De Voorzitter. - Aan de orde is de mondelinge vraag (O-0002/2006) van Giuseppe Gargani, namens de Commissie juridische zaken, aan de Raad, over de herziening van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten (B6-0004/2006).
Giuseppe Gargani (PPE-DE), auteur. - (IT) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega’s, we discussiëren opnieuw over een zeer delicaat probleem in verband met de immuniteit, zoals we al vele malen hebben gedaan in dit Parlement.
Tot mijn eer heb ik namens de Commissie juridische zaken en haar coördinatoren dit debat met mijn vraag mogen openen. Ik geloof dat alle collega’s zich ervan bewust zijn dat in het Europees Parlement gemeenschappelijke regels met betrekking tot de immuniteit nodig zijn - dat is een historische ambitie van het Europees Parlement.
Twintig jaar geleden werd een verslag aangenomen van een collega van ons - Donnez was zijn naam - over de immuniteit van het Europees Parlement, teneinde een oplossing te vinden voor een situatie die twintig jaar geleden al te beperkt was en niet was opgewassen tegen het brede terrein van activiteiten dat het Europees Parlement, in zijn geheel, bestreek. Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten bepaalde dat de leden van het Europees Parlement niet kunnen worden vervolgd op grond van door hen geuite meningen of hun stemgedrag, maar tegelijkertijd werd erin verwezen naar de nationale wetgeving voor de vaststelling van de regels over de immuniteit.
In die tijd was dat logisch, omdat het Parlement toen een assemblee was van verschillende nationale parlementen; de regel had een ratio, een rechtvaardigingsgrond. Nu echter ontgaat het niemand dat dankzij de algemene verkiezingen en alle rechten die we in de tussentijd hebben verworven - en ook het Parlement heeft niet stilgezeten - er jurisprudentie is, dat de Commissie juridische zaken een zekere lijn volgt, dat zij ook in de afgelopen zittingsperiode andere eisen heeft geformuleerd en verdedigd, en erop heeft aangedrongen dat alle leden van het Europees Parlement een gemeenschappelijk statutair referentiepunt, een gemeenschappelijk organisatorisch referentiepunt krijgen.
Niet alleen de Commissie juridische zaken maar het hele Parlement beseft hoe lastig het voor de leden is om zich te beroepen op de nationale wetgeving: Engeland heeft bepaalde regels, Duitsland heeft andere regels en Italië heeft weer andere regels, die het vervolgens heeft gewijzigd. Dat komt het prestige van het Europees Parlement niet ten goede en leidt niet tot daadwerkelijke autonomie of onafhankelijkheid.
Na zo veel debatten moet zelfs u, mevrouw de Voorzitter, die nu de vergadering voorzit, het Statuut van de leden van haver tot gort kennen. We hebben het immers in de Commissie juridische zaken besproken en goedgekeurd, en hebben het maar liefst twee keer voorgelegd aan dit Parlement.
De Raad heeft echter tegengeworpen dat deze materie onder het primaire recht valt, en dus hebben we dat deel van het Statuut van de leden dat over de organisatie van de Vergadering ging, gewijzigd. Na een weliswaar moeizame procedure is daaruit een resultaat voortgekomen: de Raad - en dat is het probleem, geachte collega’s, mevrouw de Voorzitter - heeft zich ingezet voor de bijeenroeping van een intergouvernementele conferentie van de lidstaten, van alle landen, om te bekrachtigen wat wij in de Vergadering hadden besloten.
Mijns inziens hebben we nu een belangrijk evenwicht bereikt. We hebben hierover gediscussieerd en we hebben, met verziende blik, het Europees Parlement als geheel voorrechten toegekend die de rol van het Parlement benadrukken en de onafhankelijkheid ervan versterken.
Omdat de toezegging van de Raad al van mei 2005 dateert en het nu al bijna mei 2006 is, wilden wij met deze vraag aandringen op een snelle afsluiting. Onze collega Donnez probeerde dat twintig jaar geleden al, en zoals het Parlement met zijn stemming heeft aangetoond, beschouwt het dit nog steeds als belangrijk en fundamenteel. Dus moet de Raad onmiddellijk bekrachtigen wat we hebben besloten en vastgesteld. We hebben een grote sprong vooruit gemaakt en wanneer dat wordt erkend, kunnen we het Europees Parlement een veel belangrijkere en waardevollere rol geven.
Mevrouw de Voorzitter, zoals u weet was het deel van het Statuut dat wij hebben aangenomen het minst belangrijke deel. Dat heb ik tijdens dat debat ook gezegd, en ik herhaal het vandaag nog eens. In vergelijking daarmee is dit een fundamentele vraag, die te maken heeft met onze regels. Het belang van het Europees Parlement en onze rol - vooral onze rol - worden erdoor vergroot.
Mijn oproep aan de Raad is daarop gericht. Ik hoop dat het Parlement in zijn geheel daarmee rekening houdt en dat alle fracties, alle leden, elk voor zich, zich hierachter scharen, want alleen zo kunnen we druk uitoefenen op de Raad.
VOORZITTER: LUIGI COCILOVO Ondervoorzitter
Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijnheer Gargani, ik wil uw vraag graag in eerste instantie beantwoorden door te herhalen wat in het verleden al is gezegd: de Raad is verheugd dat het in juli van het afgelopen jaar, na lange onderhandelingen, is gelukt om een Statuut aan te nemen voor de leden van het Europees Parlement. Daarmee krijgen de leden met ingang van de volgende zittingsperiode, in 2009, dezelfde voorwaarden voor het uitoefenen van hun mandaat. De Raad heeft zich in een verklaring over het Statuut inderdaad in principe bereid getoond om het vraagstuk van een wijziging van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de leden van het Parlement bij aanneming van het Statuut te onderzoeken. Vanzelfsprekend zal de Raad die bereidheid gestand doen, en ik benadruk nogmaals dat die principiële bereidheid bestaat, zij het ook dat het Statuut, zoals u weet, pas in 2009 bij de installatie van het nieuwe Parlement van kracht zal worden.
Met betrekking tot het bijeenroepen van een intergouvernementele conferentie wil ik er in de eerste plaats graag op wijzen dat de procedure daarvoor is vastgelegd in artikel 48 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en dat overeenkomstig dat artikel de regering van elke lidstaat en de Commissie voorstellen kunnen doen aan de Raad voor wijziging van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest. Overeenkomstig lid 2 van dat artikel zal de Voorzitter van de Raad een conferentie bijeenroepen van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, als de Raad na raadpleging van het Europese Parlement, en eventueel van de Commissie, een gunstig standpunt inneemt ten aanzien van de bijeenroeping van een dergelijke conferentie. Dat zijn de regels in het Verdrag betreffende de Europese Unie.
Als vertegenwoordiger van de Raad zou ik bij het beoordelen van de vraag of aan de voorwaarden voor het bijeenroepen van intergouvernementele conferentie is voldaan, echter graag iets ter overweging willen meegeven. Als we op dit moment een dergelijke conferentie zouden houden, zou dat een onderbreking zijn van de denkpauze, die juist bedoeld is om fundamenteel over de doelstellingen en de toekomst van Europa na te denken. Of het doelmatig is alleen omwille van een herziening van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de leden van het Parlement een dergelijke intergouvernementele conferentie bijeen te roepen, laat ik in het midden. Ik moet toegeven dat wij, vanuit ons standpunt bekeken, twijfels hebben of een dergelijke conferentie, die uitsluitend betrekking heeft op de voorrechten en immuniteiten van Parlementsleden, er op dit moment toe zal bijdragen om het vertrouwen van de burgers in het Europees Parlement te vergroten. Misschien zal daarvoor niet veel begrip zijn.
Overigens, op grond van de formulering van de huidige vraag zal de Raad er waarschijnlijk van uitgaan dat het Europees Parlement niet van zins is nieuwe inhoudelijke voorstellen te doen, maar de voorstellen van het vorige Parlement nogmaals zal bevestigen. Dat is belangrijk voor het toekomstige werk. Zoals u weet, is het in ieder geval aan de vertegenwoordigers van de lidstaten, die aan een eventuele intergouvernementele conferentie zullen deelnemen, om te bepalen wat de grondslag zal zijn voor hun debatten. Vanzelfsprekend kan het voorzitterschap van de Raad op dit moment niet voorspellen wat een autonome intergouvernementele conferentie zal besluiten.
Ik wilde niettemin deze ietwat algemenere opmerkingen in dit debat maken. Het gaat er niet om of de Raad een door hem aangegane verplichting nakomt of niet. Vanzelfsprekend zal de Raad die nakomen. De vraag is alleen of dit het goede moment is om een dergelijke stap te zetten, nu het alleen gaat om de herziening van de Verdragen met betrekking tot de voorrechten en immuniteiten.
Maria da Assunção Esteves, namens de PPE-DE-Fractie. - (PT) Mijnheer de Voorzitter, voor het politieke Europa dat we willen opbouwen hebben we een nieuwe juridische en institutionele basis nodig en dus ook een Statuut voor de leden van het Europees Parlement.
Elk Parlement heeft een speciaal statuut voor zijn leden. Daarin is vastgelegd wat onder autonomie en vertegenwoordiging moet worden verstaan. Het speciale Statuut van de leden van het Europees parlement gaat echter nog verder - het geeft aan wat de rol van het Parlement moet zijn bij de ontwikkeling van een politieke Europese Unie.
Een gemeenschappelijk Statuut van de leden van dit Parlement, met een adequate regeling van de voorrechten en immuniteiten, is een absolute voorwaarde voor een steeds sterker geïntegreerde politieke Unie. We gaan er immers van uit dat het vertegenwoordigingssysteem op dit niveau op democratische beginselen berust. Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten maakt integraal deel uit van het Statuut waar ik het nu over heb. Het staat los van de voorrechten en immuniteiten van de overige functionarissen van de Unie. We mogen ook niet toestaan dat ons Statuut, als gevolg van de verschillende voorkeuren van de lidstaat, verbrokkelt.
De vraag die het Parlement de Raad vandaag stelt is niet uitsluitend van formele aard. Wat wij met onze vraag proberen duidelijk te maken is dat er een verschil is tussen een concept waarin Europa als een geïntegreerde democratische structuur wordt voorgesteld, met het Parlement als spil, en een concept waarin Europa een gefragmenteerde structuur vertoont.
Met de herziening van het stelsel van voorrechten en immuniteiten lost de Raad overigens een eerder gedane belofte in. Over een nu dan wel later te houden intergouvernementele conferentie kan gepraat worden. Duidelijk is dat aan de verlangde wijziging van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten gevolg moet worden gegeven. Wij vinden ook dat de intergouvernementele conferentie moet luisteren naar wat het Parlement te zeggen heeft, nu en in de toekomst.
Katalin Lévai, namens de PSE-Fractie. - (HU) Ik ben het eens met de voorzitter van de Commissie juridische zaken, de heer Gargani, dat het Statuut van de leden van het Europees Parlement een belangrijk onderwerp is dat we moeten aanpakken. Ik vind het buitengewoon betreurenswaardig dat het Parlement er gedurende de afgelopen decennia niet in geslaagd is op basis van een eigen voorstel een bevredigende oplossing te vinden voor dit belangrijke vraagstuk en voor de status van zijn leden. Mijns inziens moeten we het Parlement het recht geven de juridische status op eigen initiatief wettelijk te regelen.
Laten we niet vergeten dat het Europees Parlement de enige rechtstreeks gekozen Europese instelling is, waardoor het de wil belichaamt van de Europese burgers en de nationale soevereiniteit. Als zodanig speelt het een cruciale rol in de vermindering van het democratisch deficit van het Europese institutionele bestel, via de totstandbrenging van een Europa van de burgers en het overbruggen van de kloof tussen de burgers en de instellingen van de Europese Unie. Het is onmiskenbaar van groot belang dat er een intergouvernementele conferentie gehouden wordt, en in plaats van te redetwisten kunnen we beter alle belangenconflicten die dit verhinderen achter ons laten. Het gaat hier immers om een uitermate belangrijk onderwerp. De dalende opkomst bij de Europese verkiezingen en het feit dat het Europese constitutionele proces - hopelijk slechts tijdelijk - tot stilstand is gekomen, evenals het ‘nee’ van Frankrijk en Nederland in de nationale referenda over de Grondwet, laten allemaal zien dat het nu meer dan ooit dringend noodzakelijk is de Europese gedachte te verwezenlijken onder de burgers.
Zolang er echter geen mogelijkheid is het statusvraagstuk op bevredigende wijze op te lossen, kunnen de betreurenswaardige gebeurtenissen die we aan het eind van de vorige cyclus hebben meegemaakt zich opnieuw voordoen, en het vertrouwen van de burger zal dan alleen maar verder dalen. Ik stel dan ook voor dat wij de aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement zo spoedig mogelijk op de agenda zetten.
Marek Aleksander Czarnecki (NI). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het debat van vandaag gaat over de herziening van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van leden van het Europees Parlement. Mijns inziens moeten we onze aandacht in de allereerste plaats toespitsen op een zo snel mogelijke wijziging van de regels inzake de immuniteit van de leden van het EP. De huidige situatie is verre van ideaal. Er zijn binnen de Europese Unie evenveel regelgevingen als lidstaten. Elk land heeft zijn eigen regels. Die situatie is onverenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en belemmert een tijdig onderzoek van dergelijke kwesties door de Commissie juridische zaken van het Parlement. We moeten een uniform stelsel invoeren, een stelsel dat voor leden uit alle landen binnen de Europese Unie hetzelfde is. Een dergelijke regelgeving zou tevens het soort praktijken onmogelijk maken waarmee we meer dan eens geconfronteerd zijn geweest, namelijk dat regeringen in afzonderlijke landen, in het kader van hun campagne tegen ongewenste oppositie, ongegronde beschuldigingen uiten aan het adres van de leden van het Europees Parlement.
Manuel Medina Ortega (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat de vertegenwoordiger van de Raad, de heer Winkler, een adequaat antwoord heeft gevonden op de situatie waarin we ons vandaag bevinden: we hebben de Grondwet nog niet kunnen aannemen, en bovendien, als we op dit moment een debat zouden houden over de voorrechten en immuniteiten van de leden van het Europees Parlement, zouden we waarschijnlijk tot de conclusie komen dat het grootste deel van de Europese publieke opinie niet bereid is om de leden van dit Parlement de voorrechten en immuniteiten te geven die we nu hebben.
Want op dit moment zou ik, als parlementariër - en ik meen dit echt - liever geen enkel voorrecht en geen enkele immuniteit hebben: ik zou liever behandeld willen worden als iedere andere burger van de Europese Unie. En dat zeg ik ook omdat in het verleden, meer concreet tijdens de vorige zittingsperiode, dit Parlement misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden op het gebied van voorrechten en immuniteiten om een bepaald soort criminele activiteiten te camoufleren.
Ik denk dat er op dit moment twee mogelijkheden zijn. Als de rechterlijke macht in alle lidstaten onafhankelijk en onpartijdig is, is dat de beste garantie die we kunnen hebben. Er zijn al landen die geen enkel voorrecht erkennen, dat zijn er zeker twee of drie. Ik denk dat als we op dit moment het debat over het Statuut zouden houden, dit Parlement zou moeten voorstellen om, met betrekking tot de parlementariërs, eenvoudigweg afstand te doen van alle voorrechten en immuniteiten, die de burgers ook niet hebben. Als de burgers zich moeten onderwerpen aan justitie en justitie moeten vertrouwen, zie ik niet in waarom de leden van het Europees Parlement een voorkeursbehandeling moeten krijgen.
In ieder geval ben ik het eens met de woorden van de heer Winkler, die het juridische aspect heeft belicht en die gelijk heeft: dit is niet het moment om een debat en een intergouvernementele conferentie over dit onderwerp te houden, en als we dat toch zouden doen, zouden we in dit Parlement de situatie moeten heroverwegen gelet op onze relatie met de burgers.
Giuseppe Gargani (PPE-DE), auteur. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, in mijn toespraak van daarnet heb ik iets vergeten, dat mijns inziens tot de Europese juridische doctrine behoort: immuniteiten zijn geen voorrecht van individuele leden van het Parlement, maar van de instelling als geheel.
Volgens mij vloeit dat aspect voort uit de historische traditie, uit de voornaamste betekenis van de immuniteit. Collega’s, het moet gezegd dat iets anders beweren of uitzonderingen op deze regel proberen te vinden, demagogisch is. We hebben dit al zo vaak bediscussieerd en goedgekeurd, zowel in de Commissie als in de plenaire vergadering, en we hebben een maatregel vastgesteld. Als de Raad vlot had gereageerd, als de voorzitterschappen van de vorige semesters wat vlotter waren geweest, was deze maatregel nu al bekrachtigd door de Raad.
Aangezien dit voorrecht de rol en de onafhankelijkheid van het Parlement vergroot, zou het niet alleen tot eer van het huidig fungerend voorzitterschap strekken als de Raad dit thema op de agenda zet, maar zou het misschien zelfs de weg vrij maken voor een Grondwet.
De rem die op het Grondwettelijk Verdrag is gezet, of de moeilijkheden waarop dat Verdrag bij de goedkeuring in Europa stuit, mogen de rol van het Parlement als geheel niet in gevaar brengen. Er zijn weliswaar nationale referentiepunten, maar die spelen een bescheiden rol. Het Europees Parlement wordt immers in algemene verkiezingen gekozen.
Hans Winkler, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil graag over een ding heel duidelijk zijn: mijn uitlatingen mogen uiteraard niet worden opgevat als een afwijzing van de gerechtvaardigde voorrechten van parlementariërs. Die bestaan in al onze staten, ze hebben hun rechtvaardiging, en natuurlijk erkent de Raad die.
Het spreekt vanzelf dat wij, als voorzitterschap van de Raad, de hier geuite wens aan de lidstaten zullen voorleggen en hen daarbij op alle elementen zullen wijzen, ook op de hier al meermaals geciteerde verklaring. Het nieuwe Statuut zal in elk geval in 2009 in werking treden. Als een eventuele intergouvernementele conferentie nu een besluit zou nemen, moet dat besluit natuurlijk door alle lidstaten van de Europese Unie worden geratificeerd, in overeenstemming met hun constitutionele voorschriften.
Zelfs als nu meteen een intergouvernementele conferentie zou worden bijeengeroepen - wat ik evenwel, zoals ik al zei, nu niet passend zou vinden - en een dergelijke regeling zou aannemen, is het nauwelijks voorstelbaar - of eerder onwaarschijnlijk - dat die regeling van kracht kan worden voor aanvang van de volgende zittingsperiode van het Europees Parlement.
Tot besluit wil ik nog ingaan op de vraag die in het debat werd opgeworpen inzake de medewerking van het Europees Parlement aan een dergelijke intergouvernementele conferentie. Ik wil hierover slechts kwijt dat een dergelijke bijdrage en de omvang ervan dan natuurlijk moeten worden neergelegd in het besluit van de Raad over het bijeenroepen van de intergouvernementele conferentie, waar de modaliteiten voor het betrekken van andere instellingen bij de conferentie moeten worden vastgelegd.
De Voorzitter. - Tot besluit van het debat zijn er twee ontwerpresoluties ingediend(1), overeenkomstig artikel 108, lid 5 van het Reglement.