Index 
Debatten
PDF 954k
Donderdag 12 juli 2007 - Straatsburg Uitgave PB
1. Opening van de vergadering
 2. Ingekomen stukken: zie notulen
 3. Onderhandelingsmandaat voor een nieuw akkoord inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en Oekraïne anderzijds (debat)
 4. Tijdschema voor de begroting: zie notulen
 5. De rol en de effectiviteit van het cohesiebeleid bij het verminderen van ongelijkheid in de armste regio's van de EU (debat)
 6. Stemmingen
  6.1. Communautair statistisch programma 2008-2012 (stemming)
  6.2. Darfur (stemming)
  6.3. Naar een maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën (stemming)
  6.4. Tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket (stemming)
  6.5. Europa duurzaam in beweging: duurzame mobiliteit voor ons continent (stemming)
  6.6. Acties ter bestrijding van hart- en vaatziekten (stemming)
  6.7. PNR-overeenkomst met de Verenigde Staten (stemming)
  6.8. Eurozone (2007) (stemming)
  6.9. Europese Centrale Bank (2006) (stemming)
  6.10. Palestina (stemming)
  6.11. Situatie in Pakistan (stemming)
  6.12. Voortgangsrapport 2006 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (stemming)
  6.13. TRIPs-overeenkomst en toegang tot geneesmiddelen (stemming)
  6.14. Democratische controle in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (stemming)
  6.15. Onderhandelingsmandaat voor een nieuw akkoord inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en Oekraïne anderzijds (stemming)
  6.16. De rol en de effectiviteit van het cohesiebeleid bij het verminderen van ongelijkheid in de armste regio's van de EU (stemming)
 7. Stemverklaringen
 8. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen
 9. Bekendmaking gemeenschappelijke standpunten van de Raad: zie notulen
 10. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 11. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (debat)
  11.1. Humanitaire situatie van Iraakse vluchtelingen
  11.2. Schending van de mensenrechten in Transnistrië (Moldavië)
  11.3. Mensenrechten in Vietnam
 12. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 13. Stemmingen
  13.1. Humanitaire situatie van Iraakse vluchtelingen (stemming)
  13.2. Schending van de mensenrechten in Transnistrië (Moldavië) (stemming)
  13.3. Mensenrechten in Vietnam (stemming)
 14. Goedkeuring door de Raad van door het Parlement in eerste lezing geformuleerde standpunten (artikel 66 van het Reglement): zie notulen
 15. Besluiten inzake bepaalde documenten: zie notulen
 16. Kredietoverschrijvingen: zie notulen
 17. In het register ingeschreven schriftelijke verklaringen (artikel 116 van het reglement)
 18. Verzending van de tijdens deze vergadering aangenomen teksten: zie notulen
 19. Rooster van de volgende vergaderingen: zie notulen
 20. Onderbreking van de zitting
 ANNEX (Schriftelijke antwoorden)


  

VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ
Ondervoorzitter

 
1. Opening van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 9.30 uur geopend)

 

2. Ingekomen stukken: zie notulen

3. Onderhandelingsmandaat voor een nieuw akkoord inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en Oekraïne anderzijds (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het verslag (A6-0217/2007) van Michał Tomasz Kamiński, namens de Commissie buitenlandse zaken, met een ontwerpaanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad over het onderhandelingsmandaat voor een nieuw akkoord inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en Oekraïne anderzijds [2007/2015(INI)].

 
  
MPphoto
 
 

  Michał Tomasz Kamiński (UEN), rapporteur.(PL) Mijnheer de Voorzitter, het verslag waarover we vandaag zullen debatteren en stemmen, behandelt de afspraken over intensievere samenwerking tussen de Europese Unie en Oekraïne. Ik zal de inhoud van het verslag niet herhalen, maar mij in mijn uiteenzetting richten op de bredere context waarin we dit verslag moeten plaatsen.

Ten eerste bevat het verslag een reële beoordeling van de situatie in Oekraïne. Er wordt dus erkend dat wij waardering moeten tonen voor de enorme inspanningen van de Oekraïense samenleving en de Oekraïense autoriteiten op weg naar volledige democratie, een markteconomie, en eerbiediging van de mensenrechten. Daarbij moet vermeld worden dat Oekraïne in de circa tien jaar dat het land onafhankelijk is aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt in het creëren van een moderne Europese samenleving.

Oekraïne is op dit moment een tolerant, vrij en democratisch land. Het is uiteindelijk een land waar de meerderheid van de bevolking voorstander is van integratie met de Europese Unie, zoals uit alle opiniepeilingen blijkt. Het is ook van belang te benadrukken – en dat verhullen we in het verslag ook niet – dat er in Oekraïne grote problemen bestaan. We roepen de Oekraïense regering op deze aan te pakken. Er zijn onder andere problemen met het vrij en goed functioneren van buitenlandse bedrijven in Oekraïne, waaronder ook bedrijven uit de Europese Unie. Er zijn voorbeelden van criminele activiteiten. De Oekraïense regering heeft echter verklaard de strijd met de criminaliteit te zullen aangaan en dat moeten wij toejuichen.

Ik zou ook willen onderstrepen dat collega’s uit alle fracties die zich met de Oekraïense problemen bezighouden zich uitermate solidair hebben betoond tijdens het opstellen van het verslag. Ik wil mijn dank betuigen aan, onder anderen, de heer Siwiec van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement, die ik in de zaal zie zitten. Hij heeft mij, in zijn functie van Ondervoorzitter van het Parlement en vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de relatie met Oekraïne, ontzettend goed geholpen.

Vanaf het begin heb ik gewild dat dit verslag dit Huis zou verbinden, en niet verdelen, en dat het een document zou zijn waarover wij consensus zouden proberen te bereiken. Het lijkt op dit moment de moeite waard dat het Europees Parlement, een instelling waarnaar Oekraïne kijkt, de Oekraïense bevolking het signaal geeft dat de Europese Unie niet haar deuren wil sluiten voor Oekraïne, hoewel zij tegelijkertijd het lidmaatschap van Oekraïne realistisch beoordeelt, namelijk als iets wat niet in de nabije toekomst ligt.

Deze grote natie is een Europese natie en iedereen die in Oekraïne is geweest, heeft zich er gemakkelijk van kunnen overtuigen dat Oekraïne een substantieel deel van de Europese culturele erfenis in zich draagt. Men hoeft Kiev maar te zien als de wieg van een zeer belangrijke christelijke denominatie in Oost-Europa om te beseffen dat de Oekraïners en Oekraïne het volledig verdienen te worden beschreven als een Europees volk en dat wij als Europees Parlement, als Europese Unie dit land met vriendschap en respect horen te bejegenen.

Ik hoop dat dit Huis – zoals ik al benadrukte – dit verslag zal beschouwen als een compromisdocument, als een blijk van goede wil van onze instelling, het Europees Parlement, tegenover de Oekraïense bevolking.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, leden van het Europees Parlement, namens mijn collega commissaris Ferrero-Waldner, die ik vandaag vervang, bespreek ik graag met u de betrekkingen tussen de Europese Unie en Oekraïne, naar aanleiding van het zeer goede verslag van de heer Kamiński.

Dit verslag is een evenwichtig politiek document met een heldere boodschap. Zoals u weet blijft de situatie in Oekraïne moeilijk. Het is van cruciaal belang dat de afspraak tussen president Joesjtsjenko en premier Janoekovitsj van 27 mei om op 30 september vervroegde verkiezingen te houden, wordt nageleefd. De hoofdrolspelers moeten de politieke situatie in het land stabiliseren en een levensvatbaar grondwettelijk stelsel neerzetten. Alleen zo kunnen zij de omstandigheden creëren waarin het land vooruit kan met politieke en economische hervormingen, met eerbiediging van democratische grondbeginselen, de rechtsstaat, de mensenrechten en de markteconomie.

Het is van het grootste belang dat ervoor wordt gezorgd dat de verkiezingen op democratische wijze verlopen, volgens internationale normen. We hebben regelmatig contact gehad met de verschillende politieke partijen in Oekraïne om deze zaken te benadrukken. We blijven dat ook doen. Zo heeft mijn collega commissaris Ferrero-Waldner premier Janoekovitsj gesproken op de bijeenkomst van de Samenwerkingsraad op 18 juni, en volgende week ontmoet ze minister van Buitenlandse Zaken Jatsenjoek. De Top EU-Oekraïne die op 14 september plaatsvindt in Kiev, slechts twee weken voor de verkiezingen, vormt een belangrijk moment om het een en ander nog eens op het hoogste niveau te aan de orde te stellen.

We zijn zeer content met het feit dat het verslag van de heer Kamiński deze cruciale punten onderstreept. Dit document vormt, net als het recente bezoek van een delegatie van het Europees Parlement aan Oekraïne, geleid door de heer Severin, voorzitter van de parlementaire delegatie voor de betrekkingen met Oekraïne, een waardevolle bijdrage aan stabilisering van de situatie in Oekraïne en de benadrukking van het belang van constitutionele hervorming. Een goede coördinatie tussen het Europees Parlement en de Commissie is bij deze stappen zeer gewenst.

Wat betreft de nieuwe verbeterde overeenkomst, de politieke crisis heeft voorlopig nog geen negatieve effecten gehad op de onderhandelingen. Beide zijden van het politieke spectrum in Oekraïne hechten groot belang aan de onderhandelingen, waarvan al vier ronden hebben plaatsgevonden. De laatste ronde was vorige week nog, van 2 tot 4 juli in Kiev, en daarbij is goede vooruitgang geboekt op het gebied van politieke, justitiële, vrijheids- en veiligheidsgerelateerde en andere sectoriële aspecten van de overeenkomst.

Oekraïne, dat sterk gericht is op het Europese perspectief, benadrukt in de onderhandelingen zijn doelstelling van "politieke samenwerking en economische integratie". De top van 14 september is een belangrijke gelegenheid om de globale stand van de onderhandelingen te evalueren en politiek momentum te creëren voor verdere vooruitgang. Zoals aangegeven in het verslag van de heer Kamiński, zullen onderhandelingen omtrent een uitgebreide vrijhandelszone, kernelement van de nieuwe verbeterde overeenkomst, van start gaan zodra Oekraïne definitief tot de WTO is toegetreden. Een aantal zaken moet nog worden besproken, niet alleen met de Europese Unie, maar ook met andere partijen. Met enige goede wil aan Oekraïense kant, zouden de vruchten van de inspanningen echter in de loop van dit jaar geplukt kunnen worden.

Tot besluit: we verheugen ons over dit verslag en de boodschap die het richting Oekraïne stuurt. Wat betreft de door u aangekaarte hoofdkwestie, de vraag hoe de EU omgaat met de Europese aspiraties van Oekraïne, is onze positie duidelijk: het is ons doel Oekraïne in de onderhandelingen op zoveel mogelijk gebieden zo dicht mogelijk bij de Europese Unie te krijgen, zonder vooruit te lopen op toekomstige ontwikkelingen in de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne.

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock, namens de PPE-DE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, namens de PPE-DE-Fractie juich ik het verslag Kamiński zeer toe. Oekraïne is niet alleen een strategische directe buur van de EU, maar ook een belangrijke handelspartner op het gebied van energie. Het bevindt zich momenteel middenin een constitutionele crisis qua verdeling van bevoegdheden niet alleen tussen de president en het parlement, maar ook tussen enerzijds de Oekraïens sprekende westelijke en centraal gelegen regio's die overwegend president Joesjtsjenko en Joelia Timosjenko steunen, en anderzijds het zuiden en oosten, waar Russisch wordt gesproken en waar vooral steun is voor premier Janoekovitsj.

Het vinden van een oplossing is een test voor de volwassenheid van de Oekraïense democratie en stelt de nalatenschap van de Oranje Revolutie en de rechtsstaat op de proef, maar tot dusverre zijn er nog geen geweldsuitbarstingen geweest, hetgeen Oekraïne tot grote eer strekt. Ten gevolge van een te betreuren politisering is het Constitutioneel Hof er helaas niet in geslaagd een oplossing te vinden voor het geschil over de bevoegdheid van de president om de Rada te ontbinden. De huidige overeenkomst tussen de partijen om 30 september nieuwe verkiezingen te houden voor de Rada kan mogelijk de lucht doen opklaren, of in ieder geval bevestigen dat alle belangrijke spelers in wezen vóór het behoud van de eenheid van de natie zijn en ook voor het naderende WTO-lidmaatschap en een aanzienlijke verdieping van de economische betrekkingen met de Europese Unie.

Het verslag-Kamiński steunt deze doelstellingen en gaat nog verder door op de langere termijn de mogelijkheid van EU-lidmaatschap open te houden. Momenteel bouwt de EU terecht voort op het ENB-actieplan uit 2005 en werkt het, na de onlangs gesloten visumversoepelings- en overnameovereenkomst, met Oekraïne aan een verregaande vrijhandelsovereenkomsten, mogelijk in de vorm van een associatieovereenkomst ter vervanging van het achterhaalde post-Sovjetmodel van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst.

Ik roep de EU nu op Oekraïne via het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument meer financiële steun te geven en Oekraïne om met verdubbelde inzet corruptie in het openbare leven te bestrijden, de onafhankelijkheid van de rechtspraak te versterken, en tegelijk te laten zien dat het werkelijk toenadering wil tot de Europese Unie door te werken aan de aanpassing van zijn wetten aan het acquis communautaire van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Marek Siwiec , namens de PSE-Fractie.(PL) Mijnheer de Voorzitter, dit verslag, dat alom geprezen wordt, is het resultaat van een bezinning op de vraag wat Oekraïne nu eigenlijk is, en wat het voor Europa betekent. Het Europees Parlement is bijna drie jaar geleden begonnen met nadenken over deze dingen, ruim voordat er ook maar sprake was van de Oranje Revolutie.

We zijn nu op een punt gekomen waarop we de zaken op papier willen zetten en een plan willen opstellen. We willen het een akkoord noemen, of misschien een associatieovereenkomst, waardoor Oekraïne dichterbij de Europese Unie zou komen. Zoals de commissaris al heeft aangegeven, moeten we Oekraïne “zo dicht mogelijk bij de Europese Unie” brengen – dat kan een afstand van 0 km zijn. Met andere woorden, dat kan een toekomstig lidmaatschap van de EU inhouden. We moeten niet bang zijn dit uit te spreken. Wij moeten durven verklaren dat dit perspectief er is. Laten we het ook tegen de Oekraïners zelf zeggen. Dit verslag, dat het eerste officiële document van de Europese Unie over dit onderwerp is, bevat een dergelijke verklaring.

Willen deze plannen echter werkelijkheid worden, dan zal Oekraïne een gigantische klus moeten klaren en zal het verantwoordelijkheidsgevoel en plichtsbesef tegenover de eigen burgers moeten hebben. De hervormingen zullen moeilijk en pijnlijk zijn. Wij willen helpen bij die hervormingen. Het EU-lidmaatschap en de Europese aspiraties van Oekraïne moeten een onderwerp worden dat ons nader tot elkaar brengt in plaats van dat het ons uit elkaar drijft.

De Oekraïense partijen die aan de verkiezingen gaan deelnemen, moeten aan de Oekraïense samenleving duidelijk maken dat ze voor een EU-lidmaatschap zijn en dat ze daarover geen ruzie gaan maken, maar zich ervoor zullen inspannen deze doelstelling te realiseren.

Ik voel mij zeker genoeg om deze woorden uit te spreken, want de Europese Unie heeft door de overeenstemming die op de laatste top bereikt is duidelijk laten zien dat zij openstaat voor het proces van verdere uitbreiding. De Europese Unie heeft laten zien dat ze de uitbreidingsprocedure wil toepassen op een verstandige en evenwichtige manier die goed is voor zowel de lidstaten als de kandidaat-lidstaten en de landen die zich in de toekomst kandidaat willen stellen.

Ik roep op dit verslag zonder verdere amendementen aan te nemen. Ik hoop dat er een krachtig signaal van uitgaat naar Oekraïne en de bevolking van de Europese Unie. Ik hoop dat wij de toekomst van Oekraïne niet in termen van bedreiging en angst zien, maar in termen van de grote kansen en uitdagingen waar de Oekraïners en de Europeanen op dit moment voor staan.

 
  
MPphoto
 
 

  István Szent-Iványi, namens de ALDE-Fractie. – (HU) Aan het eind van 2004 hebben we allen met veel blijdschap en hoop het nieuws vernomen dat Oekraïne had gekozen voor Europese waarden en democratie. Sindsdien is gebleken dat de consolidering van de rechtsstaat, de democratie en de vrije markteconomie geen gemakkelijk proces is en dat Oekraïne er zorg voor moet dragen dat het de behaalde resultaten veiligstelt, aangezien deze nog breekbaar zijn.

Juist daarom zijn we volledig eens met het verslag van de heer Kamiński waarin hij stelt dat de Europese Unie in deze moeilijke periode Oekraïne niet de rug toekeert, maar juist een nog nauwere samenwerking aanbiedt. Wij zijn er zelf ook zeer bij gebaat dat Oekraïne een op Europa georiënteerd, onafhankelijk land is. Wij hebben er belang bij dat het land een solide, op de rechtsstaat gebaseerde democratie is en beschikt over een functionerende markteconomie. Hiertoe willen wij bijdragen met deze overeenkomst.

Oekraïne moet inzien dat het land zelf ook taken en plichten heeft, en dat deze overeenkomst alleen zin heeft als Oekraïne in staat is de moeilijkheden de baas te worden en de problemen onder ogen te zien. Wij zijn van mening dat de betrekkingen tussen de Europese Unie en Oekraïne niet de vorm van een partnerschapsovereenkomst moeten aannemen, maar veeleer die van een associatieovereenkomst. Wij hopen dat dit partnerschap later wordt ingeruild voor een dergelijke associatieovereenkomst.

Later zou het van belang kunnen zijn dat we de vrijhandelszone tussen Oekraïne en Europa uitbouwen, aangezien de economische banden steeds uitgebreider en nauwer worden. We achten het van belang dat de subsidies aan Oekraïne tijdens de evaluatie van het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument worden verhoogd. We vinden het dus essentieel dat na de evaluatieperiode, maar ook nu al, een groot deel van de steun wordt besteed aan het opbouwen van een maatschappelijk middenveld en aan het versterken van onafhankelijke media, aangezien hieraan dringend behoefte is in Oekraïne.

Op het gebied van de markteconomie heeft Oekraïne ook nog werk te verrichten. Het onoverzichtelijke systeem van overheidssubsidies moet worden omgevormd en er moet meer bescherming komen voor intellectueel eigendom en buitenlandse investeringen, want op dit vlak zijn er enorm veel problemen.

Wij zijn erg blij met de visumfaciliteringsovereenkomst die we ondertekend hebben, maar wij zien deze slechts als de eerste stap. We denken dat zij Oekraïne en Europa werkelijk dichter bij elkaar kan brengen. In deze geest steunen we het op een brede consensus gebaseerde verslag van de heer Kamiński.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan , namens de UEN-Fractie.(PL) Mijnheer de Voorzitter, namens de UEN wil ik de auteur van het voorliggende verslag, onze briljante collega Michał Kamiński, hartelijk bedanken voor het opstellen van dit ongelooflijk belangrijke document.

Het is een zeer wezenlijk verslag, omdat het de Raad oproept Oekraïne een duidelijk Europees perspectief te bieden, zodat het nieuwe akkoord voor intensievere samenwerking een geschikt kader biedt voor de integratie van Oekraïne in de Europese Unie, waardoor de weg voor dit land geopend wordt naar een volledig EU-lidmaatschap in de toekomst.

Zoals Marek Siwiec van de sociaaldemocratische fractie reeds heeft opgemerkt, is het in feite het eerste officiële document van de Europese Unie waarin over een volledig lidmaatschap wordt gesproken.

We bespreken dit verslag op een zeer belangrijk moment voor Oekraïne. Over iets meer dan twee maanden worden daar parlementaire verkiezingen gehouden. Wij moeten eerlijk onder ogen zien dat als wij geen duidelijk signaal richting Kiev afgeven, dit zal worden aangegrepen door degenen die zich verzetten tegen de hervormingen en de pro-westerse koers van Oekraïne.

Het verslag van Michał Kamiński is precies zo’n duidelijk signaal en ook weer een pro-Oekraïense stem in het Europees Parlement. Ik ben ervan overtuigd dat de aanneming van het verslag de relatie tussen Oekraïne en de Europese Unie verder zal versterken.

We horen vaak sceptische geluiden uit Oekraïne. Men beweert dat Oekraïne geen keus heeft en alleen naar het oosten kan kijken, omdat het westen hen niet wil. Ik hoop dat het resultaat van de stemming van vandaag laat zien dat die politici zich vergissen. Oekraïne moet met prioriteit behandeld worden, al was het alleen maar vanwege zijn sleutelrol in de stabiliteit en de zekerstelling van de energievoorziening van de Europese Unie. Dit is juist nu van belang, nu we de beslissing moeten ondersteunen over de omkering van de stromingsrichting van de pijpleiding Odessa-Brody en over de bouw van een extensie daarvan naar de Europese Unie.

Ik zou u willen herinneren aan een belangrijk voorbeeld van het vertrouwen dat we hebben in Oekraïne als waardig lid van de Europese democratische gemeenschap: de beslissing van de UEFA om de gezamenlijke organisatie van het Europees kampioenschap voetbal in 2012 aan Polen en Oekraïne toe te vertrouwen.

Ten slotte wil ik benadrukken dat Oekraïne deel uitmaakt van Europa door de historische betrekkingen die het met zijn buren heeft. Sinds het onafhankelijkheid verworven heeft, heeft Oekraïne gekozen voor een democratische ontwikkeling van het land, wat een karaktertrek van alle Europese landen is. Ik hoop dat het Europees Parlement vandaag bevestigt dat de keuze die Oekraïne gemaakt heeft de juiste is geweest.

 
  
MPphoto
 
 

  Rebecca Harms, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de rapporteur danken voor zijn verslag. Voordat ik aan mijn toespraak begin, die overigens zeer kritisch zal zijn ten aanzien van het politieke systeem in Oekraïne, wil ik het volgende opmerken: als we naar de landkaart kijken of de geschiedenisboeken erop naslaan, kunnen we constateren dat Oekraïne een Europees land is en dat de kwestie van het EU-lidmaatschap van dit land in feite alleen afhankelijk is van de vooruitgang die er op het gebied van democratische hervormingen wordt geboekt. Het feit dat Oekraïne deel uitmaakt van Europa moet eigenlijk voor ieder van ons vanzelfsprekend zijn.

Na vele bezoeken zowel vóór als na de Oranje Revolutie moet ik zeggen dat het politieke systeem, of liever het systeem van de politieke elite in Oekraïne, zich in een uitermate erbarmelijke situatie bevindt. De partijblokken zijn zonder uitzondering inmiddels volledig in diskrediet geraakt. De reputatie van de kerninstellingen, de reputatie van het presidentschap en de reputatie van het parlement hebben ernstig geleden onder het feit dat deze instellingen de afgelopen twee jaar feitelijk geen rekening hebben gehouden met de belangen van de bevolking, maar dat ze zich alleen hebben gericht op de belangen van de elite, die deze instellingen inmiddels in handen hebben. In Oekraïne is een machtsvacuüm ontstaan.

Er zijn bijvoorbeeld berichten over een tweede verrijkingsgolf, die in de schaduw van de geschillen in het parlement plaatsvindt. Daar moét verandering in komen. Na de verkiezingen moeten wij ons ervoor inzetten dat tussen beide blokken eindelijk de weg naar echte democratische compromissen wordt ingeslagen, want er zal weer een impasse optreden. Er moet actie worden ondernomen tegen pogingen om in Oekraïne een soort tirannie van de meerderheid door te voeren.

Er zijn echter ook hoopvolle signalen. Het is mijns inziens een zeer goede zaak dat de bevolking van Oekraïne dit hele conflict kalm opneemt en niet langer het risico loopt tot gewelddadige acties te worden aangezet. Ik hoop dat dit zo blijft en ik ga ervan uit dat de situatie zich zal stabiliseren als wij Oekraïne een oprecht standpunt over het perspectief op lidmaatschap blijven geven. In dat opzicht ben ik zeer ingenomen met de signalen voor een associatieovereenkomst en dit verslag!

 
  
MPphoto
 
 

  Jiří Maštálka, namens de GUE/NGL-Fractie. – (CS) Ik sluit me van harte aan bij de dankwoorden aan het adres van de rapporteur voor het enorme werk dat hij heeft verzet. Uit ons debat tot nog toe blijkt dat we allemaal de wens koesteren van een stabiel, democratisch en zich voorspoedig ontwikkelend Oekraïne, een buurland van de EU. Ik ben echter wel van mening dat er in het verslag op z’n minst drie zaken over het hoofd worden gezien. Graag zou ik die hier nader onder de aandacht willen brengen. Allereerst het punt dat we dienen te streven naar een stabilisering van de sociaaleconomische situatie, vooral wat betreft de gezondheidszorg in Oekraïne. Ik vraag me af of we ons wel voldoende bewust zijn van het feit dat mede als gevolg van de zwakke economie er zich in Oekraïne allerlei zeer gevaarlijke ziektes ontwikkelen, voornamelijk infectieziektes. Deze vormen gezien de sterke migratie in zekere zin tevens een gevaar voor andere landen, vooral die van de Europese Unie. Ik acht het dan ook van groot belang dat onze hulp aan Oekraïne op het gebied van de gezondheidszorg op korte termijn verder wordt uitgebreid.

Mijn tweede opmerking betreft de buurlanden van Oekraïne, namelijk Moldavië en Wit-Rusland. De Europese Unie heeft veel politieke inspanningen, maar ook omvangrijke financiële middelen gestoken in het oplossen van de situatie in Transnistrië. Er dient mijns inziens beter te worden gekeken naar de manier waarop deze middelen en mankracht door Oekraïne worden ingezet bij de aanpak van de situatie aldaar, vooral als het gaat om de controle op de illegale handel en andere minder fraaie zaken die aan deze grens plaatsvinden. Oekraïne is namelijk bij machte hier een grote positieve wending aan te geven.

Wat Wit-Rusland betreft, vind ik dat we er vooral op dienen aan te dringen op meer samenwerking van Oekraïne bij het opvangen van de gevolgen van de Tsjernobylramp, alsook op samenwerking met Wit-Rusland bij het oplossen van migratievraagstukken. Het is namelijk gebleken dat de grootste stroom illegale migranten naar de EU via Oekraïne loopt. Ik denk dat we allen van harte wensen dat de aanstaande verkiezingen in Oekraïne gevrijwaard blijven van externe inmenging en dat ze waarlijk democratisch zullen zijn, zodat het land aantoont een stabiele en betrouwbare partner te zijn voor de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. – Voorzitter, van het overigens afwezige Portugese voorzitterschap verlang ik vooral één ding: helderheid over de grenzen van de Europese Unie. Naar mijn mening valt Oekraïne daar duidelijk binnen. Zo'n open, Brusselse boodschap aan het adres van Kiev vergt vanzelfsprekend helpende Europese handen. Kortom, Europees engagement. Welnu, dat is in Kiev duidelijk aanwezig. Dat leerde mij een delegatiebezoek van eind mei. Een informatieve en inspirerende Europees-Oekraïense handreiking. Mijn compliment daarvoor ook aan het adres van de Commissie. De Europese weg voor Oekraïne wordt evenzeer gewezen door het solide verslag van collega Kamiński. Dat zal ik dan ook graag steunen, want het benoemt eerlijk de Europese hervormingseisen aan de Oekraïense staats- en bestuursinstellingen.

Het is, Voorzitter, een immense verantwoordelijkheid van de huidige Oekraïense politieke elite zichzelf te bevrijden van de kwade egoïstische reuk, zowel in materiële als immateriële zin. Die zelfreiniging zal de nationale zaak de onmisbare publieke steun verlenen richting Europese Unie. Aan dit wenkende Europese perspectief voor Oekraïne, dienen de Europese instellingen juist tijdens deze spannende polariserende verkiezingstijd een concrete bijdrage te leveren. Het verslag- Kamiński geeft het goede voorbeeld. Klip en klaar wijst het Oekraïne de weg naar Europa. Zeker, een lange weg. Laten we die gezamenlijk goed begaanbaar maken en ook gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Jana Bobošíková (NI). (CS) Dames en heren, ik sta volledig achter het verslag van de heer Kamiński. Hij geeft daarin eenzelfde schets van de situatie in Oekraïne zoals wij, leden van de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Oekraïne, die onlangs hebben kunnen optekenen tijdens persoonlijke ontmoetingen met het parlement, de regering en president Joesjtsjenko. Tevens wordt de tot nog toe onbestemde houding van de Unie jegens het land er treffend in weergegeven. Na de steun aan de Oranje Revolutie in december 2005 en de ontvangst van president Joesjtsjenko in dit parlement hadden we verder moeten gaan. We hadden duidelijk moeten zeggen dat we Oekraïne niet alleen steunen, maar dat het land ons waarlijk na aan het hart ligt. Ondanks alle problemen die onze oosterbuur te verduren heeft, ben ik ervan overtuigd dat Oekraïne binnen afzienbare tijd lid dient te worden van de Europese Unie. Niet alleen vanwege de sterke historische, culturele en economische banden met de lidstaten van de EU, maar ook omdat het een sleutelrol speelt bij de energieveiligheid van de Unie.

Ik sluit me aan bij de rapporteur wat betreft zijn pleidooi voor een overeenkomst tussen de Europese Unie en Oekraïne waarin concrete voorwaarden en een tijdspad worden vastgelegd voor de wederzijdse betrekkingen tussen Oekraïne en de EU, alsook voor hervormingen die uiteindelijk moeten leiden tot integratie van Oekraïne in de EU. Ik ben er eveneens voorstander van om de financiële hulp aan Oekraïne te verhogen, alsook om te blijven pleiten voor een grondige uitvoering van de hervormingen, de strijd tegen corruptie, en de creatie van een stabiel, betrouwbaar en voorspelbaar investeringsklimaat. Ik hoop dat met name de nieuwe lidstaten hun steentje aan dit proces zullen bijdragen, want niet alleen op linguïstisch en geografisch vlak staan zij Oekraïne nabij, maar samen delen ze tevens een totalitair verleden en een op hervormingen gericht heden.

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, we hoeven maar een blik op de landkaart te werpen om in te zien dat Oekraïne in strategisch opzicht voor ons een van de belangrijkste landen is. Daarom moeten wij er veel belang aan hechten dat Oekraïne zich tot een democratie en rechtsstaat ontwikkelt en economisch succesvol wordt, want dat zijn de belangrijkste tekenen dat een land op de juiste weg is.

Tegelijkertijd moet echter eveneens gezegd dat Oekraïne als een onafhankelijke natie zelf kan beslissen welke koers het wil varen en dat niemand – zelfs geen groot buurland – het recht heeft daar invloed op uit te oefenen. De tijd van de invloedssferen is voorbij en ieder Europees land kan vrije besluiten nemen. Het is daarom belangrijk dat Oekraïne deze geïntensiveerde partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst wordt aangeboden, waardoor de mogelijkheid tot het nemen van vrije beslissingen voor Oekraïne aanzienlijk wordt vergroot.

Ik zie deze overeenkomst in verband met toetreding tot de WTO, een toekomstige vrijhandelszone, een verdere ontwikkeling van het Europees nabuurschapsbeleid en de mogelijkheid een uitgebreide Europese Economische Ruimte, of hoe wij deze hier in het Europees Parlement ook hebben genoemd. Waar het om gaat is dat wij de weg effenen naar een vrij Oekraïne dat gericht is op Europa en dat deel uitmaakt van de Euro-Atlantische gemeenschap.

Hoe ver deze weg zal gaan, hangt af van de ontwikkeling van de Europese Unie en van de ontwikkeling van Oekraïne. Wij moeten allemaal ons huiswerk doen. We moeten nu echter geen valse beloften doen, waarvan niemand weet of we die wel kunnen nakomen, want dat zal alleen maar tot teleurstellingen leiden. In tegendeel, wij moeten deze partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst nu juist implementeren, zodat de Oekraïense burgers vandaag, morgen en daarna weten dat er vooruitgang wordt geboekt en dat ze ervan profiteren om in vrijheid en democratie te leven volgens de regels van een rechtsstaat in een land dat op het westen georiënteerd is. Daarbij moeten wij helpen.

Zoals mevrouw Harms heeft opgemerkt, moet ook de politieke elite in Oekraïne zich hiervan bewust worden en moet er een einde worden gemaakt aan alle spelletjes die worden gespeeld, die uitsluitend gebaseerd zijn op persoonlijke ijdelheid maar niets opleveren.

Mijns inziens hebben wij een verplichting die wij na moeten komen, waarbij wij geen valse beloften mogen doen maar realistisch moeten blijven, zodat onze uitspraken geloofwaardig blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Marinus Wiersma (PSE). – Voorzitter, ook wij vinden het van belang dat de Commissie ambitieus is als het gaat om het sluiten van een nieuwe overeenkomst met Oekraïne, waarbij wat ons betreft vooral de vergaande en verdergaande economische integratie voorop moet staan, maar ook het uitbreiden van de samenwerking op zoveel mogelijk andere terreinen.

Het signaal van de Europese Unie moet zijn dat we verder willen gaan met de verdieping van de relaties met Oekraïne. Als we dat goed willen doen, is het natuurlijk wel van belang dat ook binnen Oekraïne zelf iets gebeurt, want de sleutel voor het succes van die samenwerking ligt toch uiteindelijk in Kiev zelf. Dat betekent dat ook door ons druk moet worden uitgeoefend met het oog op het herstel van de politieke balans in het land zelf. Waar we eigenlijk naar moeten streven of waarbij we moeten helpen is een soort historisch compromis tussen oost en west. Als het politieke conflict in Oekraïne niet wordt opgelost, voorzie ik ook grote problemen bij het verder ontwikkelen van de samenwerking met de Europese Unie.

De tekst van het verslag is voorzichtig als het gaat om de langere termijn, maar gooit de deur niet dicht. Het is ook heel erg van belang dat wij vandaag dat signaal aan Oekraïne geven, ook hier weer onder het beslag dat de sleutel in Kiev zelf ligt. Het hangt af van de hervormingscapaciteit van dat land of de vraag naar lidmaatschap ooit een reële vraag zal worden. Maar laten wij hier vandaag de deur niet dichtgooien, maar wel realistisch blijven. Van belang, ik zei het al, is het ontwikkelen van een hervormingsagenda door Kiev, door Oekraïne zelf, waarbij vooral niet alleen de bestrijding van corruptie en het creëren van meer transparante structuren in dat land belangrijk zijn, maar ook de afbraak van oligarchische structuren.

Tenslotte nog twee opmerkingen. Ik denk dat Oekraïne – dat moeten we stimuleren en dat staat ook in het verslag van de heer Kamiński – een rol kan spelen als sleutelland in de regio. Dan kijken we naar het Zwarte Zeegebied waar veel problemen zijn rond energie, handel, de aanpak van criminaliteit en waar samenwerking tussen landen met steun van de Europese Unie geboden is. Voor Oekraïne is daar nog een grote rol weggelegd.

Ten slotte, en ook dat wordt in het verslag goed verwoord: Oekraïne speelt een sleutelrol in de energievoorziening in Europa als het gaat om de distributie en de doorvoer, maar ook als het gaat om het op orde brengen van zijn eigen energiehuishouding. Ook daar kan de Commissie, kan de Europese Unie een grote rol spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Grażyna Staniszewska (ALDE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het mandaat waar we over spreken is – eindelijk – een positief en constructief signaal van de Europese Unie waarop diegenen in Oekraïne die naar hervorming streven lang gewacht hebben.

Oekraïne is een heel jong land, niet meer dan twintig jaar oud. Het leert nog hoe het moet functioneren, hoe het eigen structuren en instituten moet bouwen en respecteren, en hoe het democratisch moet functioneren. De Oekraïners zijn honderden jaren lang beroofd geweest van hun eigen land. Dat kan men op geen enkele manier vergelijken met de Baltische landen, gedurende veertig jaar geen soevereine natie waren.

Het is buitengewoon belangrijk welke beginselen het jonge land Oekraïne zal volgen in zijn ontwikkeling. Oekraïne is de grootste directe buur van de Europese Unie. De vraag rijst wie de Oekraïners zal weten te mobiliseren en met welk oogmerk. Rusland, een land zonder democratie, met een van corruptie vergeven economie die gebruikt wordt als instrument om politieke invloed mee uit te oefenen, of de democratische en vrije Europese Unie?

Tot nu toe heeft de Europese Unie hoogstens onverschillig gestaan tegenover de Europese aspiraties van Oekraïne. Op de korte periode van constructief en geëngageerd contact tijdens de Oranje Revolutie na, heeft de Europese Unie bij monde van de opeenvolgende commissarissen tot nu toe slechts onverschilligheid en afstandelijkheid laten zien. Het mandaat waar we vandaag over debatteren, geeft ons de kans deze houding te veranderen. Het schept perspectieven voor de lange termijn op een lidmaatschap van de Europese Unie, en het belooft een verhoging van de financiële hulp op basis van een tussentijdse beoordeling, de instelling van een vrijhandelszone en maatregelen waardoor het makkelijker wordt een visum te verkrijgen.

Alles heeft echter een prijs. In ruil voor een overeenkomst geeft de Unie duidelijk aan te verwachten dat Oekraïne de ingeslagen weg van democratisering vervolgt, dat het zich concentreert op het bouwen van de instellingen die kenmerkend zijn voor een democratisch land dat in staat is zelfstandig crises op te lossen, dat Oekraïne hervormt en bovenal ervoor zorgt dat de rechterlijke macht onafhankelijk wordt van de politieke invloeden van vooral zijn buurlanden, zodat het land eindelijk een onafhankelijk constitutioneel hof krijgt. Ook wil de Unie dat Oekraïne politiek en economie scheidt en dat het land effectief de corruptie bestrijdt.

Dat is een enorme opgave, die de Oekraïners grote moeite zal kosten en vele, vele jaren van hard werken zal vergen. Toch ben ik ervan overtuigd dat Oekraïne deze uitdagingen slechts dan kan overwinnen, als er een duidelijk, maar nog ver perspectief bestaat op Europese integratie.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Gintaras Didžiokas (UEN). – (LT) Om te beginnen wil ik de rapporteur, de heer Kamiński, bedanken en feliciteren met een in mijn ogen zeer belangrijk en noodzakelijk verslag. Niet alleen in economisch, maar ook in geopolitiek opzicht speelt Oekraïne een cruciale rol en dat zal zo blijven. De stabiliteit van Europa zal afhangen van hoe en met wie Oekraïne zich zal ontwikkelen. Een blik naar het verleden volstaat om ons daarvan te overtuigen. Als Europa stabiliteit en veiligheid wil, zal het de nodige aandacht moeten geven aan Oekraïne. Europa heeft Oekraïne nodig en Oekraïne heeft zonder twijfel Europa nodig. Wij moeten de hand reiken naar het volk van Oekraïne, we moeten de mensen helpen hun angst te overwinnen die zich door de Sovjet- en Russische propaganda in hen genesteld heeft, we moeten ons ontdoen van de overblijfselen van de Koude Oorlog en Oekraïne moet een betrouwbaar, stabiel, veilig en werkelijk Europees land worden. We hebben meer veelzijdige programma's nodig en meer contacten hiervoor; we moeten duidelijke signalen afgeven aan de bevolking van Oekraïne, omdat er krachten aan het werk zijn die de mensen angst voor Europa aanpraten, die tweedracht en spanningen zaaien. Europa moet die krachten overwinnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Milan Horáček (Verts/ALE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, wij stemmen in met het verslag over Oekraïne. Op enkele punten had ik echter graag nog duidelijkere taal gezien.

Oekraïne bevindt zich in een turbulente fase, ook al heeft de overeenstemming tussen de conflictpartijen over nieuwe verkiezingen eind september de spanning enigszins weggenomen. Er is geen garantie dat een nieuw gekozen Verkhovna Rada de sleutel tot een oplossing van alle politieke problemen betekent. Zal er na de verkiezingen meer samenwerking en wederzijds vertrouwen tussen het blauwe en het oranje kamp zijn?

Op weg naar de zo dringend noodzakelijke stabiliteit in Oekraïne zijn er politieke en institutionele hindernissen die nog overwonnen moeten worden. Een duidelijk Europees perspectief kan de noodzakelijke impuls tot democratisering en modernisering creëren. Het feit dat Oekraïne nog ernstig tekortschiet wat betreft het naleven van de internationale mensenrechtennormen, mag niet verzwegen worden, evenmin als het feit dat corrupte structuren, met name binnen de politiek en de rechterlijke macht, en de ondoorzichtige verstrengeling met het bedrijfsleven een belemmering vormen voor een succesvol hervormingsproces.

De vooruitzichten op toetreding zijn bijzonder belangrijk en noodzakelijk, zowel voor Oekraïne als voor de EU. Het Europese ideaal om een continent te scheppen waar vrede, democratie, welvaart en mensenrechten de boventoon voeren, geldt voor alle Europese landen en die boodschap richten we ook uitdrukkelijk tot Oekraïne.

 
  
MPphoto
 
 

  Jerzy Buzek (PPE-DE) . – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer de rapporteur met dit zeer goede verslag. Drie jaar na de Oranje Revolutie hebben we redenen niet tevreden te zijn over de vooruitgang die geboekt is op het gebied van democratie, de vrije markt en de rechtsstaat in Oekraïne. Maar diegenen die zelf de communistische tijd van de tweede helft van de 20e eeuw hebben overleefd – en er zijn tien landen in de Europese Unie die het communisme aan den lijve hebben ondervonden – weten hoe moeilijk het is zich psychisch en institutioneel te bevrijden van het onderdrukkende en verlammende systeem van het ware socialisme.

Laten we niet vergeten dat Oekraïne tegenwoordig vrije en gedifferentieerde media heeft, wat altijd een van de belangrijkste garanties is voor vooruitgang. Ik ben het eens met de meerderheid van de vorige sprekers. Als we het zo met elkaar eens zijn, waarom zetten we dan nu niet de puntjes op de i? Waarom schrijven we niet duidelijk over het toekomstig EU-lidmaatschap van Oekraïne, dat vanzelfsprekend nog ver in de toekomst ligt?

Als wij als Europese Unie onze waarden, zoals democratie, vrije markt en de rechtsstaat in Oost-Europa willen uitdragen, vooral in Wit-Rusland, in Rusland en in het bekken van de Kaspische Zee, dan moeten we een duidelijk standpunt innemen ten opzichte van Oekraïne. Wij moeten duidelijk zijn over het toekomstig lidmaatschap van dat land. Als we dat niet doen, dan missen we de kans een langdurige en vruchtbare stabilisatie tot stand te brengen in Oost-Europa.

Onze voorstellen aangaande een toekomstig EU-lidmaatschap van Oekraïne verplichten Oekraïne tot niets. Het blijft aan de Oekraïense burgers om hierover een besluit te nemen; dit is een punt dat ik in het bijzonder wilde onderstrepen. En evenmin zijn deze voorstellen valse beloften.

Op dit moment liggen er nog twee concrete taken vóór ons. Ten eerste moeten we er, langs diplomatieke weg, voor zorgen dat de verkiezingen van 30 september daadwerkelijk plaatsvinden. Ten tweede moeten we een zware, en niet alleen maar symbolische, delegatie waarnemers naar die verkiezingen sturen. Dat is onze plicht, en het is ook waar alle Oekraïners met wie we gesproken hebben, om gevraagd hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Libor Rouček (PSE). – (CS) Staat u mij toe om allereerst mijn genoegen uit te spreken over het besluit van de Raad om onderhandelingen te openen over een nieuwe overeenkomst tussen de EU en Oekraïne met het oog op een verdieping van de politieke samenwerking, alsook een geleidelijke economische integratie van Oekraïne in de interne markt van de Europese Unie. Evenals de rapporteur ben ik van mening dat er voor het daadwerkelijk bereiken van deze ambitieuze en voor beide partijen belangrijke doelstellingen concrete methodes, voorwaarden alsook prioriteiten dienen te worden vastgelegd. Toetreding tot de WTO, alsook de geleidelijke creatie van een geïntegreerde vrijhandelszone zijn een tweetal van die prioriteiten. Een dergelijke vrijhandelszone dient mijns inziens op een gemeenschappelijke juridische basis te worden gegrondvest, en dient betrekking te hebben op alle mogelijke vormen van handel in goederen, diensten en kapitaal. De andere concrete prioriteit op economisch gebied zou betrekking moeten hebben op een zo snel mogelijke integratie van Oekraïne in de Europese energiegemeenschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Onyszkiewicz (ALDE). (PL) Mijnheer de Voorzitter, we debatteren vandaag over het akkoord tussen de Europese Unie en het, na Rusland, grootste land van Europa. Geografisch is Oekraïne het grootste land van Europa, en het neemt al 1 000 jaar deel aan de Europese cultuur, die het ook mede vorm heeft gegeven. Het geeft al enkele jaren duidelijk te kennen het lidmaatschap van de Europese Unie te ambiëren, aangezien het gelooft dat wat in onze Verdragen staat, namelijk dat elk Europees land het recht heeft zich bij de EU aan te sluiten, meer is dan alleen maar woorden.

Daarbij is het een zeer belangrijk land voor Europa. Dit punt is al herhaaldelijk in dit Huis naar voren gebracht en ook in de voorgestelde tekst van het verslag wordt het genoemd. Oekraïne zou nu al deel moeten uitmaken van het Europese systeem van energievoorziening, al was het alleen maar met het oog op energieproblemen, en activiteiten zoals het aanleggen van de pijpleiding Odessa-Brody, het betrekken van Oekraïne bij het Nabucco-gaspijpleidingproject of het aanmoedigen van de samenwerking in het kader van de GUUAM, zijn volkomen op hun plaats.

Er is hier ook gezegd dat de Oekraïense politieke instellingen nog niet klaar zijn voor een lidmaatschap van de Europese Unie. Dat mag op dit moment dan waar zijn, maar ik denk niet dat de Oekraïense instellingen en de Oekraïense democratie er slechter voor staan dan waar we nu in Turkije mee te maken hebben. We moeten er ook aan denken dat Oekraïne, als we de Baltische landen niet meerekenen, het meest democratische land is van de landen die ontstonden na de val van de Sovjet-Unie. Daarom moeten wij het groene licht geven aan Oekraïne.

 
  
MPphoto
 
 

  Guntars Krasts (UEN). – (LV) Dank u wel, mijnheer de Voorzitter. Om te beginnen wil ik de rapporteur, de heer Kamiński, feliciteren met zijn verslag. Zijn diepe persoonlijke betrokkenheid bij de situatie in Oekraïne en zijn inzet voor de bevordering van de betrekkingen tussen het Europees Parlement en Oekraïne is ongetwijfeld bevorderlijk geweest voor de vorming van het standpunt van het Parlement. Oekraïne heeft altijd kunnen rekenen op de bijzondere aandacht van de Europese Unie. Dit land speelt een belangrijke geopolitieke rol die zijn grenzen ver overschrijdt. De Europese Unie heeft groot belang bij een democratisch en economisch bloeiend Oekraïne. Het bieden van perspectief met betrekking tot het voorgenomen doel van Oekraïne om een lidstaat te worden van de Europese Unie zou een aanzienlijke bijdrage leveren aan de verwezenlijking van haar doelstellingen. Het zou een grote impuls geven aan de ontwikkeling van democratische processen in Oekraïne, het zou binnenlandse politieke processen stimuleren die stabiliteit moeten brengen en het zou de binding in de Oekraïense samenleving vergroten. De in het verslag gestelde doelen ten aanzien van hervormingen in het land en taken ter verbetering van democratie, rechtsstaat, ondernemingsactiviteiten en investeringen voor een beter milieu zijn belangrijke aspecten die de stabiliteit van Oekraïne op langere termijn moeten bevorderen. Steeds nauwere samenwerking met de Europese Unie zal de route bepalen naar de oplossing van de problemen alsmede het tempo van Oekraïne op weg naar de integratie met de Europese Unie. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Michael Gahler (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, wij leden van het Europees Parlement hebben bij talloze gelegenheden in de plenaire vergadering en binnen onze commissies benadrukt, hoe belangrijk ons buurland Oekraïne voor ons is. Wij hebben de positieve ontwikkelingen als gevolg van de Oranje Revolutie met veel sympathie gevolgd en wij hebben getracht deze ontwikkelingen zoveel mogelijk te stimuleren. Vandaag zetten wij deze inspanningen voort door in te stemmen met de uitwerking van een intensiever partnerschap tussen Oekraïne en de EU.

Oekraïne bevindt zich in een transformatieproces dat in potentie veelbelovend is. Het is echter nog ver verwijderd van het stadium dat de jongste EU-lidstaten bereikt hebben. Oekraïne kan het tempo zelf beïnvloeden en wij zijn graag bereid daarbij te helpen.

Ik beschouw de komende parlementsverkiezingen en de daaropvolgende vorming van een regering deels als een test voor de toekomstige oriëntatie van het land. Als er een Europees perspectief moet worden gevormd, dan is het zaak dat er een politieke cultuur wordt ontwikkeld die overeenstemt met de Europese normen. De structuren die verkiezingen in het verleden vervalsten en die op dit moment met geld gooien om in het parlement stemmen te kopen die ze nog te kort komen, moeten hun gedrag ingrijpend veranderen. Dat geldt uiteraard eveneens voor degenen die zich laten omkopen.

Alle politieke krachten worden opgeroepen om de instellingen van het land, de hun toegewezen bevoegdheden en hun integriteit te respecteren en te beschermen en deze niet te gebruiken als pionnen en onderhandelingspoppetjes in binnenlandse politieke geschillen. Alleen als deze doelstelling op de lange termijn kan worden gerealiseerd, zullen de burgers vertrouwen krijgen in democratie als een staatsvorm die het waard is ondersteund te worden.

Mevrouw Harms heeft reeds verwezen naar de instellingen en ik ben werkelijk zeer bezorgd over de wijze waarop de Oekraïense instellingen worden behandeld. Mijns inziens kunnen wij in de Europese Unie ons helemaal niet voorstellen welke proporties deze praktijken hebben aangenomen. Om die reden is ons verslag doorspekt met gedetailleerde eisen waaraan Oekraïne volgens ons op weg naar Europa moet gaan voldoen. Deze verwachtingen moeten worden vervuld.

 
  
MPphoto
 
 

  Adrian Severin (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, Oekraïne is een rijk land, een enorme markt, een dynamische samenleving met een grote bevolking, een indrukwekkende bron van natuurlijke rijkdom en een belangrijke doorgangsroute voor energie en fundamentele goederen. Het is een belangrijke Europese cultuur en een groot land met een cruciale geostrategische ligging.

We moeten beslissen of we willen dat Oekraïne niet meer dan een bufferzone wordt achter een in zichzelf gekeerde Europese Unie die haar structurele tekortkomingen probeert te verbergen, of een vooruitgeschoven post van een sterke, trotse, democratische politieke unie op het punt waar Europa contact maakt met – in plaats van zich af te scheiden van – Eurazië en Rusland.

De meeste Oekraïners, ongeacht hun politieke en ideologische overtuigingen, begrijpen dat hun individuele, sociale, nationale en internationale zekerheid alleen binnen betrekkingen met de Europese Unie kan worden versterkt. In reactie op hun legitieme aspiraties en in overeenstemming met onze eigen fundamentele belangen, moeten we hun voorhouden dat we bereid zijn al onze middelen en beleidsmaatregelen met hen te delen, zodra Oekraïne en de Europese Unie op juridisch, politiek, wetgevend, institutioneel en moreel gebied op één lijn zitten. We moeten ook duidelijk maken dat we bereid zijn de mogelijkheid in overweging te nemen zelfs onze instellingen met hen te delen, onder de juiste omstandigheden en op het juiste tijdstip.

Om dit haalbare doelen en verwachtingen te laten zijn, moet de Europese Unie haar institutionele hervormingen succesvol afronden. Ook moet Oekraïne zijn democratische structuren flink verbeteren met mechanismen voor “checks and balances”, politiek en zakenleven van elkaar scheiden en op die manier overheidsbeleid ontdoen van oligarchische controle, en de culturele tweedeling tussen het oostelijke en het westelijke gedeelte van het land verhelpen.

De Europese Unie moet een duidelijk verband aanbrengen tussen de vooruitgang die Oekraïne intern boekt en de vooruitgang in het gebruikmaken van de mogelijkheden die de Europese Unie biedt. Omdat het voorgestelde document van deze ideeën uitgaat, is het belangrijk het aan te nemen en zo de juiste boodschap aan alle betrokken partijen uit te dragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Adina-Ioana Vălean (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben zeer verheugd dat Oekraïne de laatste paar jaren dichter bij Europa en onze fundamentele normen en waarden is komen te staan. We moeten echter niet onze ogen sluiten voor de ernstige problemen waar dit land mee te maken heeft: corruptie tiert welig, het onderlinge wantrouwen is enorm en het justitiële stelsel disfunctioneert en is volledig in diskrediet geraakt. We moeten hervormingen daarom aanmoedigen, maar Oekraïne moet er ook voor zorgen dat zijn proclamaties worden gevolgd door concrete acties, dat het niet bij woorden blijft maar er ook daden worden getoond.

De lakmoesproef hiervoor is de houding van Oekraïne met betrekking tot Roemenië en Bulgarije bij de verstrekking van visums. Vorige maand heeft de EU een visumfaciliterings- en terugnameovereenkomst getekend met Oekraïne. Ik heb echter onlangs vernomen dat onze bevoorrechte partner weigert de visumversoepeling ook van toepassing te laten zijn op Roemeense en Bulgaarse burgers. Dit is absoluut onacceptabel. De autoriteiten van Oekraïne hebben wellicht vergeten dat Roemenië en Bulgarije nu volledig lid zijn van de Europese Unie en dat hun burgers daarom recht hebben op gelijke behandeling. Als Oekraïne als serieuze partner wil worden gezien, zal het dit fundamentele beginsel zo snel mogelijk moeten accepteren.

Ik roep daarom de Raad en de Commissie op om vast te houden aan hun belofte deze overeenkomst niet te ratificeren voordat Oekraïne de visumplicht voor burgers van Roemenië en Bulgarije heeft opgeheven. Oekraïne moet begrijpen dat deze zaak dringend uit de wereld moet worden geholpen omdat het land anders zijn geloofwaardigheid in gevaar brengt. Ik hoop dat we nog voor de top in september positieve ontwikkelingen tegemoet kunnen zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). (PL) Meneer de Voorzitter, het huidige debat gaat grotendeels over de toekomst van Europa: zal Europa’s toekomst gebaseerd zijn op de christelijke traditie of zal Europa haar verleden en toekomst verliezen?

Oekraïne maakt niet alleen geografisch deel uit van Europa, maar deelt ook Europese tradities, de waarden van onze voorvaderen. Oekraïne hoort dus bij Europa. Het verbaast me dat voor een aantal parlementsleden het Midden-Oosten belangrijker is. U ziet een rol voor Europa in Azië maar u sluit de ogen voor een groot deel van ons continent. Momenteel wordt Oekraïne geteisterd door politieke en economische crisissen. Daarom moeten we het land nu een duidelijk teken geven dat we willen dat Oekraïne tot Europa behoort, dat de Oekraïense samenleving de juiste politieke keuze maakt, opdat de situatie in de oostelijke regio’s van de Unie stabiliseert.

Ik feliciteer meneer Kamiński met zijn verslag. Uit dit verslag spreekt het verlangen om niet alleen Europa – een Europa van tradities en waarden – te versterken maar ook het economische en geopolitieke potentieel van een uitgebreide Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogdan Klich (PPE-DE). (PL) Meneer de Voorzitter, de Europese Unie heeft bepaalde verplichtingen tegenover Oekraïne. Twee jaar geleden hebben we een belangrijke rol gespeeld door de Oranje Revolutie in Kiev te steunen. Toen ging het over het herstel van de democratie; op dit moment gaat het over de consolidatie daarvan. Om zijn democratie te kunnen consolideren, zou Oekraïne een duidelijk perspectief voor de toekomst moeten hebben. We mogen niet zeggen, zoals meneer de commissaris heeft gezegd, dat Oekraïne zo dicht mogelijk bij de Europese Unie moet staan. Nee. We moeten ons in ondubbelzinnige bewoordingen uitspreken. Oekraïne zou perspectief moeten hebben op lidmaatschap, ik herhaal, lidmaatschap van de Europese Unie.

In de tussentijd zouden we de economische ontwikkeling in Oekraïne moeten steunen door een associatieovereenkomst te ondertekenen, overeenstemming te bereiken over een vrijhandelszone en het WTO-lidmaatschap van Oekraïne te steunen.

We moeten ook duidelijk zijn over een andere kwestie. De Unie heeft haar eigen agenda wat Oekraïne betreft en we hebben het volste recht van de Oekraïners te verwachten dat ze de Europese economische standaarden invoeren, dat ze politiek van economie scheiden, dat ze de huidige politieke crisis met democratische middelen oplossen, en dat de aanstaande verkiezingen lege artis uitgevoerd worden.

We hebben ook het recht te verwachten dat de interfractiegroep van het Oekraïense parlement die zich bezighoudt met de aanpassing van de Oekraïense wet aan de standaarden van de Europese Unie in de komende zittingsperiode van het parlement nieuw leven wordt ingeblazen en dat deze interfractiegroep in de toekomst een belangrijke partner van ons zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). – (LT) Ik feliciteer de rapporteur met zijn verslag. Ik ben het ermee eens dat de tijd rijp is voor een nieuw akkoord tussen de EU en Oekraïne. Ik ben er zeker van dat Oekraïne zich niet van de wijs zal laten brengen op zijn weg naar Europa, hoewel de conflicten en spanningen van het afgelopen voorjaar het land bepaald niet verder hebben geholpen. Ik sta achter het voorgestelde initiatief inzake een EU-Zwarte Zee Dimensie waarin de kern wordt gevormd door Oekraïne en Turkije en die ook aantrekkingskracht zal uitoefenen op Rusland en een aantal andere landen. De ervaring die de Baltische staten met hun samenwerking hebben opgedaan alsmede de Noordse Dimensie zouden in dit verband een zeer nuttige rol kunnen vervullen. Er is veel en lang gedelibereerd over de omkering van de stromingsrichting van de pijpleiding Odessa-Brody en de bouw van een extensie daarvan naar de EU, maar het is nu tijd om aan de slag te gaan. Ik steun het amendement waarin onderstreept wordt dat het welslagen van de Oekraïense integratie in de EU-instellingen niet enkel zal afhangen van hervormingen in Oekraïne, maar ook van hervormingen in de EU zelf. De machinaties van Polen, het Verenigd Koninkrijk en een paar andere landen betreffende een hervormingsakkoord gingen, bedoeld of onbedoeld, in tegen de belangen van dit land, dat zich een onwrikbare koers richting de EU ten doel heeft gesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Alma Anastase (PPE-DE). – Relaţiile dintre Uniunea Europeană şi Ucraina se află în prezent în pragul unor decizii cruciale pentru viitorul lor. Odată cu aderarea României la Uniunea Europeană, frontiera comună cu Ucraina s-a extins, ambele părţi devenind tot mai conştiente de avantajele şi oportunităţile unor relaţii aprofundate şi consolidate. Îi mulţumesc, în acest sens, domnului raportor pentru examinarea tuturor elementelor cheie în această direcţie.

Aş dori să atrag atenţia că o relaţie aprofundată şi mutual avantajoasă presupune responsabilitate crescândă şi angajament ferm din partea ambelor părţi. Îmi exprim astfel speranţa că Ucraina îşi va continua eforturile de conformare la standardele şi valorile europene atât pe plan intern, cât şi pe plan internaţional.

Pe plan intern, stabilitatea politică şi consolidarea principiilor democratice constituie o prioritate. Printre ele, respectarea drepturilor omului şi libertăţilor fundamentale, mai ales a minorităţilor şi a drepturilor acestora de a-şi vorbi limba şi de a-şi promova cultura, trebuie să stea la baza eforturilor Ucrainei de a deveni o societate multiculturală democratică, partener credibil al Uniunii Europene. Pentru a nu vorbi la modul general, doresc să atrag atenţia asupra încălcării drepturilor minorităţii române din Ucraina. Dreptul la educaţie în ţară şi în străinătate, dreptul la cultură şi religie sunt grav încălcate de către statul ucrainean care, în acelaşi timp, depune eforturi susţinute de divizare a acestei minorităţi în minoritatea română şi moldovenească, fără nicio raţiune istorică sau ştiinţifică.

Nu mai puţin importantă este acţiunea Ucrainei la nivel regional şi internaţional, în conformitate cu obligaţiile asumate. Ucraina şi-a demonstrat deja capacitatea de a fi un partener credibil şi eficient prin eforturile de pregătire pentru aderarea la Organizaţia Mondială a Comerţului, precum şi prin cooperarea cu Uniunea Europeană şi Moldova în cadrul Misiunii Uniunii Europene de asistenţă la frontieră.

Noua iniţiativă a Uniunii Europene de consolidare a cooperării regionale la Marea Neagră va fi, în sfârşit, o nouă şansă pentru toţi actorii din regiune pentru a-şi uni eforturile în crearea unui spaţiu de democraţie, stabilitate şi prosperitate în zona Mării Negre.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Mikko (PSE).(ET) Als leider van de Moldavië-delegatie wil ik de rol van Oekraïne als handhaver van stabiliteit in de Europese Unie benadrukken. Het vastgelopen conflict in Transnistrië is een overblijfsel van de Koude Oorlog in Europa. Het separatistische regime aldaar kan aan de macht blijven door inkomsten uit smokkel en door Russische strijdkrachten.

De bereidheid van Oekraïne om samen te werken met de grensbijstandsmissie van de Europese Unie heeft ons dichterbij het vertrek van illegale regeringen gebracht door de begrotingsinkomsten van het regime in Transnistrië met een derde te reduceren.

Ik sta achter het verlenen van een onderhandelingsmandaat aan de Raad om een nieuw en uitgebreider akkoord te sluiten. Hoewel de situatie verre van ideaal is, heeft Oekraïne vooruitgang geboekt in het eerbiedigen van de mensenrechten en het uitbreiden van de rechtsstaat. Het conflict tussen de president en de premier zal in Kiev in een democratisch kader worden opgelost, zoals het een land dat zich bij Europa wil aansluiten betaamt.

Om een serieuze kandidaat te worden voor het lidmaatschap van de Europese Unie moet Oekraïne zijn maatschappelijk middenveld versterken, de persvrijheid waarborgen, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vergroten en democratische controle tot norm verheffen.

Laat deze doelen belangrijk zijn voor Oekraïne en voor ons allemaal in de Europese Unie die met Oekraïne contacten onderhouden. Ik wil de heer Kamiński bedanken voor zijn opbouwende verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Ibrisagic (PPE-DE).(SV) Er is veel gebeurd sinds de Oranje Revolutie, zowel in Oekraïne als in de Europese Unie. In het verslag dat wij vandaag behandelen, wordt beschreven wat er in Oekraïne is gebeurd, voor welke problemen en uitdagingen het land stond en staat, welk werk nog moet worden gedaan en welke hervormingen nog moeten worden doorgevoerd. Zoals in de meeste van onze debatten over de betrekkingen van de Europese Unie met verschillende landen, beschrijven wij de situatie in Oekraïne, stellen wij eisen en doen aansporingen.

Wij kijken echter slechts zelden naar het feit dat de Europese Unie in de loop van de tijd is veranderd. In de minder dan drie jaar dat ik lid ben van het Europees Parlement is Europa al minder open, solidair en genereus en meer in zichzelf gekeerd en afstandelijk geworden. Wij denken te vaak aan wat dingen kosten en te weinig aan wat ze betekenen voor onszelf en het Europa van onze kinderen. Dat is vooral zo wanneer wij het hebben over de vooruitzichten van een land met betrekking tot de Europese Unie of een mogelijk toekomstig lidmaatschap. Ik ben daarom blij dat in dit verslag de wens en ambities van Oekraïne worden gesteund om de Europese Unie te naderen en op een dag met de rest van Europa te worden herenigd.

Ik gebruik bewust het woord ‘hereniging’ in plaats van ‘uitbreiding’, omdat Oekraïne, net als de rest van Oost-Europa een deel van Europa is en altijd is geweest. Het is alleen maar zo dat deze landen enkele decennia door het communisme waren “ontvoerd”. Het wordt tijd dat wij deze fout herstellen en in het geval van Oekraïne kunnen wij dat het beste doen door dit verslag te steunen, een verdere verbetering van de betrekkingen tussen Oekraïne en de Europese Unie te stimuleren en Oekraïne duidelijke vooruitzichten met betrekking tot de Europese Unie te geven – vooruitzichten die natuurlijk geen lidmaatschap mogen uitsluiten wanneer aan alle lidmaatschapscriteria is voldaan.

 
  
  

VOORZITTER: MARTINE ROURE
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Francisco Assis (PSE). – (PT) Mevrouw de Voorzitter, als iemand afkomstig uit het uiterste westen van ons continent heb ik het grootst mogelijke respect voor een volk waarvan het lot zo vaak zo tragisch is geweest, vooral in de twintigste eeuw, en dat nu zijn uiterste best doet een democratische rechtsstaat te worden.

Dit manifesteerde zich drie jaar geleden in de straten van Kiev en het blijkt ook duidelijk uit de wens van het Oekraïense volk ooit tot de Europese Unie toe te treden. We moeten respectvol met deze wens omgaan en signalen afgeven, oftewel onze samenwerkingsrelatie met Oekraïne verstevigen en de ontwikkeling van Oekraïne op alle mogelijke gebieden ondersteunen.

Het is waar dat we geen dingen moeten gaan doen die aan de Oekraïners zelf zijn: de versterking van hun democratie, de volledige institutionalisering van de rechtsstaat en het overwinnen van de problemen waarvoor ze zich nog steeds gesteld zien. Maar hoewel dit inderdaad taken voor de Oekraïners zelf zijn, moeten we wel signalen uitzenden en ik ben ervan overtuigd dat we Oekraïne met dit verslag een goed politiek signaal geven. Daarom feliciteer ik de rapporteur.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE).(PL) Mevrouw de Voorzitter, de absolute voorwaarde voor succes in de politiek is eerst en vooral dat er duidelijke doelen gesteld worden en dat er consequent gewerkt wordt aan het realiseren ervan. Consequentie is met name van belang in het geval van het ingewikkelde politieke systeem van de Unie.

In het geval van Oekraïne, een regio met een enorme politieke, economische en strategische betekenis, moet de Europese Unie een ijzeren vastberadenheid tonen in de realisatie van vooraf vastgestelde doelen. De Europese Unie heeft Oekraïne geholpen op een cruciaal moment in haar geschiedenis: tijdens de Oranje Revolutie, toen beslist werd welke weg het land zou inslaan: naar het oosten of naar het westen, naar de Europese Unie of naar Rusland. We hebben de juiste beslissing genomen en we moeten die nu consequent uitvoeren.

Nu is de situatie aanzienlijk minder dramatisch. De Europese Unie moet echter duidelijke acties ondernemen, in de richting van de integratie van Oekraïne met de EU-structuren. Conform de principes van partnerschap en solidariteit, zou de Europese Unie de jonge Oekraïense democratie moeten steunen en beschermen tegen binnenlandse bedreigingen. Een verdere integratie met de EU-structuren eist van de Oekraïners een sterkere inspanning, onder andere op het gebied van de strijd tegen de corruptie, de modernisering van het rechtssysteem en de infrastructuur. Zonder onze hulp zal Oekraïne niet in staat zijn om te voldoen aan de standaarden van de Unie op het gebied van democratie en de vrije markt. Evenmin zal het er zonder onze hulp in slagen een natie te creëren die gegrondvest is op de rechtsstaat, of politiek en economie te scheiden.

Met spijt merk ik dat het thema Oekraïne geen prioriteit is voor het Portugese voorzitterschap. In het document dat we ontvangen hebben, wordt Oekraïne weliswaar vermeld, maar het is jammer dat er geen apart hoofdstuk aan dit land is gewijd; in tegenstelling tot Brazilië. Oekraïne is het grootste Europese land dat buiten de EU blijft. We moeten Oekraïne een perspectief op lidmaatschap bieden voor de lange termijn, zoals we gedaan hebben voor Turkije.

En nog een woordje over de Europese hypocrisie. Voorstanders van de Europese Grondwet hebben kritiek geuit op het Verdrag van Nice. Een van hun voornaamste punten van kritiek was dat uitbreiding van de EU onmogelijk was op basis van het Verdrag van Nice. Laten ze dan nu ook consequent zijn en met evenveel kracht zeggen dat het Hervormingsverdrag ons in staat zal stellen een historische beslissing te nemen over het toekomstige EU-lidmaatschap van Oekraïne.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – Ucraina se află la intersecţia marilor axe rutiere, feroviare şi de transport de hidrocarburi. Dispunând de cea mai mare densitate de gazoducte şi oleoducte din Europa, Ucraina este un actor important pentru securitatea energetică a Uniunii Europene. Referitor la energia nucleară, Ucraina trebuie să facă dovada securităţii reactoarelor nucleare aflate pe teritoriul său.

În 2007, Grupul de nivel înalt a decis ca axa centrală prin care se va face integrarea sistemului comunitar de transport cu cele ale statelor vecine va asigura conectarea cu Ucraina şi Marea Neagră. Această axă include şi o conexiune prin Ucraina cu calea ferată transsiberiană şi utilizând fluviile Don şi Volga, o cale navigabilă internă către Marea Caspică.

Uniunea Europeană trebuie să fructifice ieşirea la Marea Neagră a României şi Bulgariei. Pentru România, Acordul consolidat este extrem de important şi solicităm asigurări că dezvoltarea infrastructurii de transport fluvial din Ucraina se va face cu protejarea biodiversităţii Deltei Dunării.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). – (CS) Ik ben zeer ingenomen met de politieke insteek van het verslag. Het verslag levert het bewijs dat Oekraïne geen bedreiging is voor de EU, maar een kans. Ik ben ervan overtuigd dat de EU pas af is als Oekraïne er onderdeel van uitmaakt. We zijn met elkaar verbonden door een gemeenschappelijke geschiedenis en honderdduizenden familiebanden. Ik ben echt heel blij met het feit dat Oekraïne de democratische weg bewandelt. Ik acht het wenselijk dat niet al te overhaast wordt overgegaan tot het openen van de toetredingsonderhandelingen, zoals wel gebeurd is bij Turkije op het moment dat nog niet eens was voldaan aan alle Kopenhagencriteria en waardoor beide partijen nu met de kater zitten. Ik acht het verder van belang dat we tevens uit de mond van de oppositie kunnen optekenen dat het lidmaatschap van de EU eveneens voor de burgers in het oostelijke deel van het land het nastreven waard is. Dit langetermijndoel vereist een mentaliteitsverandering van enkele miljoenen burgers, want zij moeten zich met dit doel kunnen verenigen. Het is eenvoudig om Oekraïne lidmaatschap van de EU in het vooruitzicht te stellen, maar laten we hen nu eerst en vooral helpen toe te treden tot de NAVO en de WTO.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag twee opmerkingen maken, de eerste over de toekomst van Oekraïne en de tweede over financiële hulp vanuit de Europese Unie. De in het verslag Kamiński gebruikte formuleringen over het EU-perspectief zijn klip en klaar en evenwichtig. Er zijn nog veel belangrijke te zetten stappen die niet kunnen worden genegeerd.

We bevinden ons een fase van intensieve onderhandelingen over de nieuwe verbeterde overeenkomst. Oekraïne zit daarnaast in de laatste fase van onderhandelingen over toetreding tot de WTO, waarmee ook de deur kan worden opengezet voor onderhandelingen over een vrijhandelszone. We hebben het over visumversoepeling, waarbij gelijke behandeling van alle EU-burgers vereist is.

Democratische hervormingen zijn dringend nodig in Oekraïne, maar ik weet uit eigen ervaring dat dit absoluut geen gemakkelijk proces is; dus we moeten hard werken, we moeten het samen doen en we moeten dat doen met open geesten en open harten. Ik weet ook uit eigen ervaring dat het voor het welslagen van het proces van groot belang is te horen dat je daarin wordt gesteund en dat anderen bereid zijn te helpen op de moeilijke weg voorwaarts. Het verslag waarover we het vandaag hebben geeft precies de juiste signalen en belangrijke boodschappen over de toekomst van Oekraïne.

Mijn tweede punt behelst financiële steun voor Oekraïne. Zoals u weet gaat Oekraïne met het nieuwe Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI) een nieuwe fase in, en in de vierjarige periode van 2007 tot en met 2010 zal Oekraïne bijna 500 miljoen EUR aan subsidie ontvangen. Als u de hulp in het kader van het Tacis-programma van een paar jaar geleden, in 2002, vergelijkt met dit getal, zult u zien dat de hulp in die vijf jaar is verdrievoudigd.

Het gaat echter niet alleen om technische ondersteuning. We waarderen de hulp nu op en richten ons op versterking van goed bestuur, ontwikkeling van de democratie, aanpassing van de wet- en regelgeving, infrastructuur, ontwikkeling, vooral op het gebied van energie, en modern beheer, inclusief zaken rondom overname. Daarnaast betekent de uitbreiding van het mandaat van de EIB met Oekraïne dat het land ook op dat gebied toegang heeft tot aanzienlijke fondsen. Vanuit de EU zullen we Oekraïne zeker financieel ondersteunen om daar gebruik van te maken.

Ik bedank u, leden van het Europees Parlement, voor u commentaar, waaruit blijkt dat u oprechte belangstelling koestert voor een van onze belangrijke buurlanden. Het verslag van de heer Kamiński en het debat van vandaag zijn waardevolle bijdragen aan het voortdurende werk van de EU aan de betrekkingen met het land. Het is belangrijk dat we samenwerken om Oekraïne te stimuleren vol overtuiging voort te gaan op de ingeslagen hervormingsweg, voor zijn eigen bestwil en voor een goede toekomst.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt vandaag om 11.30 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Oekraïne is een land met een onmiskenbare Europese traditie, dat een belangrijke pion is in de ontwikkeling van een levensvatbaar regionaal en interregionaal beleid binnen het bredere Europees nabuurschapsbeleid.

De laatste tijd is er duidelijk vooruitgang geboekt in de betrekkingen tussen de EU en Oekraïne, zoals het begin van onderhandelingen voor een nieuw akkoord voor intensievere samenwerking en de onlangs getekende overeenkomsten inzake de versoepeling van de visumafgifte en overname.

Het tumult dat door recente gebeurtenissen is veroorzaakt behoort geen gevolgen te hebben voor de voortzetting van een goede verstandhouding binnen hetzelfde partnerschap volgens Europese democratische beginselen.

Ik verwacht dat Oekraïne erin zal slagen uit de huidige crisis te komen.

Om te zorgen dat dat gebeurt zouden de politici in Oekraïne moeten handelen volgens de bepalingen van de overeenkomst van 27 mei: de geplande vervroegde parlementaire verkiezingen houden en de bestaande grondwet aanpassen.

Ik verheug mij over de ondertekening van de verklaring van de unificatie van democratische krachten die als doel heeft een welvarende Europese toekomst voor Oekraïne te garanderen, en te zorgen dat de democratische krachten pal staan in de verdediging van hun rechten en Oekraïne in sociaaleconomisch opzicht vastbesloten naar Europees niveau te tillen.

Oekraïne zou het verslag-Kamiński moeten zien als een aansporing en als steun vanuit de Unie.

Ik ben van mening dat de toekomstige overeenkomst een associatieovereenkomst moet zijn.

 

4. Tijdschema voor de begroting: zie notulen

5. De rol en de effectiviteit van het cohesiebeleid bij het verminderen van ongelijkheid in de armste regio's van de EU (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0241/2007) van Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, namens de Commissie regionale ontwikkeling, over de rol en de effectiviteit van het cohesiebeleid bij het verminderen van ongelijkheid in de armste regio’s van de EU [2006/2176(INI)].

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE), rapporteur. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik feliciteer u hartelijk met het aanvaarden van deze eervolle functie.

De Europese Unie bestaat niet alleen uit 27 landen, maar ook 268 regio’s met enorm uiteenlopende ontwikkelingsniveaus. Ten gevolge van de laatste uitbreiding van de Unie tot 27 landen is het bevolkingsaantal van de EU gestegen tot bijna 493 miljoen,. Ongeveer 30 procent van deze mensen woont in de honderd armste regio’s, dat wil zeggen in de regio’s die onder de convergentiedoelstellingen vallen.

Elke opeenvolgende uitbreiding heeft tot gevolg gehad dat de ongelijkheden tussen de rijkste en de armste regio’s van de EU groter werden. Tegenwoordig zijn in de Unie van 27 landen de verschillen tussen de regio’s wat hun bbp betreft aanzienlijk groter dan in de oude vijftien, variërend van 24 procent in noordoostelijk Roemenië tot 303 procent in centraal Londen.

De redenen voor de economische achterstand van bepaalde regio’s zijn zeer verschillend. In de armste regio’s ontbreekt vooral de basisinfrastructuur die onmisbaar is voor een evenwichtige, duurzame ontwikkeling, verdere investeringen en noodzakelijke personele hulpbronnen. De statistische gegevens tonen aan dat het cohesiebeleid van de Europese Unie tot op heden effectief bijgedragen heeft tot de ontwikkeling van vele regio’s van landen die al lang deel uitmaken van de EU, zoals Ierland, Griekenland, Portugal en Spanje.

Overeenkomstig de doelstellingen van de EG, zoals deze beschreven staan in artikel 158 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name de harmonische ontwikkeling en de verkleining van de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, roepen wij als Europees Parlement op tot vastberaden acties die gericht zijn op het verkleinen van de ernstigste ontwikkelingsachterstanden in de armste regio’s van de Europese Unie.

Vooral de nieuwe lidstaten ondervinden problemen in verband met het gebruik van de fondsen van de Unie. De toekenning ervan alleen garandeert immers niet altijd een correct gebruik. Bovendien beschikt de overheid in arme regio’s vaak niet over de juiste capaciteiten, ervaring of financiële middelen die nodig zijn om ten volle gebruik te kunnen maken van de fondsen waarop zij recht heeft.

De procedures voor het aanvragen van middelen uit de structuurfondsen zijn dikwijls zeer ingewikkeld en volkomen ondoorzichtig voor de eindontvanger. Wij roepen er daarom toe op dat deze procedures op alle niveaus – Europees, nationaal en regionaal –vereenvoudigd worden.

Het cohesiebeleid zou rekening moeten houden met de verschillende behoeften van de regio’s, in het bijzonder van de stedelijke en plattelandsgebieden, moeilijk toegankelijke regio’s, eilanden en ultraperifere gebieden. Het zou de hulp moeten aanpassen aan de behoeften en bijzondere kenmerken van die regio’s en daarbij gebruik moeten maken van hun potentieel voor een evenwichtige en duurzame ontwikkeling.

De lidstaten en regio’s zouden dus prioriteit moeten geven aan die projecten die bijdragen tot een betere toegankelijkheid van de armste regio’s door ze te voorzien van een behoorlijke infrastructuur op het gebied van vervoer en ICT. Het cohesiebeleid zou het ondernemerschap en investeringen in de armste regio’s moeten ondersteunen. Nieuwe financiële instrumenten zoals Jeremie en Jessica kunnen effectief bijdragen tot de ontwikkeling van de regio’s, maar tot dusver is men zich nog steeds maar nauwelijks bewust van de mogelijkheden om deze op lokaal en regionaal niveau in te zetten.

Het is belangrijk de lidstaten aan te moedigen publiek-private partnerschappen te vormen en goede praktijken op dit vlak uit te wisselen. De Commissie en de lidstaten zouden projecten moeten ondersteunen die bevorderlijk zijn voor het vermogen van de regio's om nieuwe technologieën te genereren en te integreren, waarbij bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de bescherming van het milieu.

Een ongelooflijk belangrijk probleem van de armste regio’s van de Unie is de hoge werkloosheid, die zelfs 20 procent kan bedragen. In deze context bestaat de dringende noodzaak van investering in menselijk kapitaal in de arme regio’s door beter onderwijs, voortdurende verbetering van het opleidingsniveau, vooral van jonge mensen, vrouwen en mensen op oudere leeftijd en minderheden die blootgesteld worden aan maatschappelijke uitsluiting.

Het bevorderen van gelijke kansen voor iedereen zou een plaats moeten hebben in elk programma van de EU, vooral in die programma’s die van invloed zijn op de economische en sociale cohesie, en in alle stadia van de formulering en uitvoering van projecten die onder het cohesiebeleid van de EU vallen.

De Commissie en de lidstaten zouden moeten zorgen voor nauwkeurige, volledige en vergelijkbare statistische gegevens. Op dit moment beschikken we daar helaas niet over. De Commissie zou een nieuwe methode moeten ontwikkelen om regionale ontwikkeling te meten, niet alleen op basis van het bbp en werkloosheidspercentages, maar ook van andere kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren, die de werkelijke levensstandaard van de bevolking weerspiegelen. We moeten ook onze methoden voor het berekenen van koopkrachtpariteiten verbeteren door de ontwikkeling van regionale in plaats van nationale indicatoren.

In het kader van de tussentijdse herziening van de communautaire begroting in 2009 zou de Commissie het effect van het cohesiebeleid moeten analyseren en de oorzaken van ongewenst resultaten moeten onderzoeken.

Tot slot zou ik iedereen willen bedanken die heeft bijgedragen tot dit verslag. Dank u voor de waardevolle verbeteringen, die dit document hebben verrijkt. Ik hoop van harte dat dit initiatiefverslag de lidstaten en de regio’s zal voorzien van een grote hoeveelheid nuttige aanwijzingen en dat het de Europese Commissie zal stimuleren de efficiëntie van het cohesiebeleid in de regio’s die er het meest behoefte aan hebben, te verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, het is een genoegen om voor het Parlement te verschijnen om van gedachten te wisselen over het verslag-Geringer de Oedenberg over de rol en de effectiviteit van het cohesiebeleid bij het verminderen van ongelijkheid in de armste regio's van de Europese Unie.

Wederom, net als in het geval van andere initiatiefverslagen die door de Commissie regionale ontwikkeling zijn aangenomen, is dit verslag een bewijs van de uitstekende samenwerking tussen onze twee instellingen. Ik spreek hier namens mevrouw Hübner, die naar Roemenië moest en u de hartelijke groeten doet.

Ik verheug mij over dit verslag en waardeer de positieve bijdrage die hiermee wordt geleverd aan het debat over het effect en de effectiviteit van het cohesiebeleid op een kritiek moment in de programmaperiode 2007-2013 en aan de vooravond van de herziening van de begroting die zal worden uitgevoerd in het jaar 2008/2009. Ik schaar mij volledig achter het standpunt dat het cohesiebeleid niet alleen essentieel, maar ook effectief is bij het verminderen van de sociaaleconomische en regionale ongelijkheid en bij het benutten van het ontwikkelingspotentieel van alle EU-regio's.

De meerwaarde van het cohesiebeleid is al bewezen, en we onderkennen allemaal dit beleid veel meer inhoudt dan alleen maar het overmaken van geld en dat hieronder bijvoorbeeld ook de ontwikkeling van partnerschappen, de uitwisseling van beste praktijken, begrotingsstabiliteit en een strategische aanpak moet worden begrepen.

Ik waardeer het thema en de inhoud van uw verslag vooral omdat zij raken aan de essentie van het cohesiebeleid. Het voornaamste doel van ons beleid is immers om de sociaaleconomische en regionale verschillen in de armste EU-regio's te verkleinen. Dit vormt een niet onaanzienlijke uitdaging. Deze verschillen zijn dramatisch toegenomen na de recente uitbreidingen, en het cohesiebeleid is het enige communautaire instrument dat speciaal voor dit doel is ontworpen. De verschillen in bbp per hoofd van de bevolking tussen de rijkste en de armste 10 procent van de EU-regio's zijn bijvoorbeeld bijna verdubbeld na de twee laatste uitbreidingen.

In feite zijn regionale verschillen binnen de EU zeer belangrijk, veel belangrijker dan binnen de Verenigde Staten of Japan, eerder vergelijkbaar in omvang met die in China en India bijvoorbeeld.

Ondanks de indrukwekkende groeipercentages in de nieuwe lidstaten en de convergentie van veel regio's van de EU-15, zijn er nog altijd zeventig regio's – waar 123 miljoen Europeanen wonen – met een bbp per hoofd dat lager ligt dan 75 procent van het EU-gemiddelde. Daarnaast is er een aantal regio's – die in meerderheid behoren tot de minst ontwikkelde – dat terrein verliest. In 27 regio's is het bbp per hoofd tussen de jaren 2000 en 2004 in de praktijk gedaald en in nog eens 24 regio's bedroeg de groei minder dan 0,5 procent per jaar.

Niettemin is er, zoals volledig wordt toegelicht in het onlangs gepubliceerde vierde cohesieverslag, wel degelijk sprake van convergentie. Dit is zowel het gevolg van de versnelde groei in de meeste nieuwe lidstaten als van de soms achterblijvende prestaties van de meest ontwikkelde. Over het geheel genomen, is het zo dat de periferie inloopt op het centrum van Europa, niet alleen wat betreft het bbp per hoofd, maar ook als het gaat om werkgelegenheid, productiviteit en andere indicatoren. Dit is goed nieuws. Het gaat hierbij ook om de voormalige cohesielanden die, met uitzondering van Portugal, in de afgelopen jaren indrukwekkend veel vooruitgang hebben geboekt.

Dit fenomeen – het convergentieproces op lange termijn – speelt zich op EU-niveau voornamelijk af tussen lidstaten en regio's. We weten dat het beeld er op nationaal niveau enigszins anders uitziet, omdat in veel gevallen de groei zich in toenemende mate concentreert in de regio rond de hoofdstad of in de belangrijkste stedelijke gebieden, waardoor de binnenlandse verschillen groter worden en problemen ontstaan die verband houden met stedelijke agglomeraties, zoals het vastlopen van het verkeer, vervuiling, stijgende huizenprijzen, enzovoorts.

Ik wil graag de aanzienlijke bijdrage onderstrepen die ons beleid heeft geleverd aan dit over het geheel genomen positieve convergentieproces. Uit onafhankelijke evaluatieonderzoeken is gebleken dat het cohesiebeleid een steun in de rug is geweest voor uiterst noodzakelijke investeringen in infrastructuur, personele hulpbronnen, modernisering en diversificatie van regionale economieën. Tussen 2000 en 2005 lagen de overheidsinvesteringen in de vier cohesielanden ongeveer 25 procent hoger dan het geval zou zijn geweest zonder cohesiebeleid. Het beleid heeft bijgedragen tot de stijging van het bbp. De stijgingen in bbp-niveaus die zijn toe te schrijven aan regionaal beleid liepen uiteen van 10 procent in Griekenland en 8,5 procent in Portugal in de periode 1989-1999, tot 6 procent voor Griekenland en Portugal, 4 procent in de Duitse deelstaten en 2,4 procent in Spanje in de periode 2000-2006. Voorlopige schattingen voor de periode 2007-2013 duiden op een effect van tussen de 5 en 9 procent in de nieuwe lidstaten.

Het beleid heeft ook bijgedragen tot een vermindering van de sociale uitsluiting en armoede. In het kader van het cohesiebeleid wordt jaarlijks de opleiding medegefinancierd van 9 miljoen mensen. Ruim de helft van hen zijn vrouwen en dit resulteert in betere arbeidsomstandigheden en hogere inkomens. Er werden bijvoorbeeld ruim 450 000 brutobanen gecreëerd in zes landen: Denemarken, Frankrijk, Nederland, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Tussen 2000 en 2005 was dit goed voor twee derde van de financiering van programma's voor doelstelling 2. Het beleid heeft bijgedragen tot een verschuiving van de beleidsmix van overheidsinvesteringen in de lidstaten naar groeibevorderende investeringen.

Volgens de meest recente gegevens is het bedrag aan cohesie-investeringen dat is gereserveerd voor onderzoek en ontwikkeling, innovatie en informatie- en communicatietechnologieën (ICT's) voor de periode 2007-2013 meer dan verdubbeld in vergelijking met de jaren 2000-2006. Uiteraard moet worden afgewacht hoe deze plannen ten uitvoer zullen worden gelegd, maar we zien nu al, zowel in de lidstaten als in de regio's, dat er sprake is van een toenemend bewustzijn in hun ontwikkelingsstrategieën voor de volgende begrotingsperiode.

Een van de sleutels tot dit succes is uiteraard het feit dat het cohesiebeleid een geïntegreerd, volledig ontwikkeld beleid is; het is geen sectoraal beleid, of een onsamenhangend pakket sectorale beleidsmaatregelen, maar een geïntegreerd instrument dat tot doel heeft om elke Europese regio en elk gebied specifieke maatoplossingen te bieden. Bovendien is het niet alleen een EU-beleid dat op zichzelf functioneert, maar een beleid dat zeker ook afhankelijk is van de actieve betrokkenheid van partners op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

In uw verslag wordt terecht gewezen op enkele kwesties die bij uitstek relevant zijn voor de armste regio's als zij optimaal gebruik willen maken van de toegewezen middelen. Ik zal er slechts een paar noemen die deze regio's naar verwachting gepaste technische ondersteuning zullen opleveren. Het belang van de ontwikkeling van op de regio toegesneden ontwikkelingsstrategieën, of de waarde van de tenuitvoerlegging van effectief partnerschap en de stimulering van goede praktijken.

Ik heb kennis genomen van uw voorstellen. Ik ben ervan overtuigd dat enkele daarvan een plaats zullen krijgen in het huidige wetgevingskader dat aan de basis heeft gestaan van de nieuwe initiatieven die onlangs door de Commissie zijn aangenomen, zoals de drie "J's" – Jaspers, Jeremie en Jessica – en het initiatief "Regio's voor economische verandering". De flexibiliteit van het cohesiebeleid maakt het mogelijk voor elk geval de beste maatregelen ten uitvoer te leggen. In dit verband zal mevrouw Hübner ervoor zorgen dat de Commissie in de lopende onderhandelingen over de programmadocumenten voor de jaren 2007-2013 met name aandacht besteedt aan de behoeften van de armste regio's.

Verder waardeer ik de bijdrage die u met uw verslag levert aan het debat over de toekomst van het cohesiebeleid, dat op gang is gekomen met de publicatie van het vierde cohesieverslag. Ik verheug mij over deze waardevolle aanbevelingen waarmee beoogd wordt de doelmatigheid van het cohesiebeleid te vergroten.

Zoals u weet, bevinden we ons nu in de beginfase van een periode van reflectie over de toekomst van het cohesiebeleid. Het doel van dit debat is inhoud te geven aan de herziening van de EU-begroting die de Commissie in de jaren 2008 en 2009 moet uitvoeren.

Tot slot bent u ervan op de hoogte dat de openbare raadpleging over de toekomst van het cohesiebeleid een aanvang zal nemen na het cohesieforum dat aan het einde van september zal plaatsvinden. Op een speciale internetsite zullen de bijdragen worden verzameld van lidstaten, regio's, steden, EU-instellingen, economische en sociale partners en, uiteraard, van maatschappelijke organisaties. De Commissie is voornemens de resultaten van deze raadpleging in het voorjaar van 2008 te presenteren, in combinatie met het vijfde voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie. Op basis van het onderhavige en andere initiatiefverslagen die onlangs zijn aangenomen, kijk ik met zeer veel plezier uit naar de bijdrage van het Parlement aan dit debat.

 
  
MPphoto
 
 

  Oldřich Vlasák, namens de PPE-DE-Fractie. – (CS) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer Potočnik, geachte collega’s. De verschillen tussen de arme en de rijke regio’s in de Gemeenschap zijn gewoonweg enorm. Bovendien zijn in de huidige uitgebreide EU deze regionale verschillen duidelijker zichtbaar dan in de voormalige EU-15. Daar zijn verschillende redenen voor te bedenken, zoals geografische ligging, verhouding stad-platteland, sectorale structuur van de economie, gelaagdheid van de bevolking, en andere factoren die samenhangen met de geschiedenis van het gebied in kwestie. Met behulp van het structuurbeleid is het mogelijk deze verschillen in meer of mindere mate af te vlakken, maar desalniettemin zullen er altijd armere en rijkere regio’s blijven bestaan. Om die reden is het naar mijn mening zo belangrijk om met name te streven naar tastbare economische vooruitgang en maatschappelijke ontwikkeling in zo veel mogelijk regio’s in de EU. We moeten ervoor zien te zorgen dat de structuurfondsen een tastbare bijdrage leveren aan zowel de groei van het bruto nationaal product, de stijging van de werkgelegenheid, als aan duurzame ontwikkeling. En daarom stel ik de vraag: welke structurele maatregelen hebben bijgedragen aan de groei van succesvolle regio’s als bijvoorbeeld Ierland? En wat leidt daarentegen tot de structurele achterstand van regio’s als de Italiaanse Mezzogiorno dat al tientallen jaren structuurgelden ontvangt, maar nog steeds niet de felbegeerde verbeteringen te zien krijgen? Met andere woorden, hoe kunnen we er voor zorgen dat we de Europese gelden niet opeten maar investeren in de toekomst?

Dames en heren, ik heb niet het gevoel dat het verslag waarover we vandaag debatteren ons wat dat betreft een duidelijke leidraad biedt. Wat ik wel weet is dat we alleen op basis van de antwoorden op de door mij opgeworpen vragen ervoor kunnen zorgen dat we de oude fouten niet nog eens dunnetjes overdoen, en Europese gelden aldus zowel de regionale economieën als het bedrijfsleven een ware toegevoegde waarde leveren. Het is echter nog te vroeg voor een alomvattende analyse van de effecten van het structuurbeleid op de allerarmste regio's, aangezien deze regio’s nog maar net tot de Unie zijn toegetreden. Het probleem ligt nog altijd in de complexiteit van de algehele structuur.

 
  
MPphoto
 
 

  Constanze Angela Krehl, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, ik wil u eveneens nogmaals feliciteren met uw verkiezing gisteren en uw eerste optreden als Voorzitter hier in de plenaire vergadering!

Ik wil de rapporteur zeer hartelijk danken voor dit boeiende verslag, omdat wij tenslotte allemaal één doel voor ogen hebben, namelijk het verminderen van de ongelijkheid tussen de regio’s in de Europese Unie. Dat is niet alleen in het belang van de armste regio’s van de Europese Unie, maar in het belang van iedereen, omdat de ontwikkeling van de Unie in haar geheel anders zou stagneren. Feit is immers dat we een enorm potentieel hebben in de regio's die we ondersteunen. De mensen daar willen erbij worden betrokken en willen een rol spelen in de Europese Unie, maar daartoe moeten wij hun dan ook wel de kans geven.

Ik wil een aantal aspecten belichten die de rapporteur in haar verslag heeft genoemd en die mijns inziens zeer belangrijk zijn. De Europese Unie moet snel te hulp schieten, wat betekent dat wij het bestuur moeten opbouwen en elkaar niet voor de voeten moeten lopen op de verschillende bestuurlijke niveaus. Daartoe is eveneens een goed functionerend systeem van grensoverschrijdende samenwerking vereist. Ik ben zeer benieuwd hoe de lidstaten deze doelstelling de komende weken en maanden gaan realiseren.

Ik zou zeer verheugd zijn als de nieuwe financiële instrumenten Jessica, Jeremie en Jaspers, die enkele jaren geleden al zijn bedacht, eindelijk bekend zouden worden in de lidstaten en effectief zouden worden toegepast. Van de ruim 400 aanvragen die voor operationele programma’s zijn ingediend, is tot dusver echter hooguit een kwart goedgekeurd. Het zou mij deugd doen als dat enigszins sneller zou gaan; wellicht zou dat ook mogelijkheden bieden voor latere verbeteringen.

Dan wil ik nog één ding onderstrepen: ongelijkheden tussen de regio's verminderen betekent ook werken aan het uitbannen van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Ik doe daarom een dringend beroep op het Parlement om de betreffende amendementen hier in de plenaire vergadering te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Marie Beaupuy, namens de ALDE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, evenals mijn collega mevrouw Krehl wens ik u geluk met uw verkiezing en uw eerste optreden als Voorzitter.

Commissaris Potočnik, tot u wil ik zeggen dat dit verslag, dat uitstekend is ingeleid door onze collega mevrouw Geringer de Oedenberg, in de eerste plaats een hartenkreet is. Bovendien is het ook een noodzaak voor de Europese Unie, zoals collega Krehl zojuist heeft gezegd, en een oproep aan de Commissie. Het is hartenkreet omdat het bij de ontwikkeling van de arme regio’s niet alleen gaat om regionale ontwikkeling, maar ook om het rekening houden met de in bepaalde gevallen dramatische situatie van mensen die werkloos zijn, of die moeten verhuizen, enzovoort. Het is dan ook een hartenkreet die speelt op het niveau van de mensen zelf. Daarnaast is deze ontwikkeling ook een noodzaak – zoals goed wordt uiteengezet in het verslag – voor de ontwikkeling van de Europese Unie.

Dit gezegd zijnde, mijnheer de commissaris, moeten we verder gaan, en vat u mijn woorden alstublieft niet op als kritiek maar als een constatering; u hebt zelf, in uw toespraak van bijna zes minuten, meerdere zaken geconstateerd om met woorden van de volgende strekking af te sluiten: "ik wacht op voorstellen van het Parlement". Welnu, het verslag van onze collega bevat een aantal voorstellen. Ik zou in de korte tijd die mij is toegewezen willen aangeven dat wij vandaag van de Commissie graag meer willen horen over het volgende: wie doet wat, en hoe en wanneer?

Wie? Welke taak is weggelegd voor de Europese Unie? Ik denk dat we op dit moment op hoofdlijnen de juiste voorwaarden hebben geschapen qua financiën, regelgeving, enzovoort. Het verslag van onze collega omvat enkele aanvullende sporen, met name op het vlak van financiën en technische bijstand, enzovoort, ter versterking van de rol van de Commissie als drijvende kracht, van haar vermogen om voorstellen te doen en bijstand te verlenen. Maar hiermee is nog niets, of vrijwel niets, gezegd over de rol van de lidstaten. Als we de regio’s in moeilijkheden willen helpen, volstaan de woorden "er is geld van Europa" niet, de lidstaten moeten ook zelf hun verantwoordelijkheid nemen. En wat dat aangaat kan de Commissie niets opleggen, gezien het subsidiariteitsbeginsel. Wel kunnen, tegen de achtergrond van wat er in Ierland, in de Mezzogiorno, enzovoort, is gebeurd, constateringen en suggesties worden gedaan.

Gisteren heb ik een en ander in de praktijk gebracht door een aantal burgemeesters van zeer kleine gemeenten uit achterstandsregio’s te ontvangen: zeker, het is aan hen om projecten op te zetten, we moeten hun alleen even uitleggen hoe ze dat moeten doen.

Tot besluit, mijnheer de commissaris, verwacht ik zelf, ter aanvulling van wat in het verslag van onze collega is aangegeven, dat het juist de Commissie is die duidelijk aangeeft wie wat gaat doen, en hoe.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris, dames en heren, ook ik wil u van harte gelukwensen met uw nieuwe ambt, mevrouw de Voorzitter!

De ene hervorming leidt tot de andere. Dat was de reden waarom wij ons in de Commissie regionale ontwikkeling onmiddellijk na de hervorming van de structuurfondsen en voor de zoveelste keer de vraag hebben gesteld, hoe wij in de toekomst de armste regio’s van Europa moeten beoordelen. Doel was het cohesiebeleid een toekomst te geven vanuit de huidige ervaringen met betrekking tot de nieuwe hervorming van de structuurfondsen in 2014. Zoals wij allemaal immers weten is de bereidheid van de welvarende lidstaten om bij te dragen aan het Solidariteitspact tanende. Tegelijkertijd is onze gemeenschappelijke inzet voor de armste regio’s in het kader van het cohesiebeleid echter juist datgene wat het hart van de Europese Unie kloppend houdt!

Helaas gaat dit verslag nauwelijks in op deze kwesties inzake de toekomst. Het is voornamelijk gericht op de implementatieproblemen in de nieuwe lidstaten in verband met de huidige structuurfondsenverordening. Het illustreert wat er gebeurt als een krachtige gedecentraliseerde administratieve structuur niet noodzakelijk wordt geacht. Mijns inziens is het echter naïef om te geloven dat banken een vervanging kunnen zijn van een intensievere betrokkenheid als wondermiddel voor de absorptie- en administratieve problemen in de allerarmste regio's.

De initiatieven Jaspers en Jessica moeten zodanig worden ingezet dat dit niet ten koste gaat van democratisch handelen en dat de schatkist van de overheid niet generaties lang met schulden wordt opgezadeld. Dan zou de Europese Unie de armste regio’s namelijk aan de beademing moeten blijven houden en dat kan niet onze bedoeling zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro, namens de GUE/NGL-Fractie. – (PT) Ik wil om te beginnen de rapporteur prijzen voor haar initiatiefverslag, dat enkele punten onderstreept die we belangrijk achten, zij het dat we het met andere oneens zijn, en wel in het kader van het debat over de toekomst van het cohesiebeleid en het vierde verslag over de economische en sociale cohesie van de Europese Unie.

Benadrukt moet worden dat met de opeenvolgende uitbreidingsronden van de EU de verschillen, met name op regionaal niveau, aanzienlijk zijn toegenomen, dat de toename van regionale ongelijkheid en de toename in de effecten van interne polarisatie in alle landen zijn aangetoond en dat er, in algemene termen gesproken, nog steeds een rijke kern is met een arme periferie, die nu verder is uitgebreid.

Door deze aspecten te benoemen willen we de noodzaak benadrukken van een krachtig regionaal beleid als onontbeerlijk instrument voor de verkleining van onderlinge verschillen en de bevordering van reële, in plaats van nominale, convergentie in de armste regio's van de Europese Unie. Een krachtig regionaal cohesiebeleid is des te noodzakelijker vanwege de hogere kosten voor de armste regio's van de Europese Unie door de interne markt, het liberaliserings- en concurrentiebeleid en de Europese en Monetaire Unie, alsmede door de euro en het Stabiliteitspact.

Het is cruciaal dat het regionale cohesiebeleid wordt versterkt, met de luid verkondigde sociale en economische cohesie en reële convergentie als kerndoelen en -beleid van de Europese Unie, waarbij de herverdelingsfunctie van de communautaire begroting wordt versterkt en er voldoende financiering is om de voorgestelde doelstellingen op effectieve wijze te realiseren.

Effectief regionaal cohesiebeleid is alleen mogelijk als handelingen die er afbreuk aan doen, zoals het gebruik van fondsen voor de financiering van ander beleid en andere prioriteiten die niets bijdragen aan de eerder geformuleerde doelstellingen, worden verworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Karatzaferis, namens de IND/DEM-Fractie. – (EL) Mevrouw de Voorzitter, kunt u zich een gezin voorstellen waar op het middaguur de tafel wordt gedekt en de vader kreeft eet, de moeder zalm, het ene kind vlees, het andere bonen, een derde groenten en de laatste niets? Dat kan gewoon niet. Maar dat kan wel in de grote familie van Europa, van het Europa dat wij bijeen willen brengen onder het dak van een gemeenschappelijke grondwet.

Er zijn 80 miljoen burgers in Europa die beneden de armoedegrens leven. Er zijn in Griekenland gepensioneerden die rond moeten komen van 300 EUR per maand, en ze voelen zich daar zelfs heel goed bij omdat in de buurlanden de gepensioneerden soms maar 80 EUR krijgen.

Dat is het beleid van Europa. Plotseling zijn bepaalde moeilijk toegankelijke gebieden in Griekenland, zoals Epiros, of bepaalde verafgelegen eilanden voor de kust van Turkije, rijk geworden, omdat door de binnenkomst van nieuwe landen het gemiddelde omlaag is gegaan. Dat is niet logisch. Wij moeten een manier zien te vinden om de economie gelijkelijk te ontwikkelen voor iedereen.

Als ministers die de economie vormgeven – zoals de Griekse minister van Economische Zaken en Financiën, de heer Alogoskoufis, die eergisteren verkondigde dat kleurlingen geen mensen zijn; hij noemde ze zelfs op weerzinwekkende en laagdunkende wijze “negers” – dergelijke racistische opvattingen eropna houden, kunnen zij niet zorgen voor een gelijkheidseconomie, voor een economie die zich in heel de wereld kan ontwikkelen.

De armen hebben recht op leven en wij moeten oplossingen vinden. Wij kunnen de kwaliteit van Europa niet meten aan het aantal mensen dat in een Mercedes 500 rijdt, maar aan het aantal kinderen dat ’s morgens geen beker melk heeft om te drinken.

 
  
MPphoto
 
 

  Lambert van Nistelrooij (PPE-DE). – Voorzitter, commissaris, de economische groei in de nieuwe lidstaten sinds 2004 ligt op zo'n 5,3 procent, 2 procent hoger dan in de oude lidstaten. De export is verdubbeld. De investeringen nemen fors toe. Deze resultaten die, zoals ook de heer Potočnik daarstraks heeft gezegd, aantoonbaar krachtig werden ondersteund door het cohesiebeleid, zijn uitstekend. Statistisch gezien neemt het aantal arme regio's af.

Maar toch, de regionale verschillen in de lidstaten zelf zijn nog steeds bijzonder groot. Terecht wordt in het verslag van Lidia Geringer de Oedenberg daarvoor aandacht gevraagd. En ik stel vast dat we scherper moeten oordelen op de inzet in de lidstaten zelf. Te veel concentratie in centrale stedelijke gebieden brengt de perifere regio's niet verder. Ook de lidstaten zelf moeten, samen met de Europese Unie, kiezen voor een territoriale aanpak van hun cohesiebeleid. Het is nodig om bij de beoordeling van de effectiviteit veel meer een politieke evaluatie te maken van de nationale plannen die worden ingediend. Veel politieker, omdat we uiteindelijk niet komen tot het versnellen van de economische ontwikkeling en de cohesie in arme regio's. Een herijking is dus noodzakelijk. Het vierde cohesieverslag biedt het kader om dat te bespreken. De PPE-DE zal daarin mede het voortouw nemen. Op 8 november organiseren we in het Parlement daarover een hoorzitting.

Afrondend, er zijn goede resultaten, goede kansen voor het cohesiebeleid mits we meer inzetten op synergie op Europees, nationaal en regionaal niveau ten behoeve van die armere regio's en ons verzetten tegen het Europa van de meerdere snelheden. Ook arme regio's moeten in de kenniseconomie en de globalisatie volledig worden ingebonden.

 
  
MPphoto
 
 

  Evgeni Kirilov (PSE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, mijn felicitaties aan mevrouw Geringer de Oedenberg voor haar uitmuntende verslag. Deze regio’s hebben bij het ten uitvoer leggen van het regionaal beleid van de EU te kampen met een tweeledig probleem: het correct verwerken van de toegekende subsidies en het verwezenlijken van de resultaten die in de doelstellingen voor economische en sociale cohesie zijn vastgelegd.

De Europese Commissie, regeringen en plaatselijke overheden op alle niveaus moeten speciale maatregelen treffen om de beste resultaten voor de burgers en de gehele economische sector tot stand te brengen. Er is hoofdzakelijk behoefte aan specifieke technische ondersteuning die gericht is op het ontwikkelen van administratieve capaciteit en het verbeteren van de onderlinge afstemming tussen bestuursorganen op nationaal en lokaal niveau. Voor het overige ben ik het eens met de commissaris. Er zijn specifieke, op maat gesneden oplossingen nodig die de institutionele, administratieve en economische tekortkomingen van deze regio’s verhelpen, wat de efficiëntie van financiële bijstand door de EU in zijn geheel zal verhogen. De armste regio’s moeten worden aangemoedigd geïntegreerde ontwikkelingsplannen uit te werken in de vorm van nationale documenten die als basis kunnen dienen om een verband te leggen tussen hun specifieke kenmerken en mogelijkheden.

De lidstaten moeten worden gestimuleerd het wetgevingskader op het gebied van publiek-private partnerschappen zodanig te verbeteren dat het een goede basis vormt voor eenvoudige en transparante regelgeving. Maar wat de instellingen en begunstigden van deze verschillende programma’s, ook in mijn eigen land, Bulgarije, het meest nodig hebben is ten eerste dat goede praktijken nog actiever worden uitgewisseld, vooral tussen de nieuwe lidstaten, ten tweede dat knowhow wordt overgedragen aan de centrale, regionale en allerlaagste niveaus van plaatselijke overheden, en ten derde dat speciale training wordt gegeven in de totale cyclus van het opzetten en uitvoeren van projecten.

Er zijn vier kernelementen die we in gedachten moeten houden: convergentie, bijstand, capaciteit voor de financiële verwerking en vereenvoudiging van de regels. Tot besluit: alle maatregelen die in het verslag genoemd worden zijn van groot belang, inclusief – uiteraard – die ten behoeve van de gelijke rechten voor mannen en vrouwen. De waarborging van deze gelijke rechten vormt in deze regio’s immers een ernstig probleem. Ik sta volledig achter het initiatief een specifiek op de armste EU-regio’s gerichte resolutie aan te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Olbrycht (PPE-DE). (PL) Mevrouw de Voorzitter, het vierde cohesieverslag dat onlangs door de Commissie is gepubliceerd, bevestigt dat de ontwikkelingsverschillen tussen de rijkste en de armste regio’s van Europa kleiner worden, iets wat eerder al is opgemerkt.

Aangenomen dat de sterkste regio’s hun hoge, gestage tempo van economische groei vasthouden, die ook geconsolideerd wordt met grote investeringen in innovatie, moeten we vaststellen dat het groeitempo van de zwakste regio’s toeneemt, waardoor ze niet alleen kunnen voorkomen dat ze verder achterop raken, maar hun achterstand zelfs aanzienlijk kunnen inhalen. Deze feiten bevestigen ook de theorie over de effectiviteit van het cohesiebeleid van de Europese Unie en de noodzakelijkheid deze verder te voeren en te ontwikkelen in komende programmaperiodes.

Het besproken verslag gaat over de armste regio’s in de Europese Unie, niet over de armste regio’s in de lidstaten, die op Europese schaal vaak tot de relatief rijkere behoren. Het wegwerken van interregionale verschillen op nationaal niveau is daarom voornamelijk een taak van de nationale overheden, die, vooral in de zogenaamde cohesielanden, gesteund dient te worden door Europese interventies.

Er moet een afzonderlijk en moedig politiek besluit worden genomen om te bepalen welke regio’s wij tot de armste rekenen en voor welke regio’s specifieke stimuleringsmaatregelen vereist zijn. Laten we niet vergeten dat in de bepalingen van het Verdrag gesproken wordt over verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van regio’s en dat het cohesiebeleid niet alleen betrekking moet hebben op de armste regio’s in termen van het bbp per hoofd van de bevolking, maar ook op regio’s die achterop zijn geraakt wat betreft het niveau van innovatie, ontwikkeling van de kenniseconomie, aantrekkelijkheid om er te investeren, geografische ligging, enzovoort.

Bepaalde verschillen zullen wellicht kleiner worden naarmate de economie groeit en de gemeenschappelijke markt uitgediept wordt, maar er zullen ook nieuwe verschillen ontstaan. Het cohesiebeleid is geen charitatieve bezigheid en moet een elastisch instrument blijven waarmee de Europese Unie kan ingrijpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Arnaoutakis (PSE).(EL) Mevrouw de Voorzitter, zeven maanden na het begin van de vierde programmeringsperiode en in de aanloop naar het debat over de toekomst van het cohesiebeleid maakt het Europees Parlement aan de hand van dit verslag – mijn gelukwensen aan de rapporteur hiervoor – duidelijk dat men zich in de nieuwe programmeringsperiode geen mislukking kan veroorloven.

Het cohesiebeleid moet niet alleen zijn doelstellingen behalen en steun geven aan de ontwikkeling en de werkgelegenheid in de armste gebieden, maar moet er eveneens voor zorgen dat de bereikte resultaten zichtbaar, voelbaar en aanvaardbaar zijn voor iedereen en op elk niveau.

De toewijzing en vastlegging van kredieten is op zich geen garantie voor een juiste besteding, noch voor de vermindering van de – zoals wij vandaag hebben vastgesteld – steeds groter wordende ongelijkheden tussen de Europese regio’s. Een juiste besteding vereist coördinatie en betrokkenheid op alle niveaus.

Geachte collega’s, wij maken een tijd mee van grote economische veranderingen en uitdagingen. Wij moeten het beleid waarmee praktische uitvoering wordt gegeven aan solidariteit en samenhang, beschermen en bevorderen, en de efficiëntie ervan versterken.

In het verslag worden belangrijke aanbevelingen in die richting gedaan. Laten wij ze benutten!

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE). (HU) Staat u mij toe eerst de rapporteur te feliciteren met een zeer goed geslaagd, uitstekend verslag.

Om te zorgen dat de ontwikkelingen daadwerkelijk in de regio’s plaatsvinden die daar het meest bij gebaat zijn, moeten we meer rekening houden met hun typische eigenschappen. Het is duidelijk dat in de eerste periode de ongelijkheid binnen landen zelf een stijging vertoonde. De groei van het landelijk gemiddelde kan goed genoemd worden, ook al concentreert deze zich op de hoofdstad en de stedelijke gebieden. Tegelijkertijd neemt de armoede op het platteland en in dorpen toe en ontstaat er klassieke gettovorming.

Dit probleem gaat ver voorbij aan de mogelijkheden van de plattelandsontwikkeling en daarom is er slechts hoop op enige verandering via de doelgerichte harmonisatie van de fondsen en complexe ontwikkeling. Daarom acht ik het noodzakelijk dat prioriteit wordt gegeven aan plattelandsgebieden. Evenzo moet er meer nadruk worden gelegd op de inhaalslag van minderheden en de daarbij aansluitende trainings- en omscholingsprogramma’s.

Verder vind ik het belangrijk dat de opnamecapaciteit van de nieuwe lidstaten wordt vergroot en dat de hiervoor benodigde technische hulpverlening verder wordt uitgebreid. Zo kan integratie een hulpmiddel worden voor het Europa van de regio's.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE). (PT) Mevrouw de Voorzitter, niet alleen is het verslag van mevrouw De Oedenberg uitmuntend, vanwege haar volledige openheid en haar vermogen consensus te bereiken, maar het onderstreept ook de sterke regionale verschillen die in heel Europa bestaan, zowel in de nieuwe lidstaten als in de oude, waar veel regio's buiten de groep van armste regio's zijn gelaten enkel en alleen op basis van statistieken, statistieken die niet altijd compleet of voldoende vergeleken zijn en die daarom verbetering behoeven.

Afkomstig als ik ben van een ultraperifere regio, het eiland Madeira, heb ik verscheidene bijdragen geleverd gericht op het volgende: de aanpassing van het cohesiebeleid aan de ultraperifere regio's, in overeenstemming met artikel 299, lid 2; een duidelijker definitie van de criteria om te bepalen welke regio's rijk en welke arm zijn; versterking van onderzoek en onderwijs als manier voor ontwikkeling, omdat de betreffende regio's een doeltreffende manier moeten vinden om zich uit hun huidige situatie te bevrijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, het staat buiten kijf dat aandacht moet worden besteed aan de armste regio’s van Europa. Sommige regio’s in Europa hebben bijzondere aandacht nodig, bijvoorbeeld regio’s die statistisch in het nadeel zijn, de ultraperifere en geïsoleerde regio’s en steden. Het is zaak dat we ons concentreren op het herstructureren van structurele bijstand en dat we meer aandacht schenken aan de Lissabon-doelstellingen innovatie, onderzoek en ontwikkeling, omdat dit activiteiten zijn die de toekomstige economieën van deze regio’s van een stevig fundament zullen voorzien. Ook moeten we zorg besteden aan het verlagen van het energieverbruik door middel van hernieuwbare energiebronnen, wat een solide basis zal vormen voor de duurzame toekomst van de landen in kwestie.

Gendermainstreaming is een horizontaal beginsel dat we in al onze maatregelen in het kader van de structuurfondsen als leidraad zullen hanteren. De verwerkingscapaciteit is iets wat wij voortdurend in het oog houden. Dit alles heeft tot nu toe onze voortdurende aandacht gehad en dat zal ook zo blijven.

Solidariteit met de armsten in Europa vormt de ruggengraat van de Europese Unie, in het bijzonder na de twee meest recente uitbreidingen. We moeten niet ontkennen dat er problemen zijn, maar we moeten evenmin vergeten welke goede resultaten we in het verleden hebben behaald. Het is belangrijk dat we praten over zowel successen als problemen, omdat dat een manier is om te zorgen voor zelfs nog meer erkenning voor het cohesiebeleid en om toekomstige problemen uit de weg te ruimen.

Ik wil u danken voor het uitstekende verslag-Geringer, uw opmerkingen en uw kritiek. Het is onze plicht de problemen van de armsten in Europa aan te pakken. Daar zal de Commissie zich zeer zeker op richten. Solidariteit moet een van de gebieden blijven waarop wij het menselijk gezicht van Europa als geheel tonen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt plaats als het tijdstip van de stemmingen is aangebroken en dat is over een paar minuten.

 
  
  

VOORZITTER: HANS-GERT POETTERING
Voorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dames en heren, hoe sneller we stemmen, des te eerder kunt u beginnen aan uw welverdiende reces. Maar eerst moet natuurlijk wel de vergadering van deze middag nog worden gehouden. Ik verzoek collega Robert Atkins er de volgende keer voor te zorgen dat de afgevaardigden allemaal op tijd aanwezig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Wise (IND/DEM).(EN) Mijnheer de Voorzitter, een punt van orde: ik ben ervan overtuigd dat Sir Robert dat met alle genoegen zal doen als u ervoor kunt zorgen dat wij op tijd beginnen!

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Uw opmerkingen gaan vandaag nog niet op, mijnheer Wise, omdat Sir Robert de dames en heren afgevaardigden niet in het gareel heeft kunnen krijgen, hoewel hij dat in de toekomst zeker zal proberen. Zodra dat moment zich voordoet, zullen we elkaar eerlijk en objectief de maat nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Sir Robert Atkins (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, als degene die de vergadering voorzit, wie dat dan ook is, op tijd zou beginnen, dan zouden de leden van dit Parlement ongetwijfeld spoedig beseffen dat ze hier op tijd moeten zijn!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Giles Chichester (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, velen van ons waren jaloers op de vaardigheid waarmee u zichzelf gisteren rond lunchtijd wist te bevrijden uit uw Voorzitterszetel. Toen wij hier bleven om te stemmen, ging u lunchen. Gaat u dat vandaag weer doen?

(Gelach)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik weet niet, mijnheer Chichester, of u het ambt van Voorzitter van het Europees Parlement ambieert, maar als u op een dag Voorzitter bent, zult u zich realiseren dat ik niet zozeer vertrok om een lunch te nemen, maar om aan talrijke verplichtingen te voldoen.

 

6. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Aan de orde zijn de stemmingen.

(Uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 

6.1. Communautair statistisch programma 2008-2012 (stemming)
  

- Verslag-Becsey (A6-0240/2007)

 

6.2. Darfur (stemming)
  

- Ontwerpresolutie (B6-0311/2007)

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Josep Borrel Fontelles (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, de plenaire vergadering krijgt deze resolutie voorgelegd op grond van artikel 91, om redenen van urgentie, zonder debat. Er is beslist sprake van urgentie, en namens mijzelf en de vijf afgevaardigden die vijf dagen in Darfur hebben doorgebracht, zou ik heel in het kort de redenen voor die urgentie willen aangeven.

Darfur is thans een grondgebied zonder wet, met een oorlog waarin iedereen elkaar bestrijdt. De grote problemen van onze tijd vallen er samen: het conflict tussen centra en afgelegen gebieden, etnische conflicten, en de cynisch uitbuiting van rivaliteiten tussen verschillende groepen voor politieke doeleinden, en misschien is het ook de eerste oorlog die het gevolg is van de klimaatverandering in de wereld.

Het urgente karakter zit hem echter in de toenemende onveiligheid, en in het feit dat als die blijft toenemen, de humanitaire hulpverleners niet langer hun werk zullen kunnen doen. Van dat werk zijn tweeënhalf miljoen mensen afhankelijk, die dankzij hun inspanningen, en deels ook dankzij het geld van de Europese Unie, elke dag te eten hebben.

Als de veiligheid vanaf nu tot het eind van het jaar niet verbetert, dreigen tweeënhalf miljoen mensen in de woestijn aan hun lot te worden overgeleverd, wat zou kunnen leiden tot de grootste humanitaire crisis die de wereld ooit gekend heeft.

Daarom is het zo belangrijk, mijnheer de Voorzitter, waarde collega’s, dat de strijdkrachten van de Verenigde Naties, die wij al zo vaak gevraagd hebben om naar Darfur te gaan, ook echt gaan, in de wetenschap dat de Sudanese regering zich hier niet langer tegen verzet. De Sudanese regering zegt geen nee meer, ze zegt nu ja. Ze zegt dat de VN-troepen zo gauw mogelijk moeten komen, omdat zij niet langer in staat is om een minimale veiligheid te garanderen – als zij dat al ooit gewild heeft.

De Janjaweed zijn niet ontwapend, integendeel, en de Sudanese regering zal de veiligheid in Darfur niet vergroten. Als we het risico van een totale humanitaire ramp willen voorkomen, moeten we druk uitoefenen zodat die troepenmacht zo gauw mogelijk ter plekke is.

Aangezien het echter minstens een jaar duurt voordat die daar kan zijn, dienen we de Afrikaanse Unie te ondersteunen, en er op zijn minst voor te zorgen dat haar soldaten betaald worden, want u moet weten dat we meer geld hebben uitgegeven aan het ondersteunen van die strijdkrachten dan aan humanitaire hulp.

Mijnheer de Voorzitter, dat zijn de redenen van de urgentie.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hartelijk dank, Josep Borrell, voor dit verslag en voor uw onverminderde engagement.

 

6.3. Naar een maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën (stemming)
  

- Verslag-Piecyk (A6-0235/2007)

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Willi Piecyk (PSE), rapporteur. – (DE) Ik verzoek u amendement 1 niet na paragraaf 4 maar na paragraaf 146 in te voegen: dat was afgesproken met de auteur van het amendement. Deze paragraaf moet niet aan het begin maar aan het einde van de resolutie staan. Ik zou u dankbaar zijn als u dit zou kunnen laten doen!

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Onze efficiënte medewerkers hebben daar al zorg voor gedragen.

 

6.4. Tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket (stemming)
  

- Verslag-Cramer (A6-0219/2007)

 

6.5. Europa duurzaam in beweging: duurzame mobiliteit voor ons continent (stemming)
  

- Verslag-Barsi-Pataky (A6-0190/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Rosa Miguélez Ramos (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, dit verslag verschijnt steeds op het beeldscherm onder de naam Krahmer, terwijl het gaat om het verslag-Barsi-Pataky. Dat kan tot verwarring leiden. Dat heeft het bij mij althans gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Dat is nu verholpen. Dank u dat u mij erop attent maakte wat er op de achtergrond plaatsvindt.

 

6.6. Acties ter bestrijding van hart- en vaatziekten (stemming)
  

- Ontwerpresolutie (B6-0277/2007)

 

6.7. PNR-overeenkomst met de Verenigde Staten (stemming)
  

- Gezamenlijke ontwerpresolutie (RC-B6-0278/2007)

Vóór de stemming over visum 4

 
  
MPphoto
 
 

  Manfred Weber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de vier mondelinge amendementen die wij hebben ingediend, zijn de laatste poging om een gemeenschappelijke resolutie tot stand te brengen. Namens de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten wil ik duidelijk maken dat wij de kritiek delen. Kritiek alleen zal terroristen echter niet tegenhouden. Daarom willen wij een constructief aspect aan deze resolutie toevoegen. Allereerst stellen wij daarom voor de volgende specifieke passage toe te voegen:

(EN) ‘Gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie van 30 mei 2006 in de gevoegde zaken C-317/04 en 318/04,’

(DE) Daarmee willen wij een serieuze verwijzing opnemen naar het arrest waar wij als Parlement zelf op hebben aangedrongen. Dat is het eerste mondelinge amendement dat ik het Parlement wil verzoeken te ondersteunen.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

Vóór de stemming over visum 6

 
  
MPphoto
 
 

  Manfred Weber (PPE-DE). – (DE) De toevoeging op deze plek luidt als volgt:

(EN) ‘…en de antwoorden die hij respectievelijk op 29 juni 2007 en 3 juli 2007 ontvangen heeft van minister Schäuble en de directeur-generaal van het directoraat-generaal justitie, vrijheid en veiligheid van de Commissie, de heer Jonathan Faull,’

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

Na overweging A

 
  
MPphoto
 
 

  Manfred Weber (PPE-DE). – (DE) Verder stellen wij voor een nieuwe overweging op te nemen, die als volgt luidt:

(EN) ‘overwegende dat de PNR-overeenkomst bedoeld is als hulpmiddel bij de preventie van en in de strijd tegen het terrorisme en de internationale misdaad,’

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

Na overweging B

 
  
MPphoto
 
 

  Manfred Weber (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag het volgende mondeling amendement voorstellen: “overwegende dat de PNR-overeenkomst een rechtskader biedt voor de overdracht van PNR-gegevens aan de VS en aldus de luchtvaartmaatschappijen een basis geeft om hun bedrijfsactiviteit in de VS uit te oefenen.”

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 

6.8. Eurozone (2007) (stemming)
  

- Verslag-Rosati (A6-0264/2007)

 

6.9. Europese Centrale Bank (2006) (stemming)
  

- Verslag-Mitchell (A6-0266/2007)

 

6.10. Palestina (stemming)
  

- Gezamenlijke ontwerpresolutie (RC-B6-0268/2007)

 

6.11. Situatie in Pakistan (stemming)
  

- Gezamenlijke ontwerpresolutie (RC-B6-0279/2007)

Vóór de stemming over paragraaf 1

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Evans (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, neemt u mij niet kwalijk, maar mijn collega’s zullen toegeven dat deze situatie dagelijks wijzigt en het mondeling amendement is niet helemaal gelijk aan de tekst zoals sommigen die hebben gekregen, dus ik zal hem hardop voorlezen: “spreekt zijn solidariteit uit met het Pakistaanse volk, dat het slachtoffer is van het geweld dat door gewapende extremisten wordt gepleegd; is diep bezorgd over de veiligheid van de 1 800 of meer mensen die zich momenteel in de Rode Moskee bevinden, van wie sommige mogelijk zijn gegijzeld; erkent de uitdaging die de bezetting voor de Pakistaanse regering inhield; uit zijn diepe bezorgdheid over het nog onbekende aantal slachtoffers en spreekt zijn steun uit voor de inspanningen om de verantwoordelijken voor de rechtbank te brengen”.

 
  
MPphoto
 
 

  Eva Lichtenberger (Verts/ALE). – (DE) Zouden wij, aangezien de bestorming van de Rode Moskee is beëindigd, niet de verleden tijd moeten gebruiken, in ieder geval in het tweede deel?

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 

6.12. Voortgangsrapport 2006 over de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (stemming)
  

- Verslag-Meijer (A6-0214/2007)

Vóór de stemming

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL), rapporteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, aan het begin van de stemming over mijn verslag heb ik twee mededelingen voor het Parlement. Ten eerste hebben bij de voorbereiding van de stemming in de Commissie buitenlandse zaken alle fracties ermee ingestemd om in dit verslag een en dezelfde term te gebruiken voor de staat die zichzelf aanduidt als Republiek Macedonië, namelijk de lange naam "voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië" en dus zonder afkortingen als het Engelse "FYROM" of het Franse "ARYM". Mijn voorstel is daarom dat als in delen van de uiteindelijk aangenomen tekst andere termen voorkomen, deze op basis van deze brede consensus moeten worden vervangen.

Ten tweede stelde de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese Democraten voor om twee amendementen op paragraaf 13 ineen te schuiven, te weten mijn eigen amendement 22 en amendement 6 van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement. In dat verband wil ik graag een mondeling amendement indienen op mijn amendement 22. Als amendement 22 in stemming wordt gebracht nadat al over amendement 6 is gestemd, dan is deze oplossing enkel mogelijk als amendement 6 verworpen is.

Ik wil dan ook vragen om een wijziging van de volgorde van stemming over de amendementen. De heer Pinior van de PSE-Fractie verklaarde zich gisteravond voorstander van deze wijziging.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik hoop dat iedereen dit goed heeft begrepen. In dat geval zullen wij aan uw verzoek voldoen.

 

6.13. TRIPs-overeenkomst en toegang tot geneesmiddelen (stemming)
  

- Ontwerpresolutie (B6-0288/2007)

 

6.14. Democratische controle in het kader van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking (stemming)
  

- Ontwerpresolutie (B6-0310/2007)

 

6.15. Onderhandelingsmandaat voor een nieuw akkoord inzake intensievere samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten enerzijds en Oekraïne anderzijds (stemming)
  

- Verslag-Kamiński (A6-0217/2007)

Vóór de stemming over amendement 4

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, met een bezwaard gemoed wil ik dit compromisamendement voorstellen, maar het biedt wellicht de mogelijkheid tot een brede meerderheid. Aan het einde van dit amendement, na ‘het bijhorende proces op gang brengt’, zou moeten worden toegevoegd ‘daaronder begrepen de mogelijkheid van een lidmaatschap’.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE). – (DE) Amendement 6/rev. wordt ingetrokken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. In dat geval blijft paragraaf 11 zoals hij was.

 

6.16. De rol en de effectiviteit van het cohesiebeleid bij het verminderen van ongelijkheid in de armste regio's van de EU (stemming)
  

- Verslag-Geringer de Oedenberg (A6-0241/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik wens u allen een aangenaam reces na afloop van de stemmingen van vanmiddag.

 
  
  

VOORZITTER: MARTINE ROURE
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Marcin Libicki (UEN). – (PL) Mijneer de Voorzitter, ik wil uw aandacht vestigen op het feit dat ik geen verantwoording kan nemen voor het eerste deel van de stemmingen over het verslag-Barsi-Pataky, omdat er op dat moment de naam van de vorige rapporteur, de heer Cramer, nog op het bord getoond werd. Daarom heb ik mij misschien vergist bij de stemming over het verslag Barsi-Pataky.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het zal opgenomen worden in de notulen.

 

7. Stemverklaringen
  

- Darfur (B6-0311/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE).(FI) Mevrouw de Voorzitter, ik waardeer het feit dat het begrip ‘beschermingsverplichting’ is opgenomen in de resolutie waar wij over hebben gestemd. Het gaat hierbij niet altijd om militaire interventie, maar het is duidelijk dat de Verenigde Naties deze plicht wel heeft. Als dit niet zo was, zou deze organisatie worden gereduceerd tot een club van jaknikkers en misbruikers van het systeem.

Helaas zijn er tekenen dat de VN incompetent is. De humanitaire tragedie van de crisis in Darfur is een nieuwe schandvlek op de reputatie van de internationale gemeenschap. Waarom is de VN eerder bereid de problemen in het Midden-Oosten aan te pakken dan die in Afrika? Een reden van de crisis is etnische marginalisatie. De sleutel voor een politieke oplossing ligt daarom bij het betrekken van alle betrokken partijen bij vredesonderhandelingen. Onderontwikkeling en milieurampen spelen ook een rol. Deze crisis is de eerste oorlog ten gevolge van de klimaatverandering. Een humanitaire oplossing is daarom ook noodzakelijk.

Het is heel goed dat de Europese Unie haar verantwoordelijkheid wil nemen bij het oplossen van de problemen in Darfur en andere problemen in Afrika. Ik hoop dat wij dit op een dag ook van de Verenigde Staten van Amerika kunnen zeggen. Sommigen zullen beweren dat Europa vanwege onze geschiedenis last heeft van een slecht geweten. Dat kan zijn, maar dat doodt geen mensen. Stilte en apathie zijn dodelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor deze resolutie over de situatie in Darfur gestemd. Ik ben het met name eens met de prioriteit voor strengere controle op het wapenembargo tegen Khartoem en de instelling van een "no-fly"-zone boven het gebied. Ik steun de roep om een diepgaand onderzoek naar onbezoldigde AMIS-soldaten.

 
  
  

- Verslag-Piecyk (A6-0235/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE).(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik zou willen aantekenen dat bij de stemming over maritieme integratie in aanmerking is genomen dat de kwestie-Frontex welhaast kluchtige vormen aanneemt.

Zoals bekend is de mate van solidariteit die aan Frontex, dat onderdeel is van dit geïntegreerde beleid, wordt betoond, welhaast een grap is geworden. Er is nog maar een enkele helikopter toegezegd – een Duitse – en het is misschien nog niet opgemerkt dat twee buurlanden van Malta hun luchtruim nagenoeg gesloten hebben. Het ene heeft de Duitse helikopter herhaaldelijk de toegang tot zijn luchtruim ontzegd; het andere heeft zelfs gedreigd hem neer te halen. Vandaar mijn stemgedrag.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (ITS). – Voorzitter, het is natuurlijk zo dat Europa op maritiem gebied geconfronteerd wordt met allerhande economische, sociale en ecologische uitdagingen waarvoor een gemeenschappelijke aanpak vereist is, maar dat is hier niet de kwestie. De vraag is of een alomvattend Europees integraal maritiem beleid met alle regelgeving die dat uiteindelijk weer zal inhouden noodzakelijk is om hieraan tegemoet te komen.

Ik denk dat een maritiem beleid en beheer in Europa veel meer baat hebben bij praktisch georiënteerde, op verregaande samenwerking gerichte acties tussen lidstaten en andere actoren dan bij allerhande nieuwe regelgeving. Coördinatie, uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, terugdringing van de administratieve lasten en stimulering van maritiem onderzoek, dat is de boodschap. Maar in geen geval kan de Europese Unie zich gaan bemoeien met aangelegenheden die vallen onder het subsidiariteitsbeginsel of de marktwerking, zoals kustverdediging, ruimtelijke ordening marktordening van zeehavens.

 
  
MPphoto
 
 

  Christine De Veyrac (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik sta volledig achter het verslag van mijn collega Willi Piecyk.

In deze tekst, de reactie van het Europees Parlement op het groenboek van de Commissie over het maritiem beleid van de Europese, komen tal van belangrijke punten aan de orde.

Het gaat met name om de uitdaging van de klimaatverandering voor het maritiem beleid: het Europees zeebeleid moet op dit terrein een belangrijke rol spelen, met als uitgangspunten de vermindering van de CO2-emissies van schepen, de eventuele opname van schepen in het systeem voor de verhandeling van emissiequota en de bevordering van duurzame energie.

Een duurzaam evenwicht tussen milieubescherming en economisch gebruik van de Europese oceanen is absoluut noodzakelijk. Overigens ben ik, aansluitend bij hoe wij hebben gestemd, van mening dat de Commissie zorg moet dragen voor het aanscherpen van alle maatregelen inzake de wettelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid in geval van ongelukken of incidenten, en dat zij verscherpt waakzaam moet zijn waar het gaat om de toepassing van de regelgeving inzake het verplicht gebruik van een dubbelwandig casco.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. (PT) Ik heb gestemd voor dit verslag op basis van het Groenboek van de Commissie "Naar een toekomstig maritiem beleid voor de Unie: Een Europese visie op de oceanen en zeeën", omdat ik van mening ben dat het stimuleren van een duurzame succesvolle maritieme economie van fundamenteel belang is.

Dit verslag presenteert een integrale politieke aanpak van dit onderwerp, met concrete voorstellen op het gebied van scheepvaart, veiligheid op zee, toerisme, visserij, havenbeleid, zeemilieu, onderzoek, de industrie en ruimtelijke ordening, te weten het voorstel voor de reductie van de uitstoot door schepen van broeikasgassen, en de vorming van een Europese kustwacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Politieke maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan zijn natuurlijk belangrijk. Wat sommige maatregelen betreft die in deze resolutie worden voorgesteld, behalve de wetgevingsprocedures, gaat de meerderheid in het Europees Parlement echter zoals gewoonlijk een beetje te ver. De voorstellen vergroten de bureaucratie en bevestigen het beeld van het Europees Parlement als een instelling met grootheidswaanzin.

Een aantal voorstellen in dit verslag gaan te ver en ik heb er daarom voor gekozen tegen dit “betweterige” verslag te stemmen, omdat ik van mening ben dat het korter en bondiger geformuleerd had kunnen worden. Nu wil het zich werkelijk met elk aspect bemoeien met betrekking tot een toekomstig maritiem beleid voor de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij zijn van mening dat een maritiem beleid dat uitgaat van samenwerking tussen de verschillende lidstaten en dat op gemeenschapsniveau resulteert in de coördinatie van synergetische effecten die de beleidsmaatregelen van de afzonderlijke landen (onder andere op het gebied van visserij, transport, milieu en energie) een extra impuls geven, positief zou kunnen uitwerken.

Dit is echter niet de optie die gekozen wordt in het initiatiefverslag van het Parlement, dat kiest voor een toekomstig "gemeenschappelijk maritiem beleid", waarmee centrale bevoegdheden van de lidstaten worden overgedragen aan het supranationale niveau van de EU; een aanpak die we, dat moge duidelijk zijn, verwerpen.

Vandaar verwerpen we vastberaden wijzigingsvoorstellen met betrekking tot principiële zaken waar we niet van willen afwijken, zoals:

- het volledig respecteren van de soevereiniteit en de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van het beheer van hun territoriale wateren en exclusieve economische zones, meer bepaald met betrekking tot zeerijkdommen – met name biologische rijkdommen – en veiligheidsvraagstukken, reddingsactiviteiten en het toezicht op en de controle van de scheepvaart in hun wateren;

- het meer op waarde schatten van de visserijsector, gelet op het strategische belang ervan voor verschillende landen, zoals Portugal, en het garanderen van de socio-economische duurzaamheid van de sector door middel van adequaat beleid en voldoende financiële middelen.

Vandaar onze tegenstem.

 
  
MPphoto
 
 

  Timothy Kirkhope (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Hoewel ik de milieuaspecten en de voorstellen voor praktische vormen van samenwerking in het verslag-Piecyk over een toekomstig maritiem beleid voor de Unie kan toejuichen, kan ik veel van de voorstellen die in dit verslag worden gedaan, waaronder de oproep tot instelling van een Europese kustwacht, niet steunen. Ik vrees dat de overmatige regulering die uit het verslag zou voortvloeien, niet zou stroken met het subsidiariteitsbeginsel. Daarom heb ik besloten dat we ons vooralsnog van stemming onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie-Noëlle Lienemann (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór alle amendementen gestemd waarin wordt gehamerd op de milieudimensie van dit maritiem beleid.

Een absolute vereiste is dat de milieupijler van de maritieme strategie niet alleen maar een aanhangsel ter inspiratie is, maar dat herstel van de goede ecologische staat van zeeën en oceanen een dwingende doelstelling wordt, die bepalend is voor de afwegingen op andere beleidsterreinen van de EU en de lidstaten.

De achteruitgang van het ecosysteem van de oceanen heeft ernstige gevolgen voor de aarde en de menselijke activiteiten: verdwijning van visbestanden, vermindering van de regulerende rol van het klimaat en de oceanen. De oorzaken zijn hoofdzakelijk gelegen in vervuiling als gevolg van menselijke activiteiten. De prioriteit van het milieu dient krachtig te worden benadrukt en de toekomstige kaderrichtlijn over de mariene wateren moet een dwingend karakter hebben voor de lidstaten en het EU-beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. – (SV) Ik stem tegen amendement 34, omdat de biologische diversiteit van de zee niet strikt een nationale kwestie is. Mariene hulpbronnen bewegen zich voortdurend en overbevissing in één gebied heeft gevolgen voor de hele zee en kan gebieden en ecosystemen op een veel grotere schaal dan enkel op nationaal niveau verwoesten. Daarom moet men instemmen met beperkende internationale voorschriften met betrekking tot de exploitatie van mariene hulpbronnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik steun het verslag-Piecyk over maritiem beleid van harte en ik feliciteer de rapporteur met zijn grondige aanpak.

Het verslag is van vitaal belang omdat het een poging vormt een nieuwe benadering om ons zeemilieu te beschermen voor het voetlicht te brengen. Deze benadering is dringend noodzakelijk om gebieden met een kwetsbaar milieu te beschermen tegen het overladen van olie op zee. Op dit moment wordt in mijn eigen land Schotland de Firth of Forth, het estuarium van de rivier de Forth, bedreigd door een voorstel over het overladen van olie. Ik hoop dat de Habitatrichtlijn naar behoren zal worden toegepast om zeevogels, zeezoogdieren en andere diersoorten te beschermen. Niettemin is een alomvattende aanpak ten aanzien van ons zeemilieu met een duidelijke en transparante afbakening van de verantwoordelijkheid dringend noodzakelijk om ons zeemilieu te beschermen voor toekomstige generaties.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE), în scris. Am votat pentru raportul Piecyk privind o viitoare politică maritimă a Uniunii şi felicit raportorul pentru calitatea activităţii desfăşurate. Integrarea politicilor, acţiunilor şi deciziilor legate de politica maritimă va asigura o mai strânsă cooperare între toţi actorii ale căror acţiuni au un impact asupra oceanelor şi mărilor europene. Consider, de asemenea, că sectoarele maritime ale fluviilor europene trebuie şi ele incluse în politica maritimă a Uniunii Europene.

Autostrăzile maritime se numără încă din 2004 printre cele 30 de proiecte prioritare ale reţelei transeuropene de transport.

Aderarea României şi a Bulgariei asigură Uniunii Europene vecinătatea cu Marea Neagra şi aproape întreg cursul Dunării se află în interiorul sau. Pentru Uniunea Europeană dezvoltarea cooperării la Marea Neagră va fi extrem de importantă. Regiunea Mării Negre joacă un rol important pentru securitatea energetică a Uniunii Europene şi pentru extinderea pieţei interne de transport către statele vecine Uniunii Europene.

Sper ca Uniunea Europeană să includă prevederi ale politicii maritime comunitare, de exemplu protejarea mediului şi a biodiversităţii zonelor de coastă şi de delte sau estuare, în politica sa de vecinătate şi în acordurile bilaterale pe care le semnează cu terţe ţări. În acest context menţionez ca deosebit de importantă protejarea biodiversităţii Deltei Dunării.

 
  
MPphoto
 
 

  Geoffrey Van Orden (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Hoewel het verslag veel nuttige opmerkingen bevat, kan er wat mij betreft geen sprake van zijn dat de EU aanspraak maakt op gezag over wat Britse territoriale wateren behoren te zijn of dat militaire activiteiten worden ingelijfd in een communautair maritiem beleid. Daar komt bij dat het gemeenschappelijk visserijbeleid rampzalige gevolgen heeft gehad voor onze visserijsector en voor het zeeleven en dat de betreffende bevoegdheden moeten worden teruggegeven aan de lidstaten.

 
  
  

- Verslag-Cramer (A6-0219/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Ik sta in het algemeen positief tegenover het ontwikkelen van de spoorwegen. Een dergelijke ontwikkeling is belangrijk voor het milieu. Ik kan echter niet het voorstel in paragraaf 4 van het verslag steunen, dat stelt dat het Europees Parlement zich tegen zeer lange trucks, zogeheten LZV’s, moet keren. In overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, moeten lidstaten zelf kunnen bepalen of zulke vrachtwagens wel of niet in het algemene verkeersbeeld passen. Ik hoop dat de Commissie en de Raad de lidstaten zullen toestaan hier zelf over te beslissen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Het eerste spoorwegpakket werd geïntroduceerd met als expliciete doelstelling het "leggen van de fundamenten voor een verschuiving in vervoerswijzen"; met andere woorden, het zou erom gaan een verschuiving te bewerkstelligen van weg- naar spoorwegvervoer. Maar eigenlijk probeerde het heimelijk, op de manier van het paard van Troje, het goederenvervoer over het spoor open te stellen voor concurrentie en private belangen als eerste stap op weg naar de totale liberalisering van de spoorwegsector in de EU.

We hebben de bedoelingen achter dit proces vanaf het allereerste begin veroordeeld en van de hand gewezen.

Net als bij andere door de EU nagestreefde liberaliseringsprocessen, wordt alles wat op een gegeven moment slecht gaat aangegrepen (waarbij de werkelijke oorzaak wordt verhuld, te weten het stelselmatige beleid om de openbaarvervoersector te ontmantelen en verzwakken) om liberaliseringsmaatregelen te rechtvaardigen en, zonder al te veel verdere verklaring, te verwijzen naar genoemde "concurrentie", die een soort wondermiddel voor alle mogelijke kwalen zou zijn, maar die in werkelijkheid de gevolgen heeft die we in onze interventie reeds hebben uiteengezet.

Overheidsinvesteringen in de spoorwegsector in overeenstemming met de behoeften van de landen en de door hen vastgestelde opties, zijn ongetwijfeld van vitaal belang, maar niet als opstapje naar het uit handen geven ervan aan de winstlogica van grote particuliere belanghebbenden, die streven naar een dominante positie in deze in elk land zo wezenlijke publiekssector door middel van liberalisering ervan op het niveau van de interne markt van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Jens Holm, Kartika Tamara Liotard, Erik Meijer, Esko Seppänen, Søren Bo Søndergaard en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. – (EN) In het verslag-Cramer wordt terecht opgemerkt dat er voor wat betreft het goederenvervoer te weinig aandacht is geweest voor het milieu. Dit is het gevolg van de groei van het vrachtvervoer over de weg en door de lucht en de tegelijkertijd steeds verdere afname van het vervoer per spoor. In het verslag wordt herinnerd aan de bevordering van het weg- en luchtvervoer middels financiële instrumenten, waarmee ook het vervoer per spoor wordt ontmoedigd. Wij willen erop wijzen dat de laatste tijd veel spoorverbindingen naar fabrieken en havens zijn gesloten. We zijn het echter niet met de rapporteur eens over de mate waarin dit probleem door de vrije markt kan worden opgelost. De rapporteur is, samen met de rechts georiënteerde fracties in dit Parlement, van mening dat vrije concurrentie in het grensoverschrijdende vervoer de beste oplossing is. De pleitbezorgers van dit standpunt verwijzen naar de situatie op de weg en in de lucht, en verwachten dat concurrentie automatisch een nieuwe golf belangstellende bedrijven zal aantrekken. In de praktijk hebben we kunnen constateren dat dergelijke positieve resultaten tot nog toe zijn uitgebleven. Ondanks dit gebrek aan werkelijkheidszin verdient de rest van dit verslag evenwel onze volledige steun.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Ik stem vóór de totstandbrenging van een nieuwe dynamiek in het spoorvervoer als kernelement van het Europees verkeersbeleid.

Het verslag over de tenuitvoerlegging van het eerste spoorwegpakket heeft aangetoond dat dit pakket niet tot een duurzame dynamiek van het spoorvervoer heeft geleid en evenmin tot een merkbare verschuiving van het goederenvervoer van de weg naar het spoor.

Het spoorvervoer moet echter om de volgende redenen het kernelement van het Europese verkeersbeleid worden: het groeiende verkeersprobleem, groeiende emissies, beperkte energiebronnen en een stijgend aantal verkeersslachtoffers.

Ik dring er daarom op aan dat de tweede richtlijn betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen in 2008 wordt gepresenteerd, dat voorziet in een uniform tolsysteem op alle wegen binnen de EU voor alle vrachtwagens van 3,5 ton of meer. Bovendien moeten alle zogenaamde externe kosten, met andere woorden de milieukosten ten gevolge van transportactiviteiten, worden berekend. In dit verband wil ik verwijzen naar het zeer lucratieve Zwitserse systeem van een emissiegerelateerde heffing voor zware voertuigen, waardoor Zwitserland opmerkelijk succes heeft kunnen boeken bij de verschuiving van het vervoer van de weg naar het spoor, terwijl de verbeterde efficiëntie van het wegvervoer de stijging van de kosten voor de consument heeft beperkt tot slechts 0,5 procent.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het eerste spoorwegpakket, bedoeld om met ingang van 15 maart 2003 de markt voor het internationale goederenvervoer per spoor open te stellen, heeft enig succes gehad. Er is echter nog steeds sprake van tekortkomingen en vertragingen in de omzetting in nationaal recht door de lidstaten. Deze vertragingen hebben uiteindelijk hun weerslag op de herstructurering van de spoorwegbedrijven en op de totstandkoming van werkelijke concurrentie op de markt.

Aangezien verschillende aspecten nog ontbreken zodat we nog niet kunnen profiteren van de positieve effecten van het eerste spoorwegpakket, zijn wij van mening dat de middelen moeten worden gecreëerd om de tekortkomingen in de uitvoering van de wetgeving door de lidstaten te corrigeren. Is het hiervoor noodzakelijk een onafhankelijke, transparante nationale toezichthoudende instantie op te zetten die over voldoende middelen beschikt om de bestaande verstoringen van vrije concurrentie actief aan te pakken? We moeten ook maatregelen treffen met het oog op het bereiken van ware interoperabiliteit – de afwezigheid waarvan het belangrijkste obstakel is bij de realisering van een geïntegreerd Europees spoorwegnet – bijvoorbeeld door middel van de snelle installatie van het European Rail Traffic Management System, vooral in de belangrijkste spoorwegvervoerscorridors.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE), în scris. Am votat pentru raportul Cramer şi consider acest document ca fiind deosebit de important. Având în vedere că transportul contribuie la 15 procent-30 procent din emisiile de CO2, dezvoltarea modalităţilor mai puţin poluante de transport trebuie să constituie o prioritate la nivel european. De altfel, 70 procent din proiectele prioritare de transport transeuropean sunt destinate transportului feroviar şi transportului naval, mai puţin generatoare de gaze cu efect de seră.

Dezvoltarea transportului feroviar de mare viteză pentru pasageri trebuie să se realizeze cu prioritate în toate statele Uniunii Europene. Investiţiile în infrastructura de transport şi pentru modernizarea sistemului rulant sunt foarte mari, dar şi beneficiile aduse vor fi pe măsură.

De asemenea, pentru dezvoltarea transportului feroviar, va fi esenţială asigurarea interoperabilităţii, dezvoltarea şi implementarea sistemului ERTMS.

Felicit raportorul şi doresc să îl asigur că avem aşteptari foarte mari de la transportul feroviar.

 
  
  

- Verslag-Barsi-Pataky (A6-0190/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott (IND/DEM).(EN) Mevrouw de Voorzitter, in het verslag over duurzame mobiliteit voor ons continent, waar we zojuist over hebben gestemd, wordt benadrukt dat er betere infrastructuur moet worden aangelegd, met dien verstande dat dit ook op een verantwoordelijke en zorgvuldige manier moet gebeuren. Er wordt op gewezen dat de lidstaten de milieueffecten van verbeterde infrastructuur in de gaten moeten houden en ook naar het vervoer moeten kijken, waarbij ze rekening moeten houden met de sociaaleconomische factoren ten opzichte van de veiligheid.

Voor mijn eigen land, Ierland, is dit buitengewoon relevant, want het behoud van onze natuurlijke en historische monumenten moet hoognodig tot een prioriteit worden gemaakt. De Ierse autoriteiten zijn hard op weg om een van de belangrijkste archeologische vindplaatsen van Europa te verwoesten in een poging om de vervoerssystemen in Ierland te verbeteren. 41 vindplaatsen, die Europees erfgoed vormen, waaronder het rijksmonument bij Lismullen, zullen ten prooi vallen aan een snelweg die er onnodig overheen komt te lopen. Zijn deze monumenten eenmaal vernietigd, dan kan het culturele erfgoed dat daarmee verloren is gegaan, op geen enkele manier worden vervangen.

Volgens het verslag over duurzame mobiliteit, zal in het kader van het toekomstig vervoersbeleid ieder land ernaar moeten streven "het eigen potentieel te optimaliseren […] teneinde de doelstellingen ten aanzien van schone en efficiënte vervoerssystemen te verwezenlijken". Ierland heeft de mogelijkheid om dit te doen, maar niet door een snelweg dwars door Tara aan te leggen.

De Ierse autoriteiten hebben geen alternatieve tracés overwogen en verwoesten met de aanleg van de weg belangrijke historische locaties, zoals de vindplaats bij Baronstown die zes dagen geleden om vier uur 's morgens vernietigd werd. Ze hebben evenmin overwogen om de oude spoorweg in het gebied nieuw leven in te blazen voor het vervoer van forensen naar Dublin en zo het wegverkeer en het brandstofverbruik te verminderen. We moeten teruggrijpen naar oude vervoerswijzen zoals de trein die ooit langs Tara reed.

Hoewel ik achter dit duurzame Europa en betere vervoersinfrastructuur sta, ben ik stellig van mening dat we een van onze waardevolste archeologische vindplaatsen niet kunnen en mogen opofferen voor een verkeerd geplande snelweg.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. (DE) Nu de Commissie vervoer en toerisme zes jaar na de publicatie van het Witboek Vervoer een gedetailleerde beoordeling heeft gepresenteerd, wil ik mijn steun uitspreken vóór de verwezenlijking van de trans-Europese netwerken en het gebruik van intelligente verkeerssystemen en technologische innovaties.

Ik betreur het gebrek aan financiële activiteiten ten aanzien van de ontwikkeling van infrastructuur, waardoor een enorme druk op de Europese economische groei wordt gelegd. De Europese middelen voor de financiering van de trans-Europese netwerken zijn nog steeds beperkt, maar toch kan de daadwerkelijke meerwaarde van het TEN-T-programma alleen worden gerealiseerd als het gehele netwerk wordt gebouwd. Ik dring er daarom bij de Commissie op aan voorstellen te presenteren voor een mogelijke uitbreiding van nieuwe alternatieven en innovatieve financieringsmogelijkheden.

Met betrekking tot de negatieve gevolgen van het vervoer voor het milieu wil ik opmerken dat zelfs een bescheiden verschuiving van het vervoer de overbelasting van het verkeer op de weg al aanzienlijk zou verminderen. Daarom zie ik de beoordeling van de externe milieukosten die de Commissie in 2008 zal voorleggen met gespannen verwachtingen tegemoet.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. (DE) Het verslag-Barsi-Pataky helpt ons niet echt verder en dat is de reden waarom ik mij van stemming heb onthouden. Het is allemaal goed en wel dat wij ons opnieuw uitspreken voor het trans-Europese netwerk en dat we aangeven dat slechts een bescheiden verschuiving van het vervoer de overbelasting van de weg al aanzienlijk zou verminderen, maar we moeten ons er wel van bewust zijn dat vele routes, vooral in de steden, met name overbelast zijn omdat het plaatselijke openbaar vervoer een onaantrekkelijk alternatief is vanwege de staat waarin het verkeert. Afgezien van loze beloften heeft de EU op dit gebied nauwelijks intelligente oplossingen gepresenteerd.

Met betrekking tot de zeer controversiële LZV’s is er geen reden waarom de gemeenschap de prijs zou moeten betalen in de zin van hogere kosten voor het onderhoud van de wegen en verhoogde veiligheidsrisico’s ten gunste van mogelijke besparingen voor transportondernemingen. Als wij inderdaad veel waarde hechten aan milieubescherming – er worden immers milieuargumenten aangevoerd voor deze enorme zware voertuigen – dan moeten wij milieuvriendelijke aandrijvingssystemen meer bevorderen. Het Europees Parlement zou wat dat betreft het goede voorbeeld kunnen geven met zijn eigen door chauffeurs bestuurde voertuigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Ontevredenheid over de toepassing en de resultaten van het Europese vervoersbeleid houdt geen ontkenning in van de bereikte verbeteringen, variërend van transportveiligheid tot de kwaliteit van de dienstverlening en in termen van het milieu.

Er moet echter nog veel gedaan worden.

De beperkingen van de financiële bijdrage van de Gemeenschap vormen een belangrijke oorzaak van de tekortkomingen van dit beleid. De enige manier om te voorkomen dat er verdere vertragingen optreden en er een heroverweging van prioriteiten plaatsvindt, is gebruikt te maken van nieuwe financieringsvormen zoals publiek-private partnerschappen en de subsidiëring van de projecten door de lidstaten.

Voor de financiering van trans-Europese vervoersprojecten is slechts een beperkte hoeveelheid Gemeenschapsgelden beschikbaar. Daarom zouden ze geconcentreerd moeten worden op grensoverschrijdende trajecten aangezien de toegevoegde waarde hiervan is dat een onderling verbonden, interoperabel trans-Europees vervoersnetwerk wordt gerealiseerd.

Omdat het echter van fundamenteel belang is te voorkomen dat er een lappendeken van nationale netwerken ontstaat, moet de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, zorgen dat de Europese vervoerswetgeving wordt toegepast en uitgevoerd.

Ten slotte, versterking van de samenwerking in Europees, nationaal, regionaal en lokaal verband is noodzakelijk voor de verbanden tussen goede praktijken en tussen het vervoersbeleid en ander nationaal dan wel communautair beleid op het gebied van bijvoorbeeld energie, het milieu, toerisme en innovatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE), în scris. Domeniul transporturilor este esenţial pentru dezvoltarea economică a tuturor regiunilor Uniunii Europene, prin crearea de locuri de muncă, asigurarea liberei circulaţii a persoanelor şi a mărfurilor şi dezvoltarea întreprinderilor.

Calea navigabilă interioară Uniunii Europene formată din Rhin, canalul Main şi Dunăre scurtează distanţa dintre partea de nord-vest si partea de sud-est a Uniunii Europene cu aproape 4000 de kilometri, asigurând în acelaşi timp dezvoltarea unui mod de transport mai puţin poluant. Sper ca programele NAIADES şi Marco Polo II să sprijine mai mult statele membre să îşi dezvolte transportul naval.

Interoperabilitatea, interconectarea reţelelor europene de infrastructură şi dezvoltarea de terminale multi-modale vor contribui la o dezvoltare echilibrată a tuturor modalităţilor de transport.

Nu trebuie însa să uităm că una din cauzele schimbărilor climatice este poluarea datorată mijloacelor de transport. Este important că 70 procent din cele 30 de proiecte prioritare sunt dedicate transportului feroviar şi celui naval. Sper însa ca lista celor 30 de proiecte prioritare să fie extinsă în curând pentru a include mai multe proiecte ale noilor state membre şi pentru a fructifica ieşirea Uniunii Europene la Marea Neagra.

 
  
  

- Actie voor het aanpakken van hart- en vaatziekten (B6-0277/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Wij hebben voor deze resolutie gestemd, omdat we weten dat hart- en vaatziekten een zorgwekkende realiteit zijn. Het is van belang de kennis over preventie van de risicofactoren voor deze aandoeningen te vergroten. Daarom is het belangrijk dat de in deze resolutie opgenomen acties in overweging worden genomen.

We weten dat gezondheid een kwestie is van compleet welzijn op lichamelijk, geestelijk en sociaal vlak. Er zijn echter vele tegenstrijdigheden in de huidige stressvolle samenleving, waarin er maar weinig tijd is om tot rust te komen, om door te brengen in gezinsverband, om te zorgen voor onze eigen lichamelijke gezondheid en geestelijke balans, waarin vaak sprake is van slechte voeding en gebrek aan tijd om te sporten en bovendien van een verlies aan rechten op het werk, bijvoorbeeld door een overladen werkschema en beperking van het aantal vrije dagen, om nog maar niet te spreken van werkloosheid of de permanente dreiging daarvan. Dit heeft allemaal ernstige gevolgen voor de levens van mensen, voor hun balans en, dientengevolge, voor de verspreiding van hart- en vaatziekten.

Deze bewustwordings- en preventiecampagne rondom hart- en vaatziekten moet alleen niet een uithangbord worden voor een communautarisering van gezondheid. Het gaat ons om de bescherming van de openbare gezondheidszorg en de verantwoordelijkheid van iedere lidstaat afzonderlijk om deze zodanig te onderhouden en beheren dat het recht op gezondheidszorg voor iedereen overeind blijft en niet alleen voor diegenen met genoeg geld om ervoor te betalen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor deze resolutie gestemd die gericht is op de bestrijding van doodsoorzaak nummer één in Europa, namelijk hart- en vaatziekten. De resolutie bevat aanbevelingen tot preventiestrategieën, bewustmakingscampagnes en de bevordering van een gezonde levensstijl en dit alles krijgt mijn steun.

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Aangezien hart- en vaatziekten verantwoordelijk zijn voor meer dan 40 procent van alle sterfgevallen in de EU, is het dringend noodzakelijk dat wij dit probleem op zowel nationaal als EU-niveau aanpakken. De lidstaten zelf kunnen veel doen in termen van het verbeteren van de risicomonitoring, het opstellen van richtsnoeren voor preventie, enzovoorts. Dit is evenwel duidelijk een terrein waar de EU een meerwaarde kan leveren door de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten te bevorderen. Ik verwelkom de oproep in deze resolutie om een communautaire databank tot stand te brengen voor de monitoring van de prevalentie van hart- en vaatziekten, de mortaliteit, de morbiditeit en de risicofactoren. Een dergelijke databank heeft een groot potentieel om een betere preventie op lidstaatniveau te vergemakkelijken.

 
  
  

- De PNR-overeenkomst met de Verenigde Staten van Amerika (RC-B6-0278/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Onacceptabel is wel de minste kwalificatie die van toepassing is op de recente overeenkomst tussen de EU en de VS over de overdracht van persoonsgegevens van passagiers (PNR) door vliegtuigmaatschappijen aan het ministerie van Binnenlandse Veiligheid (DHS) van de Verenigde Staten van Amerika. Enkele opvallende van de vele betreurenswaardige aspecten zijn:

De overdracht van gegevens vindt plaats op basis van niet-bindende garanties die op elk moment eenzijdig door het DHS kunnen worden gewijzigd.

De gegevens kunnen worden gebruikt voor niet nader gespecificeerde doeleinden en de bewaartermijn ervan wordt verlengd van drieënhalf tot vijftien jaar. Daarbij zijn er verder totaal geen garanties dat de gegevens na de bewaarperiode van vijftien jaar – zeven "actieve" en acht "slapende" jaren – definitief zullen worden vernietigd.

Gevoelige gegevens (bijvoorbeeld persoonlijke gegevens over ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen en vakbondslidmaatschap, alsmede andere informatie met betrekking tot de gezondheidsstatus en het seksleven van mensen) worden aan de DHS ter beschikking gesteld.

De overeenkomst verwijst ook naar een mogelijk toekomstig PNR-systeem op EU-niveau in een of meer van de lidstaten, onder de vermelding dat ook deze gegevens aan de DHS ter beschikking kunnen worden gesteld.

In een woord: onduldbaar.

 
  
MPphoto
 
 

  Martine Roure (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik ben blij dat de Europese Unie een overeenkomst met de Verenigde Staten heeft gesloten over de overdracht van passagiersgegevens. Ik onderken dat een Europese overeenkomst nodig was voordat de interim-overeenkomst zou aflopen. Ik betreur echter dat deze overeenkomst belangrijke leemten vertoont op gebieden die essentieel zijn voor ons Parlement.

De vermindering van het aantal over te dragen gegevens is niet meer dan een bijkomstigheid. De overschakeling van het pull systeem naar het push systeem is een verworvenheid uit 2004, en had al lang plaats moeten vinden.

Ik ben blij dat de werking van de Amerikaanse gegevensbeschermingswetgeving is uitgebreid tot de Europese burgers, omdat wij daarom gevraagd hadden. Dit wordt echter weer ondermijnd door het feit dat het gaat om niet-bindende verzekeringen in plaats van een in rechte afdwingbare overeenkomst. Bovendien behoudt het ministerie van Binnenlandse Veiligheid zich het recht voor om vrijstellingen vast te stellen voor de gegevensbescherming, zonder welomschreven criteria.

Tot slot hekel ik het gebrek aan democratische controle, de aanzienlijke verlenging, tot 15 jaar, van de periode gedurende welke de persoonsgegevens bewaard mogen worden en het ontbreken van een grondige beoordeling van deze overeenkomst. Wij wilden dat deze punten de basis zouden vormen voor de nieuwe PNR-overeenkomst; ik betreur het dat de Raad geen gehoor heeft gegeven aan deze wensen van het Parlement.

 
  
  

- Verslag-Rosati (A6-0264/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) Ik heb vóór het verslag van Dariusz Rosati gestemd over het jaarverslag 2007 over de eurozone. Dit verslag wordt in het Europees Parlement behandeld op een moment waarop het noodzakelijk is dat andere lidstaten worden aangemoedigd te blijven werken aan de voorbereidingen op de toetreding tot de eurozone.

Na Malta en Cyprus is volgend jaar Slowakije aan de beurt voor een beoordeling van zijn verzoek om toetreding tot de eurozone. Onder de vorige regering van Mikuláš Dzurinda werd Slowakije geschaard onder de tien nieuwe lidstaten die het best op de invoering van de euro waren voorbereid. Gezien de ervaringen van Litouwen, wiens poging tot toetreding strandde omdat dit land niet aan het inflatiecriterium voldeed, en aangemoedigd door de toetreding van Slovenië tot de eurozone op 1 januari 2007, denk ik dat Slowakije zich verantwoordelijk moet opstellen en ervoor moet zorgen dat de criteria van Maastricht duurzaam worden nageleefd.

Inzake de invoering van de ene Europese munt in de nieuwe lidstaten wil ik opnieuw uw aandacht vestigen op de schriftelijke verklaring dat het nodig is bankbiljetten van een en twee euro in te voeren, welke door het Europees Parlement in oktober 2005 is aangenomen. Er heerst bij de Europese burgers, bijvoorbeeld die van Slowakije, wier maandsalaris slechts een paar honderd euro bedraagt, namelijk onbegrip over het ontbreken van deze bankbiljetten en de hogere waarde die euromunten vertegenwoordigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het initiatiefverslag van mijn Poolse collega Dariusz Rosati gestemd, dat handelt over het jaarverslag 2007 van de Europese Commissie over de eurozone. Allereerst juich ik het technisch en financieel succes van de euro en het goede functioneren van de eurozone toe, en feliciteer ik in het bijzonder Slovenië – dat naar ik hoop spoedig mijn vriend Alojz Peterle als president zal hebben, die de volgende fungerend voorzitter van de Unie zou moeten zijn – met het feit dat het land zich op 1 januari 2007 heeft "gekwalificeerd" voor de eurozone, waarbij ik hoop dat ditzelfde resultaat op 1 januari 2008 behaald zal worden door Cyprus en Malta.

Het wordt hoogstnoodzakelijk, zoals regelmatig benadrukt door Nicolas Sarkozy, president van de Franse Republiek, om het functioneren van de eurozone te versterken, zowel qua structuren als concreet economisch bestuur. Ook moeten bepaalde lidstaten, waaronder Frankrijk, profiteren van de gunstige conjunctuur om hun overheidsfinanciën weer op orde te brengen. Tot slot is het zaak dat de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de Europese Centrale Bank (ECB) zo snel mogelijk met elkaar in overleg treden om te zorgen voor meer samenhang tussen het monetaire beleid en de groei en werkgelegenheid, zoals voorzien in de verdragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonathan Evans (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) De Britse Conservatieve Partij is mordicus tegen toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de eurozone en zoals te doen gebruikelijk hebben we ons bij de eindstemming over het verslag-Rosati van stemming onthouden. Niettemin zijn wij waakzaam waar het gaat om een gezond monetair beleid binnen het EU-handelsblok en zijn we met name gekant tegen pogingen om monetair beleid voor politieke doeleinden te gebruiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Volgens het verslag is het Parlement "ingenomen met de gunstige economische ontwikkeling in 2006" in de eurozone, maar het slaagt er niet in te verhullen dat er risico's en redenen tot bezorgdheid zijn omtrent de toekomstige ontwikkeling van de eurozone. De waarheid is dat de winsten, gezien als percentage van het bbp, zich op historisch grote hoogten bevinden, terwijl de salarisgroei steeds langzamer gaat en achterblijft bij de arbeidsproductiviteit; met andere woorden, de productiviteitswinst vloeit in de zakken van de werkgevers.

Het verslag zwijgt over maatschappelijke spanningen en wijdt maar weinig woorden aan de toenemende ongelijkheid en armoede in de EU en aan de almaar onzekerder wordende werkgelegenheidssituatie en hoge werkloosheidscijfers. Het wordt steeds moeilijker nieuwe salarisbevriezingen te rechtvaardigen en in redelijkheid te vragen om nog eens de broekriem aan te halen als de vruchten van de rijkdom, zoals altijd, blijven gaan naar de financiële en economische groepen.

Waar ze hun ogen voor proberen te sluiten is dat het, om dit moment in de economische cyclus te consolideren, vooral zaak is salarissen te laten stijgen en de overheidsinvesteringen te verhogen om de vraag te stimuleren. Het verslag doet precies het tegenovergestelde, met zijn vasthouden aan het principe van begrotingsconsolidatie en prijsstabiliteit; met andere woorden, minder overheidsinvesteringen en meer loonmatiging.

Wij verwerpen deze strategie en daarom stemmen wij tegen dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin (IND/DEM), schriftelijk. – (SV) Het verslag geeft een goed beeld van de wijze waarop de EMU hand in hand gaat met de vorming van een EU-staat. In het verslag wordt gestreefd naar meer coördinatie van het economisch beleid in de verschillende lidstaten. Men is van mening dat de externe representatie van de eurozone versterkt en de interne coördinatie op het wereldtoneel verbeterd moet worden.

Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat bijvoorbeeld het mededingingsvermogen zich in de eurozone in verschillende richtingen ontwikkelt en dat de waardevermeerdering van de euro ten opzichte van bijvoorbeeld de Amerikaanse dollar verschillende effecten heeft in verschillende lidstaten, afhankelijk van hun economische structuren en de flexibiliteit van hun verwerkende industrieën. In het verslag wordt er ook op gewezen dat het monetaire beleid van de ECB nooit helemaal in overeenstemming kan zijn met de situatie in een afzonderlijke lidstaat.

Het waren precies deze factoren die als argumenten naar voren werden gebracht door het nee-kamp bij het referendum over de EMU in Zweden in 2003 en die gehoor vonden bij een grote meerderheid van de Zweedse kiezers.

Ik kan slechts constateren dat het nee-kamp bij het referendum er zeer terecht op heeft gewezen dat de EMU een grote stap was in de richting van een Verenigde Staten van Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE) , schriftelijk. – (PL) Ik stem voor het door Dariusz Rosati opgestelde verslag over de beoordeling van de situatie van de eurozone in 2007.

Professor Rosati heeft een uitstekend opgesteld verslag gepresenteerd dat zeker een goede basis vormt voor discussie over de algemene economische toestand in de eurozone alsmede over verdere stappen en uitdagingen waarvoor we staan.

In 2006 deed zich in de eurozone een dynamische groei van de export voor, kwam het tot een opleving van de binnenlandse vraag en een versnelling van de groei van het bbp, daalde het werkloosheidspercentage en zijn er twee miljoen nieuwe arbeidsplaatsen geschapen. Het inflatiepercentage bleef gelijk, terwijl het begrotingstekort afnam.

Tegelijkertijd, en dat werd ook in aanmerking genomen in het verslag, is te zien dat de grootste economieën nog steeds aanzienlijke begrotingstekorten hebben, dat het aan begrotingsdiscipline ontbreekt wat kan leiden tot een verscherping van de monetaire politiek, en dat de verschillen in economisch ontwikkelingsniveau, productiviteit en concurrentievermogen tussen de verschillende lidstaten toenemen.

De rapporteur heeft terecht vastgesteld dat het noodzakelijk is om structurele hervormingen door te voeren en actie te ondernemen die tot doel heeft concurrentie en een grotere openstelling van de dienstenmarkt te bewerkstellingen, wat een voordelige invloed kan hebben op de groei van het aantal arbeidsplaatsen.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE), în scris. Am votat pentru raportul Rosati privind "zona Euro" şi felicit raportorul.

Consider că introducerea euro a determinat o mai mare coeziune între cele 318 milioane de cetăţeni ai Uniunii Europene care utilizează această monedă în viaţa de zi cu zi. Creşterea economică realizată precum şi creşterea gradului de angajare (aproape 2 milioane de noi locuri de muncă) din această zonă sunt dovezi clare că Uniunea Economică şi Monetară a contribuit la stabilitatea macroeconomică a statelor aderente.

Felicit Slovenia pentru aderarea la zona euro începând cu 1 ianuarie 2007. Raportorul propune reanalizarea criteriilor de convergenţă în cazul noilor state membre, având în vedere că inflaţia ar putea face o parte din procesul de relansare economică, dar subliniază că acestea trebuie aplicate conform Tratatului. De asemenea, este nevoie de o mai buna coordonare în domeniul politicii de schimb valutar.

În ciuda performanţelor zonei euro, totalul cheltuielilor pentru cercetare şi dezvoltare ale statelor din zona euro nu depăşeşte 2 procent din PIB, ceea ce este sub ţinta de 3 procent stabilita de Strategia de la Lisabona.

Statele din zona euro trebuie să reprezinte un model de dezvoltare economică şi socială pentru celelalte state membre ale Uniunii Europene.

 
  
  

- Verslag-Mitchell (A6-0266/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb me onthouden van stemming over het initiatiefverslag van mijn Ierse collega Gay Mitchell over het jaarverslag 2006 van de Europese Centrale Bank. Hoewel ik zeer hecht aan de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank (ECB) omdat onze economische en monetaire geschiedenis leert dat het beheer van de munteenheid nooit meer aan de politiek moet worden overgelaten, vind ik dat het verslag onvoldoende ingaat op de vraag in hoeverre in het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) te weinig aandacht wordt geschonken aan de economische groei. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat artikel 105 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bepaalt dat het ESCB, onverminderd het doel van prijsstabiliteit, het algemene economische beleid in de Gemeenschap ondersteunt teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2 omschreven doelstellingen; deze behelzen onder meer het bevorderen van een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteit, een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, een hoge graad van concurrentievermogen en convergentie van economische prestaties. Een sterke euro mag voor het veiligstellen van onze vermogens dan nodig zijn, deze mag niet té sterk worden met het oog op de ontwikkeling van duurzame economische groei, met name voor de export.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonathan Evans (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) De Britse Conservatieve Partij is mordicus tegen toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de eurozone en zoals te doen gebruikelijk hebben we ons bij de eindstemming over het verslag-Mitchell van stemming onthouden. Niettemin zijn wij waakzaam waar het gaat om een gezond monetair beleid binnen het EU-handelsblok en zijn we met name gekant tegen pogingen om monetair beleid voor politieke doeleinden te gebruiken.

 
  
  

- Verslag-Rosati (A6-0264/2007) en verslag-Mitchell (A6-0266/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (ITS), schriftelijk. – (FR) Twee opmerkingen over de twee verslagen waarover we vandaag gestemd hebben, over de werkzaamheden van de Europese Centrale Bank en de eurozone.

Ten eerste krijg je de indruk dat we totaal geen greep hebben op onze eenheidsmunt. Deze bestaat, oké, en dan? Zij brengt geen groei – de met de munt samenhangende begrotings- en structurele hervormingen worden geacht dit te doen –, evenmin als convergentie van de economische cycli, van prestaties, van de door de banken gehanteerde rentetarieven... Wat het Europees monetair beleid betreft rest ons helaas niets anders dan te blijven betreuren dat het niet aansluit bij de behoeften van de lidstaten van de eurozone, dat er in anderhalf jaar tijd acht verhogingen van het leidende rentetarief van de Europese Centrale Bank zijn doorgevoerd, dat de motivering daarvan dubieus was en dat het voortdurend ontbreekt aan enigerlei vorm van op verandering gericht beleid.

Mijn tweede opmerking is dat we vooral kunnen vaststellen dat, ondanks het in mijn ogen onwettige proces van de hervorming van de Verdragen, de verklaarde doelstelling van dit beleid geen moment ter discussie wordt gesteld om de in Frankfurt gevestigde Bank eindelijk te dwingen groei en werkgelegenheid te ondersteunen in plaats van bezig te zijn met de ideologisch getinte vorming van een Europese monetaire zone. De heer Sarkozy, die als het zo uitkomt voor minister van Financiën speelt, blijkt niet in staat om deze situatie in beweging te krijgen.

 
  
  

- Palestina (RC-B6-0268/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór de resolutie over de situatie in het Midden-Oosten gestemd.

Ik blijf uitermate bezorgd over de humanitaire situatie van de gehele Palestijnse burgerbevolking. Er moeten concrete maatregelen worden getroffen om de levensomstandigheden van alle Palestijnen te verbeteren (overdracht van alle belastingontvangsten, gedeeltelijke opheffing van de 500 wegversperringen op de westelijke Jordaanoever, internationale hulp mogelijk maken bij de grensovergangen van de Gazastrook).

Als Frans en socialistisch afgevaardigde in het Europees Parlement dring ik erop aan dat de Europese Unie en de internationale gemeenschap alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat er humanitaire hulp en spoedhulp aan de bevolking van de Gazastrook wordt verleend.

Tot slot roep ik op tot hervatting van de politieke dialoog tussen de Palestijnen onderling, waarbij gestreefd moet worden naar de vorming van een nieuwe regering in een geest van verzoening en nationale eenheid teneinde een geografische en politieke scheiding tussen de westelijke Jordaanoever en de Gazastrook te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor deze resolutie gestemd, waarin de overname van Gaza door Hamas wordt veroordeeld. Ik steun in het bijzonder de nadruk die wordt gelegd op het feit dat de huidige crisis niet als voorwendsel mag worden gebruik om de inspanningen tot het bereiken van een duurzame vrede te staken.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) De situatie in Palestina geeft reden tot grote bezorgdheid. Behalve dat duidelijk is geworden dat Israël niet de kern van het probleem is – iets wat velen al vaak hebben gezegd – zijn ook twee betreurenswaardige feiten aan het licht gekomen. Aan de ene kant zijn er groepen die bereid en in staat zijn alles te doen wat nodig is om met geweld de macht te grijpen en om deze met geweld uit te oefenen; aan de andere kant is de Autoriteit, waarvan het voortbestaan wordt bedreigd, een partner die geen overeenkomsten kan sluiten en die niet in staat is haar eigen huis op orde te stellen.

We hebben allemaal – het Midden Oosten, Israël en Europa – een partner aan de andere kant van de tafel nodig die betrouwbaar genoeg is om zaken mee te doen en sterk genoeg om de afspraken uit te voeren. Zonder deze elementen zijn geen succesvolle vredesonderhandelingen mogelijk. Maar het is ook onmogelijk vrede en veiligheid te bereiken zonder vastberadenheid. Ons onmiskenbare doel moet zijn de garantie dat de twee staten vreedzaam en veilig naast elkaar kunnen bestaan. Om dat te bereiken moeten we onderkennen welke de werkelijke obstakels naar vrede en veiligheid zijn, in plaats van, zoals zo vaak gebeurt, schuldigen aan te wijzen, alsof alle acties gelijkwaardig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Wij hebben tegen de resolutie over de situatie in het Midden-Oosten gestemd.

De resolutie van het Europees Parlement over de situatie in het Midden-Oosten probeert met hoogdravende en schijnheilige formuleringen het imperialistisch beleid van de EU in het gebied te verhullen. Zij zwijgt over de enorme verantwoordelijkheden van de EU, over het beleid van gelijke behandeling van slachtoffer en beul en over de imperialistische interventies van de EU, de VS en de NAVO, die tot gevolg hebben dat de Israëlische bezetting van de Palestijnse gebieden en de misdaden van de Israëlische regering tegen het Palestijnse volk worden vereeuwigd.

De imperialistische interventies van de VS-NAVO en de EU voor een “nieuw Midden-Oosten” en het avonturistisch beleid van Israël in heel het gebied, zijn de oorzaken van de gevaarlijke situatie op de Palestijnse grondgebieden, in Libanon en heel het gebied. De onmiddellijke terugtrekking van het Israëlische bezettingsleger uit de Palestijnse gebieden, de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, en de beëindiging van de imperialistische interventies in de landen van het Midden-Oosten zijn fundamentele vraagstukken van de strijd van de volkeren in het gebied.

 
  
  

- Situatie in Pakistan (RC-B6-0279/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Deze stemverklaring dient er enkel toe om te benadrukken dat, ondanks verwijzingen naar enkele van de belangrijkste aspecten van de huidige situatie in Pakistan, de resolutie inhoudelijk verbergt welke bijdrage de Pakistaanse overheid heeft geleverd aan de invasie en bezetting van Afghanistan door de Verenigde Staten en haar bondgenoten, en aan de daaropvolgende "vervanging" door de NAVO. Er wordt niet gesproken over de druk die op de Pakistaanse autoriteiten is uitgeoefend door de Verenigde Staten en haar Europese bondgenoten om te helpen bij de aanval op Afghanistan. Evenmin wordt er gesproken over de bombardementen door de NAVO op het grensgebied van Afghanistan en Pakistan, die hebben geleid tot de dood van vele onschuldige burgerslachtoffers aan beide zijden van de grens.

Hier wordt met twee maten gemeten...

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Het feit dat Europa, de Verenigde Staten en de wereld in het algemeen Pakistan nodig hebben in de belangrijke strijd tegen het terrorisme, en vooral Al-Qaeda, wil nog niet zeggen dat de Pakistaanse regering, dat nu in feite een presidentieel regime is, onze onvoorwaardelijke steun geniet. Integendeel zelfs. De fundamentele waarden en de onloochenbare aard van democratie zijn onze bescherming waard en het is vanuit deze houding dat de Europese Unie haar betrekkingen met Pakistan zal beheren, vooral aan de vooravond van verkiezingen. Dat gezegd hebbende moet toch onderstreept worden dat de recente gebeurtenissen bij de Rode Moskee bewijzen – voor zover bewijs nog nodig was – dat de radicale islam een zeer reële, zeer gevaarlijke en zeer actieve bedreiging vormt.

 
  
  

- Verslag-Meijer (A6-0214/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL), schriftelijk. Het Macedonië dat ik in 1962 voor het eerst leerde kennen, had veel kenmerken van voorafgaande eeuwen, met traditionele plattelandshuisjes, modderwegen, vervoer per paard en wagen, klederdrachten en het langs elkaar heen leven van verschillende etnische groepen. Het Macedonië van 45 jaar later is het resultaat van ingrijpende ontwikkelingen na die tijd.

Ik vind dat de Europese Unie in de jaren negentig ernstige fouten heeft gemaakt bij het onvermijdelijke uiteenvallen van Joegoslavië. Te lang is dat uiteenvallen ontkend, en toen het eenmaal werd erkend is daarbij gekozen voor het negeren van de ook daarna nog resterende etnische verscheidenheid. In sommige gevallen zijn de verkeerde grenzen erkend, zijn onnodig militaire middelen ingezet en is gekozen voor verkeerde bemoeizucht. In Macedonië bleef die schade naar verhouding beperkt. Als rapporteur hoop ik voor dat land bij te dragen tot vrede, democratie, verzoening en vooruitgang. De 558 stemmen waarmee dit parlement steun geeft aan mijn verslag betekenen een stap vooruit in de richting van de eerder toegezegde maar tot nu toe stagnerende opneming van Macedonië in de Europese Unie. Ik hoop dat we in het volgende jaarverslag kunnen vaststellen dat belangrijke obstakels voor toetreding zijn weggenomen en dat de Raad de toetredingsonderhandelingen heeft gestart.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Wij hebben tegen het verslag gestemd niet alleen omdat wij tegen de EU en tegen de toetreding van de FYROM tot de EU zijn, maar ook omdat volgens ons de interventie van de EU gevaarlijke ontwikkelingen in de situatie in het gebied teweegbrengt en het proces voor het vinden van een wederzijds en gemeenschappelijk aanvaardbare oplossing in het kader van de VN ondermijnt.

Wij spitsen onze aandacht niet toe op de naam, in zoverre dat dit een geografische aanduiding is en alle verwijzingen naar minderheden en irredentistische standpunten achterwege worden gelaten.

De bron van de problemen wordt gevormd door de imperialistische plannen, door de interventies van de EU, de VS en de NAVO en de verandering van de grenzen. De toetreding van de FYROM en van andere Balkanlanden tot de EU en de NAVO zal nieuwe problemen veroorzaken voor de volkeren. Het verloop van de betrekkingen tussen ons land en de FYROM, de ontwikkelingen in de vraagstukken met betrekking tot de Egeïsche Zee en tot Cyprus tonen aan dat de EU, de NAVO en de VS geen garantie vormen voor de vrede en de veiligheid, maar veleer de nationale onafhankelijkheid ondermijnen en mijn land en andere landen in het gebied verwikkelen in gevaarlijke situaties.

De partijen ND, PASOK, SYN en LAOS brengen het volk van de wijs met hun goedkoop patriottisme ten aanzien van het vraagstuk van de naam. Tegelijkertijd treden zij echter met hun beleid in het spoor van de imperialisten, die verantwoordelijk zijn voor de situatie in de Balkan.

Onze bevolking en de bevolking in het gebied kunnen …

(Ingekort wegens overschrijding van de limiet van 200 woorden)

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Ik heb niet voor het verslag-Meijer in zijn uiteindelijke vorm gestemd, omdat ik graag had gehad dat daarin meer rekening was gehouden met de standpunten en gevoeligheden van de Griekse kant, evenals met de lopende, bilaterale onderhandelingen over de naam van het buurland onder het beschermheerschap van de VN.

Ik vrees ten zeerste dat de historische kans op een tevredenstellend compromis met de FYROM, door middel van een voor allen aanvaardbare samengestelde naam, definitief in 1992 verloren is gegaan. Mijn partij blijft steun geven aan de oplossing van een voor alle betrokkenen aanvaardbare samengestelde naam en aan elk opbouwend initiatief in die richting. Wij beschouwen de naam van dit buurland echter niet als de prioriteit bij uitstek van ons buitenlands beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL), schriftelijk. (DE) Ik heb tegen het verslag van mijn fractiegenoot, de heer Meijer, over de ‘voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië’ gestemd, omdat de Commissie buitenlandse zaken tegen het standpunt van de rapporteur in de volgende passage onder paragraaf 3 van het verslag heeft opgenomen: “prijst de regering van de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië voor haar medewerking op het gebied van het GBVB en het EVDB, met name voor haar deelname aan de EU-missie Althea en haar bereidheid om een bijdrage te leveren tot de ontwikkeling van EVDB-capaciteiten en tot toekomstige civiele en militaire crisisbeheersingsmissies onder de leiding van de EU”.

Dit is een rampzalig standpunt. Hier wordt het ‘GBVB’ toegejuicht, terwijl dit in werkelijkheid een militarisering van de EU betekent. Met deze formulering wordt een mogelijke toetredingskandidaat gedwongen nu al deel te nemen aan de militaire componenten van de EU en zichzelf te bewapenen teneinde een bijdrage te leveren aan de EVDB-capaciteiten. De Althea-missie wordt hierin toegejuicht, terwijl deze onder andere symbool staat voor de financiële foefjes die worden toegepast in verband met militaire missies van de EU, bijvoorbeeld in de vorm van Athena, die niet onder de parlementaire controle vallen. Het Europees Parlement zou niet betrokken moeten zijn bij maatregelen ter militarisering van de EU. De rest van het verslag is beter dan doorgaans het geval is bij verslagen van het Europees Parlement over Balkanlanden.

 
  
  

- TRIPs-overeenkomst en toegang tot geneesmiddelen (B6-0269/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór de resolutie over de TRIPs-overeenkomst en de beschikbaarheid van geneesmiddelen gestemd.

Naar mijn mening is de toegang tot betaalbare farmaceutische producten in arme ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen van essentieel belang om de beoogde EU-ontwikkelingsdoelstellingen te bereiken. Dat zou in mijn ogen bijdragen tot vermindering van de armoede, verhoging van de menselijke veiligheid en verbetering van de mensenrechten en duurzame ontwikkeling. In die zin zou het EU-beleid moeten streven naar maximale beschikbaarheid van farmaceutische producten tegen betaalbare prijzen in de ontwikkelingslanden.

Tot slot verzoek ik de Raad om steun te verlenen aan de ontwikkelingslanden die gebruikmaken van de flexibiliteiten in de TRIPs-overeenkomst die door de verklaring van Doha erkend zijn, zodat zij tegen betaalbare prijzen medicijnen ter beschikking kunnen stellen die absoluut noodzakelijk zijn voor hun binnenlandse volksgezondheidsprogramma’s.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Na de Verklaring van Doha heeft het mechanisme dat bedoeld was om geneesmiddelen toegankelijker te maken, gefaald, waarbij het vooral heeft gefungeerd als dekmantel om de minder ontwikkelde landen, vooral die in Afrika, op te nemen in een zakelijke agenda voor de liberalisering van de wereldhandel.

De grote farmaceutische monopolies zijn niet van plan de enorme winsten uit octrooien en de uitgebreide "handel" in gezondheid mis te lopen.

Daardoor wordt miljoenen mensen het recht op gezondheid ontzegd. Onderzoek naar medische behandelingen is gericht op "palliatieve" benaderingen, aangezien het lucratiever is als mensen ziek blijven. Het kapitalisme vercommercialiseert het leven.

De Wereldbank en het IMF maken leningen en hulp afhankelijk van privatisering en liberalisering van de nationale gezondheidszorg, die daarmee steeds steviger in handen komt van grote multinationale bedrijven.

Gezondheid is geen zaak die onder de bevoegdheid van de Wereldhandelsorganisatie moet vallen, deze leidende instantie op het gebied van concurrentie en commercie.

Het recht van ieder land om het recht op gezondheid te garanderen moet veilig worden gesteld.

De publieke sector speelt een onvervangbare rol in het garanderen van dit recht en wel middels preventieve en primaire gezondheidszorg, middels het bevorderen van onderzoek ten behoeve van iedereen en evenzo door medicijnen en vaccins te produceren die vrij zijn van octrooibeperkingen en andere vormen van licentiëring waardoor mensen slechts beperkte toegang hebben tot essentiële producten en diensten.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor de resolutie gestemd, waarin erop wordt aangedrongen dat er meer wordt gedaan om ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen toegang tot geneesmiddelen te geven. In het bijzonder ben ik van mening dat ontwikkelingslanden die gebruik maken van de erkende flexibiliteiten van de TRIPs-overeenkomst, de steun van de Raad moeten krijgen. Bovendien steun ik het verzoek in de resolutie aan de Commissie en de lidstaten om financiële steun te verlenen ten behoeve van de lokale productie van farmaceutische producten in ontwikkelingslanden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez (ITS), schriftelijk. – (FR) De twee-eenheid "Geneesmiddelen en Arme landen in het Zuiden" werpt het probleem op van de onverenigbaarheid van "Intellectuele-eigendomsrechten van farmaceutische laboratoria en het recht van mensen op gezondheid".

In Hongkong werd tijdens de WTO-top een oplossing gevonden die vooralsnog geen soelaas biedt op het terrein van tuberculose, malaria of aids. De geneesmiddelen, of ze nu generiek zijn of niet, zijn onbereikbaar voor de bevolking.

De gedurfde, structurele oplossing hiervoor is dat het concept van het "gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid", dat teruggaat tot de jaren zestig van de vorige eeuw, nieuw leven wordt ingeblazen.

De grote ziekten hebben zich via migranten en reizen over de hele wereld verspreid. Zij kunnen de hele mensheid treffen. We hebben het gezien met SARS en de vogelgriep. Voortaan luidt het motto dan ook "mondiale geneesmiddelen voor mondiale ziekten".

Geneesmiddelen voor de behandeling van mondiale ziekten moeten een "Octrooi gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid" krijgen.

De juridische regeling van deze octrooien van de eenentwintigste eeuw zou open zijn, evenals de te storten bedragen uit intergouvernementele bijdragen. Gedacht kan worden aan "publiek-private partnerschappen" met "farmaceutische multinationals en de WHO" of overheden. Denkbaar is ook een "Onderneming" met een internationale rechtspositie, van hetzelfde type als men op het oog heeft voor de exploitatie van de zeebodem.

De essentie van dit alles ligt in het innovatieve principe van het mondiale beheer van de risico’s van mondiale pandemieën.

 
  
  

- Democratische controle in het kader van het Instrument voor Ontwikkelingssamenwerking (B6-0310/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE), schriftelijk. (DE) De resolutie van vandaag is al de vierde binnen enkele maanden en daaruit blijkt hoe belangrijk parlementaire controle is ten aanzien van financiële middelen voor ontwikkelingssamenwerking. De Europese Unie moet bij ontwikkelingssamenwerking het accent leggen op het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. Het is jammer dat vele nationale strategiedocumenten onvoldoende gericht zijn op de bestrijding van armoede. De Commissie moet het Parlement informatie ter beschikking stellen, waaruit blijkt welk effect de voorziene activiteiten hebben voor de bestrijding van armoede.

 
  
  

- Verslag-Kamiński (A6-0217/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). – (CS) Ik ben zeer ingenomen met het feit dat de amendementen van de PPE-DE-Fractie die de politieke gestes in het verslag voorzien van een realistischere grondslag, niet zijn gedwarsboomd. We zijn er ons allemaal terdege van bewust dat het niet mogelijk is onverwijld te beginnen met toetredingsonderhandelingen met Oekraïne en dat het een kwestie is van een tiental of misschien nog wel meer jaren, en dat ondanks het feit dat we hier allemaal, met uitzondering van de politici in het extremistische spectrum, graag Oekraïne in ons midden zouden willen opnemen. Ik ben tegen goedkope gebaren en daarom ben ik ingenomen met de redelijke amendementen op het verslag. Aldus aangepast doet dit verslag een belangrijk signaal uitgaan naar de democratische krachten in het land in de aanloop naar de verkiezingen, en is het met name een belangrijke steun in de rug bij het sluiten van een verdrag inzake de versteviging van de economische samenwerking, en dat is een zeer reële stap in de richting van integratie in Europa. Mijn hartelijke dank aan de heer Kamiński en de heer Brok voor hun bereidheid dit compromis op te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) Het verslag van de heer Kamiński is het resultaat van een bezinning op de toekomstige vorm van Europa en op de vraag of wij erin zullen slag een Europa op te bouwen gegrondvest op christelijke beginselen.

Wat betekent Oekraïne voor de Europese Unie? Mijns inziens is Oekraïne een van belangrijkste strategische partners van de Europese Unie en het doet me dan ook genoegen dat het Europees Parlement via dit verslag Kiev een helpende hand toereikt. Alleen het vooruitzicht van een Europese toekomst kan Oekraïne helpen bij de voortzetting van het hervormingsproces. Het verslag is het eerste officiële document waarmee een positief en opbouwend signaal aan Oekraïne wordt afgegeven met name aan de pro-Europese en prodemocratische krachten aldaar dat voor het land een aanmoediging betekent om drie jaar na de Oranje Revolutie de taak van de Europese integratie te voltooien.

Ik heb met grote voldoening vóór dit verslag gestemd en als lid van de delegatie bij de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Oekraïne zal ik werken aan de tenuitvoerlegging ervan. De postcommunistische landen, die ervaring hebben met een totalitair verleden en weten hoe zwaar en moeilijk het is om aan alle criteria voor toetreding tot de Europese familie te voldoen, betonen hun bijzondere solidariteit met Oekraïne en bieden de garantie dat de deur naar het Europese huis altijd wijd open zal blijven voor Oekraïne.

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, namens mijn fractie wil ik een mondelinge stemverklaring afleggen over het verslag-Kamiński.

Oekraïne is een belangrijk Europees land, waarvan de democratische, constitutionele, economische en sociale ontwikkeling moet worden ondersteund, niet in de laatste plaats in het belang van de EU zelf.

Een akkoord voor intensievere samenwerking tussen Oekraïne en de EU is daartoe een belangrijk middel.

Er zijn nu vele praktische stappen noodzakelijk, zoals toetreding tot de WTO, een vrijhandelszone, een verbeterd nabuurschapsbeleid en een soort Europese Economische Ruimte. De Oekraïense burgers moeten merken dat democratie in hun voordeel is.

De mate waarin de EU een Europees perspectief kan bieden, is niet alleen afhankelijk van het vermogen van Oekraïne zelf tot hervormingen, maar ook van dat van de EU.

De Oekraïense burgers hebben niets aan beloften die wellicht onrealistisch zijn of die op de korte termijn niet leiden tot praktische vooruitgang.

Daarom kan er vandaag geen bindende toezegging tot EU-lidmaatschap worden afgegeven, maar deze mogelijkheid mag evenmin worden uitgesloten.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE). (PL) Mevrouw de Voorzitter, we hebben een onvoorstelbaar belangrijk verslag aangenomen inzake het onderhandelingsmandaat over een nieuw akkoord voor intensievere samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, haar lidstaten en Oekraïne.

Ik ben ervan overtuigd dat dit mooie grote land in de toekomst lid van de Europese Unie zal zijn. Dat gaat gebeuren, op voorwaarde dat het nadrukkelijk zijn maatschappelijke, economische en politieke hervormingen voortzet en de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten blijft versterken.

De betrekkingen met onze oosterbuur dienen uitgediept te worden, vooral in economisch en cultureel opzicht. Uitwisselingsprojecten waaraan jongeren, studenten en wetenschappers kunnen deelnemen dienen bevorderd te worden. Het is onvoorstelbaar belangrijk dat we de integratie van de energiesector van Oekraïne in de energiemarkt van de Unie aanmoedigen. Het is de hoogste tijd dat de Europese Unie zich meer gaat openstellen voor Oekraïne. Het aangenomen verslag is hier een goed voorbeeld van.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Rogalski (UEN). (PL) Mevrouw de Voorzitter, het verslag van de heer Kamiński over het onderhandelingsmandaat voor een nieuw akkoord voor intensievere samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, haar lidstaten en Oekraïne is een goede stap in de richting van hechtere betrekkingen tussen de Unie en Oekraïne. Het is alleen jammer dat dit verslag pas te elfder ure is opgesteld. De angst voor Rusland en zijn ambities, ook die met betrekking tot Oekraïne, heeft ervoor gezorgd dat er een nieuw ijzeren gordijn is neergedaald, deze keer over de westgrens van Oekraïne. Het is tijd om dat te veranderen.

Het lijkt mij dat Oekraïne, en niet Turkije voorrang moet hebben bij de toetreding tot de Europese Unie. Oekraïne, en niet Turkije, is een Europees land, belichaamt de Europese cultuur en is een rechtsstaat. Bovendien erkent Oekraïne alle lidstaten van de Europese Unie. Turkije erkent bijvoorbeeld de onafhankelijkheid van Cyprus niet. Daarom dient in toekomst bij toetredingsonderhandelingen Oekraïne voorrang te krijgen en niet het in cultureel opzicht ons vreemde Turkije.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, met betrekking tot het verslag van afgevaardigde Kamiński inzake Oekraïne zou ik willen benadrukken dat dit de belangrijkste verklaring is die het Europees Parlement in deze hele zittingsperiode heeft afgelegd. Het komt op een heel goed moment, maar ook op een moment waarop het aan politieke stabiliteit ontbreekt in Oekraïne. Maar wij als Europese Unie geven een duidelijk en begrijpelijk signaal: “Ja, wij zijn samen, wij nodigen jullie ertoe uit om in de toekomst nauwer samen te werken en mettertijd zullen we jullie waarschijnlijk ook uitnodigen lid te worden.”

Dat is een teken voor alle pro-Europese, pro-westerse politici in Oekraïne, dat het de moeite waard is om te investeren in hervormingen, in de ontwikkeling van de democratie en in het veranderen van het imago van het land. Ik zou ook willen benadrukken dat dit geluid van het Europees Parlement bijzonder belangrijk is uit moreel oogpunt. We richten ons immers tot alweer een land dat niet uit eigen wil in de sovjetzone terechtkwam, in de Unie van Socialistische Sovjet Republieken.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dit verslag over Oekraïne bevat aspecten die steeds weer de kop opsteken wanneer het gaat om de betrekkingen tussen de EU en Oost-Europese landen. Als voorbeeld kan dienen de aanbeveling om het interne hervormingsproces uit te breiden zodat deze landen zich geheel voegen naar de neoliberale doctrine van de EU.

In dit geval worden als hoofddoelstellingen aangeduid "de geleidelijke economische integratie van Oekraïne in de interne markt van de EU" waarmee wordt gezorgd voor "de totstandkoming van een competitieve markteconomie" (met nadruk op de energiesector) en nauwe betrokkenheid van Oekraïne bij het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid van de EU. Daar zouden wij aan willen toevoegen de eliminatie van de feitelijkheid van (en zo mogelijk elke herinnering aan) elk spoor dat nog zou kunnen doen herinneren aan de vooruitgang in beschaving die geboekt is dankzij de fundamentele ervaring in de wereld met de opbouw van socialisme.

Wat de ambities van de VS/de NAVO/de grootste EU-landen ook zijn met betrekking tot dit land – waarvan vooral het strategische belang in Europa aanzienlijk is – ze zullen altijd te maken blijven houden met Oekraïners die zich tegen hen blijven verzetten. Vandaar dat het zo belangrijk is ons solidair te verklaren met het Oekraïense volk en de demonstraties onlangs in Odessa, waarin werd geprotesteerd tegen de militaire oefeningen Sea Breeze 2007 van de VS/NAVO.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. – (EN) Ik heb voor dit verslag gestemd dat gaat over het overwegen van een EU-lidmaatschap voor Oekraïne. Ik steun de oproep om de huidige crisis op te lossen, het beroep op de regering om de corruptieproblemen aan te pakken en de oproep tot verdere integratie van de energiemarkten van Oekraïne in die van de Europese Unie.

 
  
  

- Verslag-Geringer de Oedenberg (A6-0241/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) We betreuren de afwijzing van onze voorstellen waarin:

- werd aanbevolen om, naast het schenken van aandacht aan de specifieke situatie van de regio's getroffen door het zogenaamde "statistische effect" waardoor ze binnen het huidige financiële kader te maken hebben met teruglopende financiering, een herziening uit te voeren zodanig dat deze regio's dezelfde steun krijgen als het geval zou zijn geweest volgens de subsidiabiliteitscriteria die zouden hebben gegolden in de EU van de 15;

- de Commissie werd verzocht snel de inhoud van te specificeren van het "versterkte partnerschap" dat het met betrekking tot de ultraperifere regio's heeft aangekondigd, inclusief de invoering van permanente, flexibele en adequaat gefinancierde beleidsmaatregelen die aangepast kunnen worden aan de specifieke situatie van de afzonderlijke regio's en een tegenwicht vormen tegen de permanente ontwikkelingsbelemmeringen waar ze mee te maken hebben;

en bovendien:

- de Commissie werd opgeroepen nieuwe manieren te onderzoeken voor de evaluatie van de verschillende aspecten van regionale ontwikkeling, die niet alleen zijn gebaseerd op het bbp per hoofd van de bevolking, maar ook op andere indicatoren zoals werkloosheidscijfers en kwantitatieve en kwalitatieve maatschappelijke indicatoren (zoals armoedecijfers, opleidingsniveaus en inkomensongelijkheid), en daarbij tegelijk de methodologie te verbeteren die wordt gebruikt voor de berekening van koopkrachtpariteiten door betere regionale en nationale indicatoren te ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Miloš Koterec (PSE), schriftelijk. (SK) Ik heb mijn volledige steun gegeven aan het verslag van de rapporteur. Ik onderschrijf met name de vraag om serieuze maatregelen om de ernstige tekortkomingen bij de ontwikkeling van de armste regio's in de EU, waartoe veel gebieden in Slowakije behoren, op te heffen. Ik wil benadrukken dat deze regio's bijzondere steun behoeven vanwege de institutionele, administratieve en economische problemen waarmee zij nog steeds te kampen hebben.

Ik wil herhalen dat het buitengewoon belangrijk is te voorkomen dat dezelfde fouten worden gemaakt als destijds in de oude lidstaten en in de nieuwe lidstaten in de periode 2005-2006. Ik roep de Commissie op een compendium in te dienen van de beste en slechtste praktijken en een uitgebreide lijst van beknopte casestudies die onder andere het risico moeten minimaliseren dat de communautaire steun in sommige regio's niet voldoende doelgericht is. Ook verdient het aanbeveling dat de lidstaten de natuurlijke en culturele rijkdommen van de armste regio's aanboren om hun aantrekkingskracht op investeerders te vergroten. Op dit gebied kunnen innovatieve benaderingen een belangrijke rol spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. (PT) Ondanks de vaak verklaarde "Europese crisis", wordt gelukkig niet getornd aan een van de beleidslijnen die bepalend is voor uitgangspunten, waarden en strategieën. Zowel burgers als politiek leiders blijven in het algemeen standvastig in hun overtuiging dat op cohesie gerichte activiteiten een antwoord zijn op de noodzaak tot solidariteit tussen partners in een gemeenschap en bovendien een investering zijn in de verbreiding van de voorwaarden voor economische groei in het geheel waarvan we deel uitmaken.

Twee punten moeten echter naar voren gebracht worden. Ten eerste is het nodig de kwestie van statistische discrepantie te benadrukken. Er zijn verschillende regio's die volgens de statistieken rijker zijn dan ze in werkelijkheid zijn, puur vanwege de uitbreiding. Het zou niet alleen oneerlijk zijn deze regio's daarom steun te ontzeggen, maar dat zou gelet op de politieke doelstellingen die we ons tot nu toe hebben gesteld, ook een vergissing zijn. Ten tweede is het belangrijk dat het cohesiebeleid wordt aangepast aan de nieuwe economische realiteit. De oorzaken van onderontwikkeling en armoede, of, om het anders te zeggen, de factoren die aan zo'n situatie bijdragen, zijn vandaag de dag anders. Het beleid moet dus worden aangepast en op de nieuwe werkelijkheid worden toegesneden om te voorkomen dat financiering nu een antwoord is op onbalans uit het verleden.

 
  
MPphoto
 
 

  Margie Sudre (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik bedank mevrouw Geringer de Oedenberg dat zij mijn amendementen heeft willen steunen, waarin er nogmaals op wordt gewezen dat de meeste ultraperifere regio’s nog steeds tot de armste regio’s van de Europese Unie behoren.

In dit verband stelt artikel 299, lid 2, van het Verdrag dat de Gemeenschap haar beleidsmaatregelen moet aanpassen en specifieke maatregelen voor de ultraperifere gebieden moet aannemen, rekening houdend met het blijvende en cumulatieve karakter van hun structurele en geografische handicaps.

Ik steun de strategie van de EU ten behoeve van haar ultraperifere regio’s, maar verzoek de Commissie wel om op korte termijn nader aan te geven wat het "versterkte partnerschap" dat zij heeft aangenomen precies behelst, in het bijzonder met betrekking tot de verbetering van het concurrentievermogen van die regio’s en het actieplan voor de bredere nabuurschapsomgeving.

Het effect van het in de ultraperifere regio’s gevoerde structuurbeleid zou nog groter zijn als de Commissie zich flexibeler zou opstellen door zich waar nodig los te maken van bepaalde "communautaire dogma’s" en meer rekening te houden met de bijzondere omstandigheden in deze regio’s.

Ik zie reikhalzend uit naar de nieuwe mededeling over de ultraperifere regio’s die voor dit jaar door de Commissie in het vooruitzicht is gesteld, in de hoop dat die nieuw elan zal brengen in de gebieden die lijden onder de handicaps van hun afgelegen ligging.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Toussas (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) De Communistische Partij van Griekenland is sterk gekant tegen het verslag over de effectiviteit van het cohesiebeleid van de EU, en heeft daar dan ook tegen gestemd. De gegevens van de EU die in het verslag worden gebruikt, wijzen precies de omgekeerde richting uit. De tegenstellingen en ongelijkheden tussen de lidstaten en de verschillende gebieden van de EU worden alleen maar groter en dieper. Onthullend voor het sprookje van de zogenaamde convergentie en cohesie van de lidstaten van de EU is het voorbeeld van Griekenland, waar het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking in 1960 44,78 procent was van het communautair gemiddelde, in 1980, kort voor de toetreding tot de toenmalige EEG 71,79 procent en in 2002, twintig jaar later, slechts 66,59 procent.

Het beleid van de EU maakt de ongelijkheden en de armoede niet zo klein maar juist zo groot mogelijk. Daarmee wordt het pad geëffend voor de plundering van de rijkdom producerende hulpbronnen van de lidstaten van de EU door het monopolistisch kapitaal, en voor een nog grotere uitbuiting van de volkeren. Het doel van het ‘cohesiebeleid’ is niet de zogenaamde convergentie. Veeleer probeert men ermee de levensomstandigheden van de werknemers op een zo laag mogelijk niveau te plaatsen, op de drempel van de armoede, zodat sociale uitbarstingen nog net kunnen worden voorkomen. Deze zijn evenwel onvermijdelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Dit waren de stemverklaringen.

 

8. Rectificaties stemgedrag/voorgenomen stemgedrag: zie notulen

9. Bekendmaking gemeenschappelijke standpunten van de Raad: zie notulen
MPphoto
 
 

  Bogusław Rogalski (UEN).(PL) Mevrouw de Voorzitter, wilt u mij verontschuldigen, maar ik zou nog een keer willen uitleggen waarom ik zo en niet anders heb gestemd met betrekking tot het verslag over Macedonië, als dat mogelijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Mijnheer Rogalski, u stond niet op de lijst en ik heb zojuist de zitting onderbroken. Het spijt me. Ik verzoek u ons de volgende keer tijdig in te lichten. Ik wil u erop wijzen dat u ook een schriftelijke stemverklaring kunt indienen.

(De vergadering wordt om 12.45 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: ADAM BIELAN
Ondervoorzitter

 

10. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

11. Debatten over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (debat)

11.1. Humanitaire situatie van Iraakse vluchtelingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het debat over de zes ontwerpresoluties over de humanitaire situatie van Iraakse vluchtelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE), auteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, Irak is vandaag de dag een ware hel en de Irakese bevolking leeft in een toestand van totale ontreddering en ontzetting. De onderbouwde statistieken die door internationale vertegenwoordigingen, zoals de UNAMI en andere VN-organisaties, worden geleverd, zijn wreed en hartverscheurend. Dagelijks vallen er gemiddeld honderd doden en tweehonderd gewonden; de helft van de bevolking moet leven van minder dan een dollar per dag en de werkloosheid treft meer dan tachtig procent van de bevolking. Slechts een minderheid heeft toegang tot een toereikende watervoorziening en tot werkende sanitaire voorzieningen. De elektriciteitsvoorziening is uiterst beperkt en valt om de haverklap uit. In de ziekenhuizen is nog maar een op de vijf artsen overgebleven en driekwart van de kinderen gaat niet naar school.

Er zijn bijna drie miljoen ontheemden in eigen land, dat wil zeggen vluchtelingen die het land niet hebben verlaten, en er komen er dagelijks zo'n tweeduizend bij. Nog eens twee miljoen Irakezen zijn naar buurlanden – Syrië, Jordanië, de Golfregio, Egypte en Iran – gevlucht. Deze mensen hebben geen van allen een officiële beschermde vluchtelingenstatus.

De EU en de internationale gemeenschap in het algemeen hebben de morele plicht om mededogen met en begrip voor deze Irakese vluchtelingen te tonen, die in ellendige omstandigheden zijn terechtgekomen. Bovendien, en belangrijker nog, moeten zij veel doeltreffender maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze arme mensen de hulp en de steun krijgen die ze zo dringend nodig hebben om de vernedering en het onheil waardoor ze worden getroffen, te overleven.

In deze gezamenlijke ontwerpresolutie wordt een aantal maatregelen opgesomd die van belang zijn om de Irakese vluchtelingen aan een menswaardiger bestaan te helpen.

Tot hier toe heb ik als vertegenwoordiger van mijn fractie gesproken; staat u mij toe om ook nog enkele woorden op persoonlijke titel te zeggen. Irak is een betrekkelijk nieuw land: het werd pas in 1932 onafhankelijk van de Britten. Na een aantal roerige decennia kwam Saddam Hoessein aan het bewind, een tiran en een misdadiger, die zijn macht evenwel deels te danken had aan steun uit het Westen, waaronder spijtig genoeg ook sommige Europese landen.

Helaas vallen zelfs de zwartste dagen van de dictatuur van Saddam Hoessein in het niet bij de dood, de verwoesting en het lijden dat de Irakese bevolking treft sinds de invasie onder leiding van het duo Bush-Blair en de aanhoudende bezetting van het land. Deze twee "vredestichters" gaven opdracht tot een aanval op Irak en beloofden de Irakese bevolking geluk en welvaart te zullen brengen. In plaats daarvan zijn ze erin geslaagd een catastrofe van immense omvang teweeg te brengen. Toch blijft men in sommige EU-kringen deze invasie prijzen. Onlangs is men zelfs overeengekomen om de heer Blair voor zijn vredesinspanningen voor de Arabische wereld te belonen door hem te benoemen tot speciale gezant van het Kwartet voor het Midden-Oosten. Moge God deze mensen enig verstand bijbrengen en moge God ons behoeden voor de Bushen en de Blairs van deze wereld!

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen (GUE/NGL), ter vervanging van de auteur. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ik zal de toespraak van de heer Pflüger voorlezen. “Helaas wordt het debat over de hulp aan de Iraakse vluchtelingen pas vandaag gehouden. Dat betreur ik ten zeerste. Waarom hebben de liberale, de rechts-nationalistische en conservatieve fracties dit onderwerp geschrapt uit de agenda van de vorige plenaire vergadering? In plaats daarvan werden hier in het Parlement ideologische debatten over Cuba gevoerd.

De situatie in Irak is dramatisch. Sinds de inval van de VS en de zogenaamde ‘coalitie van bereidwilligen’ zijn meer dan 600 000 mensen gedood. Meer dan 2 miljoen Irakezen zijn naar het buitenland gevlucht. Bovendien zijn 2 miljoen burgers uit hun huizen verdreven en zijn er meer dan 40 000 niet-Iraakse vluchtelingen. Ook het aantal slachtoffers binnen het Amerikaanse leger neemt dagelijks toe en is inmiddels opgelopen tot 3 600 doden. Helaas is ook de EU voor een groot deel verantwoordelijk voor de situatie in Irak door haar deelname en steun aan de oorlog – waarbij Duitsland een van de belangrijkste daders is.

De vluchtelingen moeten nu eindelijk worden geholpen. Dat kan echter niet alleen een taak van de buurlanden zijn. Ook de EU moet financiële middelen ter beschikking stellen. Uitzettingen naar Irak moeten onmiddellijk worden stopgezet. De Amerikaanse troepen en de zogenaamde 'coalitie van de bereidwilligen' moeten worden teruggetrokken. EU-lidstaten moeten hun steun aan de oorlog stopzetten. Er moet een einde worden gemaakt aan deze illegale oorlog en de bezetting van Irak.”

 
  
MPphoto
 
 

  Charles Tannock (PPE-DE), auteur.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik was een van die politici die de Irak-oorlog in 2003 steunden in de overtuiging dat Saddam Hoessein een ernstig gevaar vormde voor de regionale stabiliteit op de lange termijn, maar ik deed dat ook vanwege de vreselijke wreedheid van het regime van zijn Baath-partij. Ik dacht dat er in plaats van dit regime in Irak democratie en eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat zouden komen.

Maar ik heb, zoals velen met mij, helaas de felheid onderschat van de op de oorlog volgende opstand, alsmede het ernstige gebrek aan vredesplanning voor na de invasie aan de kant van onze Amerikaanse bondgenoten. Ik denk daarbij met name aan hun rampzalige beslissing om het Iraakse leger als de-Baathificatiemaatregel te ontmantelen, waardoor ontevreden soennitische officieren hun expertise gingen inzetten ten behoeve van de opstand. Ook werd verzuimd de grenzen met Jordanië en Syrië af te grendelen om te voorkomen dat jihadistische extremisten het land binnen konden stromen om de bondgenoten het leven zuur te maken. Om nog maar te zwijgen van het feit dat Saddam voor zijn val zijn gevangenissen opende, waardoor er een scheut georganiseerde misdaad aan deze dodelijke cocktail werd toegevoegd, en dat Iran zich aan de zijde van de sjiieten voortdurend mengt in wat inmiddels praktisch is uitgegroeid tot een burgeroorlog.

Merkwaardigerwijs was er onmiddellijk na de invasie nauwelijks sprake van binnenlands ontheemden of vluchtelingen in vergelijking met de eerdere exodus van Koerden ten tijde van Saddam. Paradoxaal genoeg is de stroom Koerden nu gestopt, omdat zij in een van de weinig overgebleven vreedzame gebieden van het land wonen.

Helaas hebben in de afgelopen twee jaar enorme aantallen Irakezen – wellicht meer dan 2 miljoen – het land verlaten. Het gaat dan met name om de veelgeplaagde en vervolgde christelijke Assyrische minderheden die van alle kanten onder druk worden gezet, door islamisten, die hen ervan beschuldigen te collaboreren met de kruisvaarders, en door de Koerden, die op hun land uit zijn. Kanunnik Andrew White, die de enige anglicaanse kerk in Irak leidde, heeft Bagdad gisteren verlaten omdat hij vreesde voor zijn leven en zijn veiligheid nadat hij had geprobeerd de vrijlating te bewerkstelligen van vijf ontvoerde Britten.

De EU moet nu echter meer doen om de crisis te bezweren door een impuls te geven aan de financiële hulp aan de omringende Arabische landen, met name Jordanië en Syrië, die het gros van de vluchtelingen hebben opgenomen en vooral ook de Assyriërs hebben opgevangen. Ook de EU-lidstaten moeten, binnen redelijke grenzen, tijdelijk meer vluchtelingen toelaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Paulo Casaca (PSE), auteur. – (PT) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, broeders en zusters uit Irak, om te beginnen een woord ter nagedachtenis aan allen die van het meest waardevolle beroofd zijn vanwege hun etnische of religieuze afkomst, hun werkelijke of hun veronderstelde overtuigingen, of vanwege het feit dat ze een symbool waren van democratische moed en burgerzin. Staat u mij toe de aandacht te vestigen op mijn kameraad en vriend, parlementslid Mohammad Hossein Ahwad, de belichaming van de strijd tegen theocratisch fascisme, die op 12 april in het Iraakse parlement is vermoord.

Opdat de tranen van pijn ons niet blind maken voor de vrouwen die nog steeds vechten om hun kinderen in leven te houden terwijl etnische zuiveringen om hen heen plaatsvinden, voor de talloze duizenden Irakezen die in de oneindigheid staren in de straten van Amman, Damascus en Caïro, voor de diep geraakte slachtoffers van posttraumatische stress, voor de kampementen op pleinen en in de ruïnes van kerken en moskees, wil ik iedereen graag een boodschap van solidariteit, liefde, genegenheid en hoop geven.

We kunnen ons geen voorstelling maken van, en deze woorden kunnen ook geen uitdrukking geven aan de barbaarsheid van de duistere krachten die op de oevers van de Eufraat en de Tigris hebben gerepeteerd wat ze voor het gehele Midden-Oosten in petto hadden. De gezamenlijke resolutie die we nu presenteren is een eerste onontbeerlijke stap om de situatie ten goede te keren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Lambert (Verts/ALE), auteur.(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik verheug mij over de resolutie en maak mij, net als anderen, grote zorgen over de werkelijk rampzalige situatie die we in Irak en aan zijn grenzen momenteel zien. Dit is een volk dat al heeft geleden onder oorlog, etnische zuivering, een wrede dictatuur, een illegale invasie en geweld tussen gemeenschappen, en dat nu ziet hoe zowel buiten- als binnengrenzen gesloten worden, dat er weinig kans bestaat op herhuisvesting, en dat te maken krijgt met een bijzonder gemengde ontvangst als zij de Europese Unie al weten te bereiken.

We hoeven ons er niet over te verbazen dat een oorlog tot vluchtelingen leidt – dat is altijd zo – en zoals al is gezegd zijn enkele van onze lidstaten inderdaad in zeer hoge mate verantwoordelijk voor die situatie. Ik ben het voor één keer eens met de heer Tannock, zeker wat betreft het gebrek aan planning voor de periode na de oorlog.

Ik juich met name de verklaring in deze resolutie toe dat er geen sprake mag zijn van de gedwongen terugkeer van Iraakse vluchtelingen, of van degenen die momenteel in de Europese Unie verblijven maar van wie de asielaanvraag is afgewezen. We moeten nu echt een status toekennen aan dergelijke mensen, en kunnen hen niet berooid in onze eigen lidstaten aan hun lot overlaten, zoals op bepaalde plaatsen gebeurt.

Ik zou zeggen dat momenteel geen enkel deel van Irak veilig is. Zelfs in Koerdistan zien we nu dat er zich Turkse troepen samentrekken, waardoor de mogelijkheid om terug te keren naar verwoeste dorpen en pogingen om de economische stabiliteit in dat gebied te verbeteren worden ondermijnd. Het is zelfs zo dat mensen die moesten terugkeren, zijn teruggestuurd met kogelvrije vesten en helmen, hetgeen voor mij al aangeeft dat het niet bepaald een veilig gebied is. Daarnaast heeft Human Rights Watch vorige week nog gemeld dat, ondanks de pogingen van de autoriteiten in Koerdistan, partijgebonden veiligheidstroepen zich schuldig blijven maken aan het ontvoeren en martelen van mensen. Er zijn in Irak dus geen echt veilige gebieden.

We weten dat we onze steun aan landen die te maken hebben met vluchtelingen aan hun grenzen, en aan de UNHCR, moeten vergroten, omdat we weten wat er gebeurt als men de situatie van vluchtelingen aan de grens negeert. We hoeven alleen maar te kijken naar wat er is gebeurd sinds we 2 miljoen Afghaanse vluchtelingen aan de Pakistaanse grens min of meer de rug toekeerden en zonder toereikende steun aan hun lot overlieten – dat vacuüm wordt opgevuld, en we zijn niet altijd blij met het resultaat.

Ik verheug mij over de oproep die in de resolutie aan de Commissie wordt gedaan om gedetailleerder aan de Begrotingscommissie van het Parlement toe te lichten hoe we in Irak precies helpen en hoe we van plan zijn de omringende landen te ondersteunen. In denk echter dat we net zo goed moeten kijken naar ons eigen beleid op het terrein van herhuisvesting en in ieder geval steun moeten bieden aan een aantal van die mensen wier levens wederom volledig overhoop zijn gegooid.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Rogalski (UEN), auteur.(PL) Mijnheer de Voorzitter, het gaat steeds slechter met de humanitaire situatie en de eerbiediging van de mensenrechten in Irak. Dit blijkt uit de rapporten van de VN-hulpmissie voor Irak.

De gegevens zijn huiveringwekkend: gemiddeld komen er per dag ongeveer honderd mensen om en meer dan tweehonderd mensen raken gewond, meer dan 50 procent van de bevolking leeft van minder dan één dollar per dag, het werkloosheidspercentage ligt op 80 procent. Een goede watervoorziening ontbreekt en rioleringssystemen functioneren slecht, wat de verspreiding van ziekten in de hand werkt. Drie vierde van de kinderen gaat niet naar school. Misdaad, gewapende overvallen, ontvoeringen, moorden op mensen die actief zijn in de politiek of bij de wederopbouw van het land zijn aan de orde van de dag. Om deze reden ontvluchten veel Irakezen hun land en meer dan twee miljoen mensen zijn binnenlands ontheemd geraakt. Ook dient aangetekend te worden dat er op het grondgebied van Irak meer dan veertigduizend vluchtelingen uit andere landen verblijven, waaronder vijftienduizend Palestijnen. Dat is het beeld van Irak vandaag.

Het is dus nodig om onmiddellijk politieke en humanitaire actie te ondernemen om het tragische lot van de vluchtelingen te verlichten. Laten we niet vergeten dat een half miljoen vluchtelingen kinderen zijn. Er dient voor gezorgd te worden dat de binnenlands ontheemden geregistreerd worden, wat hun recht geeft op voedselrantsoenen. Momenteel wordt hun dat recht ontzegd. Er moet ook invloed op de buurlanden uitgeoefend worden, opdat deze niet langer de toegang voor vluchtelingen beperken, waardoor velen gedwongen worden aan de grens te blijven wachten.

De Unie dient er voor te zorgen dat onze hulp aan Irak en de Irakezen alomvattend en duurzaam is en gecoördineerd wordt met de maatregelen van de Verenigde Staten. De Unie dient voor eens en altijd de anti-Amerikaanse vooroordelen opzij te zetten. Alleen op die manier kunnen we het zware lot van miljoenen vluchtelingen verlichten, wat tot gevolg zal hebben dat we een humanitaire crisis op grote schaal zullen kunnen vermijden.

We moeten ook de Iraakse regering oproepen tot directe actie om de veiligheid van binnenlands ontheemden te garanderen en mensen niet langer op grond van hun afkomst te discrimineren. De Europese Commissie dient ondertussen de humanitaire hulp voor alle ontheemden in Irak uit te breiden en buurlanden te steunen die dergelijke hulp al bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola, namens de PPE-DE-Fractie. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, de situatie van de Iraakse vluchtelingen blijft ernstig, met uitzondering van één stap in de goede richting. De aanbeveling van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN om een vluchtelingenstatus te verlenen aan de asielzoekers uit Zuid- en Midden-Irak, overeenkomstig het Verdrag van Genève van 1951, was een goede oplossing, net als het bieden van aanvullende vormen van bescherming in gevallen waar de vluchtelingenstatus niet wordt verleend.

Ik wil vooral twee zaken naar voren brengen die binnen de grenzen van Irak aan de orde zijn. Ten eerste wordt de positie van religieuze minderheden steeds ondraaglijker. Assyrische, Armeense, orthodoxe en andere christelijke groepen alsmede mandaeërs en joden worden ernstig gediscrimineerd op de arbeidsmarkt en elders. In sommige regio’s zijn de autoriteiten totaal niet in staat minderheden te beschermen tegen het geweld van moslimstrijders. Godsdienstvrijheid bestaat in feite niet meer.

Ten tweede vind ik de dreigementen van de Iraakse autoriteiten om de levering van eerste levensbehoeften aan Iraanse vluchtelingen stop te zetten, onbegrijpelijk. Deze oppositieleden hebben een vluchtelingenstatus volgens het internationaal recht en het onvervreemdbare recht op bescherming.

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto, namens de PSE-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, we moeten toegeven dat wat er gebeurt en wat er is gebeurd in Irak veel erger is dan een burgeroorlog. De vraag of men daarvan kan spreken wordt vaak gesteld, maar natuurlijk woedt er geen burgeroorlog. Het is nog veel erger. Er heerst totale chaos. Niemand heeft ook maar enig idee of enig plan voor het oplossen van de problemen waarin we Irak hebben gestort. Ik gebruik het woord "gestort", omdat wat er is gebeurd niet nodig en niet geboden was, en ook niet werd gewild. Het was een invasie die een vreselijke nachtmerrie is gebleken voor degenen die eraan hebben deelgenomen.

Als je een fout maakt, moet je daarvoor de verantwoordelijkheid nemen. Het is hoog tijd dat de mensen die hieraan hebben deelgenomen, zowel de landen die de coalitie vormden als de bereidwillige partners, zich verantwoordelijk tonen voor wat er is gebeurd tegenover het Iraakse volk, en met name tegenover de vluchtelingen die om hulp vragen – want zelfs als zij al hulp vinden, krijgen ze slechts het minimale.

Het is hoog tijd dat de mensen die de eerste fout hebben gemaakt en die verantwoordelijk zijn voor de chaotische situatie, een dergelijke verantwoordelijkheid tonen. De mensen die allereerst moeten worden geholpen zijn de vluchtelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Kathy Sinnott, namens de IND/DEM-Fractie.(EN) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, ergens weggestopt in de constante nieuwsstroom over het geweld in Irak is de haast onhoorbare stem van de christelijke minderheid van Irak. Deze kleine bevolkingsgroep heeft geen bescherming en is grotendeels onbekend bij de internationale gemeenschap. Zij lijdt onder intense golven van gewelddadige vervolging. Christelijke Irakezen worden voor de volgende keuze gesteld: ballingschap – als zij erin slagen te ontsnappen – bekering of vervolging.

Deze vervolging neemt vele vormen aan: geweld, discriminatie op het werk, inbeslagneming van eigendommen, enzovoorts. In het geval van een Chaldeeuwse christelijke priester, Ragheed Aziz Ganni, heeft deze vervolging zelfs geleid tot zijn dood.

Wat gaat de Europese Gemeenschap doen om de Chaldeeuwse, Assyrische en orthodox-christelijke gemeenschappen te helpen? De Iraakse regering verklaart vastbesloten te zijn het geweld een halt toe te roepen, maar het gebrek aan veiligheid maakt het onmogelijk om de vrede ter plaatse te handhaven en kwetsbare bevolkingsgroepen te beschermen. Ze hebben onze hulp nodig.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez, namens de ITS-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, het is een goede zaak om een resolutie op te stellen over Irak, die oog heeft voor de humanitaire factor, vluchtelingen, internationale hulp, enz... Wie kan het nou niet eens zijn met overweging A, en wie zou nou voorbij kunnen gaan aan de balans die daar wordt opgemaakt: dagelijks 100 doden en 200 gewonden, 70 procent van de bevolking zonder water, 3 miljoen ondervoeden en 2 miljoen vluchtelingen, waaronder 500 000 kinderen in Syrië, Jordanië, Egypte, enzovoort!

Maar wie heeft daarvoor gezorgd? Wie is verantwoordelijk? Wie heeft deze chaos veroorzaakt? Saddam Hoessein, of de Baath-partij? De chaos is ontstaan uit de oorlog, een onrechtvaardige oorlog volgens middeleeuwse theologen, een illegale oorlog in de zin van het VN-Handvest, een oorlog die ontketend is als gevolg van een leugen van een Amerikaans staatshoofd en een Britse regeringsleider. En wie heeft die oorlog gesteund, hier in het Europees Parlement? De interventie waar die chaos uit voortgekomen is, wie heeft die gerechtvaardigd, wie heeft daarom gevraagd, wie heeft die goedgekeurd? Eén van hen was de huidige Franse minister van Buitenlandse Zaken, de heer Kouchner, naast enkelen van de ondertekenaars van deze resolutie.

Wat wil ik hiermee zeggen? Dat het goed is om humanitaire bijstand te verlenen ter bestrijding van gevolgen, maar dat het nog beter is om aan preventie te doen ter voorkoming van oorzaken. En dat is het probleem van politiek Europa! Wij houden in Europa zozeer van de mensenrechten dat wij overal, in Palestina, in Irak, in Afrika, bij de economische globalisering, beleid ondersteunen dat, terwijl het deze mensenrechten schendt, ons de gelegenheid biedt om steeds weer te getuigen van onze grenzeloze liefde voor deze mensenrechten, die geschonden worden ná onze steun in een eerder stadium. Het is dus een goede zaak om in paragraaf 16 een voorstel te doen voor posttraumatische centra voor vluchtelingen, maar er zouden ook centra voor politieke preventie moeten komen, hier, voor onze leiders, om hun het volgende bij te brengen: wijsheid, scherpzinnigheid, de moed om "nee" te zeggen en de weigering om voor wraakengel te spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). – (LT) Ik steun de resolutie en betuig mijn medeleven met de meer dan vier miljoen Irakezen die gedwongen werden hun geboorteplaats te ontvluchten. Dat zijn meer mensen dan er in mijn eigen land, Litouwen, wonen. Het aantal vluchtelingen neemt toe en de helft daarvan is gedwongen naar het buitenland te vluchten. De situatie in Irak wordt er niet beter op. De vluchtelingen zijn veroordeeld tot een leven in armoede. Ze hebben meestal geen werk en hun kinderen groeien zonder scholing op. Die omstandigheden vormen een vruchtbare bodem voor het rekruteren van terroristen.

De humanitaire bijstand voor vluchtelingen is beschamend laag vergeleken met de bedragen die de VS en het VK, de landen die de oorlog tegen Irak begonnen, aan wapens besteden. De 60 miljoen dollar die donoren in de VS hebben bijgedragen, zijn slechts een druppel op de gloeiende plaat.

Dit jaar zullen ongeveer 40 000 vluchtelingen aankomen in landen van de Europese Unie – tweemaal zo veel als vorig jaar – terwijl de VS dit jaar slechts enkele tientallen Irakezen heeft toegelaten.

Het zou goed zijn als de leiders van de VS en het VK eens een bezoek zouden brengen aan Irak en zijn buurlanden om met hun eigen ogen het lijden van de vluchtelingen te aanschouwen. Misschien dat ze zich dan anders gaan gedragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, de verslechtering van de veiligheidssituatie in Irak heeft geleid tot grootschalige ontheemding: naar schatting 2 miljoen Irakezen zijn binnen de grenzen van Irak op de vlucht en nog eens ongeveer 2 miljoen zijn naar de buurlanden gevlucht, waarvan 750 000 mensen zich bevinden in Jordanië en 1,4 miljoen in Syrië. Deze ontheemding kan uitmonden in een humanitaire crisis en een bedreiging vormen voor de regionale stabiliteit. De Commissie is dan ook zeer bezorgd over de omvang die dit menselijk lijden aanneemt.

We volgen de situatie ter plaatse op de voet en eventuele ontwikkelingen worden voortdurend geëvalueerd. We onderhouden nauwe contacten met andere belangrijke spelers binnen de internationale gemeenschap, zoals de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties. In dit verband heeft de Commissie actief deelgenomen aan de internationale conferentie van de UNHCR die afgelopen april in Genève heeft plaatsgevonden.

Wat de bestaande hulpverlening betreft, heeft de Commissie in 2006 ter ondersteuning van binnenlands ontheemde personen via EuropeAid 10 miljoen euro toegewezen om de problemen van deze ontheemden te verlichten. In februari 2007 heeft de Commissie, als snelle reactie op de verslechterende situatie en naar aanleiding van de oproep van de UNHCR van januari, via ECHO, een extra toewijzing aangekondigd van 10,2 miljoen euro, waarvan 4 miljoen euro was bestemd voor binnenlands ontheemden en 6,2 miljoen voor ontheemde Irakezen in het buitenland. Daarnaast blijft de Commissie steun geven aan de verlening van basisdiensten in Irak.

We begrijpen dat deze steun maar beperkt is, als hij wordt afgezet tegen de omvang van het menselijk lijden. Niettemin is dit pas een eerste, onmiddellijke reactie op de humanitaire situatie. De Commissie bekijkt momenteel verschillende mogelijkheden om de Iraakse vluchtelingen in de toekomst beter te kunnen helpen. De hulpverlening in Irak wordt echter ernstig bemoeilijkt door de veiligheidssituatie. Veel van onze partners, met inbegrip van de UNHCR, zijn slechts uiterst minimaal vertegenwoordigd in Irak.

Via diverse technische en politieke missies probeert de Commissie de situatie beter in kaart te brengen en tegelijkertijd haar bereidheid uit te dragen om de Iraakse vluchtelingen verder te ondersteunen. Commissaris Michel heeft de regio eind april zelf bezocht. Daarna hebben ook nog diverse technische missies naar Jordanië en Syrië plaatsgevonden.

We blijven ons dan ook inzetten voor samenwerking met de landen die Iraakse vluchtelingen opvangen. De Commissie heeft de situatie al regelmatig besproken met de Syrische en Jordaanse autoriteiten en zal dat ook blijven doen.

We kijken vooral uit naar de deelname aan de in Sharm El-Sheikh overeengekomen bijeenkomst van de Werkgroep inzake vluchtelingen, die, volgens de meest recente berichten, gepland staat voor 22 juli in Amman. Commissaris Ferrero-Waldner heeft al verklaard dat de Commissie bereid is technische ondersteuning te verlenen aan de werkgroep teneinde het proces te vergemakkelijken.

We zijn van mening dat de enige duurzame oplossing voor de vluchtelingen bestaat in vrede en verzoening in Irak. Daarom zullen we onze steun aan de Iraakse vluchtelingen blijven voortzetten. Ik ben het met u eens dat het onze morele plicht is hen te helpen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt na afloop van het debat plaats.

 

11.2. Schending van de mensenrechten in Transnistrië (Moldavië)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het debat over zes ontwerpresoluties over de schending van de mensenrechten in Transnistrië (Moldavië).

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE), auteur.(EN) Mijnheer de Voorzitter, Moldavië, en in het bijzonder de regio Transnistrië, zijn het onderwerp geweest van eerdere resoluties van dit Parlement. Sinds het conflict in Moldavië van 1992, dat heeft geleid tot de vestiging van het separatistische en onwettige regime in de regio Transnistrië, hebben er talloze en ernstige schendingen van de mensenrechten van de getroffen burgers van Moldavië plaatsgevonden. Deze schendingen, die tot op de dag van vandaag voortduren, lopen uiteen van ernstige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting tot willekeurige arrestaties en gevangenhouding, en het gebruik van foltering tegen politieke tegenstanders en burgerrechtenactivisten.

Oproepen van de internationale gemeenschap ter verdediging van de mensenrechten van de Moldavische burgers die in Transnistrië wonen, zijn grotendeels genegeerd. Zelfs de arresten van het van het Europees Hof voor de rechten van de mens tegen Moldavië en zijn bondgenoot, de Russische Federatie, inzake schendingen die hebben plaatsgevonden in Transnistrië, zijn volledig genegeerd door het separatistische Transnistrische regime.

We veroordelen de onderdrukking, intimidatie en vervolging van burgers en ngo's waarvan momenteel in Transnistrië sprake is en die het werk zijn van het totalitaire Transnistrische regime. We roepen op tot een snelle regeling van het bevroren conflict in die regio, waarbij we keihard benadrukken dat er nooit vraagtekens mogen worden geplaatst bij de territoriale integriteit van Moldavië, en dat het regime in Tiraspol onwettig is en niet wordt erkend, en dat het dit in onze ogen en in onze besluiten ook zo zal blijven.

Aangezien Moldavië gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de EU, en in het bijzonder omdat dit land kennelijke aspiraties koestert om het EU-lidmaatschap te verwerven, moet de EU een sleutelrol blijven vervullen bij het ondersteunen van het Moldavische volk opdat zij uiteindelijk hun welverdiende vrede en welzijn kunnen realiseren in een verenigde democratische natie zonder conflicten.

 
  
MPphoto
 
 

  Marcin Libicki (UEN) , auteur.(PL) Meneer de Voorzitter, we hebben momenteel te maken met een ongewenste erfenis die de Sovjet-Unie na haar ineenstorting heeft nagelaten. De Sovjet-Unie heeft zich destijds, om haar interne macht te versterken, ingezet om binnen haar grenzen een zo groot mogelijke volksverhuizing te realiseren. Vandaar de problemen binnen al die voormalige republieken, waar de Russische minderheid een groot deel van de plaatselijke gemeenschap vormt; vandaar ook de problemen in de Kaukasische landen, de Baltische staten en Transnistrië.

Maar terwijl het in die andere landen de Russische minderheden zijn die een ernstige bedreiging vormen omdat zij partij kiezen voor Rusland en, als erfgenamen van de voormalige Sovjet-Unie, ook steun bij Rusland zoeken, is in Moldavië de integriteit van de staat in belangrijke mate vernietigd doordat de Russische minderheid daar dermate groot was, dat dit geleid heeft tot het ontstaan van een afgescheiden grondgebied binnen Moldavië, dat zichzelf uitriep tot Republiek Transnistrië.

Dames en heren, wij moeten ons realiseren dat deze politieke bandeloosheid, die de leiders van de Russische minderheid in Transnistrië hebben toegelaten, onmiskenbaar en regelrecht haar weerslag vindt in de schending van fundamentele mensenrechten en de vervolging van de Moldavische bevolking (de facto Roemeense bevolking), en dat dit onmiskenbaar ook weer tot andere wetteloosheid heeft geleid. Politieke bandeloosheid staat immers niet lang op zichzelf, maar wordt al snel gevolgd door ongebreidelde criminaliteit. De vele bendes die het openbare leven in Moldavië beheersen en de talrijke wetsovertredingen treffen vooral het leven van de bewoners van dat deel van het land.

Ik wil alleen de aandacht erop vestigen dat een eventuele toekomstige erkenning van de onafhankelijkheid van bijvoorbeeld Kosovo, waar de Albanese bevolking een meerderheid vormt op grondgebied dat oorspronkelijk Servisch was, ertoe zou kunnen leiden dat de Russische bevolking van Transnistrië volhardt in haar verzet tegen het legitieme Moldavische gezag.

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen (GUE/NGL), auteur. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, tegen de EU-commissaris voor Wetenschap en Onderzoek wil ik allereerst zeggen dat men in Moldavië en Transnistrië beslist ooit nog eens wetenschap zal bedrijven, maar daarvóór moeten zij vrede, brood en mensenrechten hebben.

Samen met de Balkan horen Moldavië en het daarvan deel uitmakende Transnistrië tot de politieke schandvlekken van Europa. Er is nog geen vreedzame oplossing gevonden om de situatie te stabiliseren, ook al hebben veel externe krachten met hun vele internationale verklaringen geprobeerd een oplossing te vinden.

Wij besteden specifieke aandacht aan de conclusies van de bijeenkomsten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de besluiten van het Europees Hof voor de rechten van de mens in de zaak Ilascu en anderen tegen Moldavië en de Russische Federatie.

Het is terecht dat wij hier in het Europees Parlement weer eens aandacht besteden aan de noodzaak van stabiliteit in de regio en veiligheid voor de mensen, en daarmee uiteindelijk ook aan armoedebestrijding. Armoede leidt tot schendingen van de mensenrechten en in het geval van Moldavië tot grootschalige, illegale mensenhandel.

In de resolutie van onze fractie wordt geëist dat de Raad en de Commissie meer gaan doen om een oplossing voor het conflict in Transnistrië te vinden die voor alle partijen acceptabel is, en worden alle betrokken partijen verantwoordelijk gesteld om te voorkomen dat de problemen escaleren. Wij moeten de armste regio van Europa weer op de been helpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Petre (PPE-DE), Autor. Am generat dezbaterea pentru că noi credem că nu trebuie să rămânem fără reacţie în faţa unei realităţi care poate fi un precedent periculos. O hotărâre a Curţii Europene a Drepturilor Omului este ignorată din iulie 2004 până în iulie 2007.

La eliberarea ultimilor doi deţinuţi din grupul Ilaşcu sunt în continuare violate drepturile omului, sunt bătuţi, predaţi poliţiei din Moldova şi împiedicaţi să se întoarcă la domiciliul aflat pe teritoriul transnistrean de către nişte aşa-zise autorităţi nerecunoscute de nimeni. Credem că soluţionarea rapidă şi definitivă a conflictului din Transnistria presupune implicarea mai activă a Comisiei, a Consiliului şi a Parlamentului European. Aspiraţiile europene proclamate de Republica Moldova trebuie însoţite de crearea unui spaţiu al democraţiei şi de respectarea deplină a drepturilor omului pe întreg teritoriul acesteia şi acest subiect trebuie abordat nu doar în procesul de negociere din formula actuală pentru rezolvarea conflictului, ci şi în toate contactele cu oficialii din Moldova şi Federaţia Rusă.

Doar astfel, concluziile summit-ului OSCE de la Istanbul şi ale Consiliului ministerial de la Porto şi hotărârea Curţii Europene a Drepturilor Omului vor fi cu adevărat aplicate.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Mikko (PSE), auteur. – (ET) Zover wij weten zijn er momenteel geen politieke gevangenen in Transnistrië. Wij kunnen echter elk moment nieuwe arrestaties verwachten.

Valentin Besleag zat twee weken in de gevangenis, omdat hij zich, in overeenstemming met de Moldavische wetgeving, kandidaat wilde stellen voor de lokale verkiezingen die begin juni werden gehouden. De autoriteiten in Tiraspol arresteerden hem voor het invoeren van verkiezingsbrochures uit Moldavië. Het illegale regime heeft namelijk de invoer van politieke publicaties uit het buitenland verboden.

De situatie wordt er niet beter op. De autoriteiten in Transnistrië negeerden de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, zoals zojuist genoemd, waarin Tudor Petrov-Popa en Andrei Ivantoc drie jaar geleden al werden vrijgesproken. Beide voorvechters van de territoriale integriteit van Moldavië werden pas onlangs vrijgelaten, alleen omdat de gevangenisstraf die door het illegale regime was opgelegd, was verstreken. Bovendien werd het de dissidenten verboden naar Transnistrië terug te keren, zodat zij nu in ballingschap leven.

Het Europees Parlement heeft herhaaldelijk zijn steun uitgesproken voor de territoriale integriteit van Moldavië. Het regime in Transnistrië heeft geen bestaansrecht. De situatie is des te cynischer, omdat onderhandelingen over het oplossen van het conflict meer dan een jaar geleden door het regime in Tiraspol werden verbroken.

Rusland zou het regime er misschien van kunnen overtuigen naar de onderhandelingstafel terug te keren, maar doet dat niet. Bovendien bevinden zich nog steeds Russische troepen in Transnistrië ofwel op het territorium van Moldavië, hoewel in het besluit van Istanbul van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa werd opgeroepen tot een terugtrekking van de troepen aan het einde van 2002.

Met de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie ligt Transnistrië direct aan de grens met de Europese Unie. Het is niet langer toereikend dat wij de rol van waarnemer vervullen. De Europese Unie moet deelnemen aan de onderhandelingen over het conflict in Transnistrië als gelijkwaardige partner en als actieve partij.

 
  
MPphoto
 
 

  Gérard Onesta (Verts/ALE), auteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, ik droom van een donderdagmiddag waarop we het hier, in de plenaire vergadering en in het kader van noodsituaties als deze, niet meer hoeven te hebben over de duistere rol van Rusland. Als het Tsjetsjenië niet is, dan is het Transnistrië wel, en als het Transnistrië niet is, dan is het wel het lot van journalisten. Volgens mij klopt er een groot probleem op onze poort dat Rusland heet, want zowel bij dit dossier als bij zoveel andere is Moskou de sleutel tot de oplossing. Iedereen hier in deze vergaderzaal weet dat. Ik denk dat de Commissie haar macht moet aanwenden om met de vuist op tafel te slaan, want deze permanente destabiliseringsneiging waaraan Rusland zich overgeeft in een poging zijn macht uit de tijd van het Sovjetrijk terug te winnen, is niet langer acceptabel in het derde millennium.

Dit verhaal loopt nu al bijna vijftien jaar. Vijftien jaar, dat is enorm! Dat wil zeggen dat hele leeftijdsgroepen van de bevolking in dit land alleen maar destabilisatie hebben gekend, alleen maar dit autoritaire regime dat zichzelf tot heerser heeft uitgeroepen. Ik ga verder niet in op alle mensenrechtenschendingen omdat mijn collega’s dat al uitvoerig hebben gedaan, hoewel ik met hen moet vaststellen dat er absoluut moet worden opgetreden in het geval van de heer Tudor Petrov-Popa en dat van de heer Andrei Ivantoc. Maar voor de rest moet dit dossier echt globaal worden benaderd.

Dit conflict wordt een bevroren conflict genoemd. Ik verafschuw die term, alsof een conflict bevroren zou kunnen zijn, alsof een conflict iets kouds is, dat ergens in een of andere kast ligt te slapen. Het gaat om mannen en vrouwen die lijden, omdat het recht niet wordt geëerbiedigd. En Moldavië is helemaal niet ver weg. Het ligt aan de rand van de Europese Unie. Praten over Transnistrië is zo ongeveer hetzelfde als kijken naar het trottoir aan de overkant van de straat. Ik doe echt een beroep op de Commissie om te kijken naar wat zich op het trottoir aan de overkant afspeelt.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, Bessarabië, waaruit de Republiek Moldavië en de aangrenzende gebieden van Oekraïne zijn ontstaan, was een bloeiend Europa in het klein, waarin Roemenen, Oekraïners, Russen, Duitsers – de familie van de huidige bondspresident komt daarvandaan – Gagauzen en vele andere volken vreedzaam met elkaar samenleefden. Het is daarom des te dramatischer dat wij daar vandaag de dag worden geconfronteerd met de misdadige erfenis van het Nazi-Sovjet-pact! Als dit pact tussen Hitler en Stalin er namelijk niet was geweest, dan zou dit land aan het begin van het jaar zijn toegetreden tot de Europese Unie als deel van Roemenië. Dat mogen wij niet vergeten en dat betekent dat wij een bijzondere verantwoordelijkheid hebben.

De misdadige stalinistische structuur die bekend is onder naam Transnistrië heeft absoluut niets van doen met hetgeen wij in Kosovo hebben gezien. Daarom wil ik mijn Poolse collega, de heer Libicki, op dit punt bij wijze van uitzondering tegenspreken. Kosovo is een democratisch land waar genocide heeft plaatsgevonden en waar de VN en de NAVO zijn opgetreden om een einde te maken aan deze genocide. Om dit nu te vergelijken met een misdadige structuur als Transnistrië is werkelijk hetzelfde als appels met peren vergelijken.

Wij moeten deze misdadige structuur in Transnistrië ongedaan maken en deze regio stap voor stap in Europa integreren. Dat is onze historische verantwoordelijkheid. Bovendien moeten wij met name Rusland eraan herinneren dat het tijdens de OVSE-top in Istanbul – inmiddels acht jaar geleden – verplichtingen is aangegaan, waarvan het er tot op heden niet een is nagekomen. Dat kunnen wij niet aanvaarden en wij moeten onze Russische partners, die deze structuur in Transnistrië ondersteunen, hier eens stevig op aanspreken, want zonder hen zou deze misdadige structuur allang niet meer bestaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Józef Pinior, namens de PSE-Fractie.(PL) Mijnheer de Voorzitter, opnieuw houden we ons in het Europees Parlement bezig met het probleem van de mensenrechten in Transnistrië. In verband met deze kwestie heb ik zelf al verschillende keren het woord genomen. We hebben hier van doen met een gebied dat geografisch gezien in het midden van Europa ligt, in het midden van het Europese continent. Een gebied waar geen vrijheid van informatie is en waar geen van de liberale en democratische vrijheden bestaan die wij in de Europese Unie vanzelfsprekend vinden. We hebben daar te maken met inmenging van Rusland, aangezien deze bizarre situatie, dit vreemde territorium, deze eigenaardige heerschappij alleen dankzij protectie door de Russische staat kan bestaan. Ik wil eraan herinneren dat “Gazprom” dit jaar de zeggenschap over het staatsgasbedrijf “Moldowa Gas” in Moldavië heeft overgenomen.

Als gevolg van de toetreding van Roemenië tot de EU is de kwestie-Transnistrië een van de fundamentele problemen van de Europese Unie op dit moment. Ik roep het Europees Parlement op de instellingen van de EU te verzoeken zich serieus met dit vraagstuk te gaan bezighouden. Er moeten mijns inziens plannen worden opgesteld om deze vreemde en uiterst gevaarlijke situatie, die een bedreiging vormt voor de vrede, democratie en stabiliteit op het Europese continent, te veranderen. Laten we echte actie ondernemen om deze toestand aan de grenzen van de Europese Unie te veranderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Alma Anastase (PPE-DE). – Atunci când privim dintr-o perspectivă globală sau regională conflictul îngheţat din Transnistria, obişnuim să spunem că este o zonă generatoare de instabilitate şi insecuritate aflată sub controlul unui regim autoritar şi nelegitim. În viaţa de zi cu zi a oamenilor de acolo, acest lucru se traduce prin a nu putea să mergi la şcoală, prin a nu putea să-ţi vizitezi mama sau prin a trăi într-o lume controlată cu arma la brâu, în care doar cei care vor să vorbească despre ordine şi libertate intră în închisori, sfârşim prin a fi torturaţi chiar de aşa-zisele autorităţi. De aceea, dezbaterea de astăzi este una foarte importantă.

În demersul nostru am pornit de la un exemplu care a ajuns să fie cunoscut întregii lumi, cel al domnilor Ivanţoc şi Popa. Vreau să atrag atenţia că o mulţime tăcută de oameni suferă acolo fără ca noi să le cunoaştem numele sau să le auzim glasurile disperate. Este nevoie ca Uniunea Europeană să se implice profund în soluţionarea definitivă a conflictului transnistrean în conformitate cu standardele internaţionale. Uniunea Europeană trebuie să-şi activeze la maximum toate instrumentele pentru a contribui substanţial la crearea unui veritabil spaţiu de pace şi democraţie în vecinătatea de est, implicit în Transnistria. În viaţa de zi cu zi a oamenilor de acolo, asta se va traduce prin a avea dreptul de a merge la şcoală, să vorbeşti liber, să poţi să-ţi vizitezi mama.

 
  
MPphoto
 
 

  Tadeusz Zwiefka (PPE-DE).(PL) Mijnheer de Voorzitter, ik heb de indruk dat de bestuurlijke wangedrochten die in Transnistrië bestaan er alleen maar zijn om ons eraan te herinneren hoe weinig er voor nodig is om een situatie te laten ontstaan waarin het schenden van de mensenrechten de norm is en de modus operandi gebaseerd is op een gebrek aan respect voor de wet en de stem van de internationale gemeenschap.

Wie vergeten is of te weten wil komen wat volgens KGB-criteria volmaakt communisme is, moet maar eens in Transnistrië gaan kijken. Ondanks de verwoede inspanningen van internationale organisaties, verandert daar al jaren niets. Transnistrië is momenteel het Europees centrum, misschien wel wereldcentrum van illegale wapenhandel. Er worden wapens verkocht aan de heetste brandhaarden van de wereld. Het is ook een uitvalsbasis van handel in drugs, vrouwen en kinderen, en een gebied waar de rechten van gevangenen met voeten getreden worden.

Als we nu onze plicht niet doen, dat wil zeggen als we niet proberen deze toestand te veranderen, dan zou wel eens kunnen blijken dat volstrekt verwerpelijke gedragspatronen uiteindelijk zegevieren. Ik zou nog een amendement willen indienen op de resolutie waarover we gaan stemmen; het gaat om de daarin genoemde Tudor Popa, die tot onze vreugde onlangs is vrijgelaten. In de resolutie zijn beide delen van zijn achternaam vermeld: Petrov-Popa. Hij wil echter niet dat het Russische deel van zijn naam gebruikt wordt, aangezien dat hem is opgelegd door degenen die zichzelf onrechtmatig hebben uitgeroepen tot autoriteiten van Transnistrië. Zijn naam dient dus geschreven te worden als Tudor Popa.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, het versterken van de democratie en de rechtsstaat en het waarborgen van de gepaste eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden vormen de absolute kern van de betrekkingen tussen de EU en Moldavië. Dit zijn ook de belangrijkste elementen van het actieplan EU-Moldavië dat in februari 2005 is bekrachtigd.

De Europese Commissie ziet er nauwlettend en permanent op toe dat deze rechten en beginselen door de Moldavische autoriteiten worden geëerbiedigd. We bespreken deze kwesties regelmatig en openlijk met onze Moldavische partners en moedigen hen bij iedere mogelijke gelegenheid aan te zorgen voor de volledige tenuitvoerlegging en uitoefening van deze grondbeginselen omwille van de Moldavische burgers en de betrekkingen tussen de Europese Unie en Moldavië.

Wat de situatie in de regio Transnistrië betreft: deze regio wordt in de praktijk niet bestuurd door de regering in Chisinau. Dat wil zeggen dat de hervormingen die in Moldavië hebben plaatsgevonden niet hebben plaatsgevonden in de regio Transnistrië. Dit betekent verder dat het actieplan EU-Moldavië en de steun van de Europese Unie voor het hervormingsproces in Moldavië tot nu toe nog geen echt effect hebben gehad op de situatie in de regio Transnistrië.

De situatie in de regio ten aanzien van democratie, de rechtsstaat en mensenrechten is derhalve uiterst problematisch. Een belangrijk onderdeel van ons werk is dat we aan elke burger van Moldavië, met inbegrip van die in Transnistrië, willen laten zien wat de voordelen zijn van nauwere betrekkingen met de Europese Unie, inclusief de gevolgen hiervan op het vlak van interne hervorming en eerbiediging van de mensenrechten. Dit is een belangrijk aspect van ons werk in verband met de inspanningen om tot een regeling van het conflict over Transnistrië te komen.

De Europese Unie is sterk betrokken bij de pogingen om een regeling voor Transnistrië te vinden en hoopt een bijdrage te kunnen leveren aan de oplossing van dit bevroren conflict. Het resultaat van een dergelijke regeling moet worden gebaseerd op de beginselen van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Moldavië, alsmede op de beginselen van democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten.

In het kader van deze inspanningen proberen we ngo's en het maatschappelijk middenveld in de regio Transnistrië steeds meer bij ons werk te betrekken. Daarom zal de Commissie ook financiële hulp verlenen uit hoofde van het Europees nabuurschaps- en partnerinstrument teneinde het maatschappelijk middenveld in Transnistrië te versterken.

Ik wil u allen bedanken voor uw opmerkingen en ik heb kennis genomen van uw opvattingen, waaronder van het standpunt dat de rol van de Europese Unie bij de besprekingen over de regeling moet worden uitgebreid.

De noodzaak om te komen tot een oplossing van het Transnistrische conflict die is gebaseerd op de beginselen van Moldavische soevereiniteit en territoriale integriteit, alsmede op de beginselen van democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, wordt consequent en op alle niveaus door de EU in haar contacten met Rusland aan de orde gesteld.

Ik wil nogmaals onze vastbeslotenheid om het hervormingsproces in Moldavië te ondersteunen benadrukken en wijzen op onze diepgaande betrokkenheid bij inspanningen om te komen tot een regeling van de kwestie-Transnistrië. Het doel van deze inspanningen is een herenigd Moldavië dat is gebaseerd op de beginselen van democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt na afloop van het debat plaats.

Schriftelijke verklaring (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE), schriftelijk. – (FI) De situatie in Transnistrië herinnert ons eraan dat er ook in Europa ernstige en duidelijk zichtbare schendingen van de mensenrechten plaatsvinden. De onverschilligheid van het separatistische en autoritaire bewind in Transnistrië tegenover de rechtsstaat en democratie duurt nu al vijftien jaar.

De mensenrechtenschendingen in Transnistrië tonen ook aan dat er als gevolg van de voortdurende bestuurlijke crisis geen vooruitgang wordt geboekt op het gebied van de burgerrechten. Het is daarom waarschijnlijk onmogelijk dat de mensenrechten worden geëerbiedigd zolang het conflict tussen Moldavië en Transnistrië niet op permanente en duurzame wijze wordt opgelost. Nu heerst er een patstelling: de partijen geven niet toe. De mensenrechten worden geschonden en de onafhankelijke media en ngo’s worden tegengewerkt.

Moldavië heeft het recht op territoriale eenheid en zijn hele bevolking heeft het recht op fundamentele rechten.

Moldavië wil lid worden van de Europese Unie. Het is duidelijk dat de problemen in Transnistrië eerst moeten worden opgelost voor de deur naar integratie eindelijk kan worden geopend.

 

11.3. Mensenrechten in Vietnam
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Aan de orde is het debat over de zes ontwerpresoluties over de mensenrechten in Vietnam.

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE), auteur.(EN) Mijnheer de Voorzitter, Vietnam, een woord dat een synoniem is geworden voor catastrofe, is een land dat, zoals we allemaal weten, een buitengewoon traumatisch verleden heeft dat wordt gekenmerkt door een lange en verraderlijke strijd tegen het kolonialisme, een verwoestende burgeroorlog, en een rampzalige oorlog tegen de Amerikaanse strijdkrachten die de Vietnamese bevolking een leed heeft berokkend dat zijn weerga niet kent. Vervolgens kwam het totalitaire communistische regime dat – het moet worden gezegd – in ieder geval enige daadwerkelijke pogingen heeft gedaan om de wonden van het verleden te doen helen en het land weer op poten te krijgen. Daarvoor is de Socialistische Republiek Vietnam door de internationale gemeenschap op diverse manieren beloond, onder meer door het land toestemming te geven om lid te worden van de Wereldhandelsorganisatie, maar helaas is er nog een lange weg te gaan voordat er gesproken kan worden van een aanvaardbaar niveau van democratie voor het Vietnamese volk.

We zijn met name bezorgd over een nieuwe golf vervolgingen van dissidenten en over de onderdrukking van het grondrecht van vrije meningsuiting. We maken ons ook ernstig zorgen over de achteruitgang bij de hervormingen op het vlak van de godsdienstvrijheid en over de verschillende tegenslagen bij de hervorming van het rechtsstelsel, die eerlijk en democratisch zou moeten verlopen en moet leiden tot de afschaffing van alle vormen van gevangenneming zonder gepaste juridische waarborgen.

In de hoop dat de mensenrechtendialoog tussen de EU en Vietnam, ondanks de recente tegenslagen, concrete verbeteringen voor het Vietnamese volk zal opleveren, roepen we de autoriteiten in Vietnam op om terdege nota te nemen van onze bezorgdheid over de mensenrechtenschendingen in hun land. Tegelijkertijd dringen we er bij de Commissie en de Raad op aan het beleid van samenwerking met Vietnam opnieuw te beoordelen, waarbij in het achterhoofd moet worden gehouden dat de eerbiediging van de democratische beginselen, de grondrechten en fundamentele vrijheden een voorwaarde voor deze samenwerking dient te zijn. Toch dient deze ontwerpresolutie niet gezien te worden als dreigement, maar veeleer als een waarschuwing aan het adres van de Vietnamese regering.

 
  
MPphoto
 
 

  Esko Seppänen (GUE/NGL), auteur. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, in de jaren tachtig was ik in mijn land voorzitter van de Vietnam-vriendschapsvereniging. Ik zie dat er in het land een snelle economische ontwikkeling heeft plaatsgevonden, vooral in de afgelopen tien jaar. Daarover spreken de nieuwe generaties, die geen persoonlijke ervaring hebben met Amerikaanse agressie in Vietnam.

Als oude vriend van Vietnam wil ik, net als de andere fracties in het Europees Parlement, de aandacht richten op de noodzaak van het eerbiedigen van de mensenrechten en de vrijheid van organisatie, meningsuiting en godsdienst in de geest van de verklaringen en verdragen van de Verenigde Naties.

In de resolutie van onze fractie wordt de vrijlating geëist van de boeddhistische leiders Thich Huyen Quang en Thich Quang Don uit wat wij beschouwen als ongegronde gevangenschap. Wij vinden dat Vietnam zijn minderhedenbeleid moet liberaliseren. De Europese Unie moet er ook voor zorgen dat de samenwerking met Vietnam wordt bevorderd.

Hoewel er in Vietnam olie is gevonden, is het geen olie- en gasreservaat van het Westen en daarom kunnen politieke rechten en mensenrechten ter sprake worden gebracht, anders dan bijvoorbeeld in de samenwerking met Azerbeidzjan en Kazachstan.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE), auteur. – (FI) Mijnheer de Voorzitter, de situatie in Vietnam vereist de aandacht van de internationale gemeenschap. De Europese Unie moet een duidelijke boodschap sturen: discriminatie tegen religieuze gemeenschappen, zoals de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam, de protestantse gemeente en dissidenten, moet stoppen. Leden van deze gemeenschappen, die hun geloof vreedzaam belijden, lijden onder vrijheidsberoving en huisarrest.

Dit was een deel van een toespraak die ik vier jaar geleden in dit Parlement hield over de mensenrechtensituatie in Vietnam. Helaas moet ik constateren dat ik dezelfde toespraak weer kan houden, want de situatie met betrekking tot de vrijheid van godsdienst is niet verbeterd. Dit kan de vraag oproepen wat het belang is van deze debatten, maar er is geen alternatief. Wij moeten druk blijven uitoefenen en alles doen om internationale aandacht te trekken.

Er is ook enige hoop, want er zijn in Vietnam kleine constitutionele hervormingen doorgevoerd, in ieder geval op het niveau van de wetgeving. Wij moeten dit waarderen en ik hoop dat wij hier over vier jaar meer over kunnen zeggen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marc Tarabella (PSE), auteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, beste collega’s, alvorens tot de kern van de zaak te komen en in te gaan op de resolutie over Vietnam die voor vandaag op de agenda staat, wil ik de vinger leggen op iets dat mij belangrijk lijkt. Ik zet namelijk wat vraagtekens bij de wijze van selecteren van de spoedeisende dossiers die wij hier in het Parlement behandelen. Want ook al trek ik de urgentie van de verschillende problemen in de landen die wij bespreken niet in twijfel, ik heb toch de indruk dat sommige landen compleet worden vergeten vergeleken met andere waarover wij meerdere keren kunnen praten in één zittingsperiode. Ik noem slechts één voorbeeld, Colombia, met zijn grote aantal moorden op vakbondsmensen, zijn gijzelaars wier situatie steeds penibeler wordt. Voor zover ik heb kunnen nagaan is Colombia, hoewel er wel specifieke resoluties over zijn ingediend, sinds 2002 geen enkele keer urgent verklaard, wat wel had moeten gebeuren.

Maar toch, als ik vandaag het woord voer is dat vooral om de situatie in Vietnam aan te kaarten. En ook al lijkt 2006 een jaar van politieke opening te zijn geweest waarin men de teugels wat heeft laten vieren, het blijkt nu dat de godsdienstvrijheid een van de problemen is waarvan melding wordt gemaakt door ngo’s. Het is belangrijk dat Vietnam alle religies die op zijn grondgebied worden beleden, respecteert en de gehele bevolking toestaat de eigen godsdienst te kiezen. De vrijheid van denken en de vrijheid van meningsuiting mogen in geen geval met voeten worden getreden en de Vietnamese burgers moeten zich zonder aanzien des persoons kunnen uiten via de verschillende middelen die hun ter beschikking staan, waaronder de massamedia en internet.

Ondanks de situatie wil ik, in tegenstelling wellicht tot wat mijn collega mevrouw Korhola zojuist heeft gezegd, ook benadrukken dat er toch ook wel het een en ander is ondernomen in Vietnam. Dit land heeft zich al bepaalde inspanningen getroost waarvan wij ons rekenschap hebben gegeven, met name met de ASEAN-delegatie tijdens ons bezoek in 2006. Het is van belang dat wij dit land blijven steunen opdat de rechten van alle burgers volledig kunnen worden geëerbiedigd. Moge deze resolutie daartoe bijdragen!

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (UEN), auteur.(PL) Mijnheer de Voorzitter, dit is het zoveelste debat over religieuze vervolgingen en schending van de mensenrechten in landen zoals Vietnam, Cambodja of Laos. Een bijzondere rol in die regio speelt Vietnam, een land dat zich dynamisch ontwikkelt en bezig is de kloof die tijdens het communisme op cultureel en economisch gebied ontstaan was, te overbruggen. Helaas gaat de stijgende welvaart niet gepaard met respect voor de mensenrechten, vrijheid van meningsuiting en religieuze vrijheden.

Tot nu toe hebben we ons allemaal – ikzelf inbegrepen – in onze toespraken in het Europees Parlement geconcentreerd op de vervolging van boeddhisten, de grootste religieuze gemeenschap in dat land. Nu hebben we echter te horen gekregen over de vervolging van katholieken, bijvoorbeeld de katholieke priester Nguyen Van Ly. Het is treurig dat ik, net als mevrouw Korhola, anderhalf jaar geleden al in dit Parlement over deze kwestie het woord gevoerd heb en nu, meer dan achttien maanden later, praktisch hetzelfde moet zeggen.

We mogen verwachten dat landen die lid zijn van internationale Aziatische organisaties zoals ASEAN of ASEM, maar ook de VN en de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten de machthebbers van de Socialistische Republiek Vietnam gedecideerd oproepen de mensenrechten en religieuze vrijheid in dat land te eerbiedigen. Ooit schond het communistische en arme Vietnam de rechten van de mens en beperkte het de vrijheid van geloof. Hetzelfde, hoewel misschien op beperktere schaal, wordt gedaan door het inmiddels rijkere Vietnam dat de communistische ideologie zogenaamd heeft afgezworen. Wij mogen niet zwijgen!

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik, namens de PPE-DE-Fractie.(PL) Mijnheer de Voorzitter, in maart dit jaar zijn vijftien Vietnamese dissidenten veroordeeld tot jarenlange gevangenisstraffen en huisarrest. Deze gebeurtenis, waaraan in de mondiale media geen aandacht is besteed, vormt een bevestiging van de slechte mensenrechtensituatie in dat land.

In Vietnam worden fundamentele burgerrechten geschonden: godsdienstvrijheid, vrijheid van drukpers, vrijheid van vergadering. Het recht op een rechtvaardige en eerlijke rechtsgang wordt er niet geëerbiedigd. Dissidenten worden in psychiatrische inrichtingen gezet zoals vroeger in de voormalige Sovjet-Unie. Etnische minderheden worden onderdrukt, priesters en vertegenwoordigers van vele verschillende religies worden vervolgd.

De Europese Unie kan en mag dergelijke schendingen niet langer tolereren. Bovendien zijn we de belangrijkste handelspartner van Vietnam, dat ook profiteert van de preferentiële tariefregeling van de Europese Unie. Wij beschikken over de middelen die het waarschijnlijker kunnen maken dat de regering van de Socialistische Republiek Vietnam de fundamentele burgerrechten van haar burgers waarborgt. Het is onze plicht daar ook daadwerkelijk voor te zorgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, namens de PSE-Fractie.(PL) Mijnheer de Voorzitter, na de tijdelijke onderbreking, in 2006, van het beleid van onderdrukking en beperking van de politieke en burgerrechten in Vietnam, zijn wij nu opnieuw getuige van een golf van arrestaties van burgers die door de machthebbers als “lastig” worden beschouwd.

De VS hebben Vietnam onlangs de status verleend van partner waarmee normale en permanente handelsbetrekkingen worden onderhouden. Vietnam is ook lid geworden van de WTO. De economische openstelling van het land gaat echter niet gepaard met afschaffing van het machtsmonopolie ten gunste van een democratisch systeem.

Er dient een einde gemaakt te worden aan alle vormen van onderdrukking van de leden van de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam en haar bestaan dient officieel erkend te worden. We moeten oproepen tot vrijlating van Vietnamese politieke gevangenen die gevangen zijn gezet omdat zij op legale en vreedzame wijze gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrijheid van meningsuiting, drukpers en godsdienst. De Vietnamese machthebbers moeten gevolg geven aan de aanbevelingen van de VN-Mensenrechtenraad over de ontwikkeling van een rechtsstelsel en de eerbiediging van grondrechten.

Omdat de Europese Unie de grootste handelspartner van Vietnam is en de hulp die wij dit land bieden 304 miljoen EUR zal bedragen tussen 2007 en 2013, moeten we overwegen het reeds ondertekende samenwerkingsverdrag te herzien, aangezien alleen economische sancties Vietnam kunnen dwingen tot politieke en institutionele hervormingen die tot democratie en een rechtsstaat leiden.

 
  
MPphoto
 
 

  Urszula Krupa, namens de IND/DEM-Fractie.(PL) Meneer de Voorzitter, het debat van vandaag gaat over Vietnam, een van de laatste communistische landen, waar sinds vele jaren de rechten van de mens worden geschonden. In Vietnam worden activisten die strijden voor mensenrechten en democratie gevangen gehouden, religieus leiders zonder enig bewijs beschuldigd van spionage en propaganda tegen de socialistische republiek, of ze worden bestempeld als volksgevaarlijk.

Nadat er tijdelijk minder repressie werd toegepast, wat verband hield met de aanvraag van Vietnam voor het WTO-lidmaatschap, werden oppositiepartijen, onafhankelijke media en vakbonden weer verboden. In Vietnam wordt preventieve censuur uitgeoefend en alle media zijn in handen van de partij. Veel mensen die beschouwd worden als politieke dissidenten hebben huisarrest gekregen en worden afgeluisterd. Kinderen en jongeren worden op brute wijze meedogenloos geïndoctrineerd.

De bemoeienissen van internationale organisaties en mensenrechtenactivisten hebben helaas niet tot veranderingen geleid, evenmin als de resoluties die opgesteld zijn. Wij steunen de resolutie en roepen de machthebbers van Vietnam op om de mensenrechten te eerbiedigen, gevangenen vrij te laten en hervormingen door te voeren. Het lijkt er echter op dat meer radicale actie nodig zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Potočnik, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie deelt de bezorgdheid van het Europees Parlement over de mensenrechtenschendingen in Vietnam. Het gaat hierbij met name om de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de godsdienstvrijheid. We moeten deze schendingen echter in de algehele context beschouwen. Vietnam heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt op het vlak van economische en sociale rechten. In het afgelopen decennium is het erin geslaagd een groot deel van zijn bevolking uit de absolute armoede te verlossen en is het een koers gaan varen die duidelijk is gericht op economische groei in combinatie met de beperking van het ontstaan van sociaaleconomische verschillen onder de bevolking.

Dit is de afgelopen jaren gepaard gegaan met bepaalde verbeteringen in de situatie met betrekking tot burger- en politieke rechten. Zo zijn door de nieuwe wetgeving op het terrein van de godsdienstvrijheid, die gedurende de afgelopen drie jaar is aangenomen, enkele, maar niet alle, instrumenten die de staat gebruikt om religieuze organisaties te controleren afgezwakt en hebben niet-georganiseerde groepen nu de mogelijkheid te verzoeken om officiële erkenning.

Dit heeft ter plaatse inmiddels een positieve invloed gehad. Zo hebben onder andere enkele protestante kerkgenootschappen, zoals baptisten en mennonieten, die in het verleden niet werden erkend, hun gemeenten op basisniveau kunnen laten registreren.

Desondanks blijft de tenuitvoerlegging van de nieuwe wetgeving onevenwichtig, en de vooruitgang is met name in de noordelijke hooglanden beduidend trager dan in delen van de centrale hooglanden en in gebieden in het laagland. Bovendien blijven bepaalde genootschappen die door het regime als dissident worden beschouwd, zoals de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam en enkele groepen Hoa Hao en Cao Dai, illegaal en worden zij voortdurend geïntimideerd.

Het klimaat is de afgelopen twee jaar ook voor politieke dissidenten verbeterd. Een aanzienlijk aantal prominente activisten is in 2005 en 2006 vrijgelaten. Vorig jaar was er ook sprake van de oprichting van enkele nieuwe partijen en andere groeperingen van activisten in het land, hetgeen ongekend was zowel wat betreft het aantal groepen als het aantal aanhangers. De officiële reactie op deze ontwikkeling was aanvankelijk relatief ingehouden. Dit veranderde echter aan het begin van 2007, en in het bijzonder vanaf medio februari. De intimidatie van dissidenten lijkt te zijn geïntensiveerd, en er zijn tientallen activisten gearresteerd. Een aantal van hen is vervolgens schuldig bevonden en veroordeeld tot zware gevangenisstraffen. Het gaat onder meer om enkele bekende personen, zoals de priester Nguyen Van Ly, en de advocaten Nguyen Van Dai en Le Thi Cong Nhan. We weten niet of dit een tijdelijke reflex is of iets wat dieper ligt, maar de Commissie maakt zich hierover ernstig zorgen.

De betrekkingen van de EU met Vietnam hebben de afgelopen jaren een dynamische ontwikkeling doorgemaakt, en de Commissie heeft iedere mogelijkheid aangegrepen om aan te dringen op voortdurende verbetering van de mensenrechtensituatie, vooral in verband met gevangenen over wier lot de EU bezorgd is. De Commissie en de vertegenwoordigers van de EU-lidstaten in Hanoi hebben met name de recente arrestaties van en processen tegen activisten met bijzondere aandacht gevolgd. Diplomaten uit de EU waren als waarnemers aanwezig bij enkele van de processen, en de EU heeft krachtig gereageerd op hun veroordeling. In haar verklaring van 15 mei heeft zij nogmaals een beroep gedaan op de regering van Vietnam om alle geweldloze politieke activisten vrij te laten die slechts hun recht op vrije meningsuiting en hun recht van vereniging hebben uitgeoefend. De EU-missies in Hanoi hebben de Vietnamese regering verder verzocht de dissidenten in de gevangenis te mogen bezoeken, teneinde vast te kunnen stellen onder welke omstandigheden ze gevangen worden gehouden.

De recente processen zijn ook krachtig aan de orde gesteld door commissaris Ferrero-Waldner tijdens haar bilaterale ontmoeting met de Vietnamese vicepremier Khiem op 28 mei 2007, die plaatsvond in de marge van de ministeriële vergadering van de ASEM in Hamburg. Behalve politieke contacten op hoog niveau zijn de EU en Vietnam mechanismen overeengekomen om een dialoog te voeren en van gedachten te wisselen over mensenrechtenkwesties. Een belangrijk instrument is in dit verband de periodieke mensenrechtendialoog tussen de EU-missies in Hanoi en de regering van Vietnam. De subgroep inzake samenwerking op de terreinen institutionele opbouw, administratieve hervorming, bestuur en mensenrechten biedt de Commissie nog een mogelijkheid om deze kwesties aan de orde te stellen.

Bij alle mogelijke gelegenheden hebben we ons standpunt verwoord dat de arrestatie van geweldloze politieke activisten onverenigbaar is met de verplichtingen die Vietnam is aangegaan door in te stemmen met de internationale mensenrechteninstrumenten waarbij het is aangesloten. U kunt erop vertrouwen dat de Commissie alle instrumenten waarover zij beschikt, zal blijven inzetten om druk uit te oefenen in de betreffende zaak, en in algemenere zin, om vooruitgang op het gebied van de mensenrechten en de godsdienstvrijheid in Vietnam te bevorderen en te ondersteunen. Daarnaast vertrouwen we er in hoge mate op dat het Europees Parlement zal blijven aandringen op de verbetering van de mensenrechten in Vietnam.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het debat is gesloten.

De stemming vindt na afloop van het debat plaats.

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik doe een beroep op het Reglement. In de afgelopen drie jaar waarin ik deze middagdebatten over schendingen van de mensenrechten heb bijgewoond, was de Commissie altijd vertegenwoordigd, meestal door een commissaris, ook als is het een lastig tijdstip. We zijn haar daarvoor zeer dankbaar. Tegelijkertijd wil ik dat wordt opgemerkt dat ik van de zijde van de Raad hier nog nooit een vertegenwoordiger heb gezien. Ik vraag me af of dit is omdat de Raad niet wordt uitgenodigd, of omdat hij het niet belangrijk vindt om hier aanwezig te zijn? Zou u dit wellicht kunnen uitzoeken en aan ons kunnen laten weten?

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik beloof u dat ik deze zaak zal uitzoeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil er slechts op wijzen dat mijn collega gelijk heeft, maar dat de regeringscommissaris voor de mensenrechten, de heer Nooke, gedurende het Duitse voorzitterschap van de Raad hier tweemaal op donderdagmiddag aanwezig was. Dat is een precedent dat toekomstige voorzitterschappen van de Raad zouden moeten volgen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Ik deel u mede dat ik een voorstel heb ontvangen van de ALDE-Fractie om Bill Newton Dunn te benoemen tot lid van de Commissie begrotingscontrole.

Er lijken geen bezwaren te zijn tegen dit voorstel. Het voorstel is aangenomen.

 

12. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen

13. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Wij gaan nu over tot de stemming.

(Uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 

13.1. Humanitaire situatie van Iraakse vluchtelingen (stemming)
  

- Gezamenlijke resolutie (B6-0291/2007)

Vóór de stemming over de ontwerpresolutie

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, een punt van orde, voordat u de ontwerpresolutie in stemming brengt. Ik denk dat de ALDE-Fractie omwille van de eerlijkheid moet toegeven dat als de PPE-DE-Fractie hier vanmiddag niet aanwezig was geweest, de amendementen van de ALDE niet in aanmerking zouden zijn genomen. Ik ben van mening dat we wel consequent moeten zijn in onze kritiek op het punt van de aanwezigheid in dit Parlement.

 

13.2. Schending van de mensenrechten in Transnistrië (Moldavië) (stemming)
  

- Gezamenlijke resolutie (B6-0292/2007)

Vóór de stemming over de ontwerpresolutie

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Alma Anastase (PPE-DE). – Am un amendament cu caracter tehnic, ca în textul rezoluţiei să fie înlocuit termenul de „Moldova” cu „Republica Moldova”, dacă, bineînţeles, colegii sunt de acord.

 
  
MPphoto
 
 

  Tadeusz Zwiefka (PPE-DE). – (PL) Ik wil graag een mondeling amendement indienen. In verband met de achternaam van Tudor Petrov-Popa, in overweging C van de preambule, stel ik voor het woord Petrov te schrappen en de naam Tudor Popa te gebruiken.

 
  
  

(De mondelinge amendementen worden in aanmerking genomen)

 

13.3. Mensenrechten in Vietnam (stemming)
  

- Gezamenlijke resolutie (B6-290/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Hiermee is de stemming beëindigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil een ondubbelzinnige verklaring afleggen over het verslag waar wij vanmorgen over gestemd hebben.

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. Het spijt me, maar stemverklaringen zijn op dit moment niet toegestaan.

 

14. Goedkeuring door de Raad van door het Parlement in eerste lezing geformuleerde standpunten (artikel 66 van het Reglement): zie notulen

15. Besluiten inzake bepaalde documenten: zie notulen

16. Kredietoverschrijvingen: zie notulen

17. In het register ingeschreven schriftelijke verklaringen (artikel 116 van het reglement)

18. Verzending van de tijdens deze vergadering aangenomen teksten: zie notulen

19. Rooster van de volgende vergaderingen: zie notulen

20. Onderbreking van de zitting
MPphoto
 
 

  De Voorzitter – Ik verklaar de zitting te zijn onderbroken.

(De vergadering wordt om 16.20 uur gesloten)

 

ANNEX (Schriftelijke antwoorden)
VRAGEN AAN DE COMMISSIE
Vraag nr. 33 van Maria Badia i Cutchet (H-0488/07)
 Betreft: Voorstel tot oprichting van een Mediterrane Unie
 

De huidige Franse president, Nicolas Sarkozy, heeft op 7 februari ll. voorgesteld een Mediterrane Unie op te richten die de landen in Noord-Afrika, het oosten van het Middellandse-Zeegebied en het zuiden van de Europese Unie zou omvatten. Dit voorstel steunt op vier pijlers: een intergouvernementeel forum naar het voorbeeld van de Raad van Europa, een gemeenschappelijk veiligheidssysteem, een beleid van co-ontwikkeling en geïntegreerde politiële samenwerking binnen een gemeenschappelijke politiële ruimte.

Op het eerste gezicht lijkt het project voor de oprichting van een Mediterrane Unie voorrang te geven aan veiligheidsaspecten en vooral te steunen op intergouvernementele mechanismen, ten detrimente van supranationale structuren. Voor de ontwikkeling van de Euro-mediterrane betrekkingen is daarnaast ook een speciale impuls nodig op economisch, sociaal en menselijk gebied, waarbij met name de interculturele dialoog dient te worden bevorderd. In hoeverre kan dit voorstel volgens de Commissie de ontwikkeling van het in 1995 op gang gebrachte proces van Barcelona beïnvloeden? Is de Commissie het ermee eens dat het proces van Barcelona verder moet worden gestimuleerd, zonder dat daarbij de thans geldende, uit de associatieovereenkomsten tussen de EU en derde landen in het Middellandse-Zeegebied voortvloeiende multilaterale en multisectorale benadering, die nog werd versterkt door de oprichting van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering, mag worden opgegeven? Welke gevolgen kan het voorstel tot oprichting van een Mediterrane Unie volgens de Commissie hebben voor het onderhandelingsproces met Turkije?

 
  
 

De Commissie is het met de geachte afgevaardigde eens dat onze betrekkingen met de landen in het zuidelijke deel van het Middellandse Zeegebied van cruciaal belang zijn.

Er is behoefte aan een sterkere stem en invloed van Europa in de regio. De Commissie staat positief tegenover elk initiatief dat gericht is op de ontwikkeling van onze betrekkingen met de partners in het zuiden. De Commissie is uiteraard bereid om met het Parlement, Frankrijk, de andere lidstaten en de partnerlanden mee te denken over dit onderwerp.

De Commissie steunt in beginsel elk initiatief dat ten doel heeft de betrekkingen met onze mediterrane buren weer tot een van de Europese hoofdprioriteiten te maken, zij het dat de Commissie wijst op het belang van het behoud van de verworvenheden van de Euro-mediterrane samenwerking (proces van Barcelona) en het nabuurschapsbeleid, die hebben gezorgd voor sterke institutionele betrekkingen tussen Europa en het Middellandse Zeegebied en waarin essentiële onderwerpen aan de orde komen zoals de politieke en economische hervormingen, het beheer van de migratiestromen, de energienetwerken, de bestrijding van de vervuiling van de Middellandse Zee, en handel en investeringen als belangrijke elementen voor integratie en ontwikkeling.

Zoals de geachte afgevaardigde weet is er sinds 1995 al veel gebeurd in het kader van het Euro-mediterrane proces "van Barcelona", en sinds 2004 in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid. Er moet niettemin nog veel worden gedaan om de betrekkingen van de Unie met de mediterrane landen te versterken en hen te begeleiden in hun politieke en economische overgangsproces.

Dankzij het proces van Barcelona en het nabuurschapsbeleid heeft de Europese Unie inmiddels belangrijke initiatieven op gang weten te brengen op alle significante terreinen:

Immigratie: intensievere samenwerking op migratiegebied (ministersvergaderingen in 2006 met Afrika in Rabat en Tripoli, en binnenkort de eerste Euro-Med-vergadering in november 2007 in Portugal).

Energie: geïntegreerde Euro-mediterrane energiemarkt (met name gasnetten).

Investeringen: instelling van een investeringsfonds voor de regio, in het kader van het nabuurschapsbeleid (bijdrage van 700 miljoen euro uit de Gemeenschapsbegroting voor 2007-2013).

Milieu: uitvoering van een programma voor de bestrijding van de vervuiling van de Middellandse Zee.

De Commissie is ervan overtuigd dat het elan van het nabuurschapsbeleid onder het Duitse voorzitterschap vastgehouden zal worden door het Portugese voorzitterschap, dat een bijzonder accent zal leggen op de mediterrane regio.

Het is van belang de verworvenheden van het proces van Barcelona en het nabuurschapsbeleid aan te houden als globale kaders voor samenwerking, met de nodige speelruimte voor de ontwikkeling van specifieke betrekkingen met onze partners. Zo ben ik ervan overtuigd dat de partnerlanden in de Maghreb bijvoorbeeld, er op belangrijke terreinen als terrorismebestrijding, energie en watermanagement alle belang bij hebben nieuwe gemeenschappelijke mechanismen tot stand te brengen.

De toetredingsonderhandelingen met Turkije worden sinds 3 oktober 2005 gevoerd op basis van een met eenparigheid van stemmen goedgekeurd onderhandelingskader, waarin heel duidelijk wordt gesteld dat het oogmerk van de onderhandelingen toetreding is, ook al vormen die onderhandelingen een open proces waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat. De Commissie beschouwt elk nieuw, op de versterking van de betrekkingen met onze mediterrane partners gericht initiatief dat ook Turkije omvat, als een aanvulling op het lopende proces van de toetredingsonderhandelingen.

Tot slot dient bij projecten die betrekking hebben op alle lidstaten, ook de Unie als geheel betrokken te worden. Significante resultaten zijn alleen haalbaar met een politieke, financiële en institutionele betrokkenheid van de Unie.

 

Vraag nr. 34 van Laima Liucija Andrikienė (H-0512/07)
 Betreft: Externe bijstand van de EU
 

Jaarlijks verleent de EU meer dan 7 miljard euro aan externe financiële bijstand aan meer dan 150 landen en gebieden in de wereld en legt zij beleid op dit gebied ten uitvoer, waaronder het Europese nabuurschapsbeleid en het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument (ENPI). Wat zijn de belangrijkste trends en prioriteiten voor de externe financiële bijstand van de EU? Is er sprake van nieuwe prioriteiten of veranderingen? Waar ziet de Commissie tekortkomingen in de bijstandverlening en heeft zij een strategie om deze te verhelpen? Is er sprake van eventuele nieuwe instrumenten voor de externe bijstand van de EU? Welke vooruitgang is er geboekt bij de tenuitvoerlegging van het ENPI?

 
  
 

De Europese Unie (Commissie en lidstaten) mag er trots op zijn dat zij de grootste donor van externe bijstand is; gezamenlijk zijn wij goed voor meer dan 55 procent van de officiële ontwikkelinghulp in de wereld. Een vijfde van deze Europese fondsen wordt door de Commissie beheerd.

Externe bijstand vormt een fundamenteel onderdeel van het externe optreden van de EU en wordt gebruikt ter ondersteuning van een breed scala aan externe beleidsmaatregelen. In het jaarverslag 2007 van de Commissie over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap en de tenuitvoerlegging van de externe bijstand in 2006(1), dat in juni 2007 aan het Parlement is voorgelegd, wordt een uitgebreid overzicht gegeven van het recente beleid en andere ontwikkelingen.

De externe bijstand van de Commissie wordt verdeeld over 160 landen en is bedoeld voor het bestrijden van de armoede en het bevorderen van economische ontwikkeling, mensenrechten en democratie in overeenstemming met de Europese Ontwikkelingsconsensus.

Door middel van vereenvoudigde instrumenten en procedures blijft de Commissie streven naar een verbetering van de flexibiliteit en de efficiëntie van haar externe bijstand om sneller en effectiever wereldwijd steun te kunnen verlenen. Dankzij de nieuwe instrumenten voor externe bijstand, waarvan de ontwikkeling in 2006 is afgerond, is er een nieuw, eenvoudiger kader gecreëerd om in de periode 2007-2013 bijstand te verlenen die uit de algemene begroting wordt gefinancierd. Het oude, brede scala van geografische en thematische regelingen is nu vervangen door negen financieringsinstrumenten. De samenwerking met de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan wordt echter nog steeds hoofdzakelijk uit het Europees Ontwikkelingsfonds gefinancierd.

Voor de externe bijstand van de Europese Gemeenschap is 2006 wederom een recordjaar geweest met een totaalbedrag aan betalingsverplichtingen van 9,8 miljard EUR. De Europese Gemeenschap ligt dan ook op koers om de belofte van de EU na te komen om de officiële ontwikkelingshulp in 2015 verdubbeld te hebben conform de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. Wat betreft de uitvoering van de begroting heeft de Commissie in 2006 8,1 miljard EUR uitbetaald, tegen 7,5 miljard EUR in 2005.

Met 3,3 miljard EUR aan feitelijk ontvangen bijstand is Afrika de grootste ontvanger van externe bijstand van de Europese Gemeenschap.

In 2006 is het Europees nabuurschapbeleid verder versterkt door het vaststellen van drie nieuwe actieplannen met Armenië, Azerbeidzjan en Georgië en door de afronding van de actieplannen met Egypte en Libanon. Daarnaast is er een nabuurschaps- en partnerschapsinstrument goedgekeurd. Het opstellen van de jaarlijkse actieprogramma’s verloopt conform de planning. Inmiddels zijn in dat verband in maart 2007 de programmeringsdocumenten (strategiedocumenten) voor de periode 2007-2013 door de Commissie goedgekeurd. De Commissie verwacht dat deze actieprogramma’s en de noodzakelijke vastleggingskredieten in de begroting vóór het einde van 2007 goedgekeurd zullen zijn.

De Commissie streeft ernaar om de effectiviteit van de verleende steun te verbeteren middels de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Parijs van 2005 over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp. Tegelijkertijd hebben wij goede vooruitgang geboekt bij het nakomen van onze toezeggingen op het gebied van een coherent beleid voor ontwikkelingshulp. Dat is ook in overeenstemming met de besluiten die de Commissie en de lidstaten in 2005 hebben genomen met betrekking tot twaalf beleidsterreinen, waaronder handel, migratie, visserij en klimaatverandering.

De Commissie verwacht dat de coördinatie tussen de donoren zal verbeteren, met name tussen de lidstaten van de EU en de Commissie, teneinde een effectievere bijdrage te leveren aan het verwezenlijken van de doelstellingen. Een belangrijk aspect in dit verband is de gedragscode van de EU over de complementariteit en taakverdeling binnen het ontwikkelingsbeleid, die in mei 2007 door de Raad is goedgekeurd.

De Commissie heeft ook wederom aangetoond dat zij in staat is om in crisissituaties effectief te reageren. Toen zij geconfronteerd werd met de dreiging van een vogelgrieppandemie, heeft de Commissie in 2006 snel ingegrepen door een bedrag van 80 miljoen EUR aan steun toe te zeggen en als medeorganisator te fungeren van een bijeenkomst in Beijing met de belangrijkste betrokken partijen. Samen met de Wereldbank heeft de Commissie in Palestina een tijdelijk internationaal mechanisme (TIM) opgezet ter verbetering van de sociaaleconomische omstandigheden van de meest kwetsbare geledingen van de bevolking. In totaal heeft de Europese Gemeenschap in 2006 voor 339 miljoen EUR aan steun aan de Palestijnse bevolking verleend.

De Commissie heeft zich ook proactief opgesteld op het belangrijke gebied van de mensenrechten. Zo zijn er in 2006 niet minder dan dertien EU-missies voor verkiezingswaarneming uitgezonden en is het instrument voor democratie en mensenrechten herzien. Dit is een weerspiegeling van de diepgewortelde overtuiging van de EU dat het bevorderen van de eerbiediging van de mensenrechten een element is dat onlosmakelijk aan ons beleid voor externe bijstand verbonden is.

 
 

(1) Jaarverslag 2007 over het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap en de tenuitvoerlegging van de externe bijstand in 2006 {SEC(2007) 840}; {COM(2007) 349 def.}

 

Vraag nr. 38 van Claude Moraes (H-0482/07)
 Betreft: Doelstellingen op het gebied van de hernieuwbare energie
 

Welke steun denkt de Commissie de lidstaten te bieden, zodat deze de onlangs vastgelegde bindende doelen kunnen verwezenlijken, als gevolg waarvan tot 2020 het aandeel van de brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen met 20% verhoogd en de CO2-uitstoot met 20% verlaagd moet worden? Hoe denkt de Commissie toe te zien op de uitvoering van de diverse nationale actieplannen van de lidstaten en deze af te dwingen?

 
  
 

Met het oog op het verwezenlijken van de ambitieuze doelstellingen voor de vermindering van broeikasgasemissies en de productie van hernieuwbare energie, zoals die door de Europese Raad zijn geformuleerd, worden op dit moment de relevante communautaire beleidsmaatregelen herzien.

De Europese Raad heeft daarbij expliciet het cruciale belang van maatregelen voor de gehele EU benadrukt.

De Commissie bestudeert op dit moment een combinatie van regelgevings- en marktprikkels om het aandeel van hernieuwbare energiebronnen binnen de Europese energiemix te vergroten tegen de achtergrond van de tweeledige doelstelling om een bijdrage te leveren aan het terugdringen van broeikasgasemissies enerzijds en het verbeteren van de continuïteit van de energievoorziening anderzijds.

Er zijn twee programma’s voor de directe ondersteuning van hernieuwbare energiebronnen. In de eerste plaats beschikken wij binnen het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie over het programma "Intelligente energie voor Europa"-II, waarin voor de periode 2007-2013 een bedrag van 316,35 miljoen EUR is gereserveerd voor maatregelen om de ontwikkeling en het gebruik van nieuwe en hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. In de tweede plaats wordt de ontwikkeling van innovatieve methoden op het gebied van hernieuwbare energie ondersteund uit hoofde van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling. Dit is het belangrijkste instrument van de Europese Unie voor het financieren van onderzoek in Europa. Daarnaast zijn ook de Structuurfondsen bedoeld voor investeringen in hernieuwbare energie. Uit de gegevens van 402 concepten voor operationele programma’s (over twaalf programma’s is inmiddels al een besluit genomen) blijkt dat tot 2013 ongeveer 3,8 miljard EUR aan projecten voor hernieuwbare energie toegewezen zal worden. Bovendien zal nog eens 3,3 miljard EUR besteed worden aan energie-efficiëntie, warmtekrachtkoppeling en energiebeheer. Deze operationele programma’s dienen door de lidstaten en de Commissie goedgekeurd te worden.

De Commissie heeft ook nieuwe ontwerprichtsnoeren voor staatssteun op milieugebied gepubliceerd. Deze moeten de lidstaten in staat stellen om de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen op effectievere wijze te ondersteunen.

De nationale actieplannen voor hernieuwbare energie vormen een belangrijk aspect van de nieuwe opzet voor het EU-beleid op het gebied van hernieuwbare energie, zoals voorgesteld in de routekaart voor hernieuwbare energie(1). Op dit moment is de Commissie bezig met het uitwerken van een voorstel om deze nieuwe opzet juridisch in praktijk te brengen. De Commissie zal ervoor zorgen dat de nationale actieplannen effectief gecontroleerd, geïmplementeerd en gehandhaafd worden.

 
 

(1) COM(2006) 848 def: Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Routekaart voor hernieuwbare energie - Hernieuwbare energiebronnen in de 21e eeuw: een duurzamere toekomst opbouwen

 

Vraag nr. 39 van Carl Schlyter (H-0483/07)
 Betreft: Koelkasten met energieclassificatie
 

De Zweedse energieorganisatie heeft koelkasten getest die voorzien zijn van het label A, A+ of A++, d.w.z. koelkasten die gekocht worden door mensen voor wie het milieuaspect wellicht belangrijk is.

Slechts drie van de tien geteste koelkasten voldeden aan de criteria van de aangegeven energiecategorie. Twee koelkasten zouden zelfs moeten worden teruggeplaatst naar categorie B.

De test werd weliswaar slechts met één koelkast van elk model uitgevoerd, maar het totale resultaat is alarmerend.

Welke maatregelen denkt de Commissie te treffen om te voorkomen dat bedrijven oneerlijke concurrentievoordelen behalen door te bluffen op het etiket van hun producten?

 
  
 

De categorieën op het energielabel zijn gebaseerd op een index waarbij rekening wordt gehouden met het energieverbruik en het volume van de koelkast en de vriescompartimenten. De Commissie heeft de uitgebreide testresultaten van het Zweedse Energieagentschap waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst, bestudeerd. Uit die resultaten blijkt dat het gemeten energieverbruik van alle geteste koelkasten binnen de foutenmarge valt die toegestaan is op basis van de meetmethode die in de toepasselijke richtlijn(1) is opgenomen. Het verschil tussen de aangegeven en de gemeten volumes van twee van de tien koelkasten is wel zodanig groot dat er een tweede testronde zou moeten plaatsvinden. Indien de resultaten van de eerste test hierdoor bevestigd worden, zou dat van invloed zijn op de aanduiding op het energielabel.

De Commissie is verheugd over het feit dat Zweden toeziet op de naleving van de Etiketteringsrichtlijn.

De belangrijkste handelsvereniging voor deze producten, de Europese vereniging van fabrikanten van huishoudelijke apparatuur (CECED), heeft zijn bezorgdheid geuit over het feit dat het toezicht op de naleving van de Etiketteringsrichtlijn door de lidstaten in het algemeen tekortschiet. Daarom voert de CECED nu ook een eigen testprogramma uit (waarbij gebruik wordt gemaakt van onafhankelijke laboratoria).

In de tweede helft van 2007 zal de Commissie beginnen met een onderzoek naar de praktische tenuitvoerlegging van de Etiketteringsrichtlijn in de lidstaten. Afhankelijk van de uitkomst van dat onderzoek zal de Commissie een besluit nemen over vervolgmaatregelen.

 
 

(1) Richtlijn 2003/66/EG van de Commissie van 3 juli 2003 tot wijziging van Richtlijn 94/2/EG houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 92/75/EEG van de Raad wat de etikettering van het energieverbruik van huishoudelijke elektrische koelkasten, diepvriezers en combinaties daarvan betreft, PB L 170 van 9.7.2003.

 

Vraag nr. 40 van Ivo Belet (H-0489/07)
 Betreft: Problemen met de vrijmaking van de gasmarkt in België
 

De Commissie stelt dat de vrije markt voor gas in België niet of zeer beperkt functioneert (zie SEC(2006)1709 en COM(2006)0841 def.). Dit werd recent bevestigd door de aangekondigde prijsverhoging van Electrabel voor aardgas met 13 tot 20%. Ondanks de theoretische opening van de markt is de monopoliepositie van Electrabel nog steeds een feit.

Hoe staat het met de desbetreffende inbreukprocedures tegen België en wat zijn de volgende stappen die de Commissie hierin concreet zal nemen?

Welke nationale of Europese ingrepen acht de Commissie op korte termijn haalbaar om de onverantwoorde prijsstijgingen alsnog af te wenden?

Een fusie tussen Gaz de France en Suez zou de situatie van de gasmarkt in België grondig wijzigen en een aantal problemen oplossen, aangezien de fusie zal moeten gebeuren onder voorwaarden waarover met de Commissie overeenstemming is bereikt. Wat gaat de Commissie ondernemen ten aanzien van de Belgische situatie als de fusie niet doorgaat?

 
  
 

Wat de Commissie op korte termijn kan doen, is het instellen van inbreukprocedures. Er lopen inbreukprocedures met betrekking tot de toepassing van de Richtlijnen 2003/54/EG(1) en 2003/55/EG(2). De ingestelde inbreukprocedures betreffen voornamelijk problemen rond de bevoegdheden die aan de federale regelgevingsinstantie op energiegebied zijn toegekend.

De Commissie heeft een met redenen omkleed advies uitgebracht en als volgende stap zal de zaak aan het Europese Hof van Justitie worden voorgelegd.

In algemene zin valt de prijsstelling op energiegebied onder de bevoegdheid van de lidstaten, maar de Commissie ziet erop toe dat het prijsniveau niet tot concurrentievervalsing leidt. In dat verband kan de Commissie een inbreukprocedure instellen en/of een zaak inzake overheidssteun aanhangig maken, maar dat is tot dusverre niet gebeurd ten aanzien van België.

Het is evenwel een feit dat de Belgische markt gekenmerkt wordt door een grote mate van concentratie en dat de overheidsmaatregelen nog niet hun volledige effect hebben ontplooid..

De Commissie zal amendementen op het wetgevingskader voorstellen om de ontwikkeling van een elektriciteits- en gasmarkt met echte concurrentie te vergemakkelijken. Tegelijkertijd zal de Commissie erop blijven toezien dat de mededingingsvoorschriften in de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag worden nageleefd door de exploitanten, en met name de historische exploitanten. In dit verband zij erop gewezen dat de Commissie verwikkeld is in een kartelprocedure met Distrigaz, van oudsher de gasexploitant in België, om het pad te effenen voor concurrentie op de Belgische gasmarkt.

De goedkeuring die de Commissie heeft gehecht aan de fusie tussen Gaz de France en Suez, gaat vergezeld van zeer belangrijke corrigerende maatregelen die zullen bijdragen tot de ontwikkeling van een gasmarkt in België en Frankrijk.

Als de fusie niet doorgaat, hoeven de verplichtingen die de partijen zijn aangegaan, niet langer te worden nagekomen. In dat geval zal de Commissie zorgvuldig afwegen of verder optreden vereist is met het oog op de ontwikkeling van de gasmarkt.

 
 

(1) Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG.
(2) Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG.

 

Vraag nr. 41 van Gay Mitchell (H-0490/07)
 Betreft: Europese dag van de wind
 

Bij de opening van de Europese dag van de wind op 15 juni van dit jaar heeft de heer Piebalgs een duidelijke intentieverklaring afgelegd door te zeggen dat wij grote veranderingen moeten aanbrengen.

Kan de Commissie duidelijkheid verstrekken over de aard van deze veranderingen en mededelen hoe zij de noodzakelijke uitbreiding van duurzame energie in Europa denkt te bevorderen, met name voor wat betreft de toepassing van windenergie?

 
  
 

De Commissie heeft in januari 2007 haar routekaart voor hernieuwbare energie in de sectoren elektriciteit, vervoer en verwarming en koeling gepresenteerd.

De Europese Raad heeft de gekozen route bevestigd en ingestemd met een bindende doelstelling van 20 procent voor het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het totale energieverbruik in de EU. Deze doelstelling wordt opgesplitst in bindende nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie (inclusief een minimumtarget van 10 procent voor biobrandstoffen). Volgens de Commissie zou windenergie tegen 2020 naar schatting in ongeveer 12 procent van het energieverbruik kunnen voorzien.

De Commissie streeft ernaar om alle belemmeringen voor de integratie van hernieuwbare energiebronnen op de Europese energiemarkt weg te nemen, onder andere via de ontwikkeling en liberalisering van de interne elektriciteitsmarkt. De lidstaten zullen opgeroepen worden om voor snelle, eerlijke en eenvoudige vergunningsprocedures voor hernieuwbare energiebronnen te zorgen, inclusief voorbereidende planologische mechanismen indien regio’s en gemeenten bijvoorbeeld geschikte locaties moeten aanwijzen voor het aanleggen van een windenergiepark De Commissie neemt verschillende maatregelen ter ondersteuning van een betere integratie van hernieuwbare energiebronnen in het elektriciteitsnet. Daartoe behoren onder meer de handhaving van netcodes, projecten uit hoofde van het programma “Intelligente energie voor Europa” en deelname aan het windplatform. In dat verband zal nadrukkelijk aandacht worden besteed aan de speciale vereisten die verband houden met het exploiteren van offshore-windenergie, met inbegrip van grensoverschrijdende netaansluitingen. Daarbij dient tevens een beter gebruik van de financiële instrumenten van de Gemeenschap bevorderd te worden, met name wat de Structuurfondsen en het Cohesiefonds betreft.

Het voorgestelde project om offshore-windenergie in Noord-Europa aan het energienet te leveren, is een van de belangrijke prioriteiten van de EU. Dit project is bedoeld ter bevordering van de integratie in het continentale elektriciteitsnet van offshore-windenergie die in de Oost- en Noordzee wordt opgewekt. De Commissie is thans in afwachting van het standpunt van het Parlement over de voorgestelde benoeming van een Europese coördinator. Naast zijn taak als projectpromotor dient deze coördinator de Commissie te ondersteunen bij het vaststellen van toekomstige prioriteiten in het kader van het TEN-E-programma, waarbij een speciale nadruk op het integreren van windenergie zal komen te liggen.

Het groeipercentage van de geïnstalleerde windenergie in de EU is, gezien de totale capaciteit van 48 000 MW aan het eind van 2006, aanzienlijk. De Commissie zal een intensievere exploitatie van windenergie blijven steunen, niet alleen door middel van nieuwe onderzoeksinitiatieven (zoals het strategisch plan voor energietechnologie), maar ook via de bestaande financieringsregelingen van de Commissie zoals het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling, de trans-Europese energienetwerken en het programma “Intelligente energie voor Europa”.

 

Vraag nr. 42 van Leopold Józef Rutowicz (H-0498/07)
 Betreft: Energieprogramma voor Europa
 

Overwegingen van milieubescherming, de gestegen prijzen en de problemen bij het vinden van de traditionele energiebronnen, zoals aardgas en aardolie, nopen ons tot een actief beleid op dit gebied, met een horizontale aanpak en gericht op een termijn van tenminste 30 jaar.

Is men bij de opstelling van het energieprogramma van de Europese Unie uitgegaan van een perspectief van tenminste 30 jaar? Welke problemen zijn er gerezen en welke conclusies zijn er getrokken bij de opstelling van dit progamma?

 
  
 

Tijdens de Voorjaarstop 2007 van de Europese Raad is overeenstemming bereikt over een energiebeleid voor Europa.

Het betreffende besluit van de Europese Raad is genomen op basis van de voorbereidende werkzaamheden die door de Commissie in gang zijn gezet, met name in verband met haar Groenboek van maart 2006 "Een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie voor Europa". Het Parlement heeft de betreffende ontwerpresolutie op 14 december 2006 aangenomen en heeft, net als de burgers in het algemeen, waardevolle suggesties gedaan voor vervolgwerkzaamheden. In januari 2007 heeft de Commissie het pakket "Energie voor een veranderende wereld" gepresenteerd, inclusief de mededeling "Een energiebeleid voor Europa"(1).

In de conclusies van de Europese Raad wordt onderkend dat de mondiale energiemarkt een Europese aanpak nodig heeft om duurzame, continu geleverde en aanvullende energie te waarborgen. In het actieplan dat door de Europese Raad is goedgekeurd, worden de elementen van die Europese aanpak beschreven: een goed functionerende interne energiemarkt, regelingen voor solidariteit in tijden van crises, duidelijke doelstellingen en inspanningsverplichingen inzake efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen, investeringskaders voor technologieën (met name met betrekking tot het afvangen en opslaan van koolstof en veilige nucleaire energie), en tot slot gerichte externe betrekkingen op energiegebied waarbij met één duidelijke stem wordt gesproken.

De tijdshorizon die in de voorbereidende werkzaamheden is gehanteerd, is 2030 en de jaren daarna. De modellen en scenario’s die uit de analyses naar voren zijn gekomen, staan op de website van de Commissie. Zij vormen de basis voor het beoordelen van alternatieve opties voor het actieplan.

De Europese Raad heeft een duidelijk, gerechtvaardigd actieplan goedgekeurd dat na een brede raadpleging is opgesteld. Hierdoor hebben wij een goed fundament gelegd voor de volgende prioriteit: de uitvoering van dat actieplan.

 
 

(1) COM(2007) 1

 

Vraag nr. 43 van Ryszard Czarnecki (H-0511/07)
 Betreft: Gemeenschappelijk energiebeleid
 

Betekent het feit dat het in het slotdocument van de laatste top in Brussel ontbreekt aan een gemeenschappelijke benadering van het energiebeleid dat er een ernstige vertraging is opgetreden in dit beleid, dat toch dringend nodig is?

 
  
 

De verdere ontwikkeling en uitvoering van het energiebeleid voor Europa is absoluut niet op een laag pitje gezet. De Commissie is daar op dit moment namelijk druk mee bezig op basis van het uitgebreide mandaat dat de Europese Raad in maart 2007 heeft verstrekt.

Het belangrijkste onderwerp van de Europese Raad in juni 2007 was het mandaat voor het hervormingsverdrag. Dit mandaat omvat ook de introductie van een specifiek artikel over energie. Dat artikel gaat verder dan de ontwerptekst over energie uit de ontwerpgrondwet van 2004. Het bevorderen van de onderlinge koppeling van netwerken wordt nu ook aangemerkt als een doel van het gemeenschappelijk energiebeleid, terwijl tevens wordt verwezen naar een energiementaliteit gebaseerd op solidariteit. In het bestaande artikel 100 zou een soortgelijke verwijzing naar solidariteit opgenomen moeten worden, waarbij energie specifiek genoemd dient te worden.

In de conclusies van de Europese Raad van juni 2007 wordt het belang van het energiebeleid onderstreept en worden verdere richtsnoeren voor de toekomst gegeven. Daartoe behoort ook een paragraaf (nr. 40) over het geïntegreerde klimaat- en energiebeleid van de Europese Unie. De Europese Raad wijst op zijn conclusies van maart 2007 en benadrukt het belang van een snelle en doeltreffende uitvoering van alle aspecten van het alomvattend actieplan voor energie om vorderingen te kunnen maken met het energiebeleid voor Europa. In het hoofdstuk over de betrekkingen tussen de EU en Afrika wordt in paragraaf 50 gesteld dat de Europese Raad ingenomen is met het voornemen om een partnerschap op het gebied van energie tussen Afrika en de EU tot stand te brengen.

Het is thans de taak van de Europese Raad om in het voorjaar van 2008 de vooruitgang te evalueren die de Commissie, het Parlement en de Raad hebben geboekt bij de uitvoering van het energiebeleid voor Europa.

 

Vraag nr. 44 van Manuel Medina Ortega (H-0449/07)
 Betreft: Aanleg van een nieuwe weg tussen La Aldea en Agaete (Gran Canaria, Spanje)
 

Is de Commissie zich bewust van het belang voor de inwoners van de zeer geïsoleerde gemeente La Aldea de San Nicolás, op het eiland Gran Canaria, van de aanleg van een nieuwe weg die deze gemeente zal verbinden met Villa de Agaete? Is de Commissie bereid de problemen te helpen oplossen die in verband met de aanleg van deze weg kunnen ontstaan, aangezien compensaties noodzakelijk zullen zijn om milieuschade te voorkomen?

 
  
 

De Commissie kan bevestigen dat zij naar aanleiding van de schriftelijke vragen P-0490/05 en E-1928/06 en een klacht over hetzelfde onderwerp contact heeft opgenomen met de Spaanse autoriteiten om te onderzoeken of het betreffende wegenproject voldoet aan de geldende communautaire milieuwetgeving.

Dit dossier is besproken tijden de inbreukbijeenkomst met de Spaanse autoriteiten op 26 april 2007 in Madrid. Naast de toezeggingen die tijdens deze bijeenkomst zijn gedaan, hebben de bevoegde autoriteiten de Commissie aanvullende informatie verstrekt over de procedures die nu gehanteerd worden en over de maatregelen die voorzien zijn om een volledige eerbiediging van het Gemeenschapsrecht met betrekking tot dit project te waarborgen. De Spaanse autoriteiten hebben daarbij met name gewezen op het belang van het project voor de inwoners van de gemeente La Aldea de San Nicolás. De bevoegde autoriteiten hebben de Commissie ook informatie verstrekt over de maatregelen die voorzien zijn om te zorgen dat eventuele gevolgen van het project voor beschermde gebieden binnen de grenzen blijven van Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(1).

Op dit moment wordt het Spaanse antwoord bestudeerd. De Commissie zal de geachte afgevaardigde op de hoogte stellen van haar conclusies.

 
 

(1) PB L 206 van 22.7.1992

 

Vraag nr. 45 van Manolis Mavrommatis (H-0450/07)
 Betreft: Illegale handel in oudheden
 

Volgens een bericht in de Griekse krant Eleftherotypia worden in het Carlosmuseum in Atlanta (VS) drie gestolen objecten uit de Griekse oudheid tentoongesteld, die verworven zijn via clandestiene opgravingen. Uit onderzoek blijkt dat de illegale transacties in 2002 en 2003 hebben plaatsgehad in diverse lidstaten van de EU. Dat betekent dat, ook al zijn de drie stukken illegaal opgegraven in Griekenland, zij in de VS zijn gekomen via andere lidstaten, zoals Italië, alsook via landen van de Europese Economische Ruimte, zoals Zwitserland. Op grond van Verordening (EEG) nr. 3911/92(1) van de Raad van 9 december 1992 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen en Richtlijn 93/7/EEG(2) van de Raad van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Lid- Staat zijn gebracht, streeft de Gemeenschap ernaar de nationale schatten op communautair grondgebied te beschermen.

Kan de Commissie, overwegende dat de preventieve controles aan de buitengrenzen van de Unie niet doeltreffend zijn geweest, zeggen welke extra maatregelen zij zal nemen om de bescherming van de buitengrenzen van de lidstaten te versterken? Zal zij nieuwe en meer doeltreffende vormen van administratieve samenwerking tussen de lidstaten voorstellen om de illegale uitvoer van nationale schatten naar derde landen te voorkomen? Welke maatregelen zijn in dit verband van kracht in de Europese Economische Ruimte?

 
  
 

De cultuurgoederen waarnaar de geachte afgevaardigde in zijn vraag verwijst, zijn afkomstig van clandestiene opgravingen in een lidstaat. Een van de meest effectieve maatregelen om dergelijke illegale activiteiten te bestrijden, is om het probleem bij de wortel aan te pakken door middel van het handhaven van de relevante nationale wetgeving.

Met betrekking tot vergunningen voor de uitvoer van cultuurgoederen uit de Gemeenschap is op grond van Verordening (EEG) nr. 3911/92(3) van de Raad en Verordening (EEG) nr. 752/1993(4) van de Commissie een controlesysteem van kracht dat gebaseerd is op vergunningen van de bevoegde autoriteiten die door de douaneadministraties van de lidstaten gecontroleerd dienen te worden. Er kan echter nooit helemaal uitgesloten worden dat het gehanteerde controlesysteem door criminele activiteiten omzeild wordt, met name wanneer goederen uit de Gemeenschap worden gesmokkeld. Het voorkomen van dergelijke ontduikingen van het systeem is in hoge mate afhankelijk van de controlemaatregelen die de lidstaten hebben genomen.

Om de noodzakelijke instrumenten ter beschikking te stellen voor de verbetering van de algemene handhaving van de verboden en beperkingen met betrekking tot de invoer en uitvoer van goederen, zijn op instigatie van de Commissie onlangs de volgende initiatieven ontwikkeld:

Door de recente wijzigingen van het communautair douanewetboek(5) en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen(6) is op Gemeenschapsniveau een gemeenschappelijk kader voor risicobeheer gecreëerd. Er worden nieuwe systemen gebruikt om risicogerelateerde informatie tussen de douane-instanties van de lidstaten en de Commissie uit te wisselen teneinde douanecontroles gerichter uit te kunnen voeren.

Volgens de recente wijzigingen van de communautaire douanewetgeving dienen tevens tijdig voorafgaand aan de uitvoer van goederen uitvoerverklaringen ingediend te worden. Daardoor hebben de douane-instanties van de lidstaten voldoende tijd om de noodzakelijke risicoanalyses uit te voeren en verdachte zendingen aan fysieke controles te onderwerpen.

Het voorstel van de Commissie voor de wijziging van Verordening (EG) nr. 515/97(7) doorloopt op dit moment de wetgevingsprocedures in het Parlement en de Raad. Door deze wijziging wordt het Douane-informatiesysteem verbeterd, waardoor het ook voor analytische doeleinden gebruikt kan worden. Daarnaast is er nu eveneens een automatische uitwisseling van gegevens tussen lidstaten mogelijk, kan er informatie met derde landen worden uitgewisseld en is de controle van persoonsgegevens gewaarborgd. In deze wijziging wordt ook voorgesteld om een referentiebestand van onderzoeksdossiers (FIDE) te creëren. Via dat bestand kunnen de onderzoeksinstanties van de Commissie en de lidstaten de bevoegde instanties van andere lidstaten traceren die een onderzoek starten c.q. hebben gestart naar een of meer personen of bedrijven. De daaruit voortvloeiende contacten kunnen gebruikt worden ter voorkoming, opsporing en bestrijding van activiteiten die een inbreuk vormen of vormden op de communautaire douanewetgeving, dus ook op het Gemeenschapsrecht betreffende de uitvoer van cultuurgoederen uit de EU.

Op grond van de "Overeenkomst inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties" (Napels-II-overeenkomst)(8) is er een instrument beschikbaar voor samenwerking in de derde pijler dat ook van toepassing is op cultuurgoederen. De werkingssfeer van die overeenkomst omvat niet alleen de voorkoming en opsporing van inbreuken op de nationale douanevoorschriften, maar ook het vervolgen en bestraffen van inbreuken op de communautaire douaneregelgeving.

Met betrekking tot de operationele samenwerking tussen de wetshandhavingsinstanties is vermeldenswaard dat het mandaat van Europol ook de illegale handel in cultuurgoederen omvat.

Bij Richtlijn 93/7/EEG van de Raad(9) betreffende de teruggave van cultuurgoederen zijn samenwerkingsmechanismen en een procedure voor de teruggave van nationale schatten vastgesteld wanneer cultuurgoederen op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.

Wat de samenwerkingsmechanismen betreft, heeft het adviescomité dat is opgericht op grond van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad en artikel 17 van Richtlijn 93/7/EEG van de Raad, in 2001 richtsnoeren vastgesteld voor het verbeteren en intensiveren van de administratieve samenwerking tussen de bevoegde nationale instanties middels een netwerk voor het leggen van contacten en het uitwisselen van informatie. In die richtsnoeren zijn de instellingen en personen opgenomen die nuttige informatie kunnen verschaffen over de bestaande communautaire instrumenten voor de regulering van de uitvoer van cultuurgoederen naar derde landen en de teruggave van objecten die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht.

In het tweede verslag over de toepassing van Richtlijn 93/7/EEG(10) wordt geconcludeerd dat er behoefte bestaat aan het verbeteren van de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen lidstaten. De Commissie zal dan ook nader bestuderen op welke wijze de richtsnoeren voor de administratieve samenwerking verbeterd kunnen worden.

 
 

(1) PB L 395 van 31.12.1992, blz. 1.
(2) PB L 74 van 27.3.1993, blz. 74.
(3) Verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad van 9 december 1992 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (PB L 395 van 31.12.1992), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 van de Raad van 14 april 2003 tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden die zijn vastgelegd in volgens de raadplegingsprocedure (gekwalificeerde meerderheid) goedgekeurde besluiten van de Raad (PB L 122 van 16.5.2003)
(4) Verordening (EEG) nr. 752/93 van de Commissie van 30 maart 1993 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (PB L 77 van 31.3.1993), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 656/2004 van de Commissie van 7 april 2004 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 752/93 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad betreffende de uitvoer van cultuurgoederen (PB L 104 van 8.4.2004)
(5) Verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 117 van 4.5.2005, blz. 13-19)
(6) Verordening (EG) nr. 1875/2006 van de Commissie van 18 december 2006 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 360 van 19.12.2006)
(7) COM(2006) 866 def.
(8) Akte van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (PB C 24 van 23.1.1998)
(9) Richtlijn 93/7/EEG van de Raad van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (PB L 74 van 27.3.1993), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 tot wijziging van Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (PB L 187 van 10.7.2001)
(10) COM(2005) 675 def.

 

Vraag nr. 46 van Sarah Ludford (H-0455/07)
 Betreft: Visumversoepelingsovereenkomst EU-Rusland
 

Kan de Commissie uitleggen waarom de EU-consulaten in Rusland niet voorbereid waren op de inwerkingtreding op 1 juni van de visumversoepelingsovereenkomst EU-Rusland, gezien het feit dat zij toen de administratieve instructies betreffende de gedetailleerde tenuitvoerlegging daarvan nog niet hadden ontvangen? Is de Commissie voornemens ervoor te zorgen dat de lidstaten in de toekomst beter voorbereid zijn op verdere visumversoepelingsovereenkomsten met Balkan- en nabuurschapslanden, gezien het belang van deze zaak voor de coherentie, het imago en de reputatie van de EU en voor handel en contacten van mens tot mens?

 
  
 

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Russische Federatie inzake de versoepeling van de afgifte van visa aan burgers van de Europese Unie en de Russische Federatie(1) dient per de datum van haar inwerkingtreding, d.w.z. per 1 juni 2007, ten uitvoer te worden gelegd.

Het is niet uitgesloten dat er zich problemen zullen voordoen tijdens de eerste paar dagen van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst. De Commissie beschikt echter niet over informatie waaruit blijkt dat de EU-consulaten in de Russische Federatie niet voorbereid waren op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst per de datum van haar inwerkingtreding, zoals de geachte afgevaardigde in haar vraag suggereert.

De Commissie heeft, in samenwerking met de lidstaten en de Russische autoriteiten, administratieve richtsnoeren opgesteld voor de lidstaten en de Russische consulaten teneinde voor een geharmoniseerde tenuitvoerlegging van de voorschriften van de overeenkomst te zorgen. Met het oog op de goedkeuring en uitvoering van deze ontwerprichtsnoeren zullen zij aan het gemengd comité worden voorgelegd dat toezicht moet houden op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst. Dat comité wordt in de nabije toekomst opgericht.

De Commissie zal deze kwestie in ieder geval in de bevoegde organen van de Raad aan de orde stellen om de lidstaten aan hun verplichtingen te herinneren met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en om informatie te verzamelen over mogelijke problemen daarbij.

 
 

(1) PB L 129 van 17.5.2007

 

Vraag nr. 47 van Glenis Willmott (H-0457/07)
 Betreft: Beperking van de afstanden waarover voedsel wordt vervoerd
 

De Commissie erkent dat het huidige energie- en transportbeleid van de EU niet duurzaam is. De EU heeft toegezegd de uitstoot van broeikasgassen te zullen terugbrengen, maar met het huidige energie- en transportbeleid zal de uitstoot van CO2 in de EU tegen 2030 zijn toegenomen met 5%. Deel van de uitdaging is beperking van de groei van het wegvervoer en vooral van het luchtvrachtverkeer. Ik weet dat de Commissie studeert op diverse maatregelen ter beperking van onze afhankelijkheid van sterk vervuilende fossiele brandstoffen en ter verbetering van onze energie-efficiëntie. Voedsel wordt tegenwoordig over steeds grotere afstanden vervoerd en de gevolgen voor het milieu van het gebruik van fossiele brandstoffen bij de aanvoer van overzee zijn veel groter dan bij lokale aanvoer. Welke rol ziet de Commissie weggelegd voor een verschuiving van de voedselaanvoer als deel van de oplossing en voor een beperking van de afstanden waarover voedsel wordt vervoerd om zo bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering?

 
  
 

De Commissie wil er eerst aan herinneren dat het vrije verkeer van goederen een essentiële bouwsteen van de gemeenschappelijke markt is en als zodanig een belangrijke bijdrage levert aan het concurrentievermogen en de welvaart. Bovendien moet het gemeenschappelijk vervoersbeleid elke vorm van concurrentievervalsing voorkomen voor wat betreft de kenmerken en trajecten van vervoerde producten, hetgeen voortvloeit uit de vrijheid van handel, maar in dit geval ook uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Desalniettemin is het van groot belang dat dit beleid wordt ondersteund door duurzame mobiliteit, zoals voorgesteld door de Commissie in de tussentijdse evaluatie van het witboek uit 2001 over vervoer en in de aanverwante strategieën van de EU inzake klimaatverandering en energie. Zo dient er een schoner goederenvervoer gestimuleerd te worden via technologische en organisatorische innovaties, met name om uit te komen bij "groene" aandrijving, de toepassing van intelligente vervoerssystemen en de bevordering van efficiënte logistiek. Ook moet een adequaat beleid worden gevoerd op het gebied van investeringen en markttoegang om optimaal gebruik te kunnen maken van alle vervoerswijzen afzonderlijk of tezamen (co-modaliteit). En bovenal moet er op worden toegezien dat de werkelijke kosten, inclusief de schadelijke milieueffecten, worden meegenomen in de vervoerskosten. De Commissie werkt aan een methodiek voor de doorberekening van de externe kosten in de Europese Unie, die in 2008 gereed zal zijn.

Voorts onderstreept de Commissie in het onderhavige geval dat het grootste deel van de uitvoer en invoer van landbouwproducten en voedingsmiddelen plaatsvindt via vervoer over zee, dat over het algemeen minder belastend is voor het milieu dan andere wijzen van vervoer. Wat de ontwikkelingslanden tot slot betreft, die nauwelijks verantwoordelijk zijn voor de klimaatverandering maar daar wel de gevolgen van ondervinden, blijft de mogelijkheid om hun producten naar Europa uit te voeren van kapitaal belang, zodat de kwestie van de herkomst van onze levensmiddelen zich niet laat vangen in een programma van simpelweg "verschuiven van de voedselaanvoer".

 

Vraag nr. 48 van Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (H-0458/07)
 Betreft: Regionaal beleid - nieuwe indicatoren voor het meten van de ontwikkeling in de regio's van de EU
 

Het Bruto Binnenlands Product (BBP) vormt een goede weerspiegeling van de economische ontwikkeling van de regio's van de EU en kan gemakkelijk worden berekend, maar deze indicator volstaat niet voor het meten van de graad van sociale en territoriale cohesie.

Zou de Europese Commissie, naast het BBP en het werkloosheidscijfer, ook andere indicatoren kunnen voorstellen, waaronder kwalitatieve indicatoren die op Europees vlak vergelijkbaar zijn, en waarmee de ontwikkeling van de afzonderlijke regio's van de EU kan worden gemeten en vergeleken (indicatoren voor bij voorbeeld de ontwikkeling van de human resources, toegang tot infrastructuurvoorzieningen e.d.)?

 
  
 

Hoewel het Bruto Binnenlands Product (BBP) een belangrijke indicator blijft voor het meten van de economische prestaties en de cohesie tussen regio’s, is de Commissie ook van mening dat het BBP alleen niet in staat is om alle aspecten van de economische, sociale en territoriale cohesie te bestrijken. Daarom wordt in het vierde cohesieverslag(1) een breed scala aan indicatoren gebruikt om die economische, sociale en territoriale cohesie te beschrijven. Zo zijn onder andere de volgende factoren gemeten: werkloosheid en werkgelegenheid, indicatoren in verband met onderzoek en ontwikkeling, de kwaliteit van de verkeerswegeninfrastructuur, het opleidingsniveau van de bevolking, en de toegang tot het luchtverkeer, de ziekenhuizen en de universiteiten. Overigens zijn niet alle factoren in de definitieve versie van het verslag opgenomen.

De Commissie zal in 2008 een mededeling over sociale cohesie voorleggen waarin nader wordt onderzocht op welke wijze dit concept zowel kwantitatief als kwalitatief gemeten kan worden.

 
 

(1) "Growing regions, growing Europe", vierde verslag over de economische en sociale cohesie, mei 2007: http://ec.europa.eu/regional_policy/index_en.htm

 

Vraag nr. 49 van Jacky Henin (H-0461/07)
 Betreft: Beveiliging parkeerplaatsen voor voertuigen met gevaarlijke lading
 

Steeds meer goederen en dus ook gevaarlijke goederen bevinden zich op de wegen van de Unie in plaats van in opslagplaatsen of fabrieken. De wetgeving van de Unie op het gebied van het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg is op één punt echter verontrustend zwak: de parkeerplaatsen.

Afhankelijk van de goederen die daar worden geparkeerd, kunnen dergelijke parkeerplaatsen de facto SEVESO-lokaties zijn. Bewaakte openbare parkeerplaatsen voor voertuigen die gevaarlijke stoffen transporteren zijn zeldzaam. Over het algemeen zijn er te weinig parkeerplaatsen of zijn deze te klein voor werkelijk veilig parkeren. Als zich ongelukken voordoen op een parkeerplaats zullen de rampenplannen ernstig tekortschieten omdat er geen informatie beschikbaar is over de aard van de aanwezige gevaarlijke stoffen noch over de eventuele reacties tussen deze stoffen.

Hoe denkt de Commissie de communautaire wetgeving inzake het parkeren van wegvoertuigen die gevaarlijke goederen transporteren aan te scherpen en naleving daarvan af te dwingen?

 
  
 

Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg is in de EU-wetgeving geregeld middels Kaderrichtlijn 94/55/EG(1). In de bijlagen van die kaderrichtlijn zijn vereisten vastgelegd voor het gebruik van beveiligde parkeerplaatsen voor bepaalde stoffen en voor alle "gevaarlijke goederen met grote gevolgen", te weten de gevaarlijke goederen die de meeste aantrekkingskracht op terroristen uitoefenen. De bijlagen bij de richtlijn worden elke twee jaar geactualiseerd en in het kader van dat proces worden telkens ook de voorwaarden voor beveiligd parkeren herzien.

De handhaving van de vereisten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats op grond van Richtlijn 95/50/EG(2). Op basis van de wijzigingen die eind 2005 in deze richtlijn zijn aangebracht, is er een nieuw systeem van risicocategorieën ingevoerd. In dit systeem wordt een inbreuk op de voorschriften voor beveiligd parkeren geclassificeerd als een categorie-II-risico. Dat is een inbreuk waarbij risico’s ontstaan van letsel voor personen of van aantasting van het milieu. Het indelen van inbreuken in risicocategorieën wordt op dit moment nader geëvalueerd.

Vanuit een meer algemeen perspectief onderkent de Commissie de noodzaak voor adequate parkeervoorzieningen voor het wegverkeer. Tegen die achtergrond heeft zij op 12 juni 2007 het startsein gegeven voor een proefproject om investeringen in beveiligde parkeerterreinen langs het trans-Europese netwerk te bevorderen teneinde vrachtrijders tegen criminaliteit in verband met hun lading te beschermen en hun arbeidsomstandigheden te verbeteren. In het kader van het project zullen op vijf locaties normen ontwikkeld en getest worden. Een van de onderdelen van het project is de constructie van een nieuw beveiligd parkeergebied bij Valenciennes met een aparte parkeerzone voor vrachtwagens met gevaarlijke goederen.

 
 

(1) PB L 319 van 12.12.1994; PB L 275 van 28.10.1996
(2) PB L 249 van 17.10.1995; PB L 87 van 8.4.2000

 

Vraag nr. 50 van James Nicholson (H-0463/07)
 Betreft: Braziliaanse rundveefokkerijen
 

Is de Commissie op de hoogte van de recente onthullingen in het Irish Farmers Journal van 26 mei 2007 over het feit dat in Brazilië de regelgeving inzake rundveefokkerijen op grote schaal wordt geschonden?

 
  
 

De Commissie is bekend met de artikelen die in het Irish Farmers Journal zijn gepubliceerd.

De informatie in die artikelen komt echter niet overeen met de resultaten van de inspecties die door het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) van de Commissie in Brazilië zijn uitgevoerd.

Uit de inspecties van het VVB zijn weliswaar bepaalde tekortkomingen aan het licht gekomen, maar deze rechtvaardigen in deze fase nog geen wijziging van het beleid ten opzichte van Brazilië met betrekking tot de invoer van rundvlees.

De Commissie blijft op dit punt echter waakzaam en zij volgt de maatregelen die in Brazilië worden genomen om de tekortkomingen aan te pakken die door het VVB zijn vastgesteld, nauwlettend.

 

Vraag nr. 51 van Marian Harkin (H-0516/07)
 Betreft: Testen Braziliaans rundvlees op residuen
 

Zou de Commissie kunnen meedelen in hoeverre in de EU ingevoerd Braziliaans rundvlees wordt getest op residuen, ten eerste door de Braziliaanse autoriteiten in Brazilië en ten tweede door de diensten van de Commissie in Brazilië en op de plaats van aanvoer in de EU? Wat zijn de uitkomsten van deze door de betrokken autoriteiten uitgevoerde tests? Zou de Commissie in het belang van de veiligheid en het vertrouwen van de consument gedetailleerde gegevens kunnen verstrekken omtrent de resultaten van deze tests van de afgelopen drie jaar ?

 
  
 

Voedsel van dierlijke oorsprong mag uitsluitend uit een derde land in de EU worden ingevoerd indien dat land een jaarlijks plan heeft overgelegd met de geboden garanties betreffende de groepen residuen en stoffen waarnaar in bijlage I bij Richtlijn 96/23/EG van de Raad wordt verwezen. Die garanties dienen minimaal hetzelfde effect te bewerkstelligen als de effecten die in de richtlijn zijn voorzien. Indien uit een evaluatie blijkt dat de plannen gelijkwaardige garanties bieden, wordt een aanbeveling gedaan om die landen te handhaven op de lijst van derde landen met goedgekeurde plannen voor het toezicht op residuen. De lijst met goedgekeurde derde landen wordt in een besluit van de Commissie gepubliceerd waarover via de comitologieprocedure door de vertegenwoordigers van de lidstaten wordt gestemd.

Het Braziliaanse residuenplan met betrekking tot rundvlees en een aantal andere producten is goedgekeurd en dat betekent dat Brazilië opgenomen is in bovengenoemd besluit. Ten opzichte van de plannen die tijdens de inspectiemissies van 2003 en 2005 door het VVB in verband met residuen zijn gecontroleerd, is het gehele huidige Braziliaanse residuenplan aanzienlijk verbeterd. De producten ten aanzien waarvan geoordeeld werd dat het plan geen gelijkwaardige garanties biedt, zijn door de Commissie uit de lijst geschrapt (bijvoorbeeld honing en gefokt wild).

Wanneer zendingen voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong via grensinspectieposten de EU worden ingevoerd, beslissen de lidstaten op basis van een risicobeoordeling of die zendingen op residuen, farmacologisch werkzame stoffen of in het natuurlijk milieu aanwezige verontreinigende stoffen getest moeten worden.

Het Braziliaanse residuenplan voor vee is door de Commissie goedgekeurd. Met betrekking tot groeibevorderende stoffen zoals hormonen en beta-agonisten dekt het plan zelfs alle groepen stoffen die in Richtlijn 96/23/EG van de Raad zijn opgenomen. Net als de lidstaten publiceert ook Brazilië elk jaar de relevante resultaten. In de afgelopen drie jaar zijn er geen residuen van beta-agonisten ontdekt. Residuen van zeranol (een hormoonachtige stof) zijn in ongeveer 0,1 procent van het vee aangetroffen dat in 2005 en 2006 getest is. De aanwezigheid van deze stof kan een gevolg zijn van bewust (illegaal) gebruik ervan, maar residuen kunnen ook voorkomen door een besmetting van voedingsmiddelen voor dieren. Over dit laatste verschijnsel zijn wereldwijd meldingen bekend, inclusief uit de lidstaten.

De lidstaten rapporteren de resultaten van residuentests van ingevoerde levensmiddelen van dierlijke oorsprong aan de diensten van de Commissie. Bij een positief testresultaat zijn de lidstaten verplicht om de Commissie en de andere lidstaten hiervan in kennis te stellen via het systeem voor snelle waarschuwingen over levensmiddelen en diervoeders (RASFF).

Wat het Braziliaans rundvlees betreft, dateert de laatste RASFF-kennisgeving voor residuen van ofwel hormonen ofwel beta-agonisten uit 2001. In dat jaar is de beta-agonist clembuterol aangetroffen in een zending cornedbeef bestemd voor het Verenigd Koninkrijk.

Tussen 1 januari 2006 en 25 juni 2007 zijn 274 partijen Braziliaans rundvlees door de lidstaten bemonsterd en getest op uiteenlopende residuen van veterinaire geneesmiddelen en besmettelijke stoffen. Van die partijen zijn er 57 getest op residuen van hormonale stoffen. De lidstaten hebben in die periode geen enkel positief testresultaat doorgegeven via het RASFF-systeem.

Samengevat kan de Commissie de geachte afgevaardigde de verzekering geven dat de invoer van Braziliaans rundvlees noch vanuit geneeskundig noch vanuit residuenperspectief een inbreuk vormt op de hoge gezondheidsnormen waarop de Europese consument recht heeft.

 

Vraag nr. 52 van Mairead McGuinness (H-0465/07)
 Betreft: Normen voor de fabricage van autokinderzitjes
 

Is het de Commissie bekend dat uit een recent onderzoek van een Britse consumentenrechtenorganisatie(1) is gebleken dat er significante zwakke plekken zitten in de normen die gelden voor de fabricage en de beproeving van kinderzitjes?

Het rapport komt met name tot de conclusie dat de thans geldende minimumnorm (ECE R44.03) voor de fabricage van deze autozitjes niet hoog genoeg is om kinderen afdoende te beschermen in het geval van een zijdelingse botsing.

Is de Commissie van plan hier nader onderzoek naar te doen om ervoor te zorgen dat de normen die gelden voor de fabricage en de verkoop van alle kinderzitjes doeltreffend en stringent genoeg zijn?

 
  
 

Sinds mei 2006 dienen alle kinderen vervoerd te worden in zitjes die aangepast zijn aan hun lichaamsbouw en leeftijd. Dat vloeit voort uit de voorschriften van Richtlijn 2003/20/EG(2), die het gebruik van veiligheidsgordels verplicht stelt en waarin minimumnormen op technisch gebied zijn vastgelegd waaraan kinderzitjes dienen te voldoen.

Die criteria zijn neergelegd in Reglement 44 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties in Genève. Ze zijn onlangs aangescherpt met betrekking tot de controle op de naleving van de productievereisten. De Europese Gemeenschap is in 1997 tot dit Reglement toegetreden.

De Commissie is op de hoogte van de recente testcampagne in verband met kinderzitjes, waarvan de resultaten op 5 juni 2007 door de Britse organisatie voor consumentenrechten zijn gepubliceerd en waarnaar de geachte afgevaardigde in haar vraag verwijst. Die tests wijzen inderdaad in de richting van zwakke plekken in de huidige technische normen voor de productie en het testen van autozitjes.

De Commissie is druk bezig met het analyseren van de testresultaten en de beschikbare onderzoeken met het oog op het verbeteren van de relevante voorschriften.

 
 

(1) Het onderzoek is uitgevoerd door Which?. Alle gegevens kunnen worden geraadpleegd op: https://www.which.co.uk/reports_and_campaigns/cars/reports/safety_and_security/car_safety/Child%20seats/Child_seats_esential_guide_574_74191_8.jsp
(2) Richtlijn 2003/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 april 2003 tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton – PB L 115 van 9.5.2003

 

Vraag nr. 53 van Liam Aylward (H-0469/07)
 Betreft: Etikettering van lamsvleesproducten voor de verkoop in de EU
 

Kan de Europese Commissie aangeven welke maatregelen op het gebied van etikettering en traceerbaarheid zij voornemens is te nemen om ervoor te zorgen dat consumenten in de EU nu en in de toekomst zeker weten dat wat ze in de supermarkt kopen en in het restaurant eten, goedgekeurde lamsvleesproducten zijn, lamsvleesproducten uit een bepaalde EU-lidstaat of lamsvleesproducten die uit een derde land in de EU zijn ingevoerd?

 
  
 

De regels voor de etikettering van lamsvleesproducten voor eindgebruikers zijn vastgelegd in de algemene Richtlijn 2000/13/EG betreffende de etikettering van levensmiddelen. Volgens die voorschriften dient op het etiket uitsluitend de oorsprong van het lamsvlees vermeld te worden indien het weglaten daarvan misleidend zou kunnen zijn voor de consument wat de werkelijke oorsprong van het product betreft.

Op grond van de EU-voorschriften is het vermelden van de oorsprong van lamsvleesproducten niet verplicht, mits de etikettering of presentatie van het lamsvleesproduct geen informatie bevat die de consument zou kunnen misleiden, zoals een afbeelding of een vlag die een verkeerde voorstelling zou kunnen geven van de werkelijke oorsprong.

Ongeacht de oorsprong van het lamsvlees dat op de markt in de EU wordt gebracht, zijn altijd dezelfde voorschriften voor voedselhygiëne van kracht. Uit voedselveiligheidsoverwegingen is op grond van de algemene levensmiddelenwetgeving gewaarborgd dat de oorsprong van het lamsvlees tijdens de hele voedselketen getraceerd kan worden.

Op de informatie over levensmiddelen die aan eindgebruikers en restaurants verkocht worden, is Europese wetgeving van toepassing, in het bijzonder Richtlijn 2000/13/EG. De informatie die restaurants aan consumenten dienen te verstrekken, is echter niet Europees gereguleerd.

De restauranteigenaar en het personeel beschikken wel over alle benodigde informatie, die zij op verzoek aan klanten kunnen verstrekken. Daarbij dient bedacht te worden dat restaurants hun basisproducten vaak elke dag vers kopen en dat een strenge regelgeving op dit punt wel eens niet passend zou kunnen blijken te zijn.

De kwestie van de toekomstige regelgeving over de etikettering in verband met de oorsprong van levensmiddelen maakt onderdeel uit van het raadplegings- en evaluatieproces in het kader van de herziening van de Etiketteringsrichtlijn. Die herziening staat gepland voor eind 2007.

 

Vraag nr. 54 van Eoin Ryan (H-0471/07)
 Betreft: Bestrijding doping in de sport
 

Kan de Commissie een verklaring afleggen over de vraag welke nieuwe maatregelen zij neemt om doping in de sport te bestrijden?

 
  
 

Tot nu toe is de rol van de Commissie bij het bestrijden van doping in de sport beperkt geweest omdat er in de Verdragen geen expliciete bevoegdheid voor de EU is voorzien op sportgebied.

Op verzoek van de Commissie heeft de Europese groep Ethiek op 11 november 1999 een advies uitgebracht. Kort daarna, op 1 december 1999, heeft de Commissie een ondersteuningsplan goedgekeurd dat door het Parlement positief is ontvangen. Op basis van dit plan konden onder andere zestien proefprojecten in 2000-2001 gefinancierd worden en nog eens zestien projecten in 2001-2002. In totaal was daar een bedrag van 7 360 212 EUR mee gemoeid. Tot de belangrijke projecten die in dit verband zeker genoemd moeten worden, behoort de eerste transnationale studie naar dopingpraktijken in sportscholen in Europa. De publicatie daarvan heeft in veel kringen een belletje doen rinkelen. Inmiddels heeft er een externe evaluatie van de eerste zestien proefprojecten plaatsgevonden en het resultaat daarvan is aan het Parlement voorgelegd. Daarnaast is er in 2004 in het kader van het programma voor de volksgezondheid 2003-2008 een project medegefinancierd dat gericht is op het harmoniseren van de kennis over biomedische bijwerkingen van doping. Het project is ook bedoeld voor het aanvullen en verspreiden van het materiaal dat is ontwikkeld over de gezondheidseffecten van doping en misbruik van geneesmiddelen met betrekking tot verschillende leeftijdsgroepen, het verslavingsrisico en genderspecifieke verschillen. Het project duurt 36 maanden.

De Commissie heeft ook een actieve rol gespeeld bij de oprichting van het nieuwe Wereldantidopingagentschap (WADA).

In maart 2007 hebben de ministers van Sportzaken van de lidstaten tijdens een bijeenkomst in Stuttgart besloten om een netwerk op te richten van de nationale organisaties ter bestrijding van doping in de lidstaten. De Commissie heeft het Duitse voorzitterschap ondersteund bij het opzetten van dit netwerk, inclusief een openingsmanifestatie in Brussel op 25 juni 2007. Uiteraard is daarbij rekening gehouden met het intergouvernementele karakter van deze activiteiten en met de rol die de lidstaten hierbij spelen. De werkzaamheden van het netwerk zullen zich met name richten op samenwerking en uitwisseling van informatie op gebieden als wetgeving, medicijnen, testprocedures, onderzoek, voorlichting en preventie.

In het algemeen is de Commissie zich ervan bewust dat doping wereldwijd een bedreiging voor de sport vormt, dus ook voor de Europese sport, en dat dopinggebruik het beginsel van een open en eerlijke competitie ondermijnt. Doping vormt ook een ernstige bedreiging van de individuele gezondheid en het is daarom noodzakelijk om de wetshandhaving en preventieve activiteiten met het oog op die gezondheid beter op elkaar af te stemmen.

Dit uitgangspunt zal nader uitgewerkt worden in het geplande witboek over sport.

 

Vraag nr. 55 van Seán Ó Neachtain (H-0473/07)
 Betreft: EU-tarieven voor de invoer van gekookt wulkvlees uit Zuid-Korea
 

De Europese Unie hanteert een 20%-tarief voor de invoer van gekookt wulkvlees uit Zuid-Korea in de Europese Unie. De tariefcode voor deze invoer is 1605-90-30.

Heeft de Europese Unie het voornemen deze tariefregeling in de nabije toekomst te verlagen of af te schaffen?

 
  
 

Zoals de geachte afgevaardigde aangeeft, bedraagt het tarief voor het invoeren van gekookt wulkvlees uit Zuid-Korea in de EU inderdaad 20 procent.

Zoals de geachte afgevaardigde ongetwijfeld weet, zijn onlangs onderhandelingen in gang gezet met het oog op het sluiten van een vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Zuid-Korea. Het gaat om zeer brede en belangrijke onderhandelingen.

Tijdens die onderhandelingen zullen ook de tariefregelingen voor visserijproducten aan de orde komen. Het is echter nog te vroeg om conclusies te trekken over eventuele wijzigingen in de tarieven die voor dit specifieke product gelden.

 

Vraag nr. 56 van Chris Davies (H-0476/07)
 Betreft: Tenuitvoerlegging EU-wetgeving door lidstaten
 

Kan de Commissie meedelen bij hoeveel gelegenheden zij de afgelopen twaalf maanden heeft gevraagd het vraagstuk van de ontoereikende tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door lidstaten op de agenda van de verschillende zittingen van de Raad te plaatsen?

 
  
 

Afgaande op een eerste controle lijken zich in de afgelopen twaalf maanden geen gevallen te hebben voorgedaan waarin formeel is verzocht om de behandeling van enig dossier van schending van het Gemeenschapsrecht tijdens een zitting van de Raad van ministers.

Dit neemt niet weg dat hier naar aanleiding van deze of gene gelegenheid inderdaad in algemene termen over gesproken kan worden in de Raad, bijvoorbeeld bij de presentatie van het jaarverslag over de uitvoering van een bepaald programma of actieplan. In de afgelopen twaalf maanden is dit in de volgende gevallen gebeurd:

tijdens diverse vergaderingen van de Raad Concurrentievermogen in 2006-2007 zijn de lidstaten aangemoedigd met de Commissie samen te werken om van hun kant de nodige inspanningen te leveren die ertoe moeten leiden dat de doelen van de agenda Beter wetgeven – waaronder de juiste toepassing van het Gemeenschapsrecht – worden bereikt;

soms staat de tenuitvoerlegging in de Raad van ministers op de agenda als informatie- of discussiepunt in verband met het Scorebord van de interne markt, d.w.z. tweemaal per jaar. Tijdens de Raad Concurrentievermogen van februari 2007 besloot de Raad het streefcijfer voor het omzettingstekort naar beneden bij te stellen, van 1,5 procent naar 1 procent in 2009, gezien de goede resultaten van de lidstaten in december 2006.

In dit verband kan ter indicatie nog een ander, recent voorbeeld worden gegeven:

de Commissie heeft op 3 juli 2007(1) een verslag aangenomen over de uitvoering van het Haags programma voor 2006, waarmee zij gehoor geeft aan de oproep van de Raad aan de Commissie om jaarlijks een verslag in te dienen over de uitvoering van het Haags programma en actieplan ('scoreboard'). Naast het volgen van dit uitvoeringsproces beoogt het verslag ook na te gaan in hoeverre beleidsmaatregelen op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid door de lidstaten worden uitgevoerd. Het gaat hierbij zowel om instrumenten uit hoofde van het EG-Verdrag als instrumenten die zijn aangenomen krachtens Titel VI van het EU-Verdrag.

 
 

(1) COM (2007) 373 def.

 

Vraag nr. 57 van Robert Evans (H-0478/07)
 Betreft: Somaliërs in de EU
 

Alleen al in het VK wonen 400.000 personen die Somalisch spreken. In de hele EU misschien wel een miljoen. Heeft de Commissie ooit nagedacht over steunregelingen voor de Somalische gemeenschappen in de Unie?

 
  
 

De vraag van de geachte afgevaardigde heeft betrekking op de initiatieven die de Commissie genomen heeft ter ondersteuning van immigrantengemeenschappen in de EU, meer in het bijzonder de Somalische gemeenschap. De initiatieven van de Commissie zijn echter niet op specifieke gemeenschappen gericht. Alle immigrantengemeenschappen kunnen profiteren van beleids- en financiële steun op het gebied van de integratie van burgers uit derde landen. De gemeenschappen worden ook aangemoedigd om van die steun gebruik te maken.

Om kans van slagen te hebben, dienen alle beleidsinspanningen met adequate financiële middelen ondersteund te worden. Sinds 2003 heeft de Commissie transnationale integratieprojecten medegefinancierd om de samenwerking tussen lidstaten, regionale / lokale autoriteiten en andere belanghebbenden te bevorderen in het kader van voorbereidende INTI-acties(1). Uit hoofde van het kaderprogramma Solidariteit en het beheer van de migratiestromen (2007-2013) zal het Europese INTI-fonds steun verlenen bij het aangaan van de uitdagingen op integratiegebied waarmee Europa wordt geconfronteerd. Via dit fonds wordt getracht om een nieuwe vorm van solidariteit te creëren ter ondersteuning van de inspanningen van lidstaten om onderdanen van derde landen met een verschillende culturele, religieuze, linguïstische en etnische achtergrond in staat te stellen om te integreren en actief deel te nemen aan alle aspecten van de Europese samenlevingen. Het fonds zal steun verlenen aan de ontwikkeling van nationale integratiestrategieën en actieplannen die gebaseerd zijn op de gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid inzake de integratie, op de coördinatie van nationale beleidsmaatregelen voor integratie en op het bevorderen van een structurele uitwisseling van ervaringen, beste praktijken en informatie over integratie (825 miljoen EUR voor 2007-2013).

Ten aanzien van de integratie van onderdanen van derde landen waarvan lidstaten erkennen dat zij behoefte hebben aan internationale bescherming en die dientengevolge een beschermde status hebben gekregen (vluchtelingenstatus of recht op subsidiaire bescherming), zijn er specifieke EU-instrumenten beschikbaar voor de regulering en bevordering van die integratie, ook via financiële steun. Richtlijn 2004/83/EG van de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft (de "Kwalificatierichtlijn") legt de lidstaten daarnaast specifieke verplichtingen op om adequate integratieprogramma’s te hanteren en de randvoorwaarden te creëren om de deelname aan dergelijke programma’s door deze categorieën onderdanen van derde landen te waarborgen. Bovendien wordt via het Europees Vluchtelingenfonds dat sinds 2000 operationeel is, uitgebreide en doelgerichte financiële steun verleend aan de inspanningen van de lidstaten om integratieprogramma’s voor deze groepen te ontwikkelen en uit te voeren. Via het Vluchtelingenfonds wordt ook steun verleend aan alle andere betrokken partijen die relevante transnationale acties of andere op integratie gerichte activiteiten uitvoeren die in het belang zijn van de Gemeenschap als geheel.

 
 

(1)Integration of Third County Nationals (Integratie van onderdanen van derde landen)

 

Vraag nr. 58 van Katerina Batzeli (H-0484/07)
 Betreft: Aanwijzing van steden als "attractie- en ontwikkellingspunt" (in het kader van ESPA 2007-2013 (Griekenland)) voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid
 

Eén van de hoofddoelen van het communautaire structuurbeleid is het aanpakken van de structurele werkloosheid door middel van maatregelen gericht op het creëren van werkgelegenheid, het aanzwengelen van de groei en het vergroten van de maatschappelijke cohesie. Het communautair structuurbeleid kent hiervoor verschillende programma's.

Aan de hand van welke criteria wijzen de lidstaten steden als "attractie- en ontwikkelingpunt" aan? Is er in ESPA 2007-2013 een maximum aantal van dergelijke steden per lidstaat vastgesteld?

Wat is hun rol en op welke wijze ondersteunen deze steden het ontwikkelingsbeleid van de andere steden en de andere regio's die niet niet als "attractie- en ontwikkelingspunt" zijn aangewezen?

In welk stadium bevinden zich de besprekingen tussen de Commissie en de lidstaten over de definitieve aanwijzing van steden als "attractie- en ontwikkelingspunt" en over hun programma's?

Kan het aantal steden dat als "attractie- en ontwikkelingspunt" wordt aangewezen voor Griekenland worden uitgebreid in het kader van de regionale operationele programma's, bijvoorbeeld met de toevoeging van Lamía (hoofdstad van de provincie Centraal-Griekenland in het derde communautair bestek, een gebied met een flinke deïndustrialisering en oplopende werkloosheid)?

 
  
 

De communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie die de Raad op 6 oktober 2006(1) heeft aangenomen, onderstrepen het belang van de bijdrage die stedelijke centra leveren aan groei en aan meer en betere banen. In dat verband wordt onder andere opgeroepen om maatregelen te nemen ter bevordering van een meer evenwichtige, polycentrische ontwikkeling door stedelijke netwerken op nationaal en communautair niveau te promoten. Hiervoor moeten strategische keuzes worden gemaakt bij de vaststelling en versterking van groeikernen en van hun bijdrage aan het bevorderen van de Lissabon-strategie. In de strategische richtsnoeren wordt verwezen naar stedelijke gebieden met meer dan 50 000 inwoners en naar hun potentieel wat betreft ondernemerschap, innovatie, onderzoek, technologische ontwikkeling en inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Deze gebieden zijn volledig in overeenstemming met de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid en vormen de hoeksteen van de herziene Lissabon-strategie. Hieruit volgt – zelfs als de strategische richtsnoeren inzake cohesie niet naar een specifiek aantal groeikernen verwijzen – dat er slechts een beperkt aantal gebieden aan de betreffende criteria zal voldoen vanwege het ontwikkelingspotentieel dat zij moeten kunnen aantonen.

In de nationale strategische referentiekaders en de operationele programma’s van vrijwel alle lidstaten wordt het van belang geacht om de ontwikkeling van sterke stedelijke centra te waarborgen met het oog op een spreiding van de groei en werkgelegenheid over een groter gebied en ook over het achterliggende platteland. Stedelijke gebieden en regionale centra worden niet alleen als doorgeefluik voor kennis en gespecialiseerde vaardigheden beschouwd, maar ook als promotors van mededinging, als stuwende krachten achter ontwikkeling en als motoren voor groei van de gehele regio waarin het stedelijke centrum zich bevindt. In de ingediende programma’s wordt het belang benadrukt van een koppeling tussen dergelijke groeicentra en hun achterland en de omringende plattelandsgebieden. Een aanzienlijk deel van de geplande uitgaven uit hoofde van de Structuurfondsen zal besteed worden aan het verbeteren van het concurrentievermogen door het bevorderen van innovatie. De meeste van deze investeringen zullen naar stedelijke ontwikkelingscentra vloeien.

In het Griekse nationale strategische referentiekader (NSR) wordt voorzien dat alle grote stedelijke centra van Griekenland als groeikern kunnen functioneren. In overeenstemming met de bovengenoemde communautaire strategische richtsnoeren en in het kader van de toepassing van de Lissabon-strategie wordt een reeks criteria geformuleerd voor het in kaart brengen van dergelijke groeikernen. In het Griekse NSR wordt echter ook opgemerkt dat de indeling die het gevolg is van het toepassen van deze criteria, nog herzien moet worden aan de hand van de toekomstige ontwikkeling van de betreffende gebieden en hun bijdrage aan het bevorderen van de Lissabon-strategie. De Commissie is er in ieder geval een groot voorstander van dat voor de plannen voor die groeikernen in de eerste helft van 2008 een oproep tot het indienen van voorstellen wordt gedaan. Belanghebbenden uit alle belangrijke stedelijke centra in Griekenland kunnen dan aan deze oproep deelnemen.

Hoewel andere gebieden ook steun voor soortgelijke activiteiten kunnen aanvragen, is het concept van de groeikernen duidelijk bedoeld als instrument om in specifieke geografische gebieden met de vereiste kenmerken geconcentreerde en gecoördineerde interventies te ondersteunen ter bevordering van innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling, kennisoverdracht, informatie- en communicatietechnologieën en expertisecentra voor onderwijs en opleiding.

 
 

(1) PB L 291 van 21.10.2006

 

Vraag nr. 60 van Danutė Budreikaitė (H-0492/07)
 Betreft: Regionaal beleid
 

Het doel van het regionaal beleid is het elimineren van de kloof in ontwikkeling tussen regio's. Daarvoor wordt een structuurfonds ingezet, in het bijzonder het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO).

Litouwen is als een voor steun in aanmerking komende regio aangewezen en krijgt steun als zijnde één regio. Geografisch en cultureel gezien bestaat Litouwen evenwel uit vier regio's. Ook qua niveau van economische ontwikkeling, werkgelegenheidssituatie en sociale problemen zijn er tussen deze vier regio's grote verschillen.

Kan de Commissie meedelen welke mogelijkheden er zijn om het regionaal beleid flexibeler vorm te geven? Kan Litouwen het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling niet decentraal inzetten, bijvoorbeeld door de regio's het geld overeenkomstig hun ontwikkelingsniveau en overeenkomstig de doelstelling van het elimineren van ontwikkelingsverschillen ter beschikking te stellen? Welke maatregelen zou Litouwen hiertoe zelf kunnen nemen?

 
  
 

De besluitvorming over de opzet voor het uitvoeren van het Europees regionaal beleid is de verantwoordelijkheid van de lidstaten. De Commissie draagt er zorg voor dat die opzet in overeenstemming is met de voorschriften van het regelgevingskader. Dat geldt ook voor Litouwen, dat ten opzichte van de periode 2004-2006 een aantal maatregelen genomen heeft om de regionale toewijzing van de financiering te verbeteren.

In het NSR (nationaal strategisch referentiekader) voor 2007-2013 is voor regionale economische groeicentra en probleemgebieden gerichte steun voorzien voor het bevorderen van de economische, sociale en culturele ontwikkeling van deze geselecteerde geografische gebieden.

Litouwen heeft de regionale ontwikkeling ook aangemerkt als een van de vier horizontale thema’s van het NSR om in de gehele strategie een omvattende benadering te waarborgen. Daarnaast is als doelstelling geformuleerd dat de kloof tussen het ontwikkelingsniveau van de armste regio’s en het Litouwse gemiddelde in 2013 niet groter geworden mag zijn.

De Commissie stimuleert de lidstaten het partnerschaps- en subsidiariteitsbeginsel in acht te nemen om te zorgen dat er adequaat rekening wordt gehouden met de behoeften van de regio’s en lokale gebieden. Lokale autoriteiten dienen in hun hoedanigheid van deelnemers in het besluitvormingsproces ook een eigen inbreng te hebben in de projecten die in kaart zijn gebracht in het kader van de ontwikkeling van deze regionale beleidsmaatregelen. Deze beginselen worden in het NSR voor de periode 2007-2013 en in de bijbehorende operationele programma’s volledig geëerbiedigd. Door de oprichting van elf werkgroepen met 376 leden heeft Litouwen de participatie van partners, regionale en lokale autoriteiten e.d. bij het opstellen van het NSR aanzienlijk verbeterd ten opzichte van het programma 2004-2006. Deze autoriteiten zullen vertegenwoordigd zijn in de comités van toezicht voor de betreffende programma’s, waardoor zij over alle informatie beschikken over de vooruitgang en resultaten van de relevante programma’s.

In het NSR 2007-2013 is één operationeel programma voorzien dat specifiek gericht is op het bevorderen van de cohesie. Het is bedoeld om de economische en sociale cohesie te verbeteren teneinde voor alle steden, dorpen en regio’s een gelijkwaardige leefomgeving te waarborgen. De eerste prioriteit is gericht op het scheppen van de noodzakelijke randvoorwaarden voor het verbeteren van het potentieel aan lokale ontwikkelingsmogelijkheden. De tweede prioriteit is bedoeld om te zorgen voor een toegankelijke, hoogwaardige openbare dienstverlening door de gezondheidszorg, de onderwijssector en de overheidsinstellingen die zich richten op het bevorderen van de werkgelegenheid. De derde doelstelling is tot slot gericht op een betere kwaliteit van het milieu, waarbij de nadruk op een grotere energie-efficiëntie ligt.

Daarnaast wordt in het NSR een grotere betrokkenheid van de regionale raden voorzien bij het beheer van de kwesties die tot de bevoegdheden van lokale autoriteiten behoren. Dergelijke kwesties werden in het programma 2004-2006 nog op centraal overheidsniveau beheerd. De regionale raden maken een voorselectie van de investeringsprojecten; de lokale autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering ervan.

 

Vraag nr. 61 van Johan Van Hecke (H-0495/07)
 Betreft: Discriminatie inzake hypothecair krediet
 

België en Nederland hebben verschillende wetgeving voor de fiscale aftrek van hypotheeklasten: voor een Belg is een hypothecaire lening slechts beperkt aftrekbaar is (zowel op vlak van hoogte als de periode) terwijl voor Nederlanders de intresten onbeperkt aftrekbaar zijn. Nederlandse banken bieden aan Nederlandse hypotheeknemers (ook bij aanschaf van onroerend goed in België) formules die in België niet kunnen zoals aflossingsvrije hypotheken. Aangezien de prijzen van vastgoed in Nederland veel hoger zijn dan in België, zijn Nederlanders graag bereid om meer dan de marktwaarde te betalen voor vastgoed in de grensstreek, wat voor Belgen met een zelfde inkomen dikwijls onmogelijk is, gezien de verschillen in fiscale systemen. Vastgoed in de grensstreek wordt zo hoger gewaardeerd dan de werkelijke prijs.

Meent de Commissie dat het hier om discriminatie gaat waarbij de Belgische gediscrimineerd wordt tegenover de Nederlandse belastingplichtige. Kunnen banken op basis van de verschillende wetgeving andere vormen van hypothecair krediet aanbieden aan Nederlanders dan aan Belgen en behelst dit geen inbreuk op artikel 49 van het EG-Verdrag?

 
  
 

Het is de Commissie bekend dat er particuliere banken zijn die niet-ingezetenen anders behandelen dan ingezetenen.

Deze praktijken kunnen het gevolg zijn van verschillen in de fiscale regels of zuiver op commerciële overwegingen zijn gebaseerd.

Omdat er geen geharmoniseerde belastingvoorschriften zijn, is de behandeling van hypothecaire leningen een zaak voor de lidstaten zelf. De daaruit voortvloeiende verschillen in fiscale lasten vormen geen verboden discriminatie in de zin van het EG-Verdrag.

Wanneer de verschillen gebaseerd zijn op commerciële overwegingen van een bank is de Commissie over het algemeen niet in staat daaraan iets te doen.

 

Vraag nr. 62 van Mia De Vits (H-0499/07)
 Betreft: Herziening richtlijn Europese Ondernemingsraad (94/45/EG)
 

In haar schriftelijke antwoord van 19.6.2007 op mijn vraag over de sluiting van Nexans in Huizingen (België) (H-0421/07) stelt de Commissie dat zij diverse opties bestudeert om te bereiken dat de Europese Ondernemingsraden ten volle hun recht op informatie en raadpleging kunnen uitoefenen.

Kan de Commissie mij meedelen welke opties er op tafel liggen? Zal zij een verbetering van de richtlijn voorstellen en wat is het tijdspad? Informatie en raadpleging komt in minstens 3 verschillende richtlijnen aan bod (94/45/EG(1), 2001/23/EG(2), 2005/56/EG(3)). Heeft het zin aan 3 richtlijnen tegelijk te sleutelen, terwijl ze allemaal min of meer dezelfde problematiek (informatie en raadpleging van werknemers bij grensoverschrijdende herstructureringen) regelen? Zou het niet doeltreffender zijn één globale regeling uit te werken? In hetzelfde antwoord zegt de Commissie dat Nexans Harnesses geen Europese steun heeft gekregen in Slowakije. Kan de Commissie mij meedelen of er in andere Lidstaten Europese steun aan het bedrijf werd toegekend?

 
  
 

Richtlijn 2002/14/EG tot vaststelling van een algemeen kader voor informatie en raadpleging van werknemers in de Europese Gemeenschap(4) is het belangrijkste communautaire rechtsinstrument voor informatie en raadpleging van de werknemers op nationaal niveau. Richtlijn 98/59/EG(5) en Richtlijn 2001/23/EG(6) hebben betrekking op informatie en raadpleging op nationaal niveau, en bevatten andere bepalingen voor bijzondere omstandigheden als collectief ontslag en overgang van ondernemingen. Informatie en raadpleging van werknemers op grensoverschrijdend niveau worden globaal geregeld via Richtlijn 94/45/EG(7) betreffende de Europese ondernemingsraad. De Richtlijnen 2001/86/EG(8), 2003/72/EG(9) en 2005/56/EG(10) zijn van toepassing voor bijzondere gevallen als de vorming van Europese Vennootschappen of Europese Coöperatieve Vennootschappen, en bij grensoverschrijdende fusies van ondernemingen en hebben niet alleen betrekking op informatie en raadpleging van werknemers maar ook op andere modaliteiten zoals de rol van de werknemers en kwesties ten aanzien van het vennootschapsrecht.

Het is de wens van de Commissie de onderlinge samenhang van deze communautaire rechtsinstrumenten te verbeteren. Zij probeert trouwens een oplossing te vinden voor de problemen die optreden bij de concrete uitvoering van de richtlijn betreffende de Europese ondernemingsraad en de effectiviteit van het recht op informatie en raadpleging van de werknemers te waarborgen. Zij stelt met name een onderzoek in naar deze kwestie in het kader van de voorbereidingen voor een verslag over de toepassing van Richtlijn 2002/14/EG. Voor wat betreft de mogelijkheden tot wijzigingen van wetgeving verwijst de Commissie naar haar antwoord op vraag H-0421/07.

Op de vraag van de eventuele steun aan Nexans Harnesses van andere lidstaten kunnen wij, gezien de uiterst korte termijn, helaas geen volledig antwoord geven.

Momenteel kunnen wij het volgende bevestigen:

Er is door het ESF geen enkele subsidie verleend aan Nexans Harnesses in Denemarken, voor het tijdvak 2000-2007.

Er is door het ESF geen enkele subsidie verleend aan Nexans Harnesses in Duitsland.

Er is door het ESF geen enkele subsidie verleend aan Nexans Harnesses in Estland, Zweden, Litouwen, Finland en België.

Volgens door het management in Polen, Cyprus en Griekenland verstrekte gegevens heeft Nexans Harnesses geen enkele steun ontvangen van het Europees Sociaal Fonds.

De Commissie heeft geen informatie ontvangen over eventueel in Italië aan bedoelde onderneming toegekende bijdragen. Zo nodig zullen wij contact opnemen met de desbetreffende managers voor concrete inlichtingen op dit punt.

De Commissie heeft contact opgenomen met de Spaanse autoriteiten, maar nog geen antwoord ontvangen. De geachte afgevaardigde wordt zo snel mogelijk op de hoogte gesteld.

De Commissie is nog in afwachting van inlichtingen uit de andere lidstaten.

 
 

(1) PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.
(2) PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16.
(3) PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1.
(4) Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap - PB L 80 van 23.4.2002.
(5) Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag - PB L 225 van 12.8.1998.
(6) Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen - PB L 82 van 22.3.2001.
(7) Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 over de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers - PB L 254 van 30.9.1994.
(8) Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese Vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers - PB L 294 van 10.11.2001.
(9) Richtlijn 2003/72/EG van de Raad van 22 juli 2003 tot aanvulling van het statuut van de Europese Coöperatieve Vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers - PB L 207 van 18.8.2003.
(10) Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen - PB L 310 van 25.11.2005.

 

Vraag nr. 63 van Zbigniew Krzysztof Kuźmiuk (H-0501/07)
 Betreft: De betrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland
 

Het komend najaar zal het twee jaar geleden zijn dat Rusland een embargo invoerde op de invoer op de Russische markt van levensmiddelen - waaronder vlees - uit Polen. Ondanks het standpunt van de Commissie dat Rusland dit embargo zo spoedig mogelijk zou moeten opheffen is het probleem in de sedertdien verstreken maanden niet dichter bij een oplossing gekomen. Tegelijkertijd zijn de procedures voor de toelating van Rusland tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) in hun slotfase gekomen.

Is de Europese Unie voornemens om het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot de opheffing van het embargo in dit forum aan de orde te stellen om Rusland te verplichten een oplossing te vinden voor dit probleem voordat het tot de WTO kan toetreden?

 
  
 

De Commissie is bekend met de situatie rondom het Russische embargo op de Poolse uitvoer van vlees en zij wil deze kwestie, die al veel te lang voortsleept, graag zo spoedig mogelijk oplossen. De Commissie is van mening dat het Russische embargo op de invoer van Pools vlees buitenproportioneel is en dat het daarom onmiddellijk opgeheven dient te worden.

In nauwe samenwerking met Polen en het voorzitterschap van de EU blijft de Commissie zich zowel op technisch als politiek niveau onverminderd inspannen om dat doel te bereiken. Een oplossing voor dit probleem dient vooral via een voortzetting van de werkzaamheden van de relevante deskundigen tot stand te worden gebracht. Vanuit systeemperspectief maakt deze kwestie echter ook deel uit van de sanitaire en fytosanitaire discussies in verband met de onderhandelingen met Rusland over de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Uiteraard zijn dit soort kwesties van belang voor de toetreding van Rusland tot de WTO.

 

Vraag nr. 64 van Anne E. Jensen (H-0502/07)
 Betreft: Globaliseringsfonds
 

Onlangs waren er in de pers berichten te lezen dat er slechts weinig belangstelling was om een beroep te doen op de middelen van het fonds ter aanpassing aan de globalisering. Sinds de oprichting van het fonds in 2006 zouden slechts zeer weinigen een aanvraag hebben ingediend voor een bijdrage uit de 500 miljoen euro waarover het fonds beschikt.

Kan de Commissie zeggen hoe het er met het fonds voorstaat? Hoe velen hebben het fonds om middelen gevraagd? Wat is voor de aanvragers een aanleiding een beroep op het globaliseringsfonds te doen?

 
  
 

1. Het Europees Fonds voor aanpassing van de globalisering (EGF) is sinds begin 2007 operationeel ter ondersteuning van werknemers die ontslagen zijn als gevolg van veranderingen in de mondiale handelspatronen. Elk jaar is hiervoor een bedrag van 500 miljoen EUR beschikbaar. Dat bedrag wordt in een reserve van de begroting gestort en ter beschikking gesteld na een verzoek van de Commissie aan de begrotingsautoriteit.

Tot op heden heeft de Commissie drie formele aanvragen voor een bijdrage uit het EGF ontvangen, twee van Frankrijk en een van Duitsland:

een aanvraag die op 9 maart 2007 is ingediend en waarvan de behandeling op 11 mei 2007 is afgesloten, met betrekking tot meer dan duizend ontslagen bij toeleveranciers van Peugeot-Citroën (RSA). Frankrijk heeft om een bijdrage van 2 558 250 EUR verzocht ter ondersteuning van 267 werknemers die ontslagen zijn als gevolg van een faillissement van hun werkgever, een leverancier van onderdelen aan RSA;

een aanvraag die op 27 maart 2007 is ingediend en waarvan de behandeling op 11 mei 2007 is afgesloten, met betrekking tot meer dan duizend ontslagen bij toeleveranciers van Renault (RSA). Frankrijk heeft om een bijdrage van 1 258 030 EUR verzocht ter ondersteuning van 628 werknemers die ontslagen zijn als gevolg van een faillissement van hun werkgever, een leverancier van onderdelen aan RSA;

een aanvraag die op 27 juni 2007 is ingediend met betrekking tot ontslagen in de Duitse fabrieken van de Taiwanese producent van mobiele telefoons BenQ. Duitsland heeft om een bijdrage van 14 266 155 EUR verzocht ter ondersteuning van 3 300 werknemers die ontslagen zijn omdat BenQ alle financiële ondersteuning heeft beëindigd aan haar dochtermaatschappijen in Duitsland.

Op 25 juni 2007 heeft de Commissie goedkeuring verleend om de eerste twee verzoeken aan de begrotingsautoriteit voor te leggen. Het derde verzoek wordt op dit moment door de Commissie bestudeerd.

2. Er kan een beroep op het EGF worden gedaan indien er sprake is van meer dan duizend ontslagen bij een bedrijf en zijn toeleveranciers, of bij bedrijven in één specifieke industriële sector in één, of twee aangrenzende regio’s. Voor kleine arbeidsmarkten of in buitengewone omstandigheden zijn uitzonderingen mogelijk, maar in beide gevallen dient de betreffende lidstaat aan te tonen waarom een dergelijke uitzondering gerechtvaardigd zou zijn. Om een beroep op het EGF te kunnen doen, dienen lidstaten een aanvraag in te dienen waarin onder andere duidelijk het verband wordt toegelicht tussen de ontslagen en de veranderingen in de mondiale handelspatronen.

 

Vraag nr. 65 van Feleknas Uca (H-0503/07)
 Betreft: Het ontslag van burgemeester Demirbas en de ontbinding van de gemeenteraad van Sur naar aanleiding van het besluit van de gemeenteraad om voor het plaatselijke publiek gemeentelijke diensten aan te bieden in meerdere talen
 

Naar verluidt heeft het Turkse Ministerie van Binnenlandse Zaken de Raad van State verzocht burgemeester Demirbas te ontslaan en de gemeenteraad van Sur te ontbinden naar aanleiding van het besluit van de gemeenteraad om voor het plaatselijke publiek gemeentelijke diensten aan te bieden in meerdere talen. Inmiddels heeft de Raad van State bij stemming besloten de heer Demirbas uit zijn functie te ontheffen.

Kan de Commissie aangeven hoe zij de plaatselijke juridische en administratieve situatie beoordeelt waarin het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft besloten de burgemeester te ontslaan en de gemeenteraad te ontbinden?

Welke gevolgen heeft het besluit van het Turkse Ministerie van Binnenlandse Zaken naar het oordeel van de Commissie voor de plaatselijke dynamiek uit een oogpunt van bevordering van de democratie en van de culturele vrijheden in de regio en in Turkije zelf?

In hoeverre vormt deze situatie naar de mening van de Commissie een maatstaf voor de veronachtzaming van de beginselen van de democratie en van de mensenrechten en culturele vrijheden, die niet alleen worden gepropageerd door de Europese Raad, maar waaraan de Turkse regering ook formeel haar goedkeuring heeft gehecht door zich aan te sluiten bij Europese akten zoals het Handvest inzake lokaal zelfbestuur?

Welke stappen denkt de Commissie te ondernemen bij wijze van reactie op de juridische, administratieve en psychologische druk die op burgemeesters in de Democratische Republiek Turkije wordt uitgeoefend en op de toenemende politieke spanningen in de regio?

 
  
 

De Commissie is op de hoogte van het besluit van de Turkse Raad van State om de burgemeester van de gemeente Sur, de heer Abdullah Demirbaş, te ontslaan en de gemeenteraad van Sur te ontbinden.

Naar wij begrepen hebben, heeft de Raad zijn besluit genomen op grond van het feit dat het aanbieden van publieke gemeentelijke diensten in meerdere talen niet in overeenstemming is met de Turkse constitutionele beginselen dat de taal van het land Turks is en dat er geen andere taal als moedertaal zal worden onderwezen dan de Turkse taal (artikelen 3 en 42 van de Turkse Grondwet).

In het partnerschap voor de toetreding van 2006 is vastgelegd dat Turkije de culturele diversiteit dient te waarborgen en het respect voor en de bescherming van minderheden dient te bevorderen in overeenstemming met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de beginselen die neergelegd zijn in het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden, en tevens conform de beste praktijken in de lidstaten. Tegen die achtergrond baart het besluit in eerste aanleg van de Turkse Raad van State zorgen.

Er loopt een beroepsprocedure. De Commissie zal de ontwikkelingen in deze kwestie blijven volgen en contact opnemen met de Turkse autoriteiten indien dat noodzakelijk en relevant is. De Commissie zal hier nader op ingaan in haar voortgangsverslag dat najaar 2007 gepubliceerd wordt.

 

Vraag nr. 66 van Karin Riis-Jørgensen (H-0504/07)
 Betreft: Aandelenklassen
 

In mei 2007 is de uitkomst bekend gemaakt van het ISS-onderzoek naar de relatie tussen eigendom en invloed op aan de beurs genoteerde bedrijven. In alle onderzochte landen bleken verschillende aandelenklassen te bestaan. Op basis van het onderzoek kon niet onomstotelijk worden aangetoond dat door het bestaan van verschillende aandelenklassen de investeringen werden belemmerd of dat het mededingingsvermogen in ongunstige zin werd beïnvloed.

Naar het zich laat aanzien remt de verdeling in aandelenklassen evenmin het aantal bedrijfsovernames. En een verdeling van aandelen zoals bij voorbeeld in Denemarken vormt geen belemmering voor het inzicht dat investeerders kunnen hebben in een bedrijf.

Kan de Commissie derhalve mededelen of bedrijven niet zelf het best hun eigen structuur kunnen beoordelen? Zou de Commissie, aangezien zij reeds heeft medegedeeld dat zij de overnamerichtlijn niet wenst te bezien voordat deze in 2009 wordt herzien, tot die tijd ook in het licht van betere wetgevingsagenda's niet beter geheel kunnen afzien van eventuele maatregelen - bij voorbeeld een aanbeveling?

 
  
 

De geachte afgevaardigde verwijst in haar vraag naar een extern onderzoek dat onlangs in opdracht van de Commissie is uitgevoerd met als doel de relatie tussen aandelenbezit en zeggenschap over aan de beurs genoteerde bedrijven nader te analyseren. Het definitieve rapport is op 4 juni 2007 op internet gepubliceerd(1). Het onderzoek heeft nuttig feitenmateriaal opgeleverd over de relatie tussen aandelenbezit en zeggenschap over aan de beurs genoteerde bedrijven. Het onderzoek had een brede doelstelling om rekening te kunnen houden met de bezorgdheid die onder andere is geuit door de Noordse landen. In het onderzoek zijn onder andere de volgende kwesties nader onderzocht: aandelen met meerdere stemrechten, stemdrempels, preferente aandelen zonder stemrecht em bedrijvenpiramiden.

Op dit moment is de Commissie bezig met een analyse van de conclusies van het onderzoek. Uit het beschikbare wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er geen eenduidig bewijs is voor een oorzakelijk verband tussen afwijkingen in het proportionaliteitsbeginsel tussen aandelenbezit en zeggenschap en ofwel (1) de resultaten van beursgenoteerde bedrijven, ofwel (2) het bestuur ervan. Er is echter wel enig bewijs voorhanden waaruit blijkt dat beleggers deze mechanismen als negatief ervaren en van mening zijn dat een grotere transparantie nuttig is voor het nemen van investeringsbesluiten.

Dit onderzoek vormt slechts één stap in de procedure en dient als basis voor een effectbeoordeling die de Commissie op dit moment uitvoert. Naar verwachting zal die effectbeoordeling najaar 2007 worden gepubliceerd. Bij de effectbeoordeling zal op alle fronten rekening worden gehouden met belangrijke aspecten zoals de contractuele vrijheid in het kader van speciale stemregelingen.

Het onderzoek van de Commissie naar de proportionaliteit tussen aandelenbezit en zeggenschap bevindt zich nog steeds in de verkennende fase. Tot het moment dat het onderzoek werd gepubliceerd waarnaar in de vraag wordt verwezen, had de Commissie geen duidelijk beeld van de wijze waarop deze kwestie van invloed was op beursgenoteerde bedrijven en of dit gevolgen had voor hun resultaten. Nu de feiten op tafel liggen, zal de Commissie onbevooroordeeld en op basis van alle beschikbare informatie bestuderen of er op dit gebied actie ondernomen moet worden en hoe hieraan vervolg moet worden gegeven. Tot nu toe is er over deze kwestie nog geen besluit genomen en het is ook mogelijk dat besloten wordt dat er geen maatregelen nodig zijn.

 
 

(1) Zie http://ec.europa.eu/internal_market/company/shareholders/indexb_en.htm

 

Vraag nr. 67 van Diamanto Manolakou (H-0505/07)
 Betreft: Toezicht op werknemers op de werkplek
 

Steeds vaker worden er op de werkplek elektronische systemen geïnstalleerd voor toezicht op de werknemers (camera's, toegangskaarten met ingebouwde chip, toegangspoortjes met apparatuur voor het lezen van biometrische gegevens zoals vingerafdrukken, enz.). De werkgevers beroepen zich op veiligheidsoverwegingen, maar dit is onzinnig omdat vergelijkbare overwegingen ook eerder reeds bestonden en er voor het beschermen van ondernemingen een groot aantal technische middelen bestaat die geen toezicht op de werknemers met zich meebrengen. Het doel van de ondernemingen is het creëren van een klimaat van onderlinge achterdocht bij de werknemers, het uitoefenen van controle, het opvoeren van het werktempo, het volgen van het gedrag en de vakbondsactiviteiten van de werknemers. Niemand weet wat er wordt gedaan met de elektronische archieven die door de werkgevers worden bijgehouden.

Het toezicht is illegaal en schendt de fundamentele democratische rechten en de bescherming van de persoonsgegevens van de werknemers. Veroordeelt de Commissie in dit licht dit soort maatregelen van de kant van de werknemers? Is de Commissie van plan maatregelen te nemen voor het laten verwijderen van dergelijke toezichtsystemen en het waarborgen van de vrijheid van vakbondsactiviteiten op de werkplek?

 
  
 

Het wettelijk kader voor de verwerking van persoonsgegevens in de EU wordt gevormd door Richtlijn 95/46/EG(1). Hierin zijn ook de specifieke voorschriften vastgelegd met het oog op het beschermen van de rechten van personen. Dit kader is, in combinatie met de nationale uitvoeringsregels inzake de bescherming van persoonsgegevens onverkort van toepassing op de persoonsgegevens van werknemers. De richtlijn heeft een algemeen karakter en bevat in beginsel geen specifieke bepalingen voor industriële sectoren. De voorschriften ervan zijn echter integraal van toepassing op elke vorm van geautomatiseerde of niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, dus ook op onder andere videobewaking, elektronische toegangskaarten en het verwerken van biometrische gegevens van werknemers.

Elke werkgever is in zijn/haar hoedanigheid als databeheerder van de persoonsgegevens van zijn/haar werknemers gebonden aan de voorschriften van Richtlijn 95/46/EG. Werkgevers dienen dan ook aan specifieke verplichtingen te voldoen, in het bijzonder aan de verplichting om de personen in kwestie op adequate wijze te informeren, om de nationale toezichthouders op de hoogte te stellen van alle verwerkingen van persoonsgegevens en om te handelen in overeenstemming met de beginselen voor gegevensbescherming zoals die in de richtlijn zijn neergelegd.

Conform bovenstaande uitgangspunten moeten persoonsgegevens eerlijk en rechtmatig worden verwerkt, voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verkregen, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld, en nauwkeurig zijn en bijgewerkt worden (artikel 6 van de richtlijn).

De Groep Gegevensbescherming(2) die op grond van artikel 29 is opgericht (de "GG29") heeft een aantal adviezen en werkdocumenten opgesteld met betrekking tot de toepassing van de communautaire voorschriften voor de verwerking van persoonsgegevens van werknemers. Het belangrijkste document is advies 8/2001 over de "Verwerking van persoonsgegevens in het kader van de arbeidsverhouding", waarin deze kwestie nader word behandeld. Hierin zijn ook de voornaamste richtsnoeren te vinden voor de interpretatie van de toepasselijke algemene bepalingen van de richtlijn. Een ander relevant document is het "Werkdocument over de controle op elektronische communicatie op het werk" (WP 55) van 29 mei 2002. Daarnaast zijn er nog documenten door GG29 opgesteld over de bescherming van persoonsgegevens in onder andere de telecommunicatiesector en in verband met elektronische communicatie en videobewaking. Deze documenten bevatten richtsnoeren die ook van toepassing zijn op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de arbeidsverhouding(3).

Richtlijn 95/46/EG inzake de gegevensbescherming is in alle nationale jurisdicties van de 27 lidstaten ten uitvoer gelegd. Sommige lidstaten kennen specifieke werkgerelateerde wettelijke voorschriften(4) of adviezen of gedragscodes die door de toezichthoudende autoriteiten op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens zijn opgesteld(5) en waarin aandacht wordt besteed aan het elektronisch toezicht van werknemers op het werk. In een aantal lidstaten(6) is de verwerking van persoonsgegevens ook in CAO’s geregeld op basis van de betreffende nationale tradities en praktijken.

De nationale toezichthoudende autoriteiten op het gebied van de gegevensbescherming zijn bevoegd om de legitimiteit te beoordelen van de verwerking van persoonsgegevens waarnaar de geachte afgevaardigde in haar vraag verwijst. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van de toepasselijke voorschriften zoals vastgelegd in de richtlijn en de nationale wetgeving voor de bescherming van persoonsgegevens.

 
 

(1) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L 281 van 23.11.1995
(2) Deze Groep, opgericht op grond van artikel 29 van Richtlijn 95/46/EG, heeft een aantal belangrijke adviezen uitgebracht in verband met het verwerken van persoonsgegevens van werknemers. Voor de strekking van die adviezen wordt verwezen naar het volgende internetadres: http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/dataprot/wpdocs/index.htm
(3) Aanbeveling 2/99, advies 2/2000 en advies 7/2000 van GG29, evenals het verwerken van persoonsgegevens met videobewaking (zie werkdocument WP 67 van 25 november 2002 en advies 4/2004 van GG29)
(4) Zie bijvoorbeeld artikel 11 van de Luxemburgse Wet van 2 augustus 2002 op de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking van hun persoonsgegevens, en de Finse wet nr. 759/2004 op de bescherming van de privacy op het werk
(5) Bijvoorbeeld in België, Frankrijk, Griekenland, Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Portugal
(6) Bijvoorbeeld in België en Denemarken

 

Vraag nr. 68 van Georgios Toussas (H-0509/07)
 Betreft: Milieuramp bij Santorini na het zinken van het cruiseschip "Sea Diamond"
 

Op 5 april 2007 zonk voor de kust van het Griekse eiland Santorini het cruiseschip "Sea Diamond", met rampzalige gevolgen voor het mariene milieu. De eigenaar van het schip, Hellenic Louis Cruises, gesteund door het ministerie van Koopvaardij, weigert halsstarrig over te gaan tot het uit de ruimen van het schip wegpompem van de diesel, de olieën en de andere toxische vloeistoffen, die langzaam in de water wegstromen. Het ministerie van Koopvaardij legt de eigenaar van het cruiseschip weliswaar voortdurend boetes op, maar deze maatregel schiet volledig tekort. De vervuiling van het milieu rond het eiland gaat onverminderd voort. Deze obstructie - een samenspel van Hellenic Louis Cruises en het ministerie van Koopvaardij - heeft tot woede en wanhoop geleid bij de bewoners van Santorini in verband met de milieuvervuiling..

Op welke wijze denkt de Commisse te gaan bijdragen aan de verwezenlijking van de voorstellen van de plaatselijke autoriteiten van Santorini en de omliggende eilanden voor het op zo kort mogelijke termijn uit de ruimen van het schip wegpompen van de diesel, de olieën en de andere toxische vloeistoffen, voor het wegslepen van het schip en voor het herstel van het mariene milieu rond het eiland?

 
  
 

Het communautair mechanisme voor civiele bescherming is vastgesteld bij Beschikking 2001/792/EG, Euratom. Indien een lidstaat niet over voldoende capaciteit beschikt om adequaat op een ramp te reageren, kan hij een beroep doen op het mechanisme ter verkrijging van deskundigheid of aanvullende hulpmiddelen uit de landen die deelnemen aan dit mechanisme.

Het monitoring- en informatiecentrum van de Commissie (MIC) heeft contact gehad met de Griekse autoriteiten en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA) om de gevolgen van de ramp met de "Sea Diamond" in kaart te brengen, met name die voor het milieu.

Voorts kan de Europese Gemeenschap de lidstaten operationele bijstand verlenen ter bestrijding van door schepen veroorzaakte vervuiling via de tussenkomst van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), dat sinds 2004 actief is en onder meer beschikt over vervuilingsbestrijdingsschepen. Het is aan de betreffende lidstaat die verantwoordelijk is voor de bescherming van het milieu om indien nodig via het communautair mechanisme voor civiele bescherming de operationele capaciteit van het EMSA in te roepen.

In het onderhavige geval heeft Griekenland geen beroep gedaan op het mechanisme.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel kan de Commissie geen uitspraak doen over het overleg tussen nationale, regionale en lokale overheidsinstanties in Griekenland over de verdere afhandeling van het wrak.

 

Vraag nr. 69 van Silvia-Adriana Ţicău (H-0513/07)
 Betreft: Uitbreiding van de lijst met 30 prioritaire projecten in het kader van het Europese vervoersnetwerk
 

Door de toetreding van Roemenië en Bulgarije heeft de Europese Unie een verbinding met de Zwarte Zee gekregen en is vrijwel de gehele Donau een interne bevaarbare waterweg geworden. De Europese Commissie heeft in 2004 een lijst met 30 prioritaire projecten in het kader van het Europese vervoersnetwerk opgesteld, waarbij ook de nieuwe lidstaten betrokken zijn.

In het kader van het nabuurschapsbeleid van de Europese Unie heeft de Commissie voorgesteld de voornaamste vervoersverbindingen te laten aansluiten op die van de buurlanden. Kan de Commissie, gelet op de selectie van vijf transnationale verbindingen door de groep op hoog niveau in 2005 en gelet op het voornemen om de Europese vervoersprojecten in 2008 opnieuw te bezien, aangeven met welke nieuwe projecten de Europese Unie van de toegang tot de Zwarte Zee gaat profiteren en welke gelden daarmee gemoeid zijn? Wat zijn de nieuwe prioritaire projecten ten behoeve van de verbindingen met de buurlanden Moldavië en Oekraïne?

 
  
 

De lijst met prioritaire projecten in verband met de trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-T) is door een herziening via Beschikking 2004/884 zodanig gewijzigd dat de netwerken van de twaalf nieuwe lidstaten daar nu ook toe behoren. De lijst bestaat uit dertig prioritaire assen, waarvan er vier de toegang tot de Zwarte Zee waarborgen via de weg, het spoor, de binnenwateren en de maritieme verbindingen.

De vier prioritaire projecten zijn:

Nr. 7 – de autosnelweg Igoumenitsa/Patras-Athene-Sofia-Boedapest, inclusief een vertakking naar Constanta;

Nr. 18 – de rivierverbindingsas Rijn/Maas-Main-Donau;

Nr. 21 – de maritieme snelwegen van Zuidwest-Europa, waarbij een koppeling tussen de Zwarte en Middellandse Zee mogelijk is; en

Nr. 22 – de spoorwegas Athene-Sofia-Boedapest-Wenen-Praag-Nürnberg/Dresden, inclusief een vertakking naar Constanta.

Projecten die verband houden met deze vier assen komen in aanmerking voor financiering uit de TEN-T-begroting en, in geval van Roemenië, met name uit het Cohesiefonds.

Met betrekking tot de verbindingen tussen de EU en de buurlanden heeft de Commissie(1) de vijf transnationale assen goedgekeurd die zijn voorgesteld door de groep op hoog niveau. Dit zijn tevens de vijf belangrijkste assen voor de internationale handel op het niveau van de Unie en deze verwerken nu al aanzienlijke verkeersstromen.

Bilaterale verbindingen zoals die tussen Roemenie en Moldavië maken geen deel uit van dit initiatief, maar vallen onder de regionale samenwerkingskaders. Met het oog op investeringen in de EU kan de Gemeenschap een bijdrage leveren ter ondersteuning van dergelijke samenwerkingskaders via passende financiële mechanismen, zoals het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. Landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, kunnen een beroep doen op het Investeringsfonds voor het nabuurschapsbeleid. Zover de Commissie weet, zijn er aan Moldavische kant al wegrenovatiewerkzaamheden in gang gezet om, met steun van de EBWO(2), de verbindingen met de TEN’s in Roemenië te verbeteren.

 
 

(1) Mededeling COM(2007) 32 van 31.1.2007
(2) Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling

 
Juridische mededeling - Privacybeleid