Voorzitter. Aan de orde is het verslag van de heer Beazley, namens de Commissie cultuur en onderwijs, over initiatieven om onderwijsprogramma’s met passende steunmaatregelen een Europese dimensie te geven (2006/2041(INI)) (A6-0267/2006).
Christopher Beazley (PPE-DE), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het doel van dit verslag is erg duidelijk en heel specifiek. Het doet een beroep op de Raad van ministers om het opnemen en verbeteren van de Europese dimensie in het onderwijs een verse impuls te geven. Dat is een nationale bevoegdheid, en de nationale, regionale overheden en onderwijsinstanties in de lidstaten verschillen. Niettemin heeft dit Parlement het recht - en zelfs de plicht - om de Raad van ministers te herinneren aan een in mei 1988 aangenomen resolutie waarin wordt opgeroepen tot verbetering van de Europese dimensie in het onderwijs. De commissie is vrijwel unaniem van mening dat het hoog tijd is dat hier nog eens opnieuw naar wordt gekeken. Wat kan er in de praktijk worden gedaan?
In de eerste plaats moet de Europese dimensie niet eenvoudigweg een vage gemeenplaats zijn, een notie die regeringen lippendienst bewijzen, terwijl zij er in feite erg weinig voor doen. Ik hoop dat de commissie hier de aandacht op heeft gevestigd en dat het Finse voorzitterschap schriftelijk zal kunnen bevestigen dat het onderwerp op de agenda zal worden geplaatst van de eerstvolgende Raad van ministers van onderwijs in Brussel op 13 november. Ik kijk verlangend uit naar een bevestiging daarvan. Wij zijn van mening dat onze ministers daarover van gedachten zouden moeten wisselen, in het bijzonder over wat de Europese dimensie inhoudt.
De commissie van het Parlement heeft naar twee aspecten gekeken. In de eerste plaats naar lessen politieke vorming, wat vroeger maatschappijleer werd genoemd: begrip van wat de EU is, hoe de instellingen werken en met name de democratische invloed van burgers, belangen en engagement bij besluitvorming. En in de tweede plaats, en minstens zo belangrijk, naar begrip van ons gemeenschappelijke culturele en historische erfgoed. Het Parlement heeft twee jaar geleden een hoorzitting gehouden over geschiedenisonderwijs en de Europese dimensie daarvan. Natuurlijk vormen nationale geschiedenissen het fundament voor begrip van ons verleden, maar het is onmogelijk onderwijs te geven in de klassieke rijken van de Grieken en Romeinen, de middeleeuwen, de renaissance, de napoleontische oorlogen, de industriële revolutie, de strijd tussen democratieën en dictaturen zonder verwijzing naar de Europese context.
We zijn ook lang stil blijven staan bij het onderwijs in talen. In mijn eigen land is dat in de afgelopen jaren beduidend achteruitgegaan. De laatste twee jaar is het aantal leerlingen van 16 jaar dat onderwijs in vreemde talen krijgt met maar liefst 14 procent gedaald, aangezien de overheid er een keuzemogelijkheid van heeft gemaakt en het niet langer verplicht stelt.
Als we naar heel Europa kijken, zien we een heel onevenwichtig beeld met betrekking tot begrip en gebruik van vreemde talen. Omdat het Engels in toenemende mate een lingua franca wordt, vormt dat voor diegenen onder ons die Engels als moedertaal hebben een waar probleem als het gaat om het motiveren van leerlingen om een vreemde taal te leren, en docenten om erin les te geven. En toch, hoe kunnen we in vredesnaam zonder het culturele begrip dat samengaat met het begrip van een taal, op een goede manier samenwerken en onze onderwijsprogramma’s verrijken?
Ik heb gezegd dat er met betrekking tot de bewustwording onder docenten onevenwichtigheid bestaat, niet alleen in de EU, maar ook binnen lidstaten. Sommige scholen besteden ruime aandacht aan de Europese dimensie, nemen bijvoorbeeld volop deel aan Europese uitwisselingsprogramma’s, niet alleen met behulp van fondsen van de EU, maar ook met behulp van nationale en onafhankelijke fondsen, televisie en archiefmateriaal van kranten, terwijl andere amper aandacht besteden aan de Europese dimensie. Alles met elkaar een verstrooid beeld.
Het is belangrijk dat onderwijsopleidingen toekomstige docenten de mogelijkheid bieden zich bewust te worden van het beschikbare lesmateriaal en de manier waarop dat in het lesprogramma kan worden verwerkt.
Ik vraag uw aandacht voor paragraaf 13 van het verslag, dat is opgenomen dankzij mevrouw Novak. Daar staat “dat de Europese dimensie een aanvulling op nationale programma’s is en deze niet kan vervangen noch verdringen”. Er is een heel kleine groep mensen die dit verslag zouden willen aanvallen en zeggen dat het niets dan propaganda is, bedoeld om mensen alleen de roze en heilzame kanten van de Europese Unie te laten zien. Daar zou ik tegen in brengen dat zij het zijn die proberen informatie te ontkennen, die in feite het beeld vervormen, die onze leerlingen de kans ontnemen zich een evenwichtig oordeel te vormen en een afweging te maken wat hun carrièremogelijkheden zijn, omdat zij gedurende de tijd dat ze op school zaten, wel alle informatie heel consistent hebben gekregen.
Dit verslag is een oproep aan de Raad van ministers om in actie te komen. Wij kijkend verlangend uit naar de positieve resultaten.
Ján Figeľ, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, eens te meer is dit een initiatief dat op het juiste moment komt, aangezien we ons voorbereiden op de start van nieuwe zevenjarenprogramma’s. In de toekomst kan deze dimensie een veel duidelijker rol spelen bij samenwerking op het terrein van onderwijs- en opleidingsbeleid dan in het verleden. Dit verslag zou daarom ook inspirerend kunnen werken voor de Raad en de lidstaten. Dat valt vanzelfsprekend onder hun bevoegdheid en verantwoordelijkheid, maar we zouden op zijn minst kunnen nadenken over waar we staan en wat we kunnen doen om deze dimensie van het onderwijs te verbeteren.
In zijn verslag stelt de heer Beazley ernstige, specifieke problemen aan de orde. De Commissie deelt die zorgen. In het laatste gezamenlijke verslag van De Raad en de Commissie over de voortgang van het programma Onderwijs en opleiding 2010, hebben we bijvoorbeeld geconcludeerd dat er, ondanks een aantal veelbelovende initiatieven voor mobiliteit en deelname aan EMU-programma’s, nog steeds een groot gebrek is aan nationale strategieën voor de Europese dimensie in het onderwijs.
Beleid dat waarborgt dat jonge mensen na hun basiseducatie beschikken over de kennis en de vaardigheden die ze als Europese burgers nodig hebben - niet alleen als toerist, maar als burger - komt maar hier en daar en gefragmenteerd voor. Het is ook waar dat de term “Europese dimensie” een andere betekenis heeft. Enerzijds verwijst hij naar het concept Europa, de beschaving, democratische waarden en projecten. De term kan echter ook verwijzen naar Europees burgerschap of Europese identiteit, met rechten en plichten als burgers, actieve participatie en een besef bij Europa te horen. Het is dan ook van belang om een heldere kijk te ontwikkelen op de manier waarop de Europese dimensie moet worden geïntegreerd in lesprogramma's, en de scholen moeten worden voorzien van zowel het lesmateriaal als de mogelijkheden om in de praktijk onderwijs over Europa te geven.
De Commissie is al met dat werk begonnen. Van onze programma's ondersteunt bijvoorbeeld Comeniusprojecten met partners uit verschillende landen die de Europese dimensie ontwikkelen. Het “European SchoolNet” is een goed voorbeeld van een interactief, virtueel middel voor netwerken en verspreiding van informatie. Het Jeugdprogramma is er ook op gericht jonge mensen vertrouwd te maken met het concept van een Europese dimensie in hun leven door middel van uitwisselingen en in het bijzonder door vrijwilligerswerk. Over de grenzen heen reikende projecten zoals deze vormen een uitstekend voorbeeld van de Europese dimensie in de praktijk.
De aanbeveling van belangrijke vaardigheden voor levenslang leren, die we zojuist hebben besproken, is een belangrijke stap voorwaarts. Zij benadrukt een aantal vaardigheden en houdingen die nodig zijn voor een actief Europees burgerschap als onderdeel van sociale, maatschappelijk relevante en culturele vaardigheden. Vergelijkbaar daarmee benadrukt onze samenwerking met nationale experts op het gebied van de opleiding van docenten het belang van Europese kennis, mobiliteit en netwerken. Dat zijn erg belangrijke aspecten van de beroepsvorming van docenten. Ik ben het volstrekt eens met de heer Beazley.
De Commissie deelt de mening dat veel moet worden gedaan om mensen bewust te maken van de vele goede nationale en Europese initiatieven. De Commissie blijft met lidstaten samenwerken, bijvoorbeeld bij het meefinancieren van projecten binnen Comenius en het ondersteunen van meertaligheid, en we zullen lidstaten aanmoedigen de Europese dimensie te ontwikkelen als onderdeel van hun strategieën voor levenslang leren.
Daarnaast zijn mijn collega mevrouw Walström en ik het onlangs eens geworden over een aantal op dit terrein te nemen initiatieven. Om al die redenen zie ik dit verslag als een belangrijk bijdrage aan de gedachtevorming in de Commissie over het thema onderwijs en burgerschap.
Vasco Graça Moura, namens de PPE-DE-Fractie. – (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Figel, beste collega’s, het verslag-Beazley behandelt een concept dat moeilijk af te bakenen valt: de Europese dimensie. Als we echter een gevoel van verbondenheid willen overbrengen met de complexe realiteit die Europa is, dan moeten we de burgers, vooral de jongeren, ook de desbetreffende dimensie aanreiken. Die dimensie is immers een voorwaarde voor de beleving van het Europees burgerschap als zodanig.
We dienen jongeren te doen inzien dat zij deel uitmaken van een gemeenschappelijke beschaving en het is belangrijk dat zij zich dat idee vervolgens eigen maken. Uit die gemeenschappelijke beschaving vloeien niet alleen de verschillende culturen en naties voort maar ook de speciale rol van Europa in de wereld, die historisch gezien het lot van de mensheid heeft veranderd. Er zijn ook bijkomstige aspecten van de Europese dimensie, die trouwens zeer belangrijk zijn voor het wordingsproces van de Europese Unie. Ik doel onder andere op de wetenschappelijke en technologische vooruitgang, die heden ten dage even kenmerkend is voor Europa als voor de rest van de wereld. Andere aspecten die gerelateerd zijn aan een specifieke Europese dimensie springen in het oog: onder meer de geschiedenis, de sociale en fysische geografie, de talen en het materiële en immateriële cultureel en artistiek erfgoed.
De nationale elementen van die realiteiten leiden vaak tot partnerschappen en verwantschappen maar ook tot vijandschap en conflicten in de betrekkingen tussen buurlanden. Die ontwikkelingen hebben een vlekwerking tot gevolg met een grensoverschrijdend karakter. Daarnaast is er evenwel een bindende factor in de vorm van een matrix waarin al deze elementen in een dynamische interactie naast elkaar bestaan. Daardoor zijn wij Europeanen en het is tevens de Europese dimensie waar wij het hier over hebben. Het vertalen van deze dimensie in onderwijsprogramma’s zal een ingewikkelde taak zijn. Daarvoor moeten in elk land prioriteiten worden vastgesteld, methodes ontwikkeld, programma's herschreven, lesmateriaal gemaakt en docenten en onderwijzers opgeleid. Net als het opbouwen van Europa zal ook dit proces multipolair zijn met een geleidelijk verloop, stappen voor- en achteruit, aarzelingen en syntheses. Het is een dringende zaak daar mee te beginnen. De Europese dimensie is de Europese meerwaarde en we hebben het hier dan ook over meer Europa.
Maria Badia i Cutchet, namens de PSE-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, geachte afgevaardigden, met de onderhavige aanbeveling is, in combinatie met de twee vorige aanbevelingen, een grote stap vooruit gezet om het bewustzijn en de kennis van het belang van de Europese Unie onder jongeren en burgers te vergroten.
Het lijdt geen twijfel dat de Unie op dit ogenblik weinig bevoegdheden heeft op onderwijsgebied, en terwijl sommige lidstaten – weinige – in hun leerplannen of onderwijsprogramma’s de juiste inhoud aangaande Europese kwesties hebben opgenomen, zijn andere lidstaten nog lang niet zo ver dat ze dit element in de leerplannen van hun onderwijscentra hebben opgenomen.
Gezien deze situatie acht ik het noodzakelijk dat op Europees niveau tot ontwikkeling wordt gebracht wat al is vastgelegd in artikel 149 van het Verdrag, dat erop wijst dat de Unie de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling dient te brengen, met name door middel van permanente educatie en de verspreiding en het onderricht van de talen van de Europese Unie.
De commissaris heeft al een paar voorbeelden gegeven die hierop gericht zijn, maar het onderhavige verslag dient ertoe bij te dragen dat deze vereiste nog meer kracht wordt bijgezet op communautair niveau, niet alleen om de vereiste vaardigheden te verschaffen op het gebied van het Europese burgerschap, maar ook om de burgers te helpen meer te leren over het beleid en de instellingen van de Unie.
Er is nog een reden voor dit verslag, namelijk dat het wil bijdragen aan de bewustwording van het Europese burgerschap; dat zou leiden tot een betere communicatie tussen de burgers en de instellingen, want die communicatie vertoont op het ogenblik een aantal kwalen die heel wat minder positieve gevolgen hebben.
Commissaris, ik verzoek u ervoor te zorgen dat de Commissie haar inzet vergroot om duidelijker aan te geven wat bedoeld wordt met de zogenaamde Europese dimensie in het onderwijs, zodat er overeenstemming kan worden bereikt in de Raad over de vraag hoe deze verbintenis gestalte moet krijgen in de verschillende onderwijssystemen.
Ten slotte wil ik u wijzen op het belang – dat hier al onder de aandacht is gebracht – van het taalonderwijs, om de jongeren van de verschillende culturen van de Unie nader tot elkaar te brengen, evenals de uitwisseling van methoden, met name op het gebied van de opleiding van leerkrachten, een groep die van essentieel belang is voor het verwezenlijken van de doelen die we ons gesteld hebben.
Hannu Takkula, namens de ALDE-Fractie. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik wil op mijn beurt mijn dank uitspreken aan de rapporteur, de heer Beazley, voor zijn uitstekende verslag. Dit is een zeer belangrijk onderwerp. Wij moeten er voor zorgen dat onze kinderen en jongeren in hun identiteit en denkwijze niet alleen over een regionale en nationale dimensie maar ook over een Europese dimensie beschikken en dat zij beseffen tot welke waardengemeenschap zij behoren en over welk intellectueel erfgoed zij beschikken.
Ondanks zijn veelzijdigheid aan culturen beschikt Europa over gemeenschappelijke waarden, die op de waarden van het christendom zijn gebaseerd. Deze waarden zijn ook gebaseerd op het hellenistisch erfgoed en het Romeins recht. Vandaag de dag zijn ze vooral zichtbaar in de vorm van democratie, mensenrechten en vrijheid van meningsuiting. Het is belangrijk kinderen en jongeren deze waarden al van kleins af aan bij te brengen, deze te bevorderen en ze als volwaardig vak in het onderwijs op te nemen, zodat wij kunnen begrijpen wat het is om Europeaan te zijn in een steeds verder integrerende wereld en zodat wij daar trots op kunnen zijn, net als op onze nationale wortels en ons werelddeel.
Bernat Joan i Marí, namens de Verts/ALE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, mijn dank aan de heren Figel’ en Beazley voor dit verslag. De bouw van de Europese Unie is een gecompliceerd proces, waarin naar onze mening onderwijs een belangrijke rol speelt. Het is onmogelijk een Europees burgerschap te ontwikkelen zonder de actieve steun van een goed onderwijssysteem.
Iedereen weet dat veel van onze denkbeelden over geschiedenis, culturen, maatschappij, enzovoort, worden gevormd tijdens de essentiële jaren op school. Onderwijs is een middel om loyaliteit aan de staat af te dwingen, vaak ten koste van culturele verscheidenheid. Om die reden is de geschiedenis traditioneel in hoge mate door de staat gemediatiseerd. De gevolgen van eng nationaal onderwijs kunnen erg contraproductief zijn voor onze doelstellingen en waarden. Neem bijvoorbeeld chauvinisme en eentaligheid: bijna vijftig procent van de Europese bevolking spreekt alleen de eigen taal vloeiend. We zullen dergelijk op nationaliteit gebaseerd onderwijs achter ons moeten laten. Het introduceren van een Europese dimensie in onze onderwijssystemen kan een fundamentele bijdrage leveren aan bestrijding van nationaal chauvinisme, aan het verbeteren van de beheersing van meerdere talen door onze burgers, aan het versterken van het respect voor pluriformiteit en verscheidenheid, aan het opbouwen van een gemeenschappelijke Europese nationaliteit.
Věra Flasarová, namens de GUE/NGL-Fractie. – (CS) Dames en heren, het doet mij deugd dat nu ook in Tsjechië de kinderen vanaf de lagere school twee vreemde talen leren, en dat aan de universiteiten, bijvoorbeeld aan de universiteit van Ostrava, het thema Europese identiteit onderdeel is geworden van het curriculum van de sociale wetenschappen. Maar nu wil ik graag even stilstaan bij één bepaald aspect van de Europese identiteit dat niet de aandacht krijgt die het verdient, namelijk tolerantie. De rapporteur spreekt over de noodzaak tot overeenstemming over de gemeenschappelijke geschiedenis, naar mijn idee een idealistisch en wellicht pas op de langere termijn realiseerbaar doel. Er is echter iets anders dat wél haalbaar is, iets dat de Europese Unie heden ten dage hard nodig heeft, namelijk tolerantie.
De Europese landen kunnen onmogelijk een eensluidende kijk hebben op hun geschiedenis, want het succes van het ene volk betekende vaak het falen van het andere. En pas zeer kort geleden is hierin verandering gekomen. Er bestaat in Europa geen enkel volk dat boven de geschiedenis van het continent staat en dat uit dien hoofde een zienswijze kan leveren waarin iedereen zich kan vinden en waarmee niemand voor het hoofd wordt gestoten. Een gemeenschappelijke Europese geschiedenis kan op z’n hoogst een compromis zijn. Inzicht in de geschiedenis van andere landen en een onbevooroordeelde interpretatie sine ira et studio ervan, is echter wél een realistisch doel. Als we tolerantie voor historische en culturele verschillen kunnen opbrengen, dan is dat bovendien een eerste stap in de richting van tolerantie jegens andere landen en culturen wereldwijd. Tegelijkertijd zullen tolerantie en begrip het fundament vormen voor het bepalen van gemeenschappelijke Europese waarden. De jeugd dient inderdaad vreemde talen te leren, maar tevens dient zij de cultuur en de geschiedenis van andere landen te leren kennen. Het is de taak van de leerkracht om deze kennis over te dragen als zijnde waarden die dezelfde eerbied verdienen als de eigen waarden.
Zdzisław Zbigniew Podkański, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, alvorens we een debat kunnen voeren over het Europees onderwijsmodel en de omzetting ervan, moeten we ons afvragen welk model we in gedachten hebben, wie het moet dienen en wat de belangrijkste doelstellingen zijn.
Verkiezen we een model dat de veelzijdige ontwikkeling van het vrije individu stimuleert, evenals de ontplooiing van al zijn vaardigheden en interesses? Of willen we een model dat de globalisering hoog in het vaandel draagt en personen opleidt die wel voorbereid zijn op het leven van alledag, maar niet over creativiteit en verbeeldingskracht beschikken, die een beperkte theoretische achtergrond hebben, maar in staat zijn om de hun toebedeelde taken tot een goed einde te brengen?
Mijn voorkeur gaat duidelijk uit naar het eerste model omdat het mensen niet alleen de kans geeft om zichzelf te ontwikkelen, maar ook de vrijheid om na te denken over de manier waarop ze de wereld met hun creativiteit kunnen verrijken. Dientengevolge zou de opvoeding en de opleiding van een individu gebaseerd moeten zijn op nationale tradities en familiewaarden, met de mogelijkheid om vrij uit de cultuur van andere volkeren te putten.
We hebben behoefte aan een Europa van vaderlanden waarin elke natie en elk individu zich veilig kunnen voelen. Elke poging om een gemondialiseerde samenleving te creëren die gebaseerd is op een enkele gerechtvaardigde cultuur en waar slechts in enkele talen kan worden gecommuniceerd, zou een rem zetten op de Europese intellectuele en economische ontwikkeling. Het Europees onderwijsmodel bij uitstek moet bijgevolg de tradities van alle volkeren in de Europese Unie beschermen en zou ze ten dienste moeten stellen van de ontwikkeling en het welzijn van elk individu.
Thomas Wise, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, mag ik in herinnering roepen wat onze rapporteur op 12 oktober vorig jaar heeft gezegd: “Regeringen weten niets van onderwijs; zij frustreren het beroep van docent”. Wat mij beangstigt is waarom hij denkt dat de EU het beter kan. De heer Beazley is docent geweest en Parlementslid en het is onmogelijk dat hij zich niet bewust is van het feit dat de onderwijswet van 1996 in het Verenigd Koninkrijk, geïnitieerd door zijn eigen partij, de promotie van partijpolitieke denkbeelden op scholen in het Verenigd Koninkrijk verbiedt.
De EU is een politiek project - een project dat er niet in is geslaagd om miljoenen volwassenen te overtuigen, zoals de Franse en Nederlandse referenda vorig jaar hebben aangetoond. Na het falen op dat niveau probeert de heer Beazley nu onze kinderen te overtuigen van de zegeningen van de EU. Dat doet me denken aan een citaat: “Geef mij een kind van zeven jaar oud, en het zal de rest van zijn leven mij toebehoren.”
Dit is, net als zoveel meer van de zijde van de Commissie, pure propaganda, die ik niet zal tolereren of ondersteunen.
Maciej Marian Giertych (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het document dat we vandaag bespreken, handelt over een Europese dimensie in het onderwijs en het opnemen van Europese elementen in de onderwijsprogramma’s. Deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd. Er wordt gewag gemaakt van een gezamenlijke geschiedenis en een Europees cultureel erfgoed, ook hier zonder definities.
Onze gezamenlijke geschiedenis bestaat hoofdzakelijk uit onderlinge oorlogen, maar wat houdt ons gezamenlijke culturele erfgoed in? Ik vat het kort samen. Welke gemeenschappelijke positieve waarden kenmerken ons? Als we even bij deze vraag stilstaan, wordt meteen duidelijk dat we onderling verbonden zijn door de Griekse cultuur, het Romeinse recht en de christelijke ethiek. Alles wat Europees is, gaat terug op die fundamenten. Zij definiëren Europa. Logischerwijs zouden we dus het onderwijs van klassieke talen als Latijn en Grieks moeten stimuleren. Daarnaast zouden we in onze scholen aandacht moeten besteden aan het aandeel van het christendom in de belangrijkste culturele normen die vandaag de dag in Europa gelden. Ik denk hier aan de Europese kunst, de architectuur, onze levensstijl en bovenal ons gezins- en sociale leven.
Helaas doet dit Parlement er alles aan om elke verwijzing naar het christendom uit zijn documenten te bannen. Sterker nog, er wordt een uitgesproken antichristelijke boodschap verbreid. Onlangs besliste de Poolse minister van Onderwijs om Kompas te verbieden, het handboek van de Raad van Europa dat aanbeveelt om homoseksualiteit in scholen te promoten. Dat nieuws zorgde in dit Parlement voor een golf van verontwaardiging, omdat de Europese waarden zogenaamd met de voeten waren getreden.
Zonder een duidelijke definitie van de Europese dimensie, de Europese waarden en de Europese inhoud, is dit document leeg en waardeloos.
Ján Figeľ, lid van de Commissie. (SK) Nooit eerder is er zo’n brede discussie gevoerd over de Europese identiteit, Europese waarden, Europese grenzen en Europees burgerschap als vandaag. Ik geef toe dat we geen exacte definitie van deze begrippen kunnen geven, maar dit debat laat zien hoezeer Europa veranderd is. Terwijl Europa in het verleden niet alleen debatten voerde over de productie van kolen en staal, maar ook controle over die productie uitoefende om het risico van oorlog te vermijden, gaat het debat tegenwoordig over Europa zelf en de omringende wereld. In mijn ogen is dat een verschuiving in de goede richting.
Onderwijs over de geschiedenis van Europa en de Europese context is van groot belang voor zijn eigen ontwikkeling en voor de wereld van de eenentwintigste eeuw, waarin Europa een meer belangrijke en positieve rol kan – en moet – spelen dan in de twintigste eeuw, toen het een bron was van tragedies, oorlogen, totalitaire regimes en andere wereldwijde rampspoed.
Onwetendheid en onverschilligheid zijn vaak belangrijke oorzaken van onverdraagzaamheid. Zij bereiden de weg voor propaganda en manipulatie van zowel de publieke als de persoonlijke opinie. Ik ben daarom van mening dat onderwijs over het verleden en heden van Europa en over de culturen die we om ons heen zien en waarin wij leven, een belangrijke voorwaarde is voor een vreedzamer Europa met een grotere cohesie, een Europa dat zijn rechtsstelsel en zijn denkbeelden over waarden en cultuur blijft ontwikkelen. Ik denk dat Europa dit op een vreedzamere en tolerantere manier zal gaan doen dan in de tijd dat de Europese landen zich bezighielden met wederzijdse vernietiging.
Ik wil Christopher Beazley nogmaals bedanken voor zijn initiatiefverslag en ik hoop dat de lidstaten over dit onderwerp van gedachten zullen wisselen. Zij zijn het immers die tot taak hebben de inhoud en organisatie van het onderwijs te bepalen – iets dat niet als onnodig zal worden beschouwd, maar integendeel als een uiterst belangrijk aanvullend element van onderwijs hier in de gemeenschappelijke juridische, economische en culturele ruimte van een uitgebreid Europa.