Indiċi 
 Preċedenti 
 Li jmiss 
 Test sħiħ 
Proċedura : 2007/2094(INI)
Ċiklu ta' ħajja waqt sessjoni
Ċiklu relatat mad-dokument : A6-0278/2007

Testi mressqa :

A6-0278/2007

Dibattiti :

PV 27/09/2007 - 3
CRE 27/09/2007 - 3

Votazzjonijiet :

PV 27/09/2007 - 9.7
Spjegazzjoni tal-votazzjoni

Testi adottati :

P6_TA(2007)0422

Dibattiti
Il-Ħamis, 27 ta' Settembru 2007 - Strasburgu Edizzjoni riveduta

3. Implimentazzjoni tal-prinċipju tat-trattament ugwali bejn il-persuni irrespettivament mill-oriġini tar-razza jew etniċità (dibattitu)
PV
MPphoto
 
 

  Przewodniczący. Kolejnym punktem porządku dziennego jest sprawozdanie sporządzone przez Katalijnę Marię Buitenweg w imieniu Komisji Wolności Obywatelskich, Sprawiedliwości i Spraw Wewnętrznych w sprawie stosowania dyrektywy 2000/43/WE z dnia 29 czerwca 2000 r. wprowadzającej w życie zasadę równego traktowania osób bez względu na pochodzenie rasowe lub etniczne (2007/2094(INI)) (A6-0278/2007).

 
  
MPphoto
 
 

  Kathalijne Maria Buitenweg (Verts/ALE), Rapporteur. – Voorzitter, ik wil graag beginnen met het bedanken van de vele collega's die aan dit document hebben bijgedragen. Zeven jaar geleden was ik co-rapporteur voor de richtlijn waarvan we nu de evaluatie bespreken. Al die tijd hebben we Parlements-breed opgetrokken, wel op een paar andersdenkenden na die, zoals u straks zult zien, amendementen hebben ingediend. We hebben veel en soms ook heftig gediscussieerd, zoals bijvoorbeeld over het delen van de bewijslast, maar het gezamenlijke doel hebben we gelukkig nooit uit het oog verloren en ik hoop dan ook dat u dit verslag zult zien als een gezamenlijk project.

In 2000 stemden wij in ruime meerderheid voor de richtlijn die met recht revolutionair genoemd kan worden. Europa-breed werd discriminatie verboden zowel op de arbeidsmarkt, als bij sociale zekerheid, en het huren van huizen en werd gelijke behandeling verplicht. Ik was en ik ben er buitengewoon trots op. Het was goed werk van de Commissie, van de Raad en van het Europees Parlement. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat de werkelijkheid ook radicaal veranderd is. Er vindt nog steeds veel discriminatie plaats.

De laatste jaren zijn de uitingen van discriminatie en racisme zelfs toegenomen, zowel in aantal als in ernst. De werkloosheid onder migranten is in de meeste landen beduidend hoger dan onder de rest van de beroepsbevolking. Er is meer racistisch geweld. Wetgeving is heel belangrijk bij het tegengaan van discriminatie, want het werkt ook normerend. Het geeft aan waar de Europese Unie voor staat en hoe we met elkaar om willen gaan en wat niet getolereerd kan worden. Wetgeving geeft mensen ook instrumenten om verhaal te halen tegen discriminatie.

De Europese Commissie is nu heel druk bezig om te kijken of de lidstaten de Europese afspraken goed in nationale wetgeving hebben omgezet. Ik heb daar deze week ook met commissaris Špidla over gesproken en ik zie dat de Commissie van goede wil is en in goed overleg met de lidstaten de wetgeving geïmplementeerd wil krijgen. Daar wil ik de Commissie echt mee complimenteren.

Maar ik kan me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat er wel wat peper bij mag, wel wat daadkracht. Deze wetten hadden in 2004 geïmplementeerd moeten zijn. Er wordt geschermd met gevoeligheden en moeilijke details, maar deze Commissie heeft bij haar aantreden gezegd dat antidiscriminatiebeleid de kern van haar beleid zou zijn en u bent al over de helft van uw mandaat. Ik respecteer absoluut wat u tot nu toe heeft gedaan, maar ik hoop dat u de lidstaten iets meer op de huid gaat zitten. Dat is broodnodig.

Minder dan de helft van de landen heeft de richtlijn volledig geïmplementeerd. Zo is in veel landen de definitie van directe en indirecte discriminatie, van intimidatie en van bewijslast, niet goed omgezet. Er zijn ook een aantal lidstaten waar discriminatie op de arbeidsmarkt weliswaar is verboden, maar die het net een stapje te ver vonden gaan om ook discriminatie te verbieden bij het aanbieden van goederen en diensten. Toch zijn juist daar veel problemen.

Neem bijvoorbeeld het onderwijs. Volgens het nieuwe EU-Agentschap voor de grondrechten komt het voor dat kinderen uit Roma-gezinnen ten onrechte op scholen voor geestelijk gehandicapte kinderen worden geplaatst. Of kijk naar huisvesting; er worden regelmatig appartementen aangeprezen met de opmerking dat het appartementengebouw vreemdelingenvrij is. Dat kan niet geaccepteerd worden.

Het verbod op discriminatie, ook buiten de arbeidsmarkt, moet onmiddellijk van kracht worden. Voorzitter, een wet is alleen doeltreffend, als de burgers hun rechten kennen, maar volgens Eurobarometer denkt slechts 35% van de ondervraagden dat er in hun land antidiscriminatiewetgeving bestaat. Zelfs een lager percentage dan dat zegt te weten wat het moet doen als het slachtoffer is geworden van discriminatie. Hoe gaat de Commissie garanderen dat de wet een realiteit wordt in de levens van mensen? Het informeren van mensen staat als verplichting in de richtlijn opgenomen, maar hoe gaat de Commissie daar handen en voeten aan geven?

Voorzitter, ook als mensen wél weten dat er een wet is, kan het pad nog vol kuilen blijken, want soms worden problematische eisen gesteld. Zo is in sommige landen de periode voor het indienen van een klacht wel heel erg kort, bijvoorbeeld slechts 30 dagen. De rest van de procedure kan daarentegen soms weer absurd lang duren en buitengewoon ingewikkeld zijn. Inbreuk op antidiscriminatiebeleid moet worden aangepakt via doeltreffende, evenredige en ontmoedigende strafmaatregelen. Dat staat allemaal braaf in die richtlijn; daar waren we het over eens. Maar toch beschikken maar heel weinig landen over adequate strafmaatregelen.

Misschien tijd voor een positieve noot. Het goede is dat in vrijwel alle landen inmiddels instanties voor gelijke behandeling zijn. Dat is een belangrijk iets en in veel landen gaat het niet alleen over raciale discriminatie, maar gaat het ook over bredere gronden. Ik juich dat toe. Maar helaas beschikken niet alle instanties dan ook weer over de financiën om hun taken uit te voeren en ik verzoek de Commissie dan ook om dit punt mee te wegen bij de evaluatie van de uitvoering van de antidiscriminatiewetgeving; kan de Commissie daarop reageren?

Voorzitter, om af te ronden: ik ben trots op de wetgeving. Er is vooruitgang met het implementeren in de nationale wetten, maar het is nog niet voldoende. Veel landen hebben het nog niet volledig gedaan. Maar zelfs als ze dat wel helemaal qua letter hebben gedaan, dan nog moeten we zorgen dat mensen ook geïnformeerd zijn over hun rechten, want als mensen niet weten welke rechten ze hebben, zullen ze uiteindelijk ook nooit verhaal kunnen halen en juist dat is buitengewoon belangrijk bij het bestrijden van discriminatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, membre de la Commission. Monsieur le Président, Madame le rapporteur, honorables parlementaires, la Commission salue ce rapport sur l'application de la directive 2000/43/CE du 29 juin 2000 relative à la mise en œuvre du principe de l'égalité de traitement entre les personnes sans distinction de race ou d'origine ethnique.

La Commission prend note des préoccupations exprimées par le Parlement concernant divers aspects et souhaite attirer votre attention sur les points suivants. Pour ce qui est du contrôle de la mise en œuvre de la directive par les États membres, la Commission a ouvert, à la fin du mois de juin dernier, des procédures d'infraction à l'encontre de quatorze États membres, qui n'avaient pas transposé correctement la directive en droit national. Je me dois de préciser qu'un certain nombre d'États ont déjà modifié leur législation pour répondre aux préoccupations de la Commission, ou indiqué qu'ils étaient disposés à le faire.

S'agissant des informations détaillées sur la transposition de la directive dans les États membres, comme nous l'avons indiqué dans notre communication de 2005 sur une stratégie-cadre pour la non-discrimination et l'égalité des chances pour tous, nous publions, chaque année, le rapport complet du groupe d'experts juridiques, et les différents rapports nationaux sont disponibles en ligne.

Mme Buitenweg indique, à juste titre, que les organismes chargés de l'égalité jouent un rôle-clé dans la lutte contre la discrimination. C'est d'ailleurs pourquoi nous finançons le réseau EQUINET qui regroupe les organismes des États membres aux fins de l'échange d'expériences et de bonnes pratiques.

Comme l'indique le rapport, la collecte de données est un sujet sensible. Toutefois, sans elle, il est impossible d'évaluer l'ampleur des discriminations et de savoir si les mesures prises sont efficaces. Étant donné qu'une grande partie des informations collectées peuvent être des données à caractère personnel révélant l'origine raciale ou ethnique de la personne, voire ses convictions religieuses ou sa vie sexuelle, elles doivent être traitées dans le respect des dispositions applicables de la directive 95/46/CE relative à la protection des données.

D'une manière générale, cette directive interdit le traitement des données sensibles à caractère personnel. Cependant, elle prévoit certaines dérogations à cette règle, notamment dans le cas où la personne concernée a donné son consentement explicite ou lorsque – je cite – le traitement est nécessaire aux fins de respecter les obligations et les droits spécifiques en matière de travail.

En outre, sous réserve de garanties appropriées, les États membres peuvent prévoir, pour un motif d'intérêt public important, des dérogations. Il incombe donc aux États membres de décider s'il convient ou non de collecter des données relatives à l'origine ethnique afin de produire des statistiques pour lutter contre la discrimination, pour autant que les garanties requises par la directive sur la protection des données soient mises en place.

L'enquête Eurobaromètre sur la discrimination dans l'Union européenne a montré que, dans l'ensemble, de nombreux citoyens européens étaient disposés à fournir anonymement des informations à caractère personnel dans le cadre d'un recensement pour lutter contre la discrimination. Trois citoyens de l'Union européenne sur quatre seraient prêts à communiquer des informations personnelles relatives à leur origine ethnique et à leur religion ou leurs convictions.

Ce type d'informations est particulièrement important dans le contexte de l'action positive qui vise à remédier à des discriminations et à des désavantages profondément enracinés. En février dernier, la Commission européenne a publié un guide européen relatif aux données en matière d'égalité, destiné à aider les États membres à améliorer la collecte de données.

La même enquête Eurobaromètre de janvier 2007 a révélé que les citoyens n'avaient pas le sentiment de connaître suffisamment leurs droits en tant que victimes de discrimination. Bien que le niveau de connaissances varie considérablement entre, par exemple, la Finlande, où 65% des personnes interrogées affirment connaître leurs droits, et l'Autriche, où seulement 17% des répondants sont de cet avis, le taux moyen, qui est de 32% seulement, montre clairement, comme vous l'avez d'ailleurs très bien souligné, que les activités de sensibilisation restent plus que jamais nécessaires.

Je suis persuadé que nos activités actuelles, renforcées par l'Année européenne de l'égalité des chances pour tous en 2007, avec quelque 430 actions au niveau des États membres, et la campagne pour la diversité contre les discriminations contribueront à combler ce manque de connaissances.

Je tiens à indiquer en particulier que nous finançons des programmes de formation à l'intention des ONG, des syndicats, des avocats et des entreprises.

La Commission est fermement décidée à utiliser tous les instruments disponibles pour améliorer la situation des Rom dans l'Union européenne. Il s'agit notamment de veiller à l'application de la directive 2000/43/CE, de se servir des fonds structurels communautaires, en particulier du Fonds social européen, et de sensibiliser tant les Rom que le grand public à leurs droits et obligations.

Un groupe consultatif d'experts de haut niveau sur l'intégration sociale et professionnelle des minorités ethniques, y compris des Rom, présentera son rapport et un ensemble de recommandations au début du mois de décembre. Ce groupe a pour objectif d'identifier les obstacles à l'intégration et de mettre en avant les bonnes pratiques appliquées par les pouvoirs publics et les entreprises.

Dans ce contexte, nous nous félicitons de l'intérêt du Parlement européen pour la question des discriminations multiples et je suis évidemment impatient de connaître, à la fin de cette année, les résultats d'une étude qui est réalisée pour la Commission. Il est clair qu'à elle seule, la non-discrimination n'est pas suffisante pour offrir des chances égales à certains groupes, qui sont plus désavantagés que d'autres sur le plan social: la Commission a donc commandé une analyse approfondie des bonnes pratiques appliquées dans les États membres, surtout dans le contexte de la politique d'emploi.

La Commission estime aussi qu'il est très important que les États membres appliquent correctement le cadre juridique, mais il est évident que la législation à elle seule ne suffit pas. Nous souhaitons la compléter par la recherche, la sensibilisation, la formation et l'échange de bonnes pratiques, de manière à prévenir la discrimination et, lorsque ce n'est pas possible, à offrir une réparation adéquate aux victimes.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Gaubert, au nom du groupe PPE-DE. – Monsieur le Président, mes chers collègues, je souhaite remercier Mme Buitenweg pour le travail de qualité qu'elle a effectué. Ce rapport dresse des constats justes et équilibrés. Les problèmes les plus importants concernant l'application de la directive sont mentionnés de façon exhaustive.

Il est vrai que très peu de nos concitoyens ont une connaissance claire de leurs droits dans le cas où ils seraient victimes de discriminations. À ce titre, il paraît tout à fait nécessaire d'assurer une meilleure diffusion de l'information auprès de nos concitoyens, en particulier cette année, Année européenne de l'égalité des chances. Je soutiens en particulier l'idée d'accorder des ressources suffisantes à des organismes chargés de l'égalité. Ils jouent un rôle déterminant dans ce domaine et ils doivent, comme le précise à juste titre le rapport, impérativement rester indépendants.

Mais le constat le plus inquiétant est certainement la non-transposition, ou la transposition incomplète, de la directive dans certains États membres. Nous devons absolument nous mobiliser pour que tous les États membres se dotent des dispositions législatives nécessaires pour que chacun, quel que soit l'État où il réside, puisse bénéficier d'une protection indispensable.

S'agissant du point de vue le plus sensible, la collecte des données, le rapport prend soin de préciser qu'elle doit se faire dans le respect de la vie privée et dans le seul but de détecter les discriminations dont les minorités peuvent être victimes. Il ne s'agit en aucun cas de dévier dangereusement vers le profilage ethnique, mais il s'agit d'avoir enfin des données qui permettront de mesurer l'importance de ce phénomène et d'y apporter des solutions appropriées.

Quand il s'agit d'un principe aussi fondamental que celui de l'égalité de traitement, l'Europe ne peut se contenter de mots, l'Europe ne peut se contenter d'une législation a minima, l'Europe ne peut se contenter d'observer. Nous devons être attentifs. Mais nous aussi, nous devons agir, aller de l'avant, faire en sorte que l'Europe soit exemplaire en la matière: plus elle le sera, plus elle sera irréprochable.

 
  
MPphoto
 
 

  Martine Roure, au nom du groupe PSE. – Monsieur le Président, Monsieur le Commissaire, je tiens à remercier Mme Buitenweg pour son excellent travail. Nous soutenons entièrement son rapport. En effet, les données récentes montrent, malheureusement, que la discrimination reste un problème d'actualité important dans un grand nombre d'États européens.

Le premier rapport de l'Agence européenne des droits fondamentaux, d'août 2007, montre ainsi que les crimes racistes sont en augmentation dans au moins huit pays de l'Union. Ceci est d'autant plus inquiétant que l'Union européenne dispose d'une législation très avancée contre les discriminations. Celle-ci est cependant mal transposée et incomplètement mise en œuvre par les États membres, je suis bien d'accord. Les citoyens européens sont mal informés et savent, ne savent pas surtout, qu'ils ont la possibilité d'avoir recours à cette législation pour faire respecter leurs droits lorsqu'ils sont victimes de discriminations.

En tant que rapporteur de l'Année européenne sur l'égalité des chances pour tous et sur la décision-cadre sur la lutte contre le racisme et la xénophobie, je pense qu'un effort supplémentaire doit être mené par les États membres pour assurer la bonne application de la législation européenne. Il est également nécessaire de faire connaître largement nos textes afin que les citoyens européens se les approprient.

Par ailleurs, le réel progrès de cette directive sur l'égalité de traitement est, en effet, le renversement de la charge de la preuve. Nous devons donc insister pour que des instruments concrets soient mis en place afin de garantir ce progrès dans tous les États européens.

Enfin, je pense qu'il est nécessaire de renforcer le cadre légal européen de lutte contre les discriminations par l'adoption d'une directive horizontale qui couvre l'ensemble des discriminations inscrites à l'article 13 du traité et, d'ailleurs, je souhaite à ce titre demander à la Commission quel est l'état d'avancement de cette étude de faisabilité d'une telle directive.

 
  
MPphoto
 
 

  Sophia in 't Veld, namens de ALDE-Fractie. – Voorzitter, wij hier in het Europees Parlement maken wetten, maar met wetten alleen kunnen we racisme en xenofobie niet uitbannen. Uitspraken van politici en andere opinion leaders dragen bij tot een klimaat van haat en onverdraagzaamheid, waarbinnen discriminatie gewoon wordt gevonden en zo blijft de wet een dode letter.

Ik zou eigenlijk willen dat de Europese Commissie de discriminatie in Europa net zo voortvarend aan de kaak stelt als inbreuken op bijvoorbeeld marktregels. We moeten menselijk kapitaal in Europa net zo goed beschermen als geldelijk kapitaal. Als we Bill Gates kunnen aanpakken, kunnen we zeker bedrijven en overheden aanpakken die discrimineren. We weten dat 14 regeringen op punten nog steeds niet voldoen aan de richtlijn gelijke behandeling, maar de Commissie lijkt weinig haast te maken met het handhaven van de regels en geeft de landen veel te veel tijd om aan de regels te voldoen. Die wet had al jaren geleden geïmplementeerd moeten zijn; daar zou Bill Gates niet mee weg komen.

In de strijd tegen terrorisme en misdaad mogen we onze grenzen ook niet verleggen. Sommige maatregelen treffen exclusief bepaalde groeperingen en lijken discriminatie te legitimeren. Denk bijvoorbeeld aan stop and search praktijken, profiling methods enz., enz. Ook maatregelen voor integratie zijn soms discriminerend en ik constateer met tevredenheid dat bijvoorbeeld de vorige regering in mijn land maatregelen wilde invoeren voor integratie die vervolgens door de rechter zijn verboden, omdat ze inderdaad discriminerend waren.

Tussen de amendementen viel mij één amendement op, namelijk amendement 4, waarin staat dat bescherming van minderheden en het naleven van antidiscriminatiewetgeving een nationale kwestie is. Als er één ding nu niet nationaal is, dan is het wel onze gemeenschappelijke Europese waarden en het is dus bij uitstek de bevoegdheid van Europa om toe te zien op gelijke behandeling van élke burger van Europa, want dat is het doel van de Europese integratie en de markt is daarbij overigens alleen maar een middel.

Tenslotte, vrijheid van religie is ook een groot goed én fundamenteel recht, maar mag niet worden misbruikt om discriminatie op basis van etniciteit goed te praten. Zo mag bijvoorbeeld een katholieke school niet onder het mom van godsdienstvrijheid kindertjes van een bepaalde etniciteit weigeren, omdat ze eigenlijk liever een witte school houden. Andersom is ook kritiek op de islam niet automatisch racisme.

Tenslotte, Voorzitter, de wetten zijn belangrijk en het is ontzettend goed dat we deze wet hebben, maar we zijn er met z'n allen bij om ervoor te zorgen dat het klimaat zodanig blijft dat discriminatie niet meer voorkomt.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Angelilli, a nome del gruppo UEN. – Signor Presidente, onorevoli colleghi, innanzitutto voglio ringraziare la collega per il lavoro svolto. Come relatrice al Parlamento europeo sui diritti dei minori, io vorrei innanzitutto sottolineare una parte importante di questa relazione e cioè, quella relativa ai bambini rom. Vorrei infatti richiamare l'attenzione dei presenti sul fatto che a fare le spese più gravi della discriminazione e dell'esclusione sociale, sono proprio i minori.

In Europa ci sono molti, troppo bambini di strada, spesso di origini rom, ai quali è negato un futuro perché non hanno una formazione scolastica adeguata, in molti casi sono del tutto analfabeti. Questi bambini non ricevono cure mediche adeguate, né le necessarie vaccinazioni. Sono, quindi, bambini che non hanno un futuro, perché hanno un'infanzia negata, perché spesso sono costretti all'accattonaggio, a raccogliere l'elemosina, quasi sempre durante l'orario scolastico, o sono destinati al lavoro nero.

Così come è scritto anche nella relazione, occorre impegnare gli Stati membri nella realizzazione di politiche positive contro la discriminazione. In questo specifico caso, politiche che garantiscano il diritto allo studio ai bambini e che impegnino le famiglie degli stessi bambini rom al rispetto dell'obbligo scolastico. Occorre inoltre organizzare adeguate campagne rivolte ai cittadini per incoraggiarli a collaborare con le istituzioni, per evitare che a danno dei minori si consumino episodi di discriminazione, di sfruttamento e di esclusione sociale.

Concludo anch'io dicendo che è inaccettabile che ancora troppi Stati membri, e tra questi purtroppo il mio paese l'Italia, non hanno trasposto adeguatamente le disposizioni della direttiva nelle legislazioni nazionali.

 
  
MPphoto
 
 

  Tatjana Ždanoka, on behalf of the Verts/ALE Group. – Mr President, I would like to thank Ms Buitenweg for this report, which draws attention to one of the more serious issues in Europe’s problem of racial and ethnic discrimination.

Commissioner, in my opinion the Commission should be more active in order to promote transposition of the Racial Equality Directive. Each day brings us a lot of cases where correct transposition is necessary to protect victims. I would also like to mention that some practices related to linguistic policy may be considered as indirect discrimination under the Directive. For example, in my country, Latvia, as well as in neighbouring Estonia, states which have a high proportion of ethnic minorities, there are disproportionate language criteria for employment, as well as requirements to use only one language in communication with authorities. I believe that if such practices lead to under-representation of racial and ethnic minorities in different areas of social life, Member States have a duty to develop policies aiming at ensuring equal access and avoiding discrimination.

There is another matter of concern. Sometimes different treatment on the grounds of nationality may be considered as indirect ethnic discrimination. It happens when policy concerning citizenship is aimed at excluding those of minority backgrounds – Roma or Russians, for example.

I hope that the European courts, as well as the Inter-American Court of Human Rights, which stated that there should not be racial or ethnic discrimination on access to nationality, will not be less progressive and will monitor carefully the impact of policy concerning nationality on persons belonging to different ethnic groups.

 
  
MPphoto
 
 

  Vittorio Agnoletto, a nome del gruppo GUE/NGL. – Signor Presidente, onorevoli colleghi la direttiva antidiscriminazione è una direttiva molto buona e di alto valore etico, ma in Europa diversi paesi non solo stanno facendo poco o nulla per recepire la direttiva e i suoi contenuti nella propria legislazione, ma di fatto gli abusi razziali o etnici sono all'ordine del giorno. L'Italia, ad esempio, è sotto procedura d'infrazione da parte dell'Unione europea per non aver recepito la suddetta direttiva.

In particolare, l'Unione europea contesta all'Italia il non recepimento nella legislazione nazionale del concetto di molestia su base razziale, l'assenza di una legge che prevede il rovesciamento dell'onere della prova e la mancanza di norme precise sulla protezione contro gli abusi razziali o etnici. Lo scorso dicembre nel comune di Opera, vicino a Milano, un gruppo di cittadini guidati dai dirigenti della Lega di Alleanza nazionale hanno letteralmente cacciato e bruciato le tende con dentro una trentina di minorenni rom. A Pavia decine di rom sono stati scacciati al grido "camere a gas". Alla periferia di Roma, solo qualche giorno fa, 40 incappucciati armati di bastoni, coltelli e bottiglie incendiarie hanno assaltato nella notte un campo rom di Ponte Mammolo.

In Italia, quasi ogni giorno, uno o più campi nomadi vengono sgomberati dalle amministrazioni comunali senza garantire ai rom i più elementari diritti. E' questa la protezione sociale particolare richiesta dalla relazione, soprattutto in seguito all'allargamento nei confronti dei rom? Mi associo nel sottolineare che le sanzioni applicabili a violazioni di disposizioni nazionali adottate conformemente alla direttiva devono essere effettive, proporzionate e dissuasive. Ricordo inoltre che il 25 aprile abbiamo approvato ….

(Il Presidente toglie la parola all'oratore)

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke, namens de ITS-Fractie. – Voorzitter, ik vrees dat mijn mening over dit verslag wel een beetje afwijkt van al hetgeen ik reeds in deze zaal heb gehoord, want ik beschouw dit verslag als een merkwaardig verslag, in elk geval merkwaardig voor een instelling die zichzelf democratisch noemt, omdat hier op basis van een hoogst betwistbare richtlijn aanbevelingen worden gedaan die in mijn ogen indruisen tegen fundamentele rechten en vrijheden en die op een aantal punten botsen met fundamentele beginselen van de rechtsstaat.

De waarheid is dat échte discriminatie van minderheidsgroepen in Europa of écht racisme - en gelukkig maar - zeer marginale fenomenen zijn die reeds adequaat en terecht worden bestreden. Waar we in dit verslag mee te maken hebben, is echter iets heel anders. Het gaat hier in werkelijkheid over de zoveelste poging om muilkorfreglementen in te voeren om de vrije meningsuiting nog verder op de helling te zetten, om een klimaat van echte progressieve meningsterreur te scheppen, waarbij uiteindelijk autochtone mensen eigenlijk verplicht worden om voorrang te verlenen aan allochtonen. Dit is het zóveelste verslag dat autochtonen discrimineert.

Zo beschouw ik in het bijzonder de omkering van de bewijslast voor discriminatie en rechtszaken, vooral op het gebied van tewerkstelling, als absoluut verwerpelijk in een democratische rechtsstaat waar eenieder wordt geacht onschuldig te zijn tot het tegendeel bewezen wordt.

Kortom, het gaat in dit verslag niet over discriminatie, het gaat over een soort juridisering van de politieke correctheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE). – Dovoľte mi hneď na úvod, aby som poďakovala kolegyni Buitenweg za prácu, ktorú vykonala v tejto správe. Dovoľte mi zároveň, aby som sa pozrela na túto problematiku z iného zorného uhla.

Narastajúca mobilita ľudí nás núti, aby sme boli otvorenejší k tým, ktorí prichádzajú do našich krajín. Toto otvorenie začína však výchovou v rodinách. Je to v rodine, kde sa deti najskôr naučia rešpektovať druhého. Rodina je prvá komunita, ktorá by mala učiť k otvorenosti, rešpektu a solidarite. Výchova proti rasovej a etnickej intolerancii sa musí stať viditeľným pilierom všetkých dimenzií výchovy a vzdelávania, či sa jedná o školy alebo o spoločnosť vo všeobecnosti. Výchova a vzdelávanie sa musia sústrediť na etické základy, ktoré posilňujú jednotu ľudskej rodiny.

Z tohto dôvodu otázka interakcie medzi kultúrami, rovnako ako otázka mieru a rešpektu rôznosti, sa stali dnes politickými a bezpečnostnými otázkami najvyššieho významu. Boj proti rasovej diskriminácii sa sústreďuje hlavne na spôsob, ako chceme zabezpečiť spolužitie medzi ľuďmi a národmi na začiatku nového storočia a tisícročia. Samozrejme určitá legislatíva je potrebná, ale naša spoločnosť by sa mala vyrovnať s rasovou a etnickou diskrimináciou tak, že poctivo zhodnotíme minulosť a spoločne budeme hľadať budúcnosť pre každú ľudskú osobu, kde každý bude rešpektovaný vo svojej dôstojnosti a neoddeliteľných právach.

 
  
MPphoto
 
 

  Magda Kósáné Kovács (PSE). – Köszönöm, elnök úr! Ha egy felmérés során a megkérdezettek 60%-a úgy ítéli meg, hogy őt valamilyen hátrányos megkülönböztetés éri, akkor ez figyelmeztetés a tagországoknak és figyelmeztetés Európának.

Az etnikai, faji származás szerinti megkülönböztetés él, és félő, hogy hosszú ideig élni fog, hiszen Európa egyre színesebb, az etnikai különbségek láthatóvá válnak, és az önmagukat egy nemzetiségűnek tekintő országok is egyre színesebb kultúrát hordozóvá válnak.

Buitenweg asszony kiváló jelentése lehetőséget ad az értékelésre, a mérlegelésre. A Bizottság pedig a továbblépés ígéretét hozta el ma hozzánk, hiszen ha több országban hiányzik az irányelv méltó átültetése, akkor indokolt a figyelmeztetés és feltétlenül szükséges a segítség. Majdnem minden képviselőtársam elmondta, hogyha a polgárok nem ismerik a védelemhez való jogukat, akkor nem is fognak tudni élni vele.

A faji, etnikai alapú megkülönböztetés tágabb körben is problémákat vet fel, hiszen az etnikai kisebbséghez tartozás leginkább identitásvállalás kérdése. Nekünk Kelet-Közép-Európában nincsenek jó tapasztalataink az adatszolgáltatási hajlandóságról, és elérünk odáig, hogy cigány az, akit a környezete annak tekint, és ez leginkább életmód kérdése nem valódi faji identitásé. Az Alapjogi Ügynökség sokat tud majd tenni a helyzet javításáért.

Még két megjegyzés: nagyon sokat tehet az irányelv végrehajtása azért, hogy a cigányság ne sodródjon ki Európából. És a másik: az új tagországokkal új etnikai blokkok jelentek meg Európa történelmi térképén. A 20. század, a két világháború szomorú hagyatéka, hogy az ellentétek még mindig élnek, a sebek nem gyógyultak be. Mindannyian felelősek vagyunk. Köszönöm elnök úr.

 
  
MPphoto
 
 

  Sarah Ludford (ALDE). – Mr President, I welcome very much the Commission taking infringement proceedings against 14 Member States for failure to properly implement the Directive.

I am chastened to see that my own state, the UK, is on the list. One of the issues in the case of my country is that the definition of indirect discrimination does not comply. Clearly there is no room for complacency, even in a country that has had legislation against race discrimination for over 40 years.

Strong political will is needed on this subject, which makes it all the more disappointing that the Council did not think this debate important enough for it to be represented.

I was very interested to hear the statistic quoted by Commissioner Michel that three out of four Europeans are willing for data on ethnic origin to be collected on an anonymous basis, and I welcome the fact that the Commission has done a lot of work in this area in recent years and produced a guide for best practice. We have come a very long way since 1999, when I dared put the words ‘ethnic monitoring’ in my draft report on the European Year against Racism and got whole bucketloads of objections.

I obviously agree with Mr Gaubert that we have to watch carefully that ethnic and racial data collected for purposes of highlighting and fighting discrimination does not itself become a tool of discrimination through racial or ethnic profiling.

I should like to ask the Commissioner to what extent, besides data protection safeguards, the police in their operations – which are, of course, a supply of services – fall within the scope of the discrimination ban, such as in their conduct of stop-and-search operations. The police as employers clearly fall within that scope, but I have never been entirely clear to what extent the Directive applies to police operations.

(The President cut off the speaker)

 
  
MPphoto
 
 

  Marek Aleksander Czarnecki (UEN). – Panie Przewodniczący! Przeglądając stan implementacji dyrektyw Unii Europejskiej, w tym dyrektywy wprowadzającej w życie zasadę równego traktowania osób bez względu na pochodzenie rasowe lub etniczne stwierdziłem, podobnie jak sprawozdawczyni, że wiele państw członkowskich przyjęło szeroki zakres tej dyrektywy, wychodząc poza jej zakres przedmiotowy. Państwa członkowskie, z nielicznymi wyjątkami, zadbały o równe traktowanie swoich obywateli w pełnym zakresie. Pozostały pewne luki i niedopatrzenia, które wymagają dopracowania. Niejednokrotnie przepisy umieszczone są w różnych aktach prawnych, ale nie powinno to stanowić przeszkody w egzekwowaniu prawa na poziomie krajowym.

Uważam, że przygotowanie legislacyjne w Unii Europejskiej jest na dobrym poziomie. Gorzej jest ze świadomością ludzi, którzy ewentualnie dopuszczać się mogą dyskryminacji wobec osób trzecich. W tym momencie jednak musimy odpowiedzieć sobie na pytanie: jak rozwijać świadomość i wrażliwość ludzi w naszym globalnym świecie? W świecie, gdzie nieustannie ludzie z wielorakich powodów zmieniają miejsce swojego pobytu...

(Przewodniczący odebrał mówcy głos.)

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (ITS). – Mijnheer de Voorzitter, het probleem met een verslag, zoals dat van mevrouw Buitenweg, is dat men uitgaat van vrome principes en goede bedoelingen, maar dat er jammer genoeg een diepe kloof gaapt met de concrete realiteit. Natuurlijk is het zo dat discriminatie op basis van ras of afkomst verwerpelijk is. De vraag is alleen of deze discriminatie zo wijdverbreid is als men altijd wil doen geloven. Het jongste jaarverslag van het EUMC (Europees Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat) spreekt van een toename van het fenomeen, terwijl het EUMC niet in staat is die stelling te staven met concreet cijfermateriaal. Het EUMC is zelfs niet eens in staat om een algemeen aanvaarde definitie te geven van wat discriminatie is.

Al te vaak gaat men ervan uit dat zowat alle problemen met allochtonen hun oorzaak vinden in de zogenaamde discriminatie, waarvan ze geacht worden het slachtoffer te zijn. Dit discours heeft rampzalige gevolgen, omdat het hele bevolkingsgroepen onttrekt aan het concept persoonlijke verantwoordelijkheid. Het knuffelbeleid en de slachtoffercultuur hebben de problemen alleen maar erger gemaakt en ik sluit me dan ook graag aan bij het minderheidsstandpunt dat door Koenraad Dillen werd geformuleerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Alma Anastase (PPE-DE). – Domnule Preşedinte, doamnelor şi domnilor, pentru început, daţi-mi voie să apreciez consistenţa şi calitatea acestui raport, punctând în acelaşi timp importanţa subiectului pentru îmbunătăţirea vieţii oamenilor şi dezvoltarea comunităţilor. În intervenţia mea, doresc să atrag atenţia asupra importanţei educaţiei în punerea în practică a principiilor şi prevederilor europene în domeniul egalităţii de tratament între persoane.

În raport este subliniat în mod corect că legile sunt eficiente numai atunci când cetăţenii sunt conştienţi de propriile lor drepturi. Rămâne în continuare o necesitate informarea cetăţenilor, dar şi educarea acestora pentru a reacţiona; în fond, pentru a se apăra. De-abia atunci când oamenii au curajul să vorbească, au curajul să scrie şi să apeleze la drepturile lor, de-abia atunci fenomenele de discriminare pot fi limitate.

În acelaşi timp, educaţia pentru toleranţă este extrem de importantă pentru supravieţuirea oricărei comunităţi. A învăţa să trăieşti alături de ceilalţi, a accepta diferenţele nu ca o fatalitate, ci ca o oportunitate de a construi întregul, înseamnă a urma calea sigură de a eradica fenomenele de acest tip.

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE). – Panie Przewodniczący! Unia Europejska ma dobrą legislację, ustalone standardy antydyskryminacyjne, a dyrektywy są w opracowaniu Gratuluję tego sprawozdania, które koleżanka dzisiaj przedstawiła. Z kolei państwa wcielają w życie to, co my tutaj postanowimy. Państwa zawierają w swoich konstytucjach klauzule antydyskryminacyjne, mają całe działy prawa, które mają bronić obywateli przed dyskryminacją. Dlaczego zatem jest tak niedobrze? Dlaczego zatem nadal mamy tak liczne przykłady dyskryminacji, z którymi nie bardzo możemy sobie poradzić?

Wydaje mi się, że problem leży w dwóch płaszczyznach. Po pierwsze – informacja, po drugie – egzekucja obowiązku. Skupię się na informacji. Otóż informacja, to nie tylko działania państw. Państwa w bardzo niewielkim zakresie, jak się okazuje, informują zwykłego obywatela o tym, czym jest dyskryminacja. Wydaje mi się, że tę rolę powinny w większym stopniu przejąć na siebie organizacje pozarządowe, które doskonale potrafią zająć się poszczególnymi warstwami społecznymi, poszczególnymi grupami obywateli oraz udzielić im informacji o tym, czym jest imigracja. Proszę zapytać imigrantek, kobiet starszych, samotnych matek, czy czują się dyskryminowane. Powiedzą: „Nie, to jest nasz los. To jest zły los”. Trzeba im pomóc odnaleźć się, wskazać im procedury i właściwe organy.

Chciałabym także, żeby Parlament Europejski włączył się w przygotowanie kodeksu dobrych praktyk, które byłyby dzielone między organizacjami. I ostatnie zdanie. Mam nadzieję, że akcja Komisji Europejskiej w postaci żółtej ciężarówki objeżdżającej Europę z wystawą antydyskryminacyjną oraz Rok Równych Szans, to nie wszystko, na co nas stać. Zróbmy więcej dla dyskryminowanych!

 
  
MPphoto
 
 

  Wiesław Stefan Kuc (UEN). – Panie Przewodniczący! Wprowadzanie w życie zasady równego traktowania osób bez względu na ich pochodzenie rasowe lub etniczne, a także bez względu na ich kolor skóry, przekonania, wiarę, najczęściej związane jest z działaniem ciągłym i nigdy nie kończącym się. Każde przybliżenie zasadniczego celu jest dużym sukcesem. Nie możemy oczekiwać, że z dnia na dzień zmienimy wszystkich ludzi, że wyzbędą się naturalnej cechy – dążenia do poprawiania swojego życia i walki z tymi, którzy potencjalnie mogą im w tym dążeniu przeszkadzać. Ale musimy zrobić wszystko, aby usuwać bariery prawne, socjologiczne, ekonomiczne, a także edukować, stwarzać warunki do wspólnej egzystencji i zmieniać nasze negatywne nastawienia do innych ludzi, bez względu na różnice między nami. A na koniec chciałem powiedzieć, że absolutnie nie zgadzam się z panem posłem Vanhecke w sprawie poglądów.

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE). – Mr President, in welcoming this Commission communication, I regret that, despite this and other legislation, discrimination across the EU has not decreased but has increased dramatically.

I would like to respond to those from the far right who challenge this because, let me tell you, that this year alone, I have met around 500 people from the Sikh community from France, from Belgium, from Italy, from Germany, all citing shocking cases of unacceptable discrimination against them because of their appearance: because they wear a turban.

Since 2004, there have been a number of Sikh boys who have been expelled from schools in France for not removing their turban. There are similar cases in Belgium and Germany.

Whilst the French High Court ruled that Sikh men could wear their turban on their driving licence ID photo, the French Ministry, within 24 hours of this verdict, expressly forbade it.

At Brussels Airport, Sikh men are regularly asked to remove their turbans, which is considered a major insult.

Furthermore, I receive weekly calls from Italy about people unable to go about their daily business because they are Sikhs. So these cases are clearly a violation of everything that this report is asking for and what the Commission is propagating.

Therefore, I would like to ask the Commissioner what he and the Commission are doing to challenge these cases of discrimination. We cannot talk about unity and diversity and then ignore practices of governments of many Member States.

I would like to congratulate Ms Buitenweg, the rapporteur on this report, for bringing forward measures that I hope will give some redress to those who are being marginalised because of ignorance and because of a lack of awareness and respect for other people’s culture.

Finally, I sincerely hope that in this year of equal opportunity, and next year of intercultural dialogue, we have the will to ensure that our deeds reflect our words.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Tadeusz Masiel (UEN). – Panie Przewodniczący! Oczywiście nikt na świecie w XXI wieku nie może nie popierać walki z dyskryminacją. Ja również poprę to sprawozdanie, chociaż uważam, że uprzedzenia nie mają tła rasowego i etnicznego, tylko kulturowe, cywilizacyjne i religijne. Zauważę przy okazji, że łatwiej by nam było w Europie przestrzegać zasad niedyskryminacji, gdybyśmy prowadzili politykę imigracji chcianej i kontrolowanej, bowiem nikt w zasadzie nie będzie się odnosił z agresją i niechęcią do partnera, którego sam sobie dobrał.

To sprawozdanie mówi w skrócie o prawach imigrantów. Pomówmy również o ich obowiązkach! Łatwiej nam będzie nie dyskryminować obcokrajowców i ludzi innych kultur, jeżeli zachowają oni szacunek dla kultury i obyczajów autochtonów, wykażą wolę integracji i nie będą budować państwa w państwie w naszej Europie o korzeniach, jak by nie było, chrześcijańskich.

 
  
MPphoto
 
 

  Emine Bozkurt (PSE). – Voorzitter, ik dank mevrouw Buitenweg voor het uitstekende werk dat zij heeft geleverd met dit verslag. Of het nu gaat over discriminatie en racisme op de arbeidsmarkt, op sportclubs of op school, op alle fronten is het een inbreuk op de waarden waar we in Europa voor staan. Wat we nodig hebben, is een integrale aanpak op alle niveaus, Europees, nationaal en lokaal. Wetgevers, politici en slachtoffers van discriminatie zelf hebben hier een belangrijke rol in te spelen. We moeten Europese burgers bewust maken van hun rechten en van de middelen die ze hebben om die rechten op te eisen.

Ik wil de Commissie met klem verzoeken haar verantwoordelijkheid te nemen en toe te zien op een snelle en adequate implementatie van de richtlijn gelijke behandeling. De richtlijn is een stap in de goede richting, maar de effectiviteit valt en staat bij de implementatie door de lidstaten. Ik vraag dan ook aan de Commissie om het eerder in 2004 door Barrosso zélf aangekondigde morele leiderschap te tonen, dat hard nodig is. Ook anno 2007, nota bene in het jaar van Equal opportunities for all, is discriminatie in Europa nog aan de orde van de dag. Juist nu, in een tijd waar bepaalde groepen, ik denk dan in het bijzonder aan de positie van moslims in Europa, de wind zeker niet mee hebben, hebben we op alle terreinen mensen nodig die zich sterk maken tegen discriminatie.

Ik wil mij dan ook aansluiten bij de oproep aan de Commissie om de maatregelen te verbreden tot alle mogelijke vormen van discriminatie.

 
  
MPphoto
 
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE). – Pirmininke, sveikinu pranešėją, paruošus pranešimą, padėsiantį, tikiuosi, labiau apsaugoti žmones nuo rasinės ir etninės diskriminacijos bei sėkmingiau išieškoti žalos atlyginimo.

Dar labai daug reikia nuveikti, kad etninės lygybės ir užimtumo lygybės direktyvos būtų tinkamai įgyvendintos. Žmonės Europos Sąjungos valstybėse, ypač naujosiose, vis dar nežino savo teisių, jiems trūksta laiko, ar tiesiog neįmanoma finansiškai pareikšti ieškinį. Daugelyje šalių nukentėję nuo diskriminacijos nesugeba susitelkti ir įgalioti ginti jų kolektyvines teises pajėgesnėms asociacijoms. Sunku rinkti duomenis opiais klausimais, nustatant netiesioginę diskriminaciją arba įvertinant diskriminacijos mastą visuomenėje. Todėl Europos Komisija klumpa stebėdama direktyvų įgyvendinimą bei nustatydama prastos padėties priežastis.

Palaikau kolegų rekomendacijas daugiau išteklių skirti nevyriausybinėms organizacijoms, kurios informuoja piliečius ir teikia teisinę pagalbą diskriminacijos aukoms. Labai svarbus ir žiniasklaidos vaidmuo.

Ta proga norėčiau kreiptis į kolegas. Visi mes turime savo biurus šalyse, kuriose esame išrinkti. Ten galėtume teikti ir finansuoti pirmines teisines konsultacijas, kuriose piliečiai būtų informuoti apie diskriminaciją draudžiančius teisės aktus ir galimybę naudotis žalos atlyginimo teise. Žodžiu, galėtumėme tiesiogiai padėti žmonėms.

Privalėtume dar aktyviau telkti politinę valią kovos su rasine diskriminacija ir užimtumo nelygybe stiprinimui.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, membre de la Commission. Monsieur le Président, Mesdames et Messieurs, je voudrais d'abord dire que je vais, évidemment, transmettre à mon collègue Špidla les appréciations largement positives que j'ai entendues par rapport à son action. Je crois qu'il le mérite et, donc, je lui ferai part de cette appréciation. Je vais aussi lui faire part, évidemment, des remarques et des demandes pressantes, ou des attentes, du Parlement européen par rapport au travail qui reste à accomplir.

Pour commencer, je voudrais faire une petite mise au point. Je ne partage bien entendu pas, et la Commission non plus, l'expression de certains relents d'exclusion que j'ai entendue - heureusement, c'est marginal. De la même manière, je ne peux pas laisser passer qu'il y aurait un risque de création d'État dans l'État chrétien ou dans l'Europe chrétienne. Je respecte pleinement, bien entendu, les personnes, les citoyens qui pensent de cette manière, mais je dois quand même - c'est un devoir, me semble-t-il - rappeler simplement que l'Europe n'est pas religieusement ou philosophiquement ou politiquement univoque. Je crois qu'il est bon, à certains moments, de rappeler ce genre d'évidence.

Mevrouw Buitenweg en mevrouw In 't Veld hebben terecht de nadruk gelegd op een grondig probleem, namelijk de omzetting van de richtlijnen in de nationale wetgevingen. De Commissie is zich er ten volle van bewust dat druk moet blijven worden uitgeoefend op de lidstaten die de Europese wetgeving niet naleven. De Commissie deelt die bezorgdheid met de instellingen die zich met die belangrijke zaken in de lidstaten bezighouden; u weet dat wij die instellingen en organisaties natuurlijk op een zeer goede en warme manier steunen.

À propos de la nouvelle initiative, il y a, pour le moment, une analyse d'impact la concernant: l'étude sur l'incidence des discriminations a déjà commencé. On doit, évidemment, connaître l'ampleur du problème. Actuellement, les consultations sont en cours auprès du grand public, auprès des ONG, auprès des partenaires sociaux, dans les entreprises et, aussi, au Parlement européen. Normalement, il y aura un rapport sur l'analyse d'impact en janvier 2008. Ensuite, aura lieu la consultation interservices en mars, avril 2008. Cette initiative doit figurer, d'ailleurs, dans le programme de travail de la Commission 2008, qui est à l'examen et qui sera publié fin octobre, début novembre. Ensuite encore, si elle est adoptée, comme nous l'avons proposé, une proposition sera soumise à la Commission en juin 2008, et les choses suivront donc normalement leur cours.

Voilà, je ne peux évidemment que souligner notre pleine parenté de réflexion et d'analyse avec les intervenants, en tout cas avec la plupart d'entre eux, et je voudrais féliciter, au nom de la Commission, Mme Buitenweg pour l'excellent travail qu'elle a fait. Je crois que l'exemple qui est donné ici montre à quel point le rôle du Parlement européen peut être déterminant pour faire avancer une Europe des droits, respectueuse des minorités, respectueuse de tous.

 
  
MPphoto
 
 

  Przewodniczący. Zamykam debatę.

Głosowanie odbędzie się dziś, 27 września 2007 r.

Oświadczenia pisemne (art. 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Lívia Járóka (PPE-DE), írásban. – Szeretnék gratulálni Kathalijne Buitenweg képviselőtársamnak az általa készített jelentéshez, és egyben szeretném felhívni a figyelmet néhány fontos problémára.

Az európai állampolgárok jogtudatossága meglehetősen alacsony, a vonatkozó jogszabályokat és a jogi védelem struktúráját pedig éppen a hátrányos megkülönböztetés áldozatai, így az etnikai kisebbségek – különösen a romák – szinte egyáltalán nem ismerik. Ezért meglehetősen kevés diszkriminációs per indul az Európai Unióban, ráadásul az azokban kiszabott alacsony pénzbüntetések komolytalanok, különösen, ha összehasonlítjuk az Egyesült Államokban folytatott hasonló eljárásokkal. A tagállamok felelőssége és kötelessége volna a nyilvánosság tájékoztatása és felvilágosítása, hogy az állampolgárok minél szélesebb körben megismerhessék jogaikat és lehetőségeiket.

Az esélyegyenlőségi szervek az állampolgároktól távol, kis túlzással csupán papíron működnek, az érintettek aktív részvétele nélkül. További probléma, hogy e szervek a tagállami kormányzatok erős pénzügyi, infrastrukturális, személyzeti és politikai függésében kénytelenek működni.

Szükséges lenne egy hatékony, európai szintű elszámoltatási és „monitoring” rendszer, valamint az éves jelentések rendszeressé tétele, melyek révén lehetőség nyílna figyelemmel kísérni az esélyegyenlőségi szervek független működését.

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique Mathieu (PPE-DE), par écrit. – Le rapport sur l'égalité entre les hommes et les femmes en 2007 est l'occasion tout d'abord de saluer l'engagement de l'Union européenne en faveur des droits des femmes, et ce depuis 1957. Cependant, comme les récentes statistiques suscitées par l'entrée de la Roumanie et de la Bulgarie tendent à le montrer, on ne saurait se satisfaire de la situation.

Premièrement l'accès et la place des femmes dans le marché du travail relèvent encore trop souvent de l'utopie. Trente-deux ans après la directive du Conseil sur le rapprochement des rémunérations entre hommes et femmes, l'écart reste encore trop élevé, avec des différences de rémunérations de l'ordre de 15% en moyenne.

Deuxièmement, l'égalité des genres sera atteinte avec une lutte accrue contre l'exclusion et les inégalités de traitement, en particulier dans les zones rurales, où les femmes travaillant aux cotés des exploitants agricoles - conjoints aidants - souffrent parfois de graves injustices, en cas de divorce, de succession ou d'accès à la propriété. Elles ne sont en outre toujours pas comptabilisées dans les analyses statistiques.

Certains textes doivent être urgemment suivis des faits. Dans ce combat prioritaire, l'action de l'Union européenne doit aussi faire évoluer et rapprocher les cultures nationales, par une sensibilisation et une prévention accrues.

 
Avviż legali - Politika tal-privatezza