Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/0147(CNS)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0381/2007

Debatten :

Stemmingen :

PV 24/10/2007 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0453

Volledig verslag van de vergaderingen
Woensdag 24 oktober 2007 - Straatsburg Uitgave PB

9. Stemverklaringen
Notulen
  

- Verslag: Gauzès (A6-0366/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Strož (GUE/NGL), schriftelijk. −(CS) Redelijkerwijs kan aangenomen worden dat de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke documenten in burgerlijke of in handelszaken, zoals aanbevolen voor de tweede lezing (gemeenschappelijk standpunt van de Raad), zal bijdragen aan de versterking van de rechtszekerheid van zowel natuurlijke personen als juridische lichamen in de lidstaten. Het is gevoeglijk bekend dat de betekening en kennisgeving van bovengenoemde documenten een ernstige zaak is, met grote gevolgen voor zowel de rechtspleging als sociale en commerciële betrekkingen. Ik ben van mening dat de aanbeveling van het Europees Parlement overeenstemt met het streven naar de totstandbrenging van kwalitatief hoogstaande wetgeving op communautair niveau.

 
  
  

- Verslag: Vălean (A6-0381/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Strož (GUE/NGL), schriftelijk.(CS) Wat betreft de overnameovereenkomst tussen de EG en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en de overeenkomst inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf, ben ik van mening dat voor zover deze overeenkomsten – en gelijksoortige overeenkomsten met de landen van de westelijke Balkan – van belang zijn voor de algemene versterking van de rechtsstaat en misdaadbestrijding, kwesties die te maken hebben met illegale migratie in eerste instantie moet worden opgelost met economische en politieke middelen. Daarnaast zou ik een ander belangrijk aspect willen benadrukken dat in de ter zake doende verslagen wordt genoemd, namelijk dat de ondertekening van deze overeenkomsten een aanzienlijke financiële last voor Macedonië en andere landen van de westelijke Balkan zal betekenen. Gezien de economische situatie in deze landen is het essentieel dat de Gemeenschap gepaste en doeltreffende ondersteuning biedt, vooral financieel.

 
  
  

- Verslag: Vălean (A6-0383/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer (GUE/NGL), schriftelijk. – (NL)Ik herinner me dat aan het begin van de jaren zestig wederzijds visumverplichtingen bestonden voor inwoners van de landen van de toenmalige Europese Gemeenschappen en van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië. Kort daarna werden die visa afgeschaft.

Dit betekende dat inwoners van de zeven landen die toen nog samen Joegoslavië vormden vrij mochten reizen in een groot deel van Europa. Alleen voor EU-lidstaat Slovenië en kandidaat-lidstaat Kroatië is dat niet veranderd. De inwoners van alle andere gebieden, inclusief die van kandidaat-lidstaat Macedonië, zijn sinds 1992 van de EU-lidstaten afgesneden. De sindsdien opgegroeide jonge generatie heeft het eigen land nauwelijks meer kunnen verlaten. Zo tref je tegenwoordig bij de ambassades van EU-landen in de Macedonische hoofdstad Skopje grote borden aan waarop een groot aantal strenge verplichtingen staat. Alleen criminelen kunnen daaraan gemakkelijk voldoen, maar studenten, onderzoekers en journalisten niet.

Ik steun de verbeterde toelating voor die groepen met ingang van 2008 en de verlaging van de visumprijs naar 35 euro. Anders dan voor een aantal leden van mijn fractie, is invoering van biometrische registratie voor mij geen reden om deze verbetering af te wijzen. Ik betreur de koppelverkoop met het terugnamebeleid, waarin de veiligheid van de betrokken vluchtelingen onvoldoende wordt gegarandeerd.

 
  
  

- Verslag: Böge (A6-0393/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. −(PT) De beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds voor hulp aan de bevolkingen van Duitsland en Frankrijk (La Réunion), die respectievelijk in januari en februari getroffen werden door natuurrampen, toont ondanks de vertraging aan hoe relevant en belangrijk dit fonds is bij het ondersteunen van lidstaten.

Met in het achterhoofd de impasse waarin de Raad zich bevindt als het gaat om een besluit inzake het voorstel van de Commissie om dit fonds te verbeteren, willen wij benadrukken dat de regionale rampen onder het toepassingsgebied van dit fonds moeten blijven vallen. Het Europees Parlement heeft reeds bevestigd “dat het toekomstige SFEU de mogelijkheid moet blijven bieden om op te treden in geval van rampen die weliswaar ernstig zijn maar niet het vereiste minimumniveau bereiken, en om hulp te bieden in buitengewone omstandigheden, wanneer een groot deel van de bevolking van een specifiek gebied getroffen wordt door een ramp met ernstige en langdurige gevolgen voor de levensomstandigheden”.

De erkenning van de bijzondere kenmerken van mediterrane natuurrampen, zoals droogtes en branden, is ook van levensbelang, met name op het gebied van termijnen en in aanmerking komende acties, evenals de mogelijkheid voor verhoogde steun aan cohesielanden en convergentieregio’s als daar een ramp plaatsvindt. Ook moet de noodzaak van een landbouwrampenfonds van de EU worden onderzocht.

 
  
  

- Verslag: Susta (A6-0403/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE), schriftelijk. – (FR) Mevrouw Castex heeft voor het verslag Susta over het protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS-overeenkomst) gestemd.

Franse leden van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement beschouwen deze overeenkomst, die het voor landen mogelijk maakt om generieke geneesmiddelen te produceren en deze uit te voeren naar arme ontwikkelingslanden die zelf niet in staat zijn om deze medicijnen te produceren, als een belangrijke stap in de goede richting.

Volgens Franse leden van de Sociaal-democratische Fractie levert dit verslag een positieve bijdrage aan het oplossen van een zorgwekkend probleem op het gebied van de volksgezondheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Proinsias De Rossa (PSE), schriftelijk.−(EN) Ik heb voor het protocol tot wijziging van de overeenkomst betreffende TRIPS en de beschikbaarheid van medicijnen gestemd, omdat ik sterk de mening ben toegedaan dat de EU een centrale rol moet spelen bij het bevorderen van de volksgezondheid en de beschikbaarheid van medicijnen voor iedereen in de derde wereld. Dit protocol is een stap in de goede richting.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. −(PT) De kosten die verbonden zijn aan de invoering van normen voor de bescherming van de “intellectuele eigendom” in de farmaceutische sector in “ontwikkelingslanden” zijn al lange tijd bekend.

Al lange tijd wordt er aandacht gevraagd en gewaarschuwd voor de dramatische en onaanvaardbare situatie die de hantering van “intellectuele-eigendomsrechten” teweeg heeft gebracht op het gebied van de gezondheid, met name in de strijd tegen ziekten als malaria, HIV/AIDS en tuberculose.

Wij vinden derhalve dat dit verslag staat voor de gemiste kans van de meerderheid van dit Huis om, binnen de grenzen van zijn bevoegdheden, een menselijk standpunt in te nemen en duidelijk te vechten voor een beleid dat het einde had kunnen betekenen van intellectuele-eigendomsrechten in de farmaceutische sector.

Zich verschuilend achter het idee dat het erg moeilijk lijkt om over het protocol te onderhandelen, heeft de meerderheid van dit Huis een vrijbrief gegeven aan de Raad, want dergelijke vage aanbevelingen kunnen alleen maar tot een voortzetting van de huidige situatie leiden, waarbij er financiële en wettelijke obstakels worden opgeworpen die zullen verhinderen dat landen met weinig middelen gebruik kunnen maken van de wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen op dit gebied.

Wij verafschuwen het feit dat het met name de farmaceutische multinationals zijn die baat zullen hebben bij dit onmenselijke beleid, dat hen in staat stelt om hun enorme winsten te handhaven ten koste van vele levens.

 
  
  

- Verslag: Corbett (A6-0354/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Corbett (PSE).- (EN) Voorzitter, het Parlement heeft naar aanleiding van de stemming besloten om de zittingen zowel schriftelijk verbatim als audiovisueel vast te leggen. Het moge duidelijk zijn, dat dit consequenties heeft voor de begroting en ik wil het Bureau dan ook dringend verzoeken de situatie nader te bestuderen en de benodigde wijzigingen door te voeren in de begroting, dan wel een nieuw voorstel te doen, indien het wil dat de commissie deze kwestie opnieuw bestudeert.

Gezien het feit dat er over deze kwestie een overgrote meerderheid bestaat in dit Huis, denk ik dat het tamelijk duidelijk is wat het Parlement wil. Ik denk daarom dat men de eerste optie zou moeten kiezen.

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Booth (IND/DEM), schriftelijk.−(EN) Alle debatten vastleggen en de registraties voor het publiek toegankelijk maken kan een goed middel zijn tegen Euroscepticisme. Anderzijds kan de EU zich daarmee ook op de borst kloppen, omdat ze zo transparant zou zijn, terwijl de democratie daarmee in werkelijkheid niet versterkt wordt: het Europees Parlement kan geen wetsvoorstellen initiëren en kan genegeerd worden door de Europese Commissie.Binnen de EU kan de niet gekozen Commissie EU-wetgeving initiëren en van transparantie is absoluut geen sprake.

De mogelijkheid om gedurende een week speeches te kunnen corrigeren (amendement 4) was goed bedoeld en zou europarlementariërs beschermen tegen fouten maken, maar dan zou actueel EU-nieuws in principe een week lang onder de pet gehouden kunnen worden, hetgeen de vrije pers zou belemmeren bij het informeren van het publiek. Daarom heb ik tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Roland Clark (IND/DEM), schriftelijk.−(EN) Alle debatten vastleggen en de registraties voor het publiek toegankelijk maken kan een goed middel zijn tegen Euroscepticisme. Anderzijds kan de EU zich daarmee ook op de borst kloppen, omdat ze zo transparant zou zijn, terwijl de democratie daarmee in werkelijkheid niet versterkt wordt: het Europees Parlement kan geen wetsvoorstellen initiëren en kan genegeerd worden door de Europese Commissie. Binnen de EU kan de niet gekozen Commissie EU-wetgeving initiëren en van transparantie is absoluut geen sprake.

Ik ben tegen de mogelijkheid om speeches te corrigeren (amendement 4). Het verbatim verslag dient een letterlijke weergave te zijn van wat gezegd wordt. Ik maak net zoveel vergissingen als iedereen. Actueel EU-nieuws zou dan in principe een week lang onder de pet gehouden kunnen worden, hetgeen de vrije pers zou belemmeren bij het informeren van het publiek. Wat eventueel wel acceptabel zou kunnen zijn, is een apart toegevoegde notitie ter toelichting. Daarom heb ik tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (ITS), schriftelijk. – (FR) In het verdrag Corbett wordt aanbevolen om de verbatim verslagen van wat er in dit Parlement gebeurt, niet meer in alle officiële talen te vertalen, teneinde ongeveer tien miljoen euro per jaar te besparen. Toegang tot de debatten in alle talen kan dan alleen gekregen worden via audiovisuele opnamen die beschikbaar zijn via het internet, hoewel individuele Parlementsleden vertalingen van bepaalde gedeelten kunnen aanvragen.

Niet iedereen in Europa heeft echter breedbandinternettoegang en bovendien is er geopperd dat Parlementsleden niet meer dan dertig pagina’s aan vertalingen per jaar zouden moeten kunnen aanvragen. Wat de heer Corbett voorstelt, is dus een beperking van de toegang van Europese burgers tot het werk van degenen die zij hebben gekozen om hen te vertegenwoordigen en hun belangen binnen de Europese Unie te verdedigen. Dit is onaanvaardbaar. Des te meer omdat dezelfde instelling tegelijkertijd honderd miljoen euro per jaar uitgeeft aan haar eigen propaganda. En dan heb ik het nog niet eens over de Commissie, die meer dan tweehonderd miljoen euro per jaar uitgeeft aan belangrijke activiteiten zoals het op grote schaal uitzenden van pornografische internetvideo’s, zogezegd ter promotie van de Europese film.

Gelukkig heeft het gezonde verstand – of beter gezegd de enorme angst voor de kiezer – gezegevierd onder de meeste van onze collega’s en is de meertaligheid bewaard gebleven.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk.(SV) Wij zijn fel tegen het voorstel in het verslag om mondelinge bijdragen alleen in de oorspronkelijke taal op te nemen in het verbatim verslag.

Het Europees Parlement staat zich voor op het feit dat sprekers ten overstaan van heel Europa spreken als woordvoerders van hun Europese fracties, maar tegelijkertijd gaan we vervolgens de toegang tot hun verklaringen wegnemen en de beschikbaarheid beperken door te bezuinigen op vertalingen in verschillende talen.

Als we een EU willen zijn die op democratische wijze functioneert, moeten we bereid zijn daarvoor te betalen. Een organisatie die meer dan 360 miljard Zweedse kronen pompt in een protectionistisch landbouwbeleid moet in staat zijn om negentig miljoen kronen te betalen uit eerbied voor de burgers van de EU.

Als de vertalingskosten in de toekomst desalniettemin onverdedigbaar worden geacht, moet het toch ten minste zo zijn dat het verbatim verslag de oorspronkelijke taal van de spreker en een Engelse vertaling bevat.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Louis (IND/DEM), schriftelijk. – (FR) De Franse leden van de Fractie Onafhankelijkheid en Democratie hebben nee gezegd tegen het verslag Corbett inzake het amendement op artikel 173 van het reglement van orde van het Europees Parlement, dat de afschaffing van de volledige en systematische vertaling van parlementaire debatten inhoudt.

Het idee achter de openbaarmaking van de debatten, dat van toepassing is op zowel gerechtelijke procedures als politieke vergaderingen, is een van de grondbeginselen van de democratie.

Openbaarmaking helpt bij het inperken van politieke vooroordelen, willekeur, vriendjespolitiek en vuile trucjes. Hierbij ga ik er natuurlijk van uit dat iedereen in zijn eigen taal toegang heeft tot de volledig openbaargemaakte zittingen zodat dezelfde woorden inderdaad voor iedereen hetzelfde betekenen.

Welke bevolkingen in Europa zouden in staat zijn om een debat na te vertellen en te begrijpen als dit hen wordt gepresenteerd als een mengelmoesje van twintig talen?

Dat zou waarschijnlijk hetzelfde zijn als wanneer iemand zou proberen om het zogenaamd “vereenvoudigde” verdrag te begrijpen en een poging zou doen de vierhonderd nieuwe clausules in de bestaande verdragen te vervangen, omdat hier blijkbaar ook geen geconsolideerde versie van het verdrag voorhanden was tijdens de bekrachtigingsprocedure.

Nu zij te maken heeft met verhoogde weerstand van de inwoners van haar lidstaten, lijkt de Europese Unie niet in staat om iets anders aan de dag te leggen dan vertroebeling, vervalsing en verdoezeling.

 
  
MPphoto
 
 

  Jules Maaten (ALDE), schriftelijk.– (NL)De beslissing van het Bureau van het Parlement om niet meer in elke taal verslag te doen van de plenaire debatten is in 2006 ongemerkt voorbij gegaan. Het Parlement heeft deze beslissing nu teruggedraaid. Ik ga ermee akkoord dat er te veel geld en tijd naar vertalingen van debatten en documenten in de 23 officiële talen van onze Unie gaat. Het is jammer dat er geen tussenoplossing op tafel lag, waarbij men de debatten zou kunnen vertalen in het Engels en het Frans, zodat er, naast de audiovisuele data, toch nog geschreven handelingen beschikbaar zouden zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. −(PT) Meertaligheid is veel meer dan een uitdrukking van de culturele verscheidenheid van de Europese Unie. In een organisatie van soevereine en onafhankelijke staten die zich verenigd hebben om door samenwerking te zorgen dat hun burgers het zo goed mogelijk hebben, zonder dat hun status als vrije en soevereine staten ooit in het geding komt, is meertaligheid de bevestiging van de gelijke verhoudingen tussen alle lidstaten.

Deze reden zou voor ons genoeg zijn om de instandhouding van deze meertaligheid bij het functioneren van de communautaire instellingen te verdedigen. Er zijn echter nog andere argumenten. Het afschaffen van meertalige interne communicatie zou kunnen betekenen dat leden van het Europees Parlement, die het volste recht hebben om zich in hun moedertaal uit te drukken, minder mogelijkheden voor politieke actie hebben. Daarnaast is het zo dat als we meertaligheid in onze externe communicaties minimaliseren, we wellicht zorgen dat een instelling die uit alle macht probeert om de EU dichterbij haar burgers te brengen, zich uiteindelijk van die burgers vervreemdt.

Ten slotte is er een economisch tegenargument voor het aangevoerde economisch argument: de talendiversiteit van de Europese bevolking en de beheersing van talloze talen zou een concurrentievoordeel moeten zijn, niet een kostenpost.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag Corbett inzake het amendement op artikel 73 betreffende het verbatim verslag van zittingen gestemd, al betreur ik de aanneming van een hele reeks amendementen betreffende de verbatim vertaling van de verslagen in alle officiële talen.

Tegen de compromisloze voorstanders van meertaligheid zou ik willen zeggen dat het onzin is om te beweren dat het Europees Parlement zonder deze uitbreiding van de vertaalprocedures de enige parlementaire bijeenkomst ter wereld zou zijn waarvan alle zittingen en debatten niet daadwerkelijk in alle ter zake doende talen zouden worden vertaald. Dit is onzin in zoverre dat is overeengekomen dat de meertalige versie niet alleen behouden zal blijven maar dat de simultaanvertolking in alle officiële talen op verzoek ook beschikbaar zou moeten zijn, voor zowel alle Parlementsleden als het grote publiek. Hier draait het volgens mij werkelijk om.

Ten slotte betreur ik het dat het Parlement zich niet tot een meer eigentijdse benadering bereid heeft getoond waar het de toegang tot de documenten betreft. Ik zeg ja, duizendmaal ja tegen meertaligheid maar ik zal tegenstander blijven van de zogenaamde verdediging van talendiversiteit als dit als voorwendsel wordt gebruikt door degenen die openlijk voor de status quo en tegen verandering zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. – (NL)Ik heb tegen het voorstel in het verslag-Corbett gestemd en wel om dezelfde redenen waarom ik mij ook al vroeger verzet heb tegen het schrappen van het budget voor de vertaling van het verbatim verslag van onze plenaire vergaderingen.

In een Parlement is het gesproken woord heilig. Hetgeen wij zeggen, is niet alleen met wat geluk een stukje van het nieuws van de dag, het is deel van een democratisch wetgevingsproces. Dit naar behoren toegankelijk maken in de Europese officiële talen is geen luxe. Vertaling is politiek nodig voor een behoorlijke archivering die toch dient voor ontsluiting van informatie.

Wij moeten de consequenties dragen van onze fundamentele keuze voor veeltaligheid en deze niet tersluiks laten afkalven. Een Parlement dat zelfrespect heeft, laat zijn klassieke archivering niet vallen. Als bezuinigd moet worden, kiezen we betere andere budgetposten. Overigens blijf ik erbij dat een doorgedreven veeltaligheid een verplichte vorm van respect is aan de diverse culturen en talen in de EU en een zegen voor de democratie.

 
  
  

- Verslag: Bowles (A6-0327/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk.−(EN) Ik heb voor dit verslag gestemd, waarin wordt gepleit voor de instelling van een Europese Adviescommissie voor statistische governance, in antwoord op een voorstel van de Commissie om de productie van EU-brede statistieken te verbeteren.

 
  
  

- Verslag: van den Burg (A6-0328/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk.−(EN) Ik heb voor dit oncontroversiële verslag gestemd, waarin wordt voorgesteld een Europees Raadgevend Comité voor statistische informatie in te stellen. De amendementen die het Parlement ook heeft aangenomen zullen ertoe bijdragen dat het Comité efficiënt tewerk kan gaan en zijn van invloed op de naam en de samenstelling ervan.

 
  
  

- Verslag: Mantovani (A6-0245/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Alma Anastase (PPE-DE).- (RO)De stemming van vandaag over het verslag van de heer Mantovani is belangrijk vanwege de stimulans die het geeft aan het Europees beleid op het gebied van levenslang leren.

Middels onderzoek naar de huidige situatie op dit gebied en het verband met de arbeidsmarkt toont het verslag Mantovani eens te meer aan dat er een werkelijkheid bestaat waarin wij al vele jaren leven, maar die nog niet heeft geleid tot een resoluut en samenhangend beleid dat tegen de uitdagingen van deze werkelijkheid opgewassen is. Ik ben derhalve van mening dat het belangrijk is om de nieuwe voorstellen zo snel mogelijk uit te voeren. Sterker nog, ik wil benadrukken hoe belangrijk het is voor de tolerantie op het gehele grondgebied van de Europese Unie dat onderwijs erkend en aangemoedigd wordt. Dit is de enige manier waarop voorkomen kan worden dat de mobiliteit op de arbeidsmarkt sociaal uitgesloten groepen creëert, die vroeger of later afwijkend gedrag zullen vertonen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE), schriftelijk. – (FR) Mevrouw Castex heeft voor het verslag Mantovani inzake een Europees Kwalificatiekader gestemd.

Dit Franse lid van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement is verheugd over de toekomstige invoering van een Europees Kwalificatiekader (EQF), dat de grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers en lerenden zal bevorderen en tegelijkertijd zal voldoen aan de eisen van de arbeidsmarkt, door als gemeenschappelijk referentiepunt voor de omzetting van kwalificatieniveaus te fungeren.

Volgens het voorstel moeten alle kwalificaties, vanaf het einde van het verplichte onderwijs tot de hoogste niveaus van universitair onderwijs en professionele opleidingen (het oorspronkelijke document van de Commissie handelde slechts over diploma’s in het algemeen) worden gerangschikt op basis van acht referentieniveaus die uitgaan van kennis, kunde en verworven vaardigheden.

Mevrouw Castex is van mening dat het EQF, als een instrument om de kwalificaties in een lidstaat te vergelijken met en te vertalen en om te zetten naar die van een ander lidstaat, de diversiteit van de certificeringssystemen en de rijkdom aan kwalificaties in de Europese Unie zal eerbiedigen. Het is een instrument dat tevens zal zorgen voor een grotere mobiliteit van de Europese burgers.

Nu is het aan de lidstaten om de enorme taak van het rangschikken van de referentieniveaus voor het EQF op te pakken, anders is het Europees Kwalificatiekader gedoemd om een lege huls te blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. −(PT) Dit verslag spreekt zichzelf op een aantal punten tegen en we zijn kritisch op het compromis inzake de vaststelling van een Europees Kwalificatiekader, waarmee de meerderheid van het Europees Parlement heeft ingestemd. Er zitten echter ook positieve kanten, die onze steun verdienen, aan de erkenning van kwalificaties in de verschillende lidstaten.

De uiteindelijke tekst die is aangenomen, benadrukt echter de federalistische aard van het voorstel van het Europees Parlement door specifieke data te stellen voor de aanpassing en onderlinge afstemming van de verschillende onderwijs- en opleidingssystemen die in de lidstaten worden gebruikt, ondanks de kanttekening dat het voorstel de komende paar jaar niet bindend is.

Wij benadrukken dat de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor hun onderwijsbeleid en wij vinden dat de voorgestelde “aanpassing” niet strookt met dit beginsel.

Kwalijk vinden wij het verband met het proces van Bologna en de tendens van commercialisering van het onderwijs, waarbij de nadruk wordt gelegd op “inzetbaarheid” en op het leggen van een verband tussen de vooruitzichten op de arbeidsmarkt en de Lissabon-agenda.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (ITS), schriftelijk.(FR) Dit verslag handelt over de certificering van kwalificaties voor een leven lang leren op communautair niveau. Dit is een volstrekt wenselijke maatregel die aanmoediging verdiend. Ik keur de internationalistische rechtvaardiging die in dit document wordt opgevoerd echter af, vooral gezien de totale teloorgang van de strategie van Lissabon.

Er zit een vleugje Pro-Europees ideologie aan deze tekst. Er wordt gesuggereerd dat het heilige streven naar globalisering onze enige hoop op redding is en dat globalisering zowel de economie als de maatschappij ten goede komt. In mijn optiek is ultraliberale globalisering een instrument om de economische, sociale en culturele samenhang binnen een land te ontrafelen.

Bovendien gaat het in het verslag alleen maar over potentiële vooruitgang, iets wat in de toekomst zal plaatsvinden. Zouden we ons niet bezig moeten houden met het heden bij onze analyse van de tekortkomingen en de schade die de globalisering onze maatschappij al berokkend heeft?

Vanwege dergelijke blindheid, onverantwoordelijkheid en onkunde ben ik van plan tegen het verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Liberadzki (PSE), schriftelijk.(PL) Mevrouw de Voorzitter, ik heb voor aanneming van het verslag over de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren gestemd.

De toekomstige ontwikkeling van de Europese maatschappij zal steeds meer gaan afhangen van onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, vernieuwing en technologie. Dat is waarom het zo belangrijk is om ondersteuning te bieden voor de bevordering van mobiliteit op de gehele Europese arbeidsmarkt. Ik ben ervan overtuigd dat de vaststelling van het Europees Kwalificatiekader de toegang tot de Europese arbeidsmarkt zal vergemakkelijken.

De rapporteur, de heer Mantovani, wijst er in het zijn verslag terecht op dat vanaf 2012 alle kwalificatiecertificaten, diploma’s en Europass-documenten moeten verwijzen naar het bijbehorende niveau binnen het EQF. Het Europees Kwalificatiekader moet worden gebruikt om de vergelijking van kwalificatieniveaus te vergemakkelijken. Het is erg belangrijk dat de lidstaten steun krijgen voor de implementatie van het Europees Kwalificatiekader, met name door uitwisseling van de beste praktijken. De adviesgroep voor het Europees kwalificatiekader die genoemd wordt in dit verdrag, verkeert in een positie om de samenhang en het goede verloop van de samenwerking te bewaken.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk.−(EN)Ik heb voor dit verslag gestemd, waarin wordt gepleit voor het instellen van een Europees Kwalificatiekader, die een bijdrage moet leveren aan een EU-brede erkenning van de kwalificaties die mensen krijgen. Hiermee zou de mobiliteit verbeterd moeten worden van mensen die in andere lidstaten willen werken, door een neutraal en betrouwbaar referentiekader te bieden voor het vergelijken van verschillende kwalificaties.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk.(DE) In principe zou het nu zo moeten zijn dat professionele kwalificaties in elke willekeurige lidstaat erkend worden, onder dezelfde voorwaarden als voor de binnenlandse beroepsbevolking. In de praktijk zijn er nog steeds enkele problemen die moeten worden opgelost. Als een ervaren leraar uit Oostenrijk bijvoorbeeld een praktische opleiding van twee jaar moet doorlopen om dezelfde functie in Duitsland te vervullen, is er natuurlijk iets mis. In sommige lidstaten worden stages niet alleen misbruikt als een manier om zo goedkoop mogelijk aan goed gekwalificeerd en academisch geschoold te komen, maar ook om hindernissen voor sommige beroepen op te werpen.

Dubieuze arbeidsvoorwaarden, waar in eerste instantie alleen de lagelonensector mee te maken had, zijn al geruime tijd ook van toepassing op geschoolde werknemers. De EU moet deze tendens niet nog verder stimuleren met de “Europese blauwe kaart”. We zouden genoeg gekwalificeerde werknemers hebben als we ze maar behoorlijk zouden betalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. –(EL) De aanneming van het Europees Kwalificatiekader versterkt de invloed van de EU op de onderwijssystemen van de lidstaten, evenals de homogenisering en aanpassing aan vooraf vastgesteld kwaliteits- en prestatie-indicatoren. Het is wederom een manier om onderwijs te vervangen door flexibel “leren”, buiten de maatschappelijk ingeburgerde onderwijsprocessen om. Echte kennis wordt vervangen door vluchtige en oppervlakkige doorlopende opleidingen die de werknemers voorzien van de vaardigheden die op dat moment door het kapitaal gevraagd worden.

Deze kwalificaties zullen niet worden erkend op basis van certificaten die worden toegekend door het formele onderwijsstelsel van elk land, maar van certificiceringsexamens die worden afgenomen door organisaties die worden beheerst door werkgevers. Dit drijft het behalen van diploma’s enerzijds en de mogelijkheid om een loopbaan op te bouwen anderzijds alleen nog maar verder uit elkaar.

Het leggen van een verband tussen verschillende niveaus van onderwijs en leervormen, met als doel om leren door ervaring gelijk te schakelen met systematisch onderwijs, is een poging om werknemersrechten naar beneden bij te stellen en het inkomen van alle werknemers zo laag mogelijk te maken.

Middels een stelsel van een leven lang leren en certificering van professionele kwalificaties, beoogt de EU eigenlijk om al het onderwijs ondergeschikt te maken aan de prioriteiten van de markt en de winsten uit kapitaal te verhogen. Dit druist volledig in tegen de onderwijsbehoeften van werknemers en jongeren.

Om deze redenen stemmen wij tegen het verslag en het voorstel van de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE), schriftelijk. −(SK) Transnationale arbeidsmobiliteit in de EU is onvermijdelijk geworden: het is de alledaagse realiteit in de EU-27 van na de uitbreiding. Deze veranderingen resulteren in een vraag naar meer vernieuwend en flexibel onderwijs om de Europeanen voor te bereiden om hun integratie in de moderne arbeidsmarkt, waar een opleiding een basisvoorwaarde is voor alle leeftijdsgroepen en maatschappelijke lagen.

Ik heb ja gezegd tegen het verslag van de heer Mario Mantovani over het voorstel voor een aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren, omdat ik ervan overtuigd ben dat dit de enige manier is om de doelstellingen van de strategie van Lissabon te verwezenlijken.

De structuur van het Europees Kwalificatiekader is gebaseerd op acht verticale niveaus, die “referentieniveaus” worden genoemd, die met behulp van drie horizontale criteria – kennis, vaardigheden en competentie – worden omschreven. Op deze manier kunnen mensen na het doorlopen van een leerproces beter integreren in de arbeidsmarkt.

Voor een succesvolle werking van het Europees Kwalificatiekader is het absoluut onontbeerlijk dat de lidstaten en sociale partners hun samenwerking tijdens de implementatiefase op wederzijds vertrouwen baseren.

De structuur van de arbeidsmarkt in Europa is aan het veranderen en er ontstaat steeds meer behoefte aan een flexibele benadering van onderwijs. De lidstaten moeten daarom gebruik maken van het Europees Kwalificatiekader om de programma’s voor een leven lang leren te verbeteren. Zowel werkgevers als Europese burgers hebben daarnaast de behoefte om de praktische waarde van kwalificaties te begrijpen. Dit zal leiden tot grotere en vooral onbelemmerde arbeidsmobiliteit in de hele EU.

 
  
MPphoto
 
 

  José Albino Silva Peneda (PPE-DE), schriftelijk. −(PT) De globalisering van de economie is een vraagstuk waarop Europa tot op heden nog geen duidelijk en overtuigend antwoord heeft gevonden.

Een meer geglobaliseerde economie houdt een bereidheid tot verandering in, hetgeen grotere mobiliteit betekent.

De vaststelling van een gemeenschappelijk referentiekader voor de erkenning, vergelijking en omzetting van kwalificaties afkomstig uit verschillende systemen is essentieel voor de ontwikkeling van een doorslaggevend aspect van het Europese project: de mobiliteit van werknemers, die in dit geval wordt vergemakkelijkt door de overdraagbaarheid van kwalificaties.

Betere opleidingen voor onze werknemers, in combinatie met een geharmoniseerd stelsel voor de erkenning van hun kennis, vaardigheden en competenties, zullen hun mobiliteit en de ontwikkeling van de interne markt bevorderen.

Als Europese werkers over meer en betere vaardigheden zouden beschikken, zou dat voor onze ondernemingen kunnen resulteren in een betere organisatie, meer vernieuwing en een toenemend concurrentievermogen.

 
  
  

- Verslag: Coelho (A6-0358/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). (LT)Het is jammer dat de inwerkingtreding van SIS II telkens wordt uitgesteld. Vandaag hebben we een resolutie aangenomen over deze belangrijke kwestie. We lopen zo ver achter op schema dat het onontbeerlijk is om een oplossing te vinden voor deze situatie die ons in staat stelt om het netwerk van SIS 1+ ook na 13 november 2008 nog kunnen gebruiken.

Het is nu duidelijk dat de menselijke en financiële middelen die waren toegewezen aan de implementatie van SIS II gedeeld zullen moeten worden door drie projecten die tegelijkertijd in ontwikkeling zijn: SIS II, SISone4all en de installatie, de werking en het beheer van een communicatie-infrastructuur.

Daarom is naar mijn mening de correcte verdeling van de middelen van de EU en de lidstaten van groot belang. Het is echter duidelijk dat SIS II de hoogste prioriteit is, gezien het belang van dit project voor de veiligheid van de EU. We moeten fondsen vrijmaken voor de veiligheid van de EU en de ontwikkeling van communicatie-infrastructuur.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. −(PT) Om een lacune op te vullen tijdens de uitbreiding van het Schengen-informatiesysteem (SIS), waartoe ook het Visa-informatiesysteem (VIS) behoort, beoogt het huidige voorstel een tijdelijke oplossing te bieden ter voorkoming van hiaten en mogelijke onderbrekingen veroorzaakt door de vertraging bij de installatie van de “infrastructuren” van het “nieuwe” systeem. De kosten zullen worden verdeeld over de communautaire begroting en de lidstaten.

Wij wijzen erop dat dit een uitbreiding van de mogelijkheden van het SIS vereist, door deze verder te ontwikkelen, ze met elkaar te verbinden en meer autoriteiten toegang te geven. Ook moeten er nieuwe gegevenscategorieën (zoals het gegevensregistratiemandaat en biometrische gegevens) worden toegevoegd.

De uitbreiding van het vorige systeem vormt een ernstige bedreiging van de rechten, vrijheden en zekerheden van burgers door nieuwe elementen toe te voegen aan een gegevensbank die ook nog eens wordt gedeeld door talrijke lichamen. De vertrouwelijkheid van deze gegevens kan niet volledig worden gegarandeerd omdat dossiers “langere tijd” kunnen worden bewaard en met derde landen kunnen worden gedeeld.

In de grond is dit een poging om het SIS aan te passen aan de gevaarlijke en onaanvaardbare doelstellingen van het huidige veiligheidsoffensief en aan de uitbreiding en de toenemende communautarisering van binnenlandse zaken in de EU, waar wij fel op tegen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún, Jens Holm, Mary Lou McDonald en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk.−(EN) We zijn niet tegen de voorgestelde tijdelijke oplossing om te zorgen dat er in de periode van 13 november tot 17 december 2008 een netwerk is voor SIS 1+. We kunnen echter niet instemmen met het gebruik van de passerelle in Artikel 67(2), gedachtestreepje 2, van het EG-Verdrag, zoals voorgesteld door de heer Coelho. Daarom hebben wij besloten tegen het verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk.(DE)We hebben reeds een groot probleem met criminele organisaties en illegale immigranten die zich concentreren rond de grensgebieden, waar ze ook makkelijker gearresteerd kunnen worden dan in de stad. Deze beide groepen staan al in de startblokken en zijn van plan om andere landen binnen te gaan zodra de grenzen worden geopend, om vervolgens spoorloos te verdwijnen. We moeten deze situatie aanpakken via verhoogde grensoverschrijdende samenwerking en intensieve controles in grensgebieden. De uitbreiding van Schengen is immers een grote verantwoordelijkheid voor alle betrokken landen.

Toetreding tot Schengen zou daarom niet louter afhankelijk moeten worden gemaakt van het goed functioneren van het Schengen-informatiesysteem, iets dat Polen bijvoorbeeld nog niet verwezenlijkt lijkt te hebben. In plaats daarvan moeten we zorgen dat toekomstige leden van Schengen in staat zijn om doeltreffende controle aan de buitengrenzen van de EU uit te voeren, dat de overgangsperiodes voor de bescherming van de arbeidsmarkten niet worden versoepeld en dat de bedelarij niet nog verder toeneemt. Totdat deze garanties verkregen zijn, mogen er geen overhaaste en ondoordachte uitbreidingen plaatsvinden.

Volgens het jaarverslag van FRONTEX voor 2006 zijn de arrestatiecijfers aan de huidige buitengrenzen van Schengen (voornamelijk die van Oostenrijk en Duitsland) nog steeds veel hoger dan aan de buitengrenzen van de EU, dus het is zeer twijfelachtig of de uitbreiding goedgekeurd zou moeten worden. De vraag is zelfs of Schengen niet gedeeltelijk zou moeten worden afgeschaft, met name omdat het verslag van het Oostenrijkse ministerie van binnenlandse zaken inzake mensensmokkel aangeeft dat bijna vijftig procent van de illegalen in Oostenrijk het land binnen zijn gekomen via de Schengen-grens met Italië.

 
  
MPphoto
 
 

  Søren Bo Søndergaard (GUE/NGL), schriftelijk.−(EN) Ik ben niet tegen de voorgestelde tijdelijke oplossing om te zorgen dat er in de periode van 13 november tot 17 december 2008 een netwerk is voor SIS 1+. Ik kan echter niet instemmen met het gebruik van de passerelle in Artikel 67(2), gedachtestreepje 2, van het EG-Verdrag, zoals voorgesteld door de heer Coelho. Daarom heb ik besloten tegen het verslag te stemmen.

 
  
  

- Verslag: Belohorská (A6-0291/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE).(SK)Ik ben voor een redelijk compromis dat een evenwicht instelt tussen gezondheid en milieubescherming enerzijds en landbouwproductie anderzijds. Dit is waarom ik voor het verslag heb gestemd van mijn Slowaakse collega, mevrouw Irena Belohorská, die een erkend deskundige is op het gebied van de voorkoming en behandeling van kankers. Ik feliciteer haar met haar verslag, dat gebaseerd is op haar enorme ervaring als arts en waarin een evenwichtige strategie voor duurzaam gebruik van pesticiden wordt voorgesteld. Ik ben van mening dat dit verslag zal bijdragen aan de aanneming van meer doeltreffende maatregelen voor betere informering van het grote publiek en zal leiden tot de invoering van goede toepassingsmethoden en een gestage vermindering van het gebruik van pesticiden in de landbouw.

Een mogelijke oplossing is om boeren te ondersteunen op manieren die hen zouden aanmoedigen tot vermindering van het gebruik van kunstmest bij hun strijd tegen ziekten, ongedierte en onkruid op hun boerderijen, en zobij te dragen aan een gestage overstap naar bioproducten. Het verslag kan consumenten inspireren om op de markt of in de supermarkt niet te kiezen voor de producten die er het beste uitzien, maar om uit gezondheidsoverwegingen prioriteit te geven aan visueel minder aantrekkelijke maar gezondere bioproducten.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) We willen allemaal schone lucht inademen en het smelten van de gletsjers stoppen. Tegelijkertijd neemt onze energiebehoefte exponentieel toe, ondanks programma’s voor energiebesparing. Europa’s afhankelijkheid van gas- en olie-invoer staat ook op het spel.

We moeten derhalve investeren in de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en problemen omtrent de veiligheid van kerncentrales oplossen, met name de definitieve verwijdering van radioactief afval. Op deze manier zouden we tot veertien procent van onze energie uit schone bronnen kunnen winnen. We kunnen er echter niet aan voorbijgaan dat 32 procent van onze energie afkomstig is van fossiele brandstoffen, die werkgelegenheid bied voor 300 000 mensen en die zeer schadelijk zijn voor het milieu. Dit is waarom ik blij ben met het verslag van de heer Reul over traditionele energiebronnen en dit gesteund heb. Ik ben het met de rapporteur eens dat we de investeringen moeten evalueren en ook die technologieën moeten ontwikkelen die ons in staat stellen de energieproductie uit fossiele brandstoffen efficiënter te maken en emissies te verminderen. Er is nog veel te doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE).(LT)Vandaag hebben we een belangrijke beslissing genomen inzake de strategie voor het gebruik van pesticiden. Ik heb voor de resolutie gestemd. We beseffen terdege dat de lucht die we inademen vervuild is en daarom gezondheidsrisico’s inhoudt en dat het voedsel dat wij consumeren, geproduceerd is met chemicaliën die gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid. Onze kinderen, de generatie van de toekomst, groeien onder deze omstandigheden op.

Ik ben er volkomen van overtuigd dat de risico’s van pesticiden voor de volksgezondheid moeten worden verminderd. We moeten daarom beslissende maatregelen nemen en ons best doen om de hiervoor noodzakelijke fondsen te vinden. Ik ben verheugd over de plannen om lidstaten te verplichten actieplannen op te stellen waarin ze aangeven in welke gebieden het gebruik van pesticiden verboden zal worden en hoe ze het algehele gebruik van pesticiden in de komende tien jaar drastisch denken te verminderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Irena Belohorská (NI), schriftelijk. −(PT) Het is iedereen bekend dat de Commissie in juli 2006 een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden heeft gepresenteerd, samen met een voorstel voor een richtlijn tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden en een voorstel voor een richtlijn betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, met als doel om de algemene risico’s en negatieve gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de volksgezondheid en het milieu te verminderen.

De risico’s die verbonden zijn aan het gebruik van pesticiden zijn reeds verminderd, maar in sommige gebieden, met name in landen waar lange tijd intensieve landbouw heeft plaatsgevonden, kunnen pesticiden nog steeds in onwenselijke hoeveelheden worden aangetroffen in de bodem en het water. Dit betekent ook dat landen als Portugal, met een meer traditionele landbouw, meer steun moeten ontvangen om een minder intensieve landbouwproductie te kunnen handhaven.

Wij denken echter niet dat de vervanging van pesticiden door GGO’s de oplossing is. De negatieve effecten van chemische pesticiden op de volksgezondheid zijn namelijk al bekend, terwijl voor de effecten van GGO’s op de volksgezondheid het voorzorgsbeginsel moet worden gehanteerd omdat deze nog niet onderzocht zijn.

Deze thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden handelt alleen over gewasbeschermingsmiddelen, oftewel slechts over één soort pesticiden.

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE), schriftelijk.(PL) Ik ben verheugd over het feit dat het Europees Parlement een nieuwe richtlijn inzake de productie en het gebruik van pesticiden heeft aangenomen. De richtlijn verscherpt de voorwaarden voor de handel in chemische substanties die worden gebruikt bij de productie van gewasbeschermingsmiddelen. Dit zal gunstige gevolgen hebben voor de burgers van de Europese Unie, met name voor hun leven en gezondheid. Daarnaast is in de richtlijn vastgelegd wanneer er vanuit de lucht besproeid mag worden. Tevens is er een aanbeveling in opgenomen voor het verlagen van de hoeveelheid gebruikte pesticiden en het geven van prioriteit aan niet-chemische alternatieven.

Het verslag van mevrouw Belohorská is onze steun waard, al was het alleen maar om de zeer grote maar ook actuele reikwijdte van de bepalingen. Er is geen twijfel mogelijk dat burgers van de Europese Unie niet langer dagelijks in contact willen komen met toxines en geen vervuilde producten willen consumeren. Onze burgers willen evenmin gevolgen ondervinden van kankerverwekkende of giftige substanties, of substanties met hormoonontregelende eigenschappen. Om te voldoen aan deze duidelijke verwachtingen die door de Europese maatschappij zijn uitgesproken, zou het ook gepast zijn geweest om een verbod op het gebruik van pesticiden in openbare ruimten, op het platteland en in de stad te steunen. Het gebruik van pesticiden nabij verpleeghuizen, sanatoria, rehabilitatiecentra klinieken, en ziekenhuizen moet worden verboden. Een dergelijk verbod moet ook gelden voor parken, openbare tuinen, terreinen voor sport en vrijetijdsbesteding, schoolpleinen, kinderspeelplaatsen en gelijksoortige plekken.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE), schriftelijk.(DE)De thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden is een belangrijke toevoeging aan het voorstel voor de twee richtlijnen waarover vandaag in eerste lezing gestemd is.

De thematische strategie is nodig omdat het gebruik van pesticiden in de Europese Unie zich nog altijd op een hoog niveau bevindt en niet is afgenomen, ondanks de succesvolle maatregelen die enkele van de lidstaten tussen 1993 en 2003 vrijwillig hebben genomen. Het verslag Belohorská benadrukt wederom de noodzaak van toepassing van het voorzorgsbeginsel bij het gebruik van pesticiden.

 
  
  

- Verslag: Reul (A6-0348/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT)In mijn optiek is het verslag over traditionele energiebronnen en energietechnologie van onschatbare waarde. De lidstaten zijn gedwongen de realiteit onder ogen te zien en hun benadering van energie aan te passen, zowel binnen de EU als op de wereldmarkten. Het gaat hierbij om bronnen, de energiemix en de continuïteit van de voorziening.

Ik wil het belang van kernenergie benadrukken, omdat het een veilige, betrouwbare en milieuvriendelijke bron is. Het feit dat Duitsland met zijn zeventien kerncentrales zes keer zoveel CO2 uitstoot als Frankrijk, dat in het bezit is van 59 kerncentrales, spreekt voor zichzelf.

Kernenergie is met name belangrijk voor landen die niet rijk zijn aan hernieuwbare energiebronnen als wind, zonne-energie, water en biomassa, die bijzonder duur is om te gebruiken. Elektriciteit is van levensbelang en moet voor iedereen toegankelijk zijn.

Ik heb voor het verslag gestemd en wil benadrukken hoe belangrijk het is dat de EU de bouw van kerncentrales of andere milieuvriendelijke energiecentrales ondersteunt.

 
  
MPphoto
 
 

  Romano Maria La Russa (UEN).(IT)Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik voel mij geroepen om een paar punten omtrent de nieuwe generatie kerntechnologie op te helderen. Het is belangrijk om ons te herinneren dat de kerncentrales in Italië in 1987 gesloten werden na een herroepingsreferendum. Dit was mogelijk terecht, maar het heeft ons wel langzamerhand afhankelijk gemaakt van buitenlandse energiebronnen.

Ongetwijfeld is de nieuwe generatie kerntechnologie, die schoon en veilig en milieuvriendelijk is, echter nodig om het probleem van de energievoorziening en klimaatverandering op te lossen. De energiemix moet worden geactualiseerd en naast hernieuwbare bronnen, schone steenkool en gas, zal kernenergie Europa in staat stellen in de toekomst minder afhankelijk te zijn van anderen.

Hierom heb ik voor de bouw van kerncentrales van de vierde generatie gestemd, waar energie zal worden opgewekt op een veiligere en milieuvriendelijkere manier. Ik heb echter nog wel mijn twijfels, ernstige twijfels en zorgen, over de opslag van kernafval. Het verslag mag dan het probleem van afvalopslag wel als opgelost beschouwen, maar eerlijk gezegd ben ik het daar niet mee eens: het afvalprobleem is cruciaal en een spoedige oplossing ervan vereist een enorme investering in onderzoek.

Ten slotte ben ik van mening dat de keuze van de energiemix – nog drie seconden alstublieft – om de continuïteit van de energievoorziening van de Unie veilig te stellen, de komende jaren moet worden bijgesteld op basis van onderzoeksresultaten en in het bijzonder de ontwikkeling van nieuwe technologieën.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, mijn collega’s van mijn delegatie en ikzelf hebben tegen het verslag Reul gestemd omdat we niet geloven dat kernenergie veilig en schoon is, en evenmin hebben we vertrouwen in de nieuwe generatie kerncentrales en de nieuwe generatie kernenergie.

Om onze CO2-uitstoot daadwerkelijk – en hier zijn verslagen en statistieken over – fors te verminderen door het gebruik van kernenergie, zouden we het aantal kerncentrales aanzienlijk moeten vergroten. Dit is noch reëel, noch haalbaar. Daarom – en ik zal meer over dit onderwerp komen te spreken wanneer het volgende verslag zich aandient – zouden doeltreffende maatregelen om de energie-efficiëntie te verbeteren en de CO2-uitstoot door auto’s te verminderen een betere manier zijn om van Europa een gezonde plek te maken en andere landen en continenten te bewegen ons voorbeeld te volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Göran Färm en Inger Segelström (PSE), schriftelijk.(SV) Wij hebben ervoor gekozen om tegen het verslag te stemmen omdat we het niet evenwichtig vinden en het onder andere voorbij gaat aan belangrijke problemen omtrent kernenergie.

Evenmin vinden wij dat de middelen voor energieonderzoek van de Unie zouden moeten worden gebruikt voor de ontwikkeling van nieuwe generaties kernfusiereactoren.

Wij betwijfelen de waarde voor het milieu van synthetische brandstoffen uit fossiele bronnen, of waterstofgas dat met behulp van energie van dezelfde herkomst gewonnen wordt, of kernenergie, omdat geen van deze energiebronnen op de lange termijn duurzaam is in milieu- en voorraadopzicht.

Wij zijn ook van mening dat fossiele brandstoffen op de lange termijn geleidelijk moeten worden uitgebannen, hetgeen niet wordt genoemd in het verslag.

Wij denken dat CO2-afvang een belangrijke rol kan spelen bij het verminderen van de CO2-uitstoot, maar dat andere energiebesparende en efficiëntieverhogende maatregelen en de ontwikkeling van hernieuwbare energie op de lange termijn duurzamer zijn en we hier uiteindelijk naar zouden moeten streven.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. −(PT) Dit verslag bevat een aantal positieve aspecten, zoals de erkenning van de rol van traditionele energiebronnen en de noodzaak deze te gebruiken om energie te produceren, het openen van perspectieven voor de doorstart van kernfusie-energie en de oproep tot de opheffing van de beperkingen op nieuwe steenkoolcentrales.

Het opent tevens perspectieven voor de doorstart en winning van steenkool en roept op tot internationale samenwerking, ook met landen buiten de EU zoals China en India. Daarnaast benadrukt het de waarde van endogene energiebronnen en plaatst het de bijdrage van hernieuwbare energiesoorten in een reëler daglicht. Het bevat zekere kritiek op de productie en het gebruik van vloeibare biobrandstoffen en wijst erop dat landen meer O&O op het gebied van energie moeten stimuleren, met name als manier om milieuproblemen en problemen omtrent de veiligheid van kernenergie te overwinnen.

Het bevat echter ook verscheidene negatieve aspecten, zoals de opvoering van louter tijdelijke en achtergrondkwesties ter verklaring van de toenemende problemen op de oliemarkt, het voorbijgaan aan de strategische kwestie van de uitputting van hulpbronnen en het wederom negeren van het enorme potentieel van biomethaan uit afval, iets dat verscheidene andere Europese landen al bezig zijn te implementeren.

Dat is de reden van onze onthouding.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk.(EN) Ik heb voor dit initiatiefverslag over energievraagstukken gestemd, dat veel aspecten bestrijkt van energie-efficiëntie, -voorziening en -besparing. Ik heb mijn steun niet gegeven aan amendementen die voor het gebruik van kernenergie zijn: ik ben van mening dat duurzame, hernieuwbare energiebronnen verder ontwikkeld moeten worden en dat inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling zich allereerst daarop moeten richten.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. −(DE) In principe zijn we het er allemaal over eens dat we betere energie-efficiëntie en meer doordacht energievervoer nodig hebben en dat het belangrijk is de rol van de hernieuwbare bronnen uit te breiden. Desalniettemin moet de aanmoediging van hernieuwbare bronnen niet als een voorwendsel worden gebruikt om nog meer soevereine rechten van de lidstaten via een achterdeurtje ondergeschikt te maken aan de EU-grondwet. Aangezien dit punt niet duidelijk genoeg wordt gemaakt in het huidige verslag, moet het worden verworpen.

Ondanks het feit dat de rol van de hernieuwbare bronnen groter wordt, zullen we nog gedurende vele decennia afhankelijk blijven van traditionele energieopwekking en daarom moeten we zorgen dat dit proces milieuvriendelijker wordt. In de EU lijkt er echter nog steeds een obsessie met kernenergie te zijn, hetgeen niet alleen blijkt uit het feit dat deze beschreven wordt als een “milieuvriendelijke energiebron”, hetgeen op zichzelf al belachelijk is, maar ook in de royale begroting voor kernonderzoek. In mijn optiek wordt hiermee verzuimd om onze benadering op wat voor manier dan ook te heroverwegen, hetgeen voor mij nog een reden is om dit verslag te verwerpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger (GUE/NGL), schriftelijk. −(DE) Het verslag Reul is een verdediging van de kernindustrie. Tegen alle gezond verstand in wordt kernenergie afgeschilderd als de technologie van de toekomst, met nog meer onderzoeksfinancieringen en begrotingsmiddelen die door de EU in de ontwikkeling van deze zeer risicovolle en sterk verouderde technologie moeten worden gepompt.

Sterker nog, ondanks de recente “gebeurtenissen” in de kerncentrales van Vattenfall wordt er gestreefd naar de uitbereiding van kernenergie in Europa. Gezien deze gebeurtenissen getuigt het van extreem cynisme om te beweren dat de opwekking van kernenergie “steeds veiliger” wordt. In plaats van te blijven investeren in deze zorgwekkende vorm van energie, waarbij opzettelijk voorbij wordt gegaan aan de kwestie van definitieve opslag, zouden we nu eindelijk eens moeten streven naar een sociale en ecologische revolutie.

Dit vereist de doorbreking van de particuliere monopolies die er in de kernindustrie bestaan, een enorme financiële stimulering van hernieuwbare energiebronnen en de lokalisering van de energieproductie. Aangezien het met name de firma’s op kernenergiegebied zijn die een nieuwe fase van enorme prijsstijgingen hebben ingeluid, is het dringend noodzakelijk snel actie te ondernemen. Het verslag dient louter de winstbelangen van Europa’s kernindustrie. De oproep tot de bouw van nieuwe kerncentrales in Europa is onaanvaardbaar.

De wettelijke basis voor financiering voor onbepaalde tijd moet worden vastgelegd in het hervormingsverdrag. Dit is nog een reden om het verdrag te verwerpen. Elke cent extra die naar de financiering van kernenergie in de EU gaat, is er één te veel. Het stimuleren van energieproductie uit hernieuwbare bronnen en zonne-, wind- en waterkracht is het enige duurzame energiebeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. −(PT) Toen zij begin dit jaar het energiepakket lanceerde, benadrukte de Europese Commissie de noodzaak van een technologisch actieplan voor fossiele brandstoffen en onderstreepte zij de fundamentele behoefte aan een pragmatische benadering van kernenergie.

De realiteit is hard: er zijn geen even goedkope en efficiënte alternatieven voor fossiele brandstoffen. Dit betekent dat deze brandstoffen tot na 2020 een centrale en cruciale rol zullen blijven spelen in het energiebeleid van de EU.

Daarom moeten we nieuwe oplossingen vinden voor het vraagstuk van energievoorziening in de EU, met in ons achterhoofd de noodzaak van concurrentievermogen, duurzaamheid en continuïteit van de voorziening. Het gevolg is dat alle investeringen in de ontwikkeling van nieuwe energietechnologieën, ten eerste om de gevolgen voor het milieu te verminderen en de veiligheid van bestaande centrales te verhogen en ten tweede om nieuwe energiebronnen te ontwikkelen en efficiënter en schoner gebruik van fossiele brandstoffen veilig te stellen, van bijzonder belang zijn.

Omdat het essentieel is dat lidstaten en de EU hun inspanningen concentreren op energieonderzoek, bijvoorbeeld naar efficiënter gebruik van energiebronnen, nieuwe technologieën en schoner gebruik van bestaande energiebronnen, heb ik voor dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk.(PL) Ik heb voor het verslag van de heer Reul over traditionele energiebronnen en energietechnologie gestemd.

In het verslag wordt een zeer belangrijke en actuele kwestie aangekaart, die een brede discussie binnen de Europese Unie verdient. We hebben een uniforme strategie nodig en zouden een gemeenschappelijk energiebeleid moeten ontwikkelen. De veiligstelling van de continuïteit van Europa’s energievoorziening is een prioriteitskwestie en het voorstel van de Commissie om een Europees strategisch plan voor energietechnologie voor te leggen aan de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van 2008, is daarom zeer verheugend.

Als wereldleider zal de Europese Unie ook de leiding moeten nemen bij de ontwikkeling van moderne energietechnologieën en tegelijkertijd alle desbetreffende economische en milieunormen moeten handhaven.

 
  
MPphoto
 
 

  Lars Wohlin (PPE-DE), schriftelijk.(SV) Ik heb ervoor gekozen het verslag te steunen omdat de EU de noodzaak van opname van kernenergie in Europa’s toekomstige energiemix op een zeldzaam evenwichtige manier heeft besproken. In het verslag wordt onder andere gezegd dat “kernenergie voor de waarborging van de basisvoorziening op de middellange termijn in Europa onmisbaar is” en “dat kernenergie thans de grootste koolstofarme energiebron van de EU is”. Ook wordt “de potentiële rol van kernenergie voor de klimaatbescherming” onderstreept. Op dit moment bestaat een derde van de energievoorziening van de EU uit kernenergie en deze energiesoort zal in veel EU-lidstaten altijd een van de belangrijkste energiebronnen blijven.

Ik betreur het dat wanneer de kwestie van CO2-uitstoot ter sprake wordt gebracht, er niet meer aandacht wordt besteed aan kernenergie. Als we in de toekomst aan de vraag naar energie willen voldoen zonder nog meer afhankelijk te worden van fossiele brandstoffen en de CO2-uitstoot te verhogen, zal de ontwikkeling van veilige en nieuwe kernenergie steeds belangrijker worden. Helaas maakt kernenergie geen deel uit van de maatregelen die als reëel worden beschouwd in het kader van de verwezenlijking van de doelstelling van een vermindering van twintig tot dertig procent tegen 2020.

 
  
  

- Verslag: Davies (A6-0343/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) Vandaag hebben we de auto-industrie opdracht gegeven motoren te ontwikkelen die minder dan120g/km CO2 uitstoten. Ik wil degenen die achter dit voorstel staan echter waarschuwen dat het verminderen van emissies ernstig wordt belemmerd door het toenemende aantal autobestuurders in het algemeen en het grote aantal bestuurders van oude voertuigen in het bijzonder.

Een dubbele reclameregulering zal dit probleem niet oplossen. Iedereen weet dat de meeste mensen bij het kopen van een auto letten op de kosten en niet op de schade die het voertuig toebrengt aan het milieu. De kosten, maar ook de emissies, nemen toe vanwege de verplichtingen inzake grotere voertuigveiligheid.

Dames en heren, totdat voertuigen met minder schadelijke gevolgen voor het milieu en lagere gebruikskosten betaalbaarder worden, zal het aandeel van het wegvervoer in de emissies niet aanzienlijk dalen. Dit is waarom ik niet deel in het enthousiasme over het verslag van vandaag. Het verslag van de commissie en de strategie van de Commissie zijn beide niet grondig genoeg. Daarom heb ik andere voorstellen gesteund, voor boetes bij overschrijding van de emissiegrenswaarden en in het bijzonder belastingmaatregelen en steun voor de vernieuwing van het wagenpark.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE).(SK)Het zojuist aangenomen verslag over de toekomstige CO2-strategie voor auto’s draagt ongetwijfeld bij aan een van de meest gepolariseerde discussies die op het moment in het Europees Parlement worden gevoerd. Op het spel staat niet alleen het milieu, en daarmee de gezondheid van EU-burgers, maar ook het concurrentievermogen van een belangrijke industrietak. Ik heb voor het amendement gestemd omdat het een compromis tussen deze twee aspecten vertegenwoordigt. Het besteedt aandacht aan milieubescherming en stelt de Europese auto-industrie tegelijkertijd passende en reële termijnen.

Autoreclame vertegenwoordigt tot twintig procent van de totale reclameomzet van uitgevers van gedrukte media. Het stellen van verplichte eisen aan reclame, zoals wordt voorgesteld in het oorspronkelijke verslag van de heer Chris Davies, zou het grondbeginsel van vrijheid van meningsuiting schenden. Daarom heb ik voor de amendementen tot schrapping van de controversiële paragrafen 36 tot en met 41 gestemd. Ik heb mijn steun uitgesproken voor de motie van de PPE-DE-Fractie, waarin autofabrikanten worden uitgenodigd tot ondertekening van een vrijwillige gedragscode voor autoreclame. Na aanneming van de meeste amendementen heb ik in de eindstemming voor het verslag van de heer Chris Davies gestemd. Het resultaat van de stemming is een duidelijk politiek signaal dat oproept tot de opstelling van Europese wetgeving inzake de vermindering van de CO2-uitstoot.

 
  
MPphoto
 
 

  Karin Scheele (PSE).(DE)Mevrouw de Voorzitter, we hebben nog steeds geen wetgeving die aantoont dat het Parlement de klimaatbescherming in Europa serieus neemt en we moeten onze krachten bundelen om alles waarover we vandaag gestemd hebben, daadwerkelijk te bereiken via die wetgeving.

Ik betreur het dat we onszelf niet een plafond van 120g/km vanaf 2012 ten doel gesteld hebben. Het is meer dan tien jaar geleden dat onze auto-industrie beloofde om dit te verwezenlijken via de zelfregulering die werd voorgesteld, omdat een dergelijke benadering beter en efficiënter zou zijn, en ik had graag gezien dat het Huis vandaag een duidelijke boodschap inzake het klimaatbeleid had afgegeven. Dat hebben we niet gedaan.

Daarom heb ik ook tegen het verslag gestemd en ik hoop dat we bij het opstellen van de wetgeving meer durf en vastberadenheid zullen tonen en duidelijk zullen maken dat we klimaatkwesties in Europa echt serieus nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Březina (PPE-DE).(CS)Ik heb nee gezegd tegen het voorstel inzake een communautaire strategie om de CO2-uitstoot van personenauto’s te verminderen dat in het verslag is opgenomen, maar om andere reden dan de reeds genoemde.

Ik heb tegen het voorstel gestemd omdat het afstand doet van een geïntegreerde benadering, waar de voorgaande strategiedocumenten wel van uitgingen, en in plaats daarvan de hele last van vermindering van de CO2-uitstoot bij de Europese auto-industrie legt. Ook ben ik het niet eens met de oproep tot een verplichte besteding van twintig procent van reclameruimte aan toelichting. Dit vertoont een gevaarlijke gelijkenis met de informatiecampagne over de schadelijke effecten van roken.

Een dergelijke algemene benadering maakt van de vermindering van de CO2-uitstoot een dogma dat, indien uitgedrukt in toekomstige bindende wetgeving, zal resulteren in een afname van ons concurrentievermogen.

 
  
MPphoto
 
 

  Christoph Konrad (PPE-DE).(DE)Mevrouw de Voorzitter, ik heb tegen het verslag Davies gestemd omdat we naar mijn mening met het concept van CO2-zuinigheidsklasssen voor auto’s een beslissing hebben genomen die in wezen onaanvaardbaar en ideëel is.

Er zou een glijdende schaal gebaseerd op grootte en gewicht moeten komen, met name om gelijke concurrentievoorwaarden voor fabrikanten in de Europese Unie tot stand te brengen. Ik zal u een voorbeeld geven: het maakt verschil of ik een heel huis verwarm of alleen één kamer. Daarom maakt het ook verschil of ik in een grote of kleine auto rijd. En daarom moet er een classificatie komen en een glijdende schaal gebaseerd op gewicht. Deze kans hebben we aan ons voorbij laten gaan, wat ik betreur, en deze beslissing – waar ik niet achter sta – is ook een gemiste kans om evenwicht te bewerkstelligen tussen de belangen van het milieu en die van de auto-industrie.

 
  
MPphoto
 
 

  Kurt Joachim Lauk (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, ik heb tegen het verslag Davies gestemd omdat we door de aangenomen amendementen nog steeds ver verwijderd zijn van de optimale situatie waarin enerzijds het milieu wordt beschermd en anderzijds de werkgelegenheid in Europa wordt bevorderd en de consument niet wordt opgescheept met buitensporige hoge prijzen. In wezen gaan de beslissingen die we hebben genomen ten koste van de werkgelegenheid en de consument.

In technische zin hebben we afstand gedaan van de geïntegreerde benadering die cruciaal zou zijn geweest voor de verwezenlijking van een situatie waarin iedereen bijdraagt aan het verminderen van de CO2-uitstoot, niet alleen de autofabrikanten, maar ook de fabrikanten van andere voertuigonderdelen. We zijn een andere koers ingeslagen. Bovendien zijn we voorbij gegaan aan gewicht en hebben we de gewichtsclassificatie niet voltooid, zaken die van belang zijn voor het Europese concurrentievermogen omdat de zware voertuigen voorop lopen bij vernieuwing, de vernieuwing die Europa nodig heeft.

We hebben termijnen gesteld die moeilijk of duur zijn om te verwezenlijken en we hebben de absurde beslissing genomen om de roep om CO2-uitstoot gerelateerde belastingen in de lidstaten te negeren, hetgeen betekent dat oude voertuigen die veel CO2 uitstoten zich nog steeds op de markt en op de weg bevinden. Daarom heb ik tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Linda McAvan (PSE).- (EN) Voorzitter, ik wil twee dingen zeggen: ten eerste over de procedure en ten tweede over de stemlijst.

Wat de stemlijst betreft: om te beginnen was paragraaf 3 niet vermeld; verder vind ik dat we nog eens zouden moeten kijken naar wat er met de Amendementen 52 en 51 is gebeurd. Als je er goed naar kijkt, komt 51 duidelijk het meeste overeen met de originele tekst en daarom hadden we hierover eerst moeten stemmen. 52 wijkt meer af van de originele tekst en daarom zouden we daarover pas daarna hebben moeten stemmen.

Ik wil het voorzitterschap vragen hiernaar te kijken, omdat het duidelijk is dat het zo had moeten gebeuren. Ik zou dus graag een antwoord hebben op deze procedurele vragen.

Ten tweede, op het politieke vlak, was dit de eerste echte stemming over klimaatverandering. Het was geen wetsvoorstel - dat komt nog - maar ik ben van mening dat de ALDE-fractie en de PPE-DE-fractie in dit Huis de eerste test op het gebied van klimaatverandering niet goed hebben doorstaan, door niet in te stemmen met de datum van 2012, die de Europese Commissie voorstaat. De mensen zullen kijken naar wat er hier vandaag gebeurd is en zich afvragen of we het eigenlijk wel serieus menen met de voornemens die we afgelopen maart hebben uitgesproken met betrekking tot het terugdringen van de CO2-uitstoot.

We zeggen dat Europa een Europa van het milieu is. Als we dat echt willen, moet we daar wetgeving over maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Castex (PSE), schriftelijk. – (FR) Mevrouw Castex heeft voor het verslag Davies over de vermindering van de CO2-uitstoot van personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen gestemd.

Terwijl Frankrijk nog altijd in de greep is van het milieuforum Grenelle, heeft de Europese Unie op haar beurt nog een belangrijke bouwsteen toegevoegd aan de kwaliteit van ons milieu door de aanneming van een strategie om de CO2-uitstoot van privévoertuigen te verminderen.

Mevrouw Castex is erg verheugd dat het Parlement de Europese auto-industrie heeft opgeroepen om te zorgen dat nieuwe voertuigen tegen 2012 niet meer dan 120g/km aan CO2 uitstoten.

Dit Franse lid van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement is verheugd over CARS, het mechanisme voor de vermindering van de toegestane koolstofuitstoot, omdat met dit mechanisme financiële sancties zullen worden opgelegd aan fabrikanten die niet aan hun quota’s voldoen, terwijl er tegelijkertijd premies worden uitgedeeld aan de fabrikanten die het initiatief hebben genomen om hun uitstoot onder de grenswaardencurve te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld en Christofer Fjellner (PPE-DE), schriftelijk.(SV) In essentie hebben wij voor het verslag van de heer Davies over een strategie om de CO2-uitstoot te verminderen (A6-0343/07) gestemd.

Om de CO2-uitstoot te verminderen, moet er prioriteit worden gegeven aan de verkleining van het aandeel van het autoverkeer. Het is belangrijk dat er milieuvriendelijkere alternatieven voor het gebruik van de auto gevonden worden. In onze optiek moeten autofabrikanten echter de kans krijgen om zelf te bepalen hoe zij aan de milieudoelstellingen voldoen die wij als politici geformuleerd hebben. Dit hoeft niet precies bij wetgeving geregeld te worden.

Wij zijn ook tegen de regels inzake reclame van de rapporteur omdat deze niet rechtvaardig zijn en de vrijheid van meningsuiting beperken.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag gestemd.

Ongeveer negentien procent van alle CO2- uitstoot in de Gemeenschap is nu afkomstig van personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen. De Europese Unie moet zich ambitieuze en reële doelen stellen voor de vermindering van de gemiddelde uitstoot van alle voertuigen die op de EU-markt worden gebracht.

De gevolgen van wegtransport op de luchtkwaliteit moeten worden verkleind door de gestage vernieuwing van het wagenpark.

Ik ben verheugd over de termijnen die het Parlement gesteld heeft. Als de auto-industrie na 2011 controleerbare en meetbare maatregelen moet nemen, lijkt het me volkomen redelijk om 2015 aan te wijzen als datum waarop het plafond van 125 g/km verwezenlijkt moet zijn. Dit valt zelfs samen met de inwerkingtreding van de Euro 4-emissienormen.

Wetgeving is met name doeltreffend als deze reëel is en de auto-industrie heeft in haar beleid reeds lange tijd een centrale plaats voor milieukwesties ingeruimd. Wanneer het om klimaatverandering gaat, moet de prioriteit zijn om de CO2- uitstoot in absolute zin te verminderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jules Maaten (ALDE), schriftelijk.– (NL)Het verslag-Davies verdient steun vanwege het politieke signaal dat het verslag geeft. Alle sectoren zullen hun steentje moeten bijdragen om de klimaatproblematiek te verhelpen, ook de Europese automobielindustrie. Vandaar dat ik het compromis van harte steun om tot maximaal 125g CO2/km te komen in 2015.

Voor Nederland heeft het verslag-Davies nog een extra dimensie die onmiskenbaar is. Vanwege de fijnstofproblematiek in Nederland is het noodzakelijk dat er op Europees niveau effectieve bronmaatregelen worden genomen. Gebeurt dit niet, dan zal het voor transportintensieve gebieden als de Rotterdamse haven en de luchthaven Schiphol onmogelijk blijken om te voldoen aan de huidige en/of aangescherpte fijnstofnormen.

Ik ben voor betere informatie aan consumenten over de milieuvriendelijkheid van een auto, zoals nu ook gebeurt met bijvoorbeeld koelkasten en wasmachines, maar heb tegen het voorstel gestemd om “sigaretachtige” waarschuwingsteksten te verplichten bij alle reclame en marketinguitingen van de automobielindustrie. Op het gebied van reclame en marketing zie ik meer heil in zelfregulering dan in allerlei Europese wettelijke verplichtingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Erika Mann (PSE), schriftelijk. −(DE) Ik heb nee gezegd tegen het verslag van de heer Davies over de communautaire strategie om de CO2- uitstoot van personenauto’s en lichte bedrijfswagens te verminderen. In eerste instantie had ik bij de rechtstreekse stemming tijdens de plenaire vergadering voor het verslag gestemd, maar later heb ik mijn stem schriftelijk ingetrokken, zoals is vastgelegd in de parlementaire archieven van 25 oktober 2007.

In mijn optiek is het verslag volstrekt willekeurig en besteedt het te weinig aandacht aan de behoeften van de Duitse auto-industrie en aan milieukwesties.

In het verslag wordt bijvoorbeeld geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende gewichtsklassen van voertuigen en daardoor worden er buitensporige eisen aan autofabrikanten gesteld.

Wat reclame betreft, wordt de vergelijking tussen etiketteringeisen voor tabakproducten en voertuigen steeds verder doorgetrokken.

De rapporteur (de heer Davies, een Engelse groene liberaal) was slechts op één punt, helemaal aan het eind van de beraadslaging over zijn verslag, bereid tot een compromis. Dit was veel te laat om een doordachte aanbeveling van het Parlement te formuleren die garant stond voor de steun van alle fracties.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk.(EN) Ik heb voor de originele versie van het verslag gestemd, waarin voor 2012 strenge beperkingen op emissies werden voorgesteld van 120 gr/km kooldioxide. Dat voorstel is helaas afgezwakt door europarlementariërs van de Tory’s en Liberalen, zodat hogere uitstoot van kooldioxide wordt toegestaan en een langere overgangstijd wordt ingelast. De strategie is op zichzelf goed, maar het is jammer dat het onnodig afgezwakt is.

 
  
MPphoto
 
 

  Tokia Saïfi (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik ben erg verheugd dat het Parlement een communautaire strategie heeft aangenomen om de CO2- uitstoot van personenauto’s en lichte bedrijfswagens te verminderen.

Dit initiatief zal ons in staat stellen om de kooldioxide-uitstoot te verminderen en tegelijkertijd bij te dragen aan de verwezenlijking van de meer algemene milieudoelstellingen en doelstellingen inzake de continuïteit van de energievoorziening van de EU. Desalniettemin ben ik van mening dat het signaal dat deze stemmingsuitslag heeft afgegeven aan de Commissie en de gehele internationale gemeenschap ambitieuzer had kunnen zijn.

Het CO2-plafond van 120 g/km is in 1995 voor het eerst gesuggereerd als haalbare doelstelling voor de auto-industrie. Twaalf jaar verder is er nog steeds verzet tegen de implementatie hiervan, ook al is het door technologische vorderingen inmiddels mogelijk om de CO2- uitstoot sterker te verminderen dan twaalf jaar geleden.

Door zich tevreden te stellen met een maximaal toegestane CO2-limiet van 125 g/km gaat het Parlement niet ver genoeg. Daarom heb ik tegen de amendementen 42 en 55 gestemd. De hierin opgenomen doelstellingen zijn onder het mom van behoedzaamheid en realiteitszin simpelweg veel te bescheiden geformuleerd.

In een tijd waarin de consument steeds gevoeliger wordt voor vervuiling door motorvoertuigen, zal elke maatregel met als doel de vermindering van de CO2-uitstoot uit deze bron de auto-industrie, de consument en natuurlijk de gehele planeet ten goede komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Renate Sommer (PPE-DE), schriftelijk. −(DE) Ik heb voor de voorstellen voor de invoering van een bindend plafond voor de gemiddelde uitstoot gestemd, al heb ik wel enkele zorgen. Ik ben van mening dat een glijdende schaal gebaseerd op de grootte en het gewicht van het voertuig beter was geweest.

Hoewel ik normaliter een voorkeur heb voor vrijwillige verbintenissen van industrietakken, ben ik van mening dat bindende wettelijke verplichtingen onontbeerlijk zijn voor de auto-industrie: de ervaring leert dat vrijwillige verbintenissen in deze sector gedoemd zijn te falen.

Zoals we weten zijn de broeikasgasemissies door de EU-25 met ongeveer vijf procent teruggebracht tussen 1990 en 2004. Dit geldt echter niet voor wegverkeer: deze sector steekt hier schril bij af met een stijging van 26 procent. Het is duidelijk dat hier maatregelen nodig zijn en dat de auto-industrie moet bijdragen aan de vermindering van de uitstoot.

Er is kritiek geweest op het jaar 2012 als invoerdatum van het plafond omdat de aanloopperiode dan te kort zou zijn. Over deze datum is echter al jaren gesproken en de auto-industrie wist al heel lang wat ze kon verwachten.

We moeten echter altijd oog blijven houden voor het evenwicht tussen milieubelangen en de belangen van de auto-industrie, omdat dit ook in het belang is van de werkgelegenheid en het concurrentievermogen in de Europese Unie. Het gaat hier om een bloeiende industrietak, die belangrijk is voor de EU. Zonder krachtige industrieën zouden we geen geld hebben voor milieuprogramma’s!

 
  
  

- Verslag: Wagenknecht (A6-0391/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT)Tot op heden zijn de lidstaten er alleen in geslaagd een overeenkomst te bereiken over de consolidatie van de indirecte belastingen – accijns en BTW, bepaling van het minimumtarief, de toepassing van talrijke BTW-vrijstellingen. Ik betwijfel of de invoering van een minimumaccijns – bijvoorbeeld op brandstof – het economische concurrentievermogen zou vergroten. Dit zou eerder leiden tot prijsverhogingen en een afname van de consumptie, met name gezien de wereldwijde prijsstijgingen. De voorgestelde coördinatie van accijnzen zou een ondraaglijke last voor de nieuwe lidstaten betekenen.

De voorgestelde consolidatie van belastinggrondslagen op EU-niveau was geschikter geweest voor de economieën van de vijftien oude lidstaten, omdat die qua ontwikkelingsniveau vergelijkbaar zijn. Dit voorstel is een stap in de richting van de consolidatie van winstbelastingen. De zwaarste last zou op de nieuwe lidstaten met de zwakste economieën komen te liggen. Dit zou betekenen dat zij minder kans maken om te profiteren van belastingconcurrentie en hun economische groei te versnellen. Hen zou de kans worden ontnomen om hun levensstandaard op te trekken naar het niveau van de oude lidstaten.

Ik heb tegen het verslag gestemd omdat het ongelegen komt, ondanks de amendementen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Göran Färm en Inger Segelström (PSE), schriftelijk. – (SV)Wij, Zweedse sociaal-democraten, vinden dat belastingbeleid allereerst een nationale aangelegenheid zou moeten zijn.

Dit verslag benadrukt de fiscale soevereiniteit van de lidstaten.

Wij hebben besloten voor dit verslag te stemmen omdat het in meerdere opzichten de rol van het belastingbeleid in de lidstaten benadrukt, op het gebied van werkgelegenheid, welvaart en het milieu, alsmede een goed functionerende interne markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Gérard Deprez (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik heb mijn steun gegeven aan amendement 20, zoals ingediend door Fractie van de Groenen / Vrije Europese Alliantie, waarin paragraaf 17 van het verslag Wagenknecht over de bijdrage van het belastingbeleid tot de Lissabon-strategie wordt geschrapt.

Met het oog op een goed functionerende interne markt ben ik namelijk voor elke maatregel die bijdraagt aan fiscale harmonisatie van de EU.

Hoewel belastingen in de grond nog steeds een zaak van nationale soevereiniteit zijn, is het zeer snel duidelijk geworden dat we moeten zorgen voor een zekere mate van fiscale samenwerking tussen de lidstaten. Dat is waarom de Commissie op het gebied van indirecte belastingen gaandeweg een minimumaccijns heeft ingevoerd, teneinde competitieverstoring tegen te gaan.

Maar paragraaf 17 van het verslag waarover we vandaag stemmen, bevat een herziening van dit stelsel en een voorstel om het te vervangen door een gedragscode.

Ik geloof niet dat het voldoende is om lidstaten louter “aan te sporen” als het gaat om de coördinatie van indirecte belastingen. Bovendien geloof ik al helemaal niet in de doeltreffendheid van een gedragscode op het gebied van accijns: zoiets zou er waarschijnlijk voor zorgen dat het nog aanlokkelijker wordt om de regels en praktijken van de EU uit te buiten, wat op zijn beurt weer zou resulteren in een betreurenswaardige toestand van oneerlijke concurrentie op dit gebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. −(PT) Wij hebben tegen de uiteindelijke tekst gestemd, onder andere omdat hierin de belangen van economische en financiële groepen worden verdedigd, zoals aangegeven door de rapporteur die haar naam vóór de eindstemming uit het verslag heeft verwijderd en heeft opgeroepen om het te verwerpen. De resolutie heeft als doel om de regels en procedures te versoepelen zodat grote ondernemingen zich op eenvoudige wijze toegang kunnen verschaffen tot de verschillende markten en zo in elke lidstaat de grootste winsten kunnen maken terwijl ze met de minste belemmeringen te maken krijgen.

Daarnaast zijn wij van mening dat de fiscale soevereiniteit van lidstaten op het gebied van de invulling van hun eigen fiscale beleid in alle beraadslagingen over dit onderwerp geëerbiedigd moet worden. Dat is hier niet gebeurd. Een zogenaamd gemeenschappelijk Europees fiscaal beleid dat belastingconcurrentie bevordert, zou alleen de belangen van het grote Europese en internationale kapitaal ten goede komen.

Uit beschikbare gegevens blijkt dat de gemiddelde belastingheffing op bedrijfswinsten de laatste tien jaar aanmerkelijk is gedaald, terwijl de inkomstenbelasting vrijwel hetzelfde is gebleven.

Wij betreuren het dat de voorstellen van de rapporteur, die de herverdelingsmogelijkheden van belastingen benadrukte en wees op de verplaatsing van de belastingdruk van hoge inkomsten naar lagere inkomens, niet in de uiteindelijke tekst zijn opgenomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk.(SV) De Junilijst is fel tegen dit verslag, dat een gemeenschappelijk belasting- en douanebeleid voor de EU beoogt.

Het is verbazingwekkend dat het Europees Parlement vandaag beslissingen neemt over kwesties waar geen gemeenschappelijk beleid voor bestaat. Het is niet aan de EU om te beslissen over belastingkwesties en de lidstaten daarbij op te roepen om hun nationale belastingen te harmoniseren. Daarnaast is het volkomen onredelijk om te proberen een stap richting de oplegging van een communautaire belasting te zetten.

Uit het verslag kan ook worden opgemaakt hoe de Lissabon-strategie de weg vrijmaakt voor de EU om zich op nieuwe beleidsterreinen te begeven, op de voet gevolgd door supranationaliteit, nieuwe projecten en verhoogde kosten.

De Junilijst stemt tegen dit verslag, omdat de lidstaten soeverein en op nationaal niveau moeten beslissen over belastingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Het verslag over de bijdrage van het belasting- en douanebeleid tot de Lissabon-strategie, zoals goedgekeurd door de Commissie economische en monetaire zaken, is een aanvaardbaar compromis tussen enerzijds de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese democraten en anderzijds de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa, en ik steun het. Ik ben ook verheugd dat we erin zijn geslaagd om dit evenwicht te handhaven gedurende de plenaire stemming.

Het belangrijkste punt van het verslag is mijns inziens paragraaf 4, waarin de voordelen van een gezonde belastingconcurrentie in de Europese Unie worden benadrukt. Als we inderdaad de doelstellingen van economische groei en werkgelegenheid willen verwezenlijken zoals die uit de Lissabon-strategie naar voren komen, moeten we zorgen dat we ondernemingen niet met een al te grote belastingdruk opzadelen, omdat zij degenen zijn die banen scheppen. Bovendien moeten we werknemers en consumenten nooit te veel belasten, zij het direct of indirect, omdat zij aanzienlijk bijdragen aan groei.

Belastingconcurrentie verplicht EU-lidstaten om hun fiscale verplichtingen te matigen en publieke uitgaven doeltreffender te beheren, en dit kan de belastingbetaler alleen maar ten goede komen.

De gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, een ander omstreden thema in dit verslag, zou in mijn optiek een element van coördinatie toevoegen aan het fiscaal beleid, waardoor de Europese vennootschapsbelastingen minder bureaucratisch en meer doeltreffend zou worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Diamanto Manolakou (GUE/NGL), schriftelijk. –(EL) Belastingbeleid wordt gebruikt om inkomen te herverdelen ten gunste van het kapitaal. Het wordt door alle centrum-rechtse en centrum-linkse regeringen gebruikt en regelt het kapitaal in de EU.

Er bestaat geen gemeenschappelijk belastingbeleid vanwege imperialistische conflicten. Zelfs als een dergelijk beleid zou bestaan, zou het kapitaal echter zijn eigen winstgevendheid bevorderen ten koste van het inkomen en de behoeften van de gewone man.

Te midden van onaflatende concurrentie beweegt kapitaal zich nu makkelijk en snel van landen met hoge belastingen naar landen met lage belastingen. Het is zelfs zo dat in alle lidstaten de vennootschapsbelastingen dalen, hetgeen ten koste gaat van de individuele inkomens.

Dit is echter niet het geval bij de loonbelasting, die constant blijft, terwijl indirecte belastingen en de BTW zijn gestegen, waardoor de ongelijkheid en het verschil tussen rijk en arm groter worden. Dit blijkt ook uit OESO-cijfers, die uitwijzen dat indirecte belasting in de vorm van BTW gestegen is tot 6,9 procent van het BBP in 2006. Op deze manier wordt het kapitaal stelselmatig vrijgesteld van belasting en worden de heffingen voor werknemers steeds hoger door indirecte belastingen.

Dit gebeurt eveneens in Griekenland: de vennootschapsbelasting is met tien procent teruggebracht en de BTW is met één procent verhoogd, met nog eens een verhoging van twee procent in het vooruitzicht.

Hier zien we meedogenloosheid van het kapitalisme, dat ongelijkheid creëert en de meeste mensen er armer op maakt; dit moeten we ongedaan maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Mary Lou McDonald (GUE/NGL), schriftelijk.−(EN) Hoewel het verslag een aantal positieve elementen bevat als het gaat om een eerlijkere verdeling van de belastingdruk, kan ik geen enkele steun geven aan enige uitbreiding van de rol van de Europese Unie op het gebied van belastingen, aangezien de economische soevereiniteit van de lidstaten hierdoor verder aangetast zou worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE), schriftelijk.−(EN) De delegatie van Fine Gael in het Europees Parlement heeft besloten tegen het verslag te stemmen, vanwege de veelvuldige verwijzingen naar de CCCTB (gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting) en aanverwante kwesties.

We staan achter de Lissabon-strategie en we zijn voor het verslag, bijvoorbeeld op de positieve aspecten van lagere belastingen en de voordelen van fiscale concurrentie, maar we verwerpen het recht van EU-instellingen om in te grijpen in de rechten van lidstaten, zoals Ierland, die ook onder de Eurozone vallen. Rentepercentages worden vastgesteld door de ECB en de vereisten aan leningen en inflatie zijn vastgelegd in het Groei- en Stabiliteitspact. Het belastingbeleid is dan ook een van de instrumenten die de lidstaten onder het Verdrag nog ter beschikking staan en dit moet zo blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Peter Skinner (PSE), schriftelijk.−(EN) De verschillende fiscale opvattingen binnen de EU kunnen op veel manieren bijdragen aan betere conclusies voor de Lissabon-strategie. Om het simpel te stellen: het stimuleren van kleine ondernemers en het creëren van werk wordt positief geacht, evenals milieuvraagstukken. Het is aan de lidstaten om hier actie op te ondernemen en vervolg aan te geven; dat behoort tot hun competentie.

Het op Europees niveau consolideren van belastinggrondslagen zou niet het verschil uitmaken dat door de rapporteur wordt gesuggereerd. De EPLP blijft van mening dat er wat de Lissabon-strategie betreft veel goeds bereikt kan worden door actie van de lidstaten en niet van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Sahra Wagenknecht (GUE/NGL), schriftelijk. −(DE) Door de stemming van vandaag heeft het Europees Parlement laten zien dat de meerderheid van haar leden een belastingbeleid steunen dat de belangen van de top tienduizend dient en de grote meerderheid van de mensen in de EU schade toebrengt. Hoewel sommige van mijn voorstellen zijn aanvaard – niemand wil immers graag te boek staan als openlijke voorvechter van verhoogde BTW-tarieven, hogere inkomstenbelastingen of betere mogelijkheden voor fiscale dumping in de gehele EU – zijn onze voorstellen inzake de verhoging van de belastingen op vermogen en financiële transacties en de beperking van fiscale dumping middels de invoering van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting door de meerderheid van de leden verworpen.

Aangezien mijn oorspronkelijke ontwerp na de individuele stemming nauwelijks meer te herkennen was in het uiteindelijke verslag, en bepaalde inhoudelijke aspecten nog verder toegetakeld werden in de versie van het verslag zoals goedgekeurd door de Commissie economische en monetaire zaken, zag ik mij gedwongen om mijn naam uit het verslag te schrappen en de leden op te roepen er tegen te stemmen bij de eindstemming. Ik ben verheugd over het feit dat een aanzienlijk deel van de Sociaal-democratische Fractie in het Europees Parlement evenmin bereid was goedkeuring te verlenen aan de uiteindelijke versie van het verslag, getuige het stemmingsresultaat.

Vandaag heeft het Huis de kans gemist om tegemoet te komen aan de behoefte aan een onpartijdiger en maatschappelijk relevanter belastingbeleid en dit als het duidelijke standpunt van het Europees Parlement aan te nemen. In plaats daarvan heeft de meerderheid van het Europees Parlement eens te meer blindelings ingestemd met het wanbeleid van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Lars Wohlin (PPE-DE), schriftelijk.(SV) Vandaag heb ik het verslag over de bijdrage van het belastingbeleid tot het Lissabon-proces gesteund. Ik ben een voorstander van gezonde belastingconcurrentie en een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting van internationale ondernemingen, zonder harmonisatie van belastingniveaus en met de mogelijkheid voor lidstaten om niet deel te nemen, als zij dat verkiezen. Het is ook belangrijk om de soevereiniteit van de lidstaten op belastinggebied te erkennen. Ik zal eveneens bezwaar maken tegen elke poging om tot een EU-belasting te komen.

 
  
  

- Verslag: Florenz (A6-0336/2007)

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE).(SK)Ik bewonder en respecteer de vastberadenheid waarmee sommige landen niet alleen een rookverbod hebben ingevoerd in kantoren en op alle werkplekken, maar ook in restaurants, cafés, bars en clubs. We beschikken over studies ter beoordeling van de economische gevolgen die de zorgen van restauranteigenaren over een inkomstenverlies weerleggen. We weten ook dat de behandeling van luchtwegkanker en andere ziekten ons ongeveer 50 miljoen euro kost.

In Schotland is het aantal mensen dat met myocarditis in het ziekenhuis wordt opgenomen sinds de invoering van het rookverbod met bijna twintig procent teruggelopen. Vrouwen die roken of die tijdens hun zwangerschap zijn blootgesteld aan passief roken, bevallen vroegtijdig. Hun kinderen hebben een lager geboortewicht dan normaal. Ik doe een beroep op de lidstaten van de Europese Unie, met inbegrip van mijn eigen lidstaat, om zo snel mogelijk doeltreffende wetgeving in te voeren voor een rookverbod op werkplekken en in restaurants en voor doeltreffende maatregelen voor het terugdringen van het algehele tabaksgebruik.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Alma Anastase (PPE-DE).- (RO)Bij de stemming over dit verslag zou ik graag willen benadrukken hoe belangrijk het is voor de toekomst van de Europese burgers en de gehele Europese Unie. Ik ben verheugd over de strategische benadering van het rookprobleem, met inbegrip van passief roken, en ook over het voorstel voor concrete en verrijkende maatregelen om dit probleem en de negatieve gevolgen ervan op Europees niveau te bestrijden. Ik ben er eveneens van overtuigd dat een beleid ter ontmoediging van roken een essentieel onderdeel van een strategische benadering van dit probleem zou moeten zijn, middels de ontwikkeling van een daadwerkelijk voorlichtingsstelsel op dit gebied. De realiteit van vandaag de dag is onmiskenbaar; in de gehele Europese maatschappij bestaat er een duidelijke en toenemende behoefte aan bewustwording van de gevolgen van roken. Het is belangrijk om dit ontmoedigingsbeleid uit te drukken in voorlichting voor zowel kinderen en jongeren als hun ouders, om zo een rookvrij Europa voor toekomstige generaties veilig te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ryszard Czarnecki (UEN).(PL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil mijn standpunt inzake het verslag van de heer Florenz over het verontrustende verschijnsel van nicotineverslaving graag toelichten. Ik wil benadrukken dat ik voor het verslag heb gestemd, ondanks dat ik een voorvechter ben van de vrijheid van rokers en natuurlijk van pluralisme. Desalniettemin is het probleem van de schadelijke gevolgen van het zogenoemde passieve roken, dat wil zeggen de gevolgen die niet-rokers ondervinden van het gezelschap van rokers, zeer verontrustend. Het zal volstaan om het Huis eraan te herinneren dat er elk jaar 650 000 mensen ontkomen als gevolg van roken. Hierbij inbegrepen zijn 80 000 passieve rokers, waaronder kinderen. Dat is de reden waarom we de vrijheid van sommige mensen moeten beperken, teneinde sterfgevallen te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hannu Takkula (ALDE).- (FI)Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik mijn tevredenheid over dit verslag uitspreken. Het is formidabel dat we een duidelijk standpunt over passief roken aannemen.

Ik heb voor dit verslag gestemd omdat het de hoogste tijd is dat we op Europees niveau maatregelen nemen om mensen te beschermen tegen de gevaren van tabaksrook. Zojuist is al gezegd dat er elk jaar 650 000 mensen omkomen door de gevolgen van roken. Het is tijd voor actie.

Ondanks mijn steun voor het voorstel besef ik dat het moeilijk zal zijn om het op alle punten in de praktijk te brengen en te implementeren. In artikel 11 wordt geopperd om in de gehele EU roken in de auto te verbieden in het bijzijn van minderjarigen. Dat is een mooi streven, maar hoe zouden we dat kunnen controleren? Een rookvrije omgeving is een doelstelling die we moeten nastreven, maar in de toekomst zullen we meer oog moeten hebben voor de redelijkheid van onze maatregelen en de mogelijkheden van toezicht op de naleving van onze wetgeving.

 
  
MPphoto
 
 

  Christoph Konrad (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, natuurlijk weten we allemaal dat roken slecht is voor de gezondheid. Desalniettemin heb ik uit principe tegen het verslag over een rookvrij Europa gestemd, omdat met recht gezegd kan worden dat de staat zich op geen enkel gebied zo succesvol heeft opgedrongen als in de strijd tegen roken in het openbaar. Landen in de EU – en daar horen wij ook bij – grijpen via hun rookverboden op ongekende schaal in de privélevens van burgers.

We zijn getuige van een algeheel, door de staat gefinancierd verbodsbeleid, dat ontworpen is om mensen te trainen hun gedrag te veranderen. Dat wordt in het verslag zelf duidelijk gemaakt. Unanimiteit of, zoals vandaag, virtuele unanimiteit, is geen garantie op vrijheid, integendeel. In de grond – en dit is iets wat we onder ogen moeten zien – bestaat vrijheid bij de gratie van de mogelijkheid om van de norm af te wijken. Ongeruste burgers gaan de straat op, wij hebben de betuttelingsstaat, en iedereen die hier iets mee te maken heeft en het steunt, denk dat het allemaal niets van doen heeft met vrijheid. Dat is een grote misvatting!

 
  
MPphoto
 
 

  Renate Sommer (PPE-DE).(DE)Ja, mevrouw de Voorzitter, ook ik heb tegen het verslag over een rookvrij Europa gestemd, hoewel ik mij daarmee heb blootgesteld aan een soort heksenjacht, die zelfs in het Huis plaatsvindt. Dat is waarom het veel van onze collega’s simpelweg aan de moed ontbrak om tegen dit verslag te stemmen, ook al zijn zij evenmin voorstander van dit betuttelingsbeleid.

Natuurlijk ben ik voorstander van bescherming van niet-rokers, kinderen en jongeren, maar het gaat hier om een principekwestie. Ten eerste hebben wij geen beleidsbevoegdheid op gezondheidsgebied. Deze berust bij de lidstaten. Al het andere is per definitie een inbreuk op de subsidiariteit en berust op bevoegdheden die de EU zelf verzonnen heeft. Ten tweede, en meer in het bijzonder, hebben we er genoeg van! We hebben er genoeg van, dames en heren! Jarenlang heeft de EU strijd gevoerd tegen roken, alcohol en overgewicht in Europa, blijkbaar in de veronderstelling dat onze burgers achterlijk zijn en behoefte hebben aan betuttelende wetgeving. Dat is nu precies waar ik tegen ben.

De burgers die ik vertegenwoordig, zijn niet achterlijk. Een verbodsbeleid werkt altijd averechts en mijn taak is om mensen te vertegenwoordigen, niet betuttelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Hannan (PPE-DE).- (EN) Voorzitter, als er ooit een onderwerp was dat om subsidiariteit roept, dan is het wel roken.We hebben het maar niet over de hypocrisie van het subsidiëren van het verbouwen van tabak in de Europese Unie, terwijl de consumptie ervan strafbaar wordt gesteld. Laat staan de dubbele standaard van het ontmoedigen van roken binnen de EU, maar het stimuleren ervan erbuiten. Laten we ons maar concentreren op de meer fundamentele vraag, wat dit Brussel eigenlijk allemaal aangaat.

De wettelijke en fiscale status van tabak is toch zeker een nationale aangelegenheid en de vraag waar en wanneer we tabak mogen gebruiken zou op een nog veel lager plaatselijk niveau beantwoord moeten worden: in een ruimte die particulier eigendom is door de eigenaar van die ruimte en in een openbare ruimte door de plaatselijke autoriteiten. Het zou helemaal niets van doen moeten hebben met nationale overheden en al helemaal niets met de Europese Unie. Subsidiariteit, collega’s: weet u nog?

 
  
MPphoto
 
 

  Marcin Libicki (UEN).(PL) Mevrouw de Voorzitter, tijdens deze vergadering hebben we gedebatteerd over het verslag vande heer Florenz over de inperking van het recht om sigaretten te roken. Ik heb tegen dit verslag gestemd omdat ik vind dat beperkingen alleen moeten worden opgelegd in situaties waar roken andere mensen schaadt. We kunnen mensen echter niet verbieden om zichzelf schade toe te brengen. Dat zou neerkomen op een inbreuk op de rechten van het individu waar geen enkele werkgever het recht toe heeft. Het probleem van de behandelingskosten is natuurlijk wel van belang, maar dat is simpelweg de zorg van de verzekeraars. Als een dergelijke maatregel gepast wordt geacht, zouden de premies voor rokers kunnen worden verhoogd om de behandelingskosten te dekken. Er is iets anders dat genoemd moet worden, namelijk subsidiariteit. Voorgaande sprekers hebben hier al naar verwezen en natuurlijk ben ik het er volmondig mee eens dat deze kwestie, waar toch al elementaire gebreken aan zitten, tot de bevoegdheid van de nationale overheden behoort, niet tot die van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Caspary (PPE-DE), schriftelijk. −(DE) Ik ben verheugd over elke maatregel die lidstaten nemen om burgers voor te lichten over de risico’s van roken. Naar mijn mening behoren al die maatregelen tot de bevoegdheidssfeer van de lidstaten, niet van de Europese Unie.

Ik heb het verslag Florenz in de eindstemming dan ook verworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. −(PT) Ik heb ja gezegd tegen het verslag van de heer Florenz over het Groenboek “Op weg naar een rookvrij Europa: beleidsopties op EU-niveau” omdat ik het van levensbelang vind dat er gepaste maatregelen worden genomen om het aantal sterfgevallen en ernstig zieken door tabaksrook terug te dringen.

In dat kader steun ik de oproep aan de Commissie om Richtlijn 2001/37/EG betreffende tabaksproducten te wijzigen en, met het oog op nieuwe wetenschappelijke vorderingen, de hierin opgenomen regels voor het gebruik van additieven en andere stoffen in deze producten te herzien, met name als het gaat om kankerverwekkende, mutagene of vergiftige additieven.

 
  
MPphoto
 
 

  Robert Goebbels (PSE), schriftelijk. – (FR) Straatsburg is geen Qom en het Europees Parlement is niet de “hoogste leider” die door de hemel is gezonden om nederigheid en rechtvaardigheid in de Unie te verbreiden. Iedereen weet dat roken slecht voor de gezondheid is. Maar het leven zelf is gevaarlijk, omdat het altijd eindigt met de dood. Ik heb zelf nog nooit gerookt.

Hoewel het geen schok voor me is dat sommige volwassenen bereid zijn het risico te nemen, blijf ik me altijd verbazen over de bekeringsdrift van de ayatollahs van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid die door het ene initiatiefverslag na het andere uit te brengen, proberen ten koste van mensen en hun zwakheden de “planeet te redden”. Ik zeg “nee” tegen deze fanatiekelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE), schriftelijk.(PL) Als lid van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en tevens een niet-roker die zich bewust is van de vele negatieve gevolgen die het roken van sigaretten voor de directe omgeving met zich meebrengt, ben ik verheugd over het verslag van de heer Florenz getiteld “Op weg naar een rookvrij Europa”.

Ik ben van mening dat het volkomen gepast is dat het Europees Parlement zelf het krachtige en ondubbelzinnige signaal afgeeft aan alle EU-burgers en lidstaten dat wij niet willen dat mensen roken in openbare gelegenheden, met name in restaurants, bars en in het openbaar vervoer. Waar we ook vooral niet willen dat mensen roken, is op de werkplek.

We roepen eveneens op tot strengere maatregelen tegen de verkoop van sigaretten aan minderjarigen. Daarnaast denk ik dat de invoering van beperkingen vergezeld zou moeten gaan van een brede informatiecampagne die niet alleen zou moeten ingaan op de schadelijke gevolgen van roken. Deze zijn algemeen bekend, maar daarnaast moet duidelijk worden gemaakt dat de rechten van niet-rokers om in een rookvrije omgeving te wonen niet af mogen hangen van of worden beperkt door rokers die hun recht om te roken willen uitoefenen ten koste van niet-rokers.

Als we willen dat onze oproep tot een Europa zonder tabaksrook succes heeft, moeten wij als Europees Parlementsleden het goede voorbeeld geven en het roken op onze werkplek opgeven. Dat houdt in dat er niet meer gerookt zou mogen worden in de Parlementsgebouwen.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk. – (FR)Ik heb voor dit verslag gestemd, dat niet alleen beoogt de lidstaten te steunen bij de strenge maatregelen die zij hebben genomen om tabaksverslaving te bestrijden, maar ook de volksgezondheid te bevorderen.

Tabaksrook is niet alleen een belangrijke bron van luchtvervuiling, de chemische stoffen in sigaretten stellen zowel rokers als niet-rokers bloot aan ernstige risico’s. Dit is met name het geval in afgesloten ruimten, zoals werkplekken, bars en restaurants. Het lijkt mij derhalve van levensbelang om roken op dergelijke plekken stellig en ondubbelzinnig te verbieden.

De doeltreffende invoering van strenge wetgeving die ontworpen is om de gezondheid van onze burgers optimale bescherming te bieden, moet gepaard gaan met daadwerkelijke inspanningen om het publiek te waarschuwen voor en te informeren over de risico’s van tabaksgebruik. Ik ben ook verheugd over de getoonde bereidheid om informatiecampagnes te richten op bepaalde doelgroepen, met name jongeren, zwangere vrouwen en ouders.

Ten slotte betreur ik de aanneming van een amendement waarin de Commissie wordt opgeroepen om de gezondheidsrisico’s van pruimtabak en de gevolgen hiervan voor de sigarettenconsumptie te onderzoeken. Ik vind dat dit verzoekt niet thuis hoort in een dergelijk verslag, omdat de gezondheidsrisico’s van pruimtabak, namelijk tongkanker en dergelijke, reeds algemeen erkend worden.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk.−(EN) Ik heb voor dit verslag gestemd, waarin de opties uiteengezet worden voor het in de hele Europese Unie terugdringen van de schadelijke effecten van tabaksrook. Er wordt geen oproep in gedaan voor Europese wetgeving, maar het doet een beroep op de lidstaten om binnen twee jaar een algemeen geldend rookverbod in te stellen. In Groot-Brittannië bestaat een dergelijk verbod al, maar gezien de schadelijke effecten van tabaksrook ondersteun ik de aanbeveling om deze verstandige aanpak in de hele EU in te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (ITS), schriftelijk. −(DE) Rookverboden zijn natuurlijk in het belang van de volksgezondheid en moeten daarom worden ingevoerd in openbare gelegenheden. Het is ook zinnig om kinderen en jongeren te beschermen. Voor deze specifieke groepen zou het echter nuttiger zijn als mensen het goede voorbeeld zouden geven en de bestaande antirookcampagnes zouden handhaven. De Europese Unie stelt zich echter hypocriet op wanneer zij probeert om alle lidstaten een rookverbod voor te schrijven terwijl zij zelf niet eens in staat is om tot een regeling voor dit Huis te komen.

Ons democratische stelsel en onze moderne levensopvattingen zijn gebaseerd op keuzevrijheid en logischerwijs moet dit ook voor roken gelden. Als een meerderheid van de bevolking voorstander is van een rookverbod in restaurants, zal dit vroeger of later worden ingevoerd. Steeds meer mensen worden niet-roker en overeenkomstig het soevereiniteitsbeginsel moet elk land zelf bepalen of er een rookverbod moeten worden ingevoerd, bijvoorbeeld in restaurants, en hoe een dergelijk verbod er precies uit moet zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL), schriftelijk. –(EL) Ik heb het verslag Florenz over het Groenboek “Op weg naar een rookvrij Europa” gesteund. Ik denk dat het zal bijdragen aan de bescherming van de volksgezondheid en aanzienlijk zal helpen bij het verminderen van de schadelijke gevolgen van roken, bij zowel jongeren als chronische rokers. Dit zal het doen door aan te dringen op een onmiddellijk verbod op alle verslavingwekkende additieven en preventieve maatregelen op Europees en lidstaatniveau te bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk.−(EN) Ik ben een groot voorstander van een rookverbod in openbare ruimten, om de openbare gezondheid te beschermen en de gevaren van passief roken in te dammen.

In Schotland is nu sinds 19 maanden een rookverbod van kracht in openbare ruimten en cijfers wijzen uit, dat er sinds de invoering van het rookverbod 20 procent minder ziekenhuisopnamen in verband met hartaanvallen zijn geweest.

Dankzij het rookverbod zijn er dus levens gered en tevens is de gezondheid van de Schotten erdoor verbeterd. Ik zie ernaar uit dat deze aanpak ook in de rest van Europa wordt ingevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. −(PL) Ik heb voor het verslag van de heer Florenz met de titel “Op weg naar een rookvrij Europa” gestemd.

Tabaksrook is zeer schadelijk. Het bevat duizenden chemische stoffen, waaronder meer dan 250 kankerverwekkende en vergiftige elementen. Zelfs de geringste blootstelling aan deze stoffen kan bijdragen aan de ontwikkeling van tumoren. Tabaksrookdeeltjes worden voortdurend verspreid in afgesloten ruimten, waardoor er luchtvervuiling ontstaat waar zelfs de beste ventilatiesystemen niet tegenop kunnen.

In de Europese Unie sterven er elk jaar duizenden mensen aan de gevolgen van passief roken. Deze sterfgevallen kunnen worden voorkomen. Het moet voor elke burger van de Europese Unie mogelijk zijn om in een rookvrije omgeving te wonen en werken. Dit moet met name worden benadrukt als het gaat om openbare instellingen en gebouwen. Zeventig procent van de bevolking in de Europese Unie rookt niet. Dit moeten we onthouden en we moeten zorgen dat deze mensen in een schone en veilige omgeving kunnen leven.

 
  
  

- Ontwerpresolutie RC-B6-0376/2007

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE).(SK)Ik heb tegen dit verslag gestemd omdat het geen goede afspiegeling is van het standpunt van de Europese Unie ten opzichte van Turkije. Het is noodzakelijk om de toetredingsgesprekken met Turkije volledig te bevriezen. Hiervoor zijn talrijke redenen. Op dit moment is Turkije een onbetrouwbare partner. Door Turkije de toegang tot de EU te ontzeggen, oftewel door de Turken de waarheid te vertellen over hun toekomstig EU-lidmaatschap, zouden we het land helpen zijn maatschappij eindelijk te democratiseren.

Turkije bezet nog steeds een lidstaat van de Europese Unie: veertig procent van het Cypriotische grondgebied wordt door Turkse militairen bezet. Er is geen godsdienstvrijheid in Turkije. Niet-moslims, christenen, leden van de orthodox-katholieke kerk en protestanten hebben allemaal met vervolging te maken aangezien zij geen kerken mogen bouwen. Er zijn vijfhonderd orthodoxe kerken vernield terwijl moslims overal in de Europese Unie moskeeën bouwen. Er is geen vrijheid van meningsuiting in Turkije. Turkije ontkent in het verleden een derde van de Armeense bevolking te hebben afgeslacht. Het land maakt zich op voor een nieuwe militaire ingreep in Irak. Het lost de kwesties inzake de Koerdische minderheden op zijn grondgebied niet op. Turkije ligt niet in Europa en behoort niet tot de EU. Een bevoorrecht partnerschap met Turkije, in plaats van een volledig lidmaatschap, is meer dan genoeg.

 
  
MPphoto
 
 

  Christoph Konrad (PPE-DE).(DE)Mevrouw de Voorzitter, ik heb niet voor de resolutie inzake Turkije gestemd omdat ik me ernstige zorgen maak over het besluit van het Turkse parlement tot een militaire aanval op Irak. Dit kon niet worden meegenomen in het verslag, maar het is wel een zeer actuele kwestie.

Het nemen van maatregelen tegen een terroristische groep is nogal wat anders dan besluiten om een buurland binnen te vallen. Een destabilisering van Irak is niet in het belang van de EU. We zouden Turkije eraan moeten herinneren dat het als kandidaat-lidstaat de belangen van de EU binnen het kader van gemeenschappelijke belangen in het oog moet houden. Dit alles toont aan dat een volledig lidmaatschap voor Turkije – waar ik overigens geen voorstander van ben – dat grenst aan Iran en Irak, de politieke kaart van de EU een totaal ander aanzicht zou geven. In mijn optiek moeten we ons de bijbehorende risico’s besparen.

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (ITS).(NL)Voorzitter, ik heb tegen de resolutie Oomen-Ruijten gestemd, omdat ik van mening ben dat het Europees Parlement een meer actieve en meer ambitieuze rol moet spelen in het volgen van het onderhandelingsproces met Turkije.

Nu lijkt het erop dat we zeker niet op de zere tenen van de heren Erdoğan en Gül mogen trappen. Meer en meer wordt duidelijk dat Turkije geen kandidaat-lidstaat als een andere is. Turkije hoeft het blijkbaar niet zo te nauw nemen met de criteria van Kopenhagen, ondanks alle beloftes van Raad, Commissie en Parlement dat dit wel het geval had moeten zijn.

Op die manier moet men natuurlijk niet verbaasd zijn dat meer en meer burgers in de Europese Unie zich afkeren van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (ITS).(NL)Voorzitter, met deze nieuwe stemming in het Turkse toetredingsdossier wordt eens te meer geïllustreerd dat het niet alleen zo is dat Europa voor de meeste van onze burgers een “ver-van-mijn-bed-show” is, maar dat ook de Europese instellingen zelf zich meer en meer gaan vervreemden van de Europese burgers.

Voor de eurocratie is Europa eigenlijk Europa niet meer, vermits lustig wordt verdergegaan met de voorbereiding van de toetreding van een land dat helemaal niet Europees is, niet historisch Europees, niet euro-Europees, niet cultureel Europees, niet godsdienstig Europees, en zelfs niet eens geografisch Europees. Bovendien wordt heel die zaak ons fundamenteel ondemocratisch door de strot geduwd, want de enorme meerderheid van de Europese burgers is wel degelijk tégen die Turkse toetreding, maar zij mogen niet meespreken.

In het Turkse dossier, net zoals in het dossier van de nieuwe grondwet die geen nieuwe grondwet mag worden genoemd, mogen de burgers niet meespreken. Is de eurocratie eigenlijk bang van de democratie, bang van volksraadplegingen? Dit Europa functioneert alleen nog maar ondemocratisch en antidemocratisch, en dat zal allemaal zeer slecht aflopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE).- (FI) Mevrouw de Voorzitter, twee weken geleden werden de zoon van Hrant Dink, Arat Dink genaamd, en de uitgever Serkis Seropyan tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld op grond van artikel 301, oftewel het beledigen van het Turkendom. Welke misdaad hadden zij begaan? Een jaar geleden, dus vóór de moord op Hrant Dink, publiceerde hun krant Argos een verhaal waarin werd verklaard dat Hrant Dink in een gesprek met Reuters had gezegd dat hij de moorden van 1915 als genocide beschouwde. De krant meldde dit, verder niets.

Ik ben derhalve van mening dat het van levensbelang is om te stemmen voor onze resolutie die Turkije oproept de Armeense genocide te erkennen. Ik zeg dit als een vriend van Turkije. Het zou goed zijn als Turkije zou begrijpen dat dit niet als een anti-Turks standpunt bedoeld is. Het gaat hier om de gewoonte van de EU om te proberen een betere maatschappij te scheppen waarin herhaling van de gruwelen uit het verleden kan worden vermeden. Een mentaliteit waarbij de nationale identiteit beschermd wordt door een wetboek van strafrecht waarin artikel 301 als voortdurend referentiekader dient, en waarbij de misstappen van een land worden ontkend, is volkomen in strijd met deze gewoonte.

Een van de grondslagen van de Europese identiteit is dat het verleden recht in de ogen wordt gekeken en hiervan rekenschap wordt afgelegd. De Armeense genocide is een historische waarheid. Het Parlement zal van Turkije eisen deze waarheid te erkennen in de resolutie over de start van de onderhandelingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gérard Deprez (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik wil mijn steun uitspreken voor de amendementen op de tekst over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije die vandaag ter stemming is gebracht, en hierbij herinneren aan de conclusies van de Europese Raad die in december 2006 in Brussel gehouden werd. Destijds werd het beginsel vastgesteld dat als het ging om uitbreiding, de Europese Unie van elke kandidaat-lidstaat volledige naleving van alle criteria van Kopenhagen zou eisen, maar dat elke uitbreiding nog steeds onderhevig zou zijn aan de resterende integratiecapaciteit van de Unie.

Een flink aantal van u is al enige tijd op de hoogte van mijn twijfels, of beter gezegd mijn zorgen, over het vermogen van de Europese Unie om goed te blijven functioneren als Turkije een van haar lidstaten zou worden.

Natuurlijk is Turkije een “bevriend” land en is het in geostrategisch opzicht een erg belangrijke partner voor de Europese Unie. Ik ben derhalve een groot voorstander van een bevoorrecht partnerschap tussen de EU en Turkije. Ik ben er echter fel op tegen dat dit specifieke land deel gaat uitmaken van de Gemeenschap.

Bovendien verwacht ik dat de problemen bij de integratie van Turkije als potentiële lidstaat zich steeds duidelijker zullen aftekenen naarmate het toetredingsproces vordert.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Gaubert (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik feliciteer de rapporteur met de indiening van de resolutie over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije. De ontwerpresolutie van mevrouw Oomen-Ruijten is een consensueel en evenwichtig document, waarin zij heeft geprobeerd om alle kwesties behorend bij dit bijzondere probleem te bespreken.

Enerzijds wordt Turkije in de resolutie gefeliciteerd met de recente vrije en eerlijke verkiezingen, wordt de Turkse regering opgeroepen om het hervormingsproces te versnellen en worden haar intenties voor een nieuwe burgerlijke grondwet geprezen. De ontwerpresolutie dringt daarnaast aan op het starten van een nieuw politiek initiatief voor een duurzame oplossing van de Koerdische kwestie. Ook wordt er verwezen naar pogingen om binnen het VN-kader tot een oplossing voor de kwestie Cyprus te komen.

Anderzijds, en dit komt overeen met het standpunt dat Frankrijk inneemt, ben ik verheugd over het feit dat er in de resolutie aan herinnerd wordt dat de toetreding van Turkije afhankelijk blijft van de volledige naleving van de criteria van Kopenhagen en de resterende integratiecapaciteit van de EU.

Om al deze redenen heb ik besloten om de aanneming van deze resolutie bij de plenaire eindstemming te steunen. Verder kan ik alleen maar herhalen dat ik het ten zeerste betreur dat het Parlement er bij Turkije niet formeel op heeft aangedrongen om de Armeense genocide van 1915 officieel te erkennen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk.−(PT) Zoals we al eerder hebben aangegeven, roepen de onderhandelingen over toetreding van Turkije veel vragen op. Dit proces wordt aangemoedigd door de grootmachten, die, ondanks alle tegenstrijdigheden van dien, dit grote land in de “gemeenschappelijke markt” van de EU willen integreren om zo de macht over zijn economie over te nemen en zijn geostrategische positie te gebruiken voor hun eigen plannen in het Midden-Oosten, de Kaukasus en Centraal-Azië.

De resolutie is in dit opzicht dan ook verhelderend omdat hierin nadrukkelijk wordt gewezen op de “belangrijke rol die Turkije als doorvoercentrum speelt bij de diversifiëring van de gasvoorziening in de EU”, de “energieprojecten waarbij Turkije betrokken is in het zuiden van de Kaukasus” en “de geostrategische positie in de regio” van Turkije, wiens rol “op het gebied van vervoer en logistiek de komende jaren belangrijker zal worden”.

Ook de volgende belangrijke aspecten moeten worden benadrukt:

- Turkije heeft geen enkele stap richting de erkenning van Cyprus – een EU-lidstaat – gezet, blijft het noorden van dit eiland militair bezetten en negeert VN-resoluties over deze kwestie.

- de Turkse overheid houdt zich nog steeds bezig met het onderdrukken van de Koerdische bevolking en weigert nog steeds haar rechtmatige culturele, politieke, economische en sociale rechten te erkennen.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. –(EL) Het verslag over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding bevat volledig gekunstelde felicitaties aan de Turkse regering en de nieuwe president. Het verslag is een hypocriete en ineffectieve uitdrukking van wishful thinking over mensenrechten in vage en algemene termen, waarin terrorisme wordt veroordeeld en wordt verwezen naar de gezamenlijke strijd ertegen van de EU en Turkije.

Anderzijds wordt er helemaal niet ingegaan op de aanhoudende bezetting van het noorden van Cyprus door Turkse strijdkrachten. Dat Turkije blijft weigeren de Republiek Cyprus te erkennen, wordt zelfs niet voor de vorm veroordeeld, en er wordt geen druk gezet op deze kwestie. Er is geen veroordeling van het beleid van het Turkse bewind om de soevereine rechten van Griekenland te betwisten of van zijn dreigementen om geweld te gebruiken tegen buurlanden. Er is geen gemeende veroordeling van de onmenselijke vervolging en misdaden jegens de Koerdische bevolking van de Turkse overheid. Er is nog niet de geringste verwijzing naar de politieke vervolging van communisten en andere progressief denkende personen door de Turkse middenklasse in al haar gedaantes, zowel pro-boerka als seculier. Ondanks dit alles wordt er bij Turkije op aangedrongen geen ongepast geweld te gebruiken tijdens de aanstaande aanval op Noord-Irak. Tegen de achtergrond van de EU is het verslag een afspiegeling van de doelstellingen van de machtige imperialistische landen die voortkomen uit hun geopolitieke belangen in de gehele regio.

Het is in het belang van de Turkse bevolking en andere volkeren in de regio om zich te verzetten tegen de integratie van Turkije in de EU, met haar imperialistische plannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pierre Pribetich (PSE), schriftelijk. – (FR) Deze resolutie heeft aan kracht ingeboet doordat de meerderheid van de leden de belangrijke amendementen over de erkenning van de Armeense genocide verworpen heeft.

Ik ben en blijf voorstander van de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Tijdens dit toetredingsproces moeten echter enkele historische feiten worden erkend.

Bovendien ben ik fel tegen het feit dat het Parlement zichzelf nu tegenspreekt. In punt 5 van de resolutie van 28 september 2005 roept het Turkije namelijk op om de Armeense genocide te erkennen en wordt deze erkenning als een voorwaarde voor toetreding tot de Europese Unie beschouwd. De beslissing om de Armeense genocide niet in de nieuwe resolutie op te nemen, is een stap achterwaarts die ik niet kan steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk.−(PT) Het eindresultaat daargelaten, moeten de huidige onderhandelingen met Turkije leiden tot de hervormingen die het land zo dringend nodig heeft en die op zichzelf ook het belangrijkste aspect zijn van de potentiële toetreding van een land tot de EU.

In dat kader moeten we de overwinning van de AKP dan ook meer als een streven naar economische hervormingen zien dan als een steunbetuiging aan de islam.

Gezien recente ontwikkelingen moet de Koerdische kwestie in samenwerking met de Verenigde Staten aangepakt worden, met in het achterhoofd de kwestie Irak, waar in het Koerdische noorden vrede heerst. Anderzijds kunnen we ons niet onthouden van kritiek op de Koerdische terroristische aanvallen op Turkije of het gebrek aan integratie en acceptatie waar de Koerden in Turkije mee te kampen hebben.

Ten slotte kunnen we nooit voldoende nadruk leggen op het geostrategische belang van Turkije voor de veiligheid van de grenzen van Europa, voor de energievoorziening, met name als een alternatief voor de afhankelijkheid van Russisch gas, en als partner in de dialoog met islamitische landen en de kwestie Irak.

Om al deze redenen moet de EU een strategie van serieuze en ferme onderhandeling hanteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Frédérique Ries (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor de resolutie gestemd die er bij Turkije op aandringt om het hervormingsproces te versnellen.

We moeten Turkije oproepen meer te doen: voor civiele controle over het leger zorgen, een zero-tolerancebeleid ten aanzien van marteling hanteren, bescherming aan vrouwen en minderheden bieden, en de Armeense genocide erkennen.

De aanpak van de Koerdische kwestie moet ook worden gebruikt als criterium voor de beoordeling van het hervormingsproces. Het verslag waarover we gestemd hebben, dringt er bij de Turkse regering op aan om een politiek initiatief te starten voor de duurzame oplossing van het Koerdische probleem. Ook drukt het ons afgrijzen over de schending van het grondgebied van Irak uit, terwijl tegelijkertijd natuurlijk het geweld van de PKK veroordeeld wordt.

Het is niet onze bedoeling om Turkije aan te vallen; we willen alleen benadrukken dat we geen dubbele normen kunnen hanteren en we niet zomaar afstand kunnen doen van waarden die ons na aan het hart liggen.

Het zou eveneens rampzalig zijn om de publieke opinie te blijven negeren, die nogmaals tot uitdrukking kwam in een enquête die door Notre Europe werd uitgevoerd vóór de Top van Lissabon. De Europese bevolking maakt zich zorgen over ondoordachte beslissingen over toekomstige uitbreidingen en de capaciteit van de EU om nog meer landen op te nemen na de stortvloed van toetredingen tussen 2004 en 2007.

 
  
MPphoto
 
 

  Renate Sommer (PPE-DE), schriftelijk. −(DE) Ik steun de resolutie over Turkije. De Turkse regering zal nu eindelijk echt eens energie moeten gaan steken in het doorvoeren van hervormingen.

Als het gaat om de Armeense genocide, maakt de erkenning hiervan door Turkije dan wel geen deel uit van de criteria van Kopenhagen, maar van een land dat wil toetreden tot de EU mag wel verwacht worden dat het eerlijk uitkomt voor de zwarte bladzijden van zijn geschiedenis.

In het algemeen heeft Turkije nog een lange weg te gaan om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen. Er zijn nog steeds ernstige gebreken met betrekking tot mensen- en minderheidsrechten, burgerlijke en politieke rechten en de algehele weerloosheid van Turkijes democratie tegen haar leger.

Er zit nog steeds geen vooruitgang in de kwestie Cyprus. Daarom moeten we ernaar streven dat het Ankara Protocol dit jaar nog bekrachtigd wordt. Zonder deze bekrachtiging en de terugtrekking van Turkse troepen van het eiland kan er geen sprake zijn van een oplossing. Turkije weigert blijkbaar te begrijpen dat de Europese Unie 27 lidstaten heeft en dat een daarvan de Republiek Cyprus is!

Met betrekking tot het conflict in het zuidoosten van Turkije bestaat het plan om Noord-Irak binnen te vallen op zijn minst al sinds de lente van 2006. Op het moment valt te vrezen dat de inval daadwerkelijk plaats zal vinden. Een land dat – ondanks internationale ondersteuning bij de veiligstelling van zijn grenzen – denkt het recht te hebben de internationale wetgeving te schenden, sluit zichzelf echter voor eens en altijd uit van toetreding tot de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański (UEN), schriftelijk. −(PL) Ik heb mij onthouden van eindstemming over het verslag over de betrekkingen tussen de EU en Turkije, omdat de resolutie ondanks maandenlange onderhandelingen niet verwijst naar de Turkse verantwoordelijkheid voor de afslachting van Armeniërs in 1915.

Turkije probeert de internationale gemeenschap in deze kwestie te censureren. Het meest recente bewijs hiervan is de druk die werd uitgeoefend op het Amerikaanse Congres. Dit heeft zich echter niet van de wijs laten brengen en heeft een gepast standpunt ingenomen. Het zou verkeerd zijn om te bezwijken onder de onrechtvaardige druk van Turkije in deze kwestie.

Ik zou echter willen toevoegen dat ik zeer verheugd ben dat voornoemde resolutie verklaringen bevat over de rechten van christelijke minderheden in Turkije, zoals het recht op opleiding van geestelijken en de rechten van kerkelijke instellingen op rechtspersoonlijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb besloten mij te onthouden van stemming over de resolutie over de betrekkingen tussen de EU en Turkije om mijn weerstand tegen de huidige toetredingsonderhandelingen te laten blijken. Door twee recente gebeurtenissen zouden we ons bewust moeten zijn van de risico’s van deze mogelijke toetreding. Allereerst is daar de politieke crisis die het land heeft doorgemaakt voordat de nieuwe president van de republiek werd ingezworen: dit illustreert de spanningen die er binnen de Turkse maatschappij bestaan en de instabiliteit van de overheid in het land. Ik denk ook aan de spanningen die zich aan de grens met Irak hebben ontwikkeld en het risico dat deze spanningen een van de weinige gebieden in dit land waar het geweld in de hand is gehouden, zouden kunnen destabiliseren. Het is onaanvaardbaar dat het Turkse parlement heeft besloten het leger toestemming te geven tot militaire invallen in Irak. Turkije is in deze regio bezig met een gevaarlijk spelletje en de EU zou deze populistische en agressieve acties op geen enkele wijze moeten steunen.

Dit alles sterkt mij alleen maar in mijn overtuiging: als we de Unie uitbreiden tot aan de grenzen met Irak, houden we mijns inziens niets Europees meer over. Ik ben van mening dat Turkije nog steeds niet klaar is om toe te treden tot de EU. Het is aan ons een alternatieve optie aan te dragen: de “Mediterrane Unie” zoals voorgesteld door Nicolas Sarkozy biedt in dit opzicht zeker een kans die de EU en Turkije met beide handen moeten aangrijpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. −(SK) Ik heb niet gestemd voor de resolutie van het Europees Parlement over de betrekkingen tussen de EU en Turkije, omdat de uitbreiding van de Europese Unie en de toetreding van Turkije tot de Gemeenschap zeer ernstige kwesties zijn die meer gedetailleerde kennis en meer intensief debat behoeven. In mijn optiek moeten tijdens het toetredingproces dezelfde regels voor alle landen gelden.

De voorgestelde amendementen waarin wordt opgeroepen tot de erkenning van de Armeense genocide en een verontschuldiging aan Armenië en de Armeense bevolking, is niet aangenomen door de plenaire vergadering. Alleen deze erkenning en verontschuldiging kunnen een verzoening van Turkije en Armenië teweegbrengen. Daarnaast blijft Turkije dwarsliggen bij de pogingen een oplossing te vinden voor het Cyprus-probleem. De grensoverschrijdende militaire operatie tegen Koerden die aan de grens met Irak wonen, waarvoor middels een verklaring van het Turkse parlement toestemming werd gegeven, zal niet resulteren in een constructieve oplossing voor het terrorismeprobleem in het land. Het zal simpelweg resulteren in een destabilisering van de gehele regio.

Ook de godsdienstvrijheid op het grondgebied van Republiek Turkije vertoont geen zichtbare vooruitgang. De christenen die in Turkije wonen zijn niet verzekerd van hun veiligheid en de eerbiediging van hun rechten. Onlangs zijn er gewelddadige aanvallen geweest op christelijke paters, missionarissen, uitgevers en bekeerlingen. Turkije heeft evenmin het seminarie van de orthodoxe kerk heropend, waardoor het voortbestaan van deze eeuwenoude religie zelfs gevaar loopt.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid