Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. – (SV) De Commissie stelt voor om de invoerheffingen op bepaalde soorten ongedopte rijst uit India en Pakistan op te heffen, wat wij uitstekend vinden. Wij Zweedse conservatieven steunen dit voorstel dan ook.
Tegelijkertijd wordt voorgesteld om de quota voor een aantal andere soorten rijst uit de Verenigde Staten en Thailand te handhaven, conform de overeenkomsten die de Commissie met deze respectieve landen heeft gesloten.
Wij vinden dat alle invoerheffingen moeten worden afgeschaft, omdat invoerheffingen schadelijk zijn voor zowel het uitvoerende land als de consumenten in de EU en de algemene economische ontwikkeling.
Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Verordening (EG) nr. 1785/2003 dient gewijzigd te worden om rekening te kunnen houden met de gewijzigde bepalingen voor de invoer van rijst uit hoofde van de overeenkomsten tussen de Commissie en India (Raadsbesluit 2004/617/EG van 11 augustus 2004), Pakistan (Raadsbesluit 2004/618/EG van 11 augustus 2004), de Verenigde Staten van Amerika (Raadsbesluit 2005/476/EG van 21 juni 2005) en Thailand (Raadsbesluit 2005/953/EG van 20 december 2005).
Deze overeenkomsten leggen de douanevoorwaarden voor de invoer vast en houden daarbij rekening met de aard van het product en de ingevoerde hoeveelheden. Krachtens de overeenkomsten heeft de Commissie toestemming om gedurende een overgangsperiode af te wijken van Verordening (EG) nr. 1785/2003. Daar die mogelijkheid beperkt was tot 30 juni 2006, is het nu dringend nodig de tekst van de geldende verordening te wijzigen.
Daarom ben ik het eens met het Commissievoorstel en keur ik het verslag van Joseph Daul goed.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Wij hebben tegen dit verslag gestemd. Wij vinden dat de handel in rijst in beginsel vrij moet zijn. Dat zou de huishoudkas van de consumenten ten goede komen.
Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Grosso modo stem ik in met de goedkeuring van dit document.
De opzegging van de Visserijovereenkomst tussen de EU en Angola was onvermijdelijk gezien de ontstane verplichtingen ten gevolge van het nieuwe Angolese wettelijke kader, die onverenigbaar zijn met de EU-beginselen betreffende partnerschapsovereenkomsten met derde landen.
Ik ben het zowel eens met het voorstel het huidige FIOV flexibeler te maken als met de uitzonderingsmaatregelen in het voorstel. In het kader van de wederkerigheid meen ik echter dat de Europese Unie met de nodige aandacht de visserijactiviteiten van de communautaire reders die van deze maatregelen gebruik zullen maken, dient te volgen.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Het voorstel van de Commissie onderscheidt zich van de meeste voorstellen inzake visserijovereenkomsten met derde landen, omdat de EU, in plaats van de overeenkomst te verlengen of een nieuw protocol in te voeren, de onderhavige overeenkomst met Angola opzegt. De Zweedse partij Junilistan stemt consequent tegen verlengingen van visserijovereenkomsten en juicht het daarom toe dat deze overeenkomst wordt opgezegd. We hebben daarom voor dit verslag gestemd.
De reden waarom de overeenkomst wordt opgezegd, is dat de Commissie het niet eens is met de Angolese wetgeving over de biologische aquatische rijkdommen. De rapporteur betreurt het dat de Gemeenschap en de Angolese autoriteiten er niet in geslaagd zijn om het eens te worden over een overeenkomst. Wij betreuren het eerder dat de EU nog steeds de bedoeling heeft om nieuwe destructieve visserijovereenkomsten te sluiten en om bestaande overeenkomsten te verlengen.
De Commissie en het Europees Parlement beseffen niet dat de visserijovereenkomsten met derde landen negatieve gevolgen hebben voor de bevolking in de betrokken landen. Wij hebben dus een heel andere invalshoek dan de rapporteur bij onze visie op de visserijovereenkomsten van de EU met derde landen.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) De opzegging van de overeenkomst betekent niet alleen dat er vangstmogelijkheden en bijgevolg werkgelegenheid en toegevoegde waarde verloren gaan, maar ook dat er omschakelingskosten moeten worden gemaakt voor de vaartuigen die van de visserij in de Angolese wateren afhankelijk zijn.
Ik betreur de opzegging en ben van oordeel dat alle reële mogelijkheden voor de betroffen vaartuigen om in andere wateren of in het kader van andere visserijovereenkomsten te gaan vissen, uitvoerig dienen te worden onderzocht. Er moet ook onderhandeld worden over nieuwe vangstmogelijkheden of ongebruikt gebleven bestaande mogelijkheden. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld dat de vaartuigen in Angola blijven en daar vissen door de oprichting van joint ventures. De arbeidsplaatsen dienen behouden te blijven en de sloop van vaartuigen moet voorkomen worden.
Daarom zijn er maatregelen nodig om de omschakeling van deze vissersvaartuigen te vergemakkelijken. Zij kunnen bijvoorbeeld vrijstelling verkrijgen van de verplichting tot terugbetaling van de in de voorbije tien jaar ontvangen bouw- en moderniseringspremies en de in het kader van het FIOV uitgekeerde steun wegens tijdelijke stillegging.
Joint ventures met derde landen dienen gebaseerd te zijn op echte samenwerkingsprojecten die wederzijds voordeel opleveren en mogen er niet toe leiden dat vloten en visserijactiviteiten de landen van de Gemeenschap verlaten, met het daaruit voortvloeiende verlies van arbeidsplaatsen en bedrijvigheid in de hele sector.
Othmar Karas (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, het verslag over de plaats van levering van diensten houdt zich bezig met de belastingheffing op diensten die worden geleverd aan niet-belastingplichtigen. Het is een uitvloeisel van het nu alweer drie jaar geleden gepresenteerde verslag van de Commissie over de wijziging van de regeling betreffende de belasting van diensten aan belastingplichtigen en heeft dus betrekking op de business-to-business-sector.
Het Parlement heeft geen substantiële wijzigingen aangebracht, en wel om de volgende redenen: ten eerste biedt het voorstel van de Commissie een coherent kader voor de wijzigingen van de zesde BTW-richtlijn die al drie jaar geleden zijn voorgesteld. Ten tweede is met dit kader een goed compromis gevonden tussen het heffen van belasting op de plaats van verbruik en de administratieve lasten voor de Europese ondernemingen. Ten derde is het voorstel een belangrijke stap in de richting van een herziening van het Europese BTW-stelsel in een veranderde omgeving. In de vierde plaats hopen we dat de Raad deze regeling samen met de voorgestelde one-stop shop voor ondernemingen zal invoeren, omdat op die wijze de bureaucratische rompslomp voor de bedrijven in Europa kan worden verminderd.
Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Na de weinig glorieuze episode van de dienstenrichtlijn zou het opnieuw ter discussie stellen van het oorsprongslandbeginsel - dit keer met betrekking tot de BTW-heffing op de levering van diensten - alweer een stap in de verkeerde richting zijn. Als de ideeën uit het verslag-Karas in de praktijk worden gebracht, zou dit negatieve en gevaarlijke gevolgen hebben. De Commissie en een groot aantal landen in de Raad zouden namelijk willen dat de plaats van verbruik bepalend werd voor de levering van diensten, en niet langer de plaats van waaruit de dienst wordt geleverd. Als wij echter het oorsprongslandbeginsel zouden afschaffen, dan zou er een ingewikkeld, bureaucratisch, oncontroleerbaar en derhalve onuitvoerbaar systeem ontstaan.
Uitgaan van de plaats van verbruik druist in tegen de beginselen die tot voor kort het op communautair niveau toepasbare BTW-systeem regelden. De lidstaten hebben behoefte aan stabiliteit en voorspelbaarheid om hun overheidsfinanciën te kunnen beheren. Aangezien de communautaire wetgeving op bijvoorbeeld het gebied van de elektronische handel nog maar zeer onlangs is ingevoerd, is het onredelijk om alles te willen omgooien.
Esko Seppänen (GUE/NGL). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, de politieagenten Michaelis en Proske beweren dat onze collega, de heer Pflüger, hen bij een demonstratie in München voor klootzak ofwel Arschkopf heeft uitgemaakt. Volgens de heer Pflüger hoort dit woord helemaal niet tot zijn vocabulaire. Daarom wil ik zeggen dat de heer Michaelis en de heer Proske echte klootzakken ofwel Arschköpfe zijn door te beweren dat onze collega dit heeft gezegd. Daarom heb ik tegen dit verslag gestemd.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het besluit van de meerderheid van het Parlement om de immuniteit op te heffen van Tobias Pflüger, die als kandidaat van de PDS in Duitsland tot lid van het Parlement is gekozen en deel uitmaakt van de Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links, is van bijzondere betekenis.
Het is een ongehoord, duidelijk politiek getint besluit dat een ernstig precedent schept. De aanleiding ervoor was namelijk de deelname van het lid aan een manifestatie tegen de zogenaamde “Veiligheidsconferentie van München”, die elk jaar in deze Duitse stad plaatsvindt.
Dit is de vierde aanklacht die Tobias Pflüger ontvangt in verband met zijn deelname aan deze manifestatie. In 1999 heeft de Rechtbank van München de beschuldigingen ingetrokken, in 2003 is de zaak geseponeerd en in 2004 heeft de politie zelfs formeel haar verontschuldigingen aangeboden. In dit geval gaat het om 2005, toen Tobias Pflüger voor de eerste keer als lid van het EP deelnam aan deze manifestatie.
Het verzoek tot opheffing van de immuniteit is gedaan door het ministerie van Justitie van de Bondsrepubliek Duitsland. Op voorstel van de heer Speroni, van de Italiaanse Lega Nord uit Italië, heeft de meerderheid van het Parlement het verzoek ingewilligd. Bij lezing van het verslag van de Commissie juridische zaken van het EP is het nu genomen besluit onbegrijpelijk en kwalijk.
Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, het compromis waarover we vandaag hebben gestemd, juich ik in principe toe. We mogen alleen niet uit het oog verliezen dat primair de staat verantwoordelijk is voor de aanpak van het probleem van overgewicht, met name bij kinderen. Natuurlijk hebben we mondige consumenten nodig, zodat ze een juiste beslissing kunnen nemen. Desalniettemin moeten we niet onze toevlucht nemen tot een Europese regeldrift en het bedrijfsleven met zaken opzadelen die het eigenlijk niet kan waarmaken. Daarom vind ik informatie prima, maar laat de staat nu ook maatregelen nemen om het probleem van overgewicht effectief aan te pakken.
Andreas Mölzer (NI). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, natuurlijk is het ook de taak van de Europese Unie om iets te ondernemen tegen de toename van ziekten die nauw samenhangen met onze voeding. Gezien de uitgesproken scepsis die veel Europeanen jegens de gentechnologie koesteren en in het licht van de uitspraak die de WTO kortgeleden heeft gedaan, zou Europa naar mijn opvatting zo snel mogelijk moeten laten onderzoeken wat op de middellange en lange termijn de schadelijke gevolgen van genvoedsel voor de gezondheid zijn. Dan zouden we de burgers eindelijk ook hierover enige duidelijkheid kunnen verschaffen.
Natuurlijk mogen we in dit verband ook de radioactieve besmetting van bepaalde voedingsmiddelen niet vergeten, die twintig jaar na Tsjernobyl nog altijd voorkomt en waarvan de effecten nog altijd niet voldoende zijn onderzocht.
Jan Andersson, Anna Hedh, Ewa Hedkvist Petersen, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. – (SV) Wij Zweedse sociaal-democraten hadden het liefst gezien dat het Parlement zich had geschaard achter de sterkere voorstellen die zowel in het oorspronkelijke verslag van de Commissie als in het gemeenschappelijke standpunt van de Raad stonden. Het was echter niet mogelijk om tot een overeenkomst te komen waarin deze voorstellen zijn opgenomen.
Wij vinden het bereikte compromis het beste resultaat dat we op dit moment kunnen bereiken. Het compromis geeft krachtige steun aan de consumentenbescherming en maakt het eenvoudiger voor de consumenten om gezonde keuzes te maken als ze dat willen. Daarom hebben wij het compromis gesteund en er in zijn geheel voor gestemd.
Gérard Deprez (ALDE), schriftelijk. - (FR) Vandaag hebben wij, na een hevige strijd, een akkoord tussen het Parlement en de Raad kunnen bereiken over het reglementeren van de claims die op levensmiddelen worden vermeld, en tegen iedere verwachting in is dit reeds in het stadium van de tweede lezing gelukt.
Daar ben ik blij om.
De tekst die wij hebben aangenomen heeft - in ieder geval - een tweeledige doelstelling, namelijk enerzijds het voorkomen van bepaalde misleidende reclameboodschappen of claims, en anderzijds het voorkomen van zwaarlijvigheid.
Door deze tekst aan te nemen, zetten wij een concrete stap: wij laten de Europese burgers - die in toenemende mate lijken te twijfelen aan het nut van ons Europese integratieproject - hiermee zien, dat Europa dagelijks vooruitgang boekt, dat het praktische regels produceert die hun dagelijks leven verbeteren - in dit geval door hen in staat te stellen bewust te kiezen wat zij eten -, kortom, dat Europa ergens toe dient!
Voor de consumenten is een adequate etikettering namelijk onontbeerlijk, en persoonlijk ben ik er blij om dat de verpakking van een product dat “vetarm” is, maar dat tevens een “hoog gehalte aan suiker” heeft, voortaan beide vermeldingen op dezelfde zijde moet bevatten, terwijl ze allebei even goed leesbaar moeten zijn!
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het vandaag aangenomen verslag is een verbetering in vergelijking met de tekst die het resultaat was van de eerste lezing. De voorwaarden voor het gebruik van voedings- en gezondheidsclaims zijn nu strenger geformuleerd. Een gevarieerde en evenwichtige voeding is een vereiste voor een goede gezondheid en de invloed van de afzonderlijke producten in de totale voeding is relatief gering.
Aan de andere kant dienen zowel gezondheids- als voedingsclaims wetenschappelijk te zijn onderbouwd door rekening te houden met alle beschikbare wetenschappelijke gegevens en door de bewijzen te vergelijken. Dat staat nu in de goedgekeurde voorstellen, waaraan ook mijn fractie haar steun heeft gegeven. Wij betreuren het evenwel dat er een amendement is aangenomen dat een uitzondering maakt voor de voedingsprofielen.
Hoewel het goedgekeurde compromis op een aantal punten niet aan onze verwachtingen beantwoordt, geeft het toch een bepaalde mate van bescherming en informatie voor de consument en probeert het de rechten van de KMO’s te beschermen.
Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. – (SV) Stemverklaring inzake het verslag-Poli Bortone betreffende het voorstel tot de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen.
De ontwerpverordening van de Commissie betreffende voedings- en gezondsheidsclaims is gebaseerd op diverse vooronderstellingen die wij twijfelachtig vinden: niet alleen dat er een absolute waarheid bestaat over wat gezond is en dat verkoopargumenten en reclame negatieve zaken zijn die moeten worden gereguleerd, maar ook dat de voedingsgewoonten van de burgers kunnen worden gestuurd door politieke besluiten. Tenslotte wordt ervan uitgegaan dat dit een politieke taak voor de EU is.
Geen van deze vooronderstellingen zijn juist. Er bestaat geen absolute waarheid over wat schadelijk of nuttig is; er worden nieuwe ontdekkingen gedaan en men komt terug van oude waarheden, en daarom is het regelrecht ongepast om de burgers door politieke besluiten tot een bepaald gedrag te dwingen. Met politieke besluiten kan men niet garanderen dat de burgers een evenwichtig voedingspatroon aannemen, en men kan er ook het nut van afzonderlijke producten in een bepaalde context niet mee vaststellen. Iedereen moet op zijn eigen voorwaarden de verantwoordelijkheid voor zijn voeding op zich nemen. Producten die op nieuwe ontdekkingen zijn gebaseerd moeten een kans krijgen een plaats op de markt te veroveren om daar met bestaande producten te concurreren.
Op dit moment is er geen mogelijkheid om tegen het voorstel van de Commissie te stemmen, en daarom kiezen wij ervoor om voor het voorstel van het Europees Parlement te stemmen, omdat dat tot minder regels leidt dan het voorstel van de Commissie en het gemeenschappelijk standpunt van de Raad.
Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Dit Commissievoorstel dicht een aantal leemtes en presenteert een strategie voor de komende jaren betreffende de informatie voor de consument over de gebruikte levensmiddelen.
Meer precieze en bondige informatie voor de consument kan ertoe bijdragen problemen als hart- en vaartziekten en zwaarlijvigheid te verminderen.
De aangenomen compromisamendementen vormen een aanzienlijke verbetering van het oorspronkelijke voorstel, dat ik ontoereikend acht en slecht onderbouwd.
Het opnemen van ingevoerde producten, de speciale aandacht ten aanzien van voor kinderen bestemde levensmiddelen, makkelijker toegang voor KMO’s, het uitsluiten van verse en niet voorverpakte producten en het verbieden van gezondheidsclaims voor alcoholhoudende dranken (met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 procent) maken de richtlijn krachtiger en vollediger.
Daarom stem ik in met het Commissievoorstel en met het verslag-Poli Bortone.
Christa Klaß (PPE-DE), schriftelijk. – (DE) Ondanks lange discussies en veel lobbywerk zijn we er niet in geslaagd weer grip te krijgen op de realiteit. Doorslaggevend is niet de samenstelling van een bepaald voedingsmiddel, maar de algehele wisselwerking tussen gezonde, evenwichtige voeding en specifieke individuele omstandigheden zoals werkzaamheden, leeftijd en geslacht.
Al dit soort factoren zouden moeten uitmonden in een profiel. Aangezien die factoren echter voortdurend veranderen, moeten we erkennen dat er geen voedingsprofielen zijn. De enige methode is die van onderwijs en opvoeding. In Duitsland noemen de plattelandsvrouwen dat “leren hoe je jezelf moet redden”. Dat kan het beste plaatsvinden in het gezin, op school en via algemene vorming. Verder hoop ik dat de verdergaande suggestie van een “verkeerslichtetiket” niet meer is dan een flauwe grap.
Maar wie weet wat “zulke intelligente mensen” zoal niet te binnen kan schieten. Een voorbeeld voor de onrealistische aanpak is dat dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent (wijn) niet van claims mogen worden voorzien. Aan de ene kant wordt gevraagd om wetenschappelijke profielen, aan de andere kant wordt het verbreiden van wetenschappelijke inzichten verboden.
Bovendien valt wijn al onder bestaande EU-verordeningen. Die moeten ook in dit geval van toepassing zijn. We hebben weliswaar veel gediscussieerd, maar nog niet genoeg, zoals uit het compromis blijkt. Ik heb de amendementen gesteund in de hoop dat het ondeugdelijke compromis daardoor acceptabel wordt.
Marie-Noëlle Lienemann (PSE), schriftelijk. - (FR) Ik stem in met de compromistekst betreffende de verordening inzake voedings- en gezondheidsclaims, die enige punten van vooruitgang bevat, zoals met name artikel 4, dat bepaalt dat er wetenschappelijk onderzoek moet worden verricht, voordat er claims mogen worden gedaan. Desalniettemin vond ik het belangrijk om tegen alle amendementen (90, 66 en 17) te stemmen die reële risico’s voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Het zou gevaarlijk zijn om claims op levensmiddelen te handhaven die - doordat ze een onvolledig beeld geven - de consumenten zouden kunnen misleiden.
Het is bijvoorbeeld onaanvaardbaar om op een product de vermelding “suikervrij” op de voorgrond te stellen, terwijl ditzelfde product veel vet zou blijken te bevatten.
Zwaarlijvigheid rukt steeds verder op in Europa en steeds meer kinderen krijgen hiermee te maken. Het is van essentieel belang om deze plaag te bestrijden door mensen niet tot overmatige voedselconsumptie aan te zetten en door de consumenten niet langer zand in de ogen te strooien. Wij moeten hen juist in de richting van evenwichtige producten leiden.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik ben heel tevreden met dit verslag. We zouden op deze wijze kunnen aanzetten tot een eerlijker en begrijpelijker etikettering van voedingswaren. Het zou voor bedrijven nu moeilijker moeten worden hun producten van misleidende informatie te voorzien.
Jean-Claude Martinez (NI), schriftelijk. - (FR) Het is een goede zaak om voedingsclaims te willen controleren, zodat voorkomen kan worden dat handelaars in cholesterol en suikerziekte hun mierzoete dranken en supervette levensmiddelen verkopen met de misleidende claim dat hun producten zoveel energie zouden verschaffen.
Om in dit gezondheidsstreven tegen zwaarlijvigheid en tegen alcoholisme echter ook wijn te willen betrekken, zoals de commissaris gisteren deed, is ontoelaatbaar. Wijn is beslist geen alcoholische drank die door middel van industriële processen wordt vervaardigd, maar een drank die ontstaat uit de natuurlijke gisting van verse druiven. In Europa staat wijn niet gelijk aan water plus chemie plus aromastoffen, zoals het geval is in de Wineries van Californië of Australië, maar is het een voedingsmiddel op basis van gefermenteerde druiven.
Dan moeten wij dat ook kunnen zeggen. Dan moet het mogelijk zijn om claims te doen betreffende het positieve effect dat wijn met zijn antioxidanten op de voeding en de gezondheid heeft. Hoe kun je anders verklaren dat het geografische gebied van de wijnbouw samenvalt met het gebied waar de beschaving is geworteld, terwijl het geografische gebied van de noordse landen, met hun hang naar eugenetica en obsessie voor gezondheid, ook het gebied is van dronkenschap, skinheads en cyclische depressies, dat bovendien geen enkel cultureel wonder van formaat heeft voortgebracht?
Linda McAvan (PSE), schriftelijk. – (EN) De socialistische afgevaardigden steunen de vandaag bereikte overeenkomst over de etikettering van voedingsmiddelen met informatie over voedingswaarde en gezondheid. We beseffen dat dit een compromis is. Bij een aantal aspecten van dit akkoord hebben we onze reserves, en dat geldt vooral voor amendement 66. We hadden de voorkeur gegeven aan de tekst van het gemeenschappelijk standpunt. Daarin werden geen uitzonderingen toegestaan. De nieuwe wet betekent hoe dan ook een stap voorwaarts bij de etikettering van voedingswaren voor consumenten. Het normatief kader als geheel is zo beslist verbeterd. Dat is de reden waarom we dit compromis hebben aanvaard.
Angelika Niebler (PPE-DE), schriftelijk. – (DE) Ik wijs de verordening inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen in de door de lidstaten vastgestelde versie af.
De verordening wil dat in de toekomst voor alle levensmiddelen voedingsprofielen worden opgesteld. Verder mogen levensmiddelen alleen met voedings- en gezondheidsclaims worden aangeprezen, wanneer die claims vooraf zijn erkend middels een uniforme procedure die voor heel Europa geldt.
Deze regels, die zogenaamd bedoeld zijn om verkeerde voedingsgewoonten tegen te gaan, leiden echter tot veel technische en bureaucratische rompslomp voor de producenten van levensmiddelen, zonder dat het probleem bij de wortel wordt aangepakt: overgewicht kan niet door regulatieve ingrepen, maar alleen door veranderingen in het voedings- en leefpatroon effectief worden bestreden. Wat nodig is, is dat men minder tijd voor de televisie en achter de computer doorbrengt en meer aan beweging doet.
De hele verordening is ook erg bevoogdend voor de consument en miskent diens oordeelsvermogen.
Bedenkelijk is de uniforme vergunningsprocedure voor gezondheidsclaims van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid. Dat is een onnodig bureaucratisch monstrum waarvan vooral de middenstand last zal hebben. Voor grote ondernemingen zijn de extra kosten voor aanmelding veel gemakkelijker op te brengen. De kleine en middelgrote bedrijven worden door de bijkomende kosten echter in hun bestaan bedreigd.
Deze verordening staat haaks op alle inspanningen om de bureaucratie terug te dringen en op alle voorstellen voor “beter wetgeven”.
Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. - (FR) Ik heb gisteravond de gelegenheid gehad mijn standpunt uiteen te zetten tijdens het debat over het verslag-Poli Bortone. Ik wil echter nog een toelichting geven op mijn stemgedrag met betrekking tot amendement 66, de beruchte disclosure clause.
Ik ben erop tegen dat artikel 4 en het voedingsprofiel op welke wijze dan ook ter discussie worden gesteld. In mijn ogen is dit compromis dan ook het toppunt van hypocrisie: toestaan dat levensmiddelen met een hoog gehalte aan suiker, zout of vet voedingsclaims gebruiken, zolang het hoge gehalte aan deze stoffen eveneens op het etiket vermeld wordt. Dit komt ronduit neer op het legaliseren van misleiding!
Een voorbeeld: leve de lollies “zonder vet”, ook al zijn ze tegelijkertijd een en al suiker! En dat ze tandbederf bij kinderen veroorzaken, dat is dan jammer.
Dat ik mij desondanks van stemming heb onthouden, is vanwege hetgeen nog meer in het verslag staat. Om te beginnen hebben wij een zeer lange weg afgelegd na onze stemming in eerste lezing, die het voedingsprofiel eenvoudigweg om zeep heeft geholpen. Daarnaast zijn er tal van onzekerheden weggenomen, met name voor het MKB. Bovendien blijft het verbod op gezondheidsclaims voor alcoholhoudende producten gehandhaafd. Tot slot ben ik ervan overtuigd dat een lange en kostbare bemiddeling ons uiteindelijk niets beters zal opleveren. Politiek houdt ook in dat wij compromissen moeten aanvaarden.
Karin Scheele (PSE), schriftelijk. – (DE) Vanaf het moment dat de Commissie haar voorstel indiende, is dit een zeer controversieel onderwerp geweest. Al in eerste lezing waren er zeer krappe meerderheden in het Europees Parlement. Ik behoor echter tot de minderheid die het zeer goede voorstel van de Commissie vanaf het begin van de discussie heeft gesteund. Ook het gemeenschappelijk standpunt is erg goed. Het compromis over de voedingsprofielen dat nu in tweede lezing is bereikt, is het absolute minimum dat ik nog kan steunen.
Kathy Sinnott (IND/DEM), schriftelijk. – (EN) Het Parlement heeft besloten niet bewezen claims met betrekking tot voedingsmiddelen en dranken te verbieden. Dat geldt in het bijzonder voor producten die voor kinderen bestemd zijn.
De EU vond het een bezwaar dat van een voedingsmiddel in reclame gezegd kan worden dat het een “laag vetgehalte” bezit, terwijl er wel veel suiker of zout in zit, of – omgekeerd – dat voedingsmiddelen kunnen worden aangeprezen als “zoutarm”, terwijl er hoge concentraties andere stoffen in verwerkt zijn.
Het gaat hier om het waarheidsgehalte van reclameboodschappen. In een ideale wereld zou dat doel te verwezenlijken zijn. Het probleem is dat producenten de gezondheidsclaims die ze met betrekking tot hun producten maken nu ook moeten bewijzen. Voor het verkrijgen van het wetenschappelijk bewijs zoals dat in deze wetgeving is gedefinieerd moeten echter talrijke proeven worden gedaan. Dat kost meer dan kleine producenten zich kunnen veroorloven.
Van nu af aan schrijft de wet voor dat het voedingsprofiel op producten moet worden vermeld. Dat is een stap in de goede richting. Een probleem is wel dat er geen melding hoeft te worden gedaan van de kwaliteit van het vet, de suiker of het zout in voedingsmiddelen en dranken.
Voornoemde voedingsprofielen maken geen onderscheid tussen vetten, suiker- of zoutsoorten die voor ons schadelijk zijn en vetten, suiker- of zoutsoorten die voor onze gezondheid en groei onontbeerlijk zijn.
Ik zou zelf graag zien dat volledige lijsten met ingrediënten verplicht werden gesteld en dat bovendien werd vermeld aan welke procédés (bestraling, bleken, verzadiging, enzovoorts) de ingrediënten zijn blootgesteld. Zulke procédés kunnen deze ingrediënten namelijk beschadigen.
María Sornosa Martínez (PSE), schriftelijk. – (ES) Het doet de delegatie van Spaanse socialisten genoegen dat dit verslag is aangenomen, omdat hiermee verschillende eisen op het gebied van bescherming van de gezondheid en correcte informatie aan de consument met elkaar kunnen worden verenigd en de industrie zich daarbij niet geconfronteerd ziet met buitensporige kosten.
We willen echter nadrukkelijk stellen dat het onze bedoeling was om voor amendement 49 te stemmen, dat uiteindelijk is komen te vervallen, omdat wij vinden dat het om een voor de delegatie van Spaanse socialisten uitermate belangrijk amendement gaat, vanwege de betekenis ervan voor gegiste dranken van agrarische oorsprong (bier en wijn) en het voedingspatroon in een land als Spanje.
Marc Tarabella (PSE), schriftelijk. - (FR) Dit verslag, waarover wij in tweede lezing hebben gestemd, bevat een aantal punten van vooruitgang op het gebied van gezondheid, maar sommige amendementen betekenen echt een stap terug.
Dat is duidelijk het geval met de amendementen 17, 66 en 90, die er niet alleen op gericht zijn om producten met een hoog gehalte aan vetten, suiker of zout te legaliseren, maar ook om claims die misleidend zijn voor de consumenten toe te staan.
Ik vind het erg jammer dat bovengenoemde amendementen zijn aangenomen, waardoor de tekst voor een belangrijk deel aan relevantie inboet, en ik betreur het dat zij deel uitmaken van een compromis dat ik zonder meer als twijfelachtig wil bestempelen.
Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. Als kersvers Europarlementslid deed ik mijn allereerste telefoontje naar de Europese Commissie over een in voorbereiding zijnd voorstel van een Europese wet over gezondheids- en voedingsclaims. Dit is inmiddels 14 jaar geleden. Toen al was er het inzicht dat een communautair wetgevend optreden nodig was. Een akkoord over een concrete wettekst zoveel jaar later komt dus niets te vroeg.
Het resultaat mag gezien worden. Het bewaart een goed evenwicht tussen het belang en het recht van de consument op bescherming van zijn gezondheid en op informatie enerzijds en de eis geen overdreven lasten op het bedrijfsleven te leggen anderzijds.
Zowel de oplossing met betrekking tot de voedingsprofielen als de kennisgevingsprocedure geven aan dat we tot een volwassen aanpak gekomen zijn.
Dit resultaat krijgt dan ook mijn overtuigende stem.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben voor de compromisvoorstellen tijdens deze tweede lezing gestemd. Wij vinden het belangrijk dat de consument een hoog niveau van bescherming heeft bij de toevoeging van vitamines en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen om te voorkomen dat deze producten een gevaar voor de volksgezondheid vormen.
De Raad heeft in december 2005 het gemeenschappelijk standpunt vastgesteld en daarbij een aantal belangrijke amendementen niet in aanmerking genomen die het Europees Parlement in mei vorig jaar had aangenomen. Daarom vinden wij het belangrijk dat de biologische beschikbaarheid van vitamines en mineralen opnieuw deel uitmaakt van de tekst. De vitamines en mineralen moeten namelijk door het lichaam kunnen worden opgenomen, want anders wordt de consument misleid en kan zijn gezondheid zelfs in gevaar komen.
Er dienen eveneens veilige maximumhoeveelheden voor vitamines en mineralen te worden vastgesteld en de informatie voor de consument moet begrijpelijk en zinvol zijn.
Wij betreuren het dat er andere, eveneens positieve amendementen niet zijn aangenomen, maar wij hopen dat de Raad in ieder geval met deze voorstellen rekening houdt.
Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. – (DE) Ik stem in met de richtlijn betreffende de toevoeging van vitamines en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen.
Ik ben van mening dat het van groot belang is om de verschillende nationale voorschriften betreffende de toevoeging van vitamines en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen te harmoniseren. De langdurige en moeizame discussies hebben laten zien dat er bij de lidstaten over deze kwestie zeer tegenstrijdige opvattingen bestaan. Daarbij gaat het niet alleen om verschillen in opvatting over de vraag of de toevoeging van dergelijke stoffen noodzakelijk is voor een evenwichtige voeding, maar spelen ook de verschillende tradities van de lidstaten een rol.
Hoewel in dit verslag alleen de vrijwillige toevoeging van vitamines en mineralen wordt geregeld, is het belangrijk dat we ons realiseren dat de producent vitamines en mineralen uitsluitend om nutritieve of gezondheidsredenen mag toevoegen.
De “andere stoffen” moeten worden gespecificeerd. Uit het oogpunt van consumentenbescherming moet uiteraard ook een negatieve lijst worden opgesteld.
Eerste vereiste is en blijft dat de consument wordt beschermd en geïnformeerd, aangezien in geval van twijfel de consument degene is die nadeel ondervindt, terwijl de producent ervan profiteert.
Glyn Ford (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik steun dit verslag over de maatregelen die er genomen moeten worden om de glasaalindustrie in Europa te beschermen. Een gewijzigd smaakpatroon en een drastische terugloop van de bestanden hebben tot gevolg gehad dat een goedkope seizoenslekkernij een luxeproduct is geworden, vrijwel uitsluitend voor de uitvoer naar het Verre Oosten bestemd. Over de levenscyclus van glasalen is nog niet alles bekend. Overschotten en tekorten lijken elkaar af te wisselen, zonder dat precies duidelijk is waarom dat gebeurt. De afname zoals we die de afgelopen tientallen jaren hebben waargenomen is echter van zulk een omvang dat ze vermoedelijk niet aan natuurlijke schommeling kan worden toegeschreven. Als er geen actie wordt ondernomen zal deze kleine, maar plaatselijk heel belangrijke industrie geen lang leven meer beschoren zijn. Ik ben voor beperking van de vangst, maar geloof ook – net als de Commissie – dat er onderzoek moet worden verricht om vast te stellen wanneer een vangstverbod het doeltreffendst is. De vangsten variëren immers met de fasen van de maan en niet met de dag van de maand. Ik ben ook vóór een beperking van de uitvoer. Ik ben ervan overtuigd dat de WTO een dergelijke maatregel zal aanvaarden. De EU moet bovendien financiële steun geven om te verzekeren dat rivieren open blijven en glasaaltjes doorlaten. Het is mogelijk dat we dit onderwerp in de toekomst nog eens nader moeten bekijken. Hoofdzaak is dat er nu eindelijk actie ondernomen wordt.
Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Dit voorstel verdient mijn steun, hoewel ik van mening ben dat het wat ambitieuzer had kunnen zijn in zijn doelstellingen.
Ik zou de aandacht willen vestigen op enkele fundamentele aspecten van dit probleem. De stroomgebieden in de verschillende lidstaten waar deze vissoort voorkomt, kennen tamelijke grote onderlinge verschillen. Daaruit vloeit de noodzaak voort verschillende strategieën en maatregelen toe te passen om tot een effectief herstel van deze bestanden te komen.
Daarom lijkt het mij terecht dat de lidstaten zelf hun herstelplannen voorstellen.
Voorts lijkt het me belangrijk dat de EU steun verleent aan de maatregelen die de lidstaten het beste achten om tot herstel van de populatie te komen in de verschillende stroomgebieden. Daarbij kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan het bouwen en/of aanpassen van constructies om barrières in de loop van de rivieren te nemen.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Met deze ontwerpverordening voor het herstel van het aalbestand heeft de Commissie als hoofddoel nationale aalbeheersplannen te maken.
Het voorstel beoogt voor volwassen schieraal een ontsnappingsniveau voor elk stroomgebied van 40 procent te garanderen. Dat zal moeilijk te realiseren zijn en bovendien geldt datzelfde doel voor alle lidstaten zonder rekening te houden met specifieke situaties.
In het Commissievoorstel stond ook een verbod op de aalvangst tijdens de eerste twee weken van elke maand. Deze overdreven maatregel zou zeer ernstige sociaal-economische effecten hebben gehad. Bovendien hadden die maatregelen binnen een betrekkelijke korte termijn, namelijk uiterlijk juli 2007, moeten worden toegepast.
De voorstellen van het Europees Parlement zijn daarom evenwichtiger, corrigeren de schadelijkste punten in het Commissievoorstel en leveren een bijdrage tot het herstel van de aalbestanden.
Het verslag vervangt het visverbod in de eerste helft van elke maand door een periode waarmee de visserijinspanning met de helft omlaag gaat. Het verslag verhoogt in aanzienlijke mate het doel van 40 procent ontsnappingen, maakt het mogelijk dat de lidstaten alleen maatregelen treffen voor belangrijke stroomgebieden en verplaatst de toepassingsdatum naar 1 juli 2008. Al deze maatregelen vergroten de manoeuvreerruimte van de lidstaten.
James Hugh Allister (NI), schriftelijk. – (EN) Ik heb tegen de partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Marokko inzake de visserij gestemd, omdat ik er niet van overtuigd ben dat in de context van deze overeenkomst al de stappen die we hadden kunnen – en moeten – ondernemen om de soevereiniteit en de rechten van de Westelijke Sahara te waarborgen ook inderdaad zijn genomen. De overeenkomst is ambigu geformuleerd en dat zal Marokko in staat stellen deze wateren voor eigen doeleinden te gebruiken. Marokko hoeft zich zo ook niet te verantwoorden voor zijn illegale claims met betrekking tot dit gebied.
Jan Andersson, Anna Hedh, Ewa Hedkvist Petersen, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. – (SV) Vandaag heeft het Europees Parlement ervoor gestemd dat de EU een visserijovereenkomst met Marokko sluit. Wij sociaal-democraten hebben tegen de overeenkomst gestemd. Wij vinden dat de visserijovereenkomst niet mede betrekking mag hebben op het grondgebied van de Westelijke Sahara, omdat Marokko dit grondgebied sinds 1975 bezet houdt.
Volgens ons is de overeenkomst strijdig met internationaal recht omdat er geen garanties zijn dat de overeenkomst gunstig is voor de bevolking van de Westelijke Sahara, die ook niet heeft deelgenomen aan de opstelling van de overeenkomst.
Luis Manuel Capoulas Santos, Fausto Correia, Edite Estrela, Emanuel Jardim Fernandes, Elisa Ferreira, Manuel António dos Santos en Sérgio Sousa Pinto (PSE), schriftelijk. (PT) De partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de EG en Marokko legt de principes, regels en procedures vast voor de economische, financiële, technische en wetenschappelijke samenwerking in de “Marokkaanse visserijzones” (artikel 1).
Artikel 2, letter a, van de overeenkomst definieert “Marokkaanse visserijzone” als “wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie van het Koninkrijk Marokko vallen”.
Onze stem voor dit verslag is natuurlijk gebaseerd op het uitgangspunt in artikel 2.
Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Grosso modo kan ik instemmen met de goedkeuring van dit document.
De nieuwe overeenkomst voorziet in een aanzienlijke daling van het aantal visvergunningen voor de lidstaten. Het aantal vergunningen loopt terug van vijfhonderd naar ongeveer honderd en op een aantal belangrijke soorten, als schaaldieren en koppotigen, mag helemaal niet meer worden gevist.
Ik vind het echter belangrijk dat de communautaire en, met name, de nationale vloot in het kader van een partnerschapsovereenkomst in Marokko kan blijven vissen.
Het betekent ook de bescherming van de hogere belangen van het GVB op het vlak van de internationale visserij door een aantal belangrijke verplichtingen te garanderen met betrekking tot het beheer van de visbestanden en de strijd tegen illegale visserij.
Ana Maria Gomes (PSE), schriftelijk. (PT) Ik zou graag vóór een partnerschapsovereenkomst tussen de EG en Marokko stemmen. Ik moet echter tegen deze overeenkomst stemmen, omdat een aantal amendementen die de wateren en de visbestanden die onder de Westelijke Sahara vallen van het toepassingsgebied van de overeenkomst wilden uitsluiten, niet zijn aangenomen. De Westelijke Sahara is krachtens resoluties 1514 en 1541 van de Algemene Vergadering van de VN een niet-zelfbesturend gebied en is sinds 1974 illegaal bezet door Marokko. Daarom is mijns inziens de overeenkomst – en daarmee het desbetreffende wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie – een schending van het internationale recht.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) De EU gaat opnieuw een visserijovereenkomst sluiten met een Afrikaanse staat. Wij hebben er verscheidene malen op gewezen hoe schadelijk deze overeenkomsten zijn. De landen waarmee de EU deze overeenkomsten sluit worden beroofd van de mogelijkheid om een eigen, goed functionerende visserij-industrie te ontwikkelen. Verder draagt de vissersvloot van de EU bij tot het leegvissen van de viswateren, iets waarop zowel Zweedse autoriteiten als milieuorganisaties hebben gewezen. Bovendien zijn deze overeenkomsten duur voor de belastingbetalers in de lidstaten van de EU. In feite gaat het om regelrechte subsidies voor de visserij-industrie.
Deze specifieke overeenkomst is speciaal verwerpelijk omdat Marokko de Westelijke Sahara al vele jaren illegaal bezet houdt. Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag heeft hierop gewezen, en dat betekent dat Marokko geen soevereiniteit heeft over zijn natuurlijke hulpbronnen, inclusief de visbestanden.
Door het sluiten van een visserijovereenkomst met Marokko geeft de EU indirect haar goedkeuring aan deze bezetting en de schendingen van de mensenrechten die Marokko nog steeds begaat in de Westelijke Sahara.
Wij hebben bij de stemming van vandaag tegen het verslag gestemd.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij betreuren de verwerping van onze amendementen. Overeenkomstig het internationale recht sloten die de wateren van de Westelijke Sahara expliciet uit van deze visserijovereenkomst door de toepassing van de overeenkomst uitsluitend te beperken tot de wateren ten noorden van 27º 40' N.
Wij vinden de verwerping van onze voorstellen des te ernstiger gezien de publieke uitspraken van vertegenwoordigers van de Europese Commissie en enkele leden van dit Parlement die, volledig in strijd met het internationale recht, Marokko de de facto besturende mogendheid van de Westelijke Sahara achten. Bovendien heeft de ervaring met voorgaande overeenkomsten aangetoond dat er visbestanden en havens van de Westelijke Sahara zijn gebruikt zonder enkele vorm van bescherming van de rechten en belangen van het Saharaanse volk.
We dienen, net als het Polisariofront, te benadrukken dat de Verenigde Naties in hun juridisch advies van 29 januari 2002 over de Westelijke Sahara en zijn natuurlijke hulpbronnen opnieuw hun veroordeling hebben uitgesproken over de exploitatie en plundering van de natuurlijke hulpbronnen en alle economische activiteiten ten koste van de belangen van de volkeren van gekoloniseerde of niet-zelfbesturende gebieden door hen te beroven van hun legitieme rechten op hun eigen natuurlijke hulpbronnen. In hun advies noemen de VN deze exploitatie en plundering illegaal en een bedreiging voor de integriteit en welvaart van deze gebieden.
Daarom hebben wij tegengestemd.
Mary Honeyball (PSE), schriftelijk. – (EN) De Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement is bezorgd over de consequenties die de voorgestelde visserijovereenkomst kan hebben voor de positie van de Westelijke Sahara en de mogelijkheden om dat lang lopende conflict op te lossen.
De socialistische afgevaardigden hebben daarom al die amendementen gesteund die garanderen dat de Westelijke Sahara buiten het toepassingsbereik van deze overeenkomst valt. Toen bleek dat deze amendementen niet werden aanvaard, hebben we tegen de overeenkomst gestemd.
Jamila Madeira (PSE), schriftelijk. (PT) Naar aanleiding van het verslag over de partnerschapsovereenkomst tussen de EU en het Koninkrijk Marokko inzake visserij laat ik weten dat ik met mijn stem een bijdrage probeer te leveren aan een adequatere regelgeving ten behoeve van de ecologische duurzaamheid van het gebied. In dat verband is de overeenkomst van cruciaal belang, maar tegelijkertijd is voor de EU, en ook voor mijzelf, tevens de kwestie van de mensenrechten van cruciaal belang. Daarom dienen we altijd de resoluties van de Verenigde Naties hierover te respecteren. Voor mij is het duidelijk dat het akkoord in deze overeenkomst slechts de mariene zones en gebieden betreft waarover geen conflict bestaat en wier soevereiniteit niet is verstoord, en verder geen enkel ander gebied. Dat houdt in dat geen enkele staat ten koste van het zelfbeschikkingsrecht van andere volkeren kan beschikken over gebieden waarover hij geen soevereiniteit of jurisdictie heeft.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb tegen het visserijakkoord tussen de EU en Marokko gestemd, omdat de bevolking van de Westelijke Sahara nog steeds onder Marokkaanse bezetting leeft en geen stem heeft in deze overeenkomst die de visvangst in de wateren bij dit gebied toestaat. Ik geloof dat de Sahrawi zelf de rechten over hun wateren moeten kunnen uitoefenen. Daarom zou deze visserijovereenkomst geen betrekking moeten hebben op de wateren bij de Westelijke Sahara. De bevolking van dit gebied heeft immers geen gelegenheid gekregen zich voor of tegen deze overeenkomst uit te spreken. Een handelsovereenkomst die een schending inhoudt van het recht van gemeenschappen om over de eigen hulpbronnen te beschikken, kan ik niet steunen.
Claude Moraes (PSE), schriftelijk. – (EN) Bij het stemmen over dit verslag had ik mijn bedenkingen over de consequenties die de voorgestelde visserijovereenkomst kan hebben voor de positie van de Westelijke Sahara en de mogelijkheden om dat lang lopende conflict op te lossen. Veel van mijn kiezers in Londen hebben onder aegide van de in het VK gevestigde liefdadigheidsorganisatie War on Want met mij samengewerkt aan een campagne over dit onderwerp. Ik heb daarom gestemd voor al die amendementen die beoogden te garanderen dat de Westelijke Sahara buiten het toepassingsbereik van deze overeenkomst zou vallen. Toen bleek dat deze amendementen niet werden aanvaard, heb ik tegen de overeenkomst gestemd.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De stemming over deze overeenkomst noopt mij tot twee korte toelichtingen.
Op de allereerste plaats wil ik iets zeggen over de Westelijke Sahara. De overeenkomst behandelt deze kwestie op dezelfde manier waarop dat ook in het verleden is gebeurd en houdt dus geen enkele wijziging in van het Europese standpunt in dezen. Voorts acht de Juridische dienst van de Commissie de overeenkomst in overeenstemming met de internationale regels. Daarom vind ik dat de bezwaren tegen de situatie in dat gebied hier niet op doeltreffende wijze zijn verdedigd.
Wat de eigenlijke zaak betreft juich ik het toe dat het mogelijk is gebleken dit akkoord te bereiken, ofschoon ik wel moet betreuren dat het eindresultaat niet erg gunstig is voor de Portugese belangen. Op basis van de verschillende overwegingen in dit verband wijst alles erop dat het de best mogelijke oplossing is. Om die redenen heb ik voorgestemd.
Karin Scheele (PSE), schriftelijk. – (DE) Het Europees Parlement geeft een zeer belangrijk politiek signaal af, wanneer de door Marokko bezette gebieden van de Westelijke Sahara duidelijk van de visserijovereenkomst worden uitgesloten. Ik had daartoe amendementen ingediend. Aangezien deze amendementen niet zijn aangenomen, stem ik tegen het verslag.
Kathy Sinnott (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) Vanwege de verwerping van alle amendementen die illegale visserij van Europa in de wateren van de Westelijke Sahara zouden hebben voorkomen, heb ik tegen deze resolutie gestemd.
Ik maak me zorgen dat deze overeenkomst in haar huidige ongewijzigde vorm Europese schepen, met inbegrip van Ierse schepen, zal toestaan in de wateren van de Westelijke Sahara te vissen, in een territorium dat illegaal wordt bezet door Marokko. Als de overeenkomst ten uitvoer wordt gelegd, zal de EU het internationaal recht schenden en zal zij een conflict dat al dertig jaar bestaat, in stand helpen houden.
Het Internationaal Gerechtshof en opeenvolgende VN-resoluties hebben duidelijk gemaakt dat de Westelijke Sahara de laatste kolonie in Afrika is, en dat het volk van de Westelijke Sahara recht heeft op zelfbeschikking. Marokko wordt niet erkend als de bestuurlijke macht. Er is duidelijk gesteld dat geen ander land het recht heeft om zonder de toestemming van het Sahrawi-volk de rijkdommen van de Sahrawi te exploiteren.
Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de situatie van de mensen in de Westelijke Sahara zal niet verbeteren wanneer we ons eigen desastreuze visserijbeleid exporteren naar hun grondgebied, dat illegaal wordt bezet door Marokko. De EU is doorgaans een hoedster van het recht, maar zij maakt een slechte beurt wanneer zij in dit geval technische details en ontkrachtende woorden gebruikt om te rechtvaardigen dat zij zichzelf in feite medeplichtig maakt aan een illegale bezetting. Ik heb tegen dit armzalige verslag gestemd, en ik betreur het dat dit Huis het verslag heeft aangenomen.
Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Ik heb voor het verslag van mijn collega, mevrouw Frassoni, gestemd inzake de recente jaarverslagen van de Europese Commissie over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht. Er werd sterk naar dit verslag uitgezien. Het sluit aan op het Interinstitutioneel Akkoord van december 2003, genaamd “Beter wetgeven”, dat ten doel had de omvang van de communautaire wetgeving te verminderen en deze tegelijkertijd te vereenvoudigen, en dat ervoor moest zorgen dat de wetgeving overal naar behoren werd toegepast, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is om een ruimte van rechtvaardigheid te creëren. Helaas moeten wij vaststellen dat de lidstaten de communautaire wetgeving slecht omzetten en, erger nog, slecht toepassen, waarbij er sprake is van een straffeloosheid waaraan de Europese Commissie medeplichtig is. Er dient op gewezen te worden dat het de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht. Iedereen kan zien hoezeer het huidige systeem in gebreke blijft en eraan bijdraagt dat er een kloof ontstaat tussen enerzijds de Europese integratie en anderzijds de Europese burgers, die zich dagelijks bewust zijn van de onrechtvaardigheid van deze situatie. Ik vraag me af of het niet eens tijd wordt om na te denken over de oprichting van een Europees korps van onafhankelijke inspecteurs, dat als taak zou krijgen de toepassing van de communautaire wetgeving in de lidstaten te controleren.
Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. - (FR) Uit de verslagen waarover wij vandaag hebben gestemd, komt naar voren dat er steeds meer problemen zijn bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht en dat het aantal zaken dat aanhangig wordt gemaakt bij het Hof van Justitie, toeneemt.
Op 31 december 2003 bleek uit het 21e jaarverslag van de Commissie dat er 3 927 inbreukdossiers in behandeling waren, tegen 2 270 in 1999 en slechts 124 in 1978. Dit komt gedeeltelijk door de overvloed aan communautaire wetten, maar ook door het grote aantal sancties dat de Europese Commissie kan opleggen aan lidstaten die zich weerbarstig tonen in het toepassen van de communautaire wetgeving.
De kwestie van de toepassing van het Gemeenschapsrecht is voor alles een politieke, en geen juridische of technocratische kwestie, zoals sommigen denken en beweren. Wat er namelijk vooral gebeurt, is dat het probleem van de conflicten die tussen de nationale soevereiniteiten en de Europese machthebbers bestaan, wordt gemaskeerd. In dit opzicht is het recente arrest van 13 september 2005 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat - voor het eerst en buiten iedere rechtsgrondslag om - het strafrecht tot een zaak van de Gemeenschap heeft gemaakt, kenmerkend voor de richting waarin deze instelling zich heeft ontwikkeld. Het is dan ook begrijpelijk dat de lidstaten terughoudend zijn om een Gemeenschapsrecht toe te passen waarvoor zij niet gekozen hebben.
Sérgio Marques (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht is een verantwoordelijkheid van de Europese Commissie in haar hoedanigheid van “hoedster van de Verdragen”. De Commissie wordt in kennis gesteld van alle gevallen waarin de Gemeenschapsverdragen niet worden nageleefd en berispt de verantwoordelijke lidstaten en legt hun sancties op.
De jaarverslagen van de Commissie over de controle op de toepassing van het Gemeenschapsrecht beschrijven de stand van de omzetting van de richtlijnen door de lidstaten teneinde een doeltreffende controle op de toepassing van de wetgeving te verzekeren. Die controle beperkt zich niet louter tot een kwantitatieve evaluatie van de omzetting, maar beoordeelt ook de kwaliteit ervan.
In het kader van de doelstellingen ter verbetering van het Europees beleid, en met name de transparantie ervan, heeft de Commissie verklaard dat zij beoogt de omvang van de wetgeving te verminderen en ondoelmatige wetten in te trekken, wat niet hetzelfde is als dereguleren.
Ik ben het met de rapporteur eens dat er meer personeel en financiële middelen ter beschikking van de Commissiediensten moeten worden gesteld, opdat deze beter kunnen reageren op inbreuken. Ik steun ook het oprichten in elke lidstaat van coördinatiepunten voor kwesties in verband met de omzetting en toepassing van het Gemeenschapsrecht en de coördinatie met de nationale ministeries en de regionale en lokale autoriteiten.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De geweldig grote omvang van de bestaande en de op stapel staande communautaire wetgeving – soms kun je bij de noodzaak of de bestaansreden van die wetgeving de nodige vraagtekens plaatsen – neemt niet weg dat al deze regels onderhevig zijn aan controle, met name tijdens de omzettings- en inwerkingtredingsfase van de nieuwe wetgeving.
Gezien deze stand van zaken valt het, zoals het verslag stelt, te betreuren dat de communautaire instellingen –met name de Commissie – lang doen over het maken van een evaluatie van de toepassing van de Europese wetgeving. Dat valt speciaal te betreuren, omdat dit afdoet aan de doeltreffendheid van het mechanisme en het krachteloos maakt waar het de lidstaten in staat zou moeten stellen om binnen de gestelde termijn aan hun verplichtingen te voldoen.
Een ander belangrijk aspect van deze procedure is dat een nauwlettende evaluatie van de moeilijkheden bij de omzetting/toepassing van de wetgeving de gelegenheid zou moeten bieden om de kwaliteit van de communautaire wetgeving echt te verbeteren. Dat geldt met name nu er, zoals het verslag onderstreept, juist een proces met dat doel aan de gang is.
José Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De groei van het aantal gevallen waarin de omzetting van het Gemeenschapsrecht in nationaal recht achterwege blijft of vertraging oploopt, zou bij de wetgever het idee moeten doen postvatten dat naast de noodzaak adequate controle uit te oefenen op de toepassing van het Gemeenschapsrecht vooral vereenvoudiging van de wetgeving en eerbiediging van het subsidiariteitsprincipe nodig zijn.
Ik meen dat de toepassing van het Gemeenschapsrecht onder de maat zal blijven, zolang de communautaire wetgeving niet duidelijk en inzichtelijk is en het communautaire acquis in zijn totaliteit weinig begrijpelijk blijft. Zonder goede communautaire wetgeving kan er moeilijk sprake zijn van een goede toepassing van het Gemeenschapsrecht.
Met genoegen neem ik kennis van het standpunt van de voorzitter van de Europese Commissie dat er een serieuze poging nodig is om het aantal wetten in te dammen en de effectiviteit van de regelgeving van de communautaire instellingen te vergroten. Soms kan minder ook meer betekenen.
Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer mijn fractiegenoot, mevrouw Frassoni, met haar uitstekende verslag, dat misschien niet hét onderwerp van gesprek is, maar toch gaat over een cruciaal gebied van bevoegdheid van de Unie. Het verslag bevat een aantal verstandige voorstellen om onze wetgeving doelmatiger te maken wat betreft de wijze waarop deze onze burgers beïnvloedt. Daaraan wordt in deze tijd van toenemend scepticisme over het functioneren van de EU vaak onvoldoende aandacht besteed. Ik heb haar vandaag van harte gesteund.
Francesco Enrico Speroni (IND/DEM). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb voor dit verslag gestemd, maar ik zet wel een paar vraagtekens bij het amendement waarin sprake is van het Verdrag voor de Europese Grondwet.
Dit Verdrag is namelijk niet aangenomen, maar juist afgewezen tijdens een volksraadpleging in Frankrijk en Nederland, of Giorgio Napolitano, die net tot president van de Italiaanse Republiek is verkozen, dit nu leuk vindt of niet. Napolitano heeft in zijn maiden speech een lans gebroken voor dit Verdrag, daarbij vergetend dat hij boven de partijen zou moeten staan. Dit Verdrag is weliswaar goedgekeurd door het Italiaanse parlement, maar het heeft niet de unanimiteit gekregen. Iemand die zegt boven de partijen te staan, zou geen steun mogen geven aan een kwestie die verdeeldheid heeft gezaaid in het Italiaanse parlement.
Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Ik heb voor het uitstekende verslag van mijn collega, de heer Doorn, gestemd over een ontwerpresolutie van het Europees Parlement over de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel. De manier waarop de Europese wetgeving wordt toegepast, veroorzaakt voortdurend een kloof tussen de Europese integratie en de naties. Daarom moet er dringend de nodige samenhang worden gebracht tussen de communautaire wetgeving, de omzetting ervan door de lidstaten en de praktische toepassing ervan. Wij moeten ophouden overbodige wetten op te stellen, en de wetgeving die nodig is, adequaat toepassen. Ik steun het idee dat het Europees Parlement nauw betrokken wordt bij de follow-up van de toepassing van de Europese wetgeving door de lidstaten.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Van alle zaken die dit verslag aan de orde stelt, verdient de effectbeoordeling van de communautaire wetgeving de meeste aandacht.
Ik heb al eerder de gelegenheid gehad te zeggen dat, niettegenstaande de constante en wellicht overdreven productie van wetten door de communautaire instellingen, het mogelijk is die productie en – wat nog belangrijker is – de effecten ervan op de voet te blijven volgen. Dat moet voor ons een permanent aandachtspunt zijn.
In dit verband is subsidiariteit beslist een relevante factor. Dat principe moet – in zijn breedste betekenis – een van de hoekstenen vormen van de wetgeving van de Europese Unie. Op basis daarvan is het mogelijk het beste niveau te kiezen, de maatregelen op de behoeften van elk land af te stemmen en de afstand tussen overheid en burgers klein te houden.
Dat neemt niet weg dat het genoemde principe ongetwijfeld ondoelmatig is voor de vele situaties waarin het communautair niveau het meest geschikt is. Maar ook dat is juist weer een kernelement van het principe. Tot slot dienen we te wijzen op de noodzaak de rol van de nationale parlementen bij de wetgeving te erkennen, want die is van fundamenteel belang om een goed eindresultaat te behalen. Zonder iets af te doen aan andere elementen, zijn dit de kernelementen voor betere wetgeving.
José Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Zoals ik al eerder heb kunnen zeggen, is het eerbiedigen van de subsidiariteit – naast een al sinds lange tijd bestaand fundamenteel vereiste, dat meer aandacht dient te verkrijgen – ook een toetssteen. Daarmee onderscheiden zich de echte voorstanders van Europa, die niet alleen in woord maar ook in daad trouw zijn aan de idee die in het ontwerp voor een Grondwettelijk Verdrag is samengevat onder het motto “eenheid in verscheidenheid”.
Het is essentieel dat de Europese Unie de besluitvorming zo dicht mogelijk bij de burgers laat plaatsvinden, haar nieuwe wetgeving toetst en de vereenvoudiging van de bestaande wetgeving bevordert op basis van de criteria duidelijkheid, doeltreffendheid en evenredigheid.
Ik meen dat de Europese Unie erbij te winnen heeft als zij zich richt op de kwaliteit in plaats van op de kwantiteit van de wetgeving en op serieuze wijze zowel de nationale parlementen als de andere direct betrokkenen bij dit proces betrekt, zodat deze tijdig hun standpunten bekend kunnen maken en tegenvoorstellen kunnen doen.
Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer de heer Doorn met dit verslag, omdat ik van mening ben dat subsidiariteit, mits juist toegepast, het functioneren van de EU voor de burgers veel transparanter kan maken. Ik kom uit Schotland, en het bedroeft mij dat het Schotse parlement weliswaar verantwoordelijk is voor veel gebieden van het leven, maar eigenlijk buiten het overleg van de EU wordt gehouden, omdat de interpretatie van het begrip “subsidiariteit” feitelijk maar al te vaak eindigt bij de hoofdstad van de lidstaat. Ik ben van mening dat dit verslag een stap voorwaarts is, maar we hebben in de EU nog steeds werk te verzetten.
Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Ik heb voor het verslag van mijn collega, mevrouw McCarthy, gestemd over een ontwerpresolutie van het Europees Parlement over de tenuitvoerlegging, de gevolgen en de uitwerking van de vigerende wetgeving op het gebied van de interne markt. De manier waarop de Europese wetgeving wordt toegepast, veroorzaakt voortdurend een kloof tussen de Europese integratie en de naties. Daarom moet er dringend de nodige samenhang worden gebracht tussen de communautaire wetgeving, de omzetting ervan door de lidstaten en de praktische toepassing ervan. Wij moeten ophouden overbodige wetten op te stellen, en de wetgeving die nodig is, adequaat toepassen. Ik steun het idee dat het Europees Parlement nauw betrokken wordt bij de follow-up van de toepassing van de Europese wetgeving door de lidstaten.Gezien de problemen die er bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht bestaan, vraag ik mij bovendien af of het niet eens tijd wordt om na te denken over de oprichting van een Europees korps van onafhankelijke inspecteurs, dat rechtstreeks onder de Europese Unie valt en als taak zou krijgen de toepassing van de communautaire wetgeving in de lidstaten te controleren, zodat de interne markt op normale wijze zou kunnen functioneren.
Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. - (FR) Een van de redenen waarom Europese richtlijnen en andere documenten niet door de EU-lidstaten worden toegepast - een reden die vreemd genoeg in geen van de verslagen aan de orde wordt gesteld - hangt met name samen met de manier waarop ze worden aangenomen. Het gaat hier namelijk om het averechtse effect van de uitbreiding van de stemming met gekwalificeerde meerderheid tot de Raad: staten die zich - om eigen redenen - tegen de aanneming van een bepaalde tekst hebben verzet en die in de minderheid zijn, zullen er uiteraard problemen mee hebben deze tekst op hun eigen grondgebied toe te passen.
Het spreekt vanzelf dat deze gang van zaken voor alle instellingen, landen en volkeren tot grote rechtsonzekerheid leidt. Vandaar dat wij niet alleen prioriteit moeten geven aan het op korte termijn systematiseren van de vigerende Gemeenschapswetgeving, maar ook aan het vaststellen en beperken van de bevoegdheden van verschillende organen van de Unie, inclusief het Hof van Justitie, die zulke enorme hoeveelheden rechtsregels hebben voortgebracht. Dan zouden de lidstaten niet langer gebukt gaan onder de gevolgen van wettelijke of uit de rechtspraak voortvloeiende normen, die onredelijke beperkingen opleggen en waarvan er veel te veel zijn.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het Commissie-initiatief “Beter wetgeven " is cruciaal om het vertrouwen van de burgers, consumenten en bedrijven in de EU te winnen. Dat vertrouwen is afhankelijk van hun ervaring met of perceptie van EU-wetgeving en de effecten ervan op hun dagelijks leven. Zo moet betere wetgeving voor de interne markt doeltreffend en van goede kwaliteit zijn, voldoende ruimte bieden voor innovatie en niet tot onnodige verstoringen en kosten leiden, in het bijzonder voor KMO’s, openbare instellingen en vrijwilligersgroepen.
Onze wetgeving moet er voorts toe bijdragen de handel en het bedrijfsleven meer kansen te bieden, consumenten en burgers meer keuzemogelijkheden te geven en tegelijkertijd het milieu en de sociale en consumentenrechten beschermen. Anders roeien we tegen de stroom in en houden we de vooruitgang van de strategie van Lissabon en de ontwikkeling van de groei, werkgelegenheid en interne markt tegen.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij zijn het eens met de intrekking van irrelevante en achterhaalde wetsteksten in de communautaire wetgeving met het doel het regelgevend kader te vereenvoudigen, zodat besluiten gepast, eenvoudig en doeltreffend zijn en het subsidiariteitsprincipe niet in gevaar brengen. Dit verslag dient dat principe een centralere plaats te geven zodat ondubbelzinnig wordt aangegeven dat dat beginsel tijdens dit hele proces wordt gerespecteerd.
Wij hopen evenwel dat dit doel niet misbruikt wordt om bepaalde principes te ondermijnen die dienen ter bescherming van de grondrechten van de burgers, waaronder sociale en werknemersrechten.
Wij pleiten ook voor een wijziging van de huidige Interinstitutionele Akkoorden inzake de kwaliteit van de EU-wetgeving.
Daarom hebben we voor het verslag gestemd, ofschoon we voorbehoud hebben bij een aantal aspecten en het zelfs met enkele onderdelen oneens zijn, gezien de al genoemde dubbelzinnige formuleringen.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het verslag waarover we hier discussiëren en stemmen, verdient over het algemeen mijn oprechte steun.
Het streven naar analyse en herziening van het communautaire wetgevingskader moet worden bevorderd om tot vereenvoudiging van het regelgevingskader te komen. Dat is onmisbaar om meer rechtszekerheid te scheppen voor zowel burgers als juristen. Aan de andere kant is het een gelegenheid om het regelgevingskader te vereenvoudigen, wat essentieel is voor de ontwikkeling van de economische bedrijvigheid.
Zowel het verslag als de mededeling van de Commissie bevat een standpunt dat ik niet volledig deel. Beide teksten verdedigen de stelling dat wetgeving via verordeningen tendentieel gezien beter is dan via richtlijnen en ik ben het daar niet mee eens. Daarentegen meen ik dat niettegenstaande de moeilijkheden bij de omzetting van richtlijnen, die methode van wetgeving een conceptie van de Gemeenschap respecteert die mij dierbaar is. Dat betekent niet dat ik verordeningen afwijs of hun onmiskenbaar nut niet inzie.
Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. – (SV) Ik onthoud mijn van stemming. Er staan weliswaar goede dingen in dit verslag, bijvoorbeeld dat de Raad opener moet worden, maar voor het overige concentreert het zich te veel op groei en kostenreductie, terwijl het de nadruk zou moeten leggen op duurzame ontwikkeling en meer rentabiliteit. Kostenreductie is geen doel op zich, omdat dat kan leiden tot een permanente uitholling van overheidsbegrotingen. Rentabiliteit is een betere doelstelling.
Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. - (FR) Het is een uitstekende zaak dat nutteloze en schadelijke wetgevingsteksten die in tegenspraak zijn met andere communautaire bepalingen of - vooral - die onverenigbaar zijn met de veelgeprezen subsidiariteits- en evenredigheidsbeginselen, uit het wetgevingscircuit kunnen worden teruggetrokken. De tevredenheid die dit oplevert, verdwijnt echter snel bij het zien van de beschrijving van de buitensporige wetgevende bevoegdheden die de Commissie heeft. Deze instelling - die absoluut geen democratische of door verkiezing verkregen legitimiteit bezit, als ik daar nog even op mag wijzen - kan namelijk naar eigen willekeur en op elk moment een wetgevingsvoorstel intrekken of wijzigen, het Parlement al of niet in kennis stellen van de redenen van haar besluit, en het advies van het Parlement al of niet in aanmerking nemen. Kortom, zij kan doen wat zij wil.
Het ergst is wel dat het Parlement deze stand van zaken voor lief neemt en erkent. Het dreigt weliswaar op een vage manier de Commissie te berispen in gevallen waarin zij echt te ver zou gaan. Maar wij weten dat het Parlement, zelfs in de slechtste tijden van de schandalen die de Commissie-Santer in opspraak brachten, nooit de politieke moed heeft gehad de instelling die het symbool is van de Europese superstaat, te laten vallen. Het feit dat een technocratie zich met stilzwijgende toestemming van het Parlement doet gelden, verandert niets aan de aard van die technocratie.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Wij hebben besloten om ons van stemming te onthouden bij de eindstemming over deze resolutie, die alleen bedoeld is om een opinie te uiten.
Ons fundamentele standpunt is dat de Raad de sterkste politieke kracht moet zijn ten opzichte van de andere EU-instellingen, omdat de Raad de vertegenwoordiging vormt van een EU die wij zien als een intergouvernementeel samenwerkingsverband. Dat betekent dat wij ook vinden dat de Raad net als de Commissie het recht moet hebben om wetsvoorstellen in te dienen.
We zijn het ook niet eens met de opvatting achter overweging B van de ontwerpresolutie. Daarin wordt de Commissie opgeroepen om nog eens goed na te denken alvorens 68 wetsvoorstellen terug te trekken die niet in overeenstemming worden geacht te zijn met de doelstellingen voor bijvoorbeeld betere wetgeving. Wij zijn principieel van mening dat het goed is dat de Commissie de enorme hoeveelheid wetsvoorstellen op EU-niveau probeert te beperken.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De aandacht voor het in deze mededeling behandelde thema dient zich niet te beperken tot de rechtsgrond en de beperkingen van de Commissie bij het intrekken van wetsvoorstellen.
Volgens mij is het hoofdpunt de vaststelling dat er, onder onzekere omstandigheden, een hele reeks wetgevingsprocedures van kracht waren die geen reden van bestaan meer hadden maar ook niet waren ingetrokken.
Die stand van zaken vereist niet zo zeer een debat over de bevoegdheden van de verschillende instellingen maar eerder een analyse van de routinematige en bureaucratische aspecten van het communautaire wetgevingsproces. Het feit dat bij het Parlement en de Raad samen meer dan vijfhonderd documenten op behandeling door de wetgever wachten, verdient overigens ook onze aandacht en zorg. De Europese Unie hoeft niet veel wetten te maken om ertoe te doen, maar dient wel goede wetten te maken om nuttig te zijn.