Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2006(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0080/2006

Debatten :

PV 04/04/2006 - 13
CRE 04/04/2006 - 13

Stemmingen :

PV 16/05/2006 - 10.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2006)0205

Volledig verslag van de vergaderingen
Dinsdag 4 april 2006 - Straatsburg Uitgave PB

13. Controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht (2003-2004) - De wetgeving verbeteren 2004: toepassing van het subsidiariteitsbeginsel - Tenuitvoerlegging gevolgen en uitwerking van de vigerende wetgeving op het gebied van de interne markt - Vereenvoudiging van de regelgeving (debat)
Notulen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van vier verslagen over “betere wetgeving”:

- het verslag (A6-0089/2006) van Monica Frassoni, namens de Commissie juridische zaken, inzake het 21ste en het 22ste jaarverslag van de Commissie over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht (2003 en 2004) [2005/2150(INI)],

- het verslag (A6-0082/2006) van Bert Doorn, namens de Commissie juridische zaken, over de wetgeving verbeteren 2004: toepassing van het subsidiariteitsbeginsel - 12de jaarverslag [2005/2055(INI)],

- het verslag (A6-0083/2006) van Arlene McCarthy, namens de Commissie interne markt en consumentenbescherming, over de tenuitvoerlegging, de gevolgen en de uitwerking van de vigerende wetgeving op het gebied van de interne markt [2004/2224(INI)] en

- het verslag (A6-0080/2006) van Giuseppe Gargani, namens de Commissie juridische zaken, inzake de strategie voor vereenvoudiging van de regelgeving [2006/2006(INI)].

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Frassoni (Verts/ALE), rapporteur. (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik ben buitengewoon verheugd vandaag het woord te nemen als rapporteur van de Commissie juridische zaken. In die hoedanigheid vertegenwoordig ik een bredere meerderheid dan wanneer ik het woord voer als vertegenwoordigster van mijn fractie. Als rapporteur wil ik aantal opmerkingen maken over dit verslag, dat als hoofddoel heeft te benadrukken dat de toepassing van het Gemeenschapsrecht een belangrijk onderdeel vormt van het dossier “Beter wetgeven”. Dat geldt overigens ook voor de andere onderwerpen die wij hier vanmiddag behandelen.

De toepassing is een belangrijke fase van het recht. Ten eerste omdat de situatie in de Europese Unie op dit gebied onbevredigend is, wat het verslag van de Commissie goed duidelijk maakt. Met name op het vlak van milieuwetgeving bestaan er ernstige problemen, maar ook de wetgeving voor de interne markt kent grote problemen. Het heeft geen zin te ontkennen dat vooral de lidstaten daarvoor verantwoordelijk zijn.

De verantwoordelijkheid voor de gebrekkige toepassing is evenwel ook het gevolg van een procedure die niet makkelijk te veranderen valt, daar zij is vastgelegd in de Verdragen. De procedure is zeer traag en de sancties zijn ontoereikend. Oplossingen met betrekking tot problemen in verband met de toepassing van het Gemeenschapsrecht door de lidstaten laten vaak te wensen over en vergen enorm veel tijd.

Ik zou van u willen weten of voor de Commissie de toepassing van het Gemeenschapsrecht een prioriteit vormt of niet. Te oordelen naar de mededeling lijkt mij dat niet het geval te zijn omdat deze, zoals bekend, meer gaat over het intrekken en wijzigen van richtlijnen dan over de correcte toepassing ervan.

Ik meen dat er bij de Commissie in wezen twee denkrichtingen bestaan. De ene richting zegt: “we kunnen maar beter problemen met de lidstaten voorkomen, laten we proberen samen met hen de problemen op te lossen”. De andere richting denkt: “laten we de bestaande regels gewoon toepassen, niet strikt maar wel op een positieve manier en onder toepassing van de snelst mogelijke procedures met het grootst mogelijke respect voor het recht ”.

In verband daarmee wil ik een aantal voorbeelden noemen. Wij menen dat de Commissie betreffende het inleiden van een aantal procedures, zoals de procedure tegen Oostenrijk inzake GGO’s, uiterst snel en efficiënt optreedt, terwijl we naar aanleiding van het uitblijven van de toepassing door Frankrijk van de richtlijn “Natura 2000” na het arrest van het Hof van Justitie al drie jaar lang wachten op optreden van de Commissie uit hoofde van artikel 228, het artikel over boetes.

Op analoge wijze bestaan er interessante situaties met betrekking tot het recht van de burgers op vergoeding van medische kosten. Wij weten dat er voor dit zeer belangrijke onderwerp voor de burgers nog steeds geen oplossing is, daar het politiek zeer moeilijk ligt. Tegelijkertijd is er slechts in twee gevallen een beroep gedaan op artikel 228. Bij de kwestie van de lozingen in Griekenland is de zaak na zeer korte tijd verdaagd en voor het zwemwater in Spanje is de klacht op het laatste moment ingetrokken om redenen die zelfs de Commissie vanuit juridisch oogpunt dubieus acht.

Wat is ons antwoord of wat zijn onze voorstellen om tot een oplossing te komen van deze kwestie, die volgens ons een transparanter optreden van de Commissie vereist? Op de eerste plaats moeten er volgens ons een betere beoordeling en meer transparantie komen wat betreft de wijze van toepassing van het recht. Ik vind het belangrijk dat de Commissie ons de door haar uitgevoerde conformiteitsstudies betreffende de toepassing van het recht doet toekomen. Helaas zijn we er tot nu toe niet in geslaagd dat te bereiken.

Op de tweede plaats is het mijns inziens uiterst belangrijk alle middelen van de organen die niet langer wetgeving produceren, over te hevelen naar de organen die daarentegen wetgeving uitvoeren. We zijn het bijvoorbeeld niet eens met het idee dat op dit moment bij de Commissie besproken wordt, om een dergelijke overdracht te laten plaatsvinden naar de organen die zich met de effectbeoordeling bezighouden. Ten derde, en dit betreft ons, zijn wij van mening dat wij ons als Europees Parlement meer specifiek moeten bemoeien met de toepassing van het Gemeenschapsrecht. Daarbij gaat het er niet om de bevoegdheden van de Commissie aan te tasten – ik weet dat dit thema de leden van die instelling veel zorgen baart – maar juist om net als de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en andere commissies al proberen, een duidelijker beeld te krijgen van wat er gebeurt.

Het aan de schandpaal nagelen van degenen die in gebreke blijven lijkt me bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht zeer nuttig. De Commissie zou ons misschien meer behulpzaam moeten zijn om deze regel met meer daadkracht te kunnen toepassen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bert Doorn (PPE-DE), rapporteur. Voorzitter, ik citeer een artikel dat vorig jaar mei in een gezaghebbende Nederlandse krant stond, vlak vóór het referendum in Nederland. Het citaat begint als volgt: "Niet Barroso, niet Blair, maar mijnheer van Alphen uit Nederland en duizenden andere nationale ambtenaren nemen de dagelijkse beslissingen in Europa". Dit artikel heeft absoluut niet bijgedragen tot een positieve grondhouding in Nederland jegens het referendum. U weet dat dat verkeerd afgelopen is. Nederland heeft neen gezegd. Zorgwekkend. Juist die regelgeving is een zorgenkind waarover we vandaag eens nader moeten praten.

We moeten hard werken om het negatieve beeld weg te nemen dat de burger van de regelgeving heeft. En hoe kunnen we dat bereiken? We kunnen dat bereiken door meer transparantie te bewerkstelligen. We moeten ook kijken naar de administratieve lasten die het gevolg zijn van de regelgeving. Veel bedrijven hebben de molensteen van de zware administratieve belasting om de hals hangen en als er iets is dat de concurrentiekracht van bedrijven beïnvloedt, dan is het dat wel.

Voorzitter, meer transparantie, minder administratieve lasten, hoe bereik je dat? In de eerste plaats door een daadwerkelijke effectentoetsing. En daar ontbreekt het op dit moment nog aan. Wij hebben vele voorbeelden gezien van effectbeoordelingen. Die zijn allemaal verschillend van kwaliteit. Sommige zijn goed, sommige zijn niet goed. Willen wij als Parlement wat hebben aan een effectbeoordeling, dan moet het een effectbeoordeling zijn die neutrale informatie biedt, die goede informatie biedt en die overzichtelijk is. Daaraan ontbreekt het.

Wij hebben zelf ook in het Parlement ervaring opgedaan met een paar effectbeoordelingen op amendementen. Ook daar is de kwaliteit wisselend. Vandaar mijn voorstel dat er een onafhankelijke toetsing komt van die effectbeoordelingen. Dat hoeft helemaal niet door een zware autoriteit te gebeuren. Dat kan een panel zijn, bestaande uit vier deskundigen op het gebied van effectbeoordeling, die gewoon eens kijken naar de effectbeoordelingen die de Commissie maakt en naar de effectbeoordelingen die wij hier in het Parlement maken, en die dan daarover adviezen geven. Dus geen agentschap, geen zware autoriteit, maar gewoon een onafhankelijke kwaliteitstoetsing, een effectieve externe kwaliteitstoetsing.

Voorzitter, ik kom bij mijn volgende punt, de comitologie. Dat artikel waar ik het zojuist over had, ging met name over comitologie. Daar zat nog een andere passage die ik u niet wil onthouden. Het gaat over de comités. "Je ziet ze niet, je hoort ze niet, zo een 450 overlegclubjes in Brussel nemen doorlopend beslissingen die het dagelijks leven van de burger raken." Ook hier geldt: meer transparantie. Ook hier geldt dat wanneer comitologie leidt tot secundaire wetgeving, die wetgeving moet worden getoetst. Ook daar moeten we met een effectbeoordeling laten zien wat de consequenties zijn van dat soort wetgeving. Dan ziet de burger ook echt dat het ons menens is en dat we die transparantie inderdaad willen.

Tenslotte, Voorzitter, de tenuitvoerlegging. De tenuitvoerlegging - collega Frassoni wees er al op - is buitengewoon belangrijk en ook het Parlement moet daaraan veel meer aandacht besteden. Als hier in de plenaire vergadering een verslag behandeld is, dan is het werk van de rapporteur afgelopen. Ik wil voorstellen dat we de rapporteur vragen om, drie jaar na de goedkeuring in het Parlement, zijn commissie op de hoogte te stellen van de gang van zaken rond de tenuitvoerlegging. Dit zal een wezenlijke bijdrage leveren aan de goede tenuitvoerlegging in de lidstaten en ook aan goede contacten met de nationale parlementen.

Dat zijn de voorstellen, Voorzitter: meer transparantie, een objectief toezicht op de effectbeoordeling, grenzen aan de comitologie, meer inzage in de comitologie, en eventueel ook een call-back-recht voor het Europees Parlement als daartoe aanleiding bestaat. Dat zijn de onderdelen van een interinstitutioneel akkoord dat ik voor mij zie om daadwerkelijk met die regelgeving aan de gang te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Arlene McCarthy (PSE), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, als voorzitter van de Commissie interne markt en consumentenbescherming ben ik zeer blij met dit gemeenschappelijke debat over betere wetgeving en de kans om met de Raad en de Commissie te bespreken hoe we het raakvlak tussen de regelgeving enerzijds en de consumenten, burgers en bedrijven die het meest met de tenuitvoerlegging van EU-wetten te maken hebben anderzijds, kunnen verbeteren. Het geloof en het vertrouwen van burgers, consumenten en bedrijven in de EU is afhankelijk van hun ervaring met en perceptie van EU-wetten en het effect daarvan op hun dagelijks leven.

Ik wil me richten op betere wetgeving voor de interne markt en ervoor zorgen dat consumenten in de interne markt het nut van onze wetgeving inzien. De interne markt is verantwoordelijk voor bijna eenderde van het communautaire acquis. Een kwalitatieve, doeltreffende en eenvoudige regelgeving in de interne markt moet de grensoverschrijdende handel meer kansen en de consumenten meer keuze bieden, terwijl het milieu en de sociale en consumentenrechten worden beschermd. Tevens speelt betere wetgeving in de interne markt een belangrijke rol bij het bereiken van de doelstellingen van Lissabon inzake banen, groei en concurrentievermogen.

Ik ben van mening dat de interne markt zal profiteren van een gezamenlijke en gecoördineerde benadering van alle drie de instellingen om de hele wetgevingscyclus te verbeteren. Dat betekent dat we ook moeten stilstaan bij de gevolgen van de achterkamertjespolitiek en de compromissen die we sluiten en ons moeten afvragen of de wetten voor eindgebruikers hierdoor duidelijker worden of juist niet. Dat begint volgens mij met een goede, duidelijke formulering van de wetten, kwalitatieve effectbeoordelingen en doeltreffende, uitgebreide en doorzichtige raadpleging van de betrokkenen. De lidstaten moeten ook hun verantwoordelijkheden serieus nemen en zorgen voor goede en correcte tenuitvoerlegging van interne-marktwetten. Ze moeten weerstand bieden aan de verleiding om de zaak te verzachten of allerlei bijkomende nationale eisen te stellen. Hoewel het omzettingstempo al wordt opgevoerd, zoals blijkt uit de scorebordverslagen betreffende de interne markt, is er nog steeds veel ruimte voor verbetering. Daarom vragen we om een snelle inbreukprocedure voor proefprocessen voor de interne markt. We moeten leren van de mislukkingen en fouten van EU-wetten. Daarom willen we dat er ex ante en met name ook ex post effectbeoordelingen of evaluaties worden uitgevoerd van wat er fout is gegaan. Heeft deze wetgeving haar doel bereikt of juist niet en heeft ze tot vervorming en fragmentatie van de interne markt geleid?

Sommigen zijn van mening dat we de effectbeoordelingen aan een externe instantie zouden moeten overlaten. Ik deel die mening niet. Ik vind dat de wetten van de interne markt in het kader van een doeltreffende beleidsvorming onder de verantwoordelijkheid van de ambtenaren van de Commissie dienen te vallen. De Commissie interne markt staat er echter op dat alle wetgevingsvoorstellen gepaard gaan met een kwaliteitsbeoordeling, een samenvatting en een controlelijst in het kader van de verbetering van de wetgeving.

Natuurlijk bestaat er veel scepsis over alternatieve regelgeving. Het Interinstitutioneel Akkoord voorziet in deze niet-wetgevende optie, maar als het interne-marktwetten betreft, dringen wij erop aan dat het Parlement over dergelijke alternatieve benaderingen wordt geïnformeerd en geraadpleegd. Effectbeoordelingen rechtvaardigen dat. Zo moeten consumenten altijd hun toevlucht tot het gerecht kunnen nemen en moeten er sancties worden gesteld als deze alternatieve regelgeving de consument geen voordelen biedt in de interne markt.

Ik wijs nadrukkelijk op het werk van de Commissie interne markt als actieve partner in het proces ter verbetering van de wetgeving. Ik weet dat commissarissen vaak zeggen dat het Parlement zijn rol niet serieus neemt. Wij waren de eerste commissie die zelf opdracht gaf voor een effectbeoordeling. Dat was tijdens het voorzitterschap van de heer Whitehead en had betrekking op amendementen op het verslag-Toubon over nominale hoeveelheden voor voorverpakte producten. We voeren een effectbeoordeling uit over de door onze rapporteur voorgestelde amendementen in verband met het voorstel betreffende pyrotechnische artikelen. We zullen de kosten/baten-analyse van zijn amendementen op dat voorstel bekijken. We houden een hoorzitting over het effect van de regeling betreffende openbare aanbestedingen op de interne markt. Openbare aanbestedingen zijn verantwoordelijk voor 16 procent van het BBP van de EU, maar het pakket met wetten van 1992 heeft niet geleid tot de gewenste opening van de markt, zoals uit een aantal zaken van het Europese Hof van Justitie is gebleken.

Laten we er niet omheen draaien. Het zijn de consument, de burger en de bedrijven die de prijs betalen als wetten niet doeltreffend zijn. Een slechte formulering leidt tot juridische onzekerheid, slechte of verwarde transpositie en aan het eind van het verhaal kom je de verwarde ondernemer of consument tegen die het vertrouwen in de interne markt verliest. Na jaren touwtrekken werpt het Europese Hof van Justitie zich op als de scheidsrechter voor betere wetgeving. Dat is niet de juiste weg.

Tot slot verwijs ik naar SOLVIT, dat mijns inziens een uitstekend initiatief is van de Commissie. Een bevoegd arts probeerde een aantal jaren achtereen om zich in Spanje als arts te laten registreren. Dat koste hem een grote som geld aan juridische kosten en hij raakte het vertrouwen in de interne markt kwijt. Maar toen het SOLVIT-systeem bemiddelde, stond hij binnen tien weken in Spanje als arts geregistreerd. De arts zei dat SOLVIT zijn vertrouwen in de interne markt had hersteld.

De realiteit is dus dat goede wetten die goed geformuleerd zijn en eenvoudig ten uitvoer te leggen, na te leven en te controleren zijn, de sleutel zijn tot het herstel van het vertrouwen in de interne markt. Ik hoop dat het debat van vandaag het begin is van een proces van nauwe samenwerking en het delen van beste praktijken tussen de instellingen in een hecht partnerschap van gelijken waarmee we het vertrouwen waar de genoemde arts als consument in de interne markt om vroeg, kunnen opbouwen en herstellen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Klaus-Heiner Lehne (PPE-DE), plaatsvervangend rapporteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik zou op drie aspecten in willen gaan. Ik wil beginnen met de vereenvoudiging. Het lijdt geen twijfel dat het Europees Parlement in principe achter de pogingen van de Commissie staat om de wetgeving te vereenvoudigen. Ik moet echter ook zeggen dat het venijn in de details zit, dat is vaak het geval, en we moeten oppassen dat we het kind niet met het badwater weggooien.

Ik zou een voorbeeld willen noemen: in het document van de Commissie staat dat het de bedoeling is om het hele handelsrecht en het vennootschapsrecht te vereenvoudigen. Ik ben in de Commissie juridische zaken één van de permanente rapporteurs voor deze kwestie, en ik weet dat veel van de richtlijnen en verordeningen die op dat vlak gelden delicate compromissen en het resultaat van buitengewoon ingewikkelde onderhandelingen zijn. Het risico bestaat altijd dat een voorstel ter vereenvoudiging de doos van Pandora weer opent, en dat een compromis waaraan heel lang en heel hard is gewerkt uiteindelijk weer in duigen valt. Daarom moeten we heel voorzichtig omspringen met de vereenvoudiging.

Ik ben dus van mening dat het wel degelijk zinvol is om te overwegen om bij de vereenvoudiging een interinstitutioneel akkoord tussen de drie instellingen te sluiten, ongeveer zoals we dat hebben gedaan bij de codificatie. Op die manier kunnen we precies vastleggen hoe we te werk moeten gaan bij de vereenvoudiging van de wetgeving.

Ik zou de Commissie ook willen vragen om over een tweede punt na te denken, en wel de kwestie van de prioriteiten bij de voorstellen ter vereenvoudiging. Richtlijnen zijn meestal niet tot de burger gericht, maar tot de nationale wetgever, en de burgers moeten zich dan houden aan wetten die op het nationale niveau zijn goedgekeurd. Daarom is het beter om de richtlijnen pas in een tweede fase te vereenvoudigen. De Commissie zou bij de verordeningen moeten beginnen, omdat verordeningen nu eenmaal direct rechtsgeldig zijn, en directe gevolgen hebben voor de burger die zijn recht zoekt.

Een tweede onderwerp is de effectbeoordeling. Ik wil er nogmaals met nadruk op wijzen dat de meerderheid in het Parlement van mening is dat er beslist een onafhankelijke inbreng nodig is bij de effectbeoordeling van wetgeving. Het Parlement heeft in december in een verslag gevraagd om een onafhankelijk agentschap, volgens het Amerikaanse model. Ik wil in alle duidelijkheid zeggen dat dit volgens mijn geen conditio sine qua non is. Over zulke dingen valt te praten. Het is volgens mij echter wel essentieel dat er bij de effectbeoordeling enige vorm van onafhankelijke inbreng plaatsvindt. Het is ondenkbaar dat de ambtenaren die de voorstellen doen tegelijkertijd helemaal alleen verantwoordelijk zijn voor effectbeoordeling. Dat zou er namelijk toe leiden dat deze evaluatie niet meer is dan een onderdeel van de motivering. Dat is niet wat wij willen. Volgens mij moeten we daarom samen met de Commissie op zoek naar een redelijk compromis hiervoor.

We hebben sinds december 2003 een Interinstitutioneel Akkoord. Daarin staat dat de Commissie in principe verantwoordelijk is voor deze effectbeoordeling. Dat betekent echter ook dat zij op die manier eigenlijk een deel van de verantwoording van de wetgever draagt, dus van het Parlement en de Raad. Daarom zijn wij van mening dat wij als Parlement inspraak zouden moeten hebben in de manier waarop de effectbeoordeling wordt uitgevoerd.

Dat is trouwens ook de reden waarom wij in de Conferentie van voorzitters het besluit over de navolgende administratieve overeenkomsten voorlopig hebben opgeschort. Daarover moet natuurlijk opnieuw worden onderhandeld, ook gezien de besluiten die we in mei van dit jaar zullen nemen in de vorm van deze vier verslagen.

Ik zou nog op een heel actueel punt in willen gaan. Op 16 maart heeft procureur-generaal Sharpston in de zaak Spanje tegen de Raad een pleidooi gehouden. In haar afsluitende rekwest heeft ze expliciet verwezen naar de effectbeoordeling. Ze heeft gezegd dat het erop wijst dat een wettekst willekeurig is uitgevaardigd als er niet genoeg aandacht is besteed aan de effectbeoordeling. Dat toont wel aan dat ook het Hof van Justitie zich al intensiever met dit onderwerp bezig houdt.

Volgens mij is het essentieel, en de heer Doorn heeft daar ook al op gewezen, dat een effectbeoordeling ook plaats moet vinden voor de beslissingen die volgens de comitologieprocedure worden genomen. Er zijn heel wat gevallen bekend waarin de bureaucratische waanzin niet in de wetgeving zelf lag, maar in beslissingen die volgens de comitologie waren genomen. Daarom moet ook in dat geval het effect van wetgeving naar behoren worden geëvalueerd.

Ik zou nog een derde en laatste punt willen noemen: de stake holder consultation, dat is de raadpleging van de betrokken partijen. De Commissie is bij de voorbereiding van de wetgeving tot nu toe heel sterk uitgegaan van de samenwerking met de Europese overkoepelende organisaties en verenigingen. Ik heb niets tegen de overkoepelende organisaties van Europese lobbyisten. In deze organisaties is de besluitvorming echter vaak nog ingewikkelder dan in de Raad. Het resultaat van al dat gepraat is vaak prietpraat. Ik denk dat we nog andere vormen van raadpleging nodig hebben om ervoor te zorgen dat de informatie direct van de betrokken personen komt, van mensen die actief zijn in het beroepsleven en zich dus met de materie bezig houden. Op dit moment wordt er bijvoorbeeld gewerkt met een netwerk van een beperkt aantal personen die worden geraadpleegd om het Europese verdragsrecht op te bouwen. Dat raadplegingsmechanisme zou een goed voorbeeld kunnen zijn voor hoe we in dit verband te werk zouden moeten gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat ik de kans krijg om vandaag met u een onderwerp te bespreken dat voor Europa heel belangrijk is. De burgers hebben het motto "beter wetgeven" misschien nog niet gehoord, ze weten misschien niet wat er achter die woorden zit, maar ze kennen het principe wel. Ik heb in de afgelopen maanden zelf intensieve gesprekken gevoerd met de burgers, en daarom weet ik dat dit, en alles wat ermee verband houdt, één van de onderwerpen is die ze het meest bezig houden.

We weten dat het programma van de Commissie voor dit jaar de titel draagt: "Het hele potentieel van Europa benutten", en terecht. De Raad is ervan overtuigd dat beter wetgeven essentieel is voor Europa. We willen de burger met onze wetgeving ondersteunen, en niet in zijn bewegingsvrijheid beperken. Dat geldt voor de consument, zoals mevrouw McCarthy al zei, maar het geldt natuurlijk vooral voor het bedrijfsleven. We doen vaak te weinig voor de dynamische en creatieve krachten in met name het midden- en kleinbedrijf. De Europese Raad heeft onlangs een aantal voorzetten gedaan om juist het midden- en kleinbedrijf te ondersteunen. Uit onderzoek is gebleken dat de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en voor de burgers in Europa tussen de twee en de vijf procent van het Europese BNP bedragen. Daarom willen we onze concurrentiepositie door de effectbeoordeling, de vereenvoudiging en de verlaging van de administratieve lasten sterk verbeteren.

Betere wetgeving is een begrip dat de laatste tijd heel vaak is gebruikt. Ik ben het wel degelijk met de heer Lehne eens dat we het kind niet met het badwater weg mogen gooien, en dat er met dit begrip te pas en te onpas wordt geschermd. Vaak is ook niet duidelijk wat ermee bedoeld wordt. Daarom kan ik u namens de Raad wel zeggen dat ik zeer verheugd ben dat het Parlement vandaag maar liefst vier verslagen over dit onderwerp bespreekt.

Het voorzitterschap van de Raad is van mening dat het Interinstitutioneel Akkoord inzake betere wetgeving, dat vandaag al eerder is genoemd, de basis blijft voor onze samenwerking. We zijn van plan om de hervorming van de regelgeving in samenwerking met het komende Finse voorzitterschap, met de Commissie en natuurlijk met het Parlement voort te zetten.

Ik zou nog wat nader in willen gaan op een aantal aspecten die in dit verband relevant zijn.

Ik wil beginnen met de vereenvoudiging. De burgers en de bedrijven kunnen zich iets voorstellen onder de vereenvoudiging van de regels in de EU. Daarom zou het ook heel veel opleveren wanneer we erin zouden slagen om onze geloofwaardigheid te verhogen. Het screening-initiatief van commissaris Verheugen en de huidige plannen voor sectorale en andere horizontale vereenvoudigingen tonen aan dat we op de goede weg zijn. Ik ben ook aangenaam verrast dat de voorzitter en de vice-voorzitter van de Commissie vandaag zijn gekomen en aan dit debat deelnemen. We moeten namelijk voort op de ingeslagen weg, en dat doen de Raad en de Commissie ook. Wat we hier doen brengt ons nader tot de burger. U weet dat het Oostenrijkse voorzitterschap min of meer het motto heeft "Europa weer nader tot de burger brengen", en deze initiatieven, ook van de Commissie, dragen daartoe in hoge mate bij. Ze dragen er ook toe bij dat Europa successen kan boeken bij het bereiken van de Lissabon-doelstellingen. Het voorzitterschap van de Raad is blij dat de Commissie in verband met "de vereenvoudiging van de vigerende wetgeving" niet alleen het hele acquis onder de loep zal nemen, maar dat ze ook van plan is om rekening te houden met de resultaten van de werkzaamheden van de Raad in dit verband.

Samen met het komende Finse voorzitterschap en met de Commissie zoeken we betere werkmethodes voor de vereenvoudiging, en streven we naar een zo efficiënt mogelijke samenwerking tussen Raad, Commissie en Parlement. Daarom is het ook een goede zaak dat de Commissie de Raad ieder jaar meedeelt wat ze heeft bereikt met haar vereenvoudigingsprogramma. We stellen ook voor om de dossiers inzake de vereenvoudiging voorrang te geven tijdens de vergaderingen van de Raad. Het zou goed zijn als Raad en Parlement proberen om ervoor te zorgen dat deze dossiers zo mogelijk in eerste lezing worden goedgekeurd.

De administratieve lasten, die ook al zijn genoemd, zijn voor de betrokken personen natuurlijk direct meetbaar en voelbaar. Daarvoor hebben we op het Europese niveau instrumenten nodig. Die bestaan ook al, maar we moeten ze ook gebruiken. Het voorzitterschap werkt op dit moment aan een voorstel voor kwantitatieve doelstellingen hiervoor.

Een derde onderwerp dat ik zou willen behandelen is de keuze van het rechtsinstrument. Het is prachtig dat we proberen om de wetgeving te verbeteren, maar we mogen twee aspecten niet uit het oog verliezen: de subsidiariteit en de proportionaliteit. Tegelijkertijd moeten we er ook voor zorgen dat het acquis communautaire gerespecteerd wordt. We willen een beter Europa, maar we willen niet minder Europa.

Subsidiariteit en proportionaliteit zijn leidende beginselen voor de instellingen bij het uitvoeren van taken van de Unie. Daarom zijn ze een essentieel onderdeel van de betere wetgeving.

Subsidiariteit en proportionaliteit spelen ook een grote rol bij de keuze van het rechtsinstrument. Bij de uitvoering van de effectbeoordeling moeten verschillende alternatieven worden bekeken. Het is vaak namelijk ook een alternatief om een zaak niet op het niveau van de Unie aan te pakken, maar op een lager niveau.

Omgekeerd is het ook denkbaar dat met het oog op de rechtszekerheid en het goed functioneren van de interne markt verordeningen een beter instrument zijn dan richtlijnen. Dat is vandaag ook al gezegd. Al met al moeten we voor ieder geval het juiste instrument kiezen, waarmee Europa het gewenste resultaat zo goed mogelijk kan bereiken. Daarom bestaat er in de praktijk een direct verband tussen kwalitatief hoogwaardige effectbeoordelingen en een efficiënte toepassing van de subsidiariteit en de proportionaliteit.

Op basis van het Interinstitutioneel Akkoord zijn ook de Raad en het Parlement nu al verplicht om bij de politieke besluitvorming volledig gebruik te maken van de effectbeoordelingen die de Commissie voorlegt. Die effectbeoordelingen zijn daarom ook een goede basis voor een actieve discussie over de subsidiariteit en de proportionaliteit. Ik zou er nogmaals op willen wijzen dat we van plan zijn om deze discussie nog intensiever te voeren tijdens een conferentie die op 18 en 19 april in Oostenrijk is gepland. We verwachten ook van het Parlement waardevolle bijdragen.

De effectbeoordeling moet natuurlijk van hoge kwaliteit zijn, dat hebben velen vandaag al gezegd, en ze moet vervolgens ook worden gebruikt tijdens de onderhandelingen. Het Oostenrijkse voorzitterschap zal voor de voorzitters van de werkgroepen van de Raad een soort handboek publiceren met als titel "How to Handle Impact Assessments in Council".

We willen ook de samenwerking tussen de instellingen bevorderen, vooral met het oog op de beoordeling van de gevolgen van belangrijke wijzigingsvoorstellen van de Raad en op de consequente toepassing van de procedures waarover de drie instellingen het eens zijn geworden. In dat verband wachten we met grote belangstelling op de toetsing van de effectbeoordeling door de Commissie, die voor deze lente was aangekondigd.

Het voorzitterschap van de Raad is het al met al eens met het Europees Parlement dat kwalitatief hoogwaardige effectbeoordelingen een essentiële voorwaarde zijn voor een betere regelgeving.

Er is ook al gezegd dat we de zogenaamde stakeholders nauwer moeten betrekken bij het raadplegingsproces, dat leidt tot meer openheid. De betrokken personen moeten precies te horen krijgen welke mogelijkheden er bestaan tijdens de raadpleging, hun mening moet gevolgen hebben voor de bepaling van het beleid, en daarom moeten ze ook een echte feedback krijgen.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over de openheid. Als we willen dat onze besluiten door de burgers worden aanvaard is het belangrijk dat we niet alleen begrijpelijke en eenvoudige wetten uitvaardigen, maar dat we ook beter uitleggen hoe de wetten tot stand komen. De besluitvormingsprocedure moet voor de burgers zo helder mogelijk zijn. Onze bondskanselier heeft het gezegd toen hij het programma van het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad voorstelde, en ik heb het zelf ook al meerdere malen gezegd: het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad wil beslist veel vooruitgang boeken op weg naar meer openheid. De eerste stappen zijn al gezet, we hebben in december vorig jaar al een aantal besluiten genomen. Op die basis willen wij dit nu in de praktijk brengen, en zo mogelijk willen we nog verdere initiatieven nemen om de openheid te verbeteren.

Ik heb in het begin al gezegd dat betere wetgeving een project is dat directe gevolgen heeft voor alle burgers, voor ons allemaal. Als wij hierin slagen kunnen we samen een concrete toegevoegde waarde creëren en de burgers beter uitleggen wat het nut van de Europese Unie is.

 
  
  

VOORZITTER: SYLVIA-YVONNE KAUFMANN
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Barroso, voorzitter van de Commissie. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, het is de Europese wetgeving die de Europese Unie maakt tot de unieke gemeenschap die zij is. Wij zijn namelijk eerst en vooral een rechtsgemeenschap. Zonder rechtsregels zouden wij aangewezen zijn op voortdurend onderhandelen en afhankelijk zijn van de krachtsverhoudingen tussen de lidstaten, van goodwill – in theorie althans -, van samenwerkingsbereidheid en van welwillendheid. Wij willen geen gemeenschap zijn die op willekeur of vrij uitgeoefende macht gebaseerd is. Wij willen een rechtsgemeenschap zijn. Het zijn onze rechtsregels die de Europese burgers de vrijheden garanderen die zij vandaag de dag genieten.

Voor mij is dit een belangrijk principe. Staat u me toe in dit verband een persoonlijke opmerking te maken. Drie dagen geleden heb ik op het Europees Universitair Instituut in Florence een Jean Monnet-lezing gehouden over precies dit thema: mijn opvatting over het recht in de Europese Unie. Mijns inziens is het meer dan ooit noodzakelijk de principes van de rechtsgemeenschap die onze Gemeenschap is opnieuw voor het voetlicht te brengen. Daarin onderscheiden wij ons namelijk van andere projecten in de wereld.

Wij stellen om tal van redenen wetgeving op: zo regelen we zaken op het gebied van voedselveiligheid om de gezondheid van mensen te beschermen, stellen we normen voor de lucht- en waterkwaliteit vast om het milieu te beschermen en voeren we voorschriften in waaraan ondernemingen zich in de interne markt dienen te houden om ervoor te zorgen dat ze elkaar met gelijke wapens beconcurreren, zonder enige vorm van discriminatie.

Wij stellen op Europees niveau wetgeving op omdat de lidstaten overeengekomen zijn een aantal zaken op communautair niveau te regelen. In concreto betekent dit dat een enkele, in de gehele Unie geldende regel in de plaats komt van 25 nationale regels. Daarbij moeten we er wel voor zorgen dat de Europese wet- en regelgeving meerwaarde heeft: ze moet doelgericht zijn, in overeenstemming zijn met het subsidiariteitsbeginsel en correct ten uitvoer worden gelegd, en ze moet ook in verhouding staan tot de behoeften waarin ze voorziet. De maatregelen die worden aangenomen moeten qua omvang beperkt blijven en mogen niet verder gaan dan wat strikt noodzakelijk is. Al te prescriptieve regels moeten vermeden worden, aangezien ze tot niet te rechtvaardigen uitgaven leiden of contraproductief zouden kunnen zijn.

Verder moet er ook een einde komen aan de opeenstapeling van regels die elkaar in de loop der tijd steeds meer overlappen; dat is schadelijk voor het bedrijfsleven, voor het verenigingsleven, voor de publieke instanties en voor de burgers.

Ik wil het Europees Parlement dan ook bedanken voor het uitstekende initiatief dat het genomen heeft met het organiseren van dit debat over het onderwerp "beter wetgeven". Het biedt ons de gelegenheid deze kwestie op coherente wijze te behandelen. Ik zou mevrouw Frassoni, de heer Doorn, mevrouw McCarthy en de heer Gargani - hier vervangen door de heer Lehne - willen bedanken voor het voortreffelijke werk dat ze verricht hebben met hun verslagen.

Willen we echt iets kunnen doen aan de kwaliteit van onze wetgevingsinitiatieven, dan hebben we een heel pakket maatregelen, maar ook een krachtig leidend beginsel nodig. Dat komt duidelijk naar voren in de verschillende verslagen, die mijns inziens een degelijke basis vormen voor onze gedachtewisseling van vandaag. Uit deze verslagen en uit de manier waarop wij daarop reageren blijkt dat onze twee instellingen de afgelopen jaren aardig wat vorderingen hebben gemaakt. Over de noodzaak betere wetgeving en betere regels op te stellen bestaat nu echt consensus. Onze wetgevingsactiviteit is een continu proces. We moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat onze beleidskeuzen - in welke richting die ook gaan - vertaald worden in wetgeving van de allerhoogste kwaliteit. Wat dit betreft, zou ik ook het Oostenrijkse voorzitterschap willen bedanken voor alle initiatieven die het op dit vlak genomen heeft.

Hoe zien wij deze uitdaging? Wij erkennen dat het probleem bestaat: we moeten nog het nodige verbeteren, in alle stadia van de cyclus - van reeds aangenomen wetteksten en voorstellen waarover nog onderhandeld wordt tot nieuwe initiatieven. Om die reden heeft de Commissie een uitgebreid actieplan voor beter wetgeven gelanceerd dat verschillende maatregelen omvat: een systeem voor het evalueren van het effect van belangrijke Commissievoorstellen; een programma voor vereenvoudiging van geldende wetgeving en intrekking van een aantal Commissievoorstellen die op behandeling door het Parlement en de Raad wachten; en het besluit vaker langs andere wegen dan via conventionele wetgeving oplossingen te zoeken voor problemen, zoals zelfregulering door de betrokken partijen of coregulering door de wetgever. Al die maatregelen werpen inmiddels in de praktijk vruchten af.

(EN) Laten we ons eens buigen over de effectbeoordelingen. De Commissie heeft sinds 2003 een systeem om het economische, sociale en milieu-effect van al haar belangrijke voorstellen te beoordelen. Sinds er een geïntegreerde benadering is aangenomen, zijn er 120 beoordelingen gepubliceerd. We hebben ook onze richtsnoeren geactualiseerd om personeel in staat te stellen om mogelijkheden en effecten, onder andere ten aanzien van concurrentievermogen, beter te kunnen onderzoeken, en om de aandacht te richten op kwesties zoals de kosten van de te grote papierwinkel. Hieruit blijkt een duidelijke en ingrijpende verandering ten aanzien van de benadering en houding. Dat noem ik echte vooruitgang. We weten dat beoordelingen momenteel niet allemaal aan dezelfde normen voldoen. We weten dat er ruimte voor verbetering is. We erkennen dat de kwaliteit kan worden verbeterd en dat kwaliteitsbeheersmechanismen versterkt moeten worden, zoals de heer Doorn in zijn verslag namens de Commissie juridische zaken aangeeft.

Ik onderschrijf de noodzaak van een afzonderlijke controle op effectbeoordelingen, eigenlijk het vier-ogen-principe. We werken aan een allesomvattende benadering. Eerst moeten we ervoor zorgen dat onze effectbeoordelingen op de juiste wijze zijn opgezet. Zoals we in maart 2005 hebben beloofd, zijn we bezig een netwerk op te zetten van technische en wetenschappelijke deskundigen die ons kunnen helpen bij de ontwikkeling van methoden om tot allesomvattende effectbeoordelingen van hoge kwaliteit te komen. Binnenkort vindt ook een externe evaluatie van het systeem plaats om te zien wat goed gaat en wat beter moet. De samenstellers van effectbeoordelingen hebben ook feedback nodig om te kunnen weten of ze het goed gedaan hebben. Daarom vormt raadpleging een onlosmakelijk onderdeel van het effectbeoordelingsproces. Dit is ook een van de redenen dat alle effectbeoordelingen van de Commissie op de Europa-website staan.

Wat betreft kwaliteitsbeheersing van de afzonderlijke effectbeoordelingen, ben ik het ermee eens dat er een onafhankelijke controle moet worden uitgevoerd, los van de diensten die wetgeving voorstellen. Ik zou willen stellen dat de onpartijdigheid het beste wordt gegarandeerd als zo'n controle onder het gezag van de voorzitter van de Commissie valt. Ik heb de secretaris-generaal van de Commissie gevraagd om te onderzoeken hoe we onze kwaliteitszorg- en beheersing het beste kunnen verbeteren.

Maar ik benadruk dat we op het gebied van effectbeoordelingen veel nauwer met u moeten samenwerken. Ik ben blij met de overeenstemming die onlangs is bereikt over de gemeenschappelijke benadering voor effectbeoordelingen. Deze regels voor het omgaan met effectbeoordelingen door alle drie de instellingen zijn een belangrijke stap vooruit die onze samenwerking ten goede zal komen en dubbel werk voorkomt.

Op het gebied van vereenvoudiging hebben we een goede start gemaakt. Het actieprogramma, dat we vorig jaar hebben aangenomen, voorziet in de intrekking, opstelling, omwerking of wijziging van zo'n 220 wetgevingsbesluiten inzake een breed scala van beleidsterreinen. Het programma, waaraan in de automobiel-, afval- en bouwsector al wordt gewerkt, zal in overleg met de belanghebbenden worden herzien en bijgewerkt. Andere sectoren, zoals de levensmiddelen-, cosmetica-, farmaceutische en de dienstensector, volgen nog. We hebben uw bijdrage nodig om de juiste doelstellingen te bepalen en de beste resultaten te garanderen.

De Raad en het Parlement moeten de aanneming van vereenvoudigingsvoorstellen versnellen. Als ik uw verslagen goed lees, zijn we het in principe eens over wat we willen bereiken. Nu moeten we aan de slag, goed naar de inhoud kijken en met resultaten komen.

We pakken ook de administratieve lasten aan, die vooral groot zijn voor kleine bedrijven. Dat betekent dat we formulieren vereenvoudigen en het douanewetboek moderniseren om de elektronische uitwisseling van informatie mogelijk te maken. We nemen de omvang van de administratieve kosten op in onze effectbeoordelingen. Het is belangrijk dat de Raad en het Parlement aandacht schenken aan de papierlast wanneer ze amendementen voorstellen.

We moeten ook nieuwe benaderingen van wetgeving uitproberen en ons buigen over coregulering en zelf-regulering als mogelijke alternatieven. We kunnen nauwer samenwerken met de industrie, bijvoorbeeld om op vrijwillige basis tot resultaten te komen.

Ik begrijp heel goed dat u zich zorgen maakt over het feit dat u niet nauw betrokken bent bij de voorbereiding van de niet-wetgevende benaderingen. Waar zulke benaderingen de beste route lijken, erken ik dat we moeten zoeken naar manieren om het Parlement bij de voorbereiding en de tenuitvoerlegging te betrekken.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over de tenuitvoerlegging van wetgeving. Dit heeft hoge prioriteit bij de Commissie. Ik vraag u om naar de conclusies van de vergadering van ons college van vandaag te kijken. We hebben 2055 gevallen van schending geanalyseerd. Dat was het besluit van de Commissie vandaag. Soms zijn dat moeilijke besluiten en we verwachten dat een aantal lidstaten zal reageren. Ik hoop dat u de grote betrokkenheid van deze Commissie bij de tenuitvoerlegging en naleving van het Gemeenschapsrecht steunt.

Onze wetten moeten op correcte wijze worden toegepast en ten uitvoer gelegd. Anders zijn onze inspanningen als beleidsmakers en wetgevers tevergeefs. Naarmate steeds meer beleidsterreinen zich verder ontwikkelen, zullen we een verschuiving van de politieke aandacht en middelen zien in de richting van de tenuitvoerlegging. Dat is een grote prioriteit van deze Commissie. Dit hele programma van betere wetgeving - waaronder de tenuitvoerlegging - is het vlaggenschip van deze Commissie geworden. Ik voel me er persoonlijk zeer bij betrokken en dat geldt ook voor vice-voorzitter Verheugen en het hele college. Als Commissie moeten we inbreukprocedures op doeltreffende wijze hanteren. Ik ben me bewust van de noodzaak om de tijdspanne van afzonderlijke inbreukprocedures terug te brengen. We moeten sneller reageren op de problemen waarmee burgers in het bedrijfsleven te kampen hebben. We moeten samen naar deze brede tenuitvoerleggingskwesties kijken en op zoek gaan naar constructieve manieren om ermee om te gaan. Ik verwacht dat de Commissie later dit jaar met specifieke voorstellen bij u terugkomt.

Ik geloof dat uit de vandaag besproken verslagen een gedeelde analyse naar voren komt van wat er moet gebeuren. De fundering is gelegd. Nu moeten we uitvoering geven aan onze toezeggingen. Ik ben ervan overtuigd dat we kunnen laten zien dat Europa niet om bureaucratie en onnodige lasten draait maar dat het voorziet in de behoeften van de burgers, zolang we maar als partners samenwerken. Ik geloof dat we de Gemeenschap op basis van recht kunnen versterken wanneer we als partners samenwerken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Ieke van den Burg (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. Ik kan mij helemaal aansluiten bij deze laatste woorden van de heer Barroso. Namens de Commissie economische zaken heb ik een advies opgesteld op het verslag van de heer Doorn. Ik zou hem willen feliciteren met dit verslag en ook willen bedanken voor het vrijwel integraal opnemen van de verschillende paragrafen die wij, vanuit onze ervaringen in de Commissie economische zaken, in ons advies hadden opgenomen.

Ik zou me ook willen aansluiten bij woorden die de heer Winkler gesproken heeft, en met een lichte variant daarop willen zeggen: betere regelgeving is niet altijd minder regelgeving of deregulering, maar een effectievere regelgeving die vooral gericht is op het resultaat en op het eindresultaat. Die cyclus van voorbereiding, raadpleging, het formuleren van regels, de effectbeoordeling en vervolgens de tenuitvoerlegging en de handhaving is door verschillende mensen genoemd. In ons advies heb ik bepleit dat we juist ook aan de achterkant beginnen en het proces van daaruit bekijken. Hoe je het proces effectief kunt maken en van daaruit kijkt wat je dan aan regels moet opstellen.

Een slecht voorbeeld van hoe dat niet gebeurd is, hoe daarover niet is nagedacht en hoe ook bij de voorbereiding het veld niet betrokken is geweest, was de dienstenrichtlijn die we net hiervoor in haar oorspronkelijke vorm besproken hebben. Gelukkig is die nu door het Parlement veranderd.

Ik zou ook goede voorbeelden willen noemen uit datzelfde directoraat-generaal Markt. Met name op het punt van de financiële dienstverlening is daar een praktijk ontwikkeld en voorgesteld door de deskundigencommissie-Lamfalussy - die wij de Lamfalussy-procedure noemen. In het kader hiervan zijn inderdaad degenen die in de praktijk met regelgeving te maken hebben, te weten de toezichthouders, de marktpartijen, de consumenten en gebruikers die betrokken zijn bij het proces, veel meer sturend zijn voor wat er in die regels moet komen te staan. Dat voorbeeld hebben wij ook gebruikt om aan anderen voor te leggen en dat zouden we graag ook in deze discussie nogmaals willen benadrukken. We hebben problemen met de call back en de verantwoordelijkheid van het Parlement als medewetgever om toezicht te kunnen houden op wat er uiteindelijk uitkomt, maar het proces als zodanig is iets dat wij heel erg steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer Winkler, heren commissarissen, dit is een zeer belangrijk debat: het gaat hier namelijk om het recht van initiatief dat de Commissie op wetgevingsgebied heeft. Of het nu om betere wetgeving of om betere regelgeving gaat, van belang is vooral de vraag hoe wetgeving geïnitieerd wordt. Dat de Commissie in de Verdragen het recht van initiatief is toegekend, hangt samen met het feit dat zij geacht wordt het algemeen belang te vertegenwoordigen. De Commissie wordt geacht niet enkel als klankbord voor de verschillende betrokken bedrijfssectoren te fungeren, maar ook al degenen te vertegenwoordigen die niet per definitie over de middelen beschikken om zich te organiseren. Betere wetgeving is van belang voor het bedrijfsleven, daarover zijn we het denk ik allemaal eens, maar we zijn het er toch ook over eens dat dit soms ook tot méér wetgeving leidt. Dat heeft het Parlement heel duidelijk aangegeven, mijnheer Barroso, toen uw Commissie met het voorstel kwam 68 wetsvoorstellen in te trekken; wij hebben toen heel nadrukkelijk te kennen gegeven dat op sommige terreinen, bijvoorbeeld ten aanzien van onderlinge maatschappijen, wetgeving wel degelijk noodzakelijk is.

Namens de Commissie economische en monetaire zaken heb ik een advies opgesteld voor het verslag van de heer Gargani over vereenvoudiging van de regelgeving. In dat verband wil ik drie opmerkingen maken.

Ten eerste, wij moeten goed voor ogen houden dat achter elke technische kwestie op dit terrein natuurlijk de politieke vraag naar de inhoud schuilgaat: wat wordt er precies vereenvoudigd? Welk acquis communautaire krijgt eigenlijk vorm via de vereenvoudiging?

Ten tweede, er zijn mensen voor wie betere regelgeving in sommige gevallen hetzelfde is als zelfregulering. In de Commissie economische en monetaire zaken hebben we met de kwestie van de boekhoudnormen een heel duidelijk voorbeeld in handen dat laat zien hoe de zaken gevaarlijk uit de hand kunnen lopen als strikte democratische controle ontbreekt.

Tot slot, het streven naar vereenvoudiging moet ook leiden tot de tenuitvoerlegging van wetgeving die beter is opgezet, waarbij het Parlement de beginselen vaststelt en de rest overgelaten wordt aan de comitologie. Zoals u weet, zijn wij een groot voorstander van een dergelijke aanpak, aangezien die gebaseerd is op een comitologieovereenkomst waarin de rechten van de medewetgever terzake, het Europees Parlement, ten volle worden erkend.

 
  
MPphoto
 
 

  Eoin Ryan (UEN), rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, de lidstaten die protectionisme als een positieve beleidsoptie aanprijzen, verkopen het als vaderlandsliefde of zijn bang, niet voor wat Europa kan worden, maar voor wat het reeds is: een economie gebaseerd op vrije handel en concurrentie. Als lid van de Commissie economische en monetaire zaken en als rapporteur voor advies voor betere wetgeving ben ik er rotsvast van overtuigd dat, in eerste instantie, een grotere concurrentie als gevolg van een hervorming van de regelgeving de stimulans is die Europa nodig heeft om de productiviteit te verhogen.

Volgens mij is het beslist noodzakelijk dat bij alle toekomstige effectbeoordelingen van wetgeving rekening wordt gehouden met de groei van de wereldwijde concurrentie. Als de Europese Unie meer grip wil krijgen op de mondiale veranderingen op de markt en daarmee flexibeler wil omgaan, stel ik de Commissie tevens voor om in alle nieuwe wetgeving een herzieningsclausule op te nemen. Ook is het van wezenlijk belang dat er onder de noemer van betere wetgeving alternatieven voor wetgeving worden onderzocht. Maatregelen als intensiever overleg en mechanismen om de oplossing van geschillen te versnellen, dienen te worden bestudeerd.

Alle wetgeving moet als belangrijkste doel hebben dat de interne markt zonder grensoverschrijdende belemmeringen voor de groei van industrieën kan functioneren. Daarom moeten we de kansen grijpen die ons worden aangereikt door substantiële schaalvoordelen als gevolg van fusies en overnames. Ik zou graag zien dat de Commissie concrete stappen zet om de kosten te beperken die bedrijven moeten maken om zich aan de voorschriften van 25 verschillende nationale regelingen te houden. Ik ben blij dat het actieplan voor financiële diensten nu wordt uitgevoerd. De lidstaten mogen echter niet zelfgenoegzaam worden in de tenuitvoerlegging van deze 42 richtlijnen. Als zij hun verplichtingen onvoldoende nakomen, dienen er handhavingsmaatregelen te worden getroffen.

Als we de Lissabon-doelstellingen willen halen en de uitdagingen van de globalisering serieus willen aangaan, moeten we consequenter handelen en de snelheid van de tenuitvoerlegging opvoeren. De mensen moeten beseffen dat globalisering een blijvende realiteit is. Het is politiek en economisch onacceptabel dat bepaalde lidstaten weer terugwillen naar een protectionistisch beleid. Ierse bedrijven en andere Europese ondernemingen proberen werk te maken van de interne markt en de uitdagingen van de globalisering met open vizier tegemoet te treden. Zij mogen daarbij niet gehinderd worden door regeringen die het protectionisme aanprijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mihael Brejc (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken.(SL) Ik steun de inspanningen van de Commissie en van ieder ander voor beter wetgeven en een betere formulering van de wetgeving van de Europese Unie en tegelijkertijd betreur ik het dat het Grondwettelijk Verdrag niet goedgekeurd werd. In het Grondwettelijk Verdrag hebben we namelijk een heel goed, transparant regelgevingskader uitgewerkt. Dat is een reden temeer om de ratificatieprocedure van het Grondwettelijk Verdrag te bespoedigen.

De heer Barroso heeft vandaag de gebieden opgesomd die verder onder de loep moeten worden genomen. Hij zou daar het terrorisme nog aan moeten toevoegen. Op het vlak van terrorisme hebben we al 58 verordeningen, richtlijnen, enzovoort aanvaard – voor 27 loopt de procedure nog, een 15-tal is nog op komst. Kortom, ons regelgevingssysteem voor de strijd tegen terrorisme is absoluut niet transparant: ikzelf vind er de weg niet in en ik hoop dat ook terroristen de weg in die warboel niet vinden.

Europa lijdt aan minstens twee vormen van idealisme. De eerste is normatief idealisme: als een gebied niet gereguleerd is, denken we het probleem met meer regelgeving te kunnen verhelpen. Het gevolg daarvan is een enorme overdaad aan regelgeving. De tweede vorm is organisatorisch idealisme: als we vinden dat een bepaald gebied beter geregeld moet worden, richten we een instelling op. Onlangs hebben we een instelling in het leven geroepen voor gelijke kansen, en daarvóór een instelling voor de mensenrechten. Alsof dat een garantie zou zijn voor meer en betere regelgeving.

Dat zijn illusies die nooit realiteit zullen worden. De Commissie zou dan ook liever moeten nagaan hoe die gebieden geregeld zijn en natuurlijk welke uitwerking ze hebben op de mensen. Die vragen zich namelijk af of het echt nodig is dat we zoveel wetgeving, instellingen, enzovoort hebben. Ik ben verder van mening dat de Commissie geen nieuwe instellingen nodig heeft voor de controle op wetgevingsbesluiten en voor de herziening van haar voorstellen omdat het Parlement er daarvoor is dat deze functie perfect kan vervullen.

Tenslotte zullen de Europese instellingen niet in de achting van het publiek stijgen door een massa verordeningen, richtlijnen, enzovoort, maar wel door transparant handelen, hetgeen in het voordeel is van de mensen en de Europese idee versterkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Line Reynaud (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie constitutionele zaken. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik zou de heer Gargani willen bedanken voor zijn heldere verslag, dat van grote betrokkenheid getuigt. Het doet me veel deugd dat een zeer groot deel van mijn advies in het verslag is verwerkt en dat daarin de twee uitgangspunten centraal staan die ook voor mij voorop stonden, namelijk, ten eerste, duidelijk aangeven dat vereenvoudiging noodzakelijk is maar niet op om het even welke wijze gerealiseerd mag worden en, ten tweede, uitdrukking geven aan de wens van het Parlement ten volle betrokken te worden bij de vereenvoudigingsstrategie. Wij kunnen niet anders dan ingenomen zijn met ieder initiatief dat erop gericht is de regelgevingsomgeving inzichtelijker en coherenter te maken.

We kunnen niet op een fatsoenlijke manier werken zolang we nog met een acquis van meer dan 80 000 pagina's te maken hebben. Hoe kunnen we dan nog geloofwaardig zijn in de ogen van de burgers als we spreken over transparantie en toegankelijkheid? Daarom is de strategie voor vereenvoudiging van de regelgeving op zichzelf een goede zaak. Met die strategie kunnen we ervoor zorgen dat we op termijn over communautaire en nationale regels beschikken die eenvoudiger toe te passen zijn en dus ook minder geld kosten. Aan deze vereenvoudiging zijn echter wel beperkingen en zelfs risico's verbonden, en het is dan ook van belang dat we een en ander goed in de gaten houden. In het verslag wordt er onder meer op gewezen dat het vereenvoudigingsproces niet mag leiden tot een verlaging van de normen en dat zich problemen voordoen bij de toepassing van het Interinstitutioneel Akkoord inzake de procedure voor herschikking van de wetgeving, waardoor het noodzakelijk is duidelijker vast te leggen welke regels van toepassing zijn om bevoegdheidsconflicten en blokkeringen als gevolg van proceduregeschillen te voorkomen. In dit verslag wordt verder duidelijk aangegeven dat het Parlement ten volle bij de vereenvoudigingsstrategie betrokken wenst te worden; de rapporteur benadrukt in dit verband dat de prerogatieven van het Parlement in acht moeten worden genomen, maar wijst anderzijds ook op het vraagstuk van aanpassing van het Reglement van het Parlement. De vereenvoudiging mag namelijk niet buiten elke democratische controle om - en zeker niet buiten de controle van het Parlement om - plaatsvinden.

Daarnaast dient het Parlement in het kader van het vereenvoudigingsproces na te denken over verbetering van zijn eigen procedures en interne wetgevende technieken. Dit vraagstuk zal behandeld worden in een speciaal verslag, met de opstelling waarvan men mij heeft belast. Tot slot nog een woord over alternatieve regelgevingsmethoden: ik ben blij dat in dit verslag gevraagd wordt om strikte voorwaarden voor de toepassing van coregulering en zelfregulering. Waarborgen zijn in dit verband absoluut noodzakelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Diana Wallis (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie verzoekschriften. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, richtlijnen en verordeningen maken samen de wetgeving die voor onze burgers wellicht het meest zichtbare of tastbare resultaat van onze werkzaamheden vormt. Wetten zijn als het ware ons hoofdproduct. Wetgeving is echter, met name op Europees niveau, een proces – een langdurig proces, geen eindpunt. Dit continuüm komt goed tot uiting in de diverse verslagen die we vandaag bespreken. We hebben het verslag-Doorn en het verslag-Frassoni. Het eerste verslag gaat over wetgeving en subsidiariteit, het tweede over de controle op de toepassing van het recht. Onze burgers horen echter bij het begin, het eind en het hart van dit proces betrokken te zijn. Zij kunnen ons helpen de agenda vast te stellen. Zij kunnen lobbyen en ons informeren ten behoeve van de besluitvorming. Zij kunnen beoordelen hoe het resultaat uitpakt.

In het verslag-Doorn gaat de aandacht speciaal uit naar het gebruik van effectbeoordelingen. Dat is een heel goede zaak. We moeten echter oppassen. Effectbeoordeling kan politieke besluitvorming niet vervangen. Natuurlijk hebben we van alle kanten volledige en onafhankelijke informatie over alle aspecten nodig, niet alleen over de gevolgen voor het bedrijfsleven. Dan kunnen wij als medewetgevers een beslissing nemen. Het moet ons besluit zijn, niet dat van deskundigen, technocraten, belanghebbenden of lobbyisten. Als wij op evenwichtige wijze de benodigde informatie krijgen, kunnen wij in alle openheid een politiek besluit nemen waarvoor wij verantwoordelijkheid dragen. Geen effectbeoordeling of hernieuwde effectbeoordeling mag de democratie vervangen.

Nu wil ik iets zeggen over een van de kwesties die de Commissie verzoekschriften het meest bezighoudt. Het is misschien wel de parlementaire commissie die het intensiefst contacten met onze burgers onderhoudt. De burger komt naar ons toe wanneer een wet niet goed werkt. Het is de taak van de Commissie verzoekschriften om de burgers te helpen de problemen aan de orde te stellen waarop zij stuiten bij de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving en de controle daarop. Dit werk moet een veel hogere prioriteit en erkenning krijgen, vooral in het jaarverslag van de Commissie. Voor de zoveelste keer heeft de Commissie verzoekschriften benadrukt dat de inbreukprocedures van de Commissie robuuster moeten worden en daarom zijn we blij met de voorstellen van mevrouw Frassoni op dit gebied. Ik ben ook verheugd over de opmerkingen die voorzitter Barroso over de tenuitvoerlegging heeft gemaakt.

We hebben ook de plaats van onze burgers in het wetgevingsproces onderstreept. Velen van ons zouden graag willen dat zij een rol kregen bij de opstelling van wetgeving, zoals voorzien in het ontwerp van het Grondwettelijk Verdrag in de vorm van het initiatief van Europese burgers. Helaas zal dit waarschijnlijk pas later actueel worden. We kunnen er evenwel op zijn minst voor zorgen dat onze burgers begrijpen wat we namens hen doen. Er lijkt brede steun te zijn voor het voorstel dat elke richtlijn en elke verordening als voorwoord een niet juridisch bindende samenvatting voor burgers moet krijgen. Kortom, laten we wetgeving maken die toegankelijk is qua vorm en wijze van opstelling en handhaving.

 
  
MPphoto
 
 

  Malcolm Harbour, namens de PPE-DE-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben erg tevreden over alle verslagen. Als coördinator van de Commissie interne markt en consumentenbescherming wil ik in het bijzonder mevrouw McCarthy prijzen om het uitstekende werk dat zij heeft verricht. Dezelfde lof wil ik onze commissie toezwaaien, die een hoorzitting over dit onderwerp heeft gehouden.

Een van de lessen die we hieruit moeten leren – en ik zeg dat tegen het selecte groepje collega’s hier aanwezig – is dat betere regelgeving een gedeelde taak is voor elk lid van dit Parlement, ongeacht tot welke commissie hij of zij behoort. Het is goed dat de discussie wordt verbreed, maar er zijn te weinig mensen bij betrokken.

Mijn belangrijkste punt vanavond is de stelling dat betere regelgeving een proces vormt. Dit punt is gekoppeld aan de wijzigingen die ik op het verslag van mevrouw McCarthy heb aangebracht en die door de commissie zijn goedgekeurd. Ik ben het met veel dingen eens die mevrouw Wallis heeft gezegd. Het probleem is dat het om een moeilijk en complex proces gaat en dat slechts heel weinig mensen de werking ervan begrijpen. We moeten proberen het uit te leggen en te vereenvoudigen, ten behoeve van onze eigen achterban en van buitenstaanders. Hoeveel mensen in dit Parlement hebben werkelijk een goed begrip van de procedures die de Commissie heeft ingesteld om de kwaliteit van de wetgeving te verbeteren? Hoevelen van u weten wat uw verantwoordelijkheden zijn op grond van het beroemde Interinstitutioneel Akkoord dat twee jaar geleden in dit Parlement door onze toenmalige Voorzitter, Pat Cox, werd ondertekend? Ik vermoed dat als we hierover een vragenlijst zouden laten invullen, de meeste van u geen idee zouden hebben wat die verplichtingen inhouden.

Het eerste wat we moeten doen, collega’s, is ons eigen straatje op orde brengen; alle afgevaardigden in het Parlement moeten die vereenvoudigde controlelijst in hun bezit krijgen. Ik doe opnieuw een aanbeveling: wanneer de Commissie ons een voorstel stuurt, moet daarbij een korte controlelijst worden gevoegd met daarop de procedures die de Commissie reeds doorlopen heeft en die zij in de toekomst nog moet doorlopen. Als er documenten en effectbeoordelingen beschikbaar zijn, moeten die meegeleverd worden.

Zulk een praktische omschrijving en verduidelijking van het proces hebben we nodig. Als we deze handelwijze niet volgen, zullen de burgers buiten dit gebouw hun geloof in het proces verliezen. Betere wetgeving is van essentieel belang voor de toekomst van onze manier van werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Berger, namens de PSE-Fractie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik zou alle rapporteurs en alle rapporteurs voor advies van harte willen bedanken, ook omdat ze zich allemaal bereid hebben verklaard om vandaag hierover een gecombineerd debat te houden.

Dit gecombineerde debat geeft ons de kans om alle aspecten te overzien die we vandaag moeten bespreken onder het motto better regulation, respectievelijk better lawmaking. Ik moet opbiechten dat dit debat voor mij steeds onoverzichtelijker wordt. Ik hoor allerlei goed bedoelde uitspraken, de meeste niet voor de eerste keer, maar ik heb het gevoel dat ze vaak geen concrete inhoud meer hebben. Ik heb vaak ook het vermoeden dat dit debat over betere wetgeving bedoeld is om de aandacht af te leiden van de eigenlijke taken van de wetgever, dat het een excuus voor de Europese wetgever is om niets te doen. Kortom, ik ben bang dat betere regulering deregulering wordt.

De situatie is intussen dermate verwarrend, dat de verleiding groot is om te pleiten voor een better regulation of the better regulation process, of voor een beoordeling van de effecten van de effectbeoordeling. Ik ben de rapporteurs dankbaar dat ze een aantal duidelijke bakens hebben geplaatst in deze dichte mist. Dat geldt vooral voor mevrouw Frassoni. Zij doet in haar verslag concrete voorstellen voor de verbetering van de controle op de omzetting van het Gemeenschapsrecht, voor snellere inbreukprocedures en meer openheid voor de burgers die een klacht indienen.

Het is toch onaanvaardbaar dat wanneer burgers een klacht indienen en de Commissie een inbreukprocedure start die procedure dan plotseling wordt stopgezet, terwijl de burgers niet echt verteld wordt waarom? Dat maakt hun positie in een zaak die voor een nationale instantie dient vaak slechter. Hier moeten we nog heel wat doen om de openheid te verbeteren.

Ik ben vooral blij met de voorstellen van de heer Doorn, met name over de effectbeoordeling. Ook wij zijn van mening dat ook voor de beslissingen die worden genomen volgens de comitologieprocedure een effectbeoordeling plaats moet vinden. We zijn het ook met hem eens dat de effectbeoordeling door een onafhankelijke autoriteit zou moeten worden getoetst. Die autoriteit hoeft niet buiten de Commissie te staan, maar moet wel onafhankelijk zijn van het relevante directoraat-generaal. De Commissie draagt haar politieke verantwoordelijkheid en die mag ze niet afgeven. In dit concrete geval wil ze dat ook niet.

We zijn het niet met de heer Doorn eens dat een effectbeoordeling ook zou moeten worden voorgeschreven voor amendementen van het Parlement en de Raad. Ik vind dat we onszelf als wetgever de handen niet mogen binden, we mogen onszelf niet onder curatele stellen. Als de Commissie zorgt voor een goede effectbeoordeling kunnen we ook inschatten wat de gevolgen van onze amendementen zouden zijn. Bovendien hebben we het instrument van de vrijwillige toepassing van de effectbeoordeling, en we hebben gehoord dat de Commissie interne markt en consumentenbescherming dat al gebruikt. Dat zouden we in de andere commissies ook in overweging moeten nemen.

Voor betere wetgeving geldt hetzelfde als voor goede voornemens en voor de mooie dingen des levens: geen woorden maar daden, en praatjes vullen geen gaatjes.

 
  
MPphoto
 
 

  Elizabeth Lynne, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, al vele jaren maak ik mij sterk voor betere wetgeving, vooral in mijn commissie, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. We hebben betere en completere effectbeoordelingen nodig en we moeten nagaan of wetgeving op EU-niveau echt nodig is of in veel gevallen het best aan de lidstaten kan worden overgelaten. Als Europese wetgeving nodig is, moet er een gedegen kosten-batenanalyse voor bedrijven, inclusief kleine ondernemingen, en werknemers komen. Ik zou graag zien dat effectbeoordelingen werkelijk onafhankelijk zijn, anders dan nu vaak het geval is. Tegenwoordig worden ze regelmatig gebruikt als een rechtvaardiging voor de noodzaak van wetgeving.

Wanneer wetgeving is aangenomen, moet deze in alle lidstaten op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Daar zijn we het allemaal over eens. Als de wetgeving niet wordt uitgevoerd, is dat dan omdat ze onwerkbaar is? Als ze onwerkbaar is, laten we haar dan intrekken. Zo heeft de Commissie het ook gezegd.

Tenslotte moeten we ervoor zorgen dat het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven wordt geëerbiedigd. Gisteren nog gaf de Commissie in antwoord op een vraag toe dat er weinig vooruitgang is geboekt.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Frassoni, namens de Verts/ALE-Fractie. (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, op de allereerste plaats zou ik tegen de heer Barroso willen zeggen dat het besluit van vandaag inzake energie aantoont dat wanneer u het wilt, u het ook kunt. Wij “zouden wensen” dat u in meer gevallen “zou kunnen”, met name op het vlak van milieu-, consumenten- en volksgezondheidsbeleid. Maar hier heb ik natuurlijk een open deur ingetrapt.

Mijnheer Winkler, ik heb tot mijn spijt vastgesteld dat u niets heeft gezegd over de toepassing van het recht, hoewel dit onderwerp vooral de lidstaten betreft. Bovendien zou het, geloof ik, interessant zijn de mening van de Raad te horen over de mogelijkheden de op jammerlijke wijze mislukte onderhandelingen over het akkoord inzake Better regulation te heropenen, voorzover het de toepassing van het recht aangaat.

Wat betreft de effectbeoordeling verheel ik voorts mijn bezorgdheid niet, daar dit onderwerp een soort mythe aan het worden is. Door dat toverwoord alleen al zou de wetgeving beter moeten worden, daar er wetenschappelijke en neutrale bronnen als basis voor dienen. Persoonlijk gezien ben ik hier sceptisch over en ik ben zelfs bezorgd over de vlucht die dit onderwerp neemt. Op de eerste plaats omdat een aantal voorstellen in de verslagen – met name in het verslag van mevrouw McCarthy, maar ook in de andere verslagen – echt zeer ingewikkelde en moeilijk toe te passen bureaucratische regels bevatten, vooral voor de Commissie. Dat doet bij ons de nodige twijfels rijzen en mijn fractie prijst zich dan ook gelukkig dat we de stemming hebben uitgesteld. Zo kunnen we de situatie opnieuw bezien teneinde een akkoord te bereiken.

Bovendien zijn de sleutelelementen voor een effectbeoordeling waar iedereen het over heeft – onder meer administratiekosten, te veel bureaucratische regels, overdreven reële of vermeende kosten voor de bedrijven – op zich al een politieke keuze. Mijnheer Barroso, mijnheer Verheugen, ik zal u een voorbeeld geven. Een brief van UNICE volstond om de strategie met betrekking tot schone lucht drastisch bij te stellen, ofschoon een effectbeoordeling met een kostenplaatje van twee miljoen euro stelde dat er niet alleen kosten voor de bedrijven maar ook voor de gezondheid aan verbonden zijn. Een effectbeoordeling is uiteindelijk ook een politieke keuze en daarom zou ik u willen uitnodigen die effectbeoordelingen minder prioriteit te verlenen en minder pregnant aanwezig te laten zijn in vergelijking met de andere wettelijke aspecten.

Tot slot wil ik iets zeggen over co- en zelfregulering. Ik zou een studie van de Commissie naar het functioneren van deze procedures wenselijk achten. Volgens onze analyses hebben die procedures niet gewerkt, omdat de bedrijven zelf hun capaciteit om zich te voegen naar deze zelfreguleringsovereenkomsten tamelijk onbevredigend vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer, namens de GUE/NGL-Fractie. Voorzitter, het is uiterst bedroevend dat er in de discussie over subsidiariteit en betere regelgeving maar één hoofdmotief lijkt te bestaan, namelijk grotere economische groei en meer concurrentie door middel van minder regelgeving. Daardoor wordt de illusie gewekt dat juist bij de regelgeving op het gebied van bijvoorbeeld sociale bescherming, milieu en consumentenbescherming meer moet worden gelet op subsidiariteit. Dit alles past in de neoliberale denkwijze dat minder regelgeving per definitie een goede zaak is.

De realiteit is echter dat het juist de Europese regels over de heilig verklaarde interne markt zijn die de Europese burgers in de weg zitten. Deze maken het bijvoorbeeld mogelijk dat een kleine gemeente in het noorden van Nederland van de Europese Commissie te horen krijgt dat ze eerst toestemming moet vragen voordat zij voor haar eigen burgers een glasvezelkabelnetwerk mag aanleggen. Of dat de overheidssteun van de stad Amsterdam aan de plaatselijke dierentuin vanuit Brussel als concurrentievervalsing wordt gezien. Geen wonder dat de Nederlandse burgers niets meer zien in verdere uitbreiding van Brusselse bevoegdheden en in de voorgestelde Grondwet die dat proces goedkeurde en ondersteunde. Zij hebben die tekst met een grote meerderheid naar de prullenmand verwezen.

De realiteit is dat subsidiariteit reeds lang tot een nietszeggend begrip is geworden. De Europese instellingen, dit Parlement voorop, stellen zich zelden of nooit de vraag of Europese bemoeienis met een bepaald onderwerp daadwerkelijk bijdraagt aan een beter welzijn van mens en milieu. Integendeel, nog altijd blijft een stroom van Europese regelgeving de zeggenschap van nationale en regionale overheden ondermijnen. Ik verwijs hier bijvoorbeeld naar de Europese dienstenrichtlijn, die ook in gewijzigde vorm de autonomie van gemeentelijke autoriteiten op het gebied van vergunningen of plaatselijke dienstverlening ernstig zal uithollen.

Samengevat: het is goed dat er discussie is over de kwaliteit en subsidiariteit van de Europese regelgeving. Het is echter volstrekt naïef te veronderstellen dat door het schrappen van een handvol regelgeving of het maken van effectbeoordelingen de fundamentele problemen van Brusselse bemoeienis kunnen worden opgelost. Hiervoor zullen in de eerste plaats de internemarktregels fundamenteel moeten worden aangepast.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley, namens de UEN-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de voorzitter van de Commissie, de fungerend voorzitter van de Raad en onze rapporteurs bedanken voor de toon die zij in het debat van vandaag hebben gezet.

Ons wetgevingsproces kent duidelijk allerlei problemen; er zijn moeilijkheden die we allemaal kunnen zien en herkennen in ons werkzame leven van alledag. Het belangrijkste dat nodig is – en dat is helder – is de codificatie en vereenvoudiging van de bestaande wetgeving, het acquis communautaire. Het gaat er daarbij niet slechts om ervoor te zorgen dat bedrijven vrijer of beter op de gehele interne markt kunnen opereren, maar ook om te waarborgen dat individuele personen weten op welk gebied hun rechten worden beschermd. Het gaat erom dat er duidelijke en welomschreven voorschriften zijn om te voorkomen dat grote bedrijven de rechten van werknemers negeren en dat consumenten niet onder de voet worden gelopen door besluiten van financiële instellingen of door welke andere oorzaak ook. Daarom trachten we in dit Parlement al vele jaren een effectbeoordeling van alle wetgeving van de grond te krijgen. De bedoeling daarvan is de wetgeving te testen voordat deze van kracht wordt, na te gaan of ze echt noodzakelijk is en om volledig te begrijpen welke uitwerking zij bij omzetting zal hebben.

Als we echter het vraagstuk van de wetgeving in zijn geheel bekijken, zijn de grootste moeilijkheden en knelpunten te vinden in de omzetting van Europese wetten in het nationale recht van de lidstaten. Op EU-niveau zijn de nationale regeringen reeds bij de besluitvorming betrokken, evenals het Parlement en de Commissie. Omzetting kan echter problemen opleveren vanwege een binnenlands politiek geschil of vanwege angst voor verzet in het politieke kamp.

Volgens mij is het niet goed dat de Commissie zich louter profileert als strikte handhaver van de regels die de lidstaten op het matje roept. Soms bevat de wetgeving namelijk fouten en onvolkomenheden die correctie behoeven. Daartoe is een flexibele houding vereist.

Mijn laatste punt betreft het volgende: het is essentieel dat er bedrijvers van politiek zitting nemen in werkgroepen of deskundigengroepen op het vlak van betere wetgeving, niet alleen technocraten of parlementaire rapporteurs, maar politici zelf die weten hoe dit proces aan het publiek kan worden uitgelegd en op plaatselijk niveau kan worden uitgevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jens-Peter Bonde, namens de IND/DEM-Fractie. – (DA) Mevrouw de Voorzitter, vandaag de dag kunnen alleen geselecteerde specialisten de EU-wetgeving lezen en de juridische situatie op een bepaald gebied achterhalen. Iedere schaapherder moet precies bijhouden hoeveel schapen hij heeft, maar geen enkele instelling van de EU weet hoeveel wetten we precies hebben. We hebben iets in de orde van 20 000 regelingen aangenomen, die meer dan 100 000 bladzijden vullen. Zo is de huidige wetgeving op visserijgebied bijvoorbeeld te vinden in meer dan zeventig verschillende verordeningen. Waarom verzamelen we niet alle regels op hetzelfde gebied in één afzonderlijke wet? Dan kunnen de burgers die zelf inzien en doorlezen, wat de eerste voorwaarde voor invloed is.

Wijzigingsvoorstellen kunnen vet worden gedrukt; woorden die moeten worden geschrapt, kunnen cursief worden gedrukt. Dan kan iedereen zien wat het voorstel inhoudt. We moeten ook het democratische beginsel uit onze eigen grondwetten overnemen, namelijk dat in het vervolg geen EU-wet kan worden aangenomen zonder dat daartoe hier in het Parlement is besloten. Krachtens EU-wetten kunnen dan besluiten worden uitgevaardigd, maar elk besluit moet in heroverweging kunnen worden genomen door gewone meerderheden in de Raad en het Parlement.

Ook moet er een eind komen aan alle comitéprocedures, waarbij een minderheid samen met de Commissie als wetgever optreedt, tegen de meerderheid van de nationale parlementen en het Europees Parlement in. Het is absurd dat de Commissie genetisch gemanipuleerde cornflakes heeft kunnen toestaan, terwijl 14 van de 15 landen ertegen waren en land 15 ook tegen was, toen hun burgers ontdekten wat er eigenlijk was besloten achter gesloten deuren. Als de hele wetgeving wordt opengesteld voor de burgers, krijgen we ook betere wetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Marek Aleksander Czarnecki (NI). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, de Europese Commissie maakt elk jaar de balans op van de tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht. Vandaag zijn het 21ste en 22ste jaarverslag van de Commissie aan de orde. Om u een idee te geven van de omvang van het probleem, kan ik u zeggen dat het hier gaat om bijna vierduizend inbreukprocedures, die in bijna duizend gevallen hebben geleid tot een zogeheten met redenen omkleed advies en waarbij in meer dan 400 gevallen een zaak aanhangig is gemaakt bij het Hof van Justitie.

Ik betreur het dat de Commissie haar 22ste jaarverslag pas in januari 2006 heeft voorgelegd, want deze late indiening heeft tot gevolg gehad dat het Parlement maar een deel van de Commissiegegevens voor het jaar 2004 in zijn resolutie heeft kunnen behandelen. Hier geldt de paradoxale vaststelling "hoe meer klachten, hoe beter". Deze klachten zijn namelijk het levende bewijs dat de burgers uit de lidstaten van de Unie een belangrijke rol in het controleproces hebben en dus ook in de totstandkoming van Europese regelgeving. De klachten van de burgers zijn niet slechts symbolisch, zij vormen een bouwsteen van het Europa van de burgers en in het algemeen zijn ze een efficiënte manier om de toepassing van het Gemeenschapsrecht te toetsen.

De vakcommissies in het Europees Parlement zouden de toepassing van het Gemeenschapsrecht nauwlettend in de gaten moeten houden, met name daar waar de betrokken rapporteur actief moet deelnemen aan het toezicht op de naleving van bepaalde wettelijke voorschriften in de afzonderlijke lidstaten, en er, als er inbreuken worden vastgesteld, meteen op actie moet worden aangedrongen.

Om de efficiëntie van dit proces te verbeteren, zou de interne procedure ingekort moeten worden, wat ook terecht is opgenomen in de ontwerpresolutie van het Europees Parlement. Het zou ook een goede zaak zijn indien de afzonderlijke commissarissen de bevoegdheid zouden krijgen om direct te controleren of de omzetting van het Gemeenschapsrecht in het recht van de lidstaten binnen de gestelde termijnen is gebeurd. Dit kan door de commissarissen op hun eigen beleidsterrein de bevoegdheid te geven zich direct tot de lidstaten te wenden met het verzoek een inbreuk te behandelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mevrouw de Voorzitter, u heeft mij in staat gesteld om intensief overleg te plegen met de Conferentie van voorzitters over wetteksten, en dat is een concrete bijdrage tot een betere wetgeving. Ik ben dankbaar voor dit privilege, en het heeft ook wel degelijk iets met dit debat te maken. Ik dank u in ieder geval voor uw begrip.

Ik zou in het kort in willen gaan op twee punten die in dit debat aan de orde zijn gekomen. Veel sprekers hebben de comitologie genoemd. U kent zeker het spreekwoord: men moet de huid van de beer niet verkopen eer men hem geschoten heeft. Het Oostenrijkse voorzitterschap heeft de kwestie van de comitologie in ieder geval met veel enthousiasme weer aan de orde gesteld. We hebben al twee keer intensief onderhandeld met de vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de laatste keer nog maar twee uur geleden. Ik denk dat we op de juiste weg zijn, na een aantal jaren vinden we misschien toch nog een oplossing die tevredenstellend is voor het Parlement en voor de Raad.

In ieder geval zal de bestaande situatie beter worden, want het Parlement zal natuurlijk volgens de medebeslissingsprocedure worden betrokken bij de wetteksten die door Raad en Parlement samen moeten worden uitgevaardigd. Het gaat zeker de goede kant op, en ik hoop dat we nog in de eerste helft van dit jaar een definitieve oplossing kunnen vinden. Ook dat is een bijdrage aan betere wetgeving.

Mevrouw Frassoni heeft natuurlijk volkomen terecht gewezen op het belang van de toepassing van het recht. Dat is een taak voor de lidstaten, niet voor de Raad. Ik spreek hier namens de Raad, maar de individuele lidstaten proberen natuurlijk in gesprekken met de Commissie betere methodes te ontwikkelen om de toepassing van het recht te garanderen. Dit raakt ons, en dan spreek ik als Oostenrijker, natuurlijk even veel als alle andere lidstaten; inbreukprocedures hebben op ons hetzelfde effect. Als jurist kan ik u wel zeggen dat er voor iedere wet natuurlijk een handhavingsmechanisme moet bestaan. Dat is belangrijk, en we proberen ook om beter naar de Commissie te luisteren en betere methodes uit te werken voor de toepassing en de handhaving van het recht.

Ik heb hierover niet namens de Raad gesproken, maar daarmee heb ik niet willen zeggen dat de toepassing en de handhaving van het recht niet even belangrijk zijn als het wetgevingsproces zelf.

Voor de Raad zijn de belangrijkste onderwerpen natuurlijk de wetgeving en de toetsing van het vigerende recht.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb (PPE-DE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik kan het niet helpen, maar wanneer ik de naam Winkler hier zie, moet ik onmiddellijk denken aan Henry Winkler: herinnert u zich Fonzie in Happy Days nog? Het is goed een Oostenrijkse minister als Fonzie te hebben, die het groene licht geeft voor betere regelgeving!

In deze plenaire vergadering bespreken we drie vraagstukken die met elkaar samenhangen. Gisteren hebben we het gehad over transparantie en de openheid van de Raad; nu discussiëren we over betere regelgeving en wetgeving en vanavond gaat het over burgerschap. Ik steun al deze initiatieven, die ik geweldig vind; mijns inziens verricht de secretaris-generaal heel goed werk in de Commissie onder leiding van de heer Ponzano, en ik wil alle vier verslagen die vandaag zijn gepresenteerd, bij ons aanbevelen.

Ondanks wat ik zojuist heb gezegd en gezien het feit dat we over betere regelgeving spreken, begon ik me enigszins ongemakkelijk te voelen toen ik de verslagen doornam. Ik zal u een paar illustraties geven van het taalgebruik. Ik denk dat we een communicatieprobleem hebben. Mevrouw Frassoni heeft een prima verslag opgesteld, maar in paragraaf 18 staat: “stelt vast dat het SOLVIT-netwerk op de interne markt een effectief niet-juridisch hulpinstrument is gebleken dat de vrijwillige samenwerking tussen de lidstaten heeft doen toenemen …”. Het klopt helemaal, maar als je dit aanhoort, is het niet vanzelfsprekend dat je begrijpt wat er bedoeld wordt. De heer Doorn, die het heeft over de wetgeving verbeteren, is in paragraaf 5 “… van mening dat de Lamfalussy-procedure haar nut heeft; vindt de convergentie van toezichtprocedures van cruciaal belang; verwelkomt in dit opzicht de bijdragen van de comités van niveau 3 en sluit zich aan bij hun oproep tot een adequaat instrumentarium”. Geweldig. Dan staat in paragraaf 6 van het verslag-McCarthy, dat volgens mij het duidelijkst is: “verzoekt de Commissie om zowel op voorhand als achteraf effectbeoordelingen van de wetgeving uit te voeren, zodat kan worden nagegaan of de belangrijkste beleidsdoelstellingen zijn bereikt …”. In het verslag-Gargani staat precies hetzelfde. Wat ik probeer duidelijk te maken, is dat we betere regelgeving en betere wetgeving nodig hebben. Daarbij is vereenvoudiging belangrijk en het gaat erom dat we begrijpen waarover we besluiten nemen en dat de burgers dat ook begrijpen. Daar draait het bij betere regelgeving om en daarom moeten we ons taalgebruik verbeteren. Ik heb geen idee hoe dit alles in de Finse vertolking klinkt!

(Gelach en applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Béatrice Patrie (PSE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, dit lijkt een technisch debat, maar in feite is het een debat van grote politieke betekenis. De wetgeving verbeteren is zeker nodig, maar dat moet wel gebeuren zonder deregulering en zonder de wetgever zelf op een zijspoor te zetten. Ik heb dan ook zeer grote bedenkingen bij sommige mechanismen, waaronder die voor alternatieve regelgevingsmethoden als coregulering en zelfregulering. Die kunnen zeker nuttig zijn, maar in het belang van de burgers en de consumenten mogen ze mijns inziens nooit in de plaats komen van de wet, die niet alleen rechten maar ook plichten bevat en derhalve beschouwd kan worden als het democratisch instrument met de grootste legitimiteit.

Wat de aan het wetgevingsproces voorafgaande raadpleging betreft, zou ik de drie instellingen willen oproepen behalve de economische actoren ook de sociale partners en zoveel mogelijk verschillende maatschappelijke organisaties daadwerkelijk bij het proces te betrekken. Overheden hebben namelijk de plicht deze actoren - consumentenorganisaties, gebruikers van publieke diensten, organisaties die strijden tegen uitsluiting of zich toeleggen op volksonderwijs - overal in Europa te helpen zich te organiseren.

Tot slot zou ik nog een opmerking willen maken over het lopende vereenvoudigingsprogramma waarmee beoogd wordt de uitvoering van de strategie van Lissabon te bevorderen. Het verbaast me dat de hoofdprioriteit daarvan een herschikking van de verordening inzake de biologische landbouw is, want dat is bepaald niet wat de producenten in die bedrijfstak willen, en dat belangrijke voorstellen als die inzake het statuut van de Europese onderlinge maatschappij en het statuut van de Europese vereniging tegelijkertijd uit het wetgevingsprogramma geschrapt zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik sluit me volledig aan bij degenen die van oordeel zijn dat een afslankingskuur het Europa van de regelgeving goed zou doen. Dat Europa is overdreven precies als het om de principes gaat, maar helaas een stuk lakser als het gaat om het toezicht op de omzetting en correcte toepassing van onze wetgeving.

Een simpele constatering: tien jaar na de start van het Slim-programma, het programma voor eenvoudiger regelgeving voor de interne markt, en ondanks de ondertekening twee jaar geleden van het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven", zijn we nog heel ver verwijderd van ons doel. Wij hebben de regelzucht van de Unie nog steeds niet weten in te dammen. Ik ben dan ook buitengewoon ingenomen met het evenwichtige regime dat de Commissie nu voorstelt: drie voorwaarden om ervoor te zorgen dat deze agenda effect heeft, de Unie versterkt en haar dichter bij de burgers brengt. Er is gezegd dat de Unie alleen wetten moet opstellen als haar optreden een beter resultaat geeft dan dat van andere bestuurslagen. Overal, van de Canarische Eilanden tot Scandinavië - u heb gehoord wat de heer Stubb zojuist zei - en natuurlijk ook in Brussel moeten we voorgoed afrekenen met het gebruik van eurojargon. We moeten bij de redactie van wetten een zo helder mogelijk taalgebruik hanteren, zodat de tekst te volgen is voor al degenen voor wie hij bedoeld is. Er zijn wat dit betreft nog talloze andere voorbeelden te geven.

Derde punt: de afslankingskuur waar wij om vragen en waar met name KMO's ook om vragen, is geen kwestie van een onsystematisch en vrijblijvend regime; streven naar betere regelgeving betekent niet dat het je aan ambities ontbreekt. Ik wil dat nadrukkelijk onderstrepen. Daarmee sluit ik af, mevrouw de Voorzitter, maar ik wil nog wel zeggen dat ik me wat dit laatste punt betreft aansluit bij mevrouw Frassoni, en ik denk dan bijvoorbeeld aan REACH.

 
  
MPphoto
 
 

  Alyn Smith (Verts/ALE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil alle rapporteurs feliciteren met de gigantische inspanning die zij vandaag hebben geleverd en ik zal kort twee punten aansnijden: de transparantie van de Raad en het verslag van de heer Doorn over subsidiariteit.

Zoals we gisteren hebben gehoord, blijft het gebrek aan transparantie van de Raad een taboe vormen; het is nog steeds de hoofdoorzaak van veel ontevredenheid over de EU-wetgeving in het algemeen. De Raad kan beslist meer stappen zetten om op een betekenisvolle manier te vergaderen in het openbaar. Op dit moment opereren alleen Havana en Pyongyang op even ondoorzichtige wijze. In de 21e eeuw moet dat toch beter kunnen.

Ik wil het nu meer inhoudelijk over subsidiariteit hebben en daartoe richt ik mij in het bijzonder op de paragrafen 25-29 van het verslag van de heer Doorn. Mijn eigen land, Schotland, is een voorbeeld van de gemiste kans die subsidiariteit momenteel vertegenwoordigt. Schotland maakt op dit moment deel uit van een lidstaat die niet bekend staat om zijn enthousiaste betrokkenheid bij de EU en toch zou ons parlement in Edinburgh een enthousiaste partner zijn in het opstellen van betere wetgeving in de EU. Ons parlement is volledig verantwoordelijk voor gezondheid, milieu, justitie, onderwijs, visserij, landbouw en talrijke andere gebieden. De EU kijkt bij subsidiariteit echter maar al te vaak niet verder dan de lidstaat, terwijl de meest relevante partner zich heel goed op meer lokaal niveau kan bevinden.

Ik kan mij vinden in alle aanbevelingen van de heer Doorn over effectbeoordelingen, maar ik sta ook achter de opmerkingen van mevrouw Wallis over politieke betrokkenheid. Daarbij wil ik benadrukken dat zulke betrokkenheid zo veel mogelijk lokaal vorm moet krijgen. Dan zal subsidiariteit in de toekomst misschien bijdragen tot betere EU-wetgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonas Sjöstedt (GUE/NGL). – (SV) Mevrouw de Voorzitter, naar mijn mening kan deze discussie niet worden gereduceerd tot een discussie over de kwaliteit van de wetgeving. We moeten ook discussiëren over de kwantiteit, de hoeveelheid Europese wetgeving. Het is een feit dat de hoeveelheid EU-wetgeving de laatste jaren spectaculair is gegroeid, en de EU treedt op dit moment op een heel stel nieuwe terreinen als wetgever op. Tegelijkertijd is het zeer ongewoon dat de EU besluitvormingsrecht teruggeeft aan lidstaten of wetgeving intrekt. De combinatie van een grote hoeveelheid wetgeving en een gebrek aan kwaliteit leidt tot een slecht overzicht en maakt het moeilijk om de wetgeving in de praktijk ten uitvoer te leggen.

Wat de kwaliteit betreft, is reeds op dit moment veel mogelijk en in de verslagen staan voorstellen op dat punt. Verouderde wetgeving kan worden geschrapt. Andere wetgeving kan worden vereenvoudigd en in sommige gevallen samengevoegd en geconsolideerd. Dat is al heel mooi, maar er is ook een andere aanpak van het wetgevingswerk nodig. We moeten de zaken minder tot in detail regelen, er moet meer doelgericht worden gewerkt en de lidstaten moeten meer vrijheid krijgen om te kiezen hoe ze de vastgestelde doelen willen bereiken.

Effectbeoordelingen zijn prima, maar het is niet altijd zo gemakkelijk om te meten wat je wilt meten. Meestal is het eenvoudiger om economische factoren te meten dan bijvoorbeeld milieufactoren. Daarover hebben we gediscussieerd in verband met het debat over REACH, het chemicaliënbeleid. Het was eenvoudig om de kosten van een onderneming te meten maar moeilijk om te meten wat de enorme positieve effecten waren in termen van volksgezondheid en gereduceerd menselijk lijden doordat er minder ziektegevallen waren. Daarom moet men op dit gebied de nodige voorzichtigheid betrachten.

Als men de zaken werkelijk wil vereenvoudigen, moet men het aantal EU-wetten verminderen; en het allermeest overgereguleerde terrein is het landbouwbeleid. Hier zou verreweg de meeste wetgeving kunnen worden teruggebracht naar het niveau van de lidstaten, en duizenden wetten zouden kunnen verdwijnen. Sommige sprekers hebben gewezen op de Grondwet, maar het is een feit dat die de problemen erger zou hebben gemaakt door de macht van de EU te vergroten en door het gemakkelijker te maken voor de EU om zich nieuwe wetgevingsbevoegdheden toe te eigenen en als wetgever op te treden op gebieden waar zij eigenlijk niets mee te maken heeft. Daarom moeten we de Nederlandse en Franse kiezers tot op de dag van vandaag dankbaar zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, een wetgever wordt niet alleen beoordeeld op de kwaliteit van de door hem uitgevaardigde regels, maar ook op de terughoudendheid die hij betracht als het niet nodig is om regels op te stellen. Wat er in het verslag staat over de verruiming en verscherping van de regels voor de beoordeling van de kosten en het effect van regelgeving, verdient dan ook zonder meer onze steun.

In het verslag wordt verwezen naar het negatieve effect dat politieke compromissen hebben op de rechtsvorming in de Unie. De dienstenrichtlijn is hier een mooi voorbeeld van. Beide partijen in het conflict beweren dat zij gewonnen hebben. De socialistische afgevaardigde Gebhardt houdt staande dat de richtlijn binnenste buiten is gekeerd, terwijl de conservatief Harbour glundert dat we een goed compromis hebben.

Wie heeft het dus bij het verkeerde eind? Hebben ze misschien allebei gelijk? Misschien hebben we ons wat te veel laten leiden door het motto "voor elk wat wils", met als gevolg een tekst met tientallen regels die haaks op elkaar staan. De lidstaten, de Unie in haar geheel en het Parlement voelen zich hier misschien wonderwel bij, maar ons zelfvoldane gevoel gaat wel ten koste van de burgers, het bedrijfsleven en de kwaliteit van de regelgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland (IND/DEM). – Voorzitter, naar aanleiding van de verslagen over betere wetgeving die vandaag besproken worden, wil ik graag enkele opmerkingen maken over de rol van effectbeoordelingen. Van collega Doorn begrijp ik dat hij streeft naar een steekproefsgewijze controle door een panel bestaande uit gezaghebbende deskundigen. Het idee erachter steun ik van harte. Met collega Doorn pleit ik voor een echt onafhankelijke commissie, dus niet samengesteld door vertegenwoordigers van de drie instellingen.

In Nederland kennen we hier voorbeelden van, bijvoorbeeld de commissie die toeziet op milieueffectrapportages. Als je bij zo'n panel een paar keer stevig onderuit bent gegaan, dan doe je de volgende keer wel beter je best. Verder wil ik ook nog opmerken, dat wetgeving altijd een leerproces is, maar zo expliciet als dat in overweging J van het verslag-Doorn gesteld is, lijkt mij veel te negatief. We doen hier ons best om goede wetgeving aan te nemen. Dat zal best een keer fout gaan, maar om dat al bij voorbaat als doel te zien, dat gaat me te ver.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, u weet alles over het oude Japan van het Tokugawa-tijdperk, een periode waarin het volk bewust onkundig werd gelaten van de wet, die als staatsgeheim beschouwd werd; slechts een kleine groep landsheren mocht van de inhoud van de wetten kennis nemen, omdat men dacht dat het volk de regels veel strikter in acht zou nemen als het de inhoud daarvan niet kende. Soms vraag ik me af of we het voorbeeld van die Japanse wetgeving uit oude tijden niet aan het volgen zijn.

Feit is, dames en heren, dat de complexiteit van het Europese recht het onbedoelde effect is van een groepsproces waaraan wij allemaal deelnemen. Wat bedoel ik daarmee? Het begint bij de Commissie; die heeft het recht van initiatief, maar achter iedere commissaris gaat uiteraard een directoraat-generaal met alle bijbehorende ambtenaren schuil. Dan gaat de hele zaak naar de Raad. Theoretisch gezien bestaat de Raad uit een aantal ministers die het eens moeten zien te worden over een tekst. Voorwaarde is wel dat ieder ambtenarenapparaat van iedere afzonderlijke minister alle noodzakelijk geachte regels in het gemeenschappelijk voorstel terugvindt. Vervolgens wordt de tekst doorgestuurd naar het Parlement, dat een rapporteur benoemt. Zo'n rapporteur wil er natuurlijk graag zijn of haar stempel op drukken - daar is ook niets op tegen - en een stempel ergens op drukken gaat nu eenmaal beter wanneer je regels toevoegt dan wanneer je regels schrapt. En dan laat ik een aantal zaken nog buiten beschouwing, zoals collega's die amendementen indienen, de grote rol die lobbygroepen spelen, enzovoort. En zo, dames en heren, creëren we met ons allen een normatief monstrum.

Ik ben al zeventien jaar lid van dit Parlement, en zeventien jaar geleden, in het eerste jaar waarin ik hier rondliep, vond er al een debat plaats over vereenvoudiging van het Gemeenschapsrecht. Ik heb de indruk dat we in die zeventien jaar geen stap verder zijn gekomen, en dat het enige verschil is dat de situatie zelfs verslechterd is.

Wat moet er gebeuren? We moeten ervoor zorgen dat we het eens zijn over de betekenis van de termen. Er zou een echt woordenboek van het Gemeenschapsrecht moeten komen, een soort wetboek zoals het burgerlijk wetboek, het wetboek van koophandel of het wetboek van strafrecht. Dat wetboek zou logisch opgebouwd moeten zijn en moeten bestaan uit delen, subdelen, hoofdstukken, afdelingen en artikelen, zodat we bij de behandeling van een tekst op voorhand weten welk artikel gewijzigd gaat worden. Het gaat kortom om een grote vereenvoudigingsoperatie. Ik vrees dat dat doel nog niet echt in zicht is, ondanks de goede wil van de rapporteurs. Dank u wel voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Schwab (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris Verheugen, allereerst zou ik van deze gelegenheid gebruik willen maken om alle vier rapporteurs te bedanken voor hun constructieve inbreng over dit thema. Dit houdt niet alleen de mensen in de kroeg bezig, maar ook de politici krijgen er steeds meer belangstelling voor.

Ik heb vooral de bijdrage van de heer Gollnisch aan dit debat zeer verfrissend gevonden, hij heeft een hartstochtelijk pleidooi gehouden voor de invoering van de Europese Grondwet. Dat hebben we blijkbaar met elkaar gemeen, en dat wist ik nog niet. Ik ben inderdaad ook van mening dat de uitvaardiging van de normatieve wetgeving op basis van een Europese Grondwet heel wat makkelijker zou verlopen dan nu het geval is. Ik ben blij dat we in dat verband één lijn trekken.

Al deze verslagen over betere wetgeving zijn niet bedoeld om de wetteksten voor de individuele burger begrijpelijker te maken, we willen de lidstaten een eenvoudige tekst geven die dan kan worden omgezet. Het lijkt me belangrijk om dat nog eens te zeggen. Daarom moeten we precies weten met wat voor uitdagingen we hier worden geconfronteerd.

Natuurlijk klagen we juist in dit verband over het feit dat de comitologie een bijzonder ondoorzichtige wetgevingsprocedure is, daar is veel kritiek op gekomen. In dat verband ben ik het bij wijze van uitzondering volkomen eens met de vorige spreker, en ik zeg dat zonder een zweem van ironie.

Daarom ben ik ervan overtuigd dat we moeten zorgen voor een externe toetsing van de Europese wetgeving, die niet alleen door de Commissie zelf kan worden verricht. De vraag is of we daarvoor een agentschap nodig hebben, of dat andere externe autoriteiten daarvoor zouden kunnen zorgen. U weet allemaal dat wij bezwaren hebben tegen het oprichten van nog meer agentschappen. U kent zeker het motto: "we willen de bureaucratie wel afschaffen, maar daarvoor hebben we niet genoeg personeel". In ieder geval moeten wij als Parlement worden betrokken bij de keuze van die externe instanties.

Daarom zijn de vier verslagen die we vandaag bespreken ook een uitstekend uitgangspunt voor een gezamenlijk standpunt van het Parlement en de Commissie, en misschien ook van de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, om de regelgeving in de Europese Unie te verbeteren, moeten de voorschriften goed en duidelijk geformuleerd zijn en tevens snel en efficiënt uitgevoerd worden. Het komt nog te vaak voor dat de Gemeenschapswetgeving niet correct wordt toegepast. Dit is gedeeltelijk te wijten aan de ondermaatse kwaliteit van de bepalingen, maar ook aan de lidstaten die omwille van politieke, economische of bestuursrechtelijke redenen de Gemeenschapswetgeving willens en wetens ondermijnen.

Bovendien geven de nationale rechtbanken in veel landen nog altijd niet graag uitvoering aan het beginsel van het primaat van het Gemeenschapsrecht. Indien het Gemeenschapsrecht niet als bindend voor iedereen wordt gezien, en als de omzetting en toepassing ervan afhankelijk zijn van de goede wil van de regeringen, kan dit leiden tot een objectieve renationalisering van het Gemeenschapsbeleid, zoals mevrouw Frassoni terecht opmerkt in haar verslag. Dat dit bijzonder nadelig is voor de interne markt en het hele acquis, hoeft geen betoog.

Een gebrek aan uniformiteit in de omzetting kan tevens leiden tot een onjuiste tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht, waarbij de regels niet overal op dezelfde wijze worden toegepast. Dit komt de geloofwaardigheid van de Unie niet ten goede. Als we er niet in slagen om de regeringen van de lidstaten ertoe te brengen dat ze de wetgeving van de Unie correct omzetten, kunnen we niet van de burgers verwachten dat zij geloven dat instellingen zoals de Commissie, de Raad of het Europees Parlement de uit de Gemeenschapswetgeving afgeleide rechten van diezelfde burgers op efficiënte wijze zullen beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Riis-Jørgensen (ALDE). – (DA) Mevrouw de Voorzitter, het Europees Parlement moet vooroplopen in de strijd voor betere wetgeving. Het werk van het Europees Parlement moet transparant en helder geformuleerd zijn, en we moeten vooral de administratieve hinderpalen in de Europese wetgeving uit de weg ruimen. Daarom roep ik de leiding van dit Parlement op om ons wetgevingswerk beter te coördineren, zodat we niet opnieuw komen te staan voor de situatie waarin de commissies wijzigingen voorstellen die met elkaar in strijd zijn. Tegelijkertijd moeten we prioriteit geven aan rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor onze burgers, en we moeten niet te veel overlaten aan het oordeel van de autoriteiten of van het Hof van Justitie.

De voorzitter van de Europese Raad, de Oostenrijkse bondskanselier, heeft het Hof van Justitie verweten dat het zich te veel macht toe-eigent. Het Hof voert echter gewoon zijn werk uit, omdat wij wetgevers ons werk niet goed genoeg doen.

Ik vrees helaas dat wij met de dienstenrichtlijn onze fouten van vroeger herhalen en dat we de interpretatie in te ruime mate overlaten aan het Hof van Justitie. Dit is iets wat we in tweede lezing beter moeten aanpakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). - (SK) Tijdens mijn bijeenkomsten met belanghebbenden op de interne markt heb ik vaak kritiek gekregen over de huidige Europese wetgeving. Slechte wetgeving is vaak moeilijk om te zetten in de wet- en regelgeving van de betrokken landen. Deelnemers aan de openbare hoorzitting over dit onderwerp, waaronder commissaris Verheugen, hebben bevestigd dat ambigue teksten vaak tot rechtsonzekerheid leiden dan wel de concurrentie verstoren en de interne markt fragmenteren. Daardoor kunnen consumenten en ondernemingen niet ten volle van de voordelen van die interne markt profiteren.

Ik ben dan ook verheugd dat de rapporteur, mevrouw McCarthy, de aanbeveling doet dat de Commissie het consolideren, vereenvoudigen en codificeren van de communautaire wetgeving voort dient te zetten zodat deze gemakkelijker te begrijpen is. Het ligt voor de hand dat verbeteringen in de wetgeving niet ten koste mogen gaan van de normen op milieu-, sociaal of consumentengebied. Gebaseerd op mijn ervaringen bij het opstellen van het verslag over de financiering van de Europese normalisatie ben ik het volledig met de rapporteur eens dat burgers, consumenten en ondernemingen alleen maar baat hebben bij een goede, duidelijke en vooral eenvoudige wetgeving voor de interne markt. Daardoor kan de Europese Unie tevens haar positie versterken ten opzichte van de concurrenten in een globale economie.

Geachte dames en heren, ik ben ervan overtuigd dat een betere regelgeving de basis zal leggen voor gerichtere inspanningen van de Europese instellingen voor het creëren van werkgelegenheid en het genereren van economische groei in de Europese Unie in het kader van de herziene strategie van Lissabon. Tot slot wil ik de vier rapporteurs bedanken voor het ontwikkelen van een nieuwe architectuur voor een betere wetgeving in Europa die dichter bij de Europese burgers staat.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, er was een tijd waarin de wetten werden gemaakt door de goden, en de goden maakten volmaakte wetten. Daarna kregen de goden er genoeg van en begonnen de mensen wetten te maken, en die wetten zijn niet volmaakt. Toen, dat wil zeggen nu, is er niemand die bepaalt of een wet goed of slecht is behalve wijzelf, en het enige criterium om te weten of een wet goed of slecht is, is het criterium van de democratie, dat wil zeggen dat van de meerderheid, want zoals Rousseau zei: “het is redelijk dat het de meerderheid is die beslist, en niet de minderheid”.

Daar dit beginsel in de moderne democratieën is vastgelegd, is de democratie representatief en zijn het de parlementen die de wetten maken; ze kunnen zich vergissen, maar het enige criterium van rechtmatigheid is de parlementaire meerderheid. Als we daarvan uitgaan, denk ik dat het grootste gevaar voor de democratie op dit moment gelegen is in een technocratie gelieerd aan economische belangen – wat zelfregulering en coregulering genoemd wordt – ofwel een manier om de algemene belangen ondergeschikt te maken aan de persoonlijke belangen van enkelen, een punt dat we niet uit het oog mogen verliezen.

Ikzelf zou, als afgevaardigde die al vaak gekozen is, niet bereid zijn om af te zien van mijn wetgevende verantwoordelijkheden ten gunste van een onderaanneming en ten gunste van technocratische belangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Dames en heren, ik besef dat wij door de nieuwe aanpak van de Europese regelgeving gedwongen worden anders te gaan denken en misschien zelfs overeenkomsten te veranderen. Als wij echter willen dat het publiek blijft geloven in de interne markt, moeten wij de uitstroom van investeringen en het verlies aan banen indammen. Dit betekent dat wij niet alleen de wetgeving moeten beperken en vereenvoudigen, maar mijns inziens ook de oorspronkelijke doelstellingen van zowel de Europese als nationale wetgeving moeten heroverwegen. Dit is een serieuze politieke uitdaging. Het is ook onze taak, dames en heren, erop aan te dringen dat elke afzonderlijke maatregel, of die nu bestemd is voor gezondheids- of milieubescherming, wordt onderworpen aan een effectbeoordeling. Mevrouw McCarthy vraagt daarom in het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. Ik zou daaraan willen toevoegen dat daarbij ook duidelijk moet worden gemaakt welke kosten voor rekening komen van de Europese producenten, hoeveel extra openbare financiële middelen nodig zijn, en wat het effect zal zijn op de werkloosheid in onze regio’s. In het bijzonder willen wij graag van tevoren weten welk effect de op normenverhoging afgestemde regelgeving heeft op het mededingingsvermogen van Europese producten ten aanzien van derde landen, teneinde te voorkomen dat het belangrijkste effect een verdere verplaatsing van bedrijven en kapitaal naar buiten Europa is.

Betere regelgeving betekent ook dat wij, als het om de kosten gaat, serieus moeten onderzoeken of de nieuwe maatregelen inderdaad verbetering brengen in de gezondheid of de sociale omstandigheden van onze burgers, of dat verbetering slechts een niet bewezen veronderstelling is. Als arts en als politicus bevalt het mij helemaal niet dat zoveel Europese en nationale regels enkel populistische gebaren zijn. Daar staat tegenover dat ik niet precies zou weten hoe men consumenten kan beschermen tegen schadelijke of namaakproducten uit derde landen die Europese kwaliteitsproducten uit de markt duwen. Een voorbeeld hiervan is misschien kinderschoeisel uit Azië met orthopedische mankementen. De enige oplossing zou een nieuw, verplicht gezondheidscertificaat zijn voor kinderschoeisel. Daarmee zou tevens het publiek een betere regelgeving worden geboden.

Het spijt mij dat de Commissie zo traag is bij het codificeren van de consumentenbescherming en de bescherming van de intellectuele eigendom. Nooit tevoren was de norm van de Europese wetgeving zo belangrijk als nu, nu de Unie serieuze concurrentie ondervindt van derde landen. Het politieke doel van de onderhavige regelgeving is het beschermen van zowel eerlijke concurrentie als Europese consumenten - niet alleen binnen maar ook buiten Europa - en het stimuleren van de creativiteit van onze burgers door hen te verlossen van inefficiënte regelgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Matsouka (PSE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, verbetering van de communautaire wetgeving betekent evaluatie maar ook een technische afbakening van het onderwerp van de wetgeving.

De ingewikkelde nationale administratieve procedures, de beperkte omzettingsmogelijkheden en - niet zelden - een gebrekkige wil maken de zaken alleen maar moeilijker. Sancties van de kant van de Unie lijken hier de meest efficiënte maatregel te zijn. Als men echter een correcte toepassing van de communautaire wetgeving wil garanderen, moet men zorgen voor politieke wil maar vooral voor een sociaal draagvlak: daar ligt de grootste uitdaging. De correcte toepassing van de communautaire wetgeving is een proces dat Europa in staat stelt om op middellange termijn soepeler en concurrentiekrachtiger te worden in een gemondialiseerde omgeving. Daar hebben burgers, consumenten en bedrijven baat bij.

Wij hebben duidelijke, volledige en begrijpelijke regels nodig. Dit veronderstelt natuurlijk dat er duidelijkere afspraken worden gemaakt tussen degenen die belast zijn met de formulering daarvan. Vereenvoudiging en stroomlijning van de wetgeving zijn uitermate belangrijk, maar afgezien daarvan zou het beter zijn indien de wetten, met inachtneming van de beginselen van transparantie, proportionaliteit en coherentie, de fundamentele vraagstukken van een bepaalde sector zouden regelen en er daarnaast toepassingsmaatregelen werden uitgevaardigd voor het regelen van onder meer ook de technische aspecten.

Wat de efficiëntie van de regelgeving betreft, is het belangrijk dat een kosten-batenanalyse van de toepassing wordt gemaakt. Het is dus absoluut noodzakelijk om een sociale dialoog te voeren met de instanties die in staat zijn een bijdrage te leveren aan de opstelling van de wetgeving.

Vooral bij belangrijke beleidsvoorstellen is dit de enige manier om het vertrouwen van de burgers te winnen. Een goede wet is geen gecompliceerd geheel met strenge procedures, maar is een wet die de burger helpt, en hem of haar tegelijk medeverantwoordelijk maakt voor de toepassing daarvan.

 
  
MPphoto
 
 

  Klaus-Heiner Lehne (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik heb de indruk dat in dit debat toch wel duidelijk is geworden dat het hoofdprobleem dat we hier bespreken de effectbeoordeling is. Volgens mij heeft dat niets te maken met het vervangen van democratie door technocratie. Daar gaat het niet om. De democratische instellingen blijven natuurlijk verantwoordelijk voor de beslissingen. De Commissie is zelf verantwoordelijk voor de beslissingen die ze neemt, en dat geldt natuurlijk ook voor het Parlement en de Raad.

Het gaat hier om een essentieel punt, we moeten de procedures veranderen om ervoor te zorgen dat er een draagvlak ontstaat. Het wetgevend proces vindt in de Europese Unie op dit moment plaats volgens het principe learning by doing. We besluiten iets, en dan rolt er uiteindelijk iets uit de bus dat bepaalde gevolgen heeft. Als we dan vaststellen dat die gevolgen ongewenst zijn hebben we een probleem, want in de Europese Unie zijn de procedures ingewikkeld. De nationale parlementen kunnen een wet even gauw wijzigen, maar wij kunnen dat niet. Wij moeten een ingewikkelde procedure volgen om richtlijnen te herzien en verordeningen te wijzigen, en dat duurt jaren. Daarom kunnen wij niet werken met de instrumenten waarover veel lidstaten beschikken.

We moeten weten wat we doen. De effectbeoordeling is bedoeld om ons te helpen, om ervoor te zorgen dat ook onafhankelijke deskundigen ons vertellen welke gevolgen ons beleid heeft. De uiteindelijke politieke keuze moeten wij zelf maken, maar we hebben wel hulp nodig. Dat is heel belangrijk wanneer de Commissie, de Raad en het Parlement besluiten moeten nemen voor dit grote economische gebied van 470 miljoen mensen. Daarom is het ook zo belangrijk dat dit onafhankelijke element aan bod komt.

Ik zou nogmaals een dringend beroep op de Commissie willen doen, zorg ervoor dat dit onafhankelijke element ook bij u intern aan bod komt. Als dat niet gebeurt, zou dat betekenen dat het Parlement gedwongen zou zijn om in alle gevallen een onafhankelijke effectbeoordeling te laten verrichten, als we onszelf serieus nemen zouden we daartoe verplicht zijn. Dat was niet de bedoeling van het Interinstitutioneel Akkoord uit 2003. We willen dat de Commissie dit uit eigen beweging doet, dan hebben we een degelijke basis voor de besluitvorming.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vice-voorzitter van de Commissie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, allereerst zou ik nog eens willen proberen om uit te leggen waar het om gaat, en waar het niet om gaat. Het gaat niet om minder wetgeving, niet om slechtere wetgeving, niet om deregulering en niet om een radicaal neoliberale marktideologie. Het gaat er alleen maar om dat het Europese recht zo moet worden opgebouwd dat het begrijpelijk is voor de burgers en dat het Europese bedrijfsleven ermee uit de voeten kan, kan groeien, investeren en banen creëren. Het is werkelijk zo klaar als een klontje, en het verbaast me telkens weer wat voor motieven men ons toedicht voor een zo helder en duidelijk concept.

Of wij nu wel of niet geloven dat we te veel Europese wetten hebben, en dat ze misschien niet altijd goed genoeg zijn, speelt geen enkele rol. Dit is geen geloofskwestie voor ons, hier is het feit aan de orde dat een beangstigend hoog aantal Europese burgers dit heilig gelooft. Het gaat erom dat de Europese werkgevers en de Europese vakbonden allemaal beweren dat het zo is: te veel bureaucratie, te veel wetten, te ingewikkelde wetten en te veel overbodige beperkingen. De vraag is niet of het zo is, de vraag is of degenen voor wie wij die wetten maken ervan overtuigd zijn dat het zo is. Daarom moesten we iets doen.

Bij het initiatief “Beter wetgeven” van de Commissie wordt gebruik gemaakt van alle instrumenten die hier zijn genoemd; er zijn verschillende manieren om het recht te vereenvoudigen en te moderniseren, zonder de inhoud ervan te veranderen. Ik moet het nog een keer zeggen: het is niet de bedoeling om de inhoud van regelingen te veranderen, het is de bedoeling om ze gebruikersvriendelijk en begrijpelijk te maken.

Ik vraag nogmaals om de steun van het Europees Parlement. Het gaat eigenlijk om twee grote projecten, twee verschillende projecten, een waarvan bestaat in de toetsing achteraf van alle bestaande wetten.

Laten we elkaar geen rad voor ogen draaien! Toen de Europese integratie nog jong was, werden de wetten vanuit een andere visie uitgevaardigd dan nu, en als we wat dieper graven vinden we in onze wetboeken toch wel verbazende dingen. Niemand ontkent dat we de wetten moeten moderniseren, maar de toetsing van het hele recht is geen sinecure. Ik vind werkelijk dat we moeten proberen om ook hiervoor gezamenlijke procedures te ontwikkelen, en niet alleen voor de codificatie, waar we dat al hebben gedaan.

Een heel andere vraag is: hoe willen we in de toekomst regel- of wetgeving uitvaardigen? In dat verband speelt de effectbeoordeling een heel belangrijke rol. Ik ben het volledig eens met diegenen die hier hebben gezegd dat het in een democratie van het grootste belang is dat de wetgever weet wat de gevolgen van zijn besluiten voor de burger zijn. Dat mag er echter niet toe leiden dat de wetgever dus maar liever niets doet. Het blijft altijd een kwestie van inschatting.

Als de Commissie zegt dat een bepaald stuk wetgeving voor de economie kosten van x miljard euro met zich meebrengt, maar dat die wetgeving wel nodig is voor de bescherming van de volksgezondheid, is de afweging niet moeilijk. Dan zal de Commissie zeggen dat de gezondheid van de burgers voorrang heeft, ook als het iets kost.

Ik zou duidelijk willen maken dat de effectbeoordeling niet automatisch betekent dat we gewoon zeggen: "als blijkt dat ons voorstel kosten veroorzaakt, doen we het maar niet". Het gaat erom dat we precies moeten weten wat we doen.

Er zijn belangrijke dingen gezegd over de vraag hoe een dergelijke effectbeoordeling het best kan worden geregeld. Ik kan u eerlijk zeggen dat de Commissie nog volop bezig is met de discussie hierover, en zowel voorzitter Barroso als ikzelf zijn werkelijk van mening dat we het huidige systeem moeten veranderen.

Ik ben het volledig eens met diegenen die hier hebben gezegd dat de uiteindelijke beslissing over de vraag of een bepaalde effectbeoordeling wel of niet correct is, niet kan worden genomen door degenen die de beoordeling hebben opgesteld. Het is ook duidelijk dat de effectbeoordeling niet alleen kan worden overgelaten aan degenen die het bijbehorende wetsontwerp hebben geschreven. Die mening zijn voorzitter Barroso en ik ook toegedaan. We hebben het hier over de optimale oplossing. De voorzitter heeft in zijn inleidende verklaring al gezegd dat hij overweegt om een onafhankelijke autoriteit onder zijn eigen verantwoordelijkheid in het leven te roepen, die de effectbeoordelingen dan toetst. We zijn dus met plezier bereid om de dialoog met het Parlement voort te zetten. Dat geldt ook voor de comitologieprocedure. In dat verband, en ook in verband met alle andere punten die hier aan de orde zijn gesteld, zijn we het in hoge mate eens met de opvattingen van het Parlement.

Ik zou nogmaals willen benadrukken dat we dit project niet op een technische, bureaucratische of formalistische manier mogen behandelen. Dit is een bij uitstek politiek project. Daarmee willen we ertoe bijdragen dat het vertrouwen van de burgers in de Europese integratie groeit, en dat er voor onze economie een stabiel en betrouwbaar kader komt. Dan kunnen we het grote sociale probleem van onze tijd aanpakken, namelijk de toekomst van onze werkgelegenheid.

 
  
  

VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt dinsdag 16 mei plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Edith Herzog (PSE). - (HU) De rapporteur heeft uitstekend werk verricht bij het in kaart brengen van de obstakels in de wet- en regelgeving van de EU en van de lidstaten die het functioneren van de interne markt belemmeren. De oplossing is het herzien van de bestaande wetgeving en het beter en zorgvuldig opstellen van nieuwe wetgeving. De verantwoordelijkheid daarvoor berust bij de wetgever zelf. Noch de Commissie, die de wetten voorbereidt en uitvoert, noch de wetgevende instanties - de Raad en het Parlement - schuiven die verantwoordelijkheid op anderen af en zeker niet op externe organen.

In zijn hoedanigheid als wetgever heeft het Parlement een verantwoordelijkheid voor het herzien van de bestaande wetgeving. Ik vraag de Commissie dan ook met alle respect om op dit vlak, in de geest van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven, nauw met het Parlement samen te werken.

In verband met het opstellen van toekomstige regelgeving is het niet zinvol om de lange, bureaucratische procedures nog ingewikkelder te maken. Als wij vandaag een onafhankelijke, externe auditinstantie oprichten om de kwaliteit van effectbeoordelingen te onderzoeken, wat weerhoudt ons er dan morgen van om een onafhankelijk controleorgaan op te richten om de onafhankelijkheid van die auditinstantie te onderzoeken? In plaats van het oprichten van nog meer instanties om de procedures te onderzoeken waarvan gebleken is dat zij niet voldoen, zouden wij juist nieuwe, efficiëntere werkmethodieken moeten ontwikkelen om de regulering van de interne markt te verbeteren. Naast het herzien van de bestaande wetgeving dienen de Commissie, de Raad en het Parlement ook hun eigen procedures te evalueren en deze, indien noodzakelijk, op verantwoorde wijze aan te passen.

Tot slot zou ik de aandacht van de drie instellingen willen vestigen op het feit dat de samenleving alleen maar vertrouwen in en respect voor een Europese wetgeving zal hebben indien een volledige transparantie en sociale controle worden gewaarborgd.

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique Mathieu (PPE-DE). - (FR) De Europese wetgeving is veel te ingewikkeld en soms ook overbodig; met een goed doordachte herzieningsoperatie moet het mogelijk zijn iets te doen aan die nare en schadelijke ondoorzichtigheid.

Enerzijds is het van belang de bestaande wetgeving te verbeteren door het aantal wetten te beperken en de teksten te vereenvoudigen. In dit vereenvoudigingsproces moeten het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel zoals bij iedere andere goed te keuren maatregel in acht worden genomen. Dat betekent: de Europese Unie treedt op daar waar dat nodig is en alleen dan wanneer dat optreden doeltreffender is dan dat van de lidstaten afzonderlijk; en ze moet alles doen wat nodig is, maar ook niet méér dan wat nodig is.

Toepassing van deze op het eerste gezicht technische beginselen betekent dat beoordeeld moet worden in hoeverre de maatregel in kwestie in sociaal opzicht, in cultureel opzicht, enzovoort, als passend te beschouwen is, maar een doeltreffend mechanisme om te controleren of de beginselen zijn toegepast, ontbreekt ten enenmale. Deze lacune was in de Ontwerpgrondwet weggewerkt; in afwachting van de ratificatie van die tekst, moeten we dus stilstaan bij de vraag hoe een correcte toepassing gewaarborgd kan worden.

Anderzijds is het zaak het toezicht op de omzetting van het Gemeenschapsrecht te versterken, aangezien rechtsonzekerheid fnuikend is voor het concurrentievermogen van onze ondernemingen. Instelling van nationale contactpersonen is een zinvolle maatregel wanneer de controles een kwalitatieve en kwantitatieve analyse behelzen en een beoordeling van de sociale, economische en milieueffecten opgesteld moet worden. Die effectbeoordelingen moeten met elkaar vergeleken kunnen worden; ze moeten dus gestandaardiseerd worden. Daarvoor is het nodig dat het Europees Parlement zijn bevoegdheden terzake versterkt.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid