zeer interessant waren.

Ik weet dat ik de neiging heb om in herhaling te vallen, maar bij veel van de genoemde kwesties zullen financiële aspecten een rol spelen. Dingen als de ondersteuning van consumentenorganisaties of de verhoging van die steun en zelfs actievere of intensievere initiatieven in de nieuwe lidstaten zullen beïnvloed worden door de uitkomst van de discussie over de financiële vooruitzichten. Met name wat de nieuwe lidstaten betreft, vind ik ook dat daar prioriteit aan gegeven moet worden. Dat hoeft niet zozeer tot uiting te komen in een nieuwe strategie – dat is in de ochtendzitting al nader toegelicht – maar wel in het geven van prioriteit aan en het nadruk leggen op de jongste lidstaten. Dat geldt zeker voor die nieuwe lidstaten waar de consumentenbescherming niet zo vanzelfsprekend is als in andere lidstaten. In de nabije toekomst zult u kunnen constateren dat deze opvatting ook weerspiegeld wordt in de consumentenstrategie waarin een en ander nader zal zijn uitgewerkt. U zult dan eveneens kunnen constateren op welke wijze die nadruk op de nieuwe lidstaten in praktijk wordt gebracht, met name wat de opleiding en training van consumentenorganisaties betreft en op die gebieden waar wij de mentaliteit qua consumentenbescherming zouden kunnen verbeteren.

Met betrekking tot de kwetsbare groeperingen deel ik de mening dat bepaalde groepen consumenten meer bescherming nodig hebben. Ook wat dat aangaat, ben ik er echter niet van overtuigd dat het opnemen van bepaalde groepen of specifieke voorzieningen in het programma hiervoor de beste oplossing is. Desalniettemin moeten wij bij specifieke acties en bij specifieke initiatieven en wetgeving rekening houden met de speciale behoeften van kwetsbare groepen zoals kinderen. Ik wijs in dit verband op de relatief recente richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken die wij gezamenlijk hebben vastgesteld en waarbij ook rekening wordt gehouden met kwetsbare consumentengroepen.

Er schijnt overigens een misverstand te bestaan over het agentschap. Ik zie dat de heer Stubb vanmiddag niet aanwezig is, maar in het voorstel voor een agentschap is er geen sprake van dat dit agentschap zich met beleidsvorming of met initiatieven op het gebied van de consumentenbescherming gaat bezighouden. Het gaat om een uitvoerend agentschap, een soort beheerorgaan, dat verantwoordelijk is voor de administratie en voor alle andere praktische aspecten die niets met beleid te maken hebben. In feite zal dat agentschap op basis van een praktijkgericht administratief beheer functioneren waardoor de middelen vrijkomen die de Commissie gereserveerd heeft voor het bevorderen en voorstellen van beleidsmaatregelen. Wij beschikken al over een agentschap voor het gezondheidsprogramma en dat functioneert heel goed omdat er nu een beter gebruik van de middelen wordt gemaakt. Iets soortgelijks stellen wij ook voor de consumentenbescherming voor. Er is dus geen sprake van een afzonderlijk agentschap of een aparte instelling zoals dat vandaag door de woordvoeder van de betreffende fractie is beschreven.

Ik heb vanochtend al een paar opmerkingen over de opsplitsing gemaakt. Ik heb begrip voor het standpunt van het Parlement. Voordat wij een definitieve beslissing hierover kunnen nemen, moeten wij echter eerst het resultaat van de discussie over de financiële vooruitzichten afwachten. Op dit moment verschillen wij dus van mening: wij vinden nog steeds dat een gecombineerd programma – waarbij uiteraard aandacht besteed wordt aan de specifieke behoeften en financiële voorzieningen op beide gebieden – voordelen met zich meebrengt. Desalniettemin zullen wij deze kwestie opnieuw in overweging nemen op het moment dat wij een duidelijk beeld hebben van de beschikbare financiële middelen.

Tot slot heb ik ook nota genomen van de opmerkingen over de diensten. Wij financieren thans ook al programma’s voor consumenten met betrekking tot die diensten. Eén aspect dat wij bij de consumentenbescherming in het algemeen niet uit het oog mogen verliezen, betreft de voordelen die aan die consumentenbescherming verbonden zijn. Daarbij doel ik niet alleen op de bescherming van de burgers, maar ook op de voordelen die een groter consumentenvertrouwen met zich meebrengt voor de interne markt en de economische groei, waardoor uiteraard ook het concurrentievermogen van de Europese economie zal toenemen.

Sta mij toe om de rapporteur en de leden van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid nogmaals te bedanken voor hun brede steun voor dit programma. Ik zie ernaar uit om in de komende periode met hen samen te werken aan het verbeteren van de consumentenbescherming.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt op 23 maart 2006 plaats.

 

16. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (artikel 115 van het Reglement)

16.1. Mensenrechten in Moldavië en met name in Transnistrië (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het debat over zes ontwerpresoluties over mensenrechten in Moldavië en met name in Transnistrië(1).

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE), auteur.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ondanks internationaal protest bestaat Transnistrië nog steeds. Twaalf jaar geleden heeft Transnistrië zich met steun van Rusland na een gewapend conflict illegaal onafhankelijk van de republiek Moldavië verklaard. Ook de diepgewortelde corruptie binnen het ondemocratische autoritaire regime is nog niet verdwenen. De situatie is zeer zorgwekkend, niet alleen vanwege de schending van de mensenrechten in deze regio, maar ook omdat Transnistrië een bron van instabiliteit en conflicten tussen Moldavië en Oekraïne blijft. Een grenscrisis zou gemakkelijk kunnen escaleren met alle onvoorspelbare gevolgen van dien.

Het is van het grootste belang dat alle partijen die direct bij het conflict omtrent Transnistrië betrokken zijn – Moldavië, de Transnistrische regio in Moldavië, Oekraïne en Rusland – hun goede wil tonen, gezond verstand aan den dag leggen en streven naar vrede en hervorming. Alle partijen moeten afzien van elke actie die tot een verslechtering van de toch al verhitte situatie kan leiden. Zij dienen onverwijld eerlijke onderhandelingen in gang te zetten om op korte termijn een vreedzame oplossing tot stand te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE), auteur. (PL) Mijnheer de Voorzitter, de politieke situatie in Moldavië is een voorbeeld van de kloof die er soms gaapt tussen politieke verklaringen enerzijds en hun praktische uitvoerbaarheid of de bereidheid om de daad bij het woord te voegen anderzijds.

In 1999 heeft Rusland zich ertoe verbonden zijn troepen die op het grondgebied van Moldavië in Transnistrië gelegerd zijn, voor eind 2002 terug te trekken. Tot dusver heeft Rusland echter nog niet laten zien dat het de soevereiniteit en de grondwettelijk vastgelegde territoriale integriteit van dit land erkent door zijn troepen terug te trekken. Transnistrië is een van de meest geïndustrialiseerde gebieden van Moldavië. Het voortbestaan van een zelfbenoemde politieke entiteit staat het normaliseren van de economische situatie van dit land enorm in de weg en maakt ook een goede voorbereiding op eventuele gesprekken met de Europese Unie over toetreding of zelfs maar een associatieovereenkomst onmogelijk.

Het Russische beleid is erop gericht om met alle mogelijke middelen de status van grootmacht in Midden- en Oost-Europa, in hun ogen hun natuurlijke invloedssfeer, te handhaven. Het regime in Transnistrië dat in het zadel wordt gehouden door het voormalige Rode Leger, is een levend voorbeeld van hoe mensen, burgers en hun rechten vertrapt kunnen worden. De corrupte legereenheden houden zich op grote schaal bezig met illegale wapenhandel en zijn in tal van andere duistere zaakjes verwikkeld. De beloften van de Russische regering over de terugtrekking van het leger zijn eens te meer een staaltje van politiek opportunisme gebleken, zonder enig blijk van respect voor de politieke partners, waaronder ook de lidstaten van de Europese Unie. Dit is een truc om de publieke opinie in slaap te sussen.

Ik zou de vraag willen stellen hoe wij het Europese defensiebeleid vorm denken te geven als we er niet eens in slagen onze partners te dwingen zulke duidelijke verplichtingen in verband met gebieden die zo dicht bij de Unie liggen, na te komen? Een zo dringende kwestie als deze, die ook nog eens van wezenlijk belang is voor onze eigen veiligheid, is toch de gelegenheid bij uitstek om het politiek gewicht van de 25 lidstaten in de strijd te werpen.

Als we het defensiebeleid niet bij loze woorden willen laten, moeten we in concrete gevallen zoals hier, opgewassen zijn tegen onze taak en onze bereidwilligheid tonen om elke partner, hoe sterk hij ook is, te dwingen bepaalde verplichtingen na te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL), auteur. – Voorzitter, de uiteenlopende politieke krachten in Moldavië willen graag aansluiting bij de Europese Unie. Toch is dat land geen kandidaat-lid en het ziet er niet naar uit dat dit spoedig zal veranderen. Vandaag hebben we gestemd over de uitbreidingsstrategie zoals die werd voorgesteld in het verslag Brok. Als wij op grond daarvan de toegang voor nieuwkomers beperken, kan Moldavië straks alleen nog binnenkomen via een omweg. Dat is het model van de Duitse hereniging uit 1990.

Dit zou betekenen dat Moldavië mettertijd de eigen zelfstandigheid zou moeten opgeven om terug te keren in Roemenië, waarvan het in 1940 is afgescheiden. Zo'n oplossing was ook al onmiddellijk na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aan de orde, maar Roemenië bleek toen niet aantrekkelijk genoeg om het op korte termijn door te voeren.

Dat kan veranderen als het Roemeense lidmaatschap van de Europese Unie een groot succes wordt en Moldavië tot de conclusie komt dat het zich als buurland in een veel slechtere situatie bevindt. Maar zo'n hereniging heeft nooit de steun gehad van de Slavischtalige minderheid. Die minderheid is vooral geconcentreerd in het oosten en oriënteert zich veel sterker op de oude banden met Oekraïne en Rusland. Voor de feitelijke afscheiding van de oostrand, het langs de grens met Oekraïne gelegen langgerekte gebied Transnistrië, kan misschien pas echt een oplossing worden gevonden vanaf het moment dat ook Oekraïne toetreedt tot de Europese Unie. In de tussenliggende tijd – en die tijd kan lang duren – moet worden gestreefd naar vreedzame oplossingen, naar samenwerking en naar democratische veranderingen binnen het nu nog autoritair bestuurde Transnistrië.

Mijn fractie heeft in de eigen ontwerpresolutie daarop de nadruk gelegd. Wij betreuren het dat de gezamenlijke resolutie spreekt over het verzwakken van het bestuur van Transnistrië in plaats van over het hervormen ervan, voor het overige kunnen wij instemmen met de compromistekst. Enerzijds omdat die niet oproept tot geweld tegen Transnistrië, anderzijds omdat die resolutie ook niet probeert om Moldavië te isoleren als straf voor de sterke positie die de communistische partij in dat land van de kiezers heeft gekregen.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Schroedter (Verts/ALE), auteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik merk aan de betogen dat velen die zich met Oost-Europa bezighouden met hun gedachten bij de situatie in Wit-Rusland zijn, die met de dag verslechtert.

Aangezien mevrouw Ferrero-Waldner aanwezig is, wil ook ik er nogmaals op wijzen dat haar optreden tegenover het Parlement in deze aangelegenheid uiterst ongelukkig was en een forse schending van de grondrechten van de afgevaardigden betekent. Wij zijn op de hoogte van de briefwisseling met de heer Klich, maar dit kan zo niet! Ik volg het beleid ten aanzien van Wit-Rusland al twaalf jaar en kan slechts zeggen dat de Commissie zich in die periode nog nooit zo heeft opgesteld als mevrouw Ferrero-Waldner. Dit slechts als woord vooraf, omdat zij nu aanwezig is.

Het verschil met de Republiek Moldavië is dat die weliswaar door een communistische partij geregeerd wordt, maar wel geïnteresseerd is in een toenadering tot de EU en zich – dat is in elk geval mijn inschatting – als actieve partner voor het nabuurschapsbeleid aanbiedt. Het probleem ligt heel ergens anders: het ligt ten oosten van de rivier de Dnjestr. Hier zijn vijftien jaar na de ontbinding van de Sovjet-Unie nog altijd Russische troepen aanwezig, buiten het Russische grondgebied.

Dat is precies het probleem: de stationering van Russische troepen en de schending van de integriteit van de Republiek Moldavië, dat is het conflict waar we mee te maken hebben. Het is geen etnisch conflict. Daarom zijn de problemen in mijn ogen slechts op te lossen via een heel serieus gesprek tussen de EU en Rusland, waarin een ultimatum voor de volledige terugtrekking van Russische troepen gesteld wordt. Dat is ook in het belang van Europa, want alleen zo kan de grens volledig gecontroleerd worden. Het regime dat op deze troepen in Transnistrië steunt, kan dan namelijk in een democratisch onderdeel van Moldavië veranderen.

De armoede in het land heeft duidelijk de vrouwenhandel in de hand gewerkt en dat is nog een reden waarom het ook onder het nabuurschapsbeleid ten aanzien van Moldavië moet komen te vallen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE), auteur. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de dictatuur van de zelfbenoemde machthebbers in Transnistrië die wordt gekenmerkt door een enorme repressie en ideologische achterlijkheid, wekt grote ongerustheid in Europa.

Terwijl Moldavië al belangrijke stappen heeft gezet in de richting van democratisering en het respect voor de burgerrechten, blijft Transnistrië fundamentele mensenrechten schenden. Gewelddadige arrestaties, onmenselijke omstandigheden in de gevangenissen, geen recht op vrije meningsuiting, geen vrijheid van vergadering en vereniging; zo ziet de dagelijkse werkelijkheid in deze regio eruit. Dit is onaanvaardbaar in het Europa van vandaag. De resoluties van de internationale gemeenschap over Transnistrië zijn duidelijk tot dovemansoren gericht. Er zijn al 18 maanden verstreken sinds het Internationaal Hof voor de Rechten van de Mens een uitspraak heeft gedaan in de zaak Ilascu en andere opposanten. Tot dusver is nog niemand van hen in vrijheid gesteld.

De terugtrekking van de Russische troepen uit de zelfuitgeroepen Republiek Transnistrië, zoals in 1999 door de OVSE-top in Istanbul is besloten, is een conditio sine qua non voor het oplossen van het conflict in Moldavië. Tot dusver houdt Moskou zich niet aan de door haar aangegane verbintenissen en wordt er nog steeds economische en politieke steun gegeven aan de lokale dictatuur en het repressieve regime.

Moldavië probeert inderdaad institutionele hervormingen door te voeren en de rechten van nationale minderheden – waaronder de Roemenen – te respecteren. Dit is niet alleen een goede zaak maar tevens een belangrijke stap in het uitbouwen van een democratische dialoog met de Europese Unie. Tegelijkertijd komt ons echter ter ore dat de corruptie en illegale handel in vrouwen en kinderen hand over hand toenemen. De Moldavische autoriteiten zouden hun inspanningen om een stabiele en onafhankelijke gerechtelijke macht en politiek pluralisme te creëren, voort moeten zetten. De Europese Unie zou van haar kant resolute maatregelen moeten nemen om het probleem met Transnistrië te regelen en een versterkte dialoog tussen de Europese Unie en Moldavië zou een oplossing van het al lang aanslepende conflict dichterbij kunnen brengen en daarmee de situatie in dit deel van Europa kunnen stabiliseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė, namens de PPE-DE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, sta mij toe om allereerst onze collega’s te bedanken die het initiatief hebben genomen voor dit zeer belangrijke debat en voor de ontwerpresolutie over de situatie in Moldavië in het algemeen en over Transnistrië in het bijzonder.

Het Transnistrië-conflict, waarin sinds 1992 geen beweging meer zit, werd onlangs beschreven als een frontlinie in de betrekkingen tussen de EU en Rusland. Na lange discussies en intensieve voorbereidingen heeft de EU uiteindelijk in december een nieuwe missie gestuurd: de EU-missie inzake grensbeheer Moldavië/Oekraïne. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de gezamenlijke actie van beide landen om het smokkelen en de zwarte handel in de regio te bestrijden.

Surpise, surprise! Door deze zeer evenwichtige maatregel zag Rusland zich gedwongen om zijn troepenmacht van 1 100 manschappen (de zogenaamde vredebewaarders) afgelopen week in staat van paraatheid te brengen. En het illegale regime in Transnistrië, dat door geen enkele democratie in de wereld wordt erkend, heeft nu de “5+2-onderhandelingen” afgebroken.

Wij moeten onze bezorgdheid tot uiting brengen over de situatie van de mensenrechten in Transnistrië omdat mensen in dat gebied geen recht hebben om democratische verkiezingen te organiseren. Daarnaast is het treiteren, onderdrukken en intimideren van onafhankelijke media, voorvechters van de mensenrechten, ngo’s en de oppositie tegen het regime dat zichzelf als zodanig heeft benoemd, aan de orde van de dag. Bovendien moeten wij onze steun laten blijken voor de autoriteiten in Moldavië en Oekraïne die zich inspannen om de situatie in de regio te stabiliseren en de corruptie en smokkelpraktijken en dergelijke te bestrijden.

Ik roep de Commissie en de Raad op om de autoriteiten in Moldavië te steunen bij het uitvoeren van het democratische hervormingsproces en om alle beschikbare diplomatieke middelen te gebruiken om het Transnistrië-conflict op te lossen.

 
  
MPphoto
 
 

  Józef Pinior, namens de PSE-Fractie. – (PL) Mevrouw de commissaris, de zogenaamde Moldavische Republiek Transnistrië, die een vijfde van het grondgebied – waar zich ook de meeste industrie bevindt – van het onafhankelijke Moldavië beslaat, wordt als staat erkend ondanks het protest van de internationale gemeenschap. Ik zou uw aandacht willen vragen voor de mensenrechtenschendingen, de beknotting van de persvrijheid en het populistisch-autoritaire systeem in Transnistrië dat de vlag van de voormalige sovjetrepubliek Moldavië gebruikt.

Niet-gouvernementele organisaties hebben het bijzonder moeilijk in Transnistrië. Het nieuwe politieke initiatief van president Igor Smirnov, de internationale jongerengroep Proryw, is geïnspireerd op de Russische Poetingezinde jeugdbeweging Nashi. Proryw is een extreem populistische organisatie die democratische hervormingen in Transnistrië moet tegenhouden. De ideologie van deze organisatie is gebaseerd op het sovjet-slavofiele gedachtegoed van het pro-Russische nationalisme. Proryw is gelieerd aan de Transnistrische afdeling van de Russische partij van Vladimir Zjirinovski en werkt nauw samen met de Russische Euraziatische beweging.

De Europese Unie moet zich meer verdiepen in de situatie in Transnistrië, vanuit het standpunt van de mensenrechten en de ontwikkeling van de democratie in dat deel van Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (NI).(PL) Mijnheer de Voorzitter, Wit-Rusland is vandaag al uitgebreid aan bod gekomen en ik wil het graag opnemen voor dit land.

Het klopt niet dat Wit-Rusland het minst democratische land van Europa is. Die twijfelachtige eer komt toe aan de zogenaamde Moldavische Republiek Transnistrië. Dit land wordt door niemand erkend, behalve door Rusland, een land dat mensenrechten en burgerrechten niet erkent. Politieke gevangenen en aanslagen op niet-gouvernementele organisaties, die door de pers worden omschreven als parasieten, zijn hier het levende bewijs van. Een dergelijke situatie doet zich weliswaar niet voor in de Moldavische Republiek, maar we waarderen de inspanningen van dit land op weg naar een volwaardige democratie en mettertijd naar de Europese Unie.

Het conflict tussen Transnistrië en Moldavië speelt zich af tegen de achtergrond van de belangen van Rusland dat, zo blijkt, het vuur nog eens extra opstookt. Dit aspect mogen we niet vergeten. De president van Moldavië, de communist Voronin, spreekt over de demilitarisering, democratisering en decriminalisering van Transnistrië. Als reactie hierop stelt de spreekbuis van het regime van president Smirnov van Transnistrië een devoronisering van Moldavië voor, alsmede hulp voor Moldavië bij de democratisering, met andere woorden bij de bevrijding van Moldavië van de communisten en hun leider. Dit werkt misschien wel op de lachspieren, maar het wordt al minder grappig als de mensenrechten geschonden worden en er mensen in de gevangenis zitten. Dan vergaat het lachen je snel.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, de enige reden waarom het gebied van het huidige Moldavië niet volgend jaar of het jaar daarop lid van de Europese Unie wordt, is dat het land krachtens het Hitler-Stalin-pact botweg van Roemenië is gescheiden. Deze voorgeschiedenis mogen we niet vergeten. Het is een door en door Europees land en we moeten onze uiterste best doen om drie doelen te verwezenlijken: ten eerste opheffing van de criminele en militaristische structuren in Transnistrië met vreedzame middelen. Hitler werd godzijdank overwonnen en gedwongen zijn buit af te staan. Stalins buit kwam pas in 1991 vrij en nog altijd zijn er krachten in Moskou die deze gevaarlijke structuur in leven houden.

De tweede grote opgave is van Moldavië een democratie te maken, er een rechtsorde met bescherming van minderheden te vestigen en de derde grote opgave die we hebben, is de strijd tegen de grensoverschrijdende criminaliteit. Op dit punt ben ik collega Albert Deß zeer dankbaar, die afkomstig is uit een grensstreek in de Oberpfalz en er bij ons sterk op aandringt gezamenlijk, in EU-verband, te strijden tegen de drugshandel, mensensmokkel en wapenhandel die in deze criminele structuur van Transnistrië hun oorsprong hebben. Te strijden in het belang van dit mooie land aan de oostgrens van Midden-Europa, dat we moeten integreren, wil het niet tot een zwerende wond worden tussen de toekomstige lidstaat Roemenië en de Oekraïne, waar we sinds de oranje revolutie nauwere partnerschapsbanden mee onderhouden. Het democratiseringsproces in deze voor onze eigen toekomst zo belangrijke regio zal alleen slagen, als deze militaristische, dictatoriale structuur eindelijk plaats maakt voor een democratische rechtsstaat.

Dit is de opgave waar we als Europees Parlement voor staan en daarom dank ik de heer Sonik en andere collega’s voor het feit dat ze dit debat afgedwongen hebben. Het Europees Parlement moet in deze kwestie een duidelijk signaal geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe om allereerst een paar politieke vragen te beantwoorden waarna ik vervolgens iets over Wit-Rusland zal zeggen. Voordat wij aan het eigenlijke onderwerp van het debat van vandaag beginnen, de mensenrechten, wil ik ook nog graag een reactie op mevrouw Schroedter geven.

Allereerst, wat de politieke kwestie betreft, moet ik erop wijzen dat Moldavië onder het Europese nabuurschapsbeleid valt. Wij proberen via dat beleid om Moldavië dichter bij de Europese Unie te brengen en om het land – en dat zeg ik speciaal tegen de heer Posselt – langzaam te democratiseren, hoewel er op dat vlak nog veel moet gebeuren. Dat is echter wel de manier waarop wij resultaat kunnen boeken. In dat verband is het ook van belang dat de illegale handel in goederen, mensen, wapens en wellicht ook drugs wordt teruggedrongen; dat geldt uiteraard ook voor alle andere criminele activiteiten.

Ik bedank iedereen die verwezen heeft naar de grensbeheermissie. De Europese Unie heeft zeer recentelijk een missie in Transnistrië, het gebied tussen Moldavië en Oekraïne, gestationeerd. Wij moeten de Oekraïnse president Joesjtsjenko dankbaar zijn dat hij, toen hij aan de macht kwam, eigenlijk dit initiatief in gang heeft gezet en hier samen met president Voronin een vervolg aan heeft gegeven. Samen met de ministers van Buitenlandse zaken van Oekraïne en Moldavië zijn wij erin geslaagd om alles naar behoren te organiseren. Naar mijn idee functioneert alles redelijk goed; een Hongaar heeft overigens de leiding in deze regio. Volgens mij is het terugdringen van de illegale handel het eigenlijke doel van de missie. Dat zal niet altijd eenvoudig zijn, maar op de lange termijn zal die doelstelling uiteindelijk verwezenlijkt worden.

Iedereen heeft het Transnistrië-conflict genoemd en gevraagd hoe wij dat kunnen oplossen. De OVSE heeft alles in het werk gesteld om daar een bijdrage aan te leveren en ook de Europese Unie raakt steeds meer bij de situatie betrokken. Wij hebben overigens al enige vooruitgang geboekt omdat de Russen de “5+2-onderhandelingen” hebben geaccepteerd. De Europese Unie is samen met de Verenigde Staten uitgenodigd om als waarnemer op te treden bij de onderhandelingen, die bedoeld zijn om een vreedzame oplossing tot stand te brengen.

Het klopt dat de Russische troepen nog niet teruggetrokken zijn zoals in Istanbul was voorzien door de OVSE. Dat terugtrekken van die troepen dient nog steeds te gebeuren. De vraag is natuurlijk wie die troepen moet vervangen. Allereerst moeten echter alle politieke kanalen benut worden, hoewel Transnistrië helaas, zoals iemand opmerkte, de onderhandelingen heeft afgebroken. Dat betekent dat er nog veel moet gebeuren.

Dan ben ik nu bij Wit-Rusland aanbeland en met uw welnemen ga ik in het Duits verder.

(DE) Mevrouw Schroedter, ik geloof dat men mij aanvankelijk volledig verkeerd begrepen heeft. De journalist die op de persconferentie in Brussel bij ons in de zaal aanwezig was, heeft mij als commissaris gevraagd of wij als Europese Commissie een verkiezingswaarnemingsmissie van de EU naar Wit-Rusland sturen. Ik heb hem geantwoord: “Nee, want het is de OVSE/ODIHR die waarneemt.” U weet dat dat overeenkomt met de feiten. Ik heb daar aan toegevoegd dat de parlementariërs dáárom geen deel uitmaken van een officiële missie, omdat zoiets helemaal niet bestaat. Dat is volkomen verkeerd opgevat. Ik hoop dat u dat van mij als verklaring aan wilt nemen. Ik ben blij dat u de kwestie ter sprake gebracht hebt, want nu kon ik het misverstand uit de weg ruimen.

Ik heb gisteren de heer Klich niet alleen geschreven, ik heb hem ook gesproken en hij had alle begrip voor mijn situatie. Ik heb vandaag al een verklaring afgelegd over Wit-Rusland en ik volg de gebeurtenissen voorafgaand aan de verkiezingen daar natuurlijk op de voet. In die verklaring heb ik ook gezegd hoezeer ik het betreur dat de afgevaardigden van het Europees Parlement niet toegelaten werden, omdat men hun geen visa wilde geven. Natuurlijk bent u wat ons betreft altijd welkom, dat spreekt voor zich en dat hoef ik u niet te vertellen: u kent mij immers als iemand die altijd rekening houdt met waarnemingsmissies van de EU, ze ondersteunt en welbeschouwd versterkt.

(EN) Dan ben ik nu aan mijn derde punt toe en dat heeft betrekking op het debat van vandaag over de ontwerpresoluties betreffende de schending van de mensenrechten in Moldavië.

De ontwerpresolutie vestigt de aandacht op het feit dat het rechtsstelsel niet in staat is om eerlijke processen te waarborgen. Ik moet daarbij aantekenen dat Moldavië in 2005 drie wetten heeft aangenomen waardoor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in aanzienlijke mate is verbeterd. Wat de zaak-Pasat betreft – over de voormalige minister van Defensie – heeft de Commissie de problemen die aan deze zaak verbonden zijn al herhaaldelijk aan de orde gesteld. Ik onderhoud daartoe rechtstreekse contacten met de heer Stratan, de minister van Buitenlandse Zaken van Moldavië. Ik heb recent nog een brief naar president Voronin over deze kwestie geschreven om meer openheid in deze zaak te krijgen en om te voorkomen dat er vertragingen optreden bij het beroep van de heer Pasat.

Tijdens de komende bijeenkomst van de Samenwerkingsraad met Moldavië zullen democratie, de rechtsstaat en mensenrechten hoog op de agenda staan.

In het debat van vandaag ligt een speciale nadruk op de mensenrechten in Transnistrië. Zoals bij iedereen bekend zal zijn, hebben wij echter slechts een beperkt inzicht in de ontwikkelingen in Transnistrië vanwege het feit dat men zichzelf tot een onafhankelijke republiek heeft uitgeroepen. Duidelijk is wel dat er sprake is van aanzienlijke problemen. In de zomer van 2004 hebben de Transnistrische autoriteiten bijvoorbeeld zes scholen die les gaven in de Moldavische taal met gebruik van het Romeinse alfabet, gedwongen de deuren te sluiten. Wij zijn blij dat de onderhandelingen tussen Moldavische en Transnistrische ambtenaren over deze scholen in februari, na een onderbreking van zeven maanden, weer hervat zijn. De Commissie zal de ontwikkeling van die onderhandelingen nauwlettend volgen.

Sta mij toe om kort iets over de zaak-Ilascu te zeggen, een zaak die exemplarisch is voor een zeer ernstige schending van de mensenrechten. Aangezien Moldavië niet in staat is om in Transnistrië te interveniëren, stellen wij de zaak waar mogelijk bij Rusland aan de orde. De laatste keer dat die mogelijkheid zich voordeed, was ongeveer twee weken geleden in Wenen in het kader van de trojka van ministers van Buitenlandse Zaken. Ik heb daar toen met de Russische minister van Buitenlandse Zaken Lavrov gesproken. Het feit dat uit recente rapporten is gebleken dat Andrei Ivantoc, een van de twee gevangenen, een hongerstaking is begonnen, onderstreept de noodzaak van een onmiddellijke vrijlating van beide gevangenen. Wij moeten druk uitoefenen om te zorgen dat dit ook daadwerkelijk gebeurt.

De Commissie tracht samen met alle partnerlanden, inclusief Rusland, Oekraïne en Moldavië, te bewerkstelligen dat de Russische troepen zich terugtrekken, dat er een demilitarisering van Transnistrië plaatsvindt, dat er een democratisering van Moldavië (inclusief Transnistrië) in gang wordt gezet en dat Transnistrië onder effectief en legitiem Moldavisch bestuur wordt gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt om 17.00 uur plaats.

 
  

(1) Zie notulen.


16.2. Kazachstan (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het debat over zes ontwerpresoluties over Kazachstan(1).

 
  
MPphoto
 
 

  Ona Juknevičienė (ALDE), auteur. (LT) Op 13 februari is de bekende Kazachse politicus en oppositieleider A. Sarsenbayev samen met zijn chauffeur en bodyguard op brute wijze in Almaty vermoord. Nog niet zo lang geleden is een andere oppositieleider, Z. Nurkadilov, met drie schotwonden gevonden nadat hij de regering van corruptie had beschuldigd en verantwoordelijk had gesteld voor de moord op de freelance journalist Sharipzhanov. Volgens de officiële onderzoeksversie was er sprake van zelfmoord. Als een van de meest ontwikkelde landen in de regio probeert Kazachstan aansluiting te vinden bij de democratische landen in de wereld. Daarnaast wil dit land in 2009 het voorzitterschap van de OVSE bekleden. De OVSE is een organisatie die de democratie en stabiliteit binnen en buiten de Gemeenschap dient te waarborgen. Die organisatie heeft in december verklaard dat de presidentsverkiezingen in Kazachstan niet aan de internationale eisen voldeden. Wij weten dat de economie van Kazachstan een snelle groei doormaakt. Kazachstan is ook een belangrijke handelspartner van de Gemeenschap, maar – geachte collega’s – wij zijn niet alleen een economische Unie, maar ook een Unie van normen en waarden. Wij mogen in het kader van ons economisch beleid geen bekrompen economische doelen nastreven en wij mogen zeker onder geen beding toestaan dat de mensenrechten worden geschonden. President N. Nazarbayev geeft openlijk toe dat er in het verleden in zijn land geen sprake was van een democratie en zegt dat wij niet kunnen verwachten dat die democratie er van de ene op de andere dag wel is. Dat lijkt een poging om ons gerust te stellen dat er straks een beperkte democratie in Kazachstan zal komen, maar in wezen is het een rechtvaardiging voor een autoritair regime uit de sovjetperiode. Mijnheer de Voorzitter, wij weten allemaal dat landen wel of niet democratisch zijn. Beperkte en gedeeltelijke democratieën bestaan niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Albert Jan Maat (PPE-DE), auteur. – Voorzitter, (... spreker spreekt zonder microfoon) hadden wij dit debat vanmiddag niet gevoerd. Niet dat wij geen zorgen hebben over Kazachstan of dat wij vinden dat er niets aan de hand is. Natuurlijk hebben wij zorgen, maar in de vorige periode is er een scherpe resolutie door dit Parlement geaccepteerd over Kazachstan. Die resolutie is en door het Parlement en de regering van Kazachstan destijds serieus genomen. Het heeft geleid tot toelating van meer politieke partijen, het heeft in ieder geval geleid tot een stap vooruit in de persvrijheid.

Opnieuw hebben wij zorgen, maar wat nu opvalt ten opzichte van de vorige resolutie over de situatie in Kazachstan, is het feit dat de overheid, de president in ieder geval transparantie probeert te brengen, in die zin dat met betrekking tot moorden, met betrekking tot zaken, waarbij je vraagtekens kunt zetten, er in ieder geval alle gelegenheid is voor buitenlandse waarnemers om te zien wat er gebeurt.

Het is zeker, er broeit wat in Kazachstan, dat is waar, maar het neemt niet weg dat je volgens mij wel de situatie op een juiste manier moet taxeren en wat dat betreft vinden wij dat op dit moment deze resolutie te vroeg is. Wij zeggen dat ook, omdat wij niet vinden dat het allemaal geweldig is, maar wij constateren voor het eerst, dat er nu gevoeligheden liggen, dat er wellicht moorden gepleegd zijn en dat er ook echte moorden gepleegd zijn, dat volstrekt niet helder is onder welke omstandigheden en door wie, maar dat de bereidheid er is om te laten zien wat er gebeurt, hoe het restproces verloopt. Juist die punten zouden wij graag aan willen grijpen om onze relatie als Europese Unie met Kazachstan te versterken.

Het voorstel van de EVP-Fractie is dan ook dat wij de samenwerking tussen de parlementaire delegaties benutten. De parlementaire delegatie uit Kazachstan zal Brussel in mei bezoeken, wij zullen al deze zaken bespreken als collega's; wat de EVP-Fractie betreft, onze fractie zou graag zien dat wij een stap verder komen met betrekking tot de landen in Centraal-Azië; wat Kazachstan betreft moeten we in ieder geval uitdrukkelijk gaan spreken over een partnerschap om te kijken hoe we elkaar kunnen vinden op die punten waarop we wel een goede samenwerking hebben.

Kort samengevat, wij hebben zorgen over Kazachstan, wij zijn niet altijd onder de indruk van de democratie daar, maar wij constateren juist op dit moment dat er meer transparantie komt, dat er wat broeit, dat er veel onzekerheid is; ik wil in ieder geval de commissaris complimenteren voor de goede informatie die wij op dat punt hebben gekregen van haar vertegenwoordiger in Almaty. Dat hebben we zeer op prijs gesteld.

Wat de stemming betreft is het zo dat wij weliswaar meegewerkt hebben aan deze resolutie, omdat niet meewerken jezelf buiten het strijdtoneel zet, maar wij hebben wel een vijftal split votes aangevraagd en de uitslag daarvan is bepalend of wij deze resolutie zullen steunen. Kortom, zorgen hebben wij, maar wij willen die zorgen graag in goede collegialiteit met onze Kazachse collega's kunnen bespreken om te zien of we weer een aantal stappen voorwaarts kunnen doen met betrekking tot de democratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil heel kort iets zeggen. Onze collega mevrouw Pleštinská heeft vanmiddag gezegd dat er vandaag in Slowakije en vele andere landen kaarsen in de ramen staan uit solidariteit met de oppositie en de vrijheidsstrijd in Wit-Rusland. Om het brandalarm niet af te laten gaan hebben we slechts een kleine, symbolische kaars mee de vergaderzaal in genomen en op de tafel van mevrouw Pleštinská gezet. De kaars moet tot uitdrukking brengen hoe zeer wij ons bij de vrijheidsbeweging in Wit-Rusland betrokken voelen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hoewel ik het initiatief steun, moet ik u eraan herinneren dat het volgens het Reglement strikt verboden is om brandbare of gloeiende voorwerpen in deze zaal mee naar binnen te nemen. Daarom verzoek ik onze collega vriendelijk de kaars te doven. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Józef Pinior (PSE), auteur. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de politieke oppositie in Kazachstan protesteert tegen de moord op voormalig minister en ambassadeur Altynbek Sarsenbayev, die in 2003 is overgestapt naar de oppositie en kritiek had op het politieke bestel onder president Noersoeltan Nazarbayev. Op 26 februari dit jaar vond er in Almaty een demonstratie plaats met zo’n 1 500 deelnemers en werd het lichaam van de 43-jarige Sarsenbayev gevonden met kogelwonden in de rug en in het hoofd, naast de lichamen van zijn bodyguard en chauffeur. Een aantal officieren van het Comité van nationale veiligheid zijn gearresteerd op verdenking van moord. Nartay Doebayev, het hoofd van het Comité voor nationale veiligheid heeft zijn ontslag aangeboden.

Ik zou tevens uw aandacht willen vragen voor het feit dat de organisatie Reporters zonder grenzen de Kazachse autoriteiten ervan beschuldigt het internet te censureren en de vrijheid van meningsuiting in de traditionele media aan banden te leggen. Op 15 december vorig jaar hebben de veiligheidsdiensten de kantoren van het weekblad Pravo Ekonomika Politika Kultura doorzocht, nadat er in dit tijdschrift een brief was gepubliceerd die door de voorzitter van de kiescommissie was ondertekend en waarin stond dat er verkiezingsfraude was gepleegd bij de presidentsverkiezingen van 4 december. Daarnaast werd op 20 december het weekblad Juma-Times op last van de rechter in Almaty gesloten, op beschuldiging van het besmeuren van de reputatie van president Nazarbayev.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL), auteur. – Voorzitter, het ineenstorten van de Sovjet-Unie is geen garantie voor de democratie gebleken. Integendeel. Sommige politici die zijn voortgekomen uit de communistische periode zijn wel hun ideologie kwijtgeraakt, maar worden juist daardoor nu nog minder dan vroeger gehinderd in hun technieken om zelf duurzaam aan de macht te blijven of de staatsmacht over te dragen aan hun kinderen. Een van die technieken is het verlengen van de ambtstermijn van zittende presidenten met tien jaar of zelfs tot levenslang door middel van een referendum zonder de mogelijkheid om een of meer tegenkandidaten te stellen.

Een ander middel is het uitschakelen van serieuze tegenstanders door die op grond van valse beschuldigingen te laten opsluiten, door ze te laten verongelukken of door ze domweg te laten verdwijnen. In Oekraïne, Georgië en Kirgizië is een brede volksopstand tegen zo'n regime geslaagd, maar het blijft de vraag of het daar nu duurzaam beter blijft gaan. In Belarus, Oezbekistan, Turkmenistan en het grote Kazachstan slagen de machthebbers er vooralsnog in om elke verzet te breken. Sommigen hebben machtige buitenlandse vrienden, bijvoorbeeld vanwege hun rol bij de energievoorziening.

Kazachstan was lange tijd vooral een droog en dun bevolkt gebied waar te midden van een kleine Turkstalige bevolking Russische kolonisatie plaatsvond op plekken waar industrie of mijnbouw mogelijk bleek of een experimentele raketbasis kon worden gesticht. Inmiddels is een nieuwe hoofdstad gesticht, ver van de grote stad Almaty en wordt de invloed van het Russische bevolkingsdeel sterk teruggedrongen.

De toekomst van het grote dunbevolkte Kazachstan met zijn twee grote bevolkingsgroepen en de restanten van vroeger daarheen uit het Russische rijk verbannen minderheden, is uiterst onzeker. Terecht dringt de resolutie erop aan om in de betrekkingen met Kazachstan niet alleen te letten op economische betrekkingen, maar vooral op politieke gevangenen, ruimte voor opposities, democratische besluitvorming en mensenrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), auteur. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, niet alles is pikzwart in Kazachstan. Vergeleken met een heel stel andere landen in de regio gebeuren er ook positieve dingen, bijvoorbeeld een moratorium op de doodstraf en het feit dat politieagenten worden vervolgd voor martelingen. De laatste ontwikkeling is echter, paradoxaal genoeg, dat als de oppositie toeneemt en sterker wordt, ook de onderdrukking van die oppositie groeit. Deze twee moorden hebben de situatie verergerd.

De OVSE zei dat de verkiezingen niet correct zijn verlopen. Eigenlijk was het volstrekt onnodig om met de verkiezingen te knoeien omdat Nazarbayev ze volgens alle opiniepeilingen toch zou hebben gewonnen. Gezien de heersende situatie op het gebied van de media in Kazachstan is dat misschien niet zo vreemd. Er heerst ook een klimaat van angst. Gouverneurs durfden de slechtste verkiezingsuitslagen niet te rapporteren en aarzelden niet om wat extra stemmen toe te voegen, uit angst er qua financiën of positie op achteruit te gaan. Een dergelijk klimaat kunnen we niet hebben in een democratie, en we moeten op onze hoede zijn.

Het Europees Parlement vraagt eigenlijk niet veel: alleen maar dat Kazachstan zich houdt aan zijn eigen grondwet en dat er bijvoorbeeld een rechterlijk besluit nodig is voor een arrestatie. In paragraaf 3 zeggen we dat we internationale waarnemers bij het onderzoek naar de moorden willen hebben. De FBI is uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek naar de moorden en we moeten ervoor zorgen dat ook andere internationale organen zich op de hoogte mogen stellen, zodat we inzage krijgen in het onderzoek naar en de opheldering van de moorden.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Wojciechowski (UEN), auteur. (PL) Mijnheer de Voorzitter, Kazachstan is een belangrijk land met een groots verleden en het is een van de grootste landen van Europa. Inderdaad, Europa, want circa 150 000 km2 van het Kazachse grondgebied ligt binnen de aardrijkskundige grenzen van ons continent. Het is een land waar tot op de dag van vandaag duizenden van mijn Poolse landgenoten wonen die daarheen zijn gedeporteerd tijdens het regime van Stalin. De historische en politieke wortels van Kazachstan liggen echter duidelijk in Centraal-Azië. Het land heeft tevens een communistisch en sovjetverleden. Dit verleden mogen we niet uit het oog verliezen en we moeten beseffen dat het woord democratie daar niet altijd op dezelfde manier wordt opgevat als bij ons, in de Europese landen met een eeuwenoude democratische traditie.

Ik was een van de waarnemers van het Europees Parlement tijdens de presidentsverkiezingen in Kazachstan. Het land is zeker geen modeldemocratie, maar de eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat de Kazachse autoriteiten echt hun best doen om het openbare leven te democratiseren en vooral ook om westerse waarden ingang te doen vinden en het land te moderniseren. Dit moeten we weten te waarderen en dit proces verdient dan ook onze voorzichtige steun.

Het deel van de ontwerpresolutie dat om opheldering vraagt van de moord op de heer Sarsenbayev, de oppositiepoliticus, verdient onze steun, maar er staan ook dingen in het ontwerp die getuigen van een ongegrond wantrouwen. In heel veel landen komen er politici om in aanslagen of ongevallen, zonder dat dat altijd toe te schrijven is aan politieke intriges. Daarom pleit ik voor de nodige gematigdheid in de resolutie en voor het aannemen van een aantal amendementen.

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock, namens de PPE-DE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, net als alle andere afgevaardigden in het Europees Parlement ben ik geschokt door de brute moord op 13 februari op oppositieleider Altynbek Sarsenbayev. Ik ben blij met het feit dat president Nazarbayev de hulp van de FBI heeft ingeroepen om de daders op te sporen. Ik verwelkom eveneens zijn verklaring van 21 februari dat de daders gestraft zullen worden. Ik vind het ook een bemoedigend teken dat er onlangs vijf verdachten zijn gearresteerd. Uiteraard bestaat er nog steeds bezorgdheid over de democratie en de mensenrechten in Kazachstan. De EU maakt zich terecht zorgen over elke vorm van instabiliteit in deze belangrijke strategische Centraal-Aziatische republiek, die niet te dicht richting Rusland en China wil schuiven, maar veel liever toenadering tot de EU zoekt.

Als rapporteur voor het Europees nabuurschapsbeleid heb ik voorgesteld om Kazachstan ook in dat beleid op te nemen. Dat past binnen de traditie die in gang is gezet door het Europees Parlement toen het voorstelde om de nabuurschapsstatus aan de drie Kaukasus-republieken te geven. Uiteindelijk is dat voorstel na verloop van tijd ook door de Raad goedgekeurd. Kazachstan heeft een uitloper naar het westen, wat geografisch gezien een sterk argument is voor het verlenen van de Europese nabuurschapsstatus. Het land kent ook een sterk seculiere traditie als erfenis uit het sovjetverleden; een zeer grote Europese christelijke minderheid woont er in harmonie samen met de autochtone Kazachse moslimbevolking.

De olie- en gasreserves van Kazachstan zijn van strategisch belang voor de EU. Het land wil ook graag olie en gas aan de EU verkopen zonder dat het volledig afhankelijk is van Russische pijpleidingen om zijn natuurlijke hulpbronnen te transporteren. Daarnaast omvat het Kazachse diversificatiebeleid ook plannen om het natuurlijke gas vloeibaar te maken en het via de trans-Kaspische route te exporteren.

In deze context, en dit is iets waarvan het belang vaak minder wordt ingezien, is het enorme voorraadpotentieel van Kazachstan aan verrijkt uranium uit mijnen die sinds kort in gebruik zijn genomen. Dat uranium is essentieel om te voorzien in de toekomstige nucleaire energiebehoeften van de EU. De EU dient alle mogelijke steun te geven aan dit uitgestrekte, onderbevolkte en geopolitiek gezien zeer belangrijke land. De PPE-DE-Fractie zal de vooringenomen gezamenlijke tekst dan ook niet steunen tenzij onze amendementen worden aangenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto, namens de PSE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe om in mijn eigen taal het woord te voeren.

(MT) De speech die wij hier zojuist hebben gehoord, verontrust mij ten zeerste. Het feit dat het Westen en de Verenigde Staten belangen hebben in Kazachstan – vooral vanwege de overvloed aan mineralen en de steun in de oorlog tegen het terrorisme – zou er, naar ik vrees, wel eens toe kunnen leiden dat de regering zich in staat waant om straffeloos bepaalde dingen te kunnen doen. Het is dan ook belangrijk dat wij op onze hoede zijn. Een tijd geleden heeft Kazachstan verzocht om tot de Raad van Europa te worden toegelaten. Ik heb toen een missie naar het land ondernomen. Het is waar dat Kazachstan vanuit geografisch oogpunt deel uitmaakt van Europa, maar iedereen weet dat dit land nog heel wat te leren heeft op het gebied van de democratie. Bovendien lijdt het geen twijfel dat het politieke klimaat de laatste tijd verslechterd is. Wij weten dat in drie maanden tijd twee oppositieleden vermoord zijn en dat Kazachstan de mensenrechten aan zijn laars lapt. Daarom mogen wij ons niet laten wijsmaken dat er geen controle hoeft te worden uitgeoefend op het doen en laten van Kazachstan omdat het land over grote rijkdommen beschikt en een bondgenoot tegen het terrorisme is.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, tot nu toe heeft de Kazachse president steeds gehandeld naar het oude spreekwoord “houd je vrienden dicht bij je in de buurt en je vijanden nog dichter” en geprobeerd deze aan zijn regime te verplichten. Hij lijkt daar evenwel steeds slechter in te slagen, hoewel hij pas geleden nog een kuurvakantie van een week in mijn geboortestreek Karinthië hield, kennelijk om op krachten te komen. De kritiek op hem neemt toe, zoals u weet.

Dan kan het haast geen toeval zijn als twee leden van de oppositie, naar ons ter ore is gekomen, kort nadat zij duistere zaakjes van de presidentiële clan openbaar gemaakt hebben onder raadselachtige omstandigheden de dood vinden. Het lijkt me werkelijk van het grootste belang dat het onderzoek naar deze moorden in alle openheid en met medewerking van onpartijdige krachten gebeurt.

Hoe vooruitstrevend als Kazachstan ook moge zijn in zijn economische ontwikkeling, niet in de laatste plaats door zijn grote bodemschatten, in democratisch opzicht – en daar zijn we het allemaal over eens – loopt het ver achter. Er zijn beschuldigingen van fraude bij de presidentsverkiezingen van december vorig jaar geuit en de dochter van de onder zulke dubieuze omstandigheden gekozen president is directeur van ’s lands grootste tv-zender; haar man staat aan het hoofd van de belastingdienst. Sommige partijen is geweigerd zich te registreren en activisten worden vervolgd. Dan kijk je niet vreemd op als ook de mensen die bij de begrafenis van het slachtoffer aanwezig waren het moeten ontgelden.

Bij een dergelijk twijfelachtig democratisch gehalte is het een onverdraaglijk vooruitzicht dat Kazachstan in 2009 misschien het nagestreefde voorzitterschap van de OVSE toegewezen krijgt. Ik vind dat de EU zich daar krachtig tegen teweer moet stellen. Misschien is het ook het overwegen waard om het Amerikaanse voornemen te volgen en financiële zowel als economische hulp sterker af te laten hangen van vorderingen op het gebied van de democratie, de burger- en de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, vandaag, een maand na de brute moord op de vooraanstaande politicus Sarsenbayev, lijkt mij het juiste moment om een spoeddebat over de situatie in Kazachstan te houden. In het tijdsbestek van drie maanden zijn er twee prominente oppositieleden vermoord en het politieke klimaat is aanzienlijk verslechterd.

We roepen de autoriteiten van Kazachstan op een uitputtend, onafhankelijk en transparant uitgevoerd onderzoek naar de omstandigheden van de moorden mogelijk te maken en daarbij internationale waarnemers toe te laten.

Deze politiek gemotiveerde moorden zijn maar het topje van de ijsberg. Er is sprake van censuur op internet en over de hele linie is de druk op oppositieleden en journalisten toegenomen. We veroordelen de opsluiting van deelnemers aan een vreedzame demonstratie naar aanleiding van de dood van Altynbek Sarsenbayev en roepen de Kazachse regering op om haar verplichtingen in het kader van het Partnerschaps- en Samenwerkingsverdrag na te komen en in het bijzonder om democratie en mensenrechten te respecteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, over Kazachstan valt veel te zeggen. Enerzijds zou Kazachstan een belangrijke partner moeten zijn bij het bevorderen van de stabiliteit en regionale samenwerking in Centraal-Azië. Kazachstan is zelfs het belangrijkste land in deze regio en het is ook rijk aan energiebronnen, waardoor het door vele landen het hof wordt gemaakt.

Laten wij de regeringsverklaring van 1 maart van president Nazarbayev eens onder de loep nemen. Hij gaat daarin zeer uitgebreid in op de economische ontwikkelingen. Wat de democratische hervormingen betreft, was hij veel minder gedetailleerd, ondanks zijn beloften dat er een programma voor die democratische hervormingen zou komen en ondanks andere toezeggingen die hij de internationale gemeenschap heeft gedaan. Het concept van een “gestuurde democratie” werd weer opnieuw bevestigd of eigenlijk zelfs nog uitgebreid.

Sta mij toe om kort in te gaan op de positieve en op de negatieve punten, want wij moeten deze zaak natuurlijk van beide kanten bekijken. Wat de positieve punten betreft, ben ik blij dat Kazachstan in januari van dit jaar zowel het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten als het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten heeft geratificeerd. Dat is een stap in de goede richting. Wij hopen dat Kazachstan nu ook actie zal ondernemen om de optionele protocollen te ratificeren die individuele klachten mogelijk maken. De handhaving van het moratorium in verband met de doodstraf is ook een stap in de goede richting.

Met betrekking tot de negatieve punten en de kwesties die wij aan de kaak moeten stellen, baren de gebeurtenissen rondom de vooraanstaande politieke oppositieleider, de heer Sarsenbayev, ons grote zorgen. De moord op hem wijst op een gevaarlijke criminaliseringstendens in de Kazachse politiek. Aangezien Kazachstan niet over duidelijke constitutionele mechanismen beschikt die een vreedzame overdracht van de uitvoerende macht kunnen garanderen, is deze ontwikkeling zonder twijfel zorgwekkend. Wij hebben er dan ook bij de autoriteiten op aangedrongen dat zij zorg dragen voor volledige transparantie bij het onderzoek. Ik ben blij dat de FBI welkom is, maar ik vind dat Europa ook bij dat onderzoek vertegenwoordigd moet zijn. Wij houden ook het onderzoek naar de moord op Oksana Nikitina nauwlettend in de gaten. Zij was de dochter van een ander prominent lid van de oppositie. Ik maak mij ook zorgen naar aanleiding van de berichten dat oppositieleden worden lastig gevallen na twee vreedzame herdenkingsmarsen in Almaty na de begrafenis van de heer Sarsenbayev. Sommige afgevaardigden hebben daar ook naar verwezen.

Ik wil de aandacht ook op twee andere essentiële aspecten vestigen, namelijk de persvrijheid en de beperkingen die aan maatschappelijke organisaties worden opgelegd. Wij maken ons zorgen vanwege de talrijke pesterijen aan het adres van journalisten en vanwege de acties tegen vijf kranten en één website van de oppositie. Ook uit hoofde van de nieuwe wet op de nationale veiligheid die in juli 2005 is aangenomen, zijn overmatige beperkingen van maatschappelijke organisaties en activiteiten van ngo’s toegestaan.

Aan de ene kant zijn wij verheugd over de verbeteringen die de OVSE/ODIHR hebben geconstateerd bij het verloop van de presidentsverkiezingen in december 2005; ook enkele afgevaardigden van dit Parlement hebben die verkiezingen als waarnemer gevolgd. Wij betreuren echter ook dat de verkiezing op een aantal punten niet aan de OVSE-vereisten voldeed en dat er geen actie is ondernomen om het wettelijk kader aan te passen op basis van de aanbevelingen van de OVSE/ODIHR. Wij zullen ook de ontwikkelingen wat de vermeende fraudegevallen betreft, nauwlettend blijven volgen.

Onze aanhoudende zorg betreft de politieke vrijheid. Met het oog op de interne stabiliteit heeft Kazachstan een politieke oppositie nodig. Het is dan ook dringend noodzakelijk dat de autoriteiten de politieke oppositiepartijen een legale status geven en een echte dialoog met hen aangaan. Dat zou bijvoorbeeld kunnen gebeuren door de staatscommissie voor democratisering die binnenkort opgericht wordt en waarvan president Nazarbayev als voorzitter zal fungeren. Ik denk dat het met name belangrijk is dat de Kazachse autoriteiten hun weigering om de oppositiepartijen Alga en True Ak Zhol te registreren in heroverweging nemen.

Ik zou het bijzonder op prijs stellen als u een parlementaire delegatie zou samenstellen om de samenwerkingsbanden met delegaties uit Kazachstan aan te halen. Dat is een ander, zeer belangrijk communicatiekanaal om duidelijke signalen te geven en dit biedt ook nieuwe kansen. Laten wij niet te vroeg oordelen over het aanbod van Kazachstan om in 2009 als voorzitter van de OVSE te fungeren. Wellicht dat dit voor Kazachstan een belangrijke uitdaging vormt om hogere democratische normen te gaan hanteren.

Tot slot zijn wij ook bezorgd over de talloze meldingen van pesterijen aan het adres van journalisten en vanwege de acties tegen vijf kranten en één website van de oppositie. Ook uit hoofde van de nieuwe wet op de nationale veiligheid die in juli 2005 is aangenomen, zijn overmatige beperkingen van maatschappelijke organisaties en activiteiten van ngo’s toegestaan. Ik denk dan ook dat Kazachstan een land is waar wij veel aandacht aan moeten besteden, maar waartegen wij ook duidelijke en krachtige taal moeten spreken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt om 17.00 uur plaats.

 
  

(1) Zie notulen.


16.3. Straffeloosheid in Afrika en met name de zaak Hissène Habré (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het debat over zes ontwerpresoluties over straffeloosheid in Afrika en met name de zaak Hissène Habré(1).

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), rapporteur. (ES) Mijnheer de Voorzitter, op dit moment openen zich in Afrika tal van mogelijkheden om een eind te maken aan een vaak bloedig verleden.

De weg naar vrede houdt echter in dat straffeloosheid hoe dan ook bestraft moet worden en dat betekent dan weer dat de waarheid, hoe pijnlijk ook, aan het licht moet worden gebracht en dat recht moet worden gedaan. De rechtszaken tegen Pinochet en Milosevic zijn, ondanks hun onvolkomenheden en hun betreurenswaardige onvolledigheid, duidelijke aanwijzingen voor de richting die ook in Afrika moet worden ingeslagen. Namen zoals Charles Taylor, Mengistu Haile Mariam en Hissène Habré en tal van anderen moeten worden toegevoegd aan de lijst van ex-dictators die rekenschap moeten afleggen ten overstaan van nationale en internationale rechtbanken.

Er bestaan reeds verschillende mechanismen om mensen ter verantwoording te roepen. Het gaat daarbij om ad-hoctribunalen voor daders van misdaden en wreedheden zoals die welke bijvoorbeeld in Rwanda of Sierra Leone bestaan. Helaas zijn deze tribunalen vaak inefficiënt en ontoereikend vanwege het gebrek aan middelen, en in sommige gevallen ook vanwege het gebrek aan politieke wil of capaciteit.

Het bestrijden van straffeloosheid is ongetwijfeld een van de pijlers van het beleid van de Unie op het gebied van de mensenrechten. Daarom moeten wij goed voor ogen houden dat, zonder een Internationaal Strafhof dat als mechanisme voor het toepassen van de wet belast is met het vaststellen van individuele aansprakelijkheid, gevallen van genocide en ernstige schending van de mensenrechten vaak straffeloos blijven.

Het is dan ook dringend noodzakelijk dat wij de staten van de Afrikaanse Unie die het Statuut van Rome nog niet geratificeerd hebben ertoe aanzetten om dat te doen en zo spoedig mogelijk een actieplan op te stellen waarmee de effectieve naleving van dat statuut kan worden gewaarborgd.

Het zou arrogant zijn − en dat is niet mijn bedoeling − om Afrika de les te lezen, aangezien wij ook in Europa geconfronteerd worden met tal van onopgeloste of op onbevredigende wijze afgehandelde gevallen van straffeloosheid of ontoereikende rechtspraak waarbij ex-dictators betrokken zijn.

Zonder waarheid, zonder gerechtigheid en zonder schadeloosstelling van de slachtoffers zal vrede slechts een droom zijn, maar als wij de strijd aanbinden met de straffeloosheid komt er misschien een dag dat die droom werkelijkheid wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Jürgen Schröder (PPE-DE), auteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, het geval van Hissène Habré, voormalig dictator van Tsjaad, staat niet op zich. We dienen het veeleer in zijn Afrikaanse context te beschouwen, want in Afrika blijven voormalige despoten nog altijd vaak ongestraft. Ik verwijs hier slecht naar Charles Taylor uit Liberia of Mengistu Haile Mariam uit Ethiopië. Afrikaanse dictators hebben uiterst gewelddadig geheerst, hun volkeren onderdrukt en hun machtspositie door marteling, moord en tirannie verstevigd. Wat ze echter ook allemaal gemeen hebben, is dat ze ongestraft in andere Afrikaanse landen hun toevlucht gevonden hebben en nergens ter verantwoording werden geroepen.

Dat is precies wat we niet langer meer mogen accepteren, want de slachtoffers en hun verwanten strijden al lange tijd voor een proces, waarop de despoten hun verantwoordelijkheid onder ogen moeten zien. Ik begroet het daarom met grote instemming dat er in het geval van Hissène Habré aanzienlijke vooruitgang geboekt is. In september 2005 heeft een Belgische rechter een internationaal arrestatiebevel uitgevaardigd, waarna Hissène Habré in november in Senegal huisarrest opgelegd kreeg.

Het is echter de uitdrukkelijke wens van Senegal dat Hissène Habré voor een Afrikaanse rechtbank verschijnt en dat de Afrikaanse Unie daarover beslist. Die heeft op haar laatste bijeenkomst in januari een gremium ingesteld dat in juli verslag uitbrengt over de vorm die een dergelijke rechtbank zou moeten krijgen.

Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik zie verschillende mogelijkheden om Hissène Habré te berechten. De meest realistische daarvan is zijn uitlevering aan België, omdat hij in Europa snel door een onvooringenomen rechtsinstantie verhoord zou kunnen worden. Ook het Internationaal Strafhof zou zich over de zaak kunnen buigen, maar een speciaal in te stellen Afrikaans gerecht vergt een enorme politieke wil en lijkt me een haast ondoenlijke krachttoer, die een geweldige investering aan geld, tijd en bestuurlijke middelen vereist.

Nu is het aan de Afrikaanse Unie om alles op alles te zetten om ervoor te zorgen dat de zaak Hissène Habré door een rechtbank afgehandeld wordt. Mocht men echter uitlevering aan België uitsluiten, dan dient de Afrikaanse Unie een gedetailleerd plan voor te leggen, dat het een Afrikaans gerecht mogelijk maakt de zaak zo snel mogelijk te openen.

Het is mij een lief ding waard als we een precedent zouden kunnen scheppen en Hissène Habré voor de rechter konden brengen. Dat is wat zijn vele slachtoffers verlangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Maria Gomes (PSE), rapporteur. – (PT) Mijnheer de Voorzitter, het vervult ons hier in Europa met ontzetting dat de overlevenden van de zorgvuldig door Slobodan Milosevic georganiseerde genocide niet kunnen meemaken dat hij in Den Haag veroordeeld wordt.

In Afrika hebben de slachtoffers van oorlogscriminelen en regeringen die de mensenrechten met voeten treden recht op toegang tot de rechter en zij eisen dat recht wordt gedaan. De namen van de daders zijn: Hissène Habré, Charles Taylor, Mengistu Haile Mariam en Robert Mugabe.

Enkele dagen geleden hebben wij in de Subcommissie mensenrechten een advocate uit Tsjaad gehoord die het bovengenoemde beaamde in verband met dictator Hissène Habré, die gedurende een aantal jaren in ballingschap in Senegal heeft geleefd. De advocate pleitte voor uitlevering aan België, waar de ex-dictator door een rechtbank gezocht wordt op verzoek van de slachtoffers. Zij verklaarde dat uitlevering noodzakelijk is omdat in de context van de Afrikaanse Unie helaas nog geen mechanismen voorhanden zijn en ook geen politieke wil bestaat om deze crimineel te berechten, ofschoon hij verantwoordelijk is voor meer dan 40 000 politieke moorden en voor de aanhouding en foltering van nog veel meer landgenoten. Zij vertelde dat de Senegalese autoriteiten de zaak weliswaar hadden doorverwezen naar de Afrikaanse Unie, maar dat het niet in hun bedoeling lag om recht te laten geschieden en de Afrikaanse waardigheid te redden. Integendeel, het was juist een middel om te verhinderen dat er recht werd gedaan en om de slachtoffers die Hissène Habré voor de rechter willen dagen nog meer te kwetsen.

Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik ben onlangs in Senegal geweest en ik heb er gesproken met mensenrechtenactivisten, leden van het Senegalese parlement en journalisten. Helaas heb ik kunnen vaststellen dat zij allemaal dezelfde indruk hebben. De Europese Unie heeft verantwoordelijkheden in Afrika en daarom hebben wij hier vandaag deze resolutie aangenomen. Hopelijk zal onze tekst de Portugese politici ertoe aanzetten om hun invloed aan te wenden en een eind te maken aan de straffeloosheid van deze criminelen in Afrika.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL), auteur. Voorzitter, Afrikaanse staten zijn geen product van de Afrikanen zelf, maar van Europese kolonisatie. Hun grenzen zijn getrokken door buitenlanders. Die grenzen doorsnijden volkeren die bijeen hadden willen blijven en ze combineren groepen mensen die in geschiedenis, cultuur, taal en godsdienst heel weinig met elkaar gemeenschappelijk hebben. Die mensen kunnen de overheid niet zien als iets van henzelf.

Dat betekent in de praktijk een ernstige belemmering voor de democratie. In zulke situaties krijgen personen die met gewelddadige middelen de ene bevolkingsgroep bevoordelen en de andere onderdrukken, veel kansen. Zij kunnen hun instabiele staten alleen bijeenhouden door gruwelijke middelen toe te passen. Onder zulke omstandigheden kunnen alleen gewelddadige profiteurs de staatsmacht langdurig in handen houden. Dit soort situaties treft men aan in alle delen van Afrika, maar in het bijzonder daar waar arabisch-islamitische en niet-islamitische zwarte bevolkingsgroepen in een staatsverband met elkaar verenigd zijn. Ieder kent inmiddels de drama's van Soedan, met permanente burgeroorlogen en vluchtelingenstromen.

Over het buurland Tsjaad hebben we gisteren al een resolutie aangenomen. In dat woestijnland was Hissène Habré ooit de door de buitenwereld als vanzelfsprekend aanvaarde leider en hij behield daarna de macht in een deel van zijn land, totdat hij in 1990 naar Senegal moest vluchten. Ook na zijn vertrek is er geen ruimte voor politieke oppositie, terroriseren gewapende bendes de hongerende bevolking en proberen buurlanden greep te krijgen op een deel van het grondgebied. Zeker voor Charles Taylor die van Liberia is uitgeweken naar Nigeria, maar ook voor Mengistu Haile Mariam uit Ethiopië, die nu in Zimbabwe woont, zou een gerechtelijke beoordeling gepast zijn. Dat weerhoudt mogelijk in de toekomst Afrikaanse politici ervan om zich tot een gewelddadige dictator te ontwikkelen.

Niet helemaal vergelijkbaar is de situatie in Rwanda. Sommigen zien de huidige dominantie van de Tutsi-minderheid als terechte straf voor de Hutu-meerderheid die heeft geprobeerd om hun eeuwenlange overheersers te verdrijven en uit te moorden. Het langdurig voortbestaan van de huidige situatie – en we moeten rekening houden met het voortbestaan van die situatie – blijft de eeuwenlange onderlinge haat voeden. Daarom horen we het niet over een kam te scheren, maar terecht is de aandacht voor de verschrikkingen die daar hebben plaatsgevonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE), auteur.(EN) Mijnheer de Voorzitter, de bestrijding van de straffeloosheid dient een van de hoekstenen van het beleid van de Unie te zijn op het gebied van de mensenrechten. Dat uitgangspunt is meer dan van toepassing op Afrika. In bepaalde delen van dat continent hebben zich talloze gruwelijke schendingen van de mensenrechten voorgedaan, soms zelfs op zeer grote schaal. Helaas zijn de daders van deze misdaden zelden voor het gerecht gebracht, terwijl de slachtoffers vaak het recht ontzegd is op wat voor vorm van verhaal dan ook.

Het is absoluut noodzakelijk dat beruchte mensen als Charles Taylor, kolonel Mengistu en Hissène Habré – de onbetrouwbare voormalige, in ballingschap levende president van Tsjaad – voor een internationaal erkende rechtbank worden gebracht om berecht te worden voor de gruweldaden en misdaden waar zij van beschuldigd worden.

Het is ronduit beschamend en schandalig dat de regeringen van landen als Zimbabwe, Nigeria en Senegal nog steeds kunnen verhinderen dat het recht zijn loop krijgt doordat zij die vermeende misdadigers een veilig toevluchtsoord bieden. Als die regeringen de oproep negeren die in deze ontwerpresolutie wordt gedaan, moet de EU dan ook, in samenwerking met de internationale gemeenschap, een meer drastische, vreedzame actie overwegen om de strafrechtelijke vervolging van de genoemde personen alsnog af te dwingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele, namens de PSE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, we discussiëren vandaag over straffeloosheid in Afrika en er werd al opgemerkt hoe belangrijk een instelling als het Internationale Strafhof is. Maar we hebben het in het bijzonder ook over het geval van de voormalige dictator van Tsjaad. Habré regeerde het land van 1982 tot 1990, zijn eenpartijstelsel werd gekenmerkt door grove schendingen van de mensenrechten en grootscheepse terreuracties tegen de eigen bevolking. De VS en Frankrijk steunden Habré erg lang, omdat ze in zijn regime een bolwerk tegen Kadhafi zagen. In de regeringsperiode van Ronald Reagan kreeg Habré op grote schaal militaire hulp en paramilitaire ondersteuning van de CIA.

Dat mag ook wel eens gezegd worden. Het gaat er niet alleen om ons te onthouden van belerende woorden aan het adres van andere werelddelen – we moeten ons er ook rekenschap van geven dat overal waar bloeddorstige dictatoren heersen er ook lange tijd steun van grote westerse mogendheden was. Nu is het echter de vraag hoe we een eind maken aan de straffeloosheid van Habré. Ik zou een Afrikaanse oplossing verwelkomen. Als dat er niet in zit, zou Habré aan de Belgische autoriteiten uitgeleverd moeten worden, zodat een wreed dictator niet langer ongestraft blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  Urszula Krupa, namens de NI-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het debat van vandaag over mensenrechtenschendingen handelt over de straffeloosheid van een aantal voormalige leiders van Afrikaanse landen die zijn beschuldigd van dictatoriale en zelfs barbaarse regeermethodes.

Het in de resolutie aangekaarte probleem heeft met name betrekking op Hissène Habré, de voormalige president van de Republiek Tsjaad, die 40 000 politieke moorden en 200 000 gevallen van folteringen op zijn geweten heeft. De resolutie noemt echter ook nog andere dictators uit Libië en Ethiopië, evenals voorbeelden van brandhaarden als Sierra Leone, Rwanda en de Democratische Republiek Congo waar het al zes jaar aanslepende conflict het leven van drie miljoen slachtoffers heeft geëist.

Wanneer men de politieke situatie in Afrika analyseert, rijst de vraag over de oorzaak van de conflicten tussen de massa’s en de Afrikaanse heersende elites die hun landgenoten op zo’n onmenselijke wijze behandelen. Hier mogen we niet vergeten dat de koloniale heersers in hoge mate de samenstelling en de rol van de Afrikaanse elites hebben bepaald, evenals eventuele veranderingen hierin. Zoals in de meeste gekolonialiseerde samenlevingen het geval is, was ook in Afrika de vorming van de elites op Europese leest geschoeid en niet vrij van communistische invloeden, wat bepalend is geweest voor de administratieve en intellectuele denkbeelden van de elites die de macht in handen hebben gekregen. De koloniale heersers waren gericht op de uitbuiting van werkkrachten en de export van grondstoffen en hebben bewust de activiteiten van politieke partijen aan banden gelegd en de economische groei gefnuikt. Tegelijkertijd maakten de elites die in Europa en Amerika hadden mogen studeren, zich een regeerstijl eigen waarbij enorme bedragen werden besteed aan het leger, de uitbreiding van het staatsapparaat, snoepreisjes, delegaties, maar ook aan ambtenarensalarissen, veel pracht en praal, luxe villa’s, auto’s, met andere woorden aan een levensstijl die mijlenver afstaat van de dagelijkse realiteit waarin de meeste hongerende Afrikanen leven. Het feit dat de belangrijkste industrieën, die op de koop toe ook nog eens het milieu vervuilen, in handen zijn van buitenlands kapitaal, verergert de economische afhankelijkheid. Afrika wordt nog steeds economisch uitgezogen, wat bestendigd wordt door de ongelijke economische uitwisseling en in plaats van kansen op ontwikkeling te krijgen, worden de arme landen stelselmatig in de schulden gestoken.

We steunen de resolutie die misdadigers ter verantwoording wil roepen, maar het allerbelangrijkste is dat de algemene situatie van de bevolking in Afrika verbetert, zodat duurzame ontwikkeling een kans krijgt. Dit is echter niet eenvoudig, gezien de eerder genoemde factoren.

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het doet ons veel genoegen dat er een debat heeft plaatsgevonden over het thema straffeloosheid. De Commissie heeft zich ertoe verbonden alles in het werk stellen om de bestaande straffeloosheid met alle beschikbare middelen, zowel politieke als financiële, te bestrijden.

Op internationaal niveau hebben wij, zoals u weet, via ons gemeenschappelijk standpunt en ons actieplan steeds uitdrukkelijke steun verleend aan het Internationaal Strafhof. Daarnaast levert de Europese Unie via haar lidstaten de grootste financiële bijdrage aan het Internationaal Strafhof en diens begroting. De geloofwaardigheid van het Hof en zijn vermogen effectief te handelen, is grotendeels afhankelijk van het feit in hoeverre het Hof internationaal geaccepteerd wordt. Dit is dan ook de reden dat wij alles in het werk stellen om het Hof een universeel aanzien te geven door zoveel mogelijk landen ertoe te bewegen het Statuut van Rome te ratificeren. Ik ben met name blij dat de Europese Unie en de 77 ACS-landen ermee hebben ingestemd om in de Overeenkomst van Cotonou een verklaring op te nemen dat zij stappen zullen ondernemen om het Statuut te ratificeren en ten uitvoer te leggen. Dit is een grote stap voorwaarts.

In juli 2004 is de openbare aanklager van het Internationaal Strafhof een onderzoek begonnen naar de strafbare feiten die zich na 2002 naar verluidt zouden hebben voorgedaan in de Democratische Republiek Congo. De betreffende aangiftes, gevolgd door aanhoudingsbevelen in Uganda, zijn een duidelijk signaal dat het Internationaal Strafhof een bijdrage wil en zal leveren aan de strijd tegen de straffeloosheid in Afrika. Voorts heeft de Veiligheidsraad van de VN in maart 2005 – na veel gelobby door de EU en andere betrokkenen – een resolutie aangenomen waarin de kwestie Darfur naar het Internationaal Strafhof is verwezen.

Het is jammer dat het tot nu toe niet mogelijk is gebleken de zaak-Hissène Habré in Senegal tot een goed einde te brengen, maar ik ben in ieder geval gelukkig met het besluit van de Afrikaanse Unie in januari van dit jaar om een commissie van eminente Afrikaanse juristen in het leven te roepen om de zaak verder te onderzoeken. De commissie lijkt over een vrij sterk mandaat te beschikken. Met name van belang is het feit dat zij zich dienen te houden aan de “principes van een onvoorwaardelijke afwijzing van straffeloosheid”.

Ik hoop dat er spoedig een oplossing wordt gevonden die recht doet aan de eisen van gerechtigheid. Naast de zaak zaak-Hissène Habré dient er ook een pragmatische werkwijze te worden gevonden – zoals door sommigen van u reeds is opgemerkt – om Charles Taylor, die zich op dit moment in Nigeria bevindt, voor het gerecht te brengen.

Wat de financiële bijdragen betreft, kan ik u mededelen dat wij momenteel een bijdrage leveren aan de internationale tribunalen voor Sierra Leone en Rwanda. Daarnaast is er een groot project in voorbereiding met betrekking tot de Democratische Republiek Congo, waarmee wij trachten ons werk in het Internationaal Strafhof een nog steviger fundament te geven.

Tot slot wil ik erop wijzen dat landen volgens het internationale recht de plicht hebben om verdachten van internationale misdrijven, zoals misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genocide, uit te leveren. Het is dus met name een zaak van de staatshoofden en regeringsleiders om ervoor zorg te dragen dat dit ook gebeurt in het geval van Hissène Habré, Charles Taylor en Mengistu Haile Mariam. De belangrijke rol die ter zake is weggelegd voor het Internationaal Strafhof, komt pas om de hoek kijken wanneer landen weigeren hun verplichtingen uit hoofde van het internationale recht na te komen. Dit is de reden dat het zo belangrijk voor de Europese Unie is om de universele ratificatie en tenuitvoerlegging van het Statuut van Rome te blijven steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt dadelijk plaats.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Filip Andrzej Kaczmarek (PPE-DE). – (PL) Straffeloosheid is de grootste vijand van gerechtigheid. Anonieme misdaden, misdaden die onbestraft blijven, misdadigers die weten dat ze hun straf zullen ontlopen en die vaak zelfs in weelde leven; dit alles zorgt ervoor dat de dood en menselijk lijden banaal worden. De Afrikaanse volkeren hebben veel geleden onder hun leiders. Het is dan ook onze plicht hen bij te staan en niet alleen met materiële steun, maar ook met hulp op het vlak van hogere waarden, zoals het rechtvaardigheidsgevoel. Door de modernisering kunnen slechte mensen anderen meer leed aandoen. Diezelfde modernisering zou er ook voor moeten zorgen dat diegenen die op gewetenloze wijze misbruik maken van hun macht sneller en efficiënter berecht worden. Onschendbaarheden en voorrechten zijn bedoeld om mensen tegen machtsmisbruik te beschermen en niet om diegenen die misbruik maken van hun macht, in bescherming te nemen.

Hoge morele autoriteiten kunnen vergiffenis schenken, maar zonder berouw kan er geen sprake zijn van echte vergiffenis. Helaas missen die misdadigers die gespeend zijn van enig individueel verantwoordelijkheidsgevoel, en die ook anderen het recht ontzeggen om hun daden te beoordelen, vaak de emotionele rijpheid om berouw te voelen. Daarom moeten wij alle maatregelen steunen die hen dwingen te antwoorden op de vraag waarom zij gemoord, verkracht en gemarteld hebben. Het gaat hier niet om wraak, maar om het herstellen van het evenwicht tussen goed en kwaad. Zonder dit fundamentele evenwicht zal de toekomst van de mensheid constant worden bedreigd en niet alleen in Afrika.

 
  

(1) Zie notulen.


17. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – We gaan nu over tot de stemming.

(Uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 

17.1. Mensenrechten in Moldavië en met name in Transnistrië (stemming)

17.2. Kazachstan (stemming)
  

Vóór de stemming over overweging H

 
  
MPphoto
 
 

  Albert Jan Maat (PPE-DE), auteur.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag een mondeling amendement willen indienen. Ik zou de formulering “overwegende dat een andere oppositieleider, Nurkadilov Zamanbek, op 12 november 2005 is vermoord” willen veranderen in “doodgeschoten werd aangetroffen”. Dat leest zowel in de Nederlandse als in de Engelse vertaling beter. Vandaar dat ik deze verandering voorstel.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 

17.3. Straffeloosheid in Afrika en met name de zaak Hissène Habré (stemming)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hiermee is de stemming beëindigd.

 

18. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen

19. Besluiten inzake bepaalde documenten: zie notulen

20. In het register ingeschreven schriftelijke verklaringen (artikel 116 van het Reglement)

21. Verzending van de tijdens deze vergadering aangenomen teksten: zie notulen

22. Aan de standpunten en resoluties van het Parlement gegeven gevolg

23. Rooster van de volgende vergaderingen: zie notulen

24. Onderbreking van de zitting
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik verklaar de zitting van het Europees Parlement te zijn onderbroken.

(De vergadering wordt om 16.50 uur gesloten)

 

ANNEX (Schriftelijke antwoorden)
VRAGEN AAN DE RAAD (Het fungerend voorzitterschap van de Raad van de EU is verantwoordelijk voor deze antwoorden.)
Vraag nr. 9 van Brian Crowley (H-1117/05)
 Betreft: Internationaal terrorisme
 

Kan de Europese Raad een verklaring afleggen over de nieuwe wetgevingsinitiatieven die hij bevordert om een eind te maken aan de aanhoudende dreiging van het internationaal terrorisme in Europa?

 
  
 

Een groot aantal wetgevingsinitiatieven waarover de organen van de Raad zich buigen, houdt deels verband met de bestrijding van het terrorisme. Het gaat in dit verband bijvoorbeeld om de nieuwe structuur van het Schengen-informatiesysteem, het ontwerp van een kaderbesluit inzake gegevensbescherming, de richtlijn betreffende de bewaring van gegevens, het Europees bewijsverkrijgingsbevel, de uitwisseling van wetshandhavingsinformatie, de omzetting van het beginsel van beschikbaarheid, enzovoort.

Een volledig overzicht van de wetgevingsprioriteiten van de Raad in de komende jaren is vervat in het actieplan van de Raad en de Commissie voor de uitvoering van het Haags programma ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie, dat op 2 en 3 juni 2005 is aangenomen, en in het communautaire actieplan van juni 2004 ter bestrijding van terrorisme, dat tweemaal per jaar wordt bijgewerkt. De meest recente bijwerking van het actieplan werd in februari 2006 aangenomen door het Comité van Permanente Vertegenwoordigers.

 

Vraag nr. 10 van Claude Moraes (H-1135/05)
 Betreft: Radicalisering
 

Welk gevolg zal de Raad geven aan de mededeling van de Commissie betreffende de aanwerving van terroristen en de aanpak van de factoren die bijdragen tot gewelddadige radicalisering? Welke activiteiten plant de Raad in dit verband?

 
  
 

De Raad heeft op zijn zitting van 1 en 2 december 2005 goedkeuring gehecht aan de communautaire strategie voor de bestrijding van radicalisering en recrutering voor terrorisme. De Raad is voornemens actief werk te maken van de voorstellen en plannen die in deze strategie zijn vervat. Zo buigen de Raadsorganen zich momenteel over een ontwerp-actieplan voor de bestrijding van terrorisme dat talrijke voorstellen bevat. Ook het Oostenrijkse voorzitterschap heeft prioriteit gegeven aan de bestrijding van radicalisering en recrutering voor terrorisme.

 

Vraag nr. 11 van Bill Newton Dunn (H-1145/05)
 Betreft: Task Force Terrorismebestrijding van Europol
 

Volgens het meest recente evaluatierapport van de Task Force Terrorismebestrijding van Europol leveren slechts zes lidstaten een noemenswaardige bijdrage aan zijn werkzaamheden en is slechts een zeer klein aantal functionarissen van de nationale veiligheidsdiensten als deskundigen aan de Task Force toegewezen.

Geeft dit aan hoe hoog de nationale regeringen de bedreiging van het terrorisme opnemen? Wat doet de Raad, en met name het Gemeenschappelijk Situatiecentrum (SitCen), om verbetering te brengen in deze situatie?

 
  
 

In het door de geachte afgevaardigde gememoreerde rapport wordt in zijn totaliteit positief geoordeeld over de werkwijze van de Task Force Terrorismebestrijding van Europol. De omstandigheid dat slechts enkele lidstaten nationale deskundigen aan de Task Force hebben toegewezen en het commentaar over de informatiestroom geven geen aanleiding tot de conclusie dat de lidstaten het terrorisme niet actief bestrijden. Er valt ook niet uit op te maken hoe de Task Force wordt ingezet. Feit is dat het evaluatierapport in zijn totaliteit een gunstig oordeel velt over de werkzaamheden van de tweede Task Force.

Met betrekking tot het Gemeenschappelijk Situatiecentrum (SitCen) zij erop gewezen dat eind oktober 2005 een overeenkomst is gesloten tussen de Raad en Europol die voorziet in de uitwisseling van als geheim aangemerkte informatie tussen Europol en SitCen. Ook op veel andere gebieden werkt SitCen actief samen met Europol.

 

Vraag nr. 12 van Ivo Belet (H-0082/06)
 Betreft: Verkoop van Nederlandse drugs aan Belgische grens
 

De gemeenteraad van Maastricht (NL) heeft op 20 december beslist de coffeeshops, waar de in Nederlands legale drugs worden verhandeld, te verplaatsen naar de grens met België om zo de overlast in de binnenstad terug te dringen.

Nochtans heeft Nederland de gemeenschappelijke verklaring inzake artikel 71, lid 2 van de slotakte bij de uitvoeringsovereenkomst van het Schengenverdrag mee ondertekend, daarmee verklarend dat ze de noodzakelijke strafrechtelijke en bestuurlijke maatregelen zal nemen om de illegale uitvoer van verdovende middelen naar het grondgebied van de andere partijen tegen te gaan.

Heeft de Belgische overheid dit probleem al voorgelegd aan de Raad? Is de Raad van mening dat het besluit van de gemeenteraad van Maastricht in overeenstemming gebracht kan worden met de bovengenoemde verklaring? Hoe denkt de Raad hierin op te treden?

 
  
 

De Belgische regering heeft het probleem in kwestie nog niet aan de Raad voorgelegd; daarom kon de door de geachte afgevaardigde opgeworpen vraag niet door de Raad worden behandeld en is er nog geen standpunt van de Raad in dit verband bekend.

 

Vraag nr. 13 van Liam Aylward (H-0119/06)
 Betreft: EU drugsstrategie 2005 - 2012
 

In de EU zijn momenteel ongeveer 2 miljoen drugsverslaafden en het gebruik van drugs is nog nooit zo hoog geweest.

Kan de Commissie een verklaring afleggen over de concrete vooruitgang die zij heeft geboekt bij de volledige tenuitvoerlegging van de nieuwe EU drugsstrategie 2005 - 2012?

 
  
 

De Raad kan de geachte afgevaardigde mededelen dat hij ter verwezenlijking van de EU-drugsstrategie voor de periode 2005-2012 in juni 2005 het EU-drugsactieplan (2005-2008) heeft aangenomen, waarin concrete maatregelen met het oog op de uitvoering van de strategie zijn uiteengezet.

In het plan zijn duidelijke bepalingen vervat betreffende de bevoegdheden en termijnen voor de uitvoering van maatregelen op alle belangrijke terreinen inzake de drugsbestrijding, te weten terugdringing van vraag en aanbod, coördinatie, internationale samenwerking, alsmede informatie, onderzoek en evaluatie. De Horizontale Groep Drugs van de Raad coördineert de maatregelen die ten uitvoer gelegd dienen te worden door de lidstaten, de Commissie, het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) en Europol.

De Commissie zal jaarlijks een evaluatie indienen bij de Raad en het Europees Parlement waarin melding wordt gemaakt van vorderingen bij de tenuitvoerlegging van het actieplan en voorstellen die vastgestelde tekortkomingen moeten wegnemen en het hoofd moeten bieden aan nieuwe uitdagingen die zich aandienen. De Commissie zal het eerste voortgangsrapport eind 2006 aanbieden.

De Horizontale Groep Drugs heeft onder het Britse en Oostenrijkse voorzitterschap een aanvang gemaakt met haar beraadslagingen over de uitvoering van verschillende maatregelen. Er is een reeks van thematische besprekingen gehouden over onder meer de tenuitvoerlegging van het actieplan. De resultaten van deze besprekingen over onderwerpen zoals cocaïne, de raadpleging van maatschappelijke organisaties, jongeren en drugs en een betere benutting van onderzoeksresultaten zullen in het voortgangsverslag worden opgenomen.

 

Vraag nr. 14 van Manuel Medina Ortega (H-0097/06)
 Betreft: Opvang en integratie van immigranten
 

De Europese Unie heeft tegenwoordig een omvangrijke immigrantenbevolking. Welke concrete beleidsvoering denkt de Raad te volgen om de opvang en integratie van immigranten in onze samenleving en het economisch leven te verbeteren, vooral om te voorkomen dat ze gediscrimineerd worden en dat er gespleten ("duale") samenlevingen ontstaan?

 
  
 

De integratie van legaal in de Unie verblijvende onderdanen van derde landen is een hoofdprioriteit in het toelatingsbeleid van de Raad. De Unie heeft op integratiegebied een belangrijke rol gespeeld en is voornemens haar activiteiten ter zake uit te breiden.

Hoewel in eerste instantie de lidstaten verantwoordelijk zijn en blijven voor de aanneming en uitvoering van hun nationale integratiebeleid kan de Unie hen daarbij ondersteunen, met name door de uitwisseling van ervaringen en beproefde methoden te bevorderen.

De Raad en de regeringsvertegenwoordigers van de lidstaten hebben in november 2004 goedkeuring gehecht aan conclusies betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid van de lidstaten inzake de integratie van immigranten. In deze conclusies zijn elf beginselen vervat waarop de lidstaten hun integratiebeleid dienen te baseren.

In het Haags programma ter versterking van vrijheid, veiligheid en recht in de Europese Unie, dat in november 2004 door de Europese Raad is goedgekeurd, worden de lidstaten, de Raad en de Commissie verzocht een gestructureerde uitwisseling te bevorderen van ervaringen en informatie op integratiegebied, waarbij de uitwisseling met behulp van een eenvoudig toegankelijke website op internet moet worden ondersteund.

Om deze taak te vervullen, hebben de Raad en de regeringsvertegenwoordigers van de lidstaten op 1 en 2 december 2005 conclusies aangenomen op integratiegebied. In deze conclusies, die gebaseerd zijn op de mededeling van de Commissie "Een gemeenschappelijke agenda voor integratie - Kader voor de integratie van onderdanen van derde landen in de Europese Unie" wordt opgeroepen tot bevordering van de samenwerking op dit vlak, inzonderheid via het netwerk van nationale contactpunten voor integratie. Dit netwerk, dat in 2003 is opgericht en door de Commissie wordt ondersteund, heeft een belangrijke rol gespeeld bij de uitwisseling van informatie en beproefde methoden en uiterst waardevolle bijdragen geleverd aan de eerste editie van een door de Commissie in 2004 gepubliceerd handboek over integratie, bestemd voor beleidsmakers en veldwerkers. Een tweede handboek, waarin vraagstukken worden behandeld die in het eerste handboek niet aan bod kwamen, verschijnt naar verwachting in het voorjaar/de zomer van 2006.

Ten slotte wordt het thema integratie ook in het strategisch plan inzake legale immigratie, dat de Commissie in december 2005 heeft gepubliceerd, genoemd als een van de gebieden waarop zij in de toekomst verdere maatregelen wil treffen.

 

Vraag nr. 15 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0099/06)
 Betreft: Maatregelen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken voor de mobiliteit van werknemers
 

Welke acties gericht op het doen toepassen van de bestaande communautaire wetgeving of het ontplooien van nieuwe initiatieven onderneemt de Raad op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, teneinde bij te dragen aan het bevorderen van de mobiliteit van studerende en werkende burgers van de EU, met inbegrip van hun gezinsleden?

Is de Raad van oordeel dat de Europese burgers, als categorie, voorrang genieten bij het scheppen van gunstige voorwaarden voor hun mobiliteit voor studie of werk?

 
  
 

Het vrij verkeer van burgers van de Europese Unie en van werknemers en hun familieleden is in beginsel geregeld in Titel III van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG) "Het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal". Artikel 39, lid 1, van het Verdrag stipuleert als volgt: "Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij". "Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden." (lid 2). Het Europees Parlement en de Raad hebben in overeenstemming met artikel 40 van het Verdrag in de medebeslissingsprocedure richtlijnen en verordeningen aangenomen om het vrij verkeer van werknemers uit de lidstaten te verwezenlijken. Met name via Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad zijn de voorafgaande richtlijnen gewijzigd en ingetrokken met het oog op de waarborging van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.

Op het punt van voorrang voor burgers van de Unie zijn in artikel 11 van Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen bepalingen vervat over gelijke behandeling van langdurig ingezetenen van derde landen en eigen onderdanen in kwesties als toegang tot werk en tot onderwijs en opleiding. Daarnaast mogen de lidstaten op dezelfde basis beperkingen inzake de toegang tot werk als werknemer of als zelfstandige handhaven indien deze activiteiten, overeenkomstig bestaande nationale of communautaire wetgeving, voorbehouden zijn aan eigen onderdanen, aan burgers van de EU of van de EER.

Dienovereenkomstig kunnen de lidstaten conform artikel 14 van deze richtlijn, betreffende het recht van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen te verblijven in een andere lidstaat dan die welke hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, om redenen van arbeidsmarktbeleid de voorkeur geven aan EU-burgers, ingeval deze onderdanen van derde landen werken als werknemer of als zelfstandige.

 

Vraag nr. 16 van Laima Liucija Andrikienė (H-0153/06)
 Betreft: Invloed van de dienstenrichtlijn op de omvang van de immigratie in de EU en op het communautair immigratiebeleid
 

De goedkeuring van de dienstenrichtlijn is een van de prioriteiten van het Oostenrijks voorzitterschap van de Europese Unie. Na de stemming in het Europees Parlement op 16 februari is het mogelijk dat de procedure tot vaststelling van deze richtlijn vóór het einde van het Oostenrijks voorzitterschap zal zijn afgerond.

Verwacht het fungerend voorzitterschap een forse toename van de immigratie in de EU na de inwerkingtreding van deze richtlijn? Wat zullen de gevolgen van de richtlijn zijn voor de immigratie en de mobiliteit van werknemers in de EU op korte termijn en in de toekomst? Zal deze richtlijn niet leiden tot een nieuwe herziening van het immigratiebeleid van de EU?

 
  
 

Zoals de afgevaardigde ongetwijfeld weet, beoogt het genoemde voorstel een rechtskader te scheppen die de obstakels opruimt die het gebruik van de vrijheid van vestiging door dienstverleners en het vrije dienstenverkeer in de weg staan. Het betreft derhalve een instrument voor de voltooiing van de interne markt, dat niet mag worden toegepast om de immigratie van onderdanen van derde landen naar de EU te vergemakkelijken.

 

Vraag nr. 17 van Bernd Posselt (H-0114/06)
 Betreft: Politiesamenwerking met buurlanden van de EU
 

Wat stelt het Raadsvoorzitterschap voor om de politiesamenwerking met Oekraïne, Moldavië en de landen van Zuidoost-Europa te verbeteren en wat is de huidige stand van de grensoverschrijdende misdaadbestrijding van de EU met deze buurlanden?

 
  
 

De Europese Unie heeft op 1 december 2005 de Europese grensmonitoringmissie Moldavië/Oekraïne (EUBAM) opgericht. Het mandaat van de missie is in een overeenkomst tussen de Europese Commissie, Moldavië en Oekraïne vastgelegd. De missie wordt momenteel via het snellereactiemechanisme van de Commissie gefinancierd. Het hoofd van de missie is tevens hoge politieke adviseur van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de Republiek Moldavië. Het personeel van de EUBAM bestaat uit politie- en douaneambtenaren uit de lidstaten van de EU. Met de oprichting van de missie werd gevolg gegeven aan een gezamenlijk verzoek van de presidenten van Oekraïne en Moldavië aan de EU.

De missie, die op volle toeren draait, brengt geregeld verslag uit aan de Commissie, de betreffende organen van de Raad, de lidstaten en de partnerlanden. De EU levert met de missie een bijdrage aan de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit en corruptie aan de grens tussen Oekraïne en Moldavië. Het voorzitterschap en de Raad volgen de werkzaamheden van de EUBAM op de voet en zijn zeer ingenomen met de prestaties van de missie.

Voorts maakt de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit onderdeel uit van de actieplannen inzake het Europees nabuurschapsbeleid met Oekraïne en Moldavië.

Met het besluit van de Raad van 25 oktober 2004 zijn Oekraïne en Moldavië opgenomen in de lijst van derde landen waarmee Europol onderhandelingen kan beginnen. Andere landen die conform het besluit van de Raad van 13 juni 2002 in deze lijst werden opgenomen, zijn Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

Verder maakt de samenwerking tussen de wetshandhavingsdiensten aan beide zijden van de grens in de buitengrensregio's deel uit van de grensbewaking in het kader van het Schengenacquis, op de toepassing waarvan Polen, Slowakije en Hongarije – en in een later stadium ook Roemenië – zich voorbereiden.

 

Vraag nr. 18 van Chris Davies (H-0116/06)
 Betreft: Onderzoekbevoegdheden van Europol
 

Welke rol komt, in de ogen van de Raad, het Europees Parlement toe in het kader van het scheppen van voorwaarden voor Europol om in de hele EU onderzoeken te kunnen doen naar grensoverschrijdende misdaad?

 
  
 

De rol van het Europees Parlement is afgebakend in artikel 34 van de Europol-overeenkomst. Zodra het derde protocol tot wijziging van de Europol-overeenkomst(1) in werking treedt, zal de informatieverstrekking aan het Europees Parlement over Europol verder verbeteren. Het voorzitterschap is voornemens om tot de inwerkingtreding van het protocol het Europees Parlement, met ondersteuning van de directeur van Europol, regelmatig te informeren over de werkzaamheden van Europol en een open dialoog te voeren met het Parlement over de kwesties ter zake.

Onder het Oostenrijkse voorzitterschap is een fundamenteel debat aangezwengeld over de nadere ontwikkeling van Europol. Dit initiatief strekt zich uit over meerdere voorzitterschappen. Europol dient als centraal samenwerkingsinstrument voor politiediensten in de EU te worden versterkt. Nu de inhoudelijke discussie over de toekomstige rol van Europol op gang is gekomen, wil Oostenrijk ook een gedachtewisseling entameren over een modernisering van de wettelijke basis van Europol.

De ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie van de 25 EU-lidstaten hebben op hun bijeenkomst van 12-14 januari in Wenen 2006 nader overleg gevoerd over de toekomst van Europol. Zij spraken zich duidelijk uit voor een versterking van Europol. Over de toekomstige rol van Europol zal het Oostenrijkse voorzitterschap een verslag uitbrengen met opties voor de nadere ontwikkeling van dit orgaan. Om de veiligheid binnen de EU te verhogen, spraken de lidstaten zich uit voor een operationele versterking van Europol. Van even groot belang zijn een helder mandaat en een duidelijk rolverdeling voor Europol.

Een uitbreiding van Europols bevoegdheden die verder strekt dan het huidige rechtskader zal een wijziging van de Europol-overeenkomst noodzakelijk maken. In verband met het debat over de toekomstige taken van Europol zal ook de rol van het Europees Parlement onder de loep moeten worden genomen. Zodra formele voorstellen zijn ingediend, zal het Europees Parlement overeenkomstig artikel 39 van het EU-Verdrag worden gehoord en zal er op gepaste wijze rekening worden gehouden met zijn standpunt.

 
 

(1) PB C 2 van 6.1.2004, blzS.1.

 

Vraag nr. 19 van Dimitrios Papadimoulis (H-0118/06)
 Betreft: Vergadering van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken - december 2005
 

In de persmededeling die werd uitgegeven naar aanleiding van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 1-2 december 2005 staat dat op het vlak van de terrorismebestrijding overeenstemming is bereikt over een reeks documenten, waaronder: 1) een nieuwe terrorismebestrijdingsstrategie van de EU (14469/4/05), 2) een verslag over de uitvoering van het actieplan (14734/1/05), 3) een strategie ter bestrijding van radicalisering en rekrutering (14781/1/05), 4) een evaluatie van nationale regelingen, 5) aanbevelingen voor het beleid inzake terrorismebestrijding, 6) een verslag over de bestrijding van terrorismefinanciering, en 7) EU-regelingen inzake crisiscoördinatie. In de persmededelingen wordt bij de eerste drie documenten een referentienummer vermeld, maar bij de overige vier documenten ontbreekt zo'n nummer.

Kan de Raad mij op de hoogte stellen van de inhoud van de overige vier documenten en aangeven waarom deze niet voor het publiek toegankelijk zijn? In de persmededeling staat dat de Raad overeenstemming heeft bereikt over een reeks documenten. Heeft de Raad tijdens de bedoelde vergaderingen goedkeuring gehecht aan nog meer documenten?

 
  
 

Om te beginnen wil de Raad in antwoord op beide vragen erop wijzen dat alle documenten die de Raad op zijn vergadering van 1-2 december 2005 heeft getoetst en/of goedgekeurd, op de voorlopige agenda(1) of op de lijst van A-punten(2) staan die op 30 november 2005 met het oog op deze vergadering van de Raad zijn opgesteld en uitgebracht.

Zoals blijkt uit de persmededeling(3) waaraan de geachte afgevaardigde refereert, heeft de Raad op zijn vergadering van 1-2 december 2005 naast de zeven documenten die hij in zijn vraag noemt, nog een aantal andere documenten aangenomen of goedgekeurd(4). Ingeval de vraag echter enkel de documenten over terrorismebestrijding betreft, moet er worden vastgesteld dat de Raad op dit terrein geen andere dan de in de persmededeling genoemde zeven documenten heeft aangenomen of goedgekeurd. Van deze zeven documenten zijn zes documenten kort voor of direct na de vergadering van de Raad voor het publiek beschikbaar gemaakt.

Voorts wil de Raad de geachte afgevaardigde erop wijzen dat de persdienst van de Raad het publiek op de hoogte stelt als een document reeds voor het publiek toegankelijk is of kan worden gemaakt, nadat het door de Raad is aangenomen of goedgekeurd. Daarbij wordt in de persmededeling het nummer van het betreffende document tussen haken vermeld.

De geachte afgevaardigde kan derhalve de verwijzingen naar de documenten over terrorismebestrijding vinden op de bladzijden 7, 8, 25 en 26 van voornoemde persmededeling.

Het zevende document dat onder de categorie "RESTREINT UE"(5) valt, bevat een reeks van gedetailleerde aanbevelingen inzake terrorismebestrijding. De geachte afgevaardigde zal ongetwijfeld begrijpen dat de Raad met het oog op de toepassing van deze aanbevelingen geen nadere informatie over de inhoud van dit document kan verstrekken.

 
 

(1) Doc. 14989/05 OJ/CONS 66 JAI 461 van 30 november 2005.
(2) Doc. 15055/05 PTS A 55.
(3) Doc. 14390/05 (Presse 296).
(4) Zie met name doc. 14390/05 (Presse 296), blz. 24 e.v. ("Andere goedgekeurde punten").
(5) Doc. 14732/05 ENFOPOL 161 RESTREINT UE.

 

Vraag nr. 20 van Maria Berger (H-0147/06)
 Betreft: Controle op de verstrekking van visa
 

De Raad, respectievelijk de permanente Schengen-commissie, heeft ondanks aandringen van vragenstelster in 2004 tot nu toe geen werk gemaakt van een effectieve controle op de verstrekking van visa door de lidstaten. Geven de incidenten op onder andere de Oostenrijkse consulaten geen aanleiding tot verandering in de passieve houding van de Raad?

 
  
 

Om de toepassing van het Schengenacquis op het gebied van de visaverstrekking te kunnen beoordelen, moet worden onderzocht of de procedures die de lidstaten hanteren, de menselijke hulpbronnen die ze inzetten, de voorzieningen bij de consulaire vertegenwoordigingen alsmede de door hen getroffen maatregelen voor de opleiding van personeel toereikend zijn om een bevredigende toepassing van de Gemeenschappelijke Visuminstructies te waarborgen. Het is niet de taak van de Raad om onderzoek te doen naar vermeende onregelmatigheden. Ook onderzoeken naar vermeende fraudegevallen bij de verstrekking van visa behoren niet tot de bevoegdheid van de Raad, maar van de lidstaten.

 

Vraag nr. 21 van Sajjad Karim (H-0161/06)
 Betreft: Verenigd Koninkrijk: uitholling van de mensenrechten in de strijd tegen het terrorisme
 

In het Verenigd Koninkrijk heeft de rechtmatige strijd tegen het terrorisme geleid tot een stelsel van wetten en praktijken, met inbegrip van internering, huiszoekingen en deportaties, waarbij de mensenrechten fel worden geschonden. De wetgeving heeft de bevoegdheden en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht uitgehold, waarbij zijn rol bij de afdwinging van de antiterrorismewetgeving is ondermijnd. Het zoeken naar diplomatieke waarborgen van derde landen om personen te kunnen deporteren naar landen waar ze het risico lopen te worden gefolterd, en het feit dat de verplichtingen ten aanzien van misbruiken door derde landen niet worden nageleefd, via het ontwijken van de verantwoordelijkheden inzake uitleveringsvluchten, vormen een bedreiging voor het absolute verbod op foltering. Tevens probeert het VK nationale en internationale verplichtingen te omzeilen met betrekking tot de acties van zijn personeel in Irak, Afghanistan en Guantanamo.

De bestaande nationale controles en evenwicht volstaan niet om machtsmisbruik door de staat te verhinderen. Als de EU niet optreedt tegen misbruiken door lidstaten dreigt zij haar geloofwaardigheid te verliezen.

In hoeverre onderzoekt de Raad de nationale praktijken op dit gebied? Houdt artikel 7 van het EU-Verdrag volgens de Raad iets meer in dan een louter theoretische dreiging? Hoe denkt de Raad zijn politieke macht te gebruiken om dringend een echt debat te bevorderen over de mensenrechten die op het spel staan en over de EU-instrumenten die in het kader van de EU kunnen worden ontwikkeld?

 
  
 

De geachte afgevaardigde verwijst in zijn vraag naar de bilaterale overeenkomsten en contacten van lidstaten met derde landen betreffende het terugzenden van personen naar het land waarvan deze onderdaan zijn alsmede hun binnenlandse rechtsvoorschriften. Deze vallen niet onder de bevoegdheid van de Raad.

De EU-lidstaten moeten hun verplichtingen uit hoofde van het volkerenrecht nakomen, waaronder het Verdrag tegen foltering (onder toezicht van het VN-comité tegen foltering (CAT)) en het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.

Alle lidstaten zijn bovendien verdragspartijen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, dat foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing verbiedt (artikel 3). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voorziet in doeltreffende beschermingsmechanismen tegen opdrachten tot uitzetting die indruisen tegen dit verbod. Zo biedt artikel 39 van zijn reglement voor de procesvoering onder andere de mogelijkheid van een beschikking in kort geding, volgens welke een onrechtmatige uitzetting kan worden opgeschort totdat er een definitieve beslissing voorligt. Bovendien bestaat er op basis van het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing een onafhankelijk preventiesysteem voor de bescherming van gedetineerden, op grond waarvan het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) bezoeken kan afleggen, die regelmatig of – zo nodig – ad hoc kunnen plaatsvinden.

In de communautaire strategie voor de bestrijding van terrorisme staat de eerbiediging van de mensenrechten centraal. Aan dit beginsel zal ook bij de nadere ontwikkeling van deze strategie het allerhoogste belang worden toegekend.

 

Vraag nr. 22 van Christa Prets (H-0162/06)
 Betreft: Maatregelen van het Oostenrijkse EU-Voorzitterschap tegen vrouwenhandel
 

Welke concrete maatregelen zult u nog tijdens het Oostenrijkse EU-Voorzitterschap nemen in de strijd tegen de vrouwenhandel die gericht is op seksuele uitbuiting?

Welke acties en maatregelen overweegt u tegen vrouwenhandel en gedwongen prostitutie in verband met het wereldkampioenschap voetbal in Duitsland en het Europees voetbalkampioenschap dat in 2008 in Oostenrijk wordt gehouden?

 
  
 

De bestrijding van mensenhandel is een van de prioriteiten van het Oostenrijkse voorzitterschap.

De Raad heeft op zijn bijeenkomst van 1 en 2 december 2005 goedkeuring gehecht aan het actieplan ter bestrijding van mensenhandel, en het Oostenrijkse voorzitterschap zal zorgvuldig toezien op de invoering van de noodzakelijke maatregelen voor de nauwgezette tenuitvoerlegging daarvan.

Op de vergadering van de Raad (Justitie en Binnenlandse Zaken) van 27 en 28 april 2006 zal diepgaand worden gesproken over de vraag welke maatregelen Duitsland treft om te verhinderen dat er tijdens het Europees kampioenschap voetbal een toename plaatsvindt van de vrouwenhandel en prostitutie.

 

Vraag nr. 23 van Richard Seeber (H-0167/06)
 Betreft: Haags programma 2005 - 2010
 

De samenwerking in EU-verband op het gebied van justitie en binnenlandse zaken moet via het Haags programma (2005 - 2010) worden versterkt. Welke doelstellingen zijn in dit kader vastgesteld?

 
  
 

Met het Haags programma, dat de Raad op 4 november 2004 heeft aangenomen, dient voor de periode 2005-2010 de samenwerking tussen de lidstaten op de gebieden justitie en binnenlandse zaken versterkt te worden om zo van Europa een "ruimte van vrijheid, veiligheid en recht" te maken. Met het oog hierop hebben de Raad en de Commissie op 2 en 3 juni 2005 goedkeuring gehecht aan een actieplan waarmee het Haags programma wordt omgezet in concrete maatregelen op drie actiegebieden: versterking van de vrijheid – met name in het kader van asiel, immigratie en grenzen –, versterking van de veiligheid – met name door samenwerking tussen politie en douane – en ten slotte versterking van het recht, meer bepaald het strafrecht, burgerlijk recht en handelsrecht.

De Europese ruimte is bovenal een ruimte van vrijheid.

De Europese ruimte is – overeenkomstig het Haags programma – ook een ruimte van veiligheid.

Tot slot dient met het actieplan voor de omzetting van het Haags programma het strafrecht en burgerlijk recht te worden versterkt.

Wat het strafrecht betreft, streeft de EU ernaar de criminaliteitsbestrijding en de bescherming van de grondrechten doeltreffend met elkaar in overeenstemming te brengen. Ten aanzien van het eerste actiegebied gaat de Raad door met de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning en bevordert hij de harmonisatie van de rechtsvoorschriften. In dat opzicht is de aanneming van het Europees aanhoudingsbevel een eerste belangrijke stap. Als tweede belangrijke stap kan het Europees bewijsverkrijgingsbevel worden genoemd. Daarnaast heeft Oostenrijk samen met Finland en Zweden een initiatief ontplooid voor een kaderbesluit betreffende de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op vonnissen in strafzaken waarbij een vrijheidsstraf wordt opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de EU. Hierover wordt momenteel op het niveau van werkgroepen beraadslaagd. Dit initiatief, dat één van de prioriteiten van het Oostenrijkse voorzitterschap is, regelt de uitlevering van veroordeelde personen aan de lidstaat waarvan deze onderdaan zijn, opdat zij de straf die in de staat van veroordeling is opgelegd in de staat van nationaliteit kunnen uitzitten.

Met betrekking tot de grondrechten heeft het voorzitterschap de oprichting van een Europees agentschap voor de grondrechten ter vervanging van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat aangemerkt als een van de prioriteiten in zijn werkprogramma.

Ten aanzien van het burgerlijk recht is de Raad vastbesloten de maatregelen voor wederzijdse erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in het gehele gebied van de EU voort te zetten met als doel bij te dragen aan de instelling van een daadwerkelijke ruimte van recht in burgerlijke en handelszaken. In dat opzicht zou de goedkeuring van het Rome-II-voorstel over conflictenrecht inzake niet-contractuele verbintenissen een belangrijke stap voorwaarts betekenen. De Raad spant zich met name in om de samenwerking tussen de verschillende actoren te bevorderen en het Europese justitiële netwerk te verbeteren. Een derde doelstelling is coherentie te bewerkstelligen in het burgerlijk recht op alle gebieden binnen de Europese ruimte alsmede bij het externe optreden van de Gemeenschap. Het sluiten van bi- of multilaterale overeenkomsten, bijvoorbeeld het sluiten van een nieuwe overeenkomst van Lugano, is dienstig aan deze doelstelling.

 

Vraag nr. 24 van Paul Rübig (H-0168/06)
 Betreft: Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken
 

De justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken kan voor de individuele EU - burger zeer nuttig zijn wanneer hij in zijn grensoverschrijdende betrekkingen met een rechtsgeding wordt geconfronteerd. Verschillende besluiten van de EU die in de praktijk reeds toepassing vinden, bieden in veel gevallen de mogelijkheid voor een dichterbij gelegen rechterlijke instantie, vergemakkelijking van de erkenning en tenuitvoerlegging van reeds gewezen vonnissen en grensoverschrijdende verlening van rechtsbijstand voor alle processuele handelingen.

Welke maatregelen neemt de Raad of denkt hij te nemen om het publiek te informeren over de tot dusverre bereikte resultaten wat betreft de vergemakkelijking van de grensoverschrijdende instelling van rechtsvorderingen? Op welke wijze kan een dergelijk aanbod van informatie worden aangevuld en uitgebreid?

 
  
 

Ten aanzien van de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken zijn er de laatste jaren enkele mijlpalen bereikt. Niet alleen is de grensoverschrijdende consumentenbescherming uitgebreid en versterkt, ook ter zake van gevoelige vraagstukken zoals kinderwelzijn bestaan er al regels over de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen aangaande voogdij en bezoekrecht. Deze voortschrijdende communautarisering op een groeiend aantal rechtsgebieden heeft de mogelijkheden van EU-burgers op het gebied van rechtsbescherming zonder twijfel versterkt. De onlangs ingediende ontwerp-verordening van de Raad over het algehele onderhoudsrecht is de volgende stap in deze ontwikkeling. Het Oostenrijkse voorzitterschap heeft al in februari met bijeenkomsten van werkgroepen een aanzet gegeven op dit terrein.

De taak om de huidige verworvenheden dicht bij de burger te brengen strekt zich uit over meer dan één voorzitterschap. Er bestaan reeds vele informatiebronnen voor de burgers en aan de uitbreiding daarvan wordt doorlopend gewerkt. Een waardevol instrument daarbij is met name de Gerechtelijke Atlas van de Europese Commissie op internet, die op alle rechtsgebieden uitgebreide informatie en ondersteuning biedt. Men moet echter altijd voor ogen houden dat niet elke burger regelmatig met justitie en rechtspleging te maken krijgt. Er is een grote groep mensen die gelukkigerwijs nog niet heeft hoeven procederen om recht te halen. Oostenrijk ondersteunt echter alle initiatieven die erop gericht zijn de EU-burgers optimaal te informeren, opdat het individu weet - wanneer het noodlot toeslaat - over welke mogelijkheden hij beschikt en tot welke instelling hij zich kan wenden. Werkzaamheden voor een goede en uitgebreide informatievoorziening kunnen echter alleen in samenwerking met alle betrokken instellingen tot een goed einde worden gebracht. Daarbij zal Oostenrijk speciaal op ambtenarenniveau intensieve contacten blijven onderhouden met het Europees Parlement en de Europese Commissie.

De Raad is van mening dat de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken voor de Europese burgers van het allergrootste belang is. Kwesties op rechtsgebieden als het familie-,- ondernemings- en personenrecht alsmede een goede samenwerking tussen de gerechtelijke instanties van de lidstaten spelen een belangrijke rol in het leven van de Europese burger.

De Raad heeft drie initiatieven ontplooid voor de informatievoorziening aan de burgers. Om te beginnen is in 2005 een boek gepubliceerd waarin de belangrijkste wettelijke regelingen worden vermeld die de Raad op dit gebied heeft aangenomen alsmede een toelichting van de inhoud. Deze publicatie is in eerste instantie bedoeld voor juridische beroepsbeoefenaren.

Het tweede initiatief was de uitbrenging van een film op cd-rom, waarin de betreffende werkzaamheden van de Europese Unie op een begrijpelijke wijze wordt uitgelegd. De doelgroep voor deze film, die in 2005 is uitgebracht, zijn juridische leken.

Het derde initiatief bestaat uit deelname van de bevoegde ambtenaren van de Raad aan congressen, seminars of andersoortige initiatieven, bedoeld om rechters, advocaten, andere juridische beroepsbeoefenaren en de burgers in het algemeen tekst en uitleg te geven over de werkzaamheden van de EU inzake de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken.

Wat de toekomstige werkzaamheden betreft, is de Raad voornemens om in 2007 het boek en de film te actualiseren en de deelname aan voornoemde congressen en seminars voort te zetten. De Raad buigt zich momenteel over aanvullende maatregelen om de informatievoorziening inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken verder uit te breiden en nog completer te maken.

 

Vraag nr. 25 van Othmar Karas (H-0176/06)
 Betreft: Bezorging van schriftelijke stukken
 

Hoewel de grensoverschrijdende bezorging van gerechtelijke en niet-gerechtelijke stukken op het eerste oog wellicht een profane en technische kwestie lijkt, is een goed functionerende besteldienst voor de doeltreffendheid en acceptatie van de "Europese rechtspraak" van grote betekenis. Snelle vorderingen op dit gebied zouden zeer welkom zijn. Hoe beoordeelt de Raad derhalve de mogelijkheid de uit praktisch oogpunt zo belangrijke procedure, gericht op verbetering van de verordening inzake de bezorging van stukken, nog onder het Oostenrijks voorzitterschap in eerste lezing af te sluiten?

 
  
 

De Raad acht het inderdaad zinvol al het mogelijke te doen om in eerste lezing tot overeenstemming te komen met het Europees Parlement. Er worden met het oog hierop gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van het Europees Parlement teneinde oplossingen te vinden die voor het Europees Parlement, de Raad en de Commissie aanvaardbaar zijn.

 

Vraag nr. 26 van Hubert Pirker (H-0178/06)
 Betreft: Europese justitiële netwerken
 

Wat zijn de voordelen van het Europees justitieel netwerk (EJN) ten opzichte van andere instrumenten op Europees niveau (met name EUROJUST) met het oog op verbetering en versnelling van de justitiële samenwerking tussen de lidstaten in strafzaken? Op welke taken moet naar uw mening de nadruk worden gelegd bij verdere uitbreiding van het EJN? Welke onder de bevoegdheden van justitie vallende maatregelen zijn op EU-niveau genomen voor de zo belangrijke sector strijd tegen het terrorisme?

 
  
 

Zowel het Europees justitieel netwerk (EJN) als Eurojust hebben hun eigen sterke punten en specifieke taken, die erop gericht zijn de justitiële samenwerking tussen de lidstaten in strafzaken te verbeteren en te versnellen.

Het Europees justitieel netwerk komt op verschillende niveaus in actie binnen de lidstaten overeenkomstig het rechtsstelsel van de desbetreffende lidstaat. De contactpunten werken dagelijks samen met vertegenwoordigers van de justitiële autoriteiten in eigen land en in het buitenland. De door het EJN ontwikkelde IT-instrumenten die de communicatie tussen de contactpunten moeten vereenvoudigen en informatie moeten verspreiden over de verschillende rechtsstelsels en vormen van rechtshulp die de afzonderlijke lidstaten kunnen verlenen, maken het EJN samen met Eurojust tot een onmisbare partner bij de bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit.

Het EJN blijkt dikwijls beter geschikt te zijn voor de behandeling van bilaterale gevallen, ook al kunnen die dermate ingewikkeld zijn dat Eurojust ze in behandeling zou moeten nemen. Door de nauwe verbinding tussen beide structuren zijn er richtsnoeren opgesteld voor de praktische betrekkingen tussen hen.

Voorts hebben verschillende lidstaten een praktische samenwerking op poten gezet tussen de contactpunten en de nationale leden van Eurojust. In het kader daarvan zijn bijvoorbeeld contactpunten benoemd als plaatsvervangende nationale leden van Eurojust. Beide structuren zijn bevoegd voor de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en terrorisme. De afspraken over wederzijdse samenwerking hebben ertoe geleid dat de beperkte middelen zo efficiënt mogelijk worden benut.

Terrorismebestrijding is een van de prioriteiten van de EU, ook al valt die in eerste instantie onder de bevoegdheid van de lidstaten en hun instanties. In het kader van haar zogeheten strategisch engagement hanteert de EU het volgende motto: "Terrorisme mondiaal bestrijden met inachtneming van de mensenrechten; Europa veiliger maken, zodat zijn burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht kunnen leven". De strategie van de EU inzake de bestrijding van terrorisme rust op vier pijlers:

Voorkomen: voorkomen moet worden dat terrorisme mensen aantrekt, door de factoren en de basisoorzaken die tot radicalisering en rekrutering kunnen leiden, in Europa en internationaal aan te pakken.

Beschermen: daarbij gaat het om de bescherming van de burgers en de infrastructuur. We moeten ons minder kwetsbaar maken voor aanslagen, onder meer door een betere beveiliging van grenzen, vervoermiddelen en kritieke infrastructuur.

Achtervolgen: in dit kader moeten terroristen over onze grenzen heen en mondiaal worden achtervolgd en opgespoord. Het is zaak hun plannen, reizen en communicaties te verhinderen, hun ondersteunende netwerken te verstoren, hen de toegang tot geld en materiaal om aanslagen te plegen te ontzeggen en hen voor de rechter te brengen.

Reageren: we moeten ons voorbereiden op het beheersen en zo veel mogelijk beperken van de gevolgen van een terroristische aanslag door het vermogen om de gevolgen aan te pakken, alsook de coördinatie van de respons te verbeteren en beter aan de behoeften van de slachtoffers tegemoet te komen.

Met de aanneming van algemene rechtsinstrumenten voor justitiële samenwerking, zoals de overeenkomst van 2000 over rechtshulp in strafzaken en het Europees aanhoudingsbevel, die een efficiënte samenwerking tussen de justitiële autoriteiten mogelijk maken, ondersteunt de EU de lidstaten bij de bestrijding van het terrorisme. Bovendien kan de Raad door de aanneming van specifieke rechtsinstrumenten, zoals de beschikking van de Raad van 20 september 2005 betreffende de uitwisseling van informatie en de samenwerking op het gebied van strafbare feiten van terroristische aard, ervoor zorgen dat Eurojust (en Europol) toegang krijgen tot specifieke gegevens over lopende onderzoeken, waarmee zij conform hun mandaat de nationale instanties kunnen bijstaan bij de uitoefening van hun taken.

 

Vraag nr. 27 van Pedro Guerreiro (H-0107/06)
 Betreft: Verslag over de Israëlische politiek in Oost-Jeruzalem
 

De Raad heeft beslist het verslag van de diplomatieke vertegenwoordigers van de EU-lidstaten in de Bezette Gebieden over de Israëlische politiek beleid in Oost-Jeruzalem niet te publiceren. Naar verluidt gaat het verslag gedetailleerd in op wat de diplomaten van de EU-lidstaten omschrijven als de bewuste politiek van Israël om de annexatie van Oost-Jeruzalem te voltooien, waarbij zij onderstrepen dat de regeringsmaatregelen, met minachting voor alle verplichtingen van het internationale recht, als strategisch doel hebben de stad volledig te omsingelen met kolonisten en het Palestijnse stadsdeel van Jeruzalem te isoleren van de andere Palestijnse gebieden, met alle kwalijke gevolgen van dien voor de levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat.

Is de Raad van plan zijn standpunt te herzien en het verslag in kwestie, samen met zijn aanbevelingen toch openbaar te maken?

 
  
 

Op de thematiek die de geachte afgevaardigde aan de orde heeft gesteld, is ingegaan door staatssecretaris Hans Winkler in zijn bijdrage naar aanleiding van de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 1 februari 2006 en door minister van Buitenlandse Zaken Jack Straw op de persconferentie in aansluiting op de zitting van de Raad (Algemene Zaken en Externe Betrekkingen) van 12 december 2005.

De Raad heeft de bevoegde Raadsorganen belast met het maken van een uitvoerige analyse van de EU betreffende Oost-Jeruzalem aan de hand van bijdragen van de EU-missies in Jeruzalem en Ramallah. De Raad heeft besloten dat deze analyse van de EU niet openbaar wordt gemaakt en dat de EU in plaats daarvan nadrukkelijke demarches blijft ondernemen richting de Israëlische regering. Staatssecretaris Winkler heeft het Europees Parlement ervan in kennis gesteld dat er inmiddels twee demarches zijn ondernomen, te weten een demarche van de EU-trojka op 19 december 2005 tegenover het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken en een demarche van het voorzitterschap bij de belangrijkste Israëlische partijen op 23 december 2005.

De Raad is zich onverminderd bewust van alle aspecten die samenhangen met het vraagstuk Oost-Jeruzalem.

 

Vraag nr. 28 van Georgios Toussas (H-0108/06)
 Betreft: Amerikaanse provocaties van Cuba
 

In het kader van de serie provocaties van het volk en de regering van Cuba door de VS heeft het Bureau voor Amerikaanse belangen in Havana provocerende laserboodschappen vertoond met als onderwerp de Cubaanse revolutie. Dit soort acties is een grove schending van de fundamentele beginselen van het internationale recht en is een unicum in de geschiedenis van de diplomatie.

Veroordeelt de Raad deze puur vijandige actie van de VS tegen Cuba, die neerkomt op een schending van zowel het internationale recht, als de autonome rechten van staten?

 
  
 

De Raad heeft deze kwestie, die gaat over bilaterale betrekkingen tussen derde landen, niet behandeld.

 

Vraag nr. 29 van Seán Ó Neachtain (H-0109/06)
 Betreft: Erasmus-programma
 

In 2005 werd 17 miljoen euro ter beschikking gesteld om 260 projecten in het kader van het Erasmus-programma te steunen.

Kan de Raad mededelen welke maatregelen hij denkt te nemen om de werking van het Erasmus-programma in de toekomst nog uit te breiden?

 
  
 

De Raad wil de geachte afgevaardigde er in alle beleefdheid aan herinneren dat uitsluitend de Commissie, en via haar het netwerk van nationale bestuurlijke instanties, bevoegd is voor de tenuitvoerlegging van communautaire programma's zoals het Erasmus-programma. De Raad kan derhalve niet zonder meer vaststellen hoeveel projecten uiteindelijk geselecteerd zijn en welke bedragen ervoor zijn uitgetrokken.

Over de vraag van de geachte afgevaardigde over een mogelijke uitbreiding van voornoemd programma in de toekomst kan de Raad mededelen dat de beraadslagingen in het Europees Parlement en de Raad betreffende het financiële kader voor het toekomstige geïntegreerde programma voor levenslang leren, waarin het Erasmus-programma en alle andere programma's op onderwijsgebied moeten worden opgenomen, nog niet zijn afgerond. Het kader en de omvang van het Erasmus-programma alsmede de toewijzing van de middelen aan de afzonderlijke programma's binnen het algehele financiële kader voor de periode 2007-2013 zijn afhankelijk van de uitkomst van de onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad over dit financiële kader - waarbij ook de conclusies van de Europese Raad van december 2005 in aanmerking worden genomen.

 

Vraag nr. 30 van Robert Evans (H-0125/06)
 Betreft: Uitbreiding
 

Wat zijn de belangrijkste lessen die volgens de Raad kunnen worden getrokken uit de uitbreiding van de EU in 2004? Hoe zullen deze lessen in de praktijk worden gebracht, nu de toekomstige uitbreiding nadert?

 
  
 

De Raad heeft de uitkomsten en effecten van de laatste uitbreiding van de Europese Unie niet aan een uitgebreide evaluatie onderworpen. Uit de eerste resultaten blijkt echter duidelijk dat de uitbreiding van 2004 zeer succesvol is geweest en dat de aanvankelijke zorgen, bijvoorbeeld over institutionele verlamming, overdreven waren.

Zoals de geachte afgevaardigde zonder twijfel weet, is de Raad op 12 december 2005 in het beraad over de toekomstige uitbreiding en over het strategisch document van de Commissie van 2005 tot de slotsom gekomen dat dit strategisch document een goede basis is voor verdere beraadslagingen in 2006 over dit onderwerp. Daarnaast kwam de Raad overeen dat in het debat zorgvuldig rekening moet worden gehouden met de volgende aspecten:

De steun voor het uitbreidingsproces moet in de gehele EU verankerd en verder ontwikkeld worden. Daarbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met het belang van voorlichting en de mening van de burgers, en dient het opnamevermogen van de Unie een belangrijk aspect te blijven in de besprekingen.

Het beginsel van conditionaliteit moet in alle fasen van het proces rechtvaardig doch strikt worden toegepast.

De kandidaat-lidstaten en de landen van de westelijke Balkan moeten nadrukkelijk en blijvend aangemoedigd worden de weg naar hervorming en stabiliteit te vervolgen door deze landen steeds een Europees perspectief te bieden; de doelmatige tenuitvoerlegging van de met de EU gesloten overeenkomsten maakt deel uit van dit proces.

Het Oostenrijkse voorzitterschap is bezig met het starten van gesprekken over hoe een dergelijk debat het best kan worden vormgegeven, met name als de hoofddoelstelling uit meer duidelijkheid en een betere communicatie bestaat. Het voorzitterschap zal in ieder geval rekening houden met de ervaringen die met de uitbreiding van de EU in 2004 zijn opgedaan.

 

Vraag nr. 31 van Aloyzas Sakalas (H-0144/06)
 Betreft: Overeenkomst tussen Duitsland en Rusland over de aanleg van een gasleiding onder de Oostzee
 

Begin september 2005 ondertekende EU-lidstaat Duitsland een bilateraal akkoord met Rusland over de aanleg van een gasleiding onder de Oostzee. De aanleg van deze gasleiding die langs de kust loopt van vier aan de Oostzee liggende lidstaten van de Europese Unie (Polen, Litouwen, Letland en Estland), vormt een inbreuk op de energiebelangen en milieuveiligheid van deze landen.

Vindt de Raad dat een lidstaat van de Europese Unie (Duitsland) unilateraal over de aanleg van een gasleiding onder de Oostzee een akkoord kan sluiten met een staat die geen lid is van de Europese Unie (Rusland) als de uitvoering van een dergelijke overeenkomst betekent dat hierdoor belangen die voor andere EU-lidstaten specifiek gewicht hebben, worden geraakt en geschaad?

 
  
 

Bij de Noord-Europese gasleiding gaat het om een particulier project waarbij ondernemingen uit Rusland en EU-lidstaten betrokken zijn. Het gaat niet om een project tussen Rusland en een lidstaat.

De Noord-Europese gasleiding maakt deel uit van de trans-Europese netwerken op energiegebied (beschikking van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 dat bij besluit van de ministers van Energie op 28 juni 2005 is bekrachtigd).

De Raad neemt in beginsel geen standpunt in over particuliere handelsovereenkomsten, doch merkt op dat er, de recente ontwikkelingen in de energiesector indachtig, op de voorjaarstop van de Europese Raad in maart 2006 de nodige aandacht aan energievraagstukken zal worden besteed.

 

Vraag nr. 32 van Jacky Henin (H-0152/06)
 Betreft: Verordening van de Raad over de aanduiding van het land van oorsprong op bepaalde producten uit derde landen COM(2005)0661 def. - ACC 2005/0254
 

Het voorstel voor een verordening van de Raad over de aanduiding van het land van oorsprong betekent een eerste stap in de richting van eerlijke voorlichting van de consument en bescherming van de Europese knowhow.

Dankzij deze reglementering zal het aantal gevallen van oneerlijke concurrentie afnemen, hetgeen de werkgelegenheid in de Unie ten goede zal komen. Een onderneming in land X van de Unie zal namelijk niet meer de mogelijkheid hebben een product te vervaardigen in een derde land en er ongestraft een etiket 'made in X' op te plakken, om zo op een oneerlijke manier de verkoop ervan te bevorderen.

De Europese messenmakers eisen dat hun producten, die op een bijzondere, ambachtelijke manier vervaardigd worden, in de bijlage bij dit voorstel voor een verordening worden opgenomen. De toekomst van de Europese messenmakerij en van duizenden geschoolde werknemers staat op het spel.

Zal de Raad dit verzoek inwilligen en de producten uit hoofdstuk 82 van de 'Europese Gecombineerde Nomenclatuur', in het bijzonder die met de codes 82.08, 82.11, 82.12, 82.13, 82.14 en 82.15, in de bijlage bij de verordening opnemen?

 
  
 

De Commissie heeft op 16 december 2005 haar voorstel ingediend voor een verordening van de Raad betreffende de aanduiding van het land van oorsprong op bepaalde producten uit derde landen. Deze verordening zou moeten gelden voor bepaalde ambachtelijke producten die in een bijlage staan vermeld.

Aangezien de voorbereidende instanties van de Raad pas zeer onlangs met de toetsing van dit voorstel is begonnen, kan nog niet worden vastgesteld of en zo ja wanneer de voorgestelde verordening wordt aangenomen en welke producten onder haar werkingssfeer zullen vallen.

De Raad drukt zijn dank uit voor de suggesties die in de vraag zijn gedaan en zal deze in de besprekingen meenemen.

 

Vraag nr. 33 van Athanasios Pafilis (H-0160/06)
 Betreft: Sterke heropleving van het fascisme in Letland
 

Onlangs heeft de meerderheid van het Letse Parlement (Saeima) het parlementslid Nikolai Kampanov uit de parlementaire commissie voor buitenlandse zaken gezet om hem te "straffen" voor zijn deelname aan de realisatie van een film met als titel "Het nazisme in de Baltische staten", die gaat over de activiteiten van de SS-legioenen. Hij werd ervan beschuldigd dat deze daad "tegen de staat" was gericht en evenmin werd hem in dank afgenomen dat hij de plenaire vergadering van het Letse Parlement in het Russisch heeft toegesproken.

Deze onaanvaardbare politieke daad bevordert bovendien de historische rechtvaardiging van de SS-leden in Letland. Hoe staat de Raad tegenover de sterk toenemende nazigezindheid van bepaalde autoriteiten in Letland, alsook tegenover de verzoeken om het verbod op de werking van de communistische partij op te heffen en om de antidemocratische kieswet af te schaffen die de leden van de voormalige communistische partij en andere organisaties verhindert aan de nationale en plaatselijke verkiezingen deel te nemen en een groot deel van de Letse bevolking (de Russisch sprekenden) die sinds 1991 van haar politieke rechten is beroofd, het kiesrecht ontzegt?

 
  
 

Het valt niet onder de bevoegdheid van de Raad zich te mengen in stemmingen die worden gehouden in het parlement van een van de EU-lidstaten.

Beweringen in de sfeer van "nazigezinde tendensen" bij de Letse autoriteiten wijst de Raad echter resoluut van de hand. Dergelijke aantijgingen ontberen elke grond. De president, de premier en de minister van Buitenlandse Zaken van Letland hebben meermaals alle vormen van totalitarisme veroordeeld. Op 14 februari 2006 verklaarde de Letse minister van Buitenlandse Zaken als volgt: "Wij veroordelen categorisch de holocaust en de volkerenmoord alsmede de activiteiten van hen die dergelijke ideologieën aanhangen. De toename van strafbare feiten voortkomend uit racisme en vreemdelingenhaat in verschillende Europese landen bewijst dat totalitaire ideologieën nog steeds levend zijn. De samenleving en de instellingen in Letland die verantwoordelijk zijn voor recht en orde moeten blijven werken aan de uitbanning van het extremisme".

De communistische Partij van Letland werd bij besluit van het Letse parlement op 10 september 1991 verboden. Destijds was de communistische partij een verlengstuk van de communistische partij van de Sovjet-Unie, die gedurende het gehele bestaan van de Sovjet-Unie de facto als deel van de regering functioneerde.

In geval van geconstateerde schendingen van rechten uit hoofde van artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (vrijheid van vergadering) of het eerste protocol bij dit verdrag (recht op vrije verkiezingen) kan er bij het Europees Gerechtshof voor de Rechten van de Mens een klacht worden ingediend.

Ten aanzien van de algemene kwestie betreffende de bevordering van het beginsel van niet-discriminatie in de EU kan de Raad mededelen dat hij een pakket van maatregelen ter bestrijding van discriminatie heeft aangenomen, waaronder met name twee richtlijnen(1), dat wordt aangevuld met een zesjarig communautair actieprogramma voor de bestrijding van discriminatie.

Het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (EUMC) dat in Wenen is gevestigd, biedt extra ondersteuning. In december 2003 hebben de Europese staatshoofden en regeringsleiders besloten het mandaat van het EUMC uit te breiden en het Waarnemingscentrum zodoende om te vormen tot een agentschap voor de grondrechten. Dit agentschap zal de bestaande mechanismen ter bescherming van de grondrechten aanvullen en de EU-organen en lidstaten ondersteunen en adviseren. Dit agentschap betekent een nieuwe stap voorwaarts naar de verwezenlijking van een doelmatiger en coherenter mensenrechtenbeleid in de EU.

 
 

(1) Richtlijn 2000/43/EG houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming en Richtlijn 2000/78/EG voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.

 

Vraag nr. 34 van John Bowis (H-0164/06)
 Betreft: Diabetes
 

Wat was het resultaat van de conferentie van het Voorzitterschap over diabetes?

 
  
 

Type 2 diabetes is een ernstige chronische aandoening waaraan steeds meer en steeds jongere mensen lijden. Om die reden is voorzorg tegen type 2 diabetes en de daarmee gepaard gaande complicaties een belangrijk streven van de openbare gezondheidszorg.

Het Oostenrijkse voorzitterschap heeft dit onderwerp een centrale plaats toebedeeld met als oogmerk de kennisoverdracht te intensiveren en mogelijke stappen op EU-niveau te behandelen. Met steun van de Europese Commissie heeft het voorzitterschap een conferentie belegd waaraan werd deelgenomen door 200 deskundigen uit alle lidstaten van de EU en de kandidaat-lidstaten. Op deze conferentie is besproken welke initiatieven er ontplooid moeten worden en zijn aanbevelingen voor toekomstige strategieën uitgewerkt. De deskundigen waren uit verschillende beroepsgroepen afkomstig (medisch deskundigen en vertegenwoordigers van nationale instanties, diabetes- en patiëntenverenigingen, de Europese Commissie, het Europees Parlement en de WHO).

Het accent lag op de volgende vier thema's die in parallelle werkgroepen werden behandeld:

Preventie van cardiovasculaire aandoeningen bij diabetes

Ziektebeheer ter vermindering van diabetische complicaties

Vroege preventie van type 2 diabetes

Sociale en genderspecifieke aspecten van type 2 diabetes.

De deskundigen kwamen tot de conclusie dat de Raad van de EU een aanbeveling moet uitbrengen over preventie, vroege herkenning en ziektebeheer van diabetes. Daarin moeten Europese gegevensstandaarden voor diabetes worden aanbevolen en dient expliciete aandacht te worden besteed aan maatschappelijk achtergestelde bevolkingsgroepen, vrouwen in de vruchtbare leeftijd en het gevaar van discriminatie.

Voorts werd vastgesteld dat voor adequate maatregelen tegen diabetes gecoördineerde nationale diabetesplannen in alle lidstaten nodig zijn, waarin programma's zijn opgenomen voor preventie en vroege herkenning. Er moet speciaal belang worden toegekend aan de stimulering van het besef dat een gezonde levenswijze helpt. Als mensen op grote schaal daartoe overgaan kan dat gunstig uitwerken op de gezondheid van toekomstige generaties. Er dient prioriteit te worden gehecht aan een spoedige uitvoering van de nationale diabetesplannen.

De resultaten van de conferentie worden in een verslag samengevat en de kern daarvan zal op de informele vergadering van de gezondheidsministers op 25 en 26 april 2006 worden voorgelegd.

 

Vraag nr. 35 van Manolis Mavrommatis (H-0170/06)
 Betreft: Omzetting richtlijnen interne markt
 

Uit het halfjaarlijks verslag van het Directoraat-generaal Interne Markt van de Commissie over de omzetting van het Gemeenschapsrecht in nationaal recht blijkt dat talrijke nationale wetten in de lidstaten nog niet zijn aangepast aan de Europese regelgeving. Oostenrijk blijkt bijvoorbeeld het snelst te zijn met de omzetting: op 1 december 2005 was slechts 1,5% van de richtlijnen nog niet in nationale regelgeving omgezet. Daarentegen was dit percentage voor Luxemburg bijvoorbeeld 4,4%. Welke stappen overweegt de Raad om de achterstand bij de omzetting en tenuitvoerlegging van interne-marktregelgeving tegen te gaan?

 
  
 

De Raad heeft meermaals verklaard dat hij de tijdige en correcte omzetting van de internemarktrichtlijnen in nationaal recht hoogst belangrijk acht, aangezien dit een absoluut noodzakelijke voorwaarde is voor het functioneren van de interne markt. Op de vergadering van de Europese Raad in 2001 in Stockholm en in het jaar daarop in Barcelona zijn kwantitatieve doelstellingen bepaald voor een verkleining van het omzettingstekort (tot maximaal 1,5 procent), die de lidstaten er klaarblijkelijk toe hebben aangezet hun inspanningen op dit gebied te intensiveren. Zoals blijkt uit de nieuwste gegevens van de Commissie (scorebord van de interne markt nr. 14a van februari 2006) zijn opmerkelijke vorderingen gemaakt; zo is het omzettingstekort van alle 25 lidstaten tot 1,6 procent teruggedrongen. Daarmee is het doel van 1,5 procent niet gehaald, maar het is wel het beste resultaat ooit. Niettegenstaande deze vorderingen loopt de omzettingsgraad per lidstaat uiteen. Er moet dan ook meer worden gedaan om de voorwaarden voor een volledig functionerende interne markt te scheppen. De Raad en de Europese Raad zullen daarom de verdere ontwikkelingen bij de omzetting van de internemarktrichtlijnen nauwlettend blijven volgen en zullen daarbij leunen op de regelmatige ingediende documenten van het scorebord van de interne markt en andere daarmee verband houdende mededelingen van de Commissie. In voorkomende gevallen zullen zij erop aandringen dat alle lidstaten het Gemeenschapsrecht omzetten, geldigheid verschaffen en volledig toepassen, opdat burgers en het bedrijfsleven de vruchten kunnen plukken van de interne markt.

 

Vraag nr. 36 van Frank Vanhecke (H-0171/06)
 Betreft: Mensenrechtensituatie in Algerije en Jordanië
 

Op 4 februari 2006 arresteerden de Jordaanse autoriteiten de heren al-Mu'mani en Hashim al-Khalidi, uitgevers van Mehwar, omdat het dagblad de cartoons over de profeet Mohammed die eerst verschenen waren in het Deense Jyllands-Posten had overgenomen. Op 12 februari 2006 werden de uitgevers op borgtocht vrijgelaten maar binnenkort verschijnen ze opnieuw voor het gerecht.

In Algerije zouden de autoriteiten twee dagbladen, Panorama en Essafir, hebben gesloten en twee uitgevers, de heren Kamel Bousaad en Berkana Bouderbala hebben gearresteerd omdat ze de bewuste cartoons hebben gepubliceerd.

Welke stappen zal de Raad ondernemen om ervoor te zorgen dat Algerije en Jordanië hun verbintenissen inzake mensenrechten en democratie krachtens hun associatieovereenkomst met de EU respecteren? Welke sanctiemogelijkheden zet de Raad bij niet-naleving van deze verbintenissen in het vooruitzicht?

 
  
 

De Europese Unie en Jordanië hebben in het afgelopen jaar afspraken gemaakt over een zeer verstrekkend actieplan in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid (ENB). Het doel van dit actieplan is ook de ondersteuning van het door Jordanië gestarte hervormingsproces. Een van de vier prioriteiten van deze hervormingsstrategie is de versterking en professionalisering van de media, samen met de ontwikkeling van onafhankelijke media. Ondanks de moeilijke algemene geografische en politieke omstandigheden in dit land hebben Jordanië, zijn regering en koning Abdullah persoonlijk zich tot taak gesteld de politieke hervormingen op weg te brengen en de democratie, de verplichting tot het afleggen van verantwoording en de doorzichtigheid van het justitiële systeem te consolideren en Jordanië te laten voldoen aan het model van een modern, op kennis gebaseerd islamitisch Arabisch land. Jordanië is zich overigens zelf bewust van het feit dat hierbij sprake is van een lang en niet altijd eenvoudig proces.

Vooral ten aanzien van de pers moeten volgens het ENB-actieplan met voorrang maatregelen worden genomen om de vrijheid van de media en de vrijheid van meningsuiting verder te ontwikkelen. Op de bijeenkomst van de Subcommissie EU-Jordanië voor mensenrechten, democratie en regeringsoptreden in juni van het afgelopen jaar hebben de EU en Jordanië de stand van de Jordaanse wetgeving, het rechtskader en de opleidingsprogramma's voor journalisten behandeld. Dit overleg zal worden voortgezet. De EU voelt zich ertoe verplicht Jordanië in dit proces te ondersteunen.

Ten aanzien van Algerije:

De eerste bijeenkomst van de associatieraad van de Europese Unie en Algerije zal op 21 maart 2006 plaatsvinden. Daarmee worden de bilaterale contacten op ministerieel niveau tussen de EU en Algerije na de laatste ontmoeting van de ministeriële trojka te Algiers van november 2003 weer hervat.

De geachte afgevaardigde kan ervan verzekerd zijn dat de EU in het kader van de politieke dialoog over democratie en mensenrechten zal ingaan op haar bezorgdheid in verband met de persvrijheid in Algerije, vooral tegen de achtergrond van het feit dat verscheidene journalisten door een stelselmatige en buitenproportionele toepassing van de wet inzake laster aan pesterijen zijn blootgesteld, boetes kregen opgelegd en in hechtenis werden genomen.

 

Vraag nr. 37 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-0181/06)
 Betreft: Stakingsrecht en het verzekeren van de economische, territoriale en sociale samenhang in de lidstaten
 

In Griekenland heeft de voortdurende staking van de zeevarenden de laatste dagen geleid tot een uiterst moeilijke situatie en tot problemen voor de territoriale, economische en sociale samenhang van het land (geen voedsel- en brandstofvoorziening op de eilanden, geen ziekenvervoer, enz.). Het stakingsrecht is ongetwijfeld een verankerd en onbetwistbaar recht van de werknemers en het is vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 28). Maar tegelijk bepalen zowel het Handvest als het voorstel voor een Europese Grondwet uitdrukkelijk (in artikel 36 en artikel II-96 respectievelijk) dat de Unie de toegang tot diensten van algemeen economisch belang erkent en eerbiedigt zoals deze is geregeld in de nationale wetgevingen en praktijken, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, teneinde de sociale en territoriale samenhang van de Unie en haar concurrentievermogen te bevorderen.

Is de Raad het ermee eens dat dergelijke extreme stakingsacties het recht schenden van de Europese burger op toegang tot basisdiensten en een probleem veroorzaken voor de goede werking van de interne markt? Beschikt de Raad over vergelijkende studies en cijfers inzake de aanpak van dergelijke situaties in de diverse lidstaten? Is hij het ermee eens dat een minimale dienstverlening moet worden verplicht zoals dat het geval is in een aantal lidstaten?

 
  
 

De geachte afgevaardigde heeft gelijk met haar bewering dat volgens artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie werknemers het recht hebben collectieve acties te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking. Dit artikel vermeldt echter ook dat zij dit recht hebben overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken. Aangezien overeenkomstig het EG-Verdrag het stakingsrecht is uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 137, vallen vraagstukken in verband met stakingen uitsluitend onder de nationale bevoegdheid.

De Raad neemt kennis van de moeilijkheden die door de recente stakingen van zeevarenden in Griekenland zijn veroorzaakt. De Raad beschikt niet over vergelijkende studies over hoe aan dergelijke situaties in andere lidstaten het hoofd wordt geboden; mogelijk beschikt de Commissie over informatie hieromtrent.

 

Vraag nr. 38 van Ryszard Czarnecki (H-0187/06)
 Betreft: Opheffing van barrières op de interne arbeidsmarkt
 

Heeft het Oostenrijkse Voorzitterschap geschat hoe sterk het aantal werknemers uit de "nieuwe" lidstaten van de Unie zou toenemen na de opheffing van de barrières op de interne arbeidsmarkt, met name in landen als Oostenrijk en de BRD, die dit proces sterk vertragen?

 
  
 

Overeenkomstig het toetredingsverdrag van 2003 valt het besluit over de voortzetting van overgangsmaatregelen inzake het vrij verkeer volledig onder de bevoegdheid van de betreffende lidstaten. De lidstaten die de overgangsmaatregelen na 30 april 2006 nog drie jaar willen toepassen moeten de Commissie vóór die datum daarvan in kennis stellen.

Het Oostenrijkse voorzitterschap is van mening dat de lidstaten hun besluiten moeten baseren op het verslag dat de Europese Commissie op 8 februari 2006 heeft overgelegd houdende toepassing van overgangsregelingen zoals vastgelegd in het toetredingsverdrag van 2003, en op grond van hun specifieke desbetreffende uitgangssituaties en met inachtneming van alle met arbeidsmigratie verband houdende factoren tot afgewogen besluiten moeten komen. Tot deze factoren behoren in de eerste plaats de economische omstandigheden in en de situatie op de arbeidsmarkt van de betrokken lidstaten, omdat die bepalend zijn of migrantenwerknemers althans gedurende een passende en voorzienbare periode met hun arbeidsinkomen in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Ook het geografisch aspect zal waarschijnlijk een belangrijke rol spelen in de besluitvorming, omdat de afstand tussen het land van herkomst en de plaats van arbeid bepalend zal zijn voor de omvang van de migratie.

In vervolg op de presentatie en behandeling van het verslag van de Commissie op de vergadering van de Raad (Werkgelegenheid, Sociaal beleid, Gezondheid en Consumentenbescherming) van 10 maart 2006 nemen de lidstaten thans alle relevante factoren voor het besluit om de overgangsregeling al dan niet voort te zetten, onder de loep, waarbij vooral de situatie op hun arbeidsmarkten een rol speelt. Vanzelfsprekend zullen de betreffende lidstaten een dergelijke besluit enkel nemen na een zorgvuldige afweging op basis van een objectieve evaluatie.

 

Vraag nr. 39 van Antonio Masip Hidalgo (H-0188/06)
 Betreft: Communautaire verordening inzake alimentatie-uitkeringen
 

Alimentatie-uitkeringen kunnen voor behoeftige personen van vitaal belang zijn. Verder leidt het unanimiteitsvereiste op dit terrein tot problemen en vertragingen.

Welk standpunt dient de Raad naar het oordeel van het voorzitterschap in te nemen met betrekking tot het verzoek van de Commissie om de toekomstige verordening inzake bevoegdheden, toepasselijke wetgeving, erkenning en tenuitvoerlegging van besluiten en samenwerking tussen instanties op het gebied van alimentatie-uitkeringen aan de medebeslissingsprocedure te onderwerpen en het unanimiteitsvereiste te laten vallen? Kortom, welke rol dient het Europees Parlement volgens het voorzitterschap in deze te spelen, louter adviserend (als unanimiteit in de Raad vereist blijft) of wetgevend (medebeslissing)?

 
  
 

De Raad wil de geachte afgevaardigde eraan herinneren dat de Commissie in haar voorstel voor een verordening inzake de onderhoudsverplichtingen heeft verklaard dat deze vraagstukken onder het familierecht vallen en dat derhalve van rechtswege de raadplegingsprocedure moet worden toegepast zoals die in het Verdrag is vastgelegd.

Daarnaast is de Raad reeds begonnen met zijn beraadslagingen over de vraag of het wenselijk is artikel 251 van het Verdrag – zoals voorgesteld door de Commissie in haar mededeling aan de Raad – toe te passen op de maatregelen die krachtens artikel 65 van het EG-Vertrag op het gebied van de onderhoudsverplichtingen zijn uitgevaardigd.

In vervolg op de eerste besprekingen in de bevoegde Raadsorganen heeft de Raad besloten het Europees Parlement te raadplegen over het voorstel voor een verordening betreffende de onderhoudsverplichtingen, evenwel zonder daarbij vooruit te lopen op de verdere aanpak met betrekking tot het voorstel dat de Commissie in haar mededeling heeft gedaan, volgens welke de procedure krachtens artikel 251 op kwesties die met onderhoudsverplichtingen verband houden, wordt toegepast.

 

Vraag nr. 40 van Anna Hedh (H-0189/06)
 Betreft: Toenemend alcoholgebruik onder jongeren in Europa
 

Gelukkig neemt het alcoholgebruik in Europa in het algemeen af, maar voor jongeren geldt het omgekeerde. Met name meiden drinken meer en ze beginnen er steeds jonger mee. Dit blijkt uit een tot dusverre niet gepubliceerd verslag dat in opdracht van de Commissie is opgesteld. Er is een groot aantal oorzaken aan te wijzen. De samenleving is harder geworden door de werkloosheid en doordat er steeds meer eisen aan jongeren worden gesteld, maar ook doordat zij tegenwoordig zelfstandiger zijn en meer geld hebben. De alcoholindustrie volgt deze ontwikkelingen uiteraard op de voet en richt het drankenaanbod en de reclame op de jeugd.

25% van alle gevallen van overlijden onder jongeren van 15 tot 29 jaar in Europa is, volgens gegevens van de WTO die om de ontwikkeling tot staan te brengen pleit voor hogere alcoholaccijnzen, terug te voeren tot verkeersongelukken, vergiftigingsgevallen en moord waarbij alcohol in het spel is. Op welke wijze denkt het voorzitterschap de tragische ontwikkeling van het alcoholgebruik door jongeren in Europa om te buigen?

 
  
 

De Raad bedankt de geachte afgevaardigde dat zij dit belangrijke vraagstuk onder handen heeft genomen.

Alcohol is een van de gezondheidsonderwerpen in het werkprogramma van de Raad voor 2006 dat door het Oostenrijkse en komende Finse voorzitterschap is ingediend.

De Europese Commissie zal in het voorjaar van 2006 haar mededeling over de strategie van de Europese Unie tegen alcoholmisbruik indienen en deze op de vergadering van de Raad van 1 en 2 juni 2006 toelichten.

Het voorzitterschap is voornemens om na de indiening van deze mededeling een gedachtewisseling te houden op ministerieel niveau waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan het probleem van het toenemende alcoholgebruik onder jongeren.

Voorts zal de Groep volksgezondheid zich buigen over de vraag welke maatregelen er in aansluiting op deze mededeling moeten worden genomen.

 

Vraag nr. 41 van Gisela Kallenbach (H-0190/06)
 Betreft: De terugkeer van Roma-vluchtelingen in Kosovo
 

Het is bekend dat ongeveer 560 Kosovo-Roma al zes jaar als binnenlandse ontheemden in kampen in de regio Mitrovica wonen. Deze kampen zijn ernstig verontreinigd door lasten uit het verleden, met name zware metalen. Het gevolg daarvan is ernstige aantasting van de gezondheid. Het Europees Centrum voor de rechten van de Roma in Boedapest heeft in februari een klacht tegen UNMIK ingediend bij het Europees Hof voor de rechten van de mens. UNMIK werkt hard aan een oplossing en biedt in het voormalige KFOR-kamp Osterode tijdelijke opvang aan. Een werkelijke oplossing is de definitieve terugkeer van deze mensen naar hun vaderland Roma Mahalla. De herbouw van de huizen kost echter veel geld en tot dusverre heeft alleen Duitsland 500.000 Euro beschikbaar gesteld.

Wat doen de lidstaten van de EU om een financiële bijdrage te leveren aan de terugkeer van de Roma-gezinnen naar zuid.Mitrovica?

 
  
 

Wat de financiële toezeggingen van de EU-lidstaten voor Roma Mahalla betreft, is naast de 500 000 euro die - zoals in de mondelinge vraag vermeld - Duitsland beschikbaar heeft gesteld, 800 000 euro toegezegd door Zweden en 250 000 euro door Ierland. Een toezegging van Griekenland van 10 000 EUR staat nog open.

Afgezien van deze toezeggingen van de lidstaten heeft het Europees Agentschap voor de wederopbouw 1,12 miljoen euro (via de Deense vluchtelingenhulp) beschikbaar gesteld. Noorwegen en de voorlopige instellingen voor zelfbestuur hebben respectievelijk 600 000 en 200 000 euro toegezegd en de Missie van de Verenigde Naties in Kosovo (UNMIK) heeft een toezegging gedaan ten bedrage van 250 000 euro.

Deze bijdragen worden gebruikt voor wederopbouw, maatregelen op het gebied van werkgelegenheid en onderwijs en uitgebreide ondersteuning met het oog op de terugkeer.

 

Vraag nr. 42 van Avril Doyle (H-0192/06)
 Betreft: Vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten
 

Wat doet de Raad ter aanmoediging van de afschaffing van overgangsmaatregelen, gezien het fundamentele recht van werknemers, hun gezinnen en alle EU-burgers om vrijelijk binnen de grondgebieden van de lidstaten te reizen en te verblijven, gezien het op 8 februari gepubliceerde verslag van de Commissie waarin de afschaffing wordt bepleit van de sinds 1 mei 2004 in twaalf van de vijftien oude lidstaten van de EU geldende "overgangsmaatregelen" en beperkingen betreffende het vrije verkeer van werknemers uit de tien nieuwe lidstaten, en tenslotte gezien het voor april 2006 verwachte besluit van de lidstaten over de handhaving van beperkingen voor migrerende werknemers?

Welke conclusies trekt de Raad in verband met de voordelen of andere aspecten van het door de lidstaten gehanteerde werkvergunningssysteem, met name in verband met het effect daarvan op de zwarte economie? Welke stappen worden er genomen ter vereenvoudiging en harmonisering van de procedures voor het aanvragen van zulke werkvergunningen in de lidstaten die ervoor kozen hun overgangsmaatregelen met nog eens twee te verlengen?

 
  
 

De geachte afgevaardigde zal er beslist van op de hoogte zijn dat het toetredingsverdrag met de tien nieuwe lidstaten voorziet in een overgangsperiode inzake het vrij verkeer van werknemers die maximaal zeven jaar beslaat. In die periode kunnen de lidstaten van de EU-15 nationale maatregelen toepassen om de toegang van onderdanen van de nieuwe lidstaten, met uitzondering van Cyprus en Malta, tot hun arbeidsmarkten te reguleren. Een specifieke bepaling in het toetredingsverdrag maakt het voor Duitsland en Oostenrijk mogelijk stappen te ondernemen om aan ernstige verstoringen die zich door de tijdelijke migratie van arbeidskrachten in verband met de grensoverschrijdende levering van diensten in kwetsbare sectoren van de dienstverlening zouden kunnen voordoen, het hoofd te bieden. Voorts kunnen drie nieuwe lidstaten op wederkerigheid berustende beperkingen opleggen aan onderdanen van de oude lidstaten die hunnerzijds beperkingen opleggen.

De eerste overgangsperiode van twee jaar vanaf de toetreding loopt op 30 april af. Het is nu aan de Raad om het functioneren van de overgangsbepalingen te toetsen aan de hand van een verslag van de Commissie dat op 8 februari 2006 is aangenomen. In dit verslag adviseert de Commissie de lidstaten zorgvuldig na te gaan of een voortzetting van de overgangsregelingen noodzakelijk is.

Het voorzitterschap is voornemens om vóór eind april in de Raad een debat te wijden aan het verslag van de Commissie. De lidstaten nemen thans aan de hand van het verslag van de Commissie en hun eigen ervaringen de situatie op hun arbeidsmarkten onder de loep. Een aantal lidstaten heeft reeds te kennen gegeven dat zij van plan zijn de beperkingen voor arbeidskrachten op te heffen; echter, nog niet alle lidstaten hebben het onderzoek al afgerond of de Commissie verwittigd van hun besluit over het al dan niet voortzetten van de nationale maatregelen.

Er mag niet worden vergeten dat het het besluit om de nationale maatregelen te blijven toepassen alsmede het type maatregelen uitsluitend onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen.

 

VRAGEN AAN DE COMMISSIE
Vraag nr. 52 van Nils Lundgren (H-0200/06)
 Betreft: Herbenoeming van de heer Brüner tot directeur-generaal van OLAF
 

Gedurende zijn ambtstermijn van vijf jaar heeft de heer Brüner vaak blootgestaan aan zware kritiek , maar toch heeft de Commissie op 14 februari besloten hem opnieuw te benoemen ondanks het feit dat de Commissie begrotingscontrole en de Raad geschiktere kandidaten hadden gevonden. Uit dit besluit blijkt duidelijk dat de beloften van de Commissie over hervormingen, verbetering van de financiële controle en de fraudebestrijding geen prioriteit vormen.

Is de Commissie niet ook van mening dat, nu de heer Brüner voor zijn herbenoeming zoveel te danken heeft aan de welwillendheid van de Commissie en lobbyen, deze herbenoeming gevolgen zal hebben voor de geloofwaardigheid en onafhankelijkheid van OLAF waardoor het onderzoek naar fraude bemoeilijkt wordt? Hoe kan de Commissie onder deze omstandigheden spreken van een sterk mandaat?

 
  
 

De Commissie herinnert de geachte afgevaardigde eraan dat zij voor de benoeming van de directeur-generaal van OLAF (Europees Bureau voor fraudebestrijding) op transparante en constructieve wijze de procedure heeft gevolgd die is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1073/1999. De Commissie heeft het besluit tot herbenoeming van de heer Brüner genomen met volledige instemming van het Parlement en de Raad, die ruimschoots de mogelijkheid hebben gehad om deel te nemen aan de selectie. De drie instellingen waren allemaal naar behoren vertegenwoordigd toen hierover tijdens de trialoogvergadering van 7 februari overeenstemming werd bereikt, en bij die gelegenheid hebben de drie instellingen allemaal hun steun uitgesproken voor de heer Brüner.

De Commissie kan zich niet vinden in het oordeel van de geachte afgevaardigde dat de Raad en het Parlement geschiktere kandidaten hadden gevonden. De heer Brüner was door alledrie de instellingen als geschikte kandidaat op een shortlist geplaatst. De COCOBU(1) heeft zijn geschiktheid voor de post bevestigd tijdens de hoorzittingen in oktober 2005 en heeft zijn naam op de lijst gehandhaafd samen met die van één andere kandidaat. De Raad stelde een shortlist op met drie namen, waaronder de zijne. Hierbij moet worden bedacht dat er op de oorspronkelijke lijst 180 namen stonden, en dat de COCOBU onder de indruk was van de kwaliteit en expertise van de vijf kandidaten op de shortlist.

Op basis van de procedure die is gevolgd om tot dit besluit te komen kan de Commissie nu vaststellen dat de nieuwe directeur-generaal beschikt over een noodzakelijk en sterk mandaat. De grondigheid en transparantie van de procedure, de onderlinge vergelijking van een groot aantal kandidaten, de deelname aan de procedure door het Comité van toezicht van OLAF en de drie instellingen, en uiteindelijk de overeenstemming van de drie instellingen over één naam bieden een stevige garantie voor gezamenlijke en krachtige steun, die de nieuwe directeur-generaal zal helpen om op onafhankelijke wijze leiding te geven aan het bureau.

De heer Brüner is benoemd omdat hij degene was die alledrie de instellingen uiteindelijk de beste kandidaat vonden. De ervaring en professionaliteit van de heer Brüner werden onder andere beschouwd als cruciale factoren in het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot zijn benoeming.

De Commissie kan zich ook niet vinden in de bewering van de geachte afgevaardigde dat uit dit besluit duidelijk blijkt dat de beloften van de Commissie over hervormingen, verbetering van de financiële controle en de fraudebestrijding geen prioriteit vormen. De Commissie heeft de afgelopen jaren laten zien dat zij dit onderwerp serieus neemt. Er kan in dit verband worden verwezen naar een nieuw personeelsstatuut, een nieuw Financieel Reglement, een nieuwe Dienst interne audit, een nieuw boekhoudsysteem en radicale organisatorische wijzigingen. Het advies van de Europese Rekenkamer over het financieel beheer is geleidelijk verbeterd. Uit de hoorzitting die het Parlement in juli 2005 heeft gehouden over de versterking van OLAF kan de Commissie concluderen dat het noodzakelijk is de strijd tegen fraude op Europees niveau voortdurend te verbeteren en niet radicaal te wijzigen.

De Commissie ziet niet in hoe deze benoeming negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de geloofwaardigheid en onafhankelijkheid van OLAF. Nogmaals, de conclusie van de hoorzitting van afgelopen zomer, evenals die van de Europese Rekenkamer was dat de onafhankelijkheid van OLAF door de Commissie nooit in gevaar is gebracht. Het recentelijk benoemde Comité van toezicht heeft bovendien al blijk gegeven van zijn inzet om zijn verantwoordelijkheden te vervullen als een "kritische vriend van OLAF", met name door de onafhankelijkheid van OLAF te garanderen. De benoeming moet dus juist worden gezien als een blijk van vertrouwen en moet de nieuwe directeur-generaal geloofwaardigheid geven.

 
 

(1) De Commissie begrotingscontrole van het Europees Parlement.

 

Vraag nr. 55 van Alessandro Battilocchio (H-0159/06)
 Betreft: Adopties in Roemenië
 

In verband met gevallen van internationale adoptie die onbeslist zijn gebleven sedert in Roemenië een nieuwe wet van kracht is geworden, en in verband met mijn twee voorafgaande vragen waarop de antwoorden onvolledig waren en om de hete brei heen draaiden, vraag ik de Commissie:

om informatie over de vooruitgang die de deskundigen werkgroep heeft geboekt die volgens de herhaaldelijk door de Roemeense regering verstrekte informatie zou moeten gaan functioneren om van geval tot geval een besluit te nemen over de wenselijkheid van internationale adopties (dit verzoek is VOOR 1.1.2005 ingediend);

om informatie over de vooruitgang die de Roemeense regering in deze zaak maakt afgaande op de herhaaldelijk gedane toezeggingen door vertegenwoordigers van de autoriteiten en naar aanleiding van de formele verzoeken van het Europees Parlement in zijn resoluties over toetreding van Roemenië om een oplossing te vinden voor deze hangende gevallen.

Is men van mening dat Roemenië werkelijk in staat is de 84.000 Roemeense kinderen die momenteel in tehuizen zitten, een gezin, een huis, huisvesting en gezondheidszorg te bieden?

 
  
 

De Roemeense autoriteiten liggen op schema met betrekking tot de afhandeling van adoptieaanvragen die zijn ingediend voordat de nieuwe wet op 1 januari 2005 van kracht werd.

De Roemeense autoriteiten hebben een werkgroep opgericht die zijn werkzaamheden op 31 maart 2006 zal afronden. De Commissie is vastbesloten de kwestie te blijven volgen en zal hiervan verslag doen in haar monitoringsverslag van mei.

Met het oog hierop geven de Roemeense autoriteiten gevolg aan de herhaalde verklaringen van het Europees Parlement, zoals die het laatst zijn geformuleerd in paragraaf 23 van de resolutie van het Parlement van 15 december 2005.

De 82 000 kinderen die op dit moment onder sociale bescherming vallen (institutionele zorg, pleegzorg en plaatsing bij familieleden) profiteren van een beschermingsstructuur voor kinderen die in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind. Dit geldt tevens voor de toegang tot gezondheidszorg en onderwijs.

 

Vraag nr. 56 van John Bowis (H-0165/06)
 Betreft: Kooibedden in Roemenië
 

Is de Commissie ervan op de hoogte dat in Roemenië geestelijk gestoorde kinderen in kooibedden worden gelegd, en zal zij dit met de Roemeense regering opnemen, om een spoedig einde te maken aan deze praktijk?

 
  
 

De Commissie is vastbesloten de ontwikkelingen op het terrein van kinderbescherming in Roemenië te blijven volgen.

Gedurende de vijftien jaar dat de Commissie deze kwestie volgt, heeft zij nooit enig vermoeden gehad ten aanzien van het gebruik van kooibedden in Roemenië.

De Commissie zal deze kwestie echter blijven volgen in het kader van haar periodieke contacten met diverse non-gouvernementele organisaties.

 

Vraag nr. 57 van Leopold Józef Rutowicz (H-0197/06)
 Betreft: De anticorruptiewetgeving in Roemenië
 

Het afgelopen jaar bevestigde de Commissie dat Roemenië zou voldoen aan de politieke criteria voor lidmaatschap. Op 9 februari, evenwel, heeft de Roemeense Senaat het voorstel voor een anti-corruptiewet verworpen, terwijl uit berichten in de internationale media blijkt dat de Roemeense regering bepaalde belangengroepen ondersteunt, die financieel belang hebben bij deze stand van zaken. Nu rijst dus de vraag of dit land werkelijk gereed is voor de laatste, beslissende etappe van het toetredingsproces. De Commissie is thans bezig met de voorbereiding van een verslag waarin de vooruitgang wordt geëvalueerd die Roemenië geboekt heeft bij het vervullen van de criteria voor lidmaatschap. De strijd tegen de corruptie moet een van de hoogste prioriteiten zijn, want die vormt een bedreiging voor een werkelijke uitvoering van de beleidsmaatregelen van de Europese Unie.

Welke concrete stappen is de Commissie van plan te nemen om de Roemeense autoriteiten aan te sporen tot grotere inspanningen bij de uitvoering van de anticorruptiewetgeving?

 
  
 

De Commissie is zeer verheugd over de definitieve stemming die op 3 maart in de Roemeense senaat heeft plaatsgehad en waarbij is besloten om het eerder genomen besluit, waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst, ongedaan te maken. Dit besluit is genomen na intensieve binnenlandse discussies op de hoogste politieke niveaus in Roemenië en er is nu sprake van brede politieke steun voor het anticorruptieprogramma van de regering.

Op grond van deze stemming beschikt het Nationaal Directoraat Corruptiebestrijding nu over een stevige rechtsgrond om zijn onderzoek voort te zetten naar corruptie op hoog niveau, met inbegrip van de beschuldigingen aan het adres van parlementsleden. Op dit cruciale moment in de voorbereidingen van Roemenië op het EU-lidmaatschap blijkt hieruit de politieke wil om te waarborgen dat niemand boven de wet staat.

De Commissie kan bevestigen dat de vooruitgang in de strijd tegen corruptie behoort tot de belangrijkste kwesties in haar verslag dat op 16 mei 2006 zal worden gepubliceerd.

De Commissie grijpt iedere gelegenheid aan om in de dialoog met de Roemeense autoriteiten dergelijke zaken aan de orde te stellen. Onze beoordeling zal zijn gebaseerd op een aantal indicatoren, zoals: het bestaan van een anticorruptiestrategie; de stand van zaken met betrekking tot de anticorruptiewetgeving; de stand van zaken met betrekking tot anticorruptievraagstukken; en bewijzen van doeltreffend strafrechtelijke onderzoek dat tot vervolging leidt.

 

Vraag nr. 58 van Bart Staes (H-0103/06)
 Betreft: Onderhandelingsgesprekken statuut van Kosova en economische ontwikkeling van de regio in het kader van een nakende uitbreiding
 

De door VN-gezant Athisaari geleide gesprekken over het toekomstig statuut van Kosova en de nakende onafhankelijkheid zullen voor de Verenigde Naties waarschijnlijk passen in een exit-strategie waarbij de EU gevraagd zal worden een nog grotere verantwoordelijkheid in de regio op te nemen, mede gelet op de wens van het overgrote deel van de Kosovaarse bevolking op termijn lid te worden van de EU.

Kan de Commissie meedelen in welke mate de EU van plan is een plan en strategie op te zetten voor de economische ontwikkeling van de regio die de bestaande initiatieven in het kader van pijler IV van de UNMIK overtreft?

 
  
 

De Commissie kan niet voorspellen wat precies de uitkomst zal zijn van het onderhandelingsproces over de status van Kosovo, dat geleid wordt door de speciale gezant van de Verenigde Naties Marti Ahtisaari, zolang er geen akkoord is bereikt. De Commissie verwacht echter dat de regeling van de toekomstige status van Kosovo de tot op dat moment gerealiseerde vrede, stabiliteit en vooruitgang zal consolideren. Zij verwacht ook dat de regeling van de toekomstige status zal bijdragen tot duurzame economische ontwikkeling en het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de westelijke Balkanlanden om toe te treden tot de Europese Unie.

Momenteel draagt de Europese Unie, naast de initiatieven in het kader van pijler IV van de door de EU gefinancierde UNMIK (VN-missie in Kosovo), op verschillende manieren bij tot de economische ontwikkeling in Kosovo. Het gaat hierbij onder meer om aanzienlijke financiële steun in hoofdzaak via het CARDS-programma (80 miljoen euro in 2005), maatregelen ter bevordering van de handel, steun voor de deelname van Kosovo aan regionale initiatieven zoals het Verdrag voor een gemeenschap voor energie en advies en begeleiding in uit economisch oogpunt bijzonder belangrijke sectoren. De Commissie heeft in dit verband de mededeling "Een Europese toekomst voor Kosovo"(1) doen uitgaan. De Commissie heeft ook een contactpersoon afgevaardigd naar de speciale VN-gezant, wiens taak er onder meer in bestaat bij te dragen tot de goede afhandeling van de economische vraagstukken die aan de kwestie van de status van Kosovo verbonden zijn. Daarnaast is de Commissie actief betrokken bij de uitwerking van de internationale aanwezigheid in Kosovo op economisch gebied, nadat de kwestie van de status is geregeld.

In verband met de toekomstige strategie om de economische ontwikkeling van Kosovo te bevorderen kan worden opgemerkt dat de Commissie van plan is om met alle beschikbare instrumenten, zoals financiële pretoetredingssteun in de toekomst, voort te gaan met het stimuleren van hervormingen en sociaal-economische ontwikkeling die afgestemd zijn op de EU. Het Europees partnerschap dat de Raad op 30 januari 2006 heeft ingesteld(2), zal hierbij een cruciaal instrument vormen om de inspanningen van Kosovo te sturen.

Het Europees partnerschap heeft een aantal precieze aanbevelingen voor de Kosovaarse autoriteiten op economisch gebied, met name de noodzaak om voort te werken aan de ontwikkeling van een ontwikkelingsstrategie voor de middellange termijn. De financiële steun van de EU zal de Kosovaarse autoriteiten helpen om deze strategie uit te werken en uit te voeren en om te kunnen profiteren van andere regionale initiatieven inzake economische ontwikkeling, zoals de initiatieven die zijn uitgestippeld in de recente mededeling van de Commissie over de westelijke Balkanlanden(3).

 
 

(1) COM (2005) 156 van 20 april 2005.
(2) Besluit van de Raad van 30 januari 2006 inzake de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het Europees Partnerschap met Servië en Montenegro, met inbegrip van Kosovo als gedefinieerd bij Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999 (PB L 35 van 7.2.2006, blz. 32).
(3) COM (2006) 27 van 27 januari 2006 "De westelijke Balkan op weg naar de EU: consolidatie van stabiliteit en versterking van welvaart".

 

Vraag nr. 59 van Panagiotis Beglitis (H-0130/06)
 Betreft: Ontwikkelingen in Kosovo
 

Zowel uit de verklaring van de Contactgroep voor Kosovo (Londen, 31 januari 2006), als uit het recente rapport van de secretaris-generaal van de VN (25 januari 2006) blijkt dat de internationale gemeenschap het buitengewoon belangrijk vindt dat volledig en op doeltreffende wijze wordt voldaan aan de voorwaarden die, overeenkomstig resolutie 1244/1999 van de Veiligheidsraad, zijn gesteld in het kader van de onderhandelingen over een definitieve regeling voor Kosovo. In het rapport van de heer Annan wordt in concreto gewezen op de ernstige vertragingen en de problemen bij het voldoen aan alle voorwaarden, die betrekking hebben op de minderheden en in het bijzonder de Servische minderheid, ten gevolg van de voortdurende onveiligheid, de onzekerheid omtrent een definitieve regeling en de weinig toeschietelijke opstelling van de autoriteiten van Kosovo.

Welke stappen is de Commissie van plan te gaan zetten in de richting van de Kosovaarse autoriteiten om te bereiken dat beter aan de voorwaarden wordt voldaan, gezien het feit dat de bevoegde commissaris lid is van de Contactgroep? Wordt overwogen om, in het geval dat de vertragingen en de problemen voortduren, de onderhandelingen op een lager pitje te zetten, wetende dat de internationale gemeenschap op dit moment instemt met het parallelle karakter van de twee procedures, in tegenstelling met het bepaalde in resolutie 1244/1999? Zal deze negatieve situatie van invloed zijn op de partnerschapsbetrekkingen die de Commissie op 12 december 2005 voor Kosovo heeft voorgesteld?

 
  
 

Zoals de geachte afgevaardigde terecht opmerkt, is het van het grootste belang dat de toezeggingen met betrekking tot de verdere tenuitvoerlegging van de normen worden nagekomen.

Tijdens zijn recente bezoek aan Pristina sprak de voorzitter van de Commissie zijn bezorgdheid uit over de trage vooruitgang met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de normen voor Kosovo en riep hij op de uitvoering te versnellen. De commissaris die bevoegd is voor uitbreiding heeft eveneens duidelijk gemaakt dat democratische waarden een integraal onderdeel zijn van de Europese integratie en dat de tenuitvoerlegging van de normen cruciaal is om vooruitgang te boeken, zowel wat het statusproces betreft, als in de aanloop naar het EU-lidmaatschap.

Het besluit over de snelheid van het politieke proces dat bedoeld is om de toekomstige status van Kosovo te bepalen wordt in laatste instantie echter genomen door Martti Ahtisaari, de door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties benoemde speciale VN-gezant.

De Commissie heeft ervoor gezorgd dat de aanbevelingen van het Europees Partnerschap(1) consistent zijn met de normen voor Kososvo en de tenuitvoerlegging ervan versterken. Het Europees Partnerschap dient een belangrijk instrument te zijn ter begeleiding van de inspanningen van Kosovo met betrekking tot de eerbiediging van de mensen- en minderhedenrechten gedurende het statusproces en met het oog op aanpassing aan de EU-wetgeving, wanneer de tijd daarvoor rijp is.

 
 

(1) Besluit 2006/56/EG van de Raad van 30 januari 2006 inzake de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het Europees Partnerschap met Servië en Montenegro, met inbegrip van Kosovo als gedefinieerd bij Resolutie 1244 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 10 juni 1999 (PB L35 van 7.2.2006).

 

Vraag nr. 60 van Gisela Kallenbach (H-0191/06)
 Betreft: De terugkeer van Roma-vluchtelingen in Kosovo
 

Het is bekend dat ongeveer 560 Kosovo-Roma al zes jaar als binnenlandse ontheemden in kampen in de regio Mitrovica wonen. Deze kampen zijn ernstig verontreinigd door lasten uit het verleden, met name zware metalen. Het gevolg daarvan is ernstige aantasting van de gezondheid. Het Europees Centrum voor de rechten van de Roma in Boedapest heeft in februari een klacht tegen UNMIK ingediend bij het Europees Hof voor de rechten van de mens. UNMIK werkt hard aan een oplossing en biedt in het voormalige KFOR-kamp Osterode tijdelijke opvang aan. Een werkelijke oplossing is de definitieve terugkeer van deze mensen naar hun vaderland Roma Mahalla. De herbouw van de huizen kost echter veel geld en tot dusverre heeft alleen Duitsland 500.000 Euro beschikbaar gesteld.

Wat doen de lidstaten van de EU om een financiële bijdrage te leveren aan de terugkeer van de Roma-gezinnen naar zuid.Mitrovica?

 
  
 

Het is de Commissie bekend dat de Roma-, Ashkali- en Egyptische gemeenschappen in Kosovo zich in een zeer moeilijke situatie bevinden. Het voortgangsverslag 2005 van de Commissie over Kosovo bevatte een beoordeling van de situatie van minderheden, waaronder de Roma.

Als onderdeel van onze algemene inspanning ter ondersteuning van minderheidsgemeenschappen in Kosovo is er in december 2005 een door de EG gefinancierd project van start gegaan ter ondersteuning van de terugkeer van Roma naar Roma Mahalla in Mitrovica.

Het project zal twaalf maanden duren en de aanvullende financiële middelen zijn toegezegd door de Zweedse ontwikkelingsorganisatie Sida. In totaal moeten ongeveer 57 gezinnen kunnen terugkeren.

De communautaire bijdrage is 1,2 miljoen euro. De communautaire componenten van het project bestaan onder meer in plannen voor de herbouw van 35 huizen met de benodigde infrastructuur, werkgelegenheidskansen en rendabele activiteiten en gemeenschapsprojecten.

De lokale leiders van de Roma hebben echter niet altijd gehandeld in het belang van hun kiezers: bijvoorbeeld door vertraging te veroorzaken van hun verhuizing naar niet-verontreinigde locaties in het noorden, waarvandaan zij uiteindelijk naar het zuiden van Mitrovica worden gerepatrieerd. De Commissie begrijpt de bezorgdheid over zogenaamd tijdelijke oplossingen die semi-permanent kunnen worden (zoals het geval is in noordelijk Mitrovica) maar in dit geval loopt de gezondheid van deze gemeenschap van in eigen land ontheemde personen gevaar.

 

Vraag nr. 61 van Chris Davies (H-0105/06)
 Betreft: Rechtstreekse handel met Noord-Cyprus
 

Op welke wijze denkt de Commissie een einde te maken aan de obstructie door de president van Cyprus ten aanzien van haar voorstellen voor financiële steun aan en rechtstreekse handelsbetrekkingen met de Turks-Cyprioten?

 
  
 

De Commissie was ingenomen met de aanneming van de verordening tot instelling van een instrument voor financiële steun door de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen op 27 februari 2006.

Bij deze gelegenheid heeft de commissaris voor uitbreiding de volgende verklaring afgelegd: "De Commissie is ingenomen met het vandaag genomen besluit van de Raad Algemene zaken en externe betrekkingen (RAZEB) om zijn goedkeuring te hechten aan de verordening tot instelling van een instrument voor financiële steun ter bevordering van de economische ontwikkeling van de Turks-Cypriotische gemeenschap.

De goedkeuring van deze verordening stelt de EU in staat steun te verlenen waar deze het dringendst nodig is op gebieden als energie en het milieu. Er kunnen nu vele concrete projecten worden gerealiseerd die de Turks-Cypriotische gemeenschap dichter bij de Europese Unie brengen. De verordening tot instelling van een instrument voor financiële steun zal de Commissie tevens de mogelijk bieden om de Turks-Cypriotische gemeenschap voor te bereiden op de toekomstige toepassing van EU-wetgeving nadat er een allesomvattende oplossing voor de kwestie-Cyprus is gevonden.

De goedkeuring van het pakket steunmaatregelen moet worden gezien als een eerste stap van de EU om een einde te maken aan het isolement van de Turks-Cypriotische gemeenschap en de hereniging van Cyprus te vergemakkelijken, zoals vastgelegd in de conclusies van de Raad Algemene zaken en externe betrekkingen van 26 april 2004. De Commissie spoort de Raad aan te streven naar goedkeuring van het voorstel van 2004 over handel tussen de EU en de Turks-Cypriotische gemeenschap.

Overeenkomstig haar welbekende standpunt blijft de Commissie zich volledig inzetten voor de zo spoedige mogelijke hervatting van de besprekingen onder auspiciën van de Verenigde Naties, die moeten leiden tot een allesomvattende oplossing."

 

Vraag nr. 62 van Bernd Posselt (H-0115/06)
 Betreft: Minderheden in Servië
 

Welke rol speelt de kwestie van de minderheden in Vojvodina en in het Presevo-dalin bij de onderhandelingen tussen de EU en Servië-Montenegro?

 
  
 

De eerbiediging van de mensen- en minderhedenrechten is een cruciaal element in de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) waarover momenteel wordt onderhandeld. Dit betekent dat zodra de SAO van kracht is, de toepassing ervan kan worden opgeschort indien zich schendingen van de mensen- en minderhedenrechten voordoen. Daarom wordt er bij de onderhandelingen over de SAO specifieke aandacht geschonken aan de situatie op het gebied van de mensen- en minderhedenrechten.

In dit verband volgt de Commissie de situatie in Vojvodina en het Preševo-dal nauwlettend, evenals in andere etnisch diverse delen van Servië en Montenegro, waaronder Sandžak.

De Commissie grijpt elke gelegenheid aan om het belang van minderhedenrechten te benadrukken. In november 2005 heeft er gelijktijdig met de eerste officiële ronde van de SAO-onderhandelingen een bijeenkomst plaatsgevonden in het kader van de versterkte permanente dialoog. Tijdens deze bijeenkomst werd de situatie op het gebied van minderhedenrechten in Servië en Montenegro geëvalueerd. In dit forum werden kwesties aan de orde gesteld die van specifiek belang zijn voor het Preševo-dal en Vojvodina, zoals onderwijs, politie en de rechterlijke macht.

 

Vraag nr. 63 van Justas Vincas Paleckis (H-0146/06)
 Betreft: Onderhandelingen tussen de Europese Unie en Servië-Montenegro
 

In een referendum in het komend voorjaar moeten de inwoners van Montenegro antwoord geven op de vraag of zij in een onafhankelijke staat willen wonen. Bij een nee blijft de huidige situatie gehandhaafd, maar de Commissie lijkt ook rekening te houden met een ja.

Denkt de Commissie dat als de kiezers in Montenegro bij referendum opteren voor onafhankelijkheid dit van invloed zal zijn op de onderhandelingen tussen de Europese Unie en Servië-Montenegro over de stabilisatie- en associatieovereenkomsten? Zal zij onmiddellijk gaan onderhandelen met twee aparte staten? Zal de scheiding van invloed zijn op de duur van de onderhandelingen als gevolg van alle regelingen die beide landen moeten treffen?

 
  
 

In verband met het aanstaande referendum in Montenegro hecht de Commissie de grootste waarde aan volledige eerbiediging van internationaal erkende democratische normen, in overeenstemming met het akkoord over de modaliteiten van het referendum dat is gesloten tussen de Montenegrijnse regering en de oppositie. Dit is een eerste vereiste voor de legitimiteit van de uitkomst van het referendumproces. Zoals de Commissie op 23 februari al heeft laten weten aan de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement, zal zij – mocht het referendum in Montenegro leiden tot de terugtrekking van deze republiek uit de statenunie van Servië en Montenegro – wellicht verzoeken om nieuwe onderhandelingsrichtsnoeren voor een stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) met Montenegro. Dit is afhankelijk van de internationale erkenning van een onafhankelijk Montenegro door de lidstaten van de Europese Unie en het aangaan van diplomatieke betrekkingen.

Mocht Montenegro onafhankelijk worden, dan is de Commissie voornemens om – mits de Raad hiermee instemt en afhankelijk van de naleving van alle criteria in verband met de onderhandelingen en het resultaat daarvan – voort te bouwen op de uitkomsten van de huidige tweesporenonderhandelingen over de SAO, zodat de technische vooruitgang die tijdens de lopende onderhandelingen reeds is geboekt niet verloren zal gaan.

 

Vraag nr. 64 van Josu Ortuondo Larrea (H-0117/06)
 Betreft: Mogelijke corruptie bij een gerecht in Pazardzhik (Bulgarije)
 

Ibermanagement Bulgaria EOOD/pvba (IB), een onderneming die met Spaans kapitaal werkt, koopt in november 2004 van de Duitse staatsburger Wilfrid Birk machines en uitrusting van DGF Dragor EOOD/pvba, volledig vrij en onbelast. In mei 2005, wanneer blijkt dat hij datums en handtekeningen vervalst, beweert Birk dat de machines als waarborg voor een vroegere schuld van 600.000 euro dienen, die Dragor tegenover de off-shore onderneming LODICORT aangegaan is. De machines die IB wettelijk aangekocht heeft, worden dan ook in beslag genomen, onder protest van IB, dat van corruptie en omkoperij spreekt. Onderzoek, o.a. van de regionale politieafdeling van Pazardzhik, komt tot het besluit dat de documenten over de vroegere schuld vals zijn. De districtsrechtbank van Pazardshik, zoals ook verschillende uitspraken van andere instanties, beveelt dan ook bij vonnis 605 van 31.10.2005 opheffing van het beslag. Desondanks voert uitvoerend rechter Veselin Ljungov van Pazardshik de inbeslagname uit zonder er IB van in kennis te stellen, en als curator over de machines stelt hij een persoonlijke vriend van Birk aan, terwijl zijn vennoten toestemming krijgen om de machines en uitrusting van IB in eigen voordeel aan te wenden, hetgeen op omkoperij en corruptie kan wijzen.

Kan de Commissie de zaak ter sprake brengen op haar bijeenkomsten met de Bulgaarse regering, om de gegevens in het reine te trekken en recht te doen volgens de regels en princiepen van de verworvenheden van de Gemeenschap?

 
  
 

Allereerst wil de Commissie onderstrepen dat zij zich niet kan mengen in afzonderlijke rechtszaken.

De Commissie volgt de problemen in verband met het algemeen functioneren van de rechterlijke macht in Bulgarije echter op de voet. Dergelijke kwesties zijn ook duidelijk uiteengezet in het uitgebreid monitoringsverslag van oktober 2005.

De Commissie heeft er met name op aangedrongen dat de inspanningen om corruptie doeltreffender te bestrijden, met inbegrip van het onderzoek naar en de vervolging van corruptie op hoog niveau, moeten worden versterkt.

Daarnaast heeft de Commissie in het kader van haar rol als toezichthoudster in de week van 20 februari in Bulgarije een intercollegiale toetsing uitgevoerd op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken. De uitkomst van deze intercollegiale toetsing zal worden meegewogen bij de beoordeling van de Bulgaarse rechterlijke macht door de Commissie in het komende verslag, dat in mei 2006 zal verschijnen.

Sinds 2005 loopt er in Bulgarije een samenwerkingsproject met Oostenrijk dat tot doel heeft het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te hervormen. Dit samenwerkingsproject omvat verder activiteiten die verband houden met de tenuitvoerlegging van gerechtelijke uitspraken.

 

Vraag nr. 65 van Dimitrios Papadimoulis (H-0129/06)
 Betreft: Rechtzaak tegen vijf Turkse journalisten wegens overtreding van artikel 301 Turks wetboek van strafrecht
 

Op 7 februari j.l. is in Konstantinopel het proces van start gegaan tegen vijf bekende Turkse journalisten die krachtens artikel 301 van het Turkse wetboek van strafrecht beschuldigd worden van inmenging in het werk van justitie omdat ze kritiek hadden geuit op een rechterlijke uitspraak waarmee een congres over de Armeniërs werd verboden.

Artikel 301 van het Turkse wetboek van strafrecht biedt overduidelijk een 'handvat' voor een grove schending van het recht van vrije meningsuiting van burgers, die voor de rechtbank worden gedaagd wegens openbare belediging van de Turkse natie, de Turkse democratie, het parlement, de regering, justitie of het leger.

In een mededeling van 1 december 2005 geeft Amnesty International een opsomming van een groot aantal zaken tegen Turkse burgers wegens overtreding van artikel 301 van het Turkse wetboek van strafrecht.

Welke maatregelen is de Commissie van plan te gaan nemen om hun vervolging een halt toe te roepen? Is ze van plan wijzigingen aan het Turkse wetboek van strafrecht voor te stellen om een eind te maken aan de willekeurige vervolgingen van eenieder die openlijk kritiek durft te uiten?

 
  
 

De Commissie is op de hoogte van de zaak van de vijf Turkse journalisten waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst.

Vrijheid van meningsuiting is een van de fundamentele vrijheden waarop de Europese Unie is gegrondvest en die is opgenomen in de politieke criteria van Kopenhagen. De Commissie volgt de situatie met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting in Turkije op de voet.

De tenuitvoerlegging van de belangrijke juridische hervormingen van de afgelopen jaren blijft ongelijkmatig. Diverse uitspraken, waaronder die in de zaken tegen de schrijver Orhan Pamuk en de journalist Hrant Dink, wekken de indruk dat de rechterlijke macht steeds meer handelt in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Er zijn recentelijk echter ook enkele uitspraken gedaan, met name in verband met het verwoorden van standpunten over onderwerpen die traditioneel gevoelig liggen, die hebben geleid tot zowel vervolging als veroordeling.

Mochten vergelijkbare zaken blijven voorkomen, dan verwacht de Commissie van de Turkse autoriteiten dat zij actie ondernemen om de mazen in het Wetboek van Strafrecht die dergelijke restrictieve interpretaties mogelijk maken, te dichten. De eenvoudigste manier om dat te bereiken zou wijziging van het Wetboek van Strafrecht zijn.

De Commissie zal de ontwikkelingen op dit terrein nauwlettend blijven volgen en haar bezorgdheid in verband met de vrijheid van meningsuiting bij iedere gelegenheid overbrengen, onder meer tijdens de politieke dialoogvergaderingen tussen de EU-trojka en Turkije, en in het kader van de periodieke monitoring die de Commissie uitvoert ten aanzien van de naleving van de politieke criteria van Kopenhagen door Turkije.

 

Vraag nr. 66 van Georgios Karatzaferis (H-0135/06)
 Betreft: Provocatie van de kant van het DG Uitbreiding van de Commissie
 

Volgens berichten in de Griekse kranten zou het DG Uitbreiding van de Commissie richtsnoeren hebben gegeven aan de ambtenaren van de DG's Werkgelegenheid, Landbouw en plattelandsontwikkeling en Regionaal beleid om, wanneer er geen Grieken aanwezig zijn, de term "Macedonië" te gebruiken in plaats van de (door de EU erkende) naam FYROM. De schrijver van dit absurde document zou het volgende hebben geschreven:"Het is belangrijk voor de Macedoniërs dat ze bij hun naam worden genoemd en dat niet de term FYROM wordt gebruikt want dat is een belediging" (!), en hij raadt aan om als er geen Grieken aanwezig zijn, de term Macedonië te gebruiken.

Bestaat dit provocerende document echt? Waarom circuleert het nog en is het niet onmiddellijk door de Commissie ingetrokken?

 
  
 

Het beleid van de Commissie is om het land aan te duiden als de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. Dit is de voorlopige naam die is overeengekomen op het moment dat dit land na zijn onafhankelijkheid werd toegelaten tot de Verenigde Naties.

De Commissie gebruikt consequent de volledige naam van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in al haar officiële documenten en de voorstellen voor ontwerp-wetgeving die aan de Raad worden voorgelegd.

De Commissie staat volledig achter alle inspanningen om te komen tot een wederzijds aanvaardbare oplossing in het kader van resoluties 817/93 en 845/93 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, ten behoeve van de regionale samenwerking en de goede betrekkingen tussen buurlanden.

 

Vraag nr. 67 van Laima Liucija Andrikienė (H-0156/06)
 Betreft: Tenuitvoerlegging van de resolutie van het Europees Parlement over de start van de onderhandelingen met Turkije
 

Op 28 september 2005 heeft het Europees Parlement een resolutie over de start van de onderhandelingen met Turkije aangenomen, waarin de leden wijzen op de voornaamste problemen die een ernstige belemmering vormen voor het openen van onderhandelingen met Turkije. Het betreft met name het embargo op schepen onder Cypriotische vlag, de weigering Cyprus te erkennen, een probleem dat alleen maar groter is geworden na de ondertekening op 29 juli van een protocol en een verklaring door Turkije, de erkenning van de Armeense genocide, waartoe Turkije weigert over te gaan en die door de EU als een voorwaarde voor toetreding wordt beschouwd, de aanpassing van het Turkse strafrecht en andere wetten aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, kwesties in verband met financiële steunmaatregelen en regelingen ter facilitering van de handel met betrekking tot Noord-Cyprus.

Hoe beoordeelt de Commissie het verloop van de onderhandelingen met Turkije? Welke vooruitgang is geboekt bij het oplossen van de problemen die in de resolutie worden genoemd? Ziet de Commissie vooruitgang, hoe klein ook, op het gebied van de eerbiediging van de vrijheden en mensenrechten, met name ten aanzien van vrouwen, in dit land dat lid van de EU wil worden?

 
  
 

De eerste fase van de toetredingsonderhandelingen met Turkije, het screeningsproces, verloopt normaal. De Commissie heeft screeningsbijeenkomsten met Turkije gehouden over ongeveer tien hoofdstukken, en de eerste verslagen zijn toegestuurd aan de Raad.

De Commissie volgt alle kwesties die zijn opgenomen in het onderhandelingskader, dat is aangenomen tijdens de openingszitting van de Toetredingsconferentie met Turkije op 3 oktober 2005. Het gaat dan onder meer om het volgen van de vooruitgang die Turkije boekt met betrekking tot het voldoen aan de criteria van Kopenhagen.

De meeste kwesties die zijn opgenomen in de op 28 september 2005 aangenomen resolutie van het Parlement over de opening van toetredingsonderhandelingen met Turkije komen ook aan de orde in het kaderdocument voor de onderhandelingen en/of het toetredingspartnerschap dat is aangenomen bij het besluit van de Raad van 23 januari 2006.

Wat de politieke criteria betreft, is de beoordeling van de Commissie, zoals weergegeven in het voortgangsverslag dat in november 2005 is gepubliceerd, de volgende: "De politieke omschakeling in Turkije is gaande en het land blijft in voldoende mate voldoen aan de politieke criteria van Kopenhagen. Het tempo van de veranderingen is in 2005 echter afgenomen en de uitvoering van de hervormingen blijft ongelijkmatig." Op bepaalde terreinen zijn aanzienlijke verdere hervormingen nodig.

Meer specifiek met betrekking tot de kwesties inzake de erkenning van Cyprus en aanverwante vraagstukken (toegang tot Cypriotische havens, het Protocol van Ankara, enz.) verwijst de Commissie de geachte afgevaardigde naar haar antwoorden op recente parlementaire vragen (H-0001/06, H-0004/06, H-0046/06 en P-0208/06).

Wat vrouwenrechten betreft, werd in het voortgangsverslag verwezen naar bepaalde positieve ontwikkelingen, maar werd tevens benadrukt dat er aanzienlijke verdere inspanningen nodig zijn om tegemoet te komen aan een aantal punten van zorg.

 

Vraag nr. 68 van Feleknas Uca (H-0163/06)
 Betreft: Levenslang geëist tegen de Turkse sociologe Pinar Selek
 

In het proces tegen de sociologe Pinar Selek en vier andere beklaagden werd levenslange gevangenisstraf geëist. Hun wordt verweten betrokken te zijn geweest bij een bomaanslag die in 1998 in Istanboel heeft plaatsgevonden. Ondanks diverse onafhankelijke wetenschappelijke rapporten waarin als oorzaak de ontploffing van een gasfles in de Egyptische bazar werd vastgesteld, werd Pinar Selek 2 1/2 jaar vastgezet. In december 2000 werd ze in vrijheid gesteld.

Ondanks tegengestelde rapporten heeft het openbaar ministerie het rapport van de politie als uitgangspunt genomen en in december 2005, na 7 jaren, opnieuw levenslange gevangenisstraf tegen Pinar Selek en haar medebeklaagden geëist. Het proces moet op 17 mei 2006 worden hervat.

Wat gaat de Commissie ondernomen om te voorkomen dat onschuldigen tot levenslange gevangenisstraf worden veroordeeld? Op welke wijze zal de Commissie proberen justitie en politiek in Turkije tot instandhouding van de rechtsstaat te bewegen?

 
  
 

De Commissie herinnert eraan dat het waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat en de onafhankelijkheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de rechterlijke macht centraal staan in de politieke criteria van Kopenhagen.

In het in oktober 2005 door de lidstaten aangenomen onderhandelingskader, waarin de beginselen zijn opgenomen die van toepassing zijn op de toetredingsonderhandelingen met Turkije, wordt aangegeven dat het verloop van de onderhandelingen zal worden bepaald door de vooruitgang die Turkije boekt bij het voldoen aan de criteria van Kopenhagen, onder meer wat betreft de rechtsstaat.

Het herziene Toetredingspartnerschap, dat in december 2005 is aangenomen door de Raad, omvat een aantal specifieke prioriteiten voor de korte termijn waaraan Turkije geacht wordt te voldoen om de eerbiediging van de rechtsstaat en een goed functionerende rechterlijke macht te waarborgen, in overeenstemming met internationale goede praktijken, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De Commissie volgt de ontwikkelingen in het licht van de politieke criteria van Kopenhagen nauwgezet, met name in het kader van haar geregelde follow-up op politiek niveau en via de bevoegde instellingen die zijn opgericht uit hoofde van de associatieovereenkomst. Bovendien legt de Commissie met medewerking van deskundigen uit de EU-lidstaten periodieke adviesbezoeken af die betrekking hebben op het functioneren van de rechterlijke macht in Turkije. Hoewel de praktische tenuitvoerlegging van de belangrijke juridische hervormingen van de afgelopen jaren ongelijkmatig blijft, wekken diverse uitspraken de indruk dat de rechterlijke macht steeds meer handelt in overeenstemming met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Een aanzienlijk deel van de financiële pretoetredingssteun van de EU aan Turkije is bestemd voor de financiering van projecten ter ondersteuning van de Turkse inspanningen om de rechterlijke macht te hervormen. Deze projecten zijn gericht op de training van rechters, openbaar aanklagers en wetshandhavingsorganen in Europese en internationale goede praktijken en normen, de toepassing van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

 

Vraag nr. 69 van Elizabeth Lynne (H-0106/06)
 Betreft: Betere wetgeving
 

Hoe staat het met de toepassing in de praktijk van het institutioneel akkoord inzake betere wetgeving, waarvan één van de onderdelen de effectbeoordeling van alle voorstellen voor wetgeving op het niveau van de Raad, de Commissie en het Parlement is?

 
  
 

De Technische Groep op hoog niveau, die bestaat uit vertegenwoordigers van de Raad, de Commissie en het Parlement, heeft het mandaat gekregen toe te zien op de tenuitvoerlegging van het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) "Beter wetgeven" uit 2003.(1) Teneinde toe te zien op de vooruitgang met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het IIA, komt de Technische Groep op hoog niveau regelmatig bijeen. De vorige bijeenkomst was op 16 december 2005.

Hoewel er duidelijk sprake is van enige vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de bepalingen in het IIA, is de Commissie van mening dat het IIA als instrument ter verbetering van de interinstitutionele samenwerking en de bevordering van betere wetgeving beter kan worden gebruikt.

De Commissie is van oordeel dat er meer vooruitgang geboekt had kunnen worden op de volgende terreinen:

Wat betreft "Betere coördinatie van het wetgevingsproces": het technisch instrument voor interinstitutionele programmering dat is ontwikkeld door het Parlement, PROBO, wordt door de Commissie gesteund. De Raad heeft tot nu toe echter niet de mogelijkheid gehad om op dit terrein verbintenissen aan te gaan, en derhalve heeft dit instrument nog geen echte vooruitgang opgeleverd met betrekking tot betere wetgeving.

Wat betreft "Verbetering van de kwaliteit van de wetgeving": de voorbereiding van een "gemeenschappelijke benadering van effectbeoordelingen", waarin enkele "verkeersregels" zijn opgenomen over de wijze waarop met effectbeoordelingen wordt omgegaan gedurende het gehele wetgevingsproces, is een belangrijke stap vooruit. De onderhandelingen over de tekst duurden echter lang en verliepen moeizaam, en de Commissie is van oordeel dat het resultaat ambitieuzer en evenwichtiger had kunnen zijn wat de respectieve inzet van de instellingen betreft. Met betrekking tot de consistentie van teksten is de Commissie van oordeel dat de regelingen die zijn getroffen om ervoor te zorgen dat de formulering van amendementen die in het kader van de medebeslissingsprocedure op voorstellen worden ingediend coherent zijn met de bestaande tekst en met de regels inzake de opstelling van wetgeving, gebaat zouden zijn bij een verdere injectie van tijd en middelen.

Wat betreft "Verbetering van de omzetting en de toepassing": de verbintenis van de Raad in het IIA om de lidstaten aan te sporen om "tabellen van de omzettingspercentages" op te stellen, teneinde de tenuitvoerlegging te vergemakkelijken en eventuele interpretatieproblemen te verminderen, heeft nog geen concrete verbeteringen opgeleverd. Daarnaast is de taak om een lijst met nationale omzettingscoördinatoren samen te stellen nog niet afgerond.

Wat betreft “Vereenvoudiging en beperking van het volume van de wetgeving”: de Raad en het Parlement hebben zich ertoe verbonden, binnen zes maanden na de inwerkingtreding van het IIA, hun werkmethoden te wijzigen door bijvoorbeeld te voorzien in ad-hocstructuren die specifiek belast zijn met de vereenvoudiging van de wetgeving. Het moge duidelijk zijn dat concrete verbeteringen van het wetgevingsklimaat alleen zichtbaar zullen zijn als vereenvoudigingsvoorstellen van de Commissie worden aangenomen door de Raad en het Parlement. Een aanzienlijk aantal vereenvoudigingsvoorstellen van de Commissie ligt op dit moment nog bij de Raad en het Parlement. De noodzaak om snel vooruitgang te boeken met de aanpassing van werkmethoden wordt nog eens benadrukt door het begin van een nieuwe fase in het vereenvoudigingsprogramma van de Commissie, waarbij gedurende de komende drie jaar ruim tweehonderd terreinen worden voorgesteld die in aanmerking komen voor vereenvoudiging.

De teleurstellende mate van vooruitgang die totnogtoe is geboekt bij de tenuitvoerlegging van het IIA "Beter wetgeven" toont aan dat er door alledrie de instellingen grotere inspanningen moeten worden verricht, en dat er behoefte is aan meer evenwicht met betrekking tot de respectieve inzet en ambitieniveaus.

 
 

(1) PB C 321 van 31.12.2003, blz.1.

 

Vraag nr. 70 van Marian Harkin (H-0112/06)
 Betreft: Producten met gebreken en onveilige producten in de gemeenschappelijke markt
 

Kan de Commissie zeggen of, wanneer een autoriteit van een lidstaat, bijvoorbeeld een directeur consumentenzaken, vaststelt dat een uit een andere lidstaat afkomstig product gebreken vertoont of onveilig is, de EU kan waarborgen dat de producent dit onvolkomen product uit de handel zal nemen?

 
  
 

De herziene richtlijn inzake algemene productveiligheid, die op 15 januari 2004 in werking is getreden, verplicht producenten uitsluitend veilige producten op de markt te brengen.

Met betrekking tot producten die gevaarlijk worden geacht, geeft de richtlijn de lidstaten de bevoegdheid om fabrikanten te verplichten een dergelijk product uit de handel te nemen of terug te roepen van klanten.

Mocht de fabrikant niet op het grondgebied van de lidstaat zijn gevestigd, dan kan een lidstaat de maatregelen opleggen aan andere relevante actoren, zoals importeurs en distributeurs.

Indien het gaat om een product dat een ernstig risico oplevert, zijn de lidstaten verplicht de Commissie op de hoogte te stellen van de getroffen maatregelen via een systeem voor snelle uitwisseling van gegevens dat RAPEX(1) wordt genoemd.

Vervolgens geeft de Commissie de informatie door aan alle andere lidstaten, zodat zij op hun beurt de nodige maatregelen kunnen treffen om de veiligheid van consumenten op hun grondgebeid te waarborgen.

Als lidstaten nalaten gepaste stappen te ondernemen, zal de Commissie in eerste instantie gebruik maken van de relevante bestuursrechtelijke samenwerkingsbepalingen in de richtlijn om de lidstaten aan te sporen actie te ondernemen.

Mocht dit niet voldoende zijn, dan kan de Commissie een specifieke beschikking aannemen om de lidstaten zo ver te krijgen dat zij de noodzakelijke maatregelen ten uitvoer leggen om de consumentenveiligheid in de gehele Europese Unie te garanderen.

Neemt u er nota van dat de richtlijn inzake algemene productveiligheid betrekking heeft op productveiligheid. Op producten met gebreken die geen veiligheidsrisico opleveren, zijn normaal gesproken de gewone garantiebepalingen van toepassing.

 
 

(1) Systeem voor snelle uitwisseling van gegevens over gevaren bij het gebruik van verbruiks- en gebruiksartikelen.

 

Vraag nr. 71 van Liam Aylward (H-0120/06)
 Betreft: Het nieuwe energiebeleid van de Unie
 

Iedereen heeft met zorg kennis genomen van de stopzetting eerder dit jaar van gasleveranties aan de Europese Unie door Rusland.

Kan de Commissie een verklaring afleggen over de vooruitgang die zij boekt om de afhankelijkheid van de EU van gasleveranties uit Rusland te verminderen en over nieuwe, alternatieve energieverzorging waarnaar de Unie thans streeft?

 
  
 

Op dit moment wordt ongeveer 25 procent van het in de EU-25 verbruikte aardgas ingevoerd vanuit Rusland; de rest wordt binnenlands geproduceerd en ingevoerd vanuit andere landen, voornamelijk Noorwegen en Algerije.

In een zogenaamd "business-as-usual"-scenario(1) wordt voorspeld dat het verbruik van aardgas in de EU aanzienlijk zal toenemen. Aangezien de binnenlandse productie naar verwachting zal dalen, zal de netto-invoer en de afhankelijkheid van de invoer toenemen. Volgens de voorspellingen zal de netto-invoer stijgen van ongeveer 250 miljoen ton olie-equivalent (Mtoe) nu tot meer dan 500 Mtoe in 2030. De afhankelijkheid van de invoer zal naar verwachting stijgen van ongeveer 50 procent nu tot 80 procent in 2030.

Op basis van dit scenario valt een toename te verwachten van het volume van de invoer uit Rusland. Het relatieve belang van Rusland voor de gasinvoer van Europa zal echter worden beperkt door het potentieel van andere aardgasbronnen en de voortschrijdende ontwikkeling van vloeibaar aardgas (LNG) als alternatief voor gas uit pijpleidingen.

Een heel scala aan zowel interne als externe maatregelen van de EU en de lidstaten kan van invloed zijn op de afhankelijkheid van de EU van de invoer van gas uit Rusland. Andere maatregelen kunnen het kader voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland op energiegebied versterken. De Commissie heeft een overzicht van dergelijke maatregelen onder andere opgenomen in haar recente groenboek "Een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa".

 
 

(1) "European Energy and Transport – Scenarios on key drivers", Commissie, september 2004.

 

Vraag nr. 72 van Brian Crowley (H-0121/06)
 Betreft: Witboek van de Europese Commissie over communicatie
 

Kan de Commissie een duidelijke uitspraak doen over de resultaten die zij concreet wil bereiken door middel van de tenuitvoerlegging van haar nieuwe Witboek over communicatie?

 
  
 

De algemene doelstelling van het Witboek inzake een Europees communicatiebeleid is het voorstellen van manieren om de kloof tussen de Europese Unie en de burger te dichten. In het voorjaar van 2005 heeft de Commissie op initiatief van haar voorzitter besloten een nieuwe aanpak voor te stellen: een omschakeling van communicatie waarbij de instellingen centraal staan naar communicatie waarbij de burger centraal staat, op basis van een echte dialoog tussen de burgers en de beleidsmakers.

Als eerste stap heeft de Commissie in juli 2005 haar eigen actieplan gepubliceerd, waarin een reeks stappen werd opgesomd die zij nu neemt om haar eigen huis op orde te brengen wat betreft de communicatie met de burger. Als tweede stap heeft zij in oktober 2005 het "Plan D voor democratie, dialoog en debat" aangenomen, waarmee de Commissie een bijdrage levert aan de periode van bezinning over de toekomst van Europa.

Als derde – maar zeker niet als laatste – stap heeft de Commissie in februari 2006 haar Witboek inzake een Europees communicatiebeleid gepubliceerd. Dit witboek vormt het uitgangspunt voor een consultatieperiode met alle betrokken belanghebbenden: de EU-instellingen, de regeringen van de lidstaten op nationaal, regionaal en lokaal niveau, Europese politieke partijen en de civiele samenleving. Het doel is deze belanghebbenden, en in het bijzonder de lidstaten, te mobiliseren om gezamenlijk actie te ondernemen om de burgers te laten zien hoe Europees beleid van invloed is op hun dagelijks leven en om Europese kwesties op nationaal, regionaal en lokaal niveau bespreekbaar te maken.

Dit is de eerste keer dat de Commissie een consultatieperiode van zes maanden organiseert over het communicatiebeleid. Deze periode is gericht op vijf gebieden voor gezamenlijk optreden, waarop samen met de belanghebbenden tastbare doelstellingen kunnen worden bereikt:

vaststelling van gemeenschappelijke beginselen die kunnen worden vastgelegd in een Europees communicatiehandvest of een Europese communicatiegedragscode;

inspraak voor de burger door burgerschapseducatie te verbeteren en burgers beter met elkaar en met overheidsinstellingen te verbinden;

werken met de media en nieuwe technologieën benutten om Europa een menselijk gelaat te geven en burgers de Europese dimensie van nationale en lokale vraagstukken te helpen begrijpen;

verbetering van het begrip van de Europese publieke opinie bij beleidsmakers, en

verbetering van de samenwerking tussen alle sleutelactoren op nationaal en Europees niveau.

Aan het einde van de consultatieperiode zal de Commissie de resultaten samenvatten en vervolgens plannen opstellen voor concrete maatregelen van alle belanghebbenden.

De Commissie ziet ernaar uit kennis te nemen van de opvattingen van de lidstaten en de belanghebbenden en verheugt zich over hun actieve deelname aan het lopende consultatieproces.

 

Vraag nr. 73 van Seán Ó Neachtain (H-0122/06)
 Betreft: Internationaal Fonds voor Ierland
 

De Europese Unie is een belangrijke contribuant geweest aan het Internationale Fonds voor Ierland (IFI).

Kan de Commissie precies mededelen hoeveel geld de EU beschikbaar heeft gesteld aan het IFI en of de zij van plan is de komende jaren bijdragen te blijven leveren aan het IFI?

 
  
 

Sinds 1989 heeft de Europese Unie 289 miljoen euro toegezegd en 259 miljoen euro uitgekeerd aan het Internationaal Fonds voor Ierland (IFI).

Tijdens zijn zitting op 15 en 16 december 2005 heeft de Europese Raad kennis genomen van de belangrijke werkzaamheden die het IFI heeft uitgevoerd ter bevordering van vrede en verzoening. Hij heeft de Commissie verzocht de nodige stappen te ondernemen met het oog op de voortzetting van de EU-steun aan het fonds nu de cruciale laatste fase van haar werk tot 2010 aanbreekt.

De Commissie bereidt momenteel de noodzakelijke maatregelen voor om haar steun aan het IFI voort te zetten.

 

Vraag nr. 74 van Eoin Ryan (H-0123/06)
 Betreft: Rol van de NGO's bij de uitvoering van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling
 

Kan de Commissie duidelijk uitleggen welke rol de Europese NGO's spelen bij de uitvoering van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en welke rol deze NGO's spelen bij de besteding van ontwikkelinghulpgelden van de EU?

 
  
 

Het grootste deel van de door de EG gefinancierde ontwikkelingshulp die via Europese non-gouvernementele organisaties (NGO's) wordt verstrekt ter ondersteuning van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG) komt ten goede aan interventies ter plaatse, die in de ontwikkelingslanden worden uitgevoerd. Daarnaast zijn Europese NGO's belangrijke actoren als het gaat om het bevorderen van doeltreffende bewustmaking en ontwikkelingsvoorlichting in Europa. Dit zijn essentiële voorwaarden voor het mobiliseren van steun ter verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, waaronder de hernieuwde toezegging van de Europese Unie en de lidstaten om de niveaus van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) te verhogen om in 2015 uit te komen op een niveau van 0,7 procent. Europese NGO's vervullen ook een belangrijke rol als pleitbezorgers, bijvoorbeeld door de betrokkenheid van de civiele maatschappij te vergroten bij het bepalen van samenwerkingsstrategieën in partnerlanden, waardoor hun eigen inbreng in het ontwikkelingsproces wordt gestimuleerd.

Europese NGO's worden zowel financieel gesteund om hun "eigen initiatieven" ten uitvoer te leggen als om te fungeren als uitvoeringspartners in het kader van de thematische en geografische prioriteiten als gedefinieerd in de EG-samenwerkingsprogramma's. Overeenkomstig de mededeling "Participatie van niet-overheidsactoren in het EG-ontwikkelingsbeleid"(1) is de voornaamste doelstelling het vergemakkelijken en bevorderen van de dialoog tussen overheids- en niet-overheidsactoren in partnerlanden, het vergroten van de capaciteit van de civiele maatschappij om een doeltreffende bijdrage te leveren aan het ontwikkelingsproces, en het scheppen van voorwaarden voor meer gelijkheid, het laten delen van armen in de economische, ecologische en sociale voordelen van rechtvaardige groei, en de versteviging van de democratie.

 
 

(1) COM(2002) 598 def. van 07.11.2002.

 

Vraag nr. 75 van Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (H-0124/06)
 Betreft: De Poolse melkquota
 

In 2005 bedroeg de verkoop van melk in Polen 8,4 miljoen ton, een hoeveelheid die bijna 10% hoger was dan in het jaar 2004, waarmee deze verkoop ook de productielimiet voor ons land bereikte. Thans innen de melkfabrieken bij de boeren reeds voorschotten voor boetes wegens productieoverschrijding ter hoogte van 20 groszy (ca. 5 eurocent) per liter, d.w.z. ongeveer 20% van de prijs van 1 liter melk. Dit heeft grote opschudding gewekt bij de boeren, die hevig hiertegen protesteren.

Nu is er aan Polen een zogenaamd herstructureringsquotum van 416.000 ton toegekend. Kan de Commissie mij mededelen of dit quotum reeds in 2006 beschikbaar kan worden gesteld aan de Poolse boeren, opdat het niet noodzakelijk zal zijn hun boetes op te leggen wegens een te grote melkproductie?

 
  
 

De Commissie neemt met tevredenheid kennis van het feit dat de Poolse melkproducenten en de zuivelindustrie zich snel hebben aangepast aan de nieuwe situatie die is ontstaan door de commerciële mogelijkheden binnen een uitgebreide Europese markt. Daartoe aangespoord door aanzienlijk hogere melkprijzen dan vóór de toetreding, hebben de Poolse producenten hun productie spectaculair opgevoerd.

Hierdoor zal een aantal producenten in het quotumjaar 2005/06 waarschijnlijk de communautaire extra heffing moeten betalen, die wordt gevorderd van alle communautaire producenten die bijdragen tot overschrijding van de nationale quota in eigen land.

De Poolse autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de communautaire quotabepalingen in Polen. In die context hebben zij het recht te waarborgen dat de extra heffing daadwerkelijk zal worden betaald door de betreffende producenten, indien nodig door middel van een voorschot.

Overeenkomstig de toetredingsakte, kan er per 1 april 2006 aan Polen een aanvullend herstructureringsquotum worden toegekend. Of die hoeveelheid wordt vrijgegeven hangt echter af van betrouwbare informatie waaruit blijkt dat er in voldoende mate sprake is geweest van een omschakeling van de productie van zuivelproducten voor eigen gebruik naar productie voor de markt. Polen heeft de Commissie een verslag doen toekomen over dat onderwerp.

De Commissie is dat verslag momenteel aan het bestuderen en komt naar verwachting in maart 2006 met haar definitieve conclusie.

 

Vraag nr. 76 van Willy Meyer Pleite (H-0127/06)
 Betreft: Veto VS op overeenkomst tussen Europees bedrijfsconsortium CASA-EADS en Venezuela
 

De regering van de Verenigde Staten van Amerika heeft een veto uitgesproken over de verkoop van 12 vliegtuigen van de Spaanse vliegtuigbouwer CASA, lid van het Europese consortium EADS, aan de regering van Venezuela, omdat in deze vliegtuigen Amerikaanse technologie is verwerkt.

Wat is het standpunt van de Commissie inzake dit veto van de VS op een overeenkomst met een Europees bedrijfsconsortium?

 
  
 

De Commissie is op de hoogte van het feit dat de Verenigde Staten (VS) strikte exportregels hanteren die de uitvoer van apparatuur door een ander land naar bepaalde landen verbieden of onderwerpen aan beperkingen of voorafgaande toestemming, als deze apparatuur componenten bevat die vallen onder de regelgeving van het Amerikaanse leger of behoren tot de categorie goederen voor tweeërlei gebruik. Deze beperkingen op de uitvoer en hun negatieve effect op de handel worden aan de orde gesteld in de jaarverslagen van de Commissie over de handelsbarrières van de VS, waarvan het laatste op 1 maart 2006(1) is verschenen.

De Commissie heeft haar bezorgdheid over de toepassing van dergelijke beperkingen regelmatig aan de orde gesteld bij de Amerikaanse autoriteiten, vooral in verband met civiele goederen die Amerikaanse technologie of componenten bevatten waarop deze regelgeving van toepassing is. Zij zal blijven proberen manieren te vinden om de VS ertoe te bewegen deze beperkingen te versoepelen, aangezien zij de handel belemmeren. De uitvoer van militaire goederen door de lidstaten valt echter buiten het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Europese Gemeenschap, en daarom zijn de middelen van de Commissie om de handelswijze van de VS te beïnvloeden beperkter. Niettemin zou een dialoog tussen de VS en de Europese landen om de toepassing van exportbeperkingen op dit terrein te herzien welkom zijn.

 
 

(1) http://trade-info.cec.eu.int/doclib/docs/2006/march/tradoc_127632.pdf, zie paragraaf 3.1 en 5.9).

 

Vraag nr. 78 van Claude Moraes (H-0131/06)
 Betreft: Beroep tegen controlemaatregelen van de EU
 

Kan de Commissie mededelen op welke wijze beroep aangetekend kan worden tegen een EU-controleprocedure? Een bewoner van mijn kiesdistrict is bijna failliet gegaan als gevolg van vorderingen van de EG, hoewel zijn zaak in behandeling was bij de Europese Ombudsman. Welke bescherming genieten kleine ondernemers wanneer zij in beroep willen gaan tegen de uitkomst van een controleprocedure en welke garanties hebben zij?

 
  
 

Controleprocedures geven de Commissie de mogelijkheid om te controleren of de met Gemeenschapsgeld gefinancierde actie en de bepalingen in de subsidieovereenkomst of het contract dat is ondertekend door de begunstigde of contractant en de Commissie, naar behoren ten uitvoer worden gelegd. Indien nodig kunnen de controlebevindingen leiden tot opschorting van de betalingen, de verlaging van de subsidie of tot een beschikking van de Commissie tot terugvordering.

Ordonnateurs hebben de taak gepaste maatregelen te nemen, met name als de overeengekomen actie niet naar behoren is uitgevoerd (artikel 119 en artikel 103 van het Financieel Reglement). De begunstigde wordt in de gelegenheid gesteld van tevoren te reageren op een besluit om de subsidie te verlagen of een verzoek tot terugbetaling.

De uitkomst van de controleprocedure als zodanig kan niet worden aangevochten, maar eventuele geschillen tussen een contractant of de begunstigde van een subsidie en de Commissie die voortvloeien uit de interpretatie of uitvoering van een contract of subsidieovereenkomst en niet in der minne kunnen worden geschikt, kunnen bij de bevoegde rechtbank aanhangig worden gemaakt, zoals vastgelegd in het contract of de subsidieovereenkomst.

Begunstigden van subsidies of contractanten kunnen een klacht ook voorleggen aan de Europese Ombudsman, die bevoegd is een onderzoek in te stellen naar gevallen van vermeend wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen. Dergelijke klachten laten de beroepstermijnen in bestuursrechtelijke of juridische procedures onverlet.

 

Vraag nr. 79 van Jens-Peter Bonde (H-0133/06)
 Betreft: F-gassen
 

Zal de Commissie de aanmaningsbrief aan Denemarken wegens het daar geldende verbod op F-gassen (gefluorideerde broeikasgassen) na het ingaan van het vergelijk over de richtlijn inzake F-gassen op 31 januari 2006 laten vallen?

 
  
 

De geachte afgevaardigde weet ongetwijfeld dat de betreffende inbreukprocedure nog loopt. Tegen die achtergrond kan de Commissie bevestigen dat zij momenteel het resultaat onderzoekt van de bemiddelingsprocedure in verband met de verordening inzake F-gassen die binnenkort zal worden aangenomen.

 

Vraag nr. 80 van Ioannis Varvitsiotis (H-0136/06)
 Betreft: Oprichting van nieuwe EU-organen
 

Kan de Commissie in het kader van de debatten over de oprichting van nieuwe EU-organen, antwoorden op de volgende vragen:

De jaarlijkse werkingskosten van de 24 gedecentraliseerde organen van de Europese Unie bedroegen in 2005 ongeveer 557 miljoen euro, en dit bedrag wordt voor het jaar 2006 op 600 miljoen euro geraamd. Hoe wordt in de praktijk hun bijdrage tot de werking van de Europese Unie geëvalueerd en zijn deze hoge bedragen gerechtvaardigd?

Hoeveel personeel heeft elk van deze organen en zijn deze werknemers momenteel allemaal onmisbaar? Hoeveel nieuwe organen worden in de nabije toekomst gepland en hoeveel zal de oprichting en werking ervan kosten?

 
  
 

Er bestaan op dit moment 21 regelgevende agentschappen met een rechtsgrondslag in de eerste pijler van het Verdrag betreffende de Europese Unie, drie agentschappen met een rechtsgrondslag in de tweede pijler en nog eens drie agentschappen met een rechtsgrondslag in de derde pijler. Steeds wanneer een regelgevend agentschap wordt opgericht, is het aan de Europese wetgever om de oprichtingsverordening voor het nieuwe agentschap goed te keuren; dit geschiedt op voorstel van de Commissie en, in voorkomend geval, indien de rechtsgrondslag van de verordening zulks vereist, met medebeslissing van het Europees Parlement. Op dit moment bereidt de wetgever de oprichting van drie nieuwe agentschappen voor: het Europees Chemicaliënagentschap, het Europees Genderinstituut en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(1), welk bureau in de plaats moet komen van het Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat.

Wat de financiële en personele middelen voor de regelgevende agentschappen betreft, is het aan de begrotingsautoriteit om, met goedkeuring van de Raad, het definitieve bedrag vast te stellen dat voor deze organen beschikbaar wordt gesteld. De Commissie bevestigt de door de geachte afgevaardigde gepresenteerde cijfers inzake bijdragen uit de communautaire begroting. De bedragen voor de personele middelen van de regelgevende agentschappen hangen af van de jaarlijkse begroting van de agentschappen, die bestaat uit een communautaire bijdrage en/of uit inkomsten van derden(2). Details betreffende de begrotingen van de afzonderlijke agentschappen, inclusief inkomsten van derden, zoals die aan de begrotingsautoriteit worden meegedeeld, staan vermeld in de toelichtingen bij de desbetreffende begrotingslijnen; de personeelsformatie is te vinden in deel 1 van de begroting. Het totaal aantal medewerkers van alle regelgevende agentschappen tezamen bedroeg in 2005 2 710. Voor meer details verwijst de Commissie de geachte afgevaardigde naar de regelgevende agentschappen zelf. Het gaat hier om onafhankelijke organen, die geheel zelfstandig een personeelsbeleid kunnen voeren, mits zij zich houden aan de statutaire voorschriften en de door de begrotingsautoriteit goedgekeurde personeelsformatie.

De regelgevende agentschappen vervullen belangrijke functies ter ondersteuning van de uitvoerende macht. Ze zijn met name belast met een of meerdere van de volgende taken:

nemen van besluiten in individuele gevallen die bindende rechtsgevolgen hebben voor derden;

verlenen van rechtstreekse bijstand aan de Commissie en, in voorkomend geval, aan de lidstaten in het belang van de Gemeenschap, in de vorm van technisch en wetenschappelijk advies en/of inspectieverslagen;

opzetten van netwerken van en organiseren van samenwerking tussen de bevoegde nationale autoriteiten in het belang van de Gemeenschap met het oog op de verzameling, uitwisseling en vergelijking van informatie en goede praktijken.

Verder heeft ieder Europees regelgevend agentschap de opdracht objectieve, betrouwbare en eenvoudig toegankelijke informatie met betrekking tot het eigen werkterrein te verzamelen, te analyseren en over te dragen.

Gelet op het belang en de diversiteit van de taken die de regelgevende agentschappen vervullen, lijken de eerder genoemde totaalbedragen voor financiële en personele middelen niet onredelijk te zijn en in verhouding te staan tot de in de oprichtingsverordeningen vastgelegde doelstellingen.

 
 

(1) COM(2003) 644 van 29.10.2003, COM(2005) 81 van 8.3.2005 en COM(2005) 280 van 30.6.2005.
(2) Het Harmonisatiebureau voor de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM), het Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP) en het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie (CdT) ontvangen geen enkele rechtstreekse bijdrage uit de communautaire begroting; het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA) en enkele andere agentschappen ontvangen zowel inkomsten van derden als een bijdrage uit de communautaire begroting.

 

Vraag nr. 81 van Gay Mitchell (H-0139/06)
 Betreft: Interculturele spanningen
 

Kan de Commissie meedelen hoe zij voornemens is de interculturele spanningen die zich hebben voorgedaan tot bedaren te brengen?

 
  
 

De Commissie neemt aan dat de geachte afgevaardigde met zijn vraag doelt op de gebeurtenissen in verband met de publicatie van de spotprenten van de profeet Mohammed. De Commissie heeft op 15 februari 2006, tijdens het debat in het Europees Parlement over dit onderwerp al verklaard dat de publicatie van spotprenten in Deense en andere Europese kranten en de reacties daarop gevoelige, principiële kwesties hebben blootgelegd. De tekeningen hebben veel moslims over de hele wereld gekwetst. De Commissie heeft respect voor deze gevoeligheden en voor de uitdrukking daarvan in de vorm van vreedzame protesten.

De Commissie deelt het standpunt van de Deense minister-president, de heer Rasmussen, dat zijn regering de islam respecteert als een van de grote godsdiensten op aarde, dat het niet haar bedoeling is om moslims te beledigen en dat zij ook geen steun verleent aan activiteiten die zulks beogen.

De Commissie is niet bezorgd over de vreedzame reacties van de meerderheid op de prenten. Zij is echter wel bezorgd over de gewelddadige reacties van een minderheid, reacties waarvan veel moslims afstand hebben genomen.

De Commissie veroordeelt in de sterkst mogelijke bewoordingen het geweld tegen onze vertegenwoordiging in Gaza en tegen de missies van de lidstaten, met name die van Denemarken. Die missies zijn bedoeld om werkelijke verbetering te brengen in het leven van de bevolking van de landen waar ze worden uitgevoerd. De Commissie heeft zich solidair verklaard met de betreffende lidstaten.

Ook een handelsboycot is niet de juiste manier om deze kwestie aan te pakken. Een dergelijke maatregel schaadt de economische belangen van alle partijen en mogelijk ook de groeiende handelsbetrekkingen tussen de Europese Unie en de betrokken landen. Via handel, en via de sterkere banden die daardoor ontstaan, kan meer wederzijds begrip worden gekweekt. Een boycot van Deense goederen is per definitie een boycot van Europese goederen.

De Commissie blijft samen met het Oostenrijkse voorzitterschap en alle betrokken partijen zoeken naar een vreedzame, efficiënte oplossing voor dit probleem. In dit opzicht staat de Commissie achter het idee om gebruik te maken van alle bestaande instrumenten en beleidsvormen voor interculturele dialoog (het Barcelona-proces, de Ontmoeting Azië-Europa (ASEM), het Europees-mediterraan partnerschap (EMP)…) in de betrekkingen met derde landen ter versteviging van wederzijdse tolerantie en respect. Verder dient opgemerkt te worden dat de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen op 27 februari 2006 conclusies heeft aangenomen over "Reacties in de islamitische wereld op publicaties in Europese en andere media".

De vrijheid van meningsuiting is een onderdeel van de Europese waarden en tradities en hieraan valt niet te tornen. Regeringen of andere overheidsinstanties schrijven individuen hun meningen niet voor, noch keuren zij deze goed. Integendeel, de meningen die worden uitgedragen door individuen zijn uitsluitend de verantwoordelijkheid van die individuen. Zij zijn niet verbonden met een land, een volk of een godsdienst. De vrijheid van meningsuiting biedt niet alleen de mogelijkheid om een mening uit te dragen, maar ook om hierop kritiek uit te oefenen. De vrijheid van meningsuiting kent grenzen die wettelijk zijn vastgelegd en worden gehandhaafd via de rechtsstelsels van de lidstaten van de Europese Unie.

Ook aan de godsdienstvrijheid valt niet te tornen. Net zoals Europa de vrijheid van meningsuiting eerbiedigt, moet het de godsdienstvrijheid eerbiedigen en dat gebeurt ook. Vrijheid van godsdienst is een fundamenteel recht van individuen en gemeenschappen dat gepaard gaat met respect voor de integriteit van alle religieuze overtuigingen en de manieren waarop hieraan invulling wordt gegeven. Moslims moeten hun geloof op dezelfde manier kunnen praktiseren als de aanhangers van andere godsdiensten en overtuigingen.

De Europese Unie en haar lidstaten maken zich al lange tijd sterk voor een dialoog tussen de verschillende gemeenschappen binnen de Europese Unie en met de aangrenzende islamitische landen, evenals in andere delen van de wereld. Via een krachtige, maar vreedzame dialoog op basis van het beginsel van vrijheid van meningsuiting kunnen we komen tot dieper respect en meer begrip voor elkaar. De Commissie zet zich in en zal zich blijven inzetten voor een interculturele en interreligieuze dialoog. Die dialoog moet zijn gebaseerd op tolerantie – niet op vooroordelen – en op de vrijheid van meningsuiting en godsdienst, en de daaraan gerelateerde waarden. Geweld is de vijand van de dialoog.

De Commissie maakt reeds gebruik van de bestaande instrumenten voor samenwerking en interculturele dialoog (Europees-mediterrane Stichting Anna Lindh voor de dialoog tussen culturen, Stichting Azië-Europa (ASEF), enz…) teneinde te komen tot meer kennis over en begrip van verschillende culturen en daartoe een reeks concrete en zichtbare activiteiten te ontplooien, zowel in de EU als in de partnerlanden. De Commissie is tevens bereid de mogelijkheden in kaart te brengen om de samenwerking te versterken ter bevordering van wederzijds begrip tussen regionale organisaties.

De Commissie heeft al diverse initiatieven ondersteund ter bevordering van de interculturele dialoog en is nu bezig hieraan op zeer zichtbare wijze prioriteit te geven en een coherente actie voor de lange termijn te ontwikkelen. De Commissie zal de uitwisseling van goede praktijken bevorderen en deze prioriteit tot uitdrukking brengen in nieuwe communautaire programma's, met name op het gebied van levenslang leren, cultuur, jeugd en burgerschap.

Bovendien heeft de Commissie voorgesteld het jaar 2008 uit te roepen tot het Europees Jaar van de interculturele dialoog. De voorbereiding voor het Europees Jaar en het Europees Jaar zelf moeten belangrijke kansen bieden om alle mensen die in de EU wonen ervan bewust te maken dat de interculturele dialoog een bruikbaar en relevant instrument is voor het beheer van een omgeving die steeds multicultureler wordt.

De kandidaat-lidstaten zullen nauw worden betrokken bij deze ontwikkelingen, met name door middel van hun deelname aan een aantal relevante communautaire programma's. De Commissie zal tevens aanvullende acties coördineren die ontwikkeld dienen te worden binnen de relevante kaders voor samenwerking en dialoog met de landen van de westelijke Balkan en de partnerlanden van het Europees nabuurschapsbeleid.

Tot slot heeft de Commissie nooit de suggestie gedaan de pers een gedragscode op te leggen; het is aan de media zelf om al dan niet over te gaan tot zelfregulering, en indien zij dit noodzakelijk, gepast en nuttig achten, een dergelijke vrijwillige gedragscode op te stellen. De Commissie heeft aangeboden een dialoog te bevorderen tussen vertegenwoordigers van de media en tussen hen en religieuze leiders, mochten beide partijen daarvan het nut zien.

 

Vraag nr. 82 van Alain Hutchinson (H-0140/06)
 Betreft: De schuldenlast van de landen in het zuiden
 

De schuldenlast van de landen in het zuiden vormt thans een fundamentele uitdaging voor de ontwikkeling die op de agenda van de Europese Commissie en de Europese Unie staat. De Commissie heeft onlangs een geïntegreerde en allesomvattende langetermijnstrategie voor Afrika voorgesteld, alsmede een hernieuwd partnerschap om dit continent te helpen de millenniumdoelstellingen te halen. Toch lijkt zij zich niet rechtstreeks betrokken te voelen bij de kwestie van de kwijtschelding van de schulden van deze landen.

Is de Commissie in dit verband voornemens een standpunt in te nemen over de kwestie van de schuldenlast van de Afrikaanse landen en zo ja, welk? Zou de Unie haar inspanningen ten behoeve van de kwijtschelding van de schulden van deze landen niet moeten intensiveren om deze te helpen de millenniumontwikkelingsdoelstellingen te halen in de wetenschap dat het besluit van de G8 van juli 2005 slechts een beperkt aantal landen betreft en geen waarborg vormt voor de additionaliteit van de middelen voor de begunstigde landen?

 
  
 

De Commissie is verheugd over het besluit van de G8 afgelopen zomer om verder te gaan met het kwijtschelden van de multilaterale schuld van landen die zich nadrukkelijk inzetten voor het bestrijden van de armoede.

De Commissie is ervan overtuigd dat de landen in het Zuiden de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling alleen kunnen halen als de ontwikkelingshulp aanzienlijk verhoogd wordt. Zij heeft dan ook met grote tevredenheid kennis genomen van het besluit terzake van de Europese Raad van juni 2005, die zich ertoe verplicht heeft de officiële ontwikkelingshulp met ongeveer 20 miljard euro te verhogen, van welk bedrag de helft voor Afrika bestemd is. Het is uiteraard aan de lidstaten om deze verplichting ten uitvoer te leggen. De Commissie dient er nu op toe te zien dat de communautaire hulp zowel qua omvang als qua doeltreffendheid versterkt wordt.

De problematiek inzake schuldkwijtschelding is niet nieuw; dit vraagstuk wordt al ruimschoots in aanmerking genomen in een aantal lopende beleidsinitiatieven.

Sinds het Akkoord van Cotonou functioneert het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) hoofdzakelijk op basis van schenkingen; het leidt derhalve niet meer tot verhoging van de schuld van de landen in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan (ACS). De Commissie is wat dit betreft dus feitelijk een "kleine" leningverstrekker, vergeleken met de andere multilaterale leningverstrekkers.

De Commissie neemt deel aan het initiatief ten behoeve van arme landen met een zware schuldenlast (Highly Indebted Poor Countries - HIPC), in het kader waarvan zij middelen verstrekt uit het EOF (voor een bedrag van 680 miljoen euro). Voor de periode 2000-2005 is in totaal een bedrag van 344,5 miljoen euro daadwerkelijk uitbetaald. Bovendien heeft de Commissie 900 miljoen euro gestort in het door de Wereldbank beheerde Trust Fund voor de financiering van schuldkwijtschelding door andere multilaterale instellingen, met name de Afrikaanse Ontwikkelingsbank. Hiervoor is in de periode 2000-2005 een bedrag van 697 miljoen dollar daadwerkelijk aangewend.

De Commissie heeft met betrekking tot dit initiatief bovendien meer gedaan dan waartoe ze verplicht was door over te gaan tot kwijtschelding van alle schulden die samenhangen met door haar aan de minst ontwikkelde landen verstrekte speciale leningen.

Daarnaast heeft zij op basis van een benadering per geval bijgedragen aan de vereffening van achterstallige betalingen aan multilaterale schuldeisers van een aantal landen waar een conflict heeft gewoed, teneinde deze landen in staat te stellen deel te nemen aan het HIPC-initiatief. Dat geldt onder andere voor de Democratische Republiek Congo; de Commissie heeft dit land voor een bedrag van 106 miljoen euro steun verleend ten behoeve van de vereffening van achterstallige betalingen in verband met EOF-middelen, en daarnaast voor een bedrag van 40 miljoen dollar bijgedragen aan de vereffening van achterstallige betalingen aan de Afrikaanse Ontwikkelingsbank.

Voorts moet in dit verband ook gewezen worden op het feit dat verschillende EU-lidstaten zich ertoe verbonden hebben al hun bilaterale schuldvorderingen jegens arme landen met een zware schuldenlast te laten vervallen.

Uit het bovenstaande valt af te leiden dat schuldverlichting een belangrijke plaats inneemt in onze strategie voor Afrika.

 

Vraag nr. 83 van Diamanto Manolakou (H-0141/06)
 Betreft: Verbranding van gevaarlijk afval door BIOKERAL
 

In het district Lárissa in Griekenland komen burgers en instanties massaal in verzet tegen de verbranding van het gevaarlijke en vervuilende afval van de verwerking van ruwe olie, pet-coke, door de keramiekfabriek BIOKERAL. Het gebruik hiervan door de fabriek (onbekend is sinds wanneer), dat tot 2004 door de bevoegde autoriteiten als illegaal werd bestempeld, is inmiddels gelegaliseerd en nu bestaat het gevaar dat verbranding van pet-coke door keramiekfabrieken uit concurrentie-overwegingen gemeengoed gaat worden (in ieder geval in de provincie Thessalië).

Dit afval, dat veel zwavel, zware metalen, poliaromatische carcinogene koolwaterstoffen en andere voor de menselijke gezondheid gevaarlijke stoffen bevat, is uiterst gevaarlijk. Kan de Commissie, tegen deze achtergrond en wetende dat de Griekse autoriteiten eerder hebben geweigerd een vergunning voor de verbranding af te geven, aangeven welke maatregelen ze van plan is te gaan nemen om een eind te maken aan het gebruik van pet-coke, dat een inbreuk is op de nationale en de communautaire milieuwetgeving?

 
  
 

Het gebruik van petroleumcokes als brandstof is in de EU niet verboden. De installatie dient echter wel te voldoen aan de bepalingen in de betreffende communautaire wetgeving.

Welke wetgeving hierop van toepassing is, hangt af van de vraag of de petroleumcokes wordt beschouwd als "afvalstof", in de zin van Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen(1). Het is in eerste instantie aan de door de lidstaten aangewezen bevoegde autoriteiten om hierover te oordelen, waarbij zij rekening dienen te houden met de arresten van het Europees Hof van Justitie(2).

Afvalverbranding valt onder Richtlijn 2000/76/EG betreffende de verbranding van afval(3). Installaties waar alleen bepaalde typen afvalstoffen worden behandeld zijn uitgesloten van de werkingssfeer van de richtlijn betreffende de verbranding van afval, maar petroleumcokes is niet opgenomen in de lijst van uitzonderingen.

Als petroleumcokes niet wordt beschouwd als afval, dan is Richtlijn 2001/80/EG inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties(4) van toepassing, mits het thermisch vermogen van de installatie 50 megawatt of meer bedraagt.

Ongeacht of petroleumcokes wordt beschouwd als afvalstof, is Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging(5) van toepassing, mits de betreffende capaciteitsdrempel (10 ton per dag) wordt overschreden.

Bestaande verbrandingsinstallaties moeten vanaf 28 december 2005 voldoen aan de eisen die zijn vastgelegd in de richtlijn betreffende de verbranding van afval. Met betrekking tot de richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging is de uiterste termijn voor de naleving door bestaande installaties 30 oktober 2007, terwijl deze termijn voor de richtlijn inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties 1 januari 2008 is.

 
 

(1) PB L 194 van 25.7.1975, als gewijzigd.
(2) Zie bijvoorbeeld zaak C-235/02 ("Petroleumcokes die in een petroleumraffinaderij opzettelijk wordt geproduceerd of bij de gelijktijdige productie van andere brandbare petroleumderivaten ontstaat en die met zekerheid wordt gebruikt als brandstof voor de energiebehoeften van de raffinaderij en van andere industriebedrijven, vormt geen afvalstof in de zin van richtlijn 75/442/EEG…").
(3) PB L 332 van 28.12.2000.
(4) PB L 309 van 27.11.2001.
(5) PB L 257 van 10.10.1996.

 

Vraag nr. 84 van Bogusław Sonik (H-0145/06)
 Betreft: Verenigbaarheid van door de Europese Investeringsbank (EIB) gecofinancierde projecten en het EU-milieubeschermingsbeleid
 

In opdracht van een Poolse milieubeweging zijn er deskundigenbeoordelingen uitgevoerd van door de EIB gefinancierde waterbouwkundige werken en daarbij zijn ernstige onregelmatigheden aan het licht gekomen, evenals de schending van het Gemeenschapsrecht.

In 2001 kende de EIB de Poolse regering een lening toe om de infrastructuur die door de overstromingen verwoest was te herstellen en de streek van Małopolska (Klein-Polen) beter te beschermen tegen overstromingen. Tijdens de renovatiewerkzaamheden werd echter zware en onherstelbare schade toegebracht aan de fauna van rivieren en wouden. De waterbouwkundige werken werden uitgevoerd aan de hand van verouderde technieken, die het ecosysteem van de rivieren en wouden blijvend uit evenwicht hebben gebracht. Er is vastgesteld dat deze werkzaamheden de oorzaak zijn van de achteruitgang van 16 vogelsoorten die opgenomen zijn in de vogelrichtlijn van 1979, onderdeel van het Natura 2000-netwerk. De verwijdering van veenpolders en eilanden om het debiet van het water te regelen, heeft op veel rivieren de verdwijning van habitats veroorzaakt.

Op welke criteria baseert de EIB zich om binnen de Unie leningen toe te kennen? Waarom worden de door de EIB goedgekeurde projecten niet uitgevoerd in overeenstemming met het Europese milieubeschermingsbeleid? Welke controlemaatregelen is de Commissie van plan te nemen in het hierboven beschreven geval?

 
  
 

Projecten in de EU, die worden gefinancierd door de Europese Investeringsbank (EIB), dienen in overeenstemming te zijn met de EU-milieuwetgeving. Daartoe voert de EIB een milieueffectbeoordeling uit van de projecten die hij financiert en aanvaardt hij de verantwoordelijkheid voor het toezicht op projecten gedurende de uitvoering ervan.

Overeenkomstig artikel 21 van het EIB-statuut wordt de Commissie door de EIB geraadpleegd over projecten alvorens de Raad van Bewind van de EIB hieraan zijn goedkeuring hecht, zodat zij advies kan uitbrengen over de overeenstemming van dergelijke projecten met communautaire wetgeving en beleid, waaronder op milieugebied.

Wat dit specifieke project in Polen betreft, heeft de EIB bevestigd dat het project voldeed aan de richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling(1), zoals gewijzigd; verder was een financieringsvoorwaarde dat de Poolse autoriteiten zich zouden houden aan de vereisten die zijn vastgelegd in de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn, en dat zij de aanwijzing zouden eerbiedigen van gebieden die beschermd dienen te worden en deel uitmaken van het Natura 2000-netwerk.

Als de geachte afgevaardigde beschikt over aanvullende informatie waaruit blijkt dat de communautaire wetgeving wordt overtreden, dient deze aan de Commissie gezonden te worden voor verdere overweging.

 
 

(1) Richtlijn 85/337/EG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.

 

Vraag nr. 85 van Cecilia Malmström (H-0149/06)
 Betreft: Steun aan de Iraanse democratie
 

Het is heel onrustig op het vlak van de politieke ontwikkeling in Iran. De reactionaire en antidemocratische mullahs hebben hun macht versterkt dankzij de verkiezing van Mahmoud Ahmandinejad tot president. Het is momenteel van groot belang dat de internationale gemeenschap, de EU inbegrepen, de democratische krachten steunt die in Iran aan het werk zijn. De druk op de politieke machthebbers moet worden verhoogd, met name op het gebied van mensenrechten, economische steun aan terreurorganisaties en de ontwikkeling van kernwapens. Vorige week heeft de Amerikaanse minister van Buitenlandse zaken bekendgemaakt dat de regering ernaar streeft om een bijkomende 75 miljoen dollar vrij te maken om de democratie in Iran te steunen. Een groot deel van het geld wordt in radio en televisie ten behoeve van de Iraanse bevolking geïnvesteerd. Er worden tevens grote investeringen gedaan om het Iraanse volk via het Internet te bereiken. De VS neemt zich bovendien voor om verhoogde steun te bieden aan het radiostation FARDA, dat in Iran kritische berichten over het regime uitzendt.

Welke maatregelen wil het voorzitterschap binnen de EU nemen zodat onafhankelijke radio- en televisiestations en andere democratische krachten in Iran versterkt kunnen worden?

 
  
 

De EU geeft al geruime tijd steun aan de mensenrechten en de democratie in Iran.

De instelling van een mensenrechtendialoog tussen de EU en Iran in 2002 is een voorbeeld van een praktische middel waarmee de EU een bijdrage kan leveren ter verbetering van de situatie ter plekke. De dialoog biedt een gestructureerd forum dat een formele bespreking van individuele zaken en een uitgebreide reeks mensenrechtenkwesties mogelijk maakt. Tot nu toe heeft de meerderheid van onze gesprekspartners duidelijk laten blijken te begrijpen wat de voordelen zijn van het onderhouden van betrekkingen ten opzichten van een isolement.

Dit is ook een van de enige manieren om een handreiking te doen en steun te geven aan verdedigers van de mensenrechten en hervormers in Iran, die anders geïsoleerder dan ooit zouden zijn. De EU heeft in december 2005 een verklaring afgelegd over de stand van zaken met betrekking tot de mensenrechtendialoog EU-Iran(1). Sindsdien is de EU zich, ondanks de problemen, blijven inzetten om in de nabije toekomst een dialoogvergadering te houden.

De dialoog tussen de EU en Iran is geen alternatief voor, maar een aanvulling op andere middelen om actie te ondernemen. De EU onderneemt via haar diplomatieke missies in Teheran bijvoorbeeld regelmatig demarches bij de Iraanse autoriteiten in verband met individuele zaken, zoals die van de heer Abdolfattah Soltani – die op 6 maart op borgtocht is vrijgelaten – en de heer Akbar Ganji – die nog altijd gevangenzit.

Bovendien heeft de EU, gelet op de verslechtering van de mensenrechtensituatie gedurende de afgelopen paar jaar – zelfs nog voor de verkiezing van de heer Ahmandinejad – over het algemeen een krachtdadige publieke lijn gevolgd. Dit heeft geleid tot een besluit van alle EU-lidstaten om steun te geven aan een resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) over de situatie met betrekking tot de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran die in december 2004 is aangenomen, en aan een tweede resolutie in december 2005.

Wat de ondersteunende werkzaamheden betreft: sinds 2002 heeft de EU in het kader van het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) 3,4 miljoen euro besteed aan de bevordering van de mensenrechten en de rechtsstaat in Iran. Het gaat onder meer om drie projecten waarmee een totaalbedrag van 2,9 miljoen euro is gemoeid en die in 2004 zijn geïnitieerd en in 2004-05 van start zijn gegaan (ter indicatie, de EU-partners hebben in totaal ongeveer 2 miljoen euro aan bilaterale hulp toegezegd op deze terreinen). Twee van deze projecten – hervorming van het gevangeniswezen & de rechterlijke macht, en kinderbescherming & empowerment van vrouwen, worden uitgevoerd door VN-organisaties, en zullen naar verwachting een nuttige aanvulling vormen op de door het EIDHR ondersteunde mensenrechtenuitwisselingen die sinds 2002 plaatsvinden in het kader van de mensenrechtendialoog EU-Iran. De ondersteuning van het maatschappelijk middenveld door de EG zal in 2006 verder worden uitgebreid met een nieuw project van 1,1 miljoen euro in samenwerking met het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) dat tot doel heeft de mensenrechten en een betere toegang tot de rechter te bevorderen.

De Commissie is het eens met de geachte afgevaardigde dat de vrijheid van meningsuiting in Iran speciale ondersteuning verdient. Uit hoofde van het EIDHR worden projecten gefinancierd van non-gouvernementele organisaties (NGO's) die verband houden met de vrijheid van vergadering en de vrijheid van meningsuiting in Iran via een openbare uitnodiging tot het indienen van voorstellen (Campagne 3 – "Bevordering van het democratische proces"). Het EIDHR is echter geen gepast instrument voor de ondersteuning van grootschalige Europese mediaprojecten die bedoeld zijn om het Iraanse publiek te bereiken.

Tot slot moet worden opgemerkt dat de EU dergelijke activiteiten nastreeft met het oog op de lange termijn, op een open en transparante manier, en zonder een specifieke politieke agenda. Ons principiële standpunt en onze praktische beoordeling is zelfs dat pogingen om gebruik te maken van het kanaal van het "maatschappelijk middenveld" teneinde het Iraanse regime te "verzwakken" of te "wijzigen" slechts negatief zouden uitpakken voor de mensen die we juist willen ondersteunen.

 
 

(1)http://www.eu2005.gov.uk/servlet/Front?pagename=OpenMarket/Xcelerate/ShowPage& c=Page&cid=1107293561746& a=KArticle&aid=1134648912892&date=2005-12-20

 

Vraag nr. 86 van Manolis Mavrommatis (H-0151/06)
 Betreft: Europese samenwerking op seismisch gebied ter bescherming van de monumenten
 

Kenmerkend voor het Middellandse-Zeegebied is de sterke seismische activiteit, die tot gevolg heeft dat antieke en byzantijnse monumenten in Griekenland en Turkije, zoals het Parthenon en de Aghia Sofia, telkens gevaar lopen. Ook andere landen in het Middellandse-Zeebekken zoals Italië, Spanje, Cyprus en Malta, die alle rijk zijn aan historische monumenten en nederzettingen, hebben met dit probleem te maken. Zoals bekend, lopen er sinds meer dan een decennium meerdere communautaire onderzoekprogramma's met betrekking tot het gevaar van natuurrampen, met name het gevaar van aardbevingen.

Overweegt de Commissie om in het kader van het Euromediterrane Samenwerkingsprogramma een orgaan op te richten dat binnen de EU moet werken aan de bescherming van al die monumenten tegen de catastrofale gevolgen van aardbevingen?

 
  
 

De Commissie wil de aandacht van de geachte afgevaardigde graag vestigen op het feit dat het subsidiariteitsbeginsel op dit onderwerp van toepassing is. Niettemin is de Commissie van oordeel dat aan de bezorgdheid die door de geachte afgevaardigde wordt verwoord al met diverse bestaande instrumenten – die onder de bevoegdheid van de Commissie vallen – tegemoet wordt gekomen.

Tijdens de Top van Barcelona in november 2005 werd de behoefte benadrukt om de samenwerking op het vlak van de voorkoming van natuurrampen verder te versterken. Hoewel het niet specifiek gericht is op de bescherming van monumenten tegen de gevolgen van aardbevingen, draagt het "Programma voor de ontwikkeling van een Europees-mediterraan systeem voor de vermindering, de voorkoming en het beheer van natuur- en door de mens veroorzaakte rampen" voor 2005-2007 bij tot de ontwikkeling van een regionaal systeem voor civiele bescherming. Het systeem heeft tot doel de doeltreffende voorkoming, alertheid en reactie op natuur- en door de mens veroorzaakte rampen te waarborgen, met inbegrip van de voorkoming, risicoverkleining en planning voorafgaand aan de ramp. Risico's in verband met aardbevingen, tsunami's en bosbranden komen aan de orde in de thematische component van dit regionaal programma. Er is een langetermijnprogramma (2008-2013) in voorbereiding, in overleg met alle Euromed-partners.

Bovendien is het hierbij van belang om de werkzaamheden van het communautair mechanisme voor civiele bescherming te noemen. Het mechanisme is in 2001 bij Raadsbesluit opgericht en is ontworpen om te reageren op natuur- en door de mens veroorzaakte rampen ongeacht de plaats waar zij zich voordoen. Het mechanisme heeft tot doel mensen, het milieu en onroerend goed, met inbegrip van cultureel erfgoed, gepaste bescherming te bieden.

Het Middellandse-Zeegebied is de bakermat van vele beschavingen en zijn cultureel erfgoed maakt deel uit van ons gemeenschappelijk verleden: we zijn allemaal verantwoordelijk voor de bescherming en ontwikkeling ervan. Aangezien deze unieke culturele eigenschappen een hulpbron zijn die wordt bedreigd en onder onze gedeelde verantwoordelijk valt, helpt een ander regionaal programma binnen het Europees-mediterraan partnerschap, "Euromed Heritage", alle Euromed-partners hun cultureel kapitaal tot een sociaal en economisch voordeel te maken, en hun gemeenschappelijke belangen te onderkennen. Een van de doelstellingen van "Euromed Heritage" is het behoud van de historische en culturele identiteit van traditionele mediterrane architectuur door een multidisciplinaire werkmethode te ontwikkelen en te gebruiken voor de restoratie en het duurzaam onderhoud van gebouwen en monumenten.

De Commissie is derhalve op dit moment niet voornemens een Euromed-orgaan op te zetten dat tot doel heeft monumenten te beschermen tegen de gevolgen van aardbevingen.

 

Vraag nr. 87 van Javier Moreno Sánchez (H-0154/06)
 Betreft: Het EU-burgerschap buiten het grondgebied van de Unie
 

Alle burgers van de Europese Unie hebben het recht om vrijelijk op het grondgebied van de Unie te reizen en te verblijven, het actief en passief kiesrecht bij verkiezingen van het Europees Parlement en gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat van verblijf, het recht op diplomatieke en consulaire bijstand door elke lidstaat in een derde land waar de lidstaat waarvan de burger onderdaan is geen diplomatieke vertegenwoordiging heeft, alsook het recht zich tot de Ombudsman te wenden en een verzoekschrift in te dienen bij het EP. Het burgerschap van de Unie waarborgt alle burgers dezelfde rechten, ongeacht hun plaats van herkomst of van verblijf, en dat zowel binnen de Unie als in een derde land.

Beschikt de Commissie over materiaal waaruit blijkt op welke voorwaarden EU-burgers die buiten het grondgebied van de Unie verblijven hun EU-burgerschapsrechten uitoefenen? Zo nee, is de Commissie voornemens onderzoek hiernaar te doen? Zal de Commissie maatregelen treffen om de burgers van de Unie die buiten het grondgebied van de Unie verblijven op de hoogte te stellen van hun Europese burgerschapsrechten en er zo voor te zorgen dat zij hun rechten volledig kunnen uitoefenen?

 
  
 

In haar vierde verslag over het burgerschap van de Unie van 26 oktober 2004(1) heeft de Commissie gewezen op het belang van voorlichtings- en communicatieactiviteiten betreffende met het EU-burgerschap verband houdende rechten. Zij ijvert er in dit verband voortdurend voor de burgers meer algemene kennis bij te brengen over hun rechten als EU-burgers en hun toegang te verschaffen tot betrouwbare informatie op dit vlak.(2) Deze informatie, die onder meer op de website van de Commissie wordt gepubliceerd, is voor iedereen toegankelijk, ook voor burgers die buiten het grondgebied van de Unie verblijven.

Sommige van de met het burgerschap van de Unie verband houdende rechten kunnen worden uitgeoefend door personen die buiten de Europese Unie verblijven, maar de meeste van deze rechten komen uitsluitend of hoofdzakelijk toe aan EU-burgers die in een andere lidstaat verblijven dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten.

Artikel 18 van het EG-Verdrag kent iedere burger van de Unie het recht toe vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. In de communautaire instrumenten van afgeleid recht inzake de vrijheid van verkeer en verblijf is geregeld op welke wijze de burgers van de Unie hun recht op toegang tot en verblijf op het grondgebied van een lidstaat die niet hun lidstaat van herkomst is kunnen uitoefenen. Op gezette tijden worden door de Commissie verslagen gepubliceerd over de toepassing van de verschillende instrumenten die van kracht zijn. Met het oog op codificatie en versterking van de communautaire wetgeving inzake de vrijheid van verkeer en verblijf zijn bij de nieuwe Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(3) het complexe geheel van wetteksten en de uitgebreide geldende jurisprudentie op dit vlak in een enkel document bijeengebracht, waardoor meer duidelijkheid ontstaat over dit grondrecht en een en ander transparanter wordt voor de burgers van de Unie. De richtlijn heeft tot doel de uitoefening van het recht van verblijf te bevorderen; daartoe zijn de voorwaarden en formaliteiten waaraan voldaan moet worden vereenvoudigd en is een duurzaam verblijfsrecht in het leven geroepen, dat ingaat na een verblijfsperiode van vijf jaar in het gastland. De lidstaten moeten uiterlijk 30 april 2006 de nationale bepalingen ingevoerd hebben die nodig zijn om aan de richtlijn te voldoen.

De met het EU-burgerschap verband houdende politieke rechten zoals die neergelegd zijn in artikel 19 van het EG-Verdrag gelden niet voor burgers die in een derde land verblijven, doch enkel voor burgers die verblijf houden in een andere dan de eigen lidstaat, en wel onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de onderdanen van die staat. In Richtlijn 94/80/EG is geregeld op welke wijze EU-burgers die verblijf houden in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, in die staat het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen kunnen uitoefenen, en in Richtlijn 93/109/EG is de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement voor deze burgers vastgesteld. De Commissie heeft verschillende verslagen over de toepassing van deze richtlijnen uitgebracht(4).

Het recht om een klacht tot de Ombudsman en een verzoekschrift tot het Europees Parlement te richten zoals bedoeld in artikel 21 van het EG-Verdrag geldt voor alle burgers van de Unie, alsmede voor iedere natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat. Deze instrumenten zijn ingevoerd om burgers in staat te stellen actie te ondernemen in geval van wanbeheer bij het optreden van de communautaire instellingen of organen, respectievelijk in geval van mogelijke schending van de rechten van burgers inzake onderwerpen die tot de werkterreinen van de Gemeenschap behoren.

Uitgebreide informatie over het aantal verzoekschriften dat in de referentieperiode (mei 2001-april 2004) tot het Parlement c.q. de Ombudsman is gericht, is te vinden in het hierboven genoemde vierde verslag over het burgerschap van de Unie. Verder stelt de Ombudsman jaarlijks een verslag op van zijn activiteiten, waarin onder andere gegevens worden opgenomen over de geografische herkomst van de ingediende klachten.

Het recht op diplomatieke en consulaire bescherming als bedoeld in artikel 20 van het EG-Verdrag is het enige met het burgerschap van de Unie verband houdende recht dat speciaal in het leven is geroepen voor onderdanen van lidstaten die zich buiten het grondgebied van de Europese Unie bevinden.

Krachtens voornoemd artikel 20 VEG kan de bescherming geboden worden door iedere lidstaat die over een vertegenwoordiging (ambassade of consulaat) in het betreffende derde land beschikt.

Artikel 20 VEG bepaalt voorts dat iedere lidstaat gehouden is burgers van andere lidstaten deze bescherming te bieden "onder dezelfde voorwaarden" als die welke gelden voor de eigen onderdanen.

Alle lidstaten hebben Besluit 95/553/EG betreffende bescherming van de burgers van de Europese Unie door de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen buiten de EU in nationale wetgeving omgezet. Dat betekent dat iedere EU-burger die bescherming kan genieten. In geval van nood kunnen EU-burgers zich wenden tot iedere lidstaat die in het betreffende derde land vertegenwoordigd is, indien de lidstaat waarvan de persoon in kwestie onderdaan is in dat land geen ambassade of consulaat heeft. Zoals in de preambule van dit besluit benadrukt wordt, versterkt de diplomatieke en consulaire bescherming van artikel 20 VEG het idee van een gemeenschappelijk EU-burgerschap, de beleving van de identiteit van de Unie en het gevoel van Europese solidariteit.

Wat precies onder "noodtoestand" moet worden verstaan, is niet vastgelegd in een uitputtende lijst; Besluit 95/553/EG bevat enkel, bij wijze van voorbeeld, een opsomming van situaties waarin burgers een recht op bijstand kunnen doen gelden (arrestatie of detentie, overlijden van partner, enzovoort). De door ambassades en/of consulaten geboden bescherming reikt evenwel verder dan de in het besluit genoemde situaties; bijstand wordt ook in individuele gevallen verleend aan, bijvoorbeeld, EU-burgers die hun paspoort verloren hebben, aan slachtoffers van geweldmisdrijven en aan in moeilijkheden verkerende personen ten behoeve van hun repatriëring.

Deze hulp krijgt met name bijzondere betekenis in crisissituaties, zoals die welke zich voordoen na natuurrampen of andere catastrofes met een collectieve impact.

De Commissie zal tijdens het Oostenrijks voorzitterschap een bijdrage leveren aan de lopende discussies in de Raad over deze kwesties, waarbij de in het Haags Programma geformuleerde wensen het uitgangspunt zullen vormen.

Verder zal de Commissie een mededeling terzake uitbrengen, overeenkomstig artikel 22 van het EG-Verdrag, waarin haar opgedragen wordt verslagen op te stellen over de met het EU-burgerschap verband houdende rechten, inclusief het recht op diplomatieke en consulaire bescherming.

Artikel 22 VEG bepaalt dat op basis van die verslagen voorstellen kunnen worden geformuleerd voor uitbreiding van de met het EU-burgerschap verband houdende rechten, inclusief het recht op diplomatieke en consulaire bescherming. Het eerstvolgende verslag zal de periode tot het jaar 2007 beslaan; 2007 is ook het jaar waarin Besluit 95/553/EG moet worden herzien in het licht van de ervaring die ermee is opgedaan in de vijf jaar sinds de inwerkingtreding ervan.

Wat de voorlichting aan de burgers betreft, waarvoor de geachte afgevaardigde aandacht vraagt, zij erop gewezen dat de bevoegde instanties van de Europese Unie een informatiebrochure voor het grote publiek hebben samengesteld (met als titel "Europese consulaire bescherming"), die in alle officiële talen van de Unie gedrukt is en op dit moment verspreid en gedistribueerd wordt. In die brochure wordt een aantal situaties beschreven waarin voor lidstaten geen verplichting geldt tot het verlenen van bijstand aan EU-burgers "uit hoofde van de diplomatieke en consulaire bescherming" (bijvoorbeeld als het gaat om de betaling van rekeningen, zoals voor advocaatkosten, kosten voor juridische bijstand in gerechtelijke procedures, vervoerskosten, enzovoort).

Gezien het bovenstaande acht de Commissie het niet zinvol een specifieke analyse te wijden aan de vraag hoe met het EU-burgerschap verband houdende rechten worden uitgeoefend door burgers die buiten het grondgebied van de Unie verblijven; dit vraagstuk komt immers al aan de orde in de periodieke verslagen over het burgerschap van de Unie en de daarmee samenhangende specifieke rechten.

 
 

(1) COM(2004) 695 def. van 26.10.2004.
(2) Zie de bijlage bij het vierde verslag over het burgerschap van de Unie, betreffende voorlichting, onderwijs en bijstand inzake de rechten van de burgers (SEC(2004) 1280 van 26.10.2004).
(3) PB L 158 van 30.4.2004.
(4) De meest recente verslagen zijn: verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van Richtlijn 94/80/EG van de Raad betreffende het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen, COM(2002) 260 def.; mededeling van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 93/109/EG bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in juni 1999 - Actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn, COM(2000) 843 def.

 

Vraag nr. 88 van Jonas Sjöstedt (H-0155/06)
 Betreft: Gewijzigd standpunt van de Commissie inzake goedkeuring van bestrijdingsmiddelen
 

Naar verwachting keurt de Commissie binnenkort acht omstreden bestrijdingsmiddelen goed. Het betreft met name middelen tegen schimmels met eigenschappen die de hormonen beïnvloeden; dierproeven hebben negatieve gevolgen aangetoond. Jonge ratten lopen bij voorbeeld onherstelbare schade op.

Vorig jaar heeft de Commissie aan de producenten laten weten dat de schimmelbestrijdingsmiddelen zouden worden verboden. Vervolgens is de Commissie van alle kanten onder druk gezet om haar over te halen haar mening te wijzigen. Dat is nu dus gebeurd en de Commissie beweert dat een beperkte inzet van de stoffen kan worden toegestaan, hetgeen betekent dat zij op de markt worden gebracht.

Onder meer de Scandinavische lidstaten verzetten zich fel tegen dit resultaat. Lena Sommerstad, de Zweedse minister van Milieu zegt in een commentaar bij voorbeeld dat de situatie uiterst zorgwekkend is en dat de Commissie de criteria verlaagt voor de toelating van bestrijdingsmiddelen in de EU.

Kan de Commissie uitgebreide informatie verschaffen over haar contacten met ondernemingen sinds de producenten het vorige jaar voor het eerst schriftelijk werd medegedeeld dat er bestrijdingsmiddelen zouden worden verboden, en kan zij mededelen of zij het met de Zweedse minister van Milieu eens is dat de drempel voor toelating van bestrijdingsmiddelen in de EU thans lager is?

 
  
 

Uit de evaluatie van de acht stoffen is gebleken dat zij gevaarlijke eigenschappen bezitten. De Commissie moet echter de voorwaarden in aanmerking nemen waaronder zij worden gebruikt. Dit betekent dat, zoals voorzien in artikel 5 van Richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, een stof die op zich gevaarlijk is, op beperkte schaal gebruikt zou kunnen worden als de risico's kunnen worden beheerst met gepaste beperkende maatregelen.

De Commissie heeft derhalve een aantal beperkingen opgelegd:

De gewassen waarvoor het gebruik is toegestaan zijn uitsluitend die gewassen die zijn geëvalueerd en waarover overeenstemming is bereikt op EU-niveau.

De opneming van een werkzame stof in de positieve lijst bij de richtlijn geldt normaal gesproken voor een periode van tien jaar. In dit geval is deze periode verkort tot zeven jaar om vroegtijdige evaluatie te garanderen zodra er meer bekend is over de mogelijke gevolgen ervan voor de volksgezondheid en het milieu. Vergunninghouders dienen jaarlijks verslag te doen van eventuele gezondheidseffecten bij degenen die met deze stof omgaan.

Met betrekking tot de gebruiksvoorwaarden gelden in de gehele Unie dezelfde gedetailleerde en verplichte maatregelen ter vermindering van het risico.

De verdachte hormoonontregelaars zullen worden geëvalueerd zodra er OESO(1)-protocollen zijn goedgekeurd voor de noodzakelijke studies. Bedrijven zullen deze studies binnen de gestelde termijnen moeten overleggen.

Om de transparantie te waarborgen, heeft de Commissie iedereen die haar in kennis had gesteld van het gebruik van deze stoffen schriftelijk laten weten dat zij overwoog deze stoffen mogelijk niet op te nemen in de lijst. Zij heeft hun niet laten weten dat hierover al een besluit was genomen. De Commissie heeft de kennisgevers verzocht om commentaar en heeft bevestigd dat zij geen verdere studies in aanmerking zou nemen, noch wijzigingen in het geëvalueerde gebruik zou aanvaarden.

Er hebben vergaderingen plaatsgevonden tussen de Commissie en de kennisgevers om de aanpak toe te lichten en hun commentaar te bespreken.

Het klopt dat er kennisgevers waren die bezwaar hebben gemaakt tegen de voorgestelde beperkingen, met name tegen het feit dat de uitbreiding van het aantal gewassen waarop de stoffen gebruikt mogen worden op EU-niveau geëvalueerd moet worden. Niettemin heeft de Commissie deze beperkingen gehandhaafd.

De Commissie heeft haar voorstellen op 3 maart 2006 ingediend bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. Het comité heeft geen positief advies afgegeven over de voorstellen, die overeenkomstig de comitologieprocedure aan de Raad zullen worden verzonden.

 
 

(1) Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.

 

Vraag nr. 89 van Avril Doyle (H-0158/06)
 Betreft: Evaluatie van de tabaksproductenrichtlijn
 

De Commissie is ongetwijfeld op de hoogte van de Nederlandse rechtszaak van vorig jaar, waarin een aantal tabaksproducenten de bepaling van de tabaksproductenrichtlijn om informatie over alle tabaksingrediënten in te dienen, juridisch hebben aangevochten (zie het verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 2001/37/EG van 27 juli 2005, blz. 6-7). Zeven tabaksproducenten beweerden dat hun handelsgeheimen zouden worden geschonden.

Wat is de Commissie van plan te doen wanneer dit argument inzake handelsgeheimen wordt gebruikt, en niet alleen in Nederland, als vertragingstactiek en om onnodige obstakels te creëren voor de efficiënte werking van deze informatieverplichting (artikel 6 van de tabaksproductenrichtlijn 2001/37/EG)?

Kan de Commissie, overwegende dat andere bedrijfstakken zoals de cosmetische en farmaceutische industrie gebonden zijn aan strikte regelgeving inzake de ingrediënten in hun producten, ermee instemmen dat de tabaksindustrie op één lijn moet worden gesteld en ertoe verplicht moet worden de ingrediënten in hun producten en in de rook die bij verbranding vrijkomt, bekend te maken?

Is de Commissie het er ook mee eens dat een volledige bekendmaking een voorwaarde moet zijn voor het op de markt brengen van tabaksproducten in de EU?

 
  
 

De Commissie wil duidelijk verklaren dat handelsgeheimen niet als argument kunnen worden gebruikt om niet alle tabaksingrediënten in te dienen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, zoals in artikel 6 van de tabaksproductenrichtlijn is bepaald. Dit is bevestigd in de Nederlandse rechtszaak.

De kwestie van handelsgeheimen speelt uitsluitend een rol in de tweede fase, bij het informeren van het publiek. Op dit punt wordt in de tabaksproductenrichtlijn van de lidstaten wel geëist dat zij rekening houden met handelsgeheimen.

De Commissie heeft een werkgroep opgezet om een geharmoniseerd formaat te ontwikkelen voor het opgeven van gegevens met betrekking tot ingrediënten – één formaat voor de indiening van gegevens over ingrediënten bij de autoriteiten en een ander formaat voor het informeren van consumenten.

De Commissie ondersteunt de lidstaten in hun inspanningen om te komen tot volledige kennisgeving aan de regelgevende instanties in verband met de ingrediënten.

Tot slot wil de Commissie de geachte afgevaardigde ervan op de hoogte stellen dat in de tabaksproductenrichtlijn de verplichting om gegevens over ingrediënten in te dienen niet is gekoppeld aan het op de markt brengen van die tabaksproducten.

 

Vraag nr. 91 van Anna Hedh (H-0174/06)
 Betreft: Deelneming van vrouwen aan de vreedzame oplossing van conflicten
 

In november 2000 nam het Europees Parlement een resolutie (2000/2025(INI)(1)) aan over de deelneming van vrouwen aan de vreedzame oplossing van conflicten. In het verslag werd van de Commissie en de lidstaten gevraagd vrouwen meer te betrekken bij maatregelen ter voorkoming van conflicten en tot het behoud van de vrede, en doeltreffende steun te verlenen aan slachtoffers van verkrachtingen tijdens gewapende conflicten. De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid is onlangs begonnen met haar werk aan een opvolger van de resolutie van 2000. Kan de Commissie naar aanleiding daarvan zeggen welke maatregelen er genomen zijn sinds de aanneming van de resolutie in november 2000 en welke plannen voor eventuele maatregelen de Commissie op dit gebied heeft?

 
  
 

Vrouwen vervullen een belangrijke rol in de vredesopbouw en de voorkoming van conflicten. Vaak werken zij echter op een basaal niveau en voeren zij werkzaamheden uit die over het hoofd worden gezien, terwijl mannen vaker deel uitmaken van officiële delegaties die partijen in het conflict vertegenwoordigen of als bemiddelaar optreden.

In dit verband zetten we ons volledig in voor de tenuitvoerlegging van resolutie 1325 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van oktober 2000 over vrouwen, vrede en veiligheid. Deze inzet wordt herbevestigd in de nieuwe mededeling van de Commissie "Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen".

Er staan in dit opzicht ook belangrijke aanbevelingen in het document van de Raad van september 2005 over praktische maatregelen voor de tenuitvoerlegging van resolutie 1325 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in de planning en tenuitvoerlegging van missies in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid.

Via het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten steunt de Commissie trainingen op het gebied van crisisbeheer. Een integraal onderdeel van deze trainingen, die zijn bedoeld voor deskundigen uit de lidstaten die ter plekke zullen worden ingezet, is de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen in crisisbeheer en de oplossing van conflicten.

Een belangrijke rol op dit terrein wordt vervuld via steun aan non-gouvernmentele organisaties, waaronder vrouwenorganisaties. Een voorbeeld van een lopend project op dit terrein is de training van vrouwen in de vreedzame oplossing van conflicten in Rwanda (350 000 euro). Er is tevens steun geboden ter versterking van de actieve deelname van vrouwen aan vredesprocessen en vredesopbouw op de lange termijn in andere delen van de wereld, onder meer in Georgië en Colombia.

We verwachten dat een aantal maatschappelijke organisaties via het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten spoedig projectvoorstellen bij ons zal indienen voor financiering op grond van het thema "Rechten van kwetsbare groepen in gewapende conflicten". Hierbij ligt het accent met name op seksueel geweld.

 
 

(1) PB C 228 van 13.8.2001, blz. 187.

 

Vraag nr. 93 van Georgios Toussas (H-0180/06)
 Betreft: Burgerlijke mobilisatie van zeevarenden
 

De Griekse regering heeft op 21 februari 2006 met een schandelijk besluit de maatregel van burgerlijke mobilisatie opgelegd aan de stakende zeevarenden die streden voor hun legitieme eisen. Dit besluit vormt een regelrechte schending van de Grondwet, met name artikel 22, lid 2, dat een verbod legt op verplichte arbeid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, van het Internationaal Verdrag inzake individuele en politieke rechten en van de internationale arbeidsovereenkomsten nr. 29 en 105, die door Griekenland geratificeerd zijn en moeten worden nageleefd.

Deze onaanvaardbare maatregel, die in het verleden zowel door regeringen van Nea Dimokratia als van PASOK gebruikt werd tegen de zeevarenden en werknemers uit andere sectoren, vormt een directe schending van de fundamentele politieke rechten en vrijheden, en het stakingsrecht zelf dat de arbeidersklasse verworven heeft met harde strijd en bloedvergieten. Daarom moet de burgerlijke mobilisatie die aan de zeevarenden is opgelegd, onmiddellijk worden ingetrokken en moet deze reactionaire repressieve maatregel worden afgeschaft.

Veroordeelt de Commissie de onaanvaardbare pogingen van de regering om de fundamentele sociale rechten en vrijheden van de werknemers van het Griekse volk in zijn geheel, te beperken en in vraag te stellen?

 
  
 

In artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is vastgelegd dat werknemers of hun respectieve organisaties, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken, het recht hebben om in geval van belangenconflicten, collectieve acties te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking(1).

Het stakingsrecht is tevens vastgelegd in verschillende internationale verdragen en grondwetten van EU-lidstaten.

Opgemerkt zij echter dat krachtens artikel 137, lid 5, van het EG-Verdrag het stakingsrecht is uitgezonderd van het recht om, door middel van richtlijnen, uit hoofde van de bepalingen in het EG-Verdrag inzake sociaal beleid minimumeisen vast te stellen.

 
 

(1) Dit handvest is echter niet wettelijk bindend.

 

Vraag nr. 94 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-0182/06)
 Betreft: Stakingsrecht en het verzekeren van de economische, territoriale en sociale samenhang in de lidstaten
 

In Griekenland heeft de voortdurende staking van de zeevarenden de laatste dagen geleid tot een uiterst moeilijke situatie en tot problemen voor de territoriale, economische en sociale samenhang van het land (geen voedsel- en brandstofvoorziening op de eilanden, geen ziekenvervoer, enz.). Het stakingsrecht is ongetwijfeld een verankerd en onbetwistbaar recht van de werknemers en het is vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikel 28). Maar tegelijk bepalen zowel het Handvest als het voorstel voor een Europese Grondwet uitdrukkelijk (in artikel 36 en artikel II-96 respectievelijk) dat de Unie de toegang tot diensten van algemeen economisch belang erkent en eerbiedigt zoals deze is geregeld in de nationale wetgevingen en praktijken, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, teneinde de sociale en territoriale samenhang van de Unie en haar concurrentievermogen te bevorderen.

Is de Commissie het ermee eens dat dergelijke extreme stakingsacties het recht schenden van de Europese burger op toegang tot basisdiensten en een probleem veroorzaken voor de goede werking van de interne markt? Beschikt de Commissie over vergelijkende studies en cijfers inzake de aanpak van dergelijke situaties in de diverse lidstaten? Is zij het ermee eens dat een minimale dienstverlening moet worden verplicht zoals dat het geval is in een aantal lidstaten? Heeft zij deze kwestie al ter sprake gebracht in het kader van de Europese sociale dialoog?

 
  
 

In artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is vastgelegd dat werknemers of hun respectieve organisaties, overeenkomstig het Gemeenschapsrecht en de nationale wetgevingen en praktijken, het recht hebben om in geval van belangenconflicten, collectieve acties te ondernemen ter verdediging van hun belangen, met inbegrip van staking(1).

Het stakingsrecht is tevens vastgelegd in verschillende internationale verdragen en grondwetten van EU-lidstaten.

Op EU-niveau is in artikel 137, lid 5, van het EG-Verdrag vastgelegd dat het bepaalde in artikel 137 EG (hoofdstuk "Sociale bepalingen") niet van toepassing is op het stakingsrecht. Er is dus geen communautaire wetgeving die dit recht specifiek reguleert. In het onderhavige geval merkt de Commissie op dat de vraag die de geachte afgevaardigde stelt betrekking heeft op problemen die verbonden zijn met de territoriale, economische en sociale samenhang van Griekenland en worden veroorzaakt door een staking (geen voedsel- en brandstofvoorziening op de eilanden, geen ziekenvervoer, enzovoorts). Op basis van de door de geachte afgevaardigde verstrekte informatie, lijkt de aard van de situatie intern te zijn in plaats van grensoverschrijdend. Het is de taak van de bevoegde autoriteiten in Griekenland, met inbegrip van de rechter, om de legitimiteit van de staking te beoordelen aan de hand van de nationale wetgeving en met eerbiediging van de internationale verplichtingen van het land.

 
 

(1) Er zij op gewezen dat dit handvest niet wettelijk bindend is.

 

Vraag nr. 95 van Antonio López-Istúriz White (H-0183/06)
 Betreft: Samenwerking op vervoersgebied en specifieke maatregelen voor insulaire regio's
 

De ministers van Vervoer van de EU en van de buurlanden in het Middellandsezeegebied zijn onlangs tijdens een vergadering in Marrakech overeengekomen de onderlinge samenwerking op vervoersgebied te versterken, zowel ten aanzien van de scheepvaart als de luchtvaart.

Kan de Commissie aangeven welke voordelen dit zal hebben voor de EU-regio's die het meest in de nabijheid liggen van de landen in het Middellandsezeebekken?

Kan de Commissie aangeven of in de context van deze versterkte samenwerking een specifieke maatregel is voorzien voor Europese regio's in dat gebied die gekenmerkt worden door hun insulaire karakter, zoals het geval is bij de Balearen?

En ten slotte, is de Commissie van mening dat de versterkte samenwerking op het gebied van de scheepvaart en de luchtvaart positieve gevolgen zal hebben voor het toerisme?

 
  
 

Tijdens de op 15 december 2005 te Marrakech gehouden conferentie van ministers hebben de ministers van Vervoer van de Europese Unie en de mediterrane partners hun inzet bevestigd om de voornaamste doelstelling van het proces van Barcelona op het gebied van vervoer te verwezenlijken, namelijk het opzetten van een geïntegreerd, doeltreffend, veilig en betrouwbaar vervoerssysteem in het Middellandse-Zeegebied. De ministers hebben zich voorts positief uitgelaten over het feit dat het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) zal bijdragen tot een samenwerking die tot doel heeft de verdere integratie te bevorderen tussen de EU en de mediterrane partners door middel van de tenuitvoerlegging van ENB-actieplannen, waaronder in de vervoerssector. De ontwikkeling van dit vervoerssysteem zal de handel in de regio en de grensoverschrijdende samenwerking bevorderen, hetgeen een positieve uitwerking zal hebben op de economische groei en de werkgelegenheid in de EU, met name in die landen die het dichtst bij het Middellandse-Zeebekken liggen.

De financiële steun van de EU, in de vorm van de technische ondersteuning van de mediterrane partners, maar ook in de vorm van de verwezenlijking van ontbrekende infrastructurele knooppunten (zowel op noord-zuid-niveau als op zuid-zuid-niveau) opent nieuwe markten voor de vervoersindustrie van de Middellandse-Zeelanden van de EU.

Zee- en luchtvervoer zijn de voornaamste vormen van vervoer in het Middellandse-Zeegebied. De tenuitvoerlegging van internationale normen inzake zee- en luchtvaartveiligheid en -beveiliging, alsmede de harmonisatie van de relevante EU-wetgevingen zijn essentiële maatregelen voor de ontwikkeling van een veilig en betrouwbaar vervoerssysteem. Daarom is de tenuitvoerlegging van deze maatregelen van het grootste belang voor de toeristenindustrie van het Middellandse-Zeegebied als geheel. Eilanden als de Balearen zullen profiteren van de verbetering van het regionaal vervoerssysteem waarvan zij deel uitmaken. De toeristenindustrie zal verder de vruchten plukken van de open luchtvaartovereenkomsten waarover de Commissie wellicht onderhandelingen zal beginnen met de verschillende mediterrane partijen, zoals zij heeft gedaan met Marokko; deze overeenkomst is in Marrakech ondertekend in de marges van de conferentie van ministers van Euromed.

 

Vraag nr. 96 van Athanasios Pafilis (H-0184/06)
 Betreft: Sluiting van het bedrijf Viomichania Fosforikon Lipasmaton
 

De werknemers van het bedrijf Viomichania Fosforikon Lipasmaton (Phosphoric Fertilizers

Industry SA ) van Thessaloniki hebben met terechte verontwaardiging en voortdurende en massale acties gereageerd op de sluiting van het bedrijf, alsook op de nakende sluiting van een bedrijfsvestiging in Kavala die in het bezit is van dezelfde bank, waardoor honderden arbeidsplaatsen verloren zullen gaan. Solidair in hun strijd tegen de sluiting van deze bedrijven zijn niet alleen de andere werknemers van Thessaloniki, die geconfronteerd worden met een voortdurende daling van de arbeidsplaatsen en massale ontslagen, maar ook de landbouwers, die kampen met de gevolgen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, onder meer het teruglopen van de plattelandsbevolking.

Wat is het oordeel van de Commissie over de golf van massale ontslagen die voortvloeien uit de structurele hervormingen in het kader van de Lissabonstrategie en over de stijging van de werkloosheid die ondermeer het gevolg is van het herziene GLB?

 
  
 

De Commissie is zich bewust van de negatieve gevolgen die de sluiting van een fabriek kan hebben voor de getroffen werknemers, hun gezinnen en de regio in kwestie. Zij kan zich evenwel niet uitspreken over of zich mengen in besluiten die in bedrijven worden genomen, tenzij er sprake is van schending van het Gemeenschapsrecht.

In dit verband is het dienstig eraan te herinneren dat er verschillende communautaire richtlijnen zijn die tot doel hebben ervoor te zorgen dat herstructureringen niet zonder geldige reden plaatsvinden en adequaat beheerd worden, met name als het gaat om de sluiting van ondernemingen. Een belangrijke rol hierbij spelen de voorlichting aan en de raadpleging van de werknemers.

Op 31 maart 2005 heeft de Commissie een mededeling aangenomen(1) met als titel "Herstructureringen en werkgelegenheid", waarin zij een alomvattende en coherente EU-aanpak van herstructureringen voorstelt.

Als het gaat om het anticiperen op en begeleiden van economische veranderingen, het ondersteunen van de werkgelegenheid en het bevorderen van regionale ontwikkeling spelen verschillende communautaire beleidslijnen een rol. Behalve het landbouwbeleid, met zijn twee pijlers, zijn het industriebeleid van de Commissie, de werkgelegenheidsstrategie en de maatregelen in het kader van de structuurfondsen buitengewoon belangrijk in situaties zoals die waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst. Zo konden bij de begeleiding van de ingrijpende herstructurering in verband met de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor suiker verschillende communautaire instrumenten worden ingezet en kon een gecoördineerde aanpak worden gehanteerd, met name door de oprichting van een contactgroep voor overleg tussen de sociale partners en de verschillende diensten van de Commissie.

Voorts heeft de Commissie naar aanleiding van een verzoek van de Europese Raad van 15 en 16 december 2005 op 1 maart 2006 een voorstel voor een verordening tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering aangenomen, dat tot doel heeft hulp te bieden aan ontslagen werknemers in regio's en sectoren die problemen ondervinden als gevolg van de grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen.

 
 

(1) COM(2005) 120 van 31.3.2005.

 

Vraag nr. 97 van Ryszard Czarnecki (H-0185/06)
 Betreft: Corruptiebestrijding in de nieuwe lidstaten
 

Hoe beoordeelt de vooruitgang bij de corruptiebestrijding in de nieuwe lidstaten van de EU, vanaf de toetreding tot de Unie in mei 2004?

 
  
 

De landen die voorbereidingen treffen voor hun toetreding tot de Europese Unie moeten voldoen aan bepaalde criteria die in 1993 in Kopenhagen door de Europese Raad zijn opgesteld. Tot deze criteria behoort de eis om het "acquis communautaire" in eigen wetgeving om te zetten, en dat geldt dus ook voor de bestaande EU-instrumenten op het vlak van corruptie. De lidstaten moesten voldoen aan de vereisten op dat terrein om tot de EU te kunnen toetreden. Sinds de uitbreiding van 1 mei 2004 gelden voor de nieuwe lidstaten dezelfde toezichts- en evaluatieprocedures als voor de bestaande lidstaten.

Aangezien zij lid zijn van de EU, is er op dit moment geen sprake van een speciaal mechanisme om specifiek toezicht te houden op de "vooruitgang bij de corruptiebestrijding" in de nieuwe lidstaten. Zij worden hetzelfde behandeld als andere lidstaten.

Wettelijke instrumenten op het terrein van politiële en justitiële samenwerking in verband met de preventie en de bestrijding van corruptie worden vastgesteld onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Dergelijke instrumenten kunnen bepalingen bevatten op grond waarvan lidstaten verplicht zijn de Commissie en de Raad in kennis te stellen van de stappen die zij hebben ondernomen met betrekking tot de omzetting van wetgeving.

In de algemene context van de ontwikkeling van vergelijkbare misdaadstatistieken, wordt er momenteel echter gewerkt om in de komende jaren tot een methodologie te komen voor het vastleggen en delen van vergelijkbare statistieken met betrekking tot het strafrecht en de misdaad, met inbegrip van corruptie. Daarnaast zijn er voor het eerst vragen over corruptie opgenomen in een Eurobarometer-enquête, die einde 2005 is uitgevoerd. Alle 25 lidstaten zijn in deze enquête meegenomen. Dit was de eerste keer dat er een Eurobarometer-enquête is gebruikt om het beeld van en de ervaring met corruptie van burgers van de Europese Unie in kaart te brengen. Naar verwachting zullen de uitkomsten ervan in de komende weken worden gepubliceerd. Beide initiatieven zullen zowel de Commissie als de lidstaten op termijn in staat stellen meer inzicht te krijgen in het fenomeen corruptie in alle lidstaten.

 

Vraag nr. 99 van Miroslav Mikolášik (H-0198/06)
 Betreft: Buitenlands beleid van de EU ten aanzien van Palestina en Israël
 

De radicale Palestijnse beweging Hamas heeft de Palestijnse verkiezingen van 25 januari 2006 gewonnen. De Europese Unie stelde na de bekendmaking van de resultaten vast dat zij zich in een uiterst gecompliceerde situatie bevindt, doordat Hamas op de lijst van terroristische organisaties van de Unie staat. Tegelijk kan evenwel niet het feit worden genegeerd dat Hamas de overwinnaar is van democratische verkiezingen, die de Unie heeft geholpen te organiseren en die zij zelf heeft gecontroleerd. Als lid van de parlementaire delegatie Euromed wil indiener dan ook graag weten welk standpunt de Commissie ten aanzien van de nieuwe situatie in het Nabije Oosten sinds de Palestijnse parlementsverkiezingen en ten aanzien van Hamas inneemt? Welk verdere stappen plant de EU om een vredesbeleid tussen Palestina en Israël te bevorderen? Met welke concrete stappen wil zij tot de totstandkoming van twee soevereine staten, Palestina en Israël, bijdragen?

 
  
 

De Commissie heeft het recht van het Palestijnse volk erkend om zijn democratische wil tot uitdrukking te brengen en heeft steun gegeven aan het organiseren en houden van democratische en transparante verkiezingen, overeenkomstig internationale normen.

Na de overwinning van Hamas hebben het Kwartet en de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen op 30 januari 2006 de beginselen uiteengezet voor politieke contacten met de toekomstige Palestijnse Autoriteit (PA), namelijk dat de nieuwe regering vrede moet nastreven met vreedzame middelen, moet samenwerken met Israël en eerdere akkoorden en verplichtingen, waaronder de Routekaart, dien te aanvaarden. De Commissie onderschrijft deze beginselen volledig.

We zullen dan ook moeten afwachten hoe – en zelfs of – de verkiezingszege van Hamas zal worden vertaald in een platform voor de volgende Palestijnse regering dat de voortzetting van contacten met de Palestijnse Autoriteit op basis van deze beginselen mogelijk maakt.

Ondertussen wordt het Palestijnse interim-bestuur geconfronteerd met een ernstige begrotingscrisis. De Commissie heeft hierop gereageerd door ruim 120 miljoen euro ter beschikking te stellen om de interim-regering te helpen de financiële situatie van de PA te stabiliseren en in de behoeften van de bevolking te voorzien. Deze toezeggingen zijn bekrachtigd door de Raad en gesteund door het Kwartet.

Voor wat de periode na de interim-regering betreft, is de Commissie bereid de humanitaire en noodhulp ter verlichting van de situatie van de Palestijnen voort te zetten. De rest van het programma van de Commissie dient geëvalueerd te worden tegen de achtergrond van de ontwikkelingen in de politieke situatie en zal afhangen van de samenstelling en het programma van de nieuwe Palestijnse regering en haar toezeggingen ten aanzien van het nastreven van vrede met vreedzame middelen.

De Commissie zal haar maatschappelijke initiatieven en trilaterale dialoog tussen de EU, Israël en de Palestijnen voortzetten in het kader van haar niet-aflatende inspanningen om wederzijds begrip te stimuleren en een vreedzame oplossing van het conflict te bevorderen.

 

Vraag nr. 100 van Jelko Kacin (H-0199/06)
 Betreft: Moeilijkheden die organisatoren van kansspelen ondervinden bij het adverteren in bepaalde lidstaten
 

In juli en september 2005 heb ik vragen gesteld over de moeilijkheden die Sloveense organisatoren van kansspelen ondervinden bij het adverteren in Oostenrijk. Een Sloveens bedrijf heeft onlangs een officiële klacht ingediend bij Commissaris McCreevy over de ongeoorloofde beperking van het vrije verkeer van diensten in de toeristische sector, evenals een verzoek om een officiële inbreukprocedure in te stellen tegen Oostenrijk.

Ik zou de Commissie eraan willen herinneren dat het Sloveense bedrijf Hit Nova Gorica, dat kansspelen organiseert, bijvoorbeeld niet mag adverteren in Oostenrijk, terwijl Oostenrijkse organisatoren geen strobreed in de weg gelegd wordt. Oostenrijk schendt hiermee de beginselen van het vrije handelsverkeer, met name artikel 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat betrekking heeft op het vrije verkeer van diensten.

Wat is de Commissie aan de weet gekomen op grond van de documenten en de toelichting op dit praktijkvoorbeeld dat door het Sloveense bedrijf aan de orde is gesteld? Heeft de Commissie zich gebogen over de Oostenrijkse wetgeving (aangenomen in 2003) om te bepalen of zij verenigbaar is met de communautaire wetgeving? Wat heeft de Commissie besloten met betrekking tot de instelling van een inbreukprocedure tegen Oostenrijk?

 
  
 

De Commissie kan bevestigen dat zij de klacht waarnaar op 20 februari 2006 werd verwezen heeft ontvangen. Zij zal de klacht onderzoeken, met name de overeenstemming van de Oostenrijkse wet met artikel 49 van het EG-Verdrag. Zoals bij alle klachten zal zij niet alleen de restrictieve elementen van de wet nauwkeurig beoordelen, maar ook of de relevante beperkingen (1) gerechtvaardigd zijn uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang, en (2) niet onevenredig zijn d.w.z. of zij niet excessief zijn, of kunnen worden vervangen door minder restrictieve maatregelen. De Commissie zal vervolgens op basis van dit onderzoek besluiten of zij al dan niet een inbreukprocedure zal instellen.

De Commissie kan de geachte afgevaardigde ervan verzekeren dat zij de indiener van de klacht op de hoogte zal houden van de geboekte vooruitgang met betrekking tot deze zaak.

 

Vraag nr. 101 van Antolín Sánchez Presedo (H-0201/06)
 Betreft: Economische convergentie van Roemenië
 

Op 23 februari jl. heeft de commissaris Economische en Monetaire Zaken, Joaquín Almunia, in Boekarest gesproken met premier Calin Popescu-Tariceanu en de minister voor de Overheidsfinanciën, Sebastián Vladescu, over de macro-economische ontwikkelingen in Roemenië in het jaar 2005 en de prioriteiten van het belastingstelsel voor 2006. De commissaris heeft bij die gelegenheid gewaarschuwd voor de negatieve gevolgen op middellange termijn van een belastingverlaging voor de inkomsten die nodig zijn om een hervorming door te voeren van de infrastructuur, het onderwijsstelsel of de medefinanciering van Europese projecten. Tevens noemde hij als prioritaire doelstellingen het in de hand houden van de inflatie en het evenwicht op de handelsbalans.

Hoe denkt de Commissie dat Roemenië deze uitdagingen kan aangaan ter wille van de noodzakelijke economische convergentie en als waarborg dat de op handen zijnde toetreding een succes wordt voor alle Roemenen en de gehele Unie?

 
  
 

Naar het oordeel van de Commissie blijft Roemenië wat de economische toetredingscriteria van Kopenhagen betreft voldoen aan het criterium dat het een functionerende markteconomie moet hebben.

Roemenië heeft de macro-economische stabiliteit in 2005 over het algemeen weten te handhaven, ook al is de beleidsmix minder voorzichtig geweest en heeft deze zorg gewekt over de duurzaamheid van de recente stabiliseringsinspanningen. Roemenië zou er goed aan doen terug te keren naar een voorzichtig fiscaal beleid, met name door aanvullende maatregelen te nemen om de inkomsten permanent te verhogen en een behoedzaam loonbeleid te voeren in de overheidssector. Dit zou bijdragen tot verduurzaming van de macro-economische stabiliteit, met name doordat op die manier de onevenwichtige situatie van de handelsbalans wordt tegengegaan en er een bijdrage wordt geleverd aan een verdere daling van de inflatie. De Commissie is ingenomen met het feit dat deze doelstellingen steeds duidelijker zijn terug te vinden in de begroting voor 2006. De Commissie neemt verder kennis van de recente aanscherping van het monetair beleid, die kan bijdragen tot verdere verlaging van de inflatie.

Recente pogingen om de belastinggrondslag te verbreden en de inning van de belastingen verder te verbeteren zijn positief. Zij kunnen bijdragen tot het bereiken van de doelstelling van Roemenië om het percentage van de belastinginkomsten ten opzichte van het bruto binnenlands product (BBP) aanzienlijk te verhogen, aangezien deze laag blijft in vergelijking met andere landen in de regio.

Roemenië heeft op het moment te maken met een opwaartse druk op de overheidsuitgaven, die de komende jaren nog verder zou kunnen toenemen, niet alleen vanwege de medefinanciering van EU-projecten, maar ook ten gevolge van de noodzaak van overheidsuitgaven op terreinen als infrastructuur, onderwijs, gezondheid en administratieve capaciteit. De Commissie zou graag zien dat er duidelijker prioriteiten worden gesteld met betrekking tot de overheidsuitgaven, teneinde de kwaliteit van de overheidsfinanciën te verbeteren door de uitgaven rechtstreeks te richten op terreinen die verband houden met de toetreding en terreinen die het groeipotentieel van de economie versterken. In een dergelijke strategie moet tevens de nadruk worden gelegd op de duurzaamheid van de overheidsfinanciën, met name door problemen op de arbeidsmarkt aan te pakken en door ingrijpender hervormingen door te voeren van de pensioen- en zorgstelsels.

 

Vraag nr. 102 van Neena Gill (H-0202/06)
 Betreft: Scamming van onderdanen van ontwikkelingslanden
 

Kan de Commissie mededelen welke stappen worden ondernomen om internationaal opererende oplichters te doen ophouden met het scammen van onderdanen uit derde landen waarbij gebruik wordt gemaakt van een e-mail- of postadres in de EU om vertrouwen te wekken in de ogen van de inwoners van ontwikkelingslanden?

Als voorzitter van de EP-delegatie voor de betrekkingen met de Zuid-Aziatische landen en de Associatie voor Regionale Samenwerking in Zuid-Azië (SAARC) ben ik gecontacteerd door inwoners van dit gebied, onlangs nog door inwoners van de Malediven, die zijn ertoe zijn overgehaald om hun spaarcenten over te maken naar rekeningen van vermeende firma's uit EU-landen zogezegd om loterijwinsten te ontvangen. Inwoners uit de ontwikkelingslanden zijn bijzonder kwetsbaar voor dergelijke oneerlijke praktijken en vallen vaak ten prooi aan oplichterspraktijken waarvan wij in het Westen beter op de hoogte zijn en die wij hier proberen aan te pakken.

Is de Commissie op de hoogte van dit probleem en welke stappen worden ondernomen om ervoor te zorgen dat de goede naam van de EU niet geschonden wordt door deze criminele activiteiten?

 
  
 

Scamming is een vorm van fraude die overal ter wereld voorkomt en niet alleen de inwoners van ontwikkelingslanden treft. Deze vorm van fraude richt zich niet op bepaalde landen. In veel gevallen (bv. de zogenaamde Nigerianenbrieven) bevindt het verspreidingscentrum van de fraude zich juist in derde landen. Deze vormen van fraude zijn bijzonder moeilijke te bestrijden omdat criminelen voor weinig geld en in korte tijd op grote schaal e-mails kunnen verzenden. Normaal gesproken is de beste reactie op dergelijke vormen van oplichting de bewustmaking van consumenten.

De autoriteiten van de lidstaten en derde landen zijn primair verantwoordelijk voor de bestrijding van deze vorm van fraude. Toch wordt algemeen erkend dat de betrokkenheid van de Commissie bij de preventie van fraude op bepaalde terreinen van toegevoegde waarde is geweest. In algemene zin bevordert de Commissie betere informatie-uitwisseling; zij zorgt voor bewustmaking en versterkt grensoverschrijdende samenwerking. Voor specifieke gevallen (fraude zonder contant geld) heeft zij een kader geschapen waarbinnen deskundigen op het gebied van fraudepreventie elkaar kunnen ontmoeten en synergie kunnen opwekken, met inbegrip van de uitwisseling van beste praktijken en voorlichtingsmateriaal.

Dit heeft ertoe geleid dat de samenwerking op het vlak van fraudepreventie is geïntensiveerd, met name op grensoverschrijdend niveau. De Commissie en de EU-lidstaten ondersteunen internationale samenwerking tussen wetshandhavingsinstanties met betrekking tot spam, fraude en cybercrime. Tijdens de Wereldtop over de informatiemaatschappij (WSIS) die in november 2005 in Tunesië werd gehouden, gaf de EU steun aan de agenda voor actie, waarbij zij onder andere het belang van handhaving benadrukte, inclusief handhaving in verband met strafbare feiten die worden begaan in het ene rechtsgebied, maar gevolgen hebben in een ander, zoals hier het geval is.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid