Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Debatten
Woensdag 26 september 2007 - Straatsburg Uitgave PB

13. Vragenuur (vragen aan de Raad)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het Vragenuur (B6-0316/2007).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

Vraag nr. 1 is niet ontvankelijk (Bijlage II, Deel A, paragraaf 2 van het Reglement).

Vraag nr. 2 van Silvia-Adriana Ţicău (H-0597/07)

Betreft: Vooruitzichten inzake het Galileo-project

Het Galileo-project is van uitzonderlijk belang voor de Europese Unie. Het is het resultaat van het onderzoek en de samenwerking tussen lidstaten op het gebied van het ruimtebeleid, en heeft toepassingen in talrijke sectoren, waaronder de vervoerssector.

Gezien de impasse die is ontstaan wat de financiering van dit project betreft, wens ik de Raad te vragen welke maatregelen hij van plan is te treffen om deze situatie te deblokkeren en in hoeverre de Europese Unie van plan is voor dit project samen te werken met derde landen, zoals India.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Zoals het geachte Parlementslid weet, heeft de Raad tijdens zijn vergadering van 6 tot 8 juni 2007 de situatie van het Galileo-project intensief geanalyseerd en een resolutie aangenomen. In deze resolutie heeft de Raad de Commissie uitgenodigd voorstellen in te dienen over verschillende aspecten van het Galileo-project. De Commissie heeft daarna deze voorstellen aangenomen (op 19 november) en we hopen nu dat de bevoegde organen van de Raad deze zullen analyseren met het oog op het nemen van een geïntegreerd besluit over de tenuitvoerlegging van het Galileo/project, waaronder de openbare financiering en modaliteiten van openbare participatie, voor het eind van dit jaar.

Als het gaat om de samenwerking met derde landen, moeten we onthouden dat de Raad het grootst mogelijke belang hecht aan samenwerking met landen die geen deel uitmaken van de Europese Unie. Zoals u weet, zijn er sinds 2001 diverse samenwerkingsovereenkomsten met betrekking tot Galileo ondertekend met niet-EU-landen zoals China, Israël en Oekraïne. Deze landen leveren bijdragen aan het Galileo-programma op het gebied van systeemdefiniëring, onderzoek en industriële samenwerking.

In het specifieke geval van India is op 7 september 2005 in New Delhi een samenwerkingsovereenkomst ondertekend door de Commissie en Indiase onderhandelaars. De Commissie heeft echter besloten te blijven overleggen met de Indiase autoriteiten om die overeenkomst in lijn te brengen met de standaard EG-samenwerkingsovereenkomsten inzake Galileo en om rekening te houden met de nieuwste ontwikkelingen in dit project. Als het gaat om de toepassing van de regels, moet de Raad wachten op een voorstel van de Commissie voor hierover een besluit kan worden genomen.

Om de positie van de derde landen beter te definiëren, heeft de Raad op 22 maart van dit jaar een besluit aangenomen waarin de Commissie toestemming wordt gegeven om te onderhandelen met niet-EU-landen met het oog op het tekenen van overeenkomsten inzake hun geassocieerd lidmaatschap voor deelname aan de Europese GNSS (wereldwijd satellietnavigatiesysteem)-Toezichtautoriteit (GSA).

Het hoofddoel van dit besluit is het bieden van een geharmoniseerde aanpak met betrekking tot alle niet-EU-landen door de modaliteiten van hun deelname binnen de GSA helder te definiëren.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE). – (RO) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag de staatssecretaris bedanken voor de geleverde informatie. Ik wil echter terugkomen op het eerste deel van mijn vraag, namelijk de financiering van het GALILEO-project. Ik wil de staatssecretaris vragen ons meer ter vertellen over de daadwerkelijke manier waarop dit project gefinancierd zal worden en over de manier waarop het voorstel van de Commissie is onderzocht en wat het feitelijke besluit van de Raad in de volgende periode zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Ik kan niet voorspellen wat de Raad zal besluiten over deze zaken, vooral niet als het gaat om de financiering. Deze kwestie moet natuurlijk worden besproken door de Raad, samen met de andere zaken die in de meest recente voorstellen van de Commissie aan de orde komen. Ik kan het geachte Parlementslid twee dingen verzekeren: ten eerste dat het voorzitterschap begrijpt dat het Galileo-project een strategisch project is voor de Europese Unie en dat het dit onderwerp ook zo zal behandelen, met andere woorden als een project van strategisch belang voor de Europese Unie; ten tweede dat het voorzitterschap alles zal doen wat in zijn macht ligt om tijdens het Portugese voorzitterschap een conclusie te bereiken over de voornaamste aspecten van het Galileo-project.

 
  
MPphoto
 
 

  Josu Ortuondo Larrea (ALDE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik ben het met u eens dat Galileo een project met grote prioriteit is voor de EU, maar boeren maken zich grote zorgen omdat de Commissie het plan heeft opgevat om overtollige GLB-fondsen te gebruiken voor de financiering van het Galileo-project. Aangezien er in 2007 kennelijk een overschot was, maken zij zich zorgen om hun toekomst.

Ik wil de Raad het volgende vragen: zijn de verschillende regeringen, de 27 EU-regeringen, het erover eens dat dit een project met prioriteit moet zijn en dat financiële middelen ofwel door middel van buitengewone bijdragen of door het gebruik van reserves die jaarlijks overblijven op de begroting van de Gemeenschap moeten worden toegepast?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Ik denk dat ik deze vraag al heb beantwoord in mijn vorige antwoord. De kwestie van de financiering wordt nog besproken. De Raad moet dit nog bespreken, want er is nog geen besluit over genomen. Het is natuurlijk te verwachten dat de lidstaten hier verschillend over zullen denken. Ik ben echter van mening dat er in feite een consensus heerst over de strategische aard van dit project.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 3 van Bernd Posselt (H-0599/07)

Betreft: Grondwetshervorming in Bosnië-Herzegovina

Hoe beoordeelt de Raad de stand van de hervormingen in Bosnië-Herzegovina, met name de hervorming van de Grondwet en van het Verdrag van Dayton en wat denkt hij te doen met het oog op de modernisering en de integratie van dit land?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Dames en heren, de Europese Unie zal het huidige hervormingsproces in Bosnië en Herzegovina evalueren in het jaarverslag over de geboekte vooruitgang, dat zoals gebruikelijk voor november gepland staat.

De Raad heeft diverse malen gewezen op het belang van een snelle tenuitvoerlegging van de vier essentiële voorwaarden voor het afronden van de onderhandelingen over de stabilisatie- en associatieovereenkomst, zoals is beschreven in de conclusies van de Raad van 12 december 2005, in het bijzonder de tenuitvoerlegging van de politiehervorming. Zoals u weet, is de politieke situatie de afgelopen maanden echter gespannen gebleven als gevolg van de radicalisering van de standpunten van de voornaamste politieke leiders in Bosnië. Op dit moment ziet het ernaar uit dat het uiterst moeilijk zal worden om overeenstemming te bereiken over de hervormingsagenda, in het bijzonder als het gaat om de herstructurering van de politie.

De Hoge Vertegenwoordiger, de heer Solana, heeft op 10 september een ontmoeting gehad met Miroslav Lajčák, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor Bosnië en Herzegovina. Tijdens deze bespreking, die plaatsvond in Brussel, uitte de heer Solana zijn volledige steun voor het werk van de speciale vertegenwoordiger van de EU en zijn inspanningen om een compromis te bereiken over de politiehervormingen met de politieke leiders van Bosnië en Herzegovina.

De secretaris-generaal en Hoge Vertegenwoordiger, de heer Solana, drong er bij de Bosnische leiders op aan constructief mee te werken aan het nieuwste initiatief dat werd gepresenteerd door de speciale vertegenwoordiger om de laatste obstakels weg te nemen die een stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen Bosnië-Herzegovina en de Europese Unie nu nog onmogelijk maken. Hij riep de autoriteiten van het land ook op zich verantwoordelijk te gedragen in het belang van de bevolking van Bosnië en Herzegovina.

De Raad heeft ook zijn steun uitgesproken voor de inspanningen die zijn verricht in Bosnië en Herzegovina op het gebied van grondwethervorming, met het oog op het creëren van beter functionerende staatsstructuren die beter kunnen voldoen aan de Europese normen. Verder inspanningen zijn nodig om de efficiëntie van de uitvoerende en wetgevende organen te blijven verbeteren en we moeten ook de bestuurlijke capaciteit en de coördinatie tussen de staat en zijn organen verbeteren.

Wat betreft het instrument voor pretoetredingssteun heeft de Europese Unie 1 miljoen euro gereserveerd voor de grondwethervorming in Bosnië en Herzegovina. Zoals u weet heeft de Raad op 7 februari 2007 een gemeenschappelijke actie aangenomen om het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU voor Bosnië en Herzegovina te wijzigen en uit te breiden. Op grond van dit gewijzigde mandaat zal de speciale vertegenwoordiger van de EU politiek advies geven en zijn diensten aanbieden in het proces van grondwethervorming.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). – (DE) Bosnië-Herzegovina heeft alleen dan een toekomst, als de drie volken die er wonen, in een gelijkgerechtigde federatie worden vertegenwoordigd. Daartoe behoren niet alleen de Kroaten uit Herzegovina, maar ook die uit Centraal-Bosnië. Mijn vraag is heel concreet wat wij kunnen doen als een deelstaat zoals de Republika Srpska bij de politiehervorming en de terugkeer van ontheemden van binnenuit blokkeert, en de EU slechts van buitenaf op de gehele staat druk uitoefent? Spreekt u ook met de afzonderlijke entiteiten en oefent u druk op hen uit, of gaat het alleen om de staat in zijn geheel? Dat zal namelijk zeer moeilijk gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Goed, mijnheer de Voorzitter, geacht Parlementslid, wat ik hierover kan zeggen, is dat de Europese Unie al het mogelijke zal doen, met behulp van de diplomatieke instrumenten die zij tot haar beschikking heeft en in het bijzonder via het werk van haar speciale vertegenwoordiger, om ervoor te zorgen dat de huidige patstelling in de constitutionele hervormingen, in het bijzonder de hervorming van het politieapparaat, met succes wordt doorbroken en dat alle obstakels worden weggenomen. Daar zetten wij ons voor in.

De Raad zal uiteraard rekening houden met de voorstellen en suggesties die de speciale vertegenwoordiger kan doen naar aanleiding van zijn aanwezigheid ter plaatse. Zoals het geachte Parlementslid zich vast kan voorstellen, is de Raad zich bewust van de complexiteit van de situatie en in het bijzonder van de dringende noodzaak om de huidige patstelling te doorbreken.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Zoals de staatssecretaris weet, is het mogelijke EU-lidmaatschap voor alle Balkanlanden een belangrijke drijfveer voor economische en politieke hervormingen. Met Kroatië wordt zeer intensief onderhandeld. Kan de Raad een overzicht geven van de concrete stand van die onderhandelingen, en vooral van de verwezenlijking van de associatieovereenkomsten met de andere staten, en zeggen of ze goed functioneren?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijnheer Seeber, zoals u weet, heeft de Raad herhaaldelijk en stelselmatig zijn standpunt en mening gegeven over de toetredingsprocessen en de Europese vooruitzichten van verschillende landen, in het bijzonder op de Balkan. De Raad heeft duidelijk gesteld dat er een Europees vooruitzicht is voor de Balkan. Voor een van de Balkanlanden, Kroatië, zijn we zelfs al bezig met onderhandelingen over de toetreding van dit land tot de Europese Unie.

Zoals ik al heb gezegd, zal de Commissie zoals gebruikelijk in november een mededeling presenteren aan de Raad waarin verslag wordt gedaan van de stand van zaken van de onderhandelingen, in het bijzonder met betrekking tot de onderhandelingen met Kroatië, en haar voorstellen doen.

Dat is voor ons het juiste moment om een gedetailleerd en actueel overzicht te geven van de status van de toetredingsonderhandelingen. Maar hoewel er hier en daar zeker moeilijkheden, problemen en vertragingen zullen zijn, verwacht ik op basis van mijn persoonlijke inschatting van de stand van zaken van de onderhandelingen, dat deze goede vooruitgang boeken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 4 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0604/07)

Betreft: Maatregelen ter bevordering van innovatie

Welke concrete initiatieven stelt het Portugees voorzitterschap voor om te komen tot investeringen in innovatie van drie procent?

In hoeverre zullen de kleine en middelgrote ondernemingen, met name de kleine en middelgrote ondernemingen in berg-, insulaire en afgelegen gebieden, worden betrokken bij de gesubsidieerde acties ter bevordering van innovatie en onderzoek?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Zoals het geachte Parlementslid weet, heeft de Europese Unie op dit moment nog geen kwantitatieve doelstelling afgesproken voor de investering in innovatie. Een dergelijke doelstelling zou vrijwel onmogelijk te definiëren en in praktijk te brengen zijn, aangezien innovatie een groot aantal verschillende activiteiten omvat die erg moeilijk te definiëren en meten zijn.

De Europese Unie heeft er daarom in 2002 voor gekozen een kwantitatief richtsnoer aan te nemen voor de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling, ook wel R&D genoemd. Dit is de bekende Barcelona-doelstelling van drie procent. Deze doelstelling kon worden ingesteld omdat R&D-activiteiten, die internationaal zijn gedefinieerd in het Frascati-handboek van de OESO, eenvoudiger te meten en kwantificeren zijn.

Ik moet hierbij opmerken dat deze doelstelling onlangs is gebruikt als de voorkeursreferentie-indicator, gezien de moeilijkheden die men de afgelopen jaren heeft ondervonden bij het vergroten van de particulier R&D-inzet in significante segmenten van de bedrijvensector.

Het bevorderen van innovatie en onderzoek heeft echter veel prioriteit in het beleid van de Europese Unie. Dit gebeurt met behulp van diverse instrumenten, zoals het kaderprogramma en het CIP, ook wel het kaderprogramma concurrentievermogen en innovatie genoemd, en ook met behulp van de structuurfondsen.

Het zevende kaderprogramma (FP7) en het CIP zijn ontwikkeld met de behoeften van het MKB in gedachten, dat het meest profiteert van het CIP. Er is een minimumquotum van vijftien procent geïntroduceerd in het zevende kaderprogramma voor deelname van kleine en middelgrote ondernemingen aan onderzoeksactiviteiten binnen de thematische prioriteiten die zijn geformuleerd in het specifieke programma voor “Samenwerking”.

Hierbij moet worden opgemerkt dat de steun voor kleine en middelgrote bedrijven in het zevende kaderprogramma kan helpen hun concurrentievermogen en innovatiemogelijkheden te verbeteren. Berggebieden, eilanden en zeer afgelegen gebieden ontvangen steun van de structuurfondsen. Ze worden ook gesteund via de relevante thematische prioriteiten in het specifieke programma voor “Samenwerking” in FP7, in het bijzonder als het gaat om het verbeteren van hun situatie op het gebied van transport, informatie, communicatie en energievoorziening.

Op grond van het specifieke programma voor “Capaciteiten” moet het onderzoekspotentieel van de convergentieregio’s en de buitenste regio’s van de EU worden ontsloten. Naast de huidige programma’s en stimulansen, zal innovatie ook worden bevorderd door middel van een reeks initiatieven waarover op dit moment wordt onderhandeld binnen het Europees Parlement en de Raad. Hiertoe behoren het voorstel voor de oprichting van een Europees Instituut voor Innovatie en Technologie, het EUROSTARS-initiatief, waarbij innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen actief betrokken zullen worden, andere initiatieven op grond van artikel 169 van het EG-Verdrag en gemeenschappelijke technologische initiatieven zoals bedoeld in artikel 171 van het EG-Verdrag.

Hieraan moet worden toegevoegd dat de Commissie op dit moment een voorstel voorbereid voor een strategisch actieplan voor de SET’s oftewel strategische energietechnologieën, gebaseerd op een brede openbare raadpleging. Zij streeft ernaar dit vorstel eind 2007 te presenteren. In dit kader wil ik ook graag wijzen op de nieuwe industriële beleidsbenadering, die zich in de context van duurzame ontwikkeling richt op klimaatverandering en waarbij innovatie en de rol van kleine en middelgrote ondernemingen in de Europese economie fundamentele aspecten zijn.

In al deze initiatieven spelen kleine en middelgrote ondernemingen een zeer belangrijke rol. Sommige van deze initiatieven zijn ook gericht op bepaalde belangen in de regio’s die het geachte Parlementslid noemt, zoals het “bonus”-initiatief dat al wordt gepland en zal worden gebruik voor de coördinatie van zeeonderzoek in de Oostzee.

Het Portugese voorzitterschap heeft het streven naar de doelstelling van drie procent voor R&D-uitgaven in gedachten gehouden en wijst in dat verband op de besprekingen die in juli zijn gevoerd binnen de informele Raad Concurrentievermogen in Lissabon, toen de rol van openbare en particuliere investeringen in R&D werd geanalyseerd, evenals openbare beleidsmaatregelen die een bijdrage kunnen leveren aan het halen van de doelstelling.

De informele raad die ik noemde, heeft zich ook gebogen over het beleid inzake kleine en middelgrote ondernemingen die een bijzondere invloed hebben op innovatie en financiering, internationalisering en energie-efficiëntie.

Verder hoopt het Portugese voorzitterschap, door de noodzaak van specifieke maatregelen op het gebied van personeel in de wetenschap en technologie en de versterking van maatregelen op het gebied van de informatiemaatschappij te onderstrepen, de gunstige omstandigheden voor meer onderzoek, ontwikkeling en innovatie in de hele Europese Unie te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Panayotopoulou-Kassiotou (PPE-DE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de vertegenwoordiger van de Raad, die ik dank voor zijn antwoord, vragen of de infrastructuur van de lidstaten en de status van voorbereiding van goed bestuur de ontwikkeling van dit ambitieuze innovatieprogramma mogelijk maken. Worden de lidstaten gecontroleerd bij de tenuitvoerlegging van een ondersteuningsplan binnen het programma voor innovatie?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Ik hoop dat ik de vraag van het geachte Parlementslid goed heb begrepen. Zo niet, dan stel ik het op prijs als u mij verbetert of de exacte betekenis van haar vraag aan mij duidelijk maakt.

Ik wil het volgende zeggen: zoals het geachte Parlementslid weet, hebben al deze zaken rechtstreeks betrekking op de Lissabonstrategie en in het bijzonder op de Lissabonstrategie in haar “economische” aspect.

Op dit moment zijn we de verschillende aspecten aan het evalueren met betrekking tot de nieuwe cyclus van de Lissabonstrategie. Een van de zaken die we moeten evalueren en bespreken is precies de rol van de lidstaten bij het behalen van de op dit gebied voorgestelde doelstellingen en streefcijfers. Het gaat dan met name over maatregelen met betrekking tot innovatie en ontwikkeling in kleine en middelgrote ondernemingen en natuurlijk ook, in het hoofdstuk over hun bestuur, de manier waarop ze deze doelstellingen kunnen bereiken.

Wij zijn van mening dat de regeringen en lidstaten hier een fundamentele rol in moeten spelen en dat het natuurlijk ook nuttig is als de Commissie aandachtig toezicht houdt op de manier waarop de lidstaten hun beleid ontwikkelen en aannemen om de gestelde doelen te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). – (EN) Mijnheer de fungerend Voorzitter, in antwoord op die vraag had u het over energie-efficiëntie. Ik denk dat dit de juiste benadering is. Gisteren noemde commissaris Potočnik energie-efficiëntie en de bestrijding van de klimaatverandering onze eerste prioriteit. Ik wil u vragen welke extra maatregelen de Raad kan nemen om alle middelen en aandacht te mobiliseren om dit levensbelangrijke probleem van efficiëntie en klimaatverandering aan te pakken?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Zoals het geachte Parlementslid weet, heeft de Raad in maart een programma aangenomen dat wordt gezien als een van de meest voornaamste ter wereld als het gaat om energiekwesties en klimaatverandering. Ik zou zeggen dat de Europese Unie een bijna historische verantwoordelijkheid heeft op de Conferentie van Bali, waar hopelijk nieuwe doelstellingen zullen worden afgesproken voor CO2-emissies voor een vervolg op Kyoto in 2012. De Europese Unie zal duidelijk de verantwoordelijkheid hebben om de internationale gemeenschap te steunen en/of aan te moedigen om zichzelf ambitieuze doelen te stellen, zoals wij voor onszelf hebben voorgesteld.

Dus, mijnheer Paleckis, we hebben al een zeer ambitieus programma om in te voeren in de Europese Unie. Een van de specifieke energiekwesties, de kwestie van energiebesparing, staat op de agenda op EU-niveau en binnen de afzonderlijke lidstaten. Ik kan u zeggen dat dit in Portugal – en daar heb ik rechtstreeks ervaring mee – een zeer belangrijke kwestie is waar we veel energie in steken. De kwestie van investering in nieuwe energietechnologieën en in wetenschap met betrekking tot alternatieve energiebronnen is echter ook genoemd.

We hebben nog veel te doen. We hopen dat we snel en goed kunnen doen wat we moeten doen. We moeten ons nu natuurlijk concentreren op het ambitieuze programma voor energie en klimaatverandering dat we zijn overeengekomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Wij hebben hier vandaag in het Europees Parlement over het EIT gestemd. Wij zijn het erover eens dat dit een absolute prioriteit moet zijn. Wanneer kan het Portugese voorzitterschap volgens u een financieringsvoorstel voorleggen, dat dan samen met het Parlement zo snel mogelijk wordt omgezet? Denkt u dat het EIT ook in de mid-term review en bij de health check een rol zal spelen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijnheer Rübig, ik moet u zeggen – als u het goed vindt, mijnheer de Voorzitter – ik moet u zeggen dat het Europees Technologisch Instituut, de effectieve lancering daarvan en de effectieve aanvang van de activiteiten een prioriteit zijn voor het Portugese voorzitterschap. We zullen er daarom naar streven dat dit Instituut wordt opgericht voor het einde van het Portugese voorzitterschap.

Natuurlijk is het het voorzitterschap dat actie onderneemt en voorstellen indient, maar het is aan de instellingen van de EU om de voorstellen van het voorzitterschap aan te nemen. Ik kan u garanderen dat het voorzitterschap zo snel mogelijk zal proberen te handelen. Er zijn andere onderwerpen en andere kwesties die natuurlijk de verantwoordelijkheid zijn van de Raad als geheel en van de instellingen en daaraan kunnen wij niet voorbij gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 5 van Dimitrios Papadimoulis (H-0605/07)

Betreft: Ontwikkelingen in Kosovo

Tijdens zijn ontmoeting met de secretaris-generaal van de VN op 10 juli 2007 verklaarde Javier Solana, secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie met betrekking tot Kosovo dat verdere vertraging contraproductief zou zijn. Bovendien werden door de Franse nieuwsdienst diplomatieke bronnen geciteerd volgens welke Brussel zich al serieus buigt over een eventuele erkenning van Kosovo, echter wel "op een zo georganiseerd mogelijke wijze".

Hoe staat de Raad tegenover deze ontwikkelingen? Kan de Raad categorisch ontkennen dat er sprake zou zijn van een eventuele unilaterale erkenning, waarmee wordt vooruitgelopen op de VN-procedures in dezen?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, zoals u weet, heeft de Raad op 18 juni 2007 zijn standpunt herhaald dat het uitgebreide voorstel dat president Martti Ahtissari, speciale gezant van de VN, heeft opgesteld, de basis vormt voor de oplossing van de kwestie Kosovo door middel van een nieuwe resolutie van de VN Veiligheidsraad. De Europese Raad heeft zijn steun uitgesproken voor intensievere pogingen om ervoor te zorgen dat de VN Veiligheidsraad een dergelijke resolutie tijdig kan aannemen.

Zoals u weet, is het overleg van de VN Veiligheidsraad over een nieuwe resolutie op dit moment opgeschort, maar de VN Veiligheidsraad is erg alert op deze kwestie. In een verklaring in augustus wees de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Ban Ki-moon, op he initiatief van de Contactgroep voor nieuwe onderhandelingen tussen Pristina en Belgrado die zullen worden geleid door een Trojka bestaande uit vertegenwoordigers van de Europese Unie, de Russische Federatie en de Verenigde Staten. De secretaris-generaal van de VN vroeg de Contactgroep uiterlijk 10 december verslag aan hem uit te brengen. De bedoeling van deze nieuwe onderhandelingsperiode is dat de Trojka een bemiddelende rol zal spelen en dat de partijen verantwoordelijk zijn voor het voorstellen van nieuwe ideeën.

Zoals u weet, heeft de secretaris-generaal en Hoge Vertegenwoordiger, de heer Solana, op 29 juli 2007 ambassadeur Wolfgang Ischinger aangesteld als vertegenwoordiger van de EU in de Trojka. Tot nu toe is de Trojka met de partijen afzonderlijk bijeengekomen op 10 en 11 augustus in Belgrado en Pristina, op 30 augustus in Wenen en op 18 en 19 september in Londen. Tijdens de vergadering van de Contactgroep op ministerieel niveau, die op 27 september zal plaatsvinden in New York tegelijkertijd met de Algemene Vergadering van de VN, zullen de ministers spreken over de stand van zaken van de onderhandelingen en zullen zij een verklaring opstellen die het proces een belangrijke impuls zal geven. Op 28 september zullen, eveneens in New York, verdere gescheiden ontmoetingen plaatsvinden tussen de Trojka en de partijen, mogelijk gevolgd door een eerste rechtstreekse bijeenkomst van de partijen op dezelfde dag.

Zoals de heer Solana onderstreepte, is het nu essentieel dat de partijen constructief samenwerken in dit proces en intensief onderhandelen. Bij de afronding van het Trojka-proces, moet de secretaris-generaal van de VN een verslag over deze kwestie presenteren aan de VN Veiligheidsraad. Zoals u ongetwijfeld beseft, is het op dit moment nog te vroeg om de uitkomsten van deze processen te voorspellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, gisteren nog zei Condoleezza Rice dat Kosovo onafhankelijk zal worden. Het scenario van de VS is duidelijk: een unilaterale onafhankelijkheidsverklaring in december en onmiddellijke erkenning door de VS.

Wat is het standpunt van de Raad met betrekking tot deze handelswijze? Maakt u zich zorgen over de verergering van de destabilisatie van de grotere regio door Albanees nationalisme? Is de Raad eindelijk van plan op een verenigde, verstandige en uniforme manier op te treden?

Ik heb in de New York Times gelezen dat Europese diplomaten zich haasten om zich het standpunt van de Raad toe te eigenen, dat op slaafse wijze dat van de Verenigde Staten zal volgen. Waarom vertelt u ons niet wat de diplomaten in de Raad zeggen? We willen graag een duidelijk antwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Ik heb de verklaringen van mevrouw Riis-Jørgensen niet gelezen of gehoord en ik wil er daarom niet direct op ingaan. Ik wil echter wel het volgende zeggen: we hebben nu een proces dat we moeten volgen, een proces dat wordt geleid door een Trojka bestaande uit vertegenwoordigers van de Europese Unie, de Russische Federatie en de Verenigde Staten.

We moeten deze werkzaamheden overlaten aan de Trojka, die ze moet uitvoeren in een klimaat van rust en vertrouwen. Wat de Europese Unie betreft, heeft het werk van deze Trojka uiteraard onze volledige steun. Daarnaast heeft deze Trojka heel duidelijk de opdracht om in december een verslag te presenteren dat de afsluiting zal vormen en conclusies en naar alle waarschijnlijkheid aanbevelingen zal bevatten die het resultaat zijn van het werk van de komende maanden. We hopen daarom, zoals ik al heb gezegd, dat dit werk zal worden afgemaakt, dat het verslag zal worden gepubliceerd en dat eventuele aanbevelingen van deze Trojka eveneens aan ons bekendgemaakt zullen worden.

Het is met name van fundamenteel belang voor de Europese Unie dat zij, wat de conclusies of aanbevelingen ook mogen zijn en wat de vooruitzichten voor de toekomst van Kosovo ook zijn, zoals die te lezen zijn in het verslag van de Trojka, in alle genomen beslissingen verenigd en samenhangend blijft. Hiertoe heeft het Portugese voorzitterschap voortdurend opgeroepen en we hebben er alle vertrouwen in dat deze oproep is gehoord.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de voorzitter van de Raad, weet u dat de heer Papadimoulis hier geheel alleen staat? Kent u de resolutie van het Parlement waarin een meerderheid van 75 procent van de afgevaardigden heeft gezegd voorstander te zijn van het voorstel van de heren Ahtisaari en Rohan, en zijn wij klaar voor een internationaal gecontroleerde soevereiniteit? Weet u dat wij de optie van een opdeling van Kosovo duidelijk hebben uitgesloten? Ik wil u ook vragen wat u denkt van het gerucht dat over een opdeling wordt gepraat. Dat is voor de contactgroep en het Parlement immers uitgesloten.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) De kwestie van de scheiding of opdeling van Kosovo staat op geen enkele wijze op de agenda en maakt evenmin deel uit van het werk van de Trojka.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 6 van Philip Claeys (H-0611/07)

Betreft: Kandidatuur Kazachstan voorzitterschap OVSE

Naar verluidt werpt Kazachstan zich op als kandidaat om het voorzitterschap van de OVSE in 2009 te bekleden. De minister van Buitenlandse Zaken van het land dat het voorzitterschap bekleedt, vertegenwoordigt de organisatie en coördineert alle activiteiten van de OVSE.

Zoals bekend is Kazachstan een land dat nog nooit een verkiezing heeft gehouden die beantwoordt aan internationale voorwaarden en is de mensenrechtensituatie zeer belabberd.

De EU-lidstaten treden in de OVSE zeer dikwijls als een blok op. Zeker in een dergelijke fundamentele kwestie, een ondemocratisch land dat zich opdringt als voorzitter van de OVSE, moet eensgezindheid verwacht worden. De knoop zou in november doorgehakt worden.

Bestaat er binnen de Raad algemene zaken een consensus over dat de kandidatuur van Kazachstan onaanvaardbaar is? Zullen de lidstaten eensgezind optreden?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Dank u, mijnheer de Voorzitter, geacht Parlementslid. De Europese Unie heeft nog geen besluit genomen over de kandidatuur van Kazachstan voor het voorzitterschap van de OVSE in 2009. In de ogen van de EU, onderstreept deze kandidatuur de noodzaak voor Kazachstan om hervormingen na te streven en de regels en verplichtingen van de OVSE in alle opzichten na te leven. De Raad heeft herhaaldelijk bevestigd dat elk land dat voorzitter is van de OVSE het goede voorbeeld moet geven als het gaat om naleving van de beginselen van die organisatie.

In besprekingen met de politieke autoriteiten van Kazachstan hebben de Europese Unie, de Raad en de Commissie benadrukt dat Kazachstan moet laten zien dat het bereid en in staat is om zich te verplichten tot volledige naleving van de regels en verplichtingen van de OVSE in al hun aspecten, te weten het menselijke aspect, het politieke en militaire aspect en het economische en milieuaspect.

 
  
MPphoto
 
 

  Koenraad Dillen (ITS), plaatsvervangend auteur. Dank voor uw antwoord, mijnheer de minister. Mag ik er dan vanuit gaan dat u impliceert dat Kazachstan op dit moment niet aan die voorwaarden beantwoordt?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Ik moet hier even op reageren, want het geachte Parlementslid heeft uit mijn woorden iets begrepen wat ik niet precies gezegd heb. Wat ik zei, was dat er geen besluit is genomen over de kandidatuur van Kazachstan en dat een besluit over de kandidatuur van Kazachstan, als de tijd daar rijp voor is, rekening zal houden met de naleving van de genoemde voorwaarden door Kazachstan. Deze analyse en dit debat zullen op een geschikt tijdstip op een geschikte locatie plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Bij ontstentenis van de vraagsteller komt vraag nr. 7 te vervallen.

Vraag nr. 8 van Robert Navarro (H-0616/07)

Betreft: Vangst van blauwvintonijn in de Middellandse Zee

Op 11 juni 2007 heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan Verordening (EG) nr. 643/2007(1) van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 41/2007 wat betreft het herstelplan voor blauwvintonijn zoals aanbevolen door de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijn in de Atlantische Oceaan. Bij lezing van de tekst blijkt dat het beginsel van gelijke behandeling van vissers op blauwvintonijn in de Europese Unie niet wordt nageleefd. Naar gelang de geografische zones wordt verschil gemaakt bij het minimumgewicht van de gevangen vis en de vangstperiode.

Welke redenen kunnen worden aangevoerd voor de verschillen in behandeling van de vissers in de Middellandse Zee en die in de oostelijke Atlantische Oceaan?

De beperkingen die verlangd worden van de Franse vissers op blauwvintonijn in de Middellandse Zee dreigen het sociaaleconomisch evenwicht van de sector ernstig te verstoren. Boven de grens van 30 kg. in de nieuwe verordening, is tonijn moeilijk te verkopen. De met twee weken beperkte vangstperiode betekent een aanzienlijke omzetdaling voor de vissers. Een duizendtal zeelieden en hun gezinnen worden hierdoor rechtstreeks getroffen.

Op welke punten zou de vangst van blauwvintonijn in de Middellandse Zee schadelijker zijn dan die in de oostelijke Atlantische Oceaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Dank u, mijnheer de Voorzitter, mijnheer Navarro. Namens de Raad wil ik het geachte Parlementslid bedanken voor deze vraag over het herstelplan voor blauwvintonijn. Dit plan is opgesteld na een advies van wetenschappers van de ICCAT (Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen), waarin onmiddellijke en grootschalige actie werd aanbevolen om de huidige ineenstorting van de blauwvintonijnpopulaties in Middellandse Zee en het oosten van de Atlantische Oceaan een halt toe te roepen. De ICCAT nam de aanbeveling, gericht op de uitvoering van een vijftien jaar durend herstelplan, aan tijdens haar jaarvergadering in november 2006 in Dubrovnik. Als gevolg daarvan accepteerde de Europese Gemeenschap als lid van de ICCAT de internationale verplichting om het genoemde herstelplan om te zetten in het Gemeenschapsrecht.

In commercieel opzicht zouden de gevolgen van absolute niet-naleving van deze verplichting zeer nadelig zijn voor de positie van de Europese Gemeenschap op de Aziatische markten. Aan deze verplichting is voor 2007 voldaan door middel van de aanneming van Verordening (EG) nr. 643/2007 van de Raad tot wijziging van de verordening inzake TAC’s (totaal toegestane vangsten) en quota. Op basis van een voorstel van de Commissie, beoordeelt de Raad momenteel welke regels er nodig zijn om het plan permanent toe te passen gedurende nog eens 14 jaar vanaf 1 januari 2008. Er zijn verschillende regels van toepassing op verschillende gebieden om rekening te houden met de respectieve verschillen in vismethoden, mate van activiteit en de situatie van de populaties. Ik wil u eraan herinneren dat deze visserijbedrijven uiteenlopen van hightech industrieel vissen tot niet-industrieel traditioneel vissen.

De ICCAT-groepen hebben gekozen voor het plan op basis van wetenschappelijke adviezen die op bepaalde punten onderscheid maakten tussen de Middellandse Zee en het oosten van de Atlantische Oceaan. De Raad is daarom van mening dat de ICCAT heeft geprobeerd dit wetenschappelijk advies op te volgen en de verschillende elementen van het herstelplan te onderscheiden om de sociaaleconomische gevolgen af te zwakken.

De Raad is zich er volledig van bewust dat dit belangrijke herstelplan sociaaleconomische gevolgen heeft voor de betrokken vissersgemeenschappen. Deze gevolgen zouden zij ook ondervinden als de blauwvintonijnpopulaties weer zouden instorten. Tijdens de onderhandelingen voor de aanneming van Verordening (EG) nr. 643/2007 van de Raad, hebben de Raad en de Commissie afgesproken een bepaling op te nemen die ervoor zorgt dat het herstelplan als zodanig wordt erkend door het Europees Fonds voor de Visserij. Op die manier kunnen de lidstaten een deel van de middelen uit dat fonds gebruiken om de economische effecten op de getroffen vissersgemeenschappen te verminderen. Het is de bedoeling dat deze verklaring van kracht blijft tot 31 december 2014.

 
  
MPphoto
 
 

  Josu Ortuondo Larrea (ALDE), plaatsvervanger van de auteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil nu iets zeggen namens de heer Navarro en ik wil zelf ook een vraag stellen, of liever gezegd herhalen.

Mijn vraag namens de heer Navarro is als volgt: artikel 23, lid 4 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad, waarin de invoering van een herstelplan voor de blauwvintonijn wordt geregeld, biedt de mogelijkheid eventuele overschotten die een lidstaat produceert als het gaat om het jaarlijkse quotum af te trekken van de toekomstige vismogelijkheden. Wat ik de Raad wil vragen, is: wat gebeurt er met degenen die dit jaar minder dan hun quotum hebben gevangen, aangezien de Commissie vorige week de visgronden heeft gesloten?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Mijnheer Ortuondo, ik kan u niet het woord geven, want ik heb al twee sprekers op de lijst staan. Als u dat wilt, kan ik u echter nog 15 seconden geven om uw vraag meteen te stellen, want op grond van het Reglement mag ik geen drie extra vragen toestaan. Bij wijze van uitzondering zal ik daarom een beroep doen om de tolerantie van de aanwezigen en u nog 15 seconden de tijd geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Josu Ortuondo Larrea (ALDE). (ES) Mijnheer de Voorzitter, ik hoop dat u mij toestaat het voorzitterschap van de Raad te vragen hoe Verordening (EG) nr. 2371/2002 kan worden toegepast als de lidstaten geen medewerking hebben verleend aan de Commissie en de vereiste documentatie over de vangst gedurende het visseizoen niet hebben ingestuurd.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Het geachte Parlementslid heeft me een aantal vragen gesteld, waarvan er een heel specifiek en gedetailleerd was. Ik zal proberen zo goed als ik kan te antwoorden, maar ik ben echt van mening dat de eerste vraag rechtstreeks betrekking heeft op, en beter gesteld zou kunnen worden aan, de Commissie. Ik denk dat de Commissie de door u gewenste opheldering beter kan geven dan de Raad.

Met betrekking tot uw tweede vraag met betrekking tot het vermeende gebrek aan medewerking van lidstaten aan de Commissie, is het natuurlijk de taak van de Commissie zelf om de situatie te analyseren en de beste manier te vinden om de lidstaten, om het zo maar te zeggen, te dwingen zich te houden aan iets wat ze zelf hebben ingesteld. Daarom ben ik dus van mening dat deze vraag beter aan de Commissie kan worden gesteld dan aan de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE). – (DE) Ik wil het voorzitterschap vragen hoe het in verband met de visquota met het verschijnsel klimaatverandering omgaat. Wij weten allemaal dat de klimaatverandering op dit ogenblik door de sterke warmteabsorptie gebufferd wordt. Tachtig procent van de energie wordt opgenomen. Wij moeten er echter natuurlijk rekening mee houden dat het maritieme milieu in de toekomst zeer sterk zal opwarmen. Hoe garandeert de voorzitter van de Raad dat met de nieuwe wetenschappelijke inzichten behoorlijk rekening wordt gehouden en dat bij het vaststellen van vangstquota met het maritieme milieu rekening wordt gehouden?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Ik denk dat dit ook een vraag is die beter aan de Commissie kan worden gesteld dan aan de Raad, aangezien de Commissie hier natuurlijk een leidende en fundamentele rol in speelt. Ik kan het geachte Parlementslid mededelen, zoals ik al eerder heb gezegd, dat de milieukwesties, in het bijzonder die met betrekking tot klimaatverandering, met prioriteit op de agenda van het voorzitterschap en van de Raad staan. Na de Conferentie van Bali aan het einde van dit jaar zullen we ons gesteld zien voor een grote uitdaging en na dit hele proces hopen we in 2009 te kunnen beslissen over nieuwe doelstellingen voor CO2-emissies.

 
  
MPphoto
 
 

  Rosa Miguélez Ramos (PSE). (ES) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, ik wil ook een aantal opmerkingen maken over de kwestie van de blauwvintonijn en meer in het bijzonder over de afsluiting van de visgronden waartoe de Commissie recentelijk heeft besloten omdat de quota die aan de Europese Unie waren toegewezen waren overschreden.

Uit de informatie die de Commissie ons heeft verstrekt, kan men opmaken dat op het moment dat de visgronden werden gesloten, bepaalde lidstaten, waaronder Spanje en Portugal, nog niet hun quotum hadden gevangen, terwijl andere landen zoals Frankrijk en Italië dat van hen hadden overschreden en zelfs hadden verdubbeld, waardoor de Europese Unie in een op zijn zachtst gezegd gênante situatie terechtkwam omdat zij de internationale regels had overtreden.

Mijn vraag aan de Raad luidt: welke maatregelen kan de Raad nemen om staten die nog niet hadden gevangen waar ze recht op hadden te compenseren door inhoudingen van degenen die meer dan hun quota hadden gevangen? Kan de Raad dit doen?

Ik heb ook nog een andere vraag: wat is de Raad van plan te doen? Welke maatregelen gaat hij nemen om ervoor te zorgen dat deze situatie niet meer voorkomt?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Miguélez, ik moet nogmaals zeggen dat u deze vragen aan de Commissie moet stellen. Alleen de Commissie is in de positie om de door u gestelde vragen goed te beantwoorden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 9 van Chris Davies (H-0617/07)

Betreft: Het maken van EU-wetten in het openbaar

Is de Raad op de hoogte van eventuele negatieve gevolgen van zijn besluit van juni 2006 om de notulen van de bijeenkomsten tijdens welke de ministers over wetgeving debatteren, op de website van de Raad te zetten?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) In antwoord op de vraag van het geachte Parlementslid wil het voorzitterschap verwijzen naar het verslag over de tenuitvoerlegging van het algehele transparantiebeleid dat het vorige, Finse voorzitterschap op 11 december 2006 heeft gepresenteerd aan de Raad. Dit verslag bevatte de laatste beoordeling door de Raad van de invloed van de nieuwe transparantiemaatregelen op de effectiviteit van het werk van de Raad. Volgens de voorlopige conclusies van dit verslag, dat ook voorlopig is, moet er voor het einde van 2007 een grondigere evaluatie worden gemaakt van de effecten van de nieuwe transparantiemaatregelen als er meer praktijkervaring is opgedaan met de uitvoering ervan en de invloed op het werk van de Raad.

Ik kan u vertellen dat in de eerste helft van 2006 in totaal 98 beraadslagingen en debatten open waren voor publiek, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van 15 en 16 juni 2006 en artikel 8 van het Reglement van de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Chris Davies (ALDE). – (EN) Ik ben verheugd over het antwoord van de fungerend Voorzitter. Het verheugt mij ook dat de Raad heeft besloten de overdracht van deze procedures te regelen vóór bepalingen in het Hervormingsverdrag worden opgenomen.

Ik neem nota van het antwoord van de fungerend Voorzitter dat vóór het einde van 2007 een herziening plaats zal vinden en zal worden gepubliceerd, waaruit naar ik hoop zal blijken hoe de principes van openheid en transparantie op dit gebied kunnen worden uitgebreid. Kan de fungerend Voorzitter bevestigen dat zulke herziening vóór het einde van zijn voorzitterschap zal worden gepubliceerd?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Wat ik kan bevestigen en u kan verzekeren, is dat dit een onderwerp is dat het Portugese voorzitterschap na aan het hart ligt en dat we al het mogelijke zullen doen om dit proces vooruit te helpen. Ik kan op dit moment geen specifieke data voor deze herziening garanderen, maar ik kan wel garanderen dat het Portugese voorzitterschap deze transparantiekwestie graag vooruit wil helpen en zich hiervoor zal inzetten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 10 van Ryszard Czarnecki (H-0620/07)

Betreft: De situatie in Afghanistan

Welke rol ziet de Raad voor de EU bij de stabilisering van de situatie in Afghanistan, waar soldaten uit een aantal lidstaten van de EU gestationeerd zijn?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) De aanpak van de Europese Unie is in essentie gebaseerd op strikte coördinatie. Intern is bijzonder aandacht besteed aan het garanderen van complementariteit en wederzijdse versterking van de acties van de Europese Gemeenschap, Raad en lidstaten. Extern is de Europese Unie een van de belangrijkste leden van de Gemeenschappelijke coördinatie- en bewakingsraad die is opgericht op grond van het Afghanistan Compact van 2006.

Het besluit van de Raad van 12 februari 2007 om de missie van het EVDB (Europees veiligheids- en defensiebeleid) naar Afghanistan door te zetten, moet worden gezien in de context van deze bredere strategie. De politiemissie van de EU (EUPOL) bevindt zich momenteel in de planningsfase. Met deze missie toont de Europese Unie haar intentie om een actievere rol te gaan spelen op het gebied van politiewerk met koppelingen naar de bredere rechtsorde. Deze missie zal uiteraard precies aansluiten op het streven van de Commissie om de justitiële sector te hervormen. Al deze inspanningen hebben het gemeenschappelijke doel om de soevereiniteit van de Afghaanse instellingen te versterken.

Sinds 2001 heeft Afghanistan aanzienlijke vooruitgang geboekt als het gaat om de vorming van representatieve politieke instellingen, de invoering van persvrijheid, de oprichting van instellingen in de veiligheidssector, verbeteringen op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs en met betrekking tot de mensenrechten en de positie van vrouwen, de benoeming van een functionerend hooggerechtshof en de instelling van een adviescommissie voor de benoeming van hoge functionarissen. De Europese Unie heeft een fundamentele rol gespeeld in dit proces en heeft sinds 2002 al 3,7 miljard euro bijgedragen. De Europese Unie blijft de inspanningen intensiveren om ervoor te zorgen dat haar ontwikkelingshulp Afghanen in alle delen van het land bereikt.

De grotere nadruk die nu wordt gelegd op bestuur en de rechtsorde is bedoeld om de acties op andere gebieden te versterken. De Commissie heeft programma’s ontwikkeld op het gebied van plattelandsontwikkeling, gezondheid en bestuur en zal financiële steun verlenen aan burgeractiviteiten die worden uitgevoerd door de lidstaten door middel van provinciale wederopbouwteams. De Europese Unie is er sterk van overtuigd dat, zoals is gesteld door de Europese Raad op 14 december 2006, de veiligheid en ontwikkeling van Afghanistan nauw met elkaar samenhangen. Daarom heeft de Europese Unie zich altijd ingezet voor een sterke en evenwichtige strategie voor Afghanistan voor de lange termijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (UEN). – (PL) Heel hartelijk bedankt, mijnheer Antunes, voor deze uitleg. Ik wilde alleen verwijzen naar één belangrijke kwestie die ook verband houdt met de verklaringen die vertegenwoordigers van de Europese Commissie die actief zijn in Afghanistan hebben afgelegd voor de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement.

Ik wilde informeren of de Raad van plan is de humanitaire hulp aan Afghanistan uit te breiden en de inspanningen om de burgermaatschappij weer op te bouwen te intensiveren. Naar mijn mening is er in Afghanistan veel meer nodig dan militaire aanwezigheid. Mijn land heeft zich echter verplicht tot aanwezigheid in Afghanistan, wat een teken is van een bepaalde wens om stabiliteit in die regio te creëren.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. fungerend voorzitter van de Raad. (PT) Ik ben het met het geachte Parlementslid eens: het bevorderen van de veiligheid en stabiliteit in militair opzicht in Afghanistan is fundamenteel, maar het is slechts een deel van wat we in dat land moeten doen. We moeten ook werken aan versterking van de democratische instellingen in Afghanistan en we moeten ons ook concentreren op de component van de “Afghaanse burgermaatschappij”. We moeten investeren in gezondheid, onderwijs en scholing. En natuurlijk moeten we blijven proberen de harten van de Afghaanse bevolking te winnen.

Daarom hebben we een strategie met twee aspecten, waarvan één het militaire aspect is dat draait om veiligheid en stabiliteit ter plaatse. Zonder veiligheid en stabiliteit kan er geen vrede zijn en zeker geen economische en sociale ontwikkeling. We moeten daarom dit aspect waarborgen en tegelijkertijd werken aan en investeren in de Afghaanse burgermaatschappij en de Afghaanse democratische instellingen. Dit noemen we de wederopbouw van de administratieve capaciteit van de Afghaanse staat.

 
  
MPphoto
 
 

  Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) De economische stabiliteit in Afghanistan is een zeer belangrijke voorwaarde voor democratie en vrede in dat land. In de Europese Unie hebben wij de Oslo-agenda voor onderwijs voor kleine en middelgrote ondernemingen, voor de oprichting van bedrijven en om de houding tegenover ondernemerschap te verbeteren en in- en uitvoer te bevorderen. Kunt u zich voorstellen dat die Oslo-agenda ook daar wordt uitgevoerd?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijnheer Rübig, ik ben van mening dat we in alle delen van de Afghaanse maatschappij moeten investeren, zoals ik zojuist heb gezegd. Ik denk dat in een land als Afghanistan, met zijn veiligheidsproblemen, economische moeilijkheden en bepaalde sociale structuur, een zeer belangrijke rol weggelegd kan zijn voor kleine en middelgrote bedrijven.

Dit lijkt me dan ook echt een sector waarin we kunnen en moeten investeren als het gaat om de vorming van de economische en sociale netwerken van Afghanistan. Natuurlijk kunnen we bespreken hoe we het financiële instrument precies gaan toepassen, maar uiteraard verwacht op dit moment nog niemand dat er grote ondernemingen opgericht zullen worden in Afghanistan. Daarvoor is dit niet het moment.

Om het economische netwerk van Afghanistan nieuw leven in te blazen, moeten we onze inspanningen naar mijn mening vooral richten op kwalificatie, op scholing en tegelijkertijd op kleine en middelgrote ondernemingen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 11 van Eoin Ryan (H-0625/07)

Betreft: Actie EU om georganiseerde misdaad een halt toe te roepen

Kan de Raad meedelen van welke omvang de georganiseerde misdaad in Europa op dit moment is en welke gecoördineerde initiatieven worden genomen op EU-niveau ter bestrijding van de toenemende dreiging van georganiseerde criminele activiteiten?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) De Raad verwijst het geachte Parlementslid naar de dreigingsevaluatie van de georganiseerde criminaliteit (OCTA), die jaarlijks wordt opgesteld door Europol voor bestudering door de Raad en waarvan jaarlijks een versie wordt gepubliceerd en doorgestuurd naar het Europees Parlement.

Op 13 juni van dit jaar herhaalde de Raad, in zijn conclusies over de OCTA 2007, zijn overtuiging dat de strijd tegen de georganiseerde misdaad zich zou moeten richten op de vermindering van de dreiging en de schade die erdoor wordt veroorzaakt en in het bijzonder op het aanpakken van de volgende problemen: de obstakels voor de ontmanteling van georganiseerde criminele bendes die voortkomen uit hun internationale karakter of invloed, de mate van infiltratie van de georganiseerde misdaad in de maatschappij en de economie, met name het misbruik van legitieme bedrijfsstructuren en de transportsector in het bijzonder, en ten slotte het misbruik van technologie door georganiseerde misdaadbendes.

De Raad benadrukt ook dat de volgende takken van misdaad de prioriteiten van de Europese Unie voor 2007 zouden moeten vormen: drugshandel, in het bijzonder in synthetische drugs; smokkel en handel in mensen, met name met betrekking tot illegale immigratie; fraude, vooral op het gebied van zwaar belaste goederen en btw-carrousels; eurovervalsing, productvervalsing en diefstal van intellectueel eigendom en witwassen van geld.

Net als bij de OCTA 2006 onderstreepten deze conclusies de noodzaak van een multidisciplinaire inlichtingengestuurde aanpak om niet alleen de criminele activiteiten te laten ophouden, maar ook de criminele organisaties op te rollen, de daders voor de rechter te brengen en de opbrengsten van de misdaad in beslag te nemen.

Hiervoor moet gebruik worden gemaakt van speciale middelen en organisatiestructuren om alle informatie die beschikbaar is voor de wetshandhaving te gebruiken en zo de meest bedreigende criminele bendes te identificeren en aan te pakken.

De Raad roept in zijn conclusies ook op tot verdere ontwikkeling van een nieuwe inlichtingengestuurde controlestrategie die het hele nationale grondgebied – en mogelijk de hele EU – beslaat, aanvulling van de externe grensbewaking met controles, onderweg en op de plaats van bestemming, toezicht op financiële bewegingen en uitbreiding van de analytische mogelijkheden van nationale en Europese instanties voor rechtshandhaving.

 
  
MPphoto
 
 

  Eoin Ryan (UEN). – (EN) Mijn vraag is tweeledig. Het eerste deel hebt u beantwoord: u hebt mij gezegd welke initiatieven werden genomen. U hebt het deel over het peil van de georganiseerde misdaad echter niet beantwoord. Velen zijn van mening dat dit op dit ogenblik schromelijk wordt onderschat en dat georganiseerde criminele bendes zeer veel of zelfs alle landen in de Europese Unie infiltreren. Dit is een probleem dat niet zal verdwijnen. Velen vinden dat het veel gecoördineerder moet worden aangepakt dan nu het geval is. Wat ik u eigenlijk vraag, is hoeveel georganiseerde misdaad er in Europa bestaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijnheer Ryan, zoals ik al heb gezegd, denk ik dat het nuttig en zelfs essentieel zou zijn, of liever gezegd is, om de dreigingsevaluatie van de georganiseerde criminaliteit voor Europa te raadplegen. Ik ga niet discussiëren over de vraag of er meer of minder misdaad is, want ik heb daar op dit moment geen informatie over, maar het is vaak zo dat er een psychologische perceptie is dat de misdaad toeneemt, terwijl de feiten dit niet ondersteunen.

Er is echter iets wat niet betwist kan worden: we hebben behoefte aan een grotere gecoördineerde inspanning door, en meer samenwerking tussen, de lidstaten, in het bijzonder samenwerking tussen de Europese instellingen en de lidstaten, om de omvangrijke en uiteenlopende dreigingen van de georganiseerde misdaad weg te nemen. Zoals ik al aangaf, beschikken georganiseerde misdaadbendes, als gevolg van de nieuwe technologieën die beschikbaar zijn, over uitzonderlijk verfijnde hulpmiddelen die zeer moeilijk te bestrijden zijn. Ik denk dat al onze lidstaten zich bewust zijn van deze nieuwe technologieën en de nieuwe mogelijkheden die deze technologische ontwikkelingen misdadigers bieden, wat absoluut leidt tot specifieke problemen in de strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Natuurlijk zal het Portugese voorzitterschap, zoals het hoort, alle voorstellen en suggesties die de instellingen doen in overweging nemen om de dreigingen van deze criminele bendes, die door de aard van de misdrijven een grote invloed hebben op onze samenlevingen, effectiever te bestrijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). – (EN) Ik denk dat de fungerend Voorzitter geschokt zou zijn door elke band tussen georganiseerde misdaad en een regering in de EU. Jammer genoeg is dat echter precies het geval in Noord-Ierland, waar Sinn Féin, een belangrijke regeringspartij, onlosmakelijk verbonden is met het IRA, waarvan de illegale Army Council een portefeuille van honderden miljoenen euro controleert die via de georganiseerde misdadige activiteiten van het IRA werden vergaard. Dat is één van de redenen waarom de Army Council niet werd ontbonden. Zal de Raad deze obsceniteit mee veroordelen en het IRA/Sinn Féin oproepen zijn illegale Army Council onmiddellijk te ontbinden?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijn reactie op de kwestie van de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de evaluatie en reactie van de Raad zijn opgenomen in mijn openingstoespraak. Ik heb daar verder niets aan toe te voegen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 12 van Seán Ó Neachtain (H-0627/07)

Betreft: Verkeersveiligheid

Kan de Raad aangeven aan welke maatregelen hij momenteel werkt om de verkeersveiligheid op het grondgebied van de Europese Unie te vergroten?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Ó Neachtain, zoals het geachte Parlementslid ongetwijfeld weet, heeft de Raad na de presentatie door de Commissie van de tussentijdse evaluatie van het Europees actieprogramma inzake verkeersveiligheid in maart 2006, conclusies aangenomen tijdens zijn vergadering op 8 en 9 juni 2006. In deze conclusies bereikten de ministers van verkeer van de Europese Unie en de Europese Commissie overeenstemming over de noodzaak om de maatregelen en initiatieven voor verkeersveiligheid op communautair en nationaal niveau te versterken.

Als gevolg daarvan nam de Europese Commissie in oktober 2006 twee wetgevingsvoorstellen aan voor de verbetering van de verkeersveiligheid en dankzij uitstekende samenwerking tussen het Europees Parlement en de Raad bereikten de twee medewetgevers snel overeenstemming over een voorstel voor een richtlijn over de plaatsing van moderne spiegels op vrachtwagens. Deze werd van kracht in august 2007 en zal voor 31 maart 2009 ten uitvoer worden gelegd.

De Commissie schat dat deze nieuwe wetgevingsmaatregel tussen nu en 2020 mogelijk 1 200 levens zou kunnen redden op de weten in de Gemeenschap. De Raad is momenteel bezig met de beoordeling van een voorstel voor een richtlijn inzake veiligheidsbeheer voor het wegennet waarvoor hij, in afwachting van het advies van het Europees Parlement, tijdens de vergadering van de Raad op 1 en 2 oktober een algemene oriëntatie hoopt aan te nemen. De Commissie schat dat jaarlijks zo’n 7 000 gewonden en 600 doden kunnen worden voorkomen als de maatregelen die worden voorgesteld in dit ontwerpwetgevingsinstrument worden toegepast.

Ik moet het geachte Parlementslid ook zeggen dat hij ervan op aan kan dat de Raad voornemens is alle maatregelen en initiatieven voor verkeersveiligheid die de Europese Commissie heeft voorgesteld in de context van haar huidige inspanningen om het aantal doden en gewonden op de wegen van de Gemeenschap te verminderen positief zal beoordelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain (UEN). – (EN) Ik dank u voor uw antwoord, maar wil nog vragen of u van mening bent dat er nu behoefte is aan een meer gecoördineerde aanpak met het oog op het aantal burgers van lidstaten dat van land naar land reist, in het bijzonder in mijn eigen land, Ierland, waar veel Oost-Europeanen met hun wagens komen. Ik denk niet dat de Raad of de Commissie al voldoende maatregelen met betrekking tot dit soort reizen heeft genomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Aangezien ik Portugees ben, heb ik in mijn land ook zeer ingrijpende ontwikkelingen gezien op het gebied van verkeersveiligheid. Portugal heeft een probleem, of heet een probleem gehad, op dit gebied en daarom hebben wij ons bijzonder ingespannen. Dat heeft de afgelopen jaren geleid tot een zeer aanzienlijke vermindering van het voorheen veel het grote aantal doden op de Portugese wegen, vooral in verkeersongelukken. Deze vermindering is te danken aan systematisch en vasthoudend handelen door de regering.

Dit is een probleem waarvan we ons terdege bewust zijn, dat ons heel direct raakt en waar we waakzaam en zeer gevoelig voor zijn. Ik zei aan het einde van mijn toespraak dat de Raad, in dit geval het Portugese voorzitterschap, veel aandacht zal besteden aan en zeer zeker bereid is tot het evalueren en meenemen van, elk voorstel van de Commissie aan de Raad dat is gericht op het verder verbeteren van de huidige inspanningen die worden verricht om het aantal doden en gewonden op de wegen in de Gemeenschap te verminderen. Zoals ik al zei, is het voorzitterschap, met andere woorden de lidstaat die het voorzitterschap bekleedt, bijzonder gevoelig voor deze kwestie omdat het ook met dit probleem te maken heeft gehad in Portugal. Daarom is het, zoals ik zei, bereid om speciale aandacht te besteden aan alle voorstellen die de Commissie hierover voorlegt aan de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 13 van Brian Crowley (H-0629/07)

Betreft: Toetreding van Kroatië tot de Europese Unie

Kan de Raad uitvoerig aangeven hoe het momenteel staat met de inspanningen van Kroatië om tot de Europese Unie toe te treden?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Crowley, ik ben hier vandaag al in de gelegenheid geweest om kort te spreken over het proces van de toetreding van Kroatië. Ik zal hier nu iets dieper op ingaan, maar gezien de beperkte tijd zal ik het toch zo kort mogelijk houden.

Ik kan u zeggen, mijnheer Crowley, dat we al een eind op weg zijn met de onderhandelingen over de toetreding van Kroatië en dat er dit jaar aanzienlijke vooruitgang is geboekt. In het algemeen hebben we twee hoofdstukken geopend en voorlopig gesloten: hoofdstuk 25 – Wetenschap en onderzoek en hoofdstuk 26 – Onderwijs en cultuur. In de tussentijd zijn er nog tien hoofdstukken geopend. Dit zijn: hoofdstuk 3 – Vrijheid van het verrichten van diensten; hoofdstuk 6 – Vennootschapsrecht; hoofdstuk 7 – Intellectuele-eigendomsrechten; hoofdstuk 9 – Financiële diensten; hoofdstuk 10 – Informatiemaatschappij en media; hoofdstuk 17 – economisch en monetair beleid; hoofdstuk 18 – Statistiek; hoofdstuk 20 – Ondernemingen- en industriebeleid; hoofdstuk 29 – Douane-unie en ten slotte hoofdstuk 32 – Financiële controle.

Daarnaast is de Raad voornemens op 15 oktober de vijfde bijeenkomst van de Toetredingsconferentie met Kroatië te houden op ministerieel niveau, om hoofdstuk 28 – Bescherming van de consument en van de gezondheid te openen. Andere hoofdstukken volgen aan het eind van het jaar. Er is nog een heleboel werk te doen, vooral op gebieden die cruciaal zijn voor het succes van elk kandidaatland, zoals hervorming van het rechtsstelsel en het openbaar bestuur, de strijd tegen corruptie en economische hervormingen. De Raad blijft Kroatië ook aansporen om zijn administratieve capaciteit te verbeteren en het acquis effectief om te zetten en ten uitvoer te leggen zodat het te zijner tijd kan voldoen aan de verplichtingen van het lidmaatschap. Om deze dynamiek vast te houden en het proces goed te laten verlopen, moeten we erop wijzen dat er meer inspanningen nodig zijn om te voldoen aan de eisen van het onderhandelingskader, waaronder de verplichtingen van Kroatië met betrekking tot de stabilisatie- en associatieovereenkomst, en ook de tenuitvoerlegging van het toetredingspartnerschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN). – (EN) Alvorens mijn vraag te stellen wil ik nog zeggen dat ik het schitterend vind dat de fungerend Voorzitter zoveel tijd in het Parlement heeft doorgebracht en zo goed aan zoveel debatten heeft deelgenomen. Ik dank u namens het Parlement.

Met betrekking tot het tijdsbestek voor Kroatië kennen wij de problemen die er waren in een aantal hoofdstukken om overeenstemming te vinden met de Kroatische regering, maar kan de fungerend Voorzitter voor de afronding van die onderhandelingen een tijdsbestek geven? Gaat het om twee of om drie jaar? Is er een tijdsbestek, rekening houdend met eventuele problemen?

In de tweede plaats wil ik vragen welke specifieke acties werden ondernomen met betrekking tot de nog aan te snijden onderwerpen, zoals rechterlijke onafhankelijkheid en politiediensten in Kroatië?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijnheer Crowley, hartelijk bedankt voor uw vriendelijke woorden. Ik moet u zeggen dat het een plezier en eer voor mij was om hier vandaag met u te zijn en te discussiëren te debatteren en het soms oneens te zijn over zulke belangrijke kwesties voor de Europese agenda en de Europese Unie.

Het geachte Parlementslid vraagt me echter iets wat onmogelijk is: een datum geven voor de toetreding van Kroatië. Dat kan ik niet doen omdat deze toetreding, of deze datum, naar alle waarschijnlijkheid meer van Kroatië zal afhangen dan van de Europese Unie zelf. In feite zou Kroatië dit zelf beter kunnen bepalen dan de Europese Unie, om de eenvoudige reden dat lid worden van de Unie, zoals u ongetwijfeld weet, afhankelijk is van of samenhangt met de vooruitgang die wordt geboekt bij het voldoen aan de criteria en voorwaarden. Wat ik wel ondubbelzinnig kan zeggen, is dat Kroatië goede Europese vooruitzichten heeft en goede vooruitzichten heeft om lid te kunnen worden van de Europese Unie en dat het Portugese voorzitterschap ernaar zal streven dit proces tijdens zijn voorzitterschap vooruit te helpen en er uiteraard ook, samen met de Commissie, naar streeft alle obstakels die zich mogelijk voordoen uit de weg te ruimen.

In november zal er, zoals ik in het antwoord op een andere vraag al heb gezegd, een evaluatie plaatsvinden van de stand van zaken van de onderhandelingen met Kroatië. Deze evaluatie en een voorstel zullen ons worden toegezonden door de Commissie. U begrijpt dat deze een fundamentele rol zullen spelen voor de verslaglegging over het toezicht op de werkzaamheden die worden verricht. Ze zullen met de nodige gedetailleerdheid worden opgesteld op grond van de bevoegdheid van de Commissie en wat de Commissie zegt, voorstelt en aanbeveelt in deze evaluatie is erg belangrijk voor de besluiten van de Raad over de toekomst en de voortzetting van het onderhandelingsproces met Kroatië.

Het is waar dat de bestuurlijke en gerechtelijke kwesties vaak het moeilijkst op te lossen zijn, in wezen die kwesties die betrekking hebben op de specifieke interne organisatie van lidstaten. Op die gebieden moeten de lidstaten, als het gaat om hun specifieke organisatie, meer investeren en mogelijk ook uitgebreidere en, om het zo maar te zeggen, pijnlijkere en moeilijkere hervormingen doorvoeren. We hebben er alle vertrouwen in dat Kroatië dit soort problemen zal overwinnen en dat het, in lijn met zijn eigen wensen en die van de Europese Unie, in de niet al te verre toekomst lid zal worden van onze Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 14 van Liam Aylward (H-0631/07)

Betreft: Klimaatverandering

Kan de Europese Raad een uitvoerige verklaring afleggen met een uiteenzetting van de structuren die op EU-niveau worden ingesteld om te komen tot een verdergaande coördinatie tussen Europa en Amerika van onze inspanningen om te verzekeren dat het streven om de CO2-emissies voor het jaar 2020 met twintig procent te verminderen kan worden verwezenlijkt?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Aylward, het lijdt geen twijfel dat klimaatverandering een wereldwijde uitdaging is die wereldwijde oplossingen vereist. De Europese leiders hebben besloten een krachtig signaal af te geven aan de internationale gemeenschap om te laten zien dat ze vastbesloten zijn klimaatverandering tegen te gaan door de volgende beloften te doen met het oog op het starten van onderhandelingen over een wereldwijde overeenkomst voor na 2012. Tot een dergelijke overeenkomst is bereikt, gaat de Europese Unie de onafhankelijke en krachtige verbintenis aan om voor 2020 een verlaging van de broeikasgasemissies van ten minste twintig procent te bereiken in vergelijking met de niveaus van 1990. Ten tweede is de Unie van plan zich in te zetten voor een vermindering tot dertig procent als andere ontwikkelde landen vergelijkbare verminderingen realiseren en als de ontwikkelde landen die economisch verder ontwikkeld zijn een gepaste bijdrage leveren.

De Europese Unie is van mening dat het tijd is om de stappen die na 2012 moeten worden genomen te evalueren en een totaalaanpak te ontwikkelen waaraan een groot aantal landen deelneemt. Het nastreven van een meer permanente dialoog met de Verenigde Staten zal essentieel zijn voor de voorbereiding van de onderhandelingen over de maatregelen na 2012, die van start moeten gaat tijdens de Klimaatconferentie die eind dit jaar op Bali zal worden gehouden en waarover ik het in mijn antwoord op een eerdere vraag al heb gehad.

Binnen dit kader zijn er voor de Conferentie twee belangrijke vergaderingen gepland, waarvan de resultaten zeker een zeer positieve toegevoegde waarde zullen geven aan de onderhandelingen op Bali. De eerste is de vergadering op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over klimaatverandering, die al heeft plaatsgevonden in New York op 24 september. De tweede is de vergadering van de voornaamste economieën op 27 en 28 september in Washington, waar de Europese Unie verwacht een belangrijke bijdrage te kunnen leveren om het internationale proces binnen de Verenigde Naties vooruit te helpen. Verder hebben de Europese Unie en de Verenigde Staten tijdens de top van Wenen in juni 2006 afgesproken een dialoog op hoog niveau op te zetten over klimaatverandering, schone energie en duurzame ontwikkeling. Het doel is voort te bouwen op bestaande bilaterale en multilaterale initiatieven en te streven naar de tenuitvoerlegging van de verklaring van de top van Wenen en het actieplan van Gleneagles over klimaatverandering, schone energie en duurzame ontwikkeling dat is aangenomen door de leiders van de G8.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN), plaatsvervangend auteur. (EN) Ik wil de fungerend Voorzitter danken voor zijn antwoord.

Bedoeling van de vraag was echter dat het verschil in zienswijze van de overheid van de VS en de Europese Unie met betrekking tot het vinden van oplossingen en het bouwen van partnerschappen in de gehele wereld groter lijkt te zijn geworden. De afstand lijkt in de voorbije jaren te zijn gegroeid. Hoe goed wij het in de Europese Unie ook doen, we hebben uiteraard andere mensen nodig die volgen wat wij doen. In het bijzonder zien wij nu met China, India en andere belangen die zij hebben, dat Amerika misschien weer verder achterblijft.

Wij willen dus eigenlijk specifieke actie vanwege de Europese Unie om onze overzeese neven in Amerika aan te sporen met ons mee te doen, zodat wij aan de macht van India en China in deze onderhandelingen het hoofd kunnen bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijnheer Crowley, ik ben het volledig met u eens. We moeten onze neven overtuigen en aangezien ze onze neven zijn, verwachten we dat ze zich zullen laten overtuigen of zich daar op zijn minst voor zullen openstellen. Ik moet u zeggen dat de weg naar Bali en na Bali moeilijk zal zijn en bezaaid zal zijn met hindernissen. Daar zal niemand aan twijfelen, maar het is duidelijk dat we met vasthoudende en gecoördineerde actie succes kunnen bereiken, althans, dat hoop ik. In elk geval ben ik ervan overtuigd dat, dankzij de permanente dialoog die specifiek met onze neven aan de andere kant van de Atlantische Oceaan is ingesteld, ondanks alles, alle verschillen en verschillende meningen over deze klimaatkwestie kunnen worden opgelost.

In dat opzicht denk ik dat de conclusies over klimaatveranderingen die zijn geformuleerd tijdens de bijeenkomst van de G8 in Duitsland en de mogelijkheid die daar geschapen is of de overeenkomst die daar is bereikt over de fundamentele rol van de Verenigde Naties voor de kwestie van klimaatverandering lieten zien dat verdere vooruitgang en verdere overeenstemming over het onderwerp klimaatverandering wel degelijk mogelijk zijn. Zoals ik al heb gezegd, is het essentieel dat de Europese Unie vasthoudt aan haar rol van leider en initiatiefnemer die de weg vrijmaakt voor anderen om het milieu en onze planeet te beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, het zal u al zijn opgevallen dat de volgende drie vragen allemaal betrekking hebben op Pakistan. Helaas kan ik het Reglement niet gebruiken om de Raad uit te nodigen al deze vragen samen te beantwoorden, aangezien de Raad zijn werk anders heeft gestructureerd. Ik moet uw aandacht vestigen op de noodzaak van de hervorming van het Parlement en in het bijzonder op wat u, dames en heren, moet doen met betrekking tot de essentiële hervorming van het Vragenuur, waar we het volgens mij allemaal over eens zijn. We kunnen echter helaas geen flexibelere regels toepassen aangezien we ons moeten houden aan het Reglement. Ik moet daarom deze vragen een voor een voorleggen, wat waarschijnlijk betekent dat ze niet allemaal zullen worden beantwoord. Afhankelijk van hoe ons werk verloopt, zullen we zien hoe productief we zijn.

Ik zal beginnen met Vraag nr. 15 over Pakistaanse militaire bezittingen. Deze vraag is gesteld door de heer Rutowicz en ik verzoek de Raad met klem deze vraag direct te beantwoorden.

Vraag nr. 15 van Józef Rutowicz (H-0637/07)

Betreft: Militaire bezittingen van Pakistan

Het is algemeen bekend dat het Pakistaanse leger de economie en de regering van dat land domineert. Overweegt de Raad te laten analyseren welke bedragen aan het leger gelieerde ondernemingen zich in totaal hebben toegeëigend ten koste van de Pakistaanse samenleving?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) De diverse dialogen tussen de Europese Unie en Pakistan over dat land en de rol die het leger daarin speelt maken deel uit van de uitgebreide analyse waarop het beleid van de Raad ten aanzien van Pakistan is gebaseerd.

De algehele situatie van de Pakistaanse economie en het ontwikkelingspeil zijn ook twee onderdelen van deze analyse. Natuurlijk wordt met beide rekening gehouden bij de algemene definitie van ons beleid ten aanzien van Pakistan en dat zal ook in de toekomst zo blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Leopold Józef Rutowicz (UEN). – (PL) Ik wil de Voorzitter en de heer Antunes bedanken voor deze reactie. Als ik het goed begrijp, was deze vraag vooral bedoeld om te informeren of er enige vorm van humanitaire hulp zal worden geboden aan de arme mensen in Pakistan. Ik zou de heer Antunes dankbaar zijn als hij daar wat informatie over zou kunnen geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mijnheer Rutowicz, zoals u weet zijn humanitaire hulp, samenwerkingshulp en ontwikkelingshulp belangrijke onderwerpen voor de Europese Unie. Overal waar mensen het moeilijk hebben of armoede lijden, doen de Europese Unie, de Raad en ook dit Parlement alles wat in hun macht ligt om te proberen te helpen deze situaties op te lossen. De Europese Unie is een van de grootste, misschien zelfs de allergrootste, leverancier van internationale hulp en dat mogen we niet vergeten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Bij ontstentenis van de vraagstellers komen de vragen nrs. 16 en 17 te vervallen.

Vraag nr. 18 van Mairead McGuinness (H-0639/07)

Betreft: Solidariteitsfonds van de Europese Unie

Kan de Raad een verklaring afleggen over de doeltreffendheid van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw McGuinness, zoals het geachte Parlementslid weet, is de Commissie verantwoordelijk voor de toepassing van de Verordening inzake het Solidariteitsfonds en de effectiviteit van deze verordening moet worden beoordeeld op grond van de daarin vastgelegde criteria.

Voor zover de Raad weet is de toepassing in gevallen van rampen waarop de verordening betrekking heeft effectief geweest. De Europese Commissie stelt periodiek verslagen op waarin het gebruik van het Solidariteitsfonds in detail is beschreven.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). – (EN) Dank u voor uw bondige antwoord. Ik veronderstel dat de Raad een standpunt heeft, aangezien de lidstaten een standpunt zullen hebben over hoe dat hun eigen landen beïnvloedt. Denkt u dat de begroting van één miljard dollar volstaat en dat het Fonds snel genoeg reageert op de verschillende crisissen waarmee het moet omgaan?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes. (PT) Mevrouw McGuinness, zoals ik al zei, is de Raad van oordeel dat de toepassing van deze Verordening, met andere woorden het gebruik van het Solidariteitsfonds, effectief geweest. Het was zeker een uitstekend idee om een fonds in te stellen om lidstaten te helpen omgaan met natuur- en andere rampen, aangezien dit eerder nog niet bestond. Dit fonds helpt zeker, want zulke rampen brengen lidstaten in een moeilijke en hulpbehoevende positie.

Er zou idealiter altijd een mogelijkheid moeten zijn om een verzoek in te dienen voor meer. We moeten deze kwestie natuurlijk realistisch bekijken, maar ook ambitieus. Ik weet zeker dat de Raad, op het geschikte tijdstip en op voorstel van de Commissie, deze mogelijkheid in overweging zal nemen. Voorlopig hebben we echter het wetgevingskader dat we hebben en door dit te gebruiken kunnen we realistisch werken, de oprichting van dit fonds en de effectieve rol die het heeft gespeeld verwelkomen, wat al aantoont dat dit initiatief gerechtvaardigd is.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 19 van Bill Newton Dunn (H-0641/07)

Betreft: Vrede stichten in het Midden-Oosten

Maakt de Raad wel voldoende gebruik van de talenten van de Britse consul-generaal in Jeruzalem met de veelzeggende naam Makepeace?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Ik zal deze mondelinge vraag beantwoorden, hoewel ik zeker weet dat de heer Newton Dunn hem al eerder heeft gesteld. Goed, ik wil zeggen dat de diplomatieke en consulaire missies van de lidstaten en de delegaties van de Commissie in derde landen samenwerken om ervoor te zorgen dat de gemeenschappelijke standpunten en gezamenlijke acties die de Raad heeft aangenomen in de context van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden nageleefd en ten uitvoer worden gelegd zoals bepaald in het Verdrag inzake de Europese Unie. Hiertoe behoort uiteraard ook de Britse consul-generaal in Jeruzalem naar wie het geachte Parlementslid in zijn vraag verwijst.

 
  
MPphoto
 
 

  Bill Newton Dunn (ALDE). – (EN) In het belang van mijn collega die vraag twintig wil stellen, verzaak ik aan mijn recht op een aanvullende vraag.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 20 van Gay Mitchell (H-0644/07)

Betreft: Aan de lidstaten toegewezen aantal zetels in het Europees Parlement

Zal de Raad wijzigingen voorstellen van het aan elke lidstaat toegewezen aantal zetels in het Europees Parlement?

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad. − (PT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Mitchell, ik zal uw vraag met plezier beantwoorden, vooral omdat vragen met betrekking tot het Hervormingsverdrag, te beginnen met de vraag om een nieuw Verdrag voor de Unie vele jaren geleden, naar mijn persoonlijke mening bijzonder interessant en belangrijk zijn. Ik zal daarom met plezier proberen uw vraag te beantwoorden. Ik wil u eraan herinneren dat de bepalingen die over dit onderwerp worden opgenomen in het Hervormingsverdrag, in overeenstemming met het mandaat dat op 22 juni is verleend aan de Intergouvernementele Conferentie 2007, bepalen dat een besluit over de samenstelling van het Europees Parlement kan worden aangenomen door de Europese Raad op initiatief van en met toestemming van het Europees Parlement.

Zoals het geachte Parlementslid ongetwijfeld weet – en daarom zal ik er geen tijd aan verspillen – heeft de Europese Raad in juni het Europees Parlement verzocht voor oktober 2007 een ontwerp voor een dergelijk initiatief in te dienen. We weten dat er een verslag over de toekomstige samenstelling van het Europees Parlement zal worden gepresenteerd tijdens de vergaderperiode in oktober, d.w.z. op 10 oktober van dit jaar, waarvoor mevrouw Lamassoure en mevrouw Severin de rapporteurs zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). – (EN) Ik dank mijn collega voor het verzaken aan zijn aanvullende vraag en dank de fungerend voorzitter omdat hij de vraag aanvaardt.

Ik breng dit naar voren omdat wij in Ierland reeds van 15 naar 13 zetels zijn gegaan. Ierland is een eiland voor de westkust van Europa. Het is het laatste punt vóór de Verenigde Staten. Er is nu een voorstel om ons van 13 op 12 zetels te brengen, terwijl onze bevolking met twaalf procent is toegenomen en sterk zal blijven groeien.

Ik wil de fungerend Voorzitter alleen verzoeken, aangezien er 16 extra zetels toe te wijzen zijn, te denken aan Ierland en de 13 zetels die het wil behouden. Als u naar de cijfers kijkt, zal u zien dat wij zeer goede argumenten hebben. Ik verzoek u daar rekening mee te houden.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Lobo Antunes, fungerend voorzitter van de Raad.− (PT) Mijnheer de Voorzitter, ik wil erop wijzen dat de uiterst westelijke punt van Europa in Portugal is, op de Cabo da Roca of Kaap Roca. Ik wil niet met het geachte Parlementslid in discussie treden over de geografische ligging van zijn land, maar de waarheid is dat de uiterst westelijke punt van Europa in mijn land ligt.

Met betrekking tot de gestelde vraag, specifiek het tweede deel daarvan, zal het geachte Parlementslid het antwoord hierop uiteraard primair ontvangen van het Europees Parlement en zijn collega-leden. Maar natuurlijk neem ik notie van zijn punt.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

Vraag nr. 31 is niet ontvankelijk (Bijlage II, Deel A, paragraaf 2 van het Reglement).

Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.35 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: EDWARD McMILLAN-SCOTT
Ondervoorzitter

 
  

(1) PB L 151 van 13.6.2007, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid