De Voorzitter. Ik verklaar de zitting van het Europees Parlement, die op 12 oktober 2006 werd onderbroken, te zijn hervat.
2. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
3. Welkomstwoord
De Voorzitter. Dames en heren, ik stel u op de hoogte van het feit dat we vanmiddag bezoek hebben van een delegatie van het Japanse parlement en dat die delegatie op de officiële tribune heeft plaatsgenomen en onder leiding staat van de heer Tsushima Tuji, een groot vriend van Europa.
(Applaus)
De delegatie van onze Japanse collega's neemt deel aan de 27e interparlementaire bijeenkomst van het Europees Parlement en Japan.
We hebben een lange traditie van dialoog tussen het Europees Parlement en het Japanse parlement. Aanvankelijk ging die dialoog uitsluitend over handelskwesties, maar hij heeft zich inmiddels verbreed tot allerlei kwesties die voor onze respectieve volkeren van belang zijn.
Wij vinden het zeer verheugend dat onze dialoog met Japan wordt verstevigd, in een context waarin het voor ons steeds noodzakelijker is om samen te werken aan internationale veiligheid en stabiliteit.
We heten u van harte welkom, dames en heren.
4. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
5. Ondertekening van volgens de medebeslissingsprocedure aangenomen besluiten: zie notulen
6. Mededeling van de fungerend voorzitter van de Raad: zie notulen
7. Betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland na de moord op de journaliste Anna Politkovskaja (ingediende ontwerpresoluties)
8. Ingekomen stukken: zie notulen
9. Verzoekschriften: zie notulen
10. Kredietoverschrijvingen: zie notulen
11. Van de Raad ontvangen verdragsteksten: zie notulen
12. Aan de resoluties van het Parlement gegeven gevolg: zie notulen
De Voorzitter. De definitieve ontwerpagenda voor de lopende plenaire vergaderingen die door de Conferentie van voorzitters is opgesteld overeenkomstig artikel 130 en 131 van het Reglement tijdens haar vergadering van 19 oktober 2006, is rondgedeeld. De volgende wijzigingen zijn voorgesteld:
Met betrekking tot de woensdag
Gezien het grote aantal debatten dat staat gepland voor de woensdagmiddag, en na raadpleging van de fracties, stel ik voor dat we de debatten laten doorlopen tot 18.00 uur, in plaats van 17.30 uur. Het vragenuur aan de Raad zal derhalve plaatsvinden van 18.00 tot 19.00 uur.
Zijn er opmerkingen?
Philip Bushill-Matthews (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, als er opeens extra ruimte moet worden vrijgemaakt op de agenda, schijnt dit altijd ten koste te moeten gaan van het vragenuur. Het is niet de eerste keer dat ik daarop wijs. Dat is niet correct. Als het vragenuur een half uur later begint, vind ik dat het ook een half uur langer moet doorgaan. Dat is mijn voorstel.
(Applaus)
De Voorzitter. Goed, ik heb hiertegen persoonlijk geen bezwaar; we zullen aan de Raad voorstellen dat hij een halfuur langer deelneemt aan het vragenuur; dat lijkt me heel redelijk.
(Het Parlement willigt het verzoek in)
Toine Manders (ALDE). – Voorzitter, ik heb op de agenda gezien dat er een mondelinge vraag zou worden gesteld over het gokbeleid en de inbreukprocedures; die vraag is donderdag om duistere redenen door de Conferentie van voorzitters van de agenda gehaald om een reden die wij precies in het compromis hadden zitten en waardoor we de referentie naar de inbreukprocedures eruit moesten halen; nu is de vraag er echter vanaf. Ik wil u voorstellen om de Conferentie van voorzitters in het vervolg openbaar te maken, zodat wij weten welke redenen en argumenten daar worden uitgewisseld; wij eisen namelijk ook van de Raad dat zijn vergaderingen openbaar worden. Ik wens dan ook dat de vergaderingen van de Conferentie van voorzitters in het vervolg openbaar zijn, zodat er niet wordt gekonkeld zoals nu gebeurt.
De Voorzitter. Laten we eens bekijken of uw argument gerechtvaardigd is. Zegt u dat er een vraag aan de Raad op de agenda stond en dat de Conferentie van voorzitters heeft besloten die vraag te schrappen?
Ik zal het secretariaat vragen uit te zoeken of wat u zegt klopt, dan kunnen we vervolgens kijken wat we eraan kunnen doen.
Malcolm Harbour (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de opmerkingen van mijn collega, de heer Manders, kwamen in de vertaling niet goed over. Het gaat hier over een vraag aan de Commissie over gokken en de betreffende inbreukprocedures.
Ik ben evenals de heer Manders coördinator in de Commissie interne markt en consumentenbescherming. Als gezamenlijke auteurs van deze vraag hadden we begrepen dat deze kwestie vanavond op de agenda zou staan omdat de heer McCreevy aanwezig was. Dat was op grond van het systeem goedgekeurd. Het verbaast me dat dit punt op verzoek van de Conferentie van voorzitters kennelijk weer van de agenda is gehaald. Ik zou niet weten waarom dat is gedaan. Daar is de heer Manders en mij als auteurs van de vraag en ook mijn collega’s niets over verteld. De heer McCreevy van de Commissie is bereid de vraag te beantwoorden en toch is het hele punt om een onverklaarbare reden van de agenda gehaald. Kunt u uitleggen hoe dat zit?
(Applaus)
De Voorzitter. Ja, de Conferentie van voorzitters heeft besloten deze vraag van de agenda te schrappen.
Robert Goebbels (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, wellicht kan ik opheldering verschaffen. Ik heb voorzitter Schulz vervangen bij de Conferentie van voorzitters en ik heb verzocht deze vraag, die op de agenda van vanavond staat, uit te stellen tot een volgende vergaderperiode opdat het Parlement rekening kan houden met de laatste ontwikkelingen in deze hele zaak. De Conferentie van voorzitters heeft dit verzoek ingewilligd.
De Voorzitter. Goed, de Conferentie van voorzitters zal dus bekijken wanneer deze vraag tijdens een volgende vergaderperiode op de agenda wordt gezet.
Malcolm Harbour (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, uit het oogpunt van beleefdheid zou de commissie die verantwoordelijk is voor het voorbereiden van deze vraag – waarover in de commissie is gestemd – van eventuele knelpunten op de hoogte moeten worden gesteld voordat ze bij u terechtkomen, zodat we de gelegenheid hebben om erover te praten. Wij hebben er tenslotte om gevraagd. We besteden een hoop tijd aan het zorgvuldig opstellen van de vraag en de commissaris is bereid die te beantwoorden. Waarom is de vraag zonder overleg van de agenda gehaald? Wij zijn in de commissie verantwoordelijk voor de vragen en dan gaan we er niet van uit dat de Conferentie van voorzitters een zeer technische kwestie als deze eenzijdig ter zijde schuift.
(Applaus)
De Voorzitter. Het spijt me, maar de fracties, die in de Conferentie van voorzitters zijn vertegenwoordigd, behoren hun leden op de hoogte te stellen van de besluiten die de Conferentie heeft genomen. U mag het er niet mee eens zijn, maar dit is het besluit dat de Conferentie van voorzitters heeft genomen, en ik kan daaraan nu niets veranderen; u moet beseffen dat ik dat besluit niet kan terugdraaien. Het is de verantwoordelijkheid van de fracties om hun leden op de hoogte te stellen van de besluiten die de Conferentie van voorzitters neemt.
Laten we ons weer bezighouden met de regeling van werkzaamheden voor de woensdag: de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie heeft verzocht om inschrijving op de agenda van een verklaring van de Commissie over nucleaire veiligheid en de aanhoudende problemen met de reactoren van de centrale van Forsmark. Die verklaring zou gevolgd moeten worden door een debat, tot besluit waarvan een ontwerpresolutie zou worden ingediend.
De heer Turmes krijgt het woord om dit voorstel toe te lichten.
Claude Turmes (Verts/ALE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, we willen graag een punt toevoegen aan de agenda voor woensdag. In het kader van het incident dat in juli plaatsvond bij de kernreactor in Forsmark, willen we graag een discussie met de Commissie over de veiligheid van kernenergie. Er heerst verdeeldheid over deze kwestie in het Parlement, maar als het op veiligheid aankomt, willen we allemaal een transparant debat over deze kwestie.
Francesco Enrico Speroni (NI). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, in tegenstelling tot de voorgaande spreker wil ik niet vooruitlopen op de standpunten met betrekking tot kerncentrales maar een debat over deze incidenten en het al of niet ernstige karakter ervan lijkt mij raadzaam.
Hannes Swoboda (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Goebbels, we hebben in de vergadering van de Conferentie van voorzitters duidelijk laten blijken dat we dit vraagstuk absoluut willen bespreken, alleen niet deze week. We hebben immers al het vragenuur van de agenda moeten halen en opschuiven, omdat we vis-à-vis met de Raad zo weinig tijd hebben. We zullen de Fractie De Groenen – of wie dan ook die om een debat verzoekt – zodanig steunen dat het probleem in een later stadium op de agenda wordt geplaatst. We zijn ons terdege bewust van het probleem, maar we vinden dat het niet deze week besproken moet worden. Dat is ons standpunt.
(Het Parlement verwerpt het verzoek)
Claude Turmes (Verts/ALE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik hoop dat andere fracties ons steunen als we het punt de volgende keer weer op de agenda zetten.
De Voorzitter. Dat kan ik niet garanderen; in ieder geval zult u dit met hen moeten bespreken.
Giles Chichester (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou er bij de heer Turmes op willen aandringen om de kwestie eerst in de commissie aan de orde te brengen. Dat is beter dan op een spoedbehandeling aan te sturen, wat vermoedelijk onterecht is. Ik zou het toejuichen als de kwestie eerst in de commissie werd besproken, voordat we het Parlement ermee opzadelen.
De Voorzitter. Ik kan u niet het woord geven om hierop te antwoorden, mijnheer Turmes. Zou u de besprekingen die nodig zijn om vast te stellen wanneer en hoe deze kwestie moet worden behandeld buiten de plenaire vergadering willen houden?
(Het Parlement neemt de aldus gewijzigde agenda aan)(1)
VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS Ondervoorzitter
Voor overige wijzigingen van de agenda: zie notulen.
15. Opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang
De Voorzitter. Aan de orde zijn de opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang.
Vytautas Landsbergis (PPE-DE). – (LT) De geboorte van het Europese fascisme vond in Rusland plaats, aan het einde van de negentiende eeuw. Het motto van destijds was kort en duidelijk: "Sla de Joden dood! Red Rusland!" Meer dan honderd jaar later kent de Russische politieke cultuur een vergelijkbaar haatdragend motto: "Sla de Georgiërs dood! Red Rusland!"
Deze woorden zijn de wapens in handen van de Russische president, de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie en van de Russische Doema. De vervolging wordt door lagere officieren en fascistische groepjes tuig met instemming begroet. Dat is allemaal niet nieuw als we kijken naar de moorden op mensen met een donkere huidskleur, die schering en inslag zijn in de straten van Russische steden.
De Europese Unie moet komen met een eigen motto: "Red Rusland! Stop het Russisch nazisme!" Vertegenwoordigers van de Russische regering en van de democratische krachten in dat land moeten worden uitgenodigd op onze informele gemeenschappelijke conferentie waar in de marge van de gesprekken over het thema juridische omgeving met hen besproken kan worden over de manier waarop de Europese Unie Rusland kan helpen voorkomen dat vreemdelingenhaat zich als een olievlek verspreidt.
Magda Kósáné Kovács (PSE). – (HU) De Nobelprijs voor de Vrede voor 2006 is toegekend aan de Grameen Bank en zijn oprichter Muhammad Yunus, een econoom uit Bangladesh.
Het besluit van het Nobelcomité geeft niet alleen reden tot blijdschap, het is tevens een steun in de rug en een teken van hoop voor hen die streven naar een humane en vreedzame wereld. Velen onder ons geloven dat armoede en sociale uitsluiting tot de hoofdoorzaken behoren van oorlog en terreur. Er zijn mensen die vreemdelingen zijn in eigen land, die in een compleet isolement leven en niet de kans krijgen zich in deze wereld thuis te voelen. Het systeem van microkredieten dat Muhammad Yunus hanteert, is geen liefdadigheid die bedoeld is om het schuldgevoel van de welgestelden te sussen. Het systeem voorziet in geldleningen, maakt samenwerking mogelijk en herstelt het vertrouwen van mensen in hun toekomstmogelijkheden.
Wij, als leden van het Europees Parlement, moeten in deze Nobelprijs voor de Vrede zowel een uitdaging als een opdracht zien. Armoede zoals in Bangladesh kan ook in Europa worden aangetroffen. Laat ons steeds weer opnieuw doordrongen zijn van de mogelijkheden die kleine stappen kunnen bieden, of het nu gaat om kredieten, ondernemerschap of kennisverwerving. Met kleine stappen kunnen wij namelijk heel ver komen op het pad naar menselijke waardigheid.
Graham Watson (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, deze vraag is eigenlijk aan u gericht. Ik weet dat de heer Borrell Fontelles de heer Barroso en de heer Vanhanen een brief heeft geschreven met het verzoek om de namen en portefeuilles van de twee nieuwe commissarissen van Bulgarije en Roemenië uiterlijk 23 oktober aan het Parlement door te geven. Ik wil graag weten of daar al iets van bekend is en of we de namen en portefeuilles deze week nog te horen krijgen.
De Voorzitter. Ik beschik zelf niet over de informatie waar u om hebt verzocht. Ik zal proberen inlichtingen in te winnen bij het kabinet van de Voorzitter.
Claude Turmes (Verts/ALE). – (FR) Mijnheer de voorzitter, twee weken geleden heeft een treinongeval plaatsgevonden op de lijn tussen Luxemburg en Frankrijk. Bij dit ongeval zijn zes mensen om het leven gekomen en tientallen mensen gewond geraakt. Ik wil dan ook mijn medeleven betuigen met de nabestaanden van de slachtoffers. Na een dergelijk ongeval is het echter zaak actie te ondernemen.
Een van de problemen bij het transnationale treinverkeer zijn de grote verschillen tussen nationale beveiligingssystemen. Luxemburg heeft een ander systeem dan België, dat op zijn beurt een ander systeem heeft dan Frankrijk, dat weer een ander systeem heeft dan Duitsland. Afgezien van hun eigen systeem hebben de Luxemburgse spoorwegen dan ook te maken met drie verschillende systemen.
De beste oplossing na dit ongeval is om meer geld te investeren in het Europese beveiligingssysteem ERMTS. Ik hoop dat de Commissie zal besluiten Luxemburg en de hele regio daaromheen tot een testgebied te maken voor de invoering van nieuwe systemen en regels.
Ik ben overigens van mening dat het paradepaardje onder de treinen, namelijk de TGV die vanaf volgend jaar gaat rijden tussen Parijs en Luxemburg en die absoluut moet ...
(De spreker wordt onderbroken door de Voorzitter)
Kyriacos Triantaphyllides (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, afgelopen week is in Turkije het proces begonnen tegen drie personen die instonden voor de Turkse vertaling van een boek van de Amerikaanse schrijver Noam Chomsky. Op basis van artikel 301 van het Turkse strafrecht worden uitgever, vertaler en uitgeverij beschuldigd van belediging van en vijandigheid jegens de Turkse identiteit en van laster tegen de republiek en het Turkse parlement.
Ik herinner eraan dat we in de plenaire vergadering van september al hadden gesproken over artikel 301 en over het feit dat Turkije zich eindelijk moet conformeren aan bepaalde waarden die de Europese Unie belichaamt, wil het land het zo begeerde Europese profiel verwerven. Een maand later stellen we vast dat er niets is veranderd en dat Turkije even onbuigzaam blijft.
Ik vraag u dus, Voorzitter, of we dit absurde theater zullen blijven bijwonen of dat we de democratische meningsuiting zullen steunen met een veroordeling van dit nieuwe proces, dat de vrijheid van meningsuiting en de mensenrechten schendt.
Janusz Wojciechowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, gisteren is in Italië gedemonstreerd tegen dwangarbeidskampen in dat land. Ik sluit me volmondig aan bij de demonstranten, maar tegelijkertijd wil ik eraan herinneren dat mijn fractie, de Unie voor het Europa van de Naties, begin september een debat heeft aangevraagd over de werkomstandigheden van buitenlandse werknemers in de lidstaten van de Unie. Dit is niet alleen een Italiaans probleem, deze toestanden komen in meer of mindere mate ook voor in andere landen. Het Europees Parlement mag niet zwijgend toekijken. We moeten luid en duidelijk stelling nemen en we moeten met name de lidstaten oproepen om dergelijke grove schendingen van de mensenrechten niet toe te staan. Dat eisen de burgers en het Parlement mag niet blijven zwijgen. Daarom hernieuw ik de aanvraag voor een debat, die al is ingediend door de UEN-Fractie.
Georgios Karatzaferis (IND/DEM). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, voorzitter Borrell brengt volgende week een officieel bezoek aan Athene. Ik zou de Voorzitter willen verzoeken enige tijd – ook al is het slechts een half uurtje – uit te trekken om van het Parlement naar het Parthenon te gaan. Daar zal hij kunnen zien dat een aantal van de mooiste kunstwerken van de grootste kunstenaar aller tijden, Phidias, ontbreken. Ze zijn meegenomen door de Engelsen en bevinden zich nu in het British Museum. Het is onbegrijpelijk dat die werken van het Parthenon, een van de zeven wereldwonderen, zich nu ver weg van het Parthenon bevinden.
Ik wil Voorzitter Borrell dus vragen het Parthenon te bezoeken om met eigen ogen het afstotelijke resultaat te aanschouwen en samen met ons te ijveren voor de terugkeer van de beelden, die de Engelsen geringschattend “marbles” noemen. Het gaat om de beelden van het Parthenon. Ik herhaal: een van de zeven wereldwonderen, dat is verminkt en waarvan hele stukken nu het British Museum sieren.
Ik doe een oproep tot alle beschaafde mensen opdat de beelden kunnen terugkeren naar de plek waar ze zijn gemaakt. Naar de Akropolis. Naar een plek die alle beschaafde mensen zouden moeten bezoeken.
Ryszard Czarnecki (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, in de afgelopen twee jaar zijn er enkele botsingen geweest tussen de heer Borrell, de Voorzitter van het Europees Parlement, en veel Poolse parlementsleden. Een meerderheid van de Poolse leden heeft van tijd tot tijd kritiek geuit over de mening van de Voorzitter over ons land. Maar vandaag wil ik de Voorzitter van het Parlement bedanken, mede namens veel andere Poolse leden, voor het standpunt dat hij heeft ingenomen tijdens de recente top in Lahti. Volgens de Franse krant Libération was voorzitter Borrell een van de vijf Europese leiders, samen met de president van Polen en de premiers van Zweden, Denemarken en Letland, die de moed hadden een kritisch standpunt ten opzichte van Rusland in te nemen. Ik wil Voorzitter Borrell bedanken voor de stellingname dat de Unie geen loopje wil nemen met de mensenrechten in ruil voor energie. Ik dank hem ook omdat hij betwijfelt of Rusland nog wel een democratisch land is. Europa zal deze uitspraken van voorzitter Borrell onthouden, en de landen van Midden- en Oost-Europa zullen zijn moed niet vergeten. Ik wil de Voorzitter van het Parlement graag danken in zijn eigen taal: gracias, Señor Presidente.
Michael Gahler (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het Parlement ervan op de hoogte stellen dat de Ethiopische autoriteiten vorige week donderdag twee diplomaten van de EU-delegatie het land uit hebben gezet. Er bestaat een verband met de arrestatie van een Ethiopische medewerkster van de EU-delegatie, Yalemzewd Bekele, die door de autoriteiten wordt beticht van oppositionele activiteiten en daarom heeft geprobeerd het land uit te reizen naar Kenia.
Glenys Kinnock en ik hebben twee weken geleden in Addis Abeba nog een ontmoeting gehad met zowel de beide diplomaten als Yalemzewd Bekele. Ze wordt momenteel vastgehouden in de gevangenis van Moyale. Wij vrezen het ergste over hoe ze daar wordt behandeld. Ook de speciale rapporteur van de Verenigde Naties inzake martelingen houdt zich met deze zaak bezig.
Ik roep de Commissie, in haar hoedanigheid van werkgever, met klem op haar zorgplicht na te komen en mevrouw Bekele rechtsbijstand te verlenen. Daarnaast moet de trojka vanuit Addis Abeba naar Moyale reizen en ter plekke eisen dat mevrouw Bekele geen haar wordt gekrenkt. Ook moeten zij vragen waar de Ethiopische autoriteiten mevrouw Bekele precies van beschuldigen. Voorts zou onze Voorzitter een brief moeten richten aan zijn ambtscollega.
Csaba Sándor Tabajdi (PSE). – (HU) Vandaag vieren wij de vijftigste verjaardag van de Hongaarse revolutie van 1956. Deze plechtigheid is behalve een Hongaarse ook een internationale aangelegenheid: 56 staatshoofden en regeringsleiders zijn naar Hongarije afgereisd om deze dag met ons te vieren. De betekenis van deze gebeurtenis is te vergelijken met die van de Praagse lente van 1968 en de doorbraak van de Poolse Solidariteitsbeweging, want zonder deze drie historische gebeurtenissen waren in 1989 en 1990 de ineenstorting van het sovjetcommunisme en de machtswisselingen in Midden-Europa niet mogelijk geweest. De Hongaarse revolutie van 1956 is echter in zekere zin uniek, omdat geen van de andere oppositiebewegingen een gewapende strijd hebben uitgevochten met het Sovjetleger. Bovendien is het elders nooit zover gekomen dat een land zich uit het Warschaupact terugtrok en zich neutraal verklaarde. De helden van 1956 waren verenigd in hun overtuiging dat een kleine natie een totalitaire supermacht kon verslaan. In 1956 luidde onze wens: “Terug naar Europa”! En toen Hongarije in 2004 toetrad tot de Europese Unie. werd die wens uit 1956 ten langen leste vervuld.
Sarah Ludford (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik verzoek het voorzitterschap van het Parlement en Parlementsleden over het hele spectrum van het Parlement om erop te blijven aandringen dat de EU en de Britse autoriteiten president Musharraf van Pakistan proberen ertoe over te halen om zijn gezag aan te wenden om het vonnis van Mirza Tahir Hussain ongedaan te maken of op zijn minst om te zetten in levenslang.
De heer Hussain heeft de Britse en Pakistaanse nationaliteit en zit al 18 jaar in de dodencel voor een moord die hij altijd heeft ontkend te hebben gepleegd. Het is zelfs zo dat hij pas door de islamitische sharia-rechtbank werd veroordeeld nadat hij door de normale burgerlijke rechtbank was vrijgesproken. Vorige week werd bekend dat de datum voor zijn executie opnieuw met twee maanden is uitgesteld, dat wil zeggen tot na het officiële staatsbezoek dat de Britse troonopvolger, de Prins van Wales, deze week aan Pakistan brengt.
Ik verzoek iedereen echter met klem om er bij president Musharraf op te blijven aandringen dat hij zijn onbetwijfelbare gezag krachtens de grondwet aanwendt om tot een rechtvaardige oplossing van deze situatie te komen en de executie niet slechts uit te stellen.
Willy Meyer Pleite (GUE/NGL). (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik verzoek de Commissie en de Raad – kortom, de Europese Unie – om haar bezorgdheid aan de Argentijnse autoriteiten over te brengen met betrekking tot het lot van essentiële getuigen in de processen die zijn gestart om een einde te maken aan de straffeloosheid en aan het licht te brengen wie verantwoordelijk waren voor de tijdens de dictatuur gepleegde misdaden.
Ik doel op de verdwijning van de Argentijnse staatsburger Jorge Julio López, die van essentieel belang is in de zaak tegen een functionaris van de politie van Buenos Aires, de Argentijnse staatsburger Miguel Etchecolatz, die ten tijde van de dictatuur, de zwartste periode in de geschiedenis van Argentinië, mensen heeft gemarteld. Deze getuige is sinds september verdwenen, wat tot grote onrust heeft geleid bij de vele getuigen die hun getuigenis nog moeten afleggen om de waarheid boven tafel te krijgen en ervoor te zorgen dat geen enkele misdaad ongestraft zal blijven.
Daarom verzoek ik de Europese Unie om deze concrete zaak bij de Argentijnse autoriteiten aan te kaarten.
Gerard Batten (IND/DEM). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, op 20 augustus 1989 kwam het grindbaggerschip Bowbelle op de Theems in aanvaring met het cruiseschip Marchioness, waarbij 51 mensen om het leven kwamen. Deze ramp heeft geleid tot strengere veiligheidsvoorschriften voor de scheepvaart op de Theems.
Het gevaar bestaat nu dat deze veiligheidsvoorschriften worden afgezwakt als direct gevolg van EU-richtlijn 96/50/EG die de regering van plan is ten uitvoer te leggen. De huidige Britse normen worden vervangen door veel lagere normen volgens een geharmoniseerd Europees vaarbewijs voor binnenvaartuigen. Dit is echter niet nodig, want op grond van artikel 3, lid 2, van diezelfde richtlijn kunnen lidstaten vrijstelling aanvragen voor nationale binnenwateren en op hun eigen voorwaarden vaarbewijzen voor binnenvaartuigen afgeven.
Daarom vraag ik alle Britse Parlementsleden om de minister, de heer Stephen Ladyman, schriftelijk te verzoeken om in het belang van hogere veiligheidsnormen op de Theems de derogatie die op grond van de richtlijn mogelijk is, toe te passen.
Jim Higgins (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, als de Verenigde Staten en Europa de luchtvaartovereenkomst “open skies” sluiten, zal dat talrijke voordelen opleveren: meer vliegroutes, meer concurrentie en lagere vliegtarieven – de reiziger en de consument worden er alleen maar beter van. Een groot obstakel, namelijk het bezwaar van de Europese kant tegen de uitwisseling van passagiersgegevens met de Verenigde Staten, is nu uit de weg geruimd. Er is echter nog een obstakel in verband met het eigendom van luchtvaartmaatschappijen, dat in de Verenigde Staten tot grote problemen leidt en waar het Congres bezwaar tegen heeft gemaakt.
Intussen probeert de Ierse minister van Vervoer, de heer Cullen, de Commissie zover te krijgen dat ze akkoord gaat met een bilaterale een-op-een-overeenkomst tussen Ierland en de Verenigde Staten. Ik ben daar om twee redenen tegen. Ten eerste ondermijnt dit het mondiale vertrouwen in “open skies” en ten tweede brengt het onherstelbare schade toe aan de Ierse luchthaven Shannon Airport, de toegangspoort tot de trans-Atlantische oversteek. Zolang er geen volledige mondiale overeenkomst is, moet er geen bilaterale overeenkomst worden gesloten tussen Ierland en de Verenigde Staten. De Commissie moet zo’n overeenkomst afwijzen.
Yannick Vaugrenard (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, sinds enige tijd wordt de toestroom van immigranten afgeschilderd als een zogenaamd onacceptabele bedreiging. Deze retoriek is opgepikt door extreemrechts, dat criminaliteit en immigratie over één kam scheert en goed gedijt op deze voedingsbodem.
Deze immigranten zijn echter in de eerste plaats slachtoffers: slachtoffers van maffiose netwerken die zich verrijken door mannen en vrouwen naar hier te brengen die op zoek zijn naar een toekomst; slachtoffers van Europese zakenmensen en louche huisbazen die goed boeren doordat ze respectievelijk goedkope arbeidskrachten onderwerpen en in erbarmelijke staat verkerende woningen verhuren tegen exorbitante prijzen.
Laten we alle bestaande communautaire instrumenten aanwenden om deze netwerken te bestrijden. Laten we de verordening herzien die stelt dat een asielaanvraag moet worden behandeld door de eerste lidstaat waarin asielzoekers voet zetten, want dit legt landen in Zuid- en Oost-Europa een onaanvaardbare last op. Verder kunnen we ook de omstandigheden in de overvolle en onmenselijke transitkampen niet langer aanvaarden.
Laten we tot slot de objectiviteit en de moed hebben om te zeggen dat Europa legale immigratie nodig zal hebben om zijn demografische tekort aan te vullen. Laten we dan ook afstappen van de platgetreden politieke paden en kort-door-de-bocht-redeneringen en laten we duidelijk zeggen dat immigratie ook een kans kan zijn voor Europa.
Georgios Papastamkos (PPE-DE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, de balans van het Europese beleid ten aanzien van de landen van Zuidwest-Europa met als kerngebied de westelijke Balkan bevat positieve en negatieve resultaten.
Na de kritiek op de strategie van de verdere uitbreiding van de Unie, die ook de westelijke Balkan omvat, heerst het gevoel dat de Europese instellingen hun luisterbereidheid voor de betreffende regio op een lager pitje hebben gezet.
Ik vind dat wij in het kader van de parlementaire diplomatie de verantwoordelijkheid hebben de strategie van de Unie samenhangender, transparanter en doelmatiger te maken, zodat de zuidelijke dimensie van het Europese beleid zichtbaarder kan worden.
Marie-Noëlle Lienemann (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, de EADS en de industriële projecten die onder dit concern vallen, waaronder Airbus, maken het tot een van de belangrijkste paradepaardjes van Europa, een industrieel paradepaardje, het symbool van onze technologie en ons innovatievermogen. Dit bedrijf bevindt zich echter in grote problemen. Ik zal niet ingaan op de redenen – onder meer de manier waarop het bestuurd is – die een mogelijke rechtvaardiging of verklaring vormen voor een deel van de huidige problemen, die op hun beurt om doeltreffende oplossingen vragen.
Wel wil ik stilstaan bij de uitspraken die zijn gedaan door de directie van Airbus, die ons uitlegt dat, wil het bedrijf concurrerend blijven, het waarschijnlijk een aantal activiteiten zal moeten delokaliseren of opzetten in de zogenaamde “dollarzone”, enkel en alleen omdat de euro/dollar wisselkoers nadelig uitpakt voor een van de meest hoogwaardige sectoren binnen de Europese Unie. Wanneer hem op dit punt een vraag gesteld wordt, antwoordt de heer Trichet steevast: “Ik hoef me niet te verantwoorden over de wisselkoers!”.
Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s vindt u niet dat het hoog tijd is het Europese monetaire beleid te wijzigen?
(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)
András Gyürk (PPE-DE). – (HU) Vandaag precies vijftig jaar geleden brak in Hongarije de opstand uit. De eerste slag in de strijd om het juk van de sovjetoverheersing af te werpen vond plaats bij het hoofdkantoor van de Hongaarse radio. De opstandelingen wisten namelijk dat het systeem niet alleen op brute kracht, maar vooral op leugens was gebouwd. Symbool van deze leugens was de spreekbuis van de communistische partij: de staatsradio. De slag eindigde met een overwinning van de revolutionairen en op de radio konden toen de volgende nu gevleugelde woorden worden uitgezonden: “We logen 's nachts, we logen overdag, we logen op iedere golflengte.”
Geweld en leugens, dat waren de voedingsbronnen van het communisme in Hongarije en het waren ook de hoekstenen van de onderdrukking in de rest van het sovjetblok. Alhoewel de Hongaarse revolutie hardhandig de kop in werd gedrukt door overweldigende colonnes tanks die het land binnenrolden, weten we nu dat de gebeurtenissen in Boedapest, Praag en Gdansk niet zinloos waren, dat de slachtoffers hun leven niet voor niets hebben gegeven. Aan hen is het te danken dat Europa vandaag de dag vrij en verenigd is.
Om echter te verzekeren dat geen enkel systeem op ons continent ooit weer op basis van geweld en leugens groot kan worden, moeten we de herinnering levend houden. Daarom hebben mijn medeleden en ik het voorstel gedaan om 4 november uit te roepen tot verjaardag van het neerslaan van de Hongaarse revolutie. Een dag ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het communisme in Europa.
Panagiotis Beglitis (PSE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, op 29 augustus heeft de Algemeen Secretaris van de VN, de heer Kofi Annan, de leden van de Algemene Vergadering een studie voorgelegd van de onafhankelijke deskundige Paulo Sérgio Pinheiro over geweld tegen kinderen.
Deze studie, mijnheer de Voorzitter, beschrijft in uiterst sombere bewoordingen het probleem van geweld en uitbuiting van kinderen in de wereld en wijst op de zware schendingen van de rechten van het kind. Het gaat om een tekst die het collectieve geweten van de mensheid wakker schudt en oproept tot het beschermen van elementaire menselijke waarden en beginselen.
Ik vind, gebruikmakend van de aanwezigheid van commissaris Frattini, dat over deze VN-tekst een debat moet worden gevoerd in de instellingen van de Europese Unie, vooral in het Europees Parlement, in combinatie met de recente mededeling van de Europese Commissie betreffende een Europese strategie voor de rechten van het kind.
De Europese Unie moet vooroplopen bij het ontwikkelen van een gemeenschappelijk stelsel van voor alle lidstaten bindende regels ter bescherming van de rechten van het kind.
Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). – (EL) Meneer de Voorzitter, uit persberichten viel te vernemen dat een werkneemster van de luchtvaartmaatschappij van het Verenigd Koninkrijk vervolgd en mogelijk ook ontslagen wordt, gewoonweg omdat zij een halsketting droeg met een kruisje ter grootte van een stuk van vijf cent.
Wij hebben de mond vol van democratie, vrijheid en rechtvaardigheid, beginselen die geconsolideerd moeten worden in kandidaat-lidstaten. Wij willen alle Europeanen en iedereen op deze aarde de zekerheid bieden dat ze niet zullen worden vervolgd vanwege de vrije meningsuiting – of die vrijheid nu wordt geuit via woorden of kleding – en vooral dat ze niet zullen worden vervolgd op grond van hun geloofsovertuiging.
In mijn land is 80 procent van de inwoners gedoopt en zij dragen hun hele leven een kruisje. Hoe kunnen we van kandidaat-lidstaten eerbied voor godsdienstvrijheid verlangen wanneer wij de mogelijkheid om zulk een bescheiden blijk van geloof te tonen niet beschermen? Ik hoop dat de commissaris enkele maatregelen zal treffen...
(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)
Renate Sommer (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik vestig de aandacht op een conflict dat zich enkele dagen geleden heeft voorgedaan tussen de Poolse grensautoriteiten en een Duits passagiersschip. Toen het Duitse schip, de Adler Dania, de Poolse haven van Swinemünde binnenvoer, wilden drie in burger geklede tolambtenaren, die geen schriftelijke legitimatie bij zich droegen, de gehele drankvoorraad op het schip in beslag nemen. Daarop wendde de kapitein de steven en hij spoedde zich terug naar Duitse wateren, achtervolgd door een Poolse kustwachter, die ook nog enkele vuurpijlen op het Duitse passagiersschip afschoot.
Deze gebeurtenis is niet te geloven! Helaas gaat het hier niet om een incident, zoals blijkt uit brieven van betrokkenen. Er doen zich stelselmatig problemen voor aan Europese binnengrenzen met nieuwe lidstaten en aan sommige buitengrenzen. Zo worden er willekeurige tarieven geheven en worden de mensen gedwongen ze te betalen, anders komen ze het land niet in. Ik eis dat daartegen opgetreden wordt.
Diamanto Manolakou (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, in een verslag van een Amerikaanse dienst voor strategische analyses en studies wordt vermeld dat Grieks-Cypriotische en Griekse soldaten die vermist zijn sinds de invasie van het Turkse leger in Noord-Cyprus, zijn gebruikt als proefkonijnen in industriële laboratoria van het Turkse leger in de jaren 1984-1988.
Aangezien Turkije niet alleen het noordelijke deel van het eiland nog steeds bezet houdt, maar ook nooit informatie heeft gegeven over de vermisten, en aangezien het lijden van de verwanten van deze vermisten al drie decennia duurt, vraag ik het Parlement het initiatief te nemen om van Turkije te eisen dat alle beschikbare informatie over vermisten wordt vrijgegeven – hoe vreselijk het nieuws ook mag zijn – zodat dit drama kan eindigen.
Ioannis Gklavakis (PPE-DE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, ik neem het woord omdat ik ontevreden en ongerust ben over de toekomst van Europa. Ik dacht altijd dat het een van de hoofddoelstellingen van de Europese Unie was om kinderen te beschermen, hun een goede opleiding en gezondheid te garanderen en ervoor te zorgen dat zij opgroeien tot evenwichtige volwassenen.
Ik ben ten zeerste ontstemd over de oprichting van een pedofielenpartij in Nederland. Een partij die het seksuele contact tussen volwassenen en minderjarigen ouder dan twaalf en het bezit van kinderporno voor persoonlijk gebruik wil legaliseren. In een vergrijzend Europa, waar het gezin als instelling elke dag zwakker wordt, waar zeden, gewoonten en tradities wegkwijnen, is de oprichting van deze partij als het leggen van een bom onder de fundamenten van het Europese project.
Ik vraag dat iedereen in verzet komt. Ik stel voor dat het Europees Parlement aan het Finse voorzitterschap vraagt dat de pedofielenpartij zou worden verboden. Als wij een Europese Unie met toekomst en vooruitzichten willen, moeten we eerst en vooral onze kinderen beschermen.
Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, ik ben net terug van een conferentie in Libanon met een optimistisch gevoel over de nieuwe situatie in de regio, maar ook met een groter besef van de uitdagingen waarvoor wij allemaal staan. Het leven in het zuiden herbegint. De bewoners keren terug naar haastig heropgebouwde huizen of trekken bij verwanten in. De wederopbouw is aan de gang met de hulp van de regering en van donoren, zoals Hezbollah, dat hierbij een belangrijke rol speelt.
De aanwezigheid van het Libanese leger en van de UNIFIL-macht biedt de burgers veiligheid en rust. Dit maakt de Europese Unie zichtbaar en levert haar waardering op. De toepassing van Resolutie 1701 lijkt niet in gevaar te zijn, maar het evenwicht is broos en wij moeten het beschermen omwille van de vrede in de hele regio, zoals we ook de regering van Libanon moeten steunen, zodat die de nodige hervormingen kan doorvoeren in de economie, de maatschappij en het politieke bestel.
Naast de bescherming van de burgerrechten wil ik beklemtonen dat we ook de culturele rijkdom moeten beschermen…
(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)
Francisco José Millán Mon (PPE-DE). (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag willen dat het voorzitterschap van dit Huis een boodschap van medeleven en solidariteit overbrengt aan een aantal dorpen in Galicië, met name in de provincie Pontevedra, vanwege de ernstige overstromingen waar zij sinds dit weekend mee te kampen hebben.
Het noodweer heeft aanzienlijke schade aangericht. Huizen, bedrijven, verbindingswegen en de landbouw en veeteelt zijn zwaar getroffen. Helaas zijn er ook gewonden gevallen en zelfs mensen omgekomen.
Zoals we allemaal weten heeft de autonome gemeenschap Galicië afgelopen augustus een verschrikkelijke ramp meegemaakt in de vorm van een golf van bosbranden, waarover we in september nog hebben gedebatteerd in dit Parlement. We hebben toen onze steun gegeven aan de toewijzing van middelen uit het Europees Solidariteitsfonds.
De ernstige gevolgen van de zware regens van de afgelopen dagen houden verband met de branden van augustus, zoals vanochtend in de Galicische pers is te lezen. Het verlies aan geboomte en de tonnen as die zijn meegesleurd, hebben de kracht van het water vergroot. Deze gegevens laten opnieuw zien hoe groot de ramp is geweest die deze zomer een ravage heeft aangericht in Galicië.
Helaas zijn verschillende gemeenten in Galicië opnieuw in de rouw.
Mairead McGuinness (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, we hebben vorige week een zeer zinvolle dialoog gehad met een groepering genaamd EAGLES, die bestaat uit wetenschappers uit de hele wereld die de ontwikkelingswereld willen helpen. Ik ben van mening dat we deze dialoog moeten doortrekken naar het hele Parlement. Er vindt op grote schaal wetenschappelijke apartheid plaats: de ontwikkelde wereld heeft te veel wetenschappers en ingenieurs en de ontwikkelingswereld heeft er geen, waardoor de kloof tussen arm en rijk steeds groter wordt.
Mijn boodschap is heel eenvoudig en neemt minder dan een minuut in beslag: de Europese Unie en de Commissie hebben de verantwoordelijkheid en de plicht om met de wetenschappelijke gemeenschap samen te werken en haar ertoe over te halen om een deel van haar inspanningen te richten op projecten die de ontwikkelingswereld helpen, of dat nu is op het gebied van diergezondheid, menselijke gezondheid of landbouwproductie. Er is momenteel geen aandacht voor dit probleem en daar zijn de armen de dupe van. Dit Parlement zou zich moeten buigen over de belangrijke rol die de wetenschap in de ontwikkelingswereld kan spelen.
Toomas Savi (ALDE). (ET) Een paar weken geleden was de hele wereld geschokt door de moord op Anna Politkovskaja. Anna Politkovskaja’s pogingen om de grove schendingen van de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting in Tsjetsjenië publiekelijke bekendheid te geven, zijn gesmoord met behulp van gangstermethoden.
Een week geleden moest we debatteren over de Georgische crisis, die door Rusland in gang was gezet met een staaltje politiek machtsvertoon, door economische sancties op te leggen en een transport- en postblokkade tegen Georgië in te stellen en de invoer van Georgische goederen te verbieden, de Russische grens met Georgië te sluiten en Georgiërs uit Rusland te deporteren.
Vandaag moeten we klaar staan om het mogelijke gebruik van allerlei soorten militair geweld te voorkomen in verband met de afscheidingspogingen van Abchazië en Zuid-Ossetië.
De Europese Unie en het Europees Parlement mogen niet aan de zijlijn blijven staan toekijken hoe de situatie in Georgië zich ontwikkelt. We moeten alle beschikbare opties gebruiken – het hele scala van maatregelen waarin is voorzien in het Europees nabuurschapsbeleid, het organiseren van grensbewakingsmissies, het faciliteren van vrije handel en het vereenvoudigen van het visumsysteem – om de vrede in de zuidelijke Kaukasus te bewaren.
Jacky Henin (GUE/NGL). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, de strategische en bedrijfseconomische keuzes van Airbus bepalen niet alleen het lot van tienduizenden werknemers, maar ook de toekomst van een groot deel van de Europese luchtvaartindustrie. Uit respect voor de werknemers en toeleveranciers van Airbus moeten we koste wat kost voorkomen dat hun knowhow, werk en toewijding teniet worden gedaan. De werknemers van Airbus mogen in geen geval de dupe worden van de door directie en aandeelhouders gemaakte fouten. Door de knowhow die ze bezitten zijn deze werknemers de kurk waar Airbus op drijft. Het gaat slecht met Airbus vanwege het liberale beleid dat is gevoerd, en om het bedrijf er weer bovenop te helpen moeten we terugkeren naar overheidsbezit en financiering van EADS op Europees niveau.
Het doet me dan ook deugd dat zowel in Duitsland als in Spanje de nodige stemmen opgaan om de werknemers daadwerkelijk inspraak te geven in het bestuur van Airbus.
Laat de heer Mandelson zijn werk doen, zodat de Amerikanen het systeem van terugvorderbare voorschotten niet langer tegenwerken, en zodat de Europese Centrale Bank en de Commissie eindelijk ingrijpen om de zwakke dollar te pareren.
Jörg Leichtfried (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil de aandacht vestigen op een probleem in verband met de zwerfhonden op Korfoe. De Oostenrijkse dierenbescherming steunt al jaren vele projecten op Korfoe en wordt daarbij stelselmatig voor de voeten gelopen door de autoriteiten ter plaatse. Zo mogen buitenlandse dierenartsen geen behandelingen uitvoeren en mogen reeds afgebouwde dierenasiels niet in bedrijf worden genomen. Voorts mochten zwerfhonden niet naar gezinnen in Duitsland en Oostenrijk worden overgebracht, terwijl de reisorganisatie TUI dit project zou hebben gefinancierd. In plaats daarvan werden de dieren op Korfoe op wrede wijze afgemaakt.
Ik roep de Raad, de Commissie en mijn collega-afgevaardigden op de misstanden aan te pakken en pleit er met name voor dat hulp van buiten wordt toegelaten en erkend om het probleem zo spoedig mogelijk in het belang van de dieren op te lossen.
Marianne Mikko (PSE). (ET) Dames en heren, vanavond vijftig jaar geleden overhandigden de studenten en intellectuelen van Boedapest zestien eisen aan de Hongaarse marionettenregering. De eisen werden verworpen, de autoriteiten openden het vuur op de menigte en de opstand begon.
De Hongaren werden gestimuleerd door hun vertrouwen dat er hulp uit het Westen zou komen. Zij vonden Europese eenheid een normale zaak. De verwachte hulp kwam echter niet, zelfs niet in de vorm van officiële verklaringen. De Suez-crisis die zich in diezelfde tijd ontvouwde, beperkte de handelingsvrijheid van het Westen enigszins, maar de echte reden voor deze terughoudendheid was de verdeling van Europa in invloedssferen die in Jalta was overeengekomen.
Er werden 13.000 mensen door de Sovjets gevangen gezet, rvan wie er 350 werden geëxecuteerd. Hongarije werd een waarschuwing voor andere naties die naar vrijheid hunkerden.
De Sovjet-Unie bestaat niet meer, maar de geest van Jalta leeft voort in onze angst om op te staan ter verdediging van Moldavië, Georgië en andere landen waarvan Rusland vindt dat ze binnen zijn invloedssfeer vallen. Ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Hongaarse opstand stel ik voor dat we onze angst overwinnen en gezamenlijk opstaan ter verdediging van de democratie en de vrijheid.
Andrzej Jan Szejna (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Unie heeft een prioriteit gemaakt van een gemeenschappelijke energiemarkt, die veilig is en optimaal kan functioneren en concurreren. We mogen echter niet vergeten dat het energiebeleid van de Europese Unie niet alleen betrekking heeft op de energiesector, en dat het energiebeleid de volgende doelstellingen heeft: energiezekerheid, concurrentievermogen en milieubescherming, vooral het tegengaan van klimaatsverandering. Zoals bekend is de interne energiemarkt indirect tot stand gekomen door harmonisatie van de wetgeving in de lidstaten en direct door liberalisering van de nationale energiemarkten. Maar er is meer nodig. Er is een gemeenschappelijke strategie nodig en een breed opgezette samenwerking voor het tot stand komen van de interne markt en jegens de partners buiten de Europese Unie. Daarom ben ik juist blij dat tijdens de recente top in Lahti de landen van de Europese Unie voor het eerst sinds jaren geprobeerd hebben om in de besprekingen over energiesamenwerking met Rusland een eenduidig standpunt in te nemen, en zich niet lieten misleiden door het profijt dat enkele lidstaten van de Europese Unie kunnen trekken uit bevoorrechte overeenkomsten met Rusland.
Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, deze maand heb ik deelgenomen aan twee belangrijke bijeenkomsten: de conferentie die de Europese Commissie georganiseerd heeft over de vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het congres van Europese landbouwers dat werd georganiseerd door COPA/COGECA. Verschillende keren is gezegd dat Europa een duidelijk omlijnde strategie voor de landbouw en de toekomst van de boeren nodig heeft. En wat krijgen we? Om de zoveel jaar krijgen we een pak voorstellen voor nieuwe hervormingen. De boeren hebben behoefte aan stabiliteit, om hun productie te kunnen plannen en te kunnen investeren. Laten we niet vergeten dat de landbouw zonder Europese steun nauwelijks kan concurreren met geïmporteerde producten uit andere landen. Europa heeft nu al een groot nadeel, omdat de eisen die we hier stellen aan onze boeren beduidend hoger zijn en de productieomstandigheden moeilijker zijn. We moeten de burgers en sommige leden van dit Parlement uitleggen, waarom we een gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben, wat de voordelen ervan zijn en waarom de consumenten moeten betalen om het in stand te houden.
Marios Matsakis (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de heer Behiç Aşçi is een Turkse advocaat. Hij is al 202 dagen in hongerstaking en ligt inmiddels op sterven. Hij is zelf geen gevangene, maar hij protesteert tegen de onmenselijke actie van de Turkse autoriteiten om voornamelijk politieke gevangenen in eenzame opsluiting te houden in zogenaamde type-F-gevangenissen. Er zijn reeds 122 hongerstakers in dergelijke gevangenissen overleden en toch weigert de Turkse regering koppig om de zaak ook maar te bespreken.
Eenzame opsluiting, soms jarenlang, is een van de ergste vormen van psychologische marteling en het maatschappelijk middenveld in Turkije, waaronder verenigingen van advocaten en artsen, hebben gevraagd om afschaffing van deze praktijk.
Mijnheer de Voorzitter, uit naam van de mensenrechten en om het leven van de heer Aşçi te redden vraag ik u om met spoed contact op te nemen met de Turkse minister-president en hem erop te wijzen dat eenzame opsluiting in type-F-gevangenissen onverenigbaar is met de Europese aspiraties van Turkije en dat hier onmiddellijk een eind aan moet komen.
Árpád Duka-Zólyomi (PPE-DE). – (HU) Vandaag herdenken wij de gebeurtenissen die zich vijftig jaar geleden afspeelden tijdens de Hongaarse revolutie van 1956, de revolutie van de burgers, die het vermeend almachtige communistische systeem op zijn grondvesten deed schudden. Waar streden de Hongaren voor? Voor vrede en vrijheid. De heldhaftige maar ongelijke strijd tegen de Russische kolos werd met bezorgdheid en grote aandacht gevolgd door de Hongaren die buiten de landsgrenzen woonden. Nadat de revolutie was neergeslagen volgden er donkere en gure jaren van brute vergelding. Met name in Transsylvanië, maar ook in Slowakije, werden zij die openlijk hadden gesympathiseerd met de revolutionairen het slachtoffer van gemene vergeldingsmaatregelen. Met grote eerbied herdenken wij de slachtoffers, de heldhaftige vrijheidsstrijders, wier strijd niet tevergeefs is geweest. Na 34 is het onmenselijke systeem ineengestort en vandaag maken wij deel uit van de Europese Gemeenschap, die berust op democratie, de rechtsstaat en de rechten van de burgers. Dat is waar de helden van de revolutie in 1956 voor streden en waar zij hun leven voor hebben opgeofferd.
Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de informele EU-top vorige week in Lahti, onder Fins voorzitterschap, was een mijlpaal in de betrekkingen tussen de EU en Rusland. De EU is er voor het eerst sinds lange tijd in geslaagd om met één stem te spreken en wat vooral belangrijk is, is dat de EU eensgezind over het EU-energiebeleid heeft gesproken.
Aangezien een grotere energietoevoer en een grotere energieveiligheid van gemeenschappelijk belang zijn voor de EU, benadruk ik dat bij een aantal projecten in de Oostzeeregio voorbij wordt gegaan aan de belangen van een aantal lidstaten op het gebied van zekerheid van de energietoevoer, met name bij het Noord-Europese gasleidingproject, dat in 2000 de status van trans-Europees energienetwerk kreeg.
Ik stel voor dat we de landen die al bij het project betrokken zijn, dat wil zeggen Duitsland en Rusland, vragen om de buurlanden, EU-lidstaten, uit te nodigen om zich bij het netwerk aan te sluiten en ze de gelegenheid te bieden om een echt partnerschap te vormen.
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
VOORZITTER: INGO FRIEDRICH Ondervoorzitter
16. Instelling, werking en gebruik van SIS II (verordening) – Instelling, werking en gebruik van SIS II (besluit) – Toegang tot SIS II voor de instanties belast met de afgifte van kentekenbewijzen van voertuigen (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:
- het verslag (A6-0355/2006) van Carlos Coelho, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (COM(2005)0236 – C6-0174/2005 – 2005/0106(COD)),
- het verslag (A6-0353/2006) van Carlos Coelho, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (COM(2005)0230 – C6-0301/2005 – 2005/0103(CNS)) en
- het verslag (A6-0354/2006) van Carlos Coelho, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) voor de instanties die in de lidstaten belast zijn met de afgifte van kentekenbewijzen van voertuigen (COM(2005)0237 – C6-0175/2005 – 2005/0104(COD)).
Franco Frattini, vicevoorzitter van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen feliciteer ik de heer Coelho, de rapporteur, met zijn voortreffelijke werk in verband met het juridische pakket voor het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie. Ik maak ook van de gelegenheid gebruik om te wijzen op het belangrijke werk dat het Fins voorzitterschap heeft verricht om tot een afronding van de besprekingen over dit wetgevingspakket te komen.
Het Parlement, de Raad en de Commissie hebben alle een zeer proactieve houding ingenomen bij het vinden van compromissen over dit zeer gevoelige en complexe dossier. De Raad Justitie en Binnenlandse Zaken heeft eerder deze maand bevestigd dat dit SIS-instrument een absolute prioriteit blijft en dat de Commissie het grootste belang blijft hechten aan dit dossier.
SIS II wordt een belangrijk instrument dat zorgt voor de efficiënte uitwisseling van informatie tussen de relevante autoriteiten. SIS II zal bijdragen aan een hogere mate van veiligheid doordat het meer functionaliteiten biedt dan het huidige SIS, dat meer gericht is op de operationele behoeften van de politie en andere autoriteiten.
De verdere ontwikkeling van SIS II vormt een beslissende stap ter ondersteuning van vrij verkeer van personen, effectieve grenscontroles en de strijd tegen serieuze misdaad en terrorisme. Tegelijkertijd worden er betere waarborgen geboden: er zijn bijvoorbeeld precieze regels voor gegevensbescherming ingevoerd die moeten leiden tot meer transparantie en betere controleerbaarheid.
Ik hoop van harte dat de Raad en het Parlement in eerste lezing een compromis zullen bereiken, want het wetgevingskader is een belangrijk onderdeel – zoniet eerste vereiste – dat de Commissie in staat stelt om de ontwikkeling van SIS II af te ronden zodat we aan de operationele fase kunnen beginnen. Verder uitstel in verband met de rechtsgrondslag zou zonder meer een negatief effect hebben op het herziene tijdschema voor SIS II en op het opheffen van de binnengrenzen van de Europese Unie.
Daarom stem ik in met het voorstel van de rapporteur en blijf ik hopen dat er in eerste lezing een compromis wordt bereikt zodat de tenuitvoerlegging kan worden versneld.
Carlos Coelho (PPE-DE), rapporteur. – (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, we behandelen hier drie documenten: twee verordeningen en een besluit. Ik zou er vijf punten van onder uw aandacht willen brengen. De eerste opmerking is van institutionele aard en betreft het absurde karakter van het wetgevingsproces.
Wij hebben drie verschillende rechtsdocumenten met twee uiteenlopende procedures (medebeslissing voor de verordeningen en raadpleging voor het besluit), maar de documenten betreffen wel dezelfde materie. Er bestaan niet drie verschillende Schengeninformatiesystemen. Nee, er is één systeem, waarvoor we wetten maken met verschillende rechtsinstrumenten. Dat is een absurde zaak, waar een eind aan moet komen. Indien de Europese Grondwet was goedgekeurd, zouden we ons niet in deze onmogelijke situatie bevinden.
Het was een complex wetgevingsproces, dat ons allen genoopt heeft intensief samen te werken. Ik zou hier publiekelijk alle schaduwrapporteurs en alle collega’s van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken willen bedanken. Mijn dank gaat in het bijzonder uit naar de collega’s Lax, Mastenbroek en Kaufmann voor hun constructieve samenwerking en hun bereidheid onder grote druk te werken teneinde te trachten in de eerste lezing een akkoord te bereiken.
In de tweede plaats ben ik van oordeel dat dit een goed resultaat is voor Europa. Het is een goed resultaat, omdat we nu meer veiligheid en een betere gegevensbescherming hebben, terwijl de regelgeving ook strikter is. Met biometrische gegevens kunnen personen beter worden geïdentificeerd, waardoor er een betrouwbaardere link kan worden gelegd tussen de desbetreffende persoon en zijn identiteitsbewijs, en waardoor de veiligheid toeneemt. Deze wetsvoorstellen zijn ook goed voor Europa, omdat de signaleringen op een intelligente wijze worden behandeld. Er is sprake van wat wij interlinking van signaleringen noemen. Dat betekent het onderling koppelen van signaleringen, waardoor een politieagent een geval van kleine criminaliteit – zoals minder ernstige vormen van diefstal – kan onderscheiden van daden die deel uit kunnen maken van een crimineel netwerk of van een reeks activiteiten die een geraffineerder politieoptreden vereisen. We beheren informatie niet alleen op een intelligentere manier maar geven politieagenten ook meer veiligheid, mede omdat we met de drie goed te keuren documenten een bijdrage leveren aan doeltreffender controles aan de buitengrenzen en meer veiligheid van het personenverkeer binnen de communautaire ruimte.
In de derde plaats meen ik dat het een goed resultaat is voor de nieuwe lidstaten. Zij hebben terecht de ambitie hun burgers het gevoel te geven dat zij volwaardige burgers zijn met dezelfde rechten op vrij verkeer als de overige burgers in de Gemeenschap. Om die redenen mogen we het wetgevingsproces niet vertragen en is het essentieel dat we bij de eerste lezing een akkoord bereiken. Indien dat akkoord er komt kunnen we, zoals we hebben toegezegd, voor het eind van dit jaar de rechtsgrond goedkeuren.
In de vierde plaats, mijnheer de Voorzitter, geloof ik dat het een goed resultaat is voor het Parlement, daar we een groot deel van onze strijdpunten hebben kunnen binnenhalen. Ik zou een aantal van die punten in het bijzonder willen noemen: het communautair beheer van het centraal systeem is onderworpen aan de democratische controle van het Europees Parlement en aan de gerechtelijke controle van het Hof van Justitie (binnen een tijdsbestek van vijf jaar is de oprichting van een communautair agentschap voorzien, waarbij ons Parlement medebeslissingsbevoegdheid zal hebben); er is meer harmonisatie van de signaleringen van personen in het Schengeninformatiesysteem in verband met het weigeren van de toegang tot de Schengenruimte (de Commissie wordt verzocht binnen drie jaar voorstellen in te dienen om een hoger niveau van harmonisatie te bereiken); in het centrale SIS-systeem worden de Europese aanhoudingsbevelen opgeslagen; biometrische gegevens zullen pas worden gebruikt als onderzoeksveld nadat aan het Europees Parlement een rapport is voorgelegd waar het zich vervolgens over zal uitspreken; de regelgeving voor gegevensbescherming en de rechten van personen ten opzichte van het systeem hebben we op duidelijke wijze versterkt; het toezicht op Europees en nationaal niveau is aangescherpt; en er is een verplichting om verslagen te maken teneinde de transparantie aangaande de algehele werking van het systeem te verbeteren.
Mijnheer de Voorzitter, ten vijfde heb ik een opmerking voor de Raad en een woord van dank aan de Commissie. Ik zou de Commissie –in het bijzonder commissaris Frattini – willen danken voor het feit dat zij tijdens dit hele proces steeds aan de zijde van het Parlement heeft gestaan. Ik wil er nadrukkelijk op wijzen dat tijdens dat proces de standpunten van de Commissie in grote mate convergeerden met die van het Parlement. Ik wil het Oostenrijks en Fins voorzitterschap danken voor het vele werk dat zij hebben verricht. In het bijzonder wil ik de inzet en de persoonlijke betrokkenheid van de huidige voorzitter van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, de Finse minister van Binnenlandse Zaken Kari Rajamäki, noemen. Ik wil hem en zijn hele team bedanken, in het bijzonder de voorzitter van de Schengenwerkgroep. De werkzaamheden waren intensief en zijn volgens mij tot een goed einde gebracht. Dat geldt zowel voor de gevonden oplossingen op wetgevend vlak als voor de overeengekomen verplichtingen op institutioneel vlak, zoals de toezegging van het voorzitterschap alle mogelijke inspanningen te verrichten om voor het einde van dit jaar het kaderbesluit goed te keuren betreffende de bescherming van persoonsgegevens in de derde pijler.
Mijnheer de Voorzitter, ik moet evenwel zeggen dat de Raad het niet altijd goed heeft gedaan. De Raad is de aangegane verplichtingen bij de informele trialoog op hoog niveau in mei in Straatsburg niet nagekomen en heeft het Oostenrijks voorzitterschap tot een grote nederlaag gedwongen. Ik hoop dat de Raad niet hetzelfde doet met het in Brussel bij de trialoog van 26 september bereikte compromis. Hoewel we toen een uitstekend akkoord hadden gesloten, wilde de Raad 48 uur, dus twee dagen, voor de stemming over de compromistekst in de Commissie burgerlijke vrijheden op initiatief van een lidstaat het Schengeninformatiesysteem toegankelijk maken voor de geheime diensten van de lidstaten. Het moet gezegd dat dat voorstel inhoudelijk gezien geen zin heeft. We kunnen niet aan de ene kant de eisen voor de bescherming van persoonsgegevens aanscherpen (zoals we in de compromistekst hebben gedaan) en aan de andere kant de toegang mogelijk maken voor organen van de lidstaten die per definitie slechts gedeeltelijk of in het geheel niet onderworpen kunnen zijn aan het toezicht van de gegevensbeschermingsautoriteiten. Een dergelijke paradox is onzinnig, maar ook om procedurele redenen heeft het geen enkele zin dat men twee dagen voor de stemming in het Parlement een tekst wenst te veranderen waarover een compromis was bereikt in de trialoog met het voorzitterschap en commissaris Frattini. Het is onmogelijk in 48 uur een heel onderhandelingsproces en het daaruit voortgekomen compromis te wijzigen.
De relaties tussen de Europese instellingen dienen gebaseerd te zijn op loyaliteit en goede trouw. De Voorzitter van het Europees Parlement doet zijn gegeven woord gestand. Wij zijn klaar om de tekst goed te keuren die we na maandenlange en moeizame onderhandelingen hebben bereikt. Ik hoop dat de Raad ook van zijn kant het overeengekomen compromis respecteert. Hopelijk treedt het nieuwe SIS van de tweede generatie, met de nodige waarborgen voor striktheid, kwaliteit en veiligheid, zo snel mogelijk in werking.
(Applaus)
Mihael Brejc, namens de PPE-DE-Fractie. – (SL) De onderhandelingen over de drie documenten waren uiterst lang en moeizaam. Toch zijn we er uiteindelijk in geslaagd een compromis te vinden, zowel binnen het Europees Parlement als ook na enige tijd met de Commissie en de Raad. We zijn ons bewust van onze verantwoordelijkheid bij een dergelijk veeleisend project als de uitbreiding van de Schengenruimte, daarom hebben we in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken de rechtsgrondslag bijna unaniem goedgekeurd. Ik ben ervan overtuigd dat hetzelfde zich bij de stemming in de plenaire zitting zal voordoen. Elk verder uitstel bij de goedkeuring van de rechtsgrondslag zal het begin van de inwerkingtreding van SIS II beïnvloeden. Om die reden moet het Europees Parlement de tekst goedkeuren, aangezien die de basis vormt voor de technische uitbouw van SIS II. Een andere vraag is hoe de Raad zal reageren en hoe de volgende stap in de onderhandelingen met de Raad zal verlopen.
Het is nu reeds duidelijk dat de uitbreiding van de Schengenruimte door technische problemen vertraging zal oplopen. Blijkbaar zijn er behoorlijk wat moeilijkheden. De nieuwe lidstaten, onder andere Slovenië, hebben zich veel moeite getroost om aan de Schengencriteria te voldoen en stellen vast dat ze al het nodige hebben gedaan. De vertraging is dus niet te wijten aan een gebrek aan voorbereiding van onze kant. Daarbij komt nog de enorm belangrijke kwestie van de kosten die we hebben door het uitstel van de toetreding tot de Schengenruimte.
Daarom ben ik voorstander van alternatieve oplossingen : enkel de lidstaten die klaar zijn, dus diegene die binnen de oorspronkelijke termijn voldoen aan alle voorwaarden om zich aan te sluiten bij het Schengeninformatiesysteem, kunnen toetreden tot SIS I. Ik hoop dat het Parlement met de genoemde rechtsgrondslag zal instemmen. Ik feliciteer de heer Coelho en bedank ook commissaris Frattini voor de uitstekende samenwerking.
Martine Roure , namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst de heer Coelho en de schaduwrapporteurs van de fracties bedanken voor hun werk.
De tenuitvoerlegging van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) moet ertoe bijdragen dat we de binnengrenzen met de tien nieuwe lidstaten kunnen opheffen. De uitbreiding van het Schengen-gebied is voor ons Parlement een prioriteit. Wij begrijpen hoeveel moeite het onze collega’s in Oost-Europa kost om aan hun burgers uit te leggen waarom ze zich niet vrij kunnen verplaatsen binnen Europa. Daarom wilden wij in eerste lezing een akkoord bereiken om het vrije verkeer van alle Europese burgers niet langer in de weg te staan.
Het Schengeninformatiesysteem moet een hoge mate van veiligheid garanderen bij het opheffen van de grenzen, maar elke gecentraliseerde database moet de beginselen van evenredigheid en doelmatigheid eerbiedigen teneinde de privacy van iedereen te beschermen. Wij zijn dan ook blij dat deze tekst een directe en specifieke verwijzing bevat naar het toekomstige kaderbesluit over gegevensbescherming in het kader van de derde pijler, en daarvoor ben ik met name de heer Coelho erkentelijk. Ik hoop dat de Raad ons op zeer korte termijn zijn eerste lezing van deze tekst kan doen toekomen, zoals toegezegd tijdens onze laatste plenaire vergadering.
Het SIS is een systeem om de buitengrenzen te bewaken dat in de plaats is gekomen van de oude grensposten, die zijn afgeschaft om het vrije verkeer van personen te bevorderen. Wij hebben strikt willen afbakenen welke instanties direct toegang hebben tot de gegevens. De lijst van instanties die toegang hebben zal dan ook bekendgemaakt worden in het Publicatieblad, hetgeen elke vorm van oneigenlijk gebruik van de gegevens uitsluit doordat na te gaan is door wie, wanneer en waarom de gegevens in het systeem zijn gebruikt. Het is voor ons overigens een prioriteit dat mensen toegang hebben tot informatie die op hen betrekking heeft, en daarom hebben we ze de mogelijkheid gegeven bezwaar te maken of eventuele fouten te corrigeren.
Wij hebben samengewerkt om zo snel mogelijk tot een gemeenschappelijke compromistekst te komen. Ik begrijp de bezorgdheid van de nieuwe lidstaten na de bekendmaking van de Commissie dat de invoering van het systeem uitgesteld is. Het gaat echter om technische problemen met het systeem waarvoor het Europees Parlement niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Tot slot wil ik de lidstaten vragen niet op het laatste moment nog eisen te stellen die het door alle instituties goedgekeurde compromis in gevaar zouden brengen, en zonder verder uitstel in te stemmen met deze tekst, die noodzakelijk is vanuit het oogpunt van vrij verkeer.
Henrik Lax, namens de ALDE-Fractie. – (SV) In korte tijd hebben wij schaduwrapporteurs samen met de rapporteur alle wetsvoorstellen goedgekeurd die nodig zijn om het Schengengebied zodanig uit te breiden dat het ook de nieuwe lidstaten omvat. Ik wil een zeer speciaal woord van dank richten tot rapporteur Coelho en tot de schaduwrapporteurs voor de zeer goede samenwerking en het goede resultaat van ons werk.
Er is echter een spelbreker en dat is het tijdschema. Hoewel we ons uiterste best hebben gedaan om de interne grenzen zo snel mogelijk te kunnen afschaffen, zal de uitbreiding van Schengen vertraging oplopen. Hoeveel vertraging is nog niet duidelijk. Wij in de liberale fractie vinden niet dat we bevredigende antwoorden van de Raad en de Commissie hebben gekregen op de vraag waardoor er een vertraging is ontstaan, die bovendien lang dreigt uit te vallen. Elke burger die op het einde van de interne grenscontroles wacht, heeft het recht om te horen te krijgen waar het probleem ligt. Daarom stellen wij voor dat de Commissie onmiddellijk een onafhankelijk onderzoek instelt naar de oorzaken van de vertraging.
Het Schengengebied is een van de meest succesvolle projecten van de EU. De afschaffing van de interne grenzen is een zeer concrete bijdrage aan het scheppen van een gemeenschappelijke Europese identiteit. Men kan wel zeggen dat dat een van de meest fundamentele opdrachten van de Unie is.
Tijdens de voorbereidingen voor SIS II was de invoering van biometrie – dat wil zeggen het invoeren van vingerafdrukken in gegevensbanken – misschien wel de meest controversiële kwestie. De oplossing om biometrie in twee fasen in gebruik te nemen is gelukt. In de eerste fase mocht men de identiteit van een persoon alleen maar vaststellen aan de hand van vingerafdrukken. De tweede fase zou inhouden dat men ook onderzoek mocht doen met biometrische kenmerken.
Ik ben ervan overtuigd dat biometrie slechts met zeer grote voorzichtigheid en onderscheidingsvermogen moet kunnen worden gebruikt. In het SIS II-systeem is het gebruik daarentegen betrekkelijk weinig controversieel, omdat deze databank voor het grootste deel gegevens bevat over mensen die door de autoriteiten worden gezocht.
Controversiëler is echter het gebruik van vingerafdrukken in de toekomstige gemeenschappelijke Schengenvisa, die ook zullen worden verstrekt door de nieuwe lidstaten. Daarbij gaat het in de meeste gevallen om toeristen, familieleden en zakenlieden die nooit problemen met de autoriteiten hebben gehad.
Voor het visumsysteem is het gebruik van biometrische kenmerken zowel technisch als administratief een veel groter probleem dan in SIS II. Voor die visa moeten elk jaar de vingerafdrukken van 20 miljoen personen worden genomen. Daarom zou het voor de regeringen belangrijk zijn om reeds nu te overwegen om in elk geval in het begin de vingerafdrukken buiten het systeem te laten. Anders is het gevaar groot dat de uitbreiding van het Schengengebied ook op dit belangrijke terrein vertraging oploopt, en dat willen wij echt niet zien gebeuren.
Carl Schlyter, namens de Verts/ALE-Fractie. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de heer Coelho voor zijn inspanningen om dit voorstel te verbeteren. Het is belangrijk dat wij de gegevensbescherming uitbreiden, en het Europees Parlement probeert dat dan ook te doen. Het is belangrijk dat mensen te weten krijgen welke gegevens over hen worden vastgelegd, met een goede motivering.
Ik heb de indruk dat Schengen, inclusief het Schengen Informatie Systeem, van het begin af aan met problemen te kampen heeft gehad. In de praktijk hebben we een eenvoudige grenscontrole vervangen door de mogelijkheid voor autoriteiten om de mensen permanent te controleren als die goed en wel in het land zijn. Wat hier wordt voorgesteld, is een uitbreiding van het aantal autoriteiten dat toegang krijgt tot de gegevens. Dat betekent dus meer gebruik van deze gegevens, en daarom moeten we nog voorzichtiger zijn met de gegevens die we invoeren. Om die reden vind ik het ongepast om biometrische gegevens in te voeren.
Toen de Verenigde Staten bespraken of ze dit zouden doen, lieten ze hun Rekenkamer de mogelijkheden onderzoeken. Men kwam tot de conclusie dat er een groot risico was dat velen die het recht hebben om naar de EU te komen niet binnenkomen of – wanneer men de veiligheidsmarges kleiner maakt – dat degenen die men wil tegenhouden toch binnenkomen. Er zijn veel personen, bijvoorbeeld hard werkende mensen met slechte vingerafdrukken, die niet met zekerheid kunnen worden geïdentificeerd met behulp van vingerafdrukken. Het gevaar bestaat dat onschuldigen worden afgewezen en dat schuldigen door de mazen glippen.
Biometrische gegevens zijn ook heel erg duur. Het is onaanvaardbaar dat men ruimer gebruik maakt van de mogelijkheid om nu op deze gegevens te kunnen zoeken, en het is evenmin aanvaardbaar dat daartoe zal worden besloten via een comitologieprocedure. Biometrische gegevens zijn een schending van de integriteit, vooral omdat ze heel goed onschuldigen kunnen treffen. Die weg moeten we niet inslaan.
Sommige regeringen willen nu op het laatste moment invoeren dat de veiligheidspolitie toegang tot deze gegevens krijgt. Dan vervalt het hele beginsel van gegevensbescherming, het hele beginsel dat een mens recht heeft om te weten wat er over hem of haar wordt geregistreerd, het hele beginsel van de rechtsstaat. Volgens mij is het maar beter dat de Raad deze discussie van de agenda afvoert. De veiligheidspolitie heeft geen recht op deze informatie.
Sylvia-Yvonne Kaufmann, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vicevoorzitter, SIS II is noodzakelijk, temeer daar de burgers van de nieuwe lidstaten met dit systeem hun recht op vrijheid van verkeer in de Unie ten volle kunnen uitoefenen. Desondanks zal mijn fractie tegen de ontwerpverordening stemmen, en wel om de volgende twee redenen.
De eerste reden heeft betrekking op de bescherming van gegevens. Bij SIS II gaat het niet alleen om het vrije verkeer van personen, maar ook en vooral om de samenwerking tussen politie en justitie en om een onderzoeksysteem. De huidige bepalingen inzake gegevensbescherming in het kader van de derde pijler schieten zoals bekend tekort. Het is hoog tijd dat we het kaderbesluit aannemen over de bescherming van persoonsgegevens om een balans te vinden tussen burgerrechten en veiligheidseisen.
Dit kaderbesluit, waar het Parlement onlangs met eenparigheid van stemmen steun aan heeft verleend, is echter in de Raad blijven steken. We horen dat daar nog steeds sprake is van stevige voorbehouden, die zich in heldere bewoordingen als volgt laten vertalen: we weten op dit moment niet wanneer dit kaderbesluit in werking treedt, noch of de Raad wijzigingen zal aanbrengen in de inhoud ervan. Met het oog op de burgerrechten moet echter worden gezorgd voor een adequate gegevensbescherming, en wel voordat een databank van deze grootte wordt opgezet.
De tweede reden is dat de opname van biometrische gegevens in allerlei opzichten problematisch is. Om te beginnen is er niet voorzien in een effectbeoordeling inzake het gebruik van biometrische gegevens in een systeem met een dergelijk grote omvang. Daarnaast worden de voorwaarden waaronder de gegevens worden opgenomen niet afdoende geregeld. Bovendien is het voor mijn fractie onaanvaardbaar dat het Parlement niet mag meebeslissen over de vraag wanneer biometrische gegevens als primair zoekcriterum mogen worden gebruikt.
Bij wijze van afronding wil ik de rapporteur, onze collega Coelho, bedanken voor de goede samenwerking. In dit verband wil ik echter nadrukkelijk stellen dat ik absoluut geen begrip heb voor de wijze waarop de Raad, met name onder druk van de regering van mijn land, met het Parlement is omgegaan. Het is onaanvaardbaar dat er na afsluiting van de triloog opeens nieuwe eisen op tafel worden gelegd en dat het Parlement het pistool op de borst wordt gezet.
Dat geldt eens te meer als men weet wat de inhoud is van de chantagepoging die van Berlijn is uitgegaan. In tegenstelling tot de politie, dames en heren, hebben de geheime diensten niets te zoeken in SIS II. Deze diensten leiden een eigen leven – dat hebben we maar al te vaak kunnen vaststellen –, en tegen die achtergrond zouden we de deuren naar SIS II niet nog verder moeten opengooien.
Roberts Zīle, namens de UEN-Fractie. – (LV) Mijnheer de Voorzitter, ik wou dat ik opgetogen kon zijn over het feit dat het Europees Parlement zich in de vergaderperiode van oktober zal buigen over dit pakket van drie documenten en dat we waarschijnlijk redelijk snel tot een besluit zullen komen, wat tevens betekent dat er sprake zal zijn van een medebeslissing. Hoewel ik mij zeer wel kan vinden in het hoofdstandpunt van de rapporteur, dat berust op de gebruikelijke opstelling van het Europees Parlement, en hoewel er over vraagstukken is gedebatteerd die er echt toe doen – met uitzondering dan van kwesties die naar mijn mening helemaal niet belangrijk zijn, zoals de vestigingsplaats van het communautaire agentschap -, hebben wij vergeten met de bevolking te communiceren en niet beseft hoeveel tijd er inmiddels verloren is gegaan. Voor de mensen in de lidstaten is het moeilijk te bevatten waarom de technische, financiële en menselijke hulpbronnen voor de binnengrenzen van de nieuwe lidstaten pas twee jaar later dan gepland worden ingezet en waarom de rechten uit hoofde van het Schengenverdrag niet eerder dan in 2009 naar de burgers van de nieuwe lidstaten worden uitgebreid. Eigenlijk vinden de burgers van de nieuwe lidstaten het Schengengebied van veel grotere symbolische waarde voor de eenheid van de Europese Unie dan de Europese grondwet.
Johannes Blokland, namens de IND/DEM-Fractie. – Voorzitter, de Europese Unie is vandaag druk bezig met het versterken van de bewaking van de buitengrenzen en dat is belangrijk, maar wij hebben ook nog onze binnengrenzen en incidenten rond de grensoverschrijding van verdachten roepen vragen op over de controle van die binnengrenzen. Mijns inziens is Schengen een romantisch concept. In de Europese Unie profiteren niet alleen onschuldige burgers van het vrije verkeer van personen, ook de 27-jarige Hoessein Osman, een van de verdachten van de aanslagen in Londen, kon ongestoord met de trein naar Rome reizen en dat kan niet de bedoeling zijn van Schengen.
Er zal dus meer en gerichter moeten worden gecontroleerd en dat hoeft niet uitsluitend aan de landsgrenzen, dat kan ook op veerboten, vliegvelden en treinverbindingen. Een goed werkend informatiesysteem zoals SIS II kan daarin ondersteunen. Terug naar de tijd van vóór Schengen is geen optie. Het vrij verkeer van personen is nu eenmaal inherent aan en voorwaarde voor een goed functioneren van de Europese Unie.
Marek Aleksander Czarnecki (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het Schengen-informatiesysteem is een zeer complex systeem voor overdracht van informatie, aangesloten op een gegevensbank. In zijn huidige vorm kan dit systeem door maximaal 18 deelnemende landen worden gebruikt. Bij het ontwerp is geen rekening gehouden met een uitbreiding van het systeem om de nieuwe lidstaten van de Europese Unie op te nemen. Onder meer om deze reden moest een nieuw Schengen-informatiesysteem van de tweede generatie worden ontworpen, SIS II. De nieuwe lidstaten willen snel mogelijk toetreden tot dit systeem. Dit was oorspronkelijk gepland voor oktober 2007, maar drie weken geleden heeft de Europese Commissie ingestemd met een vertraging van een jaar. Commissaris Frattini heeft verklaard dat het nieuwe Schengen-informatiesysteem SIS II op zijn vroegst in juni 2008 operationeel kan zijn. Dat is echter niet helemaal waar, omdat die datum alleen geldt voor de oude lidstaten. De nieuwe lidstaten, zoals bijvoorbeeld Polen, worden pas later aangesloten en onze deskundigen schatten dat dat wel kan duren tot halverwege 2009. Met zo’n vertraging kunnen we niet akkoord gaan. We begrijpen dat het systeem goed moet worden doordacht, maar aansluiting halverwege 2009 is niet aanvaardbaar. Wij willen dat onze burgers zich bij hun reizen volwaardige burgers van de Europese Unie kunnen voelen.
Barbara Kudrycka (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik Carlos Coelho en alle fracties hartelijk danken voor hun evenwichtige en doordachte werk aan het pakket SIS II. Ik vind echter, net als de rapporteur, niet aanvaardbaar dat de Raad nog wijzigingen heeft aangebracht bij het compromis dat al was bereikt in de triloog. Daarom moeten we nu alle zeilen bijzetten om het wetgevingspakket in de eerste lezing te kunnen goedkeuren. Het pakket SIS II brengt meer veiligheid, een betere bescherming van de persoonsgegevens, en een strengere grenscontrole. Door deze wetgeving zal ook de vrijheid en veiligheid toenemen voor alle burgers die in de Europese Unie wonen en reizen, en niet alleen voor de burgers van de nieuwe lidstaten. Maar net zo belangrijk als de goedkeuring van wetgeving is de tenuitvoerlegging ervan, dus we kijken uit naar een debat in aanwezigheid van commissaris Frattini over de invoering van SIS II. Ik wil erop wijzen, dat tot nu toe nog geen informatie is verstrekt aan het Parlement over de redenen en de duur van de vertraging bij het ontwerp van de kern van SIS II. Wij wachten dus vol ongeduld op de door commissaris Kallas aangekondigde conclusies uit het auditverslag over het werk van de Europese Commissie aan de constructie van SIS II. Zowel dit auditverslag als de komende top van de Europese Raad, die zal beslissen over het tijdpad voor de afschaffing van de grenscontroles met de nieuwe lidstaten, zijn mooie aanleidingen voor discussie over dit voor gewone burgers zo belangrijke thema. SIS II komt er om de verplichtingen na te komen die zijn aangegaan op het hoogste niveau in het Verdrag van Amsterdam, in het Toetredingsverdrag en in het Programma van Den Haag. De uitvoering ervan is een kwestie van geloofwaardigheid voor de Europese Unie. Het is een test of de EU haar verplichtingen nakomt en of de EU in staat is de burgers de beloofde concrete voordelen en goederen te leveren.
Edith Mastenbroek (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag de heer Coelho bedanken voor zijn voortreffelijke werk ten aanzien van dit dossier. Het is tenslotte dankzij hem en zijn onderhandelingsvaardigheid dat de besluitvormingsprocedure over dit belangrijke en complexe wetgevingspakket op tijd voltooid is. De heer Coelho heeft tijdens dit proces voor een aantal moeilijke keuzes gestaan. Met recordsnelheid wetgeving produceren is efficiënt, maar deze efficiëntie gaat ontegenzeggelijk ten koste van de transparantie.
Mijn fractie maakt zich zorgen over het ontbreken van gegevensbescherming in verband met het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie. De Raad is uiteindelijk akkoord gegaan met een verwijzing naar het kaderbesluit over de bescherming van persoonsgegevens in de derde pijler. Een dergelijke verwijzing is wel het minste wat we kunnen doen om onze burgerrechten te beschermen en we zijn er nog niet – nog lang niet. De Raad stond aanvankelijk afwijzend tegenover de verwijzing omdat er nog geen besluit was genomen. Dat klopt, maar hoe komt dat? Is het niet juist de Raad die de zaak afremt? En is niet juist de Raad erop gespitst om het besluit zodanig af te zwakken dat er nauwelijks nog iets te beschermen valt?
Ik kan het niet laten om te verwijzen naar het aanbod van de Duitse regering om gegevensbescherming in de derde pijler tijdens haar voorzitterschap tot een prioriteit te maken, mits we ermee instemmen om in de eindfase nog een aantal fundamentele wijzigingen aan te brengen. Dat geeft wel een zeer bittere nasmaak na de niet nagekomen belofte van de Britse regering om over de brug te komen als het Parlement akkoord ging met het voorstel inzake het bewaren van gegevens en nadat het Oostenrijkse en het Finse voorzitterschap er beide niet veel voor schenen te voelen om de zaak voort te zetten, maar het voorstel nu toch afzwakken. Jawel, Duitse regering, u zult dit onderwerp tot prioriteit moeten maken, maar niet in ruil voor een gunst. U zult dat moeten doen omdat burgers het verdienen en wel nu. Door het ontbreken van gegevensbescherming is het des te prangender dat het Parlement gevraagd wordt om zijn besluitvormingsrechten met betrekking tot biometrische gegevens af te staan. Nogmaals, het is allemaal omwille van de efficiëntie, maar het gaat ten koste van de transparantie en dus de democratie.
Waarom stel ik ondanks de kritiek dan toch voor om vóór te stemmen? Om diverse redenen. Ik zal er slechts enkele noemen. De burgers van Europa lijken zich niet zo druk te maken over medebeslissingsprocedures of kaderbesluiten, maar ze maken zich wel zorgen over het toenemend aantal gestolen auto’s dat in Oost-Europese lidstaten terecht komt en ze willen dat wij de nodige stappen nemen om die groeiende tak van misdaad te bestrijden. Een gebied zonder binnengrenzen moet ook een gezamenlijke aanpak van illegale immigratie hebben. Ook al is dit voor velen van ons nog zo’n moeilijke kwestie, er moet een gemeenschappelijk instrument komen om de aanwezigheid van illegale immigranten het hoofd te kunnen bieden. Het Schengeninformatiesysteem zal ook meer betekenis en inhoud toevoegen aan het Europees aanhoudingsbevel en zal door de grotere samenwerking van onze politie en veiligheidsmacht de rol van Europol en Eurojust versterken.
Marco Cappato (ALDE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik wens de rapporteur te feliciteren.
Ik meen dat het grote mysterie de enorme technische vertraging is bij de voorbereiding van het SIS. Je zou bijna aan politieke opzet denken voor het feit dat het SIS in plaats van een instrument dat het vrije verkeer garandeert een instrument dreigt te worden dat steeds meer toegesneden is op veiligheidsvereisten. Die hebben natuurlijk ook hun legitimiteit, maar toch geloof ik dat het te ver gaat indien men – zoals de Duitse regering schijnt te willen – deze databanken ook toegankelijk wil maken voor de geheime diensten.
Deze ontwikkeling en een steeds intensiever gebruik van biometrie zijn het dreigende resultaat – laten we zeggen het technisch noodzakelijke resultaat – van een bekrompen beleid op het vlak van het vrije verkeer en immigratie. Daarom meen ik dat de reden van deze technische vertraging dan ook niet anders dan bij uitstek van politieke aard kan zijn.
Giusto Catania (GUE/NGL). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik denk dat achter het lovenswaardige doel van het vrije verkeer van de burgers in de lidstaten van de Unie en de afschaffing van de binnengrenzen een onaanvaardbaar instrument schuilgaat. Het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie leidt tot nieuwe vormen van sociale controle, en het buitensporige gebruik van biometrische gegevens vormt in feite een aantasting van de bescherming van persoonsgegevens.
Wij zijn bezorgd, omdat er de laatste tijd door het toepassen van een ware vorm van controle misbruik is gemaakt van deze gegevens. Zoals we al herhaalde malen hebben gezegd, vinden wij het onaanvaardbaar dat deze gegevens in handen komen van de geheime diensten. Wij zijn bezorgd omdat een administratieve functie nu verwordt tot een instrument voor politiecontrole.
Hoewel we waardering hebben voor het lovenswaardige werk van collega Coelho, zal onze fractie tegenstemmen. Wij menen dat we in plaats van te debatteren over het vrije verkeer van de burgers van de Unie het nu hebben over hun totale controle.
Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de vertraging van de uitbreiding van het Schengen-gebied zal voor de nieuwe lidstaten zowel politieke als financiële gevolgen hebben. Politieke gevolgen omdat de verdeling waarbij sommigen gelijker zijn dan anderen in de Europese Unie niet alleen blijft bestaan, maar zelfs verergert. Maar ook de financiële gevolgen zullen aanzienlijk zijn, omdat het leeuwendeel van de kosten van deze vertraging voor rekening van de nieuwe lidstaten komen. Daarom hoop ik, dat de kosten voor het grootste deel gedekt zullen worden door de begroting van de Europese Unie, zoals is gevraagd door de acht landen die zich hebben verenigd in het Forum van Salzburg. Ik verwacht ook dat de Commissie in het vervolg open kaart zal spelen met de nieuwe lidstaten. De Commissie wist al veel langer van deze grote vertragingen, maar wilde ze niet openbaar maken. Erger nog, het is de bedoeling dat de oude lidstaten kunnen worden aangesloten op SIS II in juni 2008, maar de nieuwe lidstaten pas veel later, misschien pas aan het eind van 2009. Een dergelijke discriminatie van de nieuwe lidstaten is simpelweg onaanvaardbaar.
Georgios Karatzaferis (IND/DEM). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, de vraag is hoe doelmatig de Schengenovereenkomst tot nu toe is geweest. Heeft zij de islamisten in Madrid tegengehouden? Heeft zij fanatieke islamieten in heel Europa tegengehouden? Heeft zij ze tegengehouden in Londen? Waarom passen wij ze dan toe, als we Europa toch niet kunnen verdedigen?
Zegt u mij, bestaat er een kustwacht in de Egeïsche Zee? Hier hebt u de grenzen van Europa niet bepaald. Elke dag proberen tweeduizend mensen Griekenland binnen te komen en evenzoveel Spanje. Bijgevolg maken wij het hun makkelijk. Wanneer ze Griekenland zijn binnengekomen, kunnen ze ook in Italië, Duitsland, Frankrijk binnen. We maken het hun makkelijk met het afschaffen van de binnengrenzen. Wat winnen wij erbij? Nu willen we een tweede generatie. Wat geven wij aan de burgers? Echelon, dat telefoongesprekken controleert, overal camera's, Schengen voor het opslaan van persoonsgegevens. Wij creëren dus een democratisch deficit, zonder er iets bij te winnen.
Uiteraard zal ik stemmen tegen deze toepassing, die de democratie schaadt.
Koenraad Dillen (NI). – Voorzitter, collega's, de essentiële vraag in dit debat is de volgende: hoe kan het toekomstige aangepaste Schengen-informatiesysteem ingeschakeld worden in een gezamenlijke Europese strategie ten aanzien van de twee grootste uitdagingen waar Europa vandaag voor geplaatst staat, te weten de massale illegale immigratie waarvan we dagelijks de gevolgen zien, en het gevaar van het islam-terrorisme? Dat is de centrale vraag in dit hele debat.
Een informatiesysteem, waaraan alle landen ten volle meewerken, dat een functionele uitbreiding krijgt ten aanzien van het oorspronkelijke systeem, zou goede diensten kunnen bewijzen bij het opsporen en uitwijzen van illegale immigranten en ook in de strijd tegen terreur. Maar dit informatiesysteem kreeg vorig jaar al een serieuze klap te verwerken, toen het Europees Hof van Justitie bepaalde dat een land niemand de toegang mag weigeren, alleen omdat hij vermeld staat in het systeem als een gevaar voor de openbare orde. Het Hof bepaalde immers dat een land zelf moet kunnen vaststellen of de betrokkene een bedreiging vormt.
Dieperliggende en meer fundamentele vraag is of de individuele lidstaten zelf wel de Schengen-logica en de geest van het Schengen-systeem aanvaarden. Zo zijn regularisaties van illegalen, mensen die op een onwettige manier het Schengen-gebied hebben betreden, een manifeste schending van de Schengen-overeenkomst. Kortom, het informatiesysteem dient binnen een breder kader te worden geplaatst. Het is enkel zinvol als de lidstaten doelmatig de buitengrenzen bewaken, een actief en consequent opsporings- en uitwijzingsbeleid voeren en keihard optreden tegen de mensensmokkelaars die veel geld verdienen aan nauwelijks bewaakte buitengrenzen.
Kinga Gál (PPE-DE). – (HU) De integratie van de Europese Unie heeft een nieuwe mijlpaal bereikt met de stemming in het Europees Parlement over de regelgeving die voorziet in de wettelijke basis voor het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie. Het Parlement heeft te kennen gegeven dat het alles zal doen wat in zijn vermogen ligt om te verzekeren dat de beloften die in de loop van het uitbreidingsproces zijn gedaan worden nagekomen en dat de nieuwe lidstaten zo spoedig mogelijk aan het Schengensysteem kunnen deelnemen. Wij zijn dank verschuldigd aan de rapporteur, die al het mogelijke heeft gedaan om deze doelstelling te verwezenlijken.
Het is van groot belang dat het Parlement en de Raad in eerste lezing overeenstemming bereiken, juist om verdere vertraging te voorkomen. Het is dan ook vreemd dat, terwijl wij hier in het Parlement toewerken naar de zo spoedig mogelijke vaststelling van het juridisch kader en bereid zijn compromissen te aanvaarden, de regeringsvertegenwoordigers in de Raad stemmen over passages die een oplossing beslist zullen vertragen. De belangrijkste vraag op de weg naar de opheffing van de binnengrenzen in het kader van Schengen is wanneer de nieuwe lidstaten aan het Schengeninformatiesysteem kunnen deelnemen. Volgens de Commissie is hierbij sprake van aanzienlijke vertraging. Er wordt beweerd dat de voltooiing van SIS II langer heeft geduurd dan verwacht en volgens de Commissie liggen technische oorzaken hieraan ten grondslag, maar wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat er politieke redenen achter de vertraging schuilen. De vraag is echter: rechtvaardigt een en ander het bestaan van de huidige situatie die duidelijk discriminerend is? Is het niet onverantwoordelijk de nieuwe lidstaten met een dermate groot veiligheidstekort te belasten?
Een van de grootste uitdagingen, niet alleen voor Hongarije, maar ook voor de andere nieuwe lidstaten, is de volledige toetreding tot het Schengenverdrag. De bevolking vindt dat dit een van de stappen is die geloofwaardigheid geven aan de uitbreiding. We moeten daarom open staan voor elke oplossing die ons in staat stelt binnen de geplande deadline aan dit systeem deel te nemen. De Commissie, de Raad en het Parlement dragen wat dat betreft een grote verantwoordelijkheid.
Magda Kósáné Kovács (PSE). – (HU) Wij zijn op een bijzonder belangrijk punt in een lang proces aanbeland. We willen iedereen bedanken die aan dit proces heeft deelgenomen, met name de rapporteur.
Niettemin zijn we niet helemaal gelukkig met de huidige situatie, omdat er binnen de Unie een situatie dreigt te ontstaan die leidt naar verschillende niveaus van lidmaatschap, en dat vinden wij onaanvaardbaar. Het is niet zeker dat de nieuwe lidstaten in oktober 2007 aan het nieuwe Schengensysteem kunnen deelnemen, en dat terwijl de opheffing van de binnengrenzen een van de grootste wapenfeiten is van de Europese Unie, met name voor de burgers van de nieuwe lidstaten die onder het dictatoriale regime van destijds slechts binnen buitensporig strikte beperkingen naar de 'oude' lidstaten mochten reizen. De openstelling van de grenzen krachtens Schengen zorgt er enerzijds voor dat de nieuwe EU-burgers meer het gevoel krijgen deel uit te maken van de Gemeenschap en anderzijds dat het vertrouwen van de oude in de nieuwe lidstaten kan toenemen. De vraag waartoe wij toetreden en wanneer is daarom heel belangrijk.
De vertraging die nu door de Commissie officieel is toegegeven, hebben wij als een schok ervaren. Wij weten dat adequate garanties voor de veiligheid van het nieuwe systeem noodzakelijk zijn, maar de opening van de grenzen is voor de nieuwe lidstaten ook een morele kwestie. Er zijn anderen die onze mening delen, zoals blijkt uit het Portugese voorstel. Als afgevaardigde van een nieuwe lidstaat zit ik hier met gemengde gevoelens. Ik ben blij dat er solidariteit bestaat onder de lidstaten, maar ik betreur het dat onze deelname aan SIS I momenteel nog niet zeker is. Wat wel vaststaat is dat al die vertraging budgetoverschrijdingen met zich mee zal brengen.
Kyriacos Triantaphyllides (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, het Schengen Informatiesysteem van de tweede generatie is de verbeterde versie van de databank met de gegevens van de burgers van de Europese Unie en van derde landen, zogenaamd om de openbare orde in de Europese Unie te beschermen.
Als we spreken over het Schengen Informatiesysteem van de tweede generatie moeten we duidelijk zijn. We spreken niet zomaar over een technisch snufje dat leidt tot een betere werking van de Unie, maar over een instelling van strategische betekenis, waarmee de repressiekrachten een grotere rol krijgen bij het bestrijden van terreur en het beheren van de migratie, zonder enige aandacht voor gegevensbescherming en zonder garantie dat die gegevens niet aan derde landen zullen worden doorgespeeld.
Eigenlijk gebeurt net het tegenovergestelde, aangezien de Unie instemt met de mogelijkheid van gegevensoverdracht door Europol en Eurojust aan de geheime diensten van derde landen, zoals van de VS. Wij zijn dus allemaal potentiële terroristen of misschien legt de nieuwe orde tegelijk een nieuwe rechtsorde op, waarbij onze vrijheden eerst moeten worden doorgelicht door de geheime diensten vooraleer we ervan kunnen genieten? En daarover zouden wij ons geen zorgen mogen maken?
Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). – (LT) Om te beginnen wil ik de heer Coelho bedanken, die op onze vergadering van vandaag heeft gezegd dat SIS II een heel nuttig systeem is voor de nieuwe EU-lidstaten, die gepland hadden in het najaar van 2007 tot het Schengengebied toe te treden.
Ik wijs erop dat mijn land, Litouwen, zich terdege heeft voorbereid op het lidmaatschap van Schengen, zoals bleek uit een recente gereedheidsinspectie verricht door Europese deskundigen van de Commissie. Uiteindelijk is het vrije verkeer van personen, dat door de uitbreiding van Schengen moet worden gewaarborgd, een van de belangrijkste vrijheden waarop de Europese Unie berust.
Helaas is ons onlangs meegedeeld dat de uitbreiding van Schengen wordt uitgesteld vanwege technische problemen; het voorbereidingswerk voor het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) is niet op tijd af.
Ik ben het volmondig eens met de ideeën die de rapporteur heeft verwoord, waaraan ik wil toevoegen dat wij er bij de Commissie op moeten aandringen uitgebreide en transparante gegevens en onderzoeksresultaten bij het Parlement in te dienen, waarin wordt uitgelegd hoe het hoofdproject van SIS II ten uitvoer wordt gelegd en wat de redenen voor de vertraging zijn.
Daarnaast moeten wij er bij de Commissie en de Raad op aandringen stappen te ondernemen die ertoe leiden dat de oorspronkelijke datum waarop de nieuwe EU-lidstaten tot Schengen zouden toetreden, wordt nageleefd.
Is dat niet mogelijk, dan moeten wij de Commissie ertoe aanzetten een uitgebreide beoordeling te maken van de gevolgen van het uitstel, waarin wordt aangegeven wat de kosten zijn om de financiële en organisatorische kosten te dekken die voortvloeien uit de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van SIS II en wie voor deze kosten aansprakelijk is.
Stavros Lambrinidis (PSE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, met Schengen II vinden we, in positieve of in negatieve zin, niet bepaald het wiel uit. De Europese Schengenruimte bestaat al voor het vrije verkeer en de veiligheid. Wij waren de nieuwe lidstaten solidariteit verschuldigd en wij waren solidariteit verschuldigd, die we hiermee tonen, omdat de Commissie heeft aangekondigd dat het nog enige jaren zal duren vooraleer het systeem klaar is.
Met Schengen II moeten we echter ook garanderen dat de grondrechten beter worden beschermd dan met Schengen I. Dankzij de amendementen van het Europees Parlement bevat Schengen II gedetailleerdere regels voor de gegevensbescherming, voorziet het in communautaire controle en aansprakelijkheid voor de werking van het systeem, in controle door het Europees Parlement en jurisprudentie van het Europees Hof, verbiedt het de toegang tot derde landen en voorziet het in actieve controle door de Europese Toezichthouder op Gegevensbescherming en in grotere transparantie.
Tegelijk blijven de ministers jammer genoeg weigeren het alarmsysteem te harmoniseren. Wat betekent “duidelijke aanwijzingen dat iemand een ernstige misdaad heeft begaan”? We praten hier over mogelijk machtsmisbruik door overijverige politiediensten. Gelukkig zal de Commissie het systeem in drie jaar proberen te harmoniseren, maar u zult er hard aan moeten werken, commissaris Frattini.
Tot slot hebben we geen gegevensbescherming in de derde pijler. De Raad heeft het Parlement beloofd hiervoor te zorgen, maar er is niets van in huis gekomen. Laten wij ons voor de gek houden? We keuren nu een maatregel goed waardoor politiediensten en andere instanties persoonlijke gegevens kunnen uitwisselen. Toch weigert de Raad de maatregel voor gegevensbescherming op te nemen en zet hij ons onder druk om dit voorstel aan te nemen.
Ik dank u, Voorzitter, maar u kunt ervan op aan dat het Parlement luidkeels zal protesteren als dit kaderbesluit er niet meteen komt.
Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) De afgelopen dagen hebben de massamedia in de nieuwe lidstaten uitvoerig aandacht besteed aan de twijfels over de oorspronkelijke uiterste termijn voor de toetreding tot het Schengengebied in oktober 2007.
Voldoen aan de uiterste termijn is een voorwaarde voor de invoering van het Schengeninformatiesysteem van de nieuwe generatie (SIS II). Ik acht de drie verslagen van de heer Coelho in dat opzicht van groot belang. Ik prijs hem om zijn werk met inbegrip van de amendementen die zijn opgesteld om het voorstel van de Commissie transparanter te maken en om te verzekeren dat de Raad bij de eerste lezing de consensus accepteert.
Ondanks het feit dat de drie verslagen meer gericht zijn op technische zaken dan op de herhaaldelijk besproken datum van uitbreiding van het Schengengebied, zal een probleemloze aanvaarding en tenuitvoerlegging ervan bepalend zijn voor de omstandigheden waaronder de uiterste termijn van 2007 nog steeds haalbaar zou kunnen zijn.
Uitstel van de invoering van het Schengensysteem zou ongetwijfeld een stijging met zich meebrengen van de uiteindelijke kosten om het systeem te voltooien. Alleen al in het geval van Slowakije bedroegen de kosten circa 6 miljoen euro. Vertraging achten wij derhalve onaanvaardbaar.
In het Haags Programma van 5 november 2004 riep de Europese Raad de Raad, de Europese Commissie en de lidstaten op alle mogelijke stappen te ondernemen om de grenscontroles aan de binnengrenzen van de Europese Unie zo spoedig mogelijk af te schaffen. We zijn inmiddels bijna twee jaar verder, en de burgers van de lidstaten kunnen niet begrijpen waarom de Europese Commissie nu pas de technische en juridische problemen aanpakt die verband houden met de tenuitvoerlegging van SIS II.
Tot slot pleit ik ervoor tot een consensus te komen en de wetgeving bij de eerste lezing in het Parlement aan te nemen. Daarmee voorkomen wij dat de Europese Unie in de ogen van haar burgers haar geloofwaardigheid verliest als gevolg van ondoelmatige bureaucratie.
Inger Segelström (PSE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren toehoorders, geachte Parlementsleden, ik wil de heer Coelho en anderen bedanken voor hun goede werk.
De landen die konden meedoen aan het SIS hebben directe resultaten gezien van opsporingsregisters in onze strijd tegen de grensoverschrijdende criminaliteit die zich van het ene EU-land naar het andere verplaatst. Wij zien uit naar een beter ontwikkeld SIS II, waaraan alle 25 – en weldra 27 – landen kunnen deelnemen.
In de verslagen die toegankelijk zijn gemaakt voor de burgers heeft deze samenwerking ons een instrument verschaft om te verhinderen dat eerder veroordeelde personen terugkeren, en ons bovendien een instrument voor de drugsbestrijding gegeven. Ook hebben we een instrument gekregen in de strijd tegen mensensmokkelaars, die kinderen niet alleen binnensmokkelen en vervoeren voor de prostitutie, maar ook om als arbeidskracht te worden uitgebuit. Als SIS II eenmaal is uitgebreid en in gebruik is genomen, kunnen we de burgers een effectief bewijs van samenwerking leveren. Dat vereist echter ook dat we verder strijden tegen de criminaliteit en voor de bescherming van de persoonlijke integriteit.
Er is een dialoog nodig, willen wij kunnen voldoen aan de verwachtingen die men van ons heeft in het algemene debat over vrede, veiligheid en rechtvaardigheid als de grondslag van al ons werk. Maar kan dat debat niet wat sneller plaatsvinden?
Genowefa Grabowska (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, sinds 1985 genieten de burgers van de oude Unie van het vrij verkeer van personen binnen het Schengengebied. Na de uitbreiding bleek er in dit systeem geen ruimte te zijn voor de burgers van de nieuwe lidstaten. Zij worden nog altijd gecontroleerd wanneer ze de grenzen oversteken, en moeten urenlang geduldig in de rij staan bij grensovergangen. De tijd is nu toch wel gekomen om een eind te maken aan deze verdeling tussen de oude en de nieuwe Unie, een verdeling tussen de oude en “betere” Unie, waarvan de burgers genieten van het vrij verkeer dat het Verdrag hen biedt, en de nieuwe en “slechtere” Unie, waar de tijd is blijven stilstaan in het jaar 1985. Is het niet paradoxaal, dat Frontex, het agentschap voor de bescherming van de grenzen van de Unie, weliswaar gevestigd is in Warschau, in een nieuwe lidstaat, maar Poolse burgers, net als de burgers van andere landen, nog altijd niet volledig kunnen profiteren van het vrije verkeer binnen de Europese Unie? Ik hoop dat we de drie verslagen die we vandaag bespreken in eerste lezing kunnen goedkeuren. Laten we die tastbare grens, die als een grote muur de oude en de nieuwe Unie van elkaar scheidt, slechten. Dat is onze plicht. Tenslotte wil ik alle collega’s bedanken, die zich vandaag solidair getoond hebben met de nieuwe lidstaten.
Katrin Saks (PSE). (ET) Als vertegenwoordiger van een nieuwe lidstaat verheugt het me zeer dat de tweede generatie van het Schengen Informatie Systeem bijna is voltooid. Het probleem is echter dat de voltooiing van het informatiesysteem vertraging heeft opgelopen. Waar de Raad in juni nog verklaarde dat alles onder controle was en dat de deadline niet zou veranderen, was de situatie twee maanden later ineens heel anders.
Vandaag is het kennelijk voor iedereen duidelijk dat de uitbreiding van Schengen zal worden uitgesteld, maar het is niet duidelijk hoe lang dat uitstel zal duren. Ik denk dat het voor alle partijen beter zou zijn wanneer er een eerlijk antwoord aan alle betrokkenen zou worden gegeven op de vraag wanneer de toetreding zal plaatsvinden.
De nieuwe lidstaten hebben veel werk verzet, en daar moeten ze mee doorgaan. Ook in Estland hebben we problemen. Ons huiswerk zou echter veel effectiever zijn als er zekerheid over de toekomst zou bestaan. Het vrije verkeer is niet de enige dat belangrijk is; er is ook het feit dat de onzekere situatie wederzijds wantrouwen creëert. Wat denkt de Commissie te gaan doen in deze situatie, en wat worden de deadlines? Dat is op dit moment een zeer belangrijke vraag.
Edith Mastenbroek (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, na maanden van zware onderhandelingen is tweeënhalve minuut gewoon niet genoeg om het Parlement van mijn visie op de hoogte te stellen. Met uw goedvinden maak ik mijn toespraak af.
Het is aan de Europese Commissie en de relevante organisaties binnen de lidstaten om dit nieuwe systeem in het belang van onze burgers in te zetten. Ik doe echter een beroep op het Europees Parlement om eens goed bij zichzelf te rade te gaan over de reden waarom we zo vaak aandringen op een medebeslissingsprocedure om die vervolgens te laten schieten zodra we er echt iets aan hebben, en ook over onze wispelturige houding ten opzichte van gegevensbescherming. We overtuigen burgers echt niet van de toegevoegde waarde van het Europees Parlement door alleen maar voor rechten te strijden. Dat kunnen we alleen maar door ze in het belang van de maatschappij in te zetten.
Konrad Szymański (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, Schengen is een van die EU-projecten, waardoor de burgers van de lidstaten weten wat de voordelen van de Europese Unie zijn. Het maakt reizen gemakkelijk, het verbetert de grenscontrole en de bestrijding van de misdaad. Het Parlement houdt zich aan zijn woord en aan de termijnen, maar de Commissie laat het afweten. Het is nog altijd niet duidelijk wanneer de nieuwe lidstaten kunnen aansluiten op het uitgebreide systeem. Het voorstel SIS I Plus is een stap achteruit omdat hierin verschillende termijnen worden toegepast voor de nieuwe en de oude EU-lidstaten.
Polen heeft, net als andere landen van Midden-Europa, al in 2003 aan de dure en politiek impopulaire eisen jegens haar oostelijke buren voldaan. Ik ben eens benieuwd hoe commissaris Frattini aan de Poolse, Tsjechische en Hongaarse publieke opinie wil uitleggen dat de toetreding tot het Schengen-gebied voor onze landen wordt uitgesteld tot misschien wel 2009.
Ik ben ook benieuwd of we ooit de concrete redenen voor deze vertraging te weten zullen komen. Misschien zijn er in Straatsburg teveel EU-instellingen gevestigd en kan Straatsburg dat allemaal niet aan. Misschien gaat het niet om technische euvels bij de invoering van SIS II, maar is er een politieke onwil bij sommige lidstaten om het verdrag in hun binnenlands beleid na te leven. Zolang ik geen antwoord krijg op deze vragen, blijven deze vervelende twijfels me bekruipen.
VOORZITTER: EDWARD McMILLAN-SCOTT Ondervoorzitter
Franco Frattini , vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat het merendeel van de sprekers de voornaamste problemen heeft genoemd waar het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) mee te maken heeft, en dat een minderheid van hen het heeft gehad over de rechtsgrondslag. Ik zal dus ingaan op de rechtsgrondslag en de grote problemen die de werking van het systeem met zich meebrengt. Maar eerst wilde ik de rapporteur, de heer Coelho, nogmaals bedanken dat hij zo nauw heeft samengewerkt met de Raad, maar ook met de Europese Commissie, om een bevredigend compromis te bereiken over de rechtsgrondslag, waarover ik straks kort iets zal zeggen.
Een aantal van u heeft het gehad over het feit dat de invoering van het systeem van de tweede generatie uitgesteld is. Zoals altijd zal ik er geen doekjes om winden: ik denk dat het spelletje om voortdurend een schuldige te zoeken in plaats van het probleem op te lossen, niet veel zal helpen. Waarom? Omdat de lidstaten, met name de landen waar de mensen die hier het woord hebben gevoerd vandaan komen, maar al te goed weten wat de reden is voor het uitstel. De lidstaten hebben zich al meermaals gebogen over de herziene termijnen voor ingebruikneming, die in december ter goedkeuring zullen worden voorgelegd aan de Raadsvergadering. Eén van u had het over 2009. Ik kan u niet garanderen dat de Raad in december zijn definitieve goedkeuring geeft, maar het voorstel van de Commissie richt zich niet op 2009, maar wel degelijk op juni 2008, om het systeem van de tweede generatie in gebruik te nemen. Wat de vertragingen betreft, nogmaals, deze zijn te wijten aan de puur technische problemen die betrekking hebben op het functioneren van de locaties. De centrale in Straatsburg, waar wij ons bevinden, loopt daarom wat achter op schema. De problemen hebben echter ook te maken met contractuele procedures in een aantal lidstaten, met name in de nieuwe lidstaten.
De lidstaten hebben overigens vrijwel unaniem, in ieder geval met een aanzienlijke meerderheid, om uitstel gevraagd teneinde de technische aansluitingen te testen die de nationale systemen verbinden met de centrale. De lidstaten zelf hebben gevraagd de termijn drie maanden op te schuiven, niet de Raad en niet de Europese Commissie. De Raad en de Commissie hebben toegezegd de vertraging te beperken en zelfs om de opgelopen achterstand in te halen. Ik kan u zeggen dat een werkgroep, die samenwerkt met de Commissie en de lidstaten, is ingesteld om toe te zien op de tenuitvoerlegging van het gewijzigde plan dat ik heb voorgesteld en dat de lidstaten hebben bestudeerd en in december zullen goedkeuren.
Wij zijn bezig met het beoordelen van tijdelijke oplossingen. Zo is het voorstel van Portugal, dat we SIS Plus hebben genoemd, niet meer dan een tijdelijke oplossing om te proberen wat tijd te winnen en beslist geen alternatief voor SIS II. Verder zijn tegemoetkomingen denkbaar, en ik leg me hier binnen dit Parlement op vast, voor de financiële consequenties van het uitstel voor de lidstaten. Ik leg me daarop vast, zij het op één voorwaarde: dat de lidstaten die een verzoek indienen zelf niet achterlopen als het gaat om bijvoorbeeld contractuele procedures. En de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Slovenië tot nu toe het enige land is dat technisch in staat is de oorspronkelijk vastgestelde deadline van oktober 2007 te halen.
Dan nu kort iets over de rechtsgrondslag. Het aan het Parlement voorgelegde voorstel is, zoals de heer Coelho zelf terecht zei, een goed resultaat voor de Europese Unie. De bewaking door de politieautoriteiten wordt doeltreffender, met als gevolg dat de buitengrenzen beter beveiligd zullen zijn, terwijl de bescherming van persoonsgegevens naar behoren blijft. Ik hoop van harte, net als een aantal van u, dat de Raad eindelijk de politieke toezegging van de Oostenrijkse en Finse voorzitterschappen gestand zal doen, en dan heb ik het over het voorstel voor een kaderbesluit om de gegevensbescherming op te nemen in de derde pijler teneinde een overkoepelend systeem tot stand te brengen dat veiligheid koppelt aan bescherming van de grondrechten.
Het Parlement, de Raad en de Commissie hebben aangetoond dat ze in staat zijn samen te werken om een evenwichtig compromis te bereiken. De nieuwe lidstaten dringen terecht aan om het opheffen van de controles aan hun buitengrenzen. Het feit dat we op vrij korte termijn een echte ruimte tot stand brengen waarbinnen alle Europese burgers vrij kunnen verkeren is een van de meest zichtbare resultaten van de uitbreiding van de Europese Unie. Elke vertraging die het gevolg is van de rechtsgrondslag zal een nadelige uitwerking hebben op dit voor Europa belangrijke politieke resultaat, dat een prioritaire doelstelling was van het toetredingsverdrag.
De Voorzitter. De gecombineerde behandeling is gesloten.
De stemming vindt woensdag om 12.30 uur plaats.
17. Immigratie van vrouwen, rol en plaats van geïmmigreerde vrouwen in de EU (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0307/2006) van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, namens de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, over de immigratie van vrouwen: de rol van vrouwelijke immigranten en hun plaats in de Europese Unie (2006/2010(INI)).
Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE), rapporteur. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, het verslag dat ik namens de Commissie rechten van de vrouw mocht opstellen, wil een bijdrage leveren aan het verdiepen van het debat en onze politieke actie betreffende het migratievraagstuk, door migratie van vrouwen als parameter te hanteren.
Deze parameter wordt steeds belangrijker, aangezien in de uitgebreide Europese Unie een gestage toename wordt vastgesteld van het aantal vrouwen uit alle regio's van de wereld. Zij emigreren individueel, als zelfstandige economische migranten, of komen met hun gezinnen mee. Er spelen ook andere redenen mee. Hun aandeel benadert – we hebben geen exacte statistieken – 54 procent van alle migranten.
Vandaag beseffen we allemaal dat onze doelstellingen op het vlak van sociale samenhang rechtstreeks samenhangen met het beheer van de migratiestromen, met het waarderen en integreren van migranten in onze samenlevingen. Bijgevolg vormt de “vervrouwelijking” – staat u mij toe deze term te hanteren – van de migratie een nieuwe uitdaging, die moet worden bestudeerd en een plaats moet krijgen op alle beleidsvlakken. Vrouwelijke migranten, ofwel individueel ofwel als lid van hun gezinnen, kunnen een meerwaarde vormen voor onze samenleving, maar ook voor de landen van herkomst.
In ons verslag wordt gewezen op de problemen waarmee vrouwelijke migranten te kampen hebben. Die problemen houden verband met de discriminatie die zij ondervinden op de arbeidsmarkt en in het onderwijs, meer concreet met de erkenning van diploma's en beroepsvaardigheden. Het zijn problemen die leiden tot werkloosheid en armoede. Er wordt ook verwezen naar de schendingen van de mensenrechten, zoals geweld en seksuele exploitatie, problemen die wij in het Europees Parlement herhaaldelijk hebben besproken en veroordeeld.
Wij willen ook licht werpen op de problemen die vrouwen ondervinden in bepaalde migrantengemeenschappen, waar zij het slachtoffer zijn van culturele en religieuze stereotypen en op die wijze gemarginaliseerd worden. Nog erger zijn de gevallen van gedwongen huwelijken en eerwraak.
De basisoriëntatie in ons verslag en in de ontwerpresolutie is enerzijds de bescherming van de rechten van vrouwelijke migranten en anderzijds een betere integratie op de arbeidsmarkt en in het maatschappelijke leven. Dat betekent in eerste instantie de toepassing van het gemeenschapsacquis inzake het afschaffen van discriminatie, het voorkomen van mensensmokkel, het voorzien in gezinshereniging en de rechten van de vrouw als meereizend gezinslid.
Het verslag erkent het recht van de lidstaten zelf te beslissen hoeveel migranten worden toegelaten op hun grondgebied en op basis van welke regels. Binnen het algemene kader van de nationale wetgeving steunen wij dus het eerbiedigen van de rechten van vrouwen, van hun gezinsrechten en meer bepaald van de rechten van kinderen, in overeenstemming met de internationale verdragen en protocollen.
Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, collega’s, wij erkennen dat integratie een complex en wederkerig proces is. Naast het kader van opvang en eerbied voor de rechten van migrantenvrouwen, dat we moeten toepassen via een goede coördinatie en toepassing van al onze beleidsmogelijkheden, moeten we ernstig samenwerken met de landen van herkomst en met de migrantengemeenschappen in onze samenlevingen om de correcte integratie van migranten en vooral van migrantenvrouwen voor te bereiden, want zij zijn het minst van al op de hoogte van hun rechten en dus ook van de voordelen en plichten die voortvloeien uit die rechten. Deze houden verband met de taal, met onze waarden en beginselen, met de mogelijkheid een carrière uit te bouwen en deel te nemen aan het onderwijstraject van hun kinderen. Zo zal ons streven naar groei en welvaart, maar ook onze strijd voor solidariteit, rechtvaardigheid in de wereld en bescherming van de mensenrechten betere resultaten opleveren.
Ik wil alle fracties van harte danken voor hun rijke bijdragen aan mijn verslag en hun hup om een tekst op te stellen met samenhang, met eerbied voor het subsidiariteitsbeginsel, het communautaire en internationale juridische acquis, met een diepgaande en gedurfde visie op reële problemen en uitdagingen.
Franco Frattini, vicevoorzitter van de Commissie. (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur gelukwensen met haar verslag.
Ik ben het eens met de algemene lijnen van haar betoog, om te beginnen met haar opmerkingen over de toegang tot de arbeidsmarkt. Ik geloof dat de vrouw mede een bijdrage kan leveren aan de totstandbrenging in Europa van een echt evenwichtig en volwaardig ontwikkelings- en arbeidsmarktbeleid. Zoals u ongetwijfeld weet is dit een van de doelstellingen van de Lissabon-strategie en het is met name een instrument om de vrouw volledige integratie in de samenleving en een echt onafhankelijk bestaan te verzekeren. Daarom ben ik het volledig eens met de centrale plaats van het thema werk.
Ik ben het ook eens met de centrale plaats van het thema integratie van de vrouwelijke immigranten. Het leren van de taal van het land van verblijf moet daarbij op de eerste plaats komen, want dat is een fundamenteel element voor integratie in het algemeen: van mannen, vrouwen, jongeren en kinderen. In het bijzonder wat vrouwen betreft stellen we vast dat er een achterstand bestaat bij het garanderen van reële toegang tot het onderwijs van de taal van het gastland. Deze factor vertraagt en bemoeilijkt het integratieproces van migranten.
Zoals de rapporteur terecht opmerkt, is het onderwerp integratie verbonden met de onmisbare interculturele en interreligieuze dialoog. Ik meen dat de Europese Unie gebaseerd is op absolute waarden inzake de eerbiediging van de waardigheid van elke vrouw en man. Daarom kunnen we onder geen enkel beding vernederingen van de waardigheid van de mens, in dit geval van de vrouw, aanvaarden. Dergelijke daden zijn precies het tegendeel van symbolen van integratie.
Ik kijk met zorgen naar mogelijke ontwikkelingen waardoor een vrouw bijvoorbeeld gedwongen is kledingstukken te dragen die de onderworpenheid van haar vrouwelijke status symboliseren, zoals een sluier waardoor haar gezicht volledig bedekt is en niet zichtbaar is. Dergelijke symbolen zijn moeilijk verenigbaar met integratie en doen denken aan de onderworpenheid van de vrouw.
Ik vind het eveneens absurd dat in een aantal Europese landen de zogenaamde eerwraak bestaat. Ik zou dat misdrijf liever “oneerwraak” willen noemen en ik voel me gesterkt in mijn streven nog meer initiatieven te nemen om het af te schaffen. Er moeten juist verzwarende en geen verzachtende omstandigheden voor gelden, omdat de aangevoerde motieven voor eerwraak absolute waarden aantasten als het leven, de lichamelijke integriteit en de persoonlijke waardigheid.
Bij de uitvoering van de Europese richtlijn betreffende gezinshereniging willen wij speciale aandacht besteden aan het tegengaan van gedwongen huwelijken. Ook van dat onderwerp zal ik werk maken. U weet dat die richtlijn bindend is voor de lidstaten en bij de toepassing ervan op nationaal niveau zal ik speciaal letten op vormen van geweld binnen het gezin als gedwongen huwelijken en polygamie, die volgens de wetten van de Europese Unie en de lidstaten niet zijn toegestaan. Tevens zal ik speciale aandacht schenken aan scheiding (van tafel en bed), zodat bij het verbreken van hun huwelijk vrouwen geen tweederangs burgers worden.
In het kader van de richtlijnen betreffende asielzoekers en vluchtelingen meen ik dat we één aspect dienen te benadrukken. Voor het eerst moet discriminatie van vrouwen vanwege hun vrouwzijn als voldoende reden worden beschouwd om de vluchtelingenstatus te verkrijgen. Als vrouwen het slachtoffer zijn van geweld binnen het gezin en genitale verminking of een gedwongen huwelijk riskeren, is dat mijns inziens op zich al voldoende om de status van “vluchteling” te verkrijgen, mits de vrouw aantoont aan die risico’s te zijn blootgesteld.
Tot slot wil ik – ook nu weer in alle oprechtheid – de rapporteur op een onderwerp wijzen waar ik twijfels over heb. Ik doel hier op de volledige gelijkstelling van illegale en legale vrouwelijke immigranten. Ik meen dat er een terrein is waar absolute rechten voor een ieder moeten gelden, zonder onderscheid naar status. Het spreekt vanzelf dat het recht op gezondheidszorg, medische spoedeisende hulp en een bestaansminimum niet ontzegd kan worden louter omdat men gedurende een bepaalde periode – bijvoorbeeld in afwachting van repatriëring – illegaal is.
Er is ongetwijfeld een basis van gemeenschappelijke rechten, maar het komt me voor dat we de twee verschillende statussen niet verder met elkaar moeten verwarren. Voor illegale immigranten bestaan specifieke regels en behandelingen en illegale immigratie is dan ook niet hetzelfde als legale immigratie. Als we beide situaties volledig gelijkstellen geeft dat een gevaarlijk signaal af. Daarom werken wij juist aan een harmonieus Europees beleid voor zowel illegale als legale immigratie.
Amalia Sartori, namens de PPE-DE-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik neem met genoegen het woord om mijn steun uit te spreken voor het verslag van mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou. Ik doe dat echter met een zekere verbittering, omdat er het afgelopen weekend weer dramatisch berichten waren over de situatie waarin vrouwen verkeren. Ik doel hier op het stenigen van een vrouw in Bagdad op zaterdag 21 oktober.
Ik denk dat we allemaal beseffen dat alleen door alle vrouwen in de hele wereld dezelfde waardigheid te geven als de man heeft, we iets kunnen doen aan de grote problemen waar onze planeet heden ten dage mee te kampen heeft. Op basis van die logica en in de overtuiging dat de vrouw nu en in de toekomst een belangrijke rol kan spelen om deze wereld te helpen zich te richten op oplossingen die gebaseerd zijn op vreedzaam samenleven, heb ik het werk van mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou op prijs gesteld. Haar verslag neemt vooral de enigszins bijzondere positie van de vrouw als immigrant in beschouwing.
Wij zouden er de voorkeur aan geven dat het niet zo was, maar het is nu eenmaal zo. In een wereld waar de scheiding tussen man en vrouw nog zo duidelijk is – en voor een groot deel van de wereld betreft het een scheiding van rechten en plichten – zou het gelijk behandelen van vrouwelijke en mannelijke immigranten mogelijk een vergissing zijn. Het is namelijk altijd fout verschillende situaties op identieke wijze te behandelen.
Daarom dient de Unie bijzondere aandacht te schenken aan vrouwelijke immigranten en rekening te houden met aspecten die juist niet kenmerkend zijn voor mannelijke immigranten. Die speciale aandacht vinden we mijns inziens terug in het verslag-Kratsa-Tsagaropoulou, dat ik derhalve zal steunen.
Marie-Line Reynaud , namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw Kratsa oprecht bedanken voor haar inzet en bereidheid tot samenwerking. Dit initiatiefverslag is naar mijn idee een van de belangrijkste verslagen over vrouwenrechten waarover we ons sinds het begin van de zittingsperiode hebben moeten uitspreken.
De situatie van vrouwelijke immigranten is namelijk een onderwerp dat al te lang over het hoofd wordt gezien door onze regeringen, ofschoon hun aantal toeneemt en ze inmiddels de meerderheid vormen van de mensen die het grondgebied van de Unie betreden. Ze leggen de eerste contacten tussen hun gezin en de autochtone bevolking van het gastland. Dit verslag nu beschrijft tal van mogelijke manieren om een einde te maken aan de etnische en seksuele discriminatie waaraan deze vrouwen vaak blootstaan.
Ik ben vooral blij dat in dit verslag een aantal bepalingen is opgenomen betreffende vrouwen die in de illegaliteit zitten, omdat ze een subcategorie vormen die geen rechten heeft en daardoor des te kwetsbaarder is. Ook is het essentieel dat deze vrouwen, ongeacht de lidstaat waar ze verblijven, elementaire rechten hebben, waaronder toegang tot spoedeisende medische zorg, rechtsbijstand en onderwijs voor hun kinderen, zoals het geval is in mijn land.
Tot slot doet het me deugd dat deze tekst ingaat op een ander aspect dat me bijzonder na aan het hart ligt, namelijk de status van vrouwen die de Unie binnenkomen in het kader van gezinshereniging. Vaak bestaan deze vrouwen voor de wet namelijk alleen omdat ze een echtgenoot hebben, en ze bevinden zich dan ook in een situatie van volstrekte afhankelijkheid. Dit verslag dringt erop aan dat deze vrouwen zo snel mogelijk een onafhankelijke en zelfstandige status krijgen en vooral dat ze deze status automatisch behouden in geval van echtscheiding.
Ik hoop dan ook dat een zeer grote meerderheid binnen ons Parlement vóór dit verslag zal stemmen en dat de ambitieuze voorstellen die erin worden gedaan niet aan dovemansoren gericht zullen zijn.
Hiltrud Breyer, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik bedank mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou voor dit verslag, dat een krachtige impuls geeft aan de rechten van de vrouw in het algemeen en aan de rechten van vrouwelijke immigranten in het bijzonder. Het was hoog tijd dat dit verslag er kwam!
Te lang hebben we een cultureel relativisme tegenover vrouwelijke immigranten geduld. Ik ben verheugd dat veel van onze initiatieven zijn overgenomen, zoals de verplichte melding van verminking van vrouwelijke geslachtsdelen of de sancties en straffen bij uithuwelijking, die er overigens al lang hadden moeten zijn. Ik hoop ook dat we voor elkaar krijgen dat er verplichte taalcursussen worden opgezet voor vrouwelijke immigranten, want zij kunnen hun rechten pas daadwerkelijk uitoefenen als zij de taal beheersen. Taal is bovendien een belangrijke bouwsteen voor integratie.
Het moet afgelopen zijn met de praktijk dat in Europa immigrantenmeisjes niet verplicht hoeven deel te nemen aan gymlessen of zich kunnen onttrekken aan seksuele voorlichting op scholen, dat ze soms van school worden gehaald of zelfs niet naar school mogen. Daar moeten wij ons vastberaden en fel tegen verzetten.
Voorts is het voor ons heel belangrijk dat vrouwen een wettige status verwerven die onafhankelijk is van de verblijfsstatus van hun echtgenoot. In dit verband is er iets waar ik u, mijnheer Frattini, persoonlijk op wil aanspreken. Kortgeleden stelde ik u de schriftelijke vraag of u mijn bezorgdheid deelt over een reeks van gerechtelijke vonnissen waarin polygamie als het ware wordt ondersteund en ook hulp hiervoor wordt toegezegd.
Ik was diep geschokt van een commissaris voor justitie te vernemen dat polygamie er is ter bescherming van vrouwen. In de wetenschap dat bigamie in Europa verboden is, zou ik graag willen horen wat u tot dit antwoord heeft bezield, want ik kan me niet voorstellen dat met uw medeweten is verklaard dat polygamie er is ter bescherming van vrouwen, terwijl bepaalde vormen van partnerschap tussen mensen van hetzelfde geslacht verboden zijn.
Feleknas Uca, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik bedank mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou heel hartelijk voor haar veelomvattende verslag, dat kan rekenen op de volledige steun van de Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links. Met dit verslag is de stand van de informatie over de rechten van vrouwelijke immigranten in de Europese Unie verrijkt.
In de wetenschap dat het aantal vrouwelijke immigranten in de EU inmiddels 54 procent van het totaal aantal immigranten vertegenwoordigt, is het onbegrijpelijk en schokkend hoe onwetend de Europese regeringen zijn ten aanzien van deze kwestie en hoe dientengevolge de specifieke behoeften van vrouwelijke immigranten worden aangepakt.
Er is mij veel aan gelegen op deze plaats de eclatante gebreken in het integratiebeleid van de lidstaten aan de kaak te stellen. Van vrouwelijke immigranten wordt verwacht dat zij zwijgend en probleemloos in het systeem integreren, geen eisen stellen en grote aanwinsten vormen voor de nationale arbeidsmarkt. Als landen tientallen jaren lang hun ogen sluiten voor de problemen van immigranten en vervolgens hun de schuld van de mislukte integratie in de schoenen schuiven, is dat voor mij eens te meer een teken van onwetendheid en politieke blindheid.
Ik pleit voor een genderspecifiek immigratiebeheer waarin de rechten van vrouwelijke immigranten op onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid en onafhankelijkheid consequent in acht worden genomen en bevorderd. Blijft dit uit, dan riskeren we een toename van de vrouwenhandel, de uitbuiting van hulpen in de huishouding, de maatschappelijke isolatie van vrouwen en huiselijk geweld.
Roberta Angelilli, namens de UEN-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, allereerst wil ik de rapporteur feliciteren met haar uitstekende werk. Ik wil haar met name complimenteren met het feit dat ze de aandacht heeft gevestigd op enkele belangrijke prioriteiten om te kunnen garanderen dat integratie gezien wordt als tweerichtingsverkeer – onder meer op sociaal en cultureel terrein en op het gebied van taal – wat gebaseerd dient te zijn op het wederzijds respecteren van rechten en plichten.
Tot de eerste rechten die we vrouwelijke immigranten moeten garanderen behoort het voorkomen en bestrijden van eerwraak, gedwongen huwelijken, genitale verminking en elke andere vorm van dwang met geweld en uitbuiting. Met het oog daarop heb ik namens mijn fractie een amendement ingediend, waarin we de noodzaak benadrukken van uitgebreide op vrouwelijke migranten gerichte voorlichtingscampagnes om hen te informeren over hun rechten en de instanties waar ze zich in geval van nood toe kunnen wenden.
Tot slot dient de Europese Unie eindelijk specifieke maatregelen te nemen om de lidstaten aan te moedigen wetten te maken die een expliciet verbod inhouden van enkele misdrijven en kwesties waar we het over hebben gehad. Tot slot wil ik commissaris Frattini dankzeggen voor de inzet waarmee de Commissie voornemens is deze problemen aan te pakken. Ook vanavond heeft de commissaris daar nog eens de nadruk op gelegd.
Urszula Krupa, namens de IND/DEM-fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, we moeten het enorme probleem van emigratie, vooral van vrouwen, vanwege de voortschrijdende globalisering en de complicaties van het leven van tegenwoordig, bekijken vanuit de invalshoek van de onherstelbare schade voor het land, van waaruit deze mensen vertrekken. Een bijkomend probleem is de toenemende armoede van de landen die door rijke en meer ontwikkelde landen worden uitgebuit. In sommige opzichten is het positief om weg te kunnen gaan uit eigen land. Emigranten verliezen echter de band met hun gemeenschap die verbonden is door een gezamenlijke geschiedenis, traditie en cultuur. Een persoon die zou kunnen bijdragen aan het gemeenschappelijk goed, vertrekt. Die persoon begint een nieuw leven in een voor hem of haar vreemde cultuur en taal en werkt ten behoeve van een andere gemeenschap. Mensen in zulke omstandigheden worden vaak uitgebuit. Daarom is het zo belangrijk dat er goede wetgeving komt, zeker met betrekking tot sociale zekerheid en arbeidsrecht. In het onderhavige document wordt dit in zekere mate benadrukt. Bovendien is het belangrijk dat er een schaal van waarden komt, waarin niet alleen oog is voor het materieel goed, maar ook voor morele waarden. Er moet worden uitgegaan van de diepere zin van de menselijke arbeid, maar zonder bemoeienis met het persoonlijk leven van vrouwen in verband met hun wensen om kinderen te krijgen en een gezin te stichten.
Esther Herranz García (PPE-DE). (ES) Mijnheer de Voorzitter, immigratie is nodig en is ook op cultureel, economisch en sociaal gebied een verrijking voor de samenleving, en we zullen vandaag niet het tegenovergestelde beweren. Maar het is wel zo dat immigratie problemen kan veroorzaken als we het proces niet goed beheren.
Immigratie mag nooit een probleem worden – dat is onze opdracht wanneer we in alle parlementen van de Europese Unie deze wetten maken. Maar als we niet oppassen, veroorzaken we misschien problemen die zich in de samenlevingen gaan vertalen in xenofobie en racisme, en dat is juist wat we willen voorkomen.
Er is een fout gemaakt bij het opstellen van dit verslag, want het verslag gaat niet alleen over legale immigratie, maar stelt legale en illegale immigratie aan elkaar gelijk. Dat is een gevaarlijke boodschap, omdat sommige maffia’s zich in de handen zullen wrijven bij het horen van bepaalde dingen die in dit verslag worden gezegd.
De democratie, het systeem waarmee wij gelukkig allemaal geregeerd worden, is gebaseerd op de vrijheid van het individu, en die wordt weer gewaarborgd door respect voor de wet, zowel voor de wetten van de lidstaten – want dit is een probleem van de lidstaten – als voor onze huidige of toekomstige verordeningen en richtlijnen.
Het gaat om dat respect voor de wet. En ik vrees dat sommige amendementen die door radicaal links zijn ingediend de wetten van de lidstaten niet respecteren en tegen de gelijkheid, de democratie en de vrijheid van het individu ingaan.
Daarom zou ik willen vragen om nog eens goed na te denken over die amendementen, die tot gevolg zullen hebben dat allerlei maffia’s worden aangemoedigd, dat immigranten in verwarring worden gebracht en dat de illegale immigratie zal toenemen. Deze amendementen zouden de immigranten en de Europese burgers wel eens een slechte dienst kunnen bewijzen, door de aanzuigende werking die ervan uitgaat, door de duistere activiteiten van maffia’s en doordat de criteria voor de toewijzing van verblijfsvergunningen niet duidelijk zijn.
Tot slot wil ik een suggestie doen. Met betrekking tot de gevallen van verminking of gedwongen huwelijken vraag ik dit Huis en de hier aanwezige Commissie het volgende: als we met die derde landen spreken en die landen geld geven in het kader van de ontwikkelingsamenwerking, en als we de gelijkheid van vrouwen echt serieus nemen, moeten we, voordat we ze geld geven, van die landen eisen dat ze de fundamentele minimumrechten respecteren.
Edite Estrela (PSE). – (PT) Om te beginnen wil ik mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou feliciteren. Wij zijn het er allemaal over eens dat een Europees immigratiebeleid rekening dient te houden met het gendervraagstuk en de situatie van de vrouwen in de lidstaten. Zij zijn immers, zoals reeds door voorgaande sprekers is gezegd, het slachtoffer van tweeledige discriminatie: seksuele discriminatie en discriminatie op grond van hun etnische afkomst. Bovendien worden zij zowel in het gastland als binnen hun eigen gemeenschap gediscrimineerd.
De deelname van deze vrouwen aan alle activiteiten van het maatschappelijk leven in het gastland is essentieel om hen uit hun isolement te halen en hen een bijdrage te laten leveren aan de integratie van de jongere generaties. Daarvoor moeten echter een aantal barrières worden geslecht, om te beginnen de taalbarrière. In bepaalde immigrantengemeenschappen zijn vrouwen niet alleen het slachtoffer van uitsluiting maar ook van gedwongen huwelijken en van vernederende en wrede praktijken als genitale verminking en, zoals commissaris Frattini het formuleerde, “oneerwraak”. Het is een taak van de lidstaten met alle mogelijke middelen de strijd aan te binden met deze misdadige praktijken, die een grond moeten kunnen vormen voor het aanvragen van asiel.
Luisa Morgantini (GUE/NGL). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik dank mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou voor haar karakteristieke gevoeligheid en haar positieve voorstellen over de rol en maatschappelijke positie van de legale en illegale vrouwelijke immigranten in de Europese Unie.
Het gaat hier om vrouwelijke immigranten die worden gediscrimineerd op het werk, lichamelijk en geestelijk verkracht, verhandeld als seksuele handelswaar, beroofd van hun vrijheid en hun paspoort, gechanteerd met patriarchale praktijken en vermoord uit eerwraak. Ik zou ons allemaal er echter aan willen herinneren dat deze vrouwen in werkelijkheid worden gebruikt en uitgebuit door Europese families en Europese ondernemers. Vaak zijn ze alleen en verdrietig, omdat ze hun kinderen in hun geboorteland hebben achtergelaten. Ze werken in de informele thuiszorg, verlichten het lijden en de eenzaamheid van bejaarden en zieken en hebben geen enkele zekerheid. Ik denk dat we nog veel aan dit probleem moeten doen.
Deze vrouwen vormen een groot percentage van het totale aantal immigranten en zijn een grote rijkdom voor de Europese landen. Ze zijn niet alleen slachtoffer maar ook onderling verschillend en hebben zich de afgelopen jaren in verenigingen georganiseerd, contacten proberen te leggen en netwerken gecreëerd met de vrouwen in de gastlanden. Zij vragen om toegang tot informatie, gezondheidszorg en huisvesting. Zij willen hun leven in eigen hand nemen en wij moeten hen helpen. Daarom dienen wij mainstreaming te garanderen in de strijd tegen discriminatie en moet elke lidstaat de richtlijnen toepassen die de Europese Unie heeft opgesteld: variërend van de opvangrichtlijn tot de richtlijn betreffende het actief burgerschap. Ook de heer Frattini heeft het daarover gehad. De ervaringen van vrouwelijke migranten en hun kritiek op de ongelijkheid zijn nuttig bij het uitzetten van de weg naar een democratie waarin nog maar weinig verschillen bestaan.
Bogusław Rogalski (IND/DEM). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de wereld is tegenwoordig het toneel van massale migratie om verschillende redenen. Er is economische migratie, dus om meer te verdienen, met als doel de materiële status te verhogen. Dat is de meest voorkomende vorm van migratie. Er is ook migratie met het oog op gezinshereniging, of om te ontkomen aan vervolging in het land van oorsprong.
In de wereld van vandaag, waarin reizen dankzij de technologische ontwikkeling steeds gemakkelijker en goedkoper wordt, zal het immigratieprobleem verergeren. Daarom moeten we maatregelen treffen om de groeiende toestroom van nieuwkomers, vooral in Europa, het hoofd te kunnen bieden. Een verstandige oplossing op lange termijn is dat we buitenlanders niet langer discrimineren, zeker vrouwen niet, die de meerderheid vormen. Nu worden teveel immigranten in de marge van onze samenleving gedrukt. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat immigranten beter in onze samenlevingen kunnen integreren, en tegelijk trots blijven op hun afkomst. Zo voorkomen we dat we immigranten van ons vervreemden, en zo frustratie opwekken die soms leidt tot rellen, en de immigranten vaak veroordelen tot een leven in armoede.
Edit Bauer (PPE-DE). – (SK) In de mededeling van de Commissie over de demografische toekomst van Europa wordt vastgesteld dat de werkende bevolking van de lidstaten in de komende vijf decennia spectaculair zal dalen met een geraamd aantal van 48 miljoen mensen.
Zelfs bij een optimistisch scenario, waarin de demografische groei hervat en nieuwe vormen van productiviteit worden ontdekt, zou Europa nog steeds een aanzienlijke instroom van nieuwe immigranten nodig hebben, die wordt geschat op veertig miljoen mensen. Dit zou weleens de grootste uitdaging kunnen zijn waaraan de Europese Unie het hoofd moet bieden.
Ik bedank mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou voor haar verslag, waarin wordt aangegeven dat de positie van vrouwelijke migranten een cruciale rol speelt in dit proces. Deze vrouwen verdienen bijzondere aandacht, niet alleen omdat zij vaak het slachtoffer zijn discriminatie, maar ook omdat hun een belangrijke taak is toebedeeld ter bevordering van de integratie van de eerste en tweede generatie immigranten. In dat verband is het van vitaal belang dat deze vrouwen toegang krijgen tot onderwijs. Tegen de achtergrond van deze uitdagingen is er dringend en onvermijdelijk behoefte aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke procedures voor de integratie van immigranten en de opstelling van gemeenschappelijke procedures op het gebied van het immigratiebeleid. De uiteenlopende benaderingen die de lidstaten hanteren, zaaien onnodige verwarring.
Ook uit de ontwikkelingen inzake mensenhandel en mensensmokkel blijkt dat er dringend behoefte is aan een duidelijk immigratiebeleid, aan transparantie, aan ondubbelzinnige voorschriften en aan toegangsmogelijkheden tot de gemeenschappelijke arbeidsmarkt. Het gebrek aan wettelijke mogelijkheden zet aan tot illegale activiteiten waarbij illegale immigranten worden blootgesteld aan allerlei mensenrechtenschendingen en het moeten zien te rooien zonder de hulp waar zij anders recht op zouden hebben als slachtoffers.
Het is essentieel om in onze toekomstige beraadslagingen duidelijk onderscheid te maken tussen asielbeleid, legale migratie en illegale migratie. Als die begrippen met elkaar worden verward ontstaan er nieuwe en onnodige misverstanden.
Britta Thomsen (PSE). – (DA) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de Commissaris, beste collega’s, ik wil de rapporteur bedanken voor dit zeer belangrijke en uiterst relevante verslag. Immigratie naar Europa heeft een ander karakter gekregen. Tegenwoordig komen er meer vrouwen dan mannen naar Europa, omdat er een grote vraag is naar arbeidskrachten binnen de diensten- en zorgsector. Inmiddels wordt deze arbeidsmarkt echter gekenmerkt door een grote grijze economie, waar de gangbare regels met betrekking tot salaris, arbeidstijden en arbeidsomstandigheden niet gelden. Vrouwen bevinden zich daarom in een zeer kwetsbare situatie zonder sociale en economische bescherming en velen van hen oefenen functies uit die hun geen mogelijkheden bieden om een legale status te verwerven.
De vrouwelijke immigranten die hier illegaal verblijven, lopen als gevolg van deze kwetsbare situatie een groter risico om misbruikt te worden, zowel fysiek als psychisch, en juist vanwege hun illegale status zijn zij gemakkelijke slachtoffers van misbruik en seksuele uitbuiting op de werkplek. Ze lopen ook een bijzonder groot risico dat fundamentele rechten hun ontzegd worden en ze worden slachtoffer van geweld en discriminatie in hun dagelijkse leven. Velen durven geen aangifte te doen van mishandeling uit angst voor deportatie.
Het is absoluut noodzakelijk om de omstandigheden van vrouwelijke immigranten meer onder de aandacht te brengen. We moeten ervoor zorgen dat de lidstaten in hun wetgeving rekening houden met de problemen waarmee vrouwelijke immigranten worden geconfronteerd. Vrouwen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of van geweld zouden een tijdelijke verblijfsvergunning moeten kunnen krijgen en moeten recht op juridische bijstand hebben en toegang tot gezondheidszorg en sociale hulpverlening, of ze nu legaal in het bewuste land verblijven of niet.
Pia Elda Locatelli (PSE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik ben het eens met het verslag van mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou. Ik deel haar mening dat de toepassing van de richtlijn betreffende gezinshereniging in de Unie onbevredigend is. Met haar meen ik dat die richtlijn gewijzigd dient te worden teneinde de vereiste periode voor het verkrijgen van een zelfstandige verblijfsstatus voor de echtgenoot/echtgenote – bijna altijd de echtgenote – korter te maken en de vrouw de garantie te bieden dat die zelfstandige verblijfsstatus in geval van scheiding van tafel en bed, echtscheiding en overlijden blijft bestaan.
Bovendien wijs ik nog eens met nadruk op het belang van een aantal communautaire instrumenten, in het bijzonder het Daphne-programma, daar die programma’s de leemtes in het nationale beleid opvullen. Dat beleid schiet bij het gendervraagstuk zowel inhoudelijk als met betrekking tot de verzameling van gegevens vaak tekort. Tot slot wordt er in het verslag op aangedrongen om ook het risico voor vrouwen om het slachtoffer te worden van genitale verminking als reden te beschouwen voor het aanvragen van asiel.
Daar ben ik het mee eens, maar ik meen dat de tijd onderhand rijp is om ook andere vormen van onderdrukking van de vrouwelijke seksualiteit als redenen te beschouwen om asiel aan te vragen. Daarbij denk ik aan homoseksualiteit en het zogenaamde overspelig gedrag voor die landen waar dergelijk gedrag met geweld wordt bestraft. In dit verband denk ik aan steniging in Iran.
Emine Bozkurt (PSE). – Voorzitter, immigrantenvrouwen zijn als groep geen probleem maar een kans, een groep die kwetsbaar is, dat is waar. Kwetsbaar omdat ze behalve als vrouw misschien ook als moslim, Somalische of Marokkaanse blootstaan aan discriminatie. Kwetsbaar ook voor huiselijk geweld, kwetsbaar omdat ze wellicht ook de lokale taal niet spreken of financieel afhankelijk zijn van echtgenoot of vader. Dus moeten we ze ondersteunen door huiselijk geweld en eerwraak niet ongestraft te laten, maar met alleen strengere wetgeving ben je er nog niet. Het is niet genoeg dat vrouwen rechten hebben op papier, ze moeten deze ook kunnen claimen in de praktijk, want een vrouw die afhankelijk is van de dader van huiselijk geweld zal in de praktijk niet veel hebben aan de rechten die ze op papier heeft.
Daarom moeten we de financiële onafhankelijkheid van migrantenvrouwen bevorderen door discriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan, bijvoorbeeld. Meer participatie van migrantenvrouwen op de arbeidsmarkt is goed voor de economie. Een kans die we ook niet moeten laten lopen is de positieve invloed die migrantenvrouwen kunnen hebben op de integratie van hun kinderen in de nieuwe samenleving. Als ontvangende gemeenschap moeten we daarom openstaan voor ondersteuning van en contact met migrantenvrouwen. Zij horen er ook bij en ik ben blij dat mevrouw Kratsa in haar verslag veel oog heeft voor deze punten en ik wil haar dan ook bedanken voor haar goede verslag.
Teresa Riera Madurell (PSE). (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur feliciteren en ik wil één idee speciaal noemen. Ieder immigratiebeleid moet rekening houden met geslachtsspecifieke kenmerken, zeker, maar ook met de verschillen tussen de immigrantengemeenschappen, omdat de oorzaken van de dubbele discriminatie waar vrouwelijke immigranten onder te lijden hebben en de problemen die daar een afgeleide van vormen verschillend zijn, afhankelijk van de motieven die hen tot emigratie hebben aangezet.
Als alleenstaande vrouwen die om economische redenen voor emigratie hebben gekozen werk vinden, is dat meestal werk op een laag niveau, en soms ook in niet-officiële banen, waardoor ze noch de onafhankelijkheid, noch de zekerheid vinden waarnaar ze op zoek waren, maar wel in staat zijn om contacten met andere mensen te leggen en verder te integreren. Vrouwen die emigreren in het kader van familiehereniging blijven echter meestal thuis, zonder dat ze de mogelijkheid hebben om vertrouwd te raken met de gastsamenleving of de taal te leren, wat hun integratie bemoeilijkt en hun isolement vergroot.
Het uitroepen van het jaar 2007 tot Europees jaar voor gelijke kansen voor iedereen en 2008 tot jaar van de interculturele dialoog moet de burgers bewuster maken van deze situatie van de vrouwelijke immigranten, die altijd moeilijk, maar iedere keer weer anders is, en zal moeten dienen om beleid ter bevordering van de gelijkheid en de integratie te implementeren in overeenstemming met iedere afzonderlijke situatie.
Franco Frattini, vicevoorzitter van de Commissie. (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, na vele bijdragen beluisterd te hebben waar ik het mee eens ben, wil ik nog even kort reageren. Op de eerste plaats kan ik mevrouw Breyer laten weten dat ik het polygame huwelijk altijd beschouwd heb en zal beschouwen als onwettig en als een ernstige schending van het recht van de vrouw een vrije keuze te maken. Ik kan u dan ook bevestigen dat ik me in die zin zal blijven opstellen.
Mevrouw Angelilli en mevrouw Morgantini hebben het onderwerp communicatie aangesneden. Ik meen dat – als ik zo mag zeggen – het geven van een directere en krachtiger stem aan de vrouwelijke immigranten zeer nuttig kan zijn, ook om een krachtiger Europees beleid te kunnen voeren ter bescherming van hun rechten. “Een stem geven” betekent het geven van doeltreffende middelen aan die vrouwen om te kunnen spreken en te worden gehoord. Zo niet, dan lopen we, als ik het zo mag zeggen, het risico dat ook de stem van deze vrouwen gefilterd wordt in de gemeenschap waar zij deel van uitmaken.
In veel Europese landen zijn er bekende gevallen van segregatie en onderwerping van vrouwelijke immigranten. Onder de vele sectoren waar ik me mee bezighoud is dit de sector waarvoor ik de minste individuele aangiftes ontvang. Als ik een vergelijking maak met andere sectoren die de bescherming van de grondrechten van personen betreffen, worden er voor het persoonlijke geweld tegen vrouwen in de migrantengemeenschappen de minste specifieke aangiften gedaan. Waarom? Omdat er vrees bestaat dergelijke gevallen aan te geven, omdat er niet over bericht wordt, omdat de vrouwen blootgesteld worden aan geweld, om te zorgen dat ze het ondergane misbruik op het vrije en democratische grondgebied van de lidstaten niet zullen onthullen. Communicatie is derhalve absoluut een centraal thema.
Tot slot wil ik laten weten dat ik juist ter stimulering van deze integratie-inspanning in het voorjaar van 2007 een Europees integratiehandboek zal publiceren. Dat zal verschijnen in alle talen die in de lidstaten van de Europese Unie worden gesproken en een beschrijving bevatten van succesverhalen op het vlak van integratie in steden, provincies en regio’s. Met de verspreiding van de miljoenen exemplaren van deze praktische handleiding zullen we positieve voorbeelden onder de aandacht brengen, zodat die navolging kunnen krijgen. Het gaat om voorbeelden die afkomstig zijn van de lagere overheden. Ik kan u zeggen dat de sector waar ik tot nu toe de minste informatie over heb, juist de integratie van vrouwelijke immigranten is.
Daarom richt ik me tot u met het verzoek mij de komende maanden concrete voorbeelden te doen toekomen – positieve voorbeelden, maar ook negatieve waarbij ingegrepen moet worden. Gebeurt dat niet, dan blijven we belangrijke principeverklaringen afleggen zonder die in concrete daden te vertalen, terwijl ik juist de daad bij het woord wil voegen.
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
De stemming vindt morgen om 12.00 uur plaats.
Schriftelijke verklaring (artikel 142)
Zita Gurmai (PSE). – (EN) Grote aantallen immigranten, onder wie met name veel vrouwen, worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie en sociale uitsluiting. Onze grootste uitdaging is om hen te helpen integreren in de maatschappij en hun toegang tot goed onderwijs te bieden, om zo hun arbeidsparticipatie en de bijdrage die ze kunnen leveren aan de ontwikkeling van het Europese project, te vergroten.
Een goed juridisch kader is slechts de helft van het verhaal. De andere helft wordt gevormd door de tenuitvoerlegging van juridische verplichtingen door de betrokken nationale autoriteiten en de bereidheid van immigranten om de fundamentele Europese normen en waarden te respecteren en volledig in de maatschappij te integreren.
Het succesvolle integratiebeleid biedt heel veel mogelijkheden, aangezien een hogere arbeidsparticipatie van immigranten kan bijdragen aan het bereiken van de werkgelegenheidsdoelstellingen van Lissabon.
Geen enkele maatregel heeft kans van slagen zonder een goede en regelmatige dialoog met immigrantengemeenschappen. De dialogen zijn perfecte instrumenten om de integratieprocessen te begeleiden, meer te weten te komen over wederzijdse belangen, bedoelingen, wensen en verplichtingen en om methoden en integratieprogramma’s vast te stellen en zo nodig aan te passen.
Het naderende jaar van de gelijke kansen, 2007, en het jaar van de interculturele dialoog, 2008, bieden een zinvol en bruikbaar kader om immigrantengemeenschappen heel breed te kunnen informeren over hun rechten en kansen en over wat Europa van hen verwacht.
18. Terugvordering van subsidies (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0303/2006) van Paulo Casaca, namens de Commissie begrotingscontrole, over de terugvordering van subsidies (2005/2163(INI)).
Paulo Casaca (PSE), rapporteur. – (PT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Grybauskaité, als wij verdwenen communautaire begrotingsgelden willen terugvorderen, is er dringende behoefte aan een correcte vaststelling, administratie, transparantie, strengheid, evenredigheid en harmonisering van de regels en procedures. Helaas zijn we daarvan nog ver verwijderd
De Europese instellingen kunnen zich niet in een wereld van regels en verordeningen opsluiten, terwijl ze negeren hoe men zich in de werkelijkheid gedraagt. Daarom gaat het verslag over de terugvordering van subsidies uit van een concreet voorbeeld, waarbij het terug te vorderen bedrag van naar schatting 100 miljoen euro het grootste is. De ernst van de feiten is nog groter.
Het gaat hier om een misdrijf van een criminele organisatie, waarbij talrijke Europese bedrijven betrokken waren. Dankzij het onderzoek en de medewerking van de Italiaanse autoriteiten is daarover gedetailleerd verslag uitgebracht aan de Europese instanties. Het onderzoek van de Guardia di Finanza betrof de invoer van gesmokkelde boter door onder controle van de Napolitaanse camorra staande bedrijven; de vervalsing van de boter met rundervet, plantaardige oliën en de chemische stof lipostrol; de verkoop van tienduizenden tonnen eindproduct aan verschillende Europese bedrijven; en tot slot het frauduleus aanwenden van dat product voor het verkrijgen van exportrestituties en afzetsubsidies voor banketbakkersproducten. De resultaten van dat onderzoek zijn via de daarvoor bestemde kanalen overhandigd aan de betrokken communautaire en nationale autoriteiten.
Zeven jaar na het Italiaanse onderzoek kunnen we de volgende balans opmaken. In één van de betrokken lidstaten hebben de autoriteiten pas vier jaar na het eerste Italiaanse rapport besloten een onderzoek te starten en zij hebben nog geen enkele euro kunnen terugvorderen van de geraamde 40 miljoen die ontbraken. In een andere lidstaat heeft het onderzoek helemaal geen vervolg gehad en is er dus van de meer dan 50 miljoen euro niets teruggevorderd. De derde lidstaat heeft het louter als een administratief probleem behandeld en de hoogte van de opgelegde boetes is bijna symbolisch te noemen.
In Italië zijn door het daar verrichte onderzoek tientallen mensen aangehouden op verdenking van moord, illegaal wapenbezit en lidmaatschap van een criminele vereniging en er lopen nog ingewikkelde rechtszaken. Wat betreft de andere landen die bij dit schandaal betrokken zijn, kunnen we realistisch gezien niet de verwachting koesteren dat er iemand veroordeeld zal worden of dat het communautaire geld zal worden teruggevorderd. Alles wijst erop dat daar de gehele zaak zal verjaren.
Vanwege de geheimhoudingsplicht van de nationale rechterlijke macht zijn tot op heden de meeste voor de voedselveiligheid verantwoordelijke nationale autoriteiten niet op de hoogte gebracht van deze fraudezaak. Terwijl de communautaire en nationale autoriteiten met zo weinig ijver en coördinatie optreden jegens een misdrijf van een dergelijke omvang, ken ik talloze voorbeelden van eerlijke boeren die het slachtoffer zijn van gedwongen teruggave van subsidies, waardoor ze soms volledig aan de grond komen te zitten. Op grond van de discretionaire bevoegdheden die verstrekt zijn met het oog op de terugvordering van communautaire subsidies, treedt men tegen deze boeren op om procedurele redenen die niet eens altijd op waarheid berusten, zonder dat er sprake is van substantiële redenen. Voor deze boeren zijn het vermoeden van onschuld, het recht op informatie over de aanklacht, de evenredigheid en de garantie van gepaste middelen voor hun verdediging een dode letter. Het probleem is dat artikel 280 van het Verdrag wordt genegeerd. De samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten is een fictie. Er is voor de burgers geen sprake van doeltreffende en gelijkwaardige bescherming van die financiële belangen.
Gezien die omstandigheden dienen we de situatie radicaal te wijzigen, hetzij via het herdefiniëren van de taken van Eurojust, hetzij via het instellen van een Europees openbaar ministerie, hetzij zij via enig ander doeltreffend middel. We hebben een Europees initiatief nodig, waardoor de justitiële samenwerking ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap werkelijkheid wordt en niet meer de fictie is die we bij deze grootste fraudezaak met communautaire subsidies hebben kunnen vaststellen.
VOORZITTER: JANUSZ ONYSZKIEWICZ Ondervoorzitter
Dalia Grybauskaitė, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de heer Casaca voor dit voortreffelijke, boeiende en nuttige verslag waarin rekenschap wordt gegeven van het direct beheer, dat in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van de Commissie, en het gedeelde beheer, dat de Commissie deelt met de lidstaten.
Wat terugvordering in het kader van het directe beheer betreft: de Commissie dankt de rapporteur voor zijn steun voor de huidige, reeds ingediende, herziening van het financieel reglement, met name voor de voorstellen die gericht zijn op een eensluidende verjaringstermijn van vijf jaar, en natuurlijk voor het toekennen van een bevoorrecht karakter aan communautaire schuldvorderingen in verband met belastingschulden in de nationale wetgeving, waaraan de Raad, tot onze spijt, liever geen steun gaf.
Wat terugvordering in het kader van gedeeld beheer betreft: de Commissie is het ermee eens dat de nadruk wordt gelegd op de verantwoordelijkheid van de lidstaten, aangezien het grootste deel van de communautaire uitgaven daaronder valt. De Commissie deelt de analyse van de rapporteur over het lage bedrag aan terugvorderingen door een aantal lidstaten. In één specifiek geval ging het om een bedrag van 95 miljoen euro.
Ik wil echter wel kwijt dat deze Commissie bijzondere nadruk legt op terugvorderingen. De Commissie is erin geslaagd om het bedrag aan terugvorderingen tussen 2003 en september van dit jaar terug te brengen van 553 miljoen euro naar slechts 160 miljoen euro. Het specifieke geval van 95 miljoen euro heeft te maken met een strafrechtelijk onderzoek in een lidstaat waarbij een andere lidstaat betrokken is. In feite moet op korte termijn iets minder dan honderd miljoen euro worden teruggevorderd en nog eens 95 miljoen euro als het onderzoek is afgerond.
We zijn heel tevreden met het verslag als geheel. We werken samen met het Parlement, met name met de rapporteur voor het financieel reglement. We werken op dat terrein nauw samen met de Commissie begrotingscontrole. Er volgt nog een passende schriftelijke reactie op uw verslag en uw aanbevelingen.
Ingeborg Gräßle, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, allereerst wil ik namens mijn fractie de rapporteur bedanken voor dit bijzonder interessante en belangwekkende verslag, want met de terugvordering van communautaire subsidies is het droevig gesteld, met name op het niveau van de lidstaten. Wat dat betreft, vind ik het zeer betreurenswaardig dat de Raad schittert door afwezigheid.
Mevrouw de commissaris, we merken dat het beter gaat sinds u de zaak ter hand hebt genomen, maar ik denk wel dat er de komende maanden nog heel wat stappen ter verbetering gezet moeten worden. Met name bij het landbouwbeleid, het belangrijkste terrein als het gaat om de terugvordering van subsidies, moet nog veel gebeuren, want het percentage oude schuldvorderingen uit de periode 1971-2002 bedraagt daar 70 procent. Het gaat om een bedrag van 3,1 miljard euro waarvan 70 procent nog steeds niet ingevorderd is. Het is te gek voor woorden dat het cumulatief invorderingspercentage lager is dan een vijfde van de 6 miljard euro aan uitstaande schuldvorderingen in het jaar 2002.
De president van de Rekenkamer – mijnheer de Voorzitter, eigenlijk teken ik protest aan tegen het tijdstip van deze vergadering, omdat in de Commissie begrotingscontrole op dit moment een heel belangrijk verslag wordt gepresenteerd – heeft verklaard dat de terugvordering steeds moeizamer verloopt en dat de sancties volledig ontoereikend zijn. Het probleem ligt bij de lidstaten; volgens mij is het hele Parlement het hierover eens. Mevrouw de commissaris, wij zullen in ieder geval het voorstel om de belastingschulden gelijk te stellen met de schuldvorderingen ter sprake brengen bij de beraadslagingen over het Financieel Reglement. Dat is voor ons een heel belangrijk punt.
Een ander belangrijk punt is dat we betere steun moeten verlenen aan het werk van de controleurs ter plekke, en met name de controleurs moeten steunen die deel uitmaken van nationale bestuursorganisaties. Zij lopen namelijk gevaar door hun eigen organisaties gestraft te worden voor de fouten die de organisaties zelf maken en daarom verdienen zij onze bescherming.
Dan is er nog een probleem in de Commissie. Tot voor kort was het onmogelijk om de actuele schuldensituatie op te vragen. Ik hoop dat door de modernisering van de boekhouding verbetering komt in deze situatie. Al met al zullen wij ervoor zorgen dat dit thema op de agenda blijft.
Jeffrey Titford, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, volgens mij is dit verslag een lang uitgerekte rechtvaardiging voor de instelling van een Europees openbaar ministerie. Uit de toon van het verslag maak ik op dat de heer Casaca het ronduit schandalig vindt dat de wetgeving van een lidstaat prevaleert boven die van de Commissie, iets wat God verhoede! Om het probleem te omzeilen moeten we volgens dit document een juridische functionaris instellen die de bevoegdheid heeft om de wetten van de lidstaten ter zijde te schuiven. Dit maakt het mogelijk de procedure beter te “bundelen”. De andere belangrijke reden die wordt aangehaald, is dat het zal zorgen voor een vermindering van het veelvoud aan verbindingen.
Als fervent voorvechter van de nationale staat ben ik fel gekant tegen de instelling van een Europees openbaar ministerie. Iedereen in dit Parlement die oprecht in de democratie gelooft en niet slechts lippendienst aan de democratie bewijst, zou daar tegen moeten zijn. Ik roep met name de Parlementsleden uit mijn eigen land op om samen met mij op te komen voor de Britse wet.
Andreas Mölzer (NI). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de verspilling van EU-gelden is kennelijk voor velen een geringe zonde die men de daders niet hoog aanrekent, anders laat het zich niet verklaren dat er van de 3,1 miljard euro die de afgelopen dertig jaar onregelmatig zijn uitbetaald, slechts 17 procent is teruggevorderd. Ontoereikende controleprocedures en de schending van EU-voorschriften lijken schering en inslag te zijn.
Het is al erg genoeg dat met miljarden aan EU-gelden wordt gefraudeerd, maar als dan ook nog in de zeldzame gevallen waarin onregelmatige betalingen aan het licht komen, de terugvordering zo gebrekkig of traag verloopt dat de daders een veilig heenkomen kunnen zoeken en het geld verdwenen is, kan ik alleen maar concluderen dat de Europese Unie kennelijk lijdt aan welhaast georganiseerde onverantwoordelijkheid.
Het is onaanvaardbaar dat er in sommige landen voortdurend laks met EU-middelen wordt omgesprongen zonder dat dit consequenties heeft. Lidstaten die niet binnen een termijn van maximaal drie jaar alles in het werk stellen om uitstaande vorderingen op te eisen moeten naar mijn mening zelf voor de schade opdraaien.
Simon Busuttil (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoekgeraakt of onverantwoord EU-geld is vaak voorpaginanieuws. Het is jammer dat de inspanningen die worden gedaan om te voorkomen dat geld zoek raakt – en om zoekgeraakte subsidies terug te vorderen – maar al te vaak te technisch en te saai zijn om over te schrijven, laat staan dat ze de voorpagina halen. Maar er worden inspanningen gedaan om subsidies terug te vorderen en die moeten worden gesteund, hoewel er meer moet gebeuren, zoals de rapporteur duidelijk aangeeft.
Er moet met name meer gebeuren om subsidies terug te vorderen als er sprake is van gedeeld beheer. We moeten kunnen vertrouwen op de volledige medewerking van de nationale autoriteiten. Soms heb ik het idee dat, als we het over communautaire subsidies hebben, nationale autoriteiten niet staan te trappelen om hun steentje bij te dragen. Eigenlijk zeggen ze: “De nationale begroting is onze verantwoordelijkheid en meer niet.” Maar dat is niet zo. Als EU-geld op nationaal niveau wordt uitgegeven, zijn nationale autoriteiten hier duidelijk actief bij betrokken. Nationale autoriteiten dragen ook een zware verantwoordelijkheid als het gaat om het voorkomen van fouten, onregelmatigheden of zelfs fraude bij de besteding van communautaire subsidies. Als daar sprake van is, wordt actie ondernomen om de subsidies terug te vorderen.
In het verslag worden de lidstaten terecht opgeroepen om in actie te komen en hun steentje bij te dragen en om zichzelf beter te organiseren en beter met de Commissie samen te werken zodat de terugvordering van subsidies op doeltreffende wijze verloopt en een afschrikmiddel op zich wordt.
Markus Pieper (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik neem met grote voldoening kennis van het verslag van collega Casaca. Als lid van de Commissie regionale ontwikkeling voel ik mij zeer betrokken bij dit onderwerp; de gevallen van fraude en inhoudelijke schendingen nemen hand over hand toe.
Het schadevolume bij het structuurbeleid steeg van 480 miljoen euro in 2003 naar 694 miljoen euro in 2004. Dat betekent dat in het laatste verslagjaar, 2004, circa 70 procent van de onregelmatig betaalde bedragen op het conto kwam van het structuurbeleid. Daarbij moeten we ook nog rekening houden met een grijs gebied. Als wij er – zoals in het initiatiefverslag wordt beschreven – onvoldoende in slagen de onregelmatig betaalde bedragen in te vorderen, werpt dat een smet op het blazoen van de Unie. Een totaal aan uitstaande schuldvorderingen van circa miljard euro – dat is bepaald niet mis!
Afgezien van de financiële schade die de Unie lijdt, werkt een slecht functionerende invordering van de bedragen misbruik van steunmiddelen in de hand. Of er nu fraude is gepleegd of fouten zijn gemaakt, de invordering van onregelmatig betaalde bedragen moet zonder strubbelingen verlopen! Ook als de procedure in een enkel geval buitensporig lijkt, moeten de lidstaten er uitvoering aan geven. Ik roep de lidstaten daarom op dit soort zaken harder aan te pakken en hun openbare ministeries dienovereenkomstig te coördineren. Ook roep ik de lidstaten op het Europese antifraudebureau OLAF intensiever bij de procedures te betrekken. De Commissie roep ik op het misbruik van subsidies meer aan de kaak te stellen.
Europa heeft transparantie nodig, en ook het Europees steunbeleid heeft transparantie nodig. Als middelen anders worden gebruikt dan voor het doel waarvoor zij zijn bestemd, dan moeten we dat aan banden leggen. Daarbij is het zaak dat de boel in de openbaarheid wordt gebracht. Ik bedank de rapporteur dat hij hier een bijdrage aan heeft geleverd.
Mairead McGuinness (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de rapporteur voor de bijna forensische benadering waarmee hij aan dit verslag heeft gewerkt. Dit is niet alleen geldverspilling, wat vanuit de EU gezien een zeer ernstig probleem is, maar bovendien is het publiek zeer gefixeerd op signalen over fraude. In zekere zin is dat onredelijk en doet het afbreuk aan het uitstekende werk dat door middel van de begroting van de Europese Unie in alle de lidstaten wordt gedaan. Dat moeten we niet uit het oog verliezen als we ons op het huidige probleem concentreren. Helaas geeft het publiek die anonieme Europese Unie de schuld terwijl het probleem dichter bij huis ligt, in hun eigen lidstaat. Die boodschap moeten we ook zien over te brengen.
Het is onaanvaardbaar dat er zoveel geld moet worden teruggevorderd – zo’n 3,5 miljard gerekend vanaf juni 2002. Heel veel geld in de landbouwsector is gewoon niet teruggevorderd omdat we te kampen hebben met lidstaten die niet meewerken.
De hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 2003 zou moeten leiden tot een verbetering op het terrein van de landbouw: dankzij de invoering van de single farm payment en de koppeling aan maatregelen voor randvoorwaarden worden er alleen subsidies toegekend waar dat terecht is. Ik heb zo’n knagend gevoel dat we door het falen op het gebied van landbouw in het verleden nu extra strenge randvoorwaarden stellen. Ik heb boeren gesproken die zeggen dat controles niet worden aangekondigd en dat ze zware boetes krijgen opgelegd voor kleine fouten. Dat gaat te ver. We moeten oppassen dat we niet doorschieten. Er is geen kunst aan om een bedrag van vijf euro op te sporen, maar een bedrag van vijf miljard kan zomaar door de mazen van het net glippen. Ik ben blij dat commissaris Fischer Boel zich gaat buigen over de vraag hoe we tot een minder strenge uitvoering van de regels kunnen komen zonder daarbij de regels te overtreden.
Het geld moet terugkomen, maar tot besluit wijs ik erop dat de discussie en, naar ik hoop, de inspanningen om tot betere regelgeving te komen, tot een verbetering van de situatie zullen leiden.
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
De stemming vindt dinsdag om 12.00 uur plaats.
Schriftelijke verklaring (artikel 142)
Véronique Mathieu (PPE-DE) , schriftelijk. – (FR) Het moet gezegd: het terugvorderen van communautaire subsidies, naar aanleiding van onregelmatigheden of gevallen van fraude, laat nog altijd te wensen over. Het financieel reglement moet dan ook strikter worden toegepast en waar nodig worden herzien.
Het Parlement is dan ook van mening dat onze acties zich primair moeten richten op het vereenvoudigen van de terugvorderingsprocedures en op een betere coördinatie tussen de diensten van de Commissie en de bevoegde diensten in de lidstaten. Het grootste probleem is dat geen enkele nationale instantie volledig verantwoordelijk is voor de kwaliteit en het toezicht op de nationale controle, terwijl de uitvoering van de communautaire begroting voor 80 procent een taak is van de lidstaten omdat ze die begroting gezamenlijk beheren. De complexiteit van de mechanismen maakt verder dat de media de verantwoordelijkheid voor de problemen met illegale operaties, en dus ook voor het terugvorderen, bij de Commissie neerleggen terwijl deze problemen vooral op het niveau van de lidstaten liggen.
Nauwere samenwerking tussen OLAF, Eurojust en Europol, een bredere toepassing van de gerechtelijke terugvorderingsprocedure en het verzoek van het Parlement aan de Commissie om een regelgevend kader vast te stellen voor de administratieve verantwoording van de onregelmatigheden en om regelmatig per DG te rapporteren over de voortgang van de terugvorderingen, zijn stuk voor stuk belangrijke maatregelen om de procedures transparanter en doeltreffender te maken.
19. UItvoeringsmaatregelen (niveau 2) van richtlijnen "Transparantie" en "Prospectus" (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is de verklaring van de Commissie over de uitvoeringsmaatregelen (niveau 2) van richtlijnen “Transparantie” en “Prospectus”.
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, staat u me toe om stil te staan bij twee door de Commissie voorgestelde maatregelen waarover het Parlement morgen stemt. Het betreft het uitstel van het besluit betreffende de gelijkwaardigheid van boekhoudkundige normen van derde landen – we streven ernaar om dat besluit in juli 2008 te nemen – en de algemene uitvoeringsmaatregelen van de richtlijn Transparantie.
Om te beginnen dank ik de rapporteurs voor hun efficiënte en zinvolle werk ten aanzien van deze belangrijke en gevoelige kwesties. Samen met de Commissie economische en monetaire zaken hebben ze zeer constructief met de Commissie en alle betrokken partijen samengewerkt. Het zorgvuldige werk van het Parlement heeft tot een duidelijke verbetering van de wetteksten geleid. Ook dank ik het Comité van Europese effectenregelgevers voor hun voortreffelijke werk. De ontwerpmaatregelen bieden nu een evenwichtige en doeltreffende oplossing.
Eerst de kwestie van de gelijkwaardigheid: door ons besluit over gelijkwaardigheid uit te stellen houden we niet alleen de EU-markten open terwijl aan de convergentie wordt gewerkt, maar kunnen we samen met de autoriteiten van de Verenigde Staten en andere derde landen ook actief werken aan het elimineren van de afstemmingsvereisten voor Europese effecten uitgevende instellingen in het buitenland. Dit is en blijft onze voornaamste doelstelling.
De extra twee jaar stellen ons in staat om het gelijkwaardigheidsbesluit af te stemmen op het tijdpad volgens de routekaart van de Amerikaanse Securities and Exchange Commission voor het elimineren van de noodzaak tot afstemming tussen de IFRS en de Amerikaanse GAAP. De Amerikaanse autoriteiten maken zich sterk voor het erkennen van de gelijkwaardigheid tussen de IFRS en GAAP. Met het nieuwe tijdpad voor de gelijkwaardigheidsbesluiten kunnen we samen aan gemeenschappelijke doelstellingen werken.
Er moet in dit verband worden benadrukt dat niets van te voren vastligt. Medio 2008 nemen we op basis van de voortgang op het gebied van convergentie een besluit over de gelijkwaardigheid, en het staat absoluut nog niet vast of een bepaalde GAAP door de “keuring” heen komt. Ik weet dat het Parlement deze doelstelling deelt. We nemen vóór 1 januari 2008 een besluit over de definitie van gelijkwaardigheid en over een gelijkwaardigheidsmechanisme. Dat doen we door middel van comitologie en daar wordt het Parlement volledig bij betrokken.
De vrijstelling van de verplichting om de verschillen tussen de GAAP’s van derde landen en de IFRS te omschrijven, voor instellingen die professionele effecten uitgeven, blijft een punt van zorg. We weten dat het Parlement zijn twijfels heeft over dit amendement. Het amendement is er puur op gericht om de dubbelzinnigheid van de bestaande prospectusverordening op te heffen. We betreuren het dat ons een paar weken geleden pas op deze dubbelzinnigheid is gewezen, maar we zijn ervan overtuigd dat dit amendement nodig is om de rechtszekerheid te garanderen.
Het tweede punt betreft de transparantiemaatregelen: de richtlijn Transparantie is een flinke stap in de richting van geïntegreerde Europese financiële markten waarin beleggers en het publiek vertrouwen kunnen hebben. Om dit te verwezenlijken is het van belang dat de uitvoeringsmaatregelen van de Commissie waarover u zich vandaag buigt, worden aangenomen, zodat de transparantieverplichtingen kunnen worden afgerond.
Het Parlement heeft verschillende voorstellen bij de Commissie ingediend ter verbetering van de tekst en dat waardeer ik. De Commissie is bereid om de meeste ervan in hoofdlijnen te aanvaarden, tenzij dit om technische redenen niet mogelijk is. Het Parlement heeft met name vragen gesteld over de notificatieprocedure in verband met marktscheppende activiteiten waarbij marktdeelnemers moeten aangeven dat ze gebruik wensen te maken van een van de uitzonderingen op de richtlijn. De Commissie geeft de voorkeur aan een oplossing waarmee de administratieve last en dus ook de kosten voor marktdeelnemers kunnen worden beperkt. Daarom heeft de Commissie het liefst dat marktdeelnemers deze notificatie alleen bij hun eigen bevoegd gezag indienen en niet bij misschien wel 25 verschillende autoriteiten. Ik ben van mening dat deze oplossing perfect past bij de agenda inzake vereenvoudiging die de Commissie voorstaat.
John Purvis, namens de PPE-DE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, in dit tijdperk van mondialisering klagen we vaak over de aarzelende houding van Europa als het gaat om het vaststellen van mondiale normen. De internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) zijn in feite een Europees project waarin een “principles-based”-boekhoudsysteem is opgenomen. De Europese boekhoudkundige normen zullen door een groot deel van de wereld worden overgenomen. Het is goed dat we derde landen de tijd gunnen om zich aan te passen, maar 1 januari 2009 is daarvoor echt een redelijke termijn.
Tot nu toe moesten onze Europese bedrijven zich aanpassen aan de Amerikaanse algemene boekhoudbeginselen en aanvaardden wij in Europa de Amerikaanse algemene aanvaarde boekhoudbeginselen (GAAP). Als de IFRS wordt ingevoerd, komt er een einde aan deze ongelijkheid. Ik ben blij dat de Amerikaanse autoriteiten ernaar streven om de einddatum voor gelijkwaardigheid te halen. Ze schijnen zelfs steeds meer overtuigd te raken van de voordelen van een “principles-based”-boekhoudsysteem.
Het is echter niet zo eenvoudig om de overeenkomsten te vinden tussen een streng “rules-based”-systeem en een meer flexibel “principles-based”-systeem. We zijn het er aan beide zijden van de Atlantische Oceaan over eens dat gelijkwaardigheid beter is dan strikte convergentie. Daarom vragen we de Commissie om zich voor de definitie van gelijkwaardigheid te houden aan de einddatum januari 2008, zodat 1 januari 2009 de definitieve einddatum is.
Vanaf dat moment zal de financiële verslaglegging van ieder derde land dat in de Europese Unie verslag legt, moeten geschieden volgens de IFRS of een boekhoudsysteem dat als gelijkwaardig wordt beschouwd. Dat geldt ook andersom.
Europese jaarrekeningen overeenkomstig de IFRS wordt zonder aanpassing in de VS en andere deelnemende derde landen geaccepteerd. Daardoor kunnen Europese bedrijven kosten besparen en concurreren op een mondiale kapitaalmarkt.
Mijn fractie hoopt dat de Commissie voldoende aandacht besteedt aan de voorstellen in onze gezamenlijke resolutie en dat ze erin slaagt om deze belangrijke onderhandelingen vóór 2009 succesvol af te ronden.
Peter Skinner, namens de PSE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heet de commissaris van harte welkom en ik dank hem voor zijn opmerkingen over het verslag. Ik ben van mening dat de nauwe samenwerking die ten aanzien van deze kwestie tussen het Parlement, de diverse fracties en de Commissie tot stand is gekomen, voor veel stabiliteit heeft gezorgd. Er ligt een een gevaarlijke tijd vóór ons: in twee jaar moeten we dit voor elkaar zien te krijgen, moeten we de mate van gelijkwaardigheid vaststellen en convergentie met landen over de hele wereld tot stand brengen. Het is dus heel terecht dat de commissaris niet alleen de VS maar ook andere derde landen hierop wijst. Maar de VS is natuurlijk het grote project waar we allemaal van op de hoogte zijn. Dat wordt een zware dobber en we maken ons duidelijk zorgen dat de miljarden dollars en euro’s die op trans-Atlantisch niveau tussen onze twee kapitaalmarkten omgaan, in gevaar komen als we het niet goed aanpakken.
Ik denk dat we op de juiste weg zijn en ik ben van mening dat de inbreng van het Parlement de methodologie ten goede is gekomen, onder meer door toetsing van de benadering die we bij deze uitdaging moeten volgen.
Gezien het grootste deel van deze richtlijn en de amendementen van de toezichthouders en anderen in dit Parlement – ik ben de collega’s die aan deze kwestie hebben meegewerkt, zeer dankbaar – geloof ik niet dat we het bedrijfsleven overbelast hebben. Dat heeft altijd vooropgestaan. Je kunt niet voortdurend spreken van een lichte aanpak en dan vervolgens het bedrijfsleven overbelasten. Dit is een belangrijke grensoverschrijdende kapitaalmarktkwestie en we moeten de samenhang en de communicatie tussen de diverse actoren op deze markt verbeteren.
We moeten er ook voor zorgen dat beleggers beschermd worden en dat ze op de juiste wijze en het juiste tijdstip de juiste informatie krijgen. Dat zijn kwesties die natuurlijk aan de lidstaat worden overgelaten. Ik denk dat de commissaris het met me eens zal zijn dat we van de modernste methoden gebruik moeten maken om beleggers te informeren.
Ik heb niet veel tijd, dus ik zal niet op alle onderdelen van deze specifieke richtlijn ingaan. Er is echter één overweging in de oorspronkelijke richtlijn waarop ik de aandacht van de commissaris wil vestigen. Het betreft de overweging inzake de vrijwillige initiatieven om bedrijven te helpen bij het melden van gedane betalingen aan regeringen overal ter wereld in verband met de delfstofwinning. Zoals de commissaris zich wellicht herinnert – en anders zijn diensten wel – was dit initiatief bedoeld om corruptie te bestrijden. Het was niet alleen gericht op verre gebieden zoals Afrika, maar ook op landen binnen de EU. Bedrijven zouden op vrijwillige basis informatie verschaffen over wat ze regeringen betalen, zodat wij en ook beleggers konden zien wat voor bedragen er tussen regeringen en bedrijven omgingen. Het was gericht op de delfstofwinning, omdat duidelijk was dat in die sector ontzettend veel geld naar het buitenland verdween, weg van de landen waar het thuishoort.
De laatste vraag die ik de commissaris wil stellen, is wat hij en zijn diensten gaan doen om dit initiatief te steunen. Ik denk dat dit Parlement graag opnieuw de toezeggingen zou horen die uw voorganger een aantal jaren geleden heeft gedaan.
Wolf Klinz, namens de ALDE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil het hebben over de uitvoeringsbepalingen bij de transparantierichtlijn. Als zogeheten niveau 2-maatregelen kunnen die maar tot op zekere hoogte door het Europees Parlement worden beïnvloed. Dat maakt het des te belangrijker dat de Commissie economische en monetaire zaken met eenparigheid van stemmen een ontwerpverslag heeft aangenomen op basis waarvan de plenaire vergadering thans een eigen resolutie zal vaststellen.
Door en bloc op te treden is de commissie er al in de aanloop naar de stemming van morgen in geslaagd de Commissie te overtuigen van een aantal belangrijke punten. Om te beginnen mogen market makers niet worden gedwongen hun financiële instrumenten die zij voor market making-activiteiten aanhouden, op een aparte rekening te zetten. Wel kan de toezichthoudende instantie een aparte rekening verlangen als de market maker niet in staat is deze financiële instrumenten te allen tijde op verzoek over te leggen.
Voorts is het voor een eerlijke mededinging noodzakelijk dat voor moedermaatschappijen van beheermaatschappijen en beleggingsondernemingen uit derde landen dezelfde voorwaarden gelden als voor moedermaatschappijen uit de Europese Unie.
Voorts moet onderscheid worden gemaakt tussen transacties binnen en buiten de beurs. Terwijl in het eerste geval de eigendom bij sluiting van de overeenkomst overgaat en bijgevolg directe kennisgeving kan en moet plaatsvinden, hoeven bij transacties buiten de beurs de sluiting van de overeenkomst en de eigendomsoverdracht niet samen te vallen. Het zou niet goed zijn hier reeds bij sluiting van de overeenkomst een kennisgevingsplicht te verlangen. Sterker nog, een melding op dat moment kan zelfs een marktverstorende werking hebben.
Ondanks het onderhandelingssucces van het Europees Parlement zijn er nog enkele punten waarop de Commissie afwijkt van de lijn van het Parlement – commissaris McCreevy heeft daar al op gewezen. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende vragen. Ten eerste, bij welke instantie moet een market maker een vrijstelling van de kennisgevingsplicht aanvragen als hij een bepaalde grenswaarde bereikt? Ten tweede, wat moet er minimaal worden opgenomen in een niet-geconsolideerde halfjaarlijkse rekening die niet volgens de IFRS is opgesteld? Ten derde, hoe kan een uniforme werkwijze van de accountants bij controle van de halfjaarlijkse rekening worden gewaarborgd?
Ik roep de afgevaardigden op om morgen voor te stemmen, omdat er dan kans is dat de Commissie en de lidstaten de verlangens van het Parlement ook ten aanzien van de nog openstaande punten zorgvuldig beschouwen en eventueel in aanmerking nemen.
Thomas Mann, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, evenals in de Commissie economische en monetaire zaken voer ik hier in het Parlement het woord namens professor Lauk, schaduwrapporteur van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten. Wij wensen hem een spoedig herstel toe van de schouderoperatie die hij heeft ondergaan.
Namens hem bedank ik de rapporteur Peter Skinner van de Sociaal-democratische Fractie voor de constructieve samenwerking. Ook wil ik mijn landgenoot uit Hessen bedanken, Wolf Klinz, die optreedt als schaduwrapporteur van de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa. Met het compromis dat deze drie personen hebben gesloten is de basis gelegd die onze commissie in staat stelde de ontwerpresolutie met eenparigheid van stemmen aan te nemen.
Ook de Europese Commissie heeft efficiënt gehandeld. Commissaris McCreevy, u hebt de belangrijkste punten overgenomen in uw voorstel voor een uitvoeringsrichtlijn en na raadpleging nog een aantal wijzigingen aangebracht. Met deze oplossing komt er meer transparantie bij de verstrekking van informatie over effecten die op de gereglementeerde markt worden toegelaten.
Met name aan de volgende drie punten hechtte de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten groot belang. Ten eerste mogen de eisen aan halfjaarlijkse audits niet al te bureaucratisch zijn. Het resultaat moet zijn dat het vergelijkende cijfermateriaal niet direct na de inwerkingtreding van de richtlijn moet worden overgelegd. Uit oogpunt van doelmatigheid is besloten tot invoering van een overgangsperiode. Ten tweede dienen, met betrekking tot het stemrecht, dochterondernemingen integraal en onafhankelijk geleid te worden. Ook dat is gerealiseerd. Ten derde moet niet in detail worden voorgeschreven in welk medium informatie die snel bekend moet worden gemaakt, dient te worden gepubliceerd. Ook hier is overeenstemming over bereikt.
Vanwege deze productieve wijzigingen stemt mijn fractie in met het verslag-Skinner. Net als Kurt Lauk hoop ik dat het morgen kan rekenen op brede instemming van het Europees Parlement.
Harald Ettl (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, een groeiend aantal mondiaal opererende ondernemingen heeft behoefte aan vergelijkbare en wereldwijd erkende geconsolideerde jaarrekeningen met het oog op de toegang tot internationale kapitaalmarkten. Dit heeft in de financiële verslaggeving op internationaal niveau een verandering teweeggebracht. Daar komt bij dat er in het licht van de voortijlende globalisering dringend behoefte is aan een grensoverschrijdende harmonisering van de financiële verslaggeving. De vaststelling van de IAS-verordening is een van de mijlpalen die zijn bereikt bij de verwezenlijking van een eengemaakte Europese financiële markt en de harmonisering van de financiële verslaggeving in Europa.
Een ontwikkelde kapitaalmarkt verbetert de concurrentiepositie van economieën. Studies hebben uitgewezen dat lidstaten met een hoge kapitalisatie van aandelen en hoge beursomzetten in relatie tot het bruto binnenlands product tevens kunnen bogen op hoge groei- en werkgelegenheidspercentages. In dit verband dient ook nadrukkelijk te worden gepleit voor de gelijkstelling van de IFRS- en US-GAAP-voorschriften en van de verslaggevingsprincipes van derde landen, de zogeheten derde landen-GAAP. Daarmee wordt een wezenlijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van uniforme en internationaal erkende standaarden voor de financiële verslaggeving en aan de integratie van de kapitaalmarkten.
Het doel moet niet zijn de bestaande verschillen in de boekhoudkundige regels van de Verenigde Staten, Canada of Japan simpelweg op te heffen. Het belangrijkste doel van de convergentie moet de vaststelling zijn van kwalitatief hoogwaardige standaarden voor jaarrekeningen. Alleen zulk soort normen zullen duurzaam van aard zijn en volledig worden aanvaard. Een spoedige erkenning van IFRS-jaarrekeningen door de Securities and Exchange Commission (SEC), de Amerikaanse beurswaakhond, is voor het Europese bedrijfsleven van eminent belang.
De onevenwichtigheden bij de erkenning van verslaggevingsstandaarden moeten in januari 2009 uit de weg zijn geruimd. Alleen dan kan het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven worden versterkt.
Margarita Starkevičiūtė (ALDE). – (LT) Het document dat ter tafel ligt is in technisch opzicht kort en duidelijk – wij beraadslagen over standaarden voor jaarrekeningen. Wij benadrukten in onze ontwerpresolutie al dat dit vraagstuk op economisch en politiek gebied zeer belangrijk en complex is; per slot van rekening gaat het hier in essentie om de rol van de Europese Unie op de mondiale financiële markt.
Internationale standaarden voor jaarrekeningen gebaseerd op beginselen maken integraal deel uit van ons Europese financiële model, dat ook door ontwikkelingslanden zal worden overgenomen. De Europese Commissie moet daarom maatregelen nemen om de toepassing van dergelijke standaarden in ontwikkelingslanden te ondersteunen, de kwaliteit en het Europese karakter ervan te bevorderen en zodoende een imago van de Europese financiële markt te ontwikkelen en verschillende oplossingen aan te dragen (niet alleen in technisch opzicht).
Wij mogen niet vergeten dat ook de Verenigde Staten er een heel goed functionerend systeem van boekhoudstandaarden op na houden. Of we het nu leuk vinden of niet, internationale en Amerikaanse boekhoudstandaarden zijn tegenwoordig aan het concurreren op de markt van de Europese Unie; maar eigenlijk komt het erop neer dat wij, de wetgevers, aan het concurreren zijn.
Ik denk dat het Europees Parlement gereed is om de concurrentie aan te gaan. Voor bedrijven is het echter te duur om meer dan één standaard aan te houden en op de opkomende markten is er sprake van verwarring; men weet niet welke standaarden geïmplementeerd moeten worden. Daarom moet de Europese Commissie zoeken naar manieren om de standaarden te harmoniseren of om de harmonisatie van standaarden te stimuleren op het niveau van de desbetreffende organen.
We mogen niet vergeten dat het niet zozeer gaat om een technische kwestie die we hier bespreken, maar om de ontwikkeling van de mondiale financiële markt. Harmonisatie moet voldoen aan twee eisen: duidelijke richtsnoeren voor de verwezenlijking van de harmonisatie en een duidelijk definitie van wat de harmonisatie precies inhoudt.
Sommigen onder ons denken dat informele onderhandelingen doeltreffender zijn, omdat dan niemand van tevoren een standpunt hoeft te verwoorden. Het is mogelijk om verschillende methoden en tactieken toe te passen, maar ik denk niet dat het Europees Parlement zou instemmen met besluiten voor de harmonisatie van boekhoudstandaarden die een inbreuk betekenen op cruciale IFRS-beginselen of met de hoge kwaliteit en de goede naam daarvan. Het Europees Parlement acht het onaanvaardbaar dat er besluiten worden genomen zonder dat het Parlement en de actoren op de financiële markten hierin gekend zijn.
Alexander Radwan (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil van deze mogelijkheid gebruik maken om de aandacht te vestigen op twee prioriteiten met betrekking tot de beide verslagen. Ten eerste is, voor zover ik weet, de nieuwe comitologieprocedure nog niet van toepassing op dit gebied, maar ik ga ervan uit dat de Commissie voldoende rekening zal houden met de stem van het Parlement, omdat deze procedure op nieuwe wijzigingen in de toekomst wel van toepassing zal zijn.
Ten tweede gaat het om de vraag hoe wij in de toekomst met de IFRS-normen omgaan. Dit terrein zal in de toekomst steeds meer aan belang winnen. Namens mijn fractie verklaar ik dat wij in principe instemmen met de IFRS-normen als zijnde internationale voorschriften voor Europese ondernemingen, zij het onder enige voorwaarden. Het doel van de convergentie moet mede worden verwezenlijkt vanuit de optiek dat de Europese visie, de Europese prioriteiten, in de toekomst tot uiting komen bij de besprekingen. Ik heb me in dit verband geërgerd aan signalen uit kringen in de Board of Trustees waaruit blijkt dat men op menig punt zeer kritisch is over de discussie inzake de vraag of en wanneer een convergentie haalbaar is.
De belangrijkste vraag is echter hoe wij in de toekomst aanvullende normen zullen ontwikkelen. Zoals bekend is er inmiddels een discussie gaande over zogeheten KMO-IFRS. De processen lopen gesmeerd, de besprekingen worden in de daarvoor bestemde organen gehouden, maar alles is losgezongen van een politiek proces. Ik wil de Commissie aanmoedigen, ja, zelfs met klem oproepen, om dit proces van zeer nabij te volgen en daar voortdurend het Parlement bij te betrekken, met politieke en democratische controle als uitgangspunt.
Ik ben de rapporteur van het Parlement inzake dit onderwerp en ik heb ook ervaring met Bazel. U kunt ervan uitgaan dat dit proces niet zodanig zal verlopen dat er op internationaal niveau overeenstemming wordt bereikt en dat het Parlement dan staat voor een feit waaraan niets meer te veranderen valt. Daarom is het nodig dat het Parlement in een nauwe dialoog samenwerkt met de Commissie. Wij roepen de Commissie op en dringen er bij haar met klem op aan, om de Europese belangen actief te behartigen en te voorkomen dat zij door de Board – zoals eerder is gebeurd bij andere vraagstukken – voor voldongen feiten wordt geplaatst.
Pervenche Berès (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dit debat over de aanpassing van de Prospectus-richtlijn en de Transparantie-richtlijn, naar aanleiding van de door commissaris McCreevy met de Amerikaanse autoriteiten gemaakte afspraken, is een geschikt moment om te kijken hoe de IFRS-normen zijn toegepast. Op dit punt moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Dit Parlement heeft er naar mijn idee in hoge mate toe bijgedragen dat er bij de onderhandelingen over de gelijkwaardigheden echte gelijkwaardigheden uit de bus zijn gekomen, en niet gewoon een deadline die zou verstrijken, waarna men zou kunnen zeggen dat waar eerst verschillen bestonden, voortaan sprake zou zijn van gelijkwaardigheden.
Commissaris, u weet maar al te goed dat bij deze kwestie alles draait om onderhandelen. U hebt bij de Amerikanen een afstemming bedongen aan het einde van de periode, en wanneer het eenmaal zover is blijft u met lege handen achter, tenzij het Parlement zich in de tussentijd laat gelden zodat we uiteindelijk komen tot een aanvaardbare erkenning van gelijkwaardigheid.
Ik betreur het ten zeerste dat we voorafgaand aan deze plenaire vergadering niet met onze collega’s van het Amerikaanse Congres de videoconferentie hebben kunnen houden die ik had voorgesteld, waarmee mijn medecoördinatoren hadden ingestemd en waardoor we samen met de Amerikaanse politieke autoriteiten het noodzakelijke debat hadden kunnen voeren over de vraag of ze in staat zijn deze afspraken na te leven die u, meneer McCreevy, tot de uwe hebt gemaakt.
Piia-Noora Kauppi (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen dank ik de collega’s die aan deze zeer zware dossiers hebben gewerkt. Ik verwelkom de geest waarin de uitvoeringsmaatregelen voor de richtlijnen Transparantie en Prospectus zijn geformuleerd, na de zware MiFID-procedure waarvoor ik vóór het voorjaarsreces de rapporteur was.
Het Europees Parlement moet op comitologie kunnen vertrouwen, zeker nu, na het besluit van juli. We delegeren een groot deel van onze besluitvormingsbevoegdheden aan de Commissie en we willen ervoor zorgen dat de wetgeving die op grond van het Lamfalussy-proces tot stand komt, de best mogelijke technische kwaliteit en democratische legitimiteit biedt.
Voordat het Parlement echter van de horizonbepalingen af kan – wat de Commissie graag zou zien – moeten we meer garanties hebben voor de verbeterde procedure van het comitologiebesluit en moeten we de garantie krijgen dat het Parlement volledige invloed heeft op de maatregelen op het tweede niveau.
Voor de goede orde, MiFID is een uiterst belangrijke procedure die zeker veel meer voor de financiële dienstensector kan betekenen dan velen denken. Het is ook een goed voorbeeld van de invloed die het Parlement kan hebben. De industrie en de marktdeelnemers willen dat we meer gebruik maken van onze bevoegdheden en er was waardering voor de veranderingen die het Parlement met dat verslag heeft bewerkstelligd. Ik denk dat hetzelfde zal gebeuren met de richtlijnen Transparantie en Prospectus.
Het is van groot belang dat het Europees Parlement zijn bevoegdheden op deze terreinen versterkt. Op die manier kunnen we de Gemeenschap beter steunen. Soms maakt de Raad zich onnodig schuldig aan gold-plating. De Raad heeft voorstellen ingediend die de interne markt in gevaar brengen en ik denk dat de troepen van de Gemeenschap – de Commissie en het Europees Parlement – op dit gebied samen ten strijde moeten trekken, omdat dat de interne markt ten goede komt.
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zal kort bij beide onderwerpen stilstaan.
Wat het gelijkwaardigheidsbesluit betreft: het is goed dat we het uitstellen. Dat is de meest efficiënte manier om het gebruik van de IFRS te bevorderen. Het biedt ons meer mogelijkheden om de afstemmingsvereisten voor uitgevende instellingen in het buitenland te schrappen, aangezien EU-markten hierdoor aantrekkelijk blijven voor buitenlandse uitgevende instellingen. Beleggers en uitgevende instellingen in de EU hebben er allebei baat bij.
Ik ben me bewust van het feit dat leden van het Europees Parlement en anderen zich over veel van deze kwesties zorgen maken, maar er is een duidelijke routekaart opgesteld. Als er aan alle zijden sprake is van goodwill, zullen we tot een bevredigend resultaat komen, maar mocht de uitkomst niet bevredigend zijn, dan is er nog geen man overboord. Ik denk dus dat het om velerlei redenen een goed besluit was om het tijdpad te verlengen. Om te beginnen bieden we onszelf hier in Europa zo de kans om te zien hoe de IFRS in de diverse lidstaten ten uitvoer is gelegd en daar kunnen we nog iets van leren ook. Onze collega’s in de Verenigde Staten hebben duidelijke toezeggingen gedaan wat betreft de routekaart en de tijdslijnen daar. Onder gelijke omstandigheden, zouden we tot een bevredigend resultaat moeten komen, maar als dat niet zo is en we niet tevreden zijn, is er nog geen man overboord. Wereldwijd gaan steeds meer mensen over op de boekhoudbeginselen van de IFRS die Europa vorig jaar heeft aangenomen, dus daar hebben we sowieso profijt van.
Wat betreft de grote vraag van de heer Radwan en anderen over convergentie en gelijkwaardigheid: over enkele jaren kunnen we de balans opmaken.
Wat de richtlijn Transparantie betreft: ik zal ingaan op het punt dat de heer Skinner naar voren bracht. Zijn punt heeft te maken met een bepaling in de overweging van de richtlijn op niveau 1. Op grond van deze overweging moeten door de delfstoffenindustrie gedane betalingen worden gemeld. Dit is tijdens het debat van vandaag niet als zodanig aan de orde, maar ik kan bevestigen dat de Commissie deze zaak zal begeleiden.
Wat de uitvoeringsmaatregelen bij de richtlijn Transparantie betreft: ik moet eraan toevoegen dat ik de bezorgdheid over de toekomstige ontwikkelingen begrijp. De Commissie zegt in dit verband toe dat ze een verklaring zal opstellen die op de dag van de stemming over de ontwerpuitvoeringsmaatregelen aan de notulen van het Europees Comité voor het effectenbedrijf zal worden gehecht. Ik wijs erop dat de Commissie zich opnieuw zal buigen over de kwestie met betrekking tot het onderzoek door een financieel controleur van de halfjaarlijkse financiële verklaringen, als het werk in verband met de internationale auditnormen, die momenteel in ontwikkeling zijn, ver genoeg gevorderd is.
Ook zal de Commissie binnen twee jaar na de definitieve einddatum voor omzetting de kwestie van de minimuminhoud van het gecondenseerde pakket van halfjaarlijkse financiële verklaringen die niet in overeenstemming met de internationale boekhoudingsnormen zijn voorbereid, aan een nieuw onderzoek onderwerpen.
De Commissie zal ook een onderzoek uitvoeren naar de wijze waarop de gereglementeerde informatie in de praktijk wordt verspreid volgens de verplichtingen van de richtlijn Transparantie en de toekomstige uitvoeringsrichtlijn. Dit onderzoek zou twee jaar na het eind van de omzettingsperiode voor de uitvoeringsrichtlijn kunnen plaatsvinden. Op deze manier kunnen we ervoor zorgen dat de instrumenten van de richtlijn Transparantie worden afgestemd op verbeteringen op de markt.
De Voorzitter. Er zijn twee ontwerpresoluties ingediend, overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement(1).
20. Financieringsinstrument voor het milieu (LIFE+) – Financiering Natura 2000
De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:
- de aanbeveling voor de tweede lezing (A6-0288/2006) betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het financieringsinstrument voor het Milieu (LIFE+)) (06284/1/2006 C6-0226/2006 2004/0218(COD)) (rapporteur: Mrs Isler Béguin)
- de mondelinge vraag (B6-0441/2006) van Karl-Heinz Florenz, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, aan de Commissie, over de financiering van Natura 2000 (O-0113/2006).
Marie Anne Isler Beguin (Verts/ALE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, geachte collega’s, ik wil allereerst de leden van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en in het bijzonder mijn schaduwrapporteurs bedanken voor het werk dat we samen hebben verricht. Ik meen namelijk te kunnen zeggen – ofschoon het Parlement zoals gebruikelijk op dit tijdstip heel wat lege plaatsen vertoont – dat we de klus echt samen hebben geklaard en dat dit naar mij vernoemde verslag net zo goed de naam had kunnen dragen van mijn collega’s mevrouw Gutierrez, mevrouw Ries, en ook mevrouw Lienemann, die zich verontschuldigt voor het feit dat ze hier vanavond niet aanwezig kan zijn.
Wij hebben ook samengewerkt met de Commissie. Het is jammer dat de Raad niet aanwezig is, want uiteindelijk zullen onze resultaten in hoge mate afhangen van laatstgenoemde. Ik ben er stellig van overtuigd dat de samenwerking die we bij deze eerste lezing tot stand hebben weten te brengen, en die logisch voortvloeit uit het gemeenschappelijke standpunt, ons in staat zal stellen overeenstemming te bereiken met de Raad en met u, en ik reken op u, geachte commissaris, om de uitkomst van dit debat over te brengen aan de Raad.
Dames en heren, Life+ is niet meer het programma dat het ooit was, maar zal wel degelijk de begrotingslijn ‘milieu’ van de Unie gaan vormen. Aan Life+ de taak om het Europese innovatiebeleid vorm te geven, om problemen aan te pakken, zoals de strijd tegen de klimaatverandering en het tegengaan van lucht- en bodemverontreiniging, om de biodiversiteit te behouden, maar ook om het DG Milieu en de ngo’s, onze bio-indicatoren bij uitstek, de middelen aan te reiken waarmee ze het milieubeleid van de lidstaten een Europese meerwaarde kunnen geven.
In feite, geachte collega’s, hebben we het hier over een “onmogelijke begrotingslijn”, gezien het te verwaarlozen bedrag dat de Raad en de Commissie ervoor hebben uitgetrokken. Wij hebben in eerste lezing geprobeerd deze Life-lijn, die amper één procent van de globale begroting vormt, naar een niveau te tillen dat past bij het beleid waarmee de Unie zelf te koop loopt. Het debat richtte zich op de steun aan het netwerk Natura 2000, het visitekaartje van ons milieubeleid. Door 21 miljard euro extra uit te trekken, waarvan zelfs de Commissie vond dat het noodzakelijk was om Natura 2000 in goede banen te leiden, heeft het Europees Parlement een krachtige boodschap afgegeven aan de Commissie en de Raad. En het is goed dat we dat hebben gedaan.
Nu de budgetten van de structuurfondsen verlaagd worden, is binnen de regio’s een concurrentiestrijd losgebarsten, en al onze collega’s komen nu tot inkeer. Aangezien Natura 2000 niet apart vermeld is in het financieel reglement, zullen we het waarschijnlijk moeten hebben van ecologische vrijwilligers. We moeten ons echter niet al te veel illusies maken over de middelen die zullen worden vrijgemaakt voor het beschermen van de natuur en de biodiversiteit, en dat terwijl het Europees Parlement zich bij eerste lezing vrijwel unaniem achter een ambitieus Europees beleid heeft geschaard.
In het gemeenschappelijke standpunt dat ons is voorgelegd, is onze waarschuwing op spectaculaire wijze in de wind geslagen. Erger nog: men neemt er op alarmerende wijze afstand van, door maar liefst 80 procent van de gedelegeerde beheertaken over te hevelen naar de lidstaten, ofschoon dit percentage niet voorkwam in uw oorspronkelijke standpunt. Welke minister zou zo’n cadeau weigeren? We snappen ook wel dat de Commissie bang is meerdere projecten op zich te nemen met te weinig personeel. En het wordt er niet beter op, want met de aangekondigde inkrimping van het Europese ambtenarenapparaat is de kans klein dat het DG Milieu nog extra personeel in dienst zal nemen.
Laten we heel duidelijk zijn: dit is niet de juiste benadering, want milieuvraagstukken kunnen het best afgehandeld worden op Europees niveau. Wij vinden deze overdracht van bevoegdheden van de Commissie naar de lidstaten zelfs gevaarlijk. In onze ogen is dit de eerste stap in de richting van een renationalisering van het milieubeleid, de aanzet tot een langzame onttakeling van het Europese ideaal. Elke lidstaat die zijn oorspronkelijke inleg opeist zou dan ook rustig een beroep mogen doen op de strategie van Lissabon en daarmee de concurrentie het nakijken geven – en we weten allemaal dat concurrentie veelal hand in hand gaat met aantasting van het milieu –, of duurzame ontwikkeling naar zijn hand kunnen zetten terwijl deze juist een overkoepelende aanpak vereist, ofwel het tegenovergestelde van concurrentie. Ook weten we hoezeer de noemer “milieu” dient om heel wat problemen te rechtvaardigen die funest zijn voor het milieu.
Commissaris, geachte collega’s, dat is de kuil waar we niet in willen vallen, want daarmee zouden alle successen die Europa heeft geboekt op het gebied van milieu ongedaan gemaakt worden. Als er één zichtbaar, herkenbaar, erkend en door de Europese burger gewaardeerd beleid bestaat, dan is het wel het milieubeschermingsbeleid dat we ten uitvoer hebben weten te leggen.
Wij weten allemaal dat Life dient om noodsituaties het hoofd te bieden en beleid te ontwikkelen waarmee we ons milieu kunnen herstellen. De 100 miljoen euro die uit het vuur zijn gesleept tijdens de behandeling van de financiële vooruitzichten, en waarvan we eisen dat ze tot de laatste cent worden gebruikt voor het milieu, zullen niet voldoende zijn om deze doelen te verwezenlijken. Commissaris, tenzij u kunt toveren zult u uw beloften onmogelijk kunnen waarmaken met dit soort aalmoezen. Door ze toe te vertrouwen aan de lidstaten, valt een mislukking dan ook niet uit te sluiten.
Wij willen dat de Unie wereldwijd voorop blijft lopen en wetgevende initiatieven blijft nemen om de aarde te beschermen. Dat veronderstelt dat de Commissie ambitieus beleid kan opstellen, de verantwoording kan nemen voor de kwaliteit van de binnen de lidstaten voorgestelde projecten, en projecten kan weigeren die niet geschikt zijn. Het Europees beleid moet in geen geval de lacunes van de lidstaten met betrekking tot het milieu compenseren. U snapt wel dat wij weigeren ze een blanco cheque te geven.
Aan de andere kant zijn wij ons er terdege van bewust dat de vertraging die mogelijk het gevolg is van deze procedure de financiering weer dreigt te vertragen. Daarom hebben wij samen hetzelfde amendement ingediend om ervoor zorgen dat de door uw DG Milieu verrichte werkzaamheden gefinancierd worden, in afwachting van een overeenkomst uiteraard. Ook wij willen niets liever dan dat de activiteiten voortgezet kunnen worden en zelfs dat u nieuwe projecten kunt aandragen en kunt toezien op de financiering van het werk van de ngo’s. Wij willen hier graag heel duidelijk stellen dat dit juridisch en financieel gezien haalbaar is.
Tot slot, mijnheer de Voorzitter, zou ik willen zeggen dat de Raad en de Commissie nu aan zet zijn en dat wij ervan overtuigd zijn dat we het met elkaar eens zullen worden, zodat we dit ambitieuze milieubeleid verder op poten kunnen zetten. Dat verwachten onze medeburgers en zij moedigen ons daartoe aan.
Cristina Gutiérrez-Cortines (PPE-DE). (ES) Mijnheer de Voorzitter, mijn interventie bestaat uit twee gedeelten. In het eerste gedeelte zal ik de mondelinge vraag over Natura 2000 van de heer Florenz stellen, die hier niet aanwezig is en mij gevraagd heeft om namens hem te spreken.
De vraag is de volgende: Gelet op het feit dat volgens ramingen van de Commissie jaarlijks 6,1 miljard euro nodig zijn voor de instandhouding en het onderhoud van het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden en de veronderstelling is dat de benodigde middelen uit de plattelandsontwikkelings- en structuurfondsen, uit het Life+-programma en uit de visserijfondsen afkomstig zullen zijn, hoe denkt de Commissie dit beleid te gaan coördineren? Hoe denkt de Commissie duidelijke boodschappen te kunnen zenden, aan de gebruikers, aan de eigenaren, aan degenen die grond van Natura 2000 hebben, over de inhoud van haar gecoördineerde beleid? Waar zijn de financiële middelen? Welke acties moeten er worden ondernomen? In welke mate zijn de bescherming en de financiële steun van de Europese Unie toegankelijk?
Dat is allemaal nog niet duidelijk. We hebben een heel duidelijk ontwerp nodig dat ervoor zorgt dat er echte communicatie gaat plaatsvinden, van beneden naar boven, tussen de eigenaren en de Commissie.
Met betrekking tot Life+ onderschrijf ik alles wat mevrouw Isler Béguin heeft gezegd. De uitkomst van de stemming is een weerspiegeling van een echt akkoord in de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, hoewel er afwijkende opvattingen en standpunten kunnen bestaan, afhankelijk van het standpunt van elke lidstaat. Waarom? Omdat in het nieuwe ontwerp van Life+ dat nu gepresenteerd wordt het beleid gedecentraliseerd wordt en heel anders wordt dan het tot nu toe was.
Wij begrijpen dat Life+ traditioneel een programma is dat vooroploopt bij het financieren van innovatieprojecten en innovatieve beheermodellen, vooral op milieugebied. Het is een prestigieus programma, dat de ngo’s altijd hebben gezien als een lichtend voorbeeld. Voor gemeenten en regionale autoriteiten is het de te volgen weg geworden, een permanent referentiepunt. En wij willen dat dit referentiepunt blijft bestaan.
Maar bovendien is dit zo omdat altijd de nadruk is gelegd op juist het universele karakter van het milieubeleid, wat een van de successen van het Europees beleid is geweest op dit gebied.
Europa weet dat milieubeleid niet zich niet kan beperken tot één regio. Er moet over nagedacht worden op mondiaal niveau, daar is de Europese Unie altijd heel duidelijk over geweest, en in het zesde actieprogramma milieu komt dat ook op elk gebied tot uiting.
Het beleid ten aanzien van de klimaatverandering, ten aanzien van de verwoestijning, ten aanzien van het water, van de kwaliteit van het leven, van het welzijn, van de vervuiling, heeft een universeel karakter en moet daarom niet alleen in de Europese Unie worden toegepast, maar Europa moet een model worden voor de hele wereld.
Laten we echter niet vergeten dat Life+ in het leven is geroepen om dit alles uit te voeren, en zo staat het ook in de financiële paragraaf die ik ga voorlezen en waarin wordt verklaard dat de kredieten van Life+ “bedoeld zijn voor de financiering van economische bijdragen aan acties die gericht zijn op het toepassen, actualiseren en ontwikkelen van de communautaire wetgeving en het communautaire milieubeleid, met inbegrip van de integratie van het milieu in het overige beleid”. Hoe kan dit worden uitgevoerd als het beleid alleen maar genationaliseerd wordt? Hoe kan dit worden uitgevoerd als Europa zijn leiderschap op dit gebied verliest, als Europa het milieubeleid in handen van de lidstaten legt?
Daarom stellen wij in alle helderheid en in alle stelligheid een meer gecentraliseerd model voor: een model waarin Europa weer het voortouw neemt en zijn leidende rol weer oppakt. We begrijpen dat de Commissie niet genoeg middelen heeft. We gaan de Commissie in de toekomst helpen, voor zover mogelijk, want dit beleid van ontmanteling van het ambtelijk apparaat mag niet gehandhaafd blijven.
Als Europa niet de structuur of de capaciteit heeft om het milieubeheer uit te voeren en gebrek aan gekwalificeerd personeel heeft, zal het deze taak niet kunnen uitoefenen. Het lijdt geen twijfel dat wij in dit verband willen dat een deel van het beheer wordt teruggegeven aan de Europese Commissie en dat er internationale Europese projecten worden uitgevoerd, zodat Europa in de toekomst een grotere capaciteit zal krijgen, aan capaciteitsopbouw kan doen, en zo de projecten beter kan monitoren, het beleid beter kan coördineren en transversale acties kan blijven ondernomen.
Dat is ons voorstel en we zullen volledig meewerken aan de bemiddelingsprocedure, zodat we snel een akkoord kunnen bereiken, en zodat de financiering gewaarborgd kan worden en de Commissie, en daar bestaat geen twijfel over, haar missie kan vervullen. Dat is de reden waarom we hier zijn: om met de Commissie samen te werken en tegen de lidstaten te zeggen dat duurzaamheidsbeleid een proces is en dat Europa niet alleen een markt is.
Stavros Dimas, lid van de Commissie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, eerst wil ik de rapporteur, mevrouw Isler Béguin, gelukwensen met haar uitstekende werk en met haar verslag over dit voorstel. Ik wil ook mevrouw Gutiérrez danken voor haar zeer positieve benadering en ik kan zowel de twee dames als alle leden van het Europees Parlement bevestigen dat de Commissie zal werken aan een eenvoudiger aanpak en een spoedige overeenkomst met de Raad.
Ik moet benadrukken dat wij sinds september 2004 – toen het college van commissarissen het voorstel van de Commissie heeft aangenomen – ongeveer een jaar na de eerste lezing heel veel vooruitgang hebben geboekt met Life+ en dat het standpunt van de Commissie vergeleken met haar oorspronkelijke voorstel op heel wat punten sterk is gewijzigd.
Ik vind dat het gemeenschappelijke standpunt van de Raad, waarmee de Commissie het in grote mate eens is, tegemoetkomt aan vele fundamentele eisen van het Europees Parlement. De ontwerpverordening bevat nu een hoofdstuk over de natuur en de biodiversiteit. Life+ zal maatregelen en activiteiten kunnen financieren voor de uitwisseling van standpunten en beste praktijken of modelprojecten, met inbegrip van het beheer en de selectie van Natura 2000-locaties en de richtlijnen voor habitats en vogels.
Het deel van Life+ dat betrekkinmg heeft op natuurbehoud is aanzienlijk. Ten minste 40 procent van de middelen kan hieraan worden uitgegeven. Ik zou willen beklemtonen dat dit percentage een minimum is en dat de lidstaten meer kunnen uitgeven als zij dat willen.
Wat de financiering van Natura 2000 betreft, heeft de Commissie financieringsmogelijkheden gecreëerd via de structuurfondsen, het visserijfonds en het landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling. De Commissie kan uiteraard uitgaven voor Natura 2000 bevorderen, maar in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel hebben de lidstaten de bevoegdheid en de keuze om te beslissen in welke mate zij gebruik willen maken van die financieringsmogelijkheden.
De Commissie van haar kant zal haar uiterste best doen om de lidstaten zoveel mogelijk gebruik te laten maken van die financieringsmogelijkheden. Steeds wordt het advies van het DG Milieu ingewonnen voordat de door de lidstaten ingediende strategische referentiekaders, operationele programma's voor de structuurfondsen en programma's voor plattelandsontwikkeling worden goedgekeurd.
Ik herhaal dat het een van onze grootste prioriteiten is te zorgen voor afdoende financiering voor Natura 2000, en daarom waardeer ik de steun van het Parlement hiervoor.
Toch is ons belangrijkste punt van debat vanavond de methode voor het uitvoeren van het programma. In overeenstemming met het gemeenschappelijke standpunt zal 80 procent van de kredieten voor Life+ ter beschikking worden gesteld van de lidstaten. Ik beschouw de voorkeur van het Parlement voor het behoud van het centrale programmabeheer als een blijk van vertrouwen in de Commissie. Maar die keuze vereist meer personeel, zoals ik eerder heb gezegd.
Daarom gaat de voorkeur uit naar de methode die wordt voorgesteld in het gemeenschappelijke standpunt. Ten eerste strookt die methode met het subsidiariteitsbeginsel: ze verschaft maximale flexibiliteit zodat kan worden ingespeeld op de verschillende behoeften van de lidstaten. Ten tweede garandeert ze dat alle landen een minimumpercentage aan financiering ontvangen. In het kader van het huidige Life III krijgen ze vaak geen geld. Ten derde is deze methode doorzichtig en controleerbaar en biedt zij een meerwaarde voor de Europese Unie.
Zoals u weet vormt het delegeren van beheersbevoegdheden de kern van het Commissievoorstel. De lidstaten baseren zich op dit voorstel en bereiden nu al ontwerpprogramma’s voor. Daarom kan de Commissie niet instemmen met de verschillende amendementen die alle verwijzingen naar het delegeren van beheersbevoegdheden schrappen.
Jammer genoeg is de uitkomst van de informele vergaderingen tussen Parlement, Raad en Commissie na de stemming in de Commissie milieubeheer en consumentenbescherming op 14 september niet van dien aard dat we grote stappen konden zetten in de richting van een akkoord over het delegeren van beheersbevoegdheden. Ondanks de meningsverschillen zijn we wel allemaal voor het programma Life+ en voor het spoedige uitvoeren van dit programma zodat de middelen kunnen vloeien en er geen vertraging optreedt bij de uitvoering van de programma’s.
De lidstaten hebben meer dan twee miljard euro voor het programma Life+. Er moet een manier worden gevonden om die middelen zo snel mogelijk uit te betalen, ook al betekent dat dat iedereen compromissen zal moeten sluiten. We moeten dus samen blijven zoeken naar praktische oplossingen, vooral voor de methode om Life+ uit te voeren. In dat kader zullen wij elke denkbare inspanning leveren om een compromis te bereiken tussen Raad en Parlement en zullen wij bemiddelen om een overeenkomst mogelijk te maken.
Péter Olajos, namens de PPE-DE-Fractie. – (HU) Binnen het kader van het Life III-programma, dat in 2000 van start ging, hebben we meer dan 950 miljoen euro besteed aan een scala van milieuprogramma’s gericht op het welslagen van talloze lokale, regionale en grensoverschrijdende projecten. En misschien nog wel belangrijker is dat het juist deze projecten zijn die de Unie dichter bij de gewone burger hebben gebracht en die rechtstreeks bijdragen aan een betere leefomgeving van de Europese burgers. Dat zijn belangrijke overwegingen in een tijd waarin de populariteit van de Europese Unie nog nooit zo laag is geweest.
De status van Life+, en daarmee ook van het Natura 2000-programma, geeft reden tot zorg en vestigt de aandacht op ten minste twee belangrijke knelpunten. Het eerste is het feit dat nu al duidelijk is dat er geen tijdig besluit zal vallen over het nieuwe programma en dat we dientengevolge aanstaande januari niet met nieuwe milieuprogramma’s van start kunnen gaan, zoals wel de bedoeling was. Dit is naar mijn mening een ernstige zaak. Ik stel derhalve voor dat we navolging geven aan de oplossing die in 2004 gekozen is. Destijds werd het Life III-programma, dat toen afliep, door een verordening van het Europees Parlement en de Raad met twee jaar verlengd en werd een aanvullend budget van 317 miljoen euro beschikbaar gesteld.
Ik stel voor dat we besluiten het in 2006 aflopende Life-programma van kracht te laten blijven totdat de nieuwe verordening wordt aangenomen. Het tweede probleempunt is het voorstel van de Raad om 80 procent van de fondsen door de lidstaten zelf te laten beheren. Dat druist in mijn optiek in tegen de logica en praktijk die tot dusverre zijn gevolgd, namelijk dat milieubescherming juist vanwege de grensoverschrijdende aard ervan vraagt om een supranationale aanpak.
Om die reden kan ik zelf alleen maar steun verlenen aan voorstellen die de Commissie en het Parlement meer bevoegdheid geven om over de besteding van de beschikbare fondsen te beslissen dan in het op tafel liggende voorstel het geval is.
Anne Ferreira , namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, geachte collega’s, allereerst wil ik u vragen de welgemeende excuses van mevrouw Lienemann te aanvaarden voor het feit dat ze niet aanwezig kan zijn vanavond, want u weet hoezeer ze betrokken is bij dit vraagstuk. Ik neem echter met evenveel plezier en met dezelfde overtuigingen haar plaats in.
Ik wijs erop dat onze fractie zich volledig achter het verslag van mevrouw Isler Béguin schaart, en blij is met het akkoord dat door onze fracties is bereikt over een ambitieuze strategie waarmee het enige directe financieringsinstrument dat bestemd is voor het Europese milieubeleid behouden blijft. Ook wil ik benadrukken dat ons Parlement de aanvullende begrotingsmiddelen voor Life in de wacht heeft gesleept, zij het dat deze ver achterblijven bij onze oorspronkelijke doelstellingen. Vandaag zijn het opnieuw de afgevaardigden die meer middelen eisen voor de tenuitvoerlegging van de Natura-richtlijn. Er is in ieder geval iets gedaan, waarschijnlijk niet genoeg, maar in een krappe begrotingscontext moeten we roeien met de riemen die we hebben.
Wij zijn het niet eens met de methode die is gekozen om de maatregelen te financieren. Life is een voorbeeldig Europees instrument, dat zijn nut heeft bewezen, en wij kunnen niet instemmen met renationalisering van dit beleid, waarbij maar liefst 80 procent van het budget in handen wordt gelegd van de lidstaten. De Europese Unie moet meer zijn dan een geldschieter; ze moet de touwtjes van dit milieubeleid in handen houden! Nu het Europese ideaal gekoesterd moet worden, en aangezien het beleid betreft dat veel burgers van de EU een warm hart toedragen, is het niet aanvaardbaar dat de Europese dynamiek op deze manier ondermijnd wordt. Onze geloofwaardigheid in de ogen van de burger staat op het spel, na de verklaringen in de toekomstige duurzame ontwikkelingsstrategie
Life moet overigens een voorbeeldfunctie blijven vervullen met vernieuwende en reproduceerbare projecten. Het is duidelijk dat we de lidstaten het financieringsniveau moeten bieden waar ze om vragen, waarbij we tegelijkertijd eisen dat bij de selectie van de projecten rekening gehouden wordt met zowel de Europese dimensie als de relevante milieupraktijk.
Onze fractie steunt het amendement van mevrouw Haug die de Commissie vraagt de financiering voor de lopende programma’s te handhaven. Wij kunnen namelijk niet accepteren dat ngo’s en andere bij Life betrokken partijen benadeeld worden.
Frédérique Ries , namens de ALDE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, twaalf maanden geleden lieten wij, samen met onze rapporteur mevrouw Isler Béguin, weten niet blij te zijn met dit door de Commissie aangeboden cadeau. Ik doel daarmee op een kwestie waarover al veel is gepraat: de overheveling van het milieubeleid naar de lidstaten , die maar liefst 80 procent van het budget van Life+ moeten gaan beheren. Net als onze rapporteur vind ook ik het jammer dat het Finse voorzitterschap tijdens ons informele overleg niet een krachtig gebaar heeft gemaakt om tegemoet te komen aan het streven van de burgers naar een beter milieu en een betere levenskwaliteit.
Het spreekt voor zich dat een oplossing moet worden gevonden voor deze institutionele onenigheid, en tot het zover is moet de continuïteit van de financiering van het communautaire milieubeleid uiteraard gewaarborgd worden. Dat is het doel van ons amendement 32. Net als mijn collega’s plaats ik dan ook vraagtekens bij de blanco cheque die de lidstaten op een zilveren schaaltje aangeboden is. Waarom zouden we renationaliseren wat Europa zelf prima doet, zij het met weinig middelen, zoals reeds is gezegd, namelijk de biodiversiteit en met uitsterven bedreigde diersoorten beschermen?
Ik wil enkele succes noemen die sinds de oprichting van Life in 1992 zijn geboekt op het gebied van natuur, milieu en derde landen. In mijn eigen land België zijn dat maar liefst 120 projecten voor het behoud van de biodiversiteit die mede gefinancierd worden door de Europese Unie. Dankzij Life en de over het algemeen gunstige effecten van Natura 2000 staat 20 procent van het Belgische grondgebied inmiddels te boek als beschermd natuurgebied.
De Commissie heeft daarnaast afgelopen donderdag 75 milieuprojecten gepresenteerd die in aanmerking zullen komen voor steun van de Unie – bij elkaar 136 miljoen euro aan steun die te danken is aan het Life-programma. Om terug te komen op België, het doet me deugd dat het plateau de Hoge Venen in de prachtige Ardennen, dat zich uitstrekt over het ruim 4500 hectare, tot de uitverkoren projecten behoort.
Is dat een goed teken? Ik hoop het, want door het op te nemen voor het milieu van Europa, bekommeren we ons ook om het welzijn en de gezondheid van toekomstige generaties. Zoals ik benadrukte, weet ik bovendien zeker dat Europa er alle belang bij heeft een bijdrage te leveren aan deze strijd voor het behoud van de natuur en de biodiversiteit.
Tot slot, mijnheer de Voorzitter, wil ik nogmaals benadrukken dat dit een strijd is die in de loop van het debat uitgestegen is boven de politieke scheidslijnen. Onze onvoorwaardelijke steun aan onze rapporteur – die ik nogmaals wil bedanken en gelukwensen – is daarvan het beste bewijs.
Margrete Auken, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil Karl-Heinz Florenz graag bedanken voor zijn vraag. Vorig jaar was ik rapporteur voor het parlementaire verslag over de financiering van Natura 2000. In dat verslag gaven wij uitdrukking aan onze zorg over de bereidheid van de lidstaten en de Commissie om deze taak serieus te nemen. Er wordt best goed geluisterd naar wie iets te zeggen heeft over de natuur, zolang het maar een jubelverhaal is. Denkt u nog maar eens terug aan de manier waarop de regeringsleiders in 2001 in Göteborg plechtig verzekerden dat Natura 2000 zou worden doorgevoerd. Maar alles was alweer vergeten, toen over het budget moest worden beslist en het zelfstandige begrotingsonderdeel voor Natura 2000 vierkant werd afgewezen. Nu wordt het nog interessant om te zien of men zich de beloftes nog herinnert, wanneer de lobbyisten van de landbouwsector weer zullen proberen ervoor te zorgen dat alle subsidiemiddelen, inclusief het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, naar de grote landbouwbedrijven en de industrie gaan. De Commissie kan nu niet anders meer dan op dit gebied strenger te zijn. De nonchalance en het gebrek aan controle waar tot nu toe sprake van was, dreigen rampzalige gevolgen te krijgen, eerst en vooral voor de natuur, maar ook voor de reputatie van de Europese Unie, zoals meerdere collega’s al hebben opgemerkt. De bescherming van milieu en natuur is voor vele mensen een essentieel winstpunt van de EU. Wij politici, die de noodzaak van de Europese samenwerking hebben moeten verantwoorden en uitleggen, hebben onafgebroken gewezen op dat wat de EU voor elkaar kan krijgen op dit gebied. Maar velen bemerken nu een onverschilligheid bij de Europese Unie ten opzichte van die waarden die niet gemakkelijk en snel in geld kunnen worden omgezet.
Er moet snel worden gehandeld als wij onze goede reputatie willen herstellen. De Commissie zou als voorwaarde voor de uitbetaling van met name middelen uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling moeten stellen dat lidstaten plannen naar voren brengen en voldoende middelen reserveren voor Natura 2000. En de Commissie zou de landbouwsector er meteen aan moeten herinneren dat de middelen uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling niet hun privémiddelen zijn. Natura 2000 moet zijn deel krijgen, ook zonder dat de landbouw compensatie krijgt. De landbouwsector moet zijn medeverantwoordelijkheid aanvaarden voor de gezondheid en diversiteit van de natuur. Dat zou iedereen in landbouwgebieden genoegen doen. Er zijn fantastische mogelijkheden om te verdienen aan de ontwikkeling van Natura 2000. Wij weten bijvoorbeeld dat ongeveer een kwart miljoen mensen werkzaam is binnen de natuurbescherming, en het potentieel binnen de toerismesector is nog groter.
Dimitrios Papadimoulis, namens de GUE/NGL-Fractie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur van harte bedanken voor haar uitstekende verslag en voor haar vastberaden verdediging van de eisen van de Commissie milieubeheer met betrekking tot Life+.
Het sleutelprobleem is nu dat er voldoende middelen beschikbaar moeten worden gesteld voor het Natura 2000-programma. Daarom steun ik van harte het verzoek tot een verhoging van de Life+-begroting met 50 miljoen euro. Als wij deze 50 miljoen in de marge laten zitten en genoegen nemen met een politieke verbintenis – zoals de Raad wil – zullen wij geen enkele duidelijke garantie hebben.
Ik geef eveneens steun aan het verzoek van de Commissie milieubeheer om 55 procent van Life+ uit te trekken voor natuur en biodiversiteit. Dit is van cruciaal belang voor de inspanningen die ondernomen worden om het desbetreffende doel van de Europese Unie te verwezenlijken. Inderdaad is het de moeite waard om van de extra 100 miljoen euro, waarover in het kader van de financiële vooruitzichten een akkoord is bereikt, méér dan 40 procent – 40 procent is het voorstel van de Raad – vast te leggen. Als het bij 40 procent blijft, zullen de financiële middelen voor biodiversiteit op evenredige wijze worden verminderd ten opzichte van de vorige financiële vooruitzichten, en dat zou onaanvaardbaar zijn.
Tot slot schaar ik mij achter het standpunt van de rapporteur dat wij ons moeten verzetten tegen het voorstel van de Commissie om 80 procent van de middelen aan de lidstaten te geven. Op die manier geven wij hun een blanco cheque. De middelen voor Life+ zijn niet bedoeld om de gaten in de begroting van de lidstaten op te vullen. Daarmee moeten gemeenschappelijke Europese programma’s worden bevorderd.
Mijnheer de commissaris, u weet heel goed dat in ons beider vaderland het geld vaak gebruikt wordt om loonuitgaven te dekken, en niet om het Natura 2000-netwerk te beschermen. Wij willen een krachtig Europees beleid. Wij willen allen in het Europees Parlement meer Europa op het gebied van de milieubescherming. Als de Commissie dat eveneens wil, waarom schaart zij zich dan niet achter ons in ons verzet tegen de Raad?
Kathy Sinnott, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou ervoor willen pleiten dat de lidstaten het beheer van Life voor 80 procent voor hun rekening nemen. Hierdoor worden de financiële middelen veel beter en eerlijker verspreid over de hele EU en over de diverse soorten milieu binnen de EU. Het zorgt voor meer lokale kennis bij het projectselectieproces en het is bevorderlijk voor het publieke bewustzijn.
Als Iers Parlementslid twijfel ik maar over één ding: ik ben van mening dat de tweede helft van de tweede pijler van Life – uitvoering van het bestaande milieubeleid – cruciaal is. Dit is een prioriteit, omdat het zinloos is om nieuw beleid en nieuwe projecten te financieren als we niet in staat zijn om de normen die we onszelf reeds hebben opgelegd, ten uitvoer te leggen. Eerlijk gezegd is dit in mijn eigen land een probleem als het om de industrie gaat. Het Milieubeschermingsagentschap in mijn lidstaat lijkt er veel moeite mee te hebben om de industrie dezelfde normen op te leggen als het publiek.
Ik ben dan wel bereid om het beheer van Life+ op lidstaatniveau te steunen, maar toch zie ik liever een redelijke mate van toetsing zodat bij de geselecteerde projecten prioriteit wordt gegeven aan de inspanningen bedoeld om de naleving van de EU-milieuwetgeving door de industrie te bevorderen.
Ryszard Czarnecki (NI). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, tijdens de eerste lezing van de Life+ -verordening zijn veel amendementen ingediend. Wij zijn het er unaniem over eens, dat dit financieel instrument op het gebied van milieubescherming niet aan de verwachtingen voldoet. Het grootste bezwaar is de beperking van financiering voor tenuitvoerlegging van al het beleid op dit gebied. De financiële overeenkomsten met de Raad en de Commissie zijn niet overgeheveld naar de milieubeschermingsbegroting voor de volgende zeven jaar.
Ik denk dat de verschillen in benadering van mevrouw Sinnot en van de meeste andere leden nogal abstract van aard zijn. Ik zou een veel geruster geweten hebben, als ik voor dit verslag zou stemmen, in de zekerheid dat de middelen die aan verschillende landen worden toegewezen, voor milieuprojecten zullen worden gebruikt. Het probleem is dat de middelen worden uitgegeven aan personeelskosten en niet aan milieuprojecten. Ik denk dat we daarom echt op de een of ander manier moeten ingrijpen.
Ten slotte wil ik nog even opmerken dat in een tijd van crisis wat betreft onze visie op het Europa van de toekomst, en van scepsis jegens de Europese instellingen, het milieu een gemeenschappelijk referentiepunt kan zijn, dat veel burgers van de lidstaten van de Europese Unie kan verenigen.
Françoise Grossetête (PPE-DE). – (FR) Commissaris, bij de eerste lezing richtte onze boodschap zich op de bescheiden middelen die werden toegekend aan Life+. Vandaag wil het Europees Parlement een krachtige boodschap richten aan de Raad en aan de Commissie. Wij kunnen onder geen beding instemmen met het feit dat 80 procent van de Life+-kredieten in handen wordt gelegd van de lidstaten. Dat is onaanvaardbaar, omdat het milieubeleid een van de Europese beleidsterreinen is die de Europese burger het meest aan het hart gaat. We vragen ons echt af waarom de Commissie deze kans laat lopen om de burger te laten zien dat communautair beleid hun dagelijks leven direct kan beïnvloeden. Dat is niet logisch, temeer daar we momenteel bekritiseerd worden vanwege de gebrekkige communicatie met de burger.
Life+ is een financieringsinstrument dat onontbeerlijk is voor ons milieubeleid. Het bevat echter een hoop tegenstrijdigheden. Sessie na sessie keuren we ambitieuze milieuplannen goed in het kader van duurzame ontwikkeling, terwijl Life+ langzaam de nek omgedraaid wordt. En ook hierover zijn we het niet eens met de Raad. Door de verantwoordelijkheid voor 80 procent van de kredieten neer te leggen bij de lidstaten dreigt alles waar we ons op vastgelegd hebben op losse schroeven te komen staan en bestaat het gevaar dat deze kredieten niet voor hun oorspronkelijk beoogde doel worden gebruikt.
Ja, Commissaris, we zijn allemaal voorstander van Life+, maar niet zoals u het voorstelt! We moeten vasthouden aan een centraal, door de Commissie beheerd model, waarbij projecten geselecteerd worden op basis van hun verdiensten en toegevoegde waarde. Zo niet, dan zal ons milieubeleid verwateren, dat weet u maar al te goed. Renationalisering is niet de goede oplossing. We moeten deze middelen niet aanwenden om ambtenaren te betalen, maar om projecten tot stand te brengen en te financieren.
Evangelia Tzampazi (PSE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, de renationalisering van Life staat haaks op de koers die men tot voor kort heeft gevolgd bij de toepassing van dit milieu-instrument.
Het voorstel om de lidstaten te belasten met het beheer van 80 procent van de toch al ontoereikende middelen voor Life+ zou betekenen dat heel de Europese toegevoegde waarde teniet wordt gedaan en bovenal dat de lidstaten gemachtigd worden om de middelen naar eigen inzicht uit te geven voor – waarschijnlijk – nationale doelstellingen. Daarom dringen wij aan op een onder de controle van de Commissie plaatsvindend, effectief en transparant beheer van de belangrijke programma’s met Europese toegevoegde waarde.
Tot slot is het voor mij erg belangrijk dat als er geen akkoord wordt bereikt, steun wordt gegeven aan het gemeenschappelijk voorstel op grond waarvan financiering is toegestaan van de activiteiten die vanaf 2007 in het onderhavig programma opgenomen moeten worden.
Ik wil mijn collega, mevrouw Béguin van harte bedanken voor haar bijzonder positieve verslag.
Mojca Drčar Murko (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het met de rapporteur, mevrouw Isler Béguin, eens dat het Parlement in eerste lezing een aanzienlijk aantal verbeteringen heeft aangebracht in de ontwerpverordening van de Commissie inzake Life+, met name wat betreft het bedrag dat moet worden opgenomen voor de financiering van Natura 2000. Daarom ben ik blij met amendement 18, waarin het bedrag van honderd miljoen euro dat tijdens de onderhandelingen over de financiële vooruitzichten was overeengekomen, weer wordt genoemd.
Er zijn echter een paar redenen waarom ik niet zo enthousiast ben over amendement 10, waarin het voor de nieuwe lidstaten zeer belangrijke lid 2 van artikel 6 van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad wordt geschrapt. Ik vrees dat een gecentraliseerde verdeling van middelen die volledig via de projecten verloopt, in het voordeel is van de oude lidstaten die beter op de hoogte zijn van de procedures. Het is algemeen bekend dat de instellingen van de nieuwe lidstaten nog niet voldoende voorbereid zijn om op voet van gelijkheid met hun projecten te concurreren. Het voorstel van de Commissie om 80 procent van de financiering aan de lidstaten toe te wijzen, is bedoeld om deze feitelijke beginachterstand te corrigeren. Daarnaast moeten uitgebreide selectiecriteria een Europese meerwaarde van de financiering opleveren. Zo bezien beschouw ik dit niet als renationalisatie. Wat de tenuitvoerlegging betreft: ik zou geen bezwaar hebben tegen de oplossing van de Raad.
Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, u hebt het nu vaak genoeg gehoord: we zijn allemaal tegen de overheveling van dit Europese programma terug naar de lidstaten. Dit programma moet Europees blijven.
Als we hier spreken over milieuprogramma’s en toewijzing van middelen, moeten we dat doen met gevoel voor proporties. Het is onacceptabel dat lidstaten in het kader van het habitat-programma en de vogelbeschermingsrichtlijn dingen doen die indruisen tegen het gezond verstand. Het is terecht dat we belang hechten aan het milieubeleid, maar het kan niet zo zijn dat kikkers meer bescherming genieten dan mensen. Het is een taak van de Commissie en haar diensten de zaken wel in de juiste proporties te zien.
Belangrijk is dat wij hier in het Europees Parlement met u, de Commissie programma's uitvoeren die een Europese meerwaarde bieden. Het is onaanvaardbaar middelen zomaar terug te geven aan de lidstaten en de besteding van die middelen verder aan hen over te laten. Ook gaat het niet aan dat met deze middelen ngo’s worden gefinancierd waar we de achtergronden en verbanden niet van kennen. We moeten oppassen dat Europese belastinggelden niet verkeerd worden besteed.
Karin Scheele (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de tweede lezing over het financieringsinstrument voor het milieu geeft er eens te meer blijk van dat de financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013 onvoldoende basis bieden om de taken van de Unie op milieugebied en op veel andere terreinen naar behoren uit te voeren.
Aangezien wij ons in een moeilijke financiële situatie bevinden, is het belangrijk dat wij onze rapporteur morgen met overweldigende meerderheid ondersteunen. Er wordt bij de Commissie weliswaar bereidheid tot een compromis gesignaleerd, maar we weten dat de onderhandelingen keihard worden. De amendementen waarvan de Commissie vanavond heeft gezegd dat zij ze niet kan aanvaarden, vormen namelijk de kern van het standpunt van het Europees Parlement.
Er is al gezegd dat renationalisering als een bedreiging voor het Europees milieubeleid en de Europese meerwaarde wordt beschouwd. Ik ondersteun dan ook alle amendementen met schrappingsvoorstellen van de rapporteur, want hiermee worden stappen in de juiste richting gezet.
Alfonso Andria (ALDE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, het volhardende werk van onze rapporteur heeft al in de eerste lezing voor opmerkelijke resultaten gezorgd. Desalniettemin zijn de voor Life+ uitgetrokken middelen tijdens de periode 2007-2013 ontoereikend om een antwoord te kunnen geven op de milieu-uitdagingen van de komende jaren en we lopen derhalve het risico de al geboekte positieve resultaten op het spel te zetten. Daarom is het bijzonder belangrijk amendement 3 van de rapporteur te steunen teneinde in ieder geval na de herziening van het financiële kader in 2008/2009 een adequate financiering te kunnen verzekeren met als doel Life aan te passen aan de noodzakelijke veranderingen en in te staan voor een hoog niveau van communautaire cofinanciering.
Bovendien zou ik het belang willen onderstrepen van de bestemming van de Europese milieusubsidies. Dat geld mag niet worden gebruikt om de financiële tekorten te dekken van de lidstaten – er is meer dan eens op gewezen dat het vaak wordt gebruikt om ambtenaren te betalen – maar dient aangewend te worden voor de uitvoering van Europese projecten die de strategie voor duurzame ontwikkeling van Göteborg concretiseren.
Tot slot verheugt het mij dat men in de nieuwe programmering van Life+ meer aandacht besteedt aan het probleem van de energie-efficiency, door geld uit te trekken voor nieuwe technologieën. Ik ben het met de rapporteur eens dat het maatschappelijk middenveld in grotere mate moet worden betrokken bij het opstellen van de meerjarenprogramma’s en de nationale jaarlijkse programma’s.
Stavros Dimas, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de Parlementsleden voor hun positieve bijdrage en voor de erkenning van het feit dat het oorspronkelijke voorstel – dat de Commissie in september 2004 met de hulp van het Parlement heeft aangenomen – aanzienlijk is verbeterd. We moeten streven naar een evenwichtige oplossing. In dit verband zal ik proberen bij te dragen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de Raad en het Parlement.
Wat de amendementen betreft: ik ben op de hoogte van 31 door de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid ingediende amendementen en een pas vorige week ingediend amendement. Net als het begrotingsdebat geeft dit laatste amendement mij het idee dat het Parlement bereid is om te helpen zoeken naar een oplossing voor het financieringstekort dat door de late aanneming van Life+ zal ontstaan. De begrotingskwestie zal uiteindelijk door de Begrotingsautoriteit worden opgelost, en de Commissie zal er alles aan doen om een overeenkomst te bewerkstelligen die het DG Milieu, met uw steun, het hele jaar 2007 middelen biedt.
Dan de 31 amendementen op Life+. Ik verdeel ze in vier afzonderlijke blokken. Ten eerste de leveringsmethode. De Commissie kan de reeks amendementen gericht tegen het gedelegeerde programmabeheer niet aanvaarden.
Ten tweede de toewijzing van middelen, de begroting, ring-fencing, enzovoorts. Het Parlement heeft een amendement ingediend dat erop gericht is om het extra bedrag van honderd miljoen euro in zijn geheel toe te wijzen aan het Life+-instrument. Als het Parlement en de Raad het eens worden over de toewijzing van dat bedrag aan het Life+-programma, zou ik graag zien dat het programma wordt uitgebreid. Het Parlement wil ook dat minstens 55 procent van de Life+-middelen wordt toegewezen aan het deel natuur en biodiversiteit. De Commissie kan dit amendement niet aanvaarden, aangezien het ten koste zou gaan van de flexibiliteit die verschillende lidstaten nodig hebben om andere dringende milieukwesties aan te pakken. De in het gemeenschappelijk standpunt genoemde 40 procent is een minimum, en niets weerhoudt lidstaten ervan om het dubbele aan natuur en biodiversiteit te besteden als ze dat wensen en kunnen rechtvaardigen.
Ten derde de comitologiekwesties. De amendementen die gericht zijn op een grotere betrokkenheid van het Parlement tijdens de verschillende fasen van de programmering en de invoering van de regelgevingsprocedure met toetsing, zijn in principe aanvaardbaar.
Tot slot de reeks amendementen die gericht is op meer duidelijkheid, grotere transparantie, enzovoorts, ten aanzien van kwesties als de uitvoering van het Verdrag van Aarhus, grensoverschrijdende projecten, een specifieke verwijzing naar het effect van klimaatverandering op biodiversiteit, de rol van de Commissie bij het bevorderen van integratie, enzovoorts. Ik ben van mening dat deze amendementen met een paar aanpassingen in principe aanvaardbaar zijn voor de Commissie.
Ik wijs er nogmaals op dat we moeten blijven zoeken naar praktische oplossingen, met name voor de uitvoeringsmethode voor Life+. Bovendien moeten we samen een oplossing zien te vinden voor het financieringstekort voor 2007. De positieve houding van het Parlement is in dit opzicht zeer bemoedigend.
We hebben een financieringsinstrument voor het milieu nodig om onze begroting van twee miljard euro te kunnen besteden. Daarom ben ik bereid om te helpen zoeken naar een praktisch compromis tussen de Raad en het Parlement over deze kwesties en om mee te werken aan de totstandkoming van een overeenkomst hierover.
VOORZITTER: MARIO MAURO Ondervoorzitter
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
De stemming vindt dinsdag om 12.00 uur plaats.
21. Communautair mechanisme voor civiele bescherming (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0286/2006) van Dimitrios Papadimoulis, namens de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, over het voorstel voor een beschikking van de Raad tot vaststelling van een communautair mechanisme voor civiele bescherming (herschikking) (COM(2006)0029 C6-0076/2006 2006/0009(CNS)).
Stavros Dimas, lid van de Commissie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik het Europees Parlement en met name de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en haar rapporteur, de heer Papadimoulis, van harte bedanken voor dit uitstekende verslag.
In het voorstel van de Commissie tot herschikking van de beschikking van de Raad van 2001 tot vaststelling van een communautair mechanisme voor civiele bescherming is rekening gehouden met het verzoek van zowel het Europees Parlement als de Raad om de middelen en capaciteiten op het gebied van de civiele bescherming in Europa te versterken. Het doel van dit voorstel is het mechanisme te versterken uitgaande van de ervaringen die zijn opgedaan tijdens voorgaande noodsituaties. Daarmee wordt de grondslag gelegd voor de verdere ontwikkeling van de samenwerking bij civiele bescherming, via de verbetering en versterking van de bestaande werkzaamheden op dit gebied, maar ook via het opstarten van nieuwe activiteiten.
Ik moet hier wijzen op twee door ons voorgestelde noviteiten. De eerste betreft de financiering van de uitgaven voor het huren van uitrusting en vervoersmiddelen. Vaak worden wij geconfronteerd met situaties waarin de hulp weliswaar beschikbaar is, maar geen geschikte middelen voorhanden zijn om deze hulp over te brengen naar de plaats van de ramp, met als resultaat dat deze hulp ofwel laat ofwel helemaal niet aankomt. Als zich in meerdere Europese landen tegelijk noodsituaties voordoen, zoals bosbranden in de zomer, overstromingen in de lente of eventueel ook gelijktijdige terroristische aanslagen in heel Europa, is het voor de lidstaten vaak moeilijk om andere landen hulp te bieden omdat zij zelf behoeftes hebben. Daarom heeft de Commissie voorgesteld om een veiligheidsnet op communautair vlak te creëren en de mogelijkheid te bieden tot het huren van de noodzakelijke vervoersmiddelen en uitrusting. De Commissie weet natuurlijk heel goed dat het Europees Parlement zich volledig bewust is van de enorme voordelen die uit de onderhavige herschikking voortvloeien, en zij wil u dan ook bedanken voor de steun die u reeds hebt gegeven aan het nieuwe financieringsinstrument dat is voorgesteld.
Zoals in het verslag-Barnier wordt onderstreept, zullen dankzij de versterkte samenwerking zowel de burgers van de Europese Unie als de inwoners van derde landen beter kunnen worden beschermd. Daarmee wordt de Gemeenschap als geheel in staat gesteld om beter gecoördineerd, efficiënter en tijdig op te treden in ongeacht welk land dat door een grote ramp wordt getroffen.
Ik moet eraan herinneren dat het voorstel voor het huren van vervoersmiddelen en uitrusting deel uitmaakte van het voorstel voor het nieuwe financieringsinstrument waarover het Parlement eerder dit jaar een advies heeft uitgebracht. De daarop volgende onderhandelingen in de Raad bleken echter heel moeilijk te zijn. Daarom vragen wij alle leden van het Europees Parlement die willen dat dit voorstel erdoor komt, om op nationaal vlak alles in het werk te stellen om hiervoor steun te krijgen. Anders zullen wij op het gebied van de civiele bescherming nooit de versterkte samenwerking tot stand kunnen brengen die het Parlement heeft gevraagd.
Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL), rapporteur. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, de afgelopen jaren hebben we te maken gehad met de tsunami, de orkaan Katrina en de aardbevingen in Pakistan en Indonesië, met hun duizenden dodelijke slachtoffers. Ook in de Europese Unie en de lidstaten hebben zich echter wolkbreuken, overstromingen, bosbranden, zeerampen en industriële ongevallen voorgedaan. De gevolgen van deze tragische gebeurtenissen zijn enorm. Niet alleen verliezen daardoor talloze mensen het leven, maar ook wordt grote economische schade aangericht. Daarom dringen de burgers van de Europese Unie terecht aan op een efficiëntere aanpak daarvan.
De verbetering van de respons en paraatheid van de Europese Unie in noodsituaties is een prioriteit voor het Europees Parlement. Daarom onderzoeken wij vandaag hoe het communautair mechanisme voor civiele bescherming kan worden verbeterd.
Tijdens de voorbereiding van het onderhavige Commissievoorstel zijn verschillende alternatieve voorstellen besproken. Een daarvan was deze herschikking, en uiteindelijk heeft de Commissie daarvoor gekozen. Dit is echter het minst ambitieuze van alle voorstellen. Hiermee wordt de beschikking van de Raad betreffende het mechanisme voor civiele bescherming op slechts een beperkt aantal punten verbeterd. Daarom vraag ik de Commissie mij te zeggen waarom zij uiteindelijk voor dit minst ambitieuze voorstel heeft gekozen, ondanks het feit dat in de verklaringen van de Europese Raad en in de resoluties van het Europees Parlement herhaaldelijk is aangedrongen op een sterke ontwikkeling van het communautaire mechanisme voor civiele bescherming.
Het eerste belangrijke zwakke punt dat ik in het herschikkingsvoorstel van de Commissie heb opgespoord, houdt verband met de overbrenging van reddingsteams en reddingsuitrusting. Nu is elke lidstaat verantwoordelijk voor de organisatie van de overbrenging van zijn eigen civiele beschermingshulp. Deze tekortkoming ondermijnt echter de efficiëntie van de Europese hulp. Alleen al in 2005 hebben zich vijf gevallen voorgedaan waarin de lidstaten niet in staat waren om deskundigen en uitrusting te sturen omdat zij niet de transportmiddelen hadden om de hulp over te brengen naar de getroffen plek. De Commissie moet mijns inziens meer doen om dit probleem aan te pakken.
Het tweede zwakke punt houdt verband met de ontwikkeling van een Europees snellereactievermogen. De communautaire hulp in het kader van de civiele bescherming wordt door de lidstaten op basis van vrijwilligheid beschikbaar gesteld. Dat volstaat echter niet om het Europees snellereactievermogen te ontwikkelen, waar het Europees Parlement juist om heeft gevraagd. De Commissie heeft in haar mededeling van 25 april 2005 voorgesteld om speciale eenheden – stand by modules – in het leven te roepen die op eenvoudig verzoek van de bevoegde Europese autoriteit gemobiliseerd kunnen worden. Mijn vraag aan de Commissie: waarom hebt u dit niet opgenomen in uw herschikkingsvoorstel?
Derde probleem: vroegtijdige waarschuwing. Het responsvermogen van de Europese Commissie in noodsituaties hangt mede af van het al dan niet voorhanden zijn van systemen voor vroegtijdige waarschuwing. In de herschikking staat dat er een verbinding tot stand moet worden gebracht tussen het in Brussel gevestigde waarnemings- en informatiecentrum en de systemen van de lidstaten en de internationale organisaties. Prima, maar dat is niet genoeg, want onmiddellijk na de aardbeving die de tsunami veroorzaakte, kwamen de regeringen weliswaar te weten wat er gaande was, maar de burgers hoorden van niets. Daarom moet in het kader van de beschikking van de Raad de geschikte rechtsgrondslag worden gecreëerd opdat in het kader van het mechanisme de systemen voor vroegtijdige waarschuwing kunnen worden ontwikkeld.
Vierde probleem: de coördinatie van het optreden in derde landen. Ook hier moet meer worden gedaan, want er is een flagrant gebrek aan coördinatie. Sommige lidstaten zijn voortdurend in de weer via het communautaire mechanisme, andere geven er de voorkeur aan met de Verenigde Naties te werken, weer andere werken met beide, en tot slot zijn er die met niemand werken. Deze versplintering en dit gebrek aan coördinatie staan volledig haaks op de ambitieuze verklaringen van de Europese Raad.
Als rapporteur heb ik – ook in overleg met de schaduwrapporteurs van alle fracties – amendementen ingediend die bijna unaniem in de Commissie milieubeheer zijn goedgekeurd. Deze betreffen kort samengevat: informatie van de burgers, opneming van maatregelen van civiele bescherming in onderwijsprogramma’s en voorlichtingscampagnes, bodembeheer en bodemgebruik als middel om preventie te versterken, definities van de termen uitgaande van het internationaal overeengekomen glossarium, opname van volksgezondheid en inzet van militaire middelen bij wijze van ondersteuning en op basis van vrijwilligheid.
Tot slot wil ik nog kort ingaan op het rapport-Barnier over de instelling van een Europese civiele interventiemacht – Europe aid. In januari 2006 vroegen de voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad de heer Barnier om een studie te maken van de rol van de Europese Unie in crisisbeheer. Die studie is uitgemond in een zeer uitvoerig rapport met interessante voorstellen. Helaas hebben zowel de Commissie als de Raad het rapport slechts toegejuicht en bestempeld als een belangrijke bijdrage, maar daar uiteindelijk geen enkel gevolg aan gegeven. Ik vraag de commissaris mij te zeggen hoe de Commissie gebruik denkt te maken van het rapport-Barnier.
De prijs die betaald moet worden voor het niet-bestaan van een eengemaakt en efficiënt Europa op het gebied van crisisbeheer is huizenhoog, en daarom moeten wij efficiënter handelen en beter coördineren.
Antonios Trakatellis, namens de PPE-DE-Fractie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, de onderhavige beschikking van de Raad en de daarin overgenomen amendementen zijn de vrucht van uitputtende voorbereidende werkzaamheden, maar ook van de ervaringen die wij de afgelopen jaren hebben kunnen opdoen met de bestrijding van de door de natuur of de mens veroorzaakte rampen. Dergelijke rampen hebben natuurlijk enorme gevolgen voor het dagelijkse leven van de burgers, in al zijn facetten, maar afgezien daarvan hebben ze ook op objectieve wijze aangetoond dat de interventiecapaciteit op nationaal niveau tekort schiet en de burgers daarom meer communautaire bijstand verlangen.
Daarom is het vandaag onze taak om de Unie te versterken en beter uit te rusten, opdat zij tegemoet kan komen aan de vraag van de burgers naar een efficiënter optreden bij preventie van en snelle respons op door de natuur en de mens veroorzaakte rampen. Dat is ook een manier om op praktische wijze uiting te geven aan de alom ingeroepen solidariteit tussen de lidstaten, en om het gevoel van maatschappelijke betrokkenheid te versterken, waardoor uiteindelijk het Europese bewustzijn wordt versterkt. Wat de amendementen op het oorspronkelijke voorstel betreft, moet ik de aandacht vestigen op het volgende.
Een efficiënt systeem voor vroegtijdige waarschuwing en respons moet gegrondvest zijn op vier parameters: opsporing en inschatting van gevaren; voortdurende bewaking ervan; een waarschuwings- en communicatiemechanisme; en tot slot paraatheid, dat wil zeggen een respons- en bijstandsvermogen.
Evenals de rapporteur wil ook ik erop wijzen dat onze amendementen betrekking hebben op vraagstukken als het snellereactievermogen, de interventieteams uit de deelnemende landen, de richtsnoeren met betrekking tot de respons en de informatie daarover aan de burgers, de uitwisseling van goede praktijken voor de aanpak van noodsituaties en tot slot de wederzijdse consulaire bijstand bij het vaststellen van de contactpunten tussen de lidstaten.
Ik wilde tevens zeggen – en ik denk dat men hiermee moet instemmen – dat wij vooral de sector van de volksgezondheid niet uit het oog mogen verliezen. Rampen gaan namelijk gewoonlijk gepaard met gevaren voor de volksgezondheid, bijvoorbeeld door een gebrek aan voedsel en water of door epidemieën, en daarom moet in het desbetreffende voorstel ook deze factor worden opgenomen.
Tot slot wil ik nog opmerken dat, zoals ook de rapporteur al zei, het rapport-Barnier een uitstekend document is waar rekening mee moet worden gehouden. Anders heeft het geen zin. Ander zouden wij ons moeten afvragen waarom dit prachtig stuk werk is verricht. Ik denk dat wij met dit rapport en met ons verslag van vandaag beschikken over een efficiënt instrument.
Ter afsluiting wil ik nog de rapporteur bedanken voor zijn uitstekende werk. Proficiat, mijnheer Papadimoulis!
Edite Estrela, namens de PSE-Fractie. – (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, om te beginnen wil ik de heer Papadimoulis gelukwensen met zijn verslag en de Commissie met haar initiatief. De Europese Unie heeft verschillende juridische mechanismen gecreëerd voor preventie en respons met betrekking tot natuurrampen. Dienaangaande heeft het Europees Parlement trouwens meerdere resoluties aangenomen.
Ik was zelf rapporteur van een initiatiefverslag van de Milieucommissie over de Europese strategie bij natuurrampen. Daarin heb ik de noodzaak verdedigd van instrumenten voor de Unie om bij ernstige noodsituaties sneller en doeltreffender te kunnen optreden. Op basis van de in de afgelopen jaren verzamelde ervaringen met bosbranden in Zuid-Europa en overstromingen in Midden-Europa blijkt het creëren van systemen voor de opsporing en vroegtijdige waarschuwing bij natuurrampen – waaronder aardbevingen en tsunami’s –van het allergrootste belang zijn om de burgers en hun bezittingen te kunnen beschermen.
Hoewel de verantwoordelijkheid voor de aanpak van natuurrampen in eerste instantie een zaak van het getroffen land is en de Unie slechts een subsidiaire rol speelt, beschikte het in 2001 gecreëerde communautair mechanisme voor civiele bescherming over weinig middelen en bevoegdheden, en het voldeed daardoor niet aan de behoeften.
Daarom verwelkomen we dit herschikte en verbeterde voorstel, waarmee betere coördinatie en snellere hulpverlening aan de getroffenen mogelijk worden. We dienen echter verder te gaan en het model te perfectioneren. Daarbij moeten we niet alleen het verslag-Barnier als uitgangspunt nemen maar ook de amendementen van de Milieucommissie. In het bijzonder noem ik het voorstel om de samenwerking inzake civiele bescherming te baseren op een Europees strategisch coördinatiecentrum dat verantwoordelijk is voor het verzamelen en doorgeven van informatie over noodsituaties en het beschikbaar stellen van extra middelen voor snelle mobilisatie ten behoeve van de aanpak van noodsituaties. Andere voorstellen wijzen op de noodzaak de getroffenen te betrekken bij preventie en respons, waarvoor zij scholing en informatie dienen te krijgen, en op de noodzaak meer geld te steken in de opleiding en professionalisering van de hulpdiensten.
Alfonso Andria, namens de ALDE-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, ik feliciteer de rapporteur, de heer Papadimoulis, met zijn uitstekende werk. Zijn verslag vertaalt in operationele termen wat al staat in het verslag over het Solidariteitsfonds, dat de rechtsgrondslag en de financiële basis vormt voor interventies inzake civiele bescherming.
De Europese Unie beschikt nu over financiële middelen en nieuwe kennis op basis van het in 2001 gecreëerde communautair mechanisme voor civiele bescherming, waarmee de praktische bruikbaarheid en doeltreffendheid van het instrument verbeterd kunnen worden. De respons bij een ramp moet allereerst en hoofdzakelijk op plaatselijk niveau worden gegeven met op preventie en wederopbouw gerichte acties. Als wij echter belangrijke schaalvoordelen en vooral meer efficiëntie wensen te bereiken, bestaat er eveneens behoefte aan maatregelen voor crisisbeheer die op Europees niveau kunnen en moeten worden gecoördineerd.
Als de omvang van een ramp te groot is voor de plaatselijke en zelfs voor de nationale interventiecapaciteit, zou het trouwens wenselijk zijn dat andere landen snel extra bijstand verleenden op grond van de bevoegdheden en de middelen waar zij over beschikken. We moeten er rekening mee houden dat bijzonder grote rampen grensoverschrijdende effecten sorteren met gevolgen voor het grondgebied van buurlanden.
Ook ben ik het eens met het belang dat de rapporteur hecht aan een goede ruimtelijke ordening en aan preventie en beheer om risico’s te beperken. Er bestaat behoefte aan versterking van de Europese civiele bescherming teneinde een gecoördineerde respons te kunnen geven bij noodsituaties en de Europese Unie te helpen een gevoel van vertrouwen en veiligheid te wekken bij haar eigen burgers. Ik meen dat we aan die gewettigde verwachtingen moeten kunnen beantwoorden.
Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, we leren allemaal van het verleden en onze ervaringen en ik denk dat dat goed van pas komt als het gaat om het voorkomen van rampen. Aan de hand van de door u overgelegde documenten en het uitstekende verslag van de heer Papadimoulis trachten wij nu deze ervaringen in praktijk te brengen.
We moeten daarbij letten op drie aspecten: de voorzorgsmaatregelen, de inzet in geval van een crisis en het beheersen van de gevolgen. Als het gaat om voorzorgsmaatregelen kan de Europese Unie heel veel doen. Helaas is het zo dat rampen in verschillende regio’s optreden en verschillende oorzaken hebben. Dat we op dit gebied van elkaar leren is in de Europese Unie hoe dan ook van groot belang. De Europese Unie staat wat dat betreft voor een bijzondere taak.
De rol die voor de Unie is weggelegd bij de inzet in geval van een crisis, bestaat uit het treffen van coördinatiemaatregelen. De lidstaten mogen niet worden ontslagen van hun verantwoordelijkheid; het voorkomen van rampen is en blijft in de eerste plaats een nationale bevoegdheid. Ik sta uiterst kritisch tegenover de huidige pogingen van de Unie om door de aanschaf van apparatuur te komen tot een parallel beleid, want daar schieten we helemaal niets mee op. Het is juist zo belangrijk dat wij ons richten op de coördinatie van de in de lidstaten voorhanden zijnde middelen om dergelijk parallel beleid te voorkomen.
De volgende fase is het beheersen van de gevolgen. Voor die fase kunnen we beschikken over het door de EU ingestelde crisisreactieinstrument dan wel het Solidariteitsfonds. Wij kunnen een manier vinden om dit instrument efficiënter in te zetten, eventueel de normen bijstellen en ons enkel richten op de bestrijding van crises die daadwerkelijk op Europese schaal plaatsvinden. Daar zouden we eens over na moeten denken.
Evangelia Tzampazi (PSE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, de bescherming van de Europese burgers tegen ongelukken en natuurrampen houdt nauw verband met hun gevoel van zekerheid, economisch en sociaal gezien. De afgelopen jaren is het aantal natuurrampen enorm gestegen, waardoor eveneens het aantal aanvragen van de EU-regeringen voor bijstand via het mechanisme voor civiele bescherming sterk is toegenomen.
Het systeem voor civiele bescherming is complex en omvat preventie, interventie en wederopbouw. Met het werkelijk waardevol verslag van de heer Papadimoulis over de voorgestelde herschikking wordt mijns inziens het voorstel van de Raad zodanig verbeterd dat de ondersteunende en aanvullende inspanningen van de Unie – indien deze nodig zijn – worden versterkt.
Ik dring echter aan op de noodzaak van voortdurende bijscholing van de betrokken partijen, en ben van mening dat het nodig is de bevolking beter te informeren, met name in risicogebieden. Op die manier kan men de preventie en paraatheid in die gebieden verbeteren.
Stavros Dimas, lid van de Commissie. – (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil alle sprekers bedanken voor hun uitstekende bijdragen. Voordat ik overga tot de behandeling van de amendementen, wil ik nog een antwoord geven met betrekking tot het rapport-Barnier en zeggen dat de Commissie reeds heel wat van de vraagstukken uit dit verslag ter hand heeft genomen, waarvan de ontwikkeling van civielebeschermingsteams natuurlijke het belangrijkste vraagstuk is. Er zijn bijeenkomsten geweest met deskundigen van de lidstaten tijdens welke is gesproken over het soort teams dat in elk specifiek geval beschikbaar moet zijn en ook over de concrete voorwaarden waaraan bij elk soort team moet zijn voldaan.
Een tweede werkterrein betreft de oefeningen. Ondanks het feit dat er – volgens het rapport-Barnier – geen Europees instituut zal worden opgericht, stellen wij voor een netwerk van centra te ontwikkelen voor de uitbreiding van het huidig oefeningenprogramma.
Wij zijn het er tevens mee eens dat het waarnemings- en informatiecentrum versterkt moet worden. Wij hebben reeds gevraagd om meer personeel, om meer hoge functionarissen voor dit centrum. Ook hebben wij de lidstaten gevraagd om ons volgend jaar de kans te geven om bepaalde deskundigen in het WIS (waarnemings- en informatiecentrum) te gebruiken.
Tot slot heeft de Commissie twee wetgevingsvoorstellen ingediend: een voorstel voor het financieel instrument en een voorstel voor de herschikking van de beschikking van 2001. Deze voorstellen maken het ons mogelijk om ook in de andere sector, waar ik zo straks al over sprak – de vervoerssector – aan de slag te gaan.
Dan nu de amendementen. Het Europees Parlement heeft een reeks belangrijke amendementen ingediend, met als doel de civielebeschermingscapaciteiten op Europees vlak te versterken. De amendementen betreffen: de noodzaak van een tijdige overbrenging van de civielebeschermingsbijstand, het belang van de systemen van vroegtijdige waarschuwing en alarmering, de interoperabiliteit van de civielebeschermingsteams en de rol die het mechanisme voor bijstand aan de burgers van de Europese Unie kan spelen.
De Commissie kan de meeste van de ingediende amendementen overnemen. Er zijn er echter die problemen veroorzaken en niet in de huidige formulering kunnen worden overgenomen. Ik heb het over de amendementen die verband houden met de maatregelen voor preventie, volksgezondheid en opzettelijke zeeverontreiniging.
Wat de maatregelen met betrekking tot preventie betreft, wil de Commissie erop wijzen dat het voorstel voor het financieel instrument voor civiele bescherming alle activiteiten in deze sector zal dekken. Het communautair mechanisme voor civiele bescherming is bedoeld om enkel activiteiten te dekken op het gebied van paraatheid en interventie. Desalniettemin is de Commissie het met het Europees Parlement eens dat preventief optreden zeer belangrijk is, en zij belooft dit binnen het geëigende kader te zullen bevorderen.
Wat de opneming van de volksgezondheid betreft, erkent de Commissie dat de activiteiten van civiele bescherming heel vaak ook de bescherming van de volksgezondheid beogen. De mechanismen voor civiele bescherming in de Europese Unie maken geen deel uit van het volksgezondheidsbeleid. Dat beleid valt onder andere bestaande communautaire instrumenten, zoals het communautair actieprogramma op het gebied van volksgezondheid.
Wat nu de opzettelijke verontreiniging van de zee betreft, geeft de Commissie volledige steun aan het voorstel waarin staat dat het mechanisme voor civiele bescherming ook in staat moet zijn op te treden in gevallen van omvangrijke, opzettelijk of door ongelukken veroorzaakte zeeverontreiniging. Het voorstel van de Commissie om het toepassinggebied uit te breiden en ook door de mens veroorzaakte rampen daarin onder te brengen, dekt ook dit voorstel. De term “opzettelijke zeeverontreiniging” betreft meestal kleine, illegale olielozingen door schepen, en de Commissie vermijdt liever een interpretatie die ertoe zou leiden dat ook dergelijke, kleinschalige lozingen onder het toepassingsgebied van de verordening zouden vallen. Het zou voor de Commissie praktisch gezien onmogelijk zijn om het mechanisme daarvoor te activeren. Daarvoor is zoals ik zojuist ook al zei, ook geen personeel voorhanden. Dergelijke kleine lozingen moeten natuurlijk wel worden aangepakt met de middelen waarover elke lidstaat beschikt. Daarom kunnen wij de desbetreffende amendementen niet overnemen.
Tot slot stelt de Commissie vast dat een reeks amendementen verband houdt met een aantal aspecten van de bestaande wetgeving. De Commissie geeft inhoudelijk steun aan een aantal daarvan, maar het interinstitutioneel akkoord inzake het gebruik van de herschikkingstechniek maakt het voor de Commissie niet mogelijk om deze over te nemen, tenzij deze van vitaal belang is voor de toepassing van de nieuwe bepalingen in het voorstel, of indien zij rechtstreeks voortvloeien uit de nieuwe bepalingen. De Commissie zal deze vraagstukken echter voor ogen houden bij de ontwikkeling van ons beleid in deze sector.
Dit zijn de belangrijkste vraagstukken ten aanzien waarvan het standpunt van de commissie afwijkt van het verslag van het Europees Parlement. Ik wil er echter wel op wijzen dat deze meningverschillen geenszins een schaduw werpen op onze gemeenschappelijke doelstellingen. Wij staan volledig achter de ambitie van het Europees Parlement om een veel sterkere Europese interventiecapaciteit te ontwikkelen op het gebied van de civiele bescherming, zowel binnen als buiten de Europese Unie, en wij danken u voor uw steun. Ik zal het secretariaat van het Parlement de volledige lijst geven met de standpunten van de Commissie ten aanzien van de amendementen. Ik wil tot slot eveneens nogmaals de rapporteur, de heer Papadimoulis, van harte gelukwensen met zijn uitstekende werk.
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
De stemming vindt dinsdag om 12.00 uur plaats.
Schriftelijke verklaring (artikel 142)
Hélène Goudin (IND/DEM). – (SV) Het Europees Parlement behandelt nu een voorstel voor een herschikking van het mechanisme voor civiele bescherming dat in 2001 is ingesteld. Het lijdt geen twijfel dat rampen een grote belasting vormen voor de getroffen partijen. Een gecoördineerde Europese civiele bescherming is echter niet de oplossing voor dit probleem, vooral niet zoals het in voorstel wordt gepresenteerd.
De civiele bescherming in de afzonderlijke lidstaten wordt betaald uit belastingmiddelen. Het is aan elke staat om te kiezen hoe het geld van de belastingbetalers moet worden verdeeld. Dit voorstel brengt het gevaar met zich mee dat bepaalde lidstaten ervoor kiezen om een minimale hoeveelheid middelen voor civiele bescherming te reserveren, omdat ze erop vertrouwen dat andere EU-landen een bijdrage zullen leveren wanneer er een ramp gebeurt. Deze free riding-problematiek is zeer ernstig en onrechtvaardig jegens de burgers van landen die kiezen voor een sterke civiele bescherming. Wat internationale inspanningen betreft: die moeten worden gecoördineerd door het OCHA en worden gefinancierd door de lidstaten en niet door de EU.
In het document van de Commissie wordt ook gesproken over het snellereactievermogen en er wordt geëist dat de lidstaten meedelen welke middelen beschikbaar zijn, inclusief militaire middelen en militaire capaciteit, indien een getroffen land om dat soort steun verzoekt. De Zweedse partij Junilistan is hier absoluut tegen. De militaire middelen van een land zijn een nationale kwestie en het is aan elke lidstaat om te beslissen in hoeverre deze zullen worden gemobiliseerd of niet.
22. Europese betalingsbevelprocedure (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is de aanbeveling voor de tweede lezing (A6-0316/2006), namens de Commissie juridische zaken, betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (07535/3/2006 C6-0227/2006 2004/0055(COD)) (rapporteur: Arlene McCarthy).
Arlene McCarthy (PSE), rapporteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, bijna twaalf maanden geleden hebben we onze goedkeuring gegeven aan het Europees betalingsbevel, een nieuwe wet die het voor bedrijven en burgers eenvoudiger moet maken om schuldvorderingen in andere EU-lidstaten te innen. Het standpunt van de Commissie juridische zaken is vandaag, een jaar later, ongewijzigd. We vinden dat deze pragmatische en praktische EU-wet er vooral moet komen om ervoor te zorgen dat bedrijven en burgers een betaalbaar systeem tot hun beschikking hebben om schuldvorderingen te innen. Waarom? Omdat, zolang deze wet niet van kracht is, het innen van schuldvorderingen in andere EU-lidstaten een duur juridisch proces blijft. In sommige gevallen is het bedrag dat wordt besteed aan advocaten en administratieve kosten hoger dan het bedrag van de vordering. Wat nog belangrijker is, is dat studies en ervaringen aantonen dat bedrijven die er niet in slagen hun vorderingen te innen, het gevaar lopen over de kop te gaan, wat weer gevolgen heeft voor de werkgelegenheid en andere KMO’s in de toeleveringsketen.
Van de dertig à veertig miljard facturen die jaarlijks in Europa worden uitgereikt, worden er maar liefst een miljard niet betaald, met als gevolg een incassozaak. Interim Justitia heeft een jaar of tien geleden in zestien Europese landen een onderzoek gehouden. De gemiddelde overschrijding van de betalingstermijn was toen veertien dagen. Eind 2003 was dit gemiddelde niet gedaald, maar gestegen tot zestien dagen. Volgens de studie “Doing business in 2004: Understanding Regulation” van de Wereldbank beschikken de Scandinavische landen van alle onderzochte landen over de meest efficiënte en effectieve juridische systemen. Zij hebben de minste tijd nodig om tot een oplossing te komen terwijl ze de kosten laag houden. Italië behoort wat betreft de overschrijding van de betalingstermijn tot de ergste landen ter wereld. De verklaring ligt, naar verluidt, in de soepele beroepsprocedure, waardoor het proces op enig moment tijdens de rechtzaak kan worden onderbroken. Spanje heeft daarentegen een van de meest complexe juridische systemen, wat tot hogere kosten en langere procedures leidt. Mijn eigen lidstaat, het Verenigd Koninkrijk, kent drie systemen voor betalingen, wat tot verwarring leidt voor bedrijven en het publiek.
Grote verschillen in juridische regelingen omtrent de inning van achterstallige betalingen leiden dus tot onzekerheid, met name voor de EU-handel, en de bijkomende kosten staan de EU-doelstelling betreffende gelijke markttoegang voor lokale en binnen de EU opererende bedrijven in de weg. Het is duidelijk dat het ontbreken van handhavingssystemen voor betalingen de interne markt en het vertrouwen van het bedrijfsleven ondermijnt en daardoor hebben KMO’s nog steeds te kampen met kasstroomproblemen veroorzaakt door late betalingen.
Het Europees betalingsbevel zal ook gelden voor individuele burgers die in een andere lidstaat werken of wonen. Die kunnen ook van deze nieuwe wet gebruik maken. Door het hoge en groeiende handelsvolume binnen de EU en het toegenomen verkeer van personen is de kans groot dat steeds meer bedrijven met grensoverschrijdende rechtszaken te maken krijgen. Het gevaar bestaat dat burgers hun recht niet zullen doen gelden vanwege de obstakels die ze tegenkomen, met name in verband met het rechtssysteem in een andere lidstaat en onbekende procedures en onbekende kosten. Het is dus van belang dat de EU een rechtsgebied biedt waar particulieren en bedrijven in geval van onbetwiste vorderingen toegang hebben tot de rechtspraak en verhaalsmogelijkheden tot hun beschikking hebben.
Deze proceswet helpt deze toegang mogelijk te maken. Het betalingsbevel biedt een praktisch instrument op EU-niveau voor het verkrijgen van een executoriale beschikking en ik ben van mening dat we de burgers op deze manier kunnen laten zien dat de EU hun een praktische mogelijkheid tot verhaal biedt.
Ik dank de leden van de commissie, met name de schaduwrapporteurs, de heer Wieland, die hier vanavond aanwezig is, en mevrouw Wallis, die verhinderd is. Zij hebben niet alleen mijn benadering gesteund maar tevens in alle fasen van de procedure zinvolle en constructieve voorstellen voor amendementen gedaan. De commissie heeft belangrijke voorstanders geraadpleegd en we vinden dat we ons op de kern van de zaak hebben gericht. Beide schaduwrapporteurs hebben de formulieren en de bijlage, de kern van het voorstel, zo eenvoudig mogelijk weten te houden zodat het invullen ervan zo weinig mogelijk rompslomp voor bedrijven met zich meebrengt. De tijd en ervaring zal ons leren of dat is gelukt. Daarom moet het Parlement, volgens de nieuwe comitologieprocedures, worden geraadpleegd en geïnformeerd over eventuele wijzigingen die de Commissie in het systeem wenst aan te brengen.
Ik dank ook het Brits voorzitterschap, met name minister barones Ashton, die ons heeft geholpen bij het helder formuleren van deze wet.
Commissaris, het gaat in de tweede lezing nu dus om de laatste details. Mevrouw Wallis is van mening dat de Commissie zich moet buigen over de ongelijke behandeling van burgers en bedrijven die kan ontstaan doordat EER-landen wel aan de interne markt kunnen deelnemen, maar zich niet bij de EPO kunnen aansluiten. Ik hoop dat de Commissie daar iets aan kan doen.
De formulieren moeten gebruiksvriendelijk en eenvoudig zijn en om die reden willen we dat de Commissie ons amendement hieromtrent aanvaardt.
Tot slot nog dit: sinds juli 2006, een jaar na aanvang van dit proces en na het oorspronkelijke voorstel van de Commissie, hebben we een nieuwe institutionele overeenkomst. De commissie en het Parlement staan erop dat de nieuwe toetsingsprocedure en de nieuwe toetsingsregel voor deze wetgeving en voor het betalingsbevel worden nageleefd.
Commissaris, we hebben veel waardering voor de door uw diensten verleende medewerking op dit terrein. Ik hoop dat we het Europees betalingsbevel samen met het Fins voorzitterschap kunnen afronden en dat we in alle EU-lidstaten aan het tenuitvoerleggingsproces kunnen beginnen, zodat bedrijven en burgers zich met vertrouwen op de interne markt kunnen begeven in de wetenschap dat een openstaande schuldvordering niet uitmondt in een eindeloze reeks juridische procedures zonder uitkomst. Dankzij de Europese Unie is er nu een eenvoudig en gebruiksvriendelijk systeem voor de snelle betaling van vorderingen dat, naar mijn mening, goed is voor de interne markt voor KMO’s en bevorderlijk voor de economie van de EU.
Franco Frattini, vicevoorzitter van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ten eerste dank ik de rapporteur, mevrouw McCarthy, van harte voor haar werk en haar inspanningen om dit project, dat van groot belang is voor onze burgers, tot een goed einde te brengen.
Net als de rapporteur dank ik ook het voormalige Britse voorzitterschap, met name barones Ashton, voor het werk aan dit belangrijke project.
Zoals u weet, is deze verordening tot invoering van de Europese betalingsbevelprocedure bedoeld om invordering van het grote aantal niet-betwiste schuldvorderingen in Europa te vereenvoudigen. De verordening is dus van groot belang, aangezien deze alle schuldeisers in Europa in staat stelt om hun vorderingen door middel van een eenvormige procedure sneller en goedkoper in te vorderen dan via de gewone juridische procedures. Het verlicht ook de last van de rechtbanken doordat door de schuldenaar niet-betwiste vorderingen niet via de gewone procedure worden behandeld.
Het voorstel betreft potentieel alle burgers en economische actoren in Europa. Een Europees betalingsbevel kan vrij in Europa circuleren en wordt automatisch ten uitvoer gelegd. Het is dus niet nodig om in de lidstaat in kwestie een verklaring omtrent de tenuitvoerlegging – de “exequatur” – aan te vragen.
Wat de amendementen betreft: ik kan het derde amendement aanvaarden zoals het is ingediend. Wat het tweede amendement betreft: het compromisamendement over de comitologieprocedure, dat overeenkomt met het besluit dat de Raad in juli 2006 heeft genomen, kan ik aanvaarden. Wat het eerste amendement betreft: ik begrijp de reden en ik heb begrip voor de bezorgdheid die de commissie heeft geuit, maar ik denk dat we in dit stadium niet opnieuw moeten gaan discussiëren over de definitie van grensoverschrijdende gevallen, die de Raad en het Europees Parlement in eerste lezing hebben aangenomen. Tevens kan ik bevestigen dat de Commissie bereid is om zich dieper te buigen over de gevolgen van de verordening voor partijen die in derde landen en, met name, landen van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd. Ik ben bereid om ieder voorstel zorgvuldig in overweging te nemen.
Rainer Wieland, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, rapporteur McCarthy heeft het belang van dit vraagstuk voor de economie in essentie duidelijk gemaakt.
Met de Europese betalingsbevelprocedure is een belangrijke stap voorwaarts gedaan op het gebied van de grensoverschrijdende toepassing van het recht. Het is met name in economisch opzicht een stap vooruit, omdat het in de economie van belang is om snel vast te stellen dat schuldvorderingen al dan niet terecht zijn, dat snel een titel tegen de debiteur wordt verkregen en dat ook in het land van de debiteur de schuldvordering zonder dure vervolgprocedures ten uitvoer kan worden gelegd. Waar ik de meeste aandacht op wil vestigen is dat de grensoverschrijdende rechtsbetrekkingen ook voor particulieren steeds belangrijker worden. Voor hen is het uiterst moeilijk om hun rechten te laten gelden, ongeacht of die al dan niet niet betwist worden.
Vandaag debatteren wij over niet-betwiste schuldvorderingen. Daarom is deze eerste stap belangrijk. Met name particulieren, waarvoor de invordering in rechte van schulden al moeilijk genoeg is, onvervinden grote problemen bij grensoverschrijdende schuldvorderingen. Voor hen zal het onderhavige instrument een verlichting betekenen. Met behulp van een formulier dat ook door particulieren kan worden ingevuld, is het mogelijk om relatief eenvoudig en goedkoop een executoriale titel voor onbetaalde rekeningen te verkrijgen.
Een ander aspect is dat er in de economie vooral wordt gesproken over de crediteuren en te weinig over de debiteuren. Wij hebben in de lidstaten van de Europese Unie – onder andere in mijn land – regelingen ingevoerd die in geval van een titel voor een schuldvordering ook voor de debiteur financieel gunstig uitpakken. De debiteur die wel bereid maar mogelijkerwijs niet in staat is tot betaling, kan met de schuldeiser, die daar immers belang bij heeft, afspreken de verjaring op grond van de titel te laten schorsen en een praktische betalingsregeling in termijnen overeen te komen. Dat bespaart kosten want een geschilprocedure hoeft dan niet plaats te vinden.
Het is daarom in het belang van alle betrokkenen dat wij een snelle, efficiënte en betaalbare grensoverschrijdende betalingsbevelprocedure invoeren.
Andrzej Jan Szejna, namens de PSE-fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, verlate betalingen zijn de hoofdoorzaak van insolventie, waardoor veel bedrijven het hoofd niet boven water kunnen houden, zeker kleine en middelgrote bedrijven niet. Die verlate betalingen vormen een bedreiging voor de activiteiten en solvabiliteit van deze bedrijven en dat leidt vaak tot banenverlies. Een snelle en efficiënte inning van schulden waarover geen juridisch geschil bestaat, is van vitaal belang voor bedrijven in de Europese Unie. Zo kunnen banen gered worden.
De lidstaten hebben geprobeerd het probleem van grootschalige schuldeninning voor niet-betwiste claims op te lossen, voornamelijk door de procedures voor betalingsopdrachten te vereenvoudigen. Er zijn echter grote verschillen tussen nationale bepalingen en de manier waarop de afzonderlijke procedures werken. Als gevolg zijn die procedures soms onontvankelijk of onmogelijk toe te passen in grensoverschrijdende situaties. Daarom moeten we de ontwerpverordening voor een Europese procedure voor betalingsopdrachten steunen.
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
De stemming vindt woensdag om 12.30 uur plaats.
23. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen