2. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (bekendmaking van de ingediende ontwerpresoluties): zie notulen
3. Inaugurale toespraak van de Voorzitter van het Europees Parlement
De Voorzitter. – (DE) Geachte oud-Voorzitters van het Europees Parlement, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, bondskanselier Merkel, geachte voorzitter van de Commissie, mijnheer Barroso, geachte voorzitter van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa, mijnheer Van der Linden, dames en heren voorzitters en vertegenwoordigers van de Europese instellingen, geachte gasten en – niet in de laatste plaats – geachte afgevaardigden, sinds juni 1979, toen de eerste rechtstreekse verkiezingen voor het Europees Parlement plaatsvonden, is het traditie dat er iedere tweeënhalf jaar een nieuwe Voorzitter van het Europees Parlement wordt gekozen. Naar historische maatstaven is tweeënhalf jaar een zeer korte periode. Wanneer we echter bedenken dat een Voorzitter van het Europees Parlement vijf Raadsvoorzitterschappen meemaakt – op dit moment Duitsland, straks Portugal, Slovenië, Frankrijk en Tsjechië –, wordt duidelijk welke verantwoordelijkheid het Europees Parlement draagt. Dat geldt zeker voor een periode waarin het project van Europese eenwording zich weliswaar in een vergevorderd stadium bevindt, maar nog niet is voltooid en zelfs gevaar loopt doordat het Grondwettelijk Verdrag in Frankrijk en Nederland voorlopig is gestrand. Het Europees Parlement is zich van die verantwoordelijkheid bewust en moet zich daarom als geen ander inzetten om de integratie van ons werelddeel te voltooien.
(Applaus)
Ieder van ons maakt deel uit van een ononderbroken rij van mensen die ons voorgingen en die ons zullen opvolgen. Daarom wil ik mijn voorganger, Josep Borrell Fontelles, namens het hele Europees Parlement, maar vooral ook persoonlijk, heel hartelijk en oprecht bedanken voor zijn grote betrokkenheid en voor de onvermoeibare inzet die hij de afgelopen tweeënhalf jaar als onze Voorzitter aan de dag heeft gelegd.
(Applaus)
Deze oprechte en hartelijke dank geldt eveneens de voormalige Voorzitters die vandaag bij ons zijn:
Emilio Colombo, die Voorzitter was toen het Parlement nog niet rechtstreeks werd gekozen, en de Voorzitters van na 1979: Simone Veil, Lord Plumb, ook bekend als Henry Plumb, Enrique Barón Crespo, die nog steeds lid is van het Parlement, Egon Klepsch, Klaus Hänsch, die ook nog steeds lid is van het Parlement, José-María Gil-Robles, Nicole Fontaine en Pat Cox.
(Levendig applaus)
Ik heet u allen hartelijk welkom. Het doet ons veel genoegen dat u allemaal aan de uitnodiging gehoor hebt gegeven. Pierre Pflimlin en Piet Dankert zijn helaas niet meer onder ons. Wij gedenken hen in dankbaarheid.
Samen met de afgevaardigden Klaus Hänsch, Ingo Friedrich, Karl von Wogau, Francis Wurtz en Jens-Peter Bonde heb ik het voorrecht al sinds de eerste verkiezingen van 1979 lid te zijn van het Europees Parlement. In deze periode hebben wij hoogtepunten en dieptepunten in de Europese politiek meegemaakt.
Het grootste succes is dat de deling van Europa ongedaan is gemaakt. Onze gemeenschappelijke waarden hebben gezegevierd. Het feit dat Estland, Letland, Litouwen, Polen, de Tsjechische Republiek, Slowakije, Hongarije, Slovenië, Malta en Cyprus sinds 1 mei 2004 lid zijn van de Europese Unie en Bulgarije en Roemenië sinds 1 januari van dit jaar en dat het verenigde Duitsland op 3 oktober 1990 tot de Unie toetrad, blijft naar mijn mening het wonder van onze generatie. Er is alle reden om daarover ook vandaag oprecht verheugd te zijn.
(Applaus)
Dames en heren, wij allen blijven voor de taak staan om van elkaar te leren, om het respect en het begrip voor elkaar te vergroten. Wij moeten ophouden om van ‘oude’ en ‘nieuwe’ lidstaten te spreken. Wij allen samen vormen het Europees Parlement en de volkeren die wij vertegenwoordigen, vormen de Gemeenschap van de Europese Unie.
(Applaus)
In de jaren tachtig sprak men van ‘eurosclerose’. Daarna kwamen echter de interne markt en de gemeenschappelijke Europese munt. Wij hebben als Europees Parlement onze rechten bevochten en zullen dat blijven doen. Ons Parlement heeft tegenwoordig veel invloed en is zelfbewust. De ervaring leert dus dat wij successen boeken voor ons werelddeel, wanneer wij dat zelf willen, wanneer wij ons ferm en vastberaden willen inzetten voor de eenwording van ons werelddeel met behoud van de diversiteit. Ik zou u allen willen verzoeken om die vastberadenheid te blijven opbrengen.
Wij kunnen daarbij echter alleen succesvol zijn wanneer de burgers van de Europese Unie – naast hun verbondenheid met hun geboortestreek en hun eigen vaderland – zichzelf ook als Europeanen zien en zich bewust zijn van hetgeen hen bindt. Een Europees bewustzijn en een wij-gevoel zijn noodzakelijke voorwaarden voor een gemeenschappelijke toekomst. Het streven naar Europese eenwording wordt niet alleen ingegeven door ons verstand, maar ook door ons hart. Dat moeten we de mensen duidelijk maken en misschien is dit wel de grootste uitdaging waarvoor we gezamenlijk staan.
Wij moeten de burgers van de Europese Unie dienen. De Europeanen moeten trots zijn op wat zij in de loop der eeuwen hebben verworven aan waarden, vrijheid, recht en democratie. Het was een lange weg. Wij weten dat onze Europese wortels gelegen zijn in de Griekse filosofie, het Romeinse recht, het joods-christelijk erfgoed, de Verlichting, met andere woorden, in onze gemeenschappelijke Europese cultuur. Daartoe behoren echter ook de tragische Europese burgeroorlogen en in de twintigste eeuw de totalitaire ideologieën waarin voor de mens geen plaats was, maar evengoed de founding fathers die na 1945 de moed hadden om de weg van vergeving en verzoening in te slaan en te werken aan een nieuw, beter, vreedzaam en gemeenschappelijk Europa. Daarvan moeten we ons ook vandaag bewust zijn. We moeten opnieuw ontdekken wat ons gezamenlijk bindt. De grote Franse Europeaan Jacques Delors had het, geheel in de traditie van Robert Schuman, over de “Europese ziel”. De grote Poolse Europeaan Władysław Bartoszewski heeft eens gezegd: “Europa, dat betekent in de eerste plaats de vrijheid van de persoon, de mensenrechten – politieke en economische.” Beiden hadden gelijk.
Ik wil het hebben over de Europese waarden. Die zijn in essentie gebaseerd op het beginsel van de menselijke waardigheid. Door de waardigheid van de persoon koesteren wij eerbied voor de ander en gaan wijzelf verplichtingen aan. Op die manier werken we aan een maatschappij die is gebaseerd op verantwoordelijkheid en solidariteit. Ons dagelijkse politieke handelen moet altijd in dienst staan van de menselijke waardigheid. Ik zou ons allen ertoe willen aanmoedigen om op te komen voor de menselijke waardigheid en de mensenrechten in de hele wereld.
Dit is geen abstract pleidooi. Wij zijn niet de schoolmeesters van de wereld, maar ons mensbeeld en onze waarden krijgen voor anderen meer overtuigingskracht en geloofwaardigheid wanneer wij er zelf naar handelen. Dat heeft zeer concrete gevolgen voor ons beleid:
Wij willen een partnerschap met een slagvaardig en democratisch Rusland. Daarom verwachten wij van de Russische autoriteiten dat ze zichtbaar hun best doen om ervoor te zorgen dat de moordenaars van Anna Politkovskaja, die zoveel heeft gedaan voor de persvrijheid in haar land, hun gerechte straf krijgen.
(Applaus)
Wij zullen nooit vergeten dat zonder de Verenigde Staten van Amerika noch het nationaalsocialisme, noch het Sovjet-communisme had kunnen worden bedwongen. Wij zeggen echter ook tegen onze Amerikaanse vrienden dat ‘Guantánamo’ niet verenigbaar is met de beginselen die naar onze Europese opvattingen aan een rechtsorde ten grondslag liggen.
(Applaus)
Wij beschermen het menselijk leven. Wie, zoals de president van een grote cultuurnatie, de holocaust ontkent, de ergste van alle misdaden, moet krachtig worden tegengesproken, opdat we niet door de verschrikkingen van een nieuwe holocaust worden getroffen.
(Applaus)
Het is onze overtuiging dat de mensen in Israël en Palestina door dezelfde menselijke waardigheid met elkaar worden verbonden. Wij pleiten daarom zowel voor het bestaansrecht van Israël als voor het recht van het Palestijnse volk om in een eigen staat te leven.
(Applaus)
Wij staan aan de kant van degenen die op vreedzame wijze voor vrijheid en democratie strijden. Daarom betuigen wij onze solidariteit met Aleksandr Milinkevitsj, winnaar van de Sacharovprijs, en zijn medestrijders voor een vrij en democratisch Wit-Rusland dat vrij is van angst en onderdrukking. Op dezelfde wijze zijn we solidair met ‘Las Damas de Blanco’ (de Dames in het Wit) op Cuba en met Aung San Suu Kyi in Birma/Myanmar, die eveneens de Sacharovprijs hebben gewonnen.
Wij komen op voor de menselijke waardigheid en de mensenrechten. Wij zijn er als Europees Parlement ten diepste van overtuigd dat de doodstraf daarmee onverenigbaar is. Ik doe een beroep op de instellingen van de Europese Unie en de lidstaten om zich in het kader van de Verenigde Naties in te zetten voor de afschaffing van de doodstraf.
Willen wij onze doelen bereiken, dan is het noodzakelijk dat wij verder werken aan een slagvaardige Europese Unie. Wij moeten voor onszelf een situatie creëren waardoor wij in Europa en in de wereld als een gerespecteerde partner kunnen opkomen voor onze waarden en belangen.
In mijn oren klinkt de grote redevoering van Louise Weiss nog na die zij op 17 juli 1979 hier in Straatsburg hield, toen zij als oudste lid in jaren het eerste rechtstreeks gekozen Europees Parlement voorzat. Zij zei toen: “Laten wij in elk geval nooit vergeten dat wij tegelijkertijd erfgenamen en executeurs-testamentair zijn: erfgenamen van een geestelijke wereld en executeurs-testamentair van dit erfgoed ten gunste van komende generaties.”
Ik zou het zelf niet beter kunnen zeggen. Waarschijnlijk ervaren wij dit vandaag nauwelijks anders dan in 1979, maar wij staan wel voor nieuwe uitdagingen, onze eigen uitdagingen.
Sinds de ondertekening van de Verdragen van Rome vijftig jaar geleden heeft het idee van de eenwording van Europa zich in grote lijnen op succesvolle wijze ontwikkeld. Het staat inmiddels symbool voor een van de gelukkigste perioden in onze lange Europese geschiedenis. In het begin, vlak na de Tweede Wereldoorlog, putte de Europese idee haar kracht uit het verlangen naar vrede en vrijheid. Daarna werden verhoging van de welvaart en het streven naar meer sociale gelijkheid de drijvende kracht achter de Europese eenwording. Aan beide ideeën bleef Europa trouw toen de hereniging van ons werelddeel ons de unieke kans bood om de beide helften van Europa, die veel te lang van elkaar waren gescheiden, in vrijheid naar elkaar toe te laten groeien.
Op dit moment haalt Europa zijn legitimatie en motivatie uit het streven van de burgers naar veiligheid. Dat is een zeer serieuze opgave, waarmee wij door de strijd tegen het terrorisme ongewild maar onvermijdelijk worden belast. Wij moeten oplossingen vinden voor vraagstukken die onze burgers zwaar op het hart liggen.
Bij het streven naar veiligheid hoort ook de taak om in een snel veranderende wereld te zorgen voor werk en sociale zekerheid. Wij kunnen onszelf niet van de globalisering afschermen. Wij moeten veiligheid creëren door ons concurrentievermogen te vergroten en tegelijkertijd ons Europees sociaal model te behouden.
Daarbij hoort ook dat wij niet alleen over de dramatische klimaatverandering praten, maar – samen met onze partners in de wereld – de noodzakelijke maatregelen nemen en die ook resoluut doorvoeren voordat het te laat is.
Onder veiligheid vallen ook de gemeenschappelijke energievoorziening en een gemeenschappelijk immigratiebeleid dat zowel de mensenrechten eerbiedigt als rekening houdt met de noodzaak van integratie in onze samenleving. We mogen niet toestaan dat er steeds weer mensen in de wateren van de Middellandse Zee om het leven komen.
Wij kunnen voor onszelf geen veiligheid creëren in een wereld die in brand staat, een wereld waarin mensen in armoede en slechte sociale omstandigheden leven, een wereld waarin chaos heerst en waarin het natuurlijk milieu steeds verder wordt aangetast.
Wanneer wij in Europa in veiligheid willen leven, moeten wij ons als partners inzetten voor de veiligheid in de wereld in al haar facetten. Wij moeten ons realiseren dat we de meeste uitdagingen waarvoor Europa en de wereld staan, zonder Europese oplossingen niet meer het hoofd kunnen bieden. Crises hebben de eenwording van Europa telkens bevorderd, hoe paradoxaal dit in eerste instantie ook lijkt. Ik wil hiermee overigens niet zeggen dat wij crises nodig hebben omdat wij niet in staat zouden zijn uit eigen beweging het goede te bewerkstelligen. De Europese Unie heeft een frisse start nodig, een vernieuwing. De weg is moeilijk, dat is zeker waar. Ik ben er echter ten diepste van overtuigd dat Europa op dit moment beter is toegerust voor de wereld van de eenentwintigste eeuw dan vijftien of twintig jaar geleden.
Het criterium waarop wij zullen worden beoordeeld, is in hoeverre de nieuwe grondslag voor de Europese eenwording ook op de lange termijn goed en veilig zal blijken te zijn. Van ons politici wordt leiderschap verwacht. Wij moeten beter dan tot nu toe soms het geval was, motiveren waarom Europa goed is voor ons allemaal, welke meerwaarde de Europese eenwording oplevert en wat wij met ons werk beogen. Wij moeten de indruk wegnemen als zou Europese politiek alleen een technische functie hebben, zonder toekomstvisie of groter verband. Wij moeten overtuigen door ons handelen. Daarbij moeten wij ons concentreren op het essentiële.
Het is onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om door middel van duurzame maatregelen te werken aan een toekomst die veilig is voor onze kinderen en kleinkinderen, voor zover dat naar menselijke maatstaven mogelijk is. Wij hebben een nieuwe start nodig voor een beter en sterker Europa dat op de toekomst is gericht. Wij hebben echter vooral behoefte aan een Europa dat in zichzelf gelooft, dat kracht put uit zijn eigen waarden en dat een goede partner in de wereld wil en kan zijn.
Zonder de media kunnen wij Europa niet bij de mensen brengen. Ik wil de correspondenten en journalisten hier in Straatsburg uitdrukkelijk bedanken voor hun eerlijke en objectieve berichtgeving. Ik doe echter ook een beroep op de nationale media, met name op de commerciële en publieke televisieomroepen, om hun bijdrage te leveren aan de voorlichting over Europa. Het is niet meer van deze tijd om het Europese eenwordingsproces telkens alleen vanuit nationaal perspectief te belichten. Ik verzoek de nationale televisieomroepen om hun studio's open te stellen voor Europese vraagstukken en hiertoe ook leden van het Europees Parlement als gesprekspartner uit te nodigen.
(Applaus)
Wij hebben behoefte aan een nieuw pact tussen de Europese burgers en hun politieke instellingen in de Europese Unie. Het ‘Europa van de burgers’ en de geloofwaardigheid van de Europese instellingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het actieplan “Betere wetgeving” kan hiertoe een bijdrage leveren, wanneer het zorgt voor meer democratische controle, transparantie binnen de Raad, betrouwbare omzetting in nationaal recht, evaluatie van de sociale, ecologische, economische en administratieve gevolgen en vereenvoudiging van de wetgeving zelf. Wij moeten ons bij plannen voor nieuwe Europese wetgeving altijd de vraag stellen: Komt zij de mensen en het milieu ten goede? Is zij noodzakelijk in het licht van het subsidiariteitsbeginsel? Versterkt zij onze concurrentiepositie? Leidt zij tot minder bureaucratie en minder kosten? Alleen wanneer deze vragen positief kunnen worden beantwoord, moeten wij als Europees Parlement de rol van wetgever op ons nemen.
Wij moeten ons als Europees Parlement niet alleen inspannen om de belangen van de burgers te behartigen. Wij moeten ook uiting geven aan onze waardering voor het engagement van Europese burgers die met hun werk het aanzien van Europa vergroten – in Europa en in de wereld. Daarvoor zouden wij een door het Europees Parlement verleende onderscheiding moeten instellen. En waarom zouden we niet in het bijzonder onze waardering laten blijken voor het engagement van jonge mensen voor de Europese gedachte? Hoge Europese onderscheidingen hebben een zeer positief effect gehad op het publieke bewustzijn, dus waarom stellen we ook niet een onderscheiding in voor de jonge generatie, voor jonge Europeanen die zich op voorbeeldige wijze voor de Europese zaak inzetten?
Nationale musea belichten de geschiedenis van Europa vrijwel altijd alleen vanuit een nationaal perspectief. Ik zou willen pleiten voor een plaats van herinnering en toekomst, waar de Europese gedachte verder kan gedijen. Ik zou willen voorstellen om een ‘Huis van de Europese geschiedenis’ op te richten. Het moet geen saai, droog museum worden, maar een plek die zowel onze herinnering aan de Europese geschiedenis als het proces van Europese eenwording koestert. Tegelijkertijd moet het alle huidige en toekomstige burgers van de Europese Unie de mogelijkheid bieden om de identiteit van Europa verder vorm te geven. Dit ‘Huis van de Europese geschiedenis’ zou gevestigd moeten zijn in de plaats waar de Europese instellingen hun zetel hebben en gekoppeld moeten worden aan vergelijkbare instellingen in de lidstaten. De verklaring over de toekomst van Europa, die de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie op 25 maart 2007 in Berlijn – onder uw voorzitterschap, mevrouw Merkel – gezamenlijk zullen vaststellen, kan hiervoor de voorwaarden scheppen.
De Europese Unie is met 27 naties en bijna vijfhonderd miljoen mensen het grootste verbond van volkeren ter wereld. Europa is een complex werelddeel en dat plaatst ons allemaal voor geweldige uitdagingen. De Europese Unie kan niet meer worden bestuurd met de ontoereikende instrumenten van de huidige Verdragen. Wanneer wij willen dat onze waardegemeenschap blijft bestaan, moeten wij haar fundamenteel hervormen. Het Grondwettelijk Verdrag versterkt zowel de rol van het Europees Parlement als die van de nationale parlementen. Het leidt tot meer parlementarisme en meer democratie. Voor het eerst wordt erkend dat de lokale bestuursorganen de basis vormen van het Europese democratische bestel. De bevoegdheidsverdeling bepaalt de Europese bevoegdheden. Dames en heren, ik zeg het u ronduit: ik begrijp de mensen niet die enerzijds kritiek hebben op ‘Brussel’ – die soms even gerechtvaardigd is als kritiek op de nationale politiek – en anderzijds het Grondwettelijk Verdrag afwijzen, dat juist het instrument is om de geconstateerde tekortkomingen terug te dringen of te herstellen.
(Applaus)
Er mag geen twijfel over bestaan dat het Europees Parlement achter het Grondwettelijk Verdrag staat. Wij willen ons er mede voor inspannen dat de essentie van dit Verdrag, inclusief het hoofdstuk over de waarden, juridische en politieke realiteit wordt. De consensus die het Europees Parlement wist te bereiken over de dienstenrichtlijn en de grenzen van de uitbreidingscapaciteit van de Europese Unie laat zien dat het Parlement de bezorgdheid die onder mensen leeft, serieus neemt. De verklaring over de toekomst van Europa die op 25 maart 2007 in Berlijn zal worden aangenomen, kan een volgende belangrijke mijlpaal op deze weg zijn. De kern ervan zou moeten zijn dat men onze waarden en de noodzaak van hervormingen onderschrijft, dat men zich ertoe verplicht om de uitdagingen van de toekomst, waarover ik het zojuist had, gezamenlijk het hoofd te bieden, dat men de solidariteit tussen onze volkeren als uitgangspunt neemt en dat men het recht als grondslag voor ons handelen eerbiedigt. Geen volk in de Europese Unie dat fundamentele problemen heeft, mag aan zijn lot worden overgelaten. Dit sluit echter ook nationaal egoïsme uit. Wie alleen de belangen van zijn eigen land dient, zal die uiteindelijk ook verspelen, omdat hij de solidariteit verbreekt die noodzakelijk is om de eigen belangen te behartigen.
(Applaus)
Wij willen ons ervoor inspannen dat op de Top van 21 en 22 juni in Brussel, onder het Duitse voorzitterschap, overeenstemming wordt bereikt over een tijdschema en een mandaat. Dit moet er uiteindelijk toe leiden dat de Europese Grondwet, althans de inhoudelijke kern ervan, nog vóór de volgende verkiezingen van het Europees Parlement in juni 2009 volledig van kracht is. Ik wil erop wijzen dat het Grondwettelijk Verdrag door alle 27 regeringen is ondertekend en al door 18 landen is geratificeerd. Natuurlijk moeten wij de referenda respecteren.
Los daarvan geldt ook het volgende: wanneer door een regeringswisseling in een lidstaat ter discussie wordt gesteld wat in de Europese Unie is overeengekomen, leidt dat niet alleen tot tweespalt op nationaal niveau; het betekent ook dat ons toch al complexe werelddeel steeds minder slagvaardig wordt. Wij moeten vasthouden aan onze Europese rechtsbeginselen: pacta sunt servanda – overeenkomsten moeten worden nagekomen.
Wij moeten wilskracht en vastbeslotenheid tonen om de noodzakelijke hervormingen te realiseren. Daarbij moeten wij deze hervormingen zodanig aanpakken dat de volkeren in de Europese Unie niet uit elkaar worden gedreven, maar bij elkaar worden gebracht. Wij staan erop dat het Europees Parlement op geëigende wijze bij deze werkzaamheden wordt betrokken.
Wij moeten als Europees Parlement ook bereid zijn om hervormingen in eigen huis door te voeren. Dat stelt in de eerste plaats hoge eisen aan een ieder van ons, bijvoorbeeld als het gaat om de presentie bij stemmingen en belangrijke debatten. We weten allemaal dat hieraan nog het nodige te doen valt. Ik zou willen dat de plenaire zaal altijd zo goed bezet was als vanochtend, ook al kan het nog beter. Daarom zal ik overmorgen, donderdag, de fractievoorzitters een voorstel voorleggen voor een grondige herziening van de werkzaamheden van het Europees Parlement. De Conferentie van voorzitters – dus de fractievoorzitters, en dat zijn belangrijke mensen – heeft daarom een werkgroep ingesteld om onze werkwijze te verbeteren. Ik zie een glimlach op de gezichten van de fractievoorzitters – ze zijn blij met deze bevestiging. Ik wil u vragen om dit werk ter hand te nemen en ons de resultaten zo spoedig mogelijk voor te leggen.
Wij hebben een efficiënt ambtelijk apparaat en ik zou secretaris-generaal Julian Priestley, die per 1 maart – na tien jaar – zijn functie zal neerleggen, oprecht en hartelijk willen bedanken voor zijn grote inzet en betrokkenheid!
(Applaus)
Dames en heren, het is zeker zo dat er soms – en misschien ook vaker dan dat – aanleiding is voor kritiek op het Secretariaat-generaal. Tenslotte staan we ook toe dat men kritiek op ons uitoefent. Wie echter nauw samenwerkt met de heer Priestley en zijn medewerkers, weet hoe groot hun verantwoordelijkheidsgevoel en hun betrokkenheid is. Ik heb tot nu toe niet meegemaakt dat men iets deed dat in strijd was met de bedoelingen van de Voorzitter. Ik hoop uiteraard dat dit ook gedurende mijn ambtsperiode het geval zal zijn. Ik zal nauwe contacten onderhouden met het Secretariaat-generaal zodat we dezelfde lijn volgen. Nogmaals hartelijk dank, Julian Priestley! De enige maatstaf voor het Secretariaat-generaal is dienstverlening aan onze Europese overtuigingen – onafhankelijk van partijpolitiek, eerlijk en objectief.
Dames en heren, de toekomst van Europa wordt in belangrijke mate bepaald door de vraag of wij ervoor kunnen zorgen dat de verschillende culturen en religies in de Europese Unie vreedzaam naast elkaar kunnen bestaan en of we vriendschappelijke betrekkingen kunnen onderhouden met onze buren, met name die in de Arabische en islamitische wereld.
Ook wij moeten er daarom aan bijdragen dat de dialoog tussen culturen en religies het handelsmerk van Europa wordt. Wij leven in het werelddeel van de drie grote culturen en godsdiensten: het christendom, het jodendom en de islam. Bovendien zijn er medeburgers die afkomstig zijn uit een van de andere grote culturen van deze wereld en hun wortels hebben in de andere godsdiensten op deze aarde. Het Europees Parlement moet Europese maatschappelijke initiatieven aanmoedigen en steunen die een voorbeeldfunctie hebben, die zich inzetten voor de dialoog tussen de culturen. In Sevilla heb ik kennisgemaakt met het werk van de organisatie Tres Culturas en ik zeg dit niet alleen ter wille van mijn Spaanse voorganger, Josep Borrell. Ik vind dat wij alle initiatieven waarin het samenleven van christenen, moslims en joden in Europa centraal staat – en natuurlijk ook van al degenen die deze godsdiensten niet belijden – actief moeten steunen. Het is de belangrijkste investering in onze geestelijke ontwikkeling en tegelijkertijd de beste manier om de dialoog tussen de culturen ook aan de andere kant van de Middellandse Zee, in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, te stimuleren. Wij willen geen clash of civilisations, maar vrede in vrijheid en gerechtigheid tussen alle volkeren en geloofsrichtingen. Daartoe moeten we een geestelijke en culturele brug slaan naar de overkant van de Middellandse Zee.
Deze dialoog moet gebaseerd zijn op verdraagzaamheid en waarheid. Verdraagzaamheid betekent niet dat men alles maar goedvindt. Verdraagzaamheid betekent dat men met behoud van zijn eigen overtuiging de overtuiging van de ander respecteert en op grond daarvan vreedzaam samenleeft. Bij een van mijn vele bezoeken aan de Arabische landen werd mij eens door een islamitische hoogwaardigheidsbekleder gevraagd, hoe de moslims in Europa leven. Mijn antwoord was dat zij vaak niet voldoende geïntegreerd zijn, maar hun eigen geloof kunnen belijden en hun eigen gebedshuizen en moskeeën hebben. Mijn tegenvraag luidde of het waar is dat in zijn land een moslim of moslima met de dood kan worden bestraft wanneer hij of zij tot het christelijk geloof wil overgaan. Het feit dat hij daarop geen antwoord gaf, sprak boekdelen.
Dames en heren, ik ben er vast van overtuigd dat de dialoog tussen de culturen alleen kan slagen, wanneer die is gebaseerd op waarheid en wederzijdse verdraagzaamheid.
(Applaus)
Ik ben van plan bezoeken te brengen aan de Arabische nabuurstaten van de Europese Unie en bij mijn bezoeken aan de landen van de Europese Unie het gesprek aan te gaan met etnische minderheden, vooral met jongeren uit deze groepen. Met de Euromediterrane Parlementaire Vergadering beschikken wij over een belangrijke parlementaire instelling voor de dialoog met het Midden-Oosten, met inbegrip van Israël en de Arabische wereld. Wij moeten deze instelling effectief gebruiken voor vrede, partnerschap en, wanneer dit mogelijk is, vriendschap. Afgelopen weekend vond er in Tunis een ontmoeting plaats tussen de vier voorzitters die het presidium van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering vormen, dus de parlementsvoorzitters uit Egypte, Tunesië – dat momenteel het voorzitterschap bekleedt – en Griekenland en ondergetekende. We hebben afgesproken dat de dialoog tussen de culturen en de werkloosheidsproblematiek in de landen van het Middellandse Zeegebied onderwerp zullen zijn van het volgende overleg in maart. In juni willen we ons in het bijzonder bezighouden met het Midden-Oosten en het vredesproces dat dan hopelijk gaande is.
Zodra de omstandigheden het toelaten, zal ik een bezoek brengen aan Israël, Palestina en Libanon. Ik ben dankbaar voor de uitnodiging die men mij heeft doen toekomen om het Israëlisch parlement, de Knesset, toe te spreken. Wanneer wij mensen uitnodigen om het Europees Parlement toe te spreken, moeten wij de nadruk leggen op de dialoog tussen de culturen.
Dames en heren, het is onze gezamenlijke opgave om de Europese democratie en het Europese parlementaire stelsel te versterken. Daarom willen wij ons samen met de nationale parlementen coöperatief en constructief inzetten voor het welzijn van onze volkeren en van de gehele Europese Unie.
Helmut Kohl, die ereburger van Europa is, heeft eens gezegd: “We hebben niet veel tijd. De wereld waarin wij leven, is niet bereid te wachten totdat wij onze interne problemen hebben opgelost.” Hij heeft gelijk. Ik zou hieraan willen toevoegen: nietsdoen, onverschilligheid zou de grootste schuld zijn die wij op ons kunnen laden.
Aan het einde van mijn ambtstermijn wordt er een nieuw Europees Parlement gekozen. Wanneer onze arbeid overtuigend is en er ook in de nationale hoofdsteden in positieve zin over Europa wordt gesproken, zal de opkomst bij de verkiezingen voor het Europees Parlement weer hoger zijn. Het moet onze ambitie zijn om daarvoor te zorgen.
Ons werk is vaak saai, slopend en weinig spectaculair. Onze doelstellingen zijn echter ambitieus en de verwachtingen ten aanzien van ons hooggespannen. Wij moeten proberen aan die verwachtingen te voldoen. Ik hoop dat de wijze waarop ik u allen zal vertegenwoordigen, zal bijdragen aan de waardigheid van het Europees Parlement, de eenwording van Europa en de effectiviteit van de Europese Unie. Ik vraag om uw steun, dank u voor uw vertrouwen en hoop dat wij gezamenlijk onze doelen zullen bereiken.
(Langdurig applaus)
Angela Merkel, fungerend voorzitter van de Raad. – (DE) Geachte Voorzitter, mijnheer Poettering, geachte oud-Voorzitters en leden van het Europees Parlement, mijnheer de voorzitter van de Commissie, u, mijnheer de Voorzitter, behoort in het Europees Parlement tot de leden van het eerste uur. Zoals u zojuist hebt gezegd, reikt uw ervaring terug tot 1979. U bent zogezegd getuige geweest van de opmerkelijke ontwikkeling die dit Parlement heeft doorgemaakt. U hebt mede vorm gegeven aan een Parlement dat destijds nog in de kinderschoenen stond, maar nu is uitgegroeid tot een zeer zelfstandig Europees Parlement met zelfbewuste afgevaardigden, duidelijke partijstructuren en fracties en daarmee tot een geduchte, niet meer weg te denken partner in het Europese discours.
Deze ontwikkeling van het Parlement is een van de successen van de Europese Unie. We weten nu dat veel van wat wij voor de Europese burgers tot stand hebben gebracht, er zonder het werk van het Europees Parlement anders had uitgezien. Als recente voorbeelden noem ik de verordening betreffende chemische stoffen – Reach, de uitwerking van de dienstenrichtlijn, de discussie met betrekking tot de financiële vooruitzichten, in het kader waarvan u er steeds naar streefde prioriteiten te stellen die inspelen op toekomstige ontwikkelingen. Daarin bent u ook geslaagd, zij het soms na stevig onderhandelen met de Raad en de Commissie.
U vestigde vandaag in uw toespraak onze aandacht op de volgende verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009. Wij zullen samen naar de burgers van Europa toegaan – wij als vertegenwoordigers van de nationale staten en u als vertegenwoordigers van het Europees Parlement. Wij moeten bijna vijfhonderd miljoen mensen gaan vertellen wat ons bezighoudt, waarom Europa goed voor hen is en waarom Europa belangrijk is. Het gaat om het waarborgen van vrede, om solidariteit binnen de Europese Unie en om welvaart en sociale zekerheid in een globaliserende wereld, waarin de concurrentie voor ons allemaal veel harder is geworden. Daarom is het van belang om bij al het dagelijkse parlementaire werk het geheel niet uit het oog te verliezen. U hebt vandaag met uw werkprogramma duidelijk gemaakt wat naar uw opvatting de rol van het Europees Parlement, maar ook van de Europese Unie in de wereld moet zijn.
We zijn het erover eens dat het Grondwettelijk Verdrag het cruciale thema zal zijn van de verkiezingen van 2009. Het is niet alleen bepalend voor ons zelfbeeld en onze verhouding met de burgers, maar ook voor de slagvaardigheid van een Europese Unie van 27 lidstaten. Daarom zal het Duitse voorzitterschap alles in het werk stellen om samen met de Commissie, het Parlement en de lidstaten een tijdschema vast te stellen voor de voltooiing van dit project, zodat de mensen in 2009 weten over welk Europa zij moeten stemmen en of dat Europa in de toekomst slagvaardig kan optreden.
(Applaus)
Ik pleit voor voortzetting van de discussie – ook al is die op dit moment nog enigszins controversieel – over de vraag hoe we de betrekkingen tussen Commissie, Parlement en Raad duidelijker kunnen structureren. Ook om die reden heb ik in mijn verklaring over het programma van het Duitse voorzitterschap het discontinuïteitsbeginsel aan de orde gesteld. Ik denk namelijk dat dit punt op langere termijn steeds belangrijker zal worden. Hoe ziet een nieuw gekozen Parlement zichzelf? Hoe ziet een nieuw gekozen Commissie haar rol? Wat moet men op welke manier voor elkaar krijgen? Op deze vragen geeft ook het Grondwettelijk Verdrag nog geen definitief antwoord en daarom moet de discussie naar mijn idee worden voortgezet.
(Voorzichtig applaus)
Het energievraagstuk is uiteraard een van de inhoudelijke onderwerpen die op de Voorjaarstop van 8 en 9 maart centraal zullen staan. Ik wil u vandaag verslag doen van onze voorbereidingen voor deze bijeenkomst. Ik wil echter eerst de Commissie hartelijk danken voor de ambitieuze reeks richtlijnen en feiten die zij met betrekking tot het onderwerp energie en klimaatbescherming voor de agenda heeft aangeleverd. Ter voorbereiding van de Voorjaarstop zullen in de komende vergaderingen van de raadsformaties voor concurrentievermogen en milieu de belangrijkste voorwaarden moeten worden geschapen voor een goed inhoudelijk debat in de Europese Raad. Ik onderschrijf de doelstelling van de Commissie om de CO2-uitstoot voor 2020 met 30 procent te reduceren, mits we daarbij internationale partners vinden. Ik vind dat wij allemaal de taak hebben om er in onze internationale contacten op te wijzen dat Europa verantwoordelijk is voor 15 procent van de CO2-uitstoot, maar dat 85 procent veroorzaakt wordt door de landen buiten de Europese Unie. We moeten als Europa een voortrekkersrol vervullen – en laten we die rol ook op ons nemen. Europa moet echter ook uitleggen dat deze problematiek als geen andere zichtbaar maakt dat in deze wereld alles met elkaar verband houdt en dat de maatregelen van één continent niet voldoende zijn om het gevaar te bezweren dat de hele mensheid bedreigt.
(Applaus)
Nu al is duidelijk dat de discussies over de organisatie van een concurrerende interne markt moeilijk zullen worden. Wie thuis is in de materie, zal daarover niet verbaasd zijn. We zullen dat debat aangaan, want het is van essentieel belang dat er een goed functionerende interne energiemarkt komt. We zullen het onderwerp energie-efficiëntie op de agenda zetten en we zullen gaan praten over hernieuwbare energie. Het Duitse voorzitterschap pleit ervoor om daarbij ook uitgangspunten en streefcijfers voor reductie vast te stellen die verder gaan dan vrijblijvende afspraken. Geen enkele lidstaat kan zich daaraan onttrekken – laat ik daarover volstrekt duidelijk zijn! Ook de Bondsrepubliek Duitsland – als ik dat als bondskanselier mag zeggen – heeft hierover al compromissen met de Commissie moeten sluiten en dat was niet gemakkelijk. Toch hebben we dat heel bewust gedaan, omdat ik vind dat iedere lidstaat zijn bijdrage moet leveren. Het is een misvatting te denken dat men het klimaat effectief kan beschermen zonder dat iemand het merkt. Die misvatting moeten we uit de wereld helpen.
(Applaus)
Ook in het buitenlands beleid zal het energievraagstuk een belangrijk onderwerp zijn, met name in de onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst met Rusland. Ook nu moet ik weer zeggen dat we hopen dat deze onderhandelingen van start kunnen gaan en dat we daarvoor ons best doen. Het is helaas nog niet zover, maar ik heb goede hoop dat we voor de Top EU-Rusland van mei een flinke stap verder zullen zijn. Verder zullen we het onderwerp ‘betere wetgeving’ op de agenda van de Europese Raad zetten. Ook hiervoor vraag ik de steun van het Parlement, zodat we niet in vrijblijvende afspraken blijven steken, maar ons vastleggen op kwantitatieve doelstellingen om de lasten te reduceren.
Ik ken de bezorgdheid en de vrees dat minder regelgeving kan leiden tot minder bescherming. Dat willen we beslist niet, maar de bureaucratie die we nu soms zien, is voor verbetering vatbaar. Vanuit het standpunt van de Europese burgers gezien zijn we daartoe verplicht. Het is niet zo dat een regeling pas effectief is wanneer we voor de controleerbaarheid ervan het meest ingewikkelde formulier gebruiken.
(Applaus)
Mijnheer de Voorzitter, het consultatieproces over de verklaring over de toekomst van Europa die we op 24 en 25 maart willen aannemen, verloopt goed. We gaan daarmee op dezelfde voet verder. U hebt in uw uiteenzetting heel duidelijk gemaakt wat er met betrekking tot het buitenlands beleid en het veiligheids- en defensiebeleid van de Europese Unie wordt verwacht. Het belang dat u hecht aan de mensenrechten – een onderwerp met een grote traditie in het Europees Parlement – deel ik van harte en ik juich het toe dat u de dialoog tussen de culturen tot een van uw prioriteiten wilt maken. Ik heb de afgelopen dagen, tijdens mijn reis door het Midden-Oosten, kunnen merken welke verwachtingen men van de Europese Unie en haar instellingen heeft. Het verlangen naar vrede en de bezorgdheid over het nucleaire programma van Iran zijn in het Midden-Oosten haast tastbaar aanwezig. Er rust op dit punt een grote verantwoordelijkheid op ons en we moeten alles in het werk stellen – uiteraard samen met de actoren in de regio en met de Verenigde Staten en Rusland – om het vredesproces op gang te brengen waarnaar de mensen zo met smart uitzien.
Ik heb bij een andere gelegenheid al eens gezegd en wil hier herhalen dat wij als Europeanen met het einde van de Koude Oorlog een situatie hebben bereikt die we nooit hadden verwacht. Vrijwel alle landen van Europa kunnen vandaag als de 27 lidstaten van de Europese Unie weer gezamenlijk in een democratisch proces – al gaat het vaak moeizaam – werken aan en ijveren voor vrede en vrijheid. Dit wonder van onze generatie zou ons moeten aansporen om voor wonderen en kansen in andere regio’s van de wereld op te komen.
Palestijnen en Israëli’s zijn al decennialang verstoken van een leven in vrede, een leven in twee landen die aan elkaar grenzen en geen oorlog tegen elkaar voeren, een leven met uitzicht op welvaart. Juist wij moeten ons voor hen inzetten, omdat wij aan den lijve hebben ondervonden dat ondanks schijnbaar onoverbrugbare verschillen vrede en vriendschap mogelijk zijn. Deze ervaring verplicht ons om als Europa een rol in dit proces te spelen. Daarom ben ik erg blij dat dit een van de onderwerpen is waaraan u, samen met alle afgevaardigden in het Europees Parlement, prioriteit wilt geven.
Mijnheer de Voorzitter, u citeerde Helmut Kohl. U zei dat we ons moeten haasten en niet voortdurend met onszelf bezig moeten zijn. De mensen in de Europese Unie verwachten immers van ons dat we ervoor zorgen dat Europa ook in deze tijd van globalisering succesvol blijft en dat de burgers daar wel bij varen. Miljoenen, ja miljarden mensen in de wereld verwachten van de Europese Unie dat ze er met haar ervaring en haar welvaart mede voor zorgt dat de wereld als geheel vreedzamer en vrijer wordt. Laten we daar gezamenlijk aan werken! Ik dank u voor uw toespraak en hoop op een goede samenwerking met het Europees Parlement.
(Applaus)
De Voorzitter. Mijn hartelijke dank aan u, bondskanselier Merkel, voor deze bemoedigende toespraak. We zullen alles doen wat binnen onze mogelijkheden ligt om ervoor te zorgen dat de Raad, de Commissie en dit Parlement succesvol samenwerken ten behoeve van ons werelddeel, de Europese Unie.
José Manuel Barroso, voorzitter van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, bondskanselier Merkel, voormalige Voorzitters van het Europees Parlement, voorzitters van de Europese instellingen, geachte leden, dit jaar vieren wij wat de Europese Unie de afgelopen 50 jaar heeft bereikt: een geschiedenis waarin het Europees Parlement steeds meer de belichaming van Europese democratie is geworden.
Ik ben verheugd over de aanwezigheid vandaag van de voormalige Voorzitters van het Europees Parlement. Namens mijzelf en namens de Commissie wil ik u allen bedanken voor de bijdragen aan Europa die ieder van u afzonderlijk heeft geleverd.
U, mijnheer de Voorzitter, wil ik feliciteren met dit initiatief, dat voorwaar van belang is. Sommige politici denken dat de wereld niet bestond voordat zij werden geboren. Ik ben van mening dat het belangrijk is dat wij, degenen die onze burgers dienen via onze instellingen, ervoor zorgen dat dit institutionele geheugen in stand wordt gehouden. Een respectabele en beschaafde samenleving bewijst eer aan haar geschiedenis en respecteert de instellingen. Ik wil u bedanken voor uw toespraak, die blijk gaf van zowel visie als inhoud. Ik deel de standpunten die u daarin naar voren bracht en prijs uw toewijding.
Geachte leden, u hebt een Voorzitter gekozen wiens ervaring en toewijding aan ons gemeenschappelijke Europese project ongeëvenaard is.
Onze Europese waarden benadrukken de essentie van het Europa dat wij wensen en koesteren: een Europa van vrede, vrijheid, democratie, welvaart en rechtvaardigheid. De uitbreiding van Europa en de integratie van de 27 lidstaten, die alle vrij zijn van oorlog en totalitarisme, benadrukt de kracht van deze waarden en de lessen die wij hebben geleerd van het verleden: alleen door ons gezamenlijk in te spannen kunnen wij onze burgers voorzien van antwoorden in de geglobaliseerde wereld van de 21e eeuw.
Cultureel en religieus pluralisme is een sterke Europese waarde. In dat opzicht ben ik met name blij met de nadruk die Voorzitter Poettering legt op een interculturele en religieuze dialoog. De Europese Unie bevindt zich in de juiste positie om deze dialoog te bevorderen. Wij beschikken over een hoge mate van diversiteit: diversiteit van tradities, van culturen, van talen, van landen. Dat is een van onze kostbare gaven als Europeanen. Tot op zekere hoogte zijn wij succesvol op het gebied van globalisering. Beter dan wie ook, kunnen wij deze geglobaliseerde wereld vorm geven.
Het voeren van een dialoog is de manier om te waarborgen dat diversiteit geen verdeeldheid veroorzaakt, maar juist een verrijking van onze eenheid vormt. Ik ben ervan overtuigd dat culturele diversiteit een bron is van de kracht van Europa en van het Europese vermogen om zijn waarden en belangen in de wereld te bevorderen. Deze dialoog dient dan ook op de juiste manier te worden gekoesterd. Volgend jaar is het Jaar van de interculturele dialoog en wij zijn van plan om dat jaar ten volle te benutten voor deze dialoog. De Commissie streeft al lange tijd naar een dialoog met religies, kerken en geloofsgemeenschappen, inclusief gemeenschappen zonder religie. In partnerschap met het Europees Parlement wil ik dit graag verder stimuleren, als zichtbaar blijk van de manier waarop Europese instellingen, door samen te werken, de Europese integratie verder kunnen stimuleren.
Om het belang van dit aspect aan te geven, heb ik vorig jaar de voorzitter van de Europese Raad uitgenodigd om een ontmoeting met religieuze en kerkelijke leiders bij te wonen. Ik ben blij met de afspraak om in mei van dit jaar een top te houden, met de drie voorzitters van de Europese politieke instellingen en de leiders van de belangrijkste religies en kerken, waarvan ik met trots de gastheer zal zijn.
Op 25 maart hebben wij de gelegenheid om zowel onze prestaties als onze waarden te vieren. Het doet mij deugd dat het Europees Parlement en de Europese Commissie een volwaardige rol spelen in de voorbereidingen voor de verklaring over de toekomst van Europa, volgend op mijn voorstel van mei jongstleden. Deze verklaring, die in Berlijn zal worden ondertekend, vormt een echt gemeenschappelijk referentiepunt – een bevestiging van datgene waarvoor de Europese Unie dient en een missieverklaring voor wat wij in de 21e eeuw willen bereiken.
Vorige maand heb ik in dit Huis voorstellen gedaan die ik graag zou willen terugzien in de verklaring van Berlijn. Ik heb die voorstellen niet zomaar gedaan. Ze komen overeen met resultaten waarvan de Europese burgers willen dat wij ze bereiken. En ik ben van mening dat wij, door ons te richten op de doelstellingen van ons gemeenschappelijke project, zullen komen tot een sterke en uitgebreide consensus, inclusief een consensus voor een institutionele regeling.
Ik ben ervan overtuigd dat als Europeanen zien dat de Europese Unie maatregelen treft om de globalisering het hoofd te kunnen bieden – door economische groei en werkgelegenheid te bevorderen, blijk te geven van sociale solidariteit, klimaatverandering aan te pakken, democratische legitimiteit te vergroten, haar burgers beter te beschermen, onze waarden en belangen wereldwijd te verdedigen – zij erop zullen vertrouwen dat de Europese Unie zichzelf zal hervormen om te kunnen voldoen aan de uitdagingen van morgen en om praktische resultaten te boeken.
Wij zijn hier allen om de Europese burgers te dienen. Als we publieke instemming willen bereiken, moeten we onze activiteiten richten op de prioriteiten van de burgers en moeten we te werk gaan op een manier die hun vertrouwen rechtvaardigt, met name door de principes van subsidiariteit en transparantie te respecteren. Precies deze aanpak hebben wij uiteengezet in onze mededeling “Een agenda voor de burger” van mei jongstleden.
Om resultaten te kunnen bereiken, dienen wij een institutioneel partnerschap in stand te houden en te ontwikkelen; een partnerschap dat is gebaseerd op de scheiding van bevoegdheden, maar ook op het idee van onderlinge afhankelijkheid van de instellingen. Terwijl we de autonomie van elke instelling respecteren, moeten we de gemeenschappelijkheid van onze Europese principes benadrukken. Ook al zijn er enkele natuurlijke politieke en ideologische verschillen, diegenen die deze beginselen zijn toegewijd, dienen een oprecht Europees partnerschap op te bouwen.
Ik ben van mening dat de samenwerking tussen het Parlement, de Raad en de Commissie goed functioneert. Deze samenwerking heeft zichzelf bewezen in enkele zware beproevingen. Het afgelopen jaar hebben wij kunnen zien hoe oplossingen werden bereikt voor moeilijke dossiers inzake dienstverlening, chemicaliën, Reach en de financiële vooruitzichten, om maar enkele voorbeelden te noemen. Dit was het resultaat van samenwerking tussen de drie instellingen in deze geest van partnerschap. Ik ben vastbesloten om nauw met u samen te werken, mijnheer de Voorzitter, evenals met bondskanselier Merkel en haar opvolgers aan het roer van de Raad. Ik ben ervan overtuigd dat dit de beste manier is om de resultaten te leveren waar onze burgers om vragen.
Het resultaat van het debat over de toekomst van Europa is geen bijzaak: een efficiëntere en meer democratische Europese Unie raakt de kern van ons vermogen om beleid te maken en resultaten te leveren. We weten allemaal dat dit zou zijn bereikt met het Grondwettelijk Verdrag, en dat er grenzen zijn aan wat wij zonder dit Verdrag kunnen bereiken. Zoals ik vaak zeg, kunnen we niet bouwen aan het Europa van morgen met het gereedschap van gisteren. Het Verdrag van Nice is niet voldoende.
(Applaus)
Ik weet dat het Europees Parlement de toewijding van de Europese Commissie deelt om het werk van het Duitse voorzitterschap volledig te steunen, om zodoende de juiste weg voorwaarts te vinden. De inzet en toewijding van bondskanselier Merkel vervullen ons met oprechte hoop dat wij kunnen komen tot een consensus en ons bij de Europese burgers sterk kunnen maken voor hervorming en vooruitgang. Het voorzitterschap van de Raad kan echter alleen resultaten bereiken als het door alle lidstaten wordt gesteund. Met alle Europese instellingen hier vandaag verzameld, wil ik graag mijn oproep aan de lidstaten herhalen om te komen tot een oplossing met betrekking tot het Grondwettelijk Verdrag. Na de 'nee'-stemmen in twee lidstaten weet ik dat het moeilijk is, zo niet onmogelijk, om precies dezelfde tekst te ratificeren. Laten we echter niet vergeten dat alle regeringen het Verdrag hebben ondertekend. Dit heeft op zijn minst een dubbele implicatie. Allereerst hebben de lidstaten erkend dat de Unie gemeenschappelijke problemen en gemeenschappelijke uitdagingen moest oplossen. Dat hebben we nog niet gedaan. Ten tweede impliceert het ondertekenen van het Verdrag ook een verantwoordelijkheid jegens de andere lidstaten, jegens de Europese instellingen en jegens de Europese burgers. Het is de plicht van alle Europese regeringen om op constructieve en actieve wijze op zoek te gaan naar een gemeenschappelijke oplossing, waarbij ik de nadruk wil leggen op het woord 'gemeenschappelijk'. Op een historisch moment als dit, waarop wij de vreedzame eenheid van Europa vieren, hebben wij niet het recht om Europa opnieuw te verdelen.
Met betrekking tot hun standpunt inzake Europa, doen enkele politici me denken aan James Mill, de vader van John Stuart Mill. John Stuart Mill heeft ooit gezegd dat zijn vader hield van de mensheid in het algemeen, maar elke afzonderlijke persoon haatte.
(Gelach)
We zien in Europa ook veel politici die hun liefde voor Europa in het algemeen verkondigen, maar vervolgens weerstand bieden aan Europese oplossingen voor energie, klimaatverandering, immigratie en uiteraard de institutionele regeling. Laten we eerlijk wezen: we hebben geen intentieverklaringen nodig, maar toewijding.
(Applaus)
In de nabije toekomst krijgen we te maken met beslissende uitdagingen, te beginnen met het pakket voor energie en klimaatverandering dat in maart in de Europese Raad op de agenda staat. Ik ben erg blij met de verklaring van bondskanselier Merkel van zojuist. Laten we eerlijk zijn tegen onszelf: coherentie is een vereiste voor geloofwaardigheid. We zijn niet geloofwaardig als we zeggen dat we met één stem de buitenwereld willen toespreken over energie, en vervolgens onderling blijven spreken met 27 stemmen en 27 markten. We zijn niet geloofwaardig als we stellen dat de strijd tegen klimaatverandering een van de belangrijkste prioriteiten voor Europa is, en vervolgens niet in staat zijn om het eens te worden over specifieke doelstellingen voor ons beleid. Daarom moeten we coherent en geloofwaardig zijn.
Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de bondskanselier, geachte leden, ik heb hoge verwachtingen voor de periode tussen vandaag en het einde van deze parlementaire termijn. Ik ben van mening dat wij de juiste prioriteiten hebben bepaald en de juiste basis voor samenwerking om deze prioriteiten te realiseren. Ik verheug me erop nauw samen te werken met Voorzitter Poettering, met dit Parlement en met collega's in de Europese Raad, om zodoende aan het einde van dit decennium daadwerkelijke hervormingen in Europa en daadwerkelijke veranderingen voor de burgers van Europa te kunnen bieden.
Ik ben ervan overtuigd dat wij een Europa kunnen opbouwen dat de toekomst van onze wereld vorm kan geven rond de waarden die wij zo belangrijk vinden: vrijheid en rechtvaardigheid.
(Applaus)
De Voorzitter. Voorzitter Barroso, ik wil u bedanken voor uw verklaring en met name voor uw inzet voor partnerschap met het Europees Parlement, die bijzonder welkom is. Ik wil u daarnaast persoonlijk bedanken. We zien uit naar de voortzetting van onze goede samenwerking.
Joseph Daul, namens de PPE-DE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, geachte collega’s, ik wil u bijzonder hartelijk gelukwensen, beste Hans-Gert, met uw briljante toespraak over hoe Europa zich moet herstellen en zijn krachten opnieuw moet bundelen.
Tegenover degenen die u in deze hoge functie zijn voorgegaan – en die ik bij dezen graag wil begroeten – en tegenover de vertegenwoordigers van alle Europese instellingen hebt u uw visie over de toekomst van de Europese Unie uiteengezet: een visie van een Europa dat enerzijds verenigd en geïntegreerd is, en anderzijds openstaat voor de wereld en zich bewust is van zijn internationale verantwoordelijkheden, terwijl het tegelijkertijd herkenbaarder is voor de burgers en dichter bij hen staat.
Het is een visie waarin de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen democraten) en Europese Democraten zich volledig kan vinden. Ik ben blij met de daadkrachtige, positieve en constructieve toon van uw voorstellen. Wij moeten ermee ophouden ons negatief uit te laten over Europa en ons af te vragen wat er van ons zal worden. In plaats daarvan moeten wij onze inspanningen richten op datgene wat ons te doen staat.
De Europese eenwording is een succes. Zij heeft onze landen en onze volkeren niet alleen meer welvaart gebracht, zij heeft ook de vrede op ons continent gewaarborgd.
Dankzij het Europese project hebben wij de loop van de geschiedenis veranderd, en degenen die beweren dat dit niet voldoende is, zouden eens om zich heen moeten kijken, in hun dagelijks leven: de weldaden van Europa zijn alomtegenwoordig. Het zou van kwade wil getuigen om dit niet te erkennen, maar het is wel duidelijk dat wij de overtuigingen die aan onze handelingen ten grondslag liggen, krachtiger tot uitdrukking moeten brengen, en dat wij moeten leren onze prestaties op hun juiste waarde te schatten. Dat geldt voor de euro, die een succes is, maar meer in het algemeen ook voor ons werk als wetgever.
Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, wij hebben alle reden om onze toekomst binnen de Europese Unie met vertrouwen tegemoet te zien. De uitdagingen die nog voor ons liggen, zullen wij het hoofd bieden als een verenigd en vastberaden Europa, en beslist niet als een sikkeneurig Europa of een Europa dat enkel op zijn verleden is gericht.
Mijnheer de Voorzitter, onze fractie deelt uw prioriteiten, die volgens ons zowel aansluiten op de belangrijke uitdagingen waarvoor de huidige wereld ons stelt, als op de dagelijkse zorgen van onze medeburgers. Die twee zaken hangen met elkaar samen. Wat verlangen de burgers van Europa? Ze willen zowel meer vrijheid – vooral de jongeren – als meer veiligheid en bescherming tegen de dreigingen waarmee wij te maken hebben. Ze willen kunnen werken en de vruchten van hun werk kunnen plukken. Ten slotte verwachten ze dat Europa de waarden van onze beschaving en onze cultuur bevestigt en uitdraagt.
Zij zijn voorstander van de bescherming van het milieu en van de strijd tegen klimaatverslechtering op Europees niveau. Ze zijn voor een gemeenschappelijk energiebeleid dat een betrouwbare energielevering tegen een acceptabele prijs kan garanderen, en sluiten energiebronnen die onze onafhankelijkheid kunnen waarborgen niet uit. Ze willen een rechtvaardig landbouw- en voedingsmiddelenbeleid dat de agrarische gemeenschap perspectieven biedt en tevens de voedselveiligheid waarborgt, terwijl het een belangrijke bijdrage blijft leveren aan de technologische ontwikkelingen. Tot slot willen ze een onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid waarmee Europa op mondiaal vlak een voortrekkersrol op het gebied van innovatie speelt, zoals wij in de Lissabondoelstellingen verkondigen.
Persoonlijk wil ik vanmorgen echter de nadruk leggen op het streven om dichter bij de burger te staan, en op de noodzaak om deze doelstelling en die van de dialoog tussen culturen en religies met elkaar te verbinden. De interculturele en interreligieuze dialoog is de positieve keerzijde van de strijd tegen racisme en intolerantie, en tegen uitsluiting en vreemdelingenhaat. Het is niet voldoende deze kwalijke zaken aan de kaak te stellen of deze plagen te bestrijden: wij moeten juist op een positieve manier de aandacht vestigen op de voordelen van het uitwisselen van kennis, de voordelen van sociale gemengdheid, het verheven goed van gastvrijheid, de grootsheid van tolerantie en de wederzijdse verrijking door de ontmoeting van culturen.
Tegelijkertijd moet de Europese Unie zich duidelijk uitspreken over haar geografische begrenzingen, over haar grenzen en over een gemeenschappelijk immigratiebeleid. Tot slot moet de Europese Unie haar strategie ten aanzien van de globalisering bepalen. Deze strategie mag niet gebaseerd worden op het recht van de sterkste, maar moet een mix van concurrentievermogen, een hoog niveau van werkgelegenheid en sociale bescherming als uitgangspunt hebben. Wat wij nodig hebben is een globalisering die beheersbaar is.
Ik wil het Duitse voorzitterschap – en in het bijzonder mevrouw Merkel – er nogmaals voor prijzen dat het al deze onderwerpen zo resoluut gaat aanpakken. Het zijn niet alleen uitdagingen voor de komende zes maanden, maar voor de komende tien of twintig jaar.
In de verklaring van 25 maart – ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Unie – zou kunnen worden voorgesteld om de politieke ambitie voor Europa een nieuwe impuls te geven. Overeenkomstig het langetermijnplan van de grondleggers brengt deze ambitie met zich mee dat de instellingen weer nieuw leven moet worden ingeblazen.
Ik weet, mijnheer de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad en mijnheer de voorzitter van de Commissie, hoezeer u aan deze doelstelling hecht. Wij vertrouwen erop dat de Commissie en haar voorzitter, heer Barroso, in staat zijn om deze institutionele uitdaging aan te gaan. De Commissie is zowel hoedster van de Verdragen als hoedster van het algemeen belang van de Gemeenschap. Wij zullen haar voortdurend terzijde staan, als zij deze dubbele functie op nauwlettende wijze uitoefent. Door onze krachten te bundelen en onze overtuigingen te delen kunnen wij de Europese Unie weer op de rails krijgen.
Als afsluiting zou ik Pierre Pflimlin, voormalig Voorzitter van het Europees Parlement, kunnen citeren, wiens honderdste geboortedag wij dit jaar vieren en die vurig verlangde naar een Europa van spirituele waarden. In plaats daarvan beroep ik mij op de meest eurofiele van onze schrijvers uit de twintigste eeuw, Stefan Zweig, die de vroegere en toekomstige bouwers van Europa in zijn prachtige biografie van Erasmus een sleutel aanreikt: “Er zal altijd behoefte zijn aan figuren die de mensen wijzen op hetgeen hen verenigt boven hetgeen hen scheidt, en die de harten van de mensen weer vervullen met het geloof in een hogere menselijke natuur.”
(Applaus)
Martin Schulz, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte oud-Voorzitters van het Europees Parlement, dames en heren, om de indruk te vermijden dat we een congres van de Europese Volkspartij bijwonen, neemt nu een sociaaldemocraat het woord. Het is een moeilijke exercitie waaraan ik me nu moet onderwerpen. U kent immers mijn opvatting dat de toespraak van de Voorzitter van dit Parlement een toespraak behoort te zijn die zoveel mogelijk recht doet aan alle afgevaardigden. Een dergelijke toespraak mag geen voorwerp zijn van een controversieel politiek debat. Zou dat wel zo zijn, dan is het geen toespraak van iemand die iedereen bijeenbrengt, maar van iemand die een individuele mening vertolkt als bijdrage aan een debat.
Ik wil uitdrukkelijk erkennen, mijnheer de Voorzitter, dat u een toespraak hebt gehouden waarachter het gehele Europees Parlement zich kan scharen. In uw toespraak hebt u een overzicht gegeven van de belangrijkste taken die ons te wachten staan. Uw ambtsperiode valt in een beslissende fase van de Europese politiek. Of de hervormingen worden een succes, of ze mislukken. Andere mogelijkheden zijn er niet. Indien de hervormingen echter mislukken, indien er geen Grondwet komt, indien we worden teruggeworpen op het onvolledige Verdrag van Nice, dan betekent dat niet alleen het einde van een verdrag, maar ook het einde van een ideaal. Dat hebt u heel goed onder woorden gebracht.
U hebt in uw toespraak ook uitgelegd wat de Europese idee inhoudt, namelijk dat we de oplossingen moeten zoeken in interculturele samenwerking, dat religieuze onverdraagzaamheid door de interreligieuze dialoog moet worden overwonnen, dat economische en sociale integratie de basis vormt voor vrede en vreedzame co-existentie en dat territoriale aanspraken kunnen worden opgegeven door territoriale integratie. Wanneer we dit ideaal plaatsen tegenover de zaken die ons op de proef stellen, dan is duidelijk wat die beproevingen zijn: overal in de wereld zien we etnische en raciale haat, overal aan onze grenzen stuiten we op religieuze onverdraagzaamheid en helaas worden we zelfs weer geconfronteerd met territoriale aanspraken. Wie streeft naar vrede in de wereld, wie streeft naar vrede in Europa, zowel intern als extern, heeft meer dan ooit de Europese gedachte nodig. Zij vormt het tegenwicht tegen verschijnselen als haat, onverdraagzaamheid, uitsluiting en onderdrukking, die de oorzaak zijn van oorlogen. Wij stellen daar sociale en culturele integratie, interreligieuze en transetnische oplossingen tegenover. Dat hebt u goed verwoord en mijn fractie kan dat alleen maar van harte onderschrijven.
Tegelijkertijd moeten wij echter – en ook daarop hebt u terecht gewezen – een antwoord vinden op de problemen van alledag. De mensen willen meer dan alleen plechtige vergaderingen, hoewel ik u moet feliciteren met de plechtige vergadering van vandaag, waarnaar we allemaal lange tijd hebben toegewerkt. Bij alle scepsis geef ik graag toe dat het een geslaagde bijeenkomst is. We zijn echter niet iedere dag in een plechtige vergadering bijeen. De burgers verwachten van ons oplossingen voor alledaagse problemen. Wanneer de plechtige woorden vervlogen zijn, worden we al weer snel geconfronteerd met de dagelijkse beslommeringen. Er zijn drie zaken die de mensen van ons verwachten: ten eerste dat we zeggen waar het op staat, ten tweede dat we met voorstellen voor oplossingen komen en ten derde dat we besluiten nemen en handelen – het liefst unaniem, maar als dat niet kan, dan gewoon bij meerderheidsbesluit, zoals gebruikelijk is in een democratie. Ook dat moet kunnen en dat geldt overigens ook voor de Raad.
Voordat u ons weer wat gaat vertellen over discontinuïteit, mevrouw de bondskanselier, wil ik u dit zeggen: ik heb er geen bezwaar tegen dat we daarover gaan praten, maar de grootste veroorzaker van discontinuïteit in Europa is de Raad die u voorzit. Daar ligt het probleem.
(Applaus)
We worden natuurlijk ook ingehaald door onze eigen problemen waarvoor we een oplossing moeten vinden. Dat geldt voor ons in het Parlement, voor u in de Raad en ook voor de Commissie. Mevrouw Merkel, op 1 januari van dit jaar publiceerde het tijdschrift Cicero een prachtig interview met u. Ik heb het met grote belangstelling gelezen. U doet daarin een geweldige uitspraak: “Een van mijn doelstellingen is om in 2007 meer vooruitgang te boeken op het gebied van klimaatbescherming. […] Tegen die achtergrond zal ik bijzondere prioriteit geven aan ecologische onderwerpen in internationaal verband.” Prima! Dat hebt u vandaag ook gezegd. Nu citeer ik een andere uitspraak. Als ik het me goed herinner, zei u dat in de Duitse Bondsdag. U wilt met alle geweld voorkomen dat er vanaf 2012 een uniforme grenswaarde geldt voor de uitstoot van kooldioxide bij nieuwe auto’s. Voilà – de harde werkelijkheid heeft ons al weer ingehaald.
(Interruptie van de heer Cohn-Bendit: “Discontinuïteit!”)
Ook dat is discontinuïteit, inderdaad. We moeten…
(Interruptie van de heer Ferber)
U ziet, mijnheer de Voorzitter, dat mijn vrees wordt bewaarheid: de plechtige vergadering zou kunnen uitlopen op een controversieel debat. De CSU van de heer Ferber heeft echter zozeer de handen vol aan haar eigen problemen, dat we hem zijn interruptie gunnen.
Mevrouw Merkel, mijnheer Poettering, we moeten proberen aan beide vereisten evenveel recht te doen. We mogen niet alleen maar plechtige vergaderingen met hooggestemde verklaringen organiseren; we moeten ook uitkomsten bieden voor de problemen van alledag. Dat is wat wij vragen. Ik heb vandaag in iedere toespraak gehoord dat het sociale Europa het hart en het fundament is van de samenhang in onze samenleving. Toen ik dat tweeënhalf jaar geleden in mijn eerste toespraak als fractievoorzitter zei, oogstte ik daarmee hoongelach bij bepaalde fracties in dit Parlement. Dat we in tweeënhalf jaar zoveel vooruitgang hebben geboekt en het hierover nu allemaal eens zijn, geeft mij de hoop dat we aan het einde van uw ambtstermijn van tweeënhalf jaar – de termijn die u zelf aankondigde – nog verder zullen zijn.
Ik wil tot slot nog twee korte opmerkingen maken. Ik ben het niet met u eens, mijnheer de Voorzitter, dat de Verenigde Staten van Amerika het communisme hebben bedwongen of een bijdrage hebben geleverd aan de overwinning op het communisme in Oost-Europa. Het zijn niet de Verenigde Staten geweest die dat hebben gedaan, maar de moedige mannen en vrouwen in Polen; het waren de Hongaren; het waren de inwoners van de Baltische staten: zij hebben het communisme overwonnen en niet de Verenigde Staten van Amerika. Het is meer dan ooit op zijn plaats om dat hier in het Parlement te zeggen, met dank aan de afgevaardigden uit deze landen, die de nieuwe democratieën vertegenwoordigen.
(Applaus)
Met mijn laatste opmerking richt ik mij tot u, mijnheer de Voorzitter: uw toespraak, waarin u de aandacht vestigde op de vraagstukken die belangrijk zijn voor onze toekomst, is mijns inziens een van de beste toespraken in het Parlement sinds jaren. Ik wil u zeggen dat ik u ook in staat acht om uw woorden waar te maken. Zeker met betrekking tot het Grondwettelijk Verdrag zult u als Voorzitter van deze instelling een belangrijke rol hebben. Wanneer u er mede voor kunt zorgen dat er een brug wordt geslagen tussen de zeer tegengestelde opvattingen van de staatshoofden en regeringsleiders, wanneer u dat op dezelfde wijze doet zoals u als fractievoorzitter de PPE-DE-Fractie met haar tegenstrijdige belangen bijeen hebt gehouden, dan heb ik er het volste vertrouwen in dat u een goede invulling zult geven aan het voorzitterschap.
(Applaus)
De Voorzitter. Mijnheer Schulz, het is niet aan mij om uw toespraak te beoordelen, maar ik wil graag zeggen dat u, ondanks dat u eigenlijk het woord niet wilde voeren, er toch in geslaagd bent dit met veel overtuiging te doen. Hartelijk dank daarvoor.
Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, door uw ervaring in dit Huis sinds de rechtstreekse verkiezingen in 1979 bent u zeer gekwalificeerd en beschikt u over een zeldzaam gevoel voor perspectief voor de functie die u bekleedt. Ik wil u feliciteren met de toespraak die u deze ochtend heeft gehouden.
U hebt de Europese Unie zien groeien van 9 landen in de jaren zeventig tot 12 in de jaren tachtig, 15 in de jaren negentig, en 25 en vervolgens 27 in dit decennium, met nog een rij landen die in afwachting zijn van toetreding. U hebt gezien hoe het Verdrag van Rome werd aangevuld met de Europese Akte, de Verdragen van Maastricht, Amsterdam en Nice, en nu het concept van het Grondwettelijk Verdrag, terwijl de gemeenschappelijke markt werd versterkt met een interne markt, een eenheidsmunt en beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, afspraken inzake buitenlandse zaken en veiligheid, en nu energie.
Tevens bent u getuige geweest – zoals sommige anderen van ons van een recentere lichting – van een diepgaande wijziging in dat waar de Europese Unie nu eigenlijk voor staat. Het is niet langer een Unie die vrede en voedselzekerheid moet waarborgen, maar een Unie die in staat moet zijn om het hoofd te bieden aan de drie grote uitdagingen waarmee wij worden geconfronteerd: snelle groei en migratie van de wereldbevolking, energiebronnen en klimaatverandering, en internationale georganiseerde misdaad die is gekoppeld aan terrorisme.
Tot nu toe is het elan om deze Unie op te bouwen van binnenuit gekomen. In toenemende mate is het elan nu afkomstig van buiten onze grenzen en de reactie hierop door onze instellingen is onzeker geweest. In onze Unie heerst een malaise die heeft geleid tot onderling gekibbel van de lidstaten, omdat zij, in naam van het behoud van de nationale soevereiniteit, te vaak wereldwijde anarchie de vrije teugel laten; en tot onderling gekibbel van onze instellingen, waardoor onze burgers onverschillig worden, net als wanneer verschillende genootschappen binnen de kerk redetwisten over transsubstantiatie in plaats van zich af te vragen waarom er niemand meer naar de kerk komt.
Mijnheer Poettering, u hebt de kans om dit Huis te leiden in een tijd waarin het meer en meer de motor van de Europese integratie aan het worden is. Het is steeds meer het Europees Parlement waarvan de Europeanen het moeten verwachten: een oplevend en oprecht Huis, dat de Raad en de lidstaten tot de orde roept wanneer zij met hun acties tegen terrorisme de rechten die wij koesteren met voeten treden; dat consensus bereikt – iets waar de Commissie niet in slaagt – over de interne markt voor dienstverlening of over maatregelen voor consumentenbescherming; dat in samenwerking met nationale parlementen de uitvoerende macht controleert, om te waarborgen dat de wet wordt nageleefd.
Kortom: dit Huis wordt volwassen. Ideologie is nationaliteit voorbij gestreefd als de belangrijkste bepalende factor bij stemgedrag. Weliswaar beschikt dit Huis nog niet over het initiatiefrecht of het recht om de voorzitter van de Commissie voor te dragen, maar geen van beide rechten zijn nu ondenkbaar en steeds meer mensen zijn van mening dat beide rechten de democratische cultuur van onze Unie zouden versterken.
Daarom hoop ik, mijnheer Poettering, dat u uw tweeënhalf jaar zult gebruiken om de noodzakelijke hervorming van dit Huis aan te vatten; om ons een Parlement te bieden dat beter is toegerust om dergelijk leiderschap te bieden; een Huis dat elke week in de volledige samenstelling bijeenkomt; een Huis dat zich richt op diepgaande politieke keuzen in plaats van te stemmen over honderden amendementen over het verplaatsen van puntkomma's in teksten; een Huis dat zijn nieuwe controlebevoegdheden optimaal gebruikt om onze wetten te herroepen en opnieuw te bestuderen.
Toen u voor het eerst werd gekozen, was dit Parlement een raadgevende vergadering, die in het leven was geroepen om beslissingen die werden genomen door bureaucraten en diplomaten een pro forma dekking te geven. Nu is het een hoeksteen van onze Europese thuishaven. Gedurende 13 jaar van medebeslissing heeft die ene functie de organen van dit lichaam verder ontwikkeld, en heeft transparantie onze bloedbanen van zuurstof voorzien.
Ik wil graag opmerken, bondskanselier Merkel, dat medebeslissing nu noodzakelijk is op alle gebieden van beleidsvorming, wil het systeem van machtsevenwicht voor de democratie op Europees niveau functioneren. Het feit is dat de Unie beslissingen neemt die bindend zijn voor lidstaten zonder dat correct democratisch of juridisch toezicht plaatsvindt, waardoor wij het risico lopen te worden berispt door het Hof voor de Rechten van de Mens of de constitutionele hoven. Het scheelde maar heel weinig of het Duitse constitutionele hof had, toen dit het kaderbesluit voor het Europees arrestatiebevel bestuurde, de legitimiteit ervan in twijfel getrokken. Als de Duitse overheid, die het gebruik van de passerelle-clausule in artikel 42 nog maar enkele maanden geleden tegenhield, de democratie in Europa werkelijk wil bevorderen, zult u de noodzaak moeten onderkennen van stemmen met een gekwalificeerde meerderheid in de Raad en medebeslissing met het Europees Parlement als basis voor alle wetgeving, anders dreigt u tijdens uw periode aan het roer over te komen als de mimespeler Marcel Marceau, die een muur lijkt te beklimmen maar in werkelijkheid nergens heen gaat.
Mijnheer de Voorzitter, de 75 jaren tussen 1914 en 1989 vormden een stormachtige periode waarin ons continent gekenmerkt werd door zelfverminking. Met Bulgarije en Roemenië in onze Unie kunnen we dit jaar de geesten uit die periode achter ons laten. De kern van vrijheid ligt echter in moed. Volgens mij bestaat er een Duits woord ‘Zivilcourage’: u, bondskanselier Merkel en voorzitter Barroso, moet blijk geven van de collectieve moed om onze Unie de toekomst in te leiden als een ware democratie, om te zorgen voor dat wat Winston Churchill in 1945 'een breder patriottisme' noemde en voor een gemeenschappelijk burgerschap voor de bezorgde mensen op dit turbulente en machtige continent.
(Applaus)
De Voorzitter. Dank u wel, mijnheer Watson. Toen u het had over de enorme aantallen amendementen, zag ik veel van de voormalige Voorzitters glimlachen! Ik denk dat dit een probleem is waarmee ook de voormalige Voorzitters te maken hadden. Het ergste was echter dat toen het in 1979 begon – zoals Voorzitter Simone Veil zich zal herinneren – we soms meer dan duizend amendementen hadden, maar nog niet beschikten over elektronische middelen om die te verwerken.
Brian Crowley, thar ceann Ghrúpa UEN. – A Uachtaráin, tá tú i do bhall den teach seo le fada anois agus tá tú ar dhuine de na baill is mó a bhfuil taithí aige ar obair an tí seo. Thug tú riamh, agus tabharfaidh, tacaíocht láidir d'Institiúid na Parlaiminte ag leibhéal na hEorpa agus ar an stáitse idirnáisiúnta. Chuir tú polasaí polaitiúil uaillmhianach don dá bhliain go leith atá romhainn amach os ár gcomhair anseo inniu. Tá tacaíocht iomlán tugtha ag mo ghrúpa polaitíochta don iarracht pholaitiúil riamh agus is mar sin a bheidh amach anseo.
Mijnheer de Voorzitter, vandaag is een goed moment om stil te staan bij wat achter ons ligt maar ook om onze visie op de toekomst te geven. Ik denk dat u in uw toespraak vandaag niet alleen een rapportage van het verleden hebt gepresenteerd maar ook een duidelijke koers naar de toekomst hebt aangegeven.
U bracht in uw toespraak een aantal punten naar voren waarover geen van mijn collega’s tot dusverre heeft gesproken. Het eerste en in zekere zin meest indrukwekkende punt is het feit dat de voorzitter van de Raad, kanselier Merkel, en de voorzitter van de Commissie, de heer Barroso, u en dit Parlement eer hebben bewezen door dit moment vandaag met ons te delen. Het strekt u natuurlijk tot eer dat u als Duitser uw leider hier mag ontvangen, maar het strekt dit Parlement nog veel meer tot eer dat Angela Merkel, ondanks alle werkzaamheden en vele inspanningen die ze binnenkort als voorzitter van de Raad op zich neemt, tijd heeft weten vrij te maken om hier bij ons te zijn.
Ik denk dat het ons betaamt om dat getoonde respect te beantwoorden, niet alleen omdat de ambtsdragers hier aanwezig zijn, maar bovenal vanwege de verantwoordelijkheid die de kiezers in de Europese Unie ons als hun pleitbezorgers en hun stem hebben toevertrouwd. Soms brengt die verantwoordelijkheid ons in conflict met de idealen van de architecten van de nieuwe Europese Unie. Soms brengt ze ons in conflict met de eisen die de regeringen van de lidstaten stellen. Maar het is onze heilige plicht als Parlement om die stem te zijn, de stem van de rede, de stem van de vrede, de stem van de visie, en bovenal, de stem namens de stemmen. We moeten denken aan al diegenen die buiten de boot zijn gevallen of door onze maatschappij zijn vergeten en ervoor zorgen dat ook zij een toekomst hebben en een nieuwe kans krijgen.
Mijnheer de Voorzitter, wat ik werkelijk grandioos vond aan uw toespraak vandaag was uw opmerking over de rol van jonge mensen in Europa: uw idee voor een nieuw programma voor jonge mensen, een prijs voor jonge mensen, zodat de nieuwe generatie onze eigen geschiedenis kan leren begrijpen en waarderen zoals wij dat al doen. Het is de eerste keer dat ik iemand in dit Parlement dit met zoveel oprechtheid hoor zeggen.
Zoals mijn collega’s terecht zeiden, spreken we over de overwinning van Amerika op het communisme en het nazisme. De Amerikanen hebben een belangrijke rol gespeeld. We moeten toegeven dat Europa het in de jaren veertig van de vorige eeuw niet had gered zonder de steun van Amerika. We mogen niet vergeten dat we zonder de steun van de VS in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw voortdurend en direct met de dreiging van verdere oorlog en geweld hadden moeten leven. Maar we mogen ook niet vergeten dat die mannen en vrouwen met visie – of dat nu was in de vakbond Solidariteit in Polen, tijdens de Hongaarse opstand, de Lenterevolutie, de Fluwelen Revolutie of in de gestalte van paus Johannes Paulus II – stuk voor stuk geloofden in de waardigheid van mensen, het recht om anders te zijn en het recht van arm en rijk om voor je mening uit te komen en in vrijheid te leven. Dat geloof is niet alleen sterker dan totalitarisme. Het is sterker dan alle kwaad waarvoor de mensheid zich vandaag de dag gesteld ziet en daarom is uw idee voor een culturele dialoog, voor begrip voor verschillende religies en tradities zo belangrijk voor de verdere ontwikkeling van Europa. Als je over ons leest, blijkt dat Europa voor niemand een bedreiging vormt, ongeacht geloofsovertuiging en ongeacht of hij of zij überhaupt een godsdienst aanhangt. We zijn zelfs in velerlei opzicht geneigd ons zo liberaal op te stellen dat we vergeten dat er ook nog zoiets als pluralisme bestaat. We vergeten begrip te hebben voor mensen met sterke geloofsovertuigingen van niet-gewelddadige aard en hebben de neiging ze uit hun functie of positie te verdrijven, maar tegelijkertijd komen we soms mensen die een tamelijk radicale levensvisie voorstaan tegemoet en geven we ze een eigen plaats.
De laatste twee punten die ik naar voren wil brengen, hebben te maken met de opmerkingen van enkele collega’s en de voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie over de ontwikkeling van Europees beleid voor de toekomst. Misschien begrijp ik niet goed wat ze bedoelen, maar Europese burgers zijn de harde taal over institutionele verandering en hervormingen zat. De Europese burgers willen dat er actie wordt ondernomen; de Europese burgers willen dat er op een positieve wijze wordt ingespeeld op de problemen waarvoor we gesteld worden.
We hebben enige vooruitgang geboekt op het gebied van klimaatverandering, sociaal beleid en andere belangrijke kwesties op de interne markt, maar burgers willen dat er concrete actie wordt ondernomen en wel zo dat die hun eigen leven daadwerkelijk raakt. Ze willen niet dat er alleen maar wordt gereageerd als problemen de kop opsteken. In dit Parlement kijken we maar al te vaak terug om vervolgens te stellen dat we in 1979 iets verkeerd hebben aangepakt of dat we in 1992 of in 1997 iets niet goed hebben gedaan of dat we een kans onbenut hebben gelaten. We moeten niet vergeten dat politiek een kunst is en geen wetenschap zoals economie, waarbij je vanzelf het goede resultaat bereikt als je maar de juiste formule hanteert. Politiek is een kunst waarmee moet worden ingespeeld op de behoeften van onze maatschappij, op de wensen en verlangens van mensen en, bovenal, de veranderlijkheid van de maatschappij als geheel.
De meest dringende taak waarvoor we ons gesteld zien als het gaat om het creëren van rechtvaardigheid, vrede en begrip, tot slot, ligt in het Midden-Oosten. Ik juich uw wens toe om een bezoek te brengen aan Libanon, Palestina en Israël om een begin te maken met dat proces. Europa moet zich op een centraal niveau weer gaan bezighouden met het vredesvraagstuk in het Midden-Oosten.
Mijnheer de Voorzitter, ik wil u dit nog zeggen: ook al hebben we het u af en toe moeilijk gemaakt en zult u nog zware tegenwind krijgen, u kunt erop vertrouwen dat dit Parlement de komende tweeënhalf jaar achter u staat.
(Applaus)
De Voorzitter. Dank u wel, mijnheer Crowley. U sprak langer dan de u toegewezen spreektijd. Ik zou niet willen zeggen dat u meer tijd kreeg omdat u zo veel aardige dingen zei, maar de volgende sprekers zullen zich aan de toegewezen spreektijd moeten houden, ook als zij uw mening niet altijd delen.
Monica Frassoni, namens de Verts/ALE-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, wij moeten u nageven dat u zich heel serieus voor Europa inzet. In uw toespraak van vandaag noemt u prioriteiten waarin onze Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie zich in grote lijnen kan vinden, ook al blijven die prioriteiten ietwat aan de vage kant.
U bent terecht ingegaan op de geschiedenis van dit Parlement en ik ben u heel dankbaar dat u vandaag voormalige Voorzitters en Voorzitsters van ons Parlement in deze Vergadering hebt uitgenodigd. Sommigen heb ik leren kennen toen ik als jonge en enthousiaste federaliste in dit Parlement kwam. Velen heb ik terzijde gestaan in hun werk. Het verheugt mij dus werkelijk om deze mensen vandaag hier te zien.
Dat neemt niet weg, mijnheer de Voorzitter, dat wij op concrete feiten wachten. Wij staan namelijk voor heel praktische keuzen, die niet vaag mogen blijven en waarover ons Parlement een beslissing moet nemen: of wij zwijgen en blijven in het gareel lopen, of wij besluiten dat het Parlement de plaats is waar opgekomen wordt voor het Europees belang. Momenteel is dit Europees belang praktisch weggemoffeld achter diplomatiek steekspel en nationale belangen. Hier ligt dus duidelijk een verantwoordelijkheid voor onze instelling: wij willen een Europees platform zijn waar overleg wordt gepleegd en voorstellen worden geformuleerd voor een democratisch Europa. Daarom, mijnheer de Voorzitter, kan de bijdrage van onze instelling aan de oplossing van de constitutionele impasse niet neerkomen op ‘het redden van de kern van de Grondwet’, zoals u zei – waarbij u letterlijk en vast niet toevallig herhaalde wat mevrouw Merkel in haar toespraak zei. Wij kunnen geen genoegen nemen met een retorische intentie om de kern van de Grondwet te redden.
Er moeten dringend twee zaken aangepakt worden die dit Parlement voorheen, onder het voorzitterschap van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-Democraten) en Europese Democraten en onder het voorzitterschap van collega Schulz, uit de weg ging; ik doel hierbij op de voorzitters van de twee grootste partijen. In de eerste plaats dient afgesproken te worden wat wij als Parlement, in volledige autonomie, voor de Grondwet moeten doen. In de tweede plaats, en dat is nog belangrijker: wij moeten alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat het Europees Parlement de constitutionele rol behoudt die het met de Conventie veroverd had. Als er gesproken moet worden over tijdpaden of voorstellen, willen wij, mevrouw Merkel, Voorzitter Poettering, als medebeslissers optreden en niet als waarnemers. Voorzitter Poettering, ik wil u zien vechten voor dit recht van het Parlement.
(Applaus)
Voorzitter, u had het over bepaalde waarden en u hebt goede, concrete gevallen aangehaald met betrekking tot het voor onze instelling zo belangrijke thema van de bescherming van de mensenrechten. U hebt ook gesproken over tolerantie, een woord waar u kennelijk veel van houdt. Ikzelf moet zo nu en dan huiveren van het woord ‘tolerantie’, omdat onder het mom daarvan misdaden en schendingen van persoonsrechten zijn gepleegd en gedoogd, en dat is iets wat wij absoluut niet mogen vergeten. Daarom spreken wij liever van ‘gemeenschappelijke rechten voor alle mannen en alle vrouwen’ die voor iedereen hetzelfde zijn en moeten blijven.
Spreken over de betrekkingen met Rusland betekent het onderwerp Tsjetsjenië op tafel brengen en een verantwoord debat aansnijden over terugdringing van onze energieafhankelijkheid. Daarbij moet streng worden opgetreden tegen die landen – en dat zijn er nogal wat – die hard achter ‘tsaar’ Poetin aan rennen. In de dialoog met de Verenigde Staten mogen wij niet voorbijgaan aan de doodstraf die in dat land bestaat, aan de CIA-vluchten, de kwestie van de passagiersgegevens, de preventieve oorlog. Tot slot de bescherming van de mensenrechten. Hierbij moet ook gedacht worden – onder meer via kleine spoedresoluties – aan de bescherming van mensen die deze rechten in hun eentje, ergens weggestopt in een gevangenis of een jungle, verdedigen. Als wij het hebben over veiligheid, mijnheer de Voorzitter – u bent daar uitvoerig op ingegaan, namens ons Parlement – mogen wij de resoluties die zijn goedgekeurd voor ontwapening en een gedragscode inzake bewapening, niet op het tweede plan schuiven.
Voorzitter, wij zullen op het vlak van de interne hervorming heel actief zijn. Er zijn twee onderwerpen die u niet hebt genoemd en die mij van fundamenteel belang lijken. Het eerste betreft het debat over de zetel van het Parlement. Ik hoop dat u persoonlijk en de fracties de moed zullen opbrengen om in dit Huis een debat over de zetel van het Europees Parlement te houden. Misschien hoort de Europese geschiedenis wel hier thuis, in dit prachtige gebouw. Wie zal het zeggen? Maar het lijkt mij belangrijk dat u het initiatief neemt om het probleem van de vergaderplaats van dit Parlement aan te pakken.
Het tweede onderwerp is dat onze instelling groener moet worden, niet in politieke zin maar qua duurzaam milieu. Ik weet heel goed dat ik zal moeten knokken om u hiervan te overtuigen, maar het zal mij lukken. Ik ben daar absoluut zeker van, want de huidige verkwisting van middelen waar ook deze Vergadering zich aan schuldig maakt, de verspilling van water, licht en dienstauto’s, kan niet langer getolereerd worden, als wij tenminste de beloften die we in verband met de klimaatverandering hebben gedaan, willen nakomen.
Ik wil me tot slot met een korte opmerking wenden tot mevrouw Merkel. Haar voorstellen inzake de bureaucratie, de discontinuïteit, de better regulation laten ons tamelijk koud en geven aanleiding tot bezorgdheid. Het probleem van de bureaucratie is meer een nationaal dan een Europees probleem. Uit hoeveel mensen bestaat de delegatie die mevrouw Merkel vandaag omringt? Dat is vast en zeker een grotere delegatie dan die waarmee voorzitter Barroso is gekomen. En het zijn de multinationals, niet de burgers, die hun beklag doen over het teveel aan regels. Uit opeenvolgende enquêtes van Eurobarometer blijkt juist dat de burgers meer wetten willen om hen te beschermen, niet minder! Wat ten slotte het voorstel over de discontinuïteit aangaat, in feite krijgt uw instelling daarmee de mogelijkheid om alle wetten die u niet aanstaan, te boycotten en te vertragen.
Voorzitter, ik wens u veel succes met uw voorzitterschap en ik vermoed dat wij ons in de komende twee jaar nog wel zullen vermaken.
(Applaus)
De Voorzitter. Dank u zeer, mevrouw Frassoni. Wat de mensenrechten betreft, zijn we het altijd met elkaar eens geweest.
Wat de vraag betreft waar het Parlement moet vergaderen: ik heb wel degelijk nagedacht over de vraag of ik daarover iets moest zeggen, maar ben tot de conclusie gekomen dat ik dat niet moest doen.
Francis Wurtz, namens de GUE/NGL-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren voormalige Voorzitters die mij herinneren aan de vele zittingsperiodes die wij samen hebben doorgebracht, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, wij hebben niet zo vaak de kans om afstand te nemen en daarom zijn wij blij met de gelegenheid die ons vandaag wordt geboden om – al is het maar kort – onze gezichtspunten uit te wisselen over de hele periode tussen nu en de volgende Europese verkiezingen.
Zeker, het is geen geheim dat mijn fractie de politieke keuzen van de meerderheid van dit Parlement niet deelt. Toch wil ik met opzet enkele kernpunten uit uw toespraak als uitgangspunt nemen om een aantal concrete voorstellen te doen. Het gaat om beperkte maatregelen die niets revolutionairs hebben, en ik ben oprecht van mening dat men niet noodzakelijkerwijs sympathisant van de Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links hoeft te zijn om zich hierin te herkennen. Als de Voorzitter van het Europees Parlement deze voorstellen eenvoudigweg in aanmerking zou nemen, zou daarmee een positief signaal worden afgegeven aan belangrijke geledingen van onze publieke opinie; dat zou betekenen dat wij gehoord werden.
Toen u het over het streven van de Europese burgers had, mijnheer de Voorzitter, hebt u bijvoorbeeld benadrukt, ik citeer: “Wij moeten het Europese sociaal model in stand houden.” Belangrijker nog is dat u daar iets later aan hebt toegevoegd: “Wij moeten door ons optreden overtuigen.” Dat is inderdaad van essentieel belang als wij een diep onbehagen willen wegnemen dat gevoed wordt door de gedachte dat de Unie, in plaats van haar burgers te beschermen tegen de gevolgen van de huidige globalisering, er maar al te vaak aan bijdraagt dat het bestaan van deze burgers steeds onzekerder wordt.
Als wij dit fatalistische gevoel willen terugdringen, zou een veelzeggend optreden welkom zijn. Ik stel u voor, mijnheer de Voorzitter, dat u de Raad, de Commissie en het Parlement oproept om af te zien van een ontwerprichtlijn die de hele bevolking van de Unie raakt en die zo dogmatisch, zo ongegrond en zo verwoestend voor de openbare dienstverlening lijkt te zijn, dat er wel eens een nieuw Bolkesteineffect zou kunnen optreden als er de komende maanden niets verandert; ik doel hiermee op het voorstel om op 1 januari 2009, zes maanden voor de volgende verkiezingen, de postdiensten te liberaliseren.
Meer in het algemeen hebt u de nadruk gelegd op een ander idee dat in mijn ogen zeer juist en heel belangrijk is. U zegt dat wij behoefte hebben aan “een nieuw pact tussen de burgers en de instellingen van de Europese Unie”, en over het toekomstige Europese verdrag zegt u vervolgens: “Wij moeten de Unie ingrijpend hervormen.” Iedereen is het erover eens dat dit noodzakelijk is, maar over de kern van de toekomstige Europese Grondwet lopen de meningen uiteen.
De heer Barroso heeft zich zojuist tot Nederland gericht met de boodschap: help ons alstublieft, iedereen moet in beweging komen. Ik stel u een methode voor die iedereen in staat stelt in beweging te komen, om Europa weer nieuw leven in te blazen. Laat het proces dat nu op gang komt de kans zijn om een echt publiek debat te voeren in de hele Unie: een eerlijk debat, zo dicht mogelijk bij de burgers, over de betekenis van Europa vijftig jaar na het Verdrag van Rome, over het doel van ons gemeenschappelijk beleid en over de verplichtingen die wij in de toekomst met elkaar willen aangaan. Als de Voorzitter van het Parlement zichzelf tot taak stelt een dergelijk initiatief te verwezenlijken, dan zal zijn mandaat op slag een succes zijn.
Tot slot, mijnheer de Voorzitter, hebt u juiste woorden gesproken over de dialoog tussen de culturen, en meer in het bijzonder over het Midden-Oosten dat u zodra dit mogelijk is wilt bezoeken, zoals u zei. Dat verbaast mij niet van uw kant en ik dank u daarvoor. In die geest zou het – van alle wenselijke initiatieven van de zijde van de Voorzitter van het Parlement – volgens mij het meest symbolische initiatief zijn om – na de bijna niet meer verwachte overeenkomst van Mekka, waarbij de gehele Hamas-beweging zich ertoe verbindt de internationale resoluties en de door de PLO met Israël ondertekende akkoorden na te leven – de Unie plechtig op te roepen om de tegen de Palestijnse regering ingestelde blokkade op te heffen en om de hoop op een rechtvaardige vrede in een regio die al generaties lang verscheurd wordt door bezetting en oorlog, weer een kans te geven.
Mijnheer de Voorzitter, ik weet dat geen van deze initiatieven gemakkelijk te nemen is, maar als u ze neemt, zijn het wél initiatieven die in de geschiedenis bewaard zullen blijven.
De Voorzitter. – Dank u, mijnheer Wurtz, en bedankt ook voor het respect dat we elkaar altijd hebben betoond.
Jens-Peter Bonde, namens de IND/DEM-Fractie. – (DA) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de bondskanselier, beste voormalige Parlementsvoorzitters, die ik ken van de Voorzittersconferentie en aan wie ik met veel plezier terugdenk. Nu hebben we Hans-Gert Poettering als Voorzitter gekregen en hij snakt naar meer EU, hoewel hij ook heel verstandige dingen zegt over subsidiariteit. Hij zou zichzelf een referendum moeten gunnen waarbij hij zijn Duitse landgenoten kan overreden voor een grondwet te stemmen met meer wetten en regels uit Brussel. 3 000 regels is niet voldoende. Het is niet genoeg dat 86 procent van de Duitse wetten nu uit Brussel komt. Luister naar de waarschuwing van de vroegere Duitse Bondspresident, Roman Herzog, die voorzitter van de Handvestconventie was. Luister naar de referenda in Frankrijk en Nederland. De Fransen en Nederlanders kregen de kans om ja te stemmen en die kans hebben ze niet te baat genomen. Nu wordt daaruit de les getrokken dat we nooit meer een referendum mogen houden! De voormalige voorzitter van de commissie van de Duitse Bondsdag voor Europese aangelegenheden, Jürgen Meier, beweerde in de Constitutionele Conventie eveneens dat een vrijwillig referendum met een gewone meerderheid in de Bondsdag zou kunnen worden beslist. Waarom niet de Duitsers zich laten uitspreken over de Grondwet, die de Voorzitter en het Duitse voorzitterschap zo graag aangenomen willen zien?
Ambtenaren in Brussel en rechters in Luxemburg denken te veel in grote aantallen en zijn bang voor democratie. Ze hebben geen gevoel voor de huidige trend die slanke organisaties, lokale verantwoordelijkheid en outsourcing voorschrijft. Dat wat in de bedrijven goed werkt, deugt niet voor de EU. Vanuit Brussel mag er niets overgaan naar de lidstaten of burgers. De wetten worden veel beter als ze kunnen worden voorbereid in 3 000 geheime werkgroepen in de Commissie en beslist in 300 geheime werkgroepen in de Raad van Ministers samen met 15 000 lobbyisten. Lang leve het professionele bestuur, lang leve de corporatieve EU! Mevrouw Mussolini mag haar grootvader wel dankbaar zijn voor zijn strijd voor corporativisme. De kiezers krijgen toestemming om eens in de vijf jaar op iemand te stemmen die noch wetsvoorstellen kan indienen, noch wetten kan aannemen. De volksvertegenwoordigers kunnen de Commissie alleen adviseren door amendementen in te dienen. Dat is vandaag de dag de kern van de zaak en dat is de kern van de Grondwet, maar dan op veel meer gebieden.
Als iets niet door ministers of ambtenaren binnen de Raad kan worden besloten, kan men altijd naar het Europese Hof van Justitie in Luxemburg gaan met voorstellen waar noch de kiezers, noch de nationale parlementen of regeringen iets vanaf weten. Eenstemmig aangenomen sanctieregels voor het milieu worden onwettig verklaard, omdat de rechters willen dat de regels met een gewone meerderheid worden aangenomen en onder hun eigen controle vallen. Het eigendomsrecht ligt duidelijk bij de lidstaten in zowel de verdragen als in de ontwerpgrondwetten. Toch wordt de plicht voor boeren om op hun eigen landbouwbedrijf te wonen onwettig verklaard, hoewel het Deens parlement unaniem achter deze plicht stond. De kiezers en hun parlementen zijn incompetent, gezinsbedrijven zijn ouderwets, laten we de landbouw overal in Europa maar liever door een stel grote Pruisische jonkers bestieren. De boeren zijn incompetent, de CAO’s van de werknemers en werkgevers deugen niet, de strafwet deugt niet, de nationale rechters zijn incompetent, de kiezers zijn incompetent! De hoge heren van de EU weten het allemaal veel beter!
We hebben vele kleine overwinningen geboekt voor transparantie en de Bondsdag in Berlijn heeft de vooralsnog beste regels ingevoerd voor het uitoefenen van controle op de EU. Nu is de tijd gekomen waarin de driedeling van de macht – transparantie, nabijheid en democratie – van kracht moet zijn in de hele EU. Nooit meer wetten die niet door volksvertegenwoordigers kunnen worden gewijzigd. Nooit meer wetten die niet kunnen worden gewijzigd door de kiezers bij de eerstvolgende verkiezingen. Nooit meer verdragen en grondwetten die niet zijn aangenomen door de kiezers door middel van referenda in de hele EU – en dan graag op dezelfde dag.
De Voorzitter noemde onze elektronische stemmachines. Ik denk met genoegen terug aan de tijd toen het nieuwe systeem van Olivetti werd ingevoerd. Dat was een systeem dat ik graag terug zou willen hebben, want toen konden mijn voorstellen ook worden aangenomen!
De Voorzitter. Dames en heren, degenen onder u die minder zijn ingevoerd in de details – met name onze gasten op de tribunes – weten wellicht niet dat verkiezingen in Denemarken altijd op donderdag in plaats van op zondag worden gehouden, en de heer Bonde leidt hieruit af dat hij al langer lid is van dit Parlement dan ik, ook al klopt dat juridisch gezien niet, want we zijn allebei lid geworden op 17 juli 1979.
Dat hij hierop zo blijft hameren, geeft mij echter de hoop dat hij de Europese Unie en dit Parlement toch een warmer hart toedraagt dan hij doet voorkomen, aangezien hij zo graag kwijt wil dat hij – zoals hij het ziet – al langer in dit Parlement zit dan wie dan ook.
Bruno Gollnisch, namens de ITS-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren voormalige Voorzitters, mevrouw Merkel, mijnheer Barroso, de Voorzitter van het Parlement heeft zojuist op begaafde wijze een soort politiek programma uiteengezet dat wij wellicht eerder van een voorzitter van de Europese Raad of van de Commissie hadden verwacht dan van een Voorzitter van het Parlement met zijn arbitrale functie.
Gezien de groepsdynamieken die vaak de overhand hebben binnen de instellingen, mijnheer de Voorzitter, is uw toespraak over de wens van de volkeren ongetwijfeld een afspiegeling van de meerderheidsopinie van dit Parlement. Staat u mij echter toe dat ik hier uiting geef aan wat de Angelsaksische juristen een dissidente opvatting noemen.
U hebt gesproken over het voorlopig falen van de Europese ontwerp-Grondwet in Frankrijk en Nederland, waarbij “voorlopig” uw woordkeus was. U deed het voorkomen alsof het hier slechts om een tegenvaller ging die beperkt bleef tot twee lidstaten. Iedereen weet echter, of zou dit moeten weten, dat als dit ontwerp rechtstreeks aan de bevolking van de lidstaten, en niet alleen aan de leden van de nationale parlementen was voorgelegd, deze tekst naar alle waarschijnlijkheid op veel grotere schaal verworpen zou zijn.
Daarom zouden wij eens en voor altijd moeten weten wat daar de reden van is. Als landen zich vrijelijk uitspreken tegen de heersende opvattingen, dan krijgen zij steeds maar weer hetzelfde menu voorgeschoteld dat zij afgeslagen hebben. Als zij zich daarentegen in overeenstemming met de heersende stroming uitspreken, dan wordt benadrukt dat hun verbintenis definitief, onherroepelijk en blijvend zou zijn en dat zij niet het recht hebben om terug te krabbelen.
Mijnheer de Voorzitter, u hebt in uw toespraak verschillende belangrijke aspecten van onze Europese traditie genoemd, waaronder met name deze vier: de Griekse filosofie, het Romeinse recht, het joods-christelijke gedachtegoed en de verlichting. Maar dat is nu juist een cruciaal onderdeel van het probleem: hoe trouw is de Europese Unie aan deze aspecten van haar intellectuele, morele en spirituele erfgoed?
Wordt de Europese Unie vandaag de dag geïnspireerd door christelijke waarden of door een wijdverbreid hedonisme dat erop uit is deze zelfde waarden te vernietigen, uit naam van een mensenrechtenideologie die geen weerstand duldt, maar die ook altijd gekenmerkt wordt door een variabele geometrie?
Staan de opzet en het functioneren van de Unie in het teken van het streven van de Griekse filosofie naar duidelijkheid en eenvoud, en van de Griekse politieke traditie dat burgers rechtstreeks inspraak hebben in kwesties die de stadstaat aangaan, of zien wij daarentegen dat er een logge, gecentraliseerde en binnenkort achterhaalde organisatie wordt ingesteld die ogenschijnlijk bedoeld is om over bijna 500 miljoen Europeanen te regeren, maar die in de praktijk voorbijgaat aan hun onderlinge verschillen?
Is de wetgeving van de Europese Unie gebaseerd op de precisie en bondigheid van het Romeinse recht, of gaat het om een samenstel van talloze obscure, breedsprakige en tot in detail bindende teksten? Eerbiedigen wij werkelijk de traditie van het publieke debat die de Grieken en Romeinen ons hebben nagelaten? Wat de verlichting betreft, wil ik niet verhelen dat wij ons zorgen maakten over een opmerking die de bondskanselier, mevrouw Merkel, hier vorige maand maakte. Nadat zij eerst Voltaire uitvoerig had geciteerd, zei zij, weliswaar niet letterlijk, maar grosso modo kwam het hier op neer: “geen tolerantie voor tegenstanders van tolerantie”. Deze opmerking doet ons denken aan de woorden van de Franse revolutionair Saint-Just voor het revolutionaire tribunaal dat de Terreur instelde: “geen vrijheid voor tegenstanders van vrijheid”.
Ter afsluiting, mijnheer de Voorzitter: Europa is de enige regio in de geschiedenis van de mensheid die de idee van de vrijheid en gelijkheid der naties heeft uitgedacht. In deze regio hebben de volkeren zich altijd verzet tegen vermeende hegemonieën, en dat verklaart waarom zij momenteel argwanend staan tegenover de dwaalwegen die de Unie inslaat. Wij hebben geen behoefte aan een eurocratische superstaat om de veiligheid van onze naties en van onze grenzen onderling te garanderen, om specifieke projecten inzake industriële, culturele of onderzoekssamenwerking aan te gaan, of om ons redelijkerwijs te beschermen tegen migratiestromen of tegen de import van producten die voor een spotprijs worden geproduceerd en die onze industrieën ruïneren. De instrumenten van het internationale recht volstaan ruimschoots om dit te bereiken. Wat wij moeten zien terug te vinden is de ware genius van Europa en het recht dat bij de Europeanen past.
Irena Belohorská (NI). – (SK) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u om te beginnen graag van harte feliciteren met uw verkiezing tot Voorzitter van het Europees Parlement, dat de meest democratische en, tegelijkertijd, een van de belangrijkste Europese instellingen is. U bent de eerste Voorzitter van het Europees Parlement na de goedkeuring en tenuitvoerlegging van het Verdrag van Nice. De Europese Unie bestaat nu uit 27 lidstaten. Ik verwijs niet zomaar naar dit feit, maar omdat de politieke ervaring leert dat de tenuitvoerlegging van het ene Verdrag wordt gevolgd door voorbereidingen voor het volgende. Twee jaar lang aarzelen en afwachten met betrekking tot het Grondwettelijk Verdrag hebben schade berokkend aan de idee van een verenigd Europa. U begint uw taken op het moment dat Duitsland, een van de oprichtingslidstaten, het voorzitterschap van de Europese Unie bekleedt, en ik verwacht derhalve dat u een besluit neemt over wat ons nu te doen staat in verband met het Grondwettelijk Verdrag. Het merendeel van de lidstaten heeft ervoor gekozen het Grondwettelijk Verdrag te steunen en is bereid voort te gaan met de tenuitvoerlegging van de visie van een verenigd Europa, en hun wensen mogen niet worden genegeerd vanwege de negatieve houding die twee van de lidstaten hebben aangenomen.
Ik zou het op prijs stellen als het Europees Parlement, nu het zijn Voorzitter heeft gekozen, enige gedachten zou wijden aan de invoeging van nieuwe artikelen in, of de herziening van, zijn Reglement. Ik heb het zogenaamde herenakkoord dat in het verleden tussen de twee grote fracties is gesloten over de verkiezing van de Voorzitter van het Europees Parlement geëerbiedigd. In een democratisch stelsel moet het echter ook mogelijk zijn dat er een kandidaat uit een kleinere fractie wordt gekozen. Ik weet zeker dat er in dit Parlement ook veel eminente en capabele mensen tot kleinere fracties behoren.
Mijnheer de Voorzitter, ik hoop van harte dat u tijdens uw ambtstermijn zult pleiten voor meer betrokkenheid van de zijde van de twaalf nieuwe lidstaten bij het vormgeven van Europees beleid. Als ik kijk naar de manier waarop de nieuwe lidstaten momenteel zijn vertegenwoordigd in de commissies van het Europees Parlement, stemt mij dat toch treurig. Een vergelijkbare vorm van discriminatie van de nieuwe lidstaten blijkt uit het aantal onderdanen van die lidstaten die bij het Europees Parlement werken. Het belangrijkste hierbij is niet alleen hun aantal, maar ook de functies die deze mensen vervullen. Er zijn onderdanen van onze landen bij die beschikken over twee academische titels, buitenlandse werkervaring en een goede beheersing van drie van de talen van de EU-15, en die toch slechts secretariaatsfuncties vervullen en dus meerderen bijstaan met academische en taalvaardigheden die beduidend minder zijn dan die van henzelf. Als voorbeeld wil ik de interne aanbesteding noemen voor het vervullen van secretariaatsfuncties. Deze procedure werd vorig jaar uitgevoerd en diende als basis voor het aannemen van ongeveer vijftig medewerkers uit de nieuwe lidstaten voor secretariaatsfuncties. Al deze mensen zijn academisch opgeleid en werken momenteel op het niveau van de rangen B en A, maar dan voor het salaris van een secretariaatsfunctie. De Europese Unie bezuinigt zo, omdat geschoold werk wordt uitgevoerd voor een laag salaris, maar ik vraag me wel af of dit een voorbeeld is van rechtvaardigheid en non-discriminatie. Onder non-discriminatie wordt ook gendergelijkheid verstaan, een onderwerp waarover hier zo vaak wordt gedebatteerd. We hebben zelfs een speciale commissie voor dit onderwerp, maar we schieten tekort als het op handhaving aankomt.
Tot besluit, mijnheer de Voorzitter, wil ik u veel succes wensen in uw functie van Voorzitter van het Europees Parlement. Ik heb veel respect voor u persoonlijk alsmede voor uw grote staat van dienst en uw ervaring in de Europese politiek, en ik ben van mening dat u een goed en rechtvaardig bestuurder zult zijn.
De Voorzitter. Ik wil mevrouw Belohorská hartelijk bedanken voor haar buitengewoon vriendelijke persoonlijke opmerkingen.
Schriftelijke verklaring (artikel 142)
Katalin Lévai (PSE), schriftelijk. – (HU) Ik verheug mij zeer over de opmerkingen van zowel Voorzitter Poettering als bondskanselier Merkel.
Met Robert Schuman kunnen we zeggen dat het verhaal van de Europese integratie in essentie een succesverhaal is. Het mislukken van het grondwettelijke proces zou de voortzetting van dit succesverhaal in gevaar kunnen brengen. Als we er niet in slagen een doelmatiger en democratischer Unie te vormen, een Unie die dichter bij de burgers staat, dan kan dit ernstige gevolgen hebben voor het succes van de strategie van Lissabon, waarmee wordt gestreefd naar een concurrerender Europa dat wel zijn sociale waarden behoudt. Ik beschouw de opstelling van transparantere en uniformere wetgeving als een belangrijk onderdeel hiervan, die de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen op Europees niveau kan stimuleren, en op die manier ook kan bijdragen tot het scheppen van banen.
Het vergroten van het concurrentievermogen is ook onontbeerlijk wil Europa op het politieke wereldtoneel niet gedwongen worden tot het spelen van de dubbelrol economische reus-politieke dwerg. Het is vandaag de dag misschien wel belangrijker dan ooit dat Europese waarden, mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en gelijke kansen mondiaal worden uitgedragen. Dit geldt met name in het Europees Jaar van gelijke kansen, waarin we ons zowel op Europees als nationaal niveau moeten inspannen voor degenen die last hebben van achterstanden.
Hoewel ik het toejuich dat er zoveel belang wordt toegekend aan de integratie van immigranten, wil ik hieraan graag het volgende toevoegen over hun situatie: we mogen de grootste en misschien wel meest achtergestelde minderheid in Europa, de Roma, niet vergeten. Ook in dit opzicht moeten we de onzichtbare economische en sociale Berlijnse muur afbreken. Ik wijs in het bijzonder op de bescherming van vrouwen en kinderen, die het kwetsbaarst zijn en kampen met dubbele discriminatie.
Met betrekking tot de rechtsstaat wil ik in herinnering roepen dat de Unie gegrondvest is op rechtsbeginselen, en de werking van de Unie veronderstelt dat iedere burger haar wetten eerbiedigt. De leden van het Europees Parlement moeten het voortouw nemen met betrekking tot de eerbiediging van onze wetten – anders geven we een slecht voorbeeld aan alle Europese burgers.
(In afwachting van de stemmingen wordt de vergadering om 12.05 uur onderbroken en om 12.10 uur hervat)
VOORZITTER: LUIGI COCILOVO Ondervoorzitter
4. Stemmingen
4.1. Intrekking van Richtlijn 68/89/EEG betreffende de aanpassing van de wetgevingen der lidstaten ten aanzien van de indeling van onbewerkt hout (stemming)
4.2. Opheffing van Richtlijn 71/304/EEG (overheidsopdrachten voor uitvoering van werken) (stemming)
Vóór de stemming
Arlene McCarthy (PSE), rapporteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het Parlement graag wijzen op een technisch amendement dat op grond van artikel 155 van het Reglement nodig is. In artikel 2 van het voorstel van de Commissie, inzake omzetting van het voorstel, is sprake van een technische omissie. De precieze datum voor de omzetting in de lidstaten ontbreekt. Daarom stel ik overeenkomstig artikel 155 voor om de tekst ‘[achttien maanden na de publicatiedatum]’ toe te voegen. De datum voor de omzetting moet worden gespecificeerd. Dit technische amendement wil ik aan de Parlementsleden voorstellen.
4.3. Communautair actieprogramma ter bevordering van acties op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap (programma Hercules II) (stemming)
Na de stemming
Herbert Bösch (PSE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, nu de stemming geweest is, heeft mijn bijdrage niet veel zin meer. Ik zou u alleen wel willen vragen voortaan iets beter op te letten. Ik bedank zowel het Finse als het Duitse Raadsvoorzitterschap. We behandelen deze kwestie in slechts één lezing en we geven voor de fraudebestrijding de komende jaren ongeveer 100 miljoen euro uit. Dat wilde ik nog tegen de collega’s zeggen.
4.4. Wijziging van de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement (stemming)
Vóór de stemming
Ingeborg Gräßle (PPE-DE), rapporteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik vraag het woord, omdat ik de aandacht moet vestigen op een alarmerende situatie in de onderhandelingen tussen Raad en Commissie. Voor u ligt een van de laatste gelegenheden voor de Commissie-Barroso om voortgang te boeken op weg naar een onverdeeld positieve verklaring van betrouwbaarheid.
Wij zijn zo vrij geweest de eigen voorstellen van de Commissie op te nemen en in dit verslag te stoppen. Nu wil de Commissie ze verwerpen, zonder iets anders voor te stellen. Wie vandaag de dag de vereenvoudiging, verbeterde terugvordering van onterecht uitbetaalde gelden en een efficiëntere controle verhindert door niets te doen, bezorgt deze Commissie in april 2009 slechte cijfers voor haar management. In de kwijtingsprocedure krijgen we dan twee maanden voor de Europese verkiezingen bij de nieuwe financiële vooruitzichten te maken met een eerste begroting voor 2007 die wemelt van de fouten. Door hun afrem- en blokkadegedrag spelen Commissie en Raad de eurosceptici een belangrijke troef voor 2009 in handen, mochten onze voorstellen niet aanvaard worden.
Helaas heeft vooral de Raad onder Duits voorzitterschap een ramkoers ingeslagen. In plaats van te zorgen voor een gemeenschappelijke invulling van de openbaarmaking van subsidies en subsidieontvangers, waartoe al besloten is, zegt de Raad onverwachts en zonder navolgbare reden domweg nee, ook tegen onderzoeks- en ontwikkelingsgelden, kortom tegen het complete directe en internationale gemeenschappelijk financieel beheer. Daarmee zaait de Raad tweedracht in Europa, omdat zonder stroomlijning iedereen kan doen en laten wat hij wil. Het verlies van vertrouwen van de kant van de Europese belastingbetaler krijgen wij allemaal op ons brood.
De Raad berooft de Commissie van haar meest evidente succes op begrotingsgebied, namelijk de transparantie. Zonder nadere invulling is die niets waard. Mijn dringende beroep op Commissie en Raadsvoorzitterschap luidt dan ook: neemt u uw verantwoordelijkheid voor deze wetstekst! Helpt u mee aan de vereenvoudiging en ontbureaucratisering! De voorstellen hebt u voor u op tafel liggen. U, geachte collega’s, vraag ik vriendelijk deze voorstellen goed te keuren.
(Applaus)
4.5. Infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (INSPIRE) (stemming)
4.6. Afvalstoffen (stemming)
Vóór de stemming over amendement 183
Bairbre de Brún (GUE/NGL). – A Uachtaráin, ar an drochuair bhí meancóg cló ag 183 nuair a chuireamar isteach é agus ní fhacamar é go dtí an bomaite deireanach. In ionad na dátaí 2012 – 2015 ba chóir go mbeadh na dátaí 2009 – 2012, in (a) agus (b). Tá mé buartha faoin mheancóg.
(EN) Mijn excuses. Dit is een fout in de planning. Het Tabling Office is ervan op de hoogte. In plaats van de data ‘2012-2015’ had er in (a) en (b) moeten staan ‘2009-2012’.
Mar sin de ba mhaith liom leasú béil a mholadh faoin mheancóg cló a leasú in 183.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben niet tot doel ons uit te spreken over de geldigheid van deze beschikking tot intrekking van Richtlijn 68/89/EEG, hoewel wij over het algemeen terughoudend staan tegenover de harmoniseringsdrang van de Commissie. Wat dit betreft hebben wij de meeste bedrijven en lidstaten aan onze zijde, daar zij beweren deze richtlijn niet toe te passen. Het is echter belangrijk onze mening te geven over proces waarvan dit alles deel uitmaakt, namelijk het initiatief “Beter wetgeven”, een beleid dat, onder het mom van vereenvoudiging, in de praktijk leidt tot het dereguleren van de markten op nationaal en communautair niveau.
De motivering van de Commissie is trouwens duidelijk: “Een betere regelgeving is van cruciaal belang voor de verbetering van het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen en voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Lissabonagenda”, “onnodige kosten” en “obstakels die de nodige aanpassingen en innovaties verhinderen” moeten worden weggewerkt en “de juiste stimulansen en marktrandvoorwaarden […] om het bedrijfsleven nieuwe impulsen te geven” moeten worden geschapen. Het betekent met andere woorden dat “beter wetgeven” ten goede komt aan de ondernemingen en geen bescherming biedt voor arbeids-, milieu-, consumenten- en sociale rechten. Dat wijzen wij van de hand, want wij achten het onwenselijk dat via deze weg alle wetten worden ingetrokken die het primaat van het concurrentievermogen of de winstgevendheid van bedrijven in gevaar brengen terwijl de rest wordt verwaarloosd.
Bogusław Liberadzki (PSE), schriftelijk. – (PL) Ik stem voor het verslag over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging en verlenging van Besluit nr. 804/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van acties op het gebied van de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap (programma Hercules II).
De heer Bösch heeft een goed verslag ingediend. De wijzigingen in de preambule geven de criteria en het doel van de verordening beter weer. De voorgestelde verandering voorziet in verbeterde instrumenten voor de tenuitvoerlegging van het actieprogramma en versterkt het toezicht op de correcte uitvoering ervan. De aanvullende financiering voor Hercules II van 67 miljoen euro per jaar zal in belangrijke mate bijdragen tot de bestrijding van smokkel en fraude.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik steun het programma Hercules II en het werk dat in het kader van dit programma wordt verricht op het gebied van preventie, opsporing en bestrijding van activiteiten die schadelijk zijn voor de financiële belangen van de Gemeenschap. Het soort fraude dat door middel van het programma wordt bestreden, moet worden aangepakt om de belastinggrondslag van de lidstaten te kunnen behouden.
Bogusław Liberadzki (PSE), schriftelijk. – (PL) Ik stem voor het verslag over de ontwerpverordening (EG, Euratom) van de Commissie tot wijziging van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
De rapporteurs, mevrouw Gräßle en de heer Pahor, hebben een uitstekend verslag opgesteld dat een groot aantal amendementen bevat. De tenuitvoerlegging van de verordening zal voor meer flexibiliteit en transparantie zorgen in het Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening garandeert niet alleen een betere bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen, maar geeft de Commissie begrotingscontrole eveneens transparantere mogelijkheden om de correcte tenuitvoerlegging van de begroting van de Gemeenschappen in de desbetreffende afdeling te beoordelen.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik steun de amendementen die in dit verslag naar voren zijn gebracht omdat de begrotingstaak van het Europees Parlement een wezenlijk onderdeel is van de democratische controle op Europees niveau. Ik steun met name de amendementen gericht op een betere vergelijking tussen de politieke wil zoals uitgedrukt in de opmerkingen van het Parlement bij de begroting, en de feitelijke invulling ervan.
Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, het INSPIRE-datanetwerk is een wezenlijke verworvenheid voor ons in Europa, omdat we voor elk beleid, vooral op het gebied van de milieubescherming, ruimtelijke gegevens nodig hebben die onderling vergelijkbaar zijn. Vandaar dat ik rapporteur Brepoels mijn erkentelijkheid wil uitspreken voor het uitstekende compromis dat zij heeft weten te bereiken. Alleen zo kunnen we waarborgen dat burgers in staat zijn zich te informeren over milieugevaren die op hen afkomen en dat zij deel hebben aan de systemen die wij in Europa opzetten. INSPIRE draagt daar wezenlijk toe bij.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd omdat het zal leiden tot een afvalbeheerbeleid dat bijdraagt tot het behalen van onze doelstelling inzake afvalreductie en milieubescherming. We moeten het milieu op EU-niveau beschermen en dit verslag is een poging daartoe. Het verslag sluit aan op de prioriteiten die volgens mij ten aanzien van het milieu moeten worden gesteld, namelijk dat de productie van niet voor hergebruik of recycling geschikt afval moet worden teruggedrongen, fabrikanten en importeurs verantwoordelijk moeten worden gesteld voor afval, voorkomen moet worden dat er een nieuwe definitie komt van afvalverbrandingsinstallaties voor de terugwinning van energie en er een eis moet worden ingesteld tot opstelling van nationale afvalpreventieprogramma’s.
Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, bij de herziening van de kaderrichtlijn betreffende afvalstoffen waren voor ons Oostenrijkers twee dingen van bijzonder belang: ten eerste de speciale regeling voor biogeen afval, aangezien wij, net als Duitsland, daarvoor over uitstekend functionerende systemen beschikken, die behouden moeten blijven. Tegelijk roepen we de Commissie op zich verder in te spannen om een systeem te verwerkelijken dat heel Europa omvat. Ons tweede punt was het afval uit catering en horecagelegenheden, die na de juiste bewerking in de varkensfokkerij hergebruikt kunnen worden. Dat lijkt mij een belangrijke aanzet om tot een goed gebruik van voedselstromen als deze te komen.
Andreas Mölzer (ITS). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, langzaam maar zeker tekent zich bij het onderwerp afval een mentaliteitsverandering in de samenleving af. Maar omdat steeds meer landen de milieuverontreiniging uit hun verleden aanpakken en exploitanten hun installaties optimaal willen laten draaien, komt het tot afvaltransporten kriskras door Europa. Het feit dat er inmiddels op het milieu gelet wordt, verhindert niet dat er steeds weer zwarte schapen zijn die afval op kleine of grotere schaal illegaal opslaan of geld opstrijken voor de afname van afval, zonder zich om de kostbare verwerking ervan te bekommeren.
Dat schaadt niet alleen ons aller leefmilieu, het kost de landelijke overheden en gemeenten ook veel geld. Hier moeten we daadkrachtiger tegen optreden. Verder is het zaak om ons voorlichtingswerk voort te zetten, aangezien er bijvoorbeeld nog al wat burgers zijn die zich uit onwetendheid op een verkeerde manier van hun medicijnen ontdoen. Natuurlijk dienen we daarnaast het recyclen te intensiveren, waarbij de EU en haar lidstaten het goede voorbeeld zouden moeten geven. Bovendien moeten we niet vergeten dat er nog steeds geen oplossing is voor de definitieve opslag van atoomafval. Een reden te meer om geen nieuwe kerncentrales te bouwen.
Liam Aylward, Brian Crowley, Seán Ó Neachtain en Eoin Ryan (UEN), schriftelijk. – (EN) Wij en de delegatie van Fianna Fail in het Europees Parlement hebben gestemd vóór een sterker Commissievoorstel betreffende afvalstoffen en waren voorstander van de vijf stappen omvattende hiërarchie met de nadruk op preventie en vermindering van afvalstoffen, gevolgd door hergebruik, recycling, terugwinning en vervolgens de veilige en in milieuopzicht verantwoorde verwijdering van afvalstoffen in volgorde van prioriteit.
We hebben gestemd vóór het vaststellen van bindende streefcijfers op grond waarvan de lidstaten hun afvalproductie tegen 2012 op het verwachte niveau voor 2008 moeten hebben gestabiliseerd en we steunen de roep van het Europees Parlement om meer hergebruik en recycling om zo de druk op stortplaatsen te verminderen. We vinden dat de lidstaten stappen moeten nemen die ertoe leiden dat alle afvalstoffen, waar haalbaar, worden onderworpen aan terugwinningshandelingen en dat de lidstaten maatregelen moeten nemen ter bevordering van recycling en gericht op het opzetten van inzamelingssystemen voor verschillende afvalstromen, zodat we tegen 2020 een recyclingsamenleving hebben gerealiseerd waarin naast bio-afval en industriële afvalstoffen 50 procent van het vaste huishoudelijk afval wordt gerecycled.
Het onderscheid tussen terugwinning en verwijdering is van groot belang. We hebben gestemd vóór de amendementen waarin duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen terugwinning en verwijdering en we hebben gestemd tegen amendementen waarin eenheden die eerst onder verwijdering vielen, worden ingedeeld bij terugwinning.
Bernadette Bourzai (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik wil de rapporteur en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid van het Parlement graag gelukwensen met het uitstekende werk dat zij hebben verricht.
Wij moeten inderdaad actie ondernemen, omdat bij het huidige beleid inzake afvalbeheer het belang van recycling en compostering niet altijd op waarde wordt geschat en omdat storten en verbranden van afvalstoffen helaas nog steeds de overhand hebben.
Ik ben voorstander van de vijf stappen omvattende hiërarchie inzake afvalstoffenbeheer (voorkoming, hergebruik, recyclage, terugwinning en storten), omdat de doelstelling om afval te verminderen mijns inziens voorop moeten staan en wij daarom de voorkeur moeten geven aan een beleid dat gericht is op voorkoming van afvalstoffen. Zo steun ik bijvoorbeeld de invoering van een etikettering van producten die tot een milieuvriendelijke consumptie moet leiden.
Het stemt mij tevreden dat uitgegraven grond – om redenen van vereenvoudiging – van de lijst afvalstoffen is uitgesloten. Het lijkt me daarentegen wel noodzakelijk een duidelijk onderscheid te maken tussen recycling en terugwinning, en om de verbrandingsactiviteiten goed te beheren om ervoor te zorgen dat er daadwerkelijk energie wordt teruggewonnen, die geen gevaar mag vormen voor de menselijke gezondheid en het milieu.
Ik steun het voorstel om de aansprakelijkheid van de producenten van afvalstoffen te vergroten, overeenkomstig het beginsel ‘de vervuiler betaalt’.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dit verslag stelt meerdere kwesties aan de orde, die in enkele opzichten zelfs met elkaar in tegenspraak zijn. Aan de ene kant stelt het verslag prioriteiten vast voor het afvalbeheer, waarbij preventie, hergebruik, recycling en andere terugwinningshandelingen de nadruk krijgen en pas in laatste instantie afvalverwijdering een plaats krijgt. Wij vinden dat positief en wij hopen dat de definitieve tekst die richting in zal gaan.
Aan de andere kant zijn een aantal amendementen die positief waren – omdat ermee beoogd werd verbranding niet te classificeren als terugwinning en het gebruik van die methode op termijn te laten verdwijnen – niet aangenomen, terwijl er wel amendementen zijn aangenomen die de werkingssfeer van verbranding aanzienlijk inperken. Dat leidt tot enkele tegenstrijdigheden.
Daarom is het bij de komende onderhandelingen noodzakelijk alle aandacht te schenken aan de richting waarin de definities en de inhoud zich verder ontwikkelen.
Om die reden hebben we bij deze eerste lezing het accent gelegd op de aspecten die het oorspronkelijke Commissievoorstel verbeteren. Onze opstelling bij de eindstemming in de tweede lezing zal echter afhangen van de opheldering die er komt ten aanzien van de bestaande tegenstrijdigheden.
Glyn Ford (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik stem vóór het verslag-Jackson over afvalstoffen. Het is belangrijk dat we onszelf niet begraven onder de snel toenemende hoeveelheid verpakkingsmateriaal die de consumptiemaatschappij met zich meebrengt. Ik ben vóór recycling tot het maximaal haalbare niveau, maar dat is niet genoeg. Naast recycling moeten we de hoeveelheid afval die wordt geproduceerd terugdringen. Hoezeer we het ook proberen, er zal altijd afval moeten worden verwijderd. Mits dat tot een haalbaar minimum beperkt blijft, heb ik er geen moeite mee dat dit wordt verbrand. Ik heb in Duitsland WKK-installaties bezocht die draaien op basis van afvalverbranding en die zeer aanbevelenswaardig zijn. Onze planeet en onze toekomst zijn gebaat bij een verscheidenheid aan maatregelen en niet bij slechts één benadering.
Mary Lou McDonald (GUE/NGL), schriftelijk. – (EN) Ik heb het verslag-Jackson vandaag gesteund omdat het de neerslag is van de vooruitstrevende houding van de Commissie milieubeheer ten aanzien van afvalpreventie en -beheer. Ik ben vooral tevreden dat het Europees Parlement het voorstel van de Commissie om afvalverbrandingsinstallaties voor huishoudelijk afval op grond van bepaalde criteria opnieuw in te delen, heeft afgewezen. Sinn Féin steunt de gemeenschappen in Ierland die strijden tegen het verplichte gebruik van gevaarlijke verbrandingsinstallaties.
Van het verslag-Jackson gaat duidelijk het signaal uit dat het Europees Parlement de beginselen van de recyclingsamenleving steunt – de lidstaten zouden dat ook moeten doen. De opname van het plan voor een vijf stappen omvattende hiërarchie en de nadrukkelijke verplichting voor de lidstaten om afvalpreventieplannen vast te stellen, zijn ook welkom. Ik vind het wel jammer dat er geen duidelijker en ambitieuzer streefcijfers zijn opgenomen.
Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Afvalverwerking is een zeer belangrijke kwestie. Het debat daarover moet uitgaan van de notie dat een overdreven milieuvriendelijke aanpak zal leiden tot wetten die niet sporen met de realiteit en in de praktijk niet toepasbaar zijn. Ontoereikende wetgeving daarentegen zal leiden tot het nonchalant omgaan met het milieu en de komende generaties onvermijdelijk opzadelen met grote problemen.
Hoe goed onze bedoelingen met betrekking tot het terugdringen van vervuiling ook zijn, we dienen wel te beseffen dat de toename van de levensstandaard – een proces dat in de Europese Unie nog gaande is, om het maar niet te hebben over de rest van de wereld – zal leiden tot stijging van de consumptie met meer afval als onvermijdelijk gevolg. Daarom moeten we realistisch zijn en er in de trant van het verslag vooral naar proberen te streven bij de verwerking van afval positieve effecten te sorteren, met name op het vlak van energieopwekking.
Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. – (FR) Voorkomen is beter dan genezen. Dit spreekwoord, waarin de bereidheid doorklinkt om problemen bij de wortel aan te pakken, is absoluut van toepassing op het Europese afvalstoffenbeleid.
Want wat zien wij namelijk? Tussen 1995 en 2003 is de totale productie van afvalstoffen met 19 procent toegenomen. Gemiddeld bedraagt deze 3,5 ton per persoon per jaar.
Als we hieraan toevoegen dat bij minder dan twintig procent van de afvalstoffen recycling plaatsvindt, dat de helft van de materialen waarvan de levenscyclus afloopt niet wordt getransformeerd en verspreid in de natuur eindigt, en dat de toename van vuilverbranders en stortplaatsen die gevaarlijk zijn voor het milieu en de gezondheid bovendien een onhoudbaar beleid oplevert, dan dient de hele filosofie van het afvalbeheer te worden heroverwogen. Bij deze heroverweging moet worden uitgegaan van drie hoofdlijnen: ecologisch ontwerpen als prioriteit van het afvalpreventiebeleid, aangezien 80 procent van de milieueffecten ontstaat op het moment van de fabricage en verwerking van het product; de invoering van een groene belasting die moet afschrikken en die oververpakking en energieverslindende producten tegengaat; sluiting van de 10 000 illegale stortplaatsen die zich op het Europese grondgebied bevinden of conformering van deze stortplaatsen aan de Europese richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen uit 2001.
Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik juich dit verslag over het aanpakken van het afvalprobleem in de EU toe. Ik ben blij dat er een juridisch bindend stabilisatiestreefcijfer voor afvalpreventie is vastgesteld. Ik ben ook blij dat het beginsel van de vijf stappen omvattende afvalstoffenhiërarchie niet is afgezwakt: preventie en afvalreductie, hergebruik van afvalstoffen, recycling (minder dan een derde van het afval wordt momenteel gerecycled), andere terugwinningshandelingen en, tot slot, de veilige en in milieuopzicht verantwoorde verwijdering van afvalstoffen.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij weten dat een van de problemen van de moderne samenleving de productie van afval is. Daarom vinden we de goedkeuring van dit document zo belangrijk, daar het hoofddoel van afvalbeheer centraal staat: de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid.
Wij willen ook de goedkeuring van de zogenaamde “afvalhiërarchie” noemen, dat wil zeggen, de vaststelling van de volgende reeks prioriteiten: op de allereerste plaats preventie, en vervolgens hergebruik, recycling en andere terugwinningshandelingen – waaronder bijvoorbeeld het terugwinnen van energie –, terwijl de laatste prioriteit afvalverwijdering is. Door meer belang toe te kennen aan preventie beoogt men het ontstaan van afval zoveel mogelijk tegen te gaan.
Laten we echter niet vergeten dat gezien de zeer grote hoeveelheid afval die we op dit moment produceren, de toepasbare maatregelen voor hergebruik, recycling of verwijdering nog steeds ontoereikend zijn en niet in de behoeften kunnen voorzien.
De vermindering van afval is derhalve een essentiële zaak. Dat vereist echter andere productie- en consumptiepatronen en voorlichtings- en bewustmakingscampagnes die gericht zijn op de hele bevolking. Daarom moet er duidelijkheid komen over hoe de kosten voor het afvalbeheer opgebracht kunnen worden, waarbij ervoor gezorgd moet worden dat de meeste lasten niet uitsluitend of in meerderheid voor rekening komen van de zwakste schakel, de consument. Wij vinden de verwijzing naar de toepassing van het principe ‘de vervuiler betaalt’ dan ook gevaarlijk.
Diamanto Manolakou (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) In Griekenland zijn er nu 3 500 ongecontroleerde stortplaatsen. Op de helft hiervan wordt afval verbrand, met ernstige gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid. Het afvalvolume neemt toe en het meeste afval belandt op stortplaatsen. Anderzijds wordt er nauwelijks gerecycleerd of hergebruikt en neemt het illegale grensoverschrijdende transport van afval toe. Dat geldt voor de meeste lidstaten en in het verslag getiteld “Thematische strategie inzake afvalrecycling” wordt daar terecht op gewezen.
Jammer genoeg geeft de Commissie geen oplossingen voor deze maatschappelijke problemen, integendeel, zij bevordert de belangen van de bouwers en beheerders van afvalverbrandingsinstallaties, de grote economische belangen dus, met haar ontoepasselijke definities en het gebrek aan kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen. Terwijl we weten dat afvalverbranding luchtvervuiling en gevaarlijke vaste, toxische en vloeibare afvalstoffen produceert, die het broeikaseffect versterken. Tegelijk wordt recycling ontmoedigd door de optie van verbranding.
Hierdoor wordt dus bevestigd dat de kapitalistische EU in se niet in staat is een beleid voor afvalbeheer te voeren dat gestoeld is op de bescherming van het milieu en de volksgezondheid, want dat is onverenigbaar met het onbelemmerde streven naar winst van het kapitaal.
Wij zijn het evenmin eens met het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ en de ‘verantwoordelijkheid van de afvalproducent’, want dat zijn instrumenten om de vervuiler te ontzien, die vervolgens ongecontroleerd kan vervuilen en daar hoogstens wat voor moet betalen.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd omdat ik van mening ben dat we een afvalbeheerbeleid tot stand moeten brengen waarmee we de hoeveelheid afval kunnen verminderen en het milieu beschermen. Ik geloof dat het afvalbeleid van de EU moet uitgaan van de bescherming van het milieu en niet van het mogelijk maken van de handel in afval. Belangrijke aspecten van dit verslag dat mijn steun heeft, zijn het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’, de verantwoordelijkheid van de producent in de afvalwetgeving van de EU en ook de tenuitvoerlegging van concrete streefcijfers voor preventie.
Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. – (EN) Het voorstel voor een aparte richtlijn voor zuiveringsslib, een herziening van de richtlijn voor verbrandingsinstallaties en voorstellen inzake afvalpreventie moeten worden toegejuicht.
Philip Claeys (ITS). – Mijnheer de Voorzitter, ik heb tegen het verslag Bozkurt gestemd. Enerzijds worden er wel een aantal noodzakelijke vaststellingen gedaan, maar als Parlement laten we hier toch wel een kans laten liggen om echt druk te kunnen uitoefenen op de Turkse regering. De toetredingsonderhandelingen met Turkije zouden kunnen worden gebruikt als hefboom om vooruitgang te boeken inzake de situatie van de mensenrechten, in dit geval de rechten van de vrouw. Maar het Europees Parlement kiest er blijkbaar bewust voor om dat niet te doen. In dit Huis bestaat er een meerderheid die ervan uitgaat dat Turkije tot elke prijs moet kunnen toetreden tot de Europese Unie. Officieel luidt het natuurlijk wel dat de onderhandelingen met Turkije op elk moment kunnen worden stilgelegd indien blijkt dat dit land de voorwaarden inzake de mensenrechten manifest met voeten treedt. We hebben echter al meermaals moeten vaststellen dat die stillegging van de onderhandelingen er nooit zal komen. Het is een bepaling die alleen maar dient om de meerderheid van de kiezers in Europa, die tegen de toetreding van Turkije zijn, te sussen.
Françoise Castex (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het initiatiefverslag van mevrouw Bozkurt gestemd over de rol van vrouwen in het sociale, economische en politieke leven in Turkije.
Hoewel het juridisch kader met betrekking tot de rechten van de vrouw over het geheel genomen toereikend lijkt te zijn, vind ik dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan nog gebreken vertoont: geweld tegen vrouwen – en met name eermisdaden en gedwongen huwelijken – moet systematisch worden veroordeeld.
Ik verwelkom het voorstel in het verslag dat Turkse instellingen ertoe oproept samenwerkingsverbanden aan te gaan met alle – burger- en sociale – groeperingen in de samenleving om campagnes te initiëren die erop gericht zijn het bewustzijn ten aanzien van geweld tegen vrouwen en kinderen te vergroten.
Daarnaast ben ik verheugd over de opname van de aanbeveling aan de Turkse politieke partijen om vanaf de komende verkiezingen in 2007 meer vrouwelijke kandidaten op de kieslijsten te plaatsen.
Tot slot ben ik zeer blij met het verzoek aan de Turkse regering om de toegang tot kennis verplicht te stellen voor meisjes die van hun familie niet naar school mogen.
Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb voor het verslag van mevrouw Bozkurt gestemd daar het, in weerwil van de reeds bereikte vooruitgang, de druk op de Turkse regering vergroot om maatregelen te nemen teneinde vrouwen in het maatschappelijke, economische en politieke leven een grotere rol te laten spelen.
Dit verslag toont aan dat er nog een lange weg moet worden afgelegd om Turkse vrouwen bescherming te kunnen bieden tegen huiselijk geweld en eerwraak. Het bevat tevens een oproep aan de Turkse regering meer schuilplaatsen op te zetten voor vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben voor dit verslag gestemd, omdat wij ons wilden aansluiten bij de verdediging van de rechten van alle Turkse vrouwen. Het is inderdaad belangrijk die rechten op de agenda te plaatsen van de toetredingsonderhandelingen tussen Turkije en de Europese Unie en de nadruk te leggen op de noodzaak de mensenrechten, waaronder ook de rechten van de vrouw vallen, te eerbiedigen. Wij vinden dat echter niet de enige kwestie waarmee bij de onderhandelingen met Turkije rekening dient te worden gehouden. Ons standpunt met betrekking tot de toetredingsonderhandelingen zolang Turkije volhardt in de ontoelaatbare bezetting van Noord-Cyprus, is bekend. Daarom zijn we het niet eens met een aantal punten in dit verslag.
Hoewel het nieuwe wetboek van strafrecht dat in juni 2005 van kracht is geworden de grondrechten van de Turkse vrouwen aanzienlijk heeft verbeterd, zijn volgens het verslag de Europese richtlijnen betreffende de gelijkheid van vrouwen en mannen nog niet volledig omgezet. We betreuren het eveneens dat in bepaalde gedeelten van Zuidoost-Turkije meisjes bij hun geboorte niet worden ingeschreven in het bevolkingsregister. Dat bemoeilijkt de strijd tegen gedwongen huwelijken en eerwraak omdat de slachtoffers geen officiële identiteit hebben. We sluiten ons tevens aan bij de oproep aan de Turkse regering garanties te geven dat vrouwen die behoren tot de Koerdische minderheid ook betrokken worden bij de programma’s voor de rechten van de vrouw.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Wij zijn het volledig eens met de opvatting dat Turkije, net zoals overige kandidaat-lidstaten, een democratische rechtsstaat moet vestigen waarin de mensenrechten en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen volledig geëerbiedigd wordt.
Wij staan echter kritisch tegenover veel verschillende punten in het verslag. Het is bijvoorbeeld absurd dat het Europees Parlement een verplicht quotasysteem voorstelt dat moet zorgen voor een redelijke vertegenwoordiging van vrouwen op kieslijsten (paragraaf 41), dat de Turkse politieke partijen worden opgeroepen interne regels in te voeren die waarborgen dat vrouwen in hun bestuursorganen op alle niveaus aanwezig zijn (paragraaf 43) en dat de politieke partijen in Turkije meer vrouwelijke kandidaten op de kieslijsten moeten plaatsen (paragraaf 44). Zulke eisen stelt de EU niet aan andere kandidaat-lidstaten of aan de bestaande lidstaten. Het is vanzelfsprekend absurd dat een kandidaat-lidstaat anders behandeld wordt doordat er speciale eisen worden geformuleerd. Bovendien is het uiteindelijk de taak van de afzonderlijke landen om te bepalen welk soort maatregelen getroffen moet worden om de rol van vrouwen in de samenleving te versterken.
Wij hebben er vanuit bovenstaande redenering voor gekozen ons te onthouden van stemming.
Timothy Kirkhope (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Ik en mijn Britse conservatieve collega’s steunen de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. We geloven ook dat het belangrijk is dat Turkije, net als alle andere kandidaat-lidstaten, aan de criteria van Kopenhagen voldoet.
Dit verslag lijkt de lat voor het lidmaatschap voor Turkije echter hoger te leggen dan voor andere landen. We kunnen niet goedkeuren dat Turkije anders, minder gunstig, wordt behandeld dan andere kandidaat-lidstaten. Natuurlijk moet Turkije er evengoed voor zorgen dat het ten aanzien van de rechten van vrouwen en meisjes aan de criteria van Kopenhagen voldoet.
We hebben besloten om ons inzake dit verslag van stemming te onthouden omdat we vrezen dat de lange lijst met eisen in het verslag politiek gebruikt gaat worden door de tegenstanders van het EU-lidmaatschap van Turkije. Bovendien willen we op deze wijze duidelijk maken dat oprechte pogingen om de positie van vrouwen in Turkije te verbeteren, onze steun krijgen.
Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE), schriftelijk. – (EL) De Europese afgevaardigden van de Nea Dimokratia hebben voor het verslag-Bozkurt gestemd, dat niet alleen gaat over de probleemsituatie van vrouwen in Turkije op alle gebieden, maar ook over de maatregelen die nodig zijn om het acquis communautaire in deze kandidaat-lidstaat over te nemen en toe te passen.
Turkije moet constante en veelzijdige inspanningen blijven leveren om de mensenrechten van vrouwen te beschermen, door geweld, eremisdaden en polygamie uit te bannen en de discriminatie in het gezin, het economische en sociale leven en in het algemeen af te schaffen.
Wij hebben ons onthouden bij de stemming over amendement 15. Wij vinden dat dit amendement geen enkele meerwaarde biedt aan de resolutie.
Het is een feit dat de gelijkheidsdimensie deel uitmaakt van het acquis communautaire, dat door de kandidaat-lidstaat moet worden aangenomen en toegepast. Dus zou het bevriezen van de onderhandelingen, zoals wordt gevraagd in het betreffende amendement, de toepassing van het gendergelijkheidsbeginsel kunnen tegenhouden. We mogen niet vergeten dat hiervoor nu al pressiemiddelen bestaan in het huidige stadium van de onderhandelingen. Wij herinneren eraan dat een voorwaarde voor het openen van onderhandelingshoofdstuk 19 over sociaal beleid en werkgelegenheid, dat rechtstreeks verband houdt met discriminatie van vrouwen, is dat er bepaalde verplichte ontwikkelingen plaatsvinden in Turkije en dat het land zich aanpast, met concrete doelstellingen ter bevordering van de gelijkheid.
David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb vóór dit verslag gestemd omdat het gericht is op een beoordeling van de rechten van de vrouw in Turkije en op maatregelen ter verbetering ervan. Samenwerking met de Turkse autoriteiten en het maatschappelijk middenveld is nodig om de rechten van de vrouw te verbeteren en in dit verslag wordt dat voorgesteld. Vooral in het licht van de kandidatuur voor het EU-lidmaatschap van Turkije moet naleving van de mensenrechten, waaronder de rechten van de vrouw, prioriteit krijgen. Er spelen als zodanig hardnekkige problemen op het gebied van de rechten van de vrouw: geweld tegen vrouwen, onder andere eerwraak, gebrek aan onderwijs voor vrouwen en meisjes en een afnemende deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt. Ik steun met alle genoegen een verslag waarin de noodzaak om deze kwesties aan te pakken, wordt onderkend en waarin concrete voorstellen worden gedaan over de wijze waarop we dat kunnen doen.
Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. – (FR) Gedwongen huwelijken, huiselijk geweld, eermisdaden, analfabetisme, enzovoort: de situatie van vrouwen in Turkije is bepaald niet rooskleurig. Volgens Unicef worden jaarlijks 700 000 meisjes door hun familie van school gehouden. Het participatiecijfer van vrouwen op de arbeidsmarkt bedraagt minder dan 25 procent en blijft daarmee ver achter bij de 55 procent die in de EU is gemeten.
Dit zijn verontrustende cijfers, terwijl de toetreding van Turkije tot de EU tegelijkertijd tot controverses leidt. Daarom stelt het Parlement constructieve maatregelen voor: evaluatie van de vorderingen van Turkije aan de hand van criteria; het opzetten van schuilplaatsen voor vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld; de verplichting dat alle meisjes bij de geboorte worden ingeschreven in het bevolkingsregister om gedwongen huwelijken tegen te gaan; opleiding van politie- en justitiefunctionarissen in de strijd tegen eermisdaden teneinde het systematisch instellen van gerechtelijke onderzoeken en de noodzakelijke veroordelingen te bevorderen; en een verplicht quotasysteem voor de participatie van vrouwen in de politiek.
Ik ben geen fundamentalist als het gaat om positieve discriminatie, maar ik ben wel overtuigd van het nut van tijdelijke maatregelen in Turkije. Dit land heeft een schreeuwende behoefte aan vrouwen die een machtspositie bekleden. Aan deze vrouwen de taak om als voorbeeld te dienen, opdat niet alleen de regels veranderen, maar ook de mentaliteit.
Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. – (SV) In de stemming over het verslag van mevrouw Bozkurt over de rol van vrouwen in het sociale, economische en politieke leven in Turkije, heb ik ervoor gekozen te stemmen voor het amendement dat de schrapping van paragraaf 41, over quota, tot doel heeft. Ik vind het een groot probleem dat er niet meer vrouwen in de Turkse politiek actief zijn maar mijns inziens is het invoeren van een quotum niet de juiste oplossing van dat probleem.
Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. – (EN) Het begin van de toetredingsonderhandelingen met Turkije moet worden toegejuicht, maar er moet nauwlettend worden toegezien op de naleving van de rechten van de vrouw. De kwestie dat meisjes in Zuidoost-Turkije na de geboorte niet worden aangegeven, vraagt om aandacht. Iedere geboorte dient officieel te worden aangegeven, ongeacht het geslacht. Wat vrouwen in de politiek betreft: er kan meer worden gedaan om vrouwen in gekozen functies te stimuleren, ondersteunen en helpen. We moeten echter niet vergeten dat er in de EU ook nog steeds landen zijn waar vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in de nationale politiek. In het Verenigd Koninkrijk gaat het nog tweehonderd jaar duren voordat vrouwen in gelijke aantallen vertegenwoordigd zijn in het Lagerhuis. We moeten alles in het werk stellen om genderongelijkheid, waar deze zich voordoet, te bestrijden.
Lars Wohlin (PPE-DE), schriftelijk. – (SV) De heersende omstandigheden duiden erop dat de onderhandelingen met Turkije te vroeg van start zijn gegaan. Het verslag verduidelijkt een reeks ernstige problemen, waaronder vooral het voorkomen van eerwraak en geweld tegen vrouwen.
Helemaal afgezien van de vraag of Turkije lid wordt of niet, Turkije is een buurland van de EU en zal dus een belangrijke handelspartner van de EU zijn. Het is daarom van belang dat de EU doorgaat met het uitoefenen van politieke druk op Turkije opdat het land zich zal ontwikkelen op een constructieve manier. Het zou echter uiterst betreurenswaardig zijn wanneer het Europees Parlement zo ver zou gaan dat het verplichte quota van vrouwen op verschillende kieslijsten voorstelt. Het ligt niet in de macht van de EU om in te grijpen in procedures voor kandidaatstelling die aan de democratische spelregels voldoen.
(De vergadering wordt om 13.10 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)
VOORZITTER: HANS-GERT POETTERING Voorzitter
7. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
(De notulen van de vorige vergadering worden goedgekeurd)
8. Voorbereiding van de Europese Raad (8/9 maart 2007) (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is een verklaring van Raad en de Commissie over de voorbereiding van de Europese Raad van 8 en 9 maart.
Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris Wallström, dames en heren, net als in de voorgaande jaren zal ook deze Voorjaarstop van staatshoofden en regeringleiders in eerste instantie aan economische thema’s en met name aan de Lissabonstrategie gewijd zijn. Natuurlijk zijn wij blij dat de top van dit jaar zich afspeelt tegen een achtergrond van positieve economische kerncijfers en heuglijke ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Wij trekken daaruit de voorzichtige conclusie dat de Lissabonstrategie haar eerste vruchten afwerpt, al doet dat niet af aan onze overtuiging dat het volkomen misplaatst zou om nu maar op onze lauweren te rusten. Integendeel, wij willen de positieve algemene ontwikkeling en het zich verbreidende optimisme aangrijpen voor nieuwe structuurhervormingen. We willen ons nog meer gezamenlijke inspanningen getroosten om de successen van de laatste tijd voor de lange termijn veilig te stellen en erop voort te bouwen, want het is belangrijk om Europa in een optimale conditie te brengen voor de wereldwijde concurrentiestrijd.
Na intensief voorwerk, dat door een zeer nauwe en uiterst vruchtbare samenwerking met de Commissie gekenmerkt was, verkeren we nu in de hectische fase waarin we de laatste hand leggen aan de voorbereidingen voor de bijeenkomst van de Europese Raad op 8 en 9 maart. Gisteren heeft de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen de door het voorzitterschap uitgewerkte, geannoteerde agenda voor de Europese Raad besproken. Tot mijn genoegen kan ik u meedelen dat de lidstaten de door het voorzitterschap voorgestelde themakeuze volledig onderschrijven.
In de komende weken zal het Comité van Permanente Vertegenwoordigers de verschillende bijdragen van de sectorale Raadsformaties in elkaar schuiven en de centrale punten daaruit meenemen bij de verdere uitwerking van de ontwerpconclusies van de Europese Raad. Het is misschien goed om u op dit punt te herinneren aan de gegevens waar de verschillende raden van vakministers hun bijdragen op baseren: de Raad Energie komt overmorgen bijeen om zich te buigen over een van centrale thema’s van de Europese Raad, te weten het Energie-actieplan; de Raad Onderwijs en Jeugd komt op 16 februari bijeen, gevolgd door de Raad Concurrentievermogen op 19 februari en de Raad Milieu op 20 februari. De voor werkgelegenheid en sociale vraagstukken verantwoordelijke Raad en de Raad Ecofin sluiten de reeks af en vergaderen respectievelijk op 22 en 27 februari.
Ook al is het Europees Parlement niet rechtstreeks bij deze voorbereidingen betrokken, ik kan u wel verzekeren dat het voorzitterschap rekening zal houden met de uitspraken van het Parlement die betrekking hebben de onderwerpen van de top.
Staat u mij nu toe om wat dieper in te gaan op de plannen van het voorzitterschap voor de Voorjaarstop van dit jaar. Ik kan wat dat betreft aansluiten bij wat mevrouw de Raadsvoorzitter hier vanochtend gezegd heeft. We zullen ons ervoor inspannen dat de Europese Raad zijn oorspronkelijke taak vervult, die erin gelegen is zich op centrale kwesties te concentreren, een koers uit te zetten, toekomstgerichte beslissingen te nemen en de bevoegde instanties op Europees en nationaal niveau richtsnoeren voor beleid aan de hand te doen. Wat bij het vervullen van die taak vanzelfsprekend een belangrijke rol speelt, zijn onze gedachtewisseling van vandaag en vervolgens ook het intensieve contact met de Voorzitter van het Europees Parlement in deze zittingsperiode. Uitgaande van deze algemene overwegingen hebben we ons best gedaan om de beraadslagingen van de Europese Raad te bepalen bij thema’s waar naar ieders oordeel actie op ondernomen moet worden en die verdere inspanningen vergen.
In het bijzonder gaat het erom de structuurhervormingen die in de lidstaten op gang zijn gekomen te ondersteunen en via geïntegreerde landenspecifieke aanbevelingen te stimuleren. Ten aanzien van de interne markt willen we de algemene bereidheid vergroten om gaten te stoppen en zwakke plekken te inventariseren, om de concurrentiepositie van de Unie tegenover derde landen te versterken, maar ook om impulsen te geven die de Doharonde weer vlot kunnen trekken. Een versterking van innovatie, onderzoek en onderwijs ligt ons net zo na aan het hart als het stimuleren van de werkgelegenheid en de verdere ontwikkeling van het Europees sociaal model, rond de centrale onderwerpen flexicurity en de vergrijzing.
Zoals mevrouw de Bondskanselier vanmorgen ook verklaard heeft, is beter wetgeven voor ons allen een belangrijk streven. Hier ligt een aanzienlijk potentieel voor het vergroten van het concurrentievermogen van de Europese economie. Vandaar dat het Duitse voorzitterschap ontbureaucratisering als een centraal thema beschouwt. We hebben ons voorgenomen om op de bijeenkomst van de Europese Raad een ambitieus signaal af te geven. Concreet gaat het vooral om het vereenvoudigen van bestaande wetgeving en om suggesties voor een verdere verbetering van de effectbeoordeling als beleidsinstrument. Raad en Parlement dragen er als wetgever een bijzondere verantwoordelijkheid voor dat vereenvoudigingsvoorstellen van de Commissie tegelijk grondig getoetst én voortvarend behandeld worden. Ons voornaamste oogmerk is het om de administratieve lasten te reduceren, vooral door het vaststellen van duidelijke streefcijfers.
Ten slotte zal de Europese Raad, zoals vorig jaar is besloten, het integrale EU-actieplan Energie aannemen, een plan dat uitgaat van de drie fundamentele doelstellingen die de EU zich op dit terrein gesteld heeft, te weten voorzieningszekerheid, concurrentievermogen en, zo moet steeds weer benadrukt worden, milieuvriendelijkheid. Het strategisch energierapport dat de Commissie in januari uitgebracht heeft, bewijst dat alleen een energiebeleid dat rekening houdt met alle drie deze hoekstenen de uitdagingen het hoofd zal weten te bieden waar de Unie voor gesteld is. Daarom maken wij ons hard voor een bundel maatregelen die alleen samen effect sorteren. Dit pakket bevat maatregelen die de concurrentie op de energiemarkt versterken, de importantie van hernieuwbare energiebronnen vergroten en de ontwikkeling van betere energietechnologie en een hoger energierendement bevorderen. Het is daarbij van het grootste belang dat die aspecten van het energiebeleid die samenhangen met het buitenlandbeleid worden versterkt. Ik zeg het met klem: Europa moet in energiekwesties meer met één stem spreken.
Klimaatbescherming is onlosmakelijk met het thema energie verbonden. Gezien de historische uitdaging waar de klimaatverandering ons voor stelt, zijn wij vastbesloten om ook op dit terrein ambitieuze en richtinggevende besluiten tot stand te brengen, inclusief kwantitatieve doestellingen. De door de Commissie ingediende voorstellen, die volledig zijn afgestemd op de energievoorstellen, vormen daar een goed uitgangspunt voor. De Europese Raad dient zich in te spannen om een krachtig signaal af te geven dat tot voortzetting van het internationaal klimaatbeschermingsregime na 2012 leidt. Alleen als de geïndustrialiseerde landen onder aanvoering van de Europese Unie het voortouw nemen en zich tot ambitieuze doelen en maatregelen verplichten, kan ook van de industrielanden in opkomst de bereidheid verwacht worden om redelijke verplichtingen aan te gaan ter begrenzing van de eigen, sterk groeiende uitstoot.
De Voorzitter. Hartelijk bedankt, mijnheer de fungerend voorzitter, niet alleen voor wat u hebt gezegd, maar ook omdat u hiervoor slechts de helft van de beschikbare spreektijd hebt gebruikt. Dit kan als voorbeeld dienen als we ons buigen over de hervorming van de manier waarop ons Parlement werkt; ook de Raad blijkt nu immers in staat te zijn zichzelf grenzen op te leggen en toch iets goeds te zeggen.
Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, maart biedt de Europese Unie uitgelezen kansen. Ten eerste kunnen we de burgers laten zien dat de Europese Unie ambitieuze, duidelijke besluiten neemt over onderwerpen die hun nauw aan het hart liggen. Ten tweede krijgen we de gelegenheid om een verklaring op te stellen waarin we niet alleen roemen wat we de afgelopen vijftig jaar hebben bereikt, maar ook uiteenzetten wat we in de toekomst kunnen doen. Deze twee dingen staan in nauw verband met elkaar. Een geslaagde Voorjaarsraad biedt bij uitstek een springplank voor een ambitieuze verklaring van Berlijn.
Europa moet optreden. Het moet politiek en effectief handelen en een sleutelrol spelen als het gaat om de grote uitdagingen van de gemondialiseerde wereld van nu. Groei en werkgelegenheid, klimaatverandering, energie: het zijn onderwerpen die Europeanen dagelijks bezighouden. We krijgen echt de kans om te laten zien wat de Europese Unie te bieden heeft, uiteraard volledig in overeenstemming met ons hernieuwde voornemen om ons in te zetten voor betere regelgeving.
Ik zal nader ingaan op de klimaatverandering, energie en de agenda voor groei en werkgelegenheid. Twee weken geleden heeft het VN-panel voor klimaatverandering duidelijk, beheerst en onweerlegbaar uiteengezet wat de feiten met betrekking tot klimaatverandering zijn. De doelstelling om de temperatuurstijging te beperken tot 2 graden is nog steeds haalbaar – nog maar net! De komende tien jaar zal blijken of we erin slagen om de situatie onder controle te krijgen. Onze internationale partners, investeerders en burgers verwachten allemaal dat de Europese Unie duidelijke en vastberaden stappen neemt.
Het probleem is van zeer grote omvang. Alleen een doortastende reactie heeft zin en dat betekent dat we praktische beleidsvoorstellen en bindende streefcijfers moeten formuleren. Daarom hebben we voorgesteld dat ontwikkelde landen akkoord gaan met een emissiereductie van 30 procent tegen 2020 ten opzichte van de niveaus van 1990. Tegelijkertijd twijfelt niemand eraan dat ontwikkelingslanden moeten worden betrokken bij de wereldwijde inspanningen om de emissies terug te dringen en om te beginnen kunnen ze op een realistische manier op het goede spoor worden gezet door ze de groei van hun emissies te laten beperken, zodat ze tegen 2020 kunnen beginnen met het verminderen van de emissies.
Ik verwacht dat van de Europese Voorjaarsraad een krachtig en overtuigend signaal zal uitgaan over de noodzaak van vastberaden maatregelen ten aanzien van klimaatverandering. De resolutie over klimaatverandering, die dit Parlement morgen aanneemt en die zowel stimulerend als verbluffend is, bevat een belangrijke en dringende boodschap, die de Commissie aan de staatshoofden en regeringsleiders zal doorgeven wanneer de klimaatkwesties tijdens de Voorjaarsraad aan de orde komen.
We moeten binnen en buiten de EU nu echter laten zien dat we zelf ook bereid zijn om te handelen. Daarom moet de EU tijdens de Voorjaarsraad de onvoorwaardelijke toezegging doen dat ze bereid is tot een reductie van de uitstoot van broeikasgassen van ten minste 20 procent tegen 2020. Op die manier geven we echt blijk van onze betrokkenheid.
Energie is de sleutel tot vermindering van de emissies. Maar er komt meer bij kijken: veiligheid van de levering, eerlijker prijzen en meer keuze – allemaal kwesties die het dagelijks leven van burgers en hun gezinnen, toekomstige generaties en, natuurlijk, de Europese industrie raken. Mijn gevoel zegt me ook dat deze kwesties alleen maar effectief kunnen worden aangepakt op Europees niveau. Daarom is dit ook een zware proef voor de Europese Unie zelf.
Vorige maand heeft de Commissie uiteengezet hoe ze het Europese energiebeleid op de rails wil gaan zetten en ik juich de steun van dit Parlement voor deze visie toe. Telkens wanneer we voor een uitdaging voor de lange termijn staan, moeten de democratisch gekozen vertegenwoordigers aan de Europese burgers kunnen uitleggen waarom hervorming noodzakelijk is. Ze moeten veranderingen op de korte termijn in een context voor de lange termijn kunnen plaatsen en ons ervan overtuigen dat we allemaal een rol kunnen spelen, bijvoorbeeld door zoveel mogelijk te doen op het gebied van energierendement.
Uit de uitgebreide resolutie die u op 14 december vorig jaar hebt aangenomen, komt naar voren dat het Parlement in dit verband een belangrijke rol speelt. De ambitie en overtuiging van de Europese Raad zijn derhalve van doorslaggevend belang. We kunnen beslissingen niet langer voor ons uitschuiven. Europa moet zo duidelijk mogelijk de boodschap zien over te brengen dat het ernaar streeft de vorm van Europese energie de komende decennia te veranderen. Investeerders zijn bereid om op grote schaal in te stappen, maar ze vragen om een duidelijker signaal. Dit betekent dat er doorslaggevende maatregelen moeten worden getroffen op de interne markt. Het betekent dat er concrete stappen moeten worden genomen om te zorgen voor solidariteit tussen de lidstaten. Het betekent dat onderzoek op dit terrein een topprioriteit moet worden, bijvoorbeeld als de eerste doelstelling voor het Europees Instituut voor Technologie. Het betekent dat het precieze, ambitieuze en, bovenal, bindende doel moet worden gesteld dat duurzame energie tegen 2020 in de hoofdstroom moet zijn opgenomen.
Als de Europese Raad duidelijk groen licht geeft, is de Commissie bereid om dit jaar met een breed scala van gerichte wettelijke maatregelen te komen. Klimaatverandering en energie maken onlosmakelijk deel uit van de bredere kwestie waarover de Voorjaarsraad zich zal buigen, de strategie van Lissabon voor groei en werkgelegenheid. Er worden concrete maatregelen genomen om meer te investeren in innovatie, om het leven eenvoudiger te maken voor nieuwe en groeiende bedrijven, om burgers voor te bereiden op verandering. Zoals u weet, is er momenteel sprake van economische groei en Europa heeft laten zien dat het de uitdaging van de mondialisering aankan, maar er moet nu meer vaart worden gezet achter deze eerste maatregelen. De consensus voor verandering moet in alle delen van Europa en in alle sectoren in daden worden omgezet. Als we onze waarden en levensstandaard willen laten gedijen in deze snel veranderende wereld, is het onontbeerlijk dat we onze economieën en samenlevingen moderniseren.
Uit de Voorjaarsraad moet duidelijk naar voren komen dat we de hervorming op alle niveaus zullen voortzetten zoals de Commissie heeft uiteengezet in haar jaarlijkse voortgangsrapport over de strategie van Lissabon, met inbegrip van de landspecifieke aanbevelingen.
De Commissie juicht de steun van het Parlement op dit vlak van harte toe. Uw resolutie wijst precies op het juiste moment op een aantal belangrijke ijkpunten aan de hand waarvan de geloofwaardigheid van de maatregelen zal worden beoordeeld. Ik noem bijvoorbeeld het verkorten van de opstarttijd voor nieuwe bedrijven tot maximaal één week en goedkopere bescherming van intellectuele eigendomsrechten.
De tijd dringt als we de hevigste gevolgen van de klimaatverandering willen voorkomen, iets willen doen aan de wereldwijde onbalans tussen vraag en aanbod van energie en echte modernisering willen garanderen. Het wordt tijd dat we onze wijsheid ten dienste stellen van deze doelstellingen. George Bernard Shaw zei dat we niet wijs worden door aan het verleden te denken maar door verantwoordelijkheid te nemen voor de toekomst. Het is verstandig om dat nu, tijdens de viering van het vijftigjarig bestaan van de Europese Unie, in gedachten te houden.
Als tijdens de Voorjaarsraad in maart doortastende, ambitieuze besluiten voor de lange termijn worden genomen, is de Europese Unie een stap dichterbij de echte oplossingen voor deze zeer dringende vragen.
De Voorzitter. Dank u zeer, vicevoorzitter Wallström, met name omdat u niet alle tijd hebt gebruikt die aan u was toegewezen. Het voorzitterschap en de Commissie geven hiermee een zeer goed voorbeeld.
Marianne Thyssen, namens de PPE-DE-Fractie. – Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, beste collega's, elke generatie heeft de plicht en de verantwoordelijkheid om zijn deel af te leggen van de weg van de vooruitgang. Ook de onze staat voor een uitdaging, de uitdaging van de globalisering. We leven in een snel veranderende, zich openende wereld. In de Europese Unie moeten wij het hoofd bieden aan een wereldwijde, soms agressieve concurrentie en dat met een verouderende bevolking en een opwarmend klimaat.
Het is een concurrentie die niet alleen harder wordt op de aanbodzijde van onze afzetmarkt, maar ook op de vraagzijde van de markt van grondstoffen en energie. We kunnen ze negeren, we kunnen ze passief ondergaan of we kunnen ons erop voorbereiden. Maar als de we de kinderen van nu later perspectief willen geven op een kwaliteitsvol leven en een goede baan, dan hebben we maar één antwoord: ervoor zorgen dat we competitief zijn. Competitief willen zijn wil niet zeggen dat we blind toegeven aan de druk van de globalisering. Het betekent wel dat we ons van het instrumentarium voorzien om een toekomst te geven aan wat ons dierbaar is, met name ons Europees sociaal model en de waarden waarop onze manier van leven en samenleving gefundeerd zijn. Om competitief te zijn hebben we een gedurfde visie nodig, strategie en mensen en middelen. De visie is voorhanden. We hebben de Lissabonstrategie met het partnerschap voor groei en banen en als EVP-ED-Fractie hebben we ons hier altijd voluit voor geëngageerd. We appreciëren het ook enorm dat de Commissie Barroso er zoveel werk van maakt, alsook het Duits voorzitterschap, dat verder wil focussen op de zwakke punten die moeten worden verbeterd en op een serieus energieplan.
In het laatste Commissieverslag lezen we dat de economische vooruitzichten het laatste jaar beter werden. Laat ons dat momentum aangrijpen om met des te meer kracht onze doelen te realiseren, want er is nog heel veel te doen, ook door de lidstaten die in de Commissierapporten misschien soms iets te lief worden geëvalueerd. Met het oog op de Voorjaarstop wordt hier morgen over een resolutie gestemd. We hebben ze kunnen toetsen aan de visie van de nationale parlementsleden, waarmee we vorige week goed vergaderd hebben. Deze resolutie vertolkt ook onze prioriteiten, die straks door onze schaduwrapporteur, Klaus-Heiner Lehne, verder in de verf gezet worden. Het voltooien van de interne markt, ook voor de consument en de KMO, administratieve vereenvoudiging, een onderzoek naar het effect van de praktijk van goldplating, meer research en innovatie, een vernieuwde aanpak van het energiebeleid en van de actie tegen klimaatverandering, met aandacht voor energievoorziening, betaalbaarheid, minder afhankelijkheid, meer hernieuwbare energiebronnen, minder uitstoot van broeikasgassen. Het is allemaal nodig als we onze doelstelling van meer groei en banen willen waarmaken. Voor de meerderheid van onze fractie heeft ook kernenergie hierbij een plaats, al respecteren we ter zake ten volle het subsidiariteitsbeginsel.
Natuurlijk is Lissabon meer dan wat ik tot dusver opgesomd heb. Het is vooral een zaak van zorg voor het welzijn en voor de waardigheid van de mensen en hun plaats en aandeel in de samenleving. Vandaar ook onze absolute aandacht voor vorming, opleiding, levenslang leren, strijd tegen uitsluiting en een goed migratiebeleid en ja, ook gendergelijkheid, want ook het afhaken van getalenteerde vrouwen is een vorm van brain drain. Wat de hervorming van de arbeidsmarkt betreft, kijken wij uit naar de bespreking van het Commissiedocument over flex-security.
Lissabon is een zaak van mensen. Het proces moet ook gesteund worden door de mensen. Zolang de Europese strategie voor groei en banen door de mensen meer gezien wordt als een deel van het probleem dan als de weg naar de oplossing, moeten wij ons zorgen maken. De betrokkenheid van de mensen en het maatschappelijk middenveld moeten beide omhoog. Bij eerdere grootse projecten, zoals Europa '92' destijds en ook bij de invoering van de euro, is ons dat gelukt dankzij een groots, breed opgezet communicatie-initiatief. Bij de uitbreiding hebben wij, en zeker de lidstaten, kansen gemist. Zonder een goede communicatiestrategie zal Lissabon onvoldoende begrepen worden, niet gedragen zijn en onvoldoende uitgevoerd kunnen worden, bij gebrek aan politiek moed wellicht. Vandaar een warme oproep om met de drie instellingen ook hierin te investeren en misschien ook hieraan een beetje plaats te besteden in de belangrijke Berlijn-verklaring die nu voorbereid wordt.
Ik wil de rapporteurs en de schaduwrapporteur nog bedanken voor de resolutie die we morgen goedkeuren en die we voorbereid hebben in de werkgroep met de 33 onder voorzitterschap van Joseph Daul. Het is een beetje een lange resolutie, maar ze is breed gedragen en ook dat is goed om een breed signaal te kunnen geven over waar wij met die strategie naartoe willen.
Robert Goebbels, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, nu de mondiale problemen zich opstapelen, laten sommige EU-lidstaten zich verleiden tot een nationalistische houding. De lering die echter ontegenzeglijk uit het huidige globaliseringsproces kan worden getrokken, is dat zelfs Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië of ook Polen relatief machteloos staan tegenover de te verwachten opmars van bepaalde grote naties.
Iedereen is het erover eens dat het Verdrag van Nice niet langer voldoet om een efficiënt bestuur van de Unie met 27 leden te waarborgen. Het Grondwettelijk Verdrag zit echter muurvast, niet alleen vanwege het Franse en het Nederlandse “nee”, maar ook omdat sommige staatshoofden en regeringsleiders weigeren gevolg te geven aan hun ondertekening. De visie van Europa kan niet beperkt blijven tot enkel de interne markt. Onze medeburgers willen een meer sociale dimensie en een doeltreffender gemeenschappelijk optreden.
De Europese integratie begon met de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Vorig jaar is China wereldwijd gezien de belangrijkste staalproducent geworden. In januari hebben China en Rusland vijftien samenwerkingsovereenkomsten op het gebied van energie gesloten. Een daarvan betrof de aanleg van twee gaspijpleidingen met elk een capaciteit van 40 miljard kubieke meter.
Deze maand komen India, China en Rusland tijdens een tripartiet forum bijeen om hun onderlinge handel te bevorderen. De Verenigde Staten en Rusland hebben onlangs een overeenkomst inzake gemeenschappelijk nucleair onderzoek ondertekend. China, Japan, India, Rusland en Amerika werken samen aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën waarmee de strijd tegen klimaatverandering kan worden aangegaan. En waar staat Europa in dit alles? Wij zijn ver verwijderd van de solidariteit die ten tijde van de voormalige EGKS heerste. Wij hebben moeite om een solidair – en dus gemeenschappelijk – energiebeleid op te stellen, terwijl onze energieafhankelijkheid juist toeneemt. Wij geven weliswaar prioriteit aan ambitieuze doelstellingen, maar die zijn gericht op 2020, 2030 of 2050, dat wil zeggen op een toekomst die niet te voorzien valt.
Bondskanselier Merkel herinnerde ons er vanmorgen aan dat de Unie verantwoordelijk is voor 15 procent van de algehele CO2-uitstoot. Volgens commissaris Dimas is ons aandeel in 2006 teruggelopen tot 14 procent, een cijfer dat niet op een grotere efficiency van de Europeanen duidt, maar op een toename van de uitstoot van andere geïndustrialiseerde landen.
Het is duidelijk dat Europa het voorbeeld moet geven, maar het is evenzo duidelijk dat wij de mondiale problemen niet in ons eentje het hoofd kunnen bieden. Europa beschikt over aan aantal troeven waarmee het gewicht in de schaal kan leggen in het mondiale debat. Wij zijn nog steeds de belangrijkste economische mogendheid, die 30 procent van het bruto mondiaal product genereert. Meer dan een derde van de tweeduizend grootste ondernemingen ter wereld is Europees. Wij blijven marktleider in nagenoeg alle sectoren, met uitzondering van de digitale sector en de biotechnologieën, en tijdens de Top van Lissabon is een strategie vastgesteld om deze leemte op te vullen. Deze strategie is nog altijd actueel, ook al verlopen de vorderingen hopeloos traag, met name op het gebied van onderzoek en innovatie.
De komende top biedt de gelegenheid om een nieuwe start te maken. Alle analyses zijn uitgevoerd en alle problemen zijn bekend. Het is nu tijd voor concrete besluiten; Europa moet politiek gezien uiterlijk in juni weer op het juiste spoor zitten. Dat is in ieder geval de ambitie van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement.
Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de groei in de EU was in 2006 2,7 procent – de hoogste groei in zes jaar. De werkloosheid is 7,9 procent en is sinds 1998 niet zo laag geweest. Je zou haast zeggen: ‘goed gedaan!’, maar die 2,7 procent groei moet worden afgemeten tegen 9,5 procent groei in China en India en ons werkloosheidscijfer van 7,9 procent tegen nog geen 5 procent in de Verenigde Staten en 4,1 procent in Japan. In dit licht bezien klinkt de doelstelling van Lissabon dat Europa tegen 2010 de meest concurrerende kennismaatschappij van de wereld moet zijn, niet alleen ambitieus maar ook onrealistisch. We hebben de streefdatum al laten vallen. Kunnen we de doelstelling wel volhouden?
We houden dit debat elk jaar en sommige lidstaten negeren onze aansporingen telkens weer. Het rapport-Kok wees er twee jaar geleden op dat we het niet zo nauw nemen met de doelstellingen van Lissabon en dat de resultaten niet overtuigend zijn. Dat komt doordat sommige lidstaten maar wat aanmodderen en geen hervormingen doorvoeren. Lissabon kan alleen slagen als er in heel Europa hervormingen worden doorgevoerd. Solidariteit betekent niet dat de regeringen die het zware proces van hervormingen hebben doorlopen nu de landen die dat niet hebben gedaan, uit de problemen moeten helpen. In sommige landen ziet zelfs de oppositie het nut van hervorming niet; er worden beloften aan burgers gedaan die niet kunnen worden nagekomen en ik ben geneigd om te zeggen:
(FR) Het lijkt wel alsof de realiteit hier volkomen uit het oog wordt verloren.
(EN) Een bereidheid tot leren is noodzakelijk voor een kenniseconomie. Wij Europeanen kunnen van elkaar leren. Economische groei en een lage werkloosheid, een dynamisch ondernemingsklimaat en een hoog niveau van sociale voorzieningen sluiten elkaar niet uit – kijk maar naar Denemarken en Finland.
Modernisering van het stelsel van sociale zekerheid is mogelijk door het flexibeler te maken. De jeugdwerkloosheid is veel te hoog, maar bescherming van onze burgers betekent niet dat we onproductieve banen moeten beschermen. Het sociale vangnet hoort geen steuntje voor falend ondernemerschap te zijn, het hoort juist degenen die daaronder te lijden hebben te re-integreren in nieuw, uitzicht biedend werk.
Mijn fractie is ook van mening dat investeringen in groene technologie de sleutel is tot de beheersing van de klimaatverandering én het veiligstellen van Europa’s energievoorziening. Energie is letterlijk de drijvende kracht achter onze economie en dus moeten onze energieministers als ze deze week in Brussel bij elkaar komen de situatie onder ogen zien en de moed opbrengen om de energiesector open te breken omwille van meer concurrentie en flexibiliteit en om niet te volstaan met het scheiden van infrastructuur en het geleverde product. Het inrichten van een waarlijk Europese energiemarkt is belangrijk maar niet afdoende. Daarnaast dienen we het energieverbruik te beperken en ik hoop dat de Commissie wat dat betreft nog ambitieuzer zal zijn dan ze al geweest is. We moeten ons belastingstelsel aangrijpen om individuen tot gedragsverandering te prikkelen en hen tot weldoordachte aankopen en investeringen te brengen.
Tot slot wijs ik erop dat we ook voor een behoorlijke implementatie van Europese wetgeving moeten zorgen, zodat onze burgers weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast moeten de lidstaten bij de economische hervormingen hun beloften nakomen, zodat we Lissabon groen licht kunnen geven.
Cristiana Muscardini, namens de UEN-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Gloser, dames en heren, een van de zaken waar de publieke opinie zich het meest aan ergert, is de overdreven regelgeving van de Europese Unie. Niet alleen zijn er te veel regels, maar de regels zijn ook weinig begrijpelijk en veel te complex. Die trend moet dus omgebogen worden. Als wij de kromming van bananen, de doorsnee van doperwten of de lengte van voorbehoedsmiddelen vaststellen en dan denken dat wij op die manier de markt reguleren, staan wij wel mijlen verwijderd van de dagelijkse realiteit van de burgers.
Dergelijke voorschriften zijn een gevolg van de pressie van belangengroepen die er vooral op uit zijn hun persoonlijke zaken te beschermen en niet het welzijn van de burgers. Waar te veel voorschriften zijn, overheerst de bureaucratie en niet de politiek of de economie. Te veel bureaucratie kan de Unie ook nog eens opbreken. De instellingen moeten gedwongen worden betere wetgeving te produceren en het Parlement moet hierin als drijvende kracht fungeren. Het verheugt ons dat ook dit agendapunt kan rekenen op aandacht van de voorzitter van de Raad.
Zoals blijkt uit de toespraken van vanochtend in dit Huis, blijft een deel van de Europese linkse partijen vragen om nieuwe wetgeving, terwijl het hun weinig interesseert in hoeverre die wetgeving toegepast wordt dan wel toepasbaar is. Wij geloven dat een vrije en solidaire maatschappij gebaseerd is op duidelijke regels waar iedereen zich in kan vinden, en niet op logge bureaucratieën. Voor de groei en ontwikkeling doen wij een oproep tot de Raad om met grotere vastberadenheid een beleid te hervatten dat rekening houdt met de problemen van het Afrikaanse continent en waakt over de mensenrechten en de rechten van werknemers, zowel in landen met wie wij economische betrekkingen hebben als in landen van de Unie.
Zonder een gemeenschappelijk energiebeleid is er geen sprake van economisch herstel en ontwikkeling. Wij staan achter het nieuwe Groenboek van de Commissie inzake hernieuwbare energiebronnen en de verbetering van infrastructuur voor aardgas, waarbij gemikt moet worden op ontgassingsinstallaties. Dit is ook het standpunt van het voorzitterschap van de Raad. Daarom moeten alle obstakels uit de weg worden geruimd, ook de bedenkingen van de Italiaanse minister van Milieuzaken, Pecoraro Scanio, die de Europese standpunten in deze materie blijft negeren en daarom de vooruitgang tegenhoudt. Ontwikkeling en milieu zijn de uitdagingen waarop wij moeten reageren, ook via ratificatie van een nieuw verdrag dat in het Europa van de 27 de nieuwe en andere bevoegdheden van onze instellingen omschrijft.
Rebecca Harms, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, geachte vertegenwoordigers van Raad en Commissie, ik zou allereerst de Commissie willen feliciteren met het feit dat zij in de confrontatie om de nationale allocatieplannen, dat wil zeggen de CO2-handel, haar poot stijf gehouden heeft en dat in elk geval Duitsland, ondanks alle aankondigingen van het tegendeel, zijn nationale allocatieplan aangepast heeft.
Wat mij droef stemt, is dat deal inzake de CO2-reductie bij auto’s die gesloten is, klaarblijkelijk in het kader van een groter akkoord, duidelijk niet het resultaat geworden is dat de Commissie gehoopt had. Ik wil er in dit verband op wijzen dat bij zulke CO2-deals – deals zoals die nu tussen de lidstaten, de Commissie en de Raad uitonderhandeld worden – één ding vergeten wordt, namelijk dat de doelen die wij ons gesteld hebben, geen doelen zijn die de mens zich naar eigen goeddunken stelt. De doelstelling om de opwarming van de aarde bij 2 graden te laten ophouden, is namelijk een door de natuur gegeven doel.
Als we dat doel, waarover men het al in het Kyoto-verdrag eens was, steeds weer veronachtzamen bij dit handjeklap tussen nationale belangen en die van het bedrijfsleven, kunnen we in mijn ogen binnen afzienbare tijd niet meer staande houden dat we inderdaad een ambitieus klimaatbeschermingsbeleid voeren.
Het energiepakket en de doelstelling van 20 procent CO2–reductie in Europa komt weliswaar ambitieus over, maar daarmee voldoen we niet langer aan de mondiale doelstelling om iets te ondernemen tegen de algehele opwarming van de aarde. Als we inderdaad bij deze 20 procent blijven steken, kunnen we het idee definitief vaarwel zeggen dat we een positieve invloed op de opwarming van de aarde uitoefenen, dat wil zeggen, aan temperatuurverlaging bijdragen. Onlangs kwam ons ter ore dat als we bij die 20 procent blijven, de opwarming van de aarde 4 tot 5 graden zal bedragen. Dat betekent dat de negatieve klimaatprognoses dan nog veel ongunstiger uit zouden vallen.
Mij rest dit moment, in de aanloop naar de energietop in Brussel, niets anders dan nog eens een oproep te doen om op te houden met het gemarchandeer over reductiepercentages en nu eindelijk ten minste dat uit te voeren wat de Commissie op tafel heeft gelegd. Volgens mij is het allerbelangrijkste aan dit energiepakket de energie-efficiëntie en -besparing. Ik verzoek de Commissie daarom nogmaals terug te komen op hetgeen hier afgelopen herfst – en zo lang is dat nog niet geleden – in de vorm van een Energie-actieplan voorgelegd werd. Ook op dit gebied is minder discontinuïteit gewenst. Toen is men er nog van uitgegaan dat het voor Europa de juiste doelstelling zou zijn om het energieverbruik terug te dringen, maar inmiddels is de gedachte in het energiepakket verankerd dat ook Europa in de toekomst een continu groeiende energiebehoefte heeft. Er is dus nog heel wat te corrigeren.
Ik wil nog een opmerking over kernenergie maken, omdat ik weet dat men daar in veel landen grote verwachtingen van heeft. Het lijkt mij de allerhoogste tijd om in heel Europa te controleren of de schandalige omgang met de veiligheid, zoals die blijkens een stroom nieuwe berichten gangbaar is in de atoomcentrale van het Zweedse Forsmark, een specifiek Zweeds probleem is, dan wel een algemeen probleem, waarbij in de decennia dat kernenergie gebruikt wordt de veiligheidsnormen vervaagd zijn, bijvoorbeeld door inkrimping van het personeel. Ik protesteer er nu voor de derde keer tegen dat het onderwerp Forsmark tot nu niet op Europees niveau ter sprake is gekomen. Ik zeg dat hier daarom zo uitdrukkelijk, omdat ik gehoord heb dat er een nieuwe Euratom-lening voor de bouw van een kerncentrale in Belene verstrekt zou gaan worden, iets waarover achter de coulissen onderhandeld wordt. Dat zou de eerste keer zijn dat de firma Atomstroyexport met Europees geld een centrale in de Europese Unie financiert. En zo kun je de schijn van een renaissance in de kernenergie wekken, terwijl het volgens mij veeleer zo is dat het met deze bedrijfstak zowel economisch als veiligheidstechnisch in Europa bar slecht gesteld is.
Gabriele Zimmer, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, mevrouw Wallström heeft erop gewezen dat de Raad van dit voorjaar flink wat voorwerk te doen heeft voor de informele top van Berlijn een paar dagen daarna. Daar kan ik het slechts onder twee voorwaarden mee eens zijn. Ten eerste zou dat betekenen dat er op de Voorjaarstop zeer diepgaand over de verklaring van Berlijn gepraat zou moeten worden. Maar intussen wordt al van de daken geschreeuwd dat een uitvoerig debat over mogelijke elementen van de verklaring het risico in zich bergt dat bij het publiek het beeld van onenigheid ontstaat. Dus geen openbaar debat, geen debat tussen regeringsleiders? Dan vraag ik mij wel af wie er dan aan de verklaring van Berlijn werkt, een document dat zo belangrijk is, dat de EU het met zich meeneemt op haar weg naar de toekomst.
Anderzijds dienen er nog andere kwesties op de agenda van de top gezet te worden. Hoe valt bijvoorbeeld een consequente bestrijding van armoede, werkloosheid en sociale uitsluiting te verenigen met een effectieve strijd tegen het opwarmen van de aarde? Wat betekent dat meer in het bijzonder voor een arbeidsvriendelijke en toekomstgerichte omslag in het energie- en verkeersbeleid? En wat moet er gebeuren om eindelijk zicht te krijgen op een echt duurzame oplossing voor sociale, ecologische en arbeidsmarktproblemen op mondiale schaal?
Maar dergelijke vragen worden niet gesteld. Het gaat weliswaar om betere regulering, om energie en klimaatverandering, maar geenszins met het oogmerk om een hoogstnoodzakelijk begin te maken met de sociaal-ecologische conversie, waarmee de sociale kloof en de klimaatcatastrofe waar iedereen het over heeft daadwerkelijk bestreden zouden worden. Hoezeer het Duitse voorzitterschap van de Raad zijn best doet om onder die vraag uit te komen, hebben we een paar dagen geleden kunnen zien. Mevrouw Harms heeft daar eveneens op gewezen. Dat een betere regulering vooral op een verdere openstelling van de markt neerkomt, daar heeft de heer Barroso de afgelopen week geen enkele twijfel over laten bestaan, net zomin als de Commissie met haar mededeling “Uitvoering van de hernieuwde Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid”. Van de marktopening zouden ondernemingen en consumenten profiteren. Meer marktopening betekent meer concurrentie en komt altijd de sterkere ten goede. Dat betekent dat de zwakkeren de verliezers worden. Zó gaan marktopening en de gewenste herstructurering, waarover we het voortdurend hebben, niet samen. Ik moet daarbij wel de kanttekening maken dat het steeds ook de vraag is wie nou precies wat op welk tijdstip wil.
Op 1 februari heeft de heer Solana op de conferentie van het Europees Defensieagentschap, dat vooruitlopend op een niet van kracht geworden Europese Grondwet in het leven is geroepen, planning en een gerichte vraagbeheersing ten behoeve van de wapenindustrie geëist. Dat valt in mijn ogen op geen enkele manier te verenigen met de doelen van een topconferentie die zou moeten draaien om de vraag wat er gedaan kan worden om duurzame arbeidsplaatsen te scheppen, om tot een duurzame strategie tegen de klimaatverandering te komen en om voor alle burgers van de EU een duurzaam niveau van eerlijke en goede arbeids- en levensomstandigheden te scheppen.
Nigel Farage, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, maar al te vaak gaat het in de politiek niet om wat er in het openbaar wordt gezegd maar om wat er achter de schermen plaatsvindt en met de komende Europese top is het niet anders. De Duitse minister voor Europese zaken, de heer Gloser, heeft de mond vol van duurzaamheid en energiebeleid, maar hoe hij zijn gezicht in de plooi weet te houden als hij het heeft over de reeds mislukte agenda van Lissabon, is mij een raadsel.
Waar hij natuurlijk zijn mond over houdt, is het feit dat tijdens deze top de Europese Grondwet aan de orde komt. Kanselier Merkel heeft duidelijk gesteld dat zij vast van plan is om het proces voort te zetten en deze week vinden er in Berlijn geheime besprekingen plaats over de Grondwet.
Er wordt weer eens een smerig spelletje gespeeld. U probeert een miniverdrag in elkaar te flansen, omzeilt het woord ‘verdrag’ en ontneemt de bevolking van Europa de kans om over haar eigen toekomst te stemmen. Het lijkt alsof u allemaal een hogere roeping hebt en weet wat goed is voor het gewone plebs van Europa.
U denkt misschien dat ik dit allemaal uit mijn duim zuig, maar vorige week zei voorzitter Barroso nog dat hij als minister-president vóór een referendum over de Grondwet was. Daarna is hij in Brussel geweest en hebben ze kennelijk iets door zijn drankje gedaan, want nu stelt hij ons de vraag of de Europese Gemeenschap en de euro er wel zouden zijn gekomen als er een referendum over de oprichting van de Europese Gemeenschap of de invoering van de euro was gehouden. Ik denk dat we het antwoord op die vraag wel weten: ‘nee’. Ik waag het te beweren dat de heer Barroso hiermee de zwakke plek van het Europese project blootlegt. Hij geeft blijk van diepe minachting voor de inwoners van Frankrijk en Nederland die ‘nee’ hebben gestemd, maar wat nog erger is, is dat hij blijk geeft van diepe minachting voor het democratische proces zelf. Door deze Grondwet er meedogenloos door te drukken en de bevolking van Europa een stem in haar toekomst te blijven ontzeggen zadelen we onze kinderen op met een ernstig probleem.
Andreas Mölzer, namens de ITS-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe om met het oog op de komende vergadering van de Europese Raad een aantal fundamentele kanttekeningen bij het onderwerp liberalisering en energiebeleid te plaatsen.
Het komt mij voor dat er het nodige familiezilver verpatst wordt om te kunnen voldoen aan de criteria van Maastricht en aan de Lissabonstrategie. De burgers moeten de broekriem aanhalen, maar al te vaak worden ze uit de overheidsdienst in werkloosheid of de VUT gedreven, waar ze zich te sappel kunnen maken over hun sociale zekerheid. De belofte dat alles goedkoper, effectiever, flexibeler wordt, kan een liberalisering als deze helemaal niet waarmaken. De openbare infrastructuur onderscheidt zich nu eenmaal door lange afschrijvingstermijnen en een gering rendement.
De private investeerder gaat het juist vaak om het snelle geld en we weten allemaal waar dat toe leidt. Bijvoorbeeld dat treinvertragingen en stilgelegde spoortrajecten ons terug de auto in drijven. Dankzij de privatisering van de post mogen we nu in nieuwe brievenbussen investeren, ons op lange wandelingen naar een postkantoor begeven om in een steentijd van verwerpelijke werkomstandigheden terecht te komen. Speculatie met aandelen drijft de stroomprijs op en ooit zullen we ons ons eigen drinkwater niet meer kunnen permitteren, omdat dat in het buitenland meer geld opbrengt. Nog gevaarlijker is echter de voorstelling dat buitenlandse arbeidskrachten en asielzoekers het middel tegen kinderloosheid en voor het behoud van onze sociale zekerheid zijn. Daarmee steek je de lont in het kruitvat en de eerste explosies zitten er al aan te komen.
We hebben dus en mentaliteitsverandering nodig, moeten een doeltreffende gezins- en geboortepolitiek voeren, meer in onderwijs investeren en onze eigen bedrijfstakken, waaronder de plaatselijke landbouw, met een gepaste mate van protectionisme stimuleren om onze burgers te beschermen tegen de door de EU gesubsidieerde bedrijfsverplaatsingen. Volgens mij kun je ook niet van ecologische energie spreken als er kerncentrales ingeschakeld worden om die op te wekken, of als biobrandstof tot voedselschaarste leidt, zoals in Mexico. Dat bewijst de noodzaak van onderzoek naar nieuwe technologieën, dan wel van een versnelde overschakeling op andere, echt milieuvriendelijke vormen van energie.
Jana Bobošiková, (NI). – (CS) Dames en heren, ik ben bang dat de achter de benaming ‘opwarming van de aarde’ schuilgaande handelsoorlog binnenkort zijn ware tol gaat eisen. De Europese Raad staat duidelijk op het punt zich te scharen achter de modieuze, pseudowetenschappelijke bewering dat wij deze planeet alleen kunnen redden door de CO2-uitstoot sterk aan banden te leggen.
Als wij ons laten aanpraten dat wij de natuurlijke klimaatcycli van onze planeet kunnen beïnvloeden door de concurrentiepositie van de Europese industrie op te offeren, bewijzen wij onze planeet daarmee geen dienst. Wie wij daarmee wel een dienst bewijzen, zijn de beleggers en landen die oxiden en protocollen volledig aan hun laars lappen. De vervuiling die wij door onze offers uitsparen, wordt meer dan geneutraliseerd door hun CO2-productie. Ik ben dan ook zeer teleurgesteld dat de Europese Raad de strijd tegen de klimaatverandering als uitgangspunt neemt bij de onderhandelingen over energie.
Ik heb de indruk dat voor zowel burgers als bedrijven de energieprijzen en in het bijzonder de veilige, ononderbroken energielevering centraal staan. De Raad zou zich volgens mij moeten toeleggen op de liberalisering van de energiemarkt omdat daarmee grove prijsstijgingen kunnen worden voorkomen. Het voorzitterschap zou met een reëel voorstel moeten komen over de wijze waarop ononderbroken leveringen van Rusland kunnen worden gewaarborgd voor de gehele Europese Unie en niet alleen voor Duitsland. En tot slot zouden wij moeten investeren in de ontwikkeling van nieuwe vormen van energie en vooral in kernenergie. Doen wij dit niet, dan zullen de hoge energiekosten de Europese concurrentiepositie onherstelbare schade berokkenen.
En wat moeten werkelozen aan met hun torenhoge elektriciteitsrekeningen? Ik zou ze kunnen doorsturen naar de Raad in Brussel, maar dat zet, vrees ik, geen zoden aan de dijk. Dank u.
Klaus-Heiner Lehne (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, laat ik eerst kort samenvatten wat we bereikt hebben. Ik herinner u eraan dat de Commissie ongeveer tweeënhalf jaar geleden een nieuw initiatief nam en in navolging van het rapport-Kok stelde dat de Lissabonstrategie weer op de been geholpen moest worden en dat deze strategie, die de eerste helft van haar tienjarige looptijd eigenlijk niet meer was dan een politiek statement zonder kans op verwerkelijking, dan ten minste in de tweede helft haar doel zou moeten naderen. Ik durf de stelling aan dat dat gelukt is. Weliswaar heeft het begrip ‘Lissabon’ nog niet dezelfde klank als ‘Kyoto’, maar intussen liggen er in elke lidstaat nationale plannen. Hier in het Parlement hebben we een structuur gevonden om met de Lissabonstrategie om te gaan en de uitvoering ervan te bevorderen. Ook de Commissie heeft dienaangaande nieuwe prioriteiten gesteld. We hebben in dit Huis interparlementaire conferenties gehad, waar elke keer een groter aantal vertegenwoordigers uit de verschillende parlementen aan deel nam. Dit alles bewijst dat we op de goede weg zijn en dat het gelukt is de strategie nieuw leven in te blazen.
Ten tweede is het ons gelukt om duidelijk te maken dat de Lissabonstrategie weliswaar op drie pijlers rust, maar dat het groei en werkgelegenheid zijn die de voorwaarden scheppen voor een zinvol sociaal en milieubeleid. Tegelijkertijd hebben we duidelijk weten te maken dat de Lissabonstrategie ook het Europese antwoord op de globalisering is.
We zullen in de resolutie, die dit jaar uit de aard der zaak om andere thema’s draait dan de voorgaande jaren, duidelijk maken dat de interne markt een reeks tekortkomingen vertoont, die verholpen moeten worden. Van de vele wil ik er slechts twee noemen. Ten eerste ontbreekt het nog altijd aan een verdere ontwikkeling van het Europees octrooirecht. Wat dat betreft verwachten we initiatieven van de Commissie. Inmiddels ligt er al wel een initiatief van de Commissie voor de liberalisering van het goederenverkeer op de interne markt, wat eveneens een cruciaal punt is.
Het zwaartepunt van de komende top, evenals van de activiteiten van de Commissie maar ook van het Parlement, zal gevormd worden door het energiebeleid. Ik verwijs naar het afgelopen jaar. Indertijd waren staatshoofden en regeringsleiders er nog niet van te overtuigen dat het energiebeleid werkelijk Europese proporties heeft en dat er dus een Europese benadering van dit vraagstuk moet komen. Indertijd was men nog van mening dit nationaal te kunnen regelen. Dat is veranderd. Wanneer er op deze top weer over energiebeleid gepraat wordt, gaan alle aanwezigen ervan uit dat dit tot de taken van Europa behoort.
In de voorliggende ontwerpresolutie hebben we duidelijk gemaakt dat er natuurlijk zoveel mogelijk van hernieuwbare energiebronnen gebruik gemaakt moet worden. We hebben echter ook duidelijk gesteld welke betekenis kernenergie nog altijd heeft en in het licht van de CO2-problematiek ook in de toekomst zal moeten hebben. Daarnaast zijn we in deze resolutie ingegaan op totale probleem van de CO2-uitstoot, al zal dit natuurlijk in de parallel te behandelen klimaatresolutie nog een stuk diepgaander besproken worden. Ten aanzien van de energie-efficiëntie hebben we ons zeer ambitieuze doelen gesteld. Ik denk zelfs – en de cijfers geven mij daarin gelijk – dat het feit dat Europa een aandeel van 30 procent aan het wereldwijde bruto nationaal product heeft, maar slechts een aandeel van 15 procent aan de verschillende emissies, op zich al een teken van onze voortrekkersrol bij de energie-efficiëntie is. Maar we kunnen nog veel meer bereiken en een voorbeeld voor heel de wereld zijn.
Daarnaast moeten we, zoals al gezegd is, nog een interne energiemarkt realiseren. We weten dat er nog altijd een systeem van oligopolies en monopolies bestaat en dat er slechts in een deel van de Europese Unie sprake kan zijn van een werkelijke interne markt, terwijl grote delen van Europa nog veel te wensen overlaten.
Ik vraag ook nog uw aandacht voor het aspect van ‘beter wetgeven’. Ook op dit punt is er veel bereikt. Ik herinner slechts aan het Interinstitutionele Akkoord van december 2003. Dat betekende stellig een doorbraak, maar het is niet alles goud wat hier blinkt. Nog altijd heeft de Commissie geen gehoor gegeven aan de wens van het Parlement, die in meer dan een half dozijn resoluties tot uitdrukking is gekomen, om wetten aan een onafhankelijke effectbeoordeling te onderwerpen. Toch staan wij daarop. Als de Commissie niet snel tot actie overgaat, weten we wel wegen te vinden om deze zaak zelf te regelen.
Wat volgens mij op dit moment ook van belang is, is een verstandige benchmarking, dat we de rapportage uit de lidstaten nalopen en van het commentaar voorzien dat wij nodig achten om via deze benchmarking voor elkaar te krijgen dat de we doelstellingen van de Lissabonstrategie nog dichter benaderen dan in het verleden.
VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ Ondervoorzitter
Hannes Swoboda (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, we hebben het al meermaals over de Grondwet gehad. Die Grondwet voorzag Europa van meer bevoegdheden bij het energiebeleid. Goed, de Grondwet is er nog niet en dus moeten we op een andere manier proberen deze ruimere bevoegdheid in energiekwesties af te dwingen, vooral op het terrein van de buitenlandse politiek, zoals minister Gloser al aangaf.
Hoe kunnen we ooit in een gepaste, evenwichtige verhouding tot Rusland komen te staan, als de Europese Unie hier niet met een sterkere, eendrachtige stem spreekt? Het zou Rusland veel beter uitkomen met de afzonderlijke landen te onderhandelen en die tegen elkaar uit te spelen. Onze eis is daarentegen, zeker ook met het oog op de topconferentie, dat vast komt te staan dat Europa in deze betrekkingen met Rusland met één stem spreekt. En wat als Rusland zich erover beklaagt dat het geen onbeperkte markttoegang heeft? Wat kunnen we daar ooit van Europese zijde tegenover stellen? Daarom zijn gelijkwaardige betrekkingen met Rusland belangrijk.
Ten tweede dienen we te diversifiëren en andere bronnen aan te spreken. Waar? Vooral in de Kaukasus en Centraal-Azië. Als je ziet hoe de Verenigde Staten, ondanks al hun lof voor de vrije markt, de bouw en oliepijpleiding van Bakoe via Tiflis naar het Turkse Ceyhan afgedwongen hebben en aan dit project een grote politieke betekenis gehecht hebben en op die betekenis ook wezen bij het werven van private investeerders; als ik omgekeerd zie hoe aarzelend zoiets in de Europese Unie van de grond komt (ik noem slechts de Nabucco-pijpleiding die Europa van gas zou moeten voorzien), dan dringt zich ook hier de noodzaak op dat de Europese Unie krachtdadig optreedt en met één stem spreekt. Veel van deze punten heeft Robert Goebbels al aangesneden. Een reden te meer om erop aan te dringen dat hierover op de top geen misverstand blijft bestaan.
Als we vinden dat diversificatie nodig is, als we vinden dat we nieuwe leidingen naast de bestaande nodig hebben, moeten we dat ook luid en duidelijk zeggen. En dan komt Rusland vanzelf wel en zal proberen deel te nemen in het project of zaken met ons te doen. Als wij op de internationale markten niet onmiskenbaar als Europa opereren, zullen we niet in staat zijn om te doen wat we voor onze mensen moeten doen, namelijk de energievoorziening in Europa veiligstellen.
Alexander Lambsdorff (ALDE) . – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, morgen neemt het Europese Parlement een resolutie aan waarin wij een reeks eisen aan de Raad stellen. Als rapporteur wil ik hier mijn co-rapporteur, Steven Hughes van de PSE-Fractie, bedanken voor de altijd constructieve, goede en oprechte samenwerking. Hij zal dadelijk die delen van de resolutie aan u voorstellen, die handelen over arbeidsmarktbeleid en ‘beter wetgeven’. Ik zal mij daarom beperken tot de verwachtingen van het Europees Parlement ten aanzien van het energiebeleid.
Het belangrijkste wat het Parlement van de Raad verwacht, is zonneklaar. We willen een krachtig, gemeenschappelijk energiebeleid voor Europa. Op de Voorjaarstop is het de voornaamste taak van de staatshoofden en regeringsleiders om harde resultaten te boeken. Daar zullen we ons oordeel over het slagen of mislukken van de top op baseren.
Een goed functionerende interne energiemarkt is geen doel op zich. Ten eerste valt de interne energiemarkt onder het Europa van de projecten. We willen een Europees Unie die resultaten boekt. Als we tegen de burgers kunnen zeggen dat hun almaar stijgende gas- en elektriciteitsrekeningen dankzij Europees beleid weer naar een draaglijk niveau teruggebracht worden, is dat goed voor Europa. De meest recente onderzoeken naar de Europese energiemarkt hebben opnieuw duidelijk gemaakt dat we nog mijlenver van een goed functionerende interne markt voor energie verwijderd zijn. Collega Lehne heeft daar zojuist ook op gewezen. Een dergelijke uitkomst is, bijna tien jaar na de eerste initiatieven voor de liberalisering van de stroom- en gasmarkt, meer dan teleurstellend. Wat we onze burgers dus allereerst moeten geven is een interne energiemarkt.
De tweede reden waarom een goed functionerende interne energiemarkt van belang is, is de concurrentiepositie van onze ondernemingen, vooral in de goederenproductie. Geen enkele onderneming hoort voor de energie die zij gebruikt meer te betalen dan billijk is. Die belofte zijn we onze ondernemers en de werknemers in hun dienst schuldig. Daarmee realiseren we een doelstelling van de Lissabonstrategie, namelijk een vergroting van ons concurrentievermogen, zowel binnen als buiten Europa. De tweede reden dat de interne energiemarkt er moet komen is dus dat de concurrentiepositie van Europa dit vereist.
De derde reden is dat er op een markt waar prijssignalen hun werk doen efficiënt gebruik gemaakt wordt van energie, alternatieven ontwikkeld worden en energie bespaard wordt. Het klopt dat er vaak ook richtlijnen vanuit de politiek nodig zijn om nieuwe wegen in te slaan. Wij geven die met ons verslag ook, omdat we hopen met een Europees energiebeleid ook de doelstellingen van de klimaatbescherming te realiseren. Hierover bestaat consensus in dit Huis. Een gemeenschappelijk energiebeleid is ten derde dus nodig voor een Europa dat zijn verantwoordelijkheid voor globale ontwikkelingen neemt.
Dat zijn de redenen waarom het Europees Parlement morgen een resolutie aanneemt. Ik zal nu afzonderlijk ingaan op een deel van de belangrijkste punten. Ten eerste dienen de netwerken voor de distributie van stroom en gas economisch onafhankelijk van de energieproductie bestuurd en beheerd te worden om een eind te maken aan het decennialange falen van de marktwerking bij de verkoop van stroom en gas.
Ten tweede draagt hernieuwbare energie bij tot meer continuïteit in de energievoorziening. Wij stellen daarom als eis dat het aandeel van hernieuwbare energiebronnen vóór 2040 naar 50 procent opgetrokken wordt. Het Europees Parlement onderschrijft ambitieuze doelstellingen in het onderzoek naar energie en wel op alle terreinen, of het nu om conventionele, hernieuwbare of nucleaire energie gaat. Europa is hier op veel terreinen koploper en die voorsprong dient geconsolideerd en vergroot te worden, als we tot een echte kenniseconomie willen uitgroeien. Het Europees Parlement volgt de Commissievoorstellen ten aanzien van energie-efficiëntie en haar besparingsdoelstelling van 20 procent vóór 2020.
We willen een draaiboek dat aangeeft hoe de CO2–uitstoot uiterlijk in 2020 met 30 procent gereduceerd kan worden. We breken ook een lans voor een hervorming van het systeem voor de handel in emissierechten en roepen verder de lidstaten op om bij energiecrises meer onderlinge solidariteit aan den dag te leggen.
Er is een alle fractiegrenzen overstijgende consensus over de noodzaak van een gemeenschappelijk buitenlands energiebeleid. Energieaspecten horen een vast onderdeel van de buitenlandse betrekkingen van de Europese Unie te worden. Geachte fungerend voorzitter van de Raad, het deed mij deugd u te horen zeggen dat Europa op dit punt met één stem moet spreken. Wij zien dat precies zo.
De eendracht in Europa is een voorwaarde voor onze geloofwaardigheid in de ogen van de burgers, zo formuleerde Commissievoorzitter Barroso het vanmorgen. Dat onderschrijven wij. Dit zijn de Europese uitdagingen die de Commissie, de Raad en de leden van dit Huis in gelijke mate het hoofd moeten bieden. Alleen zo kunnen we aan onze verantwoordelijkheid voldoen om de burgers van Europa resultaten te brengen, of, zoals de Voorzitter van dit Huis het vanmorgen formuleerde, succes te boeken voor ons werelddeel en de burgers van de Europese Unie te dienen. Overigens ben ik van mening dat we dit debat in Brussel hadden moeten voeren en niet in Straatsburg.
Guntars Krasts (UEN). – (LV) De agenda van de Voorjaarstop van de Europese Raad is op dit moment ongetwijfeld het belangrijkste onderwerp, zowel in de Europese Unie als geheel als in de afzonderlijke lidstaten. De voorgestelde taken in verband met de strategie van Lissabon en in verband met energie en klimaatverandering zijn ambitieus, maar de praktische uitvoering ervan zal enige realiteitszin vergen. We weten in grote lijnen wat er moet gebeuren om de voorgestelde doelen te halen, maar het feit dat de hervormingen die moeten worden doorgevoerd op economisch, sociaal en milieugebied onderling met elkaar verbonden zijn, maakt de uitvoering van deze taken aanmerkelijk ingewikkelder. De wederzijdse afhankelijkheid van de lidstaten wat betreft de handhaving van het tempo en de kwaliteit van de hervormingen maakt de situatie zelfs nog ingewikkelder. We hebben dit onlangs nog ondervonden tijdens de moeizame besprekingen over de dienstenrichtlijn, die bedoeld was als een van de hoekstenen van de strategie van Lissabon. Op de agenda staan nu weer nieuwe onderwerpen die de bereidheid van de lidstaten om het tempo van de hervormingen te handhaven – onder meer wat betreft de liberalisering van de Europese energiemarkt – op de proef zullen stellen. Een geliberaliseerde Europese energiemarkt is een essentiële voorwaarde voor de algehele concurrentiekracht van de markt, energieonafhankelijkheid, stabiliteit voor de lange termijn, en de integratie van de nieuwe lidstaten in de interne markt voor elektriciteit en gas. Een van de centrale doelen van deze topbijeenkomst van de Europese Raad is de vaststelling van een op consensus gebaseerde benadering met betrekking tot de opvattingen van de lidstaten over het interne Europese energiebeleid. Het energiebeleid moet zo snel mogelijk een onderdeel worden van het veiligheidsbeleid van de Europese Unie. De lidstaten zouden het eens moeten worden over een gemeenschappelijke strategie op het vlak van aan- en doorvoerroutes. Ook moeten we haast maken met het instellen van een permanente dialoog tussen staten die vooral energie verbruiken en staten die ook energie leveren, om te voorkomen dat de mondiale onevenwichtigheid toeneemt en zich een instabiele situatie ontwikkelt. In verband met de voornaamste gasleverancier van Europa – Rusland – moeten we ervoor zorgen dat dit land het Protocol betreffende doorvoer en het Energiehandvestverdrag ratificeert. Bovendien kan het wat dit onderwerp betreft niet zo zijn dat de standpunten van de Commissie en de lidstaten uiteenlopen. Ik hoop dat dit belangrijke onderwerp op de Voorjaarstop van de Europese Raad een impuls zal helpen geven aan een gemeenschappelijk begrip van de wederzijdse afhankelijkheid van zowel de taken als de resultaten in elke afzonderlijke lidstaat en in de Europese Unie als geheel. Dank u wel.
Pierre Jonckheer (Verts/ALE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, het is voor de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie volstrekt helder – zoals mijn collega, mevrouw Harms, zojuist heeft verwoord – dat de Europese Raad van maart hoofdzakelijk aan de energiekwestie zal worden gewijd en dat wij in dit opzicht bepaalde eisen hebben. Zelf wil ik graag een ander punt aan de orde stellen, dat verband houdt met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en met de belastingheffing in Europa.
Ik wil u twee voorbeelden geven. Bij de fabriek Volkswagen-Forest in België zullen er in plaats van 4 000 arbeidsplaatsen 3 000 verloren gaan en zullen de werknemers van een 35-urige naar een 38-urige werkweek gaan, waarbij hun salaris gelijk blijft en er een grotere flexibiliteit van hen wordt verwacht. De directie van het concern meent dat de fabriek onder deze voorwaarden een van de best presterende fabrieken in Europa zal worden en aan de criteria van een geslaagde Lissabonstrategie zal voldoen. Mijn tweede voorbeeld betreft de werknemers in de Franse particuliere sector, waarvan de helft een salaris heeft dat lager is dan 1 400 euro per maand, zoals mevrouw Royal ons afgelopen zondag in herinnering bracht.
Dit zijn feiten die een scherp licht werpen op het Europese sociaal model. Veel economen beschouwen deze veranderingen in de arbeids- en salarisvoorwaarden als een structurele ontwikkeling, omdat ze samenhangen met technologische innovaties en een toenemende globalisering van de bedrijfsactiviteiten. Hierdoor zal een meerderheid van de Europese werknemers de komende jaren onder steeds grotere druk komen te staan. Hoe moeten wij op deze situatie reageren?
Ik denk dat de Europese Unie hierbij kan helpen. Zij kan helpen door een einde te maken aan het grove schandaal dat een welgestelde burger van Monaco via Liechtenstein naar België kan reizen om aan de fiscus, en daarmee aan het progressieve karakter van de belasting, te ontkomen.
Ik denk ook dat de Europese Unie zou moeten kiezen – zoals zij bij de G8 en binnen de OESO heeft gedaan – voor een resoluut beleid inzake het afschaffen van belastingparadijzen die overal ter wereld te vinden zijn en die het financieel kapitalisme in de hand werken.
Bovendien denk ik dat – als mevrouw Merkel en mevrouw Royal concreet inhoud willen geven aan het door hen aangekondigde sociale protocol om het ontwerpverdrag tot vaststelling van een Europese Grondwet te wijzigen – de Europese Unie zichzelf de middelen zou moeten verschaffen om eindelijk een minimumbelasting voor ondernemingen in de Europese Unie in te stellen. Hiervoor is het nodig – als wij de unanimiteitsregel willen handhaven – dat een groep landen besluit om het voortouw te nemen.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL). – (PT) Bij dit debat over onze bijdrage aan de komende Voorjaarstop, waarop de toepassing van de zogenaamde ‘Lissabonagenda’ geëvalueerd zal worden, is het van belang rekening te houden met hetgeen de afgelopen jaren is gebeurd met de doelstellingen en uitdagingen die werden aangekondigd bij de goedkeuring van die agenda in 2000. Volledige werkgelegenheid, armoedebestrijding, infrastructuur, kinderopvang, gelijke kansen voor vrouwen en de met veel nadruk verkondigde meest geavanceerde kenniseconomie van de wereld die in 2010 realiteit zou moeten zijn, waren toen de doelstellingen.
De werkelijkheid is dat de Europese Unie sinds 2000 een trage groei van de economie en van de werkgelegenheid kent, de productiviteitswinst in toenemende mate wordt overgeheveld van de werknemers naar de werkgevers en de sociale ongelijkheid toeneemt. Daarom blijven er hoge niveaus van werkloosheid bestaan, is het aantal burgers dat met armoede en sociale uitsluiting te kampen heeft meer dan 72 miljoen en zijn er steeds meer onzekere banen met steeds minder rechten. Met de recente uitbreiding zijn de problemen verder toegenomen, terwijl de communautaire begroting er geen adequate financiële antwoorden op heeft gegeven.
Dat toont aan dat onze kritiek op deze strategie meer dan terecht is. De toepassing van de Lissabonagenda is beperkt gebleven tot het intensiveren van de liberaliseringen en privatiseringen in de meest uiteenlopende sectoren: vervoer, energie, posterijen en telecommunicatie, diensten enz. Dat proces heeft essentiële openbare diensten in gevaar gebracht. Daarbij kwamen nog eens de flexibiliteit van de arbeid en de flexizekerheid, waar zoveel tamtam over is gemaakt, zodat werknemers nog gemakkelijker op straat kunnen worden gezet.
Daarom pleiten wij voor een grondige verandering van het tot nu toe gevoerde beleid. Daarmee doelen we naast de communautaire begroting op de Lissabonstrategie, het Stabiliteitspact en de brede richtsnoeren voor het economisch en werkgelegenheidsbeleid.
Daarom stelt onze fractie in haar alternatieve resolutie ter afsluiting van dit debat dat het noodzakelijk is prioriteit te verlenen aan een echt pact voor economische vooruitgang en sociale ontwikkeling en aan een Europese strategie voor solidariteit en duurzame ontwikkeling. Die strategie dient gebaseerd te zijn op meer solidariteit van de kant van de meer ontwikkelde landen en op een betere en omvangrijkere verdeling van de communautaire gelden. Het doel daarbij moet zijn de economische en sociale samenhang te garanderen, de levensomstandigheden van de mensen in het algemeen – met inbegrip van de immigranten – te verbeteren en de waardigheid van de werknemers te verdedigen. Voorts dienen de mensenrechten in de praktijk te worden gerealiseerd, met name op het terrein van onderwijs, gezondheid, huisvesting en sociale zekerheid, zonder echter onderzoek en ontwikkeling te vergeten.
Patrick Louis (IND/DEM). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, de heer Moscovici heeft onlangs een interessant boek geschreven waarin hij constateert dat het Grondwettelijk Verdrag de geest heeft gegeven. Hij laat duidelijk zien dat als een volk gesproken heeft, niemand alsnog een mini-verdrag kan binnensmokkelen. Wij kunnen niet in strijd met het recht van de Verdragen handelen. Hierbij zijn de getallen niet doorslaggevend; enkel de soevereiniteit van een staat telt.
De schijnvertoning in Madrid was een impasse, en een belediging voor de diplomatieke regels. Ik kan u vertellen, geachte collega’s, dat EP-leden, zoals ikzelf in dit geval, geen toegang hadden tot de vergaderzaal, terwijl de eerste de beste ambtenaar er ongehinderd kon binnenlopen. De oplossing voor de Unie is niet om Madrid over te doen, maar om de geest van het Verdrag van Rome nieuw leven in te blazen, dat wil zeggen om de betekenis van een vrije samenwerking tussen soevereine staten te hervinden, om de communautaire preferentie weer in ere te herstellen en om af te zien van het imperiale streven om een supranationale staat op te richten, een staat die onze volkeren zou verstikken en de rechten van de burgers in de weg zou staan.
Carl Lang (ITS). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, bij het vaststellen van zijn economische doelstellingen baseert het Duitse voorzitterschap van de Europese Raad zich op een rapport waarin melding wordt gemaakt van een daling van de werkloosheid in Europa. Deze daling wordt echter eerder veroorzaakt door een krimping van de beroepsbevolking als gevolg van de vergrijzing, dan door een welvarende economie. Met een jaarlijkse groei van slechts 2,6 procent – vergeleken met 3,6 procent in de Verenigde Staten en 10 procent in China – blijft het Europa van Brussel nog steeds achter bij de grote economische mogendheden wereldwijd.
Bovendien worden de officiële werkgelegenheidsstatistieken in sommige lidstaten verdraaid. Als wij bijvoorbeeld in Frankrijk bij de 2 miljoen of meer officiële werklozen het aantal werknemers optellen dat met pensioen of met vervroegd pensioen is gestuurd, plus de werklozen die een opleiding volgen en degenen met gesubsidieerde contracten, dan treft de werkloosheid bijna 4,5 miljoen Fransen, oftewel 18 procent van de beroepsbevolking. Met een groei die bedroevend is, een bevolking die onvoldoende voor nieuwe aanwas zorgt en ondernemingen die hun activiteiten verplaatsen, vervolgt de Europese Unie jammer genoeg haar economische neergang.
De diagnose mag dan onjuist zijn, de voorgestelde oplossingen – die ingegeven zijn door het malthusiaanse en antisociale beleid dat al twintig jaar wordt gevoerd – zijn rampzalig: opheffing van onze handelsgrenzen, waardoor onze industrie aan de oneerlijke concurrentie van de Aziatische economieën wordt overgeleverd; toename van de bureaucratische verplichtingen; de legale aankomst van jaarlijks ruim een miljoen immigranten van buiten de Gemeenschap; ontmanteling van onze openbare dienstverlening; overmatige belastingdruk; en braaklegging van onze landbouw die onder het Caudijnse juk van de Wereldhandelsorganisatie doorgaat.
Als wij onze economieën weer welvarend willen maken en onze onderdanen de economische en sociale zekerheid willen geven waarop zij recht hebben, dan moeten wij bouwen aan een ander Europa en aan een ander handelsmodel, dat gebaseerd is op zekere grenzen om onze ondernemingen te beschermen tegen sociale dumping, op de toepassing van de communautaire preferentie en op eerbiediging van de waarden die onze beschaving groot hebben gemaakt: vaderland, vrijheid, werk, gezin en zekerheid op alle mogelijke manieren, met inbegrip van economische en sociale zekerheid.
Sergej Kozlík (NI). – (SK) Twee dagen voordat de Europese Commissie in januari 2007 officieel de strategische beoordeling van het EU-energiebeleid en andere verslagen over de energiesector had aangenomen, maakte Eurobarometer de uitkomsten bekend van een enquête over de energiesector. Uit de enquête blijkt duidelijk dat energiekwesties, of het nu om klimaatverandering of toekomstige energietekorten gaat, door de burgers van de Europese Unie niet als prioriteit worden gezien.
Energiekwesties eindigden op de twaalfde plaats van een lijst met de ernstigste problemen die Europa nu zou moeten aanpakken. Energiekwesties volgen op grote afstand van werkloosheid, misdaad, gezondheidszorg of de economische situatie. Het is verontrustend dat de Europese burgers ervan overtuigd zijn dat de werkelijke oorzaak van energieproblemen gezocht moet worden in andere werelddelen en landen buiten de Europese Unie.
Bijna een kwart van de Europese burgers gaf toe niets te doen om het eigen energieverbruik te verminderen. Het publiek heeft maar een vaag besef van het feit dat de energieprijzen op de lange termijn zullen blijven stijgen. We staan aan de vooravond van een nieuwe industriële revolutie waarin kwesties die verband houden met energie en klimaatverandering moeten worden aangepakt, waardoor wij ons voor pragmatische doelstellingen gesteld zien die tegelijkertijd volstrekt politiek van aard zijn. Als we willen dat onze inspanningen vruchten zullen afwerpen, moeten we ons verzekeren van een zo breed mogelijke steun van EU-burgers voor de tenuitvoerlegging van deze doelstellingen. De regeringen van de lidstaten moeten er niet langer omheen draaien, maar in plaats daarvan de onafgehandelde zaken aanpakken.
Gunnar Hökmark (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de vergadering van de Europese Raad in Berlijn is een uitstekende gelegenheid om onder de aandacht te brengen wat we samen hebben bereikt en wat er de komende jaren, in eerste instantie vóór 2009, moet zijn bereikt. Ik denk dat het belangrijk is dat we in de verklaring van Berlijn duidelijk maken dat de problemen en de uitdagingen waarvoor we gesteld staan, het resultaat zijn van ons succes en niet van ons falen.
Vanwege dit succes vragen nieuwe landen het lidmaatschap aan – omdat ze hebben gezien wat de Europese Unie voor hen kan betekenen op het gebied van vrede, de rechtsorde en stabiliteit. Er is die hele discussie over mondialisering, waarbij de Europese economie wereldwijd de leidende actor is en ons de kans biedt om de mondialisering het hoofd te bieden en eraan bij te dragen. Dan is er de kwestie veiligheid en stabiliteit in de Balkan. Begin jaren negentig van de vorige eeuw hebben we daar weliswaar niet veel kunnen uitrichten, maar tegenwoordig kunnen we dat wel en die verantwoordelijkheid hebben we dan ook. Als we hadden gefaald, als we er niet in waren geslaagd om de Europese Unie te ontwikkelen, had niemand ons gevraagd om het probleem op te lossen, maar nu zijn we daartoe in staat en dus hebben we die verantwoordelijkheid.
Dat geldt ook voor de discussie over klimaatverandering omdat we, vanuit een economisch standpunt en ook vanuit milieu-oogpunt wereldwijd een van de leidende actoren zijn. Wij kunnen meer dan wie ook een bijdrage leveren aan de discussie over het terugdringen van het broeikaseffect en dat moeten we dan ook doen, maar dat moeten we wel verstandig aanpakken: we moeten de kansen voor groei en investeringen en hoogwaardige technologie veiligstellen, omdat we anders niet in staat zullen zijn om de uitdagingen van de op handen zijnde klimaatverandering het hoofd te bieden.
Deze uitdaging heeft twee kanten. We moeten de uitstoot van broeikasgassen terugdringen, maar tegelijkertijd moeten we zorgen voor een stabiele en welvarende economie die ons in staat stelt om uitdagingen in de toekomst het hoofd te kunnen bieden.
Stephen Hughes (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb maar weinig spreektijd, dus als co-rapporteur voor dit onderwerp en als lid van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken ga ik iets doen wat we vaker zouden moeten doen: de aandacht richten op de sociale cohesie en de sociale en werkgelegenheidsaspecten van Lissabon.
Onder het kopje ‘Meer werkgelegenheid en kansen scheppen’ onderstrepen we in onze resolutie de behoefte aan een evenwichtige benadering van het flexicurity-model. We zijn vóór flexibiliteit voor ondernemingen, maar ook vóór de nodige mate van veiligheid voor werknemers. Miljoenen medeburgers zien flexicurity als een bedreiging. Die bedreiging moeten we zien om te buigen tot een kans.
We dringen er bij de lidstaten die tot nu toe weinig hebben ondernomen, op aan om met de sociale partners samen te werken en meer te doen om werkgelegenheid te scheppen en de arbeidsparticipatie van jonge, vrouwelijke en oudere werknemers te bevorderen. We vragen hun met name om ervoor te zorgen dat iedere schoolverlater binnen een half jaar een baan of een opleiding krijgt aangeboden of van een andere werkgelegenheidsmaatregel gebruik kan maken; om werkzoekenden een betere toegang tot opleidingen te bieden, vooral de laagst opgeleiden; om meer te investeren in uitgebreide en betaalbare kinderopvang om zo de belastingdruk op werk verder terug te dringen; om sociale uitsluiting en discriminatie te bestrijden; om meer in onderwijs, beroepsopleiding en levenslang leren te investeren om zo het scholingsniveau in de EU te verhogen; om de aansluiting tussen het onderwijssysteem en de behoeften van de nieuwe arbeidsmarkten te verbeteren, onder andere door ondernemerschap in leerprogramma’s op te nemen en, tot slot, om oudere werknemers in staat te stellen om op vrijwillige basis op de arbeidsmarkt actief te blijven en de stelsels voor belastingen en sociale zekerheid aan te passen om het aantrekkelijker te maken voor mensen om langer aan het werk te blijven. Deze ideeën zijn al net zo oud als de strategie van Lissabon. De lidstaten moeten er alleen nog uitvoering aan geven.
Tot slot onderstreep ik de noodzaak, zowel voor de Raad als voor de Commissie, om de huidige impasse met betrekking tot werkgelegenheids- en sociaal beleid te doorbreken. De huidige beleidsmix van Lissabon is uiterst onevenwichtig. Als we de aansluiting met de burgers willen hervinden, zullen we dat evenwicht ten gunste van werkgelegenheids- en sociaal beleid moeten herstellen.
Margarita Starkevičiūtė (ALDE). – (LT) Economen hebben geruime tijd geleden al vastgesteld dat Europese ontwikkeling een positief effect heeft op nationale economieën, met name op de economieën van grotere landen. Dit positieve effect vloeit grotendeels voort uit handel, onderlinge handel. Het schijnt mij toe dat we nu, helaas, te maken hebben met een proces van centralisering, en dat bepaalde besluiten, of zij nu het terrein van het energiebeleid of de strategie van Lissabon betreffen, dit centraliseringsproces aanmoedigen. Dit kan ertoe leiden dat er niets overblijft voor de onderlinge handel, omdat er zich diverse mondiale handelscentra zullen ontwikkelen.
Ik denk dat een van de belangrijkste en cruciaalste zaken in onze pogingen om de Europese economische motor draaiende te houden en beleid ten uitvoer te leggen dat tot doel heeft onze landen doelmatiger en concurrerender te maken op het wereldtoneel, allereerst de noodzaak is om de uniforme ontwikkeling van alle EU-lidstaten te bevorderen, met gebruikmaking van de ontwikkeling van centra voor wetenschappelijk onderzoek en energiecentra in de verschillend landen. Zodra de nationale economieën op elkaar zijn afgestemd, zal onze economische motor niet meer haperen.
Konrad Szymański (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de politieke verschillen tussen de economische strategieën van de lidstaten hebben een rem gezet op de tenuitvoerlegging van de Lissabonstrategie. Dit heeft verregaande gevolgen voor de hele Europese Unie. Als we willen dat de doelstellingen van de strategie alsnog worden gehaald, moeten we dringend op zoek gaan naar een nieuw politiek evenwicht.
Landen die zich verzetten tegen dure en ingewikkelde regelingen, zoals Polen, Groot-Brittannië en de Baltische staten, moeten voldoende controle op het wetgevingsproces kunnen blijven uitoefenen. Het Grondwettelijk Verdrag garandeert dat niet. Daarom roep ik het Duitse voorzitterschap persoonlijk op om niet in te stemmen met het credo dat in dit Parlement erg populair blijkt te zijn, namelijk “Grondwettelijk Verdrag of dood”. Dit credo zal de Europese Unie veel schade berokkenen, voornamelijk op het gebied van het regulerings- en economisch beleid.
Dat geldt eveneens met het oog op een kwalitatief beter Europees recht. Als we de doelstellingen inzake better regulation willen bereiken, mogen we kwesties als de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten of het politieke evenwicht binnen de Europese Unie niet langer uit de weg gaan. De verdragsherziening moet onderworpen worden aan een pragmatische analyse met aandacht voor de kosten die een wetgeving op basis van de nieuwe werkwijze van de Raad met zich mee zal brengen. Het Grondwettelijk Verdrag bevordert deze doelstellingen niet.
Bernat Joan i Marí (Verts/ALE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, volgens de strategie van Lissabon moeten we in de hele Europese Unie een verzorgingsstaat tot stand zien te brengen die onze gemondialiseerde wereld tot voorbeeld kan dienen. We moeten appelleren aan een sociaal Europeanisme om Europa aantrekkelijker te maken voor burgers, omdat het leven hier beter is dan elders in de wereld. Een goede levensstandaard bereik je niet alleen met economische groei. Daar hebben we ook kwalitatief goed onderwijs, levenslang leren, culturele consumptie, enzovoorts voor nodig.
Aan de andere kant moeten we de opwarming van de aarde terugdringen zonder de ontwikkeling in ontwikkelingslanden te schaden. Dat kunnen we in ons deel van de wereld doen door middel van beter onderzoek. In ontwikkelingslanden kan dat door de verspreiding van onderwijs en ontwikkelingshulp, waarbij verbetering van de onderwijskwaliteit altijd voorop moet staan. Ik denk dat een goede combinatie van ontwikkelingshulp en kwalitatief beter onderwijs de sleutel is tot een betere gemondialiseerde wereld.
Georgios Karatzaferis (IND/DEM). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, energie betekent drie dingen: kernenergie, aardolie en gas. Kernenergie is niet mogelijk in alle landen van Europa en komt bovendien neer op ‘vivere pericolosamente’.
Aardolie wordt door Amerika gecontroleerd: op de ene manier in Irak, op een andere manier in Saoedi-Arabië en weer anders in Libië of in Venezuela. Welk van deze landen staat dicht bij Europa? Geen enkel. De Amerikanen beheersen het spel. Wat blijft dan over? Gas.
Onze buren, de Russen, hebben gas. Wat is onze relatie met Rusland? Onze relatie met Rusland is teleurstellend, omdat de Amerikanen het zo willen. Hebt u gezien wat eergisteren met Poetin is gebeurd? Er wacht een pijpleiding op ondertekening, die niet door Azië, Wit-Rusland of Oekraïne loopt, dus zonder grillen en chantage. Het gaat om de pijpleiding Burgas-Alexandroupolis, door Bulgarije en Grieks Thracië. Ook hier willen de Amerikanen niet dat Bulgarije tekent. Als wij, Europeanen, dus onze eigen energie willen, als wij gas rechtstreeks uit Rusland willen invoeren, waarom oefenen we dan geen druk uit zodat die pijpleiding er komt?
Als wij onze eigen aardolie willen, hoeven we maar naar de Egeïsche Zee te kijken. Daar zit genoeg aardolie voor Europa. Maar hier is het struikelblok Turkije, dat onder controle staat van Amerika en geen uitvoer duldt van aardolie uit de Egeïsche zee.
Othmar Karas (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Lissabonstrategie is ieder jaar opnieuw onderwerp van discussie in de aanloop naar de voorjaarstop, en wij zouden er goed aan doen de doelen die wij onszelf – de Raad, de Commissie en het Parlement – stellen, serieuzer te nemen. Het enige waar ik op aan wil dringen, is dat wij daadwerkelijk doen wat wij hebben afgesproken, dat wij door middel van onze daden overtuigen en niet slechts aankondigingen doen, en dat betekent kort samengevat een ‘betere wetgeving’!
Voor betere wetgeving is meer transparantie vereist en meer transparantie kan worden gerealiseerd als alle wetten door middel van de medebeslissingsprocedure tot stand komen. Vandaag is reeds de term ‘voorstudie' gevallen: daarbij moet iedere Europese wet van tevoren worden onderworpen aan een beoordeling met betrekking tot subsidiariteit, teneinde de meerwaarde ervan voor de Europese wetgeving en de gevolgen voor groei en werkgelegenheid zichtbaar te maken. Er is gesproken over kosten-batenanalyses, over een verkorting van de wetgevingsprocedures; vijf jaar is voldoende om wetten te maken, niet tien of meer. Wij moeten de instrumenten verbeteren waarmee wij controleren hoe en wanneer onze wetten worden geïmplementeerd.
Ten tweede hebben wij op nationaal niveau verantwoordelijken aangesteld. Wat doen zij? Geven de nationale parlementen ieder halfjaar een overzicht van de stand van zaken ten aanzien van het Lissabonproces, van wat zij willen gaan doen en wanneer? Waar is het jaarlijkse verslag van de Commissie en de nationale monitoren aan het Europees Parlement?
Ten derde is het ons huiswerk de interne markt te realiseren, innovatie te versterken door efficiënt gebruik te maken van de middelen, maatregelen te nemen om energie te besparen, een onderzoeksruimte te creëren, kleine en middelgrote ondernemingen te versterken – hetgeen betekent dat het opzetten van nieuwe ondernemingen eenvoudiger moet worden gemaakt – vestiging op en ontwikkeling van het platteland te bevorderen en bedrijfsoverdrachten te stimuleren, en eindelijk de gevolgen van de demografische ontwikkeling actief aan te pakken, zodat deze geen belemmering voor ons continent worden. Er zijn voldoende doelstellingen waar wij ons op kunnen richten; door middel van daden scheppen wij geloofwaardigheid en vertrouwen.
Udo Bullmann (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, vele sprekers hebben benadrukt hoeveel kansen er voor ons liggen, en dat is uiteraard terecht, aangezien het lang geleden is dat wij een dergelijke kans hadden, zoals nu, om gezamenlijk een nieuwe start te maken met tal van zaken. Het grote probleem na Lissabon was natuurlijk dat de groeipercentages instortten, niet in de laatste plaats vanwege het feit dat de lidstaten te weinig hebben gedaan. Er is weer sprake van groei binnen de Europese Unie, maar de vraag is hoe wij daarmee omgaan. Groei gaat immers niet vanzelf; de conjunctuur zal niet goed blijven op de lange termijn, tenzij wij maatregelen nemen. Uiteraard is de interne markt een sterk instrument: 90 procent van alles wat wij produceren, wordt door ons – bedrijven en burgers – zelf teruggekocht binnen de Europese Unie. Dat is goed, omdat wij daardoor een sterke internationale speler worden, maar nu – zoals de heer Hughes reeds heeft opgemerkt – zijn wij op een punt aanbeland, waarop wij de mensen weer aan het werk moeten krijgen, niet door druk uit te oefenen of mensen buiten te sluiten, maar door hun betere scholing en nieuwe mogelijkheden te bieden.
Daar moet de discussie over gaan; hoe wij dit gezamenlijk tot stand brengen, dat wij dit serieus nemen en thuis in de lidstaten ten uitvoer leggen, maar daartoe hebben wij een betere coördinatie nodig. Coördinatie op het gebied van economisch beleid mag hier geen vies woord zijn. Als wij niet eens in staat zijn een uniforme belastinggrondslag in te voeren, dan mogen wij niet al te hoog van de toren blazen over andere zaken, en die discussie moeten wij thuis in onze lidstaten eveneens voeren.
De heer Lehne heeft opgemerkt dat wij allereerst iets voor de economie moeten doen, teneinde vervolgens iets voor het milieu te kunnen doen; daar ben ik het niet mee eens. Dat is oud denken dat niet tegemoet komt aan de efficiëntierevolutie waar onze economie voor komt te staan. Door dit oude denken komt menigeen van ons uit op kernenergie, die geen uitweg biedt. Daar moeten wij aan zien te ontkomen en wel door meer met elkaar te discussiëren en debatteren.
Anneli Jäätteenmäki (ALDE). – (FI) Mijnheer de Voorzitter, bondskanselier Angela Merkel sprak hier op de vergadering van januari mooie woorden over energie en klimaatverandering. Het is nu tijd om actie te ondernemen. Ik hoop dat de bondskanselier en Duitsland hun kracht en prestige inzetten om ervoor te zorgen dat de Europese Unie het voortouw neemt in de kwestie van klimaatverandering en de beheersing ervan. Het tegengaan van klimaatverandering is gebaseerd op twee belangrijke factoren: de CO2-uitstoot moet veel sneller worden gereduceerd dan nu het geval is en de Europese Unie moet veel energiezuiniger worden. Men heeft berekend dat het tegengaan van klimaatverandering ongeveer 1 procent van het mondiale bbp zal kosten. Het is dus duur, maar dezelfde berekeningen tonen aan dat passiviteit nog meer, zelfs het veelvoudige zal kosten. Om de strategie van Lissabon uit te kunnen voeren, moeten wij dus ook met klimaatverandering rekening houden en er iets tegen doen.
Mirosław Mariusz Piotrowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Lissabonstrategie, ooit omschreven als het summum van ijdele hoop, werd in 2005 herzien om ervoor te zorgen dat ze de werkelijke prioriteiten van de samenlevingen van de EU-lidstaten beter zou weerspiegelen. Uit de stortvloed van woorden in de talloze documenten die aan het onderwerp zijn gewijd, kunnen toch een aantal uitdagingen worden afgeleid die we vandaag dringend het hoofd moeten bieden.
Een eerste belangrijke uitdaging is het verzekeren van de continuïteit van de energievoorziening voor heel Europa en niet voor een selecte groep van landen. Ook de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen valt hieronder. De tweede uitdaging bestaat in het wegwerken van de nog bestaande hindernissen voor het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie en in het uitoefenen van permanente controle op de tenuitvoerlegging van dit beginsel door de afzonderlijke lidstaten. Zo zal voorkomen worden dat werknemers uit andere landen dan dat van de werkgever op een onrechtvaardige manier of zelfs als slaven worden behandeld. Ten slotte moet de Unie het volledig achterhaalde idee laten varen dat ze moet proberen met de Verenigde Staten te concurreren. In plaats daarvan kiest ze beter voor een nauw en duurzaam partnerschap met dat land.
Jerzy Buzek (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de meerderheid van de Europese burgers weet niet waar de Lissabonstrategie voor staat. Ik vrees helaas dat wij, politici, ook vaak in het duister tasten en onvoldoende doordringen tot de kern van de zaak. We wijzigen wetten en vaardigen richtlijnen uit, maar dit heeft geen wezenlijke invloed op de essentie van het probleem.
Het concurrentievermogen van de Europese Unie moet in eerste instantie worden verzekerd door ondernemers die moderne technologieën toepassen en gebruik maken van nieuwe productiemethoden en organisatiemodellen. Daarnaast moeten deze ondernemers in staat zijn om zowel grote als kleine en middelgrote ondernemingen van hun ideeën te overtuigen. Blijkbaar ontbreekt het ons in Europa aan ondernemingszin en aan een echte bedrijfscultuur, zeker in vergelijking met de Verenigde Staten. Wij, Europeanen, hechten te weinig belang aan het idee van vrijheid dat niet enkel synoniem is met vrijheid van handelen, maar ook met verantwoordelijkheid. Het midden- en kleinbedrijf vormt de basis van een geëngageerd maatschappelijk middenveld en een verantwoordelijk zelfbestuur door de burgers. Dat zouden we vanaf de eerste klas van de basisschool moeten aanleren. We moeten onze jonge burgers respect voor eerlijk ondernemerschap bijbrengen. Deze waarden zouden ook door de Europese openbare media moeten worden uitgedragen. We zouden Europese middelen moeten vrijmaken voor campagnes die de aandacht vestigen op Europeanen die vandaag en in het verleden in belangrijke mate tot het Europese concurrentievermogen hebben bijgedragen. Als deze plannen werkelijkheid worden, zullen we ons misschien niet langer zorgen hoeven te maken over de miljoenen werklozen omdat velen van hen dan een eigen zaak zullen oprichten. We zouden ons misschien niet langer zorgen hoeven te maken over het feit dat onze ondernemingen en onze industrie niet innovatief genoeg zijn en geen gebruik maken van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek, iets waar Europa erg goed in is.
Ik wens mevrouw de commissaris en de Europese Commissie niet alleen succes met de uitvoering van deze plannen, maar ook op het vlak van de informatieverstrekking. Laten we hopen dat dit voor de hele Europese Unie een groot succes wordt.
Inés Ayala Sender (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik ben de heren Lehne en Lambsdorff, en in het bijzonder mijn collega’s, de heer Hughes en de heer Goebbels, dankbaar voor al het werk dat zij hebben verzet voor de coördinatie en de samenwerking die vereist is voor deze taak, die zich in dit tweede jaar een plaats aan het verwerven is in het politieke bewustzijn en de politieke bereidheid van de lidstaten en van onze instellingen. Dit gebeurt met name op grond van de voorbereidingsbijeenkomsten van het Europees Parlement met de nationale parlementen.
Het was tijdens de laatste bijeenkomst, vorige week, dat het vervoer, de logistiek en de Europese infrastructuren een nog schuchtere maar toch onmiskenbare comeback beleefden als beleidsvormen die van cruciaal belang zijn als de Europese economie de uitdagingen van de globalisering wil aangaan met bepaalde garanties.
De globalisering bereikt Europa’s havens per schip, onze luchthavens per vliegtuig, of komt tot ons over onze snelwegen en – overigens nog te weinig – via onze spoor- en waterwegen. Wij treden die globalisering tegemoet met instrumenten zoals Galileo, SESAR – het systeem voor luchtcontrole – RTMS, E-Safetynet, enzovoorts. We moeten ook de uitdagingen het hoofd bieden die hiermee gepaard gaan op milieugebied, op sociaal en op veiligheidsgebied.
In dit verband heeft het initiatief van het Duitse voorzitterschap het compromis van de Raad Vervoer vergemakkelijkt, met het initiatief om het vervoer met zijn vier essentiële prioriteiten op te nemen in het voorstel van dit voorjaar over de Lissabonstrategie. Verder is de heer Harbour ermee akkoord gegaan om dit op te nemen als derde paragraaf van de conclusies van de werkgroep over de interne markt en innovatie op de vergadering van de afgelopen week.
Daarom verzoek ik met name de opstellers en coördinatoren van de resolutie om amendement 10 over te nemen, waarin deze belangrijke sector is opgenomen – die van vervoer, logistiek en trans-Europese netwerken – als basis voor de Lissabonstrategie.
Elizabeth Lynne (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat we in deze resolutie aanvaarden dat de agenda van Lissabon niet alleen uitgaat van de economie maar ook een sociale dimensie heeft. Met dat in het achterhoofd is het belangrijk dat we mensen die uitgesloten worden van de arbeidsmarkt aan het werk helpen door ervoor te zorgen dat de kaderrichtlijn inzake werkgelegenheid in alle lidstaten op dezelfde wijze ten uitvoer wordt gelegd. Het is evenzo van belang dat we blijven vragen om specifieke richtlijnen inzake leeftijd en arbeidsongeschiktheid, want als mensen niet naar hun werk kunnen, kunnen ze het werk dat hun wordt aangeboden ook niet aannemen.
De paragraaf over betere regelgeving juich ik ook toe, maar ik had graag gezien dat er een verwijzing naar sunset-clausules voor alle wetgeving was opgenomen.
Tot slot moet voorgestelde gezondheids- en veiligheidswetgeving gebaseerd zijn op actueel wetenschappelijk en medisch bewijs. Ik roep ook iedereen op om te stemmen vóór mijn amendement op de interinstitutionele overeenkomst inzake betere wetgeving.
Alexander Stubb (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil drie punten over de Europese Raad aan de orde stellen. Het is jammer dat er niet meer mensen aanwezig zijn, maar ik zal de drie punten toch naar voren brengen.
Het eerste punt betreft de agenda van Lissabon. Eind maart tekenen we de verklaring van Berlijn. Een van de belangrijkste onderdelen ervan heeft te maken met de agenda van Lissabon, namelijk het vrije verkeer van goederen, diensten, personen en geld. Dat moet worden opgenomen omdat het eenvoudigweg een van de oprichtingsbeginselen van de hele Europese Unie is. We leven momenteel helaas in een tijd dat protectionisme hoogtij viert. Dat protectionisme moet een halt worden toegeroepen en er moet ten aanzien van dat punt een boodschap worden opgenomen in de agenda van Lissabon en de verklaring van Berlijn.
Mijn tweede punt is dat de Europese Unie sinds de Koude Oorlog ten einde is volgens mij het rode gevaar mist. In de jaren negentig van de vorige eeuw hadden we weliswaar de euro en dit decennium de uitbreiding, maar sindsdien zijn we op zoek naar iets en ik denk dat het debat van vandaag duidelijk maakt dat we het hebben gevonden: klimaatverandering. In velerlei opzicht moeten we president Poetin dankbaar zijn omdat hij energiebeleid op de Europese agenda heeft gezet. Als hij niet had gedaan wat hij in Oekraïne heeft gedaan, zouden we ons vandaag waarschijnlijk niet zo druk hebben gemaakt over energieonafhankelijkheid en de energiemix. Ik ben echt blij met de richting waarin de Commissie gaat met het energiedebat, het milieudebat en het debat over klimaatverandering.
Het laatste punt dat ik naar voren wil brengen, is mijn favoriete onderwerp: de Grondwet. Ik weet dat het niet op de agenda van de Europese Raad van begin maart staat, maar ik wil er bij het Duitse voorzitterschap op aandringen dat ze het goede werk dat ze tot nu toe hebben verricht om het onderwerp levend te houden, voortzetten. We hebben die Grondwet hard nodig en wel om de volgende drie redenen: ten eerste wordt de EU er efficiënter door, ten tweede wordt de EU er democratischer door en ten derde wordt de EU eenvoudiger te begrijpen.
Ik hoop dat er aan het eind van het Duitse voorzitterschap een routekaart voor het Verdrag ligt, zodat het in 2009 van kracht kan worden.
Enrique Barón Crespo (PSE). – (ES) Met het oog op de Lentetop, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, denk ik dat het betoog van mevrouw de Bondskanselier vanochtend ook in ruime mate betrekking heeft op de agenda van maart. Na de bijeenkomst in Madrid van de achttien “Vrienden van de Grondwet”, met de twee landen die hebben aangekondigd dat ze de Grondwet gaan ratificeren en de landen die zich hierover nog moeten uitspreken – hun stilzwijgen is oorverdovend – denk ik dat het wel degelijk van belang is dat we de woorden van de fungerend voorzitter van de Raad ondersteunen. Ik zou echter wel willen opmerken dat als er iets gedaan moet worden, we dat beter met een pen dan met een snoeimes kunnen doen, want het is gevaarlijk om alleen de substantie te verdedigen, vooral als we gaan snoeien.
Ik wil erop wijzen dat er vanuit democratisch oogpunt en vanuit het oogpunt van de politieke actie in de energiesector, gezien de beleidsvormen die we moeten implementeren, een vrij groot gevaar bestaat als we gaan beperken, want vanuit democratisch oogpunt – en daaraan hecht het Parlement veel belang – zullen wij overgaan van vijfendertig rechtsgronden naar vijfentachtig om mee te werken, en dat is van enorme en doorslaggevende betekenis.
In de tweede plaats zou ik, in verband met de Lissabonstrategie, een element willen invoeren dat hier niet genoemd is, namelijk de positieve conclusie van de ronde van Doha. We kunnen het hebben over de klimaatverandering, we kunnen het hebben over energie en sociale modellen, maar als we geen positieve conclusie bereiken in de ronde van Doha – waarin deze elementen natuurlijk niet rechtstreeks kunnen worden behandeld, maar waarmee wel rekening moet worden gehouden en die in onze internationale betrekkingen op de agenda moeten worden gezet – denk ik dat wij in ons eentje geen problemen kunnen oplossen die een globale dimensie hebben.
Ik denk dat de Europese Unie een actief beleid moet voeren waarin deze elementen zijn opgenomen, en waarin rekening wordt gehouden met de conclusie van de ronde van Doha, die op de agenda staat van het Duitse voorzitterschap, maar waarover naar mijn idee te weinig gesproken wordt.
Danutė Budreikaitė (ALDE). – (LT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, in mijn opmerkingen over de tenuitvoerlegging van de strategie van Lissabon wil ik de nadruk leggen op één van de vier prioriteiten – energie. In het bijzonder op dit terrein, waarop sprake is van een minimaal concurrentievermogen wat betreft verkoop- en netwerkdiensten, loopt de EU nog altijd achter. De Baltische staten zijn vanuit energieoogpunt bezien nog steeds geïsoleerd – op het terrein van elektriciteit, maar vooral ook op dat van aardgas.
De Noord-Europese gaspijpleiding, die wordt aangelegd op basis van een overeenkomst tussen slechts twee landen – Duitsland en Rusland – zal de problemen in verband met het verkoop- en distributienetwerk voor aardgas niet oplossen. Uit de toespraak die de Russische president in München heeft gehouden, bleek dat een imperialistische visie in Rusland weer in zwang raakt, en het lijkt erop dat de bedoelingen ongewijzigd blijven – het energiebeleid inzetten voor politieke doeleinden.
Een gemeenschappelijke EU-energiemarkt zou een veiligheidsgarantie vormen ten aanzien van derde landen, en zou energiecrises kunnen helpen oplossen die zich kunnen voordoen in de EU of die van buiten de EU kunnen worden teweeggebracht. In onderhandelingen met Rusland is het essentieel om te kunnen beschikken over waarborgen ter bescherming tegen pogingen van derden om monopolistische dictaten op te leggen.
Om ervoor te zorgen dat we ons allemaal veiliger kunnen voelen, verzoek ik de Raad en de Commissie om onmiddellijk het initiatief te nemen voor een beoordeling van de te verwachten effecten van de Noord-Europese gaspijpleiding door onafhankelijke deskundigen. De Oostzee is immers niet van slechts twee landen, maar van de gehele Unie.
Malcolm Harbour (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik denk niet dat het u zal verbazen dat ik als coördinator voor de Commissie interne markt en consumentenbescherming namens mijn fractie met name de kwesties met betrekking tot de toekomstige strategie voor de interne markt naar voren wil brengen. Mijnheer de fungerend voorzitter, ik weet dat u van de Commissie binnenkort een strategiedocument ontvangt om over te discussiëren. We hebben het nog niet kunnen inzien, maar ik kan u wel zeggen dat ik hoop dat het een vooruitstrevend document is, want we hebben een hoop werk te doen.
Ik richt me vooral tot u in uw hoedanigheid van fungerend voorzitter van de Raad, want ik vraag uw aandacht voor de titel van een hele paragraaf over deze resolutie: ‘Wegnemen van nog steeds bestaande tekortkomingen van de interne markt’. Dat is regelrecht gericht aan het adres van de leden van de Raad. De Commissie werk heel hard om dat voor elkaar te krijgen, maar het feit blijft dat de interne markt een gedeelde verantwoordelijkheid is. We kunnen in dit Parlement heel veel doen en we hebben heel veel gedaan inzake de dienstenrichtlijn, het belangrijkste voorbeeld van de laatste tijd, maar er moet nog veel meer gebeuren. We staan op het punt om ons, onder leiding van mijn collega de heer Stubb, te buigen over het hele vraagstuk vrij verkeer van goederen in niet-geharmoniseerde gebieden. Dat wordt ook een belangrijk voorstel, maar we kunnen daarbij niet zonder uw betrokkenheid en toezeggingen.
Ik had enkele weken geleden het voorrecht om rapporteur te zijn van onze interparlementaire vergadering. Mevrouw Ayala Sender, die ook lid van de commissie is, verwees er zojuist al naar. Parlementariërs uit alle lidstaten spraken daar over de interne markt. Het was heel leerzaam om te zien dat de vier vrijheden waarover de heer Stubbs zojuist sprak, door hen als het belangrijkste worden gezien en dat ze hulp nodig hebben om hun eigen parlementsleden te beschermen tegen hun eigen regering. Het lijkt soms wel eens iets te gemakkelijk aan de interne markt te worden geweten dat er banen verdwijnen of dat er steeds meer concurrentie komt die slecht is voor consumenten en voor de economie, maar de interne markt is in feite een centraal onderdeel van ons antwoord op de druk van de mondialisering. Zoals iemand uit een van de nationale parlementen tijdens onze vergadering opmerkte: de interne markt is van cruciaal belang omdat de strategie van Lissabon er op alle punten kracht en diepgang aan ontleent.
Ik vraag u als fungerend voorzitter van de Raad om dat op uw agenda te zetten, om ervoor te zorgen dat uw collega-ministers de interne markt en de omzetting ervan echt serieus gaan nemen, en om uw burgers en uw parlementariërs bij het aangaan van die uitdaging te betrekken.
Bernard Poignant (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik weet niet of hier sprake is van opzet of toeval, maar de dag die gekozen is als start van de Europese Raad, 8 maart, is Internationale Vrouwendag. Dit was een goede keuze van de Duitse bondskanselier, mevrouw Merkel, en ik verwacht dat zij deze dag optimaal zal weten te benutten.
Als ik de Europese Raad weer in zijn historische context plaats, dan zijn de jaren 2007-2010, die volgens mij van doorslaggevende betekenis zullen zijn, enigszins vergelijkbaar met de jaren 1954-1957, tussen de mislukking van de Defensie Gemeenschap en de nieuwe impuls voor de Europese begroting door het Verdrag van Rome, waarvan wij nu het vijftigjarig bestaan vieren. Er wachten ons tal van besprekingen: op institutioneel, budgettair en electoraal gebied, met de Europese verkiezingen en mogelijke referenda, het opmaken van de balans van de strategie van Lissabon, en zelfs besprekingen over het landbouwbeleid. Het is dus noodzakelijk dat wij ons er allen voor inzetten om de bevolking te overtuigen en mee te slepen als het moment daar is.
De burgers zullen merken dat er over concurrentie wordt gesproken: daar staan zij niet afwijzend tegenover. Ze zullen merken dat er over flexibiliteit in ondernemingen wordt gesproken: ook daar staan ze niet afwijzend tegenover, zolang de zekerheid van de werknemers wordt gewaarborgd. Dit gezegd hebbende, wil ik u een ander woord voorstellen, namelijk harmonisatie. Dit lijkt uit ons taalgebruik verdwenen te zijn, hoewel het in het Verdrag van Rome staat. Harmonisatie op milieugebied: dit komt dichterbij, we maken vorderingen. Harmonisatie op fiscaal gebied: dit blijft enigszins steken wat de vennootschapsbelasting betreft. Harmonisatie op sociaal gebied: hiervan is nog te weinig sprake. Hoe het ook zij, ik denk dat het begrip ‘harmonisatie’ onze burgers weer als muziek in de oren moet gaan klinken. Evenzo zou ik – zoals vele anderen – graag willen dat de Raad de Commissie aanspoorde om een tekst, een kaderrichtlijn, over de openbare dienstverlening op te stellen.
Het is beslist noodzakelijk de markt weer in balans te brengen, ook al staat niemand hier er in feite afwijzend tegenover. Daarmee zouden wij enkel de betekenis die Jacques Delors aan de Europese integratie gaf, in de praktijk brengen, of in ieder geval een van zijn leuzen: concurrentie stimuleert, samenwerking versterkt, maar solidariteit verenigt.
Markus Ferber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik wil slechts een aantal zaken aankaarten, die hier genoemd zijn, zoals het terugdringen van de bureaucratie. Wij hebben vanmiddag tijdens de plenaire vergadering twee richtlijnen buiten werking gesteld, maar desalniettemin ben ik van mening dat wij allemaal nog meer inspanningen moeten verrichten. Ik ben eveneens van mening dat er een mechanisme moet komen, waarmee wij gezamenlijk kunnen bepalen welke richtlijnen daadwerkelijk overbodig zijn. Deze moeizame procedure waarbij de Commissie iets voorbereidt, vervolgens toestemming van de Raad vereist is en het Parlement ten slotte ook nog enige inspraak heeft, is mijns inziens niet efficiënt. Naar mijn mening zouden wij samen aanzienlijk sneller overbodige richtlijnen buiten werking kunnen stellen, als daar een geschikte procedure voor zou bestaan, en het zou mij deugd doen als de verantwoordelijke commissaris aan dit debat deel zou nemen.
Dan is er een tweede onderwerp dat ik kort wil aansnijden. Nog dit jaar moeten wij een besluit nemen over wetgeving ten aanzien van de liberalisering van de postmarkt, hetgeen met betrekking tot de interne markt van aanzienlijk belang is. Uit de voorstellen die de Commissie heeft gedaan, blijkt hoe toegewijd ze op dit punt is. Wij zullen in het Parlement trachten de eerste lezing zo spoedig mogelijk af te ronden, en ik hoop dat de Raad deze zaken waarover in maart tijdens de Europese Raad een besluit zal worden genomen – met prachtige titels, bloemrijke taal en dergelijke – concreet om te zetten in de wetgeving ten aanzien van de opening van de postmarkt. Dat is op dat gebied werkelijk dringend noodzakelijk, want als wij groei willen bereiken, werkgelegenheid willen creëren en sociale zekerheid willen bevorderen, zullen wij met het monopoliemodel dat tot dusver bepalend is geweest voor Europa, geen oplossing vinden. Ik wacht met spanning op de voorstellen van de Raad en ik hoop met name dat de regering van de Bondsrepubliek Duitsland de weg vervolgt, die zij is ingeslagen, en niet door de knieën gaat.
Tot slot wil ik nog een opmerking maken over het energiebeleid, waarover vandaag vele interessante dingen zijn gezegd. Aan het adres van mevrouw Harms wil ik zeggen, dat het mijns inziens bijzonder beschamend is dat het energiebeleid van de sociaaldemocraten en de groenen er mede toe zal leiden dat de CO2-uitstoot in Duitsland zal toenemen. Zij hoeft ons derhalve niet voor te schrijven wat wij moeten doen! In de zeven jaar waarin u hiervoor verantwoordelijk was, heeft u, mevrouw Harms, precies het tegenovergestelde gedaan van wat u ons voorschrijft.
Gary Titley (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat we het belang van de Voorjaarstop moeilijk kunnen onderschatten, omdat die voorafgaat aan de verklaring van Berlijn, waarin wordt uitgelegd in hoeverre en waarom de Europese Unie van belang is voor de wereld en waarmee de Europese Unie in wezen opnieuw wordt gelanceerd. De top gaat vooraf aan verdere reflectie over de toekomstige hervorming van de Europese Unie zelf.
Daarom wil ik graag herhalen wat commissaris Wallström zei, namelijk dat deze Voorjaarsraad moet laten zien wat de Europese Unie voor haar burgers kan betekenen, want voordat je over gedetailleerde institutionele kwesties gaat praten, zul je eerst moeten bepalen hoe je iets voor de burgers kan betekenen. Als we tijdens deze top niet over de brug komen, vrees ik dat dit alle plannen van het Duitse voorzitterschap zal ondermijnen.
Zoals al eerder is gezegd, denk ik dat we spijkers met koppen zullen moeten slaan als het gaat om de interne markt. Er zijn simpelweg te veel hiaten waar gewone burgers last van hebben als ze in andere lidstaten willen reizen en werken. Zelfs het laten registreren van een motorvoertuig is in een aantal lidstaten al een probleem. We moeten met maatregelen komen op het gebied van betere regelgeving om de rechten van consumenten en het bedrijfsklimaat te verbeteren. We moeten uitvoering geven aan ons voornemen om de bureaucratie met 25 procent terug te dringen. We moeten met name doorgaan met de tien versnelde praktische voorstellen die de Commissie heeft gepresenteerd.
Wat betreft maatregelen op het gebied van energie moeten we bestaande overeenkomsten over energieliberalisering naleven. Onze energiemarkt moet concurrerend zijn en dat betekent dat de bevoegdheden van de regelgevers moeten worden losgekoppeld en versterkt. Ik hoop dat de Duitse regering, en niet zozeer het Duitse voorzitterschap, op dit terrein het voortouw neemt.
We moeten maatregelen nemen op het gebied van de klimaatverandering. We moeten een voortrekkersrol in de wereld vervullen maar dat kunnen we alleen als er maatregelen worden genomen om onze eigen emissies te verminderen, het gebruik van CO2 terug te dringen en het stelsel voor emissiehandel effectiever en echt waterdicht te maken.
Margie Sudre (PPE-DE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, de Lissabonstrategie is het antwoord van Europa op de uitdagingen waarvoor de globalisering ons stelt.
De inspanningen die de Commissie en de lidstaten zich getroost hebben om deze strategie nieuw leven in te blazen en te verhelderen, moeten vanaf nu hun vruchten gaan afwerpen in termen van groei en werkgelegenheid. De Europese Raad moet opnieuw verklaren dat de oplossing van onze economische problemen grotendeels gelegen is in een betere uitvoering van de Lissabonstrategie, inclusief rendabele overheidsuitgaven voor investeringen, onderzoek en ontwikkeling, energie en milieu.
Alleen door economische, sociale en milieuhervormingen op nationaal en Europees niveau te combineren kunnen wij onze gezamenlijke doelstellingen verwezenlijken als het gaat om het verbeteren van het concurrentievermogen en het scheppen van meer en kwalitatief betere banen.
De Europese Raad zal ook het actieplan inzake energie aannemen dat ten doel heeft leveringszekerheid, concurrentievermogen en respect voor het milieu te waarborgen. Ik wil uw aandacht vestigen op de mogelijke gevolgen van de door de Commissie voorgestelde, uiterst ambitieuze doelstellingen om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 te verminderen. Hoewel het doel namelijk zonder meer prijzenswaardig is, moeten wij ervoor zorgen dat er een goede balans blijft bestaan tussen milieubeginselen en de concurrentiepositie van onze ondernemingen.
Ik steun het Duitse voorzitterschap en de Commissie in hun pleidooi ten gunste van het initiatief “Beter wetgeven”. Europa heeft vaak te veel regels willen opstellen, waarbij het er soms niet toe deed waarover. Het is echter niet de taak van de Unie om zich overal mee te bemoeien. Zij moet daarentegen beter haar best doen op beleidsterreinen waarvoor wel een besluitvormingsniveau vereist is dat op zijn minst Europees is en die een echte Europese toegevoegde waarde vertegenwoordigen, zoals energie, klimaat, veiligheid en immigratie, om er slechts enkele te noemen. Het is nu tijd dat de Unie zich op de kernpunten richt, en dat zij daarbij het subsidiariteitsbeginsel eerbiedigt en tegemoet komt aan de verwachtingen van onze burgers.
Edite Estrela (PSE). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, in het jaar dat de Europese Unie herdenkt dat het Verdrag van Rome vijftig jaar geleden werd gesloten, in het jaar van gelijke kansen voor iedereen, in het jaar ook dat mijn land, Portugal, het voorzitterschap van de Europese Unie zal bekleden, is het belangrijk erop te wijzen dat het Portugese volk afgelopen zondag bij referendum het legaliseren van abortus in de eerste tien weken van de zwangerschap heeft goedgekeurd.
Er zijn nog twee andere redenen om het belang hiervan in het Europees Parlement te benadrukken. Ten eerste spoort de duidelijke overwinning van het “ja” met de aanbevelingen die het Europees Parlement heeft goedgekeurd om in alle lidstaten abortus wettelijk en onder veilige omstandigheden toe te staan. Ten tweede is er de gelukkige samenloop van omstandigheden waar collega Poignant al op heeft gewezen, namelijk dat de Voorjaarstop op 8 maart begint. Zoals de Portugese premier Sócrates heeft gezegd, zet Portugal met dit resultaat weer een krachtige stap in de richting van een opener, tolerantere en rechtvaardiger samenleving.
Wat betreft de Lissabonstrategie is het in alle lidstaten tevens nodig de sociale component te versterken, met name om Europese vrouwen en mannen in staat te stellen gezins- en beroepsleven beter met elkaar te verenigen. Daarvoor dient onder meer een netwerk voor kinderopvang en zorg voor anderen die niet zelfstandig zijn te worden opgezet en ontwikkeld tegen betaalbare prijzen en van goede kwaliteit. Er moeten ook meer en betere banen komen voor vrouwen en gelijk loon voor gelijk werk. Wij menen dat zonder de participatie van vrouwen de ambitieuze doelstellingen van de Lissabonstrategie niet kunnen worden gerealiseerd.
Cristobal Montoro Romero (PPE-DE). – (ES) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mevrouw de commissaris, vicevoorzitter van de Commissie, met de Lissabonstrategie hebben we een groot Europees project gelanceerd – nu de euro met succes is ingevoerd – om het welzijn en vooral ook de werkgelegenheid en de arbeidsparticipatie van de Europeanen te bevorderen, van vrouwen in het bijzonder. Het is een ambitieus project voor het jaar 2010. Het is een weg die leidt naar openstelling – openstelling van Europa – met als doel de strategische sectoren, communicatiemiddelen, het vervoer, de energie en de financiële diensten te liberaliseren. Doel is dus ook het moderniseren van de arbeidsverhoudingen, om er via sociale akkoorden voor te zorgen dat de arbeidsmarkt gemoderniseerd wordt en er meer banen toegankelijk worden voor met name jongeren en langdurig werklozen.
Op het ogenblik zijn we getuige van een herstel van de economische groei, en deze top, die in maart aanstaande gehouden wordt en waarop de Lissabonstrategie zal worden herzien, zal de Europeanen de bevestiging moeten geven van het feit dat de economische groei van 2006 geen voorbijgaand verschijnsel is, maar dat hij kan worden geconsolideerd in het kader van de globale economie en van dat herstel. Met het oog daarop zullen we veel politiek initiatief en veel politieke capaciteiten nodig hebben, om de hervormingen te starten die geen uitstel meer velen – in dit Huis zijn vanmiddag energie en milieu genoemd. Kortom, alle hervormingen die nodig zijn om het vertrouwen van de Europeanen in hun eigen project te herstellen. Zonder werkgelegenheid is er geen vertrouwen.
Zoals mevrouw Wallström al zei, wordt dit grote Europese project vertraagd door ons onvermogen om te groeien. We hebben een zwakke groei die te weinig werkgelegenheid genereert. Degenen onder ons die zich 100 procent Europeaan voelen, zijn van mening dat we nog tijd hebben om dit proces vlot te trekken en voor afsterven te behoeden.
Andrzej Jan Szejna (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, wij debatteren vandaag nog maar eens over een programma voor Europa dat ambitieus en duidelijk moet zijn. Daarnaast moet het een antwoord geven op de globale uitdagingen van deze tijd. We moeten onze aandacht nu in de eerste plaats richten op het probleem van het gemeenschappelijk energiebeleid, aangezien dat op dit moment een erg belangrijke politieke en sociale kwestie is.
We moeten er rekening mee houden dat de recente stijging van de energieprijzen een steeds belangrijker probleem zal worden in de toekomst, zowel voor de globale energiemarkten als voor de economische ontwikkeling. We beschikken nog niet over een duidelijke Europese energiestrategie. De lidstaten blijven zich op hun eigen strategische belangen concentreren, wat duidelijk tot uiting komt in hun nationale besluitvorming. Daarom is er nog steeds weinig ruimte voor samenwerking op Europees niveau. Een Europees energiebeleid is echter synoniem met een eensgezind en solidair optreden.
De heer Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie, heeft er deze ochtend terecht op gewezen dat we met één stem moeten spreken – in plaats van met 27 – als we op het vlak van energiebeleid ernstig genomen willen worden door onze partners. Een solidaire aanpak is van cruciaal belang om een zekere energievoorziening te garanderen. De Europese Unie moet met één stem spreken in de onderhandelingen met haar belangrijkste energieleveranciers. Ze zou daarbij moeten streven naar stevige partnerschappen op lange termijn en naar akkoorden over samenwerking op energiegebied.
Er bestaat bovendien een indirect verband tussen het energiebeleid en de prioriteiten van de nieuwe Lissabonstrategie, die tot doel hebben de economische groei en de werkgelegenheid te bevorderen. In het kader van deze strategie stelt de Raad terecht voor dat we ons in eerste instantie op vier domeinen concentreren: een economisch beleid gebaseerd op stabiliteit en groei, de ontwikkeling van de interne markt, innovatie, onderzoek en onderwijs, evenals een toename van de werkgelegenheid en de versterking van het Europees sociaal model.
Voor de tenuitvoerlegging van de Lissabonstrategie is echter een sterker engagement van de regeringen van de lidstaten vereist. Om een evenwichtige groei te bereiken, dienen we ook de sociale en milieugebonden aspecten uit de strategie te versterken, vooral met betrekking tot de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen.
José Albino Silva Peneda (PPE-DE). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, het is nu het juiste moment om te verklaren dat dankzij de hervorming van 2004 de Lissabonstrategie niet meer is beperkt tot een reeks onhaalbare doelstellingen: de doeleinden zijn duidelijker en de verantwoordelijkheden beter gedefinieerd.
Ik wil het in mijn betoog hebben over het sociale beleid in het kader van de Lissabonstrategie. Op de eerste plaats is het volledig duidelijk dat de Lissabonstrategie niet, zoals sommigen willen suggereren, een liberaal opzetje is dat de fundamenten en waarden van het Europese sociale model kan bedreigen. Integendeel. De Lissabonstrategie is de uitdrukking van een duidelijk hervormingsgezinde visie, die juist de waarden die de grondslag vormen van het Europese sociale model wenst te behouden. Daarom legt de Lissabonstrategie politieke richtsnoeren vast voor de noodzakelijke modernisering van onze socialebeschermingssystemen. Dat is het vereiste antwoord op hetgeen in Europa en de wereld gaande is.
Als algemeen richtsnoer stelt de Lissabonstrategie heel duidelijk dat het sociale beleid niet als een last moet worden gezien maar juist als een mogelijkheid de economische groei positief te beïnvloeden. Dat betekent dat er naast meer productiviteit en concurrentiekracht ook ruimte moet zijn voor grotere sociale samenhang en betere toegang tot fundamentele rechten. Daarmee wordt het een belangrijk instrument om de sociale vrede en de politieke stabiliteit te bewaren. Zonder die vrede en stabiliteit kan er geen duurzame economische vooruitgang bestaan.
Dankzij de hervorming van 2004 ben ik nu optimistischer dan in het verleden met betrekking tot de uitvoering van de Lissabonstrategie. De Europese Unie zit nu in een fase van versnelde economische ontwikkeling en kan sneller groeien dan de Verenigde Staten. In het eerste semester van 2006 zijn de investeringen met 6 procent toegenomen; de groei van de export zal boven de 5 procent uitkomen; de werkloosheid daalt en zit nu al op het niveau van 1998. Het jaar 2006 was tot nu toe het beste jaar van dit decennium en de vooruitzichten voor 2007 zijn zeer rooskleurig. Deze cijfers vormen een praktische bevestiging van de doeleinden die de Lissabonstrategie nastreeft. Het gaat om het gecombineerde effect van duurzame economische groei die leidt tot meer en betere banen en een aanhoudende verbetering van de levensstandaard van de burgers van de Europese Unie, terwijl er niets wordt afgedaan aan het concurrentievermogen en de eerbiediging van de waarden van het Europese sociale model.
Ik feliciteer derhalve Commissievoorzittter Barroso en de hele Commissie met deze hervorming, die zij op het juiste moment hebben geïntroduceerd in de Lissabonstrategie.
Christa Prets (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, er is zeer veel gesproken over de succesvolle implementatie van de Lissabonstrategie, of in ieder geval over de inspanningen daartoe. Voordat u vertrekt, wil ik u verzoeken zich bij de volgende bijeenkomst uit te spreken voor duidelijke afbakeningen en duidelijke grenzen, waarvoor iedereen afzonderlijk verantwoordelijk is, en daarmee bedoel ik de lidstaten en de Europese Unie.
Uit de interparlementaire bijeenkomst vorige week in Brussel is gebleken dat onze collega’s in de afzonderlijke lidstaten al hun kritiek en al hun eisen met betrekking tot scholing, werkgelegenheid, sociale zekerheid, klimaatbescherming, enzovoort, mee naar Brussel hadden genomen en daarvoor oplossingen wilden hebben. De verantwoordelijkheid dienaangaande ligt echter grotendeels bij de lidstaten zelf. Er moet meer transparantie komen en meer informatie worden verschaft, om mensen duidelijk te maken waar de verantwoordelijkheid ligt, welke verantwoordelijkheid de EU heeft en welke verantwoordelijkheid de lidstaten hebben.
Scholing is een speerpunt van de Lissabonstrategie. Uit het laatste voortgangsverslag van de Commissie is gebleken dat de lidstaten nog steeds aanzienlijke inspanningen leveren om de vijf doelstellingen voor 2010 te bereiken, en daartoe zijn dringend meer investeringen in scholing nodig en moeten de expliciete rechten en plichten op dat gebied en ten aanzien van levenslang leren worden gespecificeerd. Als het de bedoeling is dat de mobiliteit van de burgers toeneemt, is het eveneens van belang dat hun diploma’s worden erkend. Met dat wat er binnen de Europese Unie is bereikt, kunnen wij veel te weinig beginnen, en ik wil er bij u op aandringen hiermee rekening te houden bij uw werk.
Vorige week had ik een zeer interessante ontmoeting met de Europese Jonge Socialisten, die mij de boodschap hebben meegegeven dat scholing ook een doel op zich is. Het doel daarvan is niet alleen dat werknemers worden aangepast aan de arbeidsmarkt; scholing is eveneens van grote invloed op de ontwikkeling van het persoonlijke zelfbewustzijn, op sociale vaardigheden en culturele bewustwording. Dát is mijns inziens voor ons allemaal een belangrijke opgave met betrekking tot scholing.
Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik wil mijn uitdrukkelijke dank uitspreken voor de vele voorstellen die ter tafel zijn gebracht en die ook zijn opgenomen in de resolutie die u nog aan moet nemen.
Wij hebben ons geconcentreerd op een aantal belangrijke onderwerpen, te weten onderwerpen die nauw verband houden met de Lissabonstrategie: groei, werkgelegenheid – en ook duurzaamheid, die sinds Göteborg is toegevoegd.
Met name in de laatste toespraak – van mevrouw Prets – werd de nadruk gelegd op de vraag wie met betrekking tot Lissabon de verantwoordelijkheid draagt – mijn persoonlijke ervaring op dit gebied bevestigt dit punt. Het is duidelijk dat op diverse gebieden zaken worden gecoördineerd, die vervolgens op nationaal niveau moeten worden geïmplementeerd. Desalniettemin – en dat brengt mij op het andere punt dat vandaag door een aantal afgevaardigden naar voren is gebracht – zijn er kwesties waarbij alle lidstaten het erover eens zijn dat maatregelen niet alleen op nationaal niveau genomen kunnen worden, en dat hulp op Europees niveau noodzakelijk is. Dat hangt wederom samen met het wetgevingsvraagstuk: moet de wetgeving op Europees niveau worden gerealiseerd of is dat ook mogelijk op nationaal niveau?
Een belangrijk punt dat daarmee samenhangt, is de energiekwestie – die weer verband houdt met de groei. Daarmee zullen wij ons eveneens bezighouden tijdens de Europese Raad in het voorjaar, waarbij de ontwikkeling van hernieuwbare energie op de agenda zal staan. Dit zal eveneens de eerste belangrijke bijdrage aan de bescherming van het milieu zijn – en tevens nieuwe mogelijkheden voor de werkgelegenheid bieden. Het is immers gebleken dat dit gebied nieuwe banen oplevert – en deze bieden op hun beurt weer mogelijkheden om producten uit de EU te exporteren. Het is niet voldoende als Europa voorop gaat in energiebesparing en klimaatbescherming; het moet anderen ervan overtuigen deze weg eveneens in te slaan. Wij kunnen anderen echter alleen overtuigen als wij zelf het goede voorbeeld geven.
Dan is er nog een andere belangrijke kwestie die ik wil onderstrepen, ook al zal deze niet zozeer centraal staan tijdens de Europese Raad. Er is reeds meermaals aangedrongen op solidariteit op energiegebied en gesprekken met Rusland – en terecht. Om deze zekerheid te bereiken, zijn onderhandelingen met Rusland nodig, evenals een mandaat om deze partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Rusland eindelijk leven in te blazen, zodat juist de aspecten die ook bij het vraagstuk van energiezekerheid een rol spelen, opgenomen kunnen worden in de onderhandelingen.
In dit verband wil ik echter nog een ander aspect noemen, namelijk de reden waarom de dialoog met Rusland zo belangrijk is. Als wij voor ogen houden hoe de pijpleidingen in Rusland gelegd zijn, waar ze liggen en dat de kwaliteit ervan – deels ten gevolge van de opwarming van de aarde – snel achteruit zal gaan, dan kunnen wij constateren hoe belangrijk het is om met name op dit gebied nauwe contacten met Rusland te gaan onderhouden, en niet alleen met de andere producerende landen en/of de betreffende doorvoerlanden.
Ik wil een gebied noemen, waar reeds diverse afgevaardigden, onder wie de heer Goebbels, op hebben gewezen, namelijk de sociale dimensie, het Europese sociale model. Incidenteel wordt de kritiek geuit dat deze dimensie niet daadwerkelijk centraal staat. Ik wil het Parlement er slechts aan herinneren dat dit voorzitterschap pas een aantal dagen geleden in Neurenberg een impulsconferentie heeft gehouden onder leiding van Franz Müntefering, de Duitse minister van Werkgelegenheid en Sociale Zaken en voorzitter van de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken, over onder andere de volgende vragen. Hoe kunnen wij reageren op de uitdaging van de globalisering? Wat kan de Europese Unie doen? Wat moet behouden blijven en wat moet op grond van deze uitdagingen worden veranderd? Het voorzitterschap van de Raad heeft zich eveneens ten doel gesteld dit tijdens het Duitse voorzitterschap van de G8 voort te zetten. Desalniettemin moeten wij erover nadenken hoe wij de angst weg kunnen nemen die deze veranderende wereld de burgers inboezemt. De burgers hebben zekerheid nodig in verandering, en het is zeer belangrijk dat daar rekening mee wordt gehouden.
Met betrekking tot Lissabon het volgende: velen denken daarbij aan de prachtige hoofdstad van Portugal, terwijl anderen er geen enkele associatie mee hebben. Het is niet alleen een taak van de Commissie om hier verandering in te brengen; het is onze taak om steeds opnieuw nadruk te leggen op de doelstellingen die met de Lissabonstrategie worden nagestreefd – groei, werkgelegenheid en duurzaamheid – en om deze met nieuwe kwesties en uitdagingen te coördineren, zoals onderzoek, scholing en opleiding. Daarbij moeten wij echter op nationaal niveau duidelijk maken dat deze impuls en deze coördinatie van Europees niveau afkomstig zijn.
Tot slot wil ik nog iets over de kwestie van het Grondwettelijk Verdrag zeggen, hoewel dit niet op de agenda van de Europese Raad in het voorjaar staat. Het is niet voldoende om uitspraken te doen als ‘Waarom zien we niet af van het Grondwettelijk Verdrag; de burgers willen dit verdrag niet’. Dergelijke uitspraken zijn onjuist, want er zijn ook lidstaten, zoals Spanje en Luxemburg, die dit Grondwettelijk Verdrag wel hebben geaccepteerd – hetzij binnen hun parlement, hetzij door middel van een referendum. Het is waar dat twee andere lidstaten ertegen hebben gestemd, maar tegelijkertijd willen vele burgers die tegen dit Grondwettelijk Verdrag zijn – zoals de Duitse bondskanselier tijdens haar toespraak over het Duitse voorzitterschap van de Raad een aantal weken geleden heeft opgemerkt – dat de Europese Unie meer bevoegdheden krijgt, onder andere op het gebied van energie. Dat is precies wat met het Grondwettelijk Verdrag wordt beoogd. Iedereen zal daarom voor zich moeten beslissen wat hij nu wil; het is immers niet altijd mogelijk alleen datgene eruit te selecteren wat men wil. Wie aandringt op rechten voor de parlementen, zoals het mechanisme van vroegtijdige waarschuwing via betere wetgeving, moet in staat zijn te beslissen op welk niveau – nationaal of Europees – regelingen noodzakelijk zijn en moeten worden uitgevaardigd.
Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank alle Parlementsleden dat ze tot het eind zijn gebleven. Het is altijd een uitdaging om een echt debat tot stand te brengen en niet in monologen te blijven steken.
Ik heb drie opmerkingen. Ten eerste wil ik ingaan op iets waar velen van u al naar verwezen: de impasse over het Grondwettelijk Verdrag, die velen van u wijten aan het huidige gebrek aan betrokkenheid van onze politieke leiders in Europa. De Commissie staat uiteraard volledig achter het, we mogen wel zeggen, moedige en ambitieuze streven van het Duitse voorzitterschap om deze hele kwestie van een stadium van reflectie te doen overgaan in een stadium van handelen. We weten dat het niet eenvoudig zal zijn om tot een oplossing te komen, maar we zullen zoveel mogelijk proberen te helpen. We moeten deze impasse zo snel mogelijk zien te doorbreken.
De uitkomst van de Voorjaarsraad is in dit verband van groot belang, evenals het succes dat al dan niet wordt geboekt op het gebied van de belangrijkste kwesties op de agenda, waaronder klimaatverandering. Ik wil graag ingaan op wat enkelen van u hebben gezegd over de ambities van de Commissie en de Europese Unie. Het moet worden opgemerkt dat er een doelstelling en streefcijfer voor de langere termijn is met het oog op de te nemen maatregelen inzake klimaatverandering. De doelstelling voor de langere termijn om de emissies tegen 2050 tot maar liefst 50 procent onder het niveau van 1990 te brengen, is alleen haalbaar als de emissies van de ontwikkelde landen tegen 2020 met 30 procent zijn teruggedrongen. We moeten inzien dat dit een stap in die richting is. Deze reductie is van belang als we de 2-graden-doelstelling willen halen, die, zoals we weten, op haar beurt weer een grootschalige en onomkeerbare verstoring van het wereldwijde klimaatsysteem zou moeten voorkomen. Het zijn de ontwikkelde landen die het grootste deel van deze wereldwijde inspanning om de emissies de komende tien jaar te verminderen, zullen moeten blijven dragen, zoals ze dat nu al doen op grond van het Kyoto-protocol, zowel omwille van de geloofwaardigheid als om de armere landen in de wereld te motiveren om het voorbeeld te volgen.
We hebben de groep ontwikkelde landen gevraagd om de emissies met 30 procent terug te dringen. We moeten onszelf afvragen of dit ambitieus is. Ten opzichte van 1990 zijn de emissies van de VS met 15 procent gestegen, die van de EU-25 met 5 procent gedaald en die van Rusland met 30 procent gedaald. Het zal niet meevallen en je kunt deze zaken niet los van elkaar bekijken, maar het zal een enorme uitdaging worden.
Dan zijn er ook nog de kosten; velen van u hadden het over de kosten voor de industrie. De Commissie heeft effectbeoordelingen uitgevoerd waaruit blijkt dat maatregelen om de klimaatverandering te beperken volledig verenigbaar zijn met wereldwijde groei. Investeringen in een CO2-arme economie zouden over de periode van 2013 tot 2030 ongeveer een half procent van het wereldwijde bbp kosten en zouden de groei van het bbp wereldwijd met 0,19 procent per jaar verlagen, wat slechts een fractie is van de verwachte jaarlijkse groei van het bbp van 2,8 procent.
Hierbij zijn de bijkomende voordelen voor de gezondheid, de grotere energiezekerheid en het feit dat er minder schade wordt veroorzaakt dankzij het beperken van klimaatverandering, nog buiten beschouwing gelaten. Dit is een lage verzekeringspremie voor een significante reductie van de risico’s van onherstelbare schade aan de economie en onze planeet, zeker als je het afzet tegen de schatting uit het verslag-Stern dat onbeheerste klimaatverandering op de langere termijn tussen 5 en 20 procent van het bbp kost. We moeten ons dus afvragen wat nietsdoen kost! Klimaatverandering kost ons nu al heel veel geld. Vraag dat maar aan verzekeringsmaatschappijen waar ook ter wereld.
Tot slot nog dit. De Voorjaarsraad gaat over de strategie van Lissabon. U hebt volkomen gelijk dat, als we willen communiceren, we erop moeten wijzen dat Lissabon over werkgelegenheid en groei gaat. Lissabon gaat ook over de moed die nodig is voor hervorming. Ik ben het volkomen eens met de heer Watson dat voldoende is aangetoond dat hervorming resultaat oplevert. Maar er is ook aangetoond dat samenlevingen die worden beheerst door angst en onzekerheid, moeilijk te hervormen zijn: men is bang voor verandering. Dat zien we ook in Europa en daarom moeten we het vertrouwen van de burgers winnen en niet vergeten dat de strategie van Lissabon – de groei- en werkgelegenheidsstrategie – ook gericht is op het bestrijden van sociale uitsluiting en armoede, ook de armoede in Europa, het verbeteren van de kwaliteit van de werkgelegenheid, het investeren in onderwijs, het vormen van burgerschapscompetenties en het investeren in mensen. Dat is de enige manier waarop we de angst kunnen overwinnen.
Als ik luister naar al deze boeiende toespraken, moet ik denken aan de nauwe band tussen de groei- en werkgelegenheidsstrategie en duurzame ontwikkeling. We hebben immers alle argumenten gehoord waarom wij als Europeanen economische groei willen in combinatie met sociale zekerheid en een hoge mate van milieubescherming, en toch ambitieus blijven. Ik denk dat de doelstelling van duurzame ontwikkeling als visie voor Europa en voor de wereld steeds meer terrein wint.
De Voorzitter. Tot besluit van het debat zijn er vijf ontwerpresoluties over de strategie van Lissabon(1) ingediend overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt morgen om 11.30 uur plaats.
(De vergadering wordt in afwachting van het vragenuur om 17.20 uur onderbroken en om 17.35 hervat)
Schriftelijke verklaring (artikel 142)
Ján Hudacký (PPE-DE). – (SK) We zijn het er allemaal zonder meer over eens dat innovatie een dominante rol speelt of zou moeten spelen bij de manier waarop we inspelen op de risico's en kansen waarvoor de mondiale economie ons stelt. Het is algemeen bekend dat het grootste probleem met betrekking tot de ontwikkeling van innovatie bestaat in de tekortschietende tenuitvoerlegging binnen de diverse lidstaten. Het voornaamste doel van de strategie van Lissabon is het scheppen van voorwaarden voor de versterking van het interne concurrentieklimaat in de afzonderlijke lidstaten. De economie van de EU is zo concurrerend en innovatiebewust als de kleinste en meest afgelegen bedrijven in haar regio's. Innovatieprogramma's moeten dan ook rechtstreeks ten uitvoer worden gelegd op regionaal niveau, waar zij voor het plaatselijke midden- en kleinbedrijf een voldoende concurrerend klimaat kunnen scheppen.
Centraal aangestuurde tenuitvoerlegging van innovatieontwikkeling is gedoemd te mislukken. De manier om te werk te gaan is via de opbouw van een regionale technische infrastructuur voor innovatie, met inbegrip van technologie-incubators en centra voor hoogwaardige technologie waar mogelijkheden bestaan om gebruik te maken van alle mogelijke beschikbare kennis, alsook van elk levensvatbaar innovatief idee. Dit moet gepaard gaan met een flexibele benadering van alle vormen van financiering, met name durfkapitaal, waarbij rekening wordt gehouden met het ontwikkelingsniveau van een bepaald innovatief bedrijf of project. Ook moet de financiering op regionaal niveau beschikbaar zijn. Dit is voor ons de enige manier om het kennispotentieel van onze regio's te ondersteunen, motiveren, ontwikkelen en aan te boren in het belang van duurzame groei op de lange termijn. Daarom wil ik de Europese Commissie oproepen de genoemde aspecten van innovatieontwikkeling in overweging te nemen bij de beoordeling van nationale strategische referentiekaders.
VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS Ondervoorzitter
De Voorzitter. Aan de orde is het vragenuur (B6-0003/2007).
Wij behandelen een reeks vragen aan de Commissie.
Eerste deel
De Voorzitter.
Vraag nr. 41 van Evgeni Kirilov (H-0002/07):
Betreft: Lot van de Bulgaarse verpleegsters en Palestijnse dokter en de betrekkingen tussen de EU en Libië
Hoe beoordeelt de Commissie de impact van haar samenwerkingsbeleid met Libië, na het recente doodsvonnis en de dramatische schendingen van de mensenrechten door het Libische regime? Overweegt de Commissie een herziening van de situatie en haar beleidsinstrumenten indien er geen vooruitgang wordt geboekt?
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Ik kan u zeggen dat ik deze kwestie nauwlettend volg. Ik was waarschijnlijk de eerste die de kinderen in Benghazi heb ontmoet. Ik heb gesproken met de families. Daarna heb ik met de verpleegsters gesproken en met de Palestijnse arts en met de Libische leider Gaddafi. Ik kan u vertellen dat de Commissie en ik persoonlijk ons zeer intensief met de zaak bezighouden. We hebben dat aangegeven in onze laatste verslaglegging aan het Parlement op 17 januari. Ik verzeker u dat we het als een topprioriteit zien om tot een bevredigende oplossing te komen. We weten dat dit een tragisch geval is. Intussen voert ons team van onderhandelaars een dialoog met de Libische autoriteiten. De zaak is nog open, maar er kan naar verwachting geen beslissing worden genomen zolang de juridische procedure niet is afgerond. Die fase moet nog worden doorlopen.
Op basis van de toekomstige ontwikkelingen zullen de Commissie en de Raad de situatie vervolgens opnieuw beoordelen en besluiten wat de volgende stap is. Zoals ik al zei, voeren we een dialoog met de Libische autoriteiten.
Ik moet erop wijzen dat er geen internationale overeenkomsten zijn die Libië en de Europese Unie aan elkaar binden. Daarom is er geen kader voor officiële samenwerking, afgezien van de conclusies van de Europese Raad van oktober 2004 waarin een samenwerkingsbeleid met Libië is vastgelegd over specifieke kwesties, zoals hiv/aids en migratie.
Evgeni Kirilov (PSE). – (EN) Commissaris, ik ben u erkentelijk voor alles wat u hebt gedaan. Alle Europese politici die keer op keer naar Libië zijn afgereisd om de kwestie aan de orde te stellen, ben ik ook erkentelijk. Maar we kunnen gerust stellen dat er na al die tijd geen resultaten zijn geboekt. Integendeel: van Libische zijde wordt de laatste tijd – zelfs door kolonel Gaddafi – voortdurend gesteld dat er een Westers complot gaande is om die kinderen te doden en dat onze verpleegsters in dat complot betrokken zijn. Er zijn geen gronden voor deze beschuldigingen en, als we de Libische rechtbank mogen geloven, heeft deze enkele jaren geleden besloten dat er geen sprake van een dergelijk complot is. Toch wordt dit telkens aan de orde gesteld. Als het waar is, is dat een misdaad tegen de menselijkheid. Waarom dagen we de Libische ...
(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Ten eerste ben ik er niet keer op keer heen gereisd. Ik ben daar één keer geweest en toen heb ik samen met een paar anderen een groep in het leven geroepen en we gaan vertrouwelijk te werk omdat het een zeer gevoelige kwestie is.
Het is ook niet waar dat we nooit hebben gereageerd. Integendeel. We hebben zeer duidelijk gereageerd en hebben geprobeerd om de verpleegsters vrij te krijgen. We hadden gehoopt dat dit onlangs zou gebeuren, maar helaas was dat niet het geval. Helaas werd in december 2006 de veroordeling tot de doodstraf opnieuw bevestigd. We hadden gehoopt op een heel andere uitspraak. Wat betreft de beschuldiging inzake de hiv/aidsbesmetting: in de conclusies van de laatste Raad van ministers van Buitenlandse Zaken wordt duidelijk gesteld dat deze uitspraak voorbijgaat aan overtuigende bewijzen van gerenommeerde internationale deskundigen ten aanzien van de onschuld van de gedaagden. Al deze punten liggen dus duidelijk op tafel, zoals ik al zei. U moet geduld hebben. We moeten ook enig vertrouwen hebben en enige vertrouwelijkheid betrachten. Het is een zeer gevoelig geval, maar we werken aan een oplossing.
Jörg Leichtfried (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, wij hebben zojuist gesproken over het feit dat verschillende landen hun economische macht gebruiken om hun politieke belangen te bevorderen. Is de Europese Unie in dit geval van plan zelf economische druk uit te oefenen en haar economische macht te benutten om Europese burgers vrijheid en regels van een rechtsstaat te garanderen? Mijns inziens wordt het tijd dat wij nu eens onze vuist ballen.
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, zoals ik zojuist heb opgemerkt, is de zaak zo dat er vooralsnog geen internationaal raamwerk voor samenwerking bestaat tussen Libië en de EU. Daarom is het uiteraard niet zo eenvoudig om in dit geval economische macht in te zetten. Wij hebben echter een andere – positieve – vorm van economische macht gebruikt, zoals de Raad heeft bevestigd in zijn conclusies van 22 januari jongstleden. Ten eerste heeft de Commissie reeds in 2005 een actieplan opgesteld, en ten tweede hebben wij in samenwerking met anderen een Bengasi International Fonds opgericht, waarmee wij proberen hulp te bieden – met name uiteraard aan de kinderen die met het aidsvirus besmet zijn.
De Voorzitter.
Vraag nr. 42 van Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (H-0006/07):
Betreft: Problemen bij de levering van uit Rusland ingevoerde grondstoffen
Tijdens de jaarwisseling 2006/2007 werden de landen van de EU, waaronder ook Polen, bedreigd met een onderbreking van de levering van aardgas ten gevolge van een geschil tussen Rusland en Wit-Rusland. Op 8 januari 2007 onderbrak Rusland de levering van aardolie aan Polen, Duitsland, Tsjechië en Slowakije, ook in verband met het conflict met Wit-Rusland. Dit was helaas niet de eerste maal dat Rusland een onderbreking van de levering van grondstoffen gebruikt als instrument om politieke druk uit te oefenen op de landen van de EU en op derde landen. Het vormt ook een bewijs dat het Rusland ontbreekt aan betrouwbaarheid als leverancier van energie.
Hoe denkt de Commissie bij de voorbereiding van een Europese strategie een oplossing te vinden voor dit probleem?
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de betrouwbaarheid van de levering is van groot belang voor de Europese Unie en de afgelopen jaren is door een aantal gebeurtenissen onderstreept dat de Europese Unie haar beleidsmaatregelen op dit terrein moet aanscherpen. We moeten de waarschuwing van vorig jaar, toen zich een incident afspeelde tussen Rusland en Oekraïne, en dit jaar, toen er sprake was van een incident tussen Rusland en Wit-Rusland, niet vergeten. Ik zal u vandaag een korte samenvatting geven van de verschillende initiatieven die de Commissie heeft genomen om de betrouwbaarheid van de levering in het algemeen en die van de Russische Federatie in het bijzonder, te vergroten.
Energieleveringen van de Russische Federatie spelen een belangrijke rol bij het voldoen aan de vraag naar energie van Europa en zijn verantwoordelijk voor bijna 30 procent van de olie-invoer van de EU en 44 procent van onze gasinvoer. Tevens gaat 67 procent van de olie- en gasuitvoer van Rusland naar de Europese markt en met het oog op het wederzijdse belang van deze relatie is er in 2000 een energiedialoog tussen de Russische Federatie en de EU opgezet waarin aan energie gerelateerde zaken worden besproken, waaronder energiebeleid, marktontwikkelingen, infrastructuur en samenwerking tussen de EU en Rusland op het gebied van energietechnologie en -rendement.
Daarnaast is er tijdens de top EU-Rusland in mei 2005 een routekaart voor de gemeenschappelijke economische ruimte overeengekomen. Hieronder valt ook samenwerking over wijd uiteenlopende kwesties op het gebied van energie en aanverwante activiteiten. Bovendien moet er over een nieuwe overeenkomst worden onderhandeld met de Russische Federatie als vervolg op de bestaande partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Rusland die aan het eind van het jaar afloopt. Er ligt momenteel een voornemen om hierin een uitgebreide overeenkomst over energie op te nemen.
Ik wijs u er ook op dat de Commissie in haar recente mededeling ‘Een energiebeleid voor Europa’ een groot aantal voorstellen heeft geformuleerd om onze toenemende afhankelijkheid van externe energieleveringen terug te dringen en onze energiezekerheid te vergroten. De Commissie onderstreept dat er niet één enkele oplossing bestaat, maar dat er een veelheid aan initiatieven moet worden ondernomen. Zo moet het energierendement worden vergroot, moeten duurzame energiebronnen worden bevorderd, moet de energievoorziening worden gediversifieerd en moeten de interne markt en interne solidariteitsmechanismen goed functioneren om mogelijke onderbrekingen van de levering te kunnen opvangen, onder andere door middel van samenwerking met het Internationaal Energieagentschap. Verder wordt in de mededeling onderstreept dat het van belang is om onze betrekkingen met al onze grootste energieleveranciers en doorvoerlanden te verstevigen en dat de EU met één stem moet spreken.
In antwoord op de recente onderbrekingen van de energielevering uit Rusland via Wit-Rusland heeft de Commissie eerder dit jaar ook vergaderingen belegd van de Groep coördinatie gas en de steungroep op het gebied van olie, waarbij onder anderen vertegenwoordigers van de lidstaten aanwezig waren. Tijdens deze vergaderingen, waarvoor de betrokken derde landen waren uitgenodigd om informatie te verschaffen, is gesproken over de invloed van de gebeurtenissen in kwestie op de interne energiezekerheid van de EU en de wijze waarop hierop moet worden gereageerd.
Tot slot nog iets over het versterken van de energiedialoog. De Commissie streeft ernaar om de energiebetrekkingen van de EU door middel van bilaterale overeenkomsten en energiedialogen te behouden en versterken. Het gaat hierbij niet alleen om onze betrekkingen met de Russische Federatie, maar ook om die met andere belangrijke energieproducerende landen en regio’s zoals Noorwegen, de OPEC-landen, de Samenwerkingsraad voor de Golf, de landen aan de Kaspische Zee en de Zwarte Zee, Centraal-Azië en Noord-Afrika.
Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik de Europese Commissie willen bedanken voor haar interesse voor het probleem van de energievoorziening in alle EU-lidstaten. Ik wil er kort op wijzen dat Rusland, naar mijn mening, de energieleveringen nog steeds misbruikt als een middel om politieke druk uit te oefenen op de lidstaten en op derde landen. Daar is helaas geen twijfel over mogelijk.
Ik vraag me eveneens af of de steun van de Europese Commissie voor de noordelijke gasleiding op de bodem van de Oostzee een voorbeeld is van de solidariteit tussen de lidstaten van de Europese Unie of juist getuigt van een gebrek daaraan.
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Ik wil de afgevaardigde bedanken voor zijn opmerkingen. Wat betreft de kwestie van de pijpleiding door de Baltische Zee, natuurlijk is dat een pijpleiding van trans-Europees belang, maar het is belangrijk dat wij als Europese Unie – dat wil dus zeggen, alle lidstaten – een Europese solidariteit tonen. Dat betekent dat we solidariteit moeten tonen met onze eigen lidstaten. Dat is ons standpunt.
Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik zou graag willen weten hoe de strategie van de Commissie met betrekking tot de pijpleidingen en LNG-tankers eruit ziet. Er staan ons vele mogelijkheden ter beschikking om de voorziening te diversifiëren. Wat zijn de plannen van de Commissie?
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Wij zijn van plan om samen met de Verenigde Staten een haalbaarheidsstudie te financieren voor een transkaspische pijpleiding waarbij ook het vraagstuk van vloeibaar aardgas, LNG, wordt betrokken. Dat is een bijdrage aan de diversificatie van energiebronnen voor Europa die ons inziens op dit moment zeer belangrijk is.
Danutė Budreikaitė (ALDE). – (LT) Afgelopen zomer onderbrak Rusland de levering van aardgas aan Litouwen via de “Družba-pijpleiding“ ofwel “Vriendschapspijpleiding”; er zijn hier ook andere voorbeelden genoemd. Dit betekent dat moet worden gezocht naar alternatieve aanvoerroutes. Is de Commissie het niet met mij eens dat maatregelen in verband met de infrastructuur in de Oostzee gecoördineerd moeten worden, en dat er alvorens met de aanleg van eventuele nieuwe pijpleidingen daar wordt begonnen, als eerste stap een onafhankelijke beoordeling van de effecten van de Noord-Europese gaspijpleiding zou moeten plaatsvinden?
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Laat ik zeggen dat datgene waar u naar verwijst, een technische onderbreking is. Natuurlijk moeten we met de Russen blijven praten om ervoor te zorgen dat deze onderbrekingen niet voortduren en in de toekomst helemaal kunnen worden voorkomen. Ik denk dat we dat voorlopig zullen doen en ik hoop dat de huidige discussie over energie waarachtig zal resulteren in het opbouwen van vertrouwen in de toekomst. We hebben onlangs een trojka-overleg gevoerd met Rusland waarbij de vraagstukken met betrekking tot energie in zijn algemeenheid zijn besproken. President Poetin heeft overigens officieel meegedeeld dat hij de principes, neergelegd in het Energiehandvest, accepteert: toegankelijkheid, vrije en gelijke toegang tot de markten, en met name transparantie. Dit is een kwestie van transparantie.
De Voorzitter.
Vraag nr. 43 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-0054/07):
Betreft: Vredeskanaal in het Midden-Oosten
Op 10 december 2006 hebben vertegenwoordigers van Jordanië, Israël, Palestina en de Wereldbank zich gebogen over de haalbaarheidsstudie betreffende de aanleg van het kanaal 'van de vrede' (ook wel het kanaal 'van de twee zeeën' genoemd), een kanaal met een lengte van 180 kilometer tussen de Rode Zee en de Dode Zee. Het belang van dit project op economisch gebied (irrigatie van de Negev-woestijn, aanvoer van water voor hydro-elektrische centrales en ontziltingsinstallaties, aanvoer van 1 miljard kubieke meter drinkwater per jaar), diplomatiek gebied (dialoog en samenwerking tussen Israël, Palestina en Jordanië) en milieugebied (bestrijding van de opdroging van de Dode Zee tussen nu en 2050) is enorm.
De totale kosten van het project worden geschat op 15,5 miljard dollar. Dit bedrag is door de Wereldbank ook al voor de aanleg van het kanaal gereserveerd.
Neemt de Commissie (bijvoorbeeld in het kader van de Euro-mediterrane samenwerking) op enigerlei wijze (planning, financiering) deel aan de huidige fase van dit visionaire project? Zo niet, is zij van plan om met financiële middelen deel te nemen aan de volgende fase van het project, d.w.z. de vijfjarige uitvoeringsfase, waarin 3 miljard dollar geïnvesteerd gaan worden? Is er eventueel ook een investeringsrol weggelegd voor de Europese Investeringsbank, teneinde te waarborgen dat er voldoende financiële middelen ter beschikking zijn?
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Het peil van de Dode Zee daalt ieder jaar met één meter. De Commissie staat van harte achter toekomstgerichte projecten die tegemoetkomen aan de behoefte aan water en de milieubehoeften van de regio, en steunt alle initiatieven waarbij sprake is van samenwerking tussen buren in bepaalde kwesties, met name water, een hele belangrijke bron in de regio, teneinde voor alle betrokkenen bevredigende oplossingen te zoeken. Maar we moeten ook zeggen dat de aanleg van het ‘Vredeskanaal’ een immense onderneming betekent, een geweldige opgave, die belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu ter plaatse, terwijl het wellicht de oorzaken voor het dalende peil van de Dode Zee niet wegneemt.
Wij denken daarom dat een ietwat voorzichtige benadering vereist is. De Commissie merkt op dat onlangs de aanzet is gegeven voor een haalbaarheidsstudie waarbij ook de sociale gevolgen en de gevolgen voor het milieu worden betrokken. Een trustfonds met meerdere donoren is onlangs in het leven geroepen, en Frankrijk, de Verenigde Staten, Nederland en Japan hebben stevige toezeggingen gedaan over ondersteuning.
De verwachting is dat het contract voor de haalbaarheidsstudie in juli van dit jaar kan worden toegewezen, en dan kan het nog twee jaar duren. De Commissie zal daarna de resultaten van de haalbaarheidsstudie zeer nauwgezet bestuderen op het moment dat die worden gepubliceerd en zal de Europese Investeringsbank consulteren naar aanleiding van de aanbevelingen in de studie. Dan zullen we ook het Parlement uitgebreid op de hoogte stellen van onze afwegingen.
Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE). – (EL) Mevrouw de commissaris, ik dank u voor uw antwoord en ook voor de zorg en de efficiëntie waarmee u het ontwikkelingsvraagstuk in het Midden-Oosten behandelt.
U hebt groot gelijk wanneer u zegt dat een haalbaarheidsstudie is vereist voor een onderneming van die omvang, zodat we precies weten waartoe de Europese Unie zich verplicht. Ik wil u vragen of wij beschikken over rapporten over de programma's die tot nu toe zijn doorgevoerd, zodat de oorzaken kunnen worden vastgesteld. We weten namelijk in welke toestand de Jordaan zich bevindt en dat water in hoge mate de inzet is van conflicten tussen de landen in de regio. Weten wij of onze programma's zijn doorgevoerd en kunnen wij het resultaat beoordelen, zowel op economisch als op diplomatiek vlak en ook wat de samenwerking tussen landen betreft?
Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. – (EN) Mij is niets bekend van enige andere studie op dit moment. Ik kan alleen maar zeggen dat deze haalbaarheidsstudie een onderzoek lijkt te zijn waarmee 15 miljoen euro is gemoeid, dat de Europese Commissie er waarschijnlijk in deelneemt, en dat met het totale project waarschijnlijk 3 miljard euro is gemoeid. Het is een gigantisch project en daarom denk ik dat het verstandig is om de zaken nauwkeurig te bestuderen alvorens op enigerlei wijze betrokken te raken. Dat alles moet worden gezien tegen de politieke achtergrond en de politieke oplossing, waarover we op dit moment voorzichtig optimistisch zijn, omdat aan de horizon de contouren zichtbaar worden van een regering van nationale eenheid in Palestina. Het is te hopen dat er weer een soort regionale samenwerking van de grond komt – tussen op zijn minst een paar landen en de Palestijnse Autoriteit. Laten we dus duimen en hopen, want, nogmaals, de situatie lijkt zich op dit moment in positieve zin te ontwikkelen.
Tweede deel
De Voorzitter.
Vraag nr. 44 van Alain Hutchinson (H-1072/06):
Betreft: De volledige liberalisering van de postdiensten per 1 januari 2009
Op 18 oktober jongstleden heeft de Commissie het slotvoorstel aangenomen voor een richtlijn COM(2006)0594 def. tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap. Het gaat dus om de volledige liberalisering van de postdiensten, dat wil zeggen de lichte post tot 50 gram. Twee aspecten hiervan zijn herhaaldelijk aan de kaak gesteld. In de eerste plaats is dat de keuze van de Commissie om deze richtlijn nog steeds op 1 januari 2009 in werking te laten treden, terwijl bekend is dat een groot aantal lidstaten er op die datum nog niet klaar voor is. In de tweede plaats het feit dat de door de Commissie voorgestane maatregelen ter zake van de financiering van de universele postdienst niet afdoende zijn, welke maatregelen ook door tien gerenommeerde dienstverleners in de postsector als zodanig zijn afgedaan.
Wat is het antwoord van de Commissie op deze punten van kritiek? Heeft de Commissie concreet en gedegen onderzoek gedaan naar de gevolgen van de volledige liberalisering van de postdiensten in Zweden, waar deze markt reeds sedert enkele jaren is voorbereid? Is in Zweden de prijs van een postzegel voor de lichte post omhoog gegaan en is er werkgelegenheid in de publieke sector verloren gegaan? En zo ja, in welke mate? In hoeverre zijn de Zweden tevreden over deze liberalisering? Is de Zweedse ervaring – die als concreet voorbeeld kan dienen en niet het resultaat is van een studie of van een theoretische of ideologische beschouwing – als een duidelijk succes aan te merken?
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, zowel de vorderingen van de voorbereiding voor het openstellen van postmarkten als de financiering van de universele postdienst op een open markt zijn zorgvuldig en onder nauwlettend toezicht van de Commissie geanalyseerd.
De analyse van de Commissie, die stoelt op verscheidene jaren van voortdurende en transparante besprekingen met alle betrokkenen, wordt uitvoerig uit de doeken gedaan in de voorbereidende documenten van de Commissie. Het voorstel voor een richtlijn en de ondersteunende documenten liggen nu ter discussie voor aan de Raad en het Europees Parlement. Het is aan u en de lidstaten in de Raad om een eigen oordeel te vellen. De Commissie heeft rekening gehouden met de Zweedse ervaringen waarnaar de afgevaardigde verwijst, evenals alle andere ontwikkelingen op de markt en in de regelgeving van de postsector. Het is niet zozeer een kwestie van het verbinden van een bepaald waardeoordeel aan één van deze ontwikkelingen of alle ontwikkelingen, en evenmin is het de bedoeling te suggereren dat het Zweedse model, of enig ander model, moet worden gekopieerd. Het gaat er meer om te laten zien dat er meerdere oplossingen zijn. Die oplossingen kunnen worden toegepast, afhankelijk van de eisen die elk van de nationale markten stelt, teneinde te komen tot de noodzakelijke postale hervormingen, waarbij tegelijkertijd een efficiënte universele postdienst wordt gegarandeerd.
Het is de moeite waard om op te merken dat de voltooiing van de markt in Zweden, waarmee de universele postdienst werd gegarandeerd, zonder additionele financiële middelen heeft plaatsgevonden. De Zweedse regering heeft onlangs een gedetailleerde studie gepresenteerd over het openstellen van de Zweedse postmarkt, en de conclusies van die studie lijken de vrees van de geachte afgevaardigde niet te onderschrijven.
Tot slot, herhalend wat ik eerder heb gezegd, de Commissie gelooft dat het voltooien van de postale hervorming van essentieel belang is voor het verder vergroten van de efficiëntie en het verhogen van de kwaliteit van de postdienst en het garanderen van de levensvatbaarheid van de postsector op lange termijn, en de zakelijke mogelijkheden en de werkgelegenheid die de postsector genereert.
Alain Hutchinson (PSE). – (FR) Mijnheer de commissaris, ik dank u voor uw reactie, die in mijn ogen echter nietszeggend is en geen echt antwoord vormt op de vragen die ik u heb gesteld over de liberalisering van de postdiensten. In één vraag zinspeelde ik op oplossingen die worden bestudeerd door de onderzoekscommissie voor de liberalisering van de postdiensten. Als we het over oplossingen hebben, dan betekent dit dat er een probleem is. Op dit moment kunnen wij echter, wat de distributie van de lichte post betreft – die nu op de agenda staat –, constateren dat er geen sprake is van een probleem. De burgers zijn tevreden en de distributie functioneert goed. In landen waar de distributie van de lichte post daarentegen geliberaliseerd is, zoals in Zweden, is de postzegel duurder geworden en is er sprake van een minder goede dienstverlening.
Mijnheer de commissaris, waarom sluit de Commissie instandhouding van de voorbehouden dienst zoals wij die kennen, uit, terwijl deze een universele dienstverlening aan alle Europeanen mogelijk maakt en waarborgt? Zoals eerdere ervaringen aantonen, zal dit met de plannen die u voorstelt zeker niet het geval zijn.
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Volgens mijn informatie is de situatie in Zweden nu zo dat er beter wordt gepresteerd dan vroeger, dankzij concurrentie. Bovendien is het tarief voor post (waarvan post verzonden door burgers maar een klein deel uitmaakt), inclusief post van bedrijven naar burgers, sterk gedaald.
In het voorstel dat wij hebben gedaan, staat een groot aantal mogelijkheden voor de lidstaten om tegemoet te komen aan de verplichting een universele postdienst te garanderen. Het zij opgemerkt dat ik geen enkele wijziging heb aangebracht in de universele dienstverplichting en de lidstaten een ruime keuze heb gelaten voor het invullen van de financiering.
Ons pakket mag geen verrassing zijn voor wie dit debat heeft gevolgd, omdat dit debat en het openstellen van markten een proces is dat al vijftien jaar loopt, en dit de laatste stap is van dat proces.
Piia-Noora Kauppi (PPE-DE). – (EN) Commissaris, ik kom uit Finland, waar we de postmarkt ook hebben opengesteld, net als in Zweden. Ik moet zeggen dat het heel goed is dat iemand die afkomstig is uit een land waar ze dat nog niet hebben gedaan, het Zweedse en het Finse model naar voren schuift als voorbeeld van de positieve gevolgen die de liberalisatie van de postmarkt heeft gehad.
Het enige probleem dat wij in de landen die vooruitlopend op andere lidstaten de postmarkt hebben geliberaliseerd, hebben geconstateerd, is dat de oude monopolies uit de lidstaten waar nog steeds een marktmonopolie heerst, hebben geprobeerd een plaats te veroveren op onze markt en de liberalisatie in hun eigen voordeel aan te wenden. Dat is een erg groot nadeel van een vroeg openstellen van de markt.
Ik wil de Commissie dan ook vragen of zij van zins is de deadline aan te houden en de markten echt voor 2009 open te stellen. Indien dat zo is, kan het voorstel op al onze steun rekenen.
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Ik ben blij dat mevrouw Kauppi over dit onderwerp heeft gesproken, want Finland is een zeer dun bevolkt land, en toch is daar aan de universele dienstverplichting voldaan, evenals in Zweden. Deze markten hebben de voordelen van een vrije concurrentie ingezien, evenals, het is alleen maar eerlijk om dat te zeggen, alle andere landen die de postmarkt hebben opengesteld.
Het is ons voornemen om het tijdschema van 2009, dat in de richtlijn van 2002 is vastgelegd, aan te houden. In diezelfde richtlijn staat ook dat de Commissie tegen het einde van 2006 zou komen met voorstellen die al dan niet het openstellen van de markt in 2009 bevestigen en die alle verder noodzakelijke stappen zouden regelen, en dat is ook wat we hebben gedaan. Het is nu aan de medewetgevende organen, Raad en Parlement, om een oordeel te vellen.
Hélène Goudin (IND/DEM). – (SV) Ik kom uit Noord-Zweden. De liberalisering in Zweden is erg succesvol wat de grote steden betreft, maar de staat moet wel degelijk inspringen om te zorgen dat andere plaatsen niet buiten de boot vallen. We hebben bijvoorbeeld in Noord-Zweden in Pajala, waar ik woon, een route van 270 km met maar 200 huishoudens. Als we een gemeenschappelijke richtlijn aannemen, kunnen de Commissieleden dan garanderen dat die huishoudens ook in de toekomst hun post zullen krijgen?
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Ja, dat kan ik, omdat we bij het presenteren van ons voorstel hebben besloten geen wijzigingen aan te brengen in de universele dienstverplichting. De bepalingen daarvan zijn precies dezelfde als in het voorstel dat nu voorligt aan de medebesluitvormende organen.
Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, los van de slechte ervaringen in Zweden zijn er vele andere landen die reageren op de voortvarendheid van de Commissie en hebben tien grote traditionele posterijen schriftelijk op de gevaren gewezen.
Vandaar mijn directe vraag aan u: zult u rekening houden met die bezwaren of blijft u dogmatisch vasthouden aan de datum van 1 januari 2009?
Ik heb nog een tweede vraag: wat gaat u ondernemen om het concept van een universele postdienst die toegankelijk is voor alle burgers onverlet te laten, nu we weten dat hiermee in Zweden nu al problemen zijn?
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Ik heb herhaaldelijk in antwoord op vragen gezegd dat we absoluut geen wijzigingen zullen aanbrengen in de eisen die de universele dienstverplichting stelt. Toen we ons voorstel presenteerden, werd door sommigen gelobbyd voor het wijzigen en minder stringent maken van de universele dienstverplichting. Ik heb besloten dat niet te doen en de eisen die voor de universele dienstverplichting worden gesteld, zijn dezelfde die nu worden gehanteerd. Naar mijn beste weten, en zoals ook mevrouw Kauppi heeft gezegd, zijn de gevolgen in Zweden louter positief.
De Voorzitter.
Vraag nr. 45 van Georgios Toussas (H-1085/06):
Betreft: Laakbaar gedrag van banken
Het over het algemeen burgervijandige beleid van de EU en de regeringen van de lidstaten heeft banken aangemoedigd tot laakbaar gedrag (in het bijzonder in de vorm van het maken van woekerwinsten) ten koste van leningnemers en de werkende klasse in het algemeen. Het is typerend dat de Bank van Griekenland enerzijds een boete van 25 miljoen euro heeft opgelegd aan kredietinstellingen vanwege niet-transparante/laakbare praktijken en anderzijds de sancties heeft versoepeld voor ongedekte cheques en weigert de namen bekend te maken van de banken aan wie de boetes zijn opgelegd.
Wat is het standpunt van de Commissie ten aanzien van de berichten in de media over banken aan wie door de toezichthoudende instanties boetes worden opgelegd vanwege laakbare/illegale praktijken, teneinde leningnemers en klanten van banken in het algemeen te informeren en ten dele te beschermen?
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) In de eerste plaats wil ik de afgevaardigde bedanken voor het feit dat hij de aandacht heeft gevestigd op de problemen waarmee de klanten van particuliere banken in Griekenland worden geconfronteerd.
Wij zijn ons bewust van de zorgen over de rentetarieven in Griekenland en hebben gereageerd op verschillende schriftelijke vragen over het onderwerp. In onze antwoorden hebben we een aantal initiatieven besproken die een gunstig effect zouden kunnen hebben op de particuliere rentetarieven in Europa. Dat zijn onder andere initiatieven op de terreinen van hypothecair krediet en consumptief krediet en het sectoronderzoek naar concurrentie dat in juni 2005 is gestart op de terreinen van bedrijfsverzekeringen en particulier bankieren. Deze initiatieven zouden samen met het Witboek “Beleid op het gebied van financiële diensten 2005-2010”, de concurrentie en de efficiëntie van particuliere financiële instellingen moeten versterken en de Europese consument praktische voordelen moeten opleveren.
Met betrekking tot de specifieke vraag van de afgevaardigde, kan ik zeggen dat wij initiatieven ondersteunen die de transparantie van de Europese financiële markten stimuleren. Transparantie is van uitzonderlijk groot belang voor consumenten, die volledige en nauwkeurige informatie nodig hebben om een gefundeerde keuze te kunnen maken. Op het terrein van de concurrentie geeft de Commissie de namen vrij van de banken waartegen een besluit is genomen inzake schending van het kartelrecht. Er zijn echter geen Europese regels die eisen dat de namen worden vrijgegeven van banken die door de financiële autoriteiten van lidstaten zijn beboet voor onethische en onwettige praktijken.
Wij zullen de rentetarieven blijven volgen tijdens de verdere uitvoering van onze initiatieven voor particuliere financiële diensten, om ervoor te zorgen dat de voordelen van integratie praktische voordelen zullen bieden aan Europese consumenten.
Georgios Toussas (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, de illegale afzettingspraktijken van de banken worden volgens de media, die deze praktijken dagelijks aan de kaak stellen, steeds algemener.
Dat is één aspect van het probleem. Maar er is er nog een ander: de Europese Centrale Bank heeft in 2006 tweemaal de rente verhoogd. Daarop hebben ook de banken in de lidstaten de rente verhoogd.
Wat stellen wij nu vast? De kloof tussen rente op spaargeld en rente op geleend geld neemt toe, ten koste van de leningnemers en de werknemers in het algemeen.
Welke maatregelen zal de Commissie nemen om de kloof tussen rente op spaargeld en rente op leningen te verkleinen?
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Zoals ik in mijn antwoord heb aangegeven, zijn wij ons bewust van de zorgen over de rentetarieven in Griekenland en hebben we op verschillende schriftelijke vragen over het onderwerp gereageerd. Het bepalen van de rentetarieven is echter vooral een zaak voor financiële instellingen en als zodanig niet onderworpen aan wetten en regels van de EU.
Niettemin hebben we, zoals is uitgelegd in eerdere reacties, een reeks initiatieven genomen die effect kunnen hebben op de rentetarieven voor particulieren in Europa, onder andere initiatieven op de terreinen van hypothecair krediet en consumptief krediet. In juni 2005 hebben we ook een sectoronderzoek naar concurrentie ingesteld op de terreinen van bedrijfsverzekeringen en particulier bankieren.
Ja, het is ons bekend dat de rentetarieven in Griekenland erg hoog zijn, maar het is niet onze specifieke verantwoordelijkheid om daar verandering in te brengen, en evenmin is het waarschijnlijk dat de Unie in de toekomst op dit gebied verantwoordelijkheid zal dragen. In andere lidstaten waar de wind van de concurrentie heeft gewaaid, zijn de rentetarieven die aan consumenten in rekening worden gebracht, drastisch gedaald. Ik heb daar in mijn eigen lidstaat persoonlijk ervaring mee. Op het moment dat een particuliere financiële instelling uit een andere lidstaat aankondigde dat zij actief zou worden op de markt van de lidstaat die ik het beste ken, schrompelden de rentetarieven in kort tijdbestek in.
David Martin (PSE). – (EN) De commissaris is waarschijnlijk wel op de hoogte van rapporten die vermelden dat de Europese Commissie miljoenen euro’s heeft betaald die door banken in rekening zijn gebracht teneinde de door Hamas geleide regering in Palestina te omzeilen. Hij beweert dat de Commissie transparantie voorstaat met betrekking tot het bankwezen; kan hij tegen die achtergrond toelichten hoe de Commissie geconfronteerd heeft kunnen worden met zulke hoge bankkosten, en aan welke banken die kosten zijn betaald?
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Ik ben niet in staat uw specifieke vraag te beantwoorden, meneer Martin, maar ik zal het laten onderzoeken.
Robert Evans (PSE). – (EN) Commissaris, mag ik u, nog steeds in verband met het onderwerp van onethische bankkosten, vragen wat uw mening is over de exorbitante kosten die sommige banken in rekening brengen voor grensoverschrijdend betalingsverkeer naar de eurozone? Het kost een Brit bijvoorbeeld tot tien keer meer om geld over te maken naar een bank in de eurozone, terwijl het toch om niet meer dan een druk op een computertoets gaat. Bent u het met mij eens dat dit exorbitant is en bent u van mening dat de hele kwestie van grensoverschrijdend betalingsverkeer om regulering vraagt om recht te doen aan het principe van vrij kapitaalverkeer in de EU?
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Zoals de afgevaardigde bekend zal zijn, is het grote Europese project op dit gebied het SEPA-project voor een gemeenschappelijk eurobetalingsgebied. Natuurlijk zal dat in de eerste fasen van kracht zijn in de eurozone. Het zou niet gepast zijn als ik advies gaf over wat er in Groot-Brittannië met betrekking tot de eurozone zou moeten gebeuren, maar ik ben er uiteraard van overtuigd dat het antwoord op uw vraag moet luiden ‘meer concurrentie’.
De Voorzitter.
Vraag nr. 46 van Sarah Ludford (H-0007/07):
Betreft: Witwassen van geld
Door de gemeenteraad van Londen is onlangs beweerd dat de strijd van de Europese Unie tegen witwassen van geld – en daarom mogelijke financiering van terroristen – via de invoering van een doeltreffende regeling om criminelen af te schrikken en op te sporen wordt belemmerd door de inconsequente, ongelijke en ontoereikende uitvoering van de tweede witwasrichtlijn van 2001 door de lidstaten.
De derde witwasrichtlijn moet in 2007 worden uitgevoerd. Wat is thans de strategie van de Commissie om een snelle, correcte en uniforme uitvoering van de wetgeving van de EU op dit cruciale punt in alle lidstaten af te dwingen, een strategie die de kans op het opsporen van verdachte transacties zo groot mogelijk maakt en onnodige kosten en administratieve rompslomp voor bedrijven en eerlijke cliënten tot een minimum beperkt?
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Zoals u weet, moeten de lidstaten de derde witwasrichtlijn uiterlijk op 15 december 2007 volledig hebben omgezet in nationale wetgeving.
Deze richtlijn versterkt ons optreden in de strijd tegen de financiering van terroristische activiteiten. Hij voorziet in geharmoniseerde regels aan de hand waarvan de daartoe verplichte instellingen en personen klantenonderzoeksprocedures kunnen toepassen om op te treden tegen het witwassen van geld en de financiering van terroristische activiteiten. Om de lidstaten te steunen bij het tijdig en op de juiste manier omzetten van deze richtlijn voeren we een strategie op drie terreinen.
In de eerste plaats hebben we in november 2006 een workshop georganiseerd over de aanloopproblemen van de omzetting. Het doel van die bijeenkomst was het uitwisselen van gedachten en het verschaffen van duidelijkheid over interpretatiekwesties of eventuele andere problemen die verband houden met de omzetting.
In de tweede plaats hebben we een Europees platform opgezet voor de financiële inlichtingendiensten. Dat zijn de nationale autoriteiten die belast zijn met het voorkomen en bestrijden van witwaspraktijken en de financiering van terroristische activiteiten en die meldingen van verdachte transacties ontvangen en analyseren, die worden gedaan door kredietinstellingen en financiële instellingen, en ook door een selectie van bedrijven en professionals voor financiële dienstverlening. De financiële inlichtingendiensten zijn direct betrokken bij de handhaving van de richtlijn. Op het Europese platform worden regelmatig bijeenkomsten georganiseerd voor het uitwisselen van informatie, met name over het terugrapporteren aan de instanties die meldingen doen.
In de derde plaats ondersteunen we het werk dat wordt uitgevoerd door de Taakgroep voor de bestrijding van het witwassen van geld, die het Comité van Europese bankentoezichthouders heeft ingesteld in samenwerking met de Europese toezichthouders op verzekeringen en de toezichthouders op de effectenmarkten. De doelstelling van deze taakgroep is de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken tussen toezichthouders van financiële diensten. Dat is essentieel voor een consistente uitvoering van de richtlijn in de hele Europese Unie. De Commissie neemt hierin deel als toehoorder.
Sarah Ludford (ALDE). – (EN) Dank u commissaris. Het klinkt alsof u heel veel informatie ontvangt. Bent u echter ook van plan om richtlijnen uit te vaardigen die een meer consistente toepassing waarborgen? Want het lijkt mij dat we op dit moment te maken hebben met de slechtst denkbare situatie: geen gelijke concurrentievoorwaarden voor bedrijven, en dientengevolge ongelijke kosten, en geen consistente bescherming van consumenten, bijvoorbeeld met betrekking tot de vraag of het recht van consumenten op de toegang tot informatie volgens de richtlijn gegevensbescherming moet buigen voor de regelingen inzake meldingen, in de wetten ter bestrijding van witwaspraktijken, en met betrekking tot de vraag of banken heimelijk commercieel handige vragen invoegen onder het mom van het principe ‘ken uw klanten’.
Ik waardeer wat u doet, maar waarom niet een paar richtlijnen uitgevaardigd die kunnen leiden tot meer consistentie? Anders zal het uitvoeren van de derde witwasrichtlijn de situatie alleen maar verergeren.
Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Ik denk dat wat de afgevaardigde zegt, heel redelijk is. Mijn ervaring met eerdere richtlijnen leert me dat de praktijk van lidstaat tot lidstaat verschilt. Bovendien verschilt de praktijk binnen lidstaten nog tussen verschillende financiële instellingen – ik ben me daar ook van bewust, maar u moet niet vergeten dat het nog vroeg dag is. Ik weet dat we nu al toe zijn aan de derde witwasrichtlijn, maar de mensen leren en hopelijk zullen dankzij de processen die we op gang hebben gebracht, bijvoorbeeld via de instellingen die ik net heb genoemd, beste praktijken ontstaan, zodat de mensen ook van elkaar kunnen leren.
Ik sluit het opstellen van een paar richtlijnen, waarnaar de afgevaardigde verwijst, in de toekomst niet uit. Misschien gebeurt dat bij het uitvoeren van al deze processen wel in de toekomst, door de Commissie of enig agentschap in onze opdracht. U zult echter begrijpen dat we hebben gekozen voor de risicovolle benadering, die een redelijke mate van flexibiliteit biedt aan de instellingen en leidt tot sommige van de problemen die we zojuist hebben geschetst.
Aan de ander kant zou het bij een meer dwingende, gedetailleerde benadering zeer veel tijd vergen om tot overeenstemming te komen met alle lidstaten, omdat op dit terrein zoveel verschillende culturen bestaan. Het is te hopen dat we leren, en ik sluit toekomstige initiatieven om te komen tot meer consistentie op dit terrein, waar mijns inziens iedereen op uit is, niet uit.
De Voorzitter. De vragen nrs. 47 en 48 zullen schriftelijk worden beantwoord.
De Voorzitter.
Vraag nr. 49 van Carl Schlyter (H-1081/06):
Betreft: Invoerverbod voor grondstoffen die in strijd met het volkenrecht zijn gewonnen
De bewoners van Black Mesa (VS), de Dineh- en Hopi-indianen, strijden al meer dan 30 jaar tegen de winning van steenkool op hun territorium, en alles wat daar bij hoort.
Begin dit jaar werden de steenkoolmijn en de pijpleiding die gebruik maakt van het enige waterreservoir van de indianen gesloten. Helaas was de vreugde maar van korte duur, want nu zijn er plannen voor een heropening en uitbreiding die tot gedwongen verhuizingen zullen leiden.
De berg Black Mesa is heilig voor deze bewoners en men kan de steenkoolwinning vergelijken met een situatie waarbij een onderneming de Notre Dame in Parijs als steengroeve zou benutten (de indianen zien de berg Black Mesa als een vrouw). Is het niet in strijd met de vrijheid van godsdienst als het heilige uit een religie wordt weggebroken?
Is de Commissie voornemens de invoer te verbieden van grondstoffen die in strijd met het volkenrecht zijn gewonnen en daarmee een invoerverbod in te voeren voor de producten van de betrokken onderneming als deze tot de uitbreiding van de steenkoolwinning zou overgaan?
Peter Mandelson, lid van de Commissie. – (EN) Ik wil de geachte afgevaardigde bedanken voor het stellen van deze vraag. De Europese Unie streeft de ondersteuning na van de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten – burgerrechten, politieke, economische, sociale en culturele rechten – zoals die in 1993 zijn herbevestigd tijdens de Wereldconferentie over de mensenrechten in Wenen.
De Commissie begrijpt dat de Dineh- en Hopi-indianen hun identiteit willen behouden door controle uit te oefenen op de mijnbouwactiviteiten op hun grondgebied. Hoewel de Commissie er niet van overtuigd is dat de exploitatie van de kolenmijn in strijd is met enig toepasselijk instrument van het volkenrecht ter bescherming van de godsdienstvrijheid, neemt zij de rechten van inheemse volkeren wel zeer serieus, zoals ook is uiteengezet in het werkdocument van de Commissie uit mei 1998 over de steun aan inheemse bevolkingsgroepen.
De kolenproductie in de Verenigde Staten is echter onderworpen aan milieuvoorschriften, en de hele rechtenkwestie valt in dit geval onder de bevoegdheid van de Amerikaanse overheid. Wat de algemenere vraag betreft of invoerverboden voor kolen doeltreffend zouden zijn ter ondersteuning van de rechten van mensen op specifieke plekken: de specifieke herkomst van kolen die worden ingevoerd in de Europese Unie valt moeilijk te bepalen. Een dergelijk verbod zou in de praktijk dan ook moeilijk uitvoerbaar zijn.
Carl Schlyter (Verts/ALE). – Er is ook nog resolutie nr. 2 van de VN-Mensenrechtenraad van 2006 waarin het recht op heilige plaatsen voor inheemse bevolkingen duidelijk benadrukt wordt. In dit geval is de gehele berg een heilige plaats, en dan vooral het water in de berg. Grote hoeveelheden water worden gebruikt om de kolen door een pijpleiding te vervoeren, hetgeen inhoudt dat zowel de kolen als het water ontgonnen worden op een manier die de indianen van hun rechten als inheemse bevolking berooft. Ik weet niet of we op dit moment kolen uit die berg in Europa hebben. Op dit moment is een onderzoek aan de gang over een eventuele uitbreiding van de ontginning.
Peter Mandelson, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie begrijpt heel goed dat de regio waar de Dineh- en Hopi-indianen wonen bijzonder belangrijk is voor hun godsdienstige overtuigingen, en ik zou ook niet anders willen beweren. We weten echter ook dat hun rechten zijn vastgelegd in de Amerikaanse grondwet, en dus is het in de eerste plaats aan de Amerikaanse rechtbanken om zich hierin te mengen en niet aan ons. Ik wil slechts herhalen wat ik eerder zei, namelijk dat invoerverboden van het soort zoals die worden voorzien, volgens de Commissie, echt geen wenselijke manier zijn om met dergelijke kwesties om te gaan. Een invoerverbod zou geen enkel effect hebben als de betreffende kolen zouden worden uitgevoerd naar landen buiten de Europese Unie, zoals ongetwijfeld zou gebeuren, waardoor geen enkele sanctie die we zouden instellen, naar ons oordeel, materieel verschil zou maken voor de objectieve situatie van die inheemse volkeren.
De Voorzitter. Daar de vraagsteller afwezig is, komt vraag nr. 50 te vervallen.
De Voorzitter. Aangezien de volgende vragen over een soortgelijk onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld:
Vraag nr. 51 van Brian Crowley, ter vervanging van Sean Ó Neachtain (H-0030/07):
Betreft: Wereldhandelsbesprekingen
Kan de Commissie mededelen in hoeverre het waarschijnlijk is dat de Doharonde van de Wereldhandelsbesprekingen in de nabije toekomst worden hervat?
en
Vraag nr. 52 van Pedro Guerreiro (H-0069/07):
Betreft: WHO-onderhandelingen
Verscheidene VN-rapporten hekelen het feit dat de inkomensverschillen, in sociale en economische termen, zowel tussen de landen onderling als intern, de laatste jaren al maar toenemen, in een kader waarin de armoede- en werkloosheidsindicatoren hoog blijven of aan het stijgen zijn. Tegelijkertijd constateren zij een toename van de winsten van de grote multinationals en de concentratie van de rijkdom. Deze realiteit houdt zonder enige twijfel verband met de fel doorgevoerde liberalisering van de handel en het kapitaalverkeer op wereldschaal.
In het licht van de recente gesprekken tussen het voorzitterschap van de Raad, de Europese Commissie en de Amerikaanse regering, wilde ik de Commissie vragen welke voorstellen en tijdschema zij in petto heeft voor de onderhandelingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie, die momenteel in het slop zitten, met name op het gebied van de landbouw, de niet landbouwproducten (zoals textiel en kleding) en de diensten?
Peter Mandelson, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil dit Parlement een inhoudelijke beoordeling geven van de stand van zaken met betrekking tot de Wereldhandelsbesprekingen.
De bijeenkomst van de handelsministers van de WTO in Davos in januari betekende de formele hervatting van het werk in Genève binnen alle onderhandelingsgroepen. Hieraan ten grondslag lag een injectie van nieuwe politieke wil ten aanzien van de onderhandelingen op de hoogste niveaus, onder meer van de kant van president Bush. Ik geloof dat dit oprecht is en dat er derhalve sprake is van een nieuw politiek investeringsniveau in het proces, hetgeen een nieuwe kans biedt om successen te boeken. Op basis hiervan heeft de directeur-generaal van de WTO op 31 januari in het onderhandelingscomité voor de Doharonde aangekondigd dat de onderhandelingen in Genève op multilateraal niveau in alle onderhandelingsgroepen opnieuw moeten worden opgestart.
De landbouwsubsidies blijven doorslaggevend voor het bereiken van een akkoord. Maar een doorbraak op landbouwgebied moet aanleiding geven tot echte toezeggingen over het verlagen van de industrietarieven en, op termijn, tot specifieke toezeggingen over het openstellen van markten voor de handel in diensten. Op die gebieden kijken we uit naar zinvolle en aanzienlijke maatregelen van opkomende economieën die behoren tot de G-20. Komen zij niet in beweging, dan kan de ronde onmogelijk succesvol worden afgesloten.
Ondertussen zijn de Amerikaanse onderhandelaars bijgedraaid, maar zij zijn nog niet zo ver dat zij aan ons hebben laten zien welke nieuwe verlaging van de handelsverstorende landbouwsubsidies zij voornemens zijn voor te stellen. Een dergelijke verlaging is onontbeerlijk voor de vooruitgang die we nastreven. Susan Schwab, de Amerikaanse handelsvertegenwoordiger, doet een handreiking aan de Democratische meerderheid in het Amerikaanse Congres om de weg te effenen en te bekijken hoe ze kan voldoen aan een aantal van de Democratische eisen met betrekking tot een verlenging van het fast-track onderhandelingsmandaat van de regering, de Trade Promotion Authority (TPA). Tot nu toe is zij echter niet bereid geweest om de sprong te maken die nodig is om overeenstemming te bereiken met ofwel het Congres ofwel de handelspartners van de VS over belangrijke aspecten van de huidige onderhandelingen.
Het voorlopige voorstel van de regering van vorige week voor een nieuwe landbouwwet was welkom, maar ietwat teleurstellend in dit verband. Om tot een succesvol resultaat te komen in de WTO, zullen de VS de nieuwe landbouwwet op één lijn moeten brengen met de ambitieuzere verlagingen en maatregelen op het vlak van handelsverstorende subsidies waarover in het kader van de Doharonde wordt onderhandeld.
Over de timing is het Amerikaanse voorstel iets duidelijker. Een doorbraak over cruciale onderwerpen op de Ontwikkelingsagenda van Doha vormt de basis waarop de regering-Bush zegt te zullen verzoeken om een nieuwe of verlengde TPA, voordat de huidige in juni afloopt. Dat wijst op een in de komende maanden te verwachten doorbraak over de grote lijnen met betrekking tot belangrijke onderdelen van de onderhandelingen.
Het is in ons belang dat we proberen de kans te grijpen die zich nu voordoet om tot een resultaat te komen. Ik denk persoonlijk niet dat het realistisch is om een poging om overeenstemming te bereiken uit te stellen tot de zomer of nog later. Gezien alle onzekerheden in de Verenigde Staten en elders in de wereld, lopen we dan namelijk het risico dat we het kwetsbare momentum dat nu is ontstaan kwijtraken, en deze inschatting komt overeen met die van de Europese Raad, zoals die werd weergegeven in de samenvatting van het voorzitterschap tijdens de Raad Algemene Zaken op maandag. Het zou zeer de moeite waard zijn als de Ontwikkelingsagenda van Doha resultaat zou opleveren, zowel in economische en politieke zin als ten behoeve van het internationale stelsel. Daarom zullen we constructief maar stevig blijven onderhandelen over een akkoord.
Seán Ó Neachtain (UEN), Ionadaí don údar. – Ba mhaith liom ceist a chur ar an gCoimisinéir, an bhfuil i gceist aige agus ag an gCoimisiún níos mó gearradh siar a dhéanamh ar an dleacht a chuirtear ar tháirgí feola a thagann isteach san Aontas Eorpach chun an Margadh Trádála Domhanda a luaigh sé a bhaint amach?
Peter Mandelson, lid van de Commissie. – (EN) De Commissie heeft in oktober 2005 een omvangrijk aanbod op tafel gelegd over alle aspecten van de landbouwonderhandelingen. Vervolgens heb ik in de zomer van 2006 aangegeven hoeveel ruimte we binnen ons mandaat nog hadden om ons aanbod te verbeteren, in ruil voor toezeggingen van onze onderhandelingspartners, zowel op het gebied van de landbouw als op andere onderhandelingsterreinen.
Het is onze vaste overtuiging – en ik spreek in dezen met steun van mijn collega, mevrouw Fischer Boel, de commissaris die verantwoordelijk is voor landbouw en plattelandsontwikkeling – dat een dergelijk verbeterd aanbod, mits gerechtvaardigd door wat anderen doen in deze besprekingen, onder het mandaat valt dat voortvloeit uit de hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die in 2003 zijn overeengekomen en sindsdien ten uitvoer zijn gelegd.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL). – (PT) Ik zou een aanvullende vraag willen stellen die aansluit bij het antwoord van net. Ik zou willen weten wat het oordeel is van de Commissie over mogelijke nieuwe concessies – met name op het gebied van de landbouw – om bij de onderhandelingen in Genève eindelijk een akkoord te kunnen bereiken over een totaalpakket waarvan, zoals u zei, ook de industrieproducten en diensten deel uitmaken. Ik veronderstel trouwens dat die onderhandelingen daar al gaande zijn, aangezien ze geopend zijn verklaard.
Kunt u voorts zeggen hoe het akkoord dat de Raad heeft bereikt over het afsluiten van vrijhandelsovereenkomsten in de toekomst met de opkomende economieën in Azië, te rijmen valt met de huidige opening van de onderhandelingen in het kader van de WTO?
Peter Mandelson, lid van de Commissie. – (EN) Wat het laatste punt betreft, daarover wordt momenteel niet onderhandeld in de WTO-ronde. In antwoord op de eerdere vraag is mijn mening heel duidelijk de volgende: om de volgende onderhandelingsfasen te kunnen bereiken, die betrekking hebben op die onderdelen van de besprekingen die de grootste economische en ontwikkelingsvoordelen zullen opleveren voor de wereldeconomie en met name voor de ontwikkelingslanden – namelijk industrietarieven, de liberalisering van diensten, de versterking van handelsregels, en in het bijzonder de vergemakkelijking van de handel – moeten we eerst de landbouwimpasse zien te doorbreken waarin deze onderhandelingen zich nu al vele maanden bevinden.
Voorwaarde daarvoor is dat we een duidelijk idee krijgen van wat de Verenigde Staten van plan zijn met betrekking tot hun beleid inzake handelsverstorende landbouwsubsidies. Zolang daarover geen duidelijkheid bestaat, blijft het onmogelijk om de Verenigde Staten duidelijke antwoorden te geven op hun vragen over markttoegang voor landbouwproducten. Het is immers onvermijdelijk dat de ontwikkelingslanden de vraag van de Verenigde Staten en andere concurrerende landbouweconomieën in hoeverre zij hun markten zullen openstellen voor landbouwproducten uit de VS en elders, met de volgende wedervragen zullen beantwoorden: “Wat voeren we eigenlijk in? Waarvoor willen jullie dat we toegang verlenen? Voor landbouwproducten of voor subsidies van het Amerikaanse ministerie van Financiën?”
Het is niet onredelijk dat ontwikkelingslanden deze vragen stellen en daarom moet er eerst meer duidelijkheid en zekerheid komen over de Amerikaanse intenties ten aanzien van de landbouwsubsidies om het eenvoudiger te maken ook andere vragen te beantwoorden over de overige landbouwpijlers binnen de onderhandelingen – markttoegang en exportconcurrentie – waarna we ook kunnen overgaan tot inhoudelijke onderhandelingen over de andere onderdelen van deze besprekingen.
Zoals ik in mijn inleidende opmerkingen al zei, ben ik van mening dat de Verenigde Staten zich redelijk inzetten. Zij tonen het Amerikaanse Congres en hun onderhandelingspartners hun bereidheid om vorderingen te boeken met deze besprekingen, maar er ligt nog geen duidelijk, stevig nieuw aanbod over landbouwsubsidies op tafel, en zolang dat niet het geval is, blijft het voor andere partijen moeilijk om de inspanningen van de Verenigde Staten zelf ook te beantwoorden met verdere inspanningen.
David Martin (PSE). – (EN) Allereerst, mijnheer de commissaris, wil ik u feliciteren met uw volharding en vasthoudendheid om deze besprekingen, die op sterven na dood waren, weer op de rails te krijgen.
U hebt zich terecht gericht op markttoegang voor landbouwproducten, niet-landbouwproducten en diensten, maar bent u het met mij eens dat dit ook het moment kan zijn om een initiatief inzake hulp voor handel te initiëren teneinde de ontwikkelingslanden waarover u sprak een plaats te geven in het wereldhandelssysteem? Vele onder hen vrezen, zoals u terecht zei, dat het openstellen van hun markten een eenzijdig proces wordt waarbij zij meer gaan invoeren, maar niet noodzakelijkerwijs meer zullen uitvoeren. Zouden we, om hen gerust te stellen, niet meer moeten doen om ze te helpen wat betreft hun mogelijkheden om zelf handel te drijven binnen het wereldhandelssysteem?
Peter Mandelson, lid van de Commissie. – (EN) Ik ben de geachte afgevaardigde dankbaar dat hij dit ter sprake brengt, want dit is essentieel voor het vertrouwen waarmee ontwikkelingslanden, met name de armere, behoeftiger ontwikkelingslanden, hun geleidelijke integratie in de internationale economie tegemoet kunnen treden. Ik denk dat dit terecht een voorwaarde zal zijn voor hun steun voor een einduitkomst – een resultaat van deze onderhandelingen.
Daarom heeft de Commissie zich, namens de Europese Unie, van meet af aan een groot voorstander getoond van hulp voor handel. Het verheugt mij te kunnen zeggen dat tijdens de ministeriële conferentie van Hongkong – buiten de algemeen geldende verbintenis om – een duidelijke toezegging is gedaan en aangegaan. Ik hoop dat andere landen in de ontwikkelde wereld zullen kunnen evenaren wat wij doen om dat programma te verwezenlijken en om de middelen die nodig zijn voor de ondersteuning ervan bij elkaar te krijgen.
In dit verband wil ik verder benadrukken hoe belangrijk het is dat de minst ontwikkelde landen in de WTO rechtenvrije, quotavrije toegang krijgen tot de markten van andere landen. Dit is een toezegging die we al heel lang geleden hebben gedaan en we willen dat andere landen, zowel in de ontwikkelde wereld als onder de opkomende economieën, die voor zover zij kunnen overnemen. Een evenredige inspanning tijdens deze Wereldhandelsbesprekingen zou een zeer groot verschil maken en rechtvaardigheid en evenredig voordeel opleveren voor diegenen in de ontwikkelingslanden die daaraan de meeste behoefte hebben.
De Voorzitter. De vragen nrs. 53 en 54 zullen schriftelijk worden beantwoord.
De Voorzitter.
Vraag nr. 55 van Bernd Posselt (H-1067/06):
Betreft: Ontwikkeling van het platteland in het grensgebied tussen Beieren en Bohemen
Wat vindt de Commissie van de kansen voor de ontwikkeling van het platteland in het grensgebied tussen Beieren en Bohemen, dat in de tweede helft van de 20ste eeuw buitengewoon geleden heeft, zowel aan de Duitse als aan de Tsjechische kant? In hoeverre omvatten programma's voor de ontwikkeling van het platteland ook culturele projecten?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) In Beieren werd in de programmeringsperiode 2000-2006 1,6 miljard euro toegewezen uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw. In de volgende programmeringsperiode, 2007-2013, zal het bedrag aan bijdragen van de Europese Unie naar verwachting uitkomen op 1,3 miljard euro. Dit bedrag zal beschikbaar zijn voor steunverlening aan plattelandsgebieden in Beieren.
Tot de uitgevoerde maatregelen behoren: dorpsvernieuwing, steun voor verschillende toeristische activiteiten, en ondersteuning van landbouwers die in probleemgebieden werken.
In het verleden hebben de mensen in de grensgebieden met Tsjechië aanzienlijk geprofiteerd van de uitvoering van deze en andere maatregelen in de context van het Beierse programma voor de ontwikkeling van het platteland, en dat zal in de volgende programmeringsperiode zo blijven.
In het nieuwe voorstel voor een operationeel programma 2007-2013 voor Beieren in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de plattelandsgebieden en structureel zwakke regio's aan de grens met Tsjechië. De Beierse autoriteiten hebben voorgesteld in deze gebieden meer dan 300 miljoen euro te concentreren van de EFRO-bijdrage, die in totaal 575 miljoen euro bedraagt, inclusief een specifieke toewijzing van 84 miljoen euro uitsluitend voor de grensgebieden. Deze middelen zullen worden gebruikt voor de medefinanciering van projecten die bedoeld zijn ter bevordering van, onder andere, toerisme en verschillende culturele activiteiten.
In de periode 2004-2006 is in totaal bijna 85 miljoen euro uitgegeven uit hoofde van dit EOGFL met Tsjechische bijdragen in de Tsjechische grensregio's, en dit bewijst dat er in feite sprake is van een zeer grote opnamecapaciteit. De Commissie is er dan ook van overtuigd dat deze trend in de volgende programmeringsperiode, 2007-2013, zal voortduren.
Het Tsjechische ontwerpplan voor plattelandsontwikkeling omvat maatregelen ter ondersteuning van het cultureel erfgoed, en zal worden gefinancierd met ongeveer 50 miljoen euro uit het EFRO. Bovendien beschikt het Tsjechisch-Beierse grensoverschrijdende Interreg-programma – dat op 1 januari 2007 van start is gegaan – over een budget van 115 miljoen euro. Dat programma, dat onlangs officieel bij de Commissie is ingediend, heeft zowel betrekking op plattelandsontwikkeling als op de ondersteuning van verschillende culturele maatregelen.
Bernd Posselt (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de commissaris, ik dank u voor deze bijzonder nauwkeurige toelichtingen. Ik wil graag kort twee aanvullende punten aan de orde stellen. Ten eerste, wat is het standpunt van de commissaris inzake het architectonisch cultureel erfgoed? Omvat dit programma eveneens de restauratie van historische gebouwen, dat wil zeggen cultureel erfgoed, in het Tsjechische grensgebied? Ten tweede, wat is het standpunt van de commissaris met betrekking tot internationale culturele uitwisselingen en jeugduitwisselingen, met name waar het de bewoners van het grensgebied en de minderheden betreft? We hebben immers het Duits-Tsjechische Toekomstfonds. Kunt u zich hier een samenwerking bij voorstellen?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Allereerst denk ik dat ik in mijn eerste antwoord duidelijk heb gemaakt dat er middelen beschikbaar zijn voor de ondersteuning van het cultureel erfgoed. Ik denk dat dit een bijzonder belangrijke kwestie is en dat de twee regio's hiermee rekening hebben gehouden. Er bestaan mogelijkheden met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel – dat we zeer belangrijk vinden in ons plattelandsontwikkelingsbeleid – en in de derde as van dat beleid kan rekening worden gehouden met eventuele wensen ten aanzien van specifieke steun aan deze sectoren in de verschillende regio's.
Justas Vincas Paleckis (PSE). – (LT) Ik denk dat dit werkelijk een belangrijke vraag is, aangezien Tsjechië, Bohemen en Duitsland gedurende de helft van de twintigste eeuw van elkaar gescheiden waren; ik ben van mening dat de regio's die tijdens de Koude Oorlog van elkaar waren afgesneden speciale aandacht verdienen, evenals speciale fondsen om dergelijke regio’s in staat te stellen opnieuw naar elkaar toe te groeien. Hetzelfde kan worden gezegd van de grens tussen Litouwen en Polen, die gedurende de twintigste eeuw twee landen scheidde die in de middeleeuwen een verenigd land vormden.
Wat is uw reactie op het voorstel dat er speciale aandacht moet worden geschonken aan het herenigen van die regio's die tijdens de Koude Oorlog van elkaar gescheiden waren?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Ik denk dat het heel belangrijk is dat we het subsidiariteitsbeginsel in onze programma's voor plattelandsontwikkeling eerbiedigen, aangezien dit de lidstaten een duidelijke mogelijkheid biedt om zelf besluiten te nemen over de prioriteitstelling. We nemen momenteel de nieuwe programma's voor de volgende begrotingsperiode (2007-2013) onder de loep, en daarna zullen we een heel duidelijk beeld hebben van het belang dat aan deze specifieke gebieden wordt toegekend. U hebt helemaal gelijk dat er in bepaalde grensregio's sprake is van specifieke belangen, maar ik ben er zeker van dat die belangen in de programma's van de verschillende lidstaten aan bod zullen komen.
De Voorzitter.
Vraag nr. 56 van Georgios Papastamkos (H-1084/06):
Betreft: Herziening van het regelgevend kader voor de minimis-steun
Op 12 december 2006 heeft de Commissie aangekondigd dat het regelgevend kader voor de minimis-steun zal worden herzien. De herziene regelgeving voorziet in een uitbreiding van het toepassingsgebied tot de distributie en verwerking van landbouwproducten.
Wat zijn de "concrete voorwaarden" in de de minimis-verordening voor de toekenning van steun aan ondernemingen die landbouwproducten op de markt brengen en verwerken? Wat is het verband tussen dit regelgevend kader en de speciale regels die gelden voor de landbouwsector (volgens dewelke de landbouw in het verleden was uitgesloten van het toepassingsgebied van de de minimis-verordening)? Waar liggen de grenzen voor het cumuleren van de minimis-steun met overheidssteun? Welke gevolgen worden verwacht van de versoepeling van het regelgevend kader in de ontwikkeling van de landbouweconomie van de EU, en met name van Griekenland?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Aan ondernemingen die landbouwproducten op de markt brengen en verwerken die staan vermeld in bijlage 1 bij het Verdrag kan ‘de minimis’-steun worden verleend van maximaal 200 000 euro binnen een periode van drie begrotingsjaren, mits er natuurlijk wordt voldaan aan een reeks voorwaarden.
Vóór 1 januari 2007 waren op de de minimis-steun voor het op de markt brengen en verwerken de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1860/2004 van toepassing en was deze steun beperkt tot 3 000 euro per begunstigde per periode van drie jaar, met een maximaal totaalplafond dat voor elke lidstaat was vastgelegd.
Het op de markt brengen en verwerken van landbouwproducten is in de werkingssfeer van het nieuwe regelgevend kader opgenomen vanwege de overeenkomsten tussen die activiteiten enerzijds en het op de markt brengen en verwerken van niet-landbouwproducten, anderzijds.
Op het gebied van het op de markt brengen en verwerken van landbouwproducten mag de de minimis-steun worden gecumuleerd met overheidssteun, mits hierbij niet de maximale hulpintensiteit wordt overschreden die is vastgesteld voor maatregelen die profiteren van overheidssteun.
Met de nieuwe en veel flexibeler regels voor de de minimis-steun zal Griekenland, evenals alle andere lidstaten, meer ruimte hebben voor het verlenen van steun en kan het dit op een veel snellere manier doen, aangezien de de minimis-steun niet meer hoeft te worden gemeld. Er zal sprake zijn van gunstiger voorwaarden dan die welke zijn vastgelegd in andere voorschriften die van toepassing zijn op staatssteun. Deze flexibiliteit zal de ontwikkeling van de landbouwsector in de lidstaten van de Europese Unie stimuleren.
Georgios Papastamkos (PPE-DE). – (EL) Mijnheer de commissaris, ik wil u gelukwensen met de nieuwe ontwerpregelgeving. Ik vind de vrijstellingsregeling voor kleine en middelgrote landbouwondernemingen uiterst belangrijk.
Zou u enig licht kunnen laten schijnen op de punten betreffende de maximale vrijstellingsniveaus voor de de minimis-steun aan kleine landbouwbedrijven in verafgelegen gebieden en op de eilanden in de Egeïsche Zee en ook op de punten in verband met de snellere uitbetaling van steun aan boeren die schade hebben geleden door het slechte weer?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Het idee achter het laten gelden van dezelfde voorwaarden voor het op de markt brengen en verwerken van landbouwproducten was heel duidelijk dat we ervan overtuigd zijn dat er sprake kan zijn van bepaalde overeenkomsten met andere productiegebieden en daarom hebben we deze mogelijkheid van 200 000 euro in een periode van drie begrotingsjaren ingevoerd.
We maken geen enkel onderscheid tussen kleinere en grotere bedrijven. De enige voorwaarde is dat het niet om primaire productie gaat. Deze 200 000 euro kan dus niet worden gebruikt ter ondersteuning van een primaire producent of landbouwer. Voor landbouwers gelden dus nog steeds de huidige regels, namelijk een de minimis-steun van maximaal 3 000 euro onder dezelfde voorwaarden in een periode van drie jaar. We zullen ons eind 2008 echter buigen over de oude regelgeving inzake de minimis-steun voor de landbouwsector.
Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, een van de werkelijke uitdagingen waaraan wij het hoofd moeten bieden, is het doelstellingenpakket van het energiebeleid voor 2010. Er zijn voorstellen gedaan voor toevoeging van 10 procent bio-ethanol, biodiesel en hernieuwbare energie. Hiertoe zijn dringend productie-installaties nodig. Bent u van mening dat de de minimis-regelingen ook voor deze ontwikkeling toegepast kunnen worden?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Voor de primaire producent van hernieuwbare energiebronnen, namelijk de landbouwers, hebben we een specifieke stimulans die overeenkomt met 45 euro per hectare als er een contract wordt gesloten voor de productie van hernieuwbare energiebronnen. We hebben dit met de nieuwe lidstaten besproken en zij zijn vanaf 1 januari 2007 in deze regeling opgenomen.
Als iemand wil investeren, bijvoorbeeld in bio-energie op het niveau van het landbouwbedrijf, kan worden gekeken naar de mogelijkheden binnen de eerste en tweede pijler van het plattelandsontwikkelingsbeleid die betrekking hebben op concurrentie en het milieu. Er zijn dus verschillende mogelijkheden op het vlak van specifieke steun voor energiedoeleinden.
De Voorzitter.
Vraag nr. 57 van José Manuel García-Margallo y Marfil (H-1088/06):
Betreft: Voorstel tot hervorming van de GMO voor groenten en fruit
Het voorstel voor een verordening tot herziening van de GMO voor groenten en fruit wijzigt de bestaande steunregeling voor de verwerking van bepaalde citrussoorten (Verordening (EG) nr. 2202/96(1)). De nieuwe regeling omvat ontkoppelde steun, afhankelijk van de bewerkte oppervlakte, die deel uitmaakt van de bedrijfstoeslagregeling (Verordening (EG) nr. 1782/2003(2)). Uit de verhouding tussen het totale steunbedrag en de totale oppervlakte voor citrusteelt in de verschillende lidstaten blijkt dat een hectare citrusvruchten onder de nieuwe regeling in Italië ongeveer 700 euro aan steun oplevert, in Griekenland 600 euro, en in Spanje 300 euro.
De steun in de sector groenten en fruit ligt sowieso erg laag, lager dan in andere communautaire sectoren. Heeft de Commissie berekend of er binnen de algemene steunregeling voor de sector groenten en fruit voldoende marge is om de gekoppelde steun in zijn huidige vorm te handhaven? Indien hiervoor ruimte bestaat, op basis van welke technische rapporten wordt de wijziging van de huidige regeling, en de omvorming ervan tot ontkoppelde steun dan voorgesteld? Heeft de Commissie onderzocht wat de weerslag van de ontkoppeling van de steun zal zijn op de communautaire vruchtensappenindustrie, en de mogelijke gevolgen voor het prijsniveau en de hoeveelheid vruchtensap die wordt ingevoerd uit derde landen, met name Brazilië?
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) De Commissie wil de geachte afgevaardigde herinneren aan de noodzakelijke aanpassing van de sector groenten en fruit om deze sector op één lijn te brengen met het hervormde gemeenschappelijk landbouwbeleid, ofwel met de hervormingen die in 2003 van start zijn gegaan. De opname van de sector groenten en fruit in de bedrijfstoeslagregeling zal leiden tot een sector die nog marktgerichter is en zal voor producenten een zekere inkomensstabiliteit opleveren.
De geachte afgevaardigde heeft een verdeling van de steun uit hoofde van de bedrijfstoeslagregeling voorspeld die niemand op dit moment zou kunnen vaststellen, aangezien een en ander afhangt van het systeem dat in de verschillende lidstaten wordt gehanteerd. De toewijzing van steun hangt af van de rechten die de lidstaten verlenen aan de hand van objectieve en niet-discriminerende criteria.
Aan het voorstel zijn al verschillende initiatieven voorafgegaan. In 2004 heeft de Commissie een mededeling gepresenteerd die ertoe heeft geleid dat het Nederlandse voorzitterschap van de Raad de te volgen lijn heeft vastgesteld. Daarnaast is in mei 2005 het initiatiefverslag van het Europees Parlement verschenen.
De Commissie heeft tot nu toe diverse evaluaties ontvangen in verband met de sector. Ook is er een document opgesteld naar aanleiding van een effectbeoordeling. De effectbeoordeling is gepaard gegaan met grootschalige openbare raadpleging. Het merendeel van de organisaties die hebben gereageerd was voorstander van voortzetting van de steun voor telersverenigingen. Ook betere promotie van de consumptie van groenten en fruit wordt zeer belangrijk geacht.
Wat de ontkoppeling betreft, lopen de meningen uiteen afhankelijk van de producten waar het om gaat. Sommigen menen dat dit de juiste reactie is op het beheersprobleem en de verschillen in behandeling waarvan we vandaag de dag in de sector getuige zijn.
De Commissie is er ten volle van overtuigd dat het hervormingsvoorstel een positieve uitwerking zal hebben op de gehele sector groenten en fruit.
José Manuel García-Margallo y Marfil (PPE-DE). – (ES) Commissaris, helaas ben ik het niet met uw standpunt eens. Het voorstel van de Commissie is gefabriceerd met twee constructiefouten. Ten eerste maakt het geen onderscheid tussen citrusvruchten en andere fruit- en tuinbouwproducten, het maakt geen onderscheid tussen bomen en andere planten, en ten tweede beloont het degenen die niet werken en straft het degenen die goed werk leveren.
Naast deze twee constructiefouten wordt in het voorstel evenmin rekening gehouden met de vier voorstellen van de overheden van Valencia en van Murcia: de oprichting van een crisisfonds om de markt op peil te houden, een verbod op nieuwe aanplant, meer controle op de herkomst van citrusvruchten afkomstig uit andere landen, en ten slotte het bevorderen, met communautaire financiële steun, van een globaal herstructureringsplan voor de sector van de citrusvruchten, waarmee de productie kan worden afgestemd op de vraag van de markt.
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Als we nog een half uur langer hadden gehad, dan had ik graag de details en verschillende aspecten van de hervorming van de sector groente en fruit toegelicht. Ik weet heel zeker dat we hierop zullen terugkomen op basis van ons nieuwe hervormingsvoorstel, waarover ik een zeer interessante en diepgaande discussie heb gevoerd met de Landbouwcommissie.
Allereerst willen we natuurlijk een hervorming doorvoeren die de sector sterker maakt. Waarom zouden we niet streven naar een dergelijke oplossing? Ik ben er zeker van dat de inhoud van het voorstel in de toekomst een sterkere, veel marktgerichtere sector zal opleveren.
Het voorstel behelst ook de versterking van telersverenigingen, want toen we in de verschillende lidstaten zijn gaan kijken hoe zij zijn omgegaan met de mogelijkheid om telersverenigingen op te richten, bleken er enorme verschillen te zijn. In bepaalde lidstaten met een sterke sector groenten en fruit, zijn niet zo veel telersverenigingen en is het organisatieniveau van de producenten werkelijk zeer hoog. Dat geeft de sector een sterke positie in de concurrentie met de detailhandel, en dit zal in de toekomst cruciaal worden.
Het voorstel voorziet de telersverenigingen verder van een instrument voor crisisbeheer. Hierdoor wordt het lidmaatschap van telersverenigingen aantrekkelijker voor telers.
We hebben het systeem ook vereenvoudigd doordat in het nieuwe voorstel wordt voorzien dat het volledige landbouwareaal dat bestemd is voor de teelt van appels en consumptieaardappelen zal worden opgenomen in de bedrijfstoeslagregeling. Dit is een enorme vereenvoudiging omdat daarvoor momenteel verschillende soorten toeslagen bestaan.
Er is dus wel degelijk sprake van een voordeel voor de sector, en ik kom graag een keer terug om dit onderwerp uitvoeriger met u te bespreken.
De Voorzitter. De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).
10. Mededeling van de fungerend voorzitter van de Raad: zie notulen
(De vergadering wordt om 19.05 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)
VOORZITTER: LUISA MORGANTINI Ondervoorzitter
11. Hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0016/2007) van Katerina Batzeli, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn (2006/2109(INI)).
Katerina Batzeli (PSE), rapporteur. - (EL) Mevrouw de Voorzitter, zoals u al zei, openen wij vandaag in het Europees Parlement met ons debat over de herziening van de GMO voor de wijnmarkt een cyclus van bezinning op de toekomst van een van de belangrijkste productiesectoren, economisch en commercieel gezien, in de Europese Unie.
Waar moeten wij in deze hervorming onze belangstelling op richten? Wij moeten ervoor zorgen dat de Europese wijnmarkt koploper blijft in de wereld, de communautaire wetgeving wordt vereenvoudigd en strookt met de andere Europese beleidsvormen voor economische groei, onze producten herkenbaar zijn, de beleidsvormen proportioneel zijn en er samenhang tussen de wijnbouwgebieden is.
Dat is trouwens ook de boodschap die naar voren is gekomen tijdens de discussies in de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, uit de adviezen van de Commissie buitenlandse handel en de Commissie regionale ontwikkeling en uit ons overleg met de belanghebbenden op nationaal en Europees niveau.
In de hervorming van de wijnbouwsector moet rekening worden gehouden met de bijzondere regionale en nationale kenmerken van de wijnproductie, met de manier waarop de sector is gestructureerd en georganiseerd, met het exportpotentieel maar ook met het feit dat er waarschijnlijk geen ander product is waarvan de communautaire regelgeving in zulk ruime mate rekening houdt met de subsidiariteit.
Er moet een ommezwaai worden bewerkstelligd in het huidige beleid en de huidige financiering van de vigerende GMO - die vaak storingen hebben veroorzaakt op de markt en in de concurrentiekracht van het product - opdat de communautaire begroting van 1,3 miljard euro in de eerste pijler ter beschikking wordt gesteld van beleidsvormen voor de volgende langetermijndoelstellingen:
- het behoud en de versterking van de Europese wijnbouw;
- de ondersteuning van de handel en de concurrentiekracht van de wijnbouwsector op Europees en internationaal niveau;
- de uitwerking van een territoriale benadering, waarin ook rekening wordt gehouden met milieubescherming en de bescherming van de natuurlijke hulpbronnen door middel van gefinancierde landbouwkundige productiepraktijken;
- de bewerkstelliging van een evenwicht tussen vraag en aanbod door controle uit te oefenen op de productie met behulp van het stelsel voor distillatie van bijproducten en drinkalcohol en de modernisering van het wijngaardkadaster;
- de aanpassing van de GMO aan het GLB met het oog op de verwezenlijking van compatibiliteit;
- de internationale en interregionale verzekering van de herkenbaarheid van de Europese kwaliteitswijnen, van de wijnen met een beschermde regionale aanduiding en een beschermde oorsprongsbenaming, over de classificatie waarvan in principe de Raad moet beslissen aan de hand van wetenschappelijke adviezen van de Internationale Wijnorganisatie;
- de versterking van de samenwerking van alle bij de wijnbouw betrokken instanties, van productie- tot handelsniveau, door middel van operationele programma’s, en
- de ondersteuning van de wijnbouw in de plattelands- en perifere gebieden met aanvullende structurele maatregelen.
Om deze strategische doelstellingen te kunnen bereiken stelt de Commissie landbouw een aantal maatregelen voor, zoals:
- ten eerste, de invoering van een overgangsperiode in de hervorming, opdat de producenten de mogelijkheid krijgen om zich aan te passen, om af te stappen van de maatregelen ter ondersteuning van de markt en over te gaan naar structurele maatregelen, naar landbouwkundige praktijken en handelsactiviteiten;
- ten tweede, de integratie van de communautaire beleidsvormen in de nationale programma’s voor de ontwikkeling en ondersteuning van de sector, al naargelang de door elke lidstaat, na overleg met de belanghebbenden op nationaal en regionaal vlak, vast te stellen prioriteiten en oriëntaties.
De financiering van deze programma’s, waarmee ik de nationale kredieten bedoel, moet op communautair niveau worden besloten aan de hand van uniforme, objectieve criteria, opdat er geen scheefgetrokken verhoudingen en ongelijkheden tussen de lidstaten en de regio’s ontstaan.
Mevrouw de commissaris, de wijnmarkt bevindt zich momenteel in de meest kwetsbare en gevoelige fase. Hij staat als het ware voor een gevaarlijke bocht. Met uw voorstellen geeft u flink gas maar de wielen draaien in het luchtledige en de auto vliegt uit de bocht. U drukt dus de Europese wijn en de Europese wijnbouwers uit de markt.
In de Wine Spectator is een studie gepubliceerd waaruit blijkt dat de VS in 2010 de grootste consument van kwaliteitswijnen en dure wijnen zullen zijn. Met uw agressieve financiële maatregelen voor het rooien, distilleren en verrijken kunt u weliswaar 760 miljoen euro besparen en de hoeveelheden wijn in boekhoudkundig opzicht beperken, maar drukt u ook de Europese wijn uit de markt, zonder dat daar enige rechtvaardiging voor is op grond van de marktontwikkeling. In feite wordt daarmee een radicale herverdeling van de communautaire middelen tot stand gebracht die goed is voor de rijke en rendabele wijnbouwgebieden maar slecht voor de regionale wijnbouw en de wijnbouw in de berggebieden. Met deze herverdeling wordt ook het rijke aanbod aan verschillende Europese wijnen beperkt en de invoer van wijn bevorderd.
Ik wil echter, mevrouw de Voorzitter, mijn standpunt geven ten aanzien van de amendementen die zijn ingediend in de plenaire vergadering. Ik begrijp waarom de collega’s bepaalde meningen naar voren brengen en ben ervan overtuigd dat zij daarmee lokale en nationale belangen en verzoeken tot uiting.
Het door de Commissie landbouw goedgekeurde verslag is evenwichtig en volledig, en zal stand weten te houden op de tafel van de onderhandelingen over de voorbereiding van de wetgevingsteksten. De afzwakking van de standpunten die in dit verslag naar voren worden gebracht zal een afzwakking betekenen van het standpunt en de geloofwaardigheid van het Europees Parlement. Wij kunnen luidkeels roepen om een radicale hervorming en tegelijkertijd in feite een status quo voorstellen. Wij kunnen de Commissie er niet van beschuldigen te zeer op liberalisering aan te dringen en tegelijkertijd antwoorden met nationalisering.
Tot slot moeten onze voorstellen afgestemd zijn op de organisatie van de toekomst en niet op de afbraak van al hetgeen wij in het verleden hebben weten te verwerven.
(Applaus)
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben het Europees Parlement en met name de rapporteur, mevrouw Batzeli, en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, de Commissie internationale handel en de Commissie regionale ontwikkeling zeer erkentelijk voor hun werk in verband met de opstelling van een initiatiefverslag over de mededeling van de Commissie met de titel "Naar een duurzame Europese wijnsector".
Ik wist voordat ik met het hervormingsproces begon dat het moeilijk en ingewikkeld zou zijn. De afgelopen maanden hebben die indruk zonder meer versterkt. Uit mijn debatten in de Commissie landbouw en met een aantal leden van de interfractionele werkgroep "wijn" hier en in hun kiesdistricten is mij gebleken dat we ons bezighouden met moeilijke en gevoelige onderwerpen.
Ik verheug mij dan ook over dit verslag. Het is een ambitieus verslag, waarin wordt ingegaan op de volledige reeks aspecten die in de mededeling aan de orde komen. Ik denk dat ik niets te veel zeg als ik opmerk dat mevrouw Batzeli de vele tegenstrijdige belangen die we in de loop van de hervorming met elkaar moeten verzoenen, goed heeft doorgrond. Zij heeft een moedige poging gedaan en we zullen het verslag nu nauwkeurig bestuderen.
Ik zal vanavond een paar inleidende opmerkingen maken op basis van onze eerste lezing van het verslag. Allereerst wil ik gewag maken van een kleine teleurstelling. Aan het begin van het verslag staat dat de Commissie, door binnen de Europese Unie de noodzaak van de hervorming te bepleiten, niet voldoende eer betuigt aan de positie van Europese wijnen. Ik zal derhalve volstrekt helder zijn. De wijnsector van de Europese Unie kent geen gelijke: hij produceert de beste kwaliteit wijn ter wereld, is buitengewoon divers en vormt een belangrijk onderdeel van ons cultureel erfgoed.
Bepaalde delen van de sector hebben het echter moeilijk. Elk jaar komen miljoenen hectoliters in de crisisdistillatie terecht. Dat is niet bepaald een teken van een sector die blaakt van gezondheid, en daar streef ik wel naar. Ik wil dat de sector kan concurreren, opdat Europa de meest vooraanstaande wijnproducent ter wereld blijft. Daarom moet de huidige regeling eenvoudigweg veranderd worden. Zij is niet langer houdbaar.
Ik denk dat we ons er wel in kunnen vinden dat de regeling heeft geresulteerd in structurele onevenwichtigheden. De voorraden zijn groot en bijgevolg zijn de prijzen van veel wijnen laag waardoor het inkomen van wijnboeren is gedaald. Deze ontwikkelingen, in combinatie met een teruglopende consumptie, veranderende levenswijzen en stijgende invoer uit derde landen, hebben ons ertoe gedwongen veranderingen door te voeren. Ik denk dat dit algemeen aanvaard is.
De richting die wij allen willen inslaan is omschreven in overweging K van uw verslag. Hierin staat dat de belangrijkste doelstellingen van de hervorming erin bestaan de Europese wijnsector dynamischer en concurrerender te maken zonder verlies van marktaandeel op internationale markten, maar dat tegelijkertijd rekening moet wordt gehouden met de belangen van de Europese producenten en consumenten, en dat de doelstellingen van handhaving van traditie, kwaliteit en authenticiteit moeten worden geëerbiedigd.
Het spreekt voor zich dat u kritisch bent over bepaalde aspecten van de mededeling, met inbegrip van zaken als de consumptieprognose en de waarschuwingen, en de tegenstelling tussen het rooibeleid en het beleid op het vlak van het concurrentievermogen.
De Commissie is het ermee eens dat een van de voornaamste uitdagingen bestaat in het doen opleven van de vraag, maar winstgevendheid is van nog vitaler belang en het patroon van structurele overschotten die leiden tot lagere prijzen en dalende inkomsten moet eerst worden doorbroken. Winstgevendheid is geen kwestie van het concentreren van de productie in de handen van enkele producenten om de wijn vervolgens te uniformiseren. Er zijn kleine producenten die wijn maken van een voortreffelijke kwaliteit en die ook zeer winstgevend zijn, en ik zie niet in waarom dit in de toekomst niet meer zou kunnen. Het rooien van wijnstokken biedt die wijnproducenten die nooit meer concurrerend kunnen worden en die niet kunnen inspelen op de vraag van consumenten evenwel de mogelijkheid om met opgeheven hoofd en een vergoeding te stoppen. Niemand hier wil immers dat die producenten die niet beschikken over een winstgevende, voorspelbare toekomst in de sector, alleen maar blijven doorgaan omdat zij het zich niet kunnen veroorloven te stoppen. Ik besef terdege dat rooien een gevoelig punt is. Ik heb dan ook bijzonder veel waardering voor de constructieve opstelling die het Europees Parlement met betrekking tot deze kwestie al heeft getoond. Ik juich het toe dat u onderkent dat het besluit om te rooien bij de boer moet liggen en, dat gezegd hebbende, heb ik ook uw uiteenlopende suggesties zeer aandachtig bestudeerd.
U verklaart ook heel duidelijk dat het besluit om te rooien niet kan en mag worden genomen zonder naar de context te kijken. Ik ben het daarmee volkomen eens. U hebt een aantal suggesties gedaan met betrekking tot de wijze waarop ervoor gezorgd kan worden dat het rooien in overeenstemming is met een aantal sociale en milieucriteria en ik kan u ervan verzekeren dat deze als bruikbare inspiratiebron zullen dienen wanneer we ons zullen buigen over de vraag hoe we het rooien beter in ons wetgevingsvoorstel kunnen inpassen.
Ik heb verder gemerkt dat u voorstelt de hervorming in twee fasen ten uitvoer te leggen. We hebben nog tijd genoeg om te debatteren over de timing en de manier waarop de diverse instrumenten in de verschillende fasen op elkaar moeten worden afgestemd, maar ik ben het eens met het idee dat we eerst de structurele onevenwichtigheden moeten aanpakken, die momenteel zwaar op onze sector drukken.
Een kwestie waarop u in het verslag terugkwam, en die ook een sleutelrol speelde in onze eerdere debatten, is uw sterke voorkeur voor handhaving van het voor wijn bestemde budget in het kader van de eerste pijler. Allereerst ben ik van mening dat dit strijdig is met het communautaire standpunt dat maatregelen op het vlak van plattelandsontwikkeling een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de benodigde verbeteringen in de wijnbouwregio's. We mogen immers niet vergeten dat we binnen de begroting voor plattelandsontwikkeling middelen voor wijnregio's kunnen reserveren. Daarnaast ben ik van mening dat uw standpunt ter zake berust op een verkeerd beeld, namelijk dat ik een aanzienlijke hoeveelheid middelen uit de eerste pijler zou willen overhevelen, en dat is niet het geval. Ik heb bij diverse gelegenheden gezegd, en ik zal dat vanavond herhalen, dat het grootste deel van de financiering voor de sector in de toekomst via de eerste pijler zal blijven lopen, maar dit mag ons er niet van weerhouden te profiteren van de overduidelijke voordelen die het oplevert om ook toegang te hebben tot de tweede pijler.
Ik weet dat er in dit Parlement veel animo is voor grotere inspanningen van de Gemeenschap in verband met reclame. Het is zeker belangrijk dat we de voorlichting over de voordelen van gematigde en verantwoorde wijnconsumptie verbeteren en dat we kansen in derde landen agressiever stimuleren. Ik denk dat u het met me eens zult zijn dat we behoefte hebben aan een progressievere en modernere aanpak. Hieraan zal ik zeker de benodigde aandacht schenken in het wetgevingsvoorstel.
Tot slot wilde ik nog zeggen dat ik tweeënhalf jaar met dit Parlement heb samengewerkt. U hebt duidelijk aangetoond, zelfs met betrekking tot gevoelige zaken als de hervorming van de suikersector, over het vermogen te beschikken progressief en creatief op te treden bij het nastreven van evenwichtige hervormingsoplossingen die de landbouw van de Europese Unie op de juiste manier voorbereiden om het hoofd te bieden aan actuele en toekomstige uitdagingen. Als ik echter naar veel van uw standpunten kijk, met name die over verrijking, distillatie en particuliere opslag, moet ik toegeven dat ik uw enthousiasme voor hervormingen iets bescheidener vind dan normaal. Ik verwacht niet dat we het nu over deze kwesties eens zullen worden, maar dit zijn terreinen waarop we volgens mij innovatief en creatief zullen moeten zijn.
We hebben dus nog veel moeilijk werk voor de boeg, maar ik kijk uit naar uw voortdurende en uiterst waardevolle bijdragen. Ik verheug mij over deze gelegenheid om hier vanavond een debat te kunnen voeren. Mijn verontschuldigingen aan de Voorzitter omdat ik wat langer van stof was dan normaal, maar dit is een zeer belangrijk onderwerp waarvoor enorme belangstelling bestaat in alle Europese regio's en daarom ben ik zo vrij geweest iets langer dan gebruikelijk het woord te voeren.
Béla Glattfelder (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. – (HU) De Commissie internationale handel stelt in haar advies dat het onze belangrijkste taak is de Europese wijn concurrerender te maken op zowel de internationale als de interne markten. Dat is allesbehalve eenvoudig want het reguleren van de wijnmarkt is uiterst complex en de Europese wijnboeren kampen met talrijke problemen.
Een van de hoofdpunten in dit advies is dat de hervorming zich niet mag concentreren op steun voor het rooien van wijnstokken. Er is behoefte aan een regeling die veel verfijnder is dan deze. Als er dan steun voor het rooien moet worden gegeven, vind ik dat die geconcentreerd moet worden in gebieden waar momenteel overschotten worden geproduceerd.
Het blijkt namelijk dat in de regio's waar te weinig wordt geproduceerd – met andere woorden, waar meer wordt geconsumeerd dan geproduceerd – of waar consumptie en productie in evenwicht zijn, de toename van de invoer niet hoofdzakelijk is toe te schrijven aan wijnen uit andere EU-lidstaten, maar aan wijnen uit derde landen. Als het rooien dus plaatsvindt in gebieden die nu nog wel maar later niet meer genoeg kunnen produceren voor eigen consumptie, staat het helemaal niet vast dat een en ander zal leiden tot een daling in de geproduceerde overschotten binnen de Europese Unie. Een stijging van de invoer uit derde landen is veel waarschijnlijker.
Afgezien van deze overwegingen is de Commissie internationale handel van mening dat we krachtig moeten optreden in internationale fora, in de context van de WTO, dat wil zeggen bij bilaterale overeenkomsten, om de geografische aanduidingen beter te beschermen.
Iratxe García Pérez (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. – (ES) In haar advies heeft de Commissie regionale ontwikkeling een aantal kwesties willen beklemtonen die naar onze mening en vanuit het oogpunt van de territoriale cohesie van belang zijn wanneer er een hervorming wordt ingevoerd die voor bepaalde Europese regio’s aanzienlijke gevolgen zal hebben.
De wijngaarden en de productie van wijn fungeren in bepaalde gebieden als ruggengraat en motor van de plattelandsontwikkeling. Als we de marktordening voor de wijnsector aanpassen, moeten we dan ook aspecten in aanmerking nemen zoals de toenemende ontvolking die vele Europese regio’s bedreigt.
Daarom willen wij de aandacht vestigen op het grootschalig rooien dat bepleit wordt door de Commissie, en waardoor ernstige schade zou worden toegebracht aan de economische en sociale situatie in bepaalde regio’s waarin de wijnsector de voornaamste bron van inkomsten en welvaart is. Wij zijn van mening dat de Commissie maatregelen dient voor te stellen voor het moderniseren van de productietechnieken en de afzetmethoden.
Ten slotte moet deze hervorming geleidelijk verlopen, zij moet overgangsperioden omvatten en tevens een continue evaluatie van de impact van de hervorming op de economische en sociale situatie van de regio’s van de Europese Unie.
Elisabeth Jeggle, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, om te beginnen wil ik nog een keer beklemtonen dat wij hier spreken over een initiatiefverslag waarmee het Europees Parlement reageert op de mededeling van de Commissie over de hervorming van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt. Als rapporteur van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten kan ik zeggen dat de Commissie het bij het rechte eind heeft wanneer zij het opvoeren van de innovatiecapaciteit en van het mededingingsvermogen van de wijnsector in Europa en de wereld beschouwt als het belangrijkste doel van deze hervorming. Afzetbevorderings- en voorlichtingscampagnes over een verantwoorde consumptie van wijn maken hiervan deel uit.
Om deze doelstellingen voortvarend te kunnen nastreven, vinden wij het absoluut noodzakelijk dat de gehele financiering van de wijnsector onder de eerste pijler blijft vallen. In dit verband juichen wij het van harte toe dat de nieuwe voorschriften worden toegepast op grond van het subsidiariteitsbeginsel door deze om te zetten in nationale, door de Commissie goedgekeurde programma’s. Het rooien van wijngaarden en het definitief stoppen met het verbouwen van wijn kunnen een onderdeel zijn van deze hervorming, maar mogen niet de kern ervan vormen. Tevens moeten wij vóór de toewijzing van nieuwe aanplantrechten de situatie ten aanzien van de illegale aanplant in elke wijnverbouwende regio inventariseren.
Om een ambitieus en toekomstgericht beleid ten aanzien van de wijnmarkt tot stand te brengen, moeten wij gedifferentieerd nadenken over de bestaande financiering. De huidige distillatie, die 600 miljoen euro vertegenwoordigt op een totaal van 1,4 miljard euro, is zeker geen optie voor de toekomst. Wij zijn echter van mening dat wij de distillatie van bijproducten van de wijnbereiding alsmede de distillatie van consumptiealcohol moeten blijven ondersteunen.
Wat de wijnbouwtraditie in de verschillende lidstaten betreft, voorziet het compromis erin dat wij de verschillende tradities respecteren – verrijking met sacharose behoort ook tot de traditionele oenologische praktijken. De wijnbouw heeft niet alleen economische waarde, maar maakt ook deel uit van het cultureel erfgoed van de verschillende regio’s in de EU. De nieuwe uitdagingen vereisen voorschriften die duurzaamheid en een duurzaam mededingingsvermogen mogelijk maken. Wij moeten ernaar streven dit te verwezenlijken.
Rosa Miguélez Ramos, namens de PSE-Fractie. – (ES) Mevrouw de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de rapporteur, mevrouw Batzeli, gelukwensen met de enorme hoeveelheid werk die zij verzet heeft.
In de tweede plaats wil ik me richten tot de commissaris om haar te zeggen dat volgens haar analyse de wijnconsumptie in de Europese Unie aan het dalen is, dat onze handelsbalans met derde landen verslechtert, en dat we met een overproductie zitten die door de Commissie voor het jaar 2011 op zo’n 15 procent van de totale productie becijferd wordt.
Niettemin, ofschoon ik het met de commissaris eens ben wat betreft de noodzaak van deze hervorming, hoop ik dat u de boodschap van dit Parlement begrepen heeft, en die is dat het rooien niet de spil mag zijn waar de hele hervorming om draait, maar dat het enkel een van de instrumenten voor structurele aanpassingen behoort te zijn, dat onder toezicht staat van de lidstaten.
Wij hebben een hervorming nodig die het beste wat we hebben, bewaart. Het gaat er niet om minder te produceren zodat derden meer ruimte hebben, maar om de vereiste veranderingen door te voeren ter verbetering van onze eigen structuren voor de productie, verwerking en vooral, wat de sector zelf bepleit, voor de marketing.
Wat het financiële plaatje betreft, is het duidelijk dat dit Parlement vóór handhaving van de huidige begroting is, in de eerste pijler van het GLB. Haar verdeling a priori tussen de producerende staten, op grond van historische gegevens en door middel van de zogenoemde “nationale pakketten” zal bevorderlijk zijn voor een meer adequate toepassing van de hervorming.
Wat betreft de liberalisering van de rechten tot aanplant ben ik van mening, commissaris, dat die op behoedzame wijze moet worden doorgevoerd en steeds onder het toezicht van de lidstaten.
Verder wil ik openlijk het amendement van mevrouw Fraga ondersteunen, met daarin het advies om voor verrijking most te gebruiken die in de Europese Unie zelf geproduceerd is.
Anne Laperrouze, namens de ALDE-Fractie. – (FR) Mevrouw Fischer Boel, mevrouw Batzeli, dames en heren, de wijnsector vertegenwoordigt in de Europese Unie een buitengewoon belangrijke economische activiteit, vooral als het gaat om de export. De Europese Unie is de belangrijkste wijngaard van de wereld. Maar ondanks dat de wijnconsumptie in de wereld toeneemt, verkeert de Europese wijnsector in een crisis. Dat is een paradoxale situatie.
Er is in dit Parlement met hartstocht gewerkt aan de grote lijnen van een hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn. Onze wijnboeren gebruiken hun deskundigheid om in een moderne wijnbouw de traditie voort te zetten. Deze vrouwen en mannen zijn vol hartstocht voor hun beroep. Het is onze verantwoordelijkheid om hen hartstochtelijk te verdedigen, hen te helpen de economische realiteit het hoofd te bieden en te laten zien dat we hen steunen. Die hartstocht wordt door de Commissie echter ijskoud beantwoord met voorstellen tot grootschalig rooien, het liberaliseren van aanplantrechten en het afschaffen van distillatiemethoden.
Mijns inziens komt uit dit verslag, dat donderdag in stemming zal worden gebracht, naar voren dat het Parlement hier weliswaar ook een voorstel tot hervorming tegenover stelt, maar dan wel een geleidelijke hervorming. Ik denk dat we de lidstaten en vooral de regio's flinke speelruimte moeten geven op dit terrein: het valt niet te ontkennen dat in bepaalde regio's niets anders wil groeien dan wijndruiven en er mag niet worden voorbijgegaan aan de bijdrage van de wijngaarden aan de structuur van het landschap.
Via hun bevoegdheden op het terrein van ruimtelijke ordening hebben de staten en regio's dus de gewenste mogelijkheden om in nauwe samenwerking met producenten en vertegenwoordigers van de sector, te oordelen over aanplant- of rooibeleid.
Sommige instrumenten van de huidige marktordening zijn inderdaad niet langer bruikbaar of worden slecht gebruikt, maar ik verwacht van de Commissie dat zij de tijd neemt om zich samen met de lidstaten te buigen over de gevolgen van het afschaffen of vervangen van de instrumenten van de huidige marktordening, en dan met name de distillatiemechanismen. Ik verwacht van de Commissie dat ze voorstellen doet voor instrumenten voor het reguleren van de markt en voor het beheer van mogelijke crises.
Het recept is eenvoudig: wijn van hoge kwaliteit en promotie. De wereldwijde wijnconsumptie stijgt, de economische en culturele bloei gaat in bepaalde landen gepaard met belangstelling voor het drinken van wijn. Het is van belang dat de concurrentiekracht van de communautaire sector wordt vergroot door maatregelen die zijn gericht op alle stadia van de productie en de verkoop. Wat de oenologische praktijken betreft zijn de regels in de nieuwe wijnlanden soepeler. Ik denk dat we voorzichtig moeten zijn, om te voorkomen dat onze wijnen hun karakter verliezen en als het ware geglobaliseerd raken. Natuurlijk moeten de beperkingen die aan de Europese producenten worden opgelegd, worden verminderd en moeten we hen in staat stellen tot aanpassingen aan de vraag en een beter concurrentievermogen. Ik ben voor een verbod op het vinifiëren van geïmporteerde most of van mengsels daarvan met communautaire most.
Bij wijze van conclusie zou ik u erop willen wijzen, mevrouw Fischer Boel, dat wijnen de smaak aannemen van de grond waarop de druiven geteeld zijn en dat ze de kleur van de seizoenen en de geest van de wijnboeren in zich dragen. Ze hebben de smaak van het land, van de Europese Unie. Dat doet me denken aan het volgende anonieme citaat: "Voor een grootse wijn heb je een hartstochtelijke gek nodig om de druiven te telen, een wijze om ze te reglementeren, een lucide kunstenaar om er wijn van te maken, een minnaar om die te drinken en een dichter om er de lof van te zingen".
Sergio Berlato, namens de UEN-Fractie. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Fischer Boel, dames en heren, behalve dat wijn een landbouwproduct en een economisch product is, staat het ook symbool voor onze geschiedenis, cultuur en tradities. Daarom kunnen wij niet akkoord gaan met een hervorming die er grotendeels op is gericht om een sector te reorganiseren die momenteel slechts 3 procent van de financieringsmiddelen gebruikt, in verhouding tot een productie met een toegevoegde waarde van 7 procent.
De Commissie stelt voor om de productie terug te dringen en zo'n 400 000 hectare wijngaard in vijf jaar tijd te rooien, waarbij ze als reden de noodzaak tot het terugdringen van de beheerskosten van productieoverschotten en de verbetering van de Europese concurrentie aan de hand van het principe “alleen de sterksten houden zich staande op de markt”, aanvoert. Het is merkwaardig om te constateren dat, terwijl Europa voorstander is van het rooien van wijngaarden, de voorkeur in andere landen, bijvoorbeeld in Zuid-Amerika en Zuid-Afrika, uitgaat naar de aanplant van wijngaarden.
Aangezien de globale vraag niet af- maar juist toeneemt, lijkt de Commissie voornemens om het evenwicht van de interne markt van de Europese Unie te herstellen zonder rekening te houden met de globale vraag en het evenwicht binnen de wereldmarkt, en zonder er rekening mee te houden dat bij het haastig terugdringen van de Europese wijnproductie, het risico bestaat dat er enkele wijngaarden verdwijnen die, ondanks dat ze geen producten voortbrengen die ontzettend goed in de markt liggen, regionale kwaliteitsbedrijven met diepgewortelde historische tradities zijn, die nog steeds het sociale stramien voor gehele regio's vormen.
De werkelijkheid is dat de wijnen uit de nieuwe wereld marktaandeel winnen dankzij een toenemende verbetering van de productkwaliteit, in combinatie met hun concurrerende prijzen. De nieuwe mogelijkheden voor interventie zouden het voor de hele sector mogelijk moeten maken om de nieuwe uitdagingen aan te kunnen die voortvloeien uit een toenemende globaliserende markt. Investering in de kwaliteit en de specifieke eigenschappen van de Europese wijnen, in de kostenbesparing, in de bevordering van wijn met als doel de markt te vergroten, vormt nog altijd de winnende formule, en we vrezen dat de verspreiding van nieuwe oenologische procedés kan leiden tot de verslechtering van het imago van wijn en dus tot een beschadiging van de vertrouwensband tussen consument en product, met zware consequenties voor de consumptie.
Mevrouw Fischer Boel, de wijnsector heeft behoefte aan een hervorming die grotere concurrentie binnen de Europese wijn bevordert, door de herstructurering van wijngaarden voort te zetten om ze concurrerender te maken en door het behoud van de wijncultuur te laten gelden als bescherming voor het land en het milieu. Geografische etiketten en oorsprongsbenamingen moeten gezien worden als essentiële instrumenten voor de garantie en bescherming van Europese producenten.
Ten slotte, mevrouw Fischer Boel, moet een nieuw wijnbeleid voor de EU in onze ogen leiden tot het herstel en de ontwikkeling van de sector binnen de wereldmarkt.
Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, onze rapporteur is werkelijk een warm pleitbezorger voor de Europese wijn. Ik ben het op vele punten niet eens met haar, maar ik moet wel toegeven dat ze hart heeft voor deze zaak. Hoewel mij de voorstellen van de Commissie meer aanspreken, wil ik erop wijzen dat vele regio’s de liberalisering die voorzichtig wordt ingevoerd door deze voorstellen, beschouwen als kil beleid uit Brussel. Dit moeten we serieus nemen, en de rapporteur wijst hier ook op. Toen zij ons op een avond uitnodigde voor een glaasje Griekse wijn, was ik het volkomen eens met haar – en ik hoop dat ik niet de enige was – dat niemand op het idee zou komen om van de wijn die ons toen werd aangeboden, pure alcohol te maken. Dat is juist het probleem. Wij moeten wijn als een kwaliteitsproduct op de markt brengen, en wij moeten ook wijnboeren de mogelijkheid bieden dit te doen.
Wat het rooien betreft – waarbij keer op keer onderstreept moet worden dat dit niet verplicht moet zijn, maar dat wijnboeren de kans moeten krijgen te stoppen wanneer zij geen toekomst zien in de wijnmarkt – zou de Commissie maatregelen moeten nemen om de markt een betere toekomst te bieden. Met andere woorden, we moeten eerst een aanbod doen aan wijnboeren en daarna zeggen dat zij met publieke middelen kunnen stoppen met wijnbouw, wanneer niets helpt.
Tot slot de regio’s. Dit is een kwestie van geld, commissaris. De regio’s hebben geld ontvangen, en wanneer we nu een bepaalde maatregel terugdraaien, raken ze dat geld kwijt. De strijd gaat derhalve om louter materiële zaken. Ook op dit punt zouden wij de regio’s moeten verzekeren dat die middelen tot hun beschikking blijven staan – op grond van specifieke sociaal-ecologische criteria en gericht op de markt – zodat deze regio’s wijn kunnen blijven verbouwen. Als we deze weg inslaan, is de kou grotendeels uit de lucht en kunnen wij het ook eens worden met de rapporteur.
Diamanto Manolakou, namens de GUE/NGL-Fractie. - (EL) Mevrouw de Voorzitter, de laatste herziening van het GLB heeft tot doel de omvang van de landbouwsector en de steun daaraan versneld te verminderen en aldus middelen vrij te maken voor andere volksvijandige beleidsvormen.
Tegelijkertijd wil men korte metten maken met de kleine en middelgrote boerenbedrijven en de landbouwgrond, de productie en de handel in een klein aantal handen concentreren. Van dit streven is zelfs de wijn niet uitgezonderd.
Wat maakt het nou uit of Europa, dankzij zijn kwaliteitswijnen, de eerste is in de wereld als het om de productie, consumptie en export van wijn gaat? Voor de Commissie zijn de concurrentie en de liberalisatie van de wijn- en mostimport het allerbelangrijkste, ook indien de Europese productie het gelag moet betalen en zelfs de kwaliteit wordt ondermijnd.
Daarom moet ook op grote schaal worden gerooid. Kleine en middelgrote wijnproducenten worden met krachtige stimulansen ertoe aangezet om hun rechten aan de ondernemers in de sector te verkopen, waardoor kartelvorming in de hand wordt gewerkt. Als alibi worden de structurele overschotten gebruikt evenals de noodzaak om vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen, waardoor ook betere prijzen zullen ontstaan.
Dit alibi is boerenbedrog. De liberalisatie van de wijn- en mostinvoer uit derde landen en het legaliseren van de vermenging met communautaire wijn en most betekenen dat de import van goedkope wijn wordt vergemakkelijkt en de kwaliteit wordt ondermijnd. Tevens worden de oenologische praktijken erkend waarmee in de wijnbereiding stoffen kunnen worden gebruikt die met wijn niets hebben uit te staan en waardoor de wijn van een landbouwproduct in een industrieel product wordt veranderd.
Zeker is dat de Europese wijnbouwsector zal inkrimpen, de kleine en middelgrote wijnbouwers gedwongen worden het bijltje erbij neer te gooien en import hoogtij gaat vieren. De rooimaatregel is trouwens ook in het verleden - een tiental jaren geleden - als eens toegepast.
In Griekenland zijn toen meer dan 20 000 hectare gerooid. De overschotten konden weliswaar tijdelijk worden verminderd maar met de ongebreidelde import stak het probleem opnieuw de kop op en werden zelfs kwaliteitswijnen gedistilleerd.
Duizenden kleine en middelgrote wijnbouwers werden toen van hun wijngaarden verdreven. Daarom kan het voorstel van de Commissie geen grondslag voor de discussie zijn. Daarmee wordt immers het wijnbouwprobleem niet aangepakt.
Ik ben het ook niet eens met het onderhavig verslag, omdat in feite alleen maar een langere overgangsperiode wordt voorgesteld voor de toepassing van de nieuwe verordening en bepaalde wijzigingen worden voorgesteld van de voorgestelde maatregelen om de gevolgen hiervan enigszins op te vangen.
Hélène Goudin, namens de IND/DEM-Fractie. – (SV) Mevrouw de Voorzitter. Producenten in andere delen van de wereld zijn erin geslaagd wijnen te produceren die bij de Europese consumenten in de smaak vallen en die daarnaast ook nog goedkoper zijn dan Europese wijn. Dat moet, volgens de rapporteurs, tegengewerkt worden door het pompen van meer geld in het landbouwbeleid als ook door het voeren van campagnes.
Er bestaat geen twijfel over dat er in Europa voortreffelijke wijnen worden geproduceerd. De vanuit principieel oogpunt interessante vraag is of men het moet toestaan dat arme landen verdrongen worden om de Europese wijnproductie te bevoordelen.
De nieuwe wereld bestaat niet alleen uit economische grootmachten zoals de USA en Australië, maar ook uit onlangs geïndustrialiseerde landen zoals Zuid-Afrika, Chili en Argentinië. In die landen wordt wijn vaak geproduceerd in arme en achtergestelde gebieden. Het sociale vangnet dat in de Europese lidstaten bestaat, bestaat niet op dezelfde manier in bovengenoemde landen. Indien de wijnproductie in die gebieden wordt tegengehouden, heeft dat grote gevolgen voor de bevolking.
Het is belangrijk een volledig beeld te hebben, en dan ook vanuit een volksgezondheidsperspectief, wanneer over die vraag gediscussieerd wordt. De protectionistische trekjes die dit verslag heeft, zijn niet bevorderlijk op de lange termijn, noch voor de EU, noch voor de wijnproducenten uit de nieuwe wereld. Wijn is, ondanks alles, een alcoholhoudende drank. De EU moet derhalve geen campagnes sponsoren die een toenemende wijnconsumptie propageren.
Jean-Claude Martinez, namens de ITS-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, al sinds 22 juli 1993, toen het eerste plan voor het hervormen van de wijnsector werd ingediend, wordt ons voorgehouden dat we onze wijngaarden moeten rooien, met de cijfers erbij om deze noodzaak te staven.
In 1993 vertelde men ons bijvoorbeeld dat de consumptie in het jaar 2000 zou dalen tot 115 miljoen hectoliter; het werden er 127 miljoen, dus de Commissie zat er 12 miljoen hectoliter naast. Ons werd verteld dat er overproductie was. Maar waar dan? Op de wereldmarkt in consumptiealcohol. In 2002 was er een tekort van 9 miljoen hectoliter, en in 2003 van 11 miljoen. En we weten dat met name in China de tijd voor de wijnboeren is aangebroken, waar voorzitter Mao zei: "Laat het volk wijn drinken".
Wat schuilt er dan achter deze hervorming van vrije aanplant, verrijking met suiker, distillatie, toevoeging van houtspaanders, invoer van most en natuurlijk het rooien? In werkelijkheid heeft de Commissie met het rooien van 400 000 hectare - de meest gewelddadige actie in de wereldgeschiedenis van de wijnbouw, want men moet terug tot keizer Domitianus in het jaar 92 voor iets soortgelijks -, twee doelen voor ogen: ten eerste om tegen 2015 onze export van wijn naar het zuidelijk halfrond los te laten in ruil voor hun dienstenmarkt en ten tweede om de gepensioneerden uit Noord-Europa gaandeweg in Zuid-Europa te vestigen. Europa heeft dus extra land nodig en dat is die 400 000 hectare die gerooid moet worden om er huizen neer te zetten, 4 miljoen huizen, op 4 miljard vierkante meter, met een omzet van duizend miljard euro.
Die landroof is de ware tragedie, want de wijn is niet zomaar een marktordening: de wijn is meer dan gewoon landbouw en zelfs meer dan gewoon cultuur, ondanks de schilders, de 275 wijndichters en het netwerk van vijfduizend wijndorpen in Europa, de wijn is de het raakvlak met het goddelijke. Het eerste wonder van Jezus, op de bruiloft te Kana, was dan ook niet dat hij water veranderde in whisky-cola, of in Finse Nokia-mobieltjes, maar in wijn. Wanneer we dat loslaten is dat dus niet hetzelfde als wanneer we de schapen aan Nieuw-Zeeland zouden overlaten of de kippen aan Brazilië; het zou betekenen dat Europa zijn eigen identiteit loslaat.
Daarom, mevrouw de commissaris, moet u pal staan voor de wijn, die door de Argentijn Jorge Luis Borges werd beschreven als de diepe patriarchale rivier die door de wereldgeschiedenis stroomt.
Giuseppe Castiglione (PPE-DE). – (IT) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik wil graag mijn collega, mevrouw Batzeli, bedanken voor haar werk en ook commissaris Fischer Boel voor haar luisterend oor tijdens de mededeling. We hopen dat het wetgevingsvoorstel dat aan ons zal worden voorgelegd, overeenkomt met de vele wensen die door het Parlement en de Europese producenten zijn geuit. Het gaat om een zeer belangrijke uitdaging, namelijk de Europese wijnbouw in de gelegenheid te stellen om de kracht van de markt nieuw leven in te blazen, om het concurrentievermogen te herwinnen en vooral om ervoor te zorgen dat onze wijnen kunnen concurreren met niet-Europese landen, door oude markten opnieuw te veroveren en daarnaast nieuwe markten binnen te halen.
Sommige voorstellen overtuigen ons in het geheel niet, mevrouw Fischer Boel, en bovendien kan definitief rooien niet de kern van de hervorming zijn. Deze maatregel zou zich vertalen in het volledig en ongecontroleerd stopzetten van lastige wijnbouw die, naast een productieve functie, ook een rol speelt bij de bescherming van het milieu en het platteland. Rooien zou dus, terwijl producenten in nieuwe lidstaten met nieuwe aanplant bezig zijn, tot gevolg hebben dat we stukjes markt aan hen overhandigen. Het is een kwestie van kiezen tussen sectoren, en onze keuze mag alleen maar uitgaan naar kwaliteitswijn, en niet naar een middelmatig drankje. Wanneer we onze wijn willen bevorderen, moeten we onze tradities, ons land, onze cultuur, onze toegevoegde waarde bevorderen en uiting geven aan een groot historisch en cultureel erfgoed.
Daarom ben ik geheel niet overtuigd van het voorstel om het gebruik van geïmporteerde most toe te staan om onze wijnen te verrijken of om ze te mengen met wijnen uit landen buiten de EU. Ik ben zelfs nog minder overtuigd van het idee om op het etiket het oogstjaar van de gebruikte variëteit druif waarvan de wijn gemaakt is, aan te geven zonder enige geografische aanduiding, waardoor het mogelijk wordt om variëteiten te gebruiken die samenhangen met de grond en het risico op het misleiden van consumenten groter wordt.
Met betrekking tot de liberalisatie zouden we echter de pogingen en de investeringen door wijnproducenten moeten beschermen, onze geografische aanduidingen internationaal bevorderen en voorkomen dat ze economisch aan waarde verliezen. Er zijn twee woorden die we moeten onthouden: flexibiliteit en marktoriëntatie. “Flexibiliteit” betekent echter niet een onmiddellijke, algehele en lukrake stopzetting van alle huidige beheersmaatregelen. Daarnaast denk ik, mevrouw Fischer Boel, dat de middelen verdeeld moeten worden op grond van historische criteria, namelijk overeenkomstig het criterium dat geldt voor alle hervormingen tot dusver.
Vincenzo Lavarra (PSE). – (IT) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik ben van mening dat het verslag-Batzeli over de GMO voor de wijnbouwsector een voorbereidingsfase is voor een dialoog die ons zal brengen tot het wetgevingsverslag en daarmee tot definitieve beslissingen in de loop van dit jaar. Ik denk echter dat het een goed idee is dat het Parlement besluiten neemt over een paar belangrijke conclusies van het verslag, en daar behoort het rooien zeker toe.
Net als mijn andere collega's ben ik het niet eens met het feit dat dit voorstel wordt gezien als de enige en exclusieve mogelijkheid om het marktevenwicht te herstellen. We moeten met elkaar concurreren op de wereldmarkt en de Europese wijn ontleent zijn kracht aan de nadruk die wordt gelegd op kwaliteit en traditionele methoden en ook aan zijn band met de grond en eeuwenoude methoden die binnen deze sector worden gebruikt.
Daarom ben ik tegen de invoer van most: als de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement hebben wij amendementen ingediend over dit onderwerp. Ik denk dat een dialoog, met inbegrip van de besprekingen vandaag - ook tijdens overgangperiodes - tot positieve resultaten zal leiden in tegenstelling tot maatregelen, zoals bijvoorbeeld distillatie, die als ze onmiddellijk worden stopgezet, het vangnet voor veel wijnproducenten weghalen. Ik denk dat als we naar elkaar luisteren, we ervoor kunnen zorgen dat de Europese wijnproductie zich kan handhaven op het wereldpodium.
Marie-Hélène Aubert (Verts/ALE). – (FR) Mevrouw de commissaris, dames en heren, het is alweer een paar maanden geleden dat we werden opgeschrikt door de wijnovereenkomst met de Verenigde Staten, waarover we een spoeddebat moesten aanvragen en dat al een aantal van de slechte ingrediënten bevatte uit de hervorming die u vandaag voorstelt: afzwakking van de Europese kwaliteitscriteria voor wijn, onduidelijkheid over geografische aanduidingen en herkomstbenamingen, aanvaarding van uiterst twijfelachtige oenologische praktijken en een grotere openstelling van de markt, dit alles ten behoeve van gestandaardiseerde producten die geacht worden te beantwoorden aan de smaak van de mondiale consument, die zelf ook gestandaardiseerd is.
Wijnhandelaren en -exporteurs zullen er ongetwijfeld wel bij varen, maar de ontwikkeling van producten die cultureel hecht verbonden zijn met de streek waar ze vandaan komen zeker niet, de verscheidenheid en de rijkdom aan smaken van de Europese wijnen zeker niet, de consument die zich weldra gedwongen zal zien om brouwsels naar binnen te gieten die de naam wijn nauwelijks verdienen, zeker niet, en al helemaal niet de wijnboeren die, soms in gebieden waar de productie moeilijk is en op kleine stukjes land, zich uit de naad werken ten behoeve van de hoge kwaliteit van de wijn en het plezier om deze te drinken.
Akkoord, we moeten een einde maken aan de meest absurde mechanismen die overproductie aanmoedigen en te veel onbedoelde gevolgen hebben, maar alstublieft, mevrouw de commissaris, ga samen met ons de strijd aan en zorg voor de middelen om kwaliteitswijnen te promoten, om voordeel te trekken uit de verscheidenheid aan smaken en streken, om de bodems en de biodiversiteit te behouden en om eindelijk de hele wereld bekend te maken met die wonderbaarlijke alchemie van de Europese wijn, die een geschiedenis heeft van meer dan tweeduizend jaar.
Vincenzo Aita (GUE/NGL). – (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik denk dat de cijfers voor zich spreken: in de afgelopen jaren heeft Europa zijn productie terug zien lopen, terwijl landen buiten Europa getuige zijn van een constante toename van hun productieaandeel. Europa moet vandaag, met de hervorming van de GMO voor wijn, rekening houden met het feit dat hier ongeveer 3 400 000 hectare en 3 000 000 werknemers bij betrokken zijn. Door het rooien als een instrument voor marktevenwicht te beschouwen, zouden we dezelfde weg van eerdere veranderingen in de GMO's voor tabak en suiker volgen. We kunnen niet op deze manier verdergaan, want daardoor zal de werkgelegenheid afnemen en zullen hele landbouwgebieden leeglopen, die vaak gelegen zijn in kwetsbare gebieden vanuit het oogpunt van de hydrogeologische capaciteit.
Daarom moet iedere hervorming in de eerste plaats rekening houden met ondernemingen, werknemers en milieufactoren en alleen als we het Europese landbouwproductiesysteem beschermen en in stand houden, kunnen we kwaliteit en veiligheid voor de consumenten garanderen. De pogingen die door de rapporteur, mevrouw Batzeli, zijn ondernomen, hebben uiteraard tot een verbetering geleid met betrekking tot de standpunten van de commissaris. Desondanks denk ik dat er nog steeds punten van zorg zijn.
Ten eerste moeten we het rooiscenario loslaten en de heffing op de omschakeling van de productie gebruiken ten behoeve van de ondernemingen die het moeilijk hebben op de markt om te maken. Uit de laatste Europese exportgegevens blijkt dat we de nadruk moeten leggen op kwaliteit en dus op een productie die zich identificeert met het land en met onze tradities. Dit is de manier waarop we het aan moeten pakken in plaats van wijn tot een alledaags industrieel product te reduceren. Daaruit volgt dat we geen suiker moeten toevoegen voor de verrijking van wijn en nauwkeurige regels moeten vaststellen voor de vinificatie.
In dit geval moet het gebruik van most van Europese herkomst voor de verrijking niet gestraft worden, aangezien het een traditionele methode binnen de Europese wijnvervaardiging is die geen afbreuk doet aan de kwaliteit van de wijn zelf. Daarom is het belangrijk om steun voor de financiering van most te behouden. Uiteindelijk is het van belang dat elke hervorming rekening houdt met de klimaatveranderingen die momenteel plaatsvinden en dramatische gevolgen voor sommige delen van Zuid-Europa zullen hebben, en hun landbouwsystemen volkomen in de war worden gebracht. Europa moet nu zijn grond, zijn beschaving en zijn tradities beschermen.
Esther Herranz García (PPE-DE). – (ES) Wijn wordt niet gefabriceerd, wijn wordt ontwikkeld en grootgebracht. Het verschil is subtiel maar belangrijk, want het zegt veel over degene die aan het woord is, over zijn gezichtspunt en zijn gevoeligheid ten opzichte van de wijnbouwsector. De Europese wijnbouwsector zit inderdaad in de problemen. Het voornaamste probleem waarmee hij op het ogenblik geconfronteerd wordt, is dat van de stijging van de interne vraag, want wereldwijd neemt de wijnconsumptie nog steeds toe.
Dit probleem moet echter worden opgelost, en bij die oplossing moeten de vele gevolgen in aanmerking worden genomen, want deze sector in Europa wordt geconfronteerd met een groeiende import. Het probleem is dan ook niet wat wij produceren, maar tegen welke prijs wij de wijn verkopen. En waarom verkopen wij tegen een andere prijs? Dat komt hoofdzakelijk doordat de Europese producenten niet met dezelfde vereisten te maken hebben als derde landen, maar met veel meer, en zij daarom niet in een gelijkwaardige concurrentiepositie zitten.
We moeten het concurrentievermogen van de sector aanpakken, niet door 400 000 hectare wijngaard te rooien maar door de zaken meer in de hand te nemen, niet door zonder onderscheid te gaan liberaliseren, maar door de cultuur, traditie en kwaliteit van de Europese wijnen te bewaken, te bevorderen en veilig te stellen, want zoals gezegd wordt wijn wordt niet geproduceerd, maar ontwikkeld en grootgebracht. De wijncultuur moet dan ook ondersteund worden, en we moeten ervoor zorgen dat de consument belang gaat stellen in de wijn die hij drinkt, in de vraag of een wijn een vino de crianza is of een vino de reserva, een gran reserva of een tafelwijn, een vino de la tierra, een vino de añada of noem maar op. De wijn moet op alle mogelijke punten worden verbeterd en gecompleteerd door controle op de wijnbouwmethoden, door het bevorderen van een verantwoorde consumptie, en vooral door middel van onderzoek, ontwikkeling en vernieuwing. Niet door de wijn te fabriceren, maar door hem te vervaardigden binnen een cultuur en een traditie en met een kwaliteit die kenmerkend is voor de Europese wijnen, met respect voor onze tradities, en vooral door striktere vereisten om de kwaliteit naar boven toe gelijk te trekken, nooit naar onder toe.
Daarom hopen wij dat het voorstel van de Commissie ten minste leiderschap en verbeeldingskracht te zien zal geven, en dat het werkelijk zal garanderen dat de sector concurrerend wordt.
Luis Manuel Capoulas Santos (PSE). – (PT) In de eerste plaats feliciteer ik mevrouw Batzeli met het voortreffelijke werk dat zij ondanks de moeilijke omstandigheden heeft geleverd en dank ik mevrouw Fischer Boel nogmaals voor haar aanwezigheid hier in dit Parlement.
Uit de politieke debatten, hoorzittingen en vergaderingen met vertegenwoordigers van de sector, de talloze bezoeken aan wijnproducerende gebieden in de lidstaten en de honderden amendementen blijkt duidelijk dat de EP-leden deze voor de Europese landbouw bijzonder belangrijke kwestie met belangstelling bestuderen.
Er heerst consensus over het feit dat een hervorming onontbeerlijk is en er zij op gewezen dat er geen alternatieven zijn voorgelegd voor het model van de Commissie. Er bestaan evenwel grote verschillen tussen het Parlement en de Commissie met betrekking tot het tijdschema, de intensiteit en de manier waarop de voornaamste maatregelen ten uitvoer moeten worden gelegd. Het is inderdaad nodig dat wijnstokken van slechte kwaliteit gerooid worden, maar laten wij beginnen met de illegale wijngaarden. Bovendien is het van fundamenteel belang dat de eindbeslissing met betrekking tot het rooien van arealen aan de lidstaten wordt overgelaten. Het lijdt geen twijfel dat gesubsidieerde distillatie moet worden afgeschaft, maar het is belangrijk dat de steun voor de distillatie van drinkalcohol gehandhaafd blijft. Likeurwijnen hebben die steun nodig.
Het heeft geen zin om enerzijds de authenticiteit en de traditie van Europese wijnen te promoten en anderzijds te pleiten voor vrije toegang van geconcentreerde most uit derde landen. Dit verslag is een bewijs van de goede trouw en het engagement van het Parlement. Ik hoop dat de Commissie onze voorstellen ter harte zal nemen, zodat de hervormingen in de sector op bevredigende wijze ten uitvoer kunnen worden gelegd.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL). – (PT) Zoals de toespraak van mevrouw Fischer Boel bevestigt, heeft de beoogde hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn voornamelijk tot doel het rooien van wijnstokken te gebruiken als een middel om de wijnmarkt in evenwicht te brengen. Dit betekent dat de minst ontwikkelde regio’s, en met name familiebedrijven en boeren met lage inkomens, het ergst getroffen zouden worden, hetgeen op zowel sociaal als milieugebied desastreuze gevolgen zou hebben en woestijnvorming en ontvolking van het platteland in de hand zou werken.
Samen met de tragische bosbranden die zich in de zomer voordoen, kan dit rampzalige gevolgen hebben voor uitgestrekte gebieden van de zuidelijke landen, waaronder Portugal. Daarom leggen wij de nadruk op het beschermen van de wijngaarden en de wijnproductie, die in de Europese en met name in de mediterrane beschaving overigens een centrale plaats innemen. Wij willen dat onze boeren steeds betere wijn produceren en dat de distillatie van drinkalcohol gehandhaafd blijft. Wij aanvaarden niet dat de wijnproductie op basis van druiven verdrongen wordt door industriële wijn ten gevolge van de invoer van most uit derde landen. Mevrouw de commissaris, onze kwaliteitswijn moet beschermd worden.
Christa Klaß (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris Fischer Boel, dames en heren, de voorzitter van de Raad, Angela Merkel, zei in haar toespraak op 17 januari in dit Parlement: “Wat Europa onderscheidt, wat zijn ziel vormt, is de manier waarop we omgaan met onze verscheidenheid“ en “Europa’s ziel is tolerantie“.
Wij hebben de laatste weken en maanden vele discussies gevoerd over de voorstellen voor de hervorming van de wijnmarkt. Noord en Zuid, de verschillende wijnverbouwende regio’s – een scala van meningen en belangen is de revue gepasseerd. Wanneer wij zelf het verslag-Batzeli hadden kunnen schrijven, zou ieder van ons het anders hebben gedaan, het specifieker, beknopter hebben gemaakt. Desondanks zijn wij erin geslaagd recht te doen aan alle belangen zodat zij door iedereen kunnen worden ondersteund.
Er is dus sprake van een compromis, dat de verscheidenheid van de Europese wijnsector niet alleen tolereert maar ook respecteert, en deze verder ontwikkelt, zij het in kleine stapjes.
De commissaris heeft de moeite genomen om de afgelopen maanden vele wijnverbouwende regio’s te bezoeken, en ik wil haar daarvoor bedanken. Zij heeft gezien hoe verschillend die regio’s zijn. Met name in de wijnsector hebben wij meer mogelijkheden nodig om zaken te regelen op nationaal en regionaal niveau. We hebben tevens nationale budgetten onder de eerste pijler nodig, zodat we uit een EU-pakket van maatregelen voor de wijn in de regio’s de geschikte maatregelen kunnen uitkiezen en vervolgens ten uitvoer leggen.
Wij zijn het erover eens dat we het bijltje er niet bij neer willen gooien, dat we niet 400 000 hectare willen rooien. Wij willen strijden voor marktaandelen, voor onze banen, ons cultuurlandschap, de Europese manier van leven. De wijn hoort bij Europa en wij moeten de tradities en zodoende ook de overgeleverde oenologische praktijken in stand houden. Overal ter wereld staan onze concurrenten in de coulissen klaar om te leveren wat wij niet meer produceren.
De discussie heeft duidelijk gemaakt dat Rome niet op een dag gebouwd is: we hebben een lange adem nodig. Ons beleid dient betrouwbaar te zijn. Maar op de lange termijn moeten we onze maatregelen aanpassen aan de markt.
Béatrice Patrie (PSE). – (FR) Mevrouw Fischer Boel, dames en heren, ons werk is niet voor niets geweest. Allereerst zou ik mevrouw Batzeli willen bedanken voor haar verslag, waarin de veel te liberale voorstellen die de Commissie afgelopen zomer heeft ingediend, op grondige en zeer positieve wijze worden gewijzigd.
We moeten namelijk een sterk signaal afgeven aan de hele wijnsector, die gebukt gaat onder een ernstige crisis. We weten dat de daling van de consumptie in Europa, samen met de toenemende import uit derde landen, tot dalende prijzen en dalende inkomsten voor de wijnboeren hebben geleid, en dat alleen een proactief reguleringsbeleid – en dus niet een ongebreidelde liberalisering – ons uit deze crisis zal helpen.
We willen ons sterk maken voor een wijnbouw die van hoge kwaliteit is en die oog heeft voor de aard en de tradities van onze wijnstreken en voor de verscheidenheid aan bedrijven, met name de familiebedrijven. Het op grote schaal en zonder onderscheid rooien van 400 000 hectare, dat als een structurele oplossing wordt gepresenteerd, moet duidelijk worden uitgesloten. De aanplantrechten moeten blijven, samen met versterkte controles om illegale aanplant tegen te gaan. De toekenning van nieuwe aanplantrechten die worden ingeschreven in het aangepaste wijngaardkadaster moet in de eerste plaats ten goede komen aan jonge producenten van kwaliteitswijnen.
Als het gaat om het concurrentievermogen van de sector spelen beroepsorganisaties een hoofdrol. Zij moeten worden versterkt via de nationale operationele programma's. Tot slot kan de promotie van een verstandige wijnconsumptie, gekoppeld aan een dynamisch exportbeleid, met onder andere een vereenvoudiging van de etikettering, niet zonder de werkelijke toewijzing van aanzienlijke begrotingsmiddelen.
Ioannis Gklavakis (PPE-DE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, wij zijn nu zover dat wij het verslag over de mededeling van de Commissie over de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt samen met een reeks amendementen kunnen aannemen.
Wat is de fundamentele boodschap die wij de Commissie willen meegeven?
- Ten eerste zeggen wij “nee” tegen ongebreideld rooien. Dat zou ertoe kunnen leiden dat belangrijke productiegebieden die wijnen van goede kwaliteit voortbrengen, verdwijnen;
- Ten tweede willen wij bepaalde interventiemaatregelen handhaven - en ik heb het hier over distillatie - die tot doel hebben het evenwicht op de markt te waarborgen en indirect het inkomen van de producenten te steunen;
- Ten derde willen wij dat er nationale dossiers worden opgesteld met uiteenlopende maatregelen, waar de lidstaten uit kunnen kiezen. Om echter de efficiëntie van deze dossiers te kunnen garanderen is het noodzakelijk daarvoor voldoende financiële middelen uit te trekken;
- Ten vierde moeten wij natuurlijk voorkomen dat middelen worden overgeheveld van de eerste naar de tweede pijler, waardoor de gemeenschappelijke marktordening in feite zou worden afgezwakt.
Wij moeten onze aandacht richten op drastische oplossingen en daarvan wil ik er twee noemen:
- Ten eerste moeten wij boven alles proberen de kwaliteit van de Europese wijnproductie hoog te houden. Kwaliteit is onze steun en toeverlaat.
- Ten tweede moeten wij - en dit is zeer belangrijk - de communautaire wijnen sterker promoten. Een marktaandeel wordt niet groter met vrome wensen. Alleen een agressief beleid kan ervoor zorgen dat het verbruik in en buiten de Europese Unie toeneemt.
Natuurlijk zijn er meningsverschillen ten aanzien van bepaalde thema’s die in de mededeling aan bod komen. Ik noem als voorbeeld de verrijking van wijnen. Voor ons - voor mij - is een product dat voortkomt uit de toevoeging van suiker en water geen wijn meer. Wijn wordt van druiven gemaakt en niet van suikerbieten.
Ik weet dat besloten zal worden om de toevoeging van suiker toe te staan. Als toevoeging van suiker inderdaad toegestaan zal worden, moet dat op het etiket worden vermeld. Wij moeten eerlijk zijn en de consument, maar ook de producent, beschermen.
Bogdan Golik (PSE). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil u allereerst van harte feliciteren met uw verkiezing en met het voorzitten van dit debat. Verder zou ik u in naam van alle aanwezigen willen bedanken voor uw tolerante houding met betrekking tot het overschrijden van de vastgestelde tijdslimiet. Dat was voor het debat van vandaag van wezenlijk belang.
Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, eerst zou ik de rapporteur, mevrouw Batzeli, willen bedanken voor het werk dat ze de voorbije maanden heeft verricht met het oog op de voorbereiding van dit verslag over de hervorming van de wijnsector. Het is eveneens haar verdienste dat de werkzaamheden over dit document in de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling op voortreffelijke wijze werden gecoördineerd.
Ik ben het er volkomen mee eens dat een grondige hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn geboden is. Daarenboven moet de structuur van de wijnproductie worden herzien om de competitiviteit en het evenwicht van de Europese wijnsector te garanderen. Er moeten initiatieven worden genomen die het evenwicht op de markt zo snel mogelijk herstellen, aangezien een onevenwichtige situatie steeds meer middelen uit de Europese begroting zal vergen.
Ik zou erop willen wijzen dat het van cruciaal belang is om de ontwikkeling van plattelandsgebieden te steunen in regio’s waar de wijnproductie, ondanks haar beperkte invloed op communautair niveau, een belangrijke rol speelt voor het lokale toerisme en voor de diversificatie van de landbouwactiviteiten in de plattelandsgebieden. Al deze regio’s zullen in dezelfde mate door de hervormingen worden getroffen. We moeten er bijgevolg op toezien dat de maatregelen die we met het oog op de hervorming van de wijnsector moeten nemen, geen te strenge economische beperkingen opleggen aan de wijnproductie op lokaal niveau. Bovendien bestaat er geen rechtstreeks verband tussen plaatselijke innovatie in de wijnbouw op het platteland van de nieuwe lidstaten en de Europese wijnsector in zijn geheel. Daarom zijn strikt marktgerichte regelingen overbodig. De gebieden in kwestie hebben nooit dure wijnoverschotten geproduceerd. Maatregelen om de overproductie van wijn in de toekomst te beperken, zouden bijgevolg niet van toepassing mogen zijn voor regio’s met een lage productie.
Carmen Fraga Estévez (PPE-DE). – (ES) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, het gebrek aan compromis voorafgaand aan de goedkeuring van het onderhavige verslag heeft geleid tot een reeks vergissingen en tegenstrijdigheden die tijdens de stemming in deze plenaire hopelijk de wereld zullen worden uitgeholpen.
Een daarvan is vervat in paragraaf 18, over de distillatie van bijproducten, waarin wordt voorgesteld om althans een deel van de alcohol die uit dit soort distillatie verkregen wordt, te bestemmen voor de markt voor drinkalcohol.
Dit toont het gebrek aan kennis aan van de verschillende soorten distillaties en van de alcohol die op die manier geproduceerd is, want drinkalcohol, die uitsluitend bestemd is voor de productie van brandewijn, port en likeurwijnen, is een kwaliteitsproduct, iets wat volstrekt niet kan worden bereikt met alcohol afkomstig uit de distillatie van bijproducten.
Om al deze redenen meen ik tegen deze paragraaf te moeten stemmen, teneinde meer verwarring te vermijden over de soorten distillaties en de alcohol die op basis daarvan gemaakt wordt.
In de tweede plaats zou ik de nadruk willen leggen op een punt dat essentieel is bij elke hervorming van een GMO: de begrotingsaspecten. Tot nu toe is bij alle hervormingen van GMO’s gebruik gemaakt van een verdeling van fondsen aan de hand van een historisch criterium. Verbazend genoeg is het bij de hervorming van de wijnsector de bedoeling de koers te verleggen naar andere formules, die op het ogenblik nog heel onduidelijk zijn maar die wel tot grote onzekerheid in de sector leiden.
Om het verslag van mevrouw Batzeli meer duidelijkheid te verschaffen, stel ik dan ook voor om ook de amendementen aan te nemen die betrekking hebben op het gebruik van het historisch criterium bij de verdeling van fondsen.
Csaba Sándor Tabajdi (PSE). – (HU) Geachte mevrouw Fischer Boel, geloof me, ook wij willen hervorming: een grondige en radicale hervorming en wat dat betreft zouden de Commissie en het Europees Parlement bondgenoten moeten zijn. In tegenstelling tot de commissaris vinden wij echter dat er minder nadruk zou moeten liggen op rooien, omdat alle partijen veranderingen in de structuur en modernisering minstens even belangrijk achten.
Ik wijs de commissaris op het grote gevaar voor de nieuwe lidstaten van te veel rooien door slecht presterende wijnboeren, dat de problemen van de nieuwe lidstaten alleen maar zal verergeren. Daarom moeten alle betalingen worden gestort in het nationale budget en ik wil de commissaris hiermee feliciteren, omdat een nationaal budget de toekomst kan zijn, niet alleen voor wijn, maar voor heel het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Laten we de beperkingen vaststellen en vervolgens, in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, de middelen storten in het nationale budget.
Het is een uitstekende oplossing, al is er wel een probleem met de basis voor de vaststelling van de nationale budgetten, commissaris, als het verhaal klopt dat ze voor 20 procent op territoriale en voor 80 procent op historische gegevens gebaseerd moeten zijn. Hiermee zouden de nieuwe lidstaten ernstig worden gediscrimineerd. Ten aanzien van het nationale budget zouden de nieuwe lidstaten enkel een verdeling aanvaarden op basis van grondgebied, maar ik hoop dat dit verhaal niet klopt.
Wat het vijfde aspect betreft, distillatie, hebt u gelijk: ze moet volledig worden gestopt. Ten slotte zou het in verband met plattelandsontwikkeling mogelijk moeten zijn om, boven de middelen die voor de wijnbouwsector zijn voorzien, gebruik te maken van aanvullende fondsen voor plattelandsontwikkeling met het oog op de ontwikkeling van wijnregio's.
Astrid Lulling (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, om te beginnen verheugt het mij zeer dat de vrouwen de toon aangeven in dit debat. Helaas had dit verslag van begin af aan het tij niet mee. Het is weliswaar iets beter geworden, maar het is naar mijn mening nog steeds veel te warrig om het juiste en duidelijke signaal af te geven aan de Commissie, opdat ook zij zich realiseert dat de zaken er niet zo slecht voor staan als het lijkt in haar mededeling. Ik zal die onderdelen van het verslag ondersteunen die een specifieke marktordening voor wijn als absoluut noodzakelijk blijven beschouwen. Ik vind het echter ronduit gezegd provocerend dat de Commissie zich nu oppervlakkig bezighoudt met voorstellen voor één marktordening voor alle landbouwproducten, terwijl wij hier maandenlang ons hoofd hebben zitten breken over de hervorming van de gemeenschappelijke ordening voor de wijn-, de groente- en de fruitmarkt.
Hoe serieus neemt de Commissie ons eigenlijk? Wat heeft zij in het achterhoofd? Wat de GMO voor wijn betreft, moet de financiering vallen onder de eerste pijler. Wij moeten de middelen beter gebruiken om ons productiepotentieel in stand te houden en te verbeteren, om oude markten terug te winnen en nieuwe te veroveren alsmede de matige, gezonde consumptie van wijn te bevorderen. Wij hebben meer subsidiariteit en grotere verantwoordelijkheid voor deze sector nodig zodat we de middelen selectiever kunnen uitgeven op regionaal niveau. Maar als het gaat om de verdeling van nationale gelden, mogen we de regio’s die de minste inspanningen hebben geleverd om kwalitatief goede wijn te produceren en te verkopen, niet op grond van “historische criteria“ nog een keer ervoor belonen dat zij honderden miljoenen euro’s hebben gestoken in de distillatie van onverkoopbare wijn. Dat is onaanvaardbaar. Het is ook ondenkbaar dat wij de noordelijke regio’s, die hun kwaliteitswijn zonder Europees geld hebben verkocht, verbieden hun wijnen te produceren volgens traditionele methodes. Hiermee lossen wij de structurele problemen van de regio’s niet op die tijdens de structuurhervormingen hebben zitten slapen op hun distillatiemiljoenen.
Europa heeft in feite geen structureel wijnoverschot, maar een overschot dat precies overeenkomt met de hoeveelheden die illegaal zijn aangeplant. Wanneer wijnboeren voortijdig willen stoppen, moeten ze dat kunnen en moeten de sociale gevolgen worden verzacht, maar zij mogen daarbij geen onherstelbare schade aan het milieu toebrengen door binnen de grenzen van de productie van kwaliteitswijn te rooien. De markten moeten wereldwijd onder eerlijke mededingingsvoorwaarden kunnen concurreren. Europese wijnen mogen niet worden geproduceerd met water uit Europa of met geïmporteerde most uit derde landen. Ook het mengen van Europese en geïmporteerde wijnen is uit den boze. Wat bezielde de Commissie eigenlijk?
(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken.)
Margrietus van den Berg (PSE). – Voorzitter, een ander geluid. Het zou kortzichtig zijn om te denken dat Europees beleid in deze tijd van globalisering slechts gevolgen heeft voor onze eigen burgers. Als Europa beleid ten aanzien van de wijnsector wijzigt, heeft dat invloed op heel veel andere mensen buiten Europa. Mensen die door oneerlijke concurrentie van de Europese wijnsector inkomsten mislopen. Daarom is het noodzakelijk om het beleid vanuit verschillende terreinen coherent te maken. De voorstellen van de Commissie voor de hervorming van de wijnsector zijn een stap in de goede richting. Als ondervoorzitter van de Ontwikkelingscommissie en als sociaaldemocraat is mijn teleurstelling dan ook groot dat het verslag van de Landbouwcommissie voorbijgaat aan het Europees ontwikkelingsbeleid, aan eerlijke handel. Volgens het verslag is het noodzakelijk de wijnsector buiten schot te houden in onderhandelingen in de wereldhandelsronde.
Volgens het verslag ontstaan de moeilijkheden in de wijnsector immers door steeds grotere import uit derde landen. Ondertussen moet de Commissie wel allerlei maatregelen nemen om onze wijnsector te beschermen. Waarom zouden we landen in ontwikkeling met de ene hand afpakken wat we met de andere hand geven met het Europees ontwikkelingsbeleid? Waarom zouden we onze markten willen sluiten voor eerlijke concurrentie? Laat de klant beslissen welke wijn hij wil drinken, of dat nu een Franse Bordeaux, een Zuid-Afrikaanse Chardonnay of een Chileense Merlot is. Eerlijke handel met andere landen sluit een concurrerende Europese wijnsector niet uit. Protectionistisch wijnbeleid sluit echter wel tienduizenden mensen uit die voor hun dagelijks brood afhankelijk zijn van een eerlijke wijnhandel met Europa. Daarom drink ik graag met u een Zuid-Afrikaans glaasje "Groot geluk" en zeg ik, "Op een coherent Europees beleid; ik steun de Commissie. Proost!".
Oldřich Vlasák (PPE-DE). - (CS) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren. De wijnmarkt heeft de laatste jaren te kampen met overschotten, en het huidige beleid voor de gemeenschappelijke marktordening voor wijn heeft hier geen bevredigend antwoord op. Zo is financiële steun voor destillatie van wijn naar mijn mening een verspilling van de reeds beperkte middelen. Verder krijgen de producenten van de weinig gekochte laagkwalitatieve tafelwijnen geen enkele prikkel vanuit de hervormde wijnmarkt om te produceren voor een hoger segment. Daarom is de hervorming van de marktordening voor wijn ook zo belangrijk.
De concurrentiekracht van de Europese wijnsector dient structureel te worden versterkt. In het verslag van mevrouw Batzeli worden ons hiertoe vele manieren aangereikt, en wat mij betreft is het dan ook zeer geslaagd.
Onze meeste aandacht dient uit te gaan naar de hervorming van de begroting. Steun moet evenredig zijn aan het areaal wijnstokken en mogelijk ook aan de waarde van de geproduceerde wijn. Verder mag er geen compensatie worden verleend voor het rooien van wijngaarden die ooit zijn aangeplant in strijd met het acquis. Tot slot zit er geen enkele lijn in de uitvoerrestituties voor tafelwijn, wat zeker niet bijdraagt aan de goede naam van Europese wijn.
Dames en heren, we moeten ons één ding realiseren: als we het concurrentievermogen van Europese producten willen helpen vergroten, dan mogen we niet de Europese producent het leven zuur gaan zitten maken. In de noordelijk gelegen lidstaten zijn de geografische omstandigheden diametraal anders dan in de zuidelijke. Het is in die noordelijke landen traditie om wijn aan te zoeten met bietsuiker, net zoals het in de zuidelijke landen gebruikelijk is wijn aan te zuren. Een verbod op het aanzoeten van wijn zou het doodsvonnis vellen over talrijke goede wijngeslachten in onze landen, langdurige tradities zouden erdoor worden verbroken, en het zou de vraag doen rijzen wat in de plaats ervan te doen met het landschap. Dank u wel voor uw aandacht.
Françoise Castex (PSE). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Fischer Boel, de Europese wijnbouw heeft een ambitieuze hervorming nodig. Zoals u begrepen zult hebben, willen wij dat daarbij de Europese wijntraditie en de mannen en vrouwen die in deze sector werken, worden ontzien.
Ik zou echter uw aandacht willen vestigen op het advies van de Commissie internationale handel dat in het verslag van mevrouw Batzeli is opgenomen, want bij de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor wijn moeten de handelsbelangen in aanmerking worden genomen. Europa is nog altijd de grootste exporteur van wijn ter wereld; de concurrentiekracht van Europa ten opzichte van de groeiende concurrentie van wijnen uit de Nieuwe Wereld mag dan versterking behoeven, de exportkracht van deze sector berust vooral op de wereldwijd erkende kwaliteit en authenticiteit.
We hebben dus een offensief handelsbeleid nodig om de kwaliteit van de Europese wijnen te promoten. Het zou dus bijvoorbeeld absurd zijn, en contraproductief, als we de vinifiëring van geïmporteerde most en de vermenging van Europese wijnen en geïmporteerde wijnen zouden toestaan.
In zijn verslag kant het Europees Parlement zich daar dan ook fel tegen. Evenzo is het noodzakelijk dat we in de WTO-onderhandelingen en de bilaterale overeenkomsten een betere bescherming van de BGA en de BOB bereiken. Tegenover wijnen die aan zeer weinig regels zijn gebonden willen wij ons sterk maken voor een wijnproductie die verbonden is aan de streek van herkomst.
Mevrouw de commissaris, ik hoop dat de Europese Commissie vanavond de adviezen die zijn opgenomen in het verslag van mevrouw Batzeli, die ik feliciteer, ter harte zal nemen.
Armando Veneto (PPE-DE). – (IT) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, we weten dat de hervorming die we trachten te implementeren een gepast antwoord moet vormen op de uitdaging van de concurrentie van de Europese wijnmarkt wereldwijd. We zijn het ermee eens dat Europa deze uitdaging alleen aankan als het de kwaliteit van zijn wijn in stand houdt en verbetert door zijn individualiteit te versterken. Niet alle antwoorden die we hebben gevonden, komen echter volledig overeen met dit uiteindelijke doel. We kunnen zeggen dat de tekst die door de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling is aangenomen, de best mogelijke tekst is, maar het vergt echter verdere aanpassingen.
Het is daarom gepast om met een voorzichtige hervorming te komen, gefaseerd en goed beheerd, en die gebaseerd is op het subsidiariteitsbeginsel teneinde de specifieke nationale en regionale kenmerken te respecteren. Daarom moet de landbouwfinanciering onder de eerste pijler blijven: we moeten educatieve campagnes opzetten ter bevordering van een verantwoordelijke consumptie; om, tenminste voor nu, de distillatiemaatregelen te behouden die als een vangnet dienen voor producenten; om de lidstaten de bevoegdheid te geven om het rooien van wijngaarden te beperken aan de hand van strikte milieucriteria en sociale criteria, waarbij de voorkeur uitgaat naar de bescherming van kleine kwaliteitsproducten.
Wat betreft de handhaving van de regels die gelden voor de methoden die zijn toegestaan bij vinificatie, suikerverrijking en most, ben ik van mening dat door de voortdurende verdediging van deze methoden door sommige nationale afvaardigingen het probleem ontstaat dat de nationale belangen tegenover de belangen van de Unie in haar geheel komen te staan, wat laat zien dat de behoefte bestaat om het idee van een verenigd Europa te versterken, waarbij verstoringen van de markt door buitensporig nationalisme vermeden moeten worden. Als het gaat om de verbetering van het concurrentievermogen van Europese wijnen, zal het voorstel dat de methode van verrijking met sacharose en het gebruik van most onderschrijft, dit tegenwerken, omdat het gebruik van dergelijke toevoegingen afbreuk doet aan de kwaliteit en de verschillen opheft, die in wezen de beste uitingen van de wijnbouw zijn.
Wellicht hadden we op dit punt meer bereikt door de vraag over de Gemeenschapsbelangen te stellen en door, net als ik nu doe, zonder uitzondering aan alle EU-landen te vragen om ermee in te stemmen dat het ongepast en politiek incorrect is om nationale belangen boven Europese belangen te stellen en dat het essentieel is om een eerlijk evenwicht te vinden tussen deze vereisten.
Christine De Veyrac (PPE-DE). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, allereerst zou ik de rapporteur, mevrouw Batzeli, willen feliciteren. Zoals wij hebben kunnen horen vindt haar standpunt brede weerklank in dit Parlement.
Laten we het nog maar eens herhalen: de voorstellen van de Commissie zijn in de huidige vorm onaanvaardbaar. Dat betekent geenszins dat wij willen ontkennen dat er een probleem is: de consumptie in Europa daalt, onze export stagneert, terwijl tegelijkertijd onze wijnimport stijgt. De Commissie reageert op deze situatie door een plan voor te stellen waarbij op grote schaal wijnstokken worden gerooid, hetgeen een heus sociaal afbraakplan is voor onze wijnboeren.
Ons wordt verteld dat er overproductie is, zeker, maar als we weigeren de import aan te pakken gebruiken we de Europese productie als “veiligheidsklep” voor de markt. Dat is onaanvaardbaar. We kunnen alleen instemmen met het rooien van wijnstokken als dit op basis van vrijwilligheid gebeurt, hetgeen substantiële financiële compensatie vergt, en als we het idee van tijdelijk rooien invoeren.
Mijn tweede punt is dat de verlaging van de begroting voor de gemeenschappelijke marktordening voor wijn evenmin aanvaardbaar is. De Commissie oppert de mogelijkheid om een deel van de begroting over te hevelen naar plattelandsontwikkeling. Tenzij men het hele principe van een speciale marktordening voor wijn ter discussie wil stellen, zie ik niet in hoe de nu al beperkte middelen nog verder kunnen worden teruggeschroefd, temeer daar we zojuist twee nieuwe lidstaten hebben opgenomen die zelf wijn produceren. Zoals velen van ons al hebben gezegd, zijn wij dus tegen de overbrenging, tegen iedere overbrenging, van middelen van de eerste naar de tweede pijler van het GLB.
Mijn derde punt, en tevens mijn conclusie, is dat wij wel degelijk geloven in een toekomst voor de Europese wijnbouw. Wij denken allerminst dat het tijdperk van de wijnboeren achter ons ligt. Die toekomst is niet gelegen in de concentratie van bedrijven, zoals in het plan van grootschalig rooien wordt voorgesteld; die toekomst moeten we opbouwen door de concurrentiekracht van onze wijnen te vergroten, met name in het buitenland. Daarom denken wij dat de eerste prioriteit van een hervorming van de marktordening voor wijn zou moeten uitgaan naar het aantrekkelijker maken van onze wijnen, en wel door middel van een groot plan voor het promoten en verhandelen van onze wijnen op de wereldmarkt.
Ik was blij, mevrouw Fischer Boel, dat ik het u daarstraks zelf hoorde zeggen: het wachten is nu op concrete actie.
Giorgos Dimitrakopoulos (PPE-DE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil mijn collega, mevrouw Batzeli, van harte gelukwensen met haar uitstekende werk en zeggen dat ik zeer voldaan ben over het feit dat dit verslag is geschreven door een Griekse collega. De wijnbouw heeft namelijk in mijn land een eeuwenlange geschiedenis.
Wijn is een landbouwproduct dat sinds oudsher een centrale plaats inneemt in ons leven, in onze gebruiken en gewoonten, in onze geschiedenis en in onze vreugde en verdriet. Wijn is met andere woorden een niet weg te denken deel van onze beschaving.
Daarom is het heel positief dat in dit verslag in grote mate ook de meningen van de Griekse wijnbouwsector tot uiting zijn gebracht. Het verslag van mevrouw Batzeli is tevens een glashelder standpunt van het Parlement met het oog op de door de Commissie geplande nieuwe ordening van de wijnmarkt. Daarin plaatsen wij nuchterheid en redelijkheid tegenover de overhaaste en mijns inziens simplistische, eerste gedachten van de Commissie.
Ik vraag u om voor het verslag in zijn huidige vorm te stemmen.
Agnes Schierhuber (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ook ik wil de rapporteur en alle schaduwrapporteurs bedanken voor het werk dat zij hebben verzet. Dit is de derde hervorming van de wijnsector binnen twaalf jaar, en het verheugt mij dat het dankzij een mededeling van de Commissie nu mogelijk is de zeer uiteenlopende posities en doelstellingen op een lijn te brengen. Aanvankelijk liepen onze standpunten zeer uiteen omdat wijn een zeer emotioneel onderwerp is. Ik zeg altijd dat wijn een van de elegantste landbouwproducten is. Die uiteenlopende meningen blijken ook uit de bijna zeshonderd ingediende amendementen. Het ter tafel liggende verslag kunnen wij naar mijn mening grotendeels als zeer positief beoordelen. Er staan veel compromissen in. Ik wil er met name op wijzen dat wij echt rekening hebben gehouden met traditionele oenologische praktijken. Het moet echter volkomen duidelijk zijn dat er geen mogelijkheid in welke vorm dan ook bestaat voor een dubbele compensatiebetaling of steun voor de regio’s, want dat zouden wij niet kunnen verantwoorden tegenover de Europese belastingbetaler.
Er is nog een probleem dat van belang is voor Oostenrijk. We moeten nog de nodige aandacht besteden aan de etikettering van tafelwijn. Wij willen in elk geval dat tafelwijnen anders worden geëtiketteerd dan kwaliteitswijnen. Er moet sprake zijn van een voor de consument duidelijk herkenbaar onderscheid.
Tot slot wil ik de commissaris vragen dit initiatiefverslag nauwkeurig te lezen. Ik ben ervan overtuigd dat zij en haar ambtenaren dat zullen doen. Er staan enkele goede voorstellen in, die de Commissie hopelijk zal opnemen in haar voorstel voor de nieuwe gemeenschappelijke ordening voor de wijnmarkt, dat zij in de zomer aan ons zal voorleggen.
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wilde slechts enkele van de belangrijkste kwesties aanstippen die door velen van u aan de orde zijn gesteld tijdens dit bijzonder belangrijke debat.
Bijna iedereen van u noemde het rooien. Ik weet niet of u wel goed geluisterd hebt naar wat ik in mijn inleiding heb gezegd, namelijk dat we ervoor moeten zorgen dat rooien niet in strijd is met belangrijke en legitieme sociale en milieuaspecten. Luistert u goed, en ik zal dit in overweging nemen wanneer we de wetgevingsvoorstellen opstellen.
De heer Graefe zu Baringdorf zei heel duidelijk dat rooien niet aan onze wijnboeren mag worden opgedrongen. Juist. Dat mag inderdaad niet, want het besluit om te rooien is een besluit dat enkel en alleen aan de wijnboeren voorbehouden is. Het is geen besluit dat de lidstaten of de Commissie kunnen nemen, maar is uitsluitend voorbehouden aan de wijnboeren. We mogen die boeren die nu al moeite hebben het hoofd boven water te houden in de wijnbouw echter ook niet dwingen jaar in jaar uit een bedrijf te blijven uitoefenen waarmee zij onmogelijk geld kunnen verdienen. Laten we hun dus de mogelijkheid geven de sector op een fatsoenlijke manier te verlaten.
Wat distillatie betreft: ik moet de eerste persoon die bereid is mij, vertrouwelijk, te vertellen dat crisisdistillatie een goed idee is, nog tegengekomen. Ik denk juist dat dit onze burgers alleen maar een excuus geeft het gemeenschappelijk landbouwbeleid op een uiterst negatieve manier af te schilderen, door te verwijzen naar de ouderwetse methoden en instrumenten die we in het verleden gebruikten. Het valt niet te verdedigen dat we elk jaar een half miljard euro uitgeven om af te komen van wijn die niemand wil drinken. Dit werkt niet en ik hoop dat u me op dit punt zult steunen.
Daarom hebben we reclame nodig. Het Europees Parlement heeft dit telkens weer benadrukt en ik ben bereid hieraan een impuls te geven. Reclame op Europees niveau mag echter geen stootkussen voor de wijnsector zijn. De wijnsector moet zich zelf ook veel agressiever opstellen.
In Ierland hebben we gezien dat de wijnconsumptie stijgt. Vandaag de dag wordt 70 procent van de in Ierland gedronken wijn echter ingevoerd van buiten de Europese Unie. Daarom begrijp ik eenvoudigweg niet waarom er tijdens het onlangs in Ierland gehouden wereldkampioenschap ploegen, dat 250 000 bezoekers trok, slechts twee wijnproducenten aanwezig waren, die geen van beiden uit Europa kwamen. Ik kan alleen maar vragen waarom.
Over ingevoerde most voor wijnbereiding heb ik van meet af aan duidelijk gezegd dat we alles ter tafel hebben gelegd en ik heb notitie genomen van de reacties van het Europees Parlement, de verschillende lidstaten en belanghebbenden.
Christa Klaß zei dat er enorme verschillen bestaan binnen de diverse regio's. Ik heb dit met eigen ogen kunnen zien en ik denk dan ook dat we het belang moeten benadrukken van het idee van nationale totaalbedragen dat in het voorstel van de Commissie wordt geopperd. Ik denk dat dit een uitgelezen mogelijkheid is voor de lidstaten en de regio's om de verschillende instrumenten en gelden toe te wijzen als onderdeel van een nationaal totaalbedrag dat specifiek is afgestemd op de diverse regio's. Ik denk dat dit van doorslaggevend belang is.
Velen van u hebben benadrukt dat we onze toekomst in de wijnsector moeten baseren op kwaliteit, kwaliteit en nog eens kwaliteit, en daarin kan ik mij volledig vinden.
Ik kijk ernaar uit in de toekomst verdere besprekingen met u te voeren over de hervorming van de wijnsector, die ik vlak voor het zomerreces aan de Raad hoop te kunnen voorleggen, en ik zal dan met plezier hier naar u in het Europees Parlement komen om die hervorming tegelijkertijd ook hier te presenteren, als basis voor onze besprekingen in de toekomst.
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
De stemming vindt donderdag om 12.00 uur plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Zita Pleštinská (PPE-DE), schriftelijk. – (SK) De wijnsector in de EU produceert een aantal van de beste wijnen ter wereld en beschikt over een enorm potentieel dat op duurzame wijze verder moet worden ontwikkeld. De voortdurende groei van de markt in China, dat nu begint met de actieve productie van wijn, in combinatie met een stijgende wijnproductie in andere landen als Australië, Nieuw-Zeeland, de VS, Canada en Zuid-Afrika, heeft ertoe geleid dat wijnen uit de “nieuwe wereld” een aanzienlijk marktaandeel hebben veroverd ten koste van de Europese wijnen.
Ik ben het eens met de Commissie dat de in de wijnsector heersende onevenwichtigheden in vraag en aanbod en de groeiende uitdagingen op de Europese en internationale wijnmarkten tot hervormingen in deze sector nopen. Ik ben echter faliekant tegen sommige oplossingen zoals verwoord in de mededeling van de Commissie van 22 juni 2006. De plannen voor het grootschalig en lukraak rooien van wijnstokken zijn zeer bedreigend voor het milieu en ik vind ze een onverantwoorde aanval op het Europese wijnerfgoed. De wijnbouw, die voornamelijk berust op natuurlijke hulpbronnen, speelt een belangrijke rol in de bescherming tegen bodemerosie. Voorts kan wijnbouw als drijvende kracht fungeren achter de ontwikkeling van het platteland en de belofte inhouden van welvaart waar in veel Europese regio's al zo lang naar wordt uitgekeken.
Traditionele wijnbouwgebieden in Slowakije concentreren zich op de bevordering van wijntoerisme door het potentieel aan te boren dat op de wijnroutes van de Kleine Karpaten, Kamenínska, Hontianská en Tokaj aanwezig is. Zij gaan uit van een hervorming in de wijn-GMO die de dynamische groei en het concurrentievermogen van de Europese wijnsector veiligstelt door toewijzing van voldoende financiële middelen en, bovenal, het stimuleren van innovatie.
Alessandro Battilocchio (NI), schriftelijk. – (IT) Ik ben het met de Commissie eens dat het belangrijk is om de wetgevingsmaatregelen te vereenvoudigen en met elkaar in lijn te brengen en om de Europese wijnsector concurrerender te maken en tegelijkertijd de duurzaamheid van het milieu te garanderen. Terwijl echter enerzijds de steun, die wordt gegeven aan de Europese boeren en aan de drukkende landbouwbegroting stapsgewijs teruggebracht moet worden ten gunste van andere beleidslijnen, moet de EU anderzijds de fundamentele sectoren van haar economie beschermen. De wijnsector behoort hier zeker toe, met een productie van bijna 2 miljoen euro in 2005 en met alleen al in Italië meer dan 2 500 000 bedrijven. Het mag niet helemaal losstaan van de regels van de vrije markt: vrije concurrentie kan een gevaarlijke uitwerking hebben op de kwaliteit en de diversiteit van onze productie, die zich met name richt op de activiteiten van kleine ondernemingen die niet in staat zijn om op internationaal niveau te concurreren. Ook betreur ik de poging van de Noord-Europese landen, die jammer genoeg ten uitvoering is gebracht, om de concurrentievoorwaarden binnen de EU te veranderen door steun te verlenen aan degenen die sacharose gebruiken om het alcoholpercentage in wijnen te verhogen, zonder de steun voor de productie van most te handhaven, wat in Italië en andere mediterrane landen een gebruikelijke methode is die leidt tot een betere kwaliteit van onze producten.
12. Vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen in het kader van het GLB (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0009/2007) van Lutz Goepel, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende voorschriften voor een vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen waarin Verordening (EG) nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers voorziet, en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1290/2005 (COM(2006)0241 - C6-0235/2006 - 2006/0083(CNS)).
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit is de tweede keer dat we het voorstel over vrijwillige modulatie hebben kunnen bespreken, en ik wil de heer Goepel wederom bedanken voor zijn verslag.
Het komt niet als een grote verrassing dat u de standpunten die vorig voorjaar tot uiting zijn gebracht hebt herbevestigd en de Commissie nogmaals hebt opgeroepen haar voorstel in te trekken. Ik ken en begrijp de bezorgdheid van het Parlement over vrijwillige modulatie. Mijn standpunt is voor u geen geheim, en het is niet nodig dat u uw argumenten herhaalt en ik vervolgens die van mij, maar we moeten wel de realiteit onder ogen zien. Wat andere oplossingen dan vrijwillige modulatie betreft: zelf had ik er liever voor willen zorgen dat de financiering van ons beleid op het terrein van plattelandsontwikkeling toereikend was geweest, maar op de Europese Top werd anders besloten.
Eén ding staat voor mij als een paal boven water: men is niet doof voor de zorgen van het Europees Parlement. Hoewel de Raad zijn wens om zijn voorstel te handhaven heeft herbevestigd, worden er momenteel pogingen ondernomen om aan uw zorgen tegemoet te komen. Er was bezorgdheid dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid door vrijwillige modulatie uit elkaar zou vallen, maar zoals het er nu voor staat, wijzen alle indicatoren erop dat vrijwillige modulatie slechts zal worden gebruikt in een zeer beperkt aantal lidstaten om hun eigen plattelandsontwikkelingsprogramma's een impuls te geven.
Zoals u zich zult herinneren, hebben we voorgesteld dat het geld moet worden besteed in overeenstemming met bijna alle voorschriften die gelden ten aanzien van plattelandsontwikkeling. Daarnaast ben ik van mening dat het gepast is dat lidstaten die voornemens zijn vrijwillige modulatie toe te passen vóór de tenuitvoerlegging ervan een effectbeoordeling uitvoeren, en we moeten er verder voor zorgen dat de tenuitvoerlegging van vrijwillige modulatie nauwlettend in de gaten wordt gehouden, in het bijzonder met betrekking tot de economische situatie van landbouwers. Verder vind ik dat dit instrument van tijdelijke en niet van permanente aard moet zijn. Ik ben ook van mening dat elke toekomstige stijging van het percentage verplichte modulatie moet leiden tot een overeenkomstige daling van het percentage vrijwillige modulatie. Pogingen om dergelijke bepalingen in de context van dit voorstel aangenomen te krijgen, kunnen rekenen op de volmondige steun van de Commissie.
Zoals u weet, is het mijn bedoeling vrijwillige en verplichte modulatie te bekijken in het kader van onze besprekingen over de zogenaamde health check van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Al met al blijft de Commissie openstaan voor de verkenning van haalbare suggesties die een compromis kunnen opleveren dat aanvaardbaar is voor het Parlement, de Raad en de Commissie.
We willen ons constructief opstellen, maar u zult dat ook moeten doen.
Ik wil tot besluit een punt aan de orde stellen waarover ik mij grote zorgen maak. We staan aan het begin van een nieuwe generatie plattelandsontwikkelingsprogramma's. De lidstaten hebben al geïnvesteerd in de opstelling van evenwichtige nationale strategische plannen en programma's ter verwezenlijking van de doelstellingen waarvoor het Europees Parlement zich inzet, namelijk een concurrerende land- en bosbouw, milieuprestaties, het scheppen van banen en een levendige sociaal netwerk in plattelandsgebieden. We zijn in een fase aanbeland die cruciaal is om een soepel begin van deze programma's mogelijk te maken.
De reserve van 20 procent van de vastleggings- en betalingskredieten voor plattelandsontwikkeling die het Europees Parlement heeft ingebouwd, dreigt dit soepele begin in gevaar te brengen. Ik maak mij grote zorgen over het gelegde verband en het fundamentele probleem dat dit oplevert voor de start van het nieuwe beleid op het terrein van plattelandsontwikkeling. Mevrouw Grybauskaitė en ik hebben onze zorgen in detail uiteengezet in een gezamenlijke brief aan de voorzitters van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Begrotingscommissie. De reserve belemmert een adequate tenuitvoerlegging van het plattelandsontwikkelingsbeleid. Aangezien het Parlement dit beleid krachtig ondersteunt, hoop ik dat u begrip zult tonen voor het probleem dat de reserve zal veroorzaken. De reserve levert extra onzekerheden en problemen op voor de lidstaten in verband met de opstelling van programma's, en dit tegen de achtergrond van de bezuinigingen op de reserve binnen de begroting voor plattelandsontwikkeling waartoe op de Top van december 2005 is besloten. De goedkeuring van de plattelandsontwikkelingsprogramma's zal vertraging oplopen en de Commissie kan pas beginnen met het goedkeuren van programma's als de benodigde kredieten voor alle programma's in de Unie binnen de begroting beschikbaar zijn. Als de Commissie niet 100 procent van de bedragen kan vastleggen, zullen de lidstaten bijgevolg hun programma's of voorstellen moeten intrekken en herziene voorstellen moeten indienen waarin rekening wordt gehouden met de korting van 20 procent. Als de reserve later wordt gedeblokkeerd, moeten alle plattelandsontwikkelingsprogramma's dienovereenkomstig worden aangepast en u begrijpt wellicht dat het risico hiervan is dat de opname van de programma's in de delicate startfase wordt gehinderd.
We willen een aanvaardbare oplossing vinden voor vrijwillige modulatie, maar laten we de plattelandsprogramma's ondertussen niet in gijzeling nemen. Ik reken op u bij de oplossing van deze problemen.
Lutz Goepel (PPE-DE), rapporteur. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik weet niet of we er verstandig aan hebben gedaan nu, in het laatste grote hoofdstuk, gewag te maken van de reserve van 20 procent, want wij spreken hier over vrijwillige modulatie, en dat is de ware bedoeling van dit debat. We kunnen weliswaar over alle andere aspecten spreken, maar misschien niet juist nu.
De commissaris heeft volkomen gelijk dat het niet de eerste keer is dat wij in dit Parlement discussiëren over het voor en tegen van vrijwillige modulatie.
Sinds ons laatste debat is er wat het wetgevingsvoorstel betreft niet veel veranderd. De Raad en de Commissie hebben weliswaar duidelijke signalen afgegeven dat zij ons tegemoet willen komen, maar zolang dit niet definitief vaststaat, moeten wij nogmaals een duidelijk signaal afgeven dat wij dit voorstel in zijn huidige vorm afwijzen.
Uit het feit dat de Raad de politieke en budgettaire medebeslissingsrechten van het Parlement ten aanzien van het definitieve akkoord volledig heeft genegeerd, blijkt eens te meer dat de andere instellingen ons bij belangrijke principiële kwesties niet alleen niet serieus nemen, maar zelfs gewoonweg doen alsof we lucht zijn. Hierin moet verandering komen, of er nu een Grondwet is of niet.
Zolang de Raad en de Commissie ons geen overtuigend aanbod doen, moeten wij dit voorstel derhalve unaniem afwijzen. Dat is de enige manier waarop wij resultaten kunnen boeken, en ik denk dat dit onderwerp zal bijdragen aan een versterking van de rol van het EP en vooral aan ondersteuning van de Europese landbouwers wanneer wij zo te werk gaan.
Ik wil op deze plaats nog eens alle leden van mijn commissie ervoor bedanken dat zij deze weg tot nu toe samen met mij zijn gegaan. Ik wil ook de leden van de Begrotingscommissie en de vertegenwoordigers van alle fracties zeer hartelijk bedanken voor het feit dat zij de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling hebben ondersteund op haar moeizame weg. Namens velen wil ik met name de heer Mulder en de heer Bösch noemen, die een essentiële bijdrage hebben geleverd bij het bepalen van het standpunt van dit Parlement.
Ik wil een beroep doen op mijn collega-afgevaardigden om morgen en bloc tegen het voorstel van de Commissie te stemmen. Laten we samen met de Raad en de Commissie zoeken naar mogelijkheden voor een betere oplossing. Ik wil het Parlement er echter op wijzen dat wij met name de Raad, maar ook de Commissie, tot handelen aansporen wanneer wij het voorstel afwijzen. Ik hoop derhalve op uw onvoorwaardelijke steun.
Ik wil nog een opmerking van procedurele aard maken aan het adres van de Voorzitter. Het tweede verslag over de vrijwillige modulatie bevestigt het eerste verslag, waarin wij het voorstel van de Commissie eveneens hebben afgewezen; daarom werd dit onderwerp op grond van artikel 52, lid 3, van het Reglement terugverwezen naar de commissie. Wanneer wij het voorstel van de Commissie morgen opnieuw afwijzen en de Commissie haar voorstel niet intrekt – en daar ga ik van uit – moeten wij ook stemmen over de ontwerpwetgevingsresolutie.
Agnes Schierhuber, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil de rapporteur en de schaduwrapporteurs zeer hartelijk bedanken. Dankzij hen nemen alle instellingen het Europees Parlement en zijn leden nu serieuzer. Ik ben ervan overtuigd dat we samen een oplossing kunnen vinden. De commissaris heeft al het nodige laten doorschemeren. Maar ook de Raad moet uiteindelijk concessies doen, en ik denk dat dit ook mogelijk is in het kader van constructieve gesprekken.
Net als bij de eerste stemming geldt dat er geen sprake kan zijn van een verwatering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid – dat het enige werkelijk gecommunautariseerde beleidsterrein van de EU is en blijft – noch van renationalisatie van dit beleid.
Europa vindt zijn bestaansgrond in solidariteit en respect, inclusief respect voor elk individu. In de afgelopen vijftien jaar is geen enkel Europees beleidsterrein zo ingrijpend hervormd als de Europese landbouw. Zoals de commissaris reeds zei, onderzoeken wij de health check, waarover wij volgend jaar beginnen te discussiëren zodat we voorbereid zijn op de jaren na 2013. Het is buitengewoon belangrijk dat wij in dit Europees Parlement over de scheidslijnen binnen de commissies en de fracties heen één lijn blijven trekken, want alleen op deze wijze kunnen wij ervoor zorgen dat het Parlement en zijn vertegenwoordigers niet langer worden genegeerd.
Daarom wil ik al mijn collega-afgevaardigden vragen om, net als bij de eerste stemming, morgen de aanbeveling van onze rapporteur en van de schaduwrapporteurs te volgen.
Bernadette Bourzai, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, afgelopen november hebben we het voorstel voor een verordening voor vrijwillige modulatie met een overweldigende meerderheid verworpen.
Aangezien de Europese Commissie haar tekst niet heeft gewijzigd, zijn alle voorwaarden voor een tweede afwijzing van deze tekst nog altijd aanwezig. Ik zal ze niet herkauwen, want ze zijn genoegzaam bekend: de bezuinigingen op de tweede pijler, het niet-cofinancieren, het feit dat deze cofinanciering tot verstoring van de concurrentie tussen de lidstaten leidt en de resulterende ongelijkheid in de structuur van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat – als ik daaraan mag herinneren – het enige gemeenschappelijke Europese beleid is, dat hiermee gerenationaliseerd dreigt te worden.
De financieringsbehoeften van het plattelandsontwikkelingsbeleid zijn evenwel reëel en ik ben werkelijk bang dat de ontvolking van onze landbouwgebieden zal doorzetten als er niets wordt gedaan voor de modernisering van de landbouwstructuren, voor de vervanging van de generaties boeren, voor de kwaliteit van het leven en het milieu en voor de economische diversificatie van ons platteland.
Daarom dring ik er bij u op aan, mevrouw de commissaris, om in plaats van de vrijwillige modulatie, een verhoging van het verplichte modulatiepercentage voor te stellen, dat voor alle lidstaten gelijk is. Bovendien zou ik willen benadrukken dat op dit moment de verplichte modulatie van toepassing is zodra een bedrijf meer dan 5 000 euro steun per jaar ontvangt, dat wil zeggen bij de overgrote meerderheid van de landbouwbedrijven.
Voor een echt instrument voor de herverdeling van landbouwsteun zou ook met andere criteria rekening gehouden moeten worden, zoals de grootte van het bedrijf, de mate waarin het van steun afhankelijk is, de werkgelegenheid die het biedt, de brutomarge, enzovoorts. Daarnaast valt voor een betere verdeling te overwegen om de rechtstreekse steun aan een maximum te binden.
Maar zelfs al wordt dit voorstel voor de tweede maal met een grote meerderheid door het Europees Parlement verworpen – een voorstel dat normaal gesproken een belangrijk wetgevingsbesluit is -, betreft het helaas slechts een advies, en wat dat aangaat ben ik het volstrekt eens met de heer Goepel. Ik denk dus dat we de druk op de Commissie en de Raad niet moeten laten afnemen en dat we vooralsnog moeten vasthouden aan de begrotingsreserve van 20 procent van de middelen voor plattelandsontwikkeling voor het jaar 2007.
Kyösti Virrankoski, namens de ALDE-Fractie. - (FI) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, wij behandelen nu het tweede verslag van de heer Goepel over vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen aan de landbouw. Ik wil de rapporteur bedanken voor zijn uitstekende werk als verdediger van de landbouw en als waakhond met betrekking tot de bevoegdheid van het Europees Parlement.
Het voorstel van de Commissie is gebaseerd op het besluit van de Europese Raad, toen hij een compromis sloot over een veeljarig financieel kader. Volgens dat compromis kan een lidstaat rechtstreekse betalingen aan de landbouw met maar liefst 20 procent verminderen en het geld gebruiken voor plattelandsontwikkeling op een manier die hij zelf het beste acht. Vrijwillige modulatie zou dus een aanvullende belasting zijn die de lidstaat zijn boeren op kan leggen. Daarnaast moeten de boeren natuurlijk de wettelijk voorgeschreven belastingen van de betrokken lidstaat betalen. Dit systeem verlaagt hun inkomsten, zonder dat zij op een of andere wijze worden gecompenseerd. Een lidstaat kan in plaats van zijn eigen bijdrage het gemoduleerde bedrag gebruiken voor plattelandsontwikkeling, zodat de modulatie het daarvoor beschikbare bedrag niet eens zal verhogen.
Vrijwillige modulatie zou het kwetsbare evenwicht verstoren dat tussen de verschillende lidstaten en regio's van de Europese Unie is gecreëerd en zou hun boeren in ongelijke posities brengen. Dat zou de interne markt verstoren. Anderzijds zou vrijwillige modulatie geld binnen de Europese begroting verplaatsen. Vooral de bedragen van en de verhoudingen tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven zouden veranderen. Het Europees Parlement zou hier bovendien niets over te zeggen hebben.
De classificatie en de bedragen van uitgaven worden nauwkeurig omschreven in een interinstitutioneel akkoord, waardoor de wijziging hiermee in strijd zal zijn en zou betekenen dat het akkoord gewijzigd zou moeten worden. Het is ondenkbaar dat de Raad ruim een maand nadat dit interinstitutioneel akkoord van kracht is geworden van plan is het te schenden.
Het doel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is het waarborgen van stabiele, heldere en gelijkwaardige omstandigheden voor boeren bij de uitoefening van hun beroep. Vrijwillige modulatie zou ernstig met deze beginselen in strijd zijn. Het bestaansrecht, de legitimiteit van de Europese Unie is gebaseerd op een eerlijk en evenwichtig beleid. Vrijwillige modulatie voldoet niet aan deze criteria.
De financiële middelen van de Europese Unie moeten worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn begroot. Als de lidstaten communautaire middelen gaan gebruiken om hun eigen begrotingen te dichten, dan wordt het hele Europese begrotingsbeleid ondermijnd. De oplossing is nu in de handen van de Raad en de Commissie, met inbegrip van de reserve van 20 procent voor plattelandsontwikkeling. Wij zouden lang geleden al een oplossing hebben gehad als de Commissie en de Raad met het Parlement hadden onderhandeld.
Andrzej Tomasz Zapałowski, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, voor veel leden van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling is het huidige debat over de vrijwillige modulatie, dus over het beperken van de rechtstreekse betalingen, een uitgelezen gelegenheid om luid en duidelijk “NEEN” te zeggen tegen de plannen van de Europese Commissie.
Wij verzetten ons nadrukkelijk tegen elke poging om de landbouwers te discrimineren en hen te laten opdraaien voor de kosten van het programma voor plattelandsontwikkeling. Voor dat programma zouden voldoende middelen in de begroting van de Europese Unie moeten worden voorzien.
Er is in dit debat gesproken over de mogelijke discriminatie van landbouwers die in strijd is met de Verdragen, over de renationalisering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en over concurrentievervalsing. Ik wil u er graag aan herinneren dat de landbouwers in veel nieuwe lidstaten reeds gedurende de toetredingsperiode het slachtoffer zijn geworden van discriminatie. Bovendien werd de vrije concurrentie in de landbouw daadwerkelijk aan banden gelegd. De nieuwe lidstaten hebben jarenlang lagere subsidies ontvangen. Waarschijnlijk zullen deze subsidies pas op gelijke hoogte komen met die van de oude lidstaten nadat de algemene besparingen op de uitgaven van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn doorgevoerd. Het is volkomen onbegrijpelijk dat begunstigden die minder dan 5 000 euro ontvangen, uitgesloten worden van de modulatie. Deze betalingen gaan naar kleine boerderijen. Als er uiteindelijk toch besloten zou worden om een beperking op de betalingen in te voeren, zou het plafond minstens tot 50 000 euro moeten worden verhoogd. Voor grotere landbouwbedrijven is het minder moeilijk om het verlies van subsidies te boven te komen.
Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, het Parlement heeft vele goede voorstellen gedaan voor de financiële planning voor de middellange termijn, maar de Raad heeft deze niet overgenomen. Tegen de aanbeveling van de Commissie en het Parlement in – wij waren het hierover eens – heeft de Raad de middelen voor de plattelandsontwikkeling verlaagd met 20 miljard euro. Wij hoeven ons nu niet verantwoordelijk te voelen voor de onzin van de Raad. Wanneer het Parlement dergelijke voorstellen zou hebben gedaan, zouden wij ons onsterfelijk belachelijk hebben gemaakt.
Wij hebben toentertijd gezegd dat wij cofinanciering wilden overwegen om in geval van nood middelen ter beschikking te stellen. Wij willen een gelijke behandeling van de eerste en de tweede pijler als het gaat om de betalingen van de lidstaten. Hiervan is niets terechtgekomen. Momenteel worden bijvoorbeeld in Duitsland de middelen uit de tweede pijler verlaagd met 40 procent, en vanzelfsprekend moeten wij de Duitse regering vragen 20 procent vrijwillige modulatie toe te passen om dit te compenseren. Op Europees niveau kunnen we een dergelijke onzin echter niet accepteren, omdat er betere voorstellen zijn.
Wanneer de Commissie – in navolging van de Raad – zegt dat het platteland en de ontwikkeling worden gegijzeld wanneer wij dit toevoegen aan de reserve, is dat niet juist. Wij zijn degenen die opkomen voor de economische ontwikkeling van het platteland en een halt toeroepen aan de onzin van de Raad. Wanneer de Raad geen betere voorstellen doet of geen betere voorstellen overneemt van de Commissie, moeten wij onze toevlucht nemen tot andere maatregelen waarover het Parlement medebeslissingsrechten heeft die wij anders niet gehad zouden hebben. Niet de Raad maar het Europees Parlement geeft in deze kwestie blijk van gezond verstand. Ik zou de commissaris willen vragen zich aan onze zijde te scharen, zoals wij ons aan haar zijde hebben geschaard, en de Raad te wijzen op zijn plicht redelijk te denken en te handelen.
Kartika Tamara Liotard, namens de GUE/NGL-Fractie. – Voorzitter, van deze kant toch een ietwat ander geluid. Sinds de verwerping van de Grondwet in Nederland is er in mijn land een discussie losgebarsten over nodeloze bemoeienis van Europa met aangelegenheden die de lidstaten best zelf kunnen regelen. Vrijwel alle Nederlandse partijen hebben aangegeven dat ze vinden dat de lidstaten meer vrijheid moeten hebben in onderwerpen die niet noodzakelijkerwijs door Europa geregeld moeten worden. De Europese Commissie is nu eindelijk met een voorstel gekomen. Dat is niet perfect, maar wel een goed begin om lidstaten meer vrijheid te geven in de besteding van landbouwgelden en ook nog zonder dat de inkomenspositie van kleine boeren in gevaar komt. Tot mijn verbazing hebben de laatste keer bijna alle Nederlandse partijen tegen dit voorstel gestemd. Ik roep al mijn collega's op om deze keer vóór te stemmen en zo hun woorden in daden om te zetten.
Димитър Стоянов, от името на групата ITS. – Аз мисля, че Европейският съюз е съюз на суверенни държави, които са се събрали, за да си сътрудничат взаимно, а не да налагат една на друга какво да правят с плодовете на това сътрудничество.
Въпреки това, искам да кажа, че резервите на докладчика и на Парламента не са без основание, защото по наши данни 95% от земеделските производители в България нямат никаква представа как да кандидатстват за финансиране от Европейския съюз. Затова разрешаването на една доброволна модулация ще доведе до това, че тези 20% ще бъдат изцяло на разположение на Министерството на земеделието в България. А Министерството на земеделието от шест години вече е в лапите на турската етническа партия „Движение за права и свободи“, чийто лидер не се посрами да каже съвсем открито, че около неговата партия има обръч от фирми. И затова не храня абсолютно никакво съмнение, че именно този кръг ще се облагодетелства от доброволната модулация, която сега се предлага, а впоследствие той ще се отблагодари на своите благодетели чрез вноска в черната партийна каса.
Затова искам да кажа, че аз не мога да подкрепя този доклад, защото той орязва националните правомощия, но в същото време смятам, че трябва да има много по-големи контролни механизми относно общата политика на Съюза и, че вместо до развитие, липсата на такива механизми ще доведе до отчаяние, по-голяма корупция и социално разочарование.
Jim Allister (NI). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik blijf mij verzetten tegen deze verordening om vijf redenen die belangrijk zijn voor mijn kiezers. Ten eerste komt vrijwillige modulatie vanwege de aard ervan al neer op het plunderen van de middelen van de landbouwers door nationale regeringen. Er is helemaal niets vrijwilligs aan.
Ten tweede accentueert vrijwillige modulatie de ongelijkheid binnen Europa en raakt de markt erdoor verstoord, aangezien het erop lijkt dat het Verenigd Koninkrijk de enige lidstaat is die vastbesloten is zijn landbouwers door middel van vrijwillige modulatie het vel over de oren te trekken. Verplichte modulatie is erg genoeg, maar die wordt in ieder geval gelijk verdeeld.
Ten derde is het zo dat deze regeling, in tegenstelling tot de vorige, lidstaten er niet toe verplicht een gelijk financieringsbedrag ter beschikking te stellen, wat er in de praktijk in mijn kiesdistrict op neerkomt dat de landbouwvijandige regering van het Verenigd Koninkrijk dus ook niet met een dergelijk bedrag over de brug zal komen. Het resultaat is dat de Britse boeren dubbel gepakt worden: wel extra aftopping van hun bedrijfstoeslag, maar geen bijbehorende financiële middelen van het ministerie van Financiën ten behoeve van de plattelandseconomie.
Ten vierde belemmert deze regeling de broodnodige lokale variatie doordat regionale benaderingen verboden worden. Die zijn onder de huidige regeling wel toegestaan. In het Verenigd Koninkrijk is zowel het beleid binnen de eerste als binnen de tweede pijler grotendeels een decentrale aangelegenheid, daarom is het logisch om lokale variatie in de modulatiepercentages toe te staan.
Ten vijfde en tot slot, bevat het voorstel van de Commissie nog altijd een franchisebepaling waardoor sommigen onder betaling uitkomen, terwijl anderen daardoor meer moeten betalen. Dit zijn dus de redenen waarom ik, net als in november, wederom tegen deze smakeloze verordening zal stemmen.
Neil Parish (PPE-DE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik denk dat de commissaris nu in een onmogelijke positie verkeert.
Mevrouw de commissaris, u weet heel goed dat het voorstel van de Raad u niet bevalt, en u weet ook dat u het, krachtens de institutionele akkoorden, toch zult moeten voorleggen. We luisteren nu wel naar wat u zegt, maar we zien helemaal niets in vrijwillige modulatie en daarom wachten we tot er een nieuw voorstel op tafel komt. Ik denk dat we dit het best kunnen oplossen door voort te maken en het voorstel opnieuw te verwerpen, waarna u heel snel een nieuw voorstel indient, want we hechten allemaal belang aan plattelandsontwikkeling, maar we hechten net zo goed belang aan gelijke concurrentievoorwaarden.
Over de opmerking van de heer Allister wil ik zeggen dat dit geen vrijwillige modulatie is voor al die landbouwers die hun betalingen kwijtraken. Misschien zouden we hun dit aanbod eens daadwerkelijk moeten voorleggen en moeten zeggen: "Bent u bereid vrijwillig 20 procent van uw betalingen op te geven?" Ik vermoed dat er niet veel zullen zijn die "ja" antwoorden. Het gaat dus zeker wel om verplichte modulatie, maar waarschijnlijk is dit slechts het geval in twee lidstaten: het Verenigd Koninkrijk en Portugal.
Niet alleen zal de modulatie niet vrijwillig zijn, zij zal zelfs binnen het Verenigd Koninkrijk niet op uniforme wijze worden toegepast, omdat onze huidige regering voorstander is van verschillende modulatieniveaus binnen het Verenigd Koninkrijk. In de regio die ik vertegenwoordig, Zuidwest-Engeland, die grenst aan Wales, is de kans groot dat er aan de ene kant van de grens sprake zal zijn van een totaal andere modulatie dan aan de andere kant. Naar verwachting zullen Engelse landbouwers ten minste 20 tot 25 procent slechter af zijn dan hun collega's in Wales. Zoals u terecht zegt, moet er een effectbeoordeling worden uitgevoerd; we willen dat die echt ter tafel komt. De Raad had dat moeten voorstellen en misschien hadden we dit voorstel dan met meer sympathie bekeken. We zijn derhalve, zoals ik zei, best bereid te onderhandelen.
Het is ook goed om Brian Simpson hier vanavond te zien, want de vorige keer dat we hierover debatteerden, was er niemand van de Labour Party aanwezig om het standpunt van de Raad te verdedigen. Wellicht luisteren ze nu in ieder geval naar ons.
Ik kijk uit naar de nieuwe voorstellen van de Commissie.
Herbert Bösch (PSE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik steun het standpunt van de rapporteur en ik denk dat de Begrotingscommissie van het Parlement dat ook doet. De Commissie zegt keer op keer dat zij een efficiënte instelling met een efficiënt bestuur wil zijn. De commissaris heeft de afgelopen drie maanden zitten slapen. Wij hebben drie maanden geleden voor de eerste keer gestemd over dit verslag-Goepel. Zij weet wat het Parlement wil. Zij kent de rechten van dit Parlement en zij negeert die gewoonweg. Ik verwachtte vandaag een acceptabel voorstel van haar. Een van de directeuren van haar directoraat-generaal, de heer Sivenas, heeft de Raad gisteren laten weten dat er op korte termijn een voorstel komt om die 20 procent uit de wereld te helpen. Dat zou ik graag vandaag van haar hebben gehoord, maar ze is met lege handen gekomen. Ik zie derhalve geen enkele reden om de koers die wij hebben gekozen, te wijzigen.
Jan Mulder (ALDE). – Voorzitter, ik zou willen beginnen met de heren Goepel en Bösch te bedanken. Ze hebben uitstekend werk geleverd, dat is al gezegd. Het gaat bij dit debat niet alleen om het onderwerp, vrijwillige modulatie, het gaat ook vooral om parlementaire democratie, namelijk wat de rechten zijn van dit Parlement op het gebied van plattelandsontwikkeling, enzovoort. Ik zou ook commissaris Fischer Boel willen bedanken. Zij is het Parlement steeds met open vizier tegemoet getreden en ook in individuele gesprekken is het altijd zo geweest dat zij openhartig heeft gesproken.
Er zijn al een heleboel dingen gezegd. Waarom ben ík tegen het systeem van vrijwillige modulatie? In de eerste plaats, het legt de bijl aan de wortel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat is verkeerd. In de tweede plaats, het springt te lichtvaardig om met de begrotingsrechten van het Parlement.
De Commissie dient te manoeuvreren tussen de Raad en het Parlement. We hebben in mei van dit jaar financiële perspectieven vastgesteld. In die financiële perspectieven heeft het Parlement duidelijk gezegd wat het vond over die vrijwillige modulatie. In de voorstellen van de Commissie zijn alleen de standpunten van de Raad terug te vinden. Dat vind ik een verwerpelijke zaak. Er is nauwelijks rekening gehouden met de wensen van het Parlement. En ik vind het ook niet erg begrijpelijk. Op het ogenblik dat iedereen in Europa praat over de burger meer bij Europa te betrekken, negeert de Europese Commissie volkomen de positie van het Parlement!
Ik ben blij met de woorden van de commissaris dat ze aan het eind impliceerde dat een compromis mogelijk is. Natuurlijk is het Parlement ook te vinden voor een compromis. Wij zijn ook voor plattelandsontwikkeling, maar we zijn ook voor die gemeenschappelijke markten. Met die twee sleutelconcepten moeten wij een oplossing proberen te vinden. Is het mogelijk om, net zoals dat in het verleden ook het geval was, voor bepaalde landen een uitzondering te maken? Is het mogelijk om in de toekomst vernuftiger gebruik te maken van de verplichte modulatie en die toe te spitsen op bepaalde wensen, zoals het Parlement dat in het verleden heeft geformuleerd? Dat zou bijvoorbeeld kunnen met die health check. Als wij morgen stemmen over dit voorstel en het standpunt van het Parlement wordt nogmaals bevestigd, dan is de tijd gekomen voor de Commissie om het initiatief te nemen voor een compromis dat haalbaar is en acceptabel is voor de Raad en voor het Parlement. De rechten van het Parlement en van de Raad op het gebied van het plattelandsbeleid zijn immers precies hetzelfde en het zou de Commissie sieren als ze rekening zou houden met de standpunten van het Parlement.
Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, de door de Europese Commissie voorgestelde vrijwillige modulatie, die terecht werd verworpen door de Begrotingscommissie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, is het resultaat van de uiterst krappe Europese begroting die nauwelijks 1 procent van het bbp bedraagt. Bij het vaststellen van de financiële vooruitzichten voor de periode 2007-2013 waren zowel de Raad als de Commissie zich er goed van bewust dat de vermindering van de fondsen voor plattelandsgebieden van 88 naar 69 miljard euro tot een pijnlijk gebrek aan financiële middelen zou leiden.
De pogingen om de uitgaven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid en zijn afzonderlijke segmenten te corrigeren, hebben alleen voor verwarring en grotere regionale ongelijkheden gezorgd. Het voorstel dat deze misstap probeert recht te zetten door een beperking van de rechtstreekse betalingen – met de verarming van de landbouwers tot gevolg – is de slechtst mogelijke oplossing van allemaal. De voorgestelde nationalisering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid door een aanvullende vrijwillige modulatie van 20 procent wijst opnieuw op het gebrek aan consequentie bij de vormgeving van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De modulatie is een nieuwe poging om het gemeenschappelijk landbouwbeleid te renationaliseren. Dames en heren, we hebben dus geen andere keus dan om het voorstel van de Commissie te verwerpen.
Alyn Smith (Verts/ALE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit is de eerste keer dat ik het woord voer als vertegenwoordiger van Schotland in de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het verheugt me bijzonder een ruime meerderheid van dit Parlement aan mijn zijde te vinden.
Zoals anderen al opmerkten is de vrijwillige modulatie van de landbouwbetalingen helemaal niet vrijwillig voor al die landbouwers die erop achteruitgaan, maar enkel voor de lidstaten die hun het vel over de oren halen. De uitbreiding van de verplichte modulatie die in de hele EU wordt gefinancierd valt nog te verdedigen, maar dat de boeren van Schotland er 20 procent op achteruit moeten gaan ten opzichte van hun collega's op het vasteland, dat kan alleen de regering in Londen volhouden. Als we dit gebrekkige voorstel verwerpen is dat niet meer dan terecht. Doen we dat niet, dan stemmen we in met een pover voorstel dat ons vandaag is voorgelegd.
Daarbij zou ik onze commissaris er nadrukkelijk op willen wijzen dat als de Commissie met een pakket komt, zoveel mogelijk het subsidiariteitsbeginsel moet worden gehanteerd. Het Schotse parlement is nog geen volwaardig lidstaatsparlement, maar het is wel verantwoordelijk voor landbouw en voedsel in Schotland. Het Schotse parlement moet, ongeacht wie de meerderheid hebben, de bevoegde autoriteit blijven op deze beleidsterreinen, want wie ook de meerderheid hebben, zij zullen het er beter vanaf brengen dan de regering in Londen.
Gerard Batten (IND/DEM). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, daar gaan we weer! Keer op keer wijst de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling dit voorstel af en de Commissie blijft het maar terugspelen. Als dit pingpongspel één ding laat zien is het wel de zinloosheid van dit Parlement en zijn commissies.
Dit Parlement wordt geacht de democratie in de EU te vertegenwoordigen. Vanwaar dan die geringschattende houding van de Commissie? Waarschijnlijk omdat de Commissie weet dat dit Parlement een slap aftreksel van democratie is, een veredelde praatclub met weinig tot geen invloed van betekenis op welk terrein dan ook.
De UK Independence Party bevindt zich in de ongebruikelijke positie dat ze ertegen is om de Britse regering meer vrijheid te geven, in dit geval de vrijheid om GLB-middelen over te hevelen van de voedselproductie naar vage plattelandsontwikkelingsprogramma's die van alles kunnen inhouden, van het behoud van village greens tot de aanleg van themaparken of het beheer van dierenreservaten. We worden tenslotte geacht het over het gemeenschappelijk landbouwbeleid te hebben en niet over het gemeenschappelijk plattelandsontwikkelingsbeleid.
De Britse landbouwgemeenschap heeft steun nodig. Het is geen gezonde optie voor mijn land om de productie van zijn eigen voedsel los te laten. Een land moet niet afhankelijk zijn van de import om zichzelf te voeden, en dat is wel waar het Verenigd Koninkrijk heen gaat als we het geld weghalen bij het eigenlijke landbouw bedrijven en het in plaats daarvan in allerlei knusse milieuprojectjes te pompen.
De UK Independence Party is geen voorstander van de EU en haar subsidiebeleid. Zolang ons land echter lid blijft, kunnen we er maar beter voor zorgen dat het geld dat we ontvangen – dat per slot van rekening ons eigen geld is waarvan het de EU goeddunkt om het aan ons terug te geven – goed wordt besteed.
Het voeden van de Britse bevolking moet de voorkeur krijgen boven wat in sommige gevallen kan worden aangeduid als "cosmetische milieuprojectjes".
Monica Maria Iacob-Ridzi (PPE-DE). – Doresc să susţin raportul colegului nostru Lutz Goepel care ne recomandă respingerea propunerii Comisiei privind modularea facultativă a plăţilor directe din agricultură din cel puţin două motive: în primul rând propunerea pune în dificultate statele care sunt în procesul de phasing-in al subvenţiilor europene. Agricultorii români, de exemplu, beneficiază în prezent doar de un sfert din plăţile pe care le primesc fermierii din vechile state membre, urmând ca în zece ani să atingă nivelul comun al Uniunii.
Modularea obligatorie, cumulată cu cea facultativă, vor face ca acest nivel comun al Uniunii să fie destul de redus în momentul în care agricultorii români vor putea beneficia de el. Această ţintă mişcătoare poate destabiliza atât piaţa românească, cât şi pe cea europeană, deoarece agricultorii nu pot planifica nici măcar pe termen scurt, necunoscându-şi veniturile viitoare.
În plus, termenul de facultativ induce în eroare. O dată adoptată de către statele membre, modularea devine obligatorie pentru fermieri, putând duce la scăderea plăţilor directe la hectar cu până la 25%. Acest proces contribuie la renaţionalizarea politicii agricole comune, adică la o modificare a acestei politici, simbol al solidarităţii europene.
În al doilea rând, propunerea Comisiei este injustă, întrucât ignoră participarea noastră la dezbaterea viitorului financiar al Uniunii. Vocea Parlamentului trebuie să se facă auzită convingător, atât înainte, cât şi în timpul controlului de sănătate planificat pentru 2008-2009. Noi nu putem porni pe acest drum cu concluzii deja luate, iar introducerea modulării facultative duce tocmai la un rezultat cunoscut dinainte al controlului de sănătate. Mai mult, din câte ştiu, Comisia nu a efectuat studiul de impact necesar prevăzut în acordul interinstituţional cu Parlamentul European. Toate aceste elemente fac din propunerea de regulament a Comisiei un compromis nedorit de nimeni ale cărui victime vor fi însă fermierii europeni.
Luis Manuel Capoulas Santos (PSE). – (PT) Net zoals tegen het eerste verslag ben ik ook absoluut gekant tegen dit tweede verslag-Goepel. Ik kan onmogelijk akkoord gaan met de uiteengezette argumenten aangezien zij tot tegenstrijdige conclusies leiden.
Helaas heb ik niet genoeg tijd om dit uitvoerig te bewijzen. Daarom leg ik u de volgende vragen voor. Bestaat er een betere studie dan die waarin met cijfers wordt aangetoond dat de herverdeling van de eerste pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) onrechtvaardig is? Hetzelfde geldt voor de cofinanciering. Als lidstaten die over minder middelen beschikken, gedwongen worden om het gemeenschappelijk beleid uit de eigen begroting te bekostigen is er dan geen sprake van renationalisering van het GLB?
Dit verslag vertolkt een conservatieve houding waarin ik mij niet kan vinden. Ik kan niet aanvaarden dat het subsidiariteitsbeginsel met voeten wordt getreden en dat alles in het werk wordt gesteld om de belangrijkste begunstigden van het GLB te beschermen. Ik teken tevens bezwaar aan tegen het voorstel van het Parlement, zoals dat geformuleerd is in de verslagen-Goepel, om 20 procent van de steun voor plattelandsontwikkeling voor 2007 te bevriezen. De boeren mogen niet de dupe worden van de meningsverschillen tussen de instellingen. Daarom roep ik alle partijen op tot redelijkheid en compromisbereidheid, zodat deze onduldbare impasse zo spoedig mogelijk kan worden doorbroken.
Marian Harkin (ALDE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben het volledig met de rapporteur eens voor wat betreft het afwijzen van deze voorstellen. Deze zouden namelijk betekenen dat 20 procent van de rechtstreekse betalingen en de marktsteun van het GLB naar plattelandsontwikkeling zou worden overgesluisd.
Ik ben een warm voorstander van investeringen in plattelandsontwikkeling, ja ik denk dat deze essentieel zijn als we willen dat plattelandsgebieden een positieve bijdrage leveren aan de Lissabonagenda, maar deze investeringen mogen niet uit de zakken van de landbouwers komen.
Mevrouw de commissaris, eerder vanavond zei u dat u bang was voor de gevolgen die onze afwijzing van dit voorstel voor de plattelandsontwikkeling kan hebben. Maar wat te denken van de gevaren voor de landbouw als dit voorstel erdoor zou komen? En wat die zakken van de landbouwers betreft: dit voorstel zou een flinke aanslag betekenen op de inkomsten van sommigen van hen. Als we de oorspronkelijke hoeveelheid rechtstreekse betalingen aan boeren op 100 procent stellen en 5 procent daarvan afhalen voor verplichte modulatie, vervolgens zo'n 8 procent voor de toetreding van Roemenië en Bulgarije – die natuurlijk geenszins verantwoordelijk zijn voor het feit dat wij geen fatsoenlijke financieringsvoorzieningen hebben getroffen – en we dan nog eens 20 procent weghalen voor vrijwillige modulatie, dan zullen die landbouwers er ongeveer 33 procent – een derde – op achteruit gegaan zijn ten opzichte van het inkomen dat hen in het herziene GLB was toegezegd.
Maar het gaat niet alleen om geld: de voorgestelde vrijwillige modulatie zou de concurrentie tussen de lidstaten schaden. Een en ander zou neerkomen op een renationalisatie van het GLB en mijns inziens de veiligheid van de voedselproductie in de EU in gevaar brengen.
Mevrouw de commissaris, ik weet dat u net als ik van mening bent dat de landbouw behoefte heeft aan stabiliteit. Vorig jaar zei u in het Ierse parlement: "Ik wil de landbouwers in Ierland en de rest van de EU zoveel mogelijk stabiliteit geven". De landbouwers maken echter een moeilijke en onzekere tijd door. En als ze zouden luisteren naar de debatten in het Parlement vandaag, waarbij commissaris Mandelson het eerder op de dag over meer flexibiliteit in het kader van de WTO had, terwijl het vanavond gaat over een renationalisatie van het GLB, zou hun onzekerheid er alleen maar groter op worden.
Dit Parlement en de Europese landbouwers rekenen erop dat de Commissie laatstgenoemden op dit vlak steunt. U zei dat u onze zorgen kent en begrijpt. Die zorgen zijn vanavond heel duidelijk uiteengezet en we wachten nu op een positieve reactie.
Jan Tadeusz Masiel (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, het late tijdstip en de technische moeilijkheden zullen ons er niet van weerhouden om het Commissievoorstel voor de tweede keer scherp te bekritiseren. Dit voorstel kan ertoe leiden dat de Europese landbouwers tot 30 procent van hun rechtstreekse betalingen verliezen. Voor veel landbouwers is dat een aanzienlijke som geld. De commissaris heeft het daarnet wel over een aantal tegemoetkomingen gehad, maar dat neemt niet weg dat zulke ingrijpende veranderingen veel vroeger bekendgemaakt moeten worden, zodat de boeren de mogelijkheid hebben om hun toekomst naar behoren te plannen. Als dat niet gebeurt, bestaat het gevaar dat de landbouwers het vertrouwen in de Europese Unie en in het gemeenschappelijk landbouwbeleid verliezen. Dat vertrouwen ligt overigens het laagst bij de Poolse boeren. Het feit dat de wijziging niet van toepassing zal zijn voor landbouwers die minder dan 5 000 euro aan inkomenssteun ontvangen, is maar een schrale troost. Ik ben de mening toegedaan dat dit plafond minstens 20 000 euro zou moeten bedragen.
James Nicholson (PPE-DE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik heb met grote belangstelling naar de woorden van de commissaris geluisterd en met alle respect, mevrouw Fischer Boel, u wist vanavond nog minder te overtuigen dan de afgelopen keer dat we over dit onderwerp debatteerden.
Ik weet dat het een hele opgave is om slecht beleid te verdedigen. Ik weet dat het zo goed als onmogelijk is om slecht beleid te verdedigen. Wat dat betreft kunt u op mijn medeleven rekenen. Dat neemt niet weg dat slecht beleid nooit tot goed beleid gemaakt kan worden. Met dit beleid blijft er voor de komende tijd werkelijk niets over dat ook maar enigszins in de buurt komt van een gelijk speelveld in het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Als ik het u op de persoon af mag vragen, mevrouw de commissaris, hebt u al afspraken gemaakt met de Raad over wat er in de toekomst op stapel staat voor wat betreft modulatie?
Met grote belangstelling last ik in de regionale pers van mijn kiesdistrict dat de verantwoordelijke landbouwfunctionaris voor juni een overeenkomst tussen u en de Raad heeft aangekondigd.
Mijn eerste vraag, mevrouw de commissaris: kunt u bevestigen dat er een dergelijke overeenkomst is gesloten? Zo ja, wat houdt deze dan wel in? Zal er binnen die overeenkomst sprake zijn van regionalisatie? En welk percentage zal er worden toegepast binnen die overeenkomst? Dit zijn slechts de paar punten waar ik vanavond tijd voor heb.
Maar mag ik u oproepen de Raad de waarheid te zeggen? In wezen is dit een ronduit beroerde overeenkomst, en de landbouwers zullen er nooit mee instemmen. Ik, hun openbare vertegenwoordiger, zal er in elk geval nooit mee instemmen.
U hebt vanavond een beroep op ons gedaan opdat uw woorden niet aan dovemansoren gericht zouden zijn. U wilt dat wij constructief zijn. Heel mooi gezegd. Maar, ik moet u zeggen, hoe kunnen wij constructief zijn? Hoe kunnen we luisteren als u ons van bovenaf, tegen onze zin voorschrijft waar we mee moeten instemmen?
Dit is niet ons probleem; dit is uw probleem, mevrouw de commissaris, en u bent degene die het zal moeten oplossen.
Marc Tarabella (PSE). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, allereerst wil ik graag herinneren aan de overweldigende meerderheid bij de stemming in de plenaire vergadering van 14 november jongstleden: 559 stemmen tegen, 64 voor en 16 onthoudingen. Met zo'n meerderheid heeft het Europees Parlement het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen op niet mis te verstane wijze verworpen. Ik betreur het dat de Commissie daarop niet besloten heeft de tekst in te trekken.
Hoewel ik kan begrijpen en beamen dat de tweede pijler voor plattelandsontwikkeling betere financiering nodig heeft, vind ik het onaanvaardbaar dat dat zo meedogenloos ten koste van de eerste pijler gebeurt, en sowieso niet vrijwillig, want het lijdt geen twijfel dat de gevolgen van een dergelijke maatregel rampzalig zouden zijn. Zouden we namelijk instemmen met het voorstel van de Commissie, dan zouden we daarmee het bestaan van talrijke bedrijven in gevaar brengen en zouden we concurrentieverstoringen invoeren. Bovendien zou het voorstel ertoe kunnen leiden dat het GLB helemaal wordt losgelaten of wordt gerenationaliseerd. Tot slot strookt het niet met de communautaire doelstellingen voor het platteland. Deze redenen, die ten grondslag lagen aan de afwijzing van het voorstel van de Commissie in november jongstleden, gelden vandaag nog evengoed.
In het licht van deze overwegingen, die uitvoerig worden toegelicht in het verslag van de heer Goepel, heeft zijn voorstel dan ook mijn volledige steun.
Wiesław Stefan Kuc (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, de ontwerpverordening die we vandaag behandelen, werd door de leden van het Parlement scherp op de korrel genomen, maar het voorstel moet toch ergens wel iets positiefs bevatten. Het Europees Parlement heeft zich nog nooit zo negatief over een document uitgelaten. Het was nog nooit eerder het geval dat de Parlementsleden geen enkel positief aspect uit een tekst konden halen. Om die reden ben ik zelf op zoek gegaan naar de positieve kanten van modulatie. Zonder in te gaan op details als bijvoorbeeld de vraag of 20 procent een correct percentage is en 5 000 euro een juist bedrag, ben ik erin geslaagd om een aantal positieve aspecten van de ontwerpverordening te formuleren.
Ten eerste zal de invoering van de modulatie de lidstaten meer flexibiliteit geven om hun landbouw- en plattelandsbeleid vorm te geven. Dat is van wezenlijk belang. Ten tweede zal ze de wind uit de zeilen nemen van de tegenstanders van de Europese Unie die ons onlangs nog hebben verweten dat de Europese Unie alles wil regelen, zelfs de vorm van bananen, de grootte van erwten, enzovoort. De modulatie bewijst voor minstens 20 procent dat de Unie lang niet alles tot in het kleinste detail wil regelen. Ten derde zullen we, dankzij de tenuitvoerlegging van de modulatie, gemeenschappelijke maatregelen kunnen nemen om het platteland aan te passen en te moderniseren. Wanneer we echter willen dat deze maatregelen door de landbouwers worden gesteund, moeten we er in de eerste plaats voor zorgen dat de autoriteiten op het platteland kunnen beslissen over…
(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)
Brian Simpson (PSE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ook dit maal kan ik, gezien het belang van dit voorstel voor de Britse landbouwers en onze plattelandsgemeenschappen, niet voor de aanbevelingen van de rapporteur stemmen om dit voorstel voor vrijwillige modulatie te verwerpen.
Ik neem deze gelegenheid te baat om alle Britse afgevaardigden van alle fracties eraan te herinneren dat het steunen van de verwerping van het voorstel ernstige gevolgen zal hebben voor de Britse uitgavenplannen op het gebied van plattelandsontwikkeling en dat u in feite stemt voor een forse bezuiniging van meer dan 1,2 miljard euro op de Britse plattelandsgebieden voor de komende zes jaar.
Ik wil alle afgevaardigden er bovendien aan herinneren dat, vanwege de geringe toewijzing die het Verenigd Koninkrijk in vergelijking met andere lidstaten voor plattelandontwikkeling ontvangt, het systeem van vrijwillige modulatie niet alleen in een behoefte voorziet, maar dat het essentieel is voor het voeren van ambitieuze en doeltreffende plattelandsontwikkelingsprogramma's in mijn land.
Ik denk dat we even stil moeten staan bij wat dit allemaal betekent, gewoonweg om het belang van deze punten te doen uitkomen.
Ten eerste zal vrijwillige modulatie het Verenigd Koninkrijk in staat stellen om veel bredere resultaten op milieugebied te boeken, in overeenstemming met vastgesteld EU-beleid.
Ten tweede moeten we, zonder voorbij te gaan aan de politieke gevoeligheden te rechter zijde in dit Parlement, ons ontegenzeglijk richten op de mogelijkheden om daadwerkelijk positieve resultaten te boeken voor de ontwikkeling van plattelandsgebieden. Zo kunnen we betalingen uitkeren aan landbouwers in het kader van agromilieuprogramma's die zijn gericht op verbetering van het milieu en de biodiversiteit; we kunnen landbouwers in berggebieden en hooglanden steunen; we kunnen regelingen uitwerken waarmee we de gevolgen van de klimaatverandering kunnen beperken door ondersteuning van energiegewassen en andere duurzame-energieproducten, en we kunnen bijdragen aan de bescherming van ons platteland op het gebied van essentiële natuurlijke hulpbronnen.
Dit alles komt door de opstelling van het Parlement ten aanzien van vrijwillige modulatie op de helling te staan en daarom zullen de afgevaardigden van de Labour Party tegen de kortzichtige aanbeveling van de commissie stemmen. Zonder vrijwillige modulatie zal het Verenigd Koninkrijk alleen bestaande afspraken kunnen nakomen, terwijl we veel meer zouden willen doen.
Tot slot zou ik graag ...
(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)
Thijs Berman (PSE). – Mevrouw de Voorzitter, de Nederlandse sociaaldemocraten stemmen morgen tegen het verslag-Goepel en tegen een voortgaande blokkade van nieuw landbouwbeleid. We moeten de impasse tussen Raad en Parlement doorbreken. Nieuwe projecten voor het Europese platteland mogen niet in gevaar komen. Geef de lidstaten de kans om daar meer geld voor vrij te maken binnen een Europese strategie voor het platteland, voor landschap en natuur. Afbouwen van inkomenssteun, om te beginnen met de grootste boeren, maar tegelijk meer investeren in het platteland, dát is de toekomst van het Europese landbouwbeleid. Door nu opnieuw te kiezen voor een blokkade met het drukmiddel van het blokkeren van 20 procent van het plattelandsbudget, zou het Parlement kiezen voor een herhaling van zetten, terwijl we juist nieuw beleid nodig hebben voor alle bewoners van het platteland. Door 2,48 miljard euro te blokkeren, lopen veel goede projecten gevaar. Voor Nederland gaat het om 14 miljoen, een klein beetje, maar het is veel voor de betrokkenen. Al die plannen voor een vitaal platteland mogen niet de dupe worden van een Brussels conflict. Wij moeten andere wapens zoeken en de Raad moet ook een stap zetten. Het compromis kan liggen in meer verplichte modulatie voor alle lidstaten. Meer geld afromen van de subsidies voor de grootste boeren, ten voordele van investeren in het platteland. Geen 5 procent, zoals nu, maar 15 procent, als 20 procent voor de Raad te veel is. En hoe groter de boer, hoe meer modulatie. Ook dat is redelijk. Laat de Commissie zich daarop richten. Het Europese platteland kan nu geen plannen maken en boeren weten niet waar ze aan toe zijn. Dat is onverantwoordelijk.
Gábor Harangozó (PSE). – (HU) Vorig jaar november verwierp het Europees Parlement het voorstel van de Commissie voor een vrijwillige modulatie van de rechtstreekse betalingen. Nu staan wij hier opnieuw en moeten wij ons buigen over een voorstel dat we al hebben verworpen. Wij moeten tegen dit voorstel stemmen, niet alleen omdat er niets substantieels in gewijzigd is, maar vooral omdat verschillende punten van het voorstel aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid.
Om te beginnen leidt het voorstel tot de opheffing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, omdat het beoogt dit beleid weer terug te brengen naar het nationaal niveau. Bovendien zouden de lidstaten in verschillende mate gebruik maken van de geboden gelegenheid, afhankelijk van hun respectieve begrotingssituaties, hetgeen zou leiden tot een ernstige concurrentieverstoring. Wij kunnen niet toestaan dat landbouwers, die het toch al niet makkelijk hebben, worden benadeeld door krappere begrotingen van bepaalde lidstaten.
Natuurlijk weten we allemaal dat de regelgeving krachtens de overeenkomst die de Raad in 2005 heeft bereikt geharmoniseerd moet worden, maar we moeten elke optie zorgvuldig in ogenschouw nemen. Het is immers zaak dat we in staat zijn de regelgeving op een consistente en passende manier te wijzigen. Het verslag in zijn huidige bewoordingen is dus onaanvaardbaar. We moeten een oplossing vinden die het bestaan van de boeren verbetert en ze niet in een nog moeilijkere situatie brengt.
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden, uit het grote aantal bijdragen aan dit debat blijkt wel hoeveel belang u allen aan het onderwerp vrijwillige modulatie lijkt te hechten. Ik ben het ermee eens dat het voorstel voor vrijwillige modulatie in een breder verband moet worden beschouwd, namelijk dat van de hele financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het algemeen en het plattelandsontwikkelingsbeleid in het bijzonder.
Vrijwillige modulatie is zeker niet het beste instrument om een versterking van de tweede pijler te bewerkstelligen; daar ben ik het mee eens. Maar zoals ik vandaag tijdens het debat heb benadrukt, wordt er veel aan gedaan om te proberen tegemoet te komen aan de zorgen die in het Europees Parlement zijn geuit. Deze inspanningen zullen de komende dagen en weken worden voortgezet, zoals ik in mijn inleiding heb uitgelegd. De Commissie is bereid haar voorstel zodanig aan te passen dat in het verkregen resultaat zoveel mogelijk van de geuite zorgen in aanmerking worden genomen. Ik hoop dat we tot een compromis zullen kunnen komen.
De Voorzitter. Het debat is gesloten.
De stemming vindt woensdag om 12.00 uur plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Kathy Sinnott (IND/DEM), schriftelijk. – (EN) Ik heb soms de indruk dat de Commissie een hekel heeft aan het GLB en er op termijn vanaf wil. Ik zou de Commissie eraan willen herinneren dat de GLB-overeenkomst loopt tot 2013. Nu al zorgt de verplichte modulatie voor moeilijkheden in de plattelandsgebieden van mijn kiesdistrict. Dit voorstel komt neer op een renationalisatie van het landbouwbeleid, waarbij er geen rekening mee gehouden wordt dat de lidstaten dan zelf over de rechtstreekse betalingen kunnen beschikken, zonder dat er een manier is om de besteding van het geld te controleren. Daarbij komt dat het voorstel geen alternatieven voor het bedrijven van landbouw aandraagt, noch een procedure bevat om te zorgen dat de concurrentiepositie van de landbouw niet onevenredig verslechtert. Het is zeker mogelijk dat het voor sommige landen een goed idee is om geld weg te halen bij de landbouw en het aan plattelandsontwikkeling te besteden, maar in grote delen van Ierland is de landbouw de basis van het plattelandsbestaan. Zonder de landbouw zouden de mannen en vrouwen op het Ierse platteland te maken krijgen met ontvolking of zich gedwongen zien vervuilende industrieën toe te laten om banen te verschaffen en te voorkomen dat mensen wegtrekken. In Ierland geldt: hoe meer geld we van de landbouw naar het platteland schuiven, hoe meer we beide in gevaar brengen. Als er een effectbeoordeling was uitgevoerd, zou dat eruit zijn gekomen.
(Verklaring ingekort overeenkomstig artikel 142, lid 7, van het Reglement)
13. Naar een Europees radiospectrumbeleid (debat)
De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0467/2006) van Fiona Hall, namens de Commissie industrie, onderzoek en energie, getiteld "Naar een Europees radiospectrumbeleid" (2006/2212(INI)).
Fiona Hall (ALDE), rapporteur. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik graag alle mensen bedanken die tijdens de voorbereiding van dit verslag hun kennis en deskundigheid met mij hebben gedeeld. Ik wil in het bijzonder de Commissie bedanken voor haar grote hulpvaardigheid en de schaduwrapporteurs van de andere fracties voor hun uiterst constructieve en behulpzame ideeën.
Het hoofdthema van dit verslag is dat de huidige methode om het radiospectrum te beheren met de voortdurende opkomst van nieuwe technologieën niet langer voldoet. Deze nieuwe technologieën maken gebruik van het radiospectrum, maar de beschikbare hoeveelheid radiospectrum zal altijd begrensd blijven door de wetten van de natuurkunde. We moeten dus manieren vinden om ervoor te zorgen dat deze kostbare hulpbron zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt.
Radiospectrumbeleid klinkt misschien als een moeilijk onderwerp dat voor de gewone burger niet van belang is, maar het eindresultaat van dat beleid is wel van fundamenteel belang, omdat er banen en economische groei mee gemoeid zijn. Als we onze benadering van het radiospectrum niet herzien, doen we de Europese industrie tekort, terwijl deze klaarstaat om wereldleider te worden op het gebied van communicatietechnologie. De innovaties die deze sector ontwikkelt zullen geen van alle fatsoenlijk tot ontwikkeling kunnen komen als er geen bandbreedte beschikbaar is en als het de sector onmogelijk wordt gemaakt om de hele Europese markt van 500 miljoen mensen te bedienen.
De Lissabonagenda is de drijvende kracht achter de nieuwe benadering van het spectrum, evenals de noodzaak voor Europa om vooruit te kijken als het gaat om de manier waarop het diensten van openbaar en algemeen belang beschikbaar maakt. Daar kom ik zo op terug.
Eerst wil ik kort iets zeggen over de voorgestelde wijzigingen. Op dit moment wordt het spectrum beheerd via een administratieve “commando en controle”-benadering, waarbij bepaalde frequenties worden toegewezen voor bepaalde specifieke toepassingen. In het verslag wordt betoogd dat dit administratieve model nu vervangen moet worden door een flexibelere benadering met meer ruimte voor gebruik zonder vergunning en met het instrument spectrumhandel.
Een wezenlijk onderdeel van deze flexibelere benadering is dat bandbreedte beschikbaar moet worden gesteld zonder dat er voorwaarden aan de dienstverlening of de te gebruiken technologie worden gesteld. Met andere woorden: een op de markt gebaseerde benadering van het spectrumbeheer zou dienst- en technologieneutraal zijn.
Natuurlijk zou dit vrijmaken van spectrumruimte bij de bestaande gebruikers een aantal vragen oproepen, bijvoorbeeld omtrent het mogelijk optreden van interferentie. Het is daarom van belang dat de veranderingen binnen een duidelijk wettelijk kader plaatsvinden en dat er van tevoren regelingen voor het beslechten van geschillen worden vastgesteld.
Op meerdere plaatsen in het verslag, onder meer in de paragrafen 11 en 13, wordt gewezen op het belang van het behoud van diensten van openbaar en algemeen belang en van de bevordering van de culturele en taalkundige verscheidenheid. Het is van belang dat we dit politieke streven los zien van de technische kwestie hoe dergelijke diensten moeten worden verleend.
Ik denk dat het een grote vergissing zou zijn om de frequenties die nu door omroepdiensten worden gebruikt, apart te houden door erop aan te dringen dat deze van iedere nieuwe benadering van het spectrumbeheer worden uitgesloten. In werkelijkheid zouden we onze mogelijkheden om een breed gamma aan sociaal nuttige diensten te ondersteunen namelijk beperken als we erop zouden aandringen dat het mechanisme voor de verstrekking van die diensten precies hetzelfde moet blijven, dat voor die diensten de tijd moet worden stilgezet terwijl alle andere toepassingen van het spectrum zich razendsnel ontwikkelen.
Om één voorbeeld te noemen: we staan in de EU voor de uitdaging om de vorming van een kloof tussen de "internet-haves" en de "internet-have-nots" tegen te gaan. Een gemakkelijke manier om de armste regio's van onze armste landen van internettoegang te voorzien is door middel van draadloos breedbandinternet, waarbij we profijt kunnen trekken van een deel van de spectrumruimte die is vrijgekomen door de overgang van analoge naar digitale omroep, het zogenaamde "digitale dividend".
Met dit ene voorbeeld wil ik aangeven waarom we diensten van openbaar en algemeen belang moeten blijven steunen, maar ook waarom we de frequenties die nu voor omroepdiensten worden gebruikt, niet als hoe dan ook onaantastbaar moeten beschouwen. We moeten alle mogelijkheden aangrijpen om op nieuwe manieren met nieuwe technologieën en aan meer mensen dan op dit moment diensten te verlenen. Het is van vitaal belang om de totstandkoming van een kenniseconomie in Europa te ondersteunen en daarom moet de mogelijkheid worden opengehouden van een flexibeler gebruik van het gehele radiospectrum, zonder dat daarbij bepaalde frequenties apart worden gezet.
Tot slot wil ik het amendement dat de PSE-Fractie heeft ingediend, verwelkomen. Dit fungeert als een evenwichtige samenvatting van de hoofdzaken die op het spel staan.
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, mijn complimenten aan het Europees Parlement, en in het bijzonder aan de rapporteur, mevrouw Hall, voor het feit dat het het belang inziet van de keuzen die Europa op het punt staat te maken op het terrein van het radiospectrumbeleid.
Politieke besluiten op dit terrein hebben directe gevolgen voor de kwaliteit van de werkgelegenheid en de groei in de Europese economie. De diensten die afhankelijk zijn van het radiospectrum maken zo'n 2 tot 3 procent uit van het Europese bbp. In onderzoeken voor de Wereldbank en de OESO wordt een duidelijk verband gelegd tussen de ontwikkeling van elektronische communicatiediensten en economische groei. In een econometrisch onderzoek voor de Commissie werd voorzichtig gesteld dat een betere bandbreedteverdeling 0,1 procent extra bbp-groei per jaar zou kunnen opleveren. Dit zou al na een paar jaar een niet te verwaarlozen winst betekenen.
Om aan te geven dat er geen tijd te verliezen is, is één woord voldoende, namelijk "convergentie". Nagenoeg alle vormen van communicatie worden in een hoog tempo digitaal en een toenemend aantal verschillende infrastructuren beconcurreert elkaar voor de doorgifte van de diensten. Oude scheidslijnen vervagen en daar moeten wij op reageren met regelgeving die gebruikers van het spectrum de mogelijkheid geeft de mix van diensten en technologieën te kiezen waar zij de voorkeur aan geven en die hen in veel gevallen in staat stelt om spectrumrechten aan elkaar door te verkopen.
Regelgeving is nog steeds hard nodig: we moeten interferentie vermijden, we moeten zorgen dat spectrumgebruiksrechten duidelijk worden omschreven en we moeten zorgen voor een gelijk speelveld. Het verslag waar we vanavond over debatteren komt grotendeels overeen met deze beleidsvisie en ik wil de rapporteur bedanken voor haar inspanningen.
Eén verschil van inzicht betreft de vraag of omroepdistributie door middel van gronduitzending in de geplande herzieningen moet worden opgenomen. De Commissie stelt geenszins het belang van de publieke functie van televisiemaatschappijen ter discussie, noch hun bijdrage aan de culturele en taalkundige verscheidenheid. We moeten echter heel goed nadenken voor we voorrang geven aan een specifieke vorm van omroepdistributie zonder rekening te houden met de beperkingen die dat voor onze samenleving met zich meebrengt in termen van kansen.
Een goed voorbeeld is dat in het verslag heel terecht draadloos breedband wordt uitgelicht als instrument voor plattelandsontwikkeling en het dichten van de digitale kloof. Hiervoor moeten lastige keuzen gemaakt worden als het gaat om de verhouding tussen omroepdiensten en andere diensten. Er moeten onvermijdelijke besluiten worden genomen om de middelen en het functioneren van de publieke-omroepdiensten veilig te stellen, maar we mogen het spectrumbeleid niet in de plaats laten komen van een echt debat. Het amendement biedt een evenwichtiger benadering doordat de noodzaak wordt vermeld dat de stabiliteit en de zekerheid voor mediadiensten worden gewaarborgd, alsmede het belang van een gelijk speelveld voor nieuwe toetreders en nieuwe technologieën.
Dan nog een laatste punt: de nationale regelgevende instanties moeten op basis van de volledige analyse bandbreedte toekennen aan omroeporganisaties. Deze moeten net als andere gebruikers een verplichting hebben tot goed rentmeesterschap en een zo efficiënt mogelijk gebruik van publieke middelen. Ons herzieningsvoorstel zou in onze ogen helpen om dit principe in de praktijk te brengen.
Etelka Barsi-Pataky, namens de PPE-DE-Fractie. – (HU) Technologische innovatie opent nieuwe en concrete perspectieven voor Europa. De overgang naar digitale technologie zorgt voor een surplus aan beschikbare frequenties tegenover de schaarste die er nu heerst. Het is daarom gepast en noodzakelijk ervoor te zorgen dat dit surplus deels voor nieuwe technologieën kan worden ingezet om zo een dynamische omgeving te creëren voor de Europese informatie- en communicatiebranche.
De regelgeving die hiertoe vereist is moet zodanig worden vormgegeven dat het traditionele systeem, gebruik zonder vergunning en de handel in frequenties, deel uitmaken van een doeltreffend spectrumbeheer. Er moeten duidelijke regels komen waaruit blijkt wat en hoeveel we toestaan op het gebied van frequentiehandel.
De Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten stelt zich op het standpunt dat wij op zeer korte termijn volledige duidelijkheid moeten scheppen inzake de spectrumhandel en de richtsnoeren hiervoor. In die context moeten de uitzendfrequenties heel zorgvuldig worden behandeld. Concentratie van frequenties en de vorming van monopolies moeten worden voorkomen. We moeten de verspreiding van nieuwe technologieën bevorderen naar plattelandsgebieden en minder ontwikkelde regio’s zonder dat we ze met de kosten daarvan opzadelen.
De Fractie van de Europese Volkspartij is ervan overtuigd dat bij de regelgeving op dit gebied maatschappelijke, culturele en politieke overwegingen in acht moeten worden genomen met het oog op versterking van de culturele en taalkundige diversiteit. Tijdens de opstelling van het verslag heb ik keer op keer de aandacht gevestigd op de verschillen tussen de lidstaten, waarmee rekening moet worden gehouden bij het creëren van regelgeving. Ik was daarom ingenomen met het initiatief van mevrouw Trautmann in dit verband, dat kan rekenen op mijn steun. Ten slotte dienen de lidstaten frequenties open te stellen met het oog op een Europese technologische harmonisering, die moet plaatsvinden op basis van onderlinge overeenstemming.
Catherine Trautmann, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mevrouw Hall, dames en heren, wij mogen ons vandaag uitspreken over de hertoewijzing van de radiofrequenties.
Dit is een zeer belangrijk dossier en de redenen waarom de Commissie een voorstel wil om deze hulpbron optimaal of maximaal te exploiteren, houden natuurlijk verband met de technologische ontwikkelingen, met het bestaan van het zogenaamde "digitale dividend" en de wil, die duidelijk is vastgelegd in de doelstellingen van Lissabon, om iedereen toegang te geven tot de nieuwe diensten, of het nu gaat om internet, mobiele telefonie of nog andere diensten.
Het ging zojuist in het bijzonder over breedbandinternet, waarmee de digitale kloof in de Unie zou kunnen worden gedicht, vooral op het platteland en in dunbevolkte gebieden. Waar we dus naar moeten streven is dat we zorgen voor een verstandig gebruik van de frequenties, waarmee een universele dekking in de 27 lidstaten kan worden gegarandeerd, met het oog op de duurzame ontwikkeling van alle regio's.
Deze frequenties vormen namelijk een hulpbron, een publiek, gemeenschappelijk goed, dat van strategisch belang is voor de Unie, en we moeten zorgen voor een efficiënt gebruik van het spectrum op de lange termijn. Net zoals we het over energieduurzaamheid hebben, denk ik dat we het ook over radiospectrumduurzaamheid kunnen hebben.
Ik wil graag mijn waardering uitspreken voor de inspanningen waarmee de Commissie een nieuwe Europese dimensie heeft willen geven aan het gebruik van dit digitale dividend en waarmee zij een herhaling heeft willen voorkomen van het reële probleem dat zich heeft voorgedaan bij de verkoop van de UMTS-netwerken, en dat door de ondernemingen als zodanig werd erkend. Zij stelt ons voor een markt te creëren. We moeten een manier vinden om voor meer flexibiliteit te zorgen, om speculatie en monopolies te vermijden en om de frequenties toegankelijk te maken voor nieuwe diensten en nieuwe marktdeelnemers.
Ik denk dat dat een goed voorstel is. Op die manier moeten we nieuwe mogelijkheden voor innovatie vinden, maar we moeten ook voorzichtig zijn in de manier waarop we deze verhandeling vormgeven, of het nu gaat om vergunningen, veilingen of toewijzingen, en in het bijzonder bij publieke diensten of diensten die, al is het maar tijdelijk, vrij toegankelijk zijn. Deze verschillende benaderingen moeten nog nader worden omschreven.
Binnen onze commissie hebben we gedebatteerd over de plaats van de omroepen, en ik zou hier luid en duidelijk willen zeggen dat ik voor mij altijd de uitzonderingspositie heb bepleit voor de informatieve en culturele uitzendingen die door omroepen worden verzorgd, in het bijzonder de publieke omroepen die niet over het benodigde private kapitaal beschikken om zich onder dezelfde voorwaarden toegang tot de markt te verschaffen als de zogezegd gewone ondernemingen.
We moeten dan ook rekening houden met deze situatie door ons eerlijk en rechtvaardig op te stellen en daarom heeft de socialistische fractie een amendement ingediend dat erop gericht is om rekening te houden met de efficiëntie van het radiospectrum, met het evenwicht tussen ruimte voor publieke uitzendingen en ruimte voor uitzendingen van de overheid over veiligheid, alsook met de rol van de regelgevende instanties en de rol van het bedrijfsleven.
Rebecca Harms, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik zal het kort houden. Vanuit de optiek van mijn fractie, die de benadering van de Commissie in principe toejuicht, zijn vijf punten van belang. Wij willen dat de nieuwe benadering die de Commissie voorstelt, niet leidt tot de vorming van oligopolies. Duitsland heeft slechte ervaringen met de veiling van UMTS-vergunningen. Onze fractie wil dat verscheidenheid waarborgende diensten te allen tijde voorrang krijgen. Ik ben het eens met mevrouw Trautmann dat we radiomakers altijd moeten bejegenen met bijzondere achting voor het werk dat zij doen, voor onze samenlevingen en het publiek. Wij willen technische neutraliteit en interoperabiliteit. Wij willen daadwerkelijk bredere beschikbaarheid. Dat is ook belangrijk voor de commissaris, omdat zij mede verantwoordelijk is voor het platteland. Wij willen op het platteland niet langer worden benadeeld en ook wij willen toegang hebben tot snelle internetverbindingen. Tevens dienen de procedures voor veilingen voortaan volledig transparant en begrijpelijk te zijn.
Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, naar ik aanneem verwacht u een reactie van de Commissie, maar ik beloof dat ik het kort zal houden.
Ik deel het oordeel van het Parlement als het gaat om de vitale rol van de publieke omroep voor de democratie, de verscheidenheid en het voeden van het publieke debat. Het is noodzakelijk dat toekomstige regelgeving de distributie van deze programma's aan de burgers blijft garanderen, in overeenstemming met de openbaredienstverplichtingen die deze omroeporganisaties zijn aangegaan. Ervan uitgaande dat deze doelen kunnen worden verwezenlijkt en met het oog op de convergentie, die een feit is, moeten we zorgvuldig beoordelen hoeveel bandbreedte er nodig is om openbare-omroepdiensten te kunnen verstrekken en om een efficiënt gebruik van het spectrum te waarborgen. We moeten omroeporganisaties dan ook de middelen en de flexibiliteit verschaffen waarmee zij hun aanbod ten voordele van onze samenleving kunnen ontwikkelen.
De Commissie heeft aandachtig geluisterd en uw inbreng zal in aanmerking genomen worden in het voorstel tot herziening van de telecommunicatieverordening dat halverwege 2007 zal worden ingediend.