Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Volledig verslag van de vergaderingen
Dinsdag 10 juli 2007 - Straatsburg Uitgave PB

13. Modernisering van het arbeidsrecht (voortzetting van het debat)
Notulen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de voortzetting van het debat over het verslag van Jacek Protasiewicz over de modernisering van het arbeidsrecht om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, de rapporteur, Jacek Protasiewicz, had heel weinig tijd, maar hij is er toch in geslaagd om een compromis uit te werken, waardoor de zekerheid en de flexibiliteit in het moderne arbeidsrecht met elkaar in evenwicht zijn. Bepaalde formuleringen zijn nog niet nauwkeurig genoeg, bijvoorbeeld in artikel 35, waar verschillende definities worden gegeven van de arbeidsrechtelijke status op verschillende momenten. ’s Middags nog zelfstandige, ’s avonds al werknemer – hoe is dat mogelijk? Economisch afhankelijke zelfstandigen zijn ook dan zelfstandige wanneer ze maar één werkgever hebben. Meestal zijn het starters, die een eigen bedrijfje hebben opgericht, zij creëren meer banen in de EU dan wie dan ook. In mijn land, Duitsland, is in de jaren negentig geprobeerd om een duidelijk onderscheid te maken tussen werknemers en zelfstandigen, maar dat heeft ertoe geleid dat de golf van starters is gebroken, en dat duizenden minibedrijfjes failliet zijn gegaan.

Ik heb enorme bezwaren tegen de gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van algemene of grote ondernemingen. Dat is in de praktijk een groot probleem. De algemeen ondernemer moet heel wat overheidstaken verrichten. Dat betekent meer bureaucratie en hoge kosten. Hierover heb ik een amendement ingediend, dat korte metten maakt met zulke verstrekkende verplichtingen.

In een ander amendement bevestig ik de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten op het gebied van het arbeidsrecht, zoals geregeld bij de artikelen 127 en 137 van het EG-Verdrag. Iedere verdere regelgeving of harmonisering op het Europese niveau wijzen wij van de hand.

Ik hoop dat de amendementen zullen worden goedgekeurd, en vraag u om morgen voor het verslag te stemmen, ook al omdat de rapporteur werkelijk heeft geprobeerd om een evenwichtig resultaat te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson (PSE). - (SV) Ik wil alle betrokkenen, de rapporteur en de schaduwrapporteurs, bedanken voor het constructieve werk dat zij in de commissie hebben verricht om een verslag op te stellen waar grote eensgezindheid over bestaat. Wij moeten dit verslag bekijken tegen de achtergrond van de mondiale uitdagingen en demografische ontwikkelingen, die betekenen dat wij Europa moeten veranderen. Ik heb het eerder gezegd en ik herhaal het nog een keer: de Commissie is aan het verkeerde eind begonnen.

Belangrijk bij verandering is zekerheid. Het allerbelangrijkst daarbij is niet het arbeidsrecht, maar het voeren van een actief arbeidsmarktbeleid. Onze aandacht moet uitgaan naar onderwijs, levenslang leren en goede regelingen voor meer werkzekerheid, zodat mensen op de een of andere manier naar nieuwe banen binnen hun oude onderneming of naar een nieuwe onderneming kunnen overstappen. Deze ontwikkeling moet als iets positiefs en niet als een bedreiging worden gezien. De Commissie begon daarom aan het verkeerde eind door het arbeidsrecht aan te vechten. Goed arbeidsrecht is noodzakelijk in Europa, zodat werknemers zich zeker kunnen voelen.

Hoe ziet de huidige situatie eruit? Wij hebben in Europa economische groei en een toename van de werkgelegenheid. Dat is positief. Wij zien echter ook een andere ontwikkeling. Er is een toename in het aantal slechte en onzekere banen waar men niet goed van kan bestaan en die bijvoorbeeld slechte arbeidsvoorwaarden hebben. Daar moeten wij een oplossing voor vinden en dat doen wij niet door het arbeidsrecht te verslechteren. Dat kunnen wij wel doen door de slechte banen aan te pakken en ze beter en zekerder te maken, zodat zij meer gaan lijken op gewone voltijdbanen. Dat is de weg die wij moeten ingaan.

De Commissie heeft zich ook beziggehouden met individueel arbeidsrecht en dat was onterecht. Collectief arbeidsrecht speelt een heel grote rol in veel Europese landen en de sociale partners spelen een grote rol in het arbeidsrecht. Het zou op zijn plaats zijn om ook aandacht te schenken aan het collectieve arbeidsrecht en het belangrijke werk dat de sociale partners doen in de vorm van de sociale dialoog.

 
  
MPphoto
 
 

  Elizabeth Lynne (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de rapporteur feliciteren en bedanken voor de samenwerking. Dit debat gaat over de toekomst van het arbeidsrecht en wij moeten de huidige realiteit onder ogen zien. Die realiteit is dat er sprake is van een toename in de niet-standaardcontracten en dat wij dus meer nadruk moeten leggen op loopbaanzekerheid in plaats van op baanzekerheid.

Ik geloof niet dat wij een definitie van “werknemer” op EU-niveau nodig hebben. Dat moeten wij aan de lidstaten overlaten. De cao’s spelen nog steeds een zeer belangrijke rol, maar wij moeten er wel voor zorgen dat mensen die niet bij een vakbond zijn aangesloten, ook in dit proces geïntegreerd kunnen worden. Dat geldt trouwens ook voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Op dit moment is de lijst van de Commissie met sociale partners nog kort. Naar mijn idee komt dit omdat er te weinig rekening wordt gehouden met de standpunten van de kleine en middelgrote ondernemingen, die in veel opzichten toch de machinekamer van de Europese economie zijn. Daarom dring ik er bij iedereen op aan om de amendementen van de ALDE-Fractie te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zal het kort houden. Ik wens de rapporteur van harte geluk, maar niet de meeste leden van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, die zich hebben uitgesproken voor deze amendementen op het verslag. De arbeidsmarkt verandert voortdurend. Nieuwe beroepen, nieuwe technologieën en het groeiende aandeel van de dienstensector zullen tot het ontstaan van nieuwe vormen van werkgelegenheid leiden.

De bezorgdheid van links over slechter betaalde en onzekerdere banen is doorgaans onterecht. Het echte probleem schuilt in de verbreiding van inflexibele oplossingen, die de creatie van nieuwe banen in de weg staan en ervoor zorgen dat een grote groep mensen werkloos blijft, alsook in de invoering van dit soort negatieve ervaringen in landen die over een zeer concurrerende arbeidsmarkt beschikken.

De bureaucratische rompslomp voor ondernemingen die in het kader van de Europese markt werknemers willen detacheren, is niets anders dan een moderne vorm van protectionisme, die voornamelijk tegen de nieuwe lidstaten wordt gebruikt. Dat blijkt uit de voorbeelden Vaxholm en Viking Line, die zelfs bij het Europees Hof van Justitie terechtgekomen zijn en waarover binnenkort een uitspraak wordt verwacht.

Wanneer er dus geen rekening wordt gehouden met de amendementen die zijn voorgesteld door de leden van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, evenals door de rapporteur, zal ik dit verslag niet kunnen steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, de dagelijkse voorbeelden die ons bekend zijn van de uitbuiting van arbeiders in Portugal en in andere landen van de Europese Unie, zoals Nederland en Roemenië – waarbij ook Portugese arbeiders betrokken zijn –, tonen aan dat men uit naam van de modernisering van het arbeidsrecht beoogt ontslag te vergemakkelijken. De middelen daarvoor zijn het wijzigen van de opzegtermijnen, de kosten en de procedures voor individueel en collectief ontslag en de definitie van individueel ontslag zonder geoorloofde reden teneinde de huidige contractuele verplichtingen ongedaan te maken.

Men wil ook de arbeidstijd en de organisatie van de arbeid veranderen met alle gevolgen van dien voor de aanval op het cao-overleg en de organisaties van de werknemers. Het toekennen van hetzelfde gewicht aan de werkgevers en de werknemers op de weegschaal voor de contractuele bepalingen van een zogenaamde moderne arbeidsorganisatie doet afbreuk aan de noodzaak zeker werk en de rechten van de zwakste schakel van de arbeidsverhouding te beschermen: de werknemers die werk en loon nodig hebben om te overleven.

Zoals op 5 juli jongstleden in Guimarães is gebleken, strijden de arbeiders tegen deze gevaarlijke voorstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Mato Adrover (PPE-DE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats zou ik Jacek Protasiewicz willen feliciteren met zijn poging om consensus te bereiken, en ik hoop dat hij daar morgen in zal zijn geslaagd.

Het was zonder enige twijfel nodig om gezamenlijk na te denken over de betekenis van de regels waarmee de arbeidsmarkt gereguleerd wordt en ik denk dat het Groenboek daar een goede gelegenheid voor heeft geboden.

Sinds de Top van Luxemburg zijn er nieuwe uitdagingen en nieuwe problemen ontstaan, zoals immigratie en de vergrijzing van de bevolking, en in 1997 - laten we dat niet vergeten - was het doel eenvoudigweg om werkgelegenheid te scheppen. Nu, in een fase waarin de economie veel dynamischer is, streven we niet alleen naar volledige werkgelegenheid, maar ook naar kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid.

Ik bedoel daarmee dat we naar betere arbeidsomstandigheden, een doelmatiger bestuur van ondernemingen, een betere balans tussen werk en gezinsleven, levenslang leren en ook stabiliteit streven. En daar stuiten we op het eerste bezwaar dat ik tegen dit verslag heb.

Stabiliteit hoeft niet op gespannen voet te staan met deeltijdcontracten. In het verslag wordt dit soort contracten gediskwalificeerd en worden alleen voltijdcontracten positief beoordeeld, waarbij uit het oog wordt verloren hoe hard deeltijdcontracten, die ook voor onbepaalde tijd en stabiel kunnen zijn, nodig zijn voor het kunnen combineren van werk en gezinsleven.

Ook tijdelijke contracten worden in het verslag gecriminaliseerd en vergeten, terwijl deze in sommige sectoren noodzakelijk, onmisbaar en onvervangbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan het toerisme, de horeca, de bouw of de landbouw, waar contracten voor onbepaalde tijd ondenkbaar zouden zijn vanwege de rol die deze contracten hebben.

Ook zou ik erop willen wijzen - en dat is een ander bezwaar dat kan worden genoemd - dat we weten dat de wijze waarop de arbeid is georganiseerd verschilt per land en dat die verschillen heel groot kunnen zijn. En dat geldt ook voor de verhoudingen tussen de diverse sociale partners, waardoor het heel moeilijk is om gezamenlijke wetgeving op Europees niveau te ontwikkelen.

Wij zijn meer voor subsidiariteit, voor de open coördinatiemethode en voor overeenstemming tussen de sociale partners. Uiteraard willen we niet dat de Commissie een blanco cheque krijgt op het gebied van het arbeidsrecht en geen rekening hoeft te houden met de verschillende landen en de verschillende kenmerken van die landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik denk dat het tijd werd dat de Europese Unie dit debat aanzwengelde, en wij kunnen het initiatief van het Groenboek toejuichen. Ik vrees echter dat dit initiatief niet per se goed nieuws is voor de Europese werknemers. We moeten kritisch zijn ten opzichte van het Groenboek, zowel wat betreft de gehanteerde methode als de richtsnoeren die erin worden voorgesteld.

Om te beginnen de methode: ik betreur dat deze raadpleging niet geschiedt volgens de procedure van artikel 138 van het Verdrag, dat de sociale partners een speciale status verleent wanneer het gaat om het sociale beleid. Deze afwijking van de procedure wordt overigens aan de kaak gesteld door het Europees Verbond van Vakverenigingen.

Vervolgens de inhoud: een Groenboek moet onpartijdig zijn. Het moet vragen stellen zonder a priori antwoorden te geven. De Europese Commissie poneert echter stellingen die duidelijk van ideologische aard zijn. Dat is het geval wanneer zij kritiek uitoefent op het traditionele model omdat het een belemmering vormt voor de werkgelegenheid. Dat is tevens het geval wanneer zij stelt dat de ontslagbescherming een belemmering vormt voor de dynamiek van de ondernemingen en onveilige arbeidsomstandigheden bestempelt tot een teken des tijds.

Er bestaan in Europa en in het door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) gestimuleerde internationale recht beginselen en fundamentele rechten die nageleefd dienen te worden. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moeten wij bevestigen als zijnde de regel. De werknemer moet worden beschermd door de wetgeving of de collectieve onderhandeling of door beide. Daarom wil ik beklemtonen dat de collectieve onderhandeling de belangrijkste bron moet blijven voor het ontwikkelen van het arbeidsrecht.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over het concept van flexiezekerheid, dat tot principe is verheven. Zoals het nu gedefinieerd is, leidt het tot een zeer ongelijke verdeling van de bevoegdheden tussen de Europese Unie en de lidstaten. De Europese Unie zou flexibiliteit opleggen en zou aan de lidstaten alleen de verantwoordelijkheid overlaten om de veiligheid van werknemers te waarborgen. Onze medeburgers willen een Europa dat hun rechten en hun sociale model beschermt. Laten we bij hen niet het beeld oproepen van een Europa dat hun sociale verworvenheden vernietigt. Hun verbondenheid met het Europese project staat op het spel, laten we dat niet vergeten.

 
  
MPphoto
 
 

  Ona Juknevičienė (ALDE). (LT) De heer Protasiewicz snijdt in zijn verslag twee belangrijke kwesties aan, namelijk niet-standaardarbeidsovereenkomsten en het concept van “werknemer”.

Toepassing van niet-standaardovereenkomsten houdt discriminatie van werknemers in. Ze krijgen dan namelijk geen adequate sociale garanties. Anderzijds is er behoefte aan flexibiliteit , voor ondernemingen, omdat zij zich dan beter kunnen aanpassen aan de veranderingen op de markt, en voor medewerkers, omdat zij dan beter in staat zijn een evenwicht te vinden tussen werk en privéleven.

Veel Litouwers zijn werkzaam in de Britse bouwsector als zelfstandige, terwijl ze in werkelijkheid in dienst van bouwbedrijven zijn, net als andere werknemers. Ze hebben echter niet dezelfde werkgelegenheids-, sociale en andere garanties. De definitie van een werknemer zou gebaseerd moeten zijn op zijn werkelijke situatie op de werkplek en onder werktijd. Ons doel is een effectieve arbeidsmarkt, een markt waar werknemers geschikt werk vinden en werkgevers geschikt personeel vinden. Het vandaag voorliggende document is een stap op weg naar dat doel.

 
  
MPphoto
 
 

  Mieczysław Edmund Janowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik zou de heer Protasiewicz van harte willen bedanken omdat hij een zo belangrijke kwestie aan de orde heeft gesteld, namelijk de aanpassing van het arbeidsrecht aan de hedendaagse vereisten. Hoewel we weten dat er op het niveau van de Gemeenschap geen arbeidswetboek bestaat, zou de Europese Unie toch de drijvende kracht moeten zijn achter positieve, concurrerende veranderingen en een zekere vorm van standaardisering op het vlak van het arbeidsrecht.

Ik zou willen verwijzen naar een passage uit het standpunt van de Poolse vakbond Solidariteit over het Groenboek, waarin het volgende staat: hoewel arbeidscontracten van onbepaalde duur de belangrijkste basis voor werk moet blijven – zij garanderen immers de gepaste bescherming van de duurzaamheid van de arbeidsverhoudingen – wordt tegelijkertijd de definitie van afhankelijke werknemer erkend, die van toepassing is op elke persoon die werk levert in een context van afhankelijkheid van de contractant, onder wie ook personen die op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werken. Dit zou hand in hand moeten gaan met een duidelijke definitie van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden.

Ik zou nog kort een aantal belangrijke kwesties onder de aandacht willen brengen: telewerk, voornamelijk voor jonge ouders en personen met een handicap, en de noodzaak om een einde te maken aan de ongelijke beloning van mannen en vrouwen voor hetzelfde werk. De sleutelbegrippen van vandaag zouden werkgelegenheid, flexibiliteit en zekerheid moeten zijn. Het gaat echter niet om woorden, maar om mensen. Enerzijds gaat het om personen die de kost willen verdienen voor hun gezin, onder meer werklozen. Anderzijds spreken we over private en publieke werkgevers, alsmede over hen die zich verantwoordelijk voelen voor het oplossen van onze steeds globaler wordende problemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edit Bauer (PPE-DE). – (SK) Ik ben het eens met degenen die niet graag zien dat de arbeidswetgeving uitsluitend de behoefte aan concurrentievermogen weerspiegelt.

Ongetwijfeld is er als gevolg van nieuwe economische ontwikkelingen behoefte aan meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt, hetgeen een relatief groter aantal atypische en niet-standaardarbeidsovereenkomsten met zich meebrengt. De achterliggende vraag is wie de nieuwe, grotere risico’s van een flexibeler arbeidsmarkt op zich moeten nemen? Het gaat hierbij niet alleen om meer bescherming voor “buitenstaanders”, aangezien individuen of hun gezinnen de risico’s zullen moeten dragen. De sociale kosten zullen buitensporig hoog blijken als er geen nieuwe benadering is op basis van de invoering van een model waarbij alle partijen erop vooruitgaan. Denk maar eens aan de problemen die samengaan met de demografische crisis. Een oplossing is niet een-twee-drie gevonden. Tot nu toe lijken er meer vragen dan antwoorden te zijn, zowel op Europees als op lidstaatniveau.

Op het gebied van het arbeidsrecht lijkt behoefte te bestaan aan een nieuw paradigma, maar niet alleen in de enge zin van het woord. Het concept “flexiezekerheid” was oorspronkelijk gebaseerd op de aanname dat individuen zich aan de nieuwe condities van een flexibele arbeidsmarkt konden en moesten aanpassen, maar niet moesten opdraaien voor de risico’s die uit de nieuwe situatie voortkwamen. Die moesten gelijkelijk verdeeld worden over individu, werkgever en samenleving. Het lijdt geen twijfel dat het vinden van de juiste antwoorden vraagt om politieke moed. De moed om op zoek te gaan naar antwoorden die niet uitsluitend en alleen rekening houden met concurrentievermogen maar een nieuw evenwicht van waarden scheppen.

 
  
MPphoto
 
 

  Joel Hasse Ferreira (PSE). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik zou de heer Protasiewicz willen feliciteren met het feit dat hij er, met onze medewerking, in is geslaagd zijn oorspronkelijke verslag te veranderen in een verslag van het Parlement. Ik zou ook lof willen toezwaaien aan de heer Christensen, die voor de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement een gestructureerde en collectieve bijdrage heeft georganiseerd. Het verslag omvat een aantal zaken die centraal staan in het huidige Europese debat, zoals de kwestie van de flexiezekerheid. Volgens het verslag kan flexiezekerheid alleen worden gerealiseerd via een efficiënt en modern arbeidsrecht en zijn cao-onderhandelingen en sociale partners belangrijke elementen bij de aanpak van flexiezekerheid.

Ook de uitnodiging aan de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels te herzien en aan te passen door hun actief arbeidsmarktbeleid aan te vullen, met bijvoorbeeld scholing en levenslang leren, is belangrijk. Met veel plezier heb ik een aantal amendementen ingediend betreffende het belang van kleine en middelgrote ondernemingen als motor voor het creëren en vergroten van de werkgelegenheid in Europa en voor de sociale en regionale ontwikkeling, daar het belangrijk is de rol van de KMO’s bij de verbetering van de arbeidswetgeving te versterken.

Ook een betere coördinatie tussen de nationale arbeidswetgeving en de arbeidsinspectie is belangrijk. Die is onmisbaar om op doeltreffende wijze de uitbuiting van arbeidsmigranten te kunnen bestrijden. Wij moeten voorts erkennen dat het noodzakelijk is arbeid en werktijden zo te organiseren dat er voldoende flexibiliteit bestaat om tegemoet te komen aan de behoeften van werknemers en ondernemingen of overheidsinstellingen waar de werknemers in dienst zijn.

In dit verband is ook het van belang te vermelden dat alle werknemers recht moeten hebben op hetzelfde beschermingsniveau en dat bepaalde groepen niet bij voorbaat uitgesloten mogen worden van een hoger beschermingsniveau, zoals vissers, zeelieden en werknemers in de offshore. Voordat ik afsluit wil ik nog eens wijzen op de oproep van het Europees Parlement aan de lidstaten om de beperkingen van de toegang tot hun arbeidsmarkt te schrappen en zo de mobiliteit van werknemers in de Europese Unie te verbeteren en sneller de doelstellingen van de Strategie van Lissabon te realiseren.

Arbeidsrecht kan en moet worden gemoderniseerd maar mag het sociale evenwicht in de lidstaten en de Europese sociale samenhang niet op het spel zetten maar moet die juist versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Siiri Oviir (ALDE). - (ET) Rekening houdend met, ten eerste, de vergrijzing in Europa en, ten tweede, een van de belangrijkste doelen van de strategie van Lissabon, namelijk het bereiken van een hoge mate van werkgelegenheid, ben ik ervan overtuigd dat het traditionele model van arbeidsbetrekkingen niet noodzakelijkerwijs geschikt is voor werknemers met gewone arbeidscontracten voor onbepaalde tijd.

In een turbulente samenleving moeten werknemers zich aan veranderingen kunnen aanpassen en de mogelijkheden van de mondialisering kunnen benutten.

Ik ben daarom van mening dat alternatieve modellen voor contractrelaties onder andere het vermogen van ondernemingen kunnen vergroten om de creativiteit van hun arbeidskrachten te benutten, waarmee zij extra concurrentievoordelen creëren.

De beste manier om dit te bereiken is door gebruik te maken van de open coördinatiemethode, die een nuttige methode is om informatie over beste praktijken uit te wisselen, zodat men op flexibele en transparante wijze op gemeenschappelijke uitdagingen kan reageren.

Tot slot wil ik de rapporteur bedanken voor zijn moed om dit onderwerp zo gedetailleerd te behandelen en u allemaal voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de demografische problemen waarmee een groot aantal EU-lidstaten op dit moment te kampen heeft, komen onder meer voort uit de onstabiele situatie waarin jonge mensen zich bevinden. Wanneer jongeren vandaag de dag kans willen maken op een enigszins zekere baan, moeten ze niet alleen de nodige werkervaring kunnen aantonen, maar eveneens de referenties kunnen verstrekken die de werkgever van hen verlangt. Dat verklaart waarom veel mensen pas op middelbare leeftijd de beslissing nemen om een gezin te stichten, wat uiteraard geen gunstige invloed heeft op de vorming van kinderrijke gezinnen. Europa moet zich bezinnen en vervolgens maatregelen nemen om te verzekeren dat zijn identiteit en christelijke tradities blijven bestaan en in de volgende jaren opnieuw de overhand krijgen.

Ik wil mijn collega graag van harte feliciteren met zijn verslag waarin niet alleen een aantal fundamentele problemen aan de orde worden gesteld, maar tegelijkertijd veel aandacht wordt besteed aan het stabiele karakter van de werkgelegenheid, in de vorm van arbeidscontracten voor onbepaalde tijd. Naar mijn mening zouden dergelijke contracten de norm moeten zijn.

Het is eveneens van cruciaal belang dat Europa een einde maakt aan de beperkingen betreffende de toegang tot de arbeidsmarkten voor de burgers uit de nieuwe lidstaten, in het bijzonder aangezien deze beperkingen opgelegd worden door landen die het voortdurend over Europese integratie hebben, maar eigenlijk een verregaand staatsinterventionisme toepassen.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Falbr (PSE). – (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren. Ik zie geen aanleiding tot een verzoenende toon. Er staat te veel op het spel. Het Groenboek over de modernisering van het arbeidsrecht heeft maar één positief aspect: het kan gemakkelijk in stukken worden gescheurd als een ongelofelijke compilatie van halve waarheden en hypocriete constateringen. Mijn interventie wil ik graag benutten om enkele vragen te stellen.

Waarom is de inhoud van het Groenboek niet met de sociale partners doorgenomen? Zijn die er soms niet op Europees niveau? Het arbeidsrecht is ontstaan en heeft zich in de loop van honderd jaar zodanig ontwikkeld dat werknemers die hun diensten aanbieden aan een werkgever, dat op een gelijk speelveld konden doen. Waarom pretendeert het Groenboek dat er niet langer voor die gelijkheid hoeft te worden gezorgd? Waarom wordt in het document niet geconstateerd dat veel werk nu al buiten het arbeidsrecht om gaat? Beschouwt de Commissie arbeid soms als een product? Waarom beweert het Groenboek zo stellig dat de arbeidscontracten voor onbepaalde tijd verouderd zijn en dat 76 procent van de Europeanen het met deze stelling eens is? Waarom pleit het Groenboek niet meteen voor afschaffing van de Internationale Arbeidsorganisatie vanwege al hetgeen door deze organisatie in bijna honderd jaar is goedgekeurd? Kan commissaris Špidla mij zeggen of hij zich realiseert dat, behalve in enkele lidstaten, de hypocriete richtlijnen over een grotere rol van de sociale partners niet kunnen worden nagekomen? Beseft hij wel dat in een aantal lidstaten de sociale dialoog slechts een fictie en instrument van de regering is om de vakbonden in diskrediet te brengen? Met name noem ik hier de Tsjechische Republiek. Is het hem bekend dat mensen die een onzekere arbeidsplaats bekleden zich praktisch niet bij een vakbond kunnen aansluiten? Weet hij dat de arbeidsinspectie in een aantal landen slechts op papier bestaat? Ook hier verwijs ik weer met name naar de Tsjechische Republiek.

Bijzondere aandacht verdient dan de nieuwe term flex–security. Dit neologisme in de Europese newspeak moet de indruk wekken dat het niet om flexploitation gaat. Dit principe zou moeten leiden tot een vermeende afname van de verschillen tussen de insiders en outsiders op de arbeidsmarkt, kennelijk doordat van iedereen een outsider wordt gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, het voorstel van de Commissie inzake de toekomst van het arbeidsrecht is een belangrijke stap, ook al moeten wij beseffen dat de herziening van de arbeidswetgeving in eerste instantie een zaak van de lidstaten is.

Ik betreur het feit dat dit initiatief van de Commissie zeer eenzijdig is en ik vind het vooral jammer dat in dit Groenboek helemaal geen gewag wordt gemaakt van de enorm grote salarisverschillen tussen mannen en vrouwen, die in de lidstaten van de Europese Unie nog steeds bestaan.

De Commissie is niet geïnteresseerd in banen waarin vrouwen en mannen in verschillende Europese landen dezelfde, gelijke behandeling kunnen krijgen, zelfs niet in de 21e eeuw. Ik had verwacht dat in het voorstel was nagedacht over manieren om de acht richtlijnen betreffende gelijke behandeling te implementeren, die de Europese Unie heeft aangenomen en die gelijkheid van beloning tussen mannen en vrouwen zouden waarborgen.

Ik wil tot slot zeggen dat het spijtig is dat er weinig van de Europese Unie kan worden verwacht op het gebied van het bevorderen van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Wiesław Stefan Kuc (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het arbeidsrecht is ongetwijfeld een van de moeilijkste materies die in dit Parlement aan bod komen, zowel op juridisch als op inhoudelijk vlak. Dit recht bevat niet alleen economische en juridische, maar ook morele elementen. Het is een bijzonder moeilijke en soms zelfs onmogelijke opdracht om deze aspecten met elkaar te verzoeken. Desalniettemin zullen we alles in het werk stellen om dat zo goed mogelijk te doen.

Hoe moet het arbeidsrecht er in de 21e eeuw uitzien? Ik zou graag een aantal voorwaarden opsommen waaraan dit recht naar mijn mening moet voldoen. In de eerste plaats hebben we behoefte aan een flexibel arbeidsrecht dat in staat is om in te spelen op de snel veranderende omstandigheden. Ten tweede zou het arbeidsrecht de werknemers moeten beschermen en hun ontwikkeling moeten bevorderen. Ten derde zou het de belangen van de werkgevers moeten beschermen en de bedrijven in staat moeten stellen om zich verder te ontwikkelen, zonder aan doeltreffendheid in te boeten. Ten vierde moet het arbeidsrecht ervoor zorgen dat de arbeidskrachten optimaal kunnen worden benut. Ten vijfde moet het de dialoog tussen werknemers en werkgevers mogelijk maken. Het allerbelangrijkste is mijns inziens dat het recht om te werken in de hele Europese Unie gelijk is en in alle lidstaten van toepassing is.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, met de Europese wetgeving, de wetgeving van de lidstaten en de dialoog tussen de sociale partners probeert men het wetgevingskader te moderniseren, maar dit kader zal werkgevers en werknemers elk soort rechtszekerheid en sociale bescherming blijven bieden.

De vraag is echter of sociale bescherming en maatschappelijke integratie de gevolgen zijn van een succesvolle verwezenlijking van de doelstellingen van economische groei, volledige werkgelegenheid en sociale rechtvaardigheid, of veeleer de voorwaarden daarvoor.

Ik aanvaard dat beide factoren uitwisselbaar zijn, zoals de kip het ei en het ei de kip voortbrengt.

De bevordering van het mededingingsvermogen met het oog op economische groei en de verzekering van de veiligheid van de werknemers moeten gemeenschappelijke, door iedereen gedeelde doelstellingen zijn, vanaf de planning tot de verwezenlijking. Daarbij moet gezorgd worden voor de noodzakelijke soepelheid van de markt en voor meer zekerheid, hetgeen een dubbele uitdaging is als wij - overeenkomstig uw voorstel, mijnheer de commissaris - een hogere versnelling moeten inschakelen en een hoofdrol willen spelen in een open, internationale mededingingsomgeving, zonder onze waarden en sociale normen te verraden.

De facultatieve en vrijwillig aanvaarde, nieuwe vormen van werkgelegenheid vergemakkelijken de intrede en het verblijf op de arbeidsmarkt van groepen met bijzondere kenmerken, zoals jongeren, oudere werknemers en vrouwen. Met de uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot innoverende regelingen kan een evenwicht worden gewaarborgd tussen beroeps- en gezinsleven, met speciale bijstand voor vrouwen in hun drievoudige taken.

De behoeften van de werknemers variëren al naargelang van het levensstadium waarin ze verkeren en hun beroepsvooruitzichten. Ook elke lidstaat heeft echter zijn bijzondere kenmerken en zijn eigen economische omstandigheden, en schept zijn eigen, nationale wetgeving. De Europese wetgeving is een aanvulling, een afronding, met het oog op grensoverschrijdende betrekkingen en op de verwezenlijking van een gemeenschappelijke vrije markt.

Wij mogen ook niet vergeten welke mogelijkheden levenslang leren biedt in de strijd tegen werkloosheid. Wij moeten voor ogen houden dat wij het Europees concurrentievermogen en de Europese welvaart zullen verhogen, als wij vertrouwen hebben in de relatie tussen overheid en sociale partners, als wij de waardigheid van de mens eerbiedigen, de sociale rechtvaardigheid dienen en conflicten vermijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Matsouka (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, het debat over de modernisering van het arbeidsrecht - daar waar dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en geen façade was - was een belangrijke gelegenheid om de radicale verschillen tussen links en rechts voor het voetlicht te brengen.

Rechts ziet de hoge werkloosheids- en armoedecijfers als een resultaat van het gebrek aan soepelheid op de arbeidsmarkt. Rechts beschouwt zwart werk als bijna noodzakelijk, en om dit alles te legitimeren spreekt het over flexiezekerheid. Wat is er nu beter dan het Deens model? Er is echter maar één geval waarin dit model ook echt toegepast kan worden, namelijk in het geval van een volledige economische, financiële en fiscale harmonisatie van de lidstaten.

Dankzij het alomvattend socialistisch tegenvoorstel wordt met het in stemming te brengen verslag het oorspronkelijke voorstel op veel punten verbeterd. In het middelpunt staat de bescherming van de werknemers. Die bescherming is noch oorzaak van werkloosheid noch liefdadigheid. Ze is eenvoudigweg een van de belangrijkste pijlers van economische ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid.

Laten wij de realiteit niet ontkennen! Nu de geproduceerde rijkdom een historisch ongekende omvang heeft bereikt en het risico bestaat dat deze ongelijk, ten voordele van de werkgevers, verdeeld wordt, moeten wij het arbeidsrecht een diepere betekenis geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Wojciechowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat het Europees Parlement voor een integrale benadering van het arbeidsrecht heeft gekozen. In dit licht zou ik de rapporteur, de heer Protasiewicz, van harte willen bedanken voor dit document van uitzonderlijke kwaliteit.

Ik zou van de gelegenheid gebruik willen maken om de aandacht te vestigen op de tragische situatie waarin buitenlandse werknemers zich in tal van EU-landen bevinden. In verschillende lidstaten zijn er opnieuw werkkampen ontdekt, waar mensen als slaven of semi-slaven worden behandeld. Mensen die in het buitenland op zoek gaan naar werk om er de kost te verdienen, komen terecht in de handen van meedogenloze misdadigers die hen uitbuiten, vernederen en soms zelfs vermoorden. Deze toestand is een regelrechte schande in de Europese Unie van de 21e eeuw.

Het Europees Parlement zou de Europese lidstaten en hun organismen die bevoegd zijn voor arbeidsinspectie en de handhaving van de wet moeten oproepen om bijzondere aandacht te besteden aan de benarde situatie van buitenlandse werknemers en om hun uitbuiting door criminelen doeltreffend tegen te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE). – U ziet hoe ons oogcontact nog steeds werkt en dat is prima. Voorzitter, het is een goede zaak dat we vandaag een debat houden over het arbeidsrecht. Waarom? Omdat op de arbeidsmarkt in Europa en in al onze lidstaten een aantal zaken aan het veranderen is.

We zien namelijk dat er een grote behoefte is aan flexibiliteit. Flexibiliteit om beter in te spelen op de behoeften van de markt enerzijds, maar ook flexibiliteit die wordt gevraagd door de werknemers zelf omdat zij vaak werk willen combineren met gezins-, familie- en zorgtaken. Die flexibiliteit is nodig, zeker ook in een samenleving die vergrijst en ontgroent, en waarin de mensen die vergrijzen, wellicht niet meer de volle 40 of 36 uur op de arbeidsmarkt willen functioneren en wellicht met een kleinere baan toch hun participatie op de arbeidsmarkt willen behouden.

Als we echter - en daarom is een debat zo goed - die flexibiliteit willen en als een goed erkennen, betekent het ook dat we vanaf het begin - en ik vind het jammer dat mevrouw Matsouka nu de zaal verlaten heeft, omdat zij het hier had over een debat tussen rechts en links, maar helemaal niet luistert - met die flexibiliteit tevens de zekerheid gaan regelen van degenen die in kleinere en flexibelere banen willen functioneren en dus ook de arbeidsmarkt beter laten functioneren.

Het is een tekort - en mogelijkerwijze kunnen we dat rechttrekken met de amendementen die straks worden aangenomen - dat het grote goed van flexibiliteit niet meer wordt erkend. Dat vind ik jammer. Ik vind ook, Voorzitter, dat we het niet alleen aan de markt kunnen overlaten, want de markt regelt zichzelf. We moeten proberen om flexibiliteit gecombineerd met goede zekerheden opnieuw te installeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, Groot-Brittannië telt meer dan een miljoen uitzendkrachten en volgens de Europese Stichting ter verbetering van de leef- en arbeidsomstandigheden in Dublin zijn dat er in heel Europa meer dan zes miljoen. Het is de grootste vorm van atypisch werk in de EU in de afgelopen twintig jaar. Desalniettemin kan deze groep op grond van het Gemeenschapsrecht niet op werkgelegenheidsbescherming rekenen.

In mijn eigen kiesdistrict East of England werken zo’n 80 000 migrerende arbeiders uit de zogeheten “acht toetredingslanden”, dat is het grootste aantal in het gehele Verenigd Koninkrijk. Veel van die mensen worden door uitzendbureaus geworven en te veel van hen worden misbruikt, zij het niet allemaal. Neem als voorbeeld eens de uitzendkrachten die bij British Telecom in Norwich, Ipswich en Brentwood werken. De Britse vakbond voor de communicatiesector heeft geconstateerd dat zij twee opeenvolgende loonsverhogingen zijn misgelopen, dat zij slechts recht hebben op 16 – en niet 25 – vakantiedagen en dat zij 50 procent minder overwerkvergoeding krijgen dan hun collega’s met een vaste aanstelling. Of neem de werknemers bij Bernard Matthews in Norfolk en Suffolk. Toen 60 procent van de uitzendkrachten die in Portugal waren geworven, ontslagen werden als gevolg van de vogelgriep kregen zij als compensatie slechts gedurende een periode van zes dagen 19 pond per dag.

Tegen de Commissie zeg ik “u biedt flexiezekerheid” . Wij constateren dat er enige flexibiliteit is en dat begroeten wij, maar waar is die zekerheid als uitzendkrachten daar niet eens aanspraak op kunnen maken? Tegen het aantredend Portugese voorzitterschap wil ik graag zeggen dat er een verstandig compromis mogelijk moet zijn in de aanloop naar de stemming. Dit is een richtlijn die sinds de uitbreiding van de EU nog niet in stemming is gebracht. Zorg dat dit wel gebeurt en dan wordt vanzelf duidelijk waar een meerderheid voor te vinden is. De Britse regering heeft gezegd dat zij de richtlijn zal steunen. Dat zou de rest van Europa ook moeten doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) De werkgelegenheidstoename is in de eerste plaats te danken aan kleine en middelgrote ondernemingen en eenmanszaken. Het zijn vooral deze werkgevers die nieuwe kansen op werk scheppen en de werkgelegenheid in Europa verruimen.

Om die reden, en gelet op het brede spectrum van arbeidstradities, contractvormen en soorten ondernemingen op de arbeidsmarkten in de EU-lidstaten, moet de EU zich als prioritaire taak stellen Europese wetgeving in het leven te roepen waarmee de positie van kleine en middelgrote ondernemingen wordt versterkt en nieuwe werkgelegenheid te scheppen door middel van een verbeterde arbeidswetgeving.

Zo leert de ervaring bijvoorbeeld dat de Europese richtlijn voor overwerk, waartegen in veel lidstaten bezwaar is gemaakt, niet in de arbeidswetgeving moet worden opgenomen maar moet worden herzien. De reden daarvoor is dat beperkingen op overwerken een bedreiging vormen voor een groot aantal economische sectoren, uiteenlopend van de gezondheidszorg en de mijnbouw tot de sociale dienstverlening en de brandweer.

Deze maand heeft het nationale parlement van mijn land, Slowakije, een nieuwe arbeidswet aangenomen die met name onder kleine en middelgrote ondernemingen negatieve reacties uitlokte. De regering wilde de positie van de vakbonden versterken en hun meer bevoegdheden geven. Feit is dat onder druk van de oppositie en werkgeversgroeperingen het oorspronkelijke regeringsvoorstel aanzienlijk was gewijzigd, met als resultaat een definitief ontwerp met een betrekkelijk evenwichtiger verhouding tussen de bevoegdheden van vakbonden en werkgevers. Bovendien is het via een amendement van de SDKÚ-DS gelukt om de definitie van “afhankelijk werk” zodanig aan te passen dat eenmanszaken niet in gevaar komen. Het is te danken aan ruim zeshonderd opmerkingen tijdens de voorbereiding en nog eens tientallen opmerkingen in het parlement dat het oorspronkelijke voorstel van Smer-SD kon worden gewijzigd en dat is voorkomen dat het Slowaakse arbeidsrecht een eeuw werd teruggeworpen.

Het hoge werkloosheidscijfer in Europa, met name in de nieuwe lidstaten, is een tekortkoming die schreeuwt om het nemen van maatregelen en ik ben daarom verheugd over de benadering van de rapporteur, de heer Jacek Protasiewicz, die in zijn verslag oplossingen voorstelt om een visie op de 21e eeuw te verwezenlijken. Ik maak me echter zorgen over de formulering na de stemming in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, die ik slechts kan ondersteunen als de amendementen die zijn ingediend door de rapporteur namens onze fractie (de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten), worden goedgekeurd. Sommige delen van het ontwerpverslag geven een verouderde en onevenwichtige kijk op problemen die momenteel spelen op de Europese arbeidsmarkten, en om die reden probeert dit verslag alleen de werknemers te beschermen. Een dergelijke uitleg van de arbeidswetgeving zou kunnen leiden tot een situatie waarin er niets meer is om hen tegen te beschermen, omdat zij werkloos zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik denk dat we het verslag-Protasiewicz niet los kunnen zien van de mondelinge vraag en de ontwerpresolutie. Ik zou de rapporteur en de indiener hartelijk willen bedanken voor hun werk.

Er bestaan helaas nog geen in heel Europa geldige normen voor de detachering van werknemers met het oog op het verrichten van diensten. Er is ook duidelijk gebleken dat er nog heel wat kan worden verbeterd aan de coördinatie van de stroom van communicatie en informatie tussen de lidstaten en de bevoegde instanties. Ook de controlemaatregelen in dit verband zijn nog onvoldoende. Er moet echter beslist een goed evenwicht komen tussen vrij verkeer en dienstverlening aan de ene kant, en arbeidsbescherming aan de andere kant. Ik denk dat een dergelijke regeling het meest efficiënte en eenvoudigste middel is in de strijd tegen sociale dumping.

De samenwerking tussen de lidstaten en de uitwisseling van informatie moeten worden versterkt en verbeterd, en er moeten de nodige controlemaatregelen worden ingevoerd. Het zou zeker zinvol zijn als de Commissie in haar richtsnoeren nadere details zou verstrekken. Ik stel voor dat de gastlanden moeten zorgen voor de nodige controles om de bescherming van de werknemer en van zijn rechten te garanderen.

Daarom moet de Commissie de samenwerking tussen de toezichthouders van de lidstaten actief ondersteunen door een platform in het leven te roepen voor de grensoverschrijdende samenwerking. Ik eis in het belang van de werkgevers en van de werknemers ook dat we de sociale partners sterker moeten betrekken bij al deze kwesties. Alleen een evenwichtige aanpak leidt tot meer werkgelegenheid, en dus meer welvaart en zekerheid voor alle Europese burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Maria Iacob-Ridzi (PPE-DE). – Consider că acest raport este unul echilibrat şi care reflectă diversitatea relaţiilor de muncă de pe teritoriul Uniunii Europene, dar şi a poziţiilor politice faţă de un subiect care dă naştere unor discuţii aprinse.

Atingerea unui echilibru în relaţia dintre angajat şi angajator, în care ambele părţi au de câştigat, trebuie să fie o prioritate a Uniunii Europene. În acest cadru, al flexibilităţii şi al securităţii, angajatorul câştigă mai multă forţă de muncă, iar angajatul mai multă protecţie pentru tipul de contract flexibil.

Pentru România, unde avem un rezervor important de forţă de muncă în zona rurală, contractele de muncă flexibile sunt o soluţie pentru a intra pe piaţa muncii fără a pierde din drepturile sociale de care beneficiază angajaţii cu contract clasic. Aceasta ar asigura o integrare mai rapidă pe piaţa muncii a lucrătorilor din zona rurală, care vor putea să participe la creşterea economiei din anii următori şi să beneficieze de ea.

Apreciez atenţia pe care raportul o acordă sprijinirii familiei. Multe dintre aceste contracte flexibile sunt alese de femei care trebuie să facă faţă unei presiuni din ce în ce mai mari de a concilia viaţa profesională cu cea familială.

În sprijinul tinerilor aş fi dorit ca raportul să încurajeze mai mult utilizarea tehnologiei informaţiei şi a comunicării ca instrumente principale în modul de lucru. Munca la distanţă în condiţii de maximă mobilitate este o tendinţă deja prezentă pe care trebuie să o folosim în beneficiul celor mai bine pregătiţi pentru ea.

Pentru reducerea muncii la negru trebuie să încurajăm angajatorii să declare relaţiile de muncă fără să fie dezavantajaţi economic. O parte din acest fenomen este cauzată de restricţiile pe care unele state membre încă le menţin pentru lucrătorii din ţările care au aderat recent la Uniunea Europeană. Este o discriminare inutilă care creează atât probleme de administrare pentru statele respective cât şi riscuri pentru lucrători. De aceea consider ca eliminarea perioadelor de tranziţie impuse de aceste state membre va avea ca efect direct reducerea muncii la negru.

 
  
MPphoto
 
 

  Tadeusz Zwiefka (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de aanpassing van het arbeidsrecht in de Europese Unie is niet alleen belangrijk met het oog op de werkzekerheid en de bescherming van de bestaande arbeidsplaatsen, maar heeft eveneens een wezenlijke invloed op het werkgelegenheidsniveau. We hebben uitvoerig gedebatteerd over de vraag of het huidige model van het arbeidsrecht aan de wereldwijde concurrentie moet worden aangepast. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat dit het geval is.

De laatste twintig jaar zien we een geleidelijke en steeds snellere teruggang van de standaardvormen van het arbeidsrecht en van het algemene arbeidsmodel. Dit fenomeen is een antwoord op de uitdagingen van de mondialisering, een onafhankelijk proces. Of deze evolutie ons bevalt of niet, het zal van ons afhangen of onze samenlevingen de kansen zullen benutten die voortvloeien uit dit proces.

Om de negatieve aspecten van de mondialisering tegen te gaan, hebben we behoefte aan een veel flexibeler arbeidsrecht. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat het huidige niveau van zekerheid gehandhaafd blijft. We mogen niet vergeten dat het niveau van de werkzekerheid in de Europese Unie vandaag de dag tot een van de hoogste in de wereld behoort. We moeten bijgevolg niet meer streven naar meer werkzekerheid, maar naar meer flexibiliteit en mobiliteit, evenals naar de liberalisering van de arbeidsmarkten in alle lidstaten van de Europese Unie.

Ondanks alle regelgeving wint flexibiliteit aan belang in ons dagelijks leven. Momenteel werkt 40 procent van alle werknemers met atypische arbeidscontracten, die bovendien aan de basis liggen van 60 procent van de nieuwe banen. Uiteindelijk – dit is veelbelovend – wordt twee derde van de atypische arbeidscontracten na verloop van tijd omgezet in een klassiek contract, zijnde een arbeidscontract voor onbepaalde tijd.

De traditionele structuren van het arbeidsrecht zijn niet meer doeltreffend in de hedendaagse realiteit. In onze moderne economieën, die gebaseerd zijn op een sterke dienstensector of op goed functionerende kleine en middelgrote ondernemingen, zou een flexibelere en meer atypische benadering wel eens de sleutel tot succes kunnen zijn.

Uiteraard is flexibiliteit alleen niet genoeg. We hebben eveneens behoefte aan mobiliteit voor de werknemers. Om die reden is het mijns inziens onontbeerlijk om de arbeidsmarkt van de Europese Unie volledig open te stellen voor werknemers uit alles EU-lidstaten. Vandaag de dag weten we immers dat de liberalisering van de arbeidsmarkten niet alleen van voordeel is voor de migrerende werknemers, maar ook voor de landen die besloten hebben om hun arbeidsmarkten open te stellen.

Geen enkele economie kan zich verder ontwikkelen en de concurrentie aangaan zonder naar behoren functionerende bedrijven, die in staat zijn op de wereldmarkt te concurreren en die op deskundige wijze door goede managers en eigenaars worden bestuurd. Maar zelfs de best geleide ondernemingen zullen niet succesvol zijn zonder goed personeel. Beide aspecten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Iles Braghetto (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, gezien de noodzaak het arbeidsrecht te moderniseren met het oog op de vernieuwingen van de 21e eeuw, komt de huidige arbeidsmarkt voor reële en forse uitdagingen te staan. Dat geldt met name voor al degenen die op zoek zijn naar een nieuwe baan, een goede baan, een baan die te combineren valt met andere dimensies van het persoonlijk leven.

Als wij de flexibiliteit - een typisch kenmerk van een concurrerende en globale markt - willen combineren met arbeidszekerheid - wat een recht en tegelijkertijd een plicht voor iedere Europese burger is - moeten wij ervoor zorgen dat de beroepsvaardigheden en –bekwaamheden bruikbaar worden; zoals ook door de strategie van Lissabon wordt bepaald. Daarom moeten de nodige middelen worden ingezet om aantrekkingskracht uit te oefenen op het bedrijfsleven, door de technische scholing en specialistische opleiding aan te passen aan de nieuwe technologieën.

De Europese samenleving kampt met een moeilijke situatie op het vlak van het scholings- en opleidingsstelsel, waardoor de aanleg van kennis en vaardigheden wordt afgeremd en verhinderd. Voor de Europese Unie is investering in menselijk kapitaal en jongerenopleiding de beste en ook de modernste manier om concreet gestalte te geven aan het recht op werk. In het Groenboek wordt onder meer deze uitdaging gelanceerd.

Ik dank de rapporteur voor zijn inspanningen om de verschillende standpunten die in dit debat naar voren zijn gekomen, op één lijn te krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bushill-Matthews (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, sta mij toe om allereerst de Commissie te bedanken voor haar zeer doordachte Groenboek. De werkzaamheden van de Commissie zijn aanleiding geweest voor dit verslag en het debat van vandaag. Het feit dat het Groenboek in de huidige vorm is geschreven – en de Commissie heeft daarbij een zo breed mogelijke raadpleging uitgevoerd – heeft ongetwijfeld tot een verrijking van onze eigen beraadslagingen geleid. Ik hoop van ganser harte dat de Commissie morgen aan het eind van de stemming, nadat alle amendementen de revue zijn gepasseerd, op haar beurt reden heeft om het Parlement voor zijn positieve reactie te bedanken. Dat moeten wij echter eerst nog maar even afwachten.

Er is al verwezen naar het uitstekende werk dat de rapporteur heeft verricht en daar wil ik mij graag bij aansluiten. Door verschillende collega’s is veel commentaar geleverd op het begrip “flexiezekerheid”. Naar mijn idee heeft de rapporteur een grote flexibiliteit aan de dag gelegd door de bezorgdheid en twijfels van leden van andere fracties op hun merites te beoordelen. Ik vind echter dat ook de schaduwrapporteurs zich net zo flexibel hebben opgesteld door het standpunt van de rapporteur over te nemen. Ik wil dan ook iedereen voor hun inzet bedanken. Eerder in dit debat zei de heer Szymański dat zijn felicitaties niet voor de werkzaamheden van de parlementaire commissie golden. Ik kan mij daar iets bij voorstellen. Ik wil daar wel aan toevoegen dat het verslag dat door de Commissie werkgelegenheid samengesteld is, gezien de beperkte tijd in wezen het karakter van een interim-verslag heeft. Ik ben ervan overtuigd dat het verslag dat morgen resteert na de stemming in dit Parlement over de amendementen, er inhoudelijk aanzienlijk anders zal uitzien. Dat betekent dat wij over een onderwerp dat in potentie tot verdeeldheid zou kunnen leiden, uiteindelijk toch een duidelijk en eenstemmig signaal zullen afgeven.

Tot slot zou ik de Commissie willen vragen om bij de analyse van onze discussies te bekijken wat er uit het verslag verdwenen is gedurende het traject van de werkzaamheden in de Commissie werkgelegenheid tot aan de huidige fase. Ik denk dat uit die analyse een duidelijke boodschap naar voren zal komen. Ik zou de Commissie ook willen vragen om te analyseren wat er in het verslag behouden is gebleven. Ik zou de aandacht daarbij graag op paragraaf 10 willen vestigen over de werktijdenregelingen en de noodzaak voor meer flexibiliteit bij zowel werkgevers als werknemers. Het is één ding om te zeggen dat wij meer flexibiliteit nodig hebben. Het is nu echter tijd dat de Commissie diezelfde flexibiliteit aan de dag legt zodat wij vooruitgang kunnen boeken met betrekking tot dit complexe en gevoelige dossier.

Tot slot wil ik nog graag onze medewerkers noemen. Ik doel dan niet alleen op de medewerkers van de afgevaardigden, maar ook op die van onze fracties. Zij zijn vaak de vergeten helden. Ik vind dat zij geweldig werk hebben verzet, met name gezien de zeer beperkte tijd die er beschikbaar was. Ik hoop dat ik hen mede namens u allen mag bedanken voor en feliciteren met de door hen verrichte inspanning.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, dames en heren, het verbaast mij niet dat de discussie over het arbeidsrecht zo breed en diepgaand is geweest, en ook vaak op uiterst temperamentvolle wijze gevoerd is. Dit ligt voor de hand, omdat de kwestie arbeidsrecht één van de meest gevoelige vraagstukken is, die in principe is ingebed in de kern van ons Europese sociaal model. Ik ben zeer verheugd dat het Groenboek een basis kon vormen voor deze buitengewoon uitgebreide discussie. Er zijn ten aanzien van het Groenboek meer dan 450 verschillende standpunten binnengekomen, veel meer dan gebruikelijk bij een publieke discussie. Het is ook duidelijk dat het Groenboek geen oplossing voorstelt inzake het arbeidsrecht, maar juist aanleiding wil zijn tot het stellen van vragen. De gestelde vragen zullen door de Commissie worden geëvalueerd, en de Commissie zal dan in de komende periode documenten uitgeven met betrekking hiertoe.

Ik denk dat het parlementaire debat aantoont dat er goede perspectieven zijn voor een consensus ten aanzien van enkele basiselementen; staat u mij toe even iets zeggen over een aantal hiervan, die ik als uiterst belangrijk beschouw. Ten eerste de behoefte aan een zinvolle sociale dialoog. Afgezien van het feit dat het niveau van de sociale dialoog in sommige lidstaten niet erg hoog is, ben ik van mening dat de sociale dialoog inderdaad een basiselement is, en daarom wordt deze sociale dialoog onder andere in het kader van het Europees Sociaal Fonds rechtstreeks ondersteund, vooral door middel van versterking van de administratieve capaciteit van de sociale partners.

Ten tweede wil ik het feit benadrukken dat het arbeidsrecht niet in een vacuüm bestaat en dat elk debat hierover altijd gevoelig zal liggen bij de sociale partners. Verder ben ik van mening dat bij de verdere uitwerking van het arbeidsrecht alle maatregelen moeten worden vermeden die kunnen leiden tot verbrokkeling van de arbeidsmarkt of vermindering van de werkzekerheid, of tot enige beperking van de basisrechten van de werknemer.

Het lijkt erop dat er behoefte bestaat om iets te doen aan de situatie van werknemers die formeel zelfstandigen zijn zonder personeel maar die toch economisch afhankelijk zijn van één enkele hoofdopdrachtgever of werkgever die hun bron van inkomsten is. Tevens is een uiterst doeltreffende implementatie van het arbeidsrecht noodzakelijk, vooral met het oog op het handhaven en ondersteunen van kwalitatief goede arbeidsplaatsen en de strijd tegen illegaal werk.

Geachte afgevaardigden, er zijn ook enkele vragen gesteld die buiten de hoofdlijnen van het debat vielen, en die waarschijnlijk ook niet tijdens de stemming beantwoord zullen worden; staat u mij daarom toe hier nu even op in te gaan. Allereerst wil ik benadrukken dat de sociale bescherming geen gevolg is van maar een voorwaarde voor volledige werkgelegenheid. Als men de arbeidsmarkten vergelijkt die een zeer zwakke arbeidsbescherming genieten, zoals bijvoorbeeld die in de ontwikkelingslanden, dan is geen van deze arbeidsmarkten voldoende effectief vanuit het perspectief van het creëren van arbeidsplaatsen. Ik wil ook benadrukken dat er reeds een richtlijn bestaat voor de detachering van werknemers; over de diverse interpretaties daarvan zullen we later nog discussiëren. Dus er bestaat al een zekere norm hiervoor, hoewel andere ontwikkelingen denkbaar zijn.

Ook de kwestie van het werk via uitzendbureaus is aangekaart. Hier kan ik constateren dat het Portugese voorzitterschap dit vraagstuk min of meer op de agenda heeft gezet. In het kader van dit voorzitterschap proberen we vooruitgang te boeken in deze kwestie, hetgeen naar mijn oordeel hoognodig is omdat ik van mening ben dat de door de geachte afgevaardigde geschetste marktontwikkeling met betrekking tot de uitzendbureaus een zeer exacte weergave is van de situatie. De dynamiek van deze markt is duidelijk, evenals enkele verschijnselen die kunnen worden beschouwd als tekenen van mogelijke sociale dumping.

Geachte afgevaardigden, de arbeidsmarkt is sterk aan het veranderen, en het is dringend noodzakelijk dat we binnen de Europese Unie, maar vooral op het niveau van de afzonderlijke lidstaten die het arbeidsrecht kunnen handhaven, algemene antwoorden zoeken die in staat zijn om enerzijds onze algehele capaciteit, effectiviteit en concurrentievermogen en de kracht van onze samenleving te schragen en anderzijds de nodige zekerheid te waarborgen voor de werknemers in de 21e eeuw. Dit is geen eenvoudige opgave, maar het debat heeft me overtuigd dat uw verslag een goede kans maakt om te worden goedgekeurd. Daarom wacht ik het eindresultaat met belangstelling af.

 
  
  

VOORZITTER: MECHTILD ROTHE
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, 11 juli 2007, plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Bogdan Golik (PSE), schriftelijk. – (PL) Voorzitter, eerst en vooral zou ik de heer Protasiewicz van harte willen bedanken voor dit zakelijke en moeilijke verslag. Het is zeer belangrijk dat er een publiek debat is aangevat over de modernisering van het arbeidsrecht om de uitdagingen van de mondialisering het hoofd te bieden, alsmede over de aanhoudende structurele werkloosheid en de demografische ontwikkelingen die de Europese Unie niet ten goede komen.

De ons omringende wereld en de punten uit het verslag tonen aan dat we vandaag behoefte hebben aan een Europese Unie met een gemeenschappelijk beleid ter bestrijding van de werkloosheid, geschoeid op de leest van het gemeenschappelijk energiebeleid. Een dergelijk beleid is des te noodzakelijker aangezien zelfs de rijkste Europese landen, onder andere Duitsland en Frankrijk, machteloos staan tegenover dit probleem. Het werkloosheidscijfer zal in deze lidstaten binnen afzienbare termijn oplopen tot 10 procent.

Ik plaats vraagtekens bij het voorstel om op Europees niveau gemeenschappelijke regelgeving aan te nemen met het oog op de creatie van de basis voor een stelsel van minimale sociale normen, zoals wordt voorgesteld in overweging S. Ik ben van mening dat de huidige verschillen tussen de lidstaten zo groot zijn dat het voorstel eenvoudigweg onuitvoerbaar is. De lidstaten zouden autonoom moeten kunnen beslissen over de minimumquota, in functie van hun niveau van economische ontwikkeling, de situatie op hun arbeidsmarkt en hun nationale tradities.

Uit tal van gegevens blijkt dat de werkgelegenheid toegenomen is dankzij de zogenaamde atypische arbeidscontracten. Het dilemma is bijgevolg niet op welke basis iemand werkt, maar of hij aan het werk is of niet. In de komende jaren zou dit de voornaamste prioriteit moeten zijn voor de lidstaten en voor de hele Europese Unie. Daarbij moet bijzondere aandacht besteed worden aan jongeren die beginnen te werken, aan vrouwen en ouderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Ik zou de rapporteur van harte willen feliciteren met zijn verslag waarin hij een realistische analyse maakt van de veranderingen die in het arbeidsrecht moeten worden doorgevoerd om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te kunnen bieden.

Naar mijn mening is het arbeidsrecht in bepaalde lidstaten nog steeds verouderd en dus niet in staat om een antwoord te bieden op de uitdagingen van de mondialisering.

Een duidelijk en flexibel arbeidsrecht is in de moderne wereld van vandaag onontbeerlijk. Werknemers zouden de kans moeten krijgen om levenslang te leren en om opleidingen te volgen waardoor zij beter aangepast raken aan de vereisten van de arbeidsmarkt.

Het voornaamste probleem voor de arbeidsmarkt is de administratieve rompslomp waarmee de ondernemingen geconfronteerd worden. Dit zet een rem op de ontwikkeling van de bedrijven. Het uit de weg ruimen van de hindernissen in de sector van het midden- en kleinbedrijf zal niet alleen het concurrentievermogen van deze bedrijven bevorderen, maar ook een stijging van het aantal banen tot gevolg hebben.

De modernisering van het arbeidsrecht zou in de eerste plaats gebaseerd moeten zijn op de actieve ondersteuning van de arbeidsmarkt. Ze zou het starten en veranderen van werk moeten bevorderen, evenals de voortdurende vorming van werknemers op de arbeidsmarkt. Deze maatregelen mogen echter niet verward worden met een overdreven beschermend arbeidsbeleid. Een dergelijk beleid leidt immers tot het kunstmatig in stand houden van banen die de markt niet nodig heeft en de marktpositie van de bedrijven verzwakken.

Een van de belangrijkste gevolgen van het in stand houden van kunstmatige werkgelegenheid zijn de hogere personeelskosten, terwijl daarnaast de persoonlijke ontwikkeling van een werknemer belemmerd wordt door een gebrek aan mogelijkheden voor omscholing en bijscholing. Anderzijds zorgt het kunstmatig in stand houden van arbeidsplaatsen er gewoonlijk voor dat de bedrijven in kwestie geleidelijk verzwakken en uiteindelijk van de markt verdwijnen.

Het is bijgevolg veel belangrijker om banen actief te bevorderen dan ze tot elke prijs te beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique Mathieu (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Globalisering, vergrijzing, snellere handel: al deze uitdagingen moeten we aangaan, morgen nog meer dan vandaag.

Geen enkele lidstaat kan beweren dit alleen te kunnen, en gecoördineerde acties met de Europese Unie zijn bepalend voor het welslagen van het werkgelegenheidsbeleid en het sociale beleid. Ik juich dan ook het initiatiefverslag over de modernisering van het arbeidsrecht toe, die noodzakelijk is om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden. Deze doelstelling is meer dan prijzenswaardig, zij is van cruciaal belang.

We moeten werk herwaarderen en het wetgevend kader aanpassen aan deze tijd. Voorts moeten wij degenen die willen werken, in staat stellen om te werken door aantrekkelijke opleidingen op te zetten, en degenen die meer kunnen werken, in staat stellen dit te doen door de onderhandelingen tussen werknemers en werkgevers soepeler te maken.

Flexibiliteit betekent niet het einde van beschermende regels, zij betekent dat deze regels worden bepaald in vrije onderhandelingen die recht doen aan de behoeften van allen, behoeften die kenbaar worden gemaakt in het kader van een sociale dialoog, die wordt. aangemoedigd

Frankrijk heeft reeds het initiatief genomen tot een dergelijke dialoog met de sociale partners. Ik ben derhalve tevreden met dit verslag, dat in het verlengde ligt van de Franse ambities en acties.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Őry (PPE-DE), schriftelijk. – (HU) Ik zie het initiatief van de Europese Commissie als een welkome en zeer moedige stap die het debat over de modernisering van het arbeidsrecht heeft geopend. Ik ben een voorstander van een genuanceerde benadering en van evenwichtige technische amendementen. Ik vind het niet correct dat bepaalde mensen de atypische vormen van werk de hemel in prijzen en dat ze zowel de nationale als de Europese wetgevers aanbevelen op politiek niveau de prioriteit van atypische vormen te erkennen boven het klassieke arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Ik kan niet accepteren dat een atypisch contract op zich een hogere waarde zou vertegenwoordigen alleen maar omdat het atypisch is.

Aan de andere kant vind ik het ook niet juist als we wetgevende, administratieve of bestuurlijke middelen inzetten om ondernemers ertoe te dwingen traditionele arbeidscontracten in bredere kring toe te passen. We moeten inzien dat onze economieën onder de huidige omstandigheden van globalisering geconfronteerd worden met economische dwangmatigheden van buitenaf en dat ze daarop moeten reageren om hun verdere voortbestaan veilig te stellen.

Onze benadering van deze moeilijke kwestie kan pas in balans zijn als we het bestaansrecht van zowel de traditionele als de atypische arbeidsvormen erkennen. We moeten ondernemers een ruime keus aan mogelijke contractvormen laten en te midden van de uitdagingen van de 21e eeuw moeten we ook op verscheidene oude problemen nieuwe antwoorden zien te vinden. Wat betreft de verdere ontwikkeling van het arbeidsrecht zijn uitermate belangrijke taken weggelegd voor zowel de Europese als de nationale wetgevers.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid