Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/0278(CNS)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0061/2007

Ingediende teksten :

A6-0061/2007

Debatten :

PV 28/03/2007 - 16
CRE 28/03/2007 - 16

Stemmingen :

PV 29/03/2007 - 8.8
CRE 29/03/2007 - 8.8
Stemverklaringen
PV 22/05/2007 - 9.6
CRE 22/05/2007 - 9.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0095
P6_TA(2007)0191

Debatten
Woensdag 28 maart 2007 - Brussel Uitgave PB

16. Biologische productie en etikettering van biologische producten (debat)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0061/2007) van Marie-Hélène Aubert, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten (COM(2005)0671 – C6-0032/2006 – 2005/0278(CNS)).

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel , lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik juich deze gelegenheid om ons voorstel voor een nieuwe verordening van de Raad inzake de biologische productie te bespreken, toe. Allereerst wil ik graag de rapporteur, mevrouw Aubert, en de leden van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling danken voor hun inspanningen. Het grondige werk dat zij hebben verricht, levert een zeer waardevolle bijdrage aan onze besprekingen.

Gezien het feit dat er binnen de Europese Unie 160 000 biologische landbouwbedrijven zijn met meer dan zes miljoen hectare landbouwgrond, wordt de omzet van biologische producten geschat op een bedrag tussen de dertien en veertien miljard euro. Deze tendens vertoont een stijgende lijn, dus het is zeker een zeer belangrijke sector. Het lijdt voor mij geen twijfel dat deze groeiende sector een essentiële rol te vervullen heeft. Hij komt tegemoet aan een reeks verwachtingen van het publiek en de klant; verwachtingen op het gebied van voedselkwaliteit, zorg voor het milieu, dierenwelzijn en mogelijkheden om het platteland te ontwikkelen.

Het is ook een sector met veel optimisme voor en vertrouwen in de toekomst, zoals ik duidelijk heb kunnen zien tijdens mijn recente bezoek aan de BioFach in Nürnberg. Maar als deze sector zijn volledige potentieel wil benutten, is er een geschikt regelgevingskader nodig, en dit is feitelijk wat we willen bereiken met onze nieuwe verordening. Het is daarom een zeer belangrijk wetgevingsvoorstel, en ik ben verheugd over de vooruitgang die we door onze beraadslagingen van het afgelopen jaar hebben kunnen boeken.

In 2006 vonden er in de Raad en het Parlement zeer intensieve discussies plaats over ons voorstel. Als gevolg hiervan zijn enkele aspecten uit het originele voorstel die erg gevoelig bleken te liggen, nu helemaal verdwenen. Hiertoe behoren een verbod op verdergaande beweringen, de wederzijdse erkenning van particuliere normen door controleorganisaties en de Europese biologische aanduiding.

Ook heeft het Parlement een reeks amendementen voorgesteld om de formulering van de doelstellingen en beginselen van biologische landbouw te verbeteren, met betrekking tot de aanduiding van de herkomst van de producten, met betrekking tot het expliciete recht om nationale en internationale logo’s te mogen gebruiken, met betrekking tot het verankeren van het controlesysteem in de officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen, en de aanvullende garanties op importproducten. Deze amendementen verbeteren het originele voorstel, en ik zal ze daarom met genoegen overnemen.

Daarnaast zijn we erin geslaagd om in de verordening meer nadruk te leggen op bodemvruchtbaarheid, bodemleven en bodembeheerspraktijken. Het vraagstuk rond GGO’s en biologische landbouw heeft veel discussie opgeroepen. Ik heb nota genomen van de wens van het Parlement om marktdeelnemers te laten bewijzen dat ze alle nodige maatregelen hebben genomen om onvoorziene of technisch onvermijdelijke aanwezigheid van GGO’s te vermijden, en ik ben het daar roerend mee eens. Hoewel deze amendementen dus een herhaling zijn van een bestaande eis heb ik besloten ze te aanvaarden vanwege de enorme gevoeligheid van deze kwestie.

Maar laat tegelijkertijd glashelder zijn dat de drempel voor onvoorziene aanwezigheid van GGO’s geen feitelijke drempel is voor tolerantie ten opzichte van GGO’s, zoals sommigen suggereren. Het gebruik van GGO’s en daarvan afgeleide producten in de biologische productie blijft ten strengste verboden.

Hoewel de Commissie en het Parlement elkaar met betrekking tot de fundamentele aspecten van de nieuwe verordening hebben gevonden, zijn er bepaalde kwesties waarover we het nog niet eens hebben kunnen worden, en enkele daarvan wil ik kort bespreken.

Het Parlement vraagt om meer details, en het is duidelijk dat een groot deel van de gedetailleerde regels zoals we die van de huidige verordening kennen, zijn geschrapt. Laten we echter niet vergeten dat een van de belangrijkste doelen van dit voorstel was om de basisregels duidelijker en logischer te op te stellen. Dit betekent echter niet dat de gedetailleerde regels die de unieke structuur van biologische normen vormen, maar helemaal moeten verdwijnen. Beslist niet. Maar ik ben van mening dat ze beter op hun plaats zijn in de uitvoeringsregels, en qua inhoud zullen deze gedetailleerde regels, zoals ik u al eerder bevestigde, zeer veel lijken op de gedetailleerde regels van de huidige verordening.

Met betrekking tot onze wens om het toepassingsgebied uit te breiden zodat het ook grootkeukens, cosmetica, textiel en visconserven omvat, wil ik opmerken dat we niet alles in één keer kunnen doen. We breiden het toepassingsgebied nu aanzienlijk uit met wijn en aquacultuur. De andere sectoren bevindt zich nog in een zeer vroeg ontwikkelingsstadium, en ik ben van mening dat het hun ontwikkeling zou belemmeren wanneer we die zouden harmoniseren. De huidige tekst biedt feitelijk de mogelijkheid om deze kwestie in 2011 weer te bekijken.

In dit verband heb ik ook gemerkt dat u een dubbele rechtsgrondslag wilt zien voor dit voorstel. Het is geen geheim dat er een bredere discussie gaande is met betrekking tot de invoering van medebeslissing inzake landbouwkwesties. Dit is een belangrijke kwestie en een discussie waarvan ik duidelijk heb aangegeven dat ik die toejuich. Maar het is een kwestie die moet worden aangepakt op een horizontale manier, op het juiste niveau en in de juiste context. Ik denk niet dat er iemand mee gediend is wanneer deze kwestie per geval wordt benaderd, en kan daarom de door u voorgestelde verandering van de rechtsgrondslag van de nieuwe verordening inzake biologische landbouw niet aanvaarden.

Tot slot stelt u voor dat de lidstaten striktere nationale regelgeving mogen handhaven of invoeren. Dat vind ik onaanvaardbaar. Het doel van deze verordening is juist om te komen tot een solide harmonisatie op een niveau dat strikt genoeg is, met een flexibiliteitsmechanisme voor uitzonderingen. Ik ben van mening dat we, door de regels op een redelijk hoog niveau en met enige flexibiliteit te harmoniseren, hetzelfde doel bereiken, maar dan met een beperkt risico van ongelijke behandeling van marktdeelnemers die in gelijke omstandigheden verkeren. Ik ben ervan overtuigd dat we op deze manier een bloeiende interne markt voor biologische productie kunnen bevorderen.

Neem me niet kwalijk dat ik zo lang aan het woord ben geweest, maar het is een zeer belangrijke kwestie en die wilde ik uitvoerig bespreken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Commissaris, het staat de Commissie vrij zo lang te spreken als zij wil en zo veel te zeggen als nodig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Hélène Aubert (Verts/ALE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, zoals u weet verkeert de biologische productie in een nogal paradoxale situatie. Aan de ene kant neemt de vraag toe omdat het een productiemethode is die banen schept en het milieu, de biodiversiteit en uiteindelijk ons aller gezondheid beschermt. Aan de andere kant vertegenwoordigt de biologische productie nog altijd maar iets meer dan 1 procent van de Europese landbouwproductie en iets meer dan 3 procent van het areaal dat bestemd is voor landbouwactiviteiten, en dat is niet veel. Ik vind dat het onze verantwoordelijkheid is om de biologische productie binnen de Europese Unie te ontwikkelen.

Kwantitatief is dit misschien een kwestie die niet veel om het lijf heeft, maar politiek en symbolisch gezien is zij enorm belangrijk, want de biologische productie is ook een eerste aanzet om het gemeenschappelijk landbouwbeleid in te ruilen voor een veel duurzamere vorm van productie, en die kant moeten we op.

Gedurende heel 2006 hebben we gewerkt op basis van een Commissievoorstel dat de nodige vraagtekens en de nodige weerstand heeft opgeroepen; ook moesten we overhaast te werk gaan, omdat we in eerste instantie binnen twee maanden ons oordeel moesten geven over een voorstel dat niet echt goed onderbouwd was. Ik zal echter de eerste zijn om te erkennen dat het werk constructief is geweest en dat regelmatig overleg heeft plaatsgevonden, zowel met de Commissie als de Raad, om het oorspronkelijke voorstel te verbeteren. Wat hoopte deze parlementaire Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling uiteindelijk te bereiken met al deze uitwisselingen, al deze discussies over en weer? U hebt de belangrijkste elementen genoemd.

Ten eerste wilde ze het toepassingsgebied van deze verordening uitbreiden tot niet-voedingsproducten zoals textiel en cosmetica, maar ook en bovenal tot cateringactiviteiten, omdat catering een geweldige hefboom is voor het ontwikkelen van de biologische productie in onze lidstaten. We zouden wel gek zijn als we hier geen gebruik van maakten. Dat is ook waarom we een dubbele rechtsgrondslag willen – de artikelen 37 en 95 – die betrekking hebben op de interne markt en consumptie. Het lijkt erop dat u niets dan lof hebt voor ons werk, voor onze bijdrage en daarmee voor het feit dat het Europees Parlement veel meer betrokken is geraakt – nog afgezien van medebeslissing in het algemeen voor landbouw, want dat is een ander debat dat we nog moeten voeren.

Als we dit werk willen voortzetten, als we afgevaardigden echt recht van controle willen geven over deze fameuze uitvoeringsbesluiten die een cruciale rol gaan spelen bij de tenuitvoerlegging van deze verordening, dan moet u mijns inziens instemmen met deze dubbele rechtsgrondslag, en we zullen dit debat voortzetten.

Zoals u al zei hebben we daarnaast gevraagd – uitgaande van een vage tekst – om veel nauwkeuriger te definiëren wat wordt verstaan onder inspectie, certificering, al dan niet toegestane producten bij biologische landbouwpraktijken, het verband met de grond, dierenwelzijn, enzovoorts. En u had het over de uiterst gevoelige kwestie van de afwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen in biologische producten. Deze producten moeten vrij zijn van GGO’s, en ook van onkruidbestrijdingsmiddelen en synthetische chemicaliën.

Wat genetisch gemodificeerde organismen betreft willen wij consumenten absoluut kunnen verzekeren dat de biologische productie geen GGO’s bevat, van zaaigoed tot distributie. De huidige drempel van 0,9 procent, een etiketteringsdrempel, zorgt voor verwarring. We moeten ons dan ook opnieuw buigen over deze kwestie, zodat we bij zowel conventionele gewassen als biologische landbouwproducten kiezen voor de detectiedrempel en hoe dan ook alle vereiste maatregelen nemen om verontreiniging van biologische gewassen door GGO’s, zelfs onvoorzien, te voorkomen.

U zegt dat het niet mogelijk is in te stemmen met de strengere maatregelen die de lidstaten wellicht doorvoeren. Naar ons idee moeten de normen van particuliere en overheidsinstanties, die reeds bestaan en waarmee consumenten vertrouwd zijn, kunnen blijven bestaan. Dat is in ieder geval wat wij voor ogen hebben, en als er al sprake is van flexibiliteit, moet de harmonisatie opwaarts zijn en niet neerwaarts, waarvoor we vrezen.

U hebt ons een aantal antwoorden gegeven. Ik denk dat dit debat doorgaat, waarschijnlijk ook na de stemming van morgen.

Tot slot wil ik nog zeggen dat deze verordening niet zaligmakend is en dat deze niet alle vraagstukken met betrekking tot de biologische productie zal oplossen. Ook in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet deze productie veel meer gesteund worden dan momenteel het geval is.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberto Musacchio (GUE/NGL), rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het werk dat binnen mijn commissie is verricht, waar ik rapporteur van was, is zorgvuldig uitgevoerd en het resultaat werd met eenparigheid van stemmen aangenomen in de commissie.

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid is duidelijk enorm betrokken bij de bescherming van het milieu, maar in dit specifieke geval hebben we ons geconcentreerd op hoe het milieu ook beschermd kan worden middels de wetten van de markt. Ik zeg dit omdat het kernpunt van het advies dat ik heb voorgelegd, het volgende is: voor degenen die biologisch voedsel produceren, verkopen of kopen moet het buiten kijf staan, zonder enige ruimte voor misverstanden, dat dit voedsel echt biologisch is en bijvoorbeeld niet besmet met GGO’s. Ik denk dat het essentieel is voor ons om deze 'nuldrempel' op besmetting direct in te voeren; dit kan niet uitgesteld worden totdat toekomstige maatregelen worden ingevoerd. Eenieder die een product verkoopt, een luxe auto bijvoorbeeld, kan niet toestaan dat het product ook maar één bout bevat die niet bij die auto hoort.

Dit is dan ook het kernpunt van de aanbeveling van mijn commissie, dat we graag opgenomen zouden zien in de definitieve tekst.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik wil mevrouw Aubert graag hartelijk danken voor haar zeer geëngageerde verslag. De biologische landbouw is van groot publiek belang. Hij strekt zich uit over een breed terrein en speelt ook in de verschillende lidstaten steeds een andere rol. Het onderwerp is dan ook zeer controversieel en het debat erover emotioneel geladen. In dit kader vormen de genetisch gemodificeerde organismen een groot probleem binnen de biologische landbouw. Daarom steun ik voor de biologische landbouw de grenswaarde van 0,0 procent, want wat wij vrij van genetische modificatie noemen, moet dat ook daadwerkelijk zijn. Daarbij moeten ook problemen van co-existentie en aansprakelijkheid worden opgelost, commissaris, en ik weet dat u op dat punt aan onze kant staat.

De toekomst van de biologische landbouw ligt vooral in handen van de consumenten. Zij maken uit of ze bereid zijn meer te betalen voor natuurlijke en genetisch niet gemodificeerde levensmiddelen. De groei van de omzet in biologische producten gedurende de laatste jaren bevestigt ondubbelzinnig dat de bevolking deze kwaliteit op waarde schat. Maar juist tegen die achtergrond is het belangrijk dat de consument weet waar de levensmiddelen vandaan komen. We moeten waarborgen dat de Europese biologische etikettering ook daadwerkelijk alleen wordt gebruikt voor die producten uit de lidstaten die aan de criteria voldoen. Ik juich het toekomstige gebruik van logo’s, de voorgenomen precieze etikettering van producten en de daaraan verbonden mogelijkheid om de herkomst te traceren ten zeerste toe, omdat daardoor ook een betere controle mogelijk is. Het is belangrijk dat met de belangen van producenten en consumenten in gelijke mate rekening wordt gehouden. Met gemeenschappelijke, gecoördineerde maatregelen kunnen we, zonder het beginsel van subsidiariteit in gevaar te brengen, nog meer voordelen voor zowel de Europese landbouw als de consumenten bewerkstelligen. De 197 ingediende amendementen laten echter zien dat we op dit moment nog niet zover zijn dat we kunnen stemmen over het verslag. Ik steun dan ook de rapporteur met betrekking tot de amendementen 37 en 39.

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  María Isabel Salinas García, namens de PSE-Fractie. (ES) De biologische landbouw vraagt van ons – ik zou zelfs zeggen eist van ons – duidelijke, eenvoudige regelgeving die beantwoordt aan de behoeften van een duidelijk groeiende markt.

De Europese consument koopt steeds vaker biologische producten en we moeten zo snel mogelijk een adequaat kader scheppen voor de bevrediging van die behoefte, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de belangen van de consumenten, maar tegelijk ook met die van de sector en van het milieu in het algemeen.

Het verslag waarover we vandaag debatteren en dat al vanaf het begin van de onderhandelingen met moeilijkheden kampt, vormt daarvoor een goed uitgangsdocument. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de rapporteur, mevrouw Aubert, te feliciteren met het uitstekende werk dat zij heeft verricht. Ik zeg dat dit een goed document is omdat er bijvoorbeeld rekening in wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende Europese regio’s, omdat de bevoegdheden van de verschillende autoriteiten en organen die de biologische producten moeten controleren beter worden afgebakend en omdat het gebruik van één verplicht logo wordt voorgesteld, iets waarop ik ook heb aangedrongen tijdens de behandeling in de commissie.

Ook wordt in het verslag bepaald dat producten uit derde landen die in de Europese Unie als biologische producten op de markt worden gebracht, aan normen moeten voldoen die gelijkwaardig zijn aan de Europese regelgeving.

Kortom, ik denk dat met dit verslag wordt beoogd om de biologische productie en consumptie te bevorderen en deze groeiende sector te consolideren als de elite van onze landbouw, want het is het verschil in kwaliteit dat het onderscheidende kenmerk van de biologische landbouw zal moeten vormen.

Dit gezegd hebbende, denk ik dat we nu in een nieuw debat terechtkomen waar we tot voor kort nog geen rekening mee hadden gehouden: nu wordt de mogelijkheid geopperd om het Europees Parlement een grotere stem te geven in de besluitvorming, door een stap verder te gaan en de medebeslissingsprocedure van toepassing te laten worden, ofwel door te vragen om een dubbele rechtsgrondslag voor deze verordening.

Ik wil heel duidelijk zeggen dat wij als fervente Europeanen in principe altijd voorstander zijn van een grotere beslissingsbevoegdheid voor dit Parlement, dat bij uitstek de uitdrukking van de democratische beginselen van de Europese Unie is; vandaar dat wij morgen dienovereenkomstig zullen stemmen.

Ik wil er echter ook op wijzen en beklemtonen dat deze verordening een maatschappelijke eis is vanuit de sector en de consumenten, waardoor de stappen waarover we vanaf morgen besluiten moeten gaan nemen niet te lang op zich mogen laten wachten, en dat we ten behoeve van de rechtszekerheid van de producenten en van het consumentenvertrouwen tempo zullen moeten maken, zodat we snel over een verordening beschikken die al heel lang door de Europese sector wordt geëist en waarmee deze biologische landbouw zich kan onderscheiden, ten behoeve van de veiligheid van de consumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Kyösti Virrankoski, namens de ALDE-Fractie. (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur, mevrouw Aubert, bedanken voor haar uitstekende verslag. De biologische productie is een sector van de landbouwproductie. Het belang ervan zal in de toekomst waarschijnlijk toenemen, omdat consumenten meer dan ooit aandacht besteden aan de kwaliteit van voedsel in plaats van aan de prijs ervan. De biologische productie is een manier om de kwaliteit, smaak en houdbaarheid van producten te verbeteren, waardoor meerwaarde voor landbouwbedrijven ontstaat en hun rendabiliteit toeneemt. Deze vorm van productie is echter een lastige landbouwsector, die grote toewijding vereist. Zelfs de kleinste fouten zijn moeilijk recht te zetten, omdat de mogelijkheden van de conventionele landbouw ontbreken.

Het landbouwbeleid van de Europese Unie kenmerkt zich doorgaans door bureaucratie en de complexiteit van de regels. Met de biologische productie valt te vrezen dat de last nog groter wordt. De landbouwer moet zowel de communautaire als de nationale regelgeving zeer goed kennen. De onderhavige ontwerpverordening brengt nog meer regels met zich mee. Op zich is het doel, het waarborgen van het consumentenvertrouwen, goed, maar als er te veel regels zijn, kan dit leiden tot een vertraging van de groei van de biologische landbouw en zullen veel boeren ermee ophouden. Dit zal de hele sector schaden.

Mijnheer de Voorzitter, landbouw en de levensmiddelenindustrie vormen samen een enorme Europese productiesector. Daarbinnen is ruimte voor verschillende methodes en trends. De biologische productie kan zeer aantrekkelijke mogelijkheden bieden, vooral in de regio’s met de moeilijkste natuurlijke omstandigheden. Hopelijk versterkt deze verordening de voedselproductie in ons werelddeel en vergroot zij het succes ervan in de mondiale concurrentie.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Angelilli, namens de UEN-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als Italiaanse wil ik graag opmerken dat Italië wereldwijd op de vierde plaats staat als producent van biologische producten, terwijl het binnen de Europese Unie de eerste plaats inneemt. Daarom staan wij achter de wijzigingen die door dit verslag in de verordening zijn aangebracht: deze wijzigingen hebben betrekking op het toepassingsgebied, de flexibiliteit voor de lidstaten, controles en het vrije verkeer van biologische producten binnen de Europese Unie.

Anderzijds vinden wij dat er, op het vlak van de etikettering, een absolute garantie moet zijn dat producten biologisch zijn en dat er daarom, gedurende welke fase van het productieproces dan ook, geen ongewilde besmetting met GGO’s mag hebben plaatsgevonden. De geldende verordeningen staan een maximale grens van 0,9 procent besmetting met GGO’s van biologische producten toe, een percentage dat helaas gelijk ligt aan dat van traditionele landbouwproducten.

Tot slot, om een terugval in de consumptie te voorkomen als gevolg van een crisis in het vertrouwen in levensmiddelen die juist worden gekozen en gekocht vanwege hun kenmerken en de natuurlijke productiewijze, is het noodzakelijk om een grens van ongewilde besmetting met GGO’s van biologische producten vast te leggen.

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, de rapporteur heeft een goed verslag gepresenteerd en het Parlement moet er bij de Commissie en de Raad op aandringen dat van dit goede verslag ook gebruik wordt gemaakt. Met andere woorden, wij hebben een medebeslissingsprocedure nodig, vooral omdat alles aan deze verordening wat nieuw is, te maken heeft met de interne markt. De landbouwaspecten zijn allemaal in het verleden al geregeld en die regelingen kunnen in principe worden overgenomen. Vandaar de dubbele rechtsgrondslag, ook omdat u terecht hebt geconstateerd dat veel details moeten worden geregeld in de uitvoeringsbepalingen. Het Parlement moet zich, evenals de Raad, het recht op inspraak voorbehouden bij deze uitvoeringsbepalingen. U weet dat we nu een regeling hebben. Als de Grondwet er zou zijn geweest, zou het probleem zonder meer al zijn opgelost. De komende tijd zullen we daarover met elkaar in de clinch moeten.

Met betrekking tot de GGO’s ben ik blij dat u hebt geconstateerd dat 0,9 procent geen besmettingsdrempel is. Het is een etiketteringsdrempel, geen recht op besmetting. Onze fractie maakt zich echter zorgen dat de technische mogelijkheden om besmetting te voorkomen, niet ten volle zullen worden benut en dat bijgevolg de 0,9 procents-drempel naar boven toe zal worden bijgesteld. We streven er eerder naar dat die drempel naar beneden toe bijgesteld wordt, want wij zijn van mening dat bij biologische landbouw elke vorm van besmetting volledig moet worden uitgesloten. Ik hoop dat u hier begrip voor kunt opbrengen en passende maatregelen wilt nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vincenzo Aita, namens de GUE/NGL-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik ben van mening dat de onderhavige regeling morgen tijdens de stemming in de vergaderzaal aanzienlijk verbeterd kan worden door het Parlement. Een regeling als deze, die een grens van 0,9 procent besmetting met GGO’s van biologische producten vaststelt, een grens die gelijk ligt aan die van traditionele producten, is niet in het voordeel van biologische producenten en vooral niet van de consument.

Zelfs de gegevens die ons door de Commissie zijn aangereikt, laten zien dat deze regeling aanzienlijke schade aan de biologische sector kan toebrengen. Het vaststellen van eenzelfde grens voor traditionele producten en biologische producten kan zelfs verwarring onder consumenten veroorzaken, die wellicht niet langer voor biologische producten kiezen. Dat zou desastreuze gevolgen hebben voor het landbouwproductiesysteem, dat in de afgelopen jaren aanzienlijk is gegroeid binnen deze sector.

Ik ben daarom van mening dat het Parlement terug moet gaan naar een grens van nultolerantie om deze producten nog aantrekkelijker te maken en ervoor te zorgen dat ze in toenemende mate worden geconsumeerd, en dat de consument nog meer bescherming wordt geboden. Een biologisch product waar een grens van 0,9 procent op van toepassing is, heeft geen nut, en daarbij zien de consumenten niet in waarom ze meer geld uit zouden geven aan een product dat hun niet langer de benodigde garanties geeft en besmet is.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli, namens de ITS-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wijs de poging om een duidelijke indicatie van het land van herkomst op het etiket van het product te verwijderen ten gunste van een EU-etiket dat er alleen toe zou dienen om de traceerbaarheid te bemoeilijken, af. De Commissie probeert, net als altijd, te standaardiseren in plaats van te harmoniseren. Biologische producten hebben marketingtechnisch een zeer gunstige marktpositie, dankzij het 'biologische' label, en een respectabele omzet vergeleken met andere producten, ondanks de hogere retailkosten.

Tot op heden hebben de etiketten tot goede resultaten geleid op het gebied van differentiatie van vraag en aanbod. Dit zou verloren gaan wanneer een algemeen EU-etiket het bewustzijn van de consument ondermijnt. De verordening moet een garantie van onafhankelijkheid bieden aan certificeringsinstanties, in het bijzonder met het oog op de betrekkingen met marktdeelnemers uit niet-EU-landen.

Wij hebben behoefte aan een accreditatiesysteem dat gebaseerd is op strikte, transparante regels, maar dat is iets wat de Commissie niet wil. Ten slotte moet het idee om een EU-logo te introduceren voor biologische producten die afkomstig zijn uit niet-EU-landen, zonder de onmisbare indicatie van de regionale en nationale herkomst van het product, zonder meer worden afgewezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioannis Gklavakis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik geloof wel te mogen zeggen, dat oordelend naar de resultaten, de communautaire wetgeving inzake biologische producten nu al meer dan vijftien jaar lang met redelijk succes in de Europese Unie wordt toegepast. Deze resultaten hadden natuurlijk beter kunnen zijn, want als in het Europa van de Vijfentwintig 1,4 procent van alle landbouwbedrijven biologisch is en in totaal slechts 3,6 procent van het gebruikt landbouwareaal beslaat, betekent dat er nog heel veel ruimte is voor verdere ontwikkeling.

Hoe kunnen wij evenwel de consumenten ervan overtuigen om biologische producten te verkiezen, om meer uit te geven voor voedsel, en aldus via de verhoging van de vraag een groter aantal landbouwers ertoe aan te zetten biologisch te produceren? Door natuurlijk voortdurend strenge controle uit te oefenen op de kwaliteit van de producten, door te verzekeren dat deze vrij zijn van genetisch gemodificeerde organismen en vooral door een correcte etikettering toe te passen, want daarmee kan het vertrouwen van de consument worden versterkt. Wij moeten hier evenwel wijzen op het ernstigste probleem dat het vertrouwen van de consument gewoonlijk aantast: de import van zogenaamde biologische producten uit derde landen. Wij moeten streng zijn ten aanzien van de ingevoerde biologische producten. Alleen indien productiemethoden worden toegepast die overeenkomen met de communautaire methoden, mogen wij het recht verlenen op het voeren van het etiket 'biologisch'. Wij weten immers allen dat de productiekosten in de landbouw van derde landen gewoonlijk veel lager zijn. Als dan ook nog de regels inzake biologische teelt worden omzeild, zullen de ingevoerde producten niet alleen niet biologisch zijn – hetgeen betekent dat de consumenten voor de gek worden gehouden – maar eveneens de Europese landbouwers, die wel aan alle voorwaarden en vereisten voldoen, ernstige concurrentie aandoen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marc Tarabella (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, dames en heren, ik wil graag allereerst mijn tevredenheid tot uitdrukking brengen. Dit verslag over de biologische productie en de etikettering van biologische producten is eindelijk voorgelegd aan de plenaire vergadering, en ook nog op een belangrijk moment, want de stemming binnen de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling op 27 februari viel samen met een demonstratie door agrobiologen, die zich terecht beklaagden over de nieuwe specificaties voor de biologische productie, die nog altijd 0,9 procent verontreiniging toestaan, het niveau dat in de conventionele landbouw wordt toegestaan.

Dit verslag, dat te danken is aan de noeste arbeid van mevrouw Aubert, voor wie ik mijn petje afneem, is dan ook vreselijk belangrijk voor de hele sector en biedt het Parlement een unieke kans om zich te distantiëren van de Raad en de Commissie. Het is echt cruciaal, met name nu, om een krachtig signaal af te geven teneinde de biologische productie te beschermen.

Hiertoe heb ik, namens de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement, amendement 170 ingediend, dat als volgt luidt: 'de lidstaten moeten een passend wettelijk kader tot stand brengen, gebaseerd op het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt, om elk risico uit te sluiten dat biologische producten verontreinigd worden door GGO’s. Marktdeelnemers moeten alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen om elk risico van ongewilde of technisch onvermijdelijke verontreiniging door GGO’s te voorkomen. De aanwezigheid van GGO’s in biologische producten moet uitsluitend beperkt zijn tot onvoorziene en technisch onvermijdbare hoeveelheden tot een maximale waarde van 0,1%.'

Kortom, het is cruciaal om de essentie van de biologische productie niet wezenlijk te veranderen door te hoge niveaus van onopzettelijke verontreiniging toe te staan, maar net zo belangrijk is het om een minimale hoeveelheid te hanteren die aanvaardbaar is voor en aanvaard wordt door de sector, teneinde biologische landbouwers niet te duperen, van wie de onbedoeld verontreinigde productie niets meer waard zou zijn bij een beleid dat geen enkele verontreiniging toestaat.

Verder steunen wij het gebruik van natuurlijke minerale meststoffen met stikstof en alle andere natuurlijke minerale meststoffen, en daarom stellen we voor, via de amendementen 168 en 169, om de passage in artikel 8, lid 1, letter d) te verwijderen die het gebruik van minerale meststoffen met stikstof wil verbieden.

Tot slot schaar ik me volledig achter de beslissing van de Commissie juridische zaken van het Parlement om de dubbele rechtsgrondslag toe te passen – artikelen 37 en 95 van het Verdrag – omdat het twee voordelen heeft biologische landbouw eveneens onder de werkingssfeer van de interne markt te laten vallen. Ten eerste zou dit verslag, dat is goedgekeurd binnen de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, uitgebreid worden tot de hele cateringsector – cateraars, grootkeukens, kantines, restaurants – en tot sommige producten zoals voedingssupplementen. Ten tweede zouden we volgens de internemarktwetgeving van een raadplegingsprocedure naar een medebeslissingsprocedure gaan, hetgeen ons een cruciaal recht zou geven toe te zien op het uitwerken van deze verordening, die rechtstreeks van invloed zal zijn op de kwaliteit van de Europese voeding.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). – (PL) Ondanks de grote belangstelling voor de biologische landbouw, zowel bij de consumenten als bij de producenten en de media, ontwikkelt de sector zich nog steeds te langzaam. Wat zijn hiervoor de redenen en welke maatregelen kunnen we nemen om de consumptie – en bijgevolg de productie – van biologische voeding te vergroten?

Ik ben van mening dat we in eerste instantie moeten zorgen voor stabiele voorwaarden voor ontwikkeling en de sector op gepaste wijze moeten steunen. Ik denk bijvoorbeeld aan doeltreffende certificatie-, etiketterings- en controlesystemen, onder andere om de import uit derde landen te controleren. Kortom, we hebben behoefte aan een goede wetgeving.

Door de kleinschaligheid van de biologische sector is de distributie van biologische producten bijzonder duur en bijgevolg niet erg interessant voor groothandelaars. Met het oog hierop zou het een goede zaak zijn om deze schakel van de biologische productieketen met externe subsidies te ondersteunen. Verder zou het wenselijk zijn dat de biologische landbouwers zich organiseren.

Daarnaast zou het de biologische landbouw ten goede komen wanneer in het onderwijs meer aandacht aan biologische producten zou worden besteed en wanneer de sector sterker zou worden gepromoot.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernadette Bourzai (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, dames en heren, ik wil allereerst mevrouw Aubert gelukwensen met het uitstekende werk dat ze sinds het begin van het mandaat heeft verricht, eerst inzake het Europees actieplan voor biologische voeding en productie en vervolgens met dit voorstel voor een verordening. De taak was niet eenvoudig, omdat het voorstel de sterke en geloofwaardige identiteit van de biologische productie ondermijnde.

We kunnen tevreden zijn met de vooruitgang die binnen de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling op een aantal punten is geboekt: strengere regels voor het gebruik van fytotherapeutische producten, veterinaire behandelingen en nationale vrijstellingen; meer controle in de certificatiefase, onder meer op ingevoerde producten; een uitbreiding van het toepassingsgebied van de verordening, en het handhaven van regelgevende comités. Ook schaar ik me achter de dubbele rechtsgrondslag, waardoor we in de richting van medebeslissing gaan.

Ik ben echter nog steeds uitermate bezorgd over de aanwezigheid, zelfs ongewild, van GGO’s in biologische producten. De verordening stelt weliswaar dat een product niet als 'biologisch landbouwproduct' mag worden geëtiketteerd indien het GGO’s bevat, maar stemt in met een ongewilde verontreiniging met GGO’s van 0,9 procent, hetgeen ontoelaatbaar is.

Daarom zou ik u willen vragen in te stemmen met de amendementen 170 en 171, ingediend door de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement, waarin wordt geëist dat biologische producten geheel vrij zijn van GGO’s en dat de term niet wordt gebruikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE). (HU) Wij moeten ervoor zorgen dat milieubewuste consumenten die zich zorgen maken over hun gezondheid die ze angstvallig willen beschermen, producten kunnen consumeren die vrij zijn van chemicaliën en verontreiniging door genetisch gemodificeerde organismen. Daarom moet het duidelijk aangegeven worden als een product voortkomt uit een biologisch productieproces. We moeten garanderen dat producten die het biologische keurmerk van de Europese Unie dragen, geheel en al zijn vervaardigd volgens de basisprincipes van de biologische productie.

Op dit terrein kunnen we geen enkele concessie doen, net zomin als bij de voorlichting aan de consument. Deze moet zodanig zijn dat mensen daadwerkelijk een keuzemogelijkheid hebben om zelf te beslissen of ze al dan niet voor biologische levensmiddelen kiezen. Dit is niet alleen een kwestie van consumentenbescherming, maar is tevens van groot belang vanuit het oogpunt van landbouwstrategie en marktbescherming.

Met een goed uitgewerkte Europese norm die iedereen erkent en de hiermee samenhangende certificering en geharmoniseerde Europese etikettering, zal het vertrouwen van de consumenten toenemen, zal de vraag stijgen en zullen de producenten van hun opbrengst kunnen leven. Vanwege de afwijkende omstandigheden en tradities in de verschillende lidstaten moeten zij echter ook de mogelijkheid hebben deze kwestie zelfs nog strenger te reguleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel , lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst zeggen dat ik genoten heb van de enthousiaste discussie die we hebben gevoerd over dit zeer belangrijke onderwerp. Daarnaast waardeer ik uw steun voor de belangrijkste aspecten van deze ideeën. Voor wat betreft de wat moeilijkere punten hoop ik dat ik duidelijk heb kunnen maken dat we tot op zekere hoogte aan veel van uw ideeën gehoor kunnen geven.

Ik wil enkele opmerkingen maken over drie verschillende kwesties. Allereerst de etikettering. Het is van belang dat we ons realiseren dat wanneer het logo van de Europese Unie wordt gebruikt, een aanduiding van de plek waar de grondstoffen verbouwd werden, verplicht is. Dit geldt ook voor geïmporteerde producten en het moet glashelder zijn dat deze producten aan dezelfde regels moeten voldoen als binnenlandse producten.

De kwestie van de co-existentie werd naar voren gebracht. Het is zeer belangrijk dat de lidstaten op nationaal niveau zelf een beslissing nemen om wetgeving te maken met betrekking tot de regels voor co-existentie en aansprakelijkheid. Als deze genetisch gemodificeerde producten eenmaal in een lidstaat zijn, moeten er regels zijn met betrekking tot afstanden en reinigingsmaterieel als zij van het ene veld naar het andere gaan. Deze beslissing moet wegens de verschillen tussen de productie in Noord- en Zuid-Europa genomen worden door de afzonderlijke lidstaten. Ik kan de lidstaten slechts aanmoedigen voor deze wetgeving te zorgen.

Voor wat betreft de drempel, die klaarblijkelijk door u allen is genoemd, moet ik onderstrepen dat het voorstel van de Commissie de huidige regelgeving met betrekking tot de onvermijdelijke aanwezigheid van GGO’s niet verandert. Het verduidelijkt echter wel de verantwoordelijkheid van de biologische marktdeelnemer met betrekking tot het vermijden van de aanwezigheid van GGO’s.

Nogmaals, het is belangrijk dat het gebruik van GGO’s en daarvan afgeleide producten in de biologische productie ten strengste verboden is en was, en dus moeten zij volledig buiten alle biologische productie gehouden worden. Daarnaast maken we de regels met betrekking tot het testen van elke partij verkochte biologische producten minder beperkend dan zij op dit moment zijn.

Voor wat betreft grootkeukens, ook een kwestie die door velen van u naar voren werd gebracht, is het tegenwoordig mogelijk, en dat zal het ook in de toekomst zijn, dat grote cateringbedrijven onder de nationale wetgeving goederen kunnen produceren die zij kunnen etiketteren als biologisch. Dit is cruciaal. Op dit punt zouden we geen Europese regel of wetgeving kunnen aanvaarden.

De amendementen 20, 31, 35, 56, 71, 75, 99, 101 en 120 kan ik wel aanvaarden. Bovendien zijn, zoals ik al eerder zei, 68 amendementen gedeeltelijk of in beginsel aanvaardbaar. De overige amendementen kan ik gezien de discussie die we gevoerd hebben niet aanvaarden en ik verwijs hier met name naar het amendement waarin een dubbele rechtsgrondslag wordt voorgesteld. Het feit dat 77 van uw amendementen in hun geheel of gedeeltelijk worden aanvaard, geeft echter duidelijk aan dat we het in deze kwestie op meer punten met elkaar eens zijn dan je op het eerste gezicht zou denken.

Dank u voor het hartstochtelijke debat.

 
  
  

VOORZITTER: DIANA WALLIS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u commissaris. Hiermee is het debat beëindigd.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM), schriftelijk. – (EN) Sommige zaken zijn zwart-wit. "Biologisch" en "genetisch gemodificeerd" zijn tegenpolen.

Voedsel kan niet biologisch worden genoemd als het genetisch gemodificeerd is.

Pretenderen dat genetisch gemodificeerde verontreinigingen in levensmiddelen als biologisch kunnen worden geëtiketteerd, is zo absurd dat we ons moeten afvragen waarom deze mogelijkheid in deze richtlijn wordt toegestaan.

Is dat omdat de Commissie weet dat co-existentie niet werkt? Als de Commissie haar co-existentiebeleid voortzet, zullen biologische boerderijen onvermijdelijk besmet worden. Is dat omdat de Commissie beseft dat als we doorgaan met genetisch gemodificeerde landbouw, er een einde komt aan het biologisch boeren, tenzij we het begrip "biologisch" herdefiniëren? Dit zou bijzonder onrechtvaardig zijn en misleiding van biologische landbouwers, verkopers en consumenten betekenen.

Daarom wil ik mijn collega’s vragen de amendementen 166/167, 170/171, 175 en 194 te steunen en tegen de opneming van een drempel voor genetische verontreiniging te stemmen. Anders gezegd, stem tegen amendement 41 van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en tegen andere amendementen met dezelfde strekking.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid