Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Volledig verslag van de vergaderingen
Woensdag 20 juni 2007 - Straatsburg Uitgave PB

14. Vragenuur (vragen aan de Raad)
Notulen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vragenuur (B6 0125/2007).

De volgende vragen zijn gericht aan de Raad.

Vraag nr. 1 van Manolis Mavrommatis (H-0354/07):

Betreft: Fiscaal beleid van de EU

Het fiscaal beleid dat de lidstaten voeren moet in overeenstemming zijn met de communautaire doelstellingen inzake het creëren van banen, het verzekeren van het concurrentievermogen van de EU, de totstandbrenging van de interne markt en het vrij verkeer van kapitaal. De 27 lidstaten zijn exclusief bevoegd voor de opzet en de uitvoering van het beleid van directe belastingen, terwijl voor de besluitvorming inzake de communautaire voorschriften die de deelgebieden van het fiscaal beleid bepalen, de unanimiteit van de 27 lidstaten vereist is. De belasting over de toegevoegde waarde (BTW) van producten is de laatste jaren zeer ingewikkeld geworden. De BTW-tarieven schommelen in de EU landen tussen 3% in Luxemburg en 25% in Denemarken. Kan de Raad zeggen of de EU stilaan evolueert naar een gemeenschappelijk BTW-stelsel, in welk stadium de onderhandelingen hierover zitten en wat de intenties van de lidstaten zijn inzake de invoering van een gemeenschappelijk BTW-tarief?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad.(DE) Mevrouw de Voorzitter, het gemeenschappelijke BTW-stelsel is in 1967 via de eerste en tweede BTW-richtlijn opgezet. Deze beide richtlijnen bepaalden de hoofdlijnen van het stelsel. In 1977 bracht het aannemen van de zesde BTW-richtlijn uitvoerige voorschriften voor de omgang met het gemeenschappelijke BTW-stelsel. Deze richtlijn heeft sindsdien talloze wijzigingen ondergaan, waarvan de meeste voortkwamen uit de inrichting van een interne markt en het wegvallen van belastinggrenzen tussen lidstaten waar dat mee gepaard ging.

Per 1 januari 2007 is de zesde richtlijn ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, die alle wetteksten omvat die ter verandering van de kaderrichtlijn zijn opgesteld. Wat de BTW-tarieven betreft, voorziet de richtlijn in een normaal tarief met daarnaast een of twee verlaagde tarieven. Het normale tarief bedraagt ten minste 15 procent. Deze ondergrens ligt vast tot 31 december 2010. De verlaagde tarieven, die minstens 5 procent bedragen, gelden voor goederen en diensten die in de richtlijn omschreven staan. Verder staat de richtlijn bepaalde uitzonderingen op deze algemene regel en overgangsregelingen toe, waarmee de lidstaten op specifieke situaties kunnen reageren.

Om de uitwerking van de verlaagde tarieven beter in te kunnen schatten, bepaalt de richtlijn verder dat de Commissie het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 30 juni 2007 een globale effectrapportage voorlegt, die is gebaseerd op een onderzoek van een groep onafhankelijke economische deskundigen. Daarbij wordt vooral gekeken naar de effecten van verlaagde tarieven op lokaal geleverde diensten op het scheppen van werkgelegenheid, de economische groei en een soepele werking van de interne markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Manolis Mavrommatis (PPE-DE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de minister, zoals u al zei moet de Commissie uiterlijk 30 juni 2007 de gegevens hebben ontvangen - en bekend hebben gemaakt - over de gevolgen van de ongelijke belasting op de toegevoegde waarde voor het economisch welzijn en het scheppen van banen in de lidstaten.

Men verwacht dat de uiteenlopende BTW-tarieven een grote weerslag hebben op de sectoren van de interne markt en de economische groei van de lidstaten, met alle gevolgen van dien: de beïnvloeding van de afzonderlijke economische indicatoren en de verscherping van de ongelijkheden in de economie en de samenleving.

Ik wilde u, mijnheer de minister, vragen of u de weerslag van de uiteenlopende BTW-tarieven al kent, en zo ja, hoe deze eruit ziet.

Welk beleid denkt de Raad tot slot te voeren om de negatieve gevolgen van deze verschillen op te vangen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad.(DE) Geachte afgevaardigde, ik heb ook gezegd dat er afwijkende ontwikkelingen en beslissingen waren binnen de marges die de Europese Unie laat. De bedoeling is nu juist ook dat wij, als wij het rapport van de deskundigengroep voorgelegd krijgen, de feiten op tafel hebben en kunnen beoordelen of er al dan niet belemmeringen voor de interne markt zijn en welke effecten zich in bepaalde sectoren voordoen waar in het verleden verlaagde tarieven golden. Ik hoop dat u inziet dat we dit rapport af moeten wachten. Daarna moeten we samen – de Raad, maar ook het Europees Parlement – een evaluatie houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE).(DE) Mijnheer de minister, ik zou de vraag wat breder willen trekken: het is weliswaar een schone zaak dat er geprobeerd wordt om tot uniforme of toch geharmoniseerde BTW-tarieven te komen, maar het ultieme doel van de Europese belastingpolitiek zou toch moeten zijn om binnen de gehele Europese Unie uniforme, of tenminste vergelijkbare belastingtarieven en belastingen te krijgen. Ik zou graag weten hoe hierover gedacht wordt in de Raad en of er al aanzetten tot beleid zijn en zo ja, welke.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad.(DE) Geachte afgevaardigde, voorzover ik weet, hebben wij het in het verleden bijvoorbeeld bij de vennootschapsbelasting gehad over de hoogte van de tarieven en over de verschillende indicatoren voor een gemeenschappelijke belastinggrondslag. U weet dat er onder het Duitse Raadsvoorzitterschap voorbereidend werk gedaan is, maar dat er nog geen overeenstemming bereikt is.

Ten aanzien van de BTW zeg ik nog eens dat dat een van de volgende punten is waar wij mee aan de slag gaan. Wat zijn de conclusies van het deskundigenrapport? Hoe beoordeelt de Commissie die en met wat voor voorstellen zal zij zelf komen? Welke voorstellen krijgt de Raad voorgelegd? Een discussie over de concrete vraag van de afgevaardigde is in de Raad evenwel nog niet gevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 2 van Claude Moraes (H-0356/07):

Betreft: Grensoverschrijdende EU-samenwerking om kinderen te beschermen tegen misbruik - wederzijdse erkenning van uitsluiting van werken met kinderen

In de EU bestaat er dringend behoefte aan doelmatige systemen om ervoor te zorgen dat ongeschikte mensen geen baan kunnen krijgen waardoor ze in contact komen met kinderen.

Op 1 juni 2006 heeft het Europees Parlement een verslag aangenomen over het "Initiatief van het Koninkrijk België met het oog op de aanneming van een kaderbesluit van de Raad betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van verboden die het gevolg zijn van veroordelingen wegens seksuele misdrijven tegen kinderen" uit 2004 (14207/2004 - C6-0244/2004 - 2004/0818(CNS)).

Welke vooruitgang heeft de Raad geboekt met de vaststelling van het voorgestelde kaderbesluit, dat van wezenlijke betekenis is om te waarborgen dat kinderen in Europa beschermd worden?

Ingeval er geen vooruitgang is geboekt, op welke andere manier denkt de Raad dan te zorgen voor verwezenlijking van alle doelen die in dit initiatief worden nagestreefd? (Erkenning en handhaving door lidstaten van door andere lidstaten aan personen opgelegde verboden om met kinderen te werken).

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad.(DE) De Raad heeft uitvoerig gesproken over het initiatief van het koninkrijk België met het oog op de aanneming van een kaderbesluit van de Raad betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van verboden die het gevolg zijn van veroordelingen wegens seksuele misdrijven tegen kinderen. Aansluitend op deze bespreking heeft het verantwoordelijke comité overeenkomstig artikel 36 op zijn zitting van 22 en 23 maart 2007 besloten om dit complex van problemen binnen het kaderbesluit betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisselingen van gegevens uit het strafregister te regelen en de opzet van dit kaderbesluit dienovereenkomstig te wijzigen.

Tijdens de zitting van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in Luxemburg heeft de Raad op 13 juni 2007 overeenstemming bereikt over de hoofdlijnen van een kaderbesluit betreffende de organisatie en inhoud van uitwisselingen van gegevens uit het strafregister en daarmee eenstemmig het initiatief van het koninkrijk België ten einde gebracht. Daarmee is recht gedaan aan een belangrijk aspect van het Belgische initiatief, dat erop gericht was informatie over eerdere veroordelingen en verboden tot het uitoefenen van een beroep in een bepaalde lidstaat ook in andere lidstaten beschikbaar te maken, zodat men in elke lidstaat die conclusies kan trekken die nodig zijn om kinderen tegen de gevaren van seksueel misbruik te beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Claude Moraes (PSE).(EN) Ik dank de fungerend voorzitter van de Raad voor zijn antwoord, maar wil hem tevens vragen om tijdens het Duitse voorzitterschap de ernstige ongerustheid te erkennen die in de hele Europese Unie heerst over recente incidenten waarbij mogelijk kinderen zijn ontvoerd met als doel hen uit te buiten. Ik wil hem vragen te erkennen dat dit op dit moment een belangrijke kwestie is binnen de Europese Unie, voor zijn land, voor mijn land en voor andere landen, en ervoor te zorgen dat we vóór het einde van het Duitse voorzitterschap resultaten behalen met betrekking tot het uitwisselen van de strafregisters van mensen die met kinderen werken en een bedreiging voor hen vormen.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad.(DE) Mijnheer de afgevaardigde, ik heb al gezegd dat het initiatief inderdaad overgenomen is en dat ook de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken het er onlangs over eens geworden zijn de kern van het Belgische initiatief uit te voeren. Afgezien van bepaalde verschillen in informatie die doorgegeven mag worden, heeft de EU op het centrale punt van het Belgische initiatief nu een gemeenschappelijke oplossing gevonden. Ik vind dat een belangrijke stap. U zult begrijpen dat de tijd die het Duitse Raadsvoorzitterschap nog rest vermoedelijk niet volstaat om ook op andere punten nog overeenstemming te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford (ALDE).(EN) Is het niet uitermate triest dat er drie jaar na het voorstel nog steeds geen overeenkomst is, en dat terwijl iedereen het erover eens is dat het grensoverschrijdend beschikbaar maken van informatie over zedendelinquenten zeer hoge prioriteit geniet, hetgeen ook in hoge mate wordt gesteund door het publiek? En dan zegt de Raad dat hij zich hier spoedig over zal buigen!

Is het ook niet uitermate schokkend dat de Britse regering zich wil onttrekken aan deze juridische ruimte van Europese samenwerking zodat onze kinderen, zelfs al wordt er een overeenkomst bereikt, niet eens zouden worden beschermd door maatregelen waarmee zedendelinquenten kunnen worden getraceerd?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad.(DE) Geachte afgevaardigde, het is niet mijn bedoeling hier al te diep in te gaan op de nog te nemen beslissing over de wijziging van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, maar ik meen toch duidelijk gemaakt te hebben dat de ministers van Justitie het 13 juni eens geworden zijn en dat er een oplossing bereikt is door dit wezenlijke, de strafregisteruitwisseling betreffende element uit het Belgische initiatief in het geplande kaderbesluit te integreren. Het is vooral van belang te weten wat er gebeurt als slechts één lidstaat over de informatie beschikt, terwijl iemand ergens anders zijn beroep gaat uitoefenen. Is dat dan bekend in de Europese Unie? Dát wordt nu door het beoogde kaderbesluit gewaarborgd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 3 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0358/07):

Betreft: Discriminatie van personen met een handicap en van kinderen met leerproblemen

2007 is weliswaar het jaar van de gelijke kansen voor eenieder, maar personen met een handicap of bijzondere behoeften worden op grond van hun situatie nog altijd gediscrimineerd. Concreet komt het voor dat a) personen met een handicap zich niet kunnen verzekeren en in het geval van een ongeluk ten laste van hun familie komen, en b) kinderen met leerproblemen (bijv. stotteren, dyslexie) op grond van onderling afwijkende nationale wetgevingen niet in elke lidstaat gelijk worden behandeld (zo kunnen kinderen met dyslexie in sommige landen bijvoorbeeld mondeling worden geëxamineerd, terwijl dat in andere EU-landen en op de Europese scholen niet mogelijk is).

Kan de Raad ervoor zorgen dat personen met een handicap zich individueel kunnen verzekeren en dat er speciale maatregelen worden getroffen voor kinderen met leerproblemen (in het bijzonder op de Europese scholen)?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad.(DE) Laat mij gelijk zeggen dat de vraag die u stelt vanuit het perspectief van het Raadsvoorzitterschap zeer belangrijk en gerechtvaardigd is. De Raad is zich terdege bewust van het belang om het welzijn van gehandicapten en kinderen met leermoeilijkheden te waarborgen.

De Raad zou van de gelegenheid gebruik willen maken om de aandacht te vestigen op het algemeen wettelijke kader voor de bestrijding van discriminatie in werk en beroep op grond van geloofsovertuiging, levensbeschouwing, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. In deze richtlijn, die gebaseerd is op artikel 13 van het Verdrag, zijn minimumeisen vastgelegd waar alle lidstaten aan moeten voldoen. Helaas strekt dit wettelijk kader zich niet uit tot het verzekeringswezen en het onderwijs. De lidstaten kunnen echter wel bepalingen invoeren of handhaven die in een nog grotere mate recht doen aan het gelijkheidsbeginsel dan de richtlijn en die bescherming tegen discriminatie bieden op terreinen waar de nationale regeringen bevoegd zijn.

Wat het Europese Jaar van gelijke kansen voor iedereen betreft, stelt de Raad met tevredenheid vast dat de Commissie voornemens is een aantal onderzoeken te publiceren die voor dit onderwerp van belang zijn. Deze onderzoeken moeten een duidelijk licht werpen op de sociale positie van gehandicapten en hun positie in onderwijs en scholing, alsmede statistische gegevens over gehandicapten bundelen die vooral aan socialezekerheidsinstanties ter beschikking gesteld zullen worden, zodat er een realistisch beeld ontstaat van de algehele situatie van gehandicapten, met inbegrip van de opleidingsdimensie.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik dank u voor uw antwoord.

Ik wilde erop wijzen dat Duitsland als land reeds heeft aangetoond begrip te hebben voor gehandicapten en een wet heeft uitgevaardigd die gehandicapten in staat stelt zich te verzekeren, opdat zij gelijke behandeling genieten op de arbeidsmarkt.

Op de Europese scholen worden geen adequate maatregelen getroffen om kinderen met handicaps te helpen, zoals wel het geval is in de lidstaten, en daarom vraag ik u om namens de Raad initiatieven te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad.(DE) Mevrouw de afgevaardigde, ik zou de feiten die u schildert nog eens na moeten trekken, maar ik heb al eerder gezegd dat we enerzijds moeten proberen om op bepaalde terreinen met nieuwe initiatieven te komen. Als de Commissie dit verslag presenteert, zullen we zien waar lacunes bestaan. Vervolgens kunnen die vast en zeker door wettelijke maatregelen opgevuld worden, hetzij door de Europese Unie, hetzij – en dat is waar ik van uitga – binnen de nationale bevoegdheden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 4 van Manuel Medina Ortega (H-0361/07):

Betreft: Intergouvernementele samenwerking en overbruggingsclausules in verband met de immigratie

Immigratievraagstukken worden in het beleid van de Europese Unie steeds belangrijker en daarom worden instrumenten ontwikkeld voor intergouvernementele samenwerking zoals Frontex en snelle interventieteams. Op welke maatregelen bezint de Raad zich in dit verband om de communautaire pijler op dit gebied te versterken, met name door middel van de zogenaamde "overbruggingsclausules" die in de EU-verdragen zijn voorzien?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik hoop dat u er begrip voor zult hebben dat mijn antwoord erg technisch wordt, en misschien wat onbegrijpelijk. Wie zich echter intensief met deze zaken bezig houdt, weet natuurlijk hoe belangrijk in dit verband de rechtsgrondslag is.

De maatregelen op het gebied van de migratie kunnen op dit moment worden genomen op basis van deel III, titel IV, van het Verdrag tot Oprichting van de Europese Gemeenschap. Op basis van artikel 67, lid 2, tweede streepje, wordt de lijst van onderwerpen waarvoor de maatregelen worden genomen op basis van de medebeslissingsprocedure met het Europees Parlement door het besluit 2004/927/EG van de Raad van 22 december 2004 over de toepassing van de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap uitgebreid door de toevoeging van bepaalde onderwerpen, die nu ook onder titel IV van deel III van dit Verdrag vallen.

Voor de meeste kwesties die onder deze bepalingen vallen volgen we nu de medebeslissingsprocedure. De Europese Raad was echter van mening dat zolang het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa nog niet in werking is getreden de Raad met algemene stemmen moet beslissen over de maatregelen genoemd in artikel 63 van het EG-Verdrag, lid 3, letter a, en lid 4, voor de legale migratie van onderdanen van derde landen naar en tussen de lidstaten. Deze en andere kwesties worden nog behandeld in het proces ter hervorming van het Verdrag, dat nog steeds loopt.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de fungerend voorzitter van de Raad bedanken voor de informatie die hij ons verstrekt heeft en die dit Parlement natuurlijk goed kent, ondanks haar technische aard.

Waar het om gaat, is dat we ons op dit ogenblik in het Parlement ernstig zorgen maken over het feit dat de Raad niet in staat is om de immigratieproblemen op te lossen door middel van intergouvernementele samenwerking. Ik zal me hier beperken tot een enkel voorbeeld, en dat is de handhaving van de Dublin II-verordening, die het ons op dit moment onmogelijk maakt om onze solidariteit te betuigen met de republiek Malta voor de aanpak van de immigratieproblemen, iets wat juist langs communautaire weg zou kunnen gebeuren.

Waar het mij om gaat, is dat de intergouvernementele weg ontoereikend is en we moeten overstappen op de eerste pijler; een voorbeeld in deze richting is de Dublin II-verordening.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, we hebben bij vroegere gelegenheden al vaak gesproken over de kwestie van de migratie. Ik heb er al meerdere malen op gewezen, ook tijdens een eerder debat vandaag, dat de totale aanpak van de migratie morgen en overmorgen in de conclusies van de Raad zeker een grote rol zal spelen, dat we het onderwerp aan zullen pakken, en dat het niet zomaar een onderwerp is. U vraagt terecht wat we kunnen doen om landen als Malta te helpen, of ook andere lidstaten van de Europese Unie. We zullen echter ook samen met de landen van herkomst proberen om oplossingen te vinden voor het probleem van de migratie, en voor de oorzaken van vooral de illegale migratie.

De andere vraag is natuurlijk technisch van aard. Het hangt er echter allemaal van af hoe we de kwestie van de toekomst van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa aan zullen pakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS).(DE) Mijnheer de minister, de massale legalisering van illegale migranten in verschillende lidstaten van de EU is vaak beschouwd als een uitnodiging, en heeft geleid tot een ware golf van vluchtelingen. Ook de smokkelbendes hebben gouden zaken gedaan.

Hoe ver bent u gekomen met het voorbereiden van overnameovereenkomsten, vooral met de landen die financiële steun van de EU krijgen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) De overname is een belangrijk punt, dat ook in de gezamenlijke debatten van de Europese Unie en de Afrikaanse landen aan de orde is gekomen, voor het laatst tijdens de gezamenlijke conferentie inzake migratie die vorig in Tripolis is gehouden. Daar zitten natuurlijk heel wat aspecten aan vast. We hebben op dit moment namelijk niet alleen een migratiestroom van het zuiden naar het noorden, maar ook van het oosten naar het westen, al heeft dit geen grote invloed op de discussie gehad. Bij de visumregelingen voor landen in het oosten proberen we altijd of we een overnameovereenkomst kunnen sluiten, zoals u vroeg. Dat doen we ook in het kader van gesprekken met bijvoorbeeld lidstaten van de Afrikaanse Unie. Ik kan u op dit moment echter niet vertellen met hoeveel en welke landen we dergelijke overeenkomsten al hebben gesloten. Dat zullen we u ongetwijfeld achteraf schriftelijk kunnen meedelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Grech (PSE). – (MT) Hoewel ik het eens ben met de fungerend voorzitter dat we het over de oorzaken van de emigratie moeten hebben, wil ik graag weten wat het standpunt van het Duitse voorzitterschap is over het voorstel van Malta om de lasten te delen. We zijn het er mee eens dat dit een onderwerp is dat moet worden behandeld in de context van het Grondwettelijk Verdrag, maar dit is een spoedeisende noodsituatie die dringende actie vereist.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Dat zijn twee verschillende onderwerpen. De oorzaken van de vluchtelingenstromen zullen ook een belangrijk punt zijn op de agenda van de Afrika-Top, die in november onder Portugees voorzitterschap plaatsvindt. Wat kunnen we samen met de landen van herkomst doen om de situatie te verbeteren? Een goed staatsbestuur, betere structuren, het vooruitzicht op werk en opleiding?

De vraag is ook wat wij als Europese Unie kunnen doen. Onlangs is commissaris Frattini daar al op ingegaan, maar ook het Duitse voorzitterschap van de Raad heeft dat gedaan, we hebben overwogen of we tijdelijke visa kunnen verlenen aan arbeidsmigranten. Daar wordt nog steeds aan gewerkt. Bovendien is Frontex ongetwijfeld een eerste mogelijkheid om landen te helpen die bepaalde problemen ter plaatse misschien niet kunnen oplossen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 5 van Sarah Ludford (H-0364/07):

Betreft: Terrorismebestrijding en mensenrechten

Welke strategie stelt het Duitse voorzitterschap na de EU-VS-Top van april 2007 voor om ervoor te zorgen dat bij de trans-Atlantische samenwerking ter bestrijding van terrorisme en misdaad methoden worden toegepast in het kader waarvan mensenrechten en burgerlijke vrijheden worden geëerbiedigd?

Wanneer en hoe denkt het voorzitterschap het Europees Parlement te betrekken in de trans-Atlantische dialoog over veiligheid, met inbegrip van het juridische kader voor de terrorismebestrijding?

Welke reacties heeft het voorzitterschap van de lidstaten gevraagd en gekregen op het op 14 februari 2007 aangenomen verslag van het Europees Parlement over buitengewone uitlevering?

Kan het voorzitterschap mededelen hoe de vervulling van de functie van coördinator terrorismebestrijding er momenteel voorstaat, en onderzoekt hij de noodzaak aan deze functie in de structuur van de Raad meer gewicht toe te kennen, niet in de laatste plaats om ervoor te zorgen dat artikel 6 van het VEU wordt nageleefd?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Tijdens de EU-VS-Top in 2007 hebben de Europese Unie en de Verenigde Staten een afspraak gemaakt. In overeenstemming met onze gemeenschappelijke waarden bevestigen we dat we er al lang voor strijden om te garanderen dat de inspanningen om het terrorisme te bestrijden overeenstemmen met onze verplichtingen volgens het internationale recht, inclusief de voorschriften inzake de rechten van de mens, het vluchtelingenrecht en het internationaal humanitair recht.

We zullen de dialoog over de grondrechten in het internationale recht voortzetten en intensiveren. Die dialoog is belangrijk voor onze gezamenlijke strijd tegen het terrorisme, zal onze samenwerking in die strijd hopelijk bevorderen, en heeft ertoe bijgedragen dat er meer kennis is ontstaan van elkaars rechtsregels.

Het voorzitterschap informeert het Europees Parlement regelmatig over de trans-Atlantische betrekkingen, ook voor zover ze verband houden met het internationale recht. We hebben dat ook gedaan ter voorbereiding van de EU-VS-Top op 24 april 2007.

Ik wil ook nog ingaan op de trans-Atlantische dialoog. De wetgever levert een bijdrage aan de trans-Atlantische dialoog over de veiligheid. De Raad heeft nota genomen van de resolutie inzake de buitengewone uitlevering, die het Parlement op 14 februari 2007 heeft goedgekeurd, en die voorafging aan de vergadering van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen, die op 5 maart 2007 heeft plaatsgevonden. Het voorzitterschap heeft van de lidstaten geen reacties gekregen op de genoemde resolutie van het Europees Parlement en had daar ook niet om gevraagd. De functie van coördinator terrorismebestrijding wordt op dit moment geëvalueerd. We zijn op zoek naar een geschikte kandidaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford (ALDE).(EN) Het zou beter zijn geweest om tijdens deze vergaderperiode een volledig debat te wijden aan de uitleveringen door de CIA en Europese medeplichtigheid hieraan, zoals de liberalen wilden, maar vreemd genoeg weigerden de grootste linkse en rechtse fracties helaas dat idee te steunen. Dan hadden we gezamenlijk druk kunnen uitoefenen op de Raad om eindelijk te reageren op de verslagen van het Parlement en Dick Marty.

Hoe gaat de Raad ervoor zorgen dat de mensenrechten worden nageleefd, zoals is bepaald in de conclusies van de Top, als we weten dat de Amerikaanse inspanningen erop zijn gericht de Europese lidstaten over te halen de wettelijke bescherming af te zwakken? Laat de Raad, gezien het feit dat er van ons verwacht wordt dat we een trialoog op hoog niveau voeren over terrorisme, de leden van dit Parlement delen in die voortdurende geheime besprekingen? We zijn nooit geraadpleegd over het actieplan, en ik ben van mening dat het hoog tijd is dat de Raad zijn partnerschap met het Parlement met betrekking tot deze kwesties verbetert.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Als ik me niet vergis heb ik al tijdens het debat over de trans-Atlantische dialoog verklaard hoeveel waarde we daaraan hechten, en wat wij als Europese Unie, maar ook als voorzitter van de Raad, tot het debat hebben bijgedragen. Het is inderdaad juist dat er veel ideeën naar voren zijn gebracht, en dat de gesprekken doorgaan, weliswaar niet op het hoogste niveau, maar het werk gaat door. Ik hoop dat u er begrip voor heeft dat dit vertrouwelijke gesprekken zijn. Het feit dat we de trans-Atlantische betrekkingen regelmatig op de agenda plaatsen, zorgt ervoor dat de mogelijkheid om van gedachten te wisselen over hoe ver beide partijen zijn gevorderd richting een oplossing, in de toekomst zal blijven bestaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE).(DE) Mijnheer de minister, staat u mij toe om op te merken dat u het misschien geprobeerd heeft, maar dat het in bepaalde gevallen nog niet echt is gelukt. Daarmee bedoel ik vooral een zaak waar ik me mee bezig hou, en wel de volgens mij onwaardige controles van Europese passagiers op Amerikaanse luchthavens, waarbij de rechten van de mens ongetwijfeld worden geschonden. Dat lijkt me op den duur een onhoudbare toestand. Ik zou graag willen weten wat u van plan bent, wat gaat u doen tegen deze maatregelen die de Verenigde Staten onder het mom van de strijd tegen het terrorisme hebben genomen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, ik wil nu niet reageren op uw oordeel over de controle in de Verenigde Staten. Ik weet echter dat de Verenigde Staten dit beleid voeren vanwege bepaalde voorvallen. U weet ook wel dat we met de Verenigde Staten een permanente dialoog voeren over het visa waiver-programma, om ook onderdanen van andere lidstaten van de Europese Unie van deze regeling gebruik te kunnen laten maken. Ik zal deze kwestie naar aanleiding van uw vraag nogmaals aan de orde stellen, en eventueel ook onze Portugese collega’s, die het voorzitterschap van ons overnemen, voorstellen om dit onderwerp tijdens de gesprekken met de Verenigde Staten te bespreken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 6 van Dimitrios Papadimoulis (H-0369/07):

Betreft: Plaatsing Amerikaans antiraketsysteem in EU-lidstaten

Het plan van de VS om in de EU-lidstaten Polen en Tsjechië een antiraketsysteem te plaatsen, onder het voorwendsel van bescherming tegen raketten uit Iran en Noord-Korea, heeft onder de Europese bevolking tot onrust geleid omdat men begrijpt dat het Europese continent door de plaatsing tot doelwit wordt 'gepromoveerd' en er nieuwe breuklijnen worden gecreëerd. De Russische veiligheidsraad heeft reeds een herziening van de Russische defensiedoctrine in het vooruitzicht gesteld, omdat het plan voor de plaatsing van het antiraketsysteem als een bedreiging voor de Russische Federatie wordt opgevat.

Wat vindt de Raad van het plan voor de plaatsing van het Amerikaanse antiraketsysteem in lidstaten van de EU? Welke maatregelen overweegt de Raad te nemen om dit plan, dat Koude Oorlogachtige situaties in Europa doet herleven, van tafel te krijgen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, het Amerikaanse antiraketsysteem met de geplande plaatsing van tien raketten in Polen en van een radarsysteem in Tsjechië is in de Raad nog niet besproken. De bilaterale samenwerking tussen de Verenigde Staten en bepaalde lidstaten van de EU in verband met de plaatsing van het nationale antiraketsysteem van de VS valt onder een nationale bevoegdheid van de betrokken lidstaten. Daarom heeft de Raad niet overwogen om de kwestie van het antiraketsysteem tijdens gesprekken met de VS of met de NAVO aan de orde te stellen. De afweer van ballistische raketten zal worden besproken tijdens de gesprekken tussen de NAVO en de NAVO-Rusland Raad. Op 19 april heeft in het kader van de bijeenkomst van de NAVO-raad en van de NAVO-Rusland Raad een speciale vergadering over de raketafweer plaatsgevonden. Dit onderwerp is ook besproken tijdens een informele vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO-landen op 26 en 27 april in Oslo.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL). - (EL) Mevrouw de Voorzitter, het antwoord van de Raad bevreemdt mij. Akkoord, u wilt het niet bespreken met de Amerikanen en de NAVO, maar bent u wel van plan om het in de Raad te bespreken met uw Tsjechische en Poolse collega’s? Of hebt u het allemaal aan de NAVO overgelaten? De Duitse minister van Buitenlandse Zaken heeft zijn bezorgdheid geuit, de heer Solana eveneens. Duitsland wil goede betrekkingen tussen de EU en Rusland. Bent u van plan om dit vraagstuk te bespreken tijdens de Top? Bent u überhaupt van plan om het ooit ter sprake te brengen? Als de Raad geen besprekingen voert over de problemen die alle Europese burgers zorgen baren, waar moet hij dan wel besprekingen over voeren?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Laat ik beginnen met de uitgangssituatie. Enkele jaren geleden op de NAVO-Raad in Praag hebben de partners gestemd over welke nieuwe uitdagingen we zien en met welk nieuw beleid de NAVO deze uitdagingen tegemoet moet treden. De NAVO heeft hiervoor werkgroepen ingezet. In Riga is dit debat voortgezet maar werd nog geen eindconclusie geformuleerd. Over de gemeenschappelijke dreigingsanalyse zijn we het bijvoorbeeld eens.

In die fase kwam de VS echter met zijn voorstel over een nationaal raketafweersysteem. Wij zijn van mening dat dit thema algemeen binnen de NAVO en niet binnen de Europese Unie moet worden besproken. Ik kan slechts nogmaals bevestigen dat het in de Europese Raad geen onderwerp van bespreking is geweest en dat zal het ook niet worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS). – (DE) Mijnheer de minister, u wijst er weliswaar terecht op dat de Raad zich niet met dit vraagstuk wil bezighouden, maar ik wil toch nog even vragen – immers, volgens peilingen is 51 procent van de Polen tegen de voorgenomen plaatsing van het Amerikaanse raketafweersysteem – waarom verzoeken van actiegroepen om een referendum te houden worden afgewezen, omdat referenda in dit verband geen geschikt middel zouden zijn. Vindt de Raad ook niet dat de bevolking meer betrokken moet worden bij dit soort belangrijke besluiten? Is het mogelijk dat men zich daarover nog eens nader beraadt?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Beslissingen over referenda dienen op nationaal niveau te worden genomen. Het is niet nodig dat de Raad daarover een advies verstrekt. De lidstaten bepalen dat in eigen verantwoordelijkheid.

Ik wil nog wel even zeggen dat met name Rusland en de Verenigde Staten enige beweging in deze zaak hebben gebracht. Deze landen hebben afgesproken uitgebreid overleg te voeren over dit thema en een vertrouwensbasis te scheppen. Dat is allemaal nog aan de gang. Zoals u weet heeft de heer Poetin onlangs de VS een voorstel gedaan. Laten we eerst eens afwachten wat de gesprekken zullen brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL). – (DE) Ik wil op dat laatste nog even inhaken. Heeft het voorzitterschap van de Raad een standpunt ingenomen inzake het voorstel van Vladimir Poetin om Azerbeidzjan bij het raketafweersysteem te betrekken?

Ten tweede: komt het standpunt van de EU, meer bepaald de Raad, inzake het Amerikaanse raketafweersysteem overeen met het standpunt van de NAVO, of is er een verschil? Zo ja, in hoeverre verschillen de standpunten van elkaar?

Ten derde: is de Raad van de EU voornemens zich te zijner tijd met het vraagstuk inzake het raketafweersysteem te gaan bezighouden?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) De Raad heeft zich tot nu toe niet over dit vraagstuk gebogen. Ik kan niet zeggen of de Raad dat in de toekomst gaat doen. Ik zei eerder al dat in dit verband geen standpunt van het Raadsvoorzitterschap vereist is, maar dat wij er gezien de debatten van de laatste dagen er met voldoening kennis van hebben genomen dat de spanningen tussen de Verenigde Staten en Rusland zijn afgenomen en dat men weer bereid is met elkaar rond de tafel te gaan zitten. Wij huldigen op dit moment het standpunt dat er over dit vraagstuk binnen de NAVO en niet binnen de Europese Raad moet worden beraadslaagd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 7 van Nils Lundgren (H-0374/07):

Betreft: Gasleiding door de Oostzee

Er zijn uiteenlopende berichten over de vraag of de Raad zijn goedkeuring heeft gehecht aan de aanleg van een Duits-Russische gasleiding door de Oostzee. Niet in de laatste plaats uit democratisch oogpunt is het van belang dat de burgers hiervan op de hoogte worden gesteld. Ik heb deze vraag eerder aan zowel de Commissie als de Raad voorgelegd, zonder een concreet en bevredigend antwoord te krijgen.

Heeft de Raad zijn formele goedkeuring gehecht aan de aanleg van een Duits-Russische gasleiding door de Oostzee? Is de goedkeuring van de Raad inderdaad nodig om het project te kunnen uitvoeren? Als er een conflict rijst over een milieu-effectbeoordeling in de Zweedse wateren, is het dan het Europees Hof van Justitie of de Zweedse milieurechtbank die de definitieve uitspraak doet?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Ik wijs erop dat er geen rechtsgrond is op grond waarvan de Raad de in uw vraag genoemde projecten formeel kan goedkeuren of verwerpen. Anders gezegd, met de uitvoering van deze projecten kan zonder toestemming van de Raad worden begonnen.

U weet ongetwijfeld dat in Beschikking nr. 1364/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van de Beschikkingen 96/391/EG en nr. 1229/2003/EG op meerdere punten wordt verwezen naar een gasleiding van Rusland naar Duitsland die via de offshore route door de Oostzee loopt. Voorts acht ik bekend dat volgens bijlage I van deze beschikking een Noord-Europese gasleiding wordt geschaard onder de projecten van Europees belang en derhalve onder de categorie van projecten valt waaraan de hoogste prioriteit wordt toegekend. Met het oog op de bijzondere bepalingen over projecten van deze betekenis verwijst de Raad naar het dispositief van voornoemde beschikking, die overeenkomstig de medebeslissingsprocedure van het Europees Parlement en de Raad is aangenomen.

Voorts wijs ik u, geachte afgevaardigde, op artikel 13 van de beschikking waarin het volgende wordt vermeld: "Deze beschikking loopt niet vooruit op de uitkomsten van de milieueffectenbeoordeling van de projecten en van de plannen of programma's waarmee het kader voor de toekomstige vergunning van de desbetreffende projecten wordt vastgelegd. Wanneer krachtens de Gemeenschapswetgeving ter zake een milieueffectenbeoordeling vereist is, wordt met het resultaat daarvan rekening gehouden, voordat daadwerkelijk een besluit tot uitvoering van de projecten wordt genomen overeenkomstig de toepasselijke Gemeenschapswetgeving."

Wat het tweede deel van de vraag betreft, kan ik verklaren dat het overeenkomstig het Verdrag een zaak is van de Commissie om de correcte toepassing van de communautaire wetgeving te waarborgen en zo nodig passende maatregelen te nemen bij inbreuken hierop. Dit beginsel is vanzelfsprekend ook van toepassing op de vigerende communautaire voorschriften inzake milieueffectenbeoordelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nils Lundgren (IND/DEM). - (SV) Mevrouw de Voorzitter, als EU-land en nu ook als land dat voorzitter is van de EU, pleit Duitsland voor een gemeenschappelijk energiebeleid voor de EU. Ondanks dat sluit Duitsland een bilateraal verdrag met Rusland over een grote investering in de infrastructuur in de vorm van een gasleiding, zonder te overleggen met de andere lidstaten gelegen rond de Oostzee. Wat is uw commentaar hierop?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Deze problematiek is bij een eerder vragenuur al eens aan de orde geweest. Nogmaals, ik kan niet anders zeggen dan dat het hier gaat om een particulier project en geen overheidsproject en dat de ondernemingen bij de uitvoering daarvan alle benodigde documenten moeten indienen, ook in de landen waar de gasleiding uiteindelijk moet worden aangelegd. Daar moet deze beoordeling conform de geldende voorschriften worden uitgevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). – (DE) Mijnheer de minister, zoals bekend is dit gasleidingsproject door verschillende politici, deskundigen en wetenschappers uit met name Scandinavië en de Baltische staten en uit Polen zwaar bekritiseerd. Misschien kan de Raad bijdragen aan de organisatie van een bijeenkomst waar de bevoegde deskundigen en politici samenkomen om het probleem gezamenlijk te bespreken en wellicht tot een modus vivendi te komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Collega, het op de hoogte stellen van de betrokken landen is in de eerste plaats een taak van degenen die het project op poten hebben gezet en willen uitvoeren. Hiervoor moet een passende kennisgeving worden gedaan. Daarna zal ongetwijfeld een beoordeling plaatsvinden op alle mogelijke gebieden, in het bijzonder milieu en veiligheid. Ik ga ervan uit dat ook de nodige gesprekken zullen plaatsvinden. Het initiatief moet echter komen van de projectdeelnemers en dat zijn particuliere ondernemingen, geen staatsbedrijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). - (LT) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de minister, dit is niet de eerste keer dat wij over deze kwestie debatteren. Het spreken over de milieueffecten ervan roept alle mogelijke zorgen en angsten op. Rusland, dat het project uitvoert, voert nu zijn eigen milieueffectbeoordeling uit en beweert dat de wapens op de zeebodem niet gevaarlijk zijn. Vindt u het niet onlogisch dat een particuliere projectmanager de milieueffectbeoordeling uitvoert?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, er is internationale en Europese wetgeving die moet worden nageleefd. Ik ga ervan uit dat ook Rusland aan het internationaal recht gebonden is. Het is niet zo dat Rusland zijn eigen beoordeling maakt en als het resultaat er is zegt dat deze pijpleiding aan de duurzaamheidseisen op milieugebied voldoet; ook met de andere partners moet rekening worden gehouden. Ik herhaal nog maar eens wat ik in een eerder vragenuur heb gezegd – en wat trouwens ook in het belang is van de exploitanten van de gasleiding – namelijk dat er wordt zorggedragen voor volledige transparantie om de burgers gerust te stellen en dat voorkomen zal worden dat de mijnen en bommen die nog op de zeebodem liggen een gevaar vormen voor mensen die in de buurt van de leiding wonen. Bij de beoordeling ter zake zal zeer grondig te werk worden gegaan. Alle partijen, in het bijzonder de ondernemingen, moeten ervoor zorgen dat deze beoordeling wordt uigevoerd, zodat de zaak niet alleen afhangt van het krijgen van groen licht en toestemming van Rusland.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 8 van Robert Evans (H-0375/07):

Betreft: Overzeese gebieden

Wordt in de Raad wel eens van gedachten gewisseld over het feit dat een aantal overzeese gebieden die letterlijk aan de andere kant van de wereld liggen, vreemd genoeg geacht worden deel uit te maken van de EU, terwijl andere gebieden binnen de grenzen van de EU worden beschouwd als zijnde gelegen "buiten" de EU?

Is het, gezien de implicaties hiervan, niet tijd deze situatie aan te passen of te regulariseren?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Dit aspect dat de geachte afgevaardigde ter sprake brengt, is door de Raad niet behandeld. De fysieke afstand respectievelijk nabijheid tot de 27 lidstaten speelt op zichzelf geen doorslaggevende rol in de betrekkingen tussen de afzonderlijke landen en gebieden van de Europese Unie. De betrekkingen met de overzeese landen en gebieden zijn geregeld in het vierde deel van het EG-Verdrag en in beschikkingen van de Raad. De vigerende Raadsbeschikking, aangenomen op 27 november 2001 en op 19 maart 2007 gewijzigd, loopt op 31 december 2013 af. Voor dit tijdstip zal de Raad zich over de situatie buigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Evans (PSE).(EN) Mijn eigenlijke punt was dat we hetgeen we in deze vergaderzaal beslissen – zoals u al zei in antwoord op de vorige vraag, toen u verwees naar Europese wetten die moeten worden gerespecteerd – van toepassing is in gebieden als Martinique, Guadeloupe of Frans-Guyana voor de kust van Zuid-Amerika, op duizenden kilometers afstand, hier ver vandaan, maar niet in gebieden als de tussen Frankrijk en Groot-Brittannië gelegen Kanaaleilanden, of het eiland Man, Liechtenstein of Andorra, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Er bestaan allerlei bijzondere belastingparadijsjes en vrijstellingen die we klaarblijkelijk toestaan en waar Europese wetgeving niet van toepassing is.

Is de Raad niet van mening dat deze situatie zodanig anomaal is dat we deze moeten herzien en over een modernere oplossing moeten nadenken, in plaats van te proberen wetten uit te vaardigen voor gebieden op duizenden kilometers afstand, en niet voor onze eigen achtertuin?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Ik denk niet dat het nodig is om specifiek te vermelden dat de gebieden die betrekking hebben op uw vraag regio's zijn die buiten Europa liggen maar toch bij de Europese Unie horen, omdat ze vanwege hun band met hun moederland bij wijze van spreken leden van de Europese Unie zijn. U weet natuurlijk dat landen als Andorra of Liechtenstein weliswaar in Europa liggen, maar geen lid van de Europese Unie zijn. De Raad zal aan de hand van een passende toetsing vaststellen of de verbondenheid met deze gebieden en de verspreiding van wetgeving naar de genoemde gebieden gehandhaafd zal blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL). – (DE) Het zijn vaak overzeese gebieden waar legerbases van EU-lidstaten gevestigd zijn. Ik wil op een zo'n geval concreet ingaan. Er zijn gebieden in Cyprus die als sovereign military bases worden aangemerkt. Ze horen weliswaar bij Groot-Brittannië, maar maken geen deel uit van de Europese Unie. Mijn vraag in dit verband is als volgt: is het een houdbare toestand dat er in een EU-lidstaat gebieden van een andere lidstaat liggen die geen deel uitmaken van de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) De enige verklaring die ik hiervoor kan geven is dat er, zoals eenieder weet, zich op Cyprus bijzondere ontwikkelingen hebben voorgedaan en dat het eiland in verband daarmee een bijzondere status kent. Er bestaan nog steeds oude regelingen waarvan ik mij kan voorstellen dat er zeker wijziging in zal komen zodra er een alomvattende oplossing van het conflict in Cyprus wordt bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 9 van Philip Bushill-Matthews (H-0378/07):

Betreft: Mogelijke leeftijdsdiscriminatie van piloten die boven Frankrijk vliegen

Vormt Frankrijks weigering om piloten ouder dan 60 jaar toe te staan boven zijn grondgebied te vliegen, zelfs wanneer zij optreden als copiloot overeenkomstig de richtsnoeren van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie, niet een inbreuk op de richtlijn van de EU inzake gelijke behandeling in arbeid en beroep (2000/78/EG(1) van 27 november 2000)?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, u weet uiteraard dat het in de eerste plaats de taak is van de Europese Commissie om toezicht te houden op de passende omzetting door de lidstaten van de communautaire wetgeving in het nationaal recht. De Raad wenst dan ook ter zake van dit specifieke geval geen standpunt in te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bushill-Matthews (PPE-DE).(EN) U stuurt me met een kluitje in het riet. Ik ben mij ervan bewust dat de Commissie bepaalde verantwoordelijkheden heeft, maar zegt u nu dat deze kwestie de Raad totaal niet interesseert en dat hij zich niet bekommert om leeftijdsdiscriminatie? Want dat is de duidelijke boodschap die u uitdraagt.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) U zei net dat de Commissie de hoedster is van de Verdragen en dus beschikt zij over de toezichthoudende bevoegdheden in dit verband. Verder kunnen de betrokkenen een onderzoek laten verrichten als er sprake zou zijn van discriminatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Ik denk dat de luchtvaart op zich toe is aan een reorganisatie. Daarom is het gerechtvaardigd om de volgende vraag voor te leggen aan de Raad: zijn er in de toekomst plannen om in het kader van intergouvernementele samenwerking dan wel bilateraal op te treden als er sprake is van discriminatie of vindt u het opportuun dat de Commissie op dit vlak het initiatief neemt?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, wij hebben in de Europese Unie en in de lidstaten lang gedebatteerd over de omzetting van de desbetreffende richtlijnen. In dit verband is gesteld dat de omzetting in nationaal recht in alle lidstaten zou plaatsvinden. Dat is de basis en bij alle andere wetgeving is het zo dat waar Europees recht geldt de burgers die zich gedupeerd of het slachtoffer van discriminatie voelen stappen kunnen ondernemen die reiken tot aan de indiening van een klacht bij het Europese Hof van Justitie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 10 van Bernd Posselt (H-0380/07):

Betreft: Werkloosheid in Kosovo

Hoe beoordeelt het Raadsvoorzitterschap de huidige toestand in Kosovo, waar de vertraging bij de erkenning van de onafhankelijkheid ook de afgelopen maanden heeft bijgedragen tot een extreem hoog werkloosheidscijfer, en welke stappen wil de EU op economisch en politiek vlak nog dit jaar in Kosovo ondernemen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte heer Posselt, de algemene politieke situatie in Kosovo wordt onverminderd bepaald door het proces over de status van dit gebied. Met de overhandiging van het statusvoorstel door de speciale VN-afgezant Ahtisaari aan de VN-Veiligheidsraad is dit proces onder de definitieve verantwoordelijkheid gekomen van de Veiligheidsraad. De ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie hebben herhaaldelijk hun volmondige steun uitgesproken voor de speciale afgezant Ahtisaari en verklaard ervan overtuigd te zijn dat het pakket-Ahtisaari een belangrijke basis vormt voor een duurzame, economische en politieke ontwikkeling van Kosovo en een bijdrage kan leveren aan een versterking van de stabiliteit in de gehele regio.

Na de top van de staatshoofden en regeringsleiders in het kader van de G8, waarop overeenstemming over Kosovo niet haalbaar bleek, heeft het voorzitterschap van de EU er bij de betrokken partijen op aangedrongen hun inspanningen op te voeren om zo spoedig mogelijk te komen tot de uitvaardiging van een nieuwe VN-veiligheidsresolutie. De Europese Unie zal het statusproces van zeer nabij blijven volgen.

De voorbereidingen van de Europese Unie met het oog op hun bijdrage aan de toekomstige civiele aanwezigheid in Kosovo na oplossing van het statusvraagstuk bevinden zich in een vergevorderd stadium. De Europese Unie is bereid om in nauwe samenwerking met andere internationale actoren een wezenlijke rol in te nemen in het kader van de internationale civiele aanwezigheid die zich in de toekomst mogelijk zal aandienen. Ter plekke houden planningsteams zich bezig met de voorbereiding van de mogelijke toekomstige activiteiten die een speciale EU-gezant en een EVDB-missie op het vlak van politie en justitie zullen verrichten. De afronding van deze voorbereidingen hangt af van het verdere verloop van het statusproces en van de feitelijke oplossing van de statuskwestie.

Net zoals in het verleden zal ook in de toekomst uitgebreide hulp van de internationale gemeenschap in het algemeen en de Europese Unie in het bijzonder nodig zijn om de economische randvoorwaarden en de maatschappelijke situatie in Kosovo te verbeteren. Hiervoor moet nauw worden samengewerkt met de internationale financiële instituten en de partners ter plaatse. Zodra een nauwkeurige kostenraming – die uiteraard ook afhankelijk is van de oplossing van de statuskwestie – beschikbaar is zal een Commissie een financieel totaalpakket uitwerken dat tevens onderwerp zal zijn van een donorconferentie. Deze donorconferentie kan echter pas plaatsvinden als er duidelijkheid is over de status van Kosovo.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). – (DE) Ik heb nog een extra vraag aan u: is de statuskwestie inzake Kosovo niet op te lossen op een wijze die het Europees Parlement voorstaat? Weet de Raad dat 75 procent van het Europees Parlement steun heeft uitgesproken voor het plan-Ahtisaari, internationale onafhankelijkheid en een rechtstreekse waarschuwing tegen verder uitstel? Vindt de Raad ook niet dat dit een lijn is die ook de andere instellingen zouden moeten volgen? Wat heeft het te betekenen dat de Raad van het ene op het andere moment beweert dat alles zes maanden moet worden opgeschoven, waartegen het Europees Parlement met grote meerderheid uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd, en wat vindt hij van de uitlatingen van mevrouw del Ponte, die op dit vlak geenszins bevoegd is?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Vanzelfsprekend stellen wij ons in kennis van de debatten en resoluties van het Europees Parlement. Niettemin wijs ik op de uitgebreide beraadslagingen in de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken die afgelopen maandag plaatsvonden en die morgenavond in Brussel worden voortgezet. Daarbij is opnieuw duidelijk vastgesteld dat de voorstellen van de heer Ahtisaari weliswaar een basis vormen, maar dat voor een aanvaardbare oplossing een besluit in het kader van de Verenigde Naties nodig is.

Het zou volstrekt inopportuun zijn om nu een unilaterale beslissing te nemen – dat is ook besproken met de regering van de aangrenzende regio's. Ik denk dat wij onze partner de Verenigde Staten ervan hebben kunnen overtuigen dat een multilaterale, internationale beslissing noodzakelijk is. Binnenkort zullen er gesprekken volgen tijdens een bilaterale bijeenkomst van de heren Poetin en Bush waarbij de kwestie-Kosovo ongetwijfeld ter tafel zal komen. Ik waarschuw echter dat een unilaterale beslissing geen goed uitgangspunt is voor andere nog komende besluiten.

Ik weet dat de mensen in de regio ongeduldig zijn. Wij hebben de Albanese regering nogmaals nadrukkelijk bedankt voor haar inspanningen van de afgelopen weken en maanden om de gemoederen te sussen en voor haar verklaring dat een internationale beslissing noodzakelijk is en geen eenzijdige erkenning van slechts een paar landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Geachte Raadsvoorzitter, welke initiatieven heeft het voorzitterschap van de Raad in petto ter zake van het economisch beleid en met name het energiebeleid? Kunt u zich voorstellen dat bijvoorbeeld het KMO- of het energiehandvest als uitgangspunt wordt genomen om de werkloosheid te bestrijden en de Lissabonagenda op een aantrekkelijke wijze tot uitvoering te brengen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, mede door de vraag van collega Posselt zijn wij ons bewust van het belang om naast politieke stabiliteit ook economische stabiliteit te scheppen. Voorwaarde is dat er een fundamentele beslissing wordt genomen. Wij kennen allemaal de omstandigheden. Wat betreft de toekomstperspectieven – u sprak al over de energiegemeenschap die aanwezig is in de regio – moeten knopen worden doorgehakt als de betreffende politieke beslissing is gevallen. U weet op grond van de debatten, die onder andere gingen over naburige regio's, echter ook welke mogelijkheden de Europese Unie de landen heeft aangeboden ter bevordering van de regionale samenwerking. Het aspect dat u noemde heeft in dit verband ongetwijfeld verregaande implicaties.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aangezien de volgende vragen over een soortgelijk onderwerp gaan, worden zij tezamen behandeld:

Vraag nr. 11 van Esko Seppänen (H-0382/07):

Betreft: Athena-mechanisme

Aangezien de basisverdragen van de EU verbieden dat EU-begrotingsmiddelen worden gebruikt voor de financiering van militaire operaties, hebben de lidstaten een akkoord gesloten over het bijzondere Athena-mechanisme. Hoeveel middelen van de lidstaten gaan via dit mechanisme naar de financiering van diverse operaties?

Vraag nr. 12 van Tobias Pflüger (H-0385/07):

Betreft: Financieringsmechanisme militaire begroting Athena

Blijkens informatie die de Duitse regering in de zomer van 2006 heeft verstrekt, koopt de EU met het oog op de uitvoering van operatie Althea van de NAVO bepaalde telecommunicatiediensten (de kosten worden door beide organisaties gedeeld) en onderhandelt over de aankoop van het oorspronkelijk voor de NAVO vervaardigde kaartenmateriaal voor Bosnië en Herzegovina of huurt - waarbij dit echter al gebeurt op basis van een reguliere contractuele overeenkomst buiten het "Berlin Plus-pakket" - nauwkeurig omschreven infrastructuurmiddelen (containers) in het gemeenschappelijke hoofdkwartier kamp Butmir.

Is de Raad na zijn meest recente besluit over het financieringsmechanisme voor Athena van mening dat een toereikende democratische controle op de militaire begroting van Athena gewaarborgd is? En waarom is het tot dusverre niet mogelijk geweest opgave te doen van de betalingen uit de Athena-begroting aan de NAVO alsook gegevens over de precieze besteding van de Athena-begrotingsmiddelen te publiceren en het Europees Parlement daarvan op de hoogte te stellen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Artikel 28 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bevat de beginselen voor de financiering van civiele en militaire crisisbeheersingsoperaties. Operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied kunnen niet uit communautaire middelen worden bekostigd.

Athena is het mechanisme dat de Raad in 2004 heeft gecreëerd voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties in kwestie. De gemeenschappelijke kosten liggen onder de 10 procent, de totale meerkosten van een operatie. De resterende uitgaven worden volgens het beginsel dat de kosten daar waar ze worden gemaakt worden gedragen, rechtstreeks door de lidstaten gefinancierd.

Het beheer van Athena staat onder toezicht van een speciaal comité dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten die via hun ministers verantwoording afleggen aan hun eigen nationale parlementen. Wat de operatie Althea betreft, betalen zowel de Europese Unie als de NAVO hun aandeel voor de gemeenschappelijk gebruikte inrichtingen, personele middelen enzovoort. De NAVO ontvangt van Athena geen vergoedingen voor verleende diensten.

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen (GUE/NGL). - (FI) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de minister, dit is een vreemd mechanisme zonder democratische controle. Met democratische controle bedoel ik parlementaire controle, niet controle door het Europees Parlement of de nationale parlementen. Op deze manier worden de bepalingen van de basisverdragen ontdoken, zoals u zojuist zei. Ik wil nu vragen of in de nieuwe Grondwet, waarover het voorzitterschap een voorstel heeft opgesteld, de basisverdragen zodanig worden gewijzigd dat het geld uit de Europese begroting kan worden toegewezen zonder het Athena-mechanisme.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Geachte afgevaardigde, ik wil aan de vooravond van de Europese Raad niet speculeren over de toekomst van het Europese Grondwetsverdrag. We zullen zien welke debatten er gevoerd worden en welke gevolgen daaruit ontstaan voor de verdragsbepalingen.

Ten aanzien van het tweede punt wil ik zeggen dat de ministers van de lidstaten in het comité vertegenwoordigd zijn en die hebben weer, omdat de bijdragen van de lidstaten komen, een verantwoordingsplicht jegens hun parlement. Voor zover ik weet hebben de parlementen vakcommissies die een oordeel kunnen vellen en de ministers vragen kunnen stellen over de aanwending van de middelen, en begrotingscontrolecommissies die toezicht houden op de aanwending van de middelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL). – (DE) De realiteit wijst helaas anders uit. In de subcommissie veiligheid en defensie heb ik te horen gekregen dat de EU geld heeft betaald aan de NAVO, terwijl u zegt dat er niet is betaald. Dat is interessant. Het probleem is dat we geen cijfers krijgen bij vragen hierover in de nationale parlementen. Ook krijgen we geen cijfers via de Begrotingscommissie of in de subcommissie veiligheid en defensie.

Zou het voorzitterschap van de Raad een overzicht kunnen opstellen van de uitgaven die tot dusver via het Athena-mechanisme zijn gedaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Ten aanzien van het eerste punt kan ik u verzekeren dat ik me over de situatie zal buigen en zal laten controleren of er sprake is van een tegenstrijdigheid waar u op doelde. Wat het andere punt betreft kan ik als vertegenwoordiger van het Raadsvoorzitterschap geen oordeel vellen over de gebruiken en wetgeving in de lidstaten met betrekking tot de opstelling hier van een dergelijk overzicht. Een en ander wordt overgelaten aan de lidstaten zelf.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 13 van Inese Vaidere (H-0387/07):

Betreft: Onderhandelingen EU-Georgië over akkoorden inzake visumfacilitering en wedertoelating

Georgië is een belangrijke partner van de EU in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid. De huidige Georgische regering heeft blijk gegeven van duidelijke Europese aspiraties en een sterke hervormingsgezindheid in de richting van Europese waarden, en is zeer wel in staat deze hervormingen door te voeren.

Vastgesteld kan worden dat van EU-zijde de wil ontbreekt tot overleg met Georgië over akkoorden inzake facilitering van de visumverlening en wedertoelating. Dit steekt schril af tegen de succesvolle sluiting van akkoorden inzake visumfacilitering en wedertoelating tussen de EU en Rusland, die op 1 juni as. in werking treden, alsmede de in 2006 afgeronde onderhandelingen tussen de EU en Oekraïne en de start van onderhandelingen met Moldavië begin dit jaar.

Vereenvoudiging van het visumregime met Georgië is nooit op de agenda van de EU geplaatst en het lijkt er verrassend genoeg op dat dit land wordt gestraft voor het feit dat het zozeer naar de Europese waarden streeft en zo hervormingsgezind is.

Wat doet de Raad om vaart te zetten achter de onderhandelingen en de sluiting van akkoorden inzake facilitering van de visumverlening en wedertoelating met Georgië en wat zijn de plannen van de Raad met betrekking tot die onderhandelingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Als voorzitter kan ik u meedelen dat er geen initiatieven zijn ontplooid teneinde de Commissie een mandaat te verlenen voor het opnemen van onderhandelingen over akkoorden in dit verband met Georgië. Het actieplan EU-Georgië in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid voorziet echter te allen tijde in het entameren van een dialoog over kwesties inzake het personenverkeer, met inbegrip van wedertoelating en visumverlening.

Inzake de discussie over de mogelijk ongelijke behandeling van burgers die in Abchazië leven en daar op basis van de nieuwe akkoorden een visum krijgen, en over de vraag of hier mogelijk sprake is van een verstoord evenwicht tussen de rechten van de mensen die in Abchazië leven en die van de mensen in Georgië zelf, kan ik zeggen dat dit debat, dat ook al op een ander niveau in het Europees Parlement heeft plaatsgevonden, wordt voortgezet om een oplossing naderbij te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Inese Vaidere (UEN). - (LV) Mijnheer Gloser, u verwees zojuist naar Abchazië en Zuid-Ossetië en het is bekend dat Rusland momenteel in groten getale Russische paspoorten uitgeeft voor inwoners van Abchazië en Zuid-Ossetië en op die manier kunstmatig het aandeel Georgische staatsburgers in deze regio’s verkleint. De Europese Unie creëert met haar aarzeling om visumfacilitering aan Georgië te verlenen indirect een extra stimulans voor het verwerven van Russische paspoorten, omdat Russische staatsburgers momenteel meer mogelijkheden hebben om naar de Europese Unie te reizen dan Georgische staatsburgers. Ik wil een tweede vraag stellen: waarom is in de Raad nog geen overleg begonnen over de facilitering van de visumverlening aan Georgië? Welke specifieke oplossingen ziet u voor deze situatie, die naar mijn mening onaanvaardbaar is?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) De Europese Unie heeft met Rusland het akkoord gesloten inzake visumfacilitering samen met akkoorden betreffende wedertoelating. De laatste weken is duidelijk geworden dat er sprake is van – ik kan me rustig in dezelfde termen uitdrukken als u – een onbalans waarbij burgers die in Abchazië of Zuid-Ossetië wonen plotseling met een Russisch visum mogen reizen en burgers die in Georgië wonen niet. Dat was voor de Europese Unie aanleiding om na te gaan hoe in het kader van het nabuurschapsbeleid gesprekken hierover met Georgië kunnen worden opgenomen om een einde te maken aan de onbalans – zo die gehandhaafd blijft – waarbij aan Russische zijde wel een visum te verkrijgen is en aan Georgische zijde niet.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 14 van Leopold Józef Rutowicz (H-0390/07):

Betreft: Opstelling van de Roaming-richtlijn

Wat onderneemt de Raad om ervoor te zorgen dat opstelling van de voor de Europese burger essentiële Roaming-richtlijn wordt versneld?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Beste collega, tijdens de vergadering in februari heeft u reeds geïnformeerd naar de stand van zaken bij de roaming-verordening. Ik ben blij dat ik u het volgende antwoord kan geven op uw nieuwe vraag, hoewel u beslist al op de hoogte bent van de inhoud, aangezien het thema roaming ons allemaal aangaat. We zouden immers niet meer zonder mobiele telefoons kunnen.

Zoals u zeker weet, valt de op artikel 95 uit het EG-verdrag gebaseerde roaming-verordening onder de medebeslissingsprocedure volgens artikel 251 van het EG-verdrag. Ik kan u verzekeren dat de drie instellingen de roaming-verordening zo snel mogelijk willen aannemen. De Raad heeft tijdens de vergadering van zes tot acht juni een politieke overeenkomst over het voorstel bereikt en hiermee het standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing goedgekeurd. De juristen-linguïsten leggen thans de laatste hand aan de tekst, die vervolgens in een versnelde procedure kan worden aangenomen, waarschijnlijk eind juni. De publicatie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen vindt onmiddellijk daarna plaats.

 
  
MPphoto
 
 

  Leopold Józef Rutowicz (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, helaas heb ik mijn vraag in een volledig andere situatie gesteld. Vandaar ook dat we nu onze waardering kunnen uitspreken voor het feit dat de richtlijn zo snel is doorgevoerd en dat de Europese samenleving er profijt van heeft.

Tussen haakjes: dit is een groot succes voor het hele Parlement, de Raad en de Commissie. Toch stelt de richtlijn geen tarieven vast. Volgens experts van de Commissie interne markt en consumentenbescherming waren de tarieven lager, waarna de rapporteur ze in het kader van de raadpleging ter discussie heeft gesteld en ze uiteindelijk in de richtlijn zelf zijn verhoogd.

Aangezien roaming zogezegd nog steeds ontoelaatbaar in Europa is, heb ik een vraag: wanneer volgt een eventuele volledige uitbanning van roaming in de Europese lidstaten?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) We weten toch allemaal dat er vaak een enorme kloof gaapt tussen de doelen die we stellen en wat we bereiken. Nu moeten we echter tevreden zijn dat een eerste belangrijke stap is gezet. Alle betrokkenen zullen zich moeten inspannen om dat alles tegen einde juni in werking te laten treden. Het toont eveneens aan waarom het goed en belangrijk is punten van het Grondwettelijk Verdrag te bespreken.

Het Duitse voorzitterschap is er echter steeds van uitgegaan dat de burgers ook het Europa van de projecten, van de resultaten moeten zien. De roaming-verordening, die binnenkort in werking treedt, is een voorbeeld van de daadkracht van Europa en van een project voor de Europese burgers. We weten allemaal – daarbij geloof ik in de initiatieven van het Europees Parlement – dat er ook in de toekomst nog over verdere veranderingen zal worden gediscussieerd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 15 van Danutė Budreikaitė (H-0392/07):

Betreft: Nabuurschapsbeleid van de EU

Het Nabuurschapsbeleid van de EU richt zich op zestien nabuurlanden, namelijk de mediterrane landen Egypte, Algerije, Israël, Jordanië, Libanon, Libye, Marokko, het Palestijnse Zelfbestuur, Syrië en Tunesië en de nieuwe onafhankelijke staten Oekraïne, Moldavië, Wit-Rusland, Armenië, Azerbeidzjan en Georgië.

Ter uitvoering van dit nabuurschapsbeleid is voor elk nabuurland een actieplan opgesteld. Voor dit beleid zou 16% van de kredieten voor de buitenlandse betrekkingen worden uitgetrokken.

Kan het Voorzitterschap antwoord geven op de vraag, met welke nabuurlanden verdragen zijn ondertekend in het kader van het nabuurschapsbeleid? Welke financiële middelen zijn voor de betrokken landen gereserveerd, en voor welke perioden?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Bij het actieplan in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid gaat het om politieke documenten waarin politieke consensus tot uiting komt tussen de Europese Unie en afzonderlijke partnerlanden over een agenda met politieke, economische en sectorale hervormingen. Tegelijkertijd worden er op korte en middellange termijn prioriteiten gesteld voor maatregelen. De associatie- en samenwerkingsraad tussen de Europese Unie en het desbetreffende partnerland keurt ze goed.

Met vijf van de zes partnerlanden in het Oosten werden actieplannen overeengekomen in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid. Als eerste werd op 21 februari 2005 een actieplan voor Oekraïne goedgekeurd. Vervolgens werd op 22 februari 2005 goedkeuring gehecht aan het actieplan voor Moldavië. Daarna volgden Armenië, Azerbeidzjan en Georgië: met elk van hen werd op 14 november 2006 een actieplan ondertekend. Met Wit-Rusland werd geen dergelijk actieplan overeengekomen omdat de EU geen contractuele betrekkingen met dat land onderhoudt. Wit-Rusland zal pas van de omvangrijke voordelen van het Europese nabuurschapsbeleid kunnen genieten als het, na vrije en eerlijke verkiezingen, een democratisch systeem invoert.

Met de partnerlanden in het Zuiden werden in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid de volgende actieplannen aangenomen: op 11 april 2005 voor Israël, op 4 mei 2005 voor de Palestijnse Autoriteit, op 2 juni 2005 voor Jordanië, op 22 juni 2005 voor Marokko, op 4 juli 2005 voor Tunesië, op 19 januari 2007 voor Libanon en op 6 maart 2007 voor Egypte. Voor Algerije is er nog geen actieplan en voor Libië en Syrië werden geen actieplannen aangenomen aangezien de EU met deze landen geen contractuele betrekkingen onderhoudt.

Voor de periode 2007-2013 zal de Europese Unie voor de omzetting van het Europese nabuurschapsbeleid in totaal 12 miljard euro gemeenschapsgeld ter beschikking stellen, wat een reële groei van 32 procent betekent. Na overleg met de Europese lidstaten heeft de Commissie krachtens Verordening (EG) nr. 1638/2006 van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument beslist over de verdeling van deze middelen en heeft ze strategische documenten en indicatieve programma’s betreffende landen, regio’s en grensoverschrijdende programma’s voor de periode 2007-2013 aangenomen.

Wat de landenprogramma’s in het kader van het Europese nabuurschaps- en partnerschapsinstrument ENPI aangaat, zien de meerjarenbedragen voor de periode 2007-2010 er als volgt uit: voor Algerije 220 miljoen euro, voor Armenië 98,4 miljoen euro, voor Azerbeidzjan 92 miljoen euro, voor Wit-Rusland 20 miljoen euro, voor Egypte 558 miljoen euro, voor Georgië 120,4 miljoen euro, voor Israël 8 miljoen euro, voor Jordanië 265 miljoen euro, voor Libanon 187 miljoen euro, voor Libië 8 miljoen euro, voor de Moldavische Republiek 209,7 miljoen euro, voor Marokko 654 miljoen euro, voor de Palestijnse Autoriteit 632 miljoen euro, voor Syrië 130 miljoen euro, voor Tunesië 300 miljoen euro, en ten slotte voor Oekraïne 494 miljoen euro. In het geval van Libië en de Palestijnse Autoriteit wil ik opmerken dat er geen strategische documenten of indicatieve programma’s zijn aangenomen aangezien een programmaplanning op middellange termijn hier niet mogelijk is. Bij de genoemde toewijzingen gaat het daarom slechts om indicatieve bedragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). - (LT) Mevrouw de Voorzitter, dank u voor uw uitgebreide antwoord. Ik wil één ding opgehelderd zien. Bij de uitvoering van dit beleid heeft de Europese Unie bepaalde afspraken en actieplannen gemaakt met bepaalde landen, namelijk met Oekraïne en Georgië. Zijn de lidstaten die naast deze landen liggen, betrokken bij het opstellen van de actieplannen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) In de namiddag hebben we gedebatteerd over het Europees-mediterraan Partnerschap en over het Europese nabuurschapsbeleid, al ging het toen meer over het zuiden. Ik zou erg willen benadrukken dat het voor de lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, een duwtje in de rug was om te stellen: “Wij hebben nu een buitengrens van de Europese Unie. We hebben echter ook buren en hechten belang aan de politieke, economische en maatschappelijke stabiliteit van deze landen.”

Daarom hebben we bij de uitwerking en verdere ontwikkeling van het Europese nabuurschapsbeleid ook een prioriteit ingebouwd. Een belangrijk aspect daarbij is vooral dat voor elk nabuurland dat gepaste betrekkingen met de Europese Unie onderhoudt en afhankelijk van de individuele vooruitgang ervan, een programma kan worden uitgewerkt. Er bestaan bijvoorbeeld op maat gemaakte programma’s voor Oekraïne of voor Moldavië. Ik kan u enkel zeggen, mevrouw Budreikaitė, dat ook de door u genoemde landen deelnemen aan de uitwerking van deze actieplannen en daar veel belang aan hechten. Wat in het kader van deze plannen en van het nabuurschapsbeleid wordt voorzien, kan een doorslaggevende rol spelen in bepaalde sectoren, bijvoorbeeld voor de toegang tot de interne markt. Aangezien de Europese Raad morgen en vrijdag in zijn conclusies zijn zegen zal geven aan deze nieuwe benadering van het nabuurschapsbeleid, zullen hopelijk ook de volgende voorzitters van de Raad de mogelijkheid hebben om op basis van dat programma hun werkzaamheden voort te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen (GUE/NGL). - (FI) Mevrouw de Voorzitter, u zei dat er voor Wit-Rusland geen programma’s in het kader van het nabuurschapsbeleid bestaan, omdat er in dat land geen vrije verkiezingen worden georganiseerd. Een dergelijk programma is echter wel met Azerbeidzjan overeengekomen. Waren de verkiezingen in Azerbeidzjan naar uw mening vrij en eerlijk en denkt u dat het logisch is dat een dergelijk programma is overeengekomen met Azerbeidzjan en niet met Wit-Rusland?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Beste collega, ook met de landen van de zuidelijke Kaukasus zijn intensieve gesprekken gevoerd. Er zijn per geval verslagen opgesteld over de gemaakte vorderingen en de EU heeft voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd die ertoe geleid hebben dat vorig jaar de actieplannen zijn aangenomen. Dat betekent – dat veronderstellen we niet alleen – dat uit de controle is gebleken dat de verkiezingen dusdanig waren dat voor Azerbeidzjan een actieplan kon worden goedgekeurd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 16 van James Nicholson (H-0394/07):

Betreft: Braziliaans rundvlees

Overweegt de Raad om, ten einde te verzekeren dat Europese consumenten helemaal van het rundvlees dat ze kopen op aan kunnen, een onmiddellijk verbod in te stellen op de export van rundvlees uit Brazilië naar de Europese Unie in plaats van te wachten tot het einde van dit jaar?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Beste collega, volgens het gemeenschapsrecht is de Commissie bevoegd om de vrijwaringsclausule toe te passen. De Raad heeft daardoor geen directe invloed op de beslissing die de Commissie in verband met Braziliaans rundvlees heeft genomen.

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE).(EN) Dank u, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, maar dat antwoord stelt mij enigszins teleur. Gisteravond heb ik ook een vraag gesteld aan de Commissie, en ook die stelde zich niet echt hulpvaardig op. Ik wil de fungerend voorzitter van de Raad erop wijzen dat toen het Irish Farmers’ Journal en een vertegenwoordiger van de Irish Farmers’ Association Brazilië bezochten ze duidelijk bewijs aantroffen voor het feit dat de regels er niet werden nageleefd. Traceerbaarheid is non-existent. Er wordt niet gecontroleerd aan regionale grenzen. Er worden in Brazilië elke dag dieren vervoerd uit gebieden waar mond- en klauwzeer heerst. Er bestaat bewijs voor het feit dat men in Brazilië gebruikmaakt van stoffen die in de Europese Unie verboden zijn.

Is het niet de hoogste tijd dat Europa ophoudt nodeloze woorden te verspillen aan dit soort problemen – in de wetenschap dat de belangen van onze consumenten op het spel staan – en we een verbod op Braziliaans rundvlees instellen, wat iedereen in de Europese Unie graag ziet gebeuren ten voordele van de producenten en consumenten?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Ik beweer niet graag dat de Raad ter zake van dit gebied niet bevoegd is. U heeft echter zelf gezegd dat u heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze problematiek ook bij de Commissie aan te kaarten. Natuurlijk is ook de Raad op de hoogte van het probleem, maar het is nu aan de Commissie om de desbetreffende informatie na te trekken. Vervolgens draagt de Commissie ook de verantwoordelijkheid om gepaste voorstellen te doen en voorzorgsmaatregelen te treffen. Dat valt echt niet onder de bevoegdheid van de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI).(EN) Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, u zegt dat dit een kwestie voor de Commissie is, maar de gezondheid van de burgers van Europa is toch iets waar de Raad aandacht voor moet hebben. De Verenigde Staten hebben een volledig verbod ingesteld op alle importen van vers rundvlees uit Brazilië omdat traceerbaarheid volgens de Verenigde Staten non-existent is, er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van illegale groeihormonen en de controles over het algemeen alarmerend zwak zijn. Is de gezondheid van de burgers van Europa minder belangrijk dan de gezondheid van Amerikaanse burgers, en zo niet, waarom is er dan nog geen verbod op Braziliaans rundvlees ingesteld?

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Harkin (ALDE).(EN) Ik heb het antwoord van de Raad gehoord, maar ben van mening dat hij de kwestie uit de weg gaat.

Op dit moment onderhandelen we in Potsdam met de G4 en ik zou willen weten of we de adviezen van de voorzitter van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling, die verzocht heeft om een verbod op de invoer van Braziliaans rundvlees, naast ons neer kunnen leggen. Kunnen we de conclusies van het definitieve verslag van een missie van het Europees Voedsel- en Veterinair Bureau in Brazilië naast ons neerleggen, waarin zeer duidelijk staat vermeld dat het huidige bewakingssysteem voor residuen en diergeneesmiddelen niet adequaat is?

Er bestaan nog steeds ernstige tekortkomingen in de opzet, het toepassingsgebied en de tenuitvoerlegging van het nationaal residubewakingsplan. Ik wil graag dezelfde vraag stellen als de andere sprekers. Vindt u ook niet dat er nu maatregelen moeten worden getroffen om de Europese consumenten te beschermen?

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Gloser, fungerend voorzitter van de Raad. (DE) Ik ben het met u eens dat we als Europese Unie moeten handelen indien de informatie, die u zojuist heeft verstrekt, zo beschikbaar is. We hebben ons echter wat dat betreft regels opgelegd. Ik kan enkel luisteren naar uw eis in het belang van de consumenten en de Commissie aanmoedigen om de gepaste instanties mee te delen in hoeverre ze controles heeft uitgevoerd en welke maatregelen ze kan nemen. Ik vraag u echter om begrip voor het feit dat we niet voortdurend de rollen kunnen omkeren. Er zijn duidelijke terreinen afgebakend en in dit geval is de Commissie bevoegd. Ik kan niet vooruitlopen op het antwoord van de Commissie, die tijdens het vragenuur van vandaag niet aanwezig moet zijn. Ik kan enkel voorstellen om nog eens navraag te doen, zodat u, als vertegenwoordigers van de burgers, een passend en duidelijk antwoord van de Commissie krijgt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik wil graag deze gelegenheid aangrijpen, mijnheer de fungerend voorzitter, om u heel hartelijk te bedanken voor uw medewerking en uw voorkomendheid in ons vragenuur tijdens het voorzitterschap van uw land.

De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.05 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: ALEJO VIDAL-QUADRAS ROCA
Ondervoorzitter

 
  

(1) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

Juridische mededeling - Privacybeleid