De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0075/2007) van Esther Herranz García, namens de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, over de situatie van vrouwen met een handicap in de Europese Unie (2006/2277(INI).
Esther Herranz García (PPE-DE), rapporteur. – (ES) Om te beginnen zou ik de parlementaire diensten willen bedanken voor de samenwerking en de grote vakkundigheid die zij hebben ingebracht in dit hele proces van de opstelling van het onderhavige verslag, een proces dat uitzonderlijk lang geduurd heeft tot het moment van stemming.
Verder zou ik de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid willen bedanken voor het feit dat ze mij gemachtigd heeft dit verslag op te stellen, en de plenaire van het Parlement en de Conferentie van voorzitters omdat zij met het verslag akkoord zijn gegaan.
Ik ben heel blij dat ik dit verslag over de situatie van vrouwen die een handicap hebben of die hun dagelijks leven delen met gehandicapte personen, heb mogen opstellen, vanwege het belang dat deze kwestie niet alleen voor hen allen heeft maar ook voor ons allen als samenleving.
Het onderhavige verslag is het resultaat van vele bijdragen die in de loop van deze tijd zijn geleverd zowel door mijn collega’s van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, als door gehandicaptenorganisaties en door de Commissie zelf, tijdens de vergadering met commissaris Špidla.
Dit verslag is met vrijwel volledige unanimiteit en maar een enkele stemonthouding goedgekeurd in de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, en het is duidelijk dat het een evenwichtig verslag is, dat niet alleen een beeld geeft van de situatie van de gehandicapte vrouw maar ook van de buitengewoon belangrijke rol van de vrouwen die verantwoordelijk zijn voor en belast met de verzorging van en de steun aan mensen die onder een of andere handicap te lijden hebben, net zoals het werk van de verenigingen die hierbij betrokken zijn.
In het verslag – waarover we zo meteen zullen stemmen in dit Huis – wordt een belangrijke oproep gedaan: zowel de Europese Commissie als de lidstaten dienen flexibele maatregelen en een stelsel met ondersteunende maatregelen in te voeren en te implementeren die overeenkomen met het heterogene karakter van deze groep, zodat ze kunnen worden toegepast in een aangepast aan elk specifiek geval. Het gaat namelijk om een groep waar stereotiepe beelden niet op hun plaats zijn en waar vrouwen over het algemeen dubbel gediscrimineerd worden. Aan de ene kant omdat ze vrouw zijn – wat in tal van Europese regio’s helaas op zich al een handicap is – en aan de andere kant omdat ze gehandicapt zijn.
We dienen te beschikken over adequate middelen en beleidsvormen, over vernieuwende diensten, met als doel een zo zelfstandig en autonoom mogelijk leven te waarborgen.
Verder zou ik erop willen wijzen hoe belangrijk de ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologieën is, die een essentieel instrument zijn voor de integratie van gehandicapten in de samenleving.
Het is belangrijk de publieke opinie gevoelig te maken, om te beginnen bij jonge kinderen, want het zijn de kinderen die de sleutel van de toekomst in handen hebben.
We moeten de reflectie en het debat blijven stimuleren om ervoor te zorgen dat gelijke kansen voor alle mensen realiteit worden, onafhankelijk van hun geslacht of hun sociale, economische of politieke status.
Ten slotte wil ik wijzen op de rol van de gezinnen – met name die van vrouwen, meestal degenen die belast zijn met de verzorging van gehandicapten – evenals de essentiële rol die de gehandicaptenverenigingen elke dag weer spelen.
Naar mijn mening is het van fundamenteel belang dat het werk van de gezinnen en deze verenigingen ondersteund en erkend wordt, zowel vanuit economisch als vanuit sociaal oogpunt, daar dit een volledige toewijding vergt, die isolement in de hand werkt.
Daarom denk ik, ook al gaat het om een subsidiaire kwestie, dat wij vanuit de instellingen van de Europese Unie moeten overwegen de handen ineen te slaan om dat te bereiken.
Joaquín Almunia, lid van de Commissie. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, rapporteur, geachte dames en heren, de Europese Commissie maakt zich zorgen over de situatie van gehandicapte vrouwen, die dubbel gediscrimineerd worden: op grond van hun geslacht en vanwege hun handicap.
De verschillende vormen van discriminatie waaronder gehandicapte vrouwen en jongeren gebukt gaan, maken het voor hen onmogelijk een zelfstandig leven te leiden, want die discriminatie verspert hen de toegang tot onderwijs en de arbeidsmarkt.
Het is volstrekt onaanvaardbaar dat zo’n 80 procent van de gehandicapte vrouwen slachtoffer is van geweld. Het risico dat gehandicapte vrouwen lopen om het slachtoffer te worden van seksueel geweld is vier maar hoger dan dat van niet-gehandicapte vrouwen. De Europese Unie dient de rechten van deze mensen te beschermen en hen in staat stellen om op alle terreinen daadwerkelijk toegang te krijgen tot die bescherming.
Ik zou de afgevaardigde mevrouw Herranz willen bedanken voor haar initiatief om dit verslag op te stellen teneinde de publieke opinie wakker te schudden voor de dramatische situatie die ik zojuist genoemd heb.
In het Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen is het bijzonder relevant dat dit Parlement een resolutie aanneemt over de situatie van gehandicapte vrouwen in de Europese Unie. Volkomen terecht noemt de ontwerpresolutie ook het VN-Verdrag over de rechten van mensen met een handicap, dat namens de Europese Gemeenschap ondertekend is door de Commissie op dezelfde dag dat dit Verdrag werd opengesteld voor ondertekening, op 30 maart jongstleden. Inmiddels is het door nog minstens 22 lidstaten ondertekend. Verder wil ik erop wijzen dat de Commissie de aanzet heeft gegeven voor de bepalingen van dat Verdrag die speciaal betrekking hebben op de naleving van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van gehandicapte vrouwen.
De aanneming van deze resolutie door dit Parlement past ook heel goed in de Europese strategie ten aanzien van handicaps, een strategie die er mede voor zorgt dat de in het verslag genoemde maatregelen ten uitvoer worden gelegd. Zo heeft de Commissie al een begin gemaakt met de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de richtlijn tegen de discriminatie van met name gehandicapten die toegang zoeken tot de arbeidsmarkt en beroepsopleidingen. Verder wordt in de nieuwe verordening betreffende structuurfondsen de toegankelijkheid voor gehandicapten ingevoerd als criterium voor de selectie van de projecten.
Anderzijds hebben wij kennis genomen van de oproep aan de Commissie om een wetgeving op te stellen die de zelfstandigheid van gehandicapte mannen en vrouwen waarborgt. In verband hiermee is de Commissie van plan een impactstudie te verrichten naar de mogelijkheid om nieuwe wetgeving hierover voor te stellen op grond van artikel 13 van het Verdrag, waarmee de werkingssfeer van de huidige richtlijnen kan worden uitgebreid.
Ten slotte zal de Commissie binnenkort de aanzet geven tot een studie naar de huidige situatie van gehandicapte vrouwen, waarbij rekening zal worden gehouden met de bepalingen van het VN-Verdrag; op grond van die studie zullen concrete maatregelen kunnen worden vastgesteld, en zal de Commissie gegevens en informatie kunnen gaan verzamelen.
Anna Záborská, namens de PPE-DE-Fractie. – (SK) Het verslag van mijn collega Herranz García roept ons op onze mening over mensen met een handicap te herzien. Wij moeten samen met hen nagaan aan welke solidariteit zij werkelijk behoefte hebben, en verder moeten wij alles wat deze mensen te bieden hebben, beschouwen als blijk van de onmiskenbare waarde van hun leven. Ik vraag mij echter af of politieke instellingen op welk niveau dan ook deze stap kunnen zetten. Als arts en als vrouw die zich betrokken voelt bij vrouwen met een handicap, beschouw ik hun situatie niet als een straf, maar als een situatie waaraan de mensheid veel inspiratie aan kan ontlenen en als een geweldige inspiratiebron voor een wereld die gebaseerd is op solidariteit, hoop en liefde.
Mensen met een handicap zijn voor ons een enorme inspiratiebron. Met hun morele en geestelijke kracht hebben zij een onvervangbare waarde voor de mensheid in het algemeen. Zij tonen en leren ons dat mensen waarde hebben simpelweg vanwege het feit dat zij bestaan, en niet door wat zij bezitten of door wat zij kunnen presteren. De Europese samenleving, die zich vaak volledig laat leiden door de verderfelijke invloed van het economische neoliberalisme, begrijpt die dingen niet. Een mens met een handicap is een levende uitdaging voor onze gezamenlijke menselijkheid.
Dit verslag is ook een uitdaging voor ons om duideliik blijk te geven van onze grote waardering voor al diegenen die, formeel of informeel, zorgen voor mensen met een handicap. Formele erkenning van diegenen die zorgen voor mensen met een handicap zou het doel moeten zijn van alle instellingen. Ik wil daarom graag afsluiten met het verzoek aan de Europese Commissie om een onderzoek in te stellen naar de erkenning van informeel werk op het gebied van de zorg voor mensen met een handicap.
Lissy Gröner, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, wij van de sociaaldemocratische fractie hechten groot belang aan een verslag dat het thema van vrouwen die met een handicap moeten leven centraal stelt.
Er bestaat een aantal juridische instrumenten zoals de VN-conventie, artikel 13 van het Handvest van de grondrechten, en het manifest van vrouwen met een handicap, waar we terdege rekening mee moeten houden. Al deze documenten maken duidelijk dat vrouwen geen slachtoffers, maar meervoudig achtergesteld zijn. Deze meervoudige discriminatie mag ook aan de maatregelen van de Europese Unie niet ongemerkt voorbijgaan.
We hebben voor elkaar gekregen dat 2007 tot Europees jaar van de gelijke kansen uitgeroepen werd. Maar ook daar zijn vrouwen weer een marginale groep, met name vrouwen met een handicap. Commissaris Almunia heeft daar geen misverstand over laten bestaan: 80 procent van de gehandicapte vrouwen zijn ook slachtoffer van geweld, geweld in de huislijke sfeer. Ze krijgen in hun leven meermaals met geweld te maken, om te beginnen duidelijk vaker met seksueel geweld.
Daarom dient het programma Daphne meer nadruk te leggen op de bestrijding van dit soort geweld. Tegelijk moeten we de netwerken van deze vrouwen versterken. In het beroepsleven hebben vrouwen het twee keer zo zwaar als ze een handicap hebben. Als vrouw zijn ze sowieso al de dupe, bijvoorbeeld door een hogere werkloosheid, terwijl de uitsluiting van gehandicapten inmiddels onaanvaardbare vormen aangenomen heeft.
Daarom moeten we de beste modellen uit alle Europese landen tot voorbeeld nemen en een veel groter gebruik maken van het ESF en EFRO om projecten met modelkarakter te steunen en lidstaten hun verplichtingen na te laten komen. We hebben gender mainstreaming in de structuurverordeningen vastgelegd, maar het ontbreekt ons aan de middelen om lidstaten sancties op te leggen als zij zich daar niet aan houden. Dat is dan ook een cruciale eis: op dit terrein moet duidelijk meer druk uitgeoefend worden.
We zijn voorstander van een integratieve opvoeding. Dat is zowel voor mannen als vrouwen noodzakelijk. Het is voor mensen zonder en met handicap een uiterst belangrijk leerproces om zo mogelijk al in de eerste jaren van de basisschool voorbereid te worden op een zelfstandig functioneren. Daarvoor hoeven we niet aan liefdadigheid te doen, we moeten de mensen en de vrouwen aan niets minder dan hun rechten helpen en hun een ongehinderde toegang verschaffen – niet alleen tot gebouwen en het openbaar vervoer, maar ook tot de nieuwe media.
Ik hoop ook dat het Europees Genderinstituut kan helpen om organisaties met elkaar en met optimale praktijken in contact te brengen. Ieder van ons kan morgen al met een handicap te maken krijgen. Doel is om de individualiteit van elk mens te versterken en uniciteit naar waarde te schatten. Dan hebben we werkelijk eendracht in verscheidenheid.
Eva-Britt Svensson, namens de GUE/NGL-Fractie. – (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur bedanken voor dit goede en uiterst belangrijke verslag.
Wij van de GUE/NGL-Fractie vinden dat gewezen moet worden op de situatie van gehandicapte vrouwen en dat er in dat verband maatregelen moeten worden genomen. Gehandicapten worden gediscrimineerd en vrouwen worden gediscrimineerd. Gehandicapte vrouwen worden dus dubbel gediscrimineerd, om nog maar niet te spreken van de verdere discriminatie als je vrouw en gehandicapt bent, tot een andere etnische groep behoort en een andere seksuele geaardheid hebt.
Het opruimen van alle hindernissen voor een volledige deelname aan de samenleving door alle mensen is een verantwoordelijkheid voor de lidstaten en de maatschappij. Daarbij moet men speciaal letten op de situatie van gehandicapte vrouwen. De verantwoordelijkheid kan nooit liggen bij de gehandicapte of haar familieleden. We hebben een collectieve, gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om een solidaire samenleving tot stand te brengen, waarin wij de verantwoordelijkheid op ons nemen voor volledige deelname van alle mensen in elk verband, zoals studie, werk, maatschappelijke en culturele leven.
In diverse lidstaten dragen de vrouwen de hoofdverantwoordelijkheid voor de zorg voor gehandicapte kinderen en gehandicapte familieleden. Ik las een veelzeggend citaat van de moeder van een gehandicapt kind. Ze zei het volgende: “Ik ben niet alleen moeder maar bijvoorbeeld ook fysiotherapeut, arbeidstherapeut, verpleegster, neuroloog, leraar en woningaanpasser.”
De vrouwen zijn dus niet alleen verzorgster, maar moeten ook vechten voor de rechten van gehandicapten. Ik vind dat heel duidelijk uit dit verslag blijkt dat de hoofdverantwoordelijkheid vaak bij de vrouwen berust. Dat is onaanvaardbaar. Het is niet de verantwoordelijkheid van de vrouwen, maar van de maatschappij om alle gehandicapten en hun families de voorwaarden te verschaffen voor een zelfstandig leven en voor zelfbeschikkingsrecht. Ook dat is natuurlijk een eis op het gebied van gendergelijkheid.
Lichamelijk en geestelijk gehandicapte meisjes en vrouwen staan meer bloot aan geweld en seksueel misbruik dan andere groepen. Niet alleen worden ze gediscrimineerd wegens hun handicap, maar bovendien zijn ze slachtoffer van misbruik. Vooral geestelijk gehandicapte vrouwen worden daaraan blootgesteld, vaak door iemand in hun onmiddellijke omgeving. De kwetsbaarheid van deze vrouwen is verschrikkelijk. We moeten dit geweld onder ogen zien en het zichtbaar maken om het misbruik te stoppen.
Gehandicapte vrouwen willen en vragen niet om ons medelijden, maar om hun vanzelfsprekende rechten op volledige deelname aan het maatschappelijk verkeer.
Urszula Krupa, namens de IND/DEM-fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de opstelling tegenover de zwakke zieke of gehandicapte mens is maatgevend voor de rijpheid van de samenleving. Alle activiteiten ter ondersteuning van gehandicapten, zieken of mensen met een aanpassingsprobleem voorkomen daarom niet alleen hun maatschappelijke uitsluiting of armoede, maar zorgen ook voor integratie in de maatschappij, en verbeteren de levensomstandigheden en de psychische en fysieke toestand van mensen met een bepaald gebrek, door hen een volwaardig leven te laten leiden.
In nationale en internationale programma’s zouden alle initiatieven prioriteit moeten hebben die het doel hebben de informatie en het bewustzijn op het gebied van invaliditeit te vergroten, maar die ook bouwaanpassingen, scholingsmogelijkheden en ontbureaucratisering van hulpinstanties stimuleren – naast een toename van de middelen, vooral voor gehandicapte moeders en kinderen. Een verbeterde toegang tot de arbeidsmarkt is essentieel, mogelijkerwijs via internet. Eveneens van belang zijn fiscale prikkels met het doel om gehandicapte mensen in dienst te nemen met aangepaste arbeidstijden. Dit geldt vooral voor moeders die gehandicapte kinderen opvoeden.
Niet minder van belang zijn een verbeterde bereikbaarheid van instellingen en controle op de verstrekking van hulpmiddelen, een brede toegankelijkheid van revalidatiemiddelen en psychologische ondersteuning, en vergroting van het aantal gediplomeerde therapeuten en instructeurs op het gebied van verslavingszorg op provinciaal niveau. Tevens kan men kinderen omringen met een goed ziekenzorgprogramma, en dan vooral dorpskinderen en kinderen uit kleine stadjes.
De hulp en de zorg die aan gehandicapten geboden wordt om zich lichamelijk en geestelijk te kunnen ontwikkelen, mag echter geen egocentrisme aanwakkeren. Het probleem echter, vooral in mijn land en in andere arme landen die lid geworden zijn van de Europese Unie, is niet zozeer een gebrek aan wil om mensen die op de een of andere manier lichamelijk of geestelijk gehandicapt zijn te helpen, maar armoede en werkloosheid, het ontbreken van geld voor transportmiddelen, rolstoelen en andere uitrustingen die het voor gehandicapten makkelijker maken om zich te verplaatsen.
Invaliditeit betreft in Polen bijna 15 procent van de bevolking. De invaliden hebben dagelijks te maken met vele problemen, ondanks een uitgebreid netwerk van particuliere instellingen, en een leger aan vrijwilligers die graag hun tijd opofferen om anderen te helpen. In Polen zijn geen scholen voor autistische kinderen, er is geen materiaal in braille voor blinden, en arme gehandicapten kunnen zich geen aangepaste auto’s veroorloven. Bovendien zijn bijna alle tegemoetkomingen opgeheven voor mensen die toch al in armoede leven, of zelfs in ernstige armoede vanwege de lage uitkeringen.
Vooral de vorige socialistische regeringen streefden bij hun aanpak van gehandicapten macro-economische doelen na. Kortingen voor gezinnen en uitkeringen voor gehandicapten werden opgeheven of beperkt , in verband met de aanpassing van het nationale recht aan dat van de Europese Unie, waar vooral het neoliberaal nut geldt en niet de waarde en waardigheid van de mens.
Het merendeel van de geestelijk gehandicapte kinderen geniet onderwijs in speciale scholen, en niet in het openbaar systeem, hetgeen de integratie zou bevorderen. Daarom blijven zelfs de best geschreven verslagen en rapporten over de situatie van gehandicapten steken in de theorie, en kunnen ze op geen enkele manier uitgevoerd worden, vanwege de inhaligheid van de rijken, de inwisseling van morele waarden voor marktprincipes en de vrije stroom van kapitaal van arm naar rijk. Vandaar dat wij nogmaals een beroep doen op solidariteit, niet alleen op papier in de documenten van de Unie, maar in besluiten en daden, vooral van mensen die beslissingen nemen en die verantwoordelijk zijn voor zekerheid op sociaal gebied en gezondheidsgebied.
Lydia Schenardi , namens de ITS-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s ongeveer 250 miljoen vrouwen ter wereld hebben een handicap. Verder bedraagt het werkgelegenheidscijfer van gehandicapte vrouwen in de Europese Unie twee procent, tegenover 36 procent voor gehandicapte mannen. Deze vrouwen zijn ondervertegenwoordigd, en soms geheel afwezig, op tal van maatschappelijke, professionele, culturele en politieke terreinen, niet alleen in Frankrijk maar ook in heel Europa.
In Frankrijk zijn bedrijven met meer dan twintig werknemers wettelijk verplicht zes procent gehandicapte arbeidskrachten in dienst te hebben. Het gemiddelde werkgelegenheidscijfer bedraagt in werkelijkheid echter slechts vier procent. Het is volstrekt absurd dat bedrijven liever boetes betalen, soms zelfs hele hoge, dan gehandicapte personen in dienst te nemen. Veertig procent van de gehandicapte vrouwen is al geruime tijd op zoek naar werk. Aan deze groteske situatie moet een einde komen.
Tot slot verbaast het me dat de methoden van quota en van positieve discriminatie, waarvan het Parlement op grote schaal gebruik maakt om onder meer de rechten van buitenlanders in de Europese Unie of de vertegenwoordiging van vrouwen in politieke partijen en bedrijfsdirecties te bevorderen, niet net zo krachtig worden aanbevolen voor gehandicapte vrouwen, en zelfs niet eens aan de orde komen in dit verslag. Europa is ontegenzeglijk een Europa met meerdere snelheden.
Hiltrud Breyer, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, begin april is het VN-verdrag over mensen met een beperking van kracht geworden, een mijlpaal voor de rechten van gehandicapten! Het verdrag bepaalt dat alle 650 miljoen gehandicapten wereldwijd dezelfde rechten hebben als mensen zonder beperking. Het omvat burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten en biedt dus een effectieve rechtsbescherming. Hiermee worden handicaps voor het eerst als mensenrechtsfactoren erkend. Het is jammer dat de Commissie teruggekrabbeld is – en ik zou daar best nog wel een stellingname van de Commissie over willen hebben – en geweigerd heeft het aanvullende protocol te ondertekenen, dat individuen en organisaties het recht geeft een klacht in te dienen bij de VN-deskundigencommissie.
Als we hier in het Parlement praten over mensen met een beperking en dan met name vrouwen en meisjes, zouden we ons wat vaker af moeten vragen of we niet beter over de beperkingen van de leefomgeving kunnen spreken. Want als je dit gebouw en die van andere instellingen – ook de Europese – bekijkt, wordt duidelijk dat er nog veel werk gedaan moet worden om de mogelijkheden voor gehandicapten werkelijk te vergroten. In dit Huis zou een gehandicapte vrouw slechts via de goederenlift in de kantine kunnen komen. Dat is heel jammer. Laten we dus ook goed naar onszelf kijken en ons er rekenschap van geven hoezeer het ook aan onszelf te wijten is dat deze mensen geen behoorlijke bewegingsvrijheid hebben.
Wereldwijd zijn het vooral vrouwen die dubbel gediscrimineerd worden. Deze vrouwen en meisjes is er echter veel aan gelegen dat er niet alleen over hun leed gesproken wordt, want deze vrouwen zijn ook zelfbewuste vrouwen, die weliswaar een handicap, maar natuurlijk ook hetzelfde recht hebben om zich maatschappelijk te ontplooien.
Wat echt treurig stemt, is dat meisjes en vrouwen met een handicap relatief veel vaker met geseksualiseerd geweld te maken krijgen, hetzij van de kant van familieleden, hetzij van zorg- of ander personeel. Wat het voor deze vrouwen nog moeilijker maakt, is dat ze slachtoffer zijn en niet dezelfde rechten hebben als het erom gaat te trouwen of een gezin te stichten. Het komt nog steeds voor dat gehandicapte meisjes en vrouwen gesteriliseerd worden en dat ze tot abortussen gedwongen worden. Het percentage gedwongen abortussen is veel hoger en omdat men hun niet hetzelfde recht op seksualiteit en moederschap toekent, zijn zij ook zeer beperkt in hun reproductieve rechten.
Volgens het rapport van de Verenigde Naties neemt slechts een vierde van de vrouwen met een beperking deel aan het beroepsleven. Wat dat betreft moeten we op Europees vlak werkelijke veranderingen teweeg brengen. Daarnaast is bekend dat vrouwen in vergelijking tot mannen met een handicap in veel gevallen slechts half zoveel verdienen. Ook op dit punt zouden we de Europese Unie nogmaals om nauwkeurigere cijfers moeten vragen. We weten al wel dat er ondanks het principe van ‘gelijk loon voor gelijk werk’ krasse verschillen tussen mannen en vrouwen bestaan, als het om vrouwen met een beperking gaat. Dat is schokkend.
Volgens schattingen van de UNESCO kan wereldwijd slecht 3 procent van de gehandicapten lezen en schrijven, terwijl dat percentage bij gehandicapte meisjes en vrouwen wereldwijd op 1 procent geschat wordt. Wat dat betreft moeten we ons veel grotere inspanningen getroosten op het terrein van de humanitaire hulp, maar tegelijk zouden we de thema’s onderwijskansen en achterstandsonderwijs, met name bij gehandicapte meisjes, nogmaals heel hoog op de agenda moeten zetten. Op dit punt moeten de lidstaten veel meer doen.
Het is ook van groot belang dat we op Europees niveau werk maken van dit thema en het nog veel nadrukkelijker in het middelpunt stellen. Maar wat ik het belangrijkst vind, is dat onze resolutie niet achter mag blijven bij het VN-verdrag. Daarom moeten we veel duidelijker over het voetlicht brengen dat deze vrouwen natuurlijk niet alleen als slachtoffer gezien willen worden. Ze willen duidelijk maken dat ze weliswaar een beperking hebben, maar dat die beperking niet mag leiden tot achterstelling op de arbeidsmarkt en op het gebied van scholing. Daarnaast moeten we deze vrouwen veel beter beschermen tegen geweld en laten zien dat het ons ernst is.
Ik hoop dat we met onze resolutie werkelijk een stap voorwaarts zetten en niet achterblijven bij het VN-verdrag.
Amalia Sartori (PPE-DE). – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ook ik wil in eerste instantie collega Herranz García bedanken voor het werk dat zij verricht heeft en voor de inspanningen die zij zich heeft getroost om dit verslag op een goede manier af te ronden.
Wat de inhoudelijke kant betreft, geloof ik dat het in ieders belang is een paar belangrijke punten aan te stippen die ons werk kenmerken. Uitgaande van het verslag vind ik dat wij als eerste punt in onze relatie met de lidstaten moeten benadrukken dat de kosten van invaliditeit door de gehele gemeenschap gedragen moeten worden. Het tweede punt is dat alle maatregelen, alle richtlijnen, projecten en plannen die van de communautaire instellingen komen, rekening moeten houden met het feit dat de gehandicapten in onze landen meetellen: zij moeten dus steeds een belangrijk aandeel krijgen in alle maatregelen die wij nemen. Het derde punt betreft de noodzaak economische en maatschappelijke waardigheid te geven aan alle mensen die in de zorgsector werken.
Ik geloof dat inmiddels in alle landen het besef is doorgedrongen dat het probleem van gehandicapten het best kan worden aangepakt door de overblijvende capaciteiten van iedere persoon te bepalen en die ter beschikking te stellen van de gehele gemeenschap. Dit is het beste antwoord voor degenen die anders valide zijn, en overigens ook voor ons allemaal.
Wij ijveren ervoor opdat onze landen een steeds hogere ontwikkelingsgraad en economische groei bereiken, omdat we ervan overtuigd zijn dat alleen een cultureel en economisch rijke gemeenschap oplossingen kan aandragen waar de betrokken personen op wachten.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, dit verslag is nu, in dit Europees Jaar voor Gelijke Kansen – en we hopen dat dit voor iedereen, mannen en vrouwen, inderdaad het geval zal zijn – , van bijzonder belang, aangezien het de aandacht vestigt op gehandicapte vrouwen, een groep die bijzonder kwetsbaar is voor uiteenlopende vormen van discriminatie.
Ik wil de rapporteur daarom graag gelukwensen met haar werk; ik spreek verder de hoop uit dat de Commissie en de lidstaten rekening zullen houden met de in dit verslag opgenomen voorstellen. We weten dat personen met een handicap en hun familie in hun alledaagse leven met extra moeilijkheden geconfronteerd worden. Ze hebben hulp nodig en om aan allerhande verschillende maatschappelijke activiteiten op een volwaardige wijze te kunnen deelnemen hebben ze behoefte aan maatregelen waarbij rekening wordt gehouden met hun bijzondere situatie.
Daarom moeten we op alle beleidsgebieden rekening houden met de rechten van vrouwen én de bijzondere noden van personen met een handicap, op nationaal, regionaal en lokaal niveau, en dan zeker als het gaat stadsplanning, onderwijs en training, werkgelegenheid, huisvesting, vervoer, gezondheid en de sociale diensten, waaronder inbegrepen geïndividualiseerde bijstand, indien de toestand dat rechtvaardigt.
Dat betekent dat er een sterk openbaar beleid moet worden gevoerd, met aanzienlijke investeringen op bijzonder gevoelige gebieden, en wel om gelijke kansen te garanderen voor vrouwen en personen met een handicap. En dat betekent dat de politieke prioriteiten zullen moeten veranderen.
We kunnen geen prioriteit blijven geven aan de nominale convergentiecriteria van het Stabiliteits- en groeipact en korten op de openbare investeringen. Dat is in Portugal gebeurd en heeft geleid tot het sluiten van kraamklinieken, hulpdiensten, gezondheidsdiensten en scholen. Op die wijze worden de mensenrechten ondergraven, vooral voor de meest kwetsbare groeperingen in de maatschappij, in dit geval vrouwen en mensen met een handicap.
Je kunt niet zeggen dat je gelijke kansen wilt voor iedereen en dan een propagandacampagne starten om een neoliberaal beleid te voeren dat de ongelijkheid en sociale onrechtvaardigheid alleen maar zal verergeren. Intentieverklaringen zijn niet genoeg. Wat we nodig hebben is een politiek koerswijziging die de prioriteit geeft aan sociale rechtvaardigheid en een beleid dat werkelijk gericht is op sociale insluiting en gelijke kansen voor iedereen, ongeacht sekse.
Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de rapporteur voor het feit dat zij ons de gelegenheid biedt om een dermate uitgebreid debat te voeren over gehandicapten in het algemeen en over gehandicapte vrouwen in het bijzonder.
Dit is de zoveelste Europese resolutie over een gevoelige samenlevingsgroep, maar hoe worden de voorstellen van dit Parlement verwezenlijkt? Welke invloed hebben ze op het beleid voor de regio’s ? Hoe wordt tegemoet gekomen aan de speciale gevallen van handicaps, of het nu een grote en zichtbare, of een kleine en onzichtbare handicap is? Hoe zullen wij gehandicapten menselijke verzorging kunnen bieden? Hoe worden de Europese structuurfondsen gebruikt om het leven te vergemakkelijken van gehandicapten en met name gehandicapte vrouwen, rekening houdend met het feit dat zij weliswaar volledige maar ook speciale rechten hebben met betrekking tot opleiding, werk en leven. Zoals mijn collega, mevrouw Breyer, dat zo mooi tot uitdrukking bracht, willen ook de gehandicapte vrouwen een volledig gezinsleven hebben.
Natuurlijk mogen wij evenmin uit het oog verliezen dat het vrouwen zijn die voor gehandicapten zorgen. Ook zij hebben rechten, als men wil dat ze hun taak vervullen. Geven wij vrouwen die gehandicapten verzorgen de mogelijkheid om alle vaardigheden die zij tijdens hun bezigheden hebben verworven, opnieuw te gebruiken? Erkennen wij het werk dat vrouwen in het gezin, op school en in de samenleving doen? Erkennen wij hun vrijwillige bijdrage? Vandaag hebben wij de gelegenheid om niet alleen een tekst aan te nemen maar ook na te gaan met welke concrete maatregelen wij al onze wensen met betrekking tot gehandicapte vrouwen in vervulling willen doen gaan.
Piia-Noora Kauppi (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik mevrouw Herranz García graag bedanken voor haar werk als rapporteur.
Ik denk dat iedereen in dit Parlement het ermee eens is dat vrouwen met een handicap vaak het meest kwetsbaar zijn. De EU-waarden verplichten ons om hen te beschermen en de mogelijkheden voor vrouwen met een handicap te vergoten. Een manier om dit probleem te benaderen is door meer mogelijkheden voor vrouwen met een handicap te creëren in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, waarbij hun onafhankelijkheid is gewaarborgd en de druk op hun thuisverzorgers wordt verlicht.
Zonder voldoende onderwijs is het erg moeilijk om toegang te krijgen tot de huidige arbeidsmarkt en om succes te hebben. Door de onderwijsprogramma’s voor mensen met een handicap in te passen in onze schoolsystemen en aan te moedigen dat vrouwen met een handicap hun leven lang blijven leren, kan men deze vrouwen stimuleren om zichzelf te onderhouden en hun onafhankelijkheid te bewaren.
De lidstaten zouden werkgevers ook moeten aanmoedigen om gehandicapten in dienst te nemen door economische prikkels in te voeren. Het voorstel in de ontwerpresolutie is wat dat betreft een stap in de goede richting.
Geen twee mensen zijn gelijk, en hoewel we geneigd zijn om mensen in een hokje te plaatsen en een etiket op te plakken, moeten wij ons altijd realiseren dat ieder mens een individu is met zijn of haar eigen behoeften. De EU-lidstaten moeten rekening houden met dit feit als zij wetgeving willen maken die te maken heeft met vrouwen met een handicap. Vrouwen met een handicap vormen een zeer diverse groep en bij alle acties die worden ondernomen om deze groep te ondersteunen moet rekening worden gehouden met die diversiteit.
Tot slot, dit is het Europees Jaar van Gelijke Kansen voor iedereen. Gisteren is er een Europese trucktour van start gegaan om deze boodschap aan iedereen in Europa over te brengen. Ik denk dat verlichting van de last van vrouwen met een handicap een zeer belangrijke prioriteit is in het Europees Jaar van Gelijke Kansen voor iedereen.
Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – Aş dori să felicit raportorul pentru munca depusă şi aş dori să subliniez importanţa acestui subiect pentru dezvoltarea economică şi socială a Uniunii Europene. Avem nevoie de o Europă socială şi, tocmai de aceea, cred că persoanele cu handicap au un rol important şi un loc al lor în Uniunea Europeană. Europa va avea succes doar dacă utilizăm creativitatea tuturor cetăţenilor săi. Anul 2007 este anul egalităţii de şanse, dar, din păcate, deşi una din patru familii are o persoană cu handicap printre membrii săi, nu îi vedem nici pe stradă, nici în sălile de concerte, nici în mijloacele de transport în comun. Tocmai de aceea cred că avem obligaţia să facem mai mult pentru persoanele cu handicap. În acest sens, cred că utilizarea tehnologiei informaţiei şi a comunicării va ajuta persoanele cu handicap să se integreze în viaţa economică şi socială. În special, rolul femeilor este extrem de important şi delicat şi, de aceea, o atenţie deosebită trebuie acordată acestui subiect. Este important, întâi şi întâi, ca femeile cu handicap să poate fi integrate în câmpul muncii, dar, în acelaşi timp, să poată deveni mame şi să poată să aibă grijă de familia lor. Este importantă reconcilierea vieţii profesionale cu viaţa de familie şi, de aceea, cred că rolul femeilor cu handicap este important şi trebuie să protejăm aceşti cetăţeni pentru a se integra în Europa. Felicit încă o dată raportorul şi aş dori ca prin revizuirea pieţei interne, pe care Comisia Europeană o va efectua şi, de asemenea, prin măsurile viitoare pe care le vom lua, să ne gândim la persoanele care îngrijesc oamenii cu handicap, la femeile cu handicap, pentru a le putea oferi condiţii cât mai bune.