Index 
Volledig verslag van de vergaderingen
PDF 556k
Donderdag 1 februari 2007 - Brussel Uitgave PB
1. Opening van de vergadering
 2. Ingekomen stukken: zie notulen
 3. Statuut van de Europese besloten vennootschap (debat)
 4. Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) (debat)
 5. Plechtige vergadering - Bulgarije
 6. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 7. Stemmingen
  7.1. Bescherming van inzittenden tegen de verplaatsing van bagage (stemming)
  7.2. Goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft (stemming)
  7.3. Overeenkomst EG/Korea voor wetenschappelijke en technologische samenwerking (stemming)
  7.4. Mainstreaming van duurzaamheid in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid (stemming)
  7.5. Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007 (stemming)
  7.6. Mensenrechten van Dalits (kastelozen) in India (stemming)
  7.7. Partnerschapsovereenkomst inzake visserij EG/Gabon (stemming)
  7.8. Moratorium op de doodstraf (stemming)
  7.9. Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten (stemming)
  7.10. Verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot letsel en dodelijke ongevallen (stemming)
  7.11. Discriminatie van vrouwen en meisjes in het onderwijs (stemming)
  7.12. Betrekkingen tussen de EU en de eilanden in de Stille Oceaan - strategie voor versterkt partnerschap (stemming)
  7.13. Statuut van de Europese besloten vennootschap (stemming)
 8. Stemverklaringen
 9. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
 10. Aan een lid opgedragen taak: zie notulen
 11. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 12. Besluiten inzake bepaalde documenten: zie notulen
 13. Verzending van de tijdens deze vergadering aangenomen teksten: zie notulen
 14. Rooster van de volgende vergaderingen: zie notulen
 15. Onderbreking van de zitting


  

VOORZITTER: DIANA WALLIS
Ondervoorzitter

 
1. Opening van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 9.00 uur geopend)

 

2. Ingekomen stukken: zie notulen

3. Statuut van de Europese besloten vennootschap (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0434/2006) van Klaus-Heiner Lehne, namens de Commissie juridische zaken, met aanbevelingen aan de Commissie over het statuut van de Europese besloten vennootschap (2006/2013(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Klaus-Heiner Lehne (PPE-DE), rapporteur. (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte dames en heren, ik vind het een grote eer, mevrouw de Voorzitter, dat dit onderwerp juist nu op de agenda staat, de dag dat u voor de eerste keer een vergadering van dit Parlement voorzit.

In het actieplan betreffende het vennootschaprecht was aanvankelijk een evaluatie voorzien van mogelijke andere vennootschapsvormen die in de Europese Unie bij wet geregeld zouden kunnen worden. Als gevolg van de onderzoeken die uitgevoerd zijn, is deze vraag echter in wezen altijd onbeantwoord gebleven. De Commissie heeft het actieplan betreffende het vennootschapsrecht daarom enkele jaren geleden ter discussie gesteld en het plan inmiddels in zijn geheel herzien. Het Parlement heeft zeer actief aan het debat deelgenomen en heeft op basis daarvan het besluit genomen om een initiatiefverslag over de Europese besloten vennootschap op te stellen en hier te bespreken.

Dat is de achtergrond van het onderhavige agendapunt. Wij hebben ons uitgebreid met dit thema beziggehouden en in dat verband ook een hoorzitting in het Europees Parlement georganiseerd. Uit deze hoorzitting is overduidelijk gebleken dat er een grote behoefte bestaat aan een dergelijke Europese besloten vennootschap, dat wil zeggen aan een wetgevingsinitiatief van de Commissie op dit gebied. Met name de industriële middelgrote ondernemingen die exportgericht in de Europese Unie actief zijn, zouden een uniforme Europese rechtsvorm met open armen ontvangen. Zij zijn op dit moment namelijk gedwongen om dochterbedrijven en nieuwe ondernemingen in andere lidstaten te vestigen conform het daar geldende vennootschapsrecht. Zij zouden die uniforme rechtsvorm, waarop zij hun dochterondernemingen in de hele Europese Unie kunnen baseren, dus van harte toejuichen. Nu moeten zij eerst nog talloze adviezen inwinnen. Dat is een goede zaak voor de advocatuur, dat klopt, maar het kost ook veel geld omdat elke keer weer opnieuw getoetst moet worden welke rechten en plichten de directeuren en de leden van de raad van bestuur van die dochterondernemingen hebben en hoe zij moeten handelen om niet in situaties terecht te komen waarin de wet overtreden dreigt te worden.

Naar mijn idee kan dit allemaal voorkomen worden door een uniforme Europese rechtsvorm aan te bieden die antwoord moet geven op een reeks essentiële vragen, met name wat de bevoegdheden van directeuren en de aansprakelijkheid betreft. Dergelijke zaken moeten uniform op Europees niveau geregeld worden zodat het bedrijfsleven van deze rechtsvorm gebruik kan maken. Er is op dit punt dan ook absoluut geen sprake van nog meer bureaucratie. De ondernemingen kunnen namelijk zelf beslissen of ze deze rechtsvorm al dan niet willen toepassen. Het gaat puur om het aanbieden van een nieuwe mogelijkheid aan die ondernemingen. Op dit vlak is namelijk duidelijk sprake van een leemte in de wetgeving, aangezien wij voor grote ondernemingen al wel een Europese NV hebben gecreëerd.

Sta mij toe om in de kantlijn de volgende opmerking te maken: de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie in bijvoorbeeld de zaak Inspire Art kan ook deels verklaard worden doordat er in het verleden te weinig vooruitgang is geboekt bij de ontwikkeling van het Europese vennootschapsrecht. Nu hebben wij de mogelijkheid om een bijdrage te leveren en een modelstructuur in de Europese Unie te creëren en aan te bieden.

In de Commissie juridische zaken is dit verslag met grote meerderheid of, beter gezegd, met algemene stemmen aangenomen. Dat is mede te danken aan het feit dat wij erin zijn geslaagd om een geschikt compromis te vinden tussen de uiteenlopende uitgangspunten voor de opzet van dergelijke vennootschappen op het Europese continent enerzijds en de justitiële ruimte die door Britse rechtsopvattingen wordt gedomineerd anderzijds. Dat geldt met name voor de kwestie van het eigen vermogen, waar wij het navolgende goede compromis tot stand hebben gebracht: in principe dient er wel een minimum eigen vermogen aanwezig te zijn, maar er is geen verplichting meer om ook contant kapitaal te storten. Dat zou ook de inschrijving kunnen vereenvoudigingen en naar mijn idee is dat een stap in de goede richting. Dit is tevens een voorbeeld van de wijze waarop een voorstel van de Commissie opgebouwd kan worden en hoe de Raad een verstandig compromis kan sluiten tussen de verschillende rechtstradities.

De Commissie juridische zaken gaat ervan uit – en ik denk dat dit na de stemming ook voor het Europees Parlement als geheel geldt – dat de Commissie in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, van ons Reglement en ook van het Interinstitutioneel Akkoord nu tot handelen overgaat en concrete stappen neemt om aan dit Parlement én de Raad binnen afzienbare tijd een praktisch wetgevingsvoorstel voor te leggen.

Sta mij toe om tot slot nog een aspect aan de orde te stellen dat ook bij de amendementen een rol speelt, namelijk het debat over de inspraak van werknemers. Ik wil vanaf deze plaats heel duidelijk stellen - en dat stond ook tijdens de beraadslagingen nimmer ter discussie - dat niemand de bestaande rechten van werknemers op welke manier dan ook wil beperken. De mate waarin die rechten op nationaal niveau zijn gewaarborgd, dient ook bij het verwezenlijken van dit wetgevingsinitiatief gewaarborgd en onaangetast te blijven. Op dit punt is er een aantal amendementen ingediend. Ik vind de betreffende amendementen echter niet van doorslaggevend belang omdat zij in wezen allemaal hetzelfde doel nastreven: de bescherming van de rechten van werknemers.

Dan nog een laatste opmerking en dan zitten mijn vijf minuten spreektijd er op: ik heb er met groot genoegen kennis van genomen dat ook het Duitse voorzitterschap de kwestie van de Europese besloten vennootschap als prioriteit heeft aangemerkt. Ik ga er daarom van uit dat ook de Raad dit streven op dezelfde manier zal steunen als dat – naar ik hoop – met een overweldigende meerderheid hier in dit Parlement zal gebeuren.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de Commissie juridische zaken en met name de rapporteur, de heer Lehne, bedanken voor het uitstekende werk dat is verzet in het kader van het opstellen van het verslag over het statuut van de Europese besloten vennootschap dat vandaag in stemming wordt gebracht. Mijn diensten zijn al druk bezig met een uitgebreide bestudering van de voorstellen en aanbevelingen in dit verslag.

Wij moeten het voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO’s) eenvoudiger en goedkoper maken om in het buitenland zaken te doen. Het is belangrijk dat wij actie ondernemen waardoor de KMO’s in staat zijn om volledig profijt te trekken van de interne markt.

De groei van kleinere bedrijven is essentieel voor het concurrentievermogen van de Europese economie. Een van de manieren waarop de groei van de KMO’s bevorderd kan worden, is het vereenvoudigen van het huidige juridische kader en het verminderen van onnodige administratieve lasten. Die administratieve lasten trekken met name een zware wissel op KMO’s die niet beschikken over een grote afdeling juridische zaken. Daarom heb ik besloten om dit voorjaar een mededeling te presenteren over de vereenvoudiging van het communautaire vennootschapsrecht. Dat sluit ook goed aan bij het bredere programma van de Commissie voor de vereenvoudiging van het acquis communautaire op basis waarvan de administratieve lasten in 2012 met 25 procent teruggedrongen moeten zijn.

Ik ben een groot voorstander van initiatieven die de flexibiliteit van het regelgevingskader voor het Europese bedrijfsleven, en met name voor de KMO’s, bevorderen. Het statuut van de Europese besloten vennootschap zou in dat verband een nuttige optie kunnen zijn. Het idee kan blijkens de recente openbare raadpleging over de toekomstige prioriteiten in het actieplan ter modernisering van het vennootschapsrecht en corporate governance ook op steun van het bedrijfsleven rekenen. Veel respondenten hebben benadrukt dat een dergelijke optie de keuzemogelijkheden voor bedrijven vergroot en tot lagere kosten leidt om aan de betreffende nationale regelgeving te voldoen voor bedrijven die in meerdere lidstaten actief willen zijn. Een aantal respondenten heeft het nut van een dergelijke maatregel echter ook in twijfel getrokken. Zoals u weet, is de Commissie op basis van de beginselen voor een betere wet- en regelgeving verplicht om voorafgaand aan alle wetgevingsinitiatieven eerst een effectbeoordeling uit te voeren. Daarom voeren mijn diensten op dit moment niet alleen een kosten-batenanalyse uit in verband met een dergelijk statuut, maar bestuderen zij ook alternatieve maatregelen om de onderhavige problemen op te lossen. Ik zal pas een voorstel voor een statuut van de Europees besloten vennootschap voorleggen als uit die effectbeoordeling onmiskenbaar blijkt dat dit het meest geschikte instrument is om de problemen aan te pakken waarmee KMO’s tegenwoordig geconfronteerd worden. Uit die beoordeling moet eveneens naar voren komen dat de rechtsvorm van een Europese besloten vennootschap bevorderlijk is voor KMO’s bij de uitbreiding en ontwikkeling van hun grensoverschrijdende bedrijfsactiviteiten.

Uit de ervaringen met het statuut van de Europese NV is gebleken dat het creëren van een nieuwe Europese bedrijfsvorm een zeer lang en ingewikkeld proces kan zijn. Een dergelijk proces kan ook tot een eindproduct leiden dat niet altijd eenvoudig in het gebruik is. Indien een statuut van de Europese besloten vennootschap praktisch nut wil hebben, moeten wij hier snel overeenstemming over bereiken. Als wij voor echte meerwaarde willen zorgen, moet het eindresultaat voor de KMO’s eenvoudig toe te passen zijn.

Ik heb geconstateerd dat uw verslag met de bijbehorende ontwerpresolutie met een oproep aan de Commissie om een wetsvoorstel in te dienen, gebaseerd is op artikel 192 van het Verdrag. Middels de kaderovereenkomst heeft de Commissie zich ertoe verbonden om met alle verzoeken rekening te houden die op grond van artikel 192 van het Verdrag zijn gedaan. Ik ben van plan om die belofte gestand te doen. Wij zullen de praktische voorstellen die in uw verslag worden gedaan, op hun merites beoordelen. Ik verwacht van mijn diensten dat zij de tijd zullen nemen die nodig is om alle opties zorgvuldig af te wegen teneinde de best mogelijke en meest evenwichtige oplossing voor de KMO’s tot stand te brengen. Nadat de effectbeoordeling afgerond is, zal ik hier verslag komen uitbrengen over de resultaten en de conclusies die wij hieruit voor ons beleid hebben getrokken.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Schwab, namens de PPE-DE-Fractie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, als voormalig collega in de Commissie interne markt en consumentenbescherming wil ook ik u alle succes toewensen bij de uitoefening van uw voorzittersfunctie! Wanneer alle Voorzitters de zaal zo rustig zouden houden zoals u dat vanochtend heeft gedaan, zouden onze beraadslagingen veel constructiever zijn. Ik wil u dan ook graag verzoeken om zo door te gaan!

Mijnheer de commissaris, de kleine en middelgrote bedrijven zijn de motor van de Europese interne markt. Dat wordt weliswaar telkens weer gezegd, maar de verwezenlijking van de bijbehorende doelstelling verloopt vaak in een te traag tempo. Het creëren van een Europees juridisch kader dat met name inspeelt op de belangen van de middenstand is naar mijn idee - dat geldt ook voor de Commissie interne markt - dan ook een belangrijke doelstelling.

Het initiatiefverslag van onze collega Klaus-Heiner Lehne verdient absoluut onze ondersteuning omdat het een belangrijk signaal aan de Commissie geeft; trouwens ook aan het voorzitterschap van de Raad, zou ik daaraan toe willen voegen. Ik wil de rapporteur dan ook graag bedanken voor het uitstekende werk dat hij met betrekking tot dit dossier heeft verricht.

Veel KMO’s ondernemen vandaag de dag gelukkig al grensoverschrijdende activiteiten. U heeft dat met eigen ogen kunnen zien, mijnheer de commissaris, tijdens uw bezoek aan mijn kiesdistrict Offenburg. In veel gevallen worden die inspanningen en de groei echter beperkt door bureaucratische obstakels en een gebrek aan ervaring met de lokale rechtsverhoudingen. Daardoor wordt met name de concurrentiepositie van de KMO’s uit de nieuwe lidstaten tot nu toe behoorlijk nadelig beïnvloed.

Als er in de toekomst naast de bestaande nationale rechtsvormen ook voor een Europese rechtsvorm gekozen kan worden, wordt daardoor niet alleen de verdere verwezenlijking van de Europese interne markt bevorderd, maar is het voor KMO’s ook eenvoudiger om dochterondernemingen in het buitenland op te richten, waardoor zij sneller geneigd zullen zijn om grensoverschrijdende bedrijfsactiviteiten te ontwikkelen.

Het is daarbij van wezenlijk belang dat de kosten voor advies en de administratieve kosten bij de oprichting en exploitatie van vennootschappen aanzienlijk gereduceerd worden. Daarnaast moet er een einde komen aan de praktijk dat het vennootschapsrecht van verschillende lidstaten op grensoverschrijdende activiteiten van toepassing kan zijn.

Uit een enquête van de Duitse Kamer van Koophandel – ik moet mij bij dit onderwerp tot Duitsland beperken – is gebleken dat er onder de bedrijven een grote behoefte aan een KMO-vriendelijke Europese rechtsvorm bestaat. Volgens de ondervraagde bedrijven dient dit kleine zusje van de Europese NV slank, doelmatig en vooral Europees te zijn.

Mijnheer de commissaris, het Europees Parlement roept de Commissie in zijn verslag op om nog in de loop van dit jaar met een wetsvoorstel te komen op basis van artikel 308. Wij vinden het een goede zaak dat u voorstander bent van een effectbeoordeling. Wij hebben echter bij andere richtlijnen op het gebied van de interne markt en consumentenbescherming ook kunnen constateren dat als de politieke wil aanwezig is, de effectbeoordeling ofwel snel uitgevoerd kan worden ofwel beperkt kan blijven tot bepaalde deelgebieden. Daarom zou ik u willen verzoeken om vaart te zetten achter die effectbeoordeling zodat het betreffende wetsvoorstel zo snel mogelijk op tafel ligt. Daarnaast roep ik het Duitse voorzitterschap van de Raad op dit dossier zo snel en gericht mogelijk op te pakken en te behandelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega, namens de PSE-Fractie.(ES) Mevrouw de Voorzitter, dit is mijn eerste interventie in een zitting die door u wordt voorgezeten. Ik wil u graag met uw benoeming gelukwensen. Ik ben ervan overtuigd dat u zich van uw taken zult kwijten op de u eigen, onafhankelijke wijze.

Ik wil verder de heer Lehne bedanken voor zijn verslag. Ik geloof dat hij goed werk verricht heeft, al wil ik wel graag een aantal problematische punten aanroeren.

Om te beginnen betwijfel ik of de huidige aanpak van de Commissie juridische zaken – het presenteren van verslagen over een wetgevingsinitiatief met een bijlage waarover niet naar behoren is gediscussieerd – de juiste wetgevingsmethode is.

We bevinden ons met deze wetgevende voorstellen nu in een eerste fase. Wat we willen is de Commissie vragen te overwegen of het voorleggen van een verslag tot de mogelijkheden behoort. Ik geloof dat we ons in dit stadium moeten beperken tot het eerste deel van de resolutie.

Ik meen dat de bijlage bij de ontwerpresolutie niet afdoende is besproken. We geloven daarom niet dat de conclusies in de bijlage een getrouwe afspiegeling vormen van hetgeen de Commissie juridische zaken wenst.

In de tweede plaats meen ik dat de heer McCreevy volkomen gelijk had toen hij erop wees dat we geen wetgeving moeten uitvaardigen alleen maar om wetgeving uit te vaardigen – het feit dat we met de Europese NV niets bereikt hebben zou ons toch aan het denken moeten zetten. Een effectbeoordeling is dus beslist op zijn plaats.

Het is duidelijk dat we in dit Parlement geloven dat er een statuut moet worden opgesteld om kleine bedrijven in staat te stellen hun activiteiten te ontwikkelen. Dat is wat we nu moeten proberen te bereiken.

Als we dat doen zullen we op bepaalde problemen stuiten, waaronder – bijvoorbeeld – de problematiek rond werknemersparticipatie. We hebben gediscussieerd over de redactie van overweging H. Mijn fractie had bepaalde reserves bij de wijze waarop de heer Lehne dit punt had geredigeerd.

Ik geloof dat de formule zoals de heer Lehne die uiteindelijk heeft voorgesteld bevredigend is; ik hoop dat mijn fractie het ermee eens kan zijn.

Kortom: ik geloof dat het voorstel van de heer Lehne een goed voorstel is. We eisen niet van de Commissie dat ze het aldus aanvaardt, maar we vragen haar die mogelijkheid tenminste te overwegen.

Ik hoop dat de heer McCreevy er alles aan zal doen om te verzekeren dat er rekening wordt gehouden met wat het Parlement in dit opzicht verlangt.

 
  
MPphoto
 
 

  Sharon Bowles, namens de ALDE-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil u allereerst graag feliciteren met uw benoeming en met de wijze waarop u uw eerste debat heeft geleid.

Ik moet ook eerst mijn excuses aanbieden aan de rapporteur omdat ik weliswaar de hoorzitting over dit onderwerp heb bijgewoond, maar niet in de gelegenheid was om het debat in de parlementaire commissie bij te wonen. Ik weet dat het tot lichte irritaties kan leiden als iemand dan toch plotseling in de plenaire zitting het woord gaat voeren.

In het algemeen sta ik positief tegenover de achterliggende gedachte van het voorstel, maar ik heb ook nog enkele twijfels. Ik hoop echter dat de Commissie deze weg kan nemen in het kader van de toekomstige werkzaamheden over deze kwestie. Mijnheer Lehne, in uw toelichting op dit verslag heeft u gezegd dat het statuut met name op de KMO’s gericht moet zijn. De commissaris heeft dat zojuist eveneens gezegd en ik sluit mij daarbij aan. Dat betekent wel dat wij het dan - op de multinationals na - over zo goed als alle bedrijven hebben. Als wij alle aanbevelingen in de bijlage opvolgen, zullen de bedrijven die naar alle waarschijnlijkheid gebruik maken van of voordeel hebben van deze optie, zich eerder in het middelgrote dan in het kleine gedeelte van het bedrijvenspectrum bevinden. Het zullen zeker geen startende bedrijven zijn. Daar zorgen de voorgestelde kapitaalvereisten wel voor. Begrijp mij goed, het is niet de bedoeling dat mensen zeggen daar heb je weer zo’n Britse die absoluut geen kapitaalverplichtingen wil opleggen. Ik weet dat het minimumkapitaal niet noodzakelijkerwijs gestort hoeft te worden en ik verwelkom initiatieven om hierover tot een compromis te komen, maar die vereisten zullen zonder meer van invloed zijn, zeker op kleine bedrijven.

Kleine bedrijven, zowel starters als bedrijven die verder willen groeien, worden nu al met genoeg kosten en problemen geconfronteerd om banken waterdichte garanties te geven, zonder dat er sprake is van nog een extra verplichting of last op financieel gebied. En vergis u niet. Het feit dat aandeelhouders mogelijk 10 000 EUR kunnen verliezen, ook al hoeft dat geld niet bij de start gestort te worden, is wel degelijk een extra last op financieel gebied.

Nu zou dat allemaal wel eens niets uit kunnen maken aangezien het om een optie gaat. Als bedrijven het statuut niet zien zitten, hoeven ze het ook niet te gebruiken. Ik zou er echter zelf wel de voorkeur aan geven dat, als al er een voorstel gedaan wordt, dit dan ook door alle bedrijven op prijs gesteld en gebruikt wordt en voor iedereen toegankelijk is.

Ik heb weliswaar gezegd dat er in bepaalde kringen weinig animo zal zijn om van die optie gebruik te maken, maar dat wil niet zeggen dat dit komt doordat kleine bedrijven geen grensoverschrijdende bedrijfsactiviteiten ondernemen of plannen hebben in die richting. Veel echt kleine bedrijven doen wel degelijk en in aanzienlijke mate zaken in het buitenland. Uit de uitspraken van het Europees Hof van Justitie blijkt dat zij dat ook mogen. Maar goed, wellicht dat het allemaal niet uitmaakt, want het gaat om een optie. Is dat eigenlijk wel echt zo? Ik zou namelijk niet graag zien dat er een situatie ontstaat waarin het statuut aanleiding kan zijn voor een discriminerende behandeling en consumenten de indruk krijgen dat als je je eigen bedrijf niet groot genoeg vindt om de status van Europese besloten vennootschap aan te vragen, je ook niet groot genoeg bent om in Europa zaken te doen. Dat is volledig in strijd met het uitgangspunt van de interne markt en het wederzijdse belang om mogelijkheden voor kleine bedrijven op die interne markt te stimuleren en te beschermen. Op een interne markt mag de omvang van een bedrijf geen rol spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marek Aleksander Czarnecki, namens de UEN-Fractie. (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik ben het er volledig mee eens dat het statuut van de Europese besloten vennootschap gebaseerd moet zijn op de communautaire wetgeving en dat niet moet worden verwezen naar de nationale wetgeving. Hiermee willen we een nieuwe rechtsvorm creëren voor kleine en middelgrote bedrijven, die de motor zijn van alle Europese economieën. Een nieuwe rechtsvorm zal ook grensoverschrijdende activiteiten stimuleren.

Om de ontwikkeling van de interne markt en daarmee van de economie te bevorderen, moeten we ook denken aan gezamenlijke activiteiten. De invoering van één Europese rechtsvorm zal leiden tot besparingen op de kosten voor bedrijfsconsultants. In alle betrokken landen zal de wet niet langer van toepassing zijn op grensoverschrijdende activiteiten. In plaats daarvan zullen we een nieuw, eenvormig statuut hebben. Wil zo’n bedrijf kunnen concurreren op de markt, dan moet het flexibel zijn en zich makkelijk kunnen aanpassen aan de vereisten van de markt. Dit kunnen we bereiken door deze bedrijven een waaier van mogelijkheden te bieden om zichzelf te vernieuwen.

In deze context moeten we bijvoorbeeld ook oog hebben voor harmonisatie op juridisch gebied betreffende de grensoverschrijdende wijziging van vestigingslocatie. Wil dit type bedrijf echter optimaal functioneren op de markt, dan moet het zich in de eerste plaats richten op zekere zakentransacties en de crediteuren van het bedrijf beschermen. Dit zijn aspecten waar we nog verder over na moeten denken.

 
  
MPphoto
 
 

  Godfrey Bloom, namens de IND/DEM-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik vind dit alles bijzonder fascinerend! Elke keer als ik hier kom, kan ik een glimlach niet onderdrukken. De ideeën die hier over kleine bedrijven rondgaan, zijn echt ongelofelijk. Wanneer ik naar de cv’s van afgevaardigden van dit Parlement kijk, moet ik constateren dat niemand ooit echt in zijn of haar leven de verantwoordelijkheid heeft gehad voor een klein bedrijf. Het is echter wel verbazingwekkend wat iedereen hierover denkt te weten!

Ik heb in 1992 een klein bedrijf opgericht. Ik heb erover nagedacht en vervolgens heb ik wat ouderwets, tweedehands meubilair gekocht. Ik zoog op mijn pen en ik dacht Allemachtig, waar ben ik aan begonnen? Ik ben bij een grote onderneming weggegaan en hoe moet ik nu verder? Mijn bedrijf heeft nu echter niet alleen vestigingen in Hongkong, op Jersey, de Kanaaleilanden en Zuid-Afrika, maar ook in Londen en York, mijn eigen kiesdistrict.

Ik geloof niet dat ik dat nu nog een keer voor elkaar zou krijgen. Er zijn zo veel regels en voorschriften; dat is echt onvoorstelbaar. Wanneer wij de kleine bedrijven in de Europese Unie, en met name in het Verenigd Koninkrijk, een echte impuls willen geven, stel ik voor dat al deze mensen hier samen met de Commissie hun opdringerige neuzen niet langer in andermans zaken steken en ophouden met ons te vertellen hoe wij onze bedrijven moeten leiden! Laat ons toch onze eigen gang gaan, want als u dat niet toelaat, zullen steeds meer bedrijven naar Dubai, Bermuda of de Kanaaleilanden vertrekken – om eerlijk te zijn, verhuis ik zelf ook de helft van mijn bedrijf naar de Kanaaleilanden.

Ik raad u en de Commissie dan ook aan om uw opdringerige en slecht geïnformeerde neuzen niet langer in andermans zaken c.q. de kleine bedrijven te steken!

 
  
MPphoto
 
 

  Ashley Mote, namens de ITS–Fractie.(EN) Mevrouw de Voorzitter, dit verslag is een vat vol tegenstrijdigheden. Overheden kunnen het bedrijfsleven niet micro-managen. Heeft de Europese Unie ook maar ooit iets in gang gezet dat geleid heeft tot een betere handel, minder kosten, minder bureaucratie, nieuwe welvaartbronnen, meer werkgelegenheid en meer ondernemingsvrijheid? Is daar ooit sprake van geweest? De meeste overheden hopen dat ze een bijdrage aan de economische groei kunnen leveren door de talloze obstakels te verwijderen en een bedrijfsvriendelijke omgeving te creëren. Regeren zou moeten inhouden dat mogelijkheden voor mensen worden geschapen om zichzelf te ontwikkelen en initiatieven te ontplooien. Zodra dat is gebeurd, dient de overheid een flinke stap terug te doen.

Het Verenigd Koninkrijk heeft een enorm, permanent en groeiend tekort bij de EU. Is er iemand hier serieus van mening dat de Europese Unie deze situatie kan veranderen of verbeteren door grip proberen te krijgen op het vennootschapsrecht dat op KMO’s van toepassing is? Is er iemand die denkt dat dit echt tot de mogelijkheden behoort, met name gezien het feit dat deze voorstellen gebaseerd zijn op de Duitse en Franse opvattingen over een sociale markt?

Ik sluit mij aan bij wat de heer Bloom zojuist heeft gezegd. Wie van u heeft er ooit voor eigen risico een nieuw bedrijf opgericht? Banen gecreëerd? Zelf voor de financiering gezorgd en er succesvol leiding aan gegeven voor een periode van bijvoorbeeld twintig jaar? Hoevelen van u hebben dat ooit gedaan? Hoeveel leden van de Commissie juridische zaken hebben dat ooit gedaan? Wie van u weet wat er voor nodig is om in het Verenigd Koninkrijk een bedrijf op te starten? Dat zal ik u vertellen. Met minder dan honderd pond en na tien minuten aan de telefoon kunt u overal in het Verenigd Koninkrijk zaken doen. Vergelijk dat eens met deze voorstellen. Op het gebied van het vennootschapsrecht kent het Verenigd Koninkrijk een eeuwenoude traditie; het is maar dat u het weet. En dat vennootschapsrecht functioneert uitstekend. Wij beschikken ook over KMO’s die overal ter wereld zaken doen en dat doen ze goed ook. Het merendeel van hun nachtmerries wordt veroorzaakt door eerdere misplaatste pogingen van de EU om hen te “helpen” bij het zakendoen op het vasteland. De bulk van die “hulp” heeft alleen maar een verstorend effect op hun bedrijfsactiviteiten en het idee dat er nog meer “hulp” in de pijplijn zit, zal met afgrijzen worden ontvangen.

In de loop der jaren zijn wij getuige geweest van meesterwerken van onbedoelde gevolgen dankzij initiatieven vanuit deze plek. Neem als voorbeeld alleen maar eens de arbeidstijdenrichtlijn; deze richtlijn heeft een zakenvriend van mij er definitief van overtuigd dat de EU klinisch krankzinnig is. Dan is er ook nog het streven naar gelijke mededingingsomstandigheden, het zogeheten “level playing field”. Dat staat toch helemaal haaks op het creëren van welvaart en werkgelegenheid, dat immers valt en staat met de mogelijkheid voor bedrijven om zich te kunnen onderscheiden. En dan is er nu de vergunning voor “toegelaten ondernemers” waarvan iedereen die voor die kwalificatie in aanmerking komt, enorm veel profijt van kan trekken, maar waardoor alle overige ondernemers opgezadeld worden met extra kosten en nog meer bureaucratie. Zelfs de Britse socialistische regering heeft inmiddels geconstateerd dat het om een duur, onzinnig en gevaarlijk voorstel gaat dat maar op één plaats thuishoort: in de prullenbak.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de rapporteur bedanken voor een degelijk en gedetailleerd verslag. Ik vind dat het verslag een belangrijk signaal geeft aan kleine en middelgrote ondernemingen, namelijk dat er snel veel meer duidelijkheid zal komen voor wat betreft hun ontwikkeling en activiteit op de gemeenschappelijke Europese markt. Een ander signaal dat hiervan uitgaat, is dat de Europese wetgevers de rol van KMO’s op de EU-markt erkennen en proberen om de situatie van deze bedrijven te verbeteren.

Onze activiteiten inzake de interne markt moeten in de eerste plaats gericht zijn op het scheppen van een optimaal klimaat, waarin Europese bedrijven niet worden gehinderd door onnodige bureaucratische rompslomp, of commerciële of technische obstakels wanneer zij zich van het ene land naar het andere verplaatsen, of filialen opzetten in verschillende EU-landen. Dit moet net zo gemakkelijk worden als een verplaatsing binnen eenzelfde lidstaat. Alle bedrijven moeten volgens dezelfde principes kunnen werken in alle hoeken van de Unie. Alleen dan is er sprake van een gemeenschappelijke Europese markt waar we allemaal profijt van hebben.

Het verslag van mijnheer Lehne is een stap vooruit in de ontwikkeling van wetgeving die de activiteiten van KMO’s op de interne markt moet optimaliseren. Het opvolgen van dit verslag zal zeker een aanzienlijke bijdrage leveren aan de economische activiteiten van Europese bedrijven, en daarmee onze levenskwaliteit verhogen en een van de doelstellingen van de Agenda van Lissabon dichterbij brengen. Ik ben zelf ondernemer geweest. Ik heb vijftien jaar lang een eigen bedrijf gehad, en ik heb ongeveer honderd mensen in dienst gehad. Ik ken de problemen waar ondernemers mee te maken hebben, en ik ben ervan overtuigd dat de voorstellen voor een Europese besloten vennootschap een uitstekende en hoognodige oplossing bieden voor bedrijven met grensoverschrijdende activiteiten.

Het is echter belangrijk dat we voorzichtig te werk gaan en leren van de fouten die zijn gemaakt bij het ontwikkelen van het statuut van de Europese vennootschap. Bedrijven van dat type opereren vaak niet echt volledig als zodanig, omdat nog zo vaak wordt verwezen naar de nationale wetgeving. Daarom moet het statuut van de Europese besloten vennootschap met name gebaseerd zijn op communautaire wetgeving, met een minimum aan verwijzingen naar de nationale wetgeving. Zo’n benadering zal leiden tot een meer uniforme tekst en juridische bepalingen. Bovendien zal deze benadering rechtszekerheid bieden en dat is voor ondernemers essentieel. We moeten ons uiterste best doen om het statuut zo eenvormig mogelijk te maken, met zo weinig mogelijk verwijzingen naar de nationale wetgevingen en zoveel mogelijk verwijzingen naar de communautaire wetgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil in de eerste plaats de heer Lehne, de rapporteur, bedanken voor al zijn werk op een terrein dat zo belangrijk is voor de toekomst van de Europese integratie en de ontwikkeling van economische samenwerking binnen de interne markt. De huidige situatie is dat we al een Europese vennootschap hebben op de interne markt. Dit statuut is bedoeld voor grote kapitaalvennootschappen. Daarom is het belangrijk dat er ook een rechtsvorm komt die het voor kleine en middelgrote ondernemingen gemakkelijker maakt om grensoverschrijdende activiteiten te ontplooien.

Het is belangrijk dat we beseffen dat KMO’s de belangrijkste motor zijn van de Europese economie en de belangrijkste werkgevers voor de burgers van de Unie. Daarom moeten we meer inspanningen leveren om de economische activiteiten van deze bedrijven te stimuleren. De nieuwe juridische oplossingen die we onze ondernemers aanreiken moeten wel nauwkeurig bestudeerd worden. We moeten lessen trekken uit de ervaring die we hebben opgedaan bij de invoering van de Europese vennootschap op de interne markt. We hebben lang gewerkt aan de opstelling van dit statuut, dat uiteindelijk een niet geheel bevredigend compromis was. We moeten daarom leren van onze fouten, zoals mevrouw Handzlik eerder heeft opgemerkt.

Voor zover mogelijk moet de Europese besloten vennootschap een uniforme Europese rechtsvorm zijn, die de principes van vestiging en organisatie vereenvoudigt. Het is belangrijk om een evenwicht te vinden tussen de bescherming van crediteuren, een flexibele bedrijfsstructuur en zekerheid bij zakelijke transacties. Om deze bedrijven voldoende flexibiliteit te bieden, moeten we ervoor zorgen dat bijvoorbeeld fusies of het wijzigen van de vestigingslocatie soepel kunnen verlopen. Het is daarom meer dan gerechtvaardigd dat het Europees Parlement in zijn initiatief inzake het statuut van de Europese besloten vennootschap aanbevelingen doet aan de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, de ontwikkeling van een statuut van de Europese besloten vennootschap is een cruciaal project voor het stimuleren van economische groei in de Europese Unie. Daar zijn verschillende redenen voor.

Ten eerste is de groei van de economie van de Verenigde Staten, gemeten in groei van het bbp, tweemaal zo hoog als die in de Europese Unie. Dit is al jaren zo. Bovendien is de economische groei van de landen in Zuidoost-Azië verschillende malen hoger dan die van de Unie. Ten tweede zijn er op de interne markt met het vrij verkeer van kapitaal, goederen en diensten nog altijd veel interne belemmeringen. Ten derde is het ontwerp voor de Europese besloten vennootschap gericht op de KMO’s, die de hoeksteen vormen van de economie van elke lidstaat van de Europese Unie. Ten vierde zou een Europese besloten vennootschap een nuttig instrument zijn voor de tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon, die veel nadruk legt op het wegnemen van obstakels voor de ontwikkeling van het Europees ondernemerschap.

Dit zijn op zich al genoeg redenen om de ontwikkeling van een Europese besloten vennootschap te steunen. Het is wel belangrijk dat we niet dezelfde fouten maken als bij het opzetten van de rechtsvorm van de Europese vennootschap. De markt heeft de Europese vennootschap als bedrijfsvorm niet aanvaard, ondanks de lange en moeizame ontwikkeling ervan. We moeten een inspanning doen om te garanderen dat de Europese besloten vennootschap een minimum aantal verwijzingen bevat naar de nationale wetgevingen van de lidstaten, zodat het statuut tamelijk flexibel is en zekerheid biedt aan zowel eigenaars en contractanten.

 
  
MPphoto
 
 

  Achille Occhetto (PSE). (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, dit wetgevingsvoorstel over het statuut van de Europese besloten vennootschap is erg belangrijk. Het is zelfs essentieel om niet alleen handelsbelemmeringen weg te nemen, maar ook om de productiefactor op communautair niveau te ontwikkelen. Daarom is het zonder twijfel noodzakelijk om eenvormige juridische entiteiten te creëren om de huidige rechtsonzekerheid te overwinnen.

We mogen echter niet vergeten dat, naast het streven om markten transparant te maken en spaarders te beschermen, de hervorming van het vennootschapsrecht ook van directe invloed zal zijn op de toekomst van het Europees sociaal model. Als het dus een legitieme doelstelling is dat bedrijven zich mogen vestigen waar ze maar willen zodat ze hun voordeel kunnen doen met de interne markt, moeten we onze werknemers wel dezelfde transnationale rechten verschaffen.

Dat was de gedachte achter een paar van mijn amendementen, waarvan er enkele zijn aangenomen, die gericht zijn op de bescherming van de rechten van medezeggenschap, informatie en raadpleging die bestaan op het moment dat een bedrijf de vorm van een Europese besloten vennootschap aanneemt. Dit is een belangrijke aanpassing waarbij er scherper wordt gelet op de aspecten die samenhangen met de versterking van het sociale Europa, waarbij de deelname van de werknemers een van de belangrijkste speerpunten is.

Wij steunen daarom dit belangrijke voorstel en bedanken de heer Lehne voor het door hem verrichte werk. We willen de Commissie duidelijk maken dat, als het een legitieme doelstelling is dat bedrijven zich mogen vestigen waar ze maar willen zodat ze hun voordeel kunnen doen met de interne markt, de eisen van de markt niet ten koste mogen gaan van sociale gelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de afgevaardigden van ganser harte bedanken voor hun opmerkingen over dit belangrijke onderwerp. De groei van de kleine en middelgrote ondernemingen is essentieel voor het concurrentievermogen van de Europese economie. Daarom is het noodzakelijk dat wij de uitbreiding van deze kleinere bedrijven bevorderen. Het onderzoeken van de mogelijkheden van nieuwe rechtsvormen voor bedrijven die grensoverschrijdend actief zijn, kan een belangrijke bijdrage hieraan leveren.

Ik zal daarbij rekening houden met het verslag van de heer Lehne. Aangezien het een verzoek op grond van artikel 192 van het Verdrag betreft, zijn wij verplicht om onverwijld actie te ondernemen. Maar zelfs al zou het verzoek niet op grond van dat artikel zijn gedaan, dan nog zou ik trachten om er zo snel mogelijk op te reageren. Daar kunt u mij aan houden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u, mijnheer de commissaris, voor uw deelname aan het debat.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt vandaag om 11.30 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE).(FR) De lidstaten en de industrie in de lidstaten steunen het idee om een statuut van de Europese besloten vennootschap in te stellen. Ik wil de rapporteur graag bedanken voor zijn voortreffelijke verslag en zijn pragmatische aanbevelingen.

Ik ben een overtuigd voorstander van het opzetten van dit statuut, en wel om twee redenen. Het instellen van dit statuut zal om te beginnen bijdragen tot het wegnemen van de obstakels die de mobiliteit van KMO's bemoeilijken. Het gebeurt maar al te vaak dat oprichters van ondernemingen afzien van het ontwikkelen van activiteiten omdat ze de juridische context niet goed doorzien – en dat is zeker het geval als ze zich in een andere lidstaat proberen te vestigen.

Dit statuut zal bovendien meer rechtszekerheid scheppen en zo bijdragen tot meer vertrouwen bij ondernemers. Vertrouwen is immers een cruciaal onderdeel van het handelsverkeer; het vormt de basis voor een gezonde economie.

Ik steun daarom het verslag van de heer Lehne. Ik maak daarbij wel één uitzondering, en die heeft betrekking op aanbeveling 7. Als we het begrip onrechtmatig handelen willen opnemen in het statuut van de besloten vennootschap, moeten we Titel VI van het Verdrag wijzigen. Dat zou de verhouding tussen het statuut en de nationale wetgevingen nodeloos gecompliceerd maken.

Ik meen daarom dat deze bepaling haaks staat op de doelstellingen van het statuut van de Europese besloten vennootschap. Het was immers onze bedoeling betere wetgeving uit te vaardigen en het leven van de Europese ondernemers te vergemakkelijken.

 

4. Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de mondelinge vraag (O-0128/2006 – B6-0450/2006) van Daniel Varela Suanzes-Carpegna, namens de Commissie INTA, aan de Commissie: Heronderhandelingen over de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA).

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Varela Suanzes-Carpegna (PPE-DE), auteur.(ES) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, we stellen nu een mondelinge vraag met betrekking tot de heronderhandelingen over de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, die in maart zullen worden afgesloten. We gaan nu immers een cruciale fase in. Gelet op het belang van deze overeenkomst en de geldigheidsduur ervan – opnieuw tien of twaalf jaar – is het van belang dat we dit onderwerp nú met de Commissie en het Parlement bespreken.

De overheidsopdrachtenmarkten worden steeds belangrijker in deze wereld. De omvang ervan kan oplopen tot 25 procent van het mondiaal bbp. Daar komt bij dat deze markten de Europese Unie een relatief voordeel bieden, aangezien we in deze sector op dit moment kunnen concurreren, terwijl we de concurrentie van andere landen in andere sectoren, zoals landbouw en industrie, niet goed aankunnen. Als we ons aan de globalisering willen aanpassen, moeten we als Europese Unie die sectoren waarin we goed kunnen concurreren verder ontwikkelen en zo eerlijk en gunstig mogelijke voorwaarden voor Europese ondernemingen bedingen.

Deze markten blijven in de meeste landen voorbehouden aan de eigen, nationale ondernemingen, en dat is één van de belangrijkste non-tarifaire barrières voor de internationale handel. Ik wil graag bijzondere aandacht vestigen op twee aspecten van deze heronderhandelingen. Om te beginnen is er de geografische uitbreiding van deze overeenkomst – belangrijke landen als China doen er aan mee, alsook de zich ontwikkelende landen. Een tweede punt is dat we eerlijke, evenwichtige en niet-discriminerende voorwaarden moeten scheppen voor de ondernemingen uit de verschillende landen.

Wat het eerste punt betreft: de omvang van het gebied dat door deze overeenkomst inzake overheidsopdrachten wordt bestreken, is maatgevend voor het belang ervan. Het Parlement wil daarom graag weten of er nog meer landen zijn die deze overeenkomst op korte termijn willen ondertekenen. Van belang is vooral of we belangrijke concessies van China kunnen verwachten met betrekking tot het openstellen van de openbare markten. We mogen niet vergeten dat China beloofd heeft de markt voor overheidsopdrachten open te stellen. Dit is echter niet gebeurd, of het land stelt eisen die voor Europese ondernemingen onaanvaardbaar zijn. China heeft verder beloofd om in 2008, aansluitend op zijn toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie, onderhandelingen aan te vangen over de deelname aan de overeenkomst inzake overheidsopdrachten.

Wat het tweede punt – eerlijke en niet-discriminerende voorwaarden – betreft: we moeten goed beseffen dat de Europese openbare markten al voor een belangrijk deel openstaan voor internationale mededinging. Dat biedt de overheden die opdrachten aanbesteden belangrijke voordelen. Openheid leidt immers tot een ruimere keus, wat overheden in de gelegenheid stelt goederen en diensten van een betere kwaliteit tegen lagere kosten te verwerven. We mogen daarbij overigens niet vergeten dat dit Europese ondernemingen kan schaden, als de voorkeur blijkt uit te gaan naar buitenlandse kandidaten.

Het handelsbeleid van de Unie is erop gericht alle onderdelen van de internationale markten verder open te stellen. Het sluiten van de openbare markten voor kandidaten van buiten is dus geen oplossing. Maar we hebben wel het recht om te eisen dat voor onze ondernemingen die op de openbare markten van onze belangrijkste handelspartners concurreren, dezelfde voorwaarden gelden als die welke voor de ondernemingen uit deze landen op onze openbare markten gelden. Dat is nu echter nog niet het geval: de beloften die onze handelspartners hebben gedaan zijn vrij beperkt als je ze vergelijkt met de concessies die door de Europese Unie zijn gedaan.

Commissaris Mandelson heeft in zijn mededeling over een concurrerend Europa in een gemondialiseerde economie reeds op deze onevenwichtigheid gewezen. In die mededeling wijst hij op de mogelijkheid om de toegang tot bepaalde onderdelen van de openbare markten in de Europese Unie aan beperkingen onderhevig te maken om onze handelspartners zo aan te zetten hun eigen markten open te stellen op de wijze waarop wij dat nu doen.

Ik geloof daarom dat deze mondelinge vraag van de Commissie internationale handel aan de Europese Commissie om opheldering te verschaffen aangaande de strategie van de Commissie met betrekking tot de herziening van deze overeenkomst, heel opportuun is. Ik herhaal dat we ons nu in een cruciaal stadium bevinden: we zullen de eerstvolgende weken overeenstemming moeten zien te bereiken.

Het gaat er nu om meer openheid te bereiken op het gebied van de handel, en niet het omgekeerde. Wat gaat de Commissie ondernemen voor de behartiging van de belangen van Europese ondernemingen in die markten en sectoren waar we sterk kunnen concurreren, zoals vervoer, energie en openbare werken? Hoe zullen we in deze context omgaan met de Europese KMO's? Die bevinden zich in een nadelige positie – en dan niet alleen ten aanzien van de grotere ondernemingen, maar ook vergeleken bij de KMO's in andere landen, waar de regering een deel van de overheidsopdrachten voor de eigen KMO’s reserveert, zoals dat in de VS gebeurt.

Omdat er geen afspraken op basis van wederkerigheid bestaan bevinden Europese KMO's zich in een nadelige positie, en dat terwijl deze ondernemingen bij het realiseren van de hoofddoelstellingen van de Strategie van Lissabon een heel belangrijke rol vervullen. Daarom dringen we er bij de Commissie op aan dat ze van haar onderhandelingspartners eist dat ze hun beperkingen opheffen, of – als dat niet mogelijk blijkt te zijn – dat ze aanvaarden dat wij gelijksoortige beperkingen instellen om de Europese KMO’s te beschermen. We moeten hoe dan ook een op het reciprociteitsbeginsel gebaseerde regeling treffen, aangezien Europese ondernemingen momenteel vanuit een nadelige positie moeten opereren.

Daarom wil ik van de Commissie graag horen hoe de onderhandelingen verlopen, vooral op de punten die ik nu heb genoemd en die waarnaar in de tekst van onze vraag wordt verwezen. Ik wil de Commissie ook vragen notie te nemen van de reserves van het Europees Parlement en daarmee tijdens de onderhandelingen in Genève rekening te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, de kwestie van de heronderhandelingen in de WTO over de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, de zogeheten GPA, is belangrijk voor Europa, aangezien deze voor onze bedrijven de deur moeten openen naar nieuwe groeimogelijkheden buiten de Gemeenschap. Na vele jaren van lange en moeizame onderhandelingen hebben de GPA-partijen afgelopen december een voorlopig akkoord bereikt over een nieuwe herziene tekst. Ik vind dat een belangrijk resultaat in de huidige context van de Doha-ronde. Hieruit blijkt immers dat de politieke wil nog steeds aanwezig is om tot overeenstemming te komen over gevoelige kwesties.

De nieuwe tekst zorgt niet alleen voor meer duidelijkheid en doorzichtigheid, maar ook voor betere garanties voor een gelijke behandeling bij de aanbesteding van overheidsopdrachten. Voor de eerste keer bevat de tekst nu ook een bepaling over een elektronische aanbestedingsprocedure.

De Europese Gemeenschap heeft een belangrijke rol gespeeld bij de onderhandelingen. De bestaande overeenkomst is onevenwichtig, zowel wat de procedurele garanties als de dekking betreft. Onze belangrijkste doelstellingen waren dan ook gericht op het opvullen van de leemten en het wegnemen van de onduidelijkheden.

Wij hebben gestreefd naar betere juridische garanties voor onze leveranciers; garanties die vergelijkbaar moeten zijn met de garanties die wij voor onze interne programma’s hanteren. Tegelijkertijd hebben wij getracht om de nieuwe overeenkomst via nieuwe specifieke maatregelen aantrekkelijker te maken voor ontwikkelingslanden. Of er ook definitieve overeenstemming over de nieuwe tekst zal worden bereikt, is afhankelijk van de vraag of de lopende onderhandelingen over de toegankelijkheid van de markt een bevredigend resultaat opleveren. Ook op dat vlak dienen wij voor de Gemeenschap een evenwichtigere situatie te creëren. Dat betekent dat de dekking die onze partners op dit moment voorstaan, uitgebreid dient te worden tot het niveau dat de Gemeenschap heeft voorgesteld. Ook op dit punt dient de uniformiteit te worden verbeterd.

Wij willen allemaal een betere toegang voor onze bedrijven tot de buitenlandse markten voor overheidsopdrachten. In zijn recente conclusies over de mededeling van de Commissie “Europa als wereldspeler: Wereldwijd concurreren” heeft de Raad benadrukt dat wij op het gebied van de markttoegang extra en betere regelingen dienen te treffen met onze toekomstige belangrijkste handelspartners. Dat geldt met name voor overheidsopdrachten.

De Gemeenschap heeft een uitgebreid vraag-en-aanbodpakket op tafel gelegd dat de andere GPA-partijen de nodige prikkels zal geven om aanzienlijke extra mogelijkheden te bieden bij de aanbesteding van overheidsopdrachten. Indien de andere GPA-partners ons echter onvoldoende tegemoet komen, zullen wij overwegen welke maatregelen noodzakelijk zijn om de communautaire toezeggingen in de nieuwe GPA dienovereenkomstig aan te passen.

Indien er geen verbetering optreedt in de toegang van de EU tot de markten voor overheidsopdrachten van derde landen, zullen commissaris Mandelson en ik overwegen welk instrument wij in kunnen zetten om het openstellen van de markten voor de EU te bevorderen.

De mogelijkheden voor KMO’s verdienen absoluut speciale aandacht. Met name de kleine en middelgrote ondernemingen zullen profijt hebben van de nieuwe tekst dankzij de invoering van een elektronische aanbestedingsprocedure en, indien de onderhandelingen succesvol worden afgerond, een verlaging van de drempels van een aantal GPA-partijen. Ik wil er in dat verband echter wel op wijzen dat de overeenkomst betrekking heeft op vrij omvangrijke aanbestedingscontracten, die meestentijds uitsluitend met grote bedrijven gesloten zullen worden. De KMO’s kunnen ongetwijfeld een belangrijke rol spelen, maar dan vooral als onderaannemers. Daarom hebben wij onze GPA-partners die op dit moment specifieke uitzonderingen voor hun binnenlandse KMO’s hanteren, verzocht om daar vanaf te stappen.

Wat de uitbreiding van de geografische dekking van de overeenkomst betreft, kan ik meedelen dat acht WTO-landen bezig zijn met het doorlopen van de toetredingsprocedure. Jordanië is het land dat op dit gebied het verst is gevorderd. China heeft aangegeven dat het uiterlijk in december van dit jaar de toetredingsonderhandelingen in gang wil zetten. Na mijn bezoek van vorig jaar aan dat land zijn wij reeds begonnen met de voorbereidingen voor deze belangrijke toetreding. Zoals gezegd, heeft de Commissie sterk aangedrongen op betere maatregelen voor een speciale en differentiële behandeling van ontwikkelingslanden. Naar mijn idee hebben wij op dat punt een goed resultaat bereikt op basis van op maat gemaakte nieuwe regels waarin volledig rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van ontwikkelingslanden.

Als wij het onderhandelingstraject met succes afronden, heb ik er alle vertrouwen in dat deze nieuwe overeenkomst een mijlpaal zal blijken te zijn voor de internationale handel en dat daardoor ook nieuwe mogelijkheden voor het Europese bedrijfsleven worden gecreëerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy, namens de PPE-DE-Fractie.(FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik wil om te beginnen mijn collega, de heer Varela Suanzes-Carpegna, gelukwensen en hem bedanken voor de mondelinge vraag die hij namens de Commissie internationale handel heeft gesteld. Deze had betrekking op de onderhandelingen die bij de Wereldhandelsorganisatie worden gevoerd over de regels voor toegang tot overheidsopdrachten. Er zullen uitzonderingen moeten worden gecreëerd voor de kleine en middelgrote ondernemingen, mijnheer de commissaris.

Het onderwerp waar we nu over debatteren is van cruciaal belang voor de groei en de werkgelegenheid in Europa. De WTO-regels voor de handel in goederen en diensten zijn niet van toepassing op de aankopen die een staat voor eigen gebruik doet. Dan hebben we het dus over openbare aanbesteding. Daarom hebben sommige landen in de marge van de overeenkomsten van Marrakesh van april 1994 vrijwillig een bijzondere bijlage met een overeenkomst over openbare aanbesteding ondertekend. Alle grote landen die aan deze overeenkomst deelnemen – Canada, Korea, de Verenigde Staten en Japan – hebben met betrekking tot hun overheidsopdrachten een uitzondering gemaakt ten gunste van de eigen, nationale KMO's. Alleen de Europese Unie heeft dat niet gedaan, en die asymmetrie is onaanvaardbaar. De overheidsopdrachten die door voornoemde landen zijn uitgesloten zijn nu juist de opdrachten die voor onze KMO’s interessant zijn, terwijl de KMO’s van die landen wél onbeperkte toegang hebben tot al onze openbare aanbestedingen.

Onze KMO’s zijn in de context van openbare aanbestedingen dus ondervertegenwoordigd. We zullen een breed debat moeten houden over de wijze waarop deze situatie is ontstaan. En we zullen de asymmetrie moeten corrigeren door een uitzondering te bewerkstelligen die Europese KMO’s bij openbare aanbestedingen een voorkeurspositie verleent. We mogen de bestaande asymmetrie niet langer tolereren.

Mijnheer de commissaris, dames en heren, het gaat hier niet alleen om de nu gevoerde onderhandelingen. Waar het eigenlijk om gaat is of de Europese Unie bereid is voor de KMO’s het gunstige klimaat te scheppen dat deze ondernemingen nodig hebben. We moeten de toegang tot overheidsopdrachten gebruiken als een hefboom voor het creëren van groei en werkgelegenheid. Een tweede punt is rechtszekerheid – binnen de Europese Unie zelf, maar ook tussen het internationale recht, het Europese recht en de nationale wetgevingen. We hebben het nu niet over protectionisme. Integendeel: we hebben het hier over het vergroten van het aanbod door meer ondernemingen op de vraag te laten inspelen.

Mijnheer de commissaris, er zijn heden ten dage drie regio’s op deze wereld: Azië – zonder Japan – , met arme landen die een sterke groei doormaken; de Verenigde Staten, een rijk land met een sterke groei; en Europa, met rijke landen die slechts een geringe groei genereren. Daar moeten we eens over nadenken. We hebben vóór de dienstenrichtlijn gestemd om zo een regeling voor de interne markt te treffen. Die markt is gebaseerd op het mededingingsbeginsel en de Europese Unie heeft daarbij vooral gedacht aan de belangen van de consumenten. Nu is het tijd om op te komen voor de belangen van de producenten. De onderhandelingen die nu bij de WTO worden gevoerd over de herziening van de multilaterale overeenkomst inzake overheidsopdrachten, vormen een uitstekende gelegenheid om aandacht te besteden aan de toegang van KMO’s tot dit soort opdrachten.

Mijnheer de commissaris, we moeten de interne markt een dienst bewijzen door een Europese small business act op te stellen, gebaseerd op de beginselen van een sociale markteconomie. Het debat is nu geopend en dat doet me deugd.

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann, namens de PSE-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, het doet mij genoegen u in de Voorzitterstoel te zien zitten.

Het interessante en fascinerende aan dit debat is dat het over een plurilaterale overeenkomst gaat met een zeer specifiek karakter. Uiteraard maakt deze overeenkomst deel uit van het multilaterale kader, maar omdat die overeenkomst plurilateraal van aard is, ontstaat er een grotere flexibiliteit voor de lidstaten die hierbij partij zijn.

Zou de commissaris ons, niet alleen tegen die achtergrond, maar ook omdat wij de tiende verjaardag ervan vieren, iets meer over deze overeenkomst kunnen vertellen? Ik denk dan bijvoorbeeld aan de manier waarop die overeenkomst in het verleden heeft gefunctioneerd, aan de vraag of hij er zelf tevreden over is en of hij het de moeite waard vindt om hierover heronderhandelingen te voeren. Ik zou ook graag willen horen, hoewel ik weet dat dit geen onderdeel van zijn portefeuille uitmaakt, of hij het de moeite waard zou vinden om de onderhandelingen over de telecom-overeenkomst te heropenen, die in 2007 ook tien jaar oud wordt.

Met betrekking tot de overeenkomst inzake overheidsopdrachten – waarnaar de heer Audy verwees – maken wij ons grote zorgen over de KMO’s. Wij weten immers uit ervaring dat zij onmiskenbaar meer problemen hebben met de toegang tot de internationale markten. Wat gaat de Commissie hieraan doen in aanvulling op de maatregelen die zij in het verleden heeft genomen?

China is ook een groot probleem. Het is een goede zaak dat China een rol wil spelen op het mondiale toneel, maar dat brengt wel veel druk met zich mee voor bepaalde ondernemingen. Welke voorzorgsmaatregelen wil de Commissie nemen om de belangen van de Europese bedrijven en werknemers veilig te stellen op het moment dat China partij wordt bij de plurilaterale overeenkomst? In welke mate maakt deze ontwikkeling deel uit van de “Wereldspeler Europa”? In hoeverre houdt dit verband met de nieuwe aanpak van de Commissie om verschillende bilaterale overeenkomsten te sluiten en waaruit bestaat deze aanpak nu precies?

Op welke wijze wil de commissaris de Europese belangen veilig stellen met betrekking tot de diensten van algemeen belang? Kan de commissaris ons iets meer hierover vertellen? Tot nu toe is hij hier niet op ingegaan.

Kan de commissaris tot slot de toezegging doen dat het Parlement op de hoogte wordt gehouden? Kan hij daarnaast beloven dat de Commissie internationale handel, die vanochtend net een nieuwe voorzitter heeft gekozen, ook op de hoogte gehouden zal worden?

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki, namens de UEN-Fractie. – (PL) Voorzitter, vandaag bespreken we terecht de noodzaak van meer liberalisering van de markten voor overheidsopdrachten. Jammer dat ons Parlement niet zo vastberaden was, toen we de liberalisering van de dienstenmarkt op ons continent besproken hebben. Want eigenlijk is dat toch hetzelfde. Het is goed dat we de GPA-overeenkomst geografisch uitbreiden. Jammer dat we een paar maanden geleden de kans niet gegrepen hebben om de dienstenmarkt bij ons wezenlijk te verdiepen.

En toch gaat het in beide gevallen om het beter functioneren van niet alleen grote Europese bedrijven, maar ook van kleine en middelgrote ondernemingen. Ik steun onderhandelingen over een overeenkomst die ons een aandeel garandeert op de Chinese overheidsopdrachtenmarkt, maar laten we ook denken aan de reële kansen op de Europese markt, zoals mevrouw Mann zojuist heeft gezegd. Voor de Chinese partners heeft deze medaille bovendien twee kanten en me dunkt, dat we ook aandacht moeten schenken aan de uitdagingen die er op dit gebied zijn voor de Europese markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Caroline Lucas, namens de Verts/ALE-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, mijn gelukwensen! Het doet mij genoegen u in de Voorzitterstoel te zien zitten.

Commissaris McCreevy, sta mij toe om te beginnen met de wijze waarop wij kleine en middelgrote ondernemingen het beste kunnen ondersteunen. Het doet mij veel genoegen dat hierover in uiteenlopende fracties in dit Parlement bezorgdheid bestaat; een bezorgdheid die wij volgens mij allemaal delen.

Allereerst zou ik graag een nadere toelichting willen horen op de opmerkingen die de Franse minister van Handel, Christine Lagarde, vorige week heeft gemaakt bij een bezoek aan de Commissie internationale handel. Zij heeft daar zeer bevlogen en terecht, naar mijn idee, gesproken over het belang van het beschermen van de KMO’s in Europa. Toch lijkt u, geachte commissaris, er heel andere opvattingen over de rol van de KMO’s op na te houden en over de wijze waarop zij het beste ondersteund kunnen worden.

Het is van essentieel belang dat wij ervoor zorgen dat innovatieve KMO’s een betere toegang krijgen tot aanbestedingen van overheidsopdrachten. Dergelijke opdrachten zijn goed voor 75 miljoen banen in de Unie en voor 50 procent van het communautaire bruto nationaal inkomen. Zij vormen een cruciaal onderdeel bij het stimuleren van de groei van lokale en regionale economieën in de gehele EU.

Het lijkt er echter op dat de Commissie haar recht om de KMO’s te ondersteunen, vrijwillig opgeeft. Op dit moment zijn er al vijf landen – Canada, de VS, Israël, Japan en Zuid-Korea – die bepalingen in hun wetgeving opnemen met het oog op een voorkeursbehandeling van KMO’s bij de aanbesteding van overheidsopdrachten. Vreemd genoeg vindt de EU dat zij er geen belang bij heeft om zich sterk te maken voor de eigen KMO’s.

Kunt u dat standpunt echt verdedigen, commissaris? Het lijkt zowel uiterst bizar als absoluut onacceptabel dat de EU de kans op een “level playing field” laat lopen en zo de KMO’s de mogelijkheid onthoudt om op een gelijkwaardig niveau met de multinationals te concurreren. Het zou toch beter zijn als ook wij de heronderhandelingen over de GPA in Genève gebruiken om de WTO-belemmeringen weg te nemen die verhinderen dat lidstaten die dat wensen, maatregelen kunnen nemen om KMO’s een voorkeursbehandeling te geven bij de toegang tot aanbestedingen. Ook wij moeten ons sterk maken voor uitzonderingsmogelijkheden in het kader van de herziene GPA om preferentiële maatregelen te nemen. Het enige wat wij daarmee doen, is het herstellen van een gelijke behandeling om te voorkomen dat de grote multinationals alle voordelen naar zich toe trekken.

Ik betreur het ook ten zeerste dat wij niet eerder de kans hebben gehad om een debat in Europa te voeren over de vraag of het überhaupt wel een goede zaak is om de internationale handelsregels uit te breiden tot aanbestedingen van overheidsopdrachten. Velen zullen beweren dat overheidsaanbestedingen weinig of niets met traditionele handelskwesties, tarieven en quota’s van doen hebben en dat het onaanvaardbaar is om dit onderwerp op de agenda van de WTO-onderhandelingen te zetten. Als overheidsaanbestedingen op nationaal, lokaal of regionaal niveau namelijk onderworpen worden aan een “one-size-fits-all”-regelgeving op mondiaal niveau en zo dus bepaald wordt waaraan het geld van de belastingbetalers besteed gaat worden, staat dit volgens mij haaks op de legitieme verwachtingen van burgers dat zij een bepaalde mate van democratische controle moeten kunnen uitoefenen over de besteding van hun geld. De aard van belastinggeld verschilt wezenlijk van die van particulier bedrijfskapitaal, en burgers vinden terecht dat zij het recht moeten hebben om bijvoorbeeld te lobbyen voor het beperken van overheidsuitgaven aan bedrijven die ten tijde van de apartheid zaken deden in Zuid-Afrika, of voor het buitenspel zetten van ondernemingen met slechte arbeidsomstandigheden of te weinig of geen aandacht voor het milieu.

Volgens mij kunnen en moeten wij een belangrijke rol spelen bij het beschermen van de lokale aanbestedingen van overheidsopdrachten als een cruciaal instrument voor lokale werkgelegenheid en industriële beleidsmaatregelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Helmuth Markov, namens de GUE/NGL-Fractie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, van harte gefeliciteerd met uw verkiezing! Mijnheer de commissaris, de overeenkomst inzake overheidsopdrachten is tot nu toe tot de OESO-landen beperkt gebleven. De overheidsuitgaven voor opdrachten verband houdende met de levering van goederen en diensten en het verrichten van bouwwerkzaamheden vertegenwoordigen ongeveer 10 tot 25 procent van het bbp.

Inmiddels heeft China de onderhandelingen in gang gezet met het oog op een eventuele toetreding. Met de huidige heronderhandelingen wordt eigenlijk gestreefd naar een uitbreiding van het toepassingsgebied. Daarmee zou de betekenis van deze overeenkomst voor de internationale wederzijdse handel in goederen en diensten uiteraard enorm toenemen.

In het kader van dit herzieningsproces dient de Commissie in ieder geval niet alleen nadruk te leggen op een grotere transparantie, maar ook op het bestrijden van de corruptie bij internationale aanbestedingprocedures voor overheidsopdrachten. Gezien de urgente uitdagingen waar wij op milieugebied voor staan, dient er in de publieke sector echter ook hoge prioriteit aan ecologische duurzaamheid te worden gegeven. Volgens mij betekent dat ook dat er op dit punt regels en voorschriften nodig zijn. Zo moet het mijns inziens bijvoorbeeld legaal en legitiem zijn om bij overheidsopdrachten een voorkeursbehandeling te geven aan milieuvriendelijke goederen en diensten, ook al zou de prijs daarvan iets hoger zijn.

Een van de cruciale vragen betreft de wijze waarop wij met ontwikkelingslanden omgaan. Er moet voor gezorgd worden dat niet alleen de aanbestedingen van overheidsopdrachten, maar ook de andere Singapore-kwesties volledig onafhankelijk van de huidige onderhandelingen in het kader van de Doha-ronde worden behandeld. De ontwikkelingslanden hebben daar in Cancún nadrukkelijk op gewezen.

Het document dat hier vandaag aan de orde is en waarover de onderhandelingen nog niet zijn afgerond, kan eigenlijk uitsluitend betrekking hebben op partners van een vergelijkbare sterkte. In die zin vind ik dat de term non-discriminatie c.q. wederkerigheid problemen veroorzaakt. Ik heb steeds meer de indruk dat het erop uitdraait dat hooggeïndustrialiseerde landen en ontwikkelingslanden vanuit een dergelijke invalshoek op één lijn worden gesteld en dat functioneert niet.

De voorgestelde bepalingen voor ontwikkelingslanden, die een overgangsperiode van drie jaar (en voor de minst ontwikkelde landen vijf jaar) inhouden, zijn absoluut ontoereikend om hen ervan te overtuigen dat zij partij moeten worden bij deze overeenkomst. Naar mijn idee leidt dat er helaas toe dat veel van deze landen met een grote boog om deze overeenkomst heen zullen lopen. Met het oog op de principiële uitgangspunten voor een plurilateraal resultaat zou ik dat bijzonder jammer vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Booth, namens de IND/DEM-Fractie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, het debat dat wij over dit onderwerp voeren, is in hoge mate karakteristiek voor wat er mis is met de Europese Unie. Ten eerste vinden de onderhandelingen in het kader van de WTO plaats via één man die niet minder dan 27 landen tegelijk vertegenwoordigt. Hij heeft geen mandaat van de burgers en gezien zijn staat van dienst in de Britse politiek zou hij nog niet eens gevraagd worden om een dorpsfeest te organiseren. Ik heb er geen behoefte aan dat een vertegenwoordiger van de EU namens mijn land bij de WTO het woord voert. Ik wil dat een afgevaardigde van mijn eigen regering dat doet, iemand die mijn land niet alleen kent, maar er ook hart voor heeft.

Dan is er ook nog de kwestie van de aanbestedingsprocedures op basis van eerlijke concurrentieoverwegingen. In de mondelinge vraag wordt China als potentiële leverancier genoemd en dat land zou wel eens zeer concurrerend kunnen blijken te zijn. Ik veroordeel de onderdrukking van individuele vrijheden en rechten in China, maar ik moet ook constateren dat ze in dat land wel weten wat de voorwaarden voor een succesvolle economie zijn. De overheidsuitgaven maken aldaar maar 20 procent van het bbp uit, terwijl dat in 2005 in het eurogebied 47,5 procent was. In China heeft het bedrijfsleven te maken met een lichte reguleringsdruk. In de Europese Unie reguleren wij alles kapot.

De heer Blair heeft in 2005 de toezegging gedaan dat het Britse voorzitterschap de bureaucratie terug zou dringen. Daar is niets van terecht gekomen. Hoeveel pagina’s wetgeving heeft dat voorzitterschap immers nog eens toegevoegd aan de immense berg wetgeving die er al was? In 1973 is mijn land onder valse voorwendsels ertoe aangezet om tot de Europese Unie toe te treden; het zou namelijk puur om een vrijhandelszone gaan. Een vrijhandelszone is ook het enige waartoe de Unie beperkt had moeten blijven, dus geen Parlement, geen Commissie en geen richtlijnen. In plaats daarvan is de EU uitgegroeid tot een bureaucratisch monster dat onze economie ruïneert.

 
  
  

VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, er is reeds een voorlopig akkoord gesloten over de herziene tekst van de overeenkomst inzake overheidsopdrachten en binnenkort wordt een definitief akkoord verwacht.

Ik eerbiedig het feit dat de onderhandelingen geheim moeten zijn, maar, mijnheer de commissaris, vindt u ook niet dat u wat laat bent met uw informatie aan het Europees Parlement over de prioriteiten en het vraag-en- aanbodpakket van de Europese Unie in de heronderhandeling over deze belangrijke overeenkomst?

Ik ben van mening dat wederkerigheid en het bereiken van een voor de handelspartners evenwichtig resultaat het uitgangspunt bij de onderhandelingen moeten vormen voor de Unie. Dat evenwichtige resultaat mag echter niet bestaan in theoretische toezeggingen die de handelspartners, namens de andere partners, doen. Een evenwichtig resultaat moet afgemeten worden aan de reële mogelijkheden die bestaan om het volume van de aan grensoverschrijdende mededinging onderworpen aanbestedingen ook daadwerkelijk te gebruiken. Heeft de Commissie onderzocht hoe het is gesteld met de echte toegang van de Europese bedrijven tot de markt van de andere landen tijdens de toepassing tot nu toe van de overeenkomst? De VS, Canada, Zuid-Korea en Japan – die verdragsluitende partijen zijn bij de overeenkomst – hebben hun kleine en middelgrote ondernemingen reeds preferentiële toegang verzekerd tot de markt van overheidsopdrachten. Vreemd genoeg heeft de Unie dat niet gedaan.

Ik ben van mening dat de Europese Unie binnen het kader van de toepassing van de overeenkomst inzake overheidsopdrachten moet vragen om een uitzondering voor de kleine en middelgrote ondernemingen. Dit is een logisch verzoek, vooral omdat onze partners het al hebben gedaan.

De kleine en middelgrote ondernemingen zijn de ruggengraat van de Europese economie. Zij zijn een belangrijke bron van ontwikkeling en werkgelegenheid, zoals ook reeds werd gezegd door de heer Varela, de auteur, en de heer Audy. Zij dragen bij aan de economische en sociale samenhang. Het is onze plicht de initiatieven te nemen die ervoor kunnen zorgen dat hun dynamische rol behouden blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u graag met uw benoeming feliciteren.

Ik zal het nu niet over de KMO’s hebben, aangezien veel van mijn collega’s daar al nader op zijn ingegaan. Ik sluit mij er echter wel bij aan dat dit een zeer belangrijke kwestie is die niet genoeg benadrukt kan worden.

Overheidsopdrachten vertegenwoordigen ongeveer 20 procent van het bbp in ontwikkelingslanden en circa 15 procent van het bbp in ontwikkelde landen. Ik voel enige tweeslachtigheid bij dit onderwerp omdat ik er gevoelsmatig voorstander van ben om overheidsopdrachten op basis van eerlijke concurrentieoverwegingen te gunnen. In theorie leidt dit tot lagere kosten voor de overheid en een grotere transparantie bij overheidsaanbestedingen, waardoor de corruptie geëlimineerd kan worden. Dat zou voordelen met zich mee moeten brengen voor zowel de ontwikkelingslanden als de geïndustrialiseerde wereld, waardoor in die eerstgenoemde wereld meer middelen beschikbaar komen voor gezondheid en onderwijs. Als er echter gekeken wordt naar de lijst met 36 landen die de GPA ondertekend hebben, blijkt dat daar geen enkel Afrikaans land bij zit. Het is duidelijk dat de Afrikaanse landen en andere minst ontwikkelde landen van mening zijn dat de baten die het ondertekenen van deze overeenkomst oplevert, niet opwegen tegen de kosten.

Ik zou graag van de Commissie willen weten welke ondersteunende maatregelen zij in petto heeft om, in de eerste plaats, de Afrikaanse en andere minst ontwikkelde landen in staat te stellen om op de Europese en andere ontwikkelde markten op gelijkwaardige voet te kunnen concurreren. In de tweede plaats ben ik benieuwd welke steun er aan die landen verleend kan worden bij het zodanig ontwikkelen van hun eigen industrie dat zij de mededinging in hun land in stand kunnen houden als zij de aanbesteding van de eigen overheidsopdrachten openstellen.

Ik maak mij ook zorgen – en dat sluit aan bij wat mevrouw Lucas op een iets andere manier heeft geformuleerd – over de vraag hoe er in de GPA en de toepassing ervan rekening wordt gehouden met kwesties die niets met de handel te maken hebben. Ik denk daarbij aan het milieu, de mensenrechten en de rechten van werknemers. Ik ben het met mevrouw Lucas eens dat het om overheidsgeld gaat en dat het risico bestaat dat de arbo- en milieunormen erop achteruit gaan als er een GPA zonder duidelijk voorschriften en voorwaarden komt. Enerzijds zie ik dus de voordelen van het openstellen van de aanbestedingen van overheidsopdrachten, maar anderzijds zijn hier nog vele risico’s aan verbonden en ik hoop dat de Commissie deze aan een nader onderzoek zal onderwerpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Syed Kamall (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil u graag feliciteren en tevens mijn dank overbrengen aan de commissaris.

In Engeland worden KMO’s onterecht uitgesloten van overheidsopdrachten als gevolg van goedbedoelde voorschriften op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en milieunormen; een van die voorwaarden is vaak dat er over een periode van drie jaar gecontroleerde jaarrekeningen overgelegd moeten worden, een voorwaarde waaraan veel kleine bedrijven niet kunnen voldoen. Daarnaast is er een gebrek aan openbare aanbestedingen op basis van eerlijke concurrentieoverwegingen en worden contracten te vaak gebundeld, zodat deze te groot zijn voor KMO’s. Tot slot is er sprake van een voorkeursbehandeling voor grote bedrijven, te veel geheimzinnigheid in de procedures en een gebrek aan transparantie.

Wij weten dat transparantie en aanbestedingen op basis van eerlijke concurrentieoverwegingen vereist zijn op basis van de EU-richtlijn, maar de meeste opdrachten waar KMO’s op inschrijven, voldoen niet aan die norm. Als er aan KMO’s gevraagd wordt waar zij behoefte aan hebben, luidt het antwoord “minder bureaucratie en papierwerk”. Zij willen dat de autoriteiten het “one-size-fits-all”-vereiste voor de gunning van opdrachten laten varen. Zij willen dat opdrachten aangekondigd worden via websites als “supply.2.gov” en zij willen geen megacontracten, maar opgesplitste contracten. Wij moeten echter wel onderkennen dat regeringsinstanties geen commerciële organisaties zijn en vaak de extra werkzaamheden willen vermijden die verbonden zijn aan het beoordelen van meerdere deeloffertes. Dat betekent dat wij regeringen en lokale overheidsinstanties op dat gebied stimulansen moeten bieden.

In Amerika zijn er streefcijfers vastgesteld om te kunnen bepalen of er al dan niet van een eerlijke mededinging sprake is. KMO’s hebben geen behoefte aan quota’s, maar zij willen prestatie-indicatoren om vast te kunnen stellen of er inderdaad sprake is van eerlijke concurrentie. In Amerika doen overheidsinstanties ook een beroep op KMO-adviseurs om te zorgen dat kleine en middelgrote ondernemingen op een eerlijke toegang tot overheidsopdrachten kunnen rekenen. Dergelijke omstandigheden – hulpmiddelen voor benchmarking en concurrentievoordelen – zijn in het kader van de WTO-overeenkomst waarschijnlijk niet toegestaan, en ik begrijp waarom. Hierdoor worden echter wel onbedoeld maatregelen tegengehouden die voor een eerlijke concurrentie kunnen zorgen.

In het algemeen is de strekking van de WTO-overeenkomst eigenlijk positief omdat zij protectionisme tegengaat, maar tegelijkertijd worden maatregelen verboden die noodzakelijk zijn om kleine ondernemingen te steunen. Terwijl een aantal lidstaten dus voorstander is van een “opt-out”, vrezen anderen dat het protectionisme hier juist door wordt bevorderd. Laten wij de Commissie daarom oproepen om een compromis tot stand te brengen waarbij enerzijds die “opt-out” gewaarborgd is, maar anderzijds ook een nieuwe overeenkomst wordt opgesteld die KMO-vriendelijke maatregelen mogelijk maakt en waardoor het antiprotectionisme aanzienlijk wordt uitgebreid. Als wij KMO-vriendelijke maatregelen toestaan, is de achterliggende reden voor de Amerikaanse “opt-out”, het handhaven van de “Buy America Act”, weggenomen. Door dergelijke maatregelen zijn Britse en Europese KMO’s ook beter in staat om op mondiaal niveau de concurrentie aan te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Margrietus van den Berg (PSE). – Voorzitter, een overeenkomst inzake overheidsopdrachten kan betekenen meer transparantie en dus minder corruptie. Het kan betekenen: eerlijke prijzen – niet onbelangrijk aangezien het hier gaat om overheidsopdrachten waarmee belastinggeld is gemoeid – maar dan wel graag met het recht op sociale en ecologische criteria bij de aanbestedingen. Ontwikkelingslanden zouden ook geweldig kunnen profiteren van al deze voordelen. Hun deelname in de internationale overeenkomst inzake overheidsopdrachten in de toekomst is uiteraard niet uit te sluiten, maar de Commissie zou moeten bevorderen dat ze deze aanpak – en hetzelfde geldt voor eerlijke mededingingsregels – eerst nationaal of regionaal mogen uitvoeren, net zoals wij dat in Europa hebben gedaan en dus niet onmiddellijk de hele wereld en de grote monopolies hoeven toe te laten. Het zou dan aan de ontwikkelingslanden moeten zijn om te bepalen, wanneer ze zich sterk genoeg ontwikkeld voelen. Wat overal ter wereld overigens voor iedereen geldt, Voorzitter, is dat er geen sprake mag zijn van gedwongen grootschalige aanbestedingen waardoor kleine en middelgrote ondernemingen buitenspel wordt gezet. Helaas heb ik een voorbeeld daarvan zelf mogen aanschouwen bij een treinstation in Amsterdam, waar voor het station de veiligheidsdienst werd aanbesteed. Het bedrijf dat voorheen verantwoordelijk was voor de veiligheid op het station was een klein bedrijfje en deed dat met groot succes; bij de aanbesteding bleek dat bedrijf echter te klein om mee te dingen voor de totale opdracht op heel veel van die stations en lag er daarmee uit.

Ik twijfel er niet aan dat mijn collega's soortgelijke voorbeelden zijn tegengekomen. Daarom stellen we de Commissie de vraag hoe KMO’s betere toegang tot overheidsopdrachten kan worden gegarandeerd.

Tot slot is het gedwongen splitsen van de nationale publieke en semipublieke voorzieningen ten behoeve van grote buitenlandse aanbieders uit den boze. Ieder land heeft het recht publiek te regelen wat het graag publiek wil houden. Het gaat hier om basisvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld onderwijs en water, voorzieningen die de kern van de samenleving vormen en daar mag niet aan worden getornd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Schwab (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris McCreevy, geachte collega’s, de vraag van de Commissie internationale handel over de problematiek bij de aanbesteding van opdrachten op WTO-niveau heeft ook directe gevolgen voor de Europese interne markt. Daarom vind ik dat wij de gevolgen van deze kwestie voor de Europese interne markt nader dienen te bestuderen. Uiteraard gaat het enerzijds over een overeenkomst met betrekking tot de wereldhandel, maar anderzijds mogen wij niet uit het oog verliezen dat dergelijke overeenkomsten op internationaal niveau directe gevolgen hebben voor de Europese interne markt; dat is nu eenmaal kenmerkend voor de globalisering.

Mijn collega, de heer Kamall, heeft erop gewezen dat er in enkele lidstaten van de WTO, zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika, bij nationale aanbestedingsprocedures nu al bepaalde quota’s aan kleine en middelgrote ondernemingen gegund moeten worden. Uiteindelijk betekent dat niets anders dan dat de aanbestedingsregeling die door de WTO voorgeschreven is, beperkt wordt. Ik zou echter graag een effectbeoordeling zien waaruit duidelijk wordt of de KMO’s hier op de langere duur inderdaad voordeel van hebben. Dat kan in ieder geval nu nog niet met zekerheid gezegd worden.

Zo lang wij daar niet zeker van zijn, hoeven wij ons geen zorgen te maken over de beperking van het toepassingsgebied. Kleine en middelgrote ondernemingen ontlenen hun bestaansgrond aan een zo transparant en toegankelijk mogelijke markt. Wanneer de lidstaten van de WTO het toepassingsgebied met een kwart inperken, vraag ik mij af of KMO’s daar in de praktijk daadwerkelijk profijt van hebben.

Het zou ontegenzeggelijk nuttig zijn wanneer de Commissie dit aspect grondig bestudeert en uitsluitsel geeft of dit inderdaad positieve effecten voor de KMO’s heeft. In zoverre kan deze mondelinge vraag op mijn steun rekenen.

In de Raad – en helaas is er op dit moment geen vertegenwoordiger van de Raad aanwezig – moet natuurlijk een evenwicht gevonden worden tussen de landen die graag hetzelfde uitgangspunt als de Verenigde Staten willen hanteren en degenen die juist een tegenovergestelde aanpak voorstaan, dat wil zeggen een verlaging van die quota’s willen om binnen de gehele WTO een vrije en open markt te creëren zodat ook kleine en middelgrote ondernemingen hier op elk vlak van kunnen profiteren.

Naar mijn idee wordt het doorslaggevende probleem voor de KMO’s eerder gevormd door het feit dat wij in dit verband nog geen echte greep hebben op de kwestie van de onderaanneming. Vaak is het immers zo dat KMO’s als onderaannemers ingeschakeld worden. Op die manier worden er ook arbeidsplaatsen gecreëerd en inkomsten gegenereerd. Uiteindelijk vindt de aansturing echter wel vanaf een hoger niveau plaats en zitten KMO’s daardoor vaak in een ongemakkelijke tussenpositie.

Ik denk dat wij ons met name over deze problematiek moeten buigen. Ik zou het dan ook een goede zaak vinden indien de Commissie hier nadere aandacht aan besteedt en ons over de voortgang op de hoogte houdt. De Commissie dient ook eerst de problematiek te bestuderen die in de mondelinge vraag aan de orde wordt gesteld voordat wij ons met concrete verzoeken tot de commissaris kunnen wenden.

 
  
MPphoto
 
 

  Stefano Zappalà (PPE-DE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik feliciteer de heer Varela Suanzes-Carpegna en bedank hem voor de mondelinge vraag die hij heeft ingediend, waardoor wij dit onderhavige onderwerp aan kunnen pakken. Ik was in dit Parlement rapporteur voor de hervorming van overeenkomsten, leveringen en diensten, in dit geval richtlijn 17 en 18.

Ook al is er maar weinig tijd, ik denk dat het de moeite waard is om de belangrijkste aspecten van het probleem naar voren te brengen. Ik heb veel sprekers vanmorgen horen zeggen dat het Parlement zich erg concentreert op richtlijn 18, oftewel de algemene richtlijn inzake overeenkomsten, milieuvraagstukken, het gemoderniseerde systeem voor elektronische overeenkomsten, het sociale stelsel en het vraagstuk van de drempels, en ik denk daarom dat we over wetgeving beschikken die weliswaar uitzonderlijk is, maar in feite geen betrekking heeft op het onderwerp van deze ochtend.

Het probleem dat is aangekaart is van heel andere aard: een op handen zijnde herziening van een internationale overeenkomst, waardoor de landen van de Europese Unie, en daarmee de bedrijven binnen de Europese Unie, achterblijven ten opzichte van andere landen. Wat is het probleem? In 1994 en de daaropvolgende jaren werden er wereldwijd door middel van plurilaterale overeenkomsten zeer verschillende activiteiten op touw gezet. De Verenigde Staten, China en andere landen genieten in werkelijkheid voorrechten die niet gelden voor EU-bedrijven. Dit systeem wordt momenteel herzien, maar het is van belang om de herzieningsmethodes vast te leggen, want – als mijn collega's en ikzelf het ons goed herinneren – bedraagt de jaarlijkse output van alleen de Verenigde Staten al bijna 200 miljard USD, een bedrag dat echter binnen de Verenigde Staten blijft.

Het punt is dat, terwijl het voor iedereen mogelijk is om in Europa te komen werken, onze kleine en middelgrote ondernemingen zich niet elders in de wereld kunnen vestigen. De overeenkomsten inzake overheidsopdrachten (GPA) zijn, onder andere, overeenkomsten die Europese bedrijven de toegang tot het internationale systeem ontzeggen.

Welke beslissingen kunnen daartoe genomen worden vandaag? Zoals ik het zie, is de Commissie van mening dat door de voorrechten van anderen af te schaffen, we weer op gelijke voet kunnen concurreren. Dat is niet waar. Ik denk dat we in plaats daarvan de Europese kleine en middelgrote ondernemingen moeten beschermen door hun dezelfde voorrechten te garanderen binnen de Europese Unie, en dus met betrekking tot de Europese Unie, als die welke gelden voor de kleine en middelgrote ondernemingen uit de Verenigde Staten en andere landen.

Ik ben daarom niet alleen de heer Varela Suanzes-Carpegna dankbaar, maar ik ben ook van mening dat het argument dat door Frankrijk binnen de Raad wordt aangehangen, gesteund en goedgekeurd moet worden in plaats van het standpunt van de Europese Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag alle afgevaardigden bedanken die een bijdrage hebben geleverd aan dit debat.

Ik hecht bijzonder veel waarde aan openbare aanbesteding. Adequate, rechtvaardige en transparante procedures zijn cruciaal. Zij zijn niet alleen cruciaal voor bedrijven die in willen schrijven op projecten, maar ook voor de betreffende overheidsinstanties, omdat zij voor zichzelf en voor de belastingbetalers enorme bedragen kunnen besparen als zij de procedures op juiste wijze toepassen.

Het is essentieel dat onze handelspartners zich ertoe verbinden om hun overheidsopdrachtenmarkten voor Europese inschrijvers te openen. Onze ondernemingen hebben namelijk iets te bieden. Zij werken concurrerend, maar te vaak is het hun niet toegestaan om op een aanbesteding in te schrijven of worden zij niet uitgenodigd om een bod uit te brengen.

KMO’s profiteren van overheidsopdrachten. Zij hebben al een groot marktaandeel verworven, maar zelf denk ik niet dat het instellen van quota’s of een preferentiële behandeling tot een oplossing zal leiden. Als wij daartoe zouden overgaan, zouden ook meer van onze handelspartners dat voorbeeld volgen en daarvan wordt het Europese bedrijfsleven de dupe. Naar mijn idee zijn alle partijen het meest gediend bij open markten. Onze KMO’s zijn dynamisch en sterk. Ook zij zullen hiervan profiteren.

Mevrouw Mann wil graag op de hoogte worden gehouden. Ik zal mijn medewerkers vragen om haar Commissie internationale handel volledig op de hoogte te houden. Daartoe zullen zij bijeenkomsten van haar commissie bijwonen en vragen beantwoorden over de details van de onderhandelingen.

Een aantal leden heeft verwezen naar speciale regelingen voor KMO’s en dergelijke regelingen moeten deel uitmaken van onze insteek bij de onderhandelingen. Zoals eerder gezegd, ben ik het echter niet met alles eens. Ik kan mij bij veel dingen aansluiten die de heer Kamall heeft gezegd, bijvoorbeeld zijn constatering dat de lidstaten zelf veel kunnen doen ter ondersteuning van KMO’s op het gebied van de openbare aanbestedingen zonder dat daarbij in strijd met de regels wordt gehandeld. Als een aantal grote contracten opgesplitst zou worden en veel bureaucratische rompslomp zou verdwijnen, zouden de KMO’s daar veel profijt van hebben en zijn gereserveerde quota’s ook niet nodig. Ik sta echter niet achter de conclusie van een aantal mensen dat het reserveren van bepaalde quota’s voor KMO’s de beste manier is om deze bedrijven te ondersteunen.

De heer Kamall verwees ook naar het feit dat de Verenigde Staten over een “Small Business Act” beschikken en over een agentschap om de bijbehorende zaken af te handelen. Uit de cijfers blijkt echter dat zowel qua omvang als aantal een veel hoger percentage contracten aan KMO’s in Europa wordt uitbesteed dan in de VS. Dat moet voor een aantal mensen toch een interessant gegeven zijn.

Daarom ben ik van mening – en mensen hoeven het daar uiteraard niet mee eens te zijn – dat bij aanbestedingen van overheidsopdrachten alles om mededinging draait: de beste goederen en diensten voor de laagste prijzen. Dan krijg je waar voor je geld. Het reserveren van bepaalde delen van de markt onderstreept dit alleen maar. In een debat eerder vandaag hebben wij ook over KMO’s gediscussieerd. Afgevaardigden zeiden toen dat KMO’s kansen nodig hebben. Daar ben ik het helemaal mee eens, maar protectionisme is niet het antwoord. Aan de andere kant zullen wij ons ook niet naïef opstellen: wij verwachten van onze handelspartners eveneens dat zij hun markten openstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – De vergadering zal nu worden onderbroken en om 11.00 uur worden hervat voor de plechtige vergadering met de president van Bulgarije.

(De vergadering wordt om 10.25 uur onderbroken en om 11.00 uur hervat.)

 
  
  

VOORZITTER: HANS-GERT POETTERING
Voorzitter

 

5. Plechtige vergadering - Bulgarije
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Excellentie,

Господин Президент, топло Ви приветствам в Европейския парламент!

(DE) Het is voor mij een grote eer om u hier in dit Parlement te mogen verwelkomen. Het is weliswaar niet de eerste keer dat u hier te gast bent, maar vandaag mag ik u wel voor het eerst in uw hoedanigheid begroeten als president van een nieuwe lidstaat van onze Europese familie.

Namens de burgers van de Europese Unie waarvoor dit Parlement als vertegenwoordiger optreedt, wil ik nogmaals mijn vreugde tot uitdrukking brengen over de toetreding van uw land tot de Europese Unie. Ik wil ook nogmaals op de historische betekenis wijzen van de uitbreiding van de Europese Unie zoals die op 1 januari van dit jaar heeft plaatsgevonden. Het heeft meer dan zestig jaar geduurd om uw land weer terug te brengen naar het vrije Europa en om ons continent weer te herenigen.

Bulgarije is een eeuwenoude cultuur die gelegen is op een kruispunt tussen Oost en West. De overlevering zegt dat hier in 1681 de oudste staat van Europa door tsaar Asparuch is gesticht. Bulgarije is het land van Orpheus en Eurydice, de bakermat van de Thraciërs en van Dionysos. Desalniettemin spreekt er een grote mate van weemoed uit de woorden van de winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur, Elias Canetti, die in het Bulgaarse Rustchuk ter wereld kwam en het volgende over zijn geboorteplaats zegt: De rest van de wereld werd daar Europa genoemd en als iemand stroomopwaarts over de Donau naar Wenen voer, zei men dat hij naar Europa ging, want dat was de plaats waar Europa begon.

Die weemoed naar Europa wordt in de harten van de Bulgaren gekoppeld aan het diepgewortelde gevoel dat zij van oudsher deel hebben uitgemaakt van de kern van Europa. Canetti wilde met het verhaal over zijn kindertijd de hereniging van Europa bewerkstelligen. Door de toetreding van uw land wordt opnieuw gesymboliseerd waar Europa in wezen voor staat, namelijk de concreet voelbare ervaring van een gemeenschappelijke ziel, een Europese ziel die de grenzen overstijgt en de ware betekenis van de Europese hereniging illustreert.

Uw land, president Parvanov, brengt een rijk cultureel en intellectueel erfgoed mee dat een bijdrage zal leveren aan de wederzijdse verrijking van de Europese Unie en Bulgarije. Wij zijn uw land en met name de mensen in Bulgarije bijzonder veel dank verschuldigd voor alle grote inspanningen en de hervormingsbereidheid van de afgelopen jaren. U heeft enorm veel vooruitgang geboekt. Veel hervormingen zijn in relatief korte tijd doorgevoerd. Voor deze successen verdient u vanaf deze plaats alle lof. Ik wil daar echter wel het volgende aan toevoegen: wij hopen en zijn ervan overtuigd dat de hervormingen die nog noodzakelijk zijn, met dezelfde vastbeslotenheid worden uitgevoerd.

Mijnheer de president, het Europees Parlement is trots en verheugd dat wij achttien nieuwe Bulgaarse afgevaardigden in ons midden welkom mogen heten. Het is mij ook een groot genoegen om de nieuwe Bulgaarse commissaris te kunnen begroeten. Wij verheugen ons ook nu al op de komst van de collega’s in mei die tijdens de eerste Europese verkiezingen in uw land als afgevaardigden van dit Parlement zullen worden gekozen. Samen met de Bulgaarse collega’s in de Commissie en de Raad zullen deze nieuwe collega’s een bijdrage leveren aan de verdere ontwikkeling van ons Europese huis.

(BG) Добре дошли на България и българския народ в Европейския съюз!

 
  
MPphoto
 
 

  Георги Първанов, президент на Република България. (BG) Уважаеми господин Председател, уважаеми членове на Европейския парламент, дами и господа. От 1-ви януари 2007 г. България е част от Европейския съюз — може би най-амбициозният политически, икономически и културен проект в историята на човечеството. Като продължавам онова, което Вие любезно казахте, г-н Председател, искам ясно да кажа, че 1-ви януари 2007 г. е триумф на историческата справедливост.

Корените и предпоставките на това явление са във вековното развитие на българската духовност и държавност. По дух и самочувствие българите винаги са били европейци. Нашата култура действително е във фундамента на европейската цивилизация. И затова исторически оправдано е днес, чрез българското членство, в Европейския съюз да звучи езикът на светите братя Кирил и Методий, обявени за небесни съпокровители на Европа, което без съмнение ще обогати още повече културното многообразие на европейския континент.

Но ние, уважаеми членове на Европейския парламент, добре съзнаваме, че членството ни не е заради историческата традиция, а защото българските институции проведоха онези така необходими реформи във всички сфери. Осъществена беше една историческа трансформация на страната ни в демократична страна с функционираща и конкурентноспособна пазарна икономика, с работещо и ефективно законодателство. Успехът стана възможен и заради високата обществена подкрепа, заради съпричастността на гражданските структури. Успяхме, защото години наред следвахме и правехме европейска политика. Защото доказахме, че на нас, българите, може да се вярва. За мен е чест, че имам възможността да се обърна от високата трибуна на Европейския парламент още в първите седмици на нашето членство.

Използвам случая, за да благодаря на Европейския парламент за подкрепата, която оказваше на България в целия процес на присъединяване, за конструктивната критика и насърченията за продължаване на проевропейските реформи. Важността на тази подкрепа се определя от нарасналата роля на Европейския парламент, като пряк изразител на волята на почти половин милиардното население на обединена Европа.

Искам да поздравя, също така, г-н Пьотеринг за избирането му за председател на Европейския парламент, да поздравя българския и румънския комисар, както и 18-те български депутати и техните румънски колеги и да им пожелая ползотворна и успешна работа за общото ни благо.

Ние, уважаеми госпожи и господа, отдавна сме се отказали от патетичното отношение и от пропагандните свръх очаквания от членството ни в Европейския съюз. Съзнаваме, че заедно с несъмнените позитиви за икономиката ни, тя ще бъде изправена пред сериозни предизвикателства, особено с оглед на постигането на по-висока конкурентноспособност. Проблемите се засилват от това, че задълженията към Европейския съюз влизат в сила веднага, а ползите ще дойдат с повече или по-малко закъснение. И затова е много важно ние бързо да формираме и реализираме стратегия и политика на ускорено развитие с оглед успешно адаптиране на страната ни към европейската социално-икономическа среда.

Петото разширяване на Европейския съюз беше съпроводено с не малко реални опасения и измислени страхове, изкуствено насаждани понякога. Много от тях не се оправдаха. Масовите миграционни вълни, които някои предричаха, не се състояха. Очакванията за тежко напрежение в социалните системи се оказаха преувеличени. В този смисъл, за нас остава неразбираемо защо някои от държавите-членки не отвориха трудовите си пазари за българи, както направиха това за страните, присъединили се през 2004 г. Смятам, че от премахването на последните бариери пред моите сънародници ще спечели и Европейският съюз и европейската идея. От друга страна, аз очаквам младите българи, които потърсиха и получиха по-високо образование, част от тях и добра реализация навън, в Европейския съюз, да се завърнат работейки за по-големи западни инвеститори или започвайки свой бизнес.

Ние добре съзнаваме, че членството в Европейския съюз не е еднократен акт, че това е един продължителен процес. Един процес, които ще изисква от нас в следващите месеци и години допълнителни усилия, за да отговорим на препоръките на европейските институции. Да поемем допълнителни отговорности вследствие на членството ни. Необходими са усилия за да се впишем реално в европейския икономически и социален модел, за да издигнем жизнения стандарт на българина до този на водещите европейски страни и народи. Това действително, г-н Председател, означава безусловно продължаване на реформите, особено в съдебната система, за постигане на видими и необратими резултати в борбата с корупцията и престъпността, за прозрачно и ефективно усвояване на средствата от европейските фондове.

Ние сме амбицирани да постигнем, да покажем един солиден капацитет за поемане на задълженията, произтичащи от членството и от общите политики в различните сфери. Убеден съм, че разширяването на Европейския съюз е от взаимен интерес, както за новоприетите, така и за досегашните страни-членки.

Новите членове получават възможността да участват в определянето, във формирането на политиките и програмите на Европейския съюз, да ползват фондовете на общността. Но искам ясно да кажа, че ние влизаме в Европейския съюз, не за да бъдем консуматори, а с желанието, със стремежа да засилим реално Съюза със стабилните си макроикономически показатели, с динамичното си развитие в последните години, със способността ни да генерираме сигурност, особено за един труден, сложен регион какъвто е този на Балканите.

България влиза в Европейския съюз с намерението да играе активна роля в дебата по целия дневен ред на Съюза: по конституционния проект, по постигането на едно много ефективно взаимодействие между институциите, по финансирането, по провеждането на единна външна политика и политика на сигурност и отбрана.

Искам ясно да изразя подкрепата ни за инициативата на германското председателство и лично на канцлера, госпожа Ангела Меркел, за консултации, за своеобразна пътна карта по придвижването на конституционния проект. България влиза с амбицията да отстоява, уважаеми госпожи и господа, своя национален интерес — от културата до проблемите на енергийната сигурност. Но в същото време и със съзнанието, че можем и трябва да бъдем един солидарен член на Европейския съюз, че можем и ще правим своите необходими жертви и компромиси тогава, когато става дума за общия европейски интерес. България ще бъде стабилен, предсказуем, последователен член на Европейския съюз и това е мнението на всички български институции. Вярвам, че то достойно е представено от нашите депутати тук.

България влиза в Европейския съюз с най-добрите традиции на етно-религиозната си толерантност, утвърдени през десетилетията. Ние можем да предложим една солидна, работеща, аргументирана експертиза при вземането на европейските решения, засягащи проблематиката на Балканите. В тази връзка, искам още веднъж ясно да подчертая, че членството на България и Румъния в Европейския съюз е важен политически знак за необратимата европейска перспектива на Балканите. Това мотивира възможно най-силно народите и правителствата за запазването на трайния мир на Югоизточна Европа. Няма по-силна, по-убедителна мотивация от съхраняването на тази перспектива за народите от Западните Балкани. Затова България ще продължи да подкрепя нашите съседи, морално-политически и експертно, в техните усилия да изпълнят конкретните изисквания и критерии за членство, да решат предварително проблемите си, а не да ги „внасят“, образно казано, в организацията на демократичните страни.

Трябва да развием европейската визия за Западните Балкани, залегнала в „Солунския дневен ред“. И трябва да признаем, уважаеми госпожи и господа, че много от добрите идеи и проекти за Югоизточна Европа останаха само на книга. Време е да разберем, че има една особено важна инвестиция в мира и сигурността на региона, и това е развитието на инфраструктурата — на модерната, транспортна, комуникационна и енергийна инфраструктура. Това е най-късият път за преодоляването на икономическата и социалната му изостаналост и за пълноценното му интегриране. Решаването на този проблем не може да стане без привличането на инвестиции от страна на Европейския съюз, като естествен икономически партньор и притегателен център за страните от региона.

И затова не са необходими подаръци. Има работещи схеми за публично-частно партньорство, които ние неведнъж сме обосновавали, и чрез които бихме могли да деблокираме работата по европейските коридори №4, №8 или №10, добавената стойност на българското присъединяване към Европейския съюз, възможностите за укрепването на общата външна политика и политиката на сигурност, преди всичко с акцент върху Западните Балкани, Черноморския басейн и Кавказ. Региони, които са приоритетни и за външните отношения на Съюза. Нещо повече, тяхната стратегическа тежест в международните отношения обективно ще нараства.

Имаме готовност и желание да участваме активно със своите знания и опит в определянето и провеждането на политиката на Европейския съюз в тази част на Европа. Впрочем, България вече доказа способностите си да действа активно в провеждането на някои от основните акценти на тази политика — енергийната сигурност, по отношение на инфраструктурата, превенцията на тероризма, нелегалната миграция и екологията. В същото време, нашата обща визия следва да включва и конкретни мерки за подобряването на взаимодействието между Европейския съюз и Организацията за Черноморско икономическо сътрудничество.

Уважаеми госпожи и господа, България е готова да участва в дебата по общата енергийна сигурност на Европа. Ние ще имаме своята активна позиция, не само защото в енергийната сфера плащаме най-високата цена на присъединяването ни към Европейския съюз. Ние влизаме със самочувствието на страна, която е фактор на енергийната сигурност в региона, не само защото досега покривахме една не малка част – 45% – от енергийния дефицит на нашите съседи. Определено смятам, че документът на Европейската комисия от м. януари т.г. относно енергийната политика на Европа създава солидна основа за изработването на обща енергийна политика. Оценяваме високо приноса на германското председателство с ясно формулираните акценти за екологично съобразно снабдяване с енергия в рамките на Европейския съюз.

България, от своя страна, ще има своя принос, своя европейски принос, като възлов център на транзита на петрол и газ от Изтока към Запада, в търсенето и развитието на възобновяеми енергийни източници, с постиженията и възможностите в областта на изследванията за енергетиката.

Смятам за особено важни, уважаеми госпожи и господа, обоснованите в новите европейски документи изводи и намерения относно развитието на ядрената енергетика. Реших да говоря по-обстойно по този въпрос тук пред вас по няколко причини.

Първо, защото Европейският парламент е институцията, която е проявявала особено осезателно разбиране към енергийните проблеми в Югоизточна Европа, в частност към българските. И използвам случая да благодаря на комисията по външна политика, на г-н Джефри ван Орден, докладчик за България, на г-н Ари Ватанен, който инициира писмото до Европейската комисия, на всички депутати, които участваха активно, ангажирано в дискусиите по съдбата на малките реактори на АЕЦ „Козлодуй“. За съжаление, за приемането на този текст не достигнаха 4-5 гласа.

Впрочем, струва си да си зададем въпроса какви са реалните последици от това, че 3-ти и 4-ти блок на нашата атомна централа бяха изведени от експлоатация. Регионът се изправи пред сериозна енергийна криза. Сега някои от страните изпитват остър недостиг, има страна с тежък режим на тока. Това, заедно с повишаването на цените, може да доведе до икономическа и политическа нестабилност на региона.

На второ място, трябва да призная, че бях провокиран от изказването на комисаря по енергийната политика за това, че 3-ти и 4-ти блок били спрени поради съмнения в тяхната безопасност. Нека да е ясно, уважаеми госпожи и господа, ние повече от всеки друг държим на изискването за безопасност на нашата ядрена централа. Това обяснява и факта, че затворихме първите два реактора на АЕЦ „Козлодуй“ още на 31 декември 2002 г. Спрямо 3-ти и 4-ти блок, обаче, беше извършена мащабна модернизация, която приведе тези блокове в качествено ново състояние, различно от проектното.

Многобройните проекти на Световната асоциация на ядрените оператори, на Асоциацията на западноевропейските органи за ядрено регулиране, на групата по атомните въпроси на Съвета на Европейския съюз, на Международната агенция по атомна енергия доказаха, че не съществуват никакви технически причини, възпрепятстващи нормалната експлоатация, и доказаха високото ниво на безопасност съгласно международните стандарти.

Впрочем, на вниманието на всички европейски депутати ще бъде предложен материал, който съдържа основната част от тези изводи. И аз не възразявам, в един непредубеден дебат, да видим кои са контра аргументите, да видим на какви факти се базират съмненията. Нещо повече, искам ясно да кажа, че ако нашите партньори от Европейския съюз счетат за необходимо, България би приела една нова партньорска проверка на блокове 3 и 4 на атомната ни електроцентрала, която да се извърши със съдействието на всички гореспоменати органи, имащи отношение към ядрената енергетика. Разбира се, при ясно определяне на мандата на една такава проверка.

Ние, уважаеми членове на Европейския парламент, стриктно се придържаме към утвърдения принцип в международните отношения, че договорите трябва да се спазват. И България коректно изпълни своите ангажименти. Ако има воля сега да се оцени сложната ситуация и в региона, заплахите за отделните страни, в това число и за България, решение може да се намери в рамките на Договора за присъединяване, като се позовем на член 36. Защото, докато вземаме солидарни решения за бъдещето на европейската ни енергийна сигурност, нека помислим и за нейното настояще.

Уважаеми г-н Председател, госпожи и господа, накрая бих желал да засегна един важен и болезнен въпрос, както за българите, така и, вярвам, за всички вас — въпроса за съдбата на осъдените в Либия медици. Защитата на техните права се превърна в кауза не само за българското общество, но и за международната демократична общност. В това отношение за нас е от особена важност, че броени дни след приемането на България в Европейския съюз получихме пълна подкрепа и солидарност от страна на Европейския парламент. Благодарим за тази солидарност и разчитаме, че тя ще се запази и ще допринесе за бързото и справедливо решение на този проблем. Оценяваме в не по-малка степен и съчувствието, което европейските институции и страните-членки проявяват към засегнатите деца от трагедията и техните семейства.

(Аплодисменти)

Необходими са по-активни действия, повече усилия и по плана за действие и по осъществяването целите на международния фонд за Бенгази. Впрочем, искам да кажа, че намирам участието на големите петролни фирми, които имат своя добър бизнес в Либия, за твърде символично в този фонд. България, от своя страна, ще продължи да бъде съпричастна към тези усилия. Успоредно с това ние ще търсим изход и по линия на двустранния диалог с либийската страна, както и в активно взаимодействие с Европейската комисия, Председателството на Европейския съюз и страните-членки. Очакваме разрешаването на този въпрос да остане приоритет в отношенията между Европейския съюз и Либия.

Уважаеми г-н Председател, уважаеми членове на Европейския парламент, силна Европа е възможна само ако има силни лидери – държавници и политици, способни да налагат визия и да вземат конкретни решения, за да преодолеем стъписването пред конституционния проект, за да не се губи перспективата за разширяването на Европейския съюз, за приемането на необходими стъпки по формирането на общата енергийна политика. България ще даде своя принос, за да стане всичко това възможно.

Благодаря ви!

(Събранието аплодира на крака оратора)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Mijnheer de president, wij danken u voor uw toespraak, een toespraak die ons moed geeft omdat u gezegd heeft dat u zich vastberaden zult blijven inspannen om Bulgarije te hervormen. U wilt zelfs meer vaart achter die hervormingen zetten en u heeft zich er zonder voorbehoud toe verbonden om de hervormingen die in de EU noodzakelijk zijn te ondersteunen, met andere woorden om ons gemeenschappelijke constitutionele proces te bevorderen. U verwees ook naar de solidariteit en het vertrouwen in de Europese Unie. Wij zijn dankbaar dat Bulgarije lid van de Europese Unie is geworden en wij kunnen u één ding beloven: het Europees Parlement zal zich net zo lang voor de vrijheid van de Bulgaarse verpleegsters blijven inzetten, tot het moment dat zij vanuit Libië weer in Bulgarije zijn teruggekeerd. Die belofte mag u aan uw landgenoten overbrengen!

(Applaus)

Wij bedanken u voor uw bezoek: u bent speciaal naar Brussel gekomen om het Europees Parlement toe te spreken! U heeft hier geen andere afspraken. Daarvoor zeggen wij u dank. Wij wensen u een goede terugreis naar Sofia, een goede toekomst voor Bulgarije en alle goeds voor u persoonlijk als president van Bulgarije!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (ITS).(FR) Mijnheer de Voorzitter, mijn beroep op het Reglement is gebaseerd op artikel 182 van het Reglement. We hebben nu net de eerste berichten ontvangen over de verkiezingen voor de commissiebureaus. Die verkiezingen zijn tijdens een vergadering van de secretarissen-generaal van de fracties georganiseerd en die is op basis van de regel van d’Hondt uitgekomen op een proportionele zetelverdeling, om zo te verzekeren dat alle richtingen vertegenwoordigd zijn. Dat is iets waar dit Parlement zichzelf zowel naar binnen als naar buiten toe steeds weer op laat voorstaan – we geven politieke instellingen over de gehele wereld daar steeds weer advies over.

Niemand heeft dit akkoord aangevochten, en zeker niet tijdens de Conferentie van voorzitters. En toch is dat akkoord op een schandalige wijze geschonden, en wel – zoals te verwachten – ten koste van mijn fractie, en mijn fractie alleen. Het is inderdaad zo dat mijn fractie geen kandidaten heeft voorgesteld tegen mijn communistische, socialistische, liberale of christendemocratische collega’s, omdat we geloofden – of beweerden te geloven – in de eerlijkheid en onpartijdigheid van onze collega’s en hun bereidheid beloften gestand te doen. Uiteraard zijn die beloften niet nagekomen. Dit zijn lage en kleinzielige tactieken, een Parlement dat beweert de hele wereld tot voorbeeld te strekken beslist onwaardig.

Er zijn hier inderdaad opzettelijk frauduleuze praktijken gevolgd om de eerlijkheid van de verkiezingen te ondermijnen. Wij hebben hiervan notie genomen. We zullen nu met alle middelen die ons ter beschikking staan proberen onze rechten te doen gelden en we zullen daarbij om te beginnen een oproep richten tot de openbare opinie in onze landen. Dank u wel dames en heren, voor de reclame die u voor ons gemaakt heeft!

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Geachte collega Gollnisch, er wacht ons nog een uitgebreid programma en wij kunnen na de stemmingen op deze kwestie terugkomen. Ik heb u het woord gegeven en u weet dat u dan doorgaans één minuut spreektijd tot uw beschikking heeft. U heeft echter 1 minuut en 53 seconden gesproken. Ziet u dat dan deze keer maar als voorbeeld van een meer dan redelijke fatsoenlijkheid. Ik hoop dat u hier op gepaste wijze nota van neemt. Wij komen na de stemmingen op deze kwestie terug.

 

6. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

7. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de stemmingen.

(Uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen.)

 

7.1. Bescherming van inzittenden tegen de verplaatsing van bagage (stemming)

7.2. Goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft (stemming)

7.3. Overeenkomst EG/Korea voor wetenschappelijke en technologische samenwerking (stemming)

7.4. Mainstreaming van duurzaamheid in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid (stemming)

7.5. Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2007 (stemming)

7.6. Mensenrechten van Dalits (kastelozen) in India (stemming)
MPphoto
 
 

  Hartmut Nassauer (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik zou willen voorstellen om overeenkomstig artikel 168, lid 2, van het Reglement van de mogelijkheid gebruik te maken om dit verslag terug te verwijzen naar de parlementaire commissie en wel op de volgende gronden: ik ben op de hoogte van de problematiek rondom artikel 90. In dit verslag wordt de situatie van de Dalits in India, de zogenaamde onaanraakbaren, ongetwijfeld op treffende wijze beschreven. Duidelijk is ook dat niemand van ons deze gebeurtenissen in India goedkeurt en dat wij verplicht zijn al het mogelijke te doen om hier verandering in te brengen. Tegen dit verslag zijn echter vanuit India aanzienlijke bezwaren gemaakt, omdat het probleem te maken heeft met het kaste-systeem dat in dat land onderdeel uitmaakt van de traditie en cultuur.

Daarom wil ik graag in overweging geven of het gezien het doel dat wij willen verwezenlijken, niet verstandig is om dit verslag naar de parlementaire commissie terug te verwijzen. Het maakt daarbij niet uit of wij vervolgens wellicht precies hetzelfde besluit nemen zoals dat nu ook in de ontwerpresolutie wordt voorgesteld. Het zou mijns inziens verstandig zijn om nog eens met de Indiase autoriteiten te overleggen, omdat wij al te vaak worden aangemerkt als die Europanen die met hun belerende wijsvinger anderen terecht willen wijzen. Uiteindelijk doet dat meer kwaad dan goed voor het doel dat wij willen verwezenlijken. Daarom zou het volgens mij verstandig zijn om op deze manier te werk te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Hannes Swoboda (PSE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, als ik het goed heb begrepen, heeft u gezegd dat de ontwerpresolutie op grond van artikel 90 is aangenomen omdat er geen bezwaar is aangetekend.

Ten tweede worden wij voortdurend geconfronteerd met ambassades die ons weer ergens op aan willen spreken, in dit geval de Indiase ambassade. Wij zijn echter niet de spreekbuis van ambassades, maar van de Europese bevolking, en daarom vind ik dat wij aan deze ontwerpresolutie vast moeten houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil een heel ander punt aan de orde stellen. Op het moment dat dit verslag door de Commissie ontwikkelingssamenwerking werd behandeld, was ik vicevoorzitter van de Subcommissie mensenrechten en assistent-coördinator van de Commissie buitenlandse zaken. Dit verslag gaat primair over mensenrechten. Hierover is geen advies ingewonnen, noch bij de Commissie buitenlandse zaken noch bij de Subcommissie mensenrechten. Wij hebben geen gelegenheid gehad om amendementen in te dienen. Het gaat hier om een verslag over de mensenrechten dat door de Commissie ontwikkelingszaken wordt behandeld, maar dit onderwerp valt niet onder hun bevoegdheid.

Het gaat hierbij niet alleen om een interventie van de Indiase regering, maar zeker ook over de gevolgde procedure. Het is toch ondenkbaar dat er een verslag door dit Parlement wordt geloodst zonder stemming of een mogelijkheid om het te wijzigen, terwijl de parlementaire commissies die eigenlijk ten principale verantwoordelijk zijn, het verslag nooit gezien hebben, laat staan de kans hebben gekregen om feitelijke onjuistheden te corrigeren. Dat is niet in overeenstemming met onze werkprocedures!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Cohn-Bendit (Verts/ALE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, de heer Swoboda zei het zojuist al: het besluit is genomen en dat betekent einde debat! Alle nieuwe overwegingen zijn thans overbodig. Als de collega’s Nassauer en Tannock een ander verslag willen overleggen, zullen zij helemaal opnieuw moeten beginnen en dan kunnen wij dat verslag over vijf jaar opnieuw in stemming brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nirj Deva (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, als onderhandelaar over dit verslag in de Commissie ontwikkelingssamenwerking kan ik het eens zijn met de opmerking van mijn collega, de heer Tannock, omdat juist vanwege het feit dat wij een Subcommissie mensenrechten hebben, dat verslag ook voor advies aan die Subcommissie voorgelegd had moeten worden. De Commissie ontwikkelingssamenwerking heeft dit verslag weliswaar opgesteld, maar ik blijf van mening dat het aan de Subcommissie mensenrechten voorgelegd had moeten worden, omdat dit onderwerp in wezen over mensenrechten gaat. Daarom is mijn voorstel dat wij het verslag terugverwijzen naar de commissie ten principale en dat wij de Subcommissie mensenrechten van de Commissie buitenlandse zaken om advies in dezen vragen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, als voorzitter van de Delegatie voor de betrekkingen met de Zuid-Aziatische landen en de Associatie voor Regionale Samenwerking in Zuid-Azië (SAARC) onderken ik dat dit een uiterst gevoelig verslag is. Wij kunnen er echter niet omheen dat er van feitelijke onjuistheden sprake is.

Om procedurele redenen is dit verslag in de Commissie ontwikkelingssamenwerking al op 19 december 2006 goedgekeurd; de deadline was eigenlijk 15 januari 2007. De tussenliggende periode viel voor het grootste gedeelte samen met het kerstreces. Wij hebben de kwestie grondig bestudeerd. Er is een aantal bijeenkomsten geweest en er zijn adviezen ingewonnen. Als Delegatievoorzitter zou ik nu graag ons standpunt in willen brengen. Daarom steun ik de terugverwijzing naar de commissie. Zonder een debat of een stemming kunnen wij een dergelijk verslag hier niet aannemen. Het democratische controleproces wordt op deze manier omzeild en ik vind het belangrijk dat wij de geloofwaardigheid van dit Parlement in stand houden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Luisa Morgantini (GUE/NGL).(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik ben zeer droevig vanwege het voorbeeld dat we stellen met betrekking tot een resolutie waar we grondig over hebben gedebatteerd binnen de Commissie ontwikkelingssamenwerking en waar we tijd genoeg voor hebben gehad om amendementen in te dienen. Dit vraagstuk houdt geen inmenging in – in ieder geval niet meer dan veel andere, veel krachtigere resoluties die door dit Parlement zijn aangenomen – in de binnenlandse aangelegenheden van China.

We weten maar al te goed dat het kaste-vraagstuk uitermate gevoelig ligt, maar we hebben geluisterd naar de Dalits, die niet alleen in India leven, maar ook in veel andere landen: het gaat hier om miljoenen mensen die in erbarmelijke en onmenselijke omstandigheden leven.

Het spijt me, maar ik denk echt dat ons Parlement een slecht voorbeeld stelt en ik ben van mening dat er, zoals het geval is met alle andere resoluties waarover gestemd wordt, over deze resolutie, waar de Commissie ontwikkelingssamenwerking al voor heeft gestemd, ook in het Parlement gestemd moet worden, aangezien het hier gaat om een zaak van menselijke waardigheid en het recht van miljoenen mensen om te leven, en respect te ontvangen voor hun levens en hun waardigheid.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Geachte collega’s, wij moeten onze eigen voorschriften naleven. Ik lees dadelijk artikel 90, lid 4, voor. Luister daar even aandachtig naar, want het is geen eenvoudig artikel. Dit is wel het artikel waaraan de Voorzitter gebonden is, wat betekent dat ik mij aan het vigerend recht moet houden:

“De aldus tot stand gekomen aanbevelingen worden ingeschreven op de agenda van de eerste vergaderperiode volgend op de indiening ervan. In spoedeisende gevallen kunnen bij besluit van de Voorzitter aanbevelingen worden ingeschreven op de agenda van een lopende vergaderperiode. De aanbevelingen worden geacht te zijn aangenomen tenzij vóór het begin van de vergaderperiode ten minste veertig leden schriftelijk hiertegen bezwaar hebben gemaakt; in dat geval worden een debat en stemming over de aanbevelingen van de commissie als agendapunten opgenomen op de agenda voor dezelfde vergaderperiode. Een fractie of ten minste veertig leden kunnen amendementen indienen.”

Ik moet thans constateren – en daarbij houd ik mij aan het Reglement, want dat is mijn plicht – dat er niet voorafgaand aan de vergadering door minstens veertig leden schriftelijk bezwaar is ingediend. Mijn voorstel zou dan ook zijn dat de bevoegde parlementaire commissies zich nog een keer over dit onderwerp buigen; het blijft immers een heikel onderwerp. Mochten de parlementaire commissies op een later tijdstip tot een ander besluit komen, dan is dat geen enkel probleem. Op dit moment heb ik echter geen andere keuze omdat ik gebonden ben aan het Reglement van het Parlement.

(Applaus)

 

7.7. Partnerschapsovereenkomst inzake visserij EG/Gabon (stemming)

7.8. Moratorium op de doodstraf (stemming)
  

– Vóór de stemming over paragraaf 2

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Flautre (Verts/ALE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u verzoeken om in paragraaf 2, na “wereldwijd moratorium op de tenuitvoerlegging van de doodstraf” de zinsnede “met als doel volledige afschaffing ervan” toe te voegen.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

– Vóór de stemming over overweging H

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de volgende kleine aanvulling op overweging H willen voorstellen in verband met de executie van Saddam Hussein: “ ... en de wijze waarop die is uitgevoerd, betreurend”.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 

7.9. Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten (stemming)
  

– Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bushill-Matthews (PPE-DE). (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een korte opmerking over amendement 1 dat ik als schaduwrapporteur namens de PPE-DE-Fractie heb ingediend. De tekst klopt op zich, maar ik had wel moeten vermelden dat professor Trakatellis de oorspronkelijke auteur van dat amendement is. Mijn excuses aan hem dat ik zijn naam niet heb genoemd. Ik hoop dat dit goede amendement door de vermelding van de naam van de auteur op een nog bredere steun in dit Parlement kan rekenen.

 

7.10. Verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot letsel en dodelijke ongevallen (stemming)

7.11. Discriminatie van vrouwen en meisjes in het onderwijs (stemming)
  

– Vóór de stemming over overweging G

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Zaleski (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, het betreft slechts een korte toelichting op het volgende amendement:

(PL) In het verslag wordt melding gemaakt van veel negatieve aspecten van het zogeheten feminisme en de segregatie en daarom vind ik het belangrijk om ook eens op een positief voorbeeld te wijzen. Marie Skłodowska-Curie is namelijk een inspirerend model als vrouw, moeder, echtgenote, wetenschapper, winnaar van de Nobelprijs en voorbeeldig Europeaan. Ik ben dan ook verbaasd dat de rapporteur, mevrouw Flasarová, bezwaar heeft tegen Marie Skłodowska-Curie. Ik begrijp niet wat daar de reden van kan zijn. Is het een kwestie van vrouwen tegenover elkaar? Is dit politiek en psychologisch correct?

 
  
  

– Vóór de stemming over de aldus gewijzigde ontwerpresolutie

 
  
MPphoto
 
 

  Věra Flasarová (GUE/NGL), rapporteur. – (CS) Hartelijk dank dat u mij het woord hebt gegeven, mijnheer de Voorzitter. Ik denk wel te mogen stellen dat er in onze Europese Unie en in Europa als geheel veel te veel belangwekkende vrouwen zijn op om te kunnen noemen. Daarom zou niet alleen mevrouw Marie Curie-Skłodowska, die ik overigens ten zeerste bewonder, op de lijst moeten staan. Maar ik denk in ieder geval dat in dit verslag een aantal kwesties worden behandeld die hier zijn genoemd. Dank u wel.

 

7.12. Betrekkingen tussen de EU en de eilanden in de Stille Oceaan - strategie voor versterkt partnerschap (stemming)

7.13. Statuut van de Europese besloten vennootschap (stemming)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Hiermee is de stemming beëindigd.

 

8. Stemverklaringen
  

– Verslag-Barón Crespo (A6-0473/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik steun de aanbeveling voor de goedkeuring van “niet als oorspronkelijke uitrustingsstukken geleverde scheidingssystemen die gebruikt worden om inzittenden tegen de verplaatsing van bagage te beschermen”, omdat hierdoor niet alleen de handel in motorvoertuigen tussen verschillende contractspartijen wordt vereenvoudigd, maar ook een grotere veiligheid en een betere milieubescherming worden gewaarborgd.

Tegen die achtergrond kan ik een harmonisatie van de regelingen voor motorvoertuigen ondersteunen.

 
  
  

– Verslag-Barón Crespo (A6-0472/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik steun het ontwerp-reglement inzake “de goedkeuring van motorvoertuigen wat het gezichtsveld naar voren van de bestuurder betreft”. Door de harmonisatie van de regelingen voor motorvoertuigen worden niet alleen de handelsbelemmeringen gereduceerd die er tussen de verschillende contractspartijen bestaan, maar wordt ook een hoog veiligheidsniveau gewaarborgd.

Door dit ontwerp wordt er voor gezorgd dat bestuurders een goed zicht hebben door de voorruit en andere ruiten van motorvoertuigen. Met het oog op de veiligheid in het algemeen, verdient dit verslag zonder meer onze steun.

 
  
  

– Verslag-Chichester (A6-0470/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik zal vóór dit verslag stemmen, omdat het een ondersteuning vormt van onze Overeenkomst voor wetenschappelijke en technologische samenwerking met de Republiek Korea. De rol van Seoul als belangrijke industriële speler op de wereldmarkt wordt steeds groter. Daarom is het essentieel dat de EU de samenwerking met dit land intensiveert, een land dat van oudsher meer op de VS dan op de EU is gericht. Ik ga ervan uit dat deze overeenkomst ook wetenschappelijk en technologisch onderzoek in de industriële Kaesong-zone bestrijkt, een gebied dat onder gemeenschappelijk beheer van Noord- en Zuid-Korea valt. Ik ben ervan overtuigd dat de Republiek Korea onze betrokkenheid op prijs stelt nu Washington zijn steun heeft ingetrokken.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. (EL) Wij zijn vierkant tegen het voorstel van de Raad betreffende de wetenschappelijke samenwerking van de EU met Korea, omdat de oriëntatie en de versplintering van het onderzoek bijdragen aan de winstgevendheid van de monopolistische concerns en meer in het algemeen het kapitaal. Dit voorstel houdt totaal geen rekening met de echte behoeften van de werknemers. De volkeren hebben er alle belang bij zich te verzetten tegen deze reactionaire keuze inzake onderzoek, tegen dergelijke overeenkomsten en het arbeidersvijandige beleid in het algemeen en tegen de EU zelf. Zij moeten strijden voor radicale veranderingen, opdat het onderzoek wordt omgebogen en gericht op de hedendaagse behoeften van de arbeidersklasse en de gewone man.

 
  
  

– Verslag-Budreikaitė (A6-0474/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het uitstekende verslag gestemd van de Litouwse afgevaardigde mevrouw Budreikaitė, over mainstreaming van duurzaamheid in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Zij wijst er terecht op dat duurzame ontwikkeling is gebaseerd op het idee dat aan de behoeften van de huidige generatie tegemoetgekomen moet worden, zonder de kansen van toekomstige generaties daarbij teniet te doen. Het is goed om concepten van duurzame ontwikkeling te mainstreamen in het overheidsbeleid, zowel op Europees niveau als op dat van de lidstaten. Het betreft concepten als economische welvaart, sociale cohesie en de eerbiediging van het milieu. Mainstreaming is essentieel als het gaat om ontwikkelingssamenwerking, die zeer moeilijk te verwezenlijken is vanwege de wereldwijde demografische ontwikkelingen en de noodzaak om armoede uit te bannen. De EU moet vooroplopen wat betreft de wereldwijde bekrachtiging van concepten van duurzame ontwikkeling. Dit is immers een van de belangrijkste taken van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Dit verslag verzuimt melding te maken van de onderliggende oorzaken van de steeds wijder wordende maatschappelijke kloof en de ongelijkheid op het gebied van ontwikkeling, de ongeremde exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en de wereldwijde massale vernietiging van het milieu. Het blijft bovendien in gebreke de werkelijke schuldige aan te wijzen – het kapitalisme. Toch bevat dit verslag een vrij groot aantal punten en voorstellen waar wij het mee eens kunnen zijn, zoals de oproep aan de lidstaten om zich serieus in te zetten voor het realiseren van de doelstelling volgens welke 0,7 procent van het BNI moet worden gereserveerd voor het verwezenlijken van doeltreffende, door solidariteit gekenmerkte ontwikkelingshulp.

Een aantal andere punten kunnen we echter niet aanvaarden. Ik noem hier de volgende punten:

- omdat “de plaatselijke gemeenschappen in ontwikkelingslanden niet altijd over de nodige financiële middelen beschikken om grootschalige investeringen te doen voor de bouw en het onderhoud van infrastructuurnetwerken, bijvoorbeeld voor watervoorziening of drainering”, concludeert het verslag dat enkel “bijkomend privékapitaal in een publiek-private samenwerking voor voldoende financiering zal zorgen”;

- het verlichten – en dus niet: het kwijtschelden – van de schulden van de minst ontwikkelde landen wordt afhankelijk gemaakt van wat “behoorlijk bestuur” wordt genoemd, terwijl de criteria voor zulk “behoorlijk bestuur” door de grootste mogendheden naar eigen goeddunken worden vastgesteld.

Vandaar onze stem.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) In de afgelopen vijftien jaar hebben wij weliswaar vooruitgang geboekt bij het bestrijden van de armoede, maar bij lange na niet in de mate die wij hadden gehoopt. Het bevorderen van de economische ontwikkeling van een land betekent namelijk nog lang niet dat daardoor ook de armoede wordt teruggedrongen. Geld dat voor het verbeteren van het lot van mensen in achterstandssituaties is bestemd, mag niet in corrupte systemen blijven hangen, laat staan voor de aankoop van wapens of voor het in stand houden van dictatoriale regimes gebruikt worden.

Daarom is er betere controle nodig op de doelmatigheid van onze steun; wij moeten controleren of onze ontwikkelingshulp op de juiste plaats en voor de juiste doelen wordt gebruikt. In dat verband zou het zeker nuttig kunnen zijn om te overwegen ons op de zogeheten ‘ankerlanden’ te concentreren, omdat deze een geweldige impuls kunnen geven aan de ontwikkeling van een hele regio. Daarnaast moeten wij voor nieuwe initiatieven open staan, zoals het verstrekken van microkredieten, omdat arme mensen hierdoor duurzaam op eigen benen kunnen staan.

 
  
  

Mensenrechten van Dalits in India (B6-0021/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE).(EN) Ik wilde alleen nog iets toevoegen aan wat ik eerder zei over de manier waarop de resolutie over de mensenrechten van de Dalits door het Parlement is gekomen zonder dat we de kans hebben gekregen deze te wijzigen. In het bijzonder wilde ik wijzen op een aantal feitelijke onnauwkeurigheden in het verslag, dat nooit voor advies is voorgelegd aan de Commissie buitenlandse zaken of de Subcommissie mensenrechten. Ik teken protest aan tegen de manier waarop artikel 90, lid 4 van het Reglement door bepaalde leden van dit Parlement wordt gebruikt. Zo wordt in de resolutie de frequentie benadrukt waarmee misdrijven tegen de Dalits worden begaan en worden de wreedheden tegen hen, waaronder moorden, aan de orde gesteld. Ik wil er toch op wijzen dat het feitelijke percentage van moorden op Dalits in India 2,04 procent bedraagt, terwijl zij 14 procent van de bevolking uitmaken. Eigenlijk heb je als Dalit dus een veiliger leven dan wanneer je iemand uit een van de andere kasten bent.

In de resolutie wordt geen melding gemaakt van het effect van de Prevention of Atrocities Act, die was bedoeld om degenen die Dalits aanvallen veroordeeld te helpen krijgen, en bovendien wordt ook niet vermeld dat het alfabetismecijfer, dat voor Dalits inderdaad heel laag is, zeer dicht bij het nationaal gemiddelde ligt. Evenmin wordt vermeld dat er een nationale beloning bestaat vanuit de regering die in feite bedoeld is om onaanraakbaarheid uit te roeien, en dat er financiële prikkels worden gegeven ter bevordering van huwelijken tussen verschillende kasten.

Dit verslag is buitengewoon onevenwichtig; het staat vol feitelijke onnauwkeurigheden en ik betreur het feit dat u, mijnheer de Voorzitter, niet de mogelijkheid had om het terug te verwijzen naar de commissie, maar ik heb mijn punt gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor deze ontwerpresolutie van de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement over de mensenrechtensituatie van de Dalits in India gestemd. Ik geloof dat de Europese Unie heel voorzichtig moet zijn met inmenging in de grondwet van andere landen, maar steun toch deze resolutie, waarin de onaanvaardbare situatie waarin de Dalits verkeren aan de kaak wordt gesteld. Die toestand is het gevolg van het niet toepassen van de verschillende bepalingen die discriminatie op grond van kaste verbieden.

Volgens het verslag en een hele reeks onderzoeken zijn de Dalits het slachtoffers van allerhande vergrijpen die ongestraft blijven. Daar komt bij dat vrouwen en kinderen wordt misbruikt. Ze zijn hoe dan ook telkens weer het slachtoffer van twee soorten discriminatie – kaste- en genderdiscriminatie – , en seksueel misbruik komt daar dan nog eens bij. Ja, het Europees Parlement doet er goed aan deze ontoelaatbare situatie aan de kaak te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) De behandeling van de Dalits in India stelt ons voor enkele ernstige mensenrechtenproblemen. Er zou sprake moeten zijn van een universeel recht op fatsoenlijk werk en non-discriminatie, en het kastenstelsel zoals dat momenteel in India bestaat garandeert de Dalits geen van beide. Aangezien de fundamenten van de EU en van het Europees Parlement zelf zijn gebaseerd op gedeelde waarden, waarvan non-discriminatie een essentieel aspect is, is het onze plicht onze bezorgdheid te uiten als we zien dat deze waarden worden geschonden en deze rechten worden ontzegd aan anderen in derde landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Margrietus van den Berg (PSE), schriftelijk. De omvangrijke problematiek van mensen die vandaag de dag nog steeds als kasteloos en dus 'onaanraakbaar' worden beschouwd, is schrijnend. De sociale segregatie die Dalits ondergaan is vergelijkbaar met de vroegere apartheid in Zuid-Afrika.

De grootste groep van deze 'onaanraakbaren' woont in India, het gaat daar om meer dan 160 miljoen mensen. Zij worden vaak uitgesloten van basisvoorzieningen als onderwijs, gezondheidszorg en schoon drinkwater, mogen geen land bezitten en zijn regelmatig slachtoffer van geweld en exploitatie.

Daarom stem ik vóór deze resolutie, die er bij de Indiase regering op aandringt zich meer in te zetten voor de effectieve uitbanning van discriminatie op grond van kaste en het bevorderen van gelijke kansen. Het is goed dat het Europees Parlement nu concrete voorstellen doet om iets tegen deze structurele discriminatie van een bevolkingsgroep te doen.

Zoals de Indiase premier op 27 december 2006 zelf zei: "Dalits have faced a unique discrimination in our society that is fundamentally different from the problems of minority groups in general. The only parallel to the practice of 'untouchability' was Apartheid in South Africa." Ik hoop dat de EU dit in haar betrekkingen met India gaat bespreken en meewerkt aan het uitbannen van deze grove sociale misstand.

 
  
  

– Verslag-Arnaoutakis (A6-0477/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Josu Ortuondo Larrea (ALDE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag mijn steun uitspreken voor de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Gabon en andere, vergelijkbare overeenkomsten met andere ACS-landen of bepaalde andere derde landen.

Deze overeenkomsten zijn gebaseerd op het beginsel van wederzijdse samenwerking en sluiten aan bij de partnerschapsbenadering zoals die nu wordt toegepast op de externe dimensie van ons gemeenschappelijk visserijbeleid. Met deze overeenkomsten bereiken we een tweeledig doel. We beschermen om te beginnen de belangen van de diepzeevloot van de Unie; én we dragen zo bij tot duurzame visserij in de wateren van de partnerlanden.

Ik wil er in dit opzicht graag op wijzen dat de Unie – en dus ook onze diepzeevloot – zich verbonden hebben om de visserijactiviteiten overal ter wereld op een duurzame wijze uit te oefenen, met inachtneming van de door de FAO opgestelde gedragscode voor verantwoorde visserij, zulks in tegenstelling tot andere vloten die illegaal opereren.

We dienen deze en andere overeenkomsten te steunen, omdat ze bijdragen tot de ontwikkeling van onze partnerlanden.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) De nieuwe partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Gabon is op 3 december 2005 in werking getreden en zal zes jaar geldig zijn. De overeenkomst bevat een protocol volgens hetwelk de visserijmogelijkheden voor vloten van de lidstaten die in deze wateren vissen – waaronder de Portugese vloot – met 40 procent zullen worden teruggebracht.

Daar komt bij dat de door de reders te betalen visrechten – net als bij andere overeenkomsten op het gebied van de tonijnvisserij het geval is – nu geen 25 procent, maar 35 procent van de totale kosten zullen bedragen, als gevolg van de verminderde bijdrage van de zijde van de Gemeenschap.

Het is dus mogelijk dat er niet veel gebruik zal worden gemaakt van de mogelijkheden die deze overeenkomsten bieden, wat kan leiden tot het uit de vaart nemen van een groot aantal van de voor diepzeevisserij gebruikte vaartuigen. In Portugal gebeurt dat nu reeds.

Dat gegeven noopt ons vragen te stellen bij de impact van deze overeenkomsten. De kosten voor de vloten blijven immers stijgen, terwijl de visserijmogelijkheden worden teruggebracht.

Het is zorgwekkend – zeker voor de Portugese vloot – dat deze nieuwe overeenkomst kan leiden tot een verstoring van de in de vorige overeenkomst bereikte stabiliteit en de wijze waarop de visserijmogelijkheden tussen de verschillende vloten waren verdeeld.

Portugal zal 50 procent van zijn visserijmogelijkheden voor de drijvende beug verliezen. Er zullen nu maar drie vergunningen worden toegekend (onder de vorige overeenkomst waren dat er zes).

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik steun dit verslag tot wijziging van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij. Ik steun met name de roep om grotere parlementaire betrokkenheid voorafgaand aan een eventuele verlenging van de overeenkomst. Verder ben ik blij dat de ontwikkelingsbehoeften van de kustbevolking erin aan de orde worden gesteld.

 
  
  

Moratorium op de doodstraf (B6-0032/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (ITS). – Voorzitter, ik heb uiteraard vóór de resolutie over een wereldwijd moratorium op de doodstraf gestemd, omdat ik persoonlijk ook een absolute tegenstander van de doodstraf ben.

Ik wil echter geen misverstand laten bestaan. Ik ben tegen de doodstraf, maar ik ben absoluut voor een zeer harde aanpak van de criminaliteit. Ik wil hier zeggen dat het omwille van de laksheid en de lafheid van vele regeringen in Europa is, waarbij zware criminelen van gemeen recht, moordenaars en kinderverkrachters, zoals in mijn land, systematisch vervroegd worden vrijgelaten, dat het omwille van die laksheid en die lafheid is dat opnieuw ook in Europa de roep om herinvoering van de doodstraf klinkt. Als tegenstander van de doodstraf versta ik die mensen en zeg ik dat met de klachten van die mensen rekening moet worden gehouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor deze gemeenschappelijk ontwerpresolutie gestemd. Ze is door vijf fracties opgesteld en heeft betrekking op een initiatief om een wereldwijd moratorium op de doodstraf te realiseren. Op dit moment wordt in Parijs het derde internationale congres tegen de doodstraf gehouden. Dit is dus een goed moment voor de Europese Unie om haar overtuigingen opnieuw tot uitdrukking te brengen en erop aan te dringen dat al het mogelijke wordt gedaan om een wereldwijd moratorium op de doodstraf te realiseren met als doel de volledige afschaffing ervan.

Terwijl ik dit schrijf, voel ik een zekere mate van trots dat ik onderdaan ben van een lidstaat die op voorstel van zijn president, de President van de Franse Republiek, de heer Chirac, en met de verstandige medewerking van de gekozen volksvertegenwoordigers, binnenkort zijn Grondwet zal herzien om een verbod op de doodstraf op te nemen (deze straf is reeds bij de wet verboden).

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk.(PT) Ik heb voor deze resolutie gestemd, omdat ik tegen de doodstraf ben. Deze straf is in onze 21ste eeuw een ontoelaatbare barbaarsheid en een schending van de menselijke waardigheid.

We mogen niet toestaan dat deze situatie voortduurt. Ik ben het daarom eens met het voorstel van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waarin wordt opgeroepen tot een wereldwijd moratorium op de doodstraf.

 
  
MPphoto
 
 

  Hanna Foltyn-Kubicka (UEN), schriftelijk. (PL) Ik onderschrijf de gezamenlijke ontwerpresolutie van verschillende fracties over een wereldwijd moratorium op het uitvoeren van de doodstraf niet en ik zal er ook niet voor stemmen.

Ik ondersteun de verplichtingen die Polen onder het internationaal recht op zich genomen heeft bij toetreding tot de Raad van Europa en de Europese Unie, maar ik deel niet de overtuiging dat het afschaffen van de doodstraf in andere delen van de wereld het probleem van geweld en wreedheid kan oplossen.

Ik vind dat we moeten protesteren tegen misbruik van de doodstraf en de barbaarse uitvoering ervan, zoals in het geval van Saddam Hoessein en Barzan Ibrahim al-Tikrit.

Maar ik vind het onverantwoordelijk, onzinnig en schadelijk om volledig af te zien van de doodstraf voor misdadigers, terroristen en bloeddorstige dictators in de meest instabiele en gewelddadige delen van de wereld.

De Europese Unie kan met een wereldwijd moratorium de landen die worden geteisterd door geweld geen wezenlijke hulp bieden voor de openbare veiligheid. Vanuit die invalshoek kunnen we ook het initiatief van de Italiaanse regering, dat vandaag de steun van de Europese Unie zal krijgen, beschouwen als hypocriet.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Een van de voorwaarden voor het lidmaatschap van de EU is dat lidstaten de doodstraf noch ten uitvoer leggen noch in hun wetboeken hebben vastgelegd. Het is niet meer dan terecht dat we dit wereldwijd proberen aan te moedigen.

De doodstraf is van de VS tot China, en van Centraal-Azië tot Centraal-Afrika een schande. Het probleem is dat we blijk geven van een zekere mate van hypocrisie wanneer bepaalde terechtstellingen aanvaardbaarder zouden zijn dan andere. De executie van Saddam Hoessein is net zo verkeerd als die van Timothy McVeigh, de Oklahoma Bomber, of van Ken Saro-Wiwa, de Nigeriaanse mensenrechtenactivist, of van de honderden slachtoffers van het meedogenloze, totalitaire regime van Saddam Hoessein. Ik kan alleen maar hopen dat we ons in de toekomst zullen blijven verzetten tegen dergelijke barbaarse publieke schouwspelen, net zoals we ons verzetten tegen de terechtstellingen in China, want dankzij de moderne technologie bestaat de mogelijkheid dat uitzending van executies via mobiele telefoon nu de plaats zal innemen van publieke terechtstellingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marcin Libicki (UEN), schriftelijk. (PL) Ik onderschrijf de gezamenlijke ontwerpresolutie van verschillende fracties over een wereldwijd moratorium op het uitvoeren van de doodstraf niet en ik zal er ook niet voor stemmen.

Ik ondersteun de verplichtingen die Polen onder het internationaal recht op zich genomen heeft bij toetreding tot de Raad van Europa en de Europese Unie, maar ik deel niet de overtuiging dat het afschaffen van de doodstraf in andere delen van de wereld het probleem van geweld en wreedheid kan oplossen.

Ik vind dat we moeten protesteren tegen misbruik van de doodstraf en de barbaarse uitvoering ervan, zoals in het geval van Saddam Hoessein en Barzan Ibrahim al-Tikrit.

Maar ik vind het onverantwoordelijk, onzinnig en schadelijk om volledig af te zien van de doodstraf voor misdadigers, terroristen en bloeddorstige dictators in de meest instabiele en gewelddadige delen van de wereld.

De Europese Unie kan met een wereldwijd moratorium de landen die worden geteisterd door geweld geen wezenlijke hulp bieden voor de openbare veiligheid. Vanuit die invalshoek kunnen we ook het initiatief van de Italiaanse regering, dat vandaag de steun van de Europese Unie zal krijgen, beschouwen als hypocriet.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) De fundamentele mensenrechten vormen een cruciaal onderdeel van de rol en identiteit van de Europese Unie. Als instelling van de EU heeft het Europees Parlement de plicht steun te geven aan pogingen om deze waarden buiten de grenzen van de Unie te verspreiden. Door het moratorium op de doodstraf te ondersteunen wordt de boodschap afgegeven dat bepaalde mensenrechten universeel moeten worden geëerbiedigd. Ik steun met name de verwijzing in de resolutie naar de schandalige manier waarop de executie van Saddam Hoessein is uitgevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez (ITS), schriftelijk.(FR) Natuurlijk is daar Frankrijk met z’n juridische verwikkelingen, en ja, Irak, waar degenen die belast zijn met de berechting van het staatshoofd met de raketten van de invallende troepen zijn meegekomen. Dan hebben we China, waar alles te koop is, en dus ook kogels om mensen het hoofd aan flarden te schieten. En we zwijgen liever over Libië en de Bulgaarse verpleegsters.

In de 21ste eeuw, waar het verdoezelen van zaken voortdurend terrein wint, wordt de doodstraf in Franse ziekenhuizen uitgevoerd. Ouderen worden daar omgebracht om bedden vrij te maken zodat daar maandag weer geld mee kan worden verdiend. De doodstraf wordt hier in het Europa van Maastricht in praktijk gebracht: door te verzuimen de nodige investeringen te doen hebben we de doodsklok over onze toekomst geluid.

De ideologische lepra van dominee Malthus – met nulgroei en duurzame onderontwikkeling – heeft onze besluitmakers geïnfecteerd. Aan de feestdis van het mensdom schijnen onvoldoende plaatsen te zijn. Daarom laten we ouderen omkomen tijdens hittegolven of brengen we ze om met injecties; daarom laten we mensen met vervroegd pensioen gaan, terwijl we de werkweek verkorten. De belastingwetgeving houdt ons in een wurggreep, de arbeidswetgeving laat ons geen ruimte en via de begrotingswetgeving korten we op alles. Bovenaan deze Malthusiaanse ladder met bezoekingen is het de strafwetgeving die onze maatschappij met de cultuur des doods bekleedt. In deze Malthusiaanse economie zijn de “euthanazistaat”, het “voorzorgsbeginsel” en de ultieme executiestraf de metgezellen van het duo trots en gezapigheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk.(FR) De lijst met landen die de doodstraf in hun rechtstelsel hebben is lang, maar de lijst met slachtoffers is nog langer. In 2005 alleen al zijn er 2 148 mensen terechtgesteld.

Hoe is de situatie in Europa? Is het mogelijk een Europese staat te zijn en de doodstraf toe te laten? Neen, dat is beslist niet mogelijk. Sterker nog: landen die tot de Europese Unie willen toetreden zijn verplicht de doodstraf af te schaffen.

Als leden van het Europees Parlement geloven we dat we verder moeten gaan. Dat is dan ook de bedoeling van deze resolutie tegen de doodstraf die vandaag door het Parlement is aangenomen. Met uitzondering van extreem rechts (zoals voorzien), hadden alle fracties de verklaring over een moratorium op de doodstraf met als doel de wereldwijde afschaffing ervan reeds ondertekend.

De voor het aannemen van deze resolutie vereiste meerderheid is behaald – een vrij ongewone consensus voor dit Parlement. Deze meerderheid maakt duidelijk dat de taken van de afgevaardigden meer inhouden dan alleen maar overeenstemming bereiken over visserijquota's. Belangrijker is echter dat we zo duidelijk maken dat Europa geen concessies doet met betrekking tot kernwaarden. Europa speelt een hoofdrol in strijd voor de afschaffing van de doodstraf. Het kan geen kwaad daarop te wijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN), schriftelijk. (PL) Ik onderschrijf de gezamenlijke ontwerpresolutie van verschillende fracties over een wereldwijd moratorium op het uitvoeren van de doodstraf niet en ik zal er ook niet voor stemmen.

Ik ondersteun de verplichtingen die Polen onder het internationaal recht op zich genomen heeft bij toetreding tot de Raad van Europa en de Europese Unie, maar ik deel niet de overtuiging dat het afschaffen van de doodstraf in andere delen van de wereld het probleem van geweld en wreedheid kan oplossen.

Ik vind dat we moeten protesteren tegen misbruik van de doodstraf en de barbaarse uitvoering ervan, zoals in het geval van Saddam Hoessein en Barzan Ibrahim al-Tikrit.

Maar ik vind het onverantwoordelijk, onzinnig en schadelijk om volledig af te zien van de doodstraf voor misdadigers, terroristen en bloeddorstige dictators in de meest instabiele en gewelddadige delen van de wereld.

De Europese Unie kan met een wereldwijd moratorium de landen die worden geteisterd door geweld geen wezenlijke hulp bieden voor de openbare veiligheid. Vanuit die invalshoek kunnen we ook het initiatief van de Italiaanse regering, dat vandaag de steun van de Europese Unie zal krijgen, beschouwen als hypocriet.

 
  
  

– Verslag-Ries (A6-0450/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Christofer Fjellner (PPE-DE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, het verslag-Ries en de strijd tegen obesitas gaan diep in op vragen die volgens mij onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen. Bovendien komen in het verslag kwesties aan de orde waar politici zich überhaupt niet mee bezig moeten houden. Naar mijn mening ontbreekt het perspectief van het individu totaal.

De vaststelling dat obesitas een chronische ziekte is, is niet alleen onjuist, maar bovendien neemt men daarom de verantwoordelijkheid op zich voor mensen met overgewicht, of erger nog, men ontneemt een groot aantal mensen met overgewicht de hoop dat ze hun eigen situatie kunnen beïnvloeden. Dat iemand overgewicht heeft, kan het symptoom van een chronische ziekte zijn, maar wie verder gaat in zijn beweringen, roept daarmee het stigma op dat het verslag juist zegt te willen afschaffen.

Het ergste is volgens mij echter iets heel anders, namelijk dat men de media in een richting wil sturen die het meest opportuun is. Dat is onaanvaardbaar en aan zoiets behoren politici niet mee te doen. Het verbaast mij dat zoveel van mijn Zweedse collega’s voor dit verslag hebben gestemd. Wij Zweedse conservatieven hebben uiteraard tegengestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Anna Hedh, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. – (SV) Wij vinden de beoordeling van wat chronische obesitas genoemd mag worden geen politiek vraagstuk. Dat is een taak voor de medische wetenschap. Daarom hebben we ons bij de stemming over deze kwestie van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het voortreffelijke verslag van onze collega, mevrouw Ries, over een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten gestemd. Het aantal zwaarlijvige mensen in Europa is de afgelopen dertig jaar enorm toegenomen. Deze ontwikkeling is vergelijkbaar met hetgeen er in de Verenigde Staten in de jaren negentig is gebeurd. Vandaag de dag wordt 27 procent van de mannen en 38 procent van de vrouwen als te zwaar of zelfs zwaarlijvig geclassificeerd.

De voorstellen van het Europees Parlement zijn gebaseerd op gezonde voeding, lichamelijke activiteit, en zorg die bij kinderen begint en ouderen blijft begeleiden. Professionals in de gezondheidszorg, sport, de kwaliteit van de landbouwproductie, schoolkantines, onderwijs, communicatie en voedseletikettering – het zijn allemaal factoren waar de Europese Unie rekening mee dient te houden bij de bestrijding van deze gesel.

Het is heel belangrijk dat de Europese Commissie een socio-economisch onderzoek uitvoert naar de gevolgen van aandoeningen die mede door overgewicht worden veroorzaakt, en dan niet alleen om vast te stellen wat de kosten voor de gezondheidszorg zijn (we weten dat het om tussen de 4 en 7 procent van de totale uitgaven gaat), maar ook om de impact op de werkgelegenheid te meten: werkloosheid, verloren werkdagen, arbeidsongeschiktheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Liam Aylward (UEN), schriftelijk. (EN) Eerder deze week heb ik de Ierse regering verzocht voorstellen in te dienen die zullen leiden tot een volledig verbod op televisiereclames voor voedingsmiddelen en dranken met een hoog vet-, suiker- en zoutgehalte en die specifiek gericht zijn op kinderen onder de 16.

Obesitas bij kinderen is in Ierland en in Europa een ernstig probleem en dit probleem moet op doeltreffende en praktische wijze worden aangepakt.

Een verbod zoals dat waar ik op doel, wordt momenteel in Groot-Brittannië ingevoerd na vier jaar van uitgebreid onderzoek en overleg. Voor dit onderzoek werden 2 000 interviews afgenomen met kinderen, ouders en leraren en werden de eetgewoonten bestudeerd van een panel van 11 000 mensen. Uit dit onderzoek bleek duidelijk dat televisiereclame van invloed is op de voedingsvoorkeuren van kinderen.

De Britse regering schat dat in huishoudens waar de programma's die door kinderen worden bekeken, voor een groot deel programma's zijn die zowel gericht zijn op volwassenen als op kinderen en jongeren, kinderen 41 procent minder reclames te zien krijgen voor voedingsmiddelen en dranken met een hoog vet-, suiker- en zoutgehalte.

We hebben het hier over de bescherming van onze kinderen en dat moet te allen tijde onze hoogste prioriteit zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek en Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. – (SV) Volksgezondheidsvraagstukken zijn zeer belangrijk, en mensen met gezondheidsproblemen moeten alle mogelijke steun kunnen krijgen.

Deze resolutie overschrijdt naar onze mening echter de grenzen van de subsidiariteit. De onderhavige kwesties moeten in plaats daarvan op nationaal en regionaal worden aangepakt, en daarom hebben we besloten ons van stemming te onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk.(PT) Ik heb vóór dit verslag gestemd, omdat de strijd tegen overgewicht voor de EU een prioriteit moet worden. Uit gegevens blijkt immers dat 27 procent van de mannen en 38 procent van de vrouwen in Europa te zwaar is.

Het meest zorgwekkend is wel zwaarlijvigheid bij kinderen. Meer dan 5 miljoen kinderen in de EU van de 25 zijn zwaarlijvig en daar komen elk jaar 300 000 gevallen bij. Deze tendens moet ten spoedigste worden gekeerd.

Ik sta achter het merendeel van de voorgestelde maatregelen. Als voorbeelden noem ik: de consument van kinds af aan informeren; beperkende maatregelen voor televisiereclame; voedingswaarde- en gezondheidsetikettering; een grotere samenhang tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gezondheidsbeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) We zijn tevreden dat dit verslag is goedgekeurd. Het noemt – onder andere – twee kernpunten. Erkend wordt dat het bevorderen van een gezond dieet en lichamelijke activiteit van cruciaal belang is bij het tegengaan van obesitas en dus een beleidsprioriteit voor de lidstaten moet zijn. Verder wordt de aanbeveling gedaan obesitas officieel als een chronische aandoening te erkennen.

Zwaarlijvigheid is de meest voorkomende manifestatie van verkeerde voeding en wordt teweeggebracht door opslag van te veel vet. Het kan aanleiding geven tot ernstige en progressieve aandoeningen. Het sterftecijfer voor zwaarlijvige mensen ligt hoger dan dat voor de rest van de bevolking. Zwaarlijvigheid vormt dus een steeds ernstiger probleem voor de volksgezondheid.

Het verslag meldt dat uit gegevens voor 2006 af te leiden valt dat over de gehele wereld meer dan 300 miljoen mensen zwaarlijvig zijn. Verder blijkt dat het aantal zwaarlijvigen de afgelopen vijftien jaar is verdubbeld.

Het volstaat dus niet de ziekte drastischer te bestrijden door patiënten toegang te verlenen tot gezondheidszorg, geneesmiddelen, psychologisch advies, enzovoorts. Er zal een op preventie gerichte strategie moeten worden ontwikkeld, mede gericht op het bevorderen van een gezond dieet en dito levensstijl. Bijzondere aandacht zal daarbij moeten uitgaan naar vrouwen en kinderen; onderzoek heeft immers aangetoond dat zij in het bijzonder de risicogroep vormen voor deze aandoening.

 
  
MPphoto
 
 

  Christa Klaß (PPE-DE), schriftelijk. (DE) Bij al onze inspanningen op het gebied van milieu en gezondheid staat de bescherming van de gezondheid centraal. De verantwoordelijkheid hiervoor berust bij de lidstaten en dat dient ook zo te blijven. Het preventiebeginsel wordt in dat verband steeds belangrijker. In het verslag-Ries worden de risico’s voor de gezondheid van obesitas, overgewicht en chronische ziekten beschreven. Waarom hebben onze kinderen eigenlijk overgewicht?

Wat zijn de oorzaken hiervan? Wij mogen deze discussie niet uit de weg gaan omdat wij het bewustzijn hieromtrent met name in gezinnen moeten verbeteren. De kennis om in ons dagelijks leven bewust en gezond met ons lichaam om te gaan, moet via scholen en algemene vorming worden overgedragen. Wij moeten veranderingen in onze samenleving doorvoeren om deze ziekten te voorkomen. Dat kan niet alleen op basis van een reclameverbod, door advertenties met voorlichting over een gezonde levenstijl en via het uitdelen van sporttassen aan kinderen als ze naar de basisschool gaan. Wij leven in een snelle maatschappij. Beide ouders werken. Vaak is er geen tijd voor gezin, opvoeding of koken.

Daardoor wordt het steeds belangrijker dat de maatschappij haar preventieve taken waarneemt. Scholen en educatieve instellingen dienen voorlichting te geven over de vaardigheden die nodig zijn voor een gezonde levensstijl. Desalniettemin moeten wij gezinnen en families op hun eigen plichten blijven wijzen en hun de mogelijkheden bieden om daarmee op verantwoorde wijze om te gaan. Ook de EU kan geen wet- of regelgeving uitvaardigen die ervoor zorgt dat alle mensen slank en gezond van het leven genieten. De lidstaten dienen weliswaar acties en maatregelen in gang te zetten, maar de verantwoordelijkheid om deze in de praktijk te brengen, berust uiteindelijk bij de mensen zelf.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Het siert de Europese Commissie dat ze er zich voor inzet dat iedereen een gezond dieet aanhoudt en lichamelijke activiteiten ontplooit om overgewicht, obesitas en chronische aandoeningen te bestrijden.

Deze uitzonderlijk lange, door de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid opgestelde ontwerpresolutie, met haar 18 overwegingen en 53 paragrafen, is evenwel onaanvaardbaar, aangezien ze aanbevelingen bevat die neerkomen op inmenging in de bevoegdheden van de lidstaten (onder andere door een communautair wetgevingskader voor te stellen).

Ik ben het uiteraard eens met de waarschuwing die we willen laten uitgaan. We hebben immers te maken met een obesitas-epidemie: drie miljoen kinderen en 20 tot 30 procent van de volwassenen zijn pathologisch zwaarlijvig, terwijl 14 miljoen kinderen en de helft van de volwassen bevolking te zwaar zijn.

Om gezonde eetgewoonten en het gebruik van kwaliteitsproducten te stimuleren hebben we goede bondgenoten – de Eurochefs. Dit is een vereniging van 4 000 koks uit 17 lidstaten. Zij zijn aan een erecode gebonden en ze maken zich sterk voor kwaliteitsvoeding en het gebruik van plattelandsproducten.

Ik geloof dat we van hun kennis en hun bereidheid om best practices aan te moedigen gebruik moeten maken …

(Stemverklaring ingekort overeenkomstig artikel 163, lid 1, van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik steun dit verslag van harte, evenals het Groenboek van de Commissie met de titel "Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten", waarover het verslag gaat. Volksgezondheidsproblemen zijn een bron van toenemende zorg in Europa, en dit verslag levert een welkome bijdrage. De nadruk die in het verslag wordt gelegd op de belangrijke rol die scholen spelen, dient te worden toegejuicht en hetzelfde geldt voor de roep om maatregelen die de alarmerende afname van de voedingswaarde van groenten en fruit tegengaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) Eigenlijk weet iedereen wel wat er wel en niet gezond is. Daar zijn geen etiketten van de EU voor nodig. Desondanks hebben wij ons voedings- en leefpatroon dermate gewijzigd dat overgewicht met alle bijbehorende negatieve gevolgen voor de gezondheid zorgwekkende vormen heeft aangenomen. De combinatie van te weinig beweging, slechte voeding en te veel televisie leidt daarnaast ook nog eens tot meer agressie.

De al lopende gezondheidscampagnes concentreren zich terecht op jonge leerlingen, omdat het risico van vetzucht in deze groep zeer groot is. Voedingsrijbewijzen en speciale “gezonde” kleuterscholen zullen ons echter niet bij het gewenste doel brengen. Ook een verbod op bepaalde advertenties is niet voldoende. De liefde voor de sport, belangrijk voor het verminderen van stress en agressie, gecombineerd met gezonde eetgewoonten dienen weer in het gezinsleven geïntroduceerd en gestimuleerd te worden.

Juist deze pijler van de samenleving ligt echter voortdurend onder vuur door de moderne arbeidsomgeving met flexibele werktijden, weekend- en ploegendiensten en de aanhoudende roep om nog langere openingstijden. Moe en uitgeput na een lange werkdag is de keuze voor “fast food” nu eenmaal sneller gemaakt dan voor het koken van een gezonde maaltijd. Ouders willen met chips en frisdrankjes voor de televisie tot rust komen en hun kinderen imiteren dat gedrag.

Wij prediken meer beweging, maar tegelijkertijd bezuinigen wij uit begrotingsoverwegingen op gymnastieklessen of stellen wij buitenlandse kinderen vanwege hun godsdienst daarvan vrij. Daarnaast wordt er tot slot ook nog eens bezuinigd op de financiële ondersteuning van sportverenigingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. (EN) Ik steun het verslag van mevrouw Ries over het bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging. Ik ben het ermee eens dat de strijd tegen obesitas bij kinderen voor de Europese Unie en haar lidstaten een politieke prioriteit moet zijn. We moeten dringend stappen ondernemen om kinderen aan te moedigen gezond te leven en er bij de lidstaten op aandringen dat scholen meer tijd beschikbaar stellen voor lichamelijke opvoeding.

Het verheugt mij dat in het verslag het belang en de mogelijkheden worden erkend van "food signposting"-systemen die in verschillende lidstaten zijn geïntroduceerd. Ik steun het verzoek aan de Commissie om een wetenschappelijk, voor de gehele EU geldend systeem betreffende de etikettering van voedingsmiddelen op de voorkant van verpakkingen te onderzoeken en te ontwikkelen. Ik ben van mening dat dit een eenvoudige, maar buitengewoon doeltreffende manier is om mensen te stimuleren voor gezondere alternatieven te kiezen. We moeten dringend actie ondernemen om mensen ervan te overtuigen dat zij hun gezondheid en die van volgende generaties in eigen hand hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. Langdurig slechte eetgewoonten en een gebrek aan voldoende beweging zorgen ervoor dat jaarlijks duizenden mensen in de Europese Unie bijkomend te kampen krijgen met overgewicht. Dit verhoogt het risico op tal van ernstige ziekten zoals hartaandoeningen, verhoogde bloeddruk en aandoeningen aan de luchtwegen.

Dit heeft niet alleen een prijs in termen van volksgezondheid, maar het jaagt ook de ziekteverzekering in de lidstaten op kosten. Ik pleit dan ook voor een geïntegreerde benadering van het probleem. Consumentenvoorlichting en -educatie, het uitwisselen van beste praktijken tussen lidstaten, duidelijke etikettering op levensmiddelen of acties op scholen om een gezonde levensstijl te promoten, het zijn allemaal manieren om te zorgen voor de nodige gedragswijzigingen.

De strijd tegen overgewicht is niet grensgebonden. We kunnen vanuit Europa een positieve bijdrage leveren en leren van elkaars aanpak. Samenwerking met de lidstaten, de industrie, de media, het onderwijs en het maatschappelijk middenveld, lijkt me hierbij de aangewezen weg.

 
  
MPphoto
 
 

  Lars Wohlin (PPE-DE), schriftelijk. – (SV) Het lijdt geen twijfel dat obesitas en overgewicht ook in Europa een groot volksgezondheidsprobleem vormen, waaraan hoge prioriteit moet worden gegeven. Daarentegen moet men obesitas niet, zoals het verslag doet, als een chronische ziekte beschouwen. Het is ook belangrijk dat schoolkinderen tijdens de pauzes kunnen deelnemen aan sportlessen en lichamelijke oefening. Dat is echter iets waar iedere lidstaat prioriteit aan moet geven. Gezien het subsidiariteitsbeginsel kan deze kwestie niet op EU-niveau worden ingebracht. Ik heb daarom besloten om tegen het verslag in zijn geheel te stemmen.

 
  
  

– Verslag-Wallis (A6-0405/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het uitstekende verslag van mevrouw Wallis gestemd, dat een reeks aanbevelingen bevat betreffende de verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot letsel en dodelijke ongevallen. In het kader van de opbouw van onze Europese ruimte moeten we alles doen wat in ons vermogen ligt om de levens van onze medeburgers eenvoudiger te maken. Dit geldt ook voor de termijnen voor de harmonisering van verjaringstermijnen. De invoering van het oorsprongslandbeginsel, althans voorlopig, is een bijzonder interessant idee voor zover slachtoffers hierdoor rechten krijgen waarmee zij bekend zijn. Dit verslag geeft een duidelijke boodschap af aan de Commissie, en laat zien dat het Parlement een wetgevingsvoorstel verwacht dat voorafgegaan dient te worden door een onderzoek naar deze kwestie.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Het grensoverschrijdend verkeer is toegenomen, en dus ook het aantal ongevallen waarbij mensen uit verschillende EU-lidstaten zijn betrokken. Een onderzoek naar de gevolgen van het bestaan van verschillende verjaringstermijnen volstaat om een beeld van de situatie te geven, vooral als je kijkt naar het aantal gevallen waarin burgers in grensstreken lichamelijk letsel hebben opgelopen en voor de schadeclaims uiteenlopende verjaringstermijnen gelden.

Verjaringstermijnen kunnen uiteenlopen van 12 maanden in sommige landen tot 30 jaar in andere. Dat kan tot gevolg hebben dat mensen hun recht op schadevergoeding niet kunnen doen gelden, omdat ze de voor dat doel benodigde juridische stappen niet hebben ondernomen binnen de verjaringstermijn die in het toepasselijke buitenlands recht wordt voorgeschreven.

De meest kwetsbare leden van de maatschappij lopen dus het risico dat hun rechten worden ingeperkt, waaronder degenen die de ernstigste verwondingen hebben opgelopen en degenen die om de één of andere reden niet goed in staat zijn naar behoren voor hun eigen rechten op te komen.

Het zou dus een goed idee zijn om te zoeken naar een billijke en werkzame oplossing die de slachtoffers en hun vertegenwoordigers bijstand biedt. Dat mag er evenwel niet toe leiden dat de verzekeringskosten onaanvaardbaar hoog worden of dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geschonden. We moeten verder vermijden dat men op zoek gaat naar landen waar de kosten voor de verzekeraars lager liggen (wat het geval zou kunnen zijn als het oorsprongslandbeginsel zou worden gehanteerd).

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór de voorstellen over verjaringstermijnen voor grensoverschrijdende geschillen met betrekking tot letsel en dodelijke ongevallen gestemd. Mijns inziens is het essentieel dat de Europese burgers vrij kunnen reizen in de Europese Unie, en zich veilig kunnen voelen in de wetenschap dat mochten zich problemen voordoen, zij niet te maken zullen krijgen met onnodige beperkingen wanneer zij in een andere lidstaat naar de rechter willen stappen om schadevergoeding te eisen. Dit verslag zal bijdragen tot het waarborgen daarvan. De Europese Commissie wordt verzocht een onderzoek in te stellen naar de gevolgen van het bestaan van verschillende verjaringstermijnen op de interne markt, met name voor burgers die hun vrijheden uitoefenen in het kader van het Verdrag. Het is belangrijk dat nieuwe wetgeving op dit terrein altijd is gebaseerd op gedegen bewijs, niet in de laatste plaats om ervoor te zorgen dat eventuele toekomstige wetgeving specifieke en gerichte maatregelen bevat om de problemen aan te pakken. Daarom heb ik vóór het verslag-Wallis gestemd, waarin de Commissie wordt verzocht met bewijzen te komen op basis waarvan dergelijke wetgeving in werking kan treden.

 
  
  

– Verslag-Flasarová (A6-0416/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Nina Škottová (PPE-DE).(CS) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, wat me bij het lezen van het verslag opviel, was de nadruk op het feit dat vrouwen beduidend minder vaak hoge academische titels halen dan mannen. Slechts 15 procent van de voltijds professoren is een vrouw. En dat terwijl het aantal vrouwen met 59 procent van alle afgestudeerden hoger ligt dan het aantal mannen. Het kleine aantal vrouwen met een hoge academische titel is echter niet het resultaat van discriminatie van jonge vrouwen en meisjes bij de toegang tot onderwijs. Hiervoor kan een groot aantal andere redenen worden aangewezen. Indien we de huidige situatie willen veranderen, dan moeten we deze factoren definiëren en analyseren, en proberen deze doelgericht aan te pakken. Zo dienen stereotypen bij het positioneren van vrouwen binnen organisaties de nek te worden omgedraaid. Vrouwen zijn gewilde en sterk gewaardeerde leden van onderzoeksteams, maar tegelijkertijd is er veel minder fiducie in hun vermogen om teams te leiden. Toch is het juist dankzij dit soort posities dat de eigen wetenschappelijke school zich op een hoger plan kan tillen, en dragen juist deze posities bij aan de ontwikkeling van verschillende disciplines en specialisaties aan de universiteitsfaculteiten. Het is dan wel mooi, lief en aardig dat van tijd tot tijd wordt verklaard dat het aantal vrouwen in de academische wereld dient te worden vergroot, maar dat is in de verste verte niet genoeg. Wat wél nodig is, is een serieuze inventarisatie van de onderliggende elementen van het proces en vervolgens de optimalisering ervan, zodat meer vrouwen aan kunnen haken. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mevrouw Flasarová gestemd over de discriminatie van vrouwen en meisjes in het onderwijs. De huidige situatie, waarin minder vrouwen dan mannen promoveren en zich bezighouden met levenslang leren vanwege gendergebonden beperkingen, is een situatie die we collectief moeten bestrijden. Onderwijs is voor burgers een van de essentiële voorwaarden – zij het niet de enige – voor het kunnen uitoefenen van al hun andere sociale, economische, culturele en politieke rechten, alsmede voor het nakomen van al hun plichten als burgers. Ik verwacht veel van de werkzaamheden van het nieuwe Instituut voor Gendergelijkheid. Het is ook cruciaal om de discriminatie te bestrijden die vrouwen, en met name meisjes, ondervinden als zij in gemeenschappen wonen waar gendergelijkheid niet wordt geëerbiedigd, door alle vormen van cultureel en religieus relativisme die de fundamentele rechten van vrouwen zouden kunnen schenden, te verwerpen. Jonge meisjes, en jongens, moeten met het verplichte onderwijs kunnen starten.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk.(PT) Er is, zoals de rapporteur opmerkt, al geruime tijd voldoende bewijs voorhanden dat jonge vrouwen en meisjes binnen het onderwijs niet onderdoen voor mannen of jongens. Toch is er een hele reeks factoren die jonge meisjes en vrouwen blijven achterstellen, vooral in het hoger onderwijs en binnen de context van levenslang leren.

In 2004 voltooiden acht op de tien meisjes hun studie aan een hogeronderwijsinstelling in de lidstaten van de EU. Dat is meer dan bij jongens (slechts drie op de vier), wat aantoont dat meisjes en jonge vrouwen niet minder gemotiveerd of bekwaam zijn om onderwijs te volgen dan jongens en jonge mannen.

Gaat het echter om een vervolgopleiding of een academische carrière, dan liggen de verhoudingen voor meisjes en jonge vrouwen veel ongunstiger. Terwijl de verhouding vrouwen/mannen op universitair onderwijsniveau 59 % tegenover 41 % is, bestaat slechts 43 % van de afgestudeerden en nauwelijks 15 % van de promovendi uit vrouwen. Deze cijfers wijzen op een aperte ongelijkheid tussen de seksen als het om levenslang leren gaat. Een soortgelijke situatie doet zich voor ná het afstuderen, op het vlak van vervolgopleidingen voor vrouwen buiten de academische sfeer. Dit bevestigt dat beide fenomenen geworteld zijn in de aloude ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, wat overigens ook heel duidelijk blijkt uit de ongelijke beloning.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd, omdat hierin een poging wordt gedaan de nog altijd bestaande ongelijkheden voor vrouwen aan de orde te stellen, met name bij het verkrijgen van toegang tot en het behalen van hogere academische diploma's, onder meer op postdoctoraal niveau en in het wetenschappelijk onderzoek, alsmede op het gebied van levenslang leren.

Het is noodzakelijk de inhoud van schoolboeken te veranderen en ervoor te zorgen dat de opleiding van onderwijspersoneel wordt afgestemd op de eisen van een evenwichtig genderbeleid. Ik acht het belangrijk dat de Commissie en de lidstaten een beleid voeren voor nationale, etnische en culturele minderheden, waarin met name aandacht wordt besteed aan een multiculturele benadering en die toegang biedt tot hoogwaardig onderwijs ter voorkoming van dubbele discriminatie.

Ik heb vóór dit verslag gestemd omdat het de mogelijkheid biedt een einde te maken aan discriminerende stereotypen van vrouwen op de werkplek.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernadette Vergnaud (PSE), schriftelijk.(FR) Als we al vooruitgang hebben geboekt op het gebied van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, dan is die vooral kwantitatief. We moeten ons nu gaan richten op kwalitatieve verbetering en een mentaliteitsverandering. Bijzondere aandacht zal daarbij moeten uitgaan naar jonge vrouwen en meisjes die het slachtoffer van dubbele discriminatie zijn.

Ik heb daarom vóór het verslag van mevrouw Flasarová gestemd. Ze beveelt de Commissie en de lidstaten aan om een beleid voor nationale, etnische en culturele minderheden te voeren, met name aandacht bestedend aan een multiculturele benadering die gericht is op de toegang tot kwaliteitsonderwijs, ter bestrijding van dubbele discriminatie. Het verslag verzoekt de lidstaten verder om levenslang leren ook toegankelijk te maken voor vrouwen en mannen die zich eerst aan de opvoeding van hun kinderen willen wijden. Het moet verder eenvoudiger worden voor vrouwen om banen met verantwoordelijkheden te krijgen, op het niveau waar de besluitvorming plaatsvindt.

Tot slot worden de Commissie en de lidstaten opgeroepen om alle beschikbare middelen aan te wenden voor het uitbannen van gangbare stereotypen die discriminatie van vrouwen op de werkvloer in de hand werken.

 
  
  

– Verslag-Deva (A6-0325/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het uitstekende verslag gestemd van de Britse afgevaardigde de heer Deva, over de betrekkingen tussen de EU en de eilanden in de Stille Oceaan, waarin wordt opgeroepen tot een strategie voor een versterkt partnerschap. De EU is, tegen de achtergrond van de recente onafhankelijkheid van het merendeel van de eilandstaten in de Stille Oceaan, significant aanwezig op de eilanden in de Stille Oceaan. Het beleid om de armste eilanden te helpen de millenniumontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, is een goede en legitieme ambitie van de EU. Of we het nu hebben over onderwerpen als visserij, het probleem van de klimaatverandering, de bescherming van de biodiversiteit, landbouw en toerisme, de financiering van infrastructuur, de ondersteuning van het onderwijs, corruptiebestrijding, de ondersteuning van de democratie in de parlementen van deze landen of over het gebruik van de euro, er zijn vele terreinen waarop de aanwezigheid van de EU ongetwijfeld meerwaarde kan bieden, maar er valt nog veel te doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Arlette Carlotti (PSE), schriftelijk.(FR) Na dertig jaar samenwerking met de regio in de Stille Oceaan is het nu tijd om onze inspanningen op te voeren. Daarom ben ik ingenomen met de goedkeuring van deze "strategie voor een versterkt partnerschap".

Het gaat er onder andere om de politieke dialoog te versterken. We moeten onze partners in de regio dus steunen in hun pogingen om etnische spanningen te bezweren (op Fiji, bijvoorbeeld), of om verbroedering na een burgerconflict te bevorderen (op de Solomon-Eilanden of in Oost-Timor). Deze politieke dialoog moet ons in staat stellen de eerstvolgende jaren samen een belangrijke uitdaging aan te gaan: de opwarming van de planeet. Om de versterkte dialoog op gang te brengen kunnen we met onze partners in de regio samenwerken bij het organiseren van de "regionale conferenties" waar in de nieuwe Cotonou-Overeenkomst naar wordt verwezen.

De strategie is gericht op het formuleren van gemeenschappelijke antwoorden op de economische en sociale problemen in de regio. Ook hier weer is de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen binnen de gestelde termijnen een prioriteit. De nog niet afgesloten onderhandelingen over het sluiten van een regionale partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de Stille Oceaan zijn in dit opzicht evenwel niet bemoedigend.

De meeste voorstellen van de landen in de regio zijn door de Commissie verworpen. Het zou ironisch zijn als we vandaag vóór een strategie voor een versterkt partnerschap voor ontwikkeling zouden stemmen om de dag erop vast te moeten stellen dat een slechte economische partnerschapsovereenkomst die strategie van alle inhoud heeft beroofd.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd en verheug mij erover dat hierin wordt verzocht om het stopzetten van kernproeven en het kernwapenvrij maken van de regio van de Stille Oceaan.

 
  
MPphoto
 
 

  José Ribeiro e Castro (PPE-DE), schriftelijk.(PT) Het feit dat sommige EU-lidstaten historische banden hebben met deze regio en met deze landen nog steeds politieke, culturele of economische betrekkingen onderhouden, noopt de EU als geheel om deze betrekkingen te versterken, aangezien zowel de landen in de regio als de EU-lidstaten daar beter van zullen worden.

Het gaat hier om een heterogene regio, met ver van elkaar verwijderde gemeenschappen, terwijl het eilandkarakter van veel landen in de regio specifieke problemen met zich meebrengt. Europa – één van de belangrijkste internationale donoren – dient daarom een evenwichtige en flexibele benadering te volgen.

Ik kom uit Portugal en moet de aan de Commissie gerichte oproep om programma's op te zetten voor de bestrijding van malaria op Oost-Timor dan ook toejuichen. Ik geloof echter wel dat deze oproep ook zou moeten gelden voor andere besmettelijke en infectieziekten die dit land teisteren.

Ik ben er ook heel tevreden over dat de aandacht wordt gevestigd op de specifieke problemen van Timor. Daarom steun ik de Commissie in haar oproep om de Timorese leiders te steunen in hun pogingen een democratische, stabiele, vreedzame, vrije, welvarende en rechtvaardige maatschappij op te bouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Margie Sudre (PPE-DE), schriftelijk.(FR) De visserij is in de Stille Oceaan een belangrijke hulpbron voor de plaatselijke economieën. Schepen vanuit de gehele wereld, en dan vooral uit Europa, zijn in deze regio actief. Dat is voldoende reden om de Commissie visserij – waar ik lid van ben – over dit verslag te raadplegen.

De Commissie ontwikkelingssamenwerking, dat wil zeggen de bevoegde commissie en haar rapporteur, heeft in oktober geprobeerd ons dit verslag op te leggen, zonder ons de mogelijkheid te geven amendementen voor te stellen. Wij hebben dat afgewezen. De Commissie visserij heeft daarom verbeteringen aangebracht in het verslag door de regionale samenwerking beter te formuleren en – vooral – door de overzeese landen en gebieden in het geheel op te nemen.

Het advies van de Commissie visserij is in november door de leden van die commissie unaniem goedgekeurd. En nu wordt ons vlak voor het begin van het plenaire debat verteld dat ons advies toch niet zal worden meegenomen. Er zal slechts met een gering aantal willekeurig bijeengeraapte aspecten van ons advies rekening worden gehouden, en die zullen als nieuwe amendementen worden gepresenteerd.

We hebben verontwaardigd gereageerd, waarop besloten is ons advies in het uiteindelijke verslag als "erratum/addendum" (zonder stemming) op te nemen, wat nauwelijks beter te noemen is.

De strategie waar het allemaal om gaat is bedoeld om de politieke dialoog tussen de EU en de eilanden in de Stille Oceaan te versterken. Een betere dialoog tussen onze parlementaire commissies – die niet duizenden kilometers van elkaar verwijderd zijn – is even dringend gewenst.

 
  
  

– Verslag-Lehne (A6-0434/2006)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Anna Hedh, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. – (SV) Als er een nieuw vennootschapsstatuut op Europees niveau moet komen, is het belangrijk dat bestaande wetgeving in de lidstaten over de invloed en het medebeslissingsrecht van de werknemers en over hun vertegenwoordiging in bestuursorganen niet wordt aangetast. Wij hebben daarom besloten om van de amendementen die voor de stemming zijn ingediend, die van de GUE/NGL-Fractie en de Verts/ALE-Fractie te steunen, omdat die beter zijn dan het amendement van de PPE-DE-Fractie.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb vóór het uitstekende verslag van de heer Lehne gestemd, waarmee een zeer belangrijke boodschap wordt afgegeven aan de Commissie over de noodzaak om ondernemers een instrument in handen te geven om het functioneren en ontwikkelen van hun bedrijven binnen de interne markt te garanderen. Evenals de heer Lehne, ben ik van mening dat de tijd rijp is om wetgeving in het leven te roepen die tot doel heeft de Europese besloten vennootschap tot een betrouwbare rechtsvorm te maken voor kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) die grensoverschrijdend economisch actief zijn. De interne markt kan niet op een duurzame basis worden opgebouwd zonder het leven eenvoudiger te maken voor KMO's die zich willen ontwikkelen. Het verslag bevat een aantal buitengewoon interessante voorstellen, bijvoorbeeld om KMO's met een minimumkapitaal van 10 000 euro toe te staan over een enkele entiteit te beschikken die zich in alle Europese landen kan ontwikkelen zonder dat deze zich in elke lidstaat apart hoeft in te schrijven, en die gebonden is aan een pakket Europese regelgeving in plaats van aan uiteenlopende nationale regels. Uiteraard zijn deze voorstellen niet van invloed op de rechten van werknemers, maar betreffen zij uitsluitend de Europese besloten vennootschap.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd omdat de openbare hoorzitting van de Commissie juridische zaken van 22 juni 2006 de noodzaak onderstreepte van de rechtsvorm van een Europese besloten vennootschap voor kleine en middelgrote ondernemingen die grensoverschrijdend economisch actief zijn. Om de interne markt en de daarmee beoogde verbetering van de economische en sociale situatie in de Gemeenschap tot stand te brengen, heeft het wegnemen van handelsbelemmeringen duidelijk prioriteit.

 

9. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen

10. Aan een lid opgedragen taak: zie notulen

11. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen

12. Besluiten inzake bepaalde documenten: zie notulen

13. Verzending van de tijdens deze vergadering aangenomen teksten: zie notulen

14. Rooster van de volgende vergaderingen: zie notulen

15. Onderbreking van de zitting
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik verklaar de zitting van het Europees Parlement te zijn onderbroken.

(De vergadering wordt om 12.30 uur gesloten.)

 
Juridische mededeling - Privacybeleid