Index 
Debatten
Woensdag 28 maart 2007 - Brussel Uitgave PB
1. Hervatting van de zitting
 2. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 3. Verklaring van de Voorzitter (Zimbabwe)
 4. Aan een lid opgedragen missie
 5. Welkomstwoord
 6. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 7. Ingekomen stukken: zie notulen
 8. Schriftelijke verklaringen (artikel 116): zie notulen
 9. Mondelinge vragen en schriftelijke verklaringen (indiening): zie notulen
 10. Aan de resoluties van het Parlement gegeven gevolg: zie notulen
 11. Agenda: zie notulen
 12. Vervolg op de Verklaring van Berlijn (debat)
 13. Verdere convergentie van de toezichtpraktijken op EU-niveau (debat)
 14. De toekomst van Kosovo en de rol van de EU (debat)
 15. Opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang
 16. Biologische productie en etikettering van biologische producten (debat)
 17. De toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie (debat)
 18. Begrotingsrichtsnoeren voor 2008
 19. De toekomst van het professionele voetbal in Europa - Veiligheid bij voetbalwedstrijden (debat)
 20. Naleving van de vlaggenstaatverplichtingen - Wettelijke aansprakelijkheid en financiële zekerheden van scheepseigenaars (debat)
 21. De integratie van de nieuwe lidstaten in het GLB (debat)
 22. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 23. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: HANS-GERT POETTERING
Voorzitter

(De vergadering wordt om 15.05 uur geopend)

 
1. Hervatting van de zitting
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik verklaar de zitting van het Europees Parlement, die op donderdag 15 maart 2007 werd onderbroken, te zijn hervat.

 

2. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

3. Verklaring van de Voorzitter (Zimbabwe)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Geachte dames en heren, de fractievoorzitters hebben mij unaniem verzocht volgende verklaring over Zimbabwe af te geven. Het gaat hierbij om een zeer ernstige zaak. De afgelopen weken heeft zich een verdere escalatie voorgedaan in de politieke situatie in dat land, wat gepaard ging met gewelddadigheden van de kant van krachten die door de regering worden gecontroleerd. Op 11 maart maakten gewapende politie-eenheden een einde aan een bijeenkomst in een voorstad van de hoofdstad Harare. Daarbij werd Gift Tandare, een lid van de oppositie, doodgeschoten. Vele andere demonstranten raakten gewond. Veertig vooraanstaande oppositiepolitici, onder wie Morgan Tsvangirai en Arthur Mutambara – de leiders van de belangrijkste oppositiepartij, de Movement for Democratic Change (MDC) – werden opgepakt en mishandeld door de politie terwijl zij in hechtenis zaten. Op 18 maart werd Nelson Chamisa, die voor de oppositie in het parlement zit, gemolesteerd en met ernstige verwondingen opgenomen in het ziekenhuis. Hij was onderweg naar vergaderingen van de commissies van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU. Deze aanslag werd veroordeeld door het Bureau van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, waarin het de steun kreeg van de Afrikaanse leden van de Vergadering. Het Bureau deed een beroep op de Zimbabwaanse regering om een einde te maken aan het geweld in het land, en de mensenrechten en de rechtsstaat te eerbiedigen.

Dames en heren, wij veroordelen ten scherpste iedere daad van geweld en onderdrukking door de regering van president Mugabe. De Raad en de Commissie dienen samen te werken met alle betrokken internationale, regionale en nationale krachten om tot een oplossing te komen, namelijk een overgang van het huidige regime naar een echte democratie.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Glenys Kinnock (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wilde het Parlement vertellen dat Morgan Tsvangirai een uur geleden opnieuw is gearresteerd door de politie en de veiligheidsdiensten in Harare. Hij en zijn personeel stonden op het punt een persconferentie te geven over de gebeurtenissen die u in uw toespraak noemde.

Ik zou daarom graag willen dat het Parlement het feit dat Morgan Tsvangirai opnieuw is gearresteerd, veroordeelt en uitspreekt dat het geweld jegens de oppositie moet ophouden. De Southern African Development Community (SADC) moet hierop reageren tijdens haar bijeenkomst in Tanzania volgende week.

(Applaus)

 

4. Aan een lid opgedragen missie
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Alvorens verder te gaan met de agenda, heb ik u nog een mededeling te doen. De premier van de Tsjechische Republiek heeft mij in kennis gesteld van diens besluit om de heer Jan Zahradil te benoemen tot zijn vertegenwoordiger bij het overleg naar aanleiding van de Verklaring van Berlijn en, meer in het bijzonder, bij het weer op gang brengen van het grondwettelijk proces tijdens het Duitse voorzitterschap van de Unie. De Commissie juridische zaken, die overeenkomstig artikel 4, lid 5 van het Reglement over deze kwestie is geraadpleegd, is in haar vergadering van 19 en 20 maart 2007 tot de conclusie gekomen dat deze missie strookt met de letter en de geest van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen en er derhalve voor Jan Zahradil geen sprake is van een situatie van onverenigbaarheid, zodat hij zijn mandaat als parlementslid kan blijven uitoefenen.

 

5. Welkomstwoord
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Voorts wil ik ook nog een welkomstwoord richten tot de delegatie van Irak. Het doet mij veel plezier vanmiddag een vijfkoppige delegatie van het Iraakse parlement onder leiding van de heer Hamid Mousa te mogen begroeten als gasten van het Europees Parlement.

(Applaus)

De zorgelijke situatie in Irak heeft onze voortdurende aandacht, en een bezoek van onze Iraakse collega’s, dat ons de mogelijkheid biedt om uit de eerste hand te vernemen hoe de zaken zich in dat land ontwikkelen, is zowel zeer noodzakelijk als welkom. Gisteren heb ik hen al mogen ontmoeten, en ik besef terdege onder welke extreem moeilijke omstandigheden de parlementariërs daar moeten werken. Ik weet zeker dat hun besprekingen met de Commissie buitenlandse zaken en met andere leden van dit Parlement nuttig waren en dat beide partijen er hun voordeel mee kunnen doen. Ik vertrouw erop dat het lopende proces van constitutionele hervorming alle groepen in Irak de mogelijkheid zal bieden om tot een brede consensus te komen over de essentiële vraagstukken en voor hun land de weg naar de toekomst te effenen.

Ik wens u, waarde collega’s, en uw land het beste toe en hoop dat uw bezoek zal bijdragen tot het smeden van solide parlementaire betrekkingen tussen onze beide parlementen – uw parlement in Irak en dit Europees Parlement. Ik wens u alle goeds toe als u terugkeert naar uw gekwelde land.

 

6. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen

7. Ingekomen stukken: zie notulen

8. Schriftelijke verklaringen (artikel 116): zie notulen

9. Mondelinge vragen en schriftelijke verklaringen (indiening): zie notulen

10. Aan de resoluties van het Parlement gegeven gevolg: zie notulen

11. Agenda: zie notulen

12. Vervolg op de Verklaring van Berlijn (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het vervolg op de Verklaring van Berlijn.

Staat u mij toe hierover een korte opmerking te maken. Op 17 januari kwam de voorzitter van de Europese Raad – die ik van harte welkom heet in ons midden – naar ons Parlement om haar programma te presenteren.

Op 13 februari, mevrouw de bondskanselier, was u ook aanwezig toen ik mijn programma uiteenzette. En vandaag doet u verslag van de Verklaring van Berlijn van 25 maart. Dus kan ik constateren dat u – terwijl u nog niet eens op de helft van uw voorzitterschap bent – reeds voor de derde keer het Europees Parlement bezoekt, wat ons veel deugd doet. Daarvoor wil ik u namens alle leden van dit Parlement hartelijk en oprecht bedanken.

(Applaus)

De fractievoorzitters zullen nu hun oordeel geven over de Verklaring van Berlijn. Uiteraard wil ik daar niet op vooruitlopen, maar toch wil ik één ding zeggen, namelijk dat u, mevrouw de bondskanselier, en uw medewerkers tijdens de voorbereidingen van de Verklaring van Berlijn voortdurend beschikbaar waren voor het Europees Parlement, voor de Voorzitter van het Parlement en voor diens bevoegde vertegenwoordigers teneinde zoveel mogelijk rekening te houden met onze ideeën, zo goed en zo kwaad dat ging als voorzitter van een groep van 27 regeringen.

Zelf heb ik me strikt gehouden aan het besluit van de Conferentie van voorzitters – ik heb het tot in detail geprobeerd te eerbiedigen – en heb de verantwoordelijke leden van de Commissie constitutionele zaken voortdurend op de hoogte gehouden en geraadpleegd, net als het Bureau en de Conferentie van voorzitters.

Het debat kan nu beginnen. Ik heet niet alleen de voorzitter van de Europese Raad, bondskanselier Angela Merkel, van harte welkom, maar ook de heer José Manuel Barroso, de voorzitter van de Europese Commissie.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Angela Merkel, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte voorzitter van de Commissie, geachte leden van het Europees Parlement, geachte dames en heren, het doet mij plezier het Parlement nogmaals te kunnen bezoeken, dit keer in Brussel. De eerste helft van het Duitse voorzitterschap zit er nu zo’n beetje op, en na afgelopen weekend menen wij te kunnen zeggen dat we flinke vorderingen hebben gemaakt op het terrein van de twee belangrijke taken die ons gedurende dit halfjaar wachten.

Dat is in de eerste plaats het energie- en klimaatbeleid. Daarover heeft de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, de heer Steinmeier, reeds verslag gedaan aan het Europees Parlement. Op dit punt wil ik nogmaals benadrukken dat de Raad op dit belangrijke terrein van het energie- en klimaatbeleid er op basis van de voorstellen van de Commissie in is geslaagd om belangwekkende conclusies te formuleren, waarmee hij heeft laten zien dat de Europese Unie op dit terrein slagvaardig weet op te treden. Dat is daarom zo belangrijk omdat wij uiteraard weten dat Europa hierin alleen een voortrekkersrol kan spelen indien het in staat is om zichzelf ook ambitieuze doelen te stellen. We weten uiteraard dat het bereiken van die doelen meer werk vergt, maar dat is normaal in de politieke praktijk: je zet een stap en als die stap geslaagd is, volgen er meer. Maar de geest waarin we erin zijn geslaagd om het eens te worden over 20 procent verbetering van de energie-efficiëntie in 2020, alsmede over bindende doelstellingen ten aanzien van de verhoging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen tot 20 procent, zou ons in staat moeten stellen om één front te vormen in de internationale onderhandelingen die voor de deur staan en om de lidstaten zover te krijgen dat deze de genoemde percentages tot hun individuele doelstellingen maken. Dat is onze volgende taak. Daarom maak ik van deze gelegenheid gebruik om het Parlement te verzoeken ons hierin te steunen. We hebben op dit punt al veel steun ondervonden, en ik weet zeker dat de Raad met uw aanmoedigingen de noodzakelijke conclusies zal weten te formuleren.

(Applaus en luidkeelse interrupties)

Nu over de tweede belangrijke stap die wij vorig weekend hebben gezet. In de Verklaring van Berlijn kwam enerzijds tot uitdrukking wat voor succesverhaal de Europese Unie is en anderzijds voor welke enorme taken wij samen nog staan.

Allereerst wil ik de Voorzitter van het Europees Parlement, de heer Pöttering, en tevens alle fractievoorzitters hartelijk danken, want het is een triomf dat de Verklaring van Berlijn is ondertekend door het Parlement, de Commissie en de leden van de Raad. Ik vind het gevoel dat deze Verklaring van Berlijn door onze samenwerking mogelijk is gemaakt op zichzelf al waardevol, omdat hieruit blijkt dat alle betrokkenen zich samen willen inzetten voor de toekomst van Europa. Als we naar de Verklaring van Berlijn kijken, zien we dat de definitie van onze gemeenschappelijke waarden daar een belangrijk deel van uitmaakt. Er staat ook in, in zeer ambitieuze bewoordingen, dat wij een ideaal ten aanzien van de Europese maatschappij delen en dat wij gezamenlijk zullen werken aan de verwezenlijking hiervan. Dit maatschappelijk ideaal rust op waarden die ons na aan het hart liggen, namelijk vrijheid, solidariteit en gerechtigheid. Iedere dag opnieuw wordt ons gevraagd hoe wij dat concreet gestalte denken te geven, en daarom werd ik diep geraakt door de manier waarop de Parlementszitting van vandaag begon, namelijk met een scherp geformuleerde verklaring van het Parlement en diens leden over de situatie in Zimbabwe. In mijn rede in Berlijn van afgelopen zondag heb ik duidelijk gemaakt dat we niet onverschillig mogen raken jegens het lot van de mensen in Darfur.

(Applaus)

Dat mogen wij niet zomaar langs ons laten afglijden, maar we moeten er iets aan doen. Als voorzitter van de Raad zullen wij weliswaar alles in het werk stellen om hardere resoluties aangenomen te krijgen in de VN-Veiligheidsraad zodat we op dit punt eindelijk vooruitgang kunnen boeken, maar we moeten ook nadenken over eventuele sancties van de kant van de Europese Unie als dit in de Veiligheidsraad onmogelijk blijkt. Wij moeten namelijk slagvaardig optreden en werkelijk iets doen aan deze kwestie.

(Applaus)

Ik heb zondag ook duidelijk gemaakt dat wij ons ervan bewust zijn dat 25 maart de onafhankelijkheidsdag van de Republiek Belarus is en dat wij – ik denk wij allemaal – onze vrienden in Belarus willen zeggen dat ook zij recht hebben op verwezenlijking van de Europese idealen voor henzelf en dat wij hen heel bewust zullen steunen bij het begaan van deze weg.

(Applaus)

Ik wil de gelegenheid die u mij vanmiddag in uw Parlement biedt ook aangrijpen om te zeggen dat wij in de Europese Unie Iran heel duidelijk willen maken dat de gevangenneming en detentie van vijftien Britse matrozen volstrekt onaanvaardbaar is. Ook hierin zijn wij onvoorwaardelijk solidair met onze Britse vrienden.

(Applaus)

Dit laat ook zien dat wij sterk zijn als we de handen ineenslaan. Er zijn veel zaken die wij slechts samen kunnen bereiken. Omgekeerd geredeneerd betekent dit dat, als wij vinden dat wij ons als lidstaten van de Europese Unie in moeilijke fasen voor elkaar verantwoordelijk moeten voelen, wij ook dienen samen te werken op zoveel mogelijk terreinen. Integratie, onderlinge steun in moeilijke situaties en solidariteit kunnen we alleen verwachten als ieder land zich tot op zekere hoogte ook bekommert om de belangen van de anderen. Door dit beginsel dienen we ons te laten leiden bij alle lastige politieke besluiten die in het verschiet liggen.

In de Verklaring van Berlijn hebben wij ons op de toekomst gericht en gezegd dat wij twee dingen willen doen. Het eerste is dat wij – zoals wij het in de Verklaring van Berlijn hebben uitgedrukt – de Europese Unie voor het jaar 2009 een 'vernieuwde gemeenschappelijke basis' willen geven. Hoewel ik weet dat de grote meerderheid van het Europees Parlement hier voor is – en voor die steun wil ik u bedanken – wil ik nogmaals het volgende benadrukken: als wij er voor de Europese verkiezingen van 2009 niet in slagen om de bevolking duidelijk te maken dat wij de Europese Unie kunnen uitbreiden, hoeveel leden de volgende Commissie zal hebben, dat het energiebeleid onder de verantwoordelijkheid van Europa valt, dat wij met betrekking tot vraagstukken van binnenlandse veiligheid en juridisch beleid op basis van meerderheidsbeslissingen op een manier hebben samengewerkt die is ingegeven door de omstandigheden …

(Applaus)

… dan zullen de verkiezingen de afstand tussen de Europese instellingen en de Europese burger alleen maar vergroten. Daarom is het ook zo belangrijk dat wij allen blijk geven van ons vermogen om gezamenlijke oplossingen te vinden. De Duitsers hebben een mandaat gekregen om hiervoor een routekaart te presenteren. Ik wil hier onderstrepen dat wij niet met een oplossing voor het probleem zullen komen, maar deze routekaart moet de richting aangeven die wij dienen in te slaan. Wij zullen hier met verve aan werken, maar ik wil het Parlement ook vragen om ons te blijven steunen tijdens dit proces, want ik kan u verzekeren dat wij alle hulp heel goed kunnen gebruiken.

(Applaus)

Nu wij in de Verklaring van Berlijn gezamenlijk hebben uiteengezet wat de toekomstige taken van de Europese Unie zijn, zijn er nog verscheidene zaken die moeten gebeuren tussen nu en de top van juni. Daar wil ik nu kort op ingaan, maar niet voordat ik heb gezegd hoezeer het mij deugd doet dat er al enkele successen zijn geboekt door de grote bereidheid tot het sluiten van compromissen van de kant van alle lidstaten. Het is een goede zaak – en vooral in het belang van de burgers – dat uw Parlement nu kan debatteren over roamingtarieven, dat het betalingsverkeer tussen de Europese landen wordt vereenvoudigd, dat het – met uw hulp – mogelijk is geweest om middelen voor de landbouw vrij te maken en dat wij enige vooruitgang hebben geboekt in de zogeheten Open Skies-overeenkomst, dat wil zeggen in de verbetering van het vliegverkeer tussen Europa en Amerika. Op dergelijke praktische punten nemen de mensen ons de maat. Daarom ben ik ook zo blij dat wij vooruitgang hebben weten te boeken op deze punten, en ik hoop dat wij nog verdere vorderingen zullen maken voor het einde van ons voorzitterschap.

Er liggen nu drie belangrijke topconferenties in het verschiet. Allereerst de EU/VS-top op 30 april, waarop wij het trans-Atlantisch economisch partnerschap willen verdiepen. De vorderingen op het terrein van het vliegverkeer zijn een stap in de goede richting, maar we weten dat we veel meer synergie tussen Europa en de Verenigde Staten van Amerika kunnen bewerkstelligen. Ik wil de Commissie en ook de leden van het Europees Parlement die dit steunen heel hartelijk danken. Het thema trans-Atlantisch economisch partnerschap is nieuw leven ingeblazen, en wij hebben er alle vertrouwen in dat wij tijdens deze top eind april tot tastbare resultaten kunnen komen.

Nu mijn tweede punt, namelijk dat het onderwerp energie en klimaatverandering vanzelfsprekend op de agenda van deze top zal staan. We weten dat de Europese Unie op dit terrein enkele bijzonder ambitieuze ideeën heeft, en wij zullen proberen steun te verwerven voor deze ideeën en deze wereldwijd aanvaard te krijgen. Ik ben er vrij zeker van dat opkomende economieën en ontwikkelingslanden zich alleen bij ons zullen aansluiten als de geïndustrialiseerde landen zichzelf gezamenlijk ambitieuze doelen stellen. Daarom zullen wij hiervoor steun proberen te verwerven. Ik zeg bewust 'steun verwerven', omdat u allen weet dat dit enorm veel moeite kost. We kunnen niet te veel beloven in dit stadium.

Hoewel dit er los van staat, zullen we de EU/VS-top ook gebruiken om enig voorbereidend werk te doen voor de G8-top in juni in het Duitse Heiligendamm, en wij hebben als Duits voorzitterschap van de G8 voor begin mei een bijeenkomst van de sherpa’s op touw gezet, dus niet alleen van de lidstaten van de G8, maar ook van de vijf zogeheten 'outreach-landen', te weten China, India, Brazilië, Mexico en Zuid-Afrika. Bij die gelegenheid zullen wij de technologische aspecten van de klimaatverandering bespreken, vooral met het oog op de uitwisseling van nieuwe technologieën en innovaties, en daarmee de G8-top nog eens heel specifiek voorbereiden op het onderwerp klimaatverandering en energie.

In mei zal er eveneens een top plaatsvinden tussen de Europese Unie en Rusland. Wij achten niet alleen het trans-Atlantisch partnerschap, maar ook het strategisch partnerschap met Rusland van het allergrootste belang. Ik hoop dat wij de hindernissen kunnen overwinnen die de Commissie nog steeds weerhouden van het voeren van onderhandelingen met Rusland – overigens ben ik de Commissie zeer erkentelijk dat zij hier zo vreselijk hard en vol toewijding aan werkt – want de onderhandelingen over een nieuwe partnerschapsovereenkomst zijn uiteraard van essentieel belang, vooral met betrekking tot de energievoorzieningszekerheid en het energiepartnerschap. Daarom is de top EU/Rusland die in het Russische Samara zal plaatsvinden van het allergrootste belang.

Dan hebben we ook nog de top van de Europese Unie en Japan, waarop wij ons met name zullen bezighouden met de verbetering van onze economische samenwerking, want de mensen in Europa zullen ons allen, die Europa vertegenwoordigen, afmeten aan de vraag of wij voor de komende decennia weten te waarborgen wat Europa sterk heeft gemaakt, namelijk een waardengemeenschap, een gemeenschap van mensen wier individuele waardigheid wordt beschermd en die de bevolking welvaart en sociale samenhang heeft gebracht.

In mijn rede in Berlijn heb ik gezegd dat wij de verantwoordelijkheid hebben om Europa en onze idealen actief aan de wereld te presenteren en anderen te overtuigen van onze ideeën. Dat bereiken we niet door af te wachten hoe de zaken zich ontwikkelen, door onszelf te isoleren of door ons te concentreren op onze eigen problemen. Nee, dat bereiken we alleen door actief steun te verwerven voor onze eigen waarden en ideeën. Europa kan dit alleen bereiken indien het in staat is slagvaardig op te treden, als het niet voortdurend met zichzelf bezig is en als het zichzelf niet in de weg staat. Daarom is het zo belangrijk dat wij onze slagvaardigheid zo snel mogelijk herstellen, zodat Europa kan waarborgen dat de bevolking van deze Europese Unie een veilige en vrije toekomst kan verwachten, want daar heeft zij recht op. Dat is het doel dat ons verenigt. Dank u voor uw aandacht.

(Langdurig applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hartelijk dank voor uw verslag, mevrouw de bondskanselier en voorzitter van de Europese Raad. Uit het applaus is wel gebleken dat het Europees Parlement uw grote politieke inzet voor Europa bijzonder waardeert.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Barroso, voorzitter van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst: ik ben verheugd over de eerste verklaringen van de Voorzitter van het Parlement ten aanzien van Zimbabwe en Darfur en ik steun deze ten zeerste. De schendingen van de mensenrechten die daar plaatsvinden zijn niet acceptabel. Namens de Commissie veroordeel ik deze mensenrechtenschendingen hartgrondig en doe ik een beroep op de regeringen van de betrokken landen om de mensenrechten van hun burgers te respecteren.

(Applaus)

Afgelopen weekend waren het Europa van het verleden en het Europa van de toekomst in Berlijn met elkaar verbonden. Zoals in de verklaring staat, vierden we wat we de afgelopen vijftig jaar in Europa hebben bereikt: vrede, vrijheid en solidariteit. En een welvaartsniveau waar de meest optimistische founding father niet van had kunnen dromen. Als gevolg van een gelukkige samenloop van historische omstandigheden vierden we onze eenheid in Berlijn, de stad die symbool stond voor een verdeeld Europa en die nu het symbool is van dit nieuwe, uitgebreide en verenigde Europa van zevenentwintig lidstaten en bijna vijfhonderd miljoen burgers. De festiviteiten in Berlijn waren een zeer inspirerend moment voor Europa. Ik spreek namens velen die daar aanwezig waren wanneer ik zeg dat we een Europees besef deelden.

De Verklaring van Berlijn, waarmee de Europese instellingen en de lidstaten zich opnieuw verbinden aan de Europese waarden en de Europese doelstellingen voor de eenentwintigste eeuw, bleek een waardige afspiegeling van deze gebeurtenis. Ik was zeer verheugd dat de verklaring, die voortkwam uit een voorstel dat de Commissie in mei 2006 heeft gedaan, een passende, centrale rol tijdens de festiviteiten kreeg.

Ik wil bondskanselier Merkel en het Duitse voorzitterschap gelukwensen met de beslissende rol die zij bij dit grote Europese succes hebben gespeeld. Bondskanselier Merkel, ik ben ervan overtuigd dat uw persoonlijke toewijding, uw persoonlijke geschiedenis en uw begrip voor het belang van vrijheid in uw land en in Europa, doorslaggevend waren bij het scheppen van dat besef bij alle leiders in Berlijn.

(Applaus)

Ik was tevens erg trots toen ik de vertegenwoordigers van de drie Europese instellingen de verklaring zag ondertekenen. De aanwezigheid van het Europees Parlement is een teken van de volwassenheid van onze Unie en dat mag benadrukt worden. Ik moet tevens de uiterst verdienstelijke rol prijzen die Voorzitter Pöttering namens het Parlement heeft gespeeld in de aanloop naar de totstandkoming van de Verklaring van Berlijn.

Ik wil vandaag voor dit Parlement twee zaken bespreken. Laat ik beginnen bij het benadrukken van het succes van het tweesporenbeleid. Tijdens de twee bijeenkomsten van de Europese Raad van maart is de werking van het tweesporenbeleid zichtbaar geworden. Op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad werd de wil getoond om resultaat te boeken op het gebied van energie en in de strijd tegen klimaatverandering. Uit de Verklaring van Berlijn werd duidelijk dat de wens bestaat om voor de Europese verkiezingen in 2009 overeenstemming over een institutionele overeenkomst te bereiken. Hieruit blijkt dat het onjuist is om te vrezen voor een botsing tussen een pragmatische benadering en een politieke visie. Integendeel, deze inzet voor het tweesporenbeleid is de juiste benadering. Aan de ene kant zal dit leiden tot resultaten en het herscheppen van het politieke momentum om het institutionele probleem op te lossen. Aan de andere kant, voor nog betere resultaten, moeten de instellingen efficiënter, democratischer en transparanter functioneren. Een succesvol Europa is gebaseerd op een politieke visie waarin constructief pragmatisme als uitgangspunt geldt, ontwikkeld voor de behoeften van onze burgers en bedoeld om te voorzien in Europese oplossingen voor Europese problemen.

We hebben vanwege de grote internationale uitdagingen die Europa de komende jaren te wachten staan tevens een aangepast verdrag nodig. Enkel samen, op een meer effectieve wijze, kan de Europese Unie de uitdagingen van de globalisering aan. Het is overduidelijk dat zelfs de grootste lidstaat klimaatverandering, energiezekerheid of massale immigratie niet alleen kan aanpakken. De grote lidstaten kunnen niet alleen een antwoord formuleren op de toegenomen economische concurrentie als gevolg van de globalisering. We moeten het samen doen, in een sfeer van oprechte solidariteit. Ik denk dat dit de boodschap is die Berlijn ons heeft gebracht en dat deze boodschap nu vertaald is in een gelijke inzet om voor de verkiezingen van 2009 een oplossing te vinden voor de institutionele kwestie.

(Applaus)

De Commissie is om nog een reden grote voorstander van een snelle institutionele overeenkomst die tegelijkertijd van ambitie getuigt. Het lijdt geen twijfel dat het mislukken van het ratificatieproces van het Grondwettelijk Verdrag een blijvende schaduw van vertwijfeling over de Europese Unie heeft geworpen. Zelfs op het moment dat er significante resultaten worden geboekt, zoals tijdens de Voorjaarsraad, is er altijd weer die twijfel, dat negativisme, dat pessimisme, die scepsis. We worden steeds weer geconfronteerd met een vraag die een antwoord verdient: "Hoe kunnen jullie ons ervan overtuigen" vragen de grootste sceptici, "dat jullie het menen met het aanpakken van die internationale kwesties wanneer jullie er niet eens in slagen de problemen met jullie eigen beleid en de instellingen waar jullie werken op te lossen?" Hoe geloofwaardig zijn de Europese instellingen en de Europese leiders wanneer ze geen consensus kunnen bereiken over deze kwesties?

Ik ben er daarom van overtuigd dat we in dit opzicht vooruitgang moeten boeken. Indien het niet lukt om het eens te worden over een institutionele overeenkomst, dan resulteert dat in verdeeldheid die onze gemeenschappelijke waarden zou kunnen bedreigen. De Europese geschiedenis zou ons eraan moeten herinneren dat we grote verworvenheden als vrede, democratie, vrijheid en solidariteit nooit als vanzelfsprekend kunnen beschouwen. Niemand zou deze verworvenheden als vanzelfsprekend moeten beschouwen. We moeten onze ontwikkeling voortdurend bevorderen in termen van politiek en gemeenschappelijke waarden. Indien we deze waarden – de onschendbare waardigheid van het individu, vrijheid, rechtvaardigheid en solidariteit: al deze waarden die van ons een politieke gemeenschap en een unie maken, en niet slechts een gemeenschappelijk markt – die we hebben genoemd in onze verklaring, willen vasthouden en beschermen, dan moeten we de instellingen van onze rechtsgemeenschap hervormen.

Het behoud van onze gemeenschappelijke waarden is een voortdurend proces wat ik "het onvoltooide Europese avontuur" noem. Voor een beter Europa hebben we betere instellingen nodig die voor betere resultaten kunnen zorgen. Ik ben ervan overtuigd dat de politieke wil bestaat en dat het nu tijd is op dat gebied ook resultaat te boeken.

Tijdens de informele top na de festiviteiten heb ik de lidstaten verzocht het momentum gedurende de komende maanden vast te houden. Ik heb de nationale regeringen om actieve samenwerking verzocht. Alle lidstaten hebben het Verdrag ondertekend dat als gevolg van de negatieve uitslag van twee referenda onmogelijk geratificeerd kon worden. De belofte die is gedaan verplicht echter alle lidstaten op een constructieve manier samen te werken aan een gemeenschappelijke oplossing. Als voorzitter van de Commissie is het mijn verantwoordelijkheid de nationale regeringen aan te sporen de komende maanden een stapje extra te doen en het Duitse voorzitterschap te steunen bij zijn zeer zwaarwegende pogingen tot een oplossing te komen.

(Applaus)

Laat ik de boodschap herhalen die ik aan de Europese staatshoofden en regeringsleiders in Berlijn overgebracht heb. Wanneer we spreken over Europa, is het voor de toekomst van de Europese Unie van belang dat we begrijpen dat het niet alleen over de Europese instellingen gaat: de Europese Commissie of het Europees Parlement in Brussel of Straatsburg. Tijdens die ceremonie, waarbij een aantal van u aanwezig was, heb ik gezegd dat de Europese Unie geen buitenlandse macht is die onze landen binnenvalt maar ons gezamenlijk project. Europa is niet "zij", maar "wij". Ik heb tegen de staatshoofden en regeringsleiders gezegd dat het voor nationale politici verleidelijk maar oneerlijk is zelf met de eer te strijken en Brussel de schuld te geven van alles wat misgaat. Laten we die verleiding weerstaan.

(Applaus)

Deze ethiek van Europese verantwoordelijkheid moeten we samen delen.

Na Berlijn is er politiek engagement om een oplossing te vinden voor de institutionele impasse. De Commissie zal het Duitse voorzitterschap ten volste steunen bij de inspanningen om in samenwerking met de andere lidstaten tot een duidelijke en gedetailleerde routekaart en, indien mogelijk, tot een duidelijk mandaat voor juni te komen. Laten we niet vergeten, zoals ik tijdens de festiviteiten van afgelopen weekend zei, dat dit een historische test is die een generatie politici maar eens in haar bestaan tegenkomt.

Ik zal afsluiten met dezelfde oproep die ik in Berlijn heb gedaan. We zijn trots op ons verleden, laten we met vertrouwen naar de toekomst kijken. Laten we samenwerken – de Europese Commissie, het Europees Parlement, de lidstaten en Europese burgers – om de grote erfenis die wij van onze founding fathers hebben ontvangen, die belangrijke waarden mee de eenentwintigste eeuw in te nemen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hartelijk dank voor uw toespraak, geachte voorzitter van de Europese Commissie. Ik wil u ook bedanken voor de goede samenwerking ten aanzien van de Verklaring van Berlijn. Het was per slot van rekening uw idee om de drie instellingen een gezamenlijke verklaring te laten afgeven. Nogmaals hartelijk dank daarvoor, Commissievoorzitter Barroso.

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Daul, namens de PPE-DE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de voorzitter van de Raad, mijnheer de voorzitter van de Commissie, beste collega’s, we hebben net de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome gevierd, dat zijn twee generaties. Dat is heel weinig in geschiedenistermen, maar het is reeds een gevorderde leeftijd in de ogen van jongeren.

De voorbije dagen is al vaak opgemerkt dat de meest genoemde voordelen van de Europese integratie – vrede, stabiliteit, relatieve welvaart, sociaal model – niet meer zo veelzeggend zijn voor de nieuwe generaties, omdat ze voor hen de normaalste zaak van de wereld zijn. Daarop zal ik in twee punten antwoorden. Eerst en vooral moeten de jongeren zich bewust zijn van hun geluk omdat dergelijke realiteiten vanzelfsprekend zijn geworden. Vervolgens moet deze kijk op de zaken gerelativeerd worden, want de instabiliteit van de huidige wereld – de aanslagen van 11 september in New York, van 11 maart in Madrid of nog van 7 juni in Londen, om maar enkele tragedies te noemen – maakt duidelijk aan eenieder van ons, van welke leeftijd ook, dat leven in vrede en veiligheid en met een bepaalde levensstandaard niet de dagelijkse realiteit is van iedereen op deze aarde, zelfs niet in onze eigen landen. Met diepe ontroering gaan mijn gedachten daarbij ook uit naar onze vijftien Britse soldaten die gevangengenomen zijn.

Aan vrede en veiligheid moet dagelijks worden gewerkt. Het debat dat we morgenochtend met de heer Solana zullen voeren, zal dat opnieuw illustreren.

Ik wil proberen om – enkele dagen voor mijn zestigste verjaardag – in de huid te kruipen van een jonge Europeaan. In het Europese avontuur zie ik dan misschien de volgende voordelen. Een eenvoudige manier om vreemde talen te leren, de mogelijkheid om deel te nemen aan uitwisselingen tussen scholen, aan stages, sportwedstrijden en culturele evenementen, terwijl je virtuele grenzen overschrijdt en een gemeenschappelijke munt gebruikt, dat is niet niks. Wonen in een dorp of stad met een partnerschap met een andere plaats, voordelen halen uit programma’s die ondersteund worden door de Europese Unie, direct of indirect profiteren van de economische groei die tot stand komt dankzij het verbond van onze landen, dat is niet te verwaarlozen. Inwoner zijn van lidstaten die een eengemaakter front vormen ten opzichte van onze partners en concurrenten in de wereld, van lidstaten die de voornaamste schenkers van humanitaire hulp zijn, die waken over het democratische verloop van verkiezingen over de hele wereld, of die vredestroepen uitzenden naar tal van conflicthaarden, dat is niet zonder betekenis.

Ik wil hier het voorbeeld noemen van de civiele crisisbeheersingsmissie die de Europese Unie in Kosovo zal ondernemen na de totstandkoming van de toekomstige status van de provincie, die streeft naar onafhankelijkheid van Servië. Voor onze landen zal het gaan om een operatie zonder weerga.

Ja, beste collega’s, dat alles is positief, bevredigend en strekt tot eer, ook voor de jongeren, ik zou zeggen, vooral voor de jongeren. Uiteraard is Europa geen wondermiddel en is het geen oplossing voor al onze problemen, absoluut niet, en niemand heeft dat trouwens ooit beweerd. Maar Europa is in staat, beter dan onze landen afzonderlijk, om een bijdrage te leveren aan de oplossing van moeilijkheden, om nieuwe uitdagingen aan te gaan, om de prioriteiten te herschikken.

Of we het nu willen of niet, de mondialisering is de realiteit die ons overspoelt. Men stelt vaak de negatieve aspecten ervan aan de kaak, soms terecht, soms onterecht. De mondialisering brengt echter ook ontegenzeggelijke voordelen met zich mee: eenvoudige communicatie, snellere informatieoverdracht, openheid naar andere culturen, om er slechts enkele te noemen.

Binnen deze mondialisering moet Europa een rol spelen, moet het waarden verdedigen, een maatschappelijk model stimuleren. Europa is niet veroordeeld tot zwijgen, tot aanvaarden en jaknikken of tot het zich laten platwalsen. Als we willen, kunnen we invloed uitoefenen op de loop van de geschiedenis, zoals we dat de voorbije vijftig jaar gedaan hebben.

Mevrouw de voorzitter van de Raad, ik wil deze gelegenheid niet voorbij laten gaan zonder u geluk te wensen en vooral om u te bedanken, allereerst omdat u blijk geeft van uw waardering voor het werk van de leden van het Europees Parlement door in drie maanden tijd driemaal naar het Europees Parlement te komen. Zo stelt u een voorbeeld dat uw opvolgers – daarvan ben ik overtuigd – zullen willen volgen. Vervolgens omdat u ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van het Verdrag op 25 maart in Berlijn een groot Europees feest heeft georganiseerd, en we weten dat het een succes was. Op die wijze heeft u bewezen dat Europa niet enkel synoniem staat met redevoeringen en wetteksten, maar dat het ook emotie, blijdschap en gezelligheid kan betekenen. En ten slotte omdat de Verklaring van Berlijn, aangenomen door de Europese instellingen, een leesbare en sterke tekst is, die Europa opnieuw in het zadel helpt en ons een nieuw perspectief verschaft dankzij het voorstel om een oplossing te vinden voor de institutionele kwestie tegen de volgende verkiezingen in 2009.

Mevrouw de voorzitter, uw vastberaden publieke optreden, samen met uw persoonlijke bescheidenheid en uw warme omgangsvormen, doen Europa eer aan en doen het vooruitgaan. Onder uw voorzitterschap heeft u twee Europese raden georganiseerd. Beide waren een succes en iedereen is het daar volmondig mee eens. Europa heeft de weg aangegeven inzake het cruciale thema van energie en klimaat, Europa heeft beslist om zichzelf institutionele middelen te verschaffen om het hoofd te bieden aan de grote uitdagingen en zijn stem te laten horen. Zo moet Europa functioneren en te werk gaan, zo zullen onze medeburgers, en vooral de jonge generaties, dat project, dat eigentijdser is dan ooit voorheen, in hun hart sluiten.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Schulz, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, hoewel het woord 'historisch' gedevalueerd is doordat het te vaak wordt gebruikt, mag ons dat er niet van weerhouden een situatie historisch te noemen als zij dat werkelijk is. De situatie waarin wij ons nu bevinden is een dergelijke historische situatie. Aan al degenen die de Verklaring van Berlijn bekritiseren, wil ik de vraag stellen: en wat nou als de Verklaring niet tot stand was gekomen?

Vandaar, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, mijn complimenten voor het voortreffelijke werk dat u hebt geleverd. U hebt zich lange tijd niet in de kaart laten kijken. Dat was tactisch gezien slim, en met de Verklaring van Berlijn hebt u alles bereikt wat er op dit moment te bereiken viel. U hebt de juiste zet gedaan, waarbij Europa als winnaar uit de bus is gekomen. Maar nu begint het historische stadium omdat nu de vraag dient te worden gesteld: hoe nu verder?

Het staat als een paal boven water – en dat vind ik persoonlijk betreurenswaardig – dat het grondwettelijk verdrag in deze vorm niet van kracht zal worden. Daarmee zullen we moeten leven. Deze grondwet komt er niet. Dat mag niet betekenen dat er geen grondwet is, al heet het verdrag officieel niet 'grondwet'. Wij Duitsers hebben het zestig jaar gedaan met een grondwet die geen grondwet heette, en toch is het een fantastische grondwet.

Wij verkeren in het stadium waarin de vraag moet worden beantwoord hoe het verder moet met dit continent, en dat is een cruciale vraag. Er zijn er die een ander Europa willen, die een herziening van de verdragen van de hand wijzen in de overtuiging dat Nice toch al een verdrag te ver was en dat wij desondanks blijven doorgaan met uitbreiden – wat er ook gebeurt en tot elke prijs. Tegen deze mensen wil ik namens mijn fractie en ik denk ook namens de overweldigende meerderheid van dit Parlement zeggen: nee, het Europese integratieproces is niet ten einde, het moet verdergaan en wij willen dat het verdergaat.

(Applaus)

Wij willen dat het proces wordt voortgezet omdat wij het nodig hebben. En tegen al degenen die uitbreiding van de Europese Unie willen, moeten we zeggen dat er geen uitbreidingen komen zonder hervorming van de Unie en zonder hernieuwing van de verdragen. Tegen de heren Kaczyński en Klaus wil ik zeggen dat zij Kroatië ernstige schade berokkenen als zij de hervorming van de Europese Unie belemmeren.

(Applaus)

Ik doe een dringend beroep op hen om niet anderen de prijs te laten betalen voor hun beleid.

Waarom is het van historische betekenis wat we nu doen? Ik zou bij de voorstanders van het integratieproces graag hetzelfde enthousiasme zien als bij u, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad. Ik zou graag zien dat de voorstanders van een geïntegreerd Europa zich net zo luidruchtig laten horen als de tegenstanders. Wat we nu nodig hebben, is een beetje meer vechtlust, want Europa mag dan zelf denken dat het groot is, in werkelijkheid is het klein.

In de 27 lidstaten wonen 500 miljoen mensen, en dat is 8 procent van de wereldbevolking, met een dalende tendens. China en India, dat zijn nu grote landen. De Verenigde Staten van Amerika hebben een economische en militaire kracht die hen tot een supermacht maakt. Als de integratie van Europa mislukt en we een Europa krijgen dat zich in verschillende tempo’s ontwikkelt, als dit toch al kleine Europa zichzelf verzwakt door zichzelf in delen op te splitsen, dan zal het mislukken. Daarom hebben wij alle 27 lidstaten en de integratie in Europa nodig, want daarin ligt onze toekomst.

(Applaus)

Mocht Europa mislukken, dan betekent dat niet alleen het einde van een grondwettelijk verdrag, maar ook van een ideaal. En welk ideaal dan wel? We kunnen heel concreet benoemen wat wij in vijftig jaar integratie hebben overwonnen: haat en intolerantie, de wens om een grote mogendheid te worden, uitsluiting van minderheden, religieuze intolerantie en vervolging van politiek andersdenkenden.

Door territoriale integratie hebben we een stokje weten te steken voor de ambities van degenen die ernaar streefden om van hun land een grote mogendheid te maken. Door de combinatie van economische vooruitgang en sociale zekerheid is sociale uitsluiting tot het verleden gaan behoren. En met het concept van de integratie hebben wij de etnische, religieuze en culturele intolerantie overwonnen. Maar de zaken die ik zojuist beschreef, zijn nog steeds aanwezig, want haat, uitsluiting, onderdrukking en ook het streven om andere volken te overheersen steken opnieuw de kop op in onze Unie. Niet alleen in Oost-Europa, maar overal in Europa.

Deze zaken zouden weer onverminderd postvatten in onze Unie als wij het integratieproces kapot zouden maken. Daarom roepen wij diegenen op die – onder leiding van onze voorzitter van de Raad, mevrouw Merkel – strijden voor de voortzetting van het integratieproces en voor een verdieping van de Europese Unie en die voor de waarden van Europa opkomen, de waarden die ons sterk hebben gemaakt en die een voorbeeld zijn voor anderen, om de strijd op te pakken. Want wij mogen niet toestaan dat de Commissie in onderhandelingen met andere staten zegt: 'Als u tot de EU wilt toetreden, moet u zichzelf onderwerpen aan een transformatieproces dat alle oude bestuursmechanismen in uw land tenietdoet. Maar wij zelf, die dat van u eisen, zijn niet in staat om onze eigen hervormingen uit te voeren.' Waar blijft dan onze geloofwaardigheid?

(Levendig applaus)

Wij bevinden ons op dit moment in een historische situatie, en u, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad – hoewel ik moet toegeven dat ik dit als Duitse sociaaldemocraat niet gemakkelijk over mijn lippen krijg – zult zowel in Duitsland als in dit Parlement de socialisten aan uw zijde vinden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hartelijk dank, collega Schulz. De Voorzitter was niet helemaal correct. Ik verzoek u niet altijd een voorbeeld te nemen aan de lengte van een toespraak, maar wel degelijk aan de kwaliteit daarvan. De objectiviteit van de Voorzitter staat hem niet toe om verder te gaan dan dat.

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mevrouw de Bondskanselier, ik ben verheugd over hetgeen u heeft bereikt: de tekst en de consensus daarover.

U vierde het succes van de Unie op het juiste moment en op de juiste wijze. De veiligheid, welvaart en kansen die onze burgers genieten, zijn grotendeels aan de Europese Unie te danken.

Ik werd door twee dingen getroffen toen we op zondagochtend in het Historisches Museum van Berlijn zaten. Het eerste was uw inspirerende keuze om bij die gelegenheid het Europees Jeugdorkest in te schakelen – een eersteklas orkest dat ruimere financiële steun verdient. Het tweede was het gezelschap van eenendertig mensen op het podium – staatshoofden en regeringsleiders, voorzitters van de instellingen et al – u was de enige vrouw. Ik werd daardoor herinnerd aan een gedicht van de dichter Robert Burns:

‘While Europe’s eye is fixed on mighty things,

The fate of empires and the fall of kings;

While quacks of State must each produce his plan,

And even children lisp the Rights of Man;

Amidst this mighty fuss just let me mention,

The Rights of Woman merit some attention.’

Bondskanselier, u bent een voorbeeld: we hebben meer vrouwen nodig in de hogere regionen van de politiek.

(Applaus)

Sterker nog, onder de huidige omstandigheden had wellicht alleen een vrouw overeenstemming kunnen waarborgen.

Ik kan u echter niet gelukwensen met de handelwijze die u heeft gekozen: een tekst die is opgesteld in de catacomben van het Bundeskanzleramt en is ondertekend door de voorzitters van de drie belangrijkste instellingen zou niet onbezonnen moeten openen met "Wij burgers van de Europese Unie". Het zijn namelijk de burgers van de Europese Unie die opnieuw betrokken moeten worden bij het karwei, het bouwen aan Europa. Voorzitter Barroso had gelijk toen hij zei dat de instellingen diversiteit moeten respecteren, maar het is aan de lidstaten om de eenheid te bevorderen. De festiviteiten in Berlijn werden in weinig andere Europese hoofdsteden geëvenaard. Totdat al uw collega's in de Europese Raad actief pleiten voor Europa, dag in dag uit, zal er geen solide basis bestaan.

Het helpt evenmin, Bondskanselier, dat uw partij – de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten – alle eer opeist voor het opbouwen van deze Unie. Degenen die deze ijdele PPE-DE-verklaring hebben opgesteld, prijzen terecht Monnet, De Gasperi en Kohl, maar hun geheugen is op zijn best selectief te noemen. Thatcher, Chirac, Berlusconi waren ook allen PPE-DE-leiders, maar u schijnt hun bijdragen over het hoofd te hebben gezien. De Unie is niet het project van een politieke partij alleen. De Unie is van ons allemaal.

(Applaus)

Wij hopen, Bondskanselier, dat de Verklaring van Berlijn een nieuw tijdperk inluidt. Wij zien uit naar de intergouvernementele conferentie die u beloofd heeft te organiseren om de institutionele bouwstenen van de toekomst van de Unie op de juiste wijze te rangschikken. In het nieuwe Europa, het Europa dat Berlijn voorziet, moet de Unie haar burgers helpen bij het grijpen van de kansen die de globalisering met zich meebrengt en hun solidariteit tonen bij het aangaan van de nieuwe internationale uitdagingen; een Unie waar democratie de scepter zwaait en onze gemeenschappelijke waarden het laatste woord hebben.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Cristiana Muscardini, namens de UEN-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, de top in Berlijn was een moment van grote opwinding, met name voor degenen die net als ik vanaf 1989 in dit Parlement zitten, het jaar dat de wedergeboorte van Europa symboliseert. De verklaring erkent dat Europa een Unie van lidstaten is en geen nieuwe superstaat, en de erkenning van de identiteiten van de mensen binnen de Unie en hun verschillen in waarden binnen een verbond dat gebaseerd is op gedeelde doelstellingen, vormt de kracht die ons in staat stelt om onze weg richting een politieke unie, waar het ons momenteel nog aan ontbreekt, te kunnen vervolgen.

Wij betreuren het dat een volledige erkenning van onze wortels niet mogelijk was: juist omdat wij stellig geloven in de secularisatie van de instellingen, zijn we er evenzeer van overtuigd dat, als we er niet in slagen om al onze wortels te erkennen, de politiek verarmt. Binnen onze complexe, multiculturele en multi-etnische samenleving, met uiteenlopende ideeën over het concept democratie om vrede te realiseren, iets wat hand in hand gaat met de universele erkenning van het respect voor de menselijke waardigheid, is er behoefte aan een dialoog tussen culturen, en om anderen te kunnen erkennen moet je eerst jezelf erkennen, van het dagelijkse leven van individuen tot aan het niveau van de lidstaten.

Wij blijven vastberaden het gevaar van iedere vorm van theocratie, en ook van een extreme vorm van secularisatie benadrukken, die langzaam de kernwaarden van de samenleving in individuen en de politiek kapot maakt. Wij zijn bezorgd over het feit dat velen het essentiële concept van secularisatie van de instellingen verwarren met de acceptatie van een cultureel en politiek relativisme dat leidt tot extreme secularisatie.

Wij zijn tegen een Europa dat alleen maar een markt is en tegen pseudoculturen die burgers ertoe aanzetten om op zoek te gaan naar een virtueel leven ter vervanging van het echte leven, uit machteloosheid of uit angst. We willen een politiek Europa dat in staat is om de behoefte aan democratie daar ter wereld te stimuleren waar het miljoenen vrouwen en mannen nog altijd ontbreekt aan vrijheid en aan een rechtstaat.

Europa heeft dringend behoefte aan flexibele en duidelijk omlijnde instellingen, want het terrorisme staat momenteel op de stoep en we moeten nu in staat zijn om onze missies te bepalen en snel uit te voeren – zoals we in de Europese Conventie hebben bevestigd – zowel binnen als buiten Europa: van energiebronnen tot de watervoorziening, van klimaatverandering tot de bevestiging van de menselijke waardigheid.

We vrezen dat 2009 veel te ver weg ligt, maar ad impossibilia nemo tenetur – niemand is tot het onmogelijke gehouden – ook al zijn we enorm overtuigd van de sterke en oprechte inzet van het Duitse voorzitterschap, en van de grote kundigheid van bondskanselier Merkel in het bemiddelen en overtuigen, waardoor we nog altijd enige hoop koesteren dat het tijdschema wellicht ingekort kan worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Frassoni, namens de Verts/ALE-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil rechtuit tegen de heer Watson en de heer Daul, en tegen andere collega's, zeggen dat er een zeer eenvoudige manier bestaat om meer vrouwen aan te trekken: het covoorzitterschap. Binnen de Verts/ALE-Fractie hebben we hier al succes mee gehad – het functioneert prima – en ik raad jullie dit ook ten sterkste aan.

Mevrouw de bondskanselier, de Verklaring van Berlijn heeft ons veel hoop gegeven. Er zijn momenten waarop plechtigheid, retoriek en formaliteit gepast zijn, en de vijftigste verjaardag van de oprichting van de Europese Gemeenschap is zeker zo’n gelegenheid, met name omdat er veel levens verloren zijn gegaan om dat punt te bereiken, en het was een zware strijd die redelijk wat tijd in beslag heeft genomen.

Wij erkennen uw rol en zijn u er dankbaar voor, ook al ben ik van mening dat alles in zekere zin binnen uw takenpakket valt, en het verheugt ons te constateren dat het Duitse voorzitterschap op dit terrein, in tegenstelling tot andere gebieden als energie, auto's, etc., blijk heeft gegeven van een Europees gevoel dat zeker past bij de situatie.

Ik denk dat de boodschap is overgekomen en dat de publieke opinie heeft begrepen dat deze vijftigste verjaardag een positieve mijlpaal is en dat we ons moeten blijven inzetten. Het Europese volk heeft uiteraard niet zo veel aandacht geschonken aan de totstandkoming van de verklaring en ook niet aan het feit hoeveel werk het samenstellen van deze twee kleine pagina's heeft gekost, waar in feite niets bijzonders of origineels in staat. Naar mijn mening is eerder hetgeen uit de onderhavige verklaring is weggelaten, het bewijs dat er een diepgaande verdeeldheid onder de regeringen bestaat – en ik benadruk, onder regeringen – over de toekomst van Europa. Deze verdeeldheid voorspelt niet veel goeds voor het werk dat in de komende maanden nog op u ligt te wachten, mevrouw de bondskanselier.

Wij weten maar al te goed dat de droom van een Europese Unie nog niet is verwezenlijkt; dat we in Darfur nog niet als Europese Unie kunnen optreden omdat we nog te verdeeld zijn; dat het energiebeleid, jammer genoeg, voor veel regeringen in feite een knieval naar president Poetin betekent; dat we niet in staat zijn om een echt beleid ten opzichte van de Verenigde Staten op te stellen, en dat we vanwege al deze redenen behoefte hebben aan een sterke Europese Unie, aangevuld met een grondwet.

Mevrouw de bondskanselier, als de doelstelling van de rest van het voorzitterschap is om uit deze impasse te geraken, mogen we onszelf absoluut geen illusies maken: een uitsluitend intergouvernementele aanpak zal niet werken, en ook de Verklaring van Berlijn niet, aangezien we er niet in zullen slagen om, tijdens een herhaling van de nacht van de intergouvernementele conferentie in Nice, tot een akkoord te komen waarmee, zoals u het omschreef, de grondwet op hoofdlijnen gered kan worden.

Daarom roepen wij u op om de moed te tonen om het langs democratische weg te proberen, om de moed te tonen om de heropening van de intergouvernementele conferentie toe te staan, waar het Europees Parlement aan kan deelnemen middels een medebeslissingsprocedure en een zogenaamd 'shuttle'-systeem, publiciteit en debat; Europese burgers willen een groter en geen kleiner Europa, maar hun regeringen laten dit niet altijd even duidelijk zien. Laat daarom de gedachte los dat alleen een intergouvernementele conferentie ons in staat zal stellen om resultaten te boeken, want dit zal niet werken en op die manier redden we de voornaamste inhoud van de grondwet niet; we zullen slechts met lege handen achterblijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Gabriele Zimmer, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte bondskanselier, geachte dames en heren, als wij spreken over de Europese droom, citeren we tegenwoordig doorgaans de Amerikaan Jeremy Rifkin. De staats- en regeringsleiders en hun sherpa’s dromen in ieder geval niet, en al helemaal niet gezamenlijk.

De Verklaring van Berlijn beschrijft noch een droom, noch de werkelijkheid. Integendeel, de verklaring is opnieuw een ontkenning van de werkelijkheid die verhindert dat de staats- en regeringsleiders een duidelijk beeld krijgen van de crisis waarin de Unie zich bevindt. Dit heeft natuurlijk ook tot gevolg dat er geen initiatief is dat een uitweg aangeeft. Daardoor blijft het gevaar van desintegratie en renationalisatie groeien. Een neoliberale vrijhandelszone met verwoestende gevolgen voor de samenleving en het milieu, dan wel een verdere militarisering van de EU wordt niet van de hand gewezen.

In de verklaring wordt met geen woord gerept over de situatie van miljoenen mensen binnen de EU die worden getroffen door armoede, langdurige werkloosheid, onzekerheid en sociale uitsluiting. Zij horen er feitelijk niet bij. De boodschap van de verklaring is alleen gericht aan de regeerders zelf, niet aan de bevolking van de lidstaten. Daarom kan er ook geen sprake van zijn dat zij bijdraagt aan het scheppen van een Europese identiteit. Commentatoren spreken over een testcase voor het constitutionele proces, zoals andere sprekers vandaag in principe al hebben gezegd. Anders geformuleerd betekent dit dat de toekomstige grondwet of het basisverdrag tot stand zal komen door middel van geheime diplomatie zonder tussenkomst van het maatschappelijk middenveld. Dan is alles slechts een kwestie van druk uitoefenen op de staats- en regeringsleiders. Enkele Duitse afgevaardigden dreigen al het Europees Parlement te verlaten als deze leiders niet in de pas lopen. Naar mijn mening is dit een extreem democratische argumentatie, en dat meen ik echt.

Willen de beloften van de regeringen in de EU dat zij de Unie voor de verkiezingen van 2009 een nieuwe, levensvatbare gemeenschappelijke basis willen geven werkelijk serieus zijn, dan moet het volgende gebeuren. Uit het genoemde ontwerp van de Europese grondwet zouden alle passages moeten worden geschrapt waarin wordt aangedrongen op economische liberalisering, privatisering en militarisering. Er zou een debat over de Europese Unie geopend moeten worden dat de meesten van haar inwoners graag willen. Het derde deel van de huidige ontwerpgrondwet zou in zijn geheel moeten worden geschrapt. De gedetailleerde politieke doelstellingen en vereisten zouden moeten worden vervangen door heldere regels ten aanzien van bevoegdheden en verantwoordelijkheden, waardoor er ruimte ontstaat voor een ander beleid. Artikel I-41, onder 3 dient te worden vervangen door een ondubbelzinnig verbod op agressieoorlogen en wij dienen ons te verplichten aan het internationaal recht. Voorts dient het Europees Defensieagentschap, dat vooruitlopend op het Grondwettelijk Verdrag al met zijn werkzaamheden is begonnen, te worden gesloten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jens-Peter Bonde, namens de IND/DEM-Fractie. – (DA) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de bondskanselier, het was een schitterend volksfeest in de straten van Berlijn, maar er heerste een ongeïnteresseerd en opgeblazen euronationalisme bij de ondertekening. Mevrouw Merkel heeft een goede toespraak gehouden. Onze eigen Voorzitter, de heer Pöttering, heeft namens mij en mijn collega’s een tekst ondertekend, ook al hadden we die tekst nog niet gekregen en hadden we geen gelegenheid gehad om er invloed op uit te oefenen. Zoiets mag nooit weer gebeuren. Het Europees Parlement behoort niet mee te werken aan het opstellen van teksten die de leden niet mogen zien voordat ze aangenomen zijn.

De belangrijkste alinea is de voorlaatste, waarin het streven is verwoord om een nieuwe Grondwet aan te nemen, die in werking kan treden vóór de Europese verkiezingen van juni 2009. Duitsland wil dat de Grondwet wordt opgesmukt, men wil een andere naam en men wil misschien verwijzingen naar de vlag en het volkslied uit de tekst schrappen, maar niet de vlag en het volkslied zelf opheffen. Men verwijdert Deel II, zodat men de gemeenschappelijke grondrechten met een verwijzing van twee regels kan aannemen. Men brengt enige wijzigingen aan in Deel III, zodat de Grondwet kan worden gepresenteerd als een onschuldig, klein wijzigingsverdrag, maar de hoofdinhoud blijft dezelfde als die welke is verworpen door de Franse en Nederlandse kiezers.

Daarom moeten alle democratische krachten zich nu verenigen en eisen dat er in alle landen een referendum over het volgende Verdrag wordt gehouden. En waarom niet op dezelfde dag? Dan zullen onze leiders gedwongen worden om een tekst op te stellen die door de kiezers kan worden goedgekeurd. Dan zal het volgende Verdrag meer invloed aan de burgers geven in plaats van invloed van de kiezers afnemen, zoals de Grondwet doet. Want de kern is dat men op 59 gebieden van eenparigheid van stemmen overstapt naar een gekwalificeerde meerderheid, dat wil zeggen van eenparigheid van stemmen, waarbij de kiezers in elk land het laatste woord hebben, naar een gekwalificeerde meerderheid van ambtenaren en ministers en lobbyisten achter gesloten deuren in Brussel. Dat is de hoofdregel: te veel Machiavelli en te weinig Montesquieu! Dank u, mijnheer de Voorzitter, ook al is er in dit geval niets om voor te bedanken!

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch, namens de ITS-Fractie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, vijftig jaar geleden werd het Verdrag van Rome gesloten tussen landen met een vergelijkbaar sociaal beschermingsniveau, rijk aan uiteenlopende culturen, maar eveneens met een gemeenschappelijke beschaving. Aan de basis van dat verdrag lag het beginsel van de communautaire preferentie, waardoor aan onze producenten, vooral aan onze kleinere landbouwers, hogere prijzen dan die op de wereldmarkt gegarandeerd werden.

Dat verdrag is volledig het spoor bijster geraakt. De communautaire preferentie heeft plaats gemaakt voor een invasie van niet-Europese producten. De de-industrialisatie kost Europa honderden miljoenen arbeidsplaatsen. De landbouw en diensten zijn op sterven na dood. Door ondoordacht haar grenzen open te stellen heeft de Unie werkloosheid, onzekerheid en armoede gecreëerd. De Verklaring van Berlijn maakt zelfs geen melding van die problemen. Ze is een monument van cynische zelfgenoegzaamheid, volledig afgesneden van de realiteit en de volkeren. Ze geeft dit Europa geen enkele inhoud, noch materieel, noch spiritueel. Zoals paus Benedictus XVI heeft opgemerkt, slaagt ze er zelfs in om de christelijke wortels van Europa te verzwijgen. Was daarvoor de toestemming nodig van een christendemocratische Voorzitter van het Parlement en van een christendemocratische voorzitter van de Raad?

Deze Unie is niet langer democratisch. De internationale instelling glijdt af naar een superstaat, een staat die verworpen wordt door de publieke opinie, die hem door de deur naar buiten jaagt en die u via de achterdeur opnieuw wil binnenlaten. Niets van dat alles past bij de ware geest van Europa. Wij zullen ons niet opstellen achter deze koerswijzigingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, wanneer u de stortvloed van complimenten aan het eigen adres wegdenkt, voegt de Verklaring van Berlijn op veel gebieden eigenlijk maar weinig inhoudelijks toe. Het nastreven van het centrale grondbeginsel van het Verdrag van Rome – het bevorderen van een steeds grotere eenheid – zou terugkeren in deze verklaring en dat wordt door vele Euro-enthousiastelingen gezien als een belangrijk keerpunt, een moment waarop de afgewezen grondwet nieuw leven zou kunnen worden ingeblazen. Op het moment dat de verklaring na een hoop geheimzinnigheid bekend werd gemaakt, bleek het niet eens mogelijk de grondwet daarin te noemen. In plaats daarvan werd het oude verhaal weer opgedreund, het verhaal dat de Europese Unie de vredestichter van Europa is. Naar mijn mening mag de NAVO met de grootste eer strijken wanneer het gaat om de verdediging, de terugkeer en de bevordering van vrede en democratie in Europa.

De idee van Europese samenwerking staat niet ter discussie. Het is de wijze waarop, en het doel van die samenwerking die voor verdeeldheid zorgen. Eurosceptici geloven in de voordelen van vrijwillige onderlinge samenwerking tussen soevereine staten. Wat wij afwijzen is een gecentraliseerd Europa dat de regie grijpt met als doel een ongewenste politieke integratie op te leggen aan de burgers van die staten. Deze verklaring riekt hiernaar en blijft daarom in gebreke.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Allister, wij feliciteren u, als vertegenwoordiger van uw land van herkomst, met de regering van Noord-Ierland.

 
  
MPphoto
 
 

  Hartmut Nassauer (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, uw voorzitterschap geeft ons Europeanen moed, daar wij voor het eerst sinds lange tijd de indruk krijgen dat Europa wel eens uit de doodlopende weg zou kunnen komen die wij zijn ingeslagen door het Verdrag niet te ratificeren. We zullen niet moeten aansturen op een nieuwe constitutie, maar moeten de wijze waarop de Europese Unie is geconstitueerd aanpassen aan de nieuwe omstandigheden. Dat lijdt geen twijfel. Dat vergt de moed en het leiderschap dat u al hebt getoond, en wij zullen u daarin blijven steunen.

U moet echter niet alleen de staats- en regeringsleiders achter deze onderneming zien te scharen, wat op zichzelf al lastig genoeg is. U moet ook het enthousiasme van de Europese volken voor de Europese Unie opnieuw aanwakkeren, want de EU dreigt het vertrouwen van haar volken te verliezen, als dit al niet is gebeurd. Het is maar de vraag of de integratie waarover de heer Schulz de loftrompet stak wel het juiste recept is. Hoewel ook ik denk dat integratie in beginsel de juiste benadering is en de kern vormt van de Europese weg, zullen we de steun van de gewone Europeanen niet verwerven door meer integratie. Daarom doe ik een beroep op u, mevrouw de bondskanselier, om uzelf tot woordvoerder te maken van de overtuigde Europeanen die ook voorstander zijn van de integratiebenadering, maar die minder tevreden zijn met het beeld van de Europese Unie dat bij de bevolking leeft.

De bron van de onrust en van de afstand waarover u het zelf had, is de buitensporig regulerende wetgeving. Hierdoor worden besluiten die hier worden genomen door de gewone man opgevat als betutteling door Brussel. Als u, mijnheer de voorzitter van de Commissie, daarvan een voorbeeld wilt zien waarvoor u zelf verantwoordelijk bent, dan raad ik u aan om ’s avonds kort voor het slapengaan de richtlijn over de bodembescherming te lezen. Ik verzeker u dat u die nacht nachtmerries zult hebben. Weliswaar bewijzen we terecht eer aan de historische successen van de Europese Unie, maar de ontevredenheid over de EU maakt duidelijk dat zij, in het algemeen gesproken, nu niet meer integratie nodig heeft, maar juist meer grenzen, zowel binnen Europa als met de buitenwereld. Integratie is een goede zaak, maar zij is uit balans geraakt. Soms hebben we er binnen onze grenzen te veel van, terwijl we er naar buiten toe – waar de burgers graag meer gemeenschappelijk veiligheids- en buitenlandsbeleid zouden hebben – te weinig van hebben. Wie dat betwijfelt, moet zich eens de vraag stellen of de oproep om de dappere Britse soldaten vrij te laten niet veel meer effect sorteert als de gehele Europese Unie daar achter staat, en niet slechts één lidstaat.

De Europese Unie moet worden verlost van de korst die de integratiebenadering over haar heen heeft gelegd. Wat dat betreft slaat u de spijker op de kop met uw gedachte over discontinuïteit. Een wetsontwerp dat aan het einde van een zittingsperiode niet is aangenomen, dient te vervallen. Dat schept duidelijkheid, maakt duidelijker wie waarvoor verantwoordelijk is en schept vertrouwen. Daarom, mevrouw de bondskanselier, heb ik de volgende wens: dat u erin slaagt om het vertrouwen van de Europese volken te herwinnen. U hebt daartoe de kans.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Geachte heer Nassauer, wij hebben allemaal een enorme gemeenschappelijke inspanning te verrichten, en dat gaan we ook doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE).(PT) Mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, als socialist en vrouw wil ook ik mevrouw Merkel graag gelukwensen met haar voorzitterschap. Ik meen dat ze nu reeds heeft laten zien dat het beter kan en dat er meer vrouwen op de posten zouden moeten zitten waar de beslissingen worden genomen.

De Europese Gemeenschap bestaat nu vijftig jaar en ze heeft de droom van Jean Monnet verwezenlijkt: ze staat garant voor vrede, vrijheid en vooruitgang en ze heeft haar grenzen uitgebreid. Ze telt nu 27 lidstaten; sommige daarvan gingen vijftig jaar geleden – of minder nog, zoals mijn land, Portugal – gebukt onder het juk van een dictatuur. Meer vrede, meer democratie, meer welvaart, vrij verkeer van werknemers en goederen en een eenheidsmunt die nu in dertien landen is ingevoerd. Het is een enorme prestatie.

Europa is de afgelopen vijftig jaar veranderd. Maar ook de rest van de wereld is veranderd, en daarom zijn de behoeften van de Europeanen heel anders geworden. Mondialisering, klimaatsverandering, energieproblemen, vergrijzing, migratie en terrorisme – het zijn allemaal uitdagingen waar we een antwoord op zullen moeten formuleren. Het is onze taak om oplossingen te vinden voor de huidige problemen en aan de verwachtingen van de burgers tegemoet te komen. Dat is de beste manier om maatschappelijke stabiliteit te bevorderen en bij te dragen tot evenwichtigheid in de wereld.

Interne stabiliteit en vrede zijn echter weinig waard als we geen oplossing vinden voor de oorlog in Irak, de crisis in het Midden-Oosten en de ernstige problemen waar onze buren in Noord-Afrika mee te kampen hebben.

Met de Verklaring van Berlijn hervatten we de discussie over het Grondwettelijk Verdrag. Ze verplicht de 27 lidstaten om nog voor de Europese verkiezingen in 2009 een vernieuwde gemeenschappelijk basis voor de EU te formuleren. Er moet snel een consensus worden gevonden. Niemand zal beweren dat er geen hindernissen hoeven te worden genomen, maar dit is voor de lidstaten toch een goede gelegenheid om de wereld en de burgers te laten zien dat er meer is dat ons verbindt dan verdeelt. Dat is de enige manier om het vertrouwen van de burgers te winnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvana Koch-Mehrin (ALDE).(DE) Mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, ik wil u vooral gelukwensen met twee zinnen in de Verklaring van Berlijn. De eerste is: 'Wij burgers van de Europese Unie hebben het geluk verenigd te zijn.' Dat is een prachtige zinsnede, en ik vind dat goed weerwerk tegen de mopperaars en twijfelaars die er altijd maar over klagen dat de EU iets is waaraan zij verplicht moeten deelnemen. Maar hier draait het om, namelijk dat wij het geluk hebben verenigd te zijn. Ik vind ook dat deze betoverend simpele formulering een toon treft die voor alle burgers begrijpelijk is.

Voorts wil ik u gelukwensen met het feit dat u erin geslaagd bent om in de Verklaring van Berlijn het jaar 2009 als bindend tijdstip op te nemen waarop de Europese Unie een vernieuwde gemeenschappelijke basis moet hebben gekregen. Dat is zo ondubbelzinnig geformuleerd dat geen van de staats- en regeringsleiders erop terug kan komen zonder ernstig gezichtsverlies te lijden.

Het is een goede zaak dat deze gemeenschappelijke verklaring er is, maar ik moet wel zeggen dat ik haar inhoudelijk helaas nogal vaag vind, omdat er niets in staat over hoe de toekomst van Europa eruit moet zien en – dat is nog het belangrijkst – over hoe we de gewone burgers erbij willen betrekken. Daarom kijken wij uit naar de tweede helft van het voorzitterschap en naar de voorstellen hoe de burgers erbij betrokken kunnen worden. We wensen u van ganser harte succes. Wanneer u steun nodig heeft om de burgers erbij te betrekken, dan kunt u altijd op ons rekenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN). – (PL) Mevrouw de bondskanselier, mijnheer de Voorzitter, de twee belangrijkste wapenfeiten van de Europese integratie zijn de gemeenschappelijke markt en de uitbreiding. De interne markt heeft de Europeanen welvaart gebracht, terwijl de uitbreiding de positie van de Europese Unie op het wereldtoneel heeft versterkt. In plaats van deze successen in de kijker te plaatsen, lijkt de Verklaring van Berlijn ze te willen verstoppen achter vage formuleringen over openheid en samenwerking. Het is een ernstige fout om de rol van de lidstaten in dergelijke mate te bagatelliseren. De Verklaring is uitsluitend in naam van de burgers geschreven. Als we de Europese integratie willen bevorderen, moeten we meer belang hechten aan de lidstaten die voorstanders – en geen vijanden – van verdere integratie zijn.

Mijnheer Schulz, wanneer u over uitbreiding spreekt, verbergt u zich dan alstublieft niet achter het Grondwettelijk Verdrag, achter president Kaczyński of president Klaus. Het tegenhouden van verdere uitbreidingen van de Unie is niet meer dan een uiting van onze – en dus ook van uw – angst voor de toekomst.

Het is bovendien beledigend dat er in dit document met geen woord van het christendom wordt gerept. Dat is een uitstekend voorbeeld van de vooringenomenheid die het onmogelijk maakt om een Europa van gemeenschappelijke waarden op te bouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Voggenhuber (Verts/ALE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, ik voel me vandaag nogal onzeker, omdat ik geen ervaring heb met het prijzen van voorzitterschappen van de Raad, ook al zit ik al twaalf jaar in dit Parlement. Toch kan ik niet anders dan uw werk loven. De laatste grote Europeanen die dit Parlement hebben toegesproken – Mitterrand en Juncker na diens Raadsvoorzitterschap – bewogen zich als Europeanen ergens tussen melancholie en wanhoop. Ik heb veel ontzag voor de manier waarop u de uitdaging bent aangegaan die Europa heet, en dat terwijl u wellicht van meet af aan de druk voelde van de enorm hoge verwachtingen die er bestonden over uw voorzitterschap. Wat er in de Verklaring van Berlijn ontbreekt, zijn 26 handtekeningen – 26 handtekeningen onder een jubileumverklaring vol gemeenplaatsen. Maar uw handtekening ontbreekt niet. U hebt zich als eerste onttrokken aan het mechanisme waarin leden van de Raad elkaar dwarszitten, bedreigen, elkaar beentje te lichten en valkuilen voor elkaar graven. U hebt zichzelf aan de verklaring verplicht, en dat verdient groot respect.

Ik had graag gezien dat, naast de successen van de EU, ook de niet uitgekomen verwachtingen van de mensen en de vertrouwenscrisis in de Unie nadrukkelijker waren vermeld. Ik complimenteer u met het feit dat u het constitutionele project uit het pakijs heeft weten te halen, en daarvoor heb ik diep ontzag. U hebt daarmee leiderschap getoond, en het was een kür op dun ijs.

Ik wil u nog twee zaken in overweging geven. Ten eerste: hoewel het doel dat u heeft gesteld het enige is waarnaar Europa nu kan streven, rijst de vraag of de manier waarop wel de juiste is. Is de kans niet groter dat we de constitutionele crisis overwinnen door iets extra’s, door een sterker en overtuigender Europa dat wellicht een paar taken meer vervult of overtuigender democratisch is. Is uw doel haalbaar met een methode die teruggrijpt op de tijd dat koeriers te paard tussen de staatskanselarijen op en neer reden en steeds weer dezelfde boodschap overbrachten, namelijk de aloude wensen en eisen van de nationale regeringen?

Nu mijn tweede punt: het Handvest van de grondrechten. Ik druk u op het hart, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, dat als het Handvest van de grondrechten wordt losgeweekt uit dit grondwettelijk verdrag, u de grote beweging van voorstanders van de grondwet zult splijten. Dat zal tot een uitkomst leiden die onaanvaardbaar is voor velen van ons die hebben gestreden voor deze grondwet, want de grondrechten vormen de kern van dit Europese project.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hartelijk dank, mijnheer Voggenhuber, niet in de laatste plaats voor de wijze waarop u hebt samengewerkt met de Voorzitter in het Parlement om het tot een succes te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberto Musacchio (GUE/NGL). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mevrouw Merkel zet zich er serieus voor in om Europa nieuw leven in te blazen, maar ik sta niet achter de manier waarop en het materiaal waarmee ze het probeert te doen. Ze heeft geprobeerd de sociale, politieke en democratische crisis en de betekenis van het Franse referendum terzijde te schuiven, door zich alleen maar op de intergouvernementele aanpak te richten, waardoor zelfs de parlementariërs – waaronder ikzelf bijvoorbeeld – niet in staat werden gesteld om kennis te nemen van de Verklaring van Berlijn, en door verder te gaan met het oude liberalistische verdrag, waar ze wellicht heel graag een miniverdrag van wil maken.

Problemen worden niet opgelost als dezelfde aanpak wordt gehanteerd waardoor ze zijn ontstaan. Integendeel, we moeten woord en context aanpassen en ons concentreren op democratie en rechten, en nogmaals luisteren naar de mensen en de parlementariërs, om te beginnen het Europees Parlement, om een grondwet te kunnen herschrijven die gebaseerd is op burgerschapsrecht, vrede, werk en milieu en die vervolgens voor te leggen in een Europees referendum waarbij het volk het laatste woord heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Železný (IND/DEM).(CS) Mijnheer de Voorzitter, nog niet zo lang geleden kregen we het bericht dat noch de Tsjechische regering, noch de Tsjechische president op de hoogte waren gebracht van de inhoud van de Verklaring van Berlijn.

Het lijkt erop dat het doel van al deze geheimzinnigheid was om aan het einde van de verklaring een zin in de tekst te smokkelen die de lidstaten ertoe verbindt om een mini-Grondwet te accepteren, die dan geen Grondwet zou worden genoemd om ervoor te zorgen dat de burger zich er niet in een referendum over uit kan spreken. Het was de bedoeling om de zin pas op het allerlaatste moment voor te leggen, over de hoofden van de lidstaten heen. Deze onwaardige handelwijze past niet bij het democratische voorzitterschap van de EU, maar hoort eerder thuis bij de partijcryptocratie die we ons nog maar al te goed kunnen herinneren uit het oostelijke deel van het huidige Duitsland, namelijk de DDR. Uiteindelijk is er slechts een tandeloze zin overgebleven waarin wordt aanbevolen de EU op een vernieuwde basis te vestigen. Hebben we weer twee jaar iets om over te bakkeleien.

In de Tsjechische Republiek is de interpretatie van de zin echter nu al duidelijk: "Zorg ervoor dat de Unie weer terugkeert naar de nog altijd onvervulde kernwaarden. Hef het democratisch tekort op en zorg voor vrij verkeer van werknemers en diensten. Hervorm het voor de nieuwe lidstaten discriminerende landbouwbeleid, houd eindelijk op met die eindeloze stroom van regelgeving, en laat de zaken op hun beloop." Dank u wel mijnheer de Voorzitter.

 
  
MPphoto
 
 

  Timothy Kirkhope (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de bondskanselier, geachte voorzitter van de Commissie, ik wil de bondskanselier en de Voorzitter bedanken voor hun woorden.

(EN) Allereerst wil ik het historisch belang onderstrepen van de vijftigste verjaardag van de ondertekening van de Verdragen van Rome.

Wat voor soort Europa ons ook voor ogen staat, naar mijn mening moeten we allemaal de belangrijke successen van Europa van de afgelopen vijf decennia omarmen. We hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van vriendschappelijke betrekkingen tussen lidstaten die tot voor kort historische vijanden waren. Europa heeft voor een forum gezorgd waar democratisch gekozen regeringen besluiten kunnen nemen op basis van een dialoog. Er is in Europa een interne markt tot stand gekomen die onze volken nieuwe economische kansen heeft geboden en de uitbreiding van 2004 heeft resterende kloven gedicht. Ik denk dat iedereen hier deze en andere successen kan toejuichen.

Maar nu moeten we naar de toekomst kijken. De Europese Unie wordt door velen, vooral ook in mijn eigen land, gezien als een bureaucratie die ver van de mensen afstaat. De mensen zien ons nog steeds als een bureaucratisch bolwerk dat zich met te veel zaken bemoeit die nog zouden moeten behoren tot het domein van de natiestaten. De burgers zien graag samenwerking binnen Europa, maar ze begrijpen niet waarom politici in dit Parlement zoveel tijd besteden aan constitutionele en institutionele zaken. De mensen vragen wat wij gaan doen aan de wereldwijde klimaatverandering en aan de bestrijding van de gesel van de armoede in de wereld, en ze vragen ons in het licht van de globalisering hoe wij ons continent concurrerender willen maken. Ze verwachten van ons dat we met concrete resultaten komen en niet te veel in procedures blijven hangen.

Het kan nodig zijn om de institutionele werkwijze van de EU te veranderen via verdragsherzieningen. Dat betekent echter niet per definitie dat er een complexe nieuwe grondwet moet komen.

In de 21ste eeuw hebben we meer flexibiliteit en decentralisatie nodig om onze economieën succesvol te maken op internationale markten. Er is niet meer regelgeving nodig, maar juist minder. We zitten niet te wachten op meer meerderheidsbesluitvorming om de klimaatverandering of de wereldwijde armoede te bestrijden, maar wat we nodig hebben is meer doeltreffende intergouvernementele samenwerking.

Op zich brengen grondwetten en instellingen niet meer welvaart voort, maken ze onze economieën niet concurrerender, verminderen ze de CO2-uitstoot niet en voeden ze geen hongerige mensen in de ontwikkelingslanden. Ik verzoek alle regeringen en het voorzitterschap nu dringend om – na deze goede start – snel met concrete beleidsresultaten te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u, en veel succes met uw cursus Duits.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernard Poignant (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, de Verklaring deed mij terugdenken aan enkele Europeanen. Robert Schuman, omdat u zijn methode heeft gebruikt: een verklaring die in het grootste geheim is opgesteld, een aanpak die soms vruchten afwerpt. Bovendien heb ik aan hem gedacht omdat hij – weliswaar met een Franse vader – door de oorlog als Duitser geboren is. Zijn moeder kwam uit Luxemburg. Het Frans was pas zijn derde taal voordat hij fungerend voorzitter van de Raad werd. Ook aan Alcide De Gasperi heb ik gedacht, een geboren Oostenrijker die Oostenrijks parlementslid was tijdens het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk voordat hij Italiaans parlementslid werd.

Die twee mannen zijn mensen van de grens. Europa is opgebouwd door mensen van de grens, aangezien grenzen littekens van de geschiedenis zijn, en het is aan ons om die wonden nooit meer te open te rijten.

Vervolgens heb ik aan u drieën gedacht. Aan u, mijnheer de Voorzitter, de scribent van de vrede, omdat u van mijn generatie bent, een zoon van het Europa in vrede, en niet van het Europa dat voorheen ten prooi viel aan de vlammen, een man met een eigen wonde. En u, mevrouw de kanselier, u bent voor mij – als Fransman – de kanselier van de andere zijde van de Muur. Vandaag een toeristische trekpleister, vroeger een grens. En u, mijnheer Barroso, u bent de voorzitter van de hervonden vrijheid, u die op achttienjarige leeftijd de politiek met een rode rand was toegedaan, maar u bent veranderd.

Toen ik naar u drieën keek – deze Verklaring ligt me na aan het hart, bovendien is het een verjaardag – dacht ik bij mezelf: ze hebben toch wel een onvolkomenheid, het zijn geen socialisten. Toen herinnerde ik me echter wat Guy Mollet, socialistisch voorzitter van de Raad in 1956, zei: "Als je Europa wil opbouwen, wacht dan niet tot het socialistisch is".

En dat is verduiveld goed gelukt!

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u zeer mijnheer Poignant, met name voor uw persoonlijke woorden.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrew Duff (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de Bondskanselier, kunt u alstublieft bevestigen dat het voorzitterschap er ten zeerste van overtuigd is dat het Grondwettelijk Verdrag verbeterd moet worden in plaats van afgezwakt, zodat het ratificatieproces bespoedigd wordt? Gaat u zonder twijfel kiezen voor een 'Grondwet plus' in plaats van een afgezwakt, mini- of zelfs miniem verdrag? Zult u een Intergouvernementele Conferentie (IGC) tegenhouden die er alleen om draait de lidstaten te vrijwaren van hun belofte om het houden van referenda te bevorderen?

Denkt u aan de uitdagingen van Laken die nergens toe hebben geleid. Het zou niet mogelijk moeten zijn dat tijdens de IGC het uitgebreide pakket waarover de instellingen en de lidstaten het eens zijn geworden, op losse schroeven komt te staan. In plaats daarvan zou de aandacht moeten worden gericht op het hervormen van het gemeenschappelijk beleid, zodat dit beter aansluit op de hedendaagse behoeften en toekomstige uitdagingen.

En vraagt u degenen om geduld die u verzoeken de delen een en twee te heroverwegen. Laten we er eerst voor zorgen dat het verdrag van kracht wordt en dat we het in de praktijk uitproberen voordat we opnieuw gaan peuteren aan het machtsevenwicht waarover we het eens waren. Op een dag zal het eerste amendement uiteraard worden ingediend, een historisch moment, maar daar zou niet nu al een eerste poging toe moeten worden gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Mijnheer Duff, ik wil u bedanken voor uw bijdrage tijdens ons raadplegings- en informatieproces in het Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Borghezio (UEN). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de bondskanselier, dames en heren, het ontbrak de Europese leiders in Berlijn enigszins aan moed om de beslissingen waarvoor wij staan in verband met globalisering, immigratie en het gevaar om onze identiteit te verliezen, te berde te brengen. Er is met geen woord gerept van Europa’s geopolitieke grenzen, waarvan het gevaar bestaat dat ze zich in de toekomst, dankzij de toetreding van Turkije, wellicht uitstrekken tot Iran, Irak en zelfs Syrië.

Alleen Paus Benedictus XVI, die zich in deze situatie manifesteert als geestelijk leider van een Europa dat anders zonder ideeën of idealen zou zitten, heeft de juiste weg laten zien: hoe kan iemand niet begrijpen dat de opbouw van een gemeenschappelijk Europa onmogelijk is als de culturele en morele identiteit van de Europese burgers wordt genegeerd? De Europese leiders bleven doof voor deze waarschuwingen. Het is duidelijk dat het niet het Europa van bankiers en lobby’s is dat ons kan redden van deze gevaren, van de crisis in het Europese sociale model en van de dreiging van een islamitische invasie.

Voor diegenen van ons die voorstander zijn van regionale autonomie, is het lastig om een ontwerp-grondwet te aanvaarden die een bureaucratisch en centralistisch Europa versterkt, dat onder andere gekenmerkt wordt, zoals we vandaag zagen, door serieuze schandalen en een gebrek aan transparantie, ver verwijderd van de droom van de grote denkers die een Europa dat toebehoort aan de regio’s en de volkeren, verdienen.

Mevrouw de bondskanselier, ik wil u desondanks bedanken, ook voor het invoelingsvermogen waarvan u blijk heeft gegeven, als een leider die gedreven wordt door christelijk mededogen, gezien de aandacht die u, op mijn aanraden, heeft geschonken aan het nog altijd onopgeloste vraagstuk van de erkenning van de rechten van de Italiaanse militairen die gevangen zitten. Ik bedank u namens hen en namens de 50 000 families die wachten op erkenning van hun opoffering en hun nagedachtenis.

 
  
MPphoto
 
 

  Rebecca Harms (Verts/ALE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, hartelijk dank. De heer Voggenhuber heeft u de bloemen al overhandigd namens mijn fractie. Ik geloof dat niemand in de fractie eraan twijfelt dat u die hebt verdiend, hoewel we ons wel afvragen hoe het verdergaat. Dat wil ik aan het einde van dit debat nog eens onderstrepen. Want we geloven niet dat de geest van deze Verklaring van Berlijn verenigbaar is met het idee dat wat er over is van de Grondwet er uiteindelijk alleen maar toe moet dienen om het werk van de technocraten en bureaucraten in Brussel een tikje soepeler te laten verlopen.

Wij zien dit constitutionele project echt als een hoger doel en een project dat is bedoeld om Europa als geheel democratischer te maken. Daarom vinden we ook dat de catalogus van grondrechten, waarover is gesproken, daarvan deel uit dient te maken. Wij beschouwen de vraag hoe dat doel moet worden bereikt en hoe de burgers daarbij betrokken moeten worden geenszins als een banale vraag, maar we denken dat we hebben geleerd van de referenda in Frankrijk en Nederland en dat het van belang is om alle burgers in Europa op een gelijkwaardige wijze bij het proces te betrekken. Er mag geen sprake zijn van twee verschillende tempo’s door de ene burger wel te raadplegen en de andere niet. Als we daarover duidelijkheid krijgen, dan zou dat schelen, dus dat zouden we graag zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL).(PT) Het Duits voorzitterschap probeert zijn programma voor de EU door te drukken, en het baseert dit programma op een steeds ambitieuzere grondslag.

Ondanks alle uiterlijk vertoon is de Verklaring van Berlijn niet meer dan een volgende stap van een strategie die er vooral op gericht is de essentie van de reeds verworpen Europese Grondwet wederom tot leven te wekken. En dat is onaanvaardbaar. Ondanks alle pogingen van de heersende klassen om deze gelegenheid enige grandeur te verlenen, is de indruk er toch vooral één van gekunsteldheid: de viering van de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome laat de mensen eigenlijk volledig koud.

Dat is tekenend voor ons tijdsgewricht. Het toont aan dat de EU nog maar weinig heeft te maken met de belangen en de aspiraties van de volkeren van Europa en de rest van de wereld. De dominante krachten van de Europese kapitalistische integratie zijn zich van deze steeds scherper wordende contradictie terdege bewust. Daarom menen wij dat de Verklaring van Berlijn er vooral op gericht is de gerechtvaardigde onzekerheid van de Europese volkeren te exploiteren. Deze verklaring heeft niets te maken met de werkelijke doelstellingen en het specifieke beleid van de EU of de harde realiteit die daardoor teweeg wordt gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonio Tajani (PPE-DE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, bondskanselier Merkel, dames en heren, de Top van Berlijn heeft Europa zeker een stap voorwaarts geholpen, waarmee het begin van een nieuwe fase wordt ingeluid na een periode die wordt gekenmerkt door moeilijkheden en enkele mislukkingen.

De viering van de vijftigste verjaardag van de Verdragen heeft geleid tot de hervatting van een Europees initiatief, gecoördineerd door de Raad, de Commissie en het Parlement, om Europa’s toekomst op te bouwen. Maar als we over de toekomst praten, moeten we proberen om voor 2009 een fundamentele wet op te stellen waarin de bevoegdheden en de rol worden vastgelegd van een Unie die niet alleen een markt is, maar ook een hoofdrol weet te spelen in de internationale politiek, en met concrete antwoorden, niet in de laatste plaats op de vragen van de burgers, op de proppen komt.

Bondskanselier Merkel, daarom waardeer ik het initiatief om een groot debat over drie fundamentele onderwerpen te openen: klimaatverandering, energiezekerheid en het vraagstuk Afrika en de daarbijbehorende tragedies die te vaak door het Westen worden genegeerd. Het Europa waar wij in geloven en de grondleggers in geloofden, is echter niet alleen gebaseerd op politiek en economie. Ik maak me zorgen als ik lees dat er in Duitsland honderden kerken verdwijnen en het baart me ook zorgen dat er in Italië minder kinderen worden geboren; ik ben verontwaardigd over de uitspraken van rechters die mannen vrijspreken die hun vrouwen bruut slaan uit naam van hun geloof; ik schrik van de mate waarin het drugsgebruik door Europese jongeren zich heeft verspreid. Dat is niet het Europa waar we onszelf in herkennen en waar we ons voor inzetten.

Het zou dus verkeerd zijn om de waarden die in de Verklaring van Berlijn worden genoemd onder te waarderen, of erger nog, te vergeten. Waarden als democratie, vrede, vrijheid, gerechtigheid en vooral het belang van individualisme en menselijke waardigheid. We moeten daarom gehoor geven aan de woorden van Jacques Delors, die ons voorhoudt onze christelijke oorsprong niet te vergeten. Hij beweerde vandaag in een interview dat onze herinnering onze toekomst is.

 
  
MPphoto
 
 

  Stephen Hughes (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, met het oog op de toekomstige ontwikkeling van Europa wordt in de Verklaring van Berlijn terecht de nadruk gelegd op het belang van solidariteit en sociale cohesie in een Europees model waarin economische welvaart wordt gecombineerd met maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ik moest in dit verband denken aan een andere verklaring, "Enhancing Social Europe", die door negen Europese regeringen kort voor de Voorjaarstop van dit jaar werd aangenomen. In deze verklaring werd de nadruk gelegd op het hervinden van het evenwicht in de beleidsmix ten behoeve van actie op het gebied van werkgelegenheid en sociale kwesties.

In antwoord daarop bevatten de conclusies van de Voorjaarstop heldere verwijzingen naar behoorlijk werk, werknemersrechten, werknemersparticipatie, gelijke kansen, veiligheid en bescherming van de gezondheid op het werk en de noodzaak van het goed kunnen combineren van werk en gezin. Tevens werd het belang van sociale cohesie benadrukt en aandacht gevraagd voor de noodzaak van armoedebestrijding, met name van armoedebestrijding onder kinderen. Het belang van de sociale dimensie werd onomwonden beklemtoond.

In de conclusies werden tevens de sociale bepalingen uit het Verdrag herhaald, met name het aanhangsel met betrekking tot de verbetering van de werkgelegenheid en de levens- en arbeidsomstandigheden. Dit is opgenomen in artikel 136 van het zondag bejubelde Verdrag, en geldt als basis voor de heldere rechtsgrondslagen die de Commissie heeft om voorstellen voor de verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden te doen.

Naar mijn mening herinneren Berlijn en de Voorjaarstop ons er tijdig aan dat de Commissie opnieuw een sociale agenda met inhoud moet presenteren omdat, gezien het werkprogramma van de Commissie op dit moment, het erop lijkt dat de Commissie vergeten is dat ze überhaupt rechtsgrondslagen heeft om actie te ondernemen.

Wij willen dat de Commissie met spoed reageert. Een goed begin zou zijn om handen en voeten te geven aan het in nevelen gehulde onderwerp flexizekerheid. Laten we ervoor zorgen dat er nieuwe wetgevingsvoorstellen komen waarmee uitbuiting door atypisch werk voorkomen kan worden. Laten we ervoor zorgen dat flexizekerheid een positieve bijklank krijgt voor miljoenen werknemers die het op dit moment zien als een dekmantel voor uitbuiting.

Tot slot hoop ik dat het Duitse voorzitterschap in aanloop naar de top van juni en daarna, de sociale kant van Europa centraal stelt. Alleen dan zal de Verklaring van Berlijn haar geloofwaardigheid behouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bronisław Geremek (ALDE). – (PL) Mevrouw de bondskanselier, ik ben u in de eerste plaats erg dankbaar omdat u erin geslaagd bent Europa te doen ontwaken uit een toestand van melancholie, uit een gevoel van onheil en verval. De Europeanen hebben op 25 maart niet alleen de Ode aan de vreugde gezongen, maar ze hebben die vreugde ook echt gevoeld.

Mevrouw de bondskanselier, of de Verklaring van Berlijn een succes wordt, hangt af van de manier waarop ze ten uitvoer zal worden gelegd. Haar plaats in de geschiedenis van de Europese Unie is afhankelijk van wat er in de nabije toekomst gebeurt. De Verklaring van Berlijn onderstreept echter een belangrijk feit: Europa is daadwerkelijk verenigd. Ze vermeldt bovendien duidelijk aan wie we dat te danken hebben.

Misschien moet ik hier toch aan toevoegen dat deze eenmaking van Europa, die van het Oosten en het Westen althans, eigenlijk nu pas echt gestalte krijgt. We moeten twee onderdelen met een verschillend verleden en met verschillende karakters met elkaar verenigen. We hebben behoefte aan een sterk en geïntegreerd Europa.

De eenmaking van Europa is een grote uitdaging. Dat geldt eveneens voor de opmerkelijke vaststelling in de Verklaring van Berlijn dat Europa opnieuw op zoek moet gaan naar zijn wortels. De Europese Unie moet haar grondslagen opnieuw vaststellen. Zonder een verdrag dat haar een politieke dimensie geeft en dat efficiënte besluitvorming mogelijk maakt, zal de Unie er echter niet in slagen om vooruitgang te boeken. Naar mijn mening zou de bevestiging dat we verenigd zijn het volgende moeten betekenen: samen geven we Europa een duwtje in de rug.

 
  
MPphoto
 
 

  Angela Merkel, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, graag wil ik dit debat, waarvoor ik u zeer dankbaar ben, heel kort samenvatten.

Wat vandaag duidelijk is geworden – en ik weet zeker dat dit de mening in al uw fracties weerspiegelt – is dat er bij de overweldigende meerderheid van het Europees Parlement de gemeenschappelijke wil bestaat om dit Europa van ons vooruit te stuwen, en wel met een flinke dosis optimisme. Dat heeft vandaag ook de voorzitter van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement, de heer Schulz, gezegd, die ik vandaag wil prijzen – als ik dat tenminste mag in mijn hoedanigheid van fungerend voorzitter van de Raad – want het gaat om een zeer ernstige historische situatie. Op dat punt ben ik het eens met iedereen die dat hier vandaag heeft gezegd.

Er zijn nog steeds sceptici die zich afvragen of we nu echt wel zo’n routekaart nodig hebben, en of we de burgers in 2009 werkelijk een vernieuwde gemeenschappelijke basis van de Unie moeten voorschotelen, zoals we dat in de Verklaring van Berlijn hebben aangekondigd. Tegen deze sceptici dienen wij te zeggen dat wij als Duits voorzitterschap, net als het Parlement en de Commissie, ons ervan bewust zijn dat het hier ook gaat om het 'Europa van de projecten', zoals we dat ooit hebben genoemd. Met andere woorden, dat er heel concrete vooruitgang dient te worden geboekt die zichtbaar is voor de bevolking.

Het gaat er niet alleen om nu de een of andere stemprocedure of institutionele kwestie te regelen, maar ook om de mensen te laten zien dat wij iets bereiken, iets wat van groot belang is voor het leven van ieder individu. Hoe meer we in dit halfjaar voor elkaar krijgen – waarin wij natuurlijk ook andere belangrijke kwesties moeten regelen – hoe gemakkelijker zal het zijn om straks schot te krijgen in deze andere kwesties. Hoe dan ook, onze inspanningen in de komende drie maanden zullen tegelijkertijd op allebei zijn gericht, en ik wil het Parlement hartelijk danken voor het feit dat het zich bezighoudt met vele praktische zaken. Gisteren is het er bijvoorbeeld in geslaagd om ook middelen vrij te maken voor milieubescherming, zodat de projecten kunnen starten. Wij hebben het ook over de landbouw gehad. Dat zijn allemaal zaken waarvan de burgers zich afvragen wat Europa nu precies bereikt. Daarom is het positief dit nu is gelukt.

In het Parlement is verder nog gevraagd hoe de Verklaring van Berlijn tot stand is gekomen. Ik geloof dat het Winston Churchill was die over de Verdragen van Rome zei: 'Nog nooit is er zoiets belangrijks als de Verdragen van Rome in achterkamertjes tot stand gekomen zonder dat iemand ook maar iets heeft gemerkt.' Zoiets kunnen we met geen mogelijkheid herhalen in een tijd waarin de media alomtegenwoordig zijn. Maar ik geloof dat wij, ook in de komende maanden, de juiste mix moeten vinden tussen inspraak en de vraag hoe wij iets voor elkaar kunnen krijgen, en het marktplein is niet altijd de beste plek om dat te doen. Het was dus niet zo dat de Voorzitter min of meer gedwongen was om met mij geheime beraadslagingen te voeren over de Verklaring van Berlijn. De fracties in het Parlement werden er natuurlijk op een bepaalde manier bij betrokken, en zo hebben wij geprobeerd om uw voorstellen te mee te nemen, net als wij dat hebben gedaan met die van de Commissie en de 27 lidstaten.

Iedereen weet echter dat democratie ook betekent dat niet iedereen zijn inbreng terugvindt in het eindresultaat. Soms kunnen dingen alleen gelijktijdig worden gedaan, en van deze zaken kan niet allemaal gelijktijdig verslag worden gedaan. Niettemin geloof ik dat wij de bevolking moeten betrekken bij hetgeen er nu op het spel staat. Daarom heb ik een verzoek aan uw Parlement. Mijnheer de Voorzitter, ik wil het Parlement graag een suggestie doen, want de Raad leent zich als instelling niet altijd even goed voor inspraak in de besluitvorming door de bevolking. Het Europees Parlement heeft commissies, en wellicht is het mogelijk dat u, bijvoorbeeld in mei, een hoorzitting voor het maatschappelijk middenveld houdt, waarbij ook een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig is. Zo kunnen we te horen krijgen wat er in de maatschappij leeft met betrekking tot dit proces van het scheppen van een vernieuwde gemeenschappelijke basis, zodat we in onze overwegingen voor het debat voor de volgende Raad de mening van de Europese bevolking tot op zekere hoogte kunnen meenemen.

(Applaus)

Ik denk dus dat we de komende maanden veel met elkaar te maken zullen krijgen. De eerste drie maanden waren leuk. Waarom zou de tweede helft dat ook niet zijn? Dank u wel.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u wel, bondskanselier Merkel. Het belangrijkst is dat duidelijk is geworden dat wij weer in Europa geloven en dat wij elkaar vertrouwen. Dit vertrouwen tussen het Europees Parlement en u als vertegenwoordigster van de Europese Raad is de afgelopen weken ongelooflijk gegroeid. Ik kan namens veel leden van dit Parlement spreken, en vooral namens mezelf, als ik zeg dat de samenwerking met u uiterst plezierig is geweest en dat wij ons verheugen op de verdere samenwerking, ook met de Commissie. We wensen u verder veel succes en we staan als één man achter u.

 
  
MPphoto
 
 

  Mirosław Mariusz Piotrowski (UEN). – (PL) De langverwachte Verklaring van Berlijn heeft de Europese volkeren met stomheid geslagen. Dat was niet zozeer te wijten aan de inhoud van de verklaring, die overigens door de pers als een "prachtig staaltje van dubbelzinnigheid" is omschreven, maar aan het ontbreken van elk publiek debat. Het spreekt boekdelen dat de verklaring maar door drie personen is ondertekend – alle drie vertegenwoordigers van de Europese instellingen – en niet door de vertegenwoordigers van de zevenentwintig lidstaten van de Unie.

In feite verbindt deze verklaring niemand ergens toe. Ze maakt evenmin een einde aan de meningsverschillen over de rol en de werking van de Europese Unie. We zijn het niet eens over een gemeenschappelijk buitenlands beleid, noch over de hoofdlijnen van een Europees defensiebeleid.

Het uitgesproken protest van een aantal landen tegen een verwijzing naar de christelijke oorsprong van Europa brengt elke poging om gemeenschappelijke Europese waarden te definiëren in gevaar. Ondanks deze vele onopgeloste kwesties mogen we in de toekomst echter in geen geval van de weg van dialoog en overleg afwijken in de richting van chantage tegenover landen die op bepaalde punten bezwaar durven maken.

 
  
MPphoto
 
 

  József Szájer (PPE-DE). (HU) De Europese Unie heeft een rijpe leeftijd bereikt en het lijkt erop dat zij ook de bijbehorende wijsheid heeft opgedaan, aangezien het is gelukt een bondig en ook voor het publiek begrijpelijk document aan te nemen dat zich concentreert op waarden, beginselen en voor ons liggende taken. De Unie heeft hiermee laten zien dat zij in staat is met één stem te spreken en bereid is tot handelen op grond van waarden.

Met deze verklaring vierden we de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome, maar ik wil graag ook een andere vijftigste verjaardag in herinnering brengen: de Hongaarse Opstand van 1956, die evenzeer een rol speelt in de oorsprong en de tradities van de huidige Europese Unie. Zonder 1956 en het voorbeeld van de Hongaarse opstandelingen had de Europese Unie zich niet zo kunnen ontwikkelen zoals nu is gebeurd, in wat we inmiddels ons gemeenschappelijk Europa kunnen noemen.

Ik ben ervan overtuigd dat we een Europese Unie nodig hebben die sterk is en haar waarden en identiteit zelfverzekerd uitdraagt, niet afwijkt van haar principes en geen uitvluchten zoekt. Graag zien wij een Unie die de samenwerking tussen de lidstaten verder intensiveert, de interne saamhorigheid doet toenemen, solidair is en verdere stappen onderneemt op het gebied van politieke integratie.

Waarom hebben wij eigenlijk baat bij een sterke Europese Unie? Omdat de individuele staten hierdoor stuk voor stuk sterker kunnen worden. Maar om sterk te kunnen staan is het natuurlijk wel zeer belangrijk dat we openlijk uitkomen voor ons verleden en onze identiteit.

Ik heb de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome gevierd op een conferentie die was georganiseerd door een maatschappelijke organisatie en graag deel ik een van de boodschappen van deze conferentie met u, namelijk dat we wel degelijk onze eigen identiteit moeten onderkennen, de christelijke wortels van Europa moeten erkennen. Eenieder die Europa van buitenaf beschouwt, ziet wat wij met elkaar gemeen hebben. Waarom zien wij dit zelf dan niet en waarom durven wij hier niet voor uit te komen?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u wel, mijnheer Szájer, ook voor de samenwerking op het gebied van de interne coördinatie waaraan u uw bijdrage hebt geleverd.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) De Verklaring van Berlijn werd ondertekend op een zeer belangrijk moment in de geschiedenis van de Europese Unie. De ondertekening van de Verdragen van Rome vijftig jaar geleden vormde een eerste stap in de tenuitvoerlegging van een ambitieus concept. De aanwezigheid van zevenentwintig lidstaten in Berlijn getuigt van de verstrekkende impact van dat idee. De oprichtingsakte van de latere Europese Unie, die tot stand kwam op de ruïnes van een door oorlog verwoest Europa, werd destijds maar door zes landen ondertekend.

Nu, een halve eeuw later, heerst er tot onze vreugde vrede in Europa. De Europese Unie telt bijna een half miljard inwoners en beslaat een aanzienlijk gedeelte van het Europese continent. Haar betekenis op wereldniveau is groter dan ooit tevoren. De resultaten van de Europese integratie zijn indrukwekkend: een eengemaakte markt, een gemeenschappelijke munt in dertien landen, vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal. De Europese Unie is verplichtingen aangegaan op het vlak van milieubescherming en duurzame ontwikkeling. Ze is bovendien uitgegroeid tot een actieve en opvallende speler op internationaal niveau, die ook in haar buurlanden voor stabiliteit en welvaart zorgt.

De Verklaring van Berlijn is een belangrijk symbool voor Europa. Ondanks het overheersende gevoel van tevredenheid, blijft er toch ook een zekere leegte. We hadden gehoopt dat de Europese Unie op de vijftigste verjaardag van de ondertekening van de Verdragen van Rome over een grondwet zou beschikken. We moeten nog steeds een groot aantal uitdagingen het hoofd bieden: de wereldwijde economische concurrentie, nieuwe uitdagingen op het vlak van sociaal beleid, milieubescherming, energie en veiligheid. De Europese burgers willen een efficiëntere en sterkere Unie die op basis van transparante regels handelt. We zouden de hindernissen uit de weg moeten ruimen waarmee de burgers, voornamelijk in de nieuwe lidstaten, op het vlak van vrij verkeer van personen en diensten worden geconfronteerd. We moeten werk maken van de uitbreiding van het Schengengebied en van de eurozone. We moeten een gemeenschappelijk energiebeleid tot stand brengen. Europa heeft behoefte aan economische groei, nieuwe banen en een betere sociale zekerheid.

Met het oog hierop is het essentieel dat in de Verklaring van Berlijn is opgenomen dat we tegen 2009 een akkoord moeten hebben over de institutionele basis van de Europese Unie. Dat zou alle lidstaten ertoe moeten aanzetten om de noodzakelijke institutionele hervormingen tot een goed einde te brengen. Bondskanselier Merkel verdient alle lof voor haar belangrijke bijdrage aan dit gemeenschappelijke succes. De Europese Unie heeft vandaag het gezicht van een vrouw. De Unie is een vrouw.

 
  
MPphoto
 
 

  Íñigo Méndez de Vigo (PPE-DE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, er is hier gesproken over het belang van een Europees beleid om de klimaatverandering te bestrijden. Is dat mogelijk met de huidige Verdragen? Nee.

Er is ook gesproken over de sociale integratie van immigranten. Is dat mogelijk op basis van de huidige Verdragen? Nee.

En wat te zeggen van een gemeenschappelijke energiemarkt? Daar bestaat geen rechtsgrondslag voor in de huidige Verdragen. Ik zeg dit omdat degenen die een tegenstelling zien tussen wat wel "echt beleid met betrekking tot zaken die de burgers belangrijk vinden" wordt genoemd en beleidsinstrumenten en -technieken, alsof die laatste niet belangrijk zijn, eenvoudigweg niet weten hoe de Europese Unie functioneert.

Zonder procedures, zonder rechtsgrondslagen, kan de Europese Unie niet functioneren, en als er niet meer democratie komt, zal ze zonder legitimiteit functioneren. Daarom is het zo belangrijk om tot een akkoord over het Grondwettelijk Verdrag te komen.

Ik denk dat we ons, na het succesvolle optreden van het Duitse voorzitterschap in Berlijn, nu vooral daarmee moeten gaan bezighouden.

Ik hoop dat de Europese Raad van juni daar de aanzet toe zal geven, en dat hoeft niet met eenparigheid van stemmen. Ik denk dat het heel belangrijk is om het mandaat vast te stellen. En bij het vaststellen van het mandaat van de Intergouvernementele Conferentie – en hier spreekt de universitair docent – moeten we rekening houden met degenen die voor het examen zijn geslaagd, cum laude zelfs, moeten we degenen die zijn gezakt en die niet bij het examen zijn komen opdagen helpen, maar moeten we niet alleen rekening houden met degenen die zijn gezakt of die niet zijn komen opdagen.

De landen die het Verdrag hebben geratificeerd, hebben aan hun plicht voldaan, en daarom moet er rekening met ons worden gehouden bij het vaststellen van het mandaat.

Er is hier gezegd, en terecht, dat dit Parlement door middel van uw persoon, mijnheer de Voorzitter, een doorslaggevende bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de Verklaring van Berlijn. Ik denk dat we op de Intergouvernementele Conferentie hetzelfde willen doen: allemaal willen we de Europese Raad helpen, omdat de Commissie deelneemt aan de Intergouvernementele Conferentie, omdat de nationale parlementen het resultaat van deze Conferentie zullen ratificeren. Maar wij willen er een doorslaggevende bijdrage aan leveren dat de Intergouvernementele Conferentie op zijn minst een even groot succes wordt als de Verklaring van Berlijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hartelijk dank, mijnheer Méndez de Vigo. Ik wil u mijn dank betuigen voor de goede samenwerking bij de voorbereidende werkzaamheden, waarbij u coördinator was voor de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioannis Varvitsiotis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, de plechtigheden van Berlijn zijn voorbij en de zeer belangrijke verworvenheden van de afgelopen vijftig jaar zijn luisterrijk gevierd. Nu zijn de feestlichten echter uit en staan wij weer oog in oog met de werkelijkheid, met een werkelijkheid die de Europese burgers met gevoelens van onverschilligheid, bitterheid en vooral ongerustheid ervaren. De Europese burgers zijn ervan overtuigd dat Europa in de huidige omstandigheden niet gemakkelijk vooruit zal komen.

Tot onze troost heeft kanselier Merkel begrepen dat het scheppen van de voorwaarden voor een goede werking van de mechanismen van de Europese instellingen de grootste prioriteit moet zijn. Het lijdt immers geen enkele twijfel dat de Europese Unie van de Zevenentwintig niet vooruit komt als zij door blijft gaan met dezelfde structuren en met dezelfde organisatie als toen er nog vijftien lidstaten waren. Dit zal echter geen gemakkelijke opgave zijn. Het is veelbetekenend dat de door de zevenentwintig leiders ondertekende Verklaring van Berlijn geen enkele verwijzing bevat naar de Europese Grondwet, ofschoon dit het belangrijkste vraagstuk is waarmee wij worden geconfronteerd. De instelling van de functie van voorzitter van de Unie en die van minister van Buitenlandse Zaken, de vermindering van het aantal commissarissen, de nieuwe stemweging, de versterking van de bevoegdheden van het Parlement, de afschaffing van de drie pijlers, de versterking van de procedure van versterkte samenwerking tussen de lidstaten en het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid door de Europese Unie waren enkele positieve bepalingen uit de niet aangenomen Europese Grondwet. Mijns inziens moeten wij deze alsnog opnemen in een nieuw verdrag, in een 'Nice 2'-verdrag, en ervoor zorgen dat deze vóór de verkiezingen van 2009 werkelijkheid worden.

Laten wij de hoogdravende plannen maar terzijde! Laten wij weer met beide benen op de grond gaan staan! Mijns inziens kan Europa met deze realistische oplossing vooruit komen.

 
  
  

VOORZITTER: LUISA MORGANTINI
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Margie Sudre (PPE-DE). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de fungerend voorzitter van de Raad, voorzitter van de Commissie, dames en heren, de Verklaring van Berlijn richt zich tot de burgers van de EU met het verzoek het buitengewone succes van onze gemeenschappelijke inspanningen op juiste waarde te schatten. Zij verwijst naar onze Europese waarden en moet het uitgangspunt zijn voor een nieuw creatief elan, dat verder gaat dan de solidariteit waarmee een aantal gemeenschappelijke beleidsterreinen in de afgelopen halve eeuw op één lijn zijn gebracht.

We moeten reëel zijn, zonder de huidige problemen te verhelen, en de Europeanen ervan overtuigen dat de opbouw van een sterk en verenigd Europa in de wereld niet alleen absoluut noodzakelijk is, maar een kans biedt voor elk van onze 27 landen en voor elke van de 500 miljoen burgers van de Unie. Om hen te overtuigen moeten we hun niet alleen concrete resultaten en tastbare bewijzen van de toegevoegde waarde van de EU bieden, maar ook een optimistischere houding aannemen, en dat heeft bondskanselier Merkel gedaan.

Er is sprake van verdeeldheid tussen de Europeanen over de koers van het Europese beleid. Sommigen vinden dat Europa een te liberale koers vaart en zijn burgers niet beschermt tegen de globalisering, terwijl anderen vinden dat het niet protectionistisch genoeg is. De waarheid ligt zoals altijd ergens in het midden.

Ons werelddeel is één van de weinige stabiele gebieden in een wereld die steeds onvoorspelbaarder wordt. Uit onze historie valt veel lering te trekken en onze culturen zijn rijk aan verscheidenheid; vele volkeren spiegelen zich hieraan. Onze economie is over het algemeen gezond en op de wereld gericht. Wij streven onophoudelijk naar meer solidariteit met de minst welvarende en minst stabiele regio’s op de wereld.

Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om de fungerend voorzitter van de Raad lof toe te zwaaien, niet alleen vanwege datgene wat zij heeft bereikt maar ook vanwege haar inspanningen, waaruit blijkt dat zij ernaar streeft Europa vooruitgang te laten boeken en een oplossing te vinden voor de patstelling waarin wij ons sinds enkele maanden bevinden. Ik wil haar hiervoor van harte bedanken.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de voorzitter van de Commissie, wij, Europese burgers afkomstig van achter het voormalige IJzeren Gordijn, hechten de meeste waarde aan vrijheid, waaronder de vrije markt, en aan wat ooit ons nationale handelsmerk was, of anders uitgedrukt, onze regionale specialiteit, namelijk solidariteit. We weten ook welke prijs voor het verdedigen van deze waarden moet worden betaald. Decennialang was het onze droom om opnieuw deel uit te maken van de Europese familie van vrije volkeren. Wij zijn opgegroeid met de verboden radiozender die uitzond vanuit München en de trotse naam 'Radio Free Europe' droeg.

Dat vrije en verenigde Europa zijn we vandaag de dag nog steeds trouw. Als leden van de Europese Unie hebben we het volle recht om haar toekomst mee vorm te geven. Het volstaat echter niet langer om de woorden 'Europa, Europa' in de mond te nemen. We moeten ons eveneens de volgende vraag stellen: 'Europa, ja, maar wat voor een Europa?'. Europa zou een project moeten zijn dat het volledige vertrouwen van al zijn leden geniet. In het Europese debat zouden er geen taboeonderwerpen mogen zijn.

Elk land heeft het recht om het Grondwettelijk Verdrag, dat door de Fransen en de Nederlanders is verworpen, opnieuw te analyseren en kanttekeningen te plaatsen bij de aspecten die het als controversieel beschouwt.

Het is echter ontoelaatbaar dat de heer Schulz, voorzitter van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement, elke gelegenheid aangrijpt om zich spottend uit te laten over de lidstaten die een ander standpunt durven in te nemen over de toekomstige institutionele vorm van de Europese Unie dan hijzelf of het niet eens zijn met de politiek correcte oplossing die links hier probeert op te dringen. Het door het Duitse voorzitterschap voorgestelde debat over het Grondwettelijk Verdrag zou zich moeten kenmerken door openheid en compromisbereidheid, zelfs in uiterst moeilijke aangelegenheden als het zoeken naar een nieuwe, rechtvaardigere manier van stemmen in de Raad.

Ik heb eveneens vastgesteld dat in de Verklaring van Berlijn elke verwijzing naar de christelijke oorsprong van de Europese Unie ontbreekt.

Ik zou willen afronden met de woorden van de Belgische politicus Paul-Henri Spaak, in wiens gebouw we vandaag samengekomen zijn, en die in 1957 zei:

(FR) Ik heb ooit in Straatsburg gezegd dat als het huidige tijdsgewricht voorbij is, als wij allemaal al vele jaren zijn heengegaan en als men wil verhalen over het menselijk avontuur dat wij hebben beleefd, zij dan – ongeacht hoe wij er vanuit onze religieuze of filosofische overtuigingen ook over mogen denken – niet anders kunnen zeggen dan: De mensen in die tijd, in die eeuw, hebben samen het immense avontuur van de christelijke beschaving beleefd.

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte fungerend voorzitter van de Raad, geachte voorzitter van de Commissie, geachte bondskanselier, het is mij een grote eer om het woord te mogen voeren onder uw voorzitterschap. Staat u mij toe enkele opmerkingen te maken. Ten eerste, en dat heeft de Verklaring van Berlijn wel duidelijk gemaakt, heeft Europa door middel van integratie een mate van vrede, vrijheid en welvaart weten te bereiken die het in zijn hele geschiedenis niet heeft gekend en die vermoedelijk ook in de geschiedenis van de mensheid uniek is.

Ten tweede is duidelijk geworden dat wij worden geconfronteerd met uitdagingen die de nationale staten op veel terreinen, zoals terrorisme, globalisering, buitenlands en veiligheidsbeleid, niet meer alleen aankunnen. Uit deze opsomming blijkt wel dat de Europese Unie steeds een succes is geweest waar en wanneer wij gebruikmaakten van de Gemeenschapsmethode, met een gemeenschappelijk rechtscorpus werkten en de methode-Monnet toepasten. Dit is naar mijn mening de reden dat het constitutionele proces op deze leest dient te worden geschoeid, want op alle gebieden waarop we intergouvernementeel actief zijn, zijn we zwak.

Als we nu de fase na de Verklaring van Berlijn ingaan en als het constitutionele proces weer wordt opgepakt, betekent dat ook dat het van belang is om vast te houden aan deze beginselen van de Gemeenschapsmethode. Het Grondwettelijk Verdrag bevat al veel dat wij nodig hebben om de uitdagingen aan te gaan die ons wachten.

De Grondwet lost op zichzelf geen problemen op, maar voorziet ons van het kader van legitimiteit en slagvaardigheid dat ons in staat stelt dat te doen. Ik hoop dat het alle 27 lidstaten om deze reden duidelijk is – en hierin word ik gesteund door de Commissie – dat zij zeer goede redenen moeten hebben om een dergelijk proces niet te volgen. Daarom dienen wij te waarborgen dat de Europese Unie als gemeenschap van de 27 deze uitdaging aangaat en niet uiteenvalt in kleine blokken. Want dat gebeurt er als de Unie als geheel niet opgewassen is tegen de uitdagingen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Voordat ik het woord aan voorzitter Barroso geef, wil ik me verontschuldigen voor de afwezigheid in dit Parlement – niet van de afgevaardigden als zodanig, want zij staan hierom bekend – maar, nota bene bij een onderwerp als dit, van velen die hebben deelgenomen aan het debat. Ik ben er echter van overtuigd dat ze uw toespraak zullen lezen en die misschien via het scherm zullen volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel Barroso, voorzitter van de Commissie. (PT) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik meen dat dit een interessant debat is. Ik had een paar antwoorden op specifieke vragen voorbereid, maar aangezien niemand die vragen heeft gesteld kan ik ze voor een andere gelegenheid bewaren.

Ik wil wel graag een algemene opmerking maken over de kwestie waar het nu eigenlijk om gaat – de inhoud en het proces. Beide zijn nodig. We moeten een antwoord formuleren op de belangrijkste problemen die we hier in Europa ervaren en de problemen waarmee de mondialisering ons confronteert. We zullen echter ook over de beste instellingen en procedures moeten beschikken. Ik ben het niet eens met degenen die het debat op ofwel het ene ofwel het andere aspect willen concentreren. Als we de problemen willen oplossen en een antwoord willen formuleren op de belangrijkste uitdagingen, zullen we moeten kunnen beschikken over instellingen die efficiënter en democratischer zijn en een grotere samenhang vertonen.

We zullen ook een oplossing moeten vinden voor de Grondwetskwestie. Of we dat Verdrag nu wel of niet een Grondwet noemen – we zullen dit probleem hoe dan ook moeten oplossen. En dat is, geachte afgevaardigden, mijn oproep aan u, en daarbij richt ik mij ook tot degenen die het constitutionele concept niet zo'n warm hart toedragen als anderen. Ik weet dat u er allemaal op uit bent om een pragmatische oplossing voor de problemen te vinden. Ik ga ervan uit dat u uw bijdrage zult leveren en de regeringen van de EU zult helpen om een oplossing te vinden voor zowel de procedures als de instellingen. Als we resultaten willen bereiken zullen wie die instellingen nodig hebben.

De vraag is hoe we het maatschappelijk middenveld en de burgers in het debat over de institutionele problematiek kunnen betrekken. Ik kan u vertellen dat de Commissie op dit gebied actief is geweest. Nog vóór de goedkeuring van de Verklaring van Berlijn heb gesprekken gevoerd met de vice-voorzitter van de Commissie, mevrouw Wallström, de parlementaire leiders en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Ik ben heel blij met het voorstel dat kanselier Merkel dit Parlement vandaag heeft gedaan om in mei een consultatie van het maatschappelijk middenveld te organiseren. Als het Parlement dit voorstel wil uitvoeren zal de Commissie haar steun verlenen.

We zijn dus gereed en bereid om samen met het Parlement een discussie over deze zaken op gang te brengen. We moeten er daarbij ook voor zorgen dat er ruimte is voor onderhandelingen tussen de regeringen. Daarom steun ik het voorstel van mevrouw Merkel.

(FR) Ter afsluiting ga ik door in het Frans om te reageren op de zeer belangrijke opmerking van de heer Poignant. Ik wil hem bedanken dat hij met humor een zeer belangrijk punt aan de orde heeft gesteld en dat hij heeft laten zien dat we verschillende standpunten kunnen innemen op politiek en ideologisch gebied terwijl we dezelfde Europese geest delen. Dat is een les voor ons allen. Ik denk dat hij hiermee de spijker op zijn kop slaat omdat ons Europese project in hoge mate uitstijgt boven onze politieke en ideologische meningsverschillen. Onze politieke voorkeur kan naar links gaan of meer naar rechts of het centrum, maar wij hebben wel een gemeenschappelijke Europese geest nodig. Dat is een les voor ons allen, en ik wil u, mijnheer Poignant, hiervoor bedanken, zoals ik allen wil bedanken die als leden van verschillende politieke partijen deze geest delen – met nuances natuurlijk –, omdat wij enkel en alleen met die geest, die ik in Berlijn heb waargenomen, kunnen voldoen aan de grote verwachtingen die Europa van ons heeft.

Wat de solidariteit betreft, zou ik met name tegen sommige leden van fracties van uw Parlement die ietwat sceptisch staan tegenover integratie, willen zeggen dat we niet mogen vergeten dat solidariteit twee kanten op werkt. Vergeet niet dat uw eigen land waarschijnlijk op een dag de solidariteit nodig zal hebben van anderen, in de praktische zin van het woord. Wij moeten derhalve allen blijk geven van een geest van solidariteit en begrijpen dat wij uitsluitend in die geest een institutionele regeling kunnen bereiken en met name het hoofd kunnen bieden aan de grote uitdagingen waarmee Europa wordt geconfronteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u, commissaris.

Het debat is gesloten.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. (FR) In mijn hoedanigheid van Frans vertegenwoordiger van de burgers van de EU in het Europees Parlement wil ik om te beginnen mijn grote dankbaarheid en bewondering tot uitdrukking brengen voor de president van de Franse Republiek, mijn vriend Jacques Chirac, die op 25 maart 2007 in Berlijn heeft deelgenomen aan zijn laatste Europese top als staatshoofd en die steeds scherpzinnig, deskundig en vanuit humanistisch oogpunt heeft gehandeld ten behoeve van een sterk en onafhankelijk Frankrijk in een sterk en verenigd Europa.

Hoewel ik teleurgesteld ben dat leden van het Europees Parlement, die de burgers en volkeren van Europa vertegenwoordigen, niet betrokken waren bij de Verklaring van Berlijn, juich ik het toe dat hierin het streven om vooruitgang te boeken met de Europese integratie wordt bevestigd, onze waarden worden geproclameerd en de Europese verkiezingen van 2009 als politieke deadline gelden voor de regeling van de institutionele kwesties. Ik wil mevrouw Merkel, de huidige voorzitter van de Europese Unie en bondskanselier van Duitsland, mijn vriend de heer Pöttering, de Voorzitter van het Europees Parlement, en de heer José Manuel Barroso, voorzitter van de Commissie, gelukwensen met het werk dat zij hebben verzet.

 

13. Verdere convergentie van de toezichtpraktijken op EU-niveau (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- mondelinge vraag (O-0125/2006 - B6-0010/2007) van Pervenche Berès, namens de Commissie economische en monetaire zaken, aan de Raad over verdere convergentie van toezichtspraktijken op EU-niveau, en

- mondelinge vraag (O-0126/2006 B6-0449/2006) van Pervenche Berès, namens de Commissie economische en monetaire zaken, aan de Commissie over verdere convergentie van toezichtspraktijken op EU-niveau.

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès (PSE), auteur. (FR) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, de Commissie economische en monetaire zaken vond het noodzakelijk een debat over het toezicht te houden tussen de Europese instellingen, en wij wilden dit kunnen doen in aanwezigheid van de Raad en de Commissie. Als leden van de Commissie economische en monetaire zaken zijn wij ingenomen met de hervatting van de gesprekken en de werkzaamheden, zowel binnen de Raad als de Commissie, ten aanzien van het crisisbeheer op de financiële markten. Efficiënter en beter toezicht alsmede efficiëntere en betere samenwerking tussen de toezichthouders is absoluut noodzakelijk. Wanneer wij echter uiteindelijk willen slagen, is het openen van een interinstitutioneel debat over dit onderwerp volgens ons zonder twijfel de beste manier om vooruitgang te boeken in dit stadium van ontwikkeling en drastische verandering van de financiële markten.

De Commissie economische en monetaire zaken heeft veel aandacht besteed aan de analyse van het Europees financieel bestel en van de gevolgen van de consolidatie van de financiële diensten, met name in het verslag van de heer Muscat. Hierin spreken wij ons uit voor de instelling van een comité van wijzen dat zich niet alleen moet beraden over de gevolgen van de consolidatie van markten en financiële instellingen en over financieel toezicht, financiële stabiliteit en crisisbeheer, maar ook concrete ideeën moet formuleren met betrekking tot de bestaande structuren en deze moet opnemen in een verslag aan dit Parlement.

Het interinstitutionele debat van vandaag heeft als doel een duidelijk signaal af te geven dat het grote debat over de toekomst van de Europese toezichtsystemen geopend – of heropend – moet worden. Dit is essentieel, niet alleen voor het concurrentievermogen van de financiële markt zelf maar ook voor de stabiliteit van het financieel bestel van de Europese Unie.

Ik wil nu enkele opmerkingen maken. Ten eerste wil ik zeggen dat het financieel bestel in Europa en in de wereld drastisch is veranderd. Wij zijn dagelijks getuige van de voortdurende veranderingen op de markten en van de innovatieve ontwikkelingen op die markten, die onder andere leiden tot meer macht voor hedgefondsen en private equity-fondsen. Door de permanente consolidatie van de financiële markten hebben zich zeer belangrijke actoren gevestigd, die handelen op volledig transnationale basis. Het aantal fusies en overnames in het kader van het streven naar concurrentievermogen en efficiëntie is toegenomen, op nationaal en Europees niveau en wereldwijd. Zij zijn hun eigen impuls gaan genereren, en hierdoor zijn de structuur van de markten en de wijze waarop de actoren hierop opereren, radicaal gewijzigd. Die verandering leidt tot nieuwe uitdagingen, waarbij nieuwe zaken op het spel staan.

Ten tweede wil ik opmerken dat de consolidatie van de structuren voor financieel toezicht gepaard moet gaan met de consolidatie van de markten zelf, omdat wij soms de indruk krijgen dat er sprake is van een verschil in tempo. In dit verband kunnen we ons afvragen of het bestaande stelsel voor toezicht in de Europese Unie – waarbij toezichthouders verantwoordelijk zijn voor specifieke en zeer verschillende structuren, beschikken over zeer uiteenlopende competenties, bevoegdheden en verantwoordelijkheden en handelen op basis van een nationaal mandaat – kan zorgen voor een adequaat toezicht op belangrijke grensoverschrijdende financiële groepen. We kunnen ons afvragen of het stelsel duurzaam is en of het de financiële stabiliteit van het Europees bestel zelf niet in gevaar brengt.

Ten derde wil ik de nadruk leggen op het eigen karakter van het financieel bestel van de Europese Unie, dat zich onderscheidt door verscheidenheid en door rijkdom aan marktdeelnemers, of het nu gaat om lokale actoren – zoals lokale banken – of actoren die grensoverschrijdend, aan beide zijden van de Atlantische Oceaan en wereldwijd actief zijn. Dit vereist een sterk, efficiënt en aangepast toezichtsysteem om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de regionale integratie, de globalisering, de innovatie en de centralisatie van het beheer, terwijl het toezicht kwalitatief goed moet zijn en het systeem gezond en stabiel dient te zijn.

Ten vierde wil ik erop wijzen dat de verbetering van de toezichtsystemen in het belang is van alle actoren – in de eerste plaats natuurlijk in het belang van het systeem zelf, maar in de tweede plaats ook in het belang van de marktdeelnemers, die ons vragen deze systemen te verbeteren om hun activiteiten op alle markten te vergemakkelijken. Naar mijn overtuiging zal de eindgebruiker eveneens belang hebben bij een verbeterd systeem.

Ten vijfde en tot slot heeft de Europese uitmuntendheid op het gebied van de regulering een trans-Atlantische dimensie, en met het oog hierop vind ik dat de tijd gekomen is om vooruitgang te boeken.

Samenvattend wil ik gezien deze opmerkingen nog zeggen dat wij als Europese wetgever voor een grote uitdaging staan: zorgen voor sterke en efficiënte structuren voor bedrijfseconomisch toezicht in Europa, zodat wij adequaat toezicht kunnen houden op alle financiële actoren, of het nu gaat om belangrijke grensoverschrijdende financiële groepen of lokale banken, en tevens van het toezicht een aspect kunnen maken dat een bijdrage levert aan het concurrentievermogen van het Europees model op het wereldtoneel.

De vraag rijst nu hoe we dit moeten doen. Moeten we een comité van wijzen instellen, of moet de overweging zijn dat wij op een interinstitutionele basis misschien wel beter in staat zijn het collectieve Europese intellect aan het werk te zetten? Het Parlement wil in ieder geval vandaag dit signaal afgeven in dit debat, en ik wil de Raad en de Commissie hartelijk danken dat zij toestemming hebben gegeven dit debat in het Parlement te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, geachte dames en heren, mevrouw Berès heeft zojuist in haar toespraak een aantal belangwekkende vraagstukken aangesneden, waaronder dat van de financiële dienstverlening. Ik kan haar verzekeren dat de Raad dit onderwerp van cruciaal belang acht.

Ik wil graag nogmaals onderstrepen dat het Europese financiële bestel ook wordt beschouwd als een belangrijke bijdrage aan de strategie van Lissabon en een spilfunctie vervult in de versterking van het kader van de financiële stabiliteit in de EU. Wat echter even belangrijk is, is de versterking van de doeltreffendheid van het financieel toezicht zonder de financiële sector op te zadelen met buitensporige lasten die uit dit toezicht voortvloeien. Ook mag de concurrentie hierdoor niet worden belemmerd. Staat u mij toe om drie essentiële punten uit de genoemde conclusies van de Raad te lichten.

Ten eerste: de Raad heeft het belang van eerlijke en niet-discriminatoire nationale toezichtpraktijken onderstreept teneinde gelijke uitgangsposities te creëren in de Europese Unie. De Raad heeft tevens het belang benadrukt van een goed evenwicht tussen de verplichtingen van het oorsprongsland en het ontvangende land. En hij heeft nogmaals het belang onderstreept van een geschikt en onafhankelijk financieel toezicht ter waarborging van de financiële stabiliteit.

Ten tweede: de Raad heeft de drie niveau-3-comités verzocht om bij hun inspanningen voor de verdere convergentie van toezichtpraktijken evenzeer rekening te houden met de belemmeringen die tijdens hun werkzaamheden en in hun verslagen naar voren komen als met het verslag van het Comité financiële diensten (CFD) over de convergentie op het terrein van toezicht. Hierbij is het vooral van belang dat zij met gemeenschappelijke formats werken voor meldingen door financiële instellingen aan de toezichtautoriteiten teneinde meervoudige kosten te voorkomen.

Ten derde: de Raad heeft het voornemen van de Commissie gesteund om haar bevoegdheden eveneens aan te wenden ter waarborging van de naleving van de regelgeving inzake mededinging en staatssteun. De Raad ziet ondersteuning van het werk van de niveau-3-comités als een prioriteit, waarvoor zij geschikte toezichtinstrumenten nodig hebben. De conclusies van de Raad van mei 2006 bevatten ook een uitgebreid actieplan voor de korte en middellange termijn voor dit terrein, gebaseerd op een verslag van het CFD. Een mijlpaal vormen de grondig herziene toezichtregels voor banken, verzekeringsmaatschappijen en effectenfirma’s. Deze leveren een nieuwe basis voor de samenwerking tussen toezichthouders, wat de financiële stabiliteit en het concurrentievermogen van onze financiële sector ten goede komt.

In het verslag van het CFD worden drie uitdagingen genoemd die tot verdere actie lijken te nopen. Ik geloof dat deze uitdagingen met name van belang zijn voor de naaste toekomst. Ten eerste moet de convergentie en samenwerking op het gebied van toezicht verder worden versterkt. Ten tweede moet de doelmatigheid van het toezichtsysteem worden vergroot en ten derde dient het internationale toezicht te worden verbeterd met het oog op het groeiende aantal grensoverschrijdende financiële groepen.

In het licht van deze uitdagingen omvatte het actieplan dat mei vorig jaar door de Raad is goedgekeurd een combinatie van verschillende instrumenten. Deze zijn gericht op het bevorderen van het ontstaan van een Europese toezichtcultuur, van een bemiddelings- en delegeringsprocedure, van regelingen voor de elektronische gegevensuitwisseling en van gemeenschappelijke formats voor meldingen door financiële instellingen. Ik stel vast dat op het niveau van het Europees Parlement eveneens met nadruk is gewezen op het laatstgenoemde aspect, en wel in het verslag-Muscat. Ik juich toe dat ook op dit vlak onze meningen overeenstemmen.

Het Comité financiële diensten is verzocht om met name de vorderingen te controleren die de drie niveau-3-comités maken bij de tenuitvoerlegging van de verschillende instrumenten.

Voorts heeft het CFD opdracht gekregen de convergentie van toezichtbevoegdheden op een geschikt niveau te controleren. Ik weet dat de Commissie ook veel aandacht besteedt aan deze aspecten en ik heb er alle vertrouwen in dat ook het Europees Parlement dit proces zal bevorderen in het kader van zijn dialoog met de niveau-3-comités. Verdere inzichten zullen naar verwachting voortvloeien uit het werk van de Interinstitutionele Controlegroep.

Nu kom ik bij de kwestie van de vooruitzichten voor de lange termijn en de benadering van regelgevingsvraagstukken. Naast de reeds genoemde bestaande uitdagingen moet het CFD bij het vaststellen van strategische prioriteiten voor de lange termijn ook rekening houden met kwesties die voortvloeien uit marktontwikkelingen. Met het oog hierop heeft het CFD onlangs een nieuwe subgroep gevormd, die in het najaar van 2007 een verslag zal presenteren over toezichtvraagstukken voor de lange termijn. Bij deze nieuwe taak wordt uitgegaan van de volgende bottom-up-benadering: verdere fundamentele wijzigingen van de toezichttaken zullen slechts worden doorgevoerd indien zich aantoonbaar problemen hebben voorgedaan.

Voorts wil ik benadrukken dat het algemene vraagstuk van de toezichtconvergentie dient te worden bezien in de context van de consolidatie van markten en financiële instellingen. Daarom doet het mij bijzonder veel plezier dat het Parlement en de Raad het al in maart in eerste instantie eens hebben weten te worden over de tekst van de richtlijn inzake de beoordeling door de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten van verwervingen in de financiële sector. Hieruit blijkt duidelijk onze gemeenschappelijke vastbeslotenheid om het EU-kader voor het praktische werk van onze toezichtautoriteiten te verbeteren.

Tot slot wil ik benadrukken dat wij rekening dienen te houden met alle uitdagingen waarmee de organen van de EU op de genoemde terreinen worden geconfronteerd. Hiertoe behoren versterking van de financiële stabiliteit door toezichtregelingen en -procedures, alsmede het bevorderen van het Europese concurrentievermogen. Beide terreinen profiteren van de facilitering van de consolidatie van onze financiële sector. Deze dient plaats te vinden in het kader van een proces dat ook bevorderlijk is voor de bescherming van de consumentenbelangen. Op alle genoemde aspecten werkt de Raad samen met de Commissie, en wij juichen ook de sterke belangstelling van de kant van het Europees Parlement toe, iets wat zich ook in dit debat manifesteert. Ik wil het Parlement hartelijk danken voor zijn toezegging verdere vooruitgang te stimuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, de Europese financiële sector is de laatste jaren ingrijpend veranderd. De kapitaalmarkten zijn gegroeid en raken steeds meer geïntegreerd. Er zijn nieuwe beleggingstechnieken ontstaan. De consolidering van de banksector is in een versnelling geraakt. Pan-Europese conglomeraten spelen thans op alle nationale markten een belangrijke rol.

Deze veranderingen hebben een positief effect op de efficiëntie van onze financiële sector en moeten worden toegejuicht, maar ze stellen beleidsmakers ook voor nieuwe uitdagingen. We moeten ervoor zorgen dat onze regelingen voor financieel toezicht worden aangepast aan de behoeften van een meer geïntegreerde Europese financiële sector. Dat is van wezenlijk belang voor de financiële stabiliteit en voor het concurrentievermogen van onze financiële sector.

Meer samenwerking en convergentie tussen Europese toezichthouders is in dit verband uiterst belangrijk. Dit is al sinds mijn toetreding tot de Commissie een van mijn prioriteiten en dat zal het blijven tot mijn mandaat afloopt.

Laat me u kort herinneren aan wat de Commissie reeds heeft gedaan om een effectiever en efficiënter systeem van toezicht in Europa te stimuleren.

Via het Lamfalussy-proces heeft de Commissie Europese commissies van toezichthouders gevormd op het gebied van effecten en het bank- en verzekeringswezen. Dit heeft reeds geleid tot meer samenwerking op het gebied van toezicht en meer convergentie van toezichtspraktijken. Ik verwacht dat deze commissies hun inspanningen op dit gebied zullen voortzetten en versnellen. Dit is van cruciaal belang als we een goede coördinatie in crisissituaties mogelijk willen maken.

De Commissie heeft aangedrongen op meer gestroomlijnd toezicht op grote financiële instellingen, met name door het begrip toezichthouder op geconsolideerde basis in de kapitaalrichtlijnen op te nemen. In geval van een crisis moet de toezichthouder op geconsolideerde basis zorgen voor een goede uitwisseling van informatie tussen toezichthouders, centrale banken en ministeries van financiën. Hij speelt hierbij een sleutelrol en daarom ben ik van plan om in het kader van het project Solventie II verdere en ambitieuzere stappen voor te stellen gericht op toezicht op geconsolideerde basis op het gebied van verzekeringen.

Bij beleggingsdiensten hanteren we het beginsel van meer centrale controle, met enkele beperkte uitzonderingen voor bepaalde bedrijfstakken.

Om specifieker te kunnen inspelen op kwesties met betrekking tot financiële stabiliteit buigen mijn afdelingen zich momenteel over vijf onderling gerelateerde gebieden waarover helderheid moet bestaan als we beter op financiële crises willen kunnen reageren. Dat zijn liquiditeitsregelingen, crisisbeheer, kwesties ten aanzien van geldverstrekkers in laatste instantie, waarborgregelingen en de liquidatie van financiële instellingen. Op 26 juni wordt er een Commissieconferentie over deze zaken gehouden, waaraan mevrouw Berès, als voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken, ook zal deelnemen.

De inspanningen van de Commissie moeten worden bezien in samenhang met het werk dat in de Raad Ecofin is verricht. In 2006 heeft er een oefening plaatsgevonden waarin crisisbeheer werd gesimuleerd. De Raad gaat in 2007 vervolg aan deze oefening geven door zich te buigen over de vraag hoe grensoverschrijdende crisissituaties beter kunnen worden aangepakt en hoe er meer helderheid kan worden verschaft over lastendeling. Daarnaast heeft het Comité financiële diensten de aanzet gegeven tot maatregelen ter verbetering van de efficiëntie van het toezicht.

De Interinstitutionele Controlegroep over het Lamfalussy-proces rondt in 2007 ook haar eindverslag af. Ik hoop dat het bruikbare aanbevelingen zal bevatten over de wijze waarop de comités van toezichthouders hun werk kunnen verbeteren en hun samenwerking kunnen verdiepen, waardoor ze in de toekomst nog beter in staat zullen zijn om eventuele kwesties inzake financiële stabiliteit aan te pakken.

Tegen het eind van dit jaar komt de Commissie ook met haar eigen beoordeling van de werking van het Lamfalussy-proces. Het functioneren van de comités van toezichthouders zal duidelijk een wezenlijk onderdeel uitmaken van deze algehele beoordeling. Ik ben benieuwd naar de standpunten van het Parlement.

Ik ben ervan overtuigd dat we dit debat door middel van nauwe samenwerking tussen het Parlement, de Raad en de Commissie verder kunnen helpen. Er moeten conclusies worden getrokken uit de diverse lopende activiteiten. Ik sta open voor suggesties over de juiste aanpak. Maar ik denk dat het nog te vroeg is om een comité van wijzen in te stellen. Voordat we de volgende stap overwegen wacht ik liever tot de verschillende initiatieven later dit jaar zijn afgerond.

Ter afsluiting nog dit: de financiële markten van de EU zijn sterk. We hebben geen ondeugdelijk stelsel van toezicht dat moet worden gerepareerd. Er is de laatste paar jaar veel vooruitgang geboekt als het gaat om het moderniseren van de toezichtspraktijken van de EU, maar er zijn meer verbeteringen nodig. Dat is het gevolg van de integratie. Daar zijn we het allemaal over eens. We moeten ons blijven inspannen om van de Lamfalussy-structuur het regelgevingsinstrument te maken dat leidt tot het effectieve, efficiënte en geconvergeerde toezicht dat nodig is voor een interne markt voor financiële diensten. Er wordt reeds onderzocht hoe de Lamfalussy-structuur en onze regelingen voor financiële stabiliteit verder verbeterd kunnen worden zodat we kunnen voldoen aan de eisen die voortkomen uit de verdere Europese integratie.

Ik zal te zijner tijd graag met het Parlement bespreken welke initiatieven precies nodig zijn op de vastgestelde problemen het hoofd te kunnen bieden, zodat onze Europese financiële sector is toegerust met het best mogelijke stelsel van toezicht. Dit is van groot belang, omdat eersteklas toezicht- en regelgevingsstructuren in de wereldwijde economie op de lange termijn cruciaal zijn voor de spelers op de Europese kapitaalmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Karsten Friedrich Hoppenstedt, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, het is een goede zaak dat de vraag van mevrouw Berès namens de Commissie economische en monetaire zaken hier vandaag wordt besproken en beantwoord. Dit sluit naadloos aan op het verslag-Muscat en ook op het debat van gisteren in de commissie, waaraan de commissaris ook heeft deelgenomen.

De oefening waarin crisisbeheer is gesimuleerd ter toetsing van de financiële stabiliteit in de EU, waarover afgelopen september tijdens de Raad Ecofin in Helsinki verslag werd uitgebracht, heeft inderdaad tekortkomingen aan het licht gebracht. Dit scenario – dat wil zeggen, nieuwe financiële instrumenten die voortdurend in ontwikkeling zijn, zoals hedge funds en derivaten – laat zien dat er een verder debat nodig is waarin voldoende rekening wordt gehouden met de bescherming van de consument. Daarom hebben wij in de Europese Unie een stelsel nodig van functionerende, in elkaar grijpende toezichtregels en -praktijken.

Consumentenbescherming, een doelmatige financiële sector en stabiele financiële markten vormen het hoogste doel van het financiële toezicht, dat de sector eveneens moet helpen om zijn potentieel en creativiteit volledig te benutten. Daarom moeten de bestaande risico’s de leidraad zijn voor goed toezicht, waarbij een principiële benadering moet worden gevolgd zonder dat men zich verliest in gedetailleerde individuele analyses. Het toezicht mag geen extra belasting voor de ondernemingen inhouden, de regels dienen te worden opgesteld in nauw contact met de financiële sector en grensoverschrijdende financiële markten dienen in gelijke mate op pan-Europees en op mondiaal niveau te worden behandeld.

Het toezicht dient te worden beperkt tot hetgeen werkelijk noodzakelijk en zinvol is. Bestaande maatregelen dienen voorzichtiger te worden toegepast, op een marktvriendelijker wijze, waarbij onnodige belasting wordt vermeden. Op dit moment ben ik fel gekant tegen een centrale Europese toezichtautoriteit die parallel aan de nationale toezichtorganen opereert. Dit druist in tegen het subsidiariteitsbeginsel en ontbeert iedere democratische legitimiteit. Een dergelijk orgaan zou niet alleen bij velen op onbegrip stuiten, temeer daar het tot extra niet-transparante bureaucratie leidt, maar het zou ook een ernstig verlies aan soevereiniteit van de lidstaten met zich meebrengen omdat in geval van crises aan de nationale begrotingen wordt voorbijgegaan.

Laten we eerst eens afwachten hoe de toezichtorganen van de zojuist gevormde 27 zich naar elkaar voegen en hun werk doen. Wij hebben geen uniforme, gecentraliseerde toezichtstructuur nodig, maar wel een gemeenschappelijke toezichtcultuur die wordt gekenmerkt door dezelfde waarden en doelstellingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Muscat, namens de PSE-Fractie. (MT) Er wordt voortdurend verwezen naar een verslag van mijn hand waarin dit onderwerp tot in detail wordt behandeld en dat is aangenomen door dit Parlement.

Dit verslag, dat nu het standpunt van het Parlement is geworden, bevat een analyse van een situatie die steeds nijpender wordt. Een van de belangrijkste punten is het feit dat de wijze en mate van toezicht per land verschillen. Vanuit Europees perspectief betekent dit een lagere marktefficiëntie, evenals hogere operationele kosten voor instellingen die in verschillende landen actief zijn. In het verslag wordt in twijfel getrokken of met het huidige systeem effectief toezicht kan worden gehouden op grote groepen die in verschillende landen en sectoren werkzaam zijn. We hebben zelfs gevraagd om een meer gedetailleerd onderzoek naar het Europese sociale model met betrekking tot de structuur van het toezicht op prudentiële stabiliteit en crisisbeheer. We waren het eens over de noodzaak van een effectief crisisbeheersingssysteem op Europees niveau. De huidige marktontwikkelingen hebben tot gevolg dat een crisis die slechts in één land begint, zich snel kan uitbreiden naar andere landen.

De reactie op een dergelijke crisis wordt steeds complexer, vanwege het grote aantal instellingen dat erbij is betrokken en het gebrek aan duidelijkheid over hun rol. Het zijn uiteindelijk de Europese consumenten en beleggers die het meest te lijden hebben van het gebrek aan actie in deze sector. In deze context was het Parlement het eens over de noodzaak om een comité van wijzen in te stellen om deze gevolgen te onderzoeken en met aanbevelingen te komen.

Ik ben me er terdege van bewust dat er verschillende opvattingen bestaan over dit initiatief en over de vorm die het moet aannemen. Ik denk echter dat de tijd is gekomen om een diepgaand debat over dit onderwerp te voeren, waaraan alle instellingen moeten deelnemen. Wat we echter moeten voorkomen, is dat iedereen de ander buitenspel wil zetten op het moment dat er besluiten moeten worden genomen over de vorm die het toezicht op de Europese financiële markten moet gaan aannemen. Ik denk dat we goed moeten beseffen hoe dringend noodzakelijk het is om een debat over dit punt te voeren en ik wil benadrukken dat we geen tijd te verliezen hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Margarita Starkevičiūtė, namens de ALDE-Fractie. – (LT) In de meeste landen bestaat er vast een gezegde dat erop neerkomt dat in de zomer de voorbereidingen voor de winter dienen te worden getroffen. Aan deze gemeenplaats willen we de Europese Commissie en de Raad in dit verband graag herinneren. Tot op heden is ons namelijk steeds verteld dat er werkgroepen zouden worden gevormd en dat over deze kwestie zou worden gedebatteerd. Consolidatie heeft zonder twijfel positieve kanten, maar hiermee dringt ook een groter stelselmatig risico door tot de markt. Financiële groepen zijn actief in alle landen van de Europese Unie en die zijn in het algemeen behoorlijk afhankelijk van hun activiteit en invloed. Als wij spreken over de hervorming van toezichtprocessen dienen we ons eerst een vraag te stellen die ik doorgaans stel aan de hoofden van de Europese toezichtorganen: als in een bepaald land een dochteronderneming van een dergelijke groep actief is, maar die onderneming slecht presteert en de economie van dat land eronder gaat lijden, wie draait er dan op voor de kosten? Wie is verantwoordelijk? De wetgeving van welk land is dan van toepassing? En nog een vraag: als er in de dochteronderneming van dergelijke financiële groep een crisissituatie ontstaat, op welk niveau vindt dan het crisisbeheer plaats? Op nationaal niveau of op het niveau van de financiële groep? Helaas hebben wij nog geen antwoord gekregen op deze eenvoudige vragen. Ik ben redelijk tevreden over de informatie die vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie ons hebben verstrekt over hetgeen er wordt gedaan. Niettemin wil ik onderstrepen dat wij, aangezien er nieuwe risicovolle producten op de markt worden gebracht, vaart moeten zetten achter alle toezichtprocessen en de koppen bij elkaar dienen te steken om fundamentele kwesties op te lossen, waarbij we ons niet mogen verliezen in details. Het is lief en aardig om te praten over verschillende soorten coördinatie en dergelijke, totdat er een echte crisis ontstaat. Bij onze besluiten over de hervorming van toezichtprocessen dient centraal te staat wat we zouden doen in een crisissituatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi (PPE-DE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik dank de voorzitter van onze commissie, mevrouw Berès, voor haar bijdrage die op het juiste moment komt. We zijn deze week in de commissie begonnen met de behandeling van het verslag-Van den Burg, en een van de kernpunten in de agenda van na het Actieplan financiële diensten is hoe we een goed stelsel van toezicht voor Europa kunnen ontwikkelen. Het is heel belangrijk voor ons om in deze gemeenschappelijke agenda te vernemen hoe de Raad en de Commissie over de toekomst denken.

Het Actieplan financiële diensten is nu min of meer compleet, dus kunnen we ons nu richten op de tenuitvoerlegging en de convergentie van het toezicht. Hoewel nationale regelgevers reeds heel goede praktijken hebben kunnen ontwikkelen, zijn wij van mening dat er meer moet gebeuren en dat we verder moeten kijken dan de Lamfalussy-comités. Het is bijvoorbeeld heel positief dat we nu colleges van toezichthouders hebben die zich buigen over grote, onder meerdere rechtsgebieden vallende, pan-Europese zaken, maar soms ontbreekt het deze colleges aan voldoende bevoegdheden. Ze beschikken niet over voldoende middelen en aangezien ze bijvoorbeeld onvoldoende meerderheidsbesluiten nemen, zou het heel goed zijn om meer gekwalificeerde meerderheidsstemmingen in niveau-3-comités en in de colleges van toezichthouders te overwegen.

Ik wijs er ook op dat we in het ontwerpverslag van mevrouw Van den Burg een nieuw idee naar voren hebben gebracht, namelijk dat er voor de voornaamste pan-Europese spelers een goed toegeruste Europese toezichthoudende autoriteit moeten komen binnen het systeem. We willen een Europese toezichthoudende autoriteit instellen, maar deze mag niet buiten de huidige verantwoordelijkheidssfeer van de Commissie vallen. Deze moet binnen het systeem vallen. Ik denk dat de Commissie dit idee ook in overweging zou kunnen nemen.

Tot slot is het ook belangrijk om op mondiaal niveau samenwerkingsvormen te ontwikkelen. We weten dat de financiële risico’s en de bedrijfseconomische uitdagingen niet alleen Europees zijn, maar ook gelden voor de grote spelers in Amerika, enzovoorts, dus het is uitstekend dat de Commissie deze dialoog over financiële diensten met de trans-Atlantische partners serieus heeft genomen, zij het dat verdere ontwikkeling nodig blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank alle Parlementsleden voor hun zeer waardevolle bijdragen.

Zoals ik al eerder zei: financieel toezicht is van cruciaal belang. Een stabiel financieel klimaat is een eerste vereiste voor de economische groei die de EU nodig heeft, en voor de bescherming van consumenten. Het is dus belangrijk dat financiële crises worden voorkomen. Het toezicht moet zo efficiënt en effectief mogelijk te zijn. We moeten ervoor zorgen dat de praktijken van nationale toezichthoudende autoriteiten worden geconvergeerd zodat de lasten voor grensoverschrijdend opererende bedrijven tot een minimum beperkt blijven. Er moet een gemeenschappelijke cultuur op het gebied van toezicht komen: meer toezichthouders die op dezelfde manier te werk gaan.

Dit zijn belangrijke kwesties en ik zal hier graag samen met u aan werken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

 

14. De toekomst van Kosovo en de rol van de EU (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0067/2007) van Joost Lagendijk, namens de Commissie buitenlandse zaken, over de toekomst van Kosovo en de rol van de EU (2006/2267(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Joost Lagendijk (Verts/ALE), rapporteur. Voorzitter, collega's, terugkijkend op de opstelling van het Europees Parlement over Kosovo sinds 1999, is er volgens mij slechts één conclusie mogelijk. Het verslag dat er nu ligt, is de logische uitkomst van een lang proces van afwegingen in het Parlement, waarbij het Europees Parlement – wij dus – de afgelopen jaren eigenlijk tot twee conclusies is gekomen.

Ten eerste dat het handhaven van de huidige status-quo in Kosovo geen optie is. Dat is onwenselijk, uiterst onwenselijk. De tweede conclusie is dat een bepaalde vorm van onafhankelijkheid – hoe precies gedefinieerd is open voor debat – voor Kosovo onontkoombaar is, of wij dat nu leuk vinden of niet.

Ik heb in mijn verslag geprobeerd op een rijtje te zetten wat die algemene stellingname, die algemene conclusie, nu in de praktijk precies betekent. Met andere woorden, wat vinden wij, wat vindt het Europees Parlement dat de meest wenselijke uitkomst zou moeten zijn van de beraadslagingen in de Veiligheidsraad over de status van Kosovo?

Een paar hoofdpunten. Kosovo moet toegang krijgen tot instellingen als de Wereldbank en het IMF om op die manier eindelijk de economische problemen aan te kunnen pakken, om de economie van Kosovo uit het slop te kunnen halen.

Ten tweede moet het multi-etnische karakter van Kosovo behouden blijven. Dat kan voorlopig het best door de aanwezigheid van een internationale aanwezigheid, zowel militair als civiel. Lees: de Europese Unie. Dat leidt tot de conclusie dat voor de Europese Unie een sleutelrol is weggelegd na het vaststellen van die status. Het is de Europese Unie – wij dus – die erop toe zal moeten zien dat de Kosovaarse autoriteiten hun land verder voeren op weg naar een democratische multi-etnische staat die uiteindelijk lid kan worden van de Europese Unie. Het Europees Parlement is bereid voor die rol, voor die taak het noodzakelijke budget beschikbaar te stellen als we op tijd en voldoende geïnformeerd worden.

Tenslotte is Kosovo een uniek geval vanwege de NAVO-interventie in 1990, maar met name vanwege het feit dat sinds bijna acht jaar dat deel van Servië onder bestuur staat van de VN. Dat betekent ook dat oplossingen voor de huidige situatie, waar nu naar gezocht wordt, uniek zijn en niet gebruikt kunnen worden ter oplossing van conflicten op andere plekken ter wereld.

Tot zover is waarschijnlijk het overgrote deel van het Huis het met mij eens. Wat nu de afgelopen week gebeurd is, is dat de discussie over dit verslag zich niet toespitst op de inhoud die ik zojuist geschetst heb, maar op de vraag welk etiket, welk label op die gewenste situatie geplakt moet worden. Met andere woorden, welk woord willen wij gebruiken om die gewenste situatie na onafhankelijkheid te beschrijven. Is dat onafhankelijkheid onder toezicht, is het soevereiniteit onder toezicht of moeten we er misschien überhaupt van afzien om een helder etiket, een helder label op die situatie te plakken?

Tegen degenen die nu op dit moment geen uitspraak daarover willen doen, die geen uitspraak willen doen over hoe die situatie te omschrijven moet zijn, zou ik het volgende willen zeggen. Het is volgens mij van heel groot belang dat de Europese Unie met één stem spreekt, gesloten optrekt! Hier in Brussel, maar ook in de Veiligheidsraad in New York en ook, ja collega's, ook in het Europees Parlement. Als we het eens zijn over het einddoel, waarom zeggen we dat dan niet. Dat zal een positieve invloed hebben op de moeilijke beraadslagingen in Brussel en New York en het maakt het moeilijker voor Rusland – de grote tegenstander van uiteindelijke onafhankelijkheid – om de Europese Unie uit elkaar te spelen.

Een ander argument tegen het nu geven van helderheid is de vraag waarom wij als Europees Parlement nu voorop moeten lopen? Waarom moeten wij nu als eerste Europese instelling zo duidelijk zijn over de eindfase? Daar wil ik het volgende tegen inbrengen. Sinds afgelopen maandag loopt iemand anders voorop. Dat is Martti Ahtisaari, de speciaal afgezant van de secretaris-generaal, die in zijn aanbeveling aan de Veiligheidsraad het volgende zei: "De status van Kosovo zou moeten zijn: onafhankelijkheid onder toezicht van de internationale gemeenschap".

Die conclusie wordt volledig onderschreven door Ban Ki-moon, secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Met andere woorden, anderen lopen voorop, en ik denk dat het het Europees Parlement zou sieren als ook wij helderheid geven over wat wij willen. Dat wil zeggen de aanbeveling van Ahtisaari ondersteunen door duidelijk op te nemen dat wat ons betreft de beste uitkomst van het proces soevereiniteit onder toezicht is.

Collega's, wij zijn parlementariërs, wij zijn politici, wij zijn geen diplomaten. Ik ben heel blij als ik morgen voor mijn verslag van u in deze plenaire steun krijg. Ik ben pas tevreden als ook het Parlement zich helder uitspreekt over wat volgens ons het einddoel zou moeten zijn. Dat is wat mij betreft soevereiniteit onder toezicht van de EU. Dat is een helderheid waar de Kosovaren recht op hebben, waar de Serviërs recht op hebben en waar ook de Europese burgers recht op hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, mijnheer Lagendijk, dames en heren, voor het proces ter bepaling van de toekomstige status van Kosovo – op dit moment het meest urgente politieke probleem op de westelijke Balkan – breekt de laatste en beslissende fase aan. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties heeft op 26 maart het algemene voorstel voor een regeling van de status van Kosovo van zijn speciale gezant, de heer Ahtisaari, naar de Veiligheidsraad in New York gestuurd. Naar verwachting zal de speciale gezant zijn voorstel op 3 april persoonlijk voor de leden van de Veiligheidsraad toelichten.

Tijdens de Raad van 12 februari hebben de ministers van Buitenlandse Zaken het voorstel uitvoerig besproken. Ze hebben de heer Ahtisaari hun volledige steun betuigd. Ze stelden vast dat de voorgestelde regeling is gericht op de bevordering van de opbouw van een multi-etnische en democratische samenleving in Kosovo, die berust op het beginsel van de rechtsstaat. Ze spraken ook als hun overtuiging uit dat de voorstellen van de speciale gezant de basis zullen leggen voor een duurzame economische en politieke ontwikkeling en zullen bijdragen aan de stabilisering van de regio.

In februari en maart vonden er over de voorstellen opnieuw gespreksronden plaats tussen Belgrado en Pristina, eerst op het niveau van experts en op 10 maart ook op het hoogste politieke niveau.

Naar aanleiding van de besprekingen besloot de heer Ahtisaari enkele al zeer verstrekkende bepalingen ter bescherming van de Servische gemeenschap in Kosovo en de Servisch-orthodoxe kerk nog verder uit te breiden.

Over het geheel genomen bleek echter uit de gesprekken dat de verschillen tussen beide partijen onoverbrugbaar zijn. Pristina stemde uiteindelijk in met het pakket voorstellen, terwijl Belgrado het afwees. Daarop verklaarde president Ahtisaari op 10 maart de gesprekken voor beëindigd en kondigde hij aan zijn voorstel voor de status van Kosovo per omgaande naar de VN-Veiligheidsraad te zullen sturen. Dat was naar de mening van het voorzitterschap volkomen terecht. Het zou geen zin hebben gehad om de onderhandelingen nog weken of maanden te laten voortduren. Een jaar van directe onderhandelingen tussen Belgrado en Pristina heeft een door beide partijen gesteunde compromisoplossing immers niet dichterbij gebracht. Integendeel: in de laatste onderhandelingsronde stelden beide partijen zich zelfs weer harder op.

Met de aanbieding van het voorstel aan de VN-Veiligheidsraad afgelopen maandag is het proces ter bepaling van de status van Kosovo zijn laatste, beslissende fase ingegaan.

Als opmaat voor deze fase is het van doorslaggevend belang – de heer Lagendijk wees daar zojuist op – dat de Europese Unie naar buiten eensgezind optreedt en met één stem spreekt. Hoe zichtbaarder de eenheid van de EU is, des te kleiner is het risico van een permanente blokkade in de Veiligheidsraad. Het voorzitterschap van de Europese Unie gaat ervan uit dat de Veiligheidsraad zijn verantwoordelijkheid neemt en hoopt dat de Veiligheidsraad tijdig zijn goedkeuring aan het voorstel zal geven.

Ik wil een paar opmerkingen maken over de toekomstige rol van de Europese Unie in Kosovo.

De Europese Unie is bereid een belangrijke rol op zich te nemen bij de tenuitvoerlegging van de statusregeling. De Europese Unie maakt goede vorderingen met de voorbereidingen voor haar bijdrage aan een internationale aanwezigheid in Kosovo na de regeling van de statuskwestie.

De voorbereidingen concentreren zich op de volgende drie gebieden: ten eerste op het ondersteunen van de voorgestelde internationale civiele aanwezigheid. Het desbetreffende voorbereidingsteam van de EU is ter plaatse bezig met de specifieke voorbereidingen voor de oprichting en installatie van het International Civilian Office (ICO). Dat gebeurt overigens in nauwe samenwerking met KFOR, UNMIK en het bestuur van Kosovo.

Ten tweede houden we ons bezig met de voorbereiding van de EVDB-missie voor de versterking van de rechtsstaat. De plannen daarvoor zijn al in een vergevorderd stadium. We gaan ervan uit dat de Europese Unie een mandaat krijgt dat de monitoring, begeleiding en advisering van de plaatselijke autoriteiten op het bredere terrein van de rechtsstaat omvat. We houden er bovendien rekening mee dat ook enkele uitvoerende bevoegdheden op politieel gebied onder het mandaat zullen vallen, waaronder handhaving van de openbare orde bij samenscholingen en rellen, alsmede taken op het gebied van justitie en douane. Onze planning is flexibel en zal indien nodig aan de ontwikkelingen worden aangepast.

In de derde plaats richt het voorbereidende werk zich op het concretiseren van het Europees perspectief voor Kosovo en op de steun voor de economische en sociale ontwikkeling van Kosovo.

Tegen deze achtergrond juichen wij de belangstelling van het Europees Parlement voor Kosovo toe. Die belangstelling komt ook in het onderhavige ontwerpverslag tot uiting. Het verslag van de heer Lagendijk over de toekomst van Kosovo en de rol van de EU levert een waardevolle bijdrage aan de internationale inspanningen die gericht zijn op een duurzame oplossing voor de kwestie-Kosovo.

Tot slot wil ik er nogmaals op wijzen dat het proces ter bepaling van de status van Kosovo een beslissende fase ingaat. Daarbij staat de Europese Unie voor een dubbele uitdaging. In de eerste plaats moet de Unie de eenheid bewaren wanneer wij samen met onze internationale partners zoeken naar een duurzame oplossing voor Kosovo, Servië en de regio als geheel. In de tweede plaats moet de Unie de voorbereidingen intensiveren die gericht zijn op de ondersteuning van de internationale inspanningen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de statusregeling.

De oplossing van de statuskwestie van Kosovo markeert het einde van het uiteenvallen van voormalig Joegoslavië. De situatie in Kosovo is uniek en kan daarom geen precedent vormen voor andere zogenoemde frozen conflicts. Oplossing van de statuskwestie is een basisvoorwaarde voor de stabilisering van Kosovo, Servië en de regio als geheel. Duurzame stabiliteit op de westelijke Balkan – de conflicten van de jaren negentig hebben dat bewezen – is van cruciaal en vitaal belang voor de Europese veiligheid. Evenals op veel andere terreinen vormt daarbij onze eensgezindheid de voornaamste sleutel om tot een duurzame oplossing te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, om te beginnen dank en feliciteer ik de rapporteur, de heer Lagendijk, en de Parlementsleden voor hun substantiële en intensieve inspanningen ten aanzien van dit verslag.

Zoals ik hier al eerder heb gezegd: het verslag en het voorstel van de speciaal gezant, de heer Ahtisaari, zijn maandag aan de Veiligheidsraad overhandigd. Ik sluit me aan bij de secretaris-generaal, Ban Ki-moon, en het EU-voorzitterschap en steun het verslag en het voorstel die de heer Ahtisaari heeft ingediend.

Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat de twee partijen in een ideale wereld een aanvaardbaar compromis zouden hebben gesloten. Tijdens de afgelopen veertien maanden van onderhandelingen is er ten aanzien van verschillende praktische aspecten van de regeling overeenstemming bereikt. Helaas bleven Belgrado en Pristina ten aanzien van de kernvraag inzake de status lijnrecht tegenover elkaar staan.

Het voorstel van de heer Ahtisaari beoogt de vorming van een democratische, multi-etnische samenleving op basis van de rechtsstaat in Kosovo te stimuleren. Het voorstel bevat uiteenlopende bepalingen bedoeld om de toekomst van alle gemeenschappen in Kosovo veilig te stellen en de religieuze plaatsen en het cultureel erfgoed te beschermen.

Zoals de heer Lagendijk terecht benadrukt: het draait bij een besluit over Kosovo om Europese eenheid, hier en ook in New York. We moeten de heer Ahtisaari en zijn voorstel in de VN-Veiligheidsraad consequent en vastberaden steunen. Uitstel van het besluit levert niets op. De VN bestuurt Kosovo nu acht jaar en het is duidelijk dat de status-quo niet houdbaar is. Ik verwacht dan ook van de Veiligheidsraad dat hij zijn verantwoordelijkheden in een geest van verantwoord multilateralisme nakomt en het proces tot een tijdig en succesvol einde brengt.

Als de kwestie van de status eenmaal is geregeld, begint de tenuitvoerlegging, die natuurlijk ook niet zonder slag of stoot tot stand zal komen. Ook hier moet de EU eensgezind te werk gaan. De EU zal een leidende rol moeten vervullen bij het organiseren van internationale civiele missies en ter ondersteuning van de Europese aspiraties van Kosovo. Hiervoor zullen we al onze instrumenten en omvangrijke middelen moeten inzetten. We hebben in de westelijke Balkan en in Kosovo geen eindstrategie, allen een beginstrategie.

Ik wijs er nadrukkelijk op dat eigen inbreng ter plaatse en partnerschap met de internationale gemeenschap de sleutel zijn tot een succesvolle tenuitvoerlegging van de regeling met betrekking tot de status. De EU en haar internationale partners kunnen het werk niet van Kosovo overnemen, qua politieke wil noch qua middelen, maar we kunnen wel helpen en de regeling met betrekking tot de status komt er niet zonder kosten.

Het is nog niet mogelijk om een volledig beeld te hebben van de financiële behoeften van Kosovo na het toekennen van de status, maar uit eerste schattingen komt naar voren dat gedurende de eerste drie jaar na de regeling met betrekking tot de status misschien wel 1,3 tot 1,5 miljard euro aan internationale steun nodig is.

We kunnen vier hoofdterreinen onderscheiden: het aandeel van Kosovo in de schuld van Joegoslavië, de kosten van de tenuitvoerlegging van de regeling met betrekking tot de status, behoeften op het gebied van economische ontwikkeling en de kosten in verband met de internationale aanwezigheid, waaronder de geplande EVDB-missie, die vermoedelijk de grootste civiele crisisbeheersmissie wordt die de Europese Unie ooit heeft ondernomen. De totale aanwezigheid van de EU in Kosovo zal waarschijnlijk zo’n 1500 tot 2000 internationale personeelsleden omvatten.

We weten allemaal dat de EU momenteel voor belangrijke uitdagingen staat op het gebied van buitenlands beleid in andere crisisgebieden, waaronder het Midden-Oosten, Afghanistan en Darfur. Kosovo is niet onze enige prioriteit, maar Europa heeft een speciale verantwoordelijkheid in Kosovo, dat aan de EU grenst en in de toekomst tot ons eigen territorium gaat behoren. Tijdens de vergadering van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken, de Gymnich-bijeenkomst vrijdag in Bremen, zal ik benadrukken dat de middelen niet alleen van de EU-begroting mogen komen. De EU-lidstaten en onze partners in de internationale gemeenschap moeten de verantwoordelijkheid delen. De Commissie zal een financieringspakket samenstellen dat een neerslag is van de omvang van onze verantwoordelijkheid. Ik reken op uw steun hiervoor, omdat krachtige steun van de begrotingsautoriteit nodig is om een overtuigend financieringspakket te kunnen samenstellen.

Een laatste opmerking over Servië: ik verzeker u dat de EU nog steeds volledig achter de Europese aspiraties van Servië staat. We zijn bereid om met een nieuwe regering aan deze doelstelling te werken. Het is nu aan de nieuwe regering van Servië om te voldoen aan de voorwaarden voor hervatting van de onderhandelingen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst binnen de Europese Unie.

Een sterke betrokkenheid bij Servië is essentieel als we het proces met betrekking tot de status tot een succesvol einde willen brengen. Een Servië dat vertrouwen heeft in zijn Europese toekomst, is beter in staat om de erfenis van het verleden te boven te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie internationale handel. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik wil slechts ingaan op een paar punten die we in de Commissie internationale handel hebben besproken. Ik ben zelf verschillende keren in Kosovo geweest, in beide delen, zowel in Pristina als in Mitrovica. Ik kan de situatie relatief goed beoordelen. Wij hechten er vooral aan dat de situatie op het gebied van economie en handel grondig wordt geanalyseerd, omdat naar onze mening alleen door economische stabiliteit de veiligheid in de hele regio op de lange termijn kan worden gegarandeerd.

De situatie is buitengewoon problematisch. De infrastructuur is zeer zwak, de basisindustrie moet geheel worden gemoderniseerd en gerenoveerd. Er zijn kleine en middelgrote bedrijven die weliswaar zeer innovatief zijn, maar die veel meer financiële steun moeten krijgen. Daarnaast is er een zeer jonge bevolking die moet worden geïntegreerd en die banen nodig heeft. Dat alles kan alleen worden gerealiseerd in het kader van integratie in de Europese Unie. Met integratie bedoel ik niet dat wij direct voor toetreding tot de EU pleiten, maar vooral dat we het concept van vrijhandelszonen vervolmaken, zodat het concept ook echt werkt. Met veel landen van de Balkan zijn immers al overeenkomsten gesloten; die moeten echter wel effect sorteren.

We pleiten er ook voor dat het voortreffelijke werk dat de Europese Unie tot nu toe vooral in het kader van de vierde pijler heeft verricht, wordt ondergebracht bij de nieuwe structuren, zodat de systemen niet volledig hoeven te worden herzien.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, in 1912 werd Kosovo, waarvan de bevolking voor 90 procent uit Albanezen bestond, zonder volksraadpleging aan Servië toegewezen. Kosovo kende een bewogen geschiedenis, totdat de oorlogsmisdadiger Milosevic eind jaren tachtig – geheel in strijd met de Joegoslavische grondwet – de autonomie van Kosovo ophief. Er werd een meedogenloos apartheidsregime gevestigd: Albanezen mochten niet naar de kleuterschool, niet naar school en niet naar de universiteit; ze mochten geen beroep uitoefenen en zelfs geen openbare zwembaden bezoeken. Het was een onvoorstelbaar wreed systeem, dat ik uit eigen ervaring ken.

Daarna volgde de massale verdrijving van 1998, die slechts door een interventie van de NAVO kon worden gestopt, toen de meerderheid van de bevolking al over de grens was gejaagd. De Verenigde Naties installeerden een bestuur en nu staan we dan voor een nieuw begin. Hoe kan de toekomst eruitzien? Wanneer wij onze plicht doen, wanneer we de statuskwestie snel, in goed overleg en eensgezind oplossen en wanneer de EU de verantwoordelijkheid op zich neemt voor een internationale aanwezigheid in Kosovo, kan het land in korte tijd uitgroeien tot een multi-etnische democratie met de meest verstrekkende rechten van minderheden ter wereld. Wat in het verslag-Ahtisaari staat, is namelijk de meest verstrekkende regeling voor minderheden die de wereld kent. Daarnaast biedt het Kosovo ook nog een EU-perspectief en in ieder geval een economisch perspectief.

Op dit punt steun ik mevrouw Mann. Het land is decennialang verwaarloosd. Het heeft investeringen nodig voor een jonge, werkloze bevolking. Investeringen zullen er alleen komen wanneer de statuskwestie is opgelost, wanneer de rechtszekerheid gegarandeerd is – reden waarom wij ons moeten concentreren op justitie en binnenlandse zaken –, wanneer er vrede is en wanneer er goede betrekkingen bestaan met buurland Servië.

Ik kan alleen maar een oproep doen tot de Servische politici: generaal De Gaulle sprak ooit over de paix des braves, de vrede der dapperen. De Serviërs en Albanezen gaan alleen een goede gemeenschappelijke Europese toekomst tegemoet als Europese buurvolken …

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Sándor Tabajdi , namens de PSE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil de rapporteur, de heer Lagendijk, graag feliciteren met zijn uitstekende verslag Een stabiele, duurzame en levensvatbare regeling voor Kosovo is van cruciaal belang voor de stabiliteit van de hele westelijke Balkan. Een dergelijke regeling zou ongekend zijn sinds de Tweede Wereldoorlog, en sinds het vredesverdrag van Parijs, als het gaat om de mogelijke grenswijzigingen.

De Europese Unie heeft en zal een cruciale en specifieke verantwoordelijkheid hebben door haar internationale aanwezigheid in Kosovo, ter vervanging van de Verenigde Naties. Dit is de grootste test voor het gemeenschappelijk buitenlands beleid van de Unie, dat momenteel wordt uitgerold.

De oplossing moet eerlijk en evenwichtig zijn. De internationale gemeenschap kan niet één van de partijen voortrekken – de Kosovaarse Albanezen – en de andere bestraffen, de Serviërs. Een rechtvaardige oplossing moet worden gevonden. Wanneer de Veiligheidsraad de definitieve status van Kosovo bepaalt, moet rekening worden gehouden met de invloed die de status van Kosovo heeft op de gehele regio, op de stabiliteit van heel Midden-Europa, op de situatie in Servië, en op het installeren van een nieuwe Servische regering.

De sociaaldemocraten steunen het verslag van de heer Lagendijk en wij scharen ons achter het plan-Ahtisaari, dat een uitstekende basis vormt, maar het is niet de Europese Unie die beslist over de definitieve status van Kosovo; dat is een zaak van de Veiligheidsraad. Wij sociaaldemocraten zijn van mening dat de definitieve status moet worden opgenomen in documenten van het Europees Parlement nadat de Veiligheidsraad zijn beslissing heeft genomen. Dames en heren, wij sociaaldemocraten feliciteren de heer Lagendijk en vragen het Parlement om ons voorstel te steunen dat het regelen van de definitieve status moet worden opgeschort.

 
  
MPphoto
 
 

  Lapo Pistelli, namens de ALDE-Fractie. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ook al beschikt de Europese Unie niet over de bevoegdheden op het gebied van buitenlands beleid die we graag zouden zien, ons debat over Kosovo vandaag is van grotere politieke waarde dan onder andere omstandigheden, met name omdat het debat en de goedkeuring van het verslag-Lagendijk plaatsvinden op een moment dat binnen de politiek zaken nog altijd onbeslist zijn, gebeurtenissen zich week na week ontvouwen en de individuele deelnemers de gebeurtenissen nog altijd kunnen beïnvloeden. Ik denk daarom dat het erg zinvol is voor het Parlement om morgen een duidelijk standpunt in te nemen, en de Europese Unie overmorgen bij wijze van spreken. Indien mogelijk met een grote meerderheid in het Parlement morgen en mogelijkerwijs met eenparigheid van stemmen in de Raad over enkele weken.

Ik vind het interessant dat de beoordelingen die we tot op heden gehoord hebben van de heer Lagendijk, de Raad en de Commissie, grotendeels op hetzelfde neerkomen. Dit is mijns inziens een belangrijke voorwaarde. Ik wil graag kort op vijf punten ingaan. Allereerst: de toekomst van de Balkan en Kosovo is een toekomst binnen Europa. De eerste duidelijke stap die we kunnen zetten om enigszins rust in die gebieden te brengen, is het bieden van een positief vooruitzicht voor iedereen, voor Servië en voor Kosovo, namelijk het lidmaatschap van de Europese Unie. Deze doelstelling komt niet alleen hun, maar ook ons heel goed uit, vooral omdat op deze manier een anders instabiel gebied omgevormd kan worden in een gebied met permanente vrede, economische groei en multi-etnische democratie.

Ten tweede: wij moeten uit het institutionele niemandsland zien te geraken dat is ontstaan na 1999, en daarom moeten we het verslag van Martti Ahtisaari en het standpunt, dat hopelijk unaniem zal zijn, steunen in de hoop dat het door de Europeanen binnen de Veiligheidsraad wordt aangenomen.

Ten derde: onafhankelijkheid is het eindresultaat waar de gehele bevolking van Kosovo naar streeft en waar ook het verslag-Lagendijk naar verwijst, deels ook als gevolg van de amendementen die we hebben ingediend. Historici zouden ons wellicht zeggen dat het een misstap was om geen alternatieven op te nemen. Dit is vandaag echter de realiteit en dat weten de leiders van Servië ook maar al te goed. Zij moeten in politiek opzicht gerustgesteld worden en niet vernederd. We moeten ons realiseren dat Servië, symbolisch gezien, Kosovo nooit heeft laten vallen, maar dat, tegelijkertijd, Kosovo feitelijk gezien al jarenlang buiten de Servische invloedssfeer valt.

Tot slot moet het Europees Parlement – en ik herhaal: unaniem – het plan-Ahtisaari steunen, in de hoop dat binnen de Raad hetzelfde gebeurt in de komende weken.

Mevrouw de Voorzitter, een laatste opmerking: het debat over de begroting van het Europees Parlement, waar we over enkele weken aandacht aan zullen besteden, moet zorgen voor samenhang tussen hetgeen we op politiek niveau beloven en de financiële middelen waarin we voorzien om Kosovo naar zijn einddoel te begeleiden.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley, namens de UEN-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik sluit me bij mijn collega’s aan door de rapporteur te danken voor het werk dat hij heeft verricht. Als we het hebben over Kosovo, zijn we vaak geneigd om dat op een abstracte manier te doen, terwijl het de laatste spil is in de zeer verdeelde Europese regio die de westelijke Balkan is. Ik denk dat het ons aller verantwoordelijkheid is om zo duidelijk mogelijk aan te geven dat de democratische wil van de bevolking van Kosovo wordt gerespecteerd en uitgevoerd en te laten zien dat de Europese Unie met één stem spreekt over de verdere voortgang in de toekomst.

De routekaart is al voor ons uitgestippeld in het plan- Ahtisaari. Het is een zeer duidelijk en bondig plan met betrekking tot het soort bescherming en de mechanismen die tot uitvoering kunnen worden gebracht om te garanderen dat de rechten van de Kosovaren worden vertegenwoordigd en gerespecteerd. Het belangrijkste is echter dat het plan ervoor kan zorgen dat de minderheden in Kosovo ook worden beschermd en vertegenwoordigd en dat ze geen deel gaan uitmaken van een enkele staat waarin ze geen invloed hebben of geen rol spelen.

Als de geschiedenis ons – door het voorbeeld van de oprichting van de Europese Unie of de oplossing van conflicten in andere regio’s op het Europese continent – iets heeft geleerd, is het dat we alleen door middel van betere en nauwere betrekkingen met onze buurlanden werkelijk tot een, wat we noemen, rechtvaardige en duurzame vrede kunnen komen. Om die reden mogen we Servië niet negeren. Velen van ons hebben kritiek gehad op het optreden van Servië in het verleden, en misschien ook wel op zijn onverzoenlijkheid op dit moment, maar het land heeft gerechtvaardigde punten van zorg waarop we moeten inspelen. Ook de Servische minderheid in Kosovo heeft reden tot bezorgdheid, waar niet aan voorbijgegaan mag worden.

We moeten optreden als de beschermer van deze rechten. We moeten laten zien dat de vrede en stabiliteit in die regio in Europa waar we allemaal zo naar verlangen, het beste kan worden bewerkstelligd door vooruit te kijken. Momenteel bevinden zich onder de in Kosovo gestationeerde KFOR-vredesmacht 213 Ierse militairen. Zij spelen een waardevolle rol bij het creëren van vrede en stabiliteit. Zoals de vorige spreker al zei: als we in de toekomst over de begroting van de Europese Unie stemmen, mogen we het aspect van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid niet vergeten, omdat we juist op dit terrein succesvol zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Gisela Kallenbach, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, er bestaat geen eenvoudige oplossing voor de toekomst van het resterende deel van voormalig Joegoslavië, inclusief Kosovo. De oplossing wordt er echter niet eenvoudiger op wanneer we de problemen gewoon voor ons uit schuiven. Integendeel. Daarom ben ik blij dat er na acht jaar van internationaal bestuur een concreet voorstel bij de VN-Veiligheidsraad op tafel ligt. Ik roep u op om met dit voorstel in te stemmen, omdat het grotendeels samenvalt met het verslag van de heer Lagendijk. Er moet een einde komen aan de situatie van onzekerheid waarin de Kosovaren, van welke etnische afkomst ook, en de Serviërs zich bevinden. Alleen dan is ook de hoognodige economische ontwikkeling mogelijk als een stap op weg naar Europese integratie. Ieder uitstel van de besluitvorming hierover en van de daaropvolgende Europese integratie zal zowel de regio als de Europese Unie duur komen te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, onze fractie zal in grote meerderheid tegen dit verslag stemmen. De reden daarvoor is vooral dat er zeer nonchalant met het internationale recht wordt omgegaan, zoals dat ook in het verslag-Ahtisaari zelf het geval is. De heer Ahtisaari heeft voorgesteld dat de EU een project moet opzetten als een soort opvolger van UNMIK. Dit betekent dat UNMIK met andere middelen zou worden voortgezet, inclusief het zogenoemde Kosovo Trust Agency, dat in Kosovo vooral privatiseringen heeft doorgevoerd. Dat heeft ter plaatse tot zeer problematische verhoudingen geleid.

Naar onze mening stelt het Europees Parlement zich eenzijdig op en verscherpt het dit conflict. Wij wijzen nog eens op paragraaf 3 van het door de Commissie buitenlandse zaken goedgekeurde verslag. Ik citeer: "is van mening dat de regeling betreffende de toekomstige status van Kosovo moet stroken met het internationale recht". Ik hoop dat deze zin in het verslag blijft staan. Ik heb gehoord dat er al amendementen worden voorbereid om die zin te schrappen. Het is bekend dat de huidige situatie in Kosovo verband houdt met de toenmalige aanvalsoorlog van de NAVO tegen Joegoslavië. Mijn vraag, die ik ook al eens aan de commissaris heb gesteld, is deze: wat gaat de Europese Unie doen wanneer Servië en met name Rusland blijven bij hun afwijzing? Daarop heb ik tot op heden geen antwoord gekregen. Dat betekent dat men daadwerkelijk van plan is te handelen tegen de wil van deze twee landen. Daaraan wil de grote meerderheid van mijn fractie niet meewerken. Daarom zullen wij tegen dit verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. Voorzitter, rapporteur Lagendijk doet evenwichtig verslag van de complexe situatie in Kosovo. Een essentieel aspect als burgerschap op basis van Kosovo's meertalige en multi-etnische karakter passeert de revue. Opmerkelijk genoeg zegt het voorliggende verslag niets over de expliciete status van Kosovo (zie daarvoor amendement 13 dat wij zullen steunen).

Zo niet VN-bemiddelaar Ahtisaari. Hij droeg eergisteren zijn eindverslag over aan de Veiligheidsraad met een heldere aanbeveling. Onafhankelijkheid onder internationale supervisie voor Kosovo. Premier Kostunica meldde echter vorige week dat onafhankelijkheid voor Kosovo nooit een optie voor Servië zal zijn. Hij hoopt zelfs op een Russisch veto in de Veiligheidsraad. Deze wens staat lijnrecht tegenover de eis van de Albanese beweging, zelfbeschikking. Leider Kurti wil namelijk niets anders dan onvoorwaardelijke onafhankelijkheid. Het gevaar van etnische desintegratie en regionale instabiliteit ligt hoe dan ook op de loer.

De grote uitdaging, Voorzitter, voor de internationale gemeenschap is derhalve evident. Regionale stabiliteit in combinatie met een multi-etnisch burgerschap in een soeverein Kosovo. Eurocommissaris Rehn sprak vorige week in het Parlement in dezen over een belangrijke lakmoesproef voor de EU. Ik wens Commissie en Raad daarbij alle wijsheid, steun en succes toe.

 
  
MPphoto
 
 

  Alojz Peterle (PPE-DE). – (SL) Ik ben de rapporteur, mijn collega Lagendijk, erkentelijk voor zijn uiterst verantwoorde poging om voor zoveel mogelijk politieke overeenstemming te zorgen in het verslag, waarmee het Europees Parlement zijn deel van de verantwoordelijkheid op zich neemt bij de besluitvorming over de definitieve status van Kosovo, dat reeds sinds 1999 onder de hoede van de Verenigde Naties valt. Aangezien onderhandelingen spijtig genoeg niet tot een oplossing geleid hebben, is de verantwoordelijkheid van de Europese Unie nog toegenomen.

Kosovo, Servië, Zuidoost-Europa en Europa in zijn geheel hebben behoefte aan vrede en stabiliteit. Dat is ook het recht van de mensen in dat gebied, ongeacht hun nationaliteit. Gezien de opeenstapeling van problemen en spanningen in Kosovo moet het proces, dat het land naar zijn definitieve status voert, zich voltrekken op een manier die een chaotische ontwikkeling geen kans laat. Dat zou namelijk de waardigheid van om het even welke nationale identiteit aantasten, bijdragen tot destabilisatie of het Europese perspectief van de landen in die regio in het gedrang brengen.

De rapporteur en wij allen zijn verbonden door gemeenschappelijke waarden en beginselen, met name de perspectieven van Thessaloniki voor de landen van Zuidoost-Europa. Daarin kwam de wens tot uiting om de bron van conflicten in dat deel van Europa voorgoed uit de weg te ruimen. We werken samen aan een oplossing die het mogelijk moet maken dat in Kosovo verschillende nationaliteiten samenleven. Eveneens moeten zo snel mogelijk de omstandigheden gecreëerd worden waarin Kosovo, dat worstelt met uiterst ingewikkelde economische en sociale problemen, de weg van verzoening, vooruitgang en welvaart kan inslaan.

 
  
  

VOORZITTER: MECHTILD ROTHE
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Hannes Swoboda (PSE) . – (DE) Mevrouw de Voorzitter, morgen zal waarschijnlijk een zeer grote meerderheid van het Parlement voor het verslag van de heer Lagendijk stemmen. Daarmee betuigen wij in de eerste plaats onze steun aan het werk van de heer Ahtisaari en zijn medewerkers. Ik denk dat de oplossing die de heer Ahtisaari voorstelt, in principe de weg is die we moeten bewandelen.

De steeds terugkerende vraag is: wel of geen onafhankelijkheid? Die beslissing wordt genomen door de Verenigde Naties en ik hoop dat zij na alle noodzakelijke overwegingen de juiste beslissing zullen nemen. Wij zullen die beslissing van harte steunen. De belangrijkste vraag is echter hoe het verdergaat nadat de statuskwestie is geregeld. De statuskwestie is voor Servië geen gemakkelijk vraagstuk. Niemand raakt graag een substantieel deel van zijn grondgebied kwijt. Stelt u zich maar eens voor hoe dat voor uw eigen land zou zijn.

De regeling van de statuskwestie zal echter ook niet de problemen oplossen die zich voor Kosovo zelf aandienen. Nu staat het immers voor de zware opgave om een eigen, onafhankelijk economisch en sociaal systeem op te bouwen. De mensen in Kosovo zullen vragen stellen als: hoe zit het nu met mijn baan, hoe moet ik mijn geld verdienen, hoe kom ik aan een huis, enzovoort. De problemen in eigen land zullen nog zwaar genoeg zijn.

Zoals het verslag waarover wij morgen stemmen ook onderschrijft en benadrukt, moet Europa beide partijen helpen om dit moeilijke proces op verstandige en waardige wijze, met wederzijds respect en in onderlinge samenwerking te bevorderen. Dat is voor ons – ook met het oog op de beslissing van morgen – het belangrijkst. Wij spreken ons uit voor een duidelijke beslissing inzake de statuskwestie, maar ook voor het feit dat Europa – en in het bijzonder het Parlement – beide partijen moet steunen, zodat zowel Kosovo als Servië een goede toekomst tegemoet kunnen zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Jelko Kacin (ALDE). – (SL) Dit weekend hebben we in Rome en Berlijn feestelijk de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome gevierd en hebben we verheugd teruggekeken op een lange periode van vrede. In de westelijke Balkan echter was er in deze tijdspanne niet enkel vrede, maar woedden er ook uiterst wrede en vernietigende oorlogen.

Uit de genocide in Srebrenica hebben we allemaal de les getrokken dat we het risico van nog een dergelijke menselijke catastrofe in Kosovo niet mogen en kunnen lopen. Dat mogen en kunnen we niet goedkeuren. Daarom hebben we acht jaar geleden op tijd en preventief militair ingegrepen. Ook toen bestond het gevaar dat er een veto gebruikt zou worden in de Verenigde Naties, maar het is ons toch gelukt. Kosovo bevindt zich vandaag de dag nog steeds ergens halverwege, zonder status, zonder toegang tot internationale financiële middelen, zonder efficiënt werkende rechtsstaat. Maar enkel een staat kan en moet een basis en kader verschaffen voor economisch herstel, voor binnen- en buitenlandse investeringen, voor het scheppen van absoluut noodzakelijke werkgelegenheid. Enkel een staat kan lid worden van de Europese Unie.

Een stagnatie van die processen die leiden tot een bepaalde status, zou de wankele situatie in gevaar brengen en zou een vertraging betekenen voor de positieve processen. Die laatste stabiliseren de regio, stimuleren de economische en politieke samenwerking tussen buurlanden en verbinden hen in hun intentie om vooruitgang te boeken in de samenwerking met andere landen van de Europese Unie en om hun eigen omgeving naar ons voorbeeld vorm te geven. De inspanningen van Martti Ahtisaari voor het vastleggen van een status, brengen een dynamiek teweeg. Ook wij brengen meer hoop in het leven van alle inwoners van dat gebied en brengen hun eveneens de geest en methoden van de Europese Unie.

Het gaat om hun toekomst, samenleven en welvaart. Daarom ben ik ervan overtuigd dat de politici in het naburige Servië, Montenegro, Albanië en Macedonië, maar ook in Kroatië en Bosnië, nog meer motivatie zullen vinden voor de toenadering tot de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Hanna Foltyn-Kubicka (UEN). – (PL) Hartelijk dank, mevrouw de Voorzitter. In het verslag dat we vandaag behandelen heeft het Europees Parlement een standpunt ingenomen over de netelige kwestie van de toekomst van Kosovo. Deze provincie ligt in het hart van Europa. Om die reden moet Europa een actieve rol spelen bij het vormgeven van haar toekomst. Zoals in het verslag wordt onderstreept, is dat echter onmogelijk zonder de toestemming van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. En zonder het akkoord van Rusland zullen we die toestemming niet krijgen.

Voor de Russen is Kosovo een handige troef in hun contacten met het Westen, die ze kunnen uitspelen in de onderhandelingen over het kernprogramma van Iran.

We mogen evenmin uit het oog verliezen dat het toekennen van onafhankelijkheid aan Kosovo een precedent zal scheppen waarop Rusland zich zal proberen te beroepen tijdens onderhandelingen over andere regio’s als Abchazië, Transnistrië en Zuid-Ossetië. We dienen er bijgevolg nadrukkelijk op te wijzen dat Kosovo een uitzonderlijk geval is en dat Rusland de provincie in geen geval mag gebruiken als een middel om zijn positie van supermacht te herstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL). – Voorzitter, Kosovo was de splijtzwam in voormalig Joegoslavië. Nog voordat Slovenië en Kroatië onafhankelijk werden, hebben de inwoners van Kosovo mentaal afscheid genomen van Servië. Toen al hebben zij hun eigen bestuur en onderwijs opgebouwd en alle staatsinstellingen geboycot. Ze vroegen internationale erkenning van hun onafhankelijkheid, maar ze kregen oorlog en een nieuwe bezetting.

Sinds 1999 zijn de Servische militairen en ambtenaren vervangen door andere kolonialen. De inwoners van Kosovo willen niets anders dan zelfbeschikking – Vetevendosje – wat overal op de muren geschilderd staat. Voortzetting van de huidige schemertoestand bevordert stagnatie en criminaliteit. Gedwongen terugkeer naar Servië is onmogelijk zonder burgeroorlog of twee miljoen vluchtelingen. Dat vooruitzicht is erger dan opnieuw een schending van het volkerenrecht dat zonder overeenstemming geen afscheiding toestaat.

Ook voor de toekomst van Servië zelf zou het beter zijn als het eindelijk wordt bevrijd van de nationalistische prestigestrijd om Kosovo. Eenieder weet dat er uiteindelijk geen andere oplossing bestaat dan een onafhankelijk Kosovo. Maar bijna niemand durft als eerste daarvoor de verantwoordelijkheid te nemen. Zo wordt uitvoering van het afgezwakte voorstel van Ahtisaari helaas ernstig vertraagd.

 
  
MPphoto
 
 

  Doris Pack (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil de heer Lagendijk van harte feliciteren. Ik zou eigenlijk helemaal niet hoeven te spreken en mij gewoon bij u kunnen aansluiten, zoals de heer Swoboda en mevrouw Kallenbach hebben gedaan. Ik wil echter toch een paar opmerkingen maken.

Allereerst een waarschuwing vooraf: buitenstaanders en vooral mensen in de regio zullen ons na een debat als dit al heel snel verdenken van anti-Servische of pro-Albanese sympathieën. Ik zou dergelijke verwijten van de hand willen wijzen. Wij spannen ons echt al vele jaren in voor een vreedzame en voorspoedige toekomst voor de mensen in Servië en Kosovo. Het is moeilijk om de voorwaarden daarvoor te scheppen. Het voorstel van de heer Ahtisaari stelt de mensen eindelijk in staat om het vergiftigde verleden van Milosevic achter zich te laten. Of dat op een rechtvaardige manier kan, mijnheer Tabajdi, weet ik niet. Het is erg moeilijk om tot rechtvaardige oplossingen te komen, maar ik zie geen andere mogelijkheid dan de oplossing die nu is voorgesteld.

Tussen Serviërs en Albanezen zijn natuurlijk geen echte onderhandelingen gevoerd. De opvattingen lagen zo ver uit elkaar dat daarover nooit is onderhandeld. Bij een verlenging van het onderhandelingsproces zou daarom niemand zijn gebaat. Ik begrijp ook dat geen enkele Servische regering ooit zal tekenen voor het verlies van Kosovo. Als de Servische politici echter eerlijk zijn – en diverse politici zijn dat, wanneer men met hen praat –, dan weten zij ook dat er geen vreedzame toekomst mogelijk zal zijn zolang Kosovo deel uitmaakt van Servisch grondgebied. Het is nu juist die vreedzame toekomst die de mensen in Servië en Kosovo verdienen en dat geldt vooral voor jonge mensen. De politici zouden zich eens moeten afvragen wie in Servië daadwerkelijk de gevolgen zou willen dragen wanneer Kosovo bij Servië blijft – zowel de financiële als alle politieke gevolgen. De Albanezen moeten de Serviërs die dat willen, in staat stellen om in hun geboortestreek in Kosovo te blijven wonen of daarnaar terug te keren.

Het plan-Ahtisaari is voor mij de enige basis voor een vreedzame co-existentie. In de discussies hierover verdwijnt de periode van het apartheidsregime tussen 1989 en 1998 helaas nogal eens naar de achtergrond. Dat gebeurde ook vandaag weer, zoals ik merkte aan de bijdrage van de heer Pflüger. Volgens mij begonnen de problemen niet met de aanval van de NAVO, maar met de opheffing van de autonome status van Kosovo. De Veiligheidsraad zou er goed aan doen de knoop nu eindelijk snel door te hakken, zodat we ons werk kunnen voortzetten en zowel Serviërs als Albanezen kunnen helpen op hun vreedzame weg naar de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Marinus Wiersma (PSE). – Voorzitter, ik wil natuurlijk ook de complimenten aan mijn collega en vriend Joost Lagendijk overbrengen voor zijn verslag, ook al zijn we het niet over alle details eens.

We verwelkomen als fractie natuurlijk wel de voorstellen die onderhandelaar Ahtisaari afgelopen maandag in New York heeft gepresenteerd. Dat is ook helder geformuleerd in het verslag waarover wij morgen stemmen. In dat opzicht heeft het verslag zoals het nu voorligt ook de steun van onze fractie. Die voorstellen hebben – zoals we hier gehoord hebben – ook de steun van de Raad en de Commissie.

Maar nu is het volgens ons vooral van belang dat de Veiligheidsraad een besluit neemt over de status van Kosovo. Dat zou zonder onnodige vertraging moeten, zodat er spoedig een einde komt aan de onzekerheid in Kosovo en zowel Kosovaren als Serviërs zich kunnen richten op hun toekomst in Europa.

Maar het is op dit moment niet aan de Europese Unie om hierover een beslissing te nemen. Het is dan ook volgens ons niet de rol van de EU om vooruit te lopen op de definitieve formulering van de status in de Veiligheidsraad. De interimstatus van Kosovo is gebaseerd op een resolutie van de Veiligheidsraad en de definitieve status van Kosovo zal ook op een resolutie van de Veiligheidsraad gebaseerd moeten zijn. Dat is van uitermate groot belang voor de internationale legitimiteit van die beslissing. Daarom wijzen wij de amendementen van de heer Posselt af.

Het is ook essentieel voor de interne legitimiteit van de beslissing over de status. Voor de EU begint inderdaad pas het echte werk na de beslissing in New York. De EU zal voor een belangrijk deel verantwoordelijk zijn voor het begeleiden van de implementatie van die status. De Unie zal zich daar terdege op moeten voorbereiden, maar vooral ook moeten voorkomen dat zij al op voorhand tussen de twee partijen komt te staan; dat is ook de reden waarom mijn fractie morgen tegen het amendement zal stemmen dat de status al kwalificeert zonder dat daarover in New York een debat heeft plaatsgevonden.

En we volgen daarin de lijn zoals uitgedrukt wordt door het voorzitterschap, maar ook door de Commissie, die beide de kwalificatie vanmiddag niet in de mond genomen hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, tijdens het debat over Kosovo is een kwestie aan de orde gesteld die van cruciaal belang is voor de internationale betrekkingen. Voor de eerste keer in vele jaren schendt de internationale gemeenschap de territoriale soevereiniteit van een Europees land. Er zijn inderdaad geen voorstellen om deze nieuwe politieke entiteit onafhankelijkheid toe te kennen, maar het is wel de bedoeling dat de nieuwe quasistaat een eigen volkslied, vlag en minileger krijgt. Bovendien blijft Kosovo nog voor onbepaalde tijd onder internationaal toezicht.

Deze nieuwe vorm van internationale interventie in de interne aangelegenheden van een soevereine staat zal een precedent scheppen dat in de toekomst kan leiden tot pogingen van de internationale gemeenschap om zich ongevraagd te mengen in interne kwesties van andere landen met veel minder grote problemen.

De enige redelijke oplossing is dat Kosovo formeel een onderdeel van Servië blijft en aanzienlijk meer autonomie krijgt. Daarnaast moeten er dringend maatregelen worden genomen om de regio zo snel mogelijk in de Europese Unie op te nemen. In een onafhankelijk Kosovo zal er immers nog altijd plaats zijn voor een belangrijke Servische minderheid, die een bedreiging zal vormen voor de stabiliteit van het land.

 
  
MPphoto
 
 

  Adamos Adamou (GUE/NGL).(EL) Mevrouw de Voorzitter, de situatie in Kosovo is het gevolg en de voortzetting van het interventionistisch beleid, en is een van de zoveelste problemen die moeten worden opgelost in het kader van de Verenigde Naties. Het voorstel van de heer Ahtisaari, dat in feite met het onderhavig verslag wordt goedgekeurd, staat haaks op de grondbeginselen van het volkenrecht, en zelfs op het Handvest van de Verenigde Naties. Daarmee wil men de grenzen opnieuw trekken en de geschiedenis vervalsen, ten nadele van de Servische gemeenschap.

Het alomvattende voorstel van de heer Ahtisaari beoogt de totstandkoming van een onafhankelijke staat, als van onafhankelijkheid sprake kan zijn met een dergelijke militaire aanwezigheid van de NAVO en de toepassing van het Europees veiligheidsbeleid. Ik vrees dan ook dat dit eerder een protectoraat dan een onafhankelijke staat zal zijn.

Wij zijn en blijven voor zelfbeschikking van de volkeren, maar wij zijn ertegen dat deze op willekeurige wijze wordt gebruikt en dat er met twee maten wordt gemeten. Wij herinneren er slechts aan dat na de dekolonisering en vóór de opsplitsing van Joegoslavië slechts in één geval een afscheiding werd erkend door de internationale gemeenschap en wel om heel specifieke redenen, namelijk de afsplitsing van Bangladesh van Pakistan. Wij willen iedereen waarschuwen dat met een onafhankelijk Kosovo het hek van de dam zal zijn en allerlei andere afscheidingsactiviteiten de kop op zullen steken.

 
  
MPphoto
 
 

  Francisco José Millán Mon (PPE-DE). – (ES) Mevrouw de Voorzitter, de kwestie Kosovo is een ingewikkelde kwestie met een groot aantal implicaties op verschillende terreinen; zij raakt aan grondbeginselen die het functioneren van de internationale gemeenschap reguleren. Daarom is het in deze zaak noodzakelijk om behoedzaam te handelen, een zo breed mogelijke consensus te bereiken en rekening te houden met het internationaal recht.

Kosovo is bovendien een uitzonderlijk geval, zoals wordt erkend door de speciale afgezant van de Verenigde Naties en de grote meerderheid van de internationale gemeenschap. Gezien dit unieke karakter zal de oplossing geen precedent vormen voor andere gevallen die zich in Europa zouden kunnen voordoen: dat staat in de tekst van de resolutie die we morgen zullen aannemen.

Zoals de contactgroep stelde in zijn conclusies van januari 2006, wordt de specifieke aard van de kwestie Kosovo onder andere bepaald door het uiteenvallen van Joegoslavië en de daaropvolgende conflicten, de etnische zuiveringen en de gebeurtenissen in 1999, waarvan het militaire ingrijpen door de NAVO in dat jaar een van de belangrijkste was. Een ander element dat de kwestie Kosovo tot een uitzonderlijk geval maakt, is de lange periode dat Kosovo onder internationaal bestuur staat, in overeenstemming met resolutie 1244.

Ik had graag gezien, mevrouw de Voorzitter, dat de heer Ahtisaari een oplossing had gevonden die de goedkeuring kan wegdragen van de twee meest betrokken partijen: Servië en Kosovo. Bij zulke delicate kwesties, die aan grondbeginselen raken en zich afspelen in een regio die een lange periode van conflicten en instabiliteit achter de rug heeft, was een onderhandelde en voor beide partijen aanvaardbare oplossing het beste geweest. Maar helaas hebben de onderhandelingen van 2006 en het begin van 2007 niet geleid tot een toenadering van de standpunten.

Het is nu aan de Veiligheidsraad om het voorstel van de heer Ahtisaari te bespreken en op basis daarvan de juiste besluiten te nemen. Het is duidelijk dat noch het Europees Parlement, noch andere instellingen bevoegd zijn om besluiten te nemen over de definitieve status van het gebied; dat moet de Veiligheidsraad doen, die resolutie 1244 heeft aangenomen. Ik zou graag zien dat de Veiligheidsraad nog een mogelijkheid ziet om binnen een redelijke termijn een akkoord tussen de partijen te bereiken.

In ieder geval hoop ik dat de leden van de Veiligheidsraad, en vooral de permanente leden, op dit beslissende moment een constructieve rol zullen spelen, waartoe we ze oproepen in de resolutie waarover we morgen zullen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Adrian Severin (PSE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, als we een rechtvaardige, haalbare en duurzame oplossing vinden om een crisis te boven te komen, willen we dat het een precedent wordt. Alleen al uit het feit dat we deze keer niet willen dat onze oplossing voor Kosovo een precedent wordt, blijkt dat dit een betreurenswaardige of op zijn minst ondoordachte oplossing is. Bovendien is het ijdele hoop om te denken dat niemand deze oplossing als precedent zal gebruiken. We moeten dus manieren zien te vinden om de hieruit voortvloeiende risico’s te verkleinen.

We zouden in dit verband vier voorstellen kunnen overwegen. Ten eerste: aanvaarden en stellen dat de oplossing voor Kosovo gebaseerd is op en overeenkomt met het beginsel van regionale veiligheid. Ten tweede: erkennen dat Kosovo binnen de Europese Unie alleen onafhankelijk kan worden als aan de criteria voor het lidmaatschap is voldaan. Ten derde: Servië onmiddellijk een duidelijk actieplan voor toetreding tot de Europese Unie bieden, zonder voorwaarden vooraf. En ten vierde: een internationale conferentie over de westelijke Balkan beleggen om ervoor te zorgen dat de oplossing voor Kosovo kan worden opgenomen in een regionaal pakket.

Als we in onze benadering niet verder kijken dan de grenzen van Kosovo en niet verder denken dan dit moment, bestaat het gevaar dat er niets van dit plan terecht komt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioannis Kasoulides (PPE-DE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, de rapporteur de heer Lagendijk en onze schaduwrapporteur de heer Posselt hebben zonder meer voortreffelijk werk verricht. Omwille van een algemeen principe zal ik echter niet vóór zijn verslag stemmen. Ik ben van mening dat een dergelijk geschil moet worden opgelost door middel van door de betrokken partijen wederzijds overeengekomen regelingen en niet via een eenzijdig optreden of opgelegde druk van buitenaf. Een duurzame regeling vereist de wil van degenen die de regeling ten uitvoer moeten leggen.

Ik sta niet achter het idee van een onafhankelijke staat met beperkte soevereiniteit. Een onafhankelijk land is volledig soeverein, tenzij er bezwaren zijn tegen de onafhankelijkheid ervan.

Ik ben me ervan bewust dat de terugkeer naar Servische soevereiniteit, splitsing of samenvoeging met een ander land geen realistische uitkomsten voor Kosovo zijn. Het onderhandelingsproces heeft misschien erg lang geduurd, maar het verslag-Ahtisaari is pas een paar weken geleden gepubliceerd. Waarom komen we zo snel tot de conclusie dat de standpunten van de partijen onverenigbaar zijn? We moeten ze ervan zien te overtuigen dat op redelijke termijn onderhandelen op basis van dat verslag de enige weg is.

De commissaris zei dat een toezegging aan Servië als een diplomatiek instrument kan dienen als we Belgrado willen stimuleren om zijn standpunt ten aanzien van de voorstellen van Ahtisaari te matigen. Ik denk dat geduld een deugd is die zeer van pas komt bij internationale diplomatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Józef Pinior (PSE). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, de zoektocht naar een oplossing voor de status van Kosovo is een goede test voor het nog prille buitenlandse beleid van de Europese Unie.

Eerst en vooral dienen we onze waardering uit te spreken voor de inspanningen van de heer Ahtisaari, speciaal gezant van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor het proces met betrekking tot de status van Kosovo, evenals voor het door hem uitgewerkte plan.

Ten tweede onderstreept het Europees Parlement dat elke regeling betreffende de toekomstige status van Kosovo niet alleen de democratisch tot uiting gebrachte wil van de inwoners van Kosovo in aanmerking moet nemen, maar ook de mensenrechten en het internationale recht moet eerbiedigen.

Ten derde moet de kwestie Kosovo in de bredere context van de situatie op de Balkan worden bekeken.

Nu we de vijftigste verjaardag van de ondertekening van de Verdragen van Rome vieren, zou ik in het bijzonder willen wijzen op de politieke verantwoordelijkheid van de Europese Unie bij het vastleggen van de toetredingsvoorwaarden en het effenen van de weg naar toekomstig EU-lidmaatschap voor Servië. De Europese Unie moet een historische rol spelen bij het bevorderen van democratie en welvaart voor alle volkeren op de westelijke Balkan.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Šťastný (PPE-DE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, waarde collega’s, hoewel ik van mening ben dat er nog meer gedaan kan worden om de goedkeuring van de Serviërs voor de definitieve overeenkomst te verkrijgen, steun ik het verslag-Lagendijk omdat hierin de nadruk ligt op het verwerven van de instemming van beide betrokken partijen.

De mensen in Kosovo mogen niet langer in het ongewisse blijven. Zij moeten dagelijks bloeden voor elke extra onderhandelingsdag. De geschiedenisboeken leren ons echter wat er gebeurt wanneer derden de uiteindelijke uitkomst van een conflict tussen twee landen bepalen zonder expliciete instemming van de primair betrokkenen. En dat is precies de teneur van het verslag van de heer Ahtisaari, waarvoor helaas onvoldoende Servisch draagvlak is.

Het lijkt er nu op dat alle beslissingen genomen zijn en dat Kosovo nu snel een onafhankelijke status krijgt. Maar als we daadwerkelijk bestendige vrede en welvaart op de westelijke Balkan willen, moeten we Belgrado aanmoedigen om een handtekening te zetten. Wij beschikken over de benodigde EU-middelen en wereldwijd opererende instellingen om een dergelijk doel te realiseren. Ik blijf er het beste van hopen en daarom zal ik het verslag-Lagendijk steunen, terwijl ik tegelijkertijd erken dat het werk van alle betrokken partijen nog niet af is op het moment dat de uiteindelijke status van Kosovo bekend wordt gemaakt. Hoe sneller we Servië kunnen overtuigen om de overeenkomst te accepteren, hoe beter het is voor de Balkan en voor Europa als geheel.

 
  
MPphoto
 
 

  Monika Beňová (PSE).(SK) Net als de vorige sprekers wil ik een compliment maken over het werk van de rapporteur en van onze schaduwrapporteur, de heer Tabajdi. Wij hebben ons in de Commissie buitenlandse zaken uitgebreid beziggehouden met de onderwerpen Priština en Belgrado. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties moet nu een besluit nemen over de status en vooral de toekomst van de mensen die nu in Kosovo leven. Dit besluit zal in gelijke mate van invloed zijn op Serviërs en Albanezen in Kosovo. Het zal ook in gelijke mate van invloed zijn op christenen en moslims. En het zal van invloed zijn op de ontwikkeling in de levenskwaliteit.

Als lid van het Europees Parlement betreur ik ten zeerste dat wij Servië in een hoek hebben gedreven waarin het land zijn toevlucht moet nemen tot Rusland. Het speelt de Russische kaart uit bij de verdediging van de Servische belangen in de Veiligheidsraad van de VN. Eerlijk gezegd geloof ik niet dat de leden morgen bij de stemming over het verslag amendementen zullen steunen die de legitimiteit van een van beide partijen uithollen. Ik denk dat dit Huis slechts voorstellen zal steunen die de beide betrokken partijen op een gelijkwaardige en rechtvaardige manier behandelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, waarde collega’s, ik wil u allen danken voor een zeer wezenlijk en grondig debat. Ik reken op uw stemmen morgen, en ik denk dat het verslag de Europese eensgezindheid zal vergroten om het statusproces voor Kosovo tot een goed einde te brengen.

Met het indienen van het voorstel van president Ahtisaari bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, heeft het proces nu de beslissende fase bereikt. Ik vertrouw erop dat de Veiligheidsraad zijn verantwoordelijkheid zal nemen en ik hoop dat het voorstel binnen afzienbare tijd wordt goedgekeurd.

En dan komt voor ons de moeilijkste fase, die van de implementatie van de status, zoals dat vandaag al is gezegd, een echte lakmoestest voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU. Daarom waardeer ik ten zeerste dat het Parlement en de rapporteur over Kosovo, de heer Lagendijk, deze gezamenlijke uitdaging ondersteunen.

Tot slot ben ik blij dat de drie instellingen het erover eens zijn dat Europese eenheid en leiderschap van de EU noodzakelijk blijven voor het realiseren van een duurzaam akkoord voor een democratisch en multi-etnisch Kosovo en blijvende regionale stabiliteit. Tegelijkertijd geven we Servië een tastbaar EU-perspectief, wat een stimulans zou kunnen zijn om het nationalistische verleden achter zich te laten en zich op een Europese toekomst te richten.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Mikko (PSE), schriftelijk. (ET) In de afgelopen acht jaar is de internationale gemeenschap ervan overtuigd geraakt dat onafhankelijkheid voor Kosovo de beste manier is om stabiliteit in de regio te waarborgen. De speciale afgezant van de Verenigde Naties, Martti Ahtisaari, heeft een verslag gepresenteerd waarin wordt aanbevolen Kosovo onafhankelijkheid te verlenen in al haar facetten, zonder het woord onafhankelijkheid expliciet te noemen.

In het verslag van de heer Lagendijk worden alle bekende feiten herhaald en wordt steun gegeven aan het verslag van de heer Ahtisaari als basis voor het bepalen van de status van Kosovo. Ik wil echter vragen of systematisering en parafrasering de enige meerwaarde is die het Europees Parlement kan bieden.

Het ontwerpamendement, waarvan de heer Lagendijk zelf een van de auteurs is, is een aanbeveling om het verslag aan te vullen met het concept van soevereiniteit onder toezicht, hetgeen dan ook de kern van het verslag is. Dit is de duidelijkheid die van ons wordt verwacht.

Het meest gehoorde argument tegen het ontwerpamendement is de angst voor Russisch ongenoegen. Al maandenlang waarschuwt Moskou dat onafhankelijkheid van Kosovo een precedent schept op basis waarvan Transnistrië, Abchazië en Ossetië ook onafhankelijk kunnen worden.

Het Kremlin is zich er echter terdege van bewust dat er geen juridisch precedent kan ontstaan. Kosovo is het enige gebied waar de Verenigde Naties een toereikend mandaat hebben om onafhankelijkheid aan te bevelen. Als lid van de VN-Veiligheidsraad heeft Rusland op 10 juni 1999 zijn goedkeuring gehecht aan onafhankelijkheid voor Kosovo.

Rusland wil alleen voorkomen dat zijn invloedssfeer in Europa kleiner wordt. Ik betwijfel of Rusland verantwoordelijkheid wil nemen voor een nieuw bloedbad in Kosovo, dat kan ontstaan als er geen onafhankelijkheid wordt verleend.

Ons uiteindelijke doel is het voorkomen van leed en het waarborgen van democratie en economische ontwikkeling. Hiervoor is soms moed vereist.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL).(EL) Met de aanvaarding van het verslag-Ahtisaari over de totstandbrenging van een 'onafhankelijk' protectoraat Kosovo, onder EU/NAVO-bezetting, veroorzaken de EU en het Europees Parlement een afscheiding en creëren zij een nieuwe staat op een nog niet eerder in de wereld vertoonde wijze. Daarmee worden alle tot nu bestaande overeenkomsten en alle beginselen van de VN en van het volkenrecht, zoals dit na de Tweede Wereldoorlog tot stand is gekomen, terzijde geschoven en geschonden. Met het verslag – waar de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, de liberalen en de sociaaldemocraten voor hebben gestemd – beoogt men nieuwe grenzen te trekken in de Balkan, de aanwezigheid van de militaire bezettingstroepen van de EU/NAVO te bestendigen en Servië ruwweg te chanteren. Tegelijkertijd worden de Servische bevolking van Kosovo en Servië zelf met provocerende schaamteloosheid op het beklaagdenbankje gezet en veroordeeld. Daarmee wordt de doos van Pandora geopend. Men blaast op het vuur van de tegenstellingen tussen de etnische groepen en van de conflicten in de gehele Balkan. Men moedigt afscheidingsbewegingen aan, legt de aanwezigheid van EU/NAVO-bezettingstroepen in het gebied op en legaliseert deze aanwezigheid.

Nu wordt geleidelijk aan duidelijk wat de ware doelstellingen waren van de criminele oorlog van de NAVO tegen Joegoslavië, die werd gevoerd met de deelneming van de EU en van de centrumlinkse en centrumrechtse regeringen van de EU-lidstaten. Onder die regeringen bevond zich ook de toenmalige PASOK-regering van Griekenland, wiens beleid nu met dezelfde coherentie wordt voortgezet door de ND-regering. Daaruit blijkt eens te meer dat beide partijen, dat beide onderdelen van het tweepartijensysteem, betrokken willen zijn bij en steun willen geven aan de criminele, imperialistische plannen van de EU, de NAVO en de VS in dit gebied en in de hele wereld.

 

15. Opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de spreektijd van één minuut uit hoofde van artikel 144 van het Reglement.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE).(SK) Vrijwel ieder land heeft in zijn geschiedenis wel magere jaren meegemaakt als gevolg van natuurrampen of sociale gebeurtenissen. De hongersnood die Oekraïne in de jaren 1932 en 1933 in zijn greep hield, was echter uitzonderlijk. Miljoenen Oekraïense boeren stierven ten gevolge van een beleid waarmee de bevolking bewust werd geterroriseerd door middel van uithongering. Deze barbaarse misdaad werd begaan jegens miljoenen onschuldige Oekraïners door het totalitaire regime van de toenmalige Sovjet-Unie, een van de wreedste van de twintigste eeuw.

Ik juich de gezamenlijke pogingen van alle Oekraïense leiders toe om met terugwerkende kracht recht te doen wedervaren en een verleden voor het voetlicht te brengen dat zoveel jaren verborgen is gehouden. Vroeger was iedere poging om de totalitaire praktijken van de onaantastbare Stalin te veroordelen op zijn minst bestraft met levenslange gevangenisstraf – zoals in het geval van mijn eigen vader, die negen jaar lang de hel van de goelag moest doorstaan – of met onmiddellijke executie.

Dames en heren, de verschrikkelijke beelden die momenteel te zien zijn op de hongersnoodtentoonstelling die in het Europees Parlement is geopend in het bijzijn van Viktor Janoekovitsj, moeten een aansporing voor ons zijn om de afschuwelijke misdaden van het stalinisme in de voormalige Sovjet-Unie resoluut te veroordelen. Indien het Europees Parlement de hongersnood als genocide erkent, geeft het uiting aan zijn solidariteit met het Oekraïense volk. Dit zal het doen in een schriftelijke verklaring, Verklaring 4/2007, die de meeste leden naar mijn idee zullen ondertekenen voor 15 april.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Schulz (PSE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, ik had ook de indruk dat de heer Evans en mevrouw Gill hun enthousiasme voor hun fractievoorzitter nauwelijks konden beteugelen.

Ik wil u en de afgevaardigden in het Parlement graag attenderen op een hoogst bedenkelijke ontwikkeling die ons grote zorgen baart. Sinds enkele maanden zien we in de Europese Unie dat journalisten in toenemende mate onder vuur liggen. Het gaat, om precies te zijn, om een ontwikkeling in Bulgarije die representatief is voor een reeks ontwikkelingen die ons zorgen baren. Journalisten die zich kritisch hebben uitgelaten over een extreemrechtse partij die ook in dit Parlement is vertegenwoordigd, zijn in Bulgarije door leden van die partij fysiek, psychisch en in materieel opzicht bedreigd. Het gaat zoals gezegd om een partij die ook in dit Parlement is vertegenwoordigd. Het is onze plicht erop te wijzen dat er niet alleen buiten, maar ook binnen de Europese Unie sprake is van een toenemende agressiviteit tegen journalisten die meningen verkondigen die bepaalde politieke groeperingen niet aanstaan. Ik vraag aandacht voor de bescherming, onafhankelijkheid en veiligheid van journalisten!

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, gisteren was het de 200ste verjaardag van de afschaffing van de slavernij. Deze onmenselijke praktijk was verbonden met de voornamelijk door Europese landen uitgevoerde wereldwijde kolonisatie. Hoewel de slavernij afgeschaft is, bestaat kolonisatie nog steeds. Twee lidstaten van de EU, te weten Groot-Brittannië en Frankrijk, hebben op dit moment nog koloniën. Groot-Brittannië heeft er 14 en Frankrijk nog veel meer. De koloniën van Groot-Brittannië, met uitzondering van Brits Antarctica, omvatten in totaal 50 000 km2 en er wonen 250 000 mensen. De Franse koloniën beslaan in totaal 123 000 km2 en er wonen 2,5 miljoen mensen. Terwijl de politieke en mensenrechten van de inwoners van deze koloniën ernstig worden geschonden, knijpen de EU-instellingen een oogje toe.

Het Europees Parlement is hierop geen uitzondering. In geen van de jaarverslagen inzake mensenrechten die het Parlement in de afgelopen jaren heeft goedgekeurd, vinden we ook maar enige verwijzing naar kolonisatie. Alle pogingen van individuele Parlementsleden om hier iets aan te doen worden categorisch verworpen. Wat vreemd, of moet ik zeggen wat hypocriet. Wij veroordelen schendingen van de mensenrechten door elk land ter wereld, tenzij het over onze eigen lidstaten gaat. Is dit waar de EU voor staat? Schande!

 
  
MPphoto
 
 

  Hanna Foltyn-Kubicka (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, we kunnen nog amper op de vingers van een hand tellen hoe vaak het Europees Parlement, andere Europese instellingen of de Raad van Europa Wit-Rusland al hebben opgeroepen om een einde te maken aan de praktijken die in strijd zijn met de fundamentele rechten van de burger.

Afgelopen zondag konden we ons er nog maar eens van vergewissen dat het regime van Loekasjenko op elke oproep van Europa reageert. Een dag die in het teken van de vrijheid had moeten staan, werd een gelegenheid om de Wit-Russen eraan te herinneren dat ze zich in gevangenschap bevinden. Traangas, gummiknuppels en waterkanonnen zijn het antwoord van een tiran op het verlangen van het volk naar brood en vrijheid. We mogen niet toelaten dat één man met heel Europa de spot drijft en onder onze ogen ongestraft zijn autoritaire regime handhaaft.

Als vertegenwoordigers van een verenigd Europa moeten we blijven ijveren voor een vrij Wit-Rusland. We moeten ons afvragen of de middelen die we tot nu toe hebben ingezet wel toereikend zijn, of we de eisen aan het adres van de Wit-Russische regering niet nog krachtiger moeten herhalen en of we de democratische oppositie in het land niet op een doeltreffendere en meer open manier moeten steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Věra Flasarová (GUE/NGL) – (CS) Gelijke kansen voor man en vrouw vormen een belangrijk onderdeel van de strategie van de Europese Unie. Toch wordt het grote publiek niet in alle lidstaten regelmatig geïnformeerd over het belang van gendergelijkheid.

Het geplande partnerschap dat was geïnitieerd in het kader van het Equal-programma, heeft het initiatief genomen voor de viering van de Dag van de gendergelijkheid. Op 19 juni wordt nu al in meerdere Europese lidstaten de dag van de gelijkheid van man en vrouw gevierd. Het doel ervan is om respect af te dwingen voor gendergelijkheid, een positief beeld te geven van de man-vrouwrelatie en het publiek bewuster te maken van het belang van deze kwestie.

De Dag van de gendergelijkheid is ook gericht op mannen, want ook mannen zijn soms het slachtoffer van discriminatie of achterstelling. Deze internationale dag is een blijk van waardering voor de jarenlange inspanningen van vrouwenrechtenactivistes en levert een bijdrage aan de versterking van de politieke, economische en maatschappelijke positie van vrouwen. Met de Dag van de gendergelijkheid wordt getracht het begrip gelijke kansen te betrekken op beide seksen.

19 Juni is net na Vaderdag. Dat biedt de mogelijkheid om nog eens te benadrukken dat de deelname van vaders aan de zorg voor kinderen en gezin een gedeeld belang is. Ik denk dan ook dat dit Jaar van gelijke kansen voor iedereen de meest uitgelezen gelegenheid is voor het invoeren van een Dag van de gendergelijkheid in de Europese Unie.

 
  
  

VOORZITTER: PIERRE MOSCOVICI
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, naar aanleiding van de eerdere opmerkingen van de Voorzitter over de ontwikkelingen in Belfast, zou ik willen opmerken dat ik begrip heb over de euforie vanaf deze plek over de politieke ontwikkelingen in Belfast.

Ik moet het Parlement echter melden dat ik, en vele anderen in Noord-Ierland, geen enkele reden zie om mij te verheugen in de voorbarige toelating tot de regering van mensen die de immorele terreurcampagne die tot de dood van duizenden onschuldige burgers heeft geleid, persoonlijk hebben goedgekeurd, uitgeoefend en onvoorwaardelijk hebben gesteund. Ik zeg 'voorbarig' omdat Sinn Féin zelfs op dit moment nog stemming maakt doordat prominente leden van de organisatie legitieme arrestaties voor ernstige misdrijven veroordelen. Voorts weigeren zij om volledige medewerking aan de politie te verlenen bij het bestraffen van degenen die verantwoordelijk zijn voor wandaden, zoals de Omagh-bomaanslag waarbij 29 onschuldige winkelende mensen om het leven kwamen.

Waar ter wereld verwacht je dat er in een regering ministers zitten die onlosmakelijk verbonden zijn met, of misschien wel lid zijn van, de illegale legerraad van een illegaal privéleger? Toch is dat precies wat velen in dit Parlement toejuichen.

Uit kwaad kan geen goed voortkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Атанас Папаризов (PSE). – Г-н Председател, българските граждани и редица правозащитни и професионални организации, с масови публични изяви и демонстрации, отбелязаха седемте години от задържането на петте български медицински сестри и палестинския лекар, осъдени на смърт от либийския съд. Резолюцията на Европейския парламент от 18 януари и заключенията на Съвета по общи въпроси от 22 януари и 22 февруари са израз на загрижеността на европейските институции и на страните-членки за положението на българските медици. Солидарността на страните-членки и постоянната загриженост на европейските институции са основа въпросът на българските медицински сестри да се реши. Единната европейска позиция, която, надяваме се, Европейският съюз и страните-членки ще изработят до края на този месец, може да стане основа за разговори с либийската страна за приключване на случая.

Уважаеми г-н Председател, уверен съм, че Европейският парламент, Съветът на министрите и Европейската комисия ще продължат съгласувано да действат в полза на решаването на въпроса на българските медицински сестри в Либия.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, in de Verklaring van Berlijn zijn waarden opgenomen die alle Europeanen delen, onder meer de mensenrechten en de democratie. De kracht van de Verklaring ligt ontegenzeggelijk in het feit dat ze een beknopt overzicht geeft van de waarden die de lidstaten en de burgers van de Europese Unie gemeen hebben. Het document wijst tevens op de beginselen van gelijkheid en solidariteit, die aan de basis van de Europese integratie liggen, en op twee belangrijke waarden die de Unie altijd hoog in het vaandel heeft gedragen, diversiteit en soevereiniteit.

De Verklaring van Berlijn maakt de burgers in Europa duidelijk dat de Europese Unie het enige doeltreffende antwoord is op de uitdagingen van de mondialisering en de wereldwijde concurrentie.

Het document schept echter geen duidelijkheid over de volgende stappen in de uitbreiding van de Europese Unie, noch over een toekomstig gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Ik ben van mening dat dit document een goed uitgangspunt vormt voor de toekomstige werkzaamheden aan een nieuw kader voor de Europese Unie. Toch is dit veeleer een formele verklaring dan een inspirerende openingsceremonie. Om ervoor te zorgen dat de Verklaring van Berlijn daadwerkelijk een nieuwe start betekent, is de goede wil van de lidstaten onontbeerlijk. De toekomst van Europa ligt in onze handen. Laten we dat niet vergeten.

 
  
MPphoto
 
 

  Marco Cappato (ALDE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, normaliter reageert de voorzitter van dit Parlement wanneer de leiders van dictaturen (China, Cuba en andere landen) het Europees Parlement aanvallen op zijn resoluties en beslissingen.

Welnu, de vertegenwoordiger van een absolutistische staat, de Staat Vaticaanstad, in de persoon van kardinaal Angelo Scola, beklaagt zich over het feit dat 'het op terreinen als het huwelijk, het gezin en het leven' – en ik citeer kardinaal Scola – 'niet gepast is dat het huidige Europees Parlement voortdurend verklaringen aflegt, waarmee het feitelijk druk uitoefent en voorwaarden oplegt aan individuele landen'.

Kardinaal Scola heeft dergelijke opmerkingen ook ten overstaan van de Voorzitter van ons Parlement gemaakt, en daarom vind ik dat de Voorzitter van het Europees Parlement en het Parlement zelf moeten reageren, zoals ze dat altijd doen als de onafhankelijkheid en de beraadslagingen van dit Huis onder vuur worden genomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Borghezio (UEN). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Giornale di Milano, een Italiaanse krant, en enkele nieuwsdiensten, zowel Italiaanse als Oekraïense, hebben een gebeurtenis beschreven die een groot effect heeft gehad op al diegenen die nog altijd herinneringen hebben aan de gesneuvelden tijdens de Tweede Wereldoorlog, of bij wie de wonden zelfs nog niet zijn geheeld.

Waar het om gaat, zijn de overblijfselen van meer dan 200 Italiaanse soldaten die de pech hebben gehad om in een gebied te zijn begraven dat aan een kleine stad in Oekraïne toebehoort, waar al eerder een poging is ondernomen om een enorm gebouw van tien verdiepingen op te richten. Dit plan is vandaag opnieuw ter sprake gebracht, maar nu om er een supermarkt te bouwen.

Ik ben van mening dat we, op basis van de waarden waarop de Europese Unie is gebaseerd, duidelijk onze afkeuring kenbaar moeten maken en een krachtig standpunt moeten innemen. Ik verzoek de Voorzitter van het Parlement daarom dringend om zich tot de Oekraïense overheid te richten in de hoop deze schande te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún (GUE/NGL). – A Uachtaráin, ó thaobh an méid a dúirt Uachtarán na Parlaiminte inniu faoi imeachtaí na seachtaine seo i mBéal Feirste, ba mhaith liom fosta fáilte a chur roimh ráiteas na seachtaine seo ó Ian Paisley agus ó Gerry Adams.

Léiríonn an comhaontú idir Sinn Féin agus agus an DUP – agus an gealltanas soiléir sin ó Ian Paisley faoi athbhunú na n-institiúidí polaitiúla ar an ochtú lá de mhí na Bealtaine – tús ré nua polaitiúla in Éirinn. Bhí sé d’onóir domsa freastal ar an chruinniú stairiúil idir Sinn Féin agus an DUP dhá lá ó shin. Taispeánann na cainteanna agus taispeánann an comhaontú idir ár ndá pháirtí cad is féidir a bhaint amach anois.

Ba mhaith le Sinn Féin caidreamh nua a thógáil inar féidir le gach duine a bheith páirteach i dtodhchaí rathúil, shíochánta agus chóir. Caithfear dul i ngleic ar ndóigh le cuid mhór dúshlán agus cuid mhór deacrachtaí go fóill, ach níor chóir do dhuine ar bith meas faoi luach a thabhairt ar chuntasacht fhorbairtí na seachtaine seo, agus na féidearthachtaí a chruthaíonn siad don dul chun cinn polaitíochta in Éirinn.

 
  
MPphoto
 
 

  Мартин Димитров (PPE-DE). – Уважаеми г-н Председател, уважаеми колеги, оставам с впечатлението, че европейският комисар Ласло Ковач е решил да увеличи всички възможни минимални акцизи, започна с алкохола, продължи с дизела.

На 13 март Европейската комисия прие предложение за промяна на Директива 96, като предвижда увеличаване на минималните нива на акциза върху дизел от 302 евро на 380 евро за хиляда литра. Според Комисията, с увеличението на акциза се опазва околната среда. В анализа си Комисията пропуска да отбележи, че страни като България и Румъния още не са достигнали сегашните минимални нива на акцизите, а се предлага ново увеличение. Ако се приеме това предложение, България ще трябва да увеличи акциза върху дизела с 40%. Това би довело до покачване на цените на основни потребителски стоки абсолютно несъизмеримо с ръста на доходите в България. Едно такова нарастване на цените ще доведе до евроскептицизъм, особено в източната част на Европейския съюз и до проблеми с приемането на еврото. Европейският парламент трябва категорично да се противопостави на едно такова необосновано предложение.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE) . (MT) De ex-post onderzoeken naar de bouw van deze afvalverwerkingsinstallatie in Marsascala worden door iedereen als een farce beschouwd, ook door functionarissen van de Maltese milieuautoriteit. Dit proces gaat voorbij aan een aantal artikelen van de opdrachtbeschrijving en is in strijd met een aantal richtlijnen van de Europese Unie. De uitgevoerde studie naar de benodigde technologie blijft geheim, terwijl een vergelijkende analyse van alternatieve vestigingsplaatsen wordt gezien als niet serieus, broddelwerk en zelfs ondeugdelijk.

Sociaaleconomisch onderzoek naar de bewoners van het gebied is niet naar behoren en overeenkomstig de opdracht uitgevoerd, terwijl de studie naar de effecten op de milieuhygiëne volledig is genegeerd. We mogen niet vergeten dat deze installatie gebouwd gaat worden in een woonwijk, op maar 250 meter afstand van bewoonde zones.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). (LT) Het Via Baltica-project is van groot belang voor de integratie van de vervoerssystemen van de Oostzeestaten en de Noord- en Midden-Europese landen met de rest van de Europese Unie. De Europese Commissie heeft de zaak van de rondweg rond het Poolse Augustow in het kader van de Via Baltica, waarvan de bouw al was begonnen voordat Polen toetrad tot de EU, aanhangig gemaakt bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Het beroep is gebaseerd op vermeende schendingen van milieubepalingen met betrekking tot de Rospuda-vallei, dat door het geplande viaduct zal worden doorsneden. Het is de bedoeling dat 4 procent van de middelen voor het project wordt uitgetrokken voor vergoedingen ter compensatie van schade aan het milieu, voor wildoversteekplaatsen en voor herbebossing. De Commissie heeft geen alternatieve route voorgesteld en geen duidelijk voorstel tot schadevergoeding gedaan. Dergelijke milieubeschermingsbezwaren zijn echter niet geuit met betrekking tot de Oostzeegasleiding die door Natura 2000-gebied zal lopen en die onoverzienbare gevolgen voor het milieu met zich mee zal brengen. De Europese Commissie trekt zich niets aan van de burgers van Augustow en de luchtverontreiniging waarmee die te maken hebben. Zou er ooit een einde komen aan de dubbele normen die de EU hanteert voor de 'grote jongens' van Europa en hun strategische partner Rusland?

 
  
MPphoto
 
 

  Milan Gaľa (PPE-DE).(SK) De Europese Commissie heeft een inbreukprocedure ingesteld tegen Slowakije, aangezien bepaalde eigenaren van schepen die varen onder Slowaakse vlag gebruik maken van de diensten van Bulgaarse en Turkse classificatiebureaus. De Commissie heeft deze nog niet opgenomen in haar lijst van erkende classificatiebureaus. Het gaat hierbij om twintig zeeschepen die onder Slowaakse vlag varen. De schepen zijn eigendom van buitenlandse ondernemingen die staan geregistreerd in verschillende landen.

Uiteindelijk is het echter Slowakije dat een boete van SKK 480 miljoen zal moeten betalen. De overeenkomsten met de betrokken ondernemingen werden gesloten voordat Slowakije toetrad tot de Europese Unie en deze hadden een langdurig karakter. Afgelopen november werd er een nieuwe richtlijn van kracht, waarbij lidstaten worden verplicht om alleen ondernemingen te erkennen die worden erkend door de Europese Unie.

Slowakije heeft de Europese Unie verzocht het Bulgaarse classificatieregister te erkennen. Ik denk dat Slowakije zijn best zal doen om zo snel mogelijk verandering te brengen in de situatie. Daarom wil ik de Commissie verzoeken om niet overhaast in te grijpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) De afgelopen weken is er in de Europese pers veel geschreven over het conflict tussen de Poolse regering en enkele milieugroepen die de unieke Rospuda-vallei trachten te redden. Dolina Rospudy is een uitzonderlijk natuurgebied dat in het kader van het programma Natura 2000 wordt beschermd.

We weten intussen dat de Europese Commissie de kwestie van de geplande weg door de Rospuda-vallei heeft doorverwezen naar het Europees Hof van Justitie. Hoewel ik uiteraard waardering heb voor de inspanningen van de Europese commissaris voor milieu, de heer Dimas, betreur ik ten zeerste dat hij er niet in geslaagd is om een uitweg uit deze patstelling te vinden en een compromis met de Poolse regering te sluiten, in plaats van onnodig tweedracht te zaaien in de Poolse samenleving. Een eventuele inbreuk op het communautaire recht kan tot gevolg hebben dat Polen – en dus eigenlijk de Poolse belastingbetaler – wordt veroordeeld tot het betalen van een boete die tot enkele miljoenen euro kan oplopen. Dat zou eveneens tot ernstige vertragingen bij de wegwerkzaamheden kunnen leiden. Het ontbreken van een akkoord over een mogelijk alternatief traject zal in geen geval bijdragen tot een snelle oplossing voor de huidige verkeersproblemen van de inwoners van het gebied.

Bijgevolg zullen ook dit keer de gewone burgers opdraaien voor de onbuigzame houding en het gebrek aan juridische kennis van de overheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, naar aanleiding van de Verklaring van Berlijn afgelopen weekend en de koers die is uitgezet voor 2009 als jaar van de verjonging of vernieuwing van het Verdrag in samenhang met de Europese verkiezingen, wil ik voorstellen dat wij 2009 tot het jaar van het kind uitroepen. Het doel is niet alleen om diegenen te beschermen die het meest kwetsbaar zijn en om binnen de Europese Unie gemeenschappelijke normen vast te stellen voor de wijze waarop wij onze kinderen beschermen. Het doel is ook om aan toekomstige generaties een positief signaal af te geven over de wijze waarop zij het project van de Europese Unie na vijftig jaar opbouw en ontwikkeling kunnen voortzetten. Daarom wil ik dit voorstel inbrengen en mijn collega’s vragen dit zoveel mogelijk te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik vraag uw aandacht voor de overeenkomst aangaande de nieuwe EU-instrumenten voor externe bijstand, en in het bijzonder het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, waarmee het Parlement meer toezicht krijgt op de uitvoering van de communautaire bijstand.

Het Parlement is bereid om een actieve rol te spelen in de tenuitvoerlegging van de EU-instrumenten voor externe bijstand, hoewel de Commissie nog niet klaar is voor een open en tijdige samenwerking met het Parlement.

Het Parlement wordt steeds pas vlak voor de aanneming ervan betrokken bij het proces van het opstellen van documenten – dat wil zeggen de strategiedocumenten, actieplannen en nationale indicatieve programma’s – zodat er nauwelijks mogelijkheden zijn om wijzigingen aan te brengen of advies over een kwestie uit te brengen. Het Parlement blijft daarom een passieve toeschouwer bij de tenuitvoerlegging van het ENPI.

Wij zouden de Commissie dan ook moeten verzoeken met het Parlement te communiceren en het Parlement volledig en tijdig te betrekken bij het opstellen, uitvoeren en controleren van het Europees nabuurschapsbeleid, en het ENPI in het bijzonder.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat ik bij mijn derde poging toch nog het woord krijg, al zie ik wel in dat, nu zelfs fractievoorzitters van deze mogelijkheid gebruikmaken, ik als parlementariër van de achterste bankjes weinig kans maak het woord te mogen voeren.

Ik sta uitermate kritisch tegenover het voornemen van de Poolse regering om zieke mensen – ook burgers uit de Europese Unie – uit te wijzen. Ik beschouw dat als een zware aanslag op grondrechten van de Europese Unie, zoals de vrijheid van vestiging en het vrije personenverkeer. Ik roep de Europese Commissie op direct de nodige stappen te zetten om deze voortdurende provocatie van de beide broers aan het hoofd van de regering een halt toe te roepen.

Ik zou ook graag willen weten waarom de Commissie op zoveel terreinen onmiddellijk handelend optreedt, bijvoorbeeld in de kwestie van Duitse studenten in Oostenrijk, maar bij dergelijke omvangrijke problemen helemaal niets doet. Ik vind dat schandalig.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, Joseph Conrad heeft eens gezegd dat alle mensen eigenlijk op zoek zijn naar een bepaalde vorm van, of misschien alleen maar een recept voor, vrede. Nu wij het vijftigjarig jubileum vieren van dit unieke Europese project, dat vrede en veiligheid binnen ons werelddeel heeft gebracht, voltrok zich deze week een ongekende, opmerkelijke en uiterst positieve ontwikkeling op het vlak van vrede en vooruitgang in Ierland. Eindelijk hebben we meer dan een zekere vorm van vrede, en is er ook zicht op een vreedzame toekomst voor de burgers in het noorden en het zuiden van Ierland.

Ik wil de terugkeer van de afgevaardigde regering naar Noord-Ierland van harte toejuichen. De beslissing van de grootste politieke groeperingen, de Unionisten en Sinn Féin, om rechtstreeks te overleggen en binnen zes weken overeenstemming te bereiken over de machtsdeling, is een uiterst veelbelovende mijlpaal en vormt het eindspel in het langdurige vredesproces in Noord-Ierland, na veertig jaar van geweld.

Het is belangrijk dat wij in het Europees Parlement stilstaan bij de buitengewone gebeurtenissen in Stormont deze week. Ik erken hierin met name de rol van de Unionisten en de SDLP, David Trimble en John Hume, hun voormalige leiders, hun huidige leiders …

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik vraag uw aandacht voor de recente gebeurtenissen in Pakistan rond de schorsing van de President van het Hooggerechtshof Mohammed Chaudhry, die heeft geleid tot grote onrust in dit land.

In december heb ik in mijn hoedanigheid van voorzitter van de SAARC-delegatie tijdens een bezoek aan Pakistan de kwestie van de vrijheid van de rechterlijke macht en de media op het hoogste niveau onder de aandacht gebracht. Het is daarom teleurstellend dat wij over beide aspecten slechte berichten horen. Ik ben de Pakistaanse Ambassadeur voor de EU echter dankbaar voor het verstrekken van de verklaringen van zijn regering met betrekking tot de ondersteuning van de persvrijheid. Ook heb ik grote waardering voor de toezegging dat men de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zal handhaven.

Ik zou de Voorzitter van het Parlement echter met klem willen aanraden om in het belang van de openheid te verzoeken om een afschrift van de referentie die naar de Hoge Raad voor de Magistratuur is gestuurd, en om een uitgebreide toelichting op de aanleiding voor de Hoge Raad voor de Magistratuur om rechter Chaudhry te schorsen.

Ten slotte wil ik de Voorzitter vragen ook de Pakistaanse overheid dringend te verzoeken om, hoe terecht de schorsing van de opperrechter ook mag zijn, openbare hoorzittingen te houden, zodat de internationale gemeenschap zich ervan kan verzekeren dat de rechtszaak eerlijk verloopt.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Evans (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, we blijven in hetzelfde deel van de wereld: ik wil namelijk de verslechterende situatie in Sri Lanka onder de aandacht van dit Huis brengen. Het staakt-het-vuren daar is vrijwel non-existent. Ik vind dit tragisch. Meer dan 200 000 mensen worden op de vlucht gedreven door de opgelaaide gevechten. Meer dan 3 000 burgers, en uiteraard een aantal soldaten aan alle zijden, zijn om het leven gekomen.

Het Parlement zou onafhankelijke mensenrechtenwaarnemers kunnen vragen toezicht te houden op schendingen die plaatsvinden, en op de vele schendingen die worden gepleegd door de veiligheidstroepen van Sri Lanka, de Tamil Tijgers en de andere gewapende groeperingen verspreid over het hele eiland. Ik ben van mening dat dit Europees Parlement moet optreden en de bevolking van dit prachtige eiland moet steunen, zodat een vreedzame oplossing kan worden bereikt en dit conflict zo spoedig mogelijk kan worden beëindigd.

Dank u zeer. 47 seconden!

(Gelach)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – De seconden die u hebt bespaard, hebt u aan mevrouw Gill gegeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlo Fatuzzo (PPE-DE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, toen ik vanuit Bergamo naar Brussel vloog, kwam ik in contact met een afvaardiging van 27 weduwen, één namens elk van de lidstaten van de Europese Unie, die protesteerden tegen het feit dat het overlevendenpensioen dat aan weduwen van gepensioneerden en werknemers wordt uitbetaald, slechts de helft van het pensioen bedraagt dat hun echtgenoten ontvingen.

De weduwen vroegen me om dit vraagstuk in het Europees Parlement ter sprake te brengen – wat ik nu doe – en ze waren er van overtuigd dat hun verzoek ingewilligd zou worden door alle 27 regeringen die samen de Europese Unie vormen. Ze hopen dat er eindelijk een Europees pensioen wordt ingevoerd dat leidt tot gelijke, betere rechten voor alle Europese burgers, en ik dring hier ook op aan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het spijt me, maar we moeten verder met het volgende agendapunt. Ik kan u echter zeggen dat iedereen die vandaag het woord heeft gevraagd voorrang zal krijgen tijdens de vergadering in Straatsburg in april, met dien verstande dat ze zich voor de vorm opnieuw moeten inschrijven. De Voorzitters van die zitting zullen hierover geïnformeerd worden, en de afgevaardigden zullen bovenaan de lijst met sprekers worden geplaatst.

 
  
MPphoto
 
 

  Димитър Стоянов (ITS). – В съвременното демократично общество медиите и тяхната свобода са нещо много важно. Тяхното влияние над обществото е толкова голямо, че ние често се обръщаме към тях като към четвърта власт.

Вземам думата по отношение на изказването на г-н Шулц, което ме засегна лично, относно свободата на медиите. Защото ние знаем, че в съвременната демокрация основната характеристика на всяка власт е, че тя бива контролирана по някакъв начин, за да не се позволяват злоупотреби с нея. И за да ви опиша по-добре какъв е случаят специално, който г-н Шулц имаше предвид в България ...

(г-н Стоянов и прекъснат от председателя)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Meneer Stoyanov, ik moet u nu het woord ontnemen. Ik zou graag willen weten op grond van welk artikel uit het Reglement u het woord vraagt en over welk onderwerp, want op dit moment is uw toespraak nogal algemeen van aard.

 
  
MPphoto
 
 

  Димитър Стоянов (ITS). – Относно чл. 145 от Правилника.

(Г-н Стоянов е прекъснат от председателя)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik zou u erop willen wijzen dat artikel 145 stelt, als het gaat om een spreker die het woord neemt om over een persoonlijk feit te spreken, dat hij 'niet over het behandelde onderwerp mag spreken, doch slechts uitlatingen die bij de beraadslaging op zijn persoon betrekking hadden of hem ten onrechte toegeschreven meningen tegenspreken of rechtzetten, dan wel eigen uiteenzettingen verduidelijken'. Daarom zou ik u willen vragen niet langer over algemene zaken te spreken en ter zake te komen over het punt dat u betreft, want u hebt het woord gevraagd om over een persoonlijk feit te spreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Димитър Стоянов (ITS). – Не съм съгласен г-н Председател, защото моят отговор изисква изясняване на обстоятелствата, за да мога да отхвърля твърденията ...

(Г-н Стоянов е прекъснат от председателя)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – U hoeft het er niet mee eens of oneens te zijn, dat is het Reglement.

 
  
MPphoto
 
 

  Димитър Стоянов (ITS). – Значи това е диктатура, г-н Председател.

(Г-н Стоянов е прекъснат от председателя)

Няма свобода на словото в този парламент.

Няма свобода на словото в този парламент.

(Г-н Стоянов е прекъснат от председателя)

Това е свободата на словото в този парламент. Отнема се думата, без да се даде възможност....

(Председателят отнема думата на г-н Стоянов)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dit is geen dictatuur; integendeel, dit is een democratie. We hebben een Reglement, en dat moet nageleefd worden. Afgevaardigden kunnen binnen dit Parlement geen algemene uitlatingen doen over een onderwerp van hun keuze.

Meneer Stoyanov, ik had begrepen dat u het woord wilde nemen om over een persoonlijk feit te spreken. Dat is niet het geval, en ik kan u niet verder laten gaan.

 

16. Biologische productie en etikettering van biologische producten (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0061/2007) van Marie-Hélène Aubert, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten (COM(2005)0671 – C6-0032/2006 – 2005/0278(CNS)).

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel , lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik juich deze gelegenheid om ons voorstel voor een nieuwe verordening van de Raad inzake de biologische productie te bespreken, toe. Allereerst wil ik graag de rapporteur, mevrouw Aubert, en de leden van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling danken voor hun inspanningen. Het grondige werk dat zij hebben verricht, levert een zeer waardevolle bijdrage aan onze besprekingen.

Gezien het feit dat er binnen de Europese Unie 160 000 biologische landbouwbedrijven zijn met meer dan zes miljoen hectare landbouwgrond, wordt de omzet van biologische producten geschat op een bedrag tussen de dertien en veertien miljard euro. Deze tendens vertoont een stijgende lijn, dus het is zeker een zeer belangrijke sector. Het lijdt voor mij geen twijfel dat deze groeiende sector een essentiële rol te vervullen heeft. Hij komt tegemoet aan een reeks verwachtingen van het publiek en de klant; verwachtingen op het gebied van voedselkwaliteit, zorg voor het milieu, dierenwelzijn en mogelijkheden om het platteland te ontwikkelen.

Het is ook een sector met veel optimisme voor en vertrouwen in de toekomst, zoals ik duidelijk heb kunnen zien tijdens mijn recente bezoek aan de BioFach in Nürnberg. Maar als deze sector zijn volledige potentieel wil benutten, is er een geschikt regelgevingskader nodig, en dit is feitelijk wat we willen bereiken met onze nieuwe verordening. Het is daarom een zeer belangrijk wetgevingsvoorstel, en ik ben verheugd over de vooruitgang die we door onze beraadslagingen van het afgelopen jaar hebben kunnen boeken.

In 2006 vonden er in de Raad en het Parlement zeer intensieve discussies plaats over ons voorstel. Als gevolg hiervan zijn enkele aspecten uit het originele voorstel die erg gevoelig bleken te liggen, nu helemaal verdwenen. Hiertoe behoren een verbod op verdergaande beweringen, de wederzijdse erkenning van particuliere normen door controleorganisaties en de Europese biologische aanduiding.

Ook heeft het Parlement een reeks amendementen voorgesteld om de formulering van de doelstellingen en beginselen van biologische landbouw te verbeteren, met betrekking tot de aanduiding van de herkomst van de producten, met betrekking tot het expliciete recht om nationale en internationale logo’s te mogen gebruiken, met betrekking tot het verankeren van het controlesysteem in de officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen, en de aanvullende garanties op importproducten. Deze amendementen verbeteren het originele voorstel, en ik zal ze daarom met genoegen overnemen.

Daarnaast zijn we erin geslaagd om in de verordening meer nadruk te leggen op bodemvruchtbaarheid, bodemleven en bodembeheerspraktijken. Het vraagstuk rond GGO’s en biologische landbouw heeft veel discussie opgeroepen. Ik heb nota genomen van de wens van het Parlement om marktdeelnemers te laten bewijzen dat ze alle nodige maatregelen hebben genomen om onvoorziene of technisch onvermijdelijke aanwezigheid van GGO’s te vermijden, en ik ben het daar roerend mee eens. Hoewel deze amendementen dus een herhaling zijn van een bestaande eis heb ik besloten ze te aanvaarden vanwege de enorme gevoeligheid van deze kwestie.

Maar laat tegelijkertijd glashelder zijn dat de drempel voor onvoorziene aanwezigheid van GGO’s geen feitelijke drempel is voor tolerantie ten opzichte van GGO’s, zoals sommigen suggereren. Het gebruik van GGO’s en daarvan afgeleide producten in de biologische productie blijft ten strengste verboden.

Hoewel de Commissie en het Parlement elkaar met betrekking tot de fundamentele aspecten van de nieuwe verordening hebben gevonden, zijn er bepaalde kwesties waarover we het nog niet eens hebben kunnen worden, en enkele daarvan wil ik kort bespreken.

Het Parlement vraagt om meer details, en het is duidelijk dat een groot deel van de gedetailleerde regels zoals we die van de huidige verordening kennen, zijn geschrapt. Laten we echter niet vergeten dat een van de belangrijkste doelen van dit voorstel was om de basisregels duidelijker en logischer te op te stellen. Dit betekent echter niet dat de gedetailleerde regels die de unieke structuur van biologische normen vormen, maar helemaal moeten verdwijnen. Beslist niet. Maar ik ben van mening dat ze beter op hun plaats zijn in de uitvoeringsregels, en qua inhoud zullen deze gedetailleerde regels, zoals ik u al eerder bevestigde, zeer veel lijken op de gedetailleerde regels van de huidige verordening.

Met betrekking tot onze wens om het toepassingsgebied uit te breiden zodat het ook grootkeukens, cosmetica, textiel en visconserven omvat, wil ik opmerken dat we niet alles in één keer kunnen doen. We breiden het toepassingsgebied nu aanzienlijk uit met wijn en aquacultuur. De andere sectoren bevindt zich nog in een zeer vroeg ontwikkelingsstadium, en ik ben van mening dat het hun ontwikkeling zou belemmeren wanneer we die zouden harmoniseren. De huidige tekst biedt feitelijk de mogelijkheid om deze kwestie in 2011 weer te bekijken.

In dit verband heb ik ook gemerkt dat u een dubbele rechtsgrondslag wilt zien voor dit voorstel. Het is geen geheim dat er een bredere discussie gaande is met betrekking tot de invoering van medebeslissing inzake landbouwkwesties. Dit is een belangrijke kwestie en een discussie waarvan ik duidelijk heb aangegeven dat ik die toejuich. Maar het is een kwestie die moet worden aangepakt op een horizontale manier, op het juiste niveau en in de juiste context. Ik denk niet dat er iemand mee gediend is wanneer deze kwestie per geval wordt benaderd, en kan daarom de door u voorgestelde verandering van de rechtsgrondslag van de nieuwe verordening inzake biologische landbouw niet aanvaarden.

Tot slot stelt u voor dat de lidstaten striktere nationale regelgeving mogen handhaven of invoeren. Dat vind ik onaanvaardbaar. Het doel van deze verordening is juist om te komen tot een solide harmonisatie op een niveau dat strikt genoeg is, met een flexibiliteitsmechanisme voor uitzonderingen. Ik ben van mening dat we, door de regels op een redelijk hoog niveau en met enige flexibiliteit te harmoniseren, hetzelfde doel bereiken, maar dan met een beperkt risico van ongelijke behandeling van marktdeelnemers die in gelijke omstandigheden verkeren. Ik ben ervan overtuigd dat we op deze manier een bloeiende interne markt voor biologische productie kunnen bevorderen.

Neem me niet kwalijk dat ik zo lang aan het woord ben geweest, maar het is een zeer belangrijke kwestie en die wilde ik uitvoerig bespreken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Commissaris, het staat de Commissie vrij zo lang te spreken als zij wil en zo veel te zeggen als nodig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Hélène Aubert (Verts/ALE), rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, zoals u weet verkeert de biologische productie in een nogal paradoxale situatie. Aan de ene kant neemt de vraag toe omdat het een productiemethode is die banen schept en het milieu, de biodiversiteit en uiteindelijk ons aller gezondheid beschermt. Aan de andere kant vertegenwoordigt de biologische productie nog altijd maar iets meer dan 1 procent van de Europese landbouwproductie en iets meer dan 3 procent van het areaal dat bestemd is voor landbouwactiviteiten, en dat is niet veel. Ik vind dat het onze verantwoordelijkheid is om de biologische productie binnen de Europese Unie te ontwikkelen.

Kwantitatief is dit misschien een kwestie die niet veel om het lijf heeft, maar politiek en symbolisch gezien is zij enorm belangrijk, want de biologische productie is ook een eerste aanzet om het gemeenschappelijk landbouwbeleid in te ruilen voor een veel duurzamere vorm van productie, en die kant moeten we op.

Gedurende heel 2006 hebben we gewerkt op basis van een Commissievoorstel dat de nodige vraagtekens en de nodige weerstand heeft opgeroepen; ook moesten we overhaast te werk gaan, omdat we in eerste instantie binnen twee maanden ons oordeel moesten geven over een voorstel dat niet echt goed onderbouwd was. Ik zal echter de eerste zijn om te erkennen dat het werk constructief is geweest en dat regelmatig overleg heeft plaatsgevonden, zowel met de Commissie als de Raad, om het oorspronkelijke voorstel te verbeteren. Wat hoopte deze parlementaire Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling uiteindelijk te bereiken met al deze uitwisselingen, al deze discussies over en weer? U hebt de belangrijkste elementen genoemd.

Ten eerste wilde ze het toepassingsgebied van deze verordening uitbreiden tot niet-voedingsproducten zoals textiel en cosmetica, maar ook en bovenal tot cateringactiviteiten, omdat catering een geweldige hefboom is voor het ontwikkelen van de biologische productie in onze lidstaten. We zouden wel gek zijn als we hier geen gebruik van maakten. Dat is ook waarom we een dubbele rechtsgrondslag willen – de artikelen 37 en 95 – die betrekking hebben op de interne markt en consumptie. Het lijkt erop dat u niets dan lof hebt voor ons werk, voor onze bijdrage en daarmee voor het feit dat het Europees Parlement veel meer betrokken is geraakt – nog afgezien van medebeslissing in het algemeen voor landbouw, want dat is een ander debat dat we nog moeten voeren.

Als we dit werk willen voortzetten, als we afgevaardigden echt recht van controle willen geven over deze fameuze uitvoeringsbesluiten die een cruciale rol gaan spelen bij de tenuitvoerlegging van deze verordening, dan moet u mijns inziens instemmen met deze dubbele rechtsgrondslag, en we zullen dit debat voortzetten.

Zoals u al zei hebben we daarnaast gevraagd – uitgaande van een vage tekst – om veel nauwkeuriger te definiëren wat wordt verstaan onder inspectie, certificering, al dan niet toegestane producten bij biologische landbouwpraktijken, het verband met de grond, dierenwelzijn, enzovoorts. En u had het over de uiterst gevoelige kwestie van de afwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen in biologische producten. Deze producten moeten vrij zijn van GGO’s, en ook van onkruidbestrijdingsmiddelen en synthetische chemicaliën.

Wat genetisch gemodificeerde organismen betreft willen wij consumenten absoluut kunnen verzekeren dat de biologische productie geen GGO’s bevat, van zaaigoed tot distributie. De huidige drempel van 0,9 procent, een etiketteringsdrempel, zorgt voor verwarring. We moeten ons dan ook opnieuw buigen over deze kwestie, zodat we bij zowel conventionele gewassen als biologische landbouwproducten kiezen voor de detectiedrempel en hoe dan ook alle vereiste maatregelen nemen om verontreiniging van biologische gewassen door GGO’s, zelfs onvoorzien, te voorkomen.

U zegt dat het niet mogelijk is in te stemmen met de strengere maatregelen die de lidstaten wellicht doorvoeren. Naar ons idee moeten de normen van particuliere en overheidsinstanties, die reeds bestaan en waarmee consumenten vertrouwd zijn, kunnen blijven bestaan. Dat is in ieder geval wat wij voor ogen hebben, en als er al sprake is van flexibiliteit, moet de harmonisatie opwaarts zijn en niet neerwaarts, waarvoor we vrezen.

U hebt ons een aantal antwoorden gegeven. Ik denk dat dit debat doorgaat, waarschijnlijk ook na de stemming van morgen.

Tot slot wil ik nog zeggen dat deze verordening niet zaligmakend is en dat deze niet alle vraagstukken met betrekking tot de biologische productie zal oplossen. Ook in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet deze productie veel meer gesteund worden dan momenteel het geval is.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberto Musacchio (GUE/NGL), rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het werk dat binnen mijn commissie is verricht, waar ik rapporteur van was, is zorgvuldig uitgevoerd en het resultaat werd met eenparigheid van stemmen aangenomen in de commissie.

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid is duidelijk enorm betrokken bij de bescherming van het milieu, maar in dit specifieke geval hebben we ons geconcentreerd op hoe het milieu ook beschermd kan worden middels de wetten van de markt. Ik zeg dit omdat het kernpunt van het advies dat ik heb voorgelegd, het volgende is: voor degenen die biologisch voedsel produceren, verkopen of kopen moet het buiten kijf staan, zonder enige ruimte voor misverstanden, dat dit voedsel echt biologisch is en bijvoorbeeld niet besmet met GGO’s. Ik denk dat het essentieel is voor ons om deze 'nuldrempel' op besmetting direct in te voeren; dit kan niet uitgesteld worden totdat toekomstige maatregelen worden ingevoerd. Eenieder die een product verkoopt, een luxe auto bijvoorbeeld, kan niet toestaan dat het product ook maar één bout bevat die niet bij die auto hoort.

Dit is dan ook het kernpunt van de aanbeveling van mijn commissie, dat we graag opgenomen zouden zien in de definitieve tekst.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik wil mevrouw Aubert graag hartelijk danken voor haar zeer geëngageerde verslag. De biologische landbouw is van groot publiek belang. Hij strekt zich uit over een breed terrein en speelt ook in de verschillende lidstaten steeds een andere rol. Het onderwerp is dan ook zeer controversieel en het debat erover emotioneel geladen. In dit kader vormen de genetisch gemodificeerde organismen een groot probleem binnen de biologische landbouw. Daarom steun ik voor de biologische landbouw de grenswaarde van 0,0 procent, want wat wij vrij van genetische modificatie noemen, moet dat ook daadwerkelijk zijn. Daarbij moeten ook problemen van co-existentie en aansprakelijkheid worden opgelost, commissaris, en ik weet dat u op dat punt aan onze kant staat.

De toekomst van de biologische landbouw ligt vooral in handen van de consumenten. Zij maken uit of ze bereid zijn meer te betalen voor natuurlijke en genetisch niet gemodificeerde levensmiddelen. De groei van de omzet in biologische producten gedurende de laatste jaren bevestigt ondubbelzinnig dat de bevolking deze kwaliteit op waarde schat. Maar juist tegen die achtergrond is het belangrijk dat de consument weet waar de levensmiddelen vandaan komen. We moeten waarborgen dat de Europese biologische etikettering ook daadwerkelijk alleen wordt gebruikt voor die producten uit de lidstaten die aan de criteria voldoen. Ik juich het toekomstige gebruik van logo’s, de voorgenomen precieze etikettering van producten en de daaraan verbonden mogelijkheid om de herkomst te traceren ten zeerste toe, omdat daardoor ook een betere controle mogelijk is. Het is belangrijk dat met de belangen van producenten en consumenten in gelijke mate rekening wordt gehouden. Met gemeenschappelijke, gecoördineerde maatregelen kunnen we, zonder het beginsel van subsidiariteit in gevaar te brengen, nog meer voordelen voor zowel de Europese landbouw als de consumenten bewerkstelligen. De 197 ingediende amendementen laten echter zien dat we op dit moment nog niet zover zijn dat we kunnen stemmen over het verslag. Ik steun dan ook de rapporteur met betrekking tot de amendementen 37 en 39.

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  María Isabel Salinas García, namens de PSE-Fractie. (ES) De biologische landbouw vraagt van ons – ik zou zelfs zeggen eist van ons – duidelijke, eenvoudige regelgeving die beantwoordt aan de behoeften van een duidelijk groeiende markt.

De Europese consument koopt steeds vaker biologische producten en we moeten zo snel mogelijk een adequaat kader scheppen voor de bevrediging van die behoefte, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de belangen van de consumenten, maar tegelijk ook met die van de sector en van het milieu in het algemeen.

Het verslag waarover we vandaag debatteren en dat al vanaf het begin van de onderhandelingen met moeilijkheden kampt, vormt daarvoor een goed uitgangsdocument. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de rapporteur, mevrouw Aubert, te feliciteren met het uitstekende werk dat zij heeft verricht. Ik zeg dat dit een goed document is omdat er bijvoorbeeld rekening in wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende Europese regio’s, omdat de bevoegdheden van de verschillende autoriteiten en organen die de biologische producten moeten controleren beter worden afgebakend en omdat het gebruik van één verplicht logo wordt voorgesteld, iets waarop ik ook heb aangedrongen tijdens de behandeling in de commissie.

Ook wordt in het verslag bepaald dat producten uit derde landen die in de Europese Unie als biologische producten op de markt worden gebracht, aan normen moeten voldoen die gelijkwaardig zijn aan de Europese regelgeving.

Kortom, ik denk dat met dit verslag wordt beoogd om de biologische productie en consumptie te bevorderen en deze groeiende sector te consolideren als de elite van onze landbouw, want het is het verschil in kwaliteit dat het onderscheidende kenmerk van de biologische landbouw zal moeten vormen.

Dit gezegd hebbende, denk ik dat we nu in een nieuw debat terechtkomen waar we tot voor kort nog geen rekening mee hadden gehouden: nu wordt de mogelijkheid geopperd om het Europees Parlement een grotere stem te geven in de besluitvorming, door een stap verder te gaan en de medebeslissingsprocedure van toepassing te laten worden, ofwel door te vragen om een dubbele rechtsgrondslag voor deze verordening.

Ik wil heel duidelijk zeggen dat wij als fervente Europeanen in principe altijd voorstander zijn van een grotere beslissingsbevoegdheid voor dit Parlement, dat bij uitstek de uitdrukking van de democratische beginselen van de Europese Unie is; vandaar dat wij morgen dienovereenkomstig zullen stemmen.

Ik wil er echter ook op wijzen en beklemtonen dat deze verordening een maatschappelijke eis is vanuit de sector en de consumenten, waardoor de stappen waarover we vanaf morgen besluiten moeten gaan nemen niet te lang op zich mogen laten wachten, en dat we ten behoeve van de rechtszekerheid van de producenten en van het consumentenvertrouwen tempo zullen moeten maken, zodat we snel over een verordening beschikken die al heel lang door de Europese sector wordt geëist en waarmee deze biologische landbouw zich kan onderscheiden, ten behoeve van de veiligheid van de consumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Kyösti Virrankoski, namens de ALDE-Fractie. (FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur, mevrouw Aubert, bedanken voor haar uitstekende verslag. De biologische productie is een sector van de landbouwproductie. Het belang ervan zal in de toekomst waarschijnlijk toenemen, omdat consumenten meer dan ooit aandacht besteden aan de kwaliteit van voedsel in plaats van aan de prijs ervan. De biologische productie is een manier om de kwaliteit, smaak en houdbaarheid van producten te verbeteren, waardoor meerwaarde voor landbouwbedrijven ontstaat en hun rendabiliteit toeneemt. Deze vorm van productie is echter een lastige landbouwsector, die grote toewijding vereist. Zelfs de kleinste fouten zijn moeilijk recht te zetten, omdat de mogelijkheden van de conventionele landbouw ontbreken.

Het landbouwbeleid van de Europese Unie kenmerkt zich doorgaans door bureaucratie en de complexiteit van de regels. Met de biologische productie valt te vrezen dat de last nog groter wordt. De landbouwer moet zowel de communautaire als de nationale regelgeving zeer goed kennen. De onderhavige ontwerpverordening brengt nog meer regels met zich mee. Op zich is het doel, het waarborgen van het consumentenvertrouwen, goed, maar als er te veel regels zijn, kan dit leiden tot een vertraging van de groei van de biologische landbouw en zullen veel boeren ermee ophouden. Dit zal de hele sector schaden.

Mijnheer de Voorzitter, landbouw en de levensmiddelenindustrie vormen samen een enorme Europese productiesector. Daarbinnen is ruimte voor verschillende methodes en trends. De biologische productie kan zeer aantrekkelijke mogelijkheden bieden, vooral in de regio’s met de moeilijkste natuurlijke omstandigheden. Hopelijk versterkt deze verordening de voedselproductie in ons werelddeel en vergroot zij het succes ervan in de mondiale concurrentie.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Angelilli, namens de UEN-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, als Italiaanse wil ik graag opmerken dat Italië wereldwijd op de vierde plaats staat als producent van biologische producten, terwijl het binnen de Europese Unie de eerste plaats inneemt. Daarom staan wij achter de wijzigingen die door dit verslag in de verordening zijn aangebracht: deze wijzigingen hebben betrekking op het toepassingsgebied, de flexibiliteit voor de lidstaten, controles en het vrije verkeer van biologische producten binnen de Europese Unie.

Anderzijds vinden wij dat er, op het vlak van de etikettering, een absolute garantie moet zijn dat producten biologisch zijn en dat er daarom, gedurende welke fase van het productieproces dan ook, geen ongewilde besmetting met GGO’s mag hebben plaatsgevonden. De geldende verordeningen staan een maximale grens van 0,9 procent besmetting met GGO’s van biologische producten toe, een percentage dat helaas gelijk ligt aan dat van traditionele landbouwproducten.

Tot slot, om een terugval in de consumptie te voorkomen als gevolg van een crisis in het vertrouwen in levensmiddelen die juist worden gekozen en gekocht vanwege hun kenmerken en de natuurlijke productiewijze, is het noodzakelijk om een grens van ongewilde besmetting met GGO’s van biologische producten vast te leggen.

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, de rapporteur heeft een goed verslag gepresenteerd en het Parlement moet er bij de Commissie en de Raad op aandringen dat van dit goede verslag ook gebruik wordt gemaakt. Met andere woorden, wij hebben een medebeslissingsprocedure nodig, vooral omdat alles aan deze verordening wat nieuw is, te maken heeft met de interne markt. De landbouwaspecten zijn allemaal in het verleden al geregeld en die regelingen kunnen in principe worden overgenomen. Vandaar de dubbele rechtsgrondslag, ook omdat u terecht hebt geconstateerd dat veel details moeten worden geregeld in de uitvoeringsbepalingen. Het Parlement moet zich, evenals de Raad, het recht op inspraak voorbehouden bij deze uitvoeringsbepalingen. U weet dat we nu een regeling hebben. Als de Grondwet er zou zijn geweest, zou het probleem zonder meer al zijn opgelost. De komende tijd zullen we daarover met elkaar in de clinch moeten.

Met betrekking tot de GGO’s ben ik blij dat u hebt geconstateerd dat 0,9 procent geen besmettingsdrempel is. Het is een etiketteringsdrempel, geen recht op besmetting. Onze fractie maakt zich echter zorgen dat de technische mogelijkheden om besmetting te voorkomen, niet ten volle zullen worden benut en dat bijgevolg de 0,9 procents-drempel naar boven toe zal worden bijgesteld. We streven er eerder naar dat die drempel naar beneden toe bijgesteld wordt, want wij zijn van mening dat bij biologische landbouw elke vorm van besmetting volledig moet worden uitgesloten. Ik hoop dat u hier begrip voor kunt opbrengen en passende maatregelen wilt nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vincenzo Aita, namens de GUE/NGL-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik ben van mening dat de onderhavige regeling morgen tijdens de stemming in de vergaderzaal aanzienlijk verbeterd kan worden door het Parlement. Een regeling als deze, die een grens van 0,9 procent besmetting met GGO’s van biologische producten vaststelt, een grens die gelijk ligt aan die van traditionele producten, is niet in het voordeel van biologische producenten en vooral niet van de consument.

Zelfs de gegevens die ons door de Commissie zijn aangereikt, laten zien dat deze regeling aanzienlijke schade aan de biologische sector kan toebrengen. Het vaststellen van eenzelfde grens voor traditionele producten en biologische producten kan zelfs verwarring onder consumenten veroorzaken, die wellicht niet langer voor biologische producten kiezen. Dat zou desastreuze gevolgen hebben voor het landbouwproductiesysteem, dat in de afgelopen jaren aanzienlijk is gegroeid binnen deze sector.

Ik ben daarom van mening dat het Parlement terug moet gaan naar een grens van nultolerantie om deze producten nog aantrekkelijker te maken en ervoor te zorgen dat ze in toenemende mate worden geconsumeerd, en dat de consument nog meer bescherming wordt geboden. Een biologisch product waar een grens van 0,9 procent op van toepassing is, heeft geen nut, en daarbij zien de consumenten niet in waarom ze meer geld uit zouden geven aan een product dat hun niet langer de benodigde garanties geeft en besmet is.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli, namens de ITS-Fractie. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wijs de poging om een duidelijke indicatie van het land van herkomst op het etiket van het product te verwijderen ten gunste van een EU-etiket dat er alleen toe zou dienen om de traceerbaarheid te bemoeilijken, af. De Commissie probeert, net als altijd, te standaardiseren in plaats van te harmoniseren. Biologische producten hebben marketingtechnisch een zeer gunstige marktpositie, dankzij het 'biologische' label, en een respectabele omzet vergeleken met andere producten, ondanks de hogere retailkosten.

Tot op heden hebben de etiketten tot goede resultaten geleid op het gebied van differentiatie van vraag en aanbod. Dit zou verloren gaan wanneer een algemeen EU-etiket het bewustzijn van de consument ondermijnt. De verordening moet een garantie van onafhankelijkheid bieden aan certificeringsinstanties, in het bijzonder met het oog op de betrekkingen met marktdeelnemers uit niet-EU-landen.

Wij hebben behoefte aan een accreditatiesysteem dat gebaseerd is op strikte, transparante regels, maar dat is iets wat de Commissie niet wil. Ten slotte moet het idee om een EU-logo te introduceren voor biologische producten die afkomstig zijn uit niet-EU-landen, zonder de onmisbare indicatie van de regionale en nationale herkomst van het product, zonder meer worden afgewezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioannis Gklavakis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik geloof wel te mogen zeggen, dat oordelend naar de resultaten, de communautaire wetgeving inzake biologische producten nu al meer dan vijftien jaar lang met redelijk succes in de Europese Unie wordt toegepast. Deze resultaten hadden natuurlijk beter kunnen zijn, want als in het Europa van de Vijfentwintig 1,4 procent van alle landbouwbedrijven biologisch is en in totaal slechts 3,6 procent van het gebruikt landbouwareaal beslaat, betekent dat er nog heel veel ruimte is voor verdere ontwikkeling.

Hoe kunnen wij evenwel de consumenten ervan overtuigen om biologische producten te verkiezen, om meer uit te geven voor voedsel, en aldus via de verhoging van de vraag een groter aantal landbouwers ertoe aan te zetten biologisch te produceren? Door natuurlijk voortdurend strenge controle uit te oefenen op de kwaliteit van de producten, door te verzekeren dat deze vrij zijn van genetisch gemodificeerde organismen en vooral door een correcte etikettering toe te passen, want daarmee kan het vertrouwen van de consument worden versterkt. Wij moeten hier evenwel wijzen op het ernstigste probleem dat het vertrouwen van de consument gewoonlijk aantast: de import van zogenaamde biologische producten uit derde landen. Wij moeten streng zijn ten aanzien van de ingevoerde biologische producten. Alleen indien productiemethoden worden toegepast die overeenkomen met de communautaire methoden, mogen wij het recht verlenen op het voeren van het etiket 'biologisch'. Wij weten immers allen dat de productiekosten in de landbouw van derde landen gewoonlijk veel lager zijn. Als dan ook nog de regels inzake biologische teelt worden omzeild, zullen de ingevoerde producten niet alleen niet biologisch zijn – hetgeen betekent dat de consumenten voor de gek worden gehouden – maar eveneens de Europese landbouwers, die wel aan alle voorwaarden en vereisten voldoen, ernstige concurrentie aandoen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marc Tarabella (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, dames en heren, ik wil graag allereerst mijn tevredenheid tot uitdrukking brengen. Dit verslag over de biologische productie en de etikettering van biologische producten is eindelijk voorgelegd aan de plenaire vergadering, en ook nog op een belangrijk moment, want de stemming binnen de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling op 27 februari viel samen met een demonstratie door agrobiologen, die zich terecht beklaagden over de nieuwe specificaties voor de biologische productie, die nog altijd 0,9 procent verontreiniging toestaan, het niveau dat in de conventionele landbouw wordt toegestaan.

Dit verslag, dat te danken is aan de noeste arbeid van mevrouw Aubert, voor wie ik mijn petje afneem, is dan ook vreselijk belangrijk voor de hele sector en biedt het Parlement een unieke kans om zich te distantiëren van de Raad en de Commissie. Het is echt cruciaal, met name nu, om een krachtig signaal af te geven teneinde de biologische productie te beschermen.

Hiertoe heb ik, namens de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement, amendement 170 ingediend, dat als volgt luidt: 'de lidstaten moeten een passend wettelijk kader tot stand brengen, gebaseerd op het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt, om elk risico uit te sluiten dat biologische producten verontreinigd worden door GGO’s. Marktdeelnemers moeten alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen om elk risico van ongewilde of technisch onvermijdelijke verontreiniging door GGO’s te voorkomen. De aanwezigheid van GGO’s in biologische producten moet uitsluitend beperkt zijn tot onvoorziene en technisch onvermijdbare hoeveelheden tot een maximale waarde van 0,1%.'

Kortom, het is cruciaal om de essentie van de biologische productie niet wezenlijk te veranderen door te hoge niveaus van onopzettelijke verontreiniging toe te staan, maar net zo belangrijk is het om een minimale hoeveelheid te hanteren die aanvaardbaar is voor en aanvaard wordt door de sector, teneinde biologische landbouwers niet te duperen, van wie de onbedoeld verontreinigde productie niets meer waard zou zijn bij een beleid dat geen enkele verontreiniging toestaat.

Verder steunen wij het gebruik van natuurlijke minerale meststoffen met stikstof en alle andere natuurlijke minerale meststoffen, en daarom stellen we voor, via de amendementen 168 en 169, om de passage in artikel 8, lid 1, letter d) te verwijderen die het gebruik van minerale meststoffen met stikstof wil verbieden.

Tot slot schaar ik me volledig achter de beslissing van de Commissie juridische zaken van het Parlement om de dubbele rechtsgrondslag toe te passen – artikelen 37 en 95 van het Verdrag – omdat het twee voordelen heeft biologische landbouw eveneens onder de werkingssfeer van de interne markt te laten vallen. Ten eerste zou dit verslag, dat is goedgekeurd binnen de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, uitgebreid worden tot de hele cateringsector – cateraars, grootkeukens, kantines, restaurants – en tot sommige producten zoals voedingssupplementen. Ten tweede zouden we volgens de internemarktwetgeving van een raadplegingsprocedure naar een medebeslissingsprocedure gaan, hetgeen ons een cruciaal recht zou geven toe te zien op het uitwerken van deze verordening, die rechtstreeks van invloed zal zijn op de kwaliteit van de Europese voeding.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). – (PL) Ondanks de grote belangstelling voor de biologische landbouw, zowel bij de consumenten als bij de producenten en de media, ontwikkelt de sector zich nog steeds te langzaam. Wat zijn hiervoor de redenen en welke maatregelen kunnen we nemen om de consumptie – en bijgevolg de productie – van biologische voeding te vergroten?

Ik ben van mening dat we in eerste instantie moeten zorgen voor stabiele voorwaarden voor ontwikkeling en de sector op gepaste wijze moeten steunen. Ik denk bijvoorbeeld aan doeltreffende certificatie-, etiketterings- en controlesystemen, onder andere om de import uit derde landen te controleren. Kortom, we hebben behoefte aan een goede wetgeving.

Door de kleinschaligheid van de biologische sector is de distributie van biologische producten bijzonder duur en bijgevolg niet erg interessant voor groothandelaars. Met het oog hierop zou het een goede zaak zijn om deze schakel van de biologische productieketen met externe subsidies te ondersteunen. Verder zou het wenselijk zijn dat de biologische landbouwers zich organiseren.

Daarnaast zou het de biologische landbouw ten goede komen wanneer in het onderwijs meer aandacht aan biologische producten zou worden besteed en wanneer de sector sterker zou worden gepromoot.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernadette Bourzai (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, dames en heren, ik wil allereerst mevrouw Aubert gelukwensen met het uitstekende werk dat ze sinds het begin van het mandaat heeft verricht, eerst inzake het Europees actieplan voor biologische voeding en productie en vervolgens met dit voorstel voor een verordening. De taak was niet eenvoudig, omdat het voorstel de sterke en geloofwaardige identiteit van de biologische productie ondermijnde.

We kunnen tevreden zijn met de vooruitgang die binnen de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling op een aantal punten is geboekt: strengere regels voor het gebruik van fytotherapeutische producten, veterinaire behandelingen en nationale vrijstellingen; meer controle in de certificatiefase, onder meer op ingevoerde producten; een uitbreiding van het toepassingsgebied van de verordening, en het handhaven van regelgevende comités. Ook schaar ik me achter de dubbele rechtsgrondslag, waardoor we in de richting van medebeslissing gaan.

Ik ben echter nog steeds uitermate bezorgd over de aanwezigheid, zelfs ongewild, van GGO’s in biologische producten. De verordening stelt weliswaar dat een product niet als 'biologisch landbouwproduct' mag worden geëtiketteerd indien het GGO’s bevat, maar stemt in met een ongewilde verontreiniging met GGO’s van 0,9 procent, hetgeen ontoelaatbaar is.

Daarom zou ik u willen vragen in te stemmen met de amendementen 170 en 171, ingediend door de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement, waarin wordt geëist dat biologische producten geheel vrij zijn van GGO’s en dat de term niet wordt gebruikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE). (HU) Wij moeten ervoor zorgen dat milieubewuste consumenten die zich zorgen maken over hun gezondheid die ze angstvallig willen beschermen, producten kunnen consumeren die vrij zijn van chemicaliën en verontreiniging door genetisch gemodificeerde organismen. Daarom moet het duidelijk aangegeven worden als een product voortkomt uit een biologisch productieproces. We moeten garanderen dat producten die het biologische keurmerk van de Europese Unie dragen, geheel en al zijn vervaardigd volgens de basisprincipes van de biologische productie.

Op dit terrein kunnen we geen enkele concessie doen, net zomin als bij de voorlichting aan de consument. Deze moet zodanig zijn dat mensen daadwerkelijk een keuzemogelijkheid hebben om zelf te beslissen of ze al dan niet voor biologische levensmiddelen kiezen. Dit is niet alleen een kwestie van consumentenbescherming, maar is tevens van groot belang vanuit het oogpunt van landbouwstrategie en marktbescherming.

Met een goed uitgewerkte Europese norm die iedereen erkent en de hiermee samenhangende certificering en geharmoniseerde Europese etikettering, zal het vertrouwen van de consumenten toenemen, zal de vraag stijgen en zullen de producenten van hun opbrengst kunnen leven. Vanwege de afwijkende omstandigheden en tradities in de verschillende lidstaten moeten zij echter ook de mogelijkheid hebben deze kwestie zelfs nog strenger te reguleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel , lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil allereerst zeggen dat ik genoten heb van de enthousiaste discussie die we hebben gevoerd over dit zeer belangrijke onderwerp. Daarnaast waardeer ik uw steun voor de belangrijkste aspecten van deze ideeën. Voor wat betreft de wat moeilijkere punten hoop ik dat ik duidelijk heb kunnen maken dat we tot op zekere hoogte aan veel van uw ideeën gehoor kunnen geven.

Ik wil enkele opmerkingen maken over drie verschillende kwesties. Allereerst de etikettering. Het is van belang dat we ons realiseren dat wanneer het logo van de Europese Unie wordt gebruikt, een aanduiding van de plek waar de grondstoffen verbouwd werden, verplicht is. Dit geldt ook voor geïmporteerde producten en het moet glashelder zijn dat deze producten aan dezelfde regels moeten voldoen als binnenlandse producten.

De kwestie van de co-existentie werd naar voren gebracht. Het is zeer belangrijk dat de lidstaten op nationaal niveau zelf een beslissing nemen om wetgeving te maken met betrekking tot de regels voor co-existentie en aansprakelijkheid. Als deze genetisch gemodificeerde producten eenmaal in een lidstaat zijn, moeten er regels zijn met betrekking tot afstanden en reinigingsmaterieel als zij van het ene veld naar het andere gaan. Deze beslissing moet wegens de verschillen tussen de productie in Noord- en Zuid-Europa genomen worden door de afzonderlijke lidstaten. Ik kan de lidstaten slechts aanmoedigen voor deze wetgeving te zorgen.

Voor wat betreft de drempel, die klaarblijkelijk door u allen is genoemd, moet ik onderstrepen dat het voorstel van de Commissie de huidige regelgeving met betrekking tot de onvermijdelijke aanwezigheid van GGO’s niet verandert. Het verduidelijkt echter wel de verantwoordelijkheid van de biologische marktdeelnemer met betrekking tot het vermijden van de aanwezigheid van GGO’s.

Nogmaals, het is belangrijk dat het gebruik van GGO’s en daarvan afgeleide producten in de biologische productie ten strengste verboden is en was, en dus moeten zij volledig buiten alle biologische productie gehouden worden. Daarnaast maken we de regels met betrekking tot het testen van elke partij verkochte biologische producten minder beperkend dan zij op dit moment zijn.

Voor wat betreft grootkeukens, ook een kwestie die door velen van u naar voren werd gebracht, is het tegenwoordig mogelijk, en dat zal het ook in de toekomst zijn, dat grote cateringbedrijven onder de nationale wetgeving goederen kunnen produceren die zij kunnen etiketteren als biologisch. Dit is cruciaal. Op dit punt zouden we geen Europese regel of wetgeving kunnen aanvaarden.

De amendementen 20, 31, 35, 56, 71, 75, 99, 101 en 120 kan ik wel aanvaarden. Bovendien zijn, zoals ik al eerder zei, 68 amendementen gedeeltelijk of in beginsel aanvaardbaar. De overige amendementen kan ik gezien de discussie die we gevoerd hebben niet aanvaarden en ik verwijs hier met name naar het amendement waarin een dubbele rechtsgrondslag wordt voorgesteld. Het feit dat 77 van uw amendementen in hun geheel of gedeeltelijk worden aanvaard, geeft echter duidelijk aan dat we het in deze kwestie op meer punten met elkaar eens zijn dan je op het eerste gezicht zou denken.

Dank u voor het hartstochtelijke debat.

 
  
  

VOORZITTER: DIANA WALLIS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u commissaris. Hiermee is het debat beëindigd.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM), schriftelijk. – (EN) Sommige zaken zijn zwart-wit. "Biologisch" en "genetisch gemodificeerd" zijn tegenpolen.

Voedsel kan niet biologisch worden genoemd als het genetisch gemodificeerd is.

Pretenderen dat genetisch gemodificeerde verontreinigingen in levensmiddelen als biologisch kunnen worden geëtiketteerd, is zo absurd dat we ons moeten afvragen waarom deze mogelijkheid in deze richtlijn wordt toegestaan.

Is dat omdat de Commissie weet dat co-existentie niet werkt? Als de Commissie haar co-existentiebeleid voortzet, zullen biologische boerderijen onvermijdelijk besmet worden. Is dat omdat de Commissie beseft dat als we doorgaan met genetisch gemodificeerde landbouw, er een einde komt aan het biologisch boeren, tenzij we het begrip "biologisch" herdefiniëren? Dit zou bijzonder onrechtvaardig zijn en misleiding van biologische landbouwers, verkopers en consumenten betekenen.

Daarom wil ik mijn collega’s vragen de amendementen 166/167, 170/171, 175 en 194 te steunen en tegen de opneming van een drempel voor genetische verontreiniging te stemmen. Anders gezegd, stem tegen amendement 41 van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en tegen andere amendementen met dezelfde strekking.

 

17. De toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0066/2007) van Alain Lamassoure, namens de Begrotingscommissie, over de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie (2006/2205(INI)).

Mij is medegedeeld dat de rapporteur vanavond helaas niet aanwezig kan zijn hier wegens familieomstandigheden. De heer Böge vervangt hem.

 
  
MPphoto
 
 

  Reimer Böge (PPE-DE), plaatsvervangend rapporteur. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, voordat ik begin, wil ik graag namens de Begrotingscommissie, en trekt u dat alstublieft niet van mijn spreektijd af, het ongenoegen uitspreken over de vertraging die de agenda heeft opgelopen. Dat heeft ertoe geleid dat de heer Lamasourre om de genoemde redenen hier niet meer aanwezig kan zijn. Ik verzoek u dan ook om begrip voor het feit dat ik ook nog maar net te horen heb gekregen dat ik zijn bijdrage in de oorspronkelijke versie, dat wil zeggen in het Frans, zal moeten uitspreken. De cabines hebben een kopie gekregen. Daarom wordt het met de toegewezen vijf minuten een beetje krap, omdat Frans slechts mijn derde vreemde taal is.

(FR) Mevrouw de Vooorzitter, dames en heren, het verslag over de toekomst van de eigen middelen is erg belangrijk. Uw Begrotingscommissie heeft gekozen voor een oorspronkelijke politieke benadering. Het verslag dat aan het Parlement wordt voorgelegd, is een algemeen overzicht van de gang van zaken.

In de eerste plaats gaat het om een belangrijk onderwerp: achter de politieke crisis van de Unie gaat een even ernstige budgettaire crisis schuil. De overeenstemming over de financiële vooruitzichten heeft haar prijs: de budgettaire stagnatie van de Gemeenschap. In de begroting zijn fondsen gereserveerd voor het GLB en ondersteuning van de nieuwe lidstaten, maar niet voor bijvoorbeeld de transportnetwerken of Galileo, terwijl vrijwel in het geheel geen gelden zijn vrijgemaakt voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

We hebben onlangs de vijftigste verjaardag gevierd van het Verdrag van Rome. We hebben ons verheugd over de successen van de Unie, een steeds hechtere Unie die is geïntroduceerd met het Verdrag. Laten we nu de moed hebben om te erkennen dat op het terrein van begrotingen de Unie in de afgelopen vijftig jaar steeds minder 'hecht' is geworden: de budgettaire solidariteit is niet toegenomen, zij is globaal genomen kleiner geworden. Tien jaar geleden vormde de Europese begroting 1,17 procent van het bbp, terwijl de begroting voor 2007 slechts 0,99 procent bedraagt.

In de eerste Verdragen is vastgelegd dat de uitgaven van de Gemeenschap in principe gefinancierd moesten worden uit de inkomsten van de Gemeenschap, dat wil zeggen, uit de fiscale inkomsten die direct aan de Unie werden toegewezen: ofwel nationale inkomsten als invoerrechten, of zelfs een echte Europese belasting, bijvoorbeeld een belasting op de omzet in kolen en staal in het kader van EGKS.

Bepaalde collega’s voor wie de nationale soevereiniteit erg belangrijk is, lijken volledig te zijn vergeten dat van de Verdragen waar zij zich aan vastklampten, soms na een referendum, nu juist ook een Europese belasting deel uitmaakte. Die belasting bestaat echter niet meer, zij is geen nieuw leven ingeblazen en de invoerrechten maken vandaag de dag maar 10 procent uit van de inkomsten van de Unie. Tegenwoordig is het grootste deel van de inkomsten afkomstig uit de nationale bijdragen, en dat is de oorzaak voor deze begrotingscrisis. De enige manier om het probleem op te lossen is een terugkeer naar de letter en de geest van het Verdrag van Rome, door de nationale begrotingen te verlossen van deze last en de uitgaven van de Gemeenschap te financieren met nieuwe belastinginkomsten die direct worden aangewend voor de uitgaven.

De Europese leiders zijn zich bewust van het probleem en hebben afgesproken dat zij elkaar in 2008-2009 zullen ontmoeten om het dossier over de Europese begroting opnieuw te openen en de hoofdstukken over inkomsten en uitgaven samen te voegen. Die belofte is expliciet uitgesproken in het akkoord over de financiële vooruitzichten.

Vervolgens is de politieke benadering, die nieuw is, aan de orde. Tegen de achtergrond van het gevoelige karakter van deze kwestie heeft de Begrotingscommissie voorgesteld er de financiële commissies van de nationale parlementen bij te betrekken vanaf het allereerste begin van de werkzaamheden. In twee jaar tijd hebben we vier keer gezamenlijk vergaderd en de rapporteur heeft reizen gemaakt naar de hoofdsteden van de helft van de lidstaten. Het doel is niet om overeenstemming te bereiken met alle nationale parlementen. Dat zou juridisch noch politiek mogelijk zijn. Er bestaat daarnaast geen procedure die regelt hoe nationale parlementen hun mening kunnen geven, maar we kunnen wel de weg bereiden voor de Commissie en de Raad, misverstanden uit de wereld helpen, luisteren naar punten van overeenkomst en gemeenschappelijke politieke benaderingen, en het eens worden over welke initiatieven terzijde geschoven zouden moeten worden of welke juist bezien moeten worden.

Het verslag van vandaag geeft daarom de stand van zaken weer, en stelt zich ten doel de onderwerpen te inventariseren waarover een redelijke brede consensus bestaat onder de gesprekspartners die ons waren toegewezen door de nationale parlementen. Die consensus neemt drie vormen aan: consensus over de zwakke plakken in het huidige systeem, consensus over de politieke richting van een hervorming en consensus over de inhoud van een eerste fase, die snel zou moeten beginnen, en die in de allereerste plaats gericht zou moeten zijn op vereenvoudiging van het huidige systeem. Zo zouden de bijdragen uit de nationale begrotingen eenvoudigweg moeten worden gebaseerd op het bbp in plaats van op regels die in de loop van de jaren onontwarbaar complex zijn geworden.

Er is echter nog geen consensus over de dringende noodzaak en de inhoud van een tweede fase. Wat ons betreft is die tweede fase cruciaal. Zij zou moeten bestaan uit het selecteren van die fiscale bronnen uit de huidige, die geleidelijk in de plaats zouden kunnen komen van de nationale bijdragen, zonder de fiscale lasten van de burger te verhogen. Op dit moment bevat het voortgangsverslag slechts een overzicht van belastingen die in aanmerking zouden kunnen komen voor deze operatie, zonder dat daaraan een aanbeveling is gekoppeld. Dat zal het doel zijn van een tweede verslag, dat ik aan het einde van dit jaar zal indienen, in vervolg op een interparlementaire conferentie die aan deze kwestie zal worden gewijd en die door het Portugese voorzitterschap is aangekondigd voor 4 en 5 november.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u zeer, mijnheer Böge. Ik denk dat het applaus van onze collega’s alles zegt.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, namens de Europese Commissie wil ik de Begrotingscommissie en haar vaste rapporteur, Alain Lamassoure, bedanken voor het indrukwekkende resultaat van hun werkzaamheden met betrekking tot een bijzonder gevoelig onderwerp, dat in dit verslag zijn neerslag heeft gekregen. Ik sluit mij aan bij het applaus dat de heer Böge voor zijn uitstekende presentatie heeft gekregen.

Tevens wil ik benadrukken dat de Commissie zich ertoe verplicht rekening te houden met een uitgebreide gedachtewisseling, die zij met het Europees Parlement zal voeren wanneer zij de situatie beoordeelt. Dit is in overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 en zal plaatsvinden in het kader van de raadplegingen en overwegingen die voorafgaan aan de herziening van het financieel kader. Daarom ben ik blij met het debat van vandaag.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisa Ferreira (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken . (PT) Het huidige systeem is onrechtvaardig en voor de burgers onbegrijpelijk. Dat is ook de conclusie van de Commissie economische en monetaire zaken. We zullen het systeem dus moeten herzien, reden waarom ik heel blij ben met dit initiatiefverslag. Ik wil de rapporteur graag gelukwensen met zijn uitstekende werk.

Europa moet over de nodige middelen kunnen beschikken om zijn strategische doelstellingen te kunnen verwezenlijken, en dat geldt vooral voor de Lissabon-strategie en de sociale en territoriale cohesie. Het is tijd dat we het idee van een juste retour opgeven. Dat idee staat immers op gespannen voet met de essentie van een gezamenlijke begroting. Het houdt ook geen rekening met de voordelen die uit de interne markt voortvloeien: in de begroting klinken die immers niet door.

Duidelijk is ook dat we voor dit debat over inkomsten opnieuw zullen moeten gaan kijken naar onze prioriteiten bij de uitgaven. Het is nog te vroeg om te discussiëren over specifieke nieuwe bronnen van inkomsten en tijdsschema's. We moeten nu echter wel reeds garanderen dat de heffingen progressief en transparant zullen zijn, en dat ze belastingdruk op de burgers niet verder zullen opvoeren.

Het Parlement heeft vandaag laten zien dat het in dit proces een sleutelrol wil – en kan – spelen. En het moet dat blijven doen – in het belang van Europa en dat van de Europese burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Gerardo Galeote (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. (ES) In de eerste plaats wil ik mijn collega, de heer Böge, feliciteren met zijn uitstekende Frans, waar ik zeer jaloers op ben, en natuurlijk ook de rapporteur, de heer Lamassoure, met zijn poging om een debat op gang te brengen dat van cruciaal belang is. We zullen zien of de andere communautaire instellingen op een gegeven moment de moed zullen hebben om dat debat aan te gaan.

Ik denk dat we vrijwel allemaal de basisdoelstellingen van het verslag onderschrijven: een Europees stelsel dat de burgers kunnen begrijpen en dat, uiteraard, de belastingdruk niet verhoogt. Ik wil me echter concentreren op een eis die prioriteit heeft voor de Commissie regionale ontwikkeling, namelijk het behoud van de solidariteit als fundamentele pijler van de Europese integratie, en dat geldt des te meer na de laatste uitbreidingen.

De economische, sociale en territoriale cohesie vereisen een rechtvaardig en billijk financieringsstelsel waarin naar behoren rekening wordt gehouden met enerzijds de relatieve welvaart en anderzijds het bijdragevermogen van de lidstaten. Daarvoor moeten de regressieve elementen van het huidige stelsel worden geëlimineerd, moet een eind worden gemaakt aan de terugstortingen uit de communautaire begroting aan de meest welvarende landen en moet, zoals in het verslag wordt voorgesteld, de toekomst van de eigen middelen worden gebaseerd op de criteria van billijkheid en progressiviteit.

De voordelen van het EU-beleid, mevrouw de Voorzitter, kunnen niet worden gemeten door alleen de netto saldi te berekenen, omdat daarbij geen rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld de handelsbalansen tussen de landen van de Gemeenschap. Kortom, ik ben van mening dat het centrale element van de toekomstige financiering van de Europese Unie moet zijn dat de bijdragen van de lidstaten gerelateerd worden aan hun bruto nationaal product.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Carnero González (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie constitutionele zaken. (ES) We streven allemaal naar hetzelfde: een effectiever en democratischer Europese Unie, en daarvoor hebben we twee instrumenten nodig: de Grondwet, die zich in het ratificatieproces bevindt, en de materiële middelen om onze doelstellingen te verwezenlijken.

Onze middelen zijn niet toereikend en niet transparant, en daarom is de huidige situatie onhoudbaar. Het is waar dat in de Europese Grondwet een nieuwe balans wordt gevonden waarbij het Europees Parlement meer bevoegdheden krijgt als begrotingsautoriteit. Maar die krijgt het nog steeds niet als het om de eigen middelen gaat. Die balans mag nu misschien aanvaardbaar lijken, maar dit Huis moet in de toekomst de mogelijkheid hebben om wetgeving te maken over die eigen middelen, op grond van twee overwegingen: in de eerste plaats moet er een directe relatie worden gecreëerd tussen de burgers en de middelen, en in de tweede plaats moet het afgelopen zijn met de uitzonderingen, de terugstortingen en de cheques.

Als het verslag-Lamassoure in die richting gaat, wat ik denk, zullen wij in de Commissie constitutionele zaken, met deze tekst en met de uiteindelijke tekst, in diezelfde richting werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Salvador Garriga Polledo, namens de PPE-DE-Fractie. (ES) Het is spijtig dat onze rapporteur, de heer Lamassoure, niet aanwezig kan zijn bij het debat over dit belangrijke initiatiefverslag, en het is heel spijtig dat het mogelijk is dat parlementaire werkzaamheden met anderhalf uur vertraging beginnen, want daar hebben we allemaal last van.

In ieder geval zal de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten het verslag van collega Lamassoure steunen, vooral op basis van één constatering: het recente akkoord over de financiële vooruitzichten heeft laten zien dat we over onvoldoende middelen beschikken. En dat is zo ondanks dat collega Lamassoure ons in paragraaf 10 zelf meedeelt dat als de Raad het besluit van Edinburgh van 1992 had gevolgd, waarin 1,24 procent van het bruto binnenlands product van de Europese Unie voor de communautaire begroting werd gereserveerd, we 240 miljard euro meer hadden gehad, wat voldoende zou zijn geweest om in deze jaren een veel ambitieuzer beleid te voeren, dat veel effectiever zou zijn geweest voor alle lidstaten.

Dat besluit van Edinburgh van 1992 bevatte dus al de oplossingen, maar de lidstaten zijn er vervolgens niet in geslaagd om die toe te passen, zoals collega Lamassoure zelf zegt.

Daarom moeten we zoeken naar de optimale omvang van de communautaire begroting en niet alleen nieuwe eigen middelen vaststellen – wat in het verslag-Lamassoure wordt voorzien voor de tweede fase en waar wij het volledig mee eens zijn – maar moet er ook, zoals de rapporteur heel duidelijk stelt, een directe koppeling worden aangebracht tussen de eigen middelen en het beleid dat door die middelen wordt gefinancierd, ofwel de uitgaven, maar wel op basis van een fundamenteel idee, mevrouw de Voorzitter: solidariteit. Dit veronderstelt dat degenen die profiteren van de structuurfondsen of van de landbouwsubsidies, niet hoeven te betalen voor de tekorten waar de lidstaten ons mee opzadelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Guy-Quint , namens de PSE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, het initiatiefverslag waarover we vandaag debatteren heeft betrekking op een terrein dat van cruciaal belang is voor de toekomst van de Unie – dat van de eigen middelen. Wanneer we het hebben over de eigen middelen van de Unie, hebben we het over haar bestaansmogelijkheden, maar bovenal hebben we het over de middelen waarover ze beschikt om taken uit te voeren en maatregelen te nemen. We hebben het over de continuïteit van de Europese gedachte en van het innovatieve beleid dat we alleen dankzij Europa kunnen voeren.

Het streven van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement is om deze twee ambitieuze doelstellingen te verwezenlijken: verder bouwen aan Europa en politieke en economische innovatie. Het Parlement moet de lidstaten laten zien dat het Europa van projecten, het Europa van saamhorigheid en solidariteit, mogelijk is. Mits we niet terugvallen op onze nationale voordelen. Mits we een verantwoord parlementair voorstel goedkeuren in de hoop dat de Raad zal aansturen op een transparant, eerlijk en effectief systeem. De eigen middelen van de Unie moeten hoognodig worden vereenvoudigd. Dit complexe systeem is onbegrijpelijk geworden voor de burger en de Europese beleidsmakers. Het is een oneerlijk en ongeschikt systeem.

Onze samenwerking met de nationale parlementen heeft ons ervan overtuigd dat de invoering van een nieuwe begroting voor eigen middelen een zaak van lange adem zal worden en dat deze in twee fasen moet plaatsvinden. Momenteel is het communautair begrotingsoverleg niet veel meer dan een botsing van nationale ego’s. Hier doet een principe opgeld dat ons op een dwaalspoor zet: het principe van eerlijke bijdragen, dat de Europese solidariteit ondermijnt en indruist tegen ons project. Het is het kwaad van de Europese Gemeenschap. We moeten het hele concept netto begrotingssaldo overboord gooien.

Dankzij de rapporteur en de amendementen die zijn ingediend door de Begrotingscommissie benadrukt de tekst hoe belangrijk het is om alle vormen van compensatie en kortingsmechanismen eens en voor altijd af te schaffen. Het is dan ook logisch om de btw-middelen tijdelijk af te schaffen omdat deze in hun huidige vorm alle gevallen legitimeren waarin een restitutie wordt toegekend. Ook scharen we ons achter de in het verslag-Böge genoemde opties over de financiële vooruitzichten. Het is van cruciaal belang om deze hervorming van de opbrengsten te koppelen aan de hervorming van de uitgaven. In dit verband kan cofinanciering van het GLB worden overwogen, zij het zonder renationalisatie.

We moeten eerst het oneerlijke systeem overboord gooien zodat we Europa vervolgens middelen kunnen verschaffen die berusten op degelijke en billijke grondslagen. Pas als dat gebeurd is, stelt de heer Lamassoure voor om met behoud van de fiscale soevereiniteit van de lidstaten een belasting in te voeren die diverse vormen kan aannemen. Zo steunen wij het idee van een geconsolideerde belasting, zoals de vennootschapsbelasting of de milieuheffing, die Jacques Delors al in 1991 voorstelde, of een belasting op financiële transacties, een belasting op valutatransacties.

In dit verslag houden we alle opties open. We bereiden ons voor op de tweede fase van onze werkzaamheden. We maken dan ook de balans op van een misleidend systeem, zodat we er korte metten mee kunnen maken. Met uitzondering van douanerechten en bepaalde landbouwheffingen zijn de andere ontvangsten geen eigen middelen.

Tot slot betekent het verschaffen van echte middelen aan de Unie het vergroten van de autonomie van Europa als het gaat om middelen, zodat het niet langer onderworpen is aan de blokkeringsbevoegdheid van een bepaalde lidstaat. Het betekent ook dat er weer samenhang in de begroting komt. Wie beslissingen neemt over uitgaven moet tegenover de publieke opinie verantwoording afleggen over de inkomsten. En dat betekent afstappen van het 'voor wat hoort wat' idee dat al onze Europese projecten al jarenlang ondermijnt en funest is voor de solidariteitsgedachte die ten grondslag ligt aan Europa, waarvan we het vijftigjarig bestaan vieren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Mulder, namens de ALDE-Fractie. Voorzitter, mijn complimenten in zijn afwezigheid aan de heer Lamassoure en in zijn aanwezigheid aan de heer Böge voor zijn voordracht. We hebben allen in ons geheugen de ervaringen met de recente top van 2005 en de bewegingen die eraan vooraf gingen. Ik denk dat het gehakketak geen waardig schouwspel is voor Europa. Wij moeten komen tot een andere manier van eigen inkomsten en het verslag-Lamassoure geeft daartoe een goede aanleiding.

De Liberale Fractie kan in overgrote meerderheid de voornaamste conclusies van het verslag-Lamassoure delen. Wij vinden dat het bruto nationaal inkomen waarschijnlijk de beste methode is om de rijkdom van de landen te meten en daarop vervolgens ook de afdracht te meten. Dat hoeft niet te verhinderen dat we later andere middelen onderzoeken en, zoals al door velen gezegd is, het zal niet mogen leiden tot een verhoging van de belastingdruk, maar we zullen de bestaande belastingen moeten gebruiken om een deel van de inkomsten aan Europa te verschaffen.

Wij delen niet de mening dat het jammer is dat we de 1,24 procent die in 1992 in Edinburgh werd vastgelegd, niet hebben gebruikt. Tot nu toe is het al moeilijk geweest voor de Commissie om de bestaande begroting uit te voeren. Ieder jaar wordt er zoveel miljard euro teruggestort aan de lidstaten en met dat gegeven is het moeilijk om te rechtvaardigen dat er nog meer moet worden begroot en meer moet worden uitgegeven.

Je moet een begroting maken op basis van de reële behoeften en voorlopig hebben we die 1,24 procent nog niet bereikt. Het is toeval dat de commissaris verantwoordelijk voor landbouw hier vanavond zit; ik kan haar mededelen dat de Liberale Fractie van mening is dat de verplichte cofinanciering van bepaalde landbouwuitgaven een groot voordeel is voor Europa en dat we dat zeker moeten bevorderen in de toekomst, en wie weet krijgt zij vanavond nog een idee voor haar healthcheck volgend jaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk, namens de UEN-Fractie. (PL) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik zou enkele kanttekeningen willen plaatsen bij het debat over de toekomst van de eigen middelen van de Europese Unie.

Eerst en vooral is het huidige stelsel van eigen middelen van de Unie ondoorzichtig en, meer nog, onrechtvaardig. De zogenaamde 'kerstcadeautjes' van de Europese Raad van Brussel in december 2005 hebben de situatie er bovendien niet eenvoudiger op gemaakt.

Ten tweede toont dit systeem duidelijk aan dat de afzonderlijke lidstaten nauwelijks bereid zijn om beleidsmaatregelen te financieren waar ze zelf weinig voordeel bij hebben. De Britse korting is hiervan het meest treffende voorbeeld.

Ten derde vind ik de voorgestelde oplossing om een nieuw stelsel van eigen middelen te creëren – en in het bijzonder het voorstel voor een nieuwe Europese belasting – om minstens twee redenen onaanvaardbaar. Een dergelijke aanpak zou niet alleen de belastingsdruk voor de burgers vergroten, maar de lidstaten eveneens een deel van hun fiscale bevoegdheden ontnemen.

Ten vierde wordt in het verslag beweerd dat de uitgaven voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet het gewenste resultaat opleveren. Deze zienswijze baart mij ernstige zorgen. Het probleem van de voedselveiligheid in de Europese Unie is een van de basisredenen voor het bestaan van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en alleen al vanuit dat oogpunt zouden de uitgaven voor de landbouw niet ter discussie mogen worden gesteld. Het voorstel om het gemeenschappelijk landbouwbeleid te hernationaliseren is eveneens onaanvaardbaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Gérard Onesta , namens de Verts/ALE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, er waren daarstraks vele mensen aanwezig in deze vergaderzaal: we hadden het over de Verklaring van Berlijn. Hedenavond, in een veel legere zaal, gaan we mogelijk handen en voeten geven aan deze verklaring, want als we menen Europa vorm te kunnen geven zonder onszelf hiertoe de middelen te verschaffen, dan komen we niet ver. Begrotingsmiddelen waren tot nu toe afhankelijk van structuren die werkten met zes landen, maar met zevenentwintig landen volledig achterhaald zijn. De grote verdienste van het verslag van de heer Lamassoure is dat het dit op niet mis te verstane wijze aan de kaak stelt. Financiering werkt niet wanneer deze zozeer wordt genationaliseerd dat telkens als we een euro geven, we deze in een nationale vlag wikkelen en proberen meer terug te krijgen dan we gegeven hebben. Deze kritiek is het aspect van het verslag dat de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie aanspreekt.

Er zijn daarentegen ook zaken die ons veel minder aanspreken. Wij begrijpen niet waarom we ons beperkingen opleggen terwijl het een initiatiefverslag is. We hadden inderdaad graag de term 'Europese belasting' gezien. Ik weet zeker dat binnen dit Parlement een meerderheid bestaat die vindt dat we deze term moeten durven gebruiken in plaats van die verkapte Europese belasting: een snufje btw hier, een kleine bijdrage daar. We hadden het lef moeten hebben deze term op te nemen in dit verslag. En waarom praten over een overgangsperiode terwijl we maar al te goed weten waar we heen zouden moeten? Door koste wat kost sommige mensen te willen paaien en anderen gerust te stellen ontdoen we dit verslag van al zijn zeggingskracht, terwijl de uitgangspunten uitstekend waren.

Ik wil graag nog een laatste punt aan de orde stellen, dat erg belangrijk is voor onze fractie: waarom leggen we onszelf al voor het begin van de wedstrijd een handicap op door de drempel op 1,24 procent te leggen? Waarom deze heilige koe waarvoor het Parlement, dat er steeds tegen gekant is geweest, eerbiedig moet buigen? Wij weten – en daarover gaan we in 2008 een debat voeren – dat deze drempel een obstakel vormt om Europees beleid met echte middelen te ondersteunen. Laten we vergelijken wat onze buren doen: in de Verenigde Staten brengen ze 20 procent van hun bbp bijeen.

Het is dan ook duidelijk dat het verslag-Lamassoure jammer genoeg enkele concessies heeft moeten doen, zozeer dat het zichzelf aan banden heeft gelegd. Onze vraag is: hoe kunnen we de heer Lamassoure een duwtje in de rug geven zonder hem te laten struikelen? Het beste antwoord is: door ons van stemming te onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen, namens de GUE/NGL-Fractie. (FI) Mevrouw de Voorzitter, de rapporteur, de heer Lamassoure, heeft de juiste conclusie getrokken: het is nu niet de tijd voor lidstaten om hun soevereiniteit op het gebied van fiscale zaken op te geven. Het huidige systeem van eigen middelen kent veel gebreken. De rebate van het Verenigd Koninkrijk is niet gerechtvaardigd. De speciale voordelen die enkele andere lidstaten onder de schaduw daarvan op de top van 2005 hebben gekregen, zijn dat ook niet. Zeer terecht wordt gewezen op het zogeheten Rotterdam-effect, de overcompenserende premie van 25 procent voor het innen van douanetarieven. Het systeem kan niet worden hervormd zonder tegelijkertijd rekening te houden met de toewijzing van communautaire uitgaven en vooral de teruggave aan de lidstaten in de vorm van landbouwsubsidies. De cofinanciering van de landbouw wordt in het verslag onder het tapijt geveegd en zal daar zeker te vinden zijn bij de tussentijdse evaluatie van de financiële vooruitzichten voor 2007-2013. Dan moet er aandacht komen voor deze problemen, die niet mogen worden opgelost door de Europese Unie het recht op belastingheffing te geven of door een gemeenschappelijke Europese belasting in te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, namens de IND/DEM fractie. (SV) Mevrouw de Voorzitter, de kwestie van de invoering van een EU-belasting is opgeworpen, aangezien er duidelijk mensen zijn die vinden dat de EU veel te weinig geld heeft. Dat wil men oplossen door de EU een belasting direct uit de zakken van de burgers te laten kloppen. In paragraaf 6 van het verslag wordt de eis dat alle lidstaten het eens moeten zijn over zulke vraagstukken, bekritiseerd. Landen die hier terughoudend tegenover staan, moeten duidelijk gepasseerd kunnen worden. Dat is een betreurenswaardige stellingname, niet op de laatste plaats vanuit een democratisch perspectief.

De Junilijst verzet zich sterk tegen het innemen van een deel van de nationale belastingen door de EU. Het verslag is geschreven als een verdere stap in de richting van een EU-staat met recht van belastingheffing, een gemeenschappelijke minister van Buitenlandse Zaken, gemeenschappelijke strijdkrachten en een gemeenschappelijke munteenheid. Een verschrikkelijke gedachte! Wij hebben een amendement ingediend waarin we de onaantastbare soevereiniteit van de lidstaten op het gebied van belastingen benadrukken. Wij zijn van mening dat de lidstaten het er unaniem over eens moeten zijn voordat er enige vorm van EU-belasting ingevoerd zal worden. Dat sluit aan bij de standpunten van de burgers in tal van EU-landen.

Wij leden van het Europees Parlement dienen gevolg te geven aan de wensen van onze kiezers, dat wil zeggen gehoor geven aan de standpunten van de burgers en handelen in overeenstemming daarmee. Dames en heren, ik hoop dat we luid en duidelijk nee zeggen tegen dit verwerpelijke verslag tijdens de stemming morgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Petre Popeangă, în numele grupului ITS. – Raportul Lamassoure, excelent prezentat de domnul Böge, este o continuare logică a demersurilor anterioare în acest deosebit de seducător domeniu al reformării sistemului resurselor financiare proprii Uniunii Europene.

Demersul este, cel puţin în plan teoretic, deosebit de interesant, motivat de faptul că, pornind de la realitatea insuficienţelor actualului sistem de finanţare a bugetului Uniunii Europene, prezintă o foarte curajoasă propunere de reformare a acestuia. Am limitat aprecierea la planul teoriei, deoarece consider că în stadiul actual de dezvoltare economică diferită a statelor membre, adoptarea unui sistem de finanţare bazat în întregime pe surse de natură fiscală, nu mi se pare total realistă.

Fără a nega necesitatea reformei, mult mai pragmatică mi s-ar părea o abordare progresivă a acestei acţiuni, bazată pe menţinerea resursei tradiţionale, descrescătoare în timp, dublată de resurse de natură fiscală în pondere crescătoare. Menţionez, de asemenea, că propunerea privind extinderea principiului adiţionalităţii asupra unor politici a căror implementare antrenează resurse consistente de la bugetul comunitar, este puternic defavorabilă statelor membre mai puţin dezvoltate, precum România, deoarece antrenează în mod automat cofinanţări de la bugetul naţional în detrimentul finanţării propriilor programe.

În sfârşit, dintre mai multe observaţii pe care le am în legătură cu modificarea sistemului resurselor proprii, propusă de autori pentru etapa a doua a reformei, o să mă opresc doar la două: cea privind posibila alegere a TVA ca sursă proprie a bugetului Uniunii, acţiune pe care o apreciez ca fiind complicată, chiar în condiţiile înscrierii în documente a cotei-părţi destinate bugetului comunitar şi, de asemenea, cea privind impozitul pe profit, datorită faptului că în această materie nu există armonizare legislativă necesară, fiecare stat membru având în prezent reglementări proprii, fapt ce face ca această resursă să fie, cel puţin deocamdată, de neluat în considerare.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI).(DE) Voorzitter, ik kijk in de ogen van een man, de heer Böge, die door mij en vele anderen als zeer intelligent wordt ingeschat, en met mij in deze zaal zijn er nog een paar die één plus één bij elkaar kunnen optellen. Vervolgens bekijk ik dit verslag en dan denk ik: wat is er aan de hand? Wat is dat griezelig onrealistisch. Als academische verhandeling mag het waarde hebben, maar daarvoor zijn we hier niet bij elkaar.

Wie koopt er nu in hemelsnaam een product waarvan hij niet stellig overtuigd is, dat het de prijs waard is? We moeten toch zeker om te beginnen alles wat de EU doet, en vooral alles wat de EU niet doet, corrigeren en samenvatten, en er dan snel toe overgaan om de financiering op het juiste niveau te brengen: landbouw, Cohesiefonds, de voortzetting van tal van fondsen en programma’s die eigenlijk zichzelf al zouden moeten kunnen bedruipen. Daar moeten we toch mee beginnen.

Ik acht het voorstel – dat ook uit uw land komt, ik geloof zelfs uit uw fractie, mijnheer Böge – om te kijken of we op een aantal terreinen niet eenvoudigweg van doen hebben met nettobetalingen, verstandig, omdat het controle mogelijk maakt. Als er dan nog niet genoeg is en we eigen middelen nodig hebben, kan er over veel gepraat worden, maar niet onder valse voorwendselen, zoals nu het geval is.

Overigens ben ik van mening dat we dringend behoefte hebben aan minder bureaucratie en meer democratie, juist ook in deze zaak.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard James Ashworth (PPE-DE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, in principe mogen we blij zijn dat de EU haar stelsel van eigen middelen eenvoudiger, transparanter en begrijpelijker voor burgers wil maken. Ik wil Alain Lamassoure complimenteren met het werk dat hij heeft verricht om een stimulans aan dit debat te geven en om duidelijk te maken dat verandering nodig is.

Ik deel zijn visie dat de huidige btw-component te ingewikkeld is en moet worden aangepast. Wat betreft de overige traditionele eigen middelen zien wij evenwel geen noodzaak tot wijziging. Volgens ons is een op het bruto nationaal inkomen (BNI) gebaseerd financieringssysteem logisch en eerlijk en wij willen dat systeem graag steunen. Wij vinden echter dat hier geen sprake kan zijn van echte eigen middelen. Integendeel. Wij denken dat een gezond debat tussen de lidstaten als betaalmeesters en de Commissie als ontvanger heel nuttig is. Op die manier wordt het voor het publiek heel duidelijk dat de EU geen instelling is die in haar eigen behoeften voorziet, maar dat zij tot doel heeft de lidstaten te helpen hun gemeenschappelijke doelen te bereiken.

We juichen ook de gelegenheid toe om het gemeenschappelijk landbouwbeleid te herzien. Dit is onvermijdelijk een ingewikkelde exercitie, omdat via een hervormd GLB de nieuwe lidstaten moeten worden geholpen hun landbouw te ontwikkelen, terwijl de EU-15 de mogelijkheid dienen te krijgen om financiële middelen over te hevelen ten behoeve van milieumaatregelen die door de bevolking worden ondersteund, en om de totale kosten voor de Gemeenschap te beperken.

Daarom sta ik achter het beginsel van verplichte medefinanciering. Het is de meest logische aanpak voor de hervorming van de uitgaven en, zoals het verslag al aangeeft, biedt het de mogelijkheid om de noodzaak van kortingen weg te nemen.

Ik wil echter nogmaals benadrukken dat de onderhandelingen complex zullen zijn en beter gevoerd kunnen worden in het kader van de begrotingsherziening die voor 2008-2009 gepland staat. Daarom zal ik tegen het verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jutta Haug (PSE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, we bespreken vandaag opnieuw de kwestie van de toekomst van onze eigen middelen. Dat doen we op dit moment eigenlijk alleen omdat het protocol dat vereist. De verantwoordelijke commissaris is niet aanwezig, de bank van de Raad is helemaal leeg, en alle Parlementsleden die ik hier rondom mij zie, zijn de collega’s waarmee ik al vele uren in de Begrotingscommissie heb gediscussieerd over het tussentijdse verslag van de heer Lamassoure. We hebben nog eens alle argumenten uitgewisseld die we al in 1990, 1994, 2001 en 2005 hebben aangemerkt als punten die van wezenlijk belang zijn voor de hervorming van de eigen inkomsten. We willen een eenvoudiger systeem dan we nu hebben. We willen meer rechtvaardigheid, meer gelijkheid tussen lidstaten, ook aan de inkomstenzijde, een einde aan alle uitzonderingen, en we willen meer transparantie aan de inkomstenkant van de begroting. Transparantie voor alle afgevaardigden in het Parlement, voor de leden van de Raad, en vooral voor de burgers. Het kan toch niet zo moeilijk zijn voor de Raad om zich achter deze wensen te scharen. We kunnen niet blijven doorgaan met het beklimmen van onze zeepkisten en ondertussen geen stap dichter bij de burgers komen. Bovendien maakt dit het natuurlijk niet gemakkelijker voor de burgers om de Europese begroting te begrijpen. Het gaat ook om meer democratie.

Het Europees Parlement kan als vertegenwoordiger van de Europese volkeren alleen over de uitgaven van de Europese Unie meebeslissen, niet over de inkomsten. Dat leidt tot de tamelijk verwarrende situatie dat de Raad ons een deel van onze verantwoordelijkheid ontneemt, maar het Parlement tegelijkertijd afschildert als spilziek, dat alleen maar voor het verhogen van de uitgaven kan zijn omdat het geen verantwoordelijkheid draagt voor de inkomsten en zich daar dus ook niet voor hoeft te verantwoorden. Maar zo is het toch niet, zullen sommigen van u zeggen. Maar zo is het wel. Ik heb het zelf meegemaakt. Binnen een half uur kwamen beide uitspraken uit de mond van een en dezelfde minister van Financiën.

Het Parlement is ook nog eens altijd bereid te onderhandelen. We hebben nog nooit tegen de keer in onze wil doorgedreven. Dat heeft Alain Lamassoure nu ook weer op zijn charmante manier gedaan met zijn zeer bescheiden voorstel voor een hervorming van de eigen middelen in twee fasen. We steunen hem daarin op vrijwel ieder punt, ook zijn wens om nu niet de nationale fiscale bevoegdheden aan te tasten door een Europese belasting te eisen. Deze steun, dat geef ik graag toe, krijgt hij ook van mij. Van mij, terwijl ik toch, zolang als ik al lid van dit Parlement ben, het standpunt No representation without taxation heb verdedigd. U ziet het, het Europees Parlement is al opgeschoven nog voordat de onderhandelingen met de Raad zijn begonnen. We verwachten nu dan ook dat de Raad ook in beweging zal komen in de aanloop naar de gezamenlijk overeengekomen herziening. De Raad moet eindelijk eens bereidheid tot samenwerking tonen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gérard Deprez (ALDE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik zou graag mijn instemming willen betuigen met het uitstekende verslag van onze collega, de heer Lamassoure, die eminent vertegenwoordigd wordt door onze collega, de heer Böge.

Ten eerste kan ik me vinden in de gehanteerde methode. Onze rapporteur heeft goed begrepen dat de hervorming van de financiering van de Unie niet buiten de lidstaten om kan plaatsvinden, met andere woorden zonder de goedkeuring van de nationale parlementen. We moeten met hen in contact blijven omdat we ze moeten overtuigen.

Ten tweede kan ik me vinden – en dat is het belangrijkste – in de opzet van het verslag, dat een algehele hervorming voorstelt, maar een die wordt ingedeeld in twee fasen. Een eerste, meest dringende fase om het huidige systeem te ontdoen van alle kwalen die het door de jaren heen heeft opgelopen. Daarmee zou een einde komen aan de cadeautjes tussen vrienden, aan de kortingen, de kortingen op kortingen, de vrijstellingen, de plafonds en het meelijwekkende gemarchandeer. Zuiveren, dat is de eerste prioriteit. Over de tweede fase komen we later nog te spreken.

Ik wilde nog een laatste opmerking plaatsen, mevrouw de Voorzitter. Onze prioriteit is het Grondwettelijk Verdrag. Indien dit begrotingsdebat dit zou bemoeilijken, moeten we de moed hebben het uit te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pierre Jonckheer (Verts/ALE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, meneer Böge, ik denk dat de heer Lamassoure en de Begrotingscommissie nuttig werk hebben verricht. Wij onderschrijven zijn kritiek en wij onderschrijven – al geruime tijd overigens – het centrale idee dat een nieuw stelsel van eigen middelen nodig is.

Persoonlijk zou ik mijn bittere teleurstelling kenbaar willen maken over met name de paragrafen 28 en volgende, die in mijn ogen tot doel hebben de bevolking gerust te stellen, maar op basis van een verkeerde voorstelling van zaken. Een verkeerde voorstelling van zaken als het gaat om de bewering dat de fiscale soevereiniteit van de lidstaten moet worden gehandhaafd, terwijl die soevereiniteit in werkelijkheid niet bestaat vanwege de belastingconcurrentie binnen de Unie. Een verkeerde voorstelling van zaken als het gaat om fiscale neutraliteit, omdat dit een extra handicap gaat vormen voor de begroting van de EU, terwijl het fiscale beleid van de lidstaten kan verschillen en mettertijd kan veranderen. Een verkeerde voorstelling van zaken ten slotte betreffende de omvang van de begroting.

Op dit punt ben ik het totaal oneens met het door de heer Mulder te berde gebrachte argument; nee, we hebben niet genoeg geld voor Life+. Nee, we hebben niet genoeg geld voor buitenlands beleid. Nee, we hebben niet genoeg geld voor onderwijs en onderzoek. En nee, we hebben niet genoeg geld voor de trans-Europese netwerken. Dit was een van de standpunten van het Parlement, en ik begrijp niet dat we, in een initiatiefverslag, een stap terug zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jeffrey Titford (IND/DEM). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, een goede ondertitel voor dit verslag zou zijn: "de eerste stap in de ondermijning van de soevereiniteit van de lidstaten". Ik ben altijd wantrouwig tegenover EU-verslagen waarin staat dat bepaalde beginselen worden geëerbiedigd, in dit geval het beginsel van de fiscale soevereiniteit van de lidstaten. Gewoonlijk blijkt dan dat precies het tegenovergestelde gebeurt. Ondanks dat in dit verslag bovengenoemd grondbeginsel wordt genoemd, wordt onmiddellijk het voorbehoud gemaakt dat de lidstaten de Unie toestemming kunnen geven om voor een beperkt tijdsbestek een bepaald gedeelte van een belasting zelf te gebruiken, een toestemming die op ieder moment weer kan worden ingetrokken.

Met andere woorden, de Europese Commissie tracht het beginsel vast te leggen dat de EU rechtstreeks belastingen int van de belastingbetalers in de lidstaten. Dit vormt een uiterst gevaarlijk precedent, en de onthullingen van gisteren over invallen van de politie bij de Commissie, en wel gelijktijdig in verschillende landen, maken de zaak alleen maar erger.

Men heeft mij wel eens eerder de les gelezen omdat ik in dit Parlement het woord "fraude" gebruikte. Het is echter duidelijk dat de politie dit woord hier op zijn plaats acht.

In dit verslag wordt ook gepleit voor een geleidelijke afschaffing van de Britse korting, waar ik fel op tegen ben en waar ik mij met hand en tand tegen zal verzetten. 40 miljoen pond per dag is genoeg. Men kan niet van Groot-Brittannië verwachten dat het nog meer geld in het lekkende financiële stelsel van de EU pompt.

 
  
MPphoto
 
 

  Sergej Kozlík (NI).(SK) Er bestaat niet zoiets als 'eigen' en 'niet-eigen' middelen van de Europese Unie. Er is het geld van de Europese belastingbetaler en de min of meer verfijnde systemen om die middelen toe te wijzen aan de begroting van de Europese Unie, iets waarvoor de Europese burger geen enkele belangstelling heeft.

Wat de burgers wel interesseert, is hoe dergelijke middelen worden besteed. Niet alleen zij uiten twijfels over de doelmatigheid waarmee dit gebeurt, maar ook wij leden van dit Parlement doen dat. Als wij niet eerst het probleem weten op te lossen hoe de begrotingsmiddelen van de EU doeltreffend en geloofwaardig kunnen worden gebruikt, is er geen manier van middelenverschaffing voor uitgavendekking die in de ogen van de Europese belastingbetalers transparant genoeg zal zijn.

De conventionele boekhoudformule van 'te betalen rekeningen – betaalde bedragen' wordt dan vervangen door 'te betalen rekeningen – schoorvoetend betaalde bedragen'. Dit is iets wat we nu al zien gebeuren. Het debat over de toekomst van onze 'eigen' middelen valt zonder meer toe te juichen. Het probleem houdt echter nauw verband met de hervorming van de uitgaven van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Valdis Dombrovskis (PPE-DE). – (LV) Mevrouw de Voorzitter, geachte dames en heren, het stelsel van eigen middelen voor de Europese Unie is ingrijpend veranderd sinds het in 1970 werd geïntroduceerd. Traditionele eigen middelen en de begrotingsontvangsten van de EU zijn geleidelijk aan een minder belangrijke rol gaan spelen, terwijl de rol van de op het bruto nationaal inkomen (BNI) gebaseerde eigen middelen aanzienlijk is versterkt. Deze middelen, die welhaast kunnen worden omschreven als een extra categorie eigen middelen, vormen nu circa 75 procent van de begrotingsontvangsten van de Europese Unie. Hoewel het overwicht van de op het bruto nationaal inkomen (BNI) gebaseerde eigen middelen waarborgt dat de betalingsverplichtingen van de lidstaten stroken met hun relatieve welvaartsniveau, maakt dit de financiering van de EU-begroting aanzienlijk moeilijker. In plaats van zich te concentreren op de belangrijke vraagstukken die kunnen worden opgelost in het verband van de Europese Unie, besteden de lidstaten het grootste deel van hun tijd aan gesteggel over de hoogte van hun bijdrage.

De uitkomsten van dit gesteggel bepalen in sterke mate het niveau van de financiering van de EU-begroting, waarbij vaak de eerder door de lidstaten gegeven garanties worden genegeerd. Als gevolg hiervan groeit de EU-begroting beduidend minder snel dan de begrotingen van de lidstaten en hebben veel speerpunten van de Europese Unie te kampen met een onvoldoende toestroom van middelen. Voor de tenuitvoerlegging van een hervorming van het stelsel van de eigen middelen voor de EU is het zaak om voldoende jaarlijkse groei van de begrotingsinkomsten van de EU te waarborgen. Deze toename dient gelijke tred te houden met de groei van de economie van de Unie en dient automatisch te worden gekoppeld aan de structuur van het stelsel van eigen middelen en geen uitkomst te zijn van gekissebis tussen de lidstaten. Een dergelijke structuur stelt uiteraard het bestaande plafond van de eigen middelen van 1,24 procent van het BNI van de Unie niet ter discussie. Dit is een belangrijk beginsel dat, samen met de beginselen van gelijkheid van en solidariteit tussen de lidstaten, dient te worden benadrukt, en bovendien is het een eenvoudig stelsel dat valt uit te leggen aan de inwoners van de EU. Wat betreft de specifieke oplossingen ter verhoging van de EU-begrotingsinkomsten zou een groter deel kunnen voortspruiten uit, bijvoorbeeld, btw-eigen-middelen, indien een nader bepaald deel van de btw-inkomsten naar de EU-begroting zou worden gesluisd. Het is van belang dat de betalingslasten eerlijk worden verdeeld, dat wil zeggen: naar rato van het welvaartsniveau van de individuele lidstaten. Het verbruik van energiebronnen of natuurlijke hulpbronnen houdt geen gelijke tred met het welvaartsniveau en dus zijn milieu- en energieheffingen niet geschikt voor het EU-stelsel van eigen middelen. Auto’s in armere lidstaten verbruiken niet minder brandstof dan in rijkere landen. Sterker nog, waarschijnlijk verbruiken ze meer omdat het wagenpark ouder is. Hierdoor zou de betalingslast voor de minder ontwikkelde EU-landen buitenproportioneel hoog worden. Dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de rapporteur bedanken voor zijn samenwerking. Hij heeft een complete en eerlijke beoordeling van de huidige situatie gemaakt en de deur geopend voor overleg over mogelijke toekomstige oplossingen.

Mijns inziens komt het Parlement echter te vroeg met zijn standpunt. Onze visie van dit moment vormt slechts een eerste bijdrage aan het debat, omdat we in 2008 de begroting volledig kunnen herzien. We moeten een systeem bedenken dat transparant en begrijpelijk is en gebaseerd op gelijkheid tussen de lidstaten en op rechtvaardigheid. Daarin moeten de prioriteiten en ambities van onze succesvolle toekomstige EU, die volop in beweging is, tot uitdrukking komen.

Ik ben erg blij dat in het verslag – en dat is heel belangrijk – de nadruk wordt gelegd op het verband tussen uitgaven en inkomsten en de noodzaak om beide zaken gelijktijdig aan te pakken, als we echte vooruitgang willen boeken bij de herziening van de EU-begroting. Ook is het van belang te erkennen dat het vraagstuk van de eigen middelen niet louter over de Britse korting gaat. Dat is een oversimplistische en onjuiste visie die ons niet zal helpen het overleg betekenisvol en constructief te laten verlopen.

Ten slotte doet het mij deugd dat de rapporteur erkent dat de idee van een nieuwe EU-belasting niet haalbaar en evenmin populair is. Hieruit blijkt dat het Parlement rekening heeft gehouden met de opvattingen van nationale parlementariërs, die zij tijdens onze uitgebreide raadplegingen hebben verwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  Kyösti Virrankoski (ALDE).(FI) Mevrouw de Voorzitter, de rapporteur, de heer Lamassoure, heeft een zeer verdienstelijk verslag opgesteld over de eigen middelen van de Europese Unie, waarvoor ik hem hartelijk wil bedanken. In het verslag wordt een duidelijk, transparant en evenwichtig systeem van eigen middelen geëist. Daar zijn goede redenen voor: het huidige systeem is complex en moeilijk te doorgronden. Er wordt voorgesteld een duidelijk plafond voor eigen middelen in te stellen, namelijk 1,24 procent van het bruto nationaal inkomen. Dat is de beste garantie om ervoor te zorgen dat de middelen niet op onbeheersbare wijze toenemen. Op die manier kan geen enkele inkomstenbron voor de Europese Unie uitkomen boven het maximum, dat in begrotingsakkoorden doorgaans nog verder wordt verlaagd.

De grootste misstand in het huidige systeem is de teruggave van de bijdrage aan Groot-Brittannië. Bijvoorbeeld mijn eigen kleine lidstaat, dat armer is aan natuurlijke hulpbronnen en een lager nationaal inkomen heeft, moet ongeveer 130 miljoen euro per jaar betalen om deze teruggave te dekken. Dat bedrag staat gelijk aan de operationele kosten van een universiteit van gemiddelde omvang. Naar mijn mening moet elke lidstaat zijn verantwoordelijkheid dragen, want de voordelen van de Europese Unie kunnen niet alleen worden afgemeten aan de inkomsten uit de begroting, maar vooral aan de veelzijdige en alomvattende effecten van de interne markt en de politieke Gemeenschap.

 
  
MPphoto
 
 

  José Albino Silva Peneda (PPE-DE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik geloof dat het huidige systeem voor de financiering van de EU zijn beste tijd heeft gehad. Als we met het huidige systeem verder moeten, zal het volgens mij erg lastig zijn een financieel kader voor de periode ná 2013 overeen te komen, als gevolg waarvan de burgers een steeds grotere afstand tot de Europese instellingen zullen gevoelen. Dat komt omdat het bestaande systeem is gebaseerd op regels die zo ondoorzichtig zijn dat de gemiddelde burger ze niet dan met moeite zal begrijpen. Een aantal van die regels is overigens het gevolg van bijzondere politieke omstandigheden; het zijn regels die aanvankelijk van tijdelijke aard waren, maar uiteindelijk permanente status hebben verworven. Als we het huidige systeem aanhouden, zullen we de essentiële waarden die typerend zijn voor het succes van de EU gedurende de afgelopen decennia volledig uithollen.

We bespreken nu per geval wie wel en wie geen nettobetaler is. Het is bijna vernederend. Ik ben daarom heel blij met het verslag-Lamassoure, een overzichtelijk en intelligent verslag dat de blik op de toekomst gericht houdt. Het bevat een opsomming van beginselen, methodes en aanbevelingen waar ik mij in kan vinden. Ik wil er wel graag de aandacht op vestigen dat deze hervorming niet beperkt blijft tot de financiële sfeer. Ze gaat veel verder en is in wezen politiek. Het debat mag dus niet beperkt blijven tot het Parlement en de Raad, en nog minder tot de Raad Ecofin.

Deze hervorming kan alleen met succes bekroond worden als alle instellingen – zowel de Europese als de nationale – van begin tot eind bij de procedure betrokken blijven. Daarom sluit ik af met een woord van lof voor de voorgestelde methodologie. Die legt de nadruk op de deelname van de nationale parlementen en moedigt die deelname ook aan.

 
  
  

VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Göran Färm (PSE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, de financiering van de EU-begroting is een chaos geworden. Er zijn maar een paar experts die begrijpen hoe het systeem werkt. Maar één ding weten we, dat het kortzichtig en onrechtvaardig is. Daarom zijn er gegronde redenen om het te hervormen in de richting van rechtvaardigheid, openheid en de lange termijn.

Alain Lamassoure heeft een belangrijk verslag opgesteld waar wij, Zweedse sociaaldemocraten, op hoofdlijnen mee instemmen. Niet op de laatste plaats willen wij, net als de heer Lamassoure, een eenvoudige, rechttoe rechtaan en rechtvaardigere vorm van financiering, bijvoorbeeld een systeem gebaseerd op het BNI zonder kortingen. Wij willen daarentegen niet de EU het recht verschaffen belastingen te heffen of afbreuk doen aan de soevereiniteit van de lidstaten in belastingaangelegenheden. Voor mij bestaat het specifieke karakter van de EU hierin dat zij fundamentele nationale soevereiniteit weet te verenigen met het vermogen om op bepaalde gebieden de krachten te bundelen om grensoverschrijdende maatschappelijke problemen op te kunnen lossen.

Een echte EU-belasting invoeren zou erop neerkomen dat we op de feiten vooruitlopen. Als we ooit die weg willen inslaan, moet de overtuiging van de voordelen hiervan van onderop komen, van de burgers en de lidstaten. Zo ver zijn we nog niet. Ik ben blij dat wij in de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement ver zijn gekomen in de richting van een gemeenschappelijk standpunt dat aansluit bij de benadering van de heer Lamassoure. Daarmee heeft die een breed draagvlak in het Parlement, hetgeen heel belangrijk kan zijn in de toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  László Surján (PPE-DE). (HU) De Hongaarse christendemocraten steunen dit verslag. Graag reageer ik op de zaken die in het debat naar voren zijn gekomen. Het verslag dat hier voor ons ligt neemt geen beslissing over de hoogte van de begroting en pleit ook niet voor de invoering van een Europese belasting, maar zet alleen de mogelijkheden en eventuele gevolgen daarvan op een rijtje.

We behandelen deze kwestie in geen geval te vroeg, eerder te laat! De hervormingen laten op zich wachten omdat het doorbreken van de delicate balans van uitzonderingen de belangen schaadt van degenen die hun eigen specifieke behoeften in vluchtige deals veilig hebben gesteld. Daar moeten we vanaf!

Het uitstekende voorstel van Alain Lamassoure wil orde scheppen in de chaos die er nu heerst en een meer rechtvaardige lastenverdeling bewerkstelligen. Als we dit verslag aannemen, laten we zien dat we ons hard maken voor een Europese Unie die sterker, effectiever en transparanter voor de burgers is.

 
  
MPphoto
 
 

  Herbert Bösch (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, eerder is de samenhang tussen de nieuwe grondwet en het debat dat we nu voeren aan de orde gesteld. Wie betaalt, bepaalt, luidt het spreekwoord. We hebben in het verleden meegemaakt dat een Unie, die nog voor zo’n 85 tot 90 procent van haar financiële middelen afhankelijk is van nationale bijdragen, machteloos is. Dat weten we en daarom hebben we meer Europese eigen middelen nodig. Wie beweert dat we zo verder kunnen met dit systeem, zaken kunnen verbeteren, de integratie kunnen vergroten, meer beleid kunnen voeren, pleegt kiezersbedrog. Daarom ben ik van mening dat we in de toekomst krachtiger verslagen zullen moeten opstellen.

Ik denk dat de heer Lamassoure goed werk heeft verricht. Maar wie kan de moed opbrengen om uitspraken te doen die de tabloids wellicht niet zinnen? We hebben meer eigen middelen nodig, dat betekent ook dat we de moed moeten opbrengen om Europese belastingen te heffen. De meningen kunnen hierover uiteenlopen, er zijn verschillende uitgangspunten mogelijk. De Commissie heeft al een paar verstandige voorstellen gedaan. Ik steun dit verslag ietwat halfslachtig, omdat we meer Europese eigen middelen nodig hebben om ervoor te kunnen zorgen dat het werk van de Europese integratie ook een toekomst heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Maria Iacob-Ridzi (PPE-DE). – Domnule Preşedinte, doamnelor şi domnilor, doresc să îl felicit şi eu pe domnul Lamassoure pentru munca sa, chiar dacă nu este prezent, şi mai ales pentru dialogul său permanent cu parlamentele naţionale. Mă bucură mult faptul că acest raport a inclus ideile lor, precum şi cele exprimate în Comisia pentru bugete, de către parlamentarii europeni din noile state membre.

În primul rând, trebuie să recunoaştem deficienţele sistemului actual de resurse bugetare, ce s-a vrut iniţial a fi unul de tranziţie. Este un sistem opac, complex, dificil de explicat cetăţenilor Uniunii, unde fiecare stat are propriul său rabat britanic şi propria sa excepţie. Poate cel mai mare inconvenient este faptul că numai 15% din resursele bugetare sunt veritabil europene. Este o situaţie inacceptabilă. O perioadă de tranziţie este necesară; eliminarea, în primă fază, a resursei calculate din TVA şi înlocuirea ei cu contribuţii naţionale este un pas înainte. Acest lucru reduce complexitatea actuală şi face mai uşoară trecerea la a doua fază, a resurselor europene veritabile.

În etapa a doua, din punctul de vedere al României, este preferabilă alegerea unui impozit simplu, care să nu crească presiunea fiscală asupra cetăţenilor europeni, sau să permită unor state membre să beneficieze de compensări injuste.

 
  
MPphoto
 
 

  Szabolcs Fazakas (PSE). (HU) Zoals uit het verslag van de heer Lamassoure en de reacties daarop al blijkt, staat het Europees Parlement voor een historische mogelijkheid, nu het dankzij het interinstitutioneel akkoord bij de hervorming van de begroting niet alleen bij het bepalen van de uitgaven, maar ook bij het creëren van eigen middelen een doorslaggevende rol kan spelen.

Het vaak kleingeestige, onwaardige debat dat tijdens de uitwerking van het financiële kader voor 2007-2013 werd gevoerd, heeft aangetoond dat we over bronnen van inkomsten moeten beschikken die transparant zijn en kunnen worden berekend voor de lange termijn om tot een evenwichtige besluitvorming te komen.

Het Europees Parlement heeft deze mogelijkheid op voorbeeldige wijze aangegrepen. We steunden daarbij niet alleen op onze eigen kracht, maar hebben ook de nationale parlementen bij deze taak betrokken en verscheidene gezamenlijke vergaderingen en raadplegingen georganiseerd. Aanvankelijk waren de nationale parlementen op grond van hun dagelijkse politieke beslommeringen voornamelijk geïnteresseerd in kortetermijnoplossingen, maar inmiddels hebben ook zij ingezien dat er op de lange termijn moet worden gedacht en dat we moeten samenwerken om een oplossing te vinden waarbij vooruit wordt gekeken en die ten dienste staat van de toekomst van heel Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie deelt de opvatting van het Parlement dat het huidige stelsel van eigen middelen niet optimaal is. De Commissie heeft herhaaldelijk aangegeven dat zij bereid is verschillende opties te bekijken om het huidige financieringssysteem te verbeteren en te vereenvoudigen. De Commissie neemt nota van het feit dat dit verslag een eerste stap vormt op basis waarvan het Parlement het onderzoek naar mogelijke opties in de toekomst, in nauwe samenwerking met de nationale parlementen, zal voortzetten en pas daarna een definitief standpunt zal innemen.

De Commissie zal de uitkomst van interparlementaire conferenties als een bijdrage aan het raadplegingsproces beschouwen.

De Commissie wijst erop dat zij de uitsluitende verantwoordelijkheid voor haar voorstel draagt, zoals expliciet staat vermeld in de verklaring bij het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline en een gezond financieel beheer van mei 2006 en zoals ik eerder al heb aangegeven.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Corbett (PSE) , schriftelijk.(EN) Ik ben blij met de pogingen die zijn ondernomen om ons al vroeg te bezinnen op de toekomstige inkomstenbronnen van de Europese Unie en ik waardeer het dat er een uitdrukkelijk verband wordt gelegd met de noodzaak om gelijktijdig de uitgavenkant te hervormen, en toch heb ik mijn twijfels over bepaalde aspecten van dit verslag. Er is nog steeds te veel aandacht voor de Britse korting zonder te erkennen dat deze korting op zichzelf niet abnormaal is, maar de correctie op een abnormale situatie vormt.

Tevens wordt in het verslag gesuggereerd dat het op het BNI gebaseerde middel geen echt "eigen middel" van de Unie vormt, omdat deze belasting niet van individuen maar van lidstaten wordt geheven en daarom voor burgers minder zichtbaar is. Toch gaat het hier, juridisch gezien, wel degelijk om een middel dat aan de Unie verschuldigd is. Hoewel minder zichtbaar, is het rechtvaardiger dan veel van de andere voorgestelde inkomstenbronnen, omdat het gekoppeld is aan het welvaartsniveau in de lidstaten. Het is ook een stabielere bron van inkomsten dan enkele van de andere voorgestelde inkomstenbronnen. Dit middel moet blijven bestaan!

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE), schriftelijk. – (FR) Dit verslag, dat alle mogelijkheden in kaart brengt voor een in twee fasen verlopende hervorming, is een nuttig overzicht van de werkhypotheses over de hervorming van de eigen middelen van de Unie. We moeten goed kijken naar de onderdelen inkomsten en uitgaven, door de nadruk te leggen op economisch, sociaal, onderzoeks- en innovatiebeleid, zonder voorbij te gaan aan de ontwikkelingskansen die in de afgelopen vijftig jaar mogelijk zijn gemaakt door het GLB. Ik hoop dat de akkoorden, die gebaseerd zijn op eerlijkheid en solidariteit onder de lidstaten, zullen breken met de unanimiteitsregel als het gaat om belastingkwesties.

Met het oog op de flagrant onevenwichtige bijdragen van de lidstaten aan de begroting van de EU, is het cruciaal dat we zonder verder aarzelen het stelsel van eigen middelen hervormen, waarbij wordt gegarandeerd dat elke lidstaat minstens 1,24 procent van het bruto nationaal inkomen inbrengt. Het is tijd om een einde te maken aan het achterhaalde compensatiestelsel, dat heeft geleid tot ongerechtvaardigde voordelen en gulle cadeautjes.

Europa, dat vijftig jaar na de ondertekening van het Verdrag van Rome nog in de steigers staat, moet zich laten inspireren door de geest van zijn grondleggers, zodat de financiering van de Unie in de ogen van onze medeburgers weer een eerlijker en transparanter imago krijgt en ons streven belichaamt om solidariteit te bevorderen en samen verder aan de weg te timmeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb (PPE-DE), schriftelijk. (FI) Allereerst wil ik Alain Lamassoure complimenteren met zijn uitstekende verslag. Hierin brengt hij de gebreken in het huidige systeem goed naar voren.

Kort gezegd is het huidige financieringssysteem ondemocratisch. Ten eerste begrijpen de burgers van de Europese Unie niet voor welk bedrag en op welke manier de Europese Unie wordt gefinancierd.

Ten tweede fungeren de nationale parlementen in de begrotingsonderhandelingen slechts als stempelmachines. Wanneer de regeringen de onderhandelingen over het financiële kader hebben beëindigd, wordt het door geen enkel parlement verworpen.

Ten derde is in de begrotingsonderhandelingen de positie van het Europees Parlement, dat via rechtstreekse democratische verkiezingen wordt gekozen, op z’n minst opmerkelijk. Het Europees Parlement is het enige parlement ter wereld dat besluiten neemt over uitgaven maar niet over inkomsten.

Zoals wij weten, komen de middelen van de Europese Unie uit heffingen op de landbouw en de suikerproductie, douanetarieven die aan de buitengrenzen worden geïnd, btw en bijdragen van de lidstaten op basis van hun BNP.

Er wordt veel aandacht gevestigd op de bijdragen. Elk relativeringsvermogen gaat verloren in de treurige begrotingsonderhandelingen. Elke lidstaat rekent uit hoeveel de Europese Unie hem kost en hoeveel hij krijgt. De totale begroting van de Europese Unie bedraagt echter slechts 1 procent van het BNI van de hele regio.

De Europese Unie wordt zo slechts een boekhoudkundige exercitie. Wij vergeten dat de Europese Unie een vredesproject is. Vanuit die optiek is de Europese Unie een goedkoop project. Wij hebben een financieringssysteem nodig dat het doel van de Europese Unie steunt.

Daarom moeten wij het verslag van de heer Lamassoure steunen.

 

18. Begrotingsrichtsnoeren voor 2008
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0069/2007) van Ville Itälä, namens de Begrotingscommissie, over de richtsnoeren voor de begrotingsprocedure 2008 - Afdelingen II, IV, V, VI, VII, VIII en IX

- en over het voorontwerop van raming van het Europees Parlement (Afdeling I) voor de begrotingsprocedure 2008.

Afdeling I – Europees Parlement,

Afdeling II – Raad,

Afdeling IV – Hof van Justitie,

Afdeling V – Rekenkamer,

Afdeling VI – Europees Economisch en Sociaal Comité,

Afdeling VII – Comité van de Regio’s,

Afdeling VIII(A) – Europese Ombudsman,

Afdeling IX – Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming

[2007/2013(BUD)]

 
  
MPphoto
 
 

  Ville Itälä (PPE-DE), rapporteur. (FI) Mijnheer de Voorzitter, de hoofdgedachte achter de begroting voor 2008 is dat wij ervoor kunnen zorgen dat 2008 het jaar van de belastingbetalers wordt, wat in de praktijk betekent dat de uitgaven min of meer op het niveau van 2007 worden gehouden. Het inflatieniveau moet naar het niveau van 2007 stijgen. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat dit niet voor gebouwen kan gelden. Het gebouwenbeleid moet apart worden gehouden, omdat wij nu al zoveel verplichtingen met betrekking tot gebouwen hebben dat de uitgaven op dit gebied beslist boven dit niveau zullen uitkomen. Op die manier wordt dit dan ook gepresenteerd in het voorstel en verslag. Het is ook voor de reputatie van het Parlement van belang dat wij goed op het geld van de belastingbetaler passen en dat wij niet per definitie alle leuke projecten uitvoeren die worden voorgesteld. De burgers kunnen geen vertrouwen hebben in het Parlement wanneer wij elk jaar geld uitgeven volgens de 20-procentregel, terwijl wij in 2008, waarin geen sprake is van nieuwe uitbreidingen en nieuwe talen, daadwerkelijk de mogelijkheid hebben op het niveau van 2007 te blijven en de belastingbetaler te tonen dat wij ons echt zorgen maken over hoeveel geld hier wordt uitgegeven.

Er moeten nog enkele projecten bij komen. Wat het informatiebeleid betreft moeten wij de burgers duidelijk maken wat hier gebeurt en dit kan misschien het beste via bezoekersgroepen, die al vele jaren een prioriteit zijn. Dit is zonder meer het beste informatiebeleid, maar ook belangrijk zijn de kleine lokale media, die geen geld hebben om de reizen naar het Parlement zelf te betalen. De lokale media moeten het Parlement vaker kunnen bezoeken en wij moeten een oplossing zien te vinden waarmee wij als Parlementsleden hier meer vertegenwoordigers van de lokale media kunnen uitnodigen. Mensen lezen en beluisteren namelijk juist de kleine lokale media en als deze positief over ons berichten, dan zal de reputatie van het Parlement en de hele Europese Unie beslist verbeteren.

Wij moeten ook meer aandacht besteden aan de wijze waarop wij wetgeving opstellen. Dit houdt in dat wij over goede en toereikende technische instrumenten moeten beschikken. In dit verband wordt voorgesteld dat bijvoorbeeld wij als Parlementsleden goede toegang tot computers krijgen via onze mobiele telefoons. Dit bestaat al in bijna alle nationale parlementen maar niet in het Europees Parlement, en dergelijke zaken moeten uiterlijk in 2008 worden rechtgezet.

Wij spreken dagelijks over de vertaaldiensten en het gaat hierbij natuurlijk vooral om hoe gelijkwaardig alle leden worden behandeld, ongeacht uit welk taalgebied zij komen. Wat dit betreft zijn er beslist grote en vooral structurele veranderingen nodig. Deze diensten moeten echter altijd blijven functioneren.

Ik wil verder benadrukken dat wij op het huidige niveau kunnen blijven. Wat gebouwen betreft is de lijst enorm lang, hoewel sommigen beweren dat 2008 het laatste jaar is waarin hier geld aan kan worden besteed. Wij hebben gesproken over externe kantoren in Londen, Stockholm en Parijs. Wij gaan beginnen met het bouwproject KAD in Luxemburg, terwijl een andere instelling, de Europese Rekenkamer, daar ook een groot bouwproject begint. Wij moeten hier in Brussel de laatste hand leggen aan nieuwe gebouwen, ruimten kopen in het zogeheten banaangebouw hier vlakbij, het Sport Center opleveren... De lijst is nog veel langer en hieruit blijkt alleen maar dat deze projecten misschien niet allemaal in 2008 kunnen beginnen of kunnen worden gerealiseerd. Er moet ook wat de gebouwen betreft een prioriteitenlijst worden opgesteld op basis waarvan wij verder kunnen gaan.

Ik denk dat het voorbereidende werk in de juiste geest heeft plaatsgevonden en dat wij allemaal de belastingbetalers willen vertellen dat 2008 vooral het jaar van de belastingbetaler wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Valdis Dombrovskis, namens de PPE-DE-Fractie. (LV) Mijnheer de Voorzitter, geachte dames en heren, allereerst wil ik mij namens de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten scharen achter de benadering van de rapporteur, namelijk dat het niveau van de uitgaven van het Europees Parlement dient te zijn gebaseerd op vereisten die na zorgvuldige evaluatie gerechtvaardigd zijn gebleken. Nu wil ik echter uw aandacht vragen voor mijn voorstel om het verbruik van papier en energie in het Europees Parlement te verminderen. De instellingen van de EU dienen het goede voorbeeld te geven op het terrein van milieuvriendelijk beleid en hun energieverbruik te verminderen. Helaas wordt in het Europees Parlement veelal niet goed omgesprongen met natuurlijke hulpbronnen, bijvoorbeeld door buitensporig veel papier te verbruiken en in de zomer zonder noodzaak intensief gebruik te maken van de airconditioning. Minder papierverbruik en verstandiger gebruik van de airconditioning zou niet alleen goed zijn voor het milieu, maar ook aanzienlijke besparingen opleveren voor de begroting van het Europees Parlement. In de praktijk zijn alle documenten van het Parlement elektronisch beschikbaar. Mijn voorstel voorziet in een vermindering van het aantal papieren documenten door deze niet meer automatisch te verstrekken aan alle leden en ambtenaren, maar te bepalen dat deze op verzoek op papier beschikbaar zijn. Iedere werkdag ontvangen de leden van het Parlement en de hier werkzame ambtenaren bergen papieren documenten. De meeste belanden vervolgens in de prullenbak aangezien de elektronische versie van het document indien nodig kan worden geraadpleegd. Het zou veel verstandiger zijn om de leden van het Parlement en de ambtenaren te laten bepalen welke documenten zij voortaan op papier willen ontvangen en welke zij in elektronische vorm willen lezen. De mogelijke besparing is aanzienlijk, gezien het feit dat het Europees Parlement op dit moment bijna 850 ton papier per jaar verbruikt, ofwel 3,4 miljoen vellen per week. Wat betreft de airconditioning voorziet het voorstel in de verhoging van de temperatuur in het Europees Parlement met enkele graden in de zomer. Tot nog toe werd de temperatuur onnodig en zelfs onaangenaam laag gehouden. Dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Maňka, namens de PSE-Fractie. – (SK) De vaders van de Europese gedachte wisten niet wat er vijftig jaar na dato zou gebeuren, maar één ding wisten ze zeker: als we Europa willen bouwen, dan moeten we het samen bouwen. Deze woorden van Robert Schuman hebben we treffend samengevat in de EU-leuze en het EU-logo met het woord 'samen'.

In de begroting van 2008 onderstrepen we het politieke belang van de instrumenten die wij willen aanwenden om de Europese burgers beter te informeren. Een van onze doelstellingen, vooral met het oog op de Europese verkiezingen van 2009, is het uitbannen van de tekortkomingen die het imago van de Europese Unie aantasten. Dames en heren, zaterdag hebben velen van u, samen met miljoenen televisiekijkers, het grote concert in Brussel gezien ter ere van de vijftigste verjaardag van de ondertekening van de Verdragen van Rome. Het was echter niet zozeer een feestelijke gebeurtenis, als wel een beschamende vertoning. Het hele evenement was van veel grotere symbolische waarde geweest als artiesten uit alle lidstaten waren uitgenodigd.

Als wij met succes problemen willen oplossen, dienen we ons breed te oriënteren. Het Europees Parlement kan niet volstaan met vorderingen op het terrein van communicatie- en informatiebeleid. We moeten samenwerken met de Commissie en met de nationale parlementen om doeltreffende communicatiemaatregelen te treffen en vervolgens de effectiviteit van het proces regelmatig evalueren. Dat wij de nadruk leggen op een brede aanpak en versterking van de samenwerking tussen de instellingen zal leiden tot grotere transparantie en een doeltreffender gebruik van middelen.

Dames en heren, het Europees Parlement heeft onlangs besloten een belangwekkend statuut aan te nemen over de assistenten die in dienst zijn van de leden van het Parlement. Derhalve wil ik u verzoeken een amendement aan te nemen waarin de Raad wordt opgeroepen een definitief besluit te nemen over deze zaak. Zoals wij allen weten, zal dit statuut uiteindelijk bijdragen aan een betere kwaliteit van ons werk.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne E. Jensen, namens de ALDE-Fractie. – (DA) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Itälä dank zeggen voor het goede werk dat hij heeft geleverd met het verslag over de begroting van het Parlement voor het jaar 2008. Hij stelt voor dat de uitgaven volgend jaar in beginsel op het niveau van 2007 liggen, en daarbij kunnen wij van de ALDE-Fractie ons heel goed aansluiten. Na de uitbreiding is 2008 immers een consolidatiejaar, en extra behoeften moeten daarom zeer goed gemotiveerd zijn, willen ze budgettaire gevolgen hebben. Tegelijkertijd willen we ons aansluiten bij de constatering dat 2008 wel het laatste jaar zal zijn waarin we het overschot van wel 20 procent van de administratieve uitgaven van de Unie kunnen gebruiken voor de aankoop van gebouwen. Last but not least wil ik benadrukken wat de heer Maňka ook zei, namelijk dat nu we een Statuut van de leden krijgen, er steun moet komen voor een statuut voor de assistenten van de leden van dit Parlement. Op dat punt missen we de steun van de Raad. Zonder die steun kunnen we de zaken niet op orde krijgen. Laten we daar iets aan doen!

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen, namens de GUE/NGL-Fractie. (FI) Mijnheer de Voorzitter, de uitgaven van het Europees Parlement zijn zeer snel toegenomen. Deze toename kan worden verklaard door de uitbreiding van de Europese Unie en de hieruit voortvloeiende behoefte aan tolk- en vertaaldiensten en ruimten. Naar schatting is 60 procent van de kosten het gevolg van de eis van meertaligheid en het beleid van meerdere vestigingsplaatsen.

Tot nu toe zijn alle uitgaven gefinancierd uit de 20 procent van de administratieve kosten van de Europese Unie. Over het gebruik hiervan zijn informeel afspraken gemaakt met de andere begrotingsautoriteit, de Raad. In de context van de uitgaven van het Parlement is 2008 een soort tussenjaar. De financiering van nieuwe kantoren is in orde en er is geen nieuwe uitbreiding op komst. Zo bezien is het standpunt van de rapporteur dat het Parlement geen nieuwe, kunstmatige uitgaven voor zichzelf moet verzinnen en zich niet per definitie op het niveau van 20 procent moet richten, gerechtvaardigd. Als wij dit wel doen, bestaat het gevaar dat de grote fracties in het Parlement hun eigen politieke doelen financieren met de gemeenschappelijke administratieve uitgaven, hetgeen na 2008 een financiële last voor het Parlement zal betekenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Grech (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het met de rapporteur eens dat de instellingen hun ramingen op duidelijk omschreven behoeften moeten baseren. Dit moet leiden tot een efficiënter gebruik van middelen, waardoor doublures worden voorkomen. Wat dit betreft verwachten we dat het definitieve voorstel voor een interinstitutioneel akkoord voor de beide comités, het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité, in 2007 gereed zal zijn, zodat de gezamenlijke afdelingen op billijke wijze zullen worden bestuurd.

Op het eerste gezicht lijkt het redelijk te verlangen dat het Parlement het begrotingsniveau van 2007 handhaaft. Wij moeten er echter op toezien dat de financiële onafhankelijkheid van het Parlement op geen enkele manier in gevaar komt, vooral omdat het Statuut van de leden, met een budget van meer dan 100 miljoen euro, in 2009 van kracht wordt.

Het percentage van 20 procent van rubriek 5 moet als begrotingsplafond overeind blijven. Deze drempel moet voor de nodige stabiliteit en discipline zorgen wanneer wij de begroting van 2008 vaststellen.

Tot slot wil ik mijn waardering uitspreken voor het verslag van de heer Itälä.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dit verslag is essentieel, niet alleen omdat het aangeeft welke financiële middelen noodzakelijk zijn voor het functioneren van de Europese instellingen, maar ook omdat het de controlerende rol van het Parlement onderstreept en concreet laat zien hoe ons Europa functioneert. Zoals dit verslag benadrukt, moeten we onze financiën stabiliseren, en onze begrotingsstrategie voor 2008 moet voorzichtig zijn. Om dit te bereiken moet onder meer voorrang worden gegeven aan het verbeteren van onze diensten en de overheveling van personeel.

Laat ik drie opmerkingen maken. Ten eerste wil ik, ondanks de zeer hoge kwaliteit van de vertaaldiensten, wijzen op het feit dat de taalversies steeds vaker te laat beschikbaar komen, hetgeen ons werk hindert dat eraan voorafgaat.

Ten tweede wil ik opnieuw aandringen op gelijkwaardige technische en IT-faciliteiten in Straatsburg en Brussel. Nu we stilstaan bij het Verdrag van Rome wil ik er tevens op wijzen dat een ambitieus communicatieplan wat de media betreft, voor het Parlement tot de mogelijkheden behoort. Ook zou ik willen wijzen op de noodzaak om burgers beter te informeren, bijvoorbeeld door het makkelijker te maken zittingen bij te wonen. Bezoeken door onze medeburgers zijn vaak een doeltreffende manier om Europa te leren kennen. Ik zou dan ook graag zien dat de ontvangstcapaciteit voor bezoekers wordt uitgebreid, met name in Straatsburg, de zetel van het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Gyula Hegyi (PSE) , schriftelijk.(EN) Vorige week heeft de Commissie een belangrijke en interessante conferentie over milieubelastingen of ecotaks gehouden. Met het oog op duurzame ontwikkeling en een goed klimaatbeleid zijn politieke en administratieve regels nodig, ofwel strenge verordeningen, richtlijnen en wetten. We leven echter in een markteconomie en daarom moeten we het belang van financiële instrumenten niet onderschatten. Door middel van een adequaat belastingstelsel kunnen het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en verontreiniging en milieuschade worden beperkt en de toepassing van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie worden bevorderd. Commissaris László Kovács heeft gezegd dat hij de tweede helft van zijn ambtstermijn wil gebruiken om belastingen te introduceren die de energiedoelen van de EU dichterbij brengen, en om de klimaatverandering tegen te gaan. Het Europees Parlement moet oproepen tot de invoering van solide milieuheffingen, die een bijdrage kunnen leveren aan duurzame ontwikkeling en energiebesparing.

 

19. De toekomst van het professionele voetbal in Europa - Veiligheid bij voetbalwedstrijden (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- het verslag (A6-0036/2007) van Ivo Belet, namens de Commissie cultuur en onderwijs, over de toekomst van het professionele voetbal in Europa [2006/2130(INI)], en

- het verslag (A6-0052/2007) van Giusto Catania, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het initiatief van de Republiek Oostenrijk met het oog op de aanneming van het besluit van de Raad tot wijziging van Besluit 2002/348/JBZ inzake veiligheid naar aanleiding van voetbalwedstrijden met een internationale dimensie [10543/2006 C6-0240/2006 2006/0806(CNS)].

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, geachte voetbal- en sportliefhebbers, ik ben erg blij dat ik hier vanavond de Commissie mag vertegenwoordigen in het debat over voetbal. Dit bewijst nog eens te meer dat het Parlement groot belang hecht aan sport. De steun die u aan onze initiatieven op sportgebied geeft, is uiteraard welkom en noodzakelijk.

Allereerst wil ik de beide rapporteurs, de heren Belet en Catania, feliciteren met het werk dat zij hebben verricht en dat getuigt van hoge kwaliteit. In de twee verslagen wordt voetbal vanuit verschillende invalshoeken belicht, maar in beide is er aandacht voor het karakter van sport, de waarden ervan en de mogelijkheden die sport biedt voor het onderwijs, de samenleving en de economie.

Voordat ik dieper op de verslagen inga, wil ik eerst een paar dingen over het Witboek zeggen. Het Witboek over sport is van wezenlijk belang voor de toekomst van de Europese sport. Het moet in juli van dit jaar worden aangenomen. Dit zal de bekroning van een lang proces vormen en het moet worden bezien in het licht van bredere politieke overwegingen.

Aan de plannen voor een Witboek liggen de verwachtingen van belanghebbenden in de sport ten grondslag. Zij willen dat hun zorgen serieus worden genomen door de beleidsmakers in de EU, inclusief de noodzaak om sport beter te promoten en meer rechtszekerheid te krijgen. Het Witboek zal betrekking hebben op alle sporten en er zal geen sprake zijn van een voetbalspecifieke benadering. Het uiteindelijke doel van dit initiatief is in de eerste plaats om sport in andere actieve beleidsonderdelen van de Unie te integreren, zodat zij beter als instrument voor EU-beleid kan fungeren. In de tweede plaats willen we voorwaarden stellen voor een beter bestuur binnen de Europese sport. De belangrijkste onderwerpen van het Witboek zijn de maatschappelijke en economische rol van sport, de organisatie van sport en bestuurskwesties.

Wij zullen bij de opstelling van het Witboek zorgvuldig naar de verslagen van het Parlement kijken. De Europese Commissie heeft de werkzaamheden van de commissies nauwlettend gevolgd en dat heeft ons al zeer nuttige informatie opgeleverd.

Laat ik beginnen met het verslag van de heer Belet. De Commissie is ingenomen met het initiatief van het Parlement over de toekomst van het beroepsvoetbal. Wij delen veel van de zorgen die in het verslag worden verwoord. Veel van de vraagstukken die de heer Belet behandelt, komen ook in het Witboek aan de orde, bijvoorbeeld sociale cohesie, bescherming van jonge werknemers, sociale dialoog en het vrije verkeer van werknemers. Zoals in uw ontwerpverslag staat aangegeven, is het uiterst moeilijk een alomvattend Europees wettelijk kader tot stand te brengen waarin het specifieke karakter van sport wordt erkend. In de Europese jurisprudentie is deze erkenning er echter wel en daarin wordt ook de maatschappelijke en educatieve rol van voetbal in Europa erkend.

Wat betreft het vrije verkeer van werknemers was het Hof van Justitie bijvoorbeeld van mening dat sport alleen onder het Gemeenschapsrecht valt wanneer zij een economische activiteit vormt. Dit geldt zowel voor beroeps- als amateursporters en het Hof maakte een uitzondering op de algemene regel van non-discriminatie voor wedstrijden met een zuiver sportief en geen economisch belang, zoals wedstrijden tussen nationale teams.

Ten aanzien van spelers uit eigen kweek is de Commissie zeer gevoelig voor de maatregelen die de UEFA heeft voorgesteld. Ook wij vinden dat er meer aandacht moet komen voor de opleiding van jongeren en dat de clubs moeten worden aangemaand te investeren in de opleiding van jongeren en niet alleen in transfers van spelers. Wij zijn echter nog steeds bezig met de bestudering van de quota van lokaal opgeleide spelers, onder meer vanuit het oogpunt van evenredigheid.

De Commissie is blij met de oproep van het Parlement tot een intensievere sociale dialoog in de voetbalsector. Dit is een goede manier om zaken aan de orde te stellen als mobiliteit, werkcontracten en arbeidsomstandigheden. Wij hebben steun verleend aan de pogingen van de sociale partners om een meer gestructureerde dialoog te ontwikkelen waarbij het voetbal op Europees niveau het voortouw heeft genomen.

De Commissie blijft de werkgevers- en werknemersorganisaties in de gehele sportsector steunen en zal haar open dialoog met alle sportorganisaties over dit vraagstuk voortzetten.

Kortom, de Commissie zal zorgvuldig en met realiteitszin naar uw aanbevelingen kijken in het licht van de huidige werkterreinen van de EU. Het verzoek aan de Commissie om een actieplan op te stellen waarin wordt aangegeven welke kwesties moeten worden aangepakt, verdient nauwgezette bestudering.

Dan het verslag van de heer Catania. Allereerst wil ik onderstrepen dat sport een positieve kracht kan zijn voor onderwijs, cultuur en maatschappelijke integratie. De afgelopen jaren hebben we echter helaas gemerkt dat geweld en vandalisme tijdens sportevenementen zijn toegenomen. Twee week geleden hebben de ministers van sport deze kwestie in Stuttgart besproken. Zij hebben benadrukt dat er betere preventieve maatregelen moeten worden getroffen, vooral in de vorm van samenwerking tussen alle betrokkenen, inclusief de supporters.

De Commissie heeft haar best gedaan om de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten te bevorderen teneinde de politiële en justitiële samenwerking te verbeteren. We hebben goede werkcontacten gelegd met de UEFA en andere sportautoriteiten. Wat betreft de openbare orde en het politietoezicht was iedereen volgens mij erg tevreden over de uitstekende resultaten die werden geboekt tijdens het WK voetbal in Duitsland afgelopen jaar. Hieruit blijkt dat een goede voorbereiding en coördinatie met andere lidstaten een zeer doeltreffend middel vormen om criminaliteit, in het bijzonder vandalisme, tegen te gaan. De eerste statistieken laten zien dat de criminaliteit tijdens het WK in het geheel niet is toegenomen.

Op grond van Besluit 2002/348/JBZ van de Raad zijn de lidstaten ertoe verplicht nationale voetbalinformatiepunten op te richten. Dit is een positieve stap in de verbetering van de samenwerking tussen politiediensten en andere instanties die voetbalgerelateerd geweld bestrijden. Het Oostenrijkse initiatief dat in het verslag van de heer Catania wordt besproken, heeft tot doel het bestaande netwerk van informatiepunten te vervangen door een specifiek netwerk van nationale voetbalinformatiepunten. Via deze informatiepunten kan toegang worden verkregen tot de persoonlijke gegevens van vandalen of "risicosupporters" die de verschillende lidstaten als zodanig hebben aangewezen. De Commissie juicht de steun in dit verslag voor dit initiatief toe en neemt terdege nota van de zorgen die zijn geuit over mensenrechten en gegevensbescherming, waaraan de Commissie zoals u weet groot belang hecht.

Kortom, het is een goede zaak dat sport nu werkelijk op de Europese agenda staat. De vijftigste verjaardag van de Verdragen van Rome geeft dit jaar kleur aan veel van onze doelstellingen en wat was het mooi om die verjaardag twee weken geleden te vieren met een voetbalwedstrijd in Manchester. Er had geen krachtiger signaal kunnen worden afgegeven dat sport en sportieve waarden op het hoogste politieke niveau echt worden gewaardeerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ivo Belet (PPE-DE), rapporteur. Voorzitter, commissaris, beste collega's, bij sommigen rijzen de haren te berge, als je Europa, de Europese Unie, in verband brengt met sport. Ze zeggen dan voorspelbaar altijd het volgende: de EU heeft geen bevoegdheid ten aanzien van sport en moet dus terzake ook niet proberen iets te ondernemen.

Die stelling, beste collega's – we beseffen het allemaal – klopt niet en de betrokkenen weten dat overigens zeer goed. Sport, en zeker profsport, en de commissaris zei het al, en daarover gaat het hier, komt in allerlei opzichten sowieso in aanraking met de Europese regelgeving. Met name de economische aspecten van profvoetbal zijn er onderhevig aan. De Commissie bemoeit zich ermee en het Europees Hof van Justitie bemoeit zich er ook mee. Dat is afdoende bewezen de afgelopen jaren.

Profvoetbal, beste collega's, is uiteraard big business. Niemand ontkent dat. Maar het is tegelijk zoveel meer. Het heeft ingrijpende sociale en opvoedkundige functies en daarom onderstrepen we in dit verslag de specifieke benadering die zich opdringt. Specificiteit van sport staat ingeschreven in de verklaring bij het Verdrag van Nice en in het protocol bij het Verdrag van Amsterdam. Niemand kan daar omheen. Het is dan ook onze plicht om bij de toepassing van de EU-regelgeving daarmee rekening te houden.

Niemand vraagt om uitzonderingsmaatregelen of zogenaamde group exemptions. Wat we wel vragen is het volgende: er moeten guidelines komen van de Commissie. Geen richtlijnen, maar guidelines, met name om de juridische onzekerheid die nu heerst, weg te nemen. Wij willen dat de autonomie van de profsport ten volle wordt gerespecteerd. Zelfregulering is het centrale begrip in dit verslag, maar dat ontzegt ons het recht nog niet om de evolutie in een bepaalde richting te duwen.

Profvoetbal is de voorbije maanden in heel veel landen in de EU beschadigd door allerlei schandalen, en daar past maar één antwoord op: good governance. Daarom eisen we van de betrokken bestuursorganen van de UEFA, van de voetballiga's, van de clubs dat ze resoluut kiezen voor een transparante beleidsvoering.

Heel veel leden in dit Parlement, heel veel collega's willen ook meer solidariteit en herverdeling van de middelen, van het geld in het voetbal. Ik denk niet dat het aan ons is om het geld te gaan herverdelen in het profvoetbal. Het is in het belang van de profclubs, van de liga's en de federaties zelf om hierin maatregelen te nemen.

Voetbal heeft nood aan competitief evenwicht. Dat staat nu als nooit tevoren onder druk. De kloof tussen de grote, alsmaar rijker wordende clubs en de kleinere clubs wordt alsmaar groter. Wie dat niet inziet, beste collega's, is ziende blind. Die evolutie bedreigt de toekomst van de sport die ons allen zo na aan het hart ligt en het bedreigt ook de sociale, integrerende functie van die sport, moet ik zeggen.

Daarom, commissaris, en ik wil het nog eens benadrukken – u hebt er al naar gerefereerd – zijn en blijven we 100% gewonnen voor de home grown-regel die de UEFA heeft ingevoerd voor localy trained players. Profclubs verplichten – niet van hieruit, maar vanuit de voetbalinstanties zelf – om te investeren in de opleiding van hun eigen jeugd is essentieel voor de sociale component. En daarom verdient het onze maximale steun, denk ik.

Een delicaat punt is de verkoop van tv-rechten. Delicaat omdat het gaat om de belangrijkste bron van inkomsten voor de profclubs, delicaat ook omdat het nationale materie is natuurlijk. Het enige wat we vragen in dit verslag is dat de bevoegde autoriteiten en de bevoegde instanties van het voetbal aan tafel gaan zitten om te zoeken naar een oplossing die garant staat voor meer solidariteit tussen de grote clubs en de kleine. Dat lijkt me toch redelijk en verantwoord.

Commissaris, Voorzitter, we rekenen erop dat de Commissie bij het uittekenen van haar Witboek over sport terdege rekening houdt met wat er in dit verslag staat en wat morgen hopelijk ook wordt goedgekeurd. We hebben maximaal rekening gehouden met de bevoegdheden van de EU op dit terrein. Het heeft geen zin dat we ons bezondigen aan naïviteit, zeker niet als het gaat om een complexe sector als het profvoetbal waar miljoenen jongeren rechtstreeks bij betrokken zijn.

We rekenen, commissaris, op een ambitieus document van de Commissie en ik denk, ik ga ervan uit, en u kunt er zeker van zijn, dat u in return kunt rekenen op de loyale steun van dit Huis.

 
  
MPphoto
 
 

  Giusto Catania (GUE/NGL), rapporteur. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil de commissaris graag bedanken voor zijn steun aan onze verslagen, en ik wil ook het belang benadrukken van deze gecombineerde behandeling, omdat ik van mening ben dat de toekomst van het voetbal onlosmakelijk verbonden is met de veiligheid binnen de stadions. Daarom is het gelijkstellen van de toekomst van profvoetbal aan de veiligheid in de stadions een praktische manier om het debat over de toekomst van sport en voetbal naar een hoger plan te tillen.

De commissaris heeft gelijk als hij zegt dat we de afgelopen jaren telkens terugkerende geweldsincidenten hebben gezien op staantribunes, die de oorspronkelijke aard van de sport hebben veranderd: het enorme aantal geweldsincidenten, uitingen van intolerantie, xenofobie en racisme zijn tekenen van een fundamentele ommekeer binnen een sport die een van de meest geliefde en bekeken sporten onder de Europese bevolking is. Helaas zijn dit geen incidenten, maar het resultaat van een complete ommekeer binnen het voetbal, dat nu big business is geworden, met clubs die beursgenoteerd zijn en een ongelooflijke opbrengst genereren. Ik denk dat deze factor een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de stapsgewijze transformatie van sportevenementen.

Voetbal is vandaag de dag erg populair en tegelijkertijd is het een enorm evenement dat telecombedrijven aanzet om te investeren in de aankoop van televisierechten. Ik steun het voorstel van de heer Belet over de collectieve verkoop van televisierechten, wat mijns inziens een handige manier is om te voorkomen dat alle grote teams 'hun zakken vullen' ten koste van kleine ondernemingen.

Er bestaat nog een andere fundamentele factor in het voetbal, niet alleen in de vorm van de sportieve waarde, maar ook in de vorm van het publiek. Voetbalwedstrijden zonder toeschouwers zou ondenkbaar zijn: in sommige gevallen zijn er extreme maatregelen getroffen die naar mijn mening het kijkplezier van de sport hebben geschaad. Aangezien de aanwezigheid van toeschouwers essentieel is, moeten we erop aandringen dat voetbalwedstrijden altijd met publiek worden gespeeld, en dat betekent dat er passende maatregelen getroffen moeten worden om veilig te stellen dat wedstrijden in alle rust kunnen worden gespeeld, zonder uitingen van geweld of racisme.

De recente tragische gebeurtenissen tijdens een wedstrijd in de Serie A van de Italiaanse voetbalcompetitie tussen Catania en Palermo, die uitmondde in de dood van een politieagent, is in mijn optiek het meest duidelijke voorbeeld van wat er in de stadions kan gebeuren en hoe een randgroep van gewelddadige supporters niet alleen dikwijls in aanraking komt met supporters van de tegenstanders, maar ook met de orde en het gezag. De afgelopen tijd hebben we ook afschuwelijke gebeurtenissen gezien, niet alleen met supporters, maar ook met voetballers: vaak zijn het de ruzies tussen de spelers zelf die een slechte voorbeeldfunctie hebben en tot de ergste vorm van cultuur binnen de Europese stadions leiden. Er moet daarom preventief actie worden ondernomen om te voorkomen dat soortgelijke geweldsdelicten opnieuw plaatsvinden in de stadions. De prioriteit moet liggen bij het preventief optreden tijdens voetbalwedstrijden, en ook bij het bestrijden van repressie en de 'militarisering' van stadions.

De Raad heeft dit besluit in 2002 aangenomen, waarmee een landelijk informatiepunt voor voetbal werd ingesteld, dat fungeert als contactpunt voor de uitwisseling van politiegegevens met betrekking tot internationale voetbalwedstrijden. Het resultaat van deze maatregel is erg positief geweest, zoals we ook kunnen zien aan de ervaringen binnen de stadions en de verhoudingen binnen de politiekorpsen.

De afgelopen jaren is het aantal supporters dat naar het buitenland gaat om wedstrijden te bekijken, toegenomen en daarom is de Raad van mening dat het noodzakelijk is dat de verantwoordelijke instellingen hun samenwerking versterken. Ik denk dat dit een belangrijk punt is: de instanties die verantwoordelijk zijn voor het monitoren van de aanwezigheid van supporters in de stadions en het verkrijgen van gegevens over de aard van georganiseerde supportersgroepen, zijn ongetwijfeld belangrijke middelen, maar ze mogen uitsluitend optreden in overeenstemming met de nationale wetgeving en volgens Europese richtlijnen en internationale akkoorden over de bescherming van persoonsgegevens.

We moeten ervoor zorgen dat de grote hoeveelheid verzamelde gegevens niet gebruikt wordt voor onderzoeken door justitie of voor andere onderzoeken die niet gerelateerd zijn aan voetbal, en zeker niet als een manier om alle fans als criminelen te bestempelen. Er moet dus zorgvuldig met de verkregen gegevens worden omgegaan: ik denk dat de nationale instanties anders het risico lopen om niet langer als instrument voor de preventie van geweldsdelicten in de stadions te worden ingezet, maar als instrument voor sociale controle, hoogstwaarschijnlijk zonder onderscheid te maken. Ik steun daarom het voorstel van de Raad om het onderhavige besluit te wijzigen.

We zien er streng op toe dat dit besluit in volle overeenstemming met de wetgeving wordt ingevoerd, om ervoor te zorgen dat stadions niet, als een soort vrije zone, buiten de wet vallen. Binnen de stadions moeten ook de nationale en internationale wetten gelden, juist om te voorkomen dat blind geweld en uitingen van racisme en xenofobie opnieuw plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Luc Bennahmias (Verts/ALE), rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, we bevinden ons toch in een vrij verrassende situatie. We vieren het vijftigjarig bestaan van de totstandbrenging van de Europese Unie en als we aan onze medeburgers zouden uitleggen dat de Europese Unie zich geen seconde meer bezighoudt met sport, zouden ze vreemd opkijken. Het was dan ook tijd dat de Europese Unie deze kwestie op de agenda plaatste, en wel zoals wij het hebben gedaan, meen ik, in het Europees Parlement. Ik wil de rapporteur, de heer Belet, bedanken voor de wijze waarop hij zes maanden lang aan dit verslag heeft gewerkt, een gezamenlijk stuk arbeid van diverse commissies en verscheidene democratische politieke fracties van dit Parlement.

We hebben deze kwestie dan ook aangekaart met het doel, dat naar mijn idee wordt onderschreven door dit Parlement, om zowel de Europese 'uitzondering' betreffende sport te respecteren, zeker ook vergeleken met de manier waarop professionele sport wordt beheerd in de Verenigde Staten, als de diverse instanties en organisaties die belast zijn met profvoetbal: federaties, profcompetities, spelersverenigingen, spelersmakelaars, enzovoorts. Ik geloof dat dit verslag op dit niveau nuttig is als we binnen de diverse organisaties draagvlak weten te krijgen voor deze standpunten, zodat ze zich kunnen vinden in dit verslag, waarover we morgen gaan stemmen. Ik denk dat onze uitwisselingen met deze organisaties, die bijzonder veel aandacht aan de kwestie hebben besteed, buitengewoon interessant zijn geweest, en ons in staat hebben gesteld met een aantal voorstellen te komen.

We zijn dan ook blij, en ik denk dat iedereen dat is, met de diverse aanbevelingen en voorstellen omtrent de opleiding van spelers, de opleiding van jonge spelers en met de pogingen van de UEFA om te voorkomen dat jonge spelers direct worden verkocht, zodat ze kunnen uitkomen voor de clubs waar ze zijn opgeleid. We zijn blij met de aanbeveling over wat kan worden aangeduid als 'handel in jonge spelers' waarbij honderden jonge Afrikaanse spelers worden gebruikt en vervolgens aan hun lot worden overgelaten. Wij zijn blij dat dit verslag erop wijst dat immigratiewetten worden opgesteld om te worden nageleefd, zelfs in de professionele sportwereld, zelfs in de voetbalwereld. Ook zijn we blij, zoals de commissaris al zei, met het herhaalde verzoek om een maatschappelijke dialoog, die cruciaal is. De heer Belet wees er al op, er gaan in het hedendaagse profvoetbal gigantische bedragen om, en op dit punt is sociale dialoog, en zeker ook regulering en herverdeling noodzakelijk.

Er is echter één punt van kritiek, dat vandaag naar voren kwam, en ik ben erdoor verrast. Iedereen, inclusief alle commissies, heeft het over financiële transparantie. Ik hoorde sommige van mijn collega’s het idee opperen dat alleen het noemen ervan volstaat. Nee, met het voorstel om een onafhankelijke organisatie in het leven te roepen – mogelijk onder auspiciën van de UEFA, maar onafhankelijk – zouden we echt in de richting van financieel toezicht en financiële transparantie kunnen gaan. Dat is de enige oplossing. Herhalen is niet genoeg. Dat is hetzelfde als zeggen dat we doping moeten bestrijden, zonder daarvoor een nationale, Europese of internationale instantie in het leven te roepen. Laten we onszelf niet voor de gek houden: we hebben een dergelijke instantie nodig.

Ik zie dat ik aan het einde van mijn spreektijd ben gekomen. Ik had nog een heleboel dingen te zeggen. Ook ik ben uiteraard blij met de strijd tegen discriminatie en tegen racisme, onderwerpen die regelmatig worden aangekaart door het Europees Parlement en de Commissie, en door de voetbalwereld als geheel.

 
  
MPphoto
 
 

  Toine Manders (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. Voorzitter, namens de ALDE-Fractie ben ik schaduwrapporteur van de Commissie interne markt, maar ik wil even melden dat wij dit dossier zijn gestart in de Commissie interne markt om te voorkomen dat het voetbal uit elkaar zou vallen – hetgeen dreigde op dat moment – met een mogelijke tweede Bosman-zaak, namelijk de Charleroi-zaak.

Ik wil de werkgroep, en met name Ivo Belet, danken voor de prettige samenwerking. Ik denk dat er inmiddels een gebalanceerd voorstel ligt waarin alle aspecten van de professionele sport worden behandeld en waarin we een duidelijke waarschuwing geven naar alle betrokken partijen om zelf iets te doen aan de situatie die in de loop der jaren ontstaan is; het lijkt namelijk wel alsof professionele sporten boven de wet mogen staan. Tot het moment dat er een zaak bij het Europees Hof komt; dan wordt er gesproken over een economische entiteit met sociale en culturele waarden. Maar men moet wel voldoen aan de Europese regels.

Ik wil daarom aan de Commissie vragen of zij met mij van mening is dat we het niet hebben over amateursporten, maar dat de professionele sport een entertainment-industrie is die wellicht zelfs onder de dienstenrichtlijn zou moeten vallen, dat er wellicht uiteindelijk een interne markt voor deze diensten, voor deze entertainment-industrie, zou moeten komen.

Want, Voorzitter, we spreken niet over wat er binnen het veld gebeurt, we hebben het over wat er buiten het veld gebeurt, en met name de financiële actoren daaromheen. Als je nu moet concurreren op Europees niveau, dan zie je dat er heel veel verschillen zijn, omdat er verschillen zijn in interpretatie. Wat is daarvan de reden? Waarom is hier nog steeds geen interne markt en waarom is elke club verplicht binnen de nationale markt te opereren om vervolgens op Europees niveau met elkaar te kunnen concurreren. Ik denk dat, als de betrokken instanties niet zelf willen reguleren, dan de politiek moet reageren.

En we geven nu een waarschuwing zonder te wensen dat er nieuwe wetgeving komt - zeker geen uitzondering - maar wel een signaal dat de betrokken partijen het zelf moeten oplossen en, zo niet, dan hoop ik dat de Commissie zelf ingrijpt en zegt wat er moet gebeuren.

 
  
MPphoto
 
 

  Gary Titley (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie juridische zaken wil haar collega’s erop wijzen dat de Europese Unie geënt is op de beginselen van de rechtsstaat. De rechtsstaat heeft gezorgd voor de totstandkoming van de interne markt met al zijn voordelen en enkele nadelen. Daarbij wordt uiteraard het subsidiariteitsbeginsel in acht genomen.

Wij erkennen dat er zaken zijn met een louter sportief en geen enkel economisch belang, die tot het domein van de sportinstanties behoren. Wij erkennen ook dat de scheidslijn vaak moeilijk te trekken valt en daarom zijn we blij dat het Britse voorzitterschap het initiatief heeft genomen tot een onafhankelijke studie.

Wij willen onze collega’s er evenwel aan herinneren dat er in de EU-Verdragen talloze instrumenten zijn opgenomen die kunnen worden gebruikt om jonge spelers te beschermen, spelersagenten aan te pakken, groepsvrijstellingen van het mededingingsrecht te realiseren en na te gaan of sportorganisaties diensten van algemeen economisch belang verlenen in de zin van artikel 86 van het EU-Verdrag. We beschikken dus over meer dan genoeg handvatten om actie te ondernemen.

We willen allemaal dat voetbal een succesvolle sport is en dat de teams floreren – we steunen succes. Dat is duidelijk. We willen ook dat er goed gezorgd wordt voor clubs als Accrington Stanley en dat hun supporters in staat zijn hen te steunen. Daarom hoop ik dat we aan de hand van deze onafhankelijke studie een verstandige en samenhangende respons kunnen geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijn collega van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten Ivo Belet heeft uitstekend werk verricht. Zijn verslag getuigt van een evenwicht tussen de sociale en de economische dimensies van voetbal. Ik heb gesproken met managers, spelers en supporters van voetbalclubs en amendementen ingediend in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, die in brede kring worden gesteund.

Jonge spelers moeten van jongs af aan in topsportcentra en met veel speeltijd worden opgeleid. Daarom steun ik het voorstel van de UEFA dat inhoudt dat steeds een minimum aantal spelers uit de eigen opleiding moet worden ingezet. Het moet toch mogelijk zijn, commissaris, om dat principe ook wettelijk te verankeren. Ik ben ervoor dat BVO’s spelers afstaan aan nationale elftallen en recht hebben op compensatie als die spelers blessures oplopen of wekenlang afwezig zijn. Het wordt tijd voor een nieuw, gezamenlijk verzekeringssysteem voor de UEFA en de FIFA. Geselecteerd worden voor vertegenwoordigende elftallen is een belangrijke aanmoediging voor spelers en goed voor clubs. Zojuist was Karl-Heinz Rummenigge hier in het Europees Parlement.

Ik ben lid van een club uit de Duitse Bundesliga en ook van de groep Friends of football hier in het Europees Parlement. Het gaat om fair play bij de concurrentie tussen clubs. Op het moment hebben veel clubs hoge schulden, terwijl ze niettemin hun licentie krijgen. Andere clubs voeren een verantwoorde boekhouding, maar kunnen zich vanwege beperkte financiële middelen niet optimaal versterken. Daar moet verandering in komen. We moeten gezamenlijk strijden tegen racisme. Het afgelopen jaar kreeg onze resolutie de meeste handtekeningen in de geschiedenis van het Europees Parlement. Bij overtreding moet consequent worden opgetreden, met wedstrijden voor lege tribunes, met puntenaftrek en schorsing van clubs die bereid zijn actie te ondernemen. Ook op het punt van preventie en uitbanning van doping mag er geen sprake zijn van lakse compromissen.

We hebben geen Europese controle-instantie nodig die toezicht houdt op de activiteiten van autonome voetbalclubs. Op de lange duur is samenwerking effectief. Daarom moeten we de autonomie van de clubs en subsidiariteit beschermen. Ik heb vertrouwen in de rechtmatigheid van de besluiten van tuchtcommissies en in de kracht van zelfregulering bij de UEFA, de FIFA en de nationale voetbalbonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Guy Bono, namens de PSE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega's, staat u mij toe eerst de rapporteur te bedanken, de heer Ivo Belet, voor zijn poging om een compromis te vinden tussen de verschillende commissies en politieke fracties in het Parlement.

Ik wil niettemin meteen duidelijk maken dat ik zwaar ontgoocheld ben. Wij hadden een compromis bereikt tussen de fracties, namelijk tussen de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement en de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten. Dat compromis is goedgekeurd in de commissie, maar nu wordt het gewijzigd op fundamentele punten, zoals het onafhankelijke reguleringsorgaan en het juridische statuut van sportverenigingen. Dit verslag zal dus geen nieuw tijdperk inluiden voor het voetbal in Europa en dat vind ik doodjammer. Toch hoop ik dat er een soort van samenwerking kan ontstaan tussen de UEFA en de Europese Unie om de voetbalwereld zo goed mogelijk te zuiveren, want zoals de voorzitter van de UEFA, Michel Platini, heeft gezegd, is voetbal meer een spel dan een product, meer een sport dan een markt en een schouwspel in plaats van een business.

Beste collega's, de deregulering die begonnen is met het Bosman-arrest moet nu worden opgevangen met duidelijke regels, zodat de belangrijkste sport in de Europese Unie haar echte waarden in ere kan herstellen. De Europese voetbalautoriteiten bieden niet alle garanties voor een totaal bevredigende regulering. Naast hun beperkte juridische bevoegdheden zijn ze zowel rechter als partij. Zij zijn zowel commerciële instantie als regelgever en dat valt moeilijk te combineren.

Daarom is het, zoals ik al aangaf aan het begin van mijn toespraak, jammer dat de PPE-DE en de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa mijn tweeledige voorstel niet hebben gevolgd, namelijk het creëren van een Europees juridisch statuut voor sportverenigingen en de oprichting van een onafhankelijk orgaan voor de controle op grote clubs, dat vooral moet toezien op het handhaven van het financiële, economische en sportieve evenwicht in het Europese voetbal. Toch hoop ik dat de Europese Commissie rekening zal houden met deze voorstellen, die niet alleen zijn bedoeld als dam tegen de huidige misbruiken, maar ook als instrument voor het bevorderen van een rechtvaardig en solidair Europees sportmodel.

Nu wij de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome vieren, moet Europa zijn burgers tonen dat het niet alleen een kader voor vrede en democratie vormt, maar vooral bescherming biedt tegen ultraliberale excessen. Alleen dan zullen Europeanen met trots deelnemen aan het grote Europese project.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Resetarits, namens de ALDE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste rapporteur. Ik steek meteen van wal met het element dat de topsport de voorbije jaren het meest heeft veranderd: geld. Een topsportclub kan het meeste geld verdienen met de verkoop van televisierechten. Hoe groter de nationale televisiemarkt, hoe meer inkomsten, budget en koopkracht de clubs hebben. Het is geen toeval dat in de groepsfase van de Champions League bijna uitsluitend clubs aantreden uit grote lidstaten. Net als op andere terreinen van de ontembare markteconomie leidt dit onevenwicht tot een razendsnel groeiende kloof tussen arm en rijk. Enerzijds bestaan er miljardenondernemingen zoals Real Madrid, anderzijds zijn er straatarme clubs zoals Sturm Graz. Dat is onsportief en oneerlijk.

Wat kunnen de kleine lidstaten ondernemen tegen dit onevenwicht? We hebben nieuwe competities nodig, we moeten dit zuiver nationale denkpatroon achter ons laten. We moeten Europeser worden, ook in het voetbal. Bovendien ben ik ook voorstander van een systeem met loting, zoals in de VS wordt gebruikt, om jonge getalenteerde sporters over de clubs te verdelen in plaats van ze te kopen en te verhandelen. Zwakkere clubs moeten dan meer loten krijgen en daardoor meer kansen om ook uit te groeien tot een topclub. Wanneer het in het voetbal alleen om geld draait, verliest het populairste culturele product van Europa zijn essentie: sportiviteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Dariusz Maciej Grabowski, namens de UEN-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, voetbal is vandaag geen sport en ontspanning meer, maar een middel om grof geld te verdienen en veel macht te verwerven. Je zou het bijna met een nieuwe godsdienst kunnen vergelijken. Als we willen voorkomen dat het voetbal zich verder ontwikkelt tot een instrument van onwettigheid en geweld, moeten we er alles aan doen om de context waarin het voetbal functioneert – de zakenwereld en de media dus – snel en ingrijpend te veranderen. Ik zou de rapporteur, de heer Belet, van harte willen bedanken omdat hij een zo belangrijke kwestie onder de aandacht heeft gebracht en omdat hij de voornaamste problemen heeft aangekaart en ook oplossingen heeft voorgesteld. Ik ben van mening dat radicale beslissingen onontbeerlijk zijn om de monopolisering van het voetbal door rijke ondernemingen tegen te gaan.

Eerst en vooral willen we dat de inkomsten en uitgaven van alle voetbalclubs volledig transparant zijn en dat mogelijk inbreuken met hoge geldboetes worden bestraft.

Ten tweede moet de stijging van de uitgaven van de meest kapitaalkrachtige clubs voor de volgende jaren door beperkingen of limieten aan banden worden gelegd.

Ten derde is er financiële en andere steun nodig voor landen, organisaties en clubs die in jongeren en sportfaciliteiten investeren.

Ten vierde hebben we behoefte aan een overeenkomst met de FIFA om de corruptie en criminaliteit in de voetbalsport aan te pakken.

Polen heeft zich kandidaat gesteld als gastland voor het Europees kampioenschap voetbal in 2012, waar het beginsel van fair play en gezonde competitie zal triomferen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton, namens de Verts/ALE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de heer Belet getuigt van zijn geloof in de autonomie van de sport. Ik ben het met hem eens. In het verslag wordt de aandacht gevestigd op gebieden waar meer samenwerking of zelfs regelgeving goed zou zijn, maar volgens mij geldt dat niet voor de structuur en organisatie van het voetbalspel. De organisatie van lokale, nationale en internationale liga’s en competities kan het best aan de voetbalinstanties worden overgelaten.

Wanneer wij de term "nationaal" hanteren, bedoelen we meestal "van de lidstaat". De lidstaten vormen natuurlijk de bouwstenen van de Europese Unie, maar in het voetbal is dat niet het geval. Ik en mijn collega Jill Evans uit Wales hebben de amendementen 28 en 29 ingediend, die morgen hopelijk zullen worden aangenomen. Een voetbalwedstrijd die juist vanavond wordt gespeeld, laat zien waarom deze amendementen zo belangrijk zijn. Mijn voetballand, Schotland, speelt tegen wereldkampioen Italië. Onze amendementen maken duidelijk dat in het voetbal "nationaal" niet per se "lidstaat" betekent en niets in dit verslag of in de terminologie van dit verslag behoort op enigerlei wijze de status van de historische voetballanden Schotland, Wales en Engeland in twijfel te trekken of te ondermijnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Věra Flasarová, namens de GUE/NGL-Fractie. – (CS) Dames en heren, voetbal is veruit de populairste Europese sport en de voetbalwereld met alles eromheen heeft een aanzienlijke invloed op de jeugd. Die invloed is spontaan, door niemand opgelegd, en daarom des te sterker.

Het is om die reden belangrijk om voetbal niet alleen te beschouwen als een milieu waar enorme hoeveelheden geld in omgaan, waarin wetten worden overtreden en geweldsdaden worden gepleegd en waarvan de professionele top van de piramide volledig is afgesneden van de amateurwereld waarop het hele bouwwerk is gefundeerd. Ik geloof dat ik daarbij de kanttekening mag plaatsen dat die amateurwereld vanuit maatschappelijk oogpunt nuttiger is dan het exclusieve milieu van de professionele sport, waar het grote geld voor het merendeel het oorspronkelijke plezier in het spel om zeep heeft geholpen.

Samen met de rapporteur, de heer Belet, wil ik de EU ertoe oproepen ervoor te zorgen dat de gewoonten en gebruiken van de professionele sportwereld geen invloed hebben op jonge voetballers – kinderen nog – in opleiding, zodat er niet met hun talent en prestaties wordt omgegaan als ware het handelswaar, als waren zij kleine gladiatoren. Dat is namelijk een inbreuk op het recht van kinderen op een open en veelzijdige ontwikkeling van hun persoonlijkheid en zou betekenen dat de meedogenloze principes van de wereld der volwassenen onderdeel worden van de opvoeding van kinderen. Tegelijkertijd zou dat tot gevolg hebben dat voetbalclubs er minder belang in stellen om tijd, moeite en geld te steken in de opleiding van hun eigen jeugdspelers. Hierdoor hebben veel minder kinderen toegang tot populaire sporten en wordt de selectie veel strenger, waardoor die paar procent echte talenten handelswaar voor de sportbusiness worden en de overgrote meerderheid van de kinderen aan de kant moet blijven staan.

Topvoetbal heeft echter niet alleen een zekere invloed op de eigen spelers en de toeschouwer, het is eveneens een wereld waar met name kinderen en jongeren hun rolmodellen vandaan halen. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat voetbalstadions geen plek zijn voor agressief gedrag, dat het voetbal wordt bevrijd van vreemdelingenhaat en racisme, en dat de hele commercie rond voetbal niet langer – al dan niet terecht – in verband wordt gebracht met corruptie.

 
  
MPphoto
 
 

  Jeffrey Titford, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, de EU heeft niets te zeggen over de sport, en dat is maar goed ook. De Champions League en de G14-clubs in het VK, in Spanje en in Italië zijn er tegen dat de EU zich met de televisierechten van voetbal bemoeit. Bayern München is er voor, maar Engelse clubs zijn er tegen, en toch is de Britse minister van sport, Richard Caborn, hier om te lobbyen voor de Duitsers. Zo worden de Britse belangen behartigd!

In amendement 25, dat intussen gelukkig is ingetrokken, werd voorgesteld om tijdens wedstrijden van de Champions League en tijdens het Europees kampioenschap de Europese vlag te hijsen. Hadden de indieners aan Zwitserland gedacht, dat in 2008 samen met Oostenrijk het eindtoernooi organiseert? Wisten ze dat ook Rusland, Turkije en Noorwegen, die geen lid van de EU zijn, in de Champions League spelen? De EU heeft zelf geen team. In datzelfde amendement was ook voorgesteld om voor die wedstrijden het Europese volkslied te spelen. De "Ode an die Freude" is voor 41 procent van de Europeanen en voor 58 procent van de Britten zeker geen reden tot vreugde. U weet ongetwijfeld dat Schiller "Ode an die Freude" in 1785 heeft geschreven. Zijn woorden "O Freunde, nicht diese Töne!" waren indertijd misschien wat onfortuinlijk, omdat Beethoven helaas al doof was toen hij de negende symfonie schreef, maar nu zijn ze wel passend. Schiller zei: "Seid umschlungen, Millionen", maar ik kan u wel vertellen dat meer dan 200 miljoen burgers "nee" zeggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Gaubert (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, beste collega's, als schaduwrapporteur van mijn politieke fractie in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken wil ik eerst de rapporteur danken, de heer Catania, met wie wij efficiënt en succesvol hebben samengewerkt tijdens de hele procedure. Sportevenementen willen een breed gezinspubliek aantrekken, dat terecht in alle rust en veiligheid de wedstrijden wil bijwonen. Sinds enkele jaren echter en ook onlangs nog hebben bepaalde personen voetbalstadions gebruikt om zich te bezondigen aan geweld en racisme. Zulke misbruiken zijn volstrekt onaanvaardbaar.

Voetbal is de populairste sport ter wereld. Om dat soort incidenten te vermijden hebben de lidstaten sinds 2002 een goed werkend systeem opgezet voor het uitwisselen van informatie over de risico's die bepaalde wedstrijden, en vooral bepaalde gevaarlijke supporters, met zich meebrengen. In elke lidstaat is een contactpunt opgericht. Deze nationale informatiepunten voor het voetbal bereiden zich minutieus voor op internationale wedstrijden door de onderlinge politiesamenwerking te verbeteren. Het is dus noodzakelijk dat de gegevensuitwisseling nog verbetert en bijvoorbeeld standaardformulieren worden gebruikt. Zo zullen die contactpunten gestructureerder en professioneler kunnen werken.

Ik wil ook de heer Belet gelukwensen omdat hij in zijn verslag verscheidene paragrafen heeft opgenomen over de strijd tegen racisme. Dat lijkt me onontbeerlijk, gezien de toename van alle vormen van onverdraagzaamheid in onze samenleving. Voetbal kan zijn sociale en educatieve waarde slechts behouden als wedstrijden kunnen plaatsvinden zonder geweld.

Beste collega's, de heer Belet, de heer Bennahmias, mevrouw Hazan, de heer Bono en ikzelf zullen over enkele uren een schriftelijke verklaring indienen over de strijd tegen alle vormen van handel en uitbuiting van kinderen in de voetbalwereld. Ik wil u vragen ons hierbij te steunen en deze tekst zo snel mogelijk te ondertekenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pier Antonio Panzeri (PSE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik dank de heer Catania voor zijn verslag en de heer Belet voor het werk dat hij verricht heeft. Men is heel evenwichtig te werk gegaan, maar ik geloof toch dat er iets meer gedaan had kunnen worden.

Het voetbal heeft inmiddels zo’n belangrijke plaats in de maatschappij verworven, dat het ondenkbaar is om alle nieuwe uitdagingen maar gewoon op je af te laten komen en de voetbalorganisaties de vrije hand te laten. Het is duidelijk dat er ingegrepen moet worden, zoals het Europees Parlement zelf heeft onderkend, om te proberen een meer evenwichtige groei in de voetbalsector te bewerkstelligen en adequaat in te spelen op de veranderingen die zich voordoen.

De steeds belangrijker plaats die het Europese voetbal inneemt, heeft overigens ook aanzienlijke repercussies voor andere sectoren, zoals al is opgemerkt en zoals wij met eigen ogen kunnen zien. Denk bijvoorbeeld aan de sponsors, aan de waarde van televisierechten, de marketing, het toenemende aantal internationale wedstrijden die op hun beurt de nodige weerslag op diverse sectoren hebben, de nieuwe maatschappelijke en culturele problemen die ermee gepaard gaan. Ik zou zelfs zeggen dat deze nieuwe maatschappelijke dimensie die het moderne voetbal in steeds ruimere mate krijgt, doorwerkt op moraliteit en openbaar gedrag, met als gevolg doping, geweld, racisme en zelfs uitbuiting van jonge spelers.

Er is gesproken over de grote teams, maar wij verliezen herhaaldelijk de omvang van het probleem uit het oog omdat wij veel te druk zijn met de grote clubs en gewoon niet verder kijken. Het gaat er juist om dat er meer aandacht aan de lagere divisies wordt besteed dan tot nu toe gedaan is.

Dus het is terecht te stellen dat er meer regelgeving moet komen in het Europees voetbal en dat die regelgeving gekoppeld moet worden aan het Europees recht en de dynamiek van de interne markt. Het is terecht dat men het voetbalbestuur wil moderniseren en de maatschappelijke en culturele rol van het voetbal wil opvijzelen. Het is niet zo dat wij de UEFA het gras voor de voeten willen wegmaaien, maar wel willen wij een beleid doorvoeren waarmee de voetbalwereld in betere banen geleid kan worden. En vooral is het zaak duidelijke taal te spreken. Met andere woorden, een pleidooi voor autonomie van de voetbalorganisaties mag niet neerkomen op de aansporing dat ieder maar doet wat hij wil en dat het communautair recht buitenspel wordt gezet.

Het is onze plicht om misstanden en wanverhoudingen in de voetbalwereld te bestrijden. Maar dit is wel een klus waar de politieke en parlementaire instanties en de sportverenigingen gezamenlijk hun schouders onder moeten zetten. Iedereen moet zijn steentje bijdragen om dat doel te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Luciana Sbarbati (ALDE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ook ik wil de rapporteurs gelukwensen met hun verslagen.

Er is gezegd dat het voetbal in Europa tegenwoordig vooral big business is, maar het voetbal zou ook voor iets anders moeten staan. En toch, miljoenensalarissen, gebrekkige transparantie, racisme en al dan niet uitgelokt geweld zijn zaken die wij met de regelmaat van de klok meemaken en waar wij zelfs een beetje aan gewend zijn geraakt. Door dit alles komt de educatieve rol van sport en vooral van voetbal op losse schroeven te staan. Over die rol moeten we ons juist diep gaan bezinnen, in de eerste plaats over het amateurvoetbal en de sport die op school wordt bedreven, want daar zijn de positieve aspecten van de competitiegeest steevast gekoppeld aan naleving van de regels.

Alhoewel de EU op dit gebied geen specifieke bevoegdheid bezit, zoals al is gezegd, zijn wij allemaal betrokken bij de relatie tussen voetbal en geweld; een verschijnsel dat inmiddels absurde vormen heeft aangenomen waar vaak zelfs voetballers bij betrokken zijn. Daarom hebben wij geprobeerd om gemeenschappelijke maatregelen te bedenken voor preventie en onderdrukking van geweldsdelicten, in samenwerking met de voetbalverenigingen, de UEFA en de politie, met het oog op de bescherming van de veiligheid van alle burgers.

Maar volgens mij moeten wij ook naar de diepere oorzaken zoeken en bezien wat allemaal de oorzaken van het geweld in de stadions zijn. Tot op heden is er geen precieze verantwoordelijkheid in dit verband aangewezen, maar deze oorzaken moeten dus opgespoord en aangepakt worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Christopher Heaton-Harris (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de heer Belet willen bedanken voor zijn aanpak van dit verslag. Ik ben het in bepaalde opzichten helemaal niet met hem eens, hij stelt in de overwegingen bijvoorbeeld voor dat de EU de macht vrijwel volledig naar zich toe moet trekken, maar ik ben wel tevreden met de professionele manier waarop hij dit verslag heeft opgesteld.

Er zijn natuurlijk problemen in het voetbal, maar geen problemen die wij als Europese politici niet nog heel wat erger zouden kunnen maken. Er zijn natuurlijk kleine groepjes van mensen die voetbalwedstrijden als excuus te gebruiken voor gewelddadig gedrag, en die moeten worden gearresteerd en een stadionverbod krijgen. Maar zoals veel Rangers-fans uit het Schotse Glasgow u kunnen vertellen moet het politieoptreden tijdens internationale evenementen vriendelijk en redelijk zijn, en niet vijandig en buitensporig. We kunnen geen einde maken aan dit geweld door de EU een bevoegdheid voor dit beleid geven, en om beste praktijken uit te wisselen is dat ook niet nodig.

Dit verslag is een goed voorbeeld van een zaak die we vanaf een afstand en met gezond verstand moeten bekijken. We moeten de sport overlaten aan degenen die eraan meedoen. Veel van de aanbevelingen in dit verslag zijn heel redelijk, maar wij zijn politici, en we kunnen gewoon niet weerstaan aan de verleiding om ons te bemoeien met zaken die ons niets aangaan. Kijk maar naar amendement 25, dat intussen is ingetrokken, luister maar naar wat er tijdens dit debat is gezegd, en dan begrijpt u wat ik bedoel.

Ik heb het gevoel dat we deze nieuwe bevoegdheden opeisen om te proberen problemen op te lossen die niet werkelijk bestaan, en de zeer uiteenlopende modellen die er in heel Europa op dit moment in het voetbal zijn te veranderen en te harmoniseren.

Ik ben al 25 jaar scheidsrechter, in de laagste divisie, en heb sinds ik lid ben van dit Parlement al heel wat debatten over dit onderwerp gevolgd. Ik moet zeggen dat we volgens mij het gevaar lopen dat we vergeten dat professionele voetbalclubs – en daar hebben we het vanavond over – een heel bijzondere band hebben met miljoenen amateurs die ieder weekeinde naar de velden overal in Europa stromen, en dat we door ons bijzonder ondoordacht pleidooi voor inmenging de solidariteit in gevaar brengen die bepaalde leden juist willen bevorderen en beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Christa Prets (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ook ik zou mijnheer Belet willen bedanken voor zijn initiatief en medewerking. Ik hoop dat we de compromissen die we uitgewerkt hebben, kunnen handhaven en dat we niet op het laatste moment nog wijzigingen aanbrengen en op bepaalde gebieden door de knieën gaan.

Met dit verslag kaarten we de actuele problemen in het hedendaagse voetbal aan. We pleiten niet voor meer regelgeving op EU-niveau, maar we willen wel een juridische verduidelijking van de bestaande regels om te voorkomen dat zinvolle voetbalregels uitgehold worden. Het is geen oplossing om alle problemen die zich voordoen later bijvoorbeeld voor het Hof van Justitie uit te vechten. We wilden ook niet de strijd aanbinden met grote clubs en een zogenaamde aanval beginnen tegen de traditionele clubs, we wilden ons inzetten voor een rechtvaardig evenwicht tussen kleine en grote clubs. Hierbij zou, bijvoorbeeld, het toekennen van licenties genoemd kunnen worden. Bovendien moet er veel meer aandacht komen voor de jeugd dan tot nu toe het geval is geweest.

 
  
MPphoto
 
 

  Sharon Bowles (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, in het verslag van de heer Belet wordt niet voorgesteld dat de EU het voetbal moet overnemen, en de ALDE-Fractie heeft een actieve rol gespeeld bij het indienen van amendementen om dat duidelijker te maken. Het is echter helemaal niet verkeerd wanneer we helpen bij het uitwisselen van beste praktijken.

Bepaalde zakelijke aspecten van het voetbal vallen onder de Europese wetgeving, daarop zijn onder andere de regels voor de desbetreffende economische activiteiten van toepassing, en daar hebben we geen speciale bepalingen voor nodig.

Voetbal heeft ook een sociale en culturele dimensie, en de sterkste banden ontstaan op het plaatselijke niveau. Daar gaan de fans week in week uit naar de wedstrijden, en daar investeren clubs zoals Reading Football Club in mijn eigen regio in voetbalactiviteiten voor de eigen gemeenschap. Die plaatselijke banden zijn de reden waarom nationale verenigingen, divisies en clubs het beste in staat zijn om in een kader van zelfregulering de juiste beslissingen te nemen. Met de nodige amendementen bereiken we dat volgens mij ook met dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Luis Herrero-Tejedor (PPE-DE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik, zoals dat de gewoonte is, maar in dit geval ook zeer verdiend, de rapporteur, de heer Ivo Belet, bedanken voor het feit dat hij heeft aangetoond dat hij met alle fracties en met alle afgevaardigden een dialoog weet te voeren.

Hijzelf heeft ons er aan het begin van dit debat op gewezen dat we niet uit het oog mogen verliezen dat dit een verslag is over het beroepsvoetbal, wat een component toevoegt die naar mijn mening cruciaal is. Ook wil ik benadrukken dat dit een initiatiefverslag is en dat dit de eerste keer is dat het Europees Parlement zich met het voetbal bezighoudt en het signaal afgeeft dat een verschijnsel als het voetbal zijn aandacht heeft. Dat wil zeggen dat we heel goed moeten vaststellen welke aspecten in het bijzonder onze aandacht hebben.

Als we het over beroepsvoetbal hebben, moeten we het vooral hebben over de professionele voetbalclubs en de toeschouwers; zonder deze twee elementen zou het probleem dat we willen aanpakken niet bestaan. Daarom ben ik het volledig eens met de slotopmerking van de heer Heaton-Harris: iedere bespiegeling waarin de echte voetbalclubs niet centraal staan is misplaatst.

Als wij aan de toeschouwers een signaal afgeven waarmee we zeggen: "Luister, het Europees Parlement wil met zijn handen aan het voetbal komen om te voorkomen dat het spektakel spectaculair is"; als we tegen de grote clubs, de clubs die echt een grote clientèle hebben, waar vanuit de samenleving een grote vraag naar is, gaan zeggen: "Luister, op grond van het solidariteitsbeginsel gaan we jullie inkomsten beperken, mogen jullie de grote spelers niet meer contracteren en mogen jullie ook deze structuur niet meer hebben. We gaan het spektakel verarmen", dan verzeker ik u, dames en heren, dat de voetballiefhebbers – en velen van ons zijn dat – ons geschokt zouden aankijken.

Ze zouden tegen ons zeggen: "Dus jullie maken je bezorgd over het voetbal en geven het signaal af dat jullie het spektakel minder spectaculair willen maken omdat jullie het op de grote clubs hebben voorzien". Dat is absurd; en daarom, dames en heren, vraag ik u om dit goed in gedachten te houden op het moment dat er gekeken wordt naar de onderhandelingen over de uitzendrechten van de voetbalclubs.

 
  
MPphoto
 
 

  Emine Bozkurt (PSE). – Voorzitter, Europa moet niet de scheidsrechter, maar ook niet alleen toeschouwer zijn, als het gaat om het betaald voetbal. We moeten geen competenties claimen die we niet hebben, maar als het gaat over internemarktregels, racismebestrijding en grensoverschrijdende fraude, dan zijn dat zaken waar de EU wel competentie heeft. Ik ben daarom vóór paragraaf 8, maar tegen een onafhankelijk toezichthoudend orgaan. Europa is geen scheidsrechter en moet zich niet bezighouden met zaken waar de voetbalwereld zelf heel goed uit kan komen.

Ik dank de heer Belet voor de enorme steun in zijn verslag voor de strijd tegen racisme in het voetbal. Vorig jaar nam ik het initiatief tot een schriftelijke verklaring hierover, waarnaar het verslag nu expliciet verwijst. Met een recordsteun werd dat een officiële resolutie waarvan de voorgestelde maatregelen tot strengere sancties werden overgenomen door de UEFA en de FIFA. Deze goede manier van samenwerken moet ook tot stand komen op de andere terreinen van het voetbal.

 
  
MPphoto
 
 

  Manolis Mavrommatis (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, ik wil allereerst de heer Belet en de heer Catania gelukwensen met het belangrijke resultaat dat zij hebben weten te bereiken met de opstelling van hun verslagen over de toekomst van het beroepsvoetbal in de Europese Unie. Ik wil echter vooral de heer Belet bedanken voor de enorme inspanningen die hij heeft ondernomen om de belangstelling te wekken van vijf commissies, evenals van een groot aantal instanties en persoonlijkheden in de sport en de economie. Daaruit blijkt hoe belangrijk en dynamisch het voetbal is en hoezeer het miljoenen sportliefhebbers – en niet alleen sportliefhebbers – in zijn ban houdt.

Toen in 1995 de zaak-Bosman actueel was, dacht niemand dat de Europese Unie de eerste, ingrijpende maatregel zou nemen op sportgebied en de belangen van de werknemers en vooral voetballers zou gaan behartigen. Na twaalf jaar komt nu dit initiatiefverslag waarmee nieuwe wegen worden gebaand en vooruitzichten worden geboden die recht doen aan de waarden van de Europese Unie en van de meest populaire sport, het voetbal.

Met de door alle commissies goedgekeurde amendementen en met de voorstellen aan het adres van de Commissie cultuur, onderwijs, media, sport en veeltaligheid en van de Raad wordt, mijnheer de commissaris, het pad geëffend voor een pijlsnelle indiening van een voorstel voor een juridisch kader inzake sport, ongeacht het moment waarop het Grondwettelijk Verdrag, waarin iets soortgelijks is voorzien, zal worden uitgevaardigd, als het überhaupt zover komt.

Dit zijn de redenen waarom het Europees Parlement steun moet geven aan het verslag over voetbal. Iedereen is het er namelijk mee eens dat daarmee de standpunten en het gevestigde orde zullen veranderen en prioriteit zal worden gegeven aan de bescherming van de sport tegen hooliganisme, racisme, vreemdelingenhaat en doping, aan gelijke behandeling van grote en kleine voetbalclubs bij het beheer van de communautaire rechten en aan het promoten van talenten op een manier die niets heeft uit te staan met de import van minderjarigen uit derde landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Muscat (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik net als mijn collega’s de heer Belet willen bedanken voor het uitstekende werk dat hij heeft verricht. We hebben natuurlijk allemaal kleine of grote bezwaren tegen de tekst, maar de rapporteur heeft de standpunten van de verschillende commissies goed samengevat.

Ik zou ook graag op een ander punt in willen gaan: we boffen dat we met zo’n betrouwbare partner als de UEFA kunnen samenwerken. In het verleden is wel gebleken dat we ervan op aan kunnen dat die organisatie geen loze beloftes doet. We hebben dus een partner op wie we kunnen bouwen.

Ik zal me op één sector concentreren, en wel de uitzendrechten. Eigenlijk zouden de consumenten in het digitale tijdperk meer keuze moeten hebben. Helaas hebben de toeschouwers in heel wat lidstaten nu minder keuzemogelijkheden, en moeten ze betalen voor zaken die ze tot nu toe gratis kregen. Met ons verslag geven we de autoriteiten een duidelijk signaal dat ze het juiste evenwicht moeten vinden tussen betaaltelevisie en free-to-air-TV.

 
  
MPphoto
 
 

  Giuseppe Castiglione (PPE-DE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik wil de heren Catania en Belet danken en complimenteren met het verslag dat zij dit Parlement hebben aangeboden.

Sport in het algemeen, en voetbal in het bijzonder, is een essentieel onderdeel van de Europese culturele identiteit. Voetbal heeft ongetwijfeld een sociale functie en kan een geschikt middel zijn om discriminatie, racisme, onverdraagzaamheid en geweld tegen te gaan. Maar deze functie en deze positieve rol komen tegenwoordig steeds meer in het gedrang door mensen die de wedstrijden in de stadions zien als een zoveelste kans voor terreur en geweld. De veiligheid in de stadions moet dus onze prioriteit zijn en ons motto moet zijn: preventie.

Om die reden sta ik volledig achter de aansporing die de heer Belet in zijn verslag aan de lidstaten doet om vormen van samenwerking tussen clubs, supportersverenigingen en de politie in te voeren, met het oog op bestrijding van geweld, vandalisme en ander misdadig gedrag dat wij steeds vaker bij voetbalwedstrijden meemaken. Ook sta ik achter de noodzaak van strengere sancties tegen iedere uiting van racisme en vreemdelingenhaat in de stadions, en ik vind tevens dat de UEFA en de andere voetbalbonden de nodige strafmaatregelen moeten nemen tegen al degenen die zich daaraan schuldig maken.

Maar een even belangrijke preventiemaatregel is versterking en professionalisering van de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de nationale instanties bij internationale wedstrijden. Andere belangrijke maatregelen zijn de controle in de stadions van voetbalsupporters die bedreigend kunnen zijn voor de openbare orde, en het inwinnen van specifieke informatie over de supportersverenigingen: dat is voor het ontvangende land een fundamenteel element voor een daadwerkelijke risicobeoordeling van een sportevenement, zodat langs deze weg verstoring van de openbare orde voorkomen kan worden.

Natuurlijk moet misbruik in de controle van alle burgers voorkomen worden, en moeten de privacy en geheimhouding van persoonsgegevens gerespecteerd worden. Maar de bescherming van de privacy van een enkeling mag niet ten koste gaan van de veiligheid van iedereen. Ook mag dat geen voorwendsel worden om een ongecontroleerde toeloop van ware criminelen in gang te zetten, doordat misdrijven niet strafrechtelijk vervolgd worden alleen maar omdat ze in het kader van een sportevenement gepleegd zijn.

Het gaat erom een goed evenwicht tot stand te brengen door tegengestelde eisen tegen elkaar af te wegen. Maar zo’n evenwicht kan alleen verkregen worden als de individuele vrijheid en de rechten van iedereen gerespecteerd woden: in de eerste plaats het recht op veiligheid, met inbegrip van de vrijheid om naar het stadion te gaan en in alle rust van een sportwedstrijd te genieten.

 
  
  

VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Corbett (PSE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de rapporteurs, en vooral de heer Belet, willen feliciteren. Ik heb met hem samengewerkt in de "Independent European Sport Review", die de Raad vorig jaar in het leven heeft geroepen.

De voetbalwereld heeft meerdere problemen. Een daarvan is het verband tussen draagkracht en sportieve successen. Een ander probleem is dat in vrijwel iedere competitie in heel Europa een steeds kleiner aantal clubs de rijkdom in handen hebben, en dus ook de sportieve successen boeken. De voetbalinstanties hebben maatregelen genomen om deze trend te keren – zoals het stelsel van lokaal opgeleide spelers, of de verplichting om de televisierechten collectief te verkopen, en de opbrengst onder alle clubs te verdelen. Het gevaar bestaat echter dat die onverenigbaar met het Europese recht zullen worden verklaard. Ik ben geschrokken toen commissaris Figeľ zei dat de Commissie daarover nog steeds nadenkt, en nog geen besluit heeft genomen. Daarom moet er in het witboek worden voorzien in uitzonderingen, of tenminste in een soepele interpretatie van het EU-recht, om rekening te houden met de specifieke kenmerken van de sport. Daarom zijn de toespraken van de heren Titford en Heaton-Harris zo misplaatst. Die waren bedoeld om de Britse tabloids op te hitsen. Het is onzin dat de Europese Unie hier probeert om de macht naar zich toe te trekken. Het is juist de bedoeling om de bestaande Europese regels, die oorspronkelijk voor andere doeleinden waren opgesteld, wat losser toe te passen. Dat is wat er moet gebeuren. Wie het tegendeel beweert, is gewoon niet eerlijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacek Protasiewicz (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik de beide rapporteurs, en de heer Belet in het bijzonder, van harte willen feliciteren met het resultaat van hun werk. In het verslag van de heer Belet komen alle essentiële aspecten van het Europese voetbal aan bod, van de juridische context, het management, het mededingingsrecht, de interne markt en sociale kwesties tot de strijd tegen criminele activiteiten als racisme of dopinggebruik en het aanpakken van corruptie tijdens voetbalwedstrijden.

Anders dan aanvankelijk het geval leek, was dit geen gemakkelijke opdracht. Voetbal is immers een sport die de gemoederen hoog doet oplaaien. Dat ook dit Parlement niet volledig ongevoelig was voor deze sterke emoties, blijkt uit het grote aantal amendementen waarmee de rapporteur tijdens zijn werk werd geconfronteerd. Een van die amendementen bleek bijzonder belangrijk te zijn omdat het verband hield met de verkoop van de uitzendrechten voor voetbalwedstrijden. In eerdere debatten over deze kwestie heb ik me uitgesproken voor een collectief systeem dat een billijke verdeling van de inkomsten uit televisierechten zou garanderen en bijgevolg zou leiden tot een evenwichtigere concurrentie en tot de competitiegeest die sport nodig heeft. Vandaag wil ik echter mijn steun uitspreken voor het mondelinge amendement dat werd voorgesteld door de rapporteur.

Als lid van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken wil ik bovendien mijn erkentelijkheid uitdrukken voor het feit dat in het verslag nader wordt ingegaan op een aantal kwesties op het vlak van werkgelegenheid, onder meer betreffende de contracten tussen profvoetballers en hun clubs, een juridische regeling voor spelersagenten en voor de transacties die ze sluiten, evenals de opleiding en training van jonge voetballers die ervoor zorgen dat de besten van hen een plaats krijgen in het team van hun club.

Ik ben ervan overtuigd dat voetbal aan de basis kan liggen van ontwikkeling en zelfontplooiing. Daarom ben ik ingenomen met de punten uit het verslag die erop wijzen dat het van wezenlijk belang is om clubs te steunen die de juiste voorwaarden scheppen voor jonge voetballers, zowel op het vlak van training als van onderwijs.

Ten slotte zou ik willen onderstrepen dat het vrij verkeer van werknemers vandaag de dag in de sport – en dus ook in het voetbal – in de gehele Europese Unie een realiteit is. Ik hoop dat dit weldra ook voor andere segmenten van de Europese arbeidsmarkt het geval zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Badia i Cutchet (PSE). – (ES) Ook ik wil de rapporteur bedanken, vooral voor de geest van samenwerking die hij heeft tentoongespreid bij het opstellen van dit verslag, een verslag over de toekomst van het beroepsvoetbal dat niet alleen voor het voetbal belangrijk is, omdat er problemen in aan de orde worden gesteld die zich de laatste tijd in de gehele sportwereld steeds vaker voordoen: geweld op de velden, racisme, doping, gebrek aan financiële transparantie.

Ik wil me concentreren op twee kwesties. In de eerste plaats het groeiende belang van het voetbal in economisch opzicht, waardoor de waarde van de televisierechten sterk is toegenomen. Het is naar mijn mening belangrijk dat in het verslag wordt uitgesproken dat we ons zorgen maken over de verdeling van de inkomsten volgens het huidige systeem voor de verkoop van die televisierechten, dat tot onevenwichtige concurrentie tussen de verschillende clubs kan leiden. Ik moet zeggen dat ik het betreur – en dit is iets dat ik mis in het verslag – dat er geen rekening is gehouden met het feit dat deze inkomsten niet alleen afhankelijk zijn van de nationale televisiemarkten, maar ook van de impact die de clubs wereldwijd hebben op het publiek, en dat er ook geen rekening wordt gehouden met het feit dat er op nationaal niveau al een zekere herverdeling van de opbrengsten van de uitzendrechten tussen de clubs plaatsvindt.

Aan de andere kant verheugt het me dat in het verslag rekening wordt gehouden met de verschillende nationale voetbalbonden van de Europese Unie, ongeacht of deze wel of niet deel uitmaken van de structuren van de sportbonden of -federaties die door de lidstaten zijn erkend.

Tot slot hoop ik dat de Commissie bij het opstellen van het Witboek over sport de opmerkingen van het Europees Parlement in aanmerking zal nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vasco Graça Moura (PPE-DE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, in de grondwetten van al onze lidstaten is vastgelegd dat iedere burger toegang tot de rechtspraak moet hebben. Dit recht komt verder tot uitdrukking in artikel 47 van het Europees Handvest van de Grondrechten, dat dit recht toekent aan iedereen die een schending heeft moeten verduren van de rechten of garanties die hem of haar uit hoofde van de Europese wetgeving toekomen.

Het belang van deze bepalingen is duidelijk: geen enkele norm of rechterlijke instantie kan iemand het grondrecht op toegang tot de rechter ontzeggen, ook al is het in de praktijk zo dat de rechtspraak zich in bepaalde gevallen kan beroepen op wat juristen een "exceptie van onbevoegdheid" noemen. Een dergelijke exceptie moet overigens wel worden erkend door een onafhankelijke en onpartijdige, door de wet aangewezen instantie. Zo staat het in artikel 47, en dit is een vereiste voor de eigen bevoegdheid. Het mag dus niet zo zijn dat een beroep op de rechter door een natuurlijke of rechtspersoon aanleiding geeft tot disciplinaire maatregelen.

De uitoefening van een recht dat door alle grondwetten én het Europees Handvest wordt gegarandeerd kan nooit een schending van om het even welke norm inhouden. Het verslag-Belet gaat dan ook terecht uit van het beginsel dat een beroep op de burgerlijke rechtspraak – ofschoon uit sportief oogpunt ongerechtvaardigd – geen aanleiding mag zijn tot het opleggen van disciplinaire maatregelen. De arbitraire beslissingen van de FIFA worden daarom veroordeeld.

Als we over dit principe stemmen zal dat er niet alleen toe leiden dat de sportpraktijk transparanter wordt; we bekrachtigen zo opnieuw één van de belangrijkste beginselen waarop de rechtstaat gebaseerd is.

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Mantovani (PPE-DE). (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil de heer Belet danken voor zijn bijdrage aan het verslag over de toekomst van het beroepsvoetbal in Europa.

Europa maakt naar mijn mening een periode van bijzondere onzekerheid door en zit tegelijkertijd in een fase van bezinning. Dat komt duidelijk tot uiting in de menselijke dimensie die voor de Europese burgers heel belangrijk is. Deze menselijke dimensie is een kenmerk van sport in het algemeen en van voetbal in het bijzonder, gezien de educatieve waarde van sport, de maatschappelijke en culturele integratie die zij teweeg kan brengen, de hulp die zij kan bieden in de strijd tegen discriminatie.

Dit integratieproces is deels te danken aan de positieve effecten van het Bosman-arrest, waarmee in 1995 de mobiliteit van voetballers tot stand werd gebracht. In dit verband moet er echter wel op gewezen worden dat beroepsvoetbal een economische bedrijvigheid is die erkend wordt door artikel 2 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Geemenschap.

In financieel opzicht is de bepleite integratie dan ook onvolledig tot stand gekomen, onder andere vanwege de oneerlijke concurrentie op de voetbalmarkt. Dat is te wijten aan de verschillende belastingstelsels die de diverse landen van de Unie hanteren. Sommige landen zijn fiscaal gezien voordelig, waardoor hun clubs veel hogere salarissen aan hun voetballers kunnen uitbetalen dan clubs van andere landen.

Tenslotte willen wij er absoluut op wijzen dat het voorstel van een in communautair opzicht gelijke verdeling van de televisierechten tussen de verschillende landen van de Europese Unie geen echte prioriteit voor de voetbalsector is, gezien de historische, culturele en vooral marktverschillen die er momenteel zijn. Het voorstel is tevens in strijd met het subsidiariteitsbeginsel, een grondbeginsel dat gerespecteerd dient te worden.

Mijnheer de Voorzitter, vijf jaar geleden heb ik in dit Huis voorgesteld om een Europees sportagentschap op te richten. Ik geloof dat daar vandaag de dag meer dan ooit behoefte aan is.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik zou de twee rapporteurs willen bedanken, en ook alle leden die het woord hebben gevoerd. Er zijn heel wat interessante punten aan de orde gesteld. Morgen moet u beslissen wat er precies in het verslag zal komen te staan, maar veel van wat u heeft gezegd kan worden beschouwd als een bijdrage aan verdere discussies, en ook aan het verdere beleid ten gunste van het voetbal en de sport, en van het saamhorigheidsgevoel in Europa.

Zoals de heer Belet al zei is een van de belangrijke punten dat we de bevoegde autoriteiten moeten vragen om aan de tafel te gaan zitten en naar oplossingen te zoeken. Het is duidelijk dat we samen moeten werken. We hebben jarenlang regelmatig en intensief samengewerkt met organisaties als de UEFA en de FIFA. De studie “Independent European Sport Review”, die nog steeds relevant is, is daar besproken.

Aan het einde van mijn inleiding heb ik een bijzonder interessant evenement genoemd, dat onlangs in Manchester heeft plaatsgevonden. Ik heb gehoord dat de Britse collega’s heel verschillende meningen zijn toegedaan, maar voetbal is toch synoniem met het Verenigd Koninkrijk. In het belang van een gezonde voetbalsport kunnen we heel wat zeggen over het belang van samenwerking.

Europa is op voetbalgebied een supermacht. Ik wil niet ingaan op de geopolitieke aspecten, maar ik heb deelgenomen aan internationale debatten, waar vaak vooral door Afrikaanse landen is gezegd dat die overheersende positie schadelijk is voor de internationale relaties en voor de sport. De Afrikanen hadden heel wat kritiek op de Europeanen. We moeten daarop een helder en geloofwaardig antwoord geven.

We hebben het over de amateursport, maar ook over de profsport. Er bestaat in de sport, en dus ook in het voetbal, een heel belangrijke piramide. De amateurs en de profs vormen een piramide. Geld is niet het belangrijkste, anders zou de hele piramide op haar kop staan, en dat zou geen goede zaak zijn.

We hebben vorig jaar bijvoorbeeld met de FIFA afgesproken om projecten voor kindervoetbal in Afrika te steunen, om de sport en de integratie te bevorderen. Dat is een deel van de voorbereidingen voor het Wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika in 2010.

Twee weken geleden hebben we in Stuttgart gesproken met de ministers van sport. In dit debat spelen twee negatieve elementen een rol: geweld en doping. Die punten worden ook in uw verslag genoemd. De ministers hebben afgesproken om de oprichting voor te bereiden van een Europees netwerk van agentschappen die zich bezighouden met de strijd tegen doping. Op die manier kunnen we ertoe bijdragen om de transparantie en de geloofwaardigheid van ons beleid te verhogen. Er is ook over geweld gesproken. We zullen in november samen met de Raad van Europa en het Europees Parlement een conferentie over sport en vandalisme organiseren.

We hebben ook de economische aspecten van de sport en de sociale integratie door de sport gesproken. We hebben bijvoorbeeld afgesproken om specifiekere en betrouwbaardere gegevens te leveren over de economische kant van de sport, om te bekijken welke invloed die heeft op de werkgelegenheid en de groei in onze landen. Dat is heel belangrijk.

In het witboek van de Commissie over de sport zullen ook de volgende punten aan bod komen: specificiteit, subsidiariteit, autonomie en natuurlijk ook diversiteit. Dat zijn de zichtbare mozaïeksteentjes van ons sportbeleid. Dat is heel belangrijk, niet alleen in de cultuur, maar ook in de sport. Het gaat om transparantie, spelregels en teamwork. Dat moet echter allemaal gebeuren binnen het juridische kader van de EU, en niet daarbuiten, dat zeg ik in alle duidelijkheid.

Afsluitend wil ik er op wijzen dat we op dit moment een raadpleging over het witboek houden. Zoals gezegd kunnen we, zodra deze verslagen morgen aangenomen zijn, ervan profiteren voor dit voorbereidende werk. We hebben al 670 reacties ontvangen, en meer dan 200 daarvan komen van verenigingen of bonden. Dat betekent dat we moeten samenwerken om een goed resultaat te bereiken, in het belang van de geloofwaardigheid van Europa. We dragen op het gebied van de sport namelijk een brede internationale verantwoordelijkheid.

Europa is de wieg van allerlei ideeën, ook van het voetbal en van de Olympische gedachte. Deze waarden en tradities moeten we hoog houden, in de Europese samenwerking, maar ook daarbuiten.

Ik zou alle leden van het Europees Parlement willen danken voor hun bijdragen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142 van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (NI), schriftelijk. (IT) Het voetbal is diep geworteld in de Europese identiteit en cultuur. Vooral bij jongeren, maar niet alleen in die leeftijdsgroep, is voetbal een sociaal bindmiddel, een instrument van informele opvoeding en van economische en territoriale ontwikkeling. Sinds niet al te lange tijd echter is door allerlei juridische schandalen, door competities waarin geknoeid is, door geweld, racisme, miljoenencontracten en economische belangen, de voetbalwereld losgeraakt van haar oorspronkelijke idee, en zijn de burgers vervreemd van het voetbal.

Het is dus belangrijk dat de EU in actie komt om de bezem te halen door een tak van sport waarin wij wereldleiders zijn: een sector die niet alleen een cultuuruiting moet blijven, maar tevens een bron van economische ontwikkeling, werkgelegenheid en maatschappelijke cohesie. Ik hoop dus dat voetbal en sport in het algemeen in de toekomst op de nodige bijstand kunnen rekenen, zodat al die belangen die op het spel staan gereguleerd kunnen worden. Het is vooral zaak wedstrijden en sportevenementen op plaatselijk en Europees niveau te ondersteunen (en de toegang voor kansarme en andere jongeren te bevorderen), om op die manier kleinere clubs en takken van sport te promoten, die overal in Europa een belangrijk middel voor de maatschappelijke opvoeding van onze burgers zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Iles Braghetto (PPE-DE), schriftelijk. (IT) Ik heb veel waardering voor het werk dat de rapporteur heeft verricht en dat dus zeker mijn instemming krijgt. Voetbal en sport in het algemeen zijn uitingen van een sociale omgang en een spelcultuur die kenmerkend zijn voor de westerse beschaving. De juiste aanpak is daarom volgens mij niet om nieuwe wetgeving op te stellen, maar om de voetbalsector in de richting te duwen van vormen van zelfregulering waaraan alle betrokkenen, alle deelnemers, supporters incluis, kunnen meewerken.

Er moet gezocht worden naar rechtszekerheid door middel van richtsnoeren die zorgen voor samenwerking en solidariteit tussen alle deelnemers aan het sportgebeuren. Met name acht ik het noodzakelijk om de educatie van jongeren te stimuleren, om strenge strafmaatregelen te nemen tegen racisme en geweld in de stadions, om supporters op te nemen in de bestuurslaag van het voetbal, om een transparant systeem te bedenken voor controle van de kosten, eerlijke concurrentie tussen de clubs en verzekeringsdekking voor de voetballer.

Om al die redenen kijken wij reikhalzend uit naar de goedkeuring van het Witboek van de Europese Commissie inzake de rol van de sport in Europa. Wij achten het uiterst nuttig om een actieplan op te stellen voor de Europese sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder.

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE) , schriftelijk. – (EN) Rond voetbalwedstrijden doen zich steeds vaker vrij ernstige incidenten voor. Daarom zijn we allemaal dankbaar voor het initiatief van Oostenrijk voor een besluit over de veiligheid in dat verband. De beoordeling van de internationale samenwerking tussen politiediensten tijdens het Europees kampioenschap in 2004 heeft heel duidelijk aangetoond dat er internationaal meer informatie moet worden uitgewisseld over risicosupporters. Het is echter wel belangrijk – en dat schrijft ook onze rapporteur Giusto Catania – dat die uitwisseling van persoonsgegevens plaatsvindt volgens de nationale en internationale regels die daarvoor gelden, en dat de gegevens niet voor andere doelen worden gebruikt. Almaar meer supporters reizen voor wedstrijden naar het buitenland, daarom moet er een versterkte samenwerking komen tussen de nationale diensten die deze informatie verzamelen. We moeten hier een werkelijk internationale dimensie aan geven. Wanneer we erin slagen om door een internationale uitwisseling van informatie alle lidstaten in staat te stellen de risico’s goed in te schatten, en we het geweld en de rellen rond voetbalwedstrijden daardoor kunnen bestrijden of zelfs verhinderen, dan kunnen we ertoe bijdragen dat de morele en opvoedkundige waarden van het voetbal, en ook van sport in het algemeen, hoog in het vaandel blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Lívia Járóka (PPE-DE), schriftelijk. – (HU) Het verslag van Ivo Belet over de toekomst van het beroepsvoetbal in Europa houdt een zeer belangrijke stellingname in. Het staat voor ons allemaal buiten kijf dat voetbal in Europa een veelzijdige rol vervult en een belangrijke maatschappelijke en culturele functie heeft; door dit populaire spel kunnen mensen met elkaar in aanraking komen, elkaars denkbeelden leren kennen en wordt bovendien hun deelname aan de maatschappij bevorderd.

Racisme en vreemdelingenhaat zijn maatschappelijke problemen die steeds sterker naar voren komen in ons dagelijks leven, maar ook bij het voetbal. Tijdens voetbalwedstrijden kunnen we elke week getuige zijn van ernstige racistische incidenten en, in Midden- en Oost-Europa, van steeds sterker wordende anti-Roma sentimenten. Deze bijzonder geliefde tak van sport wordt vandaag de dag sterk geassocieerd met hooliganisme en hatelijke uitlatingen die voortkomen uit racisme.

Racisme en vreemdelingenhaat zijn wijdverspreid in de voetbalstadions. In Midden- en Oost-Europa weergalmen de voetbalvelden van anti-Roma uitlatingen, ongeacht of er wel of niet een team speelt met Roma-supporters en -aanhangers.

De populariteit van dit spel moet het mogelijk maken de strijd met het racisme aan te binden, de aandacht van de mensen te vragen en een voorbeeld te stellen. In de strijd tegen de rassenhaat op de sportvelden moeten behalve de clubs ook de Europese Commissie en de regeringen van de lidstaten actief optreden, moeten er bovendien strengere sancties worden opgelegd bij racistische incidenten in het voetbal, en is het daarnaast onontbeerlijk dat de UEFA en de nationale bonden de disciplinaire regels consequent en strikt toepassen.

 

20. Naleving van de vlaggenstaatverplichtingen - Wettelijke aansprakelijkheid en financiële zekerheden van scheepseigenaars (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- het verslag (A6-0058/2007) van Marta Vincenzi, namens de Commissie vervoer en toerisme, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de naleving van vlaggenstaatverplichtingen (COM(2005)0586 C6-0062/2006 2005/0236(COD)), en

- het verslag (A6-0055/2007) van Gilles Savary, namens de Commissie vervoer en toerisme, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de wettelijke aansprakelijkheid en financiële zekerheden van scheepseigenaars (COM(2005)0593 C6-0039/2006 2005/0242(COD)).

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, er bestaat nu een solide Gemeenschapsacquis op het vlak van maritieme veiligheid, maar we hebben nog veel werk voor de boeg. De Commissie wilde de bestaande wetgeving aanvullen met een nieuw pakket maatregelen om de ongevallenpreventie te verbeteren en de gevolgen beter aan te pakken. Bij het indienen van deze zeven voorstellen heeft de Commissie zoveel mogelijk rekening gehouden met de resoluties betreffende de versterking van de maritieme veiligheid die zijn aangenomen door het Parlement na het ongeval met de Prestige. Daar gaan wij op in.

Zo kunnen de Europese maritieme overheden een voorbeeld stellen. Geen enkel schip zal kunnen ontsnappen aan controle in de Europese havens. De controle op de controleurs, namelijk op de classificatiemaatschappijen, zal veel scherper worden. Een duidelijke beslissingsstructuur maakt het mogelijk schepen in nood op te vangen. De bedrijven zullen hun verplichtingen jegens passagiers of derden beter kunnen nakomen. Tenslotte zal systematische feedback over ongevallen kunnen worden gegeven.

Ik ben blij dat het Europees Parlement de ambitieuze benadering onderschrijft die de Commissie voorstelt. Uw rapporteurs hebben uitzonderlijk werk verricht. De Commissie blijft gehecht aan de gelijktijdige behandeling van de zeven voorstellen en aan het handhaven van de aanpak per "pakket", om zo de efficiëntie en samenhang van de voorgestelde maatregelen te verzekeren. Om technische redenen wilde u twee van deze zeven maatregelen al eerder onder de loep nemen.

Met het voorstel over de aansprakelijkheid van de vlaggenstaten wil de Commissie een leemte opvullen in het Europese veiligheidsstelsel. De overheidsinstanties van die staten dienen ervoor te zorgen dat schepen die onder hun vlag varen de veiligheidsnormen toepassen. De situatie in Europa moet duidelijk worden verbeterd. Het is niet normaal dat er lidstaten op de grijze lijst staan – en zelfs op de zwarte lijst – die is opgesteld met het memorandum van Parijs. Het is niet normaal dat er zoveel verschillen bestaan in de aanhoudingscijfers van schepen onder Europese vlag, van 0,9 tot 24,14 procent in extreme gevallen voor de periode 2003-2005 volgens de cijfers in het memorandum van Parijs.

Laten we duidelijk zijn. Wij willen geen nieuwe laag van bureaucratische eisen creëren voor de marktdeelnemers en de nationale autoriteiten en we willen evenmin nieuwe veiligheidsmaatregelen invoeren, wel willen we de efficiënte toepassing van de bestaande verzekeren. Het Commissievoorstel wil de regels van de Internationale Maritieme Organisatie gewoon overnemen in het Gemeenschapsrecht. Met die regels moeten vlaggenstaten de internationale overeenkomsten toepassen. Voorts willen we een nu nog vrijwillige regeling verplicht stellen, namelijk het auditsysteem van de IMO. Zo willen wij verzekeren dat onze maritieme administraties van onberispelijke kwaliteit zijn, en op die wijze ook iets doen aan de kwaliteit van onze schepen. Aldus zullen wij bijdragen aan het vermijden van mogelijke oneerlijke concurrentie tussen Europese zeevervoerders.

Nu ga ik in op het tweede voorstel. Hierbij gaat het erom de reders meer verantwoordelijk te maken door het aansprakelijkheidsstelsel te versterken. De Commissie stelt een minimum aan regels voor die voor alle lidstaten dezelfde zijn op dit gebied – wettelijke aansprakelijkheid en financiële zekerheden – en stelt voor regels te maken waarmee zowel ongevallen kunnen worden voorkomen als eventuele schade kan worden vergoed. Sommigen brengen hiertegen in dat er al internationale overeenkomsten bestaan die dit regelen. Daarop antwoord ik dat die overeenkomsten onvolmaakt zijn en wel op tweeërlei gebied. Ten eerste zijn ze niet allemaal in werking getreden, dat is een lang slepende zaak. En ook al worden die overeenkomsten in de toekomst overal toegepast in Europa, er zullen altijd gevallen zijn die zij niet bestrijken.

Vooral inhoudelijk vertonen die overeenkomsten een gebrek. Zij bevestigen een beginsel dat dringend moet worden gemoderniseerd: de beperking van de aansprakelijkheid. Meer bepaald leggen die overeenkomsten de drempel vast waarboven de reder zijn recht op beperkte aansprakelijkheid verliest. Het probleem is dat die drempel veel te hoog ligt, namelijk bij een onvergefelijke fout. Zulk een hoge drempel komt neer op een voorkeursbehandeling voor de reders ten nadele van de slachtoffers, wanneer de geleden schade groter is dan het niveau van schadeloosstelling dat is opgenomen in diezelfde overeenkomsten. Het is ook een voorkeursbehandeling van slechte reders ten nadele van goede reders. Reders die schuldig zijn aan grove nalatigheid – op de foutenschaal een trede lager dan de onvergefelijke fout – en grote vervuiling hebben veroorzaakt, zouden geen gebruik meer mogen maken van het voorrecht van de beperkte aansprakelijkheid.

Ons voorstel past in die context. Dit is tegelijk een rechtstreeks antwoord op de moeilijkheden bij de uitvoering van internationale overeenkomsten en een eerste stap in de richting van het moderniseren van al deze teksten.

Mijnheer de Voorzitter, het is vanavond te laat om hier nog langer mee door te gaan. Ik zou eventueel nog antwoord kunnen geven aan mevrouw Vincenzi en de heer Savary, die ik heel hartelijk wil danken voor hun uitstekende werk.

 
  
MPphoto
 
 

  Marta Vincenzi (PSE), rapporteur. (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, een volledige eerbiediging van de internationale regels door de lidstaten zou problemen kunnen oplossen die, zoals wij weten, niet alleen van economische en maatschappelijke aard zijn, maar ook betrekking hebben op de milieubescherming. Dankzij het werk van de Commissie en het werk dat wij binnen de Commissie vervoer en toerisme hebben verricht, wordt in de onderhavige richtlijn met name de aandacht gevestigd op drie fundamentele kwesties.

Ten eerste: de mogelijkheid dat de lidstaten aan hun communautaire verplichtingen voldoen met de conventionele instrumenten die al gebruikt worden voor toepassing van de internationale regels. Ten tweede: niet de landen moeten aantonen dat de voorschriften zijn toegepast, maar de Commissie moet kunnen aantonen dat er sprake is van schending van de regels. Een zekere administratieve speelruimte, waar de IMO-verdragen al in voorzien, is in feite noodzakelijk om de uitvoering van de verplichtingen van de vlaggenstaat aan te passen aan de nationale situaties. Dit werk is het resultaat van rechtstreeks overleg met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en de instellingen. De Commissie vervoer en toerisme heeft daar waardering voor en geeft er haar steun aan.

Ik dank alle leden, en speciaal de collega’s die amendementen hebben ingediend. Bij de stemming van eind februari zijn het gewijzigde voorstel en de wetgevingsresolutie unaniem goedgekeurd. De goedgekeurde amendementen, die na onderlinge overeenstemming waren ingediend, hebben licht geworpen op een standpunt waar alle fracties achter stonden, namelijk dat versterking van de veiligheid op zee zonder extra belasting voor het overheidsbestuur mogelijk en noodzakelijk is. In die richting gaan ook de wijzigingen van het systeem van inspecties, die van facultatief verplicht zijn geworden, het systeem van kennisgevingen aan de Commissie, dat inhoudelijk lichter is geworden, en de garanties voor personeelsopleidingen met verplichte praktijkervaring op zee.

Om zoveel mogelijk consensus tot stand te brengen heb ik mijn andere amendementen achterwege gelaten. Ons doel is namelijk om in dit Huis dezelfde unanieme visie en een net zo evenwichtig standpunt te verkrijgen als in de commissie is gebeurd. Indien, mijnheer Barrot, het Europees Parlement met grote meerderheid akkoord gaat met de inhoud van deze ontwerprichtlijn en die van collega Savary, zoals wij die gewijzigd en besproken hebben, met de fracties die zich vierkant achter een versterking van het Erika-pakket scharen, dan kunnen wij volgens mij rekenen op volledige steun van de publieke opinie. De mensen zijn zich namelijk bewust van de ernstige problemen waar de veiligheid op zee tegenwoordig mee kampt. Wij kunnen dan tevens een einde maken aan de weifelende houding van de communautaire instellingen en voorkomen dat de Europese Unie in plaats van vooruit achteruit gaat. Dat is namelijk het laatste wat wij ons kunnen veroorloven, vooral nu, net na de belangrijke Verklaring van Berlijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Gilles Savary (PSE), rapporteur.(FR) Mijnheer de Voorzitter, we kunnen nu eindelijk eens een keer wetgeving opstellen over de veiligheid op zee zonder dat er eerst een ramp heeft plaatsgevonden. En is het niet beter zo? De vorige keren hadden we twee rampen te betreuren: die met de Erika – een vreselijke ramp waarbij de zee vervuild raakte en het wrak niet dan met grote moeite geborgen kon worden – en die met de Prestige. Bij die laatste ramp is een heel groot deel van de kust vervuild. U weer dat als Spanjaard beter dan wie ook.

Ik geloof daarom dat we de commissaris mogen gelukwensen met dit voorstel. Het gaat om een pakket van zeven teksten, dat moet worden gezien als een algemeen voorstel van de Commissie en het Europees Parlement aan de Raad, al zijn twee van de teksten in kwestie wel ietwat gedurfd. We hebben hier hard aan gewerkt en ik wil al mijn collega’s, inzonderheid de overige politieke fracties, bedanken: voor het uitstekende werk dat we hebben kunnen verrichten en voor het opmerkelijke stemresultaat dat we hebben verkregen. Dat bewijst dat het Parlement vandaag heel graag wil instemmen met dit pakket "maritieme veiligheid"”.

Het is mijn taak u een – vermoedelijk vrij gecompliceerd – verslag voor te leggen over de wettelijke aansprakelijkheid van scheepseigenaren en de financiële zekerheden waaruit de aan derden toegebrachte schade uiteindelijk gedekt zal moeten worden. Het gaat hier niet om de schade die ontstaat als twee schepen met elkaar in botsing komen, en ook niet om de schade die tussen de partijen die bij het vervoer betrokken zijn – de reders en de bevrachters – kan ontstaan. Waar het om gaat is de schade aan derden, en dan moeten we in de eerste plaats aan milieuschade denken.

Wat de Commissie voorstelt is dat de lidstaten de belangrijkste verdragen van de Internationale Maritieme Organisatie op het gebied van aansprakelijkheid en de vergoeding van door derden geleden schade ratificeren, wat volgens mij wel het minste is dat men van de lidstaten kan verlangen. Er bestaat een algemeen verdrag over alle soorten schade: het LLMC-verdrag. Ik moet er in dit verband op wijzen dat dit verdrag – en dan gaat het in de eerste plaats om de uit 1996 stammende versie ervan – door een aantal lidstaten niet geratificeerd is. Het HNS-verdrag over chemische risico's is ook niet geratificeerd. We zijn nu dus op geen enkele wijze gedekt voor chemische risico's – nog minder dan voor olierisico's – , terwijl we weten dat er over de Europese zeeën vaak heel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. En dan zijn er nog twee andere verdragen: een verdrag over de bescherming van aan hun lot overgelaten zeelieden – u heeft horen praten over bizarre situaties waarin zeelieden na een faillissement van de reder hun aangemeerde schepen niet mogen verlaten en daar maanden lang op moeten verblijven – , en een verdrag over de aansprakelijkheid voor schade die wordt toegebracht door het legen van brandstoftanks, de zogenaamde lozingen.

De Commissie stelt ons dus voor de verdragen te ratificeren. Het Parlement heeft zich voor dit voorstel uitgesproken en wil nu dat alle verdragen worden geratificeerd, in de eerste plaats het verdrag over chemische stoffen. De Commissie heeft dat niet direct zo voorgesteld, maar wij dringen aan op ratificatie. In de tweede plaats geloven we dat de plafonds voor de aansprakelijkheid van schepen die toebehoren aan staten die geweigerd hebben te ratificeren moeten verdwijnen, waarbij het niet uitmaakt of het om Europese of niet-Europese staten gaat. Ik geloof dat de heer Jarzembowski het heel belangrijk vindt dat we schepen van staten die niet geratificeerd hebben strenger behandelen, om ze zo tot ratificatie aan te zetten. In deze gevallen is het niet de onvergefelijke fout die afkeuring verdient. Er is hier sprake van ernstige nalatigheid en dan zijn de regels voor aansprakelijkheid en schadevergoeding veel strenger.

We sluiten ons verder aan bij het voorstel van de Commissie om een certificaat van financiële zekerheid in te voeren en daar toezicht op te houden door een lichaam in het leven te roepen – hetzij binnen het Agentschap voor maritieme veiligheid, hetzij elders – dat de geldigheid van deze certificaten kan controleren, en dan vooral die van schepen die in onze territoriale wateren op doorreis zijn en geen havens aandoen. Op die wijze kunnen we maximale veiligheid garanderen.

Beste collega's, ik geloof dat dit een tekst is die het Europees Parlement tot eer strekt en de lidstaten voor het blok zet. Ik behoor tot degenen die na de ramp met de Erika van staatshoofden en regeringsleiders – waaronder die van mijn eigen land – zo vaak hebben moeten aanhoren dat Europa blaam treft: "De Erika, het is allemaal de schuld van Europa; er is geen wetgeving". Die is er nu wel. En ze is heel streng. Nu willen we dat de Raad en de lidstaten deze wetgeving ten uitvoer leggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luis de Grandes Pascual (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken.(ES) Om te beginnen moet ik zeggen dat ik hier niet alleen namens mijzelf spreek, maar ook namens Antonio López-Istúriz, die de eigenlijke rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken voor het verslag-Savary is.

Zoals u allen weet, maken de beide verslagen die we vandaag bespreken, en waarvan de hoofdrolspelers mevrouw Vincenzi en de heer Savary zijn, deel uit van wat het derde maritieme veiligheidspakket is gaan heten. Het voornaamste doel van de zeven voorstellen die samen het pakket vormen, is het verhogen van de veiligheid van onze zeeën. Aangezien we de twee verslagen gezamenlijk behandelen, zou het onbeleefd zijn om het verslag van mevrouw Vincenzi, waarmee we het in hoge mate eens zijn, niet te noemen.

Ik wil me nu echter beperken tot het verslag-Savary. Het verslag is een waardevol en resoluut werkstuk dat mijn lof en steun verdient. Het gaat hier niet om een eenvoudig uit te voeren voorstel, zoals geen van de zeven voorstellen uit het pakket dat is, en het voorstel is niet voor iedereen even gemakkelijk te aanvaarden, want we hebben het over wettelijke aansprakelijkheden en financiële zekerheden van scheepseigenaren en het is legitiem dat er vanuit deze sector geprobeerd wordt om die aansprakelijkheid te verminderen of bindende besluiten uit te stellen. Begrijp me goed, dit is geen kritiek op de scheepseigenaren; het is hun goed recht, en hun opstelling is legitiem.

Ook ik wilde in eerste instantie niet tegen de stroom inzwemmen en heb ervoor gepleit om de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) de bevoegde instantie te maken op een zo sterk geglobaliseerd terrein als de zeevaart. Maar mijn mening botste met het breed gedragen standpunt van het Parlement en ik heb me uiteindelijk laten overtuigen.

Het is beter zo, zoals dat ook het geval was bij de bepaling dat schepen dubbele wanden moesten hebben, die destijds werd ingevoerd door de onvergetelijke Loyola de Palacio. Eerst nam de Europese Unie de besluiten, daarna volgde de IMO. Als het andersom was geweest, had het recente ongeluk bij Gibraltar zeer waarschijnlijk opnieuw een grote catastrofe veroorzaakt.

Ik spreek eerst mijn dank uit voor het aanvaarden van de amendementen waarmee wij verzocht hadden om de verplichte ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie. In de tweede plaats zal ik me concentreren op een onderwerp dat naar mijn mening van belang is en waarvoor ik steun vraag: de oprichting van een solidariteitsfonds om de schade te dekken die is veroorzaakt door schepen die geen enkel certificaat van financiële zekerheid hebben ondertekend.

We moeten een vacuüm opvullen om dit mogelijk te maken ingeval van een ongeluk dat is veroorzaakt door een van de schepen die, in weerwil van de verplichtingen van deze richtlijn, zonder certificaat van financiële zekerheid in de territoriale wateren van de EU hebben gevaren. In geen enkel geval mag het zo zijn dat de lidstaat, die per slot van rekening het slachtoffer van het ongeluk is, opdraait voor de betaling van de schadeloosstellingen voor schade die is veroorzaakt door schepen zonder certificaat van financiële zekerheid. Naar onze mening moeten die kosten voor rekening komen van een consortium, dat naar het voorbeeld van andere consortia die in het vergelijkend recht bestaan, bij dergelijke eventualiteiten die kosten op zich neemt.

 
  
MPphoto
 
 

  Georg Jarzembowski, namens de PPE-DE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, beste vice-voorzitter van de Commissie, de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten kan op hoofdlijnen haar steun uitspreken voor de uitstekende verslagen van collega Vincenzi en collega Savary over de verplichtingen van de vlaggenstaat enerzijds en de aansprakelijkheid van de eigenaars van schepen anderzijds. We bedanken ook de rapporteurs voor hun professionele werk aan deze verslagen.

Anders dan werd gevreesd door sommige geledingen van de scheepvaartsector, voegen de twee richtlijnen in feite geen nieuwe verplichtingen voor de scheepvaart en de lidstaten toe, en ze berokkenen ook geen schade aan de concurrentiekracht van de Europese vloot ten opzichte van marktdeelnemers uit derde landen. De voorstellen zijn eigenlijk meer bedoeld om de al jarenlang bestaande internationale verdragen over maritiem recht eindelijk voor alle lidstaten bindend te maken. Als we naar de verschillende voorstellen van de vlaggenstaten kijken, wordt duidelijk dat alle 27 lidstaten van de Europese Unie dringend hun verplichtingen uit de internationale verdragen inzake de controle van hun eigen schepen moeten nakomen. Het volstaat niet om verdragen te ondertekenen en te ratificeren. De lidstaten moeten ook eindelijk de noodzakelijke materiële middelen en personeel ter beschikking stellen om de daadwerkelijke controle van hun eigen schepen mogelijk te maken. Wat de aansprakelijkheid bij scheepsongevallen betreft, is het eigenlijk enkel zo dat alle lidstaten via het communautair recht verplicht worden het LLMC-verdrag uit 1996 eindelijk toe te passen. Onze eis om het HNS-verdrag uit 1996 en het Bunkerolieverdrag uit 2001 ook eindelijk toe te passen, kan toch echt geen te zware last zijn voor de scheepvaart en de lidstaten.

Ons standpunt is dan ook volkomen gerechtvaardigd. In het belang van het milieu en van de burger vragen wij iets wat eigenlijk heel vanzelfsprekend is, en ik hoop dat de Raad dit eindelijk zal begrijpen en bereid zal zijn om beide dossiers dienovereenkomstig te behandelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Willi Piecyk, namens de PSE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, als ik mijn moeder vertel dat we na voetbal om 23.00 uur over maritieme veiligheid praten, zou ze waarschijnlijk zeggen: jullie zijn een beetje gek in Brussel. Ik zou mijn moeder op dit punt gelijk willen geven.

Toch is het een goede zaak dat de Commissie dit voorstel heeft gedaan, want het was nodig. We hebben in de Commissie voor de verbetering van de veiligheid op zee (MARE) gevraagd dat wij als Europese Unie actie zouden ondernemen op het gebied van de verplichtingen van vlaggenstaten, de aansprakelijkheid en de schadeloosstelling. Ik zou hier de twee rapporteurs, collega’s Marta Vincenzi en Gilles Savary, hartelijk willen bedanken. Beide verslagen zijn erg ingewikkeld en liggen politiek zeer gevoelig. We hebben op dit vlak de Raad nog niet horen juichen, applaudisseren of bravo roepen. Daarom zeg ik nu nogmaals tot de Raad – omdat er blijkbaar misverstanden zijn gerezen – dat we vandaag over deze beide verslagen praten, maar dat dat nog niet betekent dat het pakket Erika 3 met zijn zeven dossiers wordt opgeblazen. Integendeel, we onderstrepen alleen het bijzondere politieke belang van deze beide verslagen. Daarom zou de Raad, die op verzoek van Gilles Savary probeert een definitie van grove nalatigheid te geven, zelf nalatig zijn wanneer hij uit zou gaan van deze misvatting.

Ik ben het eens met collega Jarzembowski, de houding van de Raad ten opzichte van het verslag-Vincenzi is erg moeilijk te begrijpen. Waarin gaat eigenlijk het probleem schuil om geldige IMO-regels over te nemen in Europees recht? En waarin schuilt het probleem bij het verslag-Savary om naast olievervuiling ook chemische vervuiling op te nemen in de wettelijke aansprakelijkheid? Dat kan toch niet het probleem zijn. In elk geval getuigt dit van gezond verstand. De boodschap uit beide verslagen is dat de lidstaten meer verantwoordelijkheid aan de dag moeten leggen voor schepen onder hun vlag en dat de lidstaten en de eigenaars van de schepen hun verantwoordelijkheid moeten nemen wanneer er iets gebeurd is. Dit is dringend nodig, denkt u maar aan de Erika en de Prestige. Ik dank de Commissie voor het voorstel. Ik dank de rapporteurs. Nu is het aan de Raad om zich in deze zaak goed te gedragen en niet van grove nalatigheid te getuigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Paola Costa, namens de ALDE-Fractie. (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Barrot, dames en heren, ik wil hier eigenlijk alleen maar de woorden van mijn collega’s kracht bijzetten.

De veiligheid op zee is een serieus thema, te serieus om er tactische zetten voor te bedenken. Het is een serieus thema, gezien de ervaringen die wij achter de rug hebben en de ongelukken die wij hebben meegemaakt, en het valt niet moeilijk te voorspellen dat de toename van het vervoer over op zee de risico’s in de toekomst zal verhogen. De Commissie heeft dus heel wijs gehandeld door te zoeken naar mogelijke oplossingen om alle moeilijkheden te voorkomen en op alles voorbereid te zijn.

Om deze reden, die tactisch noch banaal genoemd kan worden, geloven wij dat alle zeven voorstellen gezamenlijk vooruitgeholpen moeten worden. Deze voorstellen beogen de vormen van classificatie te harmoniseren, de staten ervan te overtuigen dat zij schepen die hun vlag voeren moeten controleren, ervoor te zorgen dat er in de havens inspecties worden uitgevoerd op de schepen, ervoor te zorgen dat de verplaatsingen van schepen gevolgd worden, interventieplannen voor te bereiden voor ongevallen, aansprakelijkheid te toetsen en daarmee om te gaan, zowel ten opzichte van derden als ten opzichte van de passagiers.

Het feit dat de twee onderhavige verslagen allebei met een ruime meerderheid zijn goedgekeurd, één zelfs met eenparigheid van stemmen, laat goed zien in welke mate rekening is gehouden met de gevoelens van de Europese burgers, die wij nu eenmaal vertegenwoordigen. Dat bevestigt eveneens dat wij op de goede weg zitten.

Als deze eerste twee verslagen hedenavond worden aangenomen, is dat een boodschap aan alle Europese instellingen: aan de Commissie, die de voorstellen ter tafel heeft gebracht en die bij haar standpunt moet blijven; aan de Raad, die zich bereid moet tonen om het dossier van de veiligheid op zee werkelijk vooruit te helpen. Op die manier wordt voorkomen dat wij over enige tijd – moge God het verhoeden – onze spijt moeten betuigen omdat wij niet op tijd hebben ingegrepen toen dat nog kon, om potentiële rampen te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mary Lou McDonald, namens de GUE/NGL-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik mevrouw Vincenzi en mijnheer Savary willen bedanken voor hun waardevolle werk. Het is wel duidelijk dat de scheepvaart een van de vele gebieden is waarvoor strengere regels dringend nodig zijn. De kwestie van de vlaggenstaat van schepen is buitengewoon belangrijk, en die wordt door de International Transport Workers’ Federation heel serieus aangepakt in haar campagne tegen de goedkope vlaggen. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we met name het verslag-Vincenzi goedkeuren, om ervoor te zorgen dat de lidstaten aan hun internationale verplichtingen in dit verband voldoen.

Er zijn in deze sector geschillen geweest, bijvoorbeeld over de Ierse veerboten, waar het omvlaggen is gebruikt als mechanisme om werknemers te ontslaan, om op die manier lagere lonen te kunnen betalen voor onregelmatige werktijden en slechtere arbeidsomstandigheden, en om de regels van de arbeidsinspectie in het land van eigendom te omzeilen. We moeten voor de werknemers in de scheepvaart nu gebruik maken van alle internationale instrumenten om de regelgeving in hun sector en de kwaliteit van hun beroepsleven te verbeteren.

Ik ben ervan overtuigd dat het Parlement deze verslagen zal aannemen. Het is aan de Raad en ook aan de individuele lidstaten om adequaat te reageren, en hun verantwoordelijkheid te dragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Liberadzki (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou mijn waardering willen uitspreken voor het werk van de rapporteurs, mevrouw Vincenzi en de heer Savary, en zou hen van harte willen bedanken voor hun verslagen. Het betreft twee richtlijnen uit een pakket dat door de Commissie werd voorgesteld. Ik wil daarnaast de Commissie bedanken omdat ze feilloos op de verwachtingen van dit Parlement heeft ingespeeld.

Ik zou nader willen ingaan op de kwestie van de wettelijke aansprakelijkheid. Ten eerste sta ik volledig achter de invoering van plafonds voor wettelijke aansprakelijkheid omdat de voorgestelde niveaus naar mijn mening voldoende hoog zijn om de slachtoffers in de meeste gevallen een toereikende schadeloosstelling te bieden. Ik ben het niet eens met de kritiek dat deze plafonds te hoog zouden liggen, want in de meest ideale situatie zouden er niet eens schadevergoedingen moeten worden betaald.

Ik ben eveneens ingenomen met de verplichte garantie van wettelijke aansprakelijkheid, waarbij het aan de scheepseigenaars is om bij de autoriteiten van de lidstaten een certificaat aan te vragen waaruit het bestaan van de garantie voor elke schade aan derden blijkt. Het is een goede zaak dat dergelijke certificaten door de lidstaten zullen worden verstrekt, aangezien het zo eenvoudiger wordt om de betrouwbaarheid en de reputatie van bedrijven te controleren.

Daarnaast onderschrijf ik met genoegen de verplichting om de aanwezigheid van een dergelijk certificaat kenbaar te maken. Het is mijns inziens positief dat we een ruimere interpretatie hebben van het begrip "onvergefelijke fout", aangezien het daardoor mogelijk wordt om personen aansprakelijk te stellen voor de inbreuken die zijn gepleegd. Er is daarom ook geopperd om de interpretatie van het begrip "onvergefelijke fout" nog verder uit te breiden en de notie van professionalisme in aanmerking te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Josu Ortuondo Larrea (ALDE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, we leven in het tijdperk van de globalisering, met alle voor- en nadelen van dien, maar daardoor kunnen we ons gelukkig wel bewust worden van de enorme effecten die de activiteiten en de ontwikkeling van de mensheid op de planeet hebben. Zo wordt onder andere het mariene milieu, dat zo belangrijk is voor onze voeding, onze vrijetijdsbesteding en ons vervoer, voortdurend blootgesteld aan vervuiling, zowel door lozingen vanaf het vasteland als door lozingen op zee.

Tot die laatste categorie behoren lozingen – een minderheid – die het gevolg zijn van niet te vermijden incidenten, terwijl de meerderheid veroorzaakt wordt door eigenaren en scheepsbemanningen die hun werk nog steeds op onverantwoorde wijze uitoefenen en de internationale regels en veiligheidspraktijken aan hun laars blijven lappen.

Daarbij springen vooral bekende gevallen als die van de Prestige en de Erika in het oog, maar we mogen niet vergeten dat er zich dagelijks gevallen van vervuiling voordoen door het leegpompen van het onderruim en het schoonmaken van tanks zonder dat daar enige controle op is. Daarom hebben we de plicht om alle controlemaatregelen en alle andere middelen die we tot onze beschikking hebben in te zetten om dit criminele gedrag een halt toe te roepen, en we moeten van alle vlaggenstaten eisen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen, dat ze inspecteurs in dienst hebben die gekwalificeerd zijn en de nodige ervaring hebben en dat hun havenautoriteiten controleren of de wanden van de schepen deugdelijk zijn en of de regels voor het lozen van afvalstoffen worden nageleefd.

In verband met dit laatste aspect – en hier sluit ik mee af – wil ik er bij de Commissie op aandringen om verplicht te stellen dat schepen zijn uitgerust met meetapparatuur, zoiets als de zwarte dozen in vliegtuigen, waarmee elk uur van de dag het peil in het onderruim en in de tanks kan worden gemeten, zodat criminele handelingen tegen het mariene milieu kunnen worden opgespoord. Dat is de enige manier waarop we ons doel kunnen bereiken.

Tot slot wil ik de rapporteurs feliciteren met hun voortreffelijke werk.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren afgevaardigden, ik wil u om te beginnen bedanken en gelukwensen. Ik geloof dat dit pakket – ook al komt het helaas wel erg laat – aantoont dat het Europees Parlement zich in de eerste plaats inzet voor het algemeen belang van Europa. Ik wil al de afgevaardigden die zo hard aan deze voorstellen hebben gewerkt daarom graag bedanken. Ik geloof dat we dit pakket intact moeten laten. Deze zeven voorstellen vormen namelijk één geheel. Ze maken het mogelijk om de gehele maritieme transportketen veilig te maken. Daarom geloof ik dat we dit pakket zo moeten laten.

Ik zal eerst iets zeggen over het verslag van mevrouw Vincenzi. We moeten om te beginnen goed beseffen dat onze Europese aanpak verenigbaar is met de algemene benadering die binnen de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) wordt gevolgd. En het is ook zo dat de Gemeenschap ons in staat stelt binnen de IMO aan te sturen op een benadering die alle vlaggenstaten aanzet tot een strikter naleving van de regels. Die aanpak is in het geheel niet onverenigbaar met onze benadering op communautair vlak, die erop gericht is om ervoor te zorgen dat elke lidstaat in ieder geval onder een kwaliteitsvlag vaart. In de toekomst zal de kwaliteit van een vlaggenstaat bepalen of zo’n staat aantrekkelijk is, en dat zal ons helpen te garanderen dat de communautaire banen in de maritieme sector van goede kwaliteit zijn. De ondernemingen in deze sector zullen bij een dergelijke kwaliteitsverbetering wél varen. Schepen die onder een kwaliteitsvlag varen zullen in de havens immers aan minder zware controles worden onderworpen. Ik wil mevrouw Vincenzi daarom nogmaals bedanken.

Mijnheer de Voorzitter, ik kan me in het algemeen vinden in het werk van de commissie en ik deel de terughoudendheid van de Raad niet. Ik zal daarom op een aantal amendementen terugkomen.

Via de amendementen 25 en 26 brengt u wijzigingen aan in de definities van de criteria die bepalen of er door de autoriteiten van de vlaggenstaat aanvullend onderzoek moet worden verricht. Ik ben bereid deze wijzigingen te aanvaarden, zij het onder één voorbehoud: we mogen niet toestaan dat schepen die de voorgaande twaalf maanden niet door de havenlidstaat aan een controle zijn onderworpen, geen aanvullend onderzoek hoeven te ondergaan. De amendementen 25 en 26 zouden dus anders – beter – geformuleerd kunnen worden.

Wat de amendementen 43, 44 en 52 betreft: ik geloof dat ze afbreuk doen aan het onderliggende idee. De eisen met betrekking tot het werven van controleurs van de vlaggenstaat worden zo immers minder streng. Gelooft u niet dat het belangrijk is dat we een hoog kwalificatieniveau handhaven? Met de amendementen 43, 44 en 52 heb ik dus een probleem: ik ben niet bereid ze te aanvaarden.

Een aantal amendementen maakt de zaken duidelijker, maar er zijn er ook – amendement 2, 6, 13 en 17 – die tot verwarring kunnen leiden, omdat ze verwijzen naar instrumenten van de Internationale Arbeidsorganisatie die een groter bereik hebben dan dit voorstel. Ik kan ze dus niet aanvaarden.

Tot slot wijs ik op de amendementen 4 en 12. Die geven de autoriteiten van de lidstaten en particuliere operatoren de bevoegdheid om het Comité voor maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen rechtstreeks in te schakelen. Deze amendementen houden dus geen rekening met het feit dat de Commissie exclusieve bevoegdheid heeft: het gaat hier immers om uitvoeringsbevoegdheden die aan de Commissie zijn overgedragen. Deze amendementen zijn voor de Commissie dus niet aanvaardbaar.

Dat waren mijn opmerkingen. Ze doen in het geheel niets af aan de steun die ik het werk van mevrouw Vincenzi toezeg; ze heeft beslist heel opmerkelijk werk afgeleverd. Nogmaals: ik ben ervan overtuigd dat de lidstaten er verstandig aan doen deze benadering te aanvaarden. Dat is van cruciaal belang – op den duur zal het kunnen beschikken over vlaggenstaten van uitzonderlijke kwaliteit een concurrentievoordeel opleveren.

Mijnheer de Voorzitter, dan kom ik nu op het voorstel van de heer Savary. Ik wil ook hem bedanken. Hij heeft erop gewezen dat de twee voorstellen waarover we vanavond spreken ietwat gedurfd zijn. En inderdaad: als we vooruitgang willen boeken, zullen we een aantal pogingen moeten ondernemen om de lidstaten aan te zetten mee te werken aan een beleid – een strategie – die van meer moed en vastberadenheid getuigt om een herhaling van olierampen te verhinderen.

Zal deze richtlijn ons in staat stellen de slachtoffers een betere bescherming te bieden? Beslist! De heer Savary heeft er terecht op gewezen dat de invoering van een systeem van verplichte financiële zekerheden voor alle schepen die de Europese wateren bevaren, in de wereld van de scheepvaart iets volkomen nieuws inhoudt. We moeten deze zekerheden kunnen vertrouwen en ze moeten aangesproken kunnen worden. Daarom stellen wij voor dat de overheid vooraf onderzoekt of de dekking van de verzekering in orde is, en daarom denken wij aan een systeem waarbij de slachtoffers zich rechtstreeks tot de verzekeraars kunnen wenden om hun rechten te doen gelden.

De slachtoffers zullen ook beschermd worden, en wel in de zin dat er nu een minimumschadevergoeding wordt gegarandeerd. Dit minimum sluit aan op de bedragen die zijn opgenomen in het Verdrag inzake de beperking van de aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (in de versie van 1996). Deze bedragen volstaan in het merendeel van de gevallen. In de richtlijn wordt intussen wel rekening gehouden met de mogelijkheid om de plafonds voor de wettelijke aansprakelijkheid van scheepseigenaren te elimineren, zodat slachtoffers een schadeloosstelling kunnen toucheren die correspondeert met de werkelijk geleden schade.

Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, we kunnen dus zeggen dat dit voorstel voor een richtlijn ons zeerecht een stap vooruit zal brengen. Ik dank u daarom opnieuw voor het feit dat u de moed heeft gehad een bepaalde mate van verzet te trotseren om het maritieme privaatrecht te moderniseren. Bepaalde beginselen van het nu geldende recht zijn inderdaad niet langer te rechtvaardigen. Die leiden er immers toe dat de operatoren van aansprakelijkheid worden gevrijwaard. Wat wij willen is een koopvaardijvloot van goede kwaliteit, en dat geldt zowel voor onze eigen vloot als voor schepen van derde landen die op doorreis zijn.

Dan kom ik nu op het voorstel van de heer Savary. Het doel is een hoogwaardige koopvaardijvloot – en dan hebben het niet alleen over de eigen vloot maar ook over schepen van derde landen op doorreis. Van belang is dat slachtoffers een vergoeding ontvangen die correspondeert met de geleden schade. De bestaande rechtsbeginselen laten dat niet toe. De amendementen 10 en 20 over grove nalatigheid en roekeloosheid laten dat wél toe en zijn dus heel belangrijk. Wij aanvaarden deze amendementen.

U heeft verder blijk van inzicht gegeven door een aantal onderdelen van het voorstel te verbeteren en overzichtelijker te formuleren. Het gaat hier dan om de amendementen 9, 11, 14 en 19.

U heeft ook een aantal nieuwe bepalingen ingelast die volgens ons heel belangrijk zijn. Het gaat dan vooral om de amendementen 16 en 17 over de verplichting van lidstaten om onverwijld over te gaan tot de ratificatie van verdragen die nog niet geratificeerd zijn.

Er is ook nog een aantal amendementen waarvan we het onderliggende idee wel kunnen aanvaarden, maar die we in de huidige redactie niet precies zo kunnen overnemen. Ik heb het nu over de amendementen 23, 26 en 27. Deze amendementen gaan over de oprichting van een nieuw communautair agentschap voor het beheer van de garantiecertificaten. Dat idee is zeker aanlokkelijk, maar moeten we werkelijk een nieuwe structuur opzetten terwijl we al een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid hebben? Welke taken moet die nieuwe structuur verrichten? U zult begrijpen dat we aandringen op een verder onderzoek waarin tot in details wordt nagegaan wat de gevolgen van deze amendementen zullen zijn.

Dan kom ik nu op amendement 25 over de oprichting van een solidariteitsfonds. Wij zijn er niet echt van overtuigd dat zo'n nieuwe structuur werkelijk nodig is. Is dat zinvol voor het zeer gering aantal gevallen waarin – als de richtlijn eenmaal van kracht is – de vergoedingen niet volstaan? Nog even afgezien van de praktische problemen bij de oprichting van een dergelijk fonds zullen we ook moeten verhinderen dat de "goede" reders voor de "slechte" reders opdraaien – hoe doen we dat?

Ziehier de kern van mijn commentaar. Voor beide voorstellen zal een volledige lijst met amendementen worden doorgestuurd aan het secretariaat van het Parlement. Daarin zal ook worden vermeld wat het standpunt van de Commissie is met betrekking tot al deze amendementen. Wat ook mijn reserves mogen zijn geweest ten aanzien van bepaalde amendementen, mijnheer de Voorzitter, ik wil u allen toch graag gelukwensen met een opmerkelijke prestatie. Ik wil de rapporteurs, voorzitter Costa en al de leden van zijn commissie, en – meer algemeen – het Parlement nogmaals bedanken voor uw uitstekende werk. Ik hoop dat dit een stap voorwaarts zal zijn in de richting van het soort maritieme veiligheid dat we, gelet op de ontwikkelingen van het zeevervoer, meer dan ooit nodig zullen hebben. We mogen niet vergeten dat het herenigde Europa behalve de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee nu ook de Zwarte Zee en de Oostzee bestrijkt. We moeten dus wel verder. Ik dank het Parlement voor het feit dat het dit begrepen heeft en dat het ons op deze wijze gesteund heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. De gecombineerde behandeling is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

 

21. De integratie van de nieuwe lidstaten in het GLB (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0037/2007) van Csaba Sándor Tabajdi, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over de integratie van de nieuwe lidstaten in het GLB (2006/2042(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Sándor Tabajdi (PSE), rapporteur.(FR) Mijnheer de Voorzitter, de integratie van tien nieuwe lidstaten is een erg ingewikkeld onderwerp. Ik heb in dit op eigen initiatief opgestelde verslag geprobeerd de gevolgen van de toetreding van tien nieuwe lidstaten te analyseren om vervolgens een balans van de resultaten op te maken. In het algemeen kunnen we met betrekking tot de integratie van deze tien nieuwe lidstaten spreken van een succes, maar we moeten ook goed kijken wat de gevolgen voor de verschillende sectoren zijn geweest.

Wat de gevolgen van de integratie voor de landbouw betreft: er zijn wat onevenwichtigheden, maar ik moet de resultaten toch positief noemen. Er is hier sprake van een win-winsituatie. Dat betekent dat de vijftien oude lidstaten baat hebben gevonden bij de uitbreiding: ze hebben hun markten uitgebreid. Ze zijn erin geslaagd een rol te spelen bij de privatisering van de landbouwsector in de nieuwe lidstaten. Maar het zijn vooral de producenten, de handelaars en de agro-industrie die er beter van zijn geworden: ook voor hen waren de resultaten dus positief. Ook de nieuwe lidstaten zijn er beter van geworden, ondanks de discriminatie bij de rechtstreekse betalingen. Hun landbouwsubsidies zijn de afgelopen twee jaar met 50 procent toegenomen. Dat is een heel positief resultaat – en dan hebben we het nog niet eens over prijsstabiliteit. En we zullen ook iets moeten zeggen over garanties en de interne markt.

Velen waren bij de uitbreiding bevreesd dat de nieuwe lidstaten de interne markt zouden verstoren. Dat is niet het geval geweest; er is geen verstoring opgetreden. Het is niet nodig geweest de vrijwaringsclausules te activeren. Dat is heel belangrijk en ook heel positief. De producenten in de nieuwe lidstaten hebben gebruik kunnen maken van de fondsen voor rechtstreekse betalingen en de fondsen voor plattelandsontwikkeling. We kunnen zelfs zeggen dat de voedselveiligheid is verbeterd.

Er zijn bij de uitbreiding echter ook bepaalde inconsistenties opgetreden. De producenten in de vijftien oude en de tien nieuwe lidstaten hebben geen gelijke kansen. De landbouwers uit de nieuwe lidstaten hebben het afgelopen jaar maar een derde van de rechtstreekse betalingen uit de Gemeenschapsbegroting ontvangen. En ook al is het inderdaad zo dat ze deze betalingen uit de nationale begrotingen mochten aanvullen, het is toch duidelijk dat ze geen gelijke kansen hadden. En die financiering van 25 procent bij aanvang – ook dat is inconsistent; 50 of 60 procent was rechtvaardiger geweest.

Wat de begroting betreft: er is jarenlang geen concurrentie geweest tussen de oude en de nieuwe lidstaten. Vanuit een financieel perspectief is er echter wel sprake van concurrentie: de koek is immers nog precies even groot, omdat de landbouwbegroting op voorstel van Schröder en Chirac is bevroren, terwijl die begroting nu door 27 lidstaten moet worden gedeeld.

Dames en heren, ik geloof dat er met betrekking tot de nieuwe lidstaten, in het kader van de nu uitgevoerde hervormingen, ook weer sprake is van inconsistenties. Ik heb u – en mevrouw Fischer Boel – er al herhaaldelijk op gewezen dat de nieuwe lidstaten bij de hervormingen in de wijnbouw en de fruit- en groenteteelt het slachtoffer worden van een nieuw soort discriminatie. Dat daar historische precedenten voor bestaan, doet niet ter zake.

Ik heb in mijn verslag geprobeerd iets te leren over toekomst van het landbouwbeleid. En ik geloof dat wat mevrouw Fischer Boel nu voorstelt – nationale enveloppen in het kader van de hervorming van de wijnbouw – misschien wel op alle hervormingen kan worden toegepast. Het is immers duidelijk dat je met 27 uiterst heterogene lidstaten vaker zult moeten teruggrijpen op subsidiariteit en flexibiliteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, voor ik inga op de details van het verslag zou ik de heer Tabajdi en de leden van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling willen bedanken. Dit is een goed moment om de situatie in kaart te brengen. U zou kunnen zeggen dat het een goede warming-up is voor onze discussie over de doorlichting van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Ik ben het volledig met de rapporteur eens dat de integratie van tien nieuwe lidstaten een win-winsituatie was. Ik zou op drie punten nader in willen gaan, ten eerste op de gunstige ontwikkeling van de inkomens in de landbouw in de nieuwe lidstaten. Ik denk dat dit heel belangrijk is geweest, omdat een goed inkomen niet alleen een aangenaam leven mogelijk maakt, maar ook het overleven van de landbouw op de lange termijn. Wanneer we de inkomens in de tien nieuwe lidstaten bekijken, zien we dat die van 2004 tot 2006 met 60 procent gestegen zijn ten opzichte van 2003. In de oude lidstaten, in de EU-15, zijn de inkomens in diezelfde periode met 2 procent gedaald. Daaruit blijkt volgens mij heel duidelijk hoezeer de nieuwe lidstaten hebben geprofiteerd van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De verdeling van dit geld heeft er op het platteland hopelijk toe geleid dat de burgers beter begrijpen hoe belangrijk de toetreding was.

Ten tweede wil ik de handel noemen, een zaak die ook de rapporteur aan de orde heeft gesteld. Het is duidelijk dat iedereen heeft geprofiteerd van de groei van de interne markt. Ook dat was een win-winsituatie, en ik hoop dat de trends tot nu toe zich in de komende jaren zullen voortzetten.

Ten derde zou ik op de plattelandsontwikkeling in willen gaan, een heel belangrijke zaak, niet alleen voor de nieuwe lidstaten, maar in de hele Europese Unie. Ik denk dat de problemen die u in uw verslag heeft genoemd te maken hebben met kinderziekten. Dat blijkt ook uit de meest recente cijfers. De nieuwe lidstaten hebben in 2006 al met al ruim 2,7 miljard euro ontvangen voor plattelandsontwikkeling, dat is 21 procent meer dan in 2005. Ik hoop dat de lidstaten dit geld op een constructieve manier uit zullen geven, en ben optimistisch dat de lidstaten het programma voor de volgende financiële periode van 2007 tot 2013 volledig uit zullen kunnen voeren.

Tot slot wil ik ingaan op de doorlichting. Formeel bezien valt de implementatie van de hervorming van het GLB door de nieuwe lidstaten niet onder de herzieningsclausule. Ik geloof echter dat we deze doorlichting aan moeten grijpen om te proberen om tijdens onze besprekingen in 2008 zo veel mogelijk problemen op te lossen waarmee alle 27 lidstaten worden geconfronteerd.

Ik verheug me op een bijzonder constructieve samenwerking op al deze vlakken met de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling. We hebben allemaal heel veel belang bij een enorm sterke landbouwsector in de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Albert Deß, namens de PPE-DE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik zou de rapporteur, de heer Tabajdi, hartelijk willen bedanken voor het compromis dat we bereikt hebben in het verslag. Toen ik voor de toetreding van de tien nieuwe lidstaten als politicus inzake landbouw op pad was in Beieren en in Duitsland, hoorde ik dat veel landbouwers in Duitsland bang waren dat de uitbreiding nadelige gevolgen zou hebben voor de landbouw in de oude EU-lidstaten. Men verwachtte prijsdalingen voor bepaalde landbouwproducten. Toen ik vervolgens verder reisde naar de kandidaat-landen, zag ik dat ook daar de landbouwers bedenkingen hadden en bang waren voor de toetreding tot de Europese Unie. Vandaag kunnen we zeggen dat de angst in Oost en West ongegrond was.

De manier waarop de nieuwe lidstaten geïntegreerd zijn in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, is in beginsel positief. De betrokkenen in de nieuwe lidstaten, zo is al eerder gezegd, hebben eigenlijk voordeel gehaald uit de stabilisering van de markten en de prijzen en uit de verbeterde handelsmogelijkheden. De voedselverwerkende industrie en de groothandel in voedingsmiddelen in de vijftien oude lidstaten hebben voordeel gehaald uit de toegenomen uitvoer en de hoge investeringsmogelijkheden in de nieuwe lidstaten. In het verslag wordt gezegd dat de integratie van de nieuwe lidstaten tot nu toe grotendeels succesvol is verlopen. Er waren wel grote problemen op de markt voor groenten en fruit en met het onrechtvaardige invoerverbod voor Poolse producten dat door Rusland en Oekraïne werd opgelegd. We vragen de Commissie en de Raad om sneller te reageren op de specifieke problemen van de nieuwe lidstaten. In het verslag wordt gesteld dat de productie van biomassa en bio-energie een belangrijke rol zal spelen in de toekomst van de landbouwsector in de EU. De Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten stemt in met het bereikte compromis, hoewel we met het oog op enkele financiële gevolgen bepaalde voorbehouden hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogdan Golik, namens de PSE-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, als u het mij vraagt, spreekt het tijdstip waarop dit thema wordt behandeld boekdelen over de houding van de Europese Unie tegenover de nieuwe lidstaten. Het is tien voor twaalf. We debatteren over de uiterst belangrijke kwestie van de integratie van de nieuwe lidstaten in het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het enige gemeenschappelijke beleid van de Europese Unie.

Allereerst zou ik de heer Tabajdi van harte willen feliciteren met zijn initiatief om een verslag op te stellen over de gevolgen van de integratie van de nieuwe lidstaten in het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ik wil hem eveneens bedanken voor het intensieve werk dat hij maandenlang heeft verricht over een onderwerp dat voor ons, de nieuwe EU-lidstaten, van essentieel belang is.

Tijdens de eerste jaren van ons EU-lidmaatschap hebben we kennisgemaakt met een groot aantal positieve aspecten van integratie, zoals versnelde sociale veranderingen op het platteland, veiligere levensmiddelen van een hogere kwaliteit, meer aandacht voor dierenwelzijn en een toegenomen export. Toch mogen we niet uit het oog verliezen dat de landbouw in de nieuwe lidstaten, in de periode voor hun toetreding tot de Unie, volgens volledig andere principes functioneerde dan de agrarische sector in de oude vijftien – zonder rechtstreekse betalingen of enig ander instrument om een stabiele productie te verzekeren.

Daarom is het des te onrechtvaardiger en des te onbegrijpelijker dat er is besloten om aan de landbouwers uit de nieuwe lidstaten lagere rechtstreekse betalingen toe te kennen dan aan hun collega’s in de oude Europese Unie. Daarenboven hebben de ontoereikende productiequota een negatieve impact op de concurrentiepositie van de landbouwers in de nieuwe – en niet in de oude – lidstaten van de Europese Unie.

Het is bijgevolg van wezenlijk belang dat we, bij de beoordeling van het huidige beleid en het debat over de toekomst van het Europese landbouwmodel in 2008-2009, in de eerste plaats proberen om het gemeenschappelijk landbouwbeleid beter af te stemmen op de realiteit en op de verwachtingen van de samenlevingen in de nieuwe EU-landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tchetin Kazak, namens de ALDE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil om te beginnen de heer Tabajdi bedanken voor zijn uitstekende werk als rapporteur.

Ik heb zijn verslag met veel belangstelling gelezen. Ik vond het voor mijn land, Bulgarije, heel leerzaam. Het gaf verder een goed beeld van de moeilijkheden waar de tien nieuwe lidstaten mee zijn geconfronteerd toen ze voor het eerst met het gemeenschappelijk landbouwbeleid te maken kregen.

Bulgarije heeft zich, net als die tien toetredingslanden, tijdens de pretoetredingsperiode enorme inspanningen getroost om het communautaire acquis over te nemen en het institutionele kader te scheppen voor de implementatie van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De door de Europese Unie gefinancierde partnerschapsprogramma's zijn bij de verwezenlijking van die doelstelling heel zinvol gebleken.

Ik moet er intussen wel op wijzen dat de landbouwers en het platteland in Bulgarije niet voorbereid zijn op de uitdagingen en mogelijkheden die nu ontstaan zijn. De Europese Unie heeft steun toegezegd om de landbouwsector in mijn land te helpen. De eisen waaraan moet worden voldaan en de traagheid bij de besluitvorming hebben er evenwel toe geleid dat het Sapard-programma veel te laat van start is gegaan en een belangrijk deel van de toewijzingen pas na toetreding zullen kunnen worden gebruikt.

Via rechtstreekse betalingen, maatregelen voor plattelandsontwikkeling en staatssteun voor de landbouw kan Bulgarije net als die tien nieuwe lidstaten een systeem opzetten dat geschikter is voor de ontwikkeling van het Bulgaarse platteland en de nationale landbouw. Het is intussen wel belangrijk dat een aantal regels verder vereenvoudigd wordt.

Net zoals dat in die tien landen het geval is, zijn ook wij in Bulgarije niet geheel tevreden met de wijze waarop de rechtstreekse betalingen zijn geïntroduceerd. We willen die betalingen echter niet aanvechten – we hebben het systeem immers op deze wijze in het toetredingsverdrag aanvaard.

Ik wil u daarom aanraden, dames en heren, dit initiatiefverslag van de heer Tabajdi goed te keuren. Ik geloof namelijk dat het heel objectief is, en dat het bij de analyse van de moeilijkheden waarvoor de tien nieuwe lidstaten zich gesteld zien een sympathieke benadering volgt. Het verslag doet bovendien een reeks aanbevelingen die kunnen bijdragen tot een doeltreffender hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Wojciechowski, namens de UEN-Fractie. (PL) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van de heer Tabajdi geeft een zeer rooskleurige kijk op de uitwerkingen van de uitbreiding van de Europese Unie. Hoewel ik het ermee eens ben dat de uitbreiding een aantal positieve gevolgen heeft gehad, zowel voor de nieuwe als voor de oude lidstaten, heeft de medaille ook een – minder optimistische – keerzijde.

De Europese Unie waar we vandaag deel van uitmaken, is niet meer de Europese Unie waarvan we lid geworden zijn. Terwijl we zijn toegetreden tot een Unie die een club van landbouwfans was, leven we nu in een Unie die haar landbouw stap voor stap afbouwt. Alle zogenaamde hervormingen van de markten voor suiker, groenten, fruit, wijn en tabak hebben slechts een doel: de landbouwers ertoe aanzetten om minder of, beter nog, helemaal niets meer te produceren. Minder landbouwproducten betekent immers minder problemen voor de Europese bureaucratie.

We zijn lid geworden van de Europese Unie in de hoop dat we, samen met de oude lidstaten, onze landbouwsector verder zouden kunnen ontwikkelen. In de plaats daarvan maken we deel uit van een Unie waarin we, samen met de oude lidstaten, de Europese landbouw geleidelijk beginnen af te bouwen. We werken mee aan een kortzichtig beleid dat de voedselveiligheid in Europa op de helling zet. We moeten dit beleid dringend herzien. Als we dat niet doen, zal Europa honger lijden en een hongerig Europa zal niet in staat zijn tot verdere integratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Dumitru Gheorghe Mircea Coşea, în numele grupului ITS. – Domnule Preşedinte, doamnă comisar, apreciez raportul domnului Tabajdi, deşi acesta nu cuprinde niciun aspect legat de o ţară mai nouă, ca de exemplu România. Este un raport care reprezintă o lecţie pentru noile state membre şi aş vrea să subliniez un lucru care ne interesează foarte mult, şi anume că politica agricolă comună ar trebui să fie mai flexibilă în ceea ce priveşte specificul şi trăsăturile acestor două noi ţări membre, România şi Bulgaria.

România are o tradiţie în agricultură, dar şi moşteniri comuniste care o fac să aibă un mare decalaj faţă de agricultura europeană. De aceea, cred că dacă această politică agricolă comună europeană s-ar apleca mai mult asupra trăsăturilor specifice României, am putea să eliminăm mai repede aceste decalaje.

Sugerez doamnei comisar, precum şi autorului acestui raport, pe care îl felicit încă o dată, să se aplece asupra a trei propuneri pe care doresc să le fac: în primul rând, să se acorde o mai mare atenţie organizaţiilor de agricultori şi patronale din agricultură, deoarece în aceste noi ţări membre, ele sunt încă la început. În al doilea rând şi foarte important, să se acorde atenţie prevenirii riscurilor în agricultură, riscuri care sunt în ultimul timp majore din punct de vedere climatic, al catastrofelor naturale şi chiar al unor disfuncţionalităţi ale pieţei. Şi, în al treilea rând, un lucru important este sprijinirea proiectelor de dezvoltare rurală, mai ales în zonele frontaliere, pentru că avem de învăţat de la ţările care au o tradiţie mai îndelungată decât noi în cooperare.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Baco (NI).(SK) Mijn complimenten voor het initiatief en de enorme hoeveelheid werk die de rapporteur heeft verzet. In het verslag wordt het discriminatoire effect van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op de landbouw in de nieuwe lidstaten expliciet naar voren gebracht. Om het verslag door het Parlement te krijgen, is het echter zo geformuleerd dat het welhaast om een idylle lijkt te gaan. Dat zowel de oude als de nieuwe lidstaten tevreden mogen zijn, aangezien de nieuwe lidstaten meer middelen krijgen en de oude in ruil daarvoor een groter deel van hun voedingsmiddelenmarkt hebben gekregen, snijdt simpelweg geen hout. Het feit dat een deel van de Europese Unie steeds verder aftakelt, terwijl de rest gedijt, is niet alleen in strijd met de letter, maar ook met de geest van het GLB en de beginselen van de Europese Unie. Gedurende het toetredingsproces vertoonde de landbouwsector van de EU-15 groei, terwijl de landbouwproductie in de nieuwe lidstaten met een derde was gedaald. Het is niet waar dat dit te wijten was aan het onvermogen van de boeren in de nieuwe lidstaten om zich aan te passen aan de markt. Het was te wijten aan politieke oorzaken. Het ergste is dat deze decimering van de landbouw in de nieuwe lidstaten eigenlijk voorgoed is verankerd in de vorm van de zogenoemde historische referentiepunten, die zijn gebruikt om op discriminerende wijze parameters vast te stellen voor de nieuwe lidstaten.

De tegenstrijdige effecten van het GLB op de oude en nieuwe lidstaten zijn ook blijven voortduren na de toetreding van Slowakije tot de EU. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de uitwerking van de onlangs aangenomen hervormingen ten aanzien van grondstoffen en ook uit de dramatische stijging van voedselimporten in de nieuwe lidstaten. Vorig jaar zijn de voedselimporten alleen in Slowakije al met 60 procent gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor. Bovendien voorspelt het 2020-scenario dat de nieuwe lidstaten een leverancier zullen blijven van ruwe grondstoffen voor de productie van biomassa in de energiesector en van voeders voor de veeteelt. In dit scenario zal de toegevoegde waarde worden gecreëerd in de EU-15.

Daarom is de boodschap van het verslag ook duidelijk. Geachte commissaris, ik zou willen dat u het op die manier bekeek, en niet op de wijze die u zojuist in uw verklaring schetste. Het is zaak om de interne concurrentie tussen de oude en de nieuwe lidstaten te hervormen teneinde plaats te maken voor werkelijk gemeenschappelijke en uniforme procedures voor alle lidstaten van de EU en het mondiale concurrentievermogen van de EU-landbouwsector te versterken. We dienen ons in de eerste plaats te concentreren op lagere kosten, hogere kwaliteit en doeltreffende marketing.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, er zijn al drie jaar verstreken sinds de grote uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten – stuk voor stuk landen met een zeer verschillende landbouw waarvan de herstructurering reeds ontzettend veel heeft gekost.

Op het vlak van de landbouw heeft de Europese Unie de nieuwe lidstaten geen goede voorwaarden voor hun integratie geboden. De productiequota zijn te laag en de rechtstreekse betalingen bedroegen aanvankelijk slechts 25 procent van de bedragen die de oude lidstaten kregen.

Tijdens de bijeenkomst van de ministers van landbouw van de vijftien oude lidstaten in juni 2003 in Luxemburg, waarbij de nieuwe landen nog geen stemrecht hadden, is het gemeenschappelijk landbouwbeleid in negatieve zin gewijzigd. Deze veranderingen hebben tot aanzienlijke vertragingen geleid bij de herstructurering van de landbouw in de nieuwe lidstaten, hoewel – dat wil ik toch benadrukken – er ook positieve resultaten zichtbaar zijn.

Het voorgestelde verslag is veel te optimistisch. Het besteedt te weinig aandacht aan de problemen en de struikelblokken en legt te veel nadruk op de successen. Er moet nog veel werk worden verricht met het oog op de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid volgend jaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de nieuwe lidstaten hebben een hoge economische en sociale prijs betaald voor de aanpassing van hun landbouw aan de regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Dat was niet alleen te wijten aan historische omstandigheden, maar ook aan de lagere rechtstreekse betalingen in vergelijking met de oude lidstaten en aan de duidelijke onwil van de Commissie en de Raad om de nieuwe lidstaten de helpende hand te reiken. Ik denk onder meer aan de discussie over zacht fruit, aan het Russische en Oekraïense embargo op de Poolse export en aan de import van honing uit derde landen.

Deze ondervindingen doen tal van vragen rijzen. Bestaat er wel zoiets als een gemeenschappelijk landbouwbeleid? Indien ja, waarom krijgen de nieuwe lidstaten dan niet de hulp waar ze recht op hebben, niet alleen op de externe markten, maar eveneens op de interne markt? Waarom werd de markt opengesteld voor genetisch gemodificeerde organismen die de gezonde, biologische producten uit de nieuwe lidstaten verdringen? Wat zal er gebeuren met de talrijke familieboerderijen die in vele regio’s van de Europese Unie de ruggengraat van het landbouwsysteem vormen en vandaag in staat van faillissement verkeren?

 
  
MPphoto
 
 

  Димитър Стоянов (ITS). – Не съм мислил, че ще го кажа, но съм напълно съгласен с изказването на г-н Казак, с малкото допълнение, че в продължение на шест години Министерството на земеделието в България се държи от министър от неговата партия. Защо не направихте така, г-н Казак, че българските производители да знаят как да си поискат парите, които им се полагат от Европейския съюз. Десет години българите бяха подлъгвани с благините, които ги чакат в Евросъюза, а вместо това накрая получиха жестоки квоти и ужасна бюрокрация, която заплашва напълно да унищожи дребните производители в България. Докато общата земеделска политика не бъде направена така, че да може да достига до всички обикновени хора, без излишни административни пречки, аз в никакъв случай не мога да нарека тази политика обща.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe om als allerlaatste, om middernacht, nog een paar korte opmerkingen te maken. Ik geloof dat we er vandaag meer dan ooit voor moeten waken dat onze landbouwstructuren behouden blijven en dat de zelfvoorziening gegarandeerd blijft. We moeten ook erkennen dat het steeds verder dalende aantal landbouwers en de dreigende verdorring van grote stukken land door de ontvolking van het platteland echte uitdagingen vormen. Bovendien moeten we ervoor zorgen dat gehoor wordt gegeven aan de wens van de 70 procent van de EU-bevolking die zich gekant heeft tegen genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen. Tot slot moeten we voorzichtig met de nieuwe EU-lidstaten omgaan en bedenken dat door de toetreding van deze landen tot de EU de landbouwproducten uit deze landen vaak succesvolle exportproducten zijn geworden, wat in het eigen land tot schaarste leidt en in het land van bestemming tot een verwoestende prijzenoorlog.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Allereerst zou ik in willen gaan op de vraag of de timing van dit debat recht doet aan het belang van de toetreding van de nieuwe lidstaten. Ik kan alleen maar zeggen dat het Parlement zijn agenda zelf vastlegt. Ik kan u verzekeren dat ook ik dit debat liever vroeger op de avond had willen voeren, maar ik moet me neerleggen bij het werkschema van het Parlement.

De geleidelijke invoering van de rechtstreekse betalingen is door vrijwel alle leden genoemd. Het staat ook in meerdere paragrafen in het verslag. Ik zou erop willen wijzen dat die geleidelijke invoering niet alleen om begrotingstechnische redenen is ingevoerd. Tijdens de voorbereiding van de toetreding heeft de Commissie een degelijke analyse verricht van alle relevante factoren. Dat heeft ertoe geleid dat de strategie voor de toetreding tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid gebaseerd was op economische, sociale en ecologische factoren. We hebben in de nieuwe lidstaten ook heel wat moeten doen aan de vernieuwing van de infrastructuur. Dat besluit is niet genomen tijdens een Raad van de vijftien lidstaten. Dat besluit is in 2002 in Kopenhagen genomen, na een discussie over de geleidelijke invoering van de rechtstreekse betalingen waaraan de nieuwe lidstaten ook allemaal hebben deelgenomen. Iedereen zat daar dus aan tafel.

Er wordt wel eens beweerd dat onze eigen hervormingen bedoeld zijn om de landbouw af te schaffen. Ik kan u verzekeren dat ze juist bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat de Europese landbouw een toekomst heeft. Wanneer het Parlement, de Raad en de Commissie met elkaar samenwerken, kunnen we daarvoor zorgen, daarvan ben ik overtuigd, want onze landbouw is goed in het leveren van de producten van hoge kwaliteit die we in de toekomst nodig zullen hebben. Het voorbeeld van de invoer van diepvriesaardbeien uit China toont aan dat we bruikbare oplossingen kunnen bedenken als we met elkaar samenwerken.

Er is ook gezegd dat er in het gemeenschappelijk landbouwbeleid en in de sectoren wijn en voedingsmiddelen discriminatie plaatsvindt. Laten we even reëel blijven! Ik geloof dat we hebben geprobeerd om een oplossing te vinden waardoor de nieuwe lidstaten producentenorganisaties voor groente en fruit kunnen vormen. We bieden de nieuwe lidstaten een hoger medefinancieringspercentage, we moedigen de verschillende sectoren, de producenten van groente en fruit, aan om lid te worden van die producentenorganisaties, zodat ze veel sterker staan in de onderhandelingen met de grote detailhandelaren.

Laten we niet ruziën, laten we samen zoeken naar fatsoenlijke oplossingen voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen om 11.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142 van het Reglement)

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Muscat (PSE), schriftelijk. (MT) In Malta zijn ook landbouwers en dorpsbewoners het slachtoffer van de misleidende praktijken van de nationalistische regering.

Voor de toetreding van Malta tot de Europese Unie heeft de Maltese regering deze mensen de indruk gegeven dat als er een probleem zou ontstaan door de invoer van buitenlandse producten tijdens de eerste vijf jaar van het lidmaatschap, de regering het recht zou hebben om die producten de toegang tot Malta te weigeren. Dit zou zijn toegestaan op grond van de zogeheten vrijwaringsclausule.

De Arbeiderspartij heeft onmiddellijk verklaard dat dit niet het geval was. We hebben uitgelegd dat de vrijwaringsclausule alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden gebruikt kon worden.

En bovendien kan de Maltese regering niet zelf beslissen over het gebruik van deze clausule. Zij moet dat eerst aan de Europese Commissie voorleggen, die vervolgens het besluit neemt.

Nu slaat de Maltese regering een heel andere toon aan.

Ondanks de aanhoudende klachten van landbouwers en dorpsbewoners, zegt de Maltese regering nu dat er eerst toestemming moet worden gevraagd van de Europese Commissie om de vrijwaringsclausule te gebruiken en dat daar niet genoeg argumenten voor zijn. De Commissie zegt hetzelfde.

De tijd heeft geleerd dat de Arbeiderspartij gelijk had.

 
  
MPphoto
 
 

  Witold Tomczak (IND/DEM) , schriftelijk. (PL) In 2004 werd de grootste en belangrijkste uitbreiding in de geschiedenis van de Europese Unie een feit. Het is daarom van wezenlijk belang om de gevolgen van deze gebeurtenis aan een eerste evaluatie te onderwerpen. De hamvraag is: kiezen we voor een zo waarheidsgetrouw mogelijke beoordeling of geven we een vertekend beeld van de realiteit? Die keuze zal immers een aanzienlijke impact hebben op de toekomst van de landbouw in de Europese Unie.

Hoewel ik veel waardering heb voor de enorme inspanningen van de rapporteur, kan ik niet akkoord gaan met de formulering van alle compromisamendementen. Cijfers liegen niet. Uit het beschikbare cijfermateriaal blijkt overduidelijk dat de nieuwe lidstaten zijn bedot. De officiële statistieken van de Unie bewijzen het zwart op wit. Ter illustratie vermeld ik de uitgaven voor landbouw en plattelandsontwikkeling per hectare landbouwgrond in 2007 en in 2013.

2007: EU-10: € 147,8/ha EU-15: € 365,7/ha

2013: EU-10: € 251,5/ha EU-15: € 327,6/ha

Bron: 'Financiële Vooruitzichten 2007-2013: EP Werkdocument nr. 9 EP van 2.12.2004' en 'Het gemeenschappelijk landbouwbeleid uit de doeken gedaan', EC, DG Landbouw en plattelandsontwikkeling, oktober 2004.

Om het niveau van hun economische ontwikkeling af te stemmen op dat van de rijkere lidstaten in de Europese Unie, kregen en krijgen de armere landen minder financiële steun uit de EU-begroting! Dat is ook in de toekomst het geval. In zijn huidige vorm is het gemeenschappelijk landbouwbeleid lijnrecht in strijd met zijn eigen doelstellingen en beginselen.

Met het oog op bovenstaande evaluatie vraag ik alle Parlementsleden om naar hun geweten en volgens hun verantwoordelijkheidszin voor de toekomst van de Europese landbouw te stemmen.

 

22. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen

23. Sluiting van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 00.05 uur gesloten)

 
Juridische mededeling - Privacybeleid