Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2292(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0149/2007

Ingediende teksten :

A6-0149/2007

Debatten :

PV 22/05/2007 - 6
CRE 22/05/2007 - 6

Stemmingen :

PV 22/05/2007 - 9.11
CRE 22/05/2007 - 9.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0196

Debatten
Dinsdag 22 mei 2007 - Straatsburg Uitgave PB

6. Europa als wereldspeler - Externe aspecten van het concurrentievermogen (debat)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0149/2007) van Daniel Caspary, namens de Commissie internationale handel, over Europa als wereldspeler -Externe aspecten van het concurrentievermogen (2006/2292(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Caspary (PPE-DE), rapporteur. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, geachte collega’s, als grootste interne markt ter wereld legt de Europese Unie mondiaal gezien een bijzonder gewicht in de schaal. Om internationaal succesvol te blijven, moeten wij niet alleen intern de juiste kadervoorwaarden scheppen, maar ons handelsbeleid naar buiten toe ook zodanig vormgeven dat onze economische belangen daardoor optimaal worden gediend.

In de mededeling “Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren” van oktober 2006 heeft de Commissie haar voorstellen voor een dergelijke handelsstrategie gepresenteerd. Het onderhavige verslag van de Commissie internationale handel moet niet gezien worden als een tegenvoorstel, maar als een verslag waarin een aantal punten volledigheidshalve wordt benadrukt. De Commissie moet immers wel de juiste prioriteiten stellen en niet alleen naar resultaten op korte termijn streven. Dat geldt overigens ook voor u, geachte commissaris.

Een openstelling van de markten van onze handelspartners levert voor iedereen voordeel op. De Europese Unie zelf vormt een goed voorbeeld van een open markt en van het succes dat dat oplevert. De beste instrumenten voor het openstellen van markten zijn op dit moment te vinden bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Ondanks alle problemen in de huidige onderhandelingsronde dient er met het oog op een multilaterale liberalisering van de handel binnen het WTO-kader gestreefd worden naar de formulering en verwezenlijking van ambitieuze doelstellingen. Het uitzicht op een succesvolle afronding is niet optimaal, maar juist daarom moet de Europese Unie alles in het werk blijven stellen om dat succes alsnog uit het vuur te slepen. Bilaterale of regionale vrijhandelsovereenkomsten zijn namelijk slechts de op één na beste oplossing, of wellicht zelfs uitsluitend een noodoplossing, gezien de diverse nadelen die eraan verbonden zijn. Als er al vrijhandelsovereenkomsten gesloten worden, dient dat in ieder geval op de volgende voorwaarden te gebeuren: enerzijds moeten die vrijhandelsovereenkomsten beperkt blijven tot de landen of economische regio’s waarmee onze concurrenten reeds in onderhandeling zijn of waarmee zij al een dergelijke overeenkomst hebben gesloten, en anderzijds dient de reikwijdte van die vrijhandelsovereenkomsten duidelijk verder te gaan dan binnen het WTO-kader mogelijk is. Daarnaast moet de Europese Unie zich inspannen om voor deze vrijhandelsovereenkomsten normen te verankeren die op een zo breed mogelijke, multilaterale basis overeengekomen zijn. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de oorsprongsregels, die er in elke vrijhandelsovereenkomst weer anders uitzien en nauwelijks toegepast kunnen worden door onze kleine en middelgrote ondernemingen, ofschoon deze in toenemende mate de kansen van de globalisering grijpen en zich steeds meer op de export richten.

Helaas zijn in het verleden vaak andere politieke doelen nagestreefd, ten koste van het handelsbeleid. Wij mogen het handelsbeleid in de toekomst dan ook niet belasten met zaken die daar niets mee hebben uit te staan. Tegelijkertijd moeten wij ervoor zorgen dat de voorschriften waartoe onze handelspartners en wij ons hebben verbonden, ook worden nageleefd. Dat geldt met name voor de intellectuele eigendom, een gebied waarop de bestaande rechtsregels en overeenkomsten in onvoldoende mate worden toegepast, of waarvan de toepassing zelfs actief belemmerd. De handelsbeschermende instrumenten van de EU en met name de anti-dumpingmaatregelen kunnen bescherming bieden tegen oneerlijke handelspraktijken.

Ik wil er met nadruk op wijzen dat een zeer brede meerderheid in de Commissie internationale handel met mij van mening is dat een herziening van de handelsbeschermende instrumenten, zoals die door de Commissie is voorgesteld, op dit moment niet nodig is. Wij mogen niet vooruit lopen op de besprekingen op WTO-niveau, hoe problematisch die onderhandelingen op dit moment ook mogen zijn. De handelsbeschermende instrumenten van de EU hebben in het algemeen hun waarde in de praktijk bewezen, en daarom is er nu ook geen behoefte aan verandering.

Met het oog op de dalende invoerrechten gaan de non-tarifaire handelsbelemmeringen een steeds belangrijker rol spelen. Wij mogen echter niet toestaan dat maatregelen tegen het terrorisme in alle economische ruimten tot de non-tarifaire handelsbelemmeringen van de eenentwintigste eeuw uitgroeien. In dat verband speelt ook de kwestie van de regulering een belangrijke rol. Wij moeten onze interne regelgeving daarom beter op de voorschriften van onze belangrijkste handelspartners afstemmen. Ik ben derhalve een nadrukkelijk voorstander van samenwerking met de Verenigde Staten en van de inspanningen van de afgelopen weken.

Als wij de juiste prioriteiten stellen, ben ik ervan overtuigd dat wij de mogelijkheden van de mondiale markten kunnen benutten. Dat geldt niet alleen voor ons, maar ook voor andere betrokkenen, zowel ontwikkelingslanden als geïndustrialiseerde landen. Indien wij daarin slagen, heeft dat een positief effect op de mensen in Europa én in de rest van de wereld. Ik ben mijn collega’s, het secretariaat van de Commissie internationale handel en de medewerkers van de fracties dan ook zeer dankbaar voor het feit dat wij de afgelopen weken een verslag op hebben kunnen stellen dat volgens mij bij de stemming straks op een brede meerderheid in dit Parlement kan rekenen. Hartelijk dank voor de samenwerking. Ik wil ook de Commissie van harte bedanken, omdat zij rekening heeft gehouden met onze voorstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit is een zeer belangrijk verslag. We hebben het over Europa als wereldspeler en ik wil graag nader ingaan op de achtergrond daarvan. Europa staat voor enorme uitdagingen als gevolg van de zich snel ontwikkelende wereldeconomie. Hierdoor ontstaan nieuwe kansen, maar de ontwikkelingen leiden ook tot onzekerheid en begrijpelijke bezorgdheid.

Onze kernboodschap is duidelijk: we wijzen nationaal protectionisme af en stimuleren het openstellen van markten elders in de wereld. We moeten niet alleen kijken naar een verlaging van de tarieven, maar ook naar de handelsbarrières die achter de grenzen liggen. Ook moeten we ons intensiever richten op de belangrijke economieën van de volgende generatie, met name - maar niet uitsluitend - in Azië, waar een enorm groeipotentieel is, maar waar Europa zich niet zo nadrukkelijk manifesteert als het zou moeten.

Onze eerste prioriteit blijft de WTO en de ontwikkelingsagenda van Doha, en daar wil ik iets over zeggen. Er staat veel op het spel voor de wereldeconomie en de ontwikkelingslanden, en ik zal de komende weken mijn uiterste best doen om een akkoord binnen bereik te brengen.

Vorige week trad de Europese Unie, even buiten Brussel, twee dagen lang op als gastheer voor de Braziliaanse, Indiase en Amerikaanse ministeriële onderhandelaars. Het was een constructieve bijeenkomst, waarbij de nadruk lag op cijfers en resultaten. Het zal absoluut niet eenvoudig zijn om de beoogde resultaten te behalen. Alles in aanmerking genomen geloof ik echter dat de onderhandelingen goed kunnen verlopen en dat we de Doha-ronde dit jaar kunnen afronden, zoals we in april in Delhi hebben afgesproken. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat de leden van de G4 de komende maand nader tot elkaar komen. De wil om convergentie te bereiken is sterk aanwezig op het hoogste politieke niveau.

We hebben nog flinke kloven te overbruggen, zowel binnen de landbouw als tussen de landbouw, de industrie en de dienstensector onderling. Dat is echter haalbaar, mits alle partijen zich er met voldoende ambitie en flexibiliteit voor inzetten. Ik zal blijven hameren op het uitgangspunt dat alle hoofdrolspelers serieuze verlagingen en effectieve verminderingen moeten doorvoeren op alle belangrijke gebieden. Als we daadwerkelijk markttoegang in de landbouwsector willen bewerkstelligen, moeten de landbouwsubsidies daadwerkelijk worden verminderd en moeten de tarieven voor industriële goederen daadwerkelijk worden verlaagd.

De ambitie die nodig is om op het gebied van de landbouw resultaat te behalen is onlosmakelijk verbonden met de ambitie die nodig is om iets te bereiken bij de tarieven voor industriële goederen. Europa is bereid om veel te doen - meer dan andere partijen - maar niet om tot het uiterste te gaan als anderen daar ook niet toe bereid zijn. De inspanningen van de ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden dienen uiteraard evenredig te zijn.

Laten we vooral ook niet vergeten dat het merendeel van de economische winst van de Doha-ronde niet zal voortvloeien uit de markttoegang op landbouwgebied, noch uit die op andere gebieden, maar uit de toezeggingen van de WTO-leden om hun dienstenmarkten te openen, uit minder bureaucratie en tijds- en geldbesparingen in de wereldwijde handelsstromen. Voor de onderhandelingen over diensten en handelsfacilitering geldt een ander tijdpad dan voor de onderhandelingen over markttoegang, maar ze mogen niet vergeten worden.

Wij, onderhandelaars, moeten allen onze bijdrage leveren aan een evenwichtig resultaat van deze ronde en daar ook de verantwoordelijkheid voor nemen. We moeten kijken naar wat voor economieën we in de toekomst willen hebben, en niet achteromkijken en stelsels uit het verleden verdedigen. Het is goed om de voordelen te consolideren die zijn behaald dankzij marktopening in het verleden, maar we moeten ook werken aan marktopening nu. Dat is nodig om de groei van de handel in de toekomst te stimuleren. Dat is de enige basis waarop deze onderhandelingen met succes kunnen worden afgerond en daarvoor hebben we nog maar iets meer dan een maand de tijd.

We kunnen en moeten echter voortbouwen op het door de WTO ingesteld platform om nieuwe groeikansen te genereren via een verdere bilaterale opening van de markten voor handel en investeringen, niet als alternatief voor, maar als aanvulling op de ontwikkelingsagenda van Doha.

We hebben een behoorlijk ambitieuze agenda voor ons: onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten met Korea, India en de ASEAN-landen, versterking van onze betrekkingen met China en de Verenigde Staten, handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, hernieuwde markttoegangstrategie, vervolg op het Groenboek over handelsbeschermende instrumenten en voortzetting van de handels- en ontwikkelingsagenda. We werken hieraan tegen de achtergrond van deze complexe ronde van multilaterale handelsbesprekingen. We moeten dit dan ook voorzichtig aanpakken. Uit het eerste halfjaar van onze “Europa als wereldspeler”-strategie is echter gebleken dat wij een en ander parallel kunnen aanpakken: we hebben concrete initiatieven genomen in het kader van onze “Europa als wereldspeler”-agenda en we hebben de ontwikkelingsagenda van Doha nieuw leven ingeblazen.

Ik wil graag de rapporteur, de heer Caspary, bedanken voor zijn uitstekende werk. Ik ben erg blij met de manier waarop al deze zaken in het verslag worden behandeld. Het verheugt mij dat het Parlement dit verslag van groot belang vindt. De bijna tweehonderd amendementen zijn daar getuige van. Ik ben ook blij dat de Commissie economische en monetaire zaken hierbij betrokken is, vanwege de Strategie van Lissabon.

Ik verzeker u dat we het Parlement hebben betrokken, en ook in de toekomst zullen blijven betrekken bij de ontwikkeling van onze “Europa als wereldspeler”-agenda. We hebben de Commissie internationale handel op de hoogte gehouden tijdens de voorbereidingen van onze mededeling, en ik heb deze onmiddellijk na aanneming door de Commissie aan de Commissie internationale handel voorgelegd. Mijn diensten - of ikzelf - hebben alle initiatieven die naar aanleiding van de “Europa als wereldspeler”-agenda werden genomen - dat wil zeggen de mededeling over China, het Groenboek over handelsbeschermende instrumenten en de mededeling over markttoegang - op verschillende momenten met het Parlement besproken.

Wat de nieuwe vrijhandelsovereenkomsten betreft zijn de onderhandelingsrichtsnoeren voorgelegd aan de Commissie internationale handel - wat een noviteit is - en mijn diensten hebben de commissie onlangs ingelicht over de stand van zaken. Ik zal de Commissie internationale handel begin juni op de hoogte stellen van de laatste ontwikkelingen in de onderhandelingen over de vrijhandelsovereenkomsten die we kort geleden hebben opgestart.

De Commissie zal de aanbevelingen en suggesties die het Parlement in zijn resolutie heeft gedaan, zorgvuldig bestuderen. Als hoedster van de Verdragen zal zij daarbij echter het bestaande kader eerbiedigen.

We hebben behoefte aan uw ononderbroken, volledige medewerking en uw waardevolle bijdrage tot het thema “Europa als wereldspeler”, zodat we tijdens dit ambitieuze traject de juiste keuzen maken. Ik ben bijzonder blij dat we vandaag met het verslag-Caspary een goede stap vooruit hebben gezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Benoît Hamon (PSE), rapporteur voor advies namens de Commissie economische en monetaire zaken. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de rapporteur, de heer Caspary, gelukwensen. Ik zal ermee volstaan om in een minuut de hoofdpunten te noemen van het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken, die bevoegd is inzake het monetair beleid.

De Commissie economische en monetaire zaken heeft zich gebogen over de kwestie van de wisselkoersen tussen de euro en de valuta van onze voornaamste partners en concurrenten, en onderstreept dat de verwachte voordelen van een vermindering van de douanerechten bij uitvoer, of de marktaandelen waar verscherpte voorschriften ten aanzien van non-tarifaire barrières op doen hopen, natuurlijk volstrekt tenietgedaan kunnen worden door een ongunstige ontwikkeling van de wisselkoersen. Daarom verzoeken wij de Commissie om voorstellen te doen voor nieuwe handelsbeschermende maatregelen, opdat de Europese producenten zich kunnen verweren tegen oneerlijke waardevermindering van de valuta van onze concurrenten. Ook wijzen wij erop dat in de Verenigde Staten van Amerika een aantal van onze collega-wetgevers in de Senaat een systeem heeft bedacht waarmee op importgoederen uit landen met een kunstmatig ondergewaardeerde munt een compenserend invoerrecht kan worden geheven. Hoewel wij niet zover zouden willen gaan, vinden we het onbegrijpelijk dat er nog altijd helemaal niets wordt gedaan op dit vlak.

Er is een ander punt onder de talrijke bijdragen van de Commissie economische en monetaire zaken aan dit verslag, dat ik kort zou willen toelichten, namelijk het milieu. Wij vinden het oneerlijk dat de Europese producenten, die de kosten van minder vervuilende productiemethoden moeten dragen, concurrentie ondervinden van goedkope importgoederen uit landen die weigeren om hun aandeel te leveren in de strijd tegen de klimaatverandering. Daarom stelt de Commissie economische en monetaire zaken voor een koolstofheffing in te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Syed Kamall, namens de PPE-DE-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag de rapporteur, de heer Caspary, feliciteren met dit uitvoerige verslag, dat - en dat zal niemand verwonderen - de titel “Europa als wereldspeler” draagt. Ik ben verheugd over het algemene karakter van het verslag, maar bezorgd over enkele mogelijke tegenstrijdigheden.

In het verslag wordt erop aangedrongen om alle zogeheten ‘openbare’ diensten, waaronder ook mediagerelateerde diensten, buiten de onderhandelingen te houden. Botst het buiten de onderhandelingen laten van mediagerelateerde diensten echter niet met de Lissabon-agenda, die tot doel heeft van de EU de toonaangevende digitale economie te maken? Laten wij zeggen dat wij mediagerelateerde diensten inderdaad buiten beschouwing laten: laten we ons dan echter helemaal niets gelegen liggen aan de burgers in de armere landen die genoegen moeten nemen met slechte - of zelfs geheel geen - diensten op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, watervoorziening en vervoer, die veelal beheerd worden door slecht functionerende staatsmonopolies of door vaak aan corrupte of onbekwame politici gelieerde bedrijven? Ik dring er bij mijn collega's op aan om naar de burgers en niet naar de politici van deze landen te luisteren.

Ook lees ik in paragraaf 80 steun voor het standpunt dat de bestaande handelsbeschermende instrumenten niet hoeven te worden herzien. Ik vraag de Commissie echter om niet langer te zwichten voor de protectionistische opvattingen van niet-concurrerende bedrijven. Door handelsbeschermende instrumenten zijn schoenen bijvoorbeeld veel duurder geworden, waardoor vooral arme gezinnen met kinderen worden getroffen. Ook hebben handelsbeschermende instrumenten in het nadeel gewerkt van de EU-bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheden van de globalisering en de mondiale toevoerketens, en die daarom hooggeschoolde onderzoeks-, ontwerp- en marketingbanen in de EU hebben gecreëerd en laaggeschoold werk in Azië hebben uitbesteed. Handelsbeschermende instrumenten betekenen in feite dat de Commissie meer naar niet-concurrerende Europese bedrijven dan naar consumenten, winkeliers en mondiaal opererende EU-producenten luistert, en ik denk niet dat daardoor op termijn ook maar één Europese productiebaan behouden blijft.

Ik wil echter niet alleen bezorgde geluiden laten horen. In het verslag wordt terecht geconstateerd dat de voordelen van liberalisering opwegen tegen eventuele nadelige gevolgen, en dat landen die tarifaire en non-tarifaire barrières wegnemen en hun markten openen het meest van de voordelen profiteren. Ook wordt in het verslag opgemerkt dat protectionisme de werkloosheid bevordert, een probleem dat ook de nieuwe Franse president zal moeten aanpakken. Om deze redenen sta ik achter het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisa Ferreira, namens de PSE-Fractie. - (PT) Mevrouw de Voorzitter, mijneer de commissaris, beste collega’s, ook ik zou willen beginnen met gelukwensen voor de rapporteur. Europa heeft duidelijkheid nodig over zijn plaats in de gemondialiseerde economie.

Ik ben schaduwrapporteur voor de socialisten en wij verdedigen zonder meer het multilateraal kader van de Wereldhandelsorganisatie. De impasse van de onderhandelingen in het kader van de Doha-ronde heeft evenwel de Commissie, evenals onze belangrijkste partners, ertoe gebracht te zoeken naar overgangsoplossingen via bilaterale of regionale handelsovereenkomsten. Die strategie is duidelijk tweede keus en slechts aanvaardbaar als dergelijke overeenkomsten verenigbaar zijn met het welslagen van de Doha-onderhandelingen en minimumvoorwaarden kennen op sociaal- en milieuvlak die in overeenstemming zijn met internationaal erkende normen, zoals die betreffende waardig werk.

Een eenzijdige herziening van handelsbeschermende instrumenten valt, zoals de rapporteur zei, volledig af te raden. Daarenboven moet duidelijk gesteld worden dat machtige economische partners met dezelfde onderhandelingscapaciteit als de Europese Unie anders behandeld moeten worden dan minder ontwikkelde landen of landen met ernstige ontwikkelingsproblemen.

Het is tijd dat de Europese Unie van de eerste groep landen, zoals Korea, India, Brazilië, Mexico, China en Indonesië, een bepaalde vorm van wederkerigheid eist wat betreft markttoegang, eerbiediging van intellectuele eigendom, handelsregels, investeringsbeleid en concurrentie. De Europese burgers eisen dat. Die wederkerigheid kan echter nooit worden verlangd van zwakke landen of landen met ontwikkelingsproblemen. Met deze strategie wordt veeleer de verantwoordelijkheid van de Europese Unie ten opzichte van die landen verdubbeld. Tevens moet de Unie de voorwaarden verbeteren, zodat die landen de internationale handel kunnen benutten om hun ontwikkelingsproces te versnellen.

We weten dat het niet gemakkelijk is om tussen deze verschillende doelstellingen een evenwicht te bereiken. Hopelijk kan er een klimaat ontstaan dat bevorderlijk is voor het sluiten van compromissen en het bereiken van voldoende consensus tussen de verschillende fracties, zodat de Europese burgers, die wij hier vertegenwoordigen, zich veiliger voelen tegenover de onzekerheden van de mondialisering.

 
  
MPphoto
 
 

  Ignasi Guardans Cambó, namens de ALDE-Fractie. - (ES) Mevrouw de Voorzitter, als we het hebben over het concurrentievermogen van Europa als wereldspeler, hebben we het niet over een theoretisch of academisch vraagstuk maar over het genereren van rijkdom, over het creëren van arbeidsplaatsen, over het welzijn van onze burgers, over de rol van Europa in de wereld, over haar verantwoordelijkheden en hoe zij daar gebruik van maakt, samen met haar buren, haar handelspartners en ook met degenen die zwakker zijn dan wij en die misschien meer te lijden hebben onder wat we de globalisering zijn gaan noemen.

Namens mijn fractie verwelkom ik het verslag van de heer Caspary, dat wij in de komende stemming met een aantal amendementen zullen uitbreiden om sommige verklaringen te verbeteren of verduidelijken. Niet dat wij iets zouden willen schrappen, maar we willen wel een paar ideeën aandragen om de door overige fracties ingediende amendementen te ondersteunen.

Handel en vrijmarkt zijn geen dogma. Ze zijn geen religieuze waarheid die door dik en dun moet worden verdedigd.

Het is een constatering en een feit dat alleen vrijhandel met duidelijke en rechtvaardige regels voor iedereen kan bijdragen aan het genereren van rijkdom, welzijn en ontwikkeling. Protectionisme kan daar nooit toe leiden, en het is ook nooit bewezen dat het daaraan bijdraagt. Vrijhandel en marktopenstelling wereldwijd hebben als indirect gevolg dat er meer individuele vrijheid ontstaat voor degenen die hun voordeel doen met die vrije handel. Daarom pleiten wij voor marktopenstelling en voor liberalisering, niet omdat we een dogma of een religieuze waarheid verdedigen, of een beginsel waartoe we ons politiek verbonden hebben, maar omdat de voordelen van vrijhandel overduidelijk zijn.

Wanneer de Europese Unie dit principe verdedigt, maakt zij zich, in de nieuwe strategie van Europa als wereldspeler, hard voor die marktopenstelling wereldwijd, en daarbij dient zij haar eigen verantwoordelijkheden te nemen. De Europese Unie heeft zware verantwoordelijkheden; die heeft ze als ze ons vertegenwoordigt en als ze onze belangen behartigt.

Daarom - en op dit punt schaart mijn fractie zich achter hetgeen andere woordvoerders zeiden - is dit niet het moment om de handelsbeschermende instrumenten te herzien. Misschien is het wel het goede moment om ze aan te passen, maar niet om ze te schrappen of te wijzigen, want de Europese Unie heeft de plicht om de nog steeds bestaande beperkingen, die vaak non-tarifair zijn, en die geleidelijk aan worden opgelegd, in de gaten te houden. Ik zou hier een van die beperkingen willen benadrukken waarop we nog terug zullen komen: het negatieve imago waaronder Europese producten in sommige landen te lijden hebben.

De Europese Unie heeft ook haar verantwoordelijkheid wanneer zij in onze naam onderhandelt, wanneer zij toegang vraagt tot de dienstenmarkt, en wanneer zij onderhandelt over openbare aanbestedingen.

Het is heel belangrijk dat ons handelsbeleid niet alleen verenigbaar is met ons ontwikkelingsbeleid maar daar ook perfect op aansluit. Ik zeg niet dat dit niet het geval is, maar er bestaat wel een risico dat ons handelsbeleid niet strookt met onze verplichtingen op ontwikkelingsgebied. Daarom zullen wij ook een paar amendementen op dit verslag indienen, om dat idee te verduidelijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański, namens de UEN-Fractie. - (PL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, de globalisering is in de eerste plaats een kans voor Europa. Ik zou de rapporteur willen bedanken omdat hij dat in zijn verslag duidelijk heeft benadrukt. Ik herhaal deze stelling in het bijzonder voor onze collega’s van links die geen gelegenheid onbenut laten om vrijhandel met werkloosheid en sociale ellende te associëren.

Als we de negatieve gevolgen van de mondiale handel willen tegengaan en opgewassen willen zijn tegen de wereldwijde concurrentie, moeten we dringend orde brengen in ons eigen systeem voor de verdeling van de middelen. Dat systeem wordt vandaag de dag verstoord door de buitensporige regulering en controle op de interne markt van de Europese Unie zelf. Wat de dienstensector en de arbeidsmarkt in de Europese Unie betreft, laten we deze gelegenheid langzaam maar zeker voorbijgaan.

We profiteren nog steeds niet van alle concurrentievoordelen die een gemeenschappelijke Euro-Atlantische markt zou kunnen opleveren. In plaats van paniek te zaaien met opmerkingen over goedkopere diensten, werk en belastingconcurrentie, zouden we beter proberen om gemeenschappelijk voordeel uit deze situatie te halen. We moeten de strijd aangaan en er alles aan doen om als winnaar naar voren te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pierre Jonckheer, namens de Verts/ALE-Fractie. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, in november 2006 hebben de regeringen, ongeacht hun politieke kleur, ingestemd met de door de Commissie voorgestelde algemene oriëntatie, en de Commissie is nu concreet gaan onderhandelen, met name met Zuid-Korea en de ASEAN-landen, op basis van onderhandelingsmandaten die de Raad op voorstel van de Commissie heeft vastgesteld.

We moeten bedenken dat het Europees Parlement op dit terrein slechts de bevoegdheid heeft om mee te praten en dat het dus genoegen moet nemen met een instemmingsprocedure aan het einde van de rit. Hetzelfde geldt overigens voor de nationale parlementen. Het voeren van handelsonderhandelingen blijft zowel op nationaal als op communautair niveau voorbehouden aan de uitvoerende macht, iets waartegen wij al vijfentwintig jaar protesteren.

Wij willen namelijk dat vooral het Europees Parlement via een medebeslissingsprocedure betrokken wordt bij de vaststelling van de onderhandelingsmandaten, en dat er vervolgens daadwerkelijk een toezichtprocedure ten uitvoer kan worden gelegd. In dat opzicht denk ik dat de vergaderingen van de heer Mandelson met onze commissie, hoewel interessant, niet voldoende zijn.

Daarnaast wil ik nog iets zeggen over de normen. Al sinds het rapport-Bruntland dringen wij erop aan dat de internationale handelsregels worden aangepast aan de essentiële vereisten voor een vorm van ontwikkeling die alle volkeren op onze kleine planeet tot voordeel is.

Is het nog nodig eraan te herinneren, mijnheer de commissaris, dat de ecologische voetafdruk van onze huidige Europese leefwijze driemaal zo groot is als de capaciteit van de aarde? Deze leefwijze is dan ook niet vol te houden als ze over de hele wereld zou worden overgenomen. Om die eenvoudige reden is het dringend noodzakelijk dat in deze handelsonderhandelingen de internationale normen op het gebied van milieu en sociale voorwaarden verplicht worden gesteld, en niet enkel aangemoedigd. De Commissie en een meerderheid van dit Parlement denken er helaas niet zo over, verblind als ze zijn door kortetermijnbelangen.

Om deze redenen, en nog heel wat andere, en met name wegens de gevolgen die deze onderhandelingen zouden kunnen hebben voor de manier waarop de Europese wetgeving zich in de toekomst zal ontwikkelen, zal mijn fractie niet voor dit verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Helmuth Markov, namens de GUE/NGL-Fractie. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, het verslag van mijn collega in de Commissie internationale handel, de heer Caspary, is in wezen een herhaling van hetgeen in de strategie van de Commissie voor een wereldwijd concurrerend Europa tot uiting komt. Ik ben geen voorstander van die Lissabon-strategie voor het buitenlands handelsbeleid. Dat geldt ook voor de in april gepresenteerde strategie voor markttoegang en voor het beleid inzake nieuwe vrijhandelsovereenkomsten, dat naadloos bij die concurrentiestrategie aansluit. In die strategie en bij de uitvoering ervan wordt de nadruk gelegd op een betere toegang van Europese ondernemingen tot de markten van derde landen. Daar is a priori niets op tegen.

Door het afschaffen van bij voorkeur alle handelsbarrières wordt echter getracht om niet alleen de invoerrechten, maar ook alle maatregelen op het gebied van consumenten-, milieu-, en ontwikkelingsbeleid en van het sociale beleid ondergeschikt te maken aan het concurrentiebeginsel. Tegelijkertijd dienen de handelsbeschermende instrumenten van de Europese Unie consequenter toegepast te worden. Daarnaast moet de bescherming van de intellectuele eigendomsrechten - en ik doel dan op octrooien - uitgebreid worden. Het is duidelijk dat er in de WTO geen multilaterale overeenstemming komt over een dergelijke, eenzijdige bevoordeling van met name grote Europese ondernemingen. De Commissie en de Raad streven er daarom in toenemende mate naar om de Europese economische belangen via bilaterale en regionale overeenkomsten te behartigen. Die overeenkomsten gaan veel verder dan de kwesties die in het kader van de Doha-ronde ter discussie staan. Ik denk daarbij aan deregulering van investeringen, overheidsopdrachten en het concurrentiebeleid. Mijn fractie kan zich niet aansluiten bij een beleid dat niets meer te maken heeft met het creëren van een eerlijk, multilateraal handelsstelsel. Een gelijke behandeling van sterke en zwakke partijen is niet hetzelfde als een eerlijke behandeling. Het gaat hier immers om het sluiten van een eerlijk handelsakkoord.

Desalniettemin wil ik graag op een terecht en belangrijk punt in het verslag-Caspary wijzen. Wij kunnen niet accepteren dat vrijwel alle belangrijke Europese besluiten op Europees niveau worden genomen, zonder dat het Europees Parlement over een medebeslissingsbevoegdheid beschikt. Wij zullen vanmiddag, in aansluiting op dit debat, ook nog over de economische partnerschapsovereenkomsten spreken. Het klopt, mijnheer de commissaris, dat er in de Commissie internationale handel een levendige gedachtewisseling met u en het directoraat-generaal Handel plaatsvindt. Wij krijgen echter niet de beschikking over de ontwerpteksten. Zo lang er in de Europese Unie nog sprake is van een dergelijke geheime diplomatie, valt goed te begrijpen dat veel EU-burgers een steeds sceptischer houding aannemen ten opzichte van de maatregelen van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Booth, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik geloof in vrije handel. Mijn land is daar beter van geworden en het is een belangrijk middel om de armste landen van de wereld te helpen bij het overwinnen van de armoede. De economische partnerschapsovereenkomsten doen de zaak van de vrije handel echter meer kwaad dan goed, vanwege de hypocrisie van de Europese Unie.

Op het eerste gezicht klinkt het erg goed om onze markten open te stellen voor de import vanuit deze landen, aangezien dat een stimulans voor de economie van die landen zal betekenen, maar zoals altijd heeft de medaille een keerzijde. De ontwikkelingslanden moeten hun markten openstellen voor goederen vanuit Europa, hun invoertarieven verlagen - en wel aan het einde van het jaar volgens het tijdschema van de EU - en als dat niet gebeurt, zullen de Europese handelsbarrières omhooggaan en zal de hoeveelheid Europese hulp achteruitgaan. Je kunt niet vliegen eer je vleugels hebt. Zoals de rapporteur opmerkt, zijn veel ACS-landen er nog niet op ingesteld om in plaats van invoerrechten belastingen te innen als belangrijke inkomstenbron voor de overheid.

Door te trachten het tempo op te voeren doen we de zaak van de vrije handel naar mijn mening meer kwaad dan goed. Wie denken we bovendien wel dat we zijn om deze landen te dwingen om geen invoerrechten meer te heffen? Vorig jaar nog stelde de Commissie immers invoerheffingen in op schoenen uit China. Dat was echter geen vrije, en ook geen eerlijke, handel. We kregen te horen dat zij hier gesubsidieerde producten dumpten, maar wat doen wij met onze overtollige landbouwproducten, die gesubsidieerd worden via het gemeenschappelijk landbouwbeleid? Precies hetzelfde: we dumpen ze in arme landen, waardoor hun boeren in armoede vervallen.

De rapporteur zegt dat er economische partnerschapsovereenkomsten zullen worden afgesloten tussen de EU en veel ACS-landen. Dat is misschien wel waar, maar alleen omdat de EU de macht in handen heeft. “Partnerschap” klinkt mooi, maar het is een zeer ongelijkwaardig partnerschap. Het is goed voor de grote bedrijven, maar niet voor de ontwikkelingslanden. De Europese gezondheids- en milieunormen zijn zo hoog dat veel ACS-landen maar heel weinig van hun landbouwproducten zullen kunnen exporteren.

Uit het onderzoek dat de Commissie zelf heeft uitgevoerd naar de gevolgen blijkt bovendien dat deze overeenkomsten ertoe kunnen leiden dat de industrie in West-Afrika in elkaar klapt. Als inwoner van een land dat de echte vrije handel altijd heeft toegejuicht en bevorderd, wil ik hieraan niet medeplichtig zijn. Het overtuigt mij er alleen nog maar meer van dat mijn land zijn eigen handelsovereenkomsten moet sluiten en uit deze vreselijke Europese Unie moet stappen, die ondanks al haar vrome gepraat over het lenigen van de armoede en het stimuleren van de ontwikkeling, in feite rechtstreeks verantwoordelijk is voor de grootschalige armoede in de ontwikkelingslanden.

 
  
MPphoto
 
 

  Dumitru Gheorghe Mircea Coşea, în numele grupului ITS. – Îl felicit pe raportor pentru munca excelentă pe care a depus-o, dar subliniez şi susţin în acelaşi timp remarca pe care raportorul o face în legătură cu faptul că este regretabilă situaţia în care cetăţenii Uniunii Europene stabilesc o paralelă între, pe de o parte, mondializare, iar, pe de altă parte, scăderea producţiei europene şi pierderea de locuri de muncă. În acest context se înscrie şi reacţia negativă pe care cetăţenii europeni o au faţă de procesul delocalizării unor întreprinderi productive spre noile state membre în scopul utilizării unei forţe de muncă mai ieftine. Am remarcat o astfel de reacţie negativă şi în timpul campaniei electorale prezidenţiale din Franţa, şi m-a deranjat faptul că România este prezentată ca o ţară care ar atrage aceste delocalizări, prejudiciind situaţia locurilor de muncă în alte ţări membre ale Uniunii. Se vorbeşte chiar de o politică de dumping social pe care ar practica-o România. Constat, cu regret, lipsa de informaţii pe care o au cetăţenii europeni şi insist pe nevoia unei informări nu numai ample, dar şi mai corecte.

În acest sens ar trebui ştiut că România, prin strategia sa de postaderare, nu încurajează delocalizarea, deoarece, în multe cazuri, prin aceasta se produc dezechilibre majore din punctul de vedere al protecţiei mediului, se dezvoltă ramuri industriale energofage şi utilizatoare de muncă slab calificată. Interesul actual al României este dezvoltarea unor ramuri industriale moderne, care să ridice gradul de competitivitate al economiei, şi nu aglomerarea pe teritoriul ţării a unui amalgam de întreprinderi, deplasate tehnic şi tehnologic. Iată de ce consider că delocalizarea este un proces care nu avantajează pe nimeni în interiorul Uniunii şi apare ca fiind extrem de necesară adoptarea unei strategii care să permită ca într-adevăr mondializarea să contribuie la respectarea interesului, nu numai al Uniunii, dar şi al diferitelor ţări membre în parte.

 
  
MPphoto
 
 

  Roger Helmer (NI). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit verslag bevat enkele goede elementen - het belang van de transatlantische betrekkingen, de geleidelijke beperking van de tarieven op de transatlantische handel, het belang van de liberalisatie van de handel en de constatering dat protectionisme tot werkloosheid leidt - maar het is bijna schizofreen te noemen als het gaat om douanerechten. Aan de ene kant is het verslag lovend over wat “het succes van de douane-unie van de EU” wordt genoemd, ondanks het langdurige economische verval in Europa vergeleken met Azië en de Verenigde Staten, en aan de andere kant wordt er een geleidelijke beperking van de tarieven bepleit.

We moeten ons standpunt bepalen. Handelsbarrières zijn goed óf slecht - allebei tegelijk kan niet. Douane-unies zijn een negentiende-eeuws, Bismarckiaans concept en horen niet thuis in de eenentwintigste eeuw. Het is tijd om af te stappen van het gemeenschappelijke externe tarief van de EU en een Europese vrijhandelszone in het leven te roepen.

Het verslag is ook lovend over het Europese sociale model en de vernieuwde Lissabon-agenda, maar we weten allemaal dat de Lissabon-agenda een dode letter is. We praten erover, maar doen er niets mee, terwijl het concurrentievermogen van de EU steeds verder achterop raakt bij onze concurrenten. Ik herinner me nog heel goed dat onze Britse premier, Tony Blair, in dit Parlement vroeg: wat is dat voor een sociaal model dat twintig miljoen burgers in Europa in werkloosheid laat leven? Het antwoord luidt: het Europese sociale model. Ik herinner me ook een bezoek aan Singapore waarbij de toenmalige premier, de heer Goh Chok Tong, door onze collega de heer Corbett de vraag kreeg waarom een welvarend land als Singapore zulke matige sociale voorzieningen en werkloosheidsuitkeringen had. De heer Goh Chok Tong antwoordde: “We hebben gemerkt dat we een heleboel werklozen krijgen als we mensen geld geven omdat ze geen werk hebben, dus doen we dat niet.” Dat is de wijsheid die uit het Oosten komt en die moeten we goed in onze oren knopen.

Europa kan maar op één manier een geduchte concurrent worden: we moeten net als Konrad Adenauer nee zeggen tegen regelgeving. We moeten de belastingen fors verlagen en de kosten van de sociale voorzieningen en de werkloosheidsuitkeringen sterk terugbrengen. Misschien kunnen we dan een concurrerende wereldspeler worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, de markttoegang van onze exporteurs en bedrijven is niet altijd gemakkelijk. Dat geldt ook voor talrijke belangrijke handelspartners van de Unie. Deze toegang wordt bemoeilijkt door hoge douanerechten, allerlei technische, administratieve en fiscale barrières, ondoorzichtige en oneerlijke praktijken en meer algemeen door de niet-naleving van het beginsel van nationale behandeling.

Ook ik wil - net als de rapporteur, de heer Caspary - wijzen op de ondoeltreffende bescherming van het intellectuele en industriële eigendom op wereldniveau.

Een andere factor die een rol speelt in de lagere concurrentiekracht van de Europese producten en diensten is het feit dat er strengere veiligheidsvoorschriften zijn voor producten, voor de bescherming van de volksgezondheid en het milieu, voor consumenten en werknemers.

Ik pleit niet voor een afzwakking van het Europees regelgevend kader, maar wel voor inspanningen om wederkerigheidsvoorwaarden tot stand te brengen in de betrekkingen met onze handelspartners.

Verder moeten wij op zowel bilateraal als multilateraal niveau dumping zien te voorkomen, niet alleen economische dumping, zoals momenteel geldt, maar ook sociale en ecologische dumping.

Terecht probeert de Europese Unie in het kader van de huidige onderhandelingen in de WTO de invoerrechten op de zogenaamde groene goederen tot nul te reduceren. Tegelijkertijd moet zij echter de mogelijkheid onderzoeken om een ‘groene heffing’ toe te passen op de invoer uit de landen die niet gehouden zijn aan het Protocol van Kyoto, teneinde het concurrentienadeel van de Europese bedrijven te compenseren en een mogelijke verplaatsing van die bedrijven naar gebieden met soepelere milieuvoorschriften te voorkomen.

Het evenwicht in het mondiaal handelssysteem vereist in eerste instantie convergerende systemen, institutionele transparantie en convergerende voorschriften voor sociale voorzieningen en milieubescherming.

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann (PSE). - (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag nader op een paar punten in het verslag van de heer Caspary en het voorstel van de Commissie ingaan die voor mijn fractie belangrijk zijn.

Ik wil de commissaris nadrukkelijk bedanken voor de moed die hij heeft getoond om dit thema überhaupt op te pakken en een andere strategie voor de Europese Unie voor te stellen. Dat is een procedure waar het Parlement al in 2002 om heeft verzocht. Ik heb toentertijd zelf voorgesteld om ons, wat de overeenkomsten betreft, meer op Azië te richten. Op dat punt is mijn dank dus groot!

Het probleem is echter dat wij sinds 2002 met een fundamentele verandering van de wereldwijde economische ontwikkeling zijn geconfronteerd. Met China is een nieuwe speler op het toneel gekomen en de landen die destijds als partner voorgesteld werden, zoals Korea, enkele ASEAN-landen en India, vertonen niet meer de traditionele karaktertrekken van ontwikkelingslanden, maar zijn inmiddels uitgegroeid tot opkomende, bijzonder concurrerende markten. Desalniettemin heerst er in die landen zelf voor een deel nog grote armoede en dat brengt voor de Europese Unie uitdagingen met zich mee. Dat leidt ertoe dat wij een doordachte handelsstrategie moeten hanteren die een billijke handel met deze landen bevordert.

Wij zullen een evenwicht moeten creëren, enerzijds door per afzonderlijk geval en in overleg met de betreffende landen besluiten te nemen over het openstellen van de markten, en anderzijds door vast te blijven houden aan het in acht nemen van de normen op het gebied van bijvoorbeeld het milieu en de veiligheid op de werkplek. Dat geldt uiteraard ook voor de intellectuele eigendomsrechten. Het zal niet eenvoudig zijn om dat evenwicht tot stand te brengen!

Mijnheer de commissaris, u heeft gezegd dat u het Parlement al meer rechten heeft gegeven doordat u het besluit over het mandaat aan ons voorlegt. Dat klopt ook en daarvoor wil ik u hartelijk bedanken. Desalniettemin vraag ik om uw onverminderde steun wanneer wij de Raad verzoeken om ons in de toekomst ook het instemmingsrecht te verlenen. Dat levert namelijk een wezenlijke bijdrage aan de opzet van een adequaat handelsbeleid.

Ik wil de heer Caspary en mijn collega, mevrouw Ferreira, die als schaduwrapporteur heeft gefungeerd, bedanken niet alleen voor dit verslag, maar ook voor hun bereidheid tot samenwerking.

 
  
MPphoto
 
 

  Gianluca Susta (ALDE). - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, Europa spant zich ten zeerste in om de markten steeds meer open te stellen, maar dat mag ons er niet van weerhouden om onze eigen belangen op de mondiale markt door te drukken. De strategie van Lissabon is een ambitieuze doelstelling waar ieder zich in kan vinden en waarmee de Unie haar concurrenten met open vizier tegemoet kan treden.

Wij dienen er echter wel rekening mee te houden dat deze grote strijd om handel en ontwikkeling niet met gelijke regels uitgevochten wordt. Dit gebrek aan wederkerigheid kan weliswaar goedgepraat worden met het argument dat veel landen qua ontwikkeling achter liggen, maar onze productiestelsels zijn daar wel mooi de dupe van, en dat brengt de nodige maatschappelijke gevolgen met zich mee. Wij blijven vasthouden aan onze drang naar multilateralisme, maar tegelijkertijd moeten wij, waar dat nodig is, bilaterale overeenkomsten nastreven. Ons beleid is gericht op marktopenstelling, geleidelijke afschaffing van douanes en totstandbrenging van gelijke mededingingsvoorwaarden. In dit kader moet het innovatiebeleid, de marktopenstelling en de steun aan de omschakeling van oudere en niet meer concurrentiële productiesectoren, perfect aansluiten op de instrumenten voor bescherming van intellectuele eigendom en handelsbescherming in het algemeen. Dat staat met zoveel woorden in het Groenboek, en het verslag van de heer Caspary heeft dat ook zo overgenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain (UEN). – A Uachtaráin, ba mhaith liom a dheimhniú ar an gcéad dul síos nach n-aontaíonn mise beag ná mór leis an gcur chuige oibre atá ag Peter Mandelson, Coimisinéir Trádála an AE, maidir le comhráití DOHA ar thrádáil Domhanda.

Dealraíonn sé domsa go bhfuil an tUasal Mandelson ag iarraidh margadh trádála ilshleasach a bhaint amach, is cuma cé a ghortófar sa phroiseas. Tá an iomarca géillte ag an Aontas Eorpach cheana féin sna cainteanna seo. Tá ciorraithe móra déanta ag an AE ar an tacaíocht a thugtar d'fheirmeoirí na hÉireann agus na hEorpa, agus táimid fós ag feitheamh go gcuirfeadh Meiriceá agus Grúpa Cairns na leasaithe a gheall siad féin i gcrích.

Ba chóir go mbeadh Rialtais na mBallstát uilig an-soiléir agus an-chúramach maidir leis an gcineál margaíochta ar mian leo a dhéanfadh an Coimisinéir Mandelson ar a son. Níor chóir dúinn ár bhfoinse beatha a bheith chomh fada ó bhaile le Meiriceá Theas. Ba chóir dúinn é a chothú anseo ag baile agus bá chóir dúinn é a dhéanamh ar na bunphrionsabail ar bunaíodh an tAontas Eorpach orthu, agus bá chóir go dtuigfeadh an tUasal Mandelson é sin. Is Sasanach é, agus ba chóir go mbeadh ciall ceannaithe ag Sasana sa phróiséis seo anois.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacky Henin (GUE/NGL). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, laten we de moed hebben om het geloof in de mythe dat vrijhandel de armoede terugdringt en de ontwikkeling bevordert, op te geven. Volgens de meest recente onderzoeken van de Wereldbank zijn de voordelen verwaarloosbaar en daarvan valt ook nog eens het leeuwendeel toe aan China.

Als we de verdwijning van de douanerechten in aanmerking nemen, valt de balans voor de ontwikkelingslanden bijzonder negatief uit. In plaats van voor concurrentie tussen de grote multinationals te zorgen, beschermt de kapitalistische globalisering deze, en zijn het juist de sociale en fiscale stelsels, die voortkomen uit de democratische keuzen van de burgers van iedere natie, die met elkaar in concurrentie worden gebracht. Een van de gevolgen van de vrijhandel is daarbij dat een groot deel van de belastingdruk op ondernemingen wordt overgeheveld op de huishoudens. De gezwollen taal over het behoud van het Europees sociaal model in dit verslag heeft dan ook niet meer om het lijf dan mooie woorden om het publiek in vervoering te brengen. Om een oplossing hiervoor te vinden is het van belang dat we het beginsel van vrijhandel inwisselen voor dat van billijke handel.

De val van de dollar en de yen doet de werkgelegenheid in de industrie in de eurozone doodbloeden. En het verslag verzoekt de Commissie maar om … te verzoeken! Tartuffe had het niet beter kunnen doen! Geen woord over het uiterst onrechtvaardige streven om de antidumpingregels uit te kleden, omdat deze de financiële, zogenaamd Europese, belangen zouden schaden. Wij staan in dienst van de Europese burgers en niet van de speculatieve beleggingsmaatschappijen. Laten we daarom kiezen voor samenwerking, in plaats van voor concurrentie. Laten we kiezen voor redelijk protectionisme op basis van sociale en ecologische douanerechten. Laten we zorgen voor controle op de wisselkoersen en het kapitaalverkeer.

Ik ben de overtuiging toegedaan, mevrouw de Voorzitter, dames en heren, dat als we de vlucht naar voren van de vrijhandelsideologie doorzetten, de Unie plankgas en luidkeels zingend tegen de muur zal rijden!

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder (IND/DEM). - Voorzitter, ik wil allereerst collega Gaspary feliciteren met zijn evenwichtige verslag. Deze tekst kan morgen bij de stemming op mijn steun rekenen.

Als rapporteur voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en China trokken in het bijzonder de paragrafen over de handelsrelaties met de Volksrepubliek mijn aandacht. Ik heb mij daarbij verbaasd over de formulering van paragraaf 44, omdat ik China bepaald niet zie als eerste en meest duidelijke illustratie van het positieve effect van de liberalisering van de handel en van actieve deelname op de mondiale en concurrerende markten. De rapporteur is het hierover trouwens, gezien zijn lange lijst met zorg- en geschilpunten die volgt, met mij eens.

Naast de problemen op sociaal en milieugebied en onze zorgen over de bescherming van het Europees intellectueel eigendom, wil ik ook de gebrekkige toegang van Europese bedrijven tot de Chinese markt en dumpingpraktijken in China concreet noemen. Ook hierdoor wordt het Europese bedrijfsleven geschaad. De Chinezen schermen immers de eigen markt af voor buitenlandse concurrentie en bevoordelen tegelijkertijd eigen producenten.

Voorzitter, een open economie in een globaliserende wereld wordt vaak ten onrechte verward met een economie zonder barrières. Gelukkig kiest de rapporteur niet voor deze lijn. In paragraaf 17 van zijn verslag refereert collega Gaspari terecht aan de schade die de Europese economie oploopt door het gedrag van landen die zich niet aan de handelsregels houden. Als reactie hierop moet de Europese Unie zich tegen oneerlijke handelspraktijken beschermen.

Ik roep de Commissie dan ook op om binnen het kader van de WTO en daarbuiten uit te dragen dat de Unie oneerlijk gedrag niet tolereert. Dit houdt echter in dat de EU ook bereid moet zijn om met adequate handelsbeschermende instrumenten daadwerkelijk sancties in te stellen. Niet vanuit een protectionistische reflex, maar omdat in sommige gevallen alleen dwang helpt om een gelijk speelveld voor het EU-bedrijfsleven te garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Marie Le Pen (ITS). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, in het verslag van onze Duitse christen-democratische collega, Daniel Caspary, over het geglobaliseerde Europa worden op welhaast karikaturale wijze de zegeningen van de globalisering en van het handelsbeleid van de Europese Unie uiteengezet.

Volgens het verslag zijn er namelijk alleen maar voordelen: openstelling van de markt, vooral als het gaat om overheidsopdrachten, meer concurrentievermogen, de zegeningen van de concurrentie, wereldwijde vrijhandel met nochtans een kleine kanttekening voor wat betreft de intellectuele-eigendomsrechten.

Omgekeerd wordt protectionisme onverbiddelijk veroordeeld en worden de douanerechten in de ban gedaan als ondraaglijke laster jegens de god die Handel heet. Het zou interessant zijn om te kijken wat de regering van de heer Sarkozy - ten overstaan van de almachtige ultraliberalen van het Europees Parlement en de Europese Commissie - gaat doen om onze ondernemingen, en in het bijzonder onze KMO’s, onze landbouw en onze openbare diensten, te beschermen.

Aangezien Europa nu al het meest open economische blok ter wereld is, is het ongerijmd om nog verder te willen gaan, tenzij we onze landbouw en onze industrie moedwillig en onherroepelijk willen opofferen. En toch is dat wat het Europa van Brussel doet, in naam van de concurrentie, van het dogma van de vrijhandelsideologie of om onze Amerikaanse bondgenoten te paaien. Onder die omstandigheden, bij gebrek aan een handelsbeschermingsbeleid dat die naam waardig is, bij gebrek aan doelmatige beschermingsinstrumenten en bij gebrek aan Europese ambtenaren die onafhankelijk zijn van de Angelsaksische lobby’s, rijst de vraag wat Europa kan doen om de bedrijfsverplaatsingen en de hersen- en kapitaalvlucht te verhinderen. Het antwoord is dat we uit moeten gaan van onze duizendjarige naties en niet van het europeïstische fata morgana dat de heer Caspary voorstaat, en dat een garantie vormt voor ernstige desillusies voor de Europese burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (NI). - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, in de WTO heeft Europa, dikwijls in zijn eentje en tegen zijn eigen economische kortetermijnbelangen in, gepleit voor strikte regels binnen het handelsstelsel, en het heeft streng toegezien op eventuele praktijken die de interne en internationale markt zouden kunnen verstoren. Als de Europese Unie wil dat er met deze voorschriften de nodige resultaten geboekt worden, moet zij er sterk op aandringen dat de regels ook door de andere leden worden nageleefd, met name door degenen die onze directe concurrenten zijn.

Bovendien is het belangrijk dat de regels periodiek worden afgestemd op de handelspraktijken en het productiestelsel, omdat deze namelijk in voortdurende beweging zijn: kijk maar naar recente gevallen van bedrijfsverplaatsing. Op die manier kunnen wij instaan voor de kwaliteit en tegelijkertijd de kwantiteit van de werkgelegenheid in de Unie, en kunnen wij zorgen voor naleving van de sociale en milieuvoorschriften in de landen buiten Europa. In die optiek is het wenselijk de huidige procedures voor totstandbrenging van het Europese kwaliteitsmerk en verdediging van intellectuele eigendom aan te moedigen en te versnellen. Dat biedt namelijk de nodige garanties voor het concurrentievermogen van ons bedrijfsleven, en vooral de kleinere ondernemingen, en voor de kwaliteit van onze productie zowel buiten als binnen onze grenzen.

Als lid van de Commissie ontwikkelingssamenwerking voel ik me verplicht erop te wijzen dat men hoe dan ook flexibiliteit en geleidelijkheid moet betrachten voor die ontwikkelingslanden die nog niet toe zijn aan een totale marktopening, omdat ze nog bezig zijn hun bevolkingen te voorzien van basisbehoeften, zoals gelijke toegang tot drinkwater, onderwijs en efficiënte gezondheidszorg. Dat zijn immers de randvoorwaarden voor een daarop volgende, duurzame economische ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Christofer Fjellner (PPE-DE). - (SV) Allereerst wil ik de heer Caspary bedanken. Ik moet zeggen dat dit een van de beste verslagen op het gebied van het handelsbeleid is die ik ooit in dit Parlement heb gezien. Hier wordt duidelijk vastgesteld dat vrijhandel welvaart verbreidt en dat protectionisme tot armoede leidt. Het is een goede stap vooruit dat we dat samen in het Europees Parlement kunnen vaststellen! Ook het initiatief van de Commissie, Global Europe, over de externe dimensie van het concurrentievermogen, is zeer goed. Het handelsbeleid had natuurlijk al vanaf het begin op de Lissabon-agenda moeten staan. Spreken over het concurrentievermogen van Europa zonder het over onze handel met de buitenwereld te hebben, blijft anders niet meer dan loze woorden.

En nu u hier toch bent, zou ik van de gelegenheid gebruik willen maken om u twee ideeën mee te geven, mijnheer Mandelson.

Allereerst is het me opgevallen dat de Commissie het vaak heeft over concurrentievermogen, maar daarbij bijna alleen denkt aan het belang van een grotere toegankelijkheid tot de markt en van verlaging van invoerrechten in andere landen. Minstens even belangrijk is echter het vergroten van de toegankelijkheid en de mogelijkheden voor ondernemingen uit andere landen om hier te komen, en om onze eigen invoerrechten te verlagen. Dat zou niet alleen Europese consumenten en ondernemingen goedkopere goederen verschaffen, maar ook de concurrentie aanscherpen, en daarom ons concurrentievermogen ten opzichte van de buitenwereld versterken. Dat wij onze invoerrechten verlagen is dus bijna even belangrijk als dat andere landen dat doen.

Het andere wat ik aan de orde wil stellen is de behoefte aan een hervorming van de handelsbeschermende instrumenten. Wat dat betreft ben ik het niet echt eens met het voorliggende verslag. Ik heb begrepen dat er enorme druk op de Commissie is uitgeoefend sinds dit initiatief is gepresenteerd. Helaas lijkt deze druk te leiden tot een lager ambitieniveau van de kant van de Commissie. Men spreekt niet langer van een hervorming, maar van een herziening, maar ik ga ervan uit dat de Commissie een hervorming van de handelsbeschermende instrumenten presenteert, die die naam waard is. Dat de EU ons tegen handel zou moeten beschermen is immers even dom als het lijkt.

Ook wil ik een van mijn favoriete voorbeelden van absurde handelsbelemmeringen noemen, namelijk de merkwaardige invoerrechten op energiebesparende lampen. Wij zijn namelijk ongerust over het broeikaseffect en praten over een verbod op gewone gloeilampen, maar worden tegelijkertijd door hoge invoerrechten beschermd tegen de invoer van spaarlampen!

Nee, mijnheer Mandelson, we moeten zo snel mogelijk zorgen voor een echte hervorming van de handelsbeschermende instrumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Harlem Désir (PSE). - (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik zou willen volstaan met vier opmerkingen.

Allereerst, mijnheer de commissaris, hebt u mijns inziens terecht benadrukt dat de strategie van een gemondialiseerd Europa niet mag betekenen dat de prioriteit voor multilaterale onderhandelingen wordt losgelaten. Er is veel geestdrift maar er zijn ook veel illusies over wat bilaterale vrijhandelsovereenkomsten kunnen opleveren. Ons wordt voorgehouden dat dit nodig is, omdat anderen het ook doen, bijvoorbeeld de Verenigde Staten. In werkelijkheid hebben de VS maar zes of zeven vrijhandelsovereenkomsten ondertekend, die samen nog geen 5 procent van hun buitenlandse handel vertegenwoordigen. De rest van de overeenkomsten is mislukt, vanwege dezelfde problemen als in het multilaterale kader, met doorgaans soortgelijke partners. Bovendien lopen deze onderhandelingen dikwijls uit op overeenkomsten die onevenwichtig zijn ten koste van de ontwikkelingslanden, en uiteraard voordelig voor de ontwikkelde landen.

Dat brengt me bij mijn tweede opmerking. Bij de overstap van het multilaterale naar het bilaterale kader mogen de ontwikkelingsdoelstellingen van het handelsbeleid niet onderweg worden losgelaten. In dat opzicht, mijnheer Caspary, kan mijns inziens niet gezegd worden dat het handelsbeleid los staat van de andere dimensies: ontwikkeling, armoedebestrijding, milieu en sociaal beleid. Het verband tussen handel en ontwikkeling, tussen handel en vermindering van de armoede is evenwel geen automatisme. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat Afrika, als het geen handel drijft, arm zal blijven. Dat is zo. Maar betekent dat dan ook dat iedere handelsovereenkomst met Afrika automatisch goed is voor Afrika? Nee, dat is niet zo. We moeten een meer gedifferentieerde en gecontroleerde vorm van liberalisering in overweging nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de kwetsbare sectoren van een aantal landen. En dat geldt niet alleen voor de allerarmste landen, maar ook voor de opkomende landen, landen als India. Deze horen tot de landen met de meeste armen ter wereld.

Ten derde mag deze strategie voor een gemondialiseerd Europa niet betekenen dat onderwerpen die uit het multilaterale kader gehaald zijn, er opnieuw in worden opgenomen. Ik denk daarbij aan de Singapore-thema’s en de onderhandelingen over investeringen, overheidsopdrachten en openbare diensten. Het opnieuw opnemen van deze onderwerpen is niet gerechtvaardigd, en als dit toch gebeurt, zal dit weer op dezelfde problemen stuiten en tot dezelfde impasses leiden. Of anders zullen ze geforceerd worden opgelegd, als ze verder gaan dan de handelsregels en betrekking hebben op de binnenlandse regulering van gevoelige sectoren, zoals de toegang tot essentiële diensten, tot openbare diensten.

Ten vierde - en daarmee wil ik afsluiten - denk ik, net als de heer Junker, dat we het feit niet uit het oog mogen verliezen dat de Unie, ook door middel van haar handelsbeleid, streeft naar de toepassing van sociale en milieuvoorschriften. Dit gebeurt wel door middel van het versterkte stelsel van algemene preferenties, maar niet met de vrijhandelsovereenkomsten, en dat betreur ik, omdat we ons ook moeten inzetten voor de inachtneming van met name de regels van de IAO.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Tadeusz Masiel (UEN). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, de Europese Commissie zou niet alleen het Europees Parlement, maar ook en vooral de Europese burgers beter moeten informeren over het handelsbeleid dat ze voorstaat. Veel Europeanen in verschillende landen zijn vandaag bang voor de Wereldhandelsorganisatie en voor haar maatregelen.

Er moeten meer inspanningen geleverd worden om de Europese burgers duidelijk te maken dat een vrijhandelsbeleid economische groei met zich meebrengt, nieuwe banen oplevert en een duurzame ontwikkeling op wereldniveau garandeert, op voorwaarde echter dat dit beleid gebaseerd is op partnerschappen en dat het almaar evenwichtiger en rechtvaardiger wordt. Bovendien zou een dergelijk beleid geïnspireerd moeten zijn op onze eigen Europese sociale en milieunormen. Dat is voor ons van wezenlijk belang. Wij zijn voorstander van een vrije markt en van vrije concurrentie, maar willen tegelijkertijd dat deze aspecten hand in hand gaan met de Europese sociale en milieunormen.

Vandaag is dit nog wensdenken, maar deze twee reeksen waarden zouden vroeg of laat met elkaar verzoend moeten kunnen worden. Dat zou uw streefdoel moeten zijn, mijnheer de commissaris.

 
  
  

VOORZITTER: ADAM BIELAN
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Tokia Saïfi (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zou allereerst mijn collega, de heer Caspary, willen feliciteren met dit uitstekende verslag.

De mondialisering dwingt ons tot ongekende veranderingen en daarom moet de Europese Unie nu de noodzakelijke hervormingen doorvoeren, opdat zij in staat is er ten volle profijt van te trekken. Een van die hervormingen betreft de aanpassing van het Europees handelsbeleid aan de uitdagingen van het concurrentievermogen. Het moet namelijk afgelopen zijn met de logica die zegt dat er een rechtstreeks verband is tussen enerzijds de mondialisering en anderzijds de achteruitgang van de Europese be- en verwerkende industrie en het verlies aan banen.

Europa moet in staat zijn een zone van synergie en industriële samenwerking te worden. Daarbij gaat het vooral om aantrekkingskracht, specialisatie en bescherming. Europa moet dus een beleid voeren dat een gunstig klimaat kan scheppen voor ondernemingszin, productie en werkgelegenheid. Hoofdrolspelers in dit beleid zijn de KMO’s, en deze moeten daarom gemakkelijker toegang krijgen tot overheidsopdrachten, zoals in de Verenigde Staten al het geval is. Als wij een vollediger beleid willen met meer integratie en toekomstgerichtheid, moeten wij ervoor zorgen dat dit niet voorbijgaat aan de landbouwsector, die een strategische handelstroef van de Europese Unie is en niet enkel wisselgeld voor onderhandelingen. Het was daarbij relevant geweest om in deze mededeling naar deze sector te verwijzen, net als naar de dienstensector of de producten met een grote toegevoegde waarde

Europa moet een proactieve houding aannemen maar daarnaast ook een beschermende rol spelen. De prestaties van de Europese Unie in vergelijking met die van de opkomende economieën worden vandaag de dag in gevaar gebracht door een gebrek aan wederkerigheid bij de voorwaarden voor markttoegang en door een verspreiding van oneerlijke handelspraktijken. Europa moet dit snelheidverlies het hoofd bieden met een vastberadener houding. Het moet zich kunnen beschermen tegen economische, sociale en milieudumping door middel van handelsbeschermende instrumenten, die tot op heden niet meer zijn dan lapmiddelen, bij gebrek aan wereldwijd aanvaarde concurrentieregels. Zoals we zien, zal het concurrentievermogen van de Europese Unie naar buiten toe gewaarborgd worden door zowel haar vermogen om in de aanval te gaan als haar vermogen om zich te verdedigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Carnero González (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, het is waar, de globalisering komt op ons af, en er zijn twee manieren om daarop te reageren: of we laten ons meeslepen door de gebeurtenissen, of we proberen de globalisering te beheersen, daarin in te grijpen en deze uiteindelijk te reguleren.

Dat is volgens mij wat we nastreven met ons handelsbeleid, en dat is volgens mij de betekenis die we moeten geven aan de mededeling van de Europese Commissie, en meer algemeen ook aan het verslag van de heer Caspary.

De boodschap die we vandaag met dit debat aan de burgers meegeven, moet heel duidelijk zijn. Het gaat ons er niet alleen om een marktaandeel in de wacht te slepen, ongeacht andere criteria. Nee, wij willen aanwezig zijn op de wereldmarkt, maar we willen daarbij zowel het Europese sociale model versterken als de welvaart uitbreiden, en de armoede in de wereld dus terugdringen.

Dat moet vooral onder multilaterale voorwaarden bereikt worden. De Wereldhandelsorganisatie is voor de Europese Unie nog steeds de beste weg om in te grijpen in de globalisering. Daarom moeten we ons uiterste best blijven doen om de Ontwikkelingsronde van Doha te doen welslagen.

Zolang dat niet gebeurt, is het zaak dat we, op grond van onze verantwoordelijkheid jegens onze burgers, en ook jegens de burgers van de landen waarmee we vrijhandelsovereenkomsten hebben gesloten, dit tweede instrument ondersteunen.

Het verslag van de heer Caspary bevat elementen die voor de socialisten en sociaal-democraten bijzonder belangrijk zijn. In dit verband wil ik wijzen op paragraaf 20, betreffende de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie, of op paragraaf 65, waarin een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen commerciële diensten en overheidsdiensten.

Als daarnaast in het verslag-Caspary onze amendementen 43 en 52 zouden worden overgenomen, zouden wij ons daarmee veel sterker richten op wat wij nastreven. Maar ook zoals het nu is, levert het verslag naar mijn idee een positieve bijdrage.

Als lid van de Commissie constitutionele zaken wil ik tevens de hoop uitspreken dat de Raad instemt met de uitvoering van datgene waarin de Grondwet, die nu bekrachtigd of gewijzigd wordt, voorziet, namelijk dat het Parlement de mogelijkheid wordt gegeven om niet alleen instemming te verlenen met, maar ook betrokken te worden bij het mandaat en de follow-up van de onderhandelingen. Dan zal er sprake zijn van een volwaardige vertegenwoordiging van de burgers op een terrein dat per slot van rekening duidelijk van invloed is op hun dagelijks leven.

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, in het kader van dit debat zou ik drie punten onder de aandacht willen brengen.

Het verslag dat we vandaag behandelen, gaat over de ontwikkeling van de handel. Eerst en vooral zou ik erop willen wijzen dat dit geen doel op zich mag zijn. De ontwikkeling van de handel moet bekeken worden in het licht van het effect ervan op de economische groei - onder andere voor de Europese productie - en van de gevolgen ervan voor de ontwikkelingen op de Europese arbeidsmarkt en voor de evenwichtige groei van de hele Europese Unie.

Ten tweede zijn de in het verslag opgenomen opmerkingen over open markten correct, op voorwaarde dat ze gebaseerd zijn op het beginsel van wederkerigheid en dat er rekening wordt gehouden met de beginselen van eerlijke mededinging. De Europese Unie stelt haar markt vaak open in omstandigheden waarin haar buitenlandse partners geenszins van plan zijn om zich aan het wederkerigheidsbeginsel te houden en nog veel minder aan eerlijke mededingingsregels.

Ten derde is het van fundamenteel belang dat deze beginselen worden nageleefd met betrekking tot de handel in voedingswaren. Sommige partners van de Europese Unie handelen in strijd met de beginselen van eerlijke mededinging. Dat heeft er onder andere toe geleid dat de Europese landbouwproductie in tal van domeinen aan banden is gelegd. In sommige gevallen werd de productie zelfs volledig stopgezet. Het zal bijzonder moeilijk - en misschien zelfs onmogelijk - zijn voor Europa om deze activiteiten in de toekomst opnieuw op te starten, in een situatie waarin de prijzen door de buitenlandse partners zullen worden bepaald.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag drie dingen zeggen. Om te beginnen wil ik de heer Caspary bedanken voor het uitstekende verslag dat hij heeft afgeleverd en hem gelukwensen met het feit dat hij een goede, liberale vrijhandelskoers heeft gevolgd.

Ten tweede wilde ik opmerken dat ik voorstander ben van vrije handel en multilateralisme. Ik heb echter begrepen dat we in de huidige Doha-ronde een aantal maatregelen moeten nemen in de bilaterale sfeer, waar we misschien niet blij mee zijn, maar waar we niet onderuit kunnen.

Ik wil de heer Mandelson graag zeggen dat het heel goed is dat hij ons promoot als een supermacht op handelsgebied. Wij nemen, net als de Verenigde Staten, ruim twintig procent van de wereldhandel voor onze rekening. Als wij handelsbesprekingen voeren, wordt er geluisterd, en daarom is het erg belangrijk om een evenwicht te zoeken tussen vrije handel en protectionisme.

Ik sta enigszins aarzelend tegenover het handelsbeschermende instrument op zich - ik draag bijvoorbeeld graag Chinese tennisschoenen! - en daarom vraag ik de commissaris om daar voorzichtig mee te zijn en niet te overdrijven. We willen geen Europese Colbert-staat worden.

Mijn laatste opmerking betreft de globalisering en met name de manier waarop die wordt gehekeld. Ik word er triest van als ik naar figuren als Jean-Marie Le Pen luister - ook al doe ik dat niet vaak. Het lijkt wel alsof globalisering overal de zondebok van is geworden: al het slechte komt door de globalisering en al het goede is de verdienste van de lidstaat zelf. Dit is geen goede benadering. Ik wil echt niet dat de Europese Unie een moderne Colbert wordt, met andere woorden een mercantilist, die wel zelf wil exporteren, maar de import van elders wil tegenhouden. Maar daar is het ons niet om te doen. Het gaat ons in principe om het vrije verkeer van goederen, diensten, personen en geld, en ook dat moeten we wereldwijd promoten.

 
  
MPphoto
 
 

  Kader Arif (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil graag wijzen op enkele fundamentele beginselen en mijn bezorgdheid uiten ten aanzien van de nieuwe handelsstrategie die de Commissie vandaag bepleit en die onze collega, de heer Caspary, in zijn verslag heeft overgenomen.

Het eerste beginsel is dat wij steeds prioriteit moeten geven aan het multilateralisme. Wij weten dat de excessieve proliferatie van bilaterale overeenkomsten het gereguleerde multilaterale bouwwerk, waarvan wij voorstander zijn, ernstig in gevaar brengt. Het tweede beginsel is dat wij het engagement van de Unie voor een handelsbeleid dat de ontwikkeling bevordert, voor een beleid dat niet-commerciële dimensies zoals waardige arbeidsnormen, toegang tot geneesmiddelen, milieu en uitroeiing van de armoede integreert, niet mogen ondermijnen.

Mijn bezorgdheid heeft betrekking op drie punten. Het eerste is dat ontwikkeling - in het teken waarvan de Doha-ronde aanvankelijk was gesteld - geen prioriteit meer heeft in de toekomstige vrijhandelsovereenkomsten en in de nieuwe handelsagenda van de EU, hoewel de doelstellingen van het EU-handelsbeleid altijd compatibel zouden moeten zijn met haar ontwikkelingsbeleid en dit op een nuttige wijze zouden moeten aanvullen, met name ten aanzien van sociale en milieukwesties.

Mijn tweede punt van bezorgdheid is het toepassingsgebied van deze overeenkomsten, die veel verder gaan dan de huidige voorschriften van de WTO. Het beginsel van volledige wederkerigheid waaraan wij voorrang proberen te geven, ook voor opkomende landen die geconfronteerd worden met grote armoede, is bijvoorbeeld onaanvaardbaar. Wij moeten ontwikkelingslanden in staat stellen de kwetsbare en gevoelige sectoren van hun economieën tijdelijk te beschermen. Kortom, wij mogen anderen niet opleggen wat wij onszelf niet kunnen opleggen.

Mijn laatste zorg ten slotte betreft de voorstellen voor de onderhandelingen over de zogenaamde Singapore-thema’s. Deze zeer controversiële kwesties zijn na massaal verzet van de ontwikkelings- en opkomende landen uitgesloten van de Doha-ronde. Die controverse heeft reeds eerder geleid tot het mislukken van Cancún.

Wij weten dat door deze ingewikkelde kwesties zowel voor de Unie als voor onze partners heikele vragen worden opwerpen, vragen die verband houden met het binnenlands beleid, en derhalve met de soevereiniteit van de lidstaten. Deze kwesties zouden bovendien verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de sociaal-economische modellen en derhalve voor de ontwikkeling van onze partners.

Het is van essentieel belang dat de Unie niet erop aandringt dat ook over deze kwesties wordt onderhandeld. Niets kan rechtvaardigen dat datgene wat in een multilaterale ronde ter zijde is geschoven, door het achterdeurtje van een bilaterale overeenkomst weer binnenkomt. Op het spel staan hier onze consistentie, onze geloofwaardigheid en een bepaald ontwikkelingsmodel dat wij steeds hebben proberen te bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mijn waardering uitspreken voor al het werk dat de heer Caspary in dit verslag heeft gestoken. Zoals commissaris Mandelson terecht opmerkte, is het dit jaar onze prioriteit om de multilaterale Doha-ontwikkelingsronde af te ronden. Daarnaast vinden er aanvullende onderhandelingen plaats over bilaterale vrijhandelsovereenkomsten met Zuid-Korea, de ASEAN-landen en India.

Met het verslag van de heer Caspary beschikken we over een kader waarbinnen we tijdens de onderhandelingen moeten trachten te opereren, niet omwille van de heer Caspary, maar omwille van onze commissie. Het verslag bevat echter enkele tegenstrijdigheden. Het is inderdaad, zoals de heer Helmer zei, schizofreen te noemen.

Sommige leden van mijn fractie beklagen zich over het feit dat het verslag niet ontwikkelingsvriendelijk is. Ik weet niet of dat ook wel de bedoeling was, aangezien er onderhandelingen op stapel staan met landen als Singapore en Zuid-Korea, Thailand en India, landen die niet meer tot de categorie van onderontwikkelde landen behoren. Wat de ASEAN-landen betreft, vallen Laos en Cambodja onder het “Alles behalve wapens”-beleid van de EU en genieten daarom een zekere mate van bescherming.

Ik ben blij met paragraaf 30 van het verslag, aangezien hierin rekening wordt gehouden met de belangen van de kleinste en zwakste landen. Ik ben ook erg blij met paragraaf 32, waarin wordt opgeroepen om de IAO-normen voor arbeidsomstandigheden op te nemen in toekomstige vrijhandelsovereenkomsten.

Ik kan me wel enigszins vinden in de opmerkingen van de heer Kamall over audiovisuele diensten, maar ik moet zeggen dat de privatisering van de gezondheidszorg, het onderwijs en de drinkwater- en energievoorziening niet zozeer de arme mensen in de ontwikkelingslanden helpt, maar vooral de rijke minderheid van de bevolking.

Ik ben blij met paragraaf 33, waarmee het gemakkelijker wordt gemaakt om vrijhandelsovereenkomsten op te schorten als ze niet worden nagekomen, met name met betrekking tot de sociale clausules. Voor een aantal leden van de PSE-Fractie is paragraaf 29 de paragraaf die alles kapot maakt. Hierin wordt aangedrongen op een verstrekkende liberalisering van diensten. Mijn fractie is gisteren bijeengekomen en we hebben met een kleine meerderheid besloten dat we dit verslag niet kunnen steunen als hierin deze paragraaf en paragrafen van soortgelijke strekking voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Mandelson, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, we hebben enkele zeer ter zake kundige en zinnige bijdragen aan dit debat gehoord. Ik vind ze erg waardevol en bedank de sprekers van harte.

Ik geloof dat de geest - en misschien niet elke letter - van mijn eigen benadering en die van het verslag van de heer Caspary goed werd verwoord door de heer Fjellner toen hij zei dat vrije handel de welvaart bevordert en protectionisme de armoede. Globaal gesproken denk ik dat dat juist is, maar ik zou zeggen dat vrije handel een noodzakelijk maar ontoereikend middel is om de economische ontwikkeling in de armere landen van de wereld te stimuleren en de armoede te bestrijden.

Ik ben het eens met sprekers zoals de heer Désir, die willen dat de Commissie ten opzichte van ontwikkelingslanden het beginsel van evenredige wederkerigheid hanteert. Daar ben ik het mee eens, en in mijn aanpak houd ik rekening met het vermogen van de economieën van die ontwikkelingslanden. De EU vraagt van haar handelspartners niet meer dan zij op grond van hun ontwikkelingsniveau kunnen, maar, zoals anderen al zeiden, kan het soort economieën dat vrijhandelsovereenkomsten met ons wil sluiten - Korea, de ASEAN-landen, India - eigenlijk niet tot de minst ontwikkelde landen ter wereld worden gerekend.

De heer Arif noemde, net als de heer Désir, de zogenaamde Singapore-thema’s. Het enige wat ik in dat verband kan zeggen is dit: als partnerlanden besluiten dat ze deze kwesties bilateraal met de Europese Unie willen bespreken, om op die manier hun eigen ontwikkeling en economische mogelijkheden te bevorderen, waarom zou dat dan niet mogen? Ik geloof niet dat wij in Europa ontwikkelingslanden en opkomende economieën moeten vertellen dat zij geen kwesties aan de orde mogen stellen als investeren, concurreren en transparantie in overheidsaanbestedingen.

Een of twee afgevaardigden noemden de kwestie van handelsbescherming. De heer Caspary deed dat in het begin en daarna ook de heer Guardans Cambó en mevrouw Saïfi. Ik pieker er niet over om af te zien van het recht van Europa om een beroep te doen op antidumpingmaatregelen. Handelsbeschermende instrumenten zijn een essentieel middel om voor vrije handel te zorgen daar waar sprake is van met subsidies geproduceerde goederen of prijsbeïnvloeding. Dat moet natuurlijk niet worden verward met de gebruikelijke handelsvoordelen die veel ontwikkelingslanden krijgen. De handelsbeschermende instrumenten zijn niet bedoeld om de Europese handel te beschermen tegen dit soort eerlijke concurrentie.

Het klopt dat ik af en toe wel eens in botsing kom met mensen die handelsbeschermende instrumenten willen gebruiken uit angst voor concurrentie en niet omdat ze eerlijk willen concurreren. Ik denk evenwel dat we er met een periodieke herziening voor kunnen zorgen dat het vertrouwen van de burger in deze instrumenten behouden blijft en dat deze instrumenten zo nodig kunnen worden aangepast aan de veranderende wereld. Meer doen we niet.

Ik wil graag even ingaan op enkele opmerkingen. Ik sta sympathiek tegenover het standpunt van de heer Kamall ten aanzien van de liberalisering van diensten. Ja, we zullen tijdens onze onderhandelingen over bilaterale vrijhandelsovereenkomsten aandacht schenken aan het openen van de dienstenmarkt, maar daarbij behouden onze partners het recht om hun dienstensector te reguleren en om te bepalen of ze de sectoren van de openbare diensten wel of niet willen openen. Dat moeten ze zelf beslissen. Dat kunnen wij niet opleggen.

Ik ben ook blij dat enkele afgevaardigden de aandacht hebben gevestigd op de arbeidsvoorwaarden, sociale voorwaarden en milieuvoorwaarden die van toepassing zijn onder onze handelspartners. Ik ben er vast van overtuigd dat duurzame ontwikkeling - iets wat van invloed is op al deze voorwaarden - eveneens een overkoepelende doelstelling voor het handelsbeleid moet zijn. Eén kwestie op handels- en milieugebied, waarvoor we tijdens de Doha-besprekingen erg ons best hebben gedaan, maar waartegen een aantal landen zich heeft verzet, betreft de vermindering van de rechten op milieugoederen. Veel milieuproblemen zouden hierdoor kunnen worden opgelost. In toekomstige vrijhandelsovereenkomsten zullen we ook toezeggingen blijven opnemen ten aanzien van arbeidsnormen.

De geachte afgevaardigden weten waarschijnlijk wel dat we met de kwestie van deze voorwaarden op verzet bij onze onderhandelingspartners zijn gestuit. Zij zien deze niet als een manier om de normen op te krikken, maar als een middel voor de ontwikkelde landen om met nieuwe excuses te komen om hun markt gesloten te houden voor de goederen en diensten die de ontwikkelingslanden exporteren. Daarom is het belangrijk dat we hierin een goed evenwicht vinden, en ik geloof stellig dat we bij deze kwesties zoveel mogelijk door middel van stimulansen en niet door sancties druk moeten uitoefenen.

De heer Markov en mevrouw Mann stipten allebei de rol van het Europees Parlement aan. Ik hecht groot belang aan een nauwe samenwerking met het Europees Parlement, in de context van ons kaderakkoord. Waar mogelijk breiden we onze samenwerking met het Parlement op het gebied van handelskwesties uit. Daarom hebben we het Parlement ook op een volkomen transparante manier ingelicht over de onderhandelingsrichtsnoeren.

Ik wil graag even kort ingaan op iets wat de heer Papastamkos zei. Hij refereerde aan ons streven naar een nulheffing voor een afgesproken lijst van milieugoederen. Ik ben van mening en ga ermee akkoord dat we een manier moeten zien te vinden om het “free rider”-probleem met betrekking tot klimaatvriendelijke beleidsmaatregelen en in verband met het Protocol van Kyoto aan te pakken. Dit wordt op lange termijn een steeds belangrijkere factor in het debat over klimaatverandering. Ik vind het voorbarig om aan een koolstofheffing te denken. Volgens mij zitten daar talloze praktische en juridische haken en ogen aan. We moeten oppassen dat de klimaatvriendelijke beleidsmaatregelen en instrumenten die we eventueel in de toekomst ontwikkelen, geen protectionistische instrumenten worden. Ik ben het er echter volledig mee eens dat het moment gekomen is om zorgvuldig naar deze kwesties kijken, aangezien ze op termijn steeds relevanter worden.

Ik dank alle geachte afgevaardigden die het woord hebben gevoerd en zo'n goede bijdrage aan dit debat hebben geleverd. Ik kijk uit naar een voortzetting van de krachtige samenwerking tussen dit Parlement en mij en mijn diensten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt vandaag om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Edit Herczog (PSE), schriftelijk. - (HU) Graag feliciteer ik de rapporteur, en ik ben in het bijzonder verheugd over de effectieve bijdrage van mijn collega Elisa Ferreira. Europa neemt een tweevoudig standpunt in ten aanzien van de globalisering. Enerzijds zijn wij de meest actieve en geëngageerde ondersteuners van de ontwikkelingslanden, aangezien wij geloven in de waarden van de democratie en de maatschappelijke en economische groei, maar anderzijds zijn wij, zodra de ontwikkelingslanden uitgroeien tot onze concurrenten, bang voor ze en vrezen we voor onze eigen rijkdom en welvaart. Het is noch binnen de EU noch ten opzichte van derde landen te verkopen dat de arme partij alleen een partner is zolang hij arm blijft.

We mogen niet vergeten dat in Europa de sociale verworvenheden werden opgebouwd op economische opleving, en niet andersom. Daarom kunnen we ook van onze partners alleen verwachten dat ze economische en sociale welvaart bereiken als we hen in staat stellen om rijker te worden en als wij hen daarbij helpen. Ze kunnen echter alleen rijker worden op markten met een grote koopkracht, dus in ontwikkelde landen, zoals Europa. Als we onze markt voor deze landen sluiten, staan we hun groei in de weg.

Daardoor hoeven we onszelf nog geen groei te ontzeggen. We moeten alleen begrijpen dat we niet in alles concurrerender kunnen zijn dan alle anderen. Binnen de kaders van de huidige wereldeconomie kunnen we uitblinken door onze technologische vooruitgang, ons milieubewustzijn, onze intellectuele producten en diensten en onze innovatieve capaciteiten, en we zullen ons eigen concurrentievermogen dan ook moeten baseren op deze facetten.

In de wereldwijde concurrentiestrijd moet Europa voor ogen houden dat ganzen de beste vogels zijn: ze kunnen zingen, zwemmen, rennen en vliegen. Ze zijn niet in alles de beste, maar nemen op alle terreinen een sterke positie in. Daar zouden wij een voorbeeld aan kunnen nemen.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid