Index 
Debatten
PDF 1159k
Woensdag 6 juni 2007 - Brussel Uitgave PB
1. Hervatting van de zitting (debat)
 2. Mededelingen van de Voorzitter (samenstelling Parlement; ETA)
 3. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 4. Agenda: zie notulen
 5. Ingekomen stukken: zie notulen
 6. Mondelinge vragen en schriftelijke verklaringen (indiening): zie notulen
 7. Schriftelijke verklaringen (artikel 116): zie notulen
 8. Verzoek om verdediging van de immuniteit: zie notulen
 9. Aan de resoluties van het Parlement gegeven gevolg: zie notulen
 10. Van de Raad ontvangen verdragsteksten: zie notulen
 11. Besluiten inzake bepaalde documenten: zie notulen
 12. Stappenplan voor het grondwettelijke proces van de Unie (debat)
 13. Midden-Oosten (debat)
 14. VN-Raad voor de mensenrechten (debat)
 15. Beheer van de maritieme grenzen van Europa - Solidariteit en bescherming van de rechten van migranten (debat)
 16. Verdrag van Prüm: intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit - Visuminformatiesysteem (VIS) - Toegang tot en raadpleging van het visuminformatiesysteem (VIS) - Bescherming van persoonsgegevens (debat)
 17. Welkomstwoord
 18. Verdrag van Prüm: intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit - Visuminformatiesysteem (VIS) - Toegang tot en raadpleging van het visuminformatiesysteem (VIS) - Bescherming van persoonsgegevens (voortzetting van het debat)
 19. Spreektijd van één minuut (artikel 144 van het Reglement)
 20. Sociaal statuut van kunstenaars (debat)
 21. Kabeljauwbestanden in de Oostzee (debat)
 22. Raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor 2008 (debat)
 23. Specifieke voorschriften voor de sector groenten en fruit (debat)
 24. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 25. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 26. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: HANS-GERT POETTERING
Voorzitter

(De vergadering wordt om 15.00 uur geopend)

 
1. Hervatting van de zitting (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Ik verklaar de zitting van het Europees Parlement, die op donderdag 24 mei 2007 werd onderbroken, te zijn hervat.

 

2. Mededelingen van de Voorzitter (samenstelling Parlement; ETA)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dames en heren, het is mij een groot genoegen om vandaag achttien afgevaardigden te mogen verwelkomen die in Bulgarije zijn verkozen in de eerste rechtstreekse verkiezingen aldaar voor het Europees Parlement.

(Applaus)

Op 20 mei 2007 hebben de burgers van Bulgarije in een democratisch proces hun afgevaardigden in het Europees Parlement gekozen. Dit was een belangrijke dag voor Bulgarije, dat op 1 januari van dit jaar tot de Europese Unie is toegetreden. Daarmee is, nadat in het land het communisme overwonnen werd, de opname van Bulgarije in de Europese familie voltooid.

Het heeft meer dan zestig jaar geduurd voordat Bulgarije opnieuw aansluiting vond bij het vrije Europa en ons continent herenigd werd. Bulgarije is een land met een oeroude cultuur, dat gelegen is op een kruispunt tussen Oost en West. Naar men zegt is hier in het jaar 681 een van de oudste staten van Europa gesticht. Bulgarije is het land van Orpheus en Eurydice, het land van de Thraciërs en van Dionysus. Bulgarije brengt een rijk cultureel en intellectueel erfgoed mee en zal bijdragen aan de wederzijdse verrijking van de Europese Unie en Bulgarije.

Wij zijn Bulgarije en in het bijzonder de mensen daar dank verschuldigd voor hun inspanningen en bereidheid tot hervormingen van de afgelopen jaren. Er werd grote vooruitgang geboekt en vele hervormingen werden in betrekkelijk korte tijd doorgevoerd. Nu is het ook aan onze nieuwe collega’s om ervoor te zorgen dat de verdere hervormingen die noodzakelijk zijn met dezelfde vastberadenheid ten uitvoer worden gelegd.

Ik hoop dat u zich snel en met succes zult inwerken in de activiteiten van het Europees Parlement, zodat u in staat zult zijn om met uw werk en inzet een constructieve bijdrage te leveren, ten bate van uw kiezers en van Europa. U zult de stem van de Bulgaarse burgers zijn in het Europees Parlement en hier hun belangen behartigen. Laten we gezamenlijk werken aan de verdere ontwikkeling van ons gezamenlijke Europa.

(Applaus)

Dames en heren, in overleg met de fractievoorzitters en het gehele Europees Parlement - en ik zeg dit ook omdat ik mevrouw Dührkop Dührkop in ons midden zie - wil ik de volgende verklaring afgeven namens het Europees Parlement:

De terreurorganisatie ETA heeft de zogenaamde wapenstilstand, die op 22 maart 2006 werd ingesteld, als beëindigd verklaard. In deze moeilijke tijden wil ik mijn solidariteit betuigen met het gehele Spaanse volk en zijn democratische instellingen. Het Europees Parlement veroordeelt stellig het gebruik van geweld als middel om ongeacht welk doel te bereiken. Vandaag doen wij als Europees Parlement meer dan ook een beroep op alle lidstaten om de Spaanse autoriteiten krachtig te ondersteunen in hun strijd tegen de terreur, in een strijd die slechts op basis van de beginselen van de rechtsstaat, met volledige toepassing van de wet en met sterke democratische instellingen kan worden gevoerd.

Onze gedachten zijn op dit moment bij de slachtoffers van het terrorisme. Wij leven met hen mee en zijn solidair met hen.

(Applaus)

 

3. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

4. Agenda: zie notulen
MPphoto
 
 

  Sophia in ’t Veld (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb een kort verzoek aan u als Voorzitter van dit Parlement. Ik wil graag dat u de burgemeester van Moskou, de heer Loezjkov, om een toelichting vraagt in verband met de behandeling die twee afgevaardigden van dit Parlement - de heer Cappato en ondergetekende -, een lid van de Duitse Bondsdag, de heer Volker Beck, en een lid van het Italiaans parlement, mevrouw Vladimir Luxuria, op 27 mei ten deel viel.

In het kader van een vreedzame actie voor gelijke rechten van homoseksuelen wilden wij de burgemeester van Moskou een brief overhandigen die door bijna vijftig afgevaardigden van dit Parlement was ondertekend. De heer Cappato, de heer Beck en een medewerker van de ALDE-Fractie werden daarbij fel aangevallen door hooligans en vervolgens door de Russische politie gearresteerd. Twee van de Russische activisten die toen ook waren gearresteerd, zijn hier vandaag aanwezig: de heer Nikolaj Aleksejev en de heer Nikolaj Khramov. De politie heeft daarnaast mevrouw Luxuria en mijzelf niet adequaat tegen een boze menigte kunnen beschermen en heeft lijdzaam toegekeken toen andere activisten in elkaar werden geslagen door misdadigers, skinheads en zelfs priesters.

Wij waren als Parlementsleden bij geen enkele illegale activiteit betrokken en hadden verwacht dat de Russische autoriteiten ons tegen gewelddadige criminelen zouden beschermen en zeker niet dat zij ons op dubieuze gronden zouden arresteren. Vrijheid van vergadering is een van de grondrechten, en dat recht dient ook door Rusland gerespecteerd te worden. Rusland is immers lid van de Raad van Europa en vandaag ook aanwezig op de G8-top.

Mijnheer de Voorzitter, ik vertrouw erop dat u de heer Loezjkov en de heer Poetin om nadere uitleg zal vragen over de wijze waarop leden van dit Parlement behandeld zijn.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Hartelijk dank, mevrouw in 't Veld. Wij zullen het nodige doen om de door u voorgestelde maatregelen te treffen. Ik betuig u onze solidariteit.

 

5. Ingekomen stukken: zie notulen

6. Mondelinge vragen en schriftelijke verklaringen (indiening): zie notulen

7. Schriftelijke verklaringen (artikel 116): zie notulen

8. Verzoek om verdediging van de immuniteit: zie notulen

9. Aan de resoluties van het Parlement gegeven gevolg: zie notulen

10. Van de Raad ontvangen verdragsteksten: zie notulen

11. Besluiten inzake bepaalde documenten: zie notulen

12. Stappenplan voor het grondwettelijke proces van de Unie (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0197/2007) van Enrique Barón Crespo en Elmar Brok, namens de Commissie constitutionele zaken, over het stappenplan voor het grondwettelijke proces van de Unie [2007/2087(INI)].

 
  
MPphoto
 
 

  Enrique Barón Crespo (PSE), rapporteur. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil het gezamenlijke verslag presenteren dat is opgesteld door de heer Brok en mijzelf. Wij zijn afgevaardigden uit twee verschillende landen en komen uit twee verschillende fracties maar herbevestigen dat dit Parlement het Grondwettelijk Verdrag vooruit wil helpen, opdat onze Europese Unie, zo direct na de Verklaring van Berlijn ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag, aanzienlijk wordt versterkt.

In essentie zeggen is dat we voor het eerst, door middel van een openbaar debat, samen een Grondwettelijk Verdrag hebben opgesteld. Dat Verdrag werd in oktober 2004 in Rome ondertekend en is op dit moment geratificeerd door tweederde van de lidstaten, door achttien lidstaten. Daarnaast zijn er nog eens vier lidstaten die hebben verklaard bereid te zijn om het te ratificeren, twee lidstaten waarvan de bevolking in referenda met meerderheid tegen het Grondwettelijk Verdrag heeft gestemd, en drie lidstaten die zich nog niet over het Grondwettelijk Verdrag hebben uitgesproken.

Wij zijn van mening dat we na de denkpauze ons werk moeten hervatten. Ons voorstel houdt in essentie in dat we het voornemen van het Duitse voorzitterschap steunen om tijdens de komende Europese Raad een Intergouvernementele Conferentie bijeen te roepen, die aan de hand van een duidelijk en precies mandaat, op basis van de huidige Verdragen, van het Grondwettelijk Verdrag, overeenstemming moet zien te bereiken, zodat we ons werk samen kunnen voortzetten.

Als degenen die van meet af aan gecommitteerd waren aan het Grondwettelijk Verdrag, zijn wij van mening dat het Verdrag uit twee delen bestaat: een door de Conventie opgesteld deel dat wordt gevormd door de Delen I, II en IV, en daarnaast Deel III, dat voornamelijk een overneming en herschikking is van de huidige Verdragen en waarin - en dit is belangrijk voor het Europees Parlement - het aantal rechtsgrondslagen voor medebeslissing wordt uitgebreid van dertig naar zevenentachtig.

Hier kunnen wij ons inziens tot een formule komen waarmee wij echt vooruit kunnen.

Wij mogen echter niet vergeten dat er een nuttige denkpauze is geweest, dat we niet onder een glazen stolp leven maar in de echte wereld, en daarom zijn er verder nog actuele kwesties - klimaatverandering, energiesolidariteit, immigratie, de aanpassing van ons sociale model aan de dalende demografische trend en de globalisering, de strijd tegen het internationale terrorisme, de dialoog tussen beschavingen en de versterking van het economisch bestuur in de eurozone - die ons de kans geven om antwoorden te vinden op de zorgen van de burgers en om hun levens te verrijken.

Dat is in essentie onze boodschap. Wij denken - en dat is een duidelijk boodschap aan het adres van de Raad - dat er na de Conventie niet achter gesloten deuren over het lot van Europa mag worden beslist.

We hebben al een stap gezet door een politiek debat te houden.

(Applaus)

Daarom, mijnheer de Voorzitter, dames en heren, vragen wij - en ik hoop dat de Voorzitter zich voor ons zal inzetten, zoals hij dat op dit gebied altijd heeft gedaan - om een actieve rol in de Intergouvernementele Conferentie. Wij stellen formules voor waarmee gewaarborgd wordt dat het Europees Parlement volledig op de hoogte wordt gehouden van datgene wat de Raad en de Commissie - die wij vragen om zeer actief te zijn - en ook de regeringen doen en denken om vooruitgang te boeken. Op dit moment denken wij, mijnheer de Voorzitter, dat het belangrijk is om niet alleen een boodschap van hoop uit te zenden, maar ook - om een oude uitdrukking te gebruiken - ‘al lopende het pad te vinden’ en samen verder te gaan. Dat verwachten onze burgers immers van ons. Dat is wat we zijn overeengekomen, en dat is ook onze plicht, niet alleen tegenover onszelf, maar ook tegenover de rest van de mensheid. We werken in Europa immers aan de eerste supranationale democratie ter wereld, gebaseerd op staten en mensen., die ons Europeanen vrede en welvaart heeft gebracht - dat hebben we in maart nog gevierd -, maar waarmee we ook een rol als democratische voorhoede moeten kunnen vervullen, met de blik gericht op de toekomst van de mensheid.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vice-voorzitter van de Commissie, dames en heren, ik hoef niet meer te herhalen wat de heer Barón Crespo al heeft gezegd, omdat ik dat woord voor woord onderschrijf.

Zoals ook in de Verklaring van Berlijn wordt vastgesteld, is het aan de Europese Unie te danken dat Europa - om te beginnen in het westelijk deel - de meest vreedzame, liberale, sociale en economisch succesvolle tijd heeft beleefd in de gehele geschiedenis van dit continent. Na de gebeurtenissen van 1989 en de uitbreiding van de Europese Unie in 2004 en 2007 hebben wij nu de geweldige kans om dit ook voor de rest van het continent te verwezenlijken. Het doel van het Grondwettelijk Verdrag is ervoor te zorgen dat ook de Unie van de Zevenentwintig in het genot komt van deze verworvenheden. Dit succesverhaal mag niet in gevaar worden gebracht. De zevenentwintig landen moeten slagvaardig en gelijkwaardig zijn, en wij moeten voorkomen dat Europa opnieuw uiteenvalt in verschillende groepen.

Wij moeten dit ook zien in het licht van de uitdagingen waarvoor wij ons gesteld zien, uitdagingen die geen van onze nationale staten op eigen kracht het hoofd kan bieden: de globalisering en de daaruit voortvloeiende economische en maatschappelijke gevolgen, de strijd tegen de terreur, en de ontwikkeling van ons buitenlands en veiligheidsbeleid. Wij weten weliswaar dat energie, en dus continue energievoorziening, op dit moment niet tot de bevoegdheden van de Europese Unie behoort, maar we weten eveneens dat het hierbij gaat om de continue voorziening van alle lidstaten, en dat wij op dit gebied dus slagvaardig moeten zijn. Ook de kwestie van de Europese minister van Buitenlandse Zaken moet worden aangesneden. Wij hebben een verdragsorganisatie nodig die dankzij haar ene rechtspersoonlijkheid ook slagvaardig naar buiten toe kan optreden. Deze substantiële vraagstukken van het Grondwettelijk Verdrag zijn doorslaggevend als wij niet alleen, zoals in het verleden, oorlog in Europa willen kunnen voorkomen, maar ook, in het belang van onze burgers en volkeren, slagvaardiger willen worden op de terreinen waarop de nationale staat het op eigen houtje niet beter kan.

Dit alles dient op een transparante, democratische wijze te gebeuren als wij de legitimering door de burgers willen waarborgen. Doeltreffendheid, transparantie, democratie en burgerrechten zijn onmisbare bestanddelen van de regeling die gedurende de Top en de Intergouvernementele Conferentie moet worden vastgesteld. Wij moeten duidelijk maken er een redelijk evenwicht moet zijn tussen de instellingen en in de betrekkingen tot de nationale parlementen, die immers juist in het kader van de subsidiariteit een belangrijkere rol dienen te spelen. Wij moeten duidelijk maken dat de Europese Unie weliswaar geen staat is en ook geen staat wil worden, maar wel voldoende slagvaardig moet worden op de terreinen waarvan de lidstaten zeggen dat gemeenschappelijk optreden beter is.

Daartoe behoort ook dat wij de identiteit van onze volkeren in de toekomst aanvaarden en bevorderen. Europa komt niet in de plaats van de nationale staten, maar is een gemeenschappelijke organisatie die tot doel heeft de nationale staten samen sterker te maken. Dat dient het uitgangspunt te zijn. Daarbij moeten wij ook uitgaan van de gelijkwaardigheid van grote en kleine, arme en rijke landen in deze Europese Unie. Vandaar ook dat het dubbele stemrecht zo belangrijk is, op grond waarvan ieder land een stem heeft, of het nu groot is of klein.

Het is echter ook noodzakelijk dat wij oog hebben voor de verdeling van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden, en daarmee ook voor het subsidiariteitsbeginsel en de uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid. Wij kunnen het terrorisme en de georganiseerde misdaad niet succesvol bestrijden als wij op de noodzakelijke terreinen, zoals binnenlands beleid, geen stemming bij gekwalificeerde meerderheid krijgen.

Ik ben echter ook van mening dat dit Europa op waarden dient te berusten. In de ogen van het Europees Parlement maakt het Handvest van de grondrechten daarvan een belangrijk deel uit.

(Applaus)

Wij moeten dit alles invoegen, en daarom zijn de rechtspersoonlijkheid en het verwijderen van de pijlerstructuur ook zo belangrijk. Het succesverhaal van de Europese Unie is gegrondvest op het feit dat wij op de terreinen waarop wij bevoegdheden bezitten een rechtsorde zijn en de Monnet-methode hanteren. De intergouvernementele benadering heeft nooit gewerkt. De Europese Vrijhandelsassociatie is mislukt, maar de Europese Unie is geslaagd, omdat wij de Monnet-methode hebben. Daarom mogen wij nu niet terugvallen in methoden die in het verleden zijn mislukt.

Daarom verdient het Duitse voorzitterschap ook onze steun. Wij moeten voor het nodige inhoudelijk gewicht zorgen en alle zevenentwintig volkeren voor dit doel winnen, zodat dit een Intergouvernementele Conferentie wordt met een duidelijk, vastomlijnd mandaat. De inhoud van het Grondwettelijk Verdrag moet gewaarborgd zijn, zodat alleen op basis van dit Grondwettelijk Verdrag wordt onderhandeld. Ook dient het Grondwettelijk Verdrag voor de volgende verkiezing van het Europees Parlement van kracht te zijn, zodat de burgers met hun nieuwe rechten aan de slag kunnen en voortaan bij de Europese Verkiezingen zelf kunnen bepalen wie de nieuwe voorzitter van de Commissie wordt. Dit draagt in beslissende mate bij aan de versterking van de positie van de burger. De Commissie constitutionele zaken heeft zich met grote meerderheid achter deze strategie geschaard, en ik wil het Parlement verzoeken deze eveneens te steunen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Ik dank de heren Barón Crespo en Brok van harte. Het is mooi om te zien met welk een jeugdig enthousiasme u naar onze gemeenschappelijke toekomst kijkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, vice-voorzitter van de Commissie Wallström, dames en heren, staat u mij toe om te spreken niet over de leeftijd van beide rapporteurs maar over de inhoud van hun redevoeringen. Ik wil het Voorzitterschap, de heer Barón Crespo en ook de heer Brok hartelijk danken voor het stappenplan waarin u het verdere verloop van de discussies over het grondwettelijk proces uiteenzet.

Met de conclusies wordt belangrijke steun gegeven aan het verdere optreden van het voorzitterschap van de Raad in de aanloop naar de top in juni. De steun van het Europees Parlement is eveneens van essentieel belang voor het welslagen van de top, en het is belangrijk dat het Europees Parlement volledig wordt betrokken bij de hervorming van het Verdrag. Zoals u opmerkte, dient het Europees Parlement dan ook op passende wijze te worden betrokken bij de aanstaande Intergouvernementele Conferentie.

Mijnheer de Voorzitter, ik wil nogmaals mijn hartelijke dank uitspreken voor de goede samenwerking. Deze goede samenwerking vindt ook haar weerslag in het vandaag gepresenteerde verslag, dat ik als evenwichtig beschouw omdat het de noodzakelijke balans bewaart tussen een ambitieus resultaat voor de Europese Unie en de in deze kwestie noodzakelijke dosis realisme.

Wij kunnen en willen de uitspraak in het referendum van de Franse en Nederlandse bevolking niet naast ons neerleggen, maar tegelijkertijd wil de meerderheid van de lidstaten vasthouden aan de inhoud van dit Verdrag. Daarom wil ik op dit punt ook nogmaals de bijzondere rol van het Duitse voorzitterschap onderstrepen. Wij vervullen een bemiddelende rol. Wij willen een resultaat dat aanvaardbaar is voor alle lidstaten, maar uiteraard ook voor het Europees Parlement. We moeten rekening houden met de discussie die sinds de negatieve uitkomst van de referenda heeft plaatsgevonden, en niet alleen in Nederland en Frankrijk.

Wij moeten de bezorgdheid van de mensen serieus nemen, maar tegelijkertijd blijkt ook uit de discussie dat er talrijke terreinen zijn waarop de burgers van Europa meer invloed van de Europese Unie wensen. In dit verband wordt er de afgelopen tijd niet alleen intensief gediscussieerd over de onderwerpen klimaat en energie, maar ook over het gemeenschappelijk buitenlands beleid van de Europese Unie en de bestrijding van terrorisme en criminaliteit.

Aan één feit - dat ook wordt bevestigd door talrijke enquêtes - hecht ik veel waarde, namelijk dat de mensen in Europa in meerderheid niet tegen deze Europese Unie zijn. Zij willen een slagvaardige en doeltreffende Europese Unie die zich concentreert op de essentie, een Europese Unie die de problemen die zij aanpakt ook daadwerkelijk oplost.

Het is geen geheim dat er nog geen overeenstemming is bereikt over een aantal belangrijke kwesties. Er wordt bijvoorbeeld een discussie gevoerd over de toekomstige architectuur van de verdragen. Ik verklap evenmin een geheim als ik zeg dat er voorstellen de ronde doen om terug te keren naar een klassiek wijzigingsverdrag. Ook het Europees Parlement heeft zich bereid verklaard na te denken over de presentatie van de toekomstige verdragen. Ik ga ervan uit dat wij hiervoor een oplossing zullen vinden die door alle partners kan worden gesteund, en die tevens voor de burgers aanzienlijk leesbaarder en transparanter is geworden.

Het Europees Parlement is altijd een voorvechter geweest van het Handvest van de grondrechten, zoals de heer Brok zojuist nog eens te kennen gaf. Het Parlement zit dus op één lijn met verreweg de meeste lidstaten als het pleit voor handhaving van het Handvest en vooral voor het juridisch bindend karakter daarvan.

(Applaus)

De Europese Unie, die nu zevenentwintig lidstaten telt, moet besluitvaardiger en slagvaardiger worden om de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw het hoofd te kunnen bieden. Zoals reeds gezegd, zijn wij het er ook over eens dat de Europese Unie democratischer en transparanter moet worden. Daarom wil de grote meerderheid van de lidstaten ook vasthouden aan de inhoud van het Grondwettelijk Verdrag. De meerderheid is van mening dat in het bijzonder het institutionele pakket niet mag worden opengebroken, omdat dat het openen van de doos van Pandora zou betekenen. Maar ook praktische politieke vooruitgang is belangrijk.

Wij willen een resultaat dat voor alle lidstaten aanvaardbaar is, maar daarvoor moeten alle partijen tot compromissen bereid zijn. Ik ga ervan uit dat de gemeenschappelijke wil bestaat om Europa samen verder te helpen. In deze situatie hechten wij uiteraard groot belang aan de steun van het Europees Parlement voor de inspanningen die het Duitse voorzitterschap van de Raad zal nemen om gedurende de top in juni tot een akkoord te komen. In dit verslag wordt onderstreept dat er sprake is van een dergelijke steun.

Dan wil ik nog enkele opmerkingen maken over de procedure en de doelstelling van het Duitse voorzitterschap. Zoals u weet, zijn de beraadslagingen inmiddels de cruciale fase ingegaan. De gesprekken worden nu voornamelijk persoonlijk gevoerd door de voorzitter van de Raad, bondskanselier Merkel, maar ook door de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, de heer Steinmeier. Deze laatste zal morgen het Parlement verslag doen van de voorbereidingen voor de Europese Raad in juni. Daar de beraadslagingen op het hoogste niveau nog voortduren, is het nog te vroeg om nu al inhoudelijk concrete voorstellen van het voorzitterschap te presenteren. Deze zullen en kunnen naar mijn mening ook pas in een later stadium worden voorgelegd door de Europese Raad.

Voor de Europese Raad in juni willen wij duidelijke inhoudelijke doelstellingen voor de geplande Intergouvernementele Conferentie en een zeer exact tijdschema vaststellen. De Intergouvernementele Conferentie moet in 2007 worden afgesloten onder het Portugees voorzitterschap. Uiterlijk begin 2008 dient het Verdrag te worden ondertekend. Daarmee zou er voldoende tijd zijn voor ratificatie van het Verdrag in alle lidstaten en - wat van groot belang is - vóór de verkiezingen van het Europees Parlement in 2009. Dit tijdschema, waartoe ook het stappenplan van het Europees Parlement oproept, kon in de tot nog toe gevoerde besprekingen rekenen op brede instemming. Voor de verwezenlijking hiervan zou het ook belangrijk zijn dat het Europees Parlement zijn standpunt overeenkomstig Artikel 48 nog voor het zomerreces kenbaar maakt.

Maar ik herhaal: als voorzitterschap vervullen wij een bemiddelende rol. Er dient een resultaat te komen dat voor alle partijen aanvaardbaar is. Wij spreken met alle lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie. Ik weet dat er nog veel overtuigings- en bemiddelingswerk moet worden verricht, maar ik ben vol vertrouwen. Als alle zevenentwintig lidstaten - net zoals onlangs bij de Verklaring van Berlijn - spreken over de gemeenschappelijke uitdagingen, dan ga ik ervan uit dat zij alle zevenentwintig ook willen dat het een succes wordt.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Mijnheer de voorzitter van de Raad, ik denk dat ik namens het Parlement spreek als ik zeg dat wij ons standpunt spoedig kenbaar zullen maken, als de rechten van het Europees Parlement voldoende in acht worden genomen. Op die basis zijn we bereid om op eender welke goede manier samen te werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Margot Wallström, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe om allereerst de beide rapporteurs, de heren Barón Crespo en Brok, evenals de Commissie constitutionele zaken voor dit verslag en hun werkzaamheden te bedanken. Hiermee wordt een grote bijdrage geleverd in de zeer cruciale fase waarin wij ons thans bevinden. De Commissie verwelkomt uw verslag en steunt in het algemeen de strekking ervan.

Twee jaar zijn verstreken na het begin van de denkpauze, en de wereld en de politieke context blijven veranderen. De Europese Unie is er gelukkig in geslaagd om een nieuwe consensus te bewerkstelligen over een aantal zeer belangrijke politieke dossiers en onderwerpen, zoals het nieuwe financiële pakket voor de komende jaren.

De problemen die via het Grondwettelijk Verdrag aangepakt hadden moeten worden, zijn echter nog niet opgelost. De Unie is nog steeds niet in staat om met één stem op het wereldtoneel te spreken. Wij moeten blijven streven naar meer democratie, efficiëntie en transparantie in de Unie. Wij moeten voor betere resultaten zorgen op belangrijke beleidsterreinen zoals migratie en klimaatverandering. Daarom zijn wij er hartgrondig van overtuigd dat veranderingen in het Verdrag noodzakelijk zijn.

Wij zijn ook van mening dat een betere communicatie met de burgers over het nieuwe herzieningsproces van het Verdrag dringend noodzakelijk is. Dat herzieningsproces is er niet omdat de Europese opbouw een doel op zich is. Het is nodig om berekend te zijn op de toenemende globalisering van de politieke omgeving en om een beleid te kunnen voeren waar onze burgers daadwerkelijk profijt van kunnen trekken.

De belangrijkste taak van de Europese Raad is het bewerkstelligen van een oplossing voor het Verdrag. Het Duitse voorzitterschap heeft zich de afgelopen maanden enorme inspanningen getroost om een nieuwe consensus tussen de lidstaten en de Europese instellingen tot stand te brengen. Wij steunen die inspanningen en hopen dat de Europese Raad overeenstemming zal kunnen bereiken over de bijeenroeping van een nieuwe Intergouvernementele Conferentie.

Waakzaamheid blijft echter geboden: het Grondwettelijk Verdrag is een compromis dat in deze fase moeilijk te verbeteren, maar wel eenvoudig aan flarden te schieten is. Willen die nieuwe onderhandelingen succesvol zijn, dan dient de Intergouvernementele Conferentie niet alleen over een duidelijk en strikt mandaat te beschikken, maar ook een helder doel na te streven, namelijk de inwerkingtreding van een nieuw verdrag vóór de Europese verkiezingen van 2009.

De Commissie zal een centrale rol blijven spelen bij het zoeken naar een oplossing. Indien het startsein voor een Intergouvernementele Conferentie wordt gegeven, kunnen wij begin juli al ons standpunt kenbaar maken. Een nieuwe oplossing moet een concrete en duurzame consensus kunnen bewerkstelligen en een juist evenwicht tot stand kunnen brengen tussen de stemmen van degenen die het Verdrag al wel en degenen die het Verdrag nog niet geratificeerd hebben.

Het is echter ook essentieel dat wij de lat hoog blijven leggen. Een oplossing op basis van de kleinste gemene deler creëert wellicht enige ruimte op de korte termijn, maar zou de problemen in de toekomst alleen nog maar kunnen vergroten. Het aanbrengen van enkele kleine institutionele wijzigingen in het Verdrag van Nice is dan ook niet voldoende.

Het Grondwettelijk Verdrag was de vrucht van gedetailleerde besprekingen in de Conventie. Het is het resultaat van een uitgebalanceerd compromis dat door alle staatshoofden en regeringsleiders ondertekend is, en door het Europees Parlement bekrachtigd is. Wat de inhoud betreft, blijft het grootste gedeelte van dat werk gelden. De innovaties die door het Grondwettelijk Verdrag worden ingevoerd, zijn nog steeds relevant en moeten in de praktijk worden vertaald. De communautaire methode moet beschermd worden, inclusief het initiatiefrecht van de Commissie. De één-pijlerstructuur vormt samen met één enkele rechtspersoonlijkheid een tastbaar instrument om de Unie beter in staat te stellen op te treden in een globaliserende wereld. De verbeteringen op het gebied van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid en een grotere rol voor het Europees Parlement mogen niet ter discussie worden gesteld.

Het Grondwettelijk Verdrag biedt ook een goed antwoord op de vraag op welke wijze de betrokkenheid van de nationale parlementen ingevuld dient te worden. Daarnaast zorgt het Verdrag voor een goed evenwicht tussen de rol van die nationale parlementen en het Europees Parlement.

De Commissie hecht ook nog steeds grote waarde aan het bindende karakter van het Handvest van de grondrechten en aan de ingrijpende innovatie van de beleidsmaatregelen zoals die in het Grondwettelijk Verdrag uiteen worden gezet.

Er mag geen sprake zijn van een verwatering van de interne markt. Wij zijn echter graag bereid om nieuwe ideeën voor ontwikkelingen op bepaalde beleidsgebieden te onderzoeken, als wij daardoor beter kunnen inspelen op nieuwe, belangrijke beleidsuitdagingen of daarmee bestaande maatregelen kunnen ondersteunen. Ik denk daarbij aan kwesties als duurzame ontwikkeling, migratie en energie.

De Commissie is het ermee eens dat het Europees Parlement nauw betrokken moet worden bij de komende Intergouvernementele Conferentie. Het niveau van die betrokkenheid moet minstens gelijk zijn aan dat van de vorige IGC. Wij moeten ons ook gezamenlijk, intensief blijven inspannen om de burgers en het maatschappelijke middenveld bij een effectieve dialoog te betrekken over de toekomst van Europa. Wij moeten onze burgers uitleggen wat er op het spel staat en waarom overeenstemming over een nieuw Verdrag noodzakelijk is. Wij moeten hun uitleggen dat de Unie in staat moet zijn de uitdagingen aan te gaan in een tijdperk waarin de globalisering centraal staat. Dat is zelfs nog belangrijker in de cruciale fase die straks met de besluiten van de Europese Raad zal worden ingeluid. Ik zie ernaar uit om in nauwe samenwerking met u dit doel te verwezenlijken.

(Applaus)

 
  
  

VOORZITTER: DIANA WALLIS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Iñigo Méndez de Vigo, namens de PPE-DE-Fractie. - (ES) Mevrouw de Voorzitter, in een verhaal van Hemingway - The Old Man and the Sea - is de hoofdpersoon in een hevige strijd verwikkeld met een merlijn, die hij de haven wil binnenslepen. Het is een titanengevecht, maar wanneer hij eindelijk de haven heeft bereikt, is zijn prooi er niet meer: alleen het skelet van de vis is nog over. Dit, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, is wat dit Parlement niet met het Grondwettelijk Verdrag wil zien gebeuren.

Wij prijzen het Duitse voorzitterschap, omdat het een akkoord wil bereiken, maar we willen u duidelijk zeggen dat we weliswaar een akkoord willen, maar niet ongeacht welk akkoord. Daarom geven we in het verslag van de heren Barón Crespo en Brok aan wat voor ons de essentiële onderdelen van het Grondwettelijk Verdrag zijn, die in dat akkoord moeten worden opgenomen. Deze zijn in paragraaf 9 opgesomd.

We zeggen ook dat er naar iedereen moet worden geluisterd, en niet alleen naar degenen die minder Europa willen (want er zijn er die alleen maar minder Europa willen). Luistert u niet alleen naar hen, maar luistert u ook naar degenen die het Grondwettelijk Verdrag willen verbeteren. Er wordt immers alleen maar over kortingen gesproken, alsof de voorjaarsopruiming in de warenhuizen is begonnen.

Een Intergouvernementele Conferentie kan tot een verbetering van het Grondwettelijk Verdrag leiden, bijvoorbeeld door zaken op te nemen die vijf jaar geleden nog niet aan de orde waren, zoals klimaatverandering, energie of energiesolidariteit, of bijvoorbeeld door de taken vast te stellen van de coördinator voor terreurbestrijding, een zeer belangrijke kwestie nu ETA heeft aangekondigd dat het weer gaat moorden. Die aanvullingen zijn mogelijk, en wij sporen u, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, aan om daar werk van te maken.

Zoals de Voorzitter van het Parlement eerder heeft gezegd, willen wij u helpen. Wij willen dat het Europees Parlement betrokken wordt bij die Intergouvernementele Conferentie. Het spreekt vanzelf dat we niet uw plaats willen innemen, maar in paragraaf 12 van het verslag geven we aan hoe onze betrokkenheid eruit zou kunnen zien.

Tot slot, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, zal dit Parlement het resultaat van de Intergouvernementele Conferentie meten aan het Grondwettelijk Verdrag, zoals in paragraaf 11 wordt gezegd. We zullen niet aarzelen om dat resultaat van de Intergouvernementele Conferentie te verwerpen als het niet aan onze verwachtingen voldoet.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Jo Leinen, namens de PSE-Fractie. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, de heer Corbett zal later enkele meer specifieke opmerkingen maken over dit onderwerp. Ik wil de rapporteurs, de heren Barón Crespo en Brok, hartelijk danken omdat dit verslag volledig de koers volgt van het debat dat sinds twee jaar, na het tweevoudige “nee” wordt gevoerd. De boodschap van dit verslag is duidelijk. Inhoudelijk dient behouden te blijven wat er in de loop van de afgelopen drie jaar bij de onderhandelingen uit de bus is gekomen, wat is ondertekend en aanvaard - de inhoud van het Verdrag dus. Maar het staat buiten kijf dat de presentatie van dit Verdrag eventueel kan worden gewijzigd. Concreet betekent dit dat het Europees Parlement een miniverdrag van de hand wijst. Wij zijn er ook op tegen dat er slechts een institutioneel verdrag uit de bus komt, en dat er wordt onderhandeld over een skelet, over een steengroeve waar het een en ander uit wordt gehakt. Wij zeggen heel duidelijk: dit Parlement zal geen raadplegingsresultaat aanvaarden dat in vergelijking met de resultaten waarmee wij hebben ingestemd minder democratie, minder transparantie, minder efficiëntie en minder burgerrechten met zich mee zou brengen.

De ironie van het hele verhaal is dat de burgers, ook in Frankrijk, Nederland en in de andere landen, eigenlijk wel verandering willen. Uit de enquêtes van de eurobarometer blijkt dat de burgers meer democratie willen en meer slagvaardigheid. Zij willen ook de nieuwe Europese beleidsterreinen: energie, gezondheidszorg, civiele bescherming bij rampen en wederzijdse hulp in crisissituaties. Daarom is het onbegrijpelijk dat de regeringen nu iets schrappen wat de parlementen samen met de regeringen hebben uitgewerkt. Dat kan niet, en dat zullen wij ook niet accepteren.

Dit is ook een boodschap aan de Intergouvernementele Conferentie. U kunt niet alleen, zonder ruggespraak met dit Parlement, met onze medeafgevaardigden in de nationale parlementen en het publiek tot een resultaat komen dat fundamenteel afwijkt van het Verdrag dat wij de afgelopen vier jaar hebben uitgewerkt. Wij willen eerder een „Verdrag plus“ dan een „Verdrag min“. Hier is al gezegd dat de onderwerpen die nu al twee jaar lang worden besproken, op de agenda moeten komen. Daarover moeten wij praten.

Wij hebben het altijd over degenen die het Verdrag van de hand hebben gewezen. We moeten het ook hebben over degenen die er al mee hebben ingestemd. Het doel mag niet zijn koste wat het kost een resultaat te bereiken. Dat zullen wij niet toestaan. Het moet een instrument van hoge kwaliteit worden. Wij wensen het Duitse voorzitterschap veel succes daarmee.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrew Duff, namens de ALDE-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, de ALDE-Fractie is een groot voorstander van het verslag-Brok/Barón Crespo en verwelkomt de duidelijke, sterke signalen die vanmiddag door de Raad en de Commissie zijn gegeven. Wij zullen met genoegen een ondersteunende rol spelen bij de Intergouvernementele Conferentie, die opnieuw op gerichte wijze zal moeten onderhandelen over het Grondwettelijk Verdrag en dit opnieuw moet inkleden, met als doel het aanzienlijk te verbeteren.

De heer Sarkozy zorgt voor een verfrissend pragmatisme in het Franse Europese beleid. Ik ga er vanuit dat de heer Brown dat ook voor het Verenigd Koninkrijk zal doen, zodra hij tot minister-president is benoemd. De publieke opinie verandert, zeker ook in Nederland en Polen, waar de mensen zich steeds meer bewust worden van het feit dat het niet in het belang van hun land is om van een Unie deel uit te maken die te zwak is om op te treden.

Tot slot zijn er volgens mij twee belangrijke conclusies te trekken uit deze denkpauze. De eerste conclusie is dat wij het democratisch gehalte binnen de Europese instellingen in Brussel en tussen de autoriteiten hier en op nationaal, regionaal en lokaal niveau moeten verbeteren. De tweede conclusie is dat wij verstandigere en flexibelere methoden moeten ontwikkelen voor de wijziging van het Verdrag. De landen die in de toekomst een dergelijk pakket verwerpen, krijgen dan bijvoorbeeld wel nog de mogelijkheid om een juridisch veto uit te spreken, maar beschikken niet meer over de morele en politieke autoriteit om de vooruitgang voor de andere lidstaten te blokkeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley, thar ceann an Ghrúpa UEN. A Uachtaráin, maidir le bunreacht nua a chruthú don Aontas Eorpach, tá sé an-thábhachtach go dtabharfar cluas éisteachta do shaoránaigh uilig an Aontais. Ní hiad muintir na Fraince agus na hÍsiltíre amháin atá buartha faoi bhunreacht an Aontais Eorpaigh - tá go leor tíortha eile buartha freisin. Bhí am againn machnamh a dhéanamh ar an mbunreacht le bliain anuas. Caithfidh ceannairí na mBallstát cinneadh a dhéanamh anois ar bhunreacht nua a bhunú ag an gcéad chruinniú eile den Chomhairle.

(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de beide ervaren rapporteurs, de heren Barón Crespo en Brok, gaarne bedanken voor het werk dat zij in dit initiatiefverslag hebben gestoken. Het verslag komt op een cruciaal moment, nu de leden van de Raad in zekere zin een duwtje in de rug nodig hebben. Dat duwtje is overigens niet nodig vanwege de dingen die het Parlement wenst met het oog op de toekomstige ontwikkeling van de Europese Unie, maar om te waarborgen dat de stemmen van de burgers van de Europese Unie op alle administratieve en operationele niveaus worden gehoord in de Europese Unie van de toekomst.

Het succes van de Europese Unie is in ieder geval te danken aan het unieke karakter van onze instellingen. De grondslag daarvan wordt immers gevormd door consensus, compromissen en gelijkwaardigheid en door de noodzaak om een zodanig evenwicht te handhaven dat er geen Europa met twee snelheden ontstaat, om kortom ervoor te zorgen dat het denkbeeld van Donald Rumsfeld over een oud en een nieuw Europa nooit werkelijkheid zal worden. In plaats daarvan hebben wij een Europa nodig dat samenwerkt, le chéile, op een manier waarvan alle burgers en volkeren profiteren.

De basis hiervoor dient in eerste plaats echter te worden gevormd door de tekst die wij al hebben. Laten wij daarbij eens goed kijken naar het unieke karakter van de Conventie die deze tekst heeft samengesteld. Wij moeten ervoor zorgen dat wij de kern van die tekst behouden maar tegelijkertijd de benodigde aanpassingen doorvoeren opdat alle lidstaten zich hierin kunnen vinden en de tekst kunnen ratificeren zonder dat iemand zich bedreigd voelt.

Vandaag is het onze taak om luid en duidelijk de boodschap uit te dragen dat het Parlement steun geeft aan die toekomstige ontwikkelingen van het Europees Verdrag die recht doen aan de nieuwe lidstaten en het evenwicht handhaven dat noodzakelijk is om het succesvol functioneren van een Europa van gelijkwaardige naties te waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Voggenhuber, namens de Verts/ALE-Fractie. - (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijn fractie wenst dit verslag een grote en overtuigende meerderheid toe, en wij hopen dat het die ook krijgt. Wij danken de rapporteurs voor het voortreffelijke verslag.

Deze resolutie kan grote betekenis krijgen als dit Parlement erin slaagt om aan de regeringen de boodschap over te brengen dat het werkelijk bereid is zich op te werpen als verdediger van de Europese democratie, dat het werkelijk bereid is de verankering van de grondrechten te verdedigen, dat het werkelijk bereid is om de ontbinding van de pijlerstructuur en het behoud van de gekwalificeerde meerderheid in het Grondwettelijk Verdrag door te zetten, ook op het gevaar af „nee“ te moeten zeggen. Ik heb jarenlang in dit Parlement ultimatums horen uitspreken, grote gebaren zien maken en horen roepen dat wij op de barricaden zouden gaan en „nee“ zouden zeggen als bepaalde beslissingen niet zouden worden genomen overeenkomstig de verlangens van de burgers, maar ik heb niet één keer meegemaakt dat dit Parlement daadwerkelijk de barricaden op ging, „nee” zei of consequenties verbond aan een ultimatum. Als wij echter aan dit ultimatum geen consequenties verbinden, dan heeft dit Parlement de historische verantwoordelijkheid te dragen.

De regeringen zijn na een denkpauze van twee jaar - wie er in die tijd ook nagedacht moge hebben - met grote regelmaat de fout ingegaan. We kunnen welhaast van de zeven doodzonden van de regeringen spreken. De parlementen, ook het Europees Parlement, zijn inmiddels al lang uitgesloten van het grondwettelijk proces. Het publiek wordt erbuiten gehouden. Het grondwettelijk proces vindt nu achter gesloten deuren plaats. In veel lidstaten steekt het nationalisme steeds sterker en openlijker de kop op, zonder dat het werkelijk op weerstand stuit.

De discussie over de wijziging van het Verdrag staat ver af van de referenda in Frankrijk en Nederland, van de roep om meer democratie, om meer maatschappelijke verantwoordelijkheid voor Europa, om een antwoord op de globalisering en om meer slagvaardigheid. Alle eisen die vandaag op tafel liggen, hebben niets te maken met hetgeen de mensen wilden. Die eisen hebben echter wel heel veel te maken met hetgeen de regeringen al lange tijd en herhaaldelijk hebben geëist, ook in de Conventie: Ze willen hun eigen autoriteit behouden en de consensus tenietdoen die wij hun in de Conventie hebben afgedwongen. Nee, het gaat hier niet meer om de verdiensten van Europa, om meer maatschappelijke verantwoordelijkheid en meer democratie.

De regeringen maken misbruik van de uitslag van de referenda in Frankrijk en Nederland. Zij doen dat om minder Europa te scheppen, om hun Europa te scheppen, het intergouvernementele Europa en niet het sociale Europa. Dat mogen wij niet zomaar laten gebeuren. Deze Grondwet is een waarborg voor de Europese democratie en daarmee ook voor de oplossing van de maatschappelijke vraagstukken van de toekomst. Ik betwijfel of het centrale beginsel van de onderhandelingen, namelijk om geen referendum te houden, wel een deugdelijk concept is voor een oplossing. Wij zullen de vertrouwenscrisis in Europa niet overwinnen als we de burgers buiten spel laten. Dat lukt ons alleen als we de burgers voor ons winnen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Francis Wurtz , namens de GUE/NGL-Fractie. - (FR) Mevrouw de Voorzitter, in het verslag van onze collega’s Barón Crespo en Brok zijn in overweging H betreffende het Franse en Nederlandse “nee” tegen de ontwerp-Grondwet de volgende woorden te lezen: “Veel van de tot uitdrukking gebrachte bezwaren hadden betrekking op het kader en niet zozeer op de inhoud; en vraagstukken die in belangrijke mate bij het publiek leefden, zijn sindsdien opgelost”. Dat betekent dat men zich er wel heel gemakkelijk vanaf maakt. De conclusie uit een dergelijke diagnose ligt namelijk voor de hand en wordt al in de eerste alinea genoemd, en ik citeer: “herbevestigt zijn steun voor de inhoud van het Grondwettelijk Verdrag”.

In het verslag wordt weliswaar beweerd dat de in een aantal lidstaten ontstane problemen in aanmerking worden genomen, maar paragraaf 6 maakt duidelijk in hoeverre men tot concessies bereid zou zijn. Hierin wordt namelijk nogmaals bevestigd en ik citeer “dat het zich committeert aan de totstandkoming van een oplossing van het lopende constitutionele proces in de Europese Unie die is gebaseerd op de inhoud van het Grondwettelijk Verdrag, maar dan eventueel met een andere presentatie”. De gelijkenis van deze aanpak met die welke voorgestaan werd in een van de twaalf vragen die mevrouw Merkel vorige maand voorlegde aan de staatshoofden en regeringsleiders is frappant. Ter herinnering, en ik citeer: “Wat denkt u van het voorstel om de terminologie te veranderen zonder de inhoud te veranderen?”

Deze drie citaten uit het verslag van de heren Barón Crespo en Brok vatten perfect samen waarom mijn fractie niet kan instemmen met de tekst die ons wordt voorgelegd. Het is niet in het belang van Europa om de ogen te sluiten voor het feit dat onze medeburgers steeds meer bedenkingen hebben bij een wezenlijk deel van het acquis communautaire, namelijk bij een aantal implicaties van wat onze Verdragen een open markteconomie noemen waar de concurrentie geen grenzen kent.

Drie voorbeelden: op 22 mei jongstleden, tijdens het congres van het Europees Verbond van Vakverenigingen, heeft de president van de Europese Centrale Bank, de heer Trichet, dit in hoogst eigen persoon moeten vaststellen, toen zijn argument voor loonmatiging ten behoeve van concurrerende prijzen in een open economie unaniem van tafel werd geveegd. Enkele dagen daarvoor maakte commissaris McCreevy iets soortgelijks mee, in de Raad dit keer, waar steeds meer regeringsvertegenwoordigers verzochten de liberalisering van postdiensten uit te stellen nu de burger zich massaal tegen deze ontwerprichtlijn keert. En een paar dagen geleden kreeg commissaris Mandelson van tien brancheorganisaties, die uiterst kwetsbaar zijn voor de mondiale concurrentie, het verwijt te ijveren voor vrijhandel met, ik citeer, “onaanvaardbare gevolgen”.

Aan deze lawine van protest moest de Duitse minister van economie en financiën, de heer Steinbrück, waarschijnlijk denken toen hij onlangs sprak over, ik citeer: “een mogelijke legitimiteitscrisis van het Europese sociaal-economische model. Daarom is mijn fractie resoluut voorstander van, allereerst, een zeer open publiek debat over wat er moet veranderen in de koers en structuren van de Unie, en vervolgens van een ratificatie van het toekomstige Europese verdrag per referendum.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. - Mevrouw de Voorzitter, het verslag van collega's Barón Crespo en Brok kenmerkt zich door een grote interne spanning en dubbelheid. Enerzijds erkennen de rapporteurs - zij het met de grootst mogelijke tegenzin - het feit dat de grondwet gewijzigd moet worden. Ik constateer daarom met tevredenheid dat zelfs het Europees Parlement van deze werkelijkheid doordrongen raakt.

Anderzijds stel ik met teleurstelling vast dat in paragraaf 6 - collega Wurtz zei het al - blijkt hoe groot, of beter gezegd hoe gering, hun echte bereidheid tot wijziging van de grondwet wel is: de inhoud van de grondwet mag niet gewijzigd worden, alleen de verpakking.

Ik geef direct toe dat het de leden van de Raad zijn (waaronder ook mijn eigen premier) die aanleiding geven tot de gedachte dat de cosmetische wijziging van de grondwet acceptabel zou zijn. Toch roep ik het Europees Parlement op zijn strategie te wijzigen. Vanuit de Raad komen immers steeds meer signalen dat er daadwerkelijk over de inhoud zal worden gesproken. Als het Europees Parlement echt een bijdrage wil leveren aan een succesvolle IGC, zoals de rapporteurs op meerdere plaatsen in hun verslag aangeven, moet het bereid zijn ook over de inhoud compromissen te sluiten, anders zal het Europees Parlement in de komende IGC slechts een rol in de marge blijven spelen. Dat is een scenario dat noch mijzelf noch de beide rapporteurs zal aanspreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch , namens de ITS-Fractie. - (FR) Veritas liberavit vos, zegt het evangelie volgens Johannes: de waarheid zal u vrij maken. Wat is deze waarheid? De waarheid is dat u een Europese superstaat wilt creëren, ondanks de ontkenningen van de heer Brok. Want een politieke organisatie met internationale rechtspersoonlijkheid, met een voorzitterschap dat geen roulerend voorzitterschap meer is, met een minister van Buitenlandse Zaken, met één munt, met oneindig uitgebreide bevoegdheden - bevoegdheden die niet langer meer worden toegekend per pijler - en met meerderheidsbesluiten binnen deze bevoegdheden: dat heet een Europese superstaat!

Ik begrijp maar al te goed, geachte collega’s, dat sommigen, en waarschijnlijk de meesten, van u het eens zijn met deze ontwikkeling. Maar in dat geval moet u zo oprecht en eerlijk zijn om dat tegen onze landgenoten te zeggen. Feit is echter, en dat hebben we net nog gehoord in de uiteenzetting van de heer Brok, dat u dit hardnekkig probeert te verdoezelen, en dat is in mijn ogen niet eerlijk en niet netjes. Als u binnen het raamwerk van een internationale organisatie wilt blijven, waarom neemt u dan geen genoegen met de bestaande Verdragen?

We hebben het Verdrag van Parijs gehad dat de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS) tot stand bracht. Daarna kwam het Verdrag van Rome waarmee Euratom en de Europese Economische Gemeenschap een feit werden. Toen kregen we te horen dat de uitvoerende organen van deze internationale organisaties moesten worden samengevoegd om ze meer macht te geven. We hebben ze samengevoegd! Nog later, in 1986, kregen we te horen dat de Europese Akte er moest komen, opdat Europa echt al zijn vruchten kon afwerpen en aan de verwachtingen kon voldoen. En dus kwam de Europese Akte er. Deze Europese Akte was amper aangenomen of we kregen te horen dat deze niet voldoende was, dat we het Verdrag van Maastricht nodig hadden waaruit melk en honing zou vloeien. En na Maastricht kwam Amsterdam. En na Amsterdam kwam Nice. U bent betrokken bij een proces dat tot doel heeft deze Europese superstaat te creëren. Het is in strijd met de geest van Europa, de ruimte die de vrijheid en onafhankelijkheid van naties heeft uitgevonden. Daarom zijn wij er fel tegen gekant.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI) . - (EN) Mevrouw de Voorzitter, het woordje “nee” laat eigenlijk aan duidelijkheid niets te wensen over. De voortdurende weigering om de politieke realiteit die met de verwerping van de Grondwet is ontstaan, te accepteren, komt tot uiting in paragraaf 3 van dit verslag, waarin nota genomen wordt van de punten van zorg zoals die door de bevolking van Frankrijk en Nederland tot uitdrukking zijn gebracht. Frankrijk en Nederland hebben echter geen punten van zorg tot uitdrukking gebracht: zij hebben de Grondwet verworpen. De weigering om die realiteit te erkennen, is er de oorzaak van dat de EU de afgelopen twee jaar in het slop zat.

Door dit verslag zal geen enkele vooruitgang worden geboekt, omdat hierin nog steeds vastgehouden wordt aan alle aspecten die verworpen zijn, namelijk het mechanisme voor een soevereine staatsvorm van de EU en een verdere aantasting van de nationale bevoegdheden en veto’s. Juist degenen die niet kunnen accepteren dat de Grondwet schipbreuk heeft geleden, brengen een Europa van twee snelheden dichterbij. Als zij dat willen, mogen zij wat mij betreft hun gang gaan, als ze de landen die willen vasthouden aan echte nationale controle en macht maar met rust laten. Laat ons als compensatie een deel van die concrete nationale bevoegdheden zelfs weer terughalen uit Brussel. Dan kunnen degenen die meer Europa willen, dat krijgen, net zo goed als degenen die minder Europa willen, dat ook kunnen krijgen. Het is echter ondenkbaar dat u een Grondwet aan ons op kunt dringen die al verworpen is, hoe fraai u de komende versie ook opnieuw moge verpakken of vermommen.

 
  
MPphoto
 
 

  Panayiotis Demetriou (PPE-DE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de heren Brok en Crespo van harte gelukwensen. Zij zijn erin geslaagd om in hun verslag de droom met de realiteit te verzoenen.

De droom is het behoud van de fundamentele onderdelen van het Grondwettelijk Verdrag. De realiteit is dat wij door middel van dialoog en onderhandelingen moeten zien te komen tot een nieuw compromis. Dat compromis moet er echter voor zorgen dat de beginselen en waarden worden behouden waarop wij ons in de Conventie voor de toekomst van Europa hebben gebaseerd om het Grondwettelijk Verdrag te creëren.

Terecht hebt u onderstreept dat de mensenrechten niet afwezig mogen zijn in deze tekst, in ongeacht welke tekst. Wat dat betreft, en wat de andere door u genoemde zaken betreft, hebt u gelijk.

Dit Parlement, geachte collega’s, moet het voortouw nemen in de inspanningen voor een oplossing en een uitweg zien te vinden uit de constitutionele crisis waar de Europese Unie mee te kampen heeft. De Europese Unie mag niet doorgaan in deze slakkengang. De uitdagingen van de globalisering zijn zo groot dat, als zij niet heel binnenkort de juiste stappen vooruit zet, zij de rol die haar op grond van onze beginselen en waarden toekomt, niet zal kunnen spelen.

Geachte collega’s, wij hebben het over een compromis, en als wij het over een compromis hebben, moeten wij beseffen dat wij evenwichtig en realistisch moeten zijn. Het mag niet zo zijn dat de achttien landen, plus de vier landen die van plan zijn het Grondwettelijk Verdrag in zijn huidige vorm te ratificeren, bereid zijn een compromis te sluiten, en de andere landen, en de burgers van die landen, ten aanzien van bepaalde punten, waar zij hun argumenten op stutten, spreken over een strijd tot het bittere einde. Wij moeten eerlijk zijn; wij moeten rechtvaardig zijn. Dat geldt voor iedereen, zowel voor degenen die het Grondwettelijk Verdrag hebben goedgekeurd als voor degenen die enigszins sceptisch zijn.

Tot slot geloof ik, mevrouw de Voorzitter, dat de Europese Unie niet zo door kan gaan. Zij moet het voortouw nemen, haar burgers een toekomst geven, en deze Unie een toekomst geven, opdat zij vooruit kan.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Corbett (PSE) . - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de heer Allister heeft zojuist gezegd dat het woord “nee” aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Het woord “ja” is echter net zo duidelijk. Wij bevinden ons in een situatie waarin een grote meerderheid van de lidstaten “ja” heeft gezegd. Twee hebben er “nee” gezegd en een aantal heeft een paar twijfels, maar alle zevenentwintig landen hebben afgesproken een proces in gang te zetten om die kloof te overbruggen, om een oplossing te vinden waardoor alle zevenentwintig lidstaten tot ratificatie over kunnen gaan. In dit verslag wordt dat streven bekrachtigd, en derhalve kan mijn fractie dit aanbevelen en steunen. Wij vinden het een goede zaak dat getracht wordt om die kloof te overbruggen en een oplossing te zoeken die ratificatie door alle zevenentwintig lidstaten mogelijk maakt.

Dit door de burgers van de Europese Unie gekozen Parlement heeft het Grondwettelijk Verdrag goedgekeurd door twee jaar geleden met een overweldigende meerderheid het verslag van de heer Méndez de Vigo en mijzelf aan te nemen. Het is dus heel vanzelfsprekend dat wij ons aansluiten bij de tweeëntwintig lidstaten die de tekst zoveel mogelijk intact willen houden. Ik vind dat niet meer dan logisch. Dit Parlement geeft de voorkeur aan een gewijzigde vorm van het Verdrag zonder dat de inhoud wordt opgeofferd. Het Parlement doet liever afstand van de symbolen dan van de inhoud. Dat is duidelijk en dat zal ongetwijfeld ook deel uitmaken van de oplossing, maar dat is zeer waarschijnlijk niet afdoende. In sommige gevallen zal ook de inhoud van de Grondwet aangepakt moeten worden met het oog op eventuele verbeteringen, uitbreidingen of herzieningen. Het is echter essentieel dat wij ernaar streven om de praktische hervormingen in het Grondwettelijk Verdrag te behouden. Het gaat om een pakket van zeer praktische hervormingen waardoor de EU in staat zal worden gesteld om ook na toekomstige uitbreidingen goed te blijven functioneren en om haar democratische verantwoordingsplicht te verbeteren. Die hervormingen zijn essentieel en mogen niet verloren gaan. Het Grondwettelijk Verdrag bevat een dergelijk hervormingspakket. Wij moeten alles in het werk stellen om zoveel mogelijk van die hervormingen te behouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). - (FI) Mevrouw de Voorzitter, ik wens bondskanselier Angela Merkel succes bij haar pogingen om een gemeenschappelijk standpunt te bewerkstelligen met betrekking tot het Grondwettelijk Verdrag en het actieplan van de Europese Unie. Daarvoor zijn dromen nodig, maar je moet ook realistisch zijn. Als er iemand is die in dit werk kan slagen, dan is het volgens mij Angela Merkel wel.

Ik hoop dat zij als leiddraad neemt wat zij zelf voorstelde toen met het werk voor de Verklaring van Berlijn werd begonnen. Toen hoopte en eiste zij dat de Verklaring van Berlijn een document werd dat elke Europeaan zou kunnen en willen lezen. De Grondwet moet ook zo worden. Daarom had ik gehoopt dat de voorbereiding in zowel de lidstaten als op communautair niveau in alle openheid zou plaatsvinden. De Europese Unie verdient geen Grondwet en kan en zal ook geen Grondwet krijgen, als deze niet openlijk wordt voorbereid. Dit mag niet achter de rug van de burger om geschieden.

Verduidelijking en vereenvoudiging van de Verdragen: dat was een van de belangrijkste doelstellingen die op de Europese Raad van Nice in 2000 voor de herziening van de Verdragen werden vastgesteld. Wij moeten nu durven erkennen dat de tekst niet duidelijk is: het is een vaag en verwarrend pakket, en zelfs wanneer je het zorgvuldig leest, wordt het niet helemaal duidelijk.

Mijnheer de Voorzitter, het zou ook interessant zijn te weten hoeveel leden van het Europees Parlement, of leden van de nationale parlementen, de hele tekst van het Grondwettelijk Verdrag hebben gelezen, met al zijn regels voor de werking van de Europese Unie, haar beleid, haar bevoegdheden en besluitvorming. Ik denk dat slechts een klein deel van de leden van dit Parlement het heeft gelezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN). - (PL) Mevrouw de Voorzitter, zoals de zaken er nu voor staan, is het slagen van de hervorming van de Europese Unie afhankelijk van de flexibiliteit van alle partijen die deelnemen aan het onderhandelingsproces. In dat licht zou ik erop willen wijzen dat het hier voorgestelde standpunt bijzonder hard en onbuigzaam is. Aangezien het Europees Parlement volgens een logica handelt die geen ruimte laat voor compromissen, is het medeverantwoordelijk voor het mislukken van de herziening van het Verdrag.

In plaats van de voorwaarden te verscherpen, moeten we vandaag blijk geven van goede wil tegenover de landen die vraagtekens geplaatst hebben bij de vorige tekst van het Verdrag. Als we deze hervorming tot een goed einde willen brengen, moeten Nederland, Polen, de Republiek Tsjechië, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk een nieuw voorstel krijgen, evenals een flexibeler onderhandelingsmandaat op de Intergouvernementele Conferentie betreffende de externe vertegenwoordiging van de Unie, de bevoegdheidsverdeling en het stemsysteem in de Raad. Het uitoefenen van druk om dit debat tegen te houden, zal er enkel en alleen toe leiden dat er nog meer tijd verloren gaat.

Ook ik heb plezier beleefd aan het boek van Hemingway, waar de heer Méndez de Vigo daarnet naar verwezen heeft, maar ik heb het wel op een heel andere manier geïnterpreteerd. Wanneer de oude held van Hemingway een kleinere, middelgrote vis had gekozen, zou hij ongedeerd de haven hebben bereikt en meer dan voldoende te eten hebben gehad. Zijn personage koos in plaats daarvan voor een veel te grote vis, moest met lege handen naar de haven terugkeren en kwam zelfs bijna om het leven. Ik zou de Europese Unie gelijkaardige ervaringen willen besparen en daarom zal ik dit verslag niet steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernat Joan i Marí (Verts/ALE) . - (EN) Mevrouw de Voorzitter, wij moeten Europa op politiek vlak versterken. Dat is een van de belangrijkste taken van het Europees Parlement.

Voor de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie betekent “meer” Europa een grotere vrijheid voor statenloze naties, constitutionele regionen en nationale minderheden. Europa is het belangrijkste terrein waarop wij samen kunnen werken en samen kunnen leven. Dat is de reden waarom wij voor het Europa van de toekomst niet alleen een Verdrag nodig hebben, maar ook een Grondwet. Wij moeten dan ook steun geven aan de hervorming van het Verdrag, opdat wij Europa sterker kunnen maken en het concept van een Europees burgerschap tot een gemeenschappelijke doelstelling voor alle Europeanen kunnen laten uitgroeien. Daarom dient Europa in de toekomst met één enkele stem te spreken over belangrijke onderwerpen als immigratie, veiligheid, klimaatverandering en werkgelegenheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen (GUE/NGL). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, met dit initiatiefverslag van de bevoegde commissie neemt het Europees Parlement een standpunt in ten aanzien van een zaak die niet onder zijn bevoegdheid valt, noch wat de inhoud betreft noch wat het eindresultaat betreft. Het verslag is daarom europropaganda voor een Grondwet waarover de politieke elite van mening verschilt met het volk. Volgens een enquête in de hele Europese Unie wil 75 procent van de EU-burgers een referendum over de Grondwet. Daarin zouden de inwoners van elf oude lidstaten de Grondwet afwijzen.

Mijn eigen land Finland heeft het dode Grondwettelijk Verdrag geratificeerd en heeft dat gedaan tegen de wil van de bevolking in. Volgens een nieuwe enquête, die onze fractie in Finland heeft gehouden, zijn de Finnen in het hele land, in alle leeftijdsgroepen, alle beroepen en alle partijen, tegen de toekomstige Grondwet. Het Europees Parlement schaart zich achter de Grondwet tegen de zin van de inwoners van veel landen. Dat zorgt niet voor een verbetering van de legitimiteit van het Europees Parlement of de legitimiteit van de Grondwet in de lidstaten. Men moet de burgers durven raadplegen.

In de geheime lijst van twaalf vragen die het Duitse voorzitterschap aan de lidstaten heeft gestuurd, is het spel duidelijk: de terminologie wordt gewijzigd, maar de inhoud blijft gelijk. Op die manier is de nieuwe ontwerp-Grondwet slechts een goocheltruc.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Železný (IND/DEM). - (CS) Geachte Voorzitter, we hebben hier een verslag voor ons liggen waarin wordt getracht een lijk weer tot leven te wekken. Ik heb het over het stoffelijk overschot van de door het Franse volk omgebrachte en met het volste genoegen door het Nederlandse volk begraven Grondwet.

Het punt is echter dat de Euro-elite dit blote feit maar niet onder ogen wil zien en daarom een proces in gang heeft gezet dat tot doel heeft het besluitvormingsproces te verlossen van dat ene problematische onderdeeltje erin, namelijk het volk in de lidstaten. Dit principe werd als zodanig verwoord in een geheime, door het Duitse voorzitterschap aan de regeringen van de lidstaten toegestuurd vragenlijst. Op een bepaald punt wordt daarin onomwonden gevraagd: “Wat zou u ervan vinden om een verdrag te tekenen dat dezelfde inhoud en dezelfde juridische bindendheid heeft als de Grondwet, maar met een andere naam?” Bonter kan het niet! En om ervoor te zorgen dat het allemaal wat minder confronterend klinkt, doen we er een scheutje klimatologische gealarmeerdheid doorheen, en stoppen we de al te halsstarrigen wat lekkers toe, namelijk een geprivilegieerde solidariteit op energiegebied, zodat die mensen het thuisfront met veel misbaar kunnen meedelen dat ze, in ruil daarvoor, ik weet niet wat binnen hebben gehaald. En om het helemaal compleet te maken, nemen we de kleine landen hun vetorecht af en zorgen voor een nieuwe meerderheid voor de grote landen, en plakken we er een dusdanige naam op dat we geen referendum hoeven te houden.

De auteurs van het verslag vergeten maar al te graag dat Duitsland tot op heden de Grondwet nog niet heeft geratificeerd, omdat daar nog de handtekening van de president voor nodig is. Eveneens vergeten ze maar al te graag dat de Grondwet slechts is goedgekeurd door zestien van de zevenentwintig landen, die samen slechts goed zijn voor 37 procent van de EU-bevolking. Ook sluiten ze maar al te graag hun ogen voor het feit dat de periode van twee jaar, waarin tenminste 80 procent van de landen de Grondwet had moeten ratificeren om het proces te mogen voortzetten, verstreken is. En wat ze liever helemaal niet zien, is dat dankzij dit feit de landen die deze Grondwet kregen opgedrongen als onderdeel van de toetredingsverdragen, er nu niet meer aan gehouden zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Corien Wortmann-Kool (PPE-DE). - Voorzitter, ik wil graag eerst de rapporteurs danken voor hun inspanning.

Het verslag is een verslag met twee gezichten. Het komt sterk op voor de kernelementen van het Grondwettelijk Verdrag, maar het geeft ook rekenschap van de ontwikkelingen in de afgelopen jaren, al zou dat misschien wel wat ruimhartiger hebben gekund. Er leeft immers kritiek onder onze burgers op het functioneren van Europa en dat is niet alleen in Nederland en Frankrijk het geval. Het is heel belangrijk dat ook dit Parlement zich rekenschap geeft van die kritiek. Maar gelukkig groeit er nu in Europa een breed draagvlak voor de idee dat het anders moet. Geen grondwet meer.

Het verslag kan rekenen op onze steun, al hebben we problemen met enkele passages. Wij steunen het verslag omdat het opkomt voor de hoofdpunten van het Constitutioneel Verdrag. Maar dit verslag zet ook - al wordt dat hier door sommige collega's ontkend - de deur open voor veranderingen: het verhelderen van het begrip subsidiariteit, geen grondwettelijke trekken, geen Europese staat en, met betrekking tot een aantal problemen van deze tijd, meer ambitie op Europees niveau, alsook de participatie van de burger en de rol van de nationale parlementen. Die rol moet echter wel in een goede balans gebracht worden met respect voor de rol van dit Parlement.

Een Europa alleen op onze eigen voorwaarden bestaat niet. We moeten er samen uitkomen en onder leiding van een vrouw moet dat lukken. Ik wens Angela Merkel, maar ook onze eigen Hans-Gert Poettering en Commissievoorzitter Barosso veel succes, en wij allen moeten hen steunen om dit tot een goede oplossing te brengen.

 
  
  

VOORZITTER: DE HEER POETTERING
Voorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van de heren Brok en Barón Crespo is een uitstekend document dat onze volledige steun verdient. Ik sta volkomen achter de tekst en zal dus voor het verslag stemmen. Het Europees Parlement maakt met dit verslag duidelijk dat het een Europese Unie wil zoals beschreven in paragraaf 9 van het document: een efficiëntere Unie die beter functioneert en die bekommerd is om de rechten van haar burgers.

Wij geven een duidelijk signaal aan de Intergouvernementele Conferentie. We bevestigen enerzijds dat we steun verlenen aan de achttien landen die het Verdrag al geratificeerd hebben en aan hun kant staan, maar erkennen anderzijds dat er veranderingen noodzakelijk zijn, als onontbeerlijke voorwaarde voor de ratificatie van het Verdrag door de andere landen. Ook daarvoor staan we open. Deze wijzigingen zijn in grote lijnen weergegeven in paragraaf 12 van de resolutie. Het doet me veel plezier vast te stellen dat er in deze paragraaf eveneens een verwijzing is opgenomen naar solidariteit in het energiebeleid, een aspect dat van cruciaal belang is voor mijn land.

Paragraaf 5 van het verslag verwijst naar de politieke verantwoordelijkheid van de lidstaten, die het Verdrag hebben ondertekend. Ik zou hieraan willen toevoegen dat deze landen ook een juridische verantwoordelijkheid hebben krachtens het internationale recht, in het bijzonder krachtens het Verdrag van Wenen inzake verdragsrecht. Mijn land, Polen, heeft de Europese Grondwet nog niet geratificeerd, maar een grote meerderheid van de Polen steunt Europa. De Poolse samenleving is een van de meest pro-Europese samenlevingen ooit. Als u het mij vraagt, moet het motto van het Duitse voorzitterschap, namelijk dat we samen aan Europa moeten bouwen, zich in de eerste plaats tot de regeringen richten, en niet tot de Europese burgers, want zij zijn daar al lang rotsvast van overtuigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Borghezio (UEN). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dit is een verslag dat koppig doorgaat met een mond-op-mondbeademing om een Grondwet in leven te houden die door de volkeren is afgewezen en sedertdien overeind wordt gehouden door grote voorvechters van het federalisme. Een daarvan is de Italiaanse premier Prodi, die niet wil dat het noorden van Italië, Padanië, een interne vorm van federalisme krijgt, een fiscaal federalisme om zich te bevrijden van het diefachtige Rome.

Het onderhavige verslag ontwijkt het thema van de criteria die moeten worden toegepast om de uitbreiding te beperken, terwijl dit juist een hot item is in het politieke debat in Europa, zoals premier Balkenende terecht heeft opgemerkt. In plaats van al dat juridische kunst- en vliegwerk toe te passen, zou Europa zich moeten concentreren op de concrete problemen en al zijn energie moeten richten op de bescherming van het productiewezen en de werkgelegenheid. Europa moet met feiten komen en niet met mistige bureaucratische verhalen, zoals de heer Mandelson heeft gedaan als reactie op de heftige, en terechte, kritiek van de Europese industrie. Onze industrie vraagt om beschermd te worden tegen de stopzetting van de antidumpingsmaatregelen die de ultraliberale commissaris voor handel met ingang van dit jaar erdoor heeft doorgedrukt.

Onze werkgelegenheid en het bedrijfsleven zijn de dupe van dat soort verkeerde keuzen. Het huidige besluit van de Europese Centrale Bank om het disconto te verhogen, doet daar nog een schepje bovenop. Het beleid van het Europa van Brussel is verkeerd, omdat het remmend werkt op de vooruitgang, de werkgelegenheid en de welvaart in Europa en dus geen raakvlakken heeft met de diepere gevoelens en meningen van de Europese burgers. Maar uiteindelijk zijn het de burgers die de belastingen betalen om Brussel te kunnen onderhouden!

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvia-Yvonne Kaufmann (GUE/NGL). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, het voorzitterschap moet op de top de kwadratuur van de cirkel voor elkaar zien te krijgen. Omdat de Europese eenwording inderdaad alleen kan slagen als alle lidstaten meewerken, kan naar mijn mening de constitutionele crisis alleen worden opgelost als de aanstaande Intergouvernementele Conferentie een mandaat krijgt met duidelijke voorwaarden en een duidelijk tijdschema.

Uitgangspunt van de onderhandelingen kan alleen de bestaande tekst van het Grondwettelijk Verdrag zijn. Deze is ondertekend door alle zevenentwintig staatshoofden en regeringsleiders. Tweederde van alle lidstaten, die een meerderheid van de bevolking van de Unie vertegenwoordigen, hebben het Verdrag geratificeerd, overeenkomstig de eisen van hun eigen grondwet. Mijn uitdrukkelijke steun gaat uit naar paragraf 11 van het verslag, waarin elk resultaat van de onderhandelingen van de hand wordt gewezen dat, in vergelijking met het Grondwettelijk Verdrag, zou leiden tot een aantasting van de bescherming van de grondrechten van burgers, alsmede tot minder democratie, transparantie en doelmatigheid. Dat geldt vooral voor iedere uitholling van de welvaartsstaat. De horizontale sociale bepaling in deel III van het Grondwettelijk Verdrag mag bijvoorbeeld in geen geval worden geschrapt. Dit geldt eveneens voor de waarden in artikel 1, lid 2, waarin de Unie wordt gedefinieerd als waardengemeenschap. Het is goed dat ons Parlement aan iedereen een rode kaart uitdeelt die zich onder de dekmantel van het “nee” in Frankrijk en Nederland in zijn eigen nationale soevereiniteit wil verschansen.

Er moet een einde worden gemaakt aan de volslagen bespottelijke schijngevechten tegen de symbolen van de Europese eenwording. De mensen in Europa willen geen geruzie over een vlag of een hymne, maar willen moedige oplossingen die tot vooruitgang leiden. Daarom moet er een „Grondwet Plus-oplossing“ komen, vooral ter versterking van het Europees sociaal model.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u zeer, mevrouw Kaufmann. Ik wil hier even kort op inhaken. Toen ik vorige week een bezoek aflegde aan de Knesset, werd ik onthaald met het Europese volkslied en het optreden van een muziekkapel. We zouden tegen de achtergrond van alle onopgeloste vraagstukken eens moeten overwegen of we dat ook hier in het Europees Parlement kunnen doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Witold Tomczak (IND/DEM). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de voorstanders van de Europese Grondwet stellen alles in het werk om de Europese Gemeenschap en de Europese Unie om te vormen tot een continentale superstaat. Dat is het voornaamste knelpunt met betrekking tot de Europese Grondwet. Een dergelijke aanpak staat volkomen haaks op de belangen van de Europese naties. Ondanks de talrijke democratische verklaringen die zijn afgelegd, is dit document synoniem met een eerste stap op het gevaarlijke pad richting totalitarisme op ons continent.

De stapsgewijze eliminatie van de politieke functies van de hedendaagse nationale structuren is een zeer zorgwekkende ontwikkeling. De overdracht van de politieke functies van nationale staten naar supranationale structuren zal een nadelige invloed hebben op het culturele erfgoed van de afzonderlijke naties. Op langere termijn zal deze evolutie er zelfs toe leiden dat de soevereine naties verdwijnen. Er moet bijgevolg dringend een einde worden gemaakt aan de zelfdestructieve plannen van de bouw van een Europese superstaat. De Europese Grondwet en alle mogelijke alternatieven moeten verworpen worden. De vrije naties van Europa hebben geen behoefte aan een Grondwet om te kunnen samenwerken.

Er moet onmiddellijk een debat op gang gebracht worden over hoe de rechten van de naties in de hedendaagse wereld kunnen worden gegarandeerd, met name in Europa. Het is typisch dat de pleitbezorgers van de Europese Grondwet de term soevereiniteit nooit in de mond nemen, alsof ze er panisch bang van zijn. Ze zijn in ruil daarvoor zo gul om ons het recht op een eigen identiteit te gunnen, maar dat is een recht dat zelfs in onvrijheid kan worden behouden. De Europese Grondwet is een regelrechte aanval op de soevereiniteit. Deze Grondwet vormt een bedreiging voor de soevereiniteit van de nationale staten, voor hun vrijheid en hun recht op zelfbeschikking. Ik zou dit Parlement willen vragen dat het de naties niet de mogelijkheid ontneemt om in vrijheid te leven. De Europese naties willen hun soevereine staten behouden!

 
  
MPphoto
 
 

  Maria da Assunção Esteves (PPE-DE). - (PT) De Europese Unie moet bij de volgende Intergouvernementele Conferentie besluiten hoe haar toekomst eruit moet zien en wat ze van nu wil zijn. De Verlichting heeft ons hier in Europa geleerd dat de menselijke waardigheid de doorslag moet geven. Ze heeft ons voor het concretiseren van deze waarde tevens een methode aan de hand gedaan - een vereniging van volkeren.

Kant heeft in de achttiende eeuw al vastgelegd wat de vereisten voor een permanente vrede waren. Hij stelde dat de interne grondwetten van staten niet aan hun opdracht konden voldoen zonder een adequaat extern kader. Zo is de moderne tijd geboren: op basis van een op mensen gericht beleid, met flexibele instellingen die macht als een instrument voor het bewerkstellingen van gerechtigheid gebruiken.

Om de moderne tijd die Europa heeft ingeluid te concretiseren zullen we nu een aantal zaken moeten realiseren, waaronder ook een Grondwet voor Europa. Als we gerechtigheid willen bewerkstelligen zullen we een methode moeten vinden om de politieke macht te verdelen. Een Grondwet is dan de enige mogelijkheid. Alleen een dergelijk tekst kan dienen als basis voor een grootschalige democratie, met meer macht voor het Parlement, een beter evenwicht tussen het centrum en de lidstaten, een Handvest van grondrechten, een netwerk voor het bedrijven van politiek en regels voor de besluitvorming die zodanig zijn vormgegeven dat een vrij en humanitair Europa op een doeltreffende wijze kan worden bestuurd.

De wereld stelt ons telkens weer voor nieuwe realiteiten. De politieke elites hebben de plicht om nieuwe paradigma's te ontwerpen en regels op te stellen voor nieuwe bestaanswijzen. De heren Barón Crespo en Brok hebben het nodige ondernomen om een consensus te bereiken. Ik betreur het echter wel dat men de symbolen voor Europa niet op hun waarde weet te schatten. Bij de burgers bestaat geen enkele vrees die zulks rechtvaardigt. Bepaalde radicale politieke stromingen hebben spookbeelden opgeroepen, en dat heeft ertoe geleid dat men de waarde van zulke symbolen ontkent. Europa maakt nu echter een belangrijke gedaantewijziging door en de symboliek daarvan moet ook tot uitdrukking kunnen komen. Paul Valéry heeft ooit gezegd dat Europa pas tot stand zal worden gebracht als het met ondergang bedreigd wordt.

Misschien kunnen wij daar iets anders tegenover stellen: dat Europa tot stand komt als gevolg van een beredeneerde en morele wilsuiting. Eén ding staat hoe dan ook vast: in deze Odyssee kunnen we met halve maatregelen geen genoegen nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Carnero González (PSE). - (ES) Wij zullen niet moe worden te herhalen dat de Europese Grondwet niet het probleem, maar de oplossing is.

Ik denk dat degenen die aan de Conventie hebben deelgenomen, kunnen bevestigen dat de Grondwet die we daar hebben opgesteld echt de best mogelijke oplossing is, om ten minste drie redenen: vanwege de consensus die daar is bereikt, vanwege de belangrijke stappen vooruit die de Grondwet bevat, en omdat we met die Grondwet de politieke unie kunnen verwezenlijken.

Het gaat er nu om - en dat is ook het doel van het verslag van de heren Barón Crespo en Brok - dat we de Grondwet redden. Wij mogen de Grondwet niet door elkaar te husselen, er een rommeltje van maken, of er een “cosa”, een “ding” van maken, zoals het in de Italiaanse politiek heet. We hebben een Grondwet nodig, niet een ondefinieerbare “cosa”.

En daarvoor moeten we denk ik drie aspecten goed in gedachten houden. In de eerste plaats de boodschap. Kijk, ik ben er niet voor om het woord “Grondwet” te schrappen. Ik ben er niet voor om de symbolen te schrappen. Ik ben er ook niet voor om de Grondwet een andere vorm te geven en daardoor onbegrijpelijk te maken. Maar goed, als er niets anders opzit, laten we dan in ieder geval de inhoud redden. Een inhoud die twee zaken bevat die te vaak worden vergeten: de uitbreiding van de medebeslissing en het Handvest van de grondrechten.

En als wij naar de procedure kijken, beseffen we dan als Parlement wel dat we het over een proces hebben dat omgeven is met geheimzinnigheid, dat te veel een intergouvernementele aangelegenheid is? Wij mogen het hier dan hebben over wat wij willen, maar vaak weten we niet waar zij het over hebben.

Ik denk dat het Europees Parlement tegen de regeringen duidelijk moet zeggen wat er in dit verslag staat, maar wij moeten hetzelfde tegen de nationale parlementen zeggen.

Als wij het resultaat van de Intergouvernementele Conferentie afwijzen, zullen we die nationale parlementen vragen hetzelfde te doen.

Laten we consequent zijn, in ieder geval deze keer.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Karatzaferis (IND/DEM). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, weet u wat Europa het hardst nodig heeft? Licht, meer licht! Wij laten schaduwplekken bestaan in onze besluiten, onze methoden en in ons antwoord op de vraag wat wij uiteindelijk willen bereiken. Meer nog dan licht hebben wij echter behoefte aan democratie, aan volksheerschappij. Wij richten ons niet tot het volk. Noch de arbeider in Polen, noch de boer in Griekenland, noch de dokter in België weet wat er aan de hand is met deze Grondwet. Wij hebben volksheerschappij nodig. U moet niet bang zijn voor het volk. Wij moeten ons tot het volk richten en vragen wat zijn mening is. Iedereen moet zijn mening kunnen geven, door middel van een algemeen referendum op dezelfde dag. Wij besluiten voor het volk. Het mag niet zo zijn dat zevenentwintig leiders - die er morgen misschien niet meer zijn - beslissen over het lot dat de Europese volkeren gedurende de komende eeuwen beschoren zal zijn.

Ik kom uit de stad waar de democratie werd geboren, uit Athene. Daar bevindt zich de Pnyka, waar de besluiten werden genomen. Als iemand het volk negeerde, werd hij verbannen. Als wij niet opgewassen blijken te zijn tegen hetgeen de Europese volkeren van ons verwachten inzake democratie en rechtvaardigheid, zullen zij ons op een goede dag allemaal verbannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gunnar Hökmark (PPE-DE) . - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb drie opmerkingen. In de eerste plaats is het belangrijk dat wij niet toestaan dat de problemen met het nieuwe Verdrag de ontwikkelingen in de Europese Unie en onze prestaties in het verleden overschaduwen. In zekere zin vormen die prestaties de beste argumenten voor een nieuw Verdrag. Zij geven ons nieuwe verantwoordelijkheden en onderstrepen de noodzaak voor nieuwe bevoegdheden om besluiten te kunnen nemen. Indien de Europese Unie een mislukking zou zijn, zou niemand zich tot ons gewend hebben in verband met de klimaatverandering of om een bijdrage te leveren aan de stabiliteit in het Balkangebied.

In de tweede plaats moeten wij ervoor zorgen dat het nieuwe Verdrag gebaseerd is op politieke uitdagingen en niet op uiteenlopende politieke symbolen. Wij moeten in staat zijn om nieuwe leden op te nemen en een duidelijke, democratische controle en verantwoordingsplicht uit te oefenen met betrekking tot alle gemeenschappelijke besluiten die wij nemen. Wij moeten de mogelijkheid hebben om alle noodzakelijke besluiten te nemen, om criminaliteit te bestrijden, om berekend te zijn op de beleidsmatige uitdagingen op milieu- en energiegebied en om de benodigde stabiliteit in onze regio en in andere delen van de wereld te waarborgen.

In de derde plaats moeten wij erkennen en waarborgen dat het belangrijker is om over een gemeenschappelijk buitenlands beleid te beschikken dan over een gemeenschappelijke minister van Buitenlandse Zaken. Het is belangrijker dat wij cruciale besluiten kunnen nemen dan dat er een gekozen voorzitter van de Europese Raad komt. Het is belangrijker dat wij ervoor zorgen dat wij besluiten kunnen nemen op alle gebieden waar wij vandaag de dag met uitdagingen worden geconfronteerd. Dat is belangrijker dan symbolen. Wij hebben een Verdrag nodig, maar dat hoeft niet per se het Verdrag te zijn dat nu onderwerp van discussie is.

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat als het Parlement zich in dit stadium nuttig wil maken, het op moet komen voor het Handvest van de grondrechten, want ik denk dat dit Handvest er bekaaid af zal komen bij de onderhandelingen tussen de staatshoofden en regeringsleiders. Ik denk ook dat het verslag dat aan ons is voorgelegd door onze collega’s Enrique Barón Crespo en Elmar Brok in de paragrafen 12 en 17 een toekomstperspectief schetst dat we verder moeten vervolgen. Deze paragrafen stellen dat de verwachtingen van onze medeburgers betrekking hebben op wezenlijke zaken en niet op institutionele kwesties. Paragraaf 17 roept de Commissie op om de tekst die momenteel op tafel ligt op een aantal punten te moderniseren, rekening houdende met deze verwachtingen. Dat is wat er op het spel staat.

Het is zaak de conclusies van de Europese Raad van 8 maart jongstleden te vertalen in ons beleid, zodat de Unie kan functioneren en het beleid ten uitvoer kan leggen dat onze medeburgers verwachten. Het gaat daarbij om coherent milieubeleid, beleid waarmee we een oplossing kunnen vinden voor het energievraagstuk, en beleid waarmee we beantwoorden aan de verwachtingen op sociaal vlak.

Dat is concreet wat er op het spel staat en daarom is wat onze collega’s Barón Crespo en Brok ons voorstellen naar mijn idee aanvaardbaar, zolang de mensen niet voor de gek worden gehouden. Genoegen nemen met een voorstel om de presentatie van de tekst te wijzigen, alsof sommige volken alleen vanwege de context ‘nee’ zouden hebben gezegd, zou voorbij gaan aan de uitslag van de stemming in deze landen. Ik hoop dat ons Parlement deze weg inslaat bij de stemming van morgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Simon Busuttil (PPE-DE) . - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het moge duidelijk zijn dat de huidige tekst van de Grondwet het uitgangspunt voor elke herziening van het Verdrag moet zijn. Daar is een heel eenvoudige reden voor: die Grondwet is door alle lidstaten ondertekend. Als een handtekening iets betekent, dan moeten alle leden tonen dat zij daaraan gecommitteerd zijn. Daarnaast is die Grondwet al door achttien lidstaten geratificeerd. Op basis van dat uitgangspunt moeten wij een compromis zien te vinden dat met drie factoren rekening houdt.

De eerste factor heeft betrekking op de punten van zorg van de lidstaten die de Grondwet hebben verworpen en van de lidstaten die nog steeds niet tot ratificatie zijn overgegaan. In de tweede plaats moeten wij rekening houden met de fouten die wij wellicht hebben gemaakt - en inderdaad, hebben wij onderweg her en der wat fouten gemaakt. Wij hebben bijvoorbeeld te snel de Grondwet ondertekend. Het was een brug te ver, om dat slechts vijf maanden na de grootste uitbreiding in de geschiedenis van de Europese Unie te doen. Wij hebben ook te veel ambitie aan de dag gelegd door het Verdrag als Grondwet te betitelen, terwijl ons oorspronkelijke mandaat uisluitend in een vereenvoudiging van dat Verdrag voorzag.

In de derde en laatste plaats moeten wij ervoor zorgen dat het compromis ook een weerspiegeling is van de nieuwe realiteit waarin wij leven en van de nieuwe uitdagingen waarmee wij geconfronteerd worden, en waarmee in de Grondwet wellicht niet voldoende rekening is gehouden. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan een gemeenschappelijk immigratiebeleid en een gemeenschappelijk standpunt met betrekking tot klimaatverandering. Het Duitse en het daaropvolgende Portugese voorzitterschap staan inderdaad voor een moeilijke evenwichtsoefening. Wij wensen hun daarbij alle succes - dat zullen ze ongetwijfeld nodig hebben!

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson (PSE). - (SV). Hartelijk dank mijnheer de Voorzitter. Ik wil beginnen met de rapporteurs te bedanken voor de indiening van een goed uitgebalanceerd voorstel, dat duidelijk maakt dat het Europees Parlement vasthoudt aan zijn standpunten maar tegelijkertijd realistisch is en beseft dat er veranderingen zullen plaatsvinden. Die veranderingen mogen niet plaatsvinden als de prijs daarvoor de aanneming van een miniverdrag is, waarmee alleen maar institutionele kwesties gemoeid zijn. Men moet niet alleen rekening houden met de twee landen die het Grondwettelijk Verdrag verworpen hebben, maar ook met al die landen die ‘ja’ hebben gezegd. Een nieuw verdrag moet de kwesties weerspiegelen die de burgers belangrijk vinden.

De klimaatbedreiging moet erin opgenomen worden, alsook het sociale Europa, en zoals ook anderen hebben gezegd, is het belangrijk dat de uitbreiding uitgevoerd wordt. Ik denk echter niet dat het opnemen van de criteria van Kopenhagen in het verdrag de oplossing zou zijn. Wat wel vereist is, zijn institutionele hervormingen. Bovendien is het belangrijk dat we niet alleen over openheid in Europa praten. Het proces dat nu op gang komt, moet in alle openheid en in dialoog met de burgers plaatsvinden, zodat we in de loop van het proces een discussie kunnen voeren.

Verder wil het volgende zeggen tegen extreem rechts, dat preekt over intergouvernementele samenwerking in plaats van supranationaliteit. Extreem rechts heeft de meeste supranationalistische voorstellen van allen ingediend. Zij wil de lidstaten namelijk dwingen om referenda te houden. Feit is dat het aan de lidstaten is om te bepalen hoe ze met dit Grondwettelijk Verdrag om zullen gaan. Hierin zijn de rechtse krachten te ver gegaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE). – Proiectul Europa a avut succes iar datoria noastră este să-i oferim mijloacele pentru a funcţiona bine şi în viitor. Din acest motiv, proiectul are nevoie de un fundament clar, transparent, solid şi eficient asumat prin consens, prin voinţa şi experienţa politică şi democratică a tuturor membrilor săi, deoarece obiectivul nostru comun este mai presus de orgoliile şi de temerile individuale. Pentru a fi cu adevărat solidari pentru dezvoltare durabilă, cooperare, extindere şi coeziune avem nevoie de instituţii solide şi eficiente care să ne garanteze funcţionarea, avem nevoie de o politică de securitate şi apărare comună, de o politică externă comună. Acceptarea unui acord politic de bază chiar şi într-o formă restrânsă, precum şi continuarea politicii de vecinătate vor face ca Uniunea Europeană să crească şi să se dezvolte nu numai pentru sine, ci şi cu toate statele din jur, oferindu-le astfel nu numai promisiuni, ci şi exemplul elocvent că numai împreună ne putem dezvolta cu adevărat. De aceea consider că iniţiativa raportorilor este extrem de bine venită şi sper că la Consiliul din iunie se va ţine cont de opiniile exprimate în acest raport.

 
  
MPphoto
 
 

  Libor Rouček (PSE). - (CS) Dames en heren, het debat van vandaag vindt plaats met deelneming van het Duitse voorzitterschap. Graag zou ik daarom onze Duitse vrienden willen bedanken voor de enorme inspanningen die zij ondernemen om de Europese Raad ertoe te bewegen tijdens de bijeenkomst van juni een intergouvernementele conferentie bijeen te roepen en een actieplan op te stellen, met het expliciete doel om voor het einde van dit jaar tot overeenstemming te komen.

De Europese Unie heeft na haar historische en succesvolle uitbreiding naar zevenentwintig landen een nieuwe constitutionele basis nodig. Zij heeft instrumenten nodig waarmee ze doeltreffend en op democratische wijze functioneren kan, en middelen om iets te kunnen doen aan de zorgen van de burger op het gebied van kwesties als mondialisering, illegale migratie, en veiligheid van de energievoorziening.

Deze instrumenten en middelen zijn in grote mate terug te vinden in het ontwerp voor een Grondwettelijk Verdrag dat door tweederde van de lidstaten is geratificeerd en waarvan vier lidstaten hebben toegezegd de basisprincipes en de inhoud ervan na te leven. Deze klipklare meerderheid dient de basis te vormen voor de verdere onderhandelingen, en wel zodanig dat de uitkomst ervan niet leidt tot een verminderde bescherming van de mensenrechten, noch tot een inperking van de democratie of tot een beperking van het functioneren van de Unie.

Tot besluit wil ik graag de regeringen van de drie lidstaten - waaronder mijn eigen land, de Tsjechische Republiek - die de Grondwet nog niet hebben geratificeerd, oproepen om zich te houden aan datgene zij hebben ondertekend en om dat Verdrag ter goedkeuring voor te leggen aan de burgers. Indien zij bang zijn voor hun eigen burgers, dan zou het toch wel fijn zijn als ze dan tenminste ophielden met het dwars zitten van degenen die hun best doen om een opbouwende, snelle en democratische oplossing te vinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, de afgelopen maanden hebben wij in het debat over de Grondwet veel goede, goedbedoelde en enkele minder goedbedoelde adviezen gekregen. Het meest macabere daarvan was wel het voorstel om het Handvest van de grondrechten uit de kerntekst te schrappen en deze door middel van een verwijzing hooguit technisch in leven te houden. Op het eerste gezicht leek dit voorstel nog wel goedbedoeld. Iedereen die een bondige, eenvoudige, gemakkelijk leesbare tekst wil, zou er blij mee zijn. Vijfenzestig artikelen minder, dat is gezien de afneming van het lezen, die zich volgens de Pisa-studie in heel Europa voordoet, wellicht niet onbelangrijk. Maar bij nadere beschouwing ziet de situatie er heel anders uit.

Waar gaat het eigenlijk om bij het onderwerp grondrechten? Om niet meer en niet minder dan om de bescherming van de persoon tegen degenen die macht bezitten. Dat is altijd een van de historisch belangrijkste taken van iedere gemeenschap geweest, en dat moet ook zo blijven. Juist daarom is zo verontrustend dat wordt voorgesteld om het Handvest van de grondrechten in het verdomhoekje te stoppen en het zo klein en onzichtbaar mogelijk te maken.

In Oostenrijk hebben we sinds vele jaren de actie Licht ins Dunkel (Licht in het donker). Deze is erop gericht sociaal zwakkeren te helpen, vooral in de kersttijd, maar niet alleen dan. Ook voor het Handvest van de grondrechten zouden wij een actie „Licht in het donker“ goed kunnen gebruiken. Ik ben dan ook blij dat velen zich tijdens het debat van vandaag nadrukkelijk hebben uitgesproken voor handhaving van het Handvest in de grondwetstekst en voor een Grondwettelijk Verdrag als hoeksteen van ons toekomstige Gemeenschapsrecht.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Hartelijk dank. Hopelijk is het met kerstmis allemaal beklonken, Reinhard Rack!

 
  
MPphoto
 
 

  Margrietus van den Berg (PSE). - Voorzitter, alleen een nieuw verdrag kan de EU democratischer en slagvaardiger maken. Het Nederlandse nee in 2005 was geen nee tegen Europa: 72 procent van de Nederlanders vindt Europese samenwerking een goede zaak. Daarom zou het een ramp zijn voor Nederland als we in een nee zonder alternatief blijven steken, zoals de SP dreigt te doen. Daarom mijn vijfpuntenplan voor een nieuw verdrag om het Nederlandse nee recht te doen en de meerderheid van de Nederlanders weer aan de ja-kant te krijgen.

Eén: een democratisch Europa, minder veto's, meer medebeslissing van het Europees Parlement, openbaarheid van de besluitvorming, weg met Straatsburg, betere samenwerking tussen EP en nationale parlementen, maar geen rode kaart die de bevoegdheden van beide door elkaar klutst.

Twee: een socialer Europa. Neem een sociale clausule op die vastlegt dat publieke en semi-publieke voorzieningen níet ondergeschikt zijn aan de markt maar ingericht kunnen worden naar de inzichten van de nationale lidstaten en regio's. Zorg dat het Handvest van de grondrechten bindend gemaakt wordt.

Drie: een Europa van de burgers en de regio's door meer decentralisatie en versterkte subsidiariteit. Geef grensstreken en regio's de kans proeftuinen te zijn. Geef Europese burgers het agenderingsrecht via verzoekschriften.

Vier: neem in het nieuw verdrag verscherpte toetredingscriteria op om sjoemelen te voorkomen. Bij eventuele verdere uitbreiding, eerst het Europese Huis op orde.

Vijf: maak het nieuwe verdrag een stuk korter door alle vereenvoudigingen door verwijzing te accorderen, dat scheelt 322 artikelen. En laat het inderdaad een verdrag zijn, want de grondwet gaf de Nederlanders het idee dat ze hun eigen grondwet kwijtraakten.

Op deze manier kan Nederland zijn plek in de voorhoede van Europa weer innemen. Daar horen we thuis, uit eigen belang en uit eigen ideaal.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de vice-voorzitter van de Commissie, dames en heren, ik wil de rapporteurs die de grondslag voor het debat van vandaag hebben geleverd, nogmaals hartelijk danken. Tevens ben ik blij met de, in mijn ogen, brede steun voor het Europees Grondwettelijk Verdrag, een project waarvoor wij nog heel wat werk moeten verzetten.

Íñigo Méndez de Vigo noemde het verhaal van Hemingway over de visser en de grote vis waarvan uiteindelijk alleen nog de graten over waren. Wellicht ontbrak het de visser aan de nodige technische uitrusting om de grote vis veilig en levend aan wal te krijgen. Maar wij die ons voor grote uitdagingen gesteld zien, hebben alle faciliteiten tot onze beschikking. Wij hebben ingezien dat deze Europese Unie zich anders moet opstellen als het gaat om onze besluitvaardigheid en om onderwerpen die nu anders liggen dan tien of vijftien jaar geleden.

Het zou zonde zijn als het werk dat in de afgelopen jaren is verricht, ineens wordt afgekeurd. Ik heb vroeger zelf als parlementariër gewerkt, en kan u welbewust zeggen dat het niet goed is om bij een dergelijk debat verkeerde woorden te gebruiken. Er wordt niemand iets opgedrongen. Het was de wens van de parlementsleden en parlementen om na de ervaringen van Nice een conventie bijeen te roepen, teneinde een nieuw verdrag op te stellen. Daaraan wilden ook vele parlementsleden en parlementen meewerken.

Ook werd uitdrukkelijk gezegd dat het wenselijk was de parlementsleden en parlementen uit de landen te laten deelnemen die nog geen lid waren van de Europese Unie. Het is niet juist om te proberen met voorbeelden aan te tonen dat er sprake was van een zekere mate van dwang. De Europese Unie wordt gekenmerkt door een democratische wil, en juist daarom wilde men deze landen erbij betrekken, zodat zij geen verdrag opgedrongen zouden krijgen.

De afgelopen dagen is steeds opnieuw gezegd dat het Duitse voorzitterschap op succes uit is. Natuurlijk willen wij succes, echter niet voor onszelf, maar voor deze Europese Unie. Wij hebben namelijk op 25 maart vastgesteld dat ons grote uitdagingen wachten en dat wij nieuwe mogelijkheden moeten hebben op de terreinen van klimaatbescherming en energie. Wie van deze Europese Unie op klimaat- en energiegebied meer solidariteit vraagt, heeft uiteraard ook de middelen daarvoor nodig. Daarom dank ik u voor uw brede steun. Wij hopen dat - zoals een afgevaardigde zei - de staatshoofden en regeringsleiders voor een Intergouvernementele Conferentie een duidelijk mandaat met een vast tijdschema vaststellen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u zeer, minister Gloser. Wij hopen dat het Duitse voorzitterschap succes zal boeken voor ons gemeenschappelijke Europa. Een succesvol Europa betekent een succesvol voorzitterschap, en dat maakt alles bijna perfect.

 
  
MPphoto
 
 

  Margot Wallström, vice-voorzitter van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, twee vrouwen zijn altijd aanwezig bij onze discussies over een nieuwe institutionele oplossing en een nieuw Verdrag: niet alleen mevrouw Merkel, die de hoop op een doorbraak levend houdt, maar ook Pandora en haar doos die hopelijk niet geopend zal worden. U weet ongetwijfeld dat hoop nog het enige overgebleven voorwerp in de doos van Pandora was. Toen alle andere dingen verdwenen waren, was er nog steeds hoop. Wij moeten onze hoop nu op een nieuwe oplossing vestigen. Wij zullen ook de kans moeten grijpen die er op dit moment ligt.

Ik heb ook naar onze bezoekers, onze gasten en toeschouwers gekeken en vroeg mij af wat zij eigenlijk van dit debat zouden vinden. Denken zij dat het een kwestie is van het afwegen van de “nee-stemmen” tegen de “ja-stemmen”? Of denken zij dat wij dit debat gebruiken om uit te leggen waarom het zo belangrijk is de politieke investering te beschermen die gedaan is om een manier te vinden voor het efficiënt, open en transparant maken van de besluitvorming in Europa? Niemand wil die investeringen op dit moment verliezen. Wij willen de jaren van discussiëren en onderhandelen, en de tijd die in dit hele proces is geïnvesteerd, niet verloren laten gaan, omdat wij Europa een grotere rol op het wereldtoneel willen geven. Na de uitbreiding van de Europese Unie van vijftien naar zevenentwintig lidstaten in slechts een paar jaar tijd, willen wij kunnen beslissen wie er wat doet. Daarnaast moeten wij ook besluiten nemen over de beleidsmaatregelen die nodig zijn om de uitdagingen aan te gaan op het gebied van energie, klimaatverandering en migratie.

Dit heeft allemaal te maken met de wijze waarop wij gezamenlijk werken, besluiten en handelen. Het probleem waar wij een oplossing voor moeten vinden, is dat de institutionele kwesties die wij bediscussiëren onlosmakelijk verbonden zijn met de beleidsinhoud.

Wij hebben gewoonweg te veel geïnvesteerd om het allemaal weer kwijt te raken. Wij hopen dat het Duitse voorzitterschap ons zal steunen bij het vinden van een oplossing. De Commissie is in ieder geval bereid om de helpende hand te bieden. Wij hopen dat wij er met ieders hulp in zullen slagen om de burgers het gevoel te geven dat zij goed geïnformeerd zijn. Dat kan alleen als wij zowel goed luisteren als duidelijk uitleggen wat ons doel is. Gezamenlijk kunnen wij daarin slagen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. - (EN) De procedure voor een Grondwettelijk Verdrag is tot stilstand gekomen door de uitslag van de referenda in Frankrijk en Nederland. Een aantal lidstaten heeft desondanks het ratificatieproces voortgezet, maar een aantal andere niet. Vervolgens hebben wij een denkpauze ingelast.

Vandaag krijgt het Grondwettelijk Verdrag weer nieuwe impulsen. Het stappenplan geeft aan dat er vóór de nieuwe verkiezingen van het Europees Parlement in 2009 een Grondwet zal zijn.

Toen de Grondwet verworpen werd, had iedereen daar een mening over. Een van de veelgehoorde standpunten was dat veel Europese burgers zich niet met de EU konden identificeren.

In de eerste plaats is een Europese Grondwet van essentieel belang, tenminste, als wij in het Europese proces blijven geloven.

In de tweede plaats moeten de burgers van de lidstaten van de Europese Unie het gevoel krijgen dat zij op eenzelfde manier deel uitmaken van de EU als dat zij zich burgers van hun eigen land voelen.

In de derde plaats is het essentieel dat de burgers weten wat die Grondwet nu precies inhoudt.

Ik noem deze prioriteiten omdat niet alle Europese lidstaten even enthousiast over dit proces zijn. Veel Europeanen voelen zich geen burgers van de EU op een manier die vergelijkbaar is met de wijze waarop zij zich met hun nationale burgerschap identificeren. Tot slot zijn de meeste Europeanen nog steeds niet op de hoogte van de voor- en nadelen van de Grondwet. Als wij er niet in slagen om deze kwesties in de komende twee jaar op te lossen, vinden wij ons tegen die tijd wellicht weer terug in dezelfde positie als vandaag.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Ik ben blij met de ontwerpresolutie van het Europees Parlement - waarvan mijn uitmuntende collega’s Elmar Brok (PPE) uit Duitsland en Enrique Barón Crespo (PSE) uit Spanje mederapporteurs zijn - betreffende het grondwettelijk proces van de Europese Unie. Dit beleidsdocument zal bijzonder nuttig zijn voor het Duitse voorzitterschap - dat aangedreven door Angela Merkel een opmerkelijke rol speelt - om zijn stappenplan op de agenda te plaatsen van de volgende Europese Raad op 20 en 21 juni 2007.

Dit voorstel erkent eindelijk dat de Europese volken en hun vertegenwoordigers in het Europees Parlement nauwer betrokken moeten worden bij het institutioneel proces. Als we een technocratisch Europa willen inruilen voor een politiek Europa, dan moeten we niet langer een Europa hebben dat bekokstoofd wordt in achterkamertjes van ambassades, maar de overstap maken van een diplomatiek Europa naar een democratisch Europa.

Ik ben tevens te spreken over de scherpzinnigheid van de nieuwe president van de Franse Republiek, Nicolas Sarkozy, die een vereenvoudigd grondwettelijk verdrag voorstelt. Dat is de enige manier om vooruitgang te boeken en onze instellingen te moderniseren, zodat we vóór de Europese verkiezingen van juni 2009 beschikken over nieuwe regels. We moeten het plan B bedenken dat nooit bestaan heeft. De rede moet voorrang krijgen boven dogmatisme en andere demagogische standpunten. Het Europa van de burgers is in gang gezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexandra Dobolyi (PSE), schriftelijk. - (HU) Volgens het Grondwettelijk Verdrag is het doel van de Europese Unie het behoud van de vrede en onze fundamentele waarden, het bevorderen van de welvaart van de volkeren in de lidstaten, het tot stand brengen van een gebied zonder grenzen dat vrijheid en veiligheid kan bieden aan zijn burgers, het bereiken van een evenwichtige economische groei gebaseerd op een sociale markteconomie die volledige werkgelegenheid beoogt, het garanderen van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het bevorderen van de solidariteit tussen de lidstaten onderling.

De ‘denkpauze’ is met het Duitse voorzitterschap ten einde gekomen. Berlijn heeft de taak gekregen om voor de top van juni 2007 de basis te leggen voor de totstandkoming van het nieuwe verdrag. Als de junitop succesvol verloopt, geven de lidstaten het mandaat aan de volgende voorzitter van de EU, Portugal, om een intergouvernementele conferentie bijeen te roepen, met als doel de volledige tekst van het nieuwe verdrag aan het eind van het jaar gereed te hebben.

Als de lidstaten overeenstemming kunnen bereiken over het nieuwe verdrag, hebben het Europees Parlement en de Europese Commissie, die in 2009 worden hernieuwd, de mogelijkheid hun functioneren te baseren op efficiëntere, transparantere en door meer democratie gekenmerkte grondslagen. Dit betekent tevens snellere besluitvorming, een eenduidige vaststelling van de bevoegdheden van de EU-instellingen en de lidstaten, de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel en de bevestiging van de gelijkheid van de lidstaten. Verder moeten we een oplossing vinden waarmee wij eindelijk meer aandacht kunnen besteden aan de instrumenten en communautaire beleidsvormen die nodig zijn om onze gemeenschappelijke doelstellingen te verwezenlijken. Het gezamenlijke succes hangt in de eerste plaats af van de politieke intentie om als collectief op te treden.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) In dit debat moeten we één ding voorop stellen, en dat is dat de pogingen om een Grondwettelijk Verdrag tot stand te brengen zijn mislukt toen deze Grondwet in 2005 bij referenda in Frankrijk en Nederland is afgewezen. Als je dat Verdrag op welke wijze dan ook verandert, zul je het hele proces weer moeten doorlopen. Elk nieuw voorstel voor een Verdrag zal daarom aan de kiezer moeten worden voorgelegd. Er zal dus in elke lidstaat een referendum moeten worden georganiseerd, op de dag die de bevoegde nationale instellingen daarvoor vastleggen.

Dat is echter niet wat de rapporteurs willen. Ze betuigen opnieuw hun steun aan het bestaande Grondwettelijk Verdrag en proberen zo de beslissing die de Raad op 21 en 22 juni zal moeten nemen te beïnvloeden. Wij zijn daar fel tegen gekant.

Wij herhalen dat we dit project afwijzen, omdat het aandringt op neoliberalisme, militarisme en een steeds sterkere concentratie van de macht. Dat geschiedt door een uit de grote mogendheden van de Europese Unie bestaand directoraat op te zetten, ten koste van de democratie en het vermogen van de volkeren en instellingen van de kleine en middelgrote lidstaten om invloed uit te oefenen.

Wij blijven aandringen op een eerlijker, sterker democratisch en solidair Europa, een Europa dat zich inzet voor de vrede en de samenwerking tussen alle volkeren op deze aarde, en daarbij respect toont voor het beginsel dat staten soeverein zijn en over gelijke rechten beschikken.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora-Kauppi (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Op de bijeenkomst van de Europese Raad van 21 en 22 juni staan de regeringsleiders van de EU voor een grote uitdaging. In feite komt het erop neer dat zij een relatief overtuigend compromis tot stand moeten brengen over de belangrijkste conflictpunten met betrekking tot de institutionele en constitutionele toekomst van Europa. Zij mogen bij deze taak niet falen en vervolgens terugkrabbelen op gebieden waarop de diverse nationale belangen juist terrein prijs hebben gegeven.

Indien de regeringsleiders in hun opdracht slagen en overeenstemming bewerkstelligen over de belangrijkste politieke knelpunten, zou dat wel eens het hoogtepunt kunnen zijn in het bestaan van de Europese Raad tot nu toe. Hierdoor zou tevens het pad geëffend worden voor een relatief korte Intergouvernementele Conferentie om de details uit te werken. Indien dat akkoord er komt, heeft de Raad zijn legitimiteit boven alle twijfel verheven en meteen de matheid afgeschud die de afgelopen jaren zo kenmerkend is geweest voor de Europese besluitvorming op het hoogste niveau.

Ik hoop van ganser harte dat de leiders van de EU deze uitdaging aangaan. Iedereen weet wat er moet gebeuren: de overgrote meerderheid van het Grondwettelijk Verdrag dient overeind te blijven en de punten van zorg die in 2005 tot de twee “mislukte” referenda hebben geleid, dienen weggenomen te worden. Het is nu tijd om op basis van de juiste hoeveelheid politieke wil de benodigde consensus te mobiliseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE), schriftelijk. - (DE) In het kader van het debat over het stappenplan voor het grondwettelijk proces van de Unie juich ik het toe dat in de ontwerpresolutie de steun van het Europees Parlement aan de inhoud van het Grondwettelijk Verdrag uitdrukkelijk wordt herbevestigd. Eveneens wil ik onderstrepen dat reeds tweederde van de lidstaten het Grondwettelijk Verdrag heeft geratificeerd en dat op ons, als vertegenwoordigers van de burgers, de politieke verantwoordelijkheid rust om te luisteren naar alle lidstaten.

Daarom verzoek ik om alle grondbeginselen in deel I van het Grondwettelijk Verdrag ongemoeid te laten.

Ik denk dat iedereen het met mij eens zal zijn dat het Grondwettelijk Verdrag belangrijke verbeteringen bevat, met dien verstande dat de bestaande Verdragen worden geconsolideerd en de pijlers worden samengevoegd, de waarden waarop de Europese Unie is gegrondvest en het juridisch bindend karakter van het Handvest van de grondrechten worden erkend, en de deelname van burgers aan het politieke leven van de Europese Unie wordt bevorderd.

Om deze redenen steun ik de doelstelling van het Duitse voorzitterschap om voor het einde van het jaar tot een akkoord te komen over de uitwerking van een stappenplan, en overeenkomstig het verslag dring ik aan op afronding van het ratificatieproces van het nieuwe Verdrag voor het einde van 2008.

In dit verband verzoek ik de Commissie haar rol bij de komende onderhandelingen volledig te vervullen en het Europees Parlement bij deze onderhandelingen te betrekken.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Stubb (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Ik wil mijn collega’s, de heer Barón Crespo en de heer Brok, graag feliciteren met dit verslag, omdat daarin de volgende drie aspecten aan de orde komen die ik nog even naar voren wil halen.

In de eerste plaats heeft het Grondwettelijk Verdrag moeilijke tijden gekend. Er zijn aan de ene kant de vrienden van de Grondwet - de achttien lidstaten die de Grondwet al geratificeerd hebben - en andere lidstaten die ook geen moeite met die ratificatie zouden hebben. Wij hebben echter aan de andere kant ook vrienden met problemen: Frankrijk en Nederland. Daarnaast zijn er ook nog onze sceptische vrienden, namelijk het Verenigd Koninkrijk, Polen en de Tsjechische Republiek.

Wat wij dan ook nodig hebben, is leiderschap. Wat dat betreft, heb ik gelukkig het volste vertrouwen in bondskanselier Merkel.

In de tweede plaats dienen wij een duidelijk mandaat vast te stellen voor de IGC, zodat er vóór de verkiezingen van 2009 een oplossing kan worden gevonden. Ook dat wordt in dit verslag aan de orde gesteld.

In de derde plaats willen wij dat de essentiële inhoudelijke aspecten van de ontwerp-Grondwet in het definitieve verdrag worden geïntegreerd. Ik doel daarmee op de institutionele innovaties: de rechtspersoonlijkheid, het Handvest van de grondrechten en buitenlandse zaken. Zelf heb ik niet zoveel met symbolen.

Wij hebben dat Grondwettelijk Verdrag nodig om de EU democratischer, transparanter en efficiënter te laten functioneren.

Daarom kan dit verslag op mijn ondubbelzinnige steun rekenen.

 

13. Midden-Oosten (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de verklaringen van de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en van de Commissie over het Midden-Oosten.

 
  
MPphoto
 
 

  Kyriacos Triantaphyllides (GUE/NGL). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de afgevaardigden van dit Europees Parlement hebben besloten om hun solidariteit te betuigen met onze Palestijnse collega’s die door de Israëli’s gevangen worden gehouden. Op symbolische wijze hebben 45 leden van dit Europees Parlement die steun laten blijken door collectief de 45 Palestijnse afgevaardigden te sponsoren. Als gekozen vertegenwoordigers kunnen wij de gevangenneming van de voorzitter en van een derde deel van de Palestijnse Wetgevende Raad alleen maar veroordelen. Wij vragen dan ook om hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating. Wij handhaven ons verzoek om een Europese Parlementaire delegatie te sturen en alle noodzakelijke stappen te nemen om die vrijlating te bewerkstelligen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Collega, ik heb vorige week woensdag - vandaag een week geleden dus - een dergelijk verzoek naar voren gebracht in de Knesset. Een dergelijk verzoek doen in de Knesset is iets waar zorgvuldig over na gedacht moet worden. Laten we hopen dat we bij alle vraagstukken - ook wat de vrijlating van de drie gevangen Israëlische soldaten en van de journalist van de BBC, Alan Johnston, betreft - tot een oplossing kunnen komen. De goede wil moet namelijk van alle kanten komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik wil om te beginnen zeggen dat precies een week geleden het Kwartet bijeen is geweest in Berlijn. Aangezien ik er zeker van ben dat u het document dat diezelfde avond in circulatie is gebracht al hebt gelezen, bent u op de hoogte van onze solidariteit met de leden van de Palestijnse Autoriteit, van het parlement, die worden vastgehouden, en ook - zoals de Voorzitter van het Parlement heel goed heeft gezegd - met de andere personen die op dit moment tegen hun wil worden vastgehouden in de Israëlische of Palestijnse gebieden.

Mijnheer de Voorzitter, ik wil een korte verklaring afleggen. Er is mij gevraagd om niet langer dan tien à vijftien minuten te spreken - ik zal mijn best doen - en ik wil u zeggen dat ik terugkom van een lange reis door de regio, waar ik de belangrijkste regionale leiders heb ontmoet en de situatie heb kunnen bestuderen, zodat ik ook verslag heb kunnen uitbrengen aan het Kwartet dat afgelopen woensdag is bijeengekomen.

Ik heb die reis in min of meer dezelfde periode gemaakt als de Voorzitter van het Parlement, met wie ik telefonisch contact heb onderhouden, evenals met een aantal vooraanstaande leden van het Parlement, die mij een brief hebben geschreven die ik nog niet heb beantwoord. Ik zou ze graag persoonlijk willen ontmoeten, omdat ik sindsdien - gelooft u mij - geen dag in Brussel ben geweest.

Ik zal kijken of ik een dag kan vrijmaken, zodat ik met u in alle rust over de onderwerpen kan spreken die u naar voren heeft gebracht en die naar mijn mening van zeer groot belang zijn.

Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat deze vergadering ook van speciaal belang is. Deze vergadering wordt gehouden op een datum die van groot belang is voor Palestina, voor Israël, voor alle burgers van de wereld in het algemeen en die van de Arabische wereld in het bijzonder.

Het is in deze dagen veertig jaar geleden dat de oorlog van 1967 uitbrak. We hebben nog altijd te maken met de vele en tragische consequenties van die oorlog. Wanneer je naar die veertig jaar kijkt, voel je in zekere zin toch een steek in je hart.

Het zijn veertig jaar van bezetting geweest, van lijden aan beide kanten, van geweld, waarin de burgers van zowel Palestina als Israël veel hebben geleden, en veertig jaar waarin Israël te veel nederzettingen heeft gebouwd in de bezette gebieden.

In deze situatie kunnen we twee dingen doen: naar het verleden kijken, om daaruit te leren welke fouten we niet meer moeten maken, of naar de toekomst kijken en de belangrijkste les van allemaal te trekken, namelijk dat de enige oplossing voor dit nu al veertig jaar durende conflict vrede is, een snel vredesproces dat snel tot vrede leidt.

Processen zijn er veel geweest, en gemiste kansen op vrede zijn er ook veel geweest. Ik denk dat we nu allemaal de wil moeten hebben - de wil om te handelen, niet alleen de wil om bepaalde dingen te denken en te zeggen, maar de wil om te handelen - om echte vrede te bereiken in die gebieden, die velen van ons en de Europeanen in het algemeen zo dierbaar zijn.

Ik wil daarom vooruit kijken, maar niet zonder heel kort iets te zeggen over wat deze reis heeft betekend, omdat de gebieden die ik heb bezocht stuk voor stuk gebieden zijn waar het op dit moment niet heel goed gaat.

In de bezette gebieden, in Palestina, zien we op dit moment geweld tussen Palestijnen onderling en ook geweld tussen Israël en Palestina. Er is niet geluisterd naar de oproepen die enkele partijen hebben gedaan om een staakt-het-vuren in acht te nemen, noch in Palestina, noch tussen Palestina en Israël.

Ik wil vandaag iedereen die daar enige verantwoordelijkheid voor draagt, oproepen om zo snel mogelijk een staakt-het-vuren in acht te nemen, zodat er een klimaat kan worden geschapen waarin de weg naar vrede kan worden ingeslagen.

Ik heb - evenals de Voorzitter van het Parlement - de gelegenheid gehad om Gaza te bezoeken. Het is erg belangrijk om nu een bezoek aan Gaza te brengen. Het was niet de eerste keer dat ik daar was, maar ik vond dat het een morele plicht was om naar Gaza te gaan en de voorzitter van de Palestijnse Autoriteit te ontmoeten, zodat niet de indruk zou ontstaan dat de wereld totaal was vergeten wat er in Gaza aan de hand is. De situatie in Gaza is moeilijk; er is geweld tussen de Palestijnen onderling, geweld dat, als het doorgaat, nergens toe zal leiden.

Het eerste dat we daarom moeten doen is proberen om dat geweld te stoppen en ervoor te zorgen dat er een staakt-het-vuren in acht wordt genomen, zodat de Palestijnen eindelijk samen kunnen gaan werken aan hun gemeenschappelijke doel, dat natuurlijk vrede is: vrede met hun buren en onderlinge vrede. Op dat vlak doen we alles wat in ons vermogen ligt, zowel ikzelf als de Commissie, die zo ruimhartig steun geeft.

Ik wil u zeggen dat de situatie in Palestina vanuit economische en sociaal oogpunt dramatisch is. Daarom denk ik dat, zodra deze dagen voorbij zijn en we de mogelijkheid hebben om weer op een duidelijkere en meer transparante manier met de politieke leiders te communiceren, we moeten gaan denken aan een hulpplan voor Gaza. Anders zal de situatie in Gaza zeer moeilijk worden, en zal het moeilijk worden om weer een echt vredesproces op gang te brengen.

Ook wil ik u zeggen dat ik denk dat de plechtige oproep die president Abbas gisteren heeft gedaan, op de verjaardag van het begin van de oorlog van 1967, het verdient om door iedereen te worden gelezen en bestudeerd, omdat deze oproep van een opmerkelijke morele kracht en moed getuigt.

Ik wil u ook meedelen dat ik in Israël ben geweest. Daar heb ik de premier en de minister van Buitenlandse Zaken ontmoet. Ik ben ook in Sderot geweest, in het gebied dat het meest door de Qassam-raketten is getroffen. Het leek me goed om ook onze solidariteit - de Europese solidariteit - te tonen met iedereen die met geweld te maken krijgt, waaronder het geweld van de Qassam-raketten.

Ik heb daar zelf ook enkele moeilijke, harde momenten meegemaakt, maar je wordt je in ieder geval beter bewust van wat er gebeurt wanneer je het zelf meemaakt.

In onze verklaring van afgelopen woensdag hebben de leden van het Kwartet aan Israël gevraagd om zich terughoudend op te stellen.

De politieke situatie in Israël is op dit moment ook moeilijk. De interne verkiezingen in de Arbeidspartij zijn nog niet afgelopen - dat zijn ze bijna - en we zullen zien hoe de volgende regering eruit zal zien, als er tenminste veranderingen komen na de verkiezingen in de Israëlische Arbeidspartij.

Ik wil zeggen dat de verklaring van het Kwartet een duidelijke - en energieke - oproep aan Israël is om de bevroren tegoeden over te maken aan de Palestijnse autoriteiten.

De internationale gemeenschap kan veel doen, en we doen ook veel. Wij als EU doen waarschijnlijk het meest van iedereen.

De Arabische landen zijn ook begonnen om geld te geven aan de minister van Financiën, Salam Fallad, en nu kunnen we zeggen dat er een begroting kan worden opgesteld voor de Palestijnse Nationale Autoriteit.

Maar zonder de overdracht van de tegoeden door Israël aan Palestina kunnen we vanuit de internationale gemeenschap verder niet veel doen. Het verbeteren van de economische omstandigheden is in essentie gekoppeld aan de vraag of Israël die middelen overdraagt aan de Palestijnen.

Ik wil kort iets zeggen over het Kwartet, en vervolgens over Libanon.

De bijeenkomst van het Kwartet in Berlijn van afgelopen woensdag is in mijn visie - en ik draai als een van de initiatiefnemers al heel wat jaren mee in het Kwartet - een van de belangrijkste geweest die we tot nu toe hebben gehouden. We hebben serieus kunnen nadenken over de vraag hoe we een vredesproces op gang kunnen brengen. Als u de laatste paragraaf van de verklaring leest, zult u zien dat er in die paragraaf echt naar de toekomst wordt gekeken en dat de leden van het Kwartet zich daarin committeren aan het snel op gang brengen van een vredesproces, in samenwerking met de partijen - Israël, Palestina, de Arabische landen -, een proces met een politieke horizon.

Voor het eerst in de geschiedenis zal het Kwartet in zijn geheel naar het gebied gaan. Het Kwartet zal in de komende weken een bijeenkomst met de Palestijnen en met de Israëli’s houden. Het zal ook een bijeenkomst met de Arabische landen houden, die met hun Arabische vredesinitiatief naar mijn mening ook meewerken aan het begin van de normalisering van het leven - of het begin van de mogelijkheid van normalisering - in de Israëlische en Palestijnse gebieden.

Ofschoon er bij veel Palestijnen, en ook bij een bepaald deel van de Israëlische bevolking misschien een gevoel van moedeloosheid heerst, denk ik toch dat de internationale gemeenschap, door middel van het Kwartet, juist positief heeft gereageerd. De internationale gemeenschap reageert met hoop, met het gevoel dat we na veertig jaar de morele plicht hebben om alles in het werk te stellen om de weg in te slaan naar formele vrede, om een vredesproces op gang te brengen.

Ik wil u zeggen dat deze weken echt van fundamenteel belang zullen zijn bij het op de rails zetten van een beweging die ons van de huidige situatie naar een politiek proces brengt dat tot vrede moet leiden.

Het is niet zo moeilijk om te zien op welke elementen dit vredesproces gebaseerd moet zijn. We hebben allemaal wel in ons hoofd welke parameters er voor vrede zijn. Nu moeten we met alle leden van het Kwartet daarmee aan het werk gaan. Ik wil u erop wijzen dat ons voorstel gunstig is ontvangen door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten en de minister van Buitenlandse Zaken van Rusland, die duidelijk positief hebben gereageerd op de ideeën die ik aan het Kwartet heb mogen voorleggen.

Daarom staan wij, dames en heren, op een belangrijk kruispunt, niet alleen met betrekking tot de huidige situatie, maar in positieve zin ook met betrekking tot een vredesproces, dat zich aftekent aan de horizon.

Dames en heren, ik kan de tijd die mij is toegewezen door de Voorzitter niet voorbij laten gaan zonder iets over Libanon te zeggen. Libanon gaat - opnieuw - door een zeer diepe crisis. U weet dat. Een zeer diepe crisis, waarvan sommige elementen zijn geworteld in het verleden en enige tijd teruggaan, van de moord op oud-premier Hariri, de hele situatie van de vorige zomer en de huidige situatie van politieke verlamming, die nog is verergerd door de opkomst van terroristische bewegingen in de vluchtelingenkampen; in twee vluchtelingenkampen, om precies te zijn: één in het noorden en één in het zuiden.

Zoals u allen weet, is er een reactie van het Libanese leger gekomen die ik patriottisch zou willen noemen, en patriottisch is ook de steun die het Libanese leger heeft gekregen van alle politieke groeperingen van Libanon, wat werkelijk buitengewoon is, gezien de verschillen die er de afgelopen maanden, weken en dagen zijn geweest tussen de verschillende Libanese groeperingen.

We hopen en wensen dat de vrede ook Libanon bereikt, dat de bijzondere omstandigheden die zich dezer dagen hebben voorgedaan - en die samenvielen met het besluit van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties om een Internationaal Tribunaal in te stellen dat de in Libanon gepleegde misdaden moet onderzoeken - het mogelijk maken om overeenstemming te bereiken tussen alle politieke krachten, zodat het politieke proces in Libanon weer op gang kan worden gebracht. Dat is onze wens, en om die wens in vervulling te doen gaan werken we zo goed mogelijk samen.

Mijnheer de Voorzitter, ik zal me aan de tijd houden die me is toegewezen en ik wil mijn laatste woorden dan ook gebruiken om te herhalen wat ik aan het begin heb gezegd. Dit is een moment van hoop, een moment waarvan we gebruik moeten maken, dat linksom of rechtsom de cyclus moet afsluiten die veertig jaar geleden is begonnen, en die we willen afsluiten met vrede, met een vreedzaam naast elkaar leven van twee staten - Israël en Palestina -, met een allesomvattende vrede met de andere landen - Syrië, Libanon -, zodat er weer een Midden-Oosten zal ontstaan dat hoop kan bieden aan iedereen, dat welvarend is en dat op een constructieve wijze bijdraagt aan vrede in de hele regio.

Voor ons Europeanen is dat een morele verplichting waarvoor we onze open niet mogen sluiten, en u kunt er zeker van zijn dat die van mij altijd geopend zullen zijn.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Hartelijk dank, mijnheer Solana, ook voor uw onvermoeibare inspanningen en uw grote inzet. Ik kan zeggen dat ik dezelfde ervaringen heb opgedaan als u. We moeten het pad van de vrede blijven bewandelen en niet bij de pakken neer gaan zitten.

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals wij allen weten, en zoals zojuist ook nog een keer door de heer Solana is benadrukt, is de sfeer in de regio extreem gespannen. Ik zou zelfs willen zeggen dat er een gevoel van wanhoop valt te bespeuren. Mijn directeur verblijft nog steeds in de regio en heeft me zojuist nog gebeld. Helaas wordt de situatie steeds onveiliger en is er sprake van een vicieuze cirkel van geweld, met name in de bezette Palestijnse gebieden, in Israël en in Libanon. Ook de heer Solana gaf dat net al aan.

Indien de oorzaken van die wanhoop niet worden weggenomen, zullen wij de rol van meer radicale groeperingen in de regio wellicht zeer snel groter zien worden. Volgens mij is dat op dit moment het grote gevaar. De heer Solana zei al dat de gevechten in Libanon zich nu al tot andere Palestijnse kampen hebben uitgebreid. Wij maken ons dan ook grote zorgen en vrezen dat het niet lang zal duren voordat het conflict tussen het Libanese leger en de Islamitische opstandelingen losbarst. De situatie is inmiddels uitgegroeid tot het ernstigste interne conflict sinds het einde van de burgeroorlog, een conflict dat al aan meer dan honderd mensen het leven heeft gekost.

Ik wil nog een keer benadrukken dat de legitieme regering van Libanon op onze volledige steun kan rekenen. Ik wil echter ook ons standpunt herhalen dat alles in het werk moet worden gesteld om te voorkomen dat er nog meer slachtoffers onder de burgerbevolking vallen. De hulporganisaties moeten de mogelijkheid krijgen om hun werk te doen.

Aan de andere kant wil ik mijn tevredenheid uitdrukken over VN-resolutie nr. 1757 van de Veiligheidsraad over de oprichting van een speciaal tribunaal in verband met de moord op de voormalige minister-president Rafiq Hariri. Ik denk dat het vertrouwen van de Libanese burgers in het rechtsstelsel en de rechtstaat in hun land hierdoor weer hersteld kan worden. Hopelijk komt hiermee ook een einde aan een van de meest tragische gebeurtenissen in de recente historie van Libanon.

De bijeenkomst die morgen in Gaza zou worden gehouden tussen president Abbas en minister-president Olmert, is helaas afgelast. De leiders van de G8 zullen zich in ieder geval morgen wel over het Palestijns-Israëlische conflict buigen, net zoals dat ook al is gebeurd tijdens de bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken van de G8. Er bestaat zeer grote bezorgdheid over de ontwikkelingen in zowel Gaza als Israël op politiek gebied en op het terrein van de veiligheid. Tegelijkertijd is ook onderkend dat er geen alternatief bestaat voor het voortzetten van de humanitaire hulp enerzijds en het onderzoeken van de wijze waarop steun kan worden gegeven aan dit Arabische vredesinitiatief anderzijds.

Zelfs in deze zeer penibele en problematische periode is er echter nog steeds hoop, omdat het Israëlische initiatief een unieke mogelijkheid biedt voor een veelomvattende oplossing. Wij weten dat ook de Egyptenaren trachten om een staakt-het-vuren tot stand te brengen met alle Palestijnse groeperingen. In deze moeilijke tijden is de betrokkenheid van de Verenigde Staten, en met name van Condoleezza Rice, bijzonder waardevol. Het voorzitterschap van de EU is ook vastbesloten om een oplossing te bewerkstelligen. De heer Solana heeft exact beschreven wat het Kwartet heeft gedaan. Naar mijn idee was het een goede bijeenkomst en ligt er nu een voorstel om zowel een bilateraal als regionaal traject te bewandelen. Ik hoop dat de bijeenkomst in Egypte gehouden kan worden, in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Arabische Liga en, naar ik hoop, ook van de beide conflicterende partijen.

Ik heb twee dagen geleden met de Jordaanse minister van Buitenlandse Zaken gesproken, de heer Abdel Ilah Al-Khatib. Hij is voornemens om samen met zijn Egyptische collega een bezoek aan Israël te brengen, voordat eind juni de bijeenkomst tussen de Arabische Liga en het Kwartet plaatsvindt. Wij hopen dat de betrokkenheid van Israël hierdoor wordt vergroot en dat het land daardoor gestimuleerd wordt om positief op het Arabische vredesinitiatief te reageren.

Ik heb vorige week ook een conferentie in Wenen bijgewoond over de bijdrage die vrouwelijke leiders kunnen leveren aan de vrede en veiligheid in het Midden-Oosten. Op deze conferentie is de mogelijke bijdrage besproken die maatschappelijke organisaties, vrouwen in de samenleving, aan de vrede kunnen leveren. Daarbij waren vooraanstaande vrouwen aanwezig als Tzipi Livni, Hanan Ashrawi, Condoleezza Rice en anderen. Een klein, maar veelzeggend positief aspect was dat dit de eerste keer was dat Tzipi Livni en Hanan Ashrawi aan dezelfde tafel een discussie voerden. Ik moet zeggen dat er sprake was van een groot wederzijds begrip en zelfs van een vriendschappelijke atmosfeer. Dit initiatief is ook weer een zeer nuttig stukje gebleken van de zeer moeilijke vredespuzzel. Ik ben van plan om wellicht volgend jaar een soort follow-upbijeenkomst in Brussel te houden.

Wij hebben grote waardering voor de inspanningen van het Europees Parlement: het bezoek van de delegatie van het Europees Parlement voor de betrekkingen met de Palestijnse Wetgevende Raad, gevolgd door uw bezoek, mijnheer de Voorzitter, en uw zeer evenwichtige toespraak in de Knesset op 30 mei. Het is bemoedigend dat uw toespraak goed door de Knesset is ontvangen, zoals u zelf al aangaf. Dat was geen gemakkelijke opgave.

De Palestijnse bevolking heeft dringend een politiek perspectief nodig. De leden van het Kwartet zijn zich daar zeer goed van bewust. Daarom moeten wij blijven aandringen op onderhandelingen over de definitieve status, waarbij wij gebruik kunnen maken van de structuren die de Arabische Liga heeft opgezet. De Arabische Liga heeft Israël verzocht om een aantal maatregelen te beëindigen die verband houden met de bezetting, zoals de blokkades van de nederzettingen en rondom het demarcatiegebied. Ik was aangenaam verrast door de oproep van president Abbas om dit interne geweld met onmiddellijke ingang te beëindigen. Hij vindt het de hoogste tijd dat de beschietingen met Qassam-rakketten vanuit Gaza nu voor eens en voor altijd afgelopen zijn. Het staakt-het-vuren moet inderdaad ook uitgebreid worden tot de Westelijke Jordaanoever. Ik betreur het nogmaals ten zeerste dat de bijeenkomst van morgen tussen minister-president Olmert en president Abbas is afgelast Wij moeten hieruit kennelijk afleiden dat beide partijen geen overeenstemming konden bereiken over het plan van president Abbas voor een staakt-het-vuren, met name met betrekking tot een koppeling van een staakt-het-vuren in Gaza aan het stopzetten van de militaire operaties op de Westelijke Jordaanoever. Er is ook geen overeenstemming bereikt over het vrijgeven van de Palestijnse inkomsten uit belasting- en douaneheffingen die door Israël zijn ingehouden in de periode voorafgaand aan de vrijlating van de ontvoerde soldaat Gilad Shalit. Wij hadden gehoopt dat er op dit punt enige vooruitgang geboekt zou worden. De Palestijnen hebben besloten dat zij het risico van deze bijeenkomst niet wilden lopen. Uiteraard hoopten wij allemaal dat die bijeenkomst een opstap zou zijn naar enige vooruitgang in de dialoog over het staakt-het-vuren en op het gebied van het vrijgeven van de belasting- en douaneheffingen en het opheffen van de beperkingen op de bewegingsvrijheid.

Wat de regering van nationale eenheid betreft, is het volgens mij geen goed idee om onze steun daaraan op dit moment in te trekken. Ik ben het ermee eens dat die regering nog niet alles heeft bewerkstelligd waar wij op gehoopt hadden, maar er zijn nu eenmaal geen aantrekkelijke alternatieven. Als wij toestaan dat deze regering uit elkaar valt, heeft dat ernstige gevolgen voor de institutionele capaciteit van de Palestijnse Autoriteit, waardoor de positie van radicale splintergroeperingen sterker zou kunnen worden. Naar mijn idee is dat het laatste wat wij willen.

Zoals u weet, heeft de Commissie - met inachtneming van de beperkingen zoals opgelegd door de Raad - snel gereageerd op de benoeming van een regering van nationale eenheid en op de grotere behoefte aan steun van de Palestijnen. Alleen al in de eerste helft van 2007 hebben wij 320 miljoen euro aan communautaire fondsen toegezegd. Dat is vrijwel gelijk aan het totale bedrag dat wij in 2006 beschikbaar hebben gesteld. Uit deze uitzonderlijke inspanning blijkt dat wij meer noodhulp aan de Palestijnen hebben verstrekt sinds de formatie van de regering van nationale eenheid. De financiële situatie van de Palestijnse Autoriteit is echter deplorabel, vertelde Salam Fayyad gisteren aan een van mijn collega’s. Zij hebben onze steun nog steeds nodig, zelfs nu dit tijdelijke internationale mechanisme (TIM) operationeel is. Israël dient de achtergehouden belasting- en douaneheffingen vrij te geven aan de Palestijnse Autoriteit. Wij zullen Israël aansporen om dat te doen via het TIM of via de PLO-rekening. Wij hebben dit verzoek ook overgebracht in het kader van het laatste Associatiecomité met Israël op 4 juni in Jeruzalem. Ook het Kwartet heeft gewezen op de noodzaak van een hervatting van de overdracht van die heffingen om de economische en humanitaire omstandigheden op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza te verbeteren. Zoals gezegd is het sowieso belangrijk dat er vooruitgang wordt geboekt.

Sinds de vorming van de regering van nationale eenheid werken wij zeer nauw samen met de minister van Financiën. Gezien de zeer trieste sociaaleconomische situatie zullen wij het TIM tot 30 september verlengen. Wij zullen dan wel nieuwe financiële middelen daarvoor moeten vinden. Ik zal het Europees Parlement en de Raad binnenkort vragen om nog een keer een extra inspanning te leveren om de benodigde financiële middelen in de begroting vrij te maken. Ik dank u voor alle steun die u in het verleden heeft gegeven en hoop dat wij ook in de toekomst op die steun mogen rekenen. Onze voornaamste taak daarbij dient het herstel van de instellingen van de Palestijnse Autoriteit te zijn, zodat deze weer de benodigde diensten aan het Palestijnse volk kan leveren. Wij proberen ook om de aandacht geleidelijk te verleggen van de huidige nadruk op nood- en humanitaire hulp naar de opbouw van de instellingen en ontwikkelingsprojecten. Ook als wij daarin slagen, moeten wij uiteraard nog steeds een oplossing voor de huidige crisissituatie vinden.

Wij zien uit naar nieuwe Palestijnse voorstellen. Zij hebben toegezegd dat zij met ideeën zullen komen voor specifieke internationale steun. De Palestijnse Autoriteit is op dit moment bezig met het opstellen van een operationeel plan dat vervolgens als een nuttig instrument gebruikt zou kunnen worden om nieuwe ontwikkelingsactiviteiten in kaart te brengen, waaraan wij onze steun kunnen geven, met name in Gaza.

Ik wil ook graag opmerken dat het begrotingstekort van de Palestijnse Autoriteit zodanig groot is dat de Gemeenschap deze last onmogelijk alleen kan dragen. De Arabische landen zullen hun toezeggingen om de regering van nationale eenheid te helpen ook gestand moeten doen. In dat verband is het een goede zaak dat de PLO-rekening die nu geopend is, in ieder geval ook gebruikt wordt door Saoedi-Arabië, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten. Dat is een eerste stap, maar het is nog niet voldoende.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u zeer, mevrouw Ferrero-Waldner. Ik wil ook u hartelijk bedanken voor uw inzet voor dit moeizame vredesproces, als men daar tenminste nog van kan spreken.

 
  
MPphoto
 
 

  José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, namens de PPE-DE-Fractie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats wil ik de Hoge Vertegenwoordiger bedanken voor zijn niet aflatende inzet voor vrede. Maar ik wil ook u bedanken, mijnheer de Voorzitter, voor uw bezoek aan de regio, voor de symbolische betekenis daarvan en voor de boodschap van solidariteit die ervan is uitgegaan. Ik dank ook commissaris Ferrero-Waldner voor het enorme werk dat de Europese Commissie verricht, in de ernstige politieke crisis, met groeperingen die deel uitmaken van de regering van nationale eenheid maar nu tegenover elkaar staan, en dit alles midden in een sociale, economische en humanitaire crisis.

Wat kunnen we doen in de huidige situatie? Ik denk weinig meer dan wat mevrouw Ferrero-Waldner en de heer Solana hebben aangegeven: de diplomatieke inspanningen van de Europese Unie verdubbelen en te werk gaan aan de hand van twee uitgangspunten.

Het eerste uitgangspunt is dat er een eind moet worden gemaakt aan de onderlinge strijd tussen de twee groeperingen die samen de regering van nationale eenheid vormen, en die nu verwikkeld zijn in een nietsontziende strijd om de macht, wat dramatische gevolgen heeft voor de burgerbevolking.

En in de tweede plaats, mijnheer de Voorzitter - ook dat moet duidelijk worden gezegd - moet de regering van nationale eenheid zich ondubbelzinnig en expliciet uitspreken voor de democratie en het gebruik van geweld verwerpen.

Wat kunnen we ondertussen doen? Commissaris Ferrero-Waldner heeft dat heel duidelijk uitgelegd: we moeten proberen om het mechanisme voor humanitaire hulpverlening zo soepel mogelijk toe te passen, de omvang van die hulp verhogen en andere prioriteiten aanhouden bij de verdeling ervan.

Mijnheer de Voorzitter, de maximumstraf in het Wetboek van Strafrecht van mijn land is dertig jaar en een dag. De heer Solana heeft ons er vandaag aan herinnerd dat het veertig jaar geleden is dat de Zesdaagse Oorlog begon, waarin Gaza, de Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogte werden bezet. De situatie bevindt zich echter nog steeds in een enorme impasse. Veertig jaar is meer dan een samenleving - of twee samenlevingen, zoals de heer Solana het uitdrukte - kunnen verdragen, in termen van de omvang van het lijden en het aantal doden.

Ik denk dat dit Parlement eensgezind zijn steun moet geven aan de vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie, zodat de Europese Unie, als onderdeel van de internationale gemeenschap in het algemeen en het Kwartet in het bijzonder, al het mogelijke kan doen om - zoals de heer Solana en mevrouw Ferrero-Waldner hebben gezegd - een nieuwe kans op vrede te creëren in een samenleving en een regio die al te veel hebben geleden.

 
  
MPphoto
 
 

  Pasqualina Napoletano, namens de PSE-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Ferrero-Waldner, mijnheer Solana, dames en heren, zoals hier al is gezegd, heeft dit debat plaats tijdens de veertigste verjaardag van de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en Gaza. Wat een Blitzkrieg had moeten worden, is veranderd in een nachtmerrie waar geen eind aan komt. Veertig jaar is zo’n lange periode dat hele generaties Palestijnen niets anders gekend hebben dan bezetting, vernedering, check-points, en tenslotte een muur en een leven dat op een gevangenschap lijkt: in de bezette gebieden is de mobiliteit inmiddels vrijwel onmogelijk!

Ook Israël heeft in deze veertig jaar zeker niet de garanties op veiligheid gekregen waarnaar het streefde, en het land is op zorgbarende wijze achteruitgegaan op het terrein van de democratie en de rechtsstaat. Wij hebben te maken met twee volkeren die volkomen uitgeput zijn door een eindeloze situatie van oorlog en geweld. De Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement wijst er al heel lang en duidelijk op dat de enige kans op een constructieve aanpak voor een situatie die voortdurend achteruitholt, is dat openlijke steun wordt verleend aan de Palestijnse regering van nationale eenheid.

Daar moet meteen aan toegevoegd worden dat de internationale gemeenschap in overweging zou moeten nemen om een vredeshandhavingsmacht naar het gebied te sturen, om te voorkomen dat het geweld van deze weken in Gaza nog verder uit de hand loopt, om een minimum aan leefomstandigheden voor de bevolkingen te garanderen, om de eerbiediging van het internationaal recht te herstellen, en vooral om die cirkel van uitzichtloos geweld te doorbreken.

Van Israël verwachten wij andere signalen dan de moorden en willekeurige arrestaties als reactie op de Qassam-raketten die op Sderot zijn afgevuurd. Door de bezetting, de nederzettingen, de muur en de situatie van Jeruzalem raakt het perspectief van twee staten elke dag verder verwijderd, zoals ook bronnen van de Verenigde Naties momenteel zeggen. De VN, de Verenigde Staten, Rusland, Europa en de gehele internationale gemeenschap hebben de verantwoordelijkheid om in te grijpen, voordat iedere mogelijkheid om samen te leven voorgoed van de horizon verdwijnt.

Ik herinner er tenslotte aan dat er een Arabisch plan bestaat om Israël vooruitzicht op vrede te bieden: niet alleen met de Palestijnen maar met alle Arabische landen. Hier moet met grotere overtuiging aan gewerkt worden. Premier Olmert heeft in de afgelopen dagen verklaard dat dit plan een basis voor onderhandelingen kan vormen. Ik hoop dat hij dat niet alleen heeft gezegd omdat zijn regering zo zwak staat.

De situatie in Libanon is al even ernstig, zoals u al gezegd hebt. Ik geloof dat de Unifil-troepen die daar opereren, gesteund en versterkt moeten worden. Tot slot willen wij onze Voorzitter, de heer Poettering, vragen om in actie te komen en een speciale vergadering van de Euromediterrane Parlementaire Vergadering bijeen te roepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Annemie Neyts-Uyttebroeck, namens de ALDE-Fractie. - Voorzitter, Hoge Vertegenwoordiger, mevrouw de commissaris, collega's, dezer dagen gedenken we de zesdaagse oorlog, die enerzijds de militaire suprematie van Israël heeft gevestigd, maar die ook het begin heeft ingeluid van 40 jaar bezetting, confrontaties, geweld en eindeloos bloedvergieten. Wie in Israël en in de bezette gebieden geboren is na juni 1967, dat wil zeggen al wie 40 jaar is of jonger, heeft niets anders gekend dan onzekerheid en ongerustheid over de toekomst van het eigen land, van de eigen geliefden en van zichzelf. Na 40 jaar is het nu echt wel genoeg geweest. Er moet dringend aan vrede worden gewerkt, een duurzame vrede, die gefundeerd moet zijn op twee landen die elkaars bestaansrecht erkennen en die met rust moet worden gelaten door hun buurlanden.

Er is hier uitvoerig uiteengezet door alle vorige sprekers hoe ingewikkeld, hoe moeilijk en hoe gecompliceerd dat wel is. Maar er is, collega's, dat ene ingrediënt zonder hetwelk het nooit zal lukken en dat is politieke wil en politieke moed. Zonder het soort politieke wil en politieke moed dat op een bepaald ogenblik in Zuid-Afrika bijvoorbeeld aanwezig geweest is in beide kampen om een eind te maken aan apartheid, een gruwelijk regime, zonder dát soort politieke moed en zonder dát soort politieke wil zal het niet lukken. En het jammerlijke is dat het voor niemand mogelijk is om politieke wil en politieke moed te hebben in de plaats van de protagonisten zelf. Het zijn zíj die die politieke wil en die politieke moed zullen moeten opbrengen. Morgen, collega's, zal er rond het Berlaymont-gebouw een mensenketting worden gevormd van joden en Palestijnen, die allemaal samen zullen zeggen: "Na 40 jaar is het nu eigenlijk wel genoeg geweest. Na 40 jaar moet er aan vrede worden gewerkt."

Maar jammer genoeg is het conflict tussen Israël en Palestina niet het enige dat onrust zaait in de streek. Nieuw geweld is opgelaaid in Libanon, sommigen zien hierin de hand van Syrië dat tot elke prijs een internationaal Hariri-tribunaal wil voorkomen. Ik wil graag namens mijn fractie de beslissing begroeten van de UNO-Veiligheidsraad, die de moed heeft gehad om te zeggen dat een dergelijk tribunaal er zal komen. U weet, collega's, dat dit een gemengd tribunaal zal zijn met internationale rechters en met Libanese rechters, met een gemengd openbaar ministerie en dat het zal functioneren volgens de beginselen van het Libanese recht. Maar ook in Libanon zal politieke moed in alle kampen noodzakelijk zijn om aan de Libanezen eindelijk datgene te gunnen waar ook zij recht op hebben: vrede en veiligheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley, namens de UEN-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de Hoge Vertegenwoordiger en de commissaris bedanken voor hun toespraken van vandaag. Ik zal, gezien de korte spreektijd, niet alle landen afzonderlijk bespreken, maar mij beperken tot Palestina. Alles wat namelijk in alle andere delen van het Midden-Oosten gebeurt, houdt verband met de situatie in Israël en Palestina.

Als ik terugkijk naar het debat dat veertig jaar geleden tijdens de speciale bijeenkomst van de Veiligheidsraad van de VN naar aanleiding van het begin van de zesdaagse oorlog in 1967 plaatsvond, vind ik het interessant om te zien wat er toen voor mogelijke oplossingen of plannen werden overwogen. Een van die oplossingen indertijd was gegarandeerde veiligheid en gegarandeerde grenzen van Israël, gebaseerd op een terugtrekking van de Israëlische strijdkrachten uit de bezette gebieden en een tweestatenoplossing. Veertig jaar later is het Kwartet er niet in geslaagd om de meest eenvoudige doelstelling te verwezenlijken, namelijk om de betrokken partijen ervan te overtuigen dat dit de enige juiste oplossing is.

Wij hebben op Europees niveau fouten gemaakt, met onze negatieve reactie op de verkiezing van de Hamas-regering in Palestina. Daardoor hebben wij een verkeerd signaal afgegeven, waardoor radicale groeperingen de controle over hebben genomen en de Palestijnse burgers de indruk hebben gekregen dat het geen zin heeft om op die mensen te stemmen of hen erbij te betrekken, aangezien de Europeanen dan de geldkraan dichtdraaien. Daarom is het zo belangrijk dat de financiering weer hersteld is via dat noodmechanisme. De commissaris heeft daar terecht op gewezen.

Die inspanningen dienen gecontinueerd te worden, want een oplossing is alleen maar mogelijk als wij betrekkingen en een dialoog tussen de mensen en volken tot stand brengen. Die oplossing moet gebaseerd zijn op dezelfde beginselen als veertig jaar geleden: een tweestatenoplossing, gegarandeerd veilige grenzen, en een rechtvaardige en faire behandeling van alle mensen in Israël en Palestina.

 
  
MPphoto
 
 

  David Hammerstein, namens de Verts/ALE-Fractie. - (ES) Israël heeft de Zesdaagse Oorlog gewonnen, maar heeft de vrede verloren met veertig jaar bezetting. Nu zien we een gevaarlijke ontwikkeling in de richting van de Irakisering of de tribalisering van het geweld in het Midden-Oosten.

De opkomst van Fatah al-Islam in de Palestijnse kampen in Libanon en de groeiende fragmentering van de burgerconflicten in Gaza zijn geen goede voortekenen voor de toekomst van de regio.

We zien hoe het Palestijnse probleem zich uitspreidt over het hele Midden-Oosten en vermengd raakt met allerlei andere belangen van de verschillende actoren.

We lopen het gevaar dat we heel spoedig de bodem zullen bereiken. Gaan we passief toekijken hoe de Palestijnse Autoriteit instort? Zoals ik al zei, kunnen we dat niet toestaan. Wat gaan we doen om ervoor te zorgen dat dit niet gebeurt? Wordt het een aangekondigde dood, chaos en geweld van een oorlog van allen tegen allen?

Gaza kan niet langer wachten. De Europese Unie kan de democratisch gekozen Palestijnse regering van nationale eenheid niet langer de rug blijven toekeren. Dat beleid van de Europese Unie heeft eraan bijgedragen dat iedere poging tot matiging door Hamas en Fatah wordt gewantrouwd door de bevolking, want het is gebleken dat de aanvaarding van het akkoord van Mekka niets heeft veranderd aan het embargo of aan de verschrikkelijke leefomstandigheden in de enorme gevangenis die Gaza heet.

In de eerste plaats moet de Europese Unie een dialoog op gang brengen met alle partijen, inclusief Hamas, om de vorming van een stabiele regering dichterbij te brengen.

In de tweede plaats moeten we de rechtstreekse financiële steun aan de Palestijnse Autoriteit hervatten, en zien te bereiken dat Israël het ingehouden Palestijnse belastinggeld teruggeeft.

En tot slot moeten we aan een uitbreiding van het staakt-het-vuren van Gaza naar de Westelijke Jordaanoever werken, door internationale garanties te geven, Europese en Arabische troepen naar Gaza te sturen met een mandaat van de VN, en indien nodig ook naar de Westelijke Jordaanoever.

Tegelijk vragen we om de vrijlating van de 45 parlementsleden en van de Israëliër Gilad Shalit en om stopzetting van het afvuren van Qassam-raketten en het vernietigende antwoord daarop van de kant van Israël.

(Applaus van links)

 
  
MPphoto
 
 

  Francis Wurtz , namens de GUE/NGL-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, mevrouw de commissaris, mijn fractie hechtte grote waarde aan dit debat, juist vandaag, veertig jaar na het uitbreken van een oorlog waarvoor de internationale gemeenschap, waaronder de Europese Unie, tot op heden niet in staat is gebleken de enige rechtvaardige en duurzame oplossing te vinden die er is, namelijk de beëindiging van de bezetting, de kolonisering en de onderdrukking door Israël van de in 1967 veroverde Palestijnse Gebieden.

Voorzitter, ik was zowel inhoudelijk als formeel blij met de krachtige woorden die u op 30 mei jongstleden heeft uitgesproken in de Knesset. Drie cruciale zinnen uit uw toespraak zijn me met name bijgebleven: “Wij zijn allemaal gehouden aan het internationaal recht”. U hebt gelijk. Wij willen van Israël niets anders dan dat het de resoluties van de Veiligheidsraad, de Geneefse Verdragen, de aanbevelingen van het Internationale Strafhof en het humanitair recht naleeft, zoals de VN onlangs in herinnering heeft geroepen. De mensenrechten worden op flagrante, constante en grootschalige wijze geschonden. Deze schendingen houden verband met nederzettingen, vluchtelingen, gevangenen, de muur en uiteraard voornamelijk de bezetting van de Palestijnse gebieden en de annexatie van Oost-Jeruzalem.

U hebt tevens benadrukt, mijnheer de Voorzitter, dat, en ik citeer: “De totstandbrenging van twee staten op basis van de grenzen van 1967 de enige weg is en blijft naar een bevredigende oplossing”. Dat is een fundamentele waarheid. De snelle toename van de nederzettingen, de bouw van de muur en het isolement van Palestijnse wijken in Jeruzalem maken deze oplossing echter juist onmogelijk. De achteloosheid waarmee de Israëlische autoriteiten het vredesplan van de Arabische Liga bejegenen, bevestigt deze wanhoopsstrategie.

Tot slot, mijnheer de Voorzitter, hebt u ons terecht gewezen op een vanzelfsprekendheid: er is geen vrede zonder rechtvaardigheid. De beroemde Israëlische historicus Tom Segev verwoordde onlangs de gevoelens van zijn landgenoten die al veertig jaar lang van mening zijn dat, en ik citeer: “Israël in 1967 de basis legde voor het toekomstig terrorisme”. Grote staatsmannen, zoals Yitzhak Rabin, hadden dat begrepen, maar de Israëlische vredesbeweging - die dit land tot eer strekt - wordt gemarginaliseerd door het huidige bewind.

De conclusie die we kunnen trekken uit deze tragische ervaring van veertig jaar blindheid is naar oordeel van mijn fractie de volgende: door de zaken op hun beloop te laten, laden we zelf schuld op ons. Laten we op durven komen voor de waarheid. Ik citeer u nog een laatste keer, mijnheer de Voorzitter, “Laten we de moed hebben om samen een nieuw begin te maken”.

(Applaus van linkerzijde)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u zeer, mijnheer Wurtz, voor uw blijk van waardering voor de woorden die ik ten overstaan van de Knesset heb uitgesproken.

 
  
MPphoto
 
 

  Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag heel kort reageren op de bijdragen van de geachte afgevaardigden die namens de fracties in dit Parlement hebben gesproken.

Volgens mij is in de meeste toespraken dezelfde lijn gevolgd, een lijn die wij in zekere zin al gedurende lange tijd voorstaan: het is tijd om af te stappen van een beleid dat op crisisbeheer is gericht. Crisisbeheer is weliswaar belangrijk, maar het is niet voldoende. Naast crisisbeheer hebben wij een beleid nodig dat tot een oplossing leidt. Wij moeten naar een politiek perspectief streven om dit conflict nu daadwerkelijk op te lossen; wij moeten deze klus waar veertig jaar geleden mee is begonnen, nu eindelijk tot een goed einde brengen. Dat is in beginsel het standpunt dat iedereen tot uitdrukking heeft gebracht, en dat zullen wij in de komende dagen ook trachten in praktijk te brengen.

Ik heb al verteld dat het Kwartet afgelopen woensdag in Berlijn een bijeenkomst heeft gehad, en dat dit Kwartet nu voor de eerste keer vastbesloten is om een debat met de partijen in gang te zetten om en politiek perspectief te creëren. Dat betekent concreet dat het Kwartet vóór het eind van de maand een ontmoeting zal hebben met zowel de Palestijnen als de Israëli’s om de dialoog tussen president Abbas en minister-president Olmert te bevorderen, een dialoog die zich nog steeds in een pril stadium bevindt. Zij zijn de twee mensen die het pad voor de vrede moeten effenen. Het is onze plicht om dit proces te stimuleren en als katalysator hiervoor te fungeren. Dat zullen wij ook doen. In de verklaring die het Kwartet afgelopen woensdag heeft gegeven, staat dat ook heel duidelijk. Volgens mij is dit een ingrijpende wijziging van onze koers. Ik wil dat graag benadrukken, omdat iemand vroeg of wij passief gaan afwachten totdat de catastrofe zich gaat voltrekken. Het antwoord is “nee”! Dat willen wij niet, dat wilt u niet, en dat willen de mensen in de regio niet. Onder leiding van het Kwartet proberen wij via dit mechanisme vooruitgang te boeken, zodat de vrede dichterbij komt.

De geachte afgevaardigden die het woord hebben gevoerd namens hun fracties, hebben nog een aantal andere voorstellen gedaan, waaronder de samenstelling van een internationale troepenmacht. Ik kan daarop zeggen dat voor de eerste keer in vele jaren een dergelijke troepenmacht daadwerkelijk tot de mogelijkheden behoort. Zoals u weet, is het voorstel daartoe in de Knesset ingediend door twee leden van de fracties. Zij zeiden dat dit misschien het juiste moment is om - in ieder geval in het beginstadium - een internationale troepenmacht te stationeren om de vrede te bewaren of de grens te controleren in het zuiden rond de zogeheten Philadelphi-corridor, waar de grensovergang bij Rafah zich bevindt. Omdat hierover al informatie in de pers is verschenen, weet u waarschijnlijk al dat wij deze optie nader bestuderen. Dat geldt ook voor de Israëli’s en de Palestijnen. Ook de Egyptenaren nemen deze optie in overweging, zij het dat zij iets minder enthousiast hierover zijn. De aanwezigheid van een internationale troepenmacht is voor de Egyptenaren namelijk moeilijk te accepteren omdat hierdoor de indruk wordt gewekt dat zij zelf niet in staat zijn om dat deel van de grens te controleren. Toch denk ik dat wij de discussie over deze optie in gang kunnen zetten en wellicht tot een oplossing kunnen komen.

Dit sluit ook aan bij hetgeen mevrouw Napoletano over het succes van Unifil heeft gezegd. Het feit dat de internationale gemeenschap verantwoordelijk was voor Unifil, dat wil zeggen voor het uitvoeren van de resolutie van de VN-Veiligheidsraad met betrekking tot Libanon, en de positieve reacties op die troepenmacht - die overigens voor het grootste gedeelte van Europese origine is - hebben ertoe geleid dat enkele leden van de Israëlische regering en de Knesset (en mensen in Israël in het algemeen) zich nu afvragen of de inzet van een dergelijke troepenmacht ook in andere gebieden mogelijk is.

In zeker zin moeten wij alle aspecten met elkaar in verband brengen. Het is wellicht mogelijk om de lessen die wij van onze aanwezigheid in Libanon hebben geleerd, ook op andere plaatsen toe te passen. Dat biedt de mogelijkheid voor de stationering van een toezichthoudende troepenmacht. Dat is overigens absoluut noodzakelijk indien het vredesproces een kans van slagen wil hebben.

Met betrekking tot Libanon wil ik graag nogmaals benadrukken dat de resolutie voor de oprichting van een tribunaal zeer belangrijk is. Dat tribunaal is tegen niemand gericht. Syrië heeft hier zeer negatief op gereageerd, en daarom wil ik nogmaals onderstrepen dat een dergelijk tribunaal geen vooroordelen heeft ten opzichte van bepaalde personen of landen. Het tribunaal wordt opgericht om te onderzoeken wie er verantwoordelijk is voor de moord op de heer Hariri, een goed mens die door velen van ons als een vriend werd beschouwd. De achtergrond van die moord dient opgehelderd te worden, indien wij vrede en verzoening in Libanon willen bewerkstelligen. Dat is ook het doel van de Europese Unie en afgelopen woensdag heeft de Veiligheidsraad het belangrijke besluit genomen om dat internationale tribunaal in het leven te roepen.

Ik wil graag nogmaals zeggen dat de richting waarin wij het Kwartet thans sturen, een initiatief is dat zoals altijd veel vaders - of veel moeders - heeft. U mag er echter in ieder geval op vertrouwen dat de Europanen zich vanaf het begin veel inspanningen hebben getroost om dit te bereiken. Laten wij hopen dat wij in staat zijn om op de ingeslagen weg verder te gaan. Dat zal niet eenvoudig zijn, maar ik hoop in ieder geval dat ik, net als altijd, ook in de toekomst op de steun, de hulp en het begrip van het Europees Parlement mag rekenen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb gisteren een ontmoeting gehad met een delegatie van Israëlische burgers uit Sderot. Zij hebben mij uit de eerste hand verteld van de verschrikkingen waaronder de burgerbevolking te leiden heeft als gevolg van driehonderd willekeurige aanvallen met Qassam-raketten vanuit het Gaza-gebied, dat onder controle van Hamas staat. Inmiddels zijn er twee doden gevallen en zijn er vele gewonden. Volgens het internationaal recht is dit een oorlogsmisdaad. Afgelopen week zijn er 33 mensen door de IDF (de Isareli Defence Forces) op de Westelijke Jordaanoever opgepakt, waaronder de Palestijnse minister van Onderwijs Nasser al-Shaer. Zij worden beschuldigd van openlijke steun aan die raketaanvallen. De gevangenneming van een minister van Onderwijs is een interessant verschijnsel. Dat lijkt namelijk een ondersteuning te vormen van de herhaalde beschuldigingen in dit Parlement dat de Palestijnse schoolboeken en lesprogramma’s, die jarenlang mede door EU-fondsen zijn gefinancierd, nog steeds gericht zijn op een versterking van het klimaat van haat en wantrouwen ten opzichte van Israël en het verheerlijken van terroristisch geweld.

Zoals ook tot uiting komt in het Hamas-handvest van 1988, dat op de Egyptische moslimbroederschap is gebaseerd, zijn veel van de ministers van de regering van nationale eenheid er nog steeds hartgrondig van overtuigd dat de staat Israël geen bestaansrecht heeft, dat alle terroristisch geweld te rechtvaardigen is via een verwijzing naar de zogeheten gewapende strijd, en dat zij niet gebonden zijn aan eerdere internationale overeenkomsten die door de PLO zijn ondertekend. In mijn optiek voldoet de Palestijnse regering van nationale eenheid overduidelijk niet aan de criteria van het Kwartet. De EU dient Hamas dan ook te handhaven op de lijst van terroristische organisaties en mag ook geen directe financiële steun aan de regering van de Palestijnse Autoriteit geven. Ook dient het TIM in stand gehouden te worden voor het verlenen van humanitaire hulp. Die hulp is inmiddels opgelopen tot meer dan 500 miljoen euro per jaar en is - in tegenstelling tot wat het grote publiek denkt - de afgelopen drie jaar alleen maar toegenomen.

Ook ik sluit mij aan bij de nieuwe voorstellen van de Arabische Liga voor een oplossing via de onderhandelingstafel, hoewel ik eerlijk moet zeggen dat het terugkeerrecht volledig irreëel is. Wederom verwerpt Hamas echter vreemd genoeg de voorstellen voor de erkenning van Israël. Een aantal voorstanders van de harde lijn bij alle partijen verwerpt de vrede of een tweestatenoplossing. Op de veertigste verjaardag van de Zesdaagse Oorlog is echter zonneklaar dat dit de enige haalbare oplossing op lange termijn is voor een duurzame vrede in de regio. Allereerst dient de Palestijnse Autoriteit echter de openbare orde op haar grondgebied te waarborgen en ervoor te zorgen dat het conflict beëindigd wordt dat inmiddels is uitgegroeid tot een virtuele burgeroorlog tussen Hamas en Fatah in Gaza, een conflict dat ook nog eens door Libanon wordt aangewakkerd.

Ik roep dit Parlement en de internationale gemeenschap nogmaals op om druk uit te oefenen op iedereen die van invloed kan zijn op de vrijlating van de BBC-verslaggever Alan Johnson - waarvan we nu weten dat hij gezond en wel is - en de ontvoerde korporaal Shalit. Als dat gebeurt, wordt er een klimaat gecreëerd dat bevorderlijk is voor het opnieuw oppakken van de cruciale routekaart voor de vredesonderhandelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique de Keyser (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, tijdens de parlementsverkiezingen van 2006 vroeg ik aan een Palestijn: “Denkt u dat deze verkiezingen vrede gaan brengen?” Hij antwoordde: “Nee, vrede niet, maar wel democratie. En wij gaan aan de wereld laten zien dat we zelfs in de bezette gebieden in staat zijn vrije verkiezingen te houden.”

Onze reactie was beneden alle peil. Wij hebben de aspiraties van een volk, inclusief hun recht om fouten te maken, geminacht en aldus nog iets meer chaos teweeggebracht in een regio waar de gemoederen momenteel hoog oplopen. De oprichting van een regering van nationale eenheid en het akkoord van Mekka hebben onvoldoende verandering teweeg gebracht in de harde lijn van de Europese Unie of haar sancties. Ondanks uw inspanningen, mevrouw Ferrero-Waldner - en ik stel deze inspanningen op prijs -, ondanks hetgeen u ons hebt verteld, en dat is bemoedigend, meneer Solana, ben ik van mening dat we ons beleid ten aanzien van het Midden-Oosten niet ingrijpend genoeg hebben gewijzigd, en dat we onvoldoende hebben begrepen dat we met onze reactie op deze verkiezingen het begrip ‘democratie’ zelf ondermijnen.

Deze houding duurt al veertig jaar lang voort. Ik vind dat we het deels aan onszelf te danken hebben dat er in veertig jaar tijd een situatie van totale anarchie is ontstaan in Palestina, met buitengerechtelijke executies, landdiefstal, en nu de ontvoering van rechtmatig gekozen afgevaardigden en ministers, het bestaan van een muur die als onrechtmatig wordt beschouwd door het Hof in Den Haag, en de schending van de Verdragen van Genève. Francis Wurtz had het er al over: meer dan vierhonderd kinderen zitten nog altijd gevangen in Israëlische gevangenissen, meer dan vierhonderd jonge Palestijnen. In de resoluties van de VN werd met geen woord gerept over het afgrendelen van gebieden en de beperkingen van de bewegingsvrijheid. En wat nog meer?

Uiteraard, mijnheer Kinnock, veroordelen wij het geweld, veroordelen wij de raketaanvallen, veroordelen wij de ontvoering van de soldaat Shalit, maar momenteel is de verhouding zoek. Kijkt u maar naar de cijfers. Deze zijn helaas dramatisch ongunstig voor het Palestijnse volk en nogmaals, er is geen sprake van gelijke afstand. Het internationaal recht – dat is geen gelijke afstand.

Niets rechtvaardigt momenteel ons stilzwijgen, en ik wilde hier hulde brengen aan de nieuwe Rechtvaardigen, deze joden die, in Israël en daarbuiten, voor hun mening uitkomen en zeggen “Dat moet afgelopen zijn.” Daarvoor moeten ze het hoongelach, het sarcasme en zelfs de dreigementen van hun medeburgers incasseren. Ik voel me solidair met al deze mensen, zoals ik me ook solidair voel met onze Palestijnse collega’s die, in weerwil van hun parlementaire onschendbaarheid, gevangen zijn gezet.

Ik wilde u zeggen dat in België alle leiders van de politieke partijen morgen om 13 uur bijeenkomen in Berlaymont, waar ze een cordon voor vrede zullen vormen en de Europese Unie zullen vragen haar verantwoordelijkheden te nemen, niet alleen humanitaire verantwoordelijkheden, maar echte politieke verantwoordelijkheden, die de Europese Unie tot eer strekken.

 
  
MPphoto
 
 

  Angelika Beer (Verts/ALE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, niemand van ons trekt het bestaansrecht van Israël in twijfel. Wij kennen onze politieke verantwoordelijkheid. Ik wil echter in herinnering roepen wat er is gezegd tijdens een vredescongres dat de afgelopen dagen in Palestina is gehouden. Palestijnse en Israëlische vrouwen, die deel uitmaken van het maatschappelijk middenveld, zijn met een heldere boodschap gekomen: “Jullie spreken over coëxistentie van beide staten, en dat is ook goed. Maar vergeet niet dat ons bestaan wordt bedreigd, in Palestina en in de Gaza.”

Ik denk dat het nu in de eerste plaats om de bestaanskwestie gaat. Daarom ben ik blij dat Javier Solana zei dat we ons moeten afvragen of wij onze ervaringen in Libanon niet zo snel mogelijk moeten evalueren en ons eventueel in Gaza moeten inzetten. Wij moeten handelen voordat de situatie volledig uit de hand loopt, want veel kansen krijgen we niet meer. Wat u, mijnheer Solana, omschreef als moed, is in feite de hoop die wij moeten hebben om ons te blijven inzetten en dit ook uit te leggen aan de mensen ter plekke. Welnu, deze hoop is in de regio zelf tot een minimum geslonken.

Namens mijn fractie wil ik de Voorzitter, de heer Poettering, bedanken voor het feit dat hij deze reis heeft gemaakt. U zei dat de situatie in Gaza onduldbaar is. Het is onze plicht ons nu meer dan ooit in te zetten voor het recht van de mensen daar om in vrede te leven, en dat betekent vanzelfsprekend ook dat wij Hamas moeten bekritiseren wegens zijn dubbelspel. De verklaring van Hamas ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de Zesdaagse Oorlog is voor ons onaanvaardbaar. Wij moeten echter met de regering van nationale eenheid ook actief samenwerken, want een tweede kans krijgen we niet. Ik deel de kritiek die mevrouw De Keyser zojuist formuleerde, namelijk dat wij als Europese Unie fouten hebben gemaakt in de regio. Wij hebben de hoop bitter beschaamd en zijn er niet in geslaagd de bereidheid van de mensen om naar de toekomst te kijken te versterken.

Ik hoop dat het Midden-Oostenkwartet nu uit zijn sluimer is ontwaakt. Ik hoop dat het in actie komt en dat er reizen naar het gebied worden gemaakt. Dit kon wel eens de laatste kans zijn, voordat de hoop op vrede definitief is verdwenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jana Hybášková (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij toe om met een aantal citaten te beginnen. Op 2 april zei minister Haniyeh het volgende op Al-Jazeera: ‘Wat ons betreft, is de kwestie rondom de erkenning van Israël nu eens en voor altijd geregeld. Het is geregeld in onze politieke literatuur, in ons Islamitisch gedachtegoed en in onze Jihad-cultuur waarop wij ons handelen baseren. Wij zullen een bestand afkondigen, maar zullen Israël nimmer erkennen’. Op 27 april zei hij op Al-Jazeera: ‘Indien de belegering langer dan een bepaalde tijd duurt, zullen wij een besluit moeten nemen, en het lijdt geen twijfel dat wij zullen reageren. Op 5 mei zei hij in een gebed: ‘Ik herhaal namens de Palestijnse regering dat het veiligheidsplan niet van invloed zal zijn op het verzet. Wij zullen Allah de gelegenheid geven om ons een van de twee zegens te schenken, de overwinning of het martelaarschap.’

Ik spreek vloeiend Arabisch en ik kan u de verzekering geven dat de vertaling correct is. De situatie is ernstig. Wij worden niet alleen met een “Irakisering” van Gaza geconfronteerd, maar met de “Iranisering” van het gehele Midden-Oosten. Dat is niet alleen een bedreiging voor het Midden-Oosten, maar vormt ook een serieuze bedreiging voor onze eigen veiligheid. Europa moet hier een rol in gaan spelen en wij moeten absoluut één front vormen. Daarom dient het Parlement eensgezind te blijven en steun te geven aan de Raad, de Commissie en het Kwartet. Het tijdelijke internationale mechanisme dient gecontinueerd te worden. Wij moeten de humanitaire hulp voortzetten. Wellicht dat wij zelfs de PLO-rekening moeten gebruiken.

De kern van de oplossing is echter dat de Palestijnse regering van nationale eenheid geweld afzweert, de staat Israël erkent en de verplichtingen uit hoofde van de internationale overeenkomsten nakomt. Pas dan kunnen wij een beroep doen op VN-Resolutie nr. 242 en Israël onverkort vragen zich terug te trekken, zodat er geen “deterritories” of bezette gebieden meer zijn. Ik zou van de Raad en de Commissie dan ook graag willen weten of zij van mening zijn dat er aan de voorwaarden voor de erkenning en rechtstreekse financiering van de Palestijnse regering van nationale eenheid is voldaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Béatrice Patrie (PSE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, nu veertig jaar zijn verstreken sinds de Zesdaagse Oorlog en de bevolkingen van het Midden-Oosten nog steeds de tragische gevolgen ervan ondervinden; nu rapporten van Amnesty International en de Verenigde Naties grote vraagtekens plaatsen bij de levensvatbaarheid van een Palestijnse staat, vanwege het aanhoudende Israëlische beleid van bezetting en kolonisering, nu Gaza en de Westelijke Jordaanoever geteisterd worden door vreselijke ellende, waardoor de vijandigheden tussen rivaliserende Palestijnse facties worden aangewakkerd en de regering van nationale eenheid, laatste bastion tegen de burgeroorlog, aan een zijden draadje hangt; nu de hele regio in vuur en vlam staat, van Irak tot Libanon, kunnen we wel zeggen dat toespraken met uitingen van medeleven niet langer volstaan en het hoog tijd is te zorgen voor een verandering, een ommekeer, voor een revolutie - zou ik durven zeggen - van ons Midden-Oostenbeleid en om onze verantwoordelijkheden ten volle te nemen.

Allereerst is het daarvoor noodzakelijk de Palestijnse regering van nationale eenheid te erkennen, waar we onze hoop op hebben gevestigd en die zich bereid heeft verklaard alle resoluties van de VN en van de PLO, alle eerdere resoluties, evenals de eisen van het Kwartet na te leven om de tweestatenoplossing weer geloofwaardig te maken. Vervolgens moeten wij onze directe steun aan deze regering hervatten, want we hoeven niet te denken dat de Israëli’s de achtergehouden belastinginkomsten die de Palestijnse regering rechtmatig toekomen, zullen vrijgeven, en het tijdelijk mechanisme is uiteindelijk op een sisser afgelopen. Verder moet er een internationale interpositiemacht - waarvan de doeltreffendheid en duurzaamheid is aangetoond in Libanon - worden gestationeerd aan de grens tussen Gaza en Israël, omdat dat de enige manier is om een echte wapenstilstand af te dwingen. Tot slot moeten wij vooral ook blijk geven van een flinke dosis ambitie, wellicht door het initiatief te nemen tot een Europese Camp David. Een dergelijk initiatief is noodzakelijk geworden sinds de door het Kwartet hooggehouden routekaart niet meer dan een loze belofte is gebleken.

Sinds 1967 zijn we verdwaald in fouten en onrechtvaardigheden. Moeten we nog veertig jaar wachten…

(Spreekster wordt door de voorzitter onderbroken)

 
  
  

VOORZITTER: MAREK SIWIEC
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Margrete Auken (Verts/ALE). - (DA) Bedankt, mijnheer de Voorzitter, en dank ook aan de commissaris en de Hoge Vertegenwoordiger. Ik heb echter simpel gezegd mijn twijfels. Wij hebben binnen de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie geprobeerd te discussiëren over wat we nu precies te weten zijn gekomen. Voor ons heeft het de hoogste prioriteit dat we de Palestijnse regering erkennen en dat er aansluitend actie wordt ondernomen. Ik kom er echter gewoonweg niet achter of dat het ook is wat we nu te weten zijn gekomen. Van de heer Solana zijn we dit niet te weten gekomen, maar is het dan dat wat we van mevrouw Ferrero-Waldner hebben gehoord? Met andere woorden, heeft zij gezegd dat we willen erkennen en van daaruit verder willen gaan? Ik vind dat we daar nu een duidelijk antwoord op moeten hebben, want dit frustreert het hele systeem. Er wordt alleen maar gesproken, gesproken en nog eens gesproken, maar er worden geen daden gesteld. De dubbele moraal en de verlamming staan niet alleen op het punt het Midden-Oosten te ondermijnen, maar ook de EU.

Het tweede punt waar we duidelijkheid over moeten hebben is wat wil zeggen: wij gaan het Arabische initiatief steunen. Ik heb uit de verklaring van de heer Solana niet kunnen opmaken dat we dat feitelijk van plan zijn. Ik heb alleen horen zeggen dat we nu weer van start moeten gaan met de onderhandelingen. We weten echter al precies welke richting we op moeten. Dit is een moeilijk proces om te verwezenlijken, maar we weten wat het resultaat moet zijn, en we mogen niet de reputatie krijgen dat we steeds maar weer het Arabische initiatief noemen en het vervolgens lamleggen door te zeggen: en nu gaan we eens kijken wat er gebeurt. We moeten zeggen: dit is ons startpunt. En dan hebben we het eindresultaat vastgesteld, waarvan we allemaal heel goed weten dat dat het enige acceptabele resultaat is, als we verder willen komen. Bovendien is dat per slot van rekening wat zowel het Westen als Israël al zolang dringend vragen. Kunnen we duidelijke antwoorden krijgen? Dat zou geweldig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de Hoge Vertegenwoordiger, mevrouw de commissaris, het is goed nieuws dat het Kwartet nu gemeenschappelijk wil optreden in de regio. Dit is een belangrijke mededeling omdat het Kwartet - zoals we in dit Parlement al vaker hebben gezegd - alleen in gesloten formatie beschikt over de geloofwaardigheid die nodig is om alle partijen de noodzakelijke veiligheidswaarborgen te geven. Geen van de leden van het Kwartet is hiertoe, vanuit het oogpunt van de regio’s, op eigen kracht in staat. Ik wil u gelukwensen met deze ontwikkeling en ook met het feit dat deze kan worden gekoppeld aan het Arabische initiatief.

Zoals we al zo vaak hebben gezegd, moet één ding duidelijk zijn als we vooruit willen komen en niet willen vervallen in wanhoop en hopeloosheid: aan beide zijden moeten de gematigden in staat zijn om in hun eigen gebied de basisvoorwaarden te scheppen voor het op gang brengen van een vredesproces dat niet direct teniet wordt gedaan door de provocaties van minderheden uit het andere kamp. Dit moet daarom het startpunt zijn. Uiteraard is het zo dat Israël het geld moet vrijgeven, en uiteraard is het ook zo dat op de Westelijke Jordaanoever de patchworksituatie - met overal controles en nederzettingen - die iedere economische ontwikkeling in de kiem smoort, moet worden opgelost zodat er weer een basis ontstaat voor economische ontwikkeling. We kunnen er zoveel geld in pompen als we willen, maar op dit punt moeten gewoon de juiste voorwaarden worden geschapen.

Gezegd moet echter ook dat wat er in Gaza gebeurt, een burgeroorlog tussen de Palestijnen is. De inzet van internationale troepen tussen Israël en Gaza is daarvoor geen remedie. De partijen in het conflict moeten om de tafel gaan zitten en hier een einde aan maken. Dat dit alles met elkaar samenhangt, is ook duidelijk, maar laten we wel wezen: iedereen is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen domein. Die verantwoordelijkheid kunnen wij niet op ons nemen. Daarom moeten wij ook eisen dat de burgeroorlog wordt beëindigd. Wie probeert conflicten tussen rivaliserende groepen op te lossen met militaire middelen, maakt de toekomstperspectieven van zijn eigen volk kapot. Daarom moeten wij ervoor zorgen dat er goede uitgangspunten worden gevonden, van waaruit het Kwartet successen kan behalen. Pas dan hebben wij een echte kans om vooruitgang te boeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, soms word ik er wel eens mismoedig van als ik naar het debat in dit Parlement over deze kwestie luister, met name als ik hoor hoe de heer Tannock en mevrouw Hybášková hier bepaalde voorwaarden willen verbinden aan een oplossing voor het Midden-Oosten. Het is niet onze taak om voorwaarden voor de Israëliërs en de Palestijnen op te stellen over de wijze waarop zij met elkaar om moeten gaan bij de vredesonderhandelingen. De enige noodzakelijke voorwaarden voor succesvolle vredesonderhandelingen zijn een aantoonbare inspanningsverplichting bij alle partijen om die vrede te bewerkstelligen en de capaciteiten om aan de toezeggingen te kunnen voldoen die tijdens de onderhandelingen zijn gedaan. Alle andere voorwaarden die de afgevaardigden in dit Parlement aan de Israëliërs en Palestijnen willen opleggen, zijn niet meer dan gebakken lucht. Zij hebben geen effect, en het is niet waarschijnlijk dat er aan deze voorwaarden voldaan zal worden in een situatie waarin met name de Palestijnse Autoriteit op instorten staat. Indien die Autoriteit, die regering van nationale eenheid, inderdaad instort, zal niets wat wij zeggen of wat de Europese Unie doet, het afschuwelijke bloedbad kunnen voorkomen dat daarop volgt voor zowel de Israëliërs als de Palestijnen.

Het is de taak van de internationale gemeenschap om te zorgen dat de schutspatronen van alle partijen in dit conflict - het Kwartet en de Arabische landen - hun directe kortetermijnbelangen opzij schuiven en prioriteit geven aan de belangen van de Palestijnen en de Israëliërs. Wij moeten ervoor zorgen dat zij weer plaats nemen aan de onderhandelingstafel en de suggesties oppakken die al - geruime tijd mag ik zeggen - voorhanden zijn met betrekking tot de mogelijkheden en voorwaarden voor vrede. Het is tijd dat wij stoppen met praten en gaan handelen in het belang van ...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Monika Beňová (PSE). - (SK) Zoals de heer Solana en commissaris Ferrero-Waldner ons hebben verteld, is de situatie in het Midden-Oosten inderdaad kritiek. De situatie is kritiek in Libanon, en de Israëlisch-Palestijnse betrekkingen bevinden zich ook nog steeds in een kritieke fase.

Het woord ‘kritiek’ heeft hier echter een zeer dramatische betekenis, omdat het een financiële, economische en sociale neergang impliceert die gepaard gaat met terroristische aanslagen en activiteiten, ontvoeringen en de dood van burgers. Het groeiende verzet en de aanvallen op de staat Israël en zijn burgers leiden tot angst en ongerustheid en resulteren in maatregelen die wij onbegrijpelijk vinden. De regio is een puinhoop, de intensiteit van conflict neemt toe en het staakt-het-vuren wordt niet in acht genomen. Op de bijeenkomst van het Kwartet van vorige week is geconstateerd dat onze actieve betrokkenheid bij het vredesproces van essentieel belang is. De frustratie aan beide kanten, of het nu om de Palestijnen of om de Israëliërs gaat, is echter even groot als onze inzet voor het vredesproces.

Het is daarom van fundamenteel belang dat we onze diplomatieke inspanningen verhogen en dat we die dynamischer en evenwichtiger maken. Onze activiteiten moeten niet de indruk wekken dat we partij kiezen in het conflict. Het is onze plicht om van Israël te eisen dat het de tegoeden vrijgeeft, en is het onze plicht om te waarborgen dat die middelen ook echt in economische en sociale ontwikkeling worden geïnvesteerd. Ook is het onze plicht om de burgers van Israël te garanderen dat hun levens en hun staat beschermd zullen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jamila Madeira (PSE). - (PT) Tijdens de afgelopen voltallige vergaderingen is veel gesproken over het Midden-Oosten, en vooral over Palestina. En dat kon ook moeilijk anders. We hebben allemaal ter plaatse gezien wat er gebeurt. We zijn allemaal van hetzelfde getuige geweest en we hebben u hier verteld over de dramatische en explosieve humanitaire situatie die zich daar voordoet. We hebben allemaal gezien dat Israël op onwettige wijze 700 miljoen euro in belastingen en accijnzen die dat land niet toebehoren, vasthoudt. En dat bedrag groeit met de dag. We hebben in de ogen van de mensen daar - mensen die net als wij recht hebben op waardigheid en gerechtigheid - de hoop ontwaard dat ze eens in vrede zullen mogen leven. Een hoop die elke dag weer strandt op een muur die alle mobiliteit onmogelijk maakt. Een muur die elk type plaatselijke economie de nek omdraait, of het nu gaat om een economie die niets meer beoogt dan te overleven op basis van de eigen landbouwproductie of een iets ambitieuzere economie, met voldoende producten om een kleine winkel draaiende te houden.

Dit voortdurend wegnemen van elke hoop leidt ertoe dat de wanhoop zich stevig vestigt. Wij behoren tot die gelukkige club van staten die na de bittere ervaringen van de oorlog vrede heeft mogen smaken. We mogen echter niet denken dat we alle problemen met onze euro's kunnen oplossen. Dat we deze mensen financieel helpen is heel belangrijk en zelfs van vitaal belang, maar het is belangrijker dat we ze helpen begrijpen dat hun stem verschil maakt. Dat ze de verkiezingen op een geloofwaardige wijze hebben weten te organiseren en zo hebben geprobeerd een oplossing aan de wereld voor te leggen, is enorm belangrijk. Het is dus van cruciaal dat het gezag in de Palestijnse gebieden wordt hersteld.

Laat ons hopen dat minister van Financiën Salam Fayyad één van onze belangrijkste gesprekspartners wordt als het gaat om het verstrekken van financiële hulp aan deze mensen. De institutionele betrekkingen dienen daarom zo spoedig mogelijk te worden hersteld. We moeten laten zien dat wij werkelijk bereid zijn dit conflict op te lossen. De vrede in de regio en de rest van de wereld hangt van onze, Europeanen, af.

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, wij moeten de vrede in het Midden-Oosten een kans geven. Wij weten hoe moeilijk dat is en met welke uitdagingen wij geconfronteerd worden. Wij weten echter ook allemaal dat er nieuwe hoop en nieuwe verwachtingen zijn. Wij hebben de situatie naar mijn idee duidelijk uiteengezet.

Het is in de eerste plaats noodzakelijk dat wij een beter veiligheidsniveau en een betere veiligheidssituatie tot stand brengen, niet alleen in Gaza, maar ook op de Westelijke Jordaanoever. Dat is een feit. Zowel wijzelf als de Amerikanen zijn in overleg met de Palestijnen over een mogelijke oplossing, maar zijn er helaas nog niet helemaal uit.

In de tweede plaats is er behoefte aan een grotere economische vrijheid om het dagelijks leven van de Palestijnen te kunnen verbeteren. Wij hebben ook heel duidelijk gezegd dat wij op basis van de acties en het programma met deze regering van nationale eenheid willen samenwerken. Als gesprekspartner om te bekijken wat er verder nog gedaan kan worden, gaat onze voorkeur uit naar Salam Fayyad. Ik heb zelf in ieder geval heel duidelijk aangegeven wat de mogelijkheden zijn.

Ik wil graag herhalen dat wij Salam Fayyad naast onze doorlopende activiteiten in het kader van het tijdelijke internationale mechanisme, ook technische bijstand hebben aangeboden op het gebied van audits, het innen van inkomsten en douanezaken. Overigens had ik het gebruik van dat TIM graag zo snel mogelijk afgebouwd, maar dat kan niet omdat die humanitaire steun nog steeds onontbeerlijk is. Op dit moment overleggen wij met het ministerie hoe wij onze steun nader kunnen invullen. Wij proberen echter ook om op de belangrijke punten de institutionele capaciteit weer op te bouwen.

Wij denken ook aan ontwikkelingssteun, om de bevolking meer hoop te geven, maar het klopt inderdaad dat daarvoor veel politieke moed en wil nodig is, in de eerste plaats van de partijen die betrokken zijn bij het conflict. De leden van het Kwartet kunnen die partijen alleen maar aansporen en een duw in de goede richting geven, en dat is ook precies wat wij proberen te doen. Helaas kunnen wij geen beslissingen voor hen nemen. Wat dat betreft, is onze speelruimte beperkt. Ik hoop dat de volgende bijeenkomst in de regio positief zal uitpakken en de aanzet zal zijn voor de verwezenlijking van de politieke visie en de politieke mogelijkheden die ons allen zo helder voor ogen staan.

Wij hopen dat alle politieke gevangen zo snel mogelijk worden vrijgelaten, en wij zullen ons daar sterk voor maken. Ik doel daarmee niet alleen op de ontvoerde Israëlische soldaat en de BBC-verslaggever Alan Johnston, maar ook op de leden van de Palestijnse regering en alle andere gevangenen die op politieke gronden vastgehouden worden. Als dat gebeurt, zou dat volgens mij een grote impuls kunnen geven aan de tweestatenoplossing, waar ons aller voorkeur zo sterk naar uitgaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Javier Solana, Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ga niet herhalen wat ikzelf en de andere sprekers in dit debat al hebben gezegd.

Sta mij toe om allereerst de leden van dit Parlement te bedanken voor hun bijdrage aan dit debat. Die dank geldt zowel voor de leden die nog aanwezig zijn als voor degenen die reeds vertrokken zijn. Het is een zeer interessant debat geweest, en ik zou daar graag een opmerking over willen maken. Als ik naar het Europees Parlement kom om over het Midden-Oosten te discussiëren, heb ik het gevoel dat de emoties hoog oplopen, in de eerste plaats bij mijzelf. Ik vind echter dat onze debatten over de gebeurtenissen moeten gaan die zich op een bepaald moment afspelen.

De huidige situatie is uiterst precair, maar zoals gezegd gloort er tegelijkertijd ook hoop, hoop die er lange tijd niet is geweest. Ik ben nu al vele jaren bij het Midden-Oosten betrokken. Ik was aanwezig op de conferentie van Madrid en op de conferentie in Camp David. Ik heb het gevoel dat wij sinds Camp David niet meer zo dicht bij het begin van een echte, zinvolle communicatie en gedachtewisseling zijn geweest als vandaag. Dat betekent dat er nu ook eindelijk weer sprake is van een politiek perspectief en de bijbehorende debatten en onderhandelingen. Daar zijn drie redenen voor.

De eerste reden is dat er ten tijde van Camp David geen sprake was van een soortgelijk initiatief van de Arabische Liga. Zo’n initiatief is er nu dus wel, en wij moeten de betrokkenheid van de Arabieren positief ontvangen, wie hun onderhandelaar ook moge zijn. Wij moeten hem de steun geven die, zoals u weet, tijdens Camp David zo node werd gemist.

In de tweede plaats zijn er inmiddels veertig jaar verstreken. Volgens mij is iedereen mentaal, fysiek en politiek uitgeput. Wij moeten die uitputting gebruiken om nieuwe mentale en politieke energie te verzamelen en vooruitgang te boeken.

In de derde plaats hebben wij de beschikking over een mechanisme - het Kwartet -, en soms beseffen wij niet hoeveel werk daarin wordt verzet. Voor de eerste keer zitten de Verenigde Staten en de Europese Unie met de betrokken partijen aan dezelfde onderhandelingstafel en dat is nog nooit eerder het geval geweest. Dat moeten wij dan ook onderkennen. Dit is de eerste keer dat de Europese Unie aan de onderhandelingstafel heeft plaatsgenomen. De Russische Federatie was in Madrid aanwezig en is daarna verdwenen. Ook de secretaris-generaal van de Verenigde Naties was aanwezig. Stelt u zich eens voor wat dat betekent: de Verenigde Naties die in dit conflict onderhandelingen voeren. Dat was toentertijd onvoorstelbaar.

Tot op zekere hoogte zijn deze aspecten allemaal van invloed op het resultaat dat wij kunnen bewerkstelligen. Het is nu tijd om de draad weer op te pakken, om niet de moed te verliezen en voortdurend ons doel voor ogen te houden. De omstandigheden zijn gewijzigd, en dat betekent dat er meer hoop is dat wij dat doel kunnen bereiken. Kan dat in 24 uur? Neen. Als u verwacht dat wij de oplossing voor alle problemen vóór het eind van de maand gevonden hebben, vergist u zich. Daarvoor is iets meer tijd nodig. Laten wij echter bezien of de mogelijkheden er zijn om dit proces in de goede richting te sturen.

Tot slot wil ik graag benadrukken dat wij Europeanen zijn. Iedereen hier is lid van de Europese Unie. Soms mogen wij een beetje trots zijn op wat wij doen. Als u naar Palestina gaat - en dat doet u - krijgt u kritiek te horen. Als u dan echter wat langer en intensiever met de Palestijnen en Israëliërs praat, dan zult u waarschijnlijk steeds meer sympathie en begrip horen voor de wijze waarop wij Europeanen te werk gaan. Dat zult u toch met mij eens moeten zijn. Ik vind dat wij Europeanen dat zo af en toe ook moeten onderkennen. Als wij dat niet doen, zullen wij ook geen vooruitgang boeken, terwijl dat hard nodig is.

Het bewerkstelligen van vooruitgang in dit proces hangt echter niet van een of twee partijen af. Daarvoor moeten wij ons allemaal inspannen. Wij hebben nu de mogelijkheid om iets te bereiken. Laten wij de volgende keer als wij bijeen zijn, nagaan of de situatie verbeterd is. Een definitieve oplossing zal er dan nog niet zijn, maar wij kunnen wel bezien of er sprake is van verbetering.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt tijdens de volgende vergaderperiode plaats in Straatsburg.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. - (PT) Het is nu veertig jaar geleden dat Israël de Palestijnse gebieden op de Westelijke Jordaanoever bezette. Datzelfde geldt voor de Gazastrook (dat nu met de sterkst denkbare middelen wordt belegerd), Oost-Jerusalem, de Golan-hoogten en de Egyptische gebieden in de Sinaï. Die laatste gebieden zijn intussen door Egypte teruggewonnen.

veertig jaar van…:

- schending van het internationaal recht en niet-naleving van de talloze resoluties van de VN-Veiligheidsraad door de Israëlische autoriteiten;

- misdadige en niets ontziende bezetting, gevolgd door kolonisering, waarbij de meest elementaire rechten van het Palestijnse volk door de Israëlische autoriteiten met voeten wordt getreden;

- onderdrukking, plundering en uitbuiting, werkloosheid en armoede, waarbij het Palestijnse volk door de Israëlische autoriteiten de meest onwaardige vernederingen wordt opgelegd, als gevolg waarvan dit volk in mensonterende omstandigheden moet leven;

- steun en medewerking - of in ieder geval stilzwijgende aanvaarding - van de zijde van de VS en zijn bondgenoten in Europa, waardoor de Israëlische autoriteiten kwijting ontvangen voor de zware verantwoordelijkheden die ze dragen.

Juni 2007: een goed moment om opnieuw aan te dringen op het beëindigen van de bezetting van de gebieden die Israël in 1967 in bezit heeft genomen, op respect voor het internationaal recht, op naleving van de relevante resoluties van de VN, en - vooral - op het onvervreemdbare recht van het Palestijnse volk om in een onafhankelijke, soevereine en levensvatbare eigen staat te leven.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE), schriftelijk. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, in 1967 werd de Zesdaagse Oorlog gevoerd en die kende een winnaar. In de afgelopen veertig jaar was menselijke waardigheid de grote verliezer. De humanitaire crisis in het Midden-Oosten is een van de meest tragische crises in de recente geschiedenis. In de regio heerst een vicieuze cirkel van geweld die niemand nog heeft kunnen doorbreken. Generaties Israëliërs en Palestijnen leven met instabiliteit, geweld en oorlog.

In de praktijk is geprobeerd door middel van crisisbeheersing een oplossing te vinden voor het conflict in het Midden-Oosten. Stap voor stap probeert men duurzame vrede te bereiken. Er is een wapenstilstand bereikt die al snel zal worden verbroken en uitlopen in een nieuw conflict.

Het is moeilijk in een succesvolle weg te geloven zolang de partijen niet begrijpen dat elke daad van geweld de toekomst van hun eigen bevolkingsdeel vernietigt. Dat begrip ontbreekt ook tussen de Palestijnse groeperingen onderling. In Gaza woedt een burgeroorlog. In de confrontaties tussen Fatah en Hamas zijn tientallen Palestijnen omgekomen.

De militaire acties en mensenrechtenschendingen door Israël moeten worden veroordeeld. Elk land moet zich houden aan zijn internationale verplichtingen en het internationaal recht, en moet de onvervreemdbare menselijke waardigheid respecteren. Wij kunnen echter niet eisen dat Israël zich onmiddellijk uit de Palestijnse gebieden terugtrekt zolang de Palestijnse autoriteiten de staat Israël niet erkennen.

Het Kwartet - de Verenigde Staten, de Verenigde Naties, de Europese Unie en Rusland - moet zich natuurlijk blijven inzetten voor duurzame vrede. Het is de taak van het Parlement de samenhang van Europa te tonen en de Commissie en de Raad te steunen.

Eén ding kunnen wij beslist niet doen: wij kunnen de partijen niet onze wil opleggen om een duurzame vrede te bereiken. Wij kunnen hen aansporen en wij kunnen druk uitoefenen, maar wij kunnen onze wil niet opleggen.

 

14. VN-Raad voor de mensenrechten (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over de vijfde zitting van de VN-Raad voor de mensenrechten die van 11 tot en met 19 juni 2007 in Genève wordt gehouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris Ferrero-Waldner, dames en heren, de Europese Unie heeft de oprichting van de nieuwe Raad voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties in 2006 van meet af aan verwelkomd, maar zij heeft altijd gezegd te verwachten dat de Mensenrechtenraad een doeltreffend en geloofwaardig orgaan wordt dat een echte bijdrage kan leveren aan de bescherming en bevordering van de mensenrechten in de hele wereld. Tijdens de vergaderingen van de Mensenrechtenraad van de VN heeft de Europese Unie steeds evenveel belang gehecht aan inhoudelijke debatten over mensenrechtenvraagstukken als aan dialoog en goede samenwerking. Gedurende de vierde reguliere zitting kon de door de Europese Unie en de Afrikaanse Groep gezamenlijk ingediende resolutie over Darfoer met een consensus worden aangenomen. Dit is het resultaat van langdurige inspanningen van de Europese Unie, en de uitkomst weerspiegelt niet alleen het mandaat, maar ook de verantwoordelijkheid die van de raad verwacht mag worden.

Het vermogen van de Mensenrechtenraad om zijn mandaat uit te voeren, is onlosmakelijk verbonden met zijn samenstelling. Ik wil u graag wijzen op het feit dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van de lidstaten van de Mensenrechtenraad verwacht dat deze de hoogste normen ten aanzien van de mensenrechten hanteren. Bovendien heeft zij alle staten opgeroepen om slechts diegenen in de raad te verkiezen die beschikken over een goede mensenrechtensituatie. Hoewel dit ideaal nog lang niet is verwezenlijkt, wil ik de voldoening van de Europese Unie kenbaar maken over het feit dat het in mei is gelukt om te voorkomen dat Wit-Rusland in de Mensenrechtenraad werd verkozen. Dit succes is niet in de laatste plaats te danken aan het verzet van de Europese Unie tegen de kandidatuur van Wit-Rusland. De Europese Unie beschikt, hoewel zij getalsmatig in de minderheid is, over een leidende rol in de Mensenrechtenraad en heeft haar naam gevestigd als een belangrijke partij.

Ondanks enkele positieve ontwikkelingen, zoals het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van personen tegen gedwongen verdwijning, zijn er nog verdere stappen nodig om de Mensenrechtenraad uit te rusten met de werkwijzen en instrumenten die hij nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verwachtingen van de internationale gemeenschap en in het bijzonder van de Europese Unie. De institutionele opbouw van de Mensenrechtenraad heeft de hoogste prioriteit voor de Europese Unie. Zij werkt daarom intensief toe naar de succesvolle afsluiting van dit opbouwproces aan het einde van het eerste jaar. De aanstaande vijfde zitting zal daarom van cruciaal belang zijn. Daar zal de raad de afsluitende besluiten nemen over de institutionele opbouw en daarmee uiteindelijk beslissen over zijn eigen doeltreffendheid en geloofwaardigheid gedurende de komende vijf jaar.

De Europese Unie werkt op dit moment in Genève nauw samen met alle betrokkenen om tot een resultaat te komen dat de Mensenrechtenraad in staat stelt zijn mandaat volledig uit te oefenen. Bij de contacten van het voorzitterschap met de voorzitter en met andere delegaties van de Mensenrechtenraad zetten wij ons in voor een centrale, doeltreffende en geloofwaardige rol van de raad binnen het VN-systeem. In dit verband wil de Europese Unie aandringen op het scheppen van een doeltreffende, universele en periodieke evaluatieprocedure, alsmede op het behoud van thematische mandaten en landenmandaten. De onafhankelijkheid van de speciale rapporteurs mag niet worden aangetast door de geplande gedragscode; deze code moet hun onafhankelijkheid juist waarborgen en dient gericht te zijn op de verplichtingen van de staten waarmee de rapporteurs samenwerken. Bovendien willen we door een geschikte selectieprocedure van de nationale vertegenwoordigers niet alleen hun deskundigheid, maar ook hun onafhankelijkheid waarborgen.

Wij zijn ons bewust van de moeilijkheden die deze doelstellingen met zich meebrengen. Ik mag u echter verzekeren dat onze inzet voor het bereiken van deze doelen niet zal afnemen. De Europese Unie blijft ook stellig hopen dat de Mensenrechtenraad zich met zijn regelmatige, over het jaar gespreide vergaderingen, zijn nieuw en verbeterd instrumentarium, en de voortzetting van de actieve dialoog met speciale rapporteurs en de Hoge Commissaris voor de mensenrechten, zal ontwikkelen tot een hoeksteen van het mensenrechtensysteem van de Verenigde Naties. Het is nu aan alle leden van de Mensenrechtenraad om zich verantwoordelijk op te stellen en toe te werken naar het bereiken van deze doelstelling.

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, Commissie. - (DE) Mijnheer de voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, de Europese Unie behoort al sinds haar oprichting tot de belangrijkste motoren van de bescherming van de mensenrechten en was dan ook actief betrokken bij het verwezenlijken van de doelen van de Mensenrechtenraad en bij de inspanningen om te waarborgen dat deze raad een werkelijke verbetering zou zijn ten opzichte van de Mensenrechtencommissie.

Allereerst moest ervoor worden gezorgd dat tijdens de zittingen van de raad dringende mensenrechtenkwesties aan de hand van concrete gevallen zouden worden behandeld, en de interne coördinatie binnen de EU en het bewustmakingswerk van de EU tegenover derde landen, de zogeheten outreach, werden verbeterd. Op dit terrein is werkelijk vooruitgang geboekt en die vooruitgang heeft ons in staat gesteld om enerzijds coherent en geloofwaardig op te treden in de Mensenrechtenraad en anderzijds de samenwerking te versterken met de internationale partners, ook bij bilaterale ontmoetingen en door middel van een breed opgezette bewustmakingscampagne in vele hoofdsteden van de wereld.

Tot de belangrijkste opgaven gedurende het eerste jaar behoorden daarom het veiligstellen van de mandaten en de mechanismen van de Mensenrechtenraad in het kader van het evaluatieproces, alsmede de instelling van een nieuw systeem ter beoordeling van de mensenrechtensituatie in alle landen, dat wij aanduiden als universal periodic review.

Het pakket met het algeheel compromis, dat juist gisteren door het voorzitterschap van de Mensenrechtenraad is gepresenteerd, geeft werkelijk de juiste richting aan en is voor ons een eerste, zij het nog voor verbetering vatbare, maar vanuit ons gezichtspunt toch al bijzonder goede onderhandelingsbasis. De vijfde zitting van de Mensenrechtenraad die volgende week zal worden gehouden, zal daarom van bijzonder belang zijn voor de toekomst van dit orgaan. Daarom verheug ik mij ten zeerste op de deelneming van een delegatie van het Europees Parlement als onderdeel van de delegatie van de Europese Gemeenschappen.

Hoe is het gesteld met de prestaties van de Mensenrechtenraad? Op die vraag kan geen zwart-wit antwoord worden gegeven, maar de raad dient naar mijn mening een zich voortdurend ontwikkelend project te zijn, work in progress als het ware. Graag wil ik enkele korte opmerkingen maken. De eerste zittingen van de raad waren nogal teleurstellend. De oude gedragspatronen, zoals we die van de Mensenrechtencommissie gewend waren, staken opnieuw de kop op. Vooral de zittingen over het Midden-Oosten waren gekenmerkt door een gebrek aan bereidheid tot samenwerking van de kant van de landen die nota bene zelf om deze zittingen hadden verzocht. Het gevolg waren onevenwichtige ontwerpresoluties die wij in de Europese Unie niet konden steunen.

Laat mij daarom duidelijk zijn: confrontaties over mensenrechtenkwesties kunnen soms noodzakelijk zijn, in de gevallen dat de grondrechten van mensen worden bedreigd, maar dat ligt anders wanneer onder de dekmantel van de mensenrechten een politiek conflict wordt uitgevochten. Evenals het voorzitterschap van de Raad hebben ook wij echter gezien dat door de bijzonder goede resolutie over Darfoer deze ongunstige indrukken enigszins werden goedgemaakt. Naar mijn stellige overtuiging was dat de belangrijkste resolutie die de Mensenrechtenraad heeft aangenomen. Deze is na zeer langdurige onderhandelingen tot stand gekomen, in nauwe samenspraak met de Afrikaanse Groep. Dat was een aanzienlijke prestatie, als we bedenken op wat voor netelige kwestie zij betrekking had, plus het feit dat de EU nu gemakkelijk kan worden weggestemd in de Mensenrechtenraad.

Het bewakingsorgaan van vijf onafhankelijke VN-rapporteurs dat met deze resolutie is ingesteld, zal de raad de komende weken - vermoedelijk volgende week -een eerste verslag voorleggen.

Laten we echter niet vergeten dat het Internationaal Strafhof onlangs ook twee Soedanese verdachten heeft aangeklaagd. Kortom, er gebeurt op dat front tenminste iets met betrekking tot Darfoer. Wij hopen zeer dat dit voorbeeld navolging zal vinden en dat het ook de normen stelt voor het toekomstige werk van de Mensenrechtenraad. Ten slotte zijn de interactieve dialogen met de Hoge Commissaris en de Speciale Rapporteur van de VN een bijzonder positieve ontwikkeling gebleken. Zij hebben ons in staat gesteld om de mensenrechtensituatie in individuele landen op een zeer zichtbare, maar tegelijk minder op confrontatie gerichte wijze aan te pakken. We moeten echter nog meer manieren vinden om te waarborgen dat op deze dialogen praktische vooruitgang ter plekke kan volgen.

Met hoeveel ongeduld wij ook mogen uitzien naar snelle vooruitgang in de VN-Mensenrechtenraad, ik wil ervoor waarschuwen om in dit stadium al een oordeel over deze raad te vellen. We kunnen alleen zeggen dat er tot nog toe positieve en negatieve punten waren. Wij zijn ervan overtuigd dat de EU verdere inspanningen zal blijven leveren om voort te bouwen op de bemoedigende ontwikkelingen, die zonder meer aanwezig zijn, en om in het kader van een intensieve dialoog met haar VN-partners een doeltreffende en vooral in het belang van de betrokken mensen handelende VN-Mensenrechtenraad te ontwikkelen. Deze blijft het belangrijkste internationale forum voor de behandeling van mensenrechten, en wij in de EU hebben de verantwoordelijkheid om actief gebruik te maken van de raad, teneinde onze waarden en idealen te versterken en onze belangen te behartigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė, namens de PPE-DE-Fractie. - (LT) Om te beginnen wil ik de vertegenwoordigers van de Raad en de Commissie bedanken voor hun verslagen over het eerste jaar en de vijfde zitting van de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties. Morgen zal het Europees Parlement stemmen over een resolutie over dit onderwerp waarin alle fundamentele problemen aan de orde komen, zoals onze wensen met betrekking tot de ‘modus operandi’, de mechanismen, de speciale procedures, de speciale rapporteurs en de universele periodieke evaluatie van de Raad, en de rol van de Europese Unie. Het Europees Parlement had, en heeft, ongetwijfeld hoge verwachtingen van de Raad voor de mensenrechten, om de eenvoudige reden dat mensenrechten van speciaal belang zijn, aangezien het respect en het opkomen voor de mensenrechten een fundamenteel onderdeel zijn van de ethiek en de statuten van de EU en in het algemeen het fundament van de eenheid en integriteit van de EU vormen. De Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties kan zeer goede mogelijkheden bieden voor effectief optreden op het gebied van het opkomen voor en waarborgen van de mensenrechten en het bevorderen daarvan namens de Verenigde Naties. In dit verband is de vijfde zitting vooral belangrijk omdat het éénjarige functioneren van de Raad voor de mensenrechten problemen en tekortkomingen aan het licht heeft gebracht waar onmiddellijk een oplossing voor moet worden gevonden. Dat is nodig om de raad tot een betrouwbare structuur te maken die adequaat en zo nodig ook snel kan reageren op mensenrechtenschendingen overal ter wereld, en doelmatige manieren kan vinden om invloed uit te oefenen op de regeringen van de landen waar de mensenrechten op grove wijze worden geschonden. In het eerste jaar van het bestaan van de raad voor de mensenrechten hebben we kunnen vaststellen of de Raad voor de mensenrechten bij de toepassing van de geplande procedures en mechanismen in staat zal zijn om het ambitieuze programma ten uitvoer te leggen dat de raad zelf heeft aangenomen. De ervaringen van dit eerste jaar - de resoluties over Darfoer, Iran en Oezbekistan, de toepassing van de vertrouwelijkheidseisen bij de bespreking van de mensenrechtenschendingen in deze twee laatste landen, evenals andere besluiten - hebben aangetoond dat de procedures van de Raad zo transparant mogelijk moeten zijn en dat de speciale rapporteurs en deskundigen volledig onafhankelijk moeten zijn. Bovendien is het essentieel dat er duidelijke criteria worden toegepast bij de verkiezing van de leden van de Raad. Het is niet meer dan logisch dat de landen waarin de mensenrechten op grove wijze worden geschonden, niet mogen worden gekozen als lid van de Raad voor de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Raimon Obiols i Germà, namens de PSE-Fractie. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat we heel blij mogen zijn met de consensus die is bereikt tussen de fracties in dit Parlement met betrekking tot de tekst waarover we morgen gaan stemmen ter gelegenheid van de vijfde zitting van de VN-Raad voor de mensenrechten.

Deze raad functioneert al sinds de oprichting ervan niet optimaal. Daarom is het belangrijk dat het Europees Parlement zich opnieuw eensgezind toont als het gaat om de vraag hoe we in het algemeen verder te werk moeten gaan bij het bevorderen en waarborgen van de mensenrechten en in concreto hoe we het werk van de VN-Raad voor de mensenrechten gemakkelijker kunnen maken en kunnen versterken.

De balans van de activiteiten van de raad voor de mensenrechten vertoont enkele tekorten, die moeten worden goedgemaakt, en die in essentie te maken hebben met twee problemen.

Enerzijds wordt zwak en onvoldoende gereageerd op dramatische en spoedeisende kwesties, als een veel energiekere aanpak nodig is. Ik heb het in de eerste plaats over de dramatische situatie in Darfoer, die eenieders voortdurende en maximale aandacht en waakzaamheid verdient.

In de tweede plaats is het noodzakelijk om de interne mechanismen van de raad substantieel te verbeteren, en om de dynamiek in de betrekkingen tussen de leden te versoepelen, zodat de raad doelmatiger en ambitieuzer kan werken.

Aan beide kwesties ligt een fundamenteel probleem ten grondslag, en zowel het Parlement als de Europese Unie kunnen belangrijk werk verrichten op dit terrein. Ik heb het over de politieke verschillen, die niet ten koste mogen gaan van het gemeenschappelijke en cruciale doel om overal ter wereld de kwetsbaarheid van bevolkingsgroepen voor misbruik en schending van de mensenrechten substantieel te verminderen.

Het gaat om een cruciaal aspect, omdat Europa vooraan moet staan als het gaat om het gelijk behandelen van alle landen op het gebied van de dialoog over mensenrechten.

Wij denken dat deze filosofie moet worden toegepast op de raad en dat het komende voorzitterschap van Roemenië van de VN-Raad voor de mensenrechten een goede gelegenheid kan vormen om deze verbeteringen te verwezenlijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis, namens de ALDE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de eerbiediging van de mensenrechten is een universeel beginsel dat van universeel belang is, en het is een van de fundamenten van de EU. Het is dan ook niet verrassend dat dit Parlement speciale aandacht aan dit beginsel besteed. Dat blijkt ook uit de periodieke verslagen en ontwerpresoluties over de schendingen van de mensenrechten over al ter wereld.

Met lede ogen hebben wij jarenlang moeten toezien op welke, nogal ineffectieve wijze de Commissie voor de mensenrechten te werk is gegaan. Met grote opluchting hebben wij dan ook ongeveer een jaar geleden de vervanging van die Commissie door de Raad voor de mensenrechten begroet. De Commissie voor de mensenrechten was - in de woorden van een vertegenwoordiger van “Human Rights Watch” - in feite uitgegroeid tot een club van overtreders, aangezien regeringen die de mensenrechten met voeten traden graag lid wilden zijn van die Commissie om maatregelen tegen hun eigen land en tegen andere landen te blokkeren. Helaas werd de hoop op verbetering enigszins de bodem ingeslagen na de verkiezingen voor de raad, aangezien Angola, Egypte en Qatar werden gekozen. Deze drie landen staan bekend om hun afschuwelijke staat van dienst wat het schenden van de mensenrechten betreft. Het was een opluchting dat Wit-Rusland niet is gekozen, maar ook dat scheelde niet veel.

Tijdens het eerste jaar van het bestaan van de Raad voor de mensenrechten hebben wij enkele veranderingen kunnen zien waardoor die Raad beter is gaan functioneren, maar het moet gezegd dat het geen spectaculaire veranderingen waren. Wij verwachten en hopen dat er aan meer aansprekende verbeteringen wordt gewerkt. De in Genève gevestigde raad heeft tot nu toe alert en snel gehandeld bij problemen overal te wereld en heeft ook meerdere keren ingegrepen als dat noodzakelijk was. Wij moeten de effectiviteit van die optredens echter wel kritisch evalueren. Zo heeft de raad afgelopen jaar niet minder dan acht resoluties aangenomen waarin kritiek op Israël werd geuit wegens de militaire acties in Palestijnse gebieden en Libanon. Vanuit praktisch oogpunt hebben deze resoluties enig, maar niet veel effect gehad. Dat is niet de fout van de VN-Raad voor de mensenrechten, maar die raad moet wel een bepaalde mate van verantwoordelijkheid nemen voor het feit dat niet wordt geprobeerd ervoor te zorgen dat die resoluties serieuzer worden genomen. Andere voorbeelden hebben betrekking op de problematische wijze waarop de Raad de situatie in Oezbekistan en Irak heeft afgehandeld.

Aangezien de volgende bijeenkomst van de Raad gepland is voor ....

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Tadeusz Masiel, namens de UEN-Fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Unie heeft de Verenigde Staten afgelost als bewaker van de mensenrechten in de wereld. Van alle beleidsterreinen van de Unie levert dit beleid ons op wereldniveau zonder enige twijfel de meeste populariteit op.

Jammer genoeg kan de Europese Unie bij internationale ontmoetingen niet altijd de plaats innemen die haar toekomt. Op de Wereldtop over klimaatverandering in Kenia in november van vorig jaar bijvoorbeeld zat de delegatie van de Europese Unie op de plaats van Finland, dat op dat moment voorzitter was van de Unie. Wij moeten als Europese Unie bij dergelijke bijeenkomsten onze rechtmatige plaats kunnen innemen om te verzekeren dat onze stem duidelijk wordt gehoord wanneer we een oplossing zoeken voor de talrijke problemen van onze huidige wereld. Een zorgwekkend voorbeeld hiervan is het conflict in het Midden-Oosten, waar Hamas dreigt Israël te vernietigen, terwijl de Israëli’s al lang begonnen zijn met het vernietigen van de Palestijnse natie.

 
  
MPphoto
 
 

  Raül Romeva i Rueda, namens de Verts/ALE-Fractie. - (ES) De Raad voor de mensenrechten is opgericht als vervanger van de Mensenrechtencommissie en was geconfronteerd met de niet eenvoudige uitdaging om te veel politisering en inmenging van regeringen op een zo belangrijk gebied als het waarborgen van het universele respect voor de mensenrechten tegen te gaan. De vooruitgang die is tot nu toe is geboekt is op zijn minst zorgwekkend.

Gisteren nog hebben we Jody Williams - speciaal rapporteur van de Mensenrechtenraad voor Darfoer - horen klagen over de enorme druk die op haar werd uitgeoefend om haar rapport voor iedereen acceptabel te maken.

Iedereen weet wat dat betekent. Dat betekent kritiek weglaten of in ieder geval verminderen, en een lagere toon aanslaan om niemand tegen de schenen te schoppen.

Maar het ergste is dat ze die verzoeken kreeg om de continuïteit van de Raad niet in gevaar te brengen.

We zijn niet goed bezig als een structuur als de Raad voor de mensenrechten aan zijn eigen voortbestaan meer prioriteit geeft dan aan wat zijn eerste en belangrijkste verantwoordelijkheid zou moeten zijn: het waarborgen van de bescherming van de mensenrechten in de wereld, wat onder andere inhoudt dat de verantwoordelijken voor de schendingen moeten worden aangewezen, ook als dit regeringen zijn, of juist als dit regeringen zijn.

Bij de eerste verjaardag van de Raad moeten we deze risico’s goed in gedachten houden, als we niet willen dat deze Raad ook weer zo’n structuur wordt die dient om de schaamte te bedekken van degenen die voortdurend de meest fundamentele mensenrechten schenden, zowel binnen als buiten de grenzen van hun eigen land.

Met deze resolutie, waarover in het Europees Parlement consensus bestaat en waar ik erg tevreden mee ben, vragen wij de Raad en moedigen we de Raad aan om tijdens deze vijfde zitting van de Raad voor de mensenrechten een duidelijke leidersrol op zich te nemen. We weten dat dat niet eenvoudig zal worden, maar er zijn ten minste twee kwesties die volgens ons prioriteit moeten krijgen.

Ten eerste moet gewaarborgd wordt dat de aanstelling van de speciale rapporteurs plaatsvindt op grond van hun onafhankelijkheid en capaciteiten en dat ze in die hoedanigheid van speciale rapporteurs ook goed kunnen blijven functioneren.

Ten tweede moeten bij de universele periodieke evaluaties ook onafhankelijke deskundigen worden betrokken.

Alleen op die manier kunnen we de geloofwaardigheid van deze Raad waarborgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, de resultaten van het werk in het eerste jaar van de VN-Raad voor de mensenrechten worden momenteel beoordeeld. De verwachtingen van de internationale gemeenschap zijn nog niet beantwoord. Het droevigste voorbeeld is waarschijnlijk de resolutie over de situatie in Darfoer, waarvan de inhoud deels als gevolg van voortdurende compromissen verwaterde. Het werk werd begrijpelijkerwijs belemmerd door het feit dat de activiteiten en praktijken nog worden ontwikkeld.

Onze ontwerpresolutie brengt op verdienstelijke wijze de probleempunten in het werk van de Raad voor de mensenrechten naar voren. Vooral aan twee punten moet aandacht worden besteed. Ten eerste moeten wij van de geschiedenis leren. Het werk van de voorloper van de huidige Raad van de mensenrechten, de VN-Commissie voor de rechten van de mens (UNCHR), verloor haar geloofwaardigheid, omdat hierin landen zaten die de mensenrechten op ernstige wijze schonden. De Europese Unie moet er dan ook op blijven hameren dat lidmaatschap van de Raad van de mensenrechten gebaseerd moet zijn op een objectief criterium en dat de lidmaatschapseisen streng genoeg moeten zijn. Het begrip mensenrechten dekt een breed scala aan vraagstukken. Bepaalde fundamentele mensenrechten moeten onvoorwaardelijk in de lidmaatschapscriteria worden opgenomen. Ik denk dat vooral de landen waar sharia-rechtbanken deel uitmaken van het rechtssysteem een probleem zijn. De Europese Unie moet ervoor strijden dat de Raad voor de mensenrechten niet net als zijn voorganger een club voor misbruikers van mensenrechten wordt.

De andere kwestie heeft betrekking op de verhouding tussen de Universele Periodieke Evaluatie (UPR) en de specifieke procedures die in afzonderlijke landen worden gevolgd. De Europese Unie moet er streng op blijven toezien dat het werk van de specifieke deskundigen in de afzonderlijke landen van de Verenigde Naties ook in de toekomst apart wordt gehouden van de UPR en daadwerkelijk onafhankelijk is van regeringen. Ik vind het zorgwekkend dat lidstaten in een debat over de situatie in een bepaald land het indirecte vetorecht in de UPR kunnen gebruiken door hun landspecifieke verslag niet op te stellen.

Ik begrijp de beperkingen die de samenstelling van de Raad voor de mensenrechten met zich meebrengt voor de mogelijkheden van de Europese Unie om invloed uit te oefenen. Alleen al de landen van Afrika en Azië kunnen samen, met hun 29 zetels, het werk van de Raad in een richting leiden die verschilt van de doelen van de westerse landen op het gebied van de mensenrechten. De Europese Unie moet nu echt leiderschap en een sterke wil tonen. Wij moeten door middel van onderhandelingen proberen regionale blokken af te breken. Ik wil het Duitse voorzitterschap bedanken, dat een voorbeeldige standvastigheid heeft getoond in zijn oproep om de doodstraf te verbieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Józef Pinior (PSE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het is intussen meer dan een jaar geleden dat het Europees Parlement met enig voorbehoud de oprichting van de VN-Raad voor de mensenrechten heeft verwelkomd. Deze raad moest de in diskrediet geraakte Mensenrechtencommissie vervangen. We hoopten niet alleen dat de nieuwe raad zou uitgroeien tot een orgaan dat kon bijdragen tot de hervorming van de Verenigde Naties, maar ook dat hij al het mogelijke zou doen om te garanderen dat de mensenrechten wereldwijd beter zouden worden nageleefd.

De Europese Unie, de EU-lidstaten en de delegaties van het Europees Parlement waren allemaal actief betrokken bij de werkzaamheden van de raad. Het is nu de hoogste tijd om de balans op te maken van het eerste werkjaar van de nieuwe raad. We moeten helaas erkennen dat de oprichting van de raad voorlopig niet heeft geleid tot een radicale ommekeer in de VN-activiteiten met betrekking tot de mensenrechten. De belangen van verscheidene landen zijn nog steeds belangrijker dan de bescherming van bedreigde grondrechten en fundamentele vrijheden.

Het duidelijkste voorbeeld hiervan is het onvermogen van de VN-Raad voor de mensenrechten om een gepast antwoord te bieden op de toestand in Darfoer. Hoewel er in maart een verslag is aangenomen over de tragische situatie in de regio, is de raad er als geheel niet in geslaagd om logische conclusies te trekken uit dat verslag. Hij was evenmin in staat een oplossing te vinden voor het probleem van de politieke verantwoordelijkheid van de Soedanese overheid voor de politieke situatie in het land. Israël is daarentegen al acht keer door de raad veroordeeld. Dit getuigt niet alleen van de onevenwichtige benadering van de raad, maar ook van zijn politieke vooringenomenheid.

De vijfde zitting van de raad begint over enkele dagen. Een delegatie van het Europees Parlement zal aan de zitting deelnemen. Nederland, Slovenië en Italië zijn ondertussen lid geworden van de raad. Nog een ander Europees land, Bosnië en Herzegovina, zal dat binnenkort ook doen. Om controversen te vermijden, is Wit-Rusland, dat op dit moment geleid wordt door het autoritaire regime van de heer Loekasjenko, niet verkozen als lid van de raad.

We moeten ervoor zorgen dat de lidstaten van de Europese Unie sterker betrokken raken bij de werkzaamheden van de raad, zodat die kan uitgroeien tot een orgaan dat zich ten volle inzet om de eerbiediging van de fundamentele vrijheden te bevorderen. Er staat heel wat op het spel: een doeltreffend mensenrechtenbeleid in de hedendaagse wereld, de hervorming van de Verenigde Naties en de geloofwaardigheid van de Europese Unie zelf. Laten we dat in geen geval uit het oog verliezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Lambsdorff (ALDE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dit Parlement heeft, als pleitbezorger van een effectief multilateralisme, het hervormingsproces van de Verenigde Naties altijd constructief begeleid. We willen een sterke VN, we willen veiligheid en stabiliteit, we willen een doeltreffende bestrijding van de armoede, we willen effectieve bescherming van de mensenrechten. Als voorzitter van de werkgroep voor de betrekkingen van het Europees Parlement met de Verenigde Naties hecht ik ook persoonlijk ten zeerste aan de verwezenlijking van deze doelstellingen.

Toen de Mensenrechtenraad werd opgericht als een nieuwe VN-instrument hebben wij het enthousiast verwelkomd, want het leek allemaal bijzonder veelbelovend: echt gekozen leden, rationele werkmethoden, de universele periodieke evaluatie van alle leden. En hoe is het nu? Onze resolutie is uiterst kritisch: Angola, Qatar en Egypte sluiten zich aan bij landen als China en Cuba, en er kan vrijwel nooit tussen verschillende kandidaten worden gekozen. Met pijn en moeite konden we nog voorkomen dat Wit-Rusland werd gekozen. Leden van de Organisatie van Islamitische Landen hebben de meerderheid in zowel de Aziatische als de Afrikaanse regionale groepen. Dit betekent dat zij in feite de activiteiten van de gehele raad beheersen en blokkeren, van de landenverslagen tot de universele evaluatie. Mevrouw de commissaris, ik ben uiterst benieuwd wat er terechtkomt van het pakket dat gisteren is gepresenteerd. Ik hoop dat wij redenen hebben tot optimisme.

Een van uw opmerkingen was van bijzonder groot belang. Zoals u zei, kan de Europese Unie gemakkelijk worden weggestemd. De vraag dringt zich op of het Westen in dit opzicht zijn huiswerk wel heeft gedaan. Dit is een vraag voor de Raad of, beter nog, voor de lidstaten. Zij zijn bij de onderhandelingen bedot, en ze hadden het niet eens in de gaten. Dat was overduidelijk te wijten aan gebrekkig werk van de kant van onze regeringen. Maar wij parlementariërs moeten ons ook afvragen of onze controle en de controle door onze nationale collega’s wel scherp genoeg was. Ik denk van niet. Hieruit blijkt eens te meer dat wij parlementariërs de Verenigde Naties niet mogen overlaten aan de regeringen. Wij moeten de parlementaire dimensie van de VN versterken.

Mevrouw Ferrero-Waldner, ik ben bijzonder blij met uw kritische kijk op het eerste jaar van deze Mensenrechtenraad, want de raad heeft de verwachtingen die in hem werden gesteld niet waargemaakt. Feit is echter dat deze instelling bestaat, en zij blijft het belangrijkste internationale forum. Wij moeten het ermee doen, en ik hoop dat het zal lukken om de raad weer uit het slop te halen. Overigens doet het mij deugd dat wij dit debat in Brussel voeren en niet in Straatsburg.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik geef alleen een korte samenvatting omdat wij het eens zijn over de doelstellingen. Ik kan de teleurstelling van de heer Lambsdorff begrijpen over de zaken die hij zojuist opnoemde. U bent niet de enige die teleurgesteld is, want ook wij hadden heel andere verwachtingen.

Ik deel de opvatting van commissaris Ferrero-Waldner, die zei dat de Mensenrechtenraad nu sinds een jaar bestaat en dat wij het ons allemaal anders hadden voorgesteld, maar dat we niet in dit stadium al een oordeel over de raad moeten vellen. Ik pleit ervoor om nu geen wig te drijven tussen de parlementen en de regeringen. Daar schieten we niets mee op. Integendeel!

Hoewel er op dit terrein nog het een en ander verbeterd kan worden, moet de Europese Unie - en daartoe behoren de nationale parlementen, het Europees Parlement, de regeringen en de Commissie - één lijn trekken en het duidelijke signaal afgeven dat wij ons niet tegen elkaar laten uitspelen, omdat wij de mensenrechten daarvoor te belangrijk vinden. Ik kan alleen maar hopen dat er gedurende het tweede jaar vooruitgang kan worden geboekt op het een of andere terrein, hoewel de tussentijdse evaluatie na een jaar ontnuchterend is. Toch zeg ik luid en duidelijk dat we er samen een succes van zullen maken, samen met u, die zich zo sterk inzet voor de mensenrechten. Ik hoop dat wij dan in het verslag over het volgend jaar een ietwat positievere conclusie kunnen trekken dan vandaag het geval was.

 
  
  

VOORZITTER: MARIO MAURO
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, Commissie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik beschouw de Mensenrechtenraad als een orgaan dat nog in de kinderschoenen staat, en dat daarom ook zekere kinderziekten kent. Het is tegenwoordig voor de Europese Unie niet gemakkelijk om in de VN steun te vinden voor onze normen ten aanzien van de mensenrechten. Waarom niet? Omdat wij daar maar weinig permanente bondgenoten hebben. De steun die wij krijgen, komt doorgaans van Canada, Zwitserland, Noorwegen, de kandidaat-lidstaten en de landen waarop ons nabuurschapsbeleid van toepassing is, om er maar enkele te noemen. Deze opsomming is niet volledig. Wij zien ons echter vaak geconfronteerd met een gesloten front van G77-landen, en als er een confrontatiekoers wordt gevaren, kunnen we meestal niet veel bereiken.

Daaruit moeten we onze eigen conclusies trekken. Waar ligt het probleem precies? Wat kunnen we doen? We zouden bijvoorbeeld de speciale rapporteur kunnen versterken, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten kunnen ondersteunen, universele evaluaties kunnen uitvoeren, maar we kunnen ook de ernstigste gevallen veroordelen en de zwaarste schendingen aan de kaak stellen. Met andere woorden, in individuele gevallen moeten wij bijzonder duidelijke taal blijven spreken, in het belang van de slachtoffers van mensenrechtenschendingen.

Vaak zou ik willen dat wij sneller konden reageren op ontwikkelingen. Van meet af aan heb ik bijvoorbeeld verzocht om een soort waarschuwingsmechanisme. Ik hoop ten zeerste dat wij ons geleidelijk aan in die richting kunnen bewegen. Op de lange termijn echter is de verwezenlijking van de doelen van de Mensenrechtenraad afhankelijk van een nieuwe benadering van de mensenrechten binnen de Verenigde Naties.

De overgang naar deze nieuwe benadering vormde ook het hart van de resolutie ter oprichting van deze nieuwe raad. Daarin heet het namelijk dat de Mensenrechtenraad zich in zijn werk zal laten leiden door de beginselen van universaliteit, onpartijdigheid, objectiviteit en niet-selectiviteit, door een constructieve dialoog en samenwerking. Natuurlijk moeten we ook beseffen dat er nooit een apolitiek VN-forum zal bestaan. Daarom spreekt het vanzelf dat wij niet alleen onze waarden moeten propageren, maar ook al onze belangen moeten verdedigen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Er zijn twee ontwerpresoluties(1) ingediend, overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag plaats.

 
  

(1) Zie notulen.


15. Beheer van de maritieme grenzen van Europa - Solidariteit en bescherming van de rechten van migranten (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over: Beheer van de maritieme grenzen van Europa - Solidariteit en bescherming van de rechten van migranten.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Altmaier, fungerend voorzitter van de Raad. -(DE) Mijnheer de Voorzitter, namens het voorzitterschap wil ik uitdrukkelijk verklaren dat de meest recente verslagen over migranten die in de Middellandse Zee schipbreuk hebben geleden en om het leven zijn gekomen, de verslagen van de tragedies die zich daar hebben afgespeeld, ons met de neus op de verantwoordelijkheid drukken die wij als lidstaten op dat terrein hebben.

Ongeacht alle migratieregelingen heeft bij concreet levensgevaar de bescherming van het menselijk leven, als hoogste goed, absolute voorrang. Dit beginsel is niet alleen vastgelegd in een aantal internationale verdragen, maar strookt eveneens met ons gemeenschappelijke begrip van de waarden waarop de Europese Unie is gegrondvest.

Los van de vraag bij wie de wettelijk verantwoordelijk ligt, heeft de Europese Unie zonder twijfel politieke verantwoordelijkheid, en die verantwoordelijkheid dienen wij gemeenschappelijk te dragen. Daarom heeft het voorzitterschap in overeenstemming met de Commissie besloten dat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken over dit vraagstuk een debat dient te voeren tijdens haar volgende vergadering op 12 juni.

Wij kunnen onze ogen niet sluiten voor de problemen die er in het verleden zijn geweest met de interpretatie en toepassing van internationale overeenkomsten, en voor het feit dat deze problemen nog steeds bestaan. Wij moeten als lidstaten erkennen dat wij de verantwoordelijkheid hebben om dergelijke menselijke tragedies te voorkomen, en het Haagse Programma onderstreept terecht de noodzaak van een nauwere samenwerking van alle staten, alsmede van solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid.

Naast het redden van mensenlevens is van cruciaal belang dat wij het niet zover laten komen dat gewetenloze en criminele organisaties deze mensen in levensgevaar brengen door te proberen hen illegaal naar Europa te vervoeren. Daarom is het belangrijk dat wij in het kader van een algemene strategie voor het oplossen van het migratievraagstuk ook tot een betere samenwerking komen met de landen van herkomst en van doorreis. Het is van essentieel belang om deze samenwerking verder te intensiveren in het kader van de politieke dialoog over migratievraagstukken met de regeringen van deze landen, in het bijzonder ook in het verband van het Euromed-partnerschap en van het follow-up-proces van de EU/Afrika-migratieconferenties in Rabat en Tripoli.

Wij menen dat onze inspanningen van de afgelopen maanden en de debatten tijdens alle vergaderingen van de Raad onder Fins en Duits voorzitterschap een eerste stap vormen in de richting van een betere en overtuigender omgang van de Europese Unie met deze tragedies, in het belang van de betrokken mensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, lid van de Commissie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de voorzitter van de Raad, de heer Altmaier, heeft al veel gezegd, en ik kan me vinden in zijn aanpak. Zelf zal ik het accent leggen op een bij uitstek politiek thema en iets zeggen over de noodzaak het immigratievraagstuk te benaderen met een combinatie van twee dingen: het voorkomen van mensenhandel en iedere vorm van illegaliteit en de absolute behoefte aan solidariteit, en met solidariteit bedoel ik dan in de eerste plaats het redden van mensenlevens in gevaar.

Als het risico bestaat dat ook maar één mensenleven verloren gaat, zoals terecht is gezegd en zoals ook in onze gezamenlijke verklaring wordt benadrukt, raken zuiver juridische kwesties over de toepassing van de internationale overeenkomsten inzake het zeerecht op de achtergrond, hoe rigoureus en nauwkeurig die toepassing ook moet zijn. In eerste instantie moet er dus naar gestreefd worden om ieder bedreigd mensenleven te redden. Maar natuurlijk komt solidariteit niet alleen daarop neer.

Solidariteit ligt aan de basis van de alomvattende aanpak die de Europese Commissie momenteel voorbereidt, in samenwerking met het Duitse voorzitterschap van de Europese Unie, en nadat de Europese Raad daar in december jongstleden unaniem mee had ingestemd. Er moet in de eerste plaats sprake zijn van solidariteit tussen de lidstaten van de Europese Unie. Dat betekent dat alle lidstaten van de Unie - ook de landen die vinden dat het dagelijkse drama van de migratiestroom ver van hun bed staat - moeten inzien dat dit ook hun probleem is. Men moet begrijpen dat dit een kwestie is die de gehele Europese Unie aangaat; niemand blijft daarbuiten. In die optiek wordt duidelijk waarom het besluit is genomen om te patrouilleren in de Atlantische Oceaan. Hiermee wordt Spanje een handje geholpen, omdat dit land anders in zijn eentje een enorme migratiestroom op de Canarische Eilanden te verwerken krijgt. Ook een besluit tot patrouillering in de Middellandse Zee wordt dan begrijpelijk. Daarmee wordt namelijk tegemoetgekomen aan de behoeften van landen als Malta of Cyprus, dus de kleinere landen van de Middellandse Zee, die lid zijn van de Unie, om maar niet te spreken van de grotere landen.

Aan die patrouilleringen moeten alle lidstaten een steentje bijdragen. Ik zal de volgende week in alle vriendelijkheid tegen alle ministers zeggen dat er niet genoeg is gedaan, en dat zij ook momenteel niet genoeg doen, nadat zij hadden toegezegd om de nodige uitrusting te leveren. Dit is een eerste aspect van solidariteit tussen de lidstaten.

De solidariteit heeft tevens een financiële kant. De bedragen die nodig zijn om dergelijke patrouilleringen te verrichten, moeten goed verdeeld worden, zodat mensen die in moeilijkheden verkeren, kunnen rekenen op fatsoenlijke bescherming en opvang. In dat opzicht voel ik me genoopt om ook tot u, dames en heren, een oproep te richten met de mij gebruikelijke oprechtheid. Dit Europees Parlement blijft 12,7 miljoen euro als reserve vasthouden terwijl dat geld juist nu, en niet over een week, nodig is om de Frontex-missies doorgang te laten vinden. Ik respecteer de besluiten van dit Parlement, maar als die reserve, die rond 24 of 25 juni besproken wordt, pas aan het eind van deze maand vrijkomt, is er een reëel risico dat de Frontex-missie in het midden van de Middellandse Zee en bij de Canarische Eilanden wordt stopgezet door gebrek aan geld. Er moeten dus onmiddellijke stappen worden gezet om het geld, dat wel beschikbaar is maar opzij is gelegd, vrij te maken.

Dan is er nog een thema dat betrekking heeft op de solidariteit: de afspraken met derde landen. Wij streven ernaar nauwer samen te werken met de landen van herkomst en doorgang. Wij hebben onomwonden gezegd dat zij een daadwerkelijke bijdrage moeten leveren, maar wij zijn ook bereid om de landen van herkomst te helpen zodat er een legale, reguliere en geleide immigratiestroom tot stand wordt gebracht. Twee weken geleden heb ik een duidelijk voorstel terzake ingediend.

Tezelfdertijd pleiten wij voor steun aan de landen van herkomst en doorgang, om mensenhandel te voorkomen en om degenen die de oceaan of de Middellandse Zee over willen steken, duidelijk uit te leggen dat zij niet het geluk tegemoet gaan maar hun leven in de waagschaal stellen. Er is dus allereerst behoefte aan politieke samenwerking, geen politiesamenwerking, om in de landen van herkomst de voorwaarden te creëren voor een betere informatie, want daar is momenteel amper sprake van. Europa is wel bereid om degenen die eerlijk willen werken op te vangen met inachtneming van de wetten. Zoals wij allen weten, hebben veel lidstaten die mensen nodig, omdat zij te weinig arbeidskrachten hebben. Dit is een ander aspect van solidariteit.

Er bestaat voorts een belangrijke vorm van solidariteit in de opvang van al dan niet legale immigranten. Ik ben ervan overtuigd dat iedere lidstaat de plicht heeft om alles te doen wat in zijn vermogen ligt om mensenlevens op zee te redden, maar het is ook nodig dat de andere lidstaten zich er rekenschap van geven dat wij niet zomaar een land als Malta - om maar een voorbeeld te noemen - kunnen belasten met de opvang van alle immigranten die midden op de Middellandse Zee gered worden door Maltese schepen. Zo’n situatie vergt de nodige solidariteit en een eerste aanzet tot een akkoord, een politieke planning om te bepalen waar de immigranten die in die meest blootgestelde landen aankomen, opgevangen moeten worden. Dat is een ander facet van solidariteit: opvang bieden in een groter aantal lidstaten en niet alleen in de landen die op de frontlinie liggen. Dit is dus een ander element waarvoor wij een beginselakkoord moeten zien te vinden, dat tot nu toe helaas is uitgebleven.

Ik geloof dat wij de volgende week in de Raad nog een kwestie moeten aansnijden: wie moet de verantwoordelijkheid krijgen voor patrouilleringen in de gebieden van zoek- en reddingsacties op volle zee die onder de bevoegdheid van derde landen vallen? Men heeft het geval van Libië aangehaald. Volgens de internationale overeenkomsten heeft ieder land een stuk open zee waar hij de verantwoordelijkheid heeft om zoek- en reddingsacties te verrichten. Wat gebeurt er als een niet-Europees land, zoals Libië, niet voldoet aan zijn verplichting tot zoek- en hulpacties op zee? Hoe kunnen wij Europeanen in dat gebied dan tussenbeide komen? Wie neemt die verantwoordelijkheid op zich? Daar ontbreken dus regels voor en die moeten afgesproken worden. Het is een kwestie van toepassing van internationale overeenkomsten en niet van Europese wetten, maar thans is wel het moment aangebroken om dit vraagstuk in Europees verband aan de orde te stellen. Ik geloof dus dat het nuttig is om ook hierover in de komende week een bespreking in de Raad op te starten.

Een laatste punt: hoe zit het met de verantwoordelijkheid, en wat is solidariteit in het geval van de eerste opvang van immigranten? Als die mensen aankomen, moeten ze opgevangen worden in menswaardige omstandigheden: dat is iets waar absoluut niet aan getornd kan worden en waar niet over te onderhandelen valt. Wie neemt die verantwoordelijkheid op zich, en hoe verdelen wij de taken tussen de lidstaten? Wij kunnen er toch onmogelijk opnieuw van uitgaan dat een klein landje midden in de Middellandse Zee dat allemaal op zich neemt! Dat zou allesbehalve een uiting van saamhorigheid zijn tussen de lidstaten! Dus ook daar moeten wij ons over buigen. De Europese Unie kan veel in die richting doen: zij kan financiële ondersteuning bieden en helpen met het organiseren van terugkeeroperaties naar de landen van oorsprong die de regels inzake de waarborging van de absolute waardigheid van iedere persoon respecteren. Uiteraard heeft iedere immigrant, ook al is hij of zij illegaal, het volste recht op respect van zijn menselijke waardigheid, maar wij kunnen niet in de plaats treden van de lidstaten die weigeren hun aandeel te leveren.

Dat is de solidariteit waar ik op doel, en dat zijn de sleutelbeginselen waarmee men kan garanderen dat tragedies zoals die van een paar dagen geleden, zich niet meer herhalen. Het gaat er dus niet om een beschuldigende of vermanende vinger te heffen, het gaat er alleen maar om dat wij lering trekken uit die tragische les.

 
  
MPphoto
 
 

  Simon Busuttil, namens de PPE-DE-Fractie. - (MT) Mijnheer de Voorzitter, het slechtste wat we kunnen doen is met de vinger naar elkaar wijzen, in plaats van samen te werken om een oplossing te vinden voor dit ernstige probleem, een probleem dat, zoals is gezegd, geen probleem van één land is, maar van alle landen. Het is verkeerd en niet fair om met de vinger naar Malta te wijzen als het gaat om de incidenten die hebben plaatsgevonden in de Libische wateren, en daarom niet onder de verantwoordelijkheid van Malta vallen. Malta is zich heel goed bewust van zijn verplichtingen en komt deze ook na, met volledig respect voor het menselijk leven. Het is zelfs zo dat de meeste immigranten die ieder jaar naar Malta komen, uit de zee worden opgepikt en van een zekere dood worden gered. De last die Malta moet dragen, is echter al buitenproportioneel. Om een voorbeeld te noemen, mijnheer Altmaier: het maritieme gebied dat Malta moet monitoren is zo groot als ongeveer tweederde van Duitsland of bijna driekwart van Italië. We zijn verantwoordelijk voor dat hele gebied. Tot nu toe heeft Malta in dit hele gebied in zijn eentje gepatrouilleerd, omdat Frontex nog niet eens met zijn patrouilles is begonnen. Commissaris, dit Parlement wil zo graag dat de operaties van Frontex van start gaan, dat het de begroting van Frontex heeft verdubbeld. Maar tot nu toe is Frontex volstrekt ineffectief gebleken in de Middellandse Zee. Daarom is het niet fair en niet rechtvaardig dat Malta de schuld krijgt toegeschoven van de incidenten die hebben plaatsgevonden in de Libische wateren. In plaats van elkaar te beschuldigen, moeten we samenwerken om een oplossing te vinden. Die oplossing is natuurlijk duidelijk, mits wij het willen. Gezien het feit dat dit niet het probleem van één land is, moet de last van de immigranten die uit Maltese wateren zijn gered, worden verdeeld over iedereen: ja, over de zevenentwintig lidstaten van de Europese Unie. Dat is volkomen duidelijk. Wat niet duidelijk is, mijnheer de Voorzitter, is of de nationale regeringen bereid zijn deze verantwoordelijkheid op zich te nemen en een deel van de lasten te dragen. Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Martine Roure, namens de PSE-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, het is volstrekt ontoelaatbaar dat we elke zomer getuige zijn van menselijke drama’s aan de grenzen van Europa. Ondanks onze verontwaardiging herhalen deze drama’s zich echter elk jaar weer.

Hoe kan de Europese Unie wanhopige mensen aan de poorten van Europa aan hun lot overlaten? De Commissie moet tijdens de eerstvolgende Raad Justitie en Binnenlandse Zaken toezeggingen afdwingen van de lidstaten. Wij moeten garanderen dat dergelijke gebeurtenissen zich nooit meer kunnen voordoen. Het was ontoelaatbaar dat, terwijl wij aan het debatteren waren over de verantwoordelijkheden van deze en gene, mensen op zee in gevaar verkeerden en niet konden worden gered.

Malta draagt een grote verantwoordelijkheid, dat is zeker. Hulp bieden aan mensen in nood is een plicht en geen keuze, en men heeft ze dood laten gaan. Ik ben echter van mening dat we allemaal verantwoordelijk zijn voor dit drama. Ik heb berichten gekregen van heel wat Maltezen die het hart op de juiste plaats hebben en die lijdzaam toezien hoe immigranten op deze manier behandeld worden en hun land in deze situatie verkeert. Maar tegelijkertijd zijn ze zich ervan bewust dat hun klein landje in de steek wordt gelaten.

Ik wil hier dan ook zeggen dat deze gebeurtenissen aantonen dat de Europese solidariteit te wensen overlaat als het gaat om het beheer van de grenzen en de opvang van emigranten. Het is ontoelaatbaar dat de last hoofdzakelijk op de schouders van de landen in het zuiden en oosten van Europa ligt. Europa moet zich solidair tonen en ervoor zorgen dat de last en de verantwoordelijkheden verdeeld worden over alle lidstaten. Daarom roep ik de lidstaten op om meer middelen toe te kennen aan Frontex, zodat maritieme missies vóór eind juni kunnen beginnen en flink worden uitgebreid, met name in de Middellandse Zee.

Ik was blij te horen dat de evaluatie van de Dublin II-verordening in de komende dagen aan ons zal worden voorgelegd. Dat kregen we onlangs ook al te horen. Daar vragen wij al maanden om, zij het dat we nu geen evaluatie meer nodig hebben maar een spoedige herziening. De verordening van Dublin II is uiteraard niet geschikt, vooral voor een klein land als Malta.

Tot slot vragen wij de Commissie hoe ver de gesprekken met Libië over immigratie gevorderd zijn. De recente gebeurtenissen hebben laten zien dat Libië niet in staat is hulp te bieden aan migranten en mensen in nood. Wij hebben het al gezegd en wij zeggen het nogmaals: de Europese Unie mag haar verantwoordelijkheden niet afwentelen op een land dat geen passende normen hanteert als het gaat om de eerbiediging van grondrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jeanine Hennis-Plasschaert, namens de ALDE-Fractie. - Voorzitter, de aanpak van illegale migratie is een prioriteit en dat is het al een tijdje. De eerste schuchtere stappen zijn gezet. Dit neemt echter niet weg dat er anno 2007 nog altijd heel veel ruis op de lijn is als het gaat om wie wanneer verantwoordelijk is voor het redden van drenkelingen, legaal of illegaal. Verbijsterend is het dat de morele en wettelijke plicht klaarblijkelijk niet door iedereen even serieus wordt genomen. Natuurlijk, - Martine Roure zei het net al - Malta heeft het niet makkelijk als het gaat om de grote toestroom van illegalen. Dat zal niemand ontkennen. Er moet dan ook snel werk worden gemaakt van die zo gewenste en veelbesproken solidariteit. De snelle introductie van een burden sharing-mechanisme lijkt dan ook op zijn plaats.

Maar dit gegeven rechtvaardigt op geen enkele manier de wijze waarop Malta met zijn morele en wettelijke plicht meent te moeten omgaan. We hebben het hier over een EU-lidstaat en dat maakt dat wij als Unie verantwoordelijk zijn. Terwijl Malta en Libië het niet eens kunnen worden over de precieze locatie van de drenkelingen hangen 27 mensen aan een visnet, drie dagen lang. Dit voorbeeld staat helaas niet op zichzelf. Absurd. Zoals bekend is Libië nu niet echt het paradijs van de mensenrechten of humane opvattingen, verre van dat. Dat wij als Unie dreigen te kiezen voor eenzelfde opstelling ten aanzien van deze drenkelingen is een grof schandaal.

Gisteren vond ik in mijn vergaderdossier voor de transportcommissie een studie inzake de status van illegale migranten op zee. De acties die in deze studie worden voorgesteld, dienen met voorrang te worden uitgevoerd. U, commissaris Frattini, zal uw krachten moeten bundelen met die van commissaris Barrot. Geld alleen is niet de oplossing. U weet heel goed dat juist de Raad de sleutel in handen heeft als het gaat om voorwaarden voor de terugkeer van illegale migranten. Laat tegelijkertijd en boven alles ook vooral duidelijk zijn dat niemand maar dan ook niemand zich mag en kan verschuilen achter zogenoemde juridische onduidelijkheden in bijvoorbeeld het internationale zeerecht. Waar een politieke wil is, is wel degelijk een weg.

Tot slot zou ik tegen de Raad willen zeggen: Berlijn-declaraties, geachte Raadsvoorzitters, kunt u opnemen totdat u een ons weegt. Europese waarden staan daarin centraal. Als er echter in de praktijk helemaal niets aan gedaan wordt, dan geeft de realiteit ons een totaal ander plaatje en zet u als Raadsvoorzitter de geloofwaardigheid van de Europese Unie op de helling. Maak werk van de mooie woorden die u zo graag verkondigt en zoals u dat zojuist ook weer deed. Maak werk van de ambities die u heeft vastgelegd in onder meer het programma van Tampere en het programma van Den Haag. Doe wat u ons beloofd heeft. Met alle respect, een debat volgende week is fantastisch, maar het is echt niet goed genoeg. De problematiek is niet nieuw. Actie is noodzakelijk en wel onmiddellijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Lambert, namens de Verts/ALE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik denk dat veel van de recente voorbeelden en de schokkende beelden die wij hebben gezien van een klein bootje dat mensen in zijn net meesleepte, het resultaat zijn van een opeenstapeling van fouten, zoals wij net hebben gehoord. Met een beetje planning hadden veel van die fouten absoluut voorkomen kunnen worden. Wij hopen dat de volgende Raad Justitie en Binnenlandse Zaken daar enige verbetering in zal brengen. Die fouten hadden voorkomen kunnen worden als de lidstaten niet alleen hun toezeggingen gestand hadden gedaan, met betrekking tot de logistieke en andere steun voor Frontex, maar ook de beloofde maatregelen hadden genomen als gevolg van de gebeurtenissen op de Canarische Eilanden, Lampedusa, Malta, Cyprus, enzovoort. Zoals commissaris Fratini heeft gezegd, hadden die fouten voorkomen kunnen worden indien de lidstaten een plan B hadden opgesteld voor het geval Libië niet aan zijn verplichtingen zou voldoen. Het lijkt er inderdaad op dat Libië zijn maritieme reddingsgebied nog niet eenduidig heeft afgebakend. Ik vraag mij dan ook af waarom wij nog onderhandelen in een noodsituatie, als er nu al van onenigheid sprake is en wij vooruit hadden kunnen plannen?

Ik sluit mij bij mevrouw Roure aan: wij moeten voorzichtig zijn met overeenkomsten met een land dat zo’n slechte staat van dienst heeft op het gebied van de mensenrechten. Dat geldt ook voor de vele transitlanden en landen van herkomst. Dergelijke documenten dienen publiek bezit te zijn. Dit Parlement wacht echter nog steeds op de documenten die de Italiaanse autoriteiten na ons bezoek aan Lampedusa hebben beloofd.

Mijn fractie is van mening dat wij een asielagentschap nodig hebben, opdat wij teams van deskundigen kunnen samenstellen die onder druk staande landen kunnen ondersteunen bij het beoordelen van claims. Wat Dublin II betreft beseffen wij natuurlijk dat sommige landen terughoudend zijn bij het nemen van maatregelen en verantwoordelijkheid, omdat zij bang zijn voor de gevolgen en het gevoel hebben dat zij er alleen voor staan. Er bestaat echter ook een probleem met betrekking tot de richtlijnen voor opvang en de procedures en met de wijze waarop deze ten uitvoer worden gelegd. De EU dient ook op dit punt voor ondersteuning te zorgen, om te waarborgen dat er sprake is van een kwaliteitsprocedure: ook dat zou een taak zijn voor een asielagentschap.

Wij moeten echter ook in andere landen voor steun zorgen bij de opvang van nieuwe asielzoekers. Wij moeten duidelijk maken dat er geen sancties staan op het uitvoeren van reddingsacties. Dat betekent dat er geen vervolging meer zal plaatsvinden in de stijl van Cap Anamur. Wij krijgen te horen dat de wetten van de zee rechtvaardig zijn: mensen in nood dienen gered te worden ongeacht hun status. Als de mensen waarover de media hebben bericht, passagiers van een cruiseschip waren geweest, zouden deze echter veel eerder gered zijn dan nu het geval was. Daar ben ik rotsvast van overtuigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Giusto Catania, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de heer Frattini heeft er goed aan gedaan te spreken over solidariteit, maar wij zouden in eerste instantie solidariteit moeten betuigen met de families van de mensen die in de Middellandse Zee verdronken zijn. Die solidariteit is ook nodig om onszelf uit te leggen dat wij eindelijk eens moeten ophouden die mensen als illegaal te bestempelen. Waarschijnlijk moeten wij hen “schipbreukelingen” noemen, want daar gaat het om: mensen - mannen, vrouwen - die in een poging Europa te bereiken verdronken zijn in de Middellandse Zee, zonder dat zij in aanmerking kwamen voor een reddingsactie op zee, mensen die drie dagen lang op zee hebben rondgedobberd, vastgeklampt aan een visnet voor de tonijnvangst. Wij moeten er eerlijk voor uitkomen: hier ligt een zware verantwoordelijkheid!

De heer Frattini heeft het duidelijk in een interview met een Italiaanse krant gezegd. Hij heeft gesproken over een zware verantwoordelijkheid van de Maltese regering. In dit Parlement moet dat herhaald worden, en ook moet vermeld worden dat men niet eens het mededogen heeft opgebracht om deze arme sloebers te begraven. Men heeft zelfs geweigerd hun lijken te bergen.

Het is dus goed dat wij ons serieus afvragen welke specifieke taak Frontex moet krijgen, maar de absolute prioriteit moet zijn om de mensen op zee te redden. Dat hebben wij de vorige keer ook al gezegd, toen de snelle interventieteams aan de grenzen ter sprake kwamen. Helaas is dit de zoveelste tragedie in de afgelopen tien jaar: meer dan 9000 mensen zijn al verdronken in een poging om Europa te bereiken. Dit is de grootste tragedie van de afgelopen tien jaar!

Wij zouden bovendien grondig moeten nadenken over de vraag of het niet zinvol is de wettige kanalen voor het op wettige manier toelaten van mensen uit te breiden. Ook moeten wij ons bezinnen op de mogelijkheid van een herziening van de Dublin II-verordening, om situaties te vermijden zoals die thans voorkomen en in de afgelopen tijd zijn voorgekomen.

Kijk, naar mijn gevoel is er iets ernstigs aan de hand. Stuk voor stuk raken wij de hoekstenen kwijt van de westerse beschaving, die gericht was op gastvrijheid en het recht op begrafenis. Zoals de grote Griekse tragedieschrijvers ons hebben geleerd, zouden wij dat als uitgangspunt moeten nemen om een nieuw idee van opvang en gastvrijheid voor Europa te bedenken!

 
  
MPphoto
 
 

  Manfred Weber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, het is van belang om ons vandaag de beelden voor de geest te halen die wij allen hebben gezien in de kranten en op televisie. Een schip werd vanuit de lucht ontdekt, en tegen de tijd dat de reddingsoperatie ter plekke op gang kwam, was het al vergaan, waarbij 53 à 57 mensen verdronken. We spreken vandaag ook over andere gevallen waarin vrijwel iedereen dood werd aangetroffen op die schepen. We spreken over kinderen en baby’s, over vele onbekende mensen - kortom, over een ontstellende tragedie waarvan wij gruwelen. Daarom wil ik namens de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten zeggen dat deze kwestie Europa in zijn kern raakt. Het gaat om de grondrechten, om het fundament van onze waarden, om het recht op leven. Het gaat vandaag niet om de strijd rond de immigratie, over wie wij Europa binnenlaten en wie niet, maar om fundamenteel humanitaire kwesties. Daarom wil ik onderstrepen dat de waarden niet ophouden bij de grenzen. Wij Europeanen vinden dat onze waarden ondeelbaar zijn, en dat wij ze moeten toepassen.

In de tweede plaats wil ik onderstrepen dat de Europese solidariteit - veel medeafgevaardigden hebben het reeds gezegd - nu zeer noodzakelijk is. We kunnen het niet maken om een heel klein land als Malta - en veel andere landen aan de zuidelijke grens - het alleen te laten opknappen en het vervolgens verwijten te maken. Nee, dit is een Europese kwestie. Ik vind het bijzonder jammer dat deze tragedie amper aan bod is gekomen in de Midden- en Noord-Europese media en dat de mensen aldaar er geen belangstelling voor hebben getoond.

Er moet nu actie worden ondernomen. Daarom, mijnheer de commissaris, omarm ik namens de EVP-fractie graag de gedachte om een discussie te voeren over de in de begroting geblokkeerde middelen, als er geld nodig mocht zijn voor dit doel. Ik verzoek de Raad, beste Peter, om niet alleen besluiten te nemen, maar om nu eindelijk ook tot actie over te gaan. Besluiten redden geen mensen; alleen maatregelen redden mensen. Daarom vraag ik heel concreet om deze humanitaire ramp hoog op de agenda te zetten van de Raadsvergadering van komend weekend.

 
  
MPphoto
 
 

  Javier Moreno Sánchez (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, opnieuw hebben beelden van wanhopige en dode emigranten onze huiskamers bereikt. Opnieuw laten deze beelden de meest dramatische en zichtbare kant van de illegale immigratie zien. En opnieuw worden we geconfronteerd met een humanitaire noodsituatie waarop wij onmiddellijk en met overtuiging moeten reageren.

Deze situatie zal niet vanzelf ophouden te bestaan. Er zijn al meer dan negenduizend mensen omgekomen bij hun poging om de Middellandse Zee over te steken, en met de komst van het goede weer zal dit aantal blijven stijgen.

Vorige week hebben de autoriteiten van een bepaalde lidstaat niet voldaan aan hun elementaire internationale verplichting met betrekking tot het redden en opvangen van schipbreukelingen. Het is niet voldoende om die lidstaat te veroordelen voor zijn onacceptabele houding en te vragen zijn verantwoordelijkheid te nemen om te voorkomen dat deze situatie zich in de toekomst opnieuw zal voordoen. Ook moeten we de strijd tegen illegale immigratie niet willen delegeren aan de kapiteins van vissersschepen. Dit is niet alleen een probleem van Malta. Dit is een Europees probleem waarop we een allesomvattend antwoord moeten geven op basis van solidariteit tussen alle lidstaten. Ik herhaal: alle lidstaten, met gedeelde verantwoordelijkheid, transparantie en wederzijds vertrouwen.

Daarom wil ik de Raad en de Commissie en dit Parlement vragen om onmiddellijk concrete maatregelen te nemen en een einde te maken aan deze onaanvaardbare situatie. Frontex moet niet langer een luchtspiegeling blijven maar over de middelen beschikken die nodig zijn om het hele jaar door gezamenlijke patrouilles te organiseren in zones met een verhoogd risico.

Geachte afgevaardigden, we kunnen niet blijven debatteren en onderling ruzie blijven maken, terwijl er immigranten blijven verdrinken. Laten we nu handelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ignasi Guardans Cambó (ALDE). - (ES) Ik wil om te beginnen de commissaris feliciteren, omdat hij zijn verantwoordelijkheid in deze zaak heeft genomen. Ik hoop dat het niet alleen bij woorden blijft, hoewel het natuurlijk goed is om dat in eerste instantie met woorden te doen.

Het is absoluut onaanvaardbaar dat we een groep mensen laten doodgaan, terwijl de regeringen en bureaucratieën van verschillende lidstaten erover twisten wie verplicht is om schipbreukelingen te redden die omkomen door uitputting, door verdrinking en door blootstelling aan de brandende zon…

Malta heeft verplichtingen. De opstelling van Malta is onacceptabel en het verdient om te worden veroordeeld. Maar de Unie moet er natuurlijk wel voor zorgen dat zij in staat is om Malta vandaag te helpen. Gisteren was het Spanje, op de Canarische Eilanden, en wie weet welk land morgen aan beurt is om de levens te redden van de mensen die de Europese Unie willen binnenkomen.

De zomer begint, en daarmee komt ook de stroom immigranten weer op gang, mensen die hun dromen willen verwezenlijken in Londen of Hamburg, maar die zullen sterven op de stranden in het zuiden.

Dat is de boodschap die we moeten uitzenden.

Het debat over de toekomst van Europa, over wat we willen en wat we samen kunnen doen, is dezer dagen in volle gang. Welnu, op gebieden als deze vindt de Europese Unie haar rechtvaardiging. En dan heb ik het niet alleen over geloofwaardigheid: ik heb het over legitimiteit. Ook op dit gebied kan de Europese Unie haar legitimiteit verliezen.

Wat voor Unie is een unie die allerlei zaken kan organiseren en reguleren - waarvan veel van onze burgers vinden dat ze absurd en zelfs idioot zijn - maar die niet kan voorkomen dat de mensen die onze kastelen proberen binnen te komen, doodgaan voor de poorten van de kasteelmuren?

Mijnheer de vice-voorzitter, u staat voor een historische uitdaging, een politieke en historische uitdaging. U heeft de verantwoordelijkheid om de solidariteit te bevorderen, maar als die solidariteit er niet komt, heeft u de verantwoordelijkheid om haar op te leggen. U heeft de mogelijkheden om dat te doen. Als de solidariteit er niet komt, moet u haar opleggen, door politieke actie, door de lidstaten die hun verantwoordelijkheid niet nemen, openlijk aan de schandpaal te nagelen en door dwang uit te oefenen met wetsvoorstellen die erop gericht zijn dat ieder land zijn verantwoordelijkheid neemt tegenover het heden en tegenover de geschiedenis. Er zijn al zoveel doden die het gevolg zijn van het feit dat regeringen hun verantwoordelijkheid niet willen nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, elke dag proberen meer illegalen het Europese vasteland te bereiken en elke dag leidt dat tot ondraaglijke situaties en tragedies in het zuiden van Europa. De Europese Unie heeft Frontex in het leven geroepen. Het Europees Parlement was ertoe bereid om de jaarbegroting voor de grensbewaking te verdubbelen. Inmiddels heeft Frontex de beschikking over 35 miljoen euro. Desondanks overschrijden elke dag meer illegalen de grenzen van de Europese Unie. Dat betekent simpelweg dat de grensbewaking niet functioneert. De hulp aan de lidstaten, de coördinerende rol die Frontex op zich zou nemen, komen niet uit de verf.

Als er sprake is van gebrekkige coördinatie, treft Frontex daarvoor de blaam, maar als de lidstaten niet het nodige personeel en de nodige uitrusting ter beschikking stellen en hun beloftes niet nakomen, dan treft die lidstaten de blaam en dan dienen we hen op hun verantwoordelijkheid aan te spreken. Hoe dan ook mogen we de landen in het zuiden van Europa niet met de brokken laten zitten.

Wat dat betreft heb ik een vraag aan de commissaris. In een persbericht van 24 mei deelde de Commissie mee dat men tevreden was met het aantal vliegtuigen, schepen en ander materieel dat tot dan toe ingebracht was. Vandaag lezen we echter in een andere mededeling van de Commissie kritiek op de lidstaten, die niet meer dan eentiende van de beloofde schepen, vliegtuigen en helikopters geleverd zouden hebben. Wat is er nu waar? Zou u daar alstublieft duidelijkheid in kunnen brengen, mijnheer de commissaris? Als we dan besluiten tot een agentschap en het van zoveel middelen voorzien, mogen we ook succes verwachten. Anders kunnen we het beter afschaffen en naar andere wegen zoeken.

In elk geval - en daarvoor doe ik een beroep op alle verantwoordelijken - dient de Europese Unie, naast haar eigen grenzen te bewaken, ook hulp te bieden bij de opbouw van een effectieve grensbewaking in de transitlanden, hulp ter plaatse, waar wij zelf ook van profiteren. Ook dient zij stabiliseringhulp te bieden, en voorlichtingscampagnes te organiseren in de landen van herkomst zelf. Het is in elk geval tijd om eindelijk een daad te stellen, in plaats van verder te discussiëren over een situatie die ondraaglijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Claudio Fava (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, mijnheer Frattini, ik sta achter hetgeen u vandaag hier hebt verklaard en wat u in de interviews van de afgelopen dagen hebt gezegd. Maar wie het daar bepaald niet mee eens is, is de Maltese minister van Buitenlandse Zaken. In een mededeling van hedenmiddag legt hij uit dat Malta geen illegale immigranten op kan nemen omdat die juridisch gesproken niet onder zijn bevoegdheid vallen.

Eenentwintig verdronken mensen zijn geen probleem van wetten. Het wordt tijd dat in de komende Raadsvergadering iemand van het voorzitterschap of de Commissie aan de Maltese regering uitlegt wat het verschil is tussen illegale immigranten en schipbreukelingen. Iemand moet de Maltese minister van Buitenlandse Zaken eraan herinneren dat een vissersboot die onder Maltese vlag voer, besloten heeft om zevenentwintig mensen vastgeklampt te laten zitten aan visserstuig voor de vangst van tonijn, omdat zij de tonijnvangst belangrijker vonden dan het redden van mensenlevens.

Iemand moet de Maltese minister van Buitenlandse Zaken en alle andere ministers van ons uitleggen dat het humanitaire recht los staat van juridische verplichtingen en van de overeenkomsten die onze landen ondertekend hebben. Aangezien het volgens mij belangrijk is om de daad bij het woord te voegen, sta ik achter uw voorstel. Het Frontex-geld moet vrijgemaakt worden en alle landen moeten hun verantwoordelijkheid op zich nemen. Maar tegelijkertijd moet de mogelijkheid om dit geld te krijgen - dus dat van Frontex of het Europees Fonds voor terugkeer naar het vaderland - gekoppeld worden aan de naleving van de plicht tot bijstand. Iedere schipbreukeling heeft daar recht op, ongeacht de situatie waarin hij of zij zich bevindt en wat ook de juridische status van de schipbreuk is.

Dit is één van de invalshoeken van waaruit dit probleem in de komende dagen met de andere ministers benaderd kan worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Grech (PSE). - (MT) Mijnheer de Voorzitter, het is een schande dat opnieuw zo veel mensen hun leven hebben moeten verliezen, voordat het ontbreken van concrete actie van de kant van de Europese Unie op het gebied van immigratie aan het daglicht kwam. Hoewel ik van mening ben dat alle lidstaten hun deel van de lasten moeten dragen, vooral als het om kwesties van leven of dood gaat, moeten ook de Commissie en vooral de Raad een deel van de verantwoordelijkheid op zich nemen. Naar mijn mening geven de Commissie en de Raad deze situatie niet de urgentie die ze verdient, en geven ze blijk van onvoldoende betrokkenheid. Terugkijkend op wat er is gedaan in deze afgelopen vier jaar, is het niet moeilijk vast te stellen dat er, als we de betekenisloze modewoorden ‘solidariteit’ en ‘mobilisatie’ weglaten, maar weinig maatregelen zijn getroffen om iets te doen aan deze alarmerende situatie. We verwachten onmiddellijke actie op het gebied van het beginsel van lastenverdeling, voor de herziening van Dublin II en de logistieke en administratieve bijstand bij een doelmatige coördinatie van de gezamenlijke patrouilles, die tot nu toe praktisch onzichtbaar zijn geweest en die Frontex ons lang geleden al heeft beloofd. Tot nu toe lijkt het alsof Frontex een agentschap is dat simpelweg te zeer overweldigd is door de enorme omvang van de crisis om nog actie te kunnen ondernemen. Maar geen enkel land kan deze tragedie alleen het hoofd blijven bieden, vooral niet een land dat zo klein is als Malta en dat al veel zwaardere lasten op zijn schouders heeft dan het kan dragen. In deze fase moet prioriteit worden gegeven aan de crisis zelf en niet aan het aanwijzen van de schuldigen. We moeten een noodplan, een soort Marshallplan uitvoeren, om te voorkomen dat we hier dezelfde toespraken moeten houden wanneer er zich opnieuw een tragedie voordoet. We hebben geen tijd te verliezen. Er zijn al te veel levens verloren gegaan. Ik hoop dat de definitie van solidariteit van de heer Frattini ook daadwerkelijk in de praktijk zal worden gebracht. Dank u, mijnheer de Voorzitter.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Altmaier, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, ik geef iedereen gelijk die zegt dat we lang genoeg gepraat hebben en dat we moeten handelen. En de Raad heeft de afgelopen maanden ook gehandeld. Hij heeft ervoor gezorgd dat het technische centrale register, de gereedschapskist van Frontex, gevuld werd en dat Frontex kon beschikken over, of toch in elk geval aanspraak kon maken op honderd schepen, vliegtuigen en helikopters. De Raad heeft er met steun van dit Parlement voor gezorgd dat de verordening betreffende de snelle interventieteams, ofwel de RABIT’s, is vastgesteld. Er komt een Frontex-missie in de wateren rond Malta, waar we met de steun van deskundigen uit de lidstaten en van helikopters uit de lidstaten zullen proberen in deze humanitaire tragedie in te grijpen. Maar tegelijk zeg ik dat het beter geweest zou zijn als we een paar weken eerder met deze acties hadden kunnen beginnen. Dat is een verantwoordelijkheid die we gezamenlijk moeten dragen.

Verder hebben we de laatste maanden overeenstemming bereikt over een voorstel van de Commissie om regionale beschermingsprogramma’s in de herkomst- en transitlanden uit te voeren. We hebben concrete stappen ondernomen door het eens te worden over het sluiten van partnerschapsovereenkomsten en door te spreken over stimuleringsmaatregelen voor legale en circulaire migratie. We voeren onderhandelingen over overnameovereenkomsten met Afrikaanse en andere landen. Allemaal stappen in de juiste richting. Het is echter ook waar dat veel van deze maatregelen laat komen en dat het voor de mensen die er mee te maken hebben, beter geweest was als we er harder aan getrokken hadden.

Mevrouw Hennis-Plasschaert, ik denk dat het ook te maken heeft met een gebrek aan efficiëntie van de besluitvormingsprocedures in de Raad. Het is jammer dat de Europese grondwet tot nu toe nog niet in werking is getreden, omdat de Europese grondwet en de hervormingen waarin deze voorziet, ons in staat zou stellen om veel sneller en veel efficiënter noodzakelijke beslissingen te nemen.

(DE) We zullen er de komende dagen en weken voor moeten zorgen dat we onze humanitaire verantwoordelijkheid ten aanzien van de getroffen mensen waarmaken. We zullen er echter ook voor moeten zorgen dat we Malta niet in de steek laten. Malta is een klein land met een grote verantwoordelijkheid in het onderhavige gebied. Daarom heeft Malta recht op de solidariteit van de Europese Unie.

Ten derde moeten we erop letten dat we met alles wat we doen her en der geen nieuwe aanzuigmechanismen op gang brengen, die ertoe leiden dat steeds meer mensen op weg gaan richting Europa. Daarmee zouden wij het menselijk leed niet verminderen, maar juist vergroten. Vandaar dat ik ervan overtuigd ben dat de Raad de kracht zal vinden om op zijn vergadering van komende week een onmiskenbaar signaal af te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, lid van de Commissie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik sta achter hetgeen de heer Altmaier hier heeft verklaard. De volgende week zal de Raad dit thema stellig met de nodige eerlijkheid en met een echte politieke discussie aan de orde stellen. Ik ga hier dus niet nog eens een opsomming geven van de vele positieve dingen die gedaan zijn. Het zal alle leden van dit Parlement wellicht bekend zijn dat er twee jaar geleden nog niet eens één document bestond voor een gemeenschappelijke Europees optreden met betrekking tot immigratie. Vandaag hebben wij het erover hoe wij de documenten en beginselen kunnen toepassen die zijn voortgevloeid uit een politieke consensus die er voorheen niet was, en momenteel dus wel. Er zijn weliswaar stappen vooruit gezet, maar niet alles is zo snel gegaan als nodig zou zijn geweest.

Zoals iemand hier heeft gezegd, hebben wij voor Frontex een grote financiële verhoging gekregen: 35 miljoen euro voor 2007. Maar 13 miljoen euro zit vast. Dat geld kan dus niet gebruikt worden en er kunnen geen plannen worden gemaakt voor de uitgaven. Ik dank u voor wat er is gezegd over de inzet van het Parlement om deze bedragen gauw vrij te maken voor Frontex. De toolbox die Frontex ter beschikking staat, is voldoende gebleken. Dat had ik een paar weken geleden al opgemerkt, nadat ik de intentieverklaringen van de ministers van Binnenlandse Zaken van maar liefst 19 Europese landen had gelezen. Ik had toen, eind mei, gezegd: wij hebben voor deze zomer meer dan 100 vaartuigen ter beschikking, meer dan 100 patrouilleerboten, 25 helikopters, 20 vliegtuigen. Maar wat ik vandaag heb gezegd, is ook waar. Sedert die formele toezegging is gedaan, staat ons slechts een tiende van de beloofde uitrusting ter beschikking.

Ik zal heel vriendschappelijk tegen de ministers en collega’s van de Raad zeggen dat hun toezeggingen omgezet moeten worden in een onverwijlde beschikbaarheid. Als wij niet 5, maar 50 patrouilleboten hadden gehad, zou er misschien eerder een boot zijn gearriveerd om de mensen te redden die op het punt stonden te verdrinken. Een Italiaans schip en daarna een Frans schip zijn tussenbeide gekomen om de lichamen van de slachtoffers te bergen en deze naar Frankrijk te brengen. Als er sprake was geweest van een grotere aanwezigheid, zou men misschien eerder hebben ingegrepen. Dat is dus concrete solidariteit, daar moeten we eerlijk voor uitkomen.

Ik moet er hier ook op wijzen dat waar Frontex geopereerd heeft - en ik verwijs naar de Canarische Eilanden, vorig jaar bijvoorbeeld - de balans positief is geweest. Ik weet nog heel goed dat de Spaanse minister van Binnenlandse Zaken aan het eind van de herfst vorig jaar had verklaard dat er een vermindering was van circa 30 procent van de migratiestroom richting Canarische Eilanden dankzij de Frontex-patrouilleringen die in samenwerking met een derde land, in dit geval Senegal, zijn uitgevoerd. Daar waar men is opgetreden, zijn er ook resultaten geboekt.

Voor wat betreft het centrale gedeelte van de Middellandse Zee, hebben wij een paar dagen geleden een bezoek aan Libië gebracht. Een Frontex-missie heeft zich naar Libië begeven om de mogelijkheid te verkennen van hulp aan dit land met het oog op de controles aan de zuidgrens met Niger, de woestijngrens. Wij hebben heel duidelijk tegen Libië gezegd dat wij meer controle verwachten en vooral dat het land moet voldoen aan zijn plicht tot zoek- en reddingsacties op volle zee. Die verplichting moet Libië, net zoals alle anderen, nakomen.

De missie zal Nautilus II heten en krijgt als bestemming het centrale gedeelte van de Middellandse Zee. Zoals gepland, zal men over een paar dagen vertrekken. Uiteraard hoop ik dat zo veel mogelijk Europese landen meedoen, dus niet alleen de landen van de Middellandse Zee. De Duitse regering heeft al een signaal gegeven. Duitsland is geen mediterraan land, maar het zal meedoen aan die missie naar het midden van de Middellandse Zee. Ook Middellandse-Zeelanden zullen van de partij zijn. Ik hoop dat mijn eigen land bijvoorbeeld ook meedoet. Tot nu toe heeft de Italiaanse regering geen signaal gegeven dat zij bereid is deel te nemen aan deze missie, die overigens tussen Sicilië, Malta en Libië zal opereren. Dit is een concreet voorbeeld van oproep tot solidariteit die ik natuurlijk tot de collega-ministers zal richten, maar ik doe eveneens een beroep op u.

Laatste thema, de Dublin-verordening. Mevrouw Roure, maar ook anderen hebben daarover gerept. Het verslag is vandaag gepubliceerd en het is door de Commissie aangenomen. Het geeft aan hoe het reguleringsmechanisme van Dublin functioneert: de verordening heeft correct gefunctioneerd, maar de Commissie suggereert een paar aanvullingen. Onder andere suggereert de Commissie om na te gaan of het beginsel op grond waarvan alleen het land van bestemming opvang moet bieden, het enige juiste antwoord kan zijn, of dat het daartegen aangevuld kan worden met een betere verdeling van de lasten. Dit komt ook ter sprake in een voorstel dat vandaag door de Europese Commissie is aangenomen: een Groenboek over het asielbeleid tot 2010, waarom dit Parlement gevraagd heeft. Er zijn voorstellen, en ik wacht nog op een gebaar van solidariteit.

Natuurlijk, als de lidstaten met grote meerderheid zullen zeggen dat het systeem op deze manier goed loopt, blijft de huidige situatie aanhouden. Dan neemt het land van eerste bestemming de gehele last op zich en is er geen sprake meer van solidariteit. Dit is een ander voorbeeld van hoe zelfs de Dublin-verordening op de juiste manier geïnterpreteerd moet worden, niet om een beschuldigende vinger te heffen, maar om de handen ineen te slaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Gaubert (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Hoeveel lijken moeten we nog uit de Middellandse Zee opvissen voordat doeltreffende oplossingen worden doorgevoerd?

Laten we ophouden met de beschuldigende vinger te wijzen naar kleine landen als Malta, die niet meer opgewassen zijn tegen de onophoudelijke stroom immigranten die dagelijks op hun stranden aanspoelen. Dat is niet de manier om illegale immigratie te bestrijden. Geen enkel prikkeldraad, geen enkele barrière zal mannen en vrouwen, die tot alles bereid zijn om in de eerste levensbehoeften van hun gezin te voorzien, ervan weerhouden de zeeën over te steken.

In september 2006 richtte het Parlement in een resolutie die de steun had van alle politieke fracties, een oproep tot de lidstaten en de Commissie. Daarin benadrukten wij de noodzaak van partnerschappen en dialoog met de landen van herkomst. Ook eisten we de herziening van de Dublin II-verordening die de landen in het zuiden en oosten van de Unie een te zware last oplegt. Het is de hoogste tijd dat we een billijk mechanisme invoeren voor solidariteit en voor het spreiden van de verantwoordelijkheden over alle lidstaten.

Bovendien moeten we constateren dat Frontex geen zoden aan de dijk zet. Een echte politieke bereidheid is cruciaal als lidstaten dit agentschap voldoende middelen ter beschikking willen stellen om in de toekomst doeltreffend te kunnen functioneren.

 

16. Verdrag van Prüm: intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit - Visuminformatiesysteem (VIS) - Toegang tot en raadpleging van het visuminformatiesysteem (VIS) - Bescherming van persoonsgegevens (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is de gecombineerde behandeling van:

- het verslag (A6-0207/2007) van Fausto Correira, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het initiatief van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Finland, de Portugese Republiek, Roemenië en het Koninkrijk Zweden met het oog op de aanneming van het besluit van de Raad inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit [06566/2007 - C6-0079/2007 - 2007/0804(CNS)]

- de twee verslagen van Sarah Ludford, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, te weten A6-0194/2007 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van informatie op het gebied van visa voor kort verblijf [COM(2004)0835 - C6-0004/2005 - 2004/0287(COD)] en A6-0195/2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de toegang tot het visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door de nationale veiligheidsdiensten van de lidstaten en Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten [COM(2005)0600 - C6-0053/2006 - 2005/0232(CNS)]

- het verslag (A6-0205/2007) van Martine Roure, namens de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, over het voorstel voor een kaderbesluit van de Raad over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (hernieuwde raadpleging) [07315/2007 - C6-0115/2007 - 2005/0202(CNS)].

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Altmaier, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte afgevaardigden, vandaag behandelen we drie dossiers die een forse stap vooruit betekenen bij de grensoverschrijdende politiesamenwerking in het kader van het Europees intern beleid. Daarbij gaat het in eerste instantie om het Verdrag van Prüm, dat oorspronkelijk een volkenrechterlijk verdrag was tussen een klein aantal lidstaten - aanvankelijk waren het er zeven - maar dat later door nog tien andere landen werd ondertekend. Dit verdrag heeft ertoe geleid dat er voor het eerst in Europa nationale DNA- en vingerafdrukbanken en kentekenregisters in een netwerk werden aaneengesloten.

Daarmee hebben we, met inachtneming van een hoge mate van gegevensbescherming, de grondsteen gelegd voor moderne gegevensuitwisseling op politieniveau in Europa. Dit tussen een aantal lidstaten gesloten verdrag wordt nu naar het Europese niveau overgeheveld. Het wordt in het recht van de Europese Unie geïntegreerd en zal - wat zijn kernelementen betreft - in alle zevenentwintig lidstaten uitgevoerd worden.

Daarmee leveren we een bijdrage aan de veiligheid van de burgers in Europa, want zelfs dankzij de ervaringen van een klein aantal lidstaten met DNA-vergelijking konden misdadigers worden geïdentificeerd en zware misdrijven bestraft worden. Daarnaast dragen we ook bij aan een grotere slagvaardigheid van de Europese Unie. Daarom is het goed dat dit verdrag voortaan niet meer wordt behandeld overeenkomstig het volkerenrecht, maar deel gaat uitmaken van ons gezamenlijke Europese rechtskader.

Ik bedank alle lidstaten, maar ook de Europese Commissie en de leden van het Europees Parlement, die de integratie van het Verdrag van Prüm ondanks een zeer krap tijdsschema mogelijk gemaakt hebben. Wij zullen bij de integratie en bij de omzetting ook de standpunten van het Europees Parlement de gepaste aandacht geven.

De komende weken nemen we een beslissing over het visuminformatiesysteem, waarover we in mei al overeenstemming met het Europees Parlement bereikt hebben. Nu er op Coreper-niveau overeenstemming bereikt is, bestaat er een gerede kans dat de Raad het toegangsbesluit de komende week zal bekrachtigen. Een formeel besluit komt er na de toetsing door de juristen-taalkundigen.

Het visuminformatiesysteem is een uiterst belangrijk instrument tot versterking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Om die reden zullen wij het opslaan van en de inzage in alfanumerieke en biometrische gegevens tijdens de visumprocedure mogelijk maken. Dit zal ons helpen om meervoudige visumaanvragen, valse identiteiten en andere vormen van misleiding beter dan voorheen te bestrijden.

Het VIS-toegangsbesluit biedt de veiligheidsdiensten ook de mogelijk om het VIS preventief te raadplegen, voor het opsporen en onderzoeken van terroristische en andere zware misdrijven. De aldus geschapen nieuwe recherchemogelijkheden voor de veiligheidsdiensten betekenen een grote stap vooruit in de bescherming tegen het internationale terrorisme en de georganiseerde misdaad. Ik wil benadrukken dat de overeenstemming die we met het Europees Parlement bereikt hebben, zeer evenwichtig is. Hierin wordt op uitgebalanceerde wijze rekening gehouden met de verschillende, naar voren gebrachte argumenten.

Als we erin slagen om de politiesamenwerking in Europa te verbeteren, in de met beide maatregelen beoogde mate, en onze burgers meer veiligheid te bieden, moeten we er ook voor zorgen dat de gegevensbescherming in de Europese Unie een prominente plaats krijgt en dat misbruik van door de lidstaten uitgewisselde gegevens effectief bestreden en waar mogelijk verhinderd wordt.

Het verheugt mij dan ook bijzonder dat er de laatste weken aanzienlijke vooruitgang geboekt is bij het kaderbesluit voor de gegevensbescherming in de derde pijler, dat we in de desbetreffende werkgroep van de Raad, in samenwerking met de rapporteur van het Europees Parlement, een nieuw ontwerp in twee lezingen wisten af te handelen en dat we het aantal voorbehouden, waardoor wij in het verleden altijd van snelle vooruitgang werden afgehouden, sterk hebben kunnen verminderen. Dit herziene ontwerp waarborgt een hoog beschermingsniveau. Het beschermingsniveau van Verdrag 108 van de Raad van Europa uit 1981en het aanvullende protocol van 2001 zal volledig gewaarborgd zijn.

Ook voor de kwesties van het toepassingsgebied en de regeling voor derde landen zullen we redelijke oplossingen weten te vinden. Het Europees Parlement heeft daar al een belangrijke bijdrage aan geleverd en ik wil u dan ook namens het voorzitterschap nogmaals hartelijk danken voor de bijzonder snelle behandeling van het herzien ontwerp. Met name ook bij het vraagstuk van een adequate gegevensbescherming in derde landen en de opneming van een regeling voor het doorgeven van gegevens aan niet-openbare instanties stevenen wij af op goede oplossingen

Ik geloof ook dat de evaluatieclausule die het Europees Parlement voor het toepassingsgebied heeft voorgesteld een bijzonder constructieve oplossing is, en we zullen de tijd die ons voorzitterschap rest, gebruiken om verdere vooruitgang te boeken. Commissaris Frattini heeft er met zijn vijftien principes voor gegevensbescherming voor gezorgd dat we de essentiële punten in deze kwestie snel konden omschrijven. Wij zullen de Raad voorstellen met een verklaring te komen en ervoor pleiten deze principes in het verdere verloop van de besluitvorming de aandacht te geven die ze verdienen.

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, vice-voorzitter van de Commissie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb niet veel toe te voegen aan de overwegingen die de heer Altmaier namens de Raad naar voren heeft gebracht. Wat het eerste vraagstuk betreft kan ik zeggen dat wij van meet af steun hebben gegeven aan het initiatief van het Duitse voorzitterschap om de bepalingen van de derde pijler van het Verdrag van Prüm grotendeels over te hevelen naar het Europese wetgevingssysteem.

Dat zal de grensoverschrijdende samenwerking tussen de politiële en justitiële autoriteiten vergemakkelijken en versterken, en het zal zeker ook stimulerend zijn voor iets dat heel noodzakelijk zal blijken voor de versterking van de veiligheid van de Europese ruimte, namelijk de uitwisseling van informatie met het oog op preventie en onderdrukking van criminaliteit. Natuurlijk is deze exercitie ook gebaseerd op het feit dat daar waar de bepalingen van het Verdrag al zijn toegepast, zij hun nut bewezen hebben. In een interessant verslag van het voorzitterschap hebben wij kunnen lezen dat het Verdrag van Prüm tussen Duitsland en Oostenrijk al functioneert en dat het positieve en zelfs verrassende elementen heeft opgeleverd. Zo zijn er reeds ernstige criminele verantwoordelijkheden aan het licht gekomen, dankzij het gebruik van bepaalde bepalingen van dit Verdrag.

Hier kleeft een belangrijk aspect aan: de toepassing van het beginsel van beschikbaarheid - dus de uitwisseling van informatie ter bevordering van de informatiestroom - moet hand in hand gaan met een adequate bescherming van persoonsgegevens. In geval van misbruik moeten er duidelijke preventieregels zijn waarmee dit soort zaken voorgoed kunnen worden verhinderd. Volgens mij is het heel belangrijk dat het besluit van de Raad bevestigd wordt, zoals het voorzitterschap al heeft gedaan en waar ikzelf dus heel sterk voor pleit. Ik vertrouw erop dat dit besluit de komende week in Luxemburg zal worden goedgekeurd. Er staat een heldere verwijzing in naar de bescherming van persoonsgegevens, omdat wij helaas nog geen kaderbesluit inzake gegevensbescherming bezitten. Uiteraard moet dit besluit van de Raad, op grond waarvan de artikelen van het Verdrag van Prüm overgeheveld worden naar het Europese acquis, instaan voor gegevensbescherming, als zijnde de eerste voorwaarde voor een compatibele inlichtingenuitwisseling.

Mijn laatste opmerking betreft de periodieke evaluatie van dit besluit. Die evaluatie belooft belangrijk te worden, zowel wat betreft de operationele doelmatigheid, dus de manier waarop deze reeks bepalingen zal functioneren, als de werking van de vrijwaringsclausules. De evaluatie zal ook nuttig zijn voor het Parlement, waaraan zij natuurlijk zal worden voorgelegd.

Over het visuminformatiesysteem moet ik uiteraard de rapporteur, mevrouw Ludford, en het voorzitterschap feliciteren. Zij verdienen ook een pluim voor de inspanningen die zij tezamen hebben gedaan om een goed akkoord op tafel te krijgen. Een goed akkoord kan op de een of andere manier ook borg staan voor zowel de veiligheidseisen, waar veel regeringen om gevraagd hebben, als de noodzaak van bescherming van persoonsgegevens. Dit zijn rechten waarover volgens de Europese Unie niet onderhandeld mag worden. Op de consulaten en de grensposten krijgen wij dan te maken met beter functionerende instrumenten, die ter beschikking van eerlijke reizigers zullen worden gesteld en de politie de mogelijkheid zullen bieden om ernstige gevallen van wetsovertredingen op te sporen. De regels voor gegevensbescherming zijn krachtig verankerd in het akkoord over het visuminformatiesysteem. Er was grote behoefte aan dit soort regels, alsook aan regels voor vingerafdrukken. Dankzij dit akkoord kan de Commissie zich nu buigen over de technische toepassing. Hier is enige spoed vereist omdat, zoals u weet, wij het VIS-systeem vanaf de lente van 2009, volgens het uitgestippelde tijdpad, operationeel willen maken.

Wat het operationeel beheer van het systeem betreft is er een precies verzoek: nadat de effectbeoordeling is uitgevoerd, moet het operationeel beheer toevertrouwd worden aan een speciaal orgaan, aan een technische dienst. Voorgesteld kan worden dat deze technische dienst binnen twee jaar na inwerkingtreding van het VIS-stelsel operationeel wordt, zowel vanwege de economische implicaties die beoordeeld moeten worden, als vanwege de uit te voeren technische effectbeoordeling. Ik geef u nu al vast een persoonlijke indruk. Als er een operationeel beheersorgaan moet komen, kan dit niet slechts beperkt blijven tot het VIS. Er moet één operationeel beheersorgaan komen voor zowel SIS II als VIS. Op die manier kan namelijk optimaal gebruik worden gemaakt van de middelen en het arbeidsvermogen.

Het derde vraagstuk betreft het kaderbesluit inzake gegevensbescherming. Ook hier moet ik mevrouw Roure bedanken voor haar verslag, dat de Raad een goede steun in de rug geeft. Reeds in het verre 2005 had ik een voorstel terzake ingediend. Ik heb sedertdien verscheidene malen een oproep gedaan tot de ministers van de Raad, en vandaag naderen wij dan een oplossing waar ieder zich in kan vinden. Over één aspect wil ik nogmaals mijn mening uiten, welke overigens alom bekend is: ik zou graag hebben dat deze regels voor gegevensbescherming, de derde pijler, ook werden toegepast op de interne wetgeving van de lidstaten, en dus niet alleen in het geval van grensoverschrijdende uitwisseling van gegevens en grensoverschrijdende samenwerking. Ik sta dus achter het voorstel van mevrouw Roure. Uiterlijk drie jaar na goedkeuring van het kaderbesluit zullen wij het doel en toepassingsbereik opnieuw onder de loep moeten nemen, en dus misschien ook de mogelijkheid om deze regels uit te breiden tot de interne wetgeving. Drie jaar is voldoende tijd.

Mevrouw Roure rept van een evaluatie, precies het soort evaluatie waar wij het over hebben, om de regels inzake gegevensbescherming nog meer te harmoniseren. De ene mogelijkheid sluit de andere niet uit. Men kan beide zaken nastreven door gebruik te maken van dit verslag, dat drie jaar na de inwerkingtreding zal moeten bepalen of het mechanisme gefunctioneerd heeft, waar het verbeterd kan worden en waar het nog meer geharmoniseerd kan worden. Over één punt zou iedereen het eens moeten zijn, namelijk de noodzaak om het gebruik van gegevens uit te sluiten voor doeleinden die niet van tevoren afgesproken zijn. Anders geformuleerd, persoonsgegevens kunnen alleen gebruikt worden om veiligheidsredenen en voor politiedoeleinden, als van tevoren aangegeven wordt welke doelstellingen en doelgroepen de veiligheidsautoriteiten hebben. Dit is een sleutelbeginsel, waaraan wij vast moeten houden.

Tenslotte moet er nog een bespreking komen over de autoriteiten die controle moeten uitoefenen op de gegevensbescherming. Er moet in ieder geval een dieper bezinningsproces worden opgestart, omdat de huidige autoriteiten en de toekomstige Europese autoriteit heel andere bevoegdheden hebben. Waarschijnlijk is dus een besluit nodig dat de kwestie nader uitdiept. Ik heb een voorstel ingediend met vijftien grondbeginselen, om de weg naar het akkoord te effenen. Het doet mij deugd dat de voorzitter van de Raad mijn voorstel met de vijftien grondbeginselen, nuttig vindt. Ik rond af: er is sprake van een forse achterstand, maar wij kunnen de verloren tijd inhalen.

 
  
  

VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Fausto Correia (PSE), rapporteur. - (PT) Mijnheer de Voorzitter, fungerend voorzitter van de Raad Altmaier, ondervoorzitter Frattini, beste collega's, ik wil graag iets zeggen over het Prüm-initiatief, het onderwerp waarover het Europees Parlement vandaag en morgen zal debatteren en waarover ik in de commissie burgerlijke vrijheden, justitie en interne zaken een verslag heb opgesteld.

Het nogal gedetailleerde voorstel van de Raad, dat nog geen drie maanden geleden door het Europees Parlement is ontvangen, is door onze commissie heel snel onderzocht en besproken. Het secretariaat van de LIBE-commissie heeft al het nodige gedaan om een openbare hoorzitting te organiseren. Het was de bedoeling om alle openbare en particuliere belanghebbenden bij het proces te betrekken en op die manier zo volledig mogelijk vast te stellen welke bezorgdheden er bij deze groepen leefden. We zijn daarbij uitgegaan van het idee dat een efficiënte politieke samenwerking verenigbaar moet zijn met de verdediging en de bevordering van de grondrechten.

Deze afweging is heel belangrijk, aangezien dit voorstel belangrijke mechanismen vastlegt voor strafrechtelijk optreden en onderzoek. Het kan zijn dat dit gevolgen heeft voor de rechten en vrijheden van de burgers, en dat is een aspect dat we niet kunnen en mogen negeren.

Dit initiatief is heel belangrijk en het is ook heel zichtbaar. Als rapporteur heb ik daarom eerst en vooral geprobeerd een evenwicht te vinden tussen de voorwaarden voor een doeltreffende politiesamenwerking in de strijd tegen degenen die de grondslagen van onze Europese Unie bedreigen - terroristen en criminelen - en de bescherming van de grondrechten van individuen.

U zult begrijpen dat het vinden van een dergelijk evenwicht en het omzetten daarvan in een tekst die door de overgrote meerderheid van de uit verschillende fracties afkomstige afgevaardigden in de LIBE-commissie aanvaard kon worden, geen gemakkelijke opgave was. Het is echter wel een dankbare taak gebleken. Ik ben er oprecht van overtuigd dat de voorstellen die nu aan het oordeel van de voltallige vergadering zullen worden voorgelegd, het oorspronkelijke ontwerp van de Raad aanzienlijk verbeteren. Ik ben daarom heel blij dat de wijzigingen die we zijn overeengekomen - en die het resultaat zijn van een ruime consensus onder de fracties in het Europees Parlement en van een nauwe samenwerking tussen de rapporteur en de schaduwrapporteurs - door de LIBE-commissie vrijwel unaniem, met slechts één onthouding, zijn goedgekeurd. Ik hoop dat deze wijzigingen in de voltallige vergadering op dezelfde wijze zullen worden onthaald.

Onder de voorgestelde amendementen zijn er die gevolgen hebben voor de economie, en er zijn er ook die volgens mij formeel in een kaderbesluit moeten worden ondergebracht. Ik noem hier een betere harmonisatie van de voorschriften inzake de toegang tot biometrische gegevensbestanden, die beperkt moet blijven tot onderzoek, behalve als het gaat om vingerafdrukgegevens, die ook bij preventie een rol kunnen spelen. We hebben verder behoefte aan een heldere definitie van de regels die van toepassing zijn in geval van een gemeenschappelijk optreden. Er zullen criteria moeten worden vastgelegd voor de overdracht van persoonsgegevens. Overdracht mag alleen plaatsvinden als daartoe een duidelijke noodzaak bestaat, als het gaat om delicate situaties of grootschalige gebeurtenissen, en om het voorkomen van terroristische aanslagen. Het hoofdstuk over gegevensbescherming moet ook worden toegepast op alle mogelijke soorten verwerking van gegevens. Daarmee geven we gevolg aan al de aanbevelingen die de Europese toezichthouder voor de gegevensbescherming met betrekking tot dit onderwerp heeft gedaan. Verder wordt er een maximumtermijn vastgelegd voor het bewaren van persoonlijke gegevens. Er worden expliciete waarborgen vastgelegd die een verbod inhouden op het gebruik van gevoelige gegevens die zouden kunnen worden aangewend voor etnisch profiling. De rol van het Parlement bij het opvolgen van dit voorstel voor een besluit moet worden versterkt, zeker als het gaat om het vaststellen van uitvoeringsmaatregelen en het beoordelen van zulke maatregelen. Tot slot zal duidelijk moeten worden gemaakt hoe dit besluit zich verhoudt tot het voorstel voor een kaderbesluit inzake gegevensbescherming in het kader van de derde pijler. Dat kaderbesluit geeft immers een algemeen wetgevingskader op dit gebied.

Ik wil er ook graag op wijzen dat het heel belangrijk is dat de interventiemechanismen die in het Verdrag van Prüm zijn vastgelegd, worden opgenomen in het juridisch acquis van de Europese Unie. Deze mechanismen spelen immers een belangrijke rol bij het bestrijden van terrorisme en georganiseerde criminaliteit. Ik moet wel eerlijk toegeven dat ik mij enige zorgen maak over de wijze waarop het advies van het Europees Parlement in de Raad zal worden ontvangen.

Ter afsluiting nog het volgende: de aanneming van het kaderbesluit van de Raad inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit zal de nodige democratische legitimiteit ontberen indien aan de inbreng van het Europees Parlement geen - of niet de nodige - aandacht wordt besteed. En dat zal niet bijdragen tot het vertrouwen van de EU-burgers in het communautaire project. Integendeel!

 

17. Welkomstwoord
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dames en heren, ik wil u er graag op attenderen dat op de tribunes een groep mannen en vrouwen heeft plaats genomen, die hier op onze uitnodiging is. Deze mannen en vrouwen staan in mijn land bekend als de “oorlogskinderen”. Ze waren kinderen in de tijd van 1936 tot 1939, toen ze moesten vluchten uit Spanje voor de bombardementen door de fascisten, en met solidariteit en liefde werden opgevangen door gezinnen in België en het Verenigd Koninkrijk. Vandaag zijn ze allemaal ouder dan 75 jaar en brengen een bezoek aan het Parlement, aan ons. Mijns inziens is het heel belangrijk dat we hun eer bewijzen, en dat we vooral eer bewijzen aan de solidariteit van het Britse en Belgische volk, die hen hebben opgevangen en de familie hebben gegeven die hun in eigen land werd ontzegd.

 

18. Verdrag van Prüm: intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit - Visuminformatiesysteem (VIS) - Toegang tot en raadpleging van het visuminformatiesysteem (VIS) - Bescherming van persoonsgegevens (voortzetting van het debat)
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford (ALDE), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst sluit ik me aan bij uw woorden van welkom aan onze zeer belangrijke bezoekers. Ik zal, ongetwijfeld tot uw grote opluchting, proberen binnen de tien minuten te blijven, maar voordat ik inga op de punten die ik heb voorbereid, heb ik eerst een punt van kritiek, namelijk dat dit debat is aangekondigd als een gecombineerd debat over grensoverschrijdende samenwerking, bestrijding van terrorisme en misdaad. Op het scherm staat alleen maar dat dit een debat over terrorisme is. De heer Altmaier zei in zijn inleiding dat we drie grensoverschrijdende politieprojecten zouden gaan bespreken. Welnu, het grootste deel van wat ik te zeggen heb, gaat over de verordening voor het opzetten van het Visuminformatiesysteem. VIS is een grensbeheersysteem en het voornaamste doel ervan is niet de bestrijding van terrorisme en misdaad. Het spijt me, maar ik heb ernstige bezwaren tegen de benaming van dit debat. Ik ben namelijk van mening dat door dergelijke slordigheden de indruk wordt gewekt dat er een gegevensbestand voor grenscontrole of immigratiecontrole wordt opgezet. Ook moeten we niet vergeten dat 99,9 procent van de bezoekers aan de Europese Unie legale reizigers zijn die helemaal niets met misdaad te maken hebben. Dat geldt trouwens ook voor de illegale immigranten of illegaal binnengekomen personen. Het is op zich geen misdrijf om je illegaal op een bepaald grondgebied te bevinden. Het spijt me dat ik zo uitgebreid bij dit punt moet stilstaan.

Het is tweeënhalf jaar geleden dat de Commissie haar voorstellen betreffende het Visuminformatiesysteem indiende, en we hebben bijna anderhalf jaar lang vaak intensief onderhandeld. Ik ben dus heel blij dat we een sterke en evenwichtige overeenkomst hebben bereikt over deze twee hoogst ingewikkelde wetgevingsvoorstellen, een verordening en een besluit.

Ik dank het Duitse voorzitterschap, met name de minister van Binnenlandse Zaken, Wolfgang Schäuble, maar ook de heer Altmaier, voor de grote politieke betrokkenheid bij deze dossiers, en ik dank ook de vorige voorzitterschappen, met name het Finse voorzitterschap, die ook hard aan een overeenkomst hebben gewerkt. Op mijn lange bedanklijst staat ook de Commissie, met name vice-voorzitter Frattini, die ons tijdens het hele proces en bij de totstandkoming van de definitieve overeenkomst met raad en daad heeft bijgestaan. Ik weet ook dat dit resultaat niet mogelijk was geweest zonder de steun van alle schaduwrapporteurs - de heer Cashman, mevrouw Klamt, mevrouw Kaufmann en mevrouw Ždanoka - die ik daarvoor zeer erkentelijk ben. Tot slot dank ik het personeel van het Parlement van harte voor de enorme hoeveelheid werk die het heeft verricht en die van onschatbare waarde is geweest. Mijn eigen assistente, Alexandra, ben ik speciale dank verschuldigd. Ze was werkelijk voortreffelijk.

Ik wil graag een belangrijke institutionele kwestie naar voren brengen. We hadden hier met twee voorstellen te maken, een voorstel volgens de medebeslissingsprocedure en een voorstel volgens de raadplegingsprocedure, maar in feite zijn we erin geslaagd om ze als pakket te behandelen, waardoor ook sprake was van quasi-medebeslissing ten aanzien van de derdepijlermaatregel.

De overeenkomst toont aan dat het Parlement een volwaardige partner is bij de medebeslissing over zeer ingewikkelde kwesties op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. Er blijkt ook uit dat de scheiding tussen de eerste en de derde pijler ronduit ondoelmatig en absurd is. Als we het Europees Parlement als gelijkwaardige partner betrekken bij besluiten over wetgeving inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, winnen de maatregelen waartoe op dit terrein wordt besloten, alleen maar aan legitimiteit. Daarom dring ik er bij deze gelegenheid bij de leiders die tijdens de top van 21 juni bijeenkomen, op aan om de nationale veto’s op dit gebied bij wijze van algemene regel op te heffen.

Dan de inhoud van onze overeenkomst. Ik vind dat we erin geslaagd zijn om de doelstellingen die ik vanaf het begin voor ogen had, te bereiken, dat wil zeggen een systeem met duidelijke doelstellingen, regels en verantwoordelijkheden dat eerst en vooral bijdraagt aan veilige en goed beheerde grenzen. Het systeem zal ook echte facilitering bieden voor legale reizigers, die het merendeel uitmaken van alle reizigers met een Schengen-visum, en het zal tevens een verbetering van de binnenlandse veiligheid opleveren.

Dankzij het Parlement is het VIS nu helderder en strenger, is de kans op misbruik of het slecht functioneren ervan verkleind en hebben de burgers het recht op verhaal in geval van fouten. Ik vertrouw erop dat het systeem dat we hebben opgezet, zal zorgen voor veiligheid en respect voor de rechten en burgerlijke vrijheden van de mensen. Er zijn veel andere verbeteringen doorgevoerd op het gebied van gegevensbescherming en -beveiliging: fall-back-procedures voor het gebruik van biometrie, strengere regels voor toegang, gebruik en overdracht, en controlebevoegdheden voor gegevensbeschermingsautoriteiten.

Er is één nieuw onderdeel dat als een heel bijzondere prestatie van het Parlement en als een precedent moet worden gezien, namelijk toegang tot de VIS-gegevensbank door wetshandhavingsautoriteiten. Na zware onderhandelingen erkenden de lidstaten uiteindelijk dat het VIS niet in de eerste plaats een wetshandhavingsinstrument is en dat politie- en inlichtingendiensten derhalve niet rechtstreeks toegang tot VIS mogen hebben, maar indirect en gefilterd via centrale toegangspunten, waar de rechtmatigheid van ieder verzoek wordt gecontroleerd. Maar omdat het Parlement net zoveel belang hecht aan adequate instrumenten om misdaad en terrorisme te bestrijden als de lidstaten, hebben we met het oog op uitzonderlijke gevallen, waarbij sprake is van een bedreigende situatie, een urgentieprocedure afgesproken waarbij het verzoek eerst wordt ingewilligd en later wordt verantwoord.

Het VIS wordt de grootste biometrische gegevensbank ter wereld, met gegevens van zo’n twintig miljoen aanvragers en zeventig miljoen vingerafdrukken. Biometrie kan de privacy ten goede komen maar kan deze ook schaden, en zo streng als we te werk zijn gegaan bij het VIS zo streng moeten we ook zijn bij het inbouwen van waarborgen voor andere bestaande of toekomstige biometrische systemen. Dat is van nog groter belang als het in de toekomst mogelijk gaat om interoperabiliteit of zelfs vervlechting, waarbij de privacy ernstig in gevaar kan komen, zoals autoriteiten voor gegevensbescherming - waaronder de Britse commissaris voor informatie Richard Thomas - hebben aangegeven.

We moeten als wetgevers alles in het werk stellen om de voordelen van de nieuwe technologieën optimaal te benutten en de risico’s ervan tot een minimum te beperken. Medebeslissing betekent medeverantwoordelijkheid, en daarom vormen controle op de tenuitvoerlegging en evaluatie een belangrijk onderdeel van het project. Het Parlement moet volledig op de hoogte worden gehouden van systeemtests, die hopelijk een positieve uitkomst hebben en een soepele inwerkingtreding van het systeem mogelijk maken. Wij zijn in onze EU-wetgeving nogal dol op herzieningsclausules die alleen maar op papier bestaan. Dat moeten we bij het VIS zien te voorkomen.

Tot slot wil ik nog twee andere belangrijke kwesties naar voren halen. De Raad heeft zich er via twee politieke verklaringen toe verplicht om spoedig met een bevredigende overeenkomst over twee cruciale stukken wetgeving te komen. Het eerste is het kaderbesluit inzake gegevensbescherming waarover we het vanavond uitgebreid hebben: goede regels voor de uitwisseling van gegevens met betrekking tot veiligheid, onder andere voor toegang van de politie tot VIS. Het tweede betreft de zogenaamde terugkeerrichtlijn.

Het behoeft geen betoog dat deze instrumenten heel belangrijk zijn voor Europa en zijn burgers en ik dring er bij de Raad op aan om zijn politieke verplichtingen na te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Martine Roure (PSE), rapporteur. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, politiële en justitiële samenwerking is een prioriteit voor de Europese Unie om doeltreffender op te kunnen treden tegen georganiseerde misdaad en internationaal terrorisme. Daarover zijn we het eens. Meer politiële samenwerking veronderstelt echter een intensievere uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde instanties in de lidstaten.

De Europese Unie moet echter een niveau van bescherming van het recht op de persoonlijke levenssfeer bieden dat ten minste gelijk is aan het niveau dat gewaarborgd wordt in het kader van de eerste pijler. Hierdoor kan het beginsel van wederzijds vertrouwen worden versterkt, dat de hoeksteen vormt van de politiële en justitiële samenwerking. Als alle bevoegde instanties namelijk weten dat de gegevens die ze ontvangen, volledig betrouwbaar zijn en dat de gegevens die ze versturen op dezelfde manier beschermd worden als het geval is in hun land, dan zullen ze niet aarzelen om informatie uit te wisselen. Deze gemeenschappelijke discussie is dan ook positief.

Ik vind het echter jammer dat de Raad het niet nodig heeft geacht de invoering van een kaderbesluit over de bescherming van persoonsgegevens te koppelen aan de instrumenten voor het uitwisselen van gegevens, zoals het Schengen-informatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) of het visuminformatiesysteem (VIS). Wij hebben het al meermalen gezegd: voor het Europees Parlement zal het onmogelijk zijn verder te praten over nieuwe vormen van gegevensuitwisseling als er geen Europese wetgeving voor gegevensbescherming komt.

Daarom ook betreur ik de wijze waarop het Verdrag van Prüm tot stand is gekomen, buiten alle bestaande instrumenten op Europees niveau om. Wij zijn uiteraard zeer tevreden dat het Duitse voorzitterschap het heeft overgeheveld naar de bevoegdheden van de Europese Unie teneinde een democratisch toezicht door het Europees Parlement te garanderen, maar het is niet aanvaardbaar dat wij enkel zijn geraadpleegd over dit verdrag, dat overduidelijk consequenties heeft voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van Europese burgers. Het Verdrag van Prüm bevat een aantal bepalingen inzake gegevensbescherming, maar deze zijn nog altijd ontoereikend. Ook de aanneming van het Verdrag van Prüm zou afhankelijk moeten worden gesteld van de invoering van het kaderbesluit inzake de bescherming van persoonsgegevens in de derde pijler.

Hoe het ook zij, ik wil het Duitse voorzitterschap bedanken voor zijn inspanningen om de impasse rondom het kaderbesluit inzake gegevensbescherming binnen de Raad op te heffen. Ik ben zeer te spreken over de uiterst constructieve contacten met de ministers Schäuble en Altmaier, en ik wil hen graag bedanken. Ook wil ik commissaris Frattini bedanken voor zijn nuttige steun.

Wij kunnen ons vinden in het feit dat het kaderbesluit een eerste stap is op weg naar gegevensbescherming binnen de derde pijler, en in geen geval een lager beschermingsniveau mag bieden dan Verdrag 108 van de Raad van Europa met het hieraan gehecht aanvullend protocol.

Ik hoop dat de Raad zich zal baseren op ons compromisvoorstel betreffende het toepassingsgebied van het kaderbesluit. Bij een evaluatie over drie jaar - commissaris Frattini zei het al - kunnen we namelijk, onder verwijzing naar de praktijkervaring, aantonen dat het nodig is het toepassingsgebied uit te breiden tot gegevens die op nationaal niveau worden verwerkt.

Ik wijs er tevens op dat het voor het Parlement absoluut essentieel is om de kwestie van toegang en verwerking van gegevens door particulieren te behandelen. Wij achten het zonder meer noodzakelijk om bij elke overdracht naar derde landen te bepalen of de gegevens adequaat beschermd zijn. Voor alle duidelijkheid: het gaat er niet om een lijst van landen op te stellen waar het beschermingsniveau van de gegevens adequaat is, maar wel om per geval te bepalen of de gegevensbescherming adequaat is.

Het Duitse voorzitterschap heeft onze terechte bezorgdheid erkend door bij het VIS een politieke verklaring aan te nemen. Hierin staat te lezen dat de Raad prioriteit blijft toekennen aan het zo snel mogelijk - uiterlijk 2007 - goedkeuren van het kaderbesluit inzake gegevensbescherming.

Tot slot wil ik de Raad eraan herinneren dat hij in december 2005 tijdens het debat over het bewaren van persoonsgegevens een eerste politieke toezegging heeft gedaan voor een spoedige aanneming van deze tekst. Vandaag kan ik zeggen dat het Parlement goede hoop heeft dat de Raad zijn beloften zal nakomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken. - (ES) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie juridische zaken is door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken gevraagd om de rechtsgrondslag te onderzoeken van het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit.

Het voorstel van de regeringen waarvan dit initiatief afkomstig is, was gebaseerd op twee artikelen: artikel 30, letters a) en b), wat betreft de operationele samenwerking, en artikel 31, en bovendien op artikel 34, lid 2, letter c).

De referentie aan artikel 34, lid 2, letter c) en de andere artikelen betekende dat er maatregelen voor samenwerking konden worden aangenomen, maar geen wetgevende maatregelen, terwijl er in de tekst van het voorstel wel sprake is van wetgevende maatregelen.

De Commissie juridische zaken heeft geoordeeld dat het toepasselijke artikel niet artikel 34, lid 2, letter c) is, maar artikel 34, lid 2, letter b), dat wetgevende maatregelen mogelijk maakt. Dit voorstel, dat in de Commissie juridische zaken met eenparigheid van stemmen is goedgekeurd, is overgenomen door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, en daarom denk ik dat het voorstel correct is en moet worden aangenomen door dit Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Herbert Reul, namens de PPE-DE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, beste collega’s, het feit dat de mensen geen groot enthousiasme kunnen opbrengen voor het Europese project legt een schaduw over de discussies over Europa. Wat we nu op poten proberen te zetten met het Verdrag van Prüm, is een belangrijke bijdrage aan de totstandbrenging van een groter draagvlak onder de burgers in Europa voor dit Europese project. Onder meer moeten wij met dit voorstel van de Raad en de samenwerking tussen ons en de Commissie ervoor zorgen dat bij een belangrijk maatschappelijk vraagstuk - namelijk de dreiging die uitgaat van terrorisme en georganiseerde criminaliteit - niet alleen woorden worden gesproken maar ook heel concrete verbeteringen worden gerealiseerd. Daar hebben we bij verschillende gelegenheden hier in het Parlement en in de betreffende commissie over gedebatteerd, en toen hebben wij vastgesteld dat er op het punt van de grensoverschrijdende politiesamenwerking dringend gehandeld moest worden. Ook hebben wij herhaaldelijk betreurd dat we niet sneller vooruit konden komen, of helemaal geen vorderingen konden maken.

We weten dat we op het gebied van DNA- en vingerafdrukvergelijkingen met inlichtingenuitwisseling de veiligheid van de mensen kunnen vergroten. Ik ben dan ook bijzonder blij dat het met dit voorstel gelukt is om zoveel onderdelen van het Verdrag van Prüm over te hevelen naar het Europese rechtskader.

Ik moet in alle eerlijkheid ook zeggen dat ik meer had gewild. Bij eerdere discussies waren we ook al verder gekomen. Ik voeg daar aan toe dat onze fractie op een aantal punten bij de gedetailleerde weging van de gegevensbescherming liever niet zo ver gegaan was, omdat we geloven dat deze aanvullende besluiten eigenlijk overbodig zijn, aangezien ze al in het Verdrag van Prüm geregeld zijn. Maar alles in aanmerking genomen hebben wij, evenals de rapporteur, uiteindelijk besloten om het project in zijn geheel te ondersteunen, ook al hebben we over deze of gene passage nog onze bedenkingen.

Het is belangrijk dat het project effect gaat sorteren en een succes wordt. Dat zal het aanzien van Europa bij de burgers duidelijk vergroten.

 
  
MPphoto
 
 

  Michael Cashman, namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is altijd goed om u in de voorzittersstoel te zien zitten als fundamentele vrijheden en mensenrechten aan de orde komen. Ik heb het over de VIS-verordening en het VIS-besluit.

Ik moet zeggen dat het na tweeënhalf jaar lijkt op het einde van een onbeantwoorde liefde. Ik heb dit dossier op afstand bewonderd, ermee geworsteld en het geliefkoosd, maar nooit had ik het gevoel dat mijn passie beantwoord werd. Toch dank ik barones Ludford en de andere schaduwrapporteurs voor de nauwe samenwerking.

Tweeënhalf jaar is echter niet goed genoeg. We moeten onszelf niet op de borst kloppen. Het is dan wel een overeenkomst in eerste lezing, maar de vorderingen waren traag. Er ligt een goed pakket voor ons, maar als we een medebeslissingsprocedure efficiënt willen laten verlopen, moeten we sneller en efficiënter te werk gaan. Ik moet zeggen dat dit een roep om meer middelen is, niet alleen voor de Commissie maar ook voor het Parlement, zowel binnen het commissiesecretariaat als binnen onze eigen delegatiesecretariaten.

Zoals ik al zei, ligt er nu een tekst met een evenwichtig standpunt. We hebben niet alles opgenomen wat de socialisten wilden, maar mijn fractie is van mening dat de belangrijkste elementen erin zitten: beperkte en evenredige toegang, regels voor gegevensbescherming, het recht van beroep, dat van essentieel belang is, sancties bij misbruik en het beginsel van non-discriminatie, dat tot mijn trots eerder al in mijn verslag over de Schengen-grenscode was opgenomen. We zijn ook blij dat het Duitse voorzitterschap akkoord gaat met het pakket van de VIS-verordening en het VIS-besluit, dat voor ons evenzeer van belang is. Ook juichen we toe dat de Raad bereid is om tot overeenstemming te komen over het derde-pijlerkaderbesluit inzake gegevensbescherming. Dit is van het hoogste belang.

Ik wil graag afsluiten met een ietwat controversieel punt: de kwestie biometrie en met name vingerafdrukken. Als we echt werk willen maken van de burgerlijke vrijheden, met name vrij verkeer van personen en de bescherming van minderjarigen die zonder begeleiding reizen, moet er een mentaliteitsverandering plaatsvinden. Ik ben van mening dat dit ons beter in staat stelt om de handel in minderjarigen te bestrijden. Wordt er inbreuk gemaakt op de privacy? Wordt deze in gevaar gebracht? Dat denk ik niet. Of de privacy in gevaar komt, hangt af van het gebruik van biometrie en de opslag van biometrische gegevens.

Ik ga eindigen zoals ik ben begonnen, namelijk door alle kanten van het Parlement, de Commissie en het voorzitterschap hartelijk te danken voor de nauwe samenwerking.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Alvaro, namens de ALDE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, staatssecretaris Altmaier, beste collega’s, er is zeer uitvoerig over het VIS gesproken, en alles wat ik daar nog aan toe zou kunnen voegen, zou het goede dat eerder gezegd is maar verwateren.

Vandaar dat ik mij op het Verdrag van Prüm zou willen concentreren. Net als collega Reul vind ik dat hiermee een zinvol instrument gecreëerd is. Wat ik vroeger in de ambtelijke hulp en rechtsbijstand deed, namelijk gegevens opvragen, kan ik nu via een digitale uitwisseling krijgen en dat is bijzonder nuttig. Over het doel en de achterliggende gedachte van het verdrag valt niet bijster veel te zeggen, al vrees ik wel dat we drie kardinale fouten maken, op het terrein van de binnenlandse veiligheid, van justitie en binnenlandse zaken en van de derde pijler. We geloven dat snelheid per se een deugd is. We gunnen onszelf niet meer de tijd om te overwegen of bepaalde zaken ook werkelijk functioneren, en of we ze misschien niet op een betere manier aan kunnen pakken. Over het raakvlak tussen transparantie en democratie enerzijds en de derde pijler anderzijds hebben we vandaag al het een en ander gehoord, in elk geval wat de participatie en de informatie van het Parlement betreft. Daar is het mij dan ook niet om begonnen, maar wel om dit: natuurlijk functioneert de uitwisseling tussen Duitsland en Oostenrijk. We weten dat daarmee successen geboekt zijn. Maar neem nu eens zevenentwintig lidstaten en probeer daarvoor alleen eens uit te rekenen tot in welke macht de gegevensuitwisseling dan opklimt, en wat voor krachtige gegevensbank daar niet voor nodig is! We weten niet eens of die in deze vorm wel maakbaar is.

Het andere punt: de gegevens, met name vingerafdrukken of DNA-profielen, worden in de verschillende lidstaten om verschillende redenen opgeslagen. Waar collega Ludford over mee kan praten is Groot-Brittannië, dat net bezig is een DNA-gegevensbank op te zetten die vroeg of laat de gehele bevolking zal omvatten. Vanaf welk punt is uitwisseling daarmee legitiem, en hoe zou die er in dit verband uit moeten zien? Een ander vraagteken zijn de kosten. Nu betalen de lidstaten nog, maar ik denk wel dat een gedeelte ervan in geval van twijfel naar de begroting van de Gemeenschap overgeheveld zou kunnen worden, al staat dan nog te bezien hoe men het daar eens over wordt, want ik weet dat een land als Polen daar anders over denkt. Als ik mij goed herinner stond in een document van het voorzitterschap dat dit Duitsland naar schatting ongeveer 900 000 euro gaat kosten. Dan vraag ik mij af hoe het Britse Hogerhuis in een onderzoek tot de inschatting kan komen dat de plannen Groot-Brittannië ongeveer 35 miljoen euro gaan kosten. Zo ver kunnen de ramingen in dit geval toch niet uiteenlopen!

Als onze commissie niet over zo’n uitstekend secretariaat en over uitstekende ondersteuning zou beschikken, waren we bij de beoordeling van het Verdrag van Prüm en het advies van het Parlement daarover nog geen bladzijde verder gekomen. Ik zou dan ook af willen sluiten met het volgende verzoek. U hebt vaak genoeg gehoord dat de procedure hier aan forse kritiek heeft blootgestaan. Die is ook niet verenigbaar met het principe van beter wetgeven of met de democratische betrokkenheid van een derde instantie. Laten we voortaan eerlijk en verstandig samenwerken en niet naar de letter handelen, ook al geeft die u formeel de mogelijkheid ons via de driemaandentermijn onder druk te zetten, zoals met het Verdrag van Prüm gebeurd is. Het komt de sfeer ook niet bepaald ten goede als een hoge ambtenaar van het voorzitterschap van de Raad in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op de vraag wat er met de door het Parlement aangenomen amendementen over Prüm gaat gebeuren, antwoordt dat we helemaal geen stap meer verder komen als ook daar nog rekening mee gehouden moet worden en dat het met de lidstaten bereikte akkoord dan opnieuw opengebroken moet worden. Dat is geen goede samenwerking. Toch kunt u, mijnheer Altmaier, zoals u weet verzekerd zijn van mijn hoogachting.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski, namens de UEN-Fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, terrorisme en misdaad zijn vandaag twee van de ernstigste bedreigingen voor het dagelijkse leven van de inwoners van de Europese Gemeenschap. Het lijdt geen twijfel dat we behoefte hebben aan nauwere samenwerking tussen de EU-lidstaten bij de uitwisseling van gegevens over individuen die mogelijk een bedreiging vormen. We mogen echter niet vergeten dat het niet de bedoeling kan zijn om gevoelige informatie over burgers van de Europese Unie bij standaardcontroles ter beschikking te stellen van politie- en douanediensten. In de mate van het mogelijke moeten deze diensten wel toegang hebben tot dergelijke gegevens over burgers uit derde landen. Dat is zeker het geval voor de landen die een voedingsbodem zijn voor criminele activiteiten.

Het verstrekken van gevoelige gegevens aan de opsporingsdiensten en onderzoeksorganen van andere lidstaten in gevallen waarin het vermoeden bestaat dat bepaalde individuen deel uitmaken van criminele groepen, is natuurlijk iets heel anders. Ik sluit me volledig aan bij het standpunt van de Commissie juridische zaken. Ik ben namelijk ook van mening dat deze kwestie geregeld zou moeten worden op basis van de bepalingen van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangezien een aantal bepalingen uit de verordening verband houden met de soevereiniteit van de lidstaten van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylvia-Yvonne Kaufmann, namens de GUE/NGL-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil kort iets zeggen over het visuminformatiesysteem. Dat systeem is ongetwijfeld nodig, maar ik moet wel zeggen dat ik nog steeds twijfels heb over de concrete vorm van het VIS.

Die twijfels betreffen vooral de vergaande invoering van biometrische gegevens. Nog altijd moeten we het zonder concrete effectbeoordeling stellen en blijft het volstrekt onduidelijk of de omgang met een dermate grote hoeveelheid gegevens administratief ook maar enigszins te behappen valt. Dat is echter wel een cruciale vraag voor de gegevensbeveiliging en de grondrechten van de betrokken individuen.

Problemen voorzie ik ook bij de toegang die veiligheidsdiensten tot het VIS krijgen in het kader van de politiële en justitiële samenwerking, want nog altijd is er geen voldoende geharmoniseerde gegevensbescherming binnen de derde pijler.

De nu door het Duitse voorzitterschap gepresenteerde tekst benadert in mijn ogen op geen stukken na dat waar het Parlement zich in september 2006 oorspronkelijk voor had uitgesproken, en blijft nog ver achter bij het niveau van gegevensbescherming binnen de eerste pijler. Daarom kan ik met de verordening en het besluit in hun huidige vorm niet instemmen, en zal ik mij van stemming onthouden.

Tot slot wil ik alle rapporteurs bedanken voor de goede samenwerking.

 
  
MPphoto
 
 

  Gerard Batten, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het Verdrag van Prüm beoogt duidelijk een pioniersrol te spelen bij de integratie van de EU. We weten allemaal dat het bestrijden van misdaad en terrorisme ondergeschikt is aan het werkelijke doel. Het verdrag gaat als kaderbesluit van de Raad deel uitmaken van de EU-wetgeving. De bepalingen ervan worden in steen gegrift en worden niet onderworpen aan echte democratische toetsing of goedkeuring. Het Britse parlement wordt niet de gelegenheid geboden om de tenuitvoerlegging van het verdrag tegen te houden, en zelfs dit Parlement heeft slechts een raadgevende rol.

Groot-Brittannië wordt geconfronteerd met een specifiek gevaar. Het heeft bijvoorbeeld de grootste DNA-databank ter wereld, met monsters van meer dan 4,2 miljoen personen, van wie velen volstrekt onschuldig zijn en nooit van enige strafbaar feit beschuldigd zijn. Deze mensen zijn verdachten in spé. Tijdens onze zoektocht naar verdere politieke integratie glipt Orwells Big Brother via de achterdeur Europa binnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ewa Klamt (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, geachte afgevaardigden, de rechtsgrondslag voor het visuminformatiesysteem waar we morgen over stemmen, is een van die dossiers die na een taai gevecht tussen alle betrokkenen en na lange onderhandelingen eindelijk tot een goed einde gebracht worden. Zo zal hopelijk nog voor het zomerreces een belangrijk Europees rechtsinstrument voor de bespoediging van en de controle op de visumverstrekking op de rails worden gezet. Door de uitwisseling van gegevens van visumaanvragers uit andere dan Schengen-landen tussen asiel- en immigratie-instanties, douane- en veiligheidsautoriteiten kan de afhandeling van en controle op visa duidelijk sneller verlopen. Dat is in het voordeel van de reizigers die van onbesproken gedrag zijn, die loutere motieven hebben of heel vaak de Europese Unie bezoeken. Want of zij nu als toerist of als zakenreiziger komen, ze komen sneller en makkelijker aan hun visum. Anderzijds vereenvoudigt gegevensuitwisseling ook de controle, die in een Europa zonder binnengrenzen nu eenmaal onontbeerlijk is.

Alle fracties kunnen tevreden zijn met het resultaat. Enerzijds is het de Europese Unie gelegen aan een snelle en gastvrije afhandeling van visumaanvragen, anderzijds beschermt zij haar burgers tegen illegale grensoverschrijding en daarmee tegen verschillende vormen van georganiseerde criminaliteit.

Ik dank de rapporteur en alle collega’s die constructief aan oplossingen bijgedragen hebben. Ik dank ook uitdrukkelijk het Duitse voorzitterschap, dat in de Raad gehoor wist te krijgen voor veel van onze standpunten, met name op het gebied van de gegevensbescherming.

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Lambrinidis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, het Duits voorzitterschap verdient onze gelukwensen, omdat het erin geslaagd is enige beweging te brengen in het stilstaand water van de gegevensbescherming in de derde pijler. Het verdient echter geen gelukwensen als het gaat om de procedures die werden gevolgd in het geval van het Verdrag van Prüm.

De geschiedenis van Prüm begon verkeerd en werd verkeerd voortgezet, maar ik hoop dat het uiteindelijk toch een redelijk einde zal hebben. Het was volkomen verkeerd van de zeven landen om tot dit Verdrag toe te treden en aldus de Europese instellingen te omzeilen. Het was volkomen verkeerd van de tien andere landen om te verklaren dat zij bereid waren toe te treden tot deze buiteninstitutionele samenwerking. Het is een goede zaak dat het Duits voorzitterschap uiteindelijk heeft besloten om Prüm op te nemen in het Europese kader, maar het is geen goede zaak dat het daar zo plotseling mee komt, zonder eerst een grondige effectbeoordeling te hebben gemaakt van Prüm. En het is ronduit een kwalijke zaak dat het voorzitterschap nu dit verdrag erdoor wil drukken, zonder dat er sprake is van een toereikend kader voor de gegevensbescherming in de derde pijler, en het is ook een kwalijke zaak dat het daar zoveel haast mee maakt, waardoor het in de praktijk de mogelijkheid van het Parlement om zijn adviserende rol ten volle te vervullen, ondermijnt.

Desalniettemin is het Parlement erin geslaagd een heel goed verslag op te stellen, en natuurlijk verdient de heer Correira onze hartelijke gelukwensen. Morgen zullen wij een reeks serieuze, maar minimale waarborgen aannemen voor legale en beperkte uitwisseling en gebruikmaking, evenals voor de bescherming van DNA-gegevens, enzovoort.

Ik hoop dat de Raad onze amendementen zal overnemen, opdat de geloofwaardigheid van de overigens onontbeerlijke - let wel: onontbeerlijke - samenwerking tussen politiediensten kan worden gered. De afgelopen jaren is deze samenwerking gevaarlijk overgeheld naar surveillance en onderdrukking, zonder dat er voldoende garanties waren voor de grondrechten. Voor de politie en de regeringen is het op korte termijn vaak aantrekkelijk om deze weg te volgen, maar op lange termijn is dit een glijbaan, die uitermate gevaarlijk kan zijn voor de werking van de democratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Adina-Ioana Vălean (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben zeer tevreden over het pakket voorstellen dat het Parlement morgen gaat aannemen. De afgelopen jaren hebben we onze inspanningen op Europees niveau geïntensiveerd om grensoverschrijdende samenwerking ter bestrijding van terrorisme en misdaad te stimuleren. Een doeltreffende uitwisseling van gegevens tussen nationale politiediensten is van essentieel belang in een Europa zonder interne grenzen, maar volgens mij vraagt dit automatisch om een hoger niveau van gegevensbescherming. Daarom verwelkom ik de aanneming van het besluit inzake de bescherming van persoonsgegevens die voor veiligheidsdoeleinden worden gebruikt.

Deze instrumenten zullen ongetwijfeld bijzonder zinvol zijn, maar het Prüm-geval toont ook de noodzaak aan van een mondiale visie op beleidsvorming ten aanzien van justitiële en politiële samenwerking. Ik vind dat we nu maar eens moeten ophouden nieuwe wetten te maken en dat de Commissie maar eens een evaluatie van de bestaande wetgeving op dit gebied moet uitvoeren, zodat we eindelijk tot een samenhangende benadering kunnen komen. In dat opzicht is het ook van belang dat de Grondwet wordt aangenomen, want dan wordt betere besluitvorming op justitieel gebied mogelijk via het exclusieve initiatiefrecht van de Commissie. Misschien moeten we in dit tijdperk, waarin het verzamelen van torenhoge stapels gegevens de spannendst denkbare bezigheid lijkt te zijn, onszelf eens afvragen of dit wel echt zinvol en nodig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Adamos Adamou (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, in eerste instantie spreken wij ons vandaag uit over een verdrag betreffende de uitwisseling van inlichtingen van strikt persoonlijke aard tussen nationale veiligheidsdiensten. Wij spreken over een verdrag waarmee wordt voorzien in gemeenschappelijk optreden van speciale diensten uit eigen land en het buitenland, op het grondgebied van de lidstaten, onder het voorwendsel van de handhaving van de openbare orde.

Het verdrag bevat ook een bepaling die het gemeenschappelijk optreden van politie en speciale corpsen van twee of meer landen mogelijk maakt tijdens gebeurtenissen van internationale betekenis - politieke gebeurtenissen maar ook sportevenementen - als deze tot manifestaties en demonstraties leiden. Tevens mag een derde lidstaat DNA-gegevens, vingerafdrukken en andere persoonsgegevens van de verdachte doorgeven. Het gevaarlijkste is echter dat de aanwezigheid van buitenlandse agenten en hun optreden in een derde lidstaat worden gelegaliseerd. In uitzonderlijke gevallen hebben die diensten het recht op toegang, op invasie op het grondgebied van een verdragsluitende partij, zelfs in afwezigheid van de lokale autoriteiten.

Ik roep de collega’s op om heel voorzichtig te zijn en goed na te denken over hoe zij gaan stemmen. Wij mogen in naam van de strijd tegen het terrorisme onze politieke vrijheden niet opofferen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manfred Weber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, het zijn mooie dagen voor politici die over binnenlandse zaken gaan. Enerzijds stellen we vast dat er met Prüm en VIS vorderingen gemaakt zijn voor de ruimte van veiligheid en rechtvaardigheid, anderzijds zien we ook vorderingen op het gebied van de burgerrechten, als het om de bescherming van de persoonsgegevens gaat.

Ik zou me op de gegevensbescherming willen concentreren. In de derde pijler hebben we echt vooruitgang geboekt. Ik zou hier willen aangeven dat wij - ook in onze fractie - groot vertrouwen hebben in de overheid. In ons debat over gegevensbescherming mag geen wantrouwen doorklinken. Er is veel positiefs bereikt en juist de successen die met de omzetting van het Verdrag van Prüm geboekt werden, zijn voor iedereen zichtbaar. Collega Álvaro zou ik willen antwoorden dat mijn zorgen over de omvang van de gegevensbestanden in de toekomst niet opwegen tegen mijn blijdschap over het feit dat we daarmee duizenden zware misdrijven in Europa ophelderen en onze burgers veiligheid bieden kunnen.

Het kaderbesluit inzake gegevensbescherming schept opnieuw een evenwicht tussen de bestaande en noodzakelijk macht van onze overheden enerzijds en de burgerrechten anderzijds. Nog altijd zijn vele vragen open, maar we zijn nu wel een stap verder. Ik wil erop wijzen dat wij als PPE-DE-Fractie voor een duidelijk omlijnd kader inzake gegevensbescherming zijn en bijzonder veel waarde hieraan hechten.

Het was al met al een zware bevalling. Vandaar dat ik alle betrokkenen dankbaar ben, het Duitse voorzitterschap, zonder wie dit succes ondenkbaar geweest zou zijn, collega Roure, die uitstekend onderhandeld heeft voor het Parlement, en natuurlijk ook commissaris Frattini, die ons daadkrachtig terzijde gestaan heeft.

De Raad zou ik er nog op willen wijzen dat er in de discussie over het rechtskader inzake gegevensbescherming nog een paar bezwaren zijn, al zijn dat er duidelijk minder geworden. We hopen dat er desondanks een goed resultaat komt, en dat we dit alles in kannen en kruiken weten te brengen.

Wat de procedure betreft, is mijn persoonlijke mening dat we uit het Verdrag van Prüm niet zo’n goede politiesamenwerking gehaald hadden, als bepaalde landen niet het voortouw genomen hadden. Het succes dat zij behaalden was namelijk nodig om in de Raad deze resultaten te kunnen boeken. Daarom heb ik geen moeite met de gevolgde procedure. Ik zeg alleen, ook aan het adres van de Raad: als iets in EU-recht wordt omgezet, moet ook het Europees Parlement daarbij betrokken worden. Bij de beraadslagingen van vandaag kreeg het Parlement af en toe ook lof toegezwaaid, hoewel wij, parlementariërs, ook lastig kunnen zijn. Uiteindelijk blijken ze echter heel verstandig te zijn en worden e goede compromissen ook gesteund.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Mikko (PSE). - (ET) Het Verdrag van Prüm is een uitstekend voorbeeld van hoe de Europese Unie snelle en doeltreffende maatregelen kan nemen. De behoefte aan dit verdrag blijkt uit de verdubbeling van het aantal landen dat zich bij dit verdrag heeft aangesloten of belangstelling heeft getoond in de afgelopen drie maanden, dus in de periode dat wij dit verslag behandelen.

Als snelle oplossing is de gedeeltelijke integratie van het Verdrag van Prüm in het kader van de Europese Unie een goede ontwikkeling. Het feit dat zo’n belangrijk verdrag door de achterdeur moest worden geloodst, is echter een zorgwekkend symptoom.

De meeste lidstaten mochten niet meepraten over de totstandkoming van de samenwerking die belangrijk is voor de interne veiligheid. Hier is weer eens sprake van een stap in de richting van een Europa van twee snelheden.

Een Europa van twee snelheden kan echter alleen een tijdelijke oplossing zijn. Alleen wanneer de Europese Unie een eenheid is, kan zij groter zijn dan de som van haar lidstaten. Wanneer wij verdeeld zijn, kunnen wij niet eens voor een stabiele energievoorziening zorgen.

Wij hadden niet genoeg tijd om op grondige wijze een stabiele basis te creëren voor grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van interne veiligheid. Dat is heel jammer. Bij de behandeling van dit verslag bleek hoeveel de praktijken van de lidstaten van elkaar verschillen.

Wij hebben gemeenschappelijke regelgeving nodig, vooral op het gebied van gegevensbescherming, maar zolang belangrijke problemen op het gebied van interne veiligheid onder de derde pijler vallen, is er geen reden voor optimisme.

Ik wil de rapporteur complimenteren en bedanken voor de amendementen, die het halfslachtige werk van de instellingen in grote mate compenseren.

Het Parlement kan natuurlijk niet zomaar tevreden zijn met wat is bereikt. Europa moet ontwaken uit de periode van overpeinzingen en vastberaden verder gaan. De Europese Unie heeft snelle samenwerkingsmechanismen nodig, die ook soepel functioneren wanneer onze Europese Unie meer lidstaten heeft dan nu.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophia in ’t Veld (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben heel blij dat het Duitse voorzitterschap gegevensbescherming tot een van zijn prioriteiten heeft gemaakt. Maar ik ben minder blij met de diverse voorstellen die in circulatie zijn gebracht. Ik dring er bij de Raad op aan om niet alleen de aanbevelingen van het Europees Parlement over te nemen, maar ook rekening te houden met de kritiek en de bezorgdheden van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.

Ten eerste verbaast het mij enigszins dat we nog steeds zevenentwintig verschillende wetstelsels hebben, wat tot een hoop onzekerheid leidt voor burgers en bedrijven. Ten tweede zijn er zoveel vage en open definities, bijvoorbeeld met betrekking tot de zogenaamde purpose limitation, en zoveel uitzonderingen op de rechten en garanties van de burgers dat dit voorstel de positie van de burgers uiteindelijk eerder zal ondermijnen dan versterken.

Een voorbeeld hiervan is artikel 7 over de uitwisseling van gevoelige gegevens, zoals politieke voorkeur, medische gegevens of seksuele geaardheid van een persoon. Deze gegevens behoren utsluitend te worden uitgewisseld indien dit strikt noodzakelijk is en met voldoende waarborgen. Wat betekent dat? Wat moeten we verstaan onder strikt noodzakelijk? Wat zijn de criteria? Wat wordt bedoeld met voldoende waarborgen? Die zaken zijn gevaarlijk open.

En dan is er nog een vraag waarop we nooit een duidelijk antwoord hebben gekregen. We weten dat de Raad en de Commissie met de VS praten over een transatlantisch stelsel voor gegevensbescherming. Op zich is dat een goede zaak, maar tot nu toe is het mij, ondanks herhaalde vragen, niet duidelijk op welke basis deze gesprekken plaatsvinden. Als de basis wordt gevormd door de lage normen in uw voorstel voor EU-gegevensbescherming in de derde pijler, dan maak ik me ernstig zorgen over de rechten van de Europese burgers in onze betrekkingen met de VS.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bradbourn (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil tijdens dit debat maar één kwestie naar voren brengen en dat is het Prüm-verdrag. Naar mijn mening heeft de Raad deze kwestie er met afschuwelijk veel haast doorheen gejaagd. Dit verdrag heeft vérrijkende gevolgen en raakt alle Europese burgers. Om een voorbeeld te geven: de bepalingen van het verdrag kunnen tot gevolg hebben dat gegevens over alle EU-burgers worden gedeeld en uitgewisseld, ongeacht het feit of ze wel of niet van een misdrijf verdacht zijn of hiervoor veroordeeld zijn. Zoals de vorige spreker al zei, heeft de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming daar nadrukkelijk op gewezen, en hij maakt zich daar ernstig zorgen om. In een recent verslag heeft hij gezegd dat de kring van betrokkenen die in dit systeem kunnen worden opgenomen, niet beperkt blijft tot personen die van bepaalde misdrijven worden verdacht of hiervoor veroordeeld zijn.

Waarom laten we zoiets toe in de Europese Unie, waar we burgerlijke vrijheden en gegevensbescherming hoog in het vaandel hebben staan? Dan is er ook nog de kwestie politieachtervolgingen. Het staat buitenlandse politieagenten met arrestatiebevoegdheid vrij om zonder toestemming andere lidstaten te betreden en zo de fatsoenlijke uitleveringsprocedures naast zich neer te leggen Ik vind dat onaanvaardbaar. Het systeem dat werd toegepast tijdens de onlangs in Duitsland gehouden wereldkampioenschappen voetbal, waar de lokale politie werd bijgestaan door buitenlandse politieagenten zonder uitvoerende bevoegdheid, werkte uitstekend. De uitdrukking zegt het al: ‘wat niet kapot is, hoef je niet te repareren’.

Over het geheel genomen is dit verdrag het klassieke geval van een paar lidstaten die hun systeem aan alle andere lidstaten willen opleggen. In dit geval hebben slechts acht landen het verdrag ondertekend, en we proberen het nu aan de rest op te dringen. Die kant moeten we niet op. Ik zou liever zien dat de lidstaten de mogelijkheid kregen om aan bepaalde onderdelen van het verdrag niet mee te doen, als dat in hun nationale belang is, en dat we het niet zochten in uitzonderingsbepalingen of afwijkingen. Zolang dat niet het geval is, kan ik de toevoeging van een dergelijke bepaling in het EU-acquis niet steunen. Het is een gevaarlijke en slecht doordachte maatregel, die nauwelijks zal bijdragen tot de publieke veiligheid maar het publieke vertrouwen op termijn veel schade zal berokkenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Panayiotis Demetriou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, uit het debat van vandaag maar ook uit vorige debatten is wel gebleken dat wij het er allemaal over eens zijn dat alles in het werk moet worden gesteld om terrorisme, georganiseerde misdaad en immigratie te bestrijden. Wij zijn het er ook allemaal over eens dat de politiële en justitiële autoriteiten moeten samenwerken als men spijkers met koppen wil slaan. Verder zijn wij het er allen over eens dat als men criminaliteit, terrorisme en immigratie grensoverschrijdend wil aanpakken de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten inlichtingen moeten uitwisselen.

Waarover zijn wij het met elkaar oneens? Waar komt onze onenigheid uit voort? Deze komt voort uit het feit dat men het hoofdstuk van de mensenrechten niet over het hoofd mag zien, dat het hoofdstuk van de gegevensbescherming moet worden nageleefd, en ik geloof niet dat er ten aanzien daarvan meningsverschillen zijn. De vraag is waar wij de scheidslijn moeten trekken opdat er een evenwicht is tussen het meer algemeen openbaar belang en het particulier belang. Ik ben van mening dat wij elkaar niet de loef hoeven af te steken. Wij zijn allemaal gevoelig voor het vraagstuk van de mensenrechten. Elkaar de loef proberen af te steken - en daartoe worden pogingen gedaan in dit hoofdstuk - is beledigend. Ik moet echter wel zeggen dat een academisch debat nutteloos is, gezien de werkelijkheid. De oude Romeinen plachten te zeggen; “primum vivere, deinde philosophari”. Er is misdaad, er is terrorisme en er is illegale immigratie, en dus moeten wij middelen zien te vinden om deze situatie het hoofd te bieden zonder het beginsel en het recht van de bescherming van de mensenrechten te schenden.

Mijns inziens hebben de rapporteurs evenwichtige verslagen ingediend. Daarom wil ik hen gelukwensen en het Parlement oproepen om vooroordelen ter zijde te schuiven en steun te geven aan deze verslagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE-DE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, minister Altmaier, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, dames en heren, voor het verbeteren van de veiligheid en het bestrijden van het terrorisme en de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit volstaat het niet de gemeenschappelijke buitengrenzen te versterken. Het is ook van belang dat informatie die in het kader van de grenscontrole wordt vergaard, snel en op een doeltreffende wijze wordt uitgewisseld en dat de justitiële samenwerking beter wordt georganiseerd.

Een betere politiële en justitiële samenwerking op strafrechtelijk gebied en het opzetten van een visuminformatiesysteem zijn net zo belangrijk. Ik steun daarom de verslagen die de afgevaardigden Correia, Ludford en Roure ons hebben voorgelegd. Ik wil vooral mevrouw Ludford feliciteren. Na tweeëneenhalf jaar onderhandelen heeft ze nu eindelijk een akkoord weten te bereiken.

Het voorstel inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking neemt een aantal van de belangrijkste bepalingen van het Verdrag van Prüm over, vooral als het gaat om de bestrijding van terrorisme, grensoverschrijdende criminaliteit en illegale migratie. Daarmee wordt gevolg gegeven aan sommige van de belangrijkste vereisten, zoals die in het programma van Den Haag zijn vastgelegd. Er zijn dus enige verbeteringen aangebracht met betrekking tot de uitwisseling van informatie en de overdracht van persoonsgegevens. De bescherming van die gegevens moet als grondrecht worden beschouwd.

Ik ben heel blij met dit voorstel, en ik ben het verder eens met de heer Correia dat dit initiatief de vorm van een kaderbesluit moet krijgen. Het is immers de bedoeling de regelingen en wetgeving van de lidstaten beter op elkaar af te stemmen. Verder is het zo dat het VIS het op twee na grootste, op informatietechnologie gebaseerde systeem is dat in het kader van de ruimte voor vrijheid, veiligheid en gerechtigheid wordt opgezet.

Ik ben heel tevreden dat er nu eindelijk overeenstemming is bereikt, en wel op een zodanige wijze dat we verder kunnen met het opzetten van dit uiterst belangrijke systeem. Het zal de administratie van het gemeenschappelijk visumsysteem, de consulaire samenwerking en de raadpleging tussen de consulaire autoriteiten verbeteren en verhinderen dat de interne veiligheid bedreigd wordt. Het systeem zal verder helpen visa shopping tegen te gaan en de bestrijding van fraude vergemakkelijken. Ook de controle aan de buitengrenzen en op het grondgebied van de lidstaten zal gemakkelijker verlopen. Tot slot zal het systeem meehelpen illegale immigranten te identificeren en terug te sturen - ik herhaal: terug te sturen. Op die wijze maken we de tenuitvoerlegging van de Dublin II-verordening mogelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Barbara Kudrycka (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik ben ingenomen met het feit dat het Europees Parlement erin geslaagd is een eensgezind standpunt te bereiken over het Verdrag van Prüm. De compromisamendementen tonen echter aan dat de Raad bepaalde kwesties nog eens opnieuw moet bekijken. Op die manier maakt het Europees Parlement duidelijk dat het niet kan instemmen met de gekozen methode om in beperkte kring te onderhandelen, of met de poging om eerder goedgekeurde bepalingen in de EU-wetgeving op te nemen. We moeten met klem benadrukken dat dit niet de juiste manier van werken is. Deze aanpak vormt geen garantie voor een gelijke behandeling van de lidstaten, laat het Europees Parlement links liggen en geeft aanleiding tot ernstige juridische, organisatorische en politieke bedenkingen. Deze situatie moet bijgevolg een uitzondering zijn, niet de regel. Daarenboven is het een waarschuwing om in de toekomst niet op dezelfde manier te werk te gaan bij andere aangelegenheden die onder de derde pijler vallen.

Iedereen is het erover eens dat we behoefte hebben aan een visumsysteem om een betere tenuitvoerlegging van het visumbeleid te verzekeren. We moeten ons er terdege van bewust zijn dat het aannemen van de rechtsgrondslag slechts een eerste stap is. We kennen allemaal het verhaal van SIS II. Hoewel er aanvankelijk veel druk werd uitgeoefend om de rechtsgrondslag zo snel mogelijk aan te nemen, doken er in een later stadium ernstige problemen op bij de technische tenuitvoerlegging van het systeem. We moeten bijgevolg al het mogelijke doen om deze wetgeving in praktijk te brengen en om specifieke maatregelen uit te voeren, zodat het visumsysteem vanaf de lente van 2009 operationeel kan worden.

Tot slot zou ik nog kort willen ingaan op het verslag van mevrouw Roure. Ik vermoed dat we waarschijnlijk allemaal hopen dat het mogelijk is om over deze kwestie een akkoord te bereiken met de Raad. De bescherming van de vaak uiterst gevoelige persoonlijke gegevens in het kader van de derde pijler zou niet minder strikt mogen zijn dan de bescherming van gelijkaardige data in het kader van de eerste pijler. Ik ben me bewust van de juridische beperkingen die we in aanmerking moeten nemen en ik vertrouw erop dat de in dit Parlement bereikte compromissen zo snel mogelijk in bindende wetgeving omgezet kunnen worden. Ik hoop daarenboven dat ze de tijdige invoering van SIS en van een eenvormig beheerssysteem voor visa niet langer in de weg zullen staan.

 
  
  

VOORZITTER: EDWARD McMILLAN-SCOTT
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE). – Succesul punerii în aplicare a Tratatului de la Prüm poate fi deplin doar în momentul în care toate statele Uniunii Europene îşi vor asuma prevederile acestuia. Eficienţa controlului transfrontalier este decisivă în combaterea terorismului şi a crimei organizate. Pentru moment însă, datorită dispunerii geografice a statelor semnatare se creează frontiere artificiale în interiorul Uniunii, ceea ce poate fi considerat un pas înapoi. Cooperarea transfrontalieră este, astfel, obstrucţionată iar infractorii şi-ar putea găsi refugiul în ţări care se găsesc în afara sistemului comun de baze de date poliţieneşti şi judiciare. Transpunerea în legislaţia comunitară a clauzelor referitoare la schimbul automat de date va permite combaterea mult mai eficientă a criminalităţii.

Cele două aspecte importante pentru a asigura succesul demersului sunt finanţarea creării bazelor de date şi protecţia acestora. De aceea, instituţiile europene trebuie să identifice mijloace care să asigure armonizarea la nivel european şi, în acelaşi timp, să sprijine statele membre în finanţarea sistemului. Dacă se va asigura acest lucru, implementarea va fi mult mai facilă şi rezultatele vor fi pozitive.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Altmaier, fungerend voorzitter van de Raad. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, staat u mij drie heel korte opmerkingen toe. Ten eerste bied ik barones Ludford mijn verontschuldigingen aan voor het feit dat ik in verband met het VIS het aspect van de grensbeveiliging niet uitdrukkelijk genoemd heb. Het is volkomen terecht dat u mij daar op wijst.

Ten tweede vraag ik u om begrip voor de grote spoed waar we bij de integratie van het Verdrag van Prüm toe aangezet hebben. Ik weet dat we daarmee een grote last op uw schouders gelegd hebben, maar ik vraag u ook te willen bedenken dat het volkenrechtelijke Verdrag van Prüm inmiddels door zoveel landen ondertekend is, dat ik niet weet of we over een jaar in de Raad nog wel de nodige bereidheid gevonden hadden om het naar het domein van de Europese Unie over te hevelen.

Ten derde wil ik aan het eind van dit debat nogmaals mijn hartelijke dank uitspreken aan al degenen die ons hebben geholpen om de besluitvaardigheid van de Europese Unie op drie uiterst belangrijke beleidsterreinen aan te tonen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Katalin Lévai (PSE), schriftelijk. - (HU) Ik feliciteer de rapporteur en steun de strijd tegen het terrorisme en de grensoverschrijdende criminaliteit, evenals de inspanningen voor nauwere grensoverschrijdende samenwerking.

Ik wil hier graag benadrukken dat deze strijd gericht is tegen een verderfelijk fenomeen van onze tijd, waarvan onschuldige burgers, onder wie vrouwen en kinderen, het slachtoffer zijn.

Om deze reden hecht ik veel waarde aan het initiatief voor de opname van het Verdrag van Prüm in de EU-wetgeving, dat werd gepresenteerd op de informele bijeenkomst van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie in januari 2007 in Dresden, onder leiding van het Duitse voorzitterschap.

Belangrijke aspecten van het voorstel zijn: het uitwerken van wederzijdse toegang tot speciale gegevensbanken, de ontwikkeling en werking van nationale contactpunten alsmede een hoog niveau van gegevensbescherming. Hierbij wil ik ook de nadruk leggen op politiesamenwerking in grensgebieden, op gezamenlijk uitgevoerde operaties en op samenwerking bij evenementen die grote massa’s mensen aantrekken en in het geval van rampen.

Wel vind ik het betreurenswaardig dat in het voorstel geen melding wordt gemaakt van de maatregelen die kunnen worden getroffen in geval van direct gevaar, noch van de kwestie van de air marshals, de strijd tegen illegale migratie en de meer algemene regels en gevallen voor politiesamenwerking in grensgebieden.

Iedereen moet een gegarandeerd recht op veiligheid hebben. Tegelijkertijd acht ik het, met het oog op de bescherming van persoonlijke gegevens, van belang dat bij de regels voor gegevensoverdracht wordt gespecificeerd aan welk orgaan voor misdaadbestrijding de opgevraagde gegevens door de contactpersonen kunnen worden doorgegeven. Verder is het nodig goede praktijken te ontwikkelen om het benodigde niveau van gegevensbescherming te bereiken, waarbij de automatische toepassing hiervan de gewenste informatie-uitwisseling tussen de lidstaten niet in de weg mag staan.

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Ik zal me tijdens de stemming over dit verslag van stemming onthouden, met name omdat het Verenigd Koninkrijk niet behoort tot de Schengen-landen. Gezien dit feit mag ik me niet mengen in de beleidsvorming in andere lidstaten. Ook ik ben echter op de hoogte van het verschil in jurisprudentie tussen het Verenigd Koninkrijk en andere lidstaten. Deze compatibiliteitskwestie heeft meer algemene gevolgen en moet op passende wijze worden benaderd. Ik ben benieuwd naar de uitkomst van de rechterlijke uitspraken over deze kwestie. Ik erken dat dit systeem een gunstige invloed op de veiligheid zal hebben, maar de gevaren zijn ook relevant, en daarmee moet ook rekening worden gehouden. Wegens de meer algemene gevolgen van het visuminformatiesysteem twijfel ik of ik nu voor of tegen de tenuitvoerlegging ervan moet zijn.

 

19. Spreektijd van één minuut (artikel 144 van het Reglement)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde zijn de opmerkingen van één minuut over kwesties van politiek belang.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). - (LT) Het Europees Instituut voor gendergelijkheid wordt op dit moment opgezet in Vilnius en moet nog dit jaar operationeel worden. Zoals u weet, hadden Slowakije en Slovenië dit instituut ook graag in hun hoofdsteden willen hebben, maar de keuze viel op Litouwen en dat besluit is ook bekrachtigd door het Europees Parlement.

Toen kregen we echter een incident, toen het stadsbestuur van de Litouwse hoofdstad Vilnius geen toestemming gaf voor het houden van een campagne tegen discriminatie. Dat wil zeggen dat de Europabus, die al aan zijn vierde reis door Europa bezig is om informatie te verspreiden over de voorlichtingscampagne “Voor diversiteit. Tegen discriminatie” en over het Europees Jaar van de gelijke kansen, de toegang tot de stad werd geweigerd. Toen de Europese Commissie een verklaring uitgaf over het besluit van het stadsbestuur, werd er gespeculeerd dat de Europese Commissie twijfels zou hebben over de vestiging van het Europees Instituut voor gendergelijkheid in Vilnius.

Ik ben er absoluut zeker van dat Vilnius, dat al sinds de oudheid de reputatie heeft een tolerante stad te zijn, het echt verdient om het hoofdkwartier van het Europees Instituut voor gendergelijkheid te zijn.

Ik wil ook benadrukken dat geen enkel land zonder zonde is, als het gaat om de mensenrechten en de vrijheden, en alle lidstaten van de EU hebben veel werk te verzetten op het gebied van tolerantie en de strijd tegen discriminatie op grond van ras, etnische achtergrond, leeftijd, handicaps, seksuele geaardheid, religie, enzovoorts. Laten we daar samen aan werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, al een paar jaar lang worden de mediterrane kusten geplaagd door kwallen. Veel mensen hebben medische verzorging nodig vanwege kwallenbeten, die pijn, ontstekingen en allerlei andere klachten kunnen veroorzaken. Op sommige plaatsen raden de autoriteiten het zelfs af om in zee te gaan zwemmen. Deze plaag is een symptoom van de verstoring van het ecosysteem in de Middellandse Zee.

Het toepassen van bepaalde verboden visserijpraktijken leidt tot de verdwijning van soorten als de blauwvintonijn - die met de kwallen concurreert om de beschikbare zoöplancton - of de Middellandse-Zeeschildpad, die hun natuurlijke predator zijn.

De opwarming van de kustwateren als gevolg van de klimaatverandering en het hogere zoutgehalte van die wateren - als gevolg van de verminderde toevoer van zoet water, die weer het gevolg is van droogte - dragen ook bij aan de grote overvloed aan kwallen. De deskundigen waarschuwen dat dit probleem onmiddellijk moet worden aangepakt. Anders zal het ieder jaar groter worden.

De regering van mijn land - Spanje - is bezig met het uitvoeren van studies en het ontwikkelen van actieplannen. Dit is een milieuprobleem waar alle kustlanden mee te maken hebben en waarvoor een communautaire aanpak nodig is.

Dit probleem heeft zeer negatieve gevolgen voor de toeristenindustrie in het hele Middellandse Zeegebied, en daarom moeten het Parlement en de andere communautaire instellingen hier meer aandacht aan schenken.

 
  
MPphoto
 
 

  Adina-Ioana Vălean (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik vraag uw aandacht voor een aantal maatregelen die de Roemeense regering dit jaar heeft genomen, gericht op het verbeteren van de corruptiebestrijding. Roemenië is het eerste land in Europa dat een wet aanneemt die controle op het vermogen van alle hooggeplaatste ambtenaren, belangenverstrengeling en onverenigbare functies mogelijk maakt. Het is geen eenvoudige opgave om de rechterlijke macht te hervormen. Zoiets kan niet van de ene dag op de andere of door één persoon worden verwezenlijkt. Een dergelijke uitdaging vergt een sterke politieke wil, vastberadenheid en samenwerking tussen de regering en het parlement. De huidige regering is vastbesloten om het hervormingsproces van de rechterlijke macht in Roemenië voort te zetten door overeenkomstig de verplichtingen tegenover de EU-partners en vooral tegenover de Roemeense burgers de volledige onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te garanderen.

Ik heb er alle vertrouwen in dat de voortgang die de Roemeense regering ten aanzien van het hervormingsproces van de rechterlijke macht en de corruptiebestrijding heeft geboekt, naar voren zal komen in het Commissieverslag over Roemenië dat eind deze maand wordt gepresenteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Marcin Libicki (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, er is vandaag al heel wat gezegd over het erkennen van Kosovo als een onafhankelijke staat op basis van de wil van de bevolking die er woont. Ik geloof niet dat dit argument een voldoende rechtvaardiging vormt voor de onafhankelijkheid van Kosovo. Er moet namelijk rekening worden gehouden in de eerste plaats met de historische omstandigheden, in de tweede plaats met de belangen van de natie als geheel en in de derde plaats met de internationale orde. We mogen niet vergeten dat Kosovo de bakermat van de Servische natie is. We hebben allemaal gehoord van de Slag op het Merelveld.

Als we nu beslissen om de onafhankelijkheid van Kosovo te erkennen op basis van de wil van zijn bevolking, zullen Abchazië, Zuid-Ossetië en Transnistrië in afzienbare tijd het voorbeeld van Kosovo willen volgen. Mogelijkerwijze zullen we dan in 2020 geconfronteerd worden met de oprichting van een Islamitische Republiek van Zuid-Frankrijk met als hoofdstad Marseille, zoals door sommigen wordt voorspeld, en in 2050 met de opkomst van een Emiraat in Parijs. Ik kan niet anders dan u waarschuwen voor het gevaar van een overhaaste beslissing op basis van de wil van de meerderheid van de bevolking die in een bepaald gebied woonachtig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL). - (PT) Ik wil de CGTP-IN-vakbond en de Portugese werkers graag sterkte toewensen in hun strijd voor hun rechten en tegen de voortdurend stijgende werkloosheid en de toenemende werkonzekerheid. Ze strijden ook voor betere lonen. Die behoren tot de laagste in de EU, een omstandigheid waartoe het Stabiliteits- en groeipact heeft bijgedragen.

De algemene staking van 30 mei was heel belangrijk, omdat ze de aanzet was tot andere acties. De Europese instellingen mogen die niet negeren - zeker niet nu de moeilijke economische situatie en de sociale ongelijkheid door binnenkort te nemen besluiten nog eens zullen worden verergerd. Ik noem bij wijze van voorbeeld de recente renteverhoging door de Europese Centrale Bank, de zogenaamde flexizekerheid, bedoeld om werknemers zonder geldige redenen te ontslaan, en de voortzetting van de liberalisering van de openbare diensten.

Het is tijd voor een ander beleid, een beleid dat de mens voorop stelt, en voor maatregelen die al degenen die werken respect en waardigheid verlenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Urszula Krupa (IND/DEM). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, als arts hecht ik veel belang aan de transplantatiechirurgie, met behulp waarvan het leven gered kan worden van vele patiënten die zonder transplantaat zouden sterven. Ik zou er echter op willen wijzen dat de verklaring van de heer Kyprianou over de invoering van de richtlijn ter vastlegging van minimumnormen en van de Europese donorkaart, met name met het oog op het schrappen van ethische amendementen uit een groot aantal EU-documenten, tot verschillende vormen van misbruik kan leiden, vooral omdat euthanasie in meerdere Europese landen wettelijk toegelaten is.

Door de Europese donorkaart en in het bijzonder door de zogenaamde toestemming in een context van morele laksheid ontstaat het risico dat er geen moeite meer zal worden gedaan om zieken te genezen en, sterker nog, dat levens beëindigd mogen worden voor het verkrijgen van organen, zoals onlangs in de pers werd gesuggereerd. Met het oog hierop zou de toestemming voor het transplanteren van organen na de dood van de donor opnieuw bevestigd moeten worden door de toestemming van de familie van de overledene en door zijn naaste verwanten, zodra zij in het bezit zijn van het document dat hersenstamdood bevestigt. Dit zou in zekere mate helpen om misbruik te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, hierbij wil ik kenbaar maken dat de nieuwe secretaris-generaal, de heer Rømer, het principe van gelijke behandeling van alle afgevaardigden en het beginsel van eerlijke besluitvorming op grove wijze schendt. In een tegen mij aangespannen procedure is een niet mis te verstane uitspraak gedaan door de directeur-generaal Financiën, die tot volstrekt duidelijke conclusies kwam. De heer Rømer bestrijdt het bestaan daarvan. Dat zegt hij officieel; intern zegt hij het tegendeel. Hier wordt gelogen.

Ik sta erop dat dit onderzoek openbaar gemaakt wordt en ik er inzage in krijg. Daarnaast wordt mij in de procedure waarmee ik mij juridisch probeer te verdedigen, door de heer Rømer inzage in vertalingen van diverse stukken van de secretaris-generaal ontzegd, waar hij opnieuw als ongeloofwaardige reden voor aanvoert dat er geen definitieve, officiële vertalingen van zouden bestaan.

Zwaar belemmerd wordt ik ook door het feit dat mij in de groep van de niet-ingeschrevenen een medewerker onthouden wordt, die reeds een schriftelijke toezegging had ontvangen.

U bent zelf, mijnheer de Voorzitter, heel goed op de hoogte van een groot aantal van deze zaken, en dus weet u dat als een afgevaardigde wordt gediscrimineerd op een wijze zoals gebeurd is in dit Parlement, men dat Parlement niet meer democratisch mag noemen. Hier heerst wat de heer Rømer doet, namelijk willekeur.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u wel, mijnheer Martin, wij zullen er zorg voor dragen dat uw opmerkingen aan de secretaris-generaal worden doorgegeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Petre (PPE-DE). – Au trecut decât câteva zile de când ultimii doi membri ai grupului Ilaşcu, Andrei Ivanţoc şi Tudor Petrov-Popa, au fost, în sfârşit, eliberaţi din închisoare de autorităţile nelegitime ale autoproclamatei Republici Transnistrene.

La 8 iulie 2004, Curtea Europeană a Drepturilor Omului a pronunţat o hotărâre prin care constata ilegalitatea detenţiei cetăţenilor români Andrei Ivanţoc şi respectiv Tudor Petrov-Popa, solicitând autorităţilor Republicii Moldova şi Federaţiei Ruse să ia toate măsurile necesare în vederea eliberării imediate a acestora. Timp de trei ani această hotărâre a fost ignorată confirmând, dacă mai era nevoie, că regimul de la Tiraspol rămâne în afara oricărei reguli. Eliberarea lui Andrei Ivanţoc duminică, 3 iunie, s-a petrecut sub semnul violenţei şi a violării a drepturilor omului, a dreptului acestui cetăţean de a se deplasa liber spre casa lui, după 15 ani de detenţie ilegală.

Mă întreb de ce un om eliberat din închisoare după ispăşirea unei pedepse abuzive nu poate pleca liber şi este predat poliţiei din Republica Moldova. Mă întreb cum este posibil ca Andrei Ivanţoc şi Tudor Petrov-Popa să fie expulzaţi din propria ţară de aceste autorităţi complet nelegitime. Ca parlamentar european, membru în delegaţia Uniunea Europeană-Moldova, cer Parlamentului European să ia atitudine pentru ceea ce a fost un caz fără precedent în istoria recentă a democraţiei europene.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, er zijn drie weken voorbijgegaan sinds de topontmoeting tussen de Europese Unie en Rusland in Samara, waar Polen nog maar eens hardnekkig geweigerd heeft om in te stemmen met de goedkeuring van een mandaat voor de Europese Unie, een onontbeerlijke voorwaarde voor het openen van de onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst. De reden hiervoor is dat Polen vindt dat de Finse voorstellen inzake steun en betrokkenheid bij het oplossen van het handelsconflict met Rusland niet ver genoeg gaan.

Het is intussen zonneklaar dat het Poolse embargo niet enkel een probleem is voor ons land, maar ook voor de Europese Unie als geheel. Het doet ons dan ook plezier dat de Europese Unie vastberaden ons besluit heeft gesteund en zo het belang van het solidariteitsbeginsel heeft onderstreept. We mogen evenwel niet uit het oog verliezen dat het embargo op Pools vlees en plantaardige producten nu al meer dan achttien maanden van kracht is en dat de Poolse ondernemers hiervan het grootste slachtoffer zijn. Hoe lang zijn we nog van plan een dergelijke situatie te tolereren?

Een voortdurende en versterkte dialoog is van cruciaal belang voor een succesvolle oplossing van het conflict. Tot dusver kon er op bilateraal niveau niet de minste vooruitgang worden geboekt. Deze evolutie toont duidelijk aan dat de steun van de Europese diplomatie noodzakelijk is om een oplossing te bereiken. We moeten bijgevolg zo snel mogelijk de theorie in praktijk brengen en er alles aan doen om eindelijk een uitweg uit deze impasse te vinden. Tot mijn spijt bevestigt de lange periode, die ondertussen alweer verstreken is, dat er in deze kwestie nog steeds geen zoden aan de dijk zijn gezet.

 
  
MPphoto
 
 

  Tiberiu Bărbuleţiu (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in het licht van het komende verslag over Roemenië dat op 26 juni wordt gepresenteerd, wil ik u graag informeren over een van de manieren waarop Roemenië corruptie wil bestrijden.

Op 9 mei 2007 heeft de Roemeense senaat een wet aangenomen voor de oprichting van het nationale integriteitsagentschap. Dit agentschap gaat controlerende activiteiten uitvoeren op het gebied van vermogen, belangenverstrengeling en onverenigbare functies. Verder heeft de Roemeense regering de wet inzake de oprichting van het nationale integriteitsagentschap aangepast, zodat dit drastischer te werk kan gaan. De nieuwe minister van Justitie steunt dit project en beschouwt het agentschap als een doeltreffend instrument, omdat het de bevoegdheid krijgt om onderzoek te verrichten en straffen op te leggen, en omdat er garanties zijn gedaan betreffende de onafhankelijkheid van het agentschap.

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat werk gemaakt wordt van de hervorming van de rechterlijke macht, waarbij de nieuwe minister van Justitie, de heer Chiuariu, alles in het werk stelt om binnen enkele maanden tot een functionerend integriteitsagentschap te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, op 5 juni woonde ik een interessante bijeenkomst bij tussen de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de heer Horst Seehofer, de Duitse minister van Voeding, Landbouw en Consumentenbescherming, die op dit moment eveneens voorzitter van de Raad is. Tijdens zijn uiteenzetting heeft de heer Seehofer ons duidelijk gemaakt dat het onontbeerlijk is om af te stappen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en om de werkzaamheden van de Europese Commissie op dit gebied te bespoedigen.

We zijn onder meer te weten gekomen dat er na 2015 geen melkquota meer zullen bestaan en dat er als gevolg daarvan tijdelijk problemen kunnen optreden. Het komt er bijgevolg op neer dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid hoogstwaarschijnlijk nog enkel in stand gehouden zal worden tot wanneer de nieuwe lidstaten recht hebben op volledige betalingen. In deze context steken een heleboel vragen de kop op. Een van de belangrijkste vragen luidt als volgt: waarom is hiervan met geen woord gerept tijdens de onderhandelingen over de toetredingsvoorwaarden? En verder: waarom zijn de voorbereidende werkzaamheden over de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van start gegaan zonder voorafgaande overeenkomst met de lidstaten en het Europees Parlement, en dit terwijl hier eigenlijk een raadplegingsprocedure had moeten plaatsvinden?

 
  
MPphoto
 
 

  Gerard Batten (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in 2005 kwam een van mijn kiezers, de heer Michael Davidson, na een bezoek aan het buitenland via Dover het Verenigd Koninkrijk binnen. Daar nam de Britse belastingdienst een hoeveelheid sigaretten en alcohol en zijn auto in beslag. De belastingdienst beweert dat de heer Davidson de goederen voor commerciële doeleinden wilde gebruiken, wat hij ten stelligste ontkent. Dergelijke inbeslagnemingen zijn op grond van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad onwettig.

In 2006 schortte commissaris Kovács de rechtszaak tegen de Britse regering bij het Europese Hof van Justitie op, op voorwaarde dat de regering zich aan de wet zou houden. De Britse belastingdienst neemt echter nog steeds op onwettige wijze goederen in beslag en weigert de waarde van eerder geconfisqueerde goederen in geld uit te keren. De Britse regering heeft de Britse burgers aan EU-wetgeving onderworpen, maar laat zich er zelf niets aan gelegen liggen. Ik ben van plan de heer Kovács schriftelijk te vragen de rechtszaak tegen de Britse regering bij het Europese Hof van Justitie te heropenen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u, mijnheer Batten, dat u opkomt voor de naleving van de EU-wetgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, in de loop van de werkzaamheden over de richtlijn inzake consumentenkredieten is een uiterst gevaarlijk verschijnsel aan het licht gekomen, dat de in de Verdragen vastgelegde rol van het Europees Parlement in het wetgevingsproces aanzienlijk beperkt. Ik wil dit probleem graag onder de aandacht van het Parlement brengen.

Het Parlement heeft een essentiële rol gespeeld bij de werkzaamheden aangaande dit document. We hebben de Commissie en de Raad meermaals verzocht om studies uit te voeren naar de impact van de richtlijn op de Europese economie, onder meer voor de financiële instellingen en de consumenten. Ondanks onze herhaaldelijke pogingen hebben de Raad en de Commissie steeds hardnekkig geweigerd om deze studies uit te voeren. Het Parlement heeft daarom zelf studiewerk verricht, in de overtuiging dat zulk een richtlijn niet mag worden aangenomen wanneer we er niet volledig zeker van zijn dat ze een positief effect zal hebben en dat ze geen extra administratieve last betekent voor de lidstaten. De Raad en de Commissie hebben echter op geen enkele manier rekening gehouden met de door het Parlement uitgevoerde studies.

 
  
MPphoto
 
 

  Gyula Hegyi (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, gisteren hebben twee leden van het Hongaarse parlement een fles met verontreinigd water uit de rivier de Rába naar de Oostenrijkse minister van Milieu gestuurd. De boodschap van dit gebaar luidt: u zegt dat het schoon drinkwater is, dus proef en drink het maar. Ik ben hier niet met verontreinigd water gekomen, alleen met “schone” woorden.

Beste Oostenrijk-fans, beste collega-parlementariërs, help ons alstublieft de riviervervuiling aan de Oostenrijk-Hongaarse grens te stoppen. Ik weet dat veel Oostenrijkse NGO’s en politieke partijen protesteren tegen de gevaarlijke activiteiten van sommige Oostenrijkse bedrijven en dat die bedrijven hebben beloofd deze activiteiten te staken of in elk geval filters te gebruiken om de verontreiniging zo veel mogelijk te beperken. Na veel protesten en toezeggingen is het nu noodzakelijk dat er actie wordt ondernomen in het belang van een schoon milieu en de vanouds bestaande vriendschap tussen Oostenrijk en Hongarije.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Harkin (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, in de EU vragen we van onze landbouwers dat hun producten volledig traceerbaar zijn. Wij verwachten traceerbaarheid van boer tot bord en elke stap in dat proces wordt geëtiketteerd, geïnspecteerd en bewaakt. De Europese consument verwacht hoge normen en terecht. Dat is onze manier van werken in de EU.

Hoe kunnen commissaris Mandelson en commissaris Kyprianou dan toezicht houden op de invoer van ongeveer 300 000 ton Braziliaans rundvlees per jaar, wanneer er voortdurend uitbraken van mond- en klauwzeer plaatsvinden, wanneer de controles op de veebewegingen hooguit slordig zijn en in veel gevallen ontbreken, en wanneer er op grote schaal op onwettige wijze labels worden verwijderd en weggesneden en er groeihormonen worden gebruikt? Hoe kunnen onze commissarissen zulke dubbele standaards toestaan en de Europese consument en de veeteeltsector aan onacceptabele en onnodige risico's blootstellen, terwijl landen als de VS Braziliaans rundvlees weigeren omdat het niet aan de vereiste norm voldoet?

 
  
MPphoto
 
 

  Witold Tomczak (IND/DEM). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, sinds de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Europese Unie zijn er drie jaar verstreken. Toch worden deze landen nog steeds gediscrimineerd wat betreft de toekenning van begrotingskredieten voor de groenten- en fruitsector. Van de talrijke gevallen van discriminatie is dit misschien wel het meest opvallende voorbeeld: de omvang van de betalingen die worden toegekend per hectare bebouwd land. In 2005 hadden de oude lidstaten van de Unie recht op 560 euro per hectare, terwijl de nieuwe lidstaten slechts 20 euro per hectare ontvingen. De armere landen krijgen dus 28 keer minder steun dan de rijkere landen. Jammer genoeg is dit hoe solidariteit en de mogelijkheid om een einde te maken aan de verschillen in economische ontwikkeling tussen de afzonderlijke landen in praktijk worden gebracht in de Europese Unie.

De discriminatie van de nieuwe lidstaten in de groenten- en fruitsector heeft tegelijkertijd een negatieve impact op de consumenten en op de landbouw in de hele Europese Unie. Ik verzoek u bijgevolg om uw steun te geven aan het amendement op het verslag van mevrouw Salinas García, dat werd voorgesteld door de Fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten. Dat amendement roept de discriminatie van de nieuwe lidstaten althans gedeeltelijk een halt toe. Wanneer dit amendement verworpen zou worden, zou dat kwalijke gevolgen hebben voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid, evenals voor zijn beginselen en doelstellingen. Het verwerpen van het amendement zou eveneens bewijzen dat de oude lidstaten niet in staat zijn om een sterke Europese landbouwsector op te bouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, iedereen heeft het over het belang van een goede gezondheid. Tegelijkertijd houden sommige nationale regeringen geen rekening met dat belang, omdat zij toestaan dat bepaalde activiteiten van industriële aard in de buurt van woongebieden worden uitgevoerd.

In Malta vond onlangs een explosie plaats in een fabriek van Multigas, die op minder dan honderd meter afstand ligt van het dorp Kirkop. Verder vinden er zeer gevaarlijke activiteiten plaats in de baai van Birżebbugia. Vlak bij de stad Birżebbugia wordt er van het ene schip in het andere gebunkerd en liggen er gastanks opgeslagen

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag iets zeggen naar aanleiding van een realityshow over orgaandonatie die afgelopen vrijdag op een Nederlands televisiestation te zien was. Voordat de uitzending plaatsvond, zei de desbetreffende Nederlandse minister in een verklaring aan zijn parlement dat het programma ongepast en onethisch was. In een persconferentie verwees de Nederlandse minister-president evenwel naar het grondwettelijke recht op vrijheid van meningsuiting, dat overheidsbemoeienis met de inhoud van het programma onmogelijk zou maken. Het programma werd gewoon uitgezonden en aan het eind werd bekendgemaakt dat het nep was.

De vrijheid van meningsuiting is belangrijk en moet gewaarborgd blijven. Deze vrijheid wordt echter op grove wijze misbruikt wanneer het publiek over zo’n gevoelig onderwerp openlijk en consequent wordt voorgelogen om publiciteit te krijgen. Ik roep de Voorzitter van het Parlement op zijn bevoegdheden aan te wenden om de maatregelen te treffen die hij nodig acht om te voorkomen dat de pers zich nog vaker aan zulk onaanvaardbaar en gevaarlijk gedrag schuldig maakt.

In antwoord op de uitspraken van mevrouw Krupa wil ik zeggen dat hersendode patiënten al dood zijn en niet gedood kunnen worden, maar dat met hun organen de levens van vele zieke mensen kunnen worden gered.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Sándor Tabajdi (PSE). - (HU) De twee jaar die zijn verstreken sinds de schok die de referenda in Frankrijk en Nederland teweeg hadden gebracht, was een zogenaamde ‘denkpauze’, maar helaas betekent dit dat er sindsdien helemaal niet is nagedacht. Het begrip ‘denkpauze’ hield in dat er een pauze werd ingelast in het denken.

De Europese Unie ontwaakt eindelijk uit haar Doornroosje-slaap. We zijn over het dode punt heen geraakt. Hongarije heeft al die tijd de volledige versie van het Grondwettelijk Verdrag gesteund en was de tweede lidstaat die het in december 2004 ratificeerde. Het is ons doel zoveel mogelijk uit de oorspronkelijke tekst te behouden, maar daarnaast zijn we ook bereid tot een verstandig compromis, want een beter functioneren van de Europese Unie gaat vóór alles.

De verwezenlijking van vier doelstellingen is essentieel: behoud van de waarden en doelen die in het huidige voorstel staan verwoord, effectiever functioneren van de instellingen, versterking van de gelijkheid en solidariteit tussen de lidstaten en verdere intensivering van de integratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlo Fatuzzo (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik neem het woord om te zeggen dat ik de vorige week in Tokio, in Japan, ben geweest met de delegatie Europese Unie-Japan. Als lid van het Europees Parlement, gekozen door de Partij van de Gepensioneerden, heb ik onmiddellijk geïnformeerd naar de situatie van de gepensioneerden in Japan. Tot mijn grote verrassing heb ik op de voorpagina’s van alle kranten gelezen dat een bedrag van 30 miljoen dat door werknemers was overgemaakt, verdwenen is. Dit kwam door een fout van het automatiseringscentrum van een Japans fonds voor sociale verzekering. Daardoor zullen veel werknemers minder pensioen krijgen dan hun toekomt.

Wat een ernstige fout in dit tijdperk van de technologie! En dat nota bene in zo’n modern en belangrijk land als Japan! Is er in Europa soms ook iets dergelijks voorgevallen? Ik denk dat het een goed idee zou zijn om in onze zevenentwintig landen te controleren of de gegevens van alle werknemers wel goed worden opgeslagen, zodat zij zeker kunnen zijn van hun pensioen, want iedere werknemer heeft daar recht op.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Hiermee zijn de opmerkingen over kwesties van politiek belang beëindigd.

 

20. Sociaal statuut van kunstenaars (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0199/2007) van Claire Gibault, namens de Commissie cultuur en onderwijs, over de sociale status van kunstenaars [2006/2249(INI)].

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE), plaatsvervangend rapporteur. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, aangezien mevrouw Gibault vanavond niet aanwezig kan zijn, heeft ze me verzocht om u haar excuses aan te bieden, omdat zij tot haar spijt verhinderd is, en u namens haar dit belangrijke verslag voor te leggen.

Als er een universele band bestaat die ons allen, als Europese burgers, ongeacht onze verschillen, bindt, dan is het wel cultuur. Europa is vandaag op weg om zijn doel te bereiken, want het heeft tegengas weten te geven tegen de globalisering en zijn identiteiten en culturele diversiteit weten te behouden. De Europese ‘culturele uitzondering’ is op weg universeel te worden.

Toen mevrouw Gibault als lid van dit Parlement werd gekozen, beloofde ze om de belangen van alle Europese kunstenaars te behartigen bij de Europese instanties. Dit verslag heeft haar daartoe de gelegenheid gegeven, via mijn toespraak van vanavond en al het werk dat ze heeft verricht. Ze wil graag dat ik haar dank overbreng aan alle rapporteurs voor advies en aan alle collega’s - en dat zijn er veel - die met haar hebben samengewerkt en een bijdrage hebben geleverd aan de eindredactie van deze tekst.

De keuze van het onderwerp, de status van kunstenaars in Europa, was voor haar vanzelfsprekend: het was iets dat haar bijzonder aan het hart ging vanwege haar beroep en haar werk als dirigent. Net als Albert Camus is ze ervan overtuigd dat we cultuur centraal moeten stellen in ons maatschappijmodel, dat we creatieve activiteiten en vrije toegang tot cultuur tot onze Europese prioriteiten moeten maken.

In tegenstelling tot algemeen aanvaarde ideeën zijn de problemen waar kunstenaars mee te maken hebben, meestal niet alleen van culturele aard. Vaak houden ze verband met mobiliteit, visumbeleid, gezondheid en sociale zekerheid, en met problemen van werkloosheid en pensioenregelingen. Mevrouw Gibault heeft nagedacht over concrete maatregelen om het dagelijks leven van kunstenaars te verbeteren en stelt met name voor een specifiek visum in te voeren om hun mobiliteit te verbeteren. Ze dacht aan een Europees beroepsregister om zwartwerken tegen te gaan, evenals aan een Europese socialezekerheidskaart, met een elektronische chip waarop het arbeidsverleden van de kunstenaar in één oogopslag te zien is. Mevrouw Gibault heeft ook voorgesteld een praktisch handboek voor kunstenaars uit te geven dat, in een parallelle tekst, een overzicht zou geven van de voor hen geldende, door Europese instanties vastgestelde socialezekerheidsregelingen en de toepassing daarvan in de lidstaten.

Ze heeft gewezen op de noodzaak om artistiek onderwijs op scholen te bevorderen, aangezien dit voor haar - evenals voor ons - een echte Europese culturele uitdaging is. Zonder de bereidheid van de Europese Unie om echt beleid te ontwikkelen op het gebied van artistiek onderwijs, zal er vanzelfsprekend geen vooruitgang kunnen worden geboekt bij het trekken van publiek en het democratiseren van de toegang tot cultuur.

Haar verslag is op 7 mei jongstleden dan ook unaniem goedgekeurd door de Commissie cultuur en onderwijs. Het is innovatief en vormt echt een stap in de goede richting voor kunstenaars, aangezien daarin rekening wordt gehouden met hun onzekere situatie en de noodzaak om hun activiteiten flexibel te behouden en oplossingen worden aangedragen die kunstenaars meer continuïteit, en dus een grotere gemoedsrust, in het vooruitzicht stellen.

Morgen zullen enkele amendementen in stemming worden gebracht. Mevrouw Gibault hecht met name aan twee amendementen veel belang, omdat daarmee de artistieke creatie een nieuwe impuls kan worden gegeven en het nemen van risico’s binnen de sector zou kunnen worden aangemoedigd, die daar momenteel grote behoefte aan heeft. Zoals in haar verslag uitstekend wordt verwoord, is het, met het oog op het boeken van vooruitgang bij deze aspecten, zaak om vooral de resultaten van de relevante studie van de Commissie te onderzoeken en rekening te houden met de voor- en nadelen.

Het communautair recht staat bij nader inzien niet zo onverschillig tegenover cultuur als we zouden kunnen denken. Mevrouw Gibault heeft in haar verslag een idee opgenomen dat indertijd reeds geopperd werd door Victor Hugo en Alfred de Vigny. Het houdt in dat kunstenaars na hun dood kunnen blijven bijdragen aan de ondersteuning van hun tijdgenoten. De internationale bepalingen die door de Unie zijn overgenomen, staan de lidstaten namelijk toe om de vereiste maatregelen te nemen voor de bescherming van hun cultureel erfgoed, dat onder meer bestaat uit artistieke werken zonder auteursrechten, dat wil zeggen werken die zeventig jaar na het overlijden van de auteur en vijftig jaar na de eerste uitvoering van een werk door de uitvoerend kunstenaar ervan teruggegeven worden aan het publiek.

Mevrouw Gibault heeft zich over dit idee gebogen. Volgens haar hoeven de lidstaten, in een geest van culturele solidariteit op Europees niveau, alleen maar na te gaan hoe ze, in de mate waarin hen dit aangaat, een deel van de door de commerciële exploitatie van werken gegenereerde inkomsten kunnen gebruiken voor de ondersteuning van artistieke creatie en het verbeteren van de sociale status van Europese kunstenaars. Dit zou nieuwe subsidies mogelijk maken om innovatie en pluralisme te bevorderen en nieuwe vormen van culturele expressie aan te moedigen. Dat is een heel mooi beeld van solidariteit tussen generaties.

Tot slot wil ik graag de woorden aanhalen die - opnieuw - door Victor Hugo tijdens een openbare vergadering werden uitgesproken tot de Franse parlementsleden: “Wij zijn allemaal één familie, de doden horen bij de levenden, de levenden moeten beschermd worden door de doden”. Een mooiere bescherming kan je je toch niet wensen?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dat is een zeer goede omschrijving van auteursrecht!

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil mevrouw Gibault, zelf een kunstenaar, bedanken voor de opstelling van dit erg belangrijke verslag en mijn dank betuigen aan Nathalie Griesbeck voor de presentatie daarvan vanavond.

Nu wij de vijftigste verjaardag van het Verdrag van Rome vieren, beseffen we hoezeer cultuur het hart van Europa vormt. We hebben programma’s en projecten in EU-verband die de mobiliteit van kunstenaars binnen Europa bevorderen en zo de interculturele dialoog in de Europese Unie versterken. In 2006, bijvoorbeeld, het Europees Jaar van de mobiliteit van werknemers, waren er van de in totaal 41 medegefinancierde projecten drie gericht op de mobiliteit van kunstenaars. Deze projecten hebben geleid tot een grotere erkenning op EU-niveau van de diverse obstakels voor de mobiliteit van kunstenaars. Het is een eerste stap en als we de situatie van kunstenaars in Europa willen verbeteren, liggen er nog vele uitdagingen voor ons als het gaat om levenslang leren, werkvergunningen en sociale status.

Vorige maand heb ik een mededeling over cultuur voorgesteld, getiteld “Een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering”, die door de Commissie werd aangenomen. Ik heb deze mededeling aan de Commissie cultuur en onderwijs en tijdens de laatste bijeenkomst van de Raad aan de desbetreffende ministers gepresenteerd. Het doel ervan is om alle belanghebbenden - lidstaten, Europese instellingen en de culturele wereld - te betrekken bij een gedeelde prioriteitenagenda voor de komende jaren. Verbetering van de status van kunstenaars, gekoppeld aan verbeterde mobiliteit en de verspreiding van kunstwerken in de Europese Unie, is een van de belangrijkste uitdagingen van de strategie. Het is een absolute voorwaarde voor de totstandbrenging van een Europese culturele ruimte. Daarom zie ik ernaar uit op dit vlak nauw met u samen te werken, en vooral ook met de lidstaten, omdat de verantwoordelijkheid op dit gebied primair op nationaal, regionaal en lokaal niveau ligt.

Nu ga ik weer terug naar het verslag. Ik ben bijzonder blij met de nadruk die wordt gelegd op levenslang leren en omscholing. Door een opleiding te volgen, wordt de eerste vonk van een artistieke roeping aangewakkerd, maar omscholing is van essentieel belang om de sociale situatie van een kunstenaar in een zich snel ontwikkelende culturele economie zeker te stellen. Zoals u weet is de versterking van de banden tussen onderwijs en cultuur eveneens een van mijn doelstellingen, aangezien ik heb voorgesteld om 2009 uit te roepen tot “Europees Jaar van creativiteit en innovatie”. Er wordt gewerkt aan de voorbereiding van een Eurydice-onderzoek naar kunst- en cultuuronderwijs tijdens de leerplichtperiode in Europa. Hiermee verbeteren we onze kennisbank en ik hoop dat in het jaar 2009 een impuls zal worden gegeven aan het wetenschappelijk onderzoek en de ontwikkeling van een overtuigender en bredere empirische onderbouwing en daarop gebaseerde beleidsvormen en praktijken in relatie tot het kunstonderwijs.

Ten slotte wil ik beklemtonen dat het bij de status van kunstenaars in Europa om een zeer brede kwestie gaat, die niet slechts door één, voor cultuur verantwoordelijke commissaris kan worden aangepakt. Daarom zal ik in het kader van de mededeling die wij afgelopen maand hebben voorgesteld, nauw samenwerken met mijn collega’s die verantwoordelijk zijn voor werkgelegenheid, justitie en de interne markt. Op die manier kunnen we ervoor zorgen dat er in andere EU-programma’s en beleidsonderdelen voldoende rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van de culturele sector.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u wel, commissaris. We wensen alle kunstenaars van harte succes, met name de deelnemers aan de Biennale van Venetië - die deze week wordt geopend - en in het bijzonder Tracy Emin.

 
  
MPphoto
 
 

  Erna Hennicot-Schoepges, namens de PPE-DE-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik wil mevrouw Gibault feliciteren met al het werk dat ze in dit verslag heeft gestoken. Onlangs heeft commissaris Frattini zijn ontwerprichtlijn betreffende de Europese groene kaart bekendgemaakt, die tot doel heeft hoog opgeleide buitenlandse werknemers aan te trekken en ze de mogelijkheid te bieden gedurende vijf jaar in de Unie te verblijven en zich er zonder visum te verplaatsen.

Wij hebben in november vorig jaar, dankzij een in opdracht van de Commissie verrichte studie, vernomen dat er op het grondgebied van de Europese Unie een beroepsgroep van 5,8 miljoen Europese burgers is, die 3,1 procent van de actieve bevolking uitmaakt en goed is voor 654 miljard euro aan omzet. Deze beroepsbeoefenaren werken volstrekt legaal en worden niettemin in veel lidstaten beschouwd als illegalen: ik heb het over kunstenaars en artiesten.

Velen onder ons gaan graag naar een concert, naar het theater of naar het circus, maar wanneer onze vrije tijd erop zit, gaat het werk van de kunstenaars door voor een beetje applaus, vaak een hongerloontje en bijna altijd trammelant met de fiscus en de sociale dienst. Ik ben dan ook blij dat onze rapporteur ons een kijkje achter de schermen heeft gegeven. Dit is echter niet de eerste poging, want in 1992 heeft Doris Pack al een zeer uitgebreid verslag opgesteld, evenals mevrouw Vaz da Silva in 1999. En wat te zeggen van de initiatieven van culturele organisaties die proberen de mobiliteit en de erkenning van de status van kunstenaars te bevorderen? Dit verslag is geen eindhalte, maar een vertrekpunt.

Nu we het Unesco-verdrag hebben goedgekeurd en de Commissie ons zojuist haar strategische agenda voor cultuur heeft voorgelegd, is het tijd tot actie over te gaan. Commissaris, ik roep de lidstaten en de Commissie op alle neuzen één kant op te krijgen en de talloze technische en praktische problemen voortvarend aan te pakken. Hierbij staat u er niet alleen voor, commissaris, dat weten we, maar de initiatieven die in dit verslag worden voorgesteld moeten ten uitvoer worden gelegd, evenals de twee andere die ik zojuist heb genoemd. Genoeg mooie woorden, het is nu tijd voor daden!

 
  
MPphoto
 
 

  Gyula Hegyi, namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, vanmorgen heb ik in het vliegtuig van Boedapest naar Brussel de dirigent van het Hongaars Nationaal Filharmonisch Orkest ontmoet. Hij feliciteerde mij met het verslag-Gibault, en vertelde hoe tevreden hij en zijn collega’s daarover waren. Die felicitaties komen toe aan mevrouw Gibault, die in een goede sfeer en met goede bedoelingen hard heeft gewerkt aan een verslag over dit zeer belangrijke onderwerp.

Wij hebben allemaal respect voor kunstenaars en erkennen hun belangrijke bijdrage aan de Europese cultuur. We moeten hen helpen door hun sociale status te verbeteren. Het is wezenlijk voor hen dat zij op de hoogte zijn van de diverse sociale regelingen in de verschillende lidstaten, bijvoorbeeld als het gaat om ziekteverzekeringen, werkloosheid en pensioenen. Sommige van de nieuwe lidstaten hadden tijdens het zogenaamde “ancien régime” behoorlijk goede sociale regelingen voor kunstenaars, maar dat veranderde in de overgangsperiode. De repetitieperioden moeten als perioden van daadwerkelijke werkzaamheid worden beschouwd.

Het vrij verkeer van kunstenaars, en werknemers in het algemeen, uit de nieuwe lidstaten is nog steeds niet gewaarborgd. Het is belangrijk dat kunstenaars van buiten Europa gemakkelijker een visum kunnen krijgen, maar we moeten voorrang geven aan het vrij verkeer van alle burgers van de Europese Unie.

Ik ben ingenomen met dit verslag. Mijn socialistische collega’s en ik zullen ervoor stemmen. Als afgevaardigde van een nieuwe lidstaat wil ik een oproep doen: geef iedere Europese burger vrij toegang tot de arbeidsmarkt.

Verder dient te worden vermeld dat sommige vooraanstaande Hongaarse kunstenaars niet naar de Verenigde Staten willen reizen vanwege de vernederende behandeling die zij van de Amerikaanse grensautoriteiten krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Ja, we hebben die vernederende behandeling allemaal ondergaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Alfonso Andria, namens de ALDE-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, via collega Griesbeck wil ik graag uiting geven aan mijn grote waardering voor de rapporteur, Claire Gibault, die werkelijk uitstekend werk heeft verricht. Dankzij de rijke ervaring die zij als dirigent heeft opgebouwd, is zij erin geslaagd de voornaamste obstakels op te sporen waar kunstenaars tijdens hun loopbaan mee te maken krijgen. Ik ben het volkomen met haar eens als zij zegt dat geen enkele kunstenaar in geen enkele fase van zijn/haar carrière er volledig op kan vertrouwen dat er niets onzekers te wachten staat. Juist daarom moeten er meer doelgerichte maatregelen komen om kunstenaars, en al degenen die in de kunstsector werken, te beschermen.

De specifieke aard van het artistieke werk vereist dat de wetgeving in de lidstaten wordt aangepast, om de status van kunstenaars te kunnen waarborgen. Ook moet er gewerkt worden aan harmonisatie in de Europese Unie, met name om de mobiliteit van kunstenaars te bevorderen. Even fundamenteel is het om de premissen te creëren voor een homogeen opleidingsstelsel, waarbij onder meer gezorgd moet worden voor erkenning in de gehele Unie van afgegeven diploma’s. Daarbij moet gestreefd worden naar een steeds grotere professionaliteit in het kunstonderwijs, onder andere door docenten- en studentenuitwisselingen te stimuleren, zoals in het kader van het Erasmus-programma gebeurt.

Tenslotte kijk ik met interesse en hoopvolle verwachting uit naar het voorstel betreffende een tijdelijk specifiek visum voor kunstenaars. Dat kan bevorderlijk zijn voor de mobiliteit van Europese en niet-communautaire beroepskunstenaars bij het verrichten van hun beroepsactiviteit. Overigens is bekend dat de universele taal van de kunst het middel bij uitstek is om de culturele, maatschappelijke en menselijke waarden te bevorderen.

Tot slot wil ik nog preciseren dat ik steun zal geven aan de twee amendementen van de rapporteur waarover het Parlement morgenochtend zal stemmen. Ik heb het met name over 20 bis, waarin gepleit wordt voor nieuwe vormen van ondersteuning aan artiesten door middel van een speciaal fonds. Dit fonds moet gevormd worden met een heffing op de commerciële exploitatie van originele scheppingen en hun rechtenvrije uitvoeringen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański, namens de UEN-Fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de sociale status van kunstenaars heeft altijd veel interesse opgewekt. Het is een thema waarover regelmatig levendige discussies worden gevoerd. Al degenen die hebben meegewerkt aan het definiëren van de status van kunstenaars hebben echter een en dezelfde fout gemaakt. Ze zijn allemaal vergeten dat kunst en cultuur niet alleen het werk is van beroepskunstenaars, maar ook van amateurs, onder wie volksartiesten. Ze zijn uit het oog verloren dat nationale culturen gebaseerd zijn op een volkscultuur, die vaak ook traditionele cultuur wordt genoemd.

We mogen evenmin vergeten dat veranderingen in onze beschaving hand in hand gaan met het verdwijnen van tal van traditionele activiteiten en vaardigheden. Deze laatste zijn echter van fundamenteel belang voor het behoud van het nationale culturele erfgoed. Het geplande Europese Handvest voor activiteiten met betrekking tot artistieke creatie zou bijgevolg ook van toepassing moeten zijn voor volksartiesten en ambachtslui. Daarenboven zouden we ingenomen moeten zijn met het plan om een gemeenschappelijke gegevensbank te creëren, die de bevordering van de mobiliteit van in Europa werkende kunstenaars kan vergemakkelijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Wise, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, zoals u wellicht al verwacht had, zijn er veel punten in dit verslag waarover ik mij zorgen maak. Helaas heb ik maar tijd om één punt aan de orde te stellen. In haar verslag stelt mevrouw Gibault een proefregeling van registratiekaarten voor kunstenaars voor. Is dit opnieuw een poging om de nationale soevereiniteit te ondermijnen? Wordt deze regeling vervolgens uitgebreid tot alle beroepen en bedrijfstakken? Hebben we straks allemaal een kaart nodig voordat we aan het werk kunnen? Kun je straks niet langer zelf bepalen wat voor werk je wilt doen, tenzij je een vergunning hebt, zoals nu al het geval is met buitenlandse fotografen in Duitsland? En wie gaat dit organiseren? Krijgen we nog meer bureaucraten?

Zoals overregulering het zakenleven lamlegt, zo zal dit voorstel de kunst de nek omdraaien. Het zal zorgen voor blijvende buitenlandse dominantie op het gebied van kunst en amusement, met name door de Verenigde Staten. Ik voorspel dat als dit voorstel wordt aangenomen, we weer een nieuw voorbeeld zullen hebben van de wet van de onbedoelde gevolgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Eugen Mihăescu , namens de ITS-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, wat is een kunstenaar? Wat is zijn plaats? Marginaal of centraal? Bekende of onbekende kunstenaar? Nog altijd onbegrepen, vervloekt en arm, of beroemd en rijk? Idool van de elite of paria van de consumptiemaatschappij? Bedelaar aan tafel bij de rijken of op de revolutionaire barricades? Imago van wanhoop of toonbeeld van geluk?

Wat is een kunstenaar? Iemand die een artistieke smaak heeft of tentoonspreidt, die houdt van alles wat mooi is? Als dat zo is, wat heeft de kunstenaar dan te doen in een samenleving die lelijke dingen voortbrengt? Zich opsluiten in zijn ivoren toren of de straat opgaan en zich onder de woedende menigte begeven? Als de kunstenaar een status heeft, gaat deze dan zijn dilemma oplossen of raakt hij daardoor het spoor nog meer bijster? Terwijl wij de schepper vanuit alle invalshoeken bekijken, biedt de andere, de Opperste Schepper, hem bescherming, redding en inspiratie.

We hebben het gehad over de kunstenaar als burger: dat is propaganda! We hebben het gehad over de kunstenaar die getuige is van zijn tijd: dat is een definitie van een kunstcriticus. Ik zelf geloof dat hij de seismograaf van deze samenleving is. Wij kunnen hem helpen door wetten voor hem op te stellen, maar daarmee gaan wij hem in een artistieke bureaucratie storten. Want de dingen die vandaag de dag nieuw voor ons zijn, voor de kunstenaar, zijn reeds ervaren, geassimileerd en geconsumeerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Manolis Mavrommatis (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, waarde collega’s, ik wil allereerst mevrouw Gibault van harte gelukwensen. Zij is een vooraanstaand kunstenares in de wereld van de opera, die van haar lidmaatschap van het Europees Parlement gebruik maakt om de aandacht te vestigen op de problemen waarmee kunstenaars te kampen hebben ten gevolge van de uiteenlopende stelsels van sociale voorzieningen in de lidstaten. Ik wil tevens mevrouw Hennicot van harte bedanken voor haar kostbare leiding bij de eindbesluitvorming in onze fractie ten aanzien van dit belangrijke vraagstuk.

De moeilijkheden die kunstenaars ondervinden zijn meestal niet van culturele aard maar houden verband met hun mobiliteit, gezondheidszorg en sociale verzekering, met werkloosheid en pensioenrechten. De Commissie moet de huidige systemen voor visumverstrekking en arbeidsvergunningen voor kunstenaars bestuderen en tegelijkertijd een wetgeving uitwerken op dit gebied. Ook moet op Europees vlak een studie worden gemaakt van de nationale bepalingen die zijn uitgevaardigd, om te verzekeren dat de houders van auteursrechten en aanverwante rechten worden vergoed.

Artistieke schepping draagt bij aan de ontwikkeling en het behoud van het cultureel erfgoed, mijnheer de commissaris, waarde collega’s. Daarmee raken de nieuwe tendensen in de schone kunsten en de daarbij gemaakte vorderingen in de verschillende landen bekend onder met name jonge kunstenaars. De samenleving en de staat moeten zowel op nationaal als Europees niveau bijdragen aan de ondersteuning van de scheppende kunst, evenals aan de sociale en economische bescherming van kunstenaars. Zoals wij allen weten is kunst geen handelswaar. Daarom is het ons aller plicht om de kunstenaars te beschermen en de creativiteit in Europa te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Badia i Cutchet (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil me in de eerste plaats aansluiten bij de felicitaties aan het adres van mevrouw Gibault voor dit verslag, dat als doel heeft om de problemen en moeilijkheden van kunstenaars met betrekking tot zaken als gezondheidszorg, sociale zekerheid, werkloosheid, pensioenen en ook mobiliteit te bestuderen en daar, indien mogelijk, oplossingen voor te vinden.

Ik zal niet verder ingaan op deze onderwerpen. Dat hebben degenen die mij zijn voorgegaan al gedaan. Ik wil echter wel kort iets zeggen over het kunstonderwijs. In de eerste plaats moet worden gewezen op het belang daarvan, en daarom moet er ook meer aandacht worden gegeven aan artistieke vorming vanaf de kindertijd.

In de tweede plaats wil ik wijzen op de noodzaak dat de lidstaten de diploma’s en certificaten van nationale conservatoria of kunstopleidingen onderling erkennen, zodat er, als dat mogelijk is, stap voor stap naar de verwezenlijking van de doelstellingen van Bologna in 2010 kan worden toegewerkt.

En in de derde plaats wil ik erop wijzen dat het belangrijk is dat er erkende kunstopleidingen komen die aansluiten bij andere officiële, door de lidstaten erkende studies, zodat de leerlingen niet alleen hun artistieke talenten ontwikkelen, maar ook andere vaardigheden kunnen aanleren, die nodig zijn in andere beroepen. De culturele sector heeft dat nodig, om de verwachtingen van de studenten niet te frustreren. Dat vereist investeringen in het culturele weefsel, in infrastructuren, in het stimuleren van artistieke vorming en in culturele activiteiten.

Ik hoop dat de lidstaten de nodige aandacht zullen schenken aan dit verslag, dat deze mensen zeer kan helpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ljudmila Novak (PPE-DE). - (SL) In Europa prijzen we onszelf graag omdat onze culturele verscheidenheid en voortreffelijke kunstwerken deel uitmaken van onze identiteit. Slechts zelden hebben we het erover dat die kunstwerken gemaakt zijn door vele arme kunstenaars die tijdens hun leven geen gepast loon hebben ontvangen en pas postuum geprezen worden. Bovendien bevinden niet weinig moderne kunstenaars zich op de rand van de armoede wegens de ingewikkelde procedures voor het verkrijgen van werkvergunningen of voor het berekenen van hun anciënniteit, hoewel hun werk prachtig is en overal in Europa wordt gewaardeerd.

Aangezien cultuur en kunst deel uitmaken van de gebieden die behalve een spirituele verrijking ook vele economische voordelen bieden en heel wat arbeidsplaatsen creëren, is het echt ongelooflijk en ontoelaatbaar dat hedendaagse topkunstenaars zich het hoofd moeten breken over kwesties als overleven en sociale onzekerheid. Een kunstenaar uit Slovenië bijvoorbeeld is evengoed een kunstenaar elders in Europa, en het zou jammer zijn indien hij zich wegens administratieve belemmeringen zou moeten opsluiten binnen de grenzen van zijn eigen land en zo de burgers van andere lidstaten het genot van zijn kunst zou moeten onthouden.

Als we spreken over opleiding en werkgelegenheid op de Europese markt benadrukken we altijd mobiliteit. Die is juist voor kunstenaars en kunstgebruikers heel belangrijk, en draagt in aanzienlijke mate bij tot de interculturele dialoog en tot het creëren van een onderlinge band tussen de volkeren en culturen in de Europese Unie. Daarom zou het goed zijn indien Europa ook hier belangrijke stappen ondernam en de wetgeving in die mate harmoniseerde dat ze ook voor niet-deskundigen bruikbaar en overzichtelijker wordt, of indien het tenminste gepaste instrumenten aanreikte, die kunnen bijdragen tot meer mobiliteit en sociale zekerheid voor kunstenaars.

 
  
MPphoto
 
 

  Doris Pack (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dit verslag van mevrouw Gibault bevat dezelfde prioriteiten als het Parlement vijftien jaar eerder had vastgesteld door middel van mijn verslag, en acht jaar geleden door middel van het verslag van mevrouw Vaz da Silva. Ik vraag mij zo langzamerhand af hoe vaak het Parlement nog dezelfde eisen moet stellen, voor er iemand reageert. Het deed mij deugd zojuist te horen dat de commissaris wellicht toch een kleine stap gaat zetten in de richting die wij vijftien jaar geleden hadden voorgesteld. Sommige dingen kunnen erg lang duren.

Dit verslag stelt dat er een inventarisatie van de sociale positie van kunstenaars gemaakt moet worden. De mate waarin kunstenaars in hun mobiliteit gehinderd worden door het visumbeleid moet duidelijk omschreven worden. Ik weet dat het Parlement op dit moment aan de visumcodex werkt en hoop ten zeerste dat ook de kunstenaars daarvan kunnen profiteren. Dat is een lang gekoesterde wens, en ik geloof dat het er nu toch van gaat komen. Het gaat om sociale zekerheid, om kwesties als werkloosheid en pensioen.

In ons verslag van 1992 vroegen we al om een statuut voor kunstenaars. Stelt u zich eens voor! Waar was Slowakije in 1992, mijnheer de commissaris? Wij probeerden toen al een aanzet te geven voor de belastingtechnische behandeling van kunstwerken en voor een harmonisatie op de kunstmarkt, met name wat de BTW aangaat. We hebben geprobeerd een fonds te scheppen. We hebben geprobeerd een kunstenaarspas te realiseren - en dat allemaal al in 1992! Allemaal zaken die nu weer geëist worden. Maar goed, je moet alles herhalen, wil er iets blijven hangen - daar ben ik als lerares wel achter gekomen. Alleen lijkt het er nu waarachtig op dat alles zo zwaar hangt, dat we het niet meer boven tafel kunnen krijgen. Daarom willen wij, mijnheer de commissaris, een gewillig oor voor onze woorden! Met uw oor alleen is het echter niet gedaan, want dit is eigenlijk een zaak voor de lidstaten. Daarom zijn onze eisen, net als toen, gericht tot de lidstaten, die we vragen om naar bijzondere vormen van ondersteuning te zoeken.

Mijn verslag van toen was veel moediger dan het verslag van vandaag. Nu vrezen wij namelijk dat veel ervan niet uitgevoerd wordt, en bovendien zijn we tegenwoordig veel voorzichtiger. Laten we onze democratieën meten aan hetgeen ze voor de cultuur doen, aan de mogelijkheden die ze de cultuur bieden. Mevrouw Gibault heeft laten zien hoe de noodzakelijke maatregelen door de Commissie en de lidstaten uitgevoerd kunnen worden. Ik wens u daarbij veel succes!

 
  
MPphoto
 
 

  Ovidiu Victor Ganţ (PPE-DE). – Doresc, de la bun început, să salut iniţiativa Doamnei Claire Gibault

Este, de fapt, un nou efort de a sensibiliza Comisia Europeană şi statele membre în legătură cu statutul artiştilor în Europa. Aş dori să insist asupra unor idei conturate în raport pe care le consider extrem de importante, dar şi realizabile. Sunt convins de necesitatea unui Euro-pass, un registru profesional european pentru artişti care să consemneze activitatea acestora. Documentul ar veni în sprijinul mobilităţii specifice acestei bresle. În ceea ce priveşte această mobilitate, trebuie să facem o distincţie netă între cea a artiştilor şi cea a lucrătorilor în general. De aceea, solicităm statelor membre să elimine orice restricţie privind accesul pe piaţa muncii pentru artiştii din noile state membre. Totodată este esenţială recunoaşterea reciprocă de către statele membre a diplomelor şi certificatelor eliberate de către instituţiile de învăţământ de profil. Aceasta ar facilita atât schimburile la nivelul studenţilor, cât şi la nivelul artiştilor profesionişti, precum şi posibilitatea de a fi angajaţi pe baza acestora. Nu putem accepta nici situaţia în care artiştii europeni care lucrează în afara Uniunii să nu-şi poată transfera drepturile de pensie şi securitate socială la revenirea în ţara de origine din motive pur birocratice şi, de aceea, solicităm o iniţiativă şi în acest sens.

Luând aceste măsuri am convingerea că, vom contribui direct de la nivel comunitar la dezvoltarea culturii europene fără a leza principiul subsidiarităţii care guvernează acest domeniu. Nu cred că există un mijloc mai bun de cunoaştere şi apropiere între cetăţenii europeni decât actul artistic, respectiv cultura ca atare.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlo Fatuzzo (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het besluit van mevrouw Pack om kritiek te leveren op de lidstaten en de Commissie vanwege het uitblijven van maatregelen, heeft indruk op mij gemaakt. En toch hebt u dit onderwerp vijftien jaar geleden als eerste aan de orde gesteld. Het zou echter erger zijn geweest als u over nog eens vijftien jaar zou moeten zeggen wat u thans hebt gezegd: “dertig jaar geleden had ik een regeling voor kunstenaars voorgesteld”. Met het initiatief van mevrouw Gibault wordt er vast en zeker iets beters tot stand gebracht dan nu het geval is. Maar goed, nu start ik met de toespraak die ik eigenlijk had voorbereid.

In Europa, mijnheer de Voorzitter, koesteren alle burgers van de zevenentwintig lidstaten van de Europese Unie bepaalde verwachtingen. Als zij een baan hebben, hopen zij op een zekere toekomst, en als het oude gepensioneerden zijn, hopen zij op een zeker heden. Er zijn ook kunstenaars onder de burgers. Zij ontplooien een activiteit die heel vaak van recreatieve aard is en tot genot dient van zoveel andere, miljoenen burgers die naar hen kijken, naar hen luisteren en hun werken waarderen.

Vandaag hebben wij echter tot doel ervoor te zorgen dat de kunstenaar beschouwd wordt als een werknemer, met alle rechten die werkenden toekomen. Een kunstenaar is een werknemer, en als zodanig heeft hij recht op arbeidsvoorwaarden die een Europese burger waardig zijn.

Hoeveel kunstenaars zijn er wel niet die nooit beroemd worden, die hun kunst elke dag op een nederige wijze bedrijven en noch de juiste beloning noch het juiste respect daarvoor krijgen! Kunstenaars die dus ook niet op genoeg pensioen kunnen rekenen. Ik ben er zeker van dat het onderhavige initiatief mee zal helpen om de kunstenaars een heden en een toekomst te garanderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ján Figeľ, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u allemaal bedanken voor dit zeer interessante debat. Volgens mij levert dit verslag een bijdrage aan de versterking van niet alleen de dialoog maar ook de samenwerking in Europa, ten behoeve van de creativiteit van kunstenaars en de cultuur.

De benadering van mevrouw Pack bevalt me, omdat ze erg enthousiast is. Doorgaans lopen enthousiaste mensen ver op de ontwikkelingen vooruit, maar in dit geval geldt dat we zo'n benadering nodig hebben.

Vijftien jaar geleden, in 1992, vonden de meeste mensen en vooral de lidstaten dat we van cultuur moesten afblijven, omdat subsidiariteit een gevoelig onderwerp is. Nu willen mensen meer met cultuur doen, omdat de wereld is veranderd: we hebben nu de markt en de euro. Het probleem is nogal ongrijpbaar. Ik zeg niet dat harmonisatie vereist is, maar culturen hebben wel betere omstandigheden nodig om tot bloei te komen, zodat kan worden gewerkt aan wederzijds begrip, interculturele betrekkingen, enzovoorts.

Daarom was de mededeling van afgelopen maandag de eerste mededeling in vijftig jaar waarin de Commissie een soort politiek manifest opnam en een gemeenschappelijke culturele agenda voorstelde. Wij stellen voor een jaarlijks forum, het Davos Forum, te organiseren, waarin de lidstaten, belanghebbenden en de Europese instellingen culturele vraagstukken bespreken en antwoorden formuleren.

Wat betreft nieuwe programma’s - Erasmus is een paar keer genoemd - hebben we dit jaar driemaal zo veel mogelijkheden om de mobiliteit te vergroten of de intensiteit van Erasmus te verdrievoudigen. Daartoe moeten studies echter compatibel zijn, of is er erkenning van diploma's, graden en kwalificaties nodig. Afgelopen najaar heb ik een voorstel gedaan om onze kwalificaties beter te kunnen ontcijferen, vergelijken en overdragen. Dit is ook terug te vinden in het “Europees kwalificatiekader” van het Parlement en de Raad. Levert u daar alstublieft uw bijdragen aan in het najaar of aan het eind van dit jaar, onder het Portugese voorzitterschap.

Tot slot wil ik zeggen dat er veel visumverzoeken zijn ingediend. Het is al gemakkelijker om een visum te krijgen en ik hoop dat de lidstaten, uitgezonderd Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, ervoor zullen zorgen dat studenten daarvan kunnen profiteren, zodat de mobiliteit van studenten en anderen wordt verbeterd.

Voor werknemers, dat wil zeggen beroepsbeoefenaren, willen we in september twee voorstellen indienen voor twee belangrijke richtlijnen. Het eerste voorstel betreft een horizontale kaderrichtlijn betreffende de grondrechten van alle arbeidsmigranten. Dit voorstel voorziet in de totstandkoming van een gecombineerde verblijfs- en werkvergunning om de administratieve rompslomp te verminderen. Het tweede voorstel is in dit verband nog belangrijker, om de redenen die velen van u hebben genoemd. Het is een voorstel voor een richtlijn betreffende de toelating van hoogopgeleide werknemers. Deze richtlijn kan in bepaalde gevallen rechtstreeks worden toegepast op kunstenaars van buiten de EU. Zij krijgen dan eenvoudiger toegang tot de arbeidsmarkten in de EU. We kunnen vijftien of vijf jaar teruggaan, maar het is nu de tijd om in beweging te komen. Samen kunnen we beslist iets bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Dank u wel, commissaris, en dank aan alle afgevaardigden die een bijdrage hebben geleverd.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE), schriftelijk. - (HU) De Europese Unie heeft een Grondwet nodig! Het Grondwettelijk Verdrag kan een belangrijke rol spelen niet alleen bij het vergroten van de inbreng van de Europese Unie in de wereldpolitiek, bij de vereenvoudiging van het gemeenschapsrecht en de besluitvorming, en bij de verbetering van de transparantie en dus van de toegankelijkheid voor haar burgers, maar het kan ook een hulpmiddel zijn bij het creëren van een ondernemersvriendelijk bedrijfsklimaat en de voltooiing van de interne markt. De totstandkoming van de Grondwet is ook van belang voor ons concurrentievermogen. Het is het antwoord op zowel externe als interne uitdagingen.

Het in juni 2005 ondertekende verdrag bevat de basiswaarden die tijdens de ontwikkeling van de Gemeenschappen zijn ontstaan, evenals gemeenschappelijke en communautaire beleidsvormen, die in het belang van het integratieproject, van alle lidstaten en EU-burgers behouden moeten worden. Het Grondwettelijk Verdrag is door de staatshoofden en regeringsleiders van alle lidstaten ondertekend en in achttien lidstaten heeft ook de ratificatieprocedure plaatsgevonden. Ondanks de onsuccesvol verlopen referenda in Frankrijk en Nederland mag de kans op integratie die in de totstandkoming van de Grondwet ligt besloten, niet worden gemist.

Het streven van het Duitse voorzitterschap om te beginnen met de voorbereidende werkzaamheden voor een nieuw verdragsvoorstel moet worden toegejuicht, en het Europees Parlement wenst hierin een actieve rol te spelen. Het verdragsvoorstel dat momenteel wordt uitgewerkt, dient zo min mogelijk wijzigingen te bevatten en moet daarnaast bovengenoemde gemeenschapswaarden in ongewijzigde vorm uitdragen.

Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat er over het gewijzigde verdrag in elke lidstaat een neutrale en informatieve campagne van start gaat, die grondiger en van langere duur is dan eerdere campagnes, en die deels met gemeenschapsgelden moet worden bekostigd, met als doel om een groter draagvlak te bewerkstelligen onder de burgers. In deze voorlichtingscampagne moet aan het Europees Parlement en zijn afgevaardigden een vooraanstaande rol toebedeeld worden, aangezien zij de belangen van de EU-burgers behartigen.

 

21. Kabeljauwbestanden in de Oostzee (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0163/2007) van Zdzisław Kazimierz Chmielewski, namens de Commissie visserij, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauwbestanden in de Oostzee en de visserijtakken die deze bestanden exploiteren [COM(2006)0411 - C6-0281/2006 - 2006/0134(CNS)].

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteur, de heer Chmielewski, en zowel de Commissie visserij als de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid bedanken voor hun verslag. We streven ernaar tijdens de Raad van juni volgende week overeenstemming over het voorstel te bereiken. Tijdens de besprekingen ter voorbereiding van de Raadsbijeenkomst zijn er vele wijzigingen aangebracht in het oorspronkelijke voorstel, waarvan sommige in de richting gaan van de door u ingediende amendementen.

Zoals u weet hebben beide kabeljauwbestanden in de Oostzee te lijden van overexploitatie. Het oostelijke kabeljauwbestand valt daarbij zo ver buiten de biologisch veilige grenzen dat het in de nabije toekomst dreigt in te storten. Tegelijkertijd heeft de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) aangegeven dat in 35 à 45 procent van de gevallen de vangsten in het oostelijk deel van de Oostzee foutief worden gerapporteerd. Dit leidt niet alleen tot een extra onverklaard visserijeffect op het bestand, maar ook tot minder nauwkeurige wetenschappelijke adviezen.

De huidige situatie schaadt niet slechts de kabeljauwbestanden in de Oostzee, maar is ook bedreigend voor de visserijsector die afhankelijk is van deze bestanden. Kabeljauw vormt een van de belangrijkste visbestanden voor de sector in de Oostzee. Daarom is het van wezenlijk belang, niet alleen vanuit ecologisch maar ook vanuit sociaal en economisch perspectief, om de visserij zo snel mogelijk in balans te brengen met de beschikbaarheid van de bestanden, zodat de vissers weer opnieuw op stabiele en grote vangsten kunnen rekenen.

Het door de Commissie gepresenteerde meerjarenplan is ontwikkeld op grond van de ervaringen uit het verleden met het beheer van de kabeljauwvisserij in de Oostzee en op grond van verscheidene raadplegingen met belanghebbenden, lidstaten en wetenschappers. Met het plan wordt beoogd de bestanden te herstellen, niet alleen om biologische veilige grenzen te realiseren, maar om zelfs nog verder te gaan: het doel is om een niveau te bereiken dat instaat voor vangsten met de hoogst mogelijke mate van duurzaamheid, zodat op de lange termijn de betrokken visserijtak gekenmerkt zal worden door stabiliteit. Dit doel kan verwezenlijkt worden door de totaal toegestane vangsten en de visserij-inspanningen stapsgewijs tot de beoogde niveaus te verlagen.

Nu zal ik op het verslag ingaan. De overwegingen in het voorstel komen overeen met de maatregelen die later in het beschikkende gedeelte worden beschreven. Daarom kan ik uitsluitend de amendementen 1 en 5 aanvaarden, die met de bepalingen van het voorstel overeenkomen, zoals het verzoek in de eerste overweging om de status van het oostelijke kabeljauwbestand weer te geven. Amendement 4 is in beginsel aanvaardbaar. De verdeling tussen een westelijk en oostelijk bestand is echter gebaseerd op wetenschappelijk bewijs dat er twee aparte kabeljauwbestanden in de Oostzee bestaan, en niet op de ecologische kenmerken van de twee gebieden.

In het verslag worden diverse amendementen voorgesteld op de regels voor de procedure om de totaal toegestane vangsten en de visserij-inspanning tot een duurzaam niveau terug te brengen. De amendementen 8 tot en met 11 zwakken het reductieproces af en beperken de toepassing ervan.

Gezien de ernst van de situatie met betrekking tot de bestanden en de noodzaak om alle vismethoden waarmee grote hoeveelheden kabeljauw worden gevangen terug te dringen, kan ik deze amendementen niet aanvaarden. Ik ben mij er echter van bewust dat er een systeem moet komen waarmee de bedrijfstak uit de voeten kan. Daarom heeft de Commissie haar voorstel gewijzigd en het vangstverbod in de zomer en de buitengaats doorgebrachte dagen met elkaar gecombineerd. Dit verschaft de bedrijfstak meer flexibiliteit en levert dus vooral voordeel op voor kleinschalige vissersvloten, die een vast en strak systeem moeilijker kunnen hanteren. Bovendien is in het voorstel een artikel over het Europees Fonds voor de visserij opgenomen om de sector financiële compensatie te verlenen.

Dat er wijzigingen in de visserij-inspanning zijn aangebracht, betekent dat meerdere bepalingen betreffende toezicht en surveillance eveneens zijn aangepast. De tolerantiemarge is opgetrokken tot 10 procent, behalve voor kabeljauw, en de regels voor de lossing zijn geschrapt, in overeenstemming met de bepalingen van de amendementen 14 en 16 van het verslag.

Wat betreft amendement 15 zijn de regels voor het binnenvaren en verlaten van het gebied eveneens gewijzigd, wat inhoudt dat de genoemde eisen alleen gelden wanneer het vaartuig het gebied verlaat waarin het heeft gevist.

Omdat onjuiste rapportage momenteel een van de grootste problemen vormt in het beheer van de kabeljauwvisserij in de Oostzee, is het essentieel deze regels te verbeteren om nauwkeurig te kunnen bepalen hoeveel er van welk kabeljauwbestand is gevangen en wanneer. Om soortgelijke redenen kan ik amendement 13 niet aanvaarden, dat de logboekeis beperkt tot vaartuigen met een speciale vergunning voor het vissen op kabeljauw.

In de amendementen 17 tot en met 19 wordt voorgesteld de evaluatieperiode terug te brengen van drie jaar tot twee jaar en een bepaling op te nemen over het toezicht op de sociaaleconomische gevolgen van het plan.

Kabeljauw wordt gemiddeld ongeveer vanaf de leeftijd van twee tot drie jaar gevangen. Als een evaluatie tijdens het tweede jaar begint, wordt het erg moeilijk om de gevolgen voor het bestand en dus voor de bedrijfstak vast te stellen. De Commissie is evenwel bezig met de voorbereiding van een project waarbij niet alleen toezicht wordt gehouden op de ecologische gevolgen van het plan maar ook op de sociaaleconomische gevolgen als een eerste stap naar de effectbeoordeling die moet plaatsvinden in het derde jaar dat het plan in werking is.

Ten slotte wil ik iets zeggen over de amendementen die de heer Schlyter vorige week heeft ingediend. Zij zijn voor de Commissie niet aanvaardbaar, en wel om de volgende redenen. Het doel van de basisverordening voor het gemeenschappelijk visserijbeleid is te zorgen voor duurzaam beheer in ecologische, sociale en economische zin. Daarom is het de taak van de Commissie om te streven naar een evenwicht tussen deze pijlers, al zijn zij primair gebaseerd op wetenschappelijk advies over de bestanden. Ik beschouw een geleidelijke vermindering van de totaal toegestane vangsten en visserij-inspanningen totdat de beoogde niveaus zijn bereikt, dan ook als een adequaat middel om dit evenwicht te bewerkstelligen. Deze aanpak wordt door de ICES geadviseerd.

De ICES heeft ook aangeraden relatieve streefcijfers te hanteren zoals vissterfte in plaats van vaste streefcijfers als biomassa, omdat deze minder gevoelig zijn voor wetenschappelijke onzekerheid en de milieuvariaties die het bestand beïnvloeden.

In de huidige situatie, waarin het beheer en de wetenschappelijke adviezen worden bemoeilijkt door talrijke onjuiste rapportages en wegens de mogelijk aanstaande herziening van de referentiepunten voor de biomassa van het oostelijke bestand, is de opneming van biomassadoelen niet gepast. Omdat het plan echter naar verwachting zal leiden tot een betere basis voor wetenschappelijke informatie, kan de opneming van biomassareferentieniveaus worden overwogen tijdens de herziening van het plan voor het herstel van de kabeljauwbestanden, die moet plaatsvinden nadat het plan drie jaar operationeel is geweest.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Kazimierz Chmielewski (PPE-DE), rapporteur. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de onderhavige verordening van de Raad is een belangrijk en lang verwacht wetgevingsvoorstel waarmee getracht wordt een oplossing te vinden voor de aanzienlijke problemen waarmee de visserij in een van de belangrijkste Europese viswateren nog steeds te kampen heeft. Dit is een goede reden om de auteurs van het document van harte te feliciteren. Zij hebben zich namelijk de moeilijke taak gesteld om een langetermijnprogramma uit te stippelen voor de wederopbouw van de kabeljauwbestanden en voor de visvangst op kabeljauw in de Oostzee. Kabeljauw is een vis die van beslissende betekenis is voor het bestaan van een groot aantal gezinnen. Aangezien het de belangrijkste vis is in de Oostzee, kan de kabeljauw in vissersmilieus op grote belangstelling rekenen. Het advies van het Europees Parlement en de daaropvolgende beslissing van de Raad doen de gemoederen aan de Oostzee hoog oplaaien.

Een verslag dat refereert aan gecontroleerde gegevens, gebaseerd op wetenschappelijke voorspellingen met betrekking tot de ontwikkeling van de kabeljauwbestanden en hun vangstmogelijkheden als inhoudelijk uitgangspunt, bood in deze omstandigheden een unieke mogelijkheid om tevredenstellende compromissen te bereiken. Het was voor de Commissie visserij van cruciaal belang om invloed te kunnen uitoefenen op het wetgevingsvoorstel van de Raad, aangezien het absoluut noodzakelijk was dat in het document rekening werd gehouden met de onvermijdelijke sociaaleconomische gevolgen van de voorgestelde vangstbeperkingen. Het doet me plezier dat de commissaris dat hier heeft vermeld.

Een van de goedgekeurde amendementen werd ingediend door de rapporteur. Het verplicht de Europese Commissie om de sociaaleconomische gevolgen op de voet te volgen en om het Parlement essentiële beheersmaatregelen voor te stellen. Verder werd er een amendement goedgekeurd dat aanbeveelt om de in de verordening opgenomen vermindering van het aantal vangstdagen van 10 tot 8 procent te beperken en om de zogenaamde minimumhoeveelheid waarvoor rapportage verplicht is te verhogen van 100 tot 300 kilo. Ik doel hier uiteraard op de Commissie visserij. Deze commissie heeft tevens ingestemd met het voorstel van de Raad om de tolerantiemarge in de vangstlogboeken van 8 tot 10 procent op te trekken. Hetzelfde geldt voor het voorstel om de toegestane minimumlengte van in de Oostzee gevangen kabeljauw tot 40 centimeter te verhogen.

Men kan zich moeilijk onttrekken aan de indruk dat het in het document vervatte plan sterk beïnvloed werd door de overtuiging dat de kabeljauwvangstvloot in de Oostzee in de huidige staat structureel te groot is, in verhouding tot de totaal toegestane vangst. Op het niveau van de Europese Unie en de afzonderlijke lidstaten ontbreekt het nog steeds aan een voorstel voor een systematische aanpak van dit probleem. Er gaan steeds luidere stemmen op dat we ons krachtig moeten verzetten tegen automatische besluiten tot ontmanteling van de vloot. Het zou beter zijn om oplossingen te vinden die het mogelijk maken om een zekere vangstcapaciteit te behouden tot het moment waarop de bestanden weer zijn opgebouwd. We zullen dan immers behoefte hebben aan iets om mee te gaan vangen.

Ik ben van mening dat de kwestie van de lengte van de zomerperioden die voor visvangst gesloten zijn, vroeg of laat aan de orde zal komen in de discussie over het plan voor de opbouw van de kabeljauwbestanden. Ook de commissaris heeft eerder vandaag naar deze perioden verwezen. Er dient opgemerkt te worden dat in de lidstaten die zoeken naar mogelijkheden om de vangstdruk verder te beperken door de invoering van extra dagen waarop het verboden is om op kabeljauw te vissen, zich de tendens aftekent om in plaats daarvan de voorkeur te geven aan zogenaamde "dagen op zee" en niet op de dusver gebruikelijke perioden die voor de visserij gesloten zijn.

Het wetenschappelijke advies dat de algemene discussie over de verordening van de Raad begeleidde, heeft aangetoond dat het noodzakelijk is om de tot dusver gebruikte beoordeling van biologische referentiepunten opnieuw te bekijken. Ik ben blij dat de commissaris dat hier vandaag heeft aangehaald. We moeten hieraan toevoegen dat geen van de Baltische staten de invoering van de visserijsterftecoëfficiënt ter discussie stelt als een methode om haalbare doelstellingen te definiëren voor het meerjarenplan voor de opbouw van de kabeljauwbestanden in de Oostzee. Ik verwijs hier naar artikel 4 van het plan.

Het lijkt echter onontbeerlijk om een diepgaand debat te voeren over de juiste waarden voor de referentiepunten voor biomassa, in functie van de huidige toestand van de kabeljauwbestanden en van de algemene situatie van het ecosysteem in de Oostzee op dit moment. Dat ligt in de lijn van de verbintenis van de Gemeenschap om een op het ecosysteem gebaseerde aanpak van het visserijbeheer in te voeren. Ik verwijs naar overweging 5 van het verslag. Ik zou willen onderstrepen dat de nu geldende grenswaarden voor biomassa in 1998 zijn aangenomen op basis van gegevens die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zijn verzameld. Zij kunnen dus onmogelijk nog van toepassing zijn voor de huidige toestand van de kabeljauwbestanden.

Tot slotte wil ik nog wijzen op de bedoeling van de eerdere Verordening nr. 2371/2002 van de Raad, waarnaar in het onderhavige document wordt verwezen: het behoud van het voorzorgsbeginsel bij de invoering van fundamentele wijzigingen in het visserijbeleid. Dat gold zowel voor het beheer van de bestanden als voor de evaluatie van de sociaaleconomische impact van de fundamentele beleidsveranderingen op het visserijbeleid. Ook na de toetreding tot de Europese Unie van de vier Baltische staten zou dit beginsel actueel moeten blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Christofer Fjellner (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. - (SV) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Als verantwoordelijke voor de kabeljauwvangst in de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid wil ik om te beginnen mijn beklag doen over het feit dat er zo weinig van onze standpunten in het morgen in stemming te brengen verslag zijn overgenomen. Het is onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er ook in de toekomst kabeljauw in de Oostzee gevangen kan worden. De kabeljauw is er ernstig aan toe. Ondanks de beperkte quota naderen de kabeljauwbestanden de kritische grens. Als we willen verhinderen dat het bestand helemaal instort, hebben we een nog striktere verdeling van de quota nodig. Die quota moeten wetenschappelijk gefundeerd zijn en mogen niet afhangen van lang aanslepende politieke onderhandelingen. Wat de visserij betreft, moet de klemtoon in de eerste plaats liggen op het milieu en de aanpak op de lange termijn, en niet op de kortetermijndoelstellingen van het arbeidsmarktbeleid. Ik vind het jammer dat de Commissie visserij precies andersom redeneert.

Het voorstel van de Commissie voor beperkte visquota is een stap in de goede richting, maar het zal weinig uithalen als we niet op de naleving toezien. Want ook al wordt de kabeljauw op veel manieren bedreigd, de grootste bedreiging is de illegale visvangst. Er wordt beweerd dat tussen de 35 en 45 procent van alle aangelande kabeljauw illegaal gevist is. Het belangrijkste is daarom niet dat er nieuwe regels worden opgesteld maar dat er garanties komen voor de naleving van de bestaande regels. Daarom is het voor mij onbegrijpelijk waarom de Commissie visserij weigert in te stemmen met onder andere mijn eis om de landen die hun ogen sluiten voor de illegale visvangst, met harde hand aan te pakken. Wat het griezeligst van alles is, dat we weten welke landen het zijn.

Ik ben ervan overtuigd dat we op de lange termijn een heel ander systeem voor het visserijbeleid nodig hebben, een systeem dat ervoor zorgt dat de vissers zichzelf verantwoordelijk voelen voor het voortbestaan van de kabeljauw. Een effectief gebleken systeem is dat van de individuele, overdraagbare visquota. Vissers zouden een stimulans moeten krijgen om de verantwoordelijkheid te nemen voor het voortbestaan van de bestanden. Op die manier denk ik dat we een beter visserijbeleid kunnen krijgen in de EU. Zo jammer als het is dat de Commissie visserij zo’n systeem niet lijkt te willen, zo verheugend is het dat de Commissie positief gestemd lijkt te zijn ten aanzien van de invoering van individuele, overdraagbare visquota.

Ter afsluiting wil ik met betrekking tot het verslag van de Commissie visserij nog iets noemen waar ik blij mee ben. Daarin is namelijk mijn voorstel overgenomen om de minimumgrootte van de gevangen kabeljauw te verhogen. Dat geeft de vis meer mogelijkheden om zich voort te planten en zorgt voor een stabieler bestand. Evenmin als mijn collega’s van de Zweedse conservatieven kan ik helaas niet voor het onderhavige verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Heinz Kindermann, namens de PSE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, volgens ICES-studies gaat het kabeljauwbestand in de Oostzee achteruit, en de getroffen vissers eisen vangstvoorwaarden die het hun mogelijk maken om in hun bestaan te blijven voorzien. In het licht daarvan heb ik waardering voor het werk van mijn collega Chmielewski. Hij moest een spagaat maken. Hij was geconfronteerd met enerzijds het voorstel van de Commissie en het vraagstuk van de duurzame visserij en anderzijds de harde eisen van de vissers.

Als duurzaamheid echter meer wil zijn dan een dode letter, moet zij ook duidelijk blijken uit de manier van werken op visserijschepen en uit de persoonlijke houding ten aanzien van wetenschappelijke bepalingen. Het aanvaarden van vangstquota is één aspect, en betekent dat niet alleen de voorgeschreven kadervoorwaarden nageleefd moeten worden, maar dat ook steun gegeven moet worden aan nieuwe maatregelen voor het verbeteren van het bestand, evenals aan efficiënte controle door de lidstaten.

Helaas is de controle van bepaalde lidstaten een zwak punt. Hier zijn er nog genoeg onbenutte reserves. De betrokkenheid van regionale adviesorganen is niet alleen nuttig, maar zelfs dringend noodzakelijk.

Het voorstel van de Commissie gaat dus de goede kant op en de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement geeft dan ook steun aan dit voorstel, evenals aan de inspanningen van de rapporteur om tot een sociaal-economisch evenwicht te komen.

Ik roep de verantwoordelijken op om bij het bepalen van de totale toegestane vangst en quota voor kabeljauw, en bij het uitwerken van maatregelen ter voorkoming van verdere achteruitgang van het kabeljauwbestand, de indicaties van ICES en andere wetenschappelijke instanties serieus te nemen. De Oostzee is een gevoelige zee en dat moeten we bij elke maatregel in het achterhoofd houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin, namens de IND/DEM-fractie. - (SV) Bedankt, mijnheer de Voorzitter. De situatie van de kabeljauw in de Oostzee is zeer ernstig. ICES heeft voor 2007 de aanbeveling gedaan geen kabeljauw meer uit het oostelijke bestand te vissen. Ondanks die aanbeveling zal er een aanzienlijke hoeveelheid gevangen worden. Voor wat betreft het westelijke bestand zal er 30 procent meer gevist worden dan aanbevolen. Daarbij komt nog de niet-gerapporteerde en illegale visvangst. De Commissie visserij probeert het voorstel van de Commissie te verwateren, waarin eigenlijk ook niet wordt gekeken naar de consequenties voor de biologische diversiteit.

Telkens wanneer visserijkwesties in dit Parlement aan de orde zijn, worden de sociaal-economische consequenties van de visvangst genoemd. Natuurlijk kan een visverbod negatieve gevolgen hebben voor de beroepsvissers, maar aan de andere kant houdt leegvissen in dat er binnenkort helemaal geen vis meer is om te vangen. In de tijd van de globalisering moet men flexibel zijn en bereid zijn tot structurele verandering van de maatschappij. Ik zal morgen tegen het voorstel van het Parlement stemmen, ook al vind ik het voorstel van de Commissie evenmin tevredenstellend.

 
  
MPphoto
 
 

  Åsa Westlund (PSE). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ik woon zelf aan de Oostzee en heb daarom altijd van dichtbij kunnen volgen hoe slecht het met de Oostzee gesteld is. Door deze situatie gaat niet alleen de levenskwaliteit van de mensen achteruit, maar wordt - zoals commissaris Borg zelf al zei - de economische ontwikkeling langs de hele kust van de Oostzee bedreigd. Overal in de EU verwachten de burgers van ons dat wij maatregelen treffen om het ecosysteem van onze zeeën te redden. Daarom had ik het liefste gezien dat het Parlement zich achter een visverbod voor kabeljauw had geschaard, zoals de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid had voorgesteld in haar advies. Met een verbod zou het bovendien makkelijker zijn geweest iets te doen aan de door meerdere leden genoemde illegale visvangst. Nu is er hiervoor duidelijk geen meerderheid in het Parlement, maar ik hoop dat er in ieder geval een meerderheid zal zijn voor de amendementen 20 tot en met 22. Een van de daarin opgenomen bepalingen houdt namelijk in dat bij de totaal toegestane vangst het advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee opgevolgd moet worden. Dat zou eigenlijk vanzelfsprekend moeten zijn. Dat wij niet handelen overeenkomstig de voorhanden wetenschappelijke kennis is een van de oorzaken van de bedreiging van de kabeljauw en het huidig ecosysteem van de Oostzee.

 
  
  

VOORZITTER: ADAM BIELAN
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Andres Tarand (PSE). - (FI) De Oostzee is een binnenzee en vanwege haar slechte verbinding met de open zeeën en oceanen is zij een zee met een zeer specifiek karakter. De beperkte wateruitwisseling met de Atlantische Oceaan betekent helaas ook dat de Oostzee zeer kwetsbaar is: de zee heeft niet het vermogen om grote hoeveelheden vervuiling te verdunnen en bovendien herstellen zich de visstanden zeer langzaam na overbevissing.

In de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid hebben wij uitvoerig gesproken over de overbevissing van kabeljauw en de illegale visserij in de Oostzee. De commissie kwam overeen dat de kabeljauwvisserij enige tijd moet worden verboden in het oostelijke deel van de Oostzee, ofwel dat er een visserijsterftecoëfficiënt nul van kracht moet worden. Het doel hiervan is om de kabeljauwbestanden, die in zeer slechte staat verkeren, de gelegenheid te geven zich te herstellen, zodat ze later weer op duurzame wijze kunnen worden geëxploiteerd.

Ik vind het jammer dat de Commissie visserij het fundamentele standpunt van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid inzake de exploitatie van de kabeljauwbestanden in de Oostzee niet in overweging heeft genomen. Het zou ook in het langetermijnbelang van vissers moeten zijn om de visserij een tijdje te staken, zodat de kabeljauwbestanden, die in een kritieke toestand verkeren, zich kunnen herstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, op de eerste plaats wil ik u bedanken voor de vele opmerkingen die er zijn gemaakt. We streven denk ik duidelijk naar hetzelfde doel: de duurzaamheid van de kabeljauwbestanden in de Oostzee, en daarmee de bestaanszekerheid van de vissers in die regio veiligstellen. We kunnen van mening verschillen over de middelen om dit doel te bereiken, maar het lijdt geen twijfel dat we hetzelfde doel nastreven. Over de specifieke opmerkingen wil ik het volgende zeggen.

Op de eerste plaats moeten we regelingen voorstellen voor het beperken van de visserij-inspanning en rekening houden met de kleinschalige visserij, aangezien die 50 procent van de totale vangst voor haar rekening neemt. We zijn echter bereid te kijken naar flexibele mechanismen, zodat zij het plan zonder al te veel rompslomp toe kunnen passen. Ik wil benadrukken dat de oostelijke kabeljauwbestanden en de gemiddelde vangstgrootte de laatste decennia continu zijn afgenomen. Het lijdt daarom geen twijfel dat de toestand van de bestanden zorgwekkend is. Hoewel er natuurlijk rekening gehouden moet worden met de sociaal-economische perspectieven, is met name het herstel van de ecologische toestand van het allerhoogste belang. In dat opzicht wordt een jaarlijkse vangstbeperking van 10 procent beschouwd als een minimum om na te kunnen gaan of er zich ten gevolge van het plan veranderingen voordoen in de ontwikkeling van de bestanden of van de sector. Een minder grote jaarlijkse vangstbeperking zou de sector confronteren met langere periodes van vangstbeperkingen, waardoor het voordeel - grotere en stabielere vangsten - pas later bereikt zou worden. Ook zou het dan onwaarschijnlijk worden dat de MSY-niveaus voor 2015 gehaald worden, wat op grond van de verklaring van Johannesburg wel nodig is.

Tot slot moet benadrukt worden dat de sleutel bij controle ligt, met name in deze visserijtak. We hopen volgende week in de Raad een solide en werkbare oplossing te vinden voor dit probleem.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag plaats.

 

22. Raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor 2008 (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is de gecombineerde behandeling van het verslag (A6-0202/2007) van Ville Itälä, namens de Begrotingscommissie, over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement voor het begrotingsjaar 2008 [2007/2018(BUD)].

 
  
MPphoto
 
 

  Ville Itälä (PPE-DE), rapporteur. - (FI) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik alle coördinatoren, de schaduwrapporteur en de vertegenwoordigers van de verschillende fracties bedanken voor onze uitstekende samenwerking, evenals voor hun wil om compromissen te bewerkstelligen. Dit werd al zichtbaar toen wij onlangs in de plenaire vergadering stemden over de begrotingsrichtsnoeren. Wij bereikten toen een grote meerderheid op alle belangrijke gebieden met betrekking tot algemene kwesties.

Ik wil echter beginnen met te zeggen dat ik hoop dat de Voorzitter mijn opmerkingen over de wijze waarop dit proces vordert aan het Bureau van het Parlement wil doorgeven. Naar mijn mening is het proces niet op de gewenste wijze verlopen, omdat op het moment waarop de Begrotingscommissie over de richtsnoeren stemde, het Bureau van het Parlement over de ramingen stemde die wij vandaag hier behandelen. Hierdoor kan gemakkelijk het beeld ontstaan dat het Bureau zich absoluut niets aantrekt van hetgeen de Begrotingscommissie doet, omdat het Bureau al een stap verder heeft gezet. Dit proces kan in de toekomst niet op deze wijze worden voortgezet. Wij moeten beslist nauwer met elkaar samenwerken en nagaan wat beide organen doen.

Wat de inhoud van de begroting betreft hebben wij het uiterst belangrijke basisprincipe dat al in verband met de richtsnoeren is aangenomen en dat zegt dat de begroting van 2008 op het niveau van 2007 moet blijven. Hier moeten wij natuurlijk het inflatiecijfer bij optellen en de kosten van mogelijke bouwprojecten van aftrekken, die op de lange termijn namelijk een goedkoper alternatief zijn dan huren.

Het lijkt er echter op dat er op dit gebied verschillende projecten worden gezocht die nieuwe uitgavenposten zullen gaan vormen. Wanneer in het voorstel wordt gesproken over gerechtvaardigde behoeften, “justified needs”, dan betekent dat beslist niet dat het voldoende is dat een project aangenaam en leuk is: het moet echt noodzakelijk zijn voor het functioneren van dit Parlement en vanuit het oogpunt van de belastingbetaler.

2008 is het laatste jaar dat dit Parlement de belastingbetaler kan laten zien dat wij echt kunnen bezuinigen en verantwoordelijk kunnen handelen bij de opstelling van de begroting. Wij kunnen aantonen dat wij geen nieuwe projecten beginnen, tenzij ze echt noodzakelijk zijn. Nu er geen sprake is van een uitbreiding of nieuwe talen, moeten deze projecten tot een minimum worden beperkt. Het belangrijkste is echter dat wij de belastingbetaler kunnen laten zien dat dit een verantwoordelijke instelling is. De mensen in Europa en de Europese ondernemingen moeten goed bedenken waar zij hun geld aan uitgeven en moeten elke cent en euro omdraaien. Het Parlement moet het voorbeeld geven en kan niet op een andere manier werken. Anders verdwijnt de geloofwaardigheid, en daarna wordt het veel moeilijker om bepaalde dingen voor elkaar te krijgen, en dan zal het vertrouwen in het Parlement aanzienlijk afnemen. Het is nu dus de juiste tijd vertrouwen te winnen en op verantwoorde wijze te handelen.

Een voorbeeld van het soort zaken waarin wij orde moeten brengen, en van het soort projecten waaraan wij zo nodig geld kunnen besteden, is de aanpassing met betrekking tot vertalingen. Wij moeten waarborgen dat de commissies op tijd vertalingen krijgen, en ik sta achter het voorstel van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement. Hopelijk krijgt het een zo groot mogelijke steun.

Tot slot wil ik over het informatiebeleid spreken. Ik heb voorgesteld om de leden van het Parlement meer mogelijkheden te geven om geld te gebruiken voor het uitnodigen van kleine en lokale media, die niet zelf het geld hebben om journalisten hierheen te sturen. Dit is een manier om zo dicht mogelijk bij de mensen te komen. Ik weet uit ervaring dat deze journalisten met leden van het Parlement willen spreken en willen schrijven wat leden over bepaalde zaken vinden en waarom zij op een bepaalde manier stemmen. Daarom heb ik voorgesteld om rekening te houden met vooral kleine en lokale media, en ik hoop dat hierover een nog grotere consensus te vinden is dan dat er op dit moment tussen de fracties bestaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Maria Iacob-Ridzi, în numele grupului PPE-DE. – În primul rând, aş dori să-l felicit pe domnul Itälä pentru acest raport privind bugetul instituţiei noastre pe 2008.

Parlamentul ia astăzi decizii care afectează aproape 500 de milioane de cetăţeni. Codecizia a devenit regulă generală astfel că, până la 80% din legile adoptate în statele membre reprezintă acte votate în acest for. Responsabilitatea Parlamentului faţă de cetăţeni este mai mare ca niciodată. În consecinţă, toată munca desfăşurată în Parlament trebuie să fie la înălţimea acestei responsabilităţi.

Raportul subliniază că prima din priorităţile pentru 2008 este asigurarea de servicii eficiente pentru membri, în vederea unui proces legislativ eficient. Datorită recomandărilor acestui raport, vom avea traduceri în toate limbile din cele 20 de comisii ale Parlamentului. Mai mult, munca noastră va fi comunicată mai bine printr-un post de televiziune propriu şi va fi creat un program prin care jurnalişti din presa locală şi regională vor putea veni în Parlament pentru a duce informaţia europeană în comunităţile lor. Însă, cea mai importantă resursă a Parlamentului rămân oamenii care lucrează aici. În acest sens, am depus un amendament la raport care vizează tocmai personalul acestei instituţii şi mai exact numărul insuficient de angajaţi din statul pe care-l reprezint.

În urma aderării României şi Bulgariei, Secretariatul general al Parlamentului şi mai mult, practic a decis că un număr egal de agenţi permanenţi, şi anume 113 pentru fiecare din cele două ţări, ar fi necesar în serviciul instituţiei. Aceasta este o problemă pentru că, procentual, mai puţini tineri români pot obţine un post în Parlamentul European deoarece populaţia României este de aproape trei ori mai mare decât cea a Bulgariei. În acelaşi timp, europarlamentarii români de două ori mai mulţi decât cei bulgari, pot conta pe serviciile tehnice ale unui personal insuficient, fapt ce poate afecta eficienţa muncii noastre. O anume proporţionalitate a fost întotdeauna respectată în Instituţiile europene. Parlamentul a ţinut cont în trecut de considerente precum mărimea delegaţiei sau a populaţiei statelor membre, iar Oficiul de personal al Uniunii Europene, EPSO, a scos la concurs anul acesta un număr semnificativ mai mare de posturi pentru cetăţenii români, şi anume 440 faţă de 275. Stimaţi colegi, amendamentul meu doreşte corectarea acestei situaţii anormale, Parlamentul fiind singura instituţie în care această discriminare persistă contrar spiritului democratic ce-i este caracteristic.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Maňka, namens de PSE-Fractie. - (SK) Ik wil de rapporteur feliciteren met zijn verslag en hem bedanken voor de uitstekende samenwerking.

Vorige maand is de Begrotingscommissie toegesproken door marketingdeskundigen, en die waren het er over eens dat WebTV een uitstekend instrument is om de Europese burgers voor te lichten. Het project moet daarom zo snel mogelijk worden afgerond. In de commissie zijn we overeengekomen dat kleine lokale media meer betrokken moeten worden bij de activiteiten van het Europees Parlement. Dit zal de Europese burgers meer bewust maken van het werk van het Europees Parlement.

We verschillen echter van mening over de vraag hoe dit moet gebeuren. Eén opvatting daarbij is dat elk lid geld moeten krijgen, waarmee hij of zij journalisten die voor lokale media werken, kunnen uitnodigen om naar het Europees Parlement te komen. Mijn fractie is niet bereid om deze aanpak te steunen. Daarom dienen we namens de leden van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement een amendement in waarin we voorstellen dat er duidelijke spelregels worden vastgesteld voor de communicatie met lokale en regionale media. Het idee is om aan de ene kant zo veel mogelijk journalisten naar Brussel en Straatsburg te krijgen en aan de andere kant ervoor te zorgen dat onze procedures helder en transparant zijn.

Collega’s, u wilt ongetwijfeld allemaal dat uw werk efficiënt is. U wilt uw kiezers kunnen laten zien dat u de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk gebruikt. Maar het gebeurt vaak dat cruciale documenten die de leden ontvangen voor de debatten in commissies in maar één of twee talen beschikbaar zijn. Als er dan, als gevolg daarvan, een buitengewone commissievergadering moet worden bijeengeroepen, heeft dit een negatief effect op het hele proces, en dit is niet efficiënt. Dames en heren, gezien dit alles vertrouw ik erop dat u uw steun zult geven aan dit amendement, dat gericht is op het voorkomen van dit soort tekortkomingen en van een zinloze stijging van de kosten.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne E. Jensen, namens de ALDE-Fractie. - (DA) Mijnheer de Voorzitter, de ALDE-Fractie steunt de leidraad die de heer Itälä voor de begroting 2008 van het Parlement heeft vastgesteld. De leidraad is dat de begroting moet worden gehandhaafd op het niveau van 2007, na verrekening van de inflatie. De begroting mag niet hoger uitkomen, tenzij daar bijzondere redenen voor zijn. 2008 is immers een consolidatiejaar na de uitbreidingen en de extra kredieten die nodig waren door de uitbreidingen. Nu is het tijd om de puntjes op de i te zetten en na te gaan of er mogelijkheden zijn om effectiever te werken en nieuwe prioriteiten vast te stellen binnen onze administratie. Er zijn uiteraard nieuwe behoeften. Er zijn dingen die beter kunnen. Dat geldt voor tolk- en vertaaldiensten, waarbij de leden niet altijd de service krijgen waar ze behoefte aan hebben, en dat geldt eveneens voor de behoeften aan professionele ondersteuning bij de wetgevingswerkzaamheden, die ook toenemen. Daarnaast moet het Europees Parlement betere communicatiemiddelen ontwikkelen, bijvoorbeeld door middel van web-tv.

De leidraad is dat de middelen voor deze verbeteringen gevonden moeten worden binnen het genoemde begrotingskader. Nu heeft het Bureau evenwel besloten om het voorontwerp voor de ramingen vast te stellen op 1,49 miljard euro, wat overeenkomt met 20 procent van de administratieve uitgaven binnen de EU, en dat is dus het bedrag dat we vastleggen als bovengrens voor de begroting. Tegelijkertijd zijn er in totaal 55 miljoen euro in de reserve opgenomen voor het onroerendgoedbeleid en voor nieuwe beleidsprioriteiten. 10 miljoen euro gaan naar de verkiezingscampagne 2009 en 14 miljoen euro naar onvoorziene uitgaven. Het Bureau van het Parlement geeft echter geen gedetailleerde informatie over welke projecten men in gedachten heeft. De ALDE-Fractie heeft het onroerendgoedbeleid altijd gesteund. Het is prima dat het Parlement gebouwen koopt in plaats van ze te huren, wanneer dat voordeliger is. Wij steunen ook de campagne in de aanloop tot de verkiezingen, maar wij vinden het niet redelijk dat men een begroting voorstelt met zulke grote, niet nader gespecificeerde bedragen. De begroting moet de feitelijke behoeften weerspiegelen en een duidelijk en inzichtelijk beeld geven van de economische situatie in het komende jaar. Daar ligt dus een taak voor de heer Itälä, en ik wens hem veel succes met de onderhandelingen over een meer realistische begroting. Het Parlement heeft hier een voortrekkersrol te vervullen en dient minstens die begrotingsdiscipline te kunnen opbrengen die wij ook van de andere instellingen verwachten en eisen.

 
  
MPphoto
 
 

  Petre Popeangă, în numele grupului ITS. – Apreciez în mod deosebit raportul privind estimarea bugetului de venituri şi cheltuieli pentru exerciţiul financiar 2008 elaborat de Ville Itälä cu un înalt profesionalism, îl susţin şi o să recomand colegilor din grup votarea acestuia.

Separat de aceste consideraţii de ordin general, dar fără a le exclude, o să menţionez câteva aprecieri de natură particulară care nu fac decât să accentueze caracterul consistent al raportului.

Pornind de la ideea că bugetul pentru anul 2008 ar trebui să fie un buget pentru contribuabilul european, am apreciat preocuparea raportorului faţă de necesitatea ca acesta, contribuabilul, să fie informat cât mai în detaliu asupra tuturor activităţilor Parlamentului şi, în special, asupra viitoarelor alegeri europene. În acest sens, deosebit de oportună mi se pare propunerea raportorului privind elaborarea unui program special de informare, al cărui principal destinatar şi beneficiar să fie format, în special, prin structurile media locale de mai mică anvergură. De asemenea, consider că propunerea raportorului privind aprobarea unor surse financiare care să permită realizarea unor întâlniri directe cu ziariştii locali în Parlament este deosebit de valoroasă şi o susţin fără rezerve, deoarece apreciez că este unul dintre cele mai eficiente mijloace de a face cunoscute, direct şi în deplină transparenţă, toate activităţile acestuia.

Din lipsă de timp, o să mă limitez la a mai menţiona un singur aspect din raport şi anume acela al multilingvismului. Sunt întru totul de acord cu raportorul că acestui deosebit de important domeniu trebuie să i se acorde o atenţie particulară, având în vedere posibilele efecte datorate interpretării eronate a textelor ca urmare a unor traduceri mai puţin exacte a acestora. Tot în acest sens, consider că, în special reprezentanţilor noilor state membre trebuie să li se asigure un suport lingvistic corespunzător proporţional cu numărul acestora din diferitele structuri unionale.

 
  
MPphoto
 
 

  Sergej Kozlík (NI). - (SK) Het Europees Parlement is zeker niet goedkoop. De totale kosten - meer dan 1,427 miljard euro - zijn behoorlijk hoog en het is absoluut noodzakelijk dat alle begrotingsposten en uitgaven heel duidelijk worden gerechtvaardigd.

De raming van de ontvangsten en uitgaven van het Europees Parlement in het begrotingsjaar 2008 bevat echter een redelijk aantal onbekenden, en heeft daarom iets van een kat in de zak. In zijn verslag heeft de rapporteur naar mijn mening heel goed een aantal knelpunten vastgesteld, en je kunt het er alleen maar mee eens zijn dat het peil van de verzameloverschrijvingen nogal hoog was.

In 2005 bedroegen de verzameloverschrijvingen in totaal 124 miljoen euro, en in 2006 meer dan 105 miljoen. Dat is bijna 10 procent van alle kredieten. De oproep van het Parlement aan de administratieve diensten om de benodigde kredieten binnen de uitgavengroepen nauwkeuriger te ramen, is daarom zeker op zijn plaats. Ik ben ook ingenomen met het idee om een specifiek programma te ontwikkelen om het bewustzijn met betrekking tot de werkzaamheden van het Europees Parlement te vergroten door kleine lokale media te betrekken bij het systeem. Die media zijn minder gericht op roddel en kunnen de burgers op een goede manier informeren over de besluiten die worden genomen door de Europese instellingen, waaronder het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Ingeborg Gräßle (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, voor wie houden we dit debat eigenlijk en tot wie richten wij ons? Ik ben teleurgesteld dat we hier dingen bespreken die wij al lang besproken hebben. Met welk recht doen we dit eigenlijk, zonder een gesprekspartner te hebben die naar ons luistert? Als de Commissie het zich echter zou permitteren om in afwezigheid van de bevoegde commissaris over haar begroting te spreken, zouden we wel een ander geluid laten horen. Ik ben persoonlijk zeer teleurgesteld over de manier waarop de administratie van het Parlement en ook het Bureau omgaan met de Begrotingscommissie en haar leden.

Ik wil nu graag zeggen wat de belangrijkste boodschap is met betrekking tot de begroting van het Europese Parlement. Welke kernboodschap moeten wij onze kiezers geven? We moeten zeggen dat we ons serieus kwijten van onze taak om voor Europa zo goed, efficiënt en voor onze de kiezers zo zuinig mogelijke wetgeving op te stellen. Daarbij horen ook betere arbeidsvoorwaarden voor de afgevaardigden. Zij moeten in het centrum van de besprekingen staan. Het imago is belangrijk, maar de inhoud van ons beleid is belangrijker dan het uiterlijk en de verpakking. Voor goede inhoud is echter een goede, wetenschappelijke dienst nodig. Anders zijn wij niet in staat om betere wetten op te stellen.

Als voorbereiding op de Europese verkiezingen hebben wij niet enkel een campagne van de administratie nodig, maar moeten ook de afgevaardigden en medewerkers meer mogelijkheden krijgen. Daar hoort een bepaalde mate aan soepelheid bij. Hoe heeft het Europese Parlement het sinds 1 januari 2007 van kracht zijnd Financieel Reglement omgezet, dat herzien is en minder bureaucratie bevat? Ik heb de indruk dat we in dit Parlement nog nooit zo veel papieren rompslomp hadden als nu, en de onduidelijkheid was nooit tevoren zo groot als nu. Het Statuut van de Leden en het pensioenfonds zijn nog niet geregeld. Ik vraag de administratie van het Parlement om hiervoor een gepaste oplossing te vinden, in plaats van hoogdravende plannen te maken voor een interparlementaire topbijeenkomst of de bouw van een museum. Ik verheug me nu al op de web-tv. Dan zal te zien zijn hoe weinig collega’s deelnemen aan de werkzaamheden van dit Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Paulo Casaca (PSE). - (PT) Ik wil me graag aansluiten bij hetgeen mevrouw Gräßle heeft gezegd. Daarom zeg ik u, mijnheer de Voorzitter, dat we niet opnieuw over de begroting mogen gaan debatteren als er geen enkele vertegenwoordiger van de structuur van het Parlement aanwezig is om ons aan te horen. Dat is een onvergeeflijk verzuim, en ik hoop maar dat dit niet opnieuw zal gebeuren.

Ik wil verder graag zeggen dat ik me zorgen maak over de wijze waarop de vertaalsector wordt behandeld. Ik begrijp niet hoe het mogelijk is dat mensen die al 10 of 12 jaar normaal hebben gewerkt nu opeens te horen krijgen dat ze geen werk meer krijgen, omdat ze het contract dat ze normaliter in december ontvangen ditmaal niet gekregen hebben. Het is geen manier om mensen zo te behandelen. Het staat bovendien haaks op de beginselen van een sociaal Europa. Ik wil daarom graag zeggen dat deze manier van doen onaanvaardbaar is en ik vraag u, mijnheer de Voorzitter, om deze boodschap aan de secretaris-generaal door te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil onze collega bedanken voor zijn verslag, maar ik sluit me volledig aan bij de opmerkingen die Anne Jensen hierover maakte.

Ik wilde vanavond ingaan op een van de, in mijn ogen, wezenlijke punten die in dit verslag aan de orde komen: het voorlichtingsbeleid, dat het mogelijk maakt doeltreffend te communiceren met de half miljard burgers die wij inmiddels zijn. In dit opzicht wil ik op mijn beurt zeggen dat ik mij volledig schaar achter de kredieten voor het nieuwe beleid ter bevordering van lokale media. Dat neemt niet weg, dames en heren, dat we een nieuw soort Europees openbaar debat op gang moeten brengen, een debat dat over de landsgrenzen heen gaat en in heel Europa navolging kan vinden. Daartoe moeten we drie grote projecten ter hand nemen.

Ten eerste, de televisiezender van het Europees Parlement op internet moet snel werkelijkheid worden, zodat we dichter bij onze medeburgers komen en ons werk inzichtelijker wordt. Ten tweede moeten we alle nieuwe communicatiemiddelen gebruiken. Zo organiseer ik vanuit Brussel een discussieforum op internet met leerlingen uit Dijon in het kader van een Frans-Duits project. Ten derde zou ik, bij wijze van kritische kanttekening, willen zeggen dat de totstandbrenging van een bezoekerscentrum in Brussel niet mag verhullen dat er te weinig faciliteiten zijn voor groepen die de plenaire vergaderingen van het Europees Parlement in Straatsburg bezoeken, en daar moeten we over nadenken.

 
  
MPphoto
 
 

  Hans-Peter Martin (NI). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, ook ik vind het jammer dat er zo weinig belangstelling is voor wat hier besproken wordt, maar waarschijnlijk heb ik daar andere redenen voor dan de meeste onder u. U mag namelijk blij zijn dat zo weinig mensen te weten komen wat hier weer wordt voorgesteld! Ik ben er van overtuigd dat er op de hele wereld geen andere plaats te vinden is waar men voor zo weinig werk zo veel krijgt als in het Europese Parlement, of het nu als afgevaardigde of als ambtenaar is.

Als u het eens van naderbij bekijkt, ziet u om welke verspilling het gaat: een verhoging met 60 procent van de post voor onvoorziene uitgaven, een explosie bij de verbouwing: van 17 miljoen naar 27 miljoen, met name van de kosten voor architecten en ingenieurs. Ik ben er van overtuigd dat de rapporteur, die me nu net toeknikt, op een redelijke manier geprobeerd heeft daar het deksel op te houden, maar de grote fracties en de meerderheid hier laten hem zijn gang niet gaan!

Ik weet niet waar u vandaan komt, en ik weet ook niet of ik er nog in zal slagen om u ooit nog eens het gevoel terug te geven waarmee u vroeger misschien in de politiek bent gegaan, namelijk het gevoel van idealisme, dat ik niemand wil ontzeggen. Maar wat doen we hier met die 1,5 miljard? Iedereen weet toch dat we met de helft ook zouden toekomen. Maar dat wil men niet. Men verspilt liever middelen. Dan zegt mevrouw Gräßle nog dat ze meer medewerkers wil. Degene hier die waarschijnlijk als enige massaal kritiek krijgt, krijgt niet eens een medewerker! Ik zeg u: als de burger echt zou weten wat hier gaande was, zou dit Parlement niet meer als democratisch Parlement bekeken worden maar als een bolwerk van willekeur en verspilling!

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik vind dit debat in het Parlement heel zinvol. Hier zitten degenen die verantwoordelijkheid dragen. Ik geloof dat het belangrijk is om baas in eigen huis te zijn, en daar horen ook gepaste arbeidsvoorwaarden bij.

Wanneer ik bedenk dat we de vergaderdocumenten in het Parlement in gedrukte vorm mee naar de plenaire zaal moeten nemen, dan moet ik zeggen dat onze werkmethoden niet modern zijn. Eigenlijk zou het vanzelfsprekend moeten zijn dat wij op onze werkplek de nodige computeruitrusting met internettoegang hadden, om ook in de plenaire zaal goed en grondig te kunnen werken.

Bovendien zijn er in dit gebouw bijvoorbeeld niet voldoende lokalen voor besprekingen. Wanneer we nu burgers van thuis ontvangen en met hen een echte discussie willen voeren, hebben we eigenlijk geen ruimte waar zeven, acht, negen of tien personen plaats kunnen nemen. We moeten dus iets doen om onze arbeidsvoorwaarden te verbeteren.

Het zou ook nuttig zijn om het publiek te laten zien hoe de individuele leden van dit Parlement werken. Het zou geen kwaad kunnen indien wij nu een uitzending via de web-tv hadden en morgen de kijkcijfers bij elk agendapunt konden zien. Dan zou heel duidelijk worden dat de Europese burgers zeker belangstelling hebben voor wat hier in het Parlement gebeurt.

Daarom is het ook belangrijk een brede kring van journalisten aan te spreken. Ik heb veel waardering voor onze correspondenten in Brussel, maar er moet nog veel meer worden gedaan - ook in het kader van opleidings- en vormingsprogramma’s voor journalisten in Europa - om een objectievere kijk op en een eerlijkere beoordeling van de Europese Unie te kweken.

 
  
MPphoto
 
 

  Szabolcs Fazakas (PSE). - (HU) Het Europees Parlement heeft de laatste tijd, tot ons aller vreugde, een steeds prominentere rol vervuld in de samenwerking tussen de Europese instellingen, en daarnaast heeft het in de Europese publieke opinie steeds grotere erkenning verworven. Dit alles is behalve aan ons, op politieke en professionele leest geschoeid wetgevend werk in de eerste plaats te danken aan ons succesvol informatiebeleid.

Als wij er echter voor willen zorgen dat ons informatiebeleid - dat zich naast Web-tv bezighoudt met de ontvangst van groepen bezoekers, het organiseren van tentoonstellingen en het opzetten van informatiecentra in de lidstaten - het verwachte resultaat kan behalen, is het noodzakelijk deze beleidsvormen te voorzien van de juiste gelden, oftewel de juiste begrotingsmiddelen.

Enerzijds als verantwoordelijke quaestor voor deze portefeuille, anderzijds als lid van de Begrotingscommissie hoop ik dat het Europees Parlement een unaniem standpunt kan innemen in deze financieringskwestie, waarmee ons beleid op succesvolle wijze kan worden verwezenlijkt. Dit is namelijk niet alleen belangrijk voor het Europees Parlement maar ook voor de publieke opinie in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur graag bedanken voor zijn werk. Ik hoop dat de collega’s zijn eerste opmerkingen hebben gehoord, toen hij zei dat het hem stoorde dat het Bureau ons een stap voor was. Dat is denk ik genoteerd. In andere gevallen zouden we graag zien dat het Bureau ons een stap voor was, en dan gebeurt dat niet, maar hier zou het het Parlement niet voor de voeten mogen lopen.

Ik wil het specifiek hebben over het informatiebeleid, want ik stond zelf ooit ‘in de loopgraven’. In een vorig leven was ik een van de journalisten die naar het Parlement gehaald werden. We zouden er goed aan doen te onderzoeken waarom de dingen in het verleden verkeerd zijn uitgepakt. Dan kunnen wij ervoor zorgen dat we geen geld meer uitgeven aan dezelfde fouten. Ik ben het ermee eens om lokale journalisten hier naartoe te halen, maar net als politiek is nieuws altijd lokaal, en voor de leden van dit Parlement is het heidens karwei om die dikke documenten te vertalen in echte verhalen die de mensen echt raken. Als we dat niet kunnen, dan moeten we geen journalisten naar Brussel halen. We moeten echter wel proberen dat volgend jaar te doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – Dat fiind faptul că România şi Bulgaria sunt cele mai noi membre ale Uniunii Europene, consider că este important ca posturile aferente acestor ţări să fie ocupate prin concurs cât mai curând şi, de asemenea, că este necesar să existe un buget pentru informarea jurnaliştilor specializaţi din mass-media naţională cu privire la rolul si atribuţiile Parlamentului European.

Un rol important îl au birourile de informare ale Parlamentului, care trebuie să aibă resursele financiare necesare pentru a prezenta şi promova Parlamentul European la nivel naţional. Parlamentul European în 2008 trebuie să asigure o mai bună legiferare şi comunicare către public a beneficiilor aduse de politica comunitară. Din păcate, pentru mulţi cetăţeni ai statelor membre, Bruxelles înseamnă mai multă birocraţie, iar acţiunile în beneficiul cetăţenilor sunt mai puţin cunoscute. Avem datoria să schimbăm această percepţie. Bugetul Parlamentului European pentru 2008 trebuie să asigure servicii de traducere pentru toate întâlnirile oficiale, în toate limbile naţionale ale participanţilor, precum şi resursele necesare pentru o politică de informare şi comunicare eficientă - mă refer în special la modernizarea sistemelor informatice, la finanţarea programului Web TV şi a centrului audio-vizual. Felicit raportorul.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag plaats.

 

23. Specifieke voorschriften voor de sector groenten en fruit (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0183/2007) van María Isabel Salinas García, namens de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de sector groenten en fruit en tot wijziging van bepaalde verordeningen [COM(2007)0017 - C6-0075/2007 - 2007/0012(CNS)].

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, we zijn nu in de laatste en beslissende fase aanbeland van de goedkeuring van de hervorming van groenten- en fruitsector. We hebben deze discussie op 24 januari 2007 opgestart, en sindsdien hebben we veel waardevolle inbreng ontvangen, niet in de laatste plaats van het Europees Parlement en het verslag van mevrouw Salinas García. Ik dank u hiervoor, evenals voor uw constante steun voor de algemene doelstellingen en de algemene beginselen van het voorstel van de Commissie.

Inhakend op de inhoud van uw advies wil ik me toespitsen op enkele onderwerpen waar u in het bijzonder aandacht aan heeft geschonken.

Ten eerste is het ten aanzien van de telersverenigingen duidelijk dat zowel de Commissie als het Parlement van mening zijn dat telersverenigingen gehandhaafd moeten blijven en zelfs versterkt moeten worden om de concentratiegraad van het aanbod te vergroten. Dat is absoluut van fundamenteel belang, wil de sector tegemoet komen aan de hoge mate van concentratie die we dezer dagen in de detailhandel waarnemen. Zoals u weet, hebben we een aantal initiatieven voorgesteld om onze telersverenigingen veel aantrekkelijker te maken. We hebben extra communautaire financiering van 60 procent voorgesteld: ten eerste voor fusies tussen telersverenigingen en groeperingen van telersverenigingen, ten tweede voor regio’s waar de concentratiegraad van het aanbod van telersverenigingen onder de 20 procent ligt, ten derde voor de biologische landbouw, ten vierde voor de nieuwe lidstaten en tot slot voor de ultraperifere regio’s.

Ik besef dat u meer maatregelen in de aanvullende communautaire steun van 60 procent voor de operationele middelen had willen opnemen, zoals gezamenlijke maatregelen van telersverenigingen of geïntegreerde productie. Wat we hebben voorgesteld, zal echter al een groot verschil uitmaken. Ik wil het in eerste instantie bij deze maatregelen houden. Zoals u ongetwijfeld weet, moeten we ook oog hebben voor de begrotingsbeperkingen.

Ik ben het met u eens dat crisispreventie en -beheer een van de meest gevoelige punten van de hervorming is en ik wil u danken voor de ideeën die u in uw advies heeft voorgesteld. Het voorstel voor een apart fonds voor crisisbeheer, of voor een definitie van wat we nu precies met een ‘crisis’ bedoelen, kan ik niet aanvaarden. Een apart fonds zou een aanzienlijke stijging van de begroting met zich meebrengen en bovendien niet bijdragen aan verdere vereenvoudiging.

Een percentage van de nationale reserve aanwenden voor crisisbeheer is evenmin aanvaardbaar. De nationale reserve was helemaal in het begin in het leven geroepen om tegemoet te komen aan bijzondere omstandigheden in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, en het is ongepast om dat budget aan andere doelen of maatregelen te besteden.

Ik begrijp echter uw oproep tot meer flexibiliteit om het crisisbeheer te vergemakkelijken. In plaats van een compleet gescheiden structuur op te zetten, zou ik daarom ernstig moeten overwegen om meer flexibiliteit in te bouwen in de structuur die in ons oorspronkelijke Commissievoorstel werd voorgesteld. Zo wordt het stelsel zo efficiënt mogelijk en kunnen scherpe prijsdalingen vermeden worden. Ik wil echter onderstrepen dat elke wijziging van het huidige voorstel ook moet passen binnen de begrotingsbeperkingen en vereenvoudiging in de hand moet werken.

U heeft verzocht om een facultatieve overgangsperiode voor de opname van groenten en fruit voor verwerking in de bedrijfstoeslagregeling, met name voor tomaten. U bent ook voorstander van een afzonderlijke betaling voor tomaten van historische producenten in de nieuwe lidstaten. Ik ben bereid een korte overgangsperiode te aanvaarden, waarin lidstaten mogen beslissen steun per hectare toe te kennen. Men dient echter voor ogen te houden dat volledige ontkoppeling zowel de noodzakelijke voorwaarde als het einddoel is: uiteindelijk moet er dus volledig ontkoppeld worden.

Ik besef ook dat de sector zacht fruit moeilijke tijden doormaakt. Uit de analyse van de Commissie is gebleken dat de versnippering van zowel productie als afzet heeft bijgedragen tot de problemen waar de zachtfruitsector de laatste jaren mee kampt.

Op basis van dit verslag zijn we van mening dat we dit probleem het beste kunnen aanpakken door via stimuleringsmaatregelen het aantal telersverenigingen in de nieuwe lidstaten te verhogen, wat we in ons oorspronkelijke voorstel hebben gedaan. Rekening houdend met de gevoeligheden van de zachtfruitsector, ben ik bereid kleine gerichte steun te overwegen, maar het moet glashelder zijn dat deze steun tijdelijk moet zijn en tot bepaalde producten beperkt moet worden.

Tot slot ben ik het met u eens dat afzetbevordering van groenten en fruit niet alleen voor het landbouwbeleid maar ook voor het gezondheids- en consumentenbeleid een punt van grote zorg is. We produceren genoeg kwalitatief hoogstaande groenten en fruit in de Europese Unie, maar onze burgers eten er niet genoeg van, met toenemende gevolgen voor hun gezondheid. Ik zou voorstander zijn van een programma voor fruit op school, dat uitgevoerd kan worden overeenkomstig het standpunt dat de Commissie op 13 mei 2007 heeft ingenomen in het Witboek over een EU-strategie voor aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties. Voordat we dat doen, moeten we echter de nodige effectenbeoordelingen van een dergelijke maatregel laten uitvoeren. Ik heb mijn diensten gevraagd daar onmiddellijk mee te beginnen.

Dit zijn mijn eerste opmerkingen en ik kijk uit naar een constructieve discussie met de geachte leden van het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  María Isabel Salinas García (PSE), rapporteur. - (ES) Mevrouw de commissaris, in de eerste plaats wil ik u bedanken niet alleen voor uw aanwezigheid hier vandaag, maar ook voor uw bereidheid om met mij samen te werken.

We staan voor de hervorming van een zeer belangrijke sector, die u ook zeer goed kent. Deze sector vertegenwoordigt 17 procent van onze eindlandbouwproductie, hoewel er maar ongeveer 3 procent van de steun naar toe gaat.

Het is waar dat de sector die we vandaag bespreken, een heel dynamische sector is. Maar het is ook een kwetsbare sector, met structurele problemen, een sector die te maken heeft met een groeiende druk van buitenaf en ook vanuit het grootwinkelbedrijf.

Het verslag waarover we vandaag debatteren en morgen zullen stemmen, is het resultaat van langdurige arbeid. Het is een open verslag, net zoals de opstelling van dit Parlement tegenover de Commissie, in mijn ogen, altijd open is geweest; we zijn altijd op zoek geweest naar een akkoord. Tegelijk moet echter worden gezegd dat dit een realistisch verslag is.

Het verslag is ingewikkeld, want we hebben het over veertig verschillende producten voor zevenentwintig landen. Het is niet voor niets dat er 380 amendementen op zijn ingediend in de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, maar daarbij moet wel worden vermeld dat er maar twee tegenstemmen waren.

Wij vinden zeker niet alles in het voorstel van de Commissie negatief. Ik denk dat het heel belangrijk is dat de telersverenigingen van het begin af aan als de hoeksteen van de hervorming worden beschouwd. Maar wel is het zo dat er in het Parlement, in de hele sector van de Europese Unie, problemen zijn gesignaleerd die we in alle lidstaten als speerpunten van de hervorming beschouwen.

In de eerste plaats de ontkoppeling van de steun voor verwerkte producten, waar de commissaris terecht op heeft gewezen. Het tweede probleem is de opheffing van het verbod om fruit en groenten te verbouwen op grond die in aanmerking komt voor de bedrijfstoeslagregeling, en vooral - daar blijven we vanuit het Parlement op hameren - de afwezigheid van een echt mechanisme voor crisisbeheer.

Ik denk dat het Europees Parlement zich zeer heeft ingespannen om consensus en overeenstemming te bereiken over deze drie onderwerpen.

In de eerste plaats zijn we voor het in stand houden van de huidige handelsnormen. Het is waar dat deze enigszins zouden moeten worden vereenvoudigd, maar we zijn voor het behoud van deze handelsnormen.

Het Parlement heeft zich uitgesproken, en zal zich morgen uitspreken, tegen het opheffen van het verbod om fruit en groenten te verbouwen op voor de bedrijfstoeslagregeling in aanmerking komende grond, op zijn minst totdat de Commissie een effectbeoordeling heeft gemaakt, zoals het Hof van Justitie heeft geëist.

We vragen om versterking van de telersverenigingen, in de reeds genoemde zin: het financieringsplafond moet worden opgetrokken tot 6 procent. En in de gevallen waarin het steunpercentage wordt verhoogd met 60 procent, zal - zoals de commissaris heel terecht opmerkte - hopelijk rekening worden gehouden met een aantal verzoeken, zoals het verzoek met betrekking tot geïntegreerde productie of aanduidingen van herkomst.

Waar we wel een goed compromis over hebben bereikt, is het garantiefonds voor crisisbeheer. Dat is namelijk heel belangrijk, omdat het om een kwetsbare sector gaat,.

Na u te hebben beluisterd denk ik dat dit nu het onderwerp is waarover het standpunt van de Commissie het meest verschilt van het - vrijwel unanieme - standpunt van het Parlement.

We hebben steun toegezegd - en dat doen we nog steeds - aan dat garantiefonds voor crisisbeheer, dat moet openstaan voor alle telers - ook voor de niet-aangesloten telers - en voor tweederde moet worden gefinancierd door de Europese Unie en voor een derde door de telersverenigingen.

We dringen ook aan op de oprichting van een observatiepost voor de prijzen. De toekomst van deze sector wordt gevormd door de markt, niet door subsidies. En we moeten over betrouwbare en actuele informatie beschikken met betrekking tot de ontwikkeling van de markten.

Tot slot doet het me genoegen om te horen dat met betrekking tot de ontkoppeling eindelijk de mogelijkheid van een overgangsperiode in zicht is. Er zijn enkele producten met een dubbel gebruik, zoals de tomaat en de citrusvruchten, maar met het oorspronkelijke voorstel bestaat het gevaar dat de productie met een dubbel gebruik volledig wordt opgegeven.

Daarom zetten wij duidelijk in op een overgangsperiode, en we hopen dat die niet zo kort wordt als hier vanavond is gezegd, maar lang genoeg zal duren om de sector de gelegenheid te geven zich verder aan de bedrijfstoeslagregeling aan te passen.

Ik denk dat deze vrijwillige overgangsperiode een vorm van gedeeltelijke ontkoppeling mogelijk maakt, bij wijze van overgangsmaatregel.

Ook houden wij vast aan de noodzaak om de steun voor zacht fruit te versterken. Ik heb met genoegen gehoord wat u hierover zei, want mijns inziens is hier duidelijk behoefte aan, zoals het Parlement duidelijk heeft aangegeven en de Commissie heeft overwogen.

Tot slot wil ik iedereen bedanken die mij tijdens dit jaar heeft geholpen. Ik dank de schaduwrapporteurs en alle ambtenaren van de Europese Commissie voor hun bijdragen en voor hun samenwerking met mij. Ik dank tevens het secretariaat van de commissie, en verder iedereen, want ik denk dat het verslag waarover we morgen zullen stemmen, en dat het resultaat is van een brede consensus, ook is verrijkt door de bijdragen van de andere fracties en de hele samenleving.

 
  
MPphoto
 
 

  Esther Herranz García, namens de PPE-DE-Fractie. - (ES) Dames en heren, geachte collega’s, de groenten- en fruitsector is tegenwoordig een van de meest dynamische sectoren van de Europese landbouw, vooral dankzij de inspanningen die de producenten, de telers, zelf hebben verricht om hun afzetkanalen uit te breiden, de kwaliteit van hun producten te verbeteren en het aanbod te concentreren.

Er kan absoluut niet worden gezegd dat de groenten- en fruitsector op enigerlei wijze afhankelijk is van de steun uit Brussel. De sector loopt zelfs voorop in een zeer agressieve markt, omdat er door iedereen hard wordt gewerkt, en het geld dat de sector ontvangt vertegenwoordigt niet meer dan 1 procent van de omzet van de telers.

Een grote meerderheid van de producenten vraagt op dit moment niet om subsidies of om steun voor vervroegde uittreding. Wat ze nu van ons vragen en eisen zijn mechanismen om de problemen die zich nu voordoen, en die in de toekomst alleen maar ernstiger zullen worden, het hoofd te kunnen bieden.

Het is bekend - en als dat niet zo is herinner ik iedereen er nog maar eens aan - dat de groenten- en fruitsector als wisselgeld dient tijdens de landbouwonderhandelingen tussen de Europese Unie en de Wereldhandelsorganisatie.

In de toekomst zal de druk op de markt alleen maar sterker worden, naarmate de nu nog bestaande tariefbarrières worden afgebroken.

Ik wil de lidstaten daarom oproepen om, met het oog op de hervorming van de sector die de Landbouwraad volgende week waarschijnlijk zal aannemen, goede mechanismen voor crisisbeheer te ontwikkelen.

Crisisbeheer is, zoals de rapporteur vandaag heeft gezegd en velen van u ook weten en erkennen, in de mode, en het zal in de toekomst ook een belangrijk onderwerp worden in alle andere sectoren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, als gevolg van de ontmanteling van de interventiemaatregelen.

In het geval van groenten en fruit gaat het echter ook nog eens om een probleem dat dringend moet worden opgelost, vanwege de sterke concurrentie uit derde landen en ook vanwege de druk vanuit het grootwinkelbedrijf.

Er moet een creatieve oplossing gevonden worden, waarmee de sector de kritieke periode die in het verschiet ligt, het hoofd kan bieden. Dit Parlement geeft daar een antwoord op met het verslag van mevrouw Salinas.

Daarbij gaat het om een specifiek fonds voor ernstige crises, dat bedoeld is om bepaalde maatregelen in gang te zetten, zoals de oprichting van onderlinge fondsen waar de hele sector toegang toe zou hebben. Dat zou een zeer positieve stap zijn, waarbij we echter wel moeten opletten dat we niet afwijken van wat tot nu toe de norm was, namelijk medeverantwoordelijkheid voor de producent.

Ik denk dat als het gaat om de toekomst van de groenten- en fruitsector, in dit verslag een vorm van crisisbeheer wordt voorgesteld die een voortrekkersrol zal vervullen en in de toekomst door andere sectoren zal moeten worden gekopieerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogdan Golik, namens de PSE-Fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit is een van de laatste hervormingen die we nog tot een goed einde moeten brengen. Deze hervorming maakte geen deel uit van de hervorming van 2003. Het is tegelijkertijd een van de belangrijkste markthervormingen binnen de huidige financiële vooruitzichten. Ik zou de rapporteur, mevrouw Salinas García, van harte willen bedanken voor haar erg objectieve verslag, dat talrijke kwesties onder de aandacht brengt, kwesties die zowel voor de oude als voor de nieuwe lidstaten van wezenlijk belang zijn.

Aangezien mijn collega al uitvoerig ingegaan is op alle punten die wij als Parlement aan de orde wilden stellen, zal ik me beperken tot de sector van zacht fruit, die een zeer belangrijke rol speelt in de nieuwe lidstaten. De hervorming moet deze sector werkzame oplossingen aanreiken. We moeten er daarbij rekening mee houden dat het van cruciaal belang is dat we verzekeren dat het telen van dit fruit rendabel blijft in de Europese Gemeenschap en dat de fruittelers in de Gemeenschap een behoorlijk inkomen kunnen verdienen met hun werk. Zacht fruit is een gevoelig product en moet daarom op dezelfde manier behandeld worden als alle andere communautaire producten die we als gevoelig beschouwen.

Het is noodzakelijk dat we, naast de financiële middelen in het kader van het SAPS-systeem, nog andere betalingen invoeren voor de sector van zacht fruit, die dan uitsluitend bestemd zouden zijn voor de telers van zacht fruit. Bijstand in de vorm van afzonderlijke areaalsteun zou niet alleen tot herstructureringen leiden, maar ook de doeltreffendheid en het concurrentievermogen van deze sector ten goede komen. Als gevolg daarvan zullen ook de inkomens van de telers van zacht fruit stabieler worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Mulder, namens de ALDE-Fractie. - Voorzitter, namens de ALDE-Fractie in de eerste plaats onze dank aan de rapporteur. Ik bewonder haar dat ze een weg heeft gevonden doorheen de vele amendementen die zijn ingediend. Wij kunnen als ALDE-Fractie in grote lijnen het resultaat ondersteunen en dat betekent dat wij ook in grote lijnen de voorstellen van de Commissie kunnen ondersteunen. De producentenorganisaties versterken is een goede zaak. De markt van tuinbouwproducten wordt steeds meer beheerst door grote supermarkten en andere handelsorganisaties en het is nodig dat producenten zich verenigen om een tegengewicht daarvoor te vormen.

Het grootste deel van de ALDE-Fractie verschilt van mening met de rapporteur en met de landbouwcommissie over het nu al veelbesproken crisisfonds en crisismanagement in het algemeen. Wij denken dat de voorstellen van de Commissie beter zijn. In de eerste plaats zou ook ik niet weten waar het geld vandaan zou moeten komen. Maar ook op lange termijn is het onmogelijk te veronderstellen dat eender welke overheid verantwoordelijk zou kunnen zijn voor crisismanagement. Er zal altijd een bijdrage van de overheid zijn- daarin is voorzien - maar de voornaamste verantwoordelijkheid zal moeten liggen bij de producenten. Als wij het bovendien aanmoedigen dat crisismanagement via de producentenorganisatie gebeurt, dan zal dat ook meer leden aantrekken en dan zal dat tegelijkertijd ook kunnen betekenen dat de macht van de producentenorganisaties tegenover de handelaren en de supermarkten wordt versterkt. Dus op dat punt zullen wij anders stemmen dan de landbouwcommissie heeft voorgesteld.

Ik zou nogmaals een lans willen breken voor een kwaliteitsbeleid. De commissaris weet dat dat het onderwerp is dat mij zeer na aan het hart ligt. Ik ben na de laatste conferentie over dit onderwerp niet helemaal optimistisch vertrokken, maar ik ben wel aangemoedigd door het feit dat een amendement betreffende de noodzaak van een kwaliteitslabel voor tuinbouwproducten van de ALDE-Fractie in de landbouwcommissie unaniem is aangenomen door alle partijen. Dat is vrij uniek. Dus misschien dat de commissaris met die steun uit de landbouwcommissie nog eens kan nadenken over een kwaliteitsbeleid voor bepaalde landbouwproducten, want wij denken nog steeds dat het nodig is.

Ik weet niet wat de laatste ontwikkelingen zijn op het gebied van schoolfruit, maar wij vonden de gedachte van de commissaris op dit punt sympathiek.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Wojciechowski, namens de UEN-Fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, naar mijn mening is deze hervorming gerechtvaardigd, maar ook onrechtvaardig. De beginselen die vijf jaar geleden in Kopenhagen zijn vastgelegd, zijn nadelig voor de nieuwe lidstaten. Toen werd overeengekomen dat de landbouwers uit de nieuwe lidstaten zich tevreden moesten stellen met enkele keren minder steun dan hun collega’s uit de oude Europese Unie. Wij hebben destijds met deze maatregel ingestemd in de hoop dat we vroeg of laat op voet van gelijkheid behandeld zouden worden.

De opeenvolgende hervormingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid hebben de opdeling in meer en minder bevoorrechte landen in stand gehouden. De hervorming van de groenten- en fruitmarkt is hiervan een duidelijk voorbeeld. De oude Europese Unie heeft in het verleden honderden miljoenen euro ontvangen en dat zal ook in de toekomst zo blijven. De nieuwe lidstaten van de Unie kregen daarentegen slechts symbolische bedragen. Staat u mij toe dat ik de volgende vraag stel: hoe zit het met de reële hulp voor de telers van zacht fruit in de nieuwe lidstaten? Waarom heeft de Commissie niet gereageerd op de resolutie van het Europees Parlement van oktober 2006?

Er is heel wat gezegd over de steun voor de Europese Grondwet en over het gevaar dat het gebrek daaraan tot het ontstaan van een Europa met twee snelheden zal leiden. Wat de landbouw betreft, hebben we dat Europa met twee klassen al lang. Enerzijds is er de bevoorrechte oude Unie die de status in stand probeert te houden die ze in het verleden voor zichzelf heeft gecreëerd en anderzijds hebben we de minder bevoorrechte nieuwe Unie die van een gelijke behandeling alleen maar kan dromen.

Wij hebben een amendement ingediend dat voorstelt om kersen en appels voor verwerking op te nemen in de hervorming van de productie van zacht fruit, in combinatie met een verhoging van de nationale kredieten met 148 miljoen euro. Ik zou het Europees Parlement willen vragen om dit amendement te steunen. Voor de Europese Unie als geheel is dit slechts een onbeduidend bedrag. Het is echter een principiële kwestie, geen kwestie van geld. Er moet een einde komen aan deze opdeling in eerste- en tweederangs lidstaten. Wij respecteren de toetredingsverdragen, maar zijn tegelijkertijd van mening dat er nieuwe beginselen moeten worden ingevoerd die de opdeling in vijftien meer en twaalf minder begunstigde lidstaten overstijgen. Alle zevenentwintig lidstaten moeten dezelfde rechten kunnen genieten. Als Fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten - waarvan afgevaardigden uit zowel oude als nieuwe lidstaten lid zijn - dringen wij daar vastberaden op aan. Wij willen een hervorming die niet alleen gerechtvaardigd, maar ook rechtvaardig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Vincenzo Aita, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik dank op mijn beurt vooral de commissaris en de rapporteur voor het verslag dat wij thans in deze vergadering behandelen, maar mijn fractie kan hier moeilijk voor stemmen, vanwege twee aspecten die ik nu nader toelicht.

Ten eerste kan door deze hervorming - die zo belangrijk is voor een sector die werk biedt aan duizenden, zo niet miljoenen mensen in de landbouw en de verwerkingsindustrie - het scenario drastisch worden veranderd, zodra wij de beschikking krijgen over richtlijnen inzake klimaatverandering. Europa stevent weliswaar terecht af op een uitbreiding van alternatieve productievormen - biodiesel, biobrandstoffen, productie van biomassa uit hout - maar dit houdt wel in dat miljoenen hectares onttrokken worden aan de landbouw- en voedselproductie, die normaal bestemd is voor menselijke en dierlijke consumptie. Dit gebeurt al in grote landen als China, als wij mogen afgaan op krantenberichten van deze dagen.

Ten tweede gaat de onderhavige hervorming niet in op één van de problemen die in dit Parlement ter sprake zijn gebracht, namelijk het feit dat de winst die in de afgelopen jaren in de landbouwproductie is gemaakt, helemaal wordt opgestreken door handelsondernemingen en grote multinationals. Volgens statistieken komt 60 à 70 procent van de landbouwomzet in de zakken van de distributieketen terecht.

De onderhavige hervorming snijdt dat probleem niet aan. Dit zijn dus de feitelijke redenen waarom wij morgen in dit Parlement moeilijk voor dit verslag kunnen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Baco (NI). - (SK) Ik wil mijn collega, mevrouw García, prijzen voor haar verslag over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de sector groenten en fruit.

In de verhitte debatten binnen de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling over dit voorstel is een aantal risico’s geïdentificeerd die verband houden met de inhoud van het voorstel, en met name risico’s die voortvloeien uit de filosofie achter dit stuk wetgeving. Het grootste risico houdt verband met de vervroegde tenuitvoerlegging van enkele van de voorschriften en het lage niveau van financiering door de EU. Het gaat maar om 3,1 procent van de begroting, terwijl de sector goed is voor 17 procent van de totale landbouwproductie van de EU. In marketingtermen zijn sla, radijs en klein fruit - vrijwel de hele groenten- en fruitmand - het meest gevoelig van alle landbouwproducten, en om deze op soepele wijze van de boerderij op tafel te krijgen is geen eenvoudige logistieke opgave. Daarom moet de Europese Commissie zichzelf niet voor de gek houden en denken dat ze in de toekomst de hele verantwoordelijkheid voor de GMO voor groente en fruit aan de telers kan overdragen.

Een ander groot risico van het voorliggende voorstel is dat het de nieuwe lidstaten in een nadelige positie plaatst. Het probleem is dat de nieuwe lidstaten geen functionerende telersverenigingen hebben, en het zal jaren duren voordat deze volledig operationeel zullen zijn. De telers van groenten en fruit in de EU-15 hebben in de loop van tientallen jaren geleerd hoe ze moeten omgaan met de handelsystemen en zijn gelijkwaardige handelspartners geworden. Als het voorstel in zijn huidige vorm ten uitvoer wordt gelegd, kan redelijkerwijs worden verwacht dat de productie van de nieuwe lidstaten, die al enorm is ingezakt, nog verder zal dalen. Daarom ben ik van mening dat er bij het amenderen van het voorstel prioriteit moet worden gegeven aan de risico’s die ik zojuist heb beschreven.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, geachte collega’s, ook ik dank de rapporteur, want de hervorming van de groente- en fruitsector is echt geen gemakkelijk werk. De sprekers voor mij zeiden al dat het om een heel groot aandeel van de landbouwproductie gaat. Maar met deze hervorming zullen we er in slagen ook in deze sector van de Europese landbouw een belangrijke stap in de richting van modernisering te zetten.

In het licht van de toenemende internationale concurrentie in het kader van de globalisering moet het ons belangrijkste doel zijn om de concurrentiekracht van de Europese groente- en fruittelers te vergroten, waarbij tegelijkertijd een garantie geboden moet worden voor hoge kwaliteit van de Europese producten tegen betaalbare prijzen voor de consument. Telersverenigingen zijn een mogelijkheid tot beter optreden op de markt. Het eten van groenten en fruit moet gestimuleerd worden, wegens het positief effect op de gezondheid.

Collega Gräßle van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten zal morgen een mondeling amendement indienen waarin de Commissie wordt gevraagd om niet te wachten tot 2013 met een eerste verslag over de uitvoering van de titel met betrekking tot de telersverenigingen, het actiefonds en de operationele programma’s. Wij willen in 2010 al een eerste verslag over dit onderwerp en daarna om de drie jaar. Wij willen transparantie en we willen zeker weten dat de steun aankomt op de plaatsen waar deze nodig is. Zeven jaar is daarvoor een voldoende lange tijd.

Het is onze verantwoordelijkheid om de toekomst van de Europese groente- en fruittelers te verzekeren door met doelgerichte steun een veiligheidsnet tot stand te brengen en duurzame productie te verbinden met hoge kwaliteit en een gezond milieu.

 
  
MPphoto
 
 

  Katerina Batzeli (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteur, mevrouw Salinas Garcia, van harte bedanken voor haar uitstekende verslag. Ik dank echter ook de commissaris, die een serieus en gedurfd voorstel heeft gedaan voor de groenten en fruit. Ik zeg “gedurfd voorstel” omdat dit een sector is met een duidelijke structuur, met telersverenigingen en operationele programma’s, een sector waar het vraagstuk van de ontkoppeling zich bij uitstek stelt.

Mijnheer de Voorzitter, ik wilde op persoonlijke titel maar ook namens mijn fractie twee fundamentele vraagstukken noemen, vraagstukken waar wij steun aan geven: het eerste betreft een stabiele begroting en het tweede een stabiel tijdsbestek voor de hervorming tot 2013. Ik kan u op een briefje geven dat een beleid waarmee alles onderuit gehaald gezet en een overgangstermijn noodzakelijk wordt voor de hervorming van de groenten en fruitsector - wat bij geen enkel ander product het geval is - nooit door de socialistische fractie aanvaard zal worden.

Ik heb slechts nog twee opmerkingen. U weet heel goed, mevrouw de commissaris, dat de voorstellen van mevrouw Salinas niet ver verwijderd zijn van die van de Raad. Wat dat betreft wil ik ingaan op het specifieke vraagstuk van het fonds voor crisisbeheer. Ik vraag u daar in veel positievere zin over na te denken. Het fonds voor crisisbeheer heeft misschien geen extra middelen nodig maar het moet wel buiten de operationele programma’s vallen. Anders zal er volledige verwarring ontstaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). - (LT) Het is duidelijk dat de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid essentieel is. Deze hervorming wordt echter toegepast op EU-lidstaten met verschillende steunniveaus. De nieuwe lidstaten, die nog geen derde ontvangen van wat de oude lidstaten krijgen en die te maken hebben met aanzienlijk slechtere afzetmogelijkheden, worden gedwongen hun landbouw te hervormen door de toestand waarin deze verkeert nog verder te verslechteren. Er ligt nu een voorstel voor een algemene bedrijfstoeslagsregeling op tafel als oplossing voor de hervorming van de groenten- en fruitmarkt. Voor de nieuwe lidstaten zal dit betekenen dat ze nog minder steun zullen krijgen dan nu, en dat de mogelijkheden om te concurreren op de markt nog kleiner worden. De eis dat groenten- en fruittelers telersverenigingen oprichten om in aanmerking te komen voor EU-steun, zal leiden tot een ernstige verstoring van de groenten- en fruitmarkt. De grootwinkelbedrijven zullen hun eigen voorwaarden opleggen en weigeren om de producten van kleine producenten te verkopen. Ik wil aandacht vragen voor het feit dat er in de verordening wordt voorgesteld om de consumptie van fruit en groenten te vergroten onder bepaalde bevolkingsgroepen - jongeren, schoolgaande kinderen en tieners. En hoe zit dat met de rest van de bevolking?

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, er zijn stappen in de goede richting gezet met betrekking tot de situatie van de groenten- en fruitsector, die over het algemeen als onrechtvaardig wordt beschouwd. Na ellenlange debatten werd uiteindelijk beslist om een antidumpingprijs voor Chinese aardbeien in te voeren. Jammer genoeg was die prijs slechts gedurende een erg korte periode van toepassing. Vervolgens hebben we een minimumprijs ingevoerd. Het valt echter te betreuren dat deze prijs zo laag is.

We hebben nu de gelegenheid om bijkomende betalingen toe te kennen voor kersen en krieken, evenals voor zacht fruit als frambozen, aardbeien, zwarte bessen en kruisbessen. Het lijdt geen twijfel dat veel fruittelers, die het slachtoffer geworden zijn van hevige vorst, zonder deze betalingen failliet zullen gaan. In haar amendement 116 op deze verordening stelt de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling steun voor ten bedrage van 120,77 euro per hectare. Als u het mij vraagt, ligt dit bedrag veel te laat. Een dergelijke maatregel is geen doeltreffende oplossing voor de problemen van de fruittelers. De steun zou opgetrokken moeten worden tot 400 euro per hectare.

Ook de eigenaars van appelboomgaarden werden getroffen door de strenge vorst. Ook zij verkeren in een moeilijke situatie en hopen op hulp. Daarom vraag ik dit Parlement met klem om amendement 113 te steunen, aangezien het een antwoord bevat voor al diegenen die op steun hopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioannis Gklavakis (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, wij zijn blij dat u hier bent, en wij danken u voor uw inspanningen.

Ik wil de rapporteur gelukwensen met het uitstekende werk dat zij heeft verricht.

De groenten- en fruitsector is voor ons zeer belangrijk. Ik wilde de aandacht vestigen op een aantal punten.

Ten eerste is financiering van crisisbeheer in een sector als groenten en fruit, die de meest gevoelige landbouwproducten omvat, uitermate belangrijk. Als men echter een geïntegreerde financiering wil verzekeren is het noodzakelijk om deze buiten de operationele programma’s te houden. De producenten moeten aan deze financieren bijdragen maar er moeten ook extra communautaire middelen voor komen, en het toepassingsgebied ervan moet worden uitgebreid tot preventie. Daarop had ik ook aangedrongen toen ik anderhalf jaar geleden schaduwrapporteur was in het debat over de toekomstige steunmaatregelen in de landbouw.

Ten tweede is het positief dat het verplicht is agri-milieumaatregelen op te nemen in de operationele programma’s van de telersverenigingen en dat de goedkeuring van die programma’s daarvan afhankelijk wordt gemaakt. Het is echter overdreven om te stellen dat daarvoor een vijfde van de begroting van de maatregelen moet worden uitgetrokken. Dat bedrag moet worden verminderd.

Ten derde moeten wij op een gegeven ogenblik misschien ook aandacht schenken aan de kleine teelten van kleine landbouwers, zoals de teelt van saffraan en mastica op Chios. Wij mogen de kleine producenten niet uit het oog verliezen.

Ten vierde is, wat de telersverenigingen betreft, de financiering met 60 procent in gering georganiseerde gebieden een goede zaak. Het plafond van 4,1 procent van de waarde van de afgezette productie is echter wel heel laag, en zal deze verenigingen niet in staat stellen om zich van hun omvangrijke nieuwe taken te kwijten. Hierbij moeten wij ook de moeilijkheden voor ogen houden die zich voordoen op de eilanden in de Egeïsche Zee. Daarom moet enige soepelheid worden betracht.

Ten vijfde is het op de jongeren in de Europese Unie gerichte promotie- en informatieprogramma niet alleen bedoeld om het verbruik van groenten en fruit te verhogen. Wij eten heel slecht en onze jongeren moeten leren gezonder te eten.

Tot slot wilde ik nog erop wijzen dat wij vierkant gekant zijn tegen het mondeling amendement dat eventueel morgen zal worden ingediend, en waarin wordt gevraagd om in 2010 een verslag op te stellen over de werking van de nieuwe GMO. Wij zijn daar absoluut tegen, omdat dit zou betekenen dat wij ons bij groenten en fruit anders gedragen dan bij de andere GMO’s. Die zijn namelijk op een geheel andere manier geregeld. Dat staat volledig haaks op de beginselen van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Sándor Tabajdi (PSE). - (HU) Het uitstekende verslag van mevrouw Salinas García laat zien dat het op wezenlijke punten een goed verslag is. Ik wil hier graag vier positieve aspecten uitlichten: het nationale enveloppensysteem, de ondersteuning van telersverenigingen, risicobeheer en schoolfruit.

Dit zou een zeer goede hervorming zijn als ik niet uit een nieuwe lidstaat kwam. Deze hervorming is echter op verscheidene terreinen discriminerend tegenover de nieuwe lidstaten, ten eerste op het gebied van rechtstreekse uitbetalingen. Hongarije produceert bijvoorbeeld 2 procent van de groenten in de EU, maar ontvangt slechts 0,61 procent van de kosten voor groenteteelt.

Het andere discriminerende aspect betreft de verwerkte producten. Noch de Poolse bessen, noch de morellen, noch de producten uit de nieuwe lidstaten zijn opgenomen op de lijst van producten die verwerkt moeten worden. Deze gelden zullen nu op historische gronden worden verdeeld, waarbij voornamelijk drie oude lidstaten 800 miljoen van de 1,4 miljard euro zullen opstrijken. Dit is een ernstige onrechtvaardigheid jegens de nieuwe lidstaten, en ik vraag bij dezen dan ook om een correctie.

 
  
MPphoto
 
 

  Leopold Józef Rutowicz (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van mevrouw Salinas García is van cruciaal belang voor de sector van de landbouwproductie. Jammer genoeg behandelt het document de producenten in de oude en in de nieuwe lidstaten niet op dezelfde manier. Het steunen van de landbouwers met behulp van rechtstreekse betalingen is bijzonder belangrijk voor landen waar de structuur van de landbouw gefragmenteerd is, met kleine boerenbedrijven en een monocultuur, en waar de inkomsten nauwelijks volstaan om de landbouwactiviteiten in stand te houden. Deze kleine landbouwbedrijven produceren op een traditionele en milieuvriendelijke manier. In de gewijzigde verordening zouden de mogelijkheden voor betalingen aan landbouwers in de oude en de nieuwe lidstaten gelijk moeten worden verdeeld.

De doeltreffendheid van de groenten- en fruitproductie is moeilijk te voorzien. Dergelijke producten kunnen gemakkelijk beschadigd worden, de prijzen schommelen sterk, en er is behoorlijk wat concurrentie van derde landen. Ook de klimaatverandering en het stijgend aantal natuurrampen hebben een invloed op de doeltreffendheid. Bij wijze van voorbeeld zou ik kunnen verwijzen naar de strenge vorst dit voorjaar in Polen, die 70 procent van de bloesems van rode bessen, pruimen, peren en krieken heeft vernietigd. Volgens schattingen van de Poolse groenten- en fruittelers zullen de verliezen dit jaar bijna 60 procent bedragen. De amendementen 6, 7 en 12 op de overwegingen 11, 13 en 18 van de verordening verdienen in elk geval onze bijzondere steun. Dat geldt eveneens voor amendement 113.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het debat van vandaag over het verslag betreffende de hervorming van de groenten- en fruitsector en de stemming van morgen over deze kwestie zijn het sluitstuk van maandenlange werkzaamheden in het Europees Parlement. Ik denk dat we er in deze periode in geslaagd zijn om de moeilijkheden van de Poolse markt voor zacht fruit onder de aandacht te brengen en om de meeste afgevaardigden te overtuigen van de noodzaak om aangepaste steunmechanismen in te voeren. Dergelijke mechanismen zouden de herstructurering van de sector en een verbetering van zijn concurrentievermogen ten goede komen. Twee opvallende kenmerken van de groenten- en fruitsector in de nieuwe lidstaten zijn een gefragmenteerde productie en het gebrek aan sterke producentenorganisaties of telersverenigingen. Bovendien is de sector bijzonder gevoelig voor crises.

De bestaande steunmaatregelen en de instrumenten die in het voorstel voor de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit worden voorgesteld, bieden geen enkele garantie voor voldoende hoge steun. Ze reiken evenmin doeltreffende oplossingen aan voor de problemen waarmee de markten in kwestie worden geconfronteerd. Daarom vragen wij speciale betalingen voor de telers van zacht fruit en kersen voor verwerking, zodat de inkomens van de landbouwers stijgen en de situatie van de groenten- en fruitsector stabieler wordt.

Ik roep de commissaris op om amendement 132 in overweging te nemen, dat ik samen met mevrouw Herranz García heb ingediend namens de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten. Ik vraag u eveneens om amendement 122 te steunen. Dat amendement betreft de steun voor de markt van voor verwerking bestemde tomaten in de nieuwe lidstaten in het kader van het SAPS-systeem. De goedkeuring van dit amendement zal ervoor zorgen dat de telers van tomaten in deze landen de steun behouden die ze op dit moment ontvangen.

Mevrouw de commissaris, er zijn twee zaken die de Poolse telers van zacht fruit niet begrijpen. Ze vragen zich ten eerste af waarom ze zo lang op relevante voorstellen moeten wachten. Ten tweede kunnen ze niet vatten waarom de Commissie niet over de brug kan komen met enkele tientallen miljoenen euro om de sector van zacht fruit te steunen, terwijl ze over een jaarbegroting van meer dan 1,5 miljard euro beschikt. Aardbeien, frambozen en bessen zijn voor de Poolse landbouwers net zo belangrijk als sinaasappelen, mandarijnen en vijgen voor hun collega’s in Zuid-Europa. Mevrouw de commissaris, wij hopen ten zeerste dat u tijdens de aanstaande Raad van de ministers van Landbouw van de zevenentwintig lidstaten van de Unie gepaste steunmaatregelen zult voorstellen voor deze groep landbouwers. Ik vertrouw erop dat de onderhandelingen vruchten zullen afwerpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Manuel Capoulas Santos (PSE). - (PT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, het feit dat de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling de in het verslag-Salinas García opgenomen voorstellen steunt bewijst om te beginnen dat de rapporteur uitstekend werk heeft verricht - mijn gelukwensen! - en verder dat de afgevaardigden van alle fracties bereid zijn geweest om actief mee te werken aan het bereiken van een compromis.

Ik ben vooral ingenomen met de aanbevelingen van het Parlement met betrekking tot crisisbeheer en het versterken van de producentenorganisaties. Ik ben ook heel blij dat mijn voorstel om een overgangsperiode in te stellen en zo de tomatenteelt in een aantal lidstaten - waaronder mijn land, Portugal - veilig te stellen is goedgekeurd. Ik hoop dat de Commissie dit voorstel overneemt.

Ik vind het intussen wel jammer dat we niet hetzelfde hebben kunnen bereiken op andere gebieden, zoals een grotere flexibiliteit bij het beheer van de financiële middelen voor de operationele programma's. Verder zou er positieve discriminatie moeten worden toegepast op de lidstaten waar deze programma's erg slecht zijn georganiseerd.

Mevrouw de commissaris, uit uw interventie aan het begin van dit debat heb ik begrepen dat u misschien niet helemaal goed beseft dat het dit Parlement ernst is met deze voorstellen. Ik vertrouw er echter op dat het gezonde verstand en de bereidheid om tot een compromis te geraken, uiteindelijk zullen prevaleren in de Raad en de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, de groenten- en fruitsector is van fundamenteel belang voor de landbouw van de Europese Unie in het algemeen, en voor landen als Polen in het bijzonder. Helaas zetten de voorgestelde oplossingen voor ons geen zoden aan de dijk.

Ten eerste wordt, als onderdeel van de ingrijpende veranderingen die in deze sector moeten worden doorgevoerd, voorgesteld om de huidige steun voor de oude lidstaten te handhaven. De nieuwe landen worden echter behandeld alsof ze nog steeds kandidaat-lidstaten zijn, en geen volwaardige leden van de Europese Unie. De nationale kredieten van landen als Italië, Griekenland en Spanje worden aangevuld met bedragen tussen 316 miljoen en 167 miljoen euro. De kredieten voor Polen, een land met een omvangrijke groenten- en fruitsector, zullen daarentegen met slechts 6,7 miljoen euro worden verhoogd. Het spreekt voor zich dat een dergelijke benadering geheel in strijd is met het beginsel van Europese solidariteit.

Ten tweede bestaat er geen traditie van producentenorganisaties in de nieuwe lidstaten. Dat zal er ongetwijfeld toe leiden dat een bedrag van bijna 700 miljoen euro per jaar hoofdzakelijk terechtkomt bij de producentenorganisaties en telersverenigingen in de oude lidstaten.

Ten slotte gaat de hervorming niet nader in op het feit dat de markt van de Europese Unie in toenemende mate wordt opengesteld voor de invoer van groenten en fruit uit derde landen. De Europese Unie heeft een jaarlijks handelstekort van meer dan 8 miljard euro in deze sector. Deze import wordt meestal verkocht aan dumpingprijzen, wat de groenten- en fruitproductie in de Europese Unie ondermijnt.

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen wil ik de rapporteur feliciteren met haar verslag.

Naar mijn mening moet er nog een aantal openstaande punten verduidelijkt worden. We moeten ervoor zorgen dat de gevolgen in de verschillende regio’s in de lidstaten niet te hard aankomen. Het mechanisme in dit voorstel is ingewikkeld voor de regio’s die het hybride, op areaal gebaseerde model voor de bedrijfstoeslagregeling toepasten. Dat geldt bijvoorbeeld voor mijn regio. Vooral dat moet opgelost worden. Het is een moeilijke, ingewikkelde problematiek die aangepakt moet worden.

Er wordt van verschillende kanten van buitenaf druk uitgeoefend, die van invloed is op het afzetproces. Met stip genoteerd is de koopkracht van de grote supermarktketens, waarbij de ene leverancier of producent tegen een andere wordt uitgespeeld om de prijzen te drukken. Er zijn ook mensen die goedkope producten invoeren, afzetten en waarde toevoegen aan producten van onbekende oorsprong. We slagen er kennelijk niet in dat tegen te houden.

Nu ga ik voor eigen parochie preken. Vorige week heb ik een delegatie geleid naar mijn lokale minister in Noord-Ierland om de benarde situatie van paddenstoelenkwekers in die streek aan te kaarten. Vier jaar geleden hadden we in Noord-Ierland meer dan 226 paddenstoelenkwekers; nu hebben we er nog maar 40, dat wil zeggen 80 procent minder mensen die actief zijn in de sector. Ik vroeg me af of dat iemand iets kon schelen, en moest tot de conclusie komen dat het antwoord ‘nee’ is. Boerengezinnen zijn verwoest en hun inkomen is in rook opgegaan. Met hen is helemaal geen rekening gehouden door degenen die goedkope paddenstoelen invoeren, er waarde aan toevoegen en ze aan de supermarkten verkopen, die beweren dat ze lokaal zijn.

Als we ons afzijdig houden en toelaten dat dergelijke toestanden in deze en andere gebieden voortduren, dan zullen we de samenhang van de plattelandssamenleving zoals we die kennen, volledig kapot maken. Deze producten houden gezinnen en gemeenschappen bijeen. Als we die kapot maken, lopen we zelf ook gevaar. We moeten de plattelandssamenleving redden.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur bedanken. Mijn collega Nicholson heeft me niet echt het gras onder mijn voeten weggemaaid, maar ik maai toch graag nog wat van hetzelfde gras. De commissaris weet ongetwijfeld dat ik net een grijsgedraaide plaat ben: ik ondersteun het idee van telersverenigingen, maar ik ben er helemaal niet van overtuigd dat we het op kunnen nemen tegen de detailhandelssector. Ik heb het al eerder gezegd, en ik herhaal nu dat de Commissie niet bereid is om het nochtans voor iedereen zichtbare probleem aan te pakken en de strijd aan te binden tegen de uiterst machtige detailhandelsector in Europa, die met name in het VK en in Ierland bijzonder machtig is.

Nadat u de bespreking over dit specifieke onderwerp had opgestart, verklaarden Ierse boeren op televisie dat ze niet langer groenten en fruit zouden verbouwen, omdat er geen winst mee viel te behalen, omdat ze er niet de benodigde prijzen voor kregen. Maar laten we afwachten wat er na deze hervorming zal gebeuren. Ik hoop dat in het verslag dat we voorstellen voor 2010, zal worden gekeken naar de impact met betrekking tot het machtsevenwicht, dat nu naar de verkeerde kant doorslaat.

Het idee van consumptie en gezondheid is zeer positief, maar steeds wanneer we het Europese publiek vertellen dat het gezond is om groenten en fruit te eten, lijken ze er minder van te eten, en dus moeten we aan een andere boodschap denken. Het idee van schoolfruitprogramma’s bevalt me wel, en ik wil u vragen in uw effectenbeoordeling rekening te houden met de vele proefprojecten. In Ierland bestaat een specifiek proefproject dat goed werkt en waarvan u de details waarschijnlijk zelf heeft. Hoe dan ook, veel succes ermee, en ik hoop dat het voor de Europese groenten- en fruitkwekers iets oplevert.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag snel afronden, want het is laat.

Ik wil opnieuw benadrukken hoe enorm constructief we hebben samengewerkt bij de hervorming op voedingsgebied en in de groentesector. Ik denk dat uw advies steun betekent aan de algemene lijn van de Commissievoorstellen en aan de in ogenschouw genomen verbeteringen.

Ik wil graag een aantal opmerkingen maken, want ik weet zeker dat sommige leden van dit Parlement niet hebben geluisterd naar mijn eerste toespraak, toen ik het had over de zachtfruitsector. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik op de hoogte ben van de problemen waar de zachtfruitsector in de Europese Unie mee te kampen heeft. Ik ben bereid rekening te houden met de gevoeligheid van de sector en op de begroting geld te vinden om deze sector gedurende een overgangsperiode te steunen. Maar verwacht u geen bedragen zoals u die noemde. Ik meen dat u het over 800 euro had. Dat is niet haalbaar binnen de begroting. Ik heb echter duidelijk gezegd dat ik mijn uiterste best zou doen om een oplossing te vinden.

Ik denk dat de antidumpingmaatregelen van april een duidelijke stap in de goede richting waren. De problemen ten gevolge van de vorst zullen apart behandeld worden. Specifieke situaties die het gevolg zijn van noodweer, kunnen wij het hoofd bieden met de regels inzake staatssteun, en dus zullen wij proberen dit vraagstuk apart te behandelen.

Er werd een vraag gesteld over financiering. Volgens mij is het opzetten van een fonds buiten de telersverenigingen om niet echt een vereenvoudiging. Zoals u weet staat vereenvoudiging zeer hoog op de agenda van de Commissie. Het zal een erg ingewikkeld instrument worden en we moeten er rekening mee houden dat we bij ons optreden te maken hebben met een jaarbegroting. We zouden veel geld kunnen verliezen bij het opzetten van het fonds omdat het een meerjarig fonds is, maar ik ben er zeker van dat we een fatsoenlijke oplossing en een efficiënt instrument voor crisisbeheer zullen weten te vinden.

Ik hoop dat we komende maandag en dinsdag tijdens de Raadsvergadering tot een politiek akkoord kunnen komen. Ik ben er vrij zeker van dat we een politiek akkoord zullen vinden waar de hele groenten- en fruitsector in de Europese Unie baat bij zal hebben Zo zal de sector een duurzame toekomst krijgen, iets wat we, veronderstel ik, allemaal willen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Witold Tomczak (IND/DEM), schriftelijk. - (PL) De toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Europese Unie is nu drie jaar geleden. Toch worden deze landen nog steeds gediscrimineerd wat betreft de begrotingskredieten voor de groenten- en fruitsector. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de omvang van de betalingen die worden toegekend per hectare met groenten en fruit bebouwd land. In 2005 kregen de oude lidstaten (EU-15) 561 euro per hectare, terwijl de nieuwe landen (EU-10) slechts 20 euro per hectare ontvingen. De arme landen ontvangen bijgevolg achtentwintig keer minder steun dan de rijkere landen.

Er bestaat geen enkele gegronde reden voor deze discriminatie. De nieuwe lidstaten hebben een groot aantal belangrijke en specifieke producten ingevoerd in de Europese Unie. Desalniettemin ondervonden, en ondervinden ze nog steeds, grote moeilijkheden met betrekking tot de rentabiliteit van deze producten. Deze problemen zijn onder meer toe te schrijven aan de goedkope invoer uit derde landen en aan de gefragmenteerde productie. De nieuwe lidstaten waren er bijgevolg terecht van uitgegaan dat hun moeilijkheden zouden worden erkend en dat zij op dezelfde brede waaier van steunmaatregelen zouden kunnen rekenen als de oude lidstaten.

De Europese Commissie heeft intensief overleg gepleegd, studies uitgevoerd en missies geleid. Desalniettemin houdt haar voorstel voor de hervorming van de markt de discriminatie van de nieuwe lidstaten in stand. De Commissie heeft evenmin rekening gehouden met het standpunt van het Europees Parlement, dat in zijn resolutie van 11 mei 2005 heeft gevraagd om zo snel mogelijk te voorzien in communautaire steun voor zacht fruit, kersen, krieken en appels die bestemd zijn voor verwerking.

De discriminatie van de nieuwe lidstaten op de groenten- en fruitmarkt is niet alleen nadelig voor de telers in de nieuwe lidstaten, maar ook voor de Unie als geheel en voor haar consumenten.

 

24. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen

25. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen

26. Sluiting van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 00.05 uur gesloten)

 
Juridische mededeling - Privacybeleid