Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2130(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0036/2007

Debatten :

PV 28/03/2007 - 19
CRE 28/03/2007 - 19

Stemmingen :

PV 29/03/2007 - 8.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0100

Debatten
Woensdag 28 maart 2007 - Brussel Uitgave PB

19. De toekomst van het professionele voetbal in Europa - Veiligheid bij voetbalwedstrijden (debat)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- het verslag (A6-0036/2007) van Ivo Belet, namens de Commissie cultuur en onderwijs, over de toekomst van het professionele voetbal in Europa [2006/2130(INI)], en

- het verslag (A6-0052/2007) van Giusto Catania, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het initiatief van de Republiek Oostenrijk met het oog op de aanneming van het besluit van de Raad tot wijziging van Besluit 2002/348/JBZ inzake veiligheid naar aanleiding van voetbalwedstrijden met een internationale dimensie [10543/2006 C6-0240/2006 2006/0806(CNS)].

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, geachte voetbal- en sportliefhebbers, ik ben erg blij dat ik hier vanavond de Commissie mag vertegenwoordigen in het debat over voetbal. Dit bewijst nog eens te meer dat het Parlement groot belang hecht aan sport. De steun die u aan onze initiatieven op sportgebied geeft, is uiteraard welkom en noodzakelijk.

Allereerst wil ik de beide rapporteurs, de heren Belet en Catania, feliciteren met het werk dat zij hebben verricht en dat getuigt van hoge kwaliteit. In de twee verslagen wordt voetbal vanuit verschillende invalshoeken belicht, maar in beide is er aandacht voor het karakter van sport, de waarden ervan en de mogelijkheden die sport biedt voor het onderwijs, de samenleving en de economie.

Voordat ik dieper op de verslagen inga, wil ik eerst een paar dingen over het Witboek zeggen. Het Witboek over sport is van wezenlijk belang voor de toekomst van de Europese sport. Het moet in juli van dit jaar worden aangenomen. Dit zal de bekroning van een lang proces vormen en het moet worden bezien in het licht van bredere politieke overwegingen.

Aan de plannen voor een Witboek liggen de verwachtingen van belanghebbenden in de sport ten grondslag. Zij willen dat hun zorgen serieus worden genomen door de beleidsmakers in de EU, inclusief de noodzaak om sport beter te promoten en meer rechtszekerheid te krijgen. Het Witboek zal betrekking hebben op alle sporten en er zal geen sprake zijn van een voetbalspecifieke benadering. Het uiteindelijke doel van dit initiatief is in de eerste plaats om sport in andere actieve beleidsonderdelen van de Unie te integreren, zodat zij beter als instrument voor EU-beleid kan fungeren. In de tweede plaats willen we voorwaarden stellen voor een beter bestuur binnen de Europese sport. De belangrijkste onderwerpen van het Witboek zijn de maatschappelijke en economische rol van sport, de organisatie van sport en bestuurskwesties.

Wij zullen bij de opstelling van het Witboek zorgvuldig naar de verslagen van het Parlement kijken. De Europese Commissie heeft de werkzaamheden van de commissies nauwlettend gevolgd en dat heeft ons al zeer nuttige informatie opgeleverd.

Laat ik beginnen met het verslag van de heer Belet. De Commissie is ingenomen met het initiatief van het Parlement over de toekomst van het beroepsvoetbal. Wij delen veel van de zorgen die in het verslag worden verwoord. Veel van de vraagstukken die de heer Belet behandelt, komen ook in het Witboek aan de orde, bijvoorbeeld sociale cohesie, bescherming van jonge werknemers, sociale dialoog en het vrije verkeer van werknemers. Zoals in uw ontwerpverslag staat aangegeven, is het uiterst moeilijk een alomvattend Europees wettelijk kader tot stand te brengen waarin het specifieke karakter van sport wordt erkend. In de Europese jurisprudentie is deze erkenning er echter wel en daarin wordt ook de maatschappelijke en educatieve rol van voetbal in Europa erkend.

Wat betreft het vrije verkeer van werknemers was het Hof van Justitie bijvoorbeeld van mening dat sport alleen onder het Gemeenschapsrecht valt wanneer zij een economische activiteit vormt. Dit geldt zowel voor beroeps- als amateursporters en het Hof maakte een uitzondering op de algemene regel van non-discriminatie voor wedstrijden met een zuiver sportief en geen economisch belang, zoals wedstrijden tussen nationale teams.

Ten aanzien van spelers uit eigen kweek is de Commissie zeer gevoelig voor de maatregelen die de UEFA heeft voorgesteld. Ook wij vinden dat er meer aandacht moet komen voor de opleiding van jongeren en dat de clubs moeten worden aangemaand te investeren in de opleiding van jongeren en niet alleen in transfers van spelers. Wij zijn echter nog steeds bezig met de bestudering van de quota van lokaal opgeleide spelers, onder meer vanuit het oogpunt van evenredigheid.

De Commissie is blij met de oproep van het Parlement tot een intensievere sociale dialoog in de voetbalsector. Dit is een goede manier om zaken aan de orde te stellen als mobiliteit, werkcontracten en arbeidsomstandigheden. Wij hebben steun verleend aan de pogingen van de sociale partners om een meer gestructureerde dialoog te ontwikkelen waarbij het voetbal op Europees niveau het voortouw heeft genomen.

De Commissie blijft de werkgevers- en werknemersorganisaties in de gehele sportsector steunen en zal haar open dialoog met alle sportorganisaties over dit vraagstuk voortzetten.

Kortom, de Commissie zal zorgvuldig en met realiteitszin naar uw aanbevelingen kijken in het licht van de huidige werkterreinen van de EU. Het verzoek aan de Commissie om een actieplan op te stellen waarin wordt aangegeven welke kwesties moeten worden aangepakt, verdient nauwgezette bestudering.

Dan het verslag van de heer Catania. Allereerst wil ik onderstrepen dat sport een positieve kracht kan zijn voor onderwijs, cultuur en maatschappelijke integratie. De afgelopen jaren hebben we echter helaas gemerkt dat geweld en vandalisme tijdens sportevenementen zijn toegenomen. Twee week geleden hebben de ministers van sport deze kwestie in Stuttgart besproken. Zij hebben benadrukt dat er betere preventieve maatregelen moeten worden getroffen, vooral in de vorm van samenwerking tussen alle betrokkenen, inclusief de supporters.

De Commissie heeft haar best gedaan om de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten te bevorderen teneinde de politiële en justitiële samenwerking te verbeteren. We hebben goede werkcontacten gelegd met de UEFA en andere sportautoriteiten. Wat betreft de openbare orde en het politietoezicht was iedereen volgens mij erg tevreden over de uitstekende resultaten die werden geboekt tijdens het WK voetbal in Duitsland afgelopen jaar. Hieruit blijkt dat een goede voorbereiding en coördinatie met andere lidstaten een zeer doeltreffend middel vormen om criminaliteit, in het bijzonder vandalisme, tegen te gaan. De eerste statistieken laten zien dat de criminaliteit tijdens het WK in het geheel niet is toegenomen.

Op grond van Besluit 2002/348/JBZ van de Raad zijn de lidstaten ertoe verplicht nationale voetbalinformatiepunten op te richten. Dit is een positieve stap in de verbetering van de samenwerking tussen politiediensten en andere instanties die voetbalgerelateerd geweld bestrijden. Het Oostenrijkse initiatief dat in het verslag van de heer Catania wordt besproken, heeft tot doel het bestaande netwerk van informatiepunten te vervangen door een specifiek netwerk van nationale voetbalinformatiepunten. Via deze informatiepunten kan toegang worden verkregen tot de persoonlijke gegevens van vandalen of "risicosupporters" die de verschillende lidstaten als zodanig hebben aangewezen. De Commissie juicht de steun in dit verslag voor dit initiatief toe en neemt terdege nota van de zorgen die zijn geuit over mensenrechten en gegevensbescherming, waaraan de Commissie zoals u weet groot belang hecht.

Kortom, het is een goede zaak dat sport nu werkelijk op de Europese agenda staat. De vijftigste verjaardag van de Verdragen van Rome geeft dit jaar kleur aan veel van onze doelstellingen en wat was het mooi om die verjaardag twee weken geleden te vieren met een voetbalwedstrijd in Manchester. Er had geen krachtiger signaal kunnen worden afgegeven dat sport en sportieve waarden op het hoogste politieke niveau echt worden gewaardeerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ivo Belet (PPE-DE), rapporteur. Voorzitter, commissaris, beste collega's, bij sommigen rijzen de haren te berge, als je Europa, de Europese Unie, in verband brengt met sport. Ze zeggen dan voorspelbaar altijd het volgende: de EU heeft geen bevoegdheid ten aanzien van sport en moet dus terzake ook niet proberen iets te ondernemen.

Die stelling, beste collega's – we beseffen het allemaal – klopt niet en de betrokkenen weten dat overigens zeer goed. Sport, en zeker profsport, en de commissaris zei het al, en daarover gaat het hier, komt in allerlei opzichten sowieso in aanraking met de Europese regelgeving. Met name de economische aspecten van profvoetbal zijn er onderhevig aan. De Commissie bemoeit zich ermee en het Europees Hof van Justitie bemoeit zich er ook mee. Dat is afdoende bewezen de afgelopen jaren.

Profvoetbal, beste collega's, is uiteraard big business. Niemand ontkent dat. Maar het is tegelijk zoveel meer. Het heeft ingrijpende sociale en opvoedkundige functies en daarom onderstrepen we in dit verslag de specifieke benadering die zich opdringt. Specificiteit van sport staat ingeschreven in de verklaring bij het Verdrag van Nice en in het protocol bij het Verdrag van Amsterdam. Niemand kan daar omheen. Het is dan ook onze plicht om bij de toepassing van de EU-regelgeving daarmee rekening te houden.

Niemand vraagt om uitzonderingsmaatregelen of zogenaamde group exemptions. Wat we wel vragen is het volgende: er moeten guidelines komen van de Commissie. Geen richtlijnen, maar guidelines, met name om de juridische onzekerheid die nu heerst, weg te nemen. Wij willen dat de autonomie van de profsport ten volle wordt gerespecteerd. Zelfregulering is het centrale begrip in dit verslag, maar dat ontzegt ons het recht nog niet om de evolutie in een bepaalde richting te duwen.

Profvoetbal is de voorbije maanden in heel veel landen in de EU beschadigd door allerlei schandalen, en daar past maar één antwoord op: good governance. Daarom eisen we van de betrokken bestuursorganen van de UEFA, van de voetballiga's, van de clubs dat ze resoluut kiezen voor een transparante beleidsvoering.

Heel veel leden in dit Parlement, heel veel collega's willen ook meer solidariteit en herverdeling van de middelen, van het geld in het voetbal. Ik denk niet dat het aan ons is om het geld te gaan herverdelen in het profvoetbal. Het is in het belang van de profclubs, van de liga's en de federaties zelf om hierin maatregelen te nemen.

Voetbal heeft nood aan competitief evenwicht. Dat staat nu als nooit tevoren onder druk. De kloof tussen de grote, alsmaar rijker wordende clubs en de kleinere clubs wordt alsmaar groter. Wie dat niet inziet, beste collega's, is ziende blind. Die evolutie bedreigt de toekomst van de sport die ons allen zo na aan het hart ligt en het bedreigt ook de sociale, integrerende functie van die sport, moet ik zeggen.

Daarom, commissaris, en ik wil het nog eens benadrukken – u hebt er al naar gerefereerd – zijn en blijven we 100% gewonnen voor de home grown-regel die de UEFA heeft ingevoerd voor localy trained players. Profclubs verplichten – niet van hieruit, maar vanuit de voetbalinstanties zelf – om te investeren in de opleiding van hun eigen jeugd is essentieel voor de sociale component. En daarom verdient het onze maximale steun, denk ik.

Een delicaat punt is de verkoop van tv-rechten. Delicaat omdat het gaat om de belangrijkste bron van inkomsten voor de profclubs, delicaat ook omdat het nationale materie is natuurlijk. Het enige wat we vragen in dit verslag is dat de bevoegde autoriteiten en de bevoegde instanties van het voetbal aan tafel gaan zitten om te zoeken naar een oplossing die garant staat voor meer solidariteit tussen de grote clubs en de kleine. Dat lijkt me toch redelijk en verantwoord.

Commissaris, Voorzitter, we rekenen erop dat de Commissie bij het uittekenen van haar Witboek over sport terdege rekening houdt met wat er in dit verslag staat en wat morgen hopelijk ook wordt goedgekeurd. We hebben maximaal rekening gehouden met de bevoegdheden van de EU op dit terrein. Het heeft geen zin dat we ons bezondigen aan naïviteit, zeker niet als het gaat om een complexe sector als het profvoetbal waar miljoenen jongeren rechtstreeks bij betrokken zijn.

We rekenen, commissaris, op een ambitieus document van de Commissie en ik denk, ik ga ervan uit, en u kunt er zeker van zijn, dat u in return kunt rekenen op de loyale steun van dit Huis.

 
  
MPphoto
 
 

  Giusto Catania (GUE/NGL), rapporteur. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil de commissaris graag bedanken voor zijn steun aan onze verslagen, en ik wil ook het belang benadrukken van deze gecombineerde behandeling, omdat ik van mening ben dat de toekomst van het voetbal onlosmakelijk verbonden is met de veiligheid binnen de stadions. Daarom is het gelijkstellen van de toekomst van profvoetbal aan de veiligheid in de stadions een praktische manier om het debat over de toekomst van sport en voetbal naar een hoger plan te tillen.

De commissaris heeft gelijk als hij zegt dat we de afgelopen jaren telkens terugkerende geweldsincidenten hebben gezien op staantribunes, die de oorspronkelijke aard van de sport hebben veranderd: het enorme aantal geweldsincidenten, uitingen van intolerantie, xenofobie en racisme zijn tekenen van een fundamentele ommekeer binnen een sport die een van de meest geliefde en bekeken sporten onder de Europese bevolking is. Helaas zijn dit geen incidenten, maar het resultaat van een complete ommekeer binnen het voetbal, dat nu big business is geworden, met clubs die beursgenoteerd zijn en een ongelooflijke opbrengst genereren. Ik denk dat deze factor een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de stapsgewijze transformatie van sportevenementen.

Voetbal is vandaag de dag erg populair en tegelijkertijd is het een enorm evenement dat telecombedrijven aanzet om te investeren in de aankoop van televisierechten. Ik steun het voorstel van de heer Belet over de collectieve verkoop van televisierechten, wat mijns inziens een handige manier is om te voorkomen dat alle grote teams 'hun zakken vullen' ten koste van kleine ondernemingen.

Er bestaat nog een andere fundamentele factor in het voetbal, niet alleen in de vorm van de sportieve waarde, maar ook in de vorm van het publiek. Voetbalwedstrijden zonder toeschouwers zou ondenkbaar zijn: in sommige gevallen zijn er extreme maatregelen getroffen die naar mijn mening het kijkplezier van de sport hebben geschaad. Aangezien de aanwezigheid van toeschouwers essentieel is, moeten we erop aandringen dat voetbalwedstrijden altijd met publiek worden gespeeld, en dat betekent dat er passende maatregelen getroffen moeten worden om veilig te stellen dat wedstrijden in alle rust kunnen worden gespeeld, zonder uitingen van geweld of racisme.

De recente tragische gebeurtenissen tijdens een wedstrijd in de Serie A van de Italiaanse voetbalcompetitie tussen Catania en Palermo, die uitmondde in de dood van een politieagent, is in mijn optiek het meest duidelijke voorbeeld van wat er in de stadions kan gebeuren en hoe een randgroep van gewelddadige supporters niet alleen dikwijls in aanraking komt met supporters van de tegenstanders, maar ook met de orde en het gezag. De afgelopen tijd hebben we ook afschuwelijke gebeurtenissen gezien, niet alleen met supporters, maar ook met voetballers: vaak zijn het de ruzies tussen de spelers zelf die een slechte voorbeeldfunctie hebben en tot de ergste vorm van cultuur binnen de Europese stadions leiden. Er moet daarom preventief actie worden ondernomen om te voorkomen dat soortgelijke geweldsdelicten opnieuw plaatsvinden in de stadions. De prioriteit moet liggen bij het preventief optreden tijdens voetbalwedstrijden, en ook bij het bestrijden van repressie en de 'militarisering' van stadions.

De Raad heeft dit besluit in 2002 aangenomen, waarmee een landelijk informatiepunt voor voetbal werd ingesteld, dat fungeert als contactpunt voor de uitwisseling van politiegegevens met betrekking tot internationale voetbalwedstrijden. Het resultaat van deze maatregel is erg positief geweest, zoals we ook kunnen zien aan de ervaringen binnen de stadions en de verhoudingen binnen de politiekorpsen.

De afgelopen jaren is het aantal supporters dat naar het buitenland gaat om wedstrijden te bekijken, toegenomen en daarom is de Raad van mening dat het noodzakelijk is dat de verantwoordelijke instellingen hun samenwerking versterken. Ik denk dat dit een belangrijk punt is: de instanties die verantwoordelijk zijn voor het monitoren van de aanwezigheid van supporters in de stadions en het verkrijgen van gegevens over de aard van georganiseerde supportersgroepen, zijn ongetwijfeld belangrijke middelen, maar ze mogen uitsluitend optreden in overeenstemming met de nationale wetgeving en volgens Europese richtlijnen en internationale akkoorden over de bescherming van persoonsgegevens.

We moeten ervoor zorgen dat de grote hoeveelheid verzamelde gegevens niet gebruikt wordt voor onderzoeken door justitie of voor andere onderzoeken die niet gerelateerd zijn aan voetbal, en zeker niet als een manier om alle fans als criminelen te bestempelen. Er moet dus zorgvuldig met de verkregen gegevens worden omgegaan: ik denk dat de nationale instanties anders het risico lopen om niet langer als instrument voor de preventie van geweldsdelicten in de stadions te worden ingezet, maar als instrument voor sociale controle, hoogstwaarschijnlijk zonder onderscheid te maken. Ik steun daarom het voorstel van de Raad om het onderhavige besluit te wijzigen.

We zien er streng op toe dat dit besluit in volle overeenstemming met de wetgeving wordt ingevoerd, om ervoor te zorgen dat stadions niet, als een soort vrije zone, buiten de wet vallen. Binnen de stadions moeten ook de nationale en internationale wetten gelden, juist om te voorkomen dat blind geweld en uitingen van racisme en xenofobie opnieuw plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Bennahmias (Verts/ALE), rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, we bevinden ons toch in een vrij verrassende situatie. We vieren het vijftigjarig bestaan van de totstandbrenging van de Europese Unie en als we aan onze medeburgers zouden uitleggen dat de Europese Unie zich geen seconde meer bezighoudt met sport, zouden ze vreemd opkijken. Het was dan ook tijd dat de Europese Unie deze kwestie op de agenda plaatste, en wel zoals wij het hebben gedaan, meen ik, in het Europees Parlement. Ik wil de rapporteur, de heer Belet, bedanken voor de wijze waarop hij zes maanden lang aan dit verslag heeft gewerkt, een gezamenlijk stuk arbeid van diverse commissies en verscheidene democratische politieke fracties van dit Parlement.

We hebben deze kwestie dan ook aangekaart met het doel, dat naar mijn idee wordt onderschreven door dit Parlement, om zowel de Europese 'uitzondering' betreffende sport te respecteren, zeker ook vergeleken met de manier waarop professionele sport wordt beheerd in de Verenigde Staten, als de diverse instanties en organisaties die belast zijn met profvoetbal: federaties, profcompetities, spelersverenigingen, spelersmakelaars, enzovoorts. Ik geloof dat dit verslag op dit niveau nuttig is als we binnen de diverse organisaties draagvlak weten te krijgen voor deze standpunten, zodat ze zich kunnen vinden in dit verslag, waarover we morgen gaan stemmen. Ik denk dat onze uitwisselingen met deze organisaties, die bijzonder veel aandacht aan de kwestie hebben besteed, buitengewoon interessant zijn geweest, en ons in staat hebben gesteld met een aantal voorstellen te komen.

We zijn dan ook blij, en ik denk dat iedereen dat is, met de diverse aanbevelingen en voorstellen omtrent de opleiding van spelers, de opleiding van jonge spelers en met de pogingen van de UEFA om te voorkomen dat jonge spelers direct worden verkocht, zodat ze kunnen uitkomen voor de clubs waar ze zijn opgeleid. We zijn blij met de aanbeveling over wat kan worden aangeduid als 'handel in jonge spelers' waarbij honderden jonge Afrikaanse spelers worden gebruikt en vervolgens aan hun lot worden overgelaten. Wij zijn blij dat dit verslag erop wijst dat immigratiewetten worden opgesteld om te worden nageleefd, zelfs in de professionele sportwereld, zelfs in de voetbalwereld. Ook zijn we blij, zoals de commissaris al zei, met het herhaalde verzoek om een maatschappelijke dialoog, die cruciaal is. De heer Belet wees er al op, er gaan in het hedendaagse profvoetbal gigantische bedragen om, en op dit punt is sociale dialoog, en zeker ook regulering en herverdeling noodzakelijk.

Er is echter één punt van kritiek, dat vandaag naar voren kwam, en ik ben erdoor verrast. Iedereen, inclusief alle commissies, heeft het over financiële transparantie. Ik hoorde sommige van mijn collega’s het idee opperen dat alleen het noemen ervan volstaat. Nee, met het voorstel om een onafhankelijke organisatie in het leven te roepen – mogelijk onder auspiciën van de UEFA, maar onafhankelijk – zouden we echt in de richting van financieel toezicht en financiële transparantie kunnen gaan. Dat is de enige oplossing. Herhalen is niet genoeg. Dat is hetzelfde als zeggen dat we doping moeten bestrijden, zonder daarvoor een nationale, Europese of internationale instantie in het leven te roepen. Laten we onszelf niet voor de gek houden: we hebben een dergelijke instantie nodig.

Ik zie dat ik aan het einde van mijn spreektijd ben gekomen. Ik had nog een heleboel dingen te zeggen. Ook ik ben uiteraard blij met de strijd tegen discriminatie en tegen racisme, onderwerpen die regelmatig worden aangekaart door het Europees Parlement en de Commissie, en door de voetbalwereld als geheel.

 
  
MPphoto
 
 

  Toine Manders (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. Voorzitter, namens de ALDE-Fractie ben ik schaduwrapporteur van de Commissie interne markt, maar ik wil even melden dat wij dit dossier zijn gestart in de Commissie interne markt om te voorkomen dat het voetbal uit elkaar zou vallen – hetgeen dreigde op dat moment – met een mogelijke tweede Bosman-zaak, namelijk de Charleroi-zaak.

Ik wil de werkgroep, en met name Ivo Belet, danken voor de prettige samenwerking. Ik denk dat er inmiddels een gebalanceerd voorstel ligt waarin alle aspecten van de professionele sport worden behandeld en waarin we een duidelijke waarschuwing geven naar alle betrokken partijen om zelf iets te doen aan de situatie die in de loop der jaren ontstaan is; het lijkt namelijk wel alsof professionele sporten boven de wet mogen staan. Tot het moment dat er een zaak bij het Europees Hof komt; dan wordt er gesproken over een economische entiteit met sociale en culturele waarden. Maar men moet wel voldoen aan de Europese regels.

Ik wil daarom aan de Commissie vragen of zij met mij van mening is dat we het niet hebben over amateursporten, maar dat de professionele sport een entertainment-industrie is die wellicht zelfs onder de dienstenrichtlijn zou moeten vallen, dat er wellicht uiteindelijk een interne markt voor deze diensten, voor deze entertainment-industrie, zou moeten komen.

Want, Voorzitter, we spreken niet over wat er binnen het veld gebeurt, we hebben het over wat er buiten het veld gebeurt, en met name de financiële actoren daaromheen. Als je nu moet concurreren op Europees niveau, dan zie je dat er heel veel verschillen zijn, omdat er verschillen zijn in interpretatie. Wat is daarvan de reden? Waarom is hier nog steeds geen interne markt en waarom is elke club verplicht binnen de nationale markt te opereren om vervolgens op Europees niveau met elkaar te kunnen concurreren. Ik denk dat, als de betrokken instanties niet zelf willen reguleren, dan de politiek moet reageren.

En we geven nu een waarschuwing zonder te wensen dat er nieuwe wetgeving komt - zeker geen uitzondering - maar wel een signaal dat de betrokken partijen het zelf moeten oplossen en, zo niet, dan hoop ik dat de Commissie zelf ingrijpt en zegt wat er moet gebeuren.

 
  
MPphoto
 
 

  Gary Titley (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie juridische zaken wil haar collega’s erop wijzen dat de Europese Unie geënt is op de beginselen van de rechtsstaat. De rechtsstaat heeft gezorgd voor de totstandkoming van de interne markt met al zijn voordelen en enkele nadelen. Daarbij wordt uiteraard het subsidiariteitsbeginsel in acht genomen.

Wij erkennen dat er zaken zijn met een louter sportief en geen enkel economisch belang, die tot het domein van de sportinstanties behoren. Wij erkennen ook dat de scheidslijn vaak moeilijk te trekken valt en daarom zijn we blij dat het Britse voorzitterschap het initiatief heeft genomen tot een onafhankelijke studie.

Wij willen onze collega’s er evenwel aan herinneren dat er in de EU-Verdragen talloze instrumenten zijn opgenomen die kunnen worden gebruikt om jonge spelers te beschermen, spelersagenten aan te pakken, groepsvrijstellingen van het mededingingsrecht te realiseren en na te gaan of sportorganisaties diensten van algemeen economisch belang verlenen in de zin van artikel 86 van het EU-Verdrag. We beschikken dus over meer dan genoeg handvatten om actie te ondernemen.

We willen allemaal dat voetbal een succesvolle sport is en dat de teams floreren – we steunen succes. Dat is duidelijk. We willen ook dat er goed gezorgd wordt voor clubs als Accrington Stanley en dat hun supporters in staat zijn hen te steunen. Daarom hoop ik dat we aan de hand van deze onafhankelijke studie een verstandige en samenhangende respons kunnen geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijn collega van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten Ivo Belet heeft uitstekend werk verricht. Zijn verslag getuigt van een evenwicht tussen de sociale en de economische dimensies van voetbal. Ik heb gesproken met managers, spelers en supporters van voetbalclubs en amendementen ingediend in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, die in brede kring worden gesteund.

Jonge spelers moeten van jongs af aan in topsportcentra en met veel speeltijd worden opgeleid. Daarom steun ik het voorstel van de UEFA dat inhoudt dat steeds een minimum aantal spelers uit de eigen opleiding moet worden ingezet. Het moet toch mogelijk zijn, commissaris, om dat principe ook wettelijk te verankeren. Ik ben ervoor dat BVO’s spelers afstaan aan nationale elftallen en recht hebben op compensatie als die spelers blessures oplopen of wekenlang afwezig zijn. Het wordt tijd voor een nieuw, gezamenlijk verzekeringssysteem voor de UEFA en de FIFA. Geselecteerd worden voor vertegenwoordigende elftallen is een belangrijke aanmoediging voor spelers en goed voor clubs. Zojuist was Karl-Heinz Rummenigge hier in het Europees Parlement.

Ik ben lid van een club uit de Duitse Bundesliga en ook van de groep Friends of football hier in het Europees Parlement. Het gaat om fair play bij de concurrentie tussen clubs. Op het moment hebben veel clubs hoge schulden, terwijl ze niettemin hun licentie krijgen. Andere clubs voeren een verantwoorde boekhouding, maar kunnen zich vanwege beperkte financiële middelen niet optimaal versterken. Daar moet verandering in komen. We moeten gezamenlijk strijden tegen racisme. Het afgelopen jaar kreeg onze resolutie de meeste handtekeningen in de geschiedenis van het Europees Parlement. Bij overtreding moet consequent worden opgetreden, met wedstrijden voor lege tribunes, met puntenaftrek en schorsing van clubs die bereid zijn actie te ondernemen. Ook op het punt van preventie en uitbanning van doping mag er geen sprake zijn van lakse compromissen.

We hebben geen Europese controle-instantie nodig die toezicht houdt op de activiteiten van autonome voetbalclubs. Op de lange duur is samenwerking effectief. Daarom moeten we de autonomie van de clubs en subsidiariteit beschermen. Ik heb vertrouwen in de rechtmatigheid van de besluiten van tuchtcommissies en in de kracht van zelfregulering bij de UEFA, de FIFA en de nationale voetbalbonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Guy Bono, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega's, staat u mij toe eerst de rapporteur te bedanken, de heer Ivo Belet, voor zijn poging om een compromis te vinden tussen de verschillende commissies en politieke fracties in het Parlement.

Ik wil niettemin meteen duidelijk maken dat ik zwaar ontgoocheld ben. Wij hadden een compromis bereikt tussen de fracties, namelijk tussen de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement en de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten. Dat compromis is goedgekeurd in de commissie, maar nu wordt het gewijzigd op fundamentele punten, zoals het onafhankelijke reguleringsorgaan en het juridische statuut van sportverenigingen. Dit verslag zal dus geen nieuw tijdperk inluiden voor het voetbal in Europa en dat vind ik doodjammer. Toch hoop ik dat er een soort van samenwerking kan ontstaan tussen de UEFA en de Europese Unie om de voetbalwereld zo goed mogelijk te zuiveren, want zoals de voorzitter van de UEFA, Michel Platini, heeft gezegd, is voetbal meer een spel dan een product, meer een sport dan een markt en een schouwspel in plaats van een business.

Beste collega's, de deregulering die begonnen is met het Bosman-arrest moet nu worden opgevangen met duidelijke regels, zodat de belangrijkste sport in de Europese Unie haar echte waarden in ere kan herstellen. De Europese voetbalautoriteiten bieden niet alle garanties voor een totaal bevredigende regulering. Naast hun beperkte juridische bevoegdheden zijn ze zowel rechter als partij. Zij zijn zowel commerciële instantie als regelgever en dat valt moeilijk te combineren.

Daarom is het, zoals ik al aangaf aan het begin van mijn toespraak, jammer dat de PPE-DE en de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa mijn tweeledige voorstel niet hebben gevolgd, namelijk het creëren van een Europees juridisch statuut voor sportverenigingen en de oprichting van een onafhankelijk orgaan voor de controle op grote clubs, dat vooral moet toezien op het handhaven van het financiële, economische en sportieve evenwicht in het Europese voetbal. Toch hoop ik dat de Europese Commissie rekening zal houden met deze voorstellen, die niet alleen zijn bedoeld als dam tegen de huidige misbruiken, maar ook als instrument voor het bevorderen van een rechtvaardig en solidair Europees sportmodel.

Nu wij de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome vieren, moet Europa zijn burgers tonen dat het niet alleen een kader voor vrede en democratie vormt, maar vooral bescherming biedt tegen ultraliberale excessen. Alleen dan zullen Europeanen met trots deelnemen aan het grote Europese project.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Resetarits, namens de ALDE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste rapporteur. Ik steek meteen van wal met het element dat de topsport de voorbije jaren het meest heeft veranderd: geld. Een topsportclub kan het meeste geld verdienen met de verkoop van televisierechten. Hoe groter de nationale televisiemarkt, hoe meer inkomsten, budget en koopkracht de clubs hebben. Het is geen toeval dat in de groepsfase van de Champions League bijna uitsluitend clubs aantreden uit grote lidstaten. Net als op andere terreinen van de ontembare markteconomie leidt dit onevenwicht tot een razendsnel groeiende kloof tussen arm en rijk. Enerzijds bestaan er miljardenondernemingen zoals Real Madrid, anderzijds zijn er straatarme clubs zoals Sturm Graz. Dat is onsportief en oneerlijk.

Wat kunnen de kleine lidstaten ondernemen tegen dit onevenwicht? We hebben nieuwe competities nodig, we moeten dit zuiver nationale denkpatroon achter ons laten. We moeten Europeser worden, ook in het voetbal. Bovendien ben ik ook voorstander van een systeem met loting, zoals in de VS wordt gebruikt, om jonge getalenteerde sporters over de clubs te verdelen in plaats van ze te kopen en te verhandelen. Zwakkere clubs moeten dan meer loten krijgen en daardoor meer kansen om ook uit te groeien tot een topclub. Wanneer het in het voetbal alleen om geld draait, verliest het populairste culturele product van Europa zijn essentie: sportiviteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Dariusz Maciej Grabowski, namens de UEN-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, voetbal is vandaag geen sport en ontspanning meer, maar een middel om grof geld te verdienen en veel macht te verwerven. Je zou het bijna met een nieuwe godsdienst kunnen vergelijken. Als we willen voorkomen dat het voetbal zich verder ontwikkelt tot een instrument van onwettigheid en geweld, moeten we er alles aan doen om de context waarin het voetbal functioneert – de zakenwereld en de media dus – snel en ingrijpend te veranderen. Ik zou de rapporteur, de heer Belet, van harte willen bedanken omdat hij een zo belangrijke kwestie onder de aandacht heeft gebracht en omdat hij de voornaamste problemen heeft aangekaart en ook oplossingen heeft voorgesteld. Ik ben van mening dat radicale beslissingen onontbeerlijk zijn om de monopolisering van het voetbal door rijke ondernemingen tegen te gaan.

Eerst en vooral willen we dat de inkomsten en uitgaven van alle voetbalclubs volledig transparant zijn en dat mogelijk inbreuken met hoge geldboetes worden bestraft.

Ten tweede moet de stijging van de uitgaven van de meest kapitaalkrachtige clubs voor de volgende jaren door beperkingen of limieten aan banden worden gelegd.

Ten derde is er financiële en andere steun nodig voor landen, organisaties en clubs die in jongeren en sportfaciliteiten investeren.

Ten vierde hebben we behoefte aan een overeenkomst met de FIFA om de corruptie en criminaliteit in de voetbalsport aan te pakken.

Polen heeft zich kandidaat gesteld als gastland voor het Europees kampioenschap voetbal in 2012, waar het beginsel van fair play en gezonde competitie zal triomferen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton, namens de Verts/ALE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de heer Belet getuigt van zijn geloof in de autonomie van de sport. Ik ben het met hem eens. In het verslag wordt de aandacht gevestigd op gebieden waar meer samenwerking of zelfs regelgeving goed zou zijn, maar volgens mij geldt dat niet voor de structuur en organisatie van het voetbalspel. De organisatie van lokale, nationale en internationale liga’s en competities kan het best aan de voetbalinstanties worden overgelaten.

Wanneer wij de term "nationaal" hanteren, bedoelen we meestal "van de lidstaat". De lidstaten vormen natuurlijk de bouwstenen van de Europese Unie, maar in het voetbal is dat niet het geval. Ik en mijn collega Jill Evans uit Wales hebben de amendementen 28 en 29 ingediend, die morgen hopelijk zullen worden aangenomen. Een voetbalwedstrijd die juist vanavond wordt gespeeld, laat zien waarom deze amendementen zo belangrijk zijn. Mijn voetballand, Schotland, speelt tegen wereldkampioen Italië. Onze amendementen maken duidelijk dat in het voetbal "nationaal" niet per se "lidstaat" betekent en niets in dit verslag of in de terminologie van dit verslag behoort op enigerlei wijze de status van de historische voetballanden Schotland, Wales en Engeland in twijfel te trekken of te ondermijnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Věra Flasarová, namens de GUE/NGL-Fractie. – (CS) Dames en heren, voetbal is veruit de populairste Europese sport en de voetbalwereld met alles eromheen heeft een aanzienlijke invloed op de jeugd. Die invloed is spontaan, door niemand opgelegd, en daarom des te sterker.

Het is om die reden belangrijk om voetbal niet alleen te beschouwen als een milieu waar enorme hoeveelheden geld in omgaan, waarin wetten worden overtreden en geweldsdaden worden gepleegd en waarvan de professionele top van de piramide volledig is afgesneden van de amateurwereld waarop het hele bouwwerk is gefundeerd. Ik geloof dat ik daarbij de kanttekening mag plaatsen dat die amateurwereld vanuit maatschappelijk oogpunt nuttiger is dan het exclusieve milieu van de professionele sport, waar het grote geld voor het merendeel het oorspronkelijke plezier in het spel om zeep heeft geholpen.

Samen met de rapporteur, de heer Belet, wil ik de EU ertoe oproepen ervoor te zorgen dat de gewoonten en gebruiken van de professionele sportwereld geen invloed hebben op jonge voetballers – kinderen nog – in opleiding, zodat er niet met hun talent en prestaties wordt omgegaan als ware het handelswaar, als waren zij kleine gladiatoren. Dat is namelijk een inbreuk op het recht van kinderen op een open en veelzijdige ontwikkeling van hun persoonlijkheid en zou betekenen dat de meedogenloze principes van de wereld der volwassenen onderdeel worden van de opvoeding van kinderen. Tegelijkertijd zou dat tot gevolg hebben dat voetbalclubs er minder belang in stellen om tijd, moeite en geld te steken in de opleiding van hun eigen jeugdspelers. Hierdoor hebben veel minder kinderen toegang tot populaire sporten en wordt de selectie veel strenger, waardoor die paar procent echte talenten handelswaar voor de sportbusiness worden en de overgrote meerderheid van de kinderen aan de kant moet blijven staan.

Topvoetbal heeft echter niet alleen een zekere invloed op de eigen spelers en de toeschouwer, het is eveneens een wereld waar met name kinderen en jongeren hun rolmodellen vandaan halen. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat voetbalstadions geen plek zijn voor agressief gedrag, dat het voetbal wordt bevrijd van vreemdelingenhaat en racisme, en dat de hele commercie rond voetbal niet langer – al dan niet terecht – in verband wordt gebracht met corruptie.

 
  
MPphoto
 
 

  Jeffrey Titford, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de EU heeft niets te zeggen over de sport, en dat is maar goed ook. De Champions League en de G14-clubs in het VK, in Spanje en in Italië zijn er tegen dat de EU zich met de televisierechten van voetbal bemoeit. Bayern München is er voor, maar Engelse clubs zijn er tegen, en toch is de Britse minister van sport, Richard Caborn, hier om te lobbyen voor de Duitsers. Zo worden de Britse belangen behartigd!

In amendement 25, dat intussen gelukkig is ingetrokken, werd voorgesteld om tijdens wedstrijden van de Champions League en tijdens het Europees kampioenschap de Europese vlag te hijsen. Hadden de indieners aan Zwitserland gedacht, dat in 2008 samen met Oostenrijk het eindtoernooi organiseert? Wisten ze dat ook Rusland, Turkije en Noorwegen, die geen lid van de EU zijn, in de Champions League spelen? De EU heeft zelf geen team. In datzelfde amendement was ook voorgesteld om voor die wedstrijden het Europese volkslied te spelen. De "Ode an die Freude" is voor 41 procent van de Europeanen en voor 58 procent van de Britten zeker geen reden tot vreugde. U weet ongetwijfeld dat Schiller "Ode an die Freude" in 1785 heeft geschreven. Zijn woorden "O Freunde, nicht diese Töne!" waren indertijd misschien wat onfortuinlijk, omdat Beethoven helaas al doof was toen hij de negende symfonie schreef, maar nu zijn ze wel passend. Schiller zei: "Seid umschlungen, Millionen", maar ik kan u wel vertellen dat meer dan 200 miljoen burgers "nee" zeggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Gaubert (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, beste collega's, als schaduwrapporteur van mijn politieke fractie in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken wil ik eerst de rapporteur danken, de heer Catania, met wie wij efficiënt en succesvol hebben samengewerkt tijdens de hele procedure. Sportevenementen willen een breed gezinspubliek aantrekken, dat terecht in alle rust en veiligheid de wedstrijden wil bijwonen. Sinds enkele jaren echter en ook onlangs nog hebben bepaalde personen voetbalstadions gebruikt om zich te bezondigen aan geweld en racisme. Zulke misbruiken zijn volstrekt onaanvaardbaar.

Voetbal is de populairste sport ter wereld. Om dat soort incidenten te vermijden hebben de lidstaten sinds 2002 een goed werkend systeem opgezet voor het uitwisselen van informatie over de risico's die bepaalde wedstrijden, en vooral bepaalde gevaarlijke supporters, met zich meebrengen. In elke lidstaat is een contactpunt opgericht. Deze nationale informatiepunten voor het voetbal bereiden zich minutieus voor op internationale wedstrijden door de onderlinge politiesamenwerking te verbeteren. Het is dus noodzakelijk dat de gegevensuitwisseling nog verbetert en bijvoorbeeld standaardformulieren worden gebruikt. Zo zullen die contactpunten gestructureerder en professioneler kunnen werken.

Ik wil ook de heer Belet gelukwensen omdat hij in zijn verslag verscheidene paragrafen heeft opgenomen over de strijd tegen racisme. Dat lijkt me onontbeerlijk, gezien de toename van alle vormen van onverdraagzaamheid in onze samenleving. Voetbal kan zijn sociale en educatieve waarde slechts behouden als wedstrijden kunnen plaatsvinden zonder geweld.

Beste collega's, de heer Belet, de heer Bennahmias, mevrouw Hazan, de heer Bono en ikzelf zullen over enkele uren een schriftelijke verklaring indienen over de strijd tegen alle vormen van handel en uitbuiting van kinderen in de voetbalwereld. Ik wil u vragen ons hierbij te steunen en deze tekst zo snel mogelijk te ondertekenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pier Antonio Panzeri (PSE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik dank de heer Catania voor zijn verslag en de heer Belet voor het werk dat hij verricht heeft. Men is heel evenwichtig te werk gegaan, maar ik geloof toch dat er iets meer gedaan had kunnen worden.

Het voetbal heeft inmiddels zo’n belangrijke plaats in de maatschappij verworven, dat het ondenkbaar is om alle nieuwe uitdagingen maar gewoon op je af te laten komen en de voetbalorganisaties de vrije hand te laten. Het is duidelijk dat er ingegrepen moet worden, zoals het Europees Parlement zelf heeft onderkend, om te proberen een meer evenwichtige groei in de voetbalsector te bewerkstelligen en adequaat in te spelen op de veranderingen die zich voordoen.

De steeds belangrijker plaats die het Europese voetbal inneemt, heeft overigens ook aanzienlijke repercussies voor andere sectoren, zoals al is opgemerkt en zoals wij met eigen ogen kunnen zien. Denk bijvoorbeeld aan de sponsors, aan de waarde van televisierechten, de marketing, het toenemende aantal internationale wedstrijden die op hun beurt de nodige weerslag op diverse sectoren hebben, de nieuwe maatschappelijke en culturele problemen die ermee gepaard gaan. Ik zou zelfs zeggen dat deze nieuwe maatschappelijke dimensie die het moderne voetbal in steeds ruimere mate krijgt, doorwerkt op moraliteit en openbaar gedrag, met als gevolg doping, geweld, racisme en zelfs uitbuiting van jonge spelers.

Er is gesproken over de grote teams, maar wij verliezen herhaaldelijk de omvang van het probleem uit het oog omdat wij veel te druk zijn met de grote clubs en gewoon niet verder kijken. Het gaat er juist om dat er meer aandacht aan de lagere divisies wordt besteed dan tot nu toe gedaan is.

Dus het is terecht te stellen dat er meer regelgeving moet komen in het Europees voetbal en dat die regelgeving gekoppeld moet worden aan het Europees recht en de dynamiek van de interne markt. Het is terecht dat men het voetbalbestuur wil moderniseren en de maatschappelijke en culturele rol van het voetbal wil opvijzelen. Het is niet zo dat wij de UEFA het gras voor de voeten willen wegmaaien, maar wel willen wij een beleid doorvoeren waarmee de voetbalwereld in betere banen geleid kan worden. En vooral is het zaak duidelijke taal te spreken. Met andere woorden, een pleidooi voor autonomie van de voetbalorganisaties mag niet neerkomen op de aansporing dat ieder maar doet wat hij wil en dat het communautair recht buitenspel wordt gezet.

Het is onze plicht om misstanden en wanverhoudingen in de voetbalwereld te bestrijden. Maar dit is wel een klus waar de politieke en parlementaire instanties en de sportverenigingen gezamenlijk hun schouders onder moeten zetten. Iedereen moet zijn steentje bijdragen om dat doel te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Luciana Sbarbati (ALDE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ook ik wil de rapporteurs gelukwensen met hun verslagen.

Er is gezegd dat het voetbal in Europa tegenwoordig vooral big business is, maar het voetbal zou ook voor iets anders moeten staan. En toch, miljoenensalarissen, gebrekkige transparantie, racisme en al dan niet uitgelokt geweld zijn zaken die wij met de regelmaat van de klok meemaken en waar wij zelfs een beetje aan gewend zijn geraakt. Door dit alles komt de educatieve rol van sport en vooral van voetbal op losse schroeven te staan. Over die rol moeten we ons juist diep gaan bezinnen, in de eerste plaats over het amateurvoetbal en de sport die op school wordt bedreven, want daar zijn de positieve aspecten van de competitiegeest steevast gekoppeld aan naleving van de regels.

Alhoewel de EU op dit gebied geen specifieke bevoegdheid bezit, zoals al is gezegd, zijn wij allemaal betrokken bij de relatie tussen voetbal en geweld; een verschijnsel dat inmiddels absurde vormen heeft aangenomen waar vaak zelfs voetballers bij betrokken zijn. Daarom hebben wij geprobeerd om gemeenschappelijke maatregelen te bedenken voor preventie en onderdrukking van geweldsdelicten, in samenwerking met de voetbalverenigingen, de UEFA en de politie, met het oog op de bescherming van de veiligheid van alle burgers.

Maar volgens mij moeten wij ook naar de diepere oorzaken zoeken en bezien wat allemaal de oorzaken van het geweld in de stadions zijn. Tot op heden is er geen precieze verantwoordelijkheid in dit verband aangewezen, maar deze oorzaken moeten dus opgespoord en aangepakt worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Christopher Heaton-Harris (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de heer Belet willen bedanken voor zijn aanpak van dit verslag. Ik ben het in bepaalde opzichten helemaal niet met hem eens, hij stelt in de overwegingen bijvoorbeeld voor dat de EU de macht vrijwel volledig naar zich toe moet trekken, maar ik ben wel tevreden met de professionele manier waarop hij dit verslag heeft opgesteld.

Er zijn natuurlijk problemen in het voetbal, maar geen problemen die wij als Europese politici niet nog heel wat erger zouden kunnen maken. Er zijn natuurlijk kleine groepjes van mensen die voetbalwedstrijden als excuus te gebruiken voor gewelddadig gedrag, en die moeten worden gearresteerd en een stadionverbod krijgen. Maar zoals veel Rangers-fans uit het Schotse Glasgow u kunnen vertellen moet het politieoptreden tijdens internationale evenementen vriendelijk en redelijk zijn, en niet vijandig en buitensporig. We kunnen geen einde maken aan dit geweld door de EU een bevoegdheid voor dit beleid geven, en om beste praktijken uit te wisselen is dat ook niet nodig.

Dit verslag is een goed voorbeeld van een zaak die we vanaf een afstand en met gezond verstand moeten bekijken. We moeten de sport overlaten aan degenen die eraan meedoen. Veel van de aanbevelingen in dit verslag zijn heel redelijk, maar wij zijn politici, en we kunnen gewoon niet weerstaan aan de verleiding om ons te bemoeien met zaken die ons niets aangaan. Kijk maar naar amendement 25, dat intussen is ingetrokken, luister maar naar wat er tijdens dit debat is gezegd, en dan begrijpt u wat ik bedoel.

Ik heb het gevoel dat we deze nieuwe bevoegdheden opeisen om te proberen problemen op te lossen die niet werkelijk bestaan, en de zeer uiteenlopende modellen die er in heel Europa op dit moment in het voetbal zijn te veranderen en te harmoniseren.

Ik ben al 25 jaar scheidsrechter, in de laagste divisie, en heb sinds ik lid ben van dit Parlement al heel wat debatten over dit onderwerp gevolgd. Ik moet zeggen dat we volgens mij het gevaar lopen dat we vergeten dat professionele voetbalclubs – en daar hebben we het vanavond over – een heel bijzondere band hebben met miljoenen amateurs die ieder weekeinde naar de velden overal in Europa stromen, en dat we door ons bijzonder ondoordacht pleidooi voor inmenging de solidariteit in gevaar brengen die bepaalde leden juist willen bevorderen en beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Christa Prets (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ook ik zou mijnheer Belet willen bedanken voor zijn initiatief en medewerking. Ik hoop dat we de compromissen die we uitgewerkt hebben, kunnen handhaven en dat we niet op het laatste moment nog wijzigingen aanbrengen en op bepaalde gebieden door de knieën gaan.

Met dit verslag kaarten we de actuele problemen in het hedendaagse voetbal aan. We pleiten niet voor meer regelgeving op EU-niveau, maar we willen wel een juridische verduidelijking van de bestaande regels om te voorkomen dat zinvolle voetbalregels uitgehold worden. Het is geen oplossing om alle problemen die zich voordoen later bijvoorbeeld voor het Hof van Justitie uit te vechten. We wilden ook niet de strijd aanbinden met grote clubs en een zogenaamde aanval beginnen tegen de traditionele clubs, we wilden ons inzetten voor een rechtvaardig evenwicht tussen kleine en grote clubs. Hierbij zou, bijvoorbeeld, het toekennen van licenties genoemd kunnen worden. Bovendien moet er veel meer aandacht komen voor de jeugd dan tot nu toe het geval is geweest.

 
  
MPphoto
 
 

  Sharon Bowles (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, in het verslag van de heer Belet wordt niet voorgesteld dat de EU het voetbal moet overnemen, en de ALDE-Fractie heeft een actieve rol gespeeld bij het indienen van amendementen om dat duidelijker te maken. Het is echter helemaal niet verkeerd wanneer we helpen bij het uitwisselen van beste praktijken.

Bepaalde zakelijke aspecten van het voetbal vallen onder de Europese wetgeving, daarop zijn onder andere de regels voor de desbetreffende economische activiteiten van toepassing, en daar hebben we geen speciale bepalingen voor nodig.

Voetbal heeft ook een sociale en culturele dimensie, en de sterkste banden ontstaan op het plaatselijke niveau. Daar gaan de fans week in week uit naar de wedstrijden, en daar investeren clubs zoals Reading Football Club in mijn eigen regio in voetbalactiviteiten voor de eigen gemeenschap. Die plaatselijke banden zijn de reden waarom nationale verenigingen, divisies en clubs het beste in staat zijn om in een kader van zelfregulering de juiste beslissingen te nemen. Met de nodige amendementen bereiken we dat volgens mij ook met dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Luis Herrero-Tejedor (PPE-DE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik, zoals dat de gewoonte is, maar in dit geval ook zeer verdiend, de rapporteur, de heer Ivo Belet, bedanken voor het feit dat hij heeft aangetoond dat hij met alle fracties en met alle afgevaardigden een dialoog weet te voeren.

Hijzelf heeft ons er aan het begin van dit debat op gewezen dat we niet uit het oog mogen verliezen dat dit een verslag is over het beroepsvoetbal, wat een component toevoegt die naar mijn mening cruciaal is. Ook wil ik benadrukken dat dit een initiatiefverslag is en dat dit de eerste keer is dat het Europees Parlement zich met het voetbal bezighoudt en het signaal afgeeft dat een verschijnsel als het voetbal zijn aandacht heeft. Dat wil zeggen dat we heel goed moeten vaststellen welke aspecten in het bijzonder onze aandacht hebben.

Als we het over beroepsvoetbal hebben, moeten we het vooral hebben over de professionele voetbalclubs en de toeschouwers; zonder deze twee elementen zou het probleem dat we willen aanpakken niet bestaan. Daarom ben ik het volledig eens met de slotopmerking van de heer Heaton-Harris: iedere bespiegeling waarin de echte voetbalclubs niet centraal staan is misplaatst.

Als wij aan de toeschouwers een signaal afgeven waarmee we zeggen: "Luister, het Europees Parlement wil met zijn handen aan het voetbal komen om te voorkomen dat het spektakel spectaculair is"; als we tegen de grote clubs, de clubs die echt een grote clientèle hebben, waar vanuit de samenleving een grote vraag naar is, gaan zeggen: "Luister, op grond van het solidariteitsbeginsel gaan we jullie inkomsten beperken, mogen jullie de grote spelers niet meer contracteren en mogen jullie ook deze structuur niet meer hebben. We gaan het spektakel verarmen", dan verzeker ik u, dames en heren, dat de voetballiefhebbers – en velen van ons zijn dat – ons geschokt zouden aankijken.

Ze zouden tegen ons zeggen: "Dus jullie maken je bezorgd over het voetbal en geven het signaal af dat jullie het spektakel minder spectaculair willen maken omdat jullie het op de grote clubs hebben voorzien". Dat is absurd; en daarom, dames en heren, vraag ik u om dit goed in gedachten te houden op het moment dat er gekeken wordt naar de onderhandelingen over de uitzendrechten van de voetbalclubs.

 
  
MPphoto
 
 

  Emine Bozkurt (PSE). – Voorzitter, Europa moet niet de scheidsrechter, maar ook niet alleen toeschouwer zijn, als het gaat om het betaald voetbal. We moeten geen competenties claimen die we niet hebben, maar als het gaat over internemarktregels, racismebestrijding en grensoverschrijdende fraude, dan zijn dat zaken waar de EU wel competentie heeft. Ik ben daarom vóór paragraaf 8, maar tegen een onafhankelijk toezichthoudend orgaan. Europa is geen scheidsrechter en moet zich niet bezighouden met zaken waar de voetbalwereld zelf heel goed uit kan komen.

Ik dank de heer Belet voor de enorme steun in zijn verslag voor de strijd tegen racisme in het voetbal. Vorig jaar nam ik het initiatief tot een schriftelijke verklaring hierover, waarnaar het verslag nu expliciet verwijst. Met een recordsteun werd dat een officiële resolutie waarvan de voorgestelde maatregelen tot strengere sancties werden overgenomen door de UEFA en de FIFA. Deze goede manier van samenwerken moet ook tot stand komen op de andere terreinen van het voetbal.

 
  
MPphoto
 
 

  Manolis Mavrommatis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, ik wil allereerst de heer Belet en de heer Catania gelukwensen met het belangrijke resultaat dat zij hebben weten te bereiken met de opstelling van hun verslagen over de toekomst van het beroepsvoetbal in de Europese Unie. Ik wil echter vooral de heer Belet bedanken voor de enorme inspanningen die hij heeft ondernomen om de belangstelling te wekken van vijf commissies, evenals van een groot aantal instanties en persoonlijkheden in de sport en de economie. Daaruit blijkt hoe belangrijk en dynamisch het voetbal is en hoezeer het miljoenen sportliefhebbers – en niet alleen sportliefhebbers – in zijn ban houdt.

Toen in 1995 de zaak-Bosman actueel was, dacht niemand dat de Europese Unie de eerste, ingrijpende maatregel zou nemen op sportgebied en de belangen van de werknemers en vooral voetballers zou gaan behartigen. Na twaalf jaar komt nu dit initiatiefverslag waarmee nieuwe wegen worden gebaand en vooruitzichten worden geboden die recht doen aan de waarden van de Europese Unie en van de meest populaire sport, het voetbal.

Met de door alle commissies goedgekeurde amendementen en met de voorstellen aan het adres van de Commissie cultuur, onderwijs, media, sport en veeltaligheid en van de Raad wordt, mijnheer de commissaris, het pad geëffend voor een pijlsnelle indiening van een voorstel voor een juridisch kader inzake sport, ongeacht het moment waarop het Grondwettelijk Verdrag, waarin iets soortgelijks is voorzien, zal worden uitgevaardigd, als het überhaupt zover komt.

Dit zijn de redenen waarom het Europees Parlement steun moet geven aan het verslag over voetbal. Iedereen is het er namelijk mee eens dat daarmee de standpunten en het gevestigde orde zullen veranderen en prioriteit zal worden gegeven aan de bescherming van de sport tegen hooliganisme, racisme, vreemdelingenhaat en doping, aan gelijke behandeling van grote en kleine voetbalclubs bij het beheer van de communautaire rechten en aan het promoten van talenten op een manier die niets heeft uit te staan met de import van minderjarigen uit derde landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Muscat (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik net als mijn collega’s de heer Belet willen bedanken voor het uitstekende werk dat hij heeft verricht. We hebben natuurlijk allemaal kleine of grote bezwaren tegen de tekst, maar de rapporteur heeft de standpunten van de verschillende commissies goed samengevat.

Ik zou ook graag op een ander punt in willen gaan: we boffen dat we met zo’n betrouwbare partner als de UEFA kunnen samenwerken. In het verleden is wel gebleken dat we ervan op aan kunnen dat die organisatie geen loze beloftes doet. We hebben dus een partner op wie we kunnen bouwen.

Ik zal me op één sector concentreren, en wel de uitzendrechten. Eigenlijk zouden de consumenten in het digitale tijdperk meer keuze moeten hebben. Helaas hebben de toeschouwers in heel wat lidstaten nu minder keuzemogelijkheden, en moeten ze betalen voor zaken die ze tot nu toe gratis kregen. Met ons verslag geven we de autoriteiten een duidelijk signaal dat ze het juiste evenwicht moeten vinden tussen betaaltelevisie en free-to-air-TV.

 
  
MPphoto
 
 

  Giuseppe Castiglione (PPE-DE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik wil de heren Catania en Belet danken en complimenteren met het verslag dat zij dit Parlement hebben aangeboden.

Sport in het algemeen, en voetbal in het bijzonder, is een essentieel onderdeel van de Europese culturele identiteit. Voetbal heeft ongetwijfeld een sociale functie en kan een geschikt middel zijn om discriminatie, racisme, onverdraagzaamheid en geweld tegen te gaan. Maar deze functie en deze positieve rol komen tegenwoordig steeds meer in het gedrang door mensen die de wedstrijden in de stadions zien als een zoveelste kans voor terreur en geweld. De veiligheid in de stadions moet dus onze prioriteit zijn en ons motto moet zijn: preventie.

Om die reden sta ik volledig achter de aansporing die de heer Belet in zijn verslag aan de lidstaten doet om vormen van samenwerking tussen clubs, supportersverenigingen en de politie in te voeren, met het oog op bestrijding van geweld, vandalisme en ander misdadig gedrag dat wij steeds vaker bij voetbalwedstrijden meemaken. Ook sta ik achter de noodzaak van strengere sancties tegen iedere uiting van racisme en vreemdelingenhaat in de stadions, en ik vind tevens dat de UEFA en de andere voetbalbonden de nodige strafmaatregelen moeten nemen tegen al degenen die zich daaraan schuldig maken.

Maar een even belangrijke preventiemaatregel is versterking en professionalisering van de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de nationale instanties bij internationale wedstrijden. Andere belangrijke maatregelen zijn de controle in de stadions van voetbalsupporters die bedreigend kunnen zijn voor de openbare orde, en het inwinnen van specifieke informatie over de supportersverenigingen: dat is voor het ontvangende land een fundamenteel element voor een daadwerkelijke risicobeoordeling van een sportevenement, zodat langs deze weg verstoring van de openbare orde voorkomen kan worden.

Natuurlijk moet misbruik in de controle van alle burgers voorkomen worden, en moeten de privacy en geheimhouding van persoonsgegevens gerespecteerd worden. Maar de bescherming van de privacy van een enkeling mag niet ten koste gaan van de veiligheid van iedereen. Ook mag dat geen voorwendsel worden om een ongecontroleerde toeloop van ware criminelen in gang te zetten, doordat misdrijven niet strafrechtelijk vervolgd worden alleen maar omdat ze in het kader van een sportevenement gepleegd zijn.

Het gaat erom een goed evenwicht tot stand te brengen door tegengestelde eisen tegen elkaar af te wegen. Maar zo’n evenwicht kan alleen verkregen worden als de individuele vrijheid en de rechten van iedereen gerespecteerd woden: in de eerste plaats het recht op veiligheid, met inbegrip van de vrijheid om naar het stadion te gaan en in alle rust van een sportwedstrijd te genieten.

 
  
  

VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Corbett (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de rapporteurs, en vooral de heer Belet, willen feliciteren. Ik heb met hem samengewerkt in de "Independent European Sport Review", die de Raad vorig jaar in het leven heeft geroepen.

De voetbalwereld heeft meerdere problemen. Een daarvan is het verband tussen draagkracht en sportieve successen. Een ander probleem is dat in vrijwel iedere competitie in heel Europa een steeds kleiner aantal clubs de rijkdom in handen hebben, en dus ook de sportieve successen boeken. De voetbalinstanties hebben maatregelen genomen om deze trend te keren – zoals het stelsel van lokaal opgeleide spelers, of de verplichting om de televisierechten collectief te verkopen, en de opbrengst onder alle clubs te verdelen. Het gevaar bestaat echter dat die onverenigbaar met het Europese recht zullen worden verklaard. Ik ben geschrokken toen commissaris Figeľ zei dat de Commissie daarover nog steeds nadenkt, en nog geen besluit heeft genomen. Daarom moet er in het witboek worden voorzien in uitzonderingen, of tenminste in een soepele interpretatie van het EU-recht, om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sport. Daarom zijn de toespraken van de heren Titford en Heaton-Harris zo misplaatst. Die waren bedoeld om de Britse tabloids op te hitsen. Het is onzin dat de Europese Unie hier probeert om de macht naar zich toe te trekken. Het is juist de bedoeling om de bestaande Europese regels, die oorspronkelijk voor andere doeleinden waren opgesteld, wat losser toe te passen. Dat is wat er moet gebeuren. Wie het tegendeel beweert, is gewoon niet eerlijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacek Protasiewicz (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik de beide rapporteurs, en de heer Belet in het bijzonder, van harte willen feliciteren met het resultaat van hun werk. In het verslag van de heer Belet komen alle essentiële aspecten van het Europese voetbal aan bod, van de juridische context, het management, het mededingingsrecht, de interne markt en sociale kwesties tot de strijd tegen criminele activiteiten als racisme of dopinggebruik en het aanpakken van corruptie tijdens voetbalwedstrijden.

Anders dan aanvankelijk het geval leek, was dit geen gemakkelijke opdracht. Voetbal is immers een sport die de gemoederen hoog doet oplaaien. Dat ook dit Parlement niet volledig ongevoelig was voor deze sterke emoties, blijkt uit het grote aantal amendementen waarmee de rapporteur tijdens zijn werk werd geconfronteerd. Een van die amendementen bleek bijzonder belangrijk te zijn omdat het verband hield met de verkoop van de uitzendrechten voor voetbalwedstrijden. In eerdere debatten over deze kwestie heb ik me uitgesproken voor een collectief systeem dat een billijke verdeling van de inkomsten uit televisierechten zou garanderen en bijgevolg zou leiden tot een evenwichtigere concurrentie en tot de competitiegeest die sport nodig heeft. Vandaag wil ik echter mijn steun uitspreken voor het mondelinge amendement dat werd voorgesteld door de rapporteur.

Als lid van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken wil ik bovendien mijn erkentelijkheid uitdrukken voor het feit dat in het verslag nader wordt ingegaan op een aantal kwesties op het vlak van werkgelegenheid, onder meer betreffende de contracten tussen profvoetballers en hun clubs, een juridische regeling voor spelersagenten en voor de transacties die ze sluiten, evenals de opleiding en training van jonge voetballers die ervoor zorgen dat de besten van hen een plaats krijgen in het team van hun club.

Ik ben ervan overtuigd dat voetbal aan de basis kan liggen van ontwikkeling en zelfontplooiing. Daarom ben ik ingenomen met de punten uit het verslag die erop wijzen dat het van wezenlijk belang is om clubs te steunen die de juiste voorwaarden scheppen voor jonge voetballers, zowel op het vlak van training als van onderwijs.

Ten slotte zou ik willen onderstrepen dat het vrij verkeer van werknemers vandaag de dag in de sport – en dus ook in het voetbal – in de gehele Europese Unie een realiteit is. Ik hoop dat dit weldra ook voor andere segmenten van de Europese arbeidsmarkt het geval zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Badia i Cutchet (PSE). – (ES) Ook ik wil de rapporteur bedanken, vooral voor de geest van samenwerking die hij heeft tentoongespreid bij het opstellen van dit verslag, een verslag over de toekomst van het beroepsvoetbal dat niet alleen voor het voetbal belangrijk is, omdat er problemen in aan de orde worden gesteld die zich de laatste tijd in de gehele sportwereld steeds vaker voordoen: geweld op de velden, racisme, doping, gebrek aan financiële transparantie.

Ik wil me concentreren op twee kwesties. In de eerste plaats het groeiende belang van het voetbal in economisch opzicht, waardoor de waarde van de televisierechten sterk is toegenomen. Het is naar mijn mening belangrijk dat in het verslag wordt uitgesproken dat we ons zorgen maken over de verdeling van de inkomsten volgens het huidige systeem voor de verkoop van die televisierechten, dat tot onevenwichtige concurrentie tussen de verschillende clubs kan leiden. Ik moet zeggen dat ik het betreur – en dit is iets dat ik mis in het verslag – dat er geen rekening is gehouden met het feit dat deze inkomsten niet alleen afhankelijk zijn van de nationale televisiemarkten, maar ook van de impact die de clubs wereldwijd hebben op het publiek, en dat er ook geen rekening wordt gehouden met het feit dat er op nationaal niveau al een zekere herverdeling van de opbrengsten van de uitzendrechten tussen de clubs plaatsvindt.

Aan de andere kant verheugt het me dat in het verslag rekening wordt gehouden met de verschillende nationale voetbalbonden van de Europese Unie, ongeacht of deze wel of niet deel uitmaken van de structuren van de sportbonden of -federaties die door de lidstaten zijn erkend.

Tot slot hoop ik dat de Commissie bij het opstellen van het Witboek over sport de opmerkingen van het Europees Parlement in aanmerking zal nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vasco Graça Moura (PPE-DE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, in de grondwetten van al onze lidstaten is vastgelegd dat iedere burger toegang tot de rechtspraak moet hebben. Dit recht komt verder tot uitdrukking in artikel 47 van het Europees Handvest van de Grondrechten, dat dit recht toekent aan iedereen die een schending heeft moeten verduren van de rechten of garanties die hem of haar uit hoofde van de Europese wetgeving toekomen.

Het belang van deze bepalingen is duidelijk: geen enkele norm of rechterlijke instantie kan iemand het grondrecht op toegang tot de rechter ontzeggen, ook al is het in de praktijk zo dat de rechtspraak zich in bepaalde gevallen kan beroepen op wat juristen een "exceptie van onbevoegdheid" noemen. Een dergelijke exceptie moet overigens wel worden erkend door een onafhankelijke en onpartijdige, door de wet aangewezen instantie. Zo staat het in artikel 47, en dit is een vereiste voor de eigen bevoegdheid. Het mag dus niet zo zijn dat een beroep op de rechter door een natuurlijke of rechtspersoon aanleiding geeft tot disciplinaire maatregelen.

De uitoefening van een recht dat door alle grondwetten én het Europees Handvest wordt gegarandeerd kan nooit een schending van om het even welke norm inhouden. Het verslag-Belet gaat dan ook terecht uit van het beginsel dat een beroep op de burgerlijke rechtspraak – ofschoon uit sportief oogpunt ongerechtvaardigd – geen aanleiding mag zijn tot het opleggen van disciplinaire maatregelen. De arbitraire beslissingen van de FIFA worden daarom veroordeeld.

Als we over dit principe stemmen zal dat er niet alleen toe leiden dat de sportpraktijk transparanter wordt; we bekrachtigen zo opnieuw één van de belangrijkste beginselen waarop de rechtstaat gebaseerd is.

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Mantovani (PPE-DE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil de heer Belet danken voor zijn bijdrage aan het verslag over de toekomst van het beroepsvoetbal in Europa.

Europa maakt naar mijn mening een periode van bijzondere onzekerheid door en zit tegelijkertijd in een fase van bezinning. Dat komt duidelijk tot uiting in de menselijke dimensie die voor de Europese burgers heel belangrijk is. Deze menselijke dimensie is een kenmerk van sport in het algemeen en van voetbal in het bijzonder, gezien de educatieve waarde van sport, de maatschappelijke en culturele integratie die zij teweeg kan brengen, de hulp die zij kan bieden in de strijd tegen discriminatie.

Dit integratieproces is deels te danken aan de positieve effecten van het Bosman-arrest, waarmee in 1995 de mobiliteit van voetballers tot stand werd gebracht. In dit verband moet er echter wel op gewezen worden dat beroepsvoetbal een economische bedrijvigheid is die erkend wordt door artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Geemenschap.

In financieel opzicht is de bepleite integratie dan ook onvolledig tot stand gekomen, onder andere vanwege de oneerlijke concurrentie op de voetbalmarkt. Dat is te wijten aan de verschillende belastingstelsels die de diverse landen van de Unie hanteren. Sommige landen zijn fiscaal gezien voordelig, waardoor hun clubs veel hogere salarissen aan hun voetballers kunnen uitbetalen dan clubs van andere landen.

Tenslotte willen wij er absoluut op wijzen dat het voorstel van een in communautair opzicht gelijke verdeling van de televisierechten tussen de verschillende landen van de Europese Unie geen echte prioriteit voor de voetbalsector is, gezien de historische, culturele en vooral marktverschillen die er momenteel zijn. Het voorstel is tevens in strijd met het subsidiariteitsbeginsel, een grondbeginsel dat gerespecteerd dient te worden.

Mijnheer de Voorzitter, vijf jaar geleden heb ik in dit Huis voorgesteld om een Europees sportagentschap op te richten. Ik geloof dat daar vandaag de dag meer dan ooit behoefte aan is.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de twee rapporteurs willen bedanken, en ook alle leden die het woord hebben gevoerd. Er zijn heel wat interessante punten aan de orde gesteld. Morgen moet u beslissen wat er precies in het verslag zal komen te staan, maar veel van wat u heeft gezegd kan worden beschouwd als een bijdrage aan verdere discussies, en ook aan het verdere beleid ten gunste van het voetbal en de sport, en van het saamhorigheidsgevoel in Europa.

Zoals de heer Belet al zei is een van de belangrijke punten dat we de bevoegde autoriteiten moeten vragen om aan de tafel te gaan zitten en naar oplossingen te zoeken. Het is duidelijk dat we samen moeten werken. We hebben jarenlang regelmatig en intensief samengewerkt met organisaties als de UEFA en de FIFA. De studie “Independent European Sport Review”, die nog steeds relevant is, is daar besproken.

Aan het einde van mijn inleiding heb ik een bijzonder interessant evenement genoemd, dat onlangs in Manchester heeft plaatsgevonden. Ik heb gehoord dat de Britse collega’s heel verschillende meningen zijn toegedaan, maar voetbal is toch synoniem met het Verenigd Koninkrijk. In het belang van een gezonde voetbalsport kunnen we heel wat zeggen over het belang van samenwerking.

Europa is op voetbalgebied een supermacht. Ik wil niet ingaan op de geopolitieke aspecten, maar ik heb deelgenomen aan internationale debatten, waar vaak vooral door Afrikaanse landen is gezegd dat die overheersende positie schadelijk is voor de internationale relaties en voor de sport. De Afrikanen hadden heel wat kritiek op de Europeanen. We moeten daarop een helder en geloofwaardig antwoord geven.

We hebben het over de amateursport, maar ook over de profsport. Er bestaat in de sport, en dus ook in het voetbal, een heel belangrijke piramide. De amateurs en de profs vormen een piramide. Geld is niet het belangrijkste, anders zou de hele piramide op haar kop staan, en dat zou geen goede zaak zijn.

We hebben vorig jaar bijvoorbeeld met de FIFA afgesproken om projecten voor kindervoetbal in Afrika te steunen, om de sport en de integratie te bevorderen. Dat is een deel van de voorbereidingen voor het Wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika in 2010.

Twee weken geleden hebben we in Stuttgart gesproken met de ministers van sport. In dit debat spelen twee negatieve elementen een rol: geweld en doping. Die punten worden ook in uw verslag genoemd. De ministers hebben afgesproken om de oprichting voor te bereiden van een Europees netwerk van agentschappen die zich bezighouden met de strijd tegen doping. Op die manier kunnen we ertoe bijdragen om de transparantie en de geloofwaardigheid van ons beleid te verhogen. Er is ook over geweld gesproken. We zullen in november samen met de Raad van Europa en het Europees Parlement een conferentie over sport en vandalisme organiseren.

We hebben ook de economische aspecten van de sport en de sociale integratie door de sport gesproken. We hebben bijvoorbeeld afgesproken om specifiekere en betrouwbaardere gegevens te leveren over de economische kant van de sport, om te bekijken welke invloed die heeft op de werkgelegenheid en de groei in onze landen. Dat is heel belangrijk.

In het witboek van de Commissie over de sport zullen ook de volgende punten aan bod komen: specificiteit, subsidiariteit, autonomie en natuurlijk ook diversiteit. Dat zijn de zichtbare mozaïeksteentjes van ons sportbeleid. Dat is heel belangrijk, niet alleen in de cultuur, maar ook in de sport. Het gaat om transparantie, spelregels en teamwork. Dat moet echter allemaal gebeuren binnen het juridische kader van de EU, en niet daarbuiten, dat zeg ik in alle duidelijkheid.

Afsluitend wil ik er op wijzen dat we op dit moment een raadpleging over het witboek houden. Zoals gezegd kunnen we, zodra deze verslagen morgen aangenomen zijn, ervan profiteren voor dit voorbereidende werk. We hebben al 670 reacties ontvangen, en meer dan 200 daarvan komen van verenigingen of bonden. Dat betekent dat we moeten samenwerken om een goed resultaat te bereiken, in het belang van de geloofwaardigheid van Europa. We dragen op het gebied van de sport namelijk een brede internationale verantwoordelijkheid.

Europa is de wieg van allerlei ideeën, ook van het voetbal en van de Olympische gedachte. Deze waarden en tradities moeten we hoog houden, in de Europese samenwerking, maar ook daarbuiten.

Ik zou alle leden van het Europees Parlement willen danken voor hun bijdragen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142 van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (NI), schriftelijk. (IT) Het voetbal is diep geworteld in de Europese identiteit en cultuur. Vooral bij jongeren, maar niet alleen in die leeftijdsgroep, is voetbal een sociaal bindmiddel, een instrument van informele opvoeding en van economische en territoriale ontwikkeling. Sinds niet al te lange tijd echter is door allerlei juridische schandalen, door competities waarin geknoeid is, door geweld, racisme, miljoenencontracten en economische belangen, de voetbalwereld losgeraakt van haar oorspronkelijke idee, en zijn de burgers vervreemd van het voetbal.

Het is dus belangrijk dat de EU in actie komt om de bezem te halen door een tak van sport waarin wij wereldleiders zijn: een sector die niet alleen een cultuuruiting moet blijven, maar tevens een bron van economische ontwikkeling, werkgelegenheid en maatschappelijke cohesie. Ik hoop dus dat voetbal en sport in het algemeen in de toekomst op de nodige bijstand kunnen rekenen, zodat al die belangen die op het spel staan gereguleerd kunnen worden. Het is vooral zaak wedstrijden en sportevenementen op plaatselijk en Europees niveau te ondersteunen (en de toegang voor kansarme en andere jongeren te bevorderen), om op die manier kleinere clubs en takken van sport te promoten, die overal in Europa een belangrijk middel voor de maatschappelijke opvoeding van onze burgers zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Iles Braghetto (PPE-DE), schriftelijk. (IT) Ik heb veel waardering voor het werk dat de rapporteur heeft verricht en dat dus zeker mijn instemming krijgt. Voetbal en sport in het algemeen zijn uitingen van een sociale omgang en een spelcultuur die kenmerkend zijn voor de westerse beschaving. De juiste aanpak is daarom volgens mij niet om nieuwe wetgeving op te stellen, maar om de voetbalsector in de richting te duwen van vormen van zelfregulering waaraan alle betrokkenen, alle deelnemers, supporters incluis, kunnen meewerken.

Er moet gezocht worden naar rechtszekerheid door middel van richtsnoeren die zorgen voor samenwerking en solidariteit tussen alle deelnemers aan het sportgebeuren. Met name acht ik het noodzakelijk om de educatie van jongeren te stimuleren, om strenge strafmaatregelen te nemen tegen racisme en geweld in de stadions, om supporters op te nemen in de bestuurslaag van het voetbal, om een transparant systeem te bedenken voor controle van de kosten, eerlijke concurrentie tussen de clubs en verzekeringsdekking voor de voetballer.

Om al die redenen kijken wij reikhalzend uit naar de goedkeuring van het Witboek van de Europese Commissie inzake de rol van de sport in Europa. Wij achten het uiterst nuttig om een actieplan op te stellen voor de Europese sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder.

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE) , schriftelijk. – (EN) Rond voetbalwedstrijden doen zich steeds vaker vrij ernstige incidenten voor. Daarom zijn we allemaal dankbaar voor het initiatief van Oostenrijk voor een besluit over de veiligheid in dat verband. De beoordeling van de internationale samenwerking tussen politiediensten tijdens het Europees kampioenschap in 2004 heeft heel duidelijk aangetoond dat er internationaal meer informatie moet worden uitgewisseld over risicosupporters. Het is echter wel belangrijk – en dat schrijft ook onze rapporteur Giusto Catania – dat die uitwisseling van persoonsgegevens plaatsvindt volgens de nationale en internationale regels die daarvoor gelden, en dat de gegevens niet voor andere doelen worden gebruikt. Almaar meer supporters reizen voor wedstrijden naar het buitenland, daarom moet er een versterkte samenwerking komen tussen de nationale diensten die deze informatie verzamelen. We moeten hier een werkelijk internationale dimensie aan geven. Wanneer we erin slagen om door een internationale uitwisseling van informatie alle lidstaten in staat te stellen de risico’s goed in te schatten, en we het geweld en de rellen rond voetbalwedstrijden daardoor kunnen bestrijden of zelfs verhinderen, dan kunnen we ertoe bijdragen dat de morele en opvoedkundige waarden van het voetbal, en ook van sport in het algemeen, hoog in het vaandel blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Lívia Járóka (PPE-DE), schriftelijk. – (HU) Het verslag van Ivo Belet over de toekomst van het beroepsvoetbal in Europa houdt een zeer belangrijke stellingname in. Het staat voor ons allemaal buiten kijf dat voetbal in Europa een veelzijdige rol vervult en een belangrijke maatschappelijke en culturele functie heeft; door dit populaire spel kunnen mensen met elkaar in aanraking komen, elkaars denkbeelden leren kennen en wordt bovendien hun deelname aan de maatschappij bevorderd.

Racisme en vreemdelingenhaat zijn maatschappelijke problemen die steeds sterker naar voren komen in ons dagelijks leven, maar ook bij het voetbal. Tijdens voetbalwedstrijden kunnen we elke week getuige zijn van ernstige racistische incidenten en, in Midden- en Oost-Europa, van steeds sterker wordende anti-Roma sentimenten. Deze bijzonder geliefde tak van sport wordt vandaag de dag sterk geassocieerd met hooliganisme en hatelijke uitlatingen die voortkomen uit racisme.

Racisme en vreemdelingenhaat zijn wijdverspreid in de voetbalstadions. In Midden- en Oost-Europa weergalmen de voetbalvelden van anti-Roma uitlatingen, ongeacht of er wel of niet een team speelt met Roma-supporters en -aanhangers.

De populariteit van dit spel moet het mogelijk maken de strijd met het racisme aan te binden, de aandacht van de mensen te vragen en een voorbeeld te stellen. In de strijd tegen de rassenhaat op de sportvelden moeten behalve de clubs ook de Europese Commissie en de regeringen van de lidstaten actief optreden, moeten er bovendien strengere sancties worden opgelegd bij racistische incidenten in het voetbal, en is het daarnaast onontbeerlijk dat de UEFA en de nationale bonden de disciplinaire regels consequent en strikt toepassen.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid