Index 
Debatten
PDF 1418k
Dinsdag 10 juli 2007 - Straatsburg Uitgave PB
1. Opening van de vergadering
 2. Ingekomen stukken: zie notulen
 3. Kredietoverschrijvingen: zie notulen
 4. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (bekendmaking van de ingediende ontwerpresoluties): zie notulen
 5. Volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap (debat)
 6. Beleid financiële diensten 2005-2010 (Witboek) (debat)
 7. Modernisering van het arbeidsrecht (debat)
 8. Stemmingen
  8.1. Verkiezing van een ondervoorzitter van het Europees Parlement (stemming)
  8.2. Verzoek om raadpleging van het Comité van de regio's - Bijdrage van het vrijwilligerswerk aan de economische en sociale cohesie (artikel 118 van het Reglement) (stemming)
  8.3. Protocol bij de Europees-mediterrane Overeenkomst EG/Algerije (EU-uitbreiding 2004) (stemming)
  8.4. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Moldavië (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  8.5. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Oekraïne (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  8.6. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Armenië (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  8.7. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Azerbeidzjan (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  8.8. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Georgië (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  8.9. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Overeenkomst van 26 juli 1995 inzake het gebruik van informatica op douanegebied (stemming)
  8.10. Het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden) (stemming)
  8.11. Instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden) (stemming)
  8.12. Herverzekering (aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden) (stemming)
  8.13. Nieuwe statistische classificatie van producten gekoppeld aan activiteiten (CPA) (stemming)
  8.14. Steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap (stemming)
  8.15. Energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur (herschikking) (stemming)
  8.16. Verdrag van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences (intrekking van Verordening (EEG) nr. 954/79 van de Raad) (stemming)
  8.17. Controle op de visserijactiviteiten in Antarctica (stemming)
  8.18. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europol-overeenkomst van 26 juli 1995 (stemming)
  8.19. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot het verdrag van 29 mei 2000 over de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (stemming)
  8.20. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Overeenkomst van 17 juni 1998 betreffende de ontzegging van de rijbevoegdheid (stemming)
  8.21. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot het verdrag van 26 mei 1997 ter bestrijding van corruptie (stemming)
  8.22. Rectificaties (invoeging van een nieuw artikel 204 bis in het Reglement) (stemming)
  8.23. Toepassing en interpretatie van het Reglement (wijziging van artikel 201 van het Reglement) (stemming)
  8.24. Verzoek om informatie inzake de immuniteit en de voorrechten van Alessandra Mussolini (stemming)
  8.25. Verzoek om verdediging van de parlementaire immuniteit van Ashley Mote (stemming)
  8.26. Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2007 (stemming)
  8.27. Speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 9/2006 over de uitgaven van Commissie, Parlement en Raad voor vertaling (stemming)
  8.28. Minimaliseren van uit wetgeving voortvloeiende administratieve lasten (stemming)
  8.29. Het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ("ROME II") (stemming)
  8.30. Communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2007-2013) (stemming)
  8.31. Kwikhoudende meettoestellen (stemming)
  8.32. Uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s (stemming)
  8.33. Levensmiddelenadditieven (stemming)
  8.34. Voedingsenzymen (stemming)
  8.35. Aroma's en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in of op levensmiddelen (stemming)
  8.36. Onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken (stemming)
  8.37. Inventarisatie, inaanmerkingneming en bescherming van Europese kritieke infrastructuur (stemming)
  8.38. Vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt (stemming)
  8.39. Vervaardiging van vismeel en visolie (stemming)
 9. Bijeenroeping van de Intergouvernementele Conferentie (termijn voor de indiening van amendementen): zie notulen
 10. Stemverklaringen
 11. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
 12. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 13. Modernisering van het arbeidsrecht (voortzetting van het debat)
 14. Terbeschikkingstelling van werknemers (debat)
 15. Naar een maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën (debat)
 16. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
 17. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 18. Tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket (debat)
 19. Gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtvervoersdiensten (herschikking) (debat)
 20. Europa duurzaam in beweging: duurzame mobiliteit voor ons continent (debat)
 21. Bilaterale handelsbetrekkingen met China (debat)
 22. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 23. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ
Ondervoorzitter

 
1. Opening van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 9.00 uur geopend)

 

2. Ingekomen stukken: zie notulen

3. Kredietoverschrijvingen: zie notulen

4. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (bekendmaking van de ingediende ontwerpresoluties): zie notulen

5. Volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0246/2007) van Markus Ferber, namens de Commissie vervoer en toerisme, over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap (COM(2006)0594 - C6-0354/2006 - 2006/0196(COD)).

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, allereerst wil ik graag de Commissie vervoer en toerisme, en met name de rapporteur, de heer Ferber, van harte bedanken voor het uitstekende werk dat zij hebben verricht in verband met het opstellen van het verslag over de postdienstenrichtlijn. Dit verslag is des te indrukwekkender aangezien er vijf andere parlementaire commissies bij de totstandkoming betrokken zijn geweest en er bijna zeshonderd amendementen zijn ingediend. Bovendien is het een politiek zeer gevoelig en technisch complex dossier.

Aan ons voorstel is een gedegen voorbereiding voorafgegaan. Het gaat niet om de uitvoering van abstracte ideeën die ergens in een ivoren toren zijn verzonnen of gebaseerd zijn op ideologisch enthousiasme. Het openstellen van de markt is geen doel op zich: dat openstellen is namelijk goed voor de consumenten, goed voor het bedrijfsleven en daardoor ook goed voor de hele economie.

Na zo veel maanden discussiëren bestaat er altijd de kans dat de oorspronkelijke intentie enigszins uit het oog wordt verloren. Laat mij daarom nog een keer uitleggen wat ons voorstel nu precies inhoudt. In de eerste plaats is het voorstel van de Commissie bedoeld om een universele dienst van hoge kwaliteit te waarborgen voor alle gebruikers in de Europese Unie. Gebruikers van postdiensten en consumenten hebben recht op postdiensten van topkwaliteit die tegen betaalbare prijzen toegankelijk zijn.

In de tweede plaats bevestigt de Commissie in haar voorstel, op basis van uitgebreid onderzoek en een brede raadpleging, dat 2009 de richtdatum is voor het afschaffen van de nog resterende exclusieve rechten en monopolies. Dergelijke exclusieve rechten en monopolies belemmeren de concurrentie en dus ook de positieve effecten daarvan op innovatie, kwaliteit en prijzen.

In de derde plaats wordt in ons voorstel de beschikbaarheid bevestigd dat er een breed scala aan financieringsmechanismen beschikbaar zal zijn waaruit lidstaten kunnen kiezen ter financiering van de nettokosten en ter compensatie van de onevenredige belasting die de verplichting om universele diensten te verlenen met zich meebrengt voor de betreffende dienstverleners.

In de vierde plaats is er op basis van het voorstel sprake van een grotere flexibiliteit wat de prijsstelling van postdiensten betreft. Daardoor vormen die prijzen een betere afspiegeling van de feitelijke kosten, terwijl de mogelijkheid aanwezig blijft om uniforme tarieven te hanteren voor consumenten of enkelstuktarieven. De Commissie hecht grote waarde aan de rol die postdiensten spelen met het oog op de territoriale en sociale cohesie. Uniforme tarieven voor consumentenpost zijn daar een uiting van. In het voorstel worden ook de rechten van consumenten versterkt, bijvoorbeeld op het gebied van de verhaalmogelijkheden.

In de vijfde plaats wordt getracht om via dit voorstel bepaalde regels met betrekking tot de autorisatie en vergunningen te wijzigen om onterechte belemmeringen voor de toegang tot de markt te verminderen. In het voorstel wordt ook een toelichting gegeven op de regels voor de toegang tot de postinfrastructuur.

Tot slot verschaft het voorstel meer duidelijkheid over de rol en de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties.

Met deze elementen wordt voortgebouwd op het succes dat tot op heden is geboekt met het geleidelijk openstellen van de markt. Hierdoor wordt tevens een kader gecreëerd waarbinnen de postsector zijn potentieel volledig kan ontplooien. Dit is echt de laatste stap in een lang proces dat bijna twee decennia geleden in gang is gezet.

Het is algemeen bekend dat er op dit moment een “communicatierevolutie” plaatsvindt. Dat vormt voor het dagelijks leven van ons allemaal een grote uitdaging. Het vormt ook een bedreiging voor postexploitanten die zich niet willen of kunnen aanpassen. Geen enkele “voorbehouden” sector kan postexploitanten beschermen tegen de concurrentie van andere communicatiemiddelen. De enige optie is hervormen en aanpassen om die uitdaging om te zetten in een kans. Door deze snel veranderende context is het des te noodzakelijker dat het hervormingsproces, dat meer dan vijftien jaar geleden van start is gegaan, afgerond wordt. Het Europees Parlement heeft in alle fasen een significante bijdrage geleverd aan de vormgeving van deze hervorming. De Commissie is bereid om de benodigde steun te verlenen zodat de interne markt voor de postdiensten nu eindelijk voltooid kan worden.

De ervaringen die tot nu toe met het openstellen van de markt zijn opgedaan, zijn buitengewoon positief. De efficiëntie, kwaliteit en prestaties zijn aanzienlijk verbeterd. In de hele Europese Unie worden universele diensten van hoge kwaliteit tegen betaalbare prijzen geleverd.

Het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid om te zorgen dat dit zo blijft. Een volledige openstelling van de markt is de enige juiste weg naar vooruitgang. In de afgelopen maanden hebben sommigen geprobeerd om het openstellen van de markt en het succes van andere postexploitanten als een bedreiging af te schilderen. Inmiddels beseffen de meesten echter dat het om uitdagingen gaat die wij aan zullen moeten gaan en dat het veel belangrijker is om onze aandacht te vestigen op de wijze waarop dat moet gebeuren. Over het algemeen heeft de constructieve benadering de overhand. Daarom ben ik optimistisch dat er uiteindelijk ook overeenstemming over dit belangrijke dossier zal worden bereikt.

Ik wil besluiten met de opmerking dat deze richtlijn een essentieel element van de Lissabonagenda vormt. De tijd is nu rijp om de burgers van de EU de keuzemogelijkheden te bieden waar zij recht op hebben en die zij ook verwachten. De gebruikers van postdiensten en de consumenten zullen het meeste baat bij deze richtlijn hebben. Door het openstellen van de markt wordt er een gecontroleerde en gereguleerde mededinging ingevoerd die zal leiden tot innovatie, nieuwe bedrijfsmodellen en nieuwe diensten. Het is geen kwestie van de taart op een andere wijze verdelen of van het invoeren van hervormingen ten koste van de mensen die in de sector werken. Het draait om het vergroten van de omvang van de markt met het doel om iedereen daarvan te laten profiteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Markus Ferber (PPE-DE), rapporteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, een van de belangrijkste voorstellen die we in de tweede helft van deze zittingsperiode bespreken betreft de liberalisering van de markt voor postdiensten. We hebben ons ook tijdens de derde en de vierde zittingsperiode met dit dossier beziggehouden en ik wil de hele ontwikkeling samenvatten sinds het Groenboek dat de Europese Commissie in 1992 heeft voorgelegd. Het is belangrijk dat wij als Parlement vandaag – en morgen tijdens de stemming – een duidelijk signaal laten horen. We moeten nu tot een goed einde brengen wat aan het einde van de jaren tachtig is begonnen.

Waar gaat het om? Simpel gezegd gaat het erom dat we van postdiensten die uitgingen van het aanbod over moeten stappen op postdiensten die uitgaan van de vraag. We hebben in alle lidstaten tweehonderd jaar lang monopolies gehad. We zullen vandaag tijdens het debat veel horen over de problemen die er zijn bij de postbedrijven. Voor mij is er maar één mogelijke conclusie: de monopolies zijn niet in staat om die problemen op te lossen. Dat lukt alleen maar wanneer er in de Europese Unie een faire concurrentie komt, dat is voor ons heel belangrijk. Maar dan wel met veel nadruk op de arbeidsvoorwaarden ondanks die concurrentie.

Dat is het model dat we hebben uitgewerkt in de Commissie vervoer en toerisme, met collega’s uit alle fracties, en uit alle landen. Ik zou iedereen willen bedanken die hieraan heeft meegewerkt en achter dit compromis staat. We zeggen in alle duidelijkheid dat de markt voor postdiensten voor eind 2010 in alle lidstaten moet worden geopend, met slechts een paar uitzonderingen tot 2012. We zeggen ook dat de vrije markt niet open staat voor diegenen die uit de voorbehouden sector komen. Dat regelt het wederkerigheidsbeginsel.

Er is nog iets wat ik heel duidelijk wil zeggen. Er wordt telkens weer beweerd dat dit indruist tegen het EU-Verdrag. Ik kan iedereen alleen maar aanraden om eens een blik te werpen op de nu geldende postdienstenrichtlijn. Daarin wordt uitdrukkelijk verboden om winsten uit de monopoliesector te gebruiken om in de vrije sector aan de slag te gaan. Het directoraat-generaal Concurrentie behandelt op dit moment meer dan tien klachten tegen lidstaten die hiervan worden verdacht. De bestaande richtlijn biedt ons eigenlijk al een instrument om een dergelijke wederkerigheid te garanderen, dus moeten wij dat ook doen.

We hebben ook duidelijk gezegd dat er niets mag veranderen aan de omvang van de postdiensten. De universele dienst is er voor iedere burger van de Europese Unie, waar hij ook woont, in de stad of op het platteland, aan de rand van Europa of in het centrum. Dat is de weg. Ook bij andere liberaliseringen hebben we ervoor gezorgd dat iedereen recht heeft op bepaalde voorzieningen.

We hebben ook de grote vraag moeten beantwoorden: hoe kan die universele dienst worden gefinancierd? We hebben daarop samen een goed antwoord gevonden. We moeten de lidstaten veel instrumenten ter beschikking stellen. Als u de richtlijn eens goed leest ziet u dat het er vijf zijn, vier heeft de Commissie voorgesteld, en dan hebben wij er nog een paar mengvormen bij gedaan. Daardoor is het mogelijk om de universele dienst op het hele grondgebied te organiseren.

We hebben ook duidelijk gezegd wat de Commissie en de lidstaten moeten doen voordat de markten worden geopend. Op die manier wordt niemand op het verkeerde been gezet wanneer de maatregelen ten uitvoer worden gelegd, omdat alles in overeenstemming met de lidstaten gebeurt. We hebben sterk de nadruk gelegd op een goede bescherming van de consument. De commissaris heeft de uniforme tarieven al genoemd, waardoor de burger de mogelijkheid behoudt om in zijn eigen lidstaat een standaardbrief te versturen. We willen ook de postdienst voor blinden en slechtzienden handhaven. We hebben op basis van het voorstel van de Commissie een uitvoerige klachtenprocedure in het leven geroepen, zodat de rechten van de consument ook in een geliberaliseerde sector gehandhaafd blijven.

We hebben ons ook heel intensief bezig gehouden met de belangen van de werknemers in deze sector. De postbedrijven in de Europese Unie hebben meer dan een miljoen werknemers, en die willen natuurlijk ook weten hoe hun toekomst er in een geliberaliseerde sector uit ziet. Ik denk dat we de juiste antwoorden hebben gevonden, voor de definitie van werknemers in de postsector, maar ook voor de bescherming van de rechten die op het nationale niveau gegarandeerd zijn.

Ik zou iedereen willen bedanken die heeft meegewerkt aan dit compromis, vooral de Commissie, die ons met raad en daad heeft gesteund. Ik hoop dat de Raad op basis van de eerste lezing in staat zal zijn om snel een gemeenschappelijk standpunt voor te leggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, dames en heren, het voorrecht in dit debat het woord te nemen heb ik te danken aan de jammerlijke uitkomst van de behandeling van het oorspronkelijke advies, dat door mijn collega Gilles Savary was opgesteld namens de Commissie economische en monetaire zaken. Wegens de stemming die binnen deze commissie heeft plaatsgehad wilde de rapporteur niet dat zijn naam op dit verslag verscheen.

Wij hebben de openstelling van de postmarkten voor mededinging inmiddels tien jaar geleden in gang gezet door het monopolie van nationale aanbieders geleidelijk af te bouwen terwijl we tegelijkertijd probeerden een universele dienst te handhaven. Deze eis van universele dienstverlening duikt nu weer op in het verslag-Ferber, dat hiertoe drie financieringswijzen noemt en daarmee erkent dat de interne markt een dagelijkse dienstverlening op het hele Europese grondgebied niet zou kunnen garanderen. De extra overgangsperiode van twee jaar die is toegekend aan de nieuwe lidstaten en aan de lidstaten die een moeilijke topografie hebben illustreert goed hoe moeilijk het is volledige liberalisering en verplichtingen inzake openbare dienstverlening met elkaar te verenigen.

De rapporteur wilde een vierde gebied opnemen, een vierde financieringswijze, die van voorbehouden gebied. Uw Commissie economische en monetaire zaken heeft besloten de rapporteur niet te volgen, noch bij de invoering van dit concept voorbehouden gebied noch bij het aanpassen van het tijdschema. Ze heeft er de voorkeur aan gegeven dicht bij het oorspronkelijke voorstel van de Commissie te blijven om de postdiensten in 2009 te liberaliseren. In dit uitzonderlijke geval vind ik persoonlijk dat de ten principale bevoegde commissie gelijk had niet te luisteren naar de Commissie economische en monetaire zaken. Wanneer ik dat zeg, geef ik mijn puur persoonlijke mening: ik spreek niet als voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken.

 
  
MPphoto
 
 

  Stephen Hughes (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken had er eigenlijk de voorkeur aan gegeven om als voorwaarde voor de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten eerst een verkennend onderzoek uit te voeren om te zien of het verlenen van universele diensten in alle lidstaten überhaupt wel mogelijk is en om te bestuderen hoe de werkgelegenheidssituatie in de postsector in stand gehouden of verbeterd zou kunnen worden. Politiek is echter soms een kwestie van de kunst van het haalbare. Ik weet dat mijn collega, Brian Simpson, de best mogelijke deal heeft gesloten met de rapporteur en de andere schaduwrapporteurs in de Commissie vervoer en toerisme.

Wij zijn verheugd dat er een duidelijke nadruk is gelegd op het handhaven van de levering van een universele dienst. Ook het aantal ingebouwde waarborgen in dit verslag in de vorm zoals het aan dit Parlement is voorgelegd, kan onze goedkeuring wegdragen. Wij zijn ook verheugd dat er in het verslag nadrukkelijk op wordt gewezen dat het noodzakelijk is om voor goede sociale en arbeidsnormen te zorgen nu de liberalisering zich begint te ontplooien. Dat is een belangrijk punt gezien het feit dat zelfs de Deutsche Post enige ongerustheid heeft laten blijken over de slechtere arbeidsnormen bij een aantal nieuwkomers op de Duitse postmarkt.

Wij beseffen dat dit compromis, in deze late fase van het liberaliseringsproces, het best mogelijke resultaat is.

 
  
MPphoto
 
 

  Hannes Swoboda (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, in tegenstelling tot heel wat collega’s, wist ik dat de heer Ferber heel goed in staat is om compromissen te sluiten, ondanks zijn inleidende verklaring. Daardoor is er een uitstekende oplossing tot stand gekomen. De heer Ferber heeft duidelijk gemaakt hoe de situatie er uit ziet. Er zijn wel degelijk verschillen in Europa, sommige landen zijn al heel ver met de liberalisering, andere landen wat minder. Het zou onmogelijk zijn geweest om dat tegen te houden, en waarschijnlijk zou het ook niet zinvol geweest zijn.

Het belangrijkste punt – en daarover zijn we het eens geworden in de Commissie industrie, onderzoek en energie, de eerste commissie die zich met deze kwestie bezig heeft gehouden – is dat er een uitgebreide universele dienst moet worden geboden, waardoor alle burgers, of ze nu in een stad wonen of in een afgelegen gebied, of ze nu arm zijn of rijk, de garantie hebben dat de post, of de postbedrijven, de nodige diensten aanbieden. Het is de verantwoordelijkheid van de lidstaten om dat in te vullen.

Daarom hebben wij er op aangedrongen dat we daar de nodige tijd voor moeten nemen, en ik ben heel blij dat de commissie ten principale dat ook zo ziet. Niet oneindig veel tijd - sommige landen hadden zich eigenlijk al kunnen voorbereiden – maar toch genoeg tijd, zodat we dit kunnen bespreken met de burgers, maar ook met de ondernemingen en de beroepsorganisaties. Zo kunnen we ervoor zorgen dat het bedrijfsleven en de burgers van de nodige diensten gebruik kunnen maken.

Een ander punt, dat ook heel belangrijk is, houdt verband met de gevolgen voor de werkgelegenheid, die er natuurlijk zullen zijn. De liberalisering en opening van de markt mag niet plaatsvinden onder het motto: hoe lager het loon en hoe slechter de omstandigheden, des te beter. Er moet juist een faire concurrentie komen tussen de bestaande en de nieuwe postondernemingen. Ook dat staat duidelijk in het verslag.

Daarom ben ik persoonlijk van mening dat dit een goede oplossing is. De Commissie industrie, onderzoek en energie heeft hiermee ingestemd, en ik ga ervan uit dat een grote meerderheid in dit Parlement dat ook zal doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Markus Pieper (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling.(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, de liberalisering van de markt voor postdiensten heeft ook een regionale dimensie, want de betrouwbaarheid en de kwaliteit van de bezorging zijn een belangrijke factor voor de vestiging van bedrijven in een regio, maar ook voor de bevolking.

Allereerst zou ik Richard Seeber willen bedanken, die het advies namens de Commissie regionale ontwikkeling heeft opgesteld. Hij heeft mij gevraagd om hem te vertegenwoordigen. Ik zou ook de rapporteur, de heer Ferber, willen bedanken voor zijn zeer evenwichtige verslag.

In principe zijn we voor het openen van de markten. Dat is geen doel op zich, maar een instrument om in de sector van de postdiensten de efficiëntie en de kwaliteit te verhogen. Net als in andere sectoren zal de liberalisering tot veel meer werkgelegenheid leiden dan er in de beschermde sector bestaan. Desondanks vraagt de Commissie regionale ontwikkeling om een betere analyse van de gevolgen van de liberalisering. Wat zullen de vrije markten voor gevolgen hebben voor de regionale cohesie en voor de concurrentiepositie van de regio’s?

Vooral voor het platteland en voor afgelegen gebieden moeten we samen met de privébedrijven oplossingen aanbieden waarnaar op de markt vraag is, en die niet leiden tot hogere kosten voor de klant en minder frequente bezorging. De elektronische handel en de bestelling via internet bij postorderbedrijven biedt in dat verband ongetwijfeld interessante perspectieven voor het platteland, ook door een gelijkwaardige vervanging aan te bieden van diensten die vroeger door de overheid werden geleverd. Maar de Commissie regionale ontwikkeling vindt dat de gevolgen van de instandhouding van de universele dienstverlening op de lange termijn moeten worden geëvalueerd.

De lidstaten die dat nodig vinden moeten dan het recht krijgen om de voltooiing van de interne markt voor postdiensten die voor 2009 is voorzien, uit te stellen. Daarom zijn we blij met het voorstel van de commissie ten principale, de Commissie vervoer en toerisme, om de termijnen voor de nieuwe lidstaten en voor ultraperifere gebieden te verlengen.

Dit zal leiden tot verschillende tempo’s voor het openen van de markten, maar dat mag er niet toe leiden dat de staatsmonopolies uit voorbehouden gebieden hun diensten aanbieden in geliberaliseerde lidstaten of regio’s. Ook die vorm van concurrentievervalsing moet door de lidstaten en...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen, namens de PPE-DE-Fractie. – Voorzitter, commissaris, collega's, we zijn meer dan tien jaar bezig met het openstellen van de Europese markt voor postdiensten, zoals de commissaris zei, en vandaag beslissen we over de laatste fase, over wat moet gebeuren met het voorbehouden deel van de poststukken tot vijftig gram. Als ook dit deel van het oude monopolie aan de kant is gezet, krijgen we over een paar jaar een postmarkt die alle kansen heeft om dynamischer te worden, die volledig open zal zijn en die concurrerend en transparant zal kunnen werken.

Het Commissievoorstel zelf bood ons inziens onvoldoende garanties voor een behoedzame liberalisering, maar dankzij het onderhandelingstalent van rapporteur Markus Ferber en de goede samenwerking van andere collega's is in de Commissie vervoer een politiek breed gedragen afspraak gemaakt die postbedrijven in de eerste plaats extra tijd geeft om zich degelijk voor te bereiden. Omdat niet alle lidstaten even ver gevorderd waren op het postliberaliseringsspoor, is dit een wijze weg.

En, Voorzitter, ook op andere vlakken is het verslag-Ferber een reuze stap vooruit. Zo hoeven de werknemers in de postsector niet per se negatieve sociale gevolgen te vrezen, hoewel we op dit vlak natuurlijk waakzaam moeten blijven. Even cruciaal is ons streven om aan de gebruikers universele dienstverlening te waarborgen. De post moet natuurlijk nog altijd dagelijks worden bezorgd en de gebruikers moeten post kunnen versturen vanuit hun nabijheid.

Natuurlijk is het nationaal plan dat de lidstaten aan de Commissie moeten voorleggen in verband met de financiering van hun universele dienstverlening een sleutelelement. Collega's, al met al verwachten we morgen na de stemming een evenwichtige tekst. Nadien is het aan de Raad en zeker ook nog aan de lidstaten om wijs met ons stemresultaat om te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Simpson, namens de PSE-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer onze rapporteur, de heer Ferber, met zijn werkzaamheden ten behoeve van dit verslag. Het is al weer heel lang geleden dat hij en ik voor de eerste keer de degens hebben gekruist over de postdiensten. Volgens mij stond de Berlijnse muur toen zelfs nog overeind, waaruit maar weer eens blijkt hoe lang dat geleden is.

Bij de postdiensten gaat het om een zeer persoonlijke en politiek uiterst gevoelige kwestie. Dat is de reden dat die diensten zo verschillen van andere sectoren, zoals de telecommunicatie en energie. Zoals ik al zo vaak in dit Parlement gezegd heb, heeft post te maken met mensen; het gaat om een openbare frontlijndienst. Daarom is dit onderwerp zo belangrijk en trekt het zo veel belangstelling.

Het klopt dat wij bij het werk dat wij in de parlementaire commissie hebben verzet, getracht hebben om rekening te houden met de standpunten van andere commissies en fracties. Na veel hard werk, en ik moet zeggen, dankzij heel veel goede wil, hebben wij een akkoord bereikt dat naar mijn idee een goed akkoord is.

Ik wil nog wel even kwijt dat deze specifieke richtlijn niet echt met liberalisering te maken heeft. De vraag of de post nu wel of niet geliberaliseerd zou moeten worden, hebben wij al vele jaren geleden begraven. De heer Hughes heeft gelijk waneer hij zegt dat politiek gaat over de kunst van het haalbare. Tegen degenen die bij dit thema in de minderheid zijn – waarvan ik de standpunten overigens respecteer – en die vinden dat wij alles bij het oude moeten laten, dus vast moeten blijven houden aan de monopolistische sectoren en de voorbehouden gebieden, zou ik willen zeggen dat ik hun argumenten kan begrijpen, maar dat dit in de praktijk, in de tijd waarin wij nu leven, geen haalbare kaart meer is. In de overgrote meerderheid van onze lidstaten heeft de liberalisering al plaatsgevonden; de meeste lidstaten die die liberalisering nog niet hebben doorgevoerd, willen dat alsnog graag doen. Dat betekent dat er af en toe dus een dosis werkelijkheidszin noodzakelijk is.

Het Parlement heeft ingestemd met een gecontroleerde liberalisering en heeft zelfs in zijn laatste verklaring bevestigd dat dit proces op 1 januari 2009 in gang moet worden gezet. Sinds die tijd zijn wij echter geconfronteerd met de toetreding van de nieuwe lidstaten. Mijn fractie is van mening dat dit met zich meebrengt dat wij opnieuw, net zoals wij eerder hebben gedaan, moeten overwegen om een ander tijdschema te hanteren en om de uitvoering uit te stellen voor de lidstaten die daaraan behoefte hebben.

Het moet mij wel van het hart dat de Commissie in haar voorstellen ten aanzien van de universele diensten sterk is, maar zwak uit de verf komt als het om de wijze gaat waarop die universele diensten gefinancierd moeten worden.

Laten wij dan het cruciale thema eens onder de loep nemen. Hoe garanderen wij een gelijkwaardige universele dienstverlening voor alle burgers ongeacht de plaats waar zij wonen? Om dat te bewerkstelligen, hebben wij onze steun geven aan gegarandeerde toegangspunten in afgelegen regio’s en plattelandsgebieden. Maar hoe financieren wij die universele dienstverlening? Hoe zorgen wij ervoor dat er nationale plannen operationeel zijn om die dienstverlening te waarborgen? Hoe beschermen wij de werknemers en hun arbeidsomstandigheden en hoe zorgen wij ervoor dat de nieuwe lidstaten niet tot een concurrentie worden gedwongen waarop zij nog niet berekend zijn? Met betrekking tot al die vragen is een adequaat tijdschema het antwoord.

Dit zijn de onderwerpen die wij in dit verslag en in het bereikte compromis behandeld hebben. Ik hoop dan ook dat het Parlement morgen zijn steun aan dit compromis zal geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Luigi Cocilovo, namens de ALDE-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ook ik wil collega Ferber oprecht feliciteren met het werk dat hij heeft verricht. Maar ik vermoed dat andere collega’s hier ijverig aan hebben meegewerkt en ik denk niet dat deze klus, hoe delicaat en gecompliceerd ook, een “duel achter het klooster bij het krieken van de dag” tussen collega Ferber en collega Simpson is geweest. Het ging er niet om de degens te kruisen, maar om te constateren dat postdiensten een gevoelige sector vormen. Dat geldt overigens voor alle bedrijfstakken waar het aanbod niet alleen bepaald wordt door het economisch profijt maar ook door de noodzaak het algemeen belang te dienen. Dat gaat verder dan oplossingen aandragen die normaliter in het samenspel tussen vraag en aanbod naar voren komen. Hier is dus meer in het spel dan marktbehoeften en marktgerichtheid.

Het zoeken naar evenwicht in deze materie is een hachelijke onderneming, want de hervorming is niet bedoeld voor de markt maar voor de consument, zoals zowel de commissaris als de heer Ferber benadrukt hebben. De markt is slechts een instrument om de belangen van de consument te dienen en zo goed mogelijk te waarborgen, in de zin van kostenvermindering tegenover een hoogwaardige dienstverlening. Ik ben eveneens de mening toegedaan dat de oude monopoliestructuur niet opgewassen is tegen de uitdagingen, maar het zou riskant zijn er voetstoots van uit te gaan dat de enige remedie dan is om de markt open te stellen voor de concurrentie. Een dergelijke stap is weliswaar nuttig en ook uiterst belangrijk, maar op zichzelf niet voldoende.

Vandaar ook dat er gezocht is naar garanties voor een universele dienstverlening, met verschillende opties en zonder het risico van vage interpretaties en meningsverschillen die we waarschijnlijk niet helemaal hebben kunnen vermijden. Er bestaan diverse opties, die – met het oog op de diversiteit op de verschillende markten – allemaal gericht zijn op de noodzaak bij te dragen tot de nettokosten van een dienst die in menige situatie nooit uitsluitend gewaarborgd zal worden door middel van een marktoperatie. Met het oog daarop is een eerlijke concurrentie doorslaggevend, zoals hier dan ook is bevestigd.

Ik ben het niet eens met allerlei verdenkingen tegen het systeem van afgifte van vergunningen, dat bijna beschouwd wordt als een stelsel dat de concurrentie de das omdoet dan wel in de kiem smoort. Vergunningen kunnen heel nuttige middelen zijn om vast te stellen of een bedrijf geschikt is en ervoor te zorgen dat de concurrentie weliswaar vrij maar binnen een kader van regels plaats heeft. Deze regels kunnen onder eerbiediging van de voorschriften inzake sociale zekerheid, beroepskwalificatie, definitie van vervangende diensten en eisen van algemeen nut, op transparante wijze betrekking hebben op al degenen die in de posterijen werkzaam zijn.

Ook dat wordt dan een middel om degenen die de last van de universele dienst op zich nemen, ervoor te behoeden dat zij zich in het strijdgewoel storten met de handen op de rug gebonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberts Zīle, namens de UEN-Fractie. (LV) Dank u, mijnheer de Voorzitter, mijnheer McCreevy. Ik zou ook willen beginnen met de heer Ferber te feliciteren met het voortreffelijke compromis dat hij heeft weten te bereiken in een buitengewoon lastige situatie, waarvan de vele honderden voorstellen van de meest uiteenlopende belangengroepen getuigen. Het doet me ook genoegen dat in dit geval rekening is gehouden met de specifieke kenmerken van de nieuwe lidstaten, in de zin dat de deadline voor het aanhouden van de universele dienst met twee jaar en mogelijk zelfs nog langer wordt opgeschoven. Ik zou zeker willen erkennen dat de postdienst in veel nieuwe lidstaten nog niet klaar is voor dit soort echte concurrentie. Enerzijds is het dus heel belangrijk dat de postdienst in de nieuwe lidstaten wordt verbeterd – iets wat komt met concurrentie – maar anderzijds moeten we het menselijk aspect waarover de heer Simpson het zojuist had, behouden. Het doet me eveneens deugd dat de lidstaten een aantal keuzemogelijkheden hebben om deze periode van universele dienstverlening te financieren, en tot slot ben ik blij dat het mogelijk was in de commissies een compromis te bereiken om persoonsgegevens te blijven beschermen in die gevallen waarin de verlener van de huidige universele dienst zijn databank moet overhandigen aan andere marktdeelnemers. Ik hoop dan ook ten zeerste op een gunstige stemming morgen en dat het langdurige werk aan de postdienstenrichtlijn ten einde komt. Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Eva Lichtenberger, namens de Verts/ALE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, concurrentie heeft altijd positieve gevolgen gehad wanneer daarvoor goede randvoorwaarden waren vastgelegd. Dat geldt waar mogelijk ook bij de postdiensten. We moeten echter wel fair blijven, en vaststellen dat de vorige stap op weg naar de liberalisering tot nadelen heeft geleid voor de consument, vooral op het platteland. Privaat is niet automatisch goed, evenmin als de overheid automatisch alles goed doet. We moeten positieve en faire randvoorwaarden creëren.

De Commissie heeft terecht gewezen op het belang van een dienstverlening op het hele grondgebied, vooral op het platteland. Het is onaanvaardbaar dat de dienstverlening hoofdzakelijk in de steden plaatsvindt. De meeste voorstellen voor het financieren van deze diensten, die nu eenmaal veel geld kosten, zijn echter niet haalbaar, ze zijn op maat gemaakt voor de grote lidstaten en onduidelijk geformuleerd. Het Hof van Justitie zal er heel wat werk aan hebben.

Dat leidt er ook toe dat heel veel collega’s een uitzondering hebben aangevraagd. We hebben dus een lex Griekenland: landen met veel kleine eilanden mogen wat later liberaliseren. Verder hebben we de lex Luxemburg: een klein land, beperkt qua inwoners – dat is trouwens een interessante formulering. Zulke landen mogen ook even wachten met liberaliseren, en dat geldt ook voor de nieuwe lidstaten. Dat zijn allemaal formuleringen die ik niet kan volgen. Maar ik doe een beroep op u, dames en heren: uitstel is geen afstel! Wie de problemen wegschuift, lost ze niet op! Daarom ben ik het niet eens met een oplossing die niet meer is dan uitstel, en dat geldt ook voor de Fractie De Groenen/Vrije Europese Alliantie.

Waar we vooral een eind aan moeten maken – en dat is de kern van het verslag – is de optie van de voorbehouden sector, want dat leidt er uiteindelijk toe dat alles wordt gesubsidieerd, van het winstgevende reclamedrukwerk tot de particuliere post, waarop verlies wordt geleden. Dat mag niet meer gebeuren. De Commissie is echter gul, en laat zulke overheidssubsidies toe. Dat lijkt me de verkeerde weg, ik ben meer voor een utiliteitgerichte aanpak, want het compensatiefonds, dat wordt voorgesteld, is in grote landen wel haalbaar, maar in kleine landen niet, want daar is de markt nog niet voldoende aangepast.

Reclame is een goudmijn. Poststukken onder de vijftig gram zijn een goudmijn, en de privébedrijven willen die exploiteren. Voor een kerstkaart voor tante Heidi boven op de berg hebben de particuliere diensten geen belangstelling. Wat gebeurt er dus als dit voorstel er door komt? Overvolle brievenbussen in de steden, reclame alom, en in de steden ook een keurige bezorging van particuliere post, maar op het platteland wordt de dienstverlening geleidelijk aan gereduceerd. Dat is het automatische gevolg hiervan, omdat de lidstaten dit op de lange termijn niet kunnen en willen financieren.

En hoe ziet de mededinging er uit? Die gaat ten koste van de werknemers in de sector, en van de plattelandsbevolking. De privébedrijven kunnen alleen maar winst boeken door te snoeien in de arbeidsomstandigheden, dat mag u in deze discussie ook niet vergeten. Dit is sociale dumping, dames en heren, en dat kunt u niet verhinderen met een of andere overweging in de tekst.

 
  
MPphoto
 
 

  Francis Wurtz , namens de GUE/NGL-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, mijn collega Erik Meijer zal terugkomen op het verslag-Ferber.

Ik wilde op mijn beurt concreet illustreren, te beginnen met dit voorstel voor een richtlijn en de houding van de Commissie dienaangaande, hoe liberaal dogmatisme de legitimiteitscrisis van het economische en sociale Europese model in de hand werkt en hoe arrogantie het klimaat van wantrouwen ten opzichte van onze instellingen in stand houdt.

Ik herinner aan wat het Europees Verbond van Vakverenigingen vanaf het begin heeft gezegd over uw voorstel, meneer McCreevy. Ik citeer: “Dit voorstel zal een einde maken aan de voorbehouden sector waarvan gebleken is dat het de enige betrouwbare dienst is.” Het gaat verder, en ik citeer nog altijd: “Honderdduizenden banen zijn verloren gegaan sinds de liberalisering in gang is gezet. Op lange termijn zal dit ernstige en negatieve gevolgen hebben voor de Europese Unie. Het Europees Verbond van Vakverenigingen adviseert de Raad en het Parlement het voorstel van de Commissie niet goed te keuren.”

Op zijn beurt is het postnetwerk UNI-Europa, dat meer dan één miljoen werknemers vertegenwoordigt, van mening, en ik citeer: “Dat het voorstel van de Commissie de omvang, kwaliteit en toegang tot diensten in gevaar zou brengen waar Europese burgers momenteel gebruik van maken”. Ook het netwerk – en ik citeer nog altijd – “roept de Raad en het Parlement unaniem op om het voorstel van de Commissie te verwerpen”, dat volgens de secretaris-generaal van het netwerk, en ik citeer: “niet in staat is de financiering van de universele postdienst aan de burger te garanderen.” Het is duidelijk!

Verder zijn tienduizenden petities van gebruikers die tegen deze slechte tekst gekant zijn, rechtstreeks naar de Commissie gestuurd. Op hun beurt hebben negen bestaande aanbieders van postdiensten gewezen op de dreiging die boven de financiering van de universele dienstverlening hangt. Sterker nog: volgens de Luxemburgse minister van Communicatie, de heer Jean-Louis Schiltz, hebben de meeste lidstaten moeite met de regels die zijn opgesteld voor de financiering van de openbare dienst als deze richtlijn van kracht wordt. De Commissie brengt tegen deze stortvloed van kritische kanttekeningen in dat haar richtlijn de enige realistische optie is. Einde verhaal.

Dat is nou precies, Voorzitter, wat niet langer aanvaardbaar is voor de publieke opinie, net zoals het niet aanvaardbaar is voor een groot aantal leden van het Europees Parlement. Dat is de strekking van ons amendement dat aandringt op verwerping, of het nu is voor 2009 of later. Ik zie u morgen voor de stemming.

 
  
MPphoto
 
 

  Michael Henry Nattrass, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het beheer van een poststelsel dat in elk deel van het Verenigd Koninkrijk zes dagen per week de post bezorgt – iets waar de Britten al meer dan een eeuw aan gewend zijn – is een zaak van het Verenigd Koninkrijk en geen hamerstuk voor de EU. Een efficiënte postbezorging vormt een stimulans voor bedrijven, met name in plattelandsgebieden. Het is een openbare dienstverlening. Om de post in afgelegen gebieden te bezorgen, inclusief de Schotse eilanden, moet de Royal Mail wellicht een beroep op subsidies doen. Dat is dan echter een zaak van de centrale en lokale Britse regering en niet van de EU. Het EU-concept leidt alleen maar tot meer junk mail en daar hebben noch de Britten noch hun papierbakken behoefte aan. Zoals gebruikelijk wil de EU weer elk aspect micromanagen, waardoor de methoden die al vele jaren goed functioneren in de prullenbak verdwijnen terwijl er tegelijkertijd voorschriften opgelegd worden die de innovatie beperken.

De bemoeizucht van de EU met het poststelsel in het Verenigd Koninkrijk maakt op mij net zo’n vreemde indruk als dat wij Britten met Vlaamse, Finse of Franse brieven zouden gaan rommelen. U denkt wellicht dat ik positief sta ten opzichte van een uitstel van de volledige voltooiing van de interne markt tot december 2010. Dat klopt niet. Ik verwerp deze richtlijn namelijk in zijn geheel op basis van het eenvoudige Britse principe “Bemoei je met je eigen zaken dan lossen wij het wel op”. Wij hebben geen behoefte aan de EU-doctrine van “je geld of je leven” om vervolgens onder bureaucratische maatregelen te worden bedolven.

Kortom, deze richtlijn gaat wat mij betreft “retour afzender”.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli, namens de ITS-Fractie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het voorstel voor wijziging van de richtlijn met betrekking tot de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten, ingeleid door de heer Ferber, is op ruime consensus gestuit. Dat blijkt uit de manier waarop het voorstel in de commissie is ontvangen en uit de compromissen die de fracties daarvoor gesmeed hebben.

Zoals ik al bij andere gelegenheden heb kunnen zeggen, ben ik bepaald geen overtuigd pleitbezorger van het liberalisme, integendeel. Ook omdat het, vooral in Italië, niet de miraculeuze resultaten heeft geboekt, qua verbetering van diensten en tarieven, die de consumenten zo vaak ingeprent krijgen. In Italië - en ik daag de Italiaanse liberale collega’s uit om het tegendeel te bewijzen – heeft de liberalisatie van verschillende sectoren, van het verzekeringswezen tot de energievoorziening, tot het spoorwezen en zelfs de posterijen, geleid tot kostenverhoging en grotere problemen bij het gebruikmaken van de diensten.

Ondanks dat er in Italië een zekere marxistische traditie heerst, zijn er in dat land communisten die voorstander van liberalisering worden en vervolgens tot minister worden gebombardeerd. Maar dat niet alleen: dat zijn dan ook nog communisten die om de markt tegemoet te komen, ervoor zorgen dat ze dus minister worden, en dan gaan ze op het pluche zitten zonder hun best te doen of zonder een zinvolle bijdrage te leveren. En als communistische ministers zijn die politici dan wel druk in de weer om de verschillende beroepsgroepen het vuur na aan de schenen te leggen, advocaten en notarissen, taxichauffeurs, tot aan de bakkers toe, om vervolgens de voordelen van consumptie en concurrentie rond te bazuinen. Daarom ben ik als chauvinist niet alleen op grond van mijn politieke gedachtegoed ervan overtuigd, maar heb ik ook nog een concreet bewijs in handen dat de vrije markt helemaal niet alle kwalen geneest, maar die zelfs vaak aanwakkert.

Toch zal ik het verslag-Ferber steunen, in de hoop dat tenminste in mijn eigen land een grotere concurrentie in de posterijen leidt tot verbetering van de dienstverlening. De posterijen zijn in Italië een overheidsdienst die weliswaar gedeeltelijk is geprivatiseerd, maar toch alleen maar een kostenverzwaring heeft opgeleverd terwijl de dienstverlening bepaald niet aan de Europese normen voldoet. Toch steun ik het verslag, omdat ik eerlijk moet zeggen dat de dienstverlening die in de Italiaanse expeditiesector door particulieren wordt geboden, vaak van uitstekende kwaliteit is. Het ziet er zelfs naar uit dat deze bedrijfstak meer arbeidplaatsen heeft gecreëerd dan wat de overheidssector heeft moeten inleveren. Ook valt niet te ontkennen dat de grote commerciële klanten weliswaar geen behoefte hebben aan speciale bescherming in geval van slechte dienstverlening, maar dat de situatie heel anders ligt met kleine klanten ten aanzien van de universele dienst.

Het is volkomen terecht te streven naar een universele dienstverlening in alle lidstaten voor ten minste vijf dagen per week en daar moeten we aan vasthouden. Niemand zal zich er toch zeker tegen verzetten dat de postdiensten sneller, betrouwbaarder en regelmatiger gaan functioneren, of dat er een eerlijk systeem van terugbetaling en compensatie komt. Allemaal zaken dus waar het verslag-Ferber herhaaldelijk voor pleit. Deze materie is behoorlijk complex en zoals gewoonlijk hebben wij weinig tijd, zodat wij geen kans zien om alle positieve en minder positieve kanten van dit verslag te belichten.

Ik hoop dat wanneer met ingang van januari 2011 het systeem van exclusieve rechten voor de levering van postdiensten wordt opgegeven, dit voor iedereen een algemeen voordeel oplevert. Het zou dan de eerste keer zijn dat ik me genoopt zie om van mening te veranderen en een positieve kant van de liberalisatie te zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (NI). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het voorstel voor een richtlijn over de posterijen is een verdere stap vooruit naar een uiterst belangrijk doel: de verwezenlijking van een interne markt van postdiensten. De diensten van algemeen economisch belang spelen namelijk een fundamentele rol in de verschillende landen, zowel wat betreft de economische ontwikkeling als qua sociale cohesie. Het is dus van essentieel belang dat, zodra de markt volledig wordt opengesteld, de duurzaamheid van de universele postdienst via geschikte financieringsmiddelen wordt gegarandeerd.

Er zitten hier en daar nog wat haken en ogen aan het voorstel. Ik zal in dit bestek slechts twee knelpunten noemen. Allereerst is het belangrijk dat wij een duidelijkere definitie geven van de criteria voor afgifte van vergunningen aan operatoren die tegelijkertijd universele en niet-universele postdiensten willen leveren. Dit om te garanderen dat alle partijen geconfronteerd worden met gelijke concurrentievoorwaarden en gelijke plichten, zowel qua dienstverlening als qua bijdrage tot de financiering. In dit opzicht vind ik de oorspronkelijke tekst van de Commissie duidelijker dan de tekst die in amendement 44 wordt voorgesteld. Met het amendement wordt de diverse postoperatoren en de voor het stelsel aangewezen leveranciers een aantal voorwaarden ontnomen die van toepassing zijn op de afgifte van vergunningen.

Een tweede aspect betreft de regeling van toegang tot het postnet. Afgezien van de algemene beginselen van transparantie en non-discriminatie, zien wij niet in waarom er een extra regeling moet komen. Een paar lidstaten hebben al toegangscriteria bepaald op grond van de behoeften en kenmerken van hun nationale postmarkten. Het is namelijk niet mogelijk in algemene bewoordingen een toegangsregeling op te stellen, omdat deze gerelateerd is aan de situatie waarin iedere nationale markt verkeert.

 
  
MPphoto
 
 

  Mathieu Grosch (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, de richtlijn over de postdiensten is een zeer belangrijk voorstel, dat niet alleen ruim een miljoen werknemers, maar bijna alle burgers betreft. Daarom hebben we dit dossier in de Commissie vervoer en toerisme heel serieus genomen. Ik zou de rapporteur willen bedanken, want door de veranderingen en de compromissen hebben we toch een grote stap in de juiste richting gezet, en de voorstellen van de Commissie aanzienlijk verbeterd.

Wat ik belangrijk vond was ten eerste dat de dienstverlening het voornaamste aandachtspunt bleef en ten tweede was er de kwestie van de toekomstige rol van de lidstaten, die duidelijk moet worden omschreven. Dienstverlening moet het middelpunt zijn, maar dat betekent volgens mij niet dat we morgen komen te zitten met lagere lonen, een slechtere service en uiteindelijk ook hogere prijzen.

In tegenstelling tot bepaalde collega’s, die wat pessimistischer zijn, ben ik van mening dat de lidstaten door het huidige voorstel een grote rol krijgen. Ze kunnen die rol spelen, door te zorgen voor een goed niveau van dienstverlening bij het bestellen en ophalen. In het voorstel is rekening gehouden met de verwachtingen van de burger op het stuk van de dienstverlening. We kunnen sociale dumping vermijden, als de lidstaten dat willen. Ook in ons land hebben we verzoekschriften gekregen over de postbode, met als teneur: redt onze postbode, redt zijn speciale rol. Dat is belangrijk, en daarmee hebben we rekening gehouden in ons voorstel. We hebben ook heel duidelijk gezegd dat de lidstaten dit beroep kunnen handhaven.

Er bestaan verschillende modellen voor de financiering. Ik ben van mening dat een deel van de voorbehouden sector misschien de mogelijkheid van een gewaarborgde financiering zou moeten krijgen, maar dat is voorlopig niet haalbaar. Hoe dan ook, dit is pas de eerste lezing, misschien verandert dat nog in de tweede lezing.

Monopolies moeten worden afgebroken, maar niet tegen iedere prijs. Ik heb al verteld wat onze prijs is: ten eerste dienstverlening, ten tweede de handhaving van het beroep, en ten derde een gegarandeerde financiering. Nog een laatste opmerking: het afbreken van monopolies betekent voor mij ook dat er geen nieuwe monopolies mogen worden opgebouwd. Het Parlement zou er al met al goed aan doen om het hele principe van de liberalisering nog eens intensief te bespreken, vooral met het oog op de dienstverlening aan de burger.

 
  
MPphoto
 
 

  Inés Ayala Sender (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, we zijn de rapporteur, de heer Ferber, erkentelijk voor zijn opstelling, want hoewel nog steeds uitgaand van een radicale en simplistische liberaliseringsgedachte, waar bovendien nationale belangen doorheen schemerden, heeft hij vanaf het begin besloten om compromissen te aanvaarden die een groter draagvlak in dit Parlement creëren voor een zo belangrijk verslag als dit.

Maar mijn erkentelijkheid en felicitaties zijn in het bijzonder gericht aan het adres van de heer Simpson, die degene is geweest die de compromissen heeft weten te bereiken, omdat hij met succes de moeilijke en ondankbare taak op zich heeft genomen om de fundamentele doelstellingen van onze fractie binnen te halen: in de eerste plaats het behoud en de bescherming van de definitie van universele diensten in de meest strikte betekenis van het woord, als een dienst die economische, sociale en territoriale samenhang waarborgt, met dagelijkse bestellingen op ons hele grondgebied, tegen een betaalbare prijs en met een kwalitatief hoogstaande dienstverlening.

Om die reden moest er voldoende financiële stabiliteit worden gecreëerd en gegarandeerd, en vandaar dat we het niet eens waren met het weinig heldere standpunt van de Commissie, en vandaar ook dat wij van mening zijn dat het werk dat de lidstaten moeten verrichten meer is dan een formaliteit, en we eisen dat de Commissie dat werk heel serieus neemt.

Ook van fundamenteel belang vinden wij de clausules over sociale bescherming, en wij eisen van de Commissie en de lidstaten dat deze volledig worden ontwikkeld en toegepast. Daarom sporen we vakbonden, aanbieders van postdiensten en regelgevende instanties aan om daar grondig mee aan de gang te gaan, zodat dit gelijk opgaat met het werk van de lidstaten.

In een tijd waarin we strijden tegen kwetsbare werkgelegenheid, tegen werkloosheid onder vrouwen en voor plaatselijke diensten van hoge kwaliteit voor de burgers, leek het ons in hoge mate onverantwoordelijk om op een verslechtering van deze voorwaarden aan te sturen. Vandaar dat wij vinden dat de uitdagingen van de toekomst bestaan uit het veiligstellen van een stabiele en gegarandeerde financiering van de universele dienst en het garanderen van hoogwaardige werkgelegenheid in deze sector.

Het Parlement zal hier nauwlettend op toezien.

 
  
MPphoto
 
 

  Dirk Sterckx (ALDE). – Voorzitter, ik steun het compromis dat de rapporteur en de schaduwrapporteurs hebben bereikt. Ik denk dat een open Europese markt voor postbedrijven de enige manier is om de concurrentie met de elektronica aan te gaan. Ze moeten zich moderniseren, ze moeten zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden en als je het kussen van een monopolie hebt, dan ga je geen nieuwe klanten zoeken. Dan ga je voort op de manier waarop je altijd gewerkt hebt.

We hebben ook een duidelijk tijdschema: 2011. Iedereen weet waar we dan aan toe zijn. We benadrukken het belang van de openbare dienst, niet alleen voor de burgers trouwens. Ook voor kleine bedrijven is die openbare dienst van uitzonderlijk belang. En, een moeilijk punt, hoe compenseren we het eventuele verlies van die openbare dienst?

Daar is een grote rol weggelegd voor de lidstaten, zoals Mathieu Grosch al heeft gezegd, maar ik zou toch willen zeggen dat die compensatie niet mag dienen om postbedrijven die altijd al slecht gewerkt hebben, in staat te stellen slecht te blijven werken. We moeten de postsector efficiënter maken en ik denk dat dat een van de belangrijke gevolgen zal zijn van het voorstel waarover wij morgen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain (UEN). – A Uachtaráin, is é prionsabal na seirbhísí domhanda an ghné is tábhachtaí de na moltaí seo, dar liom. Ciallaíonn an prionsabal sin go gcaithfear seirbhís poist a chur ar fáil do chuile theach agus gnó san Eoraip, cúig nó sé huaire sa tseachtain. Mar sin, beidh ar chuile Bhallstát an córas sin a chur i bhfeidhm agus go gcinnteoidh sé go mbeidh an tseirbhís sin ar fáil i ngach Ballstát. Agus tá seans láidir go dtacóidh an Pharlaimint anseo leis na moltaí seo a chur i bhfeidhm ó 2011 seachas 2009 agus aontaím leis sin. Maidir le cás na hÉireann, ba mhaith liom fáilte a chur roimh an socrú atá idir an Post agus Banc Fortis na Beilge. Postbank atá ar an gcomhaontú seo agus cuirfidh sé seirbhís bainc ar fáil do chustaiméirí an idirlín agus trí oifigí poist ar fud na hÉireann níos déanaí i mbliana agus creidimse gur rud dearfach é seo mar tá an Post á réiteach féin i gcomhair na hiomaíochta atá le teacht sna seirbhísí san Eoraip agus tá súil agam as seo go dtacóidh sé seo leis na hoifigí poist faoin tuath in Éirinn agus ar fud na hEorpa a choinneáil ar oscailt. Go raibh maith agat.

 
  
MPphoto
 
 

  Pierre Jonckheer (Verts/ALE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wilde twee punten aan de orde stellen. Het eerste punt betreft de feitelijke ervaringen die worden opgedaan, buiten de discussies om. De vraag is namelijk, ten eerste, of algehele openstelling van de postmarkten voor mededinging een relatieve verlaging van de tarieven mogelijk maakt en zo ja, aan wie deze ten goede komt; ten tweede of liberalisering garant staat voor goede arbeidsvoorwaarden en zo ja, voor wie, en dat alles met behoud van de kwaliteit van de dienstverlening.

Als afgevaardigden hebben wij van vakorganisaties, maar ook van postdienstverleners zelf, begrepen dat de ervaring van Duitsland of Zweden geen bevestigend antwoord op deze vragen gaf. In Duitsland zijn per saldo 29 000 banen verloren gegaan bij de Deutsche Post, waarvan 15 000 niet zijn gecompenseerd door banencreaties door nieuwe aanbieders, en dan hebben we het nog niet eens over het toenemend aantal oproepkrachten. In Zweden zijn de tariefverlagingen uitsluitend ten goede gekomen aan grote bedrijven, en niet van particuliere consumenten en kleine en middelgrote ondernemingen.

Dus in tegenstelling tot wat de heer Simpson heeft gezegd, is het niet om theoretische redenen dat wij pleiten voor handhaving van het voorbehouden gebied; het is niet omdat we hebben besloten, in 1997, dat de teerling geworpen was. Ik denk dat we de feiten onder ogen moeten zien, en de feiten laten zien dat in veel landen die vooruit zijn gelopen op de openstelling voor mededinging, de resultaten achterblijven bij de verwachtingen. Dat zou ons aan het denken moeten zetten.

Mijn tweede punt betreft de verantwoordelijkheid van de lidstaten. Inderdaad, zoals de heer Grosch heeft gezegd, laat het aan ons voorgelegde voorstel een grote mate van autonomie aan de lidstaten als het gaat om arbeidsvoorwaarden en dienstverlening. Toch ben ik persoonlijk van mening dat het niet onze verantwoordelijkheid als europarlementariërs is om een Europese wet op te stellen en de lidstaten de mogelijkheid te bieden er wel of geen uitvoering aan te geven. Om die reden stellen onze amendementen, in het hoofdgedeelte van de richtlijn, in de artikelen, eisen ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en salaris en ten aanzien van universele dienstverlening. En naar mijn idee zit daar het grote verschil tussen de amendementen van de Verts/ALE-Fractie en de compromisamendementen die gesteund worden door de PPE-DE- en ALDE-Fracties en door een deel van de sociaaldemocraten.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL). – Voorzitter, het tekortschieten van privébedrijven voor postdiensten heeft meer dan een eeuw geleden geleid tot overname door de staat. Sindsdien is dat de beste garantie voor het overal op tijd en voor hetzelfde tarief bezorgen van de post. Verschillen tussen dichtbevolkte gebieden, waar de postbezorging winstgevend is, en dunbevolkte of afgelegen gebieden, waar de bezorging duur is, vielen weg. Het sorteren en bezorgen van post kwam in handen van vakmensen die kwaliteit leveren. De postbode en het postkantoor werden in vele gevallen niet alleen voor plattelandsbewoners, maar ook voor de economisch zwakste stadsbewoners een onmisbaar contact.

Al vele jaren zien we dat privébedrijven graag de meest renderende onderdelen overnemen. Het liefst schakelen zij daarvoor tijdelijke krachten in, zoals studenten, huisvrouwen en bejaarden, voor wie postbezorging niet het belangrijkste middel van bestaan is. Deze mensen betalen zij bij voorkeur niet per gewerkt uur, maar per brief. Postkantoren vervangen ze door contracten met supermarkten.

Het gevolg is dat de klanten minder kwaliteit krijgen en het personeel er sterk op achteruitgaat. Politici die daaraan meewerken, veroorzaken een probleem in plaats van het op te lossen. Straks ontstaat het risico dat de overheid moet gaan subsidiëren om de meest verliesgevende delen van de postbezorging overeind te houden, terwijl de winstgevende delen terechtkomen bij grote internationale ondernemingen.

De tussen de drie grootste fracties overeengekomen compromissen leveren wel uitstel en afzwakking op ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel, maar geen duurzame oplossingen. Mijn fractie dient verbeteringsvoorstellen in en ondersteunt die van anderen, maar verwerping van het voorstel en voortzetting van de bestaande situatie vinden wij veruit het beste.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland (IND/DEM). – Voorzitter, allereerst wil ik collega Ferber feliciteren met het bereikte resultaat. Na jaren van studeren en discussiëren is de vrije postmarkt in zicht. Het belangrijkste winstpunt van dit verslag is de vaststelling van een definitieve datum voor de openstelling van de postmarkt. Dat betekent dat aanbieders weten waar ze aan toe zijn. Het geeft hun de gelegenheid hun bedrijfsvoering, voor zover dat niet reeds is gebeurd, daarop in te richten. Daardoor zal de slagkracht van de sector in zijn geheel toenemen. Dat is nodig om de strijd met de elektronische communicatie te kunnen leveren.

Een ander pluspunt is de aandacht voor de specifieke situatie in de lidstaten. Het voorstel erkent de onderlinge verschillen op sociaal, geografisch en economisch gebied. De lidstaten houden ruimte om op de hun best passende manier met die nationale aandachtspunten om te gaan.

Dat sommige ondernemingen in Europa lastige tijden tegemoet gaan, wil ik niet ontkennen. De praktijk heeft echter geleerd dat marktgericht opereren nuttig is voor het scherpen van de geest en het benutten van geboden kansen. Ik hoop dat alle postbedrijven in Europa die slag willen en kunnen maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, een grote Europese markt is niet per se een efficiënte Europese markt. Om efficiënt te zijn moet hij kansen bieden, kansen op groei, werkgelegenheid en sociale samenhang. Ook moet hij van hoge kwaliteit zijn en de concurrentie in de internationale omgeving aan kunnen.

Uit onze ervaringen blijkt dat vrije concurrentie daarbij een steuntje in de rug kan zijn, maar als wij willen dat concurrentie als marktinstrument ook de verwachte resultaten oplevert, moeten wij ervoor zorgen dat daarin rekening wordt gehouden met de reële economische, sociale en territoriale omstandigheden.

De rapporteur, de heer Markus Ferber, is erin geslaagd - en wij danken hem daarvoor - om deze parameters onder een noemer te brengen. Dit is een opmerkelijke prestatie bij een vraagstuk als de postdiensten. Postdiensten zijn niet zomaar een economische activiteit, maar houden nauw verband met de traditie en het dagelijks leven van de Europese burgers, en bepalen het beeld dat de burgers hebben van de efficiëntie van hun overheid.

Mijns inziens is het belangrijk dat onze werkzaamheden zijn toegespitst op het waarborgen van efficiëntie en een levensvatbare universele dienstverlening. Ik geef dan ook steun aan het amendement dat mevrouw Barsi-Pataky samen met andere collega’s - waaronder ikzelf - heeft ingediend en waarin wordt gezegd dat men zich goed moet kunnen voorbereiden op een volledige openstelling tot vrije mededinging, zodat de onderhavige richtlijn tot de liberalisatie in werking kan treden en binnenkomende, uitgaande post en reclamepost kan verzekeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Saïd El Khadraoui (PSE). – Voorzitter, collega's, de hervorming van de postmarkt is een zeer gevoelig thema omdat de weerslag van de openstelling van de markt natuurlijk van land tot land zal verschillen, afhankelijk van de geografie, de graad van verstedelijking of de hoeveelheid post die mensen gewoonlijk versturen. Het is ook, zoals Brian Simpson heeft gezegd, een netwerk van mensen waar iedereen mee geconfronteerd wordt.

Het compromis dat morgen ter stemming voorligt, onthaal ik met gemengde gevoelens. Enerzijds is het zeker zo dat het op cruciale punten ver verwijderd is van het oorspronkelijke Commissievoorstel en van het standpunt van de rapporteur. Dank u voor uw flexibiliteit, meneer Ferber.

De definitie van universele dienstverlening blijft ongewijzigd. Er is twee jaar extra tijd uitgetrokken. De lidstaten zullen vóór die datum moeten laten weten welk financieringsmodel zij voorzien en op sociaal vlak hebben we verkregen dat via het vergunningenstelsel aan alle operatoren dezelfde loon- en arbeidsvoorwaarden kunnen worden opgelegd. Dat is essentieel.

Daar staat tegenover dat er ook veel vraagtekens blijven. Is een duurzame financiering van de universele dienstverlening mogelijk in een volledig geliberaliseerde markt? En dit in alle omstandigheden? Tenzij men natuurlijk ervan uitgaat dat de belastingbetaler de rekening betaalt. Op dat vlak hebben we nog onvoldoende garanties gekregen. Ik denk dat het beter ware geweest dat we, in plaats van ons te concentreren op een datum en vooraleer te beslissen om over te gaan tot liberalisering, eerst land voor land hadden moeten nagaan of de openstelling van de markt wel het beste middel is om het systeem verder te moderniseren en een goede dienstverlening op niveau te hebben.

Het compromis is een stap vooruit, maar volstaat nog niet. Er is nog werk aan de winkel. De bal ligt te veel in het kamp van de lidstaten en bijgevolg zal ik sommige amendementen die het in de commissie niet gehaald hebben, maar opnieuw werden ingediend - onder meer door de Verts/ALE-Fractie - zeker en vast steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck (ALDE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ofschoon velen onder ons de mening toegedaan zijn dat de volledige openstelling van de postmarkt in 2010 de ontwikkeling van pan-Europese diensten waarschijnlijk zal bevorderen en een sterke impact zal hebben op het creëren van banen, zeggen velen van ons ook dat deze modernisering van de postsector niet ten koste mag gaan van de huidige kwaliteit van de postdiensten, die deel uitmaken van het economische en sociale leven in al onze lidstaten, en met name de meest afgelegen gebieden.

Ik had dit al eerder gezegd, in februari 2006, toen ik wees op de terechte vrees van onze medeburgers, postbeambten en bestaande aanbieders. Ik weet ook dat sommige angsten in het achterhoofd blijven hangen. Sindsdien zijn door toedoen van het Parlement, met zijn verschillende gezindheden, de definitie van universele dienstverlening en de financiering ervan versoepeld, met name door de invoering van het compensatiefonds waarmee de kosten van de dienst op billijke wijze gedeeld kunnen worden tussen de aanbieders, afhankelijk van of ze al dan niet, geheel of gedeeltelijk, bijdragen aan het verlenen van de dienst.

We zullen nauwlettend toezien op de tenuitvoerlegging door de autoriteiten in de verschillende lidstaten, en in het bijzonder die van mijn land, van een ambitieuze definitie van de universele dienst, en daarbij zeer alert zijn op de financieringsmethoden ervan, die een kwalitatief hoogwaardige postdienst mogelijk maken voor al onze gebieden, en met name voor de burgers, de werknemers, maar bovenal voor de Europese burgers als geheel.

 
  
  

VOORZITTER: GÉRARD ONESTA
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, in het kader van dit debat over de liberalisering van de postdiensten zou ik mijn voldoening willen uitspreken over de amendementen die de Commissie vervoer en toerisme heeft ingediend op het door de Europese Commissie voorgelegde ontwerp.

Deze amendementen komen tegemoet aan de verwachtingen van de nieuwe lidstaten. Ten eerste zou ik de aandacht willen vestigen op de verlenging met twee jaar van de termijn voor de volledige liberalisering van de markt voor postdiensten in de nieuwe lidstaten. De postbedrijven uit de nieuwe landen hebben deze extra tijd nodig om de noodzakelijke herstructureringen door te voeren en wel op een manier die hen in staat zal stellen om met de sterke postbedrijven uit de oude lidstaten te concurreren.

Ten tweede zou ik willen wijzen op de aanvullende financiële ondersteuning voor bedrijven die de zogenaamde “universele diensten” leveren. Dat kan gebeuren door de vorming van een speciaal fonds waartoe alle aanbieders zullen bijdragen of door het uitbetalen van een compensatie door de overheid aan de aanbieders van dergelijke diensten.

Deze oplossing is van buitengewoon belang voor landen als Polen, waar een groot deel van de bevolking op het platteland woont, vaak in ver afgelegen gehuchten, wat de kosten van het aanbieden van postdiensten aanzienlijk verhoogt.

 
  
MPphoto
 
 

  Joost Lagendijk (Verts/ALE). – Voorzitter, collega's, het is al heel vaak gezegd in dit Parlement. Wat nu gebeurt, waar we het nu over hebben, is onvermijdelijk, maar, consumenten, u hoeft niet bang te zijn: de dienstverlening zal erop vooruitgaan en de prijzen zullen naar beneden gaan.

Collega's, laten we eerlijk zijn. We weten allemaal dat die garanties er niet zijn. Dat weten we als we kijken naar de ervaringen, bijvoorbeeld in Zweden en Engeland. Zeker op kleinere postmarkten zal het vervangen van het staatsmonopolie betekenen dat er een privémonopolie komt en we weten allemaal dat dat betekent dat er geen garanties zijn voor betere dienstverlening en lagere prijzen.

Maar wat mij, eerlijk gezegd, het meest aan het hart gaat is de positie, de toekomst van de werknemers die nu bij de post werken. Ik zeg dat op basis van ervaringen, bijvoorbeeld in het reeds geliberaliseerde deel van de postmarkt in Nederland. Daar zien we dat veel vaste banen zijn veranderd in onzekere parttime banen. En laten we ook daar eerlijk zijn tegen de burgers van Europa. Het wordt er niet per definitie beter op als er geliberaliseerd wordt.

Ik zeg het ook op basis van mijn eigen, persoonlijke geschiedenis. Mijn vader heeft veertig jaar bij de post gewerkt. Dat gold ook voor mijn ooms en mijn neven. Dat waren banen om trots op te zijn. Banen waar ook veel mensen trots op waren. En ik weet dat die wereld van toen, de wereld van de oude zekerheden, niet meer terugkomt. Ik zeg ook niet uit nostalgie of uit een soort valse romantiek dat we terug moeten naar de tijd van toen. Maar het zorgt wel voor een, laat ik zeggen ongemakkelijk gevoel over de onzekere toekomst van veel mensen die nu bij de post werken, die daar trots op zijn of mensen die trots zijn op hun postbode.

Het zorgt ook voor zware twijfels over de vraag of dit nu de boodschap is die wij als Europees Parlement moeten uitdragen. Mooie beloften aan de consumenten waarvan we weten dat ze boterzacht zijn. Aan de andere kant aankondigingen van ingrijpende wijzigingen voor de werknemers waarvan we weten dat ze keihard kunnen uitpakken. Dat is niet mijn idee van een sociaal Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Louis (IND/DEM).(FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, concurrentie heeft zo zijn verdiensten, maar voordat we in een markteconomie kunnen laisser faire is er nog veel te doen. Ruimtelijke ordening is dan ook een van de voorwaarden voor de aantrekkingskracht, efficiency en levenskwaliteit. De volledige privatisering van de postdienst kan schadelijk zijn voor deze ruimtelijke ordening en daardoor voor het welzijn van het volk.

Frankrijk is geen plat land met een homogene topologie. Al naargelang de locatie lopen de kosten voor het bezorgen van kleine poststukken sterk uiteen. De dienst privatiseren betekent dat deze vroeg of laat tegen werkelijke kosten in rekening gebracht wordt of verdwijnt. Landelijke of afgelegen gebieden, die toch al bedreigd worden door het wegvallen van bedrijvigheid, zullen te maken krijgen met een concurrentienadeel dat ze verder in de deflatiespiraal zal onderdompelen.

We moeten binnen dit Parlement dan ook voor de zoveelste keer erkennen dat onze lidstaten verschillend zijn ten aanzien van natuur en cultuur. We moeten elke lidstaat de soevereine vrijheid geven om de oplossing te vinden die bij hen past. De interne markt is geen doel op zich, het is slechts een middel dat het welzijn van het volk dient. Laten we dat niet vergeten in het hogere belang van onze landgenoten!

 
  
MPphoto
 
 

  Corien Wortmann-Kool (PPE-DE). – Voorzitter, graag wil ik collega Markus Ferber bedanken voor het werk dat hij als rapporteur heeft verricht over dit gevoelige onderwerp dat vele burgers in Europa raakt. Want het bieden van een veelzijdige en efficiënte dienstverlening aan consumenten en bedrijven lukt met oude staatsmonopolies zonder marktprikkels niet meer. Het is daarom goed dat die monopolies eind 2010 zullen verdwijnen en er meer ruimte wordt gecreëerd voor innovatie en nieuwe dienstverlening.

Voorzitter, de Raad is verdeeld, maar onder leiding van collega Ferber neemt het Parlement wederom het voortouw om een oplossing te bieden voor een gevoelig onderwerp. Het voorstel dat er nu ligt, is naar mijn mening een evenwichtig voorstel. Het omvat een heldere datum voor het opheffen van monopolies en het vastleggen van wederkerigheid.

Gelijke concurrentievoorwaarden zijn echter van essentieel belang. En wat betreft de voorwaarden voor markttoegang moet recht gedaan worden en wordt recht gedaan aan verschillende belangen. Daardoor is er een waaier aan mogelijkheden voor de lidstaten als het gaat om financiering van diensten. Maar daarin steekt ook een risico: bureaucratie, ondoorzichtigheid en toch indirect mogelijkheden om de markt af te schermen. Er ligt daarom een grote taak voor de Europese Commissie om de financieringsregelingen en de voorwaarden van de lidstaten heel kritisch te beoordelen en na te gaan of er wel sprake is van eerlijke concurrentie.

Voorzitter, collega Meijer leeft nog in de vorige eeuw. Want de postmarkt is al jarenlang in grote veranderingen terechtgekomen. E-mail, internet en andere communicatietechnologieën hebben voor veel veranderingen gezorgd en de postmarkt fundamenteel gewijzigd. Dat kost onherroepelijk werkgelegenheid, maar een geliberaliseerde markt daagt ons ook ertoe uit om creatief te zijn. Nieuwe diensten en nieuwe bedrijvigheid leiden ook tot nieuwe werkgelegenheid, zo leert de ervaring. Die werkgelegenheid is meer toekomstvast dan het in stand houden van de oude staatsmonopolies.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Navarro (PSE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u allereerst de verontschuldigingen overbrengen van mijn collega Gilles Savary, die in Bordeaux gestrand is.

Nu de toekomst van de openbare postdienstverlening op het spel staat wilde ik graag ingaan op een specifiek punt: de financiering van de universele dienstverlening. Wat men ons vandaag voorstelt is om wat er over is van het residueel monopolie en dient om de universele dienstverlening op eenvoudige en transparant wijze te financieren, te vervangen door een waslijst aan complexe systemen die nauwelijks transparant te noemen zijn en die als enige verdienste zouden hebben dat ze vrije en eerlijke concurrentie in de postsector garanderen. Op deze waslijst staan echter ook compensatiefondsen, waarvan we weten dat ze de deur open zetten naar eindeloos juridisch getouwtrek en overheidssubsidies die kunnen leiden tot procedures tegen lidstaten, of een zogenaamd “pay or play”-systeem dat nooit is beproefd en eveneens een vrijbrief zou kunnen zijn voor eindeloze geschillen.

Dit labyrint dat men op poten wil zetten komt in wezen voort uit een puur ideologische keuze, die niets te maken heeft met de werkelijke efficiency en kwaliteit van de postdienstverlening. Op termijn zal dit systeem leiden tot een geleidelijke afname van het universele dienstenaanbod en tot afschaffing van het uniforme tarief, en daarnaast zal het ook beslist gevolgen hebben voor de werkgelegenheid en administratieve lasten.

Dat kunnen wij niet goedkeuren. De postdienst is, met name in plattelandsgebieden, meer dan een gewone commerciële dienst; het is een instrument ten behoeve van sociale en territoriale samenhang, en de ontmanteling ervan is niet de manier om Europa te verzoenen met de burger.

 
  
MPphoto
 
 

  Jeanine Hennis-Plasschaert (ALDE). – Voorzitter, voor een liberaal is het voorliggende compromis, eerlijk gezegd, geen feestpakket. Na vijftien jaar debat is er toch geschoven met de datum van inwerkingtreding. Daarnaast kent het compromis de nodige protectionistische bepalingen die een volledige openstelling van de markt in de weg staan en voor veel juridische onzekerheden zorgen.

De debatten waren en zijn veelal nationaal gekleurd. Vooral de lidstaten die de afgelopen jaren onvoldoende tot hervormingen zijn overgegaan, zijn duidelijk gekant tegen een snelle en volledige marktwerking. Daarmee onthouden zij bedrijven en consumenten de voordelen van concurrentie en aldus meer efficiency, kwaliteit en innovatie. Daarmee schofferen zij, excusez le mot, maar daarmee schofferen zij de lidstaten en postbedrijven die zich al jaren aan het voorbereiden zijn.

En met nog meer verbijstering volg ik dan ook de Raadsdiscussies in dit dossier. De Raad die overigens ook nu weer schittert door afwezigheid. Ondanks alle mooie voornemens en strategieën als die van Lissabon is het afschermen van de eigen markt anno 2007 de trend. Ik kan me dan ook niet aansluiten bij de collega's die het compromis bejubelen en prijzen, noch bij hen die spreken over allerhande horrorscenario's en/of sociale dumping.

 
  
MPphoto
 
 

  Claude Turmes (Verts/ALE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, als groenen proberen wij om de liberalisering te beoordelen aan de hand van objectieve criteria, zonder ideologie. Wat levert het de consument op? Wat zijn de gevolgen voor de arbeidsomstandigheden? Wat zijn de gevolgen voor het milieu? Mijn collega’s Eva Lichtenberger en Pierre Jonckheer zijn al ingegaan op de sociale gevolgen, en op de gevolgen voor het economisch beleid. Wat wij hier besluiten is echter ook een ramp voor het milieu! Om acht uur komt er een gele auto van de posterijen, om negen uur komt er een blauwe auto, om tien uur een rode, en om elf uur een zwarte, en ze zitten alle vier niet vol. Dat betekent dat we de hele logistiek van de postbezorging volledig verbrokkelen en onnodig verkeer veroorzaken, en dat in een tijd waarin we allemaal de mond vol hebben van de klimaatverandering.

Dat is de blinde liberaliseringswaan van de conservatieven, van de liberalen en van bepaalde sociaaldemocraten, zo lopen we het gevaar dat de burger bij de opbouw van Europa afhaakt!

 
  
MPphoto
 
 

  Etelka Barsi-Pataky (PPE-DE). (HU) De volledige openstelling van de Europese markten is een belangrijke stap op weg naar de opheffing van de obstakels die nog bestaan op de gemeenschappelijke Europese markt. Vanwege de politieke overeenkomst van het Parlement moeten tegen het eind van 2012 alle postdiensten die nu nog een monopolie bezitten, voorbereid zijn op de concurrentie. Ik feliciteer de rapporteur met deze overeenkomst.

We hebben ons als doel gesteld dat door de Europese wetgeving iedereen in een concurrentiepositie terechtkomt en dat concurrerende bedrijven hier bij de openstelling van de markt geen nadeel van zullen ondervinden maar dit hun juist een nieuw perspectief kan bieden. Daarvoor is het echter noodzakelijk dat de bronnen van inkomsten die door de nu geldende richtlijn worden gewaarborgd, tot aan het einde van de derogatieperiode beschikbaar blijven voor de bedrijven en postdiensten in kwestie.

Samen met veertig collega’s heb ik een amendement ingediend waarin deze verworvenheden duidelijk en onmiskenbaar zijn vastgelegd. Ik wil het Parlement vragen dit amendement te steunen. Aan de andere kant verwachten we dat de postdiensten deze periode zullen benutten om zich dusdanig voor te bereiden op de concurrentie dat dit niet ten koste gaat van de kleinere regio’s.

Mijn collega Becsey heeft er al verscheidene keren op gewezen dat deze parlementaire overeenkomst ons de mogelijkheid biedt de verplichte universele diensten een meer solide financieringsgrondslag te geven, en dat verwachten de Europese burgers ook van ons. Ik wil iedereen er dan ook op attent maken dat we nog veel werk te doen hebben, ook nadat we de richtlijn hebben aangenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alain Hutchinson (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, tegen de stroom in van de meerderheid die zich binnen ons Parlement lijkt af te tekenen, wilde ik vanochtend de stem laten horen van de minstbedeelden onder onze medeburgers, de stem van mensen voor wie de openbare dienstverlening een belangrijk erfgoed is, omdat zij zelf over helemaal geen erfgoed beschikken.

Ik wil graag wijzen op de funeste en desastreuze gevolgen van de vele door dit Parlement goedgekeurde liberaliseringen, bijvoorbeeld op het gebied van energie, transport en nu de postdiensten. Desastreuze gevolgen in de zin dat de liberaliseringen voor heel wat medeburgers grote nadelen met zich meebrengen, vanwege de zienderogen teruglopende kwaliteit van deze diensten sinds hun liberalisering – we hoeven alleen maar te kijken naar wat er gebeurt in Zweden – en een vrijwel systematische toename van de prijs van deze diensten, of de vele banen in de publieke sector die verloren zijn gegaan, en slechts mondjesmaat vervangen worden door kwalitatief laagwaardige banen.

Om die reden, Voorzitter, zal ik, evenals de Franstalige Belgische delegatie van Sociaal-Democraten, tegen de liberalisering van de postdiensten stemmen, waarbij we evenwel zullen proberen het voorstel inhoudelijk te verbeteren met amendementen om een deel van deze diensten te behouden, met name de amendementen die opnieuw voorzien in de mogelijkheid, voor elke lidstaat, om het model van het voorbehouden gebied te kiezen teneinde de universele dienstverlening te financieren waarvoor elke burger in aanmerking zou moeten komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ona Juknevičienė (ALDE). (LT) Het is jammer dat we de postmarkt niet in 2009 openstellen. Dat is voor zowel de consument als de dienstverlener nadelig. Ik ben blij dat dit onderwerp nu in brede kring op de agenda staat in Litouwen. Ik hoop dat in mijn land de postmarkt ruim voor 2013 wordt opengesteld. Het is waar dat de toekomst van de universele dienstverlening niet alleen mag afhangen van de marktwerking en dat regulering nodig is. Ik denk echter niet dat tijdelijke financiering nodig is, en zeker niet als dat met overheidsmiddelen moet gebeuren. Sommigen zijn bang dat openstelling van de postmarkt veel banenverlies met zich meebrengt. Uit onderzoek en ook uit de ervaring van andere landen blijkt evenwel dat de omvang van postdiensten bij openstelling van de markt toeneemt. De meeste banen blijven behouden en er komen nieuwe banen bij in de organisaties van de nieuwe exploitanten. Ik zal voor dit document stemmen, want het gaat weliswaar niet ver maar is toch een stap in de goede richting.

 
  
MPphoto
 
 

  Christine de Veyrac (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wilde allereerst de heer Ferber feliciteren met de grote inspanningen die hij in de afgelopen maanden, en zelfs afgelopen jaren, heeft geleverd, en met zijn openheid en zijn luisterend oor, want hij weet net zo goed als ik dat we het niet altijd met elkaar eens geweest zijn bij dit complexe vraagstuk.

Nu het Parlement zich opmaakt voor de stemming over de laatste stap van de liberalisering van de postdiensten, die van de poststukken tot 50 gram, wil ik graag mijn tevredenheid kenbaar maken over wat me een vooruitgang lijkt voor gebruikers. Concurrentie is namelijk synoniem met betere dienstverlening, zoals blijkt uit de moderniseringsmaatregelen die een aantal nationale postmonopolies doorgevoerd hebben sinds ze weten dat ze op hun nationale markt te maken zullen krijgen met nieuwe aanbieders.

Concurrentie is ook synoniem met verbetering van het concurrentievermogen van een sector waarvan de omzet daalt en die, als we niets doen, zal bezwijken onder de tekorten en uiteindelijk volstrekt niet meer aantrekkelijk zal zijn voor de gebruiker. Ik wil geen voorbeeld noemen, maar we kunnen allemaal voorbeelden bedenken van landen waar de publieke sector de postdienst, waar gebruikers nochtans recht op hebben, niet meer naar behoren verzorgt.

Ook als we morgen het groene licht geven voor de laatste stap van de liberalisering, is concurrentie voor mij geen doel op zich. Ze moet een middel ten dienste van gebruikers blijven, en ik ben blij dat de tekst waarover het Europees Parlement gaat stemmen expliciet stelt dat de postbezorging aan elke burger van de Unie, waar deze ook woont, een verplichting is. Ook ben ik blij dat de tekst expliciet stelt dat de aanbieder die de universele dienstverlening moet verzorgen, en die dus hogere lasten zal hebben, gefinancierd kan worden uit heffingen op de activiteit van zijn concurrenten voor wie dezelfde verplichtingen niet gelden, en dus eventueel, waarom niet, gefinancierd kan worden door overheidssubsidies. Dit soort financiering zal rechtmatig zijn en elke lidstaat kan er een beroep op doen. Tot welke hoogte? Deze vraag moeten we bij tweede lezing en in de periode tot aan de feitelijke liberalisering kunnen beantwoorden.

Ik herhaal op mijn beurt een vraag aan de Europese Commissie dat ik in de parlementaire commissie en via een schriftelijke vraag had geformuleerd en waarop ik geen antwoord heb gekregen: wanneer denkt de Commissie de richtsnoeren te publiceren om de kosten van de universele dienstverlening te berekenen? De afgevaardigden en de lidstaten moeten weten wat de Commissie wel en niet beschouwt als deelnemen aan de universele dienstverlening. Hoe dan ook, wij willen vóór de tweede lezing meer duidelijkheid op dit punt om deze tekst te kunnen blijven steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Gurmai (PSE). (HU) De Europese postsector is goed voor 1 procent van het bbp van de Europese Unie en heeft 3 miljoen werknemers in dienst, waarmee indirect, met inbegrip van familieleden, 5 miljoen mensen gemoeid zijn. Volgens het onderzoek van PriceWaterhouseCoopers bestaan er enorme verschillen tussen de lidstaten in de mate van voorbereiding op de volledige liberalisering en zijn in het bijzonder de universele postdiensten in de nieuwe EU-lidstaten en de mensen die in deze sector werken in gevaar.

Een snelle liberalisering kan leiden tot aanzienlijke commerciële verliezen voor de staatsdiensten. In Groot-Brittannië vond de volledige openstelling van de markt plaats op 1 januari 2006 en in één jaar tijd raakte de Royal Mail een segment van 2 miljard zakelijke brieven kwijt aan de concurrentie. Tevens kunnen een groot aantal banen in gevaar komen: in Duitsland bijvoorbeeld kan de openstelling van de markt volgens de directeur van de Deutsche Post resulteren in het ontslag van 30 000 personen als in het segment van lichte brieven, waar zij momenteel nog een monopolie bezitten, een marktverlies van 20 procent optreedt.

Het is niet toevallig dat na grondige afwegingen een meerderheid van de commissies in het Europees Parlement 2009 als datum voor de volledige openstelling van de markt niet haalbaar vindt, en in plaats daarvan een latere datum voorstelt, waarbij ook het jaar 2013 al ter sprake is gekomen. Het is overduidelijk dat we de volledige uitbreiding van de vier basisvrijheden moeten steunen, waaronder het Gemeenschapsbeginsel met betrekking tot diensten, maar de onontbeerlijke voorwaarde daarvoor is dat elke lidstaat voldoende tijd moet krijgen voor de technische voorbereiding en een precies schema dat door de Commissie kan worden gecontroleerd.

Bij de liberalisering is het echter vanwege de garantie van vrije concurrentie essentieel dat alle postdiensten in de sector worden onderworpen aan uniforme arbeidsvoorwaarden, waardoor kan worden gegarandeerd dat voor de dienstverleners die nieuw op de markt verschijnen, dezelfde kwaliteitscriteria en arbeidsvoorwaarden gelden. Brian Simpson, bedankt voor de uitstekende samenwerking en bedankt dat je hebt geluisterd naar de stem van de nieuwe lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE). - (SV) Ik hoop dat u succes heeft, mijnheer Ferber. Beter laat dan nooit! In Zweden werden de postdiensten al in 1993 gedereguleerd. Tegen mijn collega’s mevrouw Lichtenberger, de heer Wurtz en andere sceptici wil ik zeggen dat Zweden een uitstekend voorbeeld is van een open postmarkt die goed functioneert. Alle onderzoeken tonen aan dat de klanten meer dan tevreden zijn. De dienstverlening is beter geworden en er zijn langere openingstijden en grotere toegankelijkheid. Er zijn nu 40 procent meer postagentschappen dan in 2001. Degenen in België die zich zorgen maken, moeten beseffen dat Zweden vijftien maal groter is dan België. België heeft bijna 350 inwoners per vierkante kilometer, Zweden telt er slechts 22 en heeft bovendien een heel andere topografie. Ook in mijn langgerekte en dunbevolkte land komt de post op tijd en hoeft de overheid geen extra geld te begroten om te waarborgen dat de dienstverlening in het hele land goed is.

Nieuwe tijden eisen nieuwe oplossingen. Wees niet bang, mijn vrienden!

Tot slot wil ik zeggen dat amendement 79 gaat over eerlijke rapportage en het scheppen van meer openheid en duidelijkheid om oneerlijke concurrentie en kruissubsidie te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik moet me erbij neerleggen, de strijd tegen de liberalisering van de postdiensten valt niet meer te winnen, noch binnen de Raad noch hier. Ik zal er dan ook enkel nog voor strijden dat rekening wordt gehouden met de zeer bijzondere situatie van de post in mijn kleine land. Onze markt is namelijk een zeer aantrekkelijke prooi en derhalve bijzonder begeerd, temeer daar de clientèle 70 procent van het postvolume vertegenwoordigt; bovendien heeft Luxemburg een van de hoogste demografische dichtheden en worden per persoon per jaar 455 poststukken verwerkt – brieven of pakketten –, dat wil zeggen een van de grootste volumes van Europa. Verder zijn de arbeidskosten ruim twee keer zo hoog als die van de concurrenten, en wel om historische redenen die niets te maken hebben met een eventuele ondoelmatigheid van de post.

Econometrische modellen tonen aan dat bij volledige liberalisering het marktaandeel dat bediend wordt door onze post zou dalen tot een habbekrats van 4 procent, waardoor 940 van de 1500 arbeidsplaatsen in de postsector op de tocht zouden komen te staan; het merendeel daarvan blijft buiten schot vanwege de beschermde status van ambtenaren. Tarieven zouden vervijfvoudigd moeten worden om de kosten van een volledige dekking van het nationale grondgebied te financieren en om de frequentie van vijf bezorgingen per week te handhaven, in geval van financiering door subsidies die ten laste komen van de staatsbegroting. Deze subsidies ter hoogte van in totaal 36 miljoen euro zouden de criteria van Maastricht ten aanzien van overheidstekorten fors te buiten gaan. In het geval van mijn land is het dan ook eveneens gerechtvaardigd om de uiterste termijn voor de liberalisering te verlengen tot 2013.

Daarom verzoek ik u vóór amendement 62 van mijn fractie te stemmen, waarmee de negatieve gevolgen van de volledige liberalisering in mijn land kunnen worden beperkt, tenminste voor een bepaalde tijd,.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur, de heer Ferber, gelukwensen met de kwaliteit van zijn verslag. Tevens wil ik de heer Simpson complimenteren met de inspanningen die hij heeft verricht om tot een compromis te komen door de termijn voor het openen van de markt te verruimen teneinde de functionering en financiering van de universele dienstverlening te garanderen.

De laatste fase van de liberalisering van de postdiensten was bij lange niet in staat een concurrerende markt te realiseren waar de grootste winnaars de consumenten, werknemers en ondernemingen zouden zijn. De weg die de Commissie in haar voorstel had uitgestippeld vormde geen voldoende garantie voor het universele karakter van de dienstverlening en verschafte evenmin duidelijkheid over haar financieringswijze. Daarom heb ik de heer Simpson gesteund in zijn streven de Commissie studies te laten presenteren over de kosten van de verplichtingen van de openbare dienstverlening in de nationale plannen en over de regels voor de financiering van de universele dienstverlening. De regels moeten afgestemd zijn op de verschillende kenmerken van de lidstaten en hun regio’s, met inbegrip van de ultraperifere regio’s waar de kosten voor het verlenen van deze diensten in de regel hoger zijn.

Slechts na goedkeuring van die nationale plannen door de Commissie zou er overgegaan mogen worden tot de opening van de postdiensten onder de 50 gram. Daarom steun ik het compromis dat die datum vastlegt voor december 2010 – en december 2012 voor de nieuwe lidstaten – of, zoals ik het zou wensen, december 2011 voor alle lidstaten.

Ik heb ook ingestemd met andere mogelijkheden zoals die verwoord stonden in amendementen voor de plenaire vergadering. Zonder het garanderen van een functionerende publieke dienstverlening zou de opening namelijk een slechte stap zijn voor de werkgelegenheid, de groei en de handhaving van de universele dienstverlening. Ik herhaal evenwel dat de goedkeuring van een nieuwe datum tijdens de stemming van morgen op basis van een compromis, eventueel aangevuld met wat wijzigingen, essentieel is voor de ontwikkeling van deze diensten.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, “De postbode heeft voor iedereen iets”. Dat was de slogan van de Oostenrijkse posterijen, maar het geldt ook voor het verslag-Ferber. De liberalisering van deze sector heeft voor iedereen iets wanneer we het goed organiseren, wanneer we dus garanderen dat iedereen van de nodige diensten kan profiteren, dat brieven ook op de hei regelmatig worden bezorgd, en niet alleen in de agglomeratie, wanneer we garanderen dat de werknemers goede en veilige arbeidsomstandigheden hebben, en de universele dienstverlening overal wordt gegarandeerd, ook in de sectoren die niet bijzonder lucratief zijn.

De huidige versie van het verslag-Ferber geeft goede antwoorden op al deze vragen, en suggereert dus goede regelingen voor de postbedrijven, voor de medewerkers, en vooral voor de klanten. Met dit verslag kunnen we dus garanderen dat Europa iets heeft voor iedereen!

 
  
MPphoto
 
 

  Nicole Fontaine (PPE-DE).(FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, geachte collega’s, we kunnen het niet vaak genoeg zeggen, wij stellen momenteel wetgeving op voor de postdienstverlening aan meer dan 500 miljoen Europese burgers. Wij moeten dat doen met vastberadenheid en gezond verstand en goed nagaan welke gevolgen onze beslissingen zullen hebben voor een bevolking die zo omvangrijk en geografisch divers is.

Met economische vastberadenheid omdat het principe om alle economische activiteiten geleidelijk te liberaliseren niet alleen inherent is aan het concept van de interne markt zonder binnengrenzen, maar sinds 1957 opgenomen is in het Oprichtingsverdrag van de Europese Unie en velerlei voordelen biedt, zoals Christine de Veyrac zeer terecht opmerkte. Het is de plicht en de verdienste van de Commissie ervoor te zorgen dat dit grondbeginsel zonder ongepast protectionisme ten uitvoer wordt gelegd.

Maar ook met gezond verstand, want krachtens het Verdrag is het hoofddoel van de Unie de steeds hechtere eenwording van onze volken, en niet alleen van onze lidstaten. Om vooruit te komen moet Europa door zijn inwoners gezien worden als een meerwaarde en niet als de zoveelste beperking, zonder aantoonbare rechtvaardiging in hun ogen.

Ik neem mijn petje af voor onze rapporteur, de heer Ferber, voor het luisterend oor waarvan hij gedurende dit lange traject blijk heeft gegeven, en naar de rapporteur voor advies, in het bijzonder die van onze Commissie industrie, onderzoek en energie, Hannes Swoboda. Ik hoop dat de stemming van morgen in het verlengde zal liggen van de onlangs gehouden Europese Top en in dit opzicht tot voorbeeld zal strekken. Het komende vereenvoudigde Grondwettelijke Verdrag, waartoe de staatshoofden en regeringsleiders unaniem besloten hebben, zal concurrentie namelijk herdefiniëren als een middel van de Unie en niet als een doel. Het zal de bescherming van burgers tot een doelstelling van de Unie maken. Als zodanig zal de nieuwe Grondwet het bijzondere karakter van diensten van algemeen economisch belang in herinnering roepen, dat voorrang heeft boven aan het algemene beginsel van vrije concurrentie.

Dit is een uitstekende routekaart, want in alle geografische zones van onze lidstaten, het is al meermalen gezegd, is het garanderen van de kwaliteit van de postdienstverlening een zeer gevoelig onderwerp voor de mensen, omdat dit van invloed is op hun persoonlijk, economisch en sociaal dagelijks leven. Ook al is verandering onontbeerlijk, we moeten de vereiste overgang gematigd en gewetensvol benaderen.

Als schaduwrapporteur van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten namens de Commissie industrie, onderzoek en energie ben ik van mening dat het compromisvoorstel van de heer Ferber evenwichtig is, en ik vraag u, geachte collega’s, dogmatismen opzij te zetten, van welke strekking dan ook, en het met uw stem te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil alle afgevaardigden van dit Parlement graag voor hun opmerkingen bedanken. Met de stemming van morgen zal het Parlement een duidelijk en sterk signaal afgeven. Dat zou een stimulans voor de Raad moeten zijn om deze zaak snel af te ronden.

Sta mij toe om aan het einde van dit debat een aantal belangrijke punten te benadrukken. Veel afgevaardigden hebben erop gewezen dat de financiering van de universele dienst de grootste uitdaging is waar wij voor staan. Wij moeten in het oog houden dat er een grote diversiteit bestaat in de nationale omstandigheden en dat er niet noodzakelijkerwijs sprake hoeft te zijn van nettokosten van de universele dienst. Daarom is het onontbeerlijk dat de derde postdienstenrichtlijn over de grootst mogelijke flexibiliteit beschikt om onrechtvaardige lasten te kunnen delen en compensatiemechanismen te ontwikkelen. Voor zover wij dat kunnen beoordelen, zijn de ingediende amendementen in lijn met deze benadering.

De Commissie heeft ook nota genomen van de amendementen met betrekking tot de datum van het volledig openstellen van de markt. Dit aspect zal ook van cruciaal belang zijn bij de discussies met de Raad. Sommige lidstaten willen meer tijd, andere lidstaten hebben hun markt al opengesteld of zullen dat vóór 2009 doen. Een aanzienlijk aantal lidstaten sluit zich op dit punt aan bij het voorstel van de Commissie.

Het Parlement heeft daarnaast voorgesteld om de Commissie te verzoeken steun en advies te verlenen bij de uitvoering van de richtlijn nadat deze in werking is getreden. Die steun en dat advies dienen echter wel al vóór 1 januari 2009 verleend te worden. De Commissie is altijd bereid geweest om lidstaten te ondersteunen en zij heeft dat ook in vele gevallen in de praktijk gebracht. De Commissie heeft dat echter wel altijd autonoom gedaan omdat dit, zoals de afgevaardigden zullen begrijpen, van eminent belang is in het kader van haar verantwoordelijkheden op grond van Titel VI van het Verdrag. Over één ding wil ik duidelijk zijn: de Commissie zal de lidstaten niet in de steek laten nadat een wetgever deze belangrijke richtlijn heeft aangenomen.

De Commissie zal alles in het werk stellen om de interne markt voor postdiensten tot een succes te maken. Dat is niet alleen in het belang van onze consumenten en exploitanten, maar ook in dat van de vele duizenden postbodes die ervoor zorgen dat de post een van onze meest geliefde diensten is. De Commissie zal binnen haar bevoegdheden al het mogelijke doen om hier een bijdrage aan te leveren.

Er is een groot aantal amendementen ingediend. Ik heb geregeld dat een overzicht van het standpunt van de Commissie aan de diensten van het Parlement ter beschikking wordt gesteld zodat dit in de handelingen opgenomen kan worden(1). Ik wil de rapporteur, de heer Ferber, nogmaals bedanken en benadrukken dat het belangrijk is dat er vooruitgang wordt geboekt met betrekking tot dit gevoelige en essentiële dossier.

Standpunt van de Commissie over de amendementen van het Parlement

A. Amendementen die de Commissie kan aanvaarden, in beginsel/gedeeltelijk kan aanvaarden en/of in aangepaste formulering kan aanvaarden:

1, 2, 3, 4, 8, 9, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 20, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 35, 37, 39, 41, 44, 46, 47, 49, 51, 52, 53, 55, 56, 60, 63, 65, 75, 76, 79, 80, 82, 83

B. Amendementen die de Commissie niet kan aanvaarden:

5, 6, 7, 10, 19, 21, 22, 23, 24, 34, 36, 38, 40, 42, 43, 45, 48, 50, 54, 57, 58, 59, 61, 62, 64, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 77, 78, 81, 84

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, woensdag, plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE), în scris. – Apreciez ca extrem de favorabila sustinerea Parlamentului European pentru diversificarea activitatii operatorilor poştali prin furnizarea de servicii ale societăţii informaţionale, amendament la care ţin pentru că asigură atât supravieţuirea operatorilor tradiţionali de poştă în era digitală, cât şi posibile surse alternative de finanţare pentru serviciul universal.

Am convingerea că cel mai important factor de progres este concurenţa, aceasta conducand la o mai bună calitate a serviciilor şi la preţuri mai mici.

În România legislaţia prevedea deja data de 1 ianuarie 2009 pentru eliminarea zonei rezervate, iar în unele state membre liberalizarea totală a avut deja loc.

Textul aprobat de Parlament este un text de compromis care permite liberalizarea totală a serviciilor poştale, dar dă dovadă de solidaritate cu statele care au nevoie de mai mult timp pentru acest proces. Directiva propune şi solutii pentru finanţarea serviciului universal, fara însă să fixeze o modalitate de calculare a costurilor. Asteptam solutia Comisiei pana in septembrie.

Este esenţial ca serviciile poştale să fi accesibile şi disponibile chiar şi într-un cătun cu doar câteva familii, situat în vârf de munte sau pe o insulă, iar calitatea locurilor de munca din domeniul serviciilor postale sa fie asigurata si dupa deschiderea totala a pietei.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris McCreevy heeft er terecht op gewezen dat dit een belangrijk Europees wetsvoorstel is. Hij heeft de Raad ook gevraagd om van deze voorstellen uit te gaan. Helaas is de Raad vandaag echter niet aanwezig. Het zou misschien geen kwaad kunnen als u de Portugezen eens vertelt dat het vandaag al 10 juli is, en dat ze sinds 1 juli voorzitter van de Raad zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dank u wel voor uw opmerkingen, we zullen een telegram naar Lissabon sturen.

 
  

(1) Zie hierna.


6. Beleid financiële diensten 2005-2010 (Witboek) (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0248/2007) van Ieke van den Burg, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over het beleid op het gebied van financiële diensten (2005-2010) - Witboek (2006/2270(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Ieke van den Burg (PSE), rapporteur. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, bij het opstellen van dit verslag voor het Europees Parlement heb ik commissaris McCreevy en zijn voorganger, de heer Bolkestein, van harte gefeliciteerd met het succes van de wetgeving en de regulering betreffende de financiële markten en de werkzaamheden van de Europese Commissie op het gebied van de uitvoering ervan. Ik denk dat iedereen zich daarbij aan kan sluiten. Waar wellicht niet iedereen het over eens zal zijn, is de vraag wat de volgende stappen en prioriteiten moeten zijn.

Ik denk dat dit te maken heeft met een verschil in de gehanteerde perspectieven. Ikzelf vind het bijvoorbeeld niet voldoende om alleen maar te kijken naar het succes van de financiële sector op zich. Volgens mij heeft deze sector namelijk een instrumenteel karakter en ik wil dan ook graag evalueren of hij de juiste infrastructuur biedt voor economische groei, welvaart en welzijn. Daarom ligt in mijn verslag de nadruk allereerst op de strategische vraag wie er nu precies van dit succes profiteert.

Profiteren eindgebruikers in dezelfde mate als de grote multinationale financiële conglomeraten die machtsposities innemen aan de top van de financiële markten? Wie heeft er het meeste baat bij de toegenomen liquiditeit op de markten? Zijn dat KKR, Blackstone en de andere private equity-bedrijven met hun transacties van miljarden dollars of zijn het de bedrijven die gedekt zijn omdat de kredietbeoordelingen naar een junk status kelderen? Durven ondernemers nog steeds te investeren in onderzoeks- en ontwikkelingprojecten voor de lange termijn met het oog op het creëren van nieuwe producten en diensten of zitten zij gevangen in steeds kortere cycli van financiële planning en rapportages? Leidt de enorme toename van complexe financiële producten die afgeleid zijn van de traditionele obligaties en aandelen daadwerkelijk tot een betere verdeling van kapitaal of leidt dit alleen maar tot grotere speculatiewinsten voor de hedge funds die aan de touwtjes trekken van het piramidespel? Zijn de burgers in de onlangs toegetreden lidstaten beter af door de invasie van buitenlandse banken en verzekeringsmaatschappijen in hun land of worden zij geconfronteerd met monopolistische structuren die alleen maar standaardproducten van middelmatige kwaliteit aanbieden tegen prijzen die hoger zijn dan in de landen waarin het hoofdkwartier van die bedrijven is gevestigd?

Deze en soortgelijke vragen zijn mijns inziens van fundamenteel belang voor het beantwoorden van de vraag wat voor soort follow-up er vereist is. Het eerste voorstel in mijn verslag is dan ook om een diepgaandere economische analyse uit te voeren.

Dan ga ik nu over op de prioriteiten zoals die in mijn verslag worden uiteengezet. De eerste prioriteit heeft betrekking op een van mijn grootste punten van zorg, namelijk de enorme concentratie aan de top van de markt met slechts dertig à veertig grensoverschrijdende financiële spelers die in een klein aantal lidstaten zijn geconcentreerd. In het mededingingsverslag dat wij tijdens de laatste zitting hebben aangenomen, hebben wij onze bezorgdheid hieromtrent geuit. Wij hebben commissaris Kroes ook voorgesteld om de activiteiten van investeringsbanken, kredietbeoordelingsinstanties, accountantsbureaus en dergelijke die aan de top van de financiële markt staan, toe te voegen aan haar lijst van eventuele onderzoeken. Wij hebben dit voorstel afgelopen week nogmaals herhaald.

De tweede prioriteit is het financiële stabiliteitsrisico van de nieuwe ontwikkelingen in die alternatieve investeringen - hedge funds, private equity. Ik hoef hier niet uitgebreid op in te gaan omdat elke dag in de kranten te lezen is dat de bezorgdheid over deze ontwikkelingen een algemener karakter heeft. Prudentiële toezichthouders, centrale banken, de ECB en onze tegenhangers in de VS – waaraan wij volgende week een bezoek zullen brengen – hebben dergelijke twijfels ook geuit. Volgens mij is het de hoogste tijd dat wij deze risico’s gaan aanpakken.

De derde prioriteit heeft betrekking op de financiële detailhandelsmarkten. Mijn antwoord op het gebrek aan integratie aan de detailhandelskant is niet dat wij dat systeem eens grondig onder handen moeten nemen en de grenzen dan maar open moeten stellen. Naar mijn idee hebben wij een veel gerichtere strategie nodig, met name met het oog op de mobiele gebruikers, aangezien die een concrete behoefte hebben aan de toegang tot en het werken met dienstverleners in verschillende lidstaten. Dat zou ook een grotere stimulans kunnen zijn voor het ontwikkelen van pan-Europese financiële producten, zoals het pensioenproduct dat enkele weken geleden door de Federatie van Banken in de Europese Unie (FBE) is gepresenteerd.

De behoefte aan microkredieten is een belangrijk onderwerp, net zoals de pensioenstelsels, de toegang tot basisdiensten, betere financiële kennis en consumenteninbreng en, tot slot, een betere regulering en een efficiëntere opzet van het toezicht in de toekomst. Wat dat betreft, is het grote verschil tussen u en ons dat uw mantra “minder is meer” is, zoals u vorige week zei. Wij vinden dat er een gerichtere regulering dient te komen. Met betrekking tot de opzet van het toezicht, is het hard nodig om daar in de herfst al over te discussiëren. Afgezien van het feit dat er reeds veel goede ontwikkelingen in gang zijn gezet, kunnen wij ons niet veroorloven om nu met de handen over elkaar te wachten op de dingen die komen gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik complimenteer de Commissie economische en monetaire zaken en in het bijzonder de rapporteur, mevrouw Van den Burg, met het initiatief dat zij heeft genomen en het vele werk dat er in dat verband is verzet.

Het is geen eenvoudige opgave om het zeer brede terrein van de financiële diensten in één verslag te behandelen aangezien het daarbij gaat om onderwerpen variërend van het bankwezen en clearing en afwikkeling tot aan hedge funds en betalingssystemen. Wat dat betreft, mag het door u opgestelde verslag een bewonderenswaardige prestatie worden genoemd.

Ik wil ook graag zeggen hoe verheugd ik ben dat er blijkbaar zo’n eensgezindheid bestaat over zoveel aspecten van het beleid op het gebied van de financiële diensten. Hoewel wij onderwerpen soms vanuit een verschillend perspectief benaderen, is het zeer bemoedigend om te constateren dat wij in veel opzichten op eenzelfde lijn zitten.

Het Europees Parlement en de Commissie zitten bijvoorbeeld op één lijn in hun streven om de financiële markten in Europa voortdurend sterker te maken. Wij willen allemaal solide, liquide en dynamische financiële markten die als een echte katalysator kunnen fungeren voor investeringen en groei, waar uiteindelijk alle burgers baat bij hebben. Wij willen ook stabiele, rechtvaardige en efficiënte systemen voor de regulering en het toezicht en wij willen ook allemaal de rol van Europa op het wereldwijde financiële toneel vergroten. Het is van cruciaal belang dat wij blijven streven naar de verwezenlijking van deze doelstellingen.

Ik ben zeer verheugd over de mate van aandacht die in het verslag aan de kwestie van het toezicht is besteed. Dat toezicht heeft in 2007 voor de Commissie een absolute prioriteit. Wij zijn druk bezig om in de herfst van dit jaar met voorstellen te komen om het Lamfalussy-proces te versterken. Wij sluiten ons wat dat betreft aan bij de bezorgdheid die het Parlement heeft geuit over het verdelen van de lasten tussen toezichthouders in het thuisland en het gastland.

Met betrekking tot de financiële diensten is het opvallend hoeveel kwesties die in dit verslag worden behandeld, ook terugkomen in de raadpleging over het Groenboek over de dienstverlening op de financiële detailhandelsmarkt. Die raadpleging wordt overigens deze week afgesloten. Ik wil er echter op aandringen dat wij onze ambities om oplossingen te vinden, niet moeten beperken tot de “mobiele consument”. Alle burgers moeten van ons beleid kunnen profiteren, zelfs degenen die in hun eigen omgeving blijven “winkelen”. Ik verwelkom de initiatieven in het verslag voor het bevorderen van de financiële kennis. De Commissie stelt op dit moment een mededeling over dit onderwerp op die tegen het eind van dit jaar aangenomen zal worden.

Ik onderken de bezorgdheid die in het verslag wordt geuit met betrekking tot de alternatieve beleggingsinstrumenten zoals hedge funds en private equity. Zoals ik al een paar keer eerder heb gezegd, ben ik van mening dat wij al over de noodzakelijke regulerende waarborgen beschikken, maar ik geef toe dat het essentieel is dat wij op dit punt voortdurend waakzaam blijven. Ik ben ook verheugd over een aantal initiatieven vanuit de branche zelf om vrijwillige normen of beste praktijken te ontwikkelen over waarderingen, transparantie en risicobeheer.

Uw bezorgdheid over de marktconcentratie op bepaalde gebieden is begrijpelijk, hoewel wij nog geen aanwijzingen hebben dat er sprake is van marktverstoringsproblemen in het beleggingsbankwezen. Er zijn al activiteiten in gang gezet om een aantal van de potentiële problemen te beperken, bijvoorbeeld via de gedragscode voor kredietbeoordelingsinstanties van de Internationale Organisatie van Effectencommissies. Wij zullen de betreffende ontwikkelingen op de voet blijven volgen. Die initiatieven moeten de tijd krijgen om hun effectiviteit te bewijzen. Een reflexmatige reactie op een nog lang niet uitgekristalliseerd probleem zou een veel negatiever effect hebben.

Ik verwelkom de steun van het Europees Parlement voor onze dialoog met belangrijke internationale partners op reguleringsgebied. Wat de internationale boekhoudnormen betreft, worden er met name door het oprichten van werkgroepen van de Europese Adviesgroep voor de financiële verslaglegging (EFRAG) al maatregelen genomen om de Europese standpunten en inbreng luider te laten klinken. Dat kan ik alleen maar toejuichen.

Wij mogen ons echter niet van onze belangrijkste doelstelling laten afleiden en dat is het lopende convergentieproces tussen de Amerikaanse GAAP en de internationale normen voor de financiële verslaglegging. Ik ga er vanuit dat wij, naarmate dat proces zich verder ontwikkelt, op uw steun kunnen blijven rekenen.

Samengevat kan ik alleen maar herhalen dat een van onze instellingen misschien af en toe een beetje uit de pas loopt met betrekking tot het beleid op het gebied van de financiële dienstverlening, maar dat wij ongetwijfeld wél dezelfde kant opgaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Paul Gauzès (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie juridische zaken. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, dames en heren, ik kan me vinden in de prioriteiten van de Europese Commissie als het gaat om het beleid op het gebied van financiële diensten tot aan 2010. Het is inderdaad noodzakelijk verdere vooruitgang te boeken op weg naar een Europese financiële markt die geïntegreerd, open en concurrerend is, en om de laatste economisch significante obstakels weg te nemen zodat kapitaal vrij kan circuleren in de hele Europese Unie, tegen zo gering mogelijk kosten en met een passend niveau van bedrijfseconomisch toezicht, teneinde financiële stabiliteit te garanderen.

Ook is het onontbeerlijk om de samenwerking en convergentie te verbeteren ten aanzien van toezicht in de Europese Unie en om de relaties met andere mondiale financiële markten te verdiepen. Het lijkt me cruciaal om de consolidatie van de financiële dienstensector en met name de integratie van de detailhandelsmarkten voort te zetten. Hoe meer financiële markten, die een belangrijke rol spelen bij het goede functioneren van moderne economieën, geïntegreerd zijn, des te efficiënter de verdeling van economische middelen zal zijn, en des te beter de economische resultaten op lange termijn.

Wat retailbankieren betreft, moeten we verder gaan om de integratie verder op weg te helpen. We moeten met name kijken naar de harmonisatie van nationale regels voor de bescherming van consumenten. Inspanningen moeten een vervolg krijgen. De financiële dienstensector van de Europese Unie bezit een fors potentieel voor economische groei en werkgelegenheid dat nog niet ten volle is benut. De interne markt voor detailhandelsdiensten is nog lang niet voltooid; een efficiëntere markt voor risicokapitaal is onontbeerlijk om nieuwe en innovatieve bedrijven te stimuleren en economische groei te bevorderen.

In dit verband wil ik benadrukken hoe belangrijk het is het concurrentievermogen van Europese banken ten opzichte van hun concurrenten, met name Amerikaanse banken, te bevorderen. Tot slot is het zaak toe te zien op de totstandbrenging van communautaire structuren op het gebied van reglementering en toezicht. De versnippering van het bedrijfseconomische toezicht is een van de grootste obstakels voor consolidatie van de financiële sector. Daarom moeten toezichthoudende autoriteiten nadrukkelijker verplicht worden tot samenwerking en informatie-uitwisseling. Ook moeten we de veiligheid van samenwerking garanderen in crisissituaties.

 
  
MPphoto
 
 

  Othmar Karas, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, mevrouw de rapporteur, het is waar, we moeten meer doen om de financiële markten nog sterker te maken. Het Actieplan voor financiële diensten tot 2004 heeft er toe bijgedragen dat er een geïntegreerde en goed functionerende Europese kapitaalmarkt is ontstaan. Zeker ook vanwege de kwaliteit en de degelijkheid van de regelgeving heeft die markt in de hele wereld een toppositie. We zijn echter nog niet klaar, en dat blijkt ook uit dit verslag. De rapporteur had oorspronkelijk 43 artikelen geschreven, en er zijn er 217 amendementen ingediend. Samen met de schaduwrapporteurs – en de heer Hoppenstedt kon vandaag helaas niet komen – zijn er 35 compromisamendementen uitgewerkt, en in de commissie is er over 141 amendementen gestemd.

In dit verband trekken we echter allemaal één lijn, omdat we een sterkere interne markt voor financiële diensten nodig hebben. CEPS, CESR, CEIOPS of lead supervisor, het zijn allemaal concepten, en daarachter zit het streven naar de ideale structuur voor het Europees toezicht op de financiële markten. Uit de vorige crisisoefening ter controle van de financiële stabiliteit in de Europese Unie is duidelijk gebleken dat er nog heel wat werk aan de winkel is.

Om een goed beheer te kunnen garanderen, en dus ook financiële stabiliteit, moeten we zorgen voor een betere coördinatie tussen de toezichthouders. De volgende crisisoefening is al gepland voor 2009. In alle systemen in de lidstaten is echter duidelijk dat de nadruk bij het toezicht nog steeds op de individuele bedrijven ligt, en niet zozeer op de categorie. Daarom moeten we zorgen voor een verdere ontwikkeling van de toezichtstructuren, en voor een betere coördinatie tussen de nationale toezichthouders. We hebben geen behoefte aan een centraal toezicht, maar we moeten de bestaande toezichtcultuur, die gebaseerd is op gezamenlijke waarden en doelstellingen, verder ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès, namens de PSE-Fractie.(FR) Mijnheer de Voorzitter, Commissaris, u weet dat voor mijn fractie de markt geen doel op zich is; de markt moet een strategie financieren. Deze strategie heeft de Europese Unie onlangs, op 9 maart jongstleden op uitzonderlijke wijze verlengd, rondom wat ik zou aanduiden als de strategie van twintig: in 2020, twintig procent … enzovoorts, ik zal het hierbij laten. Daarom moeten we een samenhangende financiële markt integreren.

Veel is gedaan, veel moet nog worden gedaan. Tot de dingen die nog gedaan moeten worden behoort uiteraard de kwestie van de detailhandelsmarkten. Op dit punt denken wij dat een hele bijzondere benadering centraal moet staan in de strategie van de Commissie. We moeten vanzelfsprekend financiële educatie bevorderen, dat is bijna een onderwerp in zwang geworden en u kunt rekenen op de steun van mijn fractie wanneer het erom gaat een dergelijke educatie te ontwikkelen. Maar we moeten ook, zoals we hebben benadrukt bij het debat over de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID), kijken onder welke voorwaarden financiële producten worden aangeboden aan spaarders, consumenten en kleine beleggers: we moeten ook de voorwaarden waaronder financiële producten op de markt worden gebracht, onder de loep nemen.

Dan resteert nog het debat dat zojuist van start gegaan is, met veel ophef onder het Duitse voorzitterschap, over alternatieve fondsen, de hedge funds. Alleen al het feit dat op internationaal niveau een gedragscode is bedacht geeft aan hoezeer dit debat is veranderd. Toch biedt integratie de spelers op deze markt kansen. Het geeft hun een aantal verantwoordelijkheden en plichten. En in dit opzicht denk ik dat mijn fractie zich niet kan vinden in het evenwichtspunt dat is bereikt. Als we de veiligheid van het systeem willen garanderen, moeten we de discussie voortzetten, ook bij het debat over de voorwaarden waaronder prime brokers in dezen oordelen en beoordeeld worden.

Verder is er de kwestie van de marktstructuren. De wetgeving die we aannemen heeft gevolgen voor de marktstructuren en dat kunnen we niet ontkennen. Bij het segment per segment opstellen van onze wetgeving moeten we een duidelijk beeld hebben van de financiële markt die we willen, om zo goed mogelijk in te spelen op de financieringsbehoeften van de Europese economie. Een financiële markt met als voornaamste begunstigden de grote investeringsbanken buiten de Europese Unie – is dat echt wat we voor ogen hebben? Ik denk het niet. We moeten een strategie integreren die elke speler in staat stelt zijn plaats te vinden in het algehele evenwicht.

En de voorname kwestie die ons uiteraard nog te wachten staat, is die van het toezicht. Ik ben het op dit punt volledig eens met onze rapporteur. De bevoegdheid en legitimiteit van de comités op niveau drie, de toezichthouders, moeten worden uitgebreid; elke nationale toezichthouder moet verplicht zijn tot Europese convergentie. Zo kunnen we de veiligheid van het systeem waarborgen en geïntegreerd toezicht beter benutten als instrument om een Europese markt tot stand te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Margarita Starkevičiūtė, namens de ALDE-Fractie. – (LT) Zoals sommige collega’s al hebben opgemerkt, is Europa de belangrijkste financiële wereldmarkt en moeten we blijven zorgen voor beleid waarmee we die positie kunnen behouden. Wat voor beleid hebben we voor ogen, collega-liberalen? In de eerste plaats moet dat een effectief beleid zijn dat open staat voor innovatie en nieuwe producten. We moeten prioriteit geven aan zelfregulerende mechanismen zonder hindernissen op te werpen voor de komst van nieuwe financiële producten. Regulering moet zorgen voor gelijke mededingingsvoorwaarden voor niet alleen grote maar ook kleine ondernemingen. Hierbij wil ik de woorden “kleine ondernemingen” benadrukken, want meer dan eens houdt de Europese Commissie alleen rekening met de belangen van grote ondernemingen.

We willen ook dat er adequaat toezicht wordt uitgeoefend. Dat betekent niet dat het toezicht tot in de kleinste details moet zijn geregeld maar dat het volgens bepaalde beginselen moet worden uitgeoefend. Voor een eenvormige toepassing van die beginselen in de diverse landen, zouden we graag zien dat de nationale overheden, evenals de Europese Commissie en de leden van het Europees Parlement zelf, zich er meer om bekommerden dat nationale toezichthoudende instanties in breder verband met elkaar en met andere organen in de financiële sector samenwerkten.

Verder zouden we willen dat de kwesties van consolidatie van de financiële markt en systematisch risico zodanig worden geëvalueerd dat het de consument duidelijk is wie de rekening gepresenteerd krijgt als de een of andere instelling, een grote Europese instelling, niet goed functioneert. We zouden ook een financiële markt willen waarop de belangen van particuliere bankklanten worden behartigd – de belangen van miljoenen gewone EU-burgers.

Hoe zou die markt er moeten uitzien? Voor de particuliere sector zou de markt een open structuur moeten hebben, opdat de consumenten toegang hebben tot een brede waaier van financiële producten en vermeden wordt dat er in bepaalde landen maar één bank is die zijn producten aanbiedt. Een dergelijke open structuur biedt klanten in alle landen dezelfde kansen om te profiteren van de verscheidenheid en innovatieve mogelijkheden van de Europese markt. We zouden graag zien dat nieuwe producten in heel de EU verkrijgbaar zijn, opdat werknemers niet afhankelijk zijn van bepaalde landen. Er wordt ook gesproken over diverse pensioenproducten en hypotheekleningen.

Daarnaast willen we een kosteneffectieve markt. Wat wordt er bedoeld met voor particuliere klanten gepaste kosten? Dat betekent niet regulering maar transparantie. Er moet een duidelijke kostenstructuur zijn voor financiële diensten, zodat iedere particuliere klant een pakket kan kiezen dat voor zijn situatie en portemonnee het meest geschikt is. We hopen dat de Europese financiële markt op deze manier de meest competitieve ter wereld blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  Sahra Wagenknecht, namens de GUE/NGL-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het verslag bevat een hoofdstuk over “alternatieve beleggingsinstrumenten”. Daarin wordt ook ingegaan op hedge funds en private equity. Het Parlement moet daarover beslist klare taal spreken. Hedge funds zijn overal ter wereld beroemd en berucht voor de buitengewoon agressieve manier waarop ze de werknemers uitbuiten, de bedrijven leegroven, en zonder enige scrupules banen vernietigen. Hun gedrag wordt terecht vergeleken met dat van sprinkhanen.

De formulering van dit verslag gaat deze gevaren onvoldoende te lijf. We moeten heldere en duidelijke bepalingen vastleggen. In de richtlijnen voor de activiteiten van hedge funds en van private equity funds moeten de volgende bepalingen worden opgenomen: er moeten minimumeisen komen voor het eigen vermogen van dergelijke fondsen, de winst bij verkoop moet volledig worden aangegeven voor de inkomstenbelasting en de winstbelasting in het land waar het bedrijf gevestigd is, er moet een registratieplicht komen, de verplichting om de structuren van vermogen en eigendom en de courante activiteiten bekend te maken, en nog veel meer.

Onze fractie heeft de nodige amendementen ingediend, en we hopen werkelijk dat u daar voor zult stemmen.

 
  
  

VOORZITTER: LUISA MORGANTINI
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  John Whittaker, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, het Actieplan financiële diensten is een kolossaal, ingewikkeld regelgevingscomplex. Het enige effect van deze vergeefse poging om de financiële producten te reguleren en de risico’s weg te legaliseren, is dat bedrijven uit de Europese Unie verjaagd zullen worden. Zelfs de City of London begint nu te beseffen dat de kosten om te voldoen aan de richtlijn betreffende de markten in financiële instrumenten waarschijnlijk veel groter zullen zijn dan de eventuele voordelen van een betere toegang tot de markt. En dan zijn er altijd nog de ongewenste bijwerkingen. De rapporteur beklaagt zich dat er onvoldoende wordt gedaan voor de detailhandelsklanten van de financiële diensten. Volgens haar bestaat de basisbehoefte van elke burger uit de toegang tot een bankrekening, financiële transacties tegen lage kosten en de mogelijkheid om geld te sparen of te lenen. De grootste belemmering voor detailhandelsbankieren zijn echter de bureaucratische “ken-uw-klant”-procedures die banken verplicht moeten hanteren op grond van de eigen regelgeving van de EU om het witwassen van geld te voorkomen. In het Engels zouden wij dit shooting yourself in the foot noemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Petre Popeangă, în numele grupului ITS. – Consider că o lucrare având ca obiectiv stabilirea unei politici pe termen mediu în domeniul serviciilor financiare este una a cărei necesitate şi importanţă nu pot fi puse la îndoială.

Concentrarea pieţei, mijloacele alternative de investiţii, accesul la finanţare în sectorul cu amănuntul, riscurile sistemice, îmbunătăţirea prevederilor legale şi altele reprezintă categorii importante de activităţi a căror aplicare la nivel naţional, ca şi impactul acestora la nivel global, justifică asemenea acţiuni iniţiate şi la nivelul Uniunii Europene.

Necesitatea unui asemenea demers rezultă în primul rând din necesitatea asigurării unei transparenţe sporite şi a unui spaţiu de acţiune uniform pentru concurenţă, dar şi din necesitatea separării diferitelor servicii furnizate consumatorului şi, nu în ultimul rând, de gama limitată a produselor cu amănuntul oferite de către grupurile financiare care operează pe pieţele naţionale.

Cantonându-mă din lipsă de timp doar la domeniul protecţiei consumatorului, menţionez că, deşi acesta este considerat la nivelul Uniunii Europene ca fiind una din activităţile prioritare, practica demonstrează că în anumite zone nu se ridică la cotele necesare fie datorită insuficienţei prevederilor legale, fie din lipsa unor garanţii certe că furnizorii de servicii sunt organisme fiabile şi solide din punct de vedere financiar.

Cu aceste câteva precizări, menţionez că susţin aprobarea propunerii raportorului privind Carta Albă a Comisiei referitoare la politica serviciilor financiare în perioada 2005-2010, ca şi a propunerilor referitoare la organizarea de dezbateri pe tema fondurilor speculative, puncte de vedere care constituie, de altfel, şi poziţia autorităţii competente din România faţă de problematica pieţelor de instrumente financiare.

 
  
MPphoto
 
 

  Gunnar Hökmark (PPE-DE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, sta mij toe om allereerst de rapporteur te bedanken.

Wij moeten onszelf een paar dingen afvragen voordat wij verder gaan met de financiële diensten en het hervormingsproces. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de vraag of wij willen dat de Europese financiële markten vitaal en dynamisch zijn en een centrale rol spelen in de mondiale financiële ontwikkeling. Het antwoord op die vraag is een onmiskenbaar “ja”.

Wij moeten er echter ook voor zorgen dat deze diensten wereldwijd attractief zijn en dat zij kapitaal en vitaliteit kunnen aantrekken. Dat maakt in ieder geval duidelijk wat onze doelstellingen zijn: wij moeten over regelgeving beschikken om de transparantie en geloofwaardigheid te waarborgen terwijl wij tegelijkertijd moeten voorkomen dat er voorschriften uitgevaardigd worden die de mededinging, de producten en de diensten reguleren. Dat moet juist andersom zijn. Wij moeten zorgen dat wij over fundamentele, gemeenschappelijke regels beschikken die ruimte maken voor de nieuwe toekomstgerichte, financiële dienstverlening in Europa. Met het oog op dat evenwicht had ik graag gezien dat het definitieve resultaat van dit verslag een meer open karakter had gehad en er duidelijk voor was gekozen om de markt open te stellen voor mededinging. Ik wil graag benadrukken dat er geen sprake mag zijn van enige vorm van economisch patriottisme in de financiële sector in Europa aangezien dat een belemmering zou vormen voor de dynamische ontwikkeling en groei van de Europese financiële markten. Met betrekking tot de toekomst van de financiële diensten in Europa, dient het motto van de Franse revolutie het uitgangspunt te vormen: liberté, egalité, fraternité. Dat is concurrentie en daardoor zou er dynamiek op de Europese financiële markten worden geïntroduceerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Harald Ettl (PSE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, gezien de ongelofelijke snelheid van de mondialisering is een goed functionerende geïntegreerde kapitaalmarkt een essentiële basis voor de Europese economie. Ik zou de rapporteur willen bedanken, omdat ze niet alleen de nadruk heeft gelegd op het financiële succes van de Europese kapitaalmarkt, maar ook op de verdeling, de bijbehorende voordelen en de risico’s.

Financiële producten zijn dan goed wanneer ze inspelen op wat onze samenleving wil en nodig heeft. Dat is echter alleen maar mogelijk met een betere controle. Wanneer we alles aan de markt overlaten, leidt dat tot misbruik van de markt. Het is waar dat hedge funds en private equities tot meer liquiditeit en een betere diversificatie van de markt kunnen leiden, maar er kleven ook gevaren aan. De systeemrisico’s kunnen buitensporig zijn, bijvoorbeeld door fouten in het vermogensbeheer, en dat zijn potentiële gevaren die we niet kunnen overzien. De werkmethodes van de hedge funds veranderen bijvoorbeeld heel snel. Zelfs degenen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de financiële markten stellen al vaker vast dat de verplichting tot publicatie omzeild wordt.

Slimme marktdeelnemers vinden al vaker nieuwe wegen om hun activiteiten te versluieren – dat stond ook in de Neue Zürcher Zeitung. Dat leidt tot hyperslimme overrompelingstactieken bij bedrijfsovernames. De werknemers die op de lange termijn zorgen voor de toegevoegde waarde in de economie worden al vaker een speelbal van de onversneden belangen van het kapitaal. Dat moeten we verhinderen, zonder de groei van de markt af te remmen. Bovendien moeten we ervoor zorgen dat de winst beter wordt verdeeld. Daarover moeten de ambtenaren van de Commissie nog eens goed nadenken. We kunnen het niet aan het bedrijfsleven overlaten om alleen te beslissen wat in zijn belang is, de politiek moet regelen en controleren wat voor de samenleving in de Europese Unie een duurzaam voordeel oplevert.

 
  
MPphoto
 
 

  Sharon Bowles (ALDE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, in verband met ons verslag wil ik graag drie waarschuwingen laten horen casu quo opmerkingen maken. In de eerste plaats is de trendgevoeligheid het punt waar ik de meeste moeite mee heb gehad in het verslag. Het is blijkbaar in de mode om kritiek te leveren op private equity en zeker op hedge funds. Het kan een goede zaak zijn om dingen te bestuderen, te analyseren en te bediscussiëren, maar het is verkeerd om vervolgens een bevooroordeelde conclusie te trekken alleen om te laten zien dat je met de mode meegaat.

In de tweede plaats wordt in paragraaf 6 verwezen naar de concentratie van financiële diensten bij grote, beursgenoteerde ondernemingen. Het is wellicht terecht om daarbij ook accountantsfirma’s te noemen, aangezien er door de consolidatie in die sector nog maar een handjevol bedrijven over is dat grote audits kan doen. Het is echter niet terecht om te suggereren dat er bij beleggingsbanken van een vergelijkbare concentratie sprake is: geen van de bedrijven in de top drie heeft immers een marktaandeel van 10 procent. Door een dergelijke suggestie wordt juist de strekking overschaduwd van datgene wat wij over accountantsfirma’s duidelijk willen maken.

In de derde plaats is de kwestie van het toezicht weliswaar interessant, maar er mag niet vergeten worden dat er nu al sprake is van meer samenwerking en andere veranderingen. De niveaus twee en drie moeten daarom op een lager pitje worden gezet en beter uitgewerkt worden. Wij kunnen de volgende fase toch niet gaan evalueren terwijl de resultaten van de voorgaande fase nog niet eens bekend zijn?

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Radwan (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, allereerst zou ik de rapporteur hartelijk willen bedanken voor haar werk. Zij is er in geslaagd om in het Europees Parlement een brede meerderheid tot stand te brengen.

De Europese interne markt voor financiële diensten is tot nu toe een groot succes. De voorstellen van de Commissie en de omzetting daarvan door het Parlement, de Raad en de lidstaten hebben ertoe geleid dat de Europese markt zo langzamerhand aantrekkelijker is dan de Amerikaanse markt. Dat blijkt ook wel uit het feit dat Europese beurzen worden opgekocht door Amerikanen, zodat ze hun invloed kunnen doen gelden. Daarom worden we nu geconfronteerd met nieuwe ontwikkelingen, en met de vraag hoe we de ontwikkelingen op de markt aan moeten pakken.

Een heel belangrijk punt is de ontwikkeling van het toezicht in Europa. We stellen vast dat er grensoverschrijdende banken ontstaan, denkt u maar aan UniCredito, HypoVereinsbank uit Beieren, en aan de Bank Austria. Er wordt gesproken over ABN Amro en de Banco Santander, die zich in Groot-Brittannië heeft ingekocht. We moeten ervoor zorgen dat het toezichtstelsel met deze ontwikkelingen gelijke tred houdt, de individuele toezichthouders mogen niet meer alleen maar bevoegd zijn voor de eigen lidstaat, er moet in Europa samenwerking komen. Dat is geen pleidooi voor een Europese toezichthouder, maar we moeten wel sterker de aandacht vestigen op deze Europese ontwikkeling.

Met Bazel II en met de lead supervisor hebben we de eerste stap gezet. Ik sta absoluut achter de moedige aanpak van de Commissie van Solvency II. Ik hoop dat de nationale toezichthouders en de nationale ministeries van Financiën wat beter zullen samenwerken, en dat ze de confrontatie met de veranderingen meer aangaan dan tot nu toe.

We moeten ons ook afvragen hoe de trans-Atlantische samenwerking er in de toekomst uit moet zien. De ontwikkeling is duidelijk, de SEC – het Amerikaanse toezicht – regelt indirect ook wat er op de Europese markt gebeurt. Dat is onaanvaardbaar! We moeten een Europese tegenhanger krijgen voor de SEC, om dit te verhinderen. Ik hoef er alleen maar aan te herinneren dat een Oostenrijkse bank, die was opgekocht door een Amerikaans fonds, de rekeningen van bepaalde klanten moest sluiten, alleen maar omdat die klanten Cubanen waren.

Mijnheer de commissaris, de Commissie houdt zich regelmatig bezig met regionale banken. Daar zijn vast wel goede redenen voor. Ik wil ook helemaal niet vooruitlopen op de discussie, mevrouw Bowles, maar de kwestie van de hedge funds moet in alle openheid en zonder taboes kunnen worden besproken. We kunnen niet zeggen dat we dit onderwerp niet bespreken, omdat we bang zijn voor het resultaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Antolín Sánchez Presedo (PSE). – (ES) Mevrouw de Voorzitter, de financiële diensten zijn een strategische bron van efficiëntie en welvaart in een gemondialiseerde economie. Ik wil de rapporteur, mevrouw Van den Burg, feliciteren met haar verslag, dat een diepgaande analyse van het toekomstige beleid inzake financiële diensten vormt en daar een waardevolle bijdrage aan levert door middel van belangrijke richtsnoeren voor het benutten van het potentieel van deze diensten.

Dat kan in de eerste plaats door onze sterke punten te verbeteren, in navolging van de aanpak die in de resolutie van maart werd gekozen om obstakels voor trans-Europese overnames en fusies en beleggingen in aandelen van banken, verzekeringsmaatschappijen en investeringsmaatschappijen weg te nemen, zodat onze aanbieders van deze diensten kunnen profiteren van de interne markt en zich voldoende kunnen voorbereiden op het aangaan van de mondiale concurrentie.

In de tweede plaats kan dat door onze zwakke punten aan te pakken. Een duidelijk voorbeeld hiervan is te zien bij de kredietbeoordelingsactiviteiten, waarbij de zwakte wordt veroorzaakt door het ontbreken van regelgeving en de afwezigheid van Europese marktpartijen. Ten aanzien van beide gevallen worden er in het verslag adequate voorstellen gedaan.

In de derde plaats kan dat door de risico’s te beheersen, zowel de risico’s voor de financiële stabiliteit in het algemeen als de risico’s die het gevolg zijn van verstoringen of een slechte werking van de markt en oneerlijke praktijken of voorkennis, of de risico’s die voortvloeien uit de buitensporige concentratie van bepaalde activiteiten in het topsegment van de markt voor financiële dienstverlening in handen van grote bedrijven, zoals de kredietbeoordelingsbureaus, de grote accountantsfirma’s en beleggingsbanken.

Ook hiervoor worden goede voorstellen gedaan: enerzijds nauwlettend toezicht door de mededingingsautoriteiten om misbruik te voorkomen en te verhinderen dat er obstakels worden opgeworpen om nieuwkomers van de markt te weren, en anderzijds de eis aan de Commissie om, in overeenstemming met haar beleid van sectorale studies, de situatie diepgaand te onderzoeken en eindelijk stappen te zetten in de richting van verdere integratie van het toezicht op de financiële sector in Europa.

Wat betreft de architectuur van het toezicht, functioneert het huidige systeem redelijk goed, hoewel het niet perfect is, en verdient dit systeem de kans om zich verder te ontwikkelen, zoals de rapporteur voorstelt. De samenwerking tussen de toezichthouders moet worden verbeterd en dat zal alleen mogelijk zijn met een Europese aanpak, dat wil zeggen door te streven naar een gemeenschappelijke Europese cultuur en naar convergentie van de praktijken van nationale toezichthouders, zodat deze niet alleen op een meer vergelijkbare wijze te werk gaan, maar ook over bevoegdheden en mandaten beschikken die het mogelijk maken om nieuwe technieken en instrumenten te ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, zoals ik al eerder heb gezegd, blijkt uit het onderhavige verslag dat er veel overeenstemming bestaat tussen de standpunten van het Parlement en de Commissie over de belangrijkste kwesties op het gebied van de financiële dienstverlening. Beide instellingen denken verder vooruit dan 2010, de datum waar wij met ons huidige beleid naartoe werken. Wij zijn ons bewust van de potentiële innovaties en risico’s die om de hoek kunnen komen kijken. Wij zijn bezig om onze structuren voor het toezicht beter te laten functioneren. Wij ontwikkelen goede betrekkingen met onze reguleringspartners in andere jurisdicties in de wetenschap dat deze banden alleen maar nog meer aangehaald zullen worden.

Wij zijn constant op zoek naar manieren om te zorgen dat alle burgers profijt kunnen trekken van onze financiële markten.

Gezien de positieve samenwerking tussen onze beide instellingen ben ik ervan overtuigd dat wij hierin zullen slagen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag 11 juli 2007 plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE), schriftelijk. - (EN) In de eerste plaats wil ik de rapporteur, Ieke van den Burg, van harte feliciteren met haar uitstekende verslag met betrekking tot het Witboek over het beleid op het gebied van financiële diensten (2005-2010). Dit verslag en het Witboek zijn van eminent belang omdat het duidelijk moge zijn dat het creëren van een echte Europese, wereldwijd toonaangevende kapitaalmarkt (in overeenstemming met de doelstellingen van de agenda van Lissabon) sterk afhankelijk is van de levensvatbaarheid en het consistente karakter van de financiële regelgeving van de Gemeenschap. Naast de haalbaarheid van de financiële regelgeving conform de doelstellingen voor een betere regelgeving in het algemeen, is het ook noodzakelijk dat de omzetting van het Gemeenschapsrecht door de lidstaten wordt bevorderd om op effectieve wijze te kunnen waarborgen dat het Actieplan voor financiële diensten (APFD) in zijn volle omvang wordt uitgevoerd. Daarbij is het uiteraard noodzakelijk dat geëvalueerd wordt wat de concrete effecten van de uitvoering van het APFD zijn voor de begunstigden van het Actieplan. Op dat punt ben ik het volledig met de oproep van de rapporteur eens om een diepgaander onderzoek uit te voeren naar de economische effecten van de APFD-maatregelen tegen de achtergrond van de strategie van Lissabon. Een consequente uitvoering en een permanente evaluatie zijn immers de centrale elementen voor een succesvolle ontwikkeling van een dynamische Europese, wereldwijd toonaangevende kapitaalmarkt zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Dit voorjaar was precies de goede tijd om het toekomstige beleid in de EU op het gebied van de financiële diensten te bespreken. Zowel wat de regelgeving als de eigen ontwikkeling van de markt betreft, staan ons binnenkort grensverleggende veranderingen te wachten. Zelden is er een week voorbij gegaan zonder significante ontwikkelingen die een directe invloed hadden op het functioneren van de Europese financiële markten en op de wijze waarop wij, als wetgevers, hierop moeten reageren.

Het toenemend aantal huwelijken tussen effectenbeurzen is waarschijnlijk een van de meest zichtbare gevolgen. Aangezien banken en andere handelsmarkten grote handelsvolumes aantrekken, is het niet meer dan logisch dat die beurzen hun krachten bundelen. Beleggers zullen profiteren van de upgrade en de modernisering van onze handelsinfrastructuur. Tegelijkertijd wordt hierdoor het verder innoveren van de financiële instrumenten bevorderd.

De hamvraag op dit moment heeft betrekking op het toezicht. Wij mogen dit onderwerp echter niet uitsluitend vanuit een worst case-scenario benaderen. Het klopt dat er een legitieme bezorgdheid bestaat over de regulering van uiteenlopende pools van particulier kapitaal. Daarnaast is ook nog niet duidelijk wat er gaat gebeuren als er dingen mis gaan. Op dit moment is het echter belangrijk dat wij streven naar een convergentie van de werkwijze van de comités op niveau drie. Wat de lange termijn betreft, is het Parlement voorstander van een meer uniform karakter bij het toezicht op de Europese financiële diensten.

 

7. Modernisering van het arbeidsrecht (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0247/2007) van Jacek Protasiewicz, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over de modernisering van het arbeidsrecht om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden (2007/2023(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Jacek Protasiewicz (PPE-DE), rapporteur. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, met dit debat komt er een einde aan de maandenlange discussies in het Europees Parlement over de kwestie van de modernisering van het arbeidsrecht om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden. Het was een emotioneel en soms verhit debat, maar dat zal vermoedelijk niemand verbazen, aangezien het om een kwestie gaat die bijna elke Europeaan aanbelangt, ongeacht zijn leeftijd, beroep of woonplaats.

Deze intensieve discussie werd overigens niet alleen in dit Parlement gevoerd. De publicatie van het Groenboek heeft aanleiding gegeven tot een breed publiek debat in de hele Europese Unie. Daarbij waren talrijke vakbonden, werkgeversorganisaties, plaatselijke bedrijfs- en werknemersorganisaties, evenals verscheidene niet-gouvernementele organisaties betrokken, zowel in de oude als in de nieuwe lidstaten.

De afgelopen maanden heb ik de indruk gekregen dat de meerderheid van de deelnemers aan het debat het erover eens is dat het absoluut noodzakelijk is om het arbeidsrecht te wijzigen met het oog op de uitdagingen van deze eeuw. Welke uitdagingen hadden zij in gedachten? Het waren er vier. In de eerste plaats zijn er de positieve en de negatieve gevolgen van de voortschrijdende mondialisering voor de Europese economieën. Een tweede uitdaging is de snelle ontwikkeling van de dienstensector, die zowel in de nieuwe als in de oude lidstaten een stijgend aantal nieuwe arbeidsplaatsen oplevert, zij het van totaal andere aard dan destijds in de industriële sector het geval was. De derde uitdaging heeft te maken met een aantal ingrijpende veranderingen op technologisch vlak, in de eerste plaats met het oog op de nieuwe communicatietechnologieën die een niet te verwaarlozen impact hebben op onze huidige manier van werken. Een laatste belangrijke uitdaging is de demografische verandering, die zelfs vandaag al een radicale invloed heeft op de situatie van de Europese arbeidsmarkt. Deze evolutie zal zich bovendien in de nabije toekomst nog veel sterker laten voelen.

Hoewel er grote overeenstemming bestond over de noodzaak van verandering, was het echter veel minder duidelijk hoe deze veranderingen er in de praktijk moesten uitzien. Een aantal Parlementsleden was voorstander van meer flexibiliteit in de Europese regelgeving en gebruikte daarvoor het argument dat een dergelijke wijziging de werkgelegenheid zou bevorderen en de werkloosheid zou beperken. Anderen hebben zich daarentegen uitgesproken voor een versterking van de beschermende functie van het arbeidsrecht. Sommige afgevaardigden hebben hun steun verleend aan een verdere harmonisatie van de nationale rechtsstelsels, in de overtuiging dat dit een noodzakelijke stap is in het proces van de creatie van een Europese interne markt. Nog andere collega’s hebben tot op het laatste moment de beginselen van de subsidiariteit verdedigd, daarbij verwijzend naar de verschillen in de tradities en de modellen die vandaag de dag gangbaar zijn in de verschillende lidstaten. Zij hebben ook benadrukt dat deze verscheidenheid een goede zaak is, aangezien ze ons in staat stelt om door de praktische uitwisseling van ervaringen de beste praktijken te vinden. Deze aanpak verdient de voorkeur boven het uitwerken van nieuwe, doorgaans inflexibele communautaire regelgeving.

Het oorspronkelijke ontwerp van het verslag dat ik opgesteld heb als het ontwerpstandpunt van het Europees Parlement legde de nadruk op meer flexibiliteit en sprak zich uit tegen harmonisatie. Daarnaast stelde het document een aantal bepalingen voor met betrekking tot de positieve evaluatie van de invloed van “atypische” arbeidscontracten op de creatie van nieuwe banen in de Europese Unie. Bovendien worden de lidstaten in het verslag opgeroepen om actieve methoden van tewerkstellingsbeleid toe te passen en het aanpassingsvermogen te stimuleren om niet zozeer concrete arbeidsplaatsen, maar mensen te beschermen.

In het inleidende ontwerpverslag heb ik eveneens gewezen op de noodzaak om de communautaire en nationale regelgeving te verbeteren, teneinde de bedrijven en de burgers onnodige kosten en administratieve rompslomp te besparen. Ik heb daarenboven benadrukt dat een te beperkend arbeidsrecht de ondernemers kan ontmoedigen om nieuwe werknemers in dienst te nemen, zelfs in een periode van economische groei. Verder heb ik de aandacht gevestigd op de sleutelrol die het onderwijs kan spelen met het oog op het bevorderen van de kansen van werknemers en van werklozen bij het vinden van een nieuwe baan. In deze context heb ik voorgesteld dat we een oproep richten tot de Europese Commissie, de lidstaten en de werkgevers om meer te investeren in levenslang leren en om de kwaliteit van het onderwijs voor jongeren te verbeteren, voornamelijk als functie van de behoeften van de lokale en regionale arbeidsmarkten.

Tot slot ben ik dieper ingegaan op de cruciale betekenis van mobiliteit voor de verbetering van de situatie op de Europese arbeidsmarkt. Ik heb bijgevolg voorgesteld om de lidstaten op te roepen om de hindernissen voor de burgers uit andere EU-lidstaten uit de weg te ruimen en hun nationale arbeidsmarkten open te stellen.

Het eerste ontwerp van het verslag heeft in dit Parlement heftige reacties uitgelokt. Het verhitte debat dat erop volgde en de 490 amendementen op de oorspronkelijke tekst vormden het uitgangspunt voor verdere discussies en onderhandelingen met alle fracties. Ik zou van de gelegenheid gebruik willen maken om in de eerste plaats mijn collega’s van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement te bedanken voor hun bijdrage. Dat geldt in het bijzonder voor Ole Christensen en zijn adviseurs.

Het resultaat van de onderhandelingen werd in stemming gebracht tijdens een buitengewone vergadering van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken op 18 juni in Straatsburg. Ik moet toegeven dat het resultaat van deze stemming niet volledig aan mijn verwachtingen beantwoordde. Ik heb eveneens de indruk dat er een belangrijke bijdrage verloren is gegaan, meer bepaald een aspect dat ik zelf in het oorspronkelijke ontwerp had voorgesteld. Mijns inziens is dit voorstel in latere debatten niet op gepaste wijze behandeld. Dat voorstel hield concreet in dat elke hervorming van de arbeidsmarkt, dus eveneens de hervorming van het arbeidsrecht, de creatie van nieuwe banen in Europa ten goede zou moeten komen, om op efficiënte wijze het hoofd te kunnen bieden aan de uitdaging van de zeventien miljoen mensen die vandaag de dag werkloos zijn. Deze hoge werkloosheidscijfers zijn een directe bedreiging voor de waarden die aan de basis liggen van het Europees sociaal model. We moeten bijgevolg al het mogelijke doen om het aantal werklozen radicaal te verminderen.

Er zijn meer dan zestig amendementen op het verslag in zijn huidige vorm. Bijna de helft van deze amendementen steunt de benadering met het oog op de creatie van nieuwe banen. Ik hoop dat ik me voldoende zal kunnen vinden in het resultaat van de stemming, zodat ik het Europees Parlement kan aanbevelen om dit verslag aan te nemen. Daarenboven hoop ik dat dit een belangrijke stemming zal zijn in het debat dat de Europese Commissie met de publicatie van het Groenboek in november van vorig jaar gelanceerd heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Mevrouw de voorzitter, dames en heren, het Groenboek geeft een goede gelegenheid voor discussie over de noodzaak om de arbeidswetgeving dusdanig te verbeteren, dat deze de uitdagingen van de 21e eeuw aankan. Het heeft een enorme hoeveelheid reacties opgeroepen van de kant van een groot aantal betrokken partijen. Deze reacties bevatten nuttige informatie over de nationale rechtssystemen en de nieuwe problemen op de Europese arbeidsmarkt, die overal in de EU zijn ontstaan door de grotere grensoverschrijdende mobiliteit en de uitbreiding van de internationale handelsactiviteiten in de gehele EU.

De kwaliteit van de reacties op het Groenboek was overweldigend. Ik ben van mening dat een en ander het gevolg is van het overleg en de discussies die door de regeringen en sommige parlementen van de afzonderlijke lidstaten alsmede door de sociale partners en andere betrokken partijen zijn gevoerd op zowel EU- als binnenlands niveau. Enkele van de problemen die tijdens het openbaar overleg naar voren kwamen waren ook al onderwerp van besprekingen en resoluties binnen het Europees Parlement.

Hierbij wil ik graag de rapporteur, de fracties en de leden van het Europees Parlement bedanken voor hun bijdrage tot de formulering van dit initiatiefverslag.

In dit verslag wordt een poging gedaan om te bekijken hoe het debat dat naar aanleiding van het Groenboek is opgestart in de praktijk de vorm kan krijgen van concrete maatregelen die brede steun zouden genieten. Daarbij wordt ten volle rekening gehouden met de bevoegdheden van de diverse lidstaten op het gebied van de arbeidswetgeving, hun arbeidsbetrekkingen en -tradities en de voortgang van collectief overleg. In het debat wordt benadrukt hoe belangrijk het arbeidsrecht is als instrument voor het oplossen van vraagstukken ten aanzien van het inkrimpen van het aantal arbeidskrachten in een zich snel ontwikkelende wereld met een sterke mobiliteit van kapitaal en technologie.

Het arbeidsrecht en collectief overleg zijn nauw met elkaar verbonden. Het arbeidsrecht is de basis waarop de sociale partners op elk niveau afspraken kunnen maken over de arbeidsbetrekkingen, de mogelijkheid van levenslang leren, flexibele afspraken ten aanzien van de werktijden en de organisatie van de arbeidsmarkt; allemaal zaken die het gemakkelijker maken om van baan en van type arbeidsovereenkomst te veranderen. Het zal waarschijnlijk niemand verbazen dat uit de reacties van de sociale partners op het Groenboek blijkt dat er zeer tegenstrijdige standpunten bestaan ten aanzien van het vervolgtraject. In de parlementaire discussie èn in de parallelle besprekingen op EU-niveau en op binnenlands niveau, heerst grote onenigheid over dit verslag, met name wat betreft de onderstaande punten:

– de status van een reguliere arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een fulltime arbeidsbetrekking vergeleken met de nieuwe flexibele arbeidsvormen, en de nadruk op mogelijke oplossingen voor de segmentatie van de arbeidsmarkt;

– door middel van welke aanpak de niet-reguliere arbeidsovereenkomsten, waarbij in sommige gevallen adequate garanties voor werkzekerheid ontbreken, zouden moeten worden aangepast. Met name gaat het hier om gevallen waar sprake is van multilaterale arbeidsrelaties, waar zeer dikwijls flexibiliteit wordt gevraagd zonder afdoende bescherming tegen ontslag, en zonder dat er een reële kans bestaat op echte werkzekerheid binnen een meer stabiele arbeidsrelatie;

– de oriëntatie van het Groenboek op de individuele arbeidsbetrekkingen heeft twijfels opgeroepen of er wel voldoende aandacht wordt geschonken aan de collectieve dimensie van het arbeidsrecht en aan de inbreng van de sociale dialoog;

– opgemerkt is dat de Commissie dit debat zou moeten beperken tot de sociale partners op EU-niveau en er geen publiek debat van zou moeten maken waarbij de EU-instanties, de regeringen van de lidstaten en de sociale partners op EU-niveau en op binnenlands niveau betrokken raken;

– ook is bezwaar gemaakt tegen de inbreng van de EU bij de hervorming van de arbeidswetgeving en bij het opstellen van sociale minimumnormen die voor elk type arbeidsovereenkomst zouden moeten gelden.

Ik ben van mening dat in dit verslag in principe het volgende wordt bepleit:

– nadruk op flexibiliteit en werkzekerheid als twee elkaar versterkende factoren die bijdragen tot de productiviteit en de banenkwaliteit;

– de acceptatie van een aanpak waarin – voor zover het om versterking van de werkzekerheid gaat – rekening wordt gehouden met de levensloop;

– het bieden van basiszekerheid voor alle werknemers, ongeacht het type arbeidsovereenkomst dat ze hebben afgesloten;

– hulp aan werknemers om snel en duurzaam van baan te kunnen veranderen;

– zorgen dat het streven tot modernisering van het arbeidsrecht in overeenstemming is met het streven naar beter wetgeven en beperking van de bureaucratische rompslomp, vooral waar het gaat om de vervulling van wettelijke eisen bij kleine bedrijven;

– een juiste tenuitvoerlegging van de EU-voorschriften met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en een betere voorlichting van werkgevers en werknemers omtrent de geldende minimumvoorschriften van de EU, met name in het kader van de strijd tegen het zwartwerken.

Het principe van non-discriminatie, gelijkheid van vrouwen en mannen, flexibele werktijden in het belang van de harmonisering van werk en privéleven en de kans om opleidingen te volgen en zich te kunnen omscholen, dit alles zien wij als hoekstenen van de werkzekerheid die nodig zijn om een moeiteloze overgang te bewerkstelligen van de ene baan naar de andere en van het ene type arbeidsovereenkomst naar het andere.

In dit verslag wordt erkend hoe moeilijk het vandaag de dag is om onderscheid te maken tussen de categorie “werknemers” enerzijds en de categorie “zelfstandigen zonder personeel” anderzijds. De vrees bestaat dat de toegenomen grensoverschrijdende mobiliteit van invloed kan zijn op een consequente toepassing van het communautair acquis. Ik ondersteun het positieve streven van het Parlement om op zoek te gaan naar een oplossing voor dit probleem, waarbij tegelijkertijd het recht van de lidstaten wordt gerespecteerd om zelf per geval vast te stellen of er sprake is van een arbeidsrelatie.

Ik ben van mening dat het verslag tevens op juiste wijze de bijdrage van de dialoog benadrukt tussen de Internationale Arbeidsorganisatie en de EU voor wat betreft bovengenoemd aspect. We moeten gebruik maken van de deskundigheid en de ervaring van de IAO en inhaken op haar pogingen om basisarbeidsnormen vast te stellen die ruimte bieden voor zowel flexibiliteit als werkzekerheid.

De Commissie staat voor de taak om de kernthema’s van en mogelijke alternatieven op dit beleid, zoals deze in een aantal van de ontvangen antwoorden naar voren zijn gekomen, te beoordelen, waaronder ook de kernthema’s en alternatieven die onlangs zijn voorgesteld in het initiatiefverslag van het Europees Parlement.

Dames en heren, ik zie met grote belangstelling uit naar het debat over dit uitermate gevoelige en ingewikkelde thema, en ik heb er alle vertrouwen in dat het nog verdere initiatieven zal opleveren en zal leiden tot een succesvolle goedkeuring van het voorliggende verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Donata Gottardi (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie economische en monetaire zaken. - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, het Europees Parlement toont een staaltje van zijn kunnen. Het werk dat tot nu toe in commissieverband is verricht – in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie economische en monetaire zaken – is van een hoog peil. Wij hebben ons losgeworsteld van ideologische botsingen en tegenstellingen, en de aandacht is weer helemaal teruggebracht op het echte onderwerp van het Groenboek - “het werkgelegenheidsbeleid “ - en de reële mogelijkheid om innovatie te bedenken.

Globalisatie en bevolkingsgroei zijn slechts twee van de voornaamste uitdagingen. Een duurzame ontwikkeling vraagt om veranderingen in onder meer de arbeidsorganisatie en het gebruik van de tijd. Uit allerlei nauwkeurig onderzoek blijkt dat er geen tijd bestaat van niet-werken, maar wel dat er tijd is voor het persoonlijke leven en het gezinsleven. Het is verkeerd om de nieuwe grens van het sociale conflict te trekken tussen insiders en outsiders. De relatie tussen flexibiliteit en zekerheid is een kwestie van tweerichtingsverkeer en zowel de eisen van de werkgevers als die van de werknemers tellen daarin mee. De uitbreiding van rechten is een operatie die niet op papier mag blijven maar die modulering en transparantie vereist, bestrijding van het zwarte circuit, coördinatie van beleidslijnen en hervatting van de harmonisatie in de richting van een Europees arbeidsrecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Mia De Vits (PSE), rapporteur voor advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming. – Voorzitter, ik ben blij met de discussie maar niet met de methode. Commissaris, arbeidsrecht is eerst en vooral een bevoegdheid van de lidstaten en ook en vooral van de sociale partners. Het garandeert het recht op een behoorlijk loon, goede arbeidsvoorwaarden en ontslagbescherming, en zorgt voor een stabiel sociaal klimaat dat we nodig hebben voor economische groei en productiviteit. Daarin is het normale arbeidscontract en zijn niet allerhande precaire statuten het referentiepunt.

Ik ben dan ook blij dat in het verslag van de Commissie sociale zaken deze twee essentiële elementen worden onderstreept en dat de suggestie uit mijn advies van de Commissie interne markt voor een Europees initiatief voor ketenaansprakelijkheid is overgenomen.

De discussie over de versoepeling van de ontslagvoorwaarden is een fout signaal aan de Europese werknemers. Ik heb de laatste weken in mijn land heel wat verontwaardiging gehoord over de ontslagvergoedingen die zijn uitbetaald bij Opel Antwerpen, maar ik merk dat er weinig verontwaardiging bestaat bij diezelfde personen over de immorele herstructureringsplannen die bedrijven doorvoeren.

Zowel het verslag van het Parlement als het Europees Vakverbond zijn zeer kritisch over het Groenboek en daarom hoop ik, commissaris, dat u op deze kritiek kunt ingaan. Indien één partij in het sociaal overleg zulke kritiek uit, dan moet men ook een fatsoenlijk antwoord daarop bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Kartika Tamara Liotard (GUE/NGL), rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. – Rapporteur, Commissie, ik ben niet tegen de hervorming van het arbeidsrecht als deze leidt tot meer zekerheid voor adequate gezondheidszorg, werkloosheidsuitkeringen, pensioenen voor iedereen en dus ook voor de laagst betaalden.

De Commissie draait dit geheel om. In plaats van te pleiten voor versterking van de rechten van de werknemer wil de Commissie Europa tot een paradijs van de werkgever maken, waarin het recht niet zomaar ontslagen te kunnen worden tot het nostalgische verleden zal behoren. Waar je niet langer het recht hebt overwerk zonder betaling te weigeren en cao's ouderwets worden gevonden.

De Commissie noemt dit flexicurity. Klinkt mooi. Maar de vertaling van wat de Commissie ermee wil bereiken is simpel. Meer flexibiliteit voor de werkgever en meer onzekerheid voor de werknemer. Dit zal met name desastreus zijn voor vrouwen, jongeren en minderheden die sowieso al een achterstand hebben op de arbeidsmarkt en een onevenredig aandeel hebben in deeltijdbanen en tijdelijke contracten. Zij zullen de eerste slachtoffers zijn als dit voorstel ongewijzigd doorgaat. Daarna zal de rest volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  José Albino Silva Peneda, namens de PPE-DE-Fractie. (PT) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, op de eerste plaats zou ik de rapporteur, de heer Protasiewicz, voor zijn inspanningen willen danken. Ik moet echter zeggen dat het verslag dat hij ons heeft voorgelegd onevenwichtig is. Het dekt namelijk vooral zaken af die de sociale bescherming betreffen – die ongetwijfeld belangrijk zijn – maar negeert de andere essentiële invalshoek voor de hervorming van de arbeidswetgeving voor de 21e eeuw: meer flexibiliteit van de arbeidsmarkt. De tekst gaat uit van een zeer conservatieve visie, die bovendien gevoed wordt door een cultuur van wantrouwen en conflict. Wij hebben nu echter juist een cultuur nodig die gestoeld is op vertrouwen en samenwerking tussen de partijen.

Deze wijziging van het paradigma is absoluut noodzakelijk om de waarden van sociale rechtvaardigheid en menselijke waardigheid te kunnen verenigen met de vergroting van het concurrentievermogen, maar is naar het schijnt in dit verslag afwezig. Het is juist essentieel dit evenwicht, dat in het verslag ontbreekt, duidelijk te verwoorden in de tekst. Dat zou het aanknopingspunt kunnen vormen voor het stimuleren van de verandering van gedrag en houding van ondernemingen en werknemers teneinde meer vertrouwen te kweken.

Kortom, het verslag is in zekere zin een teleurstelling, omdat het niet het signaal geeft dat het tegenwoordige Europa de fantasie, het talent en de capaciteit heeft om concurrentiekrachtiger te worden en tegelijkertijd de waarden te behouden die kenmerkend zijn voor zijn sociale model. In werkelijkheid geeft deze tekst geen enkel blijk van fantasie, talent en hervormingscapaciteit. Daarom heeft de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten een reeks amendementen ingediend en als die aangenomen worden zal het verslag geen gemiste kans zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Ole Christensen, namens de PSE-Fractie. – (DA) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag de rapporteur, de heer Protasiewicz, bedanken voor de goede samenwerking bij het uitwerken van dit verslag. Als de Europese Unie de uitdagingen van de 21e eeuw wil aangaan en duurzame groei wil creëren met meer en betere banen, moeten we zowel de kwaliteit van individuele banen als de kwaliteit van het werk op zich verbeteren. In dit opzicht speelt het arbeidsrecht een doorslaggevende rol. In deze tijd van toenemende globalisering en concurrentie zullen we verliezen als we concurreren op basis van slechte arbeidsomstandigheden en lage lonen. Werkzekerheid is een productiefactor. Een hoge mate van sociale zekerheid draagt bij aan flexibiliteit, aan de werkgelegenheid en aan het concurrentievermogen. Dit moet voortaan in het arbeidsrecht worden weerspiegeld en ik neem afstand van elke poging om de sociale en economische zekerheid te ondermijnen waarvoor werknemers door de jaren heen hard hebben moeten vechten.

We hebben de laatste jaren een duidelijke stijging gezien in de toepassing van atypische arbeidscontracten, maar dit wijst helaas ook op bedrijven die het arbeidsrecht en hun sociale verplichtingen willen omzeilen. Er zijn helaas nog te veel werknemers die geen andere keus hebben dan zulke contracten en die geen bescherming en zekerheid genieten. Zij worden vaak in een dienstverband gedwongen zonder pensioen en zonder doorbetaling van loon bij ziekte of zwangerschap. Er zijn ook nog steeds vele werknemers die aan het werk zijn zonder sociale basisrechten. De Internationale Arbeidsorganisatie heeft bij meerdere gelegenheden gewezen op de samenhang tussen een lagere mate van zekerheid en slechtere gezondheid op de werkplek enerzijds en kortdurende contracten anderzijds. Dat gezegd hebbende vinden wij ook dat het standaardvoltijdcontract de norm zou moeten zijn. Het contract voor onbepaalde tijd is goed voor zowel de werknemers als de bedrijven. Het biedt bescherming, zekerheid en meer mogelijkheden voor ontwikkeling.

Flexibiliteit en sociale zekerheid sluiten elkaar niet uit, ze zijn elkaars voorwaarden. Dit moet worden weerspiegeld in het toekomstige arbeidsrecht. Flexibiliteit komt in het kort neer op goede samenwerking en wederzijds vertrouwen binnen de bedrijven. Dat betekent dat het systeem van collectieve onderhandelingen en de sociale dialoog een cruciale rol spelen in de ontwikkeling van flexiezekerheid. De Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement neemt afstand van de beperkte gerichtheid van de Commissie op het individuele arbeidsrecht. De beste balans tussen flexibiliteit en zekerheid wordt in een groot aantal landen bereikt door het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten die continu worden aangepast aan nieuwe ontwikkelingen, ten aanzien van zowel de behoeften van de werknemers als die van de bedrijven. Om die reden moet de Commissie de sociale dialoog bevorderen zowel op nationaal als op Europees vlak.

 
  
MPphoto
 
 

  Luigi Cocilovo, namens de ALDE-Fractie. - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ook ik wil de rapporteur en met hem alle fracties feliciteren voor de gedane arbeid. Dankzij hun inspanningen is de onderhavige tekst tot stand gekomen die de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken vervolgens heeft goedgekeurd. In dit bestek zal ik proberen één kwestie voor het voetlicht te halen. Ik vind niet dat in de goedgekeurde tekst een primaat valt te bespeuren van conservatieve en teleurstellende denkbeelden.

Ik denk dat wij met deze tekst een steentje bijdragen om elke vorm van ideologisch verzet tegen flexibiliteit in de arbeidsbetrekkingen weg te halen. Niet alleen is flexwerk vandaag de dag een feit, maar dikwijls is het ook een verplichte passage om het bedrijfsleven op Europese schaal te helpen om de uitdagingen van de globale concurrentie het hoofd te bieden.

Maar om die behoeften veilig te stellen, moet er wel voor gezorgd worden dat dit soort contracten een definitieve vorm krijgt. Een flexibeler contract – of dat nu een deeltijdcontract, een tijdelijk contract of een contract voor uitzendwerk is – beantwoordt aan de behoefte om precies op tijd te reageren op een verhoogde vraag naar arbeid en op specifieke eisen van het productieaanbod, zoals dat zich allemaal voordoet op een concurrerende arbeidsmarkt. Echter, flexcontracten mogen geen middel worden om allerlei vormen van discriminatie op het vlak van arbeidskosten en arbeidsvoorwaarden binnen te smokkelen. Anders raakt het hek van de dam en wordt dit soort contracten een ideaal middel om sociale dumping te bedrijven, wat uiteraard niets te maken heeft met de behoeften van de concurrentie, maar een wedloop is die zuiver om het kostenplaatje gaat. Dus, zodra wij zeggen dat deze contractvormen aanvaard moeten worden en zij niet vanuit een ideologisch standpunt benaderd dienen te worden, moeten wij er meteen voor zorgen dat het niveau van specifieke bescherming en garanties rondom het flexwerk wordt verhoogd.

De rest volgt vanzelf: collectieve regelingen in plaats van individuele uitzonderingen; het feit dat er Europese bevoegdheden bestaan waarbij de nationale rechten op sociaal vlak gerespecteerd worden; het feit dat er in de subsidiariteit een communautaire dimensie bestaat die een specifieke reguleringsbevoegdheid heeft om Europese minimumnormen te garanderen - wat niet mag neerkomen op een eenzijdige marktgerichtheid; de strijd tegen zwart werk, en tot slot weigering van de logica van het “voor wat hoort wat”.

Al deze doelstellingen moeten op een evenwichtige wijze nagestreefd worden, en het mag zeker niet zo zijn dat vormen van bescherming tegen elkaar uitgewisseld worden, zoals de bescherming in het bedrijf tegen de bescherming van de arbeidsmarkt. Wij moeten alle maatregelen nemen die goede vormen van mobiliteit en overgang in de hand kunnen werken, maar nogmaals: daar is geen plaats voor tegenstrijdigheden op het vlak van sociale bescherming.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Tadeusz Masiel, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, het door de Commissie voorgestelde Groenboek en het verslag dat we besproken hebben, vormen naar mijn mening een waardevol uitgangspunt voor een uitgebreider debat over de aanpassing van het arbeidsrecht aan de veranderende werkelijkheid, zowel in Europa als in de rest van de wereld.

Dit is slechts een begin. We staan voor een bijzonder ingewikkelde opdracht. De te bereiken resultaten zijn immers moeilijk met elkaar te verzoenen. Ik denk onder meer aan een toename van het aantal arbeidsplaatsen met behoud van hun kwaliteit, het garanderen van de sociale zekerheid van werknemers en het handhaven van zoveel mogelijk klassieke arbeidscontracten. Daarenboven moeten we niet alleen rekening houden met de belangen van de werkgevers, maar eveneens de wereldwijde concurrentie het hoofd bieden.

De volgende kwestie is van fundamenteel belang: ongeacht of een arbeidscontract voltijds is of niet, dan wel of er meer atypische of klassieke arbeidscontracten zijn, moet elke EU-burger recht hebben op werk of het verrichten van alternatieve diensten, en in elk geval op een gewaarborgde gezondheidszorg.

Mijn fractie verleent tijdens de stemming morgen graag haar goedkeuring aan dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie.(DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, de discussie over de liberalisering van de postdiensten heeft vandaag heel veel tijd in beslag genomen. Dat bewijst eens te meer dat de liberalisering juist in de dienstensector vaker tot precaire arbeidsbetrekkingen leidt.

Met het oog op dergelijke ontwikkelingen verwachtte iedereen van de Commissie dat ze in het Groenboek over het arbeidsrecht zou pleiten voor meer rechten voor de werknemers, dat ze Europese minimumnormen zou vastleggen om te verhinderen dat de rechten van de werknemers helemaal verdwijnen, dat ze meer zou doen voor collectieve arbeidsovereenkomsten en voor de sociale dialoog. In plaats daarvan voert de Commissie in haar Groenboek een discussie over haar ideeën inzake flexicurity, die de deur wagenwijd openzetten voor sociale dumping. Dat is een bittere teleurstelling, en leidt tot meer euroscepsis.

Het Parlement heeft hier duidelijk tegengas gegeven. De rechten van de werknemers zijn niet exclusief, maar gelden voor alle werknemers, welk contract ze ook hebben. Het gaat om de feitelijke situatie. Meer flexibiliteit is alleen maar mogelijk op basis van meer zekerheid, dat is de enige manier om dit dossier af te sluiten.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberto Musacchio, namens de GUE/NGL-Fractie. - (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, dit Europa houdt zich te weinig en op een totaal ongeschikte manier bezig met de arbeidsproblemen. Het is bijna alsof de werkgelegenheid niet in het middelpunt heeft gestaan van de opbouw van de democratie en het Europees sociaal model. Dit is een doelbewuste onderschatting die veel verklaart van de problemen waar Europa mee kampt, een Europa waar arbeidsonzekerheid wijd verbreid is en de sociale cohesie in de weg staat. Dit is een echt drama, het voornaamste maatschappelijke drama waar hele generaties jongeren mee kampen, maar ook volwassenen die te vroeg uit de arbeidsmarkt worden gestoten. Dit alles heeft zijn weerslag op onze steden, onze gezinnen, ons allen.

Het is absoluut noodzakelijk de strijd aan te binden tegen onzeker werk, als wij een toekomst willen opbouwen en willen zorgen voor hoop en geborgenheid. Dit is onze voornaamste taak. Het ziet er echter naar uit dat de Commissie niet zoveel moeite heeft met onzeker werk. De Commissie schijnt het zelfs te accepteren en er haast gebruik van te maken om de individuele en collectieve rechten af te romen, om de rol van de vakbonden nog verder terug te dringen en de rechthebbenden – een groep die in werkelijkheid steeds kleiner wordt – te stellen tegenover de rechtelozen, uit naam van een vermeend werkgelegenheidsbeleid.

Dat kan natuurlijk niet door de beugel! Wij moeten met klem zeggen dat Europa de arbeid beschouwt als de grondslag van zijn democratie en sociale cohesie. Europa moet te kennen geven dat het een eigen idee heeft van wat normaal werk is: een vaste, geen tijdelijke baan, die beschermd wordt door contracten en vakbonden, en die gelijke arbeidsvoorwaarden garandeert voor reguliere en atypische werknemers. Dat is een gezonde visie op arbeid, die ook de productie ten goede komt, omdat als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de mededinging niet gebaseerd is op uitbuiting maar op kwaliteitsbevordering en innovatie. Als men bezuinigt op arbeid en de werknemers met elkaar laat concurreren, brengt dit wellicht in korte tijd het nodige geld in het laatje, maar noch de economie noch de maatschappij schieten ermee op.

Dit is het sociaal model dat Europa aan de wereld moet presenteren en ook zo moet etaleren. Het recht op arbeid is een vast onderdeel van de democratie, omdat het de regels dicteert van een activiteit die aan de basis ligt van de maatschappij. De sociale eenheid tussen jongeren en ouderen moet gesmeed worden rondom een rechtsstelsel, en niet via zinloze tegenstellingen. Het arbeidscontract moet een omschrijving geven van deze regels en rechten, die niet aan anderen kunnen worden overgelaten en ook niet vervangen kunnen worden door een externe actie, waarbij het arbeidscontract aan de wet van de sterkste wordt overgelaten. Daarom ook voelen wij ons niet overtuigd door het idee van “flexicurity”, van zwakke contracten die een surrogaat voor sociale zekerheden zijn. Nee, die zekerheden moeten contractueel vastgelegd worden en fungeren als bescherming voor de werknemers, voor de burgers van Europa.

De tekst die het Parlement is voorgelegd, is een compromis. Hij bevat vage passages, maar ook belangrijke elementen. Dit werk op de korrel nemen, zoals in sommige amendementen gebeurt, kan negatieve effecten sorteren en ervoor zorgen dat wij forse stappen terug moeten zetten. Ik zeg dit met name tegen mijn socialistische vrienden, en ik doel met name op die amendementen die de aard van reguliere arbeid volledig omgooien. Mochten die amendementen worden aangenomen, dan zien wij dat als een breuk met het compromis dat in de commissie is bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Roland Clark, namens de IND/DEM-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, het eerste ontwerp van de rapporteur is in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken niet goed ontvangen aangezien hij de bureaucratie terug wilde dringen en de regelgeving voor de bescherming van werknemers wilde reduceren, maar daarbij vergat dat dit in de praktijk slechts tot werkloosheid zou leiden.

Wij debatteren nu over het tweede ontwerp dat acceptabeler van aard is: de rapporteur heeft wat water bij de wijn gedaan. Dat valt echter te betreuren omdat wij nu, in naam van de harmonisering, nog steeds geconfronteerd worden met veel beperkende praktijken, terwijl tegelijkertijd datgene waar wij bang voor zijn – de globalisering – langzaam naderbij sluipt. Dat betekent dat de EU eigenlijk klaar zou moeten zijn om de concurrentiestrijd op de wereldmarkt aan te gaan, terwijl zij daar nog helemaal niet op voorbereid is.

Wij kunnen pas op mondiaal niveau concurreren als wij eerst leren hoe wij dat in Europa moeten doen. Voetballers trainen voortdurend op balvaardigheid en ploegentactiek; zij bereiden geen wedstrijd voor door te gaan kaarten in een cafetaria! Als wij dus onszelf blijven trainen in protectionistische Europese systemen, betekent dit dat wij tegen een nederlaag aan zullen lopen in de meest concurrerende uitwedstrijden die gespeeld worden op een vijandig, mondiaal speelveld.

 
  
MPphoto
 
 

  Roger Helmer (NI). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, mijn partij, de Britse Conservatieve Partij, heeft ervoor gekozen gebruik te maken van de opt-out zoals die in Maastricht is overeengekomen en het Verenigd Koninkrijk terug te trekken uit het arbeidsrecht en de sociale wetgeving van de EU. Ik ga er vanuit dat mijn conservatieve collega’s in dit Parlement op de volledige steun van hun fractie, de PPE-DE-Fractie, kunnen rekenen bij de tenuitvoerlegging van dit beleid.

Wat het verslag betreft, was ik verbaasd toen ik in overweging C las dat “de Europese Unie niet alleen een vrijhandelszone is”. Iedereen met ook maar een beetje verstand van de internationale handel weet dat de EU helemaal geen vrijhandelszone is: het is een douane-unie. Zij weten ook dat die douane-unie of Zollverein een Bismarckiaans concept uit de 19e eeuw is waarvoor in de 21e eeuw eigenlijk geen plaats meer zou moeten zijn. Alle feiten uit de gehele wereld wijzen erop dat vrijhandelszones effectief functioneren terwijl dat voor douane-unies in veel mindere mate geldt. De EU is zelfs nog de enige groep ontwikkelde landen die nog steeds op basis van een dergelijk ouderwets concept opereert. Indien dit Parlement voornemens is om de EU van een douane-unie met politieke pretenties te veranderen in een moderne effectieve vrijhandelszone, kan het op mijn volledige steun rekenen.

Uit de voorstellen van de Commissie over het moderniseren van het arbeidsrecht en uit ons eerste ontwerpverslag blijkt een wel erg late onderkenning van de enorme schade die de opdringerige en inflexibele regelgeving met betrekking tot de arbeidsmarkt heeft veroorzaakt voor de Europese economieën. Nu worden dan eindelijk de eerste weifelachtige stapjes op weg naar een liberalisering gezet. De amendementen die in de Commissie werkgelegenheid zijn aangenomen, hebben de strekking van het verslag echter weer in een regressief socialistisch verlanglijstje met zeer schadelijke voorstellen gewijzigd.

Door de amendementen van vandaag wordt het evenwicht weer hersteld. Als die amendementen aangenomen worden, zijn de bescheiden maatregelen in het verslag in ieder geval beter dan niets en verdient het verslag onze steun. In paragraaf 2 wordt naar het Handvest van de grondrechten verwezen. Dat Handvest is twee keer door Tony Blair getekend, maar na de Top van 22 juni in Brussel kwam hij als een Chamberlain uit München terug en zei hij dat hij zijn mandaat had beschermd en dat het Handvest niet van invloed zou zijn op het arbeidsrecht in het Verenigd Koninkrijk. Zou de Commissie mijn volgende vraag met een duidelijk “ja” of “nee” kunnen beantwoorden? Is die opt-out van Blair juridisch verdedigbaar? Ik zie uit naar het antwoord van de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aangezien het tijdstip van de stemmingen is aangebroken, wordt het debat thans onderbroken. Het zal om 15.00 uur worden voortgezet.

 
  
  

VOORZITTER: DIANA WALLIS
Ondervoorzitter

 

8. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. We gaan nu over tot de stemming.

(Uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 

8.1. Verkiezing van een ondervoorzitter van het Europees Parlement (stemming)

8.2. Verzoek om raadpleging van het Comité van de regio's - Bijdrage van het vrijwilligerswerk aan de economische en sociale cohesie (artikel 118 van het Reglement) (stemming)

8.3. Protocol bij de Europees-mediterrane Overeenkomst EG/Algerije (EU-uitbreiding 2004) (stemming)
  

- Aanbeveling: Jacek Saryusz-Wolski (A6-0274/2007)

 

8.4. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Moldavië (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  

- Verslag-Jacek Saryusz-Wolski (A6-0224/2007)

 

8.5. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Oekraïne (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  

- Verslag-Jacek Saryusz-Wolski (A6-0216/2007)

 

8.6. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Armenië (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  

- Verslag-Jacek Saryusz-Wolski (A6-0254/2007)

 

8.7. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Azerbeidzjan (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  

- Verslag-Jacek Saryusz-Wolski (A6-0255/2007)

 

8.8. Protocol bij de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst EG/Georgië (toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU) (stemming)
  

- Verslag-Jacek Saryusz-Wolski (A6-0256/2007)

 

8.9. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Overeenkomst van 26 juli 1995 inzake het gebruik van informatica op douanegebied (stemming)
  

- Verslag-Jean-Marie Cavada (A6-0265/2007)

 

8.10. Het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche (aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden) (stemming)
  

- Verslag-Pervenche Berès (A6-0237/2007)

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès (PSE), rapporteur.(FR) Mevrouw de Voorzitter, het gaat hier om een belangrijke kwestie op het gebied van comitologie. Ik zal dit Parlement niet lang lastig vallen, maar ik zou graag willen dat we tegen het eerste deel van het amendement van het Europees Parlement kunnen stemmen en vóór het tweede deel. Ik denk dat alle leden zich inmiddels bewust zijn van het belang van deze stemming.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u wel, mevrouw Berès. We stemmen dus alleen over het tweede gedeelte.

 

8.11. Instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden) (stemming)
  

- Verslag-Pervenche Berès (A6-0239/2007)

 

8.12. Herverzekering (aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden) (stemming)
  

- Verslag-Pervenche Berès (A6-0238/2007)

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès (PSE), rapporteur.(FR) Mevrouw de Voorzitter, om efficiënt te werk te gaan en opdat de Raad zich kan baseren op de formulering in onze tekst, zouden we hier tegen het amendement van onze Commissie economische en monetaire zaken moeten stemmen.

 

8.13. Nieuwe statistische classificatie van producten gekoppeld aan activiteiten (CPA) (stemming)
  

- Verslag-Guntars Krasts (A6-0242/2007)

 

8.14. Steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap (stemming)
  

- Verslag-Jan Andersson (A6-0181/2007)

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson (PSE), rapporteur. - (SV) Ik wil de leden er alleen op wijzen dat de amendementen 1, 2 en 3 zijn ingetrokken om een overeenkomst met de Raad in eerste lezing mogelijk te maken. De leden van de commissie zijn over deze maatregel geïnformeerd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Wij gaan dus direct over op de enkele stemming.

 

8.15. Energie-efficiëntie-etiketteringsprogramma voor kantoorapparatuur (herschikking) (stemming)
  

- Verslag-Nikolaos Vakalis (A6-0234/2007)

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Nikolaos Vakalis (PPE-DE), rapporteur. - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil onderstrepen dat het Europees Parlement met zijn positieve stem vandaag korte metten maakt met het verleden: het doorbreekt namelijk een taboe dat tientallen jaren in de Europese aangelegenheden bestond.

Voor het eerst zal het verplicht zijn om via overheidsopdrachten openbare middelen te gebruiken voor de verbetering van de energie-efficiëntie. Energie-efficiëntie wordt terecht beschouwd als een fundamentele pijler van een duurzaam energiebeleid. Ik hoop dat het geld van de burger in het vervolg zal worden gebruikt voor uitermate prioritaire vraagstukken.

Tot slot wil ik de commissaris, de heer Piebalgs, en het Duits voorzitterschap van harte bedanken voor het feit dat zij de aanneming van deze verordening in eerste lezing mogelijk hebben gemaakt.

 

8.16. Verdrag van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences (intrekking van Verordening (EEG) nr. 954/79 van de Raad) (stemming)
  

- Verslag-Corien Wortmann-Kool (A6-0258/2007)

 

8.17. Controle op de visserijactiviteiten in Antarctica (stemming)
  

- Verslag-Rosa Miguélez Ramos (A6-0213/2007)

 

8.18. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europol-overeenkomst van 26 juli 1995 (stemming)
  

- Verslag-Genowefa Grabowska (A6-0260/2007)

 

8.19. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot het verdrag van 29 mei 2000 over de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (stemming)
  

- Verslag-Genowefa Grabowska (A6-0261/2007)

 

8.20. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Overeenkomst van 17 juni 1998 betreffende de ontzegging van de rijbevoegdheid (stemming)
  

Verslag-Genowefa Grabowska (A6-0269/2007)

 

8.21. Toetreding van Bulgarije en Roemenië tot het verdrag van 26 mei 1997 ter bestrijding van corruptie (stemming)
  

- Verslag-Jörg Leichtfried (A6-0272/2007)

 

8.22. Rectificaties (invoeging van een nieuw artikel 204 bis in het Reglement) (stemming)
  

- Verslag-Richard Corbett (A6-0229/2007)

 

8.23. Toepassing en interpretatie van het Reglement (wijziging van artikel 201 van het Reglement) (stemming)
  

- Verslag-Richard Corbett (A6-0230/2007)

 

8.24. Verzoek om informatie inzake de immuniteit en de voorrechten van Alessandra Mussolini (stemming)
  

- Verslag-Klaus-Heiner Lehne (A6-0251/2007)

 

8.25. Verzoek om verdediging van de parlementaire immuniteit van Ashley Mote (stemming)
  

- Verslag-Francesco Enrico Speroni (A6-0250/2007)

 

8.26. Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 4/2007 (stemming)
  

- Verslag-James Elles (A6-0268/2007)

 

8.27. Speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 9/2006 over de uitgaven van Commissie, Parlement en Raad voor vertaling (stemming)
  

- Verslag-Alexander Stubb (A6-0215/2007)

 

8.28. Minimaliseren van uit wetgeving voortvloeiende administratieve lasten (stemming)
  

- Verslag-Jan Mulder (A6-0275/2007)

 

8.29. Het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen ("ROME II") (stemming)
  

- Verslag-Diana Wallis (A6-0257/2007)

 

8.30. Communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2007-2013) (stemming)
  

- Aanbeveling voor de tweede lezing: Antonios Trakatellis (A6-0184/2007)

 

8.31. Kwikhoudende meettoestellen (stemming)
  

– Aanbeveling voor de tweede lezing: Sornosa Martinez (A6-0218/2007)

 

8.32. Uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s (stemming)
  

- Verslag-Åsa Westlund (A6-0153/2007)

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Hartmut Nassauer (PPE-DE). – Mevrouw de Voorzitter, ik zou er graag op willen wijzen dat er een fout staat in de stemlijst van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten. Bij amendement 39 over de rechtsgrondslag staat bij ons een plus, maar er zou een min moeten staan.

 

8.33. Levensmiddelenadditieven (stemming)
  

- Verslag-Åsa Westlund (A6-0154/2007)

 

8.34. Voedingsenzymen (stemming)
  

- Verslag-Avril Doyle (A6-0177/2007)

 

8.35. Aroma's en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in of op levensmiddelen (stemming)
  

- Verslag-Mojca Drčar Murko (A6-0185/2007)

 

8.36. Onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken (stemming)
  

- Verslag-Astrid Lulling (A6-0148/2007)

Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), rapporteur. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wilde heel kort uw aandacht vestigen op dit verslag, aangezien de procedure heel ingewikkeld is.

Voor alle duidelijkheid wil ik iedereen die een verhoging van de minimumtarieven op bier en sterke dranken wil vermijden, erop wijzen dat ze tegen alle binnen de commissie goedgekeurde amendementen moeten stemmen op één na, dat binnen de Commissie economische en monetaire zaken met een geringe, toevallige meerderheid van 21 tegen 19 is goedgekeurd. Ik vraag u hoe dan ook, ongeacht de uitslag van de stemming, om mijn hele verslag te verwerpen en daarmee de status-quo te handhaven als het gaat om accijnzen op alcohol, in afwachting van het verslag van de Commissie, aangezien de heer Kovàcs aan het einde van het jaar voorstellen wil doen over het hele accijnsbeleid.

Ik kan u wellicht nog wijzen op wat Winston Churchill zei:

(EN) Goede teksten bestaan niet.

(Applaus)

Ik zou daaraan willen toevoegen dat er niets erger is dan onnodig belastingen te verhogen op het verkeerde moment. Daarom vraag ik u mij te volgen bij de stemming en het verslag hoe dan ook te verwerpen!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dank u wel, mevrouw Lulling. Het is duidelijk dat uw advies hier in het Parlement in goede aarde valt.

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès (PSE), voorzitter van de Commissie economische en monetaire zaken. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, het Parlement zal zich nog herinneren dat we deze tekst moesten terugverwijzen naar de commissie, omdat onze rapporteur, na tegenstrijdige stemmingen, had opgeroepen tegen te stemmen.

De Commissie economische en monetaire zaken heeft serieus werk verricht dat klaarblijkelijk niet naar de zin is van onze rapporteur, die zich zonder meer had moeten distantiëren van het eindresultaat. Het amendement is niet met een geringe, toevallige meerderheid goedgekeurd, maar na zeer grondig werk, samen met de Commissie en de Raad, om te komen tot een uiterst redelijk voorstel dat naar ik hoop de goedkeuring van dit Parlement zal kunnen wegdragen.

(Applaus)

 

8.37. Inventarisatie, inaanmerkingneming en bescherming van Europese kritieke infrastructuur (stemming)
  

- Verslag-Jeanine Hennis-Plasschaert (A6-0270/2007)

 

8.38. Vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt (stemming)
  

- Verslag-Alejo Vidal-Quadras (A6-0249/2007)

Vóór de stemming over amendement 2:

 
  
MPphoto
 
 

  Alejo Vidal-Quadras (PPE-DE), rapporteur. – (ES) Mevrouw de Voorzitter, ik wil een opmerking maken over amendement 2, dat betrekking heeft op de rol van de transmissiesysteembeheerders (TSB’s). In de tekst wordt het woord “institutioneel” gebruikt, maar in het taalgebruik van de Europese Unie heeft het woord “institutioneel” een heel specifieke betekenis, die te groot is voor wat hier bedoeld wordt. Daarom wil ik voorstellen om het woord “institutioneel” te vervangen door “officieel”.

Daardoor zou de tekst als volgt gaan luiden: “is ingenomen met het voorstel om bestaande organisaties van TSB’s een officiële rol te geven met officiële verplichtingen en doelstellingen (de ETSO+\GTE+-oplossing);”.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 

8.39. Vervaardiging van vismeel en visolie (stemming)
  

- Verslag-Struan Stevenson (A6-0155/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Åsa Westlund (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik doe een beroep op het Reglement; u kunt mij op dit moment blijkbaar moeilijk zien. Ik heb al tweekeer om een elektronische controle in verband met mijn eigen verslag verzocht en dat werd geweigerd. Ik wil alleen graag vastgelegd zien dat dit wellicht gebeurd is omdat u een vrouw achterin de zaal blijkbaar niet kunt horen of niet het woord wilt geven, dan wel dat u niet bereid bent om een dergelijk verzoek aan te horen. U en uw collega’s hebben het al een paar keer bij het verkeerde eind gehad. Hoewel u naar het verzoek om een controle geluisterd heeft, deed u dat bij mijn verslag niet en ik heb er nog wel twee keer om gevraagd. Ik wil dat graag vastgelegd zien. Dank u.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Wij hebben gehoord wat u zei. Gelooft u mij als ik zeg dat iedereen hier zijn uiterste best doet om goed te luisteren en goed te kijken. Desondanks nemen wij nota van uw woorden.

 

9. Bijeenroeping van de Intergouvernementele Conferentie (termijn voor de indiening van amendementen): zie notulen

10. Stemverklaringen
  

- Verslag-Jacek Saryusz-Wolski (A6-0216/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) Velen denken dat Kiev heel duidelijk op een “Brusselse koers” ligt, maar dat is helemaal niet zo duidelijk. Wanneer het land zich werkelijk afwendt van Rusland, wat Loekaschenko al een hele tijd lijkt voor te bereiden, zou dat gevolgen hebben, zeker ook voor olie en gas. Wanneer die sector uit zijn evenwicht raakt, zou dat ook gevolgen hebben voor de Europese Unie.

De laatste uitbreiding heeft aangetoond dat we aan de grenzen van onze mogelijkheden terecht zijn gekomen. Desondanks is nog steeds niet duidelijk of we de Russische invloedssfeer in het gebied van de vroegere Sovjet-Unie respecteren, of blind achter de Amerikanen aan blijven lopen, die hun hegemonie ook in Oost-Europa willen vestigen. Dat leidt tot een zigzagkoers, en tot politieke spanningen in Oekraïne. Desondanks zou het verstandig zijn om de relatie met onze Oekraïnse buren te verbeteren. We hebben een voorschot gegeven in de vorm van visumfaciliteiten, dus moeten we nu eisen dat het oude schandaal volledig wordt opgehelderd, en dat dergelijke gevallen van misbruik niet meer voorkomen.

 
  
  

- Verslag-Jean-Marie Cavada (A6-0265/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Coelho (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Krachtens de Akte van Toetreding van Bulgarije en Roemenië uit 2005 is er een vereenvoudigde regeling tot stand gekomen waardoor die landen kunnen toetreden tot overeenkomsten en protocollen die zijn afgesloten op basis van artikel 34 VEU of artikel 293 EGV. Daarom is het niet meer nodig te onderhandelen over en over te gaan tot de sluiting van specifieke protocollen voor toetreding tot die overeenkomsten. Dat betekent dat de bureaucratische rompslomp die gepaard zou gaan met de ratificatie door 27 lidstaten wordt bespaard.

In de bijlage bij de Akte staat een lijst met zeven overeenkomsten en protocollen op het vlak van justitie en binnenlandse zaken, waaronder deze Overeenkomst.

Ik ben verheugd over dit soort initiatieven, die beogen zowel de communautaire bureaucratie als de overdreven hoeveelheid tijd die in zulke eenvoudige zaken wordt gestopt, te verminderen.

Ik geef dan ook mijn steun aan dit Raadsbesluit, dat bepaalt wanneer de Overeenkomst van 26 juli 1995 inzake het gebruik van informatica op douanegebied en de desbetreffende protocollen in Bulgarije en Roemenië in werking moeten treden.

 
  
  

- Verslag-Genowefa Grabowska (A6-0260/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. (PL) Ik stem voor het verslag van mevrouw Grabowska betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europol-overeenkomst van 26 juli 1995.

Bij de Toetredingsakte van Bulgarije en Roemenië is een vereenvoudigde regeling ingevoerd voor de toetreding van deze twee landen tot verdragen en overeenkomsten die door de lidstaten gesloten zijn op grond van artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. In het licht van de bovengenoemde regeling is het niet langer noodzakelijk te onderhandelen over specifieke toetredingsprotocollen. Die zouden bovendien door alle lidstaten van de Gemeenschap geratificeerd moeten worden. Het is enkel nodig dat de Raad, na raadpleging van het Europees Parlement, een besluit aanneemt waarin de datum wordt vastgelegd waarop de Europol-overeenkomst in werking zal treden, samen met de nodige protocollen.

De Raad zou eveneens nieuwe termijnen in overweging moeten nemen voor de inwerkingtreding van de drie protocollen die dateren van 30 november 2000, 28 november 2002 en 27 november 2003.

 
  
  

- Verslag-Alexander Stubb (A6-0215/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het uitstekende verslag van mijn collega, de heer Stubb, gestemd inzake het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over de uitgaven van Commissie, Parlement en Raad voor vertaling. Ik ben blij een amendement te hebben kunnen laten indienen waarin wordt betreurd dat steeds meer documenten of mededelingen, met name compromisamendementen op het moment dat hierover gestemd wordt binnen de commissie of bijvoorbeeld bijlagen bij verslagen, slechts in één taal worden voorgelegd. Deze tendens strookt niet met de noodzaak om een democratisch werkmodel van onze Unie te behouden dat diverse volken met verschillende talen en culturen bijeenbrengt. Ons model kan van nut zijn voor andere gebieden ter wereld, met name het gebied rond de Middellandse Zee, en wij moeten het gebruik van talen volledig respecteren. Ik heb jammer genoeg niet kunnen voorkomen dat het verslag de parlementaire commissies en delegaties, voor zover mogelijk, aanspoort de teksten alleen aan te leveren in de talen van hun gewone en plaatsvervangende leden, waarbij als eis wordt gesteld dat andere taalversies op aanvraag beschikbaar worden gesteld. De laatstgenoemde beperking zal ertoe leiden dat afgevaardigden de verrichtingen van andere commissies dan die waarin ze zelf zitting hebben, niet meer kunnen volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het respecteren van de officiële talen van de lidstaten van de Europese Unie staat in de Verdragen. Toch wordt het idee gestimuleerd dat een aantal vertalingen gemist kan worden. Daarvoor gebruikt men financiële argumenten en doet men een beroep op de noodzaak prioriteiten en beperkingen vast te leggen, zoals de omvang van documenten. Dergelijke richtsnoeren druisen in tegen de eerbiediging van de meertaligheid en zijn daarom voor ons onaanvaardbaar.

Daarom bevestigen wij dat wij elke poging het gebruik van een officiële of werktaal van de EU te beperken met als argument de hoge kosten, krachtig van de hand wijzen. Een voorbeeld van dat argument vormen de bestaande criteria voor het gebruik van de talen tijdens de Parlementaire Vergaderingen EU-ACS, die op discriminerende wijze het gebruik van het Portugees onmogelijk hebben gemaakt. Wij hebben dat toen ook aan de kaak gesteld.

Wij wijzen tevens van de hand dat met misleidende begrotingsargumenten het aantal tolken en vertalers verminderd wordt en hun arbeidsvoorwaarden bij het Parlement, de Commissie en de Raad onzekerder en slechter worden. De instellingen stimuleren de uitbesteding van die diensten, die onmisbaar zijn voor het adequaat functioneren van deze instellingen en het garanderen van de toegang tot relevante informatie voor de burgers van de lidstaten van de Europese Unie in hun eigen taal.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún en Mary Lou McDonald (GUE/NGL), schriftelijk. - (EN) Wij hebben vandaag tegen het verslag van de heer Stubb gestemd, omdat wij vrezen dat het begrip “gecontroleerde integrale meertaligheid” gebruikt zou kunnen worden om de hoeveelheid schriftelijk materiaal die voor Ierse sprekers beschikbaar is, te beperken ten opzichte van sprekers in andere officiële en werktalen. Op dit moment is een aantal diensten die wel in het Iers aangeboden zou kunnen worden, toch niet in onze taal beschikbaar omdat de administratie van het Europees Parlement dat zo heeft beslist. Dergelijke onnodige beperkingen van de Ierse taal als werktaal dienen opgeheven te worden.

Sommige voorstellen in het verslag van de heer Stubb zijn overigens positief, zoals de eerbiediging van de meertaligheid, de kwaliteitscontrole, de tevredenheid van de gebruikers, de vertaalgeheugensystemen en een gemeenschappelijke terminologiedatabase.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) De Europese Rekenkamer heeft bekritiseerd dat de kosten van de vertaling van 2003 tot 2005 met 25 procent gestegen zijn. De stijging van het aantal officiële talen van 11 naar 21 op zich is geen verklaring voor dit feit, dus moeten we die kritiek nog eens goed bekijken. In dit verband zou het werkelijk de moeite waard zijn om te overwegen of we de kosten van de vertalingen van nu af aan opsplitsen per doeltaal, zodat duidelijker zichtbaar wordt hoeveel vraag er naar vertalingen is. We moeten ook een strategie bedenken voor de pre-toetredingsgesprekken die op dit moment plaatsvinden. Alleen Macedonië heeft al zes officiële talen, en als het zo doorgaat hebben we hier binnenkort een Babylonische spraakverwarring.

Zodra alle gegevens beschikbaar zijn zal zeker duidelijk worden waar zonder meer kan worden bezuinigd. We mogen deze revisie echter niet misbruiken om nog meer belangrijke EU-documenten in te delen als “werkdocument” of als “bijlage”, om via die achterdeur de verplichte volledige vertaling te omzeilen. Vooral moeten we vaker gebruik maken van het Duits, de meest gesproken moedertaal, en op één na de belangrijkste vreemde taal.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. Voorzitter, ik heb voor het verslag-Stubb gestemd omdat ik het eens ben met de hoofdlijnen ervan.

Het uitgangspunt van ons handelen moet de volledige meertaligheid blijven uit respect voor de beginselen van gelijkheid van alle burgers, omwille van een optimale communicatie en omwille van de democratie. Tegelijk moeten we echter behoedzaam omgaan met de kosten, anders riskeren we de maatschappelijke draagkracht voor de veeltaligheid van onze instelling te verliezen.

 
  
  

- Verslag-Jan Mulder (A6-0275/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn collega Jan Mulder gestemd over het minimaliseren van uit Europese wetgeving voortvloeiende administratieve lasten. De doelstelling “beter wetgeven” van de Europese Commissie moet worden aangemoedigd en bewaakt. Onnodige administratieve lasten zijn de plaag van onze samenlevingen die gebaseerd zijn op de rechtsorde en die zich niet altijd beseffen dat de inflatie van het recht leidt tot de depreciatie ervan, want burgers passen geen onnodige en dure regels toe. Een reductie van 25 procent van de administratieve lasten tussen nu en 2013 is best haalbaar, op voorwaarde dat we goed kijken om wat voor uitgaven het gaat en niet uit het oog verliezen dat loze bezuinigingen veel duurder kunnen uitvallen.

Iedereen weet dat middelmaat op de lange termijn veel duurder is dan kwaliteit. Als we voortdurend moeten strijden tegen alle zinloze wetten en de daarmee gepaard gaande administratieve lasten, moeten we op zorgvuldige en oordeelkundige wijze regels opstellen voor economische activiteiten, waarbij het belang van consumenten en producenten voorop staat.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) Wanneer we steeds meer nieuwe EU-agentschappen uit de grond stampen, die vaak ook nog dubbel werk doen, alleen maar om nationale wensen te bevredigen, mag het ons toch echt niet verbazen dat er verwijten komen over een grenzeloze bureaucratie, over teugelloze overheidsbemoeienis en gerichte verplaatsing van arbeidsplaatsen. We streven naar een burgervriendelijkere Gemeenschap, maar dat betekent meer dan e-government en dergelijk pr-spektakel, dat betekent dat we dubbel werk moeten vermijden, of verminderen.

We moeten ook gebruik maken van de bestaande mogelijkheden om te bezuinigen. We kunnen ons bijvoorbeeld beperken tot één enkele zetel voor het Parlement, alleen daadwerkelijk gemaakte onkosten terugbetalen, de fraude effectief bestrijden en ten onrechte betaalde subsidies ook echt weer terugvorderen. We kunnen ook miljarden besparen bij al die uitbreidingen, die tegen de wil van de burger plaatsvinden. In ieder geval mag de EU niet nadoen wat er in bepaalde lidstaten lijkt te gebeuren, en wel dat meer migranten in overheidsdienst worden genomen. Dat zou ernstige en onomkeerbare schade veroorzaken voor ons doel om een Europese identiteit te ontwikkelen.

 
  
  

- Verslag-Diana Wallis (A6-0257/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. - (FR) Ik heb voor het verslag van mijn collega, mevrouw Wallis, gestemd over de gemeenschappelijke ontwerptekst van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op niet contractuele verbintenissen (Rome II). Met dit uiterst complexe dossier wordt een stap gezet in de richting van de harmonisatie van de collisieregels van de lidstaten die van toepassing zijn op niet-contractuele verbintenissen, dat wil zeggen de gevolgen van verkeersongevallen, oneerlijke concurrentie, milieuschade, laster en, meer in het algemeen, schending van persoonsrechten, enzovoort.

Over het geheel genomen is het Europees Parlement onvoldoende gehoord door de lidstaten, en de talloze studies en rapporten waarin de gevolgen van deze overeenkomst moeten worden beoordeeld, zullen van essentieel belang zijn als wij op deze belangrijke kwestie terugkomen. Bijvoorbeeld als het gaat om verkeersongevallen: hoe kunnen wij er genoegen mee nemen dat het recht van het land waar het ongeval heeft plaatsgevonden wordt toegepast, en niet dat van het land waar het slachtoffer woont? En zijn wij er zeker van dat de rechtbanken zich louter door de overwegingen van deze verordening zullen laten leiden bij het vaststellen van de schade? Hoe houden wij laster onder controle in een pers die steeds internationaler wordt en zich op het digitale vlak begeeft? En zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Er staat ons nog veel werk te wachten, wat deze thema’s betreft.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (ITS), schriftelijk. – (FR) Ik wil de rapporteur graag feliciteren met de evenwichtige tekst die ze ons voorlegt. Deze tekst streeft naar de totstandbrenging van een coherent juridisch kader voor de relaties tussen internationale civiele wetten en andere communautaire instrumenten.

Deze verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) streeft er namelijk naar de nationale collisieregels te harmoniseren. Deze regels bepalen welk recht van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, zoals bij bijvoorbeeld bij verkeersongevallen, productaansprakelijkheid, oneerlijke concurrentie of milieuschade.

Wij zijn voorstander van het principe om standaardregels in te voeren als het gaat om collisie, zij het dat ze wel, laten we dat niet vergeten, voldoende duidelijk en nauwkeurig moeten zijn. Dat was niet het geval bij de omstreden bepalingen betreffende laster door de media. Vrijheid van meningsuiting en persvrijheid moeten worden beschermd en onvoorwaardelijk kunnen worden uitgeoefend. In dit geval was het bij gebrek aan regels die redactionele onafhankelijkheid beschermen zinvol de bepalingen betreffende schending van de privésfeer door de media uit te sluiten van de werkingssfeer van ‘Rome II’.

Wij zullen dan ook voor dit verslag stemmen.

 
  
  

- Verslag-Antonios Trakatellis (A6-0184/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Het verheugt mij zeer dat het met de Raad bereikte compromis over het tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid 2007-2013 is aangenomen.

De Europese Unie kan niet meer zonder een gemeenschappelijk gezondheidsprogramma met gemeenschappelijke publieke investeringen. Het is betreurenswaardig dat de begroting naar beneden is bijgesteld. We moeten vele investeringen doen voordat we kunnen beschikken over preventieve en technische middelen. Voorkomen is beter dan genezen en goede informatie over levensstijlen of gezondere voeding om de mortaliteit als gevolg van ernstige ziekten te verminderen, is een essentiële voorwaarde. We moeten tevens technische oplossingen voor noodsituaties algemeen beschikbaar maken. Het op grote schaal ter beschikking stellen van defibrillatoren is een van vele voorbeelden.

Gezondheid is echter niet een louter boekhoudkundige kwestie. Zij is ook en vooral een goed voor iedereen. Meer verantwoordelijkheid geven aan patiënten is een belangrijk aspect. Het opstellen van duidelijke en toepasbare bepalingen in alle lidstaten van de Europese Unie is ontegenzeglijk de belangrijkste stap op weg naar de toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. - (EL) Het in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van de EU opgenomen actieprogramma heeft niet tot doel de volksgezondheid te beschermen en te verbeteren, maar de problemen te beheren, de commercialisering en privatisering van de gezondheidsdiensten verder uit te breiden en tot slot de particuliere concerns te helpen bij de verovering van deze voor het kapitaal winstgevende sector.

De verantwoordelijkheid van de staat en de verplichting om de volksgezondheid te beschermen en te verbeteren worden overgeheveld naar de lokale overheden, naar ngo’s en het “maatschappelijk middenveld”, en tegelijkertijd wordt de individuele verantwoordelijkheid naar voren geschoven als een fundamentele factor voor de manier waarop de volksgezondheid vorm krijgt.

De kapitalistische hervormingen in de volksgezondheidssector maken deel uit van het meer algemeen volksvijandig beleid van de EU. Men wil de verzekeringsvoorwaarden verslechteren en de pensioengerechtigde leeftijd voor de werknemers verhogen. Wij zijn vierkant tegen de arbeidersvijandige voorstellen die zijn opgenomen in het communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid.

De Communistische Partij van Griekenland strijdt voor een uitsluitend openbare volksgezondheid en voor uitsluitend openbare voorzieningen, die tegemoet kunnen komen aan de hedendaagse behoeften van het arbeidersgezin.

 
  
  

-Verslag-Maria Sornosa Martínez (A6-0218/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Ivo Belet (PPE-DE). – Voorzitter, ik zit hier in het midden. Een kleine kanttekening bij het terugschroeven van het gebruik van kwik. Daar is iedereen voor. Dat is een goede zaak, want in veel sectoren is het gebruik van kwik voorbijgestreefd en moet het inderdaad worden vervangen door andere materialen. Maar een totaal verbod op ambachtelijke voorwerpen, zoals de traditionele kwikbarometer, gaat volgens ons te ver.

Ik ben onlangs op bezoek geweest bij het bedrijf Dingens in de Belgische gemeente Leopoldsburg en dat bedrijf bewijst al decennia lang dat kwikbarometers op een duurzame, ecologisch verantwoorde manier kunnen worden geproduceerd. Zo'n traditionele barometer heeft trouwens een onbeperkte levensduur in tegenstelling tot zijn opvolger, de digitale barometer, die op batterijen werkt en dus energie verbruikt. De producenten van traditionele barometers hebben zich bovendien bekwaamd in het duurzaam onderhoud van deze toestellen. Er komt geen kwik van barometers in het afvalcircuit terecht.

Ik roep daarom de Commissie op, mevrouw de Voorzitter - en dan ga ik stoppen - en ik roep ook alle betrokkenen op om nu al een signaal te geven aan de betrokken sector en bij de evaluatie, die nu twee jaar duurt, rekening te houden met die terechte specifieke situatie van de kwikbarometerproducenten, opdat zij, hopelijk, het recht blijven behouden op een uitzonderingsregime.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (ITS). – Dank u, mevrouw de Voorzitter, ik heb voor de amendementen 1 en 2 gestemd, omdat ik van oordeel ben dat de productie van traditionele barometers mogelijk moet blijven. Ik verzet mij tegen elke vorm van Europese bemoeizucht die ertoe leidt dat er niet alleen traditionele gebruiken en productiemethodes verloren gaan, maar ook werkgelegenheid.

Bovendien is het zeer de vraag of het verbieden van kwikbarometers een effectieve maatregel zou zijn. Andere vormen van kwikgebruik zijn veel omvangrijker en veel problematischer dan die bij de productie van barometers. Bovendien hebben kwikbarometers geen batterijen nodig en zijn ze permanent actief.

Het Parlement heeft vandaag weer eens een kans gemist om rekening te houden met een concrete realiteit, namelijk dat kleine en middelgrote ondernemingen een zeer belangrijke plaats innemen in onze economie en in Europa. En het laatste wat die KMO's nodig hebben, is nog meer Europese regelgeverij en bemoeizucht.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI), schriftelijk. - (EN) Ik heb vandaag mijn steun gegeven aan de amendementen om barometers uit te zonderen van deze veel te dicterende wetgeving. Die amendementen zijn echter verworpen en daarom heb ik tegen het verslag gestemd.

Door een totaal verbod op kwikhoudende meettoestellen zou een aloude traditionele ambachtelijke sector in het Verenigd Koninkrijk verdwijnen als gevolg van een obsessieve bemoeizucht met allerlei zaken vanuit Brussel op een manier die veel verder gaat dan wat noodzakelijk of verstandig is.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik ben ingenomen met het verstandige besluit dat genomen is in verband met het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, waarin de meeste amendementen van het Europees Parlement zijn overgenomen. Het voornaamste verschil tussen het standpunt van het Parlement en dat van de Raad betreft kwikbarometers en de toe te passen ontheffingen, gelet op het feit dat het verbod dat vervolgens zou worden ingesteld alleen van toepassing zou zijn op nieuwe kwikbarometers, aangezien barometers die al in gebruik zijn nog altijd kunnen worden verkocht, gerepareerd en onderhouden.

Gezien de uiterst gevaarlijke eigenschappen van kwik en de veel grotere hoeveelheid kwik in traditionele barometers vergeleken met bijvoorbeeld koortsthermometers, vormt de door de Raad voorgestelde oplossing om een beperkte ontheffing te verlenen een evenwichtig compromis: het doel is in feite een tijdelijke ontheffing toe te kennen om de fabrikanten van traditionele barometers de gelegenheid te geven zich aan de nieuwe regels aan te passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik juich het toe dat het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad wat betreft de beperking van het op de markt brengen van bepaalde kwikhoudende meettoestellen is aangenomen.

Ik ben voor het beperken van het op de markt brengen voor het grote publiek van kwikhoudende meettoestellen, die in Frankrijk sinds 1998 verboden zijn.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, dat het Parlement heeft aangenomen, leidt tot een evenwicht waarmee wij de verspreiding van kwik in het milieu kunnen reduceren en een overgangsperiode kunnen instellen voor bepaalde producten zoals traditionele barometers. Dankzij een overgangsperiode van twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn kunnen de betreffende ondernemingen hun technologie verder ontwikkelen om toestellen zonder kwik te produceren.

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Ik ben geschokt dat wij nog steeds wetgeving maken waardoor banen verloren dreigen te gaan terwijl daar geen echte voordelen voor het milieu tegenover staan. Net als in andere lidstaten is de barometerproductie in het Verenigd Koninkrijk een sector met een eeuwenlange traditie. Er bestaat geen twijfel over dat er adequaat controle uitgeoefend moet worden op het gebruik van kwik. De afgelopen jaren hebben wij ook aanzienlijke vooruitgang geboekt met betrekking tot zaken als de opslag en de uitvoer. Het moet echter toch mogelijk zijn om de traditionele barometerproductie in stand te houden door het gebruik van efficiënte veiligheidswaarschuwingen en dergelijke. Het is niet nodig om een aloud, traditioneel ambacht kapot te maken, alleen maar omdat het gemakkelijker is om een wetgeving te gebruiken op basis van het adagium “deze jas past ons allemaal”. Een sociaal Europa betekent niets als dat betekent dat mensen in traditionele ambachten hun baan verliezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. Voorzitter, collega's, kwik is een gevaarlijk product waar omzichtig mee moet worden omgesprongen. Niemand in dit Parlement twijfelt daaraan. Helaas heeft het Europees Parlement deze stelling vandaag bij de stemming over het verslag-Sornosa Martínez tot in het absurde doorgetrokken. Ik betreur dat zeer.

Door vast te houden aan een totaal verbod op de productie van traditionele barometers heeft de Commissie, hierin vandaag gevolgd door een meerderheid van dit Parlement, de doodsteek gegeven aan een sector die staat voor 360 jaar Europese traditie. Het feit dat alle barometerfabrikanten in de Europese Unie slechts luttele tiende procenten van het jaarlijkse kwikverbruik voor hun rekening nemen, kwik dat op de koop toe 100 procent gerecycleerd wordt, maakt de zaak dubbel zo erg. Vandaag is hier duidelijk niet de keuze van het gezond verstand gemaakt.

 
  
  

Verslag-Asa Westlund (A6-0153/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. - (SV) De stemmingen over de verslagen van mevrouw Westlund gaan niet alleen over de vraag welke levensmiddelenadditieven mogen worden gebruikt. Zij gaan vooral over de vraag wie in individuele kwesties met betrekking tot levensmiddelenadditieven besluiten mag nemen.

In tegenstelling tot de rapporteur vinden wij als Zweedse conservatieven niet dat het Europees Parlement individuele levensmiddelenadditieven moet evalueren en over de goedkeuring ervan moet beslissen, bijvoorbeeld op basis van details zoals de risico’s van individuele levensmiddelenadditieven voor mensen met een allergie. Dat zou de politisering betekenen van belangrijke kwesties waarover op wetenschappelijke basis en op het niveau van de bevoegde autoriteit moet worden beslist. Wij verwerpen daarom het voorstel met betrekking tot meer medebeslissingsbevoegdheid voor het Parlement.

Als gevolg hiervan hebben wij in de stemming van vandaag tegen een te gedetailleerde regulering gestemd.

 
  
  

- Verslag-Asa Westlund(A6-0154/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). – (CS) Geachte commissaris, ik heb gepleit voor een meer flexibele toelating van toevoegingen in levensmiddelen, en in dit kader ben ik van mening dat de Commissie ook direct moet toezien op de invloed hiervan op het milieu en de gezondheid. Graag wil ik u attent maken op de grote groep mensen die allergisch zijn voor gluten, en wier leven afhangt van het volgen van een glutenvrij dieet. Naast speciale bakproducten kopen ze gewone levensmiddelen die normaliter geen gluten bevatten, en daarom is het van belang dat de toevoegingen op de juiste wijze voor de consument worden aangegeven. Producenten en controlerende instanties hebben vaak lak aan het feit dat in de markering van elk product expliciet vermeld moet worden of dit al of niet gluten bevat. Hierdoor krijgen de honderdduizenden Europeanen die aan deze voedselallergie lijden onvoldoende zekerheid bij de aankoop van levensmiddelen, zodat ze onnodig in de keuze van de levensmiddelen beperkt worden of – erger nog – hun gezondheid in gevaar brengen. Ik wil hier graag een beroep doen op de Commissie om erop toe te zien dat er consequent onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van gluten in additieven en om zorg te dragen voor een volledige markering van alle levensmiddelen, zodat ook Europeanen met een glutenvrij dieet hierbij baat hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Ik heb voor het uitstekende verslag gestemd van mijn Zweeds medelid, mevrouw Westlund, over levensmiddelenadditieven. Hoewel het normaal is de taak van de Europese Commissie te vergemakkelijken door ermee akkoord te gaan dat besluiten over toelating van voedseladditieven via de comitologieprocedure worden vastgesteld, moet de Commissie in de nieuwe verordening inzake levensmiddelenadditieven en in de nieuwe verordening tot vaststelling van een uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s rekening houden met de kanttekeningen die het Parlement de afgelopen jaren telkenmale heeft gemaakt.

Die kanttekeningen betreffen vooral het milieu, de volksgezondheid en de zorg voor allergische personen. Het is toe te juichen dat volgens de bestaande wetgeving voor goedkeuring onder meer vereist is dat de consument niet misleid wordt. Desondanks wordt de consument soms in de veronderstelling gebracht dat een product bepaalde vruchten bevat doordat er een bepaalde kleurstof gebruikt is. Op dit punt moet de consumentenbescherming versterkt worden zonder dat dit gevolgen heeft voor fabrikanten.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Wise (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) Hoewel ik het eens ben met de principes die ten grondslag liggen aan de amendementen over de etikettering van GGO’s, heb ik mij van stemming onthouden. Ik ben namelijk van mening dat dergelijke zaken door de nationale regeringen geregeld dienen te worden en niet onder de bevoegdheid van de EU vallen.

 
  
  

- Verslag-Avril Doyle (A6-0177/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Ik heb voor het uitstekende verslag gestemd van mijn gewaardeerde Ierse collega, mevrouw Doyle, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake voedingsenzymen en tot wijziging van meerdere bestaande teksten. Om de handelsbelemmeringen uit de weg te ruimen en niet alleen rechtsonzekerheid maar ook uiteenlopende normen met betrekking tot volksgezondheid en consumentenbescherming tussen de verschillende lidstaten te voorkomen, is het van essentieel belang om op communautair niveau de voorschriften te harmoniseren betreffende controle op de toepassing van enzymen in de levensmiddelenindustrie, die de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid is (vervaardiging van brood, kaas, productie van bier, vruchtensappen, verwerking van zetmeel, enzovoorts).

Dankzij grote wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen kunnen wij nieuwe enzymen produceren uit genetisch gemodificeerde micro-organismen. Daarom moeten wij dit vooruitzicht van geharmoniseerde wetgeving betreffende het gebruik van voedingsenzymen in de Europese Unie toejuichen. Dit is in het welbegrepen belang van consumenten en producenten, mits de wetgeving niet te duur is.

 
  
  

- Verslag-Mojca Drčar Murko (A6-0185/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het uitstekende verslag gestemd van mijn Sloveense medelid, mevrouw Drčar Murko, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in of op levensmiddelen en tot wijziging van meerdere bestaande teksten.

Tegenwoordig kan elke natuurlijke geur of smaak synthetisch worden nagemaakt met behulp van 2 600 moleculen met natuuridentieke aromatiseringseigenschappen en er kunnen nieuwe smaken worden gecreëerd, zelfs smaken die in de natuur niet bestaan. De technologische ontwikkelingen in deze sector en de snel veranderende smaken van onze medeburgers moeten ons ertoe aanzetten te waken over de voedselveiligheid en de consumentenbescherming en de betrokken ondernemingen de mogelijkheid te bieden de technologische ontwikkeling voort te zetten met als doel de interne markt te versterken.

Er zijn vele vragen gesteld, en ik juich de compromissen toe die de rapporteur heeft weten te bereiken. Hierdoor is dit voorstel voor een verordening een doeltreffend initiatief geworden, gericht op modernisering en vereenvoudiging van de wetgeving betreffende aroma’s.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. - (EN) Ik zal dit verslag steunen. Ik ben met name verheugd over de inspanningsverplichting in verband met het etiketteren van GGO’s. De bezorgdheid van een aantal collega’s over de veiligheid van GGO’s kan ik niet helemaal delen. Ik oordeel daar anders over. Als wetenschapper ben ik van mening dat die GGO’s een bepaalde functie moeten vervullen. Desalniettemin accepteer ik dat andere mensen het recht hebben om andere keuzes te maken. Dat betekent dat degenen die een andere mening dan de mijne zijn toegedaan, door die etikettering de keuze hebben om de producten te vermijden waar zij niet van gediend zijn.

 
  
  

- Verslagen van Asa Westlund (A6-0154/2007) en Mojca Drčar Murko (A6-0185/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Gerard Batten (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) Hoewel wij ons kunnen vinden in de uitgangspunten van deze amendementen met betrekking tot de etikettering van GGO’s, heeft de Britse Onafhankelijkheidspartij zich van stemming onthouden omdat dergelijke zaken door de nationale regeringen geregeld dienen te worden en niet onder de bevoegdheid van de EU moeten vallen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nigel Farage (IND/DEM), schriftelijk. - (EN) Amendement 38, waarin bepaald wordt dat voedsel dat met GGO’s is geproduceerd, geëtiketteerd dient te worden, leidt ondanks de inherente wenselijkheid ervan eerder tot stemonthoudingen (dan ondersteuning) als gevolg van de gevaarlijke en onhervormbare ondemocratische bron (EU-instellingen). Met andere woorden, ik beschouw een gecentraliseerde EU-regelgeving zonder democratische verantwoordingsplicht als een grotere bedreiging voor de beschaving dan ongeëtiketteerde, met GGO’s geproduceerde voedselingrediënten. Dat betekent dat ik mij liever van stemming onthoud dan dat ik mijn steun aan dit amendement geef.

 
  
  

- Verslagen van Asa Westlund (A6-0153/2007 en A6-0154/2007), Avril Doyle (A6-0177/2007) en Mojca Drčar Murko (A6-0185/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het pakket gestemd betreffende de rationalisering van de toelatings- en gebruiksprocedures en de consolidatie van de richtlijnen betreffende additieven en aroma’s alsmede de harmonisatie van de wetgeving inzake enzymen.

Het verheugt mij zeer dat we een aantal aanvullende garanties hebben opgenomen om de transparantie van de besluiten en de consumentenbescherming te waarborgen. De toekomstige wetgeving heeft als doel de consumentenbescherming en de voedselveiligheid te waarborgen alsmede het innovatief vermogen en het concurrentievermogen van de voedingsmiddelenindustrie in stand te houden.

De voedingsindustrie gebruikt vele natuurlijke en kunstmatige aroma’s; er zijn er niet minder dan 2 600 geregistreerd. Bovendien worden steeds meer enzymen gebruikt bij de productie van levensmiddelen, en met de aangenomen teksten willen wij het veilige gebruik van deze stoffen verbeteren.

Wij dienen het concurrentievermogen van de voedingsmiddelenindustrie op de markt in stand te houden. Natuurlijke aroma’s bestaan volledig uit agentia met natuuridentieke aromatiseringseigenschappen. Met de door de Commissie voorgestelde verhouding 90/10 kon een natuurlijk aroma worden geproduceerd met verschillende smaken, afhankelijk van het product, de doelgroep of de cultuur van de lidstaat. Die 10 procent kwam uit natuurlijke bronnen anders dan de betreffende stof.

Ik betreur derhalve dat de zogenaamde arbitraire 95/5-regel is aangenomen die de voedingsmiddelenindustrie kan benadelen maar de consument geen betere informatie verschaft.

 
  
  

- Verslag-Astrid Lulling (A6-0148/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN), schriftelijk. - (EN) Ik heb tegen het verslag betreffende de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken gestemd. De Commissie economische en monetaire zaken was voorstander van een verhoging van de minimumtarieven met 4,5 procent. Aangezien ik tegen elke fiscale harmonisatie of belastingverhoging ben, hoe klein ook, heb ik tegen het verslag van Astrid Lulling gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. Voorzitter, collega's, telkens wanneer we in dit Parlement praten over bier, wijn of andere alcoholische dranken laaien de gemoederen hoog op. Dit was zo voor de brouwerijovereenkomsten. Het is nu niet anders. Vijftien jaar geleden werden in de Raad minimumtarieven afgesproken voor accijnzen op alcoholhoudende dranken. De bedoeling was duidelijk: de sterk uiteenlopende tarieven in de lidstaten naar elkaar toe laten groeien.

Zoveel jaar na datum moeten we vaststellen dat de beslissingen van toen hun doel zijn voorbijgeschoten. Zo passen sommige lidstaten, bijvoorbeeld de Scandinavische landen, omwille van volksgezondheidsredenen tarieven toe die zeer veel hoger liggen dan de minima. Dit is ook helemaal geen schande. Elke lidstaat heeft het recht een accijnsbeleid te voeren dat op één lijn ligt met zijn nationale tradities en beleidsvoorkeuren.

Laat ons dan echter ook maar erkennen dat de door de Commissie voorgestelde inflatiecorrectie van de bestaande tarieven geen zoden aan de dijk zal zetten. De huidige accijnsspreidstand tussen de lidstaten en de bestaande concurrentiedistorsies zullen onverminderd voortduren. Ik heb dan ook rapporteur Lulling gesteund in haar tegenstem.

 
  
  

- Verslag-Jeanine Hennis-Plasschaert (A6-0270/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, ik deel de positieve inschatting door mevrouw Hennis-Plasschaert van het voostel voor een richtlijn. We moeten belangrijke infrastructuur die door meerdere landen wordt gedeeld beschermen tegen terroristische activiteiten. Daarvoor moeten we onderzoeken om welke infrastructuur het gaat, en veiligheidsplannen opstellen.

Het voorstel van de Commissie gaat echter veel te ver. Het schendt het subsidiariteitsprincipe. Het haalt terreurbestrijding en financiële instrumenten door elkaar, en we mogen de Commissie toch wel de vraag stellen of een centraal register van kritieke infrastructuur de terroristen niet in de kaart speelt, en het risico daardoor verhoogt.

Het Europees Parlement heeft constructieve wijzigingsvoorstellen gedaan, en God zij dank heeft een grote meerderheid daar voor gestemd. Daarom zou ik de Europese Commissie willen aanbevelen om deze voorstellen nog eens goed te bekijken. Ik heb voor het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het uitstekende verslag gestemd van mijn Nederlandse medelid, mevrouw Hennis-Plasschaert, over het voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake kritieke infrastructuur. In de eerste plaats juich ik de visie van de Europese Raad van juni 2004 toe, die ten grondslag ligt aan dit voorstel voor een richtlijn. Het is absoluut noodzakelijk dat de Europese Unie de lidstaten ondersteunt bij de bescherming van kritieke infrastructuur tegen de risico’s, inclusief terroristische acties, waarmee wij worden geconfronteerd. Hoewel de verantwoordelijkheid voor dit soort infrastructuur ligt bij de lidstaten en de eigenaren/exploitanten die in de regel met hen verbonden zijn, ligt het voor de hand sommige aspecten van preventie, inventarisatie en aanduiding van kritieke infrastructuur te communautariseren, evenals de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren. Gezien de ontwikkeling van internet en de liberalisering van sommige markten (bijvoorbeeld wat betreft de levering van elektriciteit en gas, telecommunicatie en vrachtvervoer per spoor) moeten wij waakzamer zijn ten aanzien van onze kritieke infrastructuurvoorzieningen, die op Europees niveau steeds meer onderling gekoppeld worden en waarvan de permanente of tijdelijke verstoring of de vernietiging ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de gezondheid, de veiligheid of het economische en sociale welzijn van de Europeanen of voor het efficiënt functioneren van de regeringen van de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het vaststellen van een gemeenschappelijk actiekader voor de bescherming van kritieke Europese infrastructuur confronteert ons eens te meer met het centrale vraagstuk van de overdracht van bevoegdheden, die tot de kern van de soevereiniteit van de lidstaten behoren, naar de EU.

De definitie op communautair niveau van de bescherming van deze infrastructuur uit naam van de zogenaamde “strijd tegen het terrorisme” confronteert de lidstaten met hun verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van bindende maatregelen, zoals trouwens in de toelichting bij dit voorstel staat.

Hoewel de rapporteur de werkingssfeer van het oorspronkelijke voorstel afzwakt, als zij bijvoorbeeld zegt dat “de primaire en uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de bescherming van kritieke infrastructuur bij de lidstaten ligt” en meent “dat een communautaire aanpak alleen kan worden gerechtvaardigd als ten minste drie lidstaten of ten minste twee andere lidstaten dan die waarin de kritieke infrastructuur zich bevindt nadelige gevolgen zouden ondervinden”, doet zij niets af aan de hoofddoelstellingen.

Ook moet nog gezegd worden dat het voorwendsel van de zogenaamde “strijd tegen het terrorisme” geleid heeft – zoals de recente realiteit laat zien – tot maatregelen die rechten, vrijheden en garanties van de burgers aantasten. Laten wij hopen dat het concept van “bescherming van kritieke Europese infrastructuur” niet wordt gebruikt als argument om de legitieme strijd van de werknemers voor de verdediging van hun rechten te beknotten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik stem voor het verslag inzake de inventarisatie en aanmerking van Europese kritieke infrastructuur, en ook voor de beoordeling van de noodzaak om de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren.

Vernietiging of beschadiging van infrastructuur in één lidstaat kan negatieve gevolgen hebben voor meerdere lidstaten, en dus ook voor de hele Europese economie. Daarom is de bescherming van kritieke infrastructuur van het grootste belang voor de binnenlandse veiligheid van de EU.

Ik ben ook voor het voorstel in het verslag om aan de hand van gemeenschappelijke criteria een lijst op te stellen met prioritaire sectoren van kritieke Europese infrastructuur. De lidstaten mogen echter niet verplicht worden om de Commissie heel concreet mee te delen wat hun kritieke infrastructuur is, omdat dit de nationale veiligheid in het gedrang zou brengen.

De wens om in de EU horizontale rechtsvoorschriften vast te leggen, waarbij rekening wordt gehouden met de complexe processen en interfaces van kritieke grensoverschrijdende infrastructuur, is terecht. We moeten echter ook onder ogen zien dat de EU het werk van de lidstaten moet steunen, en niet mag overdoen. Daarom ben ik ook voor het voorstel om een subsidiaire aanpak te kiezen, want nationale instanties weten altijd het best wat er in hun land aan de hand is.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. - (EL) In het verslag wordt volledige instemming betuigd met de strekking van de ontwerprichtlijn. Daarin wordt elke belangrijke, openbare en particuliere infrastructuur waarbij meerdere EU-lidstaten zijn betrokken, gekenmerkt als kritieke Europese infrastructuur, en worden de lidstaten verplicht om een lijst met deze infrastructuur voor te leggen aan de Europese Commissie, die dan een gemeenschappelijke lijst maakt voor heel de EU en in staat is de beveiliging van deze infrastructuur tegen “terroristische daden” te bewaken en controleren.

Met de ontwerprichtlijn:

krijgen particulieren, dat wil zeggen de monopolistische ondernemingen, bevoegdheden voor vraagstukken die vallen onder de nationale veiligheid en die voorheen onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de staat vielen;

wordt het pad geëffend om het etiket “terroristische daden” te plakken op de manifestaties van de arbeiders- en massabeweging die invloed uitoefenen op ongeacht welke infrastructuur van “Europees belang”, zelfs particuliere installaties (bijvoorbeeld stakingen in cruciale sectoren - energie, telecommunicatie, enzovoort - het symbolisch bezetten van fabrieken, ondernemingen, enzovoort, manifestaties, het posten bij stakingen, enzovoort);

worden de nationale veiligheid en de soevereiniteit van de lidstaten op beslissende wijze ondermijnd, aangezien de lidstaten verplicht zijn om een lijst met alle voor de veiligheid en de beveiligingsplannen kritieke infrastructuur in de EU in te dienen.

Het voorwendsel van “terroristische dreiging” is eens te meer het opportune vehikel van de EU voor de voltooiing van haar reactionair institutioneel kader, dat gericht is tegen de volksbewegingen en de macht van het Europees kapitaal verstevigt, via de nog grotere ondermijning van de nationale soevereiniteit van de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. - (EN) Er bestaat geen Europese kritieke infrastructuur, dergelijke infrastructuren bestaan uitsluitend op nationaal niveau. De bescherming van die infrastructuren is dan ook de verantwoordelijkheid van de nationale regeringen, met name gezien de terroristische dreigingen waarmee democratieën tegenwoordig worden geconfronteerd.

Ik ben uiteraard voorstander van maatregelen die de veiligheid daadwerkelijk verbeteren. Deze richtlijn vormt echter weer een volgende stap in de pogingen van de EU om haar invloed uit te breiden tot het veiligheids- en defensiebeleid. Dat is ook het element waar het grootste bezwaar aan kleeft. De Commissie lijkt veiligheid te beschouwen als een middel om te waarborgen dat de stabiliteit van de interne markt wordt gehandhaafd en daar slaat zij de plank mis. Het voorgestelde systeem om risico- en bedreigingsbeoordelingen aan de Commissie te rapporteren, levert uitsluitend extra bureaucratische lasten en structuren op. De verplichting voor lidstaten om de Commissie van specifieke kritieke infrastructuren in kennis te stellen, is contraproductief, aangezien hierdoor een overzicht van bepaalde kritieke doelen wordt gecreëerd dat veel belangstelling van de verkeerde mensen zal trekken.

 
  
  

- Verslag-Alejo Vidal-Quadras (A6-0249/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Markus Pieper (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik heb tegen het verslag van de heer Vidal-Quadras gestemd. Ik ben natuurlijk niet tegen het openen van de gas- en elektriciteitsmarkt, integendeel. Ik kan echter niet instemmen met één van de hoofdeisen, en wel eigendomsontvlechting. Dat wil zeggen, ik kan daarmee nog niet instemmen, en wel om drie redenen. Ten eerste moeten we bepaalde nationale regelgevende instanties meer tijd geven voor het opbouwen van een doelmatige controle op de mededinging. Ten tweede is volgens mij nog niet bewezen dat de eigendomsontvlechting tot meer investeringen in netwerken leidt. Ten derde geldt het voorstel voor de ontvlechting, zoals we weten, niet wanneer het net en de opwekking zich nog in handen van de staat bevinden.

Juist in die situaties zouden we een ambitieuze liberalisering moeten voorschrijven voor diegenen die zich tot nu toe aan de concurrentie hebben onttrokken, en niet met een absolute verplichting tot eigendomsontvlechting de positie verzwakken van diegenen die zich op de juiste weg bevinden, de weg van de markteconomie.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk.(FR) Ik heb voor het verslag gestemd van mijn Spaanse collega, de heer Vidal-Quadras, over de vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt. Dankzij dit verslag hebben wij dit onderwerp in kaart kunnen brengen na een lang proces van liberalisering van de energiemarkten en met name na de goedkeuring door de Europese Raad van maart 2006 van een “energiepakket” dat gericht is op waarborging van de zekerheid van de energievoorziening, de concurrerendheid en de duurzaamheid voor het milieu in het kader van het energiebeleid van de EU. Ik betreur dat het Parlement het door mijn collega’s - de heer Reul, mevrouw Laperrouze, mevrouw Trautmannn en anderen - ingediende amendement, waar ik voor had gestemd, niet heeft overgenomen omdat het voorzag in een evenwichtig alternatief voor alleen maar eigendomsontvlechting van netwerken, waarbij de onafhankelijkheid van die ontvlechting gewaarborgd werd. Het politieke debat over deze onderwerpen is nog lang niet ten einde. Hetzelfde geldt voor de rol van de regelgevende instanties, voor het wegnemen van de belemmeringen voor de interconnecties, voor de ontwikkeling van nieuwe massale opwekking uit hernieuwbare energiebronnen, voor de grote investeringen in infrastructuur om tegemoet te komen aan de groeiende behoeften, enzovoorts.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernadette Bourzai (PSE), schriftelijk.(FR) Ik heb tegen het verslag gestemd van de heer Vidal-Quadras over de vooruitzichten voor de gas- en elektriciteitsmarkt, dat vooruitloopt op de presentatie in september aanstaande door de Commissie van een derde “liberaliseringspakket”.

Om te beginnen ben ik tegen het dogmatische liberale beginsel van eigendomsontvlechting (eigendom en beheer van het netwerk) omdat dit geen garantie biedt ten aanzien van investeringen, levering, veiligheid of toegang van derden en van hernieuwbare energiebronnen tot het netwerk. Het garandeert niet dat de burgers kunnen beschikken over energie tegen de beste prijs en het voldoet evenmin aan de openbare- dienstverplichtingen. Waarom halen we dan de bestaande organisatie overhoop, die goed functioneert en de effectieve onafhankelijkheid van de systeembeheerders waarborgt omdat met name de regelgevende instanties streng kunnen optreden en er strikte voorschriften bestaan zodat alle gebruikers van de netwerken, zelfs degenen die wonen in regio’s met een natuurlijke handicap en in ultraperifere gebieden, verzekerd zijn van een gelijke behandeling en van kwalitatief hoogstaande diensten?

Bovendien denk ik dat het probleem van de onafhankelijkheid van de transportsysteembeheerders niets te maken heeft met het eigendomsstatuut maar met de regelgeving. Waarom vragen we dan om opheffing van de publieke status van actoren op de energiemarkt?

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE), schriftelijk.(FR) Ik betreur dat de eigendomsontvlechting waarvoor de vurige voorstanders van de ontmanteling van grote ondernemingen pleiten, is aangenomen.

Naar mijn mening hebben de liberale rechtse partijen opnieuw een slag toegebracht aan de principiële taak van openbare diensten, die de Europese burgers zo dierbaar is.

Ik vind dat de eigendomsontvlechting geen garantie biedt ten aanzien van investeringen, veiligheid of toegang van derden (inclusief de hernieuwbare energiebronnen, die het kind van de rekening dreigen te worden vanwege de hoge kosten ervan). Hiermee wordt evenmin gewaarborgd dat de burgers kunnen beschikken over energie tegen de beste prijs.

Ik denk dat we er beter aan zouden hebben gedaan een systeem te handhaven zoals het Franse, dat functioneert op basis van de wettelijke voorschriften uit vorige Europese richtlijnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dit is weer een van de stappen richting liberalisering van de interne gas- en elektriciteitsmarkt in het kader van de strategie van Lissabon. De sleutelwoorden in dit verslag zijn “liberalisering” en “markt”. Het uitgangspunt is steeds weer de premisse dat de markt alleen het probleem van de voorziening en het verbruik van energie kan oplossen, terwijl talloze voorbeelden dat idee al hebben weerlegd. Die premisse schijnt steeds heftiger te worden verdedigd om te verdoezelen dat het alsmaar moeilijker wordt te negeren dat de “markt” slechts voor enkelen – die fabelachtige winsten hebben kunnen accumuleren – heeft gefunctioneerd maar niet voor de consumenten die met stijgende energierekeningen te kampen hebben.

De energiesector is een strategische sector voor een land en daarmee van levensbelang voor zijn onafhankelijkheid en soevereiniteit. Die sector ondergeschikt maken aan nationale of transnationale particuliere belangen is een krenking van de soevereiniteit van de volkeren, de rechten van de werknemers en van de bevolking in het algemeen.

Daarom spreken wij ons nogmaals uit tegen de liberalisering van de gas- en de elektriciteitsmarkt en bepleiten wij de handhaving van die sector als publieke sector als enige garantie voor de toegang tot een continue dienstverlening van kwaliteit tegen betaalbare prijzen.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Goebbels (PSE), schriftelijk.(FR) Ik heb tegen de liberalisering van de gas- en elektriciteitssector gestemd omdat ik vind dat ontvlechting van eigendom bij de transmissie niet het efficiëntste middel is om investeringen in deze infrastructuur te bevorderen. Het verslag erkent dat "dit model wellicht geen oplossing (biedt) voor alle kwesties, zoals interconnecties en knelpunten". Feit is dat de elektriciteitsmarkt en de gasmarkt aanzienlijke investeringen vergen. De Europese Unie kan haar leveringszekerheid niet waarborgen door de grote marktpartijen uit te schakelen. Het blijft een vreemde zaak dat de Europese landen die het meest hebben geliberaliseerd, tevens de hoogste consumentenprijzen kennen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún en Mary Lou McDonald (GUE/NGL), schriftelijk. - (EN) Sinn Féin heeft het verslag-Vidal-Quadras over de interne gas- en elektriciteitsmarkt verworpen vanwege de nadruk die daarin wordt gelegd op privatisering en “ontvlechting”. Lidstaten dienen het recht te behouden om eigen energiesystemen in eigendom te houden en te exploiteren als zij daar de voorkeur aan geven.

Als een all-Ireland-partij zien wij uit naar de ontwikkeling van een waarlijk Ierse energiemarkt die volledig geïntegreerd is en die beheerd wordt op een manier waarover volledige verantwoordelijkheid afgelegd wordt. Koppelingen tussen noord en zuid zijn belangrijke infrastructurele elementen voor een waarlijk Ierse economie.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk.(FR) De delegatie van de Unie voor de Presidentiële Meerderheid (UMP) wil erop wijzen en onderstrepen dat de eigendomsontvlechting niet de beste reactie is op het slechte functioneren van de markten.

Gezien de sterke concurrentie, waardoor machtige niet-Europese partijen op het toneel verschijnen, vinden wij het gevaarlijk de Europese energiebedrijven te ontmantelen in het kader van een dogmatische benadering van het mededingingsbeleid, die zeer ver af staat van de industriële strategieën waarmee wij de Europese Unie sterker zouden moeten maken in de wereldwijde concurrentiestrijd.

Daar de Europese energievoorziening een strategisch langetermijndoel is, moeten wij de leveringszekerheid langer waarborgen dan de looptijd van één overeenkomst. Die veiligheid van de bevoorrading is afhankelijk van investeringen, die reeds duidelijk beneden de maat zijn. Zij moeten aanzienlijk stijgen om te voorzien in onze toekomstige behoefte, of het nu gaat om gas of om elektriciteit.

Eigendomsontvlechting betekent dat de traditionele actoren op de energiemarkt niet in staat zullen zijn die investeringen in de energienetwerken te doen. Het is zeer gevaarlijk en zeer zorgwekkend dat wij deze mogelijkheid bieden aan nieuwkomers, die niet per definitie beschikken over de noodzakelijke financiële middelen, of aan niet-Europese ondernemingen, die niet per definitie onze inschatting van onze toekomstige behoeften delen.

Onder deze omstandigheden verwacht de UMP-delegatie van de Europese Commissie dat zij een alternatieve benadering ontwikkelt ten aanzien van de eigendomsontvlechting.

 
  
  

- Verslag-Struan Stevenson (A6-0155/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dierlijke eiwitten maken geen deel uit van het natuurlijke dieet – met de nadruk op “natuurlijke” – van bijvoorbeeld een volwassen rund.

Velen schijnen tegenwoordig te vergeten – of doen alsof ze het vergeten zijn – wat de gevolgen waren van de “gekkekoeienziekte” – BSE – voor de menselijke en dierlijke gezondheid en wat de sociaaleconomische gevolgen waren voor de intensieve veehouderij die aan de wieg stond van die crisis.

Dit verslag beoogt het verbod op het gebruik van vismeel en visolie in het voer voor herkauwers op te heffen. De bedoeling is de winsten van de agro-industrie en de grote landbouwers verder te doen toenemen.

Wij spreken ons uit tegen die opzet. Die maatregel past namelijk in het kader van de versterking van de intensieve productie en de verticalisering van de landbouwproductie. De industriële visserij ter vervaardiging van vismeel en visolie voor het voederen van herkauwers wordt erdoor gestimuleerd, terwijl er sprake is van schaarse visbestanden die juist zouden moeten worden gebruikt voor menselijke voeding. Wij keren ons echter vooral tegen de maatregel omdat er nog steeds risico’s bestaan voor de menselijke en dierlijke gezondheid.

Daarom vinden wij het noodzakelijk het voorzorgsprincipe toe te passen en betreuren wij het dat ons voorstel het huidige verbod niet op te heffen is verworpen.

 

11. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
  

(De vergadering wordt om 13.15 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: LUIGI COCILOVO
Ondervoorzitter

 

12. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

13. Modernisering van het arbeidsrecht (voortzetting van het debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is de voortzetting van het debat over het verslag van Jacek Protasiewicz over de modernisering van het arbeidsrecht om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, de rapporteur, Jacek Protasiewicz, had heel weinig tijd, maar hij is er toch in geslaagd om een compromis uit te werken, waardoor de zekerheid en de flexibiliteit in het moderne arbeidsrecht met elkaar in evenwicht zijn. Bepaalde formuleringen zijn nog niet nauwkeurig genoeg, bijvoorbeeld in artikel 35, waar verschillende definities worden gegeven van de arbeidsrechtelijke status op verschillende momenten. ’s Middags nog zelfstandige, ’s avonds al werknemer – hoe is dat mogelijk? Economisch afhankelijke zelfstandigen zijn ook dan zelfstandige wanneer ze maar één werkgever hebben. Meestal zijn het starters, die een eigen bedrijfje hebben opgericht, zij creëren meer banen in de EU dan wie dan ook. In mijn land, Duitsland, is in de jaren negentig geprobeerd om een duidelijk onderscheid te maken tussen werknemers en zelfstandigen, maar dat heeft ertoe geleid dat de golf van starters is gebroken, en dat duizenden minibedrijfjes failliet zijn gegaan.

Ik heb enorme bezwaren tegen de gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid van algemene of grote ondernemingen. Dat is in de praktijk een groot probleem. De algemeen ondernemer moet heel wat overheidstaken verrichten. Dat betekent meer bureaucratie en hoge kosten. Hierover heb ik een amendement ingediend, dat korte metten maakt met zulke verstrekkende verplichtingen.

In een ander amendement bevestig ik de respectieve bevoegdheden van de Europese Unie en de lidstaten op het gebied van het arbeidsrecht, zoals geregeld bij de artikelen 127 en 137 van het EG-Verdrag. Iedere verdere regelgeving of harmonisering op het Europese niveau wijzen wij van de hand.

Ik hoop dat de amendementen zullen worden goedgekeurd, en vraag u om morgen voor het verslag te stemmen, ook al omdat de rapporteur werkelijk heeft geprobeerd om een evenwichtig resultaat te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson (PSE). - (SV) Ik wil alle betrokkenen, de rapporteur en de schaduwrapporteurs, bedanken voor het constructieve werk dat zij in de commissie hebben verricht om een verslag op te stellen waar grote eensgezindheid over bestaat. Wij moeten dit verslag bekijken tegen de achtergrond van de mondiale uitdagingen en demografische ontwikkelingen, die betekenen dat wij Europa moeten veranderen. Ik heb het eerder gezegd en ik herhaal het nog een keer: de Commissie is aan het verkeerde eind begonnen.

Belangrijk bij verandering is zekerheid. Het allerbelangrijkst daarbij is niet het arbeidsrecht, maar het voeren van een actief arbeidsmarktbeleid. Onze aandacht moet uitgaan naar onderwijs, levenslang leren en goede regelingen voor meer werkzekerheid, zodat mensen op de een of andere manier naar nieuwe banen binnen hun oude onderneming of naar een nieuwe onderneming kunnen overstappen. Deze ontwikkeling moet als iets positiefs en niet als een bedreiging worden gezien. De Commissie begon daarom aan het verkeerde eind door het arbeidsrecht aan te vechten. Goed arbeidsrecht is noodzakelijk in Europa, zodat werknemers zich zeker kunnen voelen.

Hoe ziet de huidige situatie eruit? Wij hebben in Europa economische groei en een toename van de werkgelegenheid. Dat is positief. Wij zien echter ook een andere ontwikkeling. Er is een toename in het aantal slechte en onzekere banen waar men niet goed van kan bestaan en die bijvoorbeeld slechte arbeidsvoorwaarden hebben. Daar moeten wij een oplossing voor vinden en dat doen wij niet door het arbeidsrecht te verslechteren. Dat kunnen wij wel doen door de slechte banen aan te pakken en ze beter en zekerder te maken, zodat zij meer gaan lijken op gewone voltijdbanen. Dat is de weg die wij moeten ingaan.

De Commissie heeft zich ook beziggehouden met individueel arbeidsrecht en dat was onterecht. Collectief arbeidsrecht speelt een heel grote rol in veel Europese landen en de sociale partners spelen een grote rol in het arbeidsrecht. Het zou op zijn plaats zijn om ook aandacht te schenken aan het collectieve arbeidsrecht en het belangrijke werk dat de sociale partners doen in de vorm van de sociale dialoog.

 
  
MPphoto
 
 

  Elizabeth Lynne (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de rapporteur feliciteren en bedanken voor de samenwerking. Dit debat gaat over de toekomst van het arbeidsrecht en wij moeten de huidige realiteit onder ogen zien. Die realiteit is dat er sprake is van een toename in de niet-standaardcontracten en dat wij dus meer nadruk moeten leggen op loopbaanzekerheid in plaats van op baanzekerheid.

Ik geloof niet dat wij een definitie van “werknemer” op EU-niveau nodig hebben. Dat moeten wij aan de lidstaten overlaten. De cao’s spelen nog steeds een zeer belangrijke rol, maar wij moeten er wel voor zorgen dat mensen die niet bij een vakbond zijn aangesloten, ook in dit proces geïntegreerd kunnen worden. Dat geldt trouwens ook voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Op dit moment is de lijst van de Commissie met sociale partners nog kort. Naar mijn idee komt dit omdat er te weinig rekening wordt gehouden met de standpunten van de kleine en middelgrote ondernemingen, die in veel opzichten toch de machinekamer van de Europese economie zijn. Daarom dring ik er bij iedereen op aan om de amendementen van de ALDE-Fractie te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zal het kort houden. Ik wens de rapporteur van harte geluk, maar niet de meeste leden van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, die zich hebben uitgesproken voor deze amendementen op het verslag. De arbeidsmarkt verandert voortdurend. Nieuwe beroepen, nieuwe technologieën en het groeiende aandeel van de dienstensector zullen tot het ontstaan van nieuwe vormen van werkgelegenheid leiden.

De bezorgdheid van links over slechter betaalde en onzekerdere banen is doorgaans onterecht. Het echte probleem schuilt in de verbreiding van inflexibele oplossingen, die de creatie van nieuwe banen in de weg staan en ervoor zorgen dat een grote groep mensen werkloos blijft, alsook in de invoering van dit soort negatieve ervaringen in landen die over een zeer concurrerende arbeidsmarkt beschikken.

De bureaucratische rompslomp voor ondernemingen die in het kader van de Europese markt werknemers willen detacheren, is niets anders dan een moderne vorm van protectionisme, die voornamelijk tegen de nieuwe lidstaten wordt gebruikt. Dat blijkt uit de voorbeelden Vaxholm en Viking Line, die zelfs bij het Europees Hof van Justitie terechtgekomen zijn en waarover binnenkort een uitspraak wordt verwacht.

Wanneer er dus geen rekening wordt gehouden met de amendementen die zijn voorgesteld door de leden van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten, evenals door de rapporteur, zal ik dit verslag niet kunnen steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, de dagelijkse voorbeelden die ons bekend zijn van de uitbuiting van arbeiders in Portugal en in andere landen van de Europese Unie, zoals Nederland en Roemenië – waarbij ook Portugese arbeiders betrokken zijn –, tonen aan dat men uit naam van de modernisering van het arbeidsrecht beoogt ontslag te vergemakkelijken. De middelen daarvoor zijn het wijzigen van de opzegtermijnen, de kosten en de procedures voor individueel en collectief ontslag en de definitie van individueel ontslag zonder geoorloofde reden teneinde de huidige contractuele verplichtingen ongedaan te maken.

Men wil ook de arbeidstijd en de organisatie van de arbeid veranderen met alle gevolgen van dien voor de aanval op het cao-overleg en de organisaties van de werknemers. Het toekennen van hetzelfde gewicht aan de werkgevers en de werknemers op de weegschaal voor de contractuele bepalingen van een zogenaamde moderne arbeidsorganisatie doet afbreuk aan de noodzaak zeker werk en de rechten van de zwakste schakel van de arbeidsverhouding te beschermen: de werknemers die werk en loon nodig hebben om te overleven.

Zoals op 5 juli jongstleden in Guimarães is gebleken, strijden de arbeiders tegen deze gevaarlijke voorstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Mato Adrover (PPE-DE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, in de eerste plaats zou ik Jacek Protasiewicz willen feliciteren met zijn poging om consensus te bereiken, en ik hoop dat hij daar morgen in zal zijn geslaagd.

Het was zonder enige twijfel nodig om gezamenlijk na te denken over de betekenis van de regels waarmee de arbeidsmarkt gereguleerd wordt en ik denk dat het Groenboek daar een goede gelegenheid voor heeft geboden.

Sinds de Top van Luxemburg zijn er nieuwe uitdagingen en nieuwe problemen ontstaan, zoals immigratie en de vergrijzing van de bevolking, en in 1997 - laten we dat niet vergeten - was het doel eenvoudigweg om werkgelegenheid te scheppen. Nu, in een fase waarin de economie veel dynamischer is, streven we niet alleen naar volledige werkgelegenheid, maar ook naar kwalitatief hoogwaardige werkgelegenheid.

Ik bedoel daarmee dat we naar betere arbeidsomstandigheden, een doelmatiger bestuur van ondernemingen, een betere balans tussen werk en gezinsleven, levenslang leren en ook stabiliteit streven. En daar stuiten we op het eerste bezwaar dat ik tegen dit verslag heb.

Stabiliteit hoeft niet op gespannen voet te staan met deeltijdcontracten. In het verslag wordt dit soort contracten gediskwalificeerd en worden alleen voltijdcontracten positief beoordeeld, waarbij uit het oog wordt verloren hoe hard deeltijdcontracten, die ook voor onbepaalde tijd en stabiel kunnen zijn, nodig zijn voor het kunnen combineren van werk en gezinsleven.

Ook tijdelijke contracten worden in het verslag gecriminaliseerd en vergeten, terwijl deze in sommige sectoren noodzakelijk, onmisbaar en onvervangbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan het toerisme, de horeca, de bouw of de landbouw, waar contracten voor onbepaalde tijd ondenkbaar zouden zijn vanwege de rol die deze contracten hebben.

Ook zou ik erop willen wijzen - en dat is een ander bezwaar dat kan worden genoemd - dat we weten dat de wijze waarop de arbeid is georganiseerd verschilt per land en dat die verschillen heel groot kunnen zijn. En dat geldt ook voor de verhoudingen tussen de diverse sociale partners, waardoor het heel moeilijk is om gezamenlijke wetgeving op Europees niveau te ontwikkelen.

Wij zijn meer voor subsidiariteit, voor de open coördinatiemethode en voor overeenstemming tussen de sociale partners. Uiteraard willen we niet dat de Commissie een blanco cheque krijgt op het gebied van het arbeidsrecht en geen rekening hoeft te houden met de verschillende landen en de verschillende kenmerken van die landen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE). – (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik denk dat het tijd werd dat de Europese Unie dit debat aanzwengelde, en wij kunnen het initiatief van het Groenboek toejuichen. Ik vrees echter dat dit initiatief niet per se goed nieuws is voor de Europese werknemers. We moeten kritisch zijn ten opzichte van het Groenboek, zowel wat betreft de gehanteerde methode als de richtsnoeren die erin worden voorgesteld.

Om te beginnen de methode: ik betreur dat deze raadpleging niet geschiedt volgens de procedure van artikel 138 van het Verdrag, dat de sociale partners een speciale status verleent wanneer het gaat om het sociale beleid. Deze afwijking van de procedure wordt overigens aan de kaak gesteld door het Europees Verbond van Vakverenigingen.

Vervolgens de inhoud: een Groenboek moet onpartijdig zijn. Het moet vragen stellen zonder a priori antwoorden te geven. De Europese Commissie poneert echter stellingen die duidelijk van ideologische aard zijn. Dat is het geval wanneer zij kritiek uitoefent op het traditionele model omdat het een belemmering vormt voor de werkgelegenheid. Dat is tevens het geval wanneer zij stelt dat de ontslagbescherming een belemmering vormt voor de dynamiek van de ondernemingen en onveilige arbeidsomstandigheden bestempelt tot een teken des tijds.

Er bestaan in Europa en in het door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) gestimuleerde internationale recht beginselen en fundamentele rechten die nageleefd dienen te worden. De arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moeten wij bevestigen als zijnde de regel. De werknemer moet worden beschermd door de wetgeving of de collectieve onderhandeling of door beide. Daarom wil ik beklemtonen dat de collectieve onderhandeling de belangrijkste bron moet blijven voor het ontwikkelen van het arbeidsrecht.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over het concept van flexiezekerheid, dat tot principe is verheven. Zoals het nu gedefinieerd is, leidt het tot een zeer ongelijke verdeling van de bevoegdheden tussen de Europese Unie en de lidstaten. De Europese Unie zou flexibiliteit opleggen en zou aan de lidstaten alleen de verantwoordelijkheid overlaten om de veiligheid van werknemers te waarborgen. Onze medeburgers willen een Europa dat hun rechten en hun sociale model beschermt. Laten we bij hen niet het beeld oproepen van een Europa dat hun sociale verworvenheden vernietigt. Hun verbondenheid met het Europese project staat op het spel, laten we dat niet vergeten.

 
  
MPphoto
 
 

  Ona Juknevičienė (ALDE). (LT) De heer Protasiewicz snijdt in zijn verslag twee belangrijke kwesties aan, namelijk niet-standaardarbeidsovereenkomsten en het concept van “werknemer”.

Toepassing van niet-standaardovereenkomsten houdt discriminatie van werknemers in. Ze krijgen dan namelijk geen adequate sociale garanties. Anderzijds is er behoefte aan flexibiliteit , voor ondernemingen, omdat zij zich dan beter kunnen aanpassen aan de veranderingen op de markt, en voor medewerkers, omdat zij dan beter in staat zijn een evenwicht te vinden tussen werk en privéleven.

Veel Litouwers zijn werkzaam in de Britse bouwsector als zelfstandige, terwijl ze in werkelijkheid in dienst van bouwbedrijven zijn, net als andere werknemers. Ze hebben echter niet dezelfde werkgelegenheids-, sociale en andere garanties. De definitie van een werknemer zou gebaseerd moeten zijn op zijn werkelijke situatie op de werkplek en onder werktijd. Ons doel is een effectieve arbeidsmarkt, een markt waar werknemers geschikt werk vinden en werkgevers geschikt personeel vinden. Het vandaag voorliggende document is een stap op weg naar dat doel.

 
  
MPphoto
 
 

  Mieczysław Edmund Janowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik zou de heer Protasiewicz van harte willen bedanken omdat hij een zo belangrijke kwestie aan de orde heeft gesteld, namelijk de aanpassing van het arbeidsrecht aan de hedendaagse vereisten. Hoewel we weten dat er op het niveau van de Gemeenschap geen arbeidswetboek bestaat, zou de Europese Unie toch de drijvende kracht moeten zijn achter positieve, concurrerende veranderingen en een zekere vorm van standaardisering op het vlak van het arbeidsrecht.

Ik zou willen verwijzen naar een passage uit het standpunt van de Poolse vakbond Solidariteit over het Groenboek, waarin het volgende staat: hoewel arbeidscontracten van onbepaalde duur de belangrijkste basis voor werk moet blijven – zij garanderen immers de gepaste bescherming van de duurzaamheid van de arbeidsverhoudingen – wordt tegelijkertijd de definitie van afhankelijke werknemer erkend, die van toepassing is op elke persoon die werk levert in een context van afhankelijkheid van de contractant, onder wie ook personen die op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werken. Dit zou hand in hand moeten gaan met een duidelijke definitie van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden.

Ik zou nog kort een aantal belangrijke kwesties onder de aandacht willen brengen: telewerk, voornamelijk voor jonge ouders en personen met een handicap, en de noodzaak om een einde te maken aan de ongelijke beloning van mannen en vrouwen voor hetzelfde werk. De sleutelbegrippen van vandaag zouden werkgelegenheid, flexibiliteit en zekerheid moeten zijn. Het gaat echter niet om woorden, maar om mensen. Enerzijds gaat het om personen die de kost willen verdienen voor hun gezin, onder meer werklozen. Anderzijds spreken we over private en publieke werkgevers, alsmede over hen die zich verantwoordelijk voelen voor het oplossen van onze steeds globaler wordende problemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edit Bauer (PPE-DE). – (SK) Ik ben het eens met degenen die niet graag zien dat de arbeidswetgeving uitsluitend de behoefte aan concurrentievermogen weerspiegelt.

Ongetwijfeld is er als gevolg van nieuwe economische ontwikkelingen behoefte aan meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt, hetgeen een relatief groter aantal atypische en niet-standaardarbeidsovereenkomsten met zich meebrengt. De achterliggende vraag is wie de nieuwe, grotere risico’s van een flexibeler arbeidsmarkt op zich moeten nemen? Het gaat hierbij niet alleen om meer bescherming voor “buitenstaanders”, aangezien individuen of hun gezinnen de risico’s zullen moeten dragen. De sociale kosten zullen buitensporig hoog blijken als er geen nieuwe benadering is op basis van de invoering van een model waarbij alle partijen erop vooruitgaan. Denk maar eens aan de problemen die samengaan met de demografische crisis. Een oplossing is niet een-twee-drie gevonden. Tot nu toe lijken er meer vragen dan antwoorden te zijn, zowel op Europees als op lidstaatniveau.

Op het gebied van het arbeidsrecht lijkt behoefte te bestaan aan een nieuw paradigma, maar niet alleen in de enge zin van het woord. Het concept “flexiezekerheid” was oorspronkelijk gebaseerd op de aanname dat individuen zich aan de nieuwe condities van een flexibele arbeidsmarkt konden en moesten aanpassen, maar niet moesten opdraaien voor de risico’s die uit de nieuwe situatie voortkwamen. Die moesten gelijkelijk verdeeld worden over individu, werkgever en samenleving. Het lijdt geen twijfel dat het vinden van de juiste antwoorden vraagt om politieke moed. De moed om op zoek te gaan naar antwoorden die niet uitsluitend en alleen rekening houden met concurrentievermogen maar een nieuw evenwicht van waarden scheppen.

 
  
MPphoto
 
 

  Joel Hasse Ferreira (PSE). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik zou de heer Protasiewicz willen feliciteren met het feit dat hij er, met onze medewerking, in is geslaagd zijn oorspronkelijke verslag te veranderen in een verslag van het Parlement. Ik zou ook lof willen toezwaaien aan de heer Christensen, die voor de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement een gestructureerde en collectieve bijdrage heeft georganiseerd. Het verslag omvat een aantal zaken die centraal staan in het huidige Europese debat, zoals de kwestie van de flexiezekerheid. Volgens het verslag kan flexiezekerheid alleen worden gerealiseerd via een efficiënt en modern arbeidsrecht en zijn cao-onderhandelingen en sociale partners belangrijke elementen bij de aanpak van flexiezekerheid.

Ook de uitnodiging aan de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels te herzien en aan te passen door hun actief arbeidsmarktbeleid aan te vullen, met bijvoorbeeld scholing en levenslang leren, is belangrijk. Met veel plezier heb ik een aantal amendementen ingediend betreffende het belang van kleine en middelgrote ondernemingen als motor voor het creëren en vergroten van de werkgelegenheid in Europa en voor de sociale en regionale ontwikkeling, daar het belangrijk is de rol van de KMO’s bij de verbetering van de arbeidswetgeving te versterken.

Ook een betere coördinatie tussen de nationale arbeidswetgeving en de arbeidsinspectie is belangrijk. Die is onmisbaar om op doeltreffende wijze de uitbuiting van arbeidsmigranten te kunnen bestrijden. Wij moeten voorts erkennen dat het noodzakelijk is arbeid en werktijden zo te organiseren dat er voldoende flexibiliteit bestaat om tegemoet te komen aan de behoeften van werknemers en ondernemingen of overheidsinstellingen waar de werknemers in dienst zijn.

In dit verband is ook het van belang te vermelden dat alle werknemers recht moeten hebben op hetzelfde beschermingsniveau en dat bepaalde groepen niet bij voorbaat uitgesloten mogen worden van een hoger beschermingsniveau, zoals vissers, zeelieden en werknemers in de offshore. Voordat ik afsluit wil ik nog eens wijzen op de oproep van het Europees Parlement aan de lidstaten om de beperkingen van de toegang tot hun arbeidsmarkt te schrappen en zo de mobiliteit van werknemers in de Europese Unie te verbeteren en sneller de doelstellingen van de Strategie van Lissabon te realiseren.

Arbeidsrecht kan en moet worden gemoderniseerd maar mag het sociale evenwicht in de lidstaten en de Europese sociale samenhang niet op het spel zetten maar moet die juist versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Siiri Oviir (ALDE). - (ET) Rekening houdend met, ten eerste, de vergrijzing in Europa en, ten tweede, een van de belangrijkste doelen van de strategie van Lissabon, namelijk het bereiken van een hoge mate van werkgelegenheid, ben ik ervan overtuigd dat het traditionele model van arbeidsbetrekkingen niet noodzakelijkerwijs geschikt is voor werknemers met gewone arbeidscontracten voor onbepaalde tijd.

In een turbulente samenleving moeten werknemers zich aan veranderingen kunnen aanpassen en de mogelijkheden van de mondialisering kunnen benutten.

Ik ben daarom van mening dat alternatieve modellen voor contractrelaties onder andere het vermogen van ondernemingen kunnen vergroten om de creativiteit van hun arbeidskrachten te benutten, waarmee zij extra concurrentievoordelen creëren.

De beste manier om dit te bereiken is door gebruik te maken van de open coördinatiemethode, die een nuttige methode is om informatie over beste praktijken uit te wisselen, zodat men op flexibele en transparante wijze op gemeenschappelijke uitdagingen kan reageren.

Tot slot wil ik de rapporteur bedanken voor zijn moed om dit onderwerp zo gedetailleerd te behandelen en u allemaal voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de demografische problemen waarmee een groot aantal EU-lidstaten op dit moment te kampen heeft, komen onder meer voort uit de onstabiele situatie waarin jonge mensen zich bevinden. Wanneer jongeren vandaag de dag kans willen maken op een enigszins zekere baan, moeten ze niet alleen de nodige werkervaring kunnen aantonen, maar eveneens de referenties kunnen verstrekken die de werkgever van hen verlangt. Dat verklaart waarom veel mensen pas op middelbare leeftijd de beslissing nemen om een gezin te stichten, wat uiteraard geen gunstige invloed heeft op de vorming van kinderrijke gezinnen. Europa moet zich bezinnen en vervolgens maatregelen nemen om te verzekeren dat zijn identiteit en christelijke tradities blijven bestaan en in de volgende jaren opnieuw de overhand krijgen.

Ik wil mijn collega graag van harte feliciteren met zijn verslag waarin niet alleen een aantal fundamentele problemen aan de orde worden gesteld, maar tegelijkertijd veel aandacht wordt besteed aan het stabiele karakter van de werkgelegenheid, in de vorm van arbeidscontracten voor onbepaalde tijd. Naar mijn mening zouden dergelijke contracten de norm moeten zijn.

Het is eveneens van cruciaal belang dat Europa een einde maakt aan de beperkingen betreffende de toegang tot de arbeidsmarkten voor de burgers uit de nieuwe lidstaten, in het bijzonder aangezien deze beperkingen opgelegd worden door landen die het voortdurend over Europese integratie hebben, maar eigenlijk een verregaand staatsinterventionisme toepassen.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Falbr (PSE). – (CS) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren. Ik zie geen aanleiding tot een verzoenende toon. Er staat te veel op het spel. Het Groenboek over de modernisering van het arbeidsrecht heeft maar één positief aspect: het kan gemakkelijk in stukken worden gescheurd als een ongelofelijke compilatie van halve waarheden en hypocriete constateringen. Mijn interventie wil ik graag benutten om enkele vragen te stellen.

Waarom is de inhoud van het Groenboek niet met de sociale partners doorgenomen? Zijn die er soms niet op Europees niveau? Het arbeidsrecht is ontstaan en heeft zich in de loop van honderd jaar zodanig ontwikkeld dat werknemers die hun diensten aanbieden aan een werkgever, dat op een gelijk speelveld konden doen. Waarom pretendeert het Groenboek dat er niet langer voor die gelijkheid hoeft te worden gezorgd? Waarom wordt in het document niet geconstateerd dat veel werk nu al buiten het arbeidsrecht om gaat? Beschouwt de Commissie arbeid soms als een product? Waarom beweert het Groenboek zo stellig dat de arbeidscontracten voor onbepaalde tijd verouderd zijn en dat 76 procent van de Europeanen het met deze stelling eens is? Waarom pleit het Groenboek niet meteen voor afschaffing van de Internationale Arbeidsorganisatie vanwege al hetgeen door deze organisatie in bijna honderd jaar is goedgekeurd? Kan commissaris Špidla mij zeggen of hij zich realiseert dat, behalve in enkele lidstaten, de hypocriete richtlijnen over een grotere rol van de sociale partners niet kunnen worden nagekomen? Beseft hij wel dat in een aantal lidstaten de sociale dialoog slechts een fictie en instrument van de regering is om de vakbonden in diskrediet te brengen? Met name noem ik hier de Tsjechische Republiek. Is het hem bekend dat mensen die een onzekere arbeidsplaats bekleden zich praktisch niet bij een vakbond kunnen aansluiten? Weet hij dat de arbeidsinspectie in een aantal landen slechts op papier bestaat? Ook hier verwijs ik weer met name naar de Tsjechische Republiek.

Bijzondere aandacht verdient dan de nieuwe term flex–security. Dit neologisme in de Europese newspeak moet de indruk wekken dat het niet om flexploitation gaat. Dit principe zou moeten leiden tot een vermeende afname van de verschillen tussen de insiders en outsiders op de arbeidsmarkt, kennelijk doordat van iedereen een outsider wordt gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, het voorstel van de Commissie inzake de toekomst van het arbeidsrecht is een belangrijke stap, ook al moeten wij beseffen dat de herziening van de arbeidswetgeving in eerste instantie een zaak van de lidstaten is.

Ik betreur het feit dat dit initiatief van de Commissie zeer eenzijdig is en ik vind het vooral jammer dat in dit Groenboek helemaal geen gewag wordt gemaakt van de enorm grote salarisverschillen tussen mannen en vrouwen, die in de lidstaten van de Europese Unie nog steeds bestaan.

De Commissie is niet geïnteresseerd in banen waarin vrouwen en mannen in verschillende Europese landen dezelfde, gelijke behandeling kunnen krijgen, zelfs niet in de 21e eeuw. Ik had verwacht dat in het voorstel was nagedacht over manieren om de acht richtlijnen betreffende gelijke behandeling te implementeren, die de Europese Unie heeft aangenomen en die gelijkheid van beloning tussen mannen en vrouwen zouden waarborgen.

Ik wil tot slot zeggen dat het spijtig is dat er weinig van de Europese Unie kan worden verwacht op het gebied van het bevorderen van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Wiesław Stefan Kuc (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het arbeidsrecht is ongetwijfeld een van de moeilijkste materies die in dit Parlement aan bod komen, zowel op juridisch als op inhoudelijk vlak. Dit recht bevat niet alleen economische en juridische, maar ook morele elementen. Het is een bijzonder moeilijke en soms zelfs onmogelijke opdracht om deze aspecten met elkaar te verzoeken. Desalniettemin zullen we alles in het werk stellen om dat zo goed mogelijk te doen.

Hoe moet het arbeidsrecht er in de 21e eeuw uitzien? Ik zou graag een aantal voorwaarden opsommen waaraan dit recht naar mijn mening moet voldoen. In de eerste plaats hebben we behoefte aan een flexibel arbeidsrecht dat in staat is om in te spelen op de snel veranderende omstandigheden. Ten tweede zou het arbeidsrecht de werknemers moeten beschermen en hun ontwikkeling moeten bevorderen. Ten derde zou het de belangen van de werkgevers moeten beschermen en de bedrijven in staat moeten stellen om zich verder te ontwikkelen, zonder aan doeltreffendheid in te boeten. Ten vierde moet het arbeidsrecht ervoor zorgen dat de arbeidskrachten optimaal kunnen worden benut. Ten vijfde moet het de dialoog tussen werknemers en werkgevers mogelijk maken. Het allerbelangrijkste is mijns inziens dat het recht om te werken in de hele Europese Unie gelijk is en in alle lidstaten van toepassing is.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, met de Europese wetgeving, de wetgeving van de lidstaten en de dialoog tussen de sociale partners probeert men het wetgevingskader te moderniseren, maar dit kader zal werkgevers en werknemers elk soort rechtszekerheid en sociale bescherming blijven bieden.

De vraag is echter of sociale bescherming en maatschappelijke integratie de gevolgen zijn van een succesvolle verwezenlijking van de doelstellingen van economische groei, volledige werkgelegenheid en sociale rechtvaardigheid, of veeleer de voorwaarden daarvoor.

Ik aanvaard dat beide factoren uitwisselbaar zijn, zoals de kip het ei en het ei de kip voortbrengt.

De bevordering van het mededingingsvermogen met het oog op economische groei en de verzekering van de veiligheid van de werknemers moeten gemeenschappelijke, door iedereen gedeelde doelstellingen zijn, vanaf de planning tot de verwezenlijking. Daarbij moet gezorgd worden voor de noodzakelijke soepelheid van de markt en voor meer zekerheid, hetgeen een dubbele uitdaging is als wij - overeenkomstig uw voorstel, mijnheer de commissaris - een hogere versnelling moeten inschakelen en een hoofdrol willen spelen in een open, internationale mededingingsomgeving, zonder onze waarden en sociale normen te verraden.

De facultatieve en vrijwillig aanvaarde, nieuwe vormen van werkgelegenheid vergemakkelijken de intrede en het verblijf op de arbeidsmarkt van groepen met bijzondere kenmerken, zoals jongeren, oudere werknemers en vrouwen. Met de uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot innoverende regelingen kan een evenwicht worden gewaarborgd tussen beroeps- en gezinsleven, met speciale bijstand voor vrouwen in hun drievoudige taken.

De behoeften van de werknemers variëren al naargelang van het levensstadium waarin ze verkeren en hun beroepsvooruitzichten. Ook elke lidstaat heeft echter zijn bijzondere kenmerken en zijn eigen economische omstandigheden, en schept zijn eigen, nationale wetgeving. De Europese wetgeving is een aanvulling, een afronding, met het oog op grensoverschrijdende betrekkingen en op de verwezenlijking van een gemeenschappelijke vrije markt.

Wij mogen ook niet vergeten welke mogelijkheden levenslang leren biedt in de strijd tegen werkloosheid. Wij moeten voor ogen houden dat wij het Europees concurrentievermogen en de Europese welvaart zullen verhogen, als wij vertrouwen hebben in de relatie tussen overheid en sociale partners, als wij de waardigheid van de mens eerbiedigen, de sociale rechtvaardigheid dienen en conflicten vermijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Matsouka (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, het debat over de modernisering van het arbeidsrecht - daar waar dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en geen façade was - was een belangrijke gelegenheid om de radicale verschillen tussen links en rechts voor het voetlicht te brengen.

Rechts ziet de hoge werkloosheids- en armoedecijfers als een resultaat van het gebrek aan soepelheid op de arbeidsmarkt. Rechts beschouwt zwart werk als bijna noodzakelijk, en om dit alles te legitimeren spreekt het over flexiezekerheid. Wat is er nu beter dan het Deens model? Er is echter maar één geval waarin dit model ook echt toegepast kan worden, namelijk in het geval van een volledige economische, financiële en fiscale harmonisatie van de lidstaten.

Dankzij het alomvattend socialistisch tegenvoorstel wordt met het in stemming te brengen verslag het oorspronkelijke voorstel op veel punten verbeterd. In het middelpunt staat de bescherming van de werknemers. Die bescherming is noch oorzaak van werkloosheid noch liefdadigheid. Ze is eenvoudigweg een van de belangrijkste pijlers van economische ontwikkeling en sociale rechtvaardigheid.

Laten wij de realiteit niet ontkennen! Nu de geproduceerde rijkdom een historisch ongekende omvang heeft bereikt en het risico bestaat dat deze ongelijk, ten voordele van de werkgevers, verdeeld wordt, moeten wij het arbeidsrecht een diepere betekenis geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Wojciechowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik ben blij dat het Europees Parlement voor een integrale benadering van het arbeidsrecht heeft gekozen. In dit licht zou ik de rapporteur, de heer Protasiewicz, van harte willen bedanken voor dit document van uitzonderlijke kwaliteit.

Ik zou van de gelegenheid gebruik willen maken om de aandacht te vestigen op de tragische situatie waarin buitenlandse werknemers zich in tal van EU-landen bevinden. In verschillende lidstaten zijn er opnieuw werkkampen ontdekt, waar mensen als slaven of semi-slaven worden behandeld. Mensen die in het buitenland op zoek gaan naar werk om er de kost te verdienen, komen terecht in de handen van meedogenloze misdadigers die hen uitbuiten, vernederen en soms zelfs vermoorden. Deze toestand is een regelrechte schande in de Europese Unie van de 21e eeuw.

Het Europees Parlement zou de Europese lidstaten en hun organismen die bevoegd zijn voor arbeidsinspectie en de handhaving van de wet moeten oproepen om bijzondere aandacht te besteden aan de benarde situatie van buitenlandse werknemers en om hun uitbuiting door criminelen doeltreffend tegen te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE). – U ziet hoe ons oogcontact nog steeds werkt en dat is prima. Voorzitter, het is een goede zaak dat we vandaag een debat houden over het arbeidsrecht. Waarom? Omdat op de arbeidsmarkt in Europa en in al onze lidstaten een aantal zaken aan het veranderen is.

We zien namelijk dat er een grote behoefte is aan flexibiliteit. Flexibiliteit om beter in te spelen op de behoeften van de markt enerzijds, maar ook flexibiliteit die wordt gevraagd door de werknemers zelf omdat zij vaak werk willen combineren met gezins-, familie- en zorgtaken. Die flexibiliteit is nodig, zeker ook in een samenleving die vergrijst en ontgroent, en waarin de mensen die vergrijzen, wellicht niet meer de volle 40 of 36 uur op de arbeidsmarkt willen functioneren en wellicht met een kleinere baan toch hun participatie op de arbeidsmarkt willen behouden.

Als we echter - en daarom is een debat zo goed - die flexibiliteit willen en als een goed erkennen, betekent het ook dat we vanaf het begin - en ik vind het jammer dat mevrouw Matsouka nu de zaal verlaten heeft, omdat zij het hier had over een debat tussen rechts en links, maar helemaal niet luistert - met die flexibiliteit tevens de zekerheid gaan regelen van degenen die in kleinere en flexibelere banen willen functioneren en dus ook de arbeidsmarkt beter laten functioneren.

Het is een tekort - en mogelijkerwijze kunnen we dat rechttrekken met de amendementen die straks worden aangenomen - dat het grote goed van flexibiliteit niet meer wordt erkend. Dat vind ik jammer. Ik vind ook, Voorzitter, dat we het niet alleen aan de markt kunnen overlaten, want de markt regelt zichzelf. We moeten proberen om flexibiliteit gecombineerd met goede zekerheden opnieuw te installeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, Groot-Brittannië telt meer dan een miljoen uitzendkrachten en volgens de Europese Stichting ter verbetering van de leef- en arbeidsomstandigheden in Dublin zijn dat er in heel Europa meer dan zes miljoen. Het is de grootste vorm van atypisch werk in de EU in de afgelopen twintig jaar. Desalniettemin kan deze groep op grond van het Gemeenschapsrecht niet op werkgelegenheidsbescherming rekenen.

In mijn eigen kiesdistrict East of England werken zo’n 80 000 migrerende arbeiders uit de zogeheten “acht toetredingslanden”, dat is het grootste aantal in het gehele Verenigd Koninkrijk. Veel van die mensen worden door uitzendbureaus geworven en te veel van hen worden misbruikt, zij het niet allemaal. Neem als voorbeeld eens de uitzendkrachten die bij British Telecom in Norwich, Ipswich en Brentwood werken. De Britse vakbond voor de communicatiesector heeft geconstateerd dat zij twee opeenvolgende loonsverhogingen zijn misgelopen, dat zij slechts recht hebben op 16 – en niet 25 – vakantiedagen en dat zij 50 procent minder overwerkvergoeding krijgen dan hun collega’s met een vaste aanstelling. Of neem de werknemers bij Bernard Matthews in Norfolk en Suffolk. Toen 60 procent van de uitzendkrachten die in Portugal waren geworven, ontslagen werden als gevolg van de vogelgriep kregen zij als compensatie slechts gedurende een periode van zes dagen 19 pond per dag.

Tegen de Commissie zeg ik “u biedt flexiezekerheid” . Wij constateren dat er enige flexibiliteit is en dat begroeten wij, maar waar is die zekerheid als uitzendkrachten daar niet eens aanspraak op kunnen maken? Tegen het aantredend Portugese voorzitterschap wil ik graag zeggen dat er een verstandig compromis mogelijk moet zijn in de aanloop naar de stemming. Dit is een richtlijn die sinds de uitbreiding van de EU nog niet in stemming is gebracht. Zorg dat dit wel gebeurt en dan wordt vanzelf duidelijk waar een meerderheid voor te vinden is. De Britse regering heeft gezegd dat zij de richtlijn zal steunen. Dat zou de rest van Europa ook moeten doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) De werkgelegenheidstoename is in de eerste plaats te danken aan kleine en middelgrote ondernemingen en eenmanszaken. Het zijn vooral deze werkgevers die nieuwe kansen op werk scheppen en de werkgelegenheid in Europa verruimen.

Om die reden, en gelet op het brede spectrum van arbeidstradities, contractvormen en soorten ondernemingen op de arbeidsmarkten in de EU-lidstaten, moet de EU zich als prioritaire taak stellen Europese wetgeving in het leven te roepen waarmee de positie van kleine en middelgrote ondernemingen wordt versterkt en nieuwe werkgelegenheid te scheppen door middel van een verbeterde arbeidswetgeving.

Zo leert de ervaring bijvoorbeeld dat de Europese richtlijn voor overwerk, waartegen in veel lidstaten bezwaar is gemaakt, niet in de arbeidswetgeving moet worden opgenomen maar moet worden herzien. De reden daarvoor is dat beperkingen op overwerken een bedreiging vormen voor een groot aantal economische sectoren, uiteenlopend van de gezondheidszorg en de mijnbouw tot de sociale dienstverlening en de brandweer.

Deze maand heeft het nationale parlement van mijn land, Slowakije, een nieuwe arbeidswet aangenomen die met name onder kleine en middelgrote ondernemingen negatieve reacties uitlokte. De regering wilde de positie van de vakbonden versterken en hun meer bevoegdheden geven. Feit is dat onder druk van de oppositie en werkgeversgroeperingen het oorspronkelijke regeringsvoorstel aanzienlijk was gewijzigd, met als resultaat een definitief ontwerp met een betrekkelijk evenwichtiger verhouding tussen de bevoegdheden van vakbonden en werkgevers. Bovendien is het via een amendement van de SDKÚ-DS gelukt om de definitie van “afhankelijk werk” zodanig aan te passen dat eenmanszaken niet in gevaar komen. Het is te danken aan ruim zeshonderd opmerkingen tijdens de voorbereiding en nog eens tientallen opmerkingen in het parlement dat het oorspronkelijke voorstel van Smer-SD kon worden gewijzigd en dat is voorkomen dat het Slowaakse arbeidsrecht een eeuw werd teruggeworpen.

Het hoge werkloosheidscijfer in Europa, met name in de nieuwe lidstaten, is een tekortkoming die schreeuwt om het nemen van maatregelen en ik ben daarom verheugd over de benadering van de rapporteur, de heer Jacek Protasiewicz, die in zijn verslag oplossingen voorstelt om een visie op de 21e eeuw te verwezenlijken. Ik maak me echter zorgen over de formulering na de stemming in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, die ik slechts kan ondersteunen als de amendementen die zijn ingediend door de rapporteur namens onze fractie (de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten), worden goedgekeurd. Sommige delen van het ontwerpverslag geven een verouderde en onevenwichtige kijk op problemen die momenteel spelen op de Europese arbeidsmarkten, en om die reden probeert dit verslag alleen de werknemers te beschermen. Een dergelijke uitleg van de arbeidswetgeving zou kunnen leiden tot een situatie waarin er niets meer is om hen tegen te beschermen, omdat zij werkloos zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ik denk dat we het verslag-Protasiewicz niet los kunnen zien van de mondelinge vraag en de ontwerpresolutie. Ik zou de rapporteur en de indiener hartelijk willen bedanken voor hun werk.

Er bestaan helaas nog geen in heel Europa geldige normen voor de detachering van werknemers met het oog op het verrichten van diensten. Er is ook duidelijk gebleken dat er nog heel wat kan worden verbeterd aan de coördinatie van de stroom van communicatie en informatie tussen de lidstaten en de bevoegde instanties. Ook de controlemaatregelen in dit verband zijn nog onvoldoende. Er moet echter beslist een goed evenwicht komen tussen vrij verkeer en dienstverlening aan de ene kant, en arbeidsbescherming aan de andere kant. Ik denk dat een dergelijke regeling het meest efficiënte en eenvoudigste middel is in de strijd tegen sociale dumping.

De samenwerking tussen de lidstaten en de uitwisseling van informatie moeten worden versterkt en verbeterd, en er moeten de nodige controlemaatregelen worden ingevoerd. Het zou zeker zinvol zijn als de Commissie in haar richtsnoeren nadere details zou verstrekken. Ik stel voor dat de gastlanden moeten zorgen voor de nodige controles om de bescherming van de werknemer en van zijn rechten te garanderen.

Daarom moet de Commissie de samenwerking tussen de toezichthouders van de lidstaten actief ondersteunen door een platform in het leven te roepen voor de grensoverschrijdende samenwerking. Ik eis in het belang van de werkgevers en van de werknemers ook dat we de sociale partners sterker moeten betrekken bij al deze kwesties. Alleen een evenwichtige aanpak leidt tot meer werkgelegenheid, en dus meer welvaart en zekerheid voor alle Europese burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Maria Iacob-Ridzi (PPE-DE). – Consider că acest raport este unul echilibrat şi care reflectă diversitatea relaţiilor de muncă de pe teritoriul Uniunii Europene, dar şi a poziţiilor politice faţă de un subiect care dă naştere unor discuţii aprinse.

Atingerea unui echilibru în relaţia dintre angajat şi angajator, în care ambele părţi au de câştigat, trebuie să fie o prioritate a Uniunii Europene. În acest cadru, al flexibilităţii şi al securităţii, angajatorul câştigă mai multă forţă de muncă, iar angajatul mai multă protecţie pentru tipul de contract flexibil.

Pentru România, unde avem un rezervor important de forţă de muncă în zona rurală, contractele de muncă flexibile sunt o soluţie pentru a intra pe piaţa muncii fără a pierde din drepturile sociale de care beneficiază angajaţii cu contract clasic. Aceasta ar asigura o integrare mai rapidă pe piaţa muncii a lucrătorilor din zona rurală, care vor putea să participe la creşterea economiei din anii următori şi să beneficieze de ea.

Apreciez atenţia pe care raportul o acordă sprijinirii familiei. Multe dintre aceste contracte flexibile sunt alese de femei care trebuie să facă faţă unei presiuni din ce în ce mai mari de a concilia viaţa profesională cu cea familială.

În sprijinul tinerilor aş fi dorit ca raportul să încurajeze mai mult utilizarea tehnologiei informaţiei şi a comunicării ca instrumente principale în modul de lucru. Munca la distanţă în condiţii de maximă mobilitate este o tendinţă deja prezentă pe care trebuie să o folosim în beneficiul celor mai bine pregătiţi pentru ea.

Pentru reducerea muncii la negru trebuie să încurajăm angajatorii să declare relaţiile de muncă fără să fie dezavantajaţi economic. O parte din acest fenomen este cauzată de restricţiile pe care unele state membre încă le menţin pentru lucrătorii din ţările care au aderat recent la Uniunea Europeană. Este o discriminare inutilă care creează atât probleme de administrare pentru statele respective cât şi riscuri pentru lucrători. De aceea consider ca eliminarea perioadelor de tranziţie impuse de aceste state membre va avea ca efect direct reducerea muncii la negru.

 
  
MPphoto
 
 

  Tadeusz Zwiefka (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, de aanpassing van het arbeidsrecht in de Europese Unie is niet alleen belangrijk met het oog op de werkzekerheid en de bescherming van de bestaande arbeidsplaatsen, maar heeft eveneens een wezenlijke invloed op het werkgelegenheidsniveau. We hebben uitvoerig gedebatteerd over de vraag of het huidige model van het arbeidsrecht aan de wereldwijde concurrentie moet worden aangepast. Ik ben er rotsvast van overtuigd dat dit het geval is.

De laatste twintig jaar zien we een geleidelijke en steeds snellere teruggang van de standaardvormen van het arbeidsrecht en van het algemene arbeidsmodel. Dit fenomeen is een antwoord op de uitdagingen van de mondialisering, een onafhankelijk proces. Of deze evolutie ons bevalt of niet, het zal van ons afhangen of onze samenlevingen de kansen zullen benutten die voortvloeien uit dit proces.

Om de negatieve aspecten van de mondialisering tegen te gaan, hebben we behoefte aan een veel flexibeler arbeidsrecht. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat het huidige niveau van zekerheid gehandhaafd blijft. We mogen niet vergeten dat het niveau van de werkzekerheid in de Europese Unie vandaag de dag tot een van de hoogste in de wereld behoort. We moeten bijgevolg niet meer streven naar meer werkzekerheid, maar naar meer flexibiliteit en mobiliteit, evenals naar de liberalisering van de arbeidsmarkten in alle lidstaten van de Europese Unie.

Ondanks alle regelgeving wint flexibiliteit aan belang in ons dagelijks leven. Momenteel werkt 40 procent van alle werknemers met atypische arbeidscontracten, die bovendien aan de basis liggen van 60 procent van de nieuwe banen. Uiteindelijk – dit is veelbelovend – wordt twee derde van de atypische arbeidscontracten na verloop van tijd omgezet in een klassiek contract, zijnde een arbeidscontract voor onbepaalde tijd.

De traditionele structuren van het arbeidsrecht zijn niet meer doeltreffend in de hedendaagse realiteit. In onze moderne economieën, die gebaseerd zijn op een sterke dienstensector of op goed functionerende kleine en middelgrote ondernemingen, zou een flexibelere en meer atypische benadering wel eens de sleutel tot succes kunnen zijn.

Uiteraard is flexibiliteit alleen niet genoeg. We hebben eveneens behoefte aan mobiliteit voor de werknemers. Om die reden is het mijns inziens onontbeerlijk om de arbeidsmarkt van de Europese Unie volledig open te stellen voor werknemers uit alles EU-lidstaten. Vandaag de dag weten we immers dat de liberalisering van de arbeidsmarkten niet alleen van voordeel is voor de migrerende werknemers, maar ook voor de landen die besloten hebben om hun arbeidsmarkten open te stellen.

Geen enkele economie kan zich verder ontwikkelen en de concurrentie aangaan zonder naar behoren functionerende bedrijven, die in staat zijn op de wereldmarkt te concurreren en die op deskundige wijze door goede managers en eigenaars worden bestuurd. Maar zelfs de best geleide ondernemingen zullen niet succesvol zijn zonder goed personeel. Beide aspecten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Iles Braghetto (PPE-DE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, gezien de noodzaak het arbeidsrecht te moderniseren met het oog op de vernieuwingen van de 21e eeuw, komt de huidige arbeidsmarkt voor reële en forse uitdagingen te staan. Dat geldt met name voor al degenen die op zoek zijn naar een nieuwe baan, een goede baan, een baan die te combineren valt met andere dimensies van het persoonlijk leven.

Als wij de flexibiliteit - een typisch kenmerk van een concurrerende en globale markt - willen combineren met arbeidszekerheid - wat een recht en tegelijkertijd een plicht voor iedere Europese burger is - moeten wij ervoor zorgen dat de beroepsvaardigheden en –bekwaamheden bruikbaar worden; zoals ook door de strategie van Lissabon wordt bepaald. Daarom moeten de nodige middelen worden ingezet om aantrekkingskracht uit te oefenen op het bedrijfsleven, door de technische scholing en specialistische opleiding aan te passen aan de nieuwe technologieën.

De Europese samenleving kampt met een moeilijke situatie op het vlak van het scholings- en opleidingsstelsel, waardoor de aanleg van kennis en vaardigheden wordt afgeremd en verhinderd. Voor de Europese Unie is investering in menselijk kapitaal en jongerenopleiding de beste en ook de modernste manier om concreet gestalte te geven aan het recht op werk. In het Groenboek wordt onder meer deze uitdaging gelanceerd.

Ik dank de rapporteur voor zijn inspanningen om de verschillende standpunten die in dit debat naar voren zijn gekomen, op één lijn te krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bushill-Matthews (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, sta mij toe om allereerst de Commissie te bedanken voor haar zeer doordachte Groenboek. De werkzaamheden van de Commissie zijn aanleiding geweest voor dit verslag en het debat van vandaag. Het feit dat het Groenboek in de huidige vorm is geschreven – en de Commissie heeft daarbij een zo breed mogelijke raadpleging uitgevoerd – heeft ongetwijfeld tot een verrijking van onze eigen beraadslagingen geleid. Ik hoop van ganser harte dat de Commissie morgen aan het eind van de stemming, nadat alle amendementen de revue zijn gepasseerd, op haar beurt reden heeft om het Parlement voor zijn positieve reactie te bedanken. Dat moeten wij echter eerst nog maar even afwachten.

Er is al verwezen naar het uitstekende werk dat de rapporteur heeft verricht en daar wil ik mij graag bij aansluiten. Door verschillende collega’s is veel commentaar geleverd op het begrip “flexiezekerheid”. Naar mijn idee heeft de rapporteur een grote flexibiliteit aan de dag gelegd door de bezorgdheid en twijfels van leden van andere fracties op hun merites te beoordelen. Ik vind echter dat ook de schaduwrapporteurs zich net zo flexibel hebben opgesteld door het standpunt van de rapporteur over te nemen. Ik wil dan ook iedereen voor hun inzet bedanken. Eerder in dit debat zei de heer Szymański dat zijn felicitaties niet voor de werkzaamheden van de parlementaire commissie golden. Ik kan mij daar iets bij voorstellen. Ik wil daar wel aan toevoegen dat het verslag dat door de Commissie werkgelegenheid samengesteld is, gezien de beperkte tijd in wezen het karakter van een interim-verslag heeft. Ik ben ervan overtuigd dat het verslag dat morgen resteert na de stemming in dit Parlement over de amendementen, er inhoudelijk aanzienlijk anders zal uitzien. Dat betekent dat wij over een onderwerp dat in potentie tot verdeeldheid zou kunnen leiden, uiteindelijk toch een duidelijk en eenstemmig signaal zullen afgeven.

Tot slot zou ik de Commissie willen vragen om bij de analyse van onze discussies te bekijken wat er uit het verslag verdwenen is gedurende het traject van de werkzaamheden in de Commissie werkgelegenheid tot aan de huidige fase. Ik denk dat uit die analyse een duidelijke boodschap naar voren zal komen. Ik zou de Commissie ook willen vragen om te analyseren wat er in het verslag behouden is gebleven. Ik zou de aandacht daarbij graag op paragraaf 10 willen vestigen over de werktijdenregelingen en de noodzaak voor meer flexibiliteit bij zowel werkgevers als werknemers. Het is één ding om te zeggen dat wij meer flexibiliteit nodig hebben. Het is nu echter tijd dat de Commissie diezelfde flexibiliteit aan de dag legt zodat wij vooruitgang kunnen boeken met betrekking tot dit complexe en gevoelige dossier.

Tot slot wil ik nog graag onze medewerkers noemen. Ik doel dan niet alleen op de medewerkers van de afgevaardigden, maar ook op die van onze fracties. Zij zijn vaak de vergeten helden. Ik vind dat zij geweldig werk hebben verzet, met name gezien de zeer beperkte tijd die er beschikbaar was. Ik hoop dat ik hen mede namens u allen mag bedanken voor en feliciteren met de door hen verrichte inspanning.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, dames en heren, het verbaast mij niet dat de discussie over het arbeidsrecht zo breed en diepgaand is geweest, en ook vaak op uiterst temperamentvolle wijze gevoerd is. Dit ligt voor de hand, omdat de kwestie arbeidsrecht één van de meest gevoelige vraagstukken is, die in principe is ingebed in de kern van ons Europese sociaal model. Ik ben zeer verheugd dat het Groenboek een basis kon vormen voor deze buitengewoon uitgebreide discussie. Er zijn ten aanzien van het Groenboek meer dan 450 verschillende standpunten binnengekomen, veel meer dan gebruikelijk bij een publieke discussie. Het is ook duidelijk dat het Groenboek geen oplossing voorstelt inzake het arbeidsrecht, maar juist aanleiding wil zijn tot het stellen van vragen. De gestelde vragen zullen door de Commissie worden geëvalueerd, en de Commissie zal dan in de komende periode documenten uitgeven met betrekking hiertoe.

Ik denk dat het parlementaire debat aantoont dat er goede perspectieven zijn voor een consensus ten aanzien van enkele basiselementen; staat u mij toe even iets zeggen over een aantal hiervan, die ik als uiterst belangrijk beschouw. Ten eerste de behoefte aan een zinvolle sociale dialoog. Afgezien van het feit dat het niveau van de sociale dialoog in sommige lidstaten niet erg hoog is, ben ik van mening dat de sociale dialoog inderdaad een basiselement is, en daarom wordt deze sociale dialoog onder andere in het kader van het Europees Sociaal Fonds rechtstreeks ondersteund, vooral door middel van versterking van de administratieve capaciteit van de sociale partners.

Ten tweede wil ik het feit benadrukken dat het arbeidsrecht niet in een vacuüm bestaat en dat elk debat hierover altijd gevoelig zal liggen bij de sociale partners. Verder ben ik van mening dat bij de verdere uitwerking van het arbeidsrecht alle maatregelen moeten worden vermeden die kunnen leiden tot verbrokkeling van de arbeidsmarkt of vermindering van de werkzekerheid, of tot enige beperking van de basisrechten van de werknemer.

Het lijkt erop dat er behoefte bestaat om iets te doen aan de situatie van werknemers die formeel zelfstandigen zijn zonder personeel maar die toch economisch afhankelijk zijn van één enkele hoofdopdrachtgever of werkgever die hun bron van inkomsten is. Tevens is een uiterst doeltreffende implementatie van het arbeidsrecht noodzakelijk, vooral met het oog op het handhaven en ondersteunen van kwalitatief goede arbeidsplaatsen en de strijd tegen illegaal werk.

Geachte afgevaardigden, er zijn ook enkele vragen gesteld die buiten de hoofdlijnen van het debat vielen, en die waarschijnlijk ook niet tijdens de stemming beantwoord zullen worden; staat u mij daarom toe hier nu even op in te gaan. Allereerst wil ik benadrukken dat de sociale bescherming geen gevolg is van maar een voorwaarde voor volledige werkgelegenheid. Als men de arbeidsmarkten vergelijkt die een zeer zwakke arbeidsbescherming genieten, zoals bijvoorbeeld die in de ontwikkelingslanden, dan is geen van deze arbeidsmarkten voldoende effectief vanuit het perspectief van het creëren van arbeidsplaatsen. Ik wil ook benadrukken dat er reeds een richtlijn bestaat voor de detachering van werknemers; over de diverse interpretaties daarvan zullen we later nog discussiëren. Dus er bestaat al een zekere norm hiervoor, hoewel andere ontwikkelingen denkbaar zijn.

Ook de kwestie van het werk via uitzendbureaus is aangekaart. Hier kan ik constateren dat het Portugese voorzitterschap dit vraagstuk min of meer op de agenda heeft gezet. In het kader van dit voorzitterschap proberen we vooruitgang te boeken in deze kwestie, hetgeen naar mijn oordeel hoognodig is omdat ik van mening ben dat de door de geachte afgevaardigde geschetste marktontwikkeling met betrekking tot de uitzendbureaus een zeer exacte weergave is van de situatie. De dynamiek van deze markt is duidelijk, evenals enkele verschijnselen die kunnen worden beschouwd als tekenen van mogelijke sociale dumping.

Geachte afgevaardigden, de arbeidsmarkt is sterk aan het veranderen, en het is dringend noodzakelijk dat we binnen de Europese Unie, maar vooral op het niveau van de afzonderlijke lidstaten die het arbeidsrecht kunnen handhaven, algemene antwoorden zoeken die in staat zijn om enerzijds onze algehele capaciteit, effectiviteit en concurrentievermogen en de kracht van onze samenleving te schragen en anderzijds de nodige zekerheid te waarborgen voor de werknemers in de 21e eeuw. Dit is geen eenvoudige opgave, maar het debat heeft me overtuigd dat uw verslag een goede kans maakt om te worden goedgekeurd. Daarom wacht ik het eindresultaat met belangstelling af.

 
  
  

VOORZITTER: MECHTILD ROTHE
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, 11 juli 2007, plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Bogdan Golik (PSE), schriftelijk. – (PL) Voorzitter, eerst en vooral zou ik de heer Protasiewicz van harte willen bedanken voor dit zakelijke en moeilijke verslag. Het is zeer belangrijk dat er een publiek debat is aangevat over de modernisering van het arbeidsrecht om de uitdagingen van de mondialisering het hoofd te bieden, alsmede over de aanhoudende structurele werkloosheid en de demografische ontwikkelingen die de Europese Unie niet ten goede komen.

De ons omringende wereld en de punten uit het verslag tonen aan dat we vandaag behoefte hebben aan een Europese Unie met een gemeenschappelijk beleid ter bestrijding van de werkloosheid, geschoeid op de leest van het gemeenschappelijk energiebeleid. Een dergelijk beleid is des te noodzakelijker aangezien zelfs de rijkste Europese landen, onder andere Duitsland en Frankrijk, machteloos staan tegenover dit probleem. Het werkloosheidscijfer zal in deze lidstaten binnen afzienbare termijn oplopen tot 10 procent.

Ik plaats vraagtekens bij het voorstel om op Europees niveau gemeenschappelijke regelgeving aan te nemen met het oog op de creatie van de basis voor een stelsel van minimale sociale normen, zoals wordt voorgesteld in overweging S. Ik ben van mening dat de huidige verschillen tussen de lidstaten zo groot zijn dat het voorstel eenvoudigweg onuitvoerbaar is. De lidstaten zouden autonoom moeten kunnen beslissen over de minimumquota, in functie van hun niveau van economische ontwikkeling, de situatie op hun arbeidsmarkt en hun nationale tradities.

Uit tal van gegevens blijkt dat de werkgelegenheid toegenomen is dankzij de zogenaamde atypische arbeidscontracten. Het dilemma is bijgevolg niet op welke basis iemand werkt, maar of hij aan het werk is of niet. In de komende jaren zou dit de voornaamste prioriteit moeten zijn voor de lidstaten en voor de hele Europese Unie. Daarbij moet bijzondere aandacht besteed worden aan jongeren die beginnen te werken, aan vrouwen en ouderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Ik zou de rapporteur van harte willen feliciteren met zijn verslag waarin hij een realistische analyse maakt van de veranderingen die in het arbeidsrecht moeten worden doorgevoerd om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te kunnen bieden.

Naar mijn mening is het arbeidsrecht in bepaalde lidstaten nog steeds verouderd en dus niet in staat om een antwoord te bieden op de uitdagingen van de mondialisering.

Een duidelijk en flexibel arbeidsrecht is in de moderne wereld van vandaag onontbeerlijk. Werknemers zouden de kans moeten krijgen om levenslang te leren en om opleidingen te volgen waardoor zij beter aangepast raken aan de vereisten van de arbeidsmarkt.

Het voornaamste probleem voor de arbeidsmarkt is de administratieve rompslomp waarmee de ondernemingen geconfronteerd worden. Dit zet een rem op de ontwikkeling van de bedrijven. Het uit de weg ruimen van de hindernissen in de sector van het midden- en kleinbedrijf zal niet alleen het concurrentievermogen van deze bedrijven bevorderen, maar ook een stijging van het aantal banen tot gevolg hebben.

De modernisering van het arbeidsrecht zou in de eerste plaats gebaseerd moeten zijn op de actieve ondersteuning van de arbeidsmarkt. Ze zou het starten en veranderen van werk moeten bevorderen, evenals de voortdurende vorming van werknemers op de arbeidsmarkt. Deze maatregelen mogen echter niet verward worden met een overdreven beschermend arbeidsbeleid. Een dergelijk beleid leidt immers tot het kunstmatig in stand houden van banen die de markt niet nodig heeft en de marktpositie van de bedrijven verzwakken.

Een van de belangrijkste gevolgen van het in stand houden van kunstmatige werkgelegenheid zijn de hogere personeelskosten, terwijl daarnaast de persoonlijke ontwikkeling van een werknemer belemmerd wordt door een gebrek aan mogelijkheden voor omscholing en bijscholing. Anderzijds zorgt het kunstmatig in stand houden van arbeidsplaatsen er gewoonlijk voor dat de bedrijven in kwestie geleidelijk verzwakken en uiteindelijk van de markt verdwijnen.

Het is bijgevolg veel belangrijker om banen actief te bevorderen dan ze tot elke prijs te beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique Mathieu (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Globalisering, vergrijzing, snellere handel: al deze uitdagingen moeten we aangaan, morgen nog meer dan vandaag.

Geen enkele lidstaat kan beweren dit alleen te kunnen, en gecoördineerde acties met de Europese Unie zijn bepalend voor het welslagen van het werkgelegenheidsbeleid en het sociale beleid. Ik juich dan ook het initiatiefverslag over de modernisering van het arbeidsrecht toe, die noodzakelijk is om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden. Deze doelstelling is meer dan prijzenswaardig, zij is van cruciaal belang.

We moeten werk herwaarderen en het wetgevend kader aanpassen aan deze tijd. Voorts moeten wij degenen die willen werken, in staat stellen om te werken door aantrekkelijke opleidingen op te zetten, en degenen die meer kunnen werken, in staat stellen dit te doen door de onderhandelingen tussen werknemers en werkgevers soepeler te maken.

Flexibiliteit betekent niet het einde van beschermende regels, zij betekent dat deze regels worden bepaald in vrije onderhandelingen die recht doen aan de behoeften van allen, behoeften die kenbaar worden gemaakt in het kader van een sociale dialoog, die wordt. aangemoedigd

Frankrijk heeft reeds het initiatief genomen tot een dergelijke dialoog met de sociale partners. Ik ben derhalve tevreden met dit verslag, dat in het verlengde ligt van de Franse ambities en acties.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Őry (PPE-DE), schriftelijk. – (HU) Ik zie het initiatief van de Europese Commissie als een welkome en zeer moedige stap die het debat over de modernisering van het arbeidsrecht heeft geopend. Ik ben een voorstander van een genuanceerde benadering en van evenwichtige technische amendementen. Ik vind het niet correct dat bepaalde mensen de atypische vormen van werk de hemel in prijzen en dat ze zowel de nationale als de Europese wetgevers aanbevelen op politiek niveau de prioriteit van atypische vormen te erkennen boven het klassieke arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Ik kan niet accepteren dat een atypisch contract op zich een hogere waarde zou vertegenwoordigen alleen maar omdat het atypisch is.

Aan de andere kant vind ik het ook niet juist als we wetgevende, administratieve of bestuurlijke middelen inzetten om ondernemers ertoe te dwingen traditionele arbeidscontracten in bredere kring toe te passen. We moeten inzien dat onze economieën onder de huidige omstandigheden van globalisering geconfronteerd worden met economische dwangmatigheden van buitenaf en dat ze daarop moeten reageren om hun verdere voortbestaan veilig te stellen.

Onze benadering van deze moeilijke kwestie kan pas in balans zijn als we het bestaansrecht van zowel de traditionele als de atypische arbeidsvormen erkennen. We moeten ondernemers een ruime keus aan mogelijke contractvormen laten en te midden van de uitdagingen van de 21e eeuw moeten we ook op verscheidene oude problemen nieuwe antwoorden zien te vinden. Wat betreft de verdere ontwikkeling van het arbeidsrecht zijn uitermate belangrijke taken weggelegd voor zowel de Europese als de nationale wetgevers.

 

14. Terbeschikkingstelling van werknemers (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is de mondelinge vraag (O-0041/2007) van Jan Andersson, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, aan de Commissie: Terbeschikkingstelling van werknemers (B6-0132/2007).

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson (PSE), rapporteur. - (SV) Ik denk dat het Jacques Delors was die zei dat de interne markt voor goederen en diensten nooit een succes zou zijn zonder een sterke sociale dimensie. Waarom zei hij dat? Hij bedoelde dat wij op de interne markt niet met elkaar moeten concurreren met slechte arbeidsvoorwaarden, lage lonen, enzovoort. Waarom niet? Omdat Europese werknemers een dergelijk beleid nooit zouden accepteren. Het flexicurity-debat toont bovendien aan dat wij niet met landen buiten de Europese Unie kunnen concurreren met lage lonen en slechte arbeidsvoorwaarden. Dan kunnen wij dit ook niet binnen de Europese Unie doen.

In dit perspectief moeten wij de richtlijn betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers zien. De richtlijn betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers is opgesteld om werknemers eerlijke en goede arbeidsvoorwaarden te waarborgen: loonvoorwaarden, arbeidstijden en andere arbeidsvoorwaarden. Er is over minimumregels gesproken, maar als wij het advies van de advocaat-generaal in de zaak-Laval moeten opvolgen, dan zijn het geen minimumregels, maar eerder normale regels die moeten worden toegepast. Zover gaat de advocaat-generaal in zijn advies. Dat is belangrijk voor werknemers. Het is belangrijk dat zij goede voorwaarden krijgen en dat is ook belangrijk voor ondernemingen. Als wij deze regelgeving niet hadden gehad, dan hadden wij de ondernemingen bevoorrecht die lage lonen betalen en de ondernemingen met slechte arbeidsvoorwaarden. Er zou geen concurrentieneutraliteit zijn - iets wat belangrijk is voor zowel werknemers als ondernemingen.

De Commissie heeft een interpretatie gegeven. Ik kan zeggen dat er onderdelen zijn waar wij het mee eens zijn, maar dat er ook onderdelen zijn waar wij het niet mee eens zijn. Laat ik beginnen met de onderdelen waar wij het wel mee eens zijn. Er is betere informatie-uitwisseling nodig tussen de autoriteiten in de verschillende lidstaten. De ondernemingen die tijdelijk in een ander land opereren, moeten aanzienlijk beter worden geïnformeerd over de voorwaarden in dat land. Op dit gebied kunnen wij in de toekomst veel doen.

De Commissie heeft gekeken naar de jurisprudentie en is soms in haar interpretaties te ver gegaan, maar is soms ook met juiste interpretaties gekomen. Wat de burgers van derde landen betreft hebben wij geen standpunten over de interpretatie van de Commissie, maar wat een aantal andere zaken betreft zijn wij het niet met de Commissie eens.

Laat mij twee voorbeelden geven. Het eerste heeft betrekking op de verplichting van een vertegenwoordiger. Hier heeft de Commissie een overinterpretatie gegeven van de bestaande jurisprudentie. De bestaande zaak gaat over de noodzaak om de vertegenwoordiger te dwingen ingezetene te zijn van het land waarin de activiteit plaatsvindt. Die eis stellen wij niet. Het is wel belangrijk dat landen eisen kunnen stellen aan een vertegenwoordiger die niet zomaar een persoon is, maar een duidelijk mandaat heeft om de onderneming te vertegenwoordigen. Dat is belangrijk in mijn land, waar wij collectieve afspraken hebben. Het is ook belangrijk in andere landen vanuit het perspectief van de autoriteiten en bijvoorbeeld voor de arbeidsomstandigheden. Het moet mogelijk zijn eisen te stellen aan een vertegenwoordiger die een mandaat heeft om namens de onderneming te spreken.

De volgende kwestie betreft sociale documentatie. Er zijn rechtszaken waar de Commissie naar verwijst. Het gaat om België en om de vraag of men documenten vijf jaar moet bewaren. Dat is een onredelijke tijd, daar ben ik het mee eens. Documentatie is echter nodig om aan te tonen wie zijn aangesteld en werken en welke lonen en werkuren zij hebben. Zulke informatie is beslist nodig in de periode dat het werk wordt uitgevoerd en ook voor een redelijke periode daarna. Wij zijn ons er natuurlijk van bewust dat hiermee soms wordt gesjoemeld en daarom is een redelijke tijd na uitvoering van het werk noodzakelijk.

De fout die de Commissie heeft gemaakt is de overinterpretatie in haar mededeling. Zij heeft de jurisprudentie overgeïnterpreteerd. De verplichting van een vertegenwoordiger is belangrijk, net als de verplichting van sociale documentatie. De Commissie zegt dat wij geen enkel arbeidsmarktmodel in Europa moeten uitdagen. Dat is een belangrijke uitspraak, maar het is exact wat wordt gedaan wanneer kritiek wordt geuit op de lidstaten die eisen stellen aan vertegenwoordigers en sociale documentatie. Als het niet toegestaan is zulke eisen te stellen, dan is het natuurlijk onmogelijk om een gereguleerde arbeidsmarkt te hebben en ons arbeidsmarktmodel te behouden. Dan spreken wij over een ander model en dat moet de Commissie aanpakken. Duitsland heeft precies dezelfde kritiek geuit als de Noordse landen.

Tot slot wil ik alleen nog de kwestie van evenwicht naar voren brengen. De landen die geen enkele controle uitoefenen moeten ook worden bekritiseerd. Er zijn landen die in onvoldoende mate controleren, wat betekent dat werknemers misschien onder omstandigheden werken die niet overeenkomen met de eisen van de richtlijn betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers. Deze landen moeten bekritiseerd worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden, op 13 juni 2007 heeft de Commissie de definitieve mededeling aangenomen die aansluit op de mededeling van 2006, waarin de Commissie het doel van de lidstaten om onwettige praktijken op de arbeidsmarkt te bestrijden, volledig ondersteunt. De Commissie erkent dat de nationale autoriteiten passende controles moeten verrichten teneinde de naleving van nationale arbeidsvoorwaarden door dienstverleners te waarborgen.

Niettemin blijkt uit de evaluatie van de voortgang sinds 2006, die door de Commissie is uitgevoerd op grond van de door de lidstaten en sociale partners op EU-niveau verstrekte informatie, dat sommige van de maatregelen die in bepaalde lidstaten worden toegepast onredelijk zijn en niet passen in het kader van wat benodigd is om de effectieve bescherming van gedetacheerde werknemers te kunnen garanderen. Zoals in de mededeling van juni 2007 al is aangegeven, lijkt het erop dat dit te wijten is aan te weinig effectieve samenwerking tussen de betreffende instanties in de lidstaten en onvoldoende toegang tot informatie.

In haar mededelingen merkt de Commissie op dat ten aanzien van het vrije verkeer van diensten, dat verankerd is in het EG-Verdrag, de regelgeving alleen kan worden beperkt op primerende gronden van algemeen belang zoals de bescherming van werknemers, en die gronden moeten ter zake dienend zijn. Of de nationale maatregelen die zijn genomen - bijvoorbeeld de eis dat een vertegenwoordiger gevestigd moet zijn in het gastland of verplicht is om daar met het oog op de controle bepaalde documenten over de sociale en arbeidsvoorwaarden te bewaren – als rechtmatig en passend kunnen worden beschouwd, dient van geval tot geval te worden beoordeeld.

De Commissie gaat de situatie in elke lidstaat nu grondig evalueren om vast te stellen welke controlemaatregelen als onrechtmatig en misplaatst dienen te worden beschouwd. Indien nodig, zal de Commissie een proces aanspannen wegens het niet nakomen van de verplichtingen, zodat de communautaire wetgeving kan worden gehandhaafd.

Voorts wil ik benadrukken dat de Commissie tevens zal nagaan of de maatregelen die worden genomen door de afzonderlijke lidstaten doeltreffend en afdoende zijn; indien dit niet het geval is, zal de Commissie op dezelfde wijze optreden, want het doel is de werknemer afdoend te beschermen zonder de interne markt te belemmeren.

De Commissie is op dit moment niet voornemens om verdere richtsnoeren te publiceren. Of de nationale maatregelen voldoen, wordt uiteindelijk beslist door het Hof van Justitie, dat al enkele vonnissen heeft gewezen, en niet door de Commissie of het Parlement.

Wat de samenwerking op het gebied van de informatievoorziening betreft, blijkt uit de door de Commissie uitgevoerde controles dat er sprake is van hoopgevende verbeteringen. Niettemin blijft er ook in de toekomst behoefte bestaan aan verdere verbeteringen. De Commissie stelt daarom voor om de bestuurlijke samenwerking met de lidstaten te vergroten en te versterken en daarnaast ook andere betrokken partijen - met name de sociale partners - in te schakelen die van belang zijn voor de controle op de naleving van de regels.

Uit de evaluatie van de handhavingsmaatregelen blijkt dat, hoewel de tenuitvoerlegging van de richtlijn niet tot veel formele klachten of juridische procedures heeft geleid, enkele problemen toch verder overleg behoeven, zoals de doeltreffendheid van de grensoverschrijdende handhaving van sancties of de bescherming van werknemers bij onderaanneming. Bij dit overleg wil de Commissie ook de sociale partners en de lidstaten betrekken.

Ten slotte wil ik benadrukken dat, zoals aangegeven in de Mededeling van juni 2007, de Commissie uit beginsel geenszins wil tornen aan de verschillende sociale modellen van de lidstaten of aan de wijze waarop de afzonderlijke lidstaten hun systeem van arbeidsrechtelijke relaties en collectief overleg organiseren. De Commissie heeft natuurlijk tot taak om te zorgen dat het recht van de Europese Gemeenschap strikt wordt toegepast, en in gevallen waarin misplaatste maatregelen zijn genomen die niet op de bescherming van werknemer gericht zijn, doch ten gevolge waarvan de vrijheid van de dienstverlening op de interne markt wordt beperkt, moet de Commissie optreden in overeenstemming met hetgeen in het Verdrag is vastgelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bushill-Matthews, namens de PPE-DE-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, een van de uitdagingen bij een mondelinge vraag die onmiddellijk gevolgd wordt door een ontwerpresolutie, en dat allemaal in een zeer korte tijdsspanne, is dat wij ervoor moeten zorgen dat in die ontwerpresolutie alles tot uiting komt wat wij eigenlijk willen zeggen. In dit geval denk ik dat de haast er net als in een aantal eerdere gevallen toe heeft geleid dat niet iedereen zich kan vinden in de formulering van elk detail van die resolutie. Dit is niet bedoeld als kritiek op de politieke opponenten aan de andere kant van dit Parlement. Het is slechts een opmerking, een verklaring over de huidige werkwijze.

Ik zou daaraan graag de volgende vragen willen toevoegen (officieus wel te verstaan met het oog op een eventuele reactie van de Commissie). Als de huidige richtlijn niet adequaat in alle lidstaten wordt uitgevoerd, zou de Commissie dan wellicht niet beter iets meer tijd kunnen nemen om uit te zoeken wat daarvan de oorzaak is? Zijn er intrinsieke problemen aan deze richtlijn verbonden? Hebben sommige lidstaten nog steeds bepaalde problemen met die richtlijn? Zou het niet verstandiger zijn om een en ander nog eens nader te overwegen in plaats van met kracht te roepen: “de richtlijn is de richtlijn is de richtlijn en die zult u zonder vertraging ten uitvoer leggen”? Ik ben er zeker van dat er nog iets te leren valt als er goed geluisterd wordt. In beginsel zijn wij allen voorstander van een richtlijn voor deze kwestie dus wat dat betreft is er duidelijkheid.

Het laatste dat ik hierover wil zeggen, is onmiskenbaar afkomstig van deze kant van het Parlement. Wij willen werknemers die gedetacheerd worden, graag helpen. Onze aandacht gaat natuurlijk uit naar het zekerstellen van hun arbeidsomstandigheden, maar ook naar het bevorderen van hun mobiliteit. Wij willen die richtlijn echter zeker niet als een protectionistisch instrument gebruiken om de detachering van werknemers te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne Van Lancker, namens de PSE-Fractie. – Voorzitter, meneer de commissaris, ik kan u zeggen dat mijn fractie zeer gemengde gevoelens heeft over deze nieuwe mededeling van de Commissie. Enerzijds is het natuurlijk goed dat de Commissie werk wil blijven maken van de tenuitvoerlegging van de detacheringsrichtlijn, want bijna wekelijks worden ons nieuwe gevallen van sociale uitbuiting van gedetacheerde werknemers gesignaleerd en die situatie zette trouwens ook de arbeidsvoorwaarden in onze landen erg onder druk. Maar anderzijds hebben wij toch sterk de indruk dat de Commissie nog altijd niet het juiste evenwicht te pakken heeft tussen enerzijds het garanderen van de vrijheid van dienstverlening en anderzijds de bescherming van de werknemers.

Het is toch duidelijk, meneer de commissaris, dat een aantal controlemaatregelen die lidstaten invoeren, zoals bijvoorbeeld het verplicht bewaren van documenten op de werkplek, het opleggen van detacheringsverklaringen of de aanwezigheid van een gemachtigd vertegenwoordiger essentiële elementen zijn om de arbeidsvoorwaarden van gedetacheerde werknemers te kunnen beschermen.

Het is bovendien overduidelijk, commissaris, dat lidstaten alleen kunnen vertrouwen op hun eigen nationale maatregelen, omdat de broodnodige transnationale samenwerking tussen administraties en de toegang tot de noodzakelijke informatie nagenoeg ontbreken en internationale afdwingingsmechanismen gewoon niet werken. Maar toch wordt in de mededeling gesuggereerd dat een pak van die maatregelen niet compatibel is met de Gemeenschapswetgeving en dreigt u zelfs met inbreukprocedures, nog vóór de broodnodige stappen gezet zijn om de informatiedoorstroming te verzekeren, de samenwerking tussen de lidstaten echt te doen functioneren en een effectief systeem van sancties op poten te zetten.

Uiteraard verwelkomt mijn fractie het voornemen van de Commissie om een permanente commissie op hoog niveau op te zetten om de lidstaten te helpen hun samenwerking uit te bouwen. Maar administratieve samenwerking, commissaris, is niet voldoende. Wat wij bovendien vragen is een Europees platform voor grensoverschrijdende samenwerking tussen de bevoegde inspectiediensten van de lidstaten. Zolang dit aspect niet geregeld is, ontbreekt een cruciaal instrument om de detacheringsrichtlijn te doen naleven.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne E. Jensen, namens de ALDE-Fractie. – (DA) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, namens mijn fractie wil ik graag de aanpak steunen die de Commissie heeft gekozen in verband met deze richtlijn, namelijk om zich te richten op betere informatie, versterking van de samenwerking tussen lidstaten en, bij ernstige overtredingen, het voor het Europees Hof van Justitie dagen van lidstaten.

Helaas moeten we echter erkennen dat dit onderwerp in een uitgebreide Europese Unie met grote inkomensverschillen gerelateerd is aan een grote mate van onzekerheid en gebrek aan bescherming. Er bestaat de vrees dat werknemers die in een andere lidstaat werken onder slechtere sociale omstandigheden werken dan de normale omstandigheden die in het gastland gelden en dat op die manier de werkzekerheid wordt bedreigd. Aan de andere kant zien we nog steeds vele bureaucratische barrières voor de vrije uitwisseling van diensten in de EU. Dit belemmert de concurrentie en leidt tot slechte dienstverlening aan de burgers. En wat de detacheringsrichtlijn nu precies moet garanderen is het evenwicht tussen de vrije mogelijkheid om diensten te leveren over de grenzen heen en de inachtneming van de arbeidsmarktbescherming in het gastland. Bij raadplegingen in de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken vertelden vertegenwoordigers van werkgevers en vakbonden ons al eerder dat de detacheringsrichtlijn feitelijk goed genoeg is, maar ook heel ingewikkeld. Daardoor kennen werkgevers en werknemers hun rechten en plichten niet goed genoeg en daar moeten we iets aan doen. Het moet gemakkelijk en eenvoudig zijn om dingen op een wettige manier te doen en dat kan worden bereikt door informatievoorziening – let wel, begrijpelijke informatie – in de eigen taal en met gemakkelijke toegang tot hulp als er problemen moeten worden opgelost.

De Commissie heeft geconstateerd dat de lidstaten niet altijd vertrouwen hebben in de informatie die tussen de lidstaten wordt uitgewisseld en daarom is het naar mijn mening een goed idee om de lopende samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied te versterken. Bovendien zou de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden, gevestigd in Dublin, moeten zorgen voor de uitwisseling van goede praktijken, zodat zowel de arbeidsmarktpartners als de lidstaten bij een positief proces worden betrokken.

Wat betreft de door de heer Andersson aan de orde gestelde kwestie van de door het gastland geëiste vertegenwoordiger en wat betreft de kwestie van de documentatie op de werkplek ben ik ook van mening dat het belangrijk is om het juiste evenwicht te bewaren en in principe vind ik eigenlijk dat de Commissie die balans gevonden heeft. Dit is de achtergrond van onze amendementen op het verslag. De vertegenwoordiger hoeft niet noodzakelijkerwijs fysiek aanwezig te zijn in het gastland. Daar zijn we het over eens en dit punt wil ik graag duidelijk gesteld hebben.

Aangaande de verwijzing naar de zaak-Laval of de zaak-Waxholm ben ik van mening dat we het definitieve besluit moeten afwachten, voordat we deze kwestie als leidraad voor de juridische status gebruiken.

Daarmee ben ik aan het einde van mijn opmerkingen gekomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, deze discussie is ook een waarschuwing. Wanneer blijkt dat deze mededeling de zoveelste poging is om via de achterdeur de artikelen 24 en 25 van de oorspronkelijke dienstenrichtlijn, die waren geschrapt, weer naar binnen te halen, dan zal het Parlement zich hiertegen met nadruk verzetten! De detacheringsrichtlijn is bedoeld om de werknemers te beschermen, en dat zal ook zo blijven!

In de detacheringsrichtlijn geldt het principe van de plaats van de dienstverlening. Dat betekent ook dat alle maatregelen die een lidstaat neemt om de gedetacheerde werknemers op de werkplek te beschermen, en om hun rechten te garanderen, legitiem en bewust gekozen zijn. De detacheringsrichtlijn is een wet voor de vrije interne dienstenmarkt. Die vrijheid geldt echter niet tegen iedere prijs. Niemand heeft een vrijbrief voor sociale dumping.

Ik ben het zat, al die hypothetische discussies over de vraag of het theoretisch mogelijk is om binnen twee of vier weken in het oorsprongsland het bewijs van een faire betaling te leveren. Op de kleine en grote bouwterreinen in Europa wordt een andere taal gesproken. Wanneer het niet mogelijk is om de loonadministratie ter plaatse te controleren, ontstaat er veel meer ruimte voor criminele spelletjes.

Dat wilt u toch niet op uw geweten hebben? Ga naar de bouwterreinen, voor u verdere stappen zet! Zie zelf hoe werknemers hun verdiende loon door de neus geboord wordt, en hoe de concurrentie wordt vervalst door de sociale dumping! Hetzelfde loon voor hetzelfde werk op dezelfde plaats – dat moet ons principe blijven!

 
  
MPphoto
 
 

  Mary Lou McDonald, namens de GUE/NGL-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, in de eerste plaats moeten wij voor ogen houden dat de detacheringsrichtlijn betrekking heeft op de rechten van werknemers. In die richtlijn worden slechts minimumnormen neergelegd met betrekking tot salariëring, vakantiedagen, werktijden en dergelijke. Zonder die richtlijn worden werknemers blootgesteld aan allerlei soorten misbruik via bijvoorbeeld postbusbedrijven of een pseudo-zelfstandig ondernemerschap, mogelijkheden waar sommige bedrijven maar al te gretig gebruik van hebben gemaakt.

Ik heb echter de indruk dat de Commissie de nadruk legt op het verwijderen van obstakels voor het leveren van diensten en het adequaat functioneren van de markt. Naar mijn idee betekent de ontwerpresolutie die aan deze mondelinge vraag is gekoppeld, een stap terug ten opzichte van de eerdere standpunten van het Parlement, zoals die onlangs nog verwoord zijn in het verslag-Schroedter. Feit is dat de Commissie niet toeziet op de naleving van de richtlijn en dat veel lidstaten de voorschriften negeren. Dergelijke tekortkomingen mogen niet verdoezeld worden door gekibbel over proportionaliteit of protectionisme. Toen wij de dienstenrichtlijn hebben aangenomen, kregen degenen die zich zorgen maakten over de gevolgen daarvan voor de rechten van werknemers, de verzekering dat die zorgen weggenomen zouden worden door een adequate handhaving van de detacheringsrichtlijn. Dat is niet gebeurd. De Commissie heeft nagelaten om adequaat toe te zien op de naleving van die richtlijn. Daardoor worden veel werknemers aan risico’s blootgesteld omdat de noodzakelijke minimumnormen ontbreken om uitbuiting en misbruik te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, op 13 juni heeft het Directoraat-generaal Werkgelegenheid van de Commissie meegedeeld dat een aantal lidstaten de detacheringsrichtlijn niet naar de letter omzetten. Duitsland is één van die landen. De Commissie verwijt mijn land dat onze controles te streng zijn, en dat werknemers uit andere lidstaten daardoor worden benadeeld. Dat is een provocatie! Ik verwacht een genuanceerdere opstelling, zeker van een commissaris die ik verder bijzonder waardeer, omdat hij altijd zeer evenwichtig is.

De samenwerking tussen de oorsprongslanden en de landen van ontvangst is wel belangrijk, maar kan een doelmatige controle nooit vervangen. Het moet toch ons gezamenlijk doel zijn om de bescherming van de werknemers te garanderen, sociale dumping te verhinderen en zwart werk aan de kaak te stellen en te bestraffen. Dat kunnen we echter alleen maar bereiken wanneer we de belangrijkste documenten hebben, en wel in de taal van het gastland. Die documenten moeten dus beschikbaar zijn: de arbeidscontracten, de loonafrekeningen en de werkroosters. De advocaat-generaal van het Europees Hof van Justitie ziet dat ook zo. Er is namelijk gebleken dat de inspecteurs grote problemen hebben met documenten die niet zijn opgesteld in de taal van het betrokken land.

Ten tweede kunnen schriftelijke aanmaningen alleen maar correct worden betekend wanneer de ontvanger een adres in Duitsland heeft, en niet een dubieus postbusadres in het buitenland, dat is gekozen om zo onvindbaar mogelijk te zijn. Iedereen moet trouwens een officiële vertegenwoordiger aanduiden, naar vrije keuze. Ook de werkplek kan als adres worden gebruikt. Ik vind dat een faire oplossing.

Het is een schandaal dat u dreigt met een inbreukprocedure! In de Europese Unie moeten we rechtvaardig zijn, zeker als het om controles gaat! Blijf evenwichtig en redelijk, mijnheer Špidla, zoals we dat van u gewend zijn!

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Louis Cottigny (PSE). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik behoor tot degenen die vinden dat de terbeschikkingstelling van werknemers kansen biedt aan de Europese Unie en haar burgers. Kansen, niet alleen op economisch gebied maar ook omdat we een bijdrage kunnen leveren aan versterking van de Europese gedachte. Werknemers die ter beschikking worden gesteld op Europees grondgebied, zijn in de eerste plaats Europeanen, en wij moeten hen als zodanig behandelen. Naar mijn mening betekent dit dat er geen sprake mag zijn van ongelijke behandeling voor dezelfde baan in hetzelfde land.

Een van de problemen waartoe Richtlijn 96/71/EG thans aanleiding geeft, is dat de vrees bestaat dat wij met deze richtlijn als scheidsrechter kunnen optreden tussen lidstaten en dat wij geassocieerd worden met “sociale dumping” omdat de nationale stelsels op het gebied van het arbeidsrecht niet voldoende zijn geharmoniseerd en er verschillen bestaan tussen nieuwe en oude lidstaten op dit gebied. Ik herhaal nog een keer: we moeten het sociale Europa van boven af opbouwen en niet zijn sociale verworvenheden afbreken, zoals sommigen hier graag zouden willen. Dat blijkt wel uit sommige amendementen die zijn ingediend naar aanleiding van dit verslag over de modernisering van het arbeidsrecht.

Wat dit betreft, raad ik hun aan niet met vuur te spelen omdat zij het risico lopen geconfronteerd te worden met onbeheersbare sociale conflicten. Naar mijn mening moeten de lidstaten een aantal beperkingen kunnen blijven handhaven teneinde deze klippen te omzeilen, maar zij moeten ook bepaalde voorwaarden kunnen stellen wanneer zij ter beschikking gestelde werknemers ontvangen. Ik vind met name dat ter beschikking gestelde werknemers gevolmachtigde vertegenwoordigers moeten hebben die onafhankelijk dienen te zijn. Deze vertegenwoordigers moeten relevante informatie kunnen verstrekken over werktijden en veiligheid en gezondheid op het werk zodat de betrokken werknemers zeker kunnen zijn van bescherming. Ter beschikking gestelde werknemers moeten zich vooraf kunnen aanmelden zodat de sociale partners in het ontvangende land, waar de salarissen worden vastgesteld middels collectieve onderhandelingen, rechtstreeks kunnen onderhandelen met de onderneming in het woonland van de ter beschikking gestelde werknemers.

Wij moeten op dit gebied echter nog veel verder gaan en blijven nadenken over zaken zoals de invoering van een Europees minimumloon. Wij moeten een politieke wil hebben die leidt tot een basis voor sociale rechten die gelden in de gehele Europese Unie. Met dergelijke maatregelen slaan wij de weg in naar een sociaal Europa, naar een verenigd Europa, naar een Europa van de werknemers dat wij allen wensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Evelyne Gebhardt (PSE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, tijdens de discussie over de dienstenrichtlijn hebben we heel duidelijk gezegd dat die richtlijn zeker niet mag afdoen aan de sociale rechten in de lidstaten. Daarom hebben we de beroemde artikelen 24 en 25 uit de tekst gehaald, omdat we niet willen dat die rechten door de achterdeur worden uitgehold.

Wanneer er dergelijke problemen opduiken, moet de detacheringsrichtlijn worden veranderd, om alle misverstanden uit de weg te ruimen, daar waren we het ook over eens. Ik zou willen herinneren aan dit compromis, waarmee ook de Europese Commissie indertijd heeft ingestemd. Daar wil ik de Commissie graag aan houden.

Ik ben het met u eens, mijnheer de commissaris, dat de niet bestaande of slechte samenwerking tussen de instanties één van de belangrijkste redenen is waarom we zulke problemen hebben met de detacheringsrichtlijn, maar denkt u nu echt dat we de samenwerking kunnen verbeteren door de controlemogelijkheden af te schaffen, inclusief de documenten en wat er verder voor die controles nodig is? Integendeel, ontbrekende documenten plus slechte samenwerking tussen de instanties is je reinste sociale dumping! Is dat nu echt wat u wilt? Ik denk het niet!

Daarom moeten we er samen voor zorgen dat de administratieve samenwerking wordt verbeterd, en dat we een markt voor diensten en voor werknemers tot stand brengen met een zo hoog mogelijk niveau van sociale bescherming. Dan doen we iets positiefs voor Europa, dan pakken we niet op een destructieve manier de lidstaten aan, maar streven constructief naar echte oplossingen. Dat is de weg die we moeten bewandelen. Anders bereiken we nooit wat we eigenlijk wilden bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben teleurgesteld dat commissaris Špidla ons vandaag heeft verteld dat hij niet van plan is een voorstel te doen voor een nieuwe mededeling over deze kwestie.

Indien wij willen dat Europese werknemers zich vrijelijk tussen lidstaten kunnen bewegen zonder daarbij een proces in gang te zetten waar zij uiteindelijk zelf de dupe van worden, moeten wij ervoor zorgen dat de wetgeving duidelijk is, dat er in de hele Europese Unie gemeenschappelijke normen worden gehanteerd en dat deze volledig ten uitvoer worden gelegd. In de huidige vorm voldoet de detacheringsrichtlijn niet aan deze criteria en ook niet aan de richtsnoeren die de Commissie nog maar een jaar geleden heeft gepubliceerd. Op dit moment dient de Commissie eraan vast te houden dat het gastland van een gedetacheerde werknemer ook de noodzakelijk documenten onder zich houdt. Daarnaast moeten wij erop aandringen dat het altijd onmiskenbaar is wie de rol van werkgever vervult en wie dus de wettelijke verantwoordelijkheid draagt voor de naleving van alle voorschriften. Zelfs dat zal niet voldoende zijn als niet alle lidstaten gebruik maken van handhavingsmechanismen en zware straffen opleggen voor het overtreden van de wet.

Wij zullen nooit vooruitgang boeken bij zaken als de “flexiezekerheid” en de hervorming van het arbeidsrecht als wij geen oplossing bieden voor de bescherming van werknemers op dit vlak. Werknemers in Europa zullen een aantasting van hun rechten of een verslechtering van hun situatie niet accepteren. Wij zullen er nooit in slagen om wetgeving in dit Parlement aan te nemen waardoor op enigerlei wijze de rechten van werknemers worden aangetast, tenzij die werknemers zien dat er ook voordelen aan verbonden zijn die voorkomen dat er een race naar de afgrond in gang wordt gezet. Ik vind de kortzichtigheid van de Raad en de Commissie op dit punt echt ongelofelijk. Hun houding is gewoonweg onverklaarbaar als zij serieus van plan zijn om een Europese sociale unie te creëren.

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Geachte afgevaardigden, ik wil graag duidelijk stellen dat de juiste toepassing van de detacheringsrichtlijn niet een “achterdeur” is waarmee we de bescherming van de werknemers op de Europese arbeidsmarkt willen verzwakken en in gevaar brengen. Integendeel, indien op de juiste wijze toegepast biedt deze richtlijn een effectieve bescherming voor de werknemer, en dit is heel belangrijk. Het is beslist niet waar dat de Commissie overweegt om de controlemogelijkheden te beperken, en ik wil dus duidelijk stellen dat elke maatregel die door een lidstaat als noodzakelijk wordt beschouwd en die met het doel in overeenstemming is, natuurlijk terecht en toepasbaar is.

Ik wil ook opmerken dat de besluitvorming over zowel deze richtlijn als de mededeling zich zeker niet alleen aan de vergadertafel heeft afgespeeld, en dat er talloze discussies zijn geweest met de sociale partners. Ik denk dat, waar het gaat om toepassing van de wetgeving, wij allemaal wel onderscheid kunnen maken tussen gevallen waarin zij verwordt tot bureaucratie en niet meer het eigenlijke doel dient, en gevallen waarin zij daarentegen andere en verkeerde doelen dient. Daarom dienen de controles diepgaand en effectief te zijn, maar wel binnen het kader van de gebruikte methode, aangezien volgens de richtlijn en het recht in het algemeen niet alles is toegestaan. Met andere woorden: niet alles is acceptabel; alleen datgene wat binnen het wettelijke kader valt en zowel effectief als proportioneel is.

Wat de eventuele wijziging van de richtlijn betreft kan ik stellen dat het Parlement zelf zich minstens twee of drie keer met deze kwestie heeft beziggehouden, evenals de sociale partners. Er is daarna nooit een overheersend standpunt geformuleerd op grond waarvan de richtlijn substantieel moest worden geherformuleerd. Integendeel, steeds is gesteld dat de samenwerking verbeterd moest worden en ook dat de implementatie beter zou moeten zijn. Voorts wil ik opmerken dat de implementatie de taak is van de lidstaten en dat de Commissie tot taak heeft om ervoor te zorgen dat deze implementatie plaatsvindt in overeenstemming met het Europees recht, waarbij zij verplicht is om die rechtsmiddelen te aan te wenden die ze ter beschikking heeft. Hierbij controleert de Commissie natuurlijk hoe de situatie is op de arbeidsmarkt binnen de afzonderlijke lidstaten, en treedt ze behoedzaam op, zoals in de wetgeving is vastgelegd.

Het lijdt geen twijfel dat verbetering van de administratieve samenwerking buitengewoon belangrijk is, evenals verbetering van de samenwerking tussen de afzonderlijke controlerende instanties in de lidstaten. De Commissie zal haar inspanningen in deze richting voortzetten en in goede banen leiden. Indien in volgende debatten blijkt dat er een reden is om te zorgen voor een meer uitgebreide wetgeving, zal dit punt zeker ter sprake worden gebracht en uitgebreid worden besproken. Op dit moment echter getuigen noch het voorlopige politieke debat in het Parlement, noch het debat met de sociale partners van de noodzaak van nieuwe wetgevende activiteiten op dit gebied.

Geachte afgevaardigden, ik wil nogmaals benadrukken dat het bij deze richtlijn gaat om de effectieve bescherming van de werknemer. Alle controlemaatregelen die uitmonden in zo’n effectieve bescherming zijn terecht. De lidstaat die de werknemer niet beschermt door middel van. effectieve controle overtreedt deze richtlijn dus. Alle controle op welk gebied dan ook dient proportioneel te zijn in de juridische zin van het woord, en we zijn het vaak niet eens over wat proportioneel is. Het Hof van Justitie in Luxemburg is bevoegd om zulke geschillen tussen Europese instellingen te beslechten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Tot besluit van het debat is één ontwerpresolutie(1) ingediend, overeenkomstig artikel 108, lid 5, van het Reglement.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt morgen, 11 juli 2007, plaats.

 
  

(1) Zie notulen.


15. Naar een maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0235/2007) van Willi Piecyk, namens de Commissie vervoer en toerisme, over een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën (2006/2299(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Willi Piecyk (PSE), rapporteur. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, met de behandeling van het maritiem beleid betreedt het Parlement terra incognita. Vijf commissies waren bij dit verslag betrokken, en hebben een heel presentabel resultaat bereikt. Allereerst zou ik mijn corapporteurs, de heren Hassi, Stevenson, Chatzimarkakis en Matsis hartelijk willen danken voor de samenwerking. Ik zou ook mijn medewerkers mevrouw Jordan en mevrouw Schramm willen bedanken, en mijn stagiair Jan heeft goed onderzoek gedaan. Zonder hun hulp had ik dit verslag zo niet kunnen schrijven.

Dames en heren, laten we de volgende feiten in verband met het maritiem beleid eens op een rijtje zetten. Negentig procent van de buitenlandse handel en veertig procent van de binnenlandse handel van de EU vinden plaats via de zeeweg. Veertig procent van het Europese bruto binnenlands product ontstaat in de kustzones. Ongeveer twee derde van alle Europeanen gaan het liefst aan de kust met vakantie, en met het toerisme aan de kust is alleen al in 2004 een omzet van 72 miljard euro gehaald. Kusttoerisme is echter alleen maar mogelijk als de zee schoon is. Dat bewijst wel hoe nodig, hoe broodnodig het is dat de EU een geïntegreerd maritiem beleid niet alleen formuleert, maar ook uitvoert.

Het is de grote verdienste van de Commissie dat ze dit op de agenda van de Europese Unie heeft geplaatst door de publicatie van haar Groenboek over de toekomst van het maritiem beleid. Het Groenboek bevat echter heel wat vage passages, veel proza en weinig concrete inhoud. Na een raadpleging van een jaar hebben we nu minder conferenties nodig, en meer maatregelen, meer concrete politieke daden. Zoals Goethe al zei: “Woorden thans genoeg gewisseld, laat mij eindelijk daden zien!“

Mijnheer de commissaris, als we morgen dit verslag goedkeuren, komt er heel wat werk op de Commissie af, en natuurlijk ook op de lidstaten. Mijn medewerkers hebben het nageteld: het ontwerpverslag behelst meer dan tachtig aanbevelingen aan de Commissie en aan de Raad. Wanneer we die een beetje royaal samenvatten blijven er toch 33 pakketten van maatregelen over, waarvan we verwachten dat de Raad en de Commissie ze in te toekomst ten uitvoer zullen leggen.

Ik wil slechts op een paar belangrijke punten ingaan. Ik begin met de scheepvaart. We vragen de Raad om meteen zeven wetgevende maatregelen over de veiligheid in de scheepvaart goed te keuren, onder andere over de havenstaatcontrole, over de toevluchtsoorden en over de aansprakelijkheid bij ongevallen en deze zijn alleen al bestemd voor het Portugese voorzitterschap. Het is bijzonder anachronistisch dat de kustvaart in Europa nog steeds als internationale handel wordt beschouwd. Daarom moeten we de kustvaart nu eindelijk in de interne markt integreren. Dan de maritieme snelwegen. Sinds de goedkeuring van de bepalingen inzake de trans-Europese netwerken in 2004 zijn we geen millimeter opgeschoten. De Commissie moet een coördinator benoemen, zodat er eindelijk iets gebeurt!

Vervolgens is er de aanpak van de klimaatverandering. Het zeevervoer is relatief natuurlijk de milieuvriendelijkste vervoerswijze, maar toch is dit verkeersmiddel niet schoon, het veroorzaakt vier procent van de totale emissies van CO2, en daarbij komen enorme hoeveelheden zwaveldioxide en stikstofoxide. Ik ben ervan overtuigd dat er geen alternatief is voor de emissiehandel in de scheepvaart. Nog belangrijker is een drastische verlaging van de emissies van schepen, en het gebruik ook op schepen van hernieuwbare energiebronnen, zoals wind en zonne-energie. Hier ligt trouwens een schitterend groeipotentieel voor de Europese scheepsbouwers en hun toeleveranciers. Het gaat om de toekomstige concurrentiepositie van de hele branche, zeker ook in het kader van LeaderSHIP 2015.

Twee andere aspecten van het maritieme klimaatbeleid zijn dat de energie voor schepen in de haven van land moet komen, als dat enigszins mogelijk is, en dat het actieplan van de Commissie voor offshorewindenergie nu eindelijk moet worden uitgevoerd.

Wat de werkgelegenheid aangaat, klaagt de maritieme sector dat jongeren er niet meer willen werken. Dan is de vraag toch legitiem wat er in het verleden is gedaan om deze beroepen aantrekkelijker te maken? Daarom moeten we een actief opleidingsbeleid voeren. Het is echter ook belangrijk dat we ervoor zorgen dat wie op een schip werkt geen werknemer tweede klasse is.

Dan de vervuiling van de zee. We moeten eisen dat honderd procent van het scheepsafval in de havens wordt gelost. We moeten illegale lozingen van olie bestrijden. Aan de andere kant komt tachtig procent van de vervuiling van de zee van land, en ook daarvoor moet er een concreet actieplan van de Commissie komen.

Tot slot is er het mariene onderzoek. Daarvoor hebben we uitstekende instituten in de Unie, maar ze vormen geen netwerk. Daarom moet er een Europees marien wetenschappelijk consortium komen, dat bestaat uit alle instituten, en dat door de Commissie krachtig wordt gesteund.

Mevrouw de Voorzitter, ik wil niet preken, maar het is glashelder dat de zee ons niet nodig heeft, wij hebben de zee nodig. Daarom moeten wij zorgen voor een geïntegreerd Europees marien beleid. We zullen de prestaties van alle voorzitterschappen dus meten aan de vooruitgang die ze op dit vlak boeken.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, geachte afgevaardigden, toen dit proces in gang werd gezet, waren de woorden “naar een toekomstig maritiem beleid voor de Europese Unie” al vol van hoop en belofte.

Nu, twee jaar na de aanvang van onze werkzaamheden en één jaar na de bekendmaking van het Groenboek, praten wij echter niet alleen meer over wat er mogelijk is maar over wat er werkelijkheid kan worden. Op 30 juni jongstleden is de raadplegingsprocedure afgerond. Duizenden belanghebbenden uit heel Europa hebben hun stem laten horen en met overstelpend enthousiasme hun steun uitgesproken voor het project. Ook dit Parlement heeft zich in de aanloop naar dit debat van zijn actieve kant laten zien. Ik wil bij deze graag mijn dank en waardering uitspreken aan het adres van de rapporteur, Willi Pieck, die de grote belangstelling voor dit project vanuit de verschillende commissies heeft weten te bundelen en verantwoordelijk is voor de productie van het onderhavige, indrukwekkende verslag. Ook wil ik de rapporteurs van de verschillende betrokken commissies en de afgevaardigden van dit Parlement die zich zo nauw betrokken hebben getoond bij het project, graag bedanken voor hun waardevolle bijdragen. Wij zijn met name verheugd over de holistische, de gehele sector bestrijkende benadering die door dit Parlement is gekozen. Het gemeenschappelijke standpunt dat in het verslag tot uiting komt, vormt een goede basis voor de toekomstige uitvoering van een holistisch en geïntegreerd maritiem beleid in Europa.

De omvang van het verslag is indrukwekkend en wij zijn zeer blij met het grote aantal voorstellen dat daarin is vervat. Wij zijn ook zeer blij met de opmerking van het Parlement dat nu niet langer gedraald moet worden met de wetgevingsvoorstellen op maritiem gebied die thans bij de Raad voorliggen en betrekking hebben op zowel de veiligheid van het vervoer over zee als de bescherming en het behoud van het mariene milieu. Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van ons toekomstige maritieme beleid zijn wij immers afhankelijk van een goede tenuitvoerlegging van die wetgeving door de lidstaten.

In de voorlopige ontwerpbegroting voor 2008 heeft de Commissie om specifieke kredietlijnen verzocht voor het financieren van maatregelen ter voorbereiding op bepaalde activiteiten die nu al voorzienbaar zijn in het kader van het nieuwe maritieme beleid. Wij hopen dat het Parlement ons verzoek steunt.

Wij voorzien voor 2008 met name werkzaamheden op gebieden zoals de integratie van surveillancesystemen ten behoeve van activiteiten op zee en het opzetten van een netwerk om via het promoten van maritieme clusters gegevens over zeeën en oceanen op te slaan en beste praktijken binnen de maritieme sector en dienstverlening uit te wisselen. Wij zijn ervan overtuigd dat dergelijke projecten op de lange termijn van onschatbare waarde zullen zijn.

Ik wil nu graag nader ingaan op een aantal specifieke onderdelen van het verslag, waarbij ik eerst een paar opmerkingen van algemene aard zou willen maken. De Commissie is verheugd over de oproep van het Parlement om ervoor te zorgen dat de milieudimensie duidelijk zichtbaar is in de voorstellen die wij in oktober zullen doen en dat wij in het maritieme beleid ook speciale aandacht moeten schenken aan de klimaatverandering. In dit opzicht is de Commissie al bezig met het analyseren van de bijdragen van de belanghebbenden ten aanzien van de emissiehandel in de scheepvaart, het gebruik van hernieuwbare energie zoals wind en zonne-energie voor het aandrijven van schepen, de energievoorziening van schepen in de havens vanaf het land, offshore windenergie, het ontmantelen van schepen en dergelijke. Dit alles moet een positieve bijdrage leveren aan zowel de klimaatverandering als bredere milieudoelstellingen.

Zoals reeds vele malen eerder is gezegd, draait het maritieme beleid in de kern om de strategie die wordt gevoerd op het gebied van het mariene milieubeheer, welke strategie de milieupijler van dat beleid vormt. Deze twee kanten van de medaille versterken elkaar alleen maar.

De Commissie is ook verheugd over het feit dat in het verslag nog eens wordt onderstreept hoe belangrijk de zeescheepvaart voor de Europese economie is. Het verrichten van inspanningen om te komen tot vereenvoudigde en betere regelgeving voor deze sector blijft een van de belangrijkste prioriteiten van de Commissie. De scheepvaart vormt een van de minst schadelijke vervoersmethoden. Met deze gedachte in ons achterhoofd is het van belang dat wij ons verder inspannen om de staat van dienst van deze sector nog meer te verbeteren.

De scheepvaart is ook om een andere reden dan de duurzaamheid van belang, omdat deze mede bijdraagt aan een verdere integratie van onze gemeenschappelijke interne markt. Die scheepvaart is in dit tijdperk van globalisering ook van cruciaal belang voor de externe handel van Europa.

Het economische belang van de scheepvaartsector voor de Europese Unie en het succes van een aantal nationale en regionale maritieme clusters is u allen bekend. De eendrachtigheid op het gebied van het Europese maritieme beleid is een uiting van het enthousiasme waarmee alle betrokkenen willen werken aan het versterken en bevorderen van de ontwikkeling van maritieme clusters in heel Europa. De Commissie zet zich in om beste praktijken en onderlinge relaties tussen maritieme clusters op zowel nationaal als regionaal niveau te bevorderen door middel van het in kaart brengen van de bestaande clusters in Europa en het analyseren van de mogelijkheden tot samenwerking.

Ten aanzien van de punten onderzoek en innovatie die in het verslag aan de orde zijn gesteld, meent de Commissie dat op deze gebieden uitnemende prestaties noodzakelijk zijn om het enorme potentieel aan natuurbronnen in zee op duurzame wijze te kunnen ontwikkelen. Onderzoek en technologie dienen dan ook de fundamentele basis te vormen voor integratie en het bevorderen van synergetische effecten tussen de verschillende maritieme sectoren. Dit is de reden waarom marien onderzoek en mariene technologie als sectoroverschrijdende prioriteiten zijn aangewezen in het zevende kaderprogramma voor onderzoek van de EU en als zodanig nadere aandacht zullen krijgen.

Wij onderkennen het belang van toerisme als drijfveer voor duurzame groei in onze kustgebieden en maritieme regio’s. Het maritieme toerisme kan tegelijkertijd ook worden benut als handvat om bij te dragen aan het behoud van de culturele, historische en ecologische kenmerken van onze maritieme ruimte.

Er is voor 2007 een mededeling gepland met daarin een agenda voor het creëren van een duurzaam, concurrerend toerisme binnen Europa. Deze mededeling zal worden gebaseerd op het verslag waarin de reacties van alle Europese belanghebbenden in de sector toerisme zijn gebundeld. In de mededeling zal worden gewezen op mogelijke nieuwe Europese initiatieven, met inbegrip van initiatieven voor het toerisme in de maritieme en kustgebieden, die een nuttige aanvulling kunnen vormen op de initiatieven van de lidstaten zelf.

De Commissie is verheugd over de positieve houding die in het verslag is aangenomen ten aanzien van de noodzaak om te zorgen voor duurzaamheid binnen de visserijsector. Wij hebben een aantal initiatieven ontplooid om het aantal beschermde mariene gebieden uit te breiden en een beleid te ontwikkelen ten gunste van een verantwoord visserijbeheer op de langere termijn.

Voorts heeft de Commissie reeds een aantal voorstellen gedaan om het overboord zetten van bijvangsten progressief te verminderen. Binnen het kader van het pakket voor oktober zal de Commissie ook voorstellen doen ter bestrijding van de illegale, niet-gemelde en ongereguleerde visserij in de Europese zeeën en voor de aanpak van destructieve visserijpraktijken.

Ten aanzien van de sociale aspecten kan ik zeggen dat wij de zorg van het Parlement delen over het gebrek aan deskundigen en goed opgeleide beroepsmensen in de maritieme sector. Wij zullen de voorstellen in het verslag om speciale opleidingscursussen op te zetten die gericht zijn op het verschaffen van een breed inzicht in de ecosysteemgerichte aanpak van het beheer van onze zeeën en oceanen, dan ook met grote belangstelling nader bestuderen.

Ook zijn wij het eens met het Parlement dat de uitsluiting van zeevarenden van sociale richtlijnen dient te worden herzien. Wat betreft de sociale regelgeving voor zeevarenden wil ik graag het belang onderstrepen van de niet aflatende inspanningen die door de sociale partners worden gedaan om het geconsolideerde verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende maritieme arbeid in de Europese wetgeving te integreren.

Een laatste punt omtrent governance: uit onze raadpleging van de lidstaten en de belanghebbenden blijkt duidelijk dat een nauwere afstemming tussen alle sectorale beleidsregels en alle beheerniveaus absoluut noodzakelijk is om ons maritieme beleid tot een succes te maken. Ik acht het standpunt van het Parlement over dit onderwerp derhalve goed getimed en relevant. We onderkennen dat het uitwisselen en stimuleren van beste praktijken in het kader van een geïntegreerd maritiem beleid moet worden ondersteund door platforms die kunnen helpen bij het uitwisselen van de ervaringen met en informatie over beste praktijken. Wij zijn daarom voornemens om jaarlijks een conferentie te organiseren waarop de betreffende deskundigen uit de regio’s, de lidstaten en Europese vertegenwoordigers, inclusief de belanghebbenden uit de verschillende sectoren, contacten kunnen leggen. Dergelijke conferenties kunnen ook de zichtbaarheid van de maritieme sectoren in hun algemeenheid vergroten.

Geachte afgevaardigden, om de impulsen die tijdens de raadplegingsprocedure naar voren zijn gekomen, niet verloren te laten gaan, willen wij op 10 oktober een ambitieus maritiem beleidsplan gereed hebben en voor verdere discussie aan dit Parlement en de Raad presenteren. In het pakket maatregelen moet de visie over een nieuw Europees maritiem beleid geconcretiseerd worden. Het plan zal een mededeling omvatten over de raadplegingsprocedure waaruit zal blijken hoe breed en intensief de procedure is geweest en hoe nauw en constructief wij hebben samengewerkt met onze gesprekspartners. In een tweede mededeling zal een voorstel worden gedaan voor een Europees maritiem beleids- en actieplan. Het beleid zal zich richten op de huidige maritieme situatie binnen Europa, op het belang van een geïntegreerde aanpak van maritieme kwesties en op onze visie op het uit te voeren beleid en de onderliggende beginselen. Tot de doelstellingen behoren het bevorderen en ontwikkelen van een duurzaam gebruik van onze zeeën en oceanen, het zorg dragen voor een goede kwaliteit van het bestaan in alle regio’s, het verschaffen van transparantie en het vergroten van de zichtbaarheid van het maritieme Europa, het versterken van de Europese leiderspositie binnen de internationale maritieme wereld en, last but not least, het streven naar een zo groot mogelijke benutting van het potentieel aan kennis en innovatie op maritiem terrein. In het actieplan moeten onze voornemens over de wijze van implementatie van het maritieme beleid tot uiting komen via een beschrijving van de te nemen maatregelen en aan te pakken onderwerpen.

Tot slot wil ik het Parlement en de betrokken rapporteurs nogmaals complimenteren met het geweldige werk dat is verzet. Wij zien er reeds naar uit om de goede gesprekken die wij met u hebben gehad, in de komende maanden voort te zetten teneinde een gedegen basis te leggen voor een meer geïntegreerd Europees maritiem beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Satu Hassi (Verts/ALE), adviseur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid. - (FI) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil de rapporteur, Willi Pieck, enorm bedanken voor de samenwerking tussen de zo nauw samenwerkende commissies. Het is belangrijk dat wij beseffen dat een schone zee en gezonde mariene ecosystemen ook de basis vormen voor de economische exploitatie van de zee. Het is daarom belangrijk milieuoverwegingen te integreren in alle besluitvorming die betrekking heeft op de zee.

Zo heeft de kortzichtige praktijk van overbevissing bijvoorbeeld geleid tot de decimatie van veel visbestanden en is hij ook de belangrijkste reden voor de achteruitgang van de mariene biodiversiteit. Visbestanden kunnen zich niet herstellen als de hoeveelheid vervuiling die van het land de zee in komt, zoals industriële chemicaliën en landbouwmeststoffen, die voor eutrofiëring zorgen, niet worden verminderd. Dit is vooral belangrijk in gesloten zeegebieden als de Oostzee. Zoals de rapporteur zei, is het ook belangrijk om de uitstoot van het scheepsverkeer te reduceren, want die is een van de belangrijkste bronnen van emissies, waardoor de lucht die wij inademen, wordt vervuild.

Klimaatverandering betekent ook meer dan alleen een stijging van de zeespiegel: zij betekent ook een verzuring van de zee, die dramatische gevolgen zal hebben voor alle mariene ecosystemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jorgo Chatzimarkakis (ALDE), rapporteur voor advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik de rapporteur hartelijk danken. Hij heeft werkelijk een voorbeeldige samenwerking tot stand gebracht, dat had ik nog nooit meegemaakt. Van harte gefeliciteerd!

Ik zou de Commissie willen bedanken voor het Groenboek, en voor haar geïntegreerde aanpak. Het werd ook wel tijd. Als rapporteur van de Commissie industrie, onderzoek en energie kan ik wel zeggen dat de Europeanen heel wat te bieden hebben op het gebied van het mariene beleid. We zijn nummer één van de wereld op het gebied van maritieme clusters en bij de scheepswerven. Veertig procent van de handelsvloot is in Europese handen, en 35 procent van de maritieme apparatuur komt uit de EU. Ook op het gebied van het onderzoek zijn we uitblinkers. De blauwe biotechnologie heeft een fraaie toekomst, daarvan kunnen we heel wat verwachten voor de winning van energie uit zee, en ook voor de verlaging van de emissie van CO2.

We spreken echter niet met één stem. Daarom ben ik blij dat dit voorstel nu op tafel ligt. Wij zijn heel nieuwsgierig wat er in uw pakket zal zitten, mijnheer de commissaris. De wereld verwacht heel wat van ons, en kijkt naar ons. We hopen dat het een goed pakket wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Struan Stevenson (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie visserij. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ook ik bedank Willi Piecyk voor zijn briljante verslag en de manier van samenwerken tussen de commissies, die werkelijk een toonbeeld was. De Commissie visserij heeft een maritieme strategie willen opstellen die bescherming biedt, ons maritiem erfgoed ten goede komt en de duurzame exploitatie van onze zeeën en oceanen stimuleert, maar ik denk - om de woorden van de commissaris te herhalen - dat het hele maritiem beleid van de EU zinloos is, als de fundamentele oorzaken van de klimaatverandering niet doeltreffend worden aangepakt.

Een duurzame visserijsector kan ertoe bijdragen dat dit criterium wordt gehaald en als de visserij niet de centrale plaats in de maritieme strategie van de EU inneemt die haar toekomt, zal aan de vraag worden voldaan door middel van producten die worden gevangen door lieden die methodes hanteren en op plaatsen vissen waarover wij geen controle hebben.

Het belang van stroomlijning van het mariene beheer kan niet genoeg worden benadrukt. Daar heeft iedereen en ook het milieu als geheel voordeel van. Het beginsel van “de vervuiler betaalt” is in de maritieme sector in de EU momenteel niet van toepassing. Bedrijven die de zee vervuilen zouden een bijdrage moeten leveren aan een EU-breed fonds dat zich richt op het herstel van de visbestanden en milieubehoud.

Er wordt in het visserijverslag ook op gewezen dat het van het belang is om het imago van de visserijsector te verbeteren en dat er meer middelen moeten worden besteed aan onderzoek en scholing ter verbetering van kennis en vaardigheden.

Ik ben het ook met de Commissie eens dat het netwerk van beschermde zeegebieden in de EU-wateren moet worden uitgebreid en dat er een systeem voor geïntegreerd beheer van kustgebieden moet worden opgezet om een einde te maken aan de moedwillige aantasting van habitats en de sterke achteruitgang van de biodiversiteit waarvan de laatste jaren maar al te vaak sprake is.

Ik zie het actieplan dat de Commissie dit najaar publiceert, tegemoet.

 
  
MPphoto
 
 

  Yiannakis Matsis (PPE-DE), rapporteur voor advies van de Commissie regionale ontwikkeling. - (EL) Mevrouw de Voorzitter, in heb de voorstellen die ik wilde doen voor het maritiem beleid, opgenomen in mijn advies, dat reeds is goedgekeurd door de bevoegde commissies.

Geen enkel van die voorstellen zal echter zijn doel bereiken - en ik zeg dit nu de commissaris aanwezig is - als het milieu niet wordt beschermd. Als een dolle maakt de mens het milieu kapot, zoals blijkt uit de branden van de laatste jaren en dagen in de mediterrane landen.

Alle plannen zijn tot mislukken gedoemd als wij er niet in slagen het milieu te redden en met dit actieplan een ommezwaai te bewerkstelligen in het broeikasgasverschijnsel. Om te beginnen moet er een Europese brandweermacht worden opgebouwd, met gemeenschappelijke materiële en financiële bijdragen van voornamelijk de belanghebbende lidstaten, en die brandweermacht moet in de zomermaanden paraat zijn.

Als er een wil is, is er een weg, en kan men de gevaren afwenden. Anders zal ons beleid dode letter blijven. Over wat voor soort ontwikkeling van de kustgebieden zullen wij kunnen spreken als er in deze gebieden, met name in de Middellandse Zeelanden alleen nog maar verschroeide aarde is?

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró, namens de PPE-DE-Fractie. (PT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, op de eerste plaats wil ik de heer Piecyk feliciteren met het uitstekende werk dat hij de afgelopen maanden heeft verricht. Hij wist te luisteren, verschillende standpunten onder één noemer te brengen en, vooral, een holistische en constructieve visie op de maritieme strategie te verdedigen. Die visie heb ik ook als schaduwrapporteur van de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten verdedigd.

Zo is aangetoond dat het met een evenwichtige benadering mogelijk is de economie te ontwikkelen en het milieu te beschermen en dat een versnipperde visie op de zeeën en oceanen een visie zonder dimensie en ambitie is. De zee is bij uitstek de plaats van mondialisering en is voor ons Europeanen van fundamenteel belang. Daar het bekend is dat de groei van de wereldhandel zal leiden tot meer zeevervoer en daarmee tot de ontwikkeling van verschillende maritieme economieën, is het nuttig op Europese schaal te denken. Dat houdt volgens ons echter niet één enkel gemeenschappelijk beleid in.

Wel is een strategische aanpak wenselijk die profijt trekt van het potentieel dat de samenwerking tussen de 27 lidstaten biedt. Die samenwerking dient rekening te houden met de kosten van de strijd tegen illegale immigratie, vervuiling, drugshandel en smokkel en de strijd voor veiligheid in Europa en intelligente samenwerking ten behoeve van het zeemilieu, dat zowel in het belang is van de milieuactivisten als van degenen die prioriteit verlenen aan de economie.

Vervuiling vormt een bedreiging voor de natuur maar is tevens een risico voor de economische exploitatie van de zeeën en oceanen. Evenwicht moet dan ook het sleutelwoord zijn. Fundamentalisme dat de economische ontwikkeling belet noch de ongeordende en destructieve exploitatie van hulpbronnen mag de overhand hebben.

In die zin is het essentieel te kijken naar het potentieel van de zeeën en oceanen met het oog op investeringen in onderzoek en ontwikkeling met behoud van de traditie. Als we onze economie willen moderniseren moeten we netwerken van wetenschappers financieren, het delen van kennis bevorderen en als eersten aanwezig zijn in de nieuwe economieën en industrieën maar ook serieus inzetten op de Europese kusten als toeristische bestemming. Die kusten vormen een erfgoed waarvan rijkdom en verscheidenheid hun gelijke niet kennen.

Ik sluit af, mevrouw de Voorzitter, met het uitspreken van de verwachting dat het vanaf morgen mogelijk zal zijn een duidelijke koers te varen teneinde samenhangende voorstellen voor het Europees maritiem beleid te maken en uit te voeren. Wij hebben dit voornemen vandaag trouwens kunnen horen uit de mond van commissaris Borg.

 
  
MPphoto
 
 

  Paulo Casaca, namens de PSE-Fractie. (PT) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, collega’s Piecyk, Hassi en Stevenson, ik wens u te feliciteren met het uitstekende werk dat u heeft verricht. Staat u mij toe zes fundamentele punten van zorg te verwoorden waarmee bij de uitvoering van het Europees beleid voor de zeeën en oceanen rekening dient te worden gehouden: de huidige en toekomstige wetgeving moet worden geïntegreerd in één enkel kader; ook het beheer moet worden geïntegreerd in de context van een maritiem plan dat rekening houdt met alle aanwezige belangen; de zee moet worden opgenomen in de bestaande milieuwetgeving, waarbij met name internationale verdragen als het OSPAR-Verdrag dienen te worden nagekomen; het beheer moet worden gestoeld op de mariene ecosystemen; de vissersgemeenschappen dienen bevorderd en ontwikkeld te worden op basis van dezelfde aanpak die met succes is toegepast op het platteland; er moet een geïntegreerd kader komen voor de controle en toepassing van de maritieme wetgeving.

Het Europees maritiem beleid mag niet in de fouten vervallen van het gemeenschappelijk visserijbeleid die hebben geleid tot een disfunctie tussen aan de ene kant het beleid en degenen voor wie het bestemd is en aan de andere kant de kosten van de uitvoering van het beleid en de controle erop. Zo belopen bijvoorbeeld in een regio als de Azoren de kosten van de toepassing van de richtlijn betreffende de maritieme strategie vele miljoenen euro’s. Wij menen dat Europa hier ook op financieel vlak geïntegreerd dient op te treden.

 
  
MPphoto
 
 

  Josu Ortuondo Larrea, namens de ALDE-Fractie. – (ES) Mevrouw de Voorzitter, juist vanochtend - toevallig op de dag dat we dit debat over het maritiem beleid houden! - heb ik een krantenartikel gelezen waarin wordt gezegd dat de oorsprong van de mens is gelegen in het water, dat we zonder dit vloeibare element niet kunnen leven en dat volwassen mensen voor 75 procent uit water bestaan.

Bovendien is driekwart van het aardoppervlak bedekt door het water van de zeeën en oceanen en is er een permanente cyclus waarin het water van de oceaan in de atmosfeer terechtkomt, vanuit de atmosfeer in de bodem belandt en via de rivieren weer in zee stroomt, wat maakt dat we verplicht zijn om al onze aandacht te richten op de duurzaamheid van het mariene milieu, vooral omdat alle alarmbellen over de achteruitgang van het milieu in het algemeen, en de klimaatverandering in het bijzonder, al een tijdje geleden in de hele wereld zijn afgegaan.

Wij zijn van mening dat er op alle institutionele niveaus - op communautair, staats-, regionaal en lokaal niveau - en ook in de particuliere sector snel maatregelen moeten worden genomen om de kwaliteit van het water te verbeteren. In dit verband willen wij onze verontrusting uitspreken over het ruime tijdschema dat in het voorstel voor een richtlijn inzake een mariene strategie wordt gehanteerd. Wij zijn van mening dat we, net als bij de luchtvervuiling en het gat in de ozonlaag, niet veel tijd over hebben om in actie te komen en de huidige tendens om te keren. Als we dat niet zo snel mogelijk doen, vrees ik dat het afbraakproces onomkeerbaar zal worden.

Daarom hebben we voorgesteld om het tijdschema voor de opstelling van actieprogramma’s in het kader van de nieuwe mariene strategie met spoed aan te passen en te coördineren met andere belangrijke programma’s van de Unie, zoals de programma’s die gefinancierd worden uit het EFRO, het Cohesiefonds en ook het gemeenschappelijk landbouwbeleid, omdat er ook agrarische activiteiten zijn waarbij afval in zee wordt geloosd.

Ook vinden wij dat we meer precieze informatie nodig hebben over wat er in de zeeën en oceanen gebeurt. Wij zijn voorstanders van een betere coördinatie en samenwerking tussen alle Europese instituten voor marien onderzoek, door een Europees netwerk of een Europees consortium op te richten en een Europese mariene databank in het leven te roepen waar al die instituten toegang toe hebben.

We moeten de opleiding en voorlichting op alle niveaus verbeteren en de beste praktijken op het gebied van de controle en vervuiling verspreiden. In dit verband dring ik opnieuw aan op iets dat ik al jaren verkondig, namelijk dat we schepen moeten verplichten om meetapparatuur te installeren - die al is uitgevonden - waarmee het schoonmaken van de tanks en het leegpompen van het onderruim kan worden gecontroleerd, een soort zwarte dozen waarmee niet kan worden geknoeid, want dat is de beste manier om moedwillige lozingen te voorkomen, en dat zeg ik zonder iets af te willen doen aan aanvullende maatregelen als inspecties en satellietbewaking.

We moeten de beroepsvissers niet vergeten, want die vormen een belangrijke bevolkingsgroep en we moeten hun levensstijl veiligstellen met het oog op de toekomst, waarbij we moeten voorkomen dat kust- en eilanddorpen leeglopen of worden overspoeld door een wildgroei aan nieuwbouw.

Tot slot pleiten we ervoor om ook op de mariene sector het beginsel toe te passen dat de vervuiler betaalt, en om een gemeenschappelijk fonds op te richten dat bedoeld is voor herbevolking en het behoud van mariene flora en fauna, op basis van bijdragen uit alle activiteiten op het gebied van energie, toerisme, recreatie en andere activiteiten die onze zeeën vervuilen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton, namens de Verts/ALE-Fractie. - (EN) Mevrouw de Voorzitter, de EU heeft ongeveer 65 000 kilometer kustlijn. Schotland heeft ongeveer een zesde daarvan en heeft 95 bewoonde eilanden. Het is duidelijk dat we veel te bieden hebben en ook veel kunnen winnen bij een Europese maritieme strategie die ons helpt om onze kustgemeenschappen in stand te houden en te ontwikkelen. Schotland beschikt over veel energie met zijn olie- en gasreserves en mogelijkheden voor wind- en golfslagenergie. Schotland beschikt over de mogelijkheden om verdere maritieme overslagfaciliteiten te ontwikkelen. Schotland heeft uitstekende mariene onderzoeksfaciliteiten die kunnen bijdragen aan een beter begrip van mariene milieukwesties en Schotland neemt, ondanks het GVB, nog steeds een groot aandeel van de visserijsector in de EU voor zijn rekening.

Het idee van een Europese maritieme strategie moet worden toegejuicht, maar moet geen ontwikkeling inluiden waarbij Europese wateren worden beschouwd als een gemeenschappelijke hulpbron zonder enige band met individuele maritieme naties. De EU zou alleen moeten optreden als onze maritieme naties behoefte hebben aan maatregelen of steun voor hun eigen strategische planning. Laten we een les trekken uit het mislukken van het GVB.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas, namens de GUE/NGL-Fractie. - (EL) Er zijn duidelijke bewijzen van het volksvijandig maritiem beleid van de Europese Unie: enerzijds de astronomische winsten van de reders en de monopolistische concerns die actief zijn in de scheepvaartsector, en anderzijds de extreme intensivering van de arbeid en het streven van de lidstaten om de zeelieden massaal te vervangen door goedkopere werknemers, die voor hongerlonen van minder dan 515 dollar per maand werken, en de grote scheepsongelukken, zoals die van de Erika, de Prestige, de Sea Diamond enzovoort, die enorme milieuschade aanrichtten en de internationale publieke opinie schokten.

De beweringen en de schijnheilige belangstelling van de reders, de Europese Commissie en de regeringen, die zeggen dat het arbeiderspotentieel in de scheepvaart niet volstaat en zij graag werknemers uit de lidstaten in de scheepvaart willen aantrekken, raken kant noch wal. Samen stellen zij immers alles in het werk om de Europese zeelieden massaal van de schepen te verjagen, door de bemanningen van de schepen steeds sterker te verminderen en te vervangen met goedkopere zeelieden uit derde landen, met als gevolg de verhoging van de werkloosheid in de sector.

De negatieve gevolgen van dit volksvijandig beleid zijn enorm voor niet alleen de werknemers, maar ook de eilandbewoners in de verafgelegen gebieden in Griekenland en elders.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland, namens de IND/DEM-Fractie. Voorzitter, het belang van de oceanen is bekend. We leven, eten en genieten ervan. Daarom is aandacht voor een goed beheer van deze oceanen van levensbelang. In het verslag van collega Piecyk wordt daaraan op een alomvattende wijze aandacht besteed. Dat goede beheer vereist een uitgebalanceerde benadering waarin ecologische en economische aspecten tegen elkaar worden afgewogen op mondiaal, Europees en nationaal niveau. Op deze wijze zijn we ook in de toekomst in staat de vruchten van de oceanen te plukken.

Graag maak ik een opmerking over de ontwikkeling van havens. Om een wezenlijke bijdrage aan de welvaart van burgers te kunnen leveren, is het van belang dat zij zich binnen randvoorwaarden kunnen ontwikkelen op hun sterke punten. Naar mijn mening dient Europa terughoudend te zijn bij het beïnvloeden van die ontwikkeling, zowel op ruimtelijk als op economisch gebied. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de vormgeving van hun havens en de markt zal zorgdragen voor een efficiënte afhandeling van de ladingsstromen. Om dat in de tekst zichtbaar te maken, heb ik een aantal amendementen ingediend en ik hoop dat de collega's deze kunnen steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, er zijn veel plausibele argumenten voor een maritiem pakket, maar waar ik bang voor ben is dat een maritiem beleid voor de EU door de Commissie zal worden aangegrepen om ieder facet van het leven, de gebeurtenissen en de activiteiten op zee te beheersen. Gezien de regelrechte ramp die voor het Verenigd Koninkrijk is voortgevloeid uit de huidige bevoegdheid van de EU op grond van het onrechtvaardige gemeenschappelijk visserijbeleid, heb ik er weinig vertrouwen in dat een volledige overdracht van maritieme zaken aan de EU iets beters zou opleveren. Ik vrees dat buitensporige regelgeving, verstikkende controles en dwaze richtlijnen het gevolg zouden zijn. Zelfs wat ik in dit verslag over visserij heb gelezen, is een blauwdruk om meer vissers hun werk af te nemen onder het mom van verdere beperkende maatregelen volgens een zogenaamde voorzorgsaanpak.

 
  
MPphoto
 
 

  Corien Wortmann-Kool (PPE-DE). – Voorzitter, de zee is een groot goed met een enorme rijkdom en daar moeten we goed voor zorgen. Juist daarom is de geïntegreerde benadering van dit Groenboek zo belangrijk. Maar het moet wel praktisch en goed werkbaar zijn, zodat we ons doel niet voorbijschieten.

Ik ben het eens met de rapporteur dat zorg voor het milieu en duurzaamheid belangrijk zijn. Hulde ook voor zijn verslag. Maar ik moet daarbij wel zeggen dat het erg moeilijk was ten gevolge van de procedure van nauwere samenwerking. We hebben nu een kerstboom van 147 paragrafen. Wat ik belangrijk vind en betreur, is dat het belang van het maritiem vervoer een beetje ondergesneeuwd lijkt te raken onder nieuwe maatregelen. Juist vanuit het oogpunt van duurzaamheid is maritiem vervoer zo belangrijk.

We hebben al heel veel regelgeving als het gaat om veiligheid of milieuvriendelijk vervoer. Maar het is nog steeds heel slecht gesteld met de tenuitvoerlegging en de handhaving door de lidstaten. Ik zou de Commissie echt ertoe willen oproepen van de uitvoering en handhaving van de bestaande regelgeving een prioriteit te maken. De Europese Unie moet ook meer coördinerende bevoegdheden hebben en desnoods ook de handhaving kunnen afdwingen. Eind 2006 zou de Commissie al komen met een onderzoek naar de haalbaarheid van een Europese kustwacht. Het is nu medio 2007 en we hebben helaas nog steeds niets gezien. Ik zou u echt ertoe willen oproepen werk hiervan te maken.

Voorzitter, de Commissie moet de lidstaten aanspreken op goede ruimtelijke ordening en kustzonebeheer. Maar het moeten wel de lidstaten zijn die daar zelf de verantwoordelijkheid voor dragen. Ook de lokale, regionale en landelijke politiek voelen verantwoordelijkheid voor duurzaamheid en behoud van die zones en, juist als het om land gaat, moet hier wat mij betreft de subsidiariteit van toepassing zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Navarro (PSE). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, om te beginnen wil ik Willi Piecyk bedanken voor het indrukwekkende werk dat hij heeft verzet met dit overzicht. Dit is uiteindelijk een compleet en evenwichtig verslag waarin rekening wordt gehouden met de economische, milieu- en sociale dimensie van het toekomstige maritieme beleid. Op sociaal gebied wordt het belang onderstreept van beroepsopleidingen en van loopbaanplanning alsmede de dringende noodzaak dat de lidstaten de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake maritieme arbeid snel ondertekenen en ratificeren. Dit is van cruciaal belang indien wij willen dat de Europese expertise op dit gebied niet verloren gaat. Voor het overige ligt de bal bij de Commissie en de lidstaten.

Wat de laatstgenoemden betreft, zij kunnen in het kader van de hervorming van de begroting van de Europese Unie vanaf 2008 laten zien dat zij deze zaken serieus nemen. Wat de Commissie betreft, zij heeft als taak dit maritieme beleid te coördineren. Het gaat om een groot project, waarbij snel chaos kan ontstaan indien een duidelijke lijn ontbreekt. Daarom vind ik dat het voorstel voor een commissaris die verantwoordelijk is voor het maritieme beleid en die beschikt over voldoende bevoegdheden om indien nodig beslissingen te nemen, het overwegen waard is. Het spreekt vanzelf dat degelijkheid niet gelijkstaat met starheid. Bovendien vind ik dat het zaak is de regio’s nauw te betrekken bij dit toekomstige maritieme beleid om de initiatieven waartoe wij in dit kader besluiten, met de noodzakelijke soepelheid ten uitvoer te leggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne E. Jensen (ALDE). – (DA) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag twee punten naar voren brengen, enerzijds aangaande de Oostzee en anderzijds aangaande de ontwikkeling van de havens van de Europese Unie. Er is geen ander gebied waar er zo duidelijk behoefte is aan betere samenwerking tussen de EU, de nationale regeringen en de lokale autoriteiten dan het Oostzeegebied. We hebben een betere strategie nodig om het milieu te redden, om de visserij te redden en om een duurzame en effectieve ontwikkeling van het zeetransport te bereiken in goede samenwerking met het landtransport.

De Oostzee is een van de meest verontreinigende zeeën ter wereld en de Commissie moet daarom een specifieke EU-strategie ontwikkelen voor het Oostzeegebied. Wat betreft de havens moeten we, als we het zeetransport willen ontwikkelen, ons richten op het bouwen en uitbreiden van havens en havengebieden en op weg- en treinverbindingen met de havens. Daarom moet de nieuwe EU-strategie een havenstrategie omvatten die de havens de mogelijkheid geeft zich te ontwikkelen om gelijke tred te houden met de ontwikkeling van de markt en de vraag. We moeten ervoor zorgen dat andere EU-wetgeving en de interpretatie ervan de havens niet remmen in hun ontwikkeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE). – Aderarea României şi a Bulgariei a adus Marea Neagră la graniţa Uniunii Europene, creând astfel oportunitatea dezvoltării unei politici maritime care să cuprindă toate mările şi oceanele ce înconjoară Europa.

Marea Neagră şi Marea Mediterană reprezintă două zone de maximă importanţă pentru politica de vecinătate a Uniunii. Dezvoltarea portuară, comerţul, industria costieră, cercetarea, pescuitul şi turismul sunt elemente integrate atât politicii de vecinătate cât şi celei maritime. Reţelele de transport maritim, politicile regionale de mediu şi canalele de transport pentru resurse energetice sunt, de asemenea, incluse în planurile de acţiune ale ambelor politici. Politica maritimă europeană va veni în sprijinul politicii de vecinătate, catalizând şi complementând acţiunile acesteia.

Politica maritimă trebuie să iniţieze şi să aplice măsuri în cadrul subiectelor menţionate pentru asigura o dezvoltare convergentă atât a statelor membre cât şi a statelor riverane incluse în politica de vecinătate. O politică maritimă europeană viabilă trebuie să asigure cooperarea între statele vecine şi între acestea şi Uniune, şi să aibă capacitatea de a dirija problematicele din cadrul structurilor regionale a căror activitate s-a dovedit utilă până în prezent. O dovadă în acest sens este şi asumarea de către Uniunea Europeană a statutului de observator în cadrul BS.

Elaborarea unei politici maritime trebuie să aibă în vedere specificul fiecărei zone, ca de exemplu problema traficului de orice natură şi optimizarea tranzitului de produse energetice în cazul Mării Negre sau fenomenul migraţiei în cazul Mării Mediterane.

Acţiunile deja preconizate de către Comisie, precum comunicarea referitoare la sinergia Mării Negre trebuie sa reprezinte puncte de referinţă în consolidarea viitoarei politici maritime comune europene. Marea nu este o barieră ci o punte de legătură pentru consolidarea căreia trebuie făcut un efort comun de cunoaştere reciprocă şi solidaritate cu posibilităţi reale de implicare europeană în procesele de democratizare şi de dezvoltare ale statelor riverane.

 
  
MPphoto
 
 

  Matthias Groote (PSE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, allereerst zou ik de rapporteur, Willi Piecyk, willen bedanken voor zijn uitstekende verslag.

Ik wil graag kort op twee punten ingaan en wel ten eerste op de energie, waarvan de zee een oneindige bron is. Met name moet in deze context de windenergie worden genoemd, die een groot potentieel biedt, en dat moeten we benutten. Hoe kunnen we dat doen? We moeten in Europa zorgen voor goede stimulansen, zodat beleggers het risico durven te lopen om in windenergie op zee te investeren. Daarvoor is coördinatie nodig. Daarom ben ik heel blij dat we de Commissie in ons verslag vragen om een actieplan voor windenergie voor te leggen. Met dat plan kunnen we er bovendien voor zorgen dat in 2020 twintig procent van de vraag naar primaire energie wordt gedekt door hernieuwbare energiebronnen, zoals we tijdens de Lentetop hebben besloten.

Ik ben ook blij dat we in het verslag zeggen dat er een intelligente netwerkinfrastructuur moet komen. Dat is de enige manier om ervoor te zorgen dat we voor 2020 de offshorecapaciteit van vijftig gigawatt halen, die in het verslag wordt voorgesteld.

Mijn tweede punt houdt verband met de klimaatverandering en de scheepvaart. De klimaatverandering zal aanzienlijke gevolgen hebben voor de zeeën en de oceanen. Daarom moet de emissiehandel ook gelden voor het vervoer over het water. Op dit moment vindt in het Parlement de eerste lezing plaats van de legislatieve procedure voor de opname van de luchtvaart in dit stelsel. De scheepvaart veroorzaakt echter veel meer emissies van broeikasgassen dan de luchtvaart, en daarom sta ik achter de eis van de rapporteur om het stelsel van de handel in emissierechten ook toe te passen op de scheepvaart.

 
  
MPphoto
 
 

  Francesco Musotto (PPE-DE). - (IT) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer Borg, dames en heren, dit is de eerste keer dat het Parlement zich met een globale visie buigt over het vraagstuk van de Europese zeeën, oceanen, kustgebieden en eilanden. Dit is een buitengewone rijkdom voor Europa: wij bezitten circa 68 000 kilometer aan kustgebieden, tweekeer zoveel als de Verenigde Staten en driekeer zoveel als Rusland. Het gaat hier om een dimensie en problematiek die in het verleden verwaarloosd zijn. Het Groenboek is wat dat betreft een kentering en gaat de richting uit van een nieuw zeebeleid, gebaseerd op dit enorme erfgoed, dat unieke en nog onverkende mogelijkheden bezit.

In die zin levert het verslag-Piecyk een belangrijke bijdrage, waarvoor ik hulde breng aan mijn collega. Met name kan ik me vinden in de aandacht die het verslag besteedt aan milieuaspecten. De kusten zijn namelijk bijzonder kwetsbare gebieden. Het effect van klimaatveranderingen en intensieve uitbuiting van de hulpbronnen komt daar het hardst aan. Gezien die precaire situatie is het zaak een aanpak te kiezen die op respect en bescherming is gebaseerd, om ervoor te zorgen dat de zee een middel van bestaan blijft voor de bevolking in de kustgebieden. Het verslag-Piecyk dient naar mijn mening aangevuld te worden met verdere voorstellen, in de vorm van amendementen, die de draagwijdte van dit belangrijke initiatief nader verduidelijken.

Allereerst zou een Europees zeebeleid de nodige middelen ter beschikking moeten krijgen, net zoals dat voor elk ander beleid opgaat. Daarom moet tijdens de bespreking van het volgende financiële kader rekening worden gehouden met de doelstellingen die het Groenboek over de zee heeft afgebakend. Op dezelfde manier verdient het aanbeveling om de commissaris voor maritieme zaken aan te laten blijven en zijn portefeuille niet te beperken tot alleen maar visserijzaken.

Ten slotte dient er speciale aandacht te worden besteed aan de eilanden, die vanwege hun aantrekkingskracht en hun natuurlijke gesteldheid qua duurzaamheid en concurrentievermogen een kostbare bron voor het Europese zeebeleid vormen.

 
  
MPphoto
 
 

  Riitta Myller (PSE). - (FI) Mevrouw de Voorzitter, de zee wordt bedreigd door menselijke activiteiten op het land en op zee. De meeste CO2 die de zeewateren opwarmen en verzuren, wordt gevormd op het land, maar een steeds groter deel ontstaat in het toenemende zeeverkeer zelf. Beide problemen moeten worden aangepakt.

Zeeverkeer moet worden betrokken bij internationale klimaatovereenkomsten en de emissiehandel. De opwarming van de zeewateren door klimaatverandering zal onvoorziene gevolgen hebben voor de ecosystemen in de hele wereld. Meer dan 80 procent van de opwarming van het klimaatsysteem wordt immers in de zeeën opgeslagen.

Sinds 1961 heeft de opwarming van de oceanen een diepte van 3 000 meter bereikt. Dit verandert de mariene ecologie en de ecologische diversiteit van de zeeën. Sommige soorten, zoals koralen, dreigen te verdwijnen, terwijl andere, de zogeheten binnendringende vreemde soorten, te talrijk worden.

De Oostzee is de kwetsbaarste zee ter wereld. Wij moeten ons voorbereiden om het gevaar van het toenemende zeeverkeer, zoals olietransporten, het hoofd te kunnen bieden en het scheepsverkeer moet zo veilig mogelijk zijn. Waarschuwingssystemen en bestrijdingsmaatregelen moeten overal goed functioneren.

 
  
MPphoto
 
 

  David Casa (PPE-DE). – (MT) Dank u, mevrouw de Voorzitter. Europa houdt zich momenteel bezig met een nieuwe visie op onze zeeën, die ongetwijfeld veel potentieel hebben. We zijn het er allemaal wel over eens dat de zee van vitaal belang is voor de Europese Unie en in de loop der jaren is de zee een belangrijk onderwerp van politiek debat geworden. Het hoeft geen betoog dat dit soort besprekingen essentieel zijn voor een meer holistische benadering van onze visie op de zeeën en oceanen.

De betrokken commissarissen, met name de Maltese commissaris, de heer Borg, hebben een document opgesteld over de toekomst van het communautaire zeebeleid. De publicatie van dit Groenboek was aanleiding voor uitgebreid overleg over de vooruitzichten voor een geslaagd maritiem beleid, dat was vastgesteld door de Commissie. Het doel was afspraken te maken over hoe het maritiem beleid kon worden uitgevoerd en tegelijkertijd te zorgen voor blijvende synergie tussen de diverse sectoren. Het nieuwe maritieme beleid zal bijdragen tot een verbetering van de levensstandaard in de landen aan de kust, terwijl het beleid voor regionale ontwikkeling erin weerspiegeld zal zijn. Een dergelijk beleid komt zowel het concurrentievermogen als het milieu ten goede, en biedt een antwoord op uitdagingen zoals immigratie en klimaatverandering. Wij kunnen, ja, moeten erop toezien dat voor deze kwesties een adequate oplossing wordt gevonden.

De verwachtingen zijn hooggespannen maar we moeten niet vergeten dat de kansen om die uitdagingen aan te gaan, al even groot zijn. Ik wil afsluiten met een oproep aan alle Europeanen om deze kans te grijpen en met de opmerking dat voortgang onlosmakelijk verbonden is met samenwerking op Europees niveau. De toekomst van Europa is ondenkbaar zonder onze zeeën. Een en ander vraagt om samenwerking op een ander niveau, en ik geloof dat we daarmee alleen maar beter af zijn. Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Jamila Madeira (PSE). – (PT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik dank de heer Piecyk hartelijk voor zijn verslag. Zoals in het verslag wordt gesteld, beantwoordt het huidige sectorale en geïsoleerde beleid niet aan de uitdagingen van deze nieuwe eeuw voor een maritiem beleid en dienen we de Europese Unie toe te rusten met een geïntegreerde visie die allesomvattende oplossingen aanbiedt. Oplossingen voor de ontwikkeling van de kwaliteit van het bestaan in de kustgebieden, het creëren van infrastructuur in de vervoerssector en de ontwikkeling van die sector, het behoud van de zeebodem en de mariene hulpbronnen, het creëren van partnerschappen en excellentiecentra ten behoeve van het duurzaam beheer van de oceanen en zeeën van de Unie van 27. De zeeën dienen op een gemeenschappelijke en gedeelde wijze beschermd en opgewaardeerd te worden. Wij moeten duurzaam toerisme, een evenwichtig visserijbeleid, milieuvriendelijker zeevervoer en een bewust en doeltreffend behoud van dit essentiële element, de zee, bevorderen en garanderen.

Klimaatverandering, vervuiling, verstedelijking van de kustgebieden, ongezuiverd afvalwater dat in onze zeeën geloosd wordt, zijn allemaal zaken die onze speciale aandacht moeten hebben. Wij moeten deze punten van zorg te lijf gaan met innovatie en nieuwe in de zee aanwezige energiebronnen als golfenergie en met het oprichten van excellentiecentra voor de studie van de oceanen.

Daarom moeten wij de zee, de zeecultuur en de educatie over de zee dichter bij de Europese burgers brengen om hen weer in contact te brengen met hun oorsprong. We dienen de eilandregio’s, die van nature verbonden zijn met de zee, te ontwikkelen en met spoed werk te maken van de samenhang tussen de maritieme elementen in de realiteit van de Europese continentale kustregio’s die bij uitstek en door traditie ...

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Margie Sudre (PPE-DE). – (FR) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, de ultraperifere gebieden worden in het Groenboek meerdere malen genoemd, maar zij blijven sterk onderbelicht bij de algemene overwegingen ten aanzien van een geïntegreerde opzet voor het zeebeleid, ondanks hun geografische situatie in de Indische Oceaan, de Atlantische Oceaan en de Caribische Zee en in weerwil van het feit dat deze regio’s het meeste te maken hebben met het duurzame beheer van de zeeën, van de oceanen en van de kustgebieden. Daarom vormt de oprichting van een onderzoeksnetwerk betreffende de biodiversiteit in tropische zeeën, Net-Biome, dat gefinancierd wordt in het kader van het zesde kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling (KPOO) en waarbij de zeven ultraperifere gebieden (UPG’s) en enkele landen en gebieden overzee (LGO’s) betrokken zijn, een belangrijke stap voorwaarts op het gebied van het duurzame zeebeheer en van onderzoek naar en ontwikkeling van tropische zeeën.

De ultraperifere gebieden worden geconfronteerd met gevaren zoals tsoenami’s, orkanen en natuurlijk de klimaatverandering, die het mariene milieu en de zeebodem aantasten. U bent trouwens zelf het slachtoffer geworden van een van deze gevaren, commissaris, omdat u afgelopen maart moest afzien van een reis naar het eiland Réunion vanwege de orkaan Gamede. De ervaring van de ultraperifere gebieden met risicopreventie en vermindering van de kwetsbaarheid van de kustgebieden moet grote meerwaarde geven aan onze gemeenschappelijke overdenking. Bovendien speelt het evenwicht tussen toerisme en behoud van het mariene milieu in de ultraperifere gebieden meer dan elders een rol zodat deze sector een bijdrage kan leveren aan de duurzame ontwikkeling van deze gebieden, waar het toerisme een van de grootste inkomstenbronnen is.

Tot slot is de coherentie tussen de verschillende Europese beleidsterreinen op het gebied van de visserij in het geding omdat onze regio’s de veiligheid op zee moeten verhogen en banen in de visserij aantrekkelijker moeten maken, terwijl het bestaande beleid erop is gericht het vermogen van de schepen en hun aantal te beperken, ook in onze regio’s waar dit gezien de omvang van de bestanden niet gerechtvaardigd is.

Ik hoop dat deze overdenking zal leiden tot een consistent algemeen Europees maritiem beleid, waarin de ultraperifere gebieden een speciale rol krijgen toebedeeld, die recht doet aan hun diepgaande kennis van de zee. Tot slot wil ik Willi Piecyk bedanken voor het werk dat hij heeft verzet.

 
  
  

VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik juich het Groenboek van de Commissie toe en houd vandaag een pleidooi om mijn eigen regio, Oost-Engeland, als gastregio voor het voorgestelde Europese excellentiecentrum in het Verenigd Koninkrijk aan te wijzen. Met een zevenhonderd kilometer lange lage kustlijn, grote havens bij Great Yarmouth, Ipswich, Felixstowe, Harwich en Tilbury en landschapsreservaten in Noord-Norfolk en aan de monding van de Stour en de Orwell is het voor ons een praktische ambitie, en geen theoretische, om een betere relatie tussen mensen en de zee tot stand te brengen.

We moeten voortbouwen op het door de EU gefinancierde centrum ter bevordering van duurzame energie in Lowestoft, dat dit jaar wordt geopend. De capaciteit die mijn regio biedt op het gebied van offshorewindenergie, kan voorzien in 25 procent van de elektriciteitsbehoefte van het Verenigd Koninkrijk en een belangrijke bijdrage leveren aan de Europese doelstellingen voor het terugdringen van de uitstoot van kooldioxide. Gezien de stijging van de zeespiegel - veertig centimeter tegen 2050 in het oosten van Engeland - moeten we erkennen dat de huidige plannen voor de bescherming van de kust tegen erosie en overstromingen voor onze regio en voor Europa slechts een lapmiddel zijn. In 1953 kwamen in East-Anglia ten gevolge van verwoestende overstromingen 307 mensen om het leven en nu zijn bijna een half miljoen huizen in gevaar. We moeten meer doen.

Tot slot nog dit: de maritieme strategie moet de economische ontwikkeling in maritieme regio’s ondersteunen. We gaan gebukt onder onze perifere ligging. In mijn regio behoren King’s Lynn, Clacton-on-Sea, Southend-on-Sea en Thurrock tot de 10 procent van plaatsen in het Verenigd Koninkrijk waar sprake is van meervoudige deprivatie. In het kader van havenontwikkeling, toerisme en regeneratie moeten we het concept van duurzame ontwikkeling verwezenlijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Rosa Miguélez Ramos (PSE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil om te beginnen Willi Piecyk bedanken voor het uitmuntende werk dat hij heeft verricht als rapporteur, want het is duidelijk dat het voor Europa van cruciaal belang is om een geïntegreerde en duurzame aanpak van het mariene beheer goed te keuren.

In het mariene milieu vinden activiteiten plaats die onmisbaar zijn om de doelstellingen van de Lissabonagenda te verwezenlijken, en de zee vertegenwoordigt ook andere waarden, die minder te maken hebben met handel, maar die te maken hebben met de diepgewortelde identiteit en cultuur van onze volken.

De visserij - en dat betreur ik - komt op een wat vage manier aan bod in dit Groenboek, ondanks dat het om een exclusieve bevoegdheid van de Commissie gaat en er een gemeenschappelijk visserijbeleid bestaat. Het economische belang ervan is niet alleen groot, maar de visserij is van fundamenteel belang voor het in stand houden van de werkgelegenheid en de cultuur in diverse Europese regio’s.

Ik ben ervan overtuigd dat deze sector een van de sectoren zal zijn die het meest zullen profiteren van een betere integratie met ander beleid dat betrekking heeft op de zee. Voorbeelden zijn betere opleidingen en betere leef- en werkomstandigheden voor zeelieden of de toename van de investeringen in onderzoek, dat onmisbaar is om de werking van de zeeën en oceanen te kunnen begrijpen.

Als Europeaan die afkomstig is uit Galicië, een maritieme regio, ben ik ervan overtuigd dat dit beleid een essentiële rol gaat spelen in de kustregio’s en hun steden en dorpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE). – (PT) Mijnheer de Voorzitter, om te beginnen zou ik de heer Piecyk willen bedanken voor zijn uitstekende verslag maar ook voor zijn bereidheid open te staan voor bijdragen – en die over te nemen – teneinde het Europese maritieme beleid te verduidelijken, het toepassingsgebied ervan te verbreden en er een nieuwe doeltreffendheid aan te geven.

Ik kom uit een maritieme en ultraperifere eilandregio en met mijn bijdragen beoogde ik op adequate wijze garanties te geven voor de erkenning van het belang van de UPR’s bij het definiëren en de doeltreffende tenuitvoerlegging van het maritieme beleid gezien hun geografische ligging en hun omvangrijke kennis over de oceanen en zeeën. Daaruit zou een deling van de verantwoordelijkheid tussen de Europese Unie en de UPR’s moeten voortvloeien. Beter beheer en duurzame exploitatie van de mariene hulpbronnen, opwaardering van de kustgebieden via een zorgvuldige organisatie van de kuststrook en specifieke maatregelen gericht op de ontwikkeling van een verbreed kustbeleid, steun aan milieuvriendelijk zeevervoer – met inbegrip van de ontwikkeling van een efficiënte Europese havenstrategie die afgestemd is op de kenmerken van de Europese kustgebieden –, steun voor onderzoek naar de zee – met name op het vlak van geneeskunde, energie en mariene hulpbronnen in het algemeen –, bevordering van sociale rechten – waarbij rekening wordt gehouden met de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie – teneinde die goed zichtbaar te maken en tot slot beroepsopleiding in de maritieme sector – zowel voor degenen die op zee als voor degenen die aan land werken – en de garantie dat er naar behoren rekening gehouden wordt met het toerisme als een van de belangrijkste economische activiteiten die verbonden zijn met de zeeën en oceanen.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Jöns (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ook ik zou Willi Piecyk van harte willen bedanken voor zijn werkelijk uitstekende verslag.

Ik kom uit een regio met een sterke maritieme traditie. De overbevissing van de zee en het faillissement van meerdere werven heeft in bepaalde gebieden geleid tot een werkloosheid van twintig procent. De scheepsbouw is echter weer op gang gekomen. In plaats van visverwerking is het motto nu biotechnologie. Er komen steeds meer offshorewindparken. Klimaatonderzoek krijgt alle aandacht. Dat hebben we te danken aan hoge investeringen in onderzoek en innovatie, maar ook in opleiding. We moeten meer doen voor de opleiding van zeelieden teneinde hoogwaardige en duurzame banen te creëren. Het groeipotentieel alleen al in de komende vijf jaar wordt op ongeveer 15 procent geschat, en ik ben blij dat Willi Piecyk in zijn verslag hierop de nadruk legt, in tegenstelling tot de Commissie in haar Groenboek.

Tot slot doe ik een beroep op alle collega’s om in te stemmen met het amendement van mijn fractie waarin we eisen dat zeelieden geen tweederangs werknemers mogen blijven. Ook voor hen moeten de Europese minimumnormen van het arbeidsrecht van a tot z gelden.

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, uit uw bijdragen hier vandaag blijkt wederom de betrokkenheid van het Parlement bij het maritiem beleid en het bewijst duidelijk dat de heer Piecyk voortreffelijk coördinerend werk heeft verricht.

U hebt in uw bijdragen een aantal punten naar voren gebracht die het duidelijk verdienen om verder te worden onderzocht en overwogen, met name met het oog op de voorbereiding voor de aanneming van het Blauwboek door de Commissie aanstaande oktober.

Laat ik vooropstellen dat onze inspanningen ten aanzien van het maritiem beleid erop gericht zijn om de bestaande mogelijkheden voor het duurzaam gebruik van onze oceanen en zeeën te ontsluiten. We kijken voor het eerst op een geïntegreerde en holistische manier naar deze maritieme ruimte en we streven ernaar om hierop voort te bouwen waar sprake is van een toegevoegde waarde. Ik onderstreep dat dit zeker geen oefening in het centraliseren van bevoegdheden is maar dat het de bedoeling is coördinatie te stimuleren en belanghebbenden er veel meer bij te betrekken dan nu het geval is.

Dit is zeer zeker het begin van het proces en niet het eind. Er zal gelegenheid zijn om onze standpunten over een aantal van de naar voren gebracht kwesties verder te ontwikkelen. Ik herhaal dat een maritiem beleid geen eenheidsworst kan zijn. Er zal naar behoren rekening moeten worden gehouden met de specificiteiten van de verschillende zeeën die de Europese Unie omgeven.

Ik wil kort stilstaan bij de regionale aspecten. We beschouwen de regionale dimensie bij onze oefening duidelijk als de sleutelfactor en de ultraperifere dimensie staat daarbij onmiskenbaar centraal. Ik verzeker u dat degenen die er op regionaal niveau en wat betreft regionale maatregelen bij betrokken zijn, bij onze verdere inspanningen inzake deze kwestie een steunpilaar van ons beleid zullen blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Viorica-Pompilia-Georgeta Moisuc (ITS), în scris. Raportul domnului Willi Piecyk din Comisia pentru transport si turism abordează un ansamblu de probleme de cea mai mare actualitate privitor la stabilirea unor reguli şi percepte general valabile pentru statele membre ale U.E. în vederea protejării şi exploatării raţionale a apelor mărilor şi oceanelor.

Mă voi referi la unele chestiuni legate de specificul situaţiei la Marea Neagră, mare de frontieră externă a Uniunii, şi anume: după căderea regimului comunist în România, dezvoltarea turismului pe litoralul de vest al Mării Negre a atras o creştere îngrijorătoare a poluării apelor mării din cauza nenumăratelor restaurante deschise chiar pe plajă, restaurante care deversează în mare reziduurile de tot felul; în acelaşi timp plaja s-a îngustat foarte mult din cauza acestor stabilimente.

Poluarea Marii Negre este datorată în bună măsură şi exploatării neraţionale a Deltei Dunării - al doilea fluviu ca mărime în Europa după Volga. Asupra echilibrului biologic al Deltei, asupra faunei şi florei unice în Europa, are un puternic impact negativ construirea de către Ucraina a canalului Bâstroe - acţiune împotriva căreia s-au pronunţat specialişti din toată lumea.

Pentru aceste motive, la care se pot adăuga multe altele, considerăm că propunerile făcute de raportor şi în special construirea unei politici europene maritime unice pe baza prevederilor din Cartea Verde sunt bine venite şi le susţinem în întregime.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Met dit verslag kunnen wij duidelijk de potentiële voordelen zien die de Europese Unie (EU) zou kunnen trekken uit een sterker geïntegreerd maritiem beleid, dat gefragmenteerde en specifieke maatregelen zou vervangen door consistentere voorstellen. De Commissie is hier in haar Groenboek nauwelijks in geslaagd, maar laten we eerlijk zijn dat we haar niet bepaald helpen met dit te lange en onvoldoende gestructureerde verslag.

Ik wil wijzen op vier belangrijke uitdagingen die wij moeten aangaan: het combineren van economische groei met milieubehoud, inclusief de veiligheid op zee en de mariene biodiversiteit, kustplanning tot een succes maken om de activiteiten van haven- en woongebieden op economisch en natuurgebied met elkaar te combineren, de ontwikkeling van een traditionele economie naar nieuwe sectoren met grote meerwaarde, zoals mariene biotechnologie en nieuwe energiebronnen, en het invoeren van efficiënt bestuur, de grote politieke en bestuurlijke uitdaging waarvan het welslagen van dit geheel afhankelijk is.

Er bestaat zeker een echt ontwikkelingspotentieel voor mariene activiteiten, die thans 3 tot 5 procent genereren van het bruto binnenlands product (bbp) van Europa, maar het benutten hiervan zal moeilijk worden en vergt een efficiënte coördinatie.

In dit verslag vervult de EU een pioniersrol en toont zij haar ambities. We hoeven alleen nog maar de middelen te vinden om vanuit deze visie een geïntegreerd beleid te ontwikkelen.

 

16. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het vragenuur (B6-0133/2007).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Commissie.

Eerste deel

Op verzoek van commissaris Verheugen begint het vragenuur met vraag nr. 28.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 28 van Catherine Stihler (H-0493/07):

Betreft: Raadpleging over voorlichting aan de patiënt

Hoe gaat de Commissie, met het oog op het opstellen van een verslag over het voorlichtingsbeleid aan patiënten in de lidstaten, de raadpleging van de consumentenorganisaties organiseren, zoals bedoeld in artikel 88 bis van Richtlijn 2004/27/EG(1)? ("Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/726/EG legt de Commissie, na raadpleging van de patiënten-, consumenten-, artsen- en apothekersorganisaties, uit de lidstaten en van de andere belanghebbende partijen, aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over het gevoerde voorlichtingsbeleid - met name via het internet - en over de daaraan voor de patiënt verbonden risico's en voordelen".)

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Stihler, de Commissie werkt op dit moment op basis van artikel 88 bis van Richtlijn 2001/83/EG aan een verslag over het huidige beleid voor de voorlichting aan patiënten over geneesmiddelen. Daarin zullen we een volledige samenvatting geven van de stand van zaken, maar geen politieke richtsnoeren of voorstellen voorleggen, die komen er volgens artikel 88 bis pas in een tweede fase. Zodra de definitieve versie van dit verslag beschikbaar is, wordt het meteen voorgelegd aan de Raad en aan het Europees Parlement.

Tijdens de voorbereiding van dit verslag hebben de diensten van de Commissie uitvoerig overleg gepleegd met patiënten- en consumentenorganisaties, met de lidstaten en andere belanghebbenden. Die openbare raadpleging heeft volgens de gebruikelijke procedure plaatsgevonden en meer dan twee maanden geduurd, van april tot juni van dit jaar. De ontwerptekst is gepubliceerd op de website van het Directoraat-generaal Ondernemingen en industrie, met het verzoek om te reageren.

Tot nu toe hebben we meer dan vijftig reacties ontvangen, en er komen er iedere dag nog een paar bij. Tien van die reacties komen van patiënten- en consumentenorganisaties. Daaruit blijkt heel duidelijk dat de consumentenorganisaties, alle andere belanghebbenden en de samenleving in het algemeen de kans hebben gekregen om hun mening te geven en aan dit verslag bij te dragen, en ze hebben van die kans ook uitvoerig gebruik gemaakt.

We bestuderen de antwoorden die we hebben ontvangen heel zorgvuldig, en op basis daarvan moeten we in het definitieve verslag overwegen wat de beste strategie is om alle Europese burgers dezelfde toegang te bieden tot werkelijk relevante informatie over geneesmiddelen.

Ik kan u verzekeren, geachte afgevaardigde, dat deze zaak mij persoonlijk heel na aan het hart gaat. Ik zal alles in het werk stellen om dit proces zo snel mogelijk af te sluiten. Het is echter van het grootste belang dat onze voorstellen gebaseerd zijn op volledige informatie, en op een grondige raadpleging van de belanghebbenden. Volgens mij zijn in dit verband precisie en kwaliteit veel belangrijker dan snelheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE). - (EN) Dank u, commissaris. Ik denk dat er veel bezorgdheid heerst over de manier waarop de partijen zijn geraadpleegd. Velen van ons vinden dat er geen wijzigingen in de huidige wetgeving moeten worden aangebracht, dat wil zeggen dat het verbod op rechtstreekse consumentenreclame van kracht blijft en dat niet via de achterdeur rechtstreeks reclame kan worden gemaakt voor farmaceutische producten. De consument moet meer worden betrokken bij het farmaceutisch forum met de nadruk op wat patiënten en gewone consumenten willen en moeten weten en niet op wat de industrie kwijt wil. Daarom verzoek ik de commissaris veranderingen in het tijdschema te overwegen zodat alle alternatieve standpunten behoorlijk kunnen worden overwogen, het informatieprobleem op een patiëntgerichte manier kan worden benaderd en patiëntgerichte oplossingen kunnen worden gevonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. (DE) Mevrouw Stihler, allereerst zou ik u willen verzekeren dat ik uw politieke inschatting volledig deel. We mogen de deur niet openzetten voor productreclame voor op recept verkrijgbare geneesmiddelen. Zolang ik hier bij betrokken ben, zal dat ook niet gebeuren. We moeten de patiënten alleen maar objectieve, volledige en neutrale informatie ter beschikking stellen, en wel op een manier waardoor de patiënten niet in de war raken, en ze allemaal dezelfde toegang hebben.

Op dit moment is het probleem dat er groepen van patiënten zijn die via internet en andere moderne communicatiemiddelen toegang hebben tot allerlei informatie. Veel patiënten hebben die mogelijkheid echter niet, en daar moeten we iets aan doen.

Ik wil het nogmaals heel duidelijk zeggen: we zullen de grens van de productreclame niet overschrijden. We zullen ook heel duidelijk bepalen wat de regels en de criteria voor deze informatie zijn.

Over de timing heb ik al gezegd dat de raadplegingsfase afgesloten is. We werken werkelijk op volle toeren, we leggen nu op basis van deze raadpleging de laatste hand aan het definitieve verslag. Ik heb u al beloofd dat ik alles in het werk zal stellen om dit zo snel mogelijk af te krijgen. Het zal in ieder geval nog in de tweede helft van dit jaar zover zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 26 van Brian Crowley (H-0467/07):

Betreft: Bestrijding van jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid binnen de EU

Kan de Europese Commissie aangeven welke maatregelen zij dit jaar voornemens is te nemen om jeugdwerkloosheid en langdurige werkloosheid binnen de Europese Unie te bestrijden en ervoor te zorgen dat EU-burgers die werkloos zijn toegang hebben tot kwalitatief goede opleidingen op het gebied van informatietechnologie?

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de commissie. (CS) Mijnheer de Voorzitter, geachte afgevaardigden, de arbeidsmarkt in Europa wordt over het algemeen steeds beter; dit is een zeer snelle en duidelijke ontwikkeling. Nog nooit hebben er zoveel mensen in Europa gewerkt, en de werkloosheid is lager dan zij in zeer lange tijd geweest is. Desondanks blijft het een feit dat er een hoge mate van werkloosheid bestaat onder jongeren, zo’n tweekeer zo hoog als de gemiddelde werkloosheid in de Europese Unie. Deze werkloosheid onder jongeren is in de eerste instantie een aangelegenheid van de lidstaten binnen hun arbeidsmarktbeleid. Anderzijds is het natuurlijk duidelijk dat de Europese Unie kan bijdragen tot het oplossen van dit probleem.

De belangrijkste taak van de Europese Unie betreft de ondersteuning van de lidstaten op de onderstaande gebieden:

– coördinatie en observatie van het binnenlands beleid van de lidstaten op het gebied van werkgelegenheid in het kader van de Lissabonstrategie, en

– financiële ondersteuning, met name via het Europees Sociaal Fonds.

Het kader voor de coördinatie van het verschillende beleid wordt gegeven door de opnieuw gelanceerde Lissabonstrategie. De Commissie volgt het nationaal werkgelegenheidsbeleid zorgvuldig. In het nieuwste communautaire verslag over de werkgelegenheid hebben de Commissie en de Raad benadrukt dat de positie van de jongeren op de arbeidsmarkt dringend verbetering behoeft. Ondanks het feit dat de lidstaten zich hebben verplicht om de jongeren een nieuwe start te bieden, krijgt het grootste deel van de 4,6 miljoen jongeren in de eerste zes maanden van hun werkloosheid noch een baan, noch een opleiding of stageplaats aangeboden. Bovendien hebben de jongeren die wel een baan vinden vaak een onzekere arbeidsovereenkomst. De Commissie is van mening dat dit een verontrustende situatie is en beveelt de lidstaten aan om de positie van jongeren te verbeteren, vooral op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding.

Volgens de Commissie moeten er met name op de onderstaande gebieden stappen worden ondernomen:

Ten eerste de sociale integratie: sociale integratie is een conditio sine qua non voor duurzame ontwikkeling in Europa. De Commissie zal de actieve cohesie ondersteunen, waarbij het uitgangspunt is dat mensen aan de rand van de arbeidsmarkt de mogelijkheid wordt geboden tot integratie in de arbeidsmarkt, er programma’s worden aangeboden die zorgen voor een toereikend minimuminkomen en er toegang wordt verschaft tot een goede sociale dienstverlening;

Ten tweede het principe van “levenslang leren”: het lijdt geen twijfel dat onderwijs tot meer onderwijs leidt en dat mensen die hoger opgeleid zijn ook een betere toegang hebben tot levenslang leren dan zij die dit juist het meeste nodig hebben, dat wil zeggen mensen met een lagere opleiding of ouderen met verouderde vaardigheden. De Commissie heeft in het kader van de Lissabonstrategie enkele aanbevelingen gedaan aan de lidstaten op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding, met name wat betreft vroegtijdige schoolverlating en het verhogen van het opleidingsniveau dat door de Europeanen wordt behaald. Ik wil hierbij ook opmerken dat de Europese Unie ernaar streeft om het percentage vroegtijdige schoolverlaters terug te brengen tot onder de 10 procent; momenteel is dit 15,2 procent, en in sommige landen nog aanzienlijk hoger. Juist het terugdringen van de vroegtijdige schoolverlating is volgens ons een van de belangrijkste manieren om de mogelijkheden voor jongeren op de arbeidsmarkt te verbeteren. Een andere aanbeveling die door de Commissie werd gedaan betreft de ondersteuning van de geografische mobiliteit. We bevinden ons in een situatie dat er, in weerwil van de werkloosheid, in sommige regio’s en sectoren juist sprake is van een gebrek aan arbeidskrachten. Daarom is het nodig om jongeren aan te sporen om deze kansen op werk aan te grijpen.

Een andere mogelijkheid is die van financiële ondersteuning door de EU via het Europees Sociaal Fonds. Naast de coördinatie van het beleid ondersteunt de Unie de pogingen van de lidstaten om de arbeidsmarkt te moderniseren. In de periode 2007–2013 zullen de lidstaten in totaal 72,6 miljard euro ontvangen om de hervorming van hun binnenlandse arbeidsmarkt te financieren. Meer dan 90 procent van dit bedrag gaat rechtstreekse naar het realiseren van de Lissabondoelstellingen. Investering in menselijk kapitaal, hetgeen een derde vertegenwoordigt van het budget van het Europees Sociaal Fonds, is de belangrijkste prioriteit voor de periode 2007–2013. Van dit bedrag wordt dan nog eens 30 procent gereserveerd voor de sociale cohesie ten behoeve van achtergestelde groepen.

De volgende concrete resultaten zijn al bereikt middels het Europees Sociaal Fonds: jaarlijks worden ongeveer 2 miljoen mensen in dienst genomen nadat ze gebruik hebben gemaakt van ondersteuning door een van de projecten van het Europees Sociaal Fonds. In 2007 neemt ongeveer 25 procent van de werklozen in de EU deel aan de projecten van het Europees Sociaal Fonds. En jaarlijks maken één miljoen mensen, die sociaal achtergesteld of benadeeld zijn, gebruik van ondersteuning in het kader van de projecten van het Europees Sociaal Fonds. Zo’n 4 miljoen mensen ronden elk jaar hun beroepsopleiding af met ondersteuning van het Europees Sociaal Fonds in het kader van de “levenslang-leren”-programma’s.

Gezien het feit dat, zoals ik al aangaf, de werkloosheidsproblematiek bij jongeren blijft bestaan, is de Commissie op zoek naar meer doeltreffende oplossingen. Daarom is de Commissie nu een ontwerpmededeling aan het afronden die betrekking heeft op de integratie van jongeren in onderwijs, werk en maatschappij en waarvan de goedkeuring is gepland voor september van dit jaar. Aan deze mededeling zal een werkdocument van de Commissie worden toegevoegd over de werkgelegenheid voor jongeren.

Geachte afgevaardigden, zoals ik hierboven al gesteld heb, is de kwestie van de jeugdwerkeloosheid natuurlijk vooral een zaak voor de lidstaten, hun werkgelegenheidsbeleid, hun onderwijsbeleid, enzovoorts. Maar de Europese Unie kan natuurlijk niet passief blijven toezien in deze kwestie, en dat doet ze dan ook niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de commissaris voor zijn reactie. In de beperkte tijd die ik tot mijn beschikking heb, zal ik me op drie specifieke gebieden concentreren.

Ten eerste de jeugdwerkloosheid. We zien dat er een groot tekort aan beroepsvaardigheden is, niet alleen op het gebied van internet, communicatie en technologie, maar ook als het gaat om traditionele beroepsvaardigheden van timmerlieden, elektriciens, metselaars en dergelijke. Er lijken geen nieuwe initiatieven te zijn om met de beschikbare middelen uitvoering te geven aan extra scholing.

Ten tweede de mobiliteitskwestie. Er zijn hindernissen gecreëerd waarvan met name jonge mensen last hebben als ze op zoek naar een baan naar elders reizen en hun diploma’s daar willen laten erkennen.

Mijn derde en laatste punt betreft langdurige werkloosheid. Herintredingsprogramma’s zijn belangrijk omdat mensen daarmee in staat worden gesteld om een aantal sociale rechten te behouden en zo worden geholpen bij de re-integratie in het arbeidssysteem. Wat voor specifieke voorstellen zijn daarvoor gedaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. (CS) Deze twee punten zijn natuurlijk buitengewoon belangrijk en ik zou hier uitgebreid op in kunnen gaan, maar staat u mij toe hierop een zeer kort antwoord te geven. Natuurlijk richten we ons, in het kader van het actieve werkgelegenheidsbeleid binnen het Europees Sociaal Fonds op verbetering van de kwalificaties, en u hebt zojuist aangegeven dat deze kwalificaties niet alleen zuiver intellectueel van aard hoeven te zijn, maar dat hieraan ook behoefte bestaat in een aantal ambachten en andere vakgebieden. Daarom is het van belang om te benadrukken dat de Commissie nu, binnen het kader van het Forum voor herstructurering, een discussieforum voorbereidt dat zich met de “arbeidsmarkt van de toekomst” bezig gaat houden, dat wil zeggen een arbeidsmarkt met arbeidsplaatsen die in langdurig perspectief als vaste of toekomstige plaatsen gezien kunnen worden, en een deel van onze inspanningen zal zijn gericht op het formuleren van de juiste kwalificatie-eisen, de juiste modules voor het verkrijgen van deze kwalificaties en flexibele, veerkrachtige methoden om het evenwicht tussen de toekomstige arbeidsmarkt en de kwalificaties te garanderen.

Er zijn nog een aantal andere punten en manieren waarop we de mobiliteit van de arbeidskrachten kunnen ondersteunen. Naar mijn mening is de belangrijkste daarvan de doelstelling die door mijn collega, de heer Figel, wordt uitgewerkt. Het betreft hier een beleidsproject voor de erkenning van kwalificaties, dat wil zeggen erkenning van kwalificaties niet alleen in sectoren waarin kwalificaties al erkend worden, maar ook de erkenning van bijvoorbeeld ambachtelijke kwalificaties. Ik ben van mening dat als we doorgaan met dit project, we een duidelijke verbetering zullen kunnen bewerkstelligen in de positie van de jongeren op de arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 27 van Olle Schmidt (H-0487/07):

Betreft: De EU als toevluchtsoord voor vervolgde auteurs en journalisten

De EU is moreel verplicht het open debat in gesloten samenlevingen en dictaturen te bevorderen. In veel landen is het openbaar maken van de eigen mening levensgevaarlijk. Over de hele wereld worden journalisten en auteurs vermoord, ontvoerd en vervolgd. Vrijheid van meningsuiting is van belang voor de ontwikkeling van een dictatuur naar een open en democratische samenleving. De Commissie dient duidelijk aan te geven hoe waardevol vrijheid van meningsuiting is door auteurs en journalisten die op grond van een beperkte vrijheid van meningsuiting worden vervolgd, tijdelijk toevlucht te bieden. Onlangs heeft de Deense regering een voorstel in deze zin voorgelegd.

Is de Commissie bereid het initiatief te nemen om auteurs die vervolgd dreigen te worden op grond van een beperkte vrijheid van meningsuiting toevlucht in de EU te bieden?

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, vicevoorzitter van de Commissie. - (EN) De voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen in een lidstaat internationale bescherming, zoals de subsidiaire beschermingsstatus voor vluchtelingen, kan worden geboden, zijn op communautair niveau geharmoniseerd. Het is zelfs zo dat Kwalificatierichtlijn 2004/83/EG de betrokken EU-lidstaten verplicht om de vluchtelingenstatus te verlenen aan onderdanen van derde landen die bescherming zoeken op grond van een gefundeerde angst om te worden vervolgd vanwege hun politieke opvattingen.

Onder het begrip politieke mening valt in dit verband elke mening over aangelegenheden met betrekking tot de staat, de regering of de maatschappij die verder gaat dan de vereenzelviging met een specifieke politieke partij of erkende ideologie.

Lidstaten zijn derhalve op grond van de EU-wetgeving verplicht om bescherming te bieden aan journalisten en schrijvers die ten gevolge van het uitoefenen van hun vrijheid van meningsuiting in hun land van herkomst een gefundeerde angst hebben om te worden vervolgd in de zin dat hun leven of fysieke vrijheid wordt bedreigd of hun mensenrechten op andere wijze ernstig worden geschonden.

De Commissie verwelkomt initiatieven van individuele lidstaten ter verhoging van het beschermingsniveau dat wordt geboden aan schrijvers en journalisten die op grond van een beperkte vrijheid van meningsuiting worden vervolgd.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE). - (SV) Dat is een positief antwoord. Ik wil mijn vraag benutten om de commissaris op te roepen samen met de lidstaten een initiatief te nemen om zaken beter te reguleren en ervoor te zorgen dat schrijvers en journalisten die de mogelijkheid hebben om naar Europa te komen, dit ook mogen doen. Ik denk dat dit onze plicht is gezien de zeer moeilijke situatie in de wereld. Sta mij toe de commissaris erop te wijzen dat vorig jaar 113 mensen die in de media werkten werden vermoord, 807 in de gevangenis werden gestopt, bijna 1 500 fysiek werden aangevallen en 56 ontvoerd. 18 schrijvers werden vermoord en 144 gevangen gezet. Het is de hoogste tijd dat wij actie ondernemen. We kunnen denken aan een EU-beurs waartoe de commissaris het initiatief neemt.

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, vicevoorzitter van de Commissie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, ik antwoord graag op wat de heer Schmidt net zei. Aangezien de richtlijn van kracht is, zijn alle lidstaten verplicht deze na te leven. Een aspect waarvoor misschien meer gedaan kan worden, is dat van informatie en communicatie met de landen van herkomst. Daar is men waarschijnlijk weinig bekend met de mogelijkheden die de Europese wet biedt om bescherming te vinden als iemand journalist is en risico’s loopt.

Voor wat de communicatieprogramma’s betreft, alle lidstaten moeten weten dat de Europese Commissie bereid is om deze niet alleen te cofinancieren maar ook te promoten. Dus een betere kennis ten behoeve van een betere toepassing van een richtlijn die precies bestaat in de termen die ik u beschreven heb.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik kan wel zeggen dat ik volledig achter de vraag van onze collega sta. In landen waar eerst boeken worden verboden en verbrand, en dan de mensen worden vervolgd die de boeken schrijven, heerst namelijk niet de geest die de Europese Unie bezielt. Ik zou de vraag nog wat ruimer willen formuleren. Ik vind niet alleen dat deze mensen bijzondere bescherming moeten krijgen, maar ook dat het een prioriteit van de Europese Unie zou moeten zijn om ervoor te zorgen dat wat deze mensen schrijven ook kan worden verspreid en doorgegeven. Zo kunnen we een einde maken aan de dictaturen waaronder deze schrijvers zuchten. Overweegt de Commissie om deze journalisten en auteurs te steunen, niet alleen door ze hier een verblijfsrecht te geven, maar ze ook bij hun werk te ondersteunen?

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, vicevoorzitter van de Commissie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, wij hebben zelfs al programma’s bedacht om ruchtbaarheid te geven aan de meningen van mensen die in hun eigen land als dissidente schrijvers worden bestempeld, met het oog op een betere verspreiding van liberale en democratische ideeën. Ons uiteindelijke doel is om een dergelijk gedachtegoed juist in de landen te verspreiden waar die schrijvers en journalisten vandaan komen.

Het is onze taak de democratische waarden buiten de Europese grenzen te bevorderen. Volgens mij is het een goede zaak om dat te doen door onder meer gebruik te maken van de stem van moedige schrijvers en journalisten. Deze mensen verdienen bescherming in Europa, maar het is goed dat hun ideeën ook bekend worden in de landen waaruit zij gevlucht zijn. Dus in principe ben ik het met die aanpak eens.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). - (EN) Als we denken aan de vervolging en bedreiging van journalisten, kun je moeilijk heen om de door ons allen toegejuichte recente vrijlating van Alan Johnston in Gaza. Is de Commissie echter ook van mening dat er een zorgvuldig evenwicht moet worden betracht om te voorkomen dat organisaties zoals Hamas zich gesterkt voelen in hun rol of beloond worden voor daden die ze nooit hadden mogen plegen, in dit geval een moedige journalist zoals Alan Johnston de vrijheid ontnemen? Kan de commissaris daarop reageren?

 
  
MPphoto
 
 

  Franco Frattini, vicevoorzitter van de Commissie. - (IT) Mijnheer de Voorzitter, het is duidelijk dat Europa zich over deze aanpak al heeft uitgesproken bij monde van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie: de bevrijding van gekidnapte mensen is een plicht waaraan Europa op het diplomatieke vlak gehoor moet geven.

De bevrijding van Alan Johnston was een actie die wij zeer gewaardeerd hebben. Maar, zoals u zelf al zegt, niemand gaat er natuurlijk van uit dat Hamas beloond moet worden. Iedereen weet dat Hamas nog steeds op de lijst van terreurorganisaties staat.

Dit vooropgezet is het duidelijk dat voor ons het belangrijkste is dat er mensenlevens worden gered en dat journalisten hun werk kunnen doen, ook in moeilijke regio’s, in conflictgebieden of gebieden met hoog risico. Anders komt de taak van de journalist - namelijk daarheen gaan waar het ook gevaarlijk is en verslag uitbrengen van wat hij gezien of gehoord heeft – weg te vallen.

 
  
  

Tweede deel

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Vraag nr. 29 van Stavros Arnaoutakis (H-0500/07):

Betreft: Gevaar van uitsterven van de visbestanden in de Egeïsche Zee

Uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de visbestanden in de Egeïsche Zee gevaarlijk slinken, hetgeen rechtstreeks kan leiden tot het wegvallen van de betrokken visgronden. Deze situatie wordt verergerd door het feit dat er geen concrete maatregelen worden genomen met het oog op een duurzaam beheer van de visserijactiviteiten, maar ook door het ongecontroleerde gebruik van vistuig en vismethodes die zware klappen toebrengen aan met name de paaigronden waar de visvoorraad wordt aangevuld.

De Commissie heeft de onmiddellijke plicht dit gebied tegen dergelijke ontwikkelingen te beschermen, enerzijds om ten minste de bestaande visreserves in stand te houden en anderzijds om de mensen te beschermen die van de visvangst langs de kust leven. Wat is de Commissie voornemens te doen om dit ernstige vraagstuk aan te pakken?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. - (EN) Ik dank de heer Arnaoutakis voor zijn vraag over de Egeïsche Zee en de visbestanden daar. Men zal zich herinneren dat de Raad eind 2006 een ontwerpverordening inzake maatregelen voor een duurzaam beheer van visbestanden in de Middellandse Zee heeft aangenomen. Deze verordening is vervolgens in januari 2007 van kracht geworden. De Commissie is van mening dat de verordening zowel wat demersale als kleine pelagische vissoorten betreft een eerlijk en krachtig antwoord is op de problemen die de geachte afgevaardigde aan de orde stelt. Voor andere sterk migrerende vissoorten zoals blauwvintonijn heeft de Gemeenschap onlangs ook nieuwe wetgeving aangenomen die zal bijdragen tot een verbetering van de staat van instandhouding van deze visbestanden.

Ik onderstreep hierbij echter dat het niet volstaat om beheersmaatregelen vast te stellen als deze maatregelen niet op adequate wijze worden uitgevoerd en als er geen vervolgmaatregelen worden genomen. Er is in dit opzicht een fundamentele rol weggelegd voor de lidstaten en de visserijorganisaties. De Commissie zal er nauwlettend op toezien dat alle maatregelen naar behoren tot uitvoering worden gebracht. Om deze reden heb ik de betrokken ministers van de lidstaten op 2 april 2007 het verzoek gestuurd om te onderzoeken hoe het er een paar maanden na de aanneming van de verordening inmiddels voor staat met de toepassing ervan. Mijn diensten zullen de situatie en de tenuitvoerlegging van de diverse bepalingen van de verordening door de lidstaten blijven volgen.

Naast communautaire maatregelen die in de toekomst wellicht zullen worden aangevuld, is het ook van fundamenteel belang dat visserijbeheersmaatregelen in het kader van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) worden bevorderd, zodat de landen aan de Middellandse Zee die geen lid van de Europese Unie zijn, ook een bijdrage kunnen leveren aan de duurzaamheid van de levende rijkdommen van de zee.

Actieve deelname van wetenschappers van de lidstaten aan de beraadslagingen van het Wetenschappelijk Raadgevend Comité van de GFCM kan hierbij een belangrijke rol spelen. In het geval van de Egeïsche Zee is het in de eerste plaats aan Griekenland en Turkije om te zorgen voor een adequate wetenschappelijke samenwerking die bruikbare wetenschappelijke adviezen voor het visserijbeheer oplevert.

Om de wetenschappelijke samenwerking in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee te bevorderen is de Commissie van plan om, samen met Griekenland en Italië, een nieuw regionaal FAO-project genaamd EastMed te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Arnaoutakis (PSE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de commissaris bedanken voor zijn antwoord en hem duidelijk maken dat in de Egeïsche Zee, en meer in het algemeen in de Middellandse Zee vissers actief zijn uit de lidstaten van de Europese Unie maar ook uit derde landen.

De Griekse en communautaire vissers in dit gebied moeten zich houden aan allerlei beperkingen en passen de communautaire richtlijnen toe, in tegenstelling tot de vissers uit derde landen, die zonder enige beperking en vaak ongecontroleerd vissen.

Wat is de Commissie van plan te doen om onmiddellijk een oplossing voor dit probleem te vinden?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. - (EN) Ja, zoals ik al zei: rechtstreekse tussenkomst van de Commissie is mogelijk als het gaat om visserijbeheer binnen de communautaire wateren, met name als het communautaire vissers betreft. Ik heb in dat opzicht specifiek verwezen naar de verordening voor de Middellandse Zee, die zojuist van kracht is geworden. Wij controleren nauwgezet of deze naar behoren ten uitvoer wordt gelegd.

Bij de Middellandse Zee, ook bij uw deel van de Middellandse Zee, hebben we natuurlijk te maken met derde landen waarmee we betrekkingen onderhouden. Ik denk daarbij met name aan Turkije, waarmee we een associatieovereenkomst hebben gesloten en dat ook kandidaat-lidstaat is. Op het gebied van visserij proberen we nauw met deze derde landen samen te werken in andere fora die verantwoordelijk zijn voor het visserijbeheer in de Middellandse Zee, met name de GFCM, de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee. Voor sterk migrerende vissoorten is er de ICCAT, de commissie die vooral verantwoordelijk is voor blauwvintonijn en ook voor zwaardvis. We proberen op dit gebied nauw samen te werken met derde landen die ook lid zijn van deze fora om tot gemeenschappelijke regelgevende maatregelen te komen. Op deze manier proberen we zo goed mogelijk een gelijk speelveld tot stand te brengen en in stand te houden.

Het is zonder meer belangrijk dat de Europese Unie het voortouw neemt en door ons eigen regelgevingsstelsel voor visserij in de communautaire wateren op te stellen, geven we het goede voorbeeld. We doen ons uiterste best om ervoor te zorgen dat derde landen met visrechten in de Middellandse Zee via de GFCM of de ICCAT vergelijkbare maatregelen nemen zodat onze vissers niet benadeeld worden omdat ze gebonden zijn aan strengere regels voor het visserijbeheer.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) In de afgelopen weken hebben we in uw land, Malta, gehoord dat er problemen zijn met de visvangst langs de kust van een ander deel van de Middellandse Zee. Zijn er concrete mogelijkheden, programma’s en strategieën om met name de visvangst langs de kust en de plaatselijke vissers te ondersteunen?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. - (EN) Kustvisserij in de Middellandse Zee is een uiterst gevoelige kwestie, gezien het feit dat de visserij in de Middellandse Zee iets specifieker is dan bijvoorbeeld op de Noordzee, waar voornamelijk sprake is van gemengde visserij. We kunnen dus niet zo selectief zijn als we zouden willen en daarnaast zijn de maatregelen die in de Middellandse Zee gelden, veeleer gebaseerd op technische maatregelen dan op toegestane vangsten en quota’s.

Hoe dan ook, het visserijbeleid voor de Middellandse Zee heeft voor het eerst geleid tot vrij strenge verordeningen die bedoeld zijn om de visserij in de Middellandse Zee, met name de kustvisserij, te reguleren. De lidstaten zijn verplicht om beheersplannen op te stellen voor de visserij met betrekking tot de kustdimensie en maatregelen te nemen inzake de minimummaat bij aanlanding en, met name, de soorten vistuig die worden gebruikt.

We zijn nu bezig met de controle op de tenuitvoerlegging van deze verordening, zoals ik al zei in mijn antwoord op de vraag. Deze verordening is pas eind vorig jaar aangenomen en is begin dit jaar van kracht geworden. De tijdschema’s worden in de loop van dit jaar en volgend jaar ingevoerd. Ik hoop dat de lidstaten de noodzakelijk maatregelen binnen de in de verordening gestelde tijdschema’s tot uitvoering brengen zodat we een veel duurzamere visserij in de Middellandse Zee tot stand kunnen brengen, met name wat betreft de kustvisserij.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Ik wil mijn collega, de heer Arnaoutakis, gelukwensen met zijn vraag en ik wil de commissaris bedanken voor zijn antwoord. Ik wil echter vragen onder welke voorwaarden de door vissers uit derde landen gevangen vissen in de Europese Unie ingevoerd en in de handel gebracht mogen worden.

Meer visvangst betekent meer vraag wegens lagere prijzen. Het gaat niet alleen om de manier van vissen.

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. - (EN) De algemene bepalingen inzake WTO-onderhandelingen en het WTO-stelsel voorzien in de regels die gelden voor de invoer van vis. Bij bepaalde onderdelen is, met name wat betreft visserij, geen sprake van volledige liberalisering en derhalve worden er bepaalde maatregelen gehanteerd om de communautaire sector te beschermen. Maar hoe de verdere liberalisering met betrekking tot geïmporteerde visserijproducten zal verlopen, hangt af van de uitkomst van de besprekingen die in de loop van het jaar zullen worden gehouden.

Het is hoe dan ook belangrijk om te onderstrepen dat we later dit jaar met maatregelen zullen komen om illegale visserij te bestrijden. Als vis bijvoorbeeld wordt gevangen door schepen die onder de vlag van een derde land varen, en die schepen kunnen niet bewijzen dat de vis op duurzame wijze is gevangen - met andere woorden, binnen de quota en binnen de parameters van de regels die gelden in verschillende organisaties voor regionaal visserijbeheer, zoals, in het geval van de Middellandse Zee, de GFCM - dan zal deze vis als illegaal beschouwd worden en zal er geen toestemming worden verleend om de vis aan te voeren in de lidstaat waarvoor deze bestemd was. Dit biedt ons een zeer effectieve maatregel, die ons, naar ik hoop, zal helpen om de aanvoer van illegaal gevangen vis te beperken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Vraag nr. 30 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0452/07)

Betreft: Bescherming van de rechten van het kind in de externe betrekkingen van de EU

In de mededeling van de Commissie "Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind" die op 4 juli 2006 werd gepubliceerd, wordt in het punt "de situatie wereldwijd" geraamd dat permanent rond de 300.000 kinderen als kindsoldaten meevechten in meer dan 30 gewapende conflicten overal ter wereld. Ook al zou men verwachten dat de situatie van kindsoldaten geregeld is en dat het aantal extreme gevallen van schending van hun rechten is afgenomen, toch heeft de internationale pers het regelmatig over de rekrutering van kindsoldaten, met name in landen in Afrika en Azië.

Hoe pakt de Commissie in het kader van haar externe betrekkingen het fenomeen aan van het inzetten van kinderen in gewapende conflicten ? Welke concrete maatregelen denkt de Commissie te nemen om van de bestrijding van de inlijving van kinderen een prioritair punt op haar politieke agenda te maken ten aanzien van de landen die kinderen dwingen deel te nemen aan gewapende conflicten? Hoe zal de Commissie de toepassing van het Protocol bij het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind bevorderen om ervoor te zorgen dat alle landen de voorwaarde eerbiedigen dat jongeren 18 jaar moeten zijn alvorens een militaire opleiding te krijgen en bij conflicten te worden ingezet?

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) De Commissie veroordeelt niet alleen krachtig de rekrutering en inzet van kinderen in gewapende strijdkrachten of groepen maar levert ook een actieve bijdrage aan duurzame internationale inspanningen waarbij alle beschikbare middelen worden aangewend om dit verschijnsel te bestrijden. Ook zijn we actief bezig om, zowel op beleidsniveau als met behulp van onze verschillende financieringsinstrumenten, de rechten van het kind in gewapende conflicten te bevorderen.

Het gaat hier om drie niveaus. Een ervan is het beleidsniveau. De Europese Unie heeft een zeer stevige basis gelegd om aan deze kwesties te kunnen werken. Sinds 2003 zijn er verschillende belangrijke beleidsdocumenten aangenomen waaronder de EU-richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten, het EU-concept voor steun voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie, de checklist voor de integratie van de bescherming van kinderen in gewapende conflicten in de activiteiten van het EVDB en, tot slot, de mededeling van de Commissie over een EU-strategie voor de rechten van het kind van 2006.

In onze politieke dialogen met partnerlanden brengen we regelmatig kwesties op het gebied van de rechten van het kind aan de orde. Bij de Libanese regering hebben we bijvoorbeeld de ratificatie van het facultatieve protocol bij het Verdrag voor de rechten van het kind aan de orde gesteld. Als landen het Statuut van het Internationaal Strafhof op grond waarvan de rekrutering van kinderen een oorlogsmisdaad is, nog niet hebben geratificeerd en volledig ten uitvoer hebben gelegd, dringen we er bij deze landen op aan om dit te doen. We hebben de recente herziening van de Beginselen van Kaapstad financieel gesteund, wat in februari van dit jaar tot de aanneming van de Beginselen van Parijs heeft geleid. Verder werken we nog steeds samen en bieden we nog steeds actief steun aan de speciale VN-vertegenwoordigers voor kinderen in gewapende conflicten, UNICEF, OHCHR, UNHCR en andere niet-gouvernementele organen.

Ten tweede hebben we aan deze kwestie hoge prioriteit gegeven in onze steunprogramma’s voor individuele landen, bijvoorbeeld met betrekking tot projecten in het kader van programma’s voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie, zoals in Soedan, met betrekking tot de preventie van de rekrutering van kinderen in Colombia en met betrekking tot de demobilisatie, re-integratie en preventie van de rekrutering van kindsoldaten. Hierdoor is de demobilisatie van meer dan 3 000 kinderen mogelijk geworden.

Tot slot hebben we in het kader van het nieuwe Europese instrument voor democratie en mensenrechten voor de periode 2007-2010 ook een bedrag van 6,8 miljoen euro gereserveerd voor de bescherming van de rechten van het kind in gewapende conflictsituaties.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Ik dank mevrouw de commissaris voor haar antwoord. Kunt u mij misschien zeggen welke concrete maatregelen er bestaan voor de opvang van dergelijke kinderen in de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Zoals ik zojuist zei, hebben we diverse richtsnoeren tot onze beschikking en die leggen we ook ten uitvoer. Zo noemde ik bijvoorbeeld al de EU-strategie voor de rechten van het kind. We maken hierbij in de eerste plaats gebruik van politieke dialoog. In de tweede plaats helpen we hen ook met hun eigen strategieën. Dat houdt in dat we met de individuele landen samenwerken. We hebben ook financiële steun verleend aan de recente herziening van de Beginselen van Kaapstad en dat heeft, zoals ik al zei, tot de Beginselen van Parijs geleid. We spreken ook officieel onze politieke steun uit voor deze richtsnoeren.

We bieden de landen dus op alle fronten hulp en maken daarbij ook gebruik van onze eigen projecten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 31 van Bernd Posselt (H-0460/07):

Betreft: Strategie voor de Zwarte Zeeregio

Hoe ziet de strategie in het kader van het externe beleid van de EU voor de verdere ontwikkeling van de Zwarte Zeeregio er uit, en welke rol spelen kwesties op het gebied van mensenrechten, veiligheid en extern energiebeleid hierbij?

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Dit is een vraag over de strategie van de Zwarte Zeeregio. Naast de drie EU-lidstaten bevinden zich in de Zwarte Zeeregio nog zeven andere landen die met beleid van de Europese Unie te maken hebben: ten eerste het nabuurschapsbeleid, ten tweede het pre-toetredingsproces voor Turkije en tot slot het strategische partnerschap met Rusland. Deze beleidsterreinen, met name het Europees nabuurschapsbeleid, zijn bepalend voor onze strategie ten aanzien van de regio als geheel.

Het bevorderen van welvaart en stabiliteit is derhalve een van onze voornaamste doelen en we bieden substantiële samenwerkingsprogramma’s. Zoals u weet, hebben we onlangs een initiatief voor de synergie van de Zwarte Zee ingediend dat zojuist onder het Duitse voorzitterschap is aangenomen.

De regio is van groot belang voor ons, met name voor de energiebevoorrading van de EU - niet alleen de veiligheid van de energiebevoorrading maar ook diversificatie. We stimuleren ook een dialoog over energieveiligheid met alle Zwarte Zeelanden om een transparant kader tot stand te brengen voor de productie, het transport en de doorvoer van energie, niet alleen in regionaal verband maar ook om onze eigen energieveiligheid en -bevoorrading door middel van diversificatie te verbeteren.

We zijn ook bezig om de bestaande energie-infrastructuur te verbeteren en de ontwikkeling van een nieuwe infrastructuur in het kader van een energiecorridor Kaspische Zee - Zwarte Zee - EU te bevorderen. Alle normen voor de mensenrechten zoals vastgelegd door de Raad van Europa en de OVSE gelden ook voor alle Zwarte Zeelanden. Daarom willen we de normen voor de mensenrechten verbeteren en met name democratische structuren en de civiele maatschappij steunen en versterken. Dat is van cruciaal belang.

Het derde punt, tot slot, is veiligheid, met name de “bevroren conflicten” die ons voor een enorme uitdaging stellen. We hopen dat de actieve betrokkenheid van de EU bij lopende acties inzake deze conflicten in de nabije toekomst tot een oplossing leidt.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE).(DE) Mevrouw de commissaris, ik zou u hartelijk willen bedanken voor dit uitvoerige antwoord. Ik heb nog twee aanvullende vragen. Ten eerste: op donderdag bespreken we tijdens een actualiteitendebat Transnistrië. Hoe ziet u de situatie in Moldavië?


De tweede vraag gaat over de spanningen tussen de drie staten op de zuidelijke Kaukasus, waar de spanningen in de afgelopen dagen en weken hoog zijn opgelopen, daar worden oorlogjes bij volmacht gevoerd. Speelt de Commissie daar een bemiddelende rol?

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. (DE) Ik wil beginnen met Transnistrië en Moldavië. We hebben heel onlangs een lang gesprek gevoerd met president Voronin. Ik kan u wel vertellen dat we met hem heel nauw samenwerken, uiteraard binnen het kader van ons nabuurschapsbeleid.

We weten dat er gesprekken hebben plaatsgevonden tussen Voronin en president Poetin, maar het is vooral belangrijk dat die gevolgen hebben voor de 5+2-gesprekken, die wij voeren. Op die manier stellen we alles in het werk om Moldavië alle mogelijke steun te geven. We moeten de mensenrechten telkens weer aan de orde stellen, en dat heb ik zelf ook gedaan, in een brief aan president Voronin, maar ook tijdens onze persoonlijke gesprekken. We moeten dit land, het armste land van Europa, echter absoluut ondersteunen, en dat doen we ook met onze programma’s.

Dan wil ik ingaan op de ernstige spanningen op de zuidelijke Kaukasus. Het is waar dat die er zijn. We hebben er telkens weer op gewezen dat een oplossing voor de conflicten in Zuid-Ossetië, Abchazië, en natuurlijk ook in Nagorno-Karabach, alleen maar mogelijk is wanneer we een zeer intensieve politieke dialoog voeren. We staan in direct contact met de verschillende speciale gezanten van de Hoge Vertegenwoordiger, en we hebben besloten om het nabuurschapsbeleid te gebruiken om het juiste kader te creëren voor het zoeken naar een mogelijke oplossing.

In Nagorno-Karabach is er een kans geweest, maar de president heeft die helaas nog niet benut. We hopen echter allemaal dat er misschien toch nog een doorbraak komt. In Zuid-Ossetië gaat het de goede kant op, maar in Abchazië worden de problemen al ernstiger, en daar moeten we heel waakzaam zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) In haar antwoord op de vraag van de heer Posselt heeft de commissaris een aantal belangrijke beleidsterreinen genoemd. Ik zou nog een ander onderwerp aan de orde willen stellen. De recente ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat we nu ook aan de Zwarte Zee een belangrijke buitengrens van de EU hebben. Dat leidt tot vragen in verband met de legale of illegale grensoverschrijding. Kunnen we hier iets aan doen met het visumbeleid, het immigratiebeleid, en met het beleid ter bestrijding van de illegale immigratie?

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. (DE) Mijnheer Rack, het gaat om verschillende landen. Aan de ene kant hebben we de nieuwe lidstaten Bulgarije en Roemenië, die hun bijdrage leveren aan de gemeenschappelijke formulering van het migratiebeleid van de EU.

Er zijn echter ook andere landen, bijvoorbeeld de toetredingskandidaat Turkije. Wanneer het zover is, en het betrokken hoofdstuk is afgesloten, moet Turkije het acquis communautaire aanvaarden en overnemen.

De relaties met sommige van deze landen vallen onder het nabuurschapsbeleid, en we behandelen vooral twee onderwerpen: aan de ene kant bepaalde visumfaciliteiten, en aan de andere kant terugnameovereenkomsten, om de illegale migratie te bestrijden, en zoveel mogelijk te beëindigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). – (LT) Ik wil u een vraag stellen over de sluiting van de eenheden 3 en 4 van de kerncentrale in Kozloduy in Bulgarije. Weliswaar moesten zij volgens het toetredingsverdrag worden gesloten, maar vindt u het, gelet op de huidige energiesituatie in Europa en de wereld, juist om één of meer eenheden te sluiten van een goed beheerde, veilige elektriciteitscentrale die zuinig functioneert ?

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Volgens mij is dit een belangrijke reden voor de samenwerking in het kader van de synergie van de Zwarte Zee en voor de Economische Raad van de Zwarte Zee als instrument om deze samenwerking gestalte te geven. We zouden graag zien dat onze partnerlanden en de nabuurschapslanden enerzijds en onze eigen lidstaten anderzijds nauw samenwerken met de kandidaat-lidstaat, dat wil zeggen Turkije, maar met name ook met de strategische partner, dat wil zeggen Rusland.

We staan nog maar aan het begin van dit nieuwe beleid en ik denk dat dit beleid nog moet groeien. Er heeft een heel belangrijke bijeenkomst in Istanbul plaatsgevonden die, naar ik hoop, tot een intensivering en verdieping van onze samenwerking zal leiden. Ik denk echter dat het nog te vroeg is om nu al te kunnen oordelen. We moeten nu verder aan de slag en proberen zoveel mogelijk te bereiken, maar de intentie is er in ieder geval.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 32 van Evgeni Kirilov (H-0479/07):

Betreft: De situatie van de Bulgaarse verpleegsters en de Palestijnse dokter in Libië

Kan de Commissie mij de laatste stand van zaken meedelen met betrekking tot de Bulgaarse verpleegsters en de Palestijnse dokter in Libië na het recente bezoek van commissaris Ferrero-Waldner en de Duitse federale minister Steinmeier aan dat land? Kan de Commissie conclusies trekken en mij een politieke inschatting geven van het verdere verloop van de onderhandelingen met de Libische autoriteiten?

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Mijnheer de Voorzitter, het geval van de Bulgaarse verpleegsters en de Palestijnse arts is een van mijn voornaamste prioriteiten. Tijdens mijn bezoek aan Libië samen met de Duitse minister van Buitenlandse zaken, de heer Steinmeier, die op dat moment fungerend voorzitter van de Raad was, hebben we vooruitgang geboekt bij de besprekingen met de Libische autoriteiten en met de vertegenwoordigers van de families van de kinderen. Op basis van menselijke solidariteit lijken we nu dichter bij een oplossing te komen.

De families en de regering waren zeer constructief en we hebben bevestigd dat we bereid zijn te overwegen om het actieplan voor Benghazi omwille van de kinderen en, met name, omwille van het Benghazi Centrum voor Infectueuze Ziekten en Immunologie voort te zetten.

De uitspraak van het Hooggerechtshof wordt morgen, op 11 juli, verwacht, maar daar blijft het niet bij want er zijn verdere stappen voor de Libische Hoge Rechterlijke Raad in voorbereiding.

We staan in nauw contact met de Libische autoriteiten en we hopen natuurlijk op een goede afloop van de zaak, maar we zijn er nog niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Евгени Кирилов (PSE). – Г-жо комисар, благодаря на Вас и на немското председателство за огромните усилия, които положихте.

Вие, г-жо комисар, характеризирате тези преговори като деликатни. Обикновено често казвате така. Всъщност търпение и деликатност проявява Европейската комисия. Либийският режим, който не иска да търси истинската причина за СПИН-епидемията до този момент, не проявява деликатност и си е намерил за тази цел дългосрочни заложници. Той драстично нарушава човешките права на европейски граждани вече 8 години и развива удобната му теза за независимото либийско правосъдие. А то е толкова независимо, колкото например са либийските медии, които за този период не посмяха нито един път да представят другата гледна точка, за разлика от българските и европейските медии.

Попитах Ви за политическата оценка, защото този процес е политически. Логично е за утрешното заседание на съда в Либия и неговото решение, както и за всички решения до сега, либийските власти да носят отговорност. Бих желал да Ви попитам: „Имате ли алтернативен план за действие (председателят се опитва да го прекъсне.), ако Либия продължи да използва преговорите за удължаването на агонията на медицинските сестри и палестинския лекар?“

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. - (EN) Ik kan voor het eerst zeggen dat ik hoop heb op een positieve wending. Maar, zoals ik al zei, we zijn er nog niet. We hebben geen behoefte aan een plan B omdat we de benadering willen blijven volgen die we tot nu toe gevolgd hebben: de Bulgaarse verpleegsters en de Palestijnse arts vrij krijgen.

De komende dagen zullen van cruciaal belang zijn. We zullen zeer alert zijn. We hebben de Libische autoriteiten een plan voor de middellange termijn aangeboden om toe te werken naar een Benghazi Centrum dat niet alleen een functie heeft als centrum voor de stad maar ook als regionaal centrum en centrum voor de behandeling van hiv/aids voor dat deel van sub-Sahara Afrika.

Laten we samen hopen op en werken aan een goede oplossing.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE). - (EN) Dit is echt een schandelijke kwestie. Mijn collega, David Martin, was een van de eersten die deze kwestie in het vorige Parlement, vóór 2004, aan de orde stelde. Toch zijn we niets opgeschoten. De Libische regering moet inzien dat de betrekkingen tussen de EU en Libië door deze kwestie ernstig in gevaar komen, wat heel erg jammer is omdat Libië net op de goede weg was. Ik juich uw voorstel voor het Benghazi Centrum toe. Ik hoop dat morgen het juiste besluit wordt genomen. Zo niet, dan hoop ik dat de Hoge Rechterlijke Raad wel het juiste besluit neemt. Ik begrijp dat u nu geen plan B wilt, maar als deze laatste twee kansen op een goed besluit verkeken zijn, komt u hier dan weer terug met verdere voorstellen voor maatregelen?

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. (EN) Ik wil graag nogmaals vermelden dat de Libische overheid ook steeds meer begint in te zien dat zij graag een goede relatie met de Europese Unie zou hebben. Ik denk dat de Libiërs hebben begrepen hoe belangrijk het is om een einde te maken aan hun isolatie en dat deze situatie hiervoor nog altijd een hindernis vormt.

Morgen zal het Hooggerechtshof waarschijnlijk zijn vonnis uitspreken, maar wij weten ook, en ik denk dat het van belang is om dit te benadrukken, dat dit niet het einde van de rit zal zijn. Er is altijd nog de politieke beslissing van de Hoge Rechterlijke Raad.

Als er geen oplossing wordt gevonden, zullen wij hier zeker op terugkomen en zullen we moeten bekijken wat er moet worden ondernomen. Zoals ik echter al eerder heb gezegd, ben ik deze keer voorzichtig optimistisch. Laten we hoop blijven houden, laten we niet alleen duimen, maar ook zoveel mogelijk samenwerken. Dat zullen we tot aan de laatste minuut blijven doen, dat kan ik u verzekeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE). – (PL) Mevrouw de commissaris, laat ons alstublieft proberen een situatie te vermijden waarin de Europese Unie, naar het voorbeeld van de Verenigde Staten, losgeld zal moeten betalen. Ik denk hierbij aan het losgeld dat kolonel Gadaffi onlangs heeft gevraagd in ruil voor de vrijlating van de verpleegsters en de arts. Gadaffi eiste een buitensporig hoog bedrag als voorwaarde om de slachtoffers te bevrijden. We mogen dit in geen geval toelaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. (EN) Ik wil niet ingaan op de details van wat wij bespreken met de Libische overheid. Ik kan u echter wel verzekeren dat er geen losgeld zal worden betaald. Onze enige strategie is vanaf het begin geweest om te zeggen dat er solidariteit is met het Libische volk, en met name met de kinderen die zijn besmet. Er is ook solidariteit met hun families. Ook zijn wij van mening dat er soms een mogelijkheid is om een risico of een moeilijke situatie om te zetten in een kans. De kans zou in dit geval kunnen zijn dat dit Benghazi Centrum niet alleen een centrum zou kunnen worden voor de behandeling van die kinderen en hun families, maar in de toekomst ook een kenniscentrum voor de regio, en misschien zelfs voor een deel van sub-Sahara Afrika. Ik kan u er absoluut van verzekeren dat er geen losgeld wordt betaald.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 35 van Georgios Papastamkos (H-0453/07):

Betreft: Kernenergie in het gebied van de Balkan

Welke plannen zijn er bij de Commissie ingediend voor de bouw van nieuwe kernenergiecentrales in de lidstaten op het Balkanschiereiland en in het algemeen in de lidstaten in Zuid-Oost-Europa? Hoe komt, met de geleidelijke sluiting van de centrales in Kozloduy en de gelijktijdige bouw van een centrale in Belene, de energiekaart van het gebied eruit te zien? Vindt de Commissie dat kernenergie een juiste en positieve strategische keuze voor de landen in dit gebied is voor het dekken van hun energiebehoeften (gezien ook de waarschuwingen die worden geformuleerd in verband met het “rijke” aardbevingsverleden van het gebied)?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Met betrekking tot de regio in kwestie is er één melding van de bouw van een nieuwe kernenergiecentrale en één verbintenis tot sluiting. Op 27 februari van dit jaar bracht het Natsionalna Elektricheska Kompania (Nationaal Elektriciteitsbedrijf) de Commissie op grond van artikel 41 van Euratom op de hoogte van zijn investeringsproject. De melding betreft de bouw van een nieuwe derde-generatie VVER-1000 kernenergiecentrale in Belene (Bulgarije).

De sluiting van de eenheden 3 en 4 van de kernenergiecentrale in Kozloduy, als integraal onderdeel van het Bulgaarse Toetredingsverdrag tot de Europese Unie, vindt eveneens plaats. In haar rol van hoedster van de Verdragen zal de Commissie toezien op een correcte implementatie van de relevante bepalingen van dit Verdrag. De sluiting van deze eenheden zou niet moeten leiden tot ernstige problemen op het gebied van energielevering. De hulp van de Gemeenschap bij de ontmanteling heeft, op basis van het Toetredingsverdrag, ook betrekking op maatregelen die voortvloeien uit de sluiting van de reactoren wat betreft de vervangende capaciteit, de energie-efficiëntie en de voorziening.

Daarnaast zijn naar de mening van zowel de Commissie als de Wereldbank nieuwe investeringen in de grondlast nodig voor de gehele regio. Er zijn momenteel echter geen specifieke structurele opwekkingsproblemen.

De Commissie heeft constant benadrukt dat alle lidstaten zelf moeten beslissen of zij voor de opwekking van elektriciteit willen vertrouwen op kernenergie. Mochten lidstaten beslissen dat zij willen investeren in nieuwe opwekking van kernenergie, dan zal de Commissie alles wat in haar macht ligt inzetten om ervoor te zorgen dat nieuwe investeringsprojecten voldoen aan de hoogste normen op het gebied van veiligheid, beveiliging en non-proliferatie, zoals vereist krachtens het Euratom-Verdrag.

Wat betreft de seismische kwestie is Bulgarije, krachtens artikel 37 van Euratom, verplicht om algemene gegevens aan de Commissie te verstrekken met betrekking tot het plan voor de verwijdering van radioactieve afvalstoffen. Dit geldt ook voor de nieuwe kernenergiecentrale in Belene. Deze gegevens moeten worden verstrekt minstens zes maanden voordat er een vergunning voor de lozing van radioactief afvalwater wordt verleend door de bevoegde Bulgaarse instanties. Op basis van deze gegevens en na raadpleging van de deskundigengroep van artikel 31, zal de Commissie haar mening geven. De deskundigengroep zal controleren of de implementatie van het plan, zowel bij normale werking als in geval van een ongeval, mogelijk zal resulteren in radioactieve besmetting van het water, de bodem of het luchtruim van een andere lidstaat. Aangezien de controle van de Commissie ook betrekking heeft op ongevalscenario's, moeten de algemene gegevens die de lidstaten verstrekken ook informatie bevatten over de mate van seismische activiteit in de regio, over waarschijnlijke maximale seismische activiteit en over de seismische weerstand in het ontwerp van de kerninstallatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE). - (EL) Ik dank de commissaris voor zijn antwoord.

Mijnheer de Voorzitter, er zijn twintig jaar verstreken sinds de ramp in Tsjernobyl en het aantal mensen dat een daarmee direct of indirect samenhangende, langzame dood sterft, kan niet berekend worden. Zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie of de Commissie is niet in staat geloofwaardige gegevens te verschaffen over deze tragedie.

Recentelijk is in Zwitserland een studie verschenen onder de codenaam Pegasos, waarin een band wordt gelegd tussen het gevaar van aardbevingen en kernenergie. Deze studie is verschenen in de krant Neue Zürcher Zeitung.

Heeft de Commissie gegevens over de waarschijnlijkheid van aardbevingen? Op dergelijke gegevens wachten wij, en niet op het antwoord dat elke lidstaat vrij is in zijn keuze om al dan niet kernenergie te gebruiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Volgens het Euratom-Verdrag moeten wij een mening geven. Wij zullen absoluut alle benodigde gegevens verlangen van de bedrijven die de kernreactor willen bouwen en naar onze mening zullen wij de gehele kwestie zorgvuldig overwegen op basis van de informatie die wij ontvangen van de overheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE).(DE) Mijnheer de commissaris, er liggen nog steeds twee richtlijnen over de verwijdering op de tafel van de Raad. Ik denk dat we deze richtlijnen, die de Commissie had voorgesteld, en die het Parlement met nadruk had gesteund, nu eindelijk verder moeten bespreken. Denkt u dat er een kans is dat de liberalisering van de energiemarkt er ook toe leidt dat de normen voor de verwijdering en voor de ontmanteling worden geharmoniseerd?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Helaas zie ik het verband niet tussen liberalisering en de manier waarop dit van invloed zou zijn op de positie van een lidstaat. Een veel sterker beïnvloedingsinstrument is de groep op hoog niveau voor de behandeling van veiligheid en kernafval, omdat dit de manier is om verder te gaan en om alle lidstaten bijeen te krijgen (zowel de staten mét als de staten zonder kernenergie), en om echt vooruitgang te boeken met deze kwesties. De liberalisering van de markt heeft geen enkel effect, omdat kernenergie deel uitmaakt van de nationale energiemix en elk land hierover eigen beslissingen wil kunnen nemen.

Dit is een zeer gevoelig politiek onderwerp en daarom denk ik dat liberalisering van de markt geen invloed zal hebben op dit type beslissing. Landen die normaal gesproken tegen het gebruik van kernenergie zijn, zullen niet van gedachten veranderen. De landen die kernenergie gebruiken, zullen dat blijven doen. Daarom ben ik van mening dat de beste manier om de richtlijn te bevorderen, is om te werken in een groep op hoog niveau van alle 27 lidstaten en op deze manier een bredere consensus te bereiken voor het vaststellen van hogere nucleaire veiligheidsnormen en een betere behandeling van kernafval.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). – (LT) Ik wil vragen of het mogelijk is een dimensie voor de Zwarte Zee in het leven te roepen. We hebben een noordelijke dimensie, waarin Rusland met succes is opgenomen en waarbinnen afspraken worden nagekomen (hoewel door Rusland niet altijd). Zou het mogelijk zijn om sommige elementen te ontlenen aan de noordelijke dimensie om een Zwarte Zeedimensie te creëren en daarmee een algemeen standpunt in te nemen voor alle kwesties?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) De belangrijkste reden voor sluiting was twijfel over de veiligheidsniveaus. De sluiting is uitgebreid besproken gedurende de gehele pretoetredingsstrategie en de Bulgaarse overheid heeft een beslissing genomen op basis van de veiligheidsevaluatie. De sluiting heeft niets te maken met de voorziening of een gebrek hieraan, maar met de veiligheid. Daarom denk ik dat we hierover geen enkel compromis kunnen sluiten. Als het nu om een andere reden ging, zoals een energieoverschot, was het een ander verhaal. Dit is echter niet het geval, het ging enkel om veiligheidsredenen, die door de Bulgaarse overheid werden erkend bij de ondertekening van het Verdrag. Bovendien is dit Verdrag in alle lidstaten geratificeerd, wat betekent dat de regeringen die het hebben ondertekend niet alleen een verplichting op zich hebben genomen, maar dat deze verplichting door de burgers van alle lidstaten is onderschreven. Naar mijn mening zijn er nu geen nieuwe gegevens waardoor wij kunnen terugkomen op deze beslissing.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 36 van Dimitrios Papadimoulis (H-0474/07):

Betreft: Het aanhouden van brandstofvoorraden in Griekenland

Na bestudering van de markt voor aardolieproducten heeft de Griekse mededingingsautoriteit een voorstel gedaan voor een pakket maatregelen (besluit nr. 334/V/2007). Daarin gaat het met name om het aanhouden van voorraden. Reeds tijdens het raadplegingsproces had de mededingingsautoriteit aangegeven problemen te hebben met de bestaande regeling inzake het aanhouden van voorraden: "Het bestaande wettelijke kader voor het aanhouden van veiligheidsvoorraden werpt in feite belemmeringen voor de import van aardolieproducten op en beperkt de concurrentie op het niveau van de raffinage tussen de twee enige Griekse raffinaderijen. Dit is het geval omdat zij niet met de (lagere) prijzen van geïmporteerde producten worden geconfronteerd. Het gevolg is dat deze twee Griekse raffinaderijen de handelsondernemingen in Griekenland hogere prijzen in rekening brengen dan die welke in de andere lidstaten van de EU gebruikelijk zijn, hoewel zij zelf weinig betalen voor ruwe olie".

Heeft de Griekse regering de voorstellen van de Griekse mededingingsautoriteit overgenomen? Wat is het standpunt van de Commissie ten aanzien van de bestaande regeling voor het aanhouden van voorraden en de voorgestelde oplossingen? Gaat de Commissie er bij de Griekse regering op aandringen de hierboven genoemde en andere desbetreffende voorstellen voor het vergroten van de concurrentie uit te voeren?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) De bestaande EU-wetgeving laat het aan de lidstaten over om te beslissen over het systeem voor het aanhouden van voorraden. De EU-wetgeving legt bepaalde verplichtingen op aangaande de voorraadniveaus. De wetgeving schrijft wel vereisten voor aangaande interne regelingen om die voorraden gescheiden te houden van enkele algemene voorwaarden die van toepassing zijn op voorraadregelingen, zoals de principes van billijkheid, non-discriminatie en transparantie.

Op basis van de informatie die de Griekse overheid heeft verstrekt is de Europese Commissie voorlopig van mening dat er geen bewijs is dat een inbreukprocedure met betrekking tot de getroffen voorraadregelingen in verband met de richtlijn rechtvaardigt.

Rekening houdend met het bovengenoemde zal de Commissie het voorraadniveau in Griekenland regelmatig blijven controleren om er zeker van te zijn dat de niveaus in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving. Tegelijkertijd wil de Europese Commissie er graag op wijzen dat het Europees Hof van Justitie in 2001 oordeelde dat een Griekse voorraadregeling, die niet viel onder de bovengenoemde richtlijn, een schending vormde van artikel 28 van het EG-verdrag inzake vrij verkeer van goederen. Deze zaak werd gesloten nadat de Commissie had vernomen dat de Griekse overheid zich hield aan het oordeel van het Hof van Justitie.

Als er echter sprake is van nieuwe elementen die zouden bijdragen aan een schending van artikel 28, zoals het uitsluiten of verbieden van geïmporteerde goederen, zou de Europese Commissie deze nieuwe gedetailleerde informatie graag nader bestuderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL). - (EL) Mijnheer de commissaris, de nieuwe gegevens worden gevormd door de voorstellen van de Griekse mededingingsraad. Deze heeft gezegd dat de huidige, bij wet voorgeschreven hoge voorraadniveaus in de praktijk een verbod betekenen op invoer van eindproducten en oligopolistische situaties in de hand werken, waarin twee aardolieraffinaderijen in Griekenland de scepter zwaaien.

De kale brandstofprijzen (zonder belasting) in Griekenland behoren tot de hoogste in de Europese Unie.

De vraag luidt: zult u stappen ondernemen bij de Griekse autoriteiten om ervoor te zorgen dat hetgeen de Griekse mededingingsraad voorstelt ook wordt toegepast? Of speelt u liever voor Pontius Pilatus?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) De Commissie voert haar verplichtingen op zeer verantwoorde wijze uit en wij houden werkelijk toezicht op het voorraadniveau en de regeling. In deze fase beschikken wij niet over bewijs dat Griekenland de voorraadwetgeving schendt. Als wij nieuwe informatie ontvangen dat Griekenland die wetgeving wél schendt, zullen wij onmiddellijk een inbreukprocedure starten. Tegelijkertijd zou het verkeerd zijn om voorraden gelijk te stellen aan hogere prijzen, omdat voorraden een zeer minimale invloed hebben op het prijsniveau van aardolieproducten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 37 van Justas Vincas Paleckis (H-0480/07):

Betreft: Pijpleiding "Druschba"

In juli 2006 heeft Rusland de aanvoer van aardolie naar Litouwen en Letland via de pijpleiding "Druschba" onderbroken. Al bijna een jaar wordt er gewacht op informatie van officiële zijde over de redenen voor de stopzetting en de plannen voor een hervatting van de leveranties. Rusland stelt dat dit te wijten is aan het nog lopende economische en technische onderzoek naar de reparatie van de betrokken pijpleiding, op basis waarvan kan worden beoordeeld of het voor Rusland rendabel is de pijpleiding te herstellen. Zo niet, zou er een nieuwe olieleiding moeten worden gebouwd, die van Unetscha via Welikije Luki naar Primorsk zou lopen. Volgens deskundigen heeft de Russische regering het politiek gemotiveerde besluit om de "Druschba"-pijpleiding op te geven, reeds getroffen, aangezien de nieuwe pijpleiding Rusland de mogelijkheid zou bieden om de olie niet meer via Wit-Rusland en Polen te transporteren, maar in plaats daarvan vanaf de Oostzeehaven Primorsk via de zee naar de Europese Unie te brengen. Dit zou haaks staan op de strategie van de EU om ter voorkoming van milieubederf minder olie via de zee te vervoeren. Tevens zou dit aanzienlijke gevolgen hebben voor de aardolievoorziening van acht landen, waarvan er zes, namelijk Litouwen, Polen, Hongarije, Slowakije, Tsjechië en Duitsland, tot de EU behoren.

In maart hebben de staatshoofden en regeringsleiders van de EU verklaard dat het doel van het energiebeleid erin bestaat de voorziening van de lidstaten met energiebronnen veilig te stellen en de daarvoor benodigde infrastructuur te diversifiëren. De stillegging van de pijpleiding "Druschba" zou betekenen dat dit EU-beleid zonder meer schipbreuk heeft geleden. Welke concrete maatregelen denkt de Commissie in deze situatie te nemen? Hoe luiden de prognoses en aanbevelingen van het netwerk van correspondenten inzake energiezekerheid (Nesco) ter zake?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Sinds het begin van de onderbreking van de olieaanvoer via de Druschba-pijpleiding heeft de Europese Commissie Rusland gevraagd om transparantie en informatie te geven over beoogde stappen om de situatie te verhelpen. Om deze transparantie is herhaaldelijk gevraagd, zowel schriftelijk als tijdens diverse bilaterale bijeenkomsten tot het hoogste niveau, inclusief de laatste Europees-Russische Top in mei van dit jaar. De Commissie heeft nota genomen van het voornemen van de Russische regering van 21 mei 2007 om door te gaan met de voorbereidingen voor de bouw van een pijpleiding van Unetscha naar het eindpunt Primorsk aan de Baltische Zee, een ontwikkeling die naar alle waarschijnlijkheid zou kunnen leiden tot verminderde leveranties via the Druschba-pijpleiding.

De mogelijkheid van een verdere toename van de olie-export via Primorsk benadrukt het belang van een krachtig wetgevend kader voor maritieme veiligheid en milieurisico's met betrekking tot het tankerverkeer, plus een effectieve implementatie van dat kader. De Baltische Zee is een bijzonder aandachtspunt, met het ontstaan van verkeerslijnen en de controle van tankerverkeer via één punt door het Europees Agentschap voor Maritieme Veiligheid, EMSA. In de transportdialoog is afgesproken dat maritieme veiligheid een van de belangrijkste onderwerpen is.

De Commissie is van mening dat het transport van olie via pijplijnen de voorkeur verdient boven tankertransport wanneer er risico's bestaan voor de maritieme veiligheid of het milieu. Met dergelijke risico's moet rekening worden gehouden door investeerders en ontwikkelaars. In maart 2007 keurde de Europese Raad een energiebeleid voor Europa goed, met daarin een kostbaar actieplan waarin de strategie wordt uitgewerkt. Deze strategie moet in zijn geheel worden beoordeeld. Voorzieningszekerheid dient te worden bereikt door vooruitgang op diverse gebieden van het actieplan, met name de oprichting en het functioneren van de interne energiemarkt en een solidariteitsregeling tussen de lidstaten binnen de markt. Hieronder valt ook energiediversificatie, waarbij inspanningen worden geleverd wat betreft energie-efficiëntie, en als laatste, maar daarom niet minder belangrijk, het werken aan één krachtige stem in de externe betrekkingen op energiegebied.

Het netwerk van correspondenten inzake energiezekerheid dat in mei in het leven werd geroepen is nog maar net begonnen met de voorbereidingen van zijn werkzaamheden, maar zal in de toekomst een zeer goed instrument worden voor de beoordeling van externe aanvoerrisico's

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). (EN) Dank u, commissaris, voor uw uitgebreide antwoord. In Litouwen waarderen de mensen en de overheid de inspanningen van de Commissie oprecht, maar desondanks functioneert de Druschba-pijpleiding nog steeds niet. Ik vrees dat de Russische zijde niet bereid is om mee te werken. Wat is de rol van het netwerk van correspondenten inzake energiezekerheid in dit hele verhaal?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Wat betreft de Druschba-pijpleiding is er geen ander instrument dat deze vraag op de agenda blijft houden. Nesco kan echt geen hulp bieden: de rol van dit netwerk is de onderbreking van aanvoer te voorkomen of ondervangen, en daarom kan het niet de benodigde informatie verstrekken.

We vragen niet te veel. We hebben duidelijke gegevens en toezeggingen nodig. Gaat Rusland de pijpleiding gebruiken? Zo ja, wanneer gaat dit dan naar verwachting gebeuren? We vragen niet om geheime gegevens. We stellen gewoon normale vragen die goede buren aan elkaar zouden moeten kunnen stellen, omdat deze geen betrekking hebben op de voorzieningszekerheid. We zeggen dat het een goed idee is om de pijpleiding te gebruiken omdat hiermee opstoppingen op zee worden tegengegaan en de risico's voor het milieu worden beperkt.

We hopen allemaal dat de pijpleiding zo snel mogelijk weer in gebruik wordt genomen en indien nodig zouden we bereid zijn om hiervoor alle noodzakelijke hulp te bieden. Nesco speelt hierin daarom een zeer beperkte rol, omdat dit een instrument is voor het wegnemen van aanvoerrisico's.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE).(DE) Mijnheer de commissaris, we hebben voor de verschillende pijpleidingen coördinatoren benoemd. Denkt u dat het een goed idee zou zijn om dat ook voor het Druschba-tracé te doen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andris Piebalgs, lid van de Commissie. (EN) Voor olie hebben we tot dusver nog geen trans-Europese energienetwerken gehad. Ik zou zeggen dat het de hoogste tijd is om dit opnieuw te overwegen, omdat we de aanvoerrisico's voor olie hebben onderschat. We moeten olie dus terugbrengen in ons energiedebat in dit Huis, evenals in de Raad en in de Commissie.

Wij bereiden momenteel een onderzoek voor waarin alle risico's van olieaanvoer worden geëvalueerd, vanuit welke delen van de wereld we de olie aangeleverd krijgen, welke rol opstoppingen spelen, waar de risico's vandaan komen, enzovoorts. Ik ben van mening dat we in een bepaald stadium moeten overschakelen op de bevordering van specifieke projecten. Een zeer voor de hand liggend olieproject waarvoor wij de ontwikkeling willen stimuleren is het omkeren van de stroomrichting in de pijplijn Odessa-Brody-Płock-Gdańsk, omdat deze olie van de volledig verstopte Zwarte Zee regio op de markten van die regio brengt. Dit is een project dat ik nu al kan noemen waarbij ik me de noodzaak van een dergelijke coördinator kan voorstellen, maar het juridische kader is momenteel nog niet van toepassing op olie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aangezien de voor het vragenuur gereserveerde tijd verstreken is, zullen de overige vragen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.10 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: MARIO MAURO
Ondervoorzitter

 
  

(1) PB L 136 van 30.4.2004, blz. 34.


17. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen

18. Tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0219/2007) van Michael Cramer, namens de Commissie vervoer en toerisme, over de tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket [2006/2213(INI)]

 
  
MPphoto
 
 

  Michael Cramer (Verts/ALE), rapporteur. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, allereerst wil ik de schaduwrapporteurs hartelijk danken voor de samenwerking met betrekking tot het eerste spoorwegpakket.

Algemeen gesproken kan het eerste spoorwegpakket worden aangemerkt als een doorslaand succes. De openstelling van de netwerken in Europa voor het goederenvervoer per spoor is waardevol gebleken. Vooral de landen die zich hierop in een vroeg stadium hadden voorbereid, en niet hadden afgewacht tot de netwerken werden opengesteld, hebben het goed gedaan. Zo wist Duitsland bijvoorbeeld een toename van het goederenvervoer per spoor met 25 procent te verwezenlijken, en Nederland wist na de openstelling van de netwerken een toename met 42,5 procent te realiseren. Het Verenigd Koninkrijk en Polen wisten het goederenvervoer per spoor te laten groeien met 60 procent - hoewel dat in het geval van het Verenigd Koninkrijk op een laag niveau is. Dit alles komt het milieu en het vervoer in Europa ten goede.

De landen die zich niet hadden voorbereid en tot het laatste moment hadden gewacht, hebben minder goed gepresteerd. Frankrijk bijvoorbeeld, dat pas begin van dit jaar zijn goederenvervoersnetwerk heeft opengesteld, zag het goederenvervoer per spoor in dezelfde periode met 28 procent dalen. Het goederenvervoer over de weg is toegenomen, en dat strookt niet bepaald met het heersende klimaatbeleid.

In mijn verslag ga ik ook in op het feit dat de modal split hetzelfde is gebleven, wat natuurlijk ook te wijten is aan het ontbreken van eerlijke raamvoorwaarden tussen de verschillende vervoersmodaliteiten. Onze raamvoorwaarden zijn buitengewoon oneerlijk. We zouden ook kunnen zeggen dat het vervoer in Europa te goedkoop is, en dat alleen het milieuvriendelijke vervoer per spoor te duur is.

We hebben ook een oneerlijke subsidiepraktijk: ongeveer 95 procent van de totale EU-cofinanciering in de vervoerssector gaat naar het wegvervoer en niet naar het vervoer per spoor, zoals dat altijd wordt geëist in mooie toespraken. Daarom kon tot mijn opluchting in de commissie worden afgesproken dat voortaan 40 procent van de uitgaven voor het vervoer ten goede moet komen van het spoorwegvervoer. Het is onaanvaardbaar dat onze inspanningen worden tenietgedaan door een gebrekkige financieringspraktijk.

De oneerlijke raamvoorwaarden komen onder andere ook tot uiting in het feit dat de EU een naar boven toe onbegrensd, verplicht tolgeld voorschrijft voor alle treinen op alle trajecten, terwijl het tolgeld voor het wegvervoer wel begrensd en vrijwillig is - de lidstaten kunnen zelf bepalen of zij al dan niet tot heffing overgaan - en slechts wordt geheven op snelwegen en voor vrachtwagens vanaf 12 ton. Dit is oneerlijke concurrentie, en dat moet veranderen om het spoorwegvervoer een kans te geven.

Sommige nieuwe lidstaten heffen bijvoorbeeld buitengewoon hoge tolgelden op vrachtvervoersdiensten per spoor. De acht hoogste tarieven voor het gebruik van het spoorwegnet worden geheven in de nieuwe lidstaten. Tegelijkertijd worden deze hoge tolgelden aangewend om het personenvervoer te subsidiëren, dat nauwelijks of geen staatssubsidies ontvangt, terwijl op het goederenvervoer over de weg geen tolgelden worden geheven. Op die manier wordt het vervoer van het spoor naar de weg verlegd - het exacte tegendeel van wat de bevoegde commissaris en de EU altijd beweren te willen doen.

Wij willen eerlijke concurrentie. Deze eerlijke concurrentie is echter nog niet volledig gerealiseerd, want juist de spoorwegondernemingen die niet op een langdurige traditie van staatseigendom kunnen terugblikken, voelen zich keer op keer gehinderd in Europa. Ze hebben bijvoorbeeld klachten ingediend over het feit dat er geen toegang tot het spoorwegnet of een gunstig traject werd verkregen, aangezien een van beide reeds was toegewezen aan de bedrijfseigen vervoersdienst; dat niet tegemoetgekomen kon worden aan hun wensen aangezien wissels waren verwijderd en/of inhaalsporen waren gedemonteerd; dat zonder enige reden snelheidsbeperkingen werden ingesteld om de nieuwe goederenvervoersondernemingen tegen te werken; dat de tarieven op trajecten drastisch werden verhoogd nadat een voormalige staatsspoorwegonderneming aan een andere onderneming was verkocht; dat kruissubsidiëring tussen ondernemingen van een holding niet wordt tegengegaan; dat particuliere spoorwegondernemingen vaak hogere energieprijzen moeten betalen dan bedrijfseigen dochters.

U ziet wel: ondanks ons succes blijft er nog veel te doen. Want al met al is de modal split tussen weg- en spoorwegvervoer in Europa niet verbeterd, maar zelfs verslechterd. Maar één ding is zeker: het eerste spoorwegpakket heeft de dalende lijn gestopt. Om de weg naar boven te vinden, dienen er nu eerlijke raamvoorwaarden te komen voor het spoorwegvervoer in Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren afgevaardigden, het verheugt mij dat het Europees Parlement het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket van 3 mei 2006 in behandeling heeft genomen, en ik wil in het bijzonder de auteur van het verslag, de heer Cramer, bedanken voor zijn bijzonder serieuze en degelijke werk.

De uitdaging waar het Europese spoorwegbeleid ons voor stelt, is dat er een regelgevingskader moet worden ingevoerd waarmee nieuwe investeringen en het aanbieden van concurrerende vervoersdiensten in een gemeenschappelijke spoorwegruimte kunnen worden aangemoedigd. Om deze gemeenschappelijke spoorwegruimte tot stand te brengen is het noodzakelijk dat de communautaire bepalingen volledig en correct worden omgezet. In haar verslag 2006 heeft de Commissie de voorwaarden vastgesteld waaraan moet worden voldaan om aan deze uitdaging het hoofd te kunnen bieden. Ik zal de belangrijkste hier nog eens noemen.

Ten eerste moet de herstructurering van de traditionele spoorwegmaatschappijen worden afgerond. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de voorwaarden voor een boekhoudkundige scheiding en voor een scheiding van de essentiële functies, zoals de toekenning van capaciteit en de infrastructuurheffing. Ten tweede moet bij de beginselen die ten grondslag liggen aan de infrastructuurheffing op spoorwegen, rekening worden gehouden met de heffingen voor andere vervoersmodaliteiten. Dit moet passen in het kader van een algemene strategie met het oog op een billijke concurrentie tussen de vervoersmodaliteiten, en dus op duurzame ontwikkeling. Ten derde vereist een goede werking van de controle- en veiligheidsinstanties dat deze de beschikking krijgen over de benodigde personele en financiële middelen. Deze instanties moeten daadwerkelijk onafhankelijk zijn.

Het Europees Parlement neemt de door de Commissie vastgestelde prioritaire acties grotendeels over. Bij deze prioritaire acties staan de voorwaarden voor intermodale en intramodale concurrentie voorop, evenals de regels inzake de scheiding van infrastructuur en exploitatie.

Wat de voorwaarden voor intermodale concurrentie betreft, wil de Commissie een concurrerend regelgevingskader opstellen dat fair en evenwichtig is. Mijnheer Cramer, u hebt het in uw verslag over een eerlijkere concurrentie tussen de vervoersmodaliteiten, met name door de externe kosten van het wegvervoer te internaliseren. Toen de Eurovignet-richtlijn werd aangenomen, heb ik beloofd dat ik in juni 2008 een methode voor de internalisering van de externe kosten zou voorleggen, en deze belofte zal ik ook nakomen!

Wat de voorwaarden voor intramodale concurrentie betreft, steun ik uw standpunt om op korte termijn het Europees signaleringssysteem voor spoorwegen ERTMS/ETCS in te voeren en voor lawaaireductie van wagons te zorgen. Met betrekking tot dit laatste punt, namelijk geluidsoverlast, zal ik een mededeling van de Commissie presenteren over de maatregelen die moeten worden genomen.

Wij zijn het ook met elkaar eens wat betreft de infrastructuren. Hieraan moet prioriteit worden gegeven om goede prestaties van het goederenvervoer per spoor te kunnen bevorderen. In oktober zal ik de Commissie een mededeling voorleggen over een spoorwegnet dat gericht is op het goederenvervoer in Europa. In dit document zal een actieplan worden gepresenteerd waarin de voornaamste suggesties uit uw ontwerpresolutie zullen zijn overgenomen.

Verder ben ik het er volkomen mee eens dat de essentiële functies strikt neutraal moeten zijn om het beleid inzake de openstelling van de markten en de versterking van de concurrentie te doen welslagen. In uw verslag wordt beschreven welke positieve gevolgen deze openstelling heeft gehad voor het prestatievermogen van het goederenvervoer per spoor in de landen die hun markten als eersten hebben opengesteld.

Tot slot wil ik u er nog eens op wijzen dat de Commissie van plan is alles te doen wat in haar vermogen ligt om ervoor te zorgen dat de lidstaten de bepalingen uit de spoorwegpakketten daadwerkelijk ten uitvoer leggen. Zo nodig zullen wij inbreukprocedures inleiden. Een Europese markt kan uitsluitend tot stand worden gebracht als er sprake is van een coherent regelgevingskader voor het gehele Europese grondgebied. Niet-discriminatoire toegang tot secundaire diensten in het spoorwegvervoer, bijvoorbeeld op de rangeerstations, is van essentieel belang voor het goed functioneren van de spoorwegmarkt. Mijn diensten beoordelen tevens wat de mogelijkheden zijn om de wetgeving van het eerste spoorwegpakket op dit punt te herschikken, hetgeen ertoe zal leiden dat wij volgend jaar de Europese wetgeving voor het spoorwegvervoer gaan herschikken.

Dit is wat ik de heer Cramer wilde antwoorden, die ik nogmaals bedank. Uiteraard wil ik hem bevestigen dat de Commissie en ik persoonlijk, als commissaris, daadwerkelijk van plan zijn alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat de modal shift ten gunste van het spoorwegvervoer de komende jaren zo veel mogelijk wordt gerealiseerd.

Mijnheer de Voorzitter, dan ga ik nu met grote aandacht naar de afgevaardigden luisteren, zodat ik hun aan het eind van dit debat mijn reactie kan geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Jeggle, namens de PPE-DE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, mijnheer Cramer, u weet al dat uw verslag door mij niet op alle punten met enthousiasme is ontvangen, maar daarover hoeven wij het vandaag niet te hebben. Het ontbreekt het verslag aan evenwichtigheid en praktische relevantie.

Er zijn bijvoorbeeld veel regelingen in opgenomen die inhoudelijk gezien niets met de tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket hebben uit te staan. Om die reden hebben wij - onze coördinator, de heer Jarzembowski, en ikzelf - twintig amendementen ingediend, waarvan er elf het schrappen van hele alinea’s als oogmerk hebben. Ik was tevreden met de uitkomst van de stemming in de Commissie vervoer en toerisme.

De belangrijkste punten zijn in de eerste plaats de oproep aan de Commissie om onverwijld stappen te ondernemen tegen de lidstaten die het eerste en het tweede spoorwegpakket niet binnen de gestelde termijn in nationaal recht hebben omgezet. In de tweede plaats achten wij het van belang dat, met betrekking tot de financiering van de verdere ontwikkeling van het Europese goederenvervoersnetwerk, de Commissie met name steun verleent aan de dertig prioritaire trans-Europese netwerken. Helaas slaagden we er niet in om het hoofdstuk “Regelgeving inzake de scheiding van het infrastructuurbeheer en de vervoersdienst” volledig geschrapt te krijgen. Ik wijs een beperking van de keuze tussen de verschillende organisatiemodellen strikt van de hand. We hebben goed onderbouwde inzichten nodig. We moeten weten welke voor- en nadelen een dergelijke scheiding met zich meebrengt. Er is nu nog steeds flexibiliteit nodig voor de spoorwegondernemingen. Daarom hebben we om een stemming in onderdelen verzocht

Ik zou nog graag kort iets zeggen over de problematiek van de zeer lange trucks met een gewicht van in totaal 60 ton, ofwel de LZV’s. Wij kunnen morgen bij de stemming over dit verslag - dat per slot van rekening over het spoorwegpakket gaat - het amendement van de heer Cramer niet steunen. Ik ben het er volledig mee eens dat goederen per spoor dienen te worden vervoerd, en daarom lijkt mijn standpunt misschien een beetje tegenstrijdig, maar een amendement over het onderwerp LZV heeft niets te zoeken in dit verslag. Dit zullen wij bespreken in het kader van het verslag-Ayala Sender, en dan zal er ook tijd zijn voor dit debat.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Navarro, namens de PSE-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, nu wij de balans opmaken van het eerste spoorwegpakket, moeten wij constateren dat wij onze doelstellingen nog bij lange na niet hebben gehaald. Ondanks de vooruitgang die is geboekt - met name het feit dat een ogenschijnlijk onvermijdelijke achteruitgang tot staan is gebracht - blijft het aandeel van het spoor in het vervoer nog te beperkt. Dat is des te betreurenswaardiger, daar in deze tijden van klimaatverandering de actualiteit vrijwel dagelijks bevestigt hoe terecht de keuze voor het spoorwegvervoer is.

Wij weten waarom deze balans een wisselend beeld vertoont. We hebben namelijk te veel gegokt op marktopenstelling - waarvan we de voordelen zeker niet moeten ontkennen -, en we hebben ons onvoldoende beziggehouden met de technische obstakels, en met name met het gebrek aan interoperabiliteit, ofschoon we wisten dat interoperabiliteit gelijk op moest gaan met marktopenstelling en daar niet steeds verder op mocht achterlopen.

Deze situatie hangt waarschijnlijk samen met het feit dat liberalisering de lidstaten over het algemeen niet veel kost, in tegenstelling tot harmonisering. Nu de interoperabiliteitsproblemen eindelijk opnieuw worden opgepakt, vind ik het dan ook verontrustend dat de doelstellingen inzake de modal shift, met name het verleggen van het vervoer naar het spoor, onder het mom van co-modaliteit naar het tweede plan worden verschoven. In plaats van de doelstellingen naar beneden bij te stellen, hadden wij zowel de intellectuele als de financiële middelen naar boven moeten bijstellen.

Ik hoop dus dat wij dankzij dit verslag weer zullen inzien dat er nog een lange weg te gaan is, voordat wij het spoor weer de positie kunnen geven die het verdient.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck, namens de ALDE-Fractie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, zoals u zojuist al hebt onderstreept, had het eerste spoorwegpakket ten doel om de basis te leggen voor een geïntegreerde Europese spoorwegruimte en om door modernisering van het spoorwegnet het verleggen van het goederenvervoer van de weg naar het spoor te bevorderen. Dit zou tot een vermindering van de CO2-uitstoot leiden, en natuurlijk ook tot een vermindering van alle wegverstoppingen waaronder ons Europa gebukt gaat. Ik wil mijn collega, de heer Cramer, graag bedanken voor zijn initiatiefverslag, waarin een volledige balans wordt opgemaakt van de tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket. In het verslag wordt eveneens gewezen op alle factoren die het prestatievermogen van het spoorwegvervoer beïnvloeden, en op alle factoren die de verwezenlijking van de doelen die wij ons gesteld hadden, in de weg staan.

In de eerste plaats dient te worden onderstreept dat dankzij de openstelling van het spoorwegnet een aanzienlijke toename van het goederenvervoer kon worden gerealiseerd, in ieder geval in de Europese Unie in haar geheel, terwijl tegelijkertijd een zeer hoog veiligheidsniveau kon worden gehandhaafd. Daarnaast konden kleine spoorwegondernemingen zich richten op marktniches die voor de traditionele ondernemingen onrendabel waren.

Het verheugt mij dat in het verslag eveneens de klemtoon wordt gelegd op het huidige tolheffingssysteem voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, dat het ontstaan van een eerlijke concurrentie tussen de verschillende modaliteiten voor goederenvervoer in de weg staat. Ik denk dat het nu van essentieel belang is om zo snel mogelijk harmonisatie te bewerkstelligen in de tolgelden en een bovengrens vast te stellen per sector. Op die manier kan beter rekening worden gehouden met de internalisering van de externe kosten en wordt de exponentiële verhoging die wij momenteel zien, beperkt.

Ik denk ook dat het nodig zal zijn om de Eurovignet-richtlijn opnieuw ter sprake te brengen, omdat daarmee stappen vooruit zijn gezet, die wij moeten voortzetten. Ik ben dan ook blij dat u vanavond bevestigd hebt, mijnheer de commissaris, dat u van plan bent om vanaf juni 2008 hierover besprekingen te voeren. Ik zou bovendien graag willen, mijnheer de commissaris, dat de Commissie zich, samen met u, snel ging inzetten voor een moderniserings- en ontwikkelingsproces van intermodale infrastructuren, voornamelijk op de internationale corridors waar telematica voor het wegvervoer (RTT) is ingevoerd. Daartoe is het nodig deze uit te rusten met het Europees signaleringssysteem voor spoorwegen ERTMS. Dit proces moet er tevens voor zorgen dat er een daadwerkelijke aansluiting komt op de haveninfrastructuren enerzijds en de binnenvaartinfrastructuren anderzijds.

Tot slot zou ik graag willen dat de Commissie aanbevelingen deed voor de financiële sanering van de spoorwegen. Naar mijn mening dient daarbij rekening te worden gehouden met de schuldvermindering waarvan sommige traditionele spoorwegondernemingen hebben geprofiteerd, zodat alle actoren in het spoorwegvervoer op voet van gelijkheid komen te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberts Zīle, namens de UEN-Fractie. - (LV) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Barrot, allereerst wil ik de heer Cramer bedanken voor zijn verslag, ook al liepen de meningen daarover inderdaad sterk uiteen. Met mijn korte commentaar wil ik slechts één aspect aanstippen. Tot mijn vreugde wordt in het verslag benadrukt dat ondanks de liberalisering van de goederenvervoersmarkt per spoor, de landen aan de buitengrenzen van de Europese Unie, zoals de Baltische staten, in werkelijkheid afhankelijk zijn van goederenklanten, in ons geval meestal van Rusland. Als Rusland echter besluit in zee te gaan met een bedrijf dat een monopolie op het spoor heeft, is het voor ons relatief moeilijk een werkelijk effect te ontdekken van de invoering van dit eerste pakket van spoorwegpakket. Ik denk dan ook dat deze kwestie verder dient te worden besproken met Rusland, waarbij ook andere aspecten in het achterhoofd moeten worden gehouden. Dit is vooral nodig met het oog op de aankondigingen van de heer Ivanov, de vice-premier van Rusland, die zei het vervoer van containergoederen alleen via Russische havens te zullen doen plaatsvinden. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer, namens de GUE/NGL-Fractie. - Voorzitter, al vele jaren constateert iedereen dat de spoorwegen in alle Europese landen de slag om het goederenvervoer verliezen. Dat geldt zelfs voor het grensoverschrijdende vervoer over de lange afstand. Het spoorsysteem is geschikt voor massatransporten en in sommige gevallen zijn daarvoor lang geleden speciale goederenlijnen aangelegd, vooral in en rondom industriegebieden in Duitsland. Ook de recent geopende Betuwelijn in Nederland, onderdeel van de vrachtcorridor nr. 1 van Rotterdam door Duitsland en Zwitserland naar Genua, is zo'n speciale lijn die volledig ongeschikt is voor passagiersvervoer.

Ondanks deze gunstige uitgangspositie voor het spoor is het aandeel van over het spoor vervoerde goederen gedaald en daalt in sommige gevallen zelfs het volume. Veel van dat vervoer is overgenomen door de vrachtauto en de grote groei van het goederenvolume wordt grotendeels over de autowegen afgehandeld waardoor die wegen steeds verder verstopt raken.

Voor een belangrijk deel heeft die verschuiving te maken met de infrastructuur. Vroeger beschikten de spoorwegen over een zeer fijn vertakt netwerk. Zij ontsloten zowel dorpen op het platteland als havens en fabrieksterreinen in de steden. Naast goederenlijnen waren er ook overslagstations waar goederenwagons werden verzameld en herverdeeld over verschillende treinen. Veel bedrijven hadden een eigen aansluiting op het spoorwegnet. Dat betekende dat een goederenwagon rechtstreeks kon rijden tussen een havenkade en een ver weg gelegen fabriek zonder tussentijdse overslag van goederen. Alles wat men tegenwoordig met multimodale systemen wil bewerkstelligen, was toen al bereikt. Helaas hebben overheden ervoor gekozen om het spoorwegnet in te krimpen omdat dit als verliesgevend werd beschouwd. Veel kleine spoorlijnen zijn opgeheven en veel aansluitingen op bedrijven zijn verdwenen. Daarentegen zijn miljarden geïnvesteerd in de uitbreiding van het ruimte vretende net van autosnelwegen.

Tegenwoordig kan het goederentransport van deur tot deur meestal alleen nog plaatsvinden door middel van een vrachtauto. Die is onmisbaar voor het voortransport en het natransport en dan lijkt het gemakkelijk om ook het veel langere, tussenliggende gedeelte over de weg te laten plaatsvinden. Herstel van bedrijfsaansluitingen en overslagstations zou een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het herstel van het goederenvervoer per spoor.

Het eerste spoorwegpakket berust mede op de veronderstelling dat het spoorvervoer de werkwijze van wegvervoer en luchtvervoer moet overnemen. Internationale ondernemingen regelen dan het grensoverschrijdende vervoer van begin- tot eindpunt en dat is voor diegene die iets te vervoeren heeft het meest aantrekkelijk. Mijn fractie heeft er steeds op gewezen dat dit niet de enig mogelijke oplossing is. Er is een alternatief. Namelijk een betere samenwerking tussen nationale spoorwegondernemingen. Die moeten elkaar niet zien als concurrenten maar als partners in een alomvattend Europees spoornetwerk. Juist door hen aan te zetten tot concurrentie gaat de samenwerking stroever verlopen. Tot nu toe zien we geen positieve resultaten van de ingeslagen koers. De vrije markt is vaak geen oplossing voor problemen, maar de oorzaak ervan.

De rapporteur pleit terecht steeds voor toepassing van het nieuwe standaardbeveiligingssysteem, ERTMS. Wij zijn dat met hem eens. Wij constateren ook dat het opstarten van dat systeem veel minder spoedig verloopt dan werd verwacht en dat naast het nieuwe systeem handhaving van een tweede oude systeem noodzakelijk blijft. Vanwege de gemiddelde lage snelheid in het vrachtvervoer levert ERTMS hier wel minder problemen op dan bij hogesnelheidslijnen voor passagiersvervoer.

Tot slot, met de heer Cramer zijn we het verder eens dat het luchtvervoer en het wegvervoer kunstmatig goedkoop worden gemaakt en dat het spoorvervoer kunstmatig duur wordt gemaakt. Als we daaraan niets veranderen, blijft het minst milieuvriendelijke vervoer winnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Georg Jarzembowski (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dat was interessant. De heer Meijer heeft hier zo’n beetje de oergeschiedenis van de spoorwegen geschetst. Alleen zou hij langzamerhand wel mogen inzien dat het een onrealistisch idee is om voor het vrachtverkeer spoorrails tussen alle dorpen aan te leggen.

Mijnheer Cramer, ik kan uw simplistische demonisering van het goederenvervoer per vrachtwagen niet delen. Per slot van rekening betaalt een vrachtwagenexpediteur ook ondernemingsbelastingen, wegenbelasting, brandstofaccijns en tolheffingen. Daarom is de bewering eenvoudigweg onrealistisch dat vrachtwagens gratis rijden en er dus sprake is van concurrentievervalsing. Ik ben het volledig met u eens dat het niet juist is dat het Poolse ministerie van Financiën te hoge tarieven op trajecten in rekening brengt. Maar dat is een zaak van de Poolse regering, niet van de Europese wetgeving. Wellicht moeten wij de Poolse regering eraan herinneren dat tarieven op trajecten bedoeld zijn niet voor de sanering van de Poolse begroting, maar voor de bevordering van het spoorwegvervoer. Dit heeft echter niets te maken met de vrachtwagens.

Mijnheer de Voorzitter, ik wil u verzoeken er ook op toe te zien dat alle lidstaten het tweede spoorwegpakket spoedig ten uitvoer leggen. Wij hebben tenslotte weten te bewerkstelligen dat voor 1 januari van dit jaar de netwerken voor het nationale en grensoverschrijdende goederenvervoer geopend moesten zijn, en dit beschouw ik als een uitgelezen kans om de Europese markten te helpen grensoverschrijdend te werken.

Ik wil graag een punt aansnijden dat de commissaris noemde, en ik wil hem verzoeken hier nader op in te gaan. Hij zei dat de Commissie bereid is te helpen bij de vermindering van het geluid dat treinwagons veroorzaken en kondigde een mededeling aan over dit onderwerp. Ik zou graag willen weten voor wanneer deze mededeling is gepland. Denkt hij dat de Europese aspecten sterker voor het voetlicht worden gehaald? Of gaat hij nationale subsidiemogelijkheden openen? Met name in de grote steden is akoestische vervuiling, bijvoorbeeld door treinen die ’s nachts door woonwijken rijden, onaanvaardbaar. Als de commissaris bereid is om op dat punt hulp te bieden, dan zijn we hem bijzonder dankbaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Leopold Józef Rutowicz (UEN). - (PL) Mijnheer de Voorzitter, het verslag van de heer Cramer over de tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket geeft een overzicht van de moeilijkheden en de problemen op dit gebied. Als het transport per spoor verder uitgebouwd wordt en naar behoren functioneert, kan er een groter aantal personen en goederen vervoerd worden. Als gevolg daarvan wordt niet alleen het wegvervoer ontlast, maar eveneens de uitstoot van CO2 beperkt. Daarenboven zal het snelle personenvervoer in staat zijn te concurreren met de lokale luchtvaartmaatschappijen en busdiensten. Het onderling verbinden van het spoor, het wegvervoer en de scheepvaart kan tot een daling van de kosten voor transport leiden en de doeltreffendheid van de economie verhogen.

Bij de tenuitvoerlegging van dit pakket dient er bijzondere aandacht besteed te worden aan de volgende aspecten: het ondersteunen van spoorwegprojecten, vooral in landen die niet over voldoende financiële middelen beschikken om hun spoorwegnet en infrastructuur uit te breiden en te moderniseren, het steunen van alle mogelijke maatregelen betreffende het uitwisselen van goede praktijken, onder meer met het oog op de creatie van flexibele en concurrerende werkvormen voor spoorwegondernemingen, het opsporen en uit de weg ruimen van organisatorische, administratieve en financiële hindernissen die de ontwikkeling van het vervoer belemmeren, evenals het steunen van projecten die tot doel hebben om een deel van het internationale wegvervoer via het spoor te laten verlopen.

Ik wil de heer Cramer van harte bedanken voor dit noodzakelijke en inzichtelijke verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL). - (PT) In het verslag dat we nu bespreken zien we wat de eisen zijn die ons met het oog op de behartiging van grote particuliere belangen worden opgelegd. Dat is immers het motief voor de liberalisering en privatisering van het openbare spoorvervoer zoals die nu op Europees niveau worden doorgevoerd. Wij verzetten ons hiertegen.

Wij vinden nu juist dat dit verslag kritiek had moeten leveren op het feit dat de openbare dienstverlening en de overheidsondernemingen in de lidstaten van de Europese Unie in stukjes worden opgedeeld. Lokale lijnen en stations worden opgeheven, er wordt met minder treinen minder frequent gereden, het aantal werknemers is fors gedaald, terwijl de werkonzekerheid in deze sector blijft toenemen. Daarom vinden wij dat dit verslag had moeten pleiten voor onder andere het bevorderen van het openbaar spoorvervoer met goed gestructureerde en efficiënt bestuurde overheidsondernemingen die in alle aspecten van de dienstverlening voorzien en deze diensten op een goede en veilige wijze leveren. We moeten garanderen dat er een openbaar spoorvervoer van goede kwaliteit komt, dat over voldoende capaciteit beschikt om tegen aanvaardbare prijzen in de behoeften van het passagiers- en goederenverkeer te voorzien. De banen van de werknemers in deze sector dienen zeker te worden gesteld door ze ook in de hogere echelons de status van personeel bij de vervoersondernemingen te verlenen. Ze moeten carrièremogelijkheden krijgen, met waardige salarissen en voorzieningen voor levenslang leren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil alle sprekers graag bedanken voor de verstandige opmerkingen die zij hebben gemaakt.

Ik wil evenwel nog iets opmerken over een punt dat - tot mijn verrassing - niet echt de aandacht van het Europees Parlement heeft gekregen. Dit betreft de scheiding tussen het beheer van de spoorweginfrastructuur en het aanbieden van vervoersdiensten. Het is namelijk aan deze scheiding te danken dat de concurrentie zich volledig kan ontwikkelen. Wij moeten een niet-discriminatoire toegang waarborgen, om de komst van nieuwe spelers op de markt te vergemakkelijken. Dat is een heel belangrijk punt.

Ik zou graag een paar vragen willen beantwoorden. Met het ter sprake brengen van co-modaliteit wilden wij alleen maar uitleggen dat het spoorwegvervoer - dat ontegenzeglijk de beste oplossing is voor de lange afstand - moet kunnen worden aangevuld met lokaal vervoer, dat in sommige gevallen - zoals de heer Jarzembowski al zei - uitsluitend via de weg kan worden verzorgd. Het idee is dan ook niet om iets van het spoor af te pakken, maar juist om het de positie te geven waar het recht op heeft. Dat is echt heel duidelijk! Ik richt mij in het bijzonder tot de heer Navarro. U mag onze bedoelingen niet verkeerd opvatten. Het is de bedoeling om deze modal shift - waaraan ik, net als u, bijzonder gehecht ben - echt tot een succes te maken. En ik moet zeggen dat wij er met alles wat wij doen en met alles wat wij hebben gerealiseerd, naar streven de modal shift in een zo groot mogelijke mate te verwezenlijken, of het nu gaat om het financieren van infrastructuren via trans-Europese netwerken, om de interoperabiliteit die dankzij het Europees signaleringssysteem voor spoorwegen ERTMS/ETCS mogelijk wordt, om de wederzijdse acceptatie van het rollend materiaal of om de bevordering van vrachtvervoer op de Europese corridors. Ik denk dat onze aanpak op dit punt niets aan duidelijkheid te wensen overlaat.

Mevrouw Griesbeck, ik kan u bevestigen dat de Commissie van plan is om voor het eind van het jaar richtsnoeren te presenteren met betrekking tot staatssteun in de spoorwegsector. Daarnaast wil ik de heer Jarzembowski bevestigen dat de mededeling over geluidsoverlast van wagons gepland is voor de herfst van dit jaar. Omdat wij hier volop mee bezig zijn, kan ik er op dit moment geen verdere mededelingen over doen.

Er zijn beslist nog andere vragen die antwoord verdienen. Ik wil u in ieder geval laten weten dat ik met veel aandacht heb geluisterd naar alles wat u naar voren hebt gebracht. Persoonlijk vind ik dat de werkzaamheden die de heer Cramer en zijn commissie hebben verricht, verhelderend zijn voor onze Commissie. Ik zou nog eens willen herhalen dat wij eerlijke intermodale en intramodale concurrentievoorwaarden willen, voorwaarden die het daadwerkelijk mogelijk maken om deze modal shift uit te breiden, waar wij - ik zeg het nog maar eens - sterk aan hechten, met name om redenen die verband houden met het milieu en met een vermindering van de verkeersdrukte op ons wegennet.

Men kan talloze redenen bedenken waarom wij de spoorwegen harder nodig hebben dan ooit tevoren. Ik moet zeggen dat ik hier dagelijks met veel vastberadenheid naartoe werk. Bovendien heb ik, met de openstelling van de Betuwelijn in Nederland, geconstateerd dat zich in Europa een daadwerkelijke bereidheid aftekent om het spoor de positie te geven die het verdient. En als zich dan inderdaad - in sommige gevallen - problemen met heffingen voordoen, dan is het aan de lidstaten om hun verantwoordelijkheid te nemen. Deze modal shift is echt een prioritaire kwestie in Europa. Daarom moeten ook de regeringen ermee instemmen dit tot hun prioriteit te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag 11 juli 2007 plaats.

 

19. Gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtvervoersdiensten (herschikking) (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Aan de orde is het verslag (A6-0178/2007) van Arūnas Degutis, namens de Commissie vervoer en toerisme, over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtvervoersdiensten in de Gemeenschap (herschikking) [COM(2006)0396 - C6-0248/2006 - 2006/0130(COD)].

 
  
MPphoto
 
 

  Arūnas Degutis (ALDE), rapporteur. - (LV) Deze toekomstige verordening zou drie huidige verordeningen moeten vervangen, die de derde serie richtsnoeren vormen voor de binnenlandse luchtvervoersmarkt. Deze verordeningen voorzien in de procedures voor de afgifte en de intrekking van exploitatievergunningen voor luchtvervoer, de principes voor vrij gebruik van luchtroutes in de Gemeenschap door communautaire luchtvaartmaatschappijen, en de liberalisering van luchtvervoersprijzen.

De derde serie richtsnoeren was nog niet van kracht of er vond een ongekende uitbreiding van de Europese luchtvervoerssector plaats: oude monopolies verdwenen, er werd een systeem van lokaal luchtvervoer ingesteld en op alle markten nam de consumentvriendelijke concurrentie toe, met name op het gebied van de prijzen. Wat eerder een gereguleerde Europese luchtvervoersmarkt was, gebaseerd op bilaterale overeenkomsten, was inmiddels een zeer competitieve markt geworden.

Het is niet meer dan normaal dat, nadat deze derde serie richtsnoeren een paar jaar lang was toegepast, sommige richtsnoeren verouderd bleken te zijn en andere nauwelijks werden toegepast, zodat deze nu herzien, heroverwogen of zelfs helemaal afgeschaft moeten worden.

In het onderhavig voorstel wordt aangedrongen op verbetering van de genoemde drie series richtsnoeren om ze gemakkelijker te kunnen toepassen, op vereenvoudiging van de rechtsgronden, op schrapping van verouderde gedeelten en op nieuwe, striktere eisen.

Ik vind het voorstel van de Commissie logisch, en ik ben het ermee eens dat het niet alleen zinvol maar ook doelmatig en essentieel is om de huidige verordening te herzien. Hoe het ook zij de Commissie vervoer en toerisme is van mening - en ik steun haar daar natuurlijk in - dat enkele belangrijke gedeelten van de verordeningen moeten worden gespecificeerd.

Ik wil een paar van deze punten noemen:

Leasing. In de lidstaten bestaan verschillende praktijken met betrekking tot leaseovereenkomsten. Hierdoor kan de markt verstoord raken en kunnen sociale- en luchtveiligheidsproblemen de kop opsteken. Daarom staat het buiten kijf dat er nieuwe algemene vereisten moeten worden opgesteld. De regels die in artikel 13 worden voorgesteld, zijn te strikt en houden geen rekening met bepaalde kenmerken van de luchtvervoersindustrie, met name wat het seizoensgebonden karakter ervan betreft. Het zou dan ook goed zijn te streven naar een logisch compromis tussen sociale belangen en veiligheid, en tegelijkertijd de prestatie van luchtvaartmaatschappijen te verbeteren. In mijn optiek kan het compromis van de Commissie vervoer en toerisme bijdragen aan de oplossing van dit probleem.

Transparante prijszetting. Wij ondersteunen het doel van de Commissie om een verbod uit te vaardigen op reclame en publiciteit van luchtvaarttarieven die belastingen, toeslagen, vergoedingen en heffingen niet vermelden. Ik ben van mening dat de toezegging van luchtvaartmaatschappijen om uitsluitend de eindprijs te publiceren, duidelijk moet worden geformuleerd. Ook hier is het ons gelukt om tot een compromis te komen waarin tevens de consumentenbehoeften worden weerspiegeld.

Specifieke sociale wetgeving. De suggesties die collega’s van andere fracties hebben gedaan aangaande specifieke sociale wetgeving, zijn in mijn ogen voorbarig. Eerst moeten de mogelijke gevolgen daarvan worden geanalyseerd, ervan uitgaande dat het voorstel wordt aangenomen. Daarom willen we de Commissie vragen een onderzoek uit te voeren op grond waarvan het mogelijk zal zijn deze zaken te reguleren zonder obstakels op te werpen voor de concurrentieverbetering in de luchtvaartindustrie.

Veiligheid van passagiers. In het Commissievoorstel is geen duidelijk mechanisme opgenomen waarmee gegarandeerd kan worden dat passagiers niet te lijden hebben van de gevolgen van failliete luchtvaartmaatschappijen. Zij ontvangen bijvoorbeeld geen vergoeding voor geannuleerde vluchten of worden aan hun lot overgelaten op overzeese bestemmingen. Daarom zijn wij van mening dat richtsnoeren voor de veiligheid van passagiers moeten worden opgenomen in de verordeningen (amendementen 15 en 16).

Openbaredienstverplichting op regionale luchthavens. Volgens mij zal elke formulering van de term ‘regionale luchthaven’ waarin het aanbieden van openbare diensten verplicht wordt gesteld, onvermijdelijk betrekking hebben op de luchthavens in de meer welvarende regio’s, terwijl luchthavens in regio’s die economische of sociale steun nodig hebben, waarschijnlijk niet in de definitie zullen worden opgenomen. Aangezien de openbaredienstverplichting volgens dit principe alleen van toepassing is op de luchthavens die regio’s met economische en sociale behoeften bedienen, zou ik willen voorstellen om het moeilijk te definiëren begrip regionale luchthaven te schrappen uit dit document.

Zoals ook het geval was bij de eerder genoemde punten moeten verscheidene definities en voorwaarden worden verklaard om misverstanden en verkeerde toepassing van de verordeningen te voorkomen.

Binnenlandse luchtdiensten in de Gemeenschap. Ofschoon we enkele amendementen voorgesteld hebben voor de eerder genoemde onderwerpen, steunen wij de voorgestelde uitbreiding van de bevoegdheden van de Commissie als het gaat om beslissingen over zaken in verband met het aanbieden van binnenlandse luchtdiensten in de Gemeenschap. Aangezien de Commissie over bepaalde rechten doelmatiger kan onderhandelen dan de individuele lidstaten, moet zij ook de kans krijgen dit te doen. Dit bleek uit de overeenkomst met Rusland over transitvluchten boven Siberië.

Daarom is het raadzaam de formulering die door de Commissie is voorgesteld voor artikel 15 aan te nemen. Dit is een korte karakterisering van dienstverlening.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het voorstel waarover wij vandaag debatteren, is een groot succes voor de Europese Gemeenschap. Doel ervan is feitelijk om de regelgeving uit 1992, die de interne luchtvaartmarkt in Europa tot stand heeft gebracht, te moderniseren en aan te vullen. Dankzij de oprichting van deze interne luchtvaartmarkt heeft zich een ongekende expansie van het luchtvervoer in Europa voorgedaan.

Het aantal luchtvaartmaatschappijen is toegenomen, terwijl over het geheel genomen ook het verkeer en de concurrentie zijn toegenomen. Sinds de volledige liberalisering in 1997 is het aantal luchtverbindingen met meer dan zestig procent gestegen. Er wordt op meer steden gevlogen, met name in de geïsoleerde regio’s. De komst van nieuwe concurrenten heeft tot een aanzienlijke daling van de tarieven op tal van trajecten geleid. Steeds meer Europeanen kunnen met het vliegtuig reizen. Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan de economische groei, evenals aan het scheppen van directe en indirecte werkgelegenheid.

Gezien dit succes is de Commissie van plan de grondbeginselen van deze geliberaliseerde markt te handhaven. Met het voorstel wordt simpelweg beoogd om de consolidering van de huidige wetgeving te vereenvoudigen. Er worden ook enkele aanpassingen voorgesteld om tot een efficiëntere toepassing te komen. Ten eerste maakt de herziening het mogelijk de tekst op te schonen, zodat achterhaalde gedeelten die samenhingen met de overgangsfase naar een geliberaliseerde markt, geschrapt kunnen worden. De tekst is verduidelijkt, dubbelzinnigheden zijn geschrapt en drie verordeningen zijn geconsolideerd in één tekst.

Ten tweede wordt met het voorstel beoogd een efficiënte en homogene toepassing van de communautaire voorschriften te bereiken. Op dit moment zien we dat het derde luchtvaartpakket door de lidstaten verschillend wordt toegepast. Dankzij deze herziening zal er sprake zijn van een homogenere toepassing, met name wat betreft het verlenen van en het toezicht op exploitatievergunningen. Bovendien versterkt het voorstel het toezicht op de financiële levensvatbaarheid van luchtvaartmaatschappijen, met name van nieuwkomers op de markt.

Ten derde versterkt het voorstel de coördinatie tussen de lidstaten als het gaat om intracommunautaire diensten en om transitvluchten boven hun grondgebied door maatschappijen uit derde landen. Het is belangrijk een gecoördineerde communautaire aanpak te bevorderen, teneinde de integriteit van de Europese markt te waarborgen en het werk van de onderhandelaars met de derde landen te vergemakkelijken.

Ten vierde, en tot slot, wordt in het voorstel gepleit voor nieuwe rechten van passagiers, voor het recht van passagiers op volledige informatie over de werkelijke prijs van een vliegticket, inclusief belastingen, heffingen en toeslagen, voor het recht om niet te worden gediscrimineerd op basis van nationaliteit of verblijfplaats bij de aanschaf van een ticket.

Door deze geactualiseerde versie zou de aantrekkingskracht van de Europese interne markt dan ook in tal van derde landen verder vergroot moeten worden. Deze beginselen zijn niet alleen van toepassing op Zwitserland en de landen in de Europese Economische Ruimte, maar ook op Marokko en de landen in Zuidoost- Europa, en dienen op internationaal niveau als referentiepunt.

Daarom wil ik het Parlement graag bedanken, mijnheer de Voorzitter, voor de snelheid waarmee het dit dossier heeft behandeld. Ik wil uw rapporteur, de heer Degutis, graag complimenteren met het werk dat hij heeft verricht, en ik wil de voorzitter van de Commissie vervoer en toerisme, de heer Paolo Costa, bedanken, evenals alle leden van deze commissie, want ik moet toegeven dat het Parlement onze tekst beslist verbeterd heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Jeggle, namens de PPE-DE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, allereerst wil ik de rapporteur, de heer Degutis, en alle andere betrokken collega’s zeer hartelijk danken voor de samenwerking. Ik ben er vast van overtuigd dat wij, na de stemming in de commissie, een evenwichtig, praktisch verslag hebben over de exploitatie van luchtverkeersdiensten. Het oorspronkelijke voorstel van de Commissie was in dit geval al goed doordacht en doelgericht, dus ook de Commissie ben ik veel dank verschuldigd.

Aangezien ik in principe tevreden ben over de uitkomst van de stemming in de commissie, wil ik slechts ingaan op de transparantievereisten met betrekking tot de mededeling van luchtvaarttarieven. Ik heb mezelf er van meet af aan sterk voor gemaakt om transparantie te scheppen zonder extra bureaucratie en om alle betrokkenen op een gelijkwaardige, eerlijke wijze te betrekken bij het proces. In het luchtvaarttarief waarmee wordt geadverteerd, dient duidelijk tot uitdrukking te komen welke belastingen, heffingen en rechten daarin begrepen zijn en waarvoor deze worden gebruikt. De prijzen van vliegtickets moeten voor de consument gemakkelijk te begrijpen en transparant zijn. Dit geldt vooral voor reclame met passagierstarieven op internetpagina’s.

Toch is er nog steeds geen akkoord bereikt over de vraag met welke middelen en in welke omvang dit dient te gebeuren. Amendement 48 stelt vast dat de heffingen en rechten moeten worden opgesomd en samengevat in vier categorieën: ten eerste, belastingen en andere heffingen en vergoedingen door de overheid, ten tweede, luchtverkeersleidingstoeslagen, ten derde, toeslagen, heffingen, rechten en andere kosten ten behoeve van luchtvaartmaatschappijen, en ten vierde, toeslagen, heffingen, rechten en andere kosten ten behoeve van luchthavenexploitanten. Het probleem is dat luchtverkeersleidingstoeslagen vooraf niet duidelijk kunnen worden aangegeven. Daarom zal ik morgen namens mijn fractie verzoeken om deze tweede categorie van de luchtverkeersleidingstoeslagen te schrappen door middel van een stemming in onderdelen.

Ondanks dit amendement voldoet het bereikte compromis volledig aan de transparantievereiste, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de passagiers en eveneens van de luchtvaartmaatschappijen. Daarom kunnen mijn fractie en ik de nieuwe amendementen van de rapporteur, nummer 54 en 55, niet steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ulrich Stockmann, namens de PSE-Fractie. - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, wij verwelkomen het voorstel van de Commissie en natuurlijk ook het verslag van de rapporteur. Beide leveren namelijk een bijdrage aan de voltooiing van de interne markt van het luchtvervoer en aan een hoger veiligheidsniveau. Graag wil ik nader ingaan op vier punten:

Ten eerste betekent de aangenomen regeling van de prijstransparantie een duidelijke overwinning voor de consumenten. Voortaan zal het niet meer mogelijk zijn om burgers te lokken met misleidende advertenties. Ongeacht het verkoopkanaal kunnen alle passagierstarieven uitgebreid en gedetailleerd worden weergegeven. Vanzelfsprekend kunnen de luchtverkeersleidingkosten slechts globaal worden geschat, hoewel de prijzen uiteindelijk natuurlijk voor de consument te begrijpen moeten zijn. Maar hierover hoeven we niet te discussiëren. Over het geheel genomen scheppen we duidelijkheid voor de passagiers en versterken we de concurrentie.

Wat, ten tweede, de wet-leasingovereenkomsten betreft is dit een evenwichtige verordening die enerzijds rekening houdt met de behoeften van de luchtvaartmaatschappijen als zich seizoensschommelingen in de tarieven voordoen of er buitengewone behoeften ontstaan en zij zijn aangewezen op een dergelijk model, en anderzijds wordt hiermee duidelijk gemaakt dat het onaanvaardbaar is om de Europese veiligheids- en sociale normen te omzeilen.

Ten derde bevat ons verslag, zoals zoveel verslagen over de luchtvaartwetgeving, talrijke amendementen over de sociale wetgeving voor werknemers. De Commissie dient hiervoor nu eindelijk met spoed een voorstel te doen, om het hiaat op te vullen dat de dienstenrichtlijn heeft opengelaten en dat deze verordening niet kan dichten.

Ten vierde is de nieuwe verkeersverdelingsprocedure in één fase eenvoudiger en sneller dan alle voorgaande procedures. Dit is, ook met het oog op de toekomst, een goed besluit dat een flexibelere reactie mogelijk maakt op capaciteitsknelpunten in de infrastructuur.

 
  
MPphoto
 
 

  Mieczysław Edmund Janowski, namens de UEN-Fractie. - (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de heer Degutis van harte bedanken voor zijn verslag. We kunnen niet anders dan akkoord gaan met de woorden van commissaris Barrot, die van mening was dat het derde pakket van de interne luchtvaartmarkt, dat intussen vijftien jaar oud is, in belangrijke mate bijgedragen heeft tot de ontwikkeling van de Europese burgerluchtvaart.

We hebben vandaag behoefte aan verandering. Dat geldt in de eerste plaats met het oog op leasing, het verkrijgen van exploitatievergunningen voor luchtdiensten, sociale kwesties, het beschermen van passagiers voor een mogelijk faillissement van de luchtvaartmaatschappij, enzovoort. Uiteraard is ook de correcte eerbiediging van de acht vrijheden in het luchtverkeer van cruciaal belang.

De meest omstreden kwestie betreft de transparantie van de prijzen van vliegtickets. Passagiers willen correcte informatie over de exacte prijs van hun tickets en hebben geen boodschap aan verdoken reclamestunts.

Ik ben er stellig van overtuigd dat de verordening en de richtlijn die we hebben aangenomen over het voorkomen van oneerlijke concurrentie en die over vijf maanden van kracht wordt, aanzienlijk zullen bijdragen tot een versterking van de passagiersrechten. De passagier moet het voorwerp zijn van de activiteiten van de luchtvaartmaatschappij en van de luchthaven. Jammer genoeg worden passagiers vandaag de dag nog al te vaak als een vracht behandeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Jaromír Kohlíček, namens de GUE/NGL-Fractie. - (CS) Geachte collega’s, de gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtvervoersdiensten in de Gemeenschap sluiten aan op het derde luchtvaartpakket, oftewel op vraagstukken met betrekking tot de praktische toepassing ervan. Het grootste punt van zorg betreft naar mijn mening de veiligheid van het luchtvervoer, de sociale voorwaarden voor het personeel - ook ingeval toestellen compleet met bemanning worden uitgeleend - en niet te vergeten consumentenzekerheid, want de klant is koning. De financiële robuustheid van luchtvaartmaatschappijen hangt daar weer nauw mee samen, evenals aangescherpte voorwaarden voor het leasen van vliegtuigen met onder meer de voorgestelde tijdslimieten.

Verder is het naar mijn mening van belang de consument te informeren over wat hij of zij nu precies voor zijn geld koopt. U heeft zich net als ik vast wel eens flink achter de oren gekrabd bij reclames voor vliegtickets voor slecht 1 euro. Aan de andere kant moet natuurlijk nog worden bezien hoe en in welk detail de prijs dient te worden uitgesplitst en wat er allemaal verplicht dient te worden weergegeven. Wat dat betreft is het buitengewoon belangrijk om duidelijkheid te verschaffen over de verdeling van de kosten van het inchecken van de reizigers en die van de afhandeling van vliegtuigen, inclusief de oneindige discussies over het begrip “redelijke winst”. Ik kan het in ieder geval niet eens zijn met de tijdens het debat geponeerde bewering dat het slechts om een puur technische norm zou gaan waarin geen plaats is voor sociale kwesties.

Ik wil de rapporteur, de heer Degutis, hartelijk danken voor het feit dat hij in zijn toespraak tevens sociale vraagstukken heeft aangestipt. Hij heeft goed werk geleverd en zijn verslag verdient onze steun. Verder sta ik achter de ingediende amendementen, met uitzondering van de amendementen 16, 29, 37, 40, 42, 49 en 50. Met de meeste daarvan zijn wij het inhoudelijk niet oneens. Onze bezwaren houden veeleer verband met het feit dat hetzelfde onderwerp op meer dan een plek wordt vermeld, of dat betere opties beschikbaar waren.

 
  
MPphoto
 
 

  Georg Jarzembowski (PPE-DE). - (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de vice-voorzitter van de Commissie, dames en heren, ik wil op nog drie aspecten ingaan. Bij de consolidatie van het derde luchtvaartpakket is het met betrekking tot de transparantie van de passagierstarieven niet alleen van cruciaal belang dat er geen lokkertjes mogen worden gebruikt die misleidend zijn, maar het gaat er ook om of de uniforme heffingen voor de luchtveiligheid die door de passagiers worden betaald, ook overeenkomen met de werkelijke kosten van de veiligheidsmaatregelen. Ik heb het gevoel dat de luchthavens met een deel van deze luchtveiligheidsheffingen extra inkomsten voor zichzelf vergaren. Het is voor de transparantie van de kosten van groot belang dat de veiligheidsheffingen ook werkelijk overeenkomen met de kosten die voor veiligheidsmaatregelen worden gemaakt.

In de tweede plaats wil ik graag ingaan op de concurrentie tussen de luchthavens, en wel vanuit twee invalshoeken. Ik wil de commissaris verzoeken dadelijk een paar voorbeelden te geven ter illustratie van de mate waarin de richtsnoeren van de Commissie voor toelaatbare (of ontoelaatbare) steun voor regionale luchthavens binnen de Gemeenschap daadwerkelijk worden toegepast. Naar mijn mening zijn er zeer veel regionale luchthavens die slechts met behulp van subsidies overeind worden gehouden en die nooit op eigen kracht zouden kunnen overleven. In dergelijke gevallen zouden de richtsnoeren van de Commissie eigenlijk moeten leiden tot het staken van de subsidies.

In de derde plaats wordt met deze consolidatie van het derde luchtvaartpakket de definitie van een “luchthavensysteem” licht gewijzigd. Ik wil de commissaris vragen ook hierop bij gelegenheid een nadere toelichting te geven. Het is onaanvaardbaar dat een luchthavensysteem volgens de wet alleen mag bestaan indien het dezelfde agglomeratie bedient, en dat vervolgens luchthavens als Frankfurt en Frankfurt Hahn kunnen beweren dat zij dezelfde agglomeratie bedienen en daarom moeten worden erkend als een luchthavensysteem, terwijl ze 120 kilometer uit elkaar liggen. De commissaris mag in geen geval toestaan dat de erkenning van luchthavensystemen in die mate sterk wordt opgerekt.

 
  
MPphoto
 
 

  Inés Ayala Sender (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur, de heer Degutis, bedanken voor de flexibiliteit waarvan hij blijk heeft gegeven door een aantal van de voorstellen van zijn collega’s te aanvaarden. Ook wil ik de commissaris feliciteren met zijn schitterende presentatie, omdat nu duidelijk is dat deze tekst absoluut een verbetering van de wetgeving inhoudt. Deze tekst zal immers leiden tot de modernisering, vereenvoudiging en consolidatie van de beste aspecten van die wetgeving, die verouderd was en die gezien de ontwikkeling van de sector snel gemoderniseerd moest worden.

In feite worden alle partijen in deze sector, die het zo moeilijk heeft, hier beter van, en vooral de passagiers. Bovendien leidt het gebrek aan samenhang tussen dit soort verordeningen gewoonlijk niet alleen tot verstoring van de interne markt, maar brengt het naar onze mening ook risico’s met zich mee voor de kwaliteit van de dienstverlening, voor de veiligheid en de werkomstandigheden.

Van de positieve wijzigingen of verbeteringen die het Parlement heeft voorgesteld, wil ik speciaal de eis van grotere transparantie en controle op de financiële situatie van de bedrijven en luchtvaartmaatschappijen in de sector noemen - de meeste andere punten zijn al door mijn collega’s besproken.

Gezien de exponentiële groei van deze sector en het ontstaan van nieuwe, aantrekkelijke nichemarkten - zoals in mijn land bijvoorbeeld die van de immigranten, die hun koopkracht zien stijgen dankzij de legalisering van hun werk - wordt het veel urgenter om de regels en voorwaarden strikt toe te passen, om de fraude en misstanden die we regelmatig zien bij de verkoop van tickets te voorkomen, en ook om de strijd aan te binden met de misleidende aanbiedingen van luchtvaartmaatschappijen die overal opduiken.

Ook de bepalingen om de sociale gevolgen van dergelijke fraude en mogelijke faillissementen te voorkomen en te verzachten vinden wij heel redelijk. Bovendien zijn voor ons de prijstransparantie en de toepassing van het beginsel van non-discriminatie bij de aanschaf van tickets, ongeacht via welk kanaal de reiziger die tickets aanschaft, fundamentele verbeteringen van deze tekst.

Een ander aspect dat naar mijn mening een verbetering betekent, houdt verband met de sociale voorwaarden voor de werknemers in de sector. Het voorkomen van sociale dumping, waardoor het economische en sociale spel wordt verstoord, en het voorkomen van pogingen door vanuit verschillende bases opererende, transnationale ondernemingen om spelletjes te spelen met de overplaatsing van werknemers, is een goed resultaat en een verbetering.

Nog beter is dat het debat dat is ontstaan in de tijd dat aan dit verslag werd gewerkt, heeft geleid tot een verzoek - in amendement 61 - om een wetgevend voorstel inzake de sociale voorwaarden en arbeidsvoorwaarden, en ik denk dat de Commissie dit voorstel snel moet presenteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Higgins (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, miljoenen burgers kunnen tegenwoordig gebruik maken van het luchtvervoer dankzij de luchtvaartmaatschappijen die lage tarieven hanteren. Ik ben het met de commissaris eens dat de interne luchtvaartmarkt een uitzonderlijk succes is geworden. Maatschappijen als het Ierse Ryanair hebben een revolutie in de luchtvaart teweeggebracht en de oudere, meer gevestigde en duurdere luchtvaartmaatschappijen onder druk gezet om hun voorbeeld te volgen. Zulke concurrentie is goed voor de consument en de reiziger.

Ik wil mij echter richten op wat vier mensen vanavond al genoemd hebben. Er is namelijk een probleem. Op zo’n concurrerende markt is het voor luchtvaartmaatschappijen verleidelijk om uiterst aantrekkelijke maar bijzonder misleidende prijsadvertenties te publiceren. Dat hebben we in het verleden gezien en het gebeurt nog steeds. Een ticket dat volgens een advertentie vijf cent kost, lijkt inderdaad erg aantrekkelijk. Op het moment dat de consument de betreffende vlucht online of op andere wijze boekt, blijkt evenwel dat het ticket in werkelijkheid enkele honderden euro kost wanneer belastingen en andere heffingen worden meegerekend.

Afgelopen januari heb ik hierover een parlementaire vraag gesteld en de Commissie heeft daarop als volgt geantwoord: “Zonder afbreuk te doen aan de algemene regel van de vrijheid van prijszetting heeft de Commissie het volgende voorgesteld: ‘Binnen de Gemeenschap werkzame luchtvaartmaatschappijen verstrekken uitgebreide informatie over hun passagierstarieven en standaardvrachttarieven en de bijbehorende voorwaarden.’ Zo weet de consument wat de werkelijke prijs is (prijs van het ticket vermeerderd met de diverse heffingen en taksen).”

In het verslag-Degutis, dat we hier vanavond bespreken, wordt hieraan praktische invulling gegeven en dat is uitermate welkom. De verplichting voor luchtvaartmaatschappijen om volledige transparantie te betrachten valt zeer toe te juichen en is erg belangrijk, omdat de consument dan meteen precies ziet wat hij of zij moet betalen. Dat zal niet alleen het aantal reizigers niet doen afnemen - zoals veel mensen misschien denken - maar mijns inziens de concurrentie zelfs verder versterken en voordelen voor het reizigerspubliek opleveren.

Tot slot: kan de commissaris ons vertellen wanneer deze maatregelen precies van kracht worden? Wat mij betreft hoe sneller hoe beter.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vice-voorzitter van de Commissie. - (FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren afgevaardigden, ik dank alle sprekers en ben blij met de meeste voorgestelde amendementen. Met deze amendementen wordt een aantal punten op nuttige wijze verduidelijkt, met name met betrekking tot het economische en financiële toezicht op maatschappijen en de kwesties inzake het leasen van luchtvaartuigen.

Ik sta volledig achter de voorgestelde verbeteringen ten aanzien van de plaats van de hoofdvestiging, teneinde effectief toezicht te kunnen uitoefenen op de maatschappijen die onder de verantwoordelijkheid van een nationale autoriteit vallen. De Commissie is het ook eens met uw voorstellen over de voorwaarden voor het verlenen of intrekken van exploitatievergunningen, ook al kunnen wij niet aanvaarden dat deze maatregel louter op basis van verdenking zou kunnen worden genomen. Dankzij de voorgestelde vereenvoudigingen ten aanzien van openbaredienstverplichtingen en de coördinatie van luchthavens kunnen de maatregelen op een flexibelere en efficiëntere wijze ten uitvoer worden gelegd.

Hoewel de Commissie het merendeel van de amendementen zonder enig probleem kan steunen, wil ik u niettemin enkele punten noemen ten aanzien waarvan zij voorbehouden heeft. Ik begrijp en steun de gedachte dat het noodzakelijk is oplossingen te vinden voor passagiers die stranden als een luchtvaartmaatschappij failliet gaat. Mevrouw Ayala verwees hiernaar. Inderdaad is dit het soort situaties dat heeft geleid tot de herziening van de regelgeving en tot de versterking van de voorwaarden voor het verlenen van vergunningen en van het economische en financiële toezicht op de maatschappijen. Ik kan in dit stadium echter niet akkoord gaan met een nieuwe verplichting waarvan wij de uitvoerbaarheid en reikwijdte in economisch en financieel opzicht nog niet hebben onderzocht. Daarom zouden wij naar mijn mening moeten verwijzen naar de noodzaak om te voorzien in voorwaarden voor terugbetaling of repatriëring, zonder ons echter nu al uit te spreken over een oplossing waarvan wij de echte impact nog niet kunnen overzien.

Mijn tweede voorbehoud betreft de sociale dimensie. Het is uiterst belangrijk dat de nationale autoriteiten de nationale en Europese wetgeving op correcte wijze toepassen. Het is een goede zaak om de lidstaten aan deze verplichtingen te herinneren, die in het Verdrag en in de nationale wetgeving zijn vastgelegd, maar deze sectorale regeling lijkt niet de meest geschikte weg om deze kwestie af te handelen. Wij moeten dit onderwerp grondiger onderzoeken om alle consequenties beter te overzien en om te bepalen welke behoeften echt om een reactie op communautair niveau vragen. Het voorstel van uw rapporteur om in een overweging naar de verplichtingen van de lidstaten te verwijzen, lijkt mij dan ook juist.

Verder wil ik natuurlijk graag reageren op degenen die mij naar het voorstel hebben gevraagd. Het klopt inderdaad dat de Commissie een onderzoek uitvoert naar de gevolgen van de interne luchtvaartmarkt op de werkgelegenheid en op de arbeidsvoorwaarden. Dit onderzoek, dat eind 2007 zal worden afgerond, zal ons stof tot nadenken bieden en ons in staat stellen te bepalen welke concrete maatregelen nodig zijn.

Zoals de heer Jarzembowski al zei, heeft de Commissie haar twijfels over al te uitgesproken verplichtingen inzake de verkeersverdeling tussen de luchthavens. Het is legitiem om redelijke en efficiënte verbindingstijden met de stadscentra te verlangen, maar gaan wij niet te ver als we een vaste tijd voorschrijven, of als wij het onderhouden van verbindingen tussen luchthavens verplicht maken?

Dan kom ik op het probleem van de tarieven. De bepalingen inzake prijstransparantie en het volledig informeren van passagiers zijn noodzakelijk, maar ze moeten wel uitvoerbaar en begrijpelijk zijn. Uw rapporteur heeft gelijk als hij hiermee alle vluchten die vanaf een luchthaven in de Europese Gemeenschap vertrekken, wil omvatten. De uitbreiding van deze verplichting tot enkel de communautaire maatschappijen in derde landen levert echter ernstige juridische en commerciële problemen op.

Ik wil nog even ingaan op de kwestie van de kosten in verband met de veiligheid. Het is waar dat de Commissie er voorstander van is dat de kosten voor de veiligheid en het gedeelte van de ticketprijs dat daaruit voortvloeit, bekend zijn. Bovendien wil zij ook dat de diverse kosten, heffingen, belastingen en toeslagen duidelijk worden weergegeven. Hoewel deze ontwerpverordening tot doel heeft de informatie aan passagiers te waarborgen, kan zij niet worden aangewend om het gebruik en de kenmerken van iedere heffing en iedere belasting vast te leggen. Dergelijke bepalingen zullen worden opgenomen in de ontwerprichtlijn betreffende luchthavengelden waarover momenteel binnen onze instellingen wordt gediscussieerd.

Mevrouw Jeggle, wat reclame op internet betreft ben ik het met u eens, maar amendement 48 lijkt ons zeer ingewikkeld. We moeten echt duidelijk en concreet zijn.

Ik wil ook reageren op de heer Stockmann en de heer Kohliček over de kwestie van leasing met bemanning, de zogenaamde wet lease. Wij moeten een bepaalde mate van flexibiliteit toestaan om aan uitzonderlijke behoeften tegemoet te kunnen komen, terwijl wij tegelijkertijd strikte voorwaarden moeten opstellen met betrekking tot de veiligheid en de frequentie. Ik ben voorstander van een systeem dat het mogelijk maakt de veiligheidseisen te combineren met de noodzaak om in uitzonderlijke omstandigheden en voor een beperkte periode gebruik te maken van leasing met bemanning.

Tot slot denk ik dat het vanuit het oogpunt van eerlijke concurrentie met derde landen gerechtvaardigd is om het schrappen van artikel 23 over price leadership te compenseren door de mogelijkheid om beperkingen op te leggen, indien een derde land waarmee een overeenkomst is gesloten dezelfde heffingen niet erkent. Dat principe getuigt van gezond verstand en moet ons helpen bij de onderhandelingen met derde landen. Ik wil het Parlement ook graag bedanken, omdat het zijn steun heeft gegeven aan de aanpak van de Commissie inzake de betrekkingen met derde landen, die op gecoördineerde wijze moeten worden onderhouden. Ook op dat punt, mijnheer de Voorzitter, zal ik de steun van het Parlement nog nodig hebben voor de volgende fasen.

Ik wil niet beweren dat ik alle vragen heb beantwoord. Ik zeg het nog eens zonder omhaal: de werkzaamheden van het Parlement hebben onze tekst verbeterd. Daarom, mijnheer Degutis, mijnheer Costa, wil ik uiting geven aan mijn voldoening en het Parlement bedanken voor zijn werk. U hebt mij daarnaast ook een aantal bijzonder verstandige vragen gesteld. Ik heb opgemerkt dat voor sommige vragen niet noodzakelijkerwijs met deze tekst een antwoord moest worden gevonden. Wat het sociale aspect betreft, heb ik erop gewezen dat wij daar aan werken, en dat ik aan het eind van het jaar meer zal weten met het oog op een eventueel voorstel.

Mijnheer de Voorzitter, ik vond het noodzakelijk om enigszins uitvoerig te reageren, als afronding van dit kwalitatief hoogstaande debat.

(FR) Standpunt van de Commissie over de amendementen van het Parlement:

Verslag-Degutis (A6-0178/2007)

De Commissie kan de volgende amendementen aanvaarden: 3, 4, 5, 6, 7, 9, 11, 13, 14, 18, 19, 21, 22, 24, 26, 27, 28, 29, 30, 34, 37, 38, 39, 43, 51, 52, 53, 54, 55 en 56.

De Commissie kan de volgende amendementen in beginsel aanvaarden: 1, 8, 10, 12, 20, 23, 31, 32, 36, 44 en 49.

De Commissie kan de volgende amendementen gedeeltelijk aanvaarden: 33, 45 en 47.

De Commissie kan de volgende amendementen niet aanvaarden: 2, 15, 16, 17, 25, 35, 40, 41, 42, 46, 48, 50, 57, 58, 59, 60 en 61.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. - Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag 11 juli 2007 plaats.