3. Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie - Biomassa en biobrandstoffen - Hulp op het gebied van nucleaire veiligheid en beveiliging (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:
- het verslag (A6-0426/2006) van Eluned Morgan, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie – Groenboek (2006/2113(INI)),
- het verslag (A6-0347/2006) van Werner Langen, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over de strategie inzake biomassa en biobrandstoffen (2006/2082(INI)) en
- het verslag (A6-0397/2006) van Esko Seppänen, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot invoering van een instrument voor hulp op het gebied van nucleaire veiligheid en beveiliging (09037/2006 – C6-0153/2006 – 2006/0802(CNS)).
Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, het Parlement heeft besloten om de drie verslagen van mevrouw Morgan en van de heren Langen en Seppänen samen te behandelen. Dit biedt een prachtige gelegenheid om deze buitengewoon belangrijke kwesties in verband met het energiebeleid nog voor het nieuwe jaar te bespreken, kwesties die het afgelopen jaar heel wat stof hebben doen opwaaien.
Allereerst zou ik willen ingaan op het verslag over een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie. Ik zou de rapporteur, mevrouw Morgan, graag willen bedanken voor haar indrukwekkende bijdrage naar aanleiding van het groenboek over energie. Ik zou ook de rapporteurs voor advies, mevrouw Tzampazi en de heren Zieleniec, Wijkman, Markov, Ehler, Takkula en Vlasák, willen bedanken voor hun nuttige werk.
Dit document is een belangrijke bijdrage aan het werk van de Commissie inzake de herziening van onze energiestrategie. De Commissie heeft bij het uitwerken van het toekomstige energiebeleid voor Europa rekening gehouden met uw debatten van de afgelopen maanden.
Ik ben het met u eens dat de Europese Unie een geïntegreerd, coherent en logisch Europees energiebeleid moet voeren. Daarbij moeten we ons concurrentievermogen respecteren, rekening houden met onze milieudoelstellingen en een continue voorziening garanderen.
Ik deel ook uw visie op het probleem van de klimaatverandering, de belangrijkste aanleiding voor een nieuw energiebeleid. Meer dan 90 procent van de emissie van kooldioxide in de Europese Unie ontstaat bij de opwekking van energie, dus kunnen we de klimaatverandering niet aanpakken zonder het juiste energiebeleid. Ik ben het met u eens dat de Europese Unie visionair en vastberaden moet zijn. We moeten in de wereld een voortrekkersrol spelen bij de overstap naar een koolstofarme economie. De kern van ons beleid moet gevormd worden door ambitieuze, maar geloofwaardige streefdoelen voor de verdere reductie van de emissie van broeikasgassen na 2012. Zonder een goed functionerende interne markt kan de regeling voor de handel in emissierechten – een hoeksteen van onze strategie voor de actieve bestrijding van de klimaatverandering – niet tot resultaten leiden. Dan zullen we onze streefdoelen op het gebied van concurrentievermogen en continue voorziening niet halen. Daarom zal de Commissie druk blijven uitoefenen op de lidstaten om de wetgeving volledig toe te passen.
Deze week hebben we weer een serie inbreukprocedures gestart tegen zestien lidstaten. Op dit moment lopen zulke procedures tegen negentien lidstaten, en daaruit blijkt wel dat we vastberaden zijn om de interne markt werkelijk op te bouwen.
Bovendien wil de Commissie met het oog op de conclusies in het verslag over de interne markt en het definitieve verslag over het onderzoek naar de energiesector nu ook de andere onderwerpen aanpakken: een niet discriminerende toegang tot goed ontwikkelde netwerken, met name door een regeling voor de ontvlechting, betere regelgeving op nationaal en Europees niveau voor de toegang tot de netwerken, inclusief een betere samenwerking tussen de regelgevende instanties in de EU, de strijd tegen oneerlijke concurrentie door het verbeteren van de transparantie en een verbeterde toegang tot de opslagcapaciteiten, duidelijke regels voor investeringen, en tot slot een sterkere nadruk op de verplichting inzake nutsvoorzieningen.
We kunnen de doelstellingen van de interne markt echter alleen maar bereiken wanneer de Europese burgers hun keuzes maken. Met name voor onze plannen op het gebied van de energie-efficiëntie spelen de burgers een belangrijke rol. Iedereen kan namelijk bijdragen tot een duurzame ontwikkeling en een veilige wereld, en we zijn blij met uw steun voor het actieplan inzake energie-efficiëntie. De Europese burgers kunnen ook veel doen voor het aandeel hernieuwbare energiebronnen in onze energiemix, maar zolang er nog geen goed politiek en investeringsplan is, kunnen we niet verwachten dat de consumenten de nodige overstap maken. Daarom vind ook ik dat er stabiele regels voor hernieuwbare energiebronnen moeten komen, die lang geldig moeten blijven.
Vanwege de klimaatverandering, de mondialisering en de doelstellingen op de langere termijn moeten we weer meer doen op het gebied van de technologie. We willen allemaal graag dat Europa in de wereld een voortrekkersrol speelt bij het onderzoek, maar dat betekent dat we de bestaande begrotingen voor onderzoek beter moeten beheren en ervoor moeten zorgen dat ze in de Europese Unie een katalysator worden, zodat er meer geld van het bedrijfsleven komt.
De externe dimensie wordt in het verslag ook heel goed belicht. In ons buitenlands beleid hebben we dit jaar een aantal belangrijke stappen moeten zetten: de oprichting van de energiegemeenschap, en nieuwe overeenkomsten met meerdere leverings- en doorvoerlanden, zoals Kazachstan, Azerbeidzjan en Oekraïne.
Ik wil ook graag ingaan op het verslag van de heer Langen over een strategie voor biomassa en biobrandstoffen. Ik zou de heer Langen willen bedanken voor deze waardevolle bijdrage en voor de ondersteuning van het werk van de Commissie voor het toekomstige beleid inzake hernieuwbare energie, inclusief bio-energie.
Ten eerste moet de EU als Gemeenschap zorgen voor een versterkt en stabiel rechtskader voor hernieuwbare energie, gebaseerd op ambitieuzere streefdoelen op de langere termijn, tot 2020. Dat kan alleen maar wanneer de lidstaten zich ertoe verplichten om de last te delen en een interne markt voor hernieuwbare energiebronnen op te bouwen. We moeten echter ook een zekere mate van flexibiliteit inbouwen, om de lidstaten in staat te stellen rekening te houden met hun specifieke sterke en zwakke punten.
Ten tweede moeten we ook zorgen voor specifieke wetgeving om rekening te houden met de hindernissen voor het invoeren van hernieuwbare energie in bepaalde sectoren. De toegang tot het netwerk voor elektriciteit uit hernieuwbare energie is bijvoorbeeld absoluut nodig. Misschien moeten de bestaande regels daarvoor worden aangescherpt. Voor verwarming moeten we maatregelen nemen om bijvoorbeeld onnodige hindernissen voor het verlenen van een vergunning voor zonnepanelen uit de weg te ruimen, en eerlijke concurrentievoorwaarden te creëren voor stadsverwarming.
In de vervoerssector moeten we rekening houden met het feit dat de bijkomende kosten voor biobrandstoffen hoger zijn dan voor de hernieuwbare energie in andere sectoren. Toch hebben we biobrandstoffen nodig in onze energiemix, want ze zijn een wapen in de strijd tegen de klimaatverandering, en bovendien een instrument om de energievoorziening veilig te stellen.
Ik zou op drie punten in het verslag nader in willen gaan. Ten eerste ben ik blij dat in het verslag de nadruk wordt gelegd op het certificeren van biobrandstoffen, om te garanderen dat ze duurzaam worden geproduceerd, in Europa of daarbuiten. Ik begrijp wel wat de argumenten zijn voor het voorstel voor een verbod op het gebruik van palmolie. De ronde tafel over duurzaam geproduceerde palmolie heeft echter aangetoond dat de gevolgen van de productie van palmolie voor het milieu heel sterk verschillen, en daarmee moeten we rekening houden.
Ten tweede ben ik het met u eens dat biobrandstoffen van de tweede generatie van doorslaggevend belang zijn. Daardoor komen minder broeikasgassen vrij, en we kunnen de zekerheid van de energievoorziening verbeteren door bij de productie ook gebruik te maken van andere gewassen. We mogen echter geen kunstmatige tegenstelling creëren tussen biobrandstoffen van de eerste en van de tweede generatie. Ook biobrandstoffen van de eerste generatie kunnen de zekerheid van de energievoorziening verbeteren, omdat ze ons minder afhankelijk maken van olie, en minder broeikasgassen veroorzaken dan conventionele brandstoffen. Bovendien zijn ze een brug naar de tweede generatie. Wanneer de biobrandstoffen van de tweede generatie op de markt komen, zullen ze de productie-installaties en distributienetwerken van de eerste generatie overnemen.
Ten derde ben ook ik van mening dat we de burgers, en vooral de boeren, meer voorlichting moeten geven over het gebruik van biomassa en biobrandstoffen. We moeten de boeren met name aanmoedigen om over te stappen naar de nieuwe wereld van de productie van voedingsmiddelen en van gras als energiegewas.
Dan zou ik nu in willen gaan op het verslag van de heer Seppänen over een verordening van de Raad tot invoering van een instrument voor hulp op het gebied van nucleaire veiligheid en beveiliging. Ik zou de heer Seppänen willen bedanken voor zijn verslag, maar ook het hele Parlement, want u heeft dit verslag op tijd afgekregen, zodat we het nieuwe instrument nog voor het einde van dit jaar kunnen inzetten.
De verbetering van de nucleaire veiligheid is een belangrijk onderdeel geweest van ons werk in de landen in Midden- en Oost-Europa, maar ook in het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, met name in Oekraïne en Rusland. We zijn echter ook in andere landen actief geweest, bijvoorbeeld in Armenië en in Kazachstan. Het zal de komende jaren een heel belangrijk onderwerp blijven, aangezien de meeste van onze buurlanden en nieuwe economieën voor hun energievoorziening in hoge mate van kernenergie afhankelijk zijn.
Ik heb niet veel tijd, en daarom kan ik niet op ieder amendement ingaan. Ik wil echter wel toelichten om welke redenen we bepaalde amendementen niet kunnen aanvaarden. Ik zal niets zeggen over de amendementen waarmee we instemmen.
In amendement 3 stelt de rapporteur voor om de dreiging van de kernwapenproliferatie te noemen. De Commissie vindt niet dat dit thuis hoort in dit instrument, en dat deze kwestie is geregeld door het stabiliteitsinstrument.
In amendement 7 staat onder meer: "Prioriteit dient te worden gegeven aan steun voor kerninstallaties en activiteiten die belangrijke effecten kunnen hebben op de lidstaten." Ik begrijp wat de gedachte achter dit voorstel is. Nu al geeft de Gemeenschap vooral steun voor het verbeteren van de veiligheid van kerninstallaties in de buurt van onze grenzen. Zoals gezegd heeft dit nieuwe instrument echter een mondiaal toepassingsgebied. Een nucleair ongeval waar dan ook is een nucleair ongeval overal, want de hele wereld zou de directe of indirecte gevolgen voelen.
Tot slot wordt in de amendementen 27 en 28 voorgesteld om het toepassingsgebied van het instrument te beperken tot "[kern]installaties die op het tijdstip van inwerkingtreding [van deze verordening] [in derde landen] in werking zijn of waren." We zijn natuurlijk niet van plan om steun te geven voor het ontwerpen en bouwen van nieuwe centrales in derde landen, maar het moet mogelijk zijn om deze steun te bieden voor alle installaties. Anders verspelen we een efficiënt instrument om invloed uit te oefenen op de nucleaire veiligheid in het buitenland.
Ik zou het Parlement en alle commissies die betrokken waren bij het groenboek, bij de strategie inzake biomassa en biobrandstoffen en bij het instrument inzake de nucleaire veiligheid nogmaals willen danken. Ik verheug me op de verdere samenwerking voor de toekomstige energievoorziening van Europa.
(Applaus)
Eluned Morgan (PSE), rapporteur. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, aan het begin van dit jaar hebben velen in West-Europa koude rillingen gehad, toen het Russische bedrijf Gazprom de energievoorziening aan Oekraïne onderbrak. De gevolgen waren in de hele Europese Unie merkbaar. Ook vele politici hadden koude rillingen toen ze merkten dat we, als we zo doorgaan als tot nu toe, in de toekomst waarschijnlijk meer dan 80 procent van ons gas uit landen buiten de EU zouden moeten invoeren. Dat veroorzaakt reële problemen met de voorzieningszekerheid, die we heel snel moeten aanpakken.
Bovendien wordt al duidelijker dat ons een klimaatverandering te wachten staat. Die komt sneller en heeft dramatischere gevolgen voor onze planeet dan we tot nu toe dachten. Als we het tij willen keren dat de mens zelf heeft veroorzaakt, moeten we de manier waarop we energie gebruiken en opwekken radicaal veranderen.
Ik hoop dat het verslag waarover we vandaag stemmen een adequate reactie op al deze uitdagingen zal zijn. De Commissie heeft uitvoerig toegelicht wat de omvang van het probleem is. Ik hoop dat we constructief hebben gereageerd op een aantal moeilijke keuzes die moeten worden gemaakt.
Het lijdt geen twijfel dat hier voor de EU een kans ligt om zich bij de burgers van Europa te bewijzen. Een van de grootste bijdragen van het Parlement aan dit debat was dat we de burgers en de consumenten weer centraal hebben gesteld bij het energiedebat. We kunnen deze uitdagingen alleen maar aannemen wanneer we de consument hierbij betrekken, en we moeten het feit onder ogen zien dat energiearmoede voor miljoenen Europese burgers een reëel probleem is. Energie-efficiëntie is ongetwijfeld de meest rendabele manier om een aantal van de uitdagingen aan te nemen waarmee we worden geconfronteerd, en de Commissie heeft een zeer breed actieplan ontwikkeld voor energieverbruik en energie-efficiëntie. Het is van het grootste belang dat we proberen om ervoor te zorgen dat de Europese Unie voor 2020 de meest energie-efficiënte economie ter wereld is.
Dit is een heel goed voorbeeld van een situatie waarin al een overvloed aan wetgeving bestaat, en lidstaten zich niet houden aan de wetten waarmee ze hadden ingestemd. We moeten ons energieverbruik uiteindelijk met 20 procent verlagen. Het is van het grootste belang dat we dit waarmaken, en ik zou u, mijnheer de commissaris, willen vragen wat voor stappen we nog kunnen zetten. U heeft gezegd dat er nog meer inbreukprocedures komen, maar zijn er nog andere dingen die we kunnen doen om de lidstaten, die de wetten waarmee ze zelf hebben ingestemd niet toepassen, op het matje te roepen en terecht te wijzen?
Veel lidstaten hebben zich al te lang meer druk gemaakt over de belangen van hun nationale energiereuzen dan over de belangen van de consument. Waarom hebben in het VK vorig jaar 19 procent van de huishoudens gekozen voor een andere energieleverancier, terwijl nog geen 2 procent van de Franse huishoudens dat hebben gedaan? Is dat omdat alle consumenten in Frankrijk en in Duitsland tevreden zijn met hun energieleverancier? Dat zou me zeer verbazen. Volgens mij is dat omdat het voor veel bedrijven heel moeilijk is om toegang te krijgen tot deze markten, omdat andere bedrijven er een bestaand belang bij hebben om anderen buiten de deur te houden. Daarom moeten we een grote stap zetten, we moeten de energienetwerken openen en ontvlechten. Wanneer ik met de Eurostar in het VK aankom zie ik meteen een gigantisch reclamebord, waarop staat dat Électricité de France miljoenen Londenaren energie levert. Ik droom ervan dat ik ooit in Parijs uit de trein stap en op een bord zie staan: "Centrica – nog steeds niet in Russische handen – levert de energie voor miljoenen Parijzenaren". Ik ben echter bang dat dit nog wel even kan duren.
Onze energievoorziening moet tegelijkertijd continu en duurzaam zijn. Om de economie te sturen moeten we gebruik maken van mechanismen zoals het stelsel voor de verhandeling van emissierechten. De energiemix is een zaak voor de lidstaten, maar we moeten wel redelijk blijven, we moeten onder ogen zien dat de energiemix in het ene land gevolgen heeft voor de andere landen. Daarom moeten we ernaar streven om de emissie van CO2 voor 2020 met 30 procent te verlagen. We staan erop dat er bindende sectorale streefdoelen moeten komen voor 25 procent hernieuwbare energie. Dat betekent een echte revolutie in de manier waarop veel lidstaten hun energie produceren. We geven luttele bedragen uit voor onderzoek en ontwikkeling, en moeten streven naar een werkelijk gemeenschappelijke buitenlandse dimensie van ons energiebeleid.
Ik zou de andere politieke partijen willen bedanken voor hun bijdrage en voor hun steun in dit debat, vooral de heer Reul, mevrouw Ek en de heren Turmes en Seppänen. Ik hoop, mijnheer de commissaris, dat u rekening zult houden met een aantal van onze ideeën, en we verheugen ons op uw ideeën over de herziening van de energiestrategie volgend jaar.
Werner Langen (PPE-DE), rapporteur. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik ben dankbaar voor de mogelijkheid om het Actieplan biomassa en biobrandstoffen samen met het Groenboek te bespreken, want de stimuleringsmaatregelen voor biomassa en biobrandstoffen mogen dan de doelen van het Groenboek - concurrentievermogen, duurzaamheid en veiligstellen van de energievoorziening – niet volledig verwezenlijken, elk van hen brengt die doelen wel dichterbij. Dat is belangrijk, want nu al is biomassa goed voor 50 procent van alle hernieuwbare energie – en dat is ongeveer 4 procent van de totale energiebehoefte in Europa. Ik ben de commissaris dankbaar. Het jaar 2006 was het jaar van de concepten en hopelijk wordt 2007 het jaar van de vertaling daarvan in beleid. We verheugen ons op de voorstellen die u op 10 januari wilt presenteren en die de actieprogramma’s en groenboeken ook daadwerkelijk in daden moeten gaan omzetten, want we zijn ervan overtuigd dat we geen enkele maatregel achterwege mogen laten die een bijdrage levert aan de verbetering van de continuïteit van de energievoorziening in de Europese Unie.
Op dit moment is biomassa nog een slapende reus. Er bestaat een geweldig potentieel – momenteel worden slechts 1,6 miljoen hectare in de Europese Unie gebruikt voor de energieproductie, terwijl 97,4 miljoen hectare mogelijk is. We produceren 90 procent van de biomassa zelf en voeren 10 procent in, maar we zien wel hoe grote aanbieders als Brazilië en sinds twee jaar ook de VS een doelgerichte strategie voor de binnenlandse verbouw van biobrandstoffen ontwikkelen. Ik vind het een ontzaglijke prestatie van de VS om in slechts twee jaar van praktisch nul op 19 miljoen ton biobrandstoffen te komen. Laat dat voor ons een stimulans zijn om, binnen onze eigen mogelijkheden, alternatieve energiebronnen te ontwikkelen. Niemand wil de productie van hoogwaardige levensmiddelen bemoeilijken door al onze kaarten op energie te zetten en die bijvoorbeeld te oversubsidiëren. We moeten beide productgroepen in evenwicht houden. Maar er liggen kansen. Daarom heeft de Commissie industrie, onderzoek en energie, die ten principale bevoegd was, mijn ontwerpverslag ook voor het allergrootste deel overgenomen. Het gebeurt maar zelden dat er uiteindelijk eenparigheid van stemmen tot stand komt. We hebben daarom de bezwaren van verschillende fracties zo veel mogelijk in dit verslag meegenomen. Toch is het niet overdreven lang, het telt maar 81 paragrafen. Het laat zien dat we het in het Europees Parlement verregaand eens zijn waar het de aanwending van biomassa betreft.
Het actieplan van de Commissie geeft een correcte beschrijving van de stimuleringsmaatregelen en zwaartepunten. We hebben op het actieplan niets aan te merken. Wel hebben we een reeks gezichtspunten ondergebracht in onze resolutie, die naar ik verwacht vanmiddag met grote meerderheid aangenomen zal worden. Ik zou u, mijnheer de commissaris, en uw medewerkers dan ook willen vragen deze punten van het Parlement in uw uitvoeringsstrategie op te nemen.
Het is belangrijk dat we in beide blocs alles aangrijpen wat biomassa te bieden heeft, want er liggen nog vele onbenutte mogelijkheden – van hout tot snelgroeiende planten. Verder dienen we er op het tweede niveau ook voor te zorgen dat moderne technieken ingezet worden, zoals biobrandstoffen van de tweede generatie. Tegelijk moeten we erop toezien dat al het nodige gedaan wordt om ten eerste het gebruik van biobrandstoffen technologie-neutraal te maken en ten tweede het aanwezige ontwikkelingspotentieel te benutten.
Twee weken geleden vertelde een bekende representant van de auto-industrie mij dat het niet uitmaakte of er een verplichte bijmenging of een doelstelling van 5,75 procent voor 2012 komt – als de branche maar groen licht krijgt, als de randvoorwaarden kloppen, de technische normen aangepast zijn, als de branche vrijheid van handelen krijgt, dan is men bereid samen met de energiesector voor miljarden te investeren en niet slechts een doelstelling van 5,75 procent na te streven. Het lijkt de Europese auto-industrie haalbaar om binnen tien jaar op 15 procent te komen, als de terugverdientijd maar lang genoeg is. Onder die voorwaarden is men bereid alles op alles te zetten.
Ik dank alle collega’s heel hartelijk die aan dit verslag meegewerkt hebben. Verder dank ik de andere commissies. Er waren 187 amendementen en 122 amendementen in de adviezen, maar met alle collega’s hadden we een goede discussie. Nu komen er nog een paar aparte stemmingen. Er moeten bij de stemming nog wat kleine dingen in het verslag rechtgezet worden. Maar over het algemeen kunnen we tevreden zijn, hartelijk dank daarvoor! Ik hoop dat de Commissie van het Parlement een leidraad voor verdere stappen krijgt.
Esko Seppänen (GUE/NGL), rapporteur. – (FI) Mevrouw de Voorzitter, ik heb voor de Commissie industrie, onderzoek en energie een verslag opgesteld over de hulp aan derde landen op het gebied van nucleaire veiligheid en beveiliging. Deze verordening zorgt voor aanvullende hulp voor andere doeleinden en is nodig vanuit het oogpunt van een adequate rechtsgrondslag.
Er kan geen hulp worden gegeven voor het verbeteren van de nucleaire veiligheid en beveiliging in derde landen zonder de rechtsgrondslag die deze verordening biedt, namelijk artikel 203 van het Euratom-Verdrag. Daarna kan de Europese Unie bijvoorbeeld ook na beëindiging van het Tacis-programma haar werk voortzetten om de nucleaire veiligheid en beveiliging in de oude Tacis-landen te verbeteren.
Mijnheer de commissaris, naar de mening van onze commissie, en dus niet alleen van de rapporteur, zou de Europese Unie geen hulp mogen bieden voor het bouwen van nieuwe kerncentrales, maar alleen voor het verbeteren van de veiligheid en beveiliging van bestaande en in werking zijnde kerncentrales en andere nucleaire installaties. De Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie heeft wat dit betreft amendement 27 ingediend op de door de commissie aangenomen tekst. De bedoeling is goed, maar de formulering van dit amendement maakt de zaak er niet duidelijker op en zorgt juist voor een interpretatieprobleem. Als zij zeggen dat kerninstallaties die voor hulp in aanmerking komen, in werking moeten zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening, blijft onduidelijk of ook installaties hulp kunnen ontvangen die bestaan en in werking zijn, maar net op die dag worden nagekeken of om een andere reden buiten werking zijn. Het is niet goed om dergelijke installaties van hulp uit te sluiten en daarom kan ik dit amendement van mijn kant niet accepteren. Naar mijn mening wordt de bedoeling van het Parlement wat dit betreft duidelijk in andere artikelen verwoord. Deze hulp mag alleen worden gegeven voor het verbeteren van de veiligheid en beveiliging van bestaande installaties en niet voor het bouwen van nieuwe installaties.
Wij moeten beseffen dat de verantwoordelijkheid voor nucleaire veiligheid altijd bij de installatie zelf ligt en dat de hulp van de Europese Unie voor het verbeteren van de veiligheid en beveiliging van nucleaire installaties slechts aanvullende hulp is. Hiermee wordt de specifieke kennis van de Europese Unie, haar lidstaten of het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie overgedragen aan nucleaire installaties in derde landen, maar zijn er geen economische voorwaarden verbonden aan het gebruik ervan in de landen die voor hulp in aanmerking komen.
Tot slot wil ik een mondeling amendement op het verslag indienen en het begrote bedrag in amendement 25 van de commissie en in het meerjarig financieel kader wijzigen in 524 miljoen euro.
Ik wil iedereen bedanken voor de uitstekende samenwerking.
Anders Wijkman (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik heb maar één minuut spreektijd, dus kan ik maar twee opmerkingen maken.
Ten eerste zijn biobrandstoffen inderdaad heel belangrijk. Ze moeten echter wel zo efficiënt mogelijk worden geproduceerd. In tropische landen is de productie van biobrandstoffen veel efficiënter dan in Europa. We zouden daarvan zo veel mogelijk moeten profiteren, maar in plaats daarvan zijn we blijkbaar van plan om een heffing op dergelijke importen te innen. Als we olie en gas uit Saoedi-Arabië zonder een heffing kunnen invoeren, waarom willen we dan een heffing op biobrandstoffen? Dat is niet alleen inefficiënt, we beroven daarmee ook een aantal arme landen van een hoognodige bron van inkomsten.
Ten tweede nemen de emissies in China en in India heel snel toe. Daarom heeft de Commissie ontwikkelingssamenwerking in haar advies voorgesteld dat de Unie een proactieve strategie moet volgen voor de technologische samenwerking met deze landen. Daarbij moeten we een deel van de bijkomende kosten voor het gebruik van de meest efficiënte technologieën dragen.
In amendement 5 wordt voorgesteld om "financieel" door "technisch" te vervangen. We moeten echter ambitieuzer zijn, anders zullen we in de toekomst het slachtoffer worden van de emissies uit deze landen. Daarom doe ik een beroep op de collega’s om tegen amendement 5 te stemmen.
Jean-Pierre Audy (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik mijn collega Werner Langen bedanken voor zijn luisterend oor, zijn wijsheid en zijn moed, waarvan hij blijk geeft in zijn verslag.
Daar de Commissie internationale handel vaststelt dat de Europese Unie een grote achterstand heeft qua verbruik én productie van biobrandstoffen, stelt zij uiteraard voor de invoer te verhogen, maar ook om aandacht te schenken aan de Europese productie op industriële schaal met een tweeledig doel: energieonafhankelijkheid van de Unie en afzetmarkten voor landbouwproducten, bijvoorbeeld suikergewassen.
De productiekosten van ethanol per hectoliter zijn 25 euro in Brazilië, 35 euro in de Verenigde Staten van Amerika en 45 euro in de Europese Unie: vandaar ons voorstel om voor een bepaalde periode een aanvaardbaar penetratieniveau voor de invoer van bio-ethanol in de Unie vast te stellen dat verenigbaar is met de geleidelijke ontwikkeling van een eigen EU-productie, in overeenstemming met de Europese strategie voor duurzame ontwikkeling.
Jacky Henin (GUE/NGL), rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, de experimenten met de liberalisering van de energiesector zijn zonder uitzondering uitgelopen op prijsverhogingen en een kwalitatief slechtere dienstverlening. De liberalisering en de splitsing tussen energieproducenten en -distributeurs hebben in de Unie geleid tot een gebrek aan investeringen in productiefaciliteiten en elektriciteitstransportnetten. Dit beleid is debet aan de grote storing in november 2006, en moet de komende jaren wel tot enorme problemen leiden.
Gezien deze situatie moet er zoveel mogelijk vaart worden gezet achter investeringen in onderzoek op alle terreinen, inclusief kernenergie, om de uitdaging van het postaardolietijdperk aan te gaan en broeikasgassen te bestrijden. Er dient zo snel mogelijk een eind te komen aan de verplichte splitsing van energieproducenten en energietransportnetten, en aan alle liberaliseringsmaatregelen in de energiesector.
Daarom ben ik een vurig voorstander van de oprichting van een Europees energieagentschap dat zorg draagt voor de afstemming van het energiebeleid van de lidstaten en van hun inspanningen op onderzoeks- en ontwikkelingsgebied. Dit orgaan zou een economisch samenwerkingsverband op EU-niveau moeten gaan voorzitten waarin alle elektriciteitsproductie- en -distributiebedrijven vertegenwoordigd zijn en dat moet garanderen dat iedereen tegen redelijke kosten over energie kan beschikken. Energie is geen gewoon goed, het is een gemeenschappelijk goed van de gehele mensheid.
Janusz Lewandowski (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Begrotingscommissie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, in het geval van de verordening over hulp op het gebied van nucleaire veiligheid en beveiliging was het, net als bij andere verordeningen, de taak van de Begrotingscommissie om ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze verordening in overeenstemming zijn met die van het nieuwe interinstitutionele akkoord, dat in mei van dit jaar van kracht is geworden. Dat is de kern van mijn advies. Deze taak werd verlicht door het feit dat rapporteur Seppänen lid van de Begrotingscommissie is.
Jan Christian Ehler (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, natuurlijk is het commentaar van de Commissie economische en monetaire zaken weer van structurele aard. We dragen zeven punten aan.
Ten eerste willen we een energiebeleid dat betaalbare energieprijzen waarborgt. Ten tweede ondersteunen wij een integrale benadering van het energievraagstuk, die in gelijke mate rekening houdt met de continuïteit van de energievoorziening, het waarborgen van mededinging en het milieu. Ten derde kunnen we ons door de afhankelijkheid van energie-importen geen ideologische oogkleppen veroorloven. We willen een onbevooroordeelde energiemix. Ten vierde beschouwen we de totstandkoming van een interne markt als een kernvoorwaarde om continuïteit van de energievoorziening en betaalbare energieprijzen te kunnen waarborgen. Ten vijfde dienen investeringen in netwerken, capaciteit evenals investeringen op het terrein van CO2, respectievelijk CO2-arme energie vergemakkelijkt en versneld te worden. Ten zesde steunen we de Commissie in haar consequente optreden tegen concurrentievervalsing. Ten zevende willen we ons energiebeleid niet nodeloos bureaucratisch maken. Nieuwe Europese agentschappen en instanties zijn op dit moment net zomin nodig als nieuwe voorschriften voor de interne markt. Het is zaak om beter gebruik te maken van het bestaande instrumentarium, en bestaand Europees recht dient volledig in nationaal recht omgezet te worden.
Evangelia Tzampazi (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. – (EL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, in de gehele Unie wordt aangedrongen op een rationeel energiegebruik en op integratie van hernieuwbare energiebronnen in de energiemix van de Unie. Daarom moet de Unie alle noodzakelijke maatregelen treffen om aan deze vraag naar een gemeenschappelijk Europees energiebeleid tegemoet te komen. Deze vraag wordt onder woorden gebracht in het verslag van mevrouw Morgan, die ik met uw welnemen van harte gelukwens.
Wij moeten wel beseffen dat de Unie het huidige energieverbruik met misschien wel 20 procent kan verminderen. Dit is dus op zich al een energiebron die geëxploiteerd kan worden, en wel binnen de Europese Unie zelf. Deze vermindering kan worden verwezenlijkt als het huidige rechtskader van de Unie strikt wordt toegepast. Wij hebben daarvoor de noodzakelijke instrumenten, namelijk de structuurfondsen. In de komende programmeringsperiode 2007-2013 moet in het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling prioriteit worden gegeven aan een milieuvriendelijk beleid.
Frédérique Ries (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik spreek in mijn hoedanigheid van rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer over het verslag van de heer Seppänen. De Commissie milieubeheer is op hoofdlijnen tevreden met het door de Commissie industrie opgestelde verslag.
Ik benut de minuut die mij is gegund om de aandacht te vestigen op de volgende punten: ten eerste de ondersteuning die de Gemeenschap onder auspiciën van het IAEA moet bieden bij het opstellen van een gedragscode voor een internationaal waarschuwingssysteem bij nucleaire incidenten; ten tweede het essentiële karakter van het beginsel dat de vervuiler betaalt, om derde landen en exploitanten te dwingen hun verantwoordelijkheid te nemen; ten derde de financiering van de sanering van de terreinen van voormalige nucleaire installaties, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat tegen redelijke kosten en binnen een redelijke termijn een hoog veiligheidsniveau bereikt kan worden.
Teleurstellend is echter dat onze amendementen betreffende de aanpassing van de rechtsgrondslag, het rekening houden met onafhankelijke audits van de Europese Rekenkamer en de begrotingsdiscipline op raadplegingsgebied, om me hiertoe te beperken, niet in aanmerking zijn genomen.
Sprekend op persoonlijke titel ben ik ook blij dat de Commissie industrie mijn amendement tot wijziging van overweging 13 heeft overgenomen, dat inhoudt dat de lidstaten hun exclusieve bevoegdheid behouden met betrekking tot het recht hun eigen energiekeuzes te maken, dus ook op nucleair gebied. Wat voor Oostenrijk geldt, hoeft niet per definitie te gelden voor Finland of België.
Liam Aylward (UEN), rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben blij met de twee mededelingen van de Commissie over het actieplan voor biomassa en over de strategie van de EU voor biobrandstoffen. Het is duidelijk de hoogste tijd om de vraag naar bio-energie te vergroten om de klimaatverandering en de emissie van broeikasgassen te bestrijden, de afhankelijkheid van olie te reduceren en de technologische en economische ontwikkeling in de Europese Unie te bevorderen.
De vraag is hoe we dat kunnen bereiken. Ik denk dat we de vraag naar bio-energie kunnen vergroten door voorrang te geven aan onderzoek, ontwikkeling en voorlichting over bio-energie en biobrandstoffen. We moeten met name meer aandacht geven aan efficiëntere producten van de tweede generatie, door transparante en open markten op te bouwen en door marktbelemmeringen weg te nemen. Bovendien moeten we de producenten, de leveranciers en de consumenten bij de informatiecampagnes betrekken.
Het is voor de toekomstige groei van het aandeel van bio-energie van het grootste belang dat deze toename niet ten koste gaat van de milieuprioriteiten van de lidstaten of van derde landen. Daarbij denk ik aan de strijd tegen de afname van de biodiversiteit, aan de bescherming van de bossen, aan de strijd tegen de verarming van de grond en voor ecologisch gezonde wateren.
Ik ben blij dat in het verslag-Langen rekening is gehouden met het verzoek van de Commissie milieubeheer aan de Europese Commissie om een verplicht en alomvattend systeem van certificering in te voeren. Het is van het grootste belang dat de directoraten-generaal van de Commissie en de ministeries van de lidstaten een geïntegreerd beleid voeren. Ik doe een beroep op de Commissie om de vooruitgang op de voet te volgen en een samenhangend beleid uit te werken, samen met iedereen die betrokken is bij de productie en de levering van biomassa en biobrandstoffen. Het is ook heel belangrijk dat de lidstaten de nodige speling en flexibiliteit krijgen om zelf te beslissen wat hun doelstellingen zijn en welke politieke keuzes ze willen maken om de streefdoelen van de Gemeenschap te bereiken.
De productie van bio-energie moet altijd plaatsvinden volgens de goede landbouwpraktijken, en mag niet merkbaar ten koste gaan van de productie van voedingsmiddelen in de Europese Unie en in derde landen. Stimulerende maatregelen mogen niet de vorm aannemen van indirecte subsidies en moeten beperkt blijven tot de meest efficiënte methodes, die tevens milieu- en klimaatvoordelen opleveren.
De toenemende productie van bio-energie zou voor de boeren echter een zegen zijn, en ik denk dat investeringen in kleine projecten voor de productie van biobrandstoffen in de primaire sector heel zinvol zouden zijn. Ik ben blij met het voorstel van de Commissie om de overheid aan te sporen om schone en efficiënte voertuigen aan te schaffen, ook voertuigen die brandstof met een hoog aandeel biobrandstof gebruiken.
Ik doe een beroep op de lidstaten om nationale actieplannen voor bio-energie uit te werken, en ben blij met het besluit van de regering van mijn eigen land om de productie van bio-energie en het gebruik ervan in het vervoer te bevorderen. Dat bleek uit de begroting die de regering van mijn land vorige week heeft voorgelegd.
Marta Vincenzi (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie vervoer en toerisme. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, met betrekking tot het verslag-Langen heeft de Commissie vervoer en toerisme unaniem haar goedkeuring gehecht aan een advies waarin benadrukt wordt dat er keuzen moeten worden gemaakt die de investeringen op de middellange termijn stabiliseren, en die de investeerders, alsook de producenten en consumenten, de nodige zekerheden bieden. Ik zou graag zien dat dit advies volledig wordt overgenomen.
Daarnaast moet er meer duidelijkheid komen in de definitie van biobrandstoffen van de tweede generatie, gezien het potentiële effect van het gebruik en de productie van biobrandstoffen op het milieu. Biomassa die voortkomt uit afval is niet hetzelfde als biomassa die verkregen wordt met bosbouwafval of andere restproducten.
Voorts moet er duidelijkheid komen over het aantal voorafgaande richtlijnen die het beleid van ondersteuning van biobrandstoffen geflankeerd hebben. Er zijn namelijk een aantal inconsequenties die weggewerkt moeten worden. Er is met name behoefte aan een herziening van de bestaande richtlijn inzake de kwaliteit van brandstoffen voor het bijmengen in benzine.
Hannu Takkula (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie vervoer en toerisme. – (FI) Mevrouw de Voorzitter, het is waar dat de uitstoot van het verkeer momenteel een van de sterkst groeiende vormen van uitstoot in onze samenleving is, wat ons dwingt na te denken over hoe wij de beginselen van duurzame ontwikkeling in de praktijk kunnen vertalen en hoe wij vervoersoplossingen kunnen vinden die milieuvriendelijker zijn, zodat wij beter rekening kunnen houden met de milieueisen aan het vervoer over land, op zee en in de lucht.
Een groot probleem is dat wij op dit moment te weinig hebben geïnvesteerd in milieuvriendelijke vervoersmiddelen. Goede voorbeelden hiervan zijn biodiesel en hybride auto's, die op financiële steun rekenden maar die niet hebben gekregen, en daarom zeer marginale verschijnselen zijn gebleven.
Belastingheffing is ook een manier om duurzame ontwikkeling te stimuleren, maar de lidstaten hebben zich nog niet op dit pad willen begeven. Hiervoor is nu steun nodig: belastingvoordelen en duidelijk beleid om te laten zien dat het milieu en duurzame ontwikkeling echte prioriteiten voor ons zijn en niet alleen onderwerpen van gewichtige toespraken.
Oldřich Vlasák (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. – (CS) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, in de eerste plaats wil ik mevrouw Morgan feliciteren met haar werk. Haar onderhandelingscapaciteit heeft tot een compromis geleid waarin rekening wordt gehouden met zowel de standpunten van de verschillende fracties die in de commissie vertegenwoordigd zijn als de ervaring die op dit terrein is opgedaan.
Als rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling ben ik ervan overtuigd dat het Europees energiebeleid bovenal ontwikkeld moet worden op basis van het subsidiariteitsbeginsel. Het is aan de lidstaten om concrete beslissingen te nemen over de energiemix en de keuze van hernieuwbare energiebronnen of kernenergie, zodat rekening kan worden gehouden met de geografische, klimatologische en economische omstandigheden van elke regio. Bovendien moeten wij ons ervan bewust zijn dat de goedkoopste energie de energie is die niet geproduceerd hoeft te worden. Daarom moeten wij de weg van de energiebesparing inslaan. Op dit vlak is er heel wat mogelijk, met name in de steden, waar meer dan 70 procent van de energie wordt verbruikt. Daarom moet de Commissie een openhartige dialoog aangaan met de steden, en ook met de autonome entiteiten en hun verenigingen.
Willem Schuth (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, beste collega’s, allereerst zou ik de heer Langen willen feliciteren met zijn evenwichtige verslag. Ik ben blij als rapporteur voor advies namens de landbouwcommissie kort een aantal opmerkingen over het verslag te kunnen maken.
In de energiemix van de toekomst zal bio-energie een centrale plaats innemen. Zij kan en zal op tal van terreinen een belangrijke bijdrage leveren: bio-energie helpt onze energievoorziening veiligstellen, vermindert onze afhankelijkheid van importen van buiten de EU, levert een bijdrage aan de klimaatbescherming en zorgt voor werkgelegenheid en bedrijvigheid in Europa’s landelijke gebieden.
De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling hecht veel belang aan de invoering van een EU-certificeringssysteem. Enerzijds willen we extra administratieve lasten voor plaatselijke producenten vermijden door aan te sluiten bij bestaande regelingen, zoals de Cross Compliance. Tegelijk dienen ook de uit derde landen geïmporteerde biobrandstoffen volgens strenge ecologische criteria gecertificeerd te worden, om zeker te kunnen zijn van een positieve uitwerking op het milieu.
Bij de stimulering van biobrandstoffen mogen de beschikbare middelen niet hoofdzakelijk toegewezen worden aan het onderzoek naar biobrandstoffen van de tweede generatie. Ook de brandstoffen van de eerste generatie vragen nog om behoorlijk veel onderzoek.
Herbert Reul, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega’s, aan het begin van deze discussie deed zich dezelfde situatie voor als in januari 2006, zoals collega Morgan opmerkte. Het is duidelijk geworden dat de afhankelijkheid van energie in Europa ontzettend groot is. In het jaar 2000 bedroeg de energieafhankelijkheid van Europa 50 procent, in het jaar 2030 zal die rond de 70 procent liggen. Dat zet het aspect van de continuïteit van de energievoorziening in een nieuw, dramatisch licht. Het betekent ook dat we de buitenlandse politiek moeten herijken en nieuwe consequenties moeten trekken voor de veiligstelling en exploitatie van onze eigen energiebronnen. Uiteindelijk betekent dit ook dat we de onderlinge afstemming van de drie doestellingen continuïteit van de energievoorziening, duurzaamheid en concurrentievermogen moeten heroverwegen.
Het lijkt mij niet de bedoeling om alleen maar nieuwe ideeën en concepten aan te dragen, maar, zoals collega Langen al stelde, om een inspanning te leveren waardoor de werkelijkheid stukje bij beetje verandert. We moeten meer oog hebben voor het aspect van de uitvoering en daadwerkelijke veranderingen. Wat hebben we aan al die voorstellen, als ze maar een heel beperkte verandering van de werkelijkheid tot gevolg hebben? Vandaar dat ik heel blij ben dat dit verslag voor een wat realistischere kijk op de dingen gezorgd heeft. We kunnen van investeerders geen betrouwbaarheid verlangen, we kunnen van ondernemingen ook niet verlangen dat ze meer investeren, als we zelf in ons beleid geen betrouwbaarheid en duurzaamheid bieden. Almaar nieuwe voorstellen en almaar nieuwe instanties helpen ons niet verder. Dat betekent ook dat we bij de eigendomsrechtelijke ontvlechting nog eens goed moeten nadenken. Laten we fase 1 eerst maar eens uitvoeren, voor we aan fase 2 beginnen, want ik heb zo mijn twijfels of onteigening c.q. nationalisatie wel de juiste oplossing is.
Er is geen alleenzaligmakende oplossing voor het probleem, het zijn er vele. Ik zeg ja tegen efficiënt energiegebruik en hernieuwbare energievormen, maar men moet ook inzien dat dit maar begrensde oplossingen voor ons probleem zijn. Daar helpt geen lievemoederen aan. Wie akkoord gaat met het terugdringen van de CO2-uitstoot, moet er ook in toestemmen dat we meer in kernenergie investeren. We willen op dit vlak geen enkel taboe, maar slechts openheid, diversiteit, flexibiliteit en realisme.
Edit Herczog, namens de PSE-Fractie. – (HU) Als corapporteur ben ik bijzonder blij met het verslag van de heer Seppänen over het ondersteuningsprogramma dat de veiligheid van kerncentrales in derde landen moet bevorderen. Op het gebied van nucleaire veiligheid heeft Europa altijd al een leidende rol in de wereld gespeeld en dit programma zal ons daarin ook de komende zeven jaar ondersteunen.
De veiligheid van kernenergie is in hoge mate afhankelijk van menselijke factoren. Het ontwerpen, bouwen, in bedrijf stellen, onderhouden, toezicht houden, vervoeren en ontmantelen zijn overduidelijk menselijke taken, waarvoor een toereikend aantal werknemers en de juiste vakkennis en apparatuur nodig zijn. Het programma, dat zich richt op de republieken van de voormalige Sovjet-Unie, direct ten oosten van de Europese Unie, is dus uitermate belangrijk, ook vanuit het oogpunt van onze eigen energievoorziening en veiligheid. Tegelijkertijd helpt het programma Europese – onder andere Hongaarse – bedrijven, onderzoekers en universiteiten die beschikken over de vereiste nucleaire veiligheid, een rijk verleden, ruime ervaring en competitieve vakkennis, toegang te krijgen tot veelbelovende externe markten.
Ik wil de commissie die de besluiten neemt over het programma en de Europese Commissie die verantwoordelijk is voor de afwikkeling ervan, vragen om zo effectief mogelijk te werk te gaan. Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om de twee andere rapporteurs te feliciteren, waarbij ik in het bijzonder wil stilstaan bij het verslag van Eluned Morgan, waaruit eenduidig blijkt dat energie niet in de eerste plaats moet draaien om industrieën die actief zijn in de energiesector, maar veeleer om de mensen die ermee te maken krijgen: de consumenten. Het belangrijkste element van het Europese energiebeleid is het creëren van waardige levensomstandigheden voor de Europese bevolking en het garanderen van betaalbare en veilige energie. Dit is een onontbeerlijke factor om onze concurrentiepositie te kunnen behouden.
Ik wil de rapporteurs vooral feliciteren met het feit dat het hun is gelukt een balans te vinden tussen de meerwaarde van de interne markt, de mondiale uitdagingen en de subsidiariteit van de lidstaten. Vandaag feliciteer ik de rapporteurs maar ik hoop, mijnheer de commissaris, dat u dit alles volgend jaar kunt implementeren.
Lena Ek, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, graag wil ik de rapporteur en mijn collega's danken voor hun medewerking.
Voor een welvarende, concurrerende en duurzame toekomst voor Europa is een omslag in het energiebeleid nodig. Vandaag de dag hebben we problemen met productie, distributie, consumentenrechten en met de opwarming van de aarde, stabiliteit en veiligheid. We staan voor de uitdaging snel een nieuw Europees energiebeleid te ontwikkelen en dat is een kans voor de Europese burgers, het Europese bedrijfsleven en het milieu. Daarom juich ik een ambitieuze agenda van de Commissie voor volgend jaar toe.
Ik benadruk hoe belangrijk de boodschap van het Parlement vandaag is. Daarom vraag ik mijn collega's hun steun uit te spreken voor het resultaat van de stemming in de Commissie industrie, onderzoek en energie. Daar slaagden we erin een afgedwongen marktoplossing met meer markttoegang voor nieuwe spelers, meer transparantie en meer recht op informatie voor consumenten, te combineren met een duidelijk politiek signaal over internationale bindende langetermijndoelstellingen voor hernieuwbare energie en CO2-reductie.
Bovendien wil ik onderstrepen hoe belangrijk het is dat aspecten als distributie en consumenten meegenomen worden in de huidige productieconcentratie en dat bestaande technologieën zoals warmtekrachtkoppeling, trigeneratie en stadsverwarming veel meer gebruikt worden. Zo verbruiken we minder en op een efficiëntere manier energie.
Energiebeleid zou niet als een op zichzelf staand onderwerp beschouwd moeten worden. Het is van vitaal belang dat zowel KP7 als de hervorming van het GLB afgestemd worden op de noodzaak van een grotere interne Europese energieproductie.
Het Parlement ondersteunt de huidige samenwerkingsstructuren tussen lidstaten en steunt de Commissie in haar vaste overtuiging dat ze verder uitgebouwd moeten worden. We zijn echter geen voorstander van nieuwe agentschappen. Die brengen alleen maar financiële en bureaucratische lasten voor de Unie met zich mee.
Commissaris Kroes wil ervoor zorgen dat de mededingingswetgeving niet overtreden wordt, om misbruik van sterke marktposities te voorkomen. Ik wil haar daar uitdrukkelijk in steunen. Ervaringen zijn net sterren: je ziet ze pas aan het eind van de dag. De EU heeft nu de kans voor het grijpen om de energiemarkt aanzienlijk te verbeteren, milieuproblemen op te lossen en nieuwe banen te scheppen. Laten we die kans grijpen.
Claude Turmes, namens de Verts/ALE-Fractie. – (EN) Om te beginnen wil ik mevrouw Morgan en mevrouw Ek danken voor hun politieke lijn, waarin milieu en concurrentiekracht samengaan. Zo komen we vooruit.
(DE) Mevrouw de Voorzitter, Europa staat voor een tweesprong. Er is een energie- en vervoersbeleid voor een handjevol grote bedrijven. Dat betekent alle ruimte voor benzineslurpende, tonnenzware voertuigen, klimaatongunstige kolencentrales, riskante technologieën, kernenergie, oneerlijke concurrentie en het voortbestaan van de zakkenvullerij die de markt vandaag de dag te zien geeft. Dat is het beleid dat de Commissie – d.w.z. commissaris Verheugen met de daadkrachtige ondersteuning van de heer Barroso – ondanks de tegenstand van commissarissen met veel kennis van het beleidsterrein, zoals de heer Piebalgs, mevrouw Kroes en de heer Dimas, door wil drukken.
Daarnaast is er ook een energie- en vervoersbeleid voor de burgers van Europa en voor duizenden kleine ondernemers en de kleinhandelaren. Zo’n beleid zou voor grootscheepse investeringen zorgen in de modernisering van de gebouwen in Europa, duizenden arbeidsplaatsen scheppen, de energieafhankelijkheid van Europa, ook in het geval van aardgas, verminderen, verbeterde normen voor in massa geproduceerde gebruiksgoederen als personenwagens, koelkasten, tv-schermen en huizen opstellen.
Daarnaast is het van het grootste belang dat de bestaande richtlijn voor hernieuwbare energiebronnen gehandhaafd blijft, want die blijkt zo succesvol, dat hij energiereuzen als E.ON en EDF een doorn in het oog is. Mijnheer de commissaris, u hebt ons voor januari een nieuwe richtlijn betreffende de energieprestaties van gebouwen in het vooruitzicht gesteld. Deze richtlijn moet er komen en daarna zullen de burgers volgen. Bovendien moet er meer concurrentie komen. We hebben slechts deze ene planeet. Die mogen we niet opofferen aan de kortetermijnbelangen van een paar grote concerns en hun handlangers in de politiek.
Roberto Musacchio, namens de GUE/NGL-Fractie. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik heb deelgenomen aan de Klimaatconferentie in Nairobi, die belangrijke indicaties en toezeggingen heeft opgeleverd.
Allereerst is besloten dat Kyoto ook na 2012 zal bestaan. Bovendien zijn er nieuwe mogelijkheden voor interventie aangeboord die veel verder reiken dan de koop en verkoop van emissiequota: er is nu plaats voor proactieve en positieve maatregelen.
Er komen twee fondsen: een fonds voor technologische aanpassing en een fonds voor hernieuwbare en schone energiebronnen. Het vraagstuk van de technologische overdracht is eindelijk aangesneden en ook het thema van de strijd tegen ontbossing is op tafel gekomen. Kofi Annan heeft gelijk als hij zegt dat dergelijke richtsnoeren een krachtiger politiek leiderschap vergen. Het is aan Europa om die politieke wil te belichamen. Vandaar dat er onder meer voor gezorgd moet worden dat de afzonderlijke landen serieuze en gedocumenteerde plannen voor terugdringing van de emissies presenteren, overeenkomstig de doelstellingen van Kyoto. Een eerste aanzet daartoe is de massale bevordering van energiebesparing en hernieuwbare energiebronnen.
Het Europees Parlement kan via zijn Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid een stimulerende rol op zich nemen en het kan impulsen geven om de goede richting uit te gaan, onder andere door middel van samenwerking met de nationale parlementen. Die goede richting betekent actieve politieke ondersteuning en een samenwerkings- en innovatiebeleid: het is dus geen kwestie van de puur commerciële logica van privatiseringen en liberaliseringen, want daarmee worden maar al te vaak speculatieve belangen beoogd in plaats van het collectieve welzijn.
Tenslotte nog een opmerking over kernenergie: de beste veiligheid krijgen wij als we daar gewoon niet aan beginnen; we moeten daarvan afzien, omdat wij voor onze toekomst geen kernenergie nodig hebben.
Mieczysław Edmund Janowski, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil mevrouw Morgan bedanken voor haar werk aan het verslag. Het Groenboek is inderdaad een goede start om een coherente energiestrategie uit te werken voor Europa en, in een breder verband, voor de hele wereld. Deze kwestie is van fundamenteel belang. Het gaat er hier immers niet alleen om de aanvoer te garanderen van brandstoffen in vloeibare, vaste of gasvorm of om de productie van elektriciteit, zonder welke de wereld vandaag zou instorten. Het gaat hier ook niet uitsluitend om installaties voor verwarming en airconditioning, maar ook om bescherming van het milieu, om het voorkomen van schadelijke klimaatveranderingen.
Natuurlijk heeft energie ook een wezenlijke politieke dimensie, waarvan de bekende voorbeelden van het dichtdraaien van de gaskraan mogen getuigen. In verband met de beperkte tijd wil ik de aandacht op slechts enkele problemen vestigen. De handel in broeikasgasemissierechten is een wereldwijd probleem en dit vereist allesomvattende oplossingen. De Europese Unie dient initiator te worden van dergelijke oplossingen. Vergissingen kunnen leiden tot een onomkeerbare verslechtering van de hele dampkring.
Innovatie in het energiebeleid betekent zowel het zoeken naar nieuwe, duurzame en schone energiebronnen, alsook een radicale rationalisering van het gebruik ervan. Naar mijn inschatting verkwisten we circa 25 procent van de energie door energieverspillende installaties, inefficiënt energietransport of slechte organisatie. Ik vestig enige hoop op het programma “Intelligente energie” van het zevende kaderprogramma.
Weg-, spoor-, lucht- en zeevervoer vereisen een nieuwe logistiek, waarin directe financiële belangen of gemak moeten plaatsmaken voor de toekomst. Ik wil de vraag stellen hoeveel mensen er vandaag met eigen vervoer naar hun werk gekomen zijn en dus niet hebben gecarpoold.
Energiezekerheid vereist de aanleg van netwerken die als back-up moeten dienen, want anders zullen we te maken krijgen met het typische domino-effect. De voorbeelden van afgelopen november laten nog eens zien hoe kwetsbaar de huidige systemen zijn. De Europese Unie moet zich laten leiden door de beginselen van solidariteit en gecoördineerd optreden tegenover de energieleveranciers.
Nils Lundgren, namens de IND/DEM-Fractie. – (SV) Mevrouw de Voorzitter, het is algemeen bekend dat als je enige stuk gereedschap een hamer is, je zo langzamerhand elk probleem als een spijker gaat zien. Het is duidelijk waardoor dat komt: een hamer is alleen nuttig om ermee op spijkers te slaan, dus moet je je wel verbeelden dat alle problemen spijkers zijn. De meeste problemen die we tegengekomen zijn echter geen spijkers. Met die instelling gaan de meeste dingen mis. Je kunt met een hamer geen Venetiaanse glazen maken en je kunt er ook geen politieke tegenstander mee overtuigen.
De meerderheid in dit Parlement heeft echter een hamer, namelijk de Europese Unie. De meesten van u willen geloven – of liever gezegd willen anderen doen geloven – dat de problemen die toevallig actueel worden, te allen tijde behoren te worden opgelost of moeten worden opgelost met behulp van de EU. In feite zijn die problemen zeldzaam. De uitzonderingen zijn nucleaire veiligheid, bescherming tegen straling en problemen rond nucleair materiaal in de EU en haar buurlanden. De heer Seppänen is op het juiste spoor en verdient onze steun, maar mevrouw Morgan, die het energiebeleid zo ontzettend dreigt te bureaucratiseren dat er al op korte termijn een miljoen mensen nodig zijn om het uit te voeren, is op de verkeerde weg. Aanpassingen in verband met stijgende energieprijzen kunnen het beste op nationaal niveau plaatsvinden.
Creativiteit kan tot wasdom komen door concurrentie tussen landen en ondernemingen om effectieve oplossingen voor energieproblemen te vinden, en niet door bureaucratisering van het bestaan van een half miljard mensen die in landen met zeer uiteenlopende situaties wonen.
Lydia Schenardi (NI). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, beste collega’s, ik wil twee opmerkingen maken naar aanleiding van deze plenaire discussie over energie.
Ten eerste: de Europese Unie heeft geen enkele bevoegdheid op energiegebied. Dit is een waarheid als een koe, die eens te meer blijkt uit het feit dat in de verschillende verslagen wordt benadrukt dat de lidstaten exclusief bevoegd zijn met betrekking tot hun energiekeuzes. Mevrouw Morgan voegt daar nog een expliciete verwijzing naar maximale subsidiariteit aan toe. Alles in deze verslagen spreekt die stellingen echter tegen, zo gebiedend en sturend zijn ze.
Ten tweede: het Europa van Brussel heeft al laten zien waartoe het in staat is door zich het recht toe te eigenen een energiebeleid te voeren en de gas- en elektriciteitsmarkten te liberaliseren. En waar heeft dat toe geleid? Grote prijsverhogingen voor de consument, het tegengaan van de nivellering van de tarieven en daarmee van de publieke dienstverlening, storingen in de energievoorziening, zorgen ten aanzien van het onderhoud, de uitbreiding en de modernisering van de netten, enz.
We zijn momenteel getuige van een versnelde concentratie van de sector, zozeer zelfs dat die beroemde concurrentie waarover u ons aan de kop zeurt, al heel dicht in de buurt zit van de monopolisering van de energiemarkt door een handvol multinationals. Met als enige verschil: deze monopolies liggen niet langer bij overheidsbedrijven, ze komen in particuliere, mogelijk zelfs niet eens Europese, handen. Dus ja, wij zijn vóór energieveiligheid en –zekerheid en vóór energie-efficiëntie, maar het is aan de soevereine staten zelf om hun eigen lijn uit te zetten in deze strategische materie.
VOORZITTER: MARIO MAURO Ondervoorzitter
Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, dames en heren, in de Oostenrijkse pers stond te lezen dat de kerncentrale in Temelin weldra het honderdste ongeval gaat beleven. De Commissie is voor haar informatie aangewezen op de welwillendheid van de verantwoordelijke overheidsinstanties in de lidstaten. Toch dank ik commissaris Piebalgs hartelijk voor zijn toezegging dat hij in een officiële brief zal informeren wat nu de werkelijk risico’s van de kerncentrale in Temelin zijn.
Ik ben ook ingenomen met amendement 5 op het verslag-Seppänen, dat betrekking heeft op de rol van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie bij beveiligingsmaatregelen en de algehele veiligheid van kerncentrales. De Gemeenschap zou voor de toekomst een gedragscode uit moeten werken voor een internationaal waarschuwingssysteem bij nucleaire ongevallen, dat onder verantwoordelijkheid van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie komt. Dat is een uitstekend voorstel uit het verslag-Seppänen. Er moet een peer review door experts komen, die niet alleen in de lidstaten, maar ook op Europees vlak een controlebevoegdheid krijgen, zodat een kerncentrale die een gevaar vormt desnoods ook via een besluit van de rechter buiten bedrijf gesteld kan worden. Dat zijn we verplicht aan de veiligheid en de gezondheid van de burgers in Europa. Daarvoor moet de Raad de obstructieve houding die hij tot nu toe aangenomen heeft laten varen en in het belang van de veiligheid instemmen met de vorming van zo’n peer review-groep. Het is bekend dat juist ten aanzien van de buitenbedrijfstelling en definitieve opslag zeer uiteenlopende veiligheidsvoorschriften van kracht zijn. Dat leidt tot een groot verschil in de exploitatiekosten en daarvan zullen diegenen profiteren die de minst strenge veiligheids- en beveiligingsmaatregelen hanteren en zich niet druk maken om buitenbedrijfstelling en definitieve opslag. Dat is onaanvaardbaar!
Commissaris Piebalgs, ik dank u voor uw steun en hoop dat de Commissie in deze aangelegenheid de nodige druk zal gaan uitoefenen.
Reino Paasilinna (PSE). – (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, wij staan achter de verslagen en ik complimenteer de rapporteurs. Ik wil twee punten naar voren brengen. Wij hebben niet alleen een probleem met de invoer van energie, die onzekerheid veroorzaakt, maar ook een probleem met onze eigen activiteiten in de Europese Unie. Onze reservecapaciteit voor energie bedraagt 4,8 procent en daalt elk jaar, terwijl zij voorheen 15 à 20 procent bedroeg. Wij zijn daarom door onze eigen schuld in crises beland. Wij moeten nu in nieuwe capaciteit investeren, netwerken aanleggen en verbeteren en regeringen nu echt vragen om te helpen. Wij moeten natuurlijk ook veel meer aandacht besteden aan het energieverbruik.
Het tweede punt is dat energie niet alleen een politieke maar ook een sociale kwestie is geworden. Hoe armer de consument, hoe moeilijker zijn situatie wanneer de energieprijzen hoog zijn. Deze verbruiker moet in het energiebeleid centraal staan, zoals in het verslag van mevrouw Morgan staat.
Ik wil de Commissie dan ook vragen wat zij van plan is te doen om de sociale energiezekerheid te verbeteren.
Jorgo Chatzimarkakis (ALDE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, we weten allemaal dat energie de levensader van de Europese Unie is. Helaas zijn we ons daar niet al te vaak, alleen op zondagen, van bewust. Ik vind dat de EU over het algemeen zeer naïef met het thema energie omgaat. Energiebeleid is nog altijd stukwerk, waarbij de lidstaten verschillende strategieën toepassen.
De voorjaarstop over energie is mislukt, zoveel is duidelijk geworden. De top tussen de EU en Rusland, die voor ons van belang was en ook een energiecomponent omvatte, liep stuk op Pools rundvlees. Er zijn ideologische twisten over kernenergie – allemaal dingen die voor nodeloos oponthoud zorgen. Er zijn belangrijke regio’s in de wereld die onze hoofdleveranciers zouden kunnen worden, zoals Centraal-Azië, waar we nog maar weinig interesse voor getoond hebben. Zoals al meermaals in dit debat werd onderstreept, sluit China wereldwijd zeer veel strategische bondgenootschappen, die precies om dit thema draaien. Anderzijds lijden we onder een zeer hoge afhankelijkheid van olie en gas en voor een waarlijk Europese energiemarkt ontbreekt het ons aan voldoende interconnectoren, zoals kort geleden de algehele stroomuitval van dit jaar duidelijk maakte. Al met al lijkt mij dat een zeer slechte balans.
Daarom zijn wij zeer verheugd dat u, mijnheer de commissaris, de aanzet geeft tot verschillende actieplannen, dat het Duitse Raadsvoorzitterschap een zwaartepunt maakt van het thema energie en dat landen als Finland voor een heel onideologische en toch zeer succesvolle benadering van het energievraagstuk hebben gekozen, door zeer veel in biomassa en tegelijk ook in kernenergie te investeren, omdat ze de tekenen des tijds kennelijk verstaan hebben.
Wat mij in het bijzonder verheugt, is dat u, mijnheer de commissaris, met het actieplan voor biomassa een wezenlijke bijdrage lijkt te gaan leveren aan de diversificatie van energiebronnen, de terugdringing van de afhankelijkheid van andere delen van de wereld en aan de 'lissabonnisering' van de gehele EU-agenda. Ik denk dan met name aan het landbouwplan. De plannen liggen op tafel. Het is nu aan de lidstaten om daar een vervolg aan te geven.
Rebecca Harms (Verts/ALE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, er liggen zeer verschillende verslagen op tafel waar het de energiestrategieën betreft. Het verslag-Morgan en het verslag-Langen gaan volgens mij echt over een positieve toekomst en schetsen een nieuw paradigma voor de energiesector, terwijl het verslag-Seppänen eigenlijk gewijd is aan het aflossen van een hypotheek uit het verleden. Omdat ik het volledig eens ben met collega Morgan zou ik mij nu op het verslag-Seppänen willen concentreren, waarvan ik moet zeggen dat er een suggestie van uitgaat die voor mij volstrekt onaanvaardbaar is.
Nucleaire veiligheid is en blijft meer fictie dan werkelijkheid. Als we het afgelopen jaar beschouwen en de grote gebeurtenissen die ons opschrikten de revue laten passeren, kun je niet anders zeggen dan dat men in de Europese Unie doordrongen moet raken van dit gegeven. We zijn een hulpeloze confrontatie met Iran aangegaan, dat een atoombom dreigt te maken. We zijn opgeschrikt door kernproeven in Noord-Korea en kunnen slechts vaststellen dat het non-proliferatieverdrag mislukt is.
In de Europese Unie hebben we de Zweedse Forsmark-centrale. Zweden is een land dat beweert de veiligste kerncentrales te hebben. De Zweedse toezichthouders confronteren ons met de mededeling dat we maar achttien minuten van een ongecontroleerde kernreactie verwijderd waren. Over dit ongeval is op Europees niveau nog niet eens gediscussieerd, laat staan dat er onderzoek naar gedaan is. Met het ongedaan maken van de gevolgen van het reactorongeluk in Tsjernobyl hebben we een grote verantwoordelijkheid op ons genomen, maar wat zien we? Incompetentie, corruptie bij de uitvoering van het Shelter Implementation Plan en niemand die schijnt te weten hoe het daar nu verder mee moet. En dan is er nog een poloniumaffaire. Grote hoeveelheden polonium, een sterk radioactieve stof, afkomstig uit Russische atoomsteden, worden ontvreemd, kriskras door Europa vervoerd en niemand die weet hoe dat mogelijk is. Praat mij dus niet van nucleaire veiligheid, want volgens mij kunnen we het veel beter over nucleaire onveiligheid hebben!
Tobias Pflüger (GUE/NGL). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de diverse verslagen op het gebied van energie zijn eigenlijk kenmerkend voor het Europees Parlement. Er staat veel in en veel daarvan is juist. In wezen zijn deze verslagen echter allemaal problematisch.
Er wordt altijd gesproken over een energiemix. Dat betekent uiteraard dat er nog steeds naar kernenergie wordt gekeken, en kernenergie is en blijft verkeerd en gevaarlijk. Wanneer zullen degenen die de verantwoordelijkheid hebben, eindelijk lering trekken uit Tsjernobyl en de bijna-ongevallen in Zweden? De enige juiste reactie is onmiddellijk ophouden met kernenergie! De EU faalt op het gebied van het bevorderen van onderzoek, op het gebied van energie-efficiëntie en op het gebied van hernieuwbare energie. Het is schandalig dat er aan de wapenwedloop tweemaal zoveel geld, 1,6 miljard euro, wordt uitgegeven dan aan een koersverandering op het gebied van energie. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken heeft het altijd over een 'extern energiebeleid'. Daaruit blijkt dat de EU wereldpolitieke ambities heeft, ten koste van anderen. In plaats daarvan moeten we onmiddellijk stoppen met kernenergie en op grote schaal gaan investeren in hernieuwbare energiebronnen en energieonderzoek, in plaats van in militair onderzoek en samenwerking op het gebied van extern energiebeleid.
John Whittaker (IND/DEM). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit verslag bevat meer dan honderd zinnen over de zekerheid van de energievoorziening en in bijna alle honderd wordt de Commissie opgeroepen iets te doen: het systeem voor de handel in emissierechten vastleggen, investeringen in de Europese energiemarkt bevorderen, energie-efficiëntie aanmoedigen, ze moet steeds meer doen. De Commissie zal het druk krijgen. Ik heb vraagtekens bij twee zaken waar men bij dit ambitieuze programma van uitgaat.
Ten eerste gaat men ervan uit dat de Commissie op de een of andere manier in staat is al deze problemen aan te pakken, alsof ze een toverstafje heeft. Ten tweede gaat men ervan uit dat de EU-lidstaten overgehaald kunnen worden om mee te werken. Ze zullen meewerken zolang dat in hun belang is, bijvoorbeeld door overtollige stroom met winst aan de buurlanden te verkopen. Maar wanneer de nationale energievoorziening op het spel staat, zullen de bevoegdheden van de Commissie niet ver genoeg gaan en zullen de lidstaten voor zichzelf opkomen. Kijk naar de 'samenwerking' op visserijgebied, waarbij ettelijke soorten met uitsterven worden bedreigd.
Mijn grootste zorg is echter dat bij veel van wat we vragen, zoals het streven naar onmogelijke doelstellingen voor kooldioxide en hernieuwbare energie, er weinig aandacht wordt besteed aan het economische kostenplaatje. Ik ben bang dat veel van de aanbevelingen in dit verslag evenveel economische schade zullen aanrichten als de REACH-richtlijn, die dit Parlement gisteren zo triomfantelijk heeft aangenomen.
James Hugh Allister (NI). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, een open energiemarkt en een werkbaar beleid om energie te delen zijn onmogelijk zonder transparante concurrentie. Het Groenboek van de Commissie erkent dit.
In Ierland, dat onderdeel is van een breder project voor de Britse eilanden en de EU, worden de mogelijkheden van een vrije een eerlijke markt echter verstikt door de staatsoverheersing van de Ierse markt door ESB. Diens quasimonopolie in zowel opwekking als distributie moet doorbroken worden, omdat het anderen van de markt houdt en concurrentie in de kiem smoort. Nu moet ik zeggen dat de regering in Dublin pas zeer laat in beweging is gekomen om dit monopolie te doorbreken. Ik roep de Commissie vandaag op om zich wat harder op te stellen inzake het doorvoeren van deze noodzakelijke hervorming.
Monopolies gaan hand in hand met gesubsidieerde inefficiëntie en hogere prijzen, en zo zal het ook de consumenten in mijn kieskring in Noord-Ierland vergaan als wij een minderheid zouden worden op een energiemarkt die wordt gedomineerd door een niet-hervormde ESB. Dat mag niet gebeuren!
Elmar Brok (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie buitenlandse zaken. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, laat mij met een paar woorden het standpunt van de Commissie buitenlandse zaken duidelijk maken. De Europese Unie is niet langer een eiland van gelukzaligheid. Rusland gebruikt energie als een politiek wapen, de situatie in het Midden-Oosten en in de Golfregio is onduidelijk en niemand van ons weet, hoe de politieke situatie en daarmee de betrouwbaarheid van de energievoorziening er over twee, drie jaar uit zal zien.
Als we zien dat het naar energie hongerende China in Darfur rechten binnen de energiesector heeft vergaard, een Afrika-top heeft georganiseerd, toegang tot Nigeria heeft verkregen en met Iran een energiedeal van ruim honderd miljard dollar heeft gesloten, dan moeten wij ons ernstig zorgen gaan maken of het mogelijk blijft de energievoorziening tegen redelijke prijzen te realiseren, aangezien dit van doorslaggevend belang is voor de economische en sociale ontwikkeling van ons continent, ten aanzien van banen en nog veel meer. Daarom moeten wij ons met name op deze gebieden inspannen om vooruit te komen, door onze energie uit alle delen van de wereld te halen en door een interne verbinding van de energienetwerken binnen de Europese Unie tot stand te brengen, zodat afzonderlijke landen niet kunnen worden gestraft door derde machten. Dat biedt een hogere mate van zekerheid. Daaruit blijkt eveneens hoe groot de noodzaak van het Grondwettelijk Verdrag is, om bevoegdheden op het gebied van energie te creëren, zodat wij datgene waarover wij vandaag debatteren, daadwerkelijk ten uitvoer kunnen leggen.
Alejo Vidal-Quadras (PPE-DE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik zal beginnen met het verslag van de heer Seppänen. De rapporteur heeft opnieuw blijk gegeven van zijn grote ervaring met dit onderwerp en van zijn vermogen om consensus te bereiken door een ruime meerderheid van de Commissie industrie, onderzoek en energie achter het verslag te krijgen.
Wat betreft het verslag-Morgan, wil ik op een curieus feit wijzen, en dat is dat de bijdrage van de nucleaire energie volkomen genegeerd is. Ik begrijp dat sommige afgevaardigden dit onderwerp liever niet aansnijden om te voorkomen dat er een polemisch debat ontstaat, maar we moeten moedig zijn en de belangrijke bijdrage die deze energiebron kan leveren aan een continue voorziening en de bestrijding van de klimaatverandering nu eindelijk eens objectief en zonder vooroordelen in overweging nemen.
Ik wil, luistert u goed, mevrouw Harms, Patrick Moore, de medeoprichter van Greenpeace citeren: “Windenergie en zonne-energie hebben hun plaats, maar omdat het hier om intermitterende en onvoorspelbare energiebronnen gaat, kunnen ze de grote kolen-, kern- en waterkrachtcentrales niet vervangen. Aardgas is al duur genoeg en de prijs van aardgas is instabiel; rekening houdend met het feit dat hydro-elektrische hulpbronnen al volledig worden benut, blijft kernenergie over als enig levensvatbaar alternatief voor kolen”. Dat lijkt mij een onweerlegbare redenering.
Ik ben het met u eens dat Iran, met zijn nucleaire verrijkingsprogramma, een grote bedreiging voor de stabiliteit en de veiligheid in de wereld is, maar de consequentie is precies het tegenovergestelde van wat u voorstelt, mevrouw Harms. De consequentie is dat we onze energieonafhankelijkheid moeten vergroten. Dat is dus precies het tegenovergestelde van wat u zegt. We moeten ophouden met het geven van een politieke kleur aan kilowatts. Er zijn geen linkse of rechtse kilowatts, er zijn bronnen waarbij er uitstoot van broeikasgassen plaatsvindt en bronnen waarbij dat niet gebeurt. De hernieuwbare energiebronnen en kernenergie moeten gezien worden als complementair en niet als strijdig met elkaar.
Mechtild Rothe (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, om te beginnen wil ik de drie rapporteurs danken voor hun goede werk. Ik hoop echter dat de andere rapporteurs het mij niet kwalijk nemen, dat ik mij met name op het verslag-Morgan wil richten. Het is een uitstekend verslag, dat de productieve samenwerking tussen de rapporteur en de schaduwrapporteurs weergeeft. Ik ga ervan uit dat wij hier vandaag in het Parlement een duidelijk signaal zullen afgeven aan de Commissie, een signaal dat de Commissie in het belang van de voortzetting van een tot dusver werkelijk uitstekende samenwerking op het gebied van het energiebeleid beter niet kan negeren, als ze in januari haar energiepakket presenteert. In het verslag wordt bijvoorbeeld aangedrongen op een bindende doelstelling van 25 procent energie uit hernieuwbare energiebronnen.
De Commissie staat blijkbaar open voor een bindende algemene doelstelling. Dat is goed, maar niet voldoende. In het verslag-Morgan wordt eveneens aangedrongen op bindende sectordoelstellingen. We hebben doelstellingen voor elektriciteit en biobrandstoffen, maar deze moeten tot na 2010 worden vastgelegd.
Tot dusver hebben wij geen negatieve ervaringen gehad. In 2001 hebben we met de Elektriciteitsrichtlijn, die duidelijke doelstellingen bevatte, kunnen zien dat wij een nieuwe doorbraak in de lidstaten hadden bereikt. Dat mag enerzijds niet in gevaar worden gebracht. Anderzijds heeft u, commissaris Piebalgs, in februari jongstleden hier in het Parlement verklaard, dat u nog dit jaar een richtlijn voor verwarming en koeling zou presenteren. Wij geven u daar graag tot januari de tijd voor, maar dat is het punt niet. Wij, het Parlement en de industrie en het bedrijfsleven op dit gebied, die uw woorden werkelijk hebben ondersteund, verwachten dat er nu een richtlijn wordt gepresenteerd, zoals zowel in het verslag-Langen als in het verslag-Morgan wordt gesteld. Ik wil de Commissie dringend verzoeken haar verantwoordelijkheid op zich te nemen en dienovereenkomstig actie te ondernemen!
Anne Laperrouze (ALDE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, graag plaats ik enkele kanttekeningen bij de verschillende dossiers die we vanochtend behandelen.
Met het verslag betreffende hulp op het gebied van nucleaire veiligheid en beveiliging stelt de Europese Unie zich ten doel de nucleaire veiligheid en beveiliging in de wereld te bevorderen via een instrument van samenwerking met derde landen. Het is niet aan de Europese Unie om de bouw van nieuwe centrales tegen te gaan of de sluiting van bestaande installaties te eisen, besluiten die immers onder de bevoegdheid van de staten zelf vallen, maar wel om een cultuur van nucleaire veiligheid te bevorderen. Ik betreur dan ook de beide amendementen van de Groenen, die meer bepleiten dan wat haalbaar is. Vroegtijdig ingrijpen vóór het in gebruik nemen van een installatie maakt het treffen van veiligheidsmaatregelen mogelijk.
Het Parlement behandelt vanochtend ook een ambitieus verslag over biomassa en biobrandstoffen, beide belangrijk voor de energieonafhankelijkheid van de EU en in de strijd tegen de klimaatverandering. Het wereldwijde energierendement van biomassa zal echter wel realistisch ingeschaald moeten worden.
Verder had ik graag gezien dat het Parlement zich in krachtiger bewoordingen zou hebben uitgesproken over het groenboek van de Europese Commissie, met name voor wat betreft de inspanningen die nodig zijn om het energieverbruik in de bouw en het vervoer terug te dringen. Een ander punt: we zijn opnieuw met een grote boog om het debat over kernenergie heengelopen. We moeten onder ogen zien dat kernenergie deel uitmaakt van de energiemix, dat zij een bijdrage kan leveren in de strijd tegen klimaatverandering en, last but not least, dat wij beschikken over wereldvermaarde knowhow op dit gebied.
Ik wil er ook op wijzen dat de netbeheerders samen een Europese code moeten gaan opstellen om baas te blijven over de veiligheid van de energietransportnetten.
En omdat particulieren de gevolgen gaan ondervinden van de openstelling van de energiemarkt, is het, tot slot, tijd om ons te buigen over de rol van de regelgevende instanties en om de richtlijnen betreffende de interne markt verder te ontwikkelen teneinde de prijzen in de hand te houden. Energie is een eerste levensbehoefte: het is van het allerhoogste belang dat de Europese burgers, met name de minst draagkrachtigen onder hen, toegang hebben tot deze universele dienst.
Athanasios Pafilis (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, het groenboek wordt bevorderd in het kader van het volksvijandige beleid van de Strategie van Lissabon en is het zoveelste geschenk voor het EU-kapitaal, dat nieuwe winstkansen krijgt aangeboden.
De Europese Unie en de regeringen van de lidstaten, zelfs de regeringen die tot nationaal protectionisme neigen, privatiseren deze strategische sector en offeren de behoeften van het volk op aan de particuliere winst, dat wil zeggen aan de winst van de grote bedrijfsconglomeraten en multinationals.
De liberalisatie bezorgt de ondernemer nieuwe winst en de consument prijsverhoging. Ik noem als voorbeeld de privatisering van CDF in Frankrijk. Deze privatisering was nog geen drie maanden oud of de prijzen voor de huishoudens waren al met 15 procent gestegen. Hetzelfde is in Griekenland en andere landen gebeurd. U roept milieubescherming in, maar dat is hypocriet. In werkelijkheid probeert u alleen maar te verbergen dat u meer vaart zet achter de liberalisatie.
Aan de energievoorziening moet een aanpak ten grondslag liggen waarin rekening wordt gehouden met zowel de behoeften van het volk als de noodzaak de energieafhankelijkheid te verminderen, lokale zekerheid van de voorziening te garanderen, het milieu te beschermen en met name energie te verankeren als sociaal goed en niet als handelswaar. Daarom zijn wij het om strategische redenen oneens met het groenboek. Daarin wordt immers met dergelijke behoeften geen rekening gehouden! Integendeel, het groenboek lapt de belangen van de consument, dat wil zeggen van de werknemers, aan zijn laars!
Alessandro Battilocchio (NI). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik spreek namens de Nieuwe Italiaanse Socialistische Partij. Ik kijk positief aan tegen het groenboek van de Commissie en tegen het verslag van collega Morgan met betrekking tot een duurzaam Europees energiebeleid. Ik hoop dat die strategie al vanaf 2007 één van de prioriteiten van onze Unie wordt.
Zoals ik voorheen al heb gezegd, zowel gisteren in dit Huis als bij andere gelegenheden, is het hoogst belangrijk dat de EU een energiestrategie weet op te zetten, een strategie van duurzaamheid en autonomie, zodat de Unie zich los kan maken van de politieke en economische machtsspelletjes die in deze sector meestal hoogtij vieren. Van die strategie hangen heel wat mondiale uitdagingen af waarmee wij in de nabije toekomst geconfronteerd zullen worden, niet alleen op het vlak van de mededinging, maar ook wat betreft de politieke en strategische positie die de Unie wil en kan veroveren.
Dus, in plaats van te streven naar strategische akkoorden met huidige en potentiële partners, is het veel dringender dat het wetenschappelijk onderzoek wordt geïntensiveerd en dat de lidstaten toestemming krijgen om de duurzame energiebronnen waar zij over beschikken optimaal te ontwikkelen, ieder naar eigen mogelijkheden en kenmerken.
Jerzy Buzek (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik zeggen dat volgens mij alle drie de verslagen steun verdienen en ik wil de rapporteurs danken voor hun inspanningen. Ik wil echter vooral commissaris Piebalgs feliciteren. Na tweeënhalf jaar van onze zittingsperiode praten we totaal anders over energie dan voorheen.
Ten eerste is vandaag duidelijk geworden dat onze moeilijkheden in Europa veroorzaakt worden door een bedreiging van de levering van ruwe olie en gas. Daarom zijn de initiatieven van de commissaris, de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie tot het voeren van een intensieve dialoog met onze partners, de leveranciers van ruwe olie en gas onze steun waard. We hebben behoefte aan een gezamenlijk buitenlands beleid op het gebied van energielevering. Belangrijk zijn ook de aanvoerroutes van energie, en niet alleen de leveranciers zelf. Dit is zelfs ontzettend belangrijk.
Ten tweede moeten we, als we iets willen doen tegen de crisis in de levering van gas en ruwe olie, kunnen rekenen op onze eigen Europese energiebronnen. In de afgelopen tweeënhalf jaar heeft de Europese Unie telkens weer energiebesparing en duurzame energiebronnen ondubbelzinnig als prioriteit aangemerkt. We treffen dat aan in alle documenten, dus ook in de documenten die het onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe technologieën als thema hebben. Biobrandstoffen zijn hier bijzonder van belang. Er is echter nog nadere regelgeving nodig.
Ten derde zet de Europese Unie het Euratom-programma voort, het oudste programma van de Gemeenschap, dat Europa een relatief veilige en betrouwbare bron van kernenergie verschafte. Dit moet voortgezet worden. Met alleen duurzame energie redden we het niet, hoewel ik collega’s steun die zeggen dat duurzame energie onontbeerlijk is.
Ten vierde heeft Europa zich na jaren weer herinnerd dat bijna alle landen een eigen bron van energie hebben – steenkool. Maar we kunnen niet meer terug naar een negentiende- of twintigste-eeuws gebruik van steenkool. Er is behoefte aan totaal nieuwe technologieën om steenkool toe te passen.
Ik feliciteer u, mijnheer de commissaris en alle collega’s, dat we besloten hebben deze stappen in EU-verband te zetten.
Joan Calabuig Rull (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de rapporteurs feliciteren en erop wijzen dat het energieprobleem, dat momenteel in het middelpunt van de aandacht staat, ook de komende jaren zonder enige twijfel nog een probleem zal zijn, en waarschijnlijk nog in sterkere mate.
Evenals de rapporteurs denk ik dat de voorstellen in het groenboek van de Commissie opportuun en noodzakelijk zijn, en dat het werk van commissaris Piebalgs speciale aandacht verdient.
Dit gezegd hebbende, wil ik eenvoudigweg opmerken dat de consumenten uiteraard centraal moeten staan in het energiebeleid, omdat het om een publieke dienst gaat waar iedereen toegang toe moet hebben, en niet alleen degenen die interessant zijn voor de markt. Ik denk dat er de afgelopen jaren prioriteit is gegeven aan het verwezenlijken van de Europese markt, maar gebleken is dat dit niet voldoende is. Veel lidstaten stellen zich zeer terughoudend op als het erop aankomt om wetgeving in de praktijk te brengen. Deze week nog heeft de Commissie met redenen omklede adviezen aan zestien lidstaten toegezonden.
Ik denk dat we ons moeten afvragen waarom de markt geen progressie boekt en waarom er onvoldoende vertrouwen bestaat, en het antwoord is gelegen in de noodzaak van een gemeenschappelijk energiebeleid, en niet alleen in de externe sfeer. We hebben samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten nodig, want als die er niet zijn, zal het heel moeilijk worden om de doelstellingen die we onszelf hebben gesteld te verwezenlijken en de uitdagingen waarvoor we staan het hoofd te bieden.
Romana Jordan Cizelj (PPE-DE). – (SL) We hebben één debat, maar meerdere belangrijke thema's. Ik wil het vooral hebben over het voorstel inzake een gemeenschappelijk Europees energiebeleid.
Debatten over energie zijn eindelijk een prioriteit geworden. Dat verdienen ze ook, aangezien het welzijn van de mensheid direct afhankelijk is van de kwaliteit, de duurzaamheid en de prijs van energie en van de invloed ervan op het milieu. Europa heeft op dat vlak te kampen met moeilijkheden die we enkel kunnen oplossen als we gezamenlijk handelen. Daarom ben ik voorstander van de idee van een gemeenschappelijk Europees energiebeleid. De vraag is enkel: hoe gaan we dat realiseren?
In het voorstel over de gemeenschappelijke energiemarkt mis ik vooral de idee van een geleidelijke harmonisatie en standaardisatie van bestuurlijke organen en de bundeling van hun krachten. De Europese interne markt heeft behoefte aan krachtige nationale regelgevers, maar we hebben ook behoefte aan een Europese regelgever, die zich bezighoudt met grensoverschrijdende problemen. Belangrijk daarbij is een juist tijdschema.
In de debatten over energie zou ik de transportsector wat meer benadrukt willen zien. Het stimuleren van het openbaar vervoer is een maatregel die we ook nu reeds succesvol kunnen invoeren. Ook de vereenvoudiging en uniformering tussen de lidstaten van de procedures voor de invoer van biobrandstoffen is een maatregel die we in vrij korte tijd zouden kunnen realiseren.
De bedenkelijke energiesituatie en de milieuproblemen dwingen ons ertoe om de voor- en nadelen van verschillende energiebronnen tegen elkaar af te wegen, inclusief hun invloed op andere sectoren, zoals bijvoorbeeld de houtindustrie en de landbouw. Daarbij moeten we eveneens op een realistische wijze kernenergie betrekken, die, mits toegepast met veilige technologie en omgeven door de nodige veiligheidswaarborgen, een belangrijke energiebron is.
Vreedzaam gebruik van kernenergie mogen we niet verwarren met misbruik. Laten we ons concentreren op institutionele ontwikkeling, die misbruik kan voorkomen. Het zou niet verstandig zijn om af te zien van toepassingen van kernenergie in bijvoorbeeld de chemische industrie of het medisch onderzoek, enkel wegens mogelijk misbruik. Ook om die reden stelt Europa een deel van haar financiële middelen ter beschikking van de verbetering van de veiligheid van kerncentrales in derde landen.
Ten slotte hebben we op energiegebied reeds heel wat goed gekozen streefdoelen. Het wordt tijd dat we enkele daarvan in een internationaal kader plaatsen. Het wordt eveneens tijd dat we toewerken naar onze eigen strategische doelstellingen en de reeds aangenomen wettelijke bepalingen gaan toepassen.
Matthias Groote (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, als schaduwrapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid inzake de strategie voor biomassa en biobrandstoffen wil ik twee punten in het verslag aanhalen. Het is ten eerste van groot belang dat het beginsel van duurzaamheid in alle fasen van de productie van biobrandstoffen voorrang krijgt. Bovenal moeten wij echter normen voor de teelt en verwerking vaststellen, waarbij de balans voor de broeikasgassen in de gehele productiecyclus het hoofdcriterium moet vormen.
Ten tweede wil ik de energie-efficiëntie van biomassa noemen. Hier moet het hoofdcriterium zijn hoeveel kilowattuur per hectare er per jaar voortgebracht kan worden, zonder de duurzaamheid te veronachtzamen. Als gevolg van de toegenomen vraag naar fossiele brandstoffen en de daarmee samenhangende enorme prijsstijgingen is het belangrijk dat het percentage hernieuwbare energie snel stijgt, zodat de prijzen van fossiele brandstoffen in de toekomst minder sterk stijgen.
Nicole Fontaine (PPE-DE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, de ernstige stroomstoring van 4 november jongstleden, die begon in Duitsland, heeft aangetoond – voor zover dat nog nodig was – dat de zekerheid van de energievoorziening een punt van zorg is in Europa en dat we dit probleem in Europees verband moeten oplossen. We doen steeds vaker een beroep op Europa om het evenwicht te waarborgen tussen energievraag en –aanbod, in een context waarin de grilligheid van de leveranciers een steeds grotere rol speelt en sprake is van spanningen als gevolg van de zeer onevenwichtige geografische verdeling van de natuurlijke hulpbronnen.
Het was dan ook een goed idee van de Commissie om met dit groenboek te komen, waar we ons vandaag over buigen dankzij het verslag van onze collega mevrouw Morgan. Ik feliciteer haar met haar uitmuntende werk en ben blij met de brede overeenstemming in de Commissie industrie, onderzoek en energie over een zo belangrijke en gevoelige kwestie, maar bovenal ben ik blij met het feit dat nu de sterke overtuiging voor het voetlicht is gebracht dat de drie doelstellingen, namelijk gegarandeerde energievoorziening, concurrentievermogen en milieuduurzaamheid, prioritair zijn én onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hetzelfde geldt voor de noodzaak van de diversificatie van de energiebronnen aan de hand van de drie pijlers fossiele energiebronnen, kernenergie en hernieuwbare energiebronnen. Eindelijk wordt nu door velen onderkend dat voorbijgaan aan een van deze pijlers gezien de huidige stand van het onderzoek problematisch zou zijn en de verwezenlijking van bovengenoemde doelstellingen in gevaar zou brengen.
Ik ben ook zeer te spreken over het gedegen karakter van dit debat, dat ons aanspoort om ons van onze moedige kant te laten zien. We hebben nu voor het eerst de gelegenheid om tegelijkertijd de uitdaging van de groei en die van de natuurbescherming aan te gaan, in een steeds zorgwekkender context gezien de schade die wordt veroorzaakt door de uitstoot van broeikasgassen. De heer Turmes zei het zojuist al, we hebben maar één planeet. Ik steun dan ook met name het amendement waarin gelet op de alarmerende milieusituatie een voorstel wordt gedaan voor een algemene doelstelling inzake een aandeel van koolstofarme energiebronnen.
Mijnheer de Voorzitter, ik wil hier nog slechts aan toevoegen dat het proces van de Europese eenwording na de crisis als gevolg van het nee in de referenda in Frankrijk en Nederland, aan de burgers moet laten zien dat het ook doeltreffend kan zijn. Het energiebeleid biedt ons daarvoor de gelegenheid. Nu is het zaak om ook de echte politieke wil te laten zien.
Dorette Corbey (PSE). – (NL) Voorzitter, allereerst mijn complimenten aan Eluned Morgan voor haar moedige en vastberaden aanpak. Ik denk dat het goed is dat we vandaag drie zaken onomwonden vaststellen. Ten eerste dat de klimaatproblematiek de hoogste prioriteit verdient.
Ten tweede stellen we vandaag vast dat de liberalisering de consumenten niet veel goeds heeft gebracht, dat de naleving van Europese regels te wensen overlaat en dat de richtlijn inzake verhandelbare emissierechten op een aantal punten aangepast moet worden. Voordat we ooit kunnen spreken van een gemeenschappelijk energiebeleid, moeten de naleving en de implementatie sterk verbeterd worden. Hier ligt een taak voor de Commissie, maar ook voor onszelf. Wij zullen de Commissie voortdurend aan de tand moeten voelen over handhaving van Europese regels.
Ten derde moeten we de komende jaren fors investeren in efficiëntie, duurzame energie en vernieuwend onderzoek. Met subsidies voor vervuilende energie moeten we korte metten maken. En duurzame energie moet zo nodig steun krijgen. Tot nu toe gaan nog steeds miljarden naar vuile energie, vooral naar kolen en naar kernenergie, en daar moeten we echt mee ophouden.
Ook mijn waardering voor het verslag van Werner Langen over biobrandstoffen. Het is van belang dat Europa kiest voor verplichte bijmenging zowel voor benzine als voor diesel. Er is gerichte interventie nodig om te garanderen dat biobrandstoffen niet leiden tot het kappen van regenwouden en de afname van biodiversiteit of gaan concurreren met de voedselvoorziening.
Andres Tarand (PSE). – (ET) Het verslag van mevrouw Morgan over het groenboek van de Commissie inzake de energiestrategie is in de loop van het debat hierover in het Parlement door het grote aantal amendementen veranderd van een dun ontwerpverslag in een omvangrijk verslag. De meeste energiekwesties in de Europese Unie worden erin behandeld. Ik wil de rapporteur van harte bedanken voor haar grote inspanningen.
Ik heb echter ook een kritische opmerking. Punt 66, waarin de hoop wordt uitgesproken dat Rusland het Energiehandvest zal ondertekenen, is waarschijnlijk al achterhaald na de verklaring die de heer Jastrzembski dinsdag heeft gegeven. Aan het andere uiteinde van dit continent, in Sachalin, trekt Shell zich terug en aan onze kust, aan de Oostzee, is de harmonisatie van de kwesties rond de gaspijpleiding in een beslissende fase gekomen.
Ik wil hier wijzen op de standpunten die in Zweden worden besproken en de nationale soevereiniteit benadrukken. Ik zeg dit om de noodzaak te onderstrepen van een gemeenschappelijk Europees energiebeleid, iets dat in het verslag ontbreekt en in vergelijking met al het andere van cruciaal belang is. Het is weliswaar het eerste punt in het advies van de Commissie buitenlandse zaken, maar krijgt in het verslag niet de nodige aandacht.
Teresa Riera Madurell (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de allereerste plaats wil ik mevrouw Morgan en de andere rapporteurs feliciteren.
Ik wil erop wijzen hoe belangrijk het is om onderzoek naar en de ontwikkeling van nieuwe, schonere energietechnologieën te steunen, daar die in onze behoeften kunnen voorzien, en om steun te geven aan wat dit met zich meebrengt op het gebied van investeringen in onderzoek en ontwikkeling.
Het is waar dat hier in het zevende kaderprogramma 2,35 miljard euro voor is uitgetrokken, dat bovendien het zevende kaderprogramma voor Euratom het onderzoek naar kernfusie, kernsplitsing en bescherming tegen radioactieve straling financiert, en dat in het programma Concurrentie en innovatie ook middelen zijn gereserveerd voor de financiering van innovatie op energiegebied.
Maar al met al blijven onze investeringen in onderzoek en ontwikkeling vrij ver achter bij die van Japan en de Verenigde Staten, en het grootste gedeelte ervan is bestemd voor onderzoek naar conventionele energiebronnen, wat wijst op een duidelijk gebrek aan evenwicht tussen de investeringen in onderzoek en ontwikkeling en de verplichtingen die voortvloeien uit een op duurzaamheid gericht ambitieus energiebeleid, waar we vandaag over debatteren.
Deze scheve verhouding, dames en heren, moet dringend worden rechtgetrokken om te waarborgen dat we een echte strategie voor onderzoek en ontwikkeling op het gebied van energie krijgen.
Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, na zo'n compleet en verrijkend debat is het erg moeilijk en uitdagend om in te gaan op de punten die naar voren zijn gebracht, omdat de drie verslagen elk een afzonderlijk debat verdienen. Ik zal proberen de nadruk te leggen op de gemeenschappelijke punten in plaats van die welke de verslagen van elkaar onderscheiden.
Op de eerste plaats moet het Parlement duidelijk maken dat we nu in actie moeten komen, dat is de uitdaging. We moeten nu actie ondernemen om klimaatverandering tegen te gaan, we hebben geen tijd meer te verliezen. Continue energievoorziening en de concurrentiekracht van de Europese economie zijn ook dringende kwesties. We zouden allemaal graag betaalbare prijzen willen zien voor onze burgers en ons bedrijfsleven. Ook zouden we er graag voor zorgen dat energie duurzaam geproduceerd en verbruikt wordt.
Ik denk dat we het eens zijn over wat er gedaan moet worden om dat te bereiken. We moeten perspectief op lange termijn bieden voor investeringen; we moeten ervoor zorgen dat de krachten van de markt ten volle benut kunnen worden; we moeten zorgen voor meer diverse energiebronnen en -leveranciers. We weten dat we ons nadrukkelijk moeten richten op energie-efficiëntie. We weten dat er consensus over bestaat dat we ons toe moeten spitsen op hernieuwbare energie, onder meer voor verwarmings- en koeltoepassingen. We weten dat we ons moeten richten op onderzoek en ontwikkeling. Het is ook belangrijk in te zien dat als we dit in ons eentje doen, dat misschien goed voor ons is, maar niet voldoende. Willen we dit kunnen doen, dan hebben we de schaalvoordelen en de doelstellingen van de EU nodig. Het is echter ook duidelijk dat we daarvoor een gemeenschappelijke visie nodig hebben en wetgevingsvoorstellen moeten indienen die het resultaat zijn van overleg en niet alleen beantwoorden aan die visie, maar ook aan de beginselen voor betere wetgeving. We hebben een algemene consensus nodig in Europa. We moeten met één stem spreken en samen actie ondernemen.
Daarom geloof ik echt dat wanneer de Commissie op 10 januari 2007 het pakket goedkeurt, dit de weg vrij zal maken, zoals de heer Langen zei, voor echte actie en echte wetgevingsvoorstellen. Voorstellen die niet alleen getuigen van goede wetgeving, maar ook op andere gebieden goed zijn.
Ik zou mevrouw Morgan, de heer Langen en de heer Seppänen graag willen bedanken voor hun uitstekende verslagen en het hele Parlement voor dit debat.
Helaas moet ik in mineur afsluiten, want gisternacht kreeg ik het droevige nieuws dat mijn voorgangster, mevrouw Loyola de Palacio, overleden is. Graag wil ik een eerbetoon aan haar brengen. We zullen haar echt missen, omdat ze erg toegewijd was, niet alleen op haar bevoegdheidsterrein energie, maar aan heel Europa. Ze had hele sterke en duidelijke standpunten, die niet altijd door iedereen gedeeld werden. We hebben geesten als haar nodig. Ik geloof echt dat we haar het beste kunnen eren door zeer ambitieuze stappen te zetten in de richting van een Europees energiebeleid en ons niet te laten ontmoedigen door juridische hindernissen. Dat is de beste manier om haar te gedenken.
(Applaus)
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
De stemming vindt om 11.00 uur plaats.
(De vergadering wordt om 10.50 uur onderbroken en om 11.00 uur hervat)
Bogdan Golik (PSE). – (PL) Ik wil mijn steun uitspreken voor het verslag van de heer Langen over de strategie inzake biomassa en biobrandstoffen.
Aangezien er momenteel sprake is van groeiende afhankelijkheid van de levering van brandstoffen en energie uit derde landen en van steeds strengere milieueisen voor de uitstoot van verontreinigende stoffen, zijn duurzame energiebronnen een belangrijke troefkaart bij het veiligstellen van de energievoorziening. Door de ontwikkeling van het gebruik van duurzame energiebronnen kan de EU haar afhankelijkheid van minerale brandstoffen en van geïmporteerde ruwe olie beperken, de uitstoot van broeikasgassen verminderen en de economische activiteit in landelijke gebieden stimuleren. Op die manier worden nieuwe arbeidsplaatsen geschapen en kunnen braakliggende landbouwgronden in gebruik genomen worden.
Helaas zijn er in vele lidstaten juridische belemmeringen die de ontwikkeling van de markt voor biobrandstoffen vertragen. Hierbij valt te denken aan het ontbreken van reclamecampagnes, het ontbreken van een belastingbeleid dat op lange termijn belastingvoordelen inhoudt voor componenten van biobrandstoffen en het ontbreken van subsidiemogelijkheden voor investeringen om biodiesel en bio-ethanol te gaan produceren.
Overwogen dient dan ook te worden om de procedures ter bevordering van de teelt van gewassen voor de productie van biobrandstoffen te vereenvoudigen. Een belangrijke factor in het proces om gunstige voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van de markt voor biobrandstoffen is de verdere ontwikkeling van ondersteuningsmechanismen, waaronder een systeem van accijnsvrijstellingen en belastingvoordelen dat de werkelijke kosten van de productie van biobrandstofcomponenten en biobrandstoffen in aanmerking neemt.
András Gyürk (PPE-DE). – (HU) Het is bijna een jaar geleden dat het Russisch-Oekraïense conflict over de gasprijzen en een tekort aan Russische aardgasreserves leidde tot een kleine onderbreking van de levering, waardoor Europa werd gewezen op zijn afhankelijke energiepositie en de kwetsbare positie van zijn energievoorziening. In de elf maanden die sindsdien zijn verstreken, hebben de instellingen van de Europese Unie met de snelheid die we van hen kunnen verwachten, gereageerd op dit voorval. Ik zal nu in drie punten uiteenzetten welke factoren volgens het parlementaire debat over het groenboek dat de Commissie in maart heeft gepubliceerd, van doorslaggevend belang zijn om een vergelijkbare situatie te voorkomen:
1. Er is een gemeenschappelijk Europees energiebeleid nodig om op internationaal niveau onze stem te laten horen aan onze leveranciers, zo ook aan Rusland, dat zijn positie op energiegebied openlijk inzet als politiek middel.
2. Om ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijke Europese energiebeleid een stabiele basis heeft, moeten we de vereiste communautaire juridische kaders scheppen. De uitbreiding van het verdrag tot oprichting van een Energiegemeenschap naar Zuidoost-Europa is een voorbeeld dat gevolgd moet worden in het nabuurschapsbeleid van de EU.
3. Ten slotte wil ik graag benadrukken dat Europa naast de nieuwe juridische kaders ook een nieuwe infrastructuur moet opzetten. Om de diversificatie te realiseren die de energievoorziening moet veiligstellen, hebben we nieuwe gaspijpleidingen, gasopslagfaciliteiten, LNG-terminals en aansluitingen nodig. De bouw van de Nabucco-gaspijpleiding zou de diversificatie van de toeleveringsbronnen en doorgangsroutes zeker stellen. In de toekomst moeten we bij de energiemix een nadrukkelijkere rol toebedelen aan alternatieve energiebronnen, terwijl ook de rol van kernenergie opnieuw moet worden geëvalueerd.
De afhankelijkheid van de Europese consumenten wordt steeds groter. Het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid dat we de zekerheid van de energievoorziening, en daarmee ook de zekerheid voor onze burgers, kunnen garanderen.
Ján Hudacký (PPE-DE). – (SK) Ik wil uw aandacht vestigen op de noodzaak om de energiemarkt verder te liberaliseren. Toegegeven moet worden dat de lidstaten officieel voldoen aan de relevante richtlijnen betreffende de ontvlechting van de productie, de transmissie en de distributie van energie en dat zij deze richtlijnen naar behoren uitvoeren. Desondanks zijn er op de energiemarkten geen substantiële veranderingen waargenomen. In de praktijk bestaat er nog steeds geen concurrentie; de betrokkenen handhaven hun monopolistische positie in de afzonderlijke activiteiten van de energieketen. De toegang van nieuwe ondernemingen tot de energiesector wordt vaak geblokkeerd door protectionistische maatregelen en buitensporige overheidsregulering, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor de energieprijzen en de uitgaven op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. Ik roep de Commissie dan ook op om druk te blijven uitoefenen op de lidstaten en hen te verzoeken maatregelen te nemen om de concurrentie te vergroten, de administratieve barrières weg te nemen en op die manier de openstelling van de energiemarkten te bevorderen.
Ik wil hier nog een ander belangrijk punt onderstrepen, namelijk de buitensporige regeringsinmenging in de activiteiten van de regelgevende instanties, vooral op het gebied van de prijsregulering. Dergelijke praktijken belemmeren de liberalisering van de energiesector. Diverse nationale regeringen ondermijnen de onafhankelijkheid van hun regelgevende instanties door de wetgeving terzake op zodanige wijze te amenderen dat hoge functionarissen van ministeries kunnen worden aangesteld om invloed uit te oefenen op de prijsregulering. Daarom is het van essentieel belang dat de Commissie de harmonisatie van het wetgevingskader bespoedigt. Zij dient met name te overwegen of er geen Europese regelgevende instantie in het leven moet worden geroepen. Daarmee zou buitensporige inmenging in de autonomie van de nationale regelgevende instanties op efficiënte wijze kunnen worden tegengegaan.
David Martin (PSE). – (EN) Graag wil ik mijn collega Eluned Morgan feliciteren met haar uitstekende verslag dat de weg wijst naar een 'groen' energiebeleid voor Europa. Ik steun met name haar oproep voor een radicale hervorming van het systeem voor de handel in emissierechten teneinde toe te werken naar een koolstofarme economie, waar de doelstelling om de CO2-uitstoot in de EU terug te dringen met 30 procent in 2020 en 60 tot 80 procent in 2050, een van de voornaamste uitgangspunten is. Ze heeft gelijk met haar oproep voor meer O&O voor schone energietechnologie en voor een omslag in de energie-efficiëntie. Ik hoop dat wanneer de EU-leiders in maart bijeenkomen om het energiebeleid te bespreken, ze allemaal een exemplaar van dit verslag voor zich hebben en de aanbevelingen ervan serieus nemen.
VOORZITTER: JOSEP BORRELL FONTELLES Voorzitter
4. In memoriam
De Voorzitter. Dames en heren, gisteravond laat bereikte ons het droevige nieuws dat Loyola de Palacio, vicevoorzitter van de Europese Commissie, minister in de Spaanse regering en lijsttrekker van de Volkspartij bij de verkiezingen van 1999, is overleden.
In de laatste maanden van haar leven droeg zij haar ziekte met een moed waar wij allen een voorbeeld aan kunnen nemen.
Loyola de Palacio, die als vicevoorzitter van de Commissie verantwoordelijk was voor de betrekkingen met het Europees Parlement en daarvoor lid was van het Parlement, was openhartig en een vastberaden en sterk onderhandelaar, die altijd trouw bleef aan haar waarden en die van Europa.
Deze onvermoeibare werker was open en rechtdoorzee in de contacten met de mensen in haar omgeving. Het kostte geen moeite om waardering op te brengen voor Loyola’s standvastigheid en directe taalgebruik, zowel binnen haar bureau als hier in de wandelgangen van het Parlement. Ik weet waarover ik praat, omdat ik veel contact met haar heb gehad. Ik was minister in de Spaanse regering toen zij in de oppositie zat. We voerden felle discussies, maar het ging daarbij altijd om de inhoud; op het persoonlijke vlak konden we het goed met elkaar vinden.
Haar dood is droevig nieuws voor al diegenen onder ons die haar kenden. Mijn gevoelens vandaag houden veel meer in dan louter institutionele en politieke. Gelooft u mij als ik zeg dat die ook een puur persoonlijk tintje hebben. Ik ben ervan overtuigd dat allen onder ons die haar kenden, treuren om haar dood. Even zeker weet ik dat de Commissie graag iets aan mijn woorden zal willen toevoegen.
Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, namens José Manuel Barroso, voorzitter van onze Commissie, en namens de Commissie en mevrouw Grybauskaitė, die mij terzijde staat, wil ik u bedanken voor het eerbetoon dat u hebt gebracht aan mevrouw Loyola de Palacio, en delen in de bedroefdheid van het Parlement.
Zoals vele Europeanen ben ik diep geraakt door het bericht van het plotselinge overlijden van mevrouw Loyola de Palacio. Allen die haar kenden, hadden bewondering voor haar energie, haar moed tot het bittere einde, mijnheer de Voorzitter.
Overtuigd en geëngageerd Europeaan als zij was, heeft mevrouw Loyola de Palacio haar stempel gedrukt op de Europese Commissie, waarvan zij vicevoorzitter was van 1999 tot 2004. Zij heeft zich met name ingezet voor de ontwikkeling van vervoer en energie in Europa. Als verantwoordelijke persoon voor de betrekkingen met het Europees Parlement heeft zij een open en vruchtbare samenwerking tot stand weten te brengen met het Parlement en alle afgevaardigden, een samenwerking waar de Unie baat bij heeft gehad.
Zij is de Europese zaak tot het eind toe onvermoeibaar blijven dienen. Zo is zij mij terzijde blijven staan als coördinatrice voor de totstandbrenging van de trans-Europese vervoersnetwerken en de uitbreiding daarvan naar de buurlanden van de EU.
Zoals velen onder u verlies ik met mevrouw Loyola de Palacio een vriendin, waarbij ik altijd te rade kon gaan en die mij altijd tot steun is geweest. Ik bedank het Parlement voor zijn deelneming in dit eerbetoon.
(Applaus)
De Voorzitter. Het verlies van een dierbare maakt onze problemen en verschillen tot iets onbeduidends. Laten wij een minuut stilte in acht nemen ter nagedachtenis van onze collega.
(Applaus)
(Het Parlement neemt staande een minuut stilte in acht)
5. Ondertekening van volgens de medebeslissingsprocedure aangenomen besluiten: zie notulen
6. Stemmingen
De Voorzitter. Wij gaan nu over tot de stemming.
6.1. Begrotingsjaar 2007, als gewijzigd door de Raad (stemming)
Voor de stemming:
James Elles (PPE-DE), rapporteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals elk jaar bij deze enorme klus moeten er in dit stadium een aantal technische aanpassingen plaatsvinden. Ik zal het erg kort houden. Ik denk dat ook de stemming even kort zal zijn als gewoonlijk.
Ten eerste wordt amendement 328 op begrotingslijn 22 02 02 'Bijstand voor het overgangsproces en institutionele opbouw aan toekomstige kandidaat-lidstaten' aanvaard, en de lijn wordt met 2 miljoen euro aan vastleggingen en betalingen verhoogd. Deze 2 miljoen euro zijn afkomstig van begrotingslijn 19 05 01 'Samenwerking met geïndustrialiseerde derde landen'. Amendement 314 op begrotingslijn 19 05 01 wordt bijgevolg ingetrokken.
Ten tweede wordt een bedrag van 5 miljoen euro aan vastleggings- en betalingskredieten toegevoegd aan begrotingslijn 16 02 02 'Multimedia-acties'.
Ten derde wordt een bedrag van 400 000 euro aan vastleggings- en betalingskredieten toegevoegd aan begrotingslijn 15 04 07 'Europees Jaar van de interculturele dialoog'.
Voor wat betreft de in de reserve vrijgekomen bedragen: amendement 302 op begrotingslijn 16 03 02 - 'Lokale acties' - deblokkering van de reserve; amendement 251 over 'Europese Scholen' - begrotingslijn 26 01 50 23; amendement 330 op begrotingslijn 28 01 01 'Personeel in actieve dienst voor het beleidsterrein Audit'.
Voor wat betreft EPSO wordt amendement 255 vervangen door een amendement om de bedragen in de reserve te verminderen tot 25 procent van de kredieten van de desbetreffende begrotingslijnen.
Teneinde rekening te houden met een probleem in het kader van de pretoetredingssteun dat zich heeft voorgedaan bij de lezing door de Raad en dat wij niet tijdig hebben kunnen oplossen, verzoekt het Parlement aan het einde van paragraaf 25 van de resolutie de Commissie "een voorstel tot kredietoverschrijving dan wel een gewijzigde begroting in te dienen, indien de in de begroting 2007 opgenomen bedragen onvoldoende blijken". Het gaat hier om begrotingslijn 05 05 01 01.
Ik stel voor voorgaande technische aanpassingen in stemming te brengen.
(Het Parlement stemt in met de door de rapporteur voorgestelde technische aanpassingen)
Ulla-Maj Wideroos, fungerend voorzitter van de Raad. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, u behandelt nu de begroting 2007 in tweede lezing. Het is de eerste begroting van een tot 27 lidstaten uitgebreide Europese Unie. Het is eveneens de eerste begroting voor de begrotingsperiode 2007-2013.
Tot mijn tevredenheid stel ik vast dat het akkoord dat tussen onze beide instellingen na de onderhandelingen van 21 november en de trialoog van 28 november is bereikt, in het ontwerp van algemene begroting 2007 tot uitdrukking komt. Er zijn echter enkele kleine meningsverschillen blijven bestaan ten aanzien van de indeling van de uitgaven en de Raad behoudt zich wat dit betreft alle rechten voor. De Raad kan evenwel akkoord gaan met het maximaal stijgingspercentage van de uitgaven dat het gevolg is van de stemming in tweede lezing.
Tot slot zou ik de heer Lewandowski, voorzitter van de Begrotingscommissie, en heren Elles en Grech, rapporteurs, willen danken voor de uitstekende samenwerking tijdens de onderhandelingen.
(Applaus)
De Voorzitter. Dames en heren, ik stel vast dat de begrotingsprocedure 2007 conform het Verdrag en het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 is verlopen en de Raad en het Parlement overeenkomstig punt 13 van dat akkoord, hebben ingestemd met het maximaal stijgingspercentage van de niet-verplichte uitgaven, dat het gevolg is van de tweede lezing door het Parlement. De begrotingsprocedure kan derhalve worden beschouwd als zijnde afgesloten en de begroting is aldus definitief vastgesteld.
(Na Ulla-Maj Wideroos, fungerend voorzitter van de Raad, Dalia Grybauskaitė, vertegenwoordiger van de Commissie, Janusz Lewandowski, voorzitter van de Begrotingscommissie en James Elles en Louis Grech, rapporteurs, te hebben verzocht zich bij hem aan te sluiten, gaat de Voorzitter van het Parlement tezamen met de fungerend voorzitter van de Raad over tot de ondertekening van de begroting)
(Applaus)
6.2. Ontwerp van algemene begroting 2007, zoals gewijzigd door de Raad (alle afdelingen) (stemming)
VOORZITTER: LUIGI COCILOVO Ondervoorzitter
6.3. Procedure voor het voorafgaande onderzoek en overleg omtrent bepaalde bepalingen welke door de lidstaten op het gebied van het vervoer worden overwogen (gecodificeerde versie) (stemming)
6.4. Afschaffing grenscontroles (wegvervoer en binnenvaart) (gecodificeerde versie) (stemming)
6.5. Toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens (gecodificeerde versie) (stemming)
6.6. Verstrekking van statistieken inzake visserij in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan (gecodificeerde versie) (stemming)
6.7. Communautaire criteria voor de maatregelen inzake de uitroeiing van en de controle op bepaalde dierziekten (gecodificeerde versie) (stemming)
6.8. Overeenkomst EG-Paraguay inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (stemming)
6.9. Onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten op het gebied van intelligente productiesystemen (overeenkomst EG/Australië, Canada, Noorwegen, Zwitserland, Korea, Japan en de VS) (stemming)
6.10. Gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie naar aanleiding van de uitbreiding) (stemming)
6.11. Drugspreventie en voorlichting (2007-2013) (stemming)
6.14. Vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen (stemming)
6.15. Europees Fonds voor de integratie van onderdanen van derde landen (2007-2013) (stemming)
6.16. Terrorisme: preventie, paraatheid en beheersing (2007-2013) (stemming)
- Voor de stemming:
Romano Maria La Russa (UEN), rapporteur. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik zal het kort houden. Ik betreur ten zeerste het besluit om volgens de spoedprocedure te stemmen over de drie kaderprogramma’s van de Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid voor de periode 2007-2013. Ik begrijp dat het hoogst noodzakelijk is de verslagen vóór het eind van het jaar goed te keuren zodat per 1 januari aanstaande de procedures kunnen worden opgestart voor de toekenning van financiering, maar toch vind ik dat dergelijke belangrijke programma’s op zijn minst een behandeling in plenaire vergadering verdienden.
Aangezien ik daar voorheen geen kans voor heb gekregen, neem ik thans de gelegenheid te baat om allen te bedanken die meer dan anderhalf jaar lang met mij hebben samengewerkt: afgezien van mijn staf, dank ik de collega’s voor hun medewerking en de ambtenaren, van de fractie en het secretariaat, voor de moeite die zij hebben gedaan.
6.17. Het aantal leden van de commissies (stemming)
6.18. Europees Instituut voor gendergelijkheid (stemming)
6.19. Rijbewijs (herschikking) (stemming)
6.20. Wijziging van artikel 81 van het Reglement van het Europees Parlement (stemming)
Voor de stemming:
Richard Corbett (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, met deze stemming passen we onze procedures aan om ten volle voordeel te kunnen putten uit de nieuwe bevoegdheden van het Europees Parlement in de context van de comitologieprocedure. Deze nieuwe bevoegdheden waren eerder dit jaar veiliggesteld via het interinstitutioneel akkoord waar de heer Daul en ik over onderhandeld hebben. Dit betekent dat wanneer we uitvoeringsbevoegdheden delegeren aan de Commissie via wetgeving die we onder de medebeslissingsprocedure aannemen, het Parlement zijn veto mag uitspreken over elke daarop volgende uitvoeringsmaatregel van quasi-wetgevende aard. Dit is de grootste uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement sinds het Verdrag van Nice en waarschijnlijk de enige significante tijdens deze zittingsperiode. Door de nieuwe regel zullen we gemakkelijk gebruik kunnen maken van deze nieuwe bevoegdheid.
6.21. Wijziging van het Reglement van het Europees Parlement (commissies, quaestoren) (stemming)
6.22. Buitengrenzenfonds (2007-2013) (stemming)
- Voor de stemming:
Barbara Kudrycka (PPE-DE), rapporteur. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het Parlement inlichten dat we tijdens het driepartijenoverleg over het Buitengrenzenfonds, van de Commissie en de Raad de verzekering hebben gekregen dat aanschaf van vuurwapens niet voldoet aan de voorwaarden van dat fonds. Dat betekent dat de financiering van dit soort wapens uit dat fonds niet mogelijk is.
Daarom roep ik het Parlement op om het compromisamendement aan te nemen, waarmee in de tekst het voorstel van de Commissie LIBE wordt bedoeld.
6.23. Instelling van het Europees terugkeerfonds (2008-2013) (stemming)
- Voor de stemming:
Barbara Kudrycka (PPE-DE), rapporteur. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de aandacht vestigen op een controversiële kwestie die nog steeds openstaat. Het betreft de eis die al in de aanloop naar deze materie in het Parlement is gesteld, en die als doel heeft aan de instelling van het Terugkeerfonds de voorwaarde te verbinden dat uiterlijk eind volgend jaar een richtlijn inzake terugkeer moet zijn aangenomen.
Het is belangrijk voor het Parlement om een link te leggen tussen het Terugkeerfonds en een richtlijn inzake terugkeer, maar dat is niet gelukt. Daarom wil ik de Raad informeren dat het niet uitgesloten is dat indien geen richtlijn inzake terugkeer wordt aangenomen, het Parlement mogelijk een beroep doet op zijn begrotingsbevoegdheden en de betalingen voor het Terugkeerfonds in de begroting voor 2008 opschort. Daarom is deze kwestie heel belangrijk.
Ik zou het Parlement willen oproepen om te stemmen voor het Terugkeerfonds, aangezien de Raad voorheen had gedreigd een veto uit te spreken tegen het Integratiefonds. Ik verzoek u dringend om in dezen gezamenlijk te stemmen.
Ulla-Maj Wideroos, fungerend voorzitter van de Raad. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Raad zet, in nauw contact met het Europees Parlement, zijn werk voort om te waarborgen dat er snel consensus wordt bereikt over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
De Raad wil erop wijzen dat overeenstemming over dit voorstel een van de prioriteiten is die de Raad en de Commissie stellen in het actieplan voor de uitvoering van het Haags Programma voor het versterken van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in de Europese Unie. De Raad zal er alles aan doen om dit doel te bereiken en wil iedereen wijzen op de rol van het Europees Parlement bij het bereiken van overeenstemming over dit voorstel.
Andris Piebalgs, Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie zal de Raad in alle gepaste fora aan blijven moedigen om intensiever te onderhandelen met het Europees Parlement en te blijven werken aan het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, zodat er uiterlijk eind 2007 een akkoord bereikt kan worden.
De Commissie herinnert eraan dat overeenstemming over dat voorstel een van de prioriteiten is uit het actieprogramma van de Raad en de Commissie ter uitvoering van het Haags Programma voor het versterken van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in de Europese Unie.
De Europese Commissie staat open voor overleg over verbeteringen aan dit voorstel. De Commissie hecht er tegelijkertijd echter veel waarde aan dat wordt vastgehouden aan de tweeledige doelstelling van de richtlijn. Deze moet een doelmatig instrument voor het terugkeerbeleid zijn en tegelijkertijd een efficiënt instrument ter bescherming van de betrokken onderdanen van derde landen. Bovendien zal de Commissie voorstellen de tenuitvoerlegging van de wetgeving op het gebied van terugkeer, en met name deze richtlijn, op te nemen in de prioriteiten voor de strategische richtsnoeren voor het Terugkeerfonds voor de periode 2008-2013.
6.24. Geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik (stemming)
6.25. Europese procedure voor geringe vorderingen (stemming)
- Voor de stemming over blok 1:
Hans-Peter Mayer (PPE-DE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik had twee minuten spreektijd aangevraagd, maar zoveel tijd heb ik niet nodig. Toch wil ik met betrekking tot de vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen een aantal punten in het bijzonder onderstrepen. Allereerst is het belangrijk dat bij de wet in geval van twijfel van de Duitse versie wordt uitgegaan, aangezien dit over het algemeen de werktaal van het Europees Parlement was, en ook de Raad en de Commissie zich hier bij de vele bijeenkomsten van de drie partijen op oriënteerden. Bovendien is het belangrijk dat de lidstaten alle mogelijkheden van deze procedure benutten en daarbij gebruik maken van de moderne communicatiemiddelen. De lidstaten moeten telefoon, e-mail en videoconferenties toestaan en stimuleren als communicatiemiddelen.
Een andere belangrijke vereenvoudiging is, dat formulier D moet worden vertaald door iemand die in een van de lidstaten bevoegd is vertalingen te verzorgen. Daardoor worden dure waarmerkingen overbodig, evenals de noodzaak van certificeringen door bijvoorbeeld een notaris. Ik wil benadrukken dat bij alle besluiten door het gerecht binnen de procedure voor geringe vorderingen niet uit het oog mag worden verloren dat de procedure economisch, eenvoudig en burgervriendelijk is. Alles wat daarvoor een belemmering vormt, is in strijd met de doelstelling van deze verordening.
Ik verzoek alle afgevaardigden daarom in te stemmen met deze nieuwe en burgervriendelijke civielrechtelijke procedure, die overal in Europa hetzelfde is.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
6.26. Grondrechten en burgerschap (2007-2013) (stemming)
6.27. Strafrecht (2007-2013) (stemming)
6.28. Preventie en bestrijding van criminaliteit (2007-2013) (stemming)
6.29. Ontwikkeling van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (verordening) (stemming)
6.30. Ontwikkeling van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (besluit) (stemming)
6.31. Hulp op het gebied van nucleaire veiligheid en beveiliging (stemming)
- Voor de stemming over amendement 25:
Esko Seppänen (GUE/NGL), rapporteur. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, toen dit onderwerp werd behandeld, was het bedrag dat in dit amendement wordt voorgesteld al niet meer correct. Het juiste bedrag in het meerjarig financieel kader is 524 miljoen euro. Ik stel voor om dit in het amendement te wijzigen.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
6.32. Visa voor overschrijding van de buitengrenzen (stemming)
6.33. Follow-up van de Sacharovprijs (stemming)
- Na de stemming:
Edward McMillan-Scott (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb deze informatie te laat gekregen om ze nog aan de resolutie toe te kunnen voegen. De heer Gao Zhisheng, een vooraanstaande mensenrechtenadvocaat in Beijing die in augustus was gearresteerd, is deze week in het geheim berecht en gevangengezet. Ik ben er zeker van dat het Parlement dit nieuws betreurt. Het maakt deel uit van een continue stroom van hardhandig optreden tegen mensenrechtenactivisten in China.
(Applaus)
6.34. Bescherming van persoonsgegevens in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (stemming)
6.35. Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie (stemming)
Voor de stemming over amendement 10:
Claude Turmes (Verts/ALE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, in dit amendement is een zinsnede uit de oorspronkelijke tekst weggelaten die denk ik belangrijk is en die door de socialisten en de liberalen ondersteund werd. Ze luidt als volgt: 'door de mededingingswetgeving aan te scherpen'. Dat zouden we eraan toe moeten voegen. Dan is het wat meer steekhoudend om voor de integrale paragraaf te stemmen.
(Het mondeling amendement wordt niet in aanmerking genomen)
6.36. Biomassa en biobrandstoffen (stemming)
Voor de stemming over paragraaf 76:
Mechtild Rothe (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, wij willen hier een kleine wijziging voorstellen, en wel in het midden van de paragraaf, 'als onderdeel van het energiepakket voor 2007'.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
De Voorzitter. - Hiermee is de stemming beëindigd.
7. Stemverklaringen
Ontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie – 2007, als gewijzigd door de Raad
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Wij willen voor de zoveelste maal ons principiële standpunt over de begroting van de EU verkondigen.
De Zweedse partij Junilistan vindt dat de begroting van de EU moet worden beperkt tot 1 procent van het gemiddelde BNI van de lidstaten. We hebben daarom besloten tegen alle door het Europees Parlement voorgestelde verhogingen te stemmen. Tegelijkertijd verwelkomt Junilistan de weinige besparingen die ofwel door de Begrotingscommissie ofwel door afzonderlijke leden als amendement zijn ingediend.
Er zijn diverse ongelukkige begrotingsposten, maar Junilistan betreurt speciaal de grote steun voor het landbouwbeleid van de EU, het Cohesiefonds, de visserijbranche en de begrotingsposten ter ondersteuning van diverse vormen van voorlichtingscampagnes.
Junilistan vindt voorts dat het voortdurende gereis van het Europees Parlement tussen Straatsburg en Brussel moet ophouden en dat het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s moeten worden opgeheven.
Op 23 oktober 2006 constateerde de Europese Rekenkamer voor het dertiende achtereenvolgende jaar dat hij niet kan garanderen dat meer dan een klein deel van de begroting van de EU op de juiste wijze of voor het juiste doel is gebruikt. Hoe kan deze waanzinnige toestand voortduren, dat er jaar na jaar financiële middelen worden toegewezen, terwijl slechts voor een klein deel daarvan kan worden gegarandeerd dat ze voor het juiste doel worden gebruikt?
Jens Holm, Kartika Tamara Liotard, Erik Meijer en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) We kunnen deze begroting om een aantal redenen niet ondersteunen. Ten eerste uit protest tegen het feit dat de Rekenkamer een paar maanden geleden de boekhouding van de EU weer eens niet goedkeurde. Aangezien de EU er niet in slaagt fraude en inefficiëntie met succes te bestrijden, zou ze haar begroting niet op moeten trekken. Ten tweede zijn we van mening dat in deze begroting de verkeerde politieke keuzes gemaakt worden, zoals een te grote nadruk op industriële landbouw, buitenlands beleid en militaire projecten, en dat er niet genoeg aandacht is voor milieu en sociale projecten. Tot slot brengt deze begroting geen adequate wijziging aan in sommige beleidsterreinen die gewoon pure verspilling zijn, zoals de massale subsidiëring van het vernietigen van wijn en het onverminderd subsidiëren van de tabaksteelt.
Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). – (LT) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor de begroting van de Europese Unie voor 2007 gestemd. De begrotingsrapporteur van het Europees Parlement, James Elles, vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk, heeft ongetwijfeld een eigen visie op de samenstelling van de begroting van de Europese Unie en de toekenning van de begrotingsmiddelen. Ik denk dat dit te wijten is aan de inspanningen die hij heeft geleverd om voor 2007 een innoverende begroting vast te stellen die gebaseerd is op het beginsel dat men waar voor zijn geld moet geven en krijgen. Het verheugt mij dat er een compromis is bereikt over de financiering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de toepassing van het flexibiliteitsinstrument, de verdediging van de buitengrenzen van de Europese Unie en de programma’s inzake levenslang leren. Ik ben blij dat het eerste jaar van de nieuwe financiële vooruitzichten wordt ingezet met een welomlijnde en geconfirmeerde Europese begroting.
Ole Christensen, Dan Jørgensen, Poul Nyrup Rasmussen, Christel Schaldemose en Britta Thomsen (PSE), schriftelijk. – (DA) De delegatie van Deense sociaaldemocraten in het Europees Parlement – de heer Nyrup Rasmussen, mevrouw Thomsen, mevrouw Schaldemose, de heer Jørgensen en de heer Christensen – heeft gestemd tegen amendement 1, ingediend door de heren Tomczak en Bonde van de IND-DEM-Fractie.
De delegatie is van mening dat het amendement onverenigbaar is met geldende regels, zodat wij ons genoodzaakt zien om tegen te stemmen.
De delegatie wil echter wel met nadruk haar steun betuigen aan een algemene stapsgewijze vermindering van de landbouwsteun van de EU, zonder de mogelijkheid van discriminatie tussen de verschillende lidstaten.
De Deense sociaaldemocratische leden van het Europees Parlement – de heer Nyrup Rasmussen, mevrouw Thomsen, mevrouw Schaldemose, de heer Jørgensen en de heer Christensen – hebben gestemd tegen amendement 2 van de heren Tomczak en Bonde van de IND-DEM-Fractie.
De delegatie is van mening dat het amendement onverenigbaar is met het geldende statuut, zodat wij ons genoodzaakt zien om tegen te stemmen.
De Deense sociaaldemocratische delegatie is echter van mening dat er behoefte is aan een hervorming van de regels voor reiskosten, zodat deze voortaan worden vergoed in overeenstemming met de werkelijk gemaakte kosten. De delegatie verwijst in dat verband naar haar werk aan het nieuwe statuut voor de werkzaamheden van het Europees Parlement, dat in 2009 van kracht wordt. De delegatie is in dat verband verheugd dat er met het nieuwe statuut nieuwe regels worden ingevoerd die inhouden dat reiskosten vanaf 2009 zullen worden vergoed conform de werkelijk gemaakte kosten.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Met betrekking tot de ontwerpbegroting voor 2007 kun je wel stellen dat de geschiedenis zich herhaalt. Wat nu gebeurt is echter ernstiger dan wat er eerder is voorgevallen.
Het Parlement had aanvankelijk kritiek op het begrotingsplafond zoals dat door de Commissie en de Raad was voorgesteld, maar hecht nu zijn goedkeuring aan een begroting met toewijzingen die tezamen 0,99 procent van het BNI van de Gemeenschap vertegenwoordigen, en dat is minder dan de 1,06 procent die een jaar geleden in het kader van de financiële vooruitzichten voor 2007 is overeengekomen. Het komt neer op een korting van 8 miljard euro.
2007 is het eerste jaar met een EU van 27 lidstaten, en dit jaar zal als referentie gelden voor toekomstige begrotingen. En juist nu keurt het EP een begroting goed waarin bij lange na niet genoeg middelen zijn gereserveerd om economische en sociale cohesie op een doeltreffende wijze te bewerkstelligen. Daar komt bij dat de prioriteiten van deze begroting niet aansluiten op die doelstelling – integendeel. De korting op de "compensatie" voor Portugal is daarvan het bewijs.
Deze begroting is gericht – en een paar voorbeelden volstaan – op het implementeren van het neoliberale beleid zoals dat in de Strategie van Lissabon tot uitdrukking wordt gebracht. Ik noem hier de liberalisering van de arbeidsmarkt en de interne markt en de financiering van het grootkapitaal. Dit is een begroting die het buiten bedrijf stellen van vissersvaartuigen bevordert, familiebedrijven in de landbouw ontmantelt en bijdraagt tot de militarisering van een steeds vaker tot interventie bereide EU.
Uiteraard hebben wij tegen gestemd.
Anne E. Jensen en Karin Riis-Jørgensen (ALDE), schriftelijk. – (DA) De leden van de Deense liberale partij in het Europees Parlement hebben gestemd tegen de amendementen 1 en 2, ingediend door de heren Tomczak en Bonde van de IND/DEM-Fractie.
De Deense liberale partij is voorstander van een hervorming van de landbouwsteun, maar vindt niet dat dit de manier is en ook niet dat het verslag over de jaarlijkse begroting de plaats is om de wens inzake desbetreffende voorstellen te uiten. Het voorstel van de heer Bonde moet als ondoordacht worden beschouwd.
De Deense liberale partij is tevens voorstander van een zodanige hervorming van de reiskostenvergoedingen dat alle redelijke en noodzakelijke reiskosten worden vergoed. Daartoe is echter al besloten met het nieuwe Statuut van de leden, dat vanaf 2009 van kracht is. Het voorstel van de heer Bonde is in strijd met het geldende statuut en moet daarom als ondoordacht worden beschouwd.
David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik feliciteer de rapporteur met het samenstellen van een pakket dat op een brede meerderheid kon rekenen in dit Parlement. In de 22 jaar als parlementslid is dit de kortste stemming over de begroting die ik me kan herinneren. Ik betreur het dat het Parlement heeft ingestemd met een aantal verlagingen om binnen de begrotingsgrenzen te blijven. Ik vind het zeer betreurenswaardig dat de begroting voor 'aid for trade' gekort is. Die begrotingslijn is cruciaal om ontwikkelingslanden te helpen aansluiting te vinden bij het wereldhandelssysteem.
Jens-Peter Bonde (IND/DEM), schriftelijk. – (DA) Het is diep onrechtvaardig dat men de nieuwe landen discrimineert door ze niet dezelfde steun te geven als de oude lidstaten. Toch heb ik voor de overgangsregeling gestemd, omdat Bulgarije en Roemenië anders misschien niets krijgen als deze niet wordt aangenomen.
Ik ben in zijn algemeenheid tegen de landbouwsteun, die naar mijn opvatting geleidelijk moet worden afgeschaft. Daarom had ik liever gezien dat men de steun aan de oude lidstaten reduceerde, zodat voor alle landen dezelfde voorwaarden zouden gelden. Die reductie zou van bovenaf moeten beginnen, met een plafond van 40 000 euro per juridische eenheid, zoals ik in mijn amendement op de begroting heb voorgesteld.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Deze verslagen zijn geheel doortrokken van een groot aantal populistische voorstellen met aanvallen op het zelfbeschikkingsrecht over het strafrecht, een van de meest fundamentele beginselen van de rechtsstaat. Onder andere wordt gepleit voor een ware Europese rechtsruimte en een waar Europees strafrecht. De bedoeling van deze voorstellen is ondubbelzinnig. Men wil een EU-staat oprichten, en deze voorstellen vormen een cruciale stap in die richting. Dat is volstrekt onaanvaardbaar.
De Zweedse partij Junilistan verdedigt de soevereiniteit van de nationale staat in juridische aangelegenheden. De Europese samenwerking moet zich beperken tot het zorgen voor een goed functionerende interne markt en tot het aanpakken van grensoverschrijdende milieuproblemen. De EU moet absoluut geen geharmoniseerd rechtsstelsel hebben.
Hierom hebben wij bij de stemming van vandaag tegen deze verslagen gestemd.
Bernadette Bourzai (PSE), schriftelijk. – (FR) Naar mijn mening worden de kosten en baten van de toepassing van hernieuwbare energie in het verslag van de heer Langen over de strategie inzake biomassa en biobrandstoffen goed op een rij gezet.
Toch wil ik enkele amendementen onder de aandacht brengen, die in de Commissie landbouw zijn ingediend maar niet in aanmerking zijn genomen.
Ten eerste: hernieuwbare energie kan zeker bijdragen tot de vermindering van de energieafhankelijkheid van de Europese Unie, maar tegelijkertijd moet er in een breder verband ook worden nagedacht over ons energieverbruik, dus over onze leef- en productiewijzen om beter, maar vooral minder, te consumeren.
Ten tweede: we moeten ons niet overgeven aan een intensieve en op productievermeerdering gerichte benutting van hernieuwbare energiebronnen, die nadelige economische, sociale en milieugevolgen zou hebben en niet zou passen binnen de Europese strategie inzake duurzame ontwikkeling.
Voedselproductie dient de voornaamste functie van de landbouw te blijven. De bossen moeten met beleid worden geëxploiteerd. Warmtekrachtkoppeling moet de regel zijn bij de biomassaproductie.
Tot slot moet er werk worden gemaakt van het opzetten c.q. verbeteren van kanalen voor de bevoorrading, distributie en verhandeling van landbouw- en bosbouwgrondstoffen en van lokaal geproduceerde energie om te lange transporttijden te voorkomen.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) De omvang van de illegale immigratie mag niet als excuus dienen om de kop in het zand te steken voor de problemen die vluchtelingen, inzonderheid politieke vluchtelingen, ondervinden. Het recht op asiel is van fundamenteel belang in elke maatschappij die zich sterk maakt voor democratie, waardigheid en mensenrechten. Het is bovendien een uitdrukking van de solidariteit binnen die gemeenschap. Wij moeten een leidersrol vervullen bij het beschermen van de menselijke waardigheid. Als het om waarden gaat zijn woorden alleen niet genoeg: al degenen die vervolging, foltering, oorlog en schending van de mensenrechten ontvluchten moeten weten dat ze in Europa waar mogelijk behoorlijk onthaald zullen worden. Om dat te kunnen doen hebben we dit fonds nodig. Het is dus hoogst welkom.
Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is mij een genoegen de oprichting van dit vluchtelingenfonds te ondersteunen. Al te vaak zien we dat vluchtelingen verwaarloosd worden en dat ze onderaan het prioriteitenlijstje van lidstaten staan. Het is zeer terecht dat daar waar lidstaten steken laten vallen, de Unie naar voren treedt om ervoor te zorgen dat onze normen worden gehandhaafd. Met dit verslag komen we dichter bij een samenhangend systeem en ik zal het met genoegen ondersteunen.
Richard Corbett (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ondersteun de maatregelen voor dubbelwandige uitvoering, die vervuiling op zee door olietankers moeten helpen voorkomen. Deze zijn met name belangrijk voor de kust van Yorkshire en het estuarium van de Humber.
Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De delegatie van de Communistische Partij van Griekenland in het Europees Parlement heeft voor het voorstel tot amendering van artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 417/2002 gestemd, zowel tijdens de goedkeuring in de Commissie vervoer en toerisme op 22 november 2006 als in de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 14 december 2006. Wij willen dat het vervoer van zware olie uitsluitend met dubbelwandige olietankschepen geschiedt.
Samen met de scheepsarbeiders en meer in het algemeen de werknemers, strijdt de Communistische Partij van Griekenland op consequente wijze tegen het volksvijandige beleid van de EU en de regeringen van de lidstaten, tegen de reders en tegen het kapitaal. Wij willen dat strenge maatregelen worden genomen om de veiligheidsvoorschriften die van toepassing zijn op olietankschepen en meer in het algemeen op alle categorieën van schepen, te verscherpen ter bescherming van het menselijk leven op zee en het milieu.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) Veiligheid op zee is voor de EU van uitzonderlijk belang. Het volstaat te verwijzen naar rampen als die met de Prestige en de sociale, economische en milieugevolgen die dit soort ongevallen teweegbrengen. Een herhaling van zulke rampen moet vermeden worden om de duurzaamheid van onze zeeën en grondgebieden te garanderen.
De in het verslag-Le Rachinel voorgestelde maatregelen zullen bijdragen tot meer helderheid, samenhang en stabiliteit van de communautaire bepalingen op dit gebied.
Ook de olietankersector heeft behoefte aan een uiterst duidelijk en stabiel communautair juridisch kader. Alleen zo kunnen we doeltreffende en transparante economische en handelsbetrekkingen in de zeevaartsector garanderen en behouden. Ofschoon de lidstaten in de praktijk reeds een verbod op enkelwandige olietankschepen hanteren, houdt het voorgestelde amendement op de verordening toch een opheldering en consolidatie van de tekst in.
De sociaaleconomische gevolgen van deze maatregel zijn uitvoerig bestudeerd, en daarbij is gebleken dat het een verstandige maatregel is. Het is ook duidelijk geworden dat we de communautaire maatregelen moeten blijven aanscherpen om zo de grootst mogelijke veiligheid voor onze vaartuigen, havens en landen te verzekeren.
Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Mijnheer de Voorzitter, dit pakket over dubbelwandige olietankers heeft behoorlijk lang op zich laten wachten, maar ik ben blij dat ik het vandaag kan ondersteunen. In Schotland hebben we gezien welke ramp het wrak van de Braer aanrichtte op de Shetland-eilanden, en we moeten alles doen wat we kunnen om de veiligheid van ons Europees zeemilieu en onze kustlijnen te verzekeren. De EU moet hoge normen opleggen aan deze internationaal opererende maatschappijen en dit verslag helpt ons al een eindje op weg.
Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) In de voorgestelde vorm zal dit fonds slechts de financiering van de versnelde communautarisering van de Europese samenlevingen dienen. Het gaat om een soort krankzinnig "stedenbeleid" op het niveau van de vijfentwintig lidstaten.
In mijn land weten we al wat de gevolgen zijn van dergelijk beleid, dat gericht is op de absolute eerbiediging van het eigen culturele karakter van geïmmigreerde bevolkingsgroepen. Uit naam van dat beleid worden enorme bedragen – waar je niets meer van terugziet – gepompt in maatregelen die zich richten op mensen die niet willen integreren, maar wel, alsof het gaat om iets dat hun vanzelfsprekend toekomt, sociale, economische en politieke rechten opeisen die eigenlijk alleen aan het eigen volk voorbehouden zouden moeten zijn. Met als gevolg gettovorming, etnische conflicten, anti-Frans oproer, plundering van de openbare voorzieningen, soms gepaard gaande met doden, en een islam die steeds meer macht naar zich toetrekt.
Maar omdat de middelen per lidstaat afhankelijk zijn van het aantal immigranten dat de lidstaat opvangt, heeft dit fonds uiteindelijk misschien ook wel enig nut: zo komen we eindelijk achter de ware immigratiecijfers. Want volgens de officiële cijfers, die altijd een rooskleuriger beeld te zien geven dan de werkelijkheid zelf, schommelt het aantal ingezetenen van buiten de Gemeenschap dat op het grondgebied van de EU leeft, tussen de 17 en 40 miljoen.
Op die manier worden we ons bewust van de omvang van het probleem en worden de Europese volkeren misschien wakker voordat het te laat is!
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) Eén van de belangrijkste onderdelen van het immigratiebeleid is integratie. Het vermogen immigranten te integreren en het vermogen van de immigranten zelf om daaraan mee te werken is de belangrijkste factor – of in ieder geval één van de belangrijkste factoren – bij het vermijden van risico’s van conflicten en spanningen tussen de verschillende gemeenschappen, een heel actueel onderwerp.
Zoals ik bij een aantal gelegenheden heb aangegeven moeten we om te beginnen erkennen dat het gastland er veel profijt van kan hebben als het mannen en vrouwen die op zoek naar een beter bestaan vele beproevingen hebben doorstaan, welkom heet. Deze mensen verrijken onze gemeenschappen. Dit erkennen betekent evenwel niet dat we onze ogen sluiten voor de keerzijde van medaille, ofwel de problemen die deze mensen bij de integratie ondervinden. Dit fonds kan bij het formuleren van een antwoord op deze problemen een heel belangrijke rol spelen. Het kan gebruikt worden voor het financieren van programma's voor het bevorderen en vergemakkelijken van integratie. Het succes van die programma's hangt natuurlijk af van de politieke visie die bepaalt hoe deze middelen worden gebruikt. Dat is echter een zaak die onder de bevoegdheden van de lidstaten valt.
Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Het verslag van de commissie over het financieringsprogamma "Terrorisme: preventie, paraatheid en beheersing van de gevolgen" gaat zelfs nog verder dan het voorstel voor een besluit van de Commissie. Onder de doelstellingen van het programma is nu ook de bescherming van kritische infrastructuur en 'ononderbroken overheidsoptreden' opgenomen! Dit gaat dus deel uitmaken van het herziene actieplan van de EU voor de strijd tegen het terrorisme, dat gericht is op preventie van 'gewelddadige radicalisering' en bescherming van kritische infrastructuur van de lidstaten en de EU. Volgens dit plan vallen ideologische overtuigingen, standpunten en houdingen die haaks staan op de 'heilige koeien' van de kapitalistische barbaarsheid en uitbuiting en van de kapitalistische politieke stelsels onder het begrip 'terrorisme', terwijl ook gewone acties en verworvenheden van de massale volksbeweging, zoals symbolische bezetting van gebouwen of straten, beschouwd kunnen worden als 'terreurdaden' of als daden die de 'kritische infrastructuur' of de onbelemmerde werking van de overheidsdiensten in gevaar brengen.
De programma’s en maatregelen van het Europees kapitaal en zijn politieke spreekbuizen zijn gericht tegen de rechten en vrijheden van de volkeren, tegen het optreden van de volksbewegingen, en zijn dus een uiting van hun angst. Zij zijn lang niet zo sterk als ze beweren te zijn. Onoverwinnelijk zijn alleen de volkeren die besluiten in de tegenaanval te gaan en hun recht op te eisen.
Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) De beginselen van niet-discriminatie en gendergelijkheid zijn democratische hoekstenen van de Europese Unie. Daarom is het de plicht van de Europese Unie zich in te zetten voor de oprichting van institutionele mechanismen zoals het Europees Instituut voor gendergelijkheid teneinde de gendergelijkheid op efficiëntere wijze te bevorderen. In overeenstemming hiermee heb ik ook in tweede lezing voor dit verslag gestemd.
Wij verwelkomen het besluit van de Commissie om het Europees Instituut voor gendergelijkheid op te richten in een nieuwe lidstaat, aangezien de nieuwe lidstaten op dit gebied achterliggen op de vijftien oude lidstaten. Ik ben echt blij dat de Raad in december besloten heeft om het instituut in Litouwen te vestigen, ook al moet ik toegeven dat ik een beetje ontgoocheld ben omdat Slowakije, ondanks de lage score in de statistieken voor gendergelijkheid en de centrale geografische ligging van het land, uit de boot is gevallen. Ik ben er evenwel van overtuigd dat mevrouw Záborská, mevrouw Bauer, mevrouw Belohorská en ikzelf met onze toespraken en actieve promotie van Slowakije in het Europees Parlement een substantiële bijdrage hebben geleverd aan de inspanningen om de Raad ertoe te bewegen het instituut in Bratislava te vestigen.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Dit is iets waar vrouwenorganisaties al heel lang op hebben aangedrongen. Het Parlement heeft het idee steeds gesteund, maar het heeft lang geduurd voor het concrete invulling heeft gekregen. Aansluitend op een voorstel van de Commissie om een Europees Instituut voor gendergelijkheid op te zetten, heeft het Parlement op 14 maart 2006 in eerste lezing een gemeenschappelijk standpunt aangenomen, met 50 amendementen op het voorstel van de Commissie (dat op 8 maart 2006 was gepubliceerd). De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt op 21 september 2006 aangenomen en heeft daarbij 35 van de door het Parlement ingediende amendementen aanvaard.
Het is de bedoeling dat het instituut in 2007 kan gaan functioneren en daarom is er onderhandeld over amendementen om in tweede lezing snel tot overeenstemming te kunnen komen. Dit is het compromis waaraan we onze goedkeuring hebben gehecht. Het bevat 13 amendementen op het gemeenschappelijk standpunt.
Dit akkoord bevat ook een bepaling dat het voorgestelde bureau komt te vervallen. In plaats daarvan moet het deskundigenforum worden geherintroduceerd. Dit is een raadgevend forum samengesteld uit deskundigen op het gebied van gendergelijkheid. Zowel de Commissie als het Parlement staan achter de herintroductie van dit forum.
De Raad heeft zijn gemeenschappelijk standpunt herzien en de vervanging van het bureau door een forum aanvaard. Elke lidstaat heeft één vertegenwoordiger in het forum; het Parlement wijst twee vertegenwoordigers aan, de sociale partners drie.
Sérgio Marques (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) Ik wil mevrouw Gröner en mevrouw Sartori graag gelukwensen met hun verslag voor een aanbeveling voor de tweede lezing betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid. Ik steun dit verslag van ganser harte. Ik ben vooral ingenomen met het idee om het bureau te vervangen door een deskundigenforum.
Het is de bedoeling dat het instituut zo spoedig mogelijk (2007) operationeel is. Alle instellingen waren het daarover eens en daarom hebben ze samengewerkt om dat doel te bereiken. De wijze waarop – en de snelheid waarmee – dat gebeurd is, mag beslist lovenswaardig heten.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor dit verslag over de oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid gestemd. De haalbaarheidstudie van de Commissie had als conclusie dat er voor een dergelijk instituut een duidelijke rol is weggelegd. Het voorgestelde agentschap zal klein worden, in de orde van grootte van tien medewerkers. De doelstelling van het instituut is drieledig: het ondersteunen van de instellingen van de Gemeenschap, met name de Commissie, en van de autoriteiten van de lidstaten bij de bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, het bevorderen van gendergelijkheid en het vergroten van het bewustzijn over gendergelijkheid bij de burgers van de EU.
James Hugh Allister (NI), schriftelijk. – (EN) Ik heb vandaag gestemd voor het verwerpen van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad over het voorgestelde pakket voor een Europees rijbewijssysteem. Nationale vervoerskwesties zijn een zaak voor nationale regeringen en dientengevolge moet iedere lidstaat vrij zijn om te bepalen welke regels en criteria hij hanteert op het gebied van rijbewijzen. Dit overmatig bureaucratisch en overmatig regulerend voorstel lijkt op geen enkele wijze de verkeersveiligheid te vergroten en daarom beschouw ik dit als het zoveelste onnodige en ongegronde stuk wetgeving.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Verkeersveiligheid is een uiterst belangrijk vraagstuk van grensoverschrijdende aard. De rijbewijsrichtlijn van de EU zou dus concrete meerwaarde kunnen bieden. Zoals gebruikelijk proberen de Commissie en het Europees Parlement in hun regelzucht echter om de regels van de lidstaten tot in detail te sturen.
Wij vinden dat het subsidiariteitsbeginsel en het oorsprongslandbeginsel onverkort moeten worden toegepast. Dat is in het onderhavige verslag niet het geval, bijvoorbeeld op het punt van de gedetailleerde voorstellen over rijbewijsregels voor motorrijwielen en bromfietsen. Wij geloven in het beginsel van wederzijdse erkenning en hebben er dus het volste vertrouwen in dat de lidstaten capabel zijn om weloverwogen en verstandige besluiten te nemen. De harmonisatie van de regels voor rijbewijzen kan plaatsvinden zonder een gedetailleerde ontwerprichtlijn zoals de onderhavige rijbewijsrichtlijn. Wij hebben dus gestemd voor amendement 6, waarin wordt bepleit dat het gemeenschappelijk standpunt wordt afgewezen, met als motivering dat er overdreven veel zaken worden geregeld zonder dat de verkeersveiligheid daardoor verbetert.
Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik heb vóór de aanneming van het Europees rijbewijssysteem gestemd, aangezien deze nieuwe regeling mijns inziens een belangrijke vooruitgang betekent. De nieuwe rijbewijsrichtlijn zorgt voor meer veiligheid en minder criminaliteit met betrekking tot het rijbewijs, aangezien de mogelijkheid tot zogenaamd rijbewijstoerisme aanzienlijk kleiner wordt. In dit verband is met name de oprichting van een database van verkeersovertreders van wie in hun eigen land het rijbewijs is ontnomen, van belang. Daarmee kan zonder meer worden voorkomen dat dronken bestuurders hun rijbewijs eenvoudig in het buitenland opnieuw kunnen halen.
De termijn van 26 jaar waarin alle nu nog geldige rijbewijzen uit omloop moeten worden genomen, is mijns inziens echter te lang.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor het verslag-Grosch gestemd, dat gericht is op de herziening van de rijbewijsrichtlijn, teneinde alle regels over rijbewijzen bijeen te brengen in één document en ze daarmee transparanter en toegankelijker te maken voor de burgers. Als deze voorstellen het stadium van wet weten te bereiken, zal dat een einde maken aan de praktijk van het rijbewijstoerisme, waarbij iemand die in de ene lidstaat zijn rijbewijs heeft moeten inleveren, in een andere lidstaat gewoon een nieuw rijbewijs krijgt. Ik ken veel motorrijders die zich zorgen maken over de minimumleeftijd van 24 jaar voor zwaardere machines. Ik hoop dat zij het compromis, waarbij ze al eerder op zware motoren mogen rijden als ze over voldoende ervaring beschikken, aanvaardbaar vinden, omdat op die manier de veiligheid op de eerste plaats blijft komen.
Seán Ó Neachtain (UEN), schriftelijk. – (EN) Ik juich deze richtlijn toe, die de meer dan 110 verschillende rijbewijsmodellen zal vervangen die op dit moment in omloop zijn binnen de EU. Ik denk dat dit ene, nieuwe, EU-brede creditcardformaat in hoge mate zal bijdragen aan het tegengaan van het rijbewijstoerisme. Het netto effect hiervan zal zijn dat een lidstaat als Ierland kan weigeren een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbevoegdheid beperkt, geschorst of ingetrokken is in een andere lidstaat.
Ik steun ook het beoogde verkeersveiligheidsaspect van dit verslag, waarbij vanaf 2013 een verplicht theorie-examen wordt ingevoerd voor bromfietsers. Ook zal het beginsel van de "gefaseerde toegang" betekenen dat motorrijders eerst ervaring moeten opdoen op kleinere motorfietsen voordat ze mogen overstappen op zwaardere motoren.
Ik heb altijd verkondigd dat op bepaalde gebieden uitwisseling van beste praktijken en standaardisering op EU-niveau tot positieve resultaten kan leiden. In dit verband denk ik dat de standaardisering door de EU van de basiskwalificaties en nascholingsprogramma’s voor examinatoren een positieve ontwikkeling is.
Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. – (FR) In 2032 zullen onze kleinkinderen allemaal hetzelfde rijbewijs hebben! Eén enkel rijbewijsmodel voor alle Europeanen in creditcardformaat, de driving licence made in USA: een garantie voor meer veiligheid en een tastbaar teken van de Europese identiteit. Jammer genoeg moeten we 26 jaar wachten totdat de harmonisatie is afgerond; desalniettemin zullen de eerste rijbewijzen nieuwe stijl al in 2012 worden afgegeven.
Het werd tijd ook! Er zijn op dit moment 110 verschillende rijbewijsmodellen in de Europese Unie. Goed voor een mate van verwarring waar de minder nobelen onder ons van profiteren, en ook "goed" voor meer gevaar op de weg dan zou hoeven. Harmoniseren van de regelgeving in de lidstaten is de strijd aanbinden met het "rijbewijstoerisme", dat wil zeggen de mogelijkheid voor Europese burgers wier rijbewijs wegens een ernstig vergrijp in hun eigen land is ingetrokken, om elders in de EU een ander rijbewijs te verkrijgen.
De regels voor de opleiding van examinatoren zullen eveneens worden geharmoniseerd. Op die manier zal de kwaliteit van die opleiding in heel Europa gewaarborgd zijn.
Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik steun dit verslag, zij het met enkele bedenkingen, want ik ben er niet van overtuigd dat de certificering van bestuurders van gemotoriseerde voertuigen moet plaatsvinden op het niveau van de EU, dat wil zeggen mits de wederzijdse erkenning van normen tussen de lidstaten goed geregeld is. Ik ben sceptisch over de zorgen die door anti-Europees rechts zijn uitgesproken over het feit dat dit pakket via de achterdeur de identiteitskaart invoert, maar ik kan me wel enigszins vinden in het idee dat dit pakket tegemoet komt aan een behoefte die in de praktijk niet wordt gevoeld.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Mijn collega Richard Corbett is ongetwijfeld de grootste deskundige van het Parlement op het gebied van constitutionele zaken. Ik verwelkom dit laatste verslag over de wijziging van het Reglement, om het meer in overeenstemming te brengen met het nieuwe comitologiebesluit. Hoewel dit kan worden gezien als een zuiver technische kwestie, is het in feite een zeer politieke zaak, omdat de wijze waarop wij ons Reglement aanpassen direct effect heeft op onze vermogen om de EU-wetgeving te beïnvloeden. Richard is altijd bedreven geweest in het maximaliseren van de invloed van het Parlement.
Richard Corbett (PSE), schriftelijk. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, u zult gemerkt hebben dat dit verslag, deze wijziging van ons Reglement, is aangenomen met een meerderheid van slechts zeven stemmen. Het heeft erom gespannen. Ik denk dat dit aangeeft dat dit Huis het gevoel heeft dat deze wijziging niet strikt noodzakelijk is, maar van tijdelijke duur zal zijn – er is een uitdovingsclausule, die aan het eind van de zittingsperiode ingaat – en bedoeld is om de wel zeer moeilijke situatie die we nu hebben te helpen oplossen. Ik denk dat de les die we kunnen trekken uit deze krappe overwinning is dat iedere poging aan het eind van deze zittingsperiode om het leven van een vierde ondervoorzitter in elke commissie of een zesde quaestor te verlengen, tot mislukken gedoemd is, en ik ontraad dergelijke pogingen dan ook.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb gestemd tegen het verslag-Leinen over de wijziging van het Reglement om het aantal ondervoorzitters van de commissie van drie naar vier en het aantal quaestoren van vijf naar zes te verhogen. Ik denk eerlijk gezegd dat het belachelijk is om vier ondervoorzitters per commissie te hebben. Er is geen duidelijke rol weggelegd voor een vierde ondervoorzitter en deze toename is gewoon een politiek handigheidje dat ervoor moet zorgen dat de fractievoorzitters genoeg baantjes te verdelen hebben om hun belangrijkste steunpilaren tevreden te houden. De toename van het aantal quaestoren is wellicht iets gerechtvaardigder, maar ik denk dat het gevaarlijk is om een even aantal quaestoren te hebben.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) Het besluit om een Buitengrenzenfonds voor de Unie op te zetten komt precies op tijd. Ofschoon de grenzen onder de exclusieve nationale bevoegdheden vallen, is het ook zo dat deze grenzen tegelijkertijd buitengrenzen van de EU zijn. Er is hier dus altijd sprake van een dualiteit – we moeten dat erkennen en ernaar handelen. In tijden met een verhoogd risico – of dat nu terroristische dreigingen zijn, illegale immigratie of economische criminaliteit – moet grensversterking een prioriteit zijn, al mag dat er niet toe leiden (en dat zeg ik hier duidelijk) dat er hoge muren rond Europa worden opgetrokken of dat ons werelddeel tot een fort wordt omgebouwd. Waar het hier om gaat is dat de kosten die (voor een deel althans) voortvloeien uit het deel uitmaken van de Unie, eerlijk verdeeld worden. Dat is niet meer dan rechtvaardig. We hopen dat het fonds doeltreffend zal functioneren.
Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Afgaande op de titel van het verslag dacht ik dat de Europese Unie van plan was de lidstaten financieel bij te staan bij het naar hun land van herkomst terugsturen van illegale immigranten waarvoor een uitzettingsmaatregel van kracht is, of om hen op weg te helpen als hun wetgeving de mogelijkheid biedt van hulp bij de terugkeer van legale immigranten naar hun land.
Volgens ons heeft de EU geen bevoegdheden op immigratiegebied en moet zij die ook niet krijgen. Een goede reden voor een voorstel als dit had eventueel nog gelegen kunnen zijn in de, alle Europese landen treffende, gevolgen van het desastreuze legaliseringsbeleid van enkele landen, zoals Spanje en Frankrijk, dat een heuse aanzuigende werking heeft op de illegale immigratie.
Welnu, naast de financiering van de repatriëring van illegale vreemdelingen blijkt het ook te gaan om financiële prikkels en andere vormen van bijstand in verband met herintegratie, werk en weet ik wat al meer, met het oog op, ik citeer, de "persoonlijke ontwikkeling" van de gerepatrieerde illegaal!
Dat is in zekere zin een premie op illegaliteit, en een stimulans om het nog eens over te doen!
Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Het Europees Terugkeerfonds is de zoveelste stap in de bevordering van het antimigratiebeleid van de EU. Dit fonds maakt deel uit van het meer algemene programma "Solidariteit en beheer van de migratiestromen", dat een financieel ruggensteuntje dient te zijn voor het 'Fort Europa'. Dit betekent: intensievere controle en een 'snelle-reactiemacht' aan de buitengrenzen van de EU, feitelijke afschaffing van asiel en vluchtelingenbescherming, en nog meer onderdrukking van economische immigranten.
Het terugkeerfonds dient ter ondersteuning van de mechanismen voor gedwongen terugkeer van 'illegale' immigranten naar de landen van herkomst. Dit is dus in feite een fonds waarmee massale uitzetting van economische immigranten en vluchtelingen wordt ondersteund. Daaruit blijkt hoe hypocriet de EU is als zij spreekt over de maatschappelijke integratie van immigranten.
Het migratiebeleid van de EU beweegt zich uitsluitend in het kader van de Strategie van Lissabon. De invalshoek is dus winstverhoging voor het Europees kapitaal. In het kader van dit beleid wordt een reactionair institutioneel kader van de lidstaten en de EU opgezet, waarmee miljoenen immigranten in heel de EU gevangen zitten in een situatie van illegaliteit of gedeeltelijke legaliteit. Op die manier zijn ze de gegijzelden van het kapitaal. Het kapitaal buit deze mensen op de meest meedogenloze wijze uit, betaalt hun hongerlonen, weigert hen te verzekeren, ontzegt hun de meest elementaire arbeidsrechten en weigert hun toegang tot de meest elementaire sociale en politieke rechten.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd, dat de aanpassing aan de nieuwe comitologieprocedure tot onderwerp heeft. Ook al is dit een technisch verslag, ik wil benadrukken dat ik achter de inhoud sta, die waarborgt dat geneesmiddelen en andere producten voor kinderen worden afgestemd op hun behoeften en niet gewoonweg variaties zijn (ofwel lagere doses) van geneesmiddelen voor volwassenen.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik juich dit verslag toe, dat beoogt een Europese procedure voor geringe vorderingen vast te stellen. Die is bedoeld om de procesvoering betreffende geringe vorderingen (tot tweeduizend euro) te versnellen en de kosten voor de partijen terug te dringen. Het feit dat het voor schuldeisers in bepaalde landen gemakkelijker is om vorderingen via een procedure te innen dan in andere, leidt tot een verstoring van de interne markt, dus ik sta positief tegenover deze poging om gelijke voorwaarden te scheppen.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik onderschrijf de doelstellingen van dit verslag over misdaadpreventie en -bestrijding volledig. Het specifieke programma "Preventie en de bestrijding van criminaliteit 2007-2013" is een welkome poging om bij te dragen aan een hoog niveau van veiligheid voor de burgers door middel van de preventie en bestrijding van criminaliteit, met name terrorisme, mensenhandel, misdaden tegen kinderen, drugs- en wapensmokkel, corruptie en fraude. Al deze activiteiten hebben duidelijk een grensoverschrijdend aspect en daarom kan coördinatie door de EU echte meerwaarde hebben voor de wetshandhaving op nationaal niveau.
Carl Lang (NI), schriftelijk. – (FR) Voorgesteld wordt het Schengeninformatiesysteem "SIS" aan te passen, dat, hoewel het doorgaat voor een succesverhaal, niet zal kunnen functioneren met meer dan achttien lidstaten. Volgens de eurofielen zou "SIS II" dan ook een uiterst geavanceerd systeem moeten worden, dat ook de nieuwe lidstaten in staat moet stellen het gehele Schengenacquis toe te passen door middel van het afschaffen van de controles aan de binnengrenzen met hun buurlanden.
Met dit instrument, dat aanvankelijk werd opgezet vanuit de voor ons aantrekkelijke invalshoek van samenwerking tussen lidstaten, met name politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, zou het nu best wel eens de verkeerde – federalistische en totalitaire – kant op kunnen gaan. Deze potentiële Europese Big Brother beschikt immers over de meest uitgebreide persoonsgegevens-databank met meer dan vijftien miljoen ingangen die uitgebreide informatie geven, van naam en voornaam en lichamelijke kenmerken tot informatie over verloren, gestolen of verduisterde bankbiljetten.
Afgezien van het feit dat een dergelijke concentratie van informatie een bedreiging kan vormen voor de privésfeer en de vrijheid van denken, is er alle reden om bang te zijn dat SIS II het boekje van zijn voornaamste missie, politiële en justitiële samenwerking, steeds verder te buiten zal gaan en zal verworden tot de subjectieve spion van het eurofiele en globalistische systeem.
Árpád Duka-Zólyomi (PPE-DE). – (SK) Ik ben tevreden met de uitslag van de stemming over de verordening betreffende nucleaire veiligheid. Kernenergie vormt een belangrijke schakel in het waarborgen van een stabiele en schone elektriciteitsvoorziening voor de wereld.
Na de ongelukken in de kerncentrales van Three Mile Island en Tsjernobyl heeft de Commissie haar aandacht gericht op de landen van Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie. De hulp die aan deze landen wordt verleend, heeft op substantiële wijze bijgedragen aan de vergroting van de veiligheid in de lokale kerncentrales. De Slowaakse Republiek heeft ook omvangrijke hulp ontvangen om de veiligheid van de kerncentrales van Jaslovské Bohunice en Mochovce te verbeteren, met als gevolg dat die thans hetzelfde veiligheidsniveau hebben bereikt als soortgelijke kerncentrales in West-Europese landen.
Het is tevens wenselijk dat communautaire bijstand wordt verleend aan ontmantelde kerncentrales en aan installaties die in aanbouw of in bedrijf zijn en dat een veilige behandeling van radioactief afval en verbruikte splijtstof wordt gewaarborgd. Het voorstel voor een verordening sluit aan bij zowel de belangen van de Europese Unie als de doelstellingen en de missie van Euratom. Door de veiligheid van kerninstallaties buiten de grenzen van de Europese Unie te vergroten dragen wij in hoge mate bij aan de bescherming van de gezondheid van de Europese burgers en de non-proliferatie van kernwapens.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor het verslag gestemd dat gaat over hulp en samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid tussen de Gemeenschap en derde landen, voornamelijk landen in Oost-Europa en Centraal-Azië. Het beoogt de invoering van een instrument voor hulp op het gebied van nucleaire veiligheid en beveiliging. Het ongeval in Tsjernobyl in 1986 heeft duidelijk gemaakt dat nucleaire veiligheid van mondiaal belang is. Om de voorwaarden voor veiligheid te scheppen die nodig zijn om de risico’s voor het leven en de gezondheid uit te bannen, moet de EU de nucleaire veiligheid in derde landen kunnen steunen. In het verslag wordt het juiste evenwicht gevonden door de EU toe te staan het gebruik van veiligere technologieën en methoden te bevorderen, terwijl derde landen niet van de plicht worden ontheven om te garanderen dat de nucleaire installaties op hun grondgebied veilig zijn en aan de milieunormen voldoen.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb mijn steun gegeven aan het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot wijziging van verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld, maar we moeten ook een vrijstelling geven aan personen die onderdaan van geen enkel land zijn, die in een lidstaat verblijven en die houder zijn van een vreemdelingenpaspoort, een paspoort voor niet-burgers of enig ander reisdocument dat is uitgegeven door een lidstaat.
Gerard Batten, Graham Booth, Derek Roland Clark, Nigel Farage, John Whittaker en Thomas Wise (IND/DEM), schriftelijk. – (EN) Hoewel we volledig voor democratie zijn en het schenden van mensenrechten veroordelen, erkennen we de morele of politieke autoriteit van de Europese Unie om uitspraken te doen op dit gebied niet.
Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De Communistische Partij van Griekenland neemt geen deel aan de procedure voor toekenning van de zogenaamde Sacharovprijs, die een prijs veronderstelt te zijn voor de vrijheid van denken, maar in de praktijk de politieke en ideologische doelstellingen van de EU dient. Voor het Europees Parlement wordt de 'vrijheid van denken' vooral beoefend door degenen die voorstander zijn van het imperialisme en dit dienen. Juist daarom worden 'persoonlijkheden' of 'organisaties' onderscheiden die de imperialistische barbaarsheid bevorderen. Die prijs is bijvoorbeeld gegeven aan Cubaanse antirevolutionairen en in 2006 aan de oogappel van de VS, NAVO en EU, de Wit-Rus Milinkevich, die tijdens de laatste verkiezingen het 'geweldige' resultaat van 6 procent van de stemmen heeft gekregen, dankzij een dik pak geld van miljoenen euro’s van de EU.
Voor ons is de resolutie onaanvaardbaar. Deze is een provocerende interventie in de binnenlandse aangelegenheden van Cuba. Daarmee wordt immers besloten een delegatie van het Parlement naar Cuba te sturen, zonder ook maar enigszins rekening te houden met de regering van dit land, ofschoon deze de volkssteun heeft en op heldhaftige wijze strijdt tegen het embargo en het gekonkel van het imperialisme.
Wij geven uiting aan onze solidariteit met Cuba, dat het socialisme verdedigt en opbouwt, ondanks de verwoede pogingen van de imperialisten om daar een stokje voor te steken.
De fracties van het Europees Parlement – met inbegrip van de meerderheid van de GUE/NGL-Fractie – hebben enorme politieke verantwoordelijkheden. Zij proberen immers de voorwaarden te scheppen waarmee zij de openlijke of geheime oorlog tegen de Cubaanse revolutie kunnen rechtvaardigen. Niet alleen de communisten maar alle progressieve mensen hebben de plicht deze revolutie te beschermen.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) De Sacharovprijs wordt toegekend aan mannen en vrouwen die hun leven hebben gewijd aan de verdediging van de vrijheid van meningsuiting, democratie, vrijheid en de mensenrechten. Ze hebben daar vaak persoonlijke offers voor moeten brengen.
Het wekt dan ook geen verbazing dat sommige van deze mannen en vrouwen van het repressieve regime in hun landen geen toestemming krijgen om de prijs in ontvangst te nemen. Dat we hierop voorbereid zijn betekent niet dat dit ons onverschillig kan laten. Ik ben daarom heel tevreden met het besluit van dit Parlement om een mechanisme te ontwikkelen voor het volgen van al die gevallen waarin een prijswinnaar verhinderd is de – verdiende – prijs in ontvangst te nemen (of naar het Europees Parlement terug te keren, zoals dat met Oswaldo Payá gebeurd is). Ik noem verder Aung San Suu Kyi, die in Myanmar nog steeds onder huisarrest staat, en de Damas de Blanco, die de prijs in 2005 hebben gewonnen, maar van het regime van Fidel Castro op Cuba geen toestemming hebben gekregen de prijs in ontvangst te nemen.
Door de prijswinnaars te verhinderen hun prijs in ontvangst te nemen maken deze regimes duidelijk dat de prijs terecht was toegekend. Daarom is het heel belangrijk dat we de strijd voor de meest elementaire vrijheden in Myanmar en Cuba …
(Verklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)
Sarah Ludford, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, met spijt moet ik zeggen dat de ALDE-Fractie verkeerd gestemd heeft over amendement 1, van de PPE-DE-Fractie, op het verslag-Roure. We hadden tegen dit amendement moeten stemmen en het is een klinkklare fout geweest op de stemmingslijst. Ik aanvaard dat het amendement technisch gesproken is aangenomen en dat we daar niets meer aan kunnen doen, maar ik wil wel zeggen dat de stemming politiek gezien niet de wil van het Huis uitdrukt, die maandagavond wel is uitgedrukt in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, toen een vergelijkbaar amendement duidelijk werd verworpen.
Daar is niets meer aan te doen, maar het standpunt van de ALDE-Fractie blijft dat we niet akkoord zullen gaan met de verordening betreffende het visuminformatiesysteem totdat we een adequaat kaderbesluit over gegevensbescherming hebben, en we staan volledig achter alles wat mevrouw Roure als rapporteur doet om dat besluit over gegevensbescherming te realiseren. We steunen haar oprecht, en het feit dat we dat bij deze gelegenheid niet tot uitdrukking hebben gebracht is een technische - ik zou ook een onbeleefder woord kunnen gebruiken - fout waarvoor waarschijnlijk een aantal van ons, vrees ik, de verantwoordelijkheid dragen.
We zullen proberen ervoor te zorgen dat dit nooit meer zal gebeuren, maar de manier waarop we gestemd hebben geeft niet ons werkelijke standpunt ten aanzien van amendement 1 weer.
Carlos Coelho (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) We moeten de bescherming van persoonsgegevens garanderen en verhinderen dat deze gegevens oneigenlijk gebruikt worden. Iedereen heeft het recht op zijn of haar identiteit en privacy.
De versterkte samenwerking tussen de justitiële en politiële autoriteiten bij de bestrijding van de transnationale criminaliteit heeft ertoe geleid dat steeds meer persoonsgegevens worden overgedragen.
We hebben er steeds op aangedrongen dat bij deze overdrachten grondrechten als het recht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens gerespecteerd worden. Van belang is ook dat het wederzijds vertrouwen tussen de bevoegde politiële en justitiële autoriteiten versterkt wordt.
We zijn daarom voorstander van het opstellen van een kaderbesluit dat aansluit bij hetgeen voor de eerste pijler is vastgelegd. Het zou onzinnig zijn als de Unie onder de eerste pijler een hoog beschermingsniveau voor persoonsgegevens garandeert en vervolgens afwijkende regels opstelt voor de derde pijler.
Waar het om gaat is dat er een hoge mate van bescherming wordt geboden, maar dat daarbij wel rekening wordt gehouden met het bijzondere karakter van het werk van politie en justitie.
Dit onderwerp sleept zich voort van het ene voorzitterschap naar het andere, en het ziet er helaas niet naar uit dat de Raad bereid is een beslissing te nemen.
De Raad dient echter goed te beseffen dat dit kaderbesluit nauw verband houdt met een aantal onderwerpen die nu aan het Parlement worden voorgelegd, zoals het visuminformatiesysteem. Het is niet de bedoeling dat deze voorstellen nu afhankelijk worden van de goedkeuring van het kaderbesluit.
Camiel Eurlings (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) De PPE-DE-Fractie is er niet alleen op gebrand dat de Raad een kaderbesluit over gegevensbescherming aanneemt waarin naar behoren rekening wordt gehouden met de mening van het Europees Parlement, maar ook dat dit snel gebeurt, zoals de Raad dat beloofd heeft bij het aannemen van zowel het Schengeninformatiesysteem (SIS)-II-pakket als de overeenkomst met de Verenigde Staten van Amerika inzake het gebruik van persoonsgegevens van passagiers. Wij zijn sterk van mening dat een krachtig kaderbesluit het aannemen van het visuminformatiesysteem (VIS) in hoge mate zal vergemakkelijken. Maar hoewel we het zeer wenselijk vinden dat er snel een kaderbesluit wordt aangenomen, zijn we het eens met de verklaring van de rapporteur dat de aanneming van het kaderbesluit niet kan worden opgevat als een sine qua non voor toekomstig werk. De PPE-DE-Fractie zal alles doen wat in haar macht ligt om een verantwoordelijke en loyale partner in het wetgevingsproces te zijn.
Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De ontwerpaanbeveling maakt in feite duidelijk dat het Europees Parlement weigert om de fundamentele mensenrechten ook maar enigszins te beschermen.
Eerst hebben de politieke krachten van het kapitaal hun instemming betuigd met de Schengenovereenkomst, in haar meest recente versie, met het inlichtingensysteem SIS II en met het visuminformatiesysteem, VIS, waarmee het vergaren, verwerken en uitwisselen van persoonsgegevens en zelfs van gegevens met betrekking tot de politieke, ideologische, filosofische, religieuze en andere overtuigingen van de burgers van de EU en de opname van biometrische en DNA-gegevens gelegaliseerd worden, en nu doen ze alsof ze ongerust zijn omdat de Raad de richting uitgaat van een besluit waarmee geen 'hoog niveau van bescherming' van de gegevens kan worden geboden. Eerst hebben zij ingestemd met de mogelijkheid om persoonsgegevens over te dragen aan politie- en geheime diensten van derde landen, bijvoorbeeld via de overeenkomst EU/VS inzake de overdracht van persoonsgegevens van Europeanen die naar de VS vliegen (PNR), en zelfs met de mogelijkheid om dergelijke persoonsgegevens over te dragen aan particulieren, maar nu roepen ze de Raad op om de bescherming van de persoonsgegevens te verzekeren, na rekening te hebben gehouden met de 'bijzondere aard van het werk van de politiële en justitiële diensten'.
De hypocriete aanbevelingen kunnen niet verhullen dat het Europees Parlement zich geheel schaart achter het beleid waarmee de Europese burgers onder voortdurende politiecontrole worden geplaatst en hun persoonsgegevens in politiedossiers worden opgeslagen.
Bernadette Bourzai (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik wil mevrouw Morgan feliciteren met haar initiatief om een verslag op te stellen over het door de Commissie gepresenteerde Groenboek over een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie.
Wij moeten immers een antwoord formuleren op fundamentele vragen voor de toekomst van Europa: hoe de energievoorziening veilig te stellen tegen voorspelbare prijzen die op te brengen zijn, ook door de minst draagkrachtige burgers? Hoe onze afhankelijkheid van fossiele energiebronnen en van slechts enkele, op wereldschaal producerende landen te verminderen?
Ik heb me echter van de eindstemming onthouden, omdat ik denk dat het voorstel van de volledige splitsing van de eigendom van de energienetten niet het juiste antwoord is op deze vragen, met name die op het vlak van de zekerheid van investeringen en voorziening.
Als vicevoorzitter van de Delegatie EU-Centraal-Azië maak ik me zorgen over de roep om een groter aandeel in de energievoorziening van energie uit producerende landen in Centraal-Azië, zoals Kazachstan, Turkmenistan en Oezbekistan.
Het gaat hier immers om landen die de democratie en de rechtsstaat aan hun laars lappen, en met Voorzitter Borrell denk ik dat olie, gas en elektriciteit niet inwisselbaar zijn voor mensenrechten.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Het nu goedgekeurde verslag sluit helaas precies aan bij het voorstel van de Commissie en maakt maar al te duidelijk wat er met de "Europese energiestrategie" wordt bedoeld – liberalisering met controle over de toeleveringsbronnen, waarbij de soevereiniteit van andere volken bedreigd wordt.
Het verslag gaat uit van het idee dat de "markt" het probleem van de voorziening en het verbruik van energie zal oplossen, maar rept met geen woord over iets wat steeds duidelijker wordt, en dat is dat de "markt" uitsluitend de belangen van een zeer kleine groep dient, die enorme winsten opstrijkt, en niet de belangen van de consument, die steeds hogere rekeningen voorgelegd krijgt en steeds vaker met stroomuitval geconfronteerd wordt. Er is geen werkelijke strategie om een oplossing te vinden voor het overmatig energieverbruik en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, en daarom wordt de "markt" als oplossing gepresenteerd.
We vinden het verder onaanvaardbaar dat de oplossing voor de vervuiling bestaat in een systeem voor de handel in emissierechten. Dat zal niet helpen de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Het zal alleen maar leiden tot hogere winsten van degenen die in een positie verkeren om die winsten te realiseren, als gevolg waarvan de ongelijkheid binnen de context van ontwikkeling alleen maar zal toenemen.
Daar komt bij dat een gemeenschappelijk extern energiebeleid een nieuwe bedreiging vormt van de soevereiniteit van die lidstaten die het sterkst afhankelijk zijn van …
(Verklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)
Vasco Graça Moura (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) Het groenboek over "Een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie" vormt de basis voor het Europese actieplan inzake energie-efficiëntie, dat begin 2007 moet worden gepresenteerd. Dat actieplan is een uiterst belangrijk document dat een sleutelrol zal vervullen bij het bestrijden van klimaatverandering, milieuvervuiling en het misbruik van natuurlijke hulpbronnen, en het verzekeren van de energievoorziening.
In dit verslag worden glasheldere doelstellingen voorgesteld: tegen 2020 zou 20 procent van de in de EU geproduceerde energie afkomstig moeten zijn van hernieuwbare energiebronnen; in 2040 zou dat 50 procent moeten zijn. De kooldioxide-uitstoot moet tegen 2020 met 30 procent zijn teruggebracht, en met minstens 60 procent in 2050. Het verslag verwijst verder naar de in het Groenboek opgenomen doelstelling met betrekking tot energie-efficiëntie. Het Europese verbruik zou tegen 2020 met 20 procent moeten zijn teruggebracht.
Met betrekking tot hernieuwbare energie doet het verslag het voorstel om vooral in mariene hulpbronnen (energie uit golven en getijden en het enorme potentieel dat offshore windenergie vertegenwoordigt) en zonne-energie te investeren. Het verslag dringt er verder bij de Commissie op aan om een onpartijdig onderzoek uit te voeren naar de (mogelijke) voor- en nadelen van kernenergie en kernenergiecentrales …
(Verklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)
Marie-Noëlle Lienemann (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb tegen dit verslag gestemd, dat onder het mom van duurzame ontwikkeling en zekerheid van de energievoorziening een voorstel inhoudt voor een nieuwe liberaliserings- en concurrentiefase in een sector waar de publieke dienstverlening juist versterkt zou moeten worden.
In het verslag wordt gesteld dat de splitsing tussen de bedrijven die zich bezighouden met de verhandeling van energie en de neteigenaren en –beheerders in sterkere mate moet worden doorgevoerd, waarbij er bovendien op wordt gehamerd dat er op beide terreinen onderscheid moet komen voor wat betreft de eigendom. Dit komt neer op het ontkennen van het bestaan van overheidsbedrijven die zich bezighouden met het gehele takenpakket van de publieke dienstverlening op dit gebied.
Ik weiger mijn steun te geven aan zo’n beleid van totale privatisering en concurrentie, dat een verhoging van de energieprijzen in de hand werkt, geen enkele garantie inhoudt voor het terugdringen van het verbruik en het ontwikkelen van hernieuwbare energie, en de ongelijkheid tussen gebieden, maar ook tussen burgers, vergroot.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor het verslag-Morgan over een Europese energiestrategie gestemd. Ik ben ervan overtuigd dat het verslag de juiste weg wijst naar een duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa en dat de regeringsleiders er goed aan doen om de nodige aandacht aan dit verslag te schenken wanneer ze in maart bijeenkomen om de toekomst van het energiebeleid van de EU te bespreken. Mijn enige teleurstelling is dat het Parlement zich niet sterker heeft gemaakt voor de 'ontvlechting' van energie-eigendommen om belangenverstrengeling te voorkomen en gelijkere voorwaarden voor concurrentie op de energiemarkt te creëren.
Mary Lou McDonald (GUE/NGL), schriftelijk. – (EN) Dit verslag bevat een aantal punten waarmee wij het niet eens zijn, met name op het gebied van nucleaire energie en liberalisering. We hebben echter besloten om voor te stemmen, omdat het verslag ook een groot aantal positieve elementen bevat, met name de nadruk die wordt gelegd op hernieuwbare energie, die schoon, kosteneffectief en veilig is. Ook zijn we het ermee eens dat energiearmoede een belangrijkere plaats moet krijgen in de voorstellen.
Peter Skinner (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd om de consument centraal te stellen in het energiebeleid en bij te dragen tot het effectief aanpakken van schadelijke emissies, zoals die van CO2.
De effectiviteit van een systeem voor de handel in koolstofemissies is afhankelijk van de internationalisering van de markt. Bovendien zijn de ambitieuze doelstellingen met betrekking tot de reductie van de uitstoot van CO2 voor de periode 2020-2050 die in dit verslag worden voorgesteld, de enige verstandige weg vooruit.
Het is echter van cruciaal belang dat de EU zowel de methodologie als de doelstellingen van het Europees systeem voor emissiehandel (ETS) op orde brengt als zij mondiaal leider wil blijven bij het werken aan een schoner milieu, en een pan-Europees energiebeleid tot stand wil brengen. Het gevaar bestaat dat als er nu geen actie wordt ondernomen, zowel ons milieu als ons energiebeleid bedreigd zullen worden.
Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur, mevrouw Morgan, van harte feliciteren met dit verslag, en ik ben haar dankbaar voor het feit dat ze zoveel amendementen heeft opgenomen die tegemoetkomen aan specifieke Schotse zorgen. De energiemarkten van de Unie zijn in toenemende mate met elkaar verbonden en worden steeds afhankelijker van elkaar, en het is terecht dat er een Europees kader wordt ontwikkeld om te waarborgen dat onze consumenten profijt hebben van onze gemeenschappelijke markt. Vanuit een Schots perspectief hebben we een bijzonder belang in het energiedebat, gegeven onze grote energiebronnen en een zelfs nog groter energiepotentieel. Dat potentieel wordt op dit moment onvoldoende aangeboord, door de kortzichtigheid van de regering van het Verenigd Koninkrijk, en dit verslag zal ons, vanuit de EU, helpen bij het ter verantwoording roepen van de regering.
Catherine Trautmann (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik feliciteer mijn collega Eluned Morgan met haar initiatiefverslag over een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie.
Dit verslag houdt een aanmerkelijke vooruitgang in op milieuvlak en op sociaal vlak, met name in de vorm van een betere toegankelijkheid van energie voor de minst draagkrachtigen.
Ik heb me echter van de eindstemming onthouden, omdat ik de totale eigendomssplitsing in de gassector betreur. Gezien het geheel eigen karakter van deze strategische sector denk ik dat een wat soepeler splitsing beter zou zijn geweest voor het veiligstellen van voorziening en investeringen.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Dit verslag schiet tekort en we zijn het met een aantal punten niet eens. Het bevat echter ook positieve aspecten, onder andere op die punten waar gepleit wordt voor alternatieve en hernieuwbare energiebronnen. We moeten er intussen wel op wijzen dat biobrandstoffen geen duurzame oplossing inhouden voor de belangrijkste problemen die uit energieafhankelijkheid voortvloeien. Ze vertegenwoordigen immers uitsluitend een lokaal technisch belang en hun impact is beperkt. Daar komt bij dat de productie van biomassa en biobrandstoffen niet in de plaats mag komen van de belangrijkste functie van de landbouw – de productie van voedsel.
We mogen de desastreuze gevolgen die de productie van verschillende typen oliehoudende zaden in de zich ontwikkelende landen heeft gehad, niet vergeten. Enorme stukken bos zijn zo verloren gegaan en deze oliehoudende zaden worden in Europa als grondstof voor de productie van biobrandstoffen gebruikt.
Wij zijn het daarom niet eens met de al te sterke nadruk die wordt gelegd op de bevordering van het verbouwen van energetische gewassen als basismateriaal voor het verkrijgen van biobrandstoffen. Zulke gewassen gebruiken immers schaarse productiehulpmiddelen, zoals water, landbouwgrond en verschillende typen bemesting.
Daarom vinden wij dat de Gemeenschap zich vooral dient te concentreren op het bevorderen van de productie van biomassa en –brandstoffen op basis van verschillende soorten organisch afval (afval afkomstig uit de bosbouw, vast afval, stadsafval, eetbare oliën en het afval dat overblijft na waterzuivering).
Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Welke hoop we ook vestigen op biomassa en biobrandstoffen, ze zijn slechts een deel van de oplossing van de energieafhankelijkheidsproblematiek van onze landen en van de productie van schone en hernieuwbare energie.
In de eerste plaats omdat het hele Europese landbouw- of bosareaal, en zelfs dat van de hele wereld, nog tekort zou schieten om onze behoeften te dekken, en omdat het geen pas geeft om de ene afhankelijkheid in te ruilen voor een andere die nog ernstiger zou zijn, namelijk afhankelijkheid op voedselgebied. Een tweede punt is dat de wereldwijde koolstofbalans niet per definitie zo positief is als men ons wil doen geloven.
We moeten natuurlijk profiteren van het potentieel van deze energiebronnen, maar niet ten koste van de voedselproductie, niet ten koste van bossen en wouden, van de biodiversiteit, van de andere productievormen op dit gebied, bijvoorbeeld de houtproductie of andere toepassingen, of ten koste van de vooruitgang die zich aandient dankzij het onderzoek naar nieuwe motortypen of waterstoftoepassingen. En om te beginnen moeten we een eind maken aan de absurde situatie dat in mijn land, Frankrijk, gemeenten of landbouwers veroordeeld kunnen worden tot hoge boetes wegens het gebruik van biobrandstoffen in het openbaar vervoer of in tractoren, in strijd met onzinnige belastingregels.
Alyn Smith (Verts/ALE), schriftelijk. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer onze rapporteur voor het leiden van de onderhandelingen op dit complexe gebied. Biomassa en biobrandstoffen hebben wereldwijd een enorm potentieel, maar de groei van deze sector moet te allen tijde zorgvuldig worden beheerd. Ik weet zeker dat ik niet de enige ben die brieven ontvangt van kiezers die bezorgd zijn dat een onvoorzien gevolg van dit beleid kan zijn dat de tropisch regenwouden worden gedecimeerd, om plaats te maken voor het eenzijdig telen van gewassen voor de productie van biobrandstoffen. Ik denk dat dit verslag, zoals gewijzigd, deze zorgen naar behoren in aanmerking neemt en ik steun het vandaag dan ook met genoegen.
(De vergadering wordt om 13.00 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)
VOORZITTER: JANUSZ ONYSZKIEWICZ Ondervoorzitter
9. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
10. Conventie van Den Haag over effecten (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is het debat over de mondelinge vraag (O-0120/2006 B6-0447/2006) aan de Commissie over de gevolgen van ondertekening van de Conventie van Den Haag over effecten, van Pervenche Berès, Wolf Klinz, Enrique Barón Crespo, Monica Frassoni, Magda Kósáné Kovács, Louis Grech, Adeline Hazan, Alain Lipietz, Antolín Sánchez Presedo, Benoît Hamon, Rosa Miguélez Ramos, Bernard Poignant, Donata Gottardi, Catherine Trautmann, Giovanni Pittella, Henri Weber, Inés Ayala Sender, Jean Louis Cottigny, Jean-Luc Bennahmias, Marc Tarabella, Jean-Paul Gauzès, Kader Arif, Marie-Arlette Carlotti, Martine Roure, Nicola Zingaretti, Yannick Vaugrenard, Harlem Désir, Gilles Savary, Guy Bono, Janelly Fourtou, Rosa Díez González, Michel Rocard, Marie-Line Reynaud, Bernadette Vergnaud, Béatrice Patrie, Catherine Guy-Quint, Pierre Moscovici, Jean-Claude Fruteau, Csaba Sándor Tabajdi.
Pervenche Berès (PSE), auteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, wij bespreken vanmiddag de kwestie van de ondertekening door de Europese Unie van de Conventie van Den Haag over de wetgeving die van toepassing is op bepaalde rechten op effecten die via intermediairs worden aangehouden.
Dit Parlement is akkoord gegaan met de toetreding van de EU tot de Conventie van Den Haag, met dien verstande dat het democratische controle wil uitoefenen op elke sectorgerichte ratificatie. De conventie in kwestie baart ons in meerdere opzichten zorgen, met name omdat zij moet leiden tot de herziening van een aantal richtlijnen die wij op dit terrein hebben aangenomen. Ik denk daarbij aan de "Zekerhedenrichtlijn", de "Finaliteitsrichtlijn" en de richtlijn betreffende de liquidatie van kredietinstellingen. Toch zouden we deze richtlijnen nog zonder al te veel problemen kunnen aanpakken, ware het niet dat we beducht zijn voor de volgende drie fundamentele obstakels.
Ten eerste biedt de ratificatie van deze conventie over de wetgeving die van toepassing is op bepaalde rechten op effecten, de partijen zó veel speelruimte bij de keuze van het toepasselijke recht, dat wij ernstig vrezen dat het gehele samenstel van regelgeving dat al zo lang en nauwgezet wordt toegepast in de Europese Unie ter bestrijding van het witwassen van geld, heel eenvoudig omzeild kan gaan worden.
Ten tweede lijken de aanbevelingen van de FATF, de financiële taskforce betreffende het witwassen van zwart geld, over de noodzaak om de eigenaren van effecten te kunnen identificeren, ons absoluut onverenigbaar met deze Conventie van Den Haag, voor zover deze conventie de partijen – opnieuw – te veel vrijheid laat bij de keuze van het toepasselijke recht.
Ten derde vrezen wij dat de inwerkingtreding van zo’n conventie leidt tot het omzeilen van de regelgeving die de Unie heeft vastgesteld op het gebied van marktmisbruik. Nogmaals, zonder duidelijke identificatie zijn wij bang dat sommige in Europees verband ingevoerde verplichtingen omzeild kunnen worden. Wat dat betreft wijs ik hier, bij wijze van uitzondering, op het advies van de Europese Centrale Bank, waarin de intrekking van dit voorstel wordt bepleit. Zoals u weet heeft de Europese Centrale Bank zich in zijn advies uiterst gereserveerd getoond; hij heeft onder meer gewezen op het inherente risico van het systeem zelf en het risico van de exponentiële toename van het aantal geschillen, hetgeen heldere arbitrage bij het bepalen van de rangorde van de zekerheidsstellingen in de weg zou kunnen staan.
Mijnheer de commissaris, uw Commissie heeft van "beter wetgeven" zo ongeveer een leitmotiv voor haar handelen gemaakt: we hebben het hier over een schoolvoorbeeld van een onderwerp waarop u dit beginsel in de praktijk kunt brengen. Daarom verzoeken wij de Commissie om intrekking van haar voorstel voor de ratificatie van de Conventie van Den Haag over de wetgeving die van toepassing is op bepaalde rechten op effecten.
Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Berès, dames en heren afgevaardigden, het voorstel van de Commissie uit 2003 inzake de ondertekening van de Conventie van Den Haag over effecten is op een dood punt beland. De Verenigde Staten en Zwitserland hebben de conventie in juli 2006 ondertekend, terwijl Europa zich beraadt en de Raad verdeeld is.
In 1998 is de "plaats van het depot van de rekening"-formule ingevoerd, eerst in de Finaliteitsrichtlijn, en vervolgens in de richtlijn betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen en de richtlijn betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten. Deze heeft sterk bijgedragen aan de waarborging van de rechtszekerheid met betrekking tot het recht dat van toepassing is op via intermediairs aangehouden effecten.
Hoewel uit niets blijkt dat er praktische problemen zijn op de interne markt, blijft de reikwijdte van deze richtlijn hoofdzakelijk beperkt tot situatie waarin de effecten dienst doen als garanties in de banksector. Om in de gedematerialiseerde, virtuele wereld waarin wij leven te bepalen wat de plaats is van het depot van een rekening, is het nodig om een nieuwe gemeenschappelijke regeling op te stellen, bijvoorbeeld via een normalisering van bankrekeningnummers.
Het doel van de onderhandelingen over de Conventie van Den Haag over effecten was om tot één gemeenschappelijke formule te komen die op internationaal niveau toepasbaar zou zijn. Hiertoe wordt in de conventie de keuze van de wetgeving die de eigendomsrechten met betrekking tot de effecten moet regelen, aan de betrokken partijen overgelaten. Aangezien alle lidstaten destijds met dit compromis hadden ingestemd, stelde de Commissie in 2003 voor om de conventie te ondertekenen. Sindsdien hebben meerdere lidstaten nieuwe vragen omtrent dit plan opgeworpen. De Raad heeft de Commissie toen om nadere gegevens gevraagd over vier specifieke juridische kwesties. Het antwoord daarop kwam in de vorm van een evaluatie van de juridische gevolgen van de conventie, die werd uitgevoerd door de diensten van de Commissie en op 3 juli jongstleden aan de Raad werd gecommuniceerd.
In die studie meenden de diensten van de Commissie dat ondertekening van de conventie op dit moment de eenvoudigste oplossing vormde om op internationaal niveau over één regeling te beschikken. In de effectbeoordeling werden bovendien alternatieven voor ondertekening van de conventie aangedragen, met name de uitbreiding van de clausule van de plaats van het depot van de rekening tot alle toepassingen van effecten, en dus niet alleen de toepassingen als garanties.
Om op deze basis een oplossing op internationaal niveau te verkrijgen zouden er echter nieuwe onderhandelingen moeten worden aangeknoopt met de derde landen. In dit stadium neemt de Commissie het standpunt over van mijn collega die belast is met de interne markt, en denkt zij niet dat een evaluatie van de gevolgen van de conventie voor economie en bedrijfsleven, zoals genoemd in de mondelinge vraag, ons dichterbij het vinden van een oplossing zou brengen. De lidstaten die in 2002 over de conventie hebben onderhandeld en die er vandaag binnen de Raad over debatteren, vonden een dergelijke studie namelijk noch destijds noch daarna nodig.
In overeenstemming met het interinstitutionele akkoord en ten behoeve van doeltreffender wetgeving, zou de Commissie iedere externe aanvullende analyse van de juridische of economische gevolgen, waarmee we weer verder zouden kunnen komen, verwelkomen.
Zoals ik u al zei, verkeert deze zaak in een impasse in de Raad, maar blijft de Commissie openstaan voor alle voorstellen. Tot zover wat ik, namens de heer McCreevy en de Commissie, wilde antwoorden op deze vraag, waarbij ik uiteraard erken dat het een lastig probleem is en ik natuurlijk reikhalzend uitzie naar alle voorstellen en suggesties die het Parlement op dit terrein zou kunnen doen.
Jean-Paul Gauzès, namens de PPE-DE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, zoals zojuist al werd gezegd is de Conventie van Den Haag inzake effecten die bij een intermediair worden aangehouden, bedoeld om te bepalen welke wetgeving van toepassing is op de eigendomsrechten die voortvloeien uit de inschrijving van effecten die bij een intermediair worden aangehouden. Het gegeven dat er binnen de Europese Unie bij lange na geen eensgezindheid bestaat over deze tekst, rechtvaardigt de relevante vragen van mevrouw Berès.
Allereerst wordt in de Conventie van Den Haag niet getornd aan de vrije keuze voor de investeerder en zijn intermediair van de wet waaronder zij willen vallen in geval van een geschil. Dit is in strijd met het vigerende recht in de meeste landen van Europa, waar de plaats van het depot van de effectenrekening als belangrijke criterium wordt beschouwd om te bepalen welke wetgeving van toepassing is. Anders gezegd: de keuze van de wet zou voortaan louter contractueel worden, hetgeen uiteraard een bron van rechtsonzekerheid is op dit terrein.
Daarnaast – laten we realistisch blijven – valt te vrezen dat de keuze voor de Amerikaanse wetgeving voortaan de contractuele regel wordt, gezien het belang van de Amerikaanse instellingen die op dit terrein actief zijn, en dat zal zeker een aantal negatieve gevolgen met zich meebrengen. Enerzijds, in termen van activiteiten, is er een groot risico dat de zeggenschap van de overzeese partijen in het Amerikaans recht, die er ontegenzeglijk is, hun voordeel geeft, hetgeen tot een concurrentienadeel leidt voor de Europese instellingen. Anderzijds, in termen van bescherming van de investeerder, is er het verschil dat waar in de meeste Europese rechtssystemen de investeerder/houder van een effect rechten heeft ten aanzien van de emittent, hij in het Amerikaanse recht slechts rechten heeft ten aanzien van zijn intermediair. Vandaar dat er terecht ongerustheid bestaat over wat er gebeurt als deze failliet gaat.
Tot slot zijn de bepalingen van de conventie van dien aard dat ze de antiwitwasregelingen ondermijnen, omdat ze berusten op het beginsel van territoriale binding. De meldingen van vermoedens van witwassen moeten worden gedaan bij de nationale bevoegde autoriteit, die van het land waar de intermediair is gevestigd dus. Dit betekent dat er een conflict kan ontstaan tussen het op het effect van toepassing zijnde recht, dat de regels van het bankgeheim zou kunnen laten prevaleren ten gunste van de rekeninghouder, en de verplichtingen van de intermediair om melding te maken van vermoedens van witwassen. De Europese Centrale Bank heeft zich bezorgd getoond, met name als het gaat om het risico van de onverenigbaarheid van prudentiële en stabiliteitsregels van het financiële systeem met de bepalingen van de door de partijen gekozen wetgeving. Bovendien lijkt het een moeilijke opgave de beginselen van de meeste Europese landen, volgens welke er een directe relatie is tussen de investeerder en de emittent van de effecten, te verenigen met die van het Angelsaksische recht, waarin er geen directe relatie is tussen emittent en investeerder.
Mijnheer Barrot, volgens u is het ondertekeningsproces van de Conventie van Den Haag inzake effecten die bij een intermediair worden aangehouden, op een dood punt beland. Wij hopen van harte dat het daar blijft!
Antolín Sánchez Presedo, namens de PSE-Fractie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, waarde collega’s, de Conferentie van Den Haag werkt al sinds 1893 aan het wereldwijd scheppen van steeds meer eenheid in het internationaal privaatrecht door het opstellen van conventies.
Op 5 oktober jongstleden heeft de Europese Raad, nadat eerst het Parlement hierover een uitspraak had gedaan, een besluit aangenomen met betrekking tot de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de Conferentie.
Het voorliggende initiatief is genomen in verband met de Conventie inzake de wetgeving die van toepassing is op bepaalde rechten op effecten die bij een intermediair worden aangehouden, welke conventie het resultaat is van de onderhandelingen tijdens drie bijeenkomsten van de diplomatieke Conferentie die in december 2002 is gehouden.
Deze conventie heeft een open karakter en daarom heeft de Commissie, hoewel de Europese Gemeenschap geen lid was van de Conferentie die haar heeft opgesteld, op 15 december 2003 een voorstel voor een besluit over de ondertekening ervan gepresenteerd.
Het eerste doel van dit initiatief is het beklemtonen dat de bevoegdheden van het Europees Parlement op dit terrein moeten worden gerespecteerd en er een grotere democratische controle op het werk van de Conferentie moet komen.
De werkingssfeer van de conventie is rechtstreeks van invloed op de bevoegdheden van de Europese Unie, met het Europees Parlement als medewetgever, op het gebied van de justitiële samenwerking bij civiele zaken met grensoverschrijdende repercussies, voor zover dat nodig is voor het goed functioneren van de interne markt.
Bovendien kan de conventie in de visie van de Europese Centrale Bank gevolgen hebben voor de vaststelling en de tenuitvoerlegging van het monetair beleid, het functioneren van de verrekenings- en betalingssystemen en de effectiviteit van de bepalingen van het acquis communautaire.
De voorgestelde ondertekening van de conventie veroorzaakt grote onrust en ernstige zorgen binnen de Europese Unie, zowel over de vorm als over de inhoud. De kern van de conventie, die is neergelegd in artikel 4, inhoudende dat het toepasselijke recht het recht van de staat is waarover de contractpartijen uitdrukkelijk overeenstemming hebben bereikt, brengt enorme risico’s met zich mee en roept vragen op die nog niet zijn beantwoord.
Het enorme effect op de wetgeving dat deze conventie mogelijkerwijs kan hebben, vereist dat de communautaire normen worden toegepast, zodat er een beter wetgevingsproces komt, met een raadplegingsprocedure en een openbaar debat, zoals dat in de Verenigde Staten is gebeurd toen daar wetswijzigingen werden doorgevoerd die minder ingrijpend waren dan die welke nu in de conventie worden voorgesteld.
De conventie leidt tot een grotere complexiteit en meer onzekerheid, doordat de mogelijkheid ontstaat dat een groot aantal rechtsstelsels van toepassing kan zijn op eenzelfde registratie-, verrekenings- en vereffeningssysteem. En omdat de inhoudelijke aspecten niet geharmoniseerd zijn, kan dat negatieve effecten en risico’s voor het systeem met zich meebrengen.
De voorgestelde oplossing draagt op geen enkele manier bij aan de doelstelling van het uniform maken van wetgeving; sterker nog, zij vergroot juist het gebrek aan samenhang en is onverenigbaar met de communautaire wetgeving, waarin het criterium van de locatie van de effectenrekening is verankerd. Dit criterium heeft bijgedragen aan het vergroten van de zekerheid en de efficiëntie binnen de Gemeenschap.
Volgens de conventie zal de krachtsverhouding bij de onderhandelingen bepalend zijn voor het toepasselijke recht. Zo wordt de deur opengezet voor een juridische stoelendans die in het nadeel is van investeerders en financiële instellingen. De inwerkingtreding ervan kan een ongecontroleerd proces van mondiale en regionale consolidatie van verrekenings- en vereffeningsactiviteiten in gang zetten, waarbij het risico dat deze activiteiten zich buiten de Europese Unie zullen concentreren groter wordt en er perverse effecten kunnen ontstaan voor het prudentiële toezicht, het aanpakken van de financiering van het terrorisme en de strijd tegen het witwassen van geld.
De gekozen formule kan gevolgen hebben voor de politieke rechten van beleggers, voor de transparantie en voor een goede corporate governance.
Dit roept een groot aantal twijfels op, en daarom, mijnheer de commissaris, moet er ofwel een grondigere studie naar de gevolgen worden verricht, of moet het voorstel worden opgegeven en ingetrokken.
John Purvis (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik houd mij pas sedert kort met dit vraagstuk bezig, maar het verbaast mij toch dat degenen die deze mondelinge vraag hebben ingediend zich kennelijk willen vastbijten in iets dat in feite een achterhaald wettelijk stelsel is voor effecten. Het werkt weliswaar naar behoren in de Europese context, maar wij willen nu volledig deelnemen aan de wereldmarkt en de Conventie van Den Haag is juist opgezet om rechtszekerheid te bieden in de hedendaagse mondiale context, waar effecten meestal indirect worden aangehouden via voornamelijk online effectenmakelaars. Daarin wordt de wet gedefinieerd als wat specifiek is overeengekomen door de deelnemers, en niet zozeer uitgaande van locatie of rekening, hetgeen in deze hedendaagse elektronische omgeving en in een systeem waarin er ook heel goed meerdere makelaars kunnen zijn, een verstandige oplossing lijkt te zijn.
De Commissie is derhalve tot de conclusie gekomen dat de beste oplossing is om tot de Conventie toe te treden. Zij kwam trouwens tot deze conclusie nadat de Raad haar gevraagd had een onderzoek in te stellen naar de juridische implicaties, en dat heeft de Commissie nu gedaan. De Haagse Conferentie voor internationaal privaatrecht werkt nu al sinds 1893 aan de harmonisatie van het internationaal privaatrecht en op 5 juli van dit jaar hebben de VS, Zwitserland - dus niet alleen de VS, maar ook Zwitserland - als eerste landen de Conventie ondertekend. De Commissie heeft de lidstaten van de EU aanbevolen om hetzelfde te doen. Veel van de andere 64 ledenlanden van de Conferentie treffen voorbereidingen voor de ondertekening. De lidstaten van de Europese Unie lijken echter weinig geneigd om de realiteit onder ogen te zien, ofschoon wij in Europa net zoveel of misschien zelfs meer belang hebben bij het bewerkstelligen van zekerheid op dit gebied. Anders kunnen wij immers niet volledig deelnemen aan de mondiale financiële markten van vandaag. Dit vraagstuk zal ongetwijfeld van cruciaal belang zijn voor het verwezenlijken van een effectief en efficiënt verrekenings- en vereffeningssysteem.
Laten wij, collega’s, daarom de Commissie en de lidstaten alstublieft ertoe aanmoedigen toe te treden tot deze Conventie. Europa moet het voortouw nemen in de modernisering en harmonisering van de juridische context voor effecten. De Commissie is bereid te zorgen voor de noodzakelijke wijzigingen van het communautair recht. Dus moeten wij de lidstaten aanmoedigen - en zelfs achter de vodden zitten - dat zij tot een akkoord komen en de Conventie ondertekenen, en vervolgens ratificeren.
Marc Tarabella (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, wij weten allemaal dat de efficiëntie van de markten van doorslaggevend belang is voor de wereldeconomie. En wie het over "markten" heeft, heeft het over liquide middelen en over een snelle circulatie van financiële instrumenten onder optimale veiligheidsvoorwaarden. Het rechtskader dat deze circulatie regelt is een essentiële factor als het gaat om veiligheid. Als gevolg van de mondialisering loopt de keten van marktdeelnemers door steeds meer verschillende staten, hetgeen de terechte vraag doet rijzen: hoe bepalen we welk recht van toepassing is? De Conventie van Den Haag van 13 december 2002 zou uitsluitsel moeten geven. Als deze conventie zou worden geratificeerd, zou het probleem daarmee echter verre van opgelost zijn; de systemische risico's zouden er alleen maar groter op worden en de Europese instellingen zouden er zwakker voor staan.
Gegeven de – veronderstelde – onmogelijkheid om objectief de plaats te bepalen waar een effectenrekening is gevestigd en derhalve om het toepasselijke recht vast te stellen, geeft de conventie voorrang aan de vrije keuze van de partijen om te besluiten welk recht op de contracten van toepassing is. Dit rechtsbeginsel staat haaks op het communautaire PRIMA-beginsel voor het bepalen van de locatie van effectenrekeningen, dat is vastgesteld in drie richtlijnen: de "Finaliteitsrichtlijn" (1998), de "Zekerhedenrichtlijn" (2002) en tot slot de richtlijn betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (2001).
Laten we allereerst stilstaan bij de methode. Het is niet zoals het hoort dat het Parlement niet is geraadpleegd over de in Den Haag gevoerde onderhandelingen, in het bijzonder over het loslaten van het beginsel van de plaats van het depot van de effectenrekening. De onderhandelingen in het kader van de Conferentie van Den Haag over het internationaal privaatrecht mogen niet zonder democratische controle worden gevoerd.
Waar het om gaat is dat als deze conventie wordt ondertekend, Europa een aanzienlijk risico zou lopen, van de investeerders tot de emittenten. Ondertekening zou een negatief effect hebben op de strijd tegen het witwassen van geld, omdat het gemakkelijker zou kunnen worden om zowel de verplichtingen om melding te maken van vermoedens van witwassen als de mechanismen ter bestrijding van witwassen te omzeilen, en zou gevolgen hebben voor de systemen voor het regelen van de levering, voor de prudentiële risico's en voor het materieel recht, met name voor de doelstelling een Europees materieel recht tot stand te brengen. Daar komt nog bij dat de contractuele vrije keuze in veel gevallen zou betekenen dat gekozen wordt voor het recht met de meeste invloed in deze sector, namelijk het Amerikaanse recht, hetgeen ten koste zou gaan van het concurrentievermogen van Europese ondernemingen.
Er zijn vier punten waar ik de aandacht op wil vestigen. Ten eerste: de lokalisering van een effectenrekening is mogelijk en functioneert prima in Europa. Ten tweede: de prerogatieven van het Europees Parlement moeten in acht worden genomen. Ten derde: het is onontbeerlijk om het algemeen Europees belang te verdedigen, in het bijzonder de rechten van de Europese investeerders en de concurrentiekracht van de Europese deelnemers op de financiële markten. Ten vierde: het is van belang dat de voorkeur uitgaat naar een kader waarin we het witwassen van geld kunnen bestrijden. Daarom zou de Commissie haar voorstel tot ondertekening van de 36e Conventie van Den Haag moeten intrekken.
Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik heb aandachtig naar de verschillende opmerkingen geluisterd en Charlie McCreevy, de commissaris die is belast met de interne markt, zal deze zeker ook aandachtig lezen. Er zij op gewezen dat de Commissie enkel heeft voorgesteld de Conventie van Den Haag te ondertekenen omdat zij het een goede oplossing achtte en de conventie bedoeld was om duidelijkheid te verschaffen over de toepasselijke wetgeving. De Commissie meent dat investeerders vandaag al een rekening in de Verenigde Staten kunnen openen en dat ook in die gevallen het Amerikaanse recht van toepassing is.
In dat opzicht zal de conventie weinig veranderen, want de vrije keuze van de plaats van het depot van rekeningen bestaat vandaag de dag al, ook al vormt de conventie voor sommigen van u een verdere stap in die richting. Niettemin, mijnheer de Voorzitter, zou ik toch, na de verschillende sprekers te hebben aangehoord, willen zeggen dat de Commissie niet van plan is om deze opmerkingen te negeren.
Uit dit debat blijkt dat de conventie de gemoederen nog sterk bezighoudt. De Commissie blijft dan ook openstaan voor alle suggesties met betrekking van dit technisch complexe vraagstuk, dat op dit moment in een impasse verkeert in de Raad, ondanks dat aanvankelijk alle lidstaten de inhoud van de Conventie van Den Haag van 2002 steunden.
Tot zover wat ik nog te zeggen had. De Commissie zal – dat spreekt vanzelf – graag willen samenwerken met de Raad en het Parlement om een oplossing te vinden waarmee een rechtskader kan worden uitgewerkt. Wij zijn ons overigens bewust van de risico's die daaraan kleven. Indien nodig kunt u op ons rekenen om de negatieve effecten van de gekozen oplossing te beperken.
Pervenche Berès (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik wil alleen maar even zeker weten dat u, als u commissaris McCreevy verslag uitbrengt van deze discussie, eraan zult denken hem te zeggen dat het debat dat wij zojuist hebben gevoerd weliswaar aan hem gericht is, maar dat hij er ook rekening mee moet houden en moet vertellen wat er hier vanmiddag is gebeurd, wanneer deze kwestie opnieuw aan de orde komt in de Raad. De Raad moet weten dat de afhandeling van deze kwestie het Parlement sterk bezighoudt.
De Voorzitter. Ik heb de overeenkomstig artikel 108, lid 5 van het Reglement ingediende ontwerpresolutie(1) ontvangen.
11. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat(debat)
De Voorzitter. Aan de orde is het debat over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat.
11.1. Situatie op de Fiji-eilanden
De Voorzitter. Aan de orde is het debat over de situatie op de Fiji-eilanden(1).
Justas Vincas Paleckis (PSE), rapporteur. – (LT) De situatie in Fiji is na deze nieuwe staatsgreep bijzonder gespannen. Ik ben van oordeel dat het Europees Parlement ten aanzien van deze kwestie vastberadenheid aan de dag moet leggen. Vier revoluties in twintig jaar is toch werkelijk te veel. Daarmee zijn de mensen van het land allerminst gebaat. Dergelijke ontwikkelingen schrikken overzeese investeerders af, leiden tot een sterke terugval van het toerisme en betekenen het einde van de financiële steun.
De Europese Unie heeft omvangrijke steun verleend om het onderwijsniveau en de politieke vorming van alle etnische groepen te bevorderen, maar helaas zijn die inspanningen ontoereikend gebleken. Tot dusver heeft de revolutie geen dodelijke slachtoffers gemaakt. De wettige regering roept op tot vreedzaam verzet. Zij wordt daarin gesteund door invloedrijke vertegenwoordigers van de kerk en de grote raad van stamhoofden. Het leger heeft de macht overgenomen en heeft censuur ingevoerd. De aanhouding en ondervraging van vertegenwoordigers van de oppositie doet vrezen dat de situatie nog zal verergeren.
De Europese Unie en haar bondgenoten in de regio moeten duidelijk te kennen geven dat gebruik van geweld niet geduld zal worden en dat het van essentieel belang is om bloedvergieten te voorkomen.
Ik verzoek mijn collega’s om het gebruik van geweld in Fiji te veroordelen, geen erkenning te verlenen aan de onrechtmatige bestuurders en zich te scharen achter de oproep van de oppositie, die de bevolking aanzet tot vreedzaam verzet tegen de revolutie. Het is belangrijk dat in Fiji zo spoedig mogelijk democratische verkiezingen worden gehouden die beantwoorden aan de internationale normen en gebaseerd zijn op het beginsel van gelijkheid tussen volkeren ongeacht hun etnische afkomst, en dat wordt gewaarborgd dat de beginselen van wettigheid en democratie opnieuw worden nageleefd.
Nirj Deva (PPE-DE), auteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, wij zijn opnieuw geconfronteerd met een staatsgreep op de Fiji-eilanden. Fiji heeft onder vier staatsgrepen moeten lijden tijdens de afgelopen tien jaar en de laatste daarvan wortelde in de meest ongelooflijke logica die je je kunt indenken, namelijk die van commandant Bainimarama, die zei besloten te hebben een staatsgreep te plegen omdat de democratisch gekozen regering van Fiji van plan was de leiders van de vorige staatsgreep te vergeven. De logica hiervan tart elke beschrijving, maar welke interne meningsverschillen er ook mogen zijn onder de leiders van Fiji, er mag geen schade worden berokkend aan de fragiele democratie van deze eilandstaat in de Stille Oceaan.
De Europese Unie heeft samen met Australië en Nieuw-Zeeland een aanzienlijke hoeveelheid geld en middelen uitgegeven om ervoor te zorgen dat in mei 2006 eerlijke en vrije verkiezingen konden plaatsvinden in Fiji. De regering van de eerste minister ging aan de slag met een aanzienlijke meerderheid. Het eiland heeft een unieke grondwet, die recht doet aan het etnische element - ethische Indiërs en inheemse bewoners van Fiji – en deze groepen in staat stelt in de macht te delen. Dat is nu allemaal in de waagschaal gesteld door de legercommandant die het recht in eigen hand heeft genomen. Geen enkele commandant van geen enkel leger heeft het recht om ongeacht welke wet in eigen hand te nemen en te beletten dat de democratie haar beloop heeft.
Daarom vraag ik het Parlement en mijn collega’s om een krachtig signaal af te geven en duidelijk te maken dat wij de niet-humanitaire hulp zullen stopzetten. Wij zullen de Europese bevolking die op vakantie wil gaan in een land als Fiji, vertellen dat zij moeten wachten totdat de democratie is hersteld. Wij moeten de inwoners van Fiji het signaal geven dat wij volledig solidair met hen zijn ten aanzien van dit zeer belangrijke vraagstuk van vrijheid, democratie en rechtvaardigheid.
Tobias Pflüger (GUE/NGL), auteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de militaire staatsgreep op de Fiji-eilanden heeft de aandacht van de publieke opinie overal ter wereld op een land gevestigd dat een dramatische ontwikkeling doormaakt. De economische situatie in Fiji is eveneens verslechterd ten gevolge van het EU-beleid ten aanzien van suiker.
Inmiddels zijn geldtransacties uit Irak volgens de Duitse radio niet meer weg te denken voor de economie van de Fiji-eilanden. Deze stellen immers het bestaan van hele families en dorpsgemeenschappen veilig, en ondertussen komt er meer geld vanuit Irak naar Fiji, dan de hele suikerindustrie opbrengt. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? In Irak bevinden zich vele huurlingen van de Fiji-eilanden, die daar hun geld verdienen en vervolgens terugkeren als individuen van wie een deel ernstig getraumatiseerd is. Daarbij speelt het leger een rol, dat in zekere mate zelfstandig is geworden.
Er wordt steeds gezegd dat in Fiji een conflict aan de gang is dat het gevolg is van etnische problemen. Oppervlakkig beschouwd is dit misschien een etnisch conflict, maar in wezen speelt daar een machtskwestie. Welke stamhoofden hebben het voor het zeggen? Deze machtsstrijd tussen verschillende clans speelt zich zelfs nu op dit moment af. Deze coup is in feite slechts een indicatie dat de verhoudingen daar niet stabiel zijn. Dat ligt ook aan het feit dat dit een postkoloniaal conflict is. Even ter herinnering: sinds 1879 heeft het Britse koloniale bestuur Indiërs van het subcontinent als arbeidskrachten – voornamelijk voor de katoen- en suikerbietenindustrie – naar Fiji gebracht. Als gevolg daarvan is dit een van de belangrijkste conflicten tussen de verschillende etnische groepen.
Als de EU nu aangeeft dat deze militaire staatsgreep veroordeeld moet worden – wat ik wil benadrukken – dan moeten wij tegelijkertijd erkennen dat de EU een niet onbelangrijke bijdrage aan de oorzaken van het conflict op de Fiji-eilanden heeft geleverd. Daar moeten wij ons eveneens van bewust zijn.
Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), auteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ook ik ben van mening dat deze staatsgreep moet worden veroordeeld. Dit is al de vierde staatsgreep in twintig jaar, in een land, een voormalige Britse kolonie, dat in feite een van de rijkste, meest ontwikkelde en meest toeristische naties van de zuidelijke Stille Oceaan is.
Commodore Frank Bainamarama, commandant van het leger van Fiji, heeft op schreeuwend illegale wijze de gekozen eerste minister afgezet en de macht gegrepen. Hij heeft gezegd dat hij voorlopig de bevoegdheden van president Ratu Josefa Iloilo en eerste minister Laisenia Qarase heeft overgenomen, om deze in de toekomst weer over te dragen, zonder daarbij te zeggen op welk moment hij verkiezingen wil organiseren.
De situatie is zonder meer ingewikkeld, onzeker en zorgwekkend. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties heeft onlangs zelf heel duidelijk gezegd dat hij de militaire staatsgreep veroordeelde. En ik denk dat dat precies is wat wij hier in dit Huis ook moeten doen. En we moeten niet alleen de staatsgreep veroordelen, maar ook een expliciete oproep doen om de gevangenen en gijzelaars vrij te laten en eisen dat de rechtsorde en de rechtsstaat worden hersteld, die het in de eerste plaats mogelijk hebben gemaakt dat de verkiezingen op een normale en aanvaardbare manier en in een democratische context zijn verlopen.
Maar daarnaast moeten we ook de verantwoordelijkheid van de Europese Unie niet vergeten. We beschikken over een krachtig instrument: de Overeenkomst van Cotonou. We kunnen dit kader gebruiken - door het opschorten van de niet-humanitaire hulp aan Fiji - om druk uit te oefenen en een politieke verandering in de regio teweeg te brengen, mits we in het oog houden dat dit niet ten koste mag gaan van de humanitaire hulp en een aantal onderwijsprojecten die al in gang zijn gezet.
Ook wil ik het door collega Pflüger voorgestelde amendement steunen, waarin wordt geëist dat deze maatregelen er ook aan bijdragen dat de indiaanse bevolking van Fiji niet hoeft te vluchten en dat in ieder geval alle gemeenschappen die nu in het land wonen worden betrokken bij de dialoog die in de regio wordt gevoerd.
Adam Jerzy Bielan (UEN), auteur. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de militaire coup in Fiji dient streng afgekeurd te worden door de internationale gemeenschap. De machtsgreep van het leger en het omverwerpen van een democratisch gekozen regering kunnen we niet zonder reactie aan ons voorbij laten gaan. De Europese Unie moet voor zichzelf de vraag beantwoorden, welke middelen ingezet dienen te worden om in dat land democratie en rechtsstaat te doen terugkeren. Dit is al de vierde militaire coup in Fiji in de afgelopen twintig jaar. De machtsovername door het leger, dat de regering en het landsbestuur controleert, en ook het buitenwerkingstellen van verscheidene artikelen van de grondwet zullen de ontwikkeling van dat land afremmen. Gewone burgers worden erdoor getroffen en het imago van Fiji als een van de meest ontwikkelde landen in de regio en een land dat duizenden toeristen uit de hele wereld aantrekt, wordt erdoor geschaad.
Ik wil de Commissie en de Raad verzoeken alles in het werk stellen om de huidige politieke crisis te overwinnen en in Fiji de democratie te laten terugkeren. We dienen het feit dat de democratisch gekozen regering van Fiji door de strijdkrachten uit de macht ontzet is streng te veroordelen en alles te doen om zo snel mogelijk de beginselen van eerbiediging van de mensenrechten en van de rechtsstaat in dat land blijvend te doen terugkeren. Ik roep ook op om te overwegen een reisverbod naar de landen van de Europese Unie in te stellen voor vertegenwoordigers van het leger dat in Fiji de militaire coup heeft gepleegd en tevens om het opschorten van alle hulp, met uitzondering van humanitaire hulp. De internationale gemeenschap moet een duidelijk signaal afgeven dat de voorwaarde voor herstel van politieke en economische relaties met het Westen de terugkeer van een legale, democratisch gekozen regering in Fiji is.
István Szent-Iványi (ALDE), rapporteur. – (HU) In mei werden op de Fiji-eilanden parlementsverkiezingen gehouden. De Europese Unie heeft een waarnemingsmissie afgevaardigd naar deze verkiezingen.
Ik had de grote eer deze verkiezingswaarnemingsmissie te mogen leiden. Ik ben me terdege bewust van mijn verantwoordelijkheid als ik u meedeel dat de verkiezingen eerlijk zijn verlopen, dat ze voldeden aan de internationale standaarden en een getrouwe afspiegeling zijn van de wil van de kiezers in Fiji.
De enige factor die de verkiezingsstrijd toen al overschaduwde, waren de ongrondwettige of antigrondwettelijke uitlatingen van opperbevelhebber Bainimarama. Hij dreigde toen al met een putsch en toen ik zelf met hem sprak, heb ik hem er zeer duidelijk op gewezen dat hij hiermee de geloofwaardigheid van de democratie probeerde te ondermijnen.
Toen ik in september weer in Fiji was, leek het alsof de situatie zich had geconsolideerd. De twee grootste partijen waren een grondwettige of grondwettelijk gevormde coalitie aangegaan onder leiding van premier Qarase en in het algemeen leek het erop dat de gemoederen en de spanningen waren bedaard. Het is dan ook bijzonder spijtig dat het leger op 5 december de democratische regering door middel van een militaire machtsgreep naar huis stuurde en sindsdien persvrijheid tegenhoudt, mensen het land uit heeft gezet en demonstranten in bewaring heeft genomen. In het land tekent zich op dit moment een merkbaar krachtig protest af, een vredig protest zonder bloedvergieten dat in steeds bredere kring weerklank vindt. Het is betreurenswaardig dat de leiding van de op één na grootste oppositiepartij Labour, zich niet eenduidig tegen de putsch keert.
We moeten blijven eisen dat het leger de macht onmiddellijk en onvoorwaardelijk overdraagt aan de democratisch gekozen regering, en we moeten met de beschikbare middelen, dat wil zeggen sancties, tot uitdrukking brengen dat wat er nu op de Fiji-eilanden gebeurt onaanvaardbaar is voor ons.
Bernd Posselt, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, Beieren, de deelstaat waar ik vandaan kom, onderhoudt al decennialang nauwe betrekkingen met Fiji. De Hanns Seidelstichting ondersteunt daar al jarenlang projecten met betrekking tot democratie, en een voormalig lid van het Parlement, de helaas overleden deelstaatminister, de heer Pirkl, heeft zich als geen ander ingezet voor de democratie in Fiji.
Het is daarom werkelijk schokkend om te zien dat nauwelijks zes maanden na de democratische verkiezingen in mei alweer een militaire staatsgreep van een dergelijke bruutheid heeft plaatsgevonden, een staatsgreep die wij niet krachtig genoeg kunnen veroordelen. Eén ding moeten wij echter goed beseffen: de overgrote meerderheid van het in mei gekozen parlement en alle belangrijke democratische krachten, afgezien van de betreurenswaardige uitzonderingen die de heer Szent-Iványi heeft genoemd, steunen de democratie. De kerkgroeperingen, de verschillende religies en de grote raad van stamhoofden, dus de vertegenwoordigers van de traditionele structuren, staan zonder enige twijfel aan de zijde van de democratisch gekozen premier.
De Europese Unie moet al haar autoriteit aanwenden om de vrijheid en de rechtsstaat te herstellen op de Fiji-eilanden. Wij mogen daarom geen enkele clementie ten opzicht van deze tirannen en dictators tonen. Om die reden moeten alle fondsen, afgezien van humanitaire hulp, worden bevroren. Wij moeten echter alle politieke druk waarover wij beschikken, uitoefenen om de democratie en vrijheid op deze prachtige eilandengroep onmiddellijk te herstellen.
Józef Pinior, namens de PSE-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, vandaag veroordeelt het Europees Parlement de militaire coup in Fiji die een militaire junta op 5 december jongstleden pleegde. Deze staatsgreep is een aanslag op de grondwet, de rechtsstaat en de ontwikkeling van het democratische proces in Fiji. Het verloop van de laatste verkiezingen in Fiji in mei dit jaar was immers door waarnemers van de Europese Unie als volledig correct beoordeeld.
De staatsgreep heeft een enorme invloed op de ineenstorting van de economie van Fiji, en dan vooral van de toeristische sector. We moeten nu onmiddellijk in actie komen. Vooral moeten we de niet-humanitaire hulp aan Fiji opschorten op basis van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou en een verbod uitvaardigen om het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie binnen te reizen voor leden van de junta, hun gezinnen en personeel. We moeten er alles aan doen om de democratie te helpen en de burgermaatschappij te steunen bij de aanpak van de militaire coup en het herstel van de democratie.
Marcin Libicki, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, met betrekking tot de staatsgreep in Fiji moet op drie zaken de aandacht worden gevestigd. Ten eerste: de staatsgreep veroordelen, wat we in onze verklaring doen. Ten tweede: nagaan of de omvergeworpen democratische regering rechtvaardig was tegenover etnische minderheden die deze staatsgreep steunden. Hoewel het een feit is dat de regering democratisch was, wil dat nog niet zeggen dat zij competent, eerlijk en rechtvaardig was.
Ten derde: overwegen of het initiatief van de Poolse premier niet gesteund zou moeten worden, die zegt dat de Europese Unie een eigen krijgsmacht dient te vormen, die dus waar nodig zou kunnen interveniëren om de rechtvaardigheid te herstellen, en ingezet kan worden in landen waar net als in Fiji een staatsgreep is gepleegd.
Ik wil erop wijzen dat we de oorzaken van deze staatsgreep nog moeten analyseren voordat we een definitief oordeel kunnen geven. Het is terecht dat we intussen in onze resolutie de staatsgreep veroordelen en dat we herstel van de democratie eisen.
Michael Gahler (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, toen ik vorig jaar met mevrouw Carlotti en twee collega’s van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in Fiji was, kopte het grootste dagblad op de dag van ons vertrek toevallig: "Army: No more coups" , "geen staatsgrepen meer". Bijna twee jaar later herhalen gebeurtenissen zich helaas echter voor de vierde keer in twintig jaar tijd. Dit land heeft een bijzonder gevoelige samenstelling van de bevolking geërfd van de koloniale tijd: de inheemse Fiji-eilanders vormen slechts een krappe meerderheid van de bevolking ten opzichte van een zeer sterke minderheid van Indiërs, die economisch gezien echter domineren.
Wij van onze kant moeten duidelijk maken dat er alleen een evenwicht tussen de belangen van deze groeperingen gevonden kan worden door middel van een intensieve interetnische dialoog, niet met behulp van het leger. Door de financiële hulp stop te zetten, die niet aan de mensen ten goede zouden komen, maar alleen de regering het werk makkelijker zou maken, door de coupplegers een reisverbod op te leggen en door tegenmaatregelen van het Pacific Forum te ondersteunen, moeten wij het leger duidelijk maken dat het onmiddellijk naar zijn kazernes moet terugkeren.
Ik geloof niet dat de situatie op de suikermarkt in dit specifieke geval, zoals de heer Pflüger heeft opgemerkt, heeft bijgedragen aan deze staatsgreep. Ik bedoel dat de verdeling van eigendommen in dit land, los van de hervorming van de suikermarkt, bijzonder problematisch is, omdat degenen die de suikermarkt in handen hebben, de Indiërs, het land slechts gepacht hebben van de inheemse Fiji-eilanders, zodat er steeds opnieuw problemen ontstaan als de pacht verlengd moet worden. Mijns inziens heeft het EU-beleid met zijn suikermarktregeling niet bijgedragen aan deze staatsgreep. Dat wilde ik hier nog duidelijk maken.
Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren afgevaardigden, de Commissie deelt het gezichtspunt van het Parlement. De militaire machtsgreep in Fiji baart ons grote zorgen. Commissaris Michel heeft deze coup scherp veroordeeld en op 11 december 2006 heeft het Finse voorzitterschap van de Europese Unie eenzelfde standpunt ingenomen. Daarnaast hebben ook de ACS-partners van Fiji in het gebied van de Stille Oceaan, evenals Australië, Nieuw-Zeeland en de Verenigde Staten de machtsovername veroordeeld.
Deze veroordelingen zijn niet louter woorden. Ze leiden tot een internationaal isolement met ernstige gevolgen voor Fiji. De republiek is inmiddels geschorst als lid van het Gemenebest en moet het voorzitterschap van het Pacific Forum neerleggen.
De militaire coup is een flagrante schending van artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou en de essentiële onderdelen daarvan met betrekking tot mensenrechten, democratie en rechtsstaat. Dit betekent dat er krachtens artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou overleg moet worden geopend, waaruit passende maatregelen kunnen voortvloeien om de situatie recht te zetten waaronder in het uiterste geval opschorting van de ontwikkelingssamenwerking.
De Europese Unie wil doorgaan met de dialoog met de wettige autoriteiten van Fiji om tot overeenstemming te komen en om de terugkeer van Fiji naar democratisch, grondwettelijk bestuur te bevorderen.
De Commissie werkt aan een voorstel voor het openen van het overleg krachtens artikel 96. De militaire machtsgreep is fnuikend voor de economie van Fiji. De belangrijkste economische sector van de eilanden is het toerisme en deze sector zal schade leiden als gevolg van de instabiliteit en de veiligheidssituatie. De rentevoet is verhoogd, de groei zal eronder te lijden hebben en het investeringsklimaat zal achteruitgaan.
Wat in Fiji is gebeurd is zo ernstig dat de voortzetting van onze samenwerking van nu af aan op het spel staat: veel zal afhangen van de wijze waarop de militairen zich de komende dagen en weken zullen gedragen, in het bijzonder van hoe snel ze het herstel van de democratie en de rechtsstaat weer zullen bevorderen.
Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag de geachte afgevaardigden die het woord hebben gevoerd, bedanken: ik denk dat zij op één lijn zitten en dat hierover consensus bestaat binnen de Europese Gemeenschap.
11.2. Betrokkenheid van de VN-strijdkrachten in seksueel misbruik in Liberia en Haïti
De Voorzitter. Aan de orde is het debat over de betrokkenheid van de VN-strijdkrachten bij seksueel misbruik in Liberia en Haïti(1).
José Javier Pomés Ruiz (PPE-DE), auteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, waarom spreken we hier over de Verenigde Naties? Omdat de Europese Unie de belangrijkste donor is van fondsen waarmee die schitterende uitvinding kan functioneren die de Verenigde Naties heet.
Hier bij mij is Nirj Deva, die een fervent pleitbezorger is van de rol die de Verenigde Naties noodzakelijkerwijs in de wereld moeten spelen.
Honderdduizend mensen zijn binnen de Verenigde Naties aan het werk om de vrede in de wereld te bewaren, en vrijwel al die mensen doen hun werk goed, maar er zijn beschuldigingen en veroordelingen vanwege delicten van seksueel misbruik, kinderprostitutie, pedofilie. Die zijn er geweest in de Republiek Congo, die zijn er geweest in Kosovo en die zijn er nu in Liberia en in Haïti, een land waar ik net uit terug ben.
Sinds 1994 zijn er in het kader van de vredesmacht honderdduizend manschappen gelegerd geweest in Haïti, waarbij er in totaal meer dan driehonderd gevallen zijn onderzocht waarbij sprake was van seksuele delicten tegen kinderen, tegen mensen met weinig middelen. Als resultaat van die driehonderd onderzochte gevallen zijn er 79 soldaten veroordeeld. Als we ergens de vrede gaan bewaren en van de lidstaten van de Verenigde Naties verlangen dat ze troepen sturen, moeten we heel goed controleren dat ze de vrede gaan bewaren en de missie niet opvatten als een seksvakantie, die, in laatste instantie, betaald wordt met het geld van de Europeanen.
Daarom wordt in deze resolutie de rol van de Verenigde Naties geprezen, maar beoogt de resolutie ook te zeggen dat de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de soldaten en de vredesmacht, een voorbeeldfunctie hebben en moeten zorgen voor eerbiediging van de mensenrechten.
Daarom zeggen wij: stop nieuwe verkrachtingen van kinderen en vrouwen, stop de pedofilie, stop het gebruik van Europese gelden, via de Verenigde Naties, om seksuele delicten te plegen.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), auteur. – (PT) Zoals bekend zijn er klachten dat kinderen door VN-troepen voor vredeshandhaving in Haïti en Liberia zijn verkracht of tot prostitutie gedwongen. Deze berichten volgen op vergelijkbare schandalen, zoals de door VN-personeel bedreven pedofilie in de Democratische Republiek Congo en de mensenhandel in Kosovo.
We zijn diep geschokt door deze gebeurtenissen. We veroordelen ze en willen nu dat er maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen. We kunnen onmogelijk aanvaarden dat VN-personeel zich overlevert aan seksueel misbruik, seksuele uitbuiting en andere criminele gedragingen. Zulke gedragingen houden een schending in van de mensenrechten, en ze druisen in tegen de humanitaire en vredeshandhavingsmissie die de VN behoort uit te voeren. Zoals we in deze door ons ondertekende resolutie aangeven is het ons bekend dat er iets is gedaan met de resultaten van het onderzoek en dat er disciplinaire sancties zijn opgelegd. De recente gevallen tonen echter aan dat er ook in de landen waar de betrokken troepen vandaan komen maatregelen moeten worden genomen om herhaling te voorkomen en te verhinderen dat het goede werk van de meerderheid van het VN-personeel bezoedeld geraakt.
We roepen ook de VN op om maatregelen te nemen teneinde de bescherming van kwetsbare groepen, inzonderheid vrouwen, kinderen en vluchtelingen, te garanderen, en wel in alle gebieden waar de VN-troepen opereren. We dringen er tot slot bij de Commissie en de lidstaten op aan om initiatieven voor het garanderen van de rechten van vrouwen in conflict- of postconflictgebieden te steunen en economische en sociale maatregelen te nemen teneinde deze vrouwen minder kwetsbaar voor seksuele uitbuiting te maken.
Marek Aleksander Czarnecki (UEN), auteur. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, in de vorige eeuw baarden agressieve mogendheden zoals nazi-Duitsland of de Sovjet-Unie de meeste onrust. Maar met het einde van de twintigste eeuw zijn die problemen helaas niet voorbij. In de eenentwintigste eeuw hebben we nog steeds te maken met geweld en onmenselijke vernederende praktijken. Het ergste is het als organisaties die in het leven geroepen zijn om hulp te brengen aan volkeren die onrecht en onderdrukking hebben ondergaan, mensen op een missie uitzenden, die dan in plaats van hulp te brengen opnieuw leed en vernedering teweegbrengen.
Een dergelijke situatie hebben we nu in Liberia en op Haïti. In plaats van het bewaken van veiligheid, vrede en de eerbiediging van persoonlijke rechten zetten vredesmachten daar de schandelijke praktijk voort van het seksueel misbruiken van vrouwen en jonge meisjes. Er zijn zelfs gevallen gemeld van verkrachtingen van kinderen, die worden gedwongen tot prostitutie. Al deze daden van seksueel misbruik en andere misdaden dienen categorisch veroordeeld te worden: ze zijn overduidelijk onverenigbaar met de vredestaak en humanitaire missies van de VN. Als VN-personeel zich schuldig maakt aan dit soort daden, verraadt het zijn missie en schendt het de rechten van de mens.
De betroffen mensen hebben al genoeg geleden. Ze hebben met smacht op hulp gewacht, en wat kregen ze? Weer hetzelfde verhaal, maar nu van mensen van wie ze hulp hadden verwacht.
Miguel Angel Martínez Martínez (PSE), auteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, het geven van maximale steun aan de VN is een strategische prioriteit in het buitenlands beleid van de Europese Unie. Dat heeft ons Parlement ook herhaaldelijk verklaard, waarbij speciale erkenning bestaat voor het VN-optreden bij het voorkomen van conflicten of het zenden van vredeshandhavingsmissies. Deze steun is opnieuw uitgesproken door de delegatie van het Parlement die enkele weken geleden New York heeft bezocht en gesprekken heeft gevoerd met de secretaris-generaal en met de functionarissen die verantwoordelijk zijn voor de vredeshandhavingsoperaties.
Alles wat we zojuist gezegd hebben, is in overeenstemming met het besluit van dit Huis om de Sacharovprijs toe te kennen aan Kofi Annan, juist voor dat werk dat hij heeft verricht op het terrein waarover we het nu hebben. Het is dus in de context van de solidariteit waarmee vanuit de Europese Unie naar het moeilijke werk van de Verenigde Naties op dit terrein wordt gekeken, dat de resolutie die we zullen aannemen moet worden begrepen.
Het is betreurenswaardig en in alle opzichten funest voor de eigen organisatie dat sommige leden van het personeel dat onder de vlag van de Verenigde Naties opereert, zich crimineel hebben gedragen door vrouwen en kinderen seksueel te belagen in landen waar ze hun missie aan het uitvoeren waren. Dergelijk gedrag vormt een smet op het beeld van de Verenigde Naties, die toch al onder zware druk staan van de personen in de wereld die, anders dan wij, en op grond van een unilateralistische visie op de internationale betrekkingen, liever zouden zien dat hun rol veel kleiner was.
Vandaar dat we bij het veroordelen van de aan de kaak gestelde gedragingen niet alleen erkennen dat het hier om uitzonderingen gaat, maar ook het bevredigende feit vermelden dat het de VN zelf zijn geweest die ze aan het licht hebben gebracht. Evenzo moet er bij de Verenigde Naties op worden aangedrongen om maximale zorgvuldigheid te betrachten bij de selectie en opleiding van de personen die, hetzij als personeel van de VN, hetzij als medewerkers van de lidstaten of van betrokken niet-gouvernementele organisaties, deelnemen aan de uitvoering van deze taken.
Voor de VN en voor degenen die zich met de VN identificeren, is het absoluut noodzakelijk dat iedere twijfel over de beoordeling van de aan de kaak gestelde gedragingen wordt weggenomen, en het is ieders verantwoordelijkheid dat de personen die voor die gedragingen verantwoordelijk zijn, hun straf niet ontlopen.
Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, als het op zichzelf al onaanvaardbaar is dat iemand vrouwen, jongens en meisjes uitbuit en misbruikt door gebruik te maken van hun kwetsbaarheid en hun onvermogen om zich te verdedigen, zoals we dagelijks zien in Afghanistan of - zoals ook is genoemd - recentelijk in Soedan of de Republiek Congo, is het al helemaal absoluut onvergeeflijk dat de verantwoordelijkheid voor deze delicten ligt bij de degenen die juist verantwoordelijk zijn voor de bescherming van de slachtoffers.
En dit wordt nog ernstiger wanneer het bovendien om personeel van de Verenigde Naties gaat dat opereert onder de vlag, zoals hier is gezegd, van de bescherming van niet alleen het leven en de waardigheid van deze personen, maar ook van de vrede als idee.
De voortdurende episoden van seksueel geweld, zoals we die gezien hebben in Haïti of in Liberia, gepleegd door personeel van de Verenigde Naties, en met name door soldaten, burgerpersoneel en politiefunctionarissen, kunnen op geen enkele wijze en onder geen enkele voorwaarde worden genegeerd of onbestraft blijven. Deze personen moeten op adequate wijze worden veroordeeld en gestraft.
In dit verband is het uitermate zorgwekkend dat personeelsleden die uit de organisatie worden gezet vanwege seksuele uitbuiting of seksueel misbruik, zelden of nooit worden vervolgd in hun eigen land. Er ligt daarom een verantwoordelijkheid bij de regeringen van die landen, en het is derhalve ook belangrijk dat dit soort gebeurtenissen onder geen enkele voorwaarde onbestraft blijft, wat noodzakelijkerwijs met zich meebrengt dat we stappen moeten nemen in de richting van het aannemen van een internationaal verdrag met een duidelijk verbindend karakter, inclusief sancties, waarmee dit soort praktijken kunnen worden gecontroleerd en aangepakt wanneer ze zich voordoen.
Het is absoluut onaanvaardbaar dat er in dit verband ook maar één verzachtende omstandigheid wordt aangevoerd. Ik acht het in de eerste plaats noodzakelijk dat het fundamentele en klassieke beginsel van de 'zero tolerance' de facto wordt toegepast, zoals de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, verschillende malen zelf heeft gezegd. In de tweede plaats is het nodig dat we de dimensie van de kwetsbaarheid van vrouwen in naoorlogse conflictsituaties ook onder ogen zien.
Daarom is het belangrijk om bij hulpprogramma’s prioriteit toe te kennen aan de versterking van de positie van vrouwen, zodat zij zelf degenen zijn die zich in dit soort situaties kunnen verdedigen en minder kwetsbaar worden dan ze nu zijn.
VOORZITTER: GÉRARD ONESTA Ondervoorzitter
Michael Gahler, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de VN is een organisatie die wereldwijd grote geloofwaardigheid geniet met betrekking tot het bewaren van de vrede. Het is van bijzonder groot belang dat dit imago niet wordt beschadigd. Nu wij schokkende rapporten over verkrachtingen en seksueel misbruik ontvangen, moeten wij er helaas van uitgaan dat een groot aantal incidenten niet wordt gerapporteerd, ook gezien het feit dat er rapporten zijn die betrekking hebben op de zwijgcultuur binnen de VN-missies zelf. Ik ben ervan overtuigd dat alleen een zerotolerancebeleid succes oplevert. Dat betekent dat de bevelhebbers ter plaatse betrokkenen direct naar huis moeten kunnen sturen, waarbij het land dat verantwoordelijk is voor het sturen van de betrokkenen zich ertoe moet verplichten, hen thuis strafrechtelijk en disciplinair te vervolgen. Voor de individuele soldaten, van wie er velen uit ontwikkelingslanden komen, is een dergelijke inzet ook financieel interessant. Als bekend wordt dat er inderdaad een voorbeeld wordt gesteld door soldaten naar huis te sturen en dientengevolge niet meer te betalen, is dat wellicht de meest effectieve mogelijkheid om het aantal incidenten van dien aard in de toekomst te verminderen. Het moet echter eveneens duidelijk zijn dat meerderen die dergelijk gedrag toestaan, in de toekomst niet meer voor zulke missies in aanmerking kunnen komen.
Karin Scheele, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de aanwijzingen voor seksueel misbruik van kinderen in Haïti en Liberia door VN-personeel zijn de recentste in een lange reeks vergelijkbare schandalen. Deze schendingen van de mensenrechten zijn in flagrante strijd met de humanitaire opdracht van de Verenigde Naties om de vrede te bewaren.
VN-troepen houden in vele delen van de wereld toezicht op de overgang van dictatuur naar democratie en op transformatieprocessen. Keer op keer echter plegen individuele VN-soldaten ernstige misdrijven, waardoor ze een smet werpen op de naam van de vredesmissies. Aangezien het opleiden van de troepen en het bijbrengen van discipline uiteindelijk ook onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten vallen, roepen wij de landen die VN-troepen leveren, op tuchtzaken aan te spannen tegen de beschuldigde personen. Wij doen een beroep op de Verenigde Naties om een werkomgeving te creëren waarin een zwijgcultuur geen kans krijgt, omdat deze in strijd is met het zerotolerancebeleid van de Verenigde Naties.
Het mag niet gebeuren dat seksueel misbruik niet wordt gemeld uit angst voor vergelding. Vandaag hebben wij ook reeds gewezen op het belang van versterking van de rol van de vrouw. In dit verband wil ik een beroep doen op de Raad, op de Commissie en op de Verenigde Naties om uitvoering te geven aan de in 2000 door de VN-Veiligheidsraad aangenomen resolutie 1325.
Marios Matsakis, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, er is nu ruim bewijs voorhanden dat sommige vredeshandhavers van de Verenigde Naties in de afgelopen jaren betrokken waren bij verschrikkelijke misdaden tegen de kwetsbare burgerbevolkingen die zij geacht werden te beschermen. Deze misdaden omvatten ook verschrikkelijke dingen als verkrachting en seksuele uitbuiting van kinderen.
Bij nadere beschouwing van dit vraagstuk kan worden vastgesteld dat er drie uitermate zorgwekkende en verontrustende aspecten zijn. Ten eerste is het bijna zeker dat de gerapporteerde en onderzochte gevallen slechts het topje van de ijsberg zijn. Sommigen beweren zelfs dat tegenover elk onderzocht geval er tien staan die nooit aan het licht komen. Ten tweede worden in de meeste gevallen pogingen ondernomen om de zaak in de doofpot te stoppen, niet alleen door de betrokken criminelen zelf, maar ook door hun superieuren - de legerkameraadschap onder soldaten mondt aldus uit in samenzwering en toedekking van misdaden.
Het verrichten van behoorlijk onderzoek is echter onder dergelijke omstandigheden niet alleen moeilijk maar meestal onmogelijk. Relevant is hier eveneens het feit dat de jurisdictie over de VN-soldaten ligt bij het land waar de betrokken individuen vandaan komen. Een dergelijk jurisdictieproces is doorspekt met procedurele en juridische problemen en verleent de VN-soldaten in feite immuniteit tegen vervolging.
Ten derde komt de schuldige er in de meeste onderzochte en bewezen bevonden gevallen van af met een minimale straf. In de meeste landen zou onder normale omstandigheden een pedofiele verkrachter levenslang krijgen, maar een in VN-verband werkzame pedofiele verkrachter zal waarschijnlijk alleen een disciplinaire straf opgelegd krijgen of worden uitgesloten van deelname aan VN-missies.
Deze schandelijke, afschuwelijke en vreselijke criminele activiteiten van VN-personeel mogen niet onbestraft blijven. Evenmin mag de uiteindelijke politieke verantwoordelijkheid van de VN-hiërarchie onder het tapijt worden geveegd. De vertrekkende VN-secretaris-generaal, de heer Kofi Annan, is op dit punt veel uitleg verschuldigd.
Urszula Krupa, namens de IND/DEM-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het debat van vandaag betreffende de schending van de mensenrechten is bijzonder schokkend en afschuwwekkend tegelijk, aangezien het mensenhandel, seksueel misbruik van kinderen in Liberia, Haïti, Congo en andere landen van het "zwarte continent" betreft, uitgeoefend door medewerkers van een humanitaire missie, oftewel door mensen die de slachtoffers van honger en gewapende conflicten hulp en zorg zouden moeten brengen en voor veiligheid, bescherming en levensmiddelen zouden moeten zorgen.
Seksueel misbruik, aanranding, gedwongen prostitutie en handel in hongerende kinderen tonen ons het moreel verval en dieptepunt dat de mens kan bereiken die gedreven door driften morele principes niet meer respecteert. Zelfs als slechts enkele honderden mensen schuldig zijn aan zulke walgelijke en schokkende praktijken, dan wordt de rest, duizenden medewerkers aan de missie, hier slachtoffer van, want zij worden geconfronteerd met wantrouwen. Hierdoor vervliegt de hoop.
Daarom mogen we niet zwijgen, en moeten we bestraffing van de schuldigen en zorgvuldige selectie en controle van het personeel van humanitaire missies eisen.
Józef Pinior (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil aandacht vragen voor drie kwesties. Ten eerste de shock en de afschuw die naar boven komen als gevolg van de berichten over de betrokkenheid van VN-soldaten bij seksueel misbruik in Liberia en Haïti. Het is duidelijk dat deze kwesties helemaal moeten worden opgehelderd door de structuren van de VN en dat de schuldigen aan dergelijke misdaden dienen te worden veroordeeld.
De tweede kwestie is datgene wat vandaag al is gezegd door afgevaardigde Miguel Angel Martínez Martínez, en betreft de rol van de VN-vredesmacht in de wereld van vandaag en ook de betekenis die de Europese Unie aan de vredesmacht geeft.
De derde kwestie is de noodzaak van een speciale training van de VN-vredesmacht op het gebied van mensenrechten, waarbij aandacht moet worden gegeven aan de man-vrouwrolverdeling. Ik wil tevens het belang van een evenredig aandeel vrouwen in vredesmissies van de VN benadrukken. In de toekomst kunnen dergelijke ingrepen garanderen dat dergelijke misdaden nooit meer zullen voorkomen.
Kathy Sinnott (IND/DEM). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, kunnen wij na Oost-Timor, Somalië, Kosovo en Congo de gebeurtenissen in Haïti en Liberia eigenlijk nog wel als iets uitzonderlijks beschouwen? Waar de VN ook naar toe gaat, er wordt seksueel misbruik gepleegd met als slachtoffer de burgers die de VN geacht wordt te beschermen.
Kofi Annan is jarenlang secretaris-generaal van de VN en de VN-vredeshandhavers geweest en al die tijd heeft het VN-personeel, waar hij verantwoordelijk voor was, zich aan misbruik schuldig gemaakt. Hij heeft daar niets aan gedaan. Integendeel, hij staat toe dat het wordt toegedekt, zoals blijkt uit een VN-rapport over seksueel misbruik in Oost-Timor. Ofschoon seksueel misbruik daar al een probleem is sinds de komst van de VN in 1999, is niet één van de degenen die personeel voor de VN aanwerven en niet één soldaat voor de rechtbank gedaagd, zelfs niet toen kinderen het slachtoffer waren op Oost-Timor. Als de paus en het Vaticaan verantwoording moeten afleggen voor seksueel misbruik door priesters, waarom zou dan hetzelfde principe niet gelden voor Kofi Annan en de VN?
De heer Annan zal spoedig met groot eerbetoon en een royale uitkering met pensioen gaan. Ik hoop dat zijn opvolger seksueel misbruik serieus zal nemen.
Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het spreekt voor zich dat de Commissie de verontwaardiging en de zorgen van het Parlement deelt ten aanzien van de onaanvaardbare, ontoelaatbare gedragingen van soldaten die betrokken zijn bij vredeshandhavingsoperaties.
Op zichzelf valt deze kwestie natuurlijk, strikt genomen, niet onder de bevoegdheid van de Commissie. Het is evenwel zonneklaar dat wij de uitbuiting en het seksueel misbruik waaraan sommige blauwhelmen zich schuldig hebben gemaakt, niet anders dan zeer zorgwekkend kunnen vinden. Deze incidenten hebben enerzijds het vertrouwen van lokale bevolkingen, die al getraumatiseerd en verarmd zijn, ondermijnd en vormen anderzijds een inbreuk op de zorgplicht die op alle deelnemers aan vredeshandhavingsmissies rust.
De Commissie staat dan ook geheel en al achter de maatregelen die de VN hebben getroffen als onderdeel van hun zerotolerancebeleid ten aanzien van dergelijke daden van uitbuiting en seksueel misbruik. Vanzelfsprekend schaart de Commissie zich aan de zijde van het Europees Parlement om de VN aan te sporen om onverwijld en zeer streng hiertegen op te treden.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt na de debatten van vanmiddag plaats.
De Voorzitter. – Aan de orde is het debat over zes ontwerpresoluties over Birma(1).
Thomas Mann (PPE-DE), auteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, 10 december 2006 was de internationale dag van de mensenrechten. In vele landen was dit geen feestdag, maar een rouwdag. Dit geldt bijvoorbeeld voor Birma, waar gewelddadige overvallen, moordpartijen en dwangarbeid aan de orde van de dag zijn. Honderdduizenden mensen zijn verdreven of zijn gevlucht voor ongeregeldheden. Voor de eerste keer sinds achttien jaar is de regering gewijzigd, waarbij personeel bij de strijdkrachten is vervangen. Maar de leider van de junta, generaal Than She, is gebleven, evenals zijn plaatsvervanger, Maung Aye. De EU heeft geconstateerd dat de mensenrechten nog steeds op grote schaal worden geschonden. Kort geleden nog werden Birmezen gedwongen politiebureaus en gebouwen voor het leger te bouwen. Arbeiders moesten als menselijke speurhonden door mijnenvelden lopen. Wij mogen deze perfide slavenarbeid niet tolereren. Ook het Internationale Rode Kruis werd geconfronteerd met de verslechterende situatie. Deze organisatie werd verboden nog langer actief te zijn. Zij moest zich terugtrekken uit de regionale kantoren en de bevolking zonder medische voorzieningen aan haar lot overlaten.
De hulp voor het Birmeese volk moet hoofdzakelijk van buiten komen, maar die hulp moet de mensen rechtstreeks bereiken en mag niet in de handen vallen van de machthebbers. In Birma is ongeveer 30 procent van de kinderen ondervoed, terwijl dit land de op een na grootste producent van opium is. Er zijn duizenden politieke gevangenen en de Sacharovprijswinnaar Aung San Suu Kyi staat sinds zestien jaar onder huisarrest. Grote etnische groepen worden onderdrukt en elke oppositie wordt in de kiem gesmoord.
Wij roepen China en andere staten op de hulp aan de militaire junta eindelijk te staken en deel te nemen aan internationale maatregelen, die positieve veranderingen in Birma teweeg moeten brengen. Acties van de ASEAN-staten tegen de machthebbers zijn een belangrijke en noodzakelijke stap. Birma heeft een routekaart naar democratie nodig om de mensenrechten te institutionaliseren en een conventie aan te nemen die voorbereidingen treft voor de invoering van de democratie. Commissaris, de EU moet veel en veel actiever worden en misschien zelfs sancties afkondigen opdat er een einde komt aan het geweld.
Erik Meijer (GUE/NGL), auteur. – (NL) Mijnheer de Voorzitter, landen die worden geregeerd door machthebbers die hun macht niet ontlenen aan hun kiezers, maar aan hun geweldsmachine, kunnen uiterst aantrekkelijk zijn voor buitenlandse investeerders. Die profiteren daar van lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden en een bevolking die geen mogelijkheid heeft om te protesteren. Bovendien kunnen daar ook geen vrije bewegingen functioneren die natuur en milieu verdedigen tegen kortzichtige beslissingen die op korte termijn de bedrijfswinst kunnen verhogen. Als hun hoofddoel is om de kosten van hun bedrijf laag te houden en op de internationale markt aan die lage kosten een voordeel te ontlenen, zijn ze in Birma al vele jaren aan het goede adres. Dankzij zulke internationale steun heeft het militaire regime in zijn beginjaren de binnenlandse protesten kunnen trotseren.
Sinds een aantal grote bedrijven zich onder druk van protesten in hun thuisland uit Birma hebben teruggetrokken, is het stil gebleven. Het regime accepteert de lage levensstandaard en de kritiek van buiten als onvermijdelijk, zónder te veranderen. De uitslag van de verkiezingen blijft genegeerd worden, de oppositieleidster wordt gevangengehouden en de minderheidsvolkeren worden als vanouds onderdrukt en verjaagd.
Internationale hulporganisaties worden tegengewerkt. Dit regime slaagt er zelfs niet in om een eigen politieke aanhang op te bouwen en dient inmiddels geen ander doel dan de eigen instandhouding. Zonder isolement van Birma door de buurlanden, zonder stopzetting van de wapenleveranties en zonder krachtige naleving van economische sancties in de Europese Unie, zal dit regime onnodig lang kunnen blijven overleven. De resolutie ondersteunt de maatregelen waartoe vanuit mijn fractie reeds jarenlang wordt opgeroepen en we ondersteunen die resolutie dus graag.
Marc Tarabella (PSE), auteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, iets minder dan een jaar geleden heb ik hier het woord gevoerd over de situatie in Birma. Ook toen al was mijn betoog doorspekt met termen als onderdrukking, junta en mensenrechtenschendingen.
Helaas is de situatie niet veranderd. Birma maakt nog altijd geen enkele aanstalten om te zorgen voor een democratischer uitoefening van de macht. Daarbij komt dat de Raad voor vrede en ontwikkeling (SPDC) meerdere bureaus van het Internationale Rode Kruis heeft gesloten, waardoor deze organisatie het werk onmogelijk gemaakt wordt. Het zittende regime belet NGO's om fatsoenlijk hun werk te doen, waardoor een groot aantal daarvan het land heeft verlaten.
Bovendien vinden wij het onbegrijpelijk dat India militaire steun verleent. Is dat niet het land dat zichzelf de grootste democratie ter wereld noemt? Het is volslagen absurd en we veroordelen het. India kan onmogelijk niet in de gaten hebben dat deze militaire steun wordt gebruikt voor het onderdrukken van etnische minderheden en politieke tegenstanders.
Mijns inziens moet de VN-Veiligheidsraad strenge maatregelen nemen tegen Birma, dit onrechtmatige bewind veroordelen en oproepen tot herstel van de democratie.
Daarnaast zou ik de nadruk willen leggen op mijn vertrouwen in de positieve invloed die de andere ASEAN-staten kunnen hebben: door hun streven naar verdere integratie spelen ze naar mijn mening een niet te verwaarlozen rol op het vlak van de mensenrechten.
Ik hoop dat China en India in de toekomst een soortgelijke rol zullen spelen, opdat het Birmaanse regime voor een democratischer koers zal kiezen.
Marios Matsakis (ALDE), auteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, in de afgelopen jaren heeft Birma regelmatig op de mensenrechtenagenda gestaan, en terecht. De Birmaanse autoriteiten gaan immers gewoon door met de grove schendingen van de mensenrechten van hun burgers. Daaronder vallen ook dwangarbeid, vervolging van politieke tegenstanders en gedwongen verhuizing.
Een in het oog springend voorbeeld van de anachronistische, kromme houding van het totaal irrationele Birmaanse militaire regime is het feit dat de leider van de Nationale Liga voor Democratie (NLD), Aung San Suu Kyi, die is onderscheiden met de Nobelprijs voor vrede en de Sacharovprijs, nu al tien jaar lang onder huisarrest staat, ondanks enorme protesten uit de gehele wereld. De Birmaanse bevolking lijdt op grote schaal aan ondervoeding en ziekten, maar de Birmaanse regering nam het wijze besluit om in het gehele land de jacht in te zetten op vertegenwoordigers van het Rode Kruis.
Als wordt nagedacht over de manier waarop wij een dergelijke totalitaire regering aan het verstand kunnen brengen dat wij vastbesloten zijn om de mensenrechten van het Birmaanse volk te beschermen, moeten ons inziens gerichte sancties in ogenschouw worden genomen, sancties die de junta in haar eigen portemonnee treffen. Verder vragen wij de landen die Birma nog steeds wapens verkopen, dringend om daar een eind aan te maken. Ook verwachten wij dat de Veiligheidsraad van de VN een strikte, bindende resolutie zal uitvaardigen met betrekking tot Birma. Wij hopen dat de blinde militaire dictators van Birma eindelijk het licht van het verstand en de democratie zullen zien en de macht overdragen aan een gekozen burgerregering.
Alyn Smith (Verts/ALE), auteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, degenen onder ons die actief betrokken zijn bij de mensenrechtendebatten, zullen dit onderwerp met een deprimerend gevoel van vertrouwdheid herkennen. De situatie in Birma wordt er alleen maar erger op, zoals mijn collega’s reeds hebben gezegd, en ik schaar mij achter al hetgeen tot nu toe is gezegd.
Ons inziens had deze resolutie beter kunnen zijn. Er staat echter een paragraaf in die ik wilde onderstrepen, namelijk de paragraaf waarin wordt erkend dat de tegen het regime gerichte sancties hun doel niet bereiken en soms in het geheel niet worden nageleefd. De Raad moet ervoor zorgen dat alle lidstaten de afgesproken sancties naleven en dat, als dat niet gebeurt, de overtreders met naam en toenaam worden genoemd. Wij moeten druk uitoefenen op onze internationale partners, opdat zij druk uitoefenen op de Birmaanse regering zelf.
Wij zeggen in paragraaf 9 dat de sancties moeten worden uitgebreid, maar wij moeten er wel voor zorgen dat ze gericht blijven tegen specifieke personen in het regime en voorkomen dat de mensen in Birma daarvan schade ondervinden. Het lijden van de mensen in Birma moet onze hoofdzorg zijn, en niet onze afkeer van het democratische gehalte van het regime zelf. Op dat punt had de resolutie veel beter kunnen zijn.
Wij hadden ook graag een specifieke verwijzing gezien naar de briefing van 8 december jongstleden door de Internationale Crisisgroep. Ik wijs op de inleidende zin, waarin wordt verwoord dat er steeds meer tekenen zijn dat er in Myanmar een humanitaire crisis aan het ontstaan is, en dat de internationale gemeenschap verder moet gaan dan het enkel bespreken van het uitermate repressieve politiek bestel van het land.
Samen met de mensen in Birma zitten ook de NGO’s die daar actief zijn en proberen de situatie voor burgers van dat ongelukkige land te verbeteren, gevangen in het web van de grote geopolitiek. Wij mogen bij al hetgeen wij doen, nooit hun onafhankelijkheid, hun inspanningen en hun vermogen tot hulpverlening aan de mensen ondermijnen. De recente sluiting van vijf centra van het Rode Kruis, een organisatie die prat gaat op haar onpartijdigheid en integriteit, is een wanhoopsdaad van de Birmaanse regering, maar de regering deed dit omdat ze de NGO’s verdacht van een te grote affiniteit met de westerse politiek. Wij moeten in al hetgeen wij doen goed oppassen dat wij hun actieterrein niet beperken.
Daarom juicht mijn fractie deze resolutie toe en geeft daar steun aan. Zij wil echter tevens tot voorzichtigheid manen. Wij mogen met ons optreden de mensen die daar ter plekke proberen hulp te bieden aan degenen die het meest onder de situatie te lijden hebben, niet in hun bewegingsvrijheid beperken.
Bernd Posselt, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, een gewelddadige, totalitaire militaire dictatuur, corrupte leiders, opiumhandel, verdrijvingen (momenteel zijn er meer dan een miljoen binnenlandse vluchtelingen) en onderdrukking van vele volkeren, niet in de laatste plaats van de Karen. Dit is al meer dan veertig jaar kenmerkend voor de trieste situatie in Birma. Er zijn echter twee nieuwe ontwikkelingen die onze aandacht verdienen.
In de eerste plaats hebben de ASEAN-staten eindelijk besloten een hardere koers te varen, wat wij alleen maar kunnen stimuleren en steunen. Eindelijk kwijten de ASEAN-staten zich van hun plicht en beginnen ze druk uit te oefenen op Birma. Ten tweede is het betreurenswaardig dat India steeds meer in het slechte gezelschap raakt van deze militaire leiders. Wij doen een beroep op India, de grootste democratie ter wereld, om haar democratische verantwoordelijkheid serieus te nemen en samen met de ASEAN en de Europese Unie de democratie en de rechtstaat in Birma te steunen en niet maatjes te worden met één van de wreedste regimes ter wereld.
Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, namens de PSE-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, er is anderhalf jaar voorbijgegaan sinds de laatste resolutie van het Europees Parlement waarin gevallen van schending van de mensenrechten in Birma werden veroordeeld. Helaas is de situatie tot op heden niet veranderd. Het militaire regime dat het land sinds veertig jaar regeert, legt aanbevelingen van de internationale gemeenschap naast zich neer. Politieke tegenstanders zitten in de gevangenis en worden gefolterd. Dwangarbeid is er aan de orde van de dag, net als het oproepen van kinderen voor militaire dienst.
Verontrustend is de totale ineenstorting van onderwijs en gezondheidszorg. De sterftecijfers voor malaria, tuberculose en aids stijgen razendsnel. Het regime blokkeert NGO-instellingen. De vestiging van het Internationale Nationale Rode Kruis is gesloten.
Wat we zeker ook moeten veroordelen is het agressieve optreden tegen en de verdrijving van etnische minderheden, waar alleen al in dit jaar meer dan tachtigduizend mensen mee te maken kregen. Zonder concrete financiële steun van onze kant zijn acties van organisaties die streven naar democratie en mensenrechten in Birma gedoemd te mislukken. Het lijkt erop dat op dit moment alleen economische sancties ondersteund met een resolutie van de VN-Veiligheidsraad het regime in Birma zullen kunnen dwingen tot democratische veranderingen.
Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren afgevaardigden, de Commissie maakt zich, net als de andere Europese instellingen en net als uw Parlement, grote zorgen over de situatie in Birma. Het is nu precies vijftien jaar geleden dat het Europees Parlement de Sacharovprijs toekende aan mevrouw Aung San Suu Kyi. We betreuren dat het politieke proces in dat land sindsdien volstrekt verlamd is. Natuurlijk staan de autoriteiten in Birma, net als in andere ontwikkelingslanden, voor aanzienlijke uitdagingen – het waarborgen van de nationale eenheid, de politieke stabiliteit, het versnellen van de economische en sociale ontwikkeling van het land –, maar deze staan de vestiging van een rechtmatige burgerlijke regering allerminst in de weg.
De huidige regering heeft meermaals verklaard dat het militaire bewind zou worden vervangen door een wettig gekozen regime, en wel op basis van een routekaart voor Birma. Tot op heden zijn we echter nog niet verder gekomen dan het stadium van beloften. Voor ons als waarnemers en internationale donoren kan er geen sprake van zijn dat de overgang naar een rechtmatig, democratisch gekozen regime plaatsvindt zonder dialoog. In een dergelijke dialoog moeten regering en politieke actoren samenkomen en moeten etnische minderheden, waarvan er in Birma zeer vele zijn, een stem krijgen. Dit moet ertoe leiden dat er een einde komt aan de gevechten in de gebieden die door deze minderheden worden bevolkt.
Evenzo is een politieke omwenteling ondenkbaar zolang politieke tegenstanders van het regime gevangenzitten of van hun vrijheid worden beroofd, zoals nog altijd het geval is met mevrouw Aung San Suu Kyi en meer dan duizend opposanten. Het beeld van een democratisch en welvarend Birma veronderstelt bovendien dat de mensenrechten worden geëerbiedigd, en daar schort het ernstig aan. Er is weliswaar een maatschappelijk middenveld, maar de uitoefening van grondrechten is verre van gewaarborgd: intimidatie, willekeurige arrestaties, gevangenneming van burgers wegens de uitoefening van hun burgerrechten en belemmeringen van de burgerlijke vrijheden blijven aan de orde van de dag. Leden van politieke partijen worden continu in de gaten gehouden door de veiligheidsdiensten. Een deel van de bevolking wordt uitgebuit door het leger, dat mensen dwangarbeid oplegt. Het spreekt vanzelf dat de beperkingen die aan het Internationaal Comité van het Rode Kruis worden opgelegd, onaanvaardbaar zijn, zoals u al heel terecht zei. Er zijn weinig aanwijzingen dat de regering aanstalten maakt deze situatie recht te zetten.
En, dames en heren, wat is het standpunt van de Europese Unie over dit alles? De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het handvest van de Internationale Arbeidsorganisatie zijn onze ijkpunten. In het gemeenschappelijk standpunt van de EU worden beperkingen opgelegd op het gebied van visa en investeringen. Op het handelsvlak kan Birma niet langer profiteren van de preferentiële handelsregelingen op basis van het algemeen preferentiestelsel. Het karakter van het Birmaanse regime maakt de bevolking van Birma echter zeer kwetsbaar voor armoede en ziekten. Daarom heeft de Commissie besloten om met ingang van 2007 haar bijstand aanzienlijk op te voeren, met name op de gebieden van gezondheid en onderwijs. Dankzij het Wereldfonds voor de bestrijding van HIV/AIDS, tuberculose en malaria, dat onder bescherming staat van de Verenigde Naties en dat medegefinancierd wordt door de Commissie, zouden deze drie ziekten doeltreffender moeten kunnen worden bestreden.
In de specifieke context van dit land is bij ieder programma waakzaamheid en inzet geboden. De door de Gemeenschap gefinancierde programma's, voor een bedrag van zo'n 24 miljoen euro, worden ten uitvoer gelegd door VN-agentschappen en internationale NGO's. Bovendien heeft de Commissie een programma opgezet voor gedecentraliseerde samenwerking, ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Daarnaast is de Commissie veruit de belangrijkste donor ten behoeve van de Birmaanse vluchtelingen in Thailand.
In het kader van een kritische dialoog met de regering zal de Commissie de Birmaanse autoriteiten onophoudelijk op hun verantwoordelijkheden wijzen. Bij de overgang in Birma moeten de mensenrechten worden geëerbiedigd. De bewonderenswaardige strijd van mevrouw Aung San Suu Kyi, aan wie het Europees Parlement de Sacharovprijs heeft toegekend, herinnert ons daar dagelijks aan.
Mijnheer de Voorzitter, met uw welnemen wil ik op persoonlijke titel zeggen dat ik deze debatten over de mensenrechten buitengewoon heb gewaardeerd, in het bijzonder het debat over Birma. Ik wil het Parlement echt verzekeren dat de Commissie de grootst mogelijke waakzaamheid en de grootst mogelijke vastberadenheid zal betrachten om, voor zover mogelijk, een einde te maken aan de huidige situatie waarin dat land verkeert.
(Applaus)
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt zo dadelijk na de debatten plaats.
16. In het register ingeschreven schriftelijke verklaringen (artikel 116 van het reglement): zie notulen
17. Verzending van de tijdens deze vergadering aangenomen teksten: zie notulen
18. Rooster van de volgende vergaderingen: zie notulen
19. Onderbreking van de zitting
De Voorzitter. – Ik verklaar de zitting van het Europees Parlement te zijn onderbroken.
(De vergadering wordt om 16.35 uur gesloten)
ANNEX (Schriftelijke antwoorden)
VRAGEN AAN DE RAAD (Het fungerend voorzitterschap van de Raad van de EU is verantwoordelijk voor deze antwoorden)
Vraag nr. 12 van Panagiotis Beglitis (H-0984/06)
Betreft: Uitvoering van resolutie 1701 van de Veiligheidsraad der Verenigde Naties
De afgelopen tijd werden er bepaalde ernstige schendingen geconstateerd van resolutie 1701 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties door de Israëlische luchtmacht in Libanon, waardoor het daadwerkelijke functioneren van de internationale vredesmacht in het gedrang is gekomen.
In dit verband moet met name worden gewezen op het recente incident waarbij de Duitse marine-eenheid betrokken was, die aan UNIFIL deelneemt.
Hoe beoordeelt de Raad van ministers van de EU de wijze waarop tot op heden aan resolutie 1701 uitvoering is gegeven door Israël, Syrië en de Hezbollah? Hoe denkt de Raad de troepeneenheden van de lidstaten te beschermen die deel uitmaken van de internationale vredesmacht in Libanon? Bestudeert de Raad de mogelijkheid van een initiatief om de schendingen van resolutie 1701 op de agenda van de Veiligheidsraad te plaatsen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De geachte afgevaardigde verwijst naar een aantal recente incidenten met betrekking tot vluchten van Israëlische militaire vliegtuigen in het Libanese luchtruim.
De Raad is consequent van mening geweest dat iedereen de soevereiniteit van Libanon moet respecteren op zijn grondgebied, in zijn wateren en in zijn luchtruim.
Vanwege de incidenten met betrekking tot de Franse en Duitse schepen, waar de geachte afgevaardigde aan refereert, riep de Raad in zijn conclusies van 13 november 2006 Israël op om de schendingen van het Libanese luchtruim te beëindigen. Bovendien namen UNIFIL en twee EU-landen officieel contact hierover op met de Israëlische autoriteiten. Daarna is niets meer vernomen van schijnaanvallen van Israëlische straaljagers op vredeshandhavers van UNIFIL.
De Raad verwacht dat Israël de overeenkomst om vijandelijkheden te staken, naleeft.
De Raad steunt vastberaden de volledige uitvoering van resolutie 1701 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. De Raad heeft consequent alle landen in de regio opgeroepen om de resolutie uit te voeren, met name met betrekking tot non-proliferatie. De Europese Unie speelt een leidende rol in de UNIFIL-operatie, wat blijkt uit de mate waarin de lidstaten bij de operatie zijn betrokken. Meer dan 8 000 soldaten uit de EU-landen zijn al in Zuid-Libanon gestationeerd om de Libanese troepen te steunen.
Naar de mening van de Raad worden de vredeshandhavers het beste beschermd wanneer iedereen zich aan resolutie 1701 van de VN-Veiligheidsraad houdt.
Vraag nr. 13 van Alain Hutchinson (H-0985/06)
Betreft: Eerbiediging van de mensenrechten in Colombia
Het Bureau van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten speelt een fundamentele rol bij de ondersteuning van de eerbiediging van de mensenrechten in Colombia. De rapporten die het Bureau publiceert vestigen de aandacht op de aanhoudende en herhaalde schendingen van de mensenrechten in dat land, en zijn een belangrijke bron van informatie waarvan de bekendmaking mensen bescherming kan bieden. Le regering van president URIBE wil de monitoringtaken van dit Bureau opheffen en zijn functie beperken tot louter technische bijstand. Dankzij pressie van de internationale organisaties kan het Bureau zijn huidige taken nog een jaar langer uitoefenen.
Is de Raad niet van mening dat de mensenrechtensituatie in Colombia zorgwekkend blijft? Zo ja, hoe wil de Raad waarborgen dat het Bureau zijn rol ook in de toekomst ten volle kan vervullen?
Kan de Raad toezeggen dat hij het nodige zal doen om ervoor te zorgen dat de Raad voor de Mensenrechten Colombia opneemt in de groep van landen die bijzondere aandacht vereisen, zodat de rapporten van het Bureau in de Raad voor de Mensenrechten kunnen worden besproken en deze Raad indien nodig aanbevelingen kan formuleren en pressie kan uitoefenen op de Colombiaanse regering?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De afgelopen tijd heeft de Europese Unie in haar verschillende contacten met de Colombiaanse autoriteiten benadrukt dat zij het werk van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten belangrijk vindt. Het Bureau heeft een grote invloed gehad op de bescherming van de mensenrechten en de bevordering van het internationaal humanitair recht in Colombia. De Europese Unie heeft ook benadrukt dat zij voorstander is van een langetermijnovereenkomst waardoor de continuïteit en voorspelbaarheid van het werk van het Bureau kan worden gewaarborgd. De Raad verwacht regelmatig gesprekken te zullen voeren met de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten over de rol van het Colombiaanse Bureau.
Ondanks de inspanningen van de Colombiaanse regering en een verbetering van de algemene situatie in het land, blijft de mensenrechtensituatie zorgwekkend, vooral sinds de humanitaire overeenkomst met de revolutionaire garde van Colombia over de vrijlating van ontvoerde personen zijn betekenis verloor. De Raad is bezorgd over de stagnatie als gevolg van nieuwe gewelddadigheden en roept alle partijen op er alles aan te doen om een oplossing te vinden.
De Europese Unie wil ernaar blijven streven dat bevoegde VN-organen, met inbegrip van de Raad voor de Mensenrechten, en andere belangrijke internationale organisaties, zoals de Internationale Arbeidsorganisatie, de mensenrechtensituatie in Colombia in de gaten blijven houden.
Vraag nr. 14 van Robert Evans (H-0987/06)
Betreft: EUFOR
Hoe beoordeelt de Raad de rol van EUFOR bij de recente presidentsverkiezingen in de Democratische Republiek Congo? Welke lering is hieruit getrokken?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
Middels de EUFOR RD Congo-operatie, die werd uitgevoerd op basis van resolutie 1671 (2006) van de VN-Veiligheidsraad, is tijdig en krachtig steun gegeven aan de acties van MONUC om te waarborgen dat het verkiezingsproces in de Democratische Republiek Congo vreedzaam zou verlopen.
De EUFOR RD Congo-operatie werd uitgevoerd in nauwe en actieve samenwerking met MONUC en de autoriteiten van de Democratische Republiek Congo en heeft bijgedragen aan het voorkomen van onlusten en het handhaven van vrede en orde tijdens het verkiezingsproces. Dit gebeurde vooral in Kinshasa, waar EUFOR-troepen snel en vastberaden ingrepen bij de incidenten in augustus.
De EUFOR RD Congo-operatie werd uitgevoerd in alle regio's die onder het mandaat vielen, vooral in Kinshasa, en gedurende de hele periode van het mandaat. De operatie is nu met succes afgerond en overeenkomstig resolutie 1671 van de VN-Veiligheidsraad is volgens schema begonnen met de terugtrekking van de troepen.
Vraag nr. 15 van Zdzisław Kazimierz Chmielewski (H-0989/06)
Betreft: Vangstquota voor kabeljauw uit de Oostzee voor 2007
Conform de overeenstemming die de Raad op 24 oktober 2006 heeft bereikt is de reductie van de TAC voor Oostzee-kabeljauw vastgesteld op ongeveer 10%. Wat betreft de kabeljauwbestanden in de oostelijke Oostzee is de TAC lager dan zou moeten volgen uit het meerjarenplan voor de kabeljauwvangst. Laten we niet vergeten dat dit meerjarenplan een TAC van rond de 62 duizend ton voorspelde. Zelfs wanneer we aannemen dat deze optimistische planning beïnvloed is door de zeer gunstige kabeljauwbestanden van 2003, bestaan er gefundeerde redenen voor een verzoek om handhaving van de TAC op het niveau van het lopende jaar, d.i. op 49,2 duizend ton. Heeft de Raad bij het verlagen van de TAC de visie van wetenschappers uit het Oostzeegebied voldoende in overweging genomen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad wil erop wijzen dat de in oktober 2006 bereikte overeenstemming een compromis was waarin de slechte situatie met betrekking tot de kabeljauwbestanden in aanmerking werd genomen. In het compromis is rekening gehouden met de standpunten van alle partijen, namelijk de lidstaten, de visserij-industrie, niet-gouvernementele organisaties en wetenschappers.
De reductie van 10 procent is in overeenstemming met het communautair beleid, dat stelt dat de totaal toegestane vangst (TAC, Total Allowable Catch) jaarlijks +/- 15 procent mag variëren. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de visserij-industrie kan overleven.
De overeenkomst bevat de eis dat de Raad uiterlijk op 30 juni 2007 een meerjarenplan moet aannemen voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee. Anders worden de TAC's en quota voor de kabeljauwbestanden per 1 juli 2007 automatisch verder verlaagd. Alle vangsten die op deze datum de vastgestelde nieuwe quota overschrijden, worden afgetrokken van de quota voor 2008.
Vraag nr. 16 van Hélène Goudin (H-0992/06)
Betreft: Kabeljauwvisserij in de Noordzee en ten oosten van Bornholm
Diverse gerenommeerde organisaties, waaronder Svenska Naturskyddsföreningen (SNF) en de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) hebben kritiek geleverd op de te hoge communautaire visserijquota. Op 3 november 2006 presenteerde een groep onderzoekers in het tijdschrift Science nieuwe onderzoeksresultaten die erop wijzen dat de visserijbestanden over 40 jaar uitgeput zullen zijn. De Commissie en de Raad lijken deze alarmerende berichten echter niet al te ernstig op te vatten. Eind oktober besloot de Raad van ministers van visserij dat de kabeljauwvisserij in de Noordzee en ten oosten van Bornholm in 2007 slechts met 10% hoeft te worden ingekrompen. Dit besluit staat in schril contrast tot de aanbevelingen van onderzoeksinstanties als ICES en SNF.
Hoe motiveert de Raad de handhaving van hoge kabeljauwquota voor de Noordzee en het gebied ten oosten van Bornholm? Deelt hij de opvatting niet dat de visbestanden op den duur uitgeput zullen raken? Is hij voornemens werkelijk krachtige maatregelen te nemen om het hoofd te bieden aan deze evidente problematiek?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
Wat dit betreft wil de Raad de geachte afgevaardigde erop wijzen dat de in oktober 2006 bereikte politieke overeenstemming alleen van toepassing is op de kabeljauwbestanden in de Oostzee en niet op die in de Noordzee. Deze overeenstemming was bovendien een compromis waarin rekening werd gehouden met de zorgwekkende toestand van de betreffende visbestanden. Daarom bevat de overeengekomen oplossing de voorwaarde dat de Raad uiterlijk op 30 juni 2007 een meerjarenplan moet aannemen voor kabeljauwbestanden in de Oostzee. Als de Raad dat niet doet, worden de totaal toegestane vangsten (TAC's – Total Allowable Catches) en quota per 1 juli 2007 automatisch verder gereduceerd. De TAC's en quota voor kabeljauw in de Oostzee worden in dat geval met 15 procent gereduceerd in vergelijking met het niveau van dit jaar. Alle vangsten die de op deze datum vastgestelde quota overschrijden, worden afgetrokken van de quota voor 2008. Bovendien wordt in de overeenstemming van de Raad het aantal dagen verlaagd waarop de kabeljauwvangst in de Oostzee is toegestaan. In 2007 is de kabeljauwvangst verboden gedurende ongeveer vijf maanden in de oostelijke Oostzee en vier maanden in de westelijke Oostzee. In beide gebieden duurt het verbod ongeveer een maand langer dan dit jaar.
De Raad verwacht tijdens zijn bijeenkomst van 19-21 december 2006 overeenstemming te bereiken over een voorstel voor TAC's en quota in andere wateren, zoals de Noordzee.
Wat de overige vragen van de geachte afgevaardigde betreft verwijst de Raad naar het antwoord dat hij heeft gegeven op de mondelinge vraag H-0915/06, die de geachte afgevaardigde eerder heeft gesteld. Het antwoord is nog steeds van toepassing.
Vraag nr. 17 van Jens Holm (H-0995/06)
Betreft: Opschorting van de vrijhandelsovereenkomst van de EU met Israël
Het Israëlische leger gaat door met het willekeurig doden van Palestijnse burgers. Op woensdagmorgen 8 november stierven 19 onschuldige mensen toen Israëlische granaten insloegen op hun huis in Beit Hanoun. Er vielen minstens 40 gewonden. Sinds het begin van "Operatie Herfstwolken" een goede week geleden zijn al 80 Palestijnen om het leven gekomen.
De Europese Unie is Israëls belangrijkste handelspartner. Momenteel heeft Israël met de EU een heel voordelige handelsovereenkomst, die echter niet onvoorwaardelijk is. Zo wordt er bijvoorbeeld in geëist dat de mensenrechten gerespecteerd worden.
De Zweedse minister van Buitenlandse Zaken heeft de recente Israëlische aanvallen streng veroordeeld en is van mening dat het optreden van het land in strijd is met de internationale rechtsprincipes. Een opschorting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Israël zou een duidelijk signaal zijn en een concreet middel om Israël ertoe te brengen de gewelddaden te stoppen.
Iets dergelijks is in het verleden al gebeurd. Op 3 oktober 2005 besliste de Raad namelijk om het partnerschap en het samenwerkingsakkoord met Oezbekistan gedeeltelijk op te schorten wegens inbreuken op en schendingen van de mensenrechten in het land.
Is de Raad het er met de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken over eens dat de Israëlische gewelddaden tegen de Palestijnen een schending zijn van het internationaal recht, en is de Raad bereid om de daad bij het woord te voegen en de vrijhandelsovereenkomst van de EU met Israël op te schorten?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De geachte afgevaardigde verwijst in zijn vraag naar de Israëlische militaire operatie in de stad Beit Hanoun in Gaza op 8 november 2006.
In hun verklaring van 8 november verkondigden het voorzitterschap en de Hoge Vertegenwoordiger een duidelijk en ondubbelzinnig standpunt over deze militaire acties.
Hoewel de Europese Unie het recht van Israël erkent om zijn burgers te beschermen tegen terroristische aanslagen en raketten die vanuit Gaza op Israël worden afgevuurd, heeft zij voortdurend verklaard dat Israël verplicht is dit recht in overeenstemming met het internationaal recht te gebruiken.
Wat de recente positieve gebeurtenissen betreft was de Europese Unie blij met de wapenstilstand die op 26 november in Gaza van kracht werd. Het is belangrijk dat deze van kracht blijft en wordt uitgebreid naar de Westelijke Jordaanoever. Wij moeten beide partijen aansporen om nu andere maatregelen te nemen die het vertrouwen bevorderen, zoals het vrijlaten van gevangenen.
De Raad blijft van mening dat het politieke proces in het kader van de Routekaart naar vrede de enige manier is om via onderhandelingen tot een tweestatenoplossing te komen die gebaseerd is op een overeenkomst tussen beide partijen. Het resultaat daarvan zou een levensvatbare en onafhankelijke Palestijnse staat zijn die vreedzaam naast Israël zou bestaan en omgeven wordt door erkende en veilige grenzen. Opschorting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Israël, waar de geachte afgevaardigde aan refereert, zal dit doel niet dichterbij brengen.
Vraag nr. 18 van Paul Rübig (H-0997/06)
Betreft: Problemen met brandstofelementen in Tsjechische kerncentrale Temelin
In de krant "Oberösterreichische Nachrichten" van 2 november 2006 stond dat in de Tsjechische kerncentrale Temelin de problemen in de actieve zone als gevolg van bovenmatige vervorming van brandstofelementen steeds groter worden. De problemen zijn inmiddels zo groot dat een veilige exploitatie niet meer kan worden gegarandeerd. Er zouden al twee brandstofelementen onherstelbaar beschadigd zijn en het is nog onduidelijk hoe dit moet worden gecompenseerd, omdat voorafgaande aan vervanging door andere brandstofelementen uitgebreide berekeningen nodig zijn.
Welke stappen zal de Raad in deze zaak ondernemen? Welke maatregelen neemt de Raad om kerncentrales met ernstige technische mankementen onmiddellijk van het net te halen? Beschikt de Raad al over een plan van aanpak, zodat in dergelijke situaties snel en efficiënt kan worden opgetreden?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad neemt geen standpunt aan over berichten die in de massamedia verschijnen en is niet bekend met de waarnemingen waar de geachte afgevaardigde naar verwijst.
Zoals de geachte afgevaardigde weet, heeft de Europese Unie consequent het belang benadrukt van strikte normen voor nucleaire veiligheid en een hoog niveau van milieubescherming. De Raad verklaart nogmaals dat nucleaire veiligheid uiterst belangrijk is en staat volledig achter de inspanningen om overal in de Europese Unie een hoog niveau van nucleaire veiligheid te waarborgen. Zoals de geachte afgevaardigde misschien nog weet, voerde de Raad een grondig onderzoek uit naar nucleaire veiligheid in de nieuwe lidstaten voordat zij tot de Europese Unie toetraden en deed specifieke aanbevelingen met betrekking tot de kerncentrale Temelin.
De exploitant van een kerncentrale moet zich houden aan de bepalingen inzake veiligheid en beveiliging van de Gemeenschap en van de betreffende lidstaat. De nationale autoriteiten die zijn belast met nucleaire veiligheid en straling, zijn verantwoordelijk voor de noodzakelijke inspecties. In Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad staan de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid van werknemers en de bevolking tegen de gevaren van ioniserende straling, alsmede de basisverplichtingen met betrekking tot de bescherming tegen straling, waaraan men zich moet houden.
Overeenkomstig artikel 35 en 36 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) wordt de Commissie op de hoogte gehouden van de mate van radioactiviteit waaraan de bevolking kan worden blootgesteld. Het is ook de taak van de Commissie dat secundaire wetgeving, zoals Richtlijn 96/29/Euratom, op adequate wijze wordt uitgevoerd.
In artikel 38 van het Euratom-Verdrag staat dat de Commissie het recht heeft een lidstaat te verplichten maatregelen te nemen om overschrijding van de basisnormen te voorkomen.
Vraag nr. 19 van Dimitrios Papadimoulis (H-1000/06)
Betreft: Mogelijke sancties tegen Turkije
Zeer ongebruikelijk heeft de Commissie in haar voortgangsverslag over Turkije geen voorstellen gedaan voor eventuele sancties, mocht Turkije zijn verplichtingen niet nakomen, hetgeen echter doorslaggevend is voor het door de Raad in december te nemen besluit. Deze omissie heeft in bepaalde lidstaten tot grote ongerustheid geleid; gevreesd wordt voor ongecoördineerde en onverwachte manoeuvres vlak voor de Top in december. Het Europees Parlement heeft overigens in zijn resolutie over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding (2006/2118(INI)) beklemtoond "dat het, in tegenstelling tot eerdere onderhandelingen, in het geval van Turkije noodzakelijk zal zijn om het Europese publiek voortdurend en intensief te informeren over de onderhandelingen zelf en de vooruitgang die Turkije in dit verband boekt".
Kan het voorzitterschap van de Raad - gelet op het feit dat de plenaire vergadering van het Europees Parlement vlak vóór de top van de Europese Raad plaatsvindt - mededelen of de Raad besluiten heeft genomen - en zo ja welke - inzake mogelijk sancties tegen Turkije, mocht het zijn verplichtingen niet nakomen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
Zoals de geachte afgevaardigde zegt, heeft Turkije de formele verplichting te waarborgen dat het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara volledig en non-discriminatoir wordt uitgevoerd en dat alle belemmeringen voor het vrij verkeer van goederen, met inbegrip van de beperkingen voor transportmiddelen, worden weggenomen. Deze verplichting staat duidelijk in het onderhandelingskader en maakt deel uit van het toetredingspartnerschap. In de verklaring van 21 september 2005 staat dat de Europese Unie in 2006 de volledige uitvoering van de verplichting zal evalueren. In de verklaring wordt benadrukt dat het openen van onderhandelingen over de relevante hoofdstukken ervan afhangt of Turkije zijn formele verplichtingen jegens alle lidstaten nakomt. Wanneer de verplichtingen niet volledig ten uitvoer zijn gelegd, is dat van invloed op de algemene vooruitgang in de onderhandelingen. Bovendien kwam de Raad in 2006 overeen de vooruitgang die in alle relevante kwesties van de verklaring wordt geboekt, gegarandeerd te monitoren. Dit werd dit jaar door de Europese Raad van juni bevestigd.
Op 11 december heeft de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen de situatie grondig onderzocht. De Raad besloot dat de Europese Unie geen onderhandelingen over de volgende hoofdstukken begint, voordat de Commissie er zeker van is dat Turkije zijn verplichtingen met betrekking tot het Aanvullend Protocol is nagekomen:
- Vrij verkeer van goederen
- Recht van vestiging en vrij verrichten van diensten
- Financiële diensten
- Landbouw en plattelandsontwikkeling
- Visserij
- Vervoersbeleid
- Douane-unie
- Buitenlandse betrekkingen
De Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen besloot ook dat er voorlopig geen besluit wordt genomen over de behandeling van een hoofdstuk, voordat de Commissie er zeker van is dat Turkije zijn verplichtingen met betrekking tot het Aanvullend Protocol is nagekomen.
Onderhandelingen over de andere hoofdstukken worden voortgezet overeenkomstig het onderhandelingskader.
De conclusies van de Raad van 11 december staan voor een verdere analyse ter beschikking van de geachte afgevaardigde. Alle andere belangrijke documenten met betrekking tot het toetredingsproces van Turkije staan ook ter beschikking van de geachte afgevaardigde. Dit zijn het algemene onderhandelingskader, het toetredingspartnerschap, de verklaring van de Raad van 21 september 2005, eerdere conclusies van de Europese Raad en het recente document van de Commissie over de uitbreidingsstrategie uit 2006 en haar vooruitgangsverslag met betrekking tot Turkije uit 2006. Dit houdt in dat het Europees Parlement goed op de hoogte is van de algemene situatie met betrekking tot het onderhandelingsproces met Turkije. De Raad is eensgezind over het feit dat het Europees Parlement en de Europese burgers geïnformeerd moeten worden over de toekomstperspectieven van dat proces.
Vraag nr. 20 van Maria Carlshamre (H-1002/06)
Betreft: Rechten van de inheemse Sámi-bevolking
Het Sámi-volk is de enige inheemse bevolking van de EU. Zij wonen in een gebied dat zich uitstrekt over Finland, Zweden, Noorwegen en Rusland. Er zijn verschillende Sámi-talen die volgens de UNESCO bedreigd of ernstig bedreigd worden, omdat er nog slechts een paar honderd moedertaalsprekers over zijn. Eeuwenlang zijn de Sámi gediscrimineerd door de staten in hun gebied - hun religie en hun taal zijn onwettig verklaard en hun grondrechten zijn hen ontnomen. In de notoire rassenbiologie van de twintigste eeuw werden ze beschreven als mensen met kleine hoofden. Deze tragische geschiedenis is bij de meeste mensen die vandaag de dag in Zweden en Finland wonen onbekend - en er is vrijwel geen informatie of onderwijsstof over de geschiedenis en de huidige situatie van het Sámi-volk. Een recent onderzoek naar 30 op scholen gebruikte geschiedenisboeken in Zweden heeft bij voorbeeld uitgewezen dat in slechts één daarvan een juist beeld van deze minderheid werd geschetst.
Kan de Raad meedelen wat hij bereid is te doen om te waarborgen dat de taal en de cultuur van de Sámi op volgende generaties worden overgedragen voordat het te laat is?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
Het Sámi-volk is de enige inheemse bevolking van de Europese Unie. Zij wonen in een gebied dat zich uitstrekt over vier landen. Toen Finland en Zweden tot de Europese Unie toetraden, erkenden de lidstaten de verplichtingen van Zweden en Finland met betrekking tot het Sámi-volk op basis van het nationaal en internationaal recht, zoals in Protocol nr. 3 bij het Toetredingsverdrag staat. Dit gold vooral voor de verplichtingen van deze landen om de middelen van bestaan, de taal, de cultuur en de levenswijze van het Sámi-volk in stand te houden en te ontwikkelen. De lidstaten waren ook van mening dat de traditionele cultuur en levenswijze van de Sámi afhankelijk zijn van natuurlijke economische activiteiten, zoals het houden van rendieren in de traditionele woongebieden van de Sámi. In het Protocol staat de afspraak dat, ongeacht de bepalingen van het EG-Verdrag, in deze landen het Sámi-volk het exclusieve recht mag worden verleend voor het houden van rendieren in de traditionele Sámi-gebieden. Ook werd overeengekomen dat het Protocol kan worden uitgebreid, rekening houdend met verdere ontwikkelingen van exclusieve rechten van de Sámi met betrekking tot hun traditionele middelen van bestaan. Er kan op nationaal niveau worden besloten over exclusieve rechten met betrekking tot rendierhouderij, maar besluiten over andere exclusieve rechten met betrekking tot de middelen van bestaan van de Sámi worden door de Raad genomen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de procedure die in het Protocol staat beschreven. De Sámi hebben in Zweden het in het Protocol genoemde exclusieve recht op het houden van rendieren, maar niet in Finland.
In artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie staat dat de Europese Unie culturele, religieuze en taalkundige diversiteit respecteert. In het Handvest staat ook dat iedereen voor de wet gelijk is en wordt het principe van non-discriminatie vermeld, wat ook in artikel 13 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap wordt genoemd.
De Raad heeft de kwesties waar in de vraag naar wordt verwezen echter niet besproken en er lopen geen projecten in de Europese Unie in het kader hiervan of van de rechten die in Protocol nr. 3 staan omschreven.
Vraag nr. 21 van Gay Mitchell (H-1004/06)
Betreft: Metamfetamines
Zal de Raad een plan van aanpak opstellen gezien de verontrustende toename van het gebruik van metamfetamines in Europa?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
Vermindering van de productie en het aanbod van synthetische drugs, zoals metamfetamines, is een van de doelen van het EU-drugsactieplan (2005-2008)(1). De lidstaten en Europol hebben zich verbonden aan het opzetten van operaties en inlichtingsprojecten ter voorkoming en bestrijding van de productie van en de handel in synthetische drugs (doel 20.1). De uitvoering van het drugsactieplan wordt systematisch gemonitord en het is de bedoeling dat het eerste jaarlijkse beoordelingsverslag in juli 2006 wordt gepubliceerd.
De Raad vraagt de geachte afgevaardigde ook het jaarverslag van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving van 2006 te lezen, waarin staat dat het gebruik van metamfetamine wereldwijd toeneemt. Volgens de berichten veroorzaakt het gebruik van metamfetamine grote problemen in verschillende delen van de wereld, onder andere in de Verenigde Staten, Zuidoost-Azië en het Stille Oceaangebied en in Afrika. Hoewel het probleem wereldwijd is toegenomen, beperkt het gebruik van metamfetamine zich in Europa tot enkele landen, waar zich langdurige problemen voordoen. Het feit dat steeds meer landen inbeslagnames van matamfetamine hebben gemeld, toont echter duidelijk aan dat ook in Europa het risico bestaat van verspreiding van deze drug.
Op basis van het voorgaande is de Raad van plan de situatie nauwgezet te blijven monitoren via zijn bevoegde organen en via internationale fora.
Betreft: Verordening inzake gedistilleerde dranken onder verwijzing naar het politieke compromis in de Raad
Onder verwijzing naar de lopende discussie over het ontwerpvoorstel voor een verordening inzake gedistilleerde dranken en met name het politieke compromis dat in de Raadsvergadering van 24 oktober werd bereikt, zou ik de Raad willen vragen welke rechtvaardiging er bestaat voor de invoering van een nieuwe verkoopbenaming "wodka verkregen uit [grondstof]".
Volgens de beschikbare statistische gegevens wordt tenminste ongeveer 97% van alle in de EU geconsumeerde wodka verkregen uit graan, aardappelen en melasse, en slechts een miniem percentage van 1% uit andere grondstoffen. De grondstof voor de overige 3% is niet bekend. Daarom zou ik willen vragen welke rechtvaardiging er bestaat voor de invoering van bovengenoemde nieuwe verkoopbenaming.
Met name verzoek ik de Raad statistisch materiaal voor te leggen over de hoeveelheden gedistilleerde drank in de EU die uit andere grondstoffen worden verkregen dan graan, aardappelen en suikerbieten en die thans door producenten en importeurs als "wodka" wordt aangeduid, met voorbeelden (namen of handelsmerken) van zulke producten die in de EU worden verkocht, en daarbij te vermelden hoe lang die producten al in de EU worden verkocht.
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad bevestigt dat op zijn bijeenkomst van 24 en 25 oktober 2006 een "algemene benadering" is aangenomen, die gebaseerd is op het voorstel voor een verordening dat het voorzitterschap heeft opgesteld op basis van een voorstel van de Commissie. Het voorstel is de basis voor debatten voorafgaand aan de eerste lezing, overeenkomstig de medebeslissingsprocedure. Er is in de Raad en in het Europees Parlement nog geen politieke consensus hierover bereikt.
Het voorzitterschap is van mening dat de lidstaten de algemene benadering, die gebaseerd is op intensieve debatten op basis van het voorstel van de Commissie, breed steunen. Zoals de geachte afgevaardigde weet, is het debat echter nog gaande. Een aantal punten in de verordening, zoals de bepalingen met betrekking tot de definitie van wodka, worden nog steeds behandeld door speciale delegaties in de Raad. Het zou daarom te vroeg zijn voor de Raad om te zeggen op welke basis de Raad en het Parlement uiteindelijk overeenstemming zullen bereiken.
Vraag nr. 23 van Brian Crowley (H-1012/06)
Betreft: Strijd tegen jeugd- en langdurige werkloosheid
Kan de Raad een verklaring afleggen met een overzicht van de maatregelen die hij in 2006 heeft genomen om de jeugd- en langdurige werkloosheid in Europa te bestrijden?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
Globaal gezien verzoekt de Raad de geachte afgevaardigde het antwoord te lezen dat de Raad gaf op vraag H-0073/06.
Veel maatregelen van de Raad kunnen helpen en helpen ook daadwerkelijk om de jeugd- en langdurige werkloosheid in Europa direct of indirect te bestrijden(1).
Aangezien het moeilijk is alle activiteiten van een Europese instelling als de Raad te presenteren, zal ik in dit verband enkele maatregelen noemen die de Raad in 2006 heeft genomen en die vooral betrekking hebben op jeugd- en langdurige werkloosheid.
Ik moet onderstrepen dat de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor de planning en uitvoering van hun maatregelen om jeugd- en langdurige werkloosheid te verminderen in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie. Het werkgelegenheidscomité ging in 2006 door met het maken van vergelijkende beoordelingen van het beleid van de lidstaten, wat een vaste gewoonte is, en rapporteerde de Raad over de uitkomsten ervan. In het algemeen kon worden gezegd dat jeugd- en langdurige werkloosheid tot de actieprioriteiten van de lidstaten behoren. De lidstaten waren zich bewust van de zaken die aangepakt moesten worden en in de nationale hervormingsprogramma's van dit jaar stonden meer politieke maatregelen die in overeenstemming zijn met het Europees pact voor de jeugd, zodat naar verwachting de situatie met betrekking tot jongeren zal verbeteren.
De geachte afgevaardigde weet natuurlijk dat de Raad en het Parlement, als wetgevers, hebben onderhandeld en overeenstemming hebben bereikt over een aantal financieringsprogramma's voor 2007-2013, die ofwel zijn gericht op het vergroten van de kennis van de situatie van werklozen ofwel specifiek jongeren of werklozen als doelgroep hebben. Ik noem hiervan de volgende programma's: Progress, waarmee onder andere de uitvoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie wordt gesteund, het nieuwe programma Jeugd in actie, financiële maatregelen van het Europees structuurfonds om problemen met betrekking tot vroegtijdige schoolverlating op te lossen en het toekomstige Europees Fonds voor de aanpassing aan de globalisering.
In 2006 hebben het Oostenrijkse en het Finse voorzitterschap het werkgelegenheidscomité verzocht vraagstukken te bekijken die direct met jeugd- en langdurige werkloosheid te maken hebben. Tijdens het Oostenrijkse voorzitterschap behandelde het werkgelegenheidscomité het begrip "flexiveiligheid", de combinatie van flexibiliteit en veiligheid, en tijdens het Finse voorzitterschap heeft het werkgelegenheidscomité een advies opgesteld over het vergroten van de productiviteit alsmede een advies over het scheppen van nieuwe en betere banen, ook voor degenen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt. Beide adviezen zijn aan de Raad gegeven, die ze heeft aangenomen. De adviezen zijn bedoeld als prikkel voor een toekomstige mededeling van de Commissie over "flexiveiligheid".
Bijvoorbeeld beleid inzake innovatie, economische groei, belastingheffing en gelijke kansen.
Vraag nr. 24 van Liam Aylward (H-1014/06)
Betreft: Energieovereenkomst EU-Rusland
Kan de Raad aangeven welke vorderingen er gedurende het Finse voorzitterschap zijn gemaakt om de energievoorziening vanuit Rusland naar de landen van de Europese Unie in de toekomst te garanderen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De geachte afgevaardigde weet misschien dat de Raad de afgelopen tijd zeer actief bezig is geweest, in nauwe samenwerking met de Commissie, met het ontwikkelen van een gemeenschappelijk extern energiebeleid met onder andere als doel de energievoorziening in de Gemeenschap te waarborgen. De Raad benadrukt dat dit beleid in zijn definitieve vorm de betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland op het gebied van energie zal bepalen.
Tijdens het Finse voorzitterschap is aanzienlijke vooruitgang geboekt in het begrijpen van de standpunten van beide kanten. Tijdens het informele diner van de staatshoofden en regeringsleiders in Lahti op 20 oktober werden energiezaken openlijk met president Poetin besproken. Deze informele gesprekken effenden in belangrijke mate het pad voor de Top EU/Rusland die op 24 november in Helsinki plaatsvond. De Top richtte zich op de samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland op verschillende gebieden, waaronder vooral het gebied van energie.
De Gemeenschap streeft ernaar dat de nieuwe alomvattende overeenkomst tussen de Europese Unie en Rusland, dat de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst vervangt, een aanzienlijk hoofdstuk over energiezaken krijgt. Het onderhandelingsmandaat voor een nieuwe overeenkomst is tijdens het Finse voorzitterschap behandeld en gehoopt wordt dat het binnenkort gereedkomt, zodat de onderhandelingen met Rusland zo snel mogelijk kunnen beginnen.
In het kader van de dialoog tussen de Europese Unie en Rusland over energiezaken werd op 8 december 2006 in Moskou de tweede bijeenkomst van de Permanente Partnerschapsraad van de Europese Unie en Rusland gehouden. De Permanente Partnerschapsraad was tevreden met de vier thematische overzichten, waarin de onderwerpen investeringen, infrastructuur, handel en energie-efficiëntie werden behandeld, en met de aanbevelingen voor verder werk.
Vraag nr. 25 van Seán Ó Neachtain (H-1016/06)
Betreft: Toekomst van INTERREG-programma's in Europa
Is de Raad voornemens voortzetting van de grensoverschrijdende INTERREG-programma's in Europa te steunen en, zo ja, hoeveel financiële steun zal voor deze periode (2007-2013) worden uitgetrokken voor de ontwikkeling van programma's voor het grensgebied tussen de Republiek Ierland en Noord-Ierland?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad kan de gevraagde informatie over financiële steun niet verstrekken, omdat hij zich niet bezighoudt met de uitvoering van de programma's die uit de structuurfondsen worden gefinancierd. Deze vraag zou aan de Commissie moeten worden gesteld.
In Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad, waarin algemene bepalingen staan voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, wordt echter 7 750 miljoen euro gereserveerd voor Europese regionale samenwerking. Daarmee worden activiteiten in het kader van het communautaire initiatief Interreg in de volgende financieringsperiode voortgezet. Van het genoemde bedrag wordt 5 576 miljoen euro uitgetrokken voor de financiering van grensoverschrijdende samenwerking.
Vraag nr. 26 van Eoin Ryan (H-1018/06)
Betreft: Verkiezingen in Congo
Kan de Raad een uitgebreide verklaring afleggen over de onlangs in Congo gehouden verkiezingen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
Op zijn bijeenkomst van 13 november 2006 uitte de Raad zijn tevredenheid over het feit dat de tweede ronde van de presidentsverkiezingen en de provinciale statenverkiezingen in de Democratische Republiek Congo op 29 oktober 2006 in het algemeen vreedzaam en ordelijk zijn verlopen. De gekozen president Joseph Kabila werd op 6 december 2006 geïnaugureerd.
De Raad prees de onafhankelijke verkiezingscommissie, die het mogelijk had gemaakt dat het verkiezingsproces geloofwaardig en transparant verliep.
De Raad wees vooral op de rol van degenen die de verkiezingen steunden, namelijk de internationale gemeenschap, vooral de Verenigde Naties, met inbegrip van de waarnemende troepen van de VN (MONUC), de Afrikaanse landen die bilaterale verplichtingen waren aangegaan alsmede de Gemeenschap voor de ontwikkeling van Zuidelijk Afrika (SADC) en de Afrikaanse Unie.
De Raad wees op de steun die de Europese Unie de Democratische Republiek Congo had geboden om te helpen voldoen aan de voorwaarden voor het houden van de verkiezingen en het vergemakkelijken van de voorbereidingen voor de verkiezingen, en op de evenzeer nuttige bijdrage van de militaire missie EUFOR in het steunen van MONUC. De Raad heeft bevestigd dat de Europese Unie bereid is de Democratische Republiek Congo en zijn nieuwe democratisch gekozen leiders te steunen bij hun toekomstige inspanningen om hun land te ontwikkelen ten gunste van de Congolese bevolking.
De Raad onderstreepte het regionale belang van de verkiezingen, die de stabiliteit en ontwikkeling in de regio van de grote meren en in Centraal-Afrika helpen bevorderen.
Dit onderwerp wordt ook besproken tijdens het diner van de ministers van Buitenlandse Zaken op de Europese Raad van 14 en 15 december 2006.
Vraag nr. 27 van Derek Roland Clark (H-1026/06)
Betreft: Mondelinge vraag (O-0115/2006 - B6-0442/2006) - Europees initiatief op het gebied van civiele bescherming
Ik stelde tijdens het vragenuur op woensdag 15 november de volgende vraag, maar het lid van de Raad, mevrouw Lehtomaki, gaf mij geen antwoord. Ik stel de vraag daarom nogmaals:
Wat bedoelt u met "Europese consulaten" en is het de bedoeling dat deze aan de nationale stelsels worden toegevoegd, en daarboven op komen?
Een Europese civiele beschermingsmacht, wat moet die doen, is dat een gewapende eenheid? Zo ja, waar wordt die macht gelegerd en onder welke controle wordt zij gesteld? Kan zij in actie komen zonder verzoek of toestemming van de nationale regering?
Tenslotte bevatte de Europese Grondwet, die nu een zachte dood is gestorven na de afwijzing door twee lidsaten, ook een "Europees beleid voor preventie van natuurrampen en voor civiele bescherming".
Is dit een poging om delen van de dode grondwet in nieuwe wetgeving in te voeren?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De vragen die de geachte afgevaardigde stelt, hebben betrekking op het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 15 november 2006, nadat de Finse minister van Europese Zaken, Paula Lehtomäki, antwoord had gegeven op de mondelinge vraag O-0115/06 - B6-442/06.
Het voorstel om een Europese civiele beschermingsmacht op te richten werd gedaan in het verslag "For a European civil protection force: European aid"(1), dat in mei 2006 door Michel Barnier werd gepresenteerd. De Europese Raad van juni 2006(2) nam met tevredenheid kennis van het verslag en vond het een belangrijke bijdrage aan het debat. Het voorstel om een Europese civiele beschermingsmacht op te richten, wordt niet door de verschillende organen van de Raad behandeld.
De Europese Raad van juni 2006 vroeg de secretaris-generaal van de Raad/Hoge Vertegenwoordiger en de Commissie voorstellen te doen over de bescherming door consulaire autoriteiten en onder andere over de oprichting van gemeenschappelijke consulaire steunpunten in van tevoren vastgestelde regio's. Bescherming door consulaire autoriteiten valt echter onder het mandaat van de lidstaten, terwijl de Europese instellingen alleen administratieve of logistieke hulp geven op verzoek van de betrokken lidstaat of het voorzitterschap.
Het werk van de Raad om de nood- en crisiscapaciteit van de Europese Unie te verbeteren, wordt beschreven in een verslag aan de Raad van december 2006(3).
De Raad behandelt op dit moment twee wetgevingsvoorstellen van de Commissie: het voorstel voor een verordening van de Raad tot instelling van een Instrument voor snelle respons en paraatheid bij ernstige noodsituaties (nieuwe naam: financieel instrument voor civiele bescherming) en het voorstel voor een besluit van de Raad tot oprichting van een communautair mechanisme voor civiele bescherming (herschikking).
Zoals bekend is functioneert migratiebeleid alleen in Europees verband. Kan de Raad meedelen waarom hij weigert algemene regels voor een functionerend Europees migratiebeleid vast te stellen? Waarom laat hij deze problematiek nog altijd over aan de lidstaten zelf en maakt zo bewust een oplossing van het probleem onmogelijk?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De activiteiten en bevoegdheid van de Gemeenschap met betrekking tot het immigratiebeleid staan omschreven in artikel 63, lid en 3, sub a) en b) en lid 4 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Wij moeten beseffen dat de relevante bepalingen in het Verdrag ten uitvoer zijn gelegd door het aannemen van een aantal belangrijke instrumenten op het gebied van immigratie van onderdanen van derde landen en de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal in een lidstaat verblijven. Ik moet in dit verband benadrukken dat de Raad heeft gehandeld in overeenstemming met zijn mandaat dat in het Programma van Tampere van 1999 en in het Haags Programma van 2004 werd verleend, want hierin wordt de strategie bepaald die moet worden gevolgd op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, met inbegrip van migratie.
Vraag nr. 29 van Georgios Toussas (H-1033/06)
Betreft: Schending van de vakbondsrechten door de Zuid-Koreaanse regering
Het Wereldvakverbond (WVV) beschuldigt de Zuid-Koreaanse regering ervan een hevige aanval te hebben ingezet tegen de werknemersorganisaties en vakbonden. Zo zijn er zware beschuldigingen geuit tegen de vakbondsleiders van de Koreaanse federatie van vakbonden in de bouwsector (KFICTU) en hebben de ordetroepen met groot machtsvertoon de kantoren van de Koreaanse bond van overheidsambtenaren (KGEU) gesloten, zogezegd omdat het een 'illegale organisatie' is. Dergelijk optreden is een flagrante schending van de vakbondsrechten en -vrijheden en een regelrechte aanfluiting van de internationale toezeggingen van de regering om de arbeids- en vakbondsrechten te beschermen. Ook de Internationale arbeidsorganisatie (IAO) heeft overigens in diverse aanbevelingen meermaals dezelfde beschuldigingen geuit.
Veroordeelt de Raad dergelijk optreden van de Zuid-Koreaanse regering als een openlijke schending van de democratische en vakbondsrechten en -vrijheden van de werknemers?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad heeft de gebeurtenissen waar de geachte afgevaardigde naar verwijst niet besproken. Daarom kan de Raad er geen standpunt over innemen.
In het mensenrechtenverslag van de Europese Unie uit 2006 staat duidelijk dat de Europese Unie economische, sociale en culturele rechten net zo belangrijk vindt als nationale en politieke rechten. Zij vindt het ook belangrijk dat de voornaamste verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake de fundamentele rechten van werknemers worden nageleefd. Beide soorten rechten zijn gebaseerd op de intrinsieke waarde van de mens en de daadwerkelijke uitvoering van elk recht is een voorwaarde om de andere rechten tevens te kunnen uitvoeren, in ieder opzicht.
De Europese Unie volgt de situatie in Zuid-Korea en benadrukt dat het recht om zich op de werkplek te organiseren een fundamenteel mensenrecht is en deel uitmaakt van het economisch, sociaal en politiek proces.
Vraag nr. 30 van Athanasios Pafilis (H-1038/06)
Betreft: Moordaanslagen op vakbondsleiders in Colombia
De laatste tijd wordt in Colombia melding gemaakt van moordaanslagen op personen uit de vakbondsbeweging en de politieke oppositie. Onder meer werden vermoord de hoogleraar Edgar Fajardo Marulanda, de vakbondsleden Alejandro Uribe en Jose Amaya Ruiz, terwijl een aanslagpoging werd ondernomen tegen Raúl Rojas Gonzáles, bestuurslid van de Communistische partij van Colombia en van de Alternatieve Democratische Pool. Het gaat hier om openlijk tegen de vakbondsbeweging gerichte acties, waarmee de intimidatie van de arbeidersklasse en het volk nog wordt opgevoerd.
Veroordeelt de Raad deze daden die met gedogen van de Colombiaanse regering worden gepleegd, en hoe staat hij tegenover de geëscaleerde aanval van de Colombiaanse regering op de vakbondsrechten en politieke vrijheden van het volk, waarmee ook het kader wordt geschapen voor moorden op de vakbondsleiders zelf?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad is op de hoogte van de vele moorden op vakbondsleiders en -leden, die de afgelopen tien jaar in Colombia hebben plaatsgevonden. De Raad heeft de moorden herhaaldelijk veroordeeld en de Colombiaanse autoriteiten opgeroepen de nodige maatregelen te nemen.
De Europese Unie legde in november 2006 een verklaring af over de Commissie voor technische samenwerking van de Raad van Bestuur van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), waarin zij de Colombiaanse regering en de sociale partners opriep de tripartiete overeenkomst inzake vrijheid van vereniging en democratie en de onlangs gesloten overeenkomst van een tripartiete werkgroep, waarin het mandaat van de permanente vertegenwoordiging van de IAO is vastgelegd, volledig uit te voeren. Tegelijkertijd spoorde de Europese Unie de IAO en haar leden aan deze maatregelen actief te steunen.
De Raad volgt de mensenrechtenkwesties in Colombia nog steeds op de voet, ook met betrekking tot de voornaamste verdragen van de IAO inzake de rechten van werknemers, en zal zo nodig actie ondernemen.
Vraag nr. 31 van Edith Mastenbroek (H-1041/06)
Betreft: COM(2006)0168 def.: Strafrechtelijke maatregelen om de handhaving van intellectuele eigendomsrechten te waarborgen en Richtlijn 2004/48/EG
Thans ligt een nieuw voorstel ter handhaving van de intellectuele eigendomsrechten ter tafel (COM(2006)0168 def.) Met dit voorstel wordt ernaar gestreefd strafrechtelijke sancties op te leggen bij inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten. Momenteel hebben diverse actoren hun twijfels en discussies over de evenredigheid en subsidiariteit van het voorstel, aangezien Richtlijn 2004/48/EG(1) reeds bestaat, maar nog niet in alle lidstaten ten uitvoer is gelegd.
Kan de Raad mededelen welke lidstaten Richtlijn 2004/48/EG nog niet volledig ten uitvoer hebben gelegd en waarom niet?
Richtlijn 2004/48/EG voorziet reeds in procedures, rechtsmiddelen en civiel- en bestuursrechtelijke maatregelen voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten, maar is nog niet door iedereen ten uitvoer gelegd en derhalve kon de doelmatigheid van Richtlijn 2004/48/EG nog niet volledig worden geëvalueerd. Deelt de Raad in dit licht niet de eventuele twijfels ten aanzien van de timing van COM(2006)0168 def.? Het lijkt logisch dat geen nieuwe wetgeving moet worden voorgesteld voordat het bestaande wetgevingskader volledig ten uitvoer is gelegd.
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad onderzoekt momenteel het gewijzigd voorstel betreffende de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad waarnaar de vraagsteller verwijst. Het gaat om de richtlijn inzake strafrechtelijke maatregelen om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen.
In de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van oktober 2006 hoopten verschillende lidstaten dat de behoefte aan strafrechtelijke procedures ter bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten op EU-niveau voort zou worden onderzocht met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. Een groot aantal lidstaten onderstreepte bovendien het belang van de beoordeling van Richtlijn 2004/48/EG en de komende uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-440/05, waarin richtsnoeren zullen staan met betrekking tot de bevoegdheid van de Gemeenschap op het gebied van de goedkeuring van strafrechtelijke maatregelen. Gelet hierop is de behandeling van het voorstel voor een richtlijn tijdens het Finse voorzitterschap niet voortgezet.
Wat de tenuitvoerlegging en de beoordeling van Richtlijn 2004/48/EG betreft, zij de vraagsteller eraan herinnerd dat verdere maatregelen op dit gebied tot de bevoegdheid behoren van de Commissie, zodat de Raad op deze vraag niet kan antwoorden.
Bij besluit van de Tsjechische senaat werd een speciale commissie opgericht die moet onderzoeken of de communistische partij van Bohemen en Moravië wel legaal is. Dit onaanvaardbaar besluit tegen een partij die tijdens de verkiezingen van afgelopen juni 12,81% van de stemmen haalde, vertegenwoordigd is in het nationaal parlement en ook 6 leden heeft in het Europees Parlement, vult de lange lijst van anticommunistische aanvallen aan die de laatste maanden in Tsjechië worden geconstateerd, zoals het recente regeringsbesluit om de werking van de communistische jongerenbeweging van Tsjechië te verbieden en hevige verbale en fysieke aanvallen tegen communisten, met als typisch voorbeeld de afranseling van Girzi Dolis, ondervoorzitter van de communistische partij van Bohemen en Moravië.
Veroordeelt de Raad de pogingen om de communistische partij van Bohemen en Moravië buiten de wet te stellen evenals het besluit om de werking van de communistische jongerenbeweging van Tsjechië te verbieden, die democratische politieke organisaties zijn en een belangrijke invloed uitoefenen op de Tsjechische bevolking? Is hij van oordeel dat deze praktijken volkomen in strijd zijn met het recht op vrije meningsuiting, vrij verkeer van ideeën en vrije vereniging van burgers in politieke partijen en organisaties?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad heeft deze kwestie niet besproken, omdat zij niet onder zijn mandaat valt.
Bevordering van de mensenrechten behoort echter tot de primaire doelen van de Europese Unie. De verbondenheid van de lidstaten van de Europese Unie aan de fundamentele rechten is tevens bevestigd in het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten van de Europese Unie zijn ook lid van de Raad van Europa en op die manier verbonden aan verplichtingen die voortvloeien uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.
Wanneer het Europees Agentschap voor de grondrechten is opgericht, worden de capaciteiten van de Europese Unie voor monitoring en het geven van informatie vergroot, waarmee de grondrechten bevorderd worden.
Vraag nr. 33 van Piia-Noora Kauppi (H-1045/06)
Betreft: Jeugdonderzoek
Op 13 november 2006 vond in de Raad een gedachtenwisseling plaats over de vraag, in hoeverre jeugdonderzoek kan bijdragen tot een beter begrip en meer kennis omtrent de jeugd. Wat waren de concrete resultaten van deze gedachtenwisseling?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
In zoverre men kan zeggen dat een dergelijk debat een concreet resultaat kan hebben, maakte het debat in de Raad Onderwijs, Jeugd en Cultuur van 13 november 2006 het mogelijk dat er aandacht werd besteed aan veel gebieden waarin jeugdonderzoek kan bijdragen aan beter begrip en meer kennis omtrent de jeugd.
Tijdens het debat was er consensus over het feit dat de ontwikkeling van het jeugdbeleid ervan afhangt of er betrouwbare informatie, zowel kwantitatieve als kwalitatieve, beschikbaar komt uit onafhankelijk onderzoek en dat men zich in dergelijk onderzoek moet richten op gebieden die belangrijk zijn voor politieke besluiten in de jeugdsector. De lidstaten moeten hun inspanningen voor de opzet van een databank voor vragen met betrekking tot jongeren voortzetten en zich tegelijkertijd ook richten op prioriteiten die in het Europees Pact voor de jeugd staan. Een doeltreffende uitvoering van het Europees pact voor de jeugd en van andere prioriteiten inzake jeugdbeleid, vereist een aanpak die op feiten is gebaseerd.
Wij waren ook allemaal van mening dat de doeltreffendste manier om een gecoördineerd horizontaal jeugdbeleid te ontwikkelen en uit te voeren, een beter georganiseerde dialoog tussen de actoren in de jeugdsector is. Onderzoek naar het belang van jeugdbeleid moet worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met autoriteiten op dat gebied, jongeren, instanties die in de jeugdsector en jongerenorganisaties actief zijn. Er moet voor gezorgd worden dat de onderzoeksonderwerpen nauw verbonden zijn met het dagelijkse leven van jongeren. Hiervoor moet de ontwikkeling worden bevorderd van beleid, onderzoek, jongerenwerk en nationale netwerken voor jongeren.
Verscheidene delegaties onderstreepten de rol van het Europees Kenniscentrum voor jeugdbeleid. De kwaliteit en het nut van dit instrument hangen echter af van het werk van nationale contactgroepen het centrum gegevens verstrekken en deze gegevens actueel houden. De contactgroepen moeten daarom in elk opzicht worden gesteund.
Vraag nr. 34 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-1049/06)
Betreft: Evaluatie van het Finse voorzitterschap op het punt van vervoersbeleid
Onder haar prioriteiten heeft het Finse voorzitterschap in de eerste plaats belang gehecht aan gebruik en toepassing van doelmatige logistieksystemen, vooral waar het gaat om het aanbod van logistiekdiensten en investeringen in de infrastructuur van de onontwikkelde regio's van de EU, met ondersteuning door de gemeenschapswetgeving. Beschikt de Raad over een evaluatie van concrete initiatieven en maatregelen van de Commissie voor de uitvoering en bevordering van deze beleidsgebieden?
Daarnaast zijn verplichtingen aangegaan tot de afwikkeling van aangelegenheden als de buitenlandse betrekkingen van de EU in de sector luchtvervoer, het derde pakket wetgevingsmaatregelen voor de maritieme veiligheid en de scheepvaart over korte afstanden in de sector zeevervoer, alsmede het derde spoorwegpakket en de openbaar vervoersdiensten van de spoorwegen. Welke uiteindelijke evaluatie komt aan de ontwikkelingen in deze sectoren toe?
Wat betreft de inspanningen van het Voorzitterschap tot realisering van het Europees Satelliet Radionavigatiesysteem (GALILEO): welke resultaten zijn daarmee geboekt?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
Zoals de geachte afgevaardigde zeer terecht zegt, was het een van de doelen van het Finse voorzitterschap om in de Raad het debat over de ontwikkeling van de logistiek van het goederenvervoer nieuw leven in te blazen. De conclusies van de Raad over de mededeling van de Commissie met de titel "Goederenlogistiek in Europa - sleutel tot duurzame mobiliteit" werden tijdens de vergadering van de Raad op 12 december 2006 aangenomen.
Op het gebied van de buitenlandse betrekkingen van de Europese Unie in de sector luchtvervoer nam de Raad op 4 december een besluit over de ondertekening van de Europees-Mediterrane overeenkomst over de luchtvaart en de tijdelijke toepassing ervan met Marokko. Bovendien werden tijdens het Finse voorzitterschap uiteindelijk drie horizontale overeenkomsten met de Malediven, Paraguay en Uruguay aangenomen. Het Finse voorzitterschap heeft de onderhandelingen met de Verenigde Staten van Amerika over de luchtvervoersovereenkomst ("open sky") nauwgezet gevolgd en er een grote bijdrage aan geleverd. In de onderhandelingen tussen de Europese Unie en Rusland werd op de Top EU/Rusland op 24 november 2006 in Helsinki overeenstemming bereikt over de tarieven voor vluchten boven Siberië. Bovendien kwam de Raad op 12 december 2006 overeen dat de Commissie de bevoegdheid moet krijgen om met Oekraïne onderhandelingen te beginnen over het luchtvervoer.
De Raad nam op 11 december 2006 een gemeenschappelijk standpunt aan over de richtlijn betreffende de havenstaatcontrole, een van de voorstellen in het derde pakket wetgevingsmaatregelen voor de maritieme veiligheid. Het Finse voorzitterschap stelde een situatieoverzicht op met betrekking tot een voorstel voor een richtlijn inzake de verantwoordelijkheid van vervoerders van passagiers in geval van ongelukken. In het overzicht wordt duidelijkheid verschaft over de resultaten van de onderhandelingen over het voorstel in de bevoegde organen van de Raad en het werd op 11 december 2006 aan de Raad gepresenteerd. Het voorzitterschap nam ook het initiatief voor een debat over een voorstel voor een richtlijn over het naleven van de criteria met betrekking tot vlagstaten.
De geachte afgevaardigde weet waarschijnlijk dat de Raad in september 2006 het Europees Parlement zijn gemeenschappelijke standpunten over de drie wetgevingsvoorstellen in het derde spoorwegpakket heeft meegedeeld. De Raad wacht nu op de standpunten van het Parlement over de tweede lezing van de voorstellen. Wat de verordening inzake openbaar vervoersdiensten betreft is de Raad van plan zijn gemeenschappelijk standpunt over de plichten van openbare diensten te bevestigen, zodra de juridische en taalkundige wijziging van de politieke overeenkomst klaar is, waarna zij voor tweede lezing aan het Parlement wordt gegeven.
Het Finse voorzitterschap heeft nauw met de Commissie en de lidstaten samengewerkt om het complexe programma Galileo te bevorderen. Er worden discussies gevoerd over onderhandelingen over het vergunningenakkoord. Er is ook aanzienlijke vooruitgang geboekt in de onderhandelingen over de begrotings- en financiële mechanismen, die de Gemeenschap zal opzetten als onderdeel van het partnerschap tussen de publieke en de particuliere sector. Het Finse voorzitterschap organiseerde in november in Helsinki een werkbijeenkomst voor vervoers- en begrotingsdeskundigen over financieringsvraagstukken. Op internationaal niveau werd met Zuid-Korea en Marokko een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Wat de regulering betreft kan ik zeggen dat de Raad op 12 december 2006 verordeningen van de Raad aannam tot wijziging van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad tot oprichting van de gemeenschappelijke onderneming Galileo en Verordening (EG) nr. 1321/2004 van de Raad inzake de beheersstructuren van het Europees programma voor radionavigatie per satelliet.
Het Finse voorzitterschap heeft ook aanzienlijke vooruitgang geboekt met het besluit over de vestigingsplaats van de Galileo-controleautoriteit. De lidstaten hebben nu een duidelijk beeld van de kandidaten en beschikken allemaal over vergelijkbare gegevens over de kandidaturen.
Vraag nr. 35 van Paulo Casaca (H-1051/06)
Betreft: Massa-executie van Arabieren door het Iraanse regime
Het Europees Parlement heeft de Raad zijn jongste resolutie over Iran (P6_TA(2006)0503) van 16 november doen toekomen, waarin de Iraanse autoriteiten worden opgeroepen de op handen zijnde executie van 11 mannen in de provincie Kuhzestan onmiddellijk af te blazen.
Is het de Raad bekend of de Iraanse autoriteiten zich aan deze oproep houden? Kan de Raad het welzijn en de veiligheid waarborgen van Abdullah Suleymani, Abdulreza Sanawati Zergani, Qasem Salamat, Mohammad Jaab Pour, Abdulamir Farjallah Jaab, Alireza Asakreh, Majed Alboghubaish, Khalaf Derhab Khudayrawi, Malek Banitamim, Sa'id Saki en Abdullah Al-Mansouri?
Heeft het Voorzitterschap kennis van vooruitgang op het vlak van de eerbiediging van de rechten van de minderheden in Iran, met name de Arabische minderheid?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De Raad is op de hoogte van de zorgwekkende berichten over een aantal mannen die tot de Arabische minderheid in Iran behoren en het gevaar lopen te worden geëxecuteerd.
De Europese Unie heeft deze kwestie rechtstreeks bij de Iraanse regering en het hoofd van de rechterlijke macht ter sprake gebracht.
De Europese Unie veroordeelt de toepassing van de doodstraf en doet haar best om de doodstraf in alle omstandigheden af te schaffen. In het geval van Iran heeft de Raad de toepassing van de doodstraf en vooral de toename van het aantal executies veroordeeld. De Europese Unie brengt deze kwestie en andere urgente mensenrechtenkwesties voortdurend rechtstreeks bij Iran en in internationale organen, vooral de Verenigde Naties, ter sprake. De Europese Unie steunde de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Iran, die op 21 november 2006 door het Derde Comité werd aangenomen. Hierin werd Iran opgeroepen om in de wetgeving en in de praktijk openbare en andere executies af te schaffen. De uitvoering van executies is in strijd met internationaal erkende garanties. Bovendien heeft de Raad een beroep gedaan op de Iraanse autoriteiten alle gevangenen van de mogelijkheid tot juridische bijstand te verzekeren.
Wat de situatie van de Arabische minderheid betreft heeft de Raad de kwestie van discriminatie van minderheden in Iran, onder andere etnische minderheden, rechtstreeks bij Iran maar ook via de Verenigde Naties ter sprake gebracht. In de genoemde resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wordt Iran opgeroepen uit de wet en de praktijk alle vormen van discriminatie tegen minderheden, zoals de Arabieren, te schrappen om te waarborgen dat zij dezelfde gelijke kansen hebben op onderwijs als alle andere Iraniërs en dat deze kwesties openlijk worden besproken in volledige samenwerking met deze minderheden.
De Raad volgt de mensenrechtensituatie in Iran voortdurend en betreurt het dat de mensenrechtensituatie in Iran, ook de situatie van minderheden, is verslechterd. De Raad heeft vele malen een beroep gedaan op Iran om te waarborgen dat het zijn verplichtingen met betrekking tot de mensenrechten nakomt.
De Raad had verwacht dat er in december tussen de Europese Unie en Iran een gespreksronde over mensenrechten zou plaatsvinden. Ondanks de onderlinge overeenkomst besloot Iran uiteindelijk echter niet aan een dialoog deel te nemen. De Europese Unie wil nog steeds gesprekken beginnen en brengt urgente gevallen van mensenrechtenschendingen voortdurend bij de Iraanse autoriteiten ter sprake, waarvan het onderhavige geval een voorbeeld is. In haar betrekkingen met Iran richt de Europese Unie nog steeds haar voornaamste aandacht op de zorgen over de mensenrechten.
Vraag nr. 36 van Laima Liucija Andrikienė (H-1052/06)
Betreft: Evaluatie van de resultaten van de 22e ronde van de EU-Chinadialoog over de mensenrechten
Hoe beoordeelt de Raad de resultaten van de 22e ronde van de EU-Chinadialoog over de mensenrechten, die plaatsvond in Beijing op 19 oktober 2006?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als dusdanig noch de Raad, noch diens leden bindt, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad van de vergaderperiode van het Europees Parlement in Straatsburg van december 2006.
De 22ste ronde van de EU-Chinadialoog over de mensenrechten vond op 19 oktober 2006 in China plaats. Op de bijeenkomst werd speciale aandacht besteed aan racismebestrijding, de vrijheid van meningsuiting en de hervorming van het strafrechtelijk systeem in China. De antwoorden van China op enkele centrale probleempunten waren deels onbevredigend, vooral met betrekking tot de ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en de hervorming van de regeling Herscholing door arbeid (RTL). Ondanks herhaaldelijke verzoeken is het tijdsschema voor de ratificatie van het ICCPR nog steeds niet beschikbaar. De Europese Unie riep China op zijn samenwerking met de speciale rapporteur van de Verenigde Naties inzake marteling voort te zetten en zijn aanbevelingen uit te voeren. Er was een uitvoerige discussie over zijn bezoek en verslag.
De Raad is nog steeds erg bezorgd over de voortdurende beperking van de vrijheid van meningsuiting in China, waartoe ook de beperking van het gebruik van internet behoort, en heeft dit ook bij China kenbaar gemaakt. De Europese Unie uitte ook zijn zorg over het grote aantal verdedigers van de mensenrechten, advocaten en journalisten in gevangenissen, en riep China op personen die vreedzaam gebruik maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting niet lastig te vallen of te bestraffen.
Tijdens de gesprekken presenteerde China gedetailleerd enkele recente vorderingen met betrekking tot juridische hervorming. China zei dat er resultaten zijn bereikt met betrekking tot het tweede vijfjarenplan voor de hervorming van het Hooggerechtshof in China. Deze omvatten de hervorming van het systeem van gerechtelijke commissies en het systeem van strafrechtelijk bewijs, pogingen om het gevangenissysteem te hervormen en de praktijk van individueel onderzoek uit te breiden, verbeteringen in het advies- en rechtsbijstandsysteem, publieke hoorzittingen in gevallen waarin de doodstraf wordt overwogen in een rechtbank van tweede aanleg, geluids- of video-opnamen van verhoren om marteling te voorkomen, het voorkomen van te lange detentieperioden door middel van doeltreffender controlemechanismen en soepeler rapportagekanalen, de bescherming van de rechten van boeren en verbeteringen in de wetgeving inzake het recht op werk alsmede de bescherming van de rechten van kwetsbare bevolkingsgroepen, met inbegrip van de mogelijkheden voor niet volledig gezonde mensen en gehandicapten op revalidatie en werk.
In de gesprekken bracht de Europese Unie enkele kwesties met betrekking tot mechanismen van de Verenigde Naties ter sprake, zoals de mogelijkheid in China de status te verhogen van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties. Volgens China moet de VN-Raad voor de rechten van de mens dit jaar in eerste instantie proberen de nieuwe structuren van de Raad te ontwikkelen en geen resoluties over afzonderlijke landen indienen.
Andere zaken waarover werd gesproken waren onder andere het recente incident aan de Chinese grens met Nepal, toen Chinese soldaten het vuur openden op een groep Tibetanen die de grens over wilden steken. De Europese Unie vroeg om opheldering en riep China op het geval grondig te onderzoeken.
Ter ondersteuning van de dialoog werd opnieuw een juridisch seminar georganiseerd voor Europese en Chinese onderzoekers. In de werkgroepen werden kwesties met betrekking tot de rechten van werknemers en de toegang tot informatie bekeken. Hun aanbevelingen werden behandeld op de officiële vergadering, die deel uitmaakt van de dialoog.
De volgende ronde van de dialoog over de mensenrechten wordt in het voorjaar van 2007 tijdens het Duitse voorzitterschap gehouden.
VRAGEN AAN DE COMMISSIE
Vraag nr. 43 van Diamanto Manolakou (H-1043/06)
Betreft: Reacties onder de vissers
De inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1281/2005(1) roept onder de kleine en middelgrote vissers in Griekenland woede en verontwaardiging op. Het vereiste van hernieuwing van de vergunningen, waarbij de visser ook zijn primaire vistuig moet aangeven, is onrealistisch omdat het soort vistuig seizoensgebonden is en zich niet laat onderscheiden in primair en secundair. Het doel dat de verordening op lange termijn nastreeft, de uitoefening van de visserij tot slechts één soort vistuig te beperken, zal de vangstmogelijkheden en daarmee de inkomsten van de kleine en middelgrote vissers aanzienlijk beperken, in het voordeel van de grote visserijondernemingen die dan alleen overblijven om zich op de visrijkdommen van het land te storten.
Welke maatregelen zal de Commissie nemen om het vereiste in verordening (EG) nr. 1281/2005 zodanig te wijzigen dat voor de vernieuwing van de visvergunning geen aangifte hoeft te worden gedaan van het primaire vistuig?
Als reactie op de vraag van de geachte afgevaardigde inzake Verordening (EG) nr. 1281/2005 van de Commissie betreffende het beheer van de visvergunningen en de minimuminformatie welke deze moet bevatten, wil de Commissie graag haar standpunt nader toelichten.
Tot de informatie die lidstaten in de visvergunning dienen te vermelden, behoren het primaire vistuig alsmede het eventueel aanwezige secundaire vistuig. Uit zowel de titel van de Verordening als de titel van artikel 5 en de bijlage bij deze Verordening blijkt duidelijk dat het hier om minimuminformatie gaat zoals voorgeschreven door de communautaire wetgeving. Daaruit volgt dat lidstaten waarvan de vissers de mogelijkheid hebben om meer dan twee vistuigen te gebruiken (en dat is in Griekenland het geval) ook extra vistuig in de visvergunning op kunnen nemen. Er is geen beperking vastgelegd voor het aantal extra vistuigen dat in de visvergunning opgenomen mag worden.
De Verordening legt weliswaar de verplichting op om één vistuig als het primaire vistuig aan te merken, maar er zijn geen criteria gespecificeerd op basis waarvan de lidstaten moeten bepalen wat dat primaire vistuig nu precies is. Dat betekent dat de lidstaten de vrijheid hebben om dát vistuig als primair aan te merken dat zij zelf als het belangrijkste vistuig beschouwen voor de uit te voeren visactiviteiten. Overigens kunnen zij daarvoor ook andere criteria hanteren. Indien alle vistuig dat een bepaald vissersvaartuig gebruikt van even groot belang wordt beschouwd, kan elk van die soorten vistuig als primair worden aangemerkt. In ieder geval heeft het aanduiden van een bepaald vistuig als het primaire vistuig geen gevolgen voor het visserijbeheer uit hoofde van het Gemeenschapsrecht.
Vraag nr. 44 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-1050/06)
Betreft: Bescherming van de Middellandse Zee en Groenboek voor het maritiem beleid
In haar Groenboek(1) "Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën", benadrukt de Commissie dat de doelstelling van behoud van een gezond maritiem milieu enkel kan worden bereikt als de ernstigste bedreigingen voor verontreiniging, zoals deze die hoofdzakelijk afkomstig zijn van bronnen op het land (80%) en van werkingsafval van schepen, onder controle kunnen worden gehouden. Uit recente onderzoeksgegevens van MEDPOL (actieprogramma voor de Middellandse Zee) blijkt duidelijk dat de "landvervuiling" afkomstig van olieraffinaderijen, industrieel afval, meststoffen, enz., de verontreiniging in de Middellandse Zee aanhoudend doet toenemen doordat er jaarlijks miljoenen tonnen toxische afvalstoffen in terechtkomen (9.400 fabrieken, raffinaderijen, enz.).
In het kader van de derde Euromediterrane Milieutop, die op 20 november 2006 in Caïro plaatsvond, werd benadrukt dat het noodzakelijk is het milieu van de kusten en de wateren in de Middellandse Zee te beschermen alsook alle betrokkenen in het Middellandse-Zeegebied op elkaar af te stemmen. Denkt de Commissie op grond van het bovenstaande in het kader van het overleg over het Groenboek voor het maritiem beleid initiatieven te nemen om de partnerlanden in te lichten over en aan te sporen tot de uitvoering van een gecoördineerd beleid ter preventie van de maritieme verontreiniging in de Middellandse Zee, en hoe beoordeelt zij het tot op heden gevoerde beleid en de resultaten ervan? Deelt zij het standpunt dat het bestaande Europees emissieregister van verontreinigende stoffen (EPER), dat de 25 lidstaten bestrijkt, in het kader van de omvorming ervan tot een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen tot de partnerlanden in het Middellandse-Zeegebied moet worden uitgebreid? Voorziet zij bij de institutionele onderlinge koppeling van de beleidsvormen die het marien en maritiem beleid beïnvloeden (milieu, vervoer, visserij, industrie, energie), ook in samenwerking op Euromediterraan niveau?
Het Groenboek voor het maritiem beleid van de Europese Unie is niet alleen bedoeld om de economische activiteiten van Europese exploitanten te onderzoeken die verband houden met, of van invloed zijn op, de oceanen en zeeën, maar ook om te analyseren welke beleidsmaatregelen hiervoor genomen moeten worden. Doel is om betere manieren te vinden om Europeanen in staat te stellen om meer – en duurzamer – profijt te trekken van de oceanen. Wij zijn van mening dat Europeanen de oceanen en zeeën op een holistische en intersectorale wijze moeten benaderen. Een dergelijke benadering leidt immers tot het bevorderen van een duurzame groei en werkgelegenheid in overeenstemming met de Lissabon-agenda, en wel op een wijze die de bescherming van het mariene milieu waarborgt.
Een maritiem beleid is onontbeerlijk als wij besluitvaardig willen handelen en de bron van alle maritieme economische activiteiten in stand willen houden. Dat betekent dat wij moeten zorgen dat de ontwikkeling van het oceaangebruik en van de maritieme activiteiten het mariene milieu niet ondermijnen. In dat verband is het ook zinvol om erop te wijzen dat de Commissie onlangs een thematische maritieme strategie heeft voorgelegd, inclusief een voorstel voor wetgevende maatregelen. Deze strategie vormt een van de pijlers waarop het maritieme beleid van de Unie moet rusten, en dat uitgangspunt is ook duidelijk in het Groenboek uiteengezet. Daarnaast zal het derde maritieme veiligheidspakket dat onlangs is aangenomen naar verwachting een substantiële bijdrage leveren aan de maritieme veiligheid doordat het mariene milieu daardoor beschermd wordt tegen de verontreinigende activiteiten van schepen.
Het Europees beleid betreffende het mariene milieu heeft behoefte aan een algemeen kader waarbinnen het zich kan ontwikkelen. Tegelijkertijd dient er bij de uitvoering van de betreffende beleidsmaatregelen rekening gehouden te worden met de concrete Europese geografische situatie. Daarom wordt in de thematische strategie voor het mariene milieu ook een regionale planning voorgesteld die gebaseerd is op het ecosysteem. Binnen het kader van de regionale mariene verdragen - en op het Middellandse-Zeebekken is het Verdrag van Barcelona van toepassing - worden lidstaten gestimuleerd om een samenwerking op te zetten. Daarnaast wordt in he Groenboek benadrukt dat de lidstaten, waar mogelijk en zinvol, gebruik dienen te maken van bestaande regionale organisaties waarvan de werkzaamheden van invloed zijn op de maritieme activiteiten. Ingeval van het Middellandse-Zeegebied dient bijvoorbeeld aangehaakt te worden bij het Proces van Barcelona. Bovendien wordt in het Groenboek gewezen op de noodzaak van een gemeenschappelijk samenwerking tussen de lidstaten en landen van buiten de EU met het oog op het ontwikkelen en uitvoeren van strategieën op regionaal niveau.
Dit is met name van belang in het Middellandse-Zeebekken. Bij het ontwikkelen van de thematische mariene strategie is ook rekening gehouden met de ervaringen die zijn opgedaan in het kader van het actieprogramma voor de Middellandse Zee. Ter bevestiging van de noodzaak van een intensievere samenwerking wordt er op dit moment een Euromed-workshop voor het eerste halfjaar van 2007 gepland om de problemen in kaart te brengen en via een geïntegreerde aanpak de dialoog te bevorderen tussen de betrokken partijen op maritiem gebied.
Er is een uitgebreid scala aan beleidsmogelijkheden en maatregelen beschikbaar voor de bescherming van het mariene milieu. Gezien de complexiteit van het mariene milieu op zich en van de menselijke activiteiten die van invloed zijn op dat milieu, is enerzijds een verschuiving naar een holistisch en geïntegreerd beleid noodzakelijk. Anderzijds is het echter zo dat wanneer de oorzaken van de problemen getraceerd en geëvalueerd zijn, er echter ook geen reden is om het ontwikkelen en uitvoeren van een adequaat beleid en effectieve maatregelen nog uit te stellen om die problemen op specifieke gebieden aan te pakken.
Daarom wordt er via de holistische benadering waarvoor wij zowel in de mariene strategie als in het Groenboek hebben gekozen, getracht om een einde te maken aan de huidige versplintering op de verschillende maritieme beleidsterreinen. Door die versplintering is het namelijk lastig om inzicht te krijgen in de potentiële gevolgen van een bepaald maatregelenpakket op andere maatregelen. Zo wordt bijvoorbeeld 80 procent van de oceaanvervuiling veroorzaakt door menselijke activiteiten aan wal. Dat betekent dus dat de problemen met betrekking tot de oceanen niet geïsoleerd van elkaar gezien kunnen worden én dat zij in de toekomst ook niet los gezien mogen worden van wat er aan wal en in de atmosfeer gebeurt.
In mediterraan verband is in de bijlage(2) bij de mededeling van de Commissie met betrekking tot een milieustrategie voor de Middellandse Zee(3) weliswaar bepaald dat middels het Horizon 2020-initiatief projecten worden opgezet om de verontreiniging terug te dringen op de drie priorititeitsgebieden(4) die verantwoordelijk zijn voor 80 procent van de verontreiniging in de Middellandse Zee, maar tegelijkertijd geldt daarnaast dat andere verontreinigingen, zoals de verontreiniging door schepen, zo snel mogelijk aangepakt dienen te worden.
Om de inspanningen op nationaal niveau te stroomlijnen is een gemeenschappelijke geharmoniseerde databank voor de grootste bronnen van verontreiniging van groot belang voor toekomstige evaluaties, effectbeoordelingen en besluitvormingsprocessen in het Middellandse-Zeegebied. Een groot deel van de verontreiniging die in de Middellandse Zee terechtkomt, wordt al gerapporteerd in het kader van het Europees Emissieregister van verontreinigende stoffen (EPER) en, vanaf 2007, het Europees Register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen met het oog op de tenuitvoerlegging van het PRTR-Protocol van de UNECE.(5) Naast de lidstaten van de EU zullen ook Albanië en Kroatië in de toekomst in overeenstemming met dat PRTR-Protocol over verontreinigende stoffen rapport uitbrengen. Andere landen zijn niet gebonden aan EU- of UNECE-voorschriften en zijn dus niet verplicht om in overeenstemming met het PRTR van de EU of de UNECE verslag uit te brengen. Gezien de voordelen van een gemeenschappelijke geharmoniseerde databank dienen zij er echter wel toe te worden aangespoord om die rapportageverplichting op vrijwillige basis op zich te nemen.
Op dat punt dient de aandacht uit te gaan naar een samenwerking met het REMPEC(6) (een UNEP(7)/IMO(8)-instantie die verantwoordelijk is voor de tenuitvoerlegging van het maritieme gedeelte van het Verdrag van Barcelona) en vooral naar een samenwerking in het kader van het SAFEMED(9)-project. SAFEMED is een drie jaar durend bijstandsproject dat in januari 2006 is begonnen en dat door meerdere landen wordt uitgevoerd uit hoofde van het MEDA-programma. SAFEMED is bedoeld om met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de internationale IMO-voorschriften voor maritieme veiligheid en het voorkomen van verontreiniging door schepen de kloof te dichten tussen enerzijds de mediterrane landen die geen deel uitmaken van de EU en anderzijds de lidstaten van de EU die deze voorschriften ten uitvoer leggen op basis van een aantal essentiële communautaire verordeningen en richtlijnen.
Het Euro-mediterrane proces biedt ook de mogelijkheid om een samenwerking aan te gaan op regionaal niveau. Een dergelijke samenwerkingsvorm is al in gang gezet tussen de diverse ministeries van Milieu en er worden inmiddels ook jaarlijkse bijeenkomsten georganiseerd voor de Euro-mediterrane directeuren waterbeheer. Hoewel er in het kader van de Euro-mediterrane samenwerking geen specifiek mechanisme voor de scheepvaart is voorzien, is de integratie van milieuvraagstukken in andere sectoren toch een van de fundamentele doelstellingen van het Euro-mediterrane proces. De conclusies van de bijeenkomst van ministers van Buitenlandse Zaken op 27 en 28 november in Tampere onderstrepen het belang van de integratie van milieuvraagstukken in andere sectoren teneinde een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een duurzame productie en consumptie in de gehele regio.
Daarnaast dient opgemerkt te worden dat in het kader van de activiteiten die uitgevoerd worden uit hoofde van SMAP III (het derde actieprogramma op milieugebied voor de Middellandse-Zeeregio), ondersteunende maatregelen zijn genomen om de mediterrane partnerlanden te helpen bij het verbeteren van hun inspanningen om milieuoverwegingen in hun nationale beleid en strategieën te integreren in allerlei uiteenlopende sectoren. Het geïntegreerd beheer van de kustzone wordt daarnaast bevorderd door een aantal concrete demonstratieprojecten. Beide soorten activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan het verwezenlijken van de fundamentele, overkoepelende taak om het Middellandse-Zeegebied te beschermen.
De instellingen van de EU beschikken al over coördinatiemechanismen voor de ontwikkeling van alle beleidsmaatregelen, dus niet alleen voor de scheepvaart, en deze mechanismen zullen ook in de toekomst worden gebruikt. Tegen die achtergrond en gezien de grote maritieme belangen van een aantal mediterrane partners, is een samenwerking met deze partners in de vorm van een gecoördineerde dialoog over maritieme zaken ook in het belang van de EU, met name in verband met de ontwikkeling van een geïntegreerde aanpak van maritieme zaken in de Unie.
SAFEMED: een project in het kader van de Euromed-samenwerking betreffende de maritieme veiligheid en het voorkomen van verontreinigingen door de scheepvaart
Vraag nr. 45 van Laima Liucija Andrikienė (H-1053/06)
Betreft: Invloed van visserijquota op de visserij-industrie in Litouwen
De visserijquota voor Litouwen zijn zo gering dat visserijondernemingen ten hoogste 25 schepen winstgevend in de vaart kunnen houden, de rest moet worden gesloopt omdat zij niets opleveren. Vorig jaar zijn er in Litouwen 20 vissersschepen gesloopt, dit jaar ten minste 11. De Litouwse vissersvloot omvat momenteel dus slechts 34 schepen en de sloop gaat volgens jaar uiteraard door. Hoewel de EU meer dan € 330.000 (1 mio. litas) per gesloopt vaartuig betaalt, wordt de Litouwse vissersvloot ten gevolge van de geringe visserijquota vernietigd. Acht de Commissie het mogelijk de visserijquota voor Litouwen te verhogen om de visserij te redden en de van oudsher beoefende visserij in de Oostzee te behouden?
De hoofddoelstelling van het gemeenschappelijk visserijbeleid is het afstemmen van de visactiviteiten op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen om op een optimale en duurzame wijze gebruik te maken van de visbestanden.
De Commissie is verantwoordelijk voor het maken van de voorstellen voor de totaal toegestane vangsten (TAC’s – Total Allowable Catches) op Gemeenschapsniveau. De basis voor die voorstellen wordt gevormd door wetenschappelijke adviezen omtrent de toestand van elk visbestand en de betreffende vangstquota die als duurzaam aangemerkt kunnen worden. De definitieve TAC’s worden door de Raad vastgesteld, waarbij elke lidstaat een nationaal quotum krijgt toebedeeld in overeenstemming met het beginsel van de “relatieve stabiliteit” zoals dat door alle lidstaten is overeengekomen.
Er kan dan ook alleen sprake zijn van een verhoging van de visserijquota voor Litouwen indien de toestand van de visbestanden ruimte laat voor een algemene toename van de communautaire TAC’s . Op de bijeenkomst van de Raad in oktober zijn de algemene visserijquota voor de Oostzee voor 2007 verhoogd. Met het oog op het herstel van bepaalde visbestanden hebben de lidstaten echter ook tot een verlaging van specifieke TAC’s besloten om te zorgen dat het vissen op bijvoorbeeld kabeljauw in de Oostzee ook voor de lange termijn gewaarborgd is.
Vraag nr. 48 van Philip Bushill-Matthews (H-0994/06)
Betreft: Volgende stappen bij de arbeidstijdrichtlijn
Kan de Commissie na de afgelopen mislukte onderhandelingsronde over de arbeidstijdrichtlijn (93/104/EG)(1) een beschrijving geven van haar plannen voor de toekomst, vooral met het oog op het feit dat 23 van 25 landen hun nationale gezondheidsdiensten op dit moment "illegaal" laten functioneren? Erkent zij dat de meeste landen een flexibeler oplossing willen en dat, wil de richtlijn als een werkelijk op gezondheid en veiligheid gerichte wetgeving worden beschouwd, het zwaartepunt op het waarborgen van rusttijd moet worden gelegd en niet op het vaststellen van een maximale werktijd?
Naar aanleiding van de resultaten van de bijeenkomst van de Raad van 7 november bestudeert de Commissie op dit moment wat de beste strategie is in verband met de Arbeidstijdenrichtlijn.
Bij het bepalen van wat de mogelijkheden voor een akkoord zijn op basis van het huidige voorstel zal de Commissie rekening houden met de standpunten van het Parlement en de Raad, die bij dit onderwerp als medewetgever fungeren.
Mocht duidelijk worden dat een dergelijk akkoord niet langer tot de mogelijkheden behoort, dan zal de Commissie niet aarzelen om daaruit de desbetreffende conclusies te trekken en de benodigde maatregelen te nemen om te zorgen dat de communautaire wetgeving in acht wordt genomen.
De geachte afgevaardigde weet ongetwijfeld dat de huidige Arbeidstijdenrichtlijn al bepalingen bevat om de rusttijden op dag-, week- en jaarbasis te garanderen. In de Richtlijn worden echter ook beperkingen aan de maximale arbeidstijd gesteld. In het verslag van het Parlement over dit wetgevingsvoorstel(2) wordt zelfs aangedrongen op striktere beperkingen aan de maximale arbeidstijd door een snelle intrekking van de opt-out-clausule die de belangrijkste uitzondering vormt op de maximale werktijd zoals die in de Richtlijn is neergelegd (gemiddeld 48 uur per week over een bepaalde referentieperiode).
Verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van richtlijn 2003/83/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, A6-0105-2005.
Vraag nr. 49 van Dimitrios Papadimoulis (H-1001/06)
Betreft: Besluit van de voltallige vergadering van de Rekenkamer (Griekenland)
Op 8 november 2006 besloot de Griekse Rekenkamer dat burgerlijke rechtbanken niet bevoegd zijn om de aard van een arbeidsverhouding te bepalen en erkende bijgevolg geen arresten krachtens welke werknemers wier arbeidsovereenkomst was omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in het gelijk werden gesteld. Met dit besluit worden uitspraken van hogere gerechtelijke instanties ten gunste van werknemers vernietigd en wordt een beroep van werknemers bij Griekse rechtbanken voor wat betreft de omzetting van Richtlijn 1999/70/EG (1) onmogelijk gemaakt.
Het Europees Hof van Justitie onderstreepte in zijn arrest in de zaak C-212/04 dat overeenkomstig Richtlijn 1999/70/EG "de toepassing van een nationale wettelijke regeling die alleen voor de openbare sector geldt en voorziet in een absoluut verbod van omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd, die in werkelijkheid "permanente en blijvende behoeften" dekten" een misbruik oplevert. Is de Commissie, gezien het voorafgaande, van oordeel dat het besluit van de Griekse Rekenkamer, krachtens hetwelk een eventuele rechtsbescherming van werknemers de facto onmogelijk wordt gemaakt, strookt met de beginselen van de Europese Unie?
Welke stappen is zij voornemens te ondernemen om dit besluit, dat in strijd is met de letter en de geest van Richtlijn 1999/70/EG, ongedaan te maken?
Op grond van Richtlijn 1999/70/EG inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd(2) zijn lidstaten verplicht om maatregelen vast te stellen ter voorkoming van misbruik door het aangaan van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Zolang er andere effectieve maatregelen van kracht zijn om misbruik te voorkomen, zijn lidstaten echter niet verplicht om overeenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in overeenkomsten voor onbepaalde tijd.
Dat betekent dat de weigering van de Griekse Rekenkamer om uitspraken van gerechtelijke instanties ten uitvoer te leggen waarin is bevolen om overeenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in overeenkomsten voor onbepaalde tijd, op zichzelf nog niet betekent dat de Richtlijn niet correct wordt toegepast. Voor zover de algemene gerechtelijke instanties in Griekenland echter geoordeeld hebben dat het omzetten van een overeenkomst voor bepaalde tijd de enige beschikbare verhaalsmogelijkheid in een bepaald geval is, zou de weigering om een dergelijke uitspraak uit te voeren wel in strijd kunnen zijn met de toepassing van Richtlijn 1999/70/EG in zoverre de Richtlijn inderdaad op het betreffende geval van toepassing is.
De Commissie bestudeert op dit moment de recente ontwikkelingen in deze zaak en kan in dat verband de Griekse autoriteiten om een nadere toelichting vragen. Hierdoor is de Commissie in staat om een gefundeerd oordeel te vormen over het systeem dat in Griekenland wordt gehanteerd voor de toepassing en naleving van de nationale wetgeving om Richtlijn 1999/70/EG om te zetten.
Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het ENV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, PB L 175 van 10.7.1999
Vraag nr. 50 van Proinsias De Rossa (H-1020/06)
Betreft: Pesterijen en intimidatie op het werk
In antwoord op mondelinge vraag O-0076/03 heeft de Commissie op 14 januari 2004 de bewering van mijn collega Stephen Hughes dat door de Commissie niets werd ondernomen om werknemers te beschermen tegen pesterijen en intimidatie op de werkplek, verworpen met de opmerking dat de zaak op de agenda voor 2004 was geplaatst.
Kan de Commissie ingaan op nieuw onderzoek van de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden waaruit blijkt dat 5% van de werknemers in de EU last heeft van geweld op het werk, waarbij in Nederland 10%, in Frankrijk 9% en in het Verenigd Koninkrijk 8% van de werknemers hiervan melding maken? Kan de Commissie meedelen wanneer en hoe zij deze zaak aan de orde zal stellen en werknemers concrete bescherming zal bieden?
De Commissie hecht het allergrootste belang aan het beschermen van de gezondheid en veiligheid van werknemers tegen elke vorm van geweld op het werk, waaronder intimidatie.
In haar mededeling “Zich aanpassen aan de veranderingen in werk en samenleving: een nieuwe communautaire gezondheids- en veiligheidsstrategie 2002-2006”(1), heeft de Commissie aangekondigd dat ze “zal nagaan of een communautair instrument betreffende mobbing en geweld op het werk wenselijk is en zo ja, wat de reikwijdte ervan moet zijn”.
Op 23 december 2004 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan het document betreffende de eerste fase van de raadpleging van de sociale partners over geweld op het werk, uit hoofde van artikel 138, lid 2 van het Verdrag. Deze raadpleging had tot doel het advies in te winnen van de sociale partners over het beschermen van werknemers tegen elke vorm van geweld op het werk, waaronder intimidatie.
Naar aanleiding van deze raadpleging hebben de sociale partners de Commissie te kennen gegeven een onderhandelingsprocedure te willen starten teneinde op dit punt een Europees convenant tot stand te brengen. Deze onderhandelingsprocedure is in februari 2006 van start gegaan en zal naar verwachting eind 2006 afgerond worden.
De Commissie zal zich buigen over alle uitkomsten van deze onderhandelingsprocedure tussen de sociale partners en, indien van toepassing, over de resultaten van de tenuitvoerlegging van een eventueel Europees convenant, alvorens te besluiten of andere initiatieven op dit gebied noodzakelijk zijn.
Hoe het ook zij, de Commissie wijst de geachte afgevaardigde erop dat de kaderrichtlijn 89/391/EEG betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk(2) reeds alle risico’s op het werk omvat, waaronder psychosociale risico’s zoals intimidatie.
Volgens de Zweedse media kan de EU-richtlijn inzake arbeidstijd (2003/88/EG(1)) ongunstige gevolgen hebben voor gehandicapte topsporters. Overeenkomstig deze richtlijn heeft een werknemer recht op ten minste 11 uur rust per etmaal en op ten minste 36 achtereenvolgende uren vrij per week. Om aan deze eisen te voldoen heeft een gehandicapte voor een training van een week drie persoonlijke verzorgers nodig. Dit brengt aanzienlijke kosten met zich mee, met name als de training in het buitenland plaatsvindt. Sven Otto Littorin, de Zweedse minister van werkgelegenheid, heeft erop gewezen dat hij streeft naar een oplossing waardoor gehandicapten geen ongunstige gevolgen van de richtlijn inzake arbeidstijd ondervinden. De Zweedse vakvereniging Kommunal legt zich neer bij de feiten en stelt dat niets kan worden gedaan om ervoor te zorgen dat de richtlijn geen ongunstige gevolgen heeft voor gehandicapte sportlieden.
Hebben de Zweedse media gelijk als zij beweren dat de richtlijn inzake arbeidstijd zodanig strikt moet worden geïnterpreteerd dat topsporters bovengenoemde ongunstige gevolgen ondervinden?
Zonder een aanvulling op de informatie die de geachte afgevaardigde thans heeft verstrekt, is het niet mogelijk om nader in te gaan op de exacte vereisten die de EU-richtlijn inzake arbeidstijd stelt aan de specifieke situatie van persoonlijke verzorgers die nodig zijn om gehandicapte topatleten te begeleiden bij hun reizen in het buitenland.
In algemene zin wordt in die Richtlijn betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd(2) een aantal minimale voorwaarden beschreven om de gezondheid en veiligheid van werknemers te beschermen, met name met het oog op de gezondheidsrisico’s als gevolg van buitensporige arbeidstijden. Tot deze voorwaarden behoren een minimumrusttijd van elf aaneengesloten uren in elk tijdvak van 24 uur en een ononderbroken minimumrusttijd van 24 uur in elk tijdvak van zeven dagen.
In een aantal situaties zijn afwijkingen op deze voorwaarden toegestaan. Drie van deze afwijkingen kunnen relevant zijn voor de situatie die de geachte afgevaardigde aan de orde heeft gesteld: afwijkingen bij collectieve overeenkomst, afwijkingen voor werkzaamheden waarbij de arbeidsplaats en de woonplaats van de werknemer ver van elkaar verwijderd zijn, en afwijkingen voor werkzaamheden waarbij de continuïteit van de dienst of de productie moet worden gewaarborgd. Op dergelijke afwijkingen blijven echter wel de algemene bepalingen van de Richtlijn van kracht die voldoende compenserende rusttijden verplicht stellen om te voorkomen dat werknemers als gevolg van vermoeidheid wegens lange werktijden of andere onregelmatige werkroosters letsel toebrengen aan zichzelf, hun collega's of anderen en hun gezondheid op korte of op lange termijn schaden.
Het Europees Hof van Justitie heeft de Richtlijn zodanig geïnterpreteerd, met name in de zaak Jaeger (C-151/02), dat er nog twee andere uitzonderingen mogelijk zijn die relevant kunnen zijn voor de situatie waarnaar de geachte afgevaardigde heeft verwezen. In de eerste plaats mag de beschikbaarheidsdienst die op een door de werkgever aangewezen plek wordt verricht, niet als rusttijd aangemerkt worden, zelfs niet wanneer de werknemer geen actieve werkzaamheden verricht tijdens die dienst. In de tweede plaats moeten de compenserende rusttijden in de context van die afwijkingen volgens het Hof “onmiddellijk volgen op de arbeidstijd die zij geacht worden te compenseren”.
In de Richtlijn wordt ook naar situaties verwezen waarin het objectief bezien onmogelijk is om voor compenserende rustperioden te zorgen, maar waarin wel alternatieve, passende beschermingsmaatregelen getroffen kunnen worden. Afhankelijk van de feitelijke omstandigheden zou op grond van deze bepaling een flexibele regeling mogelijk kunnen zijn voor de situatie waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst.
Met het oog op een nadere toelichting op de wettelijke vereisten uit hoofde van de Richtlijn in dergelijke situaties heeft de Commissie in 2004 een wetgevingsvoorstel(3) overlegd om de Arbeidstijdenrichtlijn te wijzigen. Op basis van het voorstel van de Commissie(4) wordt uitsluitend een beschikbaarheidsdienst waarin ook actieve werkzaamheden worden verricht, aangemerkt als effectieve arbeidstijd. Daarnaast hoeven compenserende rustperioden niet onmiddellijk op de gewerkte periode te volgen, maar wel binnen een redelijke periode daarna, zoals vastgesteld door de nationale wetgeving, bij collectieve overeenkomst of middels een overeenkomst tussen de sociale partners. De Commissie betreurt het dat de Raad tot nu toe nog geen overeenstemming over dit wetgevingsvoorstel heeft bereikt.
Zoals gewijzigd (COM(2005) 246) na het verslag van het Parlement
Vraag nr. 52 van Georgios Toussas (H-1034/06)
Betreft: Organisatie van de arbeidstijd
Het initiatief van het Finse voorzitterschap tot wijziging van richtlijn 2003/88/EG(1) betreffende de organisatie van de arbeidstijd omvat onder meer het begrip "wacht- of slaapuren tijdens de aanwezigheidsdienst", die volgens de werkgevers niet als arbeidstijd te beschouwen is, ook al is de werknemer verplicht op de arbeidsplek en ter beschikking van de werkgever te blijven! Voorts blijft de opt-out gehandhaafd, geschiedt de berekening van de arbeidstijd op jaarbasis, en wordt iedere hogere definitie van dagelijkse of wekelijkse arbeidstijd afgeschaft: met dit alles wordt een zware slag toegebracht aan de Collectieve Arbeidsovereenkomsten en de sociale rechten van de werknemers. Nu al wordt ook deze antisociale richtlijn 2003/88/EG in 23 van de 25 lidstaten overtreden, evenals de uitspraken van het Hof van Justitie en van andere rechters waarin aanwezigheidsdiensten als arbeidstijd worden erkend, zoals ook de Commissaris de heer Špidla heeft erkend. Kenmerkende voorbeelden in Griekenland zijn de arts-specialisten alsmede de werknemers bij de warenhuisconcerns. Met dit alles wordt een zware slag aan de rechten van de werknemers toegebracht.
Is de Commissie van plan de flexibele vormen van tewerkstelling en de opt-out af te schaffen en een vaste werkdag van 7 uur en een vijfdaagse werkweek van 35 uur voor te schrijven, gelet op de massale protestacties van de werknemers?
De Commissie kan zich niet aansluiten bij de wijze waarop de geachte afgevaardigde het compromis van het Finse voorzitterschap interpreteert. Wat de Commissie betreft, vormt het voorstel van het Finse voorzitterschap een solide basis voor een compromis omdat hierin de uitzonderlijke aard van de opt-out wordt onderkend en strikte voorwaarden worden gesteld aan het gebruik van de opt-out-clausule.
Met betrekking tot de dagelijkse en wekelijkse arbeidstijd in de Arbeidstijdenrichtlijn worden in het compromis ook de huidige beperkingen gehandhaafd (inclusief een minimumrusttijd van elf aaneengesloten uren per dag en een gemiddelde werkweek van maximaal 48 uur, inclusief overwerk). Er is nooit sprake van geweest dat het voorstel van het voorzitterschap hierin verandering zou brengen.
Met betrekking tot de opt-out-clausule heeft de Commissie reeds in 2003(2) opgemerkt dat lange werkdagen negatieve gevolgen met zich mee zouden kunnen brengen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en dat die opt-out-bepalingen “afbreuk kunnen doen” aan de bescherming van werknemers. Tevens werd opgemerkt dat er zich in de praktijk problemen zouden kunnen voordoen bij het waarborgen van echte garanties voor werknemers waarvoor de opt-out clausule werd gebruikt. In het gewijzigde voorstel van de Commissie werd daarnaast voorgesteld om het gebruik van de opt-out-clausule te beperken tot een periode van drie jaar, tenzij lidstaten op specifieke gronden toestemming van de Commissie hadden gekregen voor een verlenging van die termijn. Desalniettemin hebben de langdurige onderhandelingen die hierover in de Raad zijn gevoerd, nog niet tot overeenstemming geleid over een eenduidige uitfasering van de opt-out.
De Commissie is overigens niet voornemens om wetgeving voor te stellen die ertoe moet leiden dat de gemiddelde arbeidstijd wordt teruggebracht naar 35 uur per week. Dergelijke maatregelen kunnen uiteraard wel via collectieve arbeidsovereenkomsten of nationale wetgeving worden vastgesteld.
De Raad van ministers van arbeid en sociale zaken is er op 7 november ll. niet in geslaagd om een vergelijk over richtlijn 93/104/EG(1) op de arbeidstijd te vinden. Op dezelfde vergadering is hij opnieuw uit het oog verloren dat het Europees Parlement een krachtige voorstander van afbouw van uitzonderingsregelingen is omdat gezondheid en veiligheid vóór alle andere overwegingen komen en Europa niet met oneerlijke concurrentie tussen de verschillende landen opgebouwd kan worden.
Waarom spreekt de Europese Commissie zich niet duidelijk voor afbouw van de uitzonderingsregelingen uit en geeft ze haar steun niet aan de lidstaten die het krachtigst het princiep verdedigen dat de sociale normen zonder uitzondering op alle lidstaten van toepassing zijn? En waarom neemt ze niet het initiatief om naar een oplossing voor de wachtdienst te zoeken, en wordt er niet met inachtneming van de verworvenheden van de Gemeenschap naar oplossingen gezocht aan de hand van sociale dialoog, op Europees of nationaal niveau?
De Commissie is zich volledig bewust van het standpunt van het Parlement met betrekking tot de Arbeidstijdenrichtlijn(2). Dat komt ook tot uiting in de inspanningen van de Commissie om een evenwichtige oplossing tot stand te brengen die zowel voor de Raad als het Parlement aanvaardbaar is.
Met betrekking tot de opt-out-clausule heeft de Commissie reeds in 2003(3) opgemerkt dat lange werkdagen negatieve gevolgen met zich mee zouden brengen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en dat die opt-out-bepalingen “afbreuk kunnen doen” aan de bescherming van werknemers. Tevens werd opgemerkt dat zich in de praktijk problemen zouden kunnen voordoen bij het waarborgen van echte garanties voor werknemers waarvoor de opt-out clausule werd gebruikt.
In het gewijzigde voorstel van de Commissie van 31 mei 2005(4) is een aantal garanties voor opt-out-werknemers voorgesteld om die negatieve gevolgen te verminderen of te voorkomen. Daarnaast is voorgesteld om het gebruik van de opt-out-clausule te beperken tot een periode van drie jaar, tenzij lidstaten op specifieke gronden toestemming van de Commissie hadden gekregen voor een verlenging van die termijn. Desalniettemin hebben de langdurige onderhandelingen die hierover in de Raad zijn gevoerd, nog niet tot overeenstemming geleid over een eenduidige uitfasering van de opt-out.
Met betrekking tot de beschikbaarheids- of wachtdiensten wijst de Commissie erop dat de Europese sociale partners twee keer zijn geraadpleegd over de huidige herziening van de Arbeidstijdenrichtlijn en dat zij niet hebben aangegeven dat zij deze kwestie zelf willen oplossen op basis van een onderling akkoord. In het voorstel van de Commissie is desalniettemin een grote rol ingeruimd voor collectieve arbeidsovereenkomsten over beschikbaarheidsdiensten en voor overeenkomsten tussen de sociale partners op nationaal niveau.
Betreft: Strategie ter vermindering van de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik
Europeanen consumeren de grootste hoeveelheid alcohol per hoofd van de bevolking ter wereld en de economische schade door alcoholgebruik in Europa bedraagt 125 miljard euro per jaar. De negatieve invloed van de schade als gevolg van alcoholgebruik draagt in belangrijke mate bij aan de gezondheidsproblemen en de grote verschillen in levensverwachting. Het effect voor gezinnen en sociale netwerken is moeilijk in geld uit te drukken, maar de gevolgen zijn terug te vinden in de aantallen kinderen die lijden onder de alcoholproblemen van hun ouders en huiselijk geweld.
Is de Commissie het er mee eens dat uit artikel 152, lid 1, dat stelt dat “Bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Gemeenschap een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid wordt verzekerd” een verplichting voortvloeit om beleid te maken dat het mogelijk maakt de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik te verminderen en zo een hoog niveau van bescherming van de gezondheid te waarborgen? Wat heeft de Commissie op dit gebied ondernomen of wat is zij voornemens in de toekomst te ondernemen? Is de Commissie bereid een communautaire strategie te publiceren ter vermindering van de schadelijke gevolgen van alcoholgebruik?
De schade als gevolg van alcoholgebruik is overal in Europa een van de grootste problemen op het gebied van de volksgezondheid. Het verminderen van de schadelijke gevolgen door alcoholgebruik in de EU levert in feite ook een bijdrage aan de Lissabon-doelstelling van de Europese Raad voor meer gezonde levensjaren voor iedereen.
Hoewel de meeste lidstaten op dit gebied al actie hebben ondernomen, is het niveau van het alcoholgebruik nog steeds onaanvaardbaar hoog. Schadelijk alcoholgebruik is elk jaar naar schatting verantwoordelijk voor 200 000 doden en alcohol is verantwoordelijk voor 25 procent van de sterfgevallen onder jonge mannen tussen 15 en 29 jaar.
Op grond van artikel 152 heeft de Gemeenschap een eenduidige bevoegdheid en verantwoordelijkheid om de lidstaten te ondersteunen bij het terugdringen van schade als gevolg van alcoholgebruik. Op basis van artikel 152 dient de Gemeenschap bij te dragen aan het realiseren van de doelstellingen in het kader van de volksgezondheid. Daarnaast moet het optreden van de Gemeenschap een aanvulling vormen op het nationale beleid en gericht zijn op verbetering van de volksgezondheid, preventie van ziekten en aandoeningen bij de mens en het wegnemen van bronnen van gevaar voor de menselijke gezondheid. Dit beginsel vormt het uitgangspunt van de activiteiten van de EU op het gebied van de volksgezondheid en alcohol.
Op 24 oktober heeft de Commissie een mededeling aangenomen over de Europese strategie ter ondersteuning van de lidstaten bij het beperken van aan alcohol gerelateerde schade.
In die mededeling wordt uitgebreid onderzocht hoe de schade als gevolg van alcohol gereduceerd kan worden, waarbij tegelijkertijd duidelijkheid wordt gecreëerd over de rol en de beperkingen van de bevoegdheden van de diverse actoren. De belangrijkste bijdrage van de Commissie bestaat uit het aanvullen van nationale strategieën, het bevorderen van samenwerking en coördinatie tussen lidstaten en het stimuleren van de verspreiding van goede praktijken in de EU.
De mededeling bestrijkt vijf prioritaire gebieden: het beschermen van kinderen en adolescenten, het aanpakken van rijden onder invloed, het voorkomen van schade onder volwassenen en op de werkplek, het geven van voorlichting en het ontwikkelen van een gemeenschappelijke basis van wetenschappelijke gegevens.
Met het oog op het ten uitvoer leggen van de strategie is de Commissie voornemens om uiterlijk in juni 2007 een Forum Alcohol en Gezondheid op te richten om de strategie te ondersteunen, input daarvoor te leveren en de tenuitvoerlegging ervan te monitoren. Hierbij zullen zowel de lidstaten als de belanghebbenden betrokken worden. Daarnaast zal de Commissie een groep van belanghebbenden vormen voor de samenwerking met betrekking tot verantwoorde commerciële mededelingen en verkooppraktijken.
De Commissie is thans in afwachting van een debat met het Parlement over die mededeling en is benieuwd naar zijn standpunt. De Raad EPSCO(1) heeft inmiddels op 30 november al zeer positieve conclusies aangenomen.
Het terugdringen van schadelijk alcoholgebruik is een van de belangrijkste uitdagingen op het gebied van de volksgezondheid waar regeringen en samenleving mee geconfronteerd worden. De Commissie is bereid om haar verantwoordelijkheid te nemen bij deze belangrijke taak.
Werkgelegenheid, sociaal beleid, volksgezondheid en consumentenzaken
Vraag nr. 57 van Panagiotis Beglitis (H-0980/06)
Betreft: Vogelgrieppandemie
Op 23 oktober publiceerde de Wereldgezondheidsorganisatie het nieuwe actieplan voor de vogelgrieppandemie. Doel is het vergroten van het aantal beschikbare vaccins, teneinde bij een eventuele pandemie doeltreffender aan de grote vraag naar vaccins te kunnen beantwoorden. Hoewel de Wereldgezondheidsorganisatie aangeeft nog niet over aanwijzingen te beschikken dat er direct gevaar van een vogelgrieppandemie dreigt, zegt ze wel dat er dan een tekort van miljarden vaccins zou ontstaan.
Het actieplan zal effectief zijn na een periode van 3 tot 5 jaar en kost tot 10 miljard dollar. Welke maatregelen gaat de Commissie nemen na de bekendmaking van dit actieplan? Hoe staat het met de planning van de samenwerking met de Europese farmaceutische industrie, teneinde in te spelen op een eventuele pandemie? Welke maatregelen hebben de lidstaten genomen om hun burgers te beschermen in een noodsituatie?
In het onlangs gepubliceerde actieplan van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waarnaar de geachte afgevaardigde verwees, worden drie hoofdinstrumenten genoemd om het aantal beschikbare vaccins te vergroten:
het ontwikkelen van beleid gericht op het vergroten van de vraag naar seizoensvaccins;
het vergroten van de productiecapaciteit voor griepvaccins;
het bevorderen van onderzoek en ontwikkeling op het gebied van griepvaccins.
In april 2005 heeft de Commissie een adviesdocument gepubliceerd getiteld “Towards sufficiency of pandemic influenza vaccines in the EU”(1) (Op weg naar voldoende pandemische griepvaccins) waarin een publiek-privaat partnerschap werd geschetst tussen de publieke sector en de vaccinindustrie. Hierin wordt voorgesteld dat de publieke sector (in dit geval de lidstaten van de EU) zich er nadrukkelijk toe verbindt om de dekkingsgraad van vaccins tegen seizoensgriep te verhogen in overeenstemming met resolutie 56.19 van de Wereldgezondheidsvergadering. In die resolutie wordt voor 2010 een dekkingsgraad voor griepvaccinatie aanbevolen van 75 procent van de in kaart gebrachte risicogroepen.
In een ontwerpresolutie die het Parlement in 2005 heeft aangenomen, worden de lidstaten ook opgeroepen om de dekkingsgraad voor vaccinatie te verhogen naar een niveau dat in overeenstemming is met de resolutie van de Wereldgezondheidsvergadering.
Het doet de Commissie genoegen dat zij de geachte afgevaardigde kan meedelen dat veel lidstaten inmiddels de dekkingsgraad voor vaccinatie van seizoensgriep hebben verhoogd en nog verder zullen verhogen.
Met betrekking tot het vergroten van de productiecapaciteit heeft de Commissie een contract getekend voor een project dat voorziet in concrete activiteiten in het kader van een publiek-privaat partnerschap. Daarnaast heeft het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA) ook richtsnoeren voor de industrie ontwikkeld over nieuwe technologieën die voor een grote impuls voor de productiecapaciteit kunnen zorgen.
Bovendien worden er uit hoofde van het kaderprogramma projecten door de Commissie gefinancierd met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling van nieuwe griepvaccins en het vergroten van de productiecapaciteit. In het zesde kaderprogramma is aanvankelijk 16 miljoen euro uitgegeven aan projecten op het gebeid van vogelgriep en grieppandemie. Dat bedrag is later nog eens aangevuld met 28,3 miljoen euro.
Met de voorgestelde overheidssteun voor de industrie zoals beschreven in het publiek-private partnerschap zou een vaccin twee tot drie maanden sneller in de handel kunnen worden gebracht.
Daarnaast heeft het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA) een procedure ontwikkeld voor een verkort goedkeuringsproces voor pandemievaccins en zijn er geen kosten aan de registratie van dergelijke vaccins verbonden.
Met betrekking tot de maatregelen die de lidstaten hebben genomen om hun burgers te beschermen als er een pandemie uitbreekt, constateert de Commissie verheugd dat alle lidstaten van de EU inmiddels een nationaal draaiboek voor een influenzapandemie hebben opgesteld. Een zorgvuldig uitgewerkt draaiboek en de interoperabiliteit van de nationale plannen zijn van cruciaal belang voor het beschermen van de burgers in de EU.
De Commissie werkt nauw samen met het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en de WHO Europa om via bezoeken aan landen de nationale draaiboeken voor influenzapandemieën te beoordelen.
Ook Bulgarije en Roemenië beschikken al over dergelijke draaiboeken. Het ECDC is voornemens om in de tweede helft van 2007 Roemenië en Bulgarije te bezoeken om die draaiboeken te beoordelen, hun interoperabiliteit te waarborgen en eventuele tekortkomingen in kaart te brengen. Voor het grootste gedeelte van de overige 25 lidstaten van de EU heeft dat beoordelingsbezoek inmiddels plaatsgevonden.
De meeste lidstaten zijn bovendien al bezig met het aanleggen van voorraden antivirale middelen als eerste verdedigingslinie totdat er vaccins beschikbaar zijn. De meeste landen zullen in het eerste kwartaal van 2007 overigens al voldoen aan de gewenste dekkingsgraad voor antivirale middelen.
Samengevat moge duidelijk zijn dat de Commissie, samen met alle belanghebbenden, op proactieve wijze probeert om de aanbevelingen in het actieplan van de WHO op te volgen. De Commissie onderhoudt nog steeds een permanente dialoog met alle belanghebbenden, inclusief de farmaceutische industrie. Aangezien een grieppandemie zich niet door nationale grenzen laat tegenhouden, zijn de initiatieven van de Commissie gericht op het coördineren van de acties van de lidstaten om hun burgers bij een eventuele pandemie zo optimaal mogelijk te beschermen.
Vraag nr. 58 van Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (H-0990/06)
Betreft: Russisch verbod op de invoer van Poolse producten
Het embargo op de leveranties van vlees- en landbouwproducten aan Rusland duurt al bijna een jaar. Desondanks heeft de Poolse regering gedurende deze periode voldaan aan alle Russische verwachtingen met betrekking tot de garantie van voedselveiligheid. De Europese Commissie heeft enkele malen toegezegd behulpzaam te zullen zijn bij het opheffen van het embargo op Poolse voedselproducten op de Russische markt. Gaat de Commissie, gezien het mislukken van de tot nog toe ondernomen acties, het probleem met de export van Poolse landbouwproducten ter sprake brengen tijdens de EU-Rusland Top die in november zal plaatsvinden?
Vanaf het allereerste begin is de Commissie actief betrokken geweest bij het zoeken naar een oplossing voor het Russische embargo op de invoer van Poolse vlees- en landbouwproducten.
De Commissie heeft deze kwestie al bij verschillende gelegenheden aan de orde gesteld bij de Russen, zowel op technisch als politiek niveau. Rusland blijft echter volhouden dat er nog steeds problemen zijn in Polen en dat het embargo van kracht blijft zo lang die problemen niet opgelost zijn.
Daarom heeft de Commissie in overleg met Polen een missie georganiseerd om ter plekke te beoordelen of er een reden is voor de Russische bezorgdheid.
Tijdens de meest recente missie die de deskundigen van de Commissie in november in Polen hebben uitgevoerd, is gebleken dat er van aanzienlijke verbeteringen sprake is ten opzichte van de situatie afgelopen juli hoewel er nog steeds een paar kwesties zijn die de Poolse autoriteiten beter dienen aan te pakken.
Deze kwesties rechtvaardigen echter geen volledig embargo op de invoer van de betreffende Poolse producten, maar het is van het grootste belang dat de Poolse autoriteiten blijven volharden in hun inspanningen om de resterende kwesties zo snel mogelijk op te lossen.
Ditzou het voor de Commissie eenvoudiger maken om Rusland te overtuigen van het feit dat er geen reden meer is om het embargo in stand te houden.
De voorzitter van de Commissie heeft deze kwestie tijdens de EU-Rusland Top in november bij de heer Poetin aangekaart, waarbij eerstgenoemde verklaard heeft dat het embargo dat Rusland hanteert, disproportioneel is en opgeheven dient te worden.
De voorzitter van de Commissie heeft ook voorgesteld een trilateraal overleg tussen Polen, Rusland en de Commissie te organiseren om deze kwestie op te lossen.
De Commissie zal zich blijven inspannen totdat er een bevredigende oplossing is bereikt.
Vraag nr. 59 van Hélène Goudin (H-0993/06)
Betreft: Levensmiddelenverordening van de EU
In Zweden hebben diverse ideële en kerkelijke verenigingen hun verontrusting te kennen gegeven over de praktische gevolgen van de EU-levensmiddelenverordening (EG) nr. 852/2004(1) die inhoudt dat zij brood en koekjes moeten bakken in geïnspecteerde en goedgekeurde keukens en zich moeten laten controleren door levensmiddeleninspecteurs. Ik heb al eerder een vraag aan de Commissie gesteld (P-3868/06) over de toepassing door de Zweedse autoriteiten van de levensmiddelenverordening, maar het antwoord verschafte geen volledige duidelijkheid. De Commissie constateert dat een ruimte waar men incidenteel en op bescheiden schaal met voedsel omgaat of voedsel toebereidt, bewaart of serveert niet onder de eisen van de levensmiddelenverordening valt. De vraag hoe men de begrippen incidenteel en op bescheiden schaal opvat is er daarom doorslaggevend voor of een activiteit is toegestaan of niet. De Commissie wijst erop dat het een zaak van de nationale autoriteiten is om de genoemde begrippen te interpreteren. De interpretatie van de Commissie heeft echter voorrang op die van de nationale autoriteiten. Het Zweedse centrale orgaan voor levensmiddelen is van oordeel dat een activiteit als niet-incidenteel moet worden beschouwd (en dan onder de levensmiddelenverordening valt) als zij meer dan een paar maal per jaar plaatsvindt.
Beschouwt de Commissie dit als een juiste interpretatie? Kan de Commissie een duidelijk antwoord geven op de vraag of een kerk of een ideële vereniging die iedere week brood of koekjes aan iedereen verkoopt deze activiteit kan voortzetten zonder te hoeven voldoen aan de uitgebreide eisen van de levensmiddelenverordening?
De Commissie is van mening dat Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne van toepassing is op activiteiten die gedurende een jaar vaker dan een keer per maand plaatsvinden. Onregelmatige activiteiten zonder vaste frequentie of met een frequentie van drie tot vier keer per jaar vallen buiten de werkingssfeer van deze Verordening.
De omschreven gebeurtenis is lokaal, is niet van invloed op de handel en valt binnen de werkingssfeer van het subsidiariteitsbeginsel. Het is dan ook een zaak van de bevoegde autoriteiten om de begrippen “op bescheiden schaal” en “incidenteel” te interpreteren. Bij die interpretatie dient wel rekening te worden gehouden met een risicoanalyse van het geproduceerde voedsel (d.w.z. het soort voedsel, de kwantiteit, de doelgroep en andere parameters) en met het algemene beginsel van de proportionaliteit. De Commissie kan daarom geen uitspraak doen over het standpunt dat de bevoegde Zweedse autoriteiten zouden moeten innemen over dit specifieke geval.
Wat doet de Commissie ter bestrijding van zelfmoord als maatschappelijk probleem?
De Commissie beschouwt het hoge aantal zelfmoorden in de EU als een groot probleem. Dat geldt ook voor het feit dat de zelfmoordpercentages in sommige lidstaten tot de hoogste ter wereld behoren.
In haar Groenboek “De geestelijke gezondheid verbeteren. Naar een strategie inzake geestelijke gezondheid voor de Europese Unie” uit 2005 heeft de Commissie veel nadruk op het thema zelfmoord gelegd. Op dit moment werkt de Commissie aan een strategie inzake de geestelijke gezondheid. Deze strategie zou ook maatregelen kunnen omvatten om suïcidaal gedraag te verminderen. Naar verwachting wordt deze strategie in de lente van 2007 aangenomen.
Uit hoofde van het communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008), cofinanciert de Commissie het project “De Europese alliantie tegen depressie” (“European Alliance Against Depression” – EAAD). Dit project bevindt zich thans in de tweede fase en wordt in 31 landen uitgevoerd, inclusief lidstaten van de EU en toetredingslanden. Uitgangspunt van het project is het opbouwen van regionale netwerken om zelfmoord tegen te gaan. In een eerdere proefprojectfase in een Duitse regio bleek door het project het aantal zelfmoordpogingen significant te verminderen. Meer informatie over dit project is beschikbaar op de volgende website: www.eadd.net.
Onlangs heeft de Commissie een mededeling aangenomen waarin een strategie wordt beschreven om lidstaten te ondersteunen bij het terugdringen van de schadelijke effecten van alcohol: “Een Europese strategie ter ondersteuning van de lidstaten bij het beperken van aan alcohol gerelateerde schade”. De Commissie beschouwt dit initiatief als een bijdrage aan het terugdringen van zelfmoord.
Uit hoofde van het zesde kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling (2002-2006) financiert de Commissie een aantal projecten om meer inzicht te krijgen in de pathofysiologie van suïcidaal gedrag. De betreffende projecten zijn gericht op fundamenteel en klinisch onderzoek naar stemmingsstoornissen en alcoholverslaving. In totaal worden drie grote geïntegreerde projecten en drie specifieke doelgerichte onderzoeksprojecten gefinancierd voor een totaal bedrag van 32 miljoen euro.
Daarnaast is de Commissie uit hoofde van het zevende kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling (2007-2013) voornemens om financiële steun te geven aan drie onderwerpen die mogelijk relevant zijn voor de kwestie van zelfmoord/stemmingsstoornissen, namelijk:
neurobiologie van angststoornissen;
van stemmingsstoornissen naar experimentele modellen; en
geestelijke stoornissen bij kinderen en adolescenten.
Vraag nr. 61 van Justas Vincas Paleckis (H-1009/06)
Betreft: Strategie betreffende de geestelijke gezondheid
De nieuwe strategie van de EU betreffende de geestelijke gezondheid die is gepresenteerd in een groenboek, is belangrijk voor alle lidstaten van de EU. Maar haar belang is nog twee of zelfs drie maal zo groot voor de nieuwe lidstaten en voor de kandidaat-landen. In dit deel van Europa zijn de indicatoren van de geestelijke gezondheid van de bevolking zeer slecht. De praktijk is nog steeds wijdverbreid dat niet geïnvesteerd wordt in organen en diensten met een sociale opdracht, maar in organen en diensten die de traditie uit het verleden van stigmatisering, discriminering en sociale uitsluiting continueren. Om uit deze vicieuze cirkel te geraken, zijn resolute politieke acties en een heroriëntering van de investeringen nodig. Sommige staten zijn vastbesloten actie te ondernemen op dit gebied. Litouwen bij voorbeeld heeft een nieuwe nationale strategie opgesteld voor de geestelijke gezondheidszorg, die al in het parlement in behandeling is.
Om deze nieuwe politiek ook in praktijk te brengen, zal echter een moeizame weg zijn. Op welke wijze zou de Europese Unie, en in het bijzonder de Commissie, kunnen bijdragen tot de totstandkoming van fundamentele veranderingen in de nieuwe lidstaten? Zou er niet nog duidelijkere informatie gegeven moeten worden omtrent de noodzaak van nieuwe, hoogwaardige investeringen, om de uitdagingen die verbonden zijn met de geestelijke volksgezondheid het hoofd te kunnen bieden? Welke problemen in verband met de geestelijke gezondheidstoestand van de bevolking in de nieuwe lidstaten van de EU acht de Commissie het belangrijkste, en welke investeringen beveelt zij concreet aan, gelet op de toenemende economische mogelijkheden van deze landen?
De vraag van de geachte afgevaardigde verwijst naar het Groenboek van de Commissie “De geestelijke gezondheidszorg verbeteren. Naar een strategie inzake geestelijke gezondheidszorg voor de Europese Unie” van oktober 2005. In wezen is dat een raadplegingsdocument. Op dit moment zijn de diensten van de Commissie bezig met het formuleren van de conclusies uit deze geslaagde raadpleging. Hopelijk kunnen wij in de lente van 2007 een vervolgmededeling aannemen met een geestelijke gezondheidsstrategie voor maatregelen op communautair niveau.
Sommige nieuwe lidstaten en kandidaat-lidstaten worden geconfronteerd met bijzonder grote problemen op het gebied van de geestelijke gezondheid. In veel bevolkinsgroepen is het percentage zelfmoorden en alcoholgebruik behoorlijk hoog. Ook zijn de leef- en zorgomstandigheden voor mensen met geestelijke gezondheidsproblemen soms onacceptabel.
De betreffende regeringen dienen daarom prioriteit te geven aan de aanpak van dergelijke problemen. De Commissie staat dan ook zeer positief tegenover de maatregelen die de regering van Litouwen en ook andere regeringen hebben genomen.
Het fundamentele element van hervormingen is onmiskenbaar een verschuiving van een geestelijke gezondheidszorg waarbij instellingen centraal staan, naar een gezondheidszorg waarbij de gemeenschap het middelpunt vormt.
De Commissie kan geen oplossingen opleggen, maar zij kan en zal wel veranderingen blijven bevorderen en steunen door het verstrekken van informatie, door het stimuleren van kennisuitwisseling tussen landen en door ondersteuning via de eigen beleidsinstrumenten van de Commissie. Zo kunnen nieuwe lidstaten bijvoorbeeld bijstand aanvragen voor investeringen in de geestelijke gezondheidszorg uit hoofde van de prioriteit “gezondheid” van de Structuurfondsen. Zij kunnen ook deelnemen aan projecten in het kader van communautaire actieprogramma’s zoals het actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008). Een goed voorbeeld in dit verband is het project “Geestelijke gezondheid onder kinderen en adolescenten in een uitgebreid Europa: ontwikkeling van werkzame beleidskeuzes en praktijken”, dat onder leiding staat van deskundigen uit een van de nieuwe lidstaten (verbonden aan het nationale centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg in Litouwen).
Vraag nr. 62 van Linda McAvan (H-1011/06)
Betreft: Veilige maximumgehalten voor vitaminen en mineralen
Kan de Commissie meedelen wanneer zij zal komen met voorstellen voor de vaststelling van veilige maximumgehalten voor vitaminen en mineralen als vereist krachtens Richtlijn 2002/46/EG(1) inzake voedingssupplementen?
Op grond van Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake voedingssupplementen dient de Commissie via de comitologieprocedure minimum- en maximumgehalten voor vitaminen en mineralen in voedingssupplementen vast te stellen.
Zo lang dergelijke geharmoniseerde voorschriften ontbreken, worden de maximumgehalten van vitaminen en mineralen in voedingssupplementen vastgesteld door nationale regelgeving. De regelgeving in de lidstaten verschilt aanzienlijk.
Het is onvermijdelijk dat die zeer gevarieerde nationale regelgeving tot problemen heeft geleid met betrekking tot het vrije verkeer van producten op de Europese markt waardoor ongelijke mededingingsomstandigheden zijn ontstaan en waardoor, in sommige gevallen, de keuze van consumenten voor deze producten beperkt is.
Inmiddels wordt actie ondernomen om de betreffende problemen op te lossen. In overeenstemming met de bepalingen in bovengenoemde Richtlijn heeft de Commissie de werkzaamheden in gang gezet om de maximaal toegestane gehalten aan vitaminen en mineralen in voedingssupplementen vast te stellen.
Gezien deze ingewikkelde situatie en het belang van deze werkzaamheden bestond de eerste stap in dit proces uit de publicatie van een discussiestuk. In dat document heeft de Commissie de relevante thema’s in kaart gebracht en heeft zij alle betrokken partijen verzocht hun standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Die raadplegingsprocedure is op 30 september 2006 afgesloten.
Op dit moment is de Commissie bezig met een analyse van de ontvangen reacties. Op basis van deze bijdragen zal zij evalueren wat de beste aanpak is.
Het veiligheidsbeginsel dat de kern vormt van alle communautaire wetgeving, zal het uitgangspunt vormen voor dit proces.
Tot slot wil de Commissie de geachte afgevaardigde ervan verzekeren dat er bij elk toekomstig voorstel rekening zal worden gehouden met de beginselen van een betere wetgeving. Dat betekent dat de Commissie ernaar zal streven om een onnodige belasting of beperking voor marktpartijen te voorkomen.
Betreft: Volksgezondheidsstrategieën van de EU 2007-2013
Kan de Commissie mededelen hoe zij voornemens is de 56 miljoen euro per jaar te besteden die voor de periode 2007-2013 is gereserveerd voor de bevordering van volksgezondheidsstrategieën in Europa?
In mei 2006 heeft de Commissie een gewijzigd voorstel gepresenteerd voor haar nieuwe Gezondheidsprogramma voor de periode van 2007 tot en met 2013. Dit programma heeft een totale begroting van 365 miljoen euro.
Het doel van het voorstel was te garanderen dat het programma werd aangepast aan het begrotingsakkoord betreffende het nieuwe financiële kader waarbinnen de middelen voor de gezondheidszorg aanzienlijk minder ruim zijn dan verwacht.
In het nieuwe voorstel voor het programma is ook rekening gehouden met de belangrijkste punten van zorg van het Parlement (zoals neergelegd in het standpunt van het Parlement van maart 2006 in eerste lezing).
In het gewijzigde voorstel zijn drie kernpunten opgenomen: gezondheidsbescherming, gezondheidsbevordering en kennis en informatie.
De eerste doelstelling van het programma is een betere bescherming van de gezondheid in de EU. Op dat punt heeft de Commissie maatregelen voorgesteld om burgers te beschermen tegen gezondheidsbedreigingen. Daartoe behoort de ontwikkeling van meer mogelijkheden om op grensoverschrijdende bedreigingen te reageren (bijvoorbeeld bij besmettelijke ziekten) en het verbeteren van de planning en paraatheid bij noodsituaties. Daarnaast omvat deze beschermingsdoelstelling acties met het oog op de veiligheid van patiënten, risicobeoordelingen en communautaire wetgeving op het gebied van bloed, weefsels en cellen.
De tweede doelstelling is de gezondheidsbevordering in de EU. Op basis van het programma wordt niet alleen nadere actie ondernomen in verband met de factoren die bepalend zijn voor een goede gezondheid (zoals voeding, alcohol, roken en drugsgebruik), maar ook met betrekking tot sociaal-economische en milieu-gezondheidsdeterminanten. Deze doelstelling omvat tevens maatregelen om de ongelijkheden op gezondheidsgebied te verminderen (met een nadruk op de nieuwe lidstaten) en activiteiten om het gezond ouder worden te bevorderen. Dat zijn twee essentiële onderwerpen waar ook het Parlement erg veel belang aan hecht. Daarnaast continueert de Commissie de activiteiten op gebieden als letsel- en ongevalpreventie en de preventie van de voornaamste ziekten.
De derde doelstelling is gericht op het verzamelen en verspreiden van meer en betere informatie op het gebied van gezondheid. De Commissie stelt voor om de activiteiten gericht op de ontwikkeling van gezondheidsindicatoren voort te zetten en aandacht te blijven geven aan instrumenten en kanalen om informatie onder de aandacht van de burgers te brengen. Daarnaast wordt in het kader van deze doelstelling nadruk gelegd op het uitwisselen van kennis op cruciale gebieden, zoals de gezondheid van kinderen of zeldzame ziekten.
Ondanks een krappere begroting dan in het oorspronkelijke voorstel was voorzien, is de Commissie van mening dat het communautaire actieprogramma op het gebied van de gezondheid een belangrijke bijdrage zal leveren aan het verbeteren van de gezondheid in de EU.
Vraag nr. 64 van Michl Ebner (H-1021/06)
Betreft: Bedorven vlees in Europa
Het is een grote uitdaging voor het Europese consumentenbeleid om ook in de toekomst het consumentenvertrouwen in de producten van de Europese landbouw, in de consumentenbescherming en in de veiligheid van levensmiddelen te waarborgen. Op dit terrein is de Europese Unie in de afgelopen tijd door tegenslagen getroffen. Er is bijvoorbeeld vlees in beslag genomen waarvan de houdbaarheidsdatum al een jaar was verstreken. Door geknoei met etikettering en verpakking van vlees en worst zijn grote hoeveelheid bedorven vlees op de markt gekomen.
Hoe gaat de Commissie optreden tegen dergelijke praktijken?
Welke stappen onderneemt de Commissie om te ervoor te zorgen dat in de gehele Unie alleen goede vlees- en worstproducten op de markt komen?
De Commissie is van mening dat het via een regelmatige en strikte handhaving van de EU-wetgeving door de lidstaten mogelijk moet zijn om frauduleuze activiteiten met vlees in koelhuizen te voorkomen. Het op risico’s gebaseerde inspectiesysteem dat door de lidstaten ten uitvoer is gelegd, dient namelijk ook de afhandeling van vlees in koelhuizen te omvatten.
Op grond van de Etiketteringsrichtlijn van de EU bestaat op detailhandelniveau reeds de verplichting om de “minimale houdbaarheid” van producten te vermelden. De Commissie overweegt nieuwe wetgevingsamendementen om exploitanten van levensmiddelenbedrijven te verplichten om minimaal de invriesdatum op verpakkingen voor de groothandel en koelhuizen te vermelden. Daarnaast overweegt de Commissie om een verbod in te stellen op het herverpakken in koelhuizen en op het aanbrengen van wijzigingen in datumgegevens in alle stadia van de voedselketen.
Op grond van de Gemeenschapswetgeving berust de primaire verantwoordelijkheid voor het op de markt brengen van veilig voedsel bij de exploitanten van levensmiddelenbedrijven. Zij zijn verplicht om te zorgen dat er zelfs aan de meest minimale vereisten voor specifieke producten wordt voldaan. In de voedselketen mag uitsluitend materiaal worden gebruikt dat geschikt is voor menselijke consumptie. Op grond van de communautaire voorschriften voor dierlijke bijproducten (Verordening (EG) nr. 1774/2002) is vereist dat niet geschikt materiaal of materiaal dat niet langer bestemd is voor menselijke consumptie, ofwel rechtstreeks als afval wordt verwijderd ofwel voor specifieke doeleinden wordt gebruikt. Op geen enkele voorwaarde mag dergelijk materiaal echter weer opnieuw in de voedselketen gebracht worden.
Vraag nr. 65 van Avril Doyle (H-1023/06)
Betreft: Handel in wilde vogels in de EU
Ondanks het feit dat vele soorten nu in gevangenschap kunnen worden gefokt, zijn de 25 lidstaten van de Unie de grootste afnemers van wilde volgens die uit hun natuurlijke woonomgeving worden gehaald. Tussen 2000 en 2003 werden meer dan 2.7 miljoen vogels die in CITES zijn opgenomen, in de EU ingevoerd, ongeveer 93% van de totale invoer in de wereld. De VS hebben de commerciële invoer van wilde vogels al verboden. De Unie verbiedt de uitvoer van onze eigen Europese vogels, maar is paradoxaal genoeg verantwoordelijk voor het weghalen van jaarlijks honderdduizenden vogels uit het wild voor de invoer. Dit veroorzaakt ernstige problemen voor het welzijn van de dieren; de sterftecijfers voor deze gevangen vogels zijn extreem hoog zijn. De illegale handel in soorten die in CITES zijn opgenomen, is waarschijnlijk even lucratief als de handel in verdovende middelen en wapens.
Zal de Commissie het bestaande tijdelijke verbod van invoer van wilde vogels, dat in oktober 2005 werd ingevoerd als voorzorgsmaatregel tegen de vogelgriep en aan het eind van 2006 afloopt, verlengen? Welke maatregelen worden genomen om een einde te maken aan de illegale handel in wilde vogels?
Op 25 april 2005 heeft de Commissie de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EAV) verzocht om een wetenschappelijk advies op te stellen met betrekking tot de risico’s voor het dierwelzijn en de diergezondheid als gevolg van de invoer van in gevangenschap gehouden vogels. Op 27 oktober heeft de EAV het betreffende advies vastgesteld.
In het advies worden een aantal mogelijkheden genoemd om de omstandigheden voor de invoer van in gevangenschap gehouden vogels te verbeteren met het oog op een aanzienlijke vermindering van de risico’s voor de diergezondheid in de EU.
De Commissie is voornemens om op basis van het EAV-advies wijzigingen aan te brengen in het gehele pakket bepalingen voor de invoer van in gevangenschap gehouden vogels zoals neergelegd in Beschikking 2000/666/EG. Daartoe behoren ook wijzigingen in de quarantainevoorschriften.
Aangezien dit wetenschappelijk advies de basis vormt voor het toekomstig beleid van de EU inzake de aspecten die verband houden met het welzijn en de gezondheid van de ingevoerde vogels, is het van belang om de wetenschappelijke input die de Commissie heeft ontvangen, grondig te evalueren.
Gezien de huidige mondiale situatie met betrekking tot de veterinairrechtelijke voorschriften vanwege de vogelgriep, blijven de beperkingen zoals vastgelegd in Besluit 2005/760/EG nog gedurende een overgangsperiode van kracht. Op die manier heeft de Commissie de mogelijkheid om het advies van de EAV in nauwe samenwerking met de lidstaten te evalueren en om de noodzakelijke maatregelen voor te bereiden.
Het betreffende verbod is oorspronkelijk in oktober 2005 uitgevaardigd als onderdeel van de preventieve maatregelen van de EU in verband met vogelgriep in derde landen.
Doelstelling is echter dat er begin 2007 de nieuwe maatregelen vastgesteld zijn en van kracht worden.
Tijdens de bijeenkomst van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid op 1 december 2006 heeft de Commissie de lidstaten voorgesteld om het EU-verbod op alle invoer van levende, in gevangenschap gehouden vogels te verlengen tot 31 maart 2007. Reden hiervoor was dat de lidstaten om meer tijd hadden verzocht om het wetenschappelijk advies te bestuderen en de noodzakelijke maatregelen te bespreken.
Alle lidstaten hebben dit voorstel gesteund.
Wat de illegale handel in wilde vogels betreft, zijn er reeds maatregelen van kracht om die handel tegen te gaan, met name ook door een nauwe samenwerking tussen douane- en veterinaire autoriteiten. De Commissie is altijd bereid om deze zaak nader te bespreken indien er nog meer verbeteringen aangebracht kunnen worden.
Vraag nr. 66 van Ivo Belet (H-1036/06)
Betreft: Strijd tegen obesitas
Op alle fronten voert Europa en de Europese Commissie de strijd op tegen obesitas. De Commissie publiceerde vorig jaar een Groenboek en lanceerde een publieke enquête. Op 16 november ondertekenden 48 Europese landen het Charter tegen obesitas in het kader van de ministerconferentie van de WGO. Wat zijn de resultaten van de publieke enquête naar aanleiding van het Groenboek?
Volgens de Eurobarometer vinden 85% van de Europeanen dat de overheden meer moeten doen in de strijd tegen obesitas. 9 op 10 Europeanen menen dat marketing en reclame kinderen beïnvloedt in hun voeding en drankkeuzes. Welke maatregelen zal de Commissie nemen om tegemoet te komen aan deze verwachtingen?
Aangezien kinderen veel tijd voor de televisie doorbrengen, waarom niet opteren voor een verbod op reclame voor ongezonde voeding in kinderprogramma's?
Er circuleren hierover voorstellen in kader van de richtlijn over audiovisuele mediadiensten. Kan de Commissie een dergelijk verbod onderschrijven?
De Commissie is het volledig met de geachte afgevaardigde eens dat de stijgende prevalentie van obesitas in onze maatschappij een ernstige zaak is. Het baart de Commissie grote zorgen dat die prevalentie met name onder kinderen zo sterk is gestegen.
De Commissie vindt het dan ook van cruciaal belang dat er op dit vlak meer maatregelen worden genomen. Daarom is de Commissie voornemens om de desbetreffende voorstellen volgend voorjaar in de vorm van een Witboek “Voeding en lichaamsbeweging” te presenteren.
Het proces in verband met het Groenboek “Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging” is van wezenlijk belang geweest bij de ontwikkeling van onze aanpak.
Daarbij waren met name die punten van belang waarop overeenstemming tussen de reacties bestond, zoals:
de dringende noodzaak om meer te ondernemen om kinderen te beschermen; en
de behoefte aan een Europese geïntegreerde en brede benadering inclusief een uitgebreid scala aan acties verspreid over een aantal sectoren.
De analyse van de reacties - toegankelijk via de website van de Commissie - kan overigens ook als een uitstekende bron voor nieuwe ideeën worden gebruikt.
Het is wellicht niet echt verrassend dat er tussen de reacties op het Groenboek weinig overeenstemming bestaat over de juiste mix aan zelfregulerende activiteiten en dwingend recht.
De geachte afgevaardigde verwijst naar een verbod op reclame voor ongezonde voeding in kinderprogramma’s op tv. De Commissie is van mening dat reclame een van de elementen in onze omgeving is die het voedingspatroon van kinderen beïnvloedt.
Volgens de Commissie dient de samenleving te streven naar een situatie waarin marketingactiviteiten en reclame voor voedingsmiddelen een afspiegeling vormen van een evenwichtig, gezond voedingspatroon. De Commissie is ook van mening dat de marketing- en reclamebranche een rol moet spelen bij het ontwikkelen van een omgeving waarin op verantwoorde wijze reclame voor levensmiddelen wordt gemaakt.
Daarom vindt de Commissie dat het mechanisme voor zelfregulering eerst in de praktijk uitgeprobeerd moet worden en een kans moet krijgen om zichzelf te bewijzen.
Pas als uiteindelijk mocht blijken dat die zelfregulering niet effectief is, kan overwogen worden om wetgeving uit te vaardigen, waarbij overigens wel adequaat rekening dient te worden gehouden met de economische gevolgen van die wettelijke maatregelen.
Vraag nr. 67 van John Bowis (H-1047/06)
Betreft: Diabetes
Ik ben verheugd over de aankondiging van de Commissie dat zij een aanbeveling zal doen in verband met diabetes. Wanneer denkt de Commissie deze aanbeveling te publiceren en hoe denkt zij gevolg te geven aan de in de Verenigde Naties ingediende resolutie inzake diabetes?
Diabetes is een grote plaag voor de volksgezondheid in de Europese Unie en, meer in het algemeen, in de ontwikkelingslanden. De epidemie van type 2-diabetes waarmee wij tegenwoordig worden geconfronteerd, is nauw verbonden met veranderingen in onze levensstijl – andere eetpatronen en voeding, gebrek aan lichaamsbeweging, roken en een overmatig alcoholgebruik.
Oostenrijk heeft diabetes tijdens zijn voorzitterschap uitgeroepen tot een van de belangrijke prioriteiten en heeft een grote conferentie over de preventie ervan georganiseerd. In juni van vorig jaar heeft de Raad daarop conclusies aangenomen waarbij diabetes in een breder kader van gezondheidsdeterminanten is geïntegreerd.
Tegelijkertijd voert de Commissie besprekingen met organisaties op dit gebied om te bekijken wat de beste manier is om goede praktijken bij de preventie van diabetes in kaart te brengen. Zeer recent nog heeft de commissaris die verantwoordelijk is voor gezondheid en consumentenbescherming, een vertegenwoordiger naar een grote conferentie in Warschau gestuurd die georganiseerd was door de Internationale Diabetesfederatie. Via deze vertegenwoordiger heeft de commissaris zijn steun betuigd aan de lopende activiteiten om type 2-diabetes te bestrijden. De Commissie heeft echter geen aankondiging gedaan dat er een aanbeveling inzake diabetes komt.
De Commissie heeft ook waardering voor het initiatief van Bangladesh om de huidige Werelddiabetesdag – 14 november – uit te roepen tot Werelddiabetesdag van de Verenigde Naties (VN). In de voorgestelde VN-resolutie worden lidstaten ook aangespoord om een nationaal beleid te ontwikkelen voor de preventie, behandeling en verzorging van diabetes in overeenstemming met de duurzame ontwikkeling van hun stelsels voor gezondheidszorg zoals beschreven in de internationaal overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen (inclusief de Millenniumontwikkelingsdoelstellingen).
In verband met de belangrijkste oorzaken van diabetes is de Commissie voornemens om volgend jaar het Witboek “Voeding en lichaamsbeweging” te publiceren. De Commissie wil de geachte afgevaardigde tevens wijzen op haar recente mededeling over de Europese strategie ter ondersteuning van de lidstaten bij het beperken van aan alcohol gerelateerde schade. De Commissie is van mening dat dit een belangrijke bijdrage zal leveren aan met name de preventie van type 2-diabetes.
In de tussentijd zal de Commissie projecten blijven steunen in het kader van de communautaire actieprogramma’s voor volksgezondheid en onderzoek. Samen met de lidstaten zal de Commissie bestuderen op welke wijze hun inspanningen optimaal ondersteund kunnen worden met het oog op het ontwikkelen van hun nationale strategieën om diabetes terug te dringen.
In het aanstaande zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling (2007-2013) zal het onderzoek naar diabetes met name gericht zijn op de etiologie van de verschillende typen diabetes en op de daaraan gekoppelde preventie- en behandelmogelijkheden. Daarnaast zal speciale aandacht worden gegeven aan ziekten bij jongeren en aan de factoren die in de kinderjaren een rol spelen.
Vraag nr. 68 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0957/06)
Betreft: Discriminatie van Europese gezinnen bij dienstverlening
Het aantal klachten van Europese gezinnen neemt toe over discriminatie waarmee zij te maken krijgen bij dienstverlening en bij de uitoefening van het recht van vrij verkeer binnen de EU, met name wanneer zij reizen met kinderen jonger dan 15 jaar. In recente publicaties in de Griekse pers werd positief bericht over het uitsluiten van kinderen uit openbare ruimten met een economische functie, zoals hotels, restaurants, enz.
Welke maatregelen gaat de Commissie nemen tegen discriminatie en racisme op grond van leeftijd tegen kinderen, jongeren en hun gezinnen? Wordt nagedacht over het harmoniseren van de voorschriften voor het verlenen van diensten en het waarborgen van het recht van vrij verkeer binnen de EU, teneinde te voorkomen dat de rechten van minderjarige Europeanen en hun gezinnen worden geschonden?
Vraag nr. 69 van Paulo Casaca (H-1037/06)
Betreft: Overtreding van artikel 13 van het EG-Verdrag
Volgens een bericht op de eerste bladzijde van het Portugese dagblad "Público" van 26.11.2006, dat gebaseerd is op uitvoerig journalistiek onderzoek, is het in Portugal wijd verbreid dat hotels kinderen of families met kinderen niet accepteren. Portugal is daarbij geenszins een uitzondering in Europa; de discriminatie van kinderen is ook in andere landen te vinden.
Hoewel de Portugese consumentenbond, die een groot aantal klachten heeft ontvangen, dit als een onrechtmatige en ongrondwettelijke discriminatie beschouwt, is de Portugese autoriteit die toeziet op de naleving van de wettelijke voorschriften door de hotelbranche, de "Autoridade de Segurança Alimentar e Económica" van mening dat deze discriminatie volledig rechtmatig is.
Is de Commissie niet van mening dat dit gedrag sociaal en menselijk schandalig is, in strijd is met het Europees Handvest van de grondrechten, dat in Nice is vastgesteld, en dat onverwijld op Europees niveau maatregelen overeenkomstig artikel 13 van het EG-Verdrag moeten worden genomen, waarin maatregelen tegen de discriminatie van personen op grond van leeftijd zijn omschreven.
Op grond van artikel 18 van het EG-Verdrag heeft elke burger van de Unie “het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld”. Op grond van artikel 49 van het EG-Verdrag zijn “de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht”. Deze vrijheid omvat ook de vrijheid voor ontvangers van diensten, zoals toeristen, om naar een andere lidstaat te gaan om een dienst te ontvangen zonder dat daaraan beperkingen zijn verbonden.
In Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden is vastgelegd dat begunstigden van deze Richtlijn, op de gebieden waarop het Verdrag van toepassing is, op gelijke wijze dienen te worden behandeld als de eigen onderdanen.
Het feit dat bepaalde particuliere organisaties zoals hotels of restaurants geen kinderen toelaten als onderdeel van hun commercieel beleid kan niet aangemerkt worden als een belemmering voor het vrije verkeer of als discriminatie op grond van nationaliteit, hetgeen zowel uit hoofde van het EG-Verdrag als Richtlijn 2004/38/EG verboden is.
Daarnaast is middels Richtlijn 2000/78/EG een algemeen kader ingesteld voor gelijke behandeling in arbeid, beroep en beroepsopleiding. De Richtlijn verbiedt discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Deze Richtlijn is echter alleen van toepassing op arbeid en beroepsopleiding en geldt niet voor de toegang tot goederen en diensten zoals die door hotels of restaurants verleend worden.
De Commissie heeft opdracht gegeven voor een onderzoek naar de wetgeving die in de lidstaten van kracht is op andere gebieden dan arbeid en beroep en die - onder andere - discriminatie op grond van leeftijd verbiedt. Naar verwachting zullen de resultaten van dit onderzoek eind 2006 beschikbaar zijn.
Vraag nr. 70 van Ioannis Gklavakis (H-0958/06)
Betreft: Afname van de biodiversiteit in zeeën en oceanen
Naar aanleiding van de steeds verder afnemende biodiversiteit heeft de Commissie een actieprogramma aangekondigd dat beoogt deze afname uiterlijk in 2010 een halt toe te roepen. Het programma is evenwel onduidelijk over de instandhouding van de biodiversiteit in zeeën en oceanen, die evenzeer steeds verder afneemt. Een belangrijke rol bij deze afname spelen de visserij, en de vervuiling door activiteiten op land en op zee.
Is de Commissie van oordeel dat het huidige institutionele kader volstaat voor de bescherming van de zeeën tegen deze twee bedreigingen, of moeten er aanvullende maatregelen worden genomen?
Met de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU gaat ook de Zwarte Zee onderdeel van de Europese wateren uitmaken. Volstaan de bestaande maatregelen voor het handhaven van de biodiversiteit in deze zee, of dienen er aanvullende maatregelen te worden genomen?
De Commissie is zich volledig bewust van de bedreigingen voor de mariene biodiversiteit binnen de EU en heeft dan ook onlangs een aantal voorstellen gedaan om hier actie tegen te ondernemen.
De geachte afgevaardigde kent waarschijnlijk de mededeling van de Commissie “Het biodiversiteitsverlies tegen 2010 – en daarna – tot staan brengen. De ecosystemen in stand houden in het belang van de mens”(1) die eerder dit jaar is aangenomen en die vergezeld gaat van een actieplan.
Wat de bedreiging als gevolg van de visserij betreft, is een van de prioriteiten in bovengenoemde mededeling van de Commissie om volledig gebruik te maken van de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid teneinde een duurzaam beheer van de visbestanden te waarborgen. Daarbij dient tevens voorkomen te worden dat visserijactiviteiten schade toebrengen aan het mariene milieu dat juist met het oog op het voortbestaan van de sector zelf, duurzaam in stand gehouden dient te worden. Gezien de omvang van de huidige bedreigingen vanuit de visserijsector is het tegengaan van de achteruitgang van de visbestanden in feite een voorwaarde om de toezegging van de Europese Unie gestand te kunnen doen om het biodiversiteitsverlies tegen 2010 tot staan te brengen. Van cruciaal belang hierbij is de handhaving van de communautaire maatregelen voor het visbeheer en, met name, de beschikbaarheid van betere middelen om illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visserij (IUU) aan te pakken. Aangezien er geen sprake kan zijn van een gezonde mariene biodiversiteit als de commerciële visbestanden niet gezond zijn, blijft een verdere integratie van milieuoverwegingen in het visserijbeleid van essentieel belang.
Via de voorgestelde thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu die de Commissie in oktober 2005(2) heeft aangenomen, zal een cruciale bijdrage worden geleverd aan een effectievere bescherming van het mariene milieu in Europa. Inmiddels heeft het Parlement op 14 november 2006 de eerste lezing afgerond op basis van een verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming dat was opgesteld door mevrouw Lienemann. Dat verslag ging overigens vergezeld van een advies van de Commissie visserij dat opgesteld was door de geachte afgevaardigde. De mariene strategie van de EU zal als een belangrijk instrument fungeren voor de milieutechnische integratie van alle activiteiten die van invloed zijn op het mariene milieu, inclusief uiteraard de visserij.
Zoals de geachte afgevaardigde in zijn vraag al aangaf, vormt de visserij niet de enige bedreiging voor het mariene milieu. Er is ook nog een aantal andere dreigingen die van invloed zijn op het mariene milieu en de biodiversiteit, variërend van kustontwikkeling, landbouw en scheepvaart tot aan toerisme en olie- en gaswinning. Ook de verontreiniging door activiteiten op land en op zee levert ongetwijfeld een bijdrage aan de verslechtering van het mariene milieu en dient daarom aangepakt te worden.
De voorgestelde Richtlijn mariene strategie zorgt ervoor dat het mariene milieu volledig beschermd wordt tegen de bedreigingen die op dat milieu van invloed zijn. Die Richtlijn vormt een aanvulling op de bestaande communautaire waterwetgeving waardoor nu de volledige watercyclus van binnenwateren tot zeeën en oceanen wordt bestreken.
Met betrekking tot de specifieke vraag over de Zwarte Zee deelt de Commissie de bezorgdheid van de geachte afgevaardigde over de gestage verslechtering van het mariene milieu in die regio.
Die trend is met name een gevolg van de gecombineerde invloed van verontreiniging, overbevissing, een slechtere kustinfrastructuur en de introductie van niet-autochtone vissoorten. Veel van de daaruit voortvloeiende milieuproblemen, zoals de eutrofiëring of de achteruitgang van het mariene leefmilieu, hebben uiteraard een grensoverschrijdende dimensie en vereisen gezamenlijke acties om een effectieve aanpak te waarborgen. De Commissie ondersteunt dan ook op actieve wijze internationale acties en inspanningen voor het behoud van het mariene milieu in de Zwarte Zee. Sinds 2002 coördineert de Commissie bijvoorbeeld het opzetten van investeringsprojecten voor het herstel van de milieusituatie in de regio in het kader van de taskforce Donau-Zwarte Zee (DABLAS).
De inspanningen van de Commissie om de bescherming van het mariene milieu in de Zwarte Zee te verbeteren, krijgt uiteraard nieuwe impulsen door de toetreding van Bulgarije en Roemenië in de komende maanden. Na die toetreding grenzen lidstaten van de EU aan die Zwarte Zee hetgeen betekent dat de eisen die in de voorgestelde Richtlijn mariene strategie worden gesteld ook op deze mariene regio van toepassing zijn. Het Parlement heeft zelfs al voorgesteld om de Zwarte Zee op te nemen op de lijst van mariene regio’s waarop de voorgestelde Richtlijn van toepassing zal zijn. Het wordt een grote uitdaging om een hoog beschermingsniveau voor het mariene milieu in de Zwarte Zee te creëren. De Commissie zal in samenwerking met de betreffende landen in de regio alles in het werk stellen om deze uitdaging met succes aan te kunnen gaan.
Op dit moment onderzoeken wij als eerste, essentiële stap wat de mogelijkheden zijn om als contractpartij toe te treden tot het Verdrag inzake de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreiniging. Dit Verdrag biedt op dit moment een adequaat regionaal platform voor samenwerking met het oog op de bescherming van de mariene biodiversiteit in de regio.
Betreft: Communautaire steun voor afvalverwerking op eilanden
Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen om kleine insulaire regio's te helpen te voldoen aan de verplichtingen die de Europese Unie oplegt inzake afvalverwerking, en die uiteenlopen van preventiemaatregelen tot bepalingen inzake verwijdering, hergebruik, recyclage en alternatieve verwijderingsmethoden?
De verbetering van het milieu zal een prioriteit vormen voor de programmeringsperiode 2007-2013 van het cohesiebeleid, maar ook voor de huidige programmeringsperiode van de Structuur- en cohesiefondsen.
Afvalverwerking behoort nadrukkelijk tot de prioriteiten van de doelstelling “convergentie”. Betere toegang tot grensoverschrijdende netwerken en installaties voor afvalverwerking is daarnaast een van de prioriteiten van de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (grensoverschrijdende component). Het Cohesiefonds tot slot zal de nodige middelen beschikbare stellen voor projecten inzake afvalbeheer in de in aanmerking komende lidstaten.
Aan geografisch of natuurlijk benadeelde gebieden, zoals de eilanden, zal in de komende programmeringsperiode bijzondere aandacht worden besteed. Artikel 10 van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) van 5 juli 2006(1) voorziet in een bijdrage van het Fonds aan het financieren van investeringen die bedoeld zijn om de toegankelijkheid te verbeteren, om de economische activiteiten ten behoeve van het cultureel en natuurlijk erfgoed te bevorderen en te ontwikkelen, om het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen te stimuleren en om duurzaam toerisme in de hand te werken.
Gedurende dezelfde periode zullen de ultraperifere regio’s in aanmerking komen voor een specifieke aanvullende tegemoetkoming uit het EFRO ter compensatie van de extra kosten die deze benadeelde regio’s moeten maken en die erkend worden door artikel 299, lid 2, van het EG-Verdrag. Artikel 11 van het EFRO-Reglement stelt dat het EFRO met deze tegemoetkoming investeringsuitgaven mag cofinancieren tot 50% van de totale toegekende steun en, voor de eerste keer in het kader van het cohesiebeleid, de exploitatielasten mag cofinancieren die samenhangen met de door overheid en bedrijfsleven gemaakte meerkosten; ook kan het EFRO financiele steun toekennen voor het uitvoeren van openbare nutstaken. Afvalverwerking behoort eenduidig tot het toepassingsgebied van het hierboven genoemde artikel 11.
Teneinde de bevoegde instanties te ondersteunen bij het plannen en organiseren van afvalverwerking op eilanden, heeft de Commissie een speciaal handboek gepubliceerd, "Codes of practice for waste management on islands", dat geraadpleegd kan worden op haar website: http://ec.europa.eu/environment/waste/publications/pdf/manual_waste_mgt_islands.pdf.
Verordening (EG) 1080/2006, PbEG 210 van 31.7.2006
Vraag nr. 72 van Claude Moraes (H-0962/06)
Betreft: Consumenten in de EU en sets voor het witmaken van tanden
Is de Commissie op de hoogte van de groeiende belangstelling op de consumentenmarkt voor sets voor het witmaken van tanden, die verschillende chemicaliën bevatten, waaronder waterstofperoxide? Is de Commissie op de hoogte van de stijgende verkoop van dergelijke sets, zowel on line als in winkels?
Is de Commissie ervan op de hoogte dat dergelijke sets naar wordt beweerd medische problemen hebben veroorzaakt, zoals verzwering van het tandvlees?
Gaat de Commissie onderzoek doen naar dit mogelijke gevaar voor de gezondheid van consumenten, gezien de stijging van on line verkopen van dergelijke producten in de gehele EU?
Sets voor het witmaken van tanden worden doorgaans beschouwd als cosmetische producten zoals bedoeld in Richtlijn 76/768/EEG van de Raad. Als zodanig moeten wij voldoen aan de vereisten die in de richtlijn vervat zijn. In de cosmeticarichtlijn wordt inderdaad bepaald dat de concentratie van waterstofperoxide niet meer dan 0,1 procent mag bedragen. Deze concentratie is in 1992 vastgesteld op grond van een advies van het Wetenschappelijk Comité voor cosmetische producten waarin wordt gewaarborgd dat een dergelijk concentratieniveau geen risico voor de menselijke gezondheid inhoudt.
Later is de mogelijkheid om hogere concentraties van waterstofperoxide te gebruiken in cosmetische producten voor het witmaken van tanden onderzocht door het Wetenschappelijk Comité voor consumentenproducten. In maart 2005 heeft het wetenschappelijk comité een advies(1) uitgebracht waarin het verklaart dat producten voor het witmaken van tanden met een waterstofperoxidegehalte van 0,1 procent veilig zijn en dat producten met een concentratie van 0,1 tot 6 procent veilig zijn indien zij gebruikt worden na raadpleging van en goedkeuring door de tandarts van de consument. Vervolgens heeft de Commissie een debat geopend met de lidstaten en de belanghebbenden om te onderzoeken hoe dit advies het beste ten uitvoer kan worden gelegd. Zij is echter onlangs in kennis gesteld van nieuwe gegevens waarmee het wetenschappelijk comité destijds geen rekening heeft gehouden. Daarom heeft de Commissie besloten de aanneming van het ontwerp voor een richtlijn waarover zij met de lidstaten in discussie was uit te stellen.
Om te waarborgen dat de nodige garanties worden geboden op gebied van gezondheidsbescherming heeft de Commissie het wetenschappelijk comité verzocht de nieuwe gegevens te evalueren. Dat proces is nu aan de gang. Als de Commissie van oordeel is dat de voorgestelde wijziging van de cosmeticarichtlijn op grond van de nieuwe evaluatie geamendeerd moet worden, zal zij een nieuw voorstel aan de lidstaten voorleggen. Het Parlement zal daarover worden ingelicht in het kader van het recht van controle.
Aangezien de toegestane limiet voor waterstofperoxide in toepassing van de cosmeticarichtlijn thans 0,1 procent bedraagt, moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om te waarborgen dat alleen cosmetische producten die voldoen aan de bepalingen van de cosmeticarichtlijn op de Europese markt worden gebracht.
Betreft: Studiebeurzen voor het leren van de Chinese taal
Volgens een officiële mededeling stelt de Volksrepubliek China vanaf 2007 100 studiebeurzen ter beschikking voor scholieren in de EU. China heeft namelijk een vijfjarig programma in werking gesteld, dat in januari 2007 begint te lopen, waarin elk jaar 100 studiebeurzen worden toegekend aan scholieren in de EU die de Chinese taal willen leren. In het kader van een nauwere strategische samenwerking tussen China en de EU op gebied van onderwijs en cultuur, hebben beide partijen toegezegd te zullen streven naar de totstandbrenging van levensvatbare mechanismen en instellingen met als uiteindelijk doel de sluiting van een officiële overeenkomst tot "Samenwerking tussen de Volksrepubliek China en de EU op onderwijsgebied".
Is de Commissie, gelet op hetgeen bij het overleg tussen de EU en de Volksrepubliek China is besproken, van plan om studenten in de EU die Chinees willen leren, met gelijksoortige studiebeurzen financieel te steunen, en op die wijze de samenwerking tussen China en de EU te versterken? Over welke andere doelstellingen is overeenstemming bereikt met het oog op een versterkte samenwerking tussen China en de EU op het gebied van onderwijs en uitwisseling?
Het is juist dat de Chinese regering tijdens de Top EU-China van 2006 haar voornemen heeft aangekondigd om een programma te lanceren waarin studiebeurzen worden toegekend aan Europese studenten die de Chinese taal willen leren.
De Commissie beschikt niet over specifieke begrotingsmiddelen om in een soortgelijke opleiding voor EU-studenten te voorzien. Dit Chinese initiatief wordt in feite beschouwd als een blijk van erkenning van China ten aanzien van de beurzen waarmee Chinese studenten in de Europese Unie een postdoctorale universitaire opleiding kunnen volgen in het kader van het 'China Window' van het Erasmus Mundus-programma, dat gefinancierd wordt uit het samenwerkingsprogramma tussen de EU en China.
In het kader van het Managers Exchange Training Programme (waarvoor de Europese Unie 17,2 miljoen euro uittrekt, ook weer uit het samenwerkingsprogramma tussen de EU en China) zullen evenwel ongeveer 200 managers uit de Europese Unie (leeftijd tussen 26-45 jaar) uit het midden- en kleinbedrijf gedurende de periode van 2006 tot 2010 lessen Chinese taal en handelscultuur kunnen volgen.
Behalve taalopleidingen vinden er op het gebied van het hoger onderwijs nog tal van andere uitwisselingen met China plaats: via de contactgroep die in het kader van het hierboven genoemde Erasmus Mundus-programme is opgericht; via de beleidsdiscussies tussen de Commissie en het Ministerie van Onderwijs die twee jaar geleden op gang zijn gebracht en onder meer betrekking hebben op het proces van Bologna, het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten (ECTS) en het waarborgen van de kwaliteit in het hoger onderwijs; en via de totstandkoming van netwerken van hogeronderwijsinstellingen in het kader van het Asia-Link-programma dat gericht is op de ontwikkeling van partnerschappen tussen instellingen uit de Europese Unie en Azië (met inbegrip van een groot aantal Chinese partners). In oktober 2007 zal uit het Asia-Link-programma in Peking een Europese hogeronderwijsbeurs gesponsord worden; parallel daarmee zal een Asia-Link-forum georganiseerd worden om de eerder genoemde beleidsdiscussies te bevorderen.
Vraag nr. 74 van Willy Meyer Pleite (H-0969/06)
Betreft: Stand van het onderzoek naar schendingen van de mensenrechten in Atenco (Mexico)
Op 11 augustus ll. heb ik het antwoord van de Commissie ontvangen op mijn vraag E-2988/06 van 4 juli betreffende het repressieve optreden van de politie in Atenco (Mexico), waarbij de mensenrechten zijn geschonden. In haar antwoord deelt commissaris Ferrero-Waldner mede dat de Mexicaanse autoriteiten de garantie hebben gegeven dat een administratief en gerechtelijk onderzoek zal worden ingesteld naar het gewelddadige optreden van leden van de politiemacht.
De "Comisión Civil Internacional de Observación por los Derechos humanos", die de schendingen van de mensenrechten in Mexico onderzoekt, komt in haar op 4 juni, na een bezoek aan Atenco gepubliceerde verslag tot de conclusie dat de incidenten, met name het gewelddadige optreden van de politie, een duidelijke inbreuk vormen op de internationale mensenrechtennormen. Kan de Commissie informatie verschaffen over de stand van het door de Mexicaanse autoriteiten te verrichten onderzoek?
Uit de droevige gebeurtenissen in Atenco, uit de schendingen van de mensenrechten en van de menselijke waardigheid waarvan sommige manifestanten melding hebben gemaakt, blijkt dat de vakbekwaamheid en de opleiding van de politiemacht in Mexico nog sterk te wensen overlaten, zoals de Mexicaanse regering overigens zelf onmiddelijk heeft toegegeven. De situatie in Atenco was grimmig. Sommige politiemannen werden gegijzeld en er heerste onrust onder de bevolking, maar niets rechtvaardigt de vernederende behandeling waarvan de gearresteerde personen en met name de vrouwen het slachtoffer waren.
De Mexicaanse regering heeft de Commissie schriftelijk ingelicht over de incidenten. Sindsdien voert de Commissie met de autoriteiten van het land een dialoog over de ongeregeldheden in Atenco en over andere gevallen waarin de mensenrechten in Mexico onvoldoende bescherming genieten. De Commissie heeft tevens informatie ingewonnen bij het maatschappelijk middenveld en diverse niet-gouvernementele organisaties wier hulp van essentieel belang is gebleken om een beter inzicht te krijgen in de feiten en de gebeurtenissen vanuit verschillende oogpunten te bekijken.
Thans zijn er administratieve en gerechtelijke onderzoeken aan de gang. In juni 2006 zijn vier politiechefs van de Staatsveiligheid onder vuur genomen. Vijf politiemannen zijn uit hun ambt ontzet en zeventien anderen zijn aangehouden wegens machtsmisbruik en zullen moeten terechtstaan. Dat was alvast een gezonde reactie van de Mexicaanse samenleving en de Mexicaanse staat.
De huidige onderzoeken worden uitgevoerd door diverse Mexicaanse instellingen, waaronder de staat en de federale justitie. Het Mexicaanse congres wordt in kennis gesteld van de ontwikkelingen die op deze zaak betrekking hebben. Het hoofd van de Staatsveiligheid is voor het congres verschenen en heeft geantwoord op een reeks vragen van afgevaardigden van alle grote politieke fracties.
Wat betreft de aanklachten tegen de gewelddadige behandeling van vrouwen in hechtenis en de dood van twee burgers hebben de Mexicaanse autoriteiten onderzoeken ingesteld om de incidenten op te helderen en de verantwoordelijken op te sporen en te identificeren.
De Mexicaanse autoriteiten hebben de Commissie ook meegedeeld dat nog dertig demonstranten gevangen worden gehouden.
In november 2006 heeft de Mexicaanse mensenrechtencommissie een uitvoerig verslag over de feiten voorgelegd waarin belangrijke aanbevelingen worden gedaan aan de voornaamste autoriteiten die bij de incidenten betrokken waren. In de tekst wordt onderstreept dat de professionalisering van de federale politiemacht en de bevordering van de interinstitutionele coördinatie tussen de Mexicaanse overheden noodzakelijke voorwaarden zijn om te voorkomen dat dergelijke incidenten zich in de toekomst herhalen.
Overeenkomstig de informatie waarover de Commissie beschikt, verloopt het onderzoek rechtmatig. De eindresultaten van de gerechtelijke onderzoeken zullen door de bevoegde autoriteiten gepresenteerd worden zodra de werkzaamheden zijn afgerond. De Mexicaanse overheden hebben ons meegedeeld dat tegen de daders van het machtsmisbruik wellicht strafvorderingen zullen worden ingesteld. De Commissie zal de ontwikkeling van het onderzoek op de voet volgen en zij zal het Parlement in kennis stellen van de gemaakte vorderingen.
Vraag nr. 75 van Katerina Batzeli (H-0970/06)
Betreft: Wijze van registratie van de aantallen werklozen in de EU
Krachtens verordening (EG) nr. 1897/2000(1) van de Commissie zijn werklozen personen die cumulatief aan de volgende drie criteria voldoen: tijdens de referentieweek geen werk hadden, voor werk beschikbaar waren, actief werk zochten.
De nationale bureaus voor de statistiek houden periodieke arbeidskrachtenenquêtes, waarbij ze bij de categorie 'werkenden' enerzijds iedereen meerekenen die (al is het maar één uur) gewerkt heeft gedurende de week die voorafgaat aan de dag van het onderzoek, en anderzijds ook diegenen die, ontmoedigd als ze zijn door hun kansen op de arbeidsmarkt, niet meer aangeven dat ze op zoek zijn naar werk, wier aantal tot wel twee procent van de arbeidskrachten van een land kunnen uitmaken.
Uit het bovenstaande blijkt dat de gebruikte registratiemethode resulteert in een kunstmatige verlaging van de werkloosheid, terwijl EUROSTAT bijdraagt aan een verlaagde betrouwbaarheid van de Europese statistische gegevens, op basis waarvan het macro-economisch beleid van de EU wordt vastgesteld.
Is de Commissie niet van oordeel dat opnieuw gekeken zou moeten worden naaar de voorwaarden voor het onderscheid tussen 'werkenden' en 'werklozen', zodat bij de besluiten van de ECB en de Commissie betreffende de economische ontwikkeling van de eurozone rekening wordt gehouden met de daadwerkelijke behoeften op het gebied van bestrijding van de werkloosheid?
Verordening (EG) nr. 1897/2000 van de Commissie bevat behalve een definitie van de indeling van de bevolking in werkende, werkloze en niet-actieve personen ook gedetailleerde uitvoeringsinstructies, met name in de vragenlijsten voor de arbeidskrachtenenquête. Personen uit de steekproef worden eerst gedefinieerd als werkend of werkloos en vervolgens als werkloos of niet-actief.
Deze verordening beantwoordt aan de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie, in het bijzonder voor wat betreft de definitie van werk. Elke persoon die tijdens de referentieweek gedurende ten minste één uur gewerkt heeft, wordt aangemerkt als werkende. Hiermee wordt gewaarborgd dat de gegevens inzake werkgelegenheid en werkloosheid op internationaal niveau vergeleken kunnen worden.
Er zijn complementaire analysen nodig om mensen in grenssituaties te bestuderen. Daarom publiceert Eurostat statistieken(2) over deeltijdwerk, voltijdsequivalente arbeidsplaatsen en het aantal gewerkte uren in voltijd- en deeltijdbanen en ook over tijdgerelateerde onvolledige werkgelegenheid en mensen buiten de arbeidsmarkt die willen werken. Onder deze laatste categorie vallen alle personen die willen werken, maar niet zoeken naar een baan omdat zij van oordeel zijn dat er voor hen geen werk is. Binnen deze categorie worden tevens alle niet-actieve personen geïdentificeerd die willen werken ofschoon zij niet actief op zoek zijn naar werk of niet binnen twee weken na de enquête beschikbaar zijn voor een baan. Begin 2007 zullen de resultaten worden gepubliceerd van de arbeidskrachtenenquête waarin de gemiddelde waarden voor het jaar 2005 vervat zijn. Uit die cijfers blijkt dat 5,2 procent van de bevolking tussen 15 en 64 jaar niet op de arbeidsmarkt actief is, maar toch wil werken. Binnen deze groep is 0,2 procent van oordeel dat er geen werk beschikbaar is.
De Commissie is niet voornemens om de criteria voor de indeling van de bevolking in werkende, werkloze en niet-actieve personen te wijzigen, aangezien zij gebaseerd zijn op internationale normen die garant staan voor de vergelijkbaarheid tussen lidstaten. Om een totaalbeeld te krijgen van de ingewikkelde onderliggende situatie kan men gebruik maken van de eerder genoemde aanvullende statistieken waarmee het werkgelegenheidsbeleid wordt gecontroleerd.
Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid 2005-2008: http://ec.europa.eu/employment_social/employment_strategy/docindic_en.htm (compendium) en Eurostat: website http://ec.europa.eu/eurostat (onderwerpen: bevolking en sociale omstandigheden, arbeidsmarkt, werkgelegenheid en werkloosheid, resultaten van de driemaandelijkse arbeidskrachtenenquête).
Vraag nr. 76 van Johan Van Hecke (H-0971/06)
Betreft: Beschermingsduur van geluids- en beeldopnames
De beschermingsduur voor de reproductie van beeld- en geluidsopnames behoort in de Europese Unie tot de kortste ter wereld, niettegenstaande de hoogstaande, diverse culturele en muzikale artistieke kwaliteiten die wij op het Europese continent mogen genieten. Niet alleen de VS, maar ook heel wat Zuid-Amerikaanse en zelfs Afrikaanse landen kennen een hogere beschermingsduur in hun wetgeving.
Is het juist dat de Europese Commissie bezig is met een herziening van deze richtlijn met het oog op een verlenging van deze beschermingsduur? Zo ja, kan de Commissie aangeven wanneer deze herziening zal worden behandeld? Is de Commissie bereid deze herziening in versneld tempo door te voeren zodat kan worden vermeden dat een groot aantal opnames van artiesten, die langer dan 50 jaar geleden zijn gemaakt, binnen afzienbare tijd onbeschermd op de markt beschikbaar zullen zijn?
De Commissie is het volkomen met de geachte afgevaardigde eens dat de Europese creatieve industrieën en artiesten en hun belangrijke bijdrage aan de cultuur en de culturele diversiteit ondersteund moeten worden. Daarom heeft de Commissie consequent gestreefd naar een beleid dat voorziet in een hoge beschermingsgraad van creatieve beroepen zonder evenwel het grotere algemeen belang uit het oog te verliezen.
Als onderdeel van een algemene herziening van de auteurswet bezint de Commissie zich thans over het probleem dat in deze vraag wordt aangekaart. In overeenstemming met de beginselen van betere regelgeving dient in de eerste plaats een effectbeoordeling te worden uitgevoerd waarin de impact van een eventuele wijziging wordt geanalyseerd, met inbegrip van de gevolgen voor het concurrentievermogen en de culturele diversiteit. De Commissie verwacht dat de effectbeoordeling in 2007 gepubliceerd zal worden. Afhankelijk van de uitkomst van de beoordeling zal verdere actie worden ondernomen.
Vraag nr. 77 van Mairead McGuinness (H-0975/06)
Betreft: Financiering door de Commissie van gedwongen abortus, gedwongen sterilisatie en kindermoord
Kan de Commissie bevestigen dan wel ontkennen dat de volgende zaken plaatsvinden in het kader van haar ontwikkelingsprogramma, en ik citeer "gedwongen abortus, gedwongen sterilisatie en kindermoord", zoals werd beweerd door een aantal leden, met betrekking tot begrotingslijn 21 bij de stemming van afgelopen maand over de begroting?
Kan de Commissie duidelijk uiteenzetten aan welke projecten financiering in het kader van ontwikkelingshulp wordt toegekend, of bovenstaande praktijken worden gefinancierd en zo ja in welke landen?
Het beleid inzake seksuele en reproductieve gezondheid en rechten dat de Commissie in overleg met de lidstaten heeft ontwikkeld, met inbegrip van de standpunten over abortus en sterilisatie, wordt uiteengezet in het actieprogramma dat is aangenomen tijdens de Internationale Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD) die in 1994 in Caïro heeft plaatsgevonden.
Gedwongen abortus, gedwongen sterilisatie, kindermoord en andere schendingen van de mensenrechten zijn volkomen in strijd met dit overeengekomen beleid.
De Commissie onderstreept dat het actieprogramma gebaseerd is op het keuzebeginsel. Op die manier kan universele toegang worden verleend tot een waaier van veilige en betrouwbare methoden voor geboorteregeling en een reeks diensten op het gebied van de reproductieve gezondheid die niet indruisen tegen de regelgeving van het land. Doel van het programma is om individuen en paren in de gelegenheid te stellen hun reproductieve rechten en hun recht op kinderen uit te oefenen.
In het programma wordt niet gepleit voor abortus als methode voor geboorteregeling. De betrokken regeringen verbinden zich ertoe de negatieve gevolgen voor de gezondheid van onveilige abortussen te behandelen als een aanslag op de volksgezondheid en het aantal abortussen te beperken door betere diensten voor gezinsplanning op te zetten. In het programma wordt bepaald dat in landen waar abortus wettelijk is toegestaan, deze praktijk in veilige omstandigheden moet worden uitgevoerd. Gezondheidsklachten, infecties, enzovoorts die het gevolg zijn van abortussen moeten worden beschouwd als volkgezondheidsproblemen. Met het actieprogramma wordt gestreefd naar veilige abortussen, maar het is niet de bedoeling om abortus te promoten of te verbieden. Wettelijke abortussen moeten evenwel veilig zijn.
In punt 94 van de Europese ontwikkelingsconsensus (2006/C46/01) wordt erkend dat "de MDG's niet kunnen worden verwezenlijkt zolang geen vorderingen worden gemaakt met de verwezenlijking van de doelstelling van Caïro inzake universele seksuele en reproductieve gezondheid en rechten". De ontwikkelingsprogramma's van de Commissie zijn in geen geval gericht op het bevorderen van acties die indruisen tegen dit beleid.
De projecten die gefinancierd worden uit geografische of thematische begrotingslijnen worden door de Commissie gevolgd en beoordeeld om te waarborgen dat zij correct worden uitgevoerd. De Commissie bevestigt dat geen steun wordt toegekend aan aanvragers die verdacht worden van praktijken zoals die welke door de geachte afgevaardigde zijn genoemd. In elke oproep tot het indienen van voorstellen worden onze beleidslijnen zorgvuldig uiteengezet en de voorstellen die wij in antwoord op onze oproepen ontvangen, worden nauwgezet onderzocht.
Een andere vraag is in hoeverre de Commissie in staat is om controle uit te oefenen op de partnerlanden die communautaire steun ontvangen. Tot onze instrumenten behoort de tenuitvoerlegging van een permanente politieke dialoog met elk van de ontvangende landen, over allerhande onderwerpen, waaronder goed bestuur. Tekortkomingen worden in dit verband onmiddellijk door de Commissie aangepakt.
In de Europese ontwikkelingsconsensus wordt duidelijk vastgesteld dat in het kader van de ondersteuning van partnerlanden de voorkeur moet worden gegeven aan begrotingssteun of sectorale begrotingssteun. Schendingen van de mensenrechten komen aan het licht tijdens de politieke dialoog die wij met elk van de partnerlanden onderhouden (de overeenkomst van Cotonou voor ACS-landen en bilaterale samenwerkingsovereenkomsten met andere ontwikkelingslanden).
Vraag nr. 78 van Antonio López-Istúriz White (H-0978/06)
Betreft: Verlaagde tarieven van het lucht- en scheepverkeer ook voor extracommunautaire inwoners van de Balearen
Op grond van het Koninklijk Besluit 1316/2001 hebben de inwoners van de autonome gemeenschappen van de Canarische eilanden en van de Balearen recht op een korting op de reguliere tarieven van het lucht- en het scheepverkeer (een korting van 43% op de prijs van kaartjes, die in 2007 wordt opgetrokken naar 50%). Deze maatregel is genomen om de nadelen van het eilandbestaan te compenseren.
De regionale regering van de Balearen probeert nu te bewerkstelligen dat immigranten die op de Balearen woonachtig zijn recht krijgen op dezelfde korting. Zij baseert zich daarbij op het beginsel "gelijke plichten, gelijke rechten", want op de eilanden wonende immigranten zijn wel verplicht de openbare heffingen te betalen, maar hebben geen recht op korting op de tarieven van het reguliere lucht- en scheepverkeer. Wil sprake zijn van een echt integratiebeleid, dan moeten extracommunautaire inwoners dezelfde voordelen genieten als Spaanse en andere communautaire ingezetenen. Alleen in een situatie van solidariteit en gelijkheid kunnen deze inwoners daadwerkelijk worden geïntegreerd.
Is de Commissie van mening dat de Europese instellingen bij deze problematiek betrokken moeten worden, omdat het immers gaat om een onderdeel van het integratiebeleid waarbij de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat in het geding zijn? Kan de Commissie de Spaanse regering verplichten of aanraden om het bovengenoemde besluit in die zin te wijzigen dat alle ingezetenen gelijke rechten hebben, ongeacht de vraag of zij onderdaan zijn van een lidstaat of van een land buiten de Gemeenschap?
De integratie van onderdanen uit derde landen die legaal in de lidstaten verblijven, vormt een essentieel onderdeel van de bevordering van de economische en sociale cohesie, een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap die in het Verdrag verankerd is.
In overeenstemming hiermee voorziet Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen in een reeks voorschriften die moeten waarborgen dat langdurig ingezeten onderdanen van derde landen op tal van economische en sociale gebieden dezelfde behandeling genieten als de burgers uit de lidstaten.
In artikel 11, lid 1, sub f) van deze richtlijn wordt bepaald dat langdurig ingezetenen dezelfde behandeling genieten als de eigen onderdanen voor wat betreft de toegang tot goederen en diensten en de levering van voor het publiek beschikbare goederen en diensten, alsmede tot procedures voor het verkrijgen van huisvesting.
De kwestie die hier door de geachte afgevaardigde is aangekaart (gelijke korting op tarieven van het lucht- en het scheepverkeer voor niet-communautaire ingezetenen van de Balearen), valt klaarblijkelijk onder deze bepaling.
Het spreekt voor zich dat alle wetgevingsmaatregelen die de lidstaten nemen met het oog op de uitvoering van het niet-discriminatiebeginsel van Richtlijn 2003/109/EG, op de goedkeuring van de Commissie kunnen rekenen. Ofschoon de huidige communautaire wetgeving geen verplichting inhoudt om de toepassing van artikel 11, lid 1, sub f) van Richtlijn 2003/109/EG uit te breiden naar onderdanen van derde landen die de status van langdurig ingezetenen nog niet verworven hebben (bijvoorbeeld omdat zij minder dan vijf jaar legaal in een lidstaat verblijven), geniet een dergelijke uitbreiding op nationaal niveau de volmondige steun van de Commissie, aangezien zij volledig in overeenstemming is met het horizontale beleid dat de Commissie in september 2005 heeft uiteengezet in haar mededeling over een gemeenschappelijke agenda voor integratie(1).
Vraag nr. 79 van Georgios Karatzaferis (H-0979/06)
Betreft: Het programma "INTERREG III A Griekenland-Turkije"
De Commissie heeft op mijn vraag H-0832/06(1) op onvolledige wijze geantwoord, hetgeen een verkeerde boodschap afgeeft aan Turkije. Ik kom dus nog eens terug op het onderwerp "INTERREG III A Griekenland-Turkije" en zou willen vernemen of de Commissie schriftelijk door de Griekse autoriteiten op de hoogte is gesteld van de provocerende argumenten die Turkije naar voren heeft gebracht in verband met de grenzen van de EU in het gebied van de Egeïsche Zee, iets wat de uitvoering van het voornoemde programma tot stilstand heeft gebracht? Is de betwisting van de grenzen van de EU niet iets dat de Commissie aangaat?
Zoals zij ook al in haar vorige antwoord aan de geachte afgevaardigde te kennen heeft gegeven (mondelinge vraag H-0832/06(2)), is de Commissie zich bewust van de uiteenlopende standpunten ten aanzien van de terminologie die in het programma wordt gebruikt en hoopt zij dat de huidige impasse spoedig zal kunnen worden doorbroken.
In dit verband bestudeert de Commissie thans een reeks voorstellen die zij onlangs van de Griekse autoriteiten heeft ontvangen waarin Griekenland zich eens te meer bereid verklaart een oplossing uit te werken waarmee de mensen aan beide zijden van de grens gebaat zijn.
De Commissie wil nogmaals onderstrepen dat de uitvoeringsproblemen niet van invloed zijn op de structuur en de inhoud van het programma. Het programmakader als zodanig (programmeringsdocument en programmeringscomplement) voldoet immers aan de vereisten en is geheel in lijn met de structuurfondsen en de regelgeving inzake externe financiering. De Commissie zal met plezier maatregelen steunen die leiden tot een spoedige tenuitvoerlegging van het programma, zodat gezamenlijke samenwerkingsprojecten kunnen worden opgezet om de sociaal-economische ontwikkeling van de betrokken partners in Griekenland en Turkije te financieren.
De Commissie ijvert voor samenwerking tussen Griekenland en Turkije. Die inspanningen zullen in de periode 2007-2013 worden voortgezet in het kader van het toekomstige pretoetredingsinstrument.
Betreft: Eerbiediging van de mensenrechten in Colombia
Het Bureau van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten speelt een fundamentele rol bij de ondersteuning van de eerbiediging van de mensenrechten in Colombia. De rapporten die het Bureau publiceert vestigen de aandacht op de aanhoudende en herhaalde schendingen van de mensenrechten in dat land, en zijn een belangrijke bron van informatie waarvan de bekendmaking mensen bescherming kan bieden. Le regering van president URIBE wil de monitoringtaken van dit Bureau opheffen en zijn functie beperken tot louter technische bijstand. Dankzij pressie van de internationale organisaties kan het Bureau zijn huidige taken nog een jaar langer uitoefenen.
Is de Commissie niet van mening dat de mensenrechtensituatie in Colombia zorgwekkend blijft? Zo ja, hoe wil de Commissie waarborgen dat het Bureau zijn rol ook in de toekomst ten volle kan vervullen?
Kan de Commissie toezeggen dat zij het nodige zal doen om ervoor te zorgen dat de Raad voor de Mensenrechten Colombia opneemt in de groep van landen die bijzondere aandacht vereisen, zodat de rapporten van het Bureau in deze Raad kunnen worden besproken en de Raad indien nodig aanbevelingen kan formuleren en pressie kan uitoefenen op de Colombiaanse regering?
De Commissie dankt de geachte afgevaardigde voor zijn bezorgdheid over de mensenrechten in Colombia en de verlenging van het mandaat van het Bureau van het Hoog Commissariaat voor de Mensenrechten in Colombia.
De mensenrechtensituatie in Colombia baart ook de Commissie nog steeds zorgen. Zij onderneemt de nodige acties om uiting te geven aan haar bezorgdheid en bij te dragen aan de bescherming van de mensenrechten door het Hoog Commissariaat voor de Mensenrechten en andere mensenrechtenorganisaties, waaronder tal van niet-gouvernementele organisaties.
In de loop van 2006 heeft de Europese Unie meermaals uitdrukking gegeven aan haar overtuiging dat het mandaat van het Bureau van het Hoog Commissariaat voor de Mensenrechten niet gewijzigd mag worden. Met name in de verklaring van het voorzitterschap van 26 juni jongstleden heeft de Europese Unie de aanwezigheid van het bureau in Colombia met hand en tand verdedigd en heeft zij onderstreept hoe belangrijk het is dat de Colombiaanse regering het Bureau actief steunt en gebruik maakt van de waaier aan diensten die het aanbiedt op het gebied van advies, technische bijstand, monitoring en evaluatie van de mensenrechtensituatie in het land. Wij zullen bij de Colombiaanse autoriteiten blijven aandringen op het belang dat wij aan het Bureau hechten.
De Commissie en de lidstaten van de Europese Unie zullen erop toezien dat de onlangs opgerichte Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties over dezelfde bevoegdheden zal beschikken als zijn voorganger, de mensenrechtencommissie, en derhalve specifieke landen zal kunnen aanduiden die bijzondere aandacht vereisen.
Het feit dat de Raad voor de mensenrechten zich thans nog in de fase van de definitie van de interne procedures bevindt, heeft tot gevolg dat hij zich tot dusver niet heeft kunnen bezighouden met het doel waarvoor hij is opgericht, namelijk het bestrijden van de ernstige mensenrechtenproblemen. In kwantitatieve termen is de invloed van de Europese Unie op deze concrete kwestie beperkt, aangezien slechts 8 van de 47 leden van de Raad voor de mensenrechten landen van de Europese Unie zijn. Toch zullen de Commissie en de lidstaten alles in het werk stellen om te waarborgen dat de Raad het waardevolle werk van de Verenigde Naties ter ondersteuning van de mensenrechten in specifieke landen, met inbegrip van Colombia, kan voortzetten.
Vraag nr. 81 van Robert Evans (H-0988/06)
Betreft: Vluchten over korte afstanden
Acht de Commissie het niet verstandig korte-afstandsvluchten te ontmoedigen als er een goed alternatief over de rails voor het beoogde traject bestaat?
Zoals uitvoeriger wordt uiteengezet in de mededeling "Europa in beweging houden", een tussentijdse herziening van het Witboek vervoer van 2001(1), is de Commissie van oordeel dat daar waar mogelijk moet worden overgestapt op milieuvriendelijkere vervoermiddelen, met name op overbelaste routes.
In de praktijk blijkt dat dit verschijnsel zich reeds voordoet als resultaat van de marktsituatie. In Frankrijk bijvoorbeeld heeft de trein het luchtverkeer verdrongen ten gevolge van de ontwikkeling van het hogesnelheidsnetwerk. Tussen Frankrijk en België is het marktaandeel van het luchtverkeer over de route Parijs-Brussel de laatste jaren ten gevolge van de uitbreiding van de hogesnelheidsdiensten van de Thalys tot nul gereduceerd.
Meer in het algemeen voorziet de huidige communautaire wetgeving reeds in beperkingen op grond van milieuredenen. In het kader van de voorschriften betreffende de liberalisering van het luchtvervoer,
"kan de verantwoordelijke lidstaat bij ernstige congestie- en/of milieuproblemen voorwaarden opleggen en de uitoefening van verkeersrechten beperken of weigeren, met name wanneer andere takken van vervoer een bevredigend niveau van dienstverlening kunnen bieden".(2)
Daarom is het, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, de taak van de lidstaten om geval per geval te beslissen welke maatregelen moeten worden genomen. Voor wat de korteafstandsvluchten betreft, zijn de nationale en regionale overheden beter in staat om te bepalen welke beperkingen moeten en kunnen worden toegepast, afhankelijk van de alternatieven die beschikbaar zijn op lokaal niveau.
Het zij evenwel duidelijk dat de genomen maatregelen de concurrentie niet mogen verstoren en geen discriminatie op grond van nationaliteit mogen teweegbrengen, zoals overigens ook wordt bepaald in Verordening (EEG) nr. 2408/92.
Zo weet de Commissie bijvoorbeeld dat sommige bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten reeds bepaalde beperkingen bevatten in verband met “co-terminalisation” (korteafstandsvlucht aan het einde van een internationale vlucht).
Op regionaal niveau is de Commissie onlangs in kennis gesteld van de recente maatregelen die de regering van Wallonië heeft genomen om "co-terminalisation" tussen Luik en Charleroi op vluchten van en naar Marokko te verbieden.
Artikel 9, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2408/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de toegang van communautaire luchtvaartmaatschappijen tot intracommunautaire luchtroutes, Publicatieblad L 240, 24/08/1992
Vraag nr. 82 van Jens Holm (H-0996/06)
Betreft: Bouw van de Pubugou-dam in China
De snelle economische veranderingen in China zorgen voor nieuwe sociale spanningen in het land. Vier jaar geleden beslisten de Chinese autoriteiten de Pubugou-dam te bouwen in de Dadu-rivier. Door de bouw van deze dam en door de stijging van het waterpeil zullen ongeveer 100 000 mensen noodgedwongen moeten verhuizen. De autoriteiten beloven compensaties, maar kritische stemmen wijzen erop dat deze beloftes weinig geloofwaardig zijn en dat de nieuwe landbouwgrond die eventueel toegewezen wordt, duidelijk minder vruchtbaar is dan de vroegere stukken land. Ondertussen worden het ongenoegen en de weerstand die onder de bevolking ontstaan zijn met stilte beantwoord. Pubugou is een voorbeeld van de talrijke dammen die in China gebouwd worden en die het voor miljoenen Chinezen onmogelijk maken om direct in hun levensonderhoud te voorzien en hen daardoor in onzekerheid en armoede storten.
De Commissie heeft het vroeger gehad over de noodzaak om op China invloed uit te oefenen zodat de ontwikkeling er op een sociaal en economisch duurzame manier kan verlopen.
Heeft de Commissie weet van Europese bedrijven die betrokken zijn bij de bouw van Chinese dammen en heeft ze t.o.v. de Chinese autoriteiten specifieke kritiek geuit over de bouw van Pubugou?
De Commissie is het volledig met de geachte afgevaardigde eens dat de economische groei van China vaak ernstige sociale spanningen veroorzaakt. Zij heeft haar standpunten terzake vrij gedetailleerd uiteengezet in haar recente mededeling over China.
In haar mededeling laat de Commissie zich positief uit over het jongste vijfjarenprogramma van China, waarin in toenemende mate rekening wordt gehouden met de maatschappelijke gevolgen van de ontwikkeling van het land en waarin wordt gepleit voor een sociaal verantwoorde en evenwichtige groei.
Het lijdt echter geen twijfel dat er nog veel werk aan de winkel is. Het Drieklovendam-project is tekenend voor de omvang en de diversiteit van de problemen waarvoor nog geen oplossing is gevonden. De Commissie heeft hierover haar bezorgdheid geuit aan de Chinese regering en ook in China zelf is er inderdaad protest gerezen. De kleinere damprojecten die in het kader van deze grote onderneming worden uitgevoerd, lijken ons even belangrijk en niet minder verontrustend.
De Commissie zal de Chinese regering op deze kwesties blijven attenderen. Zij zal zich actief inzetten, ervaringen uitwisselen en aandringen op snelle vooruitgang.
De Commissie is thans niet bij machte om de geachte afgevaardigde in te lichten over de mogelijke betrokkenheid van Europese ondernemingen bij de bedoelde projecten, maar zij zal hem een schriftelijk antwoord doen toekomen zodra de informatie waarom hij verzoekt beschikbaar is.
Vraag nr. 83 van Paul Rübig (H-0998/06)
Betreft: Problemen met brandstofelementen in Tsjechische kerncentrale Temelin
In de krant "Oberösterreichische Nachrichten" van 2 november 2006 stond dat in de Tsjechische kerncentrale Temelin de problemen in de actieve zone als gevolg van bovenmatige vervorming van brandstofelementen steeds groter worden. De problemen zijn inmiddels zo groot dat een veilige exploitatie niet meer kan worden gegarandeerd. Er zouden al twee brandstofelementen onherstelbaar beschadigd zijn en het is nog onduidelijk hoe dit moet worden gecompenseerd, omdat voorafgaande aan vervanging door andere brandstofelementen uitgebreide berekeningen nodig zijn.
Welke stappen zal de Commissie in deze zaak ondernemen? Welke maatregelen neemt de Commissie om kerncentrales met ernstige technische mankementen onmiddellijk van het net te halen? Beschikt de Commissie al over een plan van aanpak, zodat in dergelijke situaties snel en efficiënt kan worden opgetreden?
Ondanks het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 10 december in zaak C-29/99, waarin wordt erkend dat de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie bevoegd is om wetgeving betreffende de veiligheid van kerninstallaties uit te vaardigen, hebben wij vanwege gebrek aan steun in de Raad geen voortgang kunnen maken met het zogeheten "nucleaire pakket".
De jongste voorstellen die de Commissie op 8 september 2004(1) heeft ingediend, met inachtneming van de adviezen van het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité, zijn tot dusver niet door de Raad in overweging genomen.
Zolang er op het gebied van de veiligheid van nucleaire installaties geen bindende communautaire wetgeving bestaat, is de Commissie voor het vergaren van informatie afhankelijk van de goodwill van de bevoegde instellingen van de lidstaten.
De Commissie zal het Tsjechische staatsbureau voor nucleaire veiligheid (SÚJB) officieel aanschrijven over de kwestie van de nucleaire veiligheid in de kerncentrale van Temelin om informatie in te winnen.
Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad (Euratom) houdende vaststelling van de fundamentele verplichtingen en algemene beginselen op het gebied van de veiligheid van nucleaire installaties en gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad (Euratom) inzake het beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (COM (2004) 526 final)
Vraag nr. 84 van Frank Vanhecke (H-0999/06)
Betreft: Landhervorming in Zuid-Afrika
Een recente discussienota over landhervorming in Zuid-Afrika, die uitgaat van ambtenaren van het bevoegde ministerie, wijst op een toekomstige drastische wijziging van het regeringsbeleid inzake de aankoop van gronden. In plaats van het huidige 'willing-buyer, willing-seller' beginsel zou geopteerd worden voor een in de tijd onbeperkt vóórkooprecht van de staat. Verder zou het instrument van onteigening worden aangewend als een normaal instrument voor de aankoop van landbouwbedrijven. Een ander gemeenschappelijk discussiedocument, uitgaande van Zuidafrikaanse ambtenaren en de Wereldbank, voorziet in invoering van een speciale landbelasting die enkel van toepassing is op blanke boeren.
Is de Commissie op de hoogte van deze nota's? Vormen deze nota's een weerspiegeling van het toekomstige officiële beleid? Hoe staat de Commissie tegenover deze voorstellen? Worden de blanke boeren in deze discussie ten volle betrokken? Zal de Commissie hun noodzakelijke betrokkenheid desnoods aankaarten?
Het document waaraan de geachte afgevaardigde refereert, is een interne discussienota van het Zuid-Afrikaanse Ministerie van Landzaken die niet openbaar is gemaakt. De Commissie is zich bewust van het bestaan van dit document, maar heeft geen toegang tot de tekst. Kennelijk is bij de redactie ervan rekening gehouden met het advies van het bureau van de Wereldbank in Pretoria.
Het document maakt vooralsnog geen deel uit van het overheidsbeleid inzake landkwesties. Het moet gezien worden in het licht van de interne studie die thans binnen het Ministerie van Landzaken wordt uitgevoerd naar de oorzaken van de trage vooruitgang van de tenuitvoerlegging van de voornaamste regeringsdoelstellingen inzake landhervorming en de manier om het proces te bespoedigen.
De Commissie kan moeilijk commentaar geven op een interne discussienota van een regeringsdepartement waarvan zij niet officieel in kennis is gesteld. Zij volgt de landhervoming in Zuid-Afrika echter op de voet, met name in zuidelijk Afrika, vanwege de mogelijke politieke gevolgen. De Commissie heeft reeds meermaals haar bezorgdheid geuit aan de Zuid-Afrikaanse regering, ook op ministerieel niveau.
Voor zover de Commissie weet, is de interne discussienota nog niet officieel voorgelegd aan de betrokken partijen, onder wie boeren en landeigenaars.
In juli 2005 heeft de Zuid-Afrikaanse regering echter voor de eerste maal een nationale bijeenkomst over landkwesties gehouden. Zij heeft toen alle partijen die bij het landhervormingsproces betrokken zijn uitgenodigd om actief deel te nemen en hun zorgen kenbaar te maken. Tijdens de bijeenkomst is gepleit voor een bespoediging van het proces teneinde politieke instabiliteit te voorkomen. De regering erkent dat in een democratie geen plaats is voor een radicale landhervorming. Zij overweegt echter de mogelijkheid om in de toekomst een overheidsgestuurde interventionistische aanpak toe te passen waarbij mogelijkerwijs meer gebruik zal worden gemaakt van landonteigening. Het recht op een adequate vergoeding voor slachtoffers van landonteigening zit verankerd in de grondwet van Zuid-Afrika. Tot dusver is onteigening slechts gebruikt in de weinige gevallen waarin de onderhandelingen zijn vastgelopen.
Wat de betrokkenheid van de boeren betreft, zij erop gewezen dat de Zuid-Afrikaanse regering doorgaans relevante betrokkenen raadpleegt wanneer zij nieuwe beleidsacties ontwikkelt of nieuwe wetgeving voorbereidt. In dit verband heeft het Ministerie van Landzaken publiekelijk verklaard dat elk voorstel tot wijziging van het beleid in het kader van de bestaande overlegfora ter discussie zal worden voorgelegd aan alle betrokkenen. Er bestaat een forum voor landkwesties dat regelmatig vergadert met de Zuid-Afrikaanse president en waarin ook commerciële boeren vertegenwoordigd zijn.
Vraag nr. 85 van Maria Carlshamre (H-1003/06)
Betreft: Rechten van het autochtone Sámi-volk
Het Sámi-volk is het enige autochtone volk in de EU. Het woont in een gebied dat zich over Finland, Zweden, Noorwegen en Rusland uitstrekt. Er zijn verschillende Sámi-talen die volgens de UNESCO gevaar lopen of ernstig bedreigd worden, met enkele honderden mensen die de taal nog als moedertaal spreken. Eeuwenlang zijn de Sámi door de landen in hun regio gediscrimineerd, waarbij hun godsdienst en hun taal buiten de wet werden geplaatst en hun landrechten werden afgenomen. In de onzalige rassentheorieën uit de negentiende eeuw werden de Sámi als "kleinhoofdig" beschreven. Deze tragische geschiedenis is onbekend bij de meeste mensen die tegenwoordig in Zweden en Finland wonen en er wordt bijna geen informatie of onderwijs gegeven over de geschiedenis en huidige situatie van het Sámi-volk. Zo bleek in Zweden bij een onderzoek van dertig geschiedenisboeken voor schoolgebruik slechts één boek een juist beeld van deze minderheidsgroep te geven.
Wat is de Commissie bereid te doen om er, voordat het te laat is, voor te zorgen dat de Sámi-taal en -cultuur aan volgende generaties wordt doorgegeven?
De bescherming en het behoud van de culturele en taalkundige verscheidenheid zijn hoekstenen van de Europese Gemeenschap, zoals bepaald in het EG-Verdrag, en met name in artikel 151.
Deze doelstelling ligt tevens ten grondslag aan de activiteiten van de Organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur (UNESCO), met inbegrip van haar werkzaamheden op wetgevingsgebied, niet in de laatste plaats in het kader van de onlangs aangenomen Conventie inzake culturele verscheidenheid die thans door de Gemeenschap en de lidstaten geratificeerd wordt.
Als hoedster van de Verdragen is de Commissie verantwoordelijk voor het bevorderen van het wederzijds respect en de culturele diversiteit, met inbegrip van de eerbiediging van culturen van autochtone volkeren tussen en in de lidstaten. De grootste verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van de culturele en taalkundige verscheidenheid berust evenwel bij de lidstaten. De Gemeenschap vervolledigt hun acties met communautaire beleidsinitiatieven en programma's.
Die beleidsinitiatieven en programma’s zijn ook van toepassing op de Sámi die op Fins en Zweeds grondgebied leven.
Bovendien werkt de Commissie samen met de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid om de Europese waarden uit te dragen naar de internationale gemeenschap. Deze externe dimensie van het Europees beleid kan worden toegepast op de Sámi-gemeenschappen in Noorwegen en Rusland.
De Europese Commissie legt tevens communautaire programma’s ten uitvoer om de culturele diversiteit en de interculturele dialoog te bevorderen.
Sinds de jaren tachtig kent de Commissie financiële middelen toe aan organen die actief zijn op het gebied van regionale en minderheidstalen. Het Europees Bureau voor minderheidstalen (BELMR) legt zich toe op het bevorderen van en het verspreiden van informatie over deze talen. Het beschikt over nationale comités in de lidstaten, met name ook in Finland en Zweden. In beide gevallen is uitvoerige informatie beschikbaar over de Sámi. De gegevens kunnen geraadpleegd worden op de respectieve websites: http://www.sweblul.se/
Verder bevordert de Commissie via haar financieringsprogramma’s ook het taalbewustzijn en de toegang tot taalonderwijs. Het nieuwe programma voor levenslang leren voor de periode 2007-2013 is specifiek bedoeld om het leren van talen en de taalkundige verscheidenheid te bevorderen. Het voorziet in financieringsmogelijkheden voor alle talen van de Europese Unie, zolang de criteria voor selectie en deelname, en met name het aantal partners, geëerbiedigd worden. De eerste oproep tot het indienen van voorstellen zal begin 2007 gepubliceerd worden.
In haar recente mededeling "Een nieuwe kaderstrategie voor meertaligheid"(1) onderstreept de Commissie dat de Europese Unie gegrondvest is op het beginsel van "eenheid in verscheidenheid", met inbegrip van de inheemse talen die in de Europese Unie vertegenwoordigd zijn. De Commissie heeft de lidstaten uitgenodigd om nationale programma’s op te zetten met het oog op een betere coördinatie en een coherent beheer van de acties ter bevordering van meertaligheid tussen individuen en in de samenleving. In de nationale strategieën dient rekening te worden gehouden met regionale en minderheidstalen.
Onlangs heeft de Commissie zich positief uitgesproken over het besluit van de Raad, dat nog moet worden goedgekeurd door het Parlement, om 2008 uit te roepen tot het Europees Jaar van de interculturele dialoog. Dat kan voor de lidstaten een gelegenheid zijn om de nationale initiatieven ter bevordering van de culturele verscheidenheid aan te zwengelen en de nodige aandacht te besteden aan autochtone volkeren zoals de Sámi die op het grondgebied van de Europese Unie leven.
Maatregelen om het leren van talen te bevorderen, met inbegrip van minderheidstalen, zijn ongetwijfeld van essentieel belang voor de culturele dialoog.
De Europese Unie heeft unaniem verzocht dat de ontwerpverklaring over de rechten van inheemse volkeren onverwijld wordt aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Bovendien werkt zij, ook op financieel gebied, samen met de betrokken organen en mechanismen van de Verenigde Naties, onder meer met de Speciale VN-Rapporteur voor de rechten en fundamentele vrijheden van inheemse volkeren.
Het Europees Jaar van de interculturele dialoog omvat overigens ook een externe dimensie, aangezien niet-Europese landen de gelegenheid zullen krijgen om zich aan te sluiten bij de communautaire doelstellingen en initiatieven.
Vindt de Commissie dat het EU-drugsactieplan naar tevredenheid functioneert? Deelt de Commissie de opvatting dat er behoefte is aan sterkere samenwerking tussen de lidstaten bij de drugsbestrijding?
Hoewel de drugsproblematiek van land tot land verschilt, kunnen de lidstaten deze niet op eigen houtje oplossen. Dat dient te gebeuren middels een samenhangend Europa-breed beleid. Teneinde het drugsprobleem aan te pakken heeft de Europese Raad in 2004 de EU-drugsstrategie (2005-2012) goedgekeurd, waarin een kader, doelstellingen en prioriteiten worden vastgesteld voor twee opeenvolgende vierjarige actieplannen die door de Commissie moeten worden voorgesteld.
Het Drugsactieplan 2005-2008(1), dat in juni 2005 is goedgekeurd, bevat circa 80 acties op verschillende terreinen, zoals terugdringing van de vraag naar drugs, terugdringing van het aanbod, de bestrijding van de illegale handel in drugs en internationale actie. In deze aanpak liggen logischerwijs verschillende aanvullende niveaus besloten:
Binnen het kader van de bevoegdheden van de Gemeenschap (volksgezondheid, beheersing van drugsprecursoren, witwassen van geld, ontwikkelingshulp aan derde landen),
Binnen het kader van nauwe samenwerking tussen lidstaten (buitenlands beleid, justitie en binnenlandse zaken),
Binnen het kader van partnerschap met talrijke internationale organisaties.
Het EU-actieplan voorziet eveneens in de verdeling van verantwoordelijkheden en de planning van de tenuitvoerlegging. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de meeste van de voorgestelde acties, waaruit blijkt dat er op alle niveaus samenwerking nodig is. Voor iedere voorgestelde actie zijn er duidelijke en concrete beoordelingsinstrumenten geïntroduceerd voor een goede controle en evaluatie.
Op basis hiervan voert de Commissie een voortdurende en algehele evaluatie uit van de maatregelen in het actieplan, met steun van het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving en Europol. In dit kader presenteert de Commissie jaarlijkse voortgangsverslagen aan de Raad en het Parlement over de tenuitvoerlegging van het actieplan. Het doel van deze verslagen is niet alleen te rapporteren over de vorderingen, maar ook om geconstateerde tekortkomingen te verhelpen en mogelijke nieuwe uitdagingen aan te gaan. Het eerste verslag sinds de goedkeuring van het actieplan plaatst de behaalde resultaten in de context van anderhalf jaar tenuitvoerlegging. De Commissie zal het eind 2006 presenteren.
In 2007 zal dezelfde exercitie worden herhaald, en dan zal een grondiger analyse kunnen worden gemaakt. In 2008 zal de Commissie een afsluitende evaluatie/effectbeoordeling presenteren. Deze effectbeoordeling moet niet alleen een overzicht geven van de specifieke resultaten van het Actieplan, maar ook aangeven hoe het is gesteld met de drugsproblematiek, die de Europese Unie wil aanpakken. Deze beoordeling zal het fundament vormen waarop beleidsmakers het volgende actieplan in het kader van de EU-drugsstrategie 2005-2012 zullen voorbereiden.
Betreft: De stand van zaken wat betreft democratie, mensenrechten en vrijheid van meningsuiting in Rusland
De situatie in Rusland met betrekking tot de democratie, de mensenrechten, de rechtsstaat en de vrijheid van meningsuiting verslechtert voortdurend. Bij talloze gelegenheden heeft het Parlement hierover zijn bezorgdheid tot uiting gebracht en de subcommissie mensenrechten heeft vaak verslagen ontvangen over specifieke gevallen van flagrante schendingen van de mensenrechten, de persvrijheid en het praktisch volledig ontbreken van respect voor de rechtsstaat.
De bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen Europa en Rusland loopt eind 2007 af. Het Parlement heeft er herhaaldelijk bij de Europese Commissie op aangedrongen bij de onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst een principiëlere en consistentere houding aan te nemen, en in een eventuele nieuwe overeenkomst een centrale plaats toe te kennen aan de democratie, de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting en ervoor te zorgen dat er concrete mechanismen komen om de waarborging van deze rechten te controleren.
Heeft de Commissie al vastomlijnde plannen of voornemens om door middel van de nieuwe overeenkomst en de lopende onderhandelingen, invloed uit te oefenen op situatie inzake democratie, mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting in Rusland?
Welke gerichte maatregelen zullen worden genomen en meer in het bijzonder aan welke nieuwe voorwaarden zal Rusland moeten voldoen in het kader van de nieuwe overeenkomst, zodat merkbare vooruitgang wordt geboekt op het terrein van democratie, mensenrechten, vrijheid van meningsuiting en persvrijheid in Rusland? Welke instrumenten zullen worden ingezet om een doeltreffende controle te garanderen op de nakoming door Rusland van haar verplichtingen?
De Commissie hecht groot belang aan het respect voor de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat als fundamentele waarden die ten grondslag liggen aan het EU-Russische strategisch partnerschap. Dit is het geval in het kader van de momenteel geldende partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst en zal straks eveneens het geval zijn in het kader van de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland die de huidige overeenkomst zal vervangen. De Commissie hoopt binnenkort de onderhandelingen te kunnen beginnen over de nieuwe overeenkomst.
Ten aanzien van democratie en mensenrechten beogen wij in deze nieuwe overeenkomst het volgende op te nemen:
De nieuwe overeenkomst dient de standaard mensenrechten te bevatten die zijn opgenomen in alle overeenkomsten van de EU met derde landen.
Ook stellen wij ons voor dat de doelstellingen en beginselen van de nieuwe overeenkomst sterk verwijzen naar democratie, eerbied voor mensenrechten en de rechtsstaat. Daar Rusland lid is van de Raad van Europa zal een herbevestiging in de nieuwe overeenkomst van de in het kader van de Raad van Europa gedane toezeggingen een belangrijke vooruitgang vormen ten opzichte van de mensenrechtenclausules in de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst.
Eveneens stellen wij ons voor dat de resultaten van de periodieke raadplegingen tussen de EU en Rusland over mensenrechten, die sinds 2005 regelmatig worden gehouden, hun weerslag krijgen in de nieuwe overeenkomst.
Detailafspraken over het functioneren van gerichte maatregelen worden niet opgenomen in de nieuwe overeenkomst, maar de EU zal de politieke dialoog met Rusland blijven aanwenden om mensenrechtenkwesties op alle niveaus aan de orde te stellen. Ook onderzoekt de EU samen met Rusland de mogelijkheid om seminars met deskundigen te organiseren over onderwerpen met betrekking tot de mensenrechten.
De Commissie wil de geachte afgevaardigde ook wijzen op de voortdurende projecten van het Europees Initiatief voor de democratie en de bescherming van de mensenrechten en Tacis die, onder andere, mensenrechten-educatieprogramma’s ondersteunen. Het met € 20 miljoen gedoteerde programma van de Commissie ter ondersteuning van het sociaal-economische herstel in de Noordelijke Kaukasus is wat dit betreft ook relevant. De Commissie zal blijven bekijken hoe financiële samenwerking met Rusland kan bijdragen aan de bescherming van de mensenrechten en de ontwikkeling van de democratie en civiele maatschappij in Rusland.
Vraag nr. 88 van Cristobal Montoro Romero (H-1008/06)
Betreft: Structurele factoren die de groei in Europa belemmeren
De Commissie heeft er terecht op gewezen dat ofschoon 2006 een jaar is van groei, onze groeicijfers nog steeds lager zijn dan in andere regio's van de wereldeconomie, en ook lager dan gehoopt in deze derde fase van de Economische en Monetaire Unie.
Volgens de Commissie is dit lage groeipotentieel, vooral in de belangrijkste economieën van de eurozone, te wijten aan structurele factoren. Wat verstaat zij onder "structurele factoren"?
In een monetaire unie dienen goed functionerende product-, arbeids- en kapitaalmarkten een belangrijke rol te spelen in het verhogen van het groeipotentieel en het dempen van de uitwerking van economische schokken. Als die markten echter structurele kenmerken bezitten die ze nogal inflexibel of inefficiënt maken, ondermijnt dat hun vermogen om naar behoren te functioneren en een belangrijke rol te spelen. Structurele hervormingen teneinde de inflexibiliteit of inefficiëntie van de markt aan te pakken zijn noodzakelijk om tot verbetering van de situatie te komen.
Het is aangetoond dat in het eurogebied de groeipotentie en het vermogen om de uitwerking van economische schokken op te vangen nogal gering zijn en dat het functioneren van zijn product-, arbeids- en kapitaalmarkten niet optimaal is. Dat maakt structurele hervormingen noodzakelijk.
Doel van dergelijke hervormingen dienen duurzame overheidsfinanciën, een hogere arbeidsproductiviteit en totale productiviteit, alsmede het verhogen van de werkgelegenheid en het participatiecijfer te zijn, terwijl daarbij aan de eisen van duurzame ontwikkeling wordt voldaan. Men dient zich met name te richten op die structurele hervormingen die 1. beduidende externe effecten hebben op andere landen in het eurogebied, en 2. het meest bijdragen aan de kernflexibiliteit en het aanpassingsvermogen in de context van de monetaire unie of die marktinefficiënties corrigeren. De belangrijkste prioriteiten wat dit betreft zijn het waarborgen van de duurzaamheid van overheidsfinanciën, het versnellen van de technologische vooruitgang in het eurogebied, het bevorderen van meer mededinging in de service- en netwerkindustrieën, het voltooien van de integratie van Europese financiële markten en het verwezenlijken van een groter aanpassingsvermogen van de arbeidsmarkt, het scheppen van loonmechanismen die flexibeler reageren op de economische omstandigheden en het moderniseren van sociale-zekerheidsstelsels.
Midden december 2006 zal de Commissie haar jaarlijkse voortgangsverslag presenteren als onderdeel van de herziene Lissabon-strategie. Hierin zal een uitgebreide beoordeling worden gegeven van de structurele hervormingen in de Europese Unie als geheel en in het eurogebied. In het verslag zal nauwkeurig worden beschreven welke structurele hervormingen ieder land het meest nodig heeft en zal de vooruitgang ten aanzien van de tenuitvoerlegging worden beoordeeld.
Vraag nr. 89 van Seán Ó Neachtain (H-1017/06)
Betreft: Veiligheidsregels voor het vliegverkeer
De nieuwe EU-veiligheidsregels voor het vliegverkeer die sinds 6 november voor de EU, IJsland, Noorwegen en Zwitserland gelden, zijn een goed voorbeeld van de leidende rol van Europa op het gebied van het interne veiligheidsbeleid.
De VS en Canada hebben in samenwerking met de EU nagenoeg identieke regels voor vloeistoffen in de handbagage van passagiers ingevoerd, zodat een groot aantal van de belangrijkste luchthavens in de wereld thans dezelfde veiligheidsvoorschriften toepassen.
Welke maatregelen is de Commissie van plan te treffen om met haar partners in de VS en Canada, de International Civil Aviation Organisation en andere belanghebbenden de 100 ml/1 liter-beperking en het systeem van "verzegelde" tassen te bevorderen als mondiale norm?
Sinds de aanname van Verordening 2320/2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart werkt de Commissie samen met landen zoals de Verenigde Staten om, in de grootst mogelijke mate, te komen tot geharmoniseerde veiligheidsnormen teneinde terroristische dreigingen tegen te gaan.
Voorts werkt de Commissie op internationaal niveau samen met de International Civil Aviation Organisation (ICAO) om tot wereldwijde minimumnormen voor een veilig vliegverkeer te komen.
Wat betreft de belanghebbenden: de organisaties die luchthavens, luchtvaartmaatschappijen en andere actoren vertegenwoordigen, worden door de Commissie altijd uitvoerig geraadpleegd voorafgaand aan besluiten over nieuwe veiligheidsregels voor het vliegverkeer.
Wat betreft de nieuwe verordening die op 6 november 2006 van kracht werd, Verordening 1546/2006(1) van de Commissie, waarin regels worden vastgesteld betreffende het vervoer van vloeistoffen: deze verordening is ontwikkeld op basis van bovengenoemde coördinatie- en samenwerkingsmechanismen. Dit heeft bijgedragen aan het vaststellen van goeddeels identieke regels voor vliegreizen tussen de EU en Noord-Amerika.
Onmiddellijk na de goedkeuring van Verordening 1546/2006 werd de ICAO door de Commissie op de hoogte gesteld van deze regels, zodat zij alle landen die zijn aangesloten bij de ICAO op de hoogte konden stellen.
De Commissie is voornemens haar inspanningen met betrekking tot het versterken van de internationale samenwerking ten aanzien van de invoer van nieuwe regels met betrekking tot vloeibare stoffen voort te zetten met als doel de kwaliteit van de veiligheid en de reisomstandigheden te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen hoeveel Nigeriaanse luchtvaartmaatschappijen niet meer op de Europese Unie mogen vliegen omdat zij hun veiligheidsnormen niet op orde hebben en steeds vaker betrokken zijn bij vliegtuigongelukken? Is de Commissie voornemens om Nigeriaanse luchtvaartmaatschappijen in de toekomst ook andere verbodsbepalingen op te leggen?
Op de communautaire lijst van luchtvaartmaatschappijen die niet meer op de Europese Unie mogen vliegen bevinden zich tot op heden geen Nigeriaanse luchtvaartmaatschappijen. In nauwe samenwerking met de burgerluchtvaartautoriteiten van de lidstaten houdt de Commissie de ontwikkeling van het vliegverkeer in dit land echter nauwlettend in de gaten, en het is haar niet ontgaan dat dit land sinds oktober 2005 getroffen is door drie ernstige ongelukken. Het technisch onderzoek naar deze ongelukken loopt nog.
Het stemt de Commissie nochtans tevreden dat de Nigeriaanse autoriteiten zelf reeds een aantal maatregelen hebben doorgevoerd om de vliegveiligheid te bevorderen. Zo is van een aantal lokale luchtvaartmaatschappijen, waaronder twee van de drie maatschappijen die onlangs betrokken waren bij een ongeluk (Sosoliso Airlines en ADC Airlines), de licentie ingetrokken. Dientengevolge hebben deze maatschappijen hun activiteiten gestaakt, en er is dan ook geen reden om hen een Europese verbodsbepaling op te leggen.
Vraag nr. 91 van Marielle De Sarnez (H-1024/06)
Betreft: Subsidie voor de Europahuizen
De Europahuizen organiseren buurtacties om meer begrip tussen de Europeanen te kweken en de burgers een beter inzicht te geven in de werking van de EU en haar reden van bestaan. De Huizen ontplooien daartoe waar ze maar kunnen tal van gevarieerde activiteiten die zijn gericht op een zo breed mogelijk publiek. De Europahuizen zijn in verscheidene lidstaten georganiseerd in nationale federaties en zijn lid van EUNET, een in 2004 opgerichte niet-gouvernementele vereniging.
Naar het schijnt komen de Europahuizen ondanks de aanneming van het programma "Burgers voor Europa", dat ten doel had elk Europahuis structurele hulp te bieden, niet in aanmerking voor Europese steun voor hun dagelijks werk, omdat er onvoldoende geld beschikbaar is en het geld dat er is allereerst naar het Europese netwerk EUNET gaat. Kan de Commissie deze keuze verduidelijken en de zekerheid geven dat er vanaf januari 2007 wel geld voor het werk van de Europahuizen zal zijn?
De Commissie is evenals de geachte afgevaardigde van mening dat de Europahuizen een belangrijke en zinvolle rol spelen om Europa dichterbij de burger te brengen. Daarom hebben de instellingen na afloop van het overleg over het programma “Europa voor de burger” besloten om de Europahuizen toe te voegen aan de lijst van instanties die op basis van de rechtsgrondslag in aanmerking komen voor rechtstreekse toekenning van een exploitatiesubsidie in de jaren 2007, 2008 en 2009, en wel ter zake van actie 3 van het programma “Allemaal samen voor Europa”.
Annex 2 bij de rechtsgrondslag bepaalt dat deze structurele hulp “rechtstreeks kan worden toegekend ... aan nationale en Europese federaties van Europahuizen...”.
Dientengevolge komt de federatie van Europahuizen zowel naar de letter als naar de geest van de rechtsgrondslag in aanmerking voor structurele hulp voor zijn dagelijks werk in de hoedanigheid van netwerk. De Commissie deelt de geachte afgevaardigde verder mede dat de betreffende federatie is opgericht en nog altijd bestaat onder de naam “EUNET”.
De Europahuizen in de diverse Europese steden kunnen ook subsidie ontvangen voor projecten waarvoor ze in het kader van actie 1 “Burgers voor Europa” en in het kader van actie 2 “Actie burgermaatschappij voor Europa” een aanvraag willen indienen. Hun respectievelijke activiteiten illustreren namelijk een groot aantal prioriteiten en onderwerpen waarvoor bij het programma een aanvraag kan worden ingediend.
Vraag nr. 92 van Bill Newton Dunn (H-1025/06)
Betreft: Onderzoek naar haalbaarheid en belemmeringen voor de oprichting van een federaal politiekorps in de EU
N.a.v. de eerste lezing van het Europees Parlement van de ontwerpbegroting 2007 van de Commissie, waarbij amendement 909 met een grote meerderheid van meer dan 300 stemmen werd aangenomen, liet de Commissie de Begrotingscommissie van het EP weten dat een dergelijk onderzoek haars inziens onder de werkzaamheden van Europol valt.
Kan de Commissie derhalve zo vriendelijk zijn details te verstrekken over alle onderzoeken die Europol ooit heeft verricht naar "de haalbaarheid en belemmeringen voor de oprichting van een federaal politiekorps in de EU"?
De Commissie wil graag haar opmerking toelichten over amendement 909, ingediend door de geachte afgevaardigde.
De Commissie is geen voorstander van het instellen van een onderzoek naar haalbaarheid van de oprichting van een federaal politiekorps, daar zij Europol volledig ondersteunt in de uitvoering van zijn huidige mandaat en zij de huidige ontwikkelingen steunt die erop zijn gericht om te waarborgen dat Europol gereed is om toekomstige uitdagingen aan te gaan.
Onder het Oostenrijkse voorzitterschap is er dit jaar een breed debat aangezwengeld over de toekomst van Europol. Uit de daaropvolgende discussies kwam naar voren dat het functioneren van dit orgaan inderdaad vatbaar was voor verbetering.
De Commissie deelt volledig de opvattingen van hen die vinden dat Europol een politieagentschap dient te zijn, gericht op het verzamelen en verspreiden van politie-informatie als ondersteuning van de wethandhavingsdiensten van de lidstaten, en geen agentschap mag zijn met dwingende bevoegdheden. De Commissie is voornemens zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen om Europol een nieuwe vorm te geven.
Vraag nr. 93 van Olle Schmidt (H-1027/06)
Betreft: Burgerinitiatief
In september heeft mijn voorgangster Cecilia Malmström het eerste burgerinitiatief over de zetel van het Europees Parlement overhandigd aan de Commissie en de Raad. Tot dusverre hebben wij niet van de Commissie vernomen welke stappen zij in dezen overweegt. Ik beschouw het als een probleem dat de Commissie, die de voorgestelde grondwet steunt en die zich inspant om te trachten de communicatie van de EU en de dialoog met de burgers te verbeteren, zo volkomen voorbij gaat aan een verzoek van 1 miljoen EU-burgers. Wil de Commissie misschien zelf bepalen wat de burgers belangrijk vinden? Kan haar stilzwijgen anders worden uitgelegd dan dat het onderwerp politiek te beladen is om aangepakt te worden?
Op 21 september 2006 heeft de Commissie één miljoen handtekeningen in ontvangst genomen betreffende de zetel van het Europees Parlement, naar aanleiding van het door Cecilia Malmström genomen initiatief. Het is in het belang van de Commissie om naar behoren geïnformeerd te worden over dit soort initiatieven, die ondertekend worden door een zeer groot aantal burgers, zoals de geachte afgevaardigde terecht heeft benadrukt.
De Commissie benadrukt echter dat het onderwerp van de petitie niet binnen haar bevoegdheden valt, hetgeen ze reeds heeft aangegeven bij het overhandigen van de handtekeningen. Overeenkomstig artikel 289 van het EG-Verdrag is het namelijk aan de lidstaten om, met gezamenlijk goedvinden, de zetel van de instellingen te bepalen.
Het besluit van de regeringen in dezen is overgenomen in het Protocol bij het Verdrag betreffende “het vaststellen van de zetels van de instellingen en van bepaalde instanties en diensten van de Europese Gemeenschappen, evenals van Europol”.
Wijziging van dit Protocol moet plaatsvinden overeenkomstig de regel inzake wijzigingen van verdragen, zoals vastgelegd in artikel 48 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie, waarvoor een intergouvernementele conferentie bijeen geroepen dient te worden en amendementen door alle lidstaten moeten worden geratificeerd.
Vraag nr. 94 van Carlos Carnero González (H-1028/06)
Betreft: Eisen van de Commissie aan het gemeentebestuur van Madrid over ondertunneling van de M-30 en het antwoord van gemeente(raad)
De Socialistische Fractie in de gemeenteraad van Madrid heeft inzage gehad in de brief die de directeur-generaal Milieu van de Commissie op 27 oktober heeft verzonden in het kader van de procedure wegens inbreuk die is gestart in verband met de tunnelbouw voor de M-30. Het uitgangspunt hiervoor was het informatief rapport dat is uitgebracht in 2004 als gevolg van de vraag die ik in februari van dat jaar had gesteld (P-0494/04). De Commissie verzoekt in deze brief het verantwoordelijke gemeentebestuur (gemeenteraad en gemeente Madrid) de verplichte milieueffectrapportage toe te passen voor de projecten die inmiddels zijn uitgevoerd, die worden uitgevoerd en die voor de toekomst zijn gepland. De Commissie verzoekt om bij al deze projecten die maatregelen te nemen die het ongemak tot een minimum kunnen terugbrengen en die schadeloos kunnen stellen. Verder moet binnen één maand na ontvangst van de brief aan de Commissie een gedetailleerd tijdschema worden toegestuurd over bovenstaande. De brief van de Commissie vormt voor mij een positieve reactie in mijn strijd voor de rechten van de omwonenden. De gemeenteraad en het gemeentebestuur van Madrid zien zich verplicht op eerdere besluiten terug te komen en de wet na te leven. Heeft de Commissie genoemd tijdschema inmiddels tijdig en adequaat ontvangen? Welke maatregelen zijn in dit verband nog verder in de maak? Is de Commissie tevreden gesteld bij haar verdediging van de bestaande legaliteit?
Naar aanleiding van een eerdere schriftelijke vraag(1) ingediend door de geachte afgevaardigde en na grondig onderzoek van de feiten heeft de Commissie in april een aanmaning(2) gestuurd met betrekking tot de bouw van de rondweg M-30 in Madrid aangezien bepalingen van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten(3) zoals gewijzigd door de Richtlijn van de Raad 97/11/EG(4), niet waren nageleefd met betrekking tot dit project.
Kort samengevat was het project, dat is onderverdeeld in een aantal kleinere projecten, niet onderworpen aan een algehele milieu-effectrapportage. Slechts enkele van de projecten hadden een vergelijkbare procedure ondergaan, andere in het geheel niet. Sommige projecten moeten nog worden uitgevoerd, terwijl andere reeds zijn voltooid.
Het antwoord van de Spaanse autoriteiten van juli 2006 is beoordeeld door de Commissie. Dit antwoord kwam erop neer dat de inbreuk op de Richtlijn met betrekking tot dit project te wijten was aan een afwijking met de Spaanse wetgeving betreffende de milieu-effectbeoordeling van openbare en particuliere projecten(5) en dat het gemeentebestuur van Madrid de EG-wetgeving niet willens en wetens heeft geschonden. De Spaanse autoriteiten verklaarden bereid te zijn om volledige milieu-effectrapportages uit te voeren bij de resterende projecten, alsmede ten behoeve van projecten die reeds zijn uitgevoerd aanvullende maatregelen te nemen om het ongemak tot een minimum terug te brengen en in compensatie te voorzien.
Zoals de geachte afgevaardigde in zijn vraag stelt, hebben de diensten van de Commissie in oktober een brief gestuurd aan de Spaanse autoriteiten. De brief volgt op het antwoord van de Spaanse autoriteiten van juli 2006 op de aanmaning van de Commissie van april van hetzelfde jaar. Met deze brief wilden de diensten van de Commissie specificeren wat er naar hun mening diende te gebeuren om de fouten die de Spaanse autoriteiten hebben gemaakt ten aanzien van de bovengenoemde richtlijnen zoveel mogelijk te herstellen.
Het antwoord van de Spaanse autoriteiten is nog niet ontvangen, maar wordt binnen enkele weken verwacht.
Deze afwijking is behandeld in een afzonderlijke niet-nakomingsprocedure die werd afgesloten met arrest C-332/04 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16.3.2006.
Vraag nr. 95 van Manfred Weber (H-1030/06)
Betreft: Verbreding van de Donau tussen Straubing en Vilshofen
De Rijn-Main-Donau-waterweg vormt een centrale verkeersader voor Europa. Bovendien is de waterweg een milieuvriendelijke vorm van vervoer, die aanmoediging verdient. Toch bestaan er nog een aantal knelpunten die het gebruik van deze route in logistiek opzicht bemoeilijken. Met name het bevaren van de Donau in Beieren, tussen Straubing en Vilshofen, is niet altijd met zekerheid mogelijk.
De regering van Niederbayern als verantwoordelijke overheid heeft de ruimtelijke-ordeningsprocedure afgerond. Hoe denkt de Commissie over de uitvoering van deze procedure?
Verbreding van de Donau tussen Straubing en Vilshofen betekent een ingreep in de natuur. Verbieden de FFH-richtlijn en de vogelbeschermingsrichtlijn dergelijke ingrepen in de natuur? Is ingrijpen in de natuur mogelijk wanneer er compenserende maatregelen worden getroffen en de verkeerstechnische meerwaarde een en ander rechtvaardigt?
In de ruimtelijke-ordeningsprocedure zijn door de opdrachtgever verschillende varianten voorgesteld. Niet bij elk van deze varianten worden de doelstellingen van de verbreding bereikt. Onder welke voorwaarden stelt de Europese Unie TEN-middelen beschikbaar voor de financiering van de plannings- en/of bouwkosten?
De binnenlandse verkeersader Rijn/Maas-Main-Donau is een van de 30 prioritaire verbindingsassen en projecten van Europees belang, opgenomen in Bijlage III van de Beschikking 884/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Er moeten vier Donau-projecten worden uitgevoerd, te weten:
Vilshofen-Straubing (wordt voltooid in 2013);
Wenen-Bratislava;
Palkovikovo-Mohács (Slowakije-Hongarije);
en
Knelpunten in Roemenië and Bulgarije.
Volgens de bovengenoemde beschikking dienen de technische specificaties minimaal overeen te komen met klasse IV indien een waterweg die deel uitmaakt van het netwerk wordt gemoderniseerd of aangelegd.
In maart 2006 werd de Commissie op de hoogte gesteld van de ruimtelijke-ordeningsprocedure die ten uitvoer wordt gelegd onder de verantwoordelijkheid van de regering van Niederbayern. De Commissie neemt ter kennisgeving aan dat de procedure is afgerond. Het is aan de federale regering om te beslissen welke van de beoordeelde varianten dient te worden toegepast.
Projecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd uit TEN-middelen dienen te voldoen aan alle relevante milieuwetgeving van de Gemeenschap, zoals de FFH-richtlijn en de vogelbeschermingsrichtlijn. De FFH-richtlijn verbiedt projecten zoals waterreguleringsmaatregelen niet in hun algemeenheid. Artikel 6, lid 3, van de FFH-richtlijn schrijft een beoordeling voor van plannen of projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor volgens deze richtlijn en de vogelbeschermingsrichtlijn beschermde gebieden. Indien de beoordeling negatief uitvalt, dan kan een plan of project bij wijze van uitzondering nog worden goedgekeurd als wordt voldaan aan de voorwaarden in Artikel 6, lid 4, van de FFH-richtlijn: dwingende redenen van groot openbaar belang, ontstentenis van alternatieve oplossingen en compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Financiële steun wordt slechts verleend als de projecten voldoen aan de doelstellingen en criteria die zijn vastgelegd in Beschikking 884/2004/EG en Verordening 2236/95/EG, en tevens in overeenstemming zijn met alle relevante Gemeenschapsrecht, met name met betrekking tot het milieu en overheidsopdrachten.
Vraag nr. 96 van Yiannakis Matsis (H-1032/06)
Betreft: Teruggave van Famagusta
Onderschrijft, respecteert en aanvaardt de Commissie de internationale rechtsorde, inclusief de resoluties van de VN, zoals resolutie nr. 550 van de Veiligheidsraad, en de topakkoorden van 1979 (Top Kyprianou-Denktash), op grond waarvan de teruggave van de ommuurde stad Famagusta in feite geen onderdeel van een totaaloplossing van de kwestie-Cyprus vormt, maar een prioritaire kwestie en een vertrouwenbouwende maatregel op het pad naar een definitieve oplossing?
De Commissie is zich ervan bewust dat de teruggave van Famagusta aan de wettige eigenaars tot 1994 onderdeel was van vertrouwenbouwende maatregelen die zijn voorgesteld door de Verenigde Naties.
Sinds enige tijd maakt deze kwestie deel uit van de totaaloplossing van het Cyprus-vraagstuk in het plan-Annan.
De Poolse staatssecretaris van onderwijs heeft verklaard dat de evolutieleer niet meer dan literaire fictie is. Bovendien heeft de Poolse minister van onderwijs geweigerd deze provocatieve onwetenschappelijke benadering te veroordelen, waarmee de weg wordt vrijgemaakt voor middeleeuwse denkbeelden die een theorie die door alle wetenschappelijke gegevens in de 160 jaar sinds de formulering ervan wordt gestaafd, in twijfel trekken en een model bevorderen dat in een groot aantal onderwijsinstellingen in de Verenigde Staten wordt toegepast en in het kader waarvan de evolutietheorie, met steun van de regering, door allerlei overdreven religieuze theorieën wordt vervangen.
Veroordeelt de Commissie deze methode om de evolutieleer uit de schoolboeken te schrappen als een reactionaire en ouderwetse vertekening van wetenschappelijke waarheid? Is zij voornemens het beginsel te verdedigen dat schoolonderwijs over natuur en samenleving gebaseerd moet zijn op wetenschappelijke en historische feiten?
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 149 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap behoort de inhoud van het onderwijs en de organisatie van het onderwijssysteem tot de verantwoordelijkheden van de lidstaten. Dientengevolge is de Commissie niet bevoegd zich te bemoeien met de inhoud van schoolboeken.
Vraag nr. 98 van Milan Gaľa (H-1044/06)
Betreft: Geplande afzwakking antidumping- en antisubsidiëringsregels (TDI's)
De Commissie is van plan een controle uit te voeren van de antidumping- en antisubsidiëringsprincipes (TDI's = trade defence instruments, handelsbeschermende instrumenten) die met name bedoeld zijn ter bestrijding van de impact van de toenemende mondialisering op de traditionele correctiemechanismes in de zakenwereld, waarbij op adequate wijze rekening wordt gehouden met "consumentenbelangen".
Tegelijk spelen de TDI's een essentiële rol voor de bescherming van de vrije handel. Het merendeel van de ingediende voorstellen kan evenwel leiden tot een duidelijke verzwakking van de strafmaatregelen van de EU tegen oneerlijke buitenlandse handel en zou de EU-industrie verlammen. De voorstellen zouden onder andere de doelstellingen, werking en resultaten van de TDI's op losse schroeven zetten.
Kan de Commissie meedelen waarom zij van plan is aan te bevelen dat de bestaande TDI's worden afgezwakt, aangezien dit het mededingingskader zou verstoren en strijdig zijn met de principes van vrije markt en vrije handel?
De doelstelling van het Groenboek is in de eerste plaats het bestuderen van de impact van de toenemende globalisering op het toepassen van de handelsbeschermende instrumenten (TDI's). De Commissie is het volledig eens met de geachte afgevaardigde dat TDI’s een essentiële rol spelen in de bescherming van de vrije handel, daar hiermee praktijken die indruisen tegen het mededingingsbeginsel in de mondiale economie worden aangepakt.
Het Groenboek heeft niet als oogmerk handelsbeschermende instrumenten te verzwakken, maar is slechts bedoeld om een grondig en open denkproces over de TDI’s aan te zwengelen.
Het Groenboek komt dan ook niet met voorstellen om de TDI’s te wijzingen. Integendeel, het Groenboek bevat circa dertig open vragen. Deze bestrijken verschillende aspecten van de TDI-regels en -praktijk en zijn met name gericht op de vraag of onze handelsbeschermende instrumenten nog wel voldoende aansluiten bij de huidige globalisering.
Aangezien de laatste substantiële discussie over de handelsbeschermende instrumenten tien jaar geleden heeft plaatsgevonden, is dit het juiste moment om erover na te denken, te discussiëren en, indien noodzakelijk, onze handelsbeschermende instrumenten aan te passen aan de behoeften van een mondiale markt.
Dit denkproces staat nog in de kinderschoenen. Er is geen sprake van vooropgezette ideeën. Uit de uitgebreide discussie met de belanghebbenden moet blijken in welke mate wijzigingen in onze TDI’s uiteindelijk nodig zijn. De Commissie zal het Europees Parlement bij het hele proces betrekken en ziet uit naar haar inbreng.
Vraag nr. 99 van Piia-Noora Kauppi (H-1046/06)
Betreft: Transparante prijsstelling van juridische dienstverlening
In verschillende lidstaten waarborgen gedragscodes dat de prijzen van juridische diensten openlijk worden aangegeven, bijvoorbeeld op de websites van ondernemingen die deze diensten aanbieden. Heeft de Commissie, hoewel juridische diensten slechts in beperkte mate binnen het bereik van de dienstenrichtlijn vallen, de mogelijkheid overwogen een Europese gedragscode op te stellen voor de vaststelling van prijzen voor juridische diensten?
Met het oog op de doelstelling om een echte interne markt voor diensten tot stand te brengen en het vrije verkeer van diensten in Europa te vergemakkelijken, heeft het Parlement op 15 november 2006 in tweede lezing de richtlijn betreffende diensten op de interne markt, ofwel de Dienstenrichtlijn, aangenomen op basis van de tekst van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 24 juli 2006. De formele aanneming van de richtlijn wordt in de komende weken verwacht.
Volgens de tekst van de Dienstenrichtlijn, zoals deze door de twee instellingen is overeengekomen, zal de richtlijn van toepassing zijn op gereglementeerde beroepen, waaronder de juridische beroepen (met uitzondering van notarissen en deurwaarders), met betrekking tot aspecten die niet vallen onder Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en de Advocatenrichtlijnen (98/5/EG en 77/249/EEG). Voorts wordt in de Dienstenrichtlijn uitdrukkelijk vermeld dat indien de bepalingen van de richtlijn strijdig zijn met specifieke bepalingen in de sectorale richtlijnen, met name Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en de Advocatenrichtlijnen (98/5/EG en 77/249/EEG), de sectorale richtlijnen voorrang hebben op de Dienstenrichtlijn.
De Dienstenrichtlijn zal het verrichten van, met name, juridische diensten in heel Europa vergemakkelijken, hun rechtskader moderniseren en ze concurrerender maken met behoud van hoge kwaliteitsnormen. In dit verband bevordert een specifieke bepaling in de Dienstenrichtlijn de opstelling van gedragscodes en andere kwaliteitsverhogende maatregelen, zoals kwaliteitshandvesten opgesteld door beroepsverenigingen op communautair niveau. Dergelijke bepalingen hebben tot doel de kwaliteit van de diensten te verhogen, terwijl er rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van ieder beroep. In dit opzicht dient de inhoud van dergelijke gedragscodes in overeenstemming te zijn met het Gemeenschapsrecht, met name met het mededingingsrecht.
Wat betreft het specifieke vraagstuk van vaste tarieven voor juridische diensten, zullen de lidstaten hun wetgeving moeten "screenen" en evalueren in het licht van de voorwaarden en verplichtingen die in de richtlijn zijn vastgelegd. Wat dit betreft, oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak-Arduino (C-35/99) dat een lidstaat overeenkomstig de artikelen 10 en 81 EG technisch gesproken niet geacht kon worden zijn bevoegdheden te hebben gedelegeerd aan een beroepsvereniging toen deze lidstaat een wettelijke of bestuursrechtelijke maatregel had vastgesteld, waarbij op basis van een ontwerp van een beroepsorganisatie van advocaten een tariefregeling met minimum- en maximumbedragen voor de honoraria van beroepsgenoten was goedgekeurd. Het Hof onderstreepte dat er in dit geval geen sprake was van een overdracht van bevoegdheden door het openbaar gezag, daar de overheid haar bevoegdheid behield om in laatste instantie te beslissen over wijziging en toepassing van de ontwerptariefregeling, en zeggenschap bleef houden over de uitvoering van de vaste tarieven. Deze redenering is recentelijk bevestigd door het Hof in de gevoegde zaken (C-94/04 en C-202/04) Cipolla en Macrino. Voorts is het van belang dat het Hof in hetzelfde arrest in de gevoegde zaken Cipolla en Macrino verklaarde dat een wettelijke regeling waarbij het absoluut verboden is om bij overeenkomst af te wijken van de minimumhonoraria die zijn vastgesteld bij een tariefregeling voor advocaten een beperking inhoudt van de vrijheid van dienstverlening, die is vastgelegd in artikel 49 EG. Het Hof oordeelde dat een dergelijke beperking slechts wettig kan zijn indien de betrokken lidstaat kan aantonen dat deze beperking van de dienstverlening wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de consument of de goede rechtsbedeling als dwingende redenen van algemeen belang, mits de betreffende overheidsmaatregel geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dit doel te bereiken.