De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0275/2006) van Bernhard Rapkay, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over het Witboek van de Commissie over de diensten van algemeen belang (2005/2101(INI)).
Bernhard Rapkay (PSE), rapporteur. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega’s, mijnheer de voorzitter van de Commissie, het komt niet iedere dag voor dat de voorzitter van de Commissie deelneemt aan een discussie over een initiatiefverslag. Een initiatiefverslag is tenslotte niet altijd een groot evenement, onze eigenlijke taak is de wetgeving, en daar wil ik straks nog op terugkomen. Het feit dat u hier bent, bewijst wel dat de Commissie zelf heel goed weet hoe belangrijk dit onderwerp is voor de burgers, en dus ook voor de leden van het Parlement, die de Europese burgers vertegenwoordigen.
Daarom zou ik een voorganger van de voorzitter van de Commissie willen citeren, niet zo maar een voorganger, maar Jaques Delors, die een paar maanden geleden tijdens een vergadering in het kader van het Comité van de Regio’s heeft geprobeerd om duidelijk te maken wat bij de opbouw van een verenigd Europa de rol is van de diensten van algemeen belang. Hij heeft toen gezegd dat de opbouw van een verenigd Europa op drie principes gebaseerd is. Het eerste is solidariteit, die de burgers nader tot elkaar brengt en gebaseerd is op de sociale, economische en territoriale cohesie. Het tweede is samenwerking, om de transnationale en Europese projecten zoals de Verdragen en de verschillende programma’s om te zetten. Het derde principe is mededinging, die het fundament is van de interne markt en de sociale markteconomie. Het mededingingsrecht is een democratisch recht, en is vooral bedoeld om misbruik van economische macht te beperken en de belangen van de consumenten te beschermen.
Die drie principes zijn ook de basis voor de diensten van algemeen belang en de diensten van algemeen economisch belang. In een driehoek kunnen echter altijd spanningen ontstaan. In dit verslag over de diensten van algemeen belang en de diensten van algemeen economisch belang ligt dat voor de hand.
Openbare diensten zijn een essentieel element in de levenskwaliteit van de individuele burgers. Ze moeten ook een sleutelrol spelen in de Strategie van Lissabon van de Europese Unie. Goede openbare diensten kunnen bijdragen aan de overwinning van economische stagnatie, sociale uitsluiting en isolement, aan de versterking van de sociale en territoriale cohesie, aan de verbetering van de werking van de Europese interne markt en de versterking van onze concurrentiepositie, ook in de handel met derde landen. En toch hoor ik telkens klachten, wanneer ik in mijn eigen regio en ook in andere regio’s spreek met gemeentepolitici en met degenen die deze diensten van algemeen belang moeten leveren. Ze zeggen dat we ons met hun taakstelling bemoeien, dat we het voor hen moeilijker maken om hun werk te doen, dat we niet duidelijk zeggen volgens welke regels ze hun werk moeten doen. Ze vinden dat ze eigenlijk geen rechtszekerheid hebben.
Daarom moeten we beslist de nodige wetsvoorstellen doen om die rechtszekerheid te herstellen. Velen vragen in dit verband wat wij nu eigenlijk willen. Ze zeggen dat we de Commissie hebben, die mededelingen publiceert en richtsnoeren uitvaardigt, en het Europees Hof van Justitie, dat rechtspreekt. Tegen die mensen moet ik zeggen dat dit blijkbaar niet voldoende is. Het leidt bovendien zelfs tot meer rechtsonzekerheid. De Commissie kan met mededelingen en richtsnoeren geen rechtszekerheid creëren. Misschien wekt ze die indruk, maar een mededeling in nu eenmaal geen verankerd recht, waarop men kan bouwen.
Wij moeten als wetgever werkelijk initiatieven nemen, en we doen ook voorstellen, al kan ik die niet allemaal noemen. Ik moet u, mijnheer de voorzitter van de Commissie, wel vragen om gebruik te maken van uw initiatiefrecht, dat ook een initiatiefplicht is. De bouwstenen voor deze wetgevende initiatieven vindt u in resolutie waarover we morgen stemmen, maar ook in de resoluties die we al eerder hebben aangenomen, bijvoorbeeld met het verslag-Langen of het verslag-Herzog. We schrijven niet voor met welk instrument u precies moet werken - het is uw taak om dat te bedenken, maar daarna is het aan ons, aan iedere fractie voor zich, om de wetsvoorstellen van de Commissie te beoordelen. Wij zullen dat doen aan de hand van wat onze fractie heeft voorgelegd: een voorstel voor een kaderrichtlijn. Op die basis zullen wij de discussie voortzetten. Anderen moeten dat op basis van hun voorstellen doen. Daarna moeten wij in het Parlement samen verder gaan met onze wetgevende taak. Dat kan alleen maar volgens de medebeslissingsprocedure gebeuren. Wij moeten volgens de medebeslissingsprocedure wetgevingsinitiatieven nemen. Wij zijn namelijk de rechtstreeks gekozen, legitieme vertegenwoordigers van de burgers, niet u en uw collega’s in de Commissie, niet al die hoogopgeleide en goed gemotiveerde ambtenaren van de Commissie, en ook niet de regeringen van de lidstaten. We moeten ook in de gemeentes discussiëren met de politici en de burgers. We moeten aan hen verantwoording afleggen. Wij worden voor het beleid verantwoordelijk gemaakt. Daarom moeten we met de medebeslissingsprocedure werken; daarom moeten de rechten van het Parlement volledig worden gerespecteerd.
José Manuel Barroso, voorzitter van de Commissie. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren afgevaardigden, de diensten van algemeen belang vormen de kern van ons Europese maatschappijmodel. De desbetreffende activiteiten bestrijken de meest uiteenlopende terreinen, van netwerkindustrieën - energie, telecom, vervoer en post -, sociale diensten en gezondheidszorg tot beheer van water en afval.
De zogenaamde netwerkindustrieën - zoals vervoer, energie, telecom en post - leveren samen ongeveer 7 procent van ons gemeenschappelijk binnenlands product en 5 procent van alle werkgelegenheid binnen de Europese Unie. Ze zijn dus een essentieel element in het dagelijks leven van de burgers en de ondernemingen van de Unie. Het succes van de Europese strategie voor groei en werkgelegenheid - de Strategie van Lissabon, die voor onze welvaart van doorslaggevende betekenis is - hangt ook af van de kwaliteit en de doeltreffendheid van deze diensten.
Na de publicatie van het Witboek van de Commissie over de diensten van algemeen belang is er een debat op gang gekomen over de rol die de Europese Unie uiteindelijk zal moeten spelen met betrekking tot deze diensten. Ik ben daar heel blij mee. Ik wil de rapporteur, de heer Rapkay, en zijn collega’s in de commissies daar graag voor bedanken. Met dit uitstekende verslag hebben ze het debat vooruit geholpen.
De wijze waarop de diensten van algemeen belang functioneren is heel ingewikkeld. Er is op dit vlak een voorturende ontwikkeling waarneembaar. De technologische vooruitgang, het veranderde verwachtingspatroon van de maatschappij en de consumenten, de financiële druk, de modernisering van de overheid - dat alles heeft vergaande gevolgen gehad voor de wijze waarop deze diensten verleend worden. We maken nu een tijd van snelle economische en technologische verandering door, en daarom moeten we voor de diensten van algemeen belang een zinvol en doeltreffend kader scheppen. Dat kader moet de dienstverleners in staat stellen de voor hen vastgelegde doelstellingen te verwezenlijken en zich aan de zich steeds veranderende omstandigheden aan te passen.
De Commissie wil graag meewerken aan het tot stand brengen van een dergelijk juridisch kader. We moeten ons daarbij door vier beginselen laten leiden. Eerste beginsel: de lidstaten blijven verantwoordelijk voor het kader waarbinnen de diensten van algemeen belang op nationaal, regionaal en lokaal niveau worden geregeld. We dienen het subsidiariteitsbeginsel dus te respecteren. Er is gewoon geen andere mogelijkheid. Het is mijn vaste overtuiging dat de Europese Unie begrip moet hebben voor het feit dat de situatie in elke lidstaat anders is. Daarom dienen we de per land uiteenlopende praktijken te respecteren. Deze diversiteit is een weerspiegeling van de verschillen in historische ontwikkeling en van uiteenlopende ideeën over de wijze waarop een staat behoort te interveniëren. Ik ben het daarom eens met de in dit verslag opgenomen stelling dat het geen goed idee is om op communautair niveau gelijkluidende definities vast te leggen. De lidstaten moeten de vrijheid blijven behouden om hun diensten van openbaar belang op grond van hun behoeften, structuren en uiteenlopende tradities vorm te geven.
Tweede beginsel: het bevorderen - en behouden - van diensten van algemeen belang die voor iedereen toegankelijk zijn en een kwaliteit-prijsverhouding bieden die verenigbaar is met een open, op mededinging geschoeide markt. Als voorbeeld volstaat een verwijzing naar sectoren als telecommunicatie en luchtvervoer. In die sectoren zijn de diensten van algemeen belang aan het particulier initiatief overgelaten, en de belangen van de consument zijn daarmee goed gediend. We moeten daarbij wel steeds bedenken dat, indien zich een onoplosbaar conflict voordoet tussen de regels voor de interne markt of de mededinging en de uitvoering van de opdrachten die de diensten van algemeen belang zijn toevertrouwd, het algemeen belang moet prevaleren. Dat is in de Verdragen reeds vastgelegd en het Hof heeft dit principe bekrachtigd. De Commissie is gaarne bereid om in dit opzicht advies te verlenen of desgewenst opheldering te verschaffen.
Derde beginsel: het Europees kader voor de diensten van algemeen belang moet ruimte laten voor verschillen en modernisering mogelijk maken. Het moet gebaseerd zijn op de volgende doelstellingen: een gedegen kwaliteit, een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit en universele toegankelijkheid. Het gaat er niet alleen om een antwoord te formuleren op de verwachtingen van de burgers en ondernemingen; ook de sociale en territoriale cohesie moet worden gewaarborgd.
Vierde beginsel: zoals ik al heb aangegeven is rechtszekerheid een zaak van essentieel belang, zowel voor de consumenten als de dienstverleners en de overheid. De overheden op de verschillende niveaus moeten duidelijk aangeven welke regels op de diensten van algemeen belang van toepassing zijn. We moeten op Europees niveau kijken naar de uiteenlopende situaties en de verschillen tussen de sectoren, en vervolgens beslissen of we dit onderwerp het best in één enkele wettekst regelen of aan de hand van op sectorale regelingen. U brengt die kwestie in uw verslag ook aan de orde.
De vier beginselen die ik zojuist genoemd heb, kunnen als richtsnoer voor optreden op communautair niveau dienen. Ons optreden zal eerst en vooral praktisch moeten zijn. We zijn op het niveau van de Europese Unie bezig met het ontwikkelen van een beleid voor die sectoren die daar duidelijk behoefte aan hebben en waar onze bijdrage werkelijk een meerwaarde kan inhouden. Het kan zijn dat er zich problemen van wat meer horizontale aard voordoen, en als dat het geval blijkt te zijn, zullen we daar een oplossing voor moeten vinden.
De Commissie is op dit gebied heel actief geweest, samen met dit Parlement en de Raad. Ik geloof dat we op een aantal gebieden goede vorderingen hebben gemaakt. We hebben de regels met betrekking tot staatssteun voor diensten van algemeen belang aan de hand van het Altmark-arrest kunnen vereenvoudigen en verduidelijken. En we controleren nu hoe het gesteld is met de toepassing van de in januari van kracht geworden regels voor overheidsopdrachten. We hebben een uitvoerige raadpleging georganiseerd met betrekking tot publieke-private partnerschappen en voor 2007 nieuwe initiatieven aangekondigd. We zijn ten aanzien van de diensten voor het openbaar vervoer tot overeenstemming gekomen. Verder hebben we een mededeling over sociale diensten aangenomen, en we zullen nu een raadplegingsprocedure over de diensten in de gezondheidszorg van start laten gaan. Ook de energiesector is momenteel onderwerp van een raadplegingsprocedure. We zullen voorstellen doen, waaronder ook - en ik vind het belangrijk om daarop te wijzen - wetgevingsvoorstellen; het blijft hier dus niet bij mededelingen. Op dit moment werken we aan een herziening van het regelgevingskader voor de elektronische communicatie, en we zullen nog voor het einde van dit jaar een voorstel doen voor een richtlijn inzake postdiensten.
De zojuist genoemde recente vorderingen tonen aan dat de Europese Unie bereid is om het initiatief te nemen op het gebied van de diensten van algemeen belang, en dat ze in die context ook ambities heeft. Ze tonen verder aan dat het Parlement en de Raad hier een belangrijke rol hebben. Zodra het verslag-Rapkay - dat wij zorgvuldig zullen bestuderen - is aangenomen, zal de Commissie verdere stappen ondernemen. We zullen nog voor het einde van dit jaar een mededeling over dit onderwerp uitbrengen.
Dames en heren afgevaardigden, de belangrijkste boodschap die ik in uw verslag heb kunnen lezen, is een tweeledige oproep tot actie. Het gaat er enerzijds om meer rechtszekerheid te verkrijgen met betrekking tot de communautaire regels zoals die voor de diensten van algemeen belang gelden. Wij moeten echter ook aanvaarden dat deze sector in Europa heel divers is en dat de toestand per land verschilt. Ik geloof dat het tijd is dat we het regelgevingskader voor de diensten van algemeen belang in de Europese Unie consolideren. Dat is wat onze medeburgers van ons verwachten. De Commissie zal terdege rekening houden met uw verslag wanneer ze zich dit jaar nog over deze kwestie zal buigen.
Gunnar Hökmark, namens de PPE-DE-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, het is belangrijk één ding duidelijk te stellen in dit debat: er is geen betere manier om een hoge kwaliteit, toegankelijkheid en lage prijzen te bewerkstelligen dan brede concurrentie en breed ondernemerschap in de Europese economie. We hebben allemaal de resultaten en de successen gezien in een aantal sectoren van diensten van algemeen belang die tien of twintig jaar geleden nog als monopolies werden beschouwd. We hebben successen gezien in de telecommunicatiesector en in de luchtvaart, en we zullen ook op nieuwe gebieden successen zien, want we hebben het over diensten die van nature dynamisch zijn en convergeren. Ze vormen een groot en belangrijk deel van de toekomstige kenniseconomie. We moeten deze dienstensectoren openstellen en tegelijkertijd de specifieke oplossingen respecteren die de verschillende lidstaten nodig hebben voor de diensten die zij als diensten van algemeen belang aanmerken.
Ik wil in dit debat onderstrepen dat in het verslag niet wordt gevraagd om een kaderrichtlijn of een horizontaal kader van enigerlei soort. Daarin wordt wel nadruk gelegd op de noodzaak van rechtsduidelijkheid op basis van een sectorale aanpak en verzocht om sectorale richtlijnen waar deze nodig zijn.
Mijnheer Barroso, u hebt de gezondheidszorg genoemd. Als wij terugkijken, zien wij dat de sectorale aanpak de afgelopen jaren heel succesvol is geweest. We vragen dus om rechtsduidelijkheid, op basis van een sectorale aanpak, en kijken uit naar toekomstige sectorale richtlijnen. We onderstrepen dat de Verdragen geen rechtsgrondslag bevatten voor een voorstel dat de werking van de interne markt, de mededingingsregels of de regels inzake overheidsopdrachten stoort. We benadrukken dat op dit gebied respect voor de lidstaten en voor het subsidiariteitsbeginsel moet worden getoond.
In de komende decennia zullen we kansen krijgen voor steeds meer grensoverschrijdende activiteiten op nieuwe gebieden. Ik denk dat patiënten schitterende mogelijkheden zullen krijgen op betere gezondheidszorg in andere landen en dat dit de Europese economie ook meer levenskracht kan geven. We zijn het er evenwel mee eens dat de interne markt moet worden gerespecteerd, net zoals we het subsidiariteitsbeginsel moeten respecteren.
Mijnheer Barroso, ik hoop dat u dit verslag zult lezen en zult vaststellen dat we verder moeten gaan met sectorale richtlijnen en de sectorale aanpak, om rechtsduidelijkheid te scheppen, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel.
Martin Schulz, namens de PSE-Fractie. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement beschouwt het verslag van de heer Rapkay en de kwestie van de diensten van algemeen belang als een hoogtepunt in deze zittingsperiode. We hebben een buitengewoon gewaagd iets gedaan en een eigen ontwerprichtlijn voorgelegd, die in grote lijnen de punten bevat die Bernhard Rapkay in zijn verslag heeft toegelicht. Mij is de eer te beurt gevallen, mijnheer de voorzitter van de Commissie, om dit voorstel aan u en aan de toenmalige voorzitter van de Raad, de heer Schüssel, te overhandigen. Ik kom zo terug op een paar hoofdpunten van dit debat, maar voor ons is het in verband met de discussie over de dienstensector belangrijk dat we een strategie bedenken om een evenwicht tot stand te kunnen brengen tussen de interne markt, die wij als sociaaldemocraten nodig en belangrijk vinden, en de bescherming van de belangen van de burgers door sterkere lokale en regionale instellingen. Zij zijn namelijk de instanties die het best in staat zijn om bij het leveren van deze diensten het subsidiariteitsbeginsel in de praktijk te brengen.
Flexibiliteit waar nodig, bescherming waar mogelijk: dat moet de belangrijkste les uit dit debat zijn. Het feit dat u, mijnheer de voorzitter van de Commissie, na al die Europese Raden in Barcelona, Laken en Nice, en na alle debatten die we hebben gevoerd, vandaag bent gekomen om uw visie te geven, is voor ons een bewijs van het belang dat de Commissie aan dit debat hecht. Daarvoor zijn we u dankbaar. Dat is ook de reden waarom ik als voorzitter van onze fractie in deze discussie het woord voer.
Namens onze fractie kan ik in grote lijnen bevestigen wat Bernhard Rapkay als rapporteur over dit verslag heeft gezegd. Ik zou er echter nog twee opmerkingen aan toe willen voegen. Ik heb namelijk heel goed geluisterd naar de woorden van de heer Hökmark. Het is interessant om te zien in wat voor bochten een overtuigd liberaal zich moet wringen om zijn standpunt over deze kwestie te rechtvaardigen. Natuurlijk zijn we allemaal voor deze interne markt en willen we allemaal dat daar zo veel mogelijk economische groei ontstaat. Wat dat betreft zijn we het allemaal met u eens. Het wordt echter al wat moeilijker bij het subsidiariteitsbeginsel, dat de liberalen eigenlijk altijd naar voren schuiven. Als wij dan dat subsidiariteitsbeginsel willen toepassen om bepaalde sociale normen te verdedigen, die absoluut moeten worden gerespecteerd, is het plotseling een hindernis. Dat gaat niet!
Ik weet niet of het wel zo wenselijk is dat we alle diensten van de gezondheidszorg daadwerkelijk overlaten aan de vrije markt. Ik weet ook niet of we met de armen over elkaar moeten toezien hoe ook nog het allerlaatste gemeentelijke kerkhof wordt gerund volgens de principes van de markteconomie. Dat is volgens mij niet zinvol. Het blijft nodig om de lokale en regionale overheden volgens de regels van de subsidiariteit in staat te stellen om diensten van hoge kwaliteit te leveren, diensten die direct ingaan op de specifieke wensen en eisen van de burgers. Dat is een kernelement van het sociaaldemocratisch beleid en dat zullen wij niet opgeven. We willen echter ook de kans aangrijpen om er met flexibele regels en een open toegang voor te zorgen dat er hoogwaardige producten op de markt komen, dat de lokale en regionale overheden gebruik maken van de interne markt, dat deze zelf vrij kunnen beslissen over de manier waarop die flexibiliteit moet worden ingevuld, en over de manier waarop goede en betaalbare diensten kunnen worden gegarandeerd. Het kan namelijk allebei.
We hebben goed geluisterd, mijnheer de voorzitter, toen u vertelde dat u het hele rechtskader wilt consolideren. Door te erkennen dat er een rechtskader nodig is, heeft u een grote stap gezet. Het feit dat u dat kader nu ook wilt consolideren, wijst erop dat u horizontaal te werk wilt gaan, en niet sectoraal. Ik zou me voor kunnen stellen dat we het daarover vrij makkelijk eens kunnen worden.
Mevrouw de ondervoorzitter, namens onze fractie zou ik willen zeggen dat wat wij hier hebben gedaan met het schrijven van een ontwerprichtlijn, samen met de woorden van Bernhard Rapkay en van de voorzitter van de Commissie, ook u ervan zal overtuigen dat we ons op de juiste weg bevinden.
(Applaus)
Sophia in ‘t Veld, namens de ALDE-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteur loven voor het fantastische werk dat hij heeft verricht. Wij waren het weliswaar niet altijd met elkaar eens, maar hij is bijzonder geduldig geweest en stond open voor samenwerking, waarvoor ik heel dankbaar ben.
Het is heel belangrijk dat we ons standpunt voor eens en altijd duidelijk maken. Het baart me zorgen dat het ontwerpverslag dat we in de commissie hebben goedgekeurd, op zoveel verschillende manieren wordt geïnterpreteerd. Er zijn juichende persverklaringen gegeven waarin werd gesteld dat het Europees Parlement eindelijk om een kaderrichtlijn heeft gevraagd, terwijl andere stellen dat het Europees Parlement de kaderrichtlijn eindelijk voor eens en altijd heeft verworpen. We moeten af van de situatie van afgezwakte compromissen die op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd.
Ik kan namens mijn fractie stellen dat we geen kaderrichtlijn willen. We willen voor Europa geen oplossing die voor iedereen hetzelfde is, en wel omdat we subsidiariteit willen. Maar wat is subsidiariteit? Subsidiariteit houdt in dat de nationale en lokale overheden zelf mogen bepalen wat ze onder diensten van algemeen belang verstaan, dat ze zelf mogen bepalen hoe deze diensten worden georganiseerd en gefinancierd. Subsidiariteit betekent niet automatisch uitzondering van de marktregels. We hebben het hier dus over twee soorten subsidiariteit.
Ik heb aandachtig geluisterd naar wat de heer Barroso heeft gezegd. Hij heeft opnieuw ruimte voor interpretatie gelaten. Ik zou zijn opmerkingen zo willen interpreteren: hij wil eveneens gerichte en concrete oplossingen voor werkelijke problemen. Een andere aanbeveling die ik dit Parlement zou willen doen, is: ga geen dingen repareren die niet kapot zijn! We hebben geen wetgeving nodig, maar oplossingen voor reële problemen. Ik heb voor een lokale overheid gewerkt, dus ik weet wat de echte problemen zijn. De lokale overheden hebben zeer gerechtvaardigde zorgen. We moeten evenwel erkennen dat er ook een neiging tot protectionisme is, en we zullen hierin een juist evenwicht moeten vinden.
We moeten ook af van het ideologische debat, of tenminste eerlijk zijn en toegeven dat de ideologie in zekere mate meespeelt. Sommige mensen vinden op goede gronden dat de overheid ook de leverancier van diensten moet zijn. Ik ben het met mijn collega de heer Hökmark eens dat de markt uitstekende diensten kan leveren. Sommige sectoren zijn geliberaliseerd, en dat heeft niet tot gevolg gehad dat meer mensen werden uitgesloten van toegang tot deze diensten. Integendeel, veel diensten zijn juist binnen het bereik van veel meer mensen gekomen, wat uiterst sociaal is.
Een markt is geen jungle. Zij heeft regels, want als er geen regels zijn, is het geen markt. Elke markt, zelfs de eenvoudigste markt op een marktpleintje, kent regels. En dat is precies wat we bedoelen met de sociale markteconomie die we in Europa hebben. We moeten de diversiteit van de lidstaten erkennen en we moeten de lidstaten zelf laten bepalen wat ze ‘diensten van algemeen belang’ noemen.
Tot slot moeten we niet proberen te definiëren wat precies diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang zijn, want ‘economisch’ slaat niet op de aard van de dienst zelf, maar op de manier waarop deze wordt geleverd. Iedereen zal het er bijvoorbeeld mee eens zijn dat water van algemeen belang is, maar het kan op een zuiver commerciële manier worden geleverd. We mogen onszelf dus niet verliezen in een nutteloos debat over de verschillen tussen ‘van algemeen belang’ en ‘van algemeen economisch belang’. Het enige belang waarnaar we zouden moeten kijken, is het belang van onze burgers en consumenten.
Alain Lipietz, namens de Verts/ALE-Fractie. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter, geachte collega’s, ik heb grote waardering voor het betoog van voorzitter Barroso en zijn verklaring dat hij van plan is om ons in het kader van de medebeslissingsprocedure één of zelfs meerdere wetsteksten voor te leggen - hoeveel precies is een punt waar we later op terug zullen komen. Ik ben ook tevreden met de verwijzing naar de vier beginselen. Het was inderdaad van belang dat daar opnieuw op gewezen werd.
De Commissie economische en monetaire zaken heeft ons verzoek om enkel te verwijzen naar wat in artikel 122 van het Grondwettelijk Verdrag staat, niet aanvaard. Erger nog: zelfs ons verzoek om dan maar de strekking van artikel 86 van het huidige Verdrag in herinnering te brengen is afgewezen. Zoals u weet wordt in dat artikel bepaald dat, als er hetzij de facto hetzij de jure een conflict bestaat tussen de markt en de doelstellingen van de openbare diensten, de belangen van deze diensten moeten prevaleren. Het is volgens mij heel belangrijk dat in de tekst van het Parlement wordt bekrachtigd wat we tijdens de behandeling van het Grondwettelijk Verdrag bij stemming zijn overeengekomen, en dat is wat in artikel 122 staat. We moeten er ook voor zorgen dat onze consensus met betrekking tot artikel 86 van het huidige Verdrag in de aan te nemen tekst tot uitdrukking komt.
Wij zouden echter veel verder willen gaan en duidelijk willen aangeven wat er bij de op til zijnde stemming op het spel staat. Als ik het op één punt met mevrouw in ’t Veld eens ben, dan is het wel dat de uiterst voorzichtige en diplomatieke stelling van de heer Rapkay dat we wetgeving moeten opstellen, op verschillende manieren kan worden uitgelegd. We vragen u daarom om ons, op grond van het Verdrag van Amsterdam en het Interinstitutionele Akkoord, een ontwerprichtlijn voor te leggen. Het Parlement is immers een recht op wetgevingsinitiatief toegekend, en wij zijn het geheel eens met de vier beginselen die u heeft opgesomd.
Als we het met mevrouw in ’t Veld ergens niet over eens zijn, dan is het subsidiariteit. Ik geloof dat het verkeerd is subsidiariteit al te strikt op te vatten, als we weten dat bij ontstentenis van een specifieke richtlijn voor de diensten van algemeen belang, de dienstenrichtlijn zal gaan gelden. We hebben namelijk kunnen vaststellen dat het toepassingsgebied van deze dienstenrichtlijn wekelijks, dagelijks, verandert en blijft veranderen. Eerst viel sociale huisvesting onder deze richtlijn, toen even niet, om vervolgens weer wel in de richtlijn te worden opgenomen, zij het ditmaal maar voor een deel. U hoeft de tekst van dit Parlement maar te vergelijken met die van uw Commissie of die van de Raad om vast te stellen dat er in de dienstenrichtlijn geen overeenstemming bestaat over de diensten van algemeen belang. We moeten nu dus wetgeving opstellen om de zaken op te helderen.
Francis Wurtz, namens de GUE/NGL-Fractie. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, het algemeen belang, het openbare en gemene goed, de openbare diensten: het zijn, zoals u zelf gezegd heeft, mijnheer de voorzitter van de Commissie, de kernpunten waar we bij dit debat over het begrip “Europees sociaal model” naar verwijzen.
We hebben het dan over het dagelijks leven van de burgers, over hun ideeën met betrekking tot de toekomst en over hun maatschappijbeeld. Het gaat hier om fundamentele waarden als gelijkheid, solidariteit en democratie. Dat zijn uiterst belangrijk zaken en we mogen met betrekking tot dit onderwerp dus geen genoegen nemen met ondeugdelijke definities of krakkemikkige compromissen.
Mijn fractie vindt dat er over drie zaken in ieder geval duidelijkheid moet bestaan. Om te beginnen de verhouding tussen de diensten van algemeen belang en de regels voor de interne markt: mededinging, overheidsopdrachten en staatssteun. We mogen daarbij niet vergeten dat de Commissie en het Hof over bevoegdheden beschikken om controle uit te oefenen en eventuele misbruiken te bestraffen.
Wij geloven dat we behoefte hebben aan een volstrekt nieuwe rechtsgrondslag, een rechtsgrondslag die het mogelijk moet maken dat er in Europa een openbare dienstverlening bestaat die niet aan de markt is onderworpen. Zoals de heer Barroso en de heer Lipietz hebben aangegeven, wordt inderdaad in het Verdrag bepaald dat, als er een conflict bestaat tussen de regels voor de mededinging en de verwezenlijking van de openbare diensten, de diensten voorrang krijgen. Het Verdrag erkent verder dat de lidstaten het recht hebben om zelf te bepalen wat het algemeen belang inhoudt, maar inderdaad bepalen de Commissie en - in laatste instantie - het Hof de grenzen van die vrijheid. En zo kan het gebeuren dat Nederland, een land dat toch niet als antiliberaal bekend staat, een tik op de vingers krijgt omdat het, ik citeer: “Een duidelijke fout heeft begaan in het kader van de openbare dienstverlening, aangezien sommige huishoudens die van de gesubsidieerde huisvestingscoöperatieven een onderkomen huurden, niet tot de sociaal zwakkere groepen behoorden”. In de praktijk leidt dit uitzonderingsstatuut dus tot de afkalving van de openbare diensten tot er van die diensten niets meer over is.
En zo kom ik op het tweede punt dat opheldering behoeft: wat zijn onze ambities op het gebied van de openbare diensten? Wij zijn van mening dat het hier gaat om de grondrechten van de eenentwintigste eeuw, met gelijke rechten en kansen voor iedereen, of het nu gaat om onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, milieu, kinderopvang, informatie, cultuur, vervoer, telecommunicatie, post, energie, watervoorziening, waterafvoer, afvalverwijdering of behoeften waar we nu niet langer om heen kunnen, zoals toegang tot krediet. Deze sectoren zullen moeten worden georganiseerd vanuit een gezichtspunt van maatschappelijke doeltreffendheid. Ze mogen dus niet worden onderworpen aan de druk van de mededinging.
Ook een derde aspect verdient vermelding, en dat is de wijze waarop het subsidiariteitsbeginsel aansluit op het Europese project. Zoals gezegd lopen de ervaringen per land uiteen, of het nu gaat om het beheer van de openbare diensten, de eigendomsverhoudingen of de wijze van financiering. Die keuzes en al hetgeen daaruit voortvloeit, moeten een afspiegeling zijn van de soevereiniteit van elk land.
Moet er dus een kaderrichtlijn komen of niet? In onze fractie wordt hierover nog gediscussieerd. Ik zelf zou willen zeggen: probeer maar! Laat de Commissie maar een dergelijk instrument ontwerpen op basis van de beginselen waar ik zojuist naar heb verwezen. Men zal mij dan vertellen dat dit niet mogelijk is zonder de regels van het Verdrag te schenden. En dat is nu juist waarom wij die regels willen veranderen.
Mevrouw de Voorzitter, ik stel voor dat we deze kwestie bovenaan op de agenda voor een groot debat over de toekomst van Europa zetten. Dan kunnen we zien wat de Europeanen hier werkelijk van denken.
John Whittaker, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, het is heel begrijpelijk dat men wil bepalen hoever de EU-bemoeienis mag gaan bij de levering van openbare diensten. Als je een bedrijf hebt of een overheidsdienst leidt, is het handig als je weet welke regels er gelden. Ik vind echter verbijsterend dat alles draait om de vaststelling van het onderscheid tussen diensten van algemeen economisch belang en diensten van algemeen niet-economisch belang. Alle diensten zijn toch ‘economisch’, met dien verstande dat ze een economische waarde hebben. Anders zouden ze waarschijnlijk niet worden aangeboden. Ik vrees dat pogingen om tot zo'n definitie te komen alleen maar zullen leiden tot meer verwarring, minder efficiency en meer ruimte voor ambigue uitspraken van het Europees Hof van Justitie.
In wezen is het probleem dat nationale en lokale overheden zelf de openbare diensten moeten kunnen beheren, want openbare diensten worden betaald door de nationale regeringen namens hun kiezers. We proberen hier nu echter openbare diensten te onderwerpen aan een gemeenschappelijk stel Europese regels. Heeft iemand de inherente tegenspraak opgemerkt? De heer Barroso heeft een ambitieus werkprogramma voor de Commissie geschetst. Ik zeg hier tegen hem: laat het alstublieft rusten. Laat de nationale regeringen alstublieft hun gang gaan.
Françoise Castex (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter, geachte collega's, u heeft, mijnheer de voorzitter, erop gewezen dat elk land van de Unie op het gebied van de openbare diensten een eigen geschiedenis en eigen opvattingen heeft. Bij de opbouw van Europa moeten we die diversiteit respecteren, maar tegelijkertijd moeten wij vasthouden aan een reeks gedeelde waarden ten aanzien van sociale rechtvaardigheid, gelijkheid en solidariteit. Zo kunnen we een gemeenschappelijk kader ontwikkelen voor de Europese openbare diensten. We mogen dit onderwerp niet benaderen vanuit een mededingingsoptiek. We weten immers dat de voordelen die de openbare diensten de maatschappij bieden tot uitdrukking komen op het gebied van onderwijs, gezondheid, veiligheid en samenhang, samenhang tussen de lidstaten en tussen de burgers van die lidstaten.
We zullen, zoals reeds is opgemerkt, binnenkort een richtlijn aannemen die de dienstenmarkt op communautair niveau zal openstellen. We weten wat erop het spel staat bij deze dienstenmarkt in het kader van de WTO-onderhandelingen. Het is van groot belang dat we binnen zowel een communautaire als een mondiale context een juridisch onderscheid maken tussen commerciële en niet-commerciële diensten. Voor de eerste categorie diensten moet vrij verkeer worden ingevoerd; voor de tweede moeten we regelingen vaststellen. Moeten zaken als gezondheidszorg, onderwijs, sociale huisvesting en watervoorziening uitsluitend aan het profijtbeginsel ondergeschikt worden gemaakt? Natuurlijk niet! Er is hier maar één argument, en dat is het algemeen belang en sociale vooruitgang voor iedereen. Alleen de overheid, om het even op welk niveau, kan dit algemeen belang garanderen.
Onze medeburgers zijn terecht bang dat het Europees project als gevolg van de liberalisering en de mondialisering zal verwateren. We moeten rekening houden met hun eisen op het gebied van kwaliteit, toegankelijkheid, sociale verantwoordelijkheid en respect voor het milieu. Mijnheer de commissaris, is de beste garantie die wij onze verontruste medeburgers kunnen bieden niet gelegen in een Europees rechtskader voor openbare diensten?
Proinsias De Rossa (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik bedank de heer Rapkay voor de grote hoeveelheid werk die hij voor dit verslag heeft verricht. Ik ben heel blij dat voorzitter Barroso hier vanochtend aanwezig is voor dit belangrijke onderwerp. Het is een teken van het belang dat de Commissie aan deze zaak hecht.
In het Parlement is brede consensus over de rol van de diensten van algemeen belang, economisch belang, en over de betekenis hiervan. Er is echter verdeeldheid over met name de te volgen strategie en, in sommige gevallen, over de tactiek. Het Parlement wil, evenals de Commissie, waarborgen dat eventuele wetgeving en eventuele maatregelen op dat gebied volgens de medebeslissingsprocedure worden vastgesteld. Dat is enorm belangrijk voor de geloofwaardigheid van wat we doen op dit gebied, en voor de legitimiteit daarvan in de ogen van onze burgers.
Ik ben voor een kaderrichtlijn. Dat was een van de dingen waartoe de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken in haar advies over dit verslag had besloten. Twee weken geleden heeft het Parlement echter ‘nee’ gezegd tegen een kaderrichtlijn. Ik vind dat het een vergissing zou zijn opnieuw te proberen er een kaderrichtlijn door te drukken.
We moeten een pragmatische manier zien te vinden om verder te komen en te bewerkstelligen dat we zowel duidelijkheid krijgen als de zekerheid dat het vandaag door u geschetste beginsel wordt gehandhaafd, namelijk dat in wetgeving wordt vastgelegd wat er moet gebeuren als het recht van de burger op openbare diensten botst met de markt. We mogen dat vraagstuk niet van geval tot geval overlaten aan uitspraken van rechtbanken. Als we dat wel doen, eindigen we met allerlei strijdige resultaten. In dit verband ben ik voor een kaderrichtlijn. Misschien is die op een andere manier haalbaar. We moeten daarnaar blijven streven.
Ik ben blij dat u beloofd hebt actie te zullen ondernemen op het gebied van de sociale diensten en gezondheidszorg. Dat is ook een urgente kwestie.
Werner Langen (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik geef u het standpunt van de commissie, en niet het mijne, hoewel die twee niet veel van elkaar afwijken.
De commissie heeft met een grote meerderheid gestemd voor 18 punten, die vrijwel volledig zijn overgenomen in het verslag van de heer Rapkay. De meerderheid voor dit advies was ruim, omdat we op basis van de eerder door het Europees Parlement aangenomen resoluties een gezamenlijke strategie hebben kunnen ontwikkelen.
Ik ben heel blij dat de voorzitter van de Commissie aanwezig is. Het feit dat er tegen het einde van het jaar weer een nieuwe mededeling komt, bevalt me echter helemaal niet. Sinds 2000 laveren we van mededeling naar mededeling, van interpretatie naar verklaring van een Top, zonder dat de juridische onzekerheden ooit worden opgehelderd, wat dringend nodig is. De Commissie moet uit haar eigen huid kunnen kruipen, het verzet van de commissaris voor mededinging doorbreken en eindelijk een aantal dingen ophelderen, die anders zouden moeten worden opgehelderd door het Europees Hof van Justitie.
Dat betekent niet - en de Commissie industrie, onderzoek en energie heeft dat ook duidelijk gezegd - dat we voor een kaderrichtlijn zijn. Daarvoor bestaat geen rechtsgrondslag, ook niet in de ontwerp-Grondwet. Het is vanzelfsprekend dat we voor zoveel mogelijk onderwerpen de medebeslissingsprocedure willen volgen. Het zou echter fout zijn om besluiten te nemen waarvoor we niet bevoegd zijn.
We hebben gekozen voor meerdere principes, die overeenstemmen met wat hier ook door de voorzitter van de Commissie is gezegd: het subsidiariteitsprincipe, het principe dat ieder niveau zelf moet beslissen maar zich aan de mededingingsregels moet houden, het principe dat subsidies op een transparante manier moeten worden gegeven en het principe dat de Commissie moet controleren of er misbruik plaatsvindt.
Daardoor kunnen we vandaag op basis van het verslag-Rapkay een goed advies afgeven met instructies voor de Commissie. Nu moet de Commissie aan de slag.
József Szájer (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. - (HU) Mevrouw de Voorzitter, de heer Schulz heeft blijkbaar heel goede ogen, want hij ziet dingen in de resolutie die er niet in staan.
Ik wil erop wijzen dat de Commissie interne markt en consumentenbescherming heeft ingestemd met een groot deel van het Witboek dat de Commissie aan het Parlement heeft voorgelegd. Wij hebben ook onze instemming betuigd met het standpunt dat er geen behoefte is aan een kaderrichtlijn op communautair niveau. Afgezien daarvan gaat het mijns inziens bij deze vraagstukken om drie essentiële, fundamentele principes.
Het eerste en allerbelangrijkste principe is dat van de subsidiariteit. Wij hebben in Europa een grote verscheidenheid aan systemen voor openbare dienstverlening. Men mag deze verscheidenheid niet reduceren tot uniformiteit. Bijgevolg mag Europa, als Europa geen verantwoordelijkheid wil nemen voor openbare dienstverlening, deze systemen niet uniformiseren. Deze vraagstukken moeten met andere woorden onder de bevoegdheid blijven vallen van de lokale autoriteiten.
Het tweede principe betreft de kwestie van de geleidelijke aanpak. De Europese Unie en de Europese Commissie gaan de goede kant uit met hun besluit voor een geleidelijke regulering, en dat brengt mij meteen bij het derde punt, bij de kwestie van de sectorale aanpak. Wij waren reeds zeer succesvol bij de regulering van diverse sectoren, onder andere op telecommunicatiegebied. Wij zouden nu dit voorbeeld moeten volgen en daarop continu toezicht moeten uitoefenen.
Ook ik wil, evenals onze commissie, instemming betuigen met de evidente noodzaak van meer rechtszekerheid. Aangezien ik een nieuwe lidstaat vertegenwoordig, wil ik eveneens duidelijk maken dat met het oog op het beginsel van gelijke toegang, de Europese Unie inderdaad een gemeenschappelijke basis moet garanderen met behulp van harmonisatie en cohesiemiddelen. In de nieuwe lidstaten zijn de instrumenten voor de versterking van de mededinging en consumentenbescherming veelal heel zwak. Daarom is het noodzakelijk deze te versterken, juist om in deze gebieden te kunnen zorgen voor zowel gelijke toegang als concurrentie.
Het verslag over de diensten van algemeen belang is volgens mij een goed verslag en ik geloof dat de heer Rapkay en zijn collega’s uitmuntend werk hebben verricht. Ik wil wel iedereen vragen dit niet mis te verstaan en in het verslag geen dingen te zien die er niet in staan. Daarmee bedoel ik dat wij hier niet kunnen spreken van een kaderrichtlijn of een mededeling over een kaderrichtlijn.
Het is heel belangrijk dat de kwestie van de algemene dienstenrichtlijn nauw in verband gebracht wordt met dit vraagstuk. Ook hier moeten wij de zaken duidelijk voor ogen houden. De dienstenrichtlijn heeft met betrekking tot talrijke punten een kader gegeven waarbinnen wij kunnen werken.
Emanuel Jardim Fernandes (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie vervoer en toerisme. - (PT) Mijnheer Barroso, geachte collega’s, als rapporteur voor advies van de Commissie vervoer en toerisme over het Witboek van de Commissie over de diensten van algemeen belang heb ik net als de Commissie het standpunt verdedigd de diensten van algemeen belang uit te sluiten van de werkingssfeer van de richtlijn betreffende de diensten voor de interne markt, gezien de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten om die diensten te definiëren, organiseren, financieren, evalueren en controleren. Het Parlement heeft dat principe nu bevestigd, wat goed is voor de werking van de interne markt, de solidariteit met de burgers en de eerbiediging van de bevoegdheden van de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten.
Ten tweede pleiten we met het oog op de rechtszekerheid voor een definitie en een beschrijving van de diensten van algemeen belang en een verduidelijking van het onderscheid tussen diensten van algemeen economisch belang (DAEB) en diensten van algemeen (niet-economisch) belang (DAB). Ten derde pleiten we, net als de voorzitter van de Commissie, voor een kaderwet inzake DAB en DAEB, voor een algemeen rechtskader of zo u wilt een kaderrichtlijn. Belangrijk is met name het vastleggen van zowel de minimumvereisten waaraan die activiteiten dienen te voldoen als de algemene criteria voor het uitvoeren, organiseren, evalueren en controleren door de lidstaten en de nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten.
Het feit dat deze wet ook de diensten van algemeen economisch belang omvat, neemt niet weg dat er specifieke wetgeving kan bestaan voor sectoren als het vervoer. Over het algemeen staan de ideeën die wij voorstaan in het verslag-Rapkay. Daarom heeft het mijn steun en instemming, hoewel ik vóór een aantal noodzakelijke amendementen zal stemmen.
Tot slot, mevrouw de Voorzitter, rest mij slechts de opmerking dat ik het betreur dat het verslag geen verwijzing bevat naar de ultraperifere regio’s. Die geografische context vormt de rechtvaardiging om diensten die het nu nog niet zijn of kunnen zijn, tot diensten van algemeen belang te maken. Ik hoop dat de Commissie en haar voorzitter niet alleen rekening zullen houden met dit verslag maar ook met de opmerkingen die ik hier heb gemaakt.
Markus Pieper (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, geachte collega’s, openbaar korteafstandvervoer, afvalverwerking, sociale diensten, watervoorziening: we zijn het er allemaal over eens dat dit bevoegdheden van de regio’s zijn. Ik ben blij dat dit in het verslag-Rapkay in principe ook zo staat. De rapporteur heeft in veel opzichten rekening gehouden met het advies van de Commissie regionale ontwikkeling.
Wij eisen dat nadrukkelijk ‘ja’ wordt gezegd tegen de subsidiariteit, maar dat ook voor meer rechtszekerheid wordt gezorgd op de gebieden waar conflicten bestaan tussen de diensten van algemeen belang en het Europese mededingingsrecht: het subsidierecht, de kwestie van de PPP, de sociale diensten en ook de definities van de concepten.
Diensten van algemeen belang betekenen voor een Fransman iets anders dan voor een Pool, een Zweed of een Duitser. Daarom mag er ook geen uniforme Europese kaderrichtlijn voor diensten van algemeen belang komen, zoals de socialisten willen. We willen geen uniforme EU-normen. Het heeft geen zin om de Griekse of Tsjechische regio’s voor te schrijven wat ze moeten beschouwen als diensten van algemeen belang. Helaas heeft links in dit Parlement een aantal passages erdoor gekregen die indirect tot een dergelijke kaderrichtlijn zouden kunnen leiden. Daarom vraag ik me werkelijk af wat u eigenlijk wilt, dames en heren. Wilt u de bestaande rechtsonzekerheid nog vergroten met een algemeen toepasbare kaderrichtlijn? Wilt u misschien via een achterdeurtje het Europese mededingingsrecht uithollen, en op die manier uw socialistische ideeën over de diensten van algemeen belang opleggen aan de Europese regio’s? Tegen beide intenties zeggen wij met nadruk: nee! Als er rechtsonzekerheid bestaat, moeten we die voor ieder gebied en in iedere bedrijfstak uit de weg ruimen.
Dat betekent veel werk, maar ik weet zeker dat een sectorale aanpak de enige manier is om het Europese concept van subsidiariteit op de interne markt te respecteren. Europa mag geen criteria voorschrijven voor kwaliteit en kosten. De definitie van diensten van algemeen belang, de financiering ervan en de manier waarop ze worden geleverd moeten een taak van de regio’s blijven, want de regio’s dragen daarvoor ook de politieke verantwoordelijkheid.
Robert Goebbels (PSE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik wil vragen of de Commissie regionale ontwikkeling werkelijk een bastion is van de Europese Volkspartij. Wat we van de heer Pieper hebben beluisterd was een zuiver EVP-standpunt, en niet het standpunt van de Commissie regionale ontwikkeling.
De Voorzitter. - We zullen er tijdens de tweede helft van de zittingsperiode nog eens over na moeten denken hoe we ervoor kunnen zorgen dat de rapporteur van de commissie ten principale en ook de rapporteurs van de medeadviserende commissies doen wat de heer Langen net heeft gedaan. Uit welke fractie ze ook komen, ze moeten het standpunt en het resultaat van de stemming in hun commissie weergeven. Ik ben ervan overtuigd dat iedereen dat vandaag ook heeft gedaan. Wanneer u daaraan twijfelt, kunt u de verslagen nog eens nalezen. Ik ben een buitenstaander, en ben niet zo goed vertrouwd met deze materie, en ik was ook wat verbaasd over een aantal bijdragen, maar we kunnen daar zeker nog eens op terugkomen tijdens de volgende zittingsperiode, misschien naar aanleiding van de hervorming van de parlementaire procedures.
De laatste spreker die de kans krijgt om het standpunt van haar commissie weer te geven is mevrouw Stauner.
Gabriele Stauner (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken . - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, geachte collega’s, het subsidiariteitsbeginsel is sinds Maastricht vastgelegd in het EG-Verdrag, maar desondanks speelt het een zeer bescheiden rol. Subsidiariteit zou echter altijd moeten gelden, tenzij alleen het Europese niveau bevoegd is voor een bepaalde kwestie.
Dat is echter zeker niet het geval bij de diensten van algemeen belang, die vandaag ter discussie staan. Daarom zou een Europese regeling voor dit onderwerp ongetwijfeld een inbreuk betekenen op het subsidiariteitsbeginsel. Wanneer we zouden ingrijpen in goed functionerende structuren die in de loop der jaren in de lidstaten zijn ontstaan, zou dat ook een inbreuk zijn op de principes van de rechtsstaat, op de principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit van ieder beleid.
Als de EU geen bevoegdheid heeft, kan Europa deze diensten dus ook niet definiëren. Dat kan alleen de nationale of regionale wetgever doen. Bovendien blijkt alleen al uit de pogingen van het Witboek om concepten te definiëren - en volgens mij zijn ze allemaal gekunsteld en krampachtig - dat dit voorstel niet haalbaar is en er geen draagvlak voor bestaat.
Een Lissabon-strategie, of wat voor strategie dan ook, kan nooit een vervanging voor een rechtsgrondslag zijn. Dat geldt evenzeer voor beleidsprincipes als mededinging en economische en sociale cohesie.
Daarom kan deze discussie slechts tot één resultaat leiden: we mogen onze vingers niet verbranden aan een Europese regeling voor diensten van algemeen belang, omdat er nu eenmaal geen Europese rechtsgrondslag voor bestaat! Ik zou u willen vragen om u aan te sluiten bij het advies van de Commissie juridische zaken. Kiest u voor een begrijpelijk Europa, voor een Europa van de burger.
Marianne Thyssen (PPE-DE). - Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, als beslissingen worden genomen met een marktcorrigerend doel of een markcorrigerende uitwerking, dan weten we dat we in dit Huis altijd in politiek gevoelig vaarwater komen. En als we in concrete situaties de principes van subsidiariteit en proportionaliteit willen toepassen, dan is er dikwijls dezelfde gevoeligheid en dan is de ideologische inslag nooit ver weg. Toch is rapporteur Rapkay erin geslaagd een evenwichtig verslag op te stellen en ik wil de rapporteur hiervoor oprecht feliciteren.
Ik ben heel gelukkig te weten ten eerste dat het belang van de beschikbaarheid van diensten van algemeen belang wordt onderstreept en ten tweede dat bevestigd wordt wat ook in het gemeenschappelijk standpunt over de dienstenrichtlijn staat, namelijk dat het aan de lidstaten toekomt te bepalen wat diensten van algemeen belang zijn. Ten derde vind ik het goed dat de vraag naar rechtszekerheid prominent aanwezig is.
Ik heb geen probleem met wat sommigen hier de dubbelzinnige bewoordingen van de rapporteur noemen. Ik zou dat eerder een wijze aanpak noemen, misschien een diplomatieke aanpak, maar in elk geval een aanpak die ons verder op weg naar oplossingen kan helpen. Er wordt niet expliciet naar een kaderrichtlijn gevraagd. De sectoriële verschillen worden in dit verslag erkend. Als dit verslag goedgekeurd wordt, tonen we duidelijk dat we meer belang hechten aan de inhoudelijke essentie dan aan de discussie over de vorm. En daarover moet het voor ons toch gaan.
Laat ons dus maar dicht bij dat verslag van Rapkay blijven. De Commissie weet dan waar een brede meerderheid in het Parlement is, waar nog verschillen zitten. Dan kunnen we verder, in afwachting van wat de mededeling van de Commissie ons oplevert, stappen ondernemen naar een evenwichtige benadering die de burgers van ons mogen verwachten.
Harlem Désir (PSE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, ik geloof dat het tijd is geworden om in politiek en juridisch opzicht duidelijkheid te verschaffen over de diensten van algemeen belang.
Er moet duidelijkheid komen op politiek vlak, aangezien het debat over de openbare diensten een schaduw werpt over om het even welk ander Europees debat. Het debat over deze diensten heeft de discussies over het Grondwettelijk Verdrag vergiftigd en is op zijn beurt zelf vergiftigd door het oorspronkelijke voorstel voor een richtlijn betreffende de diensten op de interne markt. Dat voorstel had immers ook betrekking op een hele reeks sociale diensten en diensten van algemeen economisch belang.
De openbare diensten zijn door het optreden van de Commissie en de interventies van de Europese Unie op de helling gezet. Dat heeft wantrouwen gewekt, en dat wantrouwen zit heel diep. En vaak terecht, als je kijkt naar de onevenwichtige verhouding tussen de regels voor de interne markt en de regels die het behoud van het algemeen belang moeten garanderen, of naar de gevolgen van een aantal sectorale richtlijnen die niet de beloofde dan wel verwachte resultaten hebben opgeleverd. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de prijsontwikkelingen in de energiesector. De - gegronde - twijfels met betrekking tot de postdiensten zijn een ander voorbeeld.
Ook op juridisch vlak is er behoefte aan duidelijkheid. U heeft dat zojuist zelf ook gezegd, mijnheer de commissaris, toen u een opsomming gaf van de wetgevingsinitiatieven die de afgelopen periode door de Commissie zijn genomen met het oog op een eenduidige interpretatie van de Verdragen en het gemeenschapsrecht: staatssteun, reglementering van staatssteun, reizigersvervoer, financiering en compensaties, enzovoorts.
We hebben behoefte aan sectorale initiatieven, enerzijds, en een horizontaal kader, anderzijds. Ik geloof dus dat het niet verstandig is om bij dit debat de ene oplossing tegenover de andere te stellen. Er zullen sectorale initiatieven moeten worden genomen op het vlak van bijvoorbeeld de diensten voor de gezondheidszorg en de sociale diensten van algemeen belang. U heeft dat zelf ook gezegd. Maar er zullen ook horizontale initiatieven moeten worden ontwikkeld. Waarom? Omdat we, zoals u terecht heeft aangegeven, moeten vasthouden aan een aantal beginselen, waaronder het beginsel dat elke lidstaat en de daarvan afhankelijke lokale overheden het recht hebben om zelf te bepalen wat ze als diensten van algemeen belang of diensten van algemeen economisch belang beschouwen. Die definities lopen per lidstaat inderdaad uiteen. Bovendien kunnen de organisatiemodaliteiten en de wijze van de financiering verschillen, terwijl ook de algemene contouren van de openbare dienstensector niet overal dezelfde zijn; die kunnen zelfs per regio of plaats verschillen.
Er is geen wetgeving en daarom wordt het aan het Hof - en soms aan de Commissie - overgelaten om de Verdragen te interpreteren. En die interpretatie heeft geleid tot een inconsistente en vlottende jurisprudentie, met als gevolg rechtsonzekerheid voor de lokale overheden, de dienstverleners en de gebruikers. Bovendien is zo de vrees ontstaan dat de taken die met de diensten van algemeen belang moeten worden verricht, ondergeschikt worden gemaakt aan de belangen van de interne markt, aan de mededinging of de particuliere ondernemers. Daarom hebben we deze, voor een fractie van het Europees Parlement ietwat ongewone stap gezet en het initiatief genomen om een horizontale kaderrichtlijn op te stellen voor het behoud van diensten van algemeen economisch belang, en dat is niet alleen een symbolische, maar ook een politieke daad.
We willen daarmee aantonen dat er met voldoende politieke wil in de Verdragen een rechtsgrond kan worden gevonden om een richtlijn op te stellen waarmee we een antwoord kunnen formuleren op de problemen die zich nu voordoen. Vanuit die optiek wil ik mevrouw in ’t Veld graag het volgende antwoorden. Ik geloof dat we om het subsidiariteitsbeginsel te beschermen juist behoefte hebben aan een dergelijk juridisch kader. Dat is precies wat we met dit voorstel voor een kaderrichtlijn willen aantonen. Ik verzoek mevrouw in ’t Veld dit initiatief eens goed te bekijken. Het is bedoeld om duidelijkheid te verschaffen en het voortbestaan van de openbare diensten en taken van algemeen belang te verzekeren.
Ik geloof dat het nu aan de wetgever is om regels vast te leggen. En dan spreekt het voor zich dat het Europees Parlement, als vertegenwoordiger van de burgers, de regeringen en de lidstaten in het kader van een openbaar debat mogen aangeven hoe artikel 86 van het Verdrag dient te worden uitgelegd en waar de binnenmarkt en de mededinging pas op de plaats moeten maken voor het behoud van het algemeen belang. Zoals u zelf heeft aangegeven, mijnheer de voorzitter van de Commissie, vormen de openbare diensten de kern van ons Europese sociale model. De burgers zijn aan die diensten gehecht. Ze verhogen de kwaliteit van het bestaan, ze dragen ertoe bij dat de grondrechten gerealiseerd kunnen worden en ze zorgen voor meer economische, sociale en territoriale samenhang. En dat niet alleen: ze verhogen ook het concurrentievermogen van ons werelddeel en de daarvan afhankelijke gebiedsdelen.
Het is nu zaak - en niet alleen vanuit juridisch oogpunt, maar ook op grond van politieke overwegingen - om te laten zien dat de Unie geen bedreiging vormt voor de openbare diensten, dat ze niet van plan is deze diensten weg te drukken, maar, integendeel, dat ze er juist op uit is deze diensten te behouden, te stimuleren en te ontwikkelen.
VOORZITTER: MARIO MAURO Ondervoorzitter
Bernard Lehideux (ALDE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, tijdens het debat over het sociale model heb ik erop gewezen dat onze medeburgers een Europa willen dat tegemoet komt aan hun directe behoeften. Het voortbestaan van kwalitatief goede diensten van algemeen belang is één van die behoeften. In Europa is de juridische situatie van deze diensten nu echter veel te breekbaar geworden. Het is beslist een slechte zaak dat diensten die voor de sociale cohesie van onze maatschappijen van levensbelang zijn, van de jurisprudentie van het Hof afhankelijk zijn geworden. Zoals we allemaal weten, hebben rechters nooit zoveel macht als wanneer de politiek het laat afweten. We moeten dus op communautair niveau een wettelijk kader ontwikkelen waarin de modaliteiten en de doelstellingen van de organisatie van de diensten van algemeen belang zijn vastgelegd.
Mijnheer de voorzitter van de Commissie, zelfs als niet iedereen overtuigd is, wil dat nog niet zeggen dat we de zaken hoeven op te helderen. Integendeel! Ik behoor tot degenen die de Commissie hebben gevraagd om, zodra mogelijk, een voorstel te doen voor een kaderrichtlijn betreffende diensten van algemeen belang. En nu wil ik graag heel eerlijk iets zeggen tegen al degenen die zich hiertegen verzetten en pleiten voor een sectorale benadering. Dat is welbeschouwd geen alternatief. Het is een drogbeeld. En onze medeburgers zijn niet blind. Ze begrijpen heel goed dat een keuze voor deze benadering er alleen maar toe zal leiden dat het nog langer zal duren voor ze rechtszekerheid verkrijgen, waar ze met betrekking tot de diensten van algemeen belang - en dan vooral de sociale diensten - zo dringend om vragen.
Daar komt bij dat een kaderinstrument het niet onmogelijk maakt om rekening te houden met de bijzondere eigenschappen van bepaalde sectoren. Het tegendeel is waar: het vastleggen van een kader betekent niet dat je alles gelijkschakelt. Mijnheer de voorzitter, beste collega's, laten we ons niet aan onze verantwoordelijkheden onttrekken. Er wacht ons veel wetgevingsarbeid. Daarmee zullen we bewijzen dat de Unie de beste garantie is voor een hoog niveau van solidariteit en sociale cohesie.
(Applaus)
Pierre Jonckheer (Verts/ALE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, nu is het eindelijk mijn beurt om u te bedanken voor uw aanwezigheid hier, mijnheer Barroso.
We praten nu al jaren over transsectorale Europese wetgeving op het gebied van de diensten van algemeen economisch belang. Het Europees Parlement heeft zich in 2001 en in 2004 vóór dit soort wetgeving uitgesproken, en de Europese Commissie - de Commissie-Prodi - heeft aan die wens geen gevolg gegeven, op grond van het juridische argument dat er geen rechtsgrond voor bestond, aangevuld met het politieke argument als zou er in de Raad niet de nodige politieke meerderheid bestaan om op dit punt verder te komen. Wat dat laatste argument betreft, toont de verwijzing naar artikel 322 van het ontwerp voor het Grondwettelijk Verdrag onomstootbaar aan dat er in de Raad politieke overeenstemming bestond om vooruit te komen.
Er is ons een voorstel voor een richtlijn inzake de interne dienstenmarkt voorgelegd, en dat voorstel heeft ook betrekking op een aantal diensten van algemeen economisch belang. Talrijke experts voorspellen dat deze richtlijn niet zal verhinderen dat er frequent een beroep op het Hof van Justitie zal worden gedaan. Het dus maar de vraag of de doelstelling van deze richtlijn - meer rechtszekerheid scheppen over de interne dienstenmarkt - zal worden verwezenlijkt.
Zoals een aantal collega's reeds heeft aangegeven, zullen we morgen over een resolutie van het Europees Parlement stemmen waarmee in wezen een stap terug wordt gezet ten opzichte van de resoluties van 2001 en 2004. Daarom hebben we een reeks amendementen ingediend die erop gericht zijn duidelijkheid te verschaffen.
De socialistische fractie heeft door een groep deskundigen een voorstel voor een kaderrichtlijn laten opstellen, maar de werkelijke politieke nieuwigheid is volgens mij dat ook het Europees Vakverbond een voorstel heeft geformuleerd. Ook andere verenigingen - ik denk daarbij in de eerste plaats aan het Europees Verbindingscomité “diensten van algemeen belang”, een comité dat alles over dit onderwerp weet - hebben voorstellen van juridische aard gedaan, waarin wordt aangegeven dat een kaderrichtlijn inderdaad een mogelijkheid is, als deze maar voldoet aan de vier beginselen die u in uw eerste betoog heeft genoemd.
Daarom vragen wij u, mijnheer de voorzitter van de Commissie, om op basis van artikel 192 van het huidige Verdrag verder te gaan, en niet bij wijze van antwoord over een aantal maanden wederom een raadplegingsboek of witboek uit te brengen.
Ik wil graag eindigen op een wat politiekere noot. Ik geloof dat we de reële - of irreële - angst van een aantal burgers niet moeten onderschatten. Deze mensen menen dat er een sterke spanning bestaat tussen de invoering van een mededingingsrecht dat - wat de algemene bepalingen betreft - een horizontaal recht is, en de verdediging van de diensten van algemeen belang op Europees niveau. Zoals een aantal collega's heeft aangegeven, mijnheer de voorzitter, stelt een kaderrichtlijn de Raad en het Europees Parlement in staat om de Commissie - en welbeschouwd ook het Hof - duidelijk te maken wat voor soort algemene bepalingen ze voor de Europese diensten van algemeen belang willen laten gelden. Ik geloof dat dit de inzet van dit hele debat is. Ik had liever andere politieke meerderheden dan die welke we nu zien, maar we zullen het er nu mee moeten doen.
Sahra Wagenknecht (GUE/NGL). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, er wordt in Europa al tien jaar op een grove en meedogenloze manier geliberaliseerd. Elementaire diensten, zoals de energievoorziening, grote delen van het vervoer, maar ook onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en ziekenhuizen worden overgelaten aan de spelregels van markt en winst. Ten dele gebeurt dit onder aegide van de voorschriften uit Brussel inzake liberalisering, ten dele onder druk van het Europees Hof van Justitie, maar ten dele ook op initiatief van neoliberale regeringen. Zij beweren dat hierdoor werkgelegenheid ontstaat, dat meer concurrentie tot lagere prijzen voor de consument leidt, dat particuliere investeerders efficiënter werken. Wanneer we de balans opmaken van de liberalisering in de afgelopen tien jaar zien we dat deze neoliberale leugens heel duidelijk zijn weerlegd. Alleen al in de energievoorziening en bij de posterijen zijn er honderdduizenden banen verloren gegaan. Wie nog werk heeft, werkt meestal onder slechtere arbeidsvoorwaarden. Dat kan je begroeten als hogere productiviteit. Je kunt het kind echter ook bij zijn naam noemen: het is een vorm van exploitatie. De consumenten hebben vrijwel nooit geprofiteerd van lagere prijzen. In Duitsland is de elektriciteit bijvoorbeeld duurder dan ooit.
Dat de sociaaldemocraat Rapkay deze balans in zijn verslag als een succes verkoopt en pleit voor nog meer sectorale liberaliseringen, bewijst dat hij niets heeft geleerd uit de ervaringen, en geen hart heeft voor degenen die voor de gevolgen moeten bloeden.
Wie de regels van de interne markt wil toepassen op de diensten van algemeen belang, wil van gezondheid, onderwijs en mobiliteit goederen maken, die alleen welgestelde consumenten zich nog kunnen permitteren, want kapitalistische markten dekken niet de vraag. Ze kijken altijd alleen maar naar dat gedeelte van de vraag dat over koopkracht beschikt, want alleen daar kan winst worden geboekt. Van een dergelijk Europa dromen misschien de rijken en de grote concerns. Links droomt van iets anders! Wij zullen samen met de sociale bewegingen in Europa blijven strijden voor een alternatief voor dit ongebreidelde kapitalisme.
Jens-Peter Bonde (IND/DEM). - (DA) Mijnheer de Voorzitter, bij mij thuis stonden geen geleerde boeken. Mijn familie bestond uit boeren en ambachtslieden. Degelijke onderwijzers van de openbare lagere school en een gratis abonnement op de welvoorziene bibliotheek openden de wereld van het boek voor mij. Bibliotheken, opleidingen, zorg, verpleging, water, sociale verzekeringen, ziekenzorg en welzijnszorg worden hier voorzieningen van algemeen belang genoemd, in tegenstelling tot de meer specifieke economische diensten van algemeen belang, zoals een bezoek aan de kapper of het kopen van een huis. Tanden, brillen en persoonlijke verzorging liggen er tussenin. Het Hof heeft met talrijke arresten een gemeenschappelijke markt voor vele diensten geschapen. De kern van een democratie is echter dat men niet alleen met zijn portemonnee stemt, zoals op de markt, maar dat men ook als kiezer over de inrichting van de samenleving stemt. Willen wij particuliere ziekenhuizen en dure artsenrekeningen? Willen wij betalen voor het lenen van boeken? Moet het openbaar vervoer goedkoper worden? Moet grootmoeder elke dag worden gewassen in het verpleeghuis? Moet op de kinderen worden gepast in een discount-kleuterschool of moeten ze worden ontwikkeld door goed opgeleide basisschoolleraren? De Deense Junibeweging steunt de gemeenschappelijke markt van goederen en diensten en is tegen nationale discriminatie, maar we willen ook de kiezers in elk land toestaan om een scheiding te maken tussen markt en samenleving en om het kwaliteits- en serviceniveau en de consumentenrechten vast te stellen.
We willen ook vasthouden aan het Deense overeenkomstenmodel, waarin lonen en arbeidsomstandigheden worden vastgelegd in overeenkomsten die worden nageleefd, en aan het sociale model waarbij we hoge belastingen betalen om iedereen sociale burgerrechten te geven. Hier moet het democratische bestuur de markt kunnen sturen, zodat er ook algemene diensten beschikbaar zijn voor degenen die niet met een zilveren lepel in de mond geboren zijn. We willen met Grundtvig kunnen blijven zingen: “Wij hebben het ver gebracht met onze rijkdom, als slechts weinig mensen te veel hebben, en nog minder mensen te weinig hebben.”
Leopold Józef Rutowicz (NI). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het Witboek van de Commissie over de diensten van algemeen belang is inderdaad noodzakelijk voor het creëren van een gemeenschappelijke markt. In de toekomst dienen deze diensten en de manier waarop zij worden verleend, preciezer te worden gedefinieerd. We dienen er rekening mee te houden dat de manier waarop deze diensten worden geleverd, op dit moment voor een groot gedeelte wordt bepaald door zowel in de individuele lidstaten gevonden oplossingen als door nationale wetgeving. We kunnen deze diensten pas in gemeenschappelijke Europese regels vatten als we het dienstensysteem in de Europese Unie hebben verbeterd. De juridische status van de diensten van algemeen belang en van de maatregelen ter bescherming van de consumenten moet worden gespecificeerd.
Het verslag van de heer Rapkay, waarvoor ik hem graag zou willen bedanken, geeft een duidelijke beschrijving van de huidige juridische situatie en de reikwijdte van verdere activiteiten. We moeten dit verslag echt zien te gebruiken.
Alexander Radwan (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, vandaag behandelen we een verslag over een heel veelzijdig onderwerp. De heer Schulz kwam weer eens aanzetten met zijn gemeentelijke kerkhof, maar gemeentelijke structuren kunnen zo groot zijn als een concern - zo breed is het spectrum, al is het de vraag of zulke grote structuren altijd verstandig zijn.
Waarover hebben we het vandaag eigenlijk? Het gaat erom dat we enerzijds de regels van de markt hebben, en anderzijds de subsidiariteit. Dat kan wel degelijk tot een conflict leiden, en het resultaat is niet altijd logisch. Ik ben absoluut voor subsidiariteit, voor plaatselijke oplossingen. Een uniforme definitie in een Europa van misschien wel zevenentwintig landen - en ik loop even vooruitloop op het besluit van vandaag - leidt tot een eenheidsworst, en dat is niet mijn keuze. Europa moet zich altijd afvragen: wat is de toegevoegde waarde van een Europees beleid, wat is het voordeel daarvan voor de burger? Waarom hebben we het vandaag voortdurend over een kaderrichtlijn, terwijl de rapporteur zelf zegt dat hij in zijn verslag niet vraagt om een kaderrichtlijn voor dit onderwerp? Ik heb het gevoel dat bepaalde sprekers gewoon proberen om er, via deze discussie en via de toepassing van de dienstenrichtlijn, voor te zorgen dat bepaalde regio’s niet aan concurrentie worden blootgesteld, dat er voor hen een uitzondering komt. Het gevaar bestaat dat we de regels van de markt afschaffen, maar ook dat er een Europese definitie komt van de diensten van algemeen belang, een Europese eenheidsworst. Dat kan niet ons doel zijn. Daarvoor is Europa te heterogeen.
Wat de burgers, de gemeentes en de gemeentepolitici terecht eisen is rechtszekerheid. Ze willen weten wat kan en wat niet kan. Daarover heerst veel verwarring. Als voorbeeld noem ik München, de stad waar ik geboren ben. Daar worden op dit moment vier grote ziekenhuizen in één vennootschap ondergebracht, en men weet niet wat men wel en wat men niet aan de Commissie moet voorleggen. Hier ligt een taak voor de Commissie, in samenwerking met het Parlement. Ook onze fractie heeft er namelijk grote moeite mee dat de Commissie zich het recht voorbehoud om van alles willekeurig te beslissen, volgens het motto: we doen gewoon wat volgens ons juist is, en spreken daarover niet met de betrokken volksvertegenwoordigers en met de betrokken burgers. In dat verband is het van het grootste belang - en het is ook de allerhoogste tijd dat we daarover discussiëren - dat de burger begrijpt waarom hetgeen we doen, goed is voor hem. Dat is namelijk niet altijd het geval, vooral in dit verband. Wat wij hier beslissen wordt door de burgers vaak heel anders begrepen. Daarvoor moeten we een communicatiestrategie ontwikkelen.
Robert Goebbels (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, artikel 5 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bepaalt, en ik citeer: “Het optreden van de Gemeenschap gaat niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van dit Verdrag te verwezenlijken”. Die bepaling staat bekend als het subsidiariteitsbeginsel. Voorzitter Barroso heeft zojuist nog eens benadrukt hoe belangrijk dit beginsel is.
Het is echter duidelijk dat we het voor het verwezenlijken van cohesie sociale beleidsmaatregelen op lange termijn moeten nemen, als we de burgers tenminste openbare diensten van goede kwaliteit willen bieden. De gemeenteraden, de lokale overheden, staan het dichtst bij de burger. De lokaal gekozen vertegenwoordigers bevinden zich dus in de beste positie om te bepalen welke diensten voor het welzijn van de burgers, inzonderheid de zwakste onder hen, noodzakelijk zijn.
De Unie heeft zich tientallen jaren niet met de openbare diensten bemoeid, en dat was ook logisch. Nu de grote interne markt geïmplementeerd wordt, zien we echter dat particuliere dienstverleners steeds meer rechtszaken tegen plaatselijke overheden aanspannen. De uitspraken van het Europees Gerechtshof zijn niet altijd bevredigend en soms zelfs tegenstrijdig. Als excuus voor het Hof kunnen we aanvoeren dat het begrip openbare dienstverlening niet erg gemakkelijk in een definitie is te vatten.
De praktijk loopt in alle vijfentwintig lidstaten sterk uiteen. Voorzitter Barroso heeft zojuist gezegd dat we respect moeten tonen voor de verschillen tussen de nationale, regionale en plaatselijke omstandigheden. Daarom pleit de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement al jaren voor het opstellen van een duidelijk juridisch kader dat de openbare diensten in staat moet stellen goed te functioneren.
Dat is alles wat de socialistische fractie wil. We willen zoveel mogelijk rechtszekerheid voor alle verleners van openbare diensten. We mogen het niet aan de rechters in Luxemburg overlaten om te bepalen wat de kwaliteit van de te verlenen openbare diensten moet zijn. Volgens voorzitter Barroso leveren deze diensten tezamen 7 procent van het communautair BBP, terwijl ze 5 procent van alle werkgelegenheid binnen de Europese Unie verschaffen. Dat toont aan hoe efficiënt ze zijn. Uiteindelijk is het aan de kiezer om te bepalen welke universele diensten ze willen. Voormalig commissaris Lord Cockfield - met Jacques Delors één van de ontwerpers van de interne markt - liet zich graag het volgende ontvallen:
(EN) ‘De Commissie moet de regeringen helpen zuinig om te springen met het geld van de belastingbetalers.’
(FR) En dat is niet zo. Per slot van rekening is het niet de taak van de Commissie om te bepalen hoe openbare middelen moeten worden gebruikt, maar de taak van de belastingbetalers zelf. De kiezers zijn soeverein. Zij bepalen of hun plaatselijke of regionale overheden hun belastingsgeld naar behoren gebruiken. Dat heet democratie.
Degenen die in een volmaakt vrije markt geloven zullen tegenwerpen dat het Verdrag de Commissie verplicht elke staatssteun die de mededinging verstoort te verbieden. Artikel 86 stelt echter dat zulke steun alleen verboden is, en ik citeer: "voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt". En je kunt bezwaarlijk beweren dat door plaatselijke overheden verleende openbare diensten de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden.
Mijnheer de voorzitter, u heeft zojuist aangekondigd dat we voor het einde van dit jaar een mededeling zullen ontvangen. Ik ben het met mijn collega van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, de heer Langen, eens dat we al meer dan genoeg teksten hebben ontvangen die weliswaar goed geschreven zijn maar werkelijke politieke betekenis ontberen. Alstublieft, mijnheer Barroso: u kunt ons zoveel wetsvoorstellen voorleggen als u verkiest, maar geef dit Parlement nu eindelijk de gelegenheid om op te treden als medewetgever op een terrein dat, zoals u zelf zei, de kern van ons Europese sociale model vormt.
Danutė Budreikaitė (ALDE). - (LT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, vandaag bespreken wij het Witboek over diensten van algemeen belang, dat de Europese Commissie meer dan twee jaar geleden heeft gepubliceerd. Het is spijtig dat de liberalisatie van de dienstenmarkt tot nu toe echt ontoereikend was. Het Witboek geeft enkel een heel abstracte definitie van diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang. Het concept ‘openbare dienstverlening’ wordt helemaal niet gedefinieerd en daarom ook niet gebruikt in het Witboek. In plaats daarvan wordt verwezen naar ‘openbaredienstverplichtingen’ waaronder het lucht-, spoor- en wegvervoer en de energiesector vallen, die ook worden aangeduid als diensten van algemeen economisch belang. Daarom is het moeilijk te begrijpen waar wij het precies over hebben. Het belangrijkste resultaat dat wij van het Witboek verwachtten, was dat daarmee wetgeving werd opgesteld voor de regulering en handhaving van een van de belangrijkste vrijheden op de interne markt van de EU, namelijk het vrij verkeer van diensten.
De situatie met betrekking tot de diensten van algemeen belang lijkt erg op die van de dienstenrichtlijn die, zoals oorspronkelijk de bedoeling was, de diensten van economisch belang en diensten van algemeen belang had moeten dekken en die nu, met een aantal uitzonderingen, vervoer en postdiensten uitsluit en de stroom-, gas- en watervoorziening uitzondert van het oorsprongsbeginsel. Met andere woorden, de meeste diensten in de EU kunnen eigenlijk niet worden beschouwd als zijnde in overeenstemming met de beginselen van de interne markt, te weten concurrentie, vertegenwoordiging van consumentenbelangen en vrij verkeer van diensten. Marktprotectionisme tast niet alleen het mededingingsvermogen van de economie aan maar maakt het momenteel ook onmogelijk - en zal het onmogelijk blijven maken - om de consumenten te voorzien van diensten van goede kwaliteit op het juiste tijdstip. Dit is zonder meer duidelijk als men door de landen van de Europese Unie reist.
Wat de diensten van algemeen belang betreft, is de opstelling van een duidelijke definitie de eerste opgave. Een dergelijke definitie is noodzakelijk om een stokje te steken voor eventuele ‘vrije interpretaties’ van de kant van de lidstaten bij hun pogingen om de markt te beschermen. Het is noodzakelijk om voor die diensten wetgeving op te stellen waarin naar behoren rekening wordt gehouden met het subsidiariteitsbeginsel en met het beginsel van openstelling van de dienstenmarkt tot de concurrentie, zodat de burgers van elk land daar de vruchten van kunnen plukken en het mededingingsvermogen van de EU wordt versterkt. Ik geef toe dat regionaal en lokaal bestuur een belangrijke factor is in de dienstverlening, maar dit wordt wel vaak gebruikt om marktprotectionisme te verbergen, terwijl diensten in feite ‘big business’ zijn.
Elisabeth Schroedter (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de diensten van algemeen belang zijn de kern van het sociale model voor Europa. Dat was uw eerste zin, mijnheer Barroso. In uw toespraak zingt u echter alleen de lof van efficiënte markten, en niet van solidariteit en van het absolute grondrecht op toegang tot dergelijke diensten.
De burgers verwachten van de Europese Unie echter helderheid. Ze willen horen dat ze gegarandeerd toegang zullen houden tot de basisdiensten die ze nodig hebben om te leven. Dat moet ook een universele toegang zijn en mag niet afhankelijk zijn van sociale status of woonplaats. De burgers zullen ons alleen maar vertrouwen wanneer we ervoor zorgen dat de diensten van algemeen belang principieel beschermd zijn en niet bloot staan aan de krachten op de markt. Wanneer u de diensten van algemeen belang wilt koppelen aan de efficiëntie van de markten, mijnheer Barroso, dan probeert u het hart uit het Europese sociale model te halen. U juicht omdat bepaalde krachten in dit Parlement voor een sectorale aanpak pleiten, waardoor u alle vrijheid zou krijgen om de basisvoorzieningen te liberaliseren. De meest recente voorbeelden in uw mededeling over de sociale dienstverlening spreken in dat opzicht boekdelen. U definieert sociale basisvoorzieningen als een economische activiteit. U geeft een nieuwe interpretatie aan arresten van het Europees Hof van Justitie.
Ook uw voorstellen voor de gezondheidszorg, waar u voorrang wilt geven aan mobiliteit van patiënten boven basisvoorzieningen, spreken boekdelen. Daaruit blijkt dat het een illusie is om te geloven dat de markt de grondrechten kan garanderen. De enige garantie voor de bescherming van deze diensten van algemeen belang is een duidelijke kaderrichtlijn, waarin wordt geregeld dat de diensten die een basisvoorziening zijn, niet vallen onder de regels van het Europese mededingingsrecht. Dat zijn diensten die natuurlijk in aanmerking komen voor overheidssubsidies, en die bedoeld zijn om de basisvoorziening te waarborgen, en niet om er primair een marktbelang mee te verwerven. Ook de leveranciers van diensten van algemeen belang die volgens economische criteria werken, kunnen basisvoorzieningen leveren. Ook in dat geval moet aan de universele toegang daartoe voorrang worden gegeven boven de belangen van de markt.
Daarom moet een dergelijke kaderrichtlijn de tegenhanger zijn van de dienstenrichtlijn. Zo kan die bescherming worden gegarandeerd. Dat is op dit moment de enige manier om een oplossing te vinden, want de dienstenrichtlijn voor de gewone diensten bestaat tenslotte al. Daarom vindt er op de rechtervleugel volgens mij een schijngevecht plaats. Rechts denkt dat ze gewoon over hun schouder kunnen kijken, en dat de sectorale aanpak of het afzien van een Europese aanpak een oplossing is.
Kartika Tamara Liotard (GUE/NGL). - Voorzitter, het uitsluiten van diensten van algemeen belang van de werkingssfeer van de omstreden dienstenrichtlijn leidde destijds tot het idee van een overwinning. De publieke sector zou gevrijwaard blijven van Bolkestein, maar dat was mogelijk slechts een Pyrrusoverwinning. De diensten van algemeen belang worden immers nu pas gedefinieerd. In de strijd om een richtlijn over dit soort diensten zou uitgevochten moeten worden wat tot het domein van de markt behoort en wat niet, en vooral wie daarover het beste kan oordelen.
Wat wij onder algemeen belang verstaan zullen we met hand en tand verdedigen tegen liberalisering. Marktwerking in bijvoorbeeld onderwijs, gezondheidszorg, cultuur: we hebben er ervaring mee en we hebben er schoon genoeg van! Wij kennen Europa als een 'rupsje nooit genoeg' waar het gaat om liberalisering van zaken die niet aan de markt, maar eigenlijk aan de samenleving toebehoren. Met de deur op een kiertje zal het huidige Europa het niet nalaten om deze snel en gulzig wagenwijd open te gooien.
Dat laatste zien we nu al gebeuren met een nieuwe beginnende aanval van de Commissie op de zorg. Wat ons betreft wordt deze richtlijn vooral een middel voor burgers, leerlingen, patiënten, consumenten om zich te verweren tegen dit 'rupsje nooit genoeg' van de alsmaar verder liberaliserende Unie. De richtlijn moet duidelijk maken dat het de lidstaten en hun burgers zijn die bepalen wat diensten van algemeen belang zijn en dat brengt de politiek weer dichter bij de burger, daar waar deze hoort.
Johannes Blokland (IND/DEM). - Voorzitter, in de negentiende eeuw heeft de overheid veel oorspronkelijk overheidsvreemde taken op zich genomen. Onderwijs, toegang tot gezondheidszorg en regulering van de arbeidstijden zijn voorbeelden van taken die voordien niet primair tot haar taken behoorden. Het was en is noodzakelijk dat de overheid taken reguleert waar de markt faalt.
Het onderscheid tussen diensten van algemeen belang en diensten van algemeen economisch belang is theoretisch. Het maken van dat onderscheid is dan ook bedoeld om diensten vrij te geven aan de markt en overheidsingrijpen te beperken. Het beperken van overheidsingrijpen is een goed streven op terreinen waar van burgers zelfredzaamheid en verantwoordelijkheid mag worden verwacht. Wel mag het maken van dat onderscheid niet betekenen dat toegang voor burgers wordt beperkt.
Ik pleit dan ook voor terughoudend opereren in het vrijgeven aan de markt van diensten van algemeen economisch belang. De samenleving wordt gediend door een overheid die recht doet aan zwakken en zorg draagt voor toegang tot diensten die essentieel zijn voor het dagelijks leven.
Othmar Karas (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, geachte collega’s, ik heb het gevoel dat we in dit debat te veel schaduwgevechten leveren, en te weinig respect hebben voor het recht en de burger.
We moeten ons eigen recht serieus nemen! In het Grondwettelijk Verdrag schrijven we dat de Europese Unie in verscheidenheid verenigd is. Een bewijs van deze verscheidenheid wordt ook geleverd door de vele vormen van diensten van algemeen belang. Verenigd zijn we op de interne markt. We mogen niet de fout maken een automatische tegenstelling te construeren tussen verscheidenheid en interne markt!
Ten tweede wil ik duidelijk zeggen dat we voor de sociale markeconomie zijn. Voor ons is de markt geen doel op zich. De markt draagt een sociale verantwoordelijkheid, ook voor de duurzaamheid. Waar de grenzen van de markt precies liggen, is een kwestie van politieke verantwoordelijkheid. Als de markt bepaalde taken voor de samenleving niet kan uitvoeren, of er niet borg voor kan staan, dan moet het mogelijk zijn dat de leveranciers van diensten van algemeen belang in de bres springen. Dat is geen tegenstelling tot de markt. Veel instellingen die diensten van algemeen belang leveren, beconcurreren elkaar volgens de regels van de markteconomie.
Ten derde zijn we ook voor subsidiariteit. Die staat niet haaks op de principes van de Europese Unie, maar is een essentieel kenmerk van het sociaaleconomische model van de Unie. We hebben besloten dat de diensten van algemeen belang niet onder de dienstenrichtlijn vallen, omdat we ze subsidiair willen definiëren. En nu bespreken we de vraag of een kaderrichtlijn daarvoor de juiste oplossing is, of niet. Wij zijn van mening dat het mogelijk is om de burgers sociale zekerheid, voorzieningszekerheid en kwaliteit tegen een billijke prijs te garanderen. Wij vinden ook dat de politiek een rol speelt in het spanningsveld tussen de markt en de particuliere sector. Er moet een nieuw partnerschap komen tussen staat en privé-sector. Dat is dan de basis voor de diensten van algemeen belang.
Bernadette Vergnaud (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, ik wil onze rapporteur, de heer Rapkay, graag gelukwensen met zijn verslag. Dat verslag heeft bijgedragen tot het hervatten van het debat over de diensten van algemeen belang. Ik sta volledig achter zijn voorstellen om meer rechtszekerheid te scheppen voor de diensten van algemeen belang. Ik steun ook alle voorstellen die zijn bedoeld om in de gehele EU diensten van goede kwaliteit tegen de best mogelijk prijs te verlenen en daarbij het sociale evenwicht te respecteren, met de garantie dat ook op de lange duur in deze diensten zal worden voorzien.
Ik ben echter heel wat sceptischer als het erom gaat de Commissie te verzoeken opheldering te verschaffen over de wijze waarop de mededingingsregels en de internemarktregels op de openbare diensten moeten worden toegepast. De heer Barroso - die ik bij deze bedank voor zijn aanwezigheid hier - heeft zojuist immers bevestigd dat mededinging volgens hem de consumenten ten goede zou komen.
Zoals de rapporteur u duidelijk heeft gemaakt, bestaat er voor de openbare diensten geen duidelijk rechtskader. Het beheer en de financiering zijn dus afhankelijk van onzekere factoren, te weten de Commissie en het Hof, die naar eigen goeddunken van rol kunnen verwisselen en tegelijkertijd als wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht kunnen optreden.
Het Parlement vraagt de Commissie al vijftien jaar om wetgeving voor te bereiden. En wat hebben we daarmee bereikt? De Commissie stelt nu voor een mededeling op te stellen om meer rechtszekerheid te scheppen met betrekking tot diensten. Ze is verder bereid een hele reeks sectorale richtlijnen uit te werken.
Ik ben zelf voorstander van een kaderrichtlijn, een rechtskader dat de diensten van algemeen belang op een positieve wijze definieert, en niet in termen van uitzonderingen. Die regels zouden moeten prevaleren boven de regels voor de mededinging. Essentiële sectoren als onderwijs, gezondheidszorg en water mogen niet worden geliberaliseerd, en er moet een regeling worden getroffen voor gebieden waar zowel sociale als economische en milieufactoren meespelen.
Diensten van algemeen belang versterken bij de burgers het gevoel dat ze tot Europa behoren. Ze vormen een essentieel onderdeel van de solidariteit en ze spelen een belangrijke rol bij het concretiseren van de sociale rechten. Ik wil geen Europa met een model dat uitsluitend is gebaseerd op fiscale en sociale mededinging tussen lidstaten. Het is mijn bedoeling dat Europa met de zojuist genoemde kaderrichtlijn meer wordt dan alleen maar een markt. De richtlijn moet bijdragen tot een maatschappij waarin alle openbare diensten veilig zijn gesteld. Deze zijn immers een doorslaggevende factor in de sociale en territoriale cohesie.
Ian Hudghton (Verts/ALE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, voordat ik in dit Parlement werd gekozen, was ik het hoofd van een Schotse lokale instantie die, als ik dat mag zeggen, heel succesvol was als het erom ging ‘waar voor geld’ te bieden en tegemoet te komen aan de lokale verwachtingen met betrekking tot openbare dienstverlening in het graafschap Angus in Schotland.
Het voornaamste belang van de lokale overheid hield indertijd - en ook nu nog - verband met de bescherming van haar recht op lokaal zelfbestuur. Het is daarom van primair belang dat we door middel van een nieuw EU-initiatief een einde maken aan de onzekerheid. Laten we geen genoegen nemen met wollige formuleringen over onmisbare openbare diensten. Laten we op geen enkele manier aan het beginsel van lokaal zelfbestuur tornen. Laten we een duidelijk onderscheid maken tussen particulier ondernemerschap, dat onderworpen is aan het mededingingsrecht van de EU, en openbare diensten. Openbare diensten hebben een lokaal karakter en worden geleverd voor het algemeen welzijn. Ze hebben geen of slechts een gering grensoverschrijdend effect en zouden los moeten staan van de Europese mededingingsregels.
Ook eventuele normen voor diensten van algemeen belang moeten lokaal worden vastgesteld. Sommige lokale overheden staan sceptisch tegenover de noodzaak van nieuwe EU-wetgeving. Ik vind dat, als we ooit een kaderrichtlijn krijgen, deze keiharde garanties moet bieden voor de rechten van lokale overheden om openbare diensten te definiëren, te organiseren en te financieren op de manier die zij juist achten.
Ik besef dat het wegnemen van obstakels voor het commercieel aanbieden van diensten belangrijke economische voordelen zal hebben voor het bedrijfsleven, maar laten we het publiek niet verder tegen ons in het harnas jagen door ons te bemoeien met de levering van essentiële lokale openbare diensten of door de levering daarvan zelfs te ondermijnen.
Roberto Musacchio (GUE/NGL). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als er iets is waaruit blijkt dat er een Europees sociaal model bestaat, zijn het de diensten. Deze moeten beschermd worden aangezien ze een element zijn van burgerschap. Wij moeten ons nu uitspreken over de vraag of er al dan niet diensten van algemeen belang moeten komen voor alle Europeanen en zo ja, hoe.
Naar aanleiding van de Bolkestein-richtlijn was er een zekere verwarring ontstaan over het verschil tussen diensten van economisch belang en diensten van algemeen belang. Daarom moeten we nu opheldering verschaffen over de vraag welke diensten een kwestie van markt en welke diensten een kwestie van rechten zijn. Daartoe hebben we, in een reeks amendementen, voorstellen van het EVV overgenomen waarin is vastgesteld dat alle diensten van algemeen belang, ook economische diensten, dat wil zeggen diensten waar burgers op een directe of indirecte manier aan meebetalen - dat zijn ze dus bijna allemaal - weer in handen van de overheid en de staat moeten komen en universeel, toegankelijk, opeisbaar en van goede kwaliteit moeten zijn. Met andere woorden, het moeten diensten zijn en geen goederen; het moet Europa zijn en niet Noord-Amerika.
We verzoeken iedereen om deze amendementen, waarin het standpunt van de vakbonden wordt weergegeven, te steunen. Op deze manier kunnen wij ook duidelijk maken wat men bedoelt met een eventuele kaderrichtlijn, dat wil zeggen wij kunnen uitleggen hoe Europa over zijn eigen sociale model denkt en wat zijn voorstel aan de lidstaten is met betrekking tot algemene diensten, tot diensten van economisch belang en diensten van algemeen belang.
Patrick Louis (IND/DEM). - (FR) Mijnheer Barroso, mijnheer de Voorzitter, dames en heren, in het verslag wordt terecht verwezen naar het subsidiariteitsbeginsel, als rechtsgrondslag voor alles wat op de diensten van algemeen belang betrekking heeft. Dat beginsel is evenwel vrij vaag gedefinieerd. We zijn begonnen met een vervangingsbeginsel en uitgekomen op een delegatiebeginsel. Bij het definiëren van de diensten van algemeen belang moeten we dus wel afstand nemen van bijzondere omstandigheden en nationale behoeften.
Eens te meer moeten we vaststellen dat er helaas geen aandacht is geschonken aan de onmiskenbare waarschuwing die het Franse en het Nederlandse volk u hebben gegeven. Ik wijs u er daarom opnieuw op dat de diensten van algemeen belang de Europese Unie alleen aangaan vanuit het oogpunt van de mededinging, en zelfs dat staat niet vast. Wat er nu gebeurt, is een ernstige aanslag op de vrijheid van de lidstaten om zelf te bepalen welke opdrachten ze in overeenstemming met de wensen van hun burgers aan openbare dienstverlening toevertrouwen.
Neen, het is niet aanvaardbaar dat landen die historisch gezien geen cultuur van openbare diensten hebben, andere landen die wel zo'n cultuur hebben, verhinderen om de noodzakelijk geachte openbare diensten op te zetten. Als u het subsidiariteitsbeginsel werkelijk zou respecteren, zou u deze landen toestaan om de openbare diensten - diensten die voor het leven in onze maatschappijen onmisbaar zijn - op nationaal niveau te omschrijven, te organiseren en te beheren, zo dicht mogelijk bij de burgers.
Wij geloven dat alleen een sterke overheid in staat is om op het gebied van onderwijs, gezondheid, vervoer, energie en milieu voor de eerstvolgende decennia een toekomst te garanderen, en daarmee bedoel ik geen toekomst die uitsluitend is gedefinieerd in termen van kwartaalopbrengsten van aandelen.
(Spreker wordt door de Voorzitter verzocht om af te ronden)
De enige regel die we nodig hebben, is de soevereiniteitsregel. Deze houdt in dat elke staat vrij is om zelf zijn openbare diensten te organiseren, en dat voorts die openbaredienstverplichtingen voorrang hebben boven communautair mededingingsrecht.
Malcolm Harbour (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil dit debat graag terugvoeren naar - zoals de heer Karas zei - de mensen waar het hier echt om gaat: onze burgers die openbare diensten afnemen. We weten dat deze openbare diensten in veel gevallen niet goed genoeg en niet efficiënt genoeg zijn en tegen veel te hoge kosten worden geleverd.
We zijn blij dat de heer Barroso vanochtend hier is. Hij heeft een belangrijk punt genoemd onder de beginselen die hij wil naleven bij het streven naar openbare dienstverlening van hoge kwaliteit. Hij noemde als cruciale factor de manier waarop met de technologie deze diensten kunnen worden getransformeerd en nieuwe organisatiemodellen en leveringsmodellen kunnen worden toegepast. Al die dingen zouden wij hier moeten bespreken. We zouden moeten nadenken over de diversiteit die ervoor zorgt dat de beste geesten, de beste technologie, de beste mensen en de beste managers worden ingezet om deze diensten te leveren.
In het huidige debat is echter, met name door de overkant van dit Parlement, vooral gesproken over organisatiemodellen en protectionisme. Nu de dienstenrichtlijn, dankzij onze inspanningen, is vastgesteld, kunnen meer van die goede breinen worden losgelaten op het leveren van diensten. Zoals uit recente hoorzittingen in onze commissie is gebleken, ligt er werk te wachten op het gebied van de overheidsopdrachten. Er ligt werk te wachten op het gebied van het mededingingsrecht. Als dat werk wordt opgenomen in het consolidatieplan van de heer Barroso, is dat mooi. We willen echter geen richtlijn van het hier uiteengezette soort, want dat is een puur politieke richtlijn. Ze hebben zich in hun betogen in de kaart laten kijken. Mevrouw Schroedter heeft gezegd dat de richtlijn bescherming zou bieden tegen liberalisering. Daar draait het juist om, mijnheer Barroso! Laat u er niet mee in. Vertelt u ons vandaag dat u het van uw agenda haalt. Ik heb in mijn commissie gevraagd welke problemen deze ontwerprichtlijn voor onze burgers zou moeten oplossen, maar ik heb geen antwoord gekregen. Wanneer degenen aan de linkerzijde van het politieke spectrum ons een uitgebreide analyse van deze problemen geven, zullen we er misschien over na kunnen denken, maar we hebben vandaag veel belangrijkere dingen te doen dan over hun politieke verklaring te debatteren.
(Applaus)
Ieke van den Burg (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, als coördinator van de PSE-leden van de Commissie economische en monetaire zaken heb ik gevraagd de laatste spreker van de PSE-Fractie te mogen zijn, juist om enkele vooroordelen en misverstanden over dit debat te kunnen wegnemen. Ik hoop dus dat ik in staat ben om enkele van de misverstanden uit de weg te ruimen.
Allereerst wil ik de heer Barroso bedanken voor zijn toespraak. In de PSE-Fractie hebben wij volledig begrip voor zijn vier beginselen. Dat geldt ook voor zijn mening dat er meer rechtszekerheid moet komen voor de aanbieders van diensten - of zij nu overheidinstanties, particuliere aanbieders of iets ertussenin zijn - en voor de lidstaten, de gedecentraliseerde overheden en de burgers. De heer Harbour heeft terecht opgemerkt dat dit een cruciaal element is.
Ik denk dat de heer Barroso het verslag dat de heer Rapkay namens de Commissie economische en monetaire zaken heeft opgesteld, en waar we in de commissie met grote meerderheid voor hebben gestemd, juist heeft geïnterpreteerd. We hebben geen voorkeur uitgesproken voor een bepaald type rechtsinstrument, maar we hebben wel duidelijk gemaakt dat wetgevingsinitiatieven nodig zijn en dat we op dit punt een volwaardig politiek besluitvormingsproces moeten krijgen, waarbij zowel het Parlement als de Raad volledig betrokken zijn. De medebeslissingsprocedure is de juiste manier om deze politieke vraagstukken aan te pakken. Dat is de boodschap van het verslag. Het verslag zegt niet dat er alleen een horizontaal instrument, of alleen sectorale instrumenten moeten komen. Het laat de opties open en zegt dat beide methoden naast elkaar kunnen worden gebruikt.
Uit de debatten zal duidelijk zijn geworden dat de voorkeuren verschillen, maar ook dat er veel vooroordelen bestaan ten aanzien van de opties en de voorkeuren die wij propageren. In mijn fractie heb ik een groep juridisch deskundigen voorgezeten die een tekst hebben opgesteld. Helaas heb ik de indruk dat velen deze tekst niet hebben gelezen. Als de heer Harbour de tekst wel had gelezen, zou hij hebben gezien dat het geen politieke verklaring is, maar een duidelijke poging om de regels van de markt en de mededingingsregels te verzoenen met de subsidiariteit die we voor lokale overheden willen garanderen, alsook met de kwaliteitsaspecten en het belang van openbare dienstverlening, van diensten van algemeen belang en economisch belang voor de burgers van Europa. Dit is niet ideologisch. Het is een concrete poging om deze zaken met elkaar te verzoenen. Het ontwerp staat open voor discussie, en we hopen dat u mee zult doen aan de discussie over dit ontwerp. Het is echter aan de Commissie om met echte voorstellen te komen. Daarna kunnen we gaan werken aan de wetgevingsmethoden en formuleringen.
Met het oog op de stemming over dit verslag wil ik opnieuw stellen dat we het erover eens zijn dat wij het oneens zijn over de vraag welke instrumenten de voorkeur hebben. Er liggen nu amendementen van beide zijden, van de ALDE-Fractie en van de Verts/ALE-Fractie, om opnieuw te proberen een besluit over een voorkeur te forceren. Ik vind dat niet verstandig. Ik ben het helemaal met mevrouw Thyssen eens dat het verstandiger is bij de eerder bereikte overeenstemming te blijven en deze kwestie open te laten. Het is de Commissie die een besluit moet nemen. Als een van deze amendementen wordt aangenomen, zal het enige resultaat zijn dat het hele verslag wegvalt. Dat zou jammer zijn, want de heer Rapkay en de Commissie economische en monetaire zaken hebben, zoals iedereen heeft gezegd, een goed verslag opgesteld.
Jiří Maštálka (GUE/NGL). - (CS) Ik zou graag collega Rapkay willen bedanken voor zijn verslag. Ik moet zeggen dat ik na grondige bestudering van de documenten over deze problematiek en na het volgen van het langdurige debat erover, me op een aantal punten wel kan vinden in de gedachte van een kaderrichtlijn over diensten van algemeen belang. Zo'n richtlijn dient te waarborgen dat diensten van algemeen belang kunnen fungeren als een van de hoofdpijlers van het Europees sociaal model. Zij dient te zorgen voor rechtszekerheid, voor een rechtsgrondslag gebaseerd op algemene principes zoals gelijke toegang, hoogwaardige dienstverlening, redelijke prijsstelling, veelzijdigheid en veiligheid. Het is uiteraard noodzakelijk om een evenwicht aan te brengen tussen de vrije markt en de openbare instellingen die verantwoordelijk zijn voor de diensten van algemeen belang. Maar het verslag doet ook nieuwe vragen rijzen. Zullen we echt in staat zijn om een kaderrichtlijn te creëren die de hiervoor genoemde principes in zich draagt? En zal de kaderrichtlijn daadwerkelijk zorg kunnen dragen voor de bescherming van de diensten van algemeen belang?
Karsten Friedrich Hoppenstedt (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, dames en heren, allereerst zou ik de rapporteur willen bedanken voor de goede samenwerking in de Commissie economische zaken. Ik hoop dat die goede samenwerking ook morgen kan worden voortgezet. Ik ben ook blij dat duidelijk wordt hoe belangrijk dit verslag is, omdat we hier keuzes maken voor de levering van diensten van algemeen belang door de gemeentes. Dat blijkt ook wel uit de duur van dit debat.
Iedereen die jaren actief is geweest in de politiek op gemeentelijk en regionaal niveau weet dat voor de burgers de politiek voor de eigen deur begint. De autonomie van de gemeentes, en dus ook de bevoegdheden van de plaatselijke overheden, mogen niet worden aangetast, ondanks alle verschillende Europese structuren. Dat is ook belangrijk met het oog op de subsidiariteit. Dat betekent dat de gemeentes een grote bijdrage moeten leveren aan het definiëren van de diensten van algemeen belang, en aan het leveren van die diensten. Dat betekent allereerst dat we de juiste keuzes moeten maken om die diensten tegen een zo laag mogelijke prijs aan de burgers aan te kunnen bieden. Dat betekent natuurlijk ook dat de openbare en particuliere aanbieders hier samen als partners bij moeten worden betrokken.
We moeten nogmaals een beroep doen op alle betrokken partijen om een weg te bewandelen waarmee kan worden voorkomen dat de beperkte activiteiten die de gemeentes op de markt uitoefenen, automatisch onder de Europese regels komen te vallen. Anders maken we het voor de gemeentes moeilijk om gebruik te maken van publiek/private partnerschappen, terwijl die de burgers toch ten goede zouden komen. We moeten zorgen voor rechtszekerheid waardoor de gemeentes creatieve oplossingen kunnen bedenken om hun diensten aan te bieden, ze niet worden bedolven onder bureaucratie en ze op de lange termijn kunnen plannen. Wanneer we de gemeentes rechtszekerheid en een gegarandeerd recht op autonomie kunnen bieden, en wanneer wij ze bovendien de ruimte geven voor meer creativiteit, dan kunnen we ze een geweldige impuls geven en ervoor zorgen dat ze bijdragen aan meer groei in Europa.
Corien Wortmann-Kool (PPE-DE). - Voorzitter, in de tekst van de resolutie is een goede balans gevonden tussen de vrijheid die lidstaten ook in de toekomst moeten behouden als het gaat om de organisatie en definiëring van hun publieke taak enerzijds en het naleven van de interne marktregels anderzijds. De focus van Europa -en ook daar is de tekst van de resolutie duidelijk over - moet gericht zijn op legal clarification en een sectorale benadering daar waar er problemen zijn en onduidelijkheid bestaat.
We vragen om rechtszekerheid, maar rechtszekerheid betekent niet het beperken van mededinging en protectionisme. We vragen om rechtszekerheid ook om lokale en regionale overheden te helpen, maar we moeten er ons goed van bewust zijn dat diezelfde lokale overheden hun eigen keuzeruimte willen behouden en geen extra opgelegde regels willen.
We moeten vooral ruimte bieden aan de diversiteit en die diversiteit niet bevriezen in een horizontaal regelgevend kader. De dynamiek moet overeind blijven voor een slagvaardig Europa. Voorzitter Barroso, ik waardeer het zeer dat u persoonlijk bij dit debat aanwezig is. Wij vragen aan u duidelijkheid, maar u mag ook duidelijkheid van ons verwachten. Dus de EVP zal stemmen tegen het amendement van de socialisten waarin wordt gevraagd om een kaderwet.
Collega van den Burg sprak over de vooroordelen en het misbegrijpen van de intenties van de socialistische fractie. Maar uw fractievoorzitter, de heer Schulz, voedt zelfs die vooroordelen, want hij zegt dat we sociale normen moeten waarborgen op Europees niveau, dat we op Europees niveau ook die kwaliteitsnormen en de kwaliteit van de dienstverlening moeten waarborgen. Dat gaat mij te ver en daarom: geen kaderwet en geen horizontaal regelgevend kader.
Małgorzata Handzlik (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag de rapporteur willen complimenteren met zijn excellente verslag en hem willen bedanken voor zijn verregaande onderhandelings- en discussiebereidheid. Dankzij deze bereidwilligheid is dit verslag een uitgewogen compromis geworden tussen verschillende politieke alternatieven. Het is een zeer belangrijke stap in de richting van een definitie van de juridische status van diensten van algemeen belang.
Er dient speciaal te worden gewezen op het feit dat, wat EU-wetgeving aangaat, een kaderrichtlijn inzake diensten van algemeen belang onnodig is. Bij deze categorie van diensten dient de aandacht specifiek op bepaalde sectoren te worden gericht, en dus geen algemene benadering te worden gekozen. We moeten de lidstaten de ruimte bieden om zelf te bepalen wat voor hen, in lijn met hun specifieke regionale kenmerken, diensten van algemeen belang zijn. Dit recht dient door de lidstaten echter niet te worden aangewend om te handelen in strijd met het Verdrag, vooral niet op het vlak van vrije mededinging, staatssteun en overheidsopdrachten.
De lidstaten dienen dus de mogelijkheid te worden geboden om voor hun eigen grondgebied te definiëren wat diensten van algemeen belang zijn, zonder de mogelijkheid te hebben dit recht te misbruiken, zoals zij vaak plegen te doen. Diensten van algemeen belang worden vaak gebruikt als argument voor de bescherming van het algemeen belang tegen de principes van de interne markt. Naar mijn mening levert een kaderrichtlijn geen bevredigende oplossing op, noch voor de Europese economie, noch voor de consument, oftewel de Europese burger. Op dit vraagstuk dient een sectorale benadering te worden losgelaten.
Zita Pleštinská (PPE-DE). - (SK) De mondialisering confronteert ons met een grotere marktopenstelling, meer concurrentie en steeds snellere innovatie. Al deze uitdagingen vergen meer soepelheid en aanpasbaarheid. Openbare dienstverlening maakt deel uit van het sociaal model en moet daarom voortdurend worden aangepast aan de nieuwe ontwikkelingen in de mondialisering, aan de democratische veranderingen en de wetenschappelijke vooruitgang.
Het Europees Parlement heeft de dienstenrichtlijn in eerste lezing goedgekeurd en de werkingssfeer daarvan vastgelegd. In de werkingssfeer van de dienstenrichtlijn werden ook de diensten van algemeen economisch belang opgenomen. De goedgekeurde ontwerprichtlijn is niet van toepassing op de diensten van algemeen belang, zoals gezondheidsdiensten en vervoersdiensten. In de vijfentwintig lidstaten van de Europese Unie hebben de diensten van algemeen belang zich zo ontwikkeld dat de uiteenlopende regionale tradities worden weerspiegeld. Daarom wil ik onderstrepen dat het absoluut noodzakelijk is te voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig dit beginsel besluit elke lidstaat voor zichzelf welke diensten moeten worden verleend door openbare instellingen en welke sectoren moeten worden geliberaliseerd.
In Slowakije hebben de door de bevolking gekozen lokale en regionale autoriteiten goed werk verricht bij het verlenen van diensten van algemeen belang, en zij zijn in staat om de rechten te blijven verdedigen die verband houden met medebeslissing, consumentenbescherming en openbaar welzijn. De bevoegde overheidsinstanties moeten de geschikte instrumenten krijgen om in staat te zijn zowel de concurrentie te versterken als de consumenten te beschermen. Het is belangrijk dat de lidstaten meer bevoegdheden krijgen om toezicht te houden op een efficiënte verwezenlijking van de met het overheidsbeleid nagestreefde doelstellingen, zoals betaalbare prijzen en hoge kwaliteitsnormen.
Dit gezegd zijnde ben ik ervan overtuigd dat het niet noodzakelijk is de Europese Unie extra bevoegdheden te geven voor de verlening van diensten van algemeen belang. Mijn standpunt is duidelijk: er is geen rechtsgrondslag voor een kaderrichtlijn betreffende diensten van algemeen belang. Tot slot wil ik de rapporteur, de heer Rapkay, van harte bedanken voor zijn werk.
Andreas Schwab (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, geachte collega’s, allereerst zou ik alle collega’s willen bedanken die een grote rol hebben gespeeld bij de behandeling van dit onderwerp, zoals de heer Szájer van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de heer Rapkay, de rapporteur van het Parlement, en de heer Hökmark, de schaduwrapporteur van onze fractie.
Mijnheer de voorzitter van de Commissie, wat u vanochtend heeft gezegd is volgens mij een heel goede reactie op de wensen die de PSE-Fractie in haar ontwerp voor een kaderrichtlijn in het Parlement heeft geuit. We zijn en blijven weliswaar van mening dat we geen kaderrichtlijn nodig hebben, maar in deze tekst worden drie gebieden genoemd waar een conflict bestaat tussen de belangen van het lagere, gemeentelijke niveau enerzijds, en de belangen van een efficiënte Europese interne markt anderzijds. We moeten als Europees Parlement natuurlijk altijd strijden voor een sterke interne markt, maar ik wil er toch op wijzen dat het niet per se verkeerd is om bepaalde zaken, zoals het aanbestedingsrecht, het mededingingsrecht of het subsidierecht, over te laten aan de gemeentes. We moeten vooral zorgen voor meer rechtszekerheid met betrekking tot deze onderwerpen. Of de mededeling die u heeft aangekondigd, een afdoende oplossing is, valt te bezien. In ieder geval denk ik dat een mededeling een betere oplossing is voor dit probleem dan een kaderrichtlijn.
We moeten het dilemma tussen markt en subsidiariteit namelijk veel meer vanuit het standpunt van de burger bekijken. Dat heeft de heer Radwan ook al gezegd. Ook het Europese sociale model - ik vraag me trouwens af hoe het mogelijk is om telkens weer te verwijzen naar het Europese sociale model zonder daar ooit iets concreets over te zeggen - gaat uit van een burger, van een consument die overal in Europa van een zo goedkoop mogelijke dienstverlening gebruik kan maken. In zoverre heeft de heer Hudghton absoluut gelijk als hij de prestaties prijst van de Schotse gemeentes, die hun diensten tot nu toe voor heel lage, marktconforme prijzen aan konden bieden. Dat kan alleen maar zo blijven wanneer we ze daarvoor de nodige rechtszekerheid bieden. Dat betekent echter niet dat we voor dit onderwerp de markt mogen uitschakelen.
Alexander Stubb (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb drie opmerkingen.
Allereerst denk ik dat diensten open moeten zijn voor mededinging. Daarvoor zitten we hier en daarom hebben we Europese integratie. Het is duidelijk dat de lidstaten de overheidsdiensten niet in stand kunnen houden zonder de hulp van de particuliere sector. Dit hele debat gaat over het hebben van specifieke openbare diensten van algemeen belang. Het heeft plaatsgevonden in een land vlak bij mijn eigen land, Finland: de Sovjetunie. Het is absurd te denken dat diensten van algemeen belang alleen door de overheidssector kunnen worden geleverd. Ik wil daarom graag samenwerkingsverbanden tussen overheid en bedrijfsleven bevorderen. We moeten lessen trekken uit het debat dat we over de dienstenrichtlijn hebben gevoerd.
Mijn tweede punt is: geen kaderrichtlijn! Er is geen basis voor. Ik wil niet dat de Commissie met iets komt, zelfs niet met een consoliderend document. Deze diensten vallen onder de bevoegdheid van de lidstaten. Een kaderrichtlijn voegt niets van waarde toe. Laten we de feiten onder ogen zien: de studie van de Commissie maakt duidelijk dat er grote verschillen zijn tussen wat als een dienst van algemeen belang wordt beschouwd in bijvoorbeeld Finland en wat een dienst van algemeen belang wordt gevonden in Frankrijk. Dit debat is een rookgordijn voor monopolies en protectionisme. Dat is in mijn ogen volstrekt anti-Europees.
Tot slot schaar ik me achter hetgeen mijn Poolse collega, mevrouw Handzlik, heeft gezegd. Wat is de juiste oplossing? Het is duidelijk dat we een sectorale aanpak nodig hebben. We moeten de zaak sector voor sector bekijken, ons richten op samenwerking en duidelijke prioriteiten stellen: gezondheidszorg, postdiensten, water- en gasvoorziening, enzovoort, maar zonder richtlijn. Laten we ons daar verre van houden.
Rosalyne Bachelot-Narquin (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, beste collega's, mijnheer Barroso, u heeft terecht verwezen naar de vier grondbeginselen waar we ons door moeten laten leiden bij het nadenken over de diensten van algemeen belang. Paradoxaal genoeg zou men de indruk kunnen krijgen dat u nu de aanzet hebt gegeven tot een nieuw debat over de vraag of er een kaderrichtlijn voor diensten van algemeen economisch belang moet worden opgesteld, of dat het verstandiger is sectorale initiatieven te ontplooien voor de sociale en gezondheidsdiensten.
De stemming over de dienstenrichtlijn heeft de balans doen doorslaan naar de tweede oplossing. De werkelijke scheidslijn loopt namelijk niet tussen diensten van algemeen economisch belang en diensten van algemeen belang. In het kader van de diensten van algemeen economisch belang is het belangrijkste onderscheid dat tussen sociale en gezondheidsdiensten enerzijds en overige diensten anderzijds. Met het uiterst doorwrochte juridische werk dat de rapporteur, de heer Rapkay, samen met onze collega Hökmark heeft verricht, is die ontwikkeling een extra impuls gegeven. Er is namelijk een juridische brug geslagen tussen de dienstenrichtlijn en de sectorale instrumenten.
Een kaderrichtlijn inzake diensten van algemeen economisch belang stelt ons inderdaad voor drie problemen. Om te beginnen geeft het Verdrag betreffende de Europese Unie ons geen rechtsgrondslag. Daar is al vaak op gewezen. Daar komt bij dat een kaderrichtlijn onverenigbaar zou zijn met de werkingssfeer van de dienstenrichtlijn, zoals we daar op 29 mei in eerste lezing over hebben gestemd. Tot slot zou een dergelijke richtlijn bij lange na niet volstaan om de bij de betrokken partijen bestaande behoefte aan rechtszekerheid te bevredigen, terwijl ze moeilijk verenigbaar zou zijn met de subsidiariteit waartoe de lidstaten en de plaatselijke overheden hebben opgeroepen.
Welke instrument we ook kiezen en door welke ideologische argumenten we ons bij onze keus ook laten leiden, dat is uiteindelijk niet de kwestie waar het hier om gaat. Het werk om duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de sociale en gezondheidsdiensten van algemeen belang moet worden voortgezet. Dat is, mijnheer Barroso, het praktische probleem waarvoor de rechtstreeks betrokkenen zich gesteld zien.
Eoin Ryan (UEN). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit is een bijzonder interessant debat. Zoals u weet, heeft de Commissie een Witboek gepresenteerd waarin zij aanbeveelt een kaderrichtlijn vast te stellen voor diensten van algemeen belang. Ik ben het echter niet eens met die aanpak. Ik vind dat we steun moeten geven aan verordeningen die specifieke economische sectoren regelen. Ik ben het in beginsel zeker eens met het idee, maar ik vind dat een overkoepelende richtlijn tot grote verwarring zou leiden in het debat, vooral in het debat in de lidstaten. Als de mensen niet precies begrijpen wat de kaderrichtlijn inhoudt, zou dat tot hysterie kunnen leiden. Ik ben daarom van mening dat we veel specifieker te werk moeten gaan en sector voor sector naar de richtlijn en de bestaande aanbieders van diensten moeten kijken. We proberen de diensten hier zo te verbeteren voor de burgers van Europa dat zij precies begrijpen wat er wordt voorgesteld. Dan zullen de consumenten niet bang zijn dat met een Europese richtlijn de bestaande diensten in hun land worden geprivatiseerd of ondermijnd. Het is heel belangrijk dit in aller duidelijkheid aan te pakken, zodat de mensen precies begrijpen wat de Commissie en het Parlement voorstellen.
De EU is bevoegd in zaken als telecommunicatie, vervoer en energie, maar zij is krachtens de EU-Verdragen niet bevoegd om omvangrijke wetgeving vast te stellen voor zaken die de werking van sociale diensten, gezondheidszorg en onderwijs in de verschillende lidstaten regelen. Het debat komt neer op de kwestie van de bevoegdheden van de EU-instellingen versus de bevoegdheden van de lidstaten. We moeten heel voorzichtig zijn op dat punt.
Het verbaast me dat enkele lidstaten daar tegen zijn, terwijl ze heel erg voor belastingharmonisatie tussen de lidstaten zijn. In mijn ogen is dat in tegenspraak met wat ze in dit debat zeggen. Ik geloof niet in belastingharmonisatie. Ik ben van mening dat de lidstaten hun eigen belastingsstelsel moeten kunnen hebben. Dat zou de mededinging binnen de Unie bevorderen.
Jean-Claude Martinez (NI). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Barroso, collega’s, onderwijs, gezondheidszorg, posterijen, water en vervoer zijn voor het functioneren van een maatschappij van fundamenteel belang. Openbare diensten voor de burgers, diensten in het belang van de burgers, moeten een gedegen juridische onderbouw hebben, wil men ze goed beheren.
In Europa hebben landen als Frankrijk een coöperatieve werkwijze ontwikkeld voor het beheer van alles wat de maatschappij als geheel toebehoort en door allen gedeeld wordt. Het gaat hier om een heel intelligente techniek om diensten algemeen - of liever: universeel - toegankelijk te maken, en die techniek zou nu als inspiratie kunnen dienen voor stoutmoedige oplossingen voor problemen op het gebied van de watervoorziening, het onderwijs en van al die dingen die we in deze wereld samen bezitten en delen. De Commissie blijkt er echter op uit te zijn de reikwijdte van dit instrument voor het sturen van de maatschappij te verkleinen of het misschien zelfs helemaal uit te bannen.
De reden waarom men iets dat een eeuw lang goed heeft gewerkt, probeert kapot te maken is dat men gelooft in een alles zaligmakende markt en in een profeet die kennis heet. Daarom moeten alle diensten worden geprivatiseerd, precies zoals de Wereldhandelsorganisatie dat het liefst ziet. En dan gaat het ook om het soort diensten dat het werk tijdens onze zittingen mogelijk maakt - ik heb het nu over het sociale afbraakpand dat wij in dit Parlement zelf hebben opgezet. Er zijn hier immers 300 mensen te werk gesteld zonder enige sociale bescherming.
Mijnheer Barroso, behalve de technische problemen waar sommige afgevaardigden - zoals de heer Désir nu net - op hebben gewezen, is er ook een cultureel probleem. Het gaat daarbij om een keuze. We organiseren onze maatschappijen ofwel volgens de regels van de markt - en dan geldt het recht van de sterkste -, ofwel op basis van de rede.
Mijnheer Barroso, wilt u op deze wijze, van de ene liaan - het Internationaal Monetair Fonds - naar de andere - de Wereldhandelsorganisatie - overspringend, verder gaan en ons blijven voorhouden dat de markt alles oplost? Of bent u bereid met ons aan tafel te gaan zitten om problemen die op een redelijke wijze op te lossen zijn ook inderdaad op een redelijke wijze op te lossen?
José Manuel Barroso , voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik wilde allereerst zeggen dat ik dit debat heel erg op prijs gesteld heb. Ik vond het echt buitengewoon interessant en ik denk dat het buitengewoon nuttig zal zijn. Wij hebben onze tijd goed besteed en ik heb me een veel concreter beeld kunnen vormen van uw ideeën op dit punt, maar ook van de problemen die vooruitgang bij de behandeling van deze kwestie tegen kunnen houden.
Het debat heeft bevestigd dat we op een aantal punten nog niet op één lijn zitten, zoals sommigen van u hebben benadrukt. Het verslag-Rapkay is uiteraard een verstandig en intelligent verslag, dat probeert een middenweg te vinden. Dat neemt echter niet weg dat het bepaalde vragen niet afdoende weet te beantwoorden, en hierdoor zult u beter begrijpen hoeveel moeite de Commissie jarenlang heeft gehad om het onderwerp af te bakenen en preciezere definities te geven. De materie is namelijk complex. Laten we dat erkennen. Zelfs in een vast tijdruimte-kader is het een lastig vraagstuk, omdat principes met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht die soms met elkaar in tegenspraak lijken. Dat geldt voor beginselen als de interne markt en mededinging, die cruciaal zijn voor onze Gemeenschap, die vastgelegd zijn in de Verdragen en waaraan de Commissie absoluut moet vasthouden - laat daarover geen misverstand bestaan. Hetzelfde geldt eveneens voor de beginselen van overheidsingrijpen en algemeen belang.
Een op zich al lastige kwestie wordt alleen maar complexer in een veranderend kader van ruimte en tijd. Zoals sommigen van u hebben benadrukt, staat de tijd nooit stil, getuige de structurele veranderingen binnen onze markten, de toegenomen internationale concurrentiedruk en de zeer ingrijpende technologische veranderingen. Maar ook in territoriaal opzicht zijn er grote verschillen tussen onze lidstaten, en kan de mate van interventie sterk variëren op nationaal, regionaal en zelfs lokaal niveau. Het vraagstuk is dan ook buitengewoon complex en daarom is het zo moeilijk, zo niet onmogelijk, alles over één kam te scheren volgens het principe “one size fits all”.
Wil dat zeggen dat we op Europees niveau niets kunnen doen? Daar ben ik het niet mee eens, integendeel. Maar hoe moeten we daarbij te werk gaan? Laten we eerst eens kijken wat we niet moeten doen. Ik denk dat er twee extreme benaderingen zijn die we koste wat kost moeten vermijden. De eerste is zeggen dat Europa zich helemaal niet mag bemoeien met diensten van algemeen belang, omdat ze zijn zaak niet zijn. Dat is een misvatting. Diensten van algemeen belang gaan ook ons aan, omdat ze een centrale plaats innemen in ons maatschappijmodel en we ze willen behouden. Europa heeft dan ook recht van spreken in deze kwestie.
De andere radicale aanpak is te zeggen dat wij moeten reglementeren, omdat wij daarmee - en u hebt op dat punt geen blad voor de mond genomen - een vuist kunnen maken tegen wat er in de Verdragen staat. Het idee daarachter is dat de Verdragen vooral streven naar liberalisering, terwijl nu de tijd is gekomen om deze ontwikkeling ongedaan te maken door regels aan te nemen die haaks staan op de regels van de interne markt. Dat kunnen we niet accepteren. De interne markt is onze kracht. Het is een van de grote successen van de Europese eenwording.
Als wij echter deze extreme standpunten vermijden - enerzijds absoluut minimale Europese interventie en anderzijds een zeer hoge mate van interventie om de werking van de markt tegen te gaan - wat kunnen we dan nog doen? Na dit debat te hebben gevolgd lijkt het me dat de oplossing gelegen is in de beginselen die ik aan het begin heb genoemd en waarop ook in het verslag Rapkay wordt gewezen. Ik zou u dan ook het volgende voorstel willen doen, dames en heren: in plaats van een academisch debat te voeren over de zin en onzin van een kaderrichtlijn waarover - zoals blijkt uit de discussie - geen consensus bestaat, doen we er beter aan ons op de essentie te richten, zoals de meeste afgevaardigden lijken te willen. Waar bestaat overeenstemming over? Over de subsidiariteit, die we allemaal wenselijk achten. Ik denk dat we het nationale niveau en het lokale niveau op dit punt moeten respecteren. We moeten de compatibiliteit garanderen tussen de interne markt en het algemene belang in alle gevallen waar deze overduidelijk met elkaar in tegenspraak zijn.
Bovendien - en dat is naar mijn idee misschien wel het belangrijkste punt - is het zaak te bepalen wat de essentiële kenmerken van openbare diensten zijn. We willen allemaal dat deze diensten van hoge kwaliteit zijn, een goede prijs-kwaliteitverhouding hebben en voor iedereen toegankelijk zijn. We kunnen dan ook instemmen met het principe om de openbare diensten te moderniseren, maar zonder deze essentiële aspecten te vergeten. Tot slot moet ook de noodzaak van extra juridische waarborgen niet uit het oog worden verloren.
Na de verschillende fracties te hebben ontmoet en te hebben geluisterd naar de heer Rapkay, mevrouw Thyssen en vele anderen, meen ik te mogen zeggen dat er, als we het eens zijn over deze vier punten, in deze kwestie wel degelijk consensus bestaat en dat een compromis haalbaar is. Ik denk dat het mogelijk is vooruitgang te boeken in deze kwestie en toch vast te houden aan de principes die ten grondslag liggen aan ons Europese model, zoals de interne markt, het naleven van de mededingingsregels en het behartigen van het algemene belang. De mededeling die we binnenkort zullen presenteren, zal in deze richting gaan, en ik denk dat het debat dat ik hier vandaag heb bijgewoond nuttig is om onze ideeën uit te kristalliseren. Wij zullen iets voorstellen waaruit blijkt dat we vooruitgang hebben geboekt in onze zienswijze en ik hoop in onze beslissingen over een zo belangrijk thema, dat als geen ander belichaamt waar het voor Europa en voor onze medeburgers om draait.
(Applaus)
Robert Goebbels (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat we ons in grote lijnen allemaal kunnen vinden in wat voorzitter Barroso zojuist gezegd heeft. Hij belooft ons een mededeling. Wij zien daar reikhalzend naar uit. Maar kan de voorzitter ons zeggen of hij zijn diensten eveneens zal vragen om wetgevende teksten voor te stellen, zodat het Parlement daarover eindelijk een debat kan voeren als medewetgever?
José Manuel Barroso , voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, na de diverse standpunten te hebben beluisterd kan ik op dit moment het volgende zeggen.
Zoals ik reeds zei, zullen wij vóór het einde van het jaar een mededeling presenteren die zal voortborduren op eerdere gedachtewisselingen.
Wat de wetgevende teksten betreft, heeft het debat van vandaag naar mijn idee duidelijk gemaakt dat er nog lang geen consensus bestaat over een kaderrichtlijn. Voor verschillende sectoren zullen er nochtans wetgevende initiatieven worden genomen; dat spreekt voor zich. Ik denk dat we moeten nadenken - en zelf ga ik daarover nadenken met mijn diensten, want de Commissie is meer dan een verzameling diensten, het college en de voorzitter hebben ook ideeën - , over wat we in algemenere zin kunnen doen. Ik kan op dit moment nog niet zeggen hoe ons voorstel eruit zal zien, maar - en nu loop ik op iets vooruit waarvoor ik geen verplichtingen kan aangaan namens de Commissie, want dat is een kwestie die ik zelf nog moet voorleggen aan het college - gezien het debat lijkt het me mogelijk een benadering te kiezen die de hier genoemde beginselen verenigt, temeer daar we, zoals velen van u hebben benadrukt, nu geen verdeeldheid moeten zaaien tussen het Parlement en Europa over de vraag of regelgeving al dan niet gepast is, met name wanneer het gaat om het subsidiariteitsbeginsel.
Ik wilde besluiten met een opmerking van politieke aard. Ik wend me tot u als de overtuigde Europeanen die u bent. Als we in deze kwestie vooruitgang willen boeken is het cruciaal om een polarisatie zoals bij de dienstenrichtlijn te voorkomen. Net zoals het Parlement samen met de instellingen een constructief politiek compromis heeft weten te bereiken ten aanzien van deze richtlijn, is bij deze kwestie volgens mij een zelfde benadering noodzakelijk. Als we lijnrecht tegenover elkaar komen te staan met een keuze tussen twee uitersten - vóór of tegen algemene regelgeving op dit punt - steven we naar mijn idee af op een confrontatie waarmee het Europa zoals wij dat allemaal voor ogen hebben, niet gediend zal zijn.
Dus laten we ons richten op de essentie. Het verslag Rapkay bevat immers genoeg zaken waar we het over eens zijn. Vervolgens zullen we een oplossing vinden voor de besluitvormingsinstrumenten.