Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Dinsdag 16 mei 2006 - Straatsburg Uitgave PB

15. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het vragenuur (B6-0207/2006).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Commissie.

Eerste deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 48 van Michl Ebner (H-0360/06)

Betreft: Beltonen op mobieltjes in strijd met de mededingingswetgeving

Het Duitse Bundesgerichtshof heeft de reclame voor beltonen op mobieltjes in hoofdzakelijk door kinderen en jongeren gebruikte media op 6 april 2006 als gedeeltelijk in strijd met de mededingingswetgeving aangemerkt (uitspraak van 6 april 2006 - I ZR 125/03). Als argument werd o.a. aangevoerd dat deze agressieve reclame zich richt op een commercieel onervaren doelgroep die in het bijzonder bescherming behoeft.

Reclame voor beltonen, spelletjes op mobieltjes en dergelijke is echter niet tot Duitsland beperkt, maar strekt zich ook uit tot de andere lidstaten.

Is de Commissie in deze voornemens maatregelen te nemen met het oog op de bescherming van kinderen en jongeren? Hoe denkt de Commissie te werk te gaan? Binnen welke termijn denkt de Commissie maatregelen te nemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) De heer Ebner verwijst naar de noodzaak kinderen en jongeren te beschermen tegen agressieve reclame voor beltonen, mobiele telefoons, spelletjes enzovoort, en hij vraagt of de Commissie van plan is in dezen maatregelen te nemen.

De onlangs vastgestelde richtlijn oneerlijke handelspraktijken verbiedt agressieve handelspraktijken en voorziet in specifieke bescherming van kinderen en jongeren. Als een handelspraktijk specifiek is gericht op een bepaalde groep consumenten, zoals kinderen, wordt het effect van de praktijk beoordeeld vanuit het perspectief van de gemiddelde leeftijd van die groep. De richtlijn verbiedt voorts directe druk op kinderen om te kopen.

De richtlijn betreffende verkoop op afstand beschermt ook consumenten die goederen en diensten kopen op afstand, met andere woorden, zonder dat de koper en verkoper elkaar ontmoeten. De richtlijn bevat bepalingen over informatie die vooraf moet worden verstrekt. Bij het verstrekken van die informatie dient de leverancier minderjarigen passend te beschermen.

De Commissie heeft al de aanzet gegeven tot een herziening van acht van de consumentenrichtlijnen, met inbegrip van de richtlijn betreffende verkoop op afstand. Kwesties zoals die welke de heer Ebner naar voren heeft gebracht, zullen in de herziening worden meegenomen. Deze herfst zal een mededeling over de herziening worden gepubliceerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Michl Ebner (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de commissaris, allereerst zou ik u hartelijk willen bedanken voor uw uitvoerige en zeer geruststellende reactie. U heeft gezegd dat er in de herfst eerste gegevens beschikbaar zullen zijn. Bestaat er al een tijdschema voor de tijd daarna, zodat we weten wanneer we werkelijk strengere normen kunnen verwachten? Uit uw betoog concludeer ik dat die op dit gebied ongetwijfeld nodig zijn. Kunt u me nog meer zeggen over dat tijdschema, dat na de herfst wordt vastgelegd?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. - (EN) De uiterste datum voor de omzetting van de richtlijn oneerlijke handelspraktijken in nationaal recht is 12 juni 2007, en de nieuwe wetten moeten op 12 december 2007 van kracht zijn in de lidstaten.

Conform de betere regelgevingsbeginselen zal de Commissie tijdens deze omzettingsperiode nauw met de lidstaten samenwerken, teneinde tijdige en juiste maatregelen en een uniforme toepassing te bevorderen.

Ik hoop dat dit de vraag van de afgevaardigde beantwoordt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 49 van Baroness Nicholson of Winterbourne (H-0362/06)

Betreft: De noodzaak van een gemeenschappelijke minimumnorm voor kinderen in Europa

Artikel 20 (1) van het VN-Verdrag over de rechten van het kind luidt als volgt: "Een kind dat tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort, moet missen, of dat men in zijn of haar eigen belang niet kan toestaan in het gezin te blijven, heeft recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege". Het is echter duidelijk dat de normen voor "bijzondere bescherming en bijstand" voor het kind in nood tussen de lidstaten ver uiteenlopen. Er zijn landen (waarvan sommige economisch hoogontwikkeld) die nog altijd ouderwetse en ondermaatse kinderbeschermingspraktijken hanteren, die vaak leiden tot psychologische en neurologische schade bij kinderen. Een zaak die bijzondere aandacht verdient is het nog steeds in overheidsinstellingen als een soort dwangbuis in zwang zijnde kooibed.

Welke stappen denkt de Commissie te ondernemen om te komen tot een gemeenschappelijke minimumnorm voor kinderen in heel Europa?

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. – (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, volgens het VN-Verdrag over de rechten van het kind heeft een kind dat tijdelijk of blijvend het verblijf in het gezin waartoe het behoort, moet missen, of dat men in zijn of haar eigen belang niet kan toestaan in het gezin te blijven, recht op alternatieve zorg van staatswege. In deze Verklaring wordt ook steun uitgesproken voor andere opties dan het in een instelling plaatsen van het kind, wanneer deze opties beschikbaar zijn.

Er bestaan vele redenen waarom kinderen in instellingen verblijven en niet in hun families. Een reden kan zijn dat hun ouders wegens ziekte, overlijden of gevangenschap niet in staat zijn voor hen te zorgen, dat de kinderen beschermd moeten worden tegen mishandeling of verwaarlozing, of dat de betreffende instellingen passende zorg kunnen bieden aan gehandicapte of zieke kinderen. Kinderen kunnen ook in een instelling geplaatst worden wegens jeugdcriminaliteit of antisociaal gedrag of omdat ze een misdrijf hebben begaan. Deze groepen hebben met elkaar gemeen dat ze een zeer hoog risico van sociale uitsluiting lopen en er moet veel worden gedaan om te voorkomen dat zij tot permanente uitsluiting en armoede vervallen. Ook moet hun de ondersteuning worden geboden die noodzakelijk is om hun ontwikkeling en hun integratie in de samenleving goed te laten verlopen.

Het is op dit moment moeilijk ons een accuraat beeld te vormen van de institutionele zorg in Europa, omdat er te weinig vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn. Het is de Commissie evenwel opgevallen dat veel van de grote, traditionele instellingen geleidelijk worden vervangen door vormen van korterdurende opvang en dat door de bank genomen de voorkeur wordt gegeven aan het herenigen van families of aan pleegzorg in een nieuw gezin.

Er wordt steeds meer aandacht geschonken aan de leefomstandigheden van kinderen en jongeren in de Europese Unie. De Europese Raad van maart 2006 riep de lidstaten op maatregelen te nemen om armoede onder kinderen snel en krachtig terug te dringen en alle kinderen gelijke kansen te bieden, ongeacht hun sociale achtergrond. In de actieplannen voor sociale integratie die de lidstaten bij de Commissie hebben ingediend, worden kinderen die bedreigd worden door armoede en sociale uitsluiting, aangemerkt als prioriteitsgroep. Een aantal lidstaten heeft op binnenlands niveau concrete doelen gesteld voor het verlagen van armoede onder kinderen. De Commissie is zich ervan bewust dat de instellingen voor verstandelijk of lichamelijk gehandicapte kinderen en volwassenen in een aantal EU-lidstaten buitensporig gebruik maken van farmacologische dan wel fysieke methoden om personen in bedwang te houden, en de Commissie vindt dit onaanvaardbaar.

In haar recente mededeling over de situatie van personen met een handicap in de uitgebreide Europese Unie legt de Commissie grote nadruk op het deïnstitutionaliseren van de zorg voor personen met een lichamelijke handicap. De Gemeenschap heeft op dit terrein natuurlijk maar beperkte bevoegdheden, en de Commissie is dan ook voorstander van het gebruik van een heel scala aan instrumenten, zoals een antidiscriminatieprogramma, nationale actieplannen voor sociale integratie en het Europees Sociaal Fonds. De Commissie wijst er ook op dat zij binnenkort een mededeling zal publiceren over activiteiten die de EU ontplooit om de rechten van kinderen te beschermen en te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Emma Baroness Nicholson of Winterbourne (ALDE). - (EN) Dank u voor deze zeer uitputtende, volledige en verhelderende verklaring, commissaris. Ik ben blij met de verklaring, en ik ben u dankbaar dat u zoveel aandacht schenkt aan de positie van degenen die buiten de maatschappij worden geplaatst, in het bijzonder minderjarigen. Ik ben blij met uw vastberadenheid om in heel Europa een beleid van integratie te voeren.

Ik wil echter de aandacht van de commissaris vestigen op de door Daphne gefinancierde analyses, de onlangs uitgevoerde onderzoeken die zich in het bijzonder richten op de langdurige institutionele zorg van gemiddeld dertien maanden voor kinderen jonger dan drie jaar oud. Dit is de levensfase waarin ze het meeste risico lopen om neurologische schade op te lopen. Ik zou u deze verslagen kunnen toesturen, commissaris. Volgens mij staat een ander onderzoek op het punt te beginnen.

Mijn laatste punt is dat het gebruik van kooibedden in enkele van de huidige lidstaten kan worden aangemerkt als inhumaan. Ik hoop ook deze kwestie persoonlijk aan u te kunnen voorleggen. Dank u wel, commissaris, ik ben u zeer dankbaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. – (CS) Mijnheer de Voorzitter, Baroness Nicholson of Winterbourne, het doet mij uiteraard groot genoegen te horen over het Daphne-rapport, zoals ik blij ben met alle rapporten en alle objectieve gegevens die ons helpen vorderingen te maken dit gebied. Het feit alleen al dat het onderzoek gefinancierd is via het Daphne-programma is een teken dat Europa wat dit onderwerp betreft forse vooruitgang boekt en zich moeite getroost om zijn doel te bereiken. Het vraagstuk van deïnstitutionalisering is van het hoogste belang en ik denk dat alle extra inspanningen die we maar kunnen leveren niet alleen verstandig, maar ook noodzakelijk zullen zijn.

Wat uw vraag over kooibedden betreft: ik denk dat u gelijk hebt dat in sommige landen zulke bedden gebruikt worden, met netten eraan bevestigd, en dat er vaak verdeeldheid over bestaat of ze buitensporig worden gebruikt, of zelfs omdat het simpelweg makkelijk is voor het personeel. Het probleem zit hem – naar mijn mening – niet zozeer alleen maar in de methode op zich als wel in een, over het geheel genomen, restrictieve cultuur die in sommige instellingen en in sommige landen is blijven bestaan in een mate die niet past bij de hoge humanitaire normen die de EU voorschrijft. Er kan immers op vergelijkbare wijze worden ingegrepen in iemands geest door het toedienen van farmacologische stoffen, wanneer dat gebeurt op grond van een restrictieve cultuur en zonder dat het echt nodig is. Ik acht het zonder meer noodzakelijk dat deze restrictieve cultuur in de hele EU wordt uitgebannen en tenietgedaan, maar de methoden waarin deze cultuur zich manifesteert doen er uiteindelijk niet zoveel toe. U heeft gelijk dat kooibedden in verscheidene landen mogelijk een probleem vormen, maar ik heb met enige tevredenheid geconstateerd dat dit niet in veel landen het geval is, hoewel slechts in een paar landen een sterke tendens bestaat in de richting van afschaffing van deze methode.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de commissaris, we weten dat de kinderbescherming in Roemenië heel slecht geregeld is. Dat heeft ook de Commissie vastgesteld in haar voortgangsrapportage. Nu schijnen andere problemen meer aandacht te krijgen. Is dit probleem opgelost, of heeft de Commissie haar prioriteiten gewoon verlegd? Hoe ziet de kinderopvang in dit toetredingsland eruit?

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie.(CS) De Commissie heeft dit uiterst belangrijke onderwerp natuurlijk niet uit het oog verloren. In elk geval kunnen we melden dat er opmerkelijke vooruitgang is geboekt, ook al zijn er met betrekking tot bepaalde gebieden, bijvoorbeeld internationale adoptie, nog altijd zeer intensieve besprekingen gaande. De Commissie blijft onverminderd aandacht besteden aan de rechten van kinderen, aangezien het mijn stellige overtuiging is dat het de onbetwistbare plicht is van de Europese Unie maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen, en deze verantwoordelijkheid moet ook gestalte krijgen in de context van de toetredingsonderhandelingen. Het is dan ook volstrekt niet aan de orde dat wij het belang van dit onderwerp zouden kunnen onderschatten.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI). – (DE) Mijnheer de commissaris, telkens weer komen er schokkende gevallen van kindermishandeling aan het licht. De instanties grijpen helaas vaak niet op tijd in, en vanwege de slechte samenwerking kan het maanden duren voordat een rechter beslist dat een kind uit de omgeving waar het is mishandeld, wordt weggehaald. Welke maatregelen plant de Commissie om in de toekomst beter vast te kunnen stellen dat kinderen worden mishandeld, en er sneller iets aan te doen?

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. – (CS) Ik moet uiteraard opmerken dat zaken die verband houden met het bestrijden van kindermishandeling onder de nationale bevoegdheden vallen. Het eindeloos aanslepen van deze zaken, de lange wachttijden, het lage percentage van gevallen van kindermishandeling dat aan het licht wordt gebracht en dergelijke – dit zijn allemaal zaken voor nationale instanties. Het is voor de EU moeilijk om op dit gebied een rechtstreekse rol te spelen, hoewel projecten in het kader van het Europees Sociaal Fonds, of speciale projecten, en ook besprekingen en informatie-uitwisseling daartoe wel de mogelijkheid bieden en we ons aanzienlijk inspannen om dit te doen. Mijns inziens is het ook heel belangrijk voort te bouwen op bestaande initiatieven en nieuwe initiatieven te blijven ontplooien; ik heb het dan hoofdzakelijk over initiatieven die op het terrein liggen waarvoor mijn collega, de heer Frattini, verantwoordelijk is en die te maken hebben met de bestrijding van mensenhandel, huiselijk geweld, enzovoort. Zelfs op dit gebied streeft de Europese Commissie er in de eerste plaats naar vorm te geven aan het op zijn minst uitwisselen van kerngegevens, om de situaties in de verschillende lidstaten te kunnen vergelijken, en op basis daarvan doelgerichte strategieën uit te werken. Het basisbeginsel is nog steeds dat sociale aangelegenheden, die vaak tragische en gevoelige vraagstukken betreffen, onder de nationale bevoegdheden vallen. En dat houdt in dat als een bepaalde zaak lang loopt zonder dat er een oplossing volgt, dit doorgaans veel meer een kwestie voor de binnenlandse autoriteiten zal zijn dan voor de EU, hoewel we de bevoegdheden die we hebben ten volle moeten benutten.

 
  
MPphoto
 
 

  Elizabeth Lynne (ALDE).(EN) Ik ben lid van de adviesraad voor het Mental Disability Advocacy Centre en we stellen nu al een aantal jaren het gebruik van kooibedden aan de orde. U hebt echter helemaal gelijk – het gaat niet alleen om de kooibedden; het gaat om de beperkingen waaraan mensen op de bedden worden blootgesteld, om het gebruik van geneesmiddelen en, misschien nog wel belangrijker, om het tekort aan ruimte voor extramurale zorg.

Wilt u al het mogelijke doen om het vraagstuk van de gemeenschapszorg aan de orde te stellen en om mensen uit de geïnstitutionaliseerde zorg weg te halen? Dat moet niet alleen voor kinderen, maar ook voor mensen met psychische problemen gelden. De tijd dringt nu de raadpleging in verband met het Groenboek over geestelijke gezondheid op 31 mei afloopt.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. – (CS) Mevrouw Lynne, uw standpunt komt duidelijk volkomen overeen met het standpunt van de Commissie zoals dat in de desbetreffende mededelingen is geformuleerd. Allebei zijn wij van mening dat deïnstitutionalisering de weg is die wij moeten gaan, met andere woorden, dat de zorg zoveel mogelijk moet worden overgedragen aan plaatselijke overheden, de gemeenschap en natuurlijk familie. Ik vind dat we in deze situatie ook heel zorgvuldig moeten nadenken over het soort steun dat gegeven moet worden aan familieleden of aan de mensen die zelf weliswaar niet rechtstreeks familie zijn, maar toch de zorg voor een ander op zich hebben genomen. Gewoonlijk denken we aan financiële steun als we het over deze dingen hebben, maar mijns inziens is het ook noodzakelijk een of andere vorm van kwalificering te bieden. Het is immers van belang dat familieleden die een zo grote verantwoordelijkheid op zich moeten nemen iets afweten van de eerste beginselen van verzorging en van de basisprincipes die in acht moeten worden genomen. Ze moeten ook weten welke beperkingen dit soort zorg met zich meebrengt. Het is een ondraaglijke ethische kwelling het gevoel te hebben dat je nog een stapje verder kunt gaan, terwijl dat in werkelijkheid niet langer mogelijk is, dus in dit opzicht kunnen we de last verlichten van hen die hulp bieden. In wezen is dit de kernstrategie van de Commissie: een ontwikkeling die wegvoert van instellingen die vaak onmenselijk zijn, waar vaak een restrictieve cultuur heerst en die vaak structureel niet in staat zijn de individualiteit en de levenskwaliteit te accepteren van de mensen die met hen in contact komen, en in de richting gaat van plaatselijke overheden, natuurlijke gemeenschappen en uiteraard familie, in de bredere zin van het woord.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 50 van Neena Gill (H-0374/06)

Betreft: Voorlichting aan en raadpleging van de consument in verband met GGO's

Ik heb van veel inwoners van mijn kiesdistrict vragen gekregen over het voorstel van de Commissie om toe te staan dat als “biologisch” geëtiketteerde producten 0,9 procent aan GGO's bevatten. Volgens een recent Eurobarometer-onderzoek staan GGO's in de top-5 van problemen of risico's die Europese burgers met voedsel in verband brengen.

De zorgen van de inwoners van mijn kiesdistrict zijn tweeledig: ten eerste, dat een besmetting met 0,1 procent aan GGO's in als “biologisch” geëtiketteerde producten reeds was toegestaan zonder dat zij daarvan op de hoogte waren, en ten tweede, dat dit percentage tot 0,9 procent is verhoogd. Kan de Commissie mij verzekeren dat gedegen onderzoek is verricht naar de langetermijneffecten van GGO's? Welke informatie kan de Commissie mij geven waarmee ik de inwoners van mijn kiesdistrict gerust kan stellen en ervan kan overtuigen dat deze verhoging geen gezondheidsgevolgen zal hebben?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) De vraagstelling van de afgevaardigde suggereert dat de Commissie heeft voorgesteld om het aanvaardbare niveau van onvoorziene besmetting van biologische producten met GGO’s te verhogen van 0,1 procent tot 0,9 procent. Ik ben erg blij dat ik in dezen opheldering kan verschaffen omdat hierover bij vele gelegenheden en in vele verschillende fora vragen zijn gesteld aan mijzelf en mijn diensten. Volgens mij zijn de geuite zorgen gebaseerd op een verkeerd begrip van ons voorstel en van de bestaande wetgeving over biologische producten en GGO’s. Dat in ons voorstel zou worden toegestaan dat als “biologisch” geëtiketteerde producten 0,9 procent aan GGO’s bevatten, is een duidelijke misvatting. Ik wil graag uitleggen waarom dat zo is.

Niet alle consumenten weten dat er op dit moment geen specifieke wetgeving over toelaatbare GGO-niveaus in biologische producten bestaat. Dergelijke drempels zijn er eenvoudigweg niet. In de huidige regels voor biologische productie wordt het opzettelijke gebruik van GGO's of van GGO's afgeleide producten verboden. Daarbij wordt geen drempel vastgesteld voor de onbedoelde aanwezigheid van sporen van GGO’s. Er is dus geen sprake van dat een besmetting met 0,1 procent aan GGO's in als “biologisch” geëtiketteerde producten reeds was toegestaan, zoals de afgevaardigde in haar vraag verwoordt.

Deze regels dateren uit een tijd dat GGO’s nog niet op grote schaal werden verbouwd of ingevoerd. Deze situatie is nu duidelijk veranderd. In het voorstel van de Commissie wordt het verbod op het opzettelijke gebruik van GGO’s of van GGO’s afgeleide producten gehandhaafd. We stellen echter ook voor dat een ondernemer op GGO-etiketten moet kunnen vertrouwen wanneer hij of zij er zeker van wil zijn dat er bij zijn of haar productie geen GGO’s worden gebruikt.

Deze etiketten bieden afdoende informatie, omdat GGO’s of van GGO’s afgeleide producten tegenwoordig op grond van communautaire wetgeving als “GM” dienen te worden aangemerkt. Dit houdt in dat dezelfde drempel van 0,9 procent voor de onbedoelde aanwezigheid van GGO-sporen van toepassing is op biologische producten en op andere producten.

Naar onze mening zouden we het de biologische producenten veel moeilijker maken wanneer we een hogere etiketteringsdrempel voor biologische producten zouden opleggen. We realiseren ons namelijk dat volledige zuiverheid in de praktijk onhaalbaar is. Ik wil evenwel benadrukken dat dit niet betekent dat het percentage toegestane GGO-besmetting tot 0,9 procent is verhoogd, zoals de afgevaardigde stelt. De ondernemer moet alle nodige maatregelen treffen om de aanwezigheid van GGO’s te vermijden!

Wat met ons voorstel wel verandert, is dat een als GGO geëtiketteerd product niet langer als biologisch kan worden geëtiketteerd als de drempel van 0,9 procent wordt overschreden. Volgens de huidige wetgeving is dat wel mogelijk.

Wat de gezondheidsaspecten betreft mogen GGO’s uitsluitend op de markt worden gebracht na een specifieke individuele goedkeuringsprocedure. De Europese Unie heeft aantoonbaar de strengste procedure voor risicobeoordeling en goedkeuring van GGO's ter wereld. Deze procedure betreft milieu- en gezondheidsaspecten. Daarom heeft de discussie over de onbedoelde aanwezigheid van GGO’s niet te maken met veiligheid.

Tot slot wil ik nog eens beklemtonen dat, waar het gaat om de onvoorziene besmetting van biologische producten door GGO’s, het voorstel dat nu ter bespreking voorligt, neerkomt op een zeer belangrijke aanscherping van de regels en niet op een afzwakking van die regels, zoals zo vaak is gesuggereerd. Het is van groot belang dat te beseffen. De voorschriften zijn juist stringenter geworden.

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE).(EN) Dank u wel, commissaris, voor deze zeer uitvoerige verduidelijking van dit complexe vraagstuk. Zoals u weet, staan GGO’s in de top vijf van zaken waarover de Europese burger zich zorgen maakt en de publieke opinie in Europa is erg sceptisch over GGO-producten en zeer bezorgd over “Frankensteinvoedsel”.

Voor ons is het volgende van belang: ten eerste moeten we de juiste informatie zien te verkrijgen en ten tweede moeten we ervoor zorgen dat deze informatie het grote publiek bereikt. Hoe pakken we dat laatste aan met de door u geschetste Commissievoorstellen? Ik kan u zo een paar e-mails voorlezen die ik heb ontvangen, waaruit blijkt dat mensen erg bezorgd zijn. Onlangs heeft de WTO de uitspraak tegen de EU in de GGO-zaak bekrachtigd. Welke implicaties heeft dat voor het zojuist door u beschreven beleid?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Dan hebben wij ongetwijfeld dezelfde e-mails ontvangen. Daarom is vandaag voor mij een uitgelezen kans om enkele misverstanden uit de weg te ruimen.

Mijns inziens hebben we de belangrijkste stap in november 2002 gezet, toen we in de Raad overeenstemming hebben bereikt over de traceerbaarheid en etikettering van GGO’s. Dat was van fundamenteel belang. Wellicht was niet iedereen tevreden met het behaalde resultaat, maar er is in ieder geval een belangrijk besluit genomen: voortaan moesten producten die rechtstreeks uit een GGO-product vervaardigd zijn, bijvoorbeeld tomatenketchup uit GGO-tomaten, van een etiket worden voorzien. Daarom kunnen consumenten nu kiezen of ze deze producten willen aanschaffen. Boeren kunnen bijvoorbeeld het gebruik van genetisch gemodificeerde soja vermijden en conventionele voeders voor hun dieren kopen. Dat is een belangwekkend wapenfeit.

Het WTO-geschil met de Verenigde Staten doet daar niets aan af.

 
  
MPphoto
 
 

  John Purvis (PPE-DE). (EN) Ik vraag mij af of de voorlichtingscampagne van de commissaris effectiever zou zijn als zij ons zou vertellen hoeveel het de producenten van biologisch voedsel kost het plafond voor het GGO-gehalte terug te brengen van 0,9 procent tot 0,1 procent. Wat gaat het de biologische producenten kosten? Wat gaat het hun klanten kosten en wat zijn de gevolgen voor de beschikbaarheid van biologische voeding voor de consument? Kan zij mij deze cijfers verstrekken?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Nee, maar ik kan u wel een idee geven van de consequenties van een dergelijke maatregel: als we het plafond tot 0,1 procent zouden verlagen, zou dat dramatische gevolgen voor de biologische producent hebben. Deze maatregel is zo duur dat volgens mij de beschikbaarheid van biologische producten voor de consument drastisch zou worden beperkt, omdat de prijs van de producten in geen verhouding zou staan tot de prijs die de consument bereid is te betalen. Het is eenvoudigweg onmogelijk u heldere cijfers te verstrekken, maar we hebben berekend en duidelijk gemaakt dat terugbrenging van het plafond tot 0,1 procent een nadelige uitwerking zou hebben op de overlevingskansen van biologische boeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI). – (DE) Mevrouw de commissaris, we beschikken nog niet over onderzoek naar de langetermijneffecten van GGO's. De burgers staan uitgesproken sceptisch tegenover de biotechnologie. Bovendien is er onlangs door de WTO een uitspraak gedaan. Is dat voor de EU een reden om onderzoek te laten verrichten naar de schadelijke gevolgen van deze levensmiddelen voor de gezondheid op de middellange en lange termijn?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Voordat een GGO-product kan worden ingevoerd of verbouwd, dient de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) de mogelijkheid te krijgen alle details zowel uit gezondheids- als uit milieuoogpunt te bestuderen, zodat het risico of de gevolgen voor de gezondheid of het milieu kunnen worden vastgesteld. Daarom ben ik van mening dat de pogingen van de EFSA om de WTO-uitspraak van kracht te laten worden voordat import of verbouw wordt toegestaan, deze beide gebieden behelzen.

 
  
  

Tweede deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aangezien de vragen nrs. 51, 52 en 53 over hetzelfde onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld.

Vraag nr. 51 van Maria Badia i Cutchet (H-0328/06)

Betreft: Communautaire verordening met het oog op de verlaging van de internationale roamingtarieven voor mobiel bellen

In de eerste plaats wil ik de Commissie feliciteren met haar initiatief om een communautaire verordening op te stellen met het doel de internationale roamingtarieven voor mobiel bellen te verlagen. Dit is een belangrijke stap voorwaarts, niet alleen vanuit politiek oogpunt, maar ook voor de economie van de Europese Unie.

Er moet inderdaad een einde worden gesteld aan de buitensporige roamingtarieven. 2006 is het jaar van de mobiliteit van de werknemers, en om deze mobiliteit (niet alleen op de arbeidsmarkt, maar in het algemeen) te bevorderen, moet de Europese Unie ervoor zorgen dat mobiele bellers geen hogere tarieven moeten betalen omdat zij in het buitenland verblijven.

Zoals u weet liggen de marktprijzen voor mobiel bellen momenteel een stuk hoger voor Europese burgers wanneer zij niet in hun land van herkomst verblijven. Er zijn ook verschillen tussen de roamingtarieven voor mobiele bellers in de verschillende Europese landen.

Kan de Commissie meedelen op welke grondslagen zij deze verordening zal baseren, om ervoor te zorgen dat de nieuwe regeling niet alleen in overeenstemming is met de criteria en beginselen inzake mededinging en interne markt, maar ook met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

Vraag nr. 52 van Seán Ó Neachtain (H-0336/06)

Betreft: Beperking van de "international roaming charges" in Europa

Hoe weinig tijd zal het volgens de Commissie kosten voordat in de praktijk sprake is van een verlaging van de "roaming charges" (kosten van internationaal bellen met een gsm) voor de consumenten in Europa en om wat voor verlaging van de "roaming charges" zal het dan gaan?

Vraag nr. 53 van Gay Mitchell (H-0340/06)

Betreft: Kosten international roaming

Kan de Commissie een uiteenzetting geven over de specifieke procedures die momenteel worden gevolgd in de tweede en laatste fase van het overleg over de verordening die de kosten van international roaming naar beneden moet brengen?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. – (EN) We weten allemaal dat de internationale-roamingtarieven momenteel erg hoog liggen. Het Parlement en de nationale regelgevende instanties hebben ons daar verscheidene malen op gewezen. Zij hebben de EU opgeroepen actie te ondernemen om het probleem op te lossen en dat is terecht, want door de hoge roamingtarieven kunnen burgers en bedrijven die grensoverschrijdende activiteiten verrichten, niet optimaal van de interne markt profiteren.

Als eerste stap heb ik in oktober 2005 een website opgezet om de consument heldere prijsinformatie te verschaffen. Tegelijkertijd heb ik in het openbaar verklaard dat ik na zes maanden zou bekijken of er vooruitgang was geboekt. Als de prijzen niet aanzienlijk zouden zijn verlaagd, zou ik regelgeving opstellen. In maart 2006 hebben we de roamingtarieven vergeleken met de tarieven in het najaar van 2005. We stelden vast dat de prijzen in negentien lidstaten min of meer gelijk waren gebleven en dat zij in vier lidstaten waren gestegen. Op grond daarvan kondigde ik aan dat er een verordening zou komen en begonnen we met de openbare raadpleging, die op 12 mei werd afgesloten. Er waren 150 bijdragen. Mijn diensten en ik zijn nu bezig deze bijdragen te analyseren en we zullen voor de zomer van 2006 onze conclusies trekken en deze samen met een effectbeoordeling presenteren. Tegelijkertijd zal de Commissie in juli een ontwerpverordening indienen.

Ik heb gemerkt dat sommige spelers op de markt inmiddels prijsverlagingen hebben aangekondigd, nu zij begrijpen dat de Commissie in actie komt. Dat is een zeer interessante ontwikkeling, die het belang van onze consumenten dient.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Badia i Cutchet (PSE). – (ES) Ik wil mevrouw de commissaris bedanken voor dit initiatief - dat heb ik ook al gedaan toen ik deze vraag voorbereidde - en eveneens voor de uitleg die zij ons heeft gegeven, waaruit duidelijk blijkt hoeveel belangstelling en bezorgdheid dit onderwerp opwekt.

Ik wil hier nadrukkelijk wijzen op de noodzaak om deze verordening zo snel mogelijk in werking te laten treden. U heeft het al uitgelegd, maar ik denk dat het om een enorm belangrijke zaak gaat, juist voor de bevordering van de mobiliteit in Europa, de arbeidsmobiliteit en de mobiliteit in het algemeen. Ik hoop dat deze verordening zo spoedig mogelijk het licht zal zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain (UEN).(EN) Ook ik wil de commissaris bedanken voor haar initiatieven tot nu toe en haar inspanningen op dit terrein. Wat ik echter graag wil weten, is of de Commissie beoogt de roamingtarieven over de hele linie te verlagen. Waarom zouden we verschillende tarieven hanteren? We hebben immers een interne markt? In heel Europa moeten dezelfde tarieven gelden. Volgens mij ligt daar de opdracht van de Commissie en ik verwacht dat dat haar streven is.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE).(EN) Ik wil de commissaris bedanken. De roamingtarieven voor een gesprek van vier minuten variëren nog altijd van slechts 20 eurocent voor een Finse consument die vanuit Zweden belt, tot 13,05 euro voor een Maltese consument in Letland. De inkomsten uit internationale-roamingtarieven bedragen in totaal ongeveer 10 miljard euro en de verordening moet de consument een besparing tussen 40 en 60 procent opleveren. Kan de commissaris bevestigen dat zij van plan is de benodigde verordening volgend jaar zomer in werking te laten treden?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. – (EN) Ik wil de afgevaardigden bedanken voor hun hulp in deze kwestie. Het is inderdaad een zeer belangrijk vraagstuk, niet alleen voor onze burgers die graag van mobiliteit willen profiteren, maar ook voor werknemers. Ik denk daarbij vooral aan de kleine en middelgrote ondernemingen die hun werknemers uitzenden voor werkzaamheden over de grens. Dat heeft grote financiële gevolgen voor deze bedrijven en daarom moeten we proberen de roamingtarieven terug te brengen tot de werkelijke kosten. We zullen nu dus de inhoud van de 150 geleverde bijdragen moeten analyseren.

In maart heb ik aangekondigd dat ik het thuistarief wil laten gelden. Momenteel onderzoek ik onder welke voorwaarden dit zal gebeuren, op grond van de bijdragen aan de raadpleging. Ik kan het Parlement verzekeren dat ik van plan ben in juli een verordening aan de Commissie voor te leggen en vervolgens is het aan het Parlement en de Raad om te bepalen of zij deze verordening versneld kunnen goedkeuren. Wanneer deze verordening is aangenomen, treedt zij onmiddellijk in werking. Ik denk dat vóór of in de zomer van 2007 consumenten en werknemers van veel lagere roamingtarieven kunnen profiteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi (PPE-DE).(EN) Zoals u ziet, vormt de afschaffing van roamingtarieven een van de populairste initiatieven van de Commissie. Ik wil graag teruggaan naar de eerste vraag van mevrouw Badia i Cutchet. Zij vroeg naar de rechtsgrondslag van deze verordening. Wat zal de rechtsgrondslag zijn en hoe gaat u met DG Concurrentie samenwerken?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. – (EN) DG Concurrentie stelt achteraf regels op naar aanleiding van een klacht, terwijl DG Interne markt en diensten vooraf markten kan reguleren. We hebben het hier over artikel 95 van het EG-Verdrag. Ik heb met de juridische diensten overlegd om erachter te komen of artikel 95 de juiste grondslag vormt. Zolang dit proces duurt, zal ik dat blijven doen. Door de antwoorden van de juridische diensten ben ik ervan overtuigd geraakt dat artikel 95 een passende grondslag voor ons voorstel verschaft.

 
  
MPphoto
 
 

  Sajjad Karim (ALDE).(EN) Gisteren las ik onderweg naar Straatsburg een Britse krant. Het is een behoorlijk lange reis, dus ik had zeeën van tijd. Ik las een artikel waarin alle redenen werden genoemd die de telefoonaanbieders aanvoeren om duidelijk te maken waarom u hun bezwaren niet begrijpt.

Is het niet zo dat deze zelfde bedrijven profiteren van de toegang tot de interne markt en van de Europese Unie, terwijl zij hoge tarieven aan de Europese burger opdringen? Is dit niet het zoveelste voorbeeld van een situatie waarin de Europese Unie de belangen van de Europese consument verdedigt tegen de overweldigende macht van monopolistische ondernemingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. – (EN) De interne markt pakt voordelig uit voor grote en kleine bedrijven en voor de consument. Feit is dat de interne markt voordelig heeft uitgepakt voor de ontwikkeling van het gsm-systeem, dat nu de mondiale standaard vormt. Daar zijn we erg trots op. We hebben nu echter te maken met een absurde situatie: onze burgers hebben een van de beste vaste en mobiele telefoonsystemen - zo niet het beste - ter wereld en toch worden zij in zekere zin gestraft wanneer zij de grens oversteken. Zij kunnen de vruchten van de gemeenschappelijke markt niet plukken. Daarom vond ik het beslist noodzakelijk dat de Commissie actie zou ondernemen.

Ik ben geen commissaris die alles aan regels wil binden; ik geef er altijd de voorkeur aan dat de markt zelf eventuele problemen oplost. Daarom is de markt lang van tevoren gewaarschuwd. De markt heeft waarschuwingen gekregen van het Parlement en van de nationale regelgevers en is diverse malen gewaarschuwd door de Commissie. Er gebeurde evenwel niets. Pas toen de Commissie besloot een verordening op te stellen, begonnen de eerste spelers op de markt enigszins in de juiste richting te bewegen. Volgens mij is het nu tijd om de voordelen van de interne markt aan de kleine en middelgrote ondernemingen en onze consumenten terug te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Malcolm Harbour (PPE-DE).(EN) Ik sluit mij aan bij de lovende woorden voor de harde opstelling van de commissaris, maar ik wil nog even ingaan op wat zij zei over niet willen overreguleren. Kan zij bevestigen dat zij goed heeft geluisterd naar de Europese toezichthouders, die volgens mij tamelijk kritisch waren over haar oorspronkelijke aanpak en ernstige bedenkingen bij haar voorstellen hebben? Kan zij bevestigen dat zij niet van plan is de markt regels op te leggen waardoor de exploitanten hun diensten onder de kostprijs moeten verlenen? In dat geval zouden gebruikers van een mobiele telefoon met een laag inkomen namelijk de verhoogde tarieven voor klanten als europarlementariërs gaan subsidiëren.

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. – (EN) Ik krijg de indruk dat momenteel de consumenten binnen grote bedrijven die in staat zijn speciale prijzen met de exploitanten van mobiele telefonie af te spreken, door consumenten met een laag inkomen worden gesubsidieerd. Wij willen daarin verandering brengen en eerlijke prijzen zien die gebaseerd zijn op de markt en op de kosten voor de consument; we willen af van de huidige oneerlijke tarieven. Boven alles willen we de consument de voordelen van de gemeenschappelijke markt teruggeven en mobiliteit bevorderen in plaats van belemmeren.

Ik heb het advies van de European Regulators’ Group met grote belangstelling gelezen en ik werk nauw met die groep samen. Zij heeft hetzelfde doel als ik, namelijk drastische verlaging van de internationale-roamingtarieven. Vandaag vergaderen onze diensten met leden van de groep over de vraag hoe dit vorm moet krijgen. Ik kan op dit moment dan ook geen bijzonderheden over de verordening verschaffen. Ik moet namelijk alle betreffende stukken – 150 bijdragen – bekijken en naar de nationale toezichthouders luisteren. Daarna zal ik voor de Commissie een document opstellen over een ontwerpverordening en ik ben ervan overtuigd dat dit document later in deze zomer uitvoerig door het Parlement zal worden besproken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 54 van Brian Crowley (H-0330/06)

Betreft: Zo veilig mogelijk gebruik van internet

Kan de Commissie een overzicht geven van de initiatieven die zij neemt om een zo veilig mogelijk gebruik van internet in Europa te bevorderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. – (EN) De Commissie is bezig met diverse initiatieven om een zo veilig mogelijk gebruik van internet in Europa te bevorderen. Sinds 1996 strijdt de Commissie actief tegen onwettige inhoud als kinderporno of racistische inhoud en tracht zij kinderen te beschermen tegen wettige maar schadelijke inhoud, zoals pornografie, geweld en gokken.

Momenteel bestudeert het Parlement het voorstel van de Commissie om de richtlijn Televisie zonder grenzen zodanig aan te passen dat deze alle audiovisuele mediadiensten insluit. Dan zal voor alle audiovisuele inhoud een reeks basisregels gelden, ongeacht de wijze waarop deze inhoud wordt verspreid, inclusief televisie en internet. Deze regels hebben betrekking op veiligheid, de bescherming van minderjarigen en het verbod op het aanzetten tot haat en omvatten enkele kwalitatieve beperkingen aan op minderjarigen gerichte reclame.

We hebben ook een aanbeveling opgesteld over de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid in audiovisuele diensten en informatiediensten, waarin richtsnoeren worden gegeven voor nationale wetgeving over elektronische media. Op grond van deze aanbeveling zijn we in 2005 met het programma Veiliger Internet Plus gestart. Dat programma heeft gezorgd voor een netwerk van 21 telefonische hulpdiensten waar het grote publiek zich kan beklagen over onwettige internetinhoud. Klachten worden onderzocht en doorverwezen naar de toepasselijke organisaties, de politie, internetaanbieders of hulplijnen in andere landen.

Tevens hebben we een netwerk van 23 bewustmakingsprojecten, waarbij kinderen, tieners, ouders en opvoeders worden geadviseerd over de risico’s van internet en de manier waarop ze daarmee om kunnen gaan. Dit gebeurt rechtstreeks met behulp van brochures, websites en tv-spotjes of via multiplicatororganisaties als scholen. Verder is er de filtersoftware en de software voor ouderlijk toezicht, die belangrijke middelen vormen om kinderen tegen schadelijke inhoud te beschermen. De Commissie zal ouders voorlichten over de doeltreffendheid van filtersoftware en -diensten. Er is een onderzoek gaande, dat in december dit jaar gereed moet zijn.

De Commissie is eveneens actief betrokken bij de sectoren internet en mobiele telefonie. Zij wil bevorderen dat deze bedrijfstakken zelf regels opstellen om de stroom van schadelijke en onwettige inhoud te beperken. De Commissie heeft wetgevende maatregelen getroffen tegen spam, spyware en overige malware, die ook virussen zijn. De afgevaardigden zullen een volledig overzicht van deze maatregelen ontvangen.

Op internationaal niveau zullen al deze negatieve aspecten van de nieuwe technologieën besproken worden tijdens de vervolgconferentie van de Wereldtop over de informatiemaatschappij. Ik ben er zeker van dat met de hulp van het Parlement de Dag voor Veilig Internet in het voorjaar van 2007 een werkelijk belangrijke dag van bewustwording in al onze lidstaten zal worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de commissaris, ik zou u hartelijk willen bedanken voor uw antwoord. Ook ik ben van mening dat het een goede zaak is dat er weer een Wereldtop over de informatiemaatschappij gepland is. Denkt u echter dat u werkelijk genoeg maatregelen heeft genomen? Wat voor maatregelen plant u voor het geval dat zulke vreselijke dingen toch op internet beschikbaar blijven? Zullen de ouders en andere opvoeders hiervoor worden geschoold en geïnformeerd, ook door de Commissie?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Schierhuber heeft helaas gelijk: deze vreselijke dingen zijn inderdaad beschikbaar op internet, en dat zal ook zo blijven. We doen wat we kunnen om ze van het internet te verwijderen, maar het is een world wide web, en we hebben niet overal toegang tot deze inhoud. Daarom is het van het grootste belang om niet alleen de ouders maar ook de scholen de nodige informatie ter beschikking te stellen. Op die manier kunnen we de kinderen voorbereiden op wat ze op het net zullen vinden.

Daarom zullen al onze informatie- en bewustwordingscampagnes in de lente van 2007 leiden tot een zeer geslaagde Dag voor Veilig Internet, in ieder geval hoop ik dat. Het is ook mijn wens dat het Europees Parlement ons steunt en dat de leden in hun kiesdistrict de nodige initiatieven nemen. Het zou zeker in het belang van onze kinderen zijn dat er in heel Europa een gecoördineerde campagne plaatsvindt.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain (UEN).(EN) Ik wil de commissaris bedanken. Tot op heden heeft het verbod op deze ongewenste sites slechts weinig effect gesorteerd. Gelooft u dat u met uw voorstellen zulke sites van het internet kunt weren?

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. – (EN) Zoals ik reeds heb gezegd, hebben we te maken met een wereldwijd web en iedereen kan er inhoud op plaatsen. Daarom moeten we niet alleen de bewustwording van opvoeders en ouders vergroten, maar ook internetaanbieders aanmanen om hun verantwoordelijkheid te nemen en zelfregulerende maatregelen te treffen. Dat laatste doe ik regelmatig.

Ik geloof echt in zelfregulering op dit gebied. Als vele betrokkenen tot zelfregulering overgaan, zal dat tot resultaat leiden. Volgens de herziene richtlijn Televisie zonder grenzen gelden de fundamentele waarden van onze samenlevingen ook voor internet. Dit is van het grootste belang en de verantwoordelijkheid ligt bij degenen die in on-linediensten werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE).(EN) Commissaris, u kunt niet bepalen wat er op het web staat, maar u kunt wel een oogje in het zeil houden als het gaat om de toegang tot internet.

Sinds de komst van breedband zijn computers continu verbonden met internet. Veel nieuwe computers hebben slechts één wachtwoord voor het gebruik van de computer. Er is geen apart wachtwoord voor toegang tot internet. Met breedband kunnen kinderen rechtstreeks het net op. Als er een eenvoudige controle op de toegang was en computers meer wachtwoorden hadden, zouden ouders, scholen en anderen meer toezicht kunnen uitoefenen. Ik wil u vragen hiernaar te kijken, vooral omdat dankzij de breedbandtechnologie internet altijd aanstaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Viviane Reding, lid van de Commissie. – (EN) De nieuwe technologieën stellen ons voor een groot probleem: voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid weten kinderen wellicht meer dan ouders en opvoeders. Daarom moeten we aan ouders zeer eenvoudige software, filters en controlemiddelen ter beschikking stellen, zodat zij hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. We zijn een onderzoek gestart om erachter te komen welke filters en diensten er voor ouders voorhanden zijn. Aan het eind van het jaar, wanneer we de uitkomsten van dit onderzoek presenteren, willen we een bewustmakingscampagne met betrekking tot deze filters organiseren om ouders te laten weten wat zij kunnen doen om hun kinderen te helpen. Dat is een zeer effectieve methode om ons doel te bereiken. Heel vaak hebben ouders totaal geen idee hoe zij moeten handelen, omdat ze niet erg vertrouwd zijn met de technologie – in elk geval niet zo vertrouwd als de nieuwe generatie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - De vragen nrs. 55 tot net met 58 zullen schriftelijk worden beantwoord.

Daar de vraagsteller afwezig is, komt vraag nr. 59 te vervallen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 60 van Margarita Starkevičiūtė (H-0366/06)

Betreft: Financiële diensten in het kader van de Doha-ronde van de WTO

In de EU is de politieke aandacht voor de onderhandelingen in het kader van de WTO vooral gericht geweest op de agrarische en textielproductie en bleef het veel belangrijkere economische potentieel van de commerciële dienstverlening enigszins onderbelicht.

Slechte toegang tot financiering, inclusief een breed scala aan innovatieve financiële producten, belemmert de economische groei in ontwikkelingslanden, met name in het midden- en kleinbedrijf, terwijl de EU-lidstaten niet in staat zijn het enorme potentieel van de financiële dienstverlening goed te exploiteren.

Welke stappen is de Commissie voornemens te ondernemen om nieuwe en verbeterde GATS-afspraken op het gebied van financiële diensten te integreren in de multilaterale en bilaterale verzoeken aan haar WTO-handelspartners?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) Ik kan u verzekeren dat de Commissie zich goed bewust is van het belangrijke economische potentieel van de commerciële dienstverlening, inclusief financiële diensten. Dit speelt in de WTO-onderhandelingen een grote rol. Er is niet aan voorbijgegaan, ook al heeft het minder publiciteit gekregen dan andere punten.

De Commissie heeft het belang van toegang tot financiering in ontwikkelingslanden bij talrijke gelegenheden benadrukt, bijvoorbeeld in een mededeling die zij afgelopen jaar in de WTO ondersteunde.

Financiële diensten vormen duidelijk een van de prioriteiten van de Europese Commissie in de onderhandelingen over de dienstverlening en hebben daarom een prominente plaats in de verzoeken van de Commissie in verband met bilaterale diensten. Verder was de Europese Gemeenschap een van de ondersteuners van het onlangs ingediende multilaterale verzoek op het vlak van financiële diensten en voert zij bijzonder actief multilaterale en bilaterale besprekingen met onze handelspartners in Genève.

Helaas zijn de meeste aanbiedingen op het gebied van de financiële dienstverlening tot dusver teleurstellend. Dat geldt met name voor veel landen in Azië. Sommige ASEAN-leden, die in het verleden minimale toezeggingen hebben gedaan, hebben helemaal niets aangeboden en grotere spelers als China en vooral India zouden het wat dit betreft ook beter kunnen doen.

Kort gezegd zijn onze handelspartners niet ingegaan op de meeste van onze voornaamste verzoeken op het terrein van de financiële dienstverlening. Daarom zal de Commissie op alle fronten grote druk blijven uitoefenen om onze handelspartners ervan te overtuigen dat zij hun zaakjes in orde moeten maken en in juli dit jaar aanbiedingen moeten doen die op wezenlijke punten zijn herzien.

 
  
MPphoto
 
 

  Margarita Starkevičiūtė (ALDE).(LT) Ik betreur het ten zeerste dat de heer Mandelson, een lid van de Commissie, de vergadering niet kan bijwonen, en ik stel liever geen vraag die mogelijk buiten uw deskundigheidsterrein ligt.

Ik denk dat u vanuit uw eigen werkzaamheden wel kunt zeggen of de Commissie zich buigt over mogelijkheden om de dialoog over de financiële diensten te verbreden. Want ik heb nu de indruk dat alles gericht is op landbouwproducten en textiel, terwijl het na de aanpassing van de handelsstructuur juist de sector financiële dienstverlening is die in een ideale positie verkeert om bij te dragen tot de verdere aanpassing van die structuur.

Besteedt de Commissie veel tijd aan het bespreken van de uitbreiding en de ontwikkeling van de financiële diensten?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) Jazeker, en wij proberen onze handelspartners ervan te overtuigen dat zij hun zaakjes in orde moeten maken. Wij geloven dat zij in juli dit jaar substantieel herziene aanbiedingen op het vlak van financiële diensten kunnen doen. We zullen daarop blijven aandringen, maar zoals u weet hebben handelsbesprekingen een bilateraal of multilateraal karakter: onze handelspartners moeten in actie komen en een aanbod doen en wij doen er alles aan om hen te bewegen met zulke aanbiedingen te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE).(EN) Ik weet dat commissaris Mandelson zich heel sterk heeft gemaakt voor de financiële dienstverlening en ik ben blij van de commissaris te horen dat hij van plan is dat te blijven doen. Vindt hij net als ik dat het enigszins van ironie getuigt dat een land als India, waar telefonische informatiecentra van Europese bedrijven verzekeringen, hypotheken, leningen en andere financiële diensten verkopen, diezelfde dienstverlening aan zijn eigen bevolking ontzegt? Zal hij druk op India uitoefenen, vooral om het land ertoe te bewegen zijn protectionistische systeem voor financiële dienstverlening te hervormen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) We vragen de Indiase autoriteiten de toegang tot deze diensten te verbeteren en ik hoop dat zij aan ons verzoek zullen voldoen.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE). - (EL) Zal de Europese Commissie de opkomende economieën en de geavanceerde ontwikkelingslanden sterker onder druk zetten, zodat zij hun dienstenmarkten openen? Dat is de cruciale vraag. Mijns inziens moet de Europese Unie aandringen op symmetrie tussen enerzijds de reeds plaatsgevonden openstelling van de markten van de Unie op landbouwgebied en anderzijds de openstelling van de markten van de andere landen op het gebied van de diensten in het algemeen. Hetzelfde moet gelden voor de toegang tot de markt van niet-landbouwproducten.

Als niet aan die voorwaarden wordt voldaan, zal de Doha-ronde geen symmetrisch resultaat opleveren. Dan zullen geen evenwichtige resultaten worden bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) Ik kan bevestigen wat ik reeds heb gezegd. We proberen continu deze landen zover te krijgen dat zij de aangeboden diensten, inclusief de financiële dienstverlening, verbeteren of versterken. Dat maakt deel uit van onze onderhandelingsstrategie. Wij zetten ons niet alleen maar in voor de landbouw; we zijn actief op alle terreinen die tijdens de handelsbesprekingen aan de orde komen. We zijn ervan overtuigd dat handelsconcessies wederzijds moeten zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 61 van Bart Staes (H-0299/06)

Betreft: Biobrandstoffen

De Commissie lanceerde op 8 maart jongstleden haar strategie om biobrandstoffen te promoten (COM(2006)0034 def.). Dit is echter sociaal en ecologisch niet zo vanzelfsprekend. Zo is het noodzakelijk dat een verplichte certificering van biobrandstoffen wordt opgestart. Deze moet verzekeren dat alle biobrandstoffen die op de markt komen en in aanmerking willen komen voor een gunstige fiscale behandeling, voldoen aan een reeks van sociale en ecologische criteria. Voorts is het negatief dat de Commissie de suggestie wekt dat in ruil voor de inzet van biobrandstoffen, automobielproducenten minder inspanningen zouden moeten doen om zuiniger wagens te ontwikkelen en op de markt te brengen.

Welke visie heeft de Commissie, in het licht van deze problematiek, op het verzekeren van de ecologische integriteit van de inzet van biobrandstoffen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) Biobrandstoffen zijn om twee redenen nodig. Ten eerste kunnen we alleen de continuïteit van onze energievoorziening waarborgen als we alternatieven voor het gebruik van olie ontwikkelen. Er zijn vandaag de dag meerdere mogelijkheden, maar biobrandstoffen hebben het grootste potentieel. Ten tweede draagt de vervoerssector onvoldoende bij aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Biobrandstoffen kunnen een belangrijk instrument vormen om de beoogde reductie te verwezenlijken.

De EU heeft besloten de toepassing van biobrandstoffen snel te ontwikkelen. In de biobrandstoffenrichtlijn, die in 2003 werd aangenomen, wordt een referentiewaarde vastgesteld: een marktaandeel van 2 procent voor biobrandstoffen in 2005 en van 5,75 procent in 2010, vergeleken met een aandeel van 0,2 procent in 2000. De lidstaten hebben bij de vaststelling van de in de richtlijn genoemde nationale indicatieve streefcijfers iets minder ambitie getoond. Toch bedroeg over de hele linie het streefcijfer voor 2005 1,4 procent.

In het licht hiervan is de evaluatie van de werking van de biobrandstoffenrichtlijn, die de Commissie dit jaar moet verrichten, van bijzonder belang. We zijn zojuist begonnen met de openbare raadpleging voor deze evaluatie. Daarbij worden een aantal vragen gesteld. Ten eerste: zal de doelstelling van 5,75 procent voor 2010 met de huidige beleidsvormen en maatregelen worden bereikt? Zo niet, wat kan er dan worden gedaan om de doelstelling te halen? Moet de Gemeenschap doelen stellen voor het aandeel biobrandstoffen in 2015 en 2020? Tot dusver heeft de Commissie over deze vragen geen standpunt ingenomen.

Wat betreft de vraag naar de milieueffecten is het belangrijk bij de basis te beginnen: biobrandstoffen zijn in een aantal opzichten gunstig voor het milieu. De productie ervan kan echter ook enkele nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Ik geloof dat de biobrandstoffen van de tweede generatie nog meer voordelen voor het milieu kunnen opleveren en dat deze zo snel mogelijk moeten worden toegepast.

De Commissie zal er dus op toezien dat de bevordering van het gebruik van biobrandstoffen gunstig blijft uitpakken voor het milieu en voor de continuïteit van de energievoorziening. Daarom vraagt de Commissie, als onderdeel van de evaluatie van de richtlijn, naar standpunten over de invoering van een certificeringssysteem. Hierdoor kan worden gegarandeerd dat alleen biobrandstoffen die volgens de vereiste milieunormen worden verbouwd, meetellen bij het behalen van de in de richtlijn genoemde doelstellingen. De eerste reactie van NGO’s op milieugebied, brandstofleveranciers en andere belanghebbenden was erg bemoedigend.

Wat betreft de verplichtingen van automobielproducenten geldt dat autofabrikanten vrijwillig hebben afgesproken om de gemiddelde CO2-uitstoot van nieuwe auto’s in 2008/2009 te beperken tot 140 g per km. De Commissie is van mening dat het gebruik van biobrandstoffen geen enkele afbreuk mag doen aan de doelstellingen die met de auto-industrie zijn overeengekomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bart Staes (Verts/ALE). – Dank u, commissaris, voor uw antwoord. Ik ben heel blij dat de Commissie werk wil maken van een verdere verduurzaming van onze mobiliteit. Dat is absoluut noodzakelijk. Ik neem nota van uw engagementen, maar ik wil u het volgende vragen. Het gaat niet alleen over de productie van biobrandstoffen hier in de Europese Unie, het gaat ook over de productie en eventueel de aankoop van biobrandstoffen van buiten de Europese Unie. En daar bereiken ons toch berichten dat die productie onder niet zo gunstige omstandigheden gebeurt: kaalslag van het Amazonewoud, sociale uitbuiting, overmatig gebruik van pesticiden. Wat zal de Commissie daaraan doen?

En dan hebt u geantwoord op mijn vraag inzake de automobielindustrie. Maar een vraag waarop u niet geantwoord hebt: moet de automobielindustrie er zich niet toe verplichten om ook wagens te gaan produceren die minder gebruiken? Dat is immers toch de inzet van het debat. Minder brandstoffen ...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) Dezelfde normen voor milieuduurzaamheid moeten ook buiten de Unie gelden. Zoals ik in mijn antwoord op de eerste vraag al zei, moeten we deze kwesties in onze handelsbesprekingen aan de orde stellen.

De ontwikkeling van biobrandstoffen mag niet ten koste gaan van de regenwouden. Ze moet ook op duurzame wijze plaatsvinden. Mijns inziens hebben wij daartoe alle benodigde middelen.

Verder zullen wij de auto-industrie houden aan haar verplichting om zuiniger motoren en auto’s te fabriceren. Daarmee is onze andere insteek evenwel niet van de baan; het betreft twee afzonderlijke sporen die in dezelfde richting lopen: continuïteit van de energievoorziening, concurrentievermogen en duurzaamheid. Wat de verbeterde normen voor auto’s aangaat, ligt het antwoord echter in het gebruik van biobrandstoffen. Beide sporen dienen te worden gevolgd om het vereiste resultaat te behalen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE).(EN) In de allereerste plaats ben ik blij met uw antwoord, commissaris. Ik wil u dringend verzoeken het pad van de certificering te bewandelen. U hebt gelijk, het zou beslist verkeerd zijn als bijvoorbeeld het gebruik van palmolie zou leiden tot de vernietiging van bossen in Indonesië. Daarom roep ik u op een systeem voor certificering te ontwikkelen.

Er is nog een ander probleem met biobrandstoffen. Er worden auto’s gemaakt die op biobrandstoffen kunnen lopen en er zijn chauffeurs die in zulke auto’s willen rijden. In het grootste deel van Europa is het echter nog steeds bijzonder moeilijk een tankstation te vinden waar biobrandstoffen verkrijgbaar zijn en waar de consument van dit milieuvriendelijke systeem kan profiteren. Zal de commissaris er alles aan doen om meer oliemaatschappijen zover te krijgen dat zij een pomp voor biobrandstoffen in hun stations plaatsen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) Onlangs hebben wij het Actieplan biomassa en een mededeling over biobrandstoffen aangenomen. Beide documenten zijn in de Raad besproken en het is beslist noodzakelijk dat de lidstaten een proactiever beleid voeren om biobrandstoffen op de markt te brengen. De Commissie bevordert dit zoveel mogelijk, maar talrijke maatregelen kunnen door de lidstaten zelf worden ingevoerd. Het is niet de taak van de Commissie ervoor te zorgen dat er voldoende benzinestations zijn waar je biobrandstoffen kunt tanken. Ik zou bijvoorbeeld wel willen dat er in Brussel meer van dergelijke stations waren.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de commissaris, ik ben heel blij dat in Europa en in de hele wereld eindelijk wordt begrepen dat we niet afhankelijk mogen zijn van politiek instabiele regio’s, waar een groot deel van de energie voor Europa vandaan komt. Mijn vraag aan de Commissie luidt: zal de Commissie ook druk uitoefenen op de auto-industrie? We weten dat het tegenwoordig mogelijk is om biobrandstoffen te maken zonder de alcohol eerst te veresteren, de auto’s moeten gewoon zo worden gebouwd dat ze op beide brandstoffen kunnen rijden. Denkt u daarover al na?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (DE) Ik geloof niet dat de auto-industrie nu iets moet doen om onze doelstellingen te bereiken, want een bijmenging van een kleine hoeveelheid alcohol is toegestaan en technisch mogelijk. In de toekomst moeten we natuurlijk zorgen voor meer flexibiliteit, wij bepalen de politieke trend en de auto-industrie zal zich daaraan aanpassen.

Het belangrijkste is op dit moment dat we aantonen dat de Europese Unie daartoe werkelijk bereid is. Eigenlijk hoeft er technisch weinig te worden veranderd om een auto geschikt te maken voor het gebruik van meer biobrandstof. Ons hoofddoel moet zijn om in zoveel mogelijk lidstaten biobrandstof op de markt te brengen. Dat gebeurt al in sommige landen, maar nog niet overal. Daarom stelt de Commissie alles in het werk om de landen die nog niet genoeg gedaan hebben voor dit beleid, aan te porren om hun eigen doelstellingen te halen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. -

Vraag nr. 62 van Bernd Posselt (H-0301/06)

Betreft: Afhankelijkheid van energie

Wat zijn de volgende stappen van de Commissie met het oog op de vermindering van de afhankelijkheid van de Europese Unie van gas- en olie-importen uit Rusland?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) Ik denk dat dit een vrij lang antwoord gaat worden, omdat deze vraag niet in een paar zinnen kan worden beantwoord.

Allereerst wil ik zeggen dat Rusland tegenwoordig een zeer grote rol speelt in het waarborgen van de energievoorziening in Europa. Momenteel komt bijna 30 procent van de olie-importen en 45 procent van de gasimporten van de EU uit Rusland. Om preciezer te zijn, is dit 25 procent van al het gas dat wij verbruiken. Rusland is dan ook onze grootste externe energieleverancier.

Een aanzienlijke hoeveelheid van onze Iraanse import wordt ons ook door Rusland verstrekt. De markten van de EU en Rusland voor ruwe olie en olieproducten en aardgas zijn dus onderling nauw met elkaar verbonden via talrijke pijpleidingen, zee- en spoorverbindingen en vele contracten die onze bedrijven met Russische leveranciers hebben gesloten.

In 2000 werd een brede relatie- en energiedialoog tussen Rusland en de Commissie tot stand gebracht. Bovendien heeft de gemeenschappelijke economische ruimte die in mei 2005 tijdens de Top EU-Rusland werd overeengekomen, onder meer betrekking op samenwerking bij diverse energiegerelateerde activiteiten. De energiedialoog heeft dus tot doel zaken te bespreken die verband houden met energiebeleid en marktontwikkelingen, infrastructuurontwikkelingen en de samenwerking tussen de EU en Rusland in multilaterale energiefora. Naar mijn mening zal Rusland in de toekomst een belangrijke leverancier van de EU blijven.

Gezien de verwachte groei van het energieverbruik in de EU zal Rusland volgens mij ongeveer 25 procent van het verbruikte gas in de EU blijven verstrekken, wat in absolute zin een toename van de leverantie betekent. De Europese Unie en veel landen in de wereld worden steeds afhankelijker van geïmporteerde koolwaterstoffen. Ik wil nog eens herhalen dat er op de lange termijn slechts drie landen met grote aardgasvoorraden zullen zijn: Rusland, Iran en Qatar. Daarbij zal de EU in 2030 70 procent van haar energie invoeren, tegen 50 procent vandaag.

Zoals ik zei, zullen op den duur de resterende voorraden fossiele brandstoffen in een vrij klein aantal landen worden geconcentreerd. Daarom wordt de onderlinge afhankelijkheid van energie een mondiale kwestie met enkele belangrijke gemeenschappelijke punten van zorg, zoals de toegenomen vraag naar beperkte hulpbronnen in de wereld, het gebrek aan investeringen in nieuwe productie en de klimaatverandering.

De EU en de lidstaten moeten dus een breed scala aan acties ondernemen om deze uitdagingen aan te gaan. Dat wordt ook in het Groenboek benadrukt. In mijn antwoord op de vorige vraag van de afgevaardigde over biobrandstoffen heb ik een van deze acties beschreven. Dat is een voorbeeld van de acties die wij bedoelen.

In het Groenboek werd het accent gelegd op de mogelijkheden die er zijn, zoals beleid om in de eerste plaats energie-efficiëntie en energiebesparing te bevorderen en de marktpenetratie van hernieuwbare energiebronnen te vergroten. Tevens werden er externe beleidsopties in omschreven, zoals de versterking van het kader voor energiebetrekkingen tussen de EU en Rusland om bij beide zijden meer vertrouwen te wekken, en beleid en maatregelen om de geografische bronnen en de transportroutes van externe energie naar de EU te diversifiëren.

Hierbij is het belangrijk te onderstrepen dat de EU voortdurend streeft naar verbetering van de energiebetrekkingen met andere energieproducerende organisaties als de OPEC, de Samenwerkingsraad van de Golfstaten, de landen van het Kaspische-Zeebekken en Noord-Afrika en met de verbruikende regio’s in het kader van het Internationaal Energieforum, het Internationaal Energieagentschap en de G8 alsmede via bilaterale overeenkomsten en dialogen.

Dit diversificatiebeleid is niet gericht tegen onze huidige leveranciers: het is een noodzaak vanwege de mondiale uitdagingen wat betreft de continuïteit van de energievoorziening en de uitdaging waarvoor wij ons gesteld zien door de wereldwijde opwarming en andere milieugerelateerde kwesties.

Samen met het Oostenrijkse voorzitterschap van de Europese Unie heb ik kort geleden een brief gestuurd naar de Russische minister van Energie, de heer Christenko, over energiesamenwerking en met name over de onderlinge afhankelijkheid van gas. In deze brief hebben we nog weer eens aangegeven dat de EU groot belang hecht aan een verdieping van de energiebetrekkingen met Rusland, de belangrijkste energieleverancier van de EU. Verder hebben we beklemtoond dat het belang dat de EU aan de diversificatie van energiebronnen hecht, niet moet worden uitgelegd als een beperking van de leveranties van Russisch gas aan de EU, vooral omdat de vraag naar gas in Europa vermoedelijk zal stijgen.

In deze relatie met Rusland bevordert de EU beginselen als wederzijdse marktopenstelling, eerlijke voorwaarden voor doorvoer door Rusland en toegang voor derden tot de infrastructuur in Rusland. De gestelde vragen kunnen dus kort worden beantwoord met de opmerking dat we naar diversificatie streven, maar het is uiterst belangrijk aan de vraagzijde maatregelen te treffen, want alleen met zulke maatregelen, energie-efficiëntie en energiebesparing kunnen we op energiegebied onafhankelijker worden en tegelijkertijd onze doelen op het vlak van duurzaamheid en concurrentievermogen realiseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de commissaris, het feit dat president Poetin Gazprom voor zijn politieke doelen gebruikt vind ik even gevaarlijk als het feit dat een paar Golfstaten dertig jaar geleden de OPEC gebruikten voor hun politieke doelen. Daarom is het heel belangrijk dat we niet afhankelijkheid zijn van de invoer van energie uit derde landen. Zouden we dus niet nog meer moeten doen om hernieuwbare energie uit energiegewassen te bevorderen? Ik denk daarbij aan biomassa, aan miscanthus giganteus en aan graan. Zo zou Europa zichzelf van energie kunnen voorzien.

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (DE) Natuurlijk! Dat is één van onze prioriteiten, al heb ik daar misschien niet zo veel over gezegd in mijn antwoord. We moeten optimaal gebruik maken van onze grondstoffen. Natuurlijk zijn de beschikbare biomassa en wind- en zonne-energie niet voldoende, we moeten ook energie halen uit Rusland en uit de OPEC-landen. Toch luidt mijn antwoord vandaag: we moeten allemaal ons huiswerk maken, dat is de enige manier om ons doel te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE).(LT) Ik bedank het Commissielid voor zijn uitvoerige reactie. Ik ben het ermee eens dat Rusland een belangrijke energieleverancier is, en het is zonder meer van essentieel belang om de energiedialoog met Rusland voort te zetten.

Er bestaat echter een mooi Russisch gezegde, namelijk “God redt hen die zichzelf redden.” En de Europese Unie zou er goed aan doen om sommige officiële verklaringen vanuit Moskou in gedachten te houden.

Ik zou graag de reactie van het Commissielid willen horen op de verklaring van regeringszijde dat Rusland blijkbaar voornemens is zijn energiebronnen voor Azië te bestemmen, als leden van de Europese Unie niet aan bepaalde voorwaarden voldoen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) Ik heb de laatste toespraak van president Poetin tot de natie beluisterd. Hij benadrukte twee punten die met energie te maken hebben: ten eerste zei hij dat Gazprom opvallende vooruitgang heeft geboekt sinds hij het vraagstuk van energie-efficiëntie aan de orde stelde. Het is erg belangrijk dat Rusland dat heeft erkend. Hij zei ook dat Rusland een belangrijke rol zou kunnen spelen in de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees energiebeleid. Wat betreft de aankondiging van Gazprom wil ik stellen dat het een van de bedrijven met een monopoliepositie is. Dergelijke bedrijven zullen nooit bereid zijn hun monopolie op te geven. Wat betreft diversificatie moeten we accepteren dat Rusland op zoek gaat naar de meest lucratieve markt. Als de prijs in China gunstiger is, vrees ik dat men zal proberen het gas aan China te verkopen. In de Verenigde Staten zijn de prijzen hoger en met de ontwikkeling van LNG zal de concurrentie tussen grote afnemers toenemen. Volgens mij is de Europese markt evenwel erg aantrekkelijk voor Gazprom en Rusland in het algemeen dankzij de bestaande infrastructuur waarmee Russisch gas naar de Europese Unie wordt gebracht, en het uiterst gediversifieerde gasgebruik in de EU. Wij verwachten dat Rusland, als gevolg van onze dialoog, met de gassector dezelfde weg zal bewandelen als met de oliesector. Dat levert Rusland voordelen op én de markt wordt goed voorzien. Hopelijk zal onze dialoog tot een dergelijk resultaat leiden. Ik weet dat dit niet gemakkelijk is, maar we streven er wel naar. Geografisch gezien hebben wij de beste markt en vanouds onderhouden onze bedrijven zeer goede betrekkingen. Tegelijkertijd neem ik de aankondiging van Gazprom dat het een pijpleiding naar China wil aanleggen, heel serieus. Dat Gazprom dit beoogt, is geen grote verrassing.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienè (PPE-DE).(EN) Commissaris, wat betreft de vermindering van de afhankelijkheid van de Europese Unie van gas- en olie-importen uit Rusland wil ik u vragen op twee zaken dieper in te gaan. Ten eerste, heeft de EU de mogelijkheid het Russische monopolie op het gebied van het pijplijntransport van olie en gas van Centraal-Azië naar Europa te doorbreken? Ten tweede, kan de Europese Unie zorgen voor wederkerigheid en grotere transparantie van de kant van de Russische energiesector?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. – (EN) De eerste vraag ging over gastransport van Centraal-Azië naar Europa. Wat dit betreft voeren we een tweesporenbeleid. Het ene spoor is duidelijk gerelateerd aan het Energiehandvest en de doorvoerprotocollen op grond waarvan zulke rechten genoten kunnen worden. Ten aanzien van het andere spoor heb ik onlangs Kazachstan bezocht om informatie te verkrijgen over de aanleg van een trans-Kaspische pijpleiding, waarmee onafhankelijk van het Russische doorvoersysteem gas naar de Europese Unie kan worden vervoerd.

Wat betreft transparantie en betrekkingen is er op dit moment enige wederkerigheid. In de EU wordt Gazprom behandeld als een bedrijf met een volledig pijplijnmonopolie op het gebied van productie en transport. Het is dus duidelijk dat wanneer een bepaalde situatie op de interne markt wordt beoordeeld, alle aspecten van die situatie daarbij in aanmerking worden genomen.

We streven naar meer transparantie en meer onderling begrip. In oktober dit jaar is er een conferentie over energiebeleid. Het is eerlijker als Rusland op zijn beurt kan vragen wat de standpunten van Europa zijn en hoe ver Europa wil gaan in de vorming van een gemeenschappelijk energiebeleid. Tevens hebben zij duidelijk niet altijd alle informatie en het begrip om te beseffen welke doelen wij willen bereiken. Ons doel is eerlijke handel in deze hulpbronnen en eerlijke markten. Dat is mijns inziens niet alleen gunstig voor ons, maar ook voor Rusland.

Volgens mij kunnen op deze manier de beste resultaten worden behaald.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur voor vragen aan de Commissie is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.30 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: SYLVIA-YVONNE KAUFMANN
Ondervoorzitter

 
Juridische mededeling - Privacybeleid