Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2005/0214(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0080/2007

Ingediende teksten :

A6-0080/2007

Debatten :

PV 20/06/2007 - 2
CRE 20/06/2007 - 2

Stemmingen :

PV 20/06/2007 - 5.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0269

Debatten
Woensdag 20 juni 2007 - Straatsburg Uitgave PB

2. Verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten (debat)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0080/2007) van Ria Oomen-Ruijten, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verbetering van de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten (COM(2005)0507 - C6-0331/2005 - 2005/0214(COD)).

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. - (CS) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden, ik wil mevrouw Oomen-Ruijten bedanken voor haar toegewijde en harde werk voor de opstelling van dit verslag.

Het verslag had veel voeten in aarde, en is het resultaat van de gezamenlijke inspanningen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. Het is een belangrijke grondslag voor de verdere besprekingen die nodig zijn om een eindakkoord over deze essentiële richtlijn te bereiken. Deze richtlijn is zonder meer gerechtvaardigd in de context van de herziene strategie van Lissabon en de sociale bescherming van migrerende werknemers en mobiele werknemers in het algemeen.

Ik ben niet alleen blij met het verslag maar ook met de geest van samenwerking die het Parlement heeft betoond jegens de Commissie en de Raad. Dat was de beste manier om een akkoord in eerste lezing mogelijk te maken.

Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om het Duits voorzitterschap geluk te wensen met zijn werkzaamheden tijdens de behandeling van dit vraagstuk en met zijn pogingen om echte vooruitgang te boeken.

De uitdaging die deze richtlijn betekent voor het Duitse pensioenstelsel mag niet onderschat worden, en het pleit voor het Duits voorzitterschap en voor vicekanselier Müntefering dat dergelijke vorderingen mogelijk waren. Ik moet u echter wel zeggen dat ik teleurgesteld ben over het feit dat ondanks al deze inspanningen er uiteindelijk toch geen akkoord is bereikt tijdens de eerste lezing. Ik ben er echter van overtuigd dat de tot nu toe betoonde, opbouwende aanpak spoedig zal leiden tot aanneming van de richtlijn. Dat zal een reëel effect hebben op de hinderpalen voor de mobiliteit die door sommige aanvullende pensioenstelsels worden veroorzaakt.

Geachte afgevaardigden, ik wil nogmaals onderstrepen dat deze richtlijn niet alleen een verzameling woorden is. Zij heeft een rechtstreeks effect op miljoenen werknemers, werknemers die van baan veranderen op de moderne arbeidsmarkt en profiteren van de kansen die hun worden geboden door aanvullende pensioenstelsels. Het feit dat 40 procent van de werknemers een arbeidsrelatie heeft die nog geen vijf jaar oud is, toont aan hoe belangrijk onze taak is, en hoe belangrijk deze richtlijn is.

Voordat ik inga op de inhoud van het verslag, wil ik kort nog eens samenvatten wat het doel hiervan is en waarom een Europese aanpak noodzakelijk is. De Commissie, de afgevaardigden van het Europees Parlement, de Raad en de sociale partners uiten al heel lang hun ontevredenheid over het feit dat de rechten en de bescherming van mobiele werknemers, als het gaat om de band tussen hun wettelijke pensioenbijdragen en hun aanvullende pensioenbijdragen, absoluut ontoereikend zijn. Reeds in 1992 heeft de Raad de lidstaten dringend verzocht om steun te geven aan de verandering van de voorwaarden voor aanvullende pensioenrechten, zodat de hinderpalen voor de mobiliteit van werknemers weggenomen worden. Het begrip “hinderpalen voor de arbeidsmobiliteit van werknemers” is weliswaar vrij algemeen bekend, maar in principe betekent dit dat als je mobiel bent, je veren laat. Met de bestaande stelsels ondervinden migrerende werknemers bij baanverandering in meer of mindere mate nadelen. Soms merken de werknemers daar nauwelijks iets van, maar ze houden nooit dezelfde positie, en ze hebben ook nooit dezelfde voordelen als wanneer ze niet van baan waren veranderd en niet mobiel waren geworden.

De eerste stap om ons doel te bereiken was Richtlijn 98/49/EG. Het was echter duidelijk dat met die richtlijn niet de vraagstukken konden worden opgelost die, volgens deskundigen op dit gebied, een bijzonder schadelijk effect hebben op mobiliteit, te weten de verwerving en bescherming van uitgestelde pensioenrechten en de meeneembaarheid van deze rechten. De voorgestelde richtlijn betreffende meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten kwam niet voort uit een gril. Daaraan zijn langdurige en grondige onderhandelingen en raadplegingen vooraf gegaan, en daar waren goede redenen voor. Ofschoon namelijk de sociale partners aan het begin waren gevraagd om voorstellen in te dienen, zoals hun betaamt, gezien de fundamentele rol die zij spelen op het gebied van aanvullende pensioenen, werd al heel spoedig duidelijk dat er maar één manier was om vooruit te komen, namelijk met een gerichte wetgevende aanpak waarin rekening wordt gehouden met de standpunten van de sociale partners en de belangrijkste betrokkenen.

Een dergelijke gerichte aanpak - een aanpak dus waarmee niet alleen de enorme verscheidenheid en, in bepaalde gevallen, zelfs pijlsnelle ontwikkeling van aanvullende pensioenstelsels, maar ook de vrijwillige aard van deze stelsels worden erkend - was en is nog steeds de juiste weg om dit ingewikkelde en emotioneel beladen vraagstuk aan te pakken. Dit verklaart ook waarom de Commissie voorzichtig was en besloot om geen harmonisatieproces op gang te brengen, maar veeleer minimumeisen vast te stellen. Afgezien daarvan werd een van de grootste uitdagingen gevormd door de noodzaak het juiste evenwicht te vinden tussen het opheffen van de hinderpalen en het behoud van de huidige stabiele en duurzame omgeving voor de ontwikkeling van aanvullende pensioenen.

Als men kijkt naar de goede stappen vooruit die zijn gezet, en naar de problemen die wij verondersteld werden op te lossen met de uitwerking van deze richtlijn, stelt men tot zijn teleurstelling vast dat niet alle lidstaten in de Raad in staat waren zich aan te sluiten bij een akkoord of een compromis met betrekking tot de verschillende onderdelen van deze belangrijke richtlijn. Het is evenwel bemoedigend dat het onderhavig verslag op talrijke punten in grote lijnen overeenkomt met het standpunt van de Commissie. Daarom is het volgens mij wel degelijk mogelijk om in de nabije toekomst tot een akkoord te komen met de Raad.

Geachte afgevaardigden, ofschoon er tijdens de laatste onderhandelingen in de Raad geen spijkers met koppen konden worden geslagen, kan mijns inziens eenieder die daaraan heeft deelgenomen bevestigen dat er een sterk verlangen was naar een akkoord en dat de Raad dit verlangen nog steeds met ons deelt. Dat zal dan ook de basis vormen voor verdere vooruitgang. Ik benadruk nogmaals de geest van samenwerking maar wil ook twee van de belangrijkste meningsverschillen tussen het Parlement en de Raad onderstrepen waarover tijdens de onderhandelingen een consensus moet worden bewerkstelligd. Het eerste meningsverschil betreft de erkenning van aanvullende rechten en de vraag welke minimumvoorwaarden moeten gelden.

Ik heb grote belangstelling voor de amendementen en het besluit om de klemtoon te leggen op werknemers van boven de 25. Er is veel empirisch bewijs waaruit blijkt dat de mobiliteit in deze leeftijdsgroep veel minder is dan onder jongere mensen, en daarom is uw amendement zeer verstandig. Ik besef ook dat de Raad niet positief zal staan tegenover het idee om de erkenning van rechten voor werknemers van boven de 25 jaar uit te sluiten. Dit is dus misschien een van de gebieden waarover onderhandeld moet worden en een compromis moet worden bereikt. Uw pogingen om de hinderpalen te verminderen verdienen evenwel bijval, en ik ben van mening dat dit zeer zeker de juiste weg vooruit is.

Het tweede vraagstuk waarover waarschijnlijk gesproken moet worden tussen het Parlement en de Raad betreft de werkingssfeer van de richtlijn. Wat betreft bestaande rechten en de uiterlijke datum voor omzetting van de richtlijn in de nationale wetgeving, geeft de Commissie volledige steun aan de inhoud van de amendementen op artikel 2 en is zij van mening dat deze gepast en verstandig zijn. De Commissie is er vast van overtuigd dat elke inperking van de werkingssfeer, en dus van de doelmatigheid van de richtlijn zo miniem mogelijk moet zijn en geeft wat dit betreft steun aan het Parlement. Het recente technische amendement op artikel 5 van het verslag is een redelijke verduidelijking waarmee misverstanden over de manier waarop rechten moeten worden beschermd, waarschijnlijk kunnen worden vermeden. Artikel 5 is een van de belangrijkste artikelen van deze richtlijn, en is van vitaal belang om het doel - de verwijdering van de hinderpalen voor de werknemersmobiliteit - te bereiken.

Als u het goed vindt, wil ik de geachte afgevaardigden nogmaals zeggen dat deze richtlijn geen enkel voorstel omvat waarmee een methode voor de bescherming van deze rechten wordt vastgelegd. Veeleer wil men ervoor zorgen dat mobiele werknemers eerlijk worden behandeld als het om hun uitgestelde pensioenrechten gaat. Gezien de manier waarop de arbeidsmarkt zich ontwikkelt, en gezien ook het feit dat het beroepsleven geleidelijk aan langer wordt, ben ik van mening dat als wij spreken over mobiele werknemers, wij eigenlijk over alle werknemers spreken. Er bestaat namelijk geen enkele twijfel dat de meeste werknemers tijdens hun carrière op zijn minst een keer van baan veranderen en dus profijt kunnen trekken van de met onderhavige richtlijn geboden bescherming. Wat de omzetting van de richtlijn in de nationale wetgeving betreft, zijn wij het met u eens dat dit zo spoedig mogelijk moet gebeuren. Tegelijkertijd erkennen wij echter dat geen enkel amendement op de richtlijn de terbeschikkingstelling van aanvullende pensioenen in de EU mag belemmeren.

Tot slot wil ik de voorstellen in artikel 10 van harte toejuichen. Ik geef volledige steun aan de inhoud daarvan. De schrapping van artikel 6 inzake overdraagbaarheid van rechten is evenwel betreurenswaardig. De in het verslag voorgestelde amendementen op artikel 10 geven echter de duidelijke boodschap af dat dit ingewikkelde en zeer gespecialiseerde vraagstuk niet is vergeten, maar enkel is uitgesteld. Intussen kijkt de Commissie samen met het Parlement en de sociale partners naar manieren om de nog resterende hinderpalen voor de mobiliteit ten gevolge van aanvullende pensioenstelsels effectief en duurzaam te verwijderen.

Geachte afgevaardigden, deze richtlijn was politiek en intellectueel gezien uitzonderlijk ingewikkeld, en dan zwijg ik nog over het zeer gecompliceerde beleidsconcept. De voorgestelde richtlijn maakt wel degelijk deel uit van ons antwoord op de demografische uitdaging. Het is immers wel duidelijk dat aanvullende systemen een steeds belangrijkere rol zullen spelen in dat antwoord. De richtlijn maakt eveneens deel uit van de flexizekerheid, omdat de hierin gehanteerde methode een typisch voorbeeld is van meer mobiliteit gecombineerd met verantwoorde sociale bescherming. Ik ben tevens van mening dat deze richtlijn algemeen gesproken binnen het alomvattend concept van het Europees sociaal beleid valt, dat wil zeggen dat werknemers nimmer, en nergens in de EU, in een nadelige situatie mogen komen te verkeren.

Geachte afgevaardigden, nogmaals wil ik u bedanken voor het werk dat het Parlement heeft verzet tijdens de onderhandelingen over deze richtlijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, dames en heren, het onderwerp “meeneembaarheid van bedrijfspensioenrechten” staat al ruim twintig jaar op de Europese agenda. De commissaris heeft net uitgelegd welke ontwikkelingen intussen ook bij migrerende werknemers hebben plaatsgevonden. Nadat in 2002/2003 een initiatief in het kader van het zogenaamde proces van de sociale partners was mislukt, heeft de Europese Commissie in oktober 2005 het voorstel voor een richtlijn betreffende de meeneembaarheid van pensioensrechten ingediend.

Het voorstel van de Commissie omvat de volgende vier kerngebieden: ten eerste het meenemen van bedrijfspensioenrechten in de vorm van kapitaal bij een verandering van werkgever, dus de meeneembaarheid in de engste zin van het woord, ten tweede de vastlegging van de termijn voor het onvervreemdbaar recht op bedrijfspensioen, ten derde de eerlijke of rechtvaardige behandeling van bedrijfspensioenrechten als een werknemer bij een bedrijf weggaat, en ten vierde een informatieplicht die ervoor moet zorgen dat werknemers van hun rechten op de hoogte zijn en hun oudedagsvoorziening beter kunnen plannen. Het gaat daarbij ook om flexizekerheid – commissaris Špidla bracht dit al ter sprake.

De richtlijn regelt een deelgebied van het arbeids- en sociaal recht, en daarom – en dit is erg belangrijk – is eenparigheid van stemmen nodig. Dit was een van de redenen waarom de onderhandelingen van begin af aan stroef verliepen. Dat was ook geen wonder gezien de uitermate ingewikkelde materie. Bovendien is de Europese Unie geen uniform geheel; er heerst een grote verscheidenheid, en bijna elke lidstaat heeft een eigen systeem voor bedrijfspensioenen dat doorgaans niet aansluit op de systemen van de andere lidstaten.

Veel lidstaten hebben grote problemen met het centrale gereglementeerde gebied van de richtlijn, dat wil zeggen het meenemen van pensioenkapitaal naar een nieuwe werkgever. Nederland heeft deze mogelijkheid van begin af aan afgewezen. Al onder het Finse voorzitterschap is de meeneembaarheid in engere zin daarom uit het voorstel voor de richtlijn geschrapt. Verdere onderhandelingen op dit vlak zouden niets hebben opgeleverd gezien de eis tot eenparigheid van stemmen.

Onder het daarop volgende Duitse voorzitterschap lag de nadruk op de concretisering van een eerlijke, rechtvaardige behandeling, de regelingen met betrekking tot de informatieplicht en inhoud en tijdspanne van het toepassingsgebied. Op al deze punten werd na intensieve gesprekken en vele bilaterale contacten op technisch niveau overeenstemming bereikt. Helaas lukte het uiteindelijk niet de in de Raad van ministers vereiste eenparigheid van stemmen te bereiken. Met name één lidstaat voelde zich in politiek opzicht gebonden toen de voorstellen door zijn parlement en kabinet werden afgewezen.

In het licht van de fundamentele politieke bezwaren tegen de opzet van het oorspronkelijke voorstel zal het ook in de toekomst mogelijk erg moeilijk zijn de voor deze richtlijn vereiste eenparigheid van stemmen te bereiken.

Wij willen op basis van de richtlijn de mobiliteit van werknemers stimuleren. Tegelijkertijd moeten we echter hun oudedagsvoorziening verbeteren. Daarvoor hebben we niet alleen een meerderheidsbeslissing van het Europees Parlement nodig, maar ook de instemming van de 27 lidstaten. Misschien bereiken we meer als de eerste stap iets minder ambitieus is. Er gaat tijd overheen voordat het nodige vertrouwen is gegroeid en landen zonder bedrijfspensioenen deze invoeren en landen met ontwikkelde systemen zich niet bedrogen voelen. Mijns inziens werkt het contraproductief als we het onderste uit de kan willen halen. De lidstaten zullen dan alleen maar afwijzend reageren, en er worden geen resultaten geboekt. Net als bij alle andere beslissingen van de Europese Unie kan alleen overeenstemming worden bereikt als bij iedereen de politieke wil tot overeenstemming bestaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE), rapporteur. – Voorzitter, zeggen dat dit een moeilijk dossier is, is een understatement. Bijna twee jaar zijn we bezig met negen artikelen. Europese afspraken voor aanvullende pensioenen zijn nodig. Ik noem drie redenen.

Ten eerste: de wettelijke pensioenen, de eerste pijler, komen steeds meer onder druk van ontgroening en vergrijzing. Het is daarom belangrijk dat tweede-pijlerpensioenen goed geregeld zijn. Op dit moment heeft 1 op de 10 werknemers in Europa een aanvullend pensioen. In Groot-Brittannië en Duitsland ligt dat percentage ver boven de 50 procent en in Denemarken, Zweden of Nederland is zelfs 90 procent van de werknemers lid van een aanvullend pensioensysteem. Dat is dus reden genoeg om lidstaten en ook de sociale partners aan te moedigen om hun verantwoordelijkheid te nemen en te beginnen met het opbouwen van een systeem voor een goede oudedagsvoorziening.

Voorzitter, de tweede reden: ik kom bijna dagelijks mensen tegen die van baan veranderd zijn en die dan gestraft worden, omdat ze gebruik maken van het recht op mobiliteit; ze hebben een pensioen opgebouwd, premies zijn betaald, maar als het kapitaal niet verandert, heeft men er voor de oudedagsvoorziening niets aan. Dat probleem poogt deze richtlijn aan te pakken.

Ten derde: in het kader van Lissabon belijden we met de mond dat de mobiliteit van werknemers verder gestimuleerd moet worden. Dat principe wil iedereen, maar met de invulling ervan hebben we problemen. Mijn doel was en is om met wetgeving te komen die iets brengt, ook voor werknemers, die haalbaar is voor lidstaten en sociale partners en dus ook voldoende mogelijkheden biedt aan beheerders van aanvullende pensioenvoorzieningen om zich eraan aan te passen. Wetgeving die alleen maar uitzonderingen kent of een wet die niet voor alle lidstaten geldt en dan ook nog pas in 2018 ingaat, heeft geen zin. We moeten nu de problemen voor straks aanpakken.

Voorzitter, ik zeg van ganser harte dank, in het bijzonder aan collega's Ettl en Cocilovo, aan de andere schaduwrapporteurs van sociale zaken, aan mevrouw Lulling voor het advies, maar ook aan de rapporteurs en schaduwrapporteurs van vorige pensioendossiers, Othmar Karas en Ieke van den Burg. Wij staan samen voor een resultaat en nemen ook verantwoordelijkheid voor dit verslag, het verslag van de Commissie sociale zaken.

We kunnen - en dat zeg ik ook dit Raadsvoorzitterschap - op deze basis vooruitgang boeken zonder de bestaande systemen in gevaar te brengen. Overigens gaat deze richtlijn over minimumnormen. Niets verbiedt sociale partners om in een overeenkomst meer bescherming te bieden.

Ik kom nu snel even tot de kernpunten. Verwerving. De verwervingsvoorwaarden die het Parlement stelt, hebben gevolgen voor op sommige systemen. Er is tijd nodig voor aanpassing en in die extra tijd van vijf jaar wordt voorzien in amendement 22.

De slapende rechten: met het Duits voorzitterschap is de huidige formule bedacht, dus straks stemmen we over een basisprincipe dat de lidstaten ieder op hun eigen manier kunnen invullen. De transfer: heel snel was duidelijk dat dát een brug te ver was; we hebben het niet laten terugkomen. Informatie: werknemers krijgen makkelijker toegang tot de status van hun pensioenen.

Voorzitter, lidstaten kunnen dus meer tijd nodig hebben om hun systemen aan te passen. Die tijd geeft het Parlement hen ook. Zowel voor verwerving als voor faire behandeling van slapende rechten, geven we de lidstaten tot het jaar 2013 om samen met de sociale partners hun systemen aan te passen.

Collega's, na twee jaar van bijna continu overleg is nu de tijd gekomen voor het Parlement om zijn positie te bepalen. Ik kan nog meegeven dat de signalen die ik gekregen heb, ook vanuit het komend Portugees voorzitterschap en vanuit mijn eigen lidstaat Nederland, absoluut positief zijn, omdat dit verslag veel aanknopingspunten biedt voor de tweede lezing.

Voorzitter, als we de Lissabondoelstellingen willen halen, dan kunnen we dat alleen doen op basis van dit soort concrete dossiers. Vandaag is het niet af. We zullen in onderhandeling gaan met de Raad en we zullen ons als Parlement, en ik als rapporteur, zo constructief mogelijk blijven opstellen om tot een oplossing te komen, want die is echt nodig.

 
  
MPphoto
 
 

  Eoin Ryan (UEN), rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ook ik wil mevrouw Oomen-Ruijten feliciteren met het werk dat zij heeft verzet in verband met dit uiterst lastige en ingewikkelde stuk wetgeving waarmee we, zoals al gezegd is, nu al zo’n jaar of vijftien, twintig bezig zijn.

Als rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken vind ik het echter van vitaal belang dat burgers de rechten van hun aanvullende pensioenregelingen kunnen meenemen wanneer zij een nieuwe baan aanvaarden bij een ander bedrijf of in een andere lidstaat, en de interne markt gaat te maken krijgen met een enorme stijging van het aantal mensen dat van de ene lidstaat naar de andere verhuist.

Deze wetgeving moet ervoor zorgen dat de werknemers die van baan veranderen niet al te zeer benadeeld worden en dat er een redelijke aanpassing van de waarde van hun pensioen plaatsvindt wanneer zij een nieuwe arbeidsbetrekking aangaan.

Daarnaast moeten we beseffen dat werkgevers die deze aanvullende pensioenregelingen aanbieden dit op vrijwillige basis doen. De onnodige financiële druk die eventueel uit dergelijke regelingen voortvloeit, moet dan ook tot een minimum worden beperkt. Het is geen sinecure deze twee doelstellingen met elkaar in evenwicht te brengen, maar naar mijn mening zijn de compromisteksten van het Finse en het Duitse voorzitterschap een stap in de goede richting.

Mijns inziens mag het niet zo zijn dat werknemers worden aangemoedigd om mobiel en flexibel te zijn en vervolgens via hun pensioenen bovenmatig benadeeld worden als ze van baan veranderen. Op dit moment is het zo dat het aanvaarden van een nieuwe baan of van een arbeidsbetrekking in een ander land aanzienlijke verliezen met zich mee kan brengen. We moeten er bovendien voor zorgen dat wanneer iemand zich terugtrekt uit een pensioenregeling, de werknemers die er nog wel aan blijven deelnemen, niet de dupe worden.

Een van de grootste en meest gecompliceerde uitdagingen waar elk van de lidstaten het komende decennium mee te maken zal krijgen, is het aanpakken van de gevolgen van onze vergrijzende bevolking. Pensioenen zullen een gigantisch probleem worden – als ze dat niet al zijn – voor lidstaten. In aanmerking genomen dat dit stuk wetgeving nu al een jaar of vijftien à twintig op tafel ligt, is het de hoogste tijd dat we gepaste maatregelen treffen en ervoor zorgen dat werknemers redelijk worden behandeld en dat ze via hun pensioenregelingen goed verzorgd worden als ze van de ene lidstaat naar de andere verhuizen of van het ene bedrijf naar het andere gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, geachte collega’s, als je zoals ik rapporteur bent voor de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en lid van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, waan je je vaak in volle zee, dat wil zeggen in Gods handen. Dat is me overkomen met mijn advies: in de aangenomen versie herken ik mijn eigen baby nauwelijks meer.

Wat ik voor ogen had toen we begonnen met ons werk aan dit zeer omstreden voorstel voor een richtlijn, is reeds van de baan omdat het verworpen is door een meerderheid van mensen die toevallig aanwezig waren binnen deze Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, of is niet overgenomen door de ten principale bevoegde commissie. Zo vind ik het jammer dat ik geen spoor meer terugvind van het belangrijkste voorstel van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, namelijk om de richtlijn ten uitvoer te leggen op een wijze die rekening houdt met richtlijnen inzake gelijke behandeling en gelijke kansen voor mannen en vrouwen.

Wat de inhoud betreft, raakten de gemoederen pas echt verhit na goedkeuring van mijn advies, een jaar geleden; het had bovenal tot doel te garanderen dat werknemers hun pensioenrechten konden meenemen en zelfs premie konden blijven betalen wanneer ze van baan veranderden of een beroepsactiviteit onderbraken of staakten, hetzij om gezinsredenen hetzij om werk en gezin beter met elkaar te verenigen.

Ik zal niet nader ingaan op het aanhoudende gekissebis, onder meer over werkgevers die aanvullende pensioenregelingen aanbieden om hun werknemers te behouden, terwijl deze richtlijn er juist naar streeft de mobiliteit van werknemers te bevorderen. In de wetenschap dat het niet eenvoudig zal zijn deze twee zienswijzen met elkaar te verenigen, wil ik niettemin zeggen dat het hoofddoel, namelijk het garanderen van opgebouwde rechten onder aanvaardbare voorwaarden, die de duurzame financiering van de regelingen of het aanbod van aanvullende pensioenregelingen door werkgevers niet in gevaar brengen, moet worden verwezenlijkt voor werknemers die binnen of buiten een lidstaat van werkgever veranderen, met inachtneming van het subsidiariteits- en flexibiliteitsbeginsel.

 
  
MPphoto
 
 

  Othmar Karas, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, wij staan allemaal achter de interne markt. Deze interne markt dient te worden versterkt omdat het ons beste antwoord op de globalisering is. Wij staan allemaal achter mobiliteit, maar deze mobiliteit is in de Europese Unie onvoldoende ontwikkeld. Als we echter de interne markt willen versterken en de mobiliteit willen vergroten, mogen we de sociale zekerheid als vangnet niet uit het oog verliezen. We moeten de bedrijfspensioenvoorziening – de tweede pijler – in Europa stimuleren als aanvulling op de eerste pijler en niet als vervanging daarvan. Daarom hebben we de pensioenfondsrichtlijn voor kapitaalgedekte bedrijfspensioenen gesteund. Daarnaast moeten we uiteraard ook een richtlijn inzake de overdraagbaarheid van bedrijfspensioensrechten opstellen.

Hierbij moeten we ervoor zorgen dat de rechten van werknemers behouden blijven. Daarom moet de meeneembaarheid worden onderzocht – wat bij nieuwe contracten gemakkelijker is dan bij oude –, evenals het opbouwen van rechten, de behandeling van uitgetreden werknemers en slapende rechten. Wat is de berekeningsgrondslag, hoe gaan we om met de hoogte en lengte van de premiebetalingen, de verwachte duur van uitbetaling? Het gaat om een evenwicht tussen de economische zekerheid van bedrijven en de sociale zekerheid van werknemers, het gaat om een evenwicht tussen degenen die bij een bedrijf blijven werken en degenen die omwille van baanzekerheid of carrière hun baan opzeggen.

Met het besluit van vandaag zijn we er nog niet. Het is echter een standpuntbepaling van het Parlement als basis voor verdere onderhandelingen. We willen een oplossing, maar dan wel een oplossing die tegemoet komt aan zowel het standpunt van ondernemers als de sociale zekerheid en een compromis tussen beide standpunten vormt. Daarom vraag ik u de motie van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Harald Ettl, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijn bijzondere dank aan mevrouw Oomen-Ruijten voor haar uitstekende werk. De vertegenwoordiger van het Duitse voorzitterschap had het vandaag over maximale eisen: mijns inziens is dat schromelijk overdreven en nergens op gebaseerd.

Het voorstel voor de richtlijn moet als onderdeel van de Lissabonagenda worden gezien. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van werknemers dat bij het wegnemen van belemmeringen in het vrij verkeer van werknemers ook het verkrijgen en behouden van verworven rechten op aanvullende pensioenen moet worden gegarandeerd. De lidstaten hebben vijf jaar de tijd gekregen om een eerlijke behandeling van slapende rechten aan te passen en vorm te geven.

Dit punt in artikel 5 is tevens kernelement van het voorstel voor de richtlijn. Als de motie van de heer Mann dienaangaande wordt aangenomen, haal je de essentiële inhoud uit het voorstel, en voor werknemers wordt het daarmee waardeloos. Wij nemen economische wetten aan, geven hoog op van goede sociale randvoorwaarden, maar handelen vervolgens tegengesteld. Een dergelijke handelwijze, door de wijzigingsvoorstellen van de heer Mann op de spits gedreven, is voor de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement onacceptabel, omdat deze punten gericht zijn op de kernelementen en kernvragen van het voorstel voor de richtlijn.

Ik vraag u daarom het voorstel van de rapporteur voor een vooruitstrevende oplossing te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luigi Cocilovo, namens de ALDE-Fractie. - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ook mij is het een genoegen de rapporteur te kunnen bedanken, alsook de vele collega’s die zich hebben ingezet als schaduwrapporteurs, voor hun inspanningen en voor alles wat zij in deze uiterst complexe materie tot stand hebben gebracht.

Wat ik duidelijk wil stellen, is dat iedereen heel goed in de gaten heeft hoe complex dit dossier is. Het ontgaat niemand dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten regelingen: regelingen die op basis van een omslagstelsel functioneren, regelingen die op kapitalisatie gebaseerd zijn, regelingen voor vaste premies en een gegarandeerd pensioen, regelingen die in feite neerkomen op bedrijfspensioenfondsen en fondsen die bestaan uit boekreserves die ondernemingen hebben opgebouwd om een pensioen te kunnen uitbetalen. Het valt dus niet mee om oplossingen te bedenken waarin rekening wordt gehouden met een dergelijke verscheidenheid. Maar het is ook waar dat wij in deze materie allemaal wat consequenter hadden kunnen zijn.

Ik doel hierbij vooral op de Raad, die naar mijn gevoel een soort moeras aan het worden is, dat alle pogingen van het Parlement om op maatschappelijk gebied evenwichtige en consequente vorderingen te boeken, langzaam maar zeker verzwelgt en tegenhoudt. Dit geldt bijvoorbeeld voor de richtlijn over de arbeidstijd en de richtlijnen die het Parlement heeft aangenomen inzake de reglementering van uitzendbureaus. Weliswaar hebben wij binnen de perken van het mogelijke enige vooruitgang geboekt, maar ook dit keer hebben wij het hoofd moeten buigen voor de onvermijdelijke logica van compromissen, waarbij soms zelfs met het slagersmes te werk is gegaan. Ook hebben wij geen enkele stap vooruit gezet in de richting van de meeneembaarheid van rechten. Dat is dus alweer uitgesteld.

In dit verband hopen wij dat er nu niet meteen korte metten worden gemaakt met die timide maar positieve stappen om te komen tot bepaalde minimumdrempels. Daaronder vallen bijvoorbeeld voorwaarden voor het opbouwen van pensioenrechten voor werknemers in de tweede pijler; voorwaarden voor terugstorting van premies die vertrekkende werknemers hebben betaald alvorens de voorwaarden te hebben opgebouwd voor het verwerven van pensioenrechten; en ook bijvoorbeeld voorwaarden inzake de behandeling van vertrekkende werknemers die hun bijdragen in het fonds achterlaten. In feite is er in dat geval sprake van uitstel van pensioenuitkering, maar er zijn reeds verworven rechten met betrekking tot de actuariële contante waarde. Op die punten zijn de in het verslag aangeduide minimumdrempels in sommige gevallen nog aan kritiek onderhevig of staan ze op de helling.

In de toekomst zal er heel wat anders op tafel moeten komen om dit soort problemen het hoofd te bieden. Onder meer moeten er garanties komen dat de in mobiliteit verkerende werknemers in ieder geval niet gediscrimineerd of benadeeld worden. Ik geloof dat iedere oplossing die onder de minimumdrempels ligt, zo slecht is dat het Parlement dan maar beter regelrecht een traumatische oplossing kan kiezen door tegen het voorstel te stemmen. Hopelijk blijft het compromis dat binnen die drempels is bereikt, in onze overleg met de Raad overeind.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Lambert, namens de Verts/ALE-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, ook ik wil de rapporteur bedanken voor haar werk. Het is, zoals we al gehoord hebben, niet eenvoudig geweest zover te komen dat we tot deze stemming kunnen overgaan, omdat we ons gedwongen zagen te reageren op de wisselende en soms onverzettelijke standpunten van de Raad.

Mijn fractie zal een aantal van de commissieamendementen steunen, in het bijzonder de amendementen die tot doel hebben “werknemers” te veranderen in “werknemers of werkneemsters”, wat beslist zal helpen bepaalde specifieke gevallen onder de werkingssfeer van de richtlijn te brengen. Wij verwachten dat deze richtlijn van toepassing zal zijn – en dit op een niet-discriminerende wijze – op iedereen die via zijn of haar werk heeft bijgedragen aan deze regelingen van de tweede pijler. We zullen daarom onze steun niet geven aan amendement 34 of de amendementen van één andere fractie.

Er is gezegd dat mobiliteit steeds belangrijker wordt gevonden. Sterker nog, het is een onontkoombaar feit. Flexizekerheid is een modewoord in onze discussies en mobiele werknemers hebben een raamwerk van beschermende maatregelen nodig, en de pensioenvoorziening vormt daar een onderdeel van. Ze moeten hun pensioenrisico’s kunnen spreiden, maar aan individuele pensioenen kleven specifieke problemen, zoals gebleken is uit ons debat over Equitable Life afgelopen week. Dit zou een waarschuwing moeten zijn voor alle lidstaten die geneigd zijn uitsluitend te steunen op overheids- en particuliere pensioenen, zonder een pijler van beroepspensioenen. Zoals we weten bevat dit voorstel geen eis tot het invoeren van dergelijke beroepspensioenregelingen, dus die lidstaten moeten geen belemmeringen opwerpen voor de andere.

Mensen moeten kunnen profiteren van de opstapeling van hun pensioenbijdragen. Hun premies moeten niet in allerlei verschillende regelingen achterblijven, als uitdrogende stukjes salami. Vandaar dat wij met amendement 48 pleiten voor het herintroduceren van de meeneembaarheid van pensioenrechten, wat de kern vormt van dit voorstel. We weten dat er geen meerderheid voor dit amendement is, maar we willen het signaal afgeven aan de Raad dat hij dit vraagstuk nu echt moet aanpakken, omdat dat steeds noodzakelijker wordt. De manier waarop de Raad dit onderwerp momenteel benadert komt op velen van ons over als een vertragingstactiek en soms als een verraad van zijn eigen oproepen tot grotere mobiliteit.

We hebben regels nodig om de slapende rechten van deelnemers aan pensioenregelingen te beschermen. Amendement 38, dat in onze ogen fnuikend is en niet in het belang van de burgers, kunnen we dan ook niet steunen. Wij zullen ons wat dit betreft achter het commissiestandpunt scharen. We hebben echter moeite met de leeftijdgerelateerde bepalingen in artikel 4 en de lange wachttijden die in de amendementen van de commissie worden genoemd. Wij vinden die discriminerend en ondanks wat de Commissie ons gezegd heeft denken wij dat een grotere mobiliteit van personen die ouder zijn dan 25 een voortzetting is van de huidige situatie. In amendement 47 wordt daarom uitgegaan van de leeftijd waarop het in lidstaten wettelijk is toegestaan voltijds te werken, wat in ten minste één geval 15 jaar is. Wij kunnen niet achter voorstellen staan die verder gaan dan dat van de Commissie.

Verder willen we een spoedige tenuitvoerlegging zien, vandaar amendement 49. De Raad moet echter zijn verantwoordelijkheid nemen en een voorstel op tafel leggen waarin hij zijn retoriek in concrete maatregelen omzet en de situatie verbetert van die mensen die binnen de Europese Unie van baan veranderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jiří Maštálka, namens de GUE/NGL-Fractie. - (CS) Dames en heren, ik wil om te beginnen de rapporteur gelukwensen met dit belangrijke stuk werk. Eigenlijk heeft zij heel het oorspronkelijke voorstel van de Commissie herschreven.

Volgens mij is zij er echter helaas niet in geslaagd om enkele belangrijke meningsverschillen op te lossen en een compromistekst op te stellen die voor iedereen aanvaardbaar was. Dat blijkt wel uit de negatieve benadering die sommige lidstaten er nog steeds op na houden. Het is mijns inziens ook jammer dat ondanks de langdurige onderhandelingen over het ontwerp, de Raad niet bij machte is gebleken om een gemeenschappelijk standpunt vast te stellen.

Mij dunkt dat het oorspronkelijke voorstel van de Commissie veel beter was toegesneden op de betrokken bevolkingsgroepen dan het voorstel van de rapporteur, omdat het Commissievoorstel de houder van een pensioen meer rechten biedt. Het is moeilijk te begrijpen waarom de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten steun blijft geven aan het voorstel van de rapporteur, nu het belangrijkste gedeelte daaruit is weggelaten, namelijk de overdraagbaarheid van pensioenrechten van de ene lidstaat naar de andere. Onze fractie juicht de schrapping van artikel 6 inzake de overdraagbaarheid van rechten toe, niet alleen vanwege belastingzaken, vanwege de afwezigheid van een Gemeenschapsbreed berekeningssysteem en van minimumnormen inzake het indexatiebeleid, maar vooral omdat de overdracht van pensioenrechten zou leiden tot hogere kosten voor de individuele pensioenrechtenhouders.

Onze fractie is vooral tegen hetgeen door de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken is goedgekeurd, omdat daarmee het oorspronkelijk voorstel van de Commissie aanzienlijk wordt ondermijnd. Zo wordt de minimumleeftijd voor de uitvoering van deze rechten opgetrokken van 21 naar 25 jaar, wordt de groep mensen die voor deze rechten in aanmerking komt, verkleind, worden zelfstandigen uit het ontwerp geschrapt, en wordt de tijd gedurende de welke iemand lid moet zijn geweest van een stelsel om rechten te kunnen opeisen, tot vijf jaar verlengd.

Samen met andere leden van mijn fractie - de Confederale Fractie Unitair Europees Links/Noords Groen Links - heb ik een aantal amendementen ingediend waarmee ten minste enkele verbeteringen worden aangebracht in deze zeer belangrijke vraagstukken. Onze stem ten aanzien van heel het voorstel zal afhangen van de vraag of onze amendementen al dan niet worden aangenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Roland Clark, namens de IND/DEM-Fractie. – (EN) Mevrouw de Voorzitter, toen vier pensioendeskundigen vorig jaar mei een vergadering van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken bijwoonden, waren ze niet blij met deze richtlijn. Volgens hen werd er te weinig rekening gehouden met het subsidiariteitsbeginsel en was het een geval van “te veel, te snel”.

De Commissie werkgelegenheid zelf is sterk verdeeld over de richtlijn. Nooit eerder heb ik collega’s zo als kemphanen tegenover elkaar zien staan. Dat dat nu wel het geval was, komt doordat deze materie uitermate complex is, als gevolg van de verschillende standpunten over pensioenregelingen die de lidstaten innemen. Er zijn verschillende systemen, vandaar dat de zaak zo gecompliceerd is.

Ik ben er helemaal voor dat mensen mobiel zijn en hun pensioenrechten meenemen en gaandeweg uitbouwen, maar laten de pensioenfondsen het hoe en wat uitzoeken. Daar zijn ze voor. Zij beschikken over de expertise – laten zij zich maar het hoofd breken over deze kwestie. We hebben nu tenslotte zelfs een dienstenrichtlijn, die geacht wordt een positieve bijdrage te leveren op dit gebied.

Ik vraag mijn collega’s dan ook mijn eigen amendement, waarin ik verwerping van het voorstel bepleit, te steunen. U zult zich in goed gezelschap bevinden: het is al verworpen in de Raad, dus dit dossier is voorbestemd om ergens onderin een la terecht te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli, namens de ITS-Fractie. - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, het recht op vrij verkeer tussen de lidstaten van de Unie op het gebied van aanvullend pensioen, mag niet tegengehouden worden. Aan de meeneembaarheid van verworven rechten mag niet getornd worden, noch door de pensioenstelsels van de lidstaten, noch door middel van verwervingsvoorwaarden.

De Europese bevolking leeft gemiddeld langer en aanvullende pensioenen zullen een steeds belangrijkere rol spelen in de gehele Unie - zoals mevrouw Oomen-Ruijten terecht heeft opgemerkt - vooral als wij de levensstandaard van ouderen willen garanderen in het kader van het Europees sociaal model. Dit model is weliswaar voor verbetering vatbaar, maar er is geen enkel ander continent dat een dergelijk systeem kent.

Het is dus absoluut noodzakelijk om de mechanismen van verwerving van aanvullende pensioenen en hun meeneembaarheid nog verder aan te scherpen, zonder minder dan wat als “net voldoende” wordt bestempeld, te gedogen. Met name lijkt het zinvol om het toepassingsbereik uit te breiden tot alle aanvullende collectieve regelingen. Persoonlijk had ik graag gezien dat in dit verslag de toepasbaarheid van beginselen werd ingelast die ook gelden voor invaliditeitssuitkeringen en uitkeringen aan nabestaanden.

Wat betreft de periode van verplichte premiebetaling: ik ga akkoord met een minimumperiode van vijf jaar om recht te krijgen op verwerving, en ook met de andere voorwaarden die te vinden zijn in de amendementen die dat recht regelen. De voorwaarden voor behandeling van de aanvullende pensioenrechten die vertrekkende werknemers hebben opgebouwd, lijken mij behoorlijk evenwichtig, maar ik vind dat er verbetering moet komen in de overdraagbaarheid van de rechten.

Afrondend, wij leven in een tijd waarin de lidstaten proberen een naar mijn gevoel buitensporige flexibiliteit en werknemersmobiliteit te combineren met stimulansen voor de toegankelijkheid van de sociale voorzieningen.

In een dergelijke situatie moet erop worden gehamerd dat de jongeren zich zorgen maken over hun toekomstige pensioenstelsels en dat zij zich afvragen of zij op hun oude dag wel kunnen rekenen op een fatsoenlijke levensstandaard. Het is zaak dat de instellingen zich serieus over dat probleem buigen, temeer daar is aangetoond dat pensioenstelsels met vaste premies minder garanties bieden dan pensioenen die zijn afgestemd op de kosten van levensonderhoud. Zoals ook de rapporteur en vele collega’s zeggen, zou de arbeidsmobiliteit beter beloond moeten worden, ook en vooral in termen van aanvullende pensioengaranties.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). (EN) Mevrouw de Voorzitter, in een tijd waarin slechts weinig banen voor het leven zijn, waarin overheidspensioenen door de bank genomen ontoereikend zijn, waarin geen grenzen worden gesteld aan de mobiliteit van werknemers en waarin Europa een bijzonder vergrijzende bevolking heeft, worden tekortkomingen in pensioenregelingen steeds zwaarwegender voor veel van onze kiezers. Het is dus zaak dat wat er gedaan kan worden om toereikende en flexibele pensioenregelingen te waarborgen, ook gedaan wordt.

Voor veel mensen zijn aanvullende pensioenregelingen een essentieel onderdeel van hun financiële planning en de reglementering ervan moet dus niet verstikkend of beperkend zijn. Evenmin moet ze de overheid de kans geven stiekem belastingen binnen te halen, iets waaraan we in het Verenigd Koninkrijk gewend zijn.

Wat ik in de allereerste plaats bepleit is echter dat we bij het bevorderen van de mobiliteit van pensioenen niet alleen maar weer een nieuwe laag EU-regelgeving opleggen. We moeten niet vergeten dat het hier om vrijwillige regelingen gaat. De lidstaten moeten de controle blijven houden over wat er gebeurt in hun eigen landen, waar er verschillende stelsels en verschillende praktijken zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, in de interne markt moet de mobiliteit van werknemers worden bevorderd, en niet worden tegengewerkt. Hetzelfde geldt voor rechten uit bedrijfspensioenen bij een verandering van baan. De systemen verschillen echter van opzet. In Frankrijk en Spanje gelden ze met name voor managers. In lidstaten als Oostenrijk, Luxemburg en Duitsland is deelname vrijwillig. Bedrijfspensioenen hebben als doel gekwalificeerde medewerkers op lange termijn aan een bedrijf te binden. Bedrijfstrouw wordt dus beloond. De waarde bedraagt alleen al in Duitsland 250 miljard euro.

Wat de lidstaten op eigen kracht hebben bereikt, mag echter niet door gedwongen Europese harmonisatie worden vernietigd. Te hoge minimumstandaarden en te hoge kosten verhinderen dat bedrijfspensioensystemen ontstaan of blijven bestaan. Het EU-gemiddelde ligt op 10 procent. Met mijn amendementen – die op steun van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten kunnen rekenen - wil ik dit percentage opschroeven.

Ten eerste ben ik voor een verlaging van de minimumleeftijd naar 25 jaar. De Commissie pleit voor 21 jaar. Het onderhavige verslag rept zelfs met geen woord over leeftijd. Dat kan gewoon niet! Jongere werknemers wisselen vaak van baan, wat leidt tot extreem kleine pensioenbedragen en enorme administratieve kosten.

Ten tweede: de periode van vijf jaar voor het onvervreemdbaar recht op pensioen ondersteunt – in tegenstelling tot de mening van de heer Ettl – de positie van het Duitse voorzitterschap van de Raad, dat hard heeft gewerkt om overeenstemming te bewerkstelligen. De eis van twee jaar van de Commissie zal bijkomende kosten van 20 procent veroorzaken. De Commissie is daarvan op de hoogte. De Commissie sociale zaken en werkgelegenheid wil in het geheel geen termijn stellen. Wie draait op voor de kosten?

Ten derde ben ik samen met tachtig collega’s voor het schrappen van de indexering. Als werknemers die van baan zijn gewisseld net zo worden behandeld als werknemers die bij een bedrijf werken, ontstaan extra kosten van 30 procent. De Nederlandse minister van Sociale Zaken vreest een financieel debacle voor zijn land, waarin 90 procent van alle werknemers een bedrijfspensioen krijgt.

Bedrijfspensioenen hebben alleen toekomst op basis van hun haalbaarheid en betaalbaarheid. Mochten de moties van mijn fractie niet worden aangenomen, dan raad ik u aan het gehele verslag af te wijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson (PSE). – (SV) Mevrouw de Voorzitter, om te beginnen wil ik de rapporteur, mevrouw Oomen-Ruijten, bedanken voor haar goede en evenwichtige verslag.

De aanvullende pensioenen zijn in veel lidstaten belangrijk en ze worden in de toekomst steeds belangrijker. Ik vind dat in het verslag een goed evenwicht is bereikt tussen enerzijds geografisch vrij verkeer tussen de lidstaten en anderzijds de inachtneming van verschillende systemen.

Sommigen beweren dat deze richtlijn niet nodig is. Jawel, die is wel nodig. Veel van onze systemen in Europa zijn geschapen vanuit een arbeidsmarkt die er vroeger heel anders uitzag. Vandaag hebben we een beweeglijke arbeidsmarkt in de lidstaten, tussen verschillende ondernemingen en over de nationale grenzen heen, en daarom moeten ook de pensioenstelsels worden gewijzigd.

Ik ben altijd tegen het meeneemrecht geweest, om diverse redenen, en ik vind het een goede zaak dat dat is verwijderd. We hebben uiteenlopende belastingstelsels, de levensverwachting varieert van land tot land, en bovendien zou een meeneemrecht onder andere de fondsen kunnen uithollen voor degenen die blijven. Het is belangrijker om te doen wat wij hebben voorgesteld, namelijk om ons te concentreren op de slapende rechten, zodat degenen die een fonds verlaten niet worden gediscrimineerd, maar hun rechten voluit gerespecteerd zien.

Ik vind dat de kwalificatietijd en de minimumleeftijd zo laag mogelijk moeten zijn, want die belemmeren de vrijheid van verkeer. Op dit punt hebben we een evenwicht in het Parlement bereikt, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat we op termijn zowel kwalificatietijden als minimumleeftijden moeten afschaffen.

Er zijn goede voorwaarden om een overeenkomst te bereiken als het Parlement voor het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken stemt. We hebben geprobeerd een dialoog te voeren met de Raad, en onze meningen liggen niet ver uiteen. Ik hoop dat we dit standpunt goedkeuren. Ik geloof dat dit ook een stimulans voor de Raad zal zijn, zodat we het in tweede lezing eens zullen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Ona Juknevičienė (ALDE). – (LT) Mevrouw de Voorzitter, geachte collega’s, vandaag debatteren we over een zeer belangrijke richtlijn die de vrijheid van werknemers om passende arbeid te kiezen moet versterken. Deze richtlijn moet een nieuwe stimulans vormen voor de versterking van de concurrentie op de communautaire arbeidsmarkt. Ik feliciteer mevrouw Oomen-Ruijten, die dit document heeft opgesteld, en ik hoop dat een meerderheid van het Parlement haar verslag bij de stemming zal steunen.

Geachte afgevaardigde, ik feliciteer u met uw inzet om de mobiliteit van werknemers te vergroten en alle obstakels weg te nemen die dat belemmeren. Deze richtlijn is een stap in de richting van een opleving van de arbeidsmarkt, de bevordering van investeringen en concurrentie en de versterking van sociale garanties voor werknemers.

De leden van de Gemeenschap hebben het recht om te besluiten of ze aanvullende pensioenregelingen willen invoeren of niet. Op dit moment hebben zeven van de tien lidstaten die in 2004 zijn toegetreden die niet. Dat geldt ook voor Litouwen. In sommige landen zijn aanvullende pensioenregelingen niet wijdverbreid en is maar een klein deel van de werknemers bij zulke regelingen aangesloten. Ik hoop dat die landen, die geen pensioenregeling met werkgeversbijdragen kennen, de voordelen daarvan zullen gaan inzien en gebruik zullen maken van de ervaring van hun buurlanden om ook zulke regelingen in het leven te roepen voor hun burgers.

Om te helpen bij het verwezenlijken van de doelstelling van de voorgestelde richtlijn is het zeer belangrijk dat het instellen van aanvullende pensioenregelingen met werkgeversbijdragen wordt aangemoedigd en dat de opgespaarde bedragen niet alleen binnen iedere lidstaat, maar binnen de hele Gemeenschap kunnen worden meegenomen. Ook is het zeer belangrijk dat werkgevers het recht krijgen om pensioenregelingen en manieren van meeneembaarheid te kiezen die kosteneffectief zijn en geen financieel nadeel met zich meebrengen.

Ik steun de mening van de rapporteur dat deze richtlijn zo breed mogelijk moet worden toegepast en dat er geen uitzonderingen moeten worden toegestaan op de vereiste dat de rechten meeneembaar zijn. Een flexibele en effectieve meeneembaarheid van pensioenen is een extra sociale garantie voor werknemers en een prikkel om hun kennis en capaciteiten op een goede manier te gebruiken. Hiermee wordt dan weer een obstakel voor de mobiliteit weggenomen en wordt het potentieel van de hele arbeidsmarkt van de Europese Unie vrijgemaakt, waarmee de concurrentie weer wordt gestimuleerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Schroedter (Verts/ALE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, geachte commissaris, geachte fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, jammer genoeg wordt dit thema met name in het land dat ik het beste ken nog steeds behandeld vanuit de hopeloos verouderde visie dat bedrijfspensioenen een bonus voor jarenlange bedrijfstrouw zouden zijn. Dat is toch al lang passé! Bedrijfspensioenen vormen de tweede pijler in de oudedagsvoorziening, en worden veelal vastgelegd in een cao in combinatie met inlevering van loon; zo vormen zij een essentieel onderdeel van levensloop en loopbaan van de werknemers van tegenwoordig. Deze loopbaan wordt gekenmerkt door mobiliteit, onderbrekingen en uiteenlopende dienstverbanden. In de lagere inkomensgroepen kan men tegenwoordig bijna niet meer rondkomen van een algemeen ouderdomspensioen.

Voor deze werkelijkheid is het voorstel van de Commissie voor overdraagbaarheid van bedrijfspensioenen consequent, logisch en ambitieus. Het mag niet zo zijn dat men de overdraagbaarheid alsook de slapende rechten uit een richtlijn voor bedrijfspensioenen wil schrappen, terwijl mobiliteit tegenwoordig wenselijk is en zelfs niet meer weg te denken is uit het beroepsleven. Met dergelijke plannen belet je de jongere generatie een eigen oudedagsvoorziening op te bouwen, en belast je in de toekomst de schatkist omdat mensen na een lang maar bewogen arbeidsleven in de armoede worden gedreven.

Het is buitengewoon jammer dat de lidstaten nauwelijks bereid zijn geweest de moedige stap van de Commissie te volgen. Het Duitse voorzitterschap heeft er met zijn onaanvaardbare ontwerp toe bijgedragen dat het in de Raad gestrand is; het mag zich niet achter Nederland verschuilen.

We mogen dit belangrijke onderwerp voor de oudedagsvoorziening van de volgende generatie op de lange termijn niet laten liggen, ook al is voor de overdraagbaarheid op dit moment nog geen meerderheid te vinden. We moeten dit doel gezamenlijk – wellicht in kleine stappen – bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Mary Lou McDonald (GUE/NGL).(EN) Mevrouw de Voorzitter, ook ik feliciteer mevrouw Oomen-Ruijten met haar werk. Ik ben het met haar eens dat wat dit Parlement wil, en waar de burgers van Europa behoefte aan hebben, natuurlijk is dat er resultaat geboekt wordt ten aanzien van dit onderwerp, want het lijdt geen enkele twijfel dat werknemers om allerlei redenen mobieler zijn, en dat is iets wat moet worden aangemoedigd en gesteund.

Ik moet zeggen dat ik het oorspronkelijke voorstel van de Commissie veruit prefereer boven het verslag dat voor ons ligt. Ik vind het onbegrijpelijk dat voorgesteld wordt de minimumleeftijd te verhogen van 21 naar 25 jaar. Toegegeven, werknemers stellen het heel vaak uit tot ze nog veel ouder zijn voordat ze zelfs maar aan hun pensioenrechten gaan denken, maar naar mijn mening moeten we als vuistregel aanhouden dat we mensen moeten stimuleren zo vroeg mogelijk die voorzieningen te treffen en over deze dingen na te denken, en onze fractie zal dan ook amendementen steunen die tot doel hebben die leeftijdsgerelateerde bepalingen te wijzigen.

Verder kan ik er niet bij waarom zelfstandige ondernemers niet ook onder deze bepalingen vallen. Ik vind dat zeer verontrustend en ook wat dit betreft zal die bezorgdheid het stemgedrag van onze fractie bepalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM).(EN) Mevrouw de Voorzitter, door de onthullingen die gedaan zijn in het kader van het onderzoek naar Equitable Life zijn veel mensen gaan twijfelen aan de zekerheid van hun pensioenen. Wanneer mensen zich tijdens hun werkzame leven offers getroosten om geld opzij te leggen voor hun pensionering, dan doen ze dat om één enkele reden: hun eigen zekerheid en die van hun gezin. Nu het demografische toekomstbeeld een vergrijzend Europa laat zien, hebben mensen het gevoel dat ze hun toekomst niet kunnen toevertrouwen aan overheidspensioenen. Overheden zijn nu eenmaal pragmatisch en zullen doen wat ze moeten doen wanneer meer dan een derde van hun bevolking ouder is dan 65 jaar. De werknemers van tegenwoordig beschouwen overheidspensioenen als een basis waarop zij met behulp van aanvullende regelingen hun inkomen bouwen voor de 20, 30 of zelfs 40 jaren van leven die ze na hun pensionering misschien zullen hebben.

Ik geef toe dat het niet eenvoudig is een evenwicht te vinden tussen enerzijds het beschermen van bestaande situaties op pensioengebied en anderzijds het creëren van een kader dat bestand is tegen de toenemende druk die op pensioenen komt te liggen naarmate Europa vergrijst en dat tevens garandeert dat gepensioneerden niet hun hele pensionering bezig zijn met het proberen hun geld terug te krijgen dat ze tijdens hun werkzame leven opzij hebben gezet.

 
  
MPphoto
 
 

  José Albino Silva Peneda (PPE-DE).(PT) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik wil om te beginnen zeggen dat ik het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten heel goed vindt. Ze legt ons een heel gedurfd, maar ook evenwichtig en weldoordacht voorstel voor dat beslist zal bijdragen tot het verder uitwerken van een elementair onderdeel van het Europees project – meer vrijheid van verkeer met een betere bescherming.

Dames en heren, de mondialisering en de vergrijzing van de bevolking zijn twee kwesties waarop Europa nog geen duidelijk en overtuigend antwoord heeft geformuleerd. Een sterker gemondialiseerde economie betekent dat je bereid moet zijn je aan te passen. En dat komt neer op meer mobiliteit. Werknemers kunnen pas echt mobiel zijn als je de verwerving, het behoud en de meeneembaarheid van pensioenrechten garandeert – dat is voor de ontwikkeling van de interne markt van cruciaal belang.

Daar komt bij dat de toenemende vergrijzing van de bevolking en de daarmee samenhangende stijging van de openbare uitgaven ons verplicht de financiële haalbaarheid van onze systemen voor sociale zekerheid te garanderen. En dat zal gemakkelijker zijn als er meer mogelijkheden bestaan voor financiële instrumenten om de staatspensioenen aan te vullen. Er bestaat zeker een tendens in die richting, als gevolg van de financiële druk die de demografische ontwikkeling op de overheden zal gaan uitoefenen.

De grootste uitdaging waarvoor de Europese Unie zich nu gesteld ziet bestaat erin de fundamentele waarden die de basis voor het Europese sociale model vormen te behouden en tegelijk concurrerend te blijven in een mondiale context. Dat is alleen mogelijk als we politieke actie ondernemen en in staat blijken een aantal aspecten van dit sociale model aan te passen. We zullen bovendien vastberaden moeten optreden om de interne markt verder te ontwikkelen, vooral als het gaat om de vrijheid van verkeer van – in dit geval – personen. Het voorstel dat we nu bespreken is een heel positief en bemoedigend signaal in die richting.

 
  
  

VOORZITTER: LUISA MORGANTINI
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Jöns (PSE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, allereerst mijn gelukwensen aan het adres van mevrouw Oomen-Ruijten voor haar uitstekende werk! We kunnen van werknemers toch niet steeds meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt verlangen en tegelijkertijd van ze vragen meer te doen aan hun eigen oudedagsvoorziening, zonder dat we velen van hen überhaupt de kans geven bedrijfs- of aanvullende pensioenen op te bouwen. Circa 20 procent van de werknemers krijgt inmiddels alleen nog maar arbeidscontracten voor bepaalde tijd. 40 procent werkt tegenwoordig minder dan vijf jaar bij een bedrijf – de commissaris zei het al. Tegen deze achtergrond getuigt het gewoon van groot cynisme bedrijfspensioenen te omschrijven als premies waarmee werknemers aan een bedrijf worden gebonden, zoals bijvoorbeeld in mijn land gebeurt!

We hebben dringend behoefte aan modernere regelingen. Wie aan lange opbouwperiodes wil vasthouden en de slapende rechten volledig uit het toepassingsgebied van de richtlijn wil weren, en deze schamele regeling bovendien pas in 2018 in werking wil laten treden, is nog niet in de realiteit beland. Dit wilde ik eigenlijk tegen mijn collega, de heer Mann, zeggen, maar hij heeft de plenaire vergadering inmiddels verlaten.

Het is toch geen toeval dat Commissie en Parlement in dezelfde richting denken. We moeten de gevolgen van de toenemende vergrijzing van onze maatschappij onder ogen zien. In mijn land droegen in 1970 bijvoorbeeld nog acht werkenden de kosten van één pensioen; in 2030 zullen dat twee werkenden zijn. Daarom moeten we snel aan de noodrem trekken. Wij moeten de voorwaarden scheppen zodat elke werknemer ook echt de kans heeft voor zijn eigen oudedagsvoorziening te werken, zoals van hem gevraagd wordt. Natuurlijk moeten ook werkgevers hun steentje bijdragen. U kunt mij niet wijsmaken dat de regelingen zoals wij die hebben voorgesteld – en ze in het verslag-Oomen-Ruijten staan – voor vele duizenden bedrijven een faillissement betekenen!

 
  
MPphoto
 
 

  Anne E. Jensen (ALDE). – (DA) Mevrouw de Voorzitter, Mijnheer de commissaris, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik vind ook dat het een goed voorstel is dat mevrouw Oomen-Ruijten vandaag naar voren heeft gebracht en ik dank haar daarvoor. Het voorstel stimuleert de aandacht voor de mobiliteit op de arbeidsmarkt en het doet niets af aan de aandacht voor bestaande solidaire regelingen, zoals bijvoorbeeld de Deense bedrijfspensioenen. Men kan sympathie hebben voor regels waarbij men vrij is om zijn pensioenregeling mee te nemen naar een andere werkgever, zoals de Commissie heeft voorgesteld, maar het is moeilijk om een model te vinden dat aansluit op de bestaande regelingen. Daarom vind ik de oplossing die we nu hebben goed, omdat de overdracht van pensioenen daarin niet is meegenomen.

In Denemarken hebben we regels die het recht op kosteloze overdracht garanderen in de eerste twee jaar nadat men van baan is veranderd. Deze regels voorzien ook in een limiet voor de kosten die de pensioenfondsen in rekening kunnen brengen bij overdracht. Uiteraard staat de individuele EU-landen niets in de weg om op dezelfde wijze regels voor de overdracht van pensioenen te ontwikkelen. Het voorstel dat voor ons ligt verzekert de basisrechten van de individuele pensioenopbouwer met regels ten aanzien van de pensioenopbouw, de slapende rechten en de informatievoorziening. Dat is het minste dat we mogen verlangen. Bovendien is deze wetgeving bijzonder belangrijk voor diegenen die grensoverschrijdend van baan wisselen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kyriacos Triantaphyllides (GUE/NGL). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, de onderhavige ontwerprichtlijn betekent onzekerheid, aanpassing aan gemakkelijk ontslag, herscholing en nieuwe banen met onzekere voorwaarden. Daarin wordt alleen gekeken naar de eenzijdige behoeften van de markt en niet naar volledig, vast en gereglementeerd werk met rechten. Desalniettemin komt de Europese Commissie opnieuw met dit voorstel op de proppen, en om dit erdoor te krijgen speelt zij een politiek spelletje ten koste van de burgers.

Het voorstel beoogt de afbouw van wat als belemmeringen worden beschouwd voor zowel het vrij verkeer tussen de lidstaten als de mobiliteit binnen een bepaalde lidstaat, belemmeringen die het gevolg zijn van een reeks bepalingen in de systemen voor aanvullende pensioenverzekering. Deze hebben betrekking op de voorwaarden voor het verkrijgen van pensioenrechten, de voorwaarden voor het behoud van slapende pensioenrechten en de mogelijkheid voor het meenemen van grondrechten. Dit alles wordt naar beneden aangepast. Daarom kunnen wij helaas geen steun geven aan dit voorstel.

 
  
MPphoto
 
 

  Jens-Peter Bonde (IND/DEM). – (DA) Mevrouw de Voorzitter, in Denemarken hebben we meer dan 2 200 miljard kronen aan opgebouwde pensioenen en die zijn opgebouwd via belastingaftrek. Vervolgens komt het Europese Hof van Justitie met een arrest en verbiedt ons belasting te heffen op pensioenen die zijn opgebouwd in andere landen. We moeten nu volledige belastingaftrek toestaan zonder de garantie te hebben dat er later ook belasting wordt afgedragen. De Junibeweging zou graag vrije concurrentie zien om burgers de grootst mogelijke pensioenuitbetaling te geven voor hun inbreng, maar dan moet het wel eerlijke concurrentie zijn.

Wij willen ook ons uit belastingen gefinancierde sociale model met gelijke sociale burgerrechten voor iedereen handhaven. Wij geven bijvoorbeeld ouderdomspensioen aan mensen ongeacht of ze hebben deelgenomen aan de arbeidsmarkt. Dit is een burgerrecht waar men aanspraak op kan maken door in het land te wonen. Als we iedereen die zich in ons land vestigt een ouderdomspensioen moeten geven, zal dat pensioen snel verlaagd worden. Als een Deens echtpaar een ouderdomspensioen en vervroegd pensioen kan meenemen naar een belastingparadijs zonder dat er belasting over wordt geheven, wordt dat zo duur voor de samenleving dat het niveau van de pensioenen en vervroegde pensioenen niet meer kan worden gehandhaafd.

De Europese Unie moet meer rekening houden met het bijzondere Deense sociale model met hoge belastingen en bijbehorende hoge sociale uitkeringen. We hebben praktische regels nodig, zodat de burgers hun pensioen mee kunnen nemen als ze naar een ander land verhuizen, maar het is niet de bedoeling dat emigranten hun pensioenen betaald krijgen door alle andere belastingbetalers. De Junibeweging roept de Raad en de Commissie op om onze sociale rechten, die uit belastingen worden betaald, te respecteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Őry (PPE-DE). (HU) Zoals u weet hebben we in 2006 het Europees Jaar van de mobiliteit van werknemers gevierd. Vertegenwoordigers van Europese instellingen, afgevaardigden van regeringen uit de lidstaten en organisaties die werkgevers en werknemers vertegenwoordigen, hebben op verscheidene beroepsevenementen hun standpunt uiteengezet over hoe belangrijk het is de mobiliteit binnen de Unie te bevorderen.

Op grond hiervan lijkt het erop dat zowel de EU-instellingen, de Europese Commissie, de Raad, het Parlement als de lidstaten zich in het algemeen alsook op principieel niveau definitief gecommitteerd hebben aan de toename van de mobiliteit. Dit geldt echter alleen zolang we deze belangrijke kwestie in haar algemeenheid behandelen. Zodra er over concrete maatregelen of richtlijnen moet worden besloten, verdwijnt het enthousiasme waarvan de besluitvormers bij de algemene behandeling van het onderwerp gewag maakten, als sneeuw voor de zon. Dan treden ineens de zorgen en de problemen op de voorgrond. Dit hebben we nu ook weer gemerkt bij het debat over de nieuwe richtlijn met het oog op de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten.

Veel van mijn collega’s breken een lans voor onveranderlijkheid en volledige inactiviteit. Ze beroepen zich erop dat er in Duitsland een historisch model bestaat dat tot in het kleinste detail ongewijzigd moet blijven. Ik heb veel respect voor historische tradities, maar hier gaat het om het belang van alle Europese werknemers en de gehele Europese economie. Ik ben ervan overtuigd dat dit een groter goed is. Het Europese momentum mag niet gestuit worden door dergelijke individuele waarden waardoor, als daar rekening mee wordt gehouden, in een bepaalde lidstaat tientallen miljoenen werknemers lijden onder ernstige discriminatie ten opzichte van de andere werknemers in de Europese Unie.

Het stimuleren van de mobiliteit en de meeneembaarheid van aanvullende pensioenrechten zijn hoe dan ook kwesties die op Europees niveau moeten worden geregeld. Als we dat niet doen, blijven we steeds verder achter in de wereldwijde concurrentiestrijd, die we met onze uitdagers, de economieën van Zuidoost-Azië, India en Noord-Amerika, voeren. We moeten inzien dat er onstuitbare processen plaatsvinden en dat maatregelen die grenzen en arbeidskrachten overstijgen daarbij onontbeerlijk zijn. Zoals de Engelsen zeggen: it is a must. Ik vraag daarom uw steun hiervoor. En dan nog een laatste opmerking: pensioenen en investeringen betreffen de werknemers zelf, ook als de bedrijven voor hen betalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alejandro Cercas (PSE). (ES) Mevrouw de Voorzitter, ik zal doorgaan waar de heer Őry is geëindigd, want ik wil uiting geven aan dezelfde zorgen en dezelfde gevoelens van tevredenheid, en ook ik wil de commissie en de rapporteur, mevrouw Oomen-Ruijten, feliciteren met de moed die zij hebben getoond en met het feit dat zij dit mijnenveld hebben betreden met de vaste wil om vooruitgang te boeken en de bestaande belemmeringen weg te nemen.

Het is absoluut noodzakelijk dat onze woorden en onze daden met elkaar overeenkomen. En ook is het absoluut noodzakelijk om de belemmeringen voor de mobiliteit en het vrije verkeer van werknemers weg te nemen. Dat zeggen wij, dat zegt Lissabon, dat heeft de Raad al duizenden keren gezegd, maar ondertussen zien we dat we geen stap verder komen. Ook is het absoluut noodzakelijk dat de rechten van werknemers die mobiel zijn en die binnen de Gemeenschap en binnen onze eigen landen van woonplaats veranderen, worden gerespecteerd en gewaarborgd.

Daarom wil ik mijn bezorgdheid uitspreken over de problemen die er in de Raad zijn geweest en die vandaag ook kunnen ontstaan in het Parlement. Ik maak me in de eerste plaats zorgen omdat de Raad onze redelijke en minimale verwachtingen frustreert. Kleine stappen vooruit die worden gefrustreerd door nationale kwesties en nationaal egoïsme. Ik maak me zorgen omdat dit niet de eerste keer is, en ook niet de laatste keer zal zijn, dat de dames en heren van de Raad zich doof houden voor de eisen van de Europeanen. Ik maak me zorgen omdat gezegd wordt dat het werk van het Parlement als basis voor verder werk zal dienen, terwijl consensus in het Parlement blijkbaar niet eens tot beweging in de standpunten van de Raad leidt. En ik maak me zorgen omdat die problemen in de Raad naar het Parlement kunnen overwaaien en de stemming van vandaag heel moeilijk kan worden.

Laten we hopen, mevrouw Oomen-Ruijten, dat de amendementen die zijn bedoeld om uw verslag te frustreren, niet zullen worden aangenomen, en dat uw verslag, waarin redelijke en minimale eisen worden gesteld, de steun van iedereen krijgt en als basis zal kunnen dienen om vooruitgang te boeken op dit gebied - die hard nodig is in Europa en die wordt geëist door de burgers, waar door onze regeringen onvoldoende naar wordt geluisterd.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). - (FI) Mevrouw de Voorzitter, het moet mogelijk zijn pensioenen van het ene land naar het andere mee te nemen. Voor een vrij verkeer van werknemers van het ene land naar het andere moeten mensen zonder problemen, zonder veel administratieve rompslomp en zonder aanvraagprocedure hun pensioenen kunnen krijgen.

Ik ben er dus voor om de problemen die aanvullende pensioenen met zich meebrengen voor het vrij verkeer van werknemers op te lossen. De overdracht van aanvullende pensioenen van het ene pensioenstelsel naar het andere is echter zeer bewerkelijk. Het vergroot de bureaucratie en verhoogt de kosten. Toekomstige communautaire regelgeving moet het niet mogelijk maken om aanvullende pensioenrechten mee te nemen. Er is bovendien een eenvoudiger oplossing: elk aanvullendpensioenstelsel moet de werknemer apart de pensioenen betalen die in het betrokken stelsel zijn opgebouwd. Dit is een eenvoudigere, effectievere en goedkopere oplossing voor de werknemer, de pensioengerechtigde en de pensioenstelsels.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, als wij mobiliteit van werknemers willen verzekeren, moeten wij zorgen voor mobiliteit van hun rechten. Het is onaanvaardbaar dat werknemers worden verplaatst en door hun mobiliteit pensioenrechten verliezen, dat zij na jarenlang hard werken in hun land hun langverwachte rechten in rook zien opgaan. Hier zijn wij geconfronteerd met enorme hinderpalen en problemen ten gevolge van neoliberale beleidsvormen.

Ik wil mevrouw Oomen-Ruijten van harte bedanken voor haar belangrijke werk, maar tot mijn spijt kan mijn fractie niet instemmen met het definitieve verslag. Ten aanzien van het inhoudelijk belangrijkste vraagstuk dat met de nieuwe richtlijn wordt geregeld, dat wil zeggen de voorwaarden voor het verwerven van aanvullende pensioenrechten, zet het verslag een stap achteruit in vergelijking met het oorspronkelijk voorstel van de Commissie. Het vraagt immers om een vijfjarige wachttijd in plaats van een tweejarige, en om een minimumleeftijd van 25 jaar in plaats van 21. In artikel 4 van de richtlijn moet een gunstigere regeling worden opgenomen om jonge werknemers tegemoet te komen. Daarom vraag ik u om steun te geven aan de amendementen 50 en 51. Deze zijn voor ons namelijk erg belangrijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland (IND/DEM). – Voorzitter, ik wil graag collega Ria Oomen-Ruijten feliciteren met haar verslag. Het meenemen van aanvullende pensioenrechten is geen vanzelfsprekende zaak. Als Nederland - toch een voorloper - in het pensioendebat al een veto overweegt bij nieuwe pensioenwetgeving, geeft dat zeker te denken.

Het is van groot belang dat er nieuwe stappen gezet worden om te zorgen voor een betere afstemming van de verschillende pensioensystemen. Naast afstemming is vooral de financiële houdbaarheid van verschillende systemen een punt van zorg. Het is duidelijk dat niet iedereen kan instemmen met dit verslag, want ten opzichte van het Commissievoorstel stelt de rapporteur voor om bij de overdracht geen uitzonderingen meer toe te laten.

Ik heb nog wel een vraag. Wanneer de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 9, lid 3 wordt geschrapt, worden lidstaten dan gestimuleerd om over te gaan tot een op kapitalisatie gebaseerd pensioensysteem? Dat zou toch moeten gebeuren. In de Europese Unie waarin mensen de vrijheid hebben om in verschillende lidstaten te werken, hoort een passend systeem van sociale zekerheid. Het meenemen van zelf opgebouwde pensioenrechten is dan wel een minimum.

 
  
MPphoto
 
 

  Anja Weisgerber (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, waarde collega’s, we zijn het er allen over eens dat de mobiliteit van werknemers gestimuleerd dient te worden. Deze richtlijn heeft echter grote gevolgen voor alle bedrijfspensioensystemen in veel lidstaten, waaronder Luxemburg, Oostenrijk en Duitsland. Slechts 1,5 procent van de werknemers verruilt zijn baan voor een betrekking in een andere lidstaat. Deze richtlijn raakt echter ook die andere 98,5 procent van de werknemers die in hun eigen lidstaat blijven werken. Nog een opmerking aan het adres van mevrouw Jöns: we benadelen deze werknemers als bedrijfspensioenen, die vrijwillig zijn, niet meer door bedrijven worden aangeboden omdat ze niet langer betaalbaar zijn. Dan kunnen hele nationale systemen ineenstorten.

Bedrijfspensioenen zijn zeer belangrijk met het oog op de toenemende vergrijzing van de maatschappij. Bedrijven zijn echter niet verplicht om bedrijfspensioenen aan te bieden. Als de richtlijn ook van toepassing zou zijn op oude toezeggingen – zoals tot nog toe is gepland – zouden bedrijven worden bestraft die in het verleden omvangrijke pensioentoezeggingen hebben gedaan. We lopen hier het gevaar dat bedrijven het vrijwillige bedrijfspensioen de rug toekeren.

Voorts moet volgens het huidige voorstel van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken direct vanaf het 25e levensjaar een pensioenrecht worden opgebouwd zonder dat een opbouwperiode geldt. Dit zou een enorme stijging van de bureaucratie en de kosten tot gevolg hebben en daarmee onbetaalbaar zijn. De aanpassing van de pensioenrechten van vertrokken werknemers aan de waarde van de rechten van actieve werknemers - de indexering -, betekent een kostenstijging van 30 procent. Dit was voor de Nederlandse minister van Werkgelegenheid de belangrijkste reden om tegen de richtlijn te stemmen.

We hebben betrouwbare, planbare en betaalbare regelingen nodig. We zijn voor mobiliteit, maar dan wel onder zodanige voorwaarden dat de bedrijfspensioenregelingen, die voor werknemers erg belangrijk zijn, niet in gevaar komen.

Als de relevante amendementen niet worden aangenomen, zal ik daarom in het belang van de werknemers tegen het verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ieke van den Burg (PSE). – Voorzitter, een paar kanttekeningen. Ten eerste de analyse van het Duitse voorzitterschap waarom het zo moeilijk was om dit dossier tot een goed einde te brengen. Daar ontbrak mijns inziens in dat er al vanaf de start, met name door uw eigen land, uitzonderingen bedongen waren en dat dat een proces in gang gezet heeft waardoor ook andere landen uitzonderingen gingen bedingen en wat er uiteindelijk toe leidde dat er niets meer overbleef in de richtlijn. Ik denk dat dat ook even in de analyse gezegd moet worden.

Tweede punt, de rol van werkgevers en sociale partners en pensioenfondsen zelf; ik ben er ook een groot voorstander van dat zij zélf het nodige ondernemen, maar zoals commissaris Špidla al gezegd heeft, ze hebben hun beurt voorbij laten gaan. Ik denk wel, dat als we deze richtlijn nu aannemen zonder dat element van waardeoverdracht, daar een stimulans van zal uitgaan, dat zij dat zelf ook weer zullen oppakken en ik zou dat signaal nog eens heel sterk willen laten horen. Ik was er ook tegen dat artikel 6, zoals dat geformuleerd was door de Commissie, een individueel recht op waardeoverdracht zou bieden, maar het moet wel geregeld worden, dus het veld moet wel aan de slag.

De slapersrechten: mijnheer Mann, het is absoluut niet zo dat Nederland dat onderdeel niet wilde, omdat het niet financierbaar zou zijn. Wij hebben dat in ons eigen land uitstekend geregeld: slapers delen ook mee in de opbrengsten die hun premieinleg oplevert. Het gaat ons erom dat Nederlanders die bijvoorbeeld in Duitsland of andere landen gewerkt hebben en mobiel geweest zijn, niets aan de rechten hebben die ze daar hebben opgebouwd. Dat is onfaire behandeling. Ik denk dat dat het belang is van artikel 5 over slapersrechten; ik ben er dan ook heel teleurgesteld over dat zowel het Duitse voorzitterschap als mijnheer Mann nu weer proberen die rechten alleen voor toekomstige slapersrechten te regelen. Het argument van terugwerkende kracht is echt onzin. Pensioenrechten worden ieder jaar vastgesteld, ook voor de actieve deelnemers. Voor slapende deelnemers kan dat op precies dezelfde wijze gebeuren. Dat heeft helemaal niks te maken met terugwerkende kracht, dat is gewoon het aanpassen van regelingen en dat is een fair deel dat zij daar zelf in moeten hebben.

Dus, volledige steun voor het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten en ook wat ons betreft, hoop ik dat het niet, zoals de uitzendrichtlijn, blijft verzanden in het moeras dat mijnheer Cocilovo noemde, maar nu echt opgepakt wordt door de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlo Fatuzzo (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het geld dat de werknemers voor een aanvullend pensioen betalen, is geld van de werknemers. Ook het geld dat de werkgevers storten om hun werknemers als gepensioneerden een beter bestaan te bezorgen, is geld van de werknemers. Het zou dus absoluut geen probleem moeten zijn om goedkeuring te hechten aan een richtlijn inzake de meeneembaarheid van rechten die de werknemers al bezitten.

Mijnheer Mann, u zegt dat deze richtlijn, zoals de Commissie die heel dapper heeft gepresenteerd, aanzienlijke kosten met zich meebrengt voor de verzekeraars, en dat zij daarom moet worden afgewezen. Ik daarentegen vind dat hoe hoger de kosten voor de pensioenfondsen zijn, hoe groter de voordelen voor de werknemers, en hoe groter het aantal werknemers dat zich bij de vrijwillige pensioenfondsen zal inschrijven.

Ten slotte moet ik opnieuw tot mijn spijt constateren dat de Raad aan de rem trekt in de Europese Unie. Aangezien alle 27 lidstaten van de Europese Unie hun instemming moeten geven, hoeft er in de Raad maar één stem tegen te zijn om een voorstel te blokkeren. Ik vraag me dan ook af waarom wij erover blijven zeuren dat de mensen in Frankrijk en Nederland tegen de Grondwet hebben gestemd. Wij willen allemaal dolgraag dat Europa vooruitgang boekt, maar als het erom gaat concreet tegemoet te komen aan de verwachtingen van de burgers, laten wij het steevast afweten en kiezen wij standpunten die de burgers en de werknemers het slechtste uitkomen. Als wij op deze voet doorgaan, komen wij natuurlijk nooit vooruit.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, mijn complimenten aan mevrouw Oomen-Ruijten en iedereen die betrokken is bij het zoeken naar een brede consensus over deze uitermate complexe materie. We moeten het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten vandaag met een overtuigende meerderheid aannemen en ervoor zorgen dat de amendementen van Thomas Mann worden verworpen. Ik roep mijn collega’s en, sterker nog, vrienden in de GUE/NGL-Fractie op door de zure appel heen te bijten en vandaag bij de eindstemming hun steun aan dit verslag te hechten.

Het is zeer betreurenswaardig dat we na twintig jaar debatteren over meeneembaarheid en verworven rechten uiteindelijk een richtlijn behandelen waarmee alleen het probleem van de verworven rechten echt wordt aangepakt en niet dat van de meeneembaarheid. Niettemin steun ik deze specifieke benadering op dit moment. Ik begrijp volkomen waarom wij ons in de positie bevinden waarin we ons bevinden, en we hebben een teken van de lidstaten nodig dat zij serieus werk gaan maken van het uit de weg ruimen van de obstakels die een volledige meeneembaarheid van pensioenrechten verhinderen.

Het veto in de Raad op dit beleidsterrein moet worden opgegeven. Ik bedoel niet per se het veto op deze specifieke richtlijn – hoewel ik vind dat dat wel zou moeten – maar het vetorecht in het algemeen op het gebied van sociaal beleid moet worden afgeschaft. Ik hoop echt dat de komende intergouvernementele conferentie in de komende maanden iets aan dat vraagstuk zal doen. Het vaker toepassen van het stemmen met gekwalificeerde meerderheid zal niemand met geweld in een bepaalde positie drukken, maar het zal wel de lidstaten en de Raad dwingen het probleem aan te pakken en te onderhandelen in plaats van dwars te liggen.

Na de stemming van vandaag moet de Raad, naar mijn mening, ernst maken met dit vraagstuk. Hij kan niet verwachten dat vakbonden akkoord gaan met een groter aanpassingsvermogen wat betreft de hervorming van het arbeidsrecht als hij niet bereid is dit cruciale onderwerp, de zekerheid van de werknemers, aan te pakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Gabriele Stauner (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, het voorstel voor de richtlijn brengt grote problemen met zich mee, zoals zo vaak het geval is als mensen direct worden getroffen. Het gaat hier om niet minder dan pensioenrechten, dus een van de bronnen waarvan mensen op hun oude dag moeten rondkomen. Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Luxemburg hebben zeer gedetailleerde en kwalitatief hoogwaardige pensioenverzekeringsstelsels die voor zowel werknemers als werkgevers voordelen hebben opgeleverd.

Een Europese richtlijn moet als doel hebben een evenwicht te creëren tussen het oorspronkelijke motief van bedrijfstrouw en de eis tot mobiliteit van de werknemers waar zowel het bedrijfsleven als de Europese Commissie zo op blijven hameren. Mijns inziens moet het bij de bedrijfspensioenrechten net zo functioneren als bij de meeneembaarheid van wettelijke pensioenverzekeringsrechten binnen de Europese Unie – de zogenoemde proratisering. Als we mobiliteit verlangen, moeten we ook de gevolgen daarvan onder ogen zien. Ik steun de amendementen van mijn fractie, maar ook het hele verslag – ongeacht of het wordt aangenomen of niet – omdat dit werknemers en ondernemers zekerheid, voorspelbaarheid en betrouwbaarheid biedt.

Dit voorstel voor een richtlijn brengt ook een fundamenteel probleem in de EU-wetgeving op dit sociale gebied aan het licht. Er is namelijk eenparigheid van stemmen in de Raad vereist. Dit geval laat duidelijk zien dat deze eenparigheid in de Raad bijna niet haalbaar is, ondanks de lovenswaardige pogingen van het huidige voorzitterschap van de Raad. Daarom zal de beslissing van ons Parlement geen lang leven beschoren zijn, omdat we niet weten welke beslissing de Raad zal nemen. Wij als Parlement moeten derhalve aandringen op beslissingen bij meerderheid van stemmen op dit vlak, willen we iets voor de burger kunnen doen..

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Maria Iacob-Ridzi (PPE-DE). – Îndeplinirea obiectivelor de la Lisabona constituie o prioritate pentru noi toţi. De aceea, orice iniţiativă care promovează creşterea mobilităţii forţei de muncă şi care poate contribui la creşterea economică şi la reducere şomajului este binevenită. Armonizarea legislativă în domeniul pensiilor suplimentare, care să promoveze mobilitatea europeană a muncii, nu poate fi realizată, însă, în mod abrupt. Unele state membre au sisteme mai dezvoltate, cu o îndelungată tradiţie în domeniu, iar altele sunt în stadiul incipient al introducerii pensiilor suplimentare. De aceea, vreau să felicit raportorul pentru reflectarea acestei diversităţi în toate amendamentele aduse directivei. Suntem în faţa unui raport echilibrat, care facilitează păstrarea sau rambursarea drepturilor de pensii suplimentare, dobândite de angajaţii care schimbă locul de muncă, fără a împovăra angajatorii, fondurile de pensii private sau ceilalţi contribuabili. Este un prim pas pe care toate statele membre îl pot accepta şi pe care se poate construi mai departe.

Transferul pensiilor de orice fel trebuie să fie posibil pentru cetăţenii europeni care lucrează într-un alt stat membru al Uniunii. Un avantaj în plus pentru angajat este transparenţa sporită a sistemului. Statele membre sunt obligate să ia măsurile necesare pentru ca angajaţii să fie informaţi despre drepturile băneşti ce li se cuvin, în cazul în care încetează să lucreze pentru o anumită companie. Pentru România , introducerea acestei directive în domeniul pensiilor suplimentare înseamnă un standard care ne permite să dezvoltăm acest sector economic, aflat în stadiu incipient în ţara noastră, fără a mai suporta costurile implicate de o reformă. Începând cu 2008, legislaţia românească prevede introducerea pensiilor suplimentare, ceea ce însemnă că aproape toţi cetăţenii români vor putea beneficia de drepturile conferite de această directivă. Cu toate acestea, este nevoie de timp pentru a implementa noile cerinţe. De aceea, sprijin ideea acordării unui termen suplimentar de şaizeci de luni pentru punerea în practică a măsurilor prevăzute în directivă.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi (PPE-DE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben om meerdere redenen blij dat dit verslag dit stadium bereikt heeft. De veranderingen die erin worden voorgesteld zijn zeer verstandig.

Tijdens de procedure waren we enigszins verward over de voorstellen van de Commissie, bijvoorbeeld over het met terugwerkende kracht invoeren van de regels voor wachttijden en over het verschil tussen overheids-, particuliere en aanvullende pensioenen. Gelukkig zal het resultaat, als we de voorgestelde wijzigingen vandaag aannemen, veel beter zijn dan het oorspronkelijke Commissievoorstel.

We moeten het grotere geheel voor ogen houden. Als we vrijwillige pensioenregelingen te bureaucratisch maken, en radicaal anders dan de alternatieven die op dit moment voorhanden zijn, dan zal niemand – en vooral kmo’s niet – die regelingen aanbieden. Dat zal fnuikend zijn voor de doelstelling werkgevers aan te moedigen vrijwillige regelingen te laten gelden voor meer werknemers. Het betekent ook dat bedrijven de mogelijkheid verliezen vrijwillige regelingen in te zetten als instrument om werknemers te werven en hun loyaliteit te belonen. Daar komt nog bij dat miljoenen aan investeringen mogelijk verloren zullen gaan.

Het doel is zoveel mogelijk ondernemingen te stimuleren het juiste soort aanvullende regelingen te kiezen en zo onder andere de implicaties van de demografische tijdbom die onder de door de overheid gefinancierde socialezekerheidsregelingen ligt, te verzachten. Dit kan ook worden aangemoedigd door het aan de lidstaten over te laten wanneer en hoe zij de meeneembaarheid van pensioenrechten uitwerken, zodat bedrijven op hun grondgebied niet voor grote verrassingen geplaatst worden.

Als we dit goed aanpakken, kan de EU – zonder het subsidiariteitsbeginsel te schenden – werkelijk bijdragen aan het moderniseren van de sociale zekerheid in Europa en het verwezenlijken van de Lissabondoelstellingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE). (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik sta volledig achter de mobiliteit van werknemers en een grotere meeneembaarheid van pensioenrechten, maar het is zaak dit voorstel over een uiterst gecompliceerd en specialistisch onderwerp niet te laten uitmonden in een verlaging van het aantal werkgevers dat bereid is vrijwillige pensioenregelingen aan te bieden aan werknemers. We moeten werkgevers die zich dat kunnen veroorloven toestaan royale pensioenen aan te bieden, zodat ze personeel van hoog kaliber kunnen aantrekken en belonen.

Uit een recente Eurobarometer-enquête blijkt dat 50 procent van de jongere werknemers en 30 procent van de werknemers in de leeftijd van 45 tot en met 54 jaar verwacht in de komende vijf jaar van baan te zullen veranderen. Ons doel moet dus zijn ervoor te zorgen dat werknemers hun gespaarde pensioenrechten gedurende hun gehele loopbaan kunnen meenemen. Wat dit betreft steun ik onze rapporteur, mevrouw Oomen-Ruijten, in haar streven slapende pensioenrechten te behouden.

Aangezien de wettelijke pensioenregelingen van de lidstaten steeds zwaarder op de proef gesteld worden als gevolg van demografische ontwikkelingen en de afhankelijkheidsratio, winnen aanvullende pensioenregelingen aan belang. Bedrijven moeten echter pensioenen kunnen aanbieden met een voor hen haalbaar beginniveau. Ik kan leven met het compromis dat de Raad in dit verband heeft bereikt, namelijk dat wanneer in regelingen een minimumleeftijd wordt voorgeschreven, deze niet hoger dan 25 jaar mag zijn. In Ierland neemt 54 procent van alle werknemers deel aan beroepspensioenregelingen en de wachttijd is er twee jaar. Dit werkt prima voor ons, maar ik kan akkoord gaan met een wachttijd van vijf jaar om de vrees voor hoge kosten weg te nemen en een compromis tot stand te brengen dat de kapitaaloverdracht door pensioenregelingen uit de particuliere sector waarborgt zonder dat deze ondermijnd worden.

Ik hoop dat de knelpunten worden opgelost – hoe eerder hoe beter – en dat het herziene voorstel van de Commissie een koers uitzet die voor zowel de Raad als het Parlement acceptabeler is. Per slot van rekening is niet harmonisering ons doel, zoals de commissaris al zei, maar het vastleggen van minimumvereisten, zodat mensen niet te horen krijgen: “Verhuizen? Dan bent u uw uitgestelde pensioenrechten kwijt.”

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, hartelijk dank voor uw bijdragen. Laat mij nog een punt aansnijden dat verschillende afgevaardigden al naar voren hebben gebracht.

Uiteraard hebben velen van u gerefereerd aan de Lissabonstrategie, aan de kwestie van de steeds noodzakelijker wordende mobiliteit van werknemers en de daaruit resulterende noodzaak dit in goede banen te leiden, bijvoorbeeld door regelingen op het gebied van de meeneembaarheid van bedrijfspensioenrechten.

Onafhankelijk van de waardering van afzonderlijke voorstellen van uw kant of uit het verslag, is eenparigheid van stemmen in de Raad vereist. En één lidstaat heeft duidelijk gezegd dat hij aan een parlementair besluit is gebonden. Leden van het nationale parlement hebben dus hun regering opgeroepen bij de onderhandelingen in de Raad dat besluit te respecteren en bepaalde voorstellen in te dienen, wat ertoe geleid heeft dat de benodigde eenparigheid van stemmen uiteindelijk niet is bereikt.

Mevrouw Schroedter, we hoeven geen verhalen te verspreiden en de rol van Duitsland hier te bekritiseren. Al tijdens het Finse voorzitterschap was duidelijk welke kant we op konden, welke raakvlakken onze meningen hadden en waar we van mening verschilden. Om die reden is de meeneembaarheid in engere zin er destijds uit gehaald. We hebben in de vele gesprekken geprobeerd begrip te kweken en een overeenstemming tot stand te brengen, maar dit is uiteindelijk niet gelukt omdat één lidstaat er niet mee instemde. Ik heb in een bijdrage positieve signalen uit Nederland en Portugal, dat wil zeggen het komende voorzitterschap, gekregen. Als dan de wil tot toenadering bestaat, behoort een overeenstemming tenminste op een aantal gebieden hopelijk toch nog tot de mogelijkheden.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. - (CS) Geachte afgevaardigden, dit debat kan ongetwijfeld als een succes worden beschouwd, omdat men er in velerlei opzicht in geslaagd is om de strekking van de door mevrouw Oomen-Ruijten in haar verslag gevolgde aanpak te verduidelijken.

Het verslag heeft verduidelijkt wat bescherming en versterking van de rechten van migrerende werknemers inhoudt, en ervoor gezorgd dat op lange termijn het evenwicht tussen deze aanvullende stelsels wordt behouden en versterkt. De manifeste onrechtvaardigheid van de huidige oplossing leidt immers onvermijdelijk tot een vermindering van het aantal mensen dat deel neemt aan deze aanvullende stelsels. Vanuit een langetermijnperspectief bekeken zal deze aanpak dan ook op natuurlijke wijze leiden tot een versterking van deze deelneming.

In onze door heel weinig zekerheid gekenmerkte, moderne samenleving zijn er mijns inziens twee onwrikbare zekerheden. De eerste zekerheid is natuurlijk dat de dood vroeg of laat komt, en de tweede zekerheid is dat met de moderne systemen mijn pensioenrechten goed beschermd worden. Deze zekerheid is mijns inziens zo fundamenteel dat het heel goed is deze te versterken bij elke gelegenheid die ons daartoe geboden wordt.

Dames en heren, kort samengevat kan ik zeggen dat, zoals uit het debat is gebleken, het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten een sterke, rechtvaardige benadering volgt, die een basis is voor de economische en sociale ontwikkeling van de Europese Gemeenschap en de situatie van mobiele werknemers verbetert door uitgestelde rechten te beschermen en verwerving van verschuldigde rechten te waarborgen. Het debat heeft duidelijk aangetoond dat dit verslag evenwichtig is en bestaande systemen, zelfs op nationaal niveau, aantast noch belemmert.

Ik wil ook nog wijzen op een aantal standpunten die in het debat naar voren zijn gekomen. Zo werd gezegd dat het verslag zich buigt over de vraag hoe men pensioenrechten dynamischer kan maken. Dit idee stond noch in het oorspronkelijk voorstel noch in het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten.

Geachte afgevaardigden, het is mijns inziens goed volledige steun te geven aan het voor ons liggend verslag. Daarmee wordt een goede grondslag gelegd voor de verdere ontwikkeling, die, zoals uit het debat is gebleken, van vitaal belang is. Mijns inziens zorgt dit verslag voor een belangrijke verbetering ten aanzien van de huidige stand van zaken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt later vandaag plaats.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE), schriftelijk. – (DE) De mobiliteit van werknemers is een fundamenteel recht in de Europese Unie. Dit kan alleen worden gerealiseerd als de juiste randvoorwaarden worden geschapen. Dit geldt met name voor de sociale stelsels. Meeneembaarheid van het algemeen ouderdomspensioen alleen is niet voldoende; ook bedrijfspensioenrechten moeten overdraagbaar zijn.

Het is belangrijk dat de regelingen bestuurbaar blijven en niet door goedbedoelde initiatieven de extra winst die we hiermee boeken, tenietdoen omdat ze verzanden in een mogelijke overbureaucratisering. Over het geheel genomen is de gekozen aanpak een stap in de goede richting.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid