2. Aanzet tot een antwoord van de EU op onstabiele situaties: engagement voor duurzame ontwikkeling, stabiliteit en vrede onder moeilijke omstandigheden (debat)
De Voorzitter.− Aan de orde is het standpunt van de Commissie over de “Aanzet tot een antwoord van de EU op onstabiele situaties: engagement voor duurzame ontwikkeling, stabiliteit en vrede onder moeilijke omstandigheden”.
Vladimír Špidla,lid van de Commissie.−(FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, sinds juli 2007 hebben de Commissie en het Portugese voorzitterschap van de Europese Unie nauw samengewerkt bij de voorbereiding voor een meer strategisch en doelmatiger antwoord van de Europese Unie op onstabiele situaties in de partnerlanden.
Deze voorbereiding kan worden voortgezet in het kader van de toekomstige voorzitterschappen.De doelstelling is niet om landen een etiket op te plakken of in te delen, maar om hun middelen en reacties af te stemmen op bepaalde situaties.In deze onstabiele situaties zijn er grote struikelblokken om de armoede terug te dringen.De institutionele mogelijkheden zijn er erg beperkt en landen zijn niet in staat bestuurstaken te vervullen of worden geconfronteerd met de gevolgen van natuurrampen of gewelddadige conflicten, dan wel ontbreekt het de regering aan de politieke wil om de ontwikkelingsdoelstellingen te halen.In extreme gevallen kunnen dergelijke situaties gevolgen hebben tot over de landsgrenzen heen en de regionale stabiliteit of zelfs de universele veiligheid beïnvloeden.
Het idee van onstabiele situaties is niet nieuw, al is het internationale debat van betrekkelijk recente datum.De donor- en partnerlanden en het maatschappelijk middenveld zijn zich sinds allang bewust van de noodzaak om onstabiele situaties doelmatig aan te pakken om doelstellingen voor duurzame ontwikkeling te behalen.
Elke situatie is verschillend en complex en vereist een op het probleem toegesneden aanpak waar tegelijkertijd diplomatieke actie, humanitaire hulp, samenwerking bij ontwikkeling en bemiddeling op het gebied van veiligheid en crisisbeheersing aan te pas komen.
De doelmatigheid van het antwoord van de Europese Unie vereist betrokkenheid op de lange termijn, maar ook de omschrijving van heldere doelstellingen wanneer actie wordt ondernomen in een onstabiel land. Capaciteitsontwikkeling en de veiligheid van burgers blijven de rode draad met het oog op duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding.
Steun aan onstabiele situaties die ten koste gaat van succesvolle landen moet echter worden vermeden. Toezeggingen om steun te verduurzamen komen daarom weer op de eerste plaats.De Europese Commissie heeft een mededeling gepresenteerd waarin een pragmatische benadering wordt voorgesteld, zodat de Europese Unie zich doelmatiger op moeilijke terreinen inzet voor duurzame ontwikkeling, stabiliteit en vrede.
Deze mededeling is naar alle instellingen van de Europese Unie gestuurd.Tijdens de Raad Algemene Zaken van 19 en 20 november 2007 worden de conclusies op dit gebied goedgekeurd.De Commissie wordt uitgenodigd een concreet werkschema op te stellen voor de uitvoering van de aanbevelingen en de in de mededeling vermelde prioritaire acties, met als doelstelling onstabiele situaties doelmatiger aan te pakken door pogingen van partnerlanden om de voor hun duurzame ontwikkeling vereiste omstandigheden te creëren of te herstellen, te ondersteunen.
Het jaar 2008 zal in het teken staan van de voorbereiding van deze strategische benadering van de Europese Unie ten aanzien van onstabiele situaties.Dit vereist een actieve deelname van alle instellingen van de Europese Unie en van al diegenen die bijdragen aan deze ontwikkeling binnen de Europese Unie en in de partnerlanden.
De bijdrage hieraan van het Europees Parlement is van groot belang voor de Commissie, die het Parlement verzoekt actief deel te nemen aan dit debat dat mogelijk een draagvlak geeft voor een globale strategie om te reageren op onstabiele situaties en om aldus bij te dragen aan het creëren van geschikte omstandigheden voor duurzame ontwikkeling, stabiliteit, vrede en democratisch bestuur.
Nirj Deva, namens de PPE-DE-Fractie.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, het is altijd heel nuttig om over zo’n belangrijke kwestie te debatteren ten overstaan van een overvolle zaal collega’s die vol verwachting luisteren naar hetgeen het Parlement over deze zeer belangrijke kwestie te zeggen heeft.Ik ben ook de commissaris dankbaar voor het vastleggen van de basisregels en voor zijn opvattingen over hoe wij deze kwestie moeten aanpakken.
Onstabiliteit kan vele, vele oorzaken hebben.Het begon natuurlijk met het dekolonisatieproces, toen de koloniale machten willekeurige lijnen op kaarten trokken, die dwars door de interne stabiliteit van het maatschappelijk middenveld heen gingen en landen in tweeën, drieën of vieren opsplitsten, zonder rekening te houden met de verschillende stammen of religieuze groeperingen en dergelijke.Dat veroorzaakte een zekere mate van onstabiliteit.
Daarnaast is er een natuurlijke vorm van onstabiliteit waar onstabiele landen nu mee te kampen hebben, zoals landen die vaak getroffen worden door overstromingen of kleine eilandstaatjes die afhankelijk zijn van slechts een enkel economisch product.Er bestaan landen die geografisch niet bij machte zijn zichzelf te onderhouden omdat God hen niet gezegend heeft met veel natuurlijke rijkdommen. Landen die geplaagd worden door woestijnvorming met als gevolg massale volksverhuizingen.
Er zijn op dit moment 26 zogenaamde onstabiele landen op de wereld, waar de meest kwetsbare mensen worden geconfronteerd met catastrofale gevolgen, niet altijd door hun eigen toedoen, maar soms door slecht bestuur, interne conflicten, burgeroorlogen of dictators die aanzetten tot genocide, zoals enkele jaren geleden in Sierra Leone en Liberia.
Een onstabiel land kan veranderen in een duurzaam stabiel land, zoals dat nu gebeurt in Sierra Leone.Maar dit vereist wel inzet en betrokkenheid, betrokkenheid op de langere termijn, zoals de commissaris opmerkte, bij de economische groei van een land.Het vereist gecommitteerdheid aan nation-building, een uitdrukking die ik opzettelijk in deze vergadering gebruik omdat het een concept is waarmee mijn land, het Verenigd Koninkrijk, veel ervaring heeft, evenals Frankrijk en Spanje en enkele andere Europese landen.Maar er is een hemelsbreed verschil met de kennis van andere opkomende grootmachten die, om kort te gaan, totaal geen idee hebben hoe nation-building aan te pakken.
We moeten kunnen teruggrijpen op de grote hoeveelheid historische kennis die ligt opgeslagen in het bewustzijn van Europese landen, zodat we andere landen kunnen helpen die wereldwijd voorop lopen bij nation-building.Als we dat hadden gedaan, en als premier Blair dat had gedaan, dan denk ik dat de situatie in bijvoorbeeld Irak heel anders zou zijn geweest.
Is Irak een onstabiel land?Ja inderdaad, omdat het er onstabiel is en het bestuur onbetrouwbaar, en er zijn problemen met de veiligheid. Er zijn landen in Afrika die eveneens zeer onstabiel zijn, bijvoorbeeld Sudan, Somalië, of kleine eilanden. Zoals ik eerder opmerkte, is het noodzakelijk dat deze landen in aanraking komen met de grote hoeveelheid kennis die wij al in huis hebben, en daarom ben ik echt heel verheugd het debat vanochtend te mogen openen.
De Voorzitter.− Dank u zeer, mijnheer Deva.Ik vrees dat u een onstabiliteitsfactor vergeet.Bij aankomst in die landen begint de onstabiliteit weer opnieuw.
Alain Hutchinson, namens de PSE-Fractie.–(FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de commissaris Špidla, dames en heren, allereerst wil ik mijn genoegen uiten over deze - zoals u reeds heeft aangegeven, commissaris - echt pragmatisch getinte mededeling van de Commissie, waardoor wij vandaag kunnen debatteren over een kwestie die niet alleen de burgers van de zuidelijke partnerlanden van de Unie verontrust, maar ook ons medeburgers, die zich vaak terecht afvragen of de hulp die de Europese Unie op het gebied van ontwikkeling verleent, doelmatig is.
In het onderhavige geval kan de wezenlijke boodschap van onze resolutie worden samengevat in één zin en zou die de goedkeuring van iedereen moeten wegdragen, los van de politieke tegenstellingen.Het gaat erom de invoering van een vereenvoudigd samenwerkingssysteem voor te stellen, zodat de Commissie en de lidstaten sneller dan nu de beloofde hulp kunnen verlenen aan partnerlanden die een bijzonder ernstige crisis doormaken – ik zal hier niet te veel op ingaan aangezien onze collega Deva dit zojuist uitgebreid heeft toegelicht – want zonder deze hulp ziet de bevolking van deze landen haar overlevingskans elke dag steeds meer afnemen.Zodra deze hulp is goedgekeurd, wat nog geen sinecure is, kunnen de complexiteit en de duur van de huidige hulpverleningsprocedures leiden tot nog dramatischer en nadeliger situaties voor de begunstigde bevolkingsgroepen.
Neem bijvoorbeeld Burundi, een klein land waar ik tijdens de laatste verkiezingen twee jaar geleden de parlementaire waarnemingsmissie heb geleid en waarnaar ik tot mijn vreugde binnen enkele dagen terug zal keren.De Europese Unie heeft er zeer belangrijk en opmerkelijk werk verricht door de democratisering van het verkiezingsproces en de instellingen na meer dan tien jaar van bloedige conflicten te ondersteunen.Eenmaal operationeel, werden de instellingen en de nieuwe democratisch gekozen regering vrij snel geconfronteerd met de realiteit en moesten zij eerst voldoen aan de behoeften van de bevolking op het gebied van gezondheid, onderwijs en landbouw.
Er is geen gebrek aan concrete projecten in de verschillende sectoren, maar Europese hulp is nodig om ze van de grond te krijgen.De hulp is niet alleen nodig om aan de dringende behoeften van de bevolking te voldoen, maar ook om de nog kwetsbare overheidsinstanties in staat te stellen met de wederopbouw te beginnen, omdat er anders een groot risico bestaat dat het land opnieuw erg snel tot chaos vervalt.Twee jaar later, commissaris, is de aangekondigde begrotingshulp nog steeds niet ter plaatse gearriveerd.
Hetgeen geldt voor de regio van de Grote Meren, geldt evenzeer voor andere regio’s in de wereld.Om die reden, mevrouw de Voorzitter, zouden alle landen ter wereld die een ernstige, onstabiele situatie doormaken, moeten kunnen rekenen op een uitzonderingssysteem dat een snelle en doelmatige hulp waarborgt – onder voorbehoud dat er duidelijke voorwaarden worden gesteld waaraan zij moeten voldoen om er aanspraak op te kunnen maken.
Ryszard Czarnecki,namens de UEN-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik ben blij dat ik het woord mag nemen na de uiteenzetting van deze buitengewone deskundigen en specialisten die al jaren worstelen met dit probleem, en naar mijn mening bent u zo’n deskundige, mevrouw de Voorzitter.
Ik wil graag uw aandacht vestigen op het probleem van het stijgende aantal onstabiele landen. De laatste zes jaar is dit aantal bijna verdubbeld van 14 tot 26. Dit is dus een groot probleem, een probleem dat voor de Europese Unie een steeds grotere uitdaging wordt.
Ik wil graag benadrukken dat meer dan de helft van deze onstabiele landen in Afrika ten zuiden van de Sahara ligt en daarom moeten wij aan deze Afrikaanse regio, deze wereldregio, bijzondere aandacht schenken.
Naar mijn mening moeten wij ook eens ernstig praten over het opbouwen van gezag van de regeringen in deze landen. De Afrikaanse Unie heeft gelijk dat het probleem van wederopbouw ook een politiek probleem is, misschien meer dan een technisch probleem. Daarom zijn democratie en transparantie fundamentele kwesties.
Ik ben het volledig eens met de heer Hutchinson, die voor mij heeft gesproken, over de noodzaak om procedures te vereenvoudigen zodat onze steun sneller en efficiënter kan verlopen.
Raül Romeva i Rueda, namens de Verts/ALE-Fractie.–(ES) Mevrouw de Voorzitter, ook ik ben heel blij dat dit probleem in deze vergadering ter sprake komt, want hoewel er geen uitvoerige wettelijke definitie bestaat van een onstabiel land, plaatsen wij op basis van ervaring een aantal landen in deze categorie. Deze namiddag hebben wij het bijvoorbeeld over Somalië.
Dankzij deze resolutie kunnen wij enkele ernstige problemen op dit gebied aanpakken, bijvoorbeeld het probleem van onstabiliteit. Onstabiliteit is vaak gebaseerd op situaties van extreme armoede en veroorzaakt institutionele ineenstorting en onveiligheid op alle niveaus.
Bovendien is het ook belangrijk om ervan uit te gaan dat deze landen een uitdaging vormen op het gebied van ontwikkeling. Dit betekent dat wij dringend werk moeten maken van een coherente agenda die gebaseerd is op het humanitaire beginsel van niemand schade berokkenen. Dit is het eerste beginsel, en wij kunnen veel leren uit de recente gebeurtenissen omtrent de aanpak van Zoë’s Ark in Tsjaad.
Alle externe acties, en vooral de Europese acties, moeten in dit kader gebaseerd zijn op uitvoeringsprogramma's ter plaatse. Deze programma’s moeten flexibel zijn, moeten kunnen worden aangepast aan de veranderende behoeften en moeten gebaseerd zijn op een strategie op korte, middellange en lange termijn. Wij beperken ons te vaak tot maatregelen die noodzakelijk kunnen zijn op korte termijn, maar die geen rekening houden met de gevolgen op middellange en lange termijn.
Ten slotte moet ik ook het belang vermelden van een dubbel verantwoordingsmechanisme, voornamelijk met een verantwoordingsverplichting voor de begunstigde landen tegenover de landen die hulpmiddelen, fondsen en donaties hebben verschaft, maar ook tegenover hun eigen bevolking die zij zouden moeten beschermen en die zij overlevingskansen moeten geven. De donorlanden moeten er ook voor zorgen dat deze landen verantwoording afleggen tegenover de bevolking.
Pedro Guerreiro, namens de GUE/NGL-Fractie. – (PT) Mevrouw de Voorzitter, het staat vast dat er dringend meer en betere humanitaire hulp moet komen in een meer dan ooit ongelijke en oneerlijke wereld waarin enkelen alle rijkdom bezitten ten koste van miljoenen mensen die worden uitgebuit en in ellende leven. Er bestaat geen twijfel over dat er op het gebied van ontwikkeling dringend meer en beter moet worden samengewerkt in een wereld die, onder leiding van de Verenigde Staten en hun bondgenoten, een nieuwe wapenwedloop kent en een toenemende militarisering van internationale betrekkingen. Dit is nu net de reden waarom wij ons ernstig zorgen maken over de pogingen om aan ontwikkelingshulp veiligheidsstrategieën te koppelen waarmee in de praktijk al dan niet openlijk wordt getracht te komen tot inmenging, plundering van hulpbronnen en neokolonialisme.
In een analyse van de internationale situatie mogen de externe oorzaken niet worden verwaarloosd of onderschat die tegenstellingen in de hand werken en verergeren want deze tegenstellingen liggen vaak aan de basis van de problemen. Wij moeten maar kijken naar de erg subjectieve lijst van de volgens de Wereldbank onstabiele landen. Hoeveel gevallen van externe inmenging en agressie worden vermeld?
Wij hebben inderdaad een agenda nodig voor samenwerking en ontwikkeling als antwoord op de belangrijkste basisbehoeften van miljoenen mensen, een agenda die gebaseerd is op respect voor de nationale soevereiniteit en onafhankelijkheid en op vreedzame oplossingen voor internationale conflicten, een agenda die de demilitarisering van internationale betrekkingen aanmoedigt, die rechtvaardige en eerlijke economische betrekkingen promoot en die buitenlandse schulden van lang geleden kwijtscheldt, een agenda die het beleid dat enorme onrechtvaardigheid en ongelijkheid veroorzaakt, neerhaalt, zodat een meer eerlijke, vreedzame, menselijke en solidaire wereld kan ontstaan.
Ana Maria Gomes, namens de PSE-Fractie. – (PT) In onstabiele landen is het verband tussen bestuur, ontwikkeling en veiligheid heel belangrijk. De EU moet strategische prioriteiten voor de betrekkingen met deze staten vastleggen met als algemene doelstelling de menselijke veiligheid.
Het volstaat niet om overheidsinstellingen te steunen. Het is belangrijk om beter toezicht op het parlement te promoten, en om vrije en pluralistische media, de onafhankelijkheid van het rechtswezen en de empowerment van de burgermaatschappij, waarbij voorrang wordt gegeven aan vrouwen, kwetsbare groepen en minderheden, te steunen. De EU moet hierin haar verantwoordelijkheid nemen.
Somalië is nu een tragisch voorbeeld van de afstandelijkheid van Europa. De oorzaken van onstabiliteit die gewelddadige conflicten aanwakkeren en de onbekwaamheid (bijvoorbeeld slechte regering, extreme armoede of schendingen van mensenrechten) van het land vergroten, moeten ter sprake worden gebracht in een bilaterale dialoog, maar de Raad, de Commissie en de lidstaten laten vaak na dit te doen. Bij het bepalen van strategieën en het globaliseren van de financiële instrumenten van de EU moet rekening worden gehouden met de oorzaken van onstabiliteit. Ontwikkelingshulp moet gericht zijn op mensen en rechtstreekse financiële steun aan regeringen mag enkel worden gegeven als er een bewijs is dat de regering conflicten zal oplossen, de democratische rechtstaat zal uitbouwen, beter zal besturen en de veiligheid van de bevolking zal verhogen.
Ten slotte betreur ik dat de mededeling van de Commissie en de resolutie waarover wij zullen stemmen, niet vermelden dat de EU, naast de DDR- en SSR-programma’s, meer moet investeren in de controle van de wereldhandel in lichte wapens, want dit is de oorzaak van gewapende conflicten die de onstabiliteit van veel landen in stand houden.
Vladimír Špidla,lid van de Commissie.−(CS) Dames en heren, bedankt voor het korte, maar erg veelomvattende debat. Ik wil dit debat graag als volgt samenvatten: er kwam voornamelijk uit naar voren dat het Parlement zijn steun geeft aan het algemene standpunt, aan het algemene concept van de Commissie, aan de algemene idee. Uiteraard kwamen tijdens dit debat enkele persoonlijke standpunten aan bod en deze kunnen worden besproken in latere debatten. Zo is er bijvoorbeeld het standpunt over de handel in lichte wapens en vele andere ideeën die, naar mijn mening, enorm verrijkend zijn voor het algemene concept.
De Voorzitter. − Ik heb één ontwerpresolutie(1) ontvangen, overeenkomstig artikel 103, lid 2, van het Reglement.
De Voorzitter.− Aan de orde is het verslag van Elizabeth Lynne, namens de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, over de balans van de sociale realiteit (2007/2104(INI)) (A6-0400/2007).
Elizabeth Lynne (ALDE), rapporteur.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil allereerst de schaduwrapporteurs bedanken.Dat op een verslag van deze dimensie geen amendementen in de plenaire vergadering zijn ingediend, toont dat dit echt een verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken is, en wel een waar wij allen trots op kunnen zijn.Ik wil ook de Commissie bedanken voor haar hechte samenwerking en het Portugese voorzitterschap voor het feit dat het prioriteit heeft gegeven aan het sociaal beleid.
Wij staan voor een enorme uitdaging in Europa, namelijk die van de rechtvaardigheid.Het gaat om verloren potentieel, het niet in staat zijn om een leven zonder de liefdadigheid van anderen te leven, en een leven zonder discriminatie, armoede en sociale uitsluiting.
Onze doelstelling is helder:wij willen de kansen uitbreiden zodat niemand, ongeacht zijn achtergrond of omstandigheden, achterblijft.Vrijheid en kansen voor iedereen, het vergroten van kansen op en stimulansen voor werk, waarbij het vangnet voor degenen die niet in staat zijn te werken, wordt verstevigd, dat moet de visie van Europa zijn.
De feiten in 2007 zijn ontmoedigend:72 miljoen Europese burgers leven nog steeds in armoede; 8 procent van alle mensen in de Europese Unie heeft te maken met inkomensongelijkheden.Dat zijn echt schokkende statistieken.Maar wat betekent het eigenlijk?Het betekent dat een op de zes burgers thans onder de armoedegrens leeft – een op de zes!Veel mensen zouden niet geloven dat dat mogelijk is in 2007. Vijftig jaar na het Verdrag van Rome, na 50 jaar economische groei, behoort tien procent van de mensen tot huishoudens waar niemand een baan heeft!Armoede blijft een van de grootste sociale problemen van Europa, en het terugdringen van sociale uitsluiting moet centraal staan in ons beleid.
Op sommige gebieden zijn wij succesvol, maar laten wij eerlijk zijn:op de meeste zijn wij dat niet.De kloof tussen arm en rijk wordt in veel EU-landen steeds groter.Het uitroeien van inkomen-gerelateerde armoede moet een prioriteit blijven voor de lidstaten, maar voor de een op zes die in financiële armoede leven, zijn er veel meer die om andere redenen uitgesloten zijn van de maatschappij.Wij moeten erkennen dat er voor veel families – ook voor veel individuen – problemen bestaan die gecompliceerder zijn dan louter een laag inkomen.De hindernissen bij het vinden van werk zijn gecompliceerd.Vroeg ingrijpen is bovenal van groot belang.Voorkomen is natuurlijk beter dan genezen.
In het Verenigd Koninkrijk weten wij dat de dochter van een tienermoeder drie keer zo veel kans heeft om zelf een tienermoeder te worden; wij weten dat zoons met een veroordeelde vader vier keer zoveel risico lopen om zelf voor een misdaad veroordeeld te worden dan degenen zonder zo’n vader.Toch is het op veel gebieden niet nodig om het wiel opnieuw uit te vinden.Wij moeten kijken hoe andere EU-landen deze problemen aanpakken en daarvan leren.Wij moeten effectiever ervaringen uitwisselen over de beste praktijken.Zo heeft Finland een holistische duurzame aanpak ingevoerd die ongelooflijk effectief is bij het terugdringen van het aantal daklozen.Denemarken is ondertussen bezig met de tenuitvoerlegging van nieuwe beleidslijnen die de levenskwaliteit van langdurig daklozen verbeteren, in plaats van zich alleen te richten op de integratie van deze mensen in de normale maatschappij.In België werken mensen die armoede hebben meegemaakt samen met sociaal werkers om hen beter de behoeften van arme mensen te laten begrijpen.
Armoede wordt niet altijd veroorzaakt door werkloosheid:inkomensongelijkheden zijn eveneens een probleem.Daarom heb ik opgeroepen tot uitwisseling van ervaringen over de beste praktijken wat betreft de voorziening van een behoorlijk minimumloon in alle lidstaten.In minstens vijf EU-lidstaten bestaat niet eens zoiets.Wij moeten evenzeer druk uitoefenen op alle lidstaten om een minimumbestaansinkomen voor iedereen vast te stellen.
De lidstaten moeten zich ook meer inspannen om uitbuiting van kwetsbare werknemers te voorkomen; om ervoor te zorgen dat gehandicapte en oudere mensen weer aan de slag kunnen; om mensenhandel te voorkomen; om de rechten van asielzoekers te waarborgen; om gelijke toegang tot gezondheidszorg en collectieve voorzieningen voor allen te garanderen; om mensen met geestelijke-gezondheidsproblemen van hun stigma af te helpen; en om een constructievere benadering van het alcohol- en drugsprobleem te bevorderen.
Dit zijn slechts een paar van de kwesties die in dit verslag zijn besproken.Vrijheid en kansen voor iedereen, dat moet de visie van Europa zijn.Daarom moeten we ons richten op het opzetten van mechanismen op Europees niveau, zodat de uitwisseling van ervaringen over de beste praktijken werkelijkheid wordt.
Vladimír Špidla,lid van de Commissie.−(CS) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil eerst de rapporteur, mevrouw Lynne, feliciteren met haar heel interessante en uitvoerige verslag. Ik ben blij dat het Europees Parlement heeft beslist om de nogal lange reeks sociale problemen die in dit verslag aan bod komt, te behandelen want deze problemen moeten dringend worden opgelost. Dit verslag draagt aanzienlijk bij tot een balans van de sociale realiteit.
Dit document komt op het moment dat de Commissie en de lidstaten de mogelijkheden aan het onderzoeken zijn om het sociale aspect van de Lissabonstrategie te versterken. Wij moeten een antwoord geven op de angsten van onze burgers en voor hen is sociale onrechtvaardigheid een van de belangrijkste problemen. Uit publieke opiniepeilingen blijkt dat de Europese Unie een belangrijke rol zou moeten spelen in het steunen van meer geïntegreerde en coherente samenlevingen.
Zoals voorzitter Barroso gisterenmorgen tijdens een belangrijk debat over globalisering zei, heeft de Europese Unie veel vooruitgang geboekt in het behalen van de Lissabondoelstellingen. Nieuwe banen werden gecreëerd: het afgelopen jaar alleen al kwamen er 3,5 miljoen nieuwe banen bij. Het werkloosheidspercentage is teruggevallen tot ongeveer 7 procent. Hoewel dit percentage nog veel te hoog is, is dit het laagste percentage sinds tien jaar. Ondanks de recente financiële onstabiliteit is er toch voldoende economische groei.
Maar we mogen niet zelfingenomen zijn. De uitvoering van de Lissabonstrategie was middelmatig en niet alle doelstellingen werden behaald. Er zijn immers nog twaalf miljoen mensen werkloos, voornamelijk jonge mensen of mensen die al lange tijd werkloos zijn en die weinig vooruitzichten hebben op het gebied van arbeid of sociale vooruitgang. Bovendien lijdt 8 procent van de beroepsbevolking onder inkomensongelijkheden, leven 78 miljoen Europese burgers in armoede en leeft een op vijf Europeanen in ondermaatse omstandigheden.
Kortom, er moet nog meer worden gedaan om onze gemeenschappelijke sociale doelstellingen te kunnen behalen. De positieve resultaten van de Europese Unie op het gebied van groei en tewerkstelling zijn nu zichtbaar aan het worden. Dit is dus het juiste moment om in actie te komen voor onze sociale doelstellingen.
Ik juich toe dat in het verslag wordt verwezen naar de politieke wil en vastberadenheid die nodig zijn om armoede- en uitsluitingproblemen op te lossen. Ik ben ook van mening dat dringend een einde moet worden gemaakt aan kinderarmoede, dat discriminatie moet worden bestreden en dat diversiteit moet worden gepromoot. Dit impliceert uiteraard dat wij moeten toezien op de omzetting van de relevante wetgeving in nationale wetten en dat wij, indien nodig, procedures moeten starten tegen de lidstaten die de wetgeving van de Europese Unie niet naleven.
Dit verslag behandelt ook de hinderpalen voor integratie in de maatschappij en op de arbeidsmarkt. Ik ben het eens dat wij steunmaatregelen moeten combineren met geschikte vangnetten zodat niemand wordt vergeten.
De recente mededeling van de Commissie over actieve integratie bevestigt dit standpunt. Deze mededeling beschrijft drie belangrijke elementen om tot een evenwichtige en strategische aanpak voor actieve integratie te komen:
– Toegang tot geïntegreerde arbeidsmarkten;
– Betere toegang tot diensten;
– Relevante inkomenssteun.
Deze mededeling geeft ook het startsein van de tweede raadplegingronde met de sociale partners over deze problemen. Op die manier wil men evolueren naar een grotere samenwerking binnen de Europese Unie op het gebied van actieve integratie.
Na deze raadpleging wil de Commissie een aanbeveling opstellen over de gemeenschappelijke beginselen van actieve integratie. Dit zou in de tweede helft van 2008 moeten gebeuren. In een latere mededeling die de komende weken moet worden aangenomen, zal de Commissie ook nieuwe maatregelen voorstellen om de actieve integratie van gehandicapten te steunen.
De Commissie is het Europees Parlement dankbaar omdat het zich steeds inzet om discriminatie te bestrijden. Volgens het Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2008 zal zij in 2008 voorstellen doen om het probleem op te lossen van de bestaande mazen in de beschermingswetgeving volgens artikel 13 van het Verdrag. De voorstellen die de volgende zomer zouden moeten worden aangenomen, zullen gebaseerd zijn op langetermijndialoog met het Europees Parlement, op de ervaringen van het Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen van 2007 en op een uitvoerige openbare raadpleging.
De Europese Unie heeft veel vooruitgang geboekt op het gebied van gendergelijkheid en het Europees Parlement is in dit proces een belangrijke partner geweest. Wij moeten echter in de toekomst gendergelijkheid blijven versterken. Dit is een grondrecht, maar ook een belangrijke voorwaarde om de Europese doelstellingen voor groei, tewerkstelling en sociale samenhang te behalen. Daarom ben ik bijzonder blij dat in het verslag wordt verwezen naar gendergelijkheid.
Sinds het Verdrag van Amsterdam heeft de Unie vooruitgang geboekt op alle gebieden van gendergelijkheid en sinds 2003 op het gebied van gelijke kansen voor gehandicapten. Maar er moet nog veel worden verwezenlijkt op deze gebieden. Het feit dat meervoudige discriminatie nog steeds bestaat is een sterk argument om gelijke kansen op alle gebieden te blijven benadrukken. Dit onderwerp zal ter sprake komen in de mededeling van de Commissie die in 2008 moet worden aangenomen en die gebaseerd zal zijn op de ervaringen van het Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen van 2007.
Dames en heren, de veranderingen in de sociale situatie in de EU volgen uiteraard de ontwikkeling van onze maatschappij en de veranderingen in het wereldconcept. Desondanks ben ik ervan overtuigd dat het basisconcept, dit is het vinden van een evenwicht tussen de economische, sociale en ecologische aspecten, nog steeds geldt. Daarom is het onze taak te blijven zoeken naar nieuwe benaderingen om de nog bestaande problemen op te lossen.
Miroslav Mikolášik, rapporteur voor advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid.–(SK) Enerzijds is het belangrijk dat wij toezien op de sociale situatie en het sociale beleid in de lidstaten zodat wij de problemen en uitdagingen voor de Unie kunnen identificeren, maar anderzijds zijn de acties die wij hiertoe ondernemen nog belangrijker.
Op het gebied van de volksgezondheid moeten wij ons concentreren op de gezondheidszorgproblemen waarmee EU-burgers te maken hebben. Wij moeten rekening houden met de demografische trends en de stijgende gemiddelde levensverwachting. Daarom moeten wij volksgezondheidsstrategieën ontwikkelen die onze levenskwaliteit verhogen door met name ziektes te voorkomen en ze efficiënt te bestrijden. Tegelijk moeten deze strategieën rekening houden met de behoefte aan zeer kwalitatieve, toegankelijke en betrouwbare gezondheidszorg voor burgers van alle lagen van de bevolking, ongeacht hun sociale status, leeftijd of verblijfplaats.
Wij zouden bijzondere aandacht moeten besteden aan de groepen met de meeste moeilijkheden, zoals fysiek of mentaal gehandicapten, bejaarden en kinderen. In het kader van de stijgende gezondheidszorgkosten, zouden de lidstaten efficiënte maatregelen moeten goedkeuren, zoals gerichte informatiecampagnes, het gebruik van generische geneesmiddelen, het gebruik van nieuwe technologieën, maatregelen inzake wederzijdse bijstand op plaatselijk niveau of grotere solidariteit tussen generaties in gezinnen. Bovendien zouden de lidstaten in samenwerking met de Commissie een beleid moeten ontwikkelen en Europese initiatieven moeten steunen ter bestrijding van roken, alcoholisme en zwaarlijvigheid. Dit zou de levenskwaliteit van onze medeburgers kunnen helpen verbeteren.
Ten slotte, maar niet minder belangrijk, zouden wij ons moeten concentreren op de goede uitvoering van de bestaande wetgeving inzake de volksgezondheid. De lidstaten en de Commissie staan in voor de toepassing van de communautaire wetgeving inzake water-, lucht- en bodemkwaliteit en inzake geluidshinder, alsook de toepassing van de voorschriften inzake chemische stoffen, zoals die van REACH.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL), rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. – (PT) In deze context wil de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid benadrukken dat een aantal situaties armoede en sociale uitsluiting kunnen veroorzaken. De belangrijkste zijn de economische situatie van gezinnen, woonomstandigheden en toegang tot onderwijs, gezondheidszorg en blijvende zorg.
De commissie benadrukt dat vrouwen en kinderen de grootste slachtoffers van armoede en sociale uitsluiting zijn en dat het risico nog groter is bij immigranten, bejaarden, gehandicapten en leden van eenoudergezinnen. De commissie merkt ook op dat gemiddeld 15 procent van de leerlingen vroegtijdig uit het onderwijssysteem stapt, maar dat in sommige landen, zoals in Portugal, dit percentage oploopt tot ongeveer 40 procent, wat zorgwekkend is voor het onderwijs aan en de opleiding van jonge meisjes.
Zij benadrukt ook dat het belangrijk is om kwalitatieve overheidsdiensten, een stevig openbaar en universeel socialezekerheidsstelsel, gevorderde sociale bescherming en goede tewerkstelling in combinatie met rechten te handhaven, en om te zorgen voor efficiënte gendermainstreaming in de formulering en uitvoering van dergelijk overheidsbeleid. Ten slotte verzoekt zij de Commissie en de lidstaten zoveel mogelijk voorrang te geven aan de sociale integratie van vrouwen en vrouwenrechten door hun beleid ter zake, inclusief het beleid inzake inkomensverdeling, hierop af te stemmen.
Edit Bauer, namens de PPE-DE-Fractie. –(HU) Hartelijk bedankt, mevrouw de Voorzitter. Commissaris, dames en heren, het verslag van mevrouw Lynne, en ik feliciteer haar hiermee hartelijk, is geen eindpunt - en kan dit ook niet zijn - voor het probleem van sociale integratie en de omzetting van het sociaal beleid.
Wij zijn vaak geneigd te denken dat het Europese sociale model tijdloos is, maar ook het sociaal beleid heeft aanpassingen nodig, niet alleen door de globalisering maar ook door de economie, de sociale verwachtingen, de demografische uitdaging en de veranderende waarden. Wij moeten gerichte antwoorden vinden op de uitdagingen waarvoor wij staan. Daarom ook juichen wij het initiatief van de Commissie toe om een soort van balans op te stellen met de sociale problemen waarmee de Europese bevolking te maken heeft.
Bijna 500 miljoen Europeanen kunnen uiteraard niet als één homogene massa worden beschouwd. De inkomensverschillen tussen de oude lidstaten nemen wel af, maar de verschillen tussen rijke en arme regio’s lijken nog steeds toe te nemen. Twee derde van de bevolking van de tien nieuwe EU-lidstaten leeft in arme regio’s waar het inkomensniveau de helft of meer lager ligt dan het gemiddelde inkomen van de oude lidstaten. De situatie is het ergst in Bulgarije en Roemenië, waar het gemiddelde inkomen lager ligt dan een derde van het inkomen per hoofd van de bevolking in de oude lidstaten.
Om de armoede te kunnen bestrijden, moeten wij absoluut meer te weten komen over de verschillende vormen waarin armoede zich manifesteert. Hiervoor hebben wij nieuwe armoede-indicatoren nodig omdat wij tot op heden enkel over gedetailleerde gegevens beschikken over het risico op relatieve armoede.
Daarom wachten wij vol ongeduld de mededeling van de Commissie af. In het verslag wordt ook aandacht besteed aan de nieuwe risico's van verarming. Wij weten bijvoorbeeld maar weinig over de omvang van de schulden van de bevolking. De schulden per hoofd van de bevolking in twaalf van de vijftien oude lidstaten bedraagt meer dan 16 000 euro, wat overeenkomt met 90 procent van het gemiddelde jaarinkomen per gezin.
Ik wil hieraan graag nog een zin toevoegen, mevrouw de Voorzitter. Dit verslag toont opnieuw aan dat het belangrijk is kinderarmoede te bestrijden en wij vinden dit ook heel belangrijk.
Richard Falbr, namens de PSE-Fractie.–(CS) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, ik wil vooral mevrouw Elizabeth Lynne bedanken voor haar erg knappe verslag en voor haar uitstekende samenwerking. Sociale uitsluiting kent vele oorzaken en het zou echt zonde zijn als dit verslag niet wordt gebruikt voor een follow-up. In mijn uiteenzetting wil ik graag de nadruk leggen op het belang van overheidsdiensten en hun rol bij het bestrijden van armoede en uitsluiting Eenmaal geprivatiseerd, zullen overheidsdiensten duurder en minder toegankelijk worden. Ik betreur dat wij geen veroordelende houding hebben kunnen aannemen tegenover de staten die een lage basisbelasting hebben ingevoerd waardoor zij niet genoeg fondsen kunnen verzamelen voor de sociale taken van de staat. Het zou wellicht nuttig zijn voor de lidstaten om elkaar te informeren over hun succesvolle procedures in het kader van informatie-uitwisseling over bewezen methodes. Uiteraard juich ik ook de informatie-uitwisseling toe over methodes die geen resultaten opleverden of zelfs een averechtse uitwerking hadden. Ik weet dat dit niet wordt gedaan, maar ik ben er zeker van dat het nuttig zou zijn als de sociale partners en niet-gouvernementele organisaties dit wel zouden doen.
Een allereerste voorwaarde om ervoor te zorgen dat steeds minder burgers van lidstaten een beroep moeten doen op een vaak slechte sociale bijstand, is te zorgen voor een groot aantal redelijk goed betaalde banen. Wij kunnen niet tolereren dat sommige werkende mensen een beroep moeten doen op sociale bijstand. Wij moeten bijgevolg in alle lidstaten een gepast minimumloon instellen aan de hand van wetgeving of collectieve overeenkomsten, afhankelijk van wat in de staat gewoonlijk wordt gedaan. Er worden momenteel inspanningen geleverd om de ouderdomspensioenen aan te passen. Als lidstaten maatregelen nemen om de basispijler – het ouderdomspensioen van de staat – te behouden, moeten zij de relevante overeenkomsten van het Internationaal Arbeidsbureau die zij hebben goedgekeurd, naleven. Het integreren van gehandicapten op de arbeidsmarkt is heel belangrijk. Daarom moeten wij kritisch staan tegenover de acties van de regeringen, zoals die van de Tsjechische Republiek, die een aantal maatregelen om het aantal banen voor gehandicapten te doen toenemen, hebben afgeschaft.
Ona Juknevičienė,namens de ALDE-Fractie. – (LT) Felicitaties aan mijn collega mevrouw Lynne omdat zij dit verslag heeft opgesteld en omdat zij een politiek compromis heeft verkregen dat rekening houdt met de mening van de verschillende fracties over de verschillende sociale situaties in de Unie.
Het is waar dat de regeringen van de lidstaten rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor armoedebestrijding. Zij zijn verplicht om maatregelen te nemen zodat de mensen banen hebben, kinderen naar school kunnen gaan en de armste mensen kunnen rekenen op sociale bijstand.
De rol van de Unie in het oplossen van armoede- en ongelijkheidproblemen blijft echter even belangrijk. Aangezien 78 miljoen Europeanen in armoede leven en de sociale kloof tussen arm en rijk steeds groter wordt, moet zowel op nationaal als op Europees niveau actie worden ondernomen.
De meeste lidstaten hebben een goed minimuminkomen. Er zijn echter nog gevallen waarbij de werkgevers niet het vastgelegde minimum betalen en dus de wet niet respecteren. Zoals ik al eerder bij meerdere gelegenheden zei, krijgen Litouwers die in het buitenland werken, hiermee te maken. Wij kunnen dergelijke werkgevers niet tolereren.
Ik ben blij met het antwoord van de lidstaten op de oproep van de Raad om kinderarmoede te bestrijden. Zij hebben echter nog geen actieplannen opgesteld om dit probleem aan te pakken. De gehandicapten en de bejaarden zijn bijzonder kwetsbaar. Wij moeten ervoor zorgen dat zij minstens toegang hebben tot betaalbare blijvende zorg. Het Sociaal Fonds heeft hiervoor middelen voorzien. Het is een schande dat mijn land daarvan geen gebruik maakt.
Ik ben het eens met de mening van de rapporteur dat wij ervaringen moeten uitwisselen en succesvolle voorbeelden op het gebied van sociale zekerheid moeten volgen. Wij moeten leren van de lidstaten die de EU-middelen efficiënt gebruiken en met hen ervaringen uitwisselen. Dames en heren, om het vertrouwen van de onze burgers in de Europese Unie en haar instellingen te kunnen winnen, moeten wij hun moeilijkste problemen oplossen.
Nicolas Sarkozy, de Franse president, zei in dit Huis dat de Fransen het gevoel hebben dat de EU niet om hen geeft en niet zorgt voor sociale zekerheid. De Fransen hebben niet tegen de Grondwet gestemd, maar tegen Europa, omdat ze zich daar niet veilig voelen.
De Commissie heeft beloofd een verslag voor te bereiden dat gebaseerd is op de verschillende sociale situaties en dat een analyse van de sociale trends inhoudt. Ik hoop dat in dit verslag de nadruk wordt gelegd op een plan voor acties, een plan dat de methodes zal omschrijven om armoede in Europa te bestrijden of zelfs ongedaan te maken. Dan zullen wij pas de steun van onze burgers krijgen en zullen zij misschien het gevoel krijgen dat wij voor hen werken.
Sepp Kusstatscher, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter,wij hebben hier heel wat ideeën over het sociaal beleid.Dank u, mevrouw Lynne!Aangezien aan het sociaal beleid in de EU niet zo veel belang wordt gehecht als aan het economisch beleid, is dit verslag ook niet zozeer een balans in de EU – zoals de titel luidt – maar eerder een opsomming van gewenste maatregelen op het gebied van sociaal beleid in de lidstaten.
Twee opmerkingen:de competenties voor het sociaal beleid liggen bij de lidstaten.Op Europees niveau mogen wij alleen maar aanbevelingen doen.Europa verkeert derhalve in een scheve situatie, omdat de economie geharmoniseerd is, maar de sociale belangen niet.Sinds Lissabon 2000 is Europa niet rechtvaardiger geworden – integendeel:de armoede neemt toe.Om de armoede werkelijk te bestrijden en voor alle EU-burgers een leven in waardigheid en met rechtvaardigheid mogelijk te maken, hebben wij niet alleen economie en concurrentie nodig, maar ook een sociale, rechtvaardige, ecologische interne markt voor iedereen.
Ten tweede:Er wordt dikwijls alleen gepraat, maar niets gedaan.De problemen zijn bekend.Wij hebben niet zozeer onderzoeken en analyses nodig.Er moet nu eindelijk actie komen.Het volstaat niet om 2010 tot Europees Jaar voor de bestrijding van de armoede en de sociale uitsluiting uit te roepen.Wij hebben een effectieve anti-armoede-agenda nodig, wij hebben gegevens nodig, opdat alle mensen – ook degenen zonder werk – voldoende basisinkomen hebben en een leven in waardigheid kunnen leiden.Het gaat om rechtvaardigheid en mensenrechten voor allen.
Eva-Britt Svensson, namens de GUE/NGL-Fractie. – (SV) Mevrouw de Voorzitter, dit is een goede balans van de tekortkomingen in de sociale zekerheid waarmee veel te veel burgers in de lidstaten te maken hebben. De balans toont ook het verband tussen armoede, overbevolking, sociale uitsluiting, slechte gezondheid en lagere levensverwachting.
De balans toont het belang van het recht op huisvesting, werk, sociale zekerheid en de rechten van vrouwen en gehandicapten. Hij toont ook dat problematisch gokken, alcoholgebruik, drugs en roken leiden tot meer sociale uitsluiting. De conclusie is daarom dat de lidstaten deze problemen moeten aanpakken.
Dat is een goede zaak, maar de realiteit verschilt echter sterk. Het blijft vaak bij mooie woorden want de EU verhindert met haar richtlijnen en verordeningen over de interne markt en concurrentie dat lidstaten zelf hun problemen oplossen.
Bovendien subsidiëren wij wijnproducenten en tabaksboeren. Door bijvoorbeeld het vrije verkeer van goederen kan Zweden zijn belangrijke restrictieve alcoholbeleid niet uitvoeren. Zweden heeft een gokmonopolie en kan zo het gokken beperken, maar de EU dreigt ermee Zweden hiervoor een proces aan te spannen. Hetzelfde dubbele probleem doet zich voor bij de wettekst over misleidende reclame en reclame voor kinderen want de EU heeft tv-richtlijnen goedgekeurd over sluikreclame en reclame voor kinderen.
Het is mogelijk om de sociale realiteit te veranderen, maar hiervoor moeten wij meer belang hechten aan gezondheids- en milieuproblemen dan aan mededingingsregels voor de interne markt en meer belang aan sociale bijstand en zekerheid dan aan deregulering en privatisering.
De GUE/NGL-Fractie stemt voor het verslag en wij zullen alles in het werk blijven stellen om de sociale zekerheid voor de burgers te verbeteren.
Kathy Sinnott, namens de IND/DEM-Fractie.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, toen ik aanvankelijk hoorde over het proces van de balans van de sociale realiteit, was ik verheugd dat iemand een echte discussie wilde houden over de stand van zaken in de maatschappij.
Helaas was ik tijdens het lezen van de documenten van de Commissie teleurgesteld toen ik ontdekte dat het onderzoek niet op de sociale realiteit maar op de economische indicatoren was gericht.
Ik ben er niet van overtuigd dat economische indicatoren een betrouwbare graadmeter zijn voor de sociale realiteit.Als dat zo was, dan zou de verbeterde economische toestand van Ierland gedurende de afgelopen decennia gepaard moeten gaan met verbeteringen in de sociale cohesie, in plaats van de toename van ernstige misdaad, verslaving, zelfmoord, vervreemding, gezinsproblemen, uitsluiting en eenzaamheid, die wij in werkelijkheid meemaken.
Wij moeten niet alleen vragen of iemand werk heeft; wij moeten vragen of de mensen gewaardeerd worden, aansluiting hebben en fysiek, emotioneel, intellectueel en spiritueel aan hun trekken komen; en wij moeten nagaan of iemand respect krijgt, ongeacht leeftijd, kaliber, capaciteiten, kleur of enig ander kenmerk.
Om naar behoren de sociale realiteit te inventariseren, dienen wij ook de duurzaamheid van de natuurlijke leefomgeving van de persoon te bekijken:het gezin.Met dit in gedachten, zouden wij niet alleen kijken naar de kloof tussen rijk en arm, maar ook naar de kloof die ontstaat door het uiteenvallen van het gezin en sociale isolatie.
Om de sociale realiteit te begrijpen, moeten wij beginnen met de realiteit van de mens die deel uitmaakt van de maatschappij.Ik zal u een voorbeeld geven en ik hoop dat het duidelijk toont hoe tegenstrijdig de resultaten zijn die wij krijgen naargelang dat we naar geld kijken of naar de man of de vrouw.Wij zijn het er allemaal over eens dat vrouwen het recht moeten hebben om te werken en gelijkwaardigheid moeten ondervinden als zij werken.Maar als wij economische druk uitoefenen op vrouwen die thuis willen blijven met een baby, om aan het werk te gaan in plaats van voor het kind te zorgen, en hen hierbij dwingen, dan komt dit tot uitdrukking in een hoog werkgelegenheidspercentage en wordt vervolgens aangenomen dat dit een gezondere sociale realiteit inhoudt.Als wij echter kijken naar de baby die is geprogrammeerd voor directe moederlijke zorg, en naar het gemis dat hij of zij ervaart – waarvan wetenschappers beweren dat dit neurologisch en levenslang is –, dan moeten wij ons afvragen of dit hoge werkgelegenheidspercentage werkelijk een goede indicator voor een gezonde sociale realiteit is.
De ironie van kortetermijndenken, van de aandacht uitsluitend richten op de economie van een maatschappij, is dat het welzijn van de burgers en het gezin, op een menselijk niveau, uiteindelijk het grootste effect op de economie heeft.
Denk aan de kosten die mensen die niet sporen, opleveren voor de schatkist.Denk aan de kosten van misdaad, drugs, schoolverlaters, et cetera. Economische groei kan worden opgeslokt door de toename van sociale problemen.Het woord “economie” komt uit het Grieks en betekent “huishouding”.Economie zou ten dienste van alle burgers moeten staan, hen helpen zich thuis te voelen in hun omgeving, zich thuis te voelen bij zichzelf.
Als wij dat voor elkaar krijgen, hebben wij een heel gezonde sociale realiteit om in de toekomst te inventariseren.
Frank Vanhecke (NI). – (NL) Voorzitter, het verslag met de toch wat cryptische titel "Balans van de sociale realiteit" is in de Commissie sociale zaken zo goed als unaniem goedgekeurd, er was maar één tegenstem, en dat mag eigenlijk ook niet verbazen.De 97 aanbevelingen die het omvat, zijn immers even zo veel oproepen om alles en iedereen bij te staan:de armen, de vrouwen, de mannen, de jongeren, de ouderen, de werklozen, de werkenden met een klein loon, de mindervaliden, de gediscrimineerden, de zieken, de gezonden van vandaag die morgen ziek kunnen worden en ga zo maar door.
Met enige ironie zou ik kunnen zeggen dat de enige bevolkingsgroep die in dit verslag vergeten werd, de mensen zoals ikzelf zijn:heteroseksuele blanke mannen van middelbare leeftijd en van rechtse politiek gezindheid.
Maar zonder ironie zeg ik dat er geen mens in dit Parlement is die het er niet mee eens is dat de zwakkeren in onze samenleving recht op bescherming hebben en dat een beschaafde maatschappij mag afgerekend worden op de graad van sociale bescherming voor mensen die het om objectieve redenen moeilijk hebben om op een normale wijze in de samenleving actief te zijn.Men moet dus bij wijze van spreken een slecht mens zijn om deze catalogus van goede voornemens en de sociale Sinterklaaspolitiek in dit verslag niet bij te treden.
Toch zal ik het voorliggende verslag niet goedkeuren.Er zijn namelijk in de opsomming van aanbevelingen een aantal zaken waar ik mij niet achter kan scharen, in het bijzonder met betrekking tot het immigratiebeleid, integratie en diversiteit, en er is ook de afwezigheid van essentiële bescherming van een gezinsbeleid, maar de hoofdreden waarom ik dit niet kan goedkeuren is veel essentiëler.Het sociaal beleid en alles wat onder de noemer van sociale zekerheid gevat kan worden, is per uitstek een domein van de lidstaten en binnen die lidstaten soms van de deelstaten en dus niet van de Europese Unie.
Indien hier iemand in deze assemblee over een machine beschikt om geld en middelen te produceren uit de lucht, tenzij dat bestaat, moeten de maatregelen voor sociale bescherming nog altijd gefinancierd worden met belastinggeld.Dat betekent dat er keuzes gemaakt moeten worden en dat men jammer genoeg niet altijd voor alles en iedereen Sinterklaas kan zijn.
Er moeten essentiële beslissingen worden genomen die zeer ingrijpend zijn voor een hele maatschappij en die beslissingen moeten worden genomen op een zo laag mogelijk niveau, zo dicht mogelijk bij de burgers en niet in de ivoren torens van Brussel, van Luxemburg of van Straatsburg.
In mijn eigen land bijvoorbeeld ervaren wij dat Vlamingen en Walen fundamenteel verschillende keuzes maken bijvoorbeeld op het gebied van gezondheidszorg of de aanpak van werkloosheid.Onze Vlaamse en Waalse maatschappijen zijn verschillend, onze politieke en economische wereld is verschillend en dus kiezen wij voor een andere aanpak en andere prioriteiten.Als dat vandaag binnen België reeds het geval is, hoezeer is het dan mutatis mutandis niet het geval voor de zeer verschillende lidstaten van de Europese Unie, pakweg Groot-Brittannië en Roemenië?
Mocht dit verslag enkel een catalogus van goede voornemens zijn, tot daar aan toe, maar het is al jaren de bedoeling van de Europese instellingen om het domein van het sociaal beleid naar zich toe te trekken en dat is geen goede zaak.
Gabriele Stauner (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, in tegenstelling tot enkele van sprekers die net vóór mij het woord hebben gevoerd, vind ik dat men de Commissie met de aan deze discussie ten grondslag liggende mededelingen alleen maar kan feliciteren.Zij zijn niet alleen een rijke bron bij het zoeken naar sociale feiten en gegevens in de lidstaten, maar ook mijns inziens een duidelijk signaal dat de EU en de Commissie een autonoom sociaal beleid voor de lidstaten serieus nemen.
Als men toch een Europees sociaal model voorstaat, dat wij niet alleen als traditie en historische verworvenheid willen prijzen, maar ook voor de toekomst tot handelsmerk van het verenigd Europa willen maken, dan is een balans van de sociale realiteit een eerste vereiste.Niet in de laatste plaats tengevolge van de uitbreidingsronden van 2004 en 2007, moeten wij uiteindelijk afzien van de benadering dat het Europees sociaal beleid een verlengstuk van de interne markt is.
Zo heel vanzelfsprekend is dit echter niet want op veel terreinen is het overwicht van het economisch beleid in de voorstellen van de Commissie maar al te duidelijk.Ik herinner in deze context aan het Groenboek over de modernisering van het arbeidsrecht en de debatten over flexicurity.Het eerstgenoemde heeft de Commissie gisteren in de ijskast gezet, wat ik alleen van harte kan toejuichen en wat de flexicurity-voorstellen betreft – die tegen moeizaam bevochten rechten van werknemers in dienstverband zijn gericht – zou dat ook aan te bevelen zijn.
Alle in dit verslag – veel dank aan mevrouw Lynne – besproken punten zijn zeer actueel.Ik denk aan de debatten over het minimumloon in mijn land en aan de looneisen, ondersteund door de huidige stakingen bij de Franse en Duitse spoorwegen.Over het loonbeleid zeggen wij terecht dateen voltijdsarbeidsplaats in het levensonderhoud moet voorzien van de man of vrouw die hem inneemt.Dit strookt met de christelijke verantwoordelijkheid van de ondernemers voor hun personeel.Arbeid moet lonen, dat moet het grondbeginsel zijn.
Wat ik ten zeerste betreur is de kinderarmoede, die zelfs in mijn geboorteland beklagenswaardig is.Ik vind dat hier extra aandacht aan besteed moet worden, dat mag niet voorkomen.Eigenlijk hoop ik dat het door de inspanningen in de lidstaten spoedig niet meer nodig is om het jaar 2010 tot het Europees Jaar van de armoede en de sociale uitsluiting te verklaren.
Jan Andersson (PSE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik wil ook eerst mevrouw Lynne bedanken voor haar uitstekend werk en haar uitstekend verslag. Ik was zelf uitgenodigd voor de conferentie in de Azoren waar wij, de Commissie en het Parlement, samen een gesprek over deze problemen hadden met het maatschappelijk middenveld.
Ik heb alle lof voor het feit dat de Commissie deze problemen ernstig neemt in haar nieuwe mededeling over sociale uitsluiting en door volgend jaar een aanbeveling uit te brengen over deze problemen. Het is zoals de heer Špidla zei: de algemene situatie in Europa is heel goed want er is groei en er zijn meer banen, maar anderzijds worden de kloven groter. De kloven worden groter en de armoede neemt toe. Er zijn grote verschillen tussen de lidstaten. In een aantal landen zijn de verschillen erg groot, en ik heb het niet alleen over nieuwe en oude lidstaten. Er zijn nieuwe lidstaten met kleine kloven en oude lidstaten met grote kloven. Hiermee moeten wij rekening houden.
Ik denk dat de strategie van de Commissie met drie pijlers erg goed is. Voor wat de tewerkstelling betreft, zijn er niet voldoende banen want er zijn ook slechte banen die niet toereikend zijn om in het eigen onderhoud te voorzien en die niet verrijkend zijn. Wij moeten goede banen hebben met een fatsoenlijk loon. Wij bekeken in de Commissie de minimuminkomens en zagen grote verschillen tussen de lidstaten. Wij moeten ervaringen uitwisselen om de beste praktijk te vinden. Vervolgens zijn er overheidsdiensten waartoe iedereen toegang moet hebben, zoals sociale diensten, huisvesting, gezondheidszorg, enzovoorts. Wij steunen als methode de open coördinatiemethode, die nog moet worden versterkt.
Als laatste opmerking wil ik er aan toevoegen dat wij vandaag gaan stemmen over het standpunt van het Parlement over onder andere de aangekondigde geïntegreerde richtsnoeren. Wij mogen in de geïntegreerde richtsnoeren de sociale dimensie niet vergeten. Wij moeten groei en tewerkstelling koppelen aan een sociale dimensie zodat wij deze zaken niet afzonderlijk zien, maar als een geheel.
Siiri Oviir (ALDE).-(ET) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik bedank mevrouw Lynne omdat zij dit belangrijke onderwerp ter sprake heeft gebracht. Ik juich het doel van dit verslag toe, namelijk dat de aandacht van de diverse betrokkenen wordt gevestigd op de discussie van wat de Europese sociale realiteit is. Dit is een veelomvattend onderwerp en daarom kan ik slechts bij een paar belangrijke punten stilstaan.
Op de Top van Nice in 2000 beloofden de lidstaten de armoede en sociale uitsluiting in hoge, meetbare mate terug te dringen tegen 2010. Acties op dit gebied waren helaas niet bijzonder succesvol.
Een open Europa dat is gebaseerd op vrij verkeer en vrijhandel, heeft geleid tot de economische vooruitgang waarvan het welzijn en de levenskwaliteit van de bevolking afhangen. De laatste jaren is echter duidelijk geworden dat vele Europeanen betwijfelen of de gevolgen van globalisering, liberalisering en grotere mededinging hun welzijn per saldo wel hebben verbeterd.
Vandaag, in de 21e eeuw, is het aantal gevallen van armoede en sociale uitsluiting in Europa verontrustwekkend hoog. De heer Špidla zei onlangs dat ongeveer 20 procent, dus een vijfde van onze burgers, op de armoedegrens leeft. Alle lidstaten hebben sociale diensten en sociale voordelen, maar zelfs met deze hulp leeft nog een op zes mensen in armoede.
Hebben wij ons al afgevraagd waarom dit gebeurt in een Unie die zonder geweld werd samengebracht? Hoe komt het dat wij nu, 62 jaar na het einde van de oorlog en 50 jaar sinds het ontstaan van de Unie, de basisrechten van de bevolking niet kunnen garanderen? Mijn vraag is: is een succesvolle economie een doel op zich of moet zij een middel zijn om het welzijn van de mens te verbeteren?
Op het stuk van sociale bijstand moeten de lidstaten uitkeringen bieden die overeenkomen met het bestaansminimum en moeten zij in voldoende bijstand voorzien om deze doelstelling te behalen. Wij moeten hele reeksen richtlijnen niet formeel omzetten want zij zijn misleidend. Hier rijst de vraag of tijdige uitvoering van aangenomen teksten, ook voor “soft beleid”, op het niveau van Europese instellingen wordt gegarandeerd.
In Europa zouden wij ons niet enkel op economische resultaten en mededinging mogen concentreren, maar zouden wij ook aandacht moeten schenken aan een grotere sociale solidariteit en duurzame sociale maatregelen. En als wij op dit gebied een beslissing hebben genomen, moeten wij ook zorgen dat zij wordt uitgevoerd. Onze burgers verwachten niet minder van ons.
Ewa Tomaszewska (UEN).– (PL) Mijnheer de Voorzitter, economische ontwikkeling, waarnaar wij zo hard streven, gaat helaas gepaard met grotere inkomensverschillen. Dit leidt tot een zwakkere sociale samenhang en veroorzaakt ernstige problemen voor de zwakkere groepen, namelijk de groepen die te maken hebben met werkloosheid, een laag loon of die moeilijk toegang hebben tot onderwijs en gezondheidszorg.
De taken die op de Europese Raad in Nice werden goedgekeurd, werden niet goed uitgevoerd. Er bestaan nog altijd groepen met een inkomen dat onder het bestaansminimum ligt. Te weinig economische onafhankelijkheid heeft ook invloed op de waardigheid van de mens. Er moet zeker een algemeen verbod op discriminatie komen en er moet worden gezorgd voor gelijke kansen, voornamelijk voor gehandicapten, maar dit zal ook leiden tot meer sociale uitgaven. Onze bevolking vergrijst waardoor wij vrezen voor de financiële draagkracht van de pensioenverzekeringssystemen.
Ik feliciteer mevrouw Lynne met haar uitstekend verslag waarin zij de aandacht vestigt op deze en andere belangrijke sociale problemen in onze landen en op de methodes waarmee wij deze problemen kunnen oplossen. Ik zal dit ontwerp zeker steunen.
Ik wil echter de aandacht vestigen op een tegenstelling in de aanpak van enerzijds sociale en anderzijds economische problemen door de Europese Unie. De druk om de sociale uitgaven te beperken zorgt ervoor dat een aantal sociale problemen niet kunnen worden opgelost. Een voorbeeld hiervan is de hervorming van het pensioensysteem in Polen.
Carlo Fatuzzo (PPE-DE).-(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik ben niet de enige die Elizabeth Lynne wil bedanken voor haar verslag, onder andere omdat ik weet dat zij door haar balans van alles wat op sociaal gebied fout loopt in Europa, zoveel zaken heeft gevonden die verkeerd zijn, dat ambtenaren van het Parlement haar uit haar kantoor moesten slepen zodat zij hier deze morgen bij ons zou kunnen zijn, en haar werk zit er nog niet op.
Het is waar dat er zoveel armoede in Europa is. Toen ik binnenkwam en mijn collega Fernando Fernández zag, dacht ik terug aan wat hij een paar jaar geleden in Puebla, Mexico, zei toen wij beiden aanwezig waren op een conferentie over wereldarmoede. Hij zei toen dat armoede voornamelijk veroorzaakt wordt door slechte regeringen en dat komt overal ter wereld voor. Daarom zijn eerst en vooral de nationale regeringen, en niet de Europese Unie, verantwoordelijk voor armoede. Dit is een oproep aan de nationale regeringen om hun verantwoordelijkheid op te nemen. Zij verwachten en vragen zoveel van Europa, maar doen zelf zo weinig, vooral daar waar het het meest nodig is.
Toen ik het Parlement binnenkwam, kwam ik nog een vriend tegen, de heer von Wogau, en hij vroeg mij of het waar was dat in Italië het algemeen ouderdomspensioen voor een weduwe of iemand die voor honderd procent arbeidsongeschikt is, voor het leven 50 euro per maand bedraagt. Mijnheer de Voorzitter, ik moest hem helaas vertellen dat dit waar is. Daarom zeg ik, als enige verkozen vertegenwoordiger van gepensioneerden in dit Parlement, "ja" tegen een minimumloon voor iedereen die het geluk heeft te werken, "ja" tegen een minimumpensioen in Europa voor alle AOW'ers en "ja" tegen iedereen die werkloos is of zonder een pensioen zit, omdat zij ook een minimuminkomen moeten kunnen krijgen.
Karin Jöns (PSE). – (DE) Mijnheer de commissaris, mevrouw Lynne, ik dank de Commissie voor haar initiatieven en mevrouw Lynne voor haar uitstekende verslag.Wie armoede bestrijden wil — collega Fatuzzo heeft het reeds gezegd —, moet echt de aandacht ook meer op de oudere generatie vestigen.Wij moeten de demografische veranderingen voor zijn en ondanks de voortdurend stijgende kosten in de gezondheidszorg toch waarborgen dat het in de toekomst mogelijk blijft om waardig oud te worden.Ook oudere mensen hebben recht op uitgebreide gezondheidszorg en langdurige verzorging met gewaarborgde kwaliteit, ongeacht woonplaats en inkomsten.
Wij hebben dringend een doelgerichte uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten nodig over hoe een kwalitatief hoogwaardige verzorging het best georganiseerd en gegarandeerd kan worden en hoe deze betaalbaar kan worden aangeboden.Daarbij moeten wij rekening houden met het probleem dat er steeds meer mensen aan dementie lijden.Hiervoor hebben wij echter betrouwbare gegevens nodig.Vandaar de oproep aan de Commissie om ons deze gegevens zo snel mogelijk te leveren.
In een sociaal Europa moeten alle patiënten dezelfde toegang tot geregistreerde geneesmiddelen en medische producten hebben.Het kan niet zo zijn dat een en hetzelfde antibioticum bijvoorbeeld in België 3 euro en in Duitsland 34 euro kost.Daarom verheugt het mij dat wij de Commissie en de lidstaten met dit verslag dringend verzoeken om in een intensieve dialoog met ons, de farmaceutische industrie en de patiëntenverenigingen evenwichtige richtlijnen voor meer transparantie te ontwikkelen voor wat betreft doeltreffendheid en prijzen van geneesmiddelen.Ook dat is een bijdrage aan de verlaging van de kosten in de gezondheidszorg voor ons allen.
Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ook ik feliciteer u met uw twee mededelingen en ik hoop dat u nog meer constructieve voorstellen zult doen.
Mijn collega, mevrouw Lynne, met haar delicate aanpak van sociale problemen en wij allen met onze amendementen hebben meegewerkt aan alle werkzaamheden met de open coördinatiemethode in de nationale actieplannen. Het verslag over de balans van de sociale realiteit zal richting geven aan het sociaal beleid van de lidstaten. In het beleid zou rekening moeten worden gehouden met de hedendaagse ernstige demografische problemen in Europa die een rechtstreekse invloed hebben op de sociale samenhang en de solidariteit tussen de generaties.
Lidstaten houden voor steunverlening nog steeds geen rekening met het gezin, hoewel dit de basis van de maatschappij is. Armoede neemt zowel toe in eenoudergezinnen als in grote gezinnen, niet alleen door een inkomenstekort, maar ook omdat er noch sociale steun, noch gelijke behandeling is, vooral op het gebied van belastingen.
De leefomstandigheden van de gezinnen raken kinderen rechtstreeks, voornamelijk in de meer kwetsbare categorieën. De ongelijkheid in toegang tot hulpmiddelen en kansen wordt groter. Dit beperkt zowel de persoonlijke ontwikkeling als de toekomstige economische ontwikkeling en samenhang van Europa. Zou de EU niet kunnen zorgen voor een inkomen, gelijk aan het inkomen per inwoner van elke lidstaat, om voor elk kind dat in de EU wordt geboren te voorzien in de kosten van levensonderhoud en opvoeding?
Een beleid voor de promotie van de sociale samenhang moet gebaseerd zijn op de deelname aan de arbeidsmarkt. Het moet ook bijdragen tot de sociale integratie van werklozen en van personen die informele diensten binnen het gezin verlenen. Daarom worden de lidstaten verzocht om eerst te onderzoeken hoe de niet-officiële vaardigheden die worden verkregen door voor kinderen en afhankelijke personen te zorgen, zoals voorafgaande opleiding en werkervaring, kunnen worden erkend. Hierdoor kunnen zij gemakkelijker toegang tot de arbeidsmarkt en pensioen- en verzekeringsrechten krijgen.
De solidariteit tussen de generaties moet worden behouden door gebruik te maken van de kennis en de ervaring van oudere mensen en deze door te geven aan en te laten gebruiken door de jongere generaties. De lidstaten worden verzocht systemen te promoten voor de uitwisseling van diensten tussen generaties en te investeren in vrijwilligersregelingen op het gebied van onderwijs, cultuur of voor beroepsdoeleinden.
Dit kan worden bereikt door een gepaste infrastructuur te creëren en informatie te geven over de toenemende kansen voor ouderen om aan dergelijke activiteiten deel te nemen, zodat zij niet worden verwaarloosd of slachtoffer van sociale uitsluiting worden.
Alejandro Cercas (PSE).-(ES) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Lynne, commissaris, veel dank voor deze mededeling en dit document waardoor wij ongetwijfeld meer te weten komen over veranderingen en trends en de agenda die wij voor de toekomst nodig hebben.
Wij mogen echter geen fouten maken. Wij hebben veel documenten en veel analyses, wij hebben veel debatten en veel woorden, maar net zoals voor ziektes hebben wij niet alleen een diagnose, maar ook een behandeling nodig.
Zoals u zei, commissaris, is het waar dat wij een Europese behandeling nodig hebben, een behandeling door de Unie, haar instellingen en mechanismen, om de problemen van vandaag en morgen te kunnen oplossen. Wij moeten ermee rekening houden dat, als wij dit niet op Europees niveau doen, het onmogelijk is dit enkel op het niveau van de lidstaten te doen.
Sommige lidstaten die snel vooruitgang boeken, zoals mijn land, worden stilaan bedreigd door remmend beleid of, in andere lidstaten, beleid dat zorgt voor oneerlijke mededinging met de aanbiedingen en de sociale veranderingen die onze landen nu kennen. Commissaris, hou alstublieft rekening met het feit dat het gevoel zich begint te verspreiden dat het Europees sociaal beleid, dat in de jaren zestig en zeventig, zoals een Spaanse vakbondsafgevaardigde mij vandaag in een brief vertelde, gericht was op harmonisering, en in de jaren tachtig en negentig zich beperkte tot de minimumvereisten, nu neigt naar een sociaal beleid waarbij de lidstaten om het hardst ijveren voor het laagst haalbare.
Commissaris, de risico’s voor de toekomst waarmee wij te maken hebben, zijn niet alleen vergrijzing en globalisering, maar ook het ziekelijke gebrek aan solidariteit en agressief, xenofobisch en anti-Europees nationalisme dat een bedreiging vormt voor zowel de huidige als de toekomstige sociale overwinningen.
Agnes Schierhuber (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik wil mij bij de vorige sprekers aansluiten en de rapporteur, mevrouw Lynne, heel hartelijk bedanken.Sociale bescherming en sociale integratie helpen bij de bestrijding van armoede en uitsluiting van preventieve gezondheidszorg en vele andere zaken, en behoren tot de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst.
Over het begrip minimuminkomen wordt in mijn lidstaat vaak verschillend gediscussieerd.Ik steun echter volledig het uitgangspunt van mevrouw Stauner ten aanzien van arbeidsplaatsen, voltijdswerken en inkomen.Door de stevige verankering van de sociale partners in Oostenrijk hebben wij een grote kans om in overeenstemming met alle betrokkenen een oplossing te vinden.Daardoor komt het ook zelden tot een staking, zoals in andere EU-landen, waar stakingen vaak aan de orde van de dag zijn.
Juist daarom moet regelgeving op EU-niveau zeer precies bekeken worden.Door de verschillende nationale sociale stelsels moeten wij bij een harmonisatie weloverwogen te werk gaan.
Het moet ons aan het hart liggen om alle werknemers sociale bescherming te bieden en voor hen sociale integratie mogelijk te maken.In het kader van de subsidiariteit moet het ook mogelijk zijn dat lidstaten er hogere normen op nahouden.
Proinsias De Rossa (PSE).-(EN) Mijnheer de Voorzitter, de sociale realiteit van Europa is dat armoede veel voorkomt. Tweeënzeventig miljoen mensen, vrouwen en kinderen leven beneden de armoedegrens, velen zijn dakloos, of gehandicapt of aan huis gebonden wegens gebrek aan zorgverlening. Veel arme mensen kunnen geen kant op door de starre bijstandsregels.
Ik vrees dat mededelingen en richtlijnen deze kwesties niet oplossen. Ofschoon ik de door commissaris Špidla ondervonden moeilijkheden niet onderschat, moeten wij de lidstaten wettelijke verplichtingen opleggen, om de nodige veranderingen door te voeren.
De beroepsbevolking ondervindt dat de pensioenen worden uitgehold en dat de arbeidszekerheid wordt ondermijnd en velen vrezen dat hun loopbaan ten onder gaat.Het probleem is dat ongelijkheid in veel economische modellen van de lidstaten is ingebouwd.Voor veel van hen, waaronder Ierland, geldt het motto “Laten wij welvaart creëren.Dan pakken wij later de sociale problemen wel aan”.Hierdoor wordt voorbijgegaan aan de werkelijkheid dat sociale ongelijkheden de economische vooruitgang afremmen en dat er geen duurzame langetermijnwelvaart voor iedereen kan bestaan als sociaal beleid als een bijzaak wordt behandeld en het talent van 72 miljoen mensen onbenut wordt gelaten – om niet te spreken over de menselijke ellende die achter dat cijfer schuilgaat.
Tomáš Zatloukal (PPE-DE).-(CS) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, de Europese samenlevingen maken dramatische veranderingen door op het gebied van de aard van werk en het gezinsleven, de sociale status van vrouwen en de sociale mobiliteit. Sociale waarden veranderen en de samenlevingen worden steeds meer multicultureel. Dankzij de huidige ontwikkelingen hebben de mensen hun horizonten kunnen verruimen en hebben zij meer opties als zij beslissingen over hun leven moeten nemen.
Hoewel de lidstaten van de Europese Unie tot de rijkste landen ter wereld behoren, komen er nog steeds nieuwe soorten armoede en ongelijkheid bij. Tientallen miljoenen Europese burgers leven nog steeds in armoede. Sociale integratie en sociale bescherming zijn basiswaarden van de Europese Unie en basisrechten voor alle individuen. De lidstaten moeten echter meer inspanningen leveren om kinderarmoede te bestrijden. Als er geen belangrijke verbeteringen komen op het gebied van integratie van kinderen uit de meest benadeelde sociale groepen, ook op kleuterschoolniveau, zal het aantal leerlingen dat de school vroegtijdig verlaat, niet dalen en zullen wij het aantal mensen die de middelbare school afronden en dus de basisvaardigheden leren, niet doen toenemen. Steeds meer burgers zullen te maken krijgen met sociale uitsluiting, werkloosheid en andere ongewenste sociale fenomenen die zowel voor hen zelf als voor de economie en de samenleving schadelijk zijn.
Vanuit dit standpunt is het ook belangrijk om werkloosheid onder jongeren te bestrijden. Het is belangrijk om de obstakels in sommige beroepsopleidingen weg te nemen zodat zij flexibeler en efficiënter worden en kunnen inspelen op de behoeften van de arbeidsmarkt. Minder bedeelde mensen zullen hierdoor veel meer kansen krijgen om zichzelf te bewijzen. Een betere sociale samenhang en de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting moeten voor de Europese Unie en haar lidstaten politieke prioriteiten worden.
Richard Howitt (PSE).-(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik juich dit debat en verslag over de sociale realiteit toe, en hoewel natuurlijk de inventarisatie en uitwisseling van ervaringen over de beste praktijken en de open coördinatiemethode een gunstig onthaal bij ons vinden, moeten wij wel onder ogen zien dat in de praktijk vrouwen nog steeds 24 procent minder salaris verdienen dan mannen in Duitsland; bijna een op de drie kinderen in Polen in armoede leven; en dat in mijn land, het Verenigd Koninkrijk, sinds 40 jaar de rijkdom nooit zo ongelijk verdeeld is geweest als nu.
Ik ben van mening dat Europese sociale financiering en nationale programma’s zoals the New Deal in het Verenigd Koninkrijk noodzakelijke actieve arbeidsmarktmaatregelen zijn om de werkelijke belemmeringen voor bevolkingsgroepen in onze samenleving om van werkloosheid naar werk te gaan, weg te nemen en dat werk een van de beste middelen is om armoede te bestrijden.
Ik bedank commissaris Špidla voor zijn substantiële bijdrage aan het werkprogramma van de Commissie voor nieuwe wetgeving inzake artikel 13-discriminatie, waarover ik lang met hem gesproken heb. Het Parlement en ik zien ernaar uit met hem samen aan de details te werken, tijdens het overleg met het voorzitterschap volgende week.
Maar wij allen – hij en wij tezamen – moeten ervoor waken dat dit gepraat over inventarisatie de nieuwe sociale agenda in Europa vertraagt, of dat deregulering op één gebied leidt tot toename van ongelijkheid en onrechtvaardigheid, in plaats van deze kwalijke zaken te bestrijden.
Vakbondsleden, sociale ngo’s en natuurlijk mindervaliden, met wie ik meer dan 20 jaar heb gewerkt, zijn sceptisch over wat wij doen voor een sociaal Europa. Wij dienen naar hun bezorgdheid te luisteren en erop te reageren.
Vladimír Špidla,lid van de Commissie. −(CS) Mijnheer de Voorzitter, dit debat was enorm uitgebreid en gedetailleerd. Het zou erg moeilijk zijn om een gedetailleerd antwoord te geven op de afzonderlijke opmerkingen, dus sta mij toe om als antwoord een korte samenvatting te geven.
Ten eerste merk ik dat met het debat duidelijk werd aangetoond dat het Parlement blij is met de idee om een balans op te stellen van de sociale realiteit en hoewel ik het eens ben met de heer Cercas dat een diagnose niet hetzelfde is als een behandeling, ben ik van mening dat geen behandeling mogelijk is zonder diagnose. Onze maatschappij verandert voortdurend en wij moeten nieuwe methodes vinden om de maatschappij hieraan aan te passen of de oude methodes te vernieuwen. Om dit efficiënt uit te voeren, moeten wij inzicht krijgen in het algemene beeld.
Ik denk dat het debat nog een andere gemeenschappelijke noemer heeft, namelijk dat enerzijds de sociale realiteit in zekere mate een eigen dynamisme heeft, maar dat wij anderzijds onze eigen waarden hebben: een algemeen Europees concept van een Europees sociaal model dat sociale integratie, sociale bescherming en sociale activiteiten in het algemeen inhoudt. Het is daarom niet aanvaardbaar om in onze manier van denken en handelen een passieve houding aan te nemen. Er is altijd de mogelijkheid om actief beleid en actieve interventie uit te proberen.
Ik wil ook de nadruk leggen op een derde idee. Er bestaat geen twijfel dat, zoals de meeste beleidslijnen, de meeste Europese beslissingen het subsidiariteitsbeginsel naleven. Volgens dit beginsel moet het beleid om een bepaald probleem op te lossen op de beste en meest efficiënte manier worden vastgelegd. Bijgevolg bestaat er geen twijfel over de positie van de lidstaten voor het sociaal beleid. Anderzijds toont het debat ook aan dat de lidstaten de doelstellingen niet kunnen bereiken zonder de inspanningen op Europees niveau. Het is daarom onze plicht om op dit gebied de meest voordelige en efficiënte synergie te vinden.
In het debat kwam een bezorgdheid ter sprake die ik in zekere mate ook deel, namelijk dat er een risico is dat de ongelijkheid en de onverenigbaarheid van de sociale beleidslijnen in de afzonderlijke lidstaten kunnen leiden tot mededinging die de sociale standaarden zou kunnen verlagen. De Europese Commissie wilt niet dat dit gebeurt. Ons basisconcept is het zodanig compatibel maken van de afzonderlijke Europese sociale beleidslijnen dat mededinging en ontwikkeling kunnen worden verzekerd en dat vooruitgang kan worden geboekt zonder het sociale aspect uit het oog te verliezen.
Dames en heren, het debat toont ook duidelijk aan dat het sociale en het economische beleid met elkaar zijn verbonden. Wij kunnen niet over het ene spreken zonder het andere te vermelden. Wij moeten op zoek gaan naar een evenwichtige ontwikkeling van beide beleidslijnen samen, zonder aan één de voorkeur te geven. Gewoonlijk wordt de voorkeur gegeven aan het economische beleid. Ik zie echter via dit debat dat deze aanpak niet door het Europees Parlement wordt gesteund.
Dames en heren, u sprak over een hele reeks individuele problemen, voornamelijk het probleem van de gezondheidszorg, zoals toegang tot medicijnen en de algemene organisatie. U sprak over de gevolgen van de vergrijzing van de bevolking en het belang van de diensten van algemeen belang. Ik ben blij dat al deze onderwerpen worden opgenomen in de strategische documenten van de Europese Commissie. Wij willen ze opnemen in een algemene, overkoepelende strategie.
Dames en heren, sta mij toe tot slot mevrouw Lynne te bedanken. Haar verslag dat hier werd besproken, is ongetwijfeld een belangrijk element van de inspanningen die wij leveren om in heel de Europese Unie vooruitgang te boeken.
De Voorzitter. − Dank u, commissaris. Ik wil als voorzitter ook graag mevrouw Lynne bedanken voor haar verslag dat een enorme impact heeft gehad op het maatschappelijk middenveld.
Ik ben een bevoorrecht getuige geweest van hoe groepen jongeren die tegen armoede en voor samenhang zijn, Europa hebben doorreisd en met het document van mevrouw Lynne van stad tot stad, van Europese hoofdstad tot Europese hoofdstad zijn getrokken en daarmee eer brachten aan het Europees Parlement, dankzij het werk van onze collega.
Het debat is gesloten.
De stemming vindt om 12.00 uur plaats.
(De vergadering wordt om 11.35 uur onderbroken en om 12.00 uur hervat)
VOORZITTER:HANS-GERT PÖTTERING Voorzitter
José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra (PPE-DE).-(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u samen met de heer Mann, die hier vandaag bij ons in het Parlement niet aanwezig kan zijn, en andere collega’s, vragen om de solidariteit van de EU-burgers, die door ons Parlement worden vertegenwoordigd, met de slachtoffers van de tropische storm te tonen. Deze storm, die daarna de vorm aannam van een kerstmisorkaan, heeft in Haïti, de Dominicaanse Republiek, Jamaica, Cuba, Barbados en andere gebieden in de Caraïben een spoor van vernieling, ziekte en sterfte achtergelaten.
Laat ook onze solidariteit duidelijk blijken, mijnheer de Voorzitter, met de slachtoffers van de vloedgolven in de Mexicaanse staten Oaxaca, Chiapas en in het bijzonder Tabasco. Ik wil u ook vragen, mijnheer de Voorzitter, om niet alleen onze solidariteit te tonen, maar ook de Europese Commissie dringend te verzoeken de hulpmiddelen die zij ter beschikking heeft, te gebruiken om de situatie te verhelpen en de schade te herstellen in de meest arme gebieden die altijd het slachtoffer zijn.
De Voorzitter. −Veel dank, mijnheer Salafranca.Wat het Parlement betreft, zullen wij zo te werk gaan en voor de rest uw overwegingen aan de Commissie mededelen.
4. Mededeling van gemeenschappelijke standpunten van de Raad: zie notulen
5. Stemmingen
De Voorzitter. −Aan de orde zijn de stemmingen.
(Voor uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemming:zie notulen)
5.1. Statuut en financiering van politieke partijen op Europees niveau (stemming)
Jo Leinen (PSE), rapporteur.– (DE) Mijnheer de Voorzitter, de Raad heeft afgelopen vrijdag de essentiële inhoud van deze verordening voor de financiering van Europese partijen en Europese stichtingen goedgekeurd.Vanochtend heeft hiertoe een trialoog met de Commissie en de Raad plaatsgevonden en wij hebben overeenstemming over de nog onopgeloste kwesties bereikt.Er bestaat derhalve werkelijk de kans dit project in eerste lezing aan te nemen en de vereiste voorwaarden voor een betere financiering reeds vóór 2008 tot stand te brengen.
Ik stel derhalve voor dat wij de stemming uitstellen tot de volgende vergadering op 29 november 2007 in Brussel.
(Het Parlement keurt het voorstel goed)
5.2. Kwartaalstatistieken van vacatures in de Gemeenschap (stemming)
5.3. Toepassing van het Schengenacquis in de Tsjechische Republiek, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (stemming)
Margarita Starkevičiūtė, namens de ALDE-Fractie.–(EN) Ik zou graag willen voorstellen om de titel van het eerste deel als volgt te veranderen:“Externe dimensie van Lissabon”.Dat wil zeggen, “Extern beleid” veranderen in “Externe dimensie van Lissabon”.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
– Vóór de stemming over paragraaf 5:
Hartmut Nassauer (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, aangezien met betrekking tot paragraaf 5 een aangekondigd mondeling amendement ingetrokken is, wil de EVP-Fractie, anders dan op haar lijsten staat aangegeven, tegenstemmen.
−Vóór de stemming over paragraaf 14:
Udo Bullmann (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, er zijn collega’s die een probleem hebben met het middelste gedeelte – “wijst erop….. binnenlandse vraag is geweest”.In samenspraak met collega Caspary van de PPE-Fractie stel ik derhalve voor hier de woorden “in sommige lidstaten” in te voegen, en wel na “Europese economie”en ik hoop dat de problemen met het middenstuk daarmee verholpen zijn. Zo zou, denk ik, ook de ALDE-Fractie geholpen kunnen worden.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
– Vóór de stemming over paragraaf 30:
Daniel Caspary (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter!Het lijdt geen twijfel dat de tekst veranderd moet worden, maar ik wil desondanks verzoeken om over de tekst te stemmen.Als de tekst de goedkeuring van het Parlement krijgt, behoort hij tot een andere rangorde, maar het zou kunnen dat hij geen goedkeuring krijgt, en daarom verzoek ik de originele tekst in stemming te brengen.
De Voorzitter. –Er is geen verzoek tot een stemming in onderdelen ingediend.
– Na de eindstemming:
Jan Andersson (PSE). – (SV) Mijnheer de Voorzitter, het Parlement heeft nu “ja” gestemd voor een bijwerking en aanpassing van de geïntegreerde richtsnoeren. Het gaat hier bijvoorbeeld om het sociale aspect. Tot nu toe heeft de Commissie hieraan nog geen aandacht geschonken.
Ik zou graag de mening horen van de heer Špidla over de beslissing die het Parlement nu heeft genomen en of hij de bijwerking en aanpassing van de geïntegreerde richtsnoeren nu in de Commissie gaat promoten.
Vladimír Špidla,lid van de Commissie.−(CS) De beslissing die het Parlement heeft genomen, heeft een zeker gewicht en de Commissie is verplicht hiermee rekening te houden als zij nieuwe documentatie voorbereidt. Daarom heeft de stemming in het Parlement uiteraard een zeker gewicht en de zaak van de geïntegreerde richtsnoeren was belangrijk in het debat dat wij met het Parlement hebben gevoerd.
De Voorzitter. −Wij interpreteren “zeker gewicht“ als “groot gewicht“ en willen de Commissie aanbevelen zich bij onze mening aan te sluiten.
5.6. Toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (stemming)
Joseph Daul, namens de PPE-DE-Fractie.–(FR) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik herinner aan het Reglement – de artikelen 19 en 166. Voordat ons Parlement zich uitspreekt over de gezamenlijke ontwerpresolutie van bepaalde fracties over het vrije verkeer, sta ik er op om de in paragraaf 13 vervatte persoonlijke aanval tegen de vicevoorzitter van de Commissie, Franco Frattini, te veroordelen.
Ik wil een schandelijke politieke manoeuvre van de kant van de Italiaanse socialisten aan de kaak stellen die is overgenomen door sommige collega’s en die gezien de uitdagingen waar we voor staan, beneden peil is.Ernstiger, door deze oneerlijke verdraaiing van de woorden van de heer Frattini, die onze instelling moet verwerpen, kunnen wij ons niet op een beheerste manier uitspreken.
Als onze fractie wegens deze manoeuvre tegen deze resolutie moest stemmen, zou dat helemaal geen afbreuk doen aan onze steun aan alle Roemenen en andere communautaire ingezetenen die de wet naleven en hun gastland respecteren.
Europa is gebaseerd op de rechtsstaat, zoals wij bevestigen in de resolutie die door mijn fractie op initiatief van onze Italiaanse en Roemeense collega’s is ondertekend. De kwestie van het vrije verkeer is niet enkel een nationale aangelegenheid maar ook een Europese. Het gaat niet om een afrekening tussen politieke partijen, maar het gaat om waarden, mijn beste vrienden.
(Applaus)
Martin Schulz, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, wij hadden hier in het Parlement een uitvoerig debat waaraan commissaris Frattini heeft deelgenomen. De heer Frattini heeft in zijn eigen betoog en bij de beantwoording van de vragen in de redevoeringen van de verschillende collega’s heel gematigd gereageerd.De ontwerpresolutie bevat slechts een punt van kritiek, namelijk dat commissaris Frattini ten aanzien van een concreet punt van het Europees recht het publiek aantoonbaar geen juiste informatie gegeven heeft.
Dat onze ontwerpresolutie dat corrigeert en bovendien duidelijk maakt dat de voor de rechtsbescherming van de Europese burgers bevoegde commissaris ten aanzien van een wezenlijke burgerrechtelijke kwestie een verkeerde uitspraak in het openbaar doet, is de plicht van het Parlement en heeft niets met samenzweringstheorieën te maken.Wij weten evenwel heel goed, mijnheer Daul, dat u een beklagenswaardig collega bent, want u hebt deze verklaring onder druk van de Forza Italia afgegeven – dat is alles wat erover te zeggen valt.
(Applaus van links)
De Voorzitter. −Wij willen hier nu geen debatten voeren!
Monica Frassoni, namens de Verts/ALE-Fractie.–(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik denk dat wij elk afzonderlijk onze mening moeten geven over de uitspraak van voorzitter Daul. Het Parlement doet uitspraken met een meerderheid achter zich en heeft het recht om de commissarissen te bekritiseren of te censureren. Dit is een soeverein recht van dit Parlement.
Dat wij deden wat we gedaan hebben, was omdat de heer Frattini het Gemeenschapsrecht verkeerd heeft geïnterpreteerd, en hoewel het door dit geschreeuw moeilijk is mijzelf hoorbaar te maken, wil ik graag herhalen dat wij hier handelen als Parlementsleden tegenover een Europees commissaris en dat wij dat zullen blijven doen!
(Applaus van links)
De Voorzitter. −Ik verzoek u om de zaak niet met zoveel emotie te behandelen.
Graham Watson, namens de ALDE-Fractie.–(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik doe in het kort een beroep op het Reglement. Los van welk partijpolitiek debat dan ook, is het zeer onverstandig van commissarissen om betrokken te raken bij partijpolitieke zaken in hun eigen land of in andermans land.Ik vind het redelijk dat het Parlement de Commissie nog eens wijst op haar taken in dit opzicht.
(Applaus van links)
De Voorzitter. −Er zijn nog drie personen die het woord hebben gevraagd en dan beëindigen wij dit korte debat.
Francis Wurtz, namens de GUE/NGL-Fractie.–(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik geloof dat het geen zin heeft om veel toe te voegen aan hetgeen Monica Frassoni, Graham Watson en Martin Schulz hebben gezegd.Ik zou enkel dit willen zeggen:het zou verstandig zijn, als een commissaris die zijn woorden in het debat krijgt teruggekaatst door vier fracties uit verschillende hoeken van de vergaderzaal, inziet dat hij dit niet opnieuw moet doen als hij het vertrouwen van het Parlement wil hebben.
(Applaus)
Antonio Tajani (PPE-DE).-(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, overeenkomstig de artikelen 151 en 19 van het Reglement, vraag ik u te oordelen of paragraaf 13, waarin de vicevoorzitter van de Commissie zonder reden persoonlijk wordt aangevallen, toelaatbaar is. Als deze tekst wordt goedgekeurd na de uitspraken van de woordvoerder van de voorzitter van de Commissie waarin hij de heer Frattini verdedigt, zal dit een groot conflict veroorzaken tussen het Parlement en de Commissie omwille van interne politieke redenen. Daarom vraag ik u voor de stemming paragraaf 13 van de tekst van de ontwerpresolutie weg te laten. Ik vraag ook aan de auteurs om de tekst via een mondeling amendement in te trekken.
– Vóór de stemming over paragraaf 1:
Roberta Angelilli (UEN).-(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik zou graag het volgende mondelinge amendement willen toevoegen: “Betreurt de moord op mevrouw Giovanna Reggiani op 31 oktober 2007 in Rome en drukt aan haar familie zijn oprechte medeleven uit”.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
– Vóór de stemming over paragraaf 13:
Roberta Angelilli, namens de UEN-Fractie.–(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik zou graag het volgende amendement willen toevoegen: “Is van mening dat onderwijs en de strijd tegen het vroegtijdig verlaten van de school in Romagemeenschappen de belangrijkste middelen zijn om sociale uitsluiting, uitbuiting en misdaad te bestrijden”.
(Het mondeling amendement wordt niet in aanmerking genomen)
– Vóór de stemming over overweging F:
Roberta Angelilli (UEN).-(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, hou rekening met het belang van de voorwaarden in de artikelen 5, 6, 7 en 8 van Richtlijn 2004/38/EG over het recht van inreis en verblijf.
(Het mondeling amendement wordt niet in aanmerking genomen)
Robert Evans, namens de PSE-Fractie.–(EN) Mijnheer de Voorzitter, als voorzitter van de delegatie voor de betrekkingen met de landen van Zuid-Azië, leid ik de onderhandelingen over deze compromistekst.Ik erken dat het een gevoelige kwestie is, en het is belangrijk dat wij allen de situatie in Pakistan erkennen.Ik denk dat het hele Parlement een duidelijke gezamenlijke boodschap aan generaal Musharraf wil overbrengen.
Bij wijze van compromis, en ik hoop dat het hele Parlement dit steunt, wil ik het volgende mondelinge amendement voorstellen.In overweging A verwijzen wij naar President Musharraf “die de grondwet en de rechtsstaat heeft opgeschort en vervangen door het krijgsrecht”.Ik wil voorstellen dat wij zeggen dat hij de grondwet en de rechtsstaat heeft vervangen door “de noodtoestand, de facto het krijgsrecht”.Vervolgens, in lijn met de voorstellen van andere collega’s, dienen wij op drie andere plaatsen - paragraaf 1, 10 en 11 – “het krijgsrecht” te vervangen door “de noodtoestand”.Ik hoop dat dit de volledige steun van het Parlement krijgt.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
5.9. Strategie van de Raad voor de Conferentie over klimaatverandering op Bali (COP 13 en COP/MOP3) (stemming)
Satu Hassi (Verts/ALE).-(FI) Mijnheer de Voorzitter, ik wil juist meedelen dat een belangrijk punt in de Finse versie van deze resolutie verkeerd werd vertaald. In artikel 1, dat gaat over het onderhandelingsmandaat van Bali, is er in het Fins een misverstand. Er wordt gesuggereerd dat er voor deze resolutie een intern EU-onderhandelingsmandaat was vóór de Conferentie van Bali.Het is echter zo dat het Bali-mandaat impliceert dat op de Conferentie van Bali de landen die het klimaatverdrag hebben goedgekeurd, zullen proberen een onderhandelingsmandaat te bereiken zodat het mogelijk is het volgende klimaatverdrag op te stellen. Met andere woorden, de Finse tekst in paragraaf 1 over het bereiken van overeenstemming ten aanzien van het onderhandelingsmandaat voor de conferentie zou moeten worden vervangen door een onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst op deze conferentie.
– Na de stemming:
Gay Mitchell (PPE-DE).-(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb tegen amendement 7 gestemd.Ik vrees dat het verkeerde licht brandde toen ik op de knop drukte.Het was een stem tegen.Dit verandert niets aan het resultaat van de stemming, maar het is een gevoelig punt voor mij.Daarom wil ik vragen of mijn stem als een tegenstem kan worden geregistreerd.
De Voorzitter. −Dit wordt zo genoteerd.
5.10. Versterking van het Europees nabuurschapsbeleid (stemming)
Hélène Flautre (Verts/ALE).-(FR) Mijnheer de Voorzitter, ik wil duidelijk aangeven dat het verwijderen van de term "overnameovereenkomsten" slechts de eerste zin van paragraaf 14 betreft, om alle dubbelzinnigheid over de interpretatie van de stemming weg te nemen.
− Vóór de stemming over amendement 3:
Charles Tannock (PPE-DE), rapporteur.–(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil aan paragraaf 19a de volgende tekst toevoegen: “onderstreept de behoefte om de EER-landen (IJsland, Noorwegen, Liechtenstein) en Zwitserland erbij te betrekken en ermee samen te werken en hun ervaring om met de Europese Unie te werken, volledig te benutten”.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
– Vóór de stemming over paragraaf 42:
Charles Tannock (PPE-DE), rapporteur.–(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil enkel bevestigen dat het mondelinge amendement betrekking heeft op het verwijderen van de paragaaf, dus dat amendement moet eerst behandeld worden vóór amendement 13, wat betekent dat de volgorde op de stemlijst veranderd moet worden.
(Het mondeling amendement wordt in aanmerking genomen)
5.11. Handel en economische betrekkingen met Oekraïne (stemming)
Zbigniew Zaleski (PPE-DE), rapporteur.– (DE) Mijnheer de Voorzitter, voor wij tot stemming overgaan, wil ik samen met de collega’s van de Commissie internationale handel mijn dank uitspreken voor het succesvolle werk dat ons door het wegvallen van amendementen tijd doet besparen.
Dit verslag moet een duidelijk signaal afgeven aan de nieuwe regering en het parlement in Oekraïne, dat van onze kant al het noodzakelijke gedaan wordt, opdat de onderhandelingen voor de vrijhandelszone kunnen worden gevoerd.Wij zijn vertrouwensvolle partners in deze dialoog.Als er hier vandaag een vertegenwoordiger uit Oekraïne aanwezig is, kan hij of zij de boodschap overbrengen aan het nationale parlement dat het Europees Parlement aanbeveelt dat er over het verzoek van Oekraïne om tot de WTO toe te treden, onmiddellijk wordt gestemd en dat die toetreding wordt bekrachtigd zodra er in Genève over beslist is.
Tot wederzijds voordeel van zowel de EU als Oekraïne, verzoek ik u nu allen om dit verslag te steunen.Dank u zeer.
(Applaus)
De Voorzitter. −Mijnheer Zaleski, ik hoop dat u mij toestaat om u te feliciteren, omdat u zich zo goed in mijn moedertaal kunt uitdrukken.
5.12. Aanzet tot een antwoord van de EU op onstabiele situaties:engagement voor duurzame ontwikkeling, stabiliteit en vrede onder moeilijke omstandigheden
Bogusław Liberadzki (PSE),schriftelijk. − (PL) Het verslag van de heer Leinen vermeldt duidelijk dat het belangrijkste vernieuwende element in het voorstel van de Commissie de mogelijkheid is om niet alleen Europese politieke partijen te financieren uit de algemene begroting van de Europese Unie, maar ook politieke stichtingen op Europees niveau waarmee de partijen banden hebben.
Ik denk ook dat de voorgestelde verordening de financiële stabiliteit van Europese politieke partijen en de financiering van hun verkiezingscampagnes voor de verkiezingen van het Europees Parlement in 2009 zal verbeteren.
Zita Pleštinská (PPE-DE).-(SK) Vorig jaar leek het nog of de datum voor de uitbreiding van het Schengengebied zou worden uitgesteld tot 2009. Ik ben blij dat wij grotere inspanningen hebben geleverd en dat wij een constructieve oplossing hebben gevonden om het vrije verkeer van mensen zonder paspoortcontroles te realiseren.
Ik juich dus het verslag van de heer Carlos Coelho toe want hierin bevestigt hij de toetreding van negen nieuwe lidstaten tot het Schengengebied. Ik ben van mening dat het vrij verkeer van mensen zonder paspoortcontroles echt succesvol is voor de Europese integratie. Daarom heb ik graag voor dit verslag gestemd. De toetreding tot het Schengengebied van de nieuwe lidstaten, waaronder Slowakije, is een duidelijk signaal naar de Europese bevolking dat het IJzeren Gordijn dat door de totalitaire, communistische regimes tussen West- en Oost-Europa werd opgetrokken, na 21 december 2007 tot het verleden zal behoren.
Voor mij is de stemming over dit verslag een historisch moment aangezien zij plaatsvindt in de week waarin, en meer bepaald op 17 november, de Slowaakse en de Tsjechische Republiek de achttiende verjaardag herdenken van de val van het totalitaire regime dat de burgers niet toestond om binnen Europa te reizen. Ik denk dat alle Europese burgers blij zullen zijn met dit kerstgeschenk.
Frank Vanhecke (NI). – (NL) Voorzitter, ik heb vooral het verslag-Coelho niet goedgekeurd, omdat ik de talrijke pijnpunten van het opengrenzenbeleid van het Schengenakkoord wil aanstippen.Het systeem van Schengen staat of valt immers met een strenge, waterdichte controle aan de buitengrenzen enerzijds, en die is er voor alle duidelijkheid niet, en daarnaast met een strenge aanpak van criminaliteit in alle lidstaten, die in alle lidstaten wordt gecoördineerd, en die is er slechts veel te beperkt.Ten slotte moet er in alle Schengenlanden ook een streng immigratiebeleid zijn, wat dus compleet haaks staat op bijvoorbeeld de massale regularisatiegolven die we de voorbije jaren in nogal wat lidstaten hebben gehad.
In die omstandigheden kan ik als mens en als politicus niet juichen, omdat ik aan de binnengrenzen niet meer gecontroleerd word, aangezien criminelen en illegalen ook niet meer worden gecontroleerd en dat is nefast voor onze samenleving.
Oldřich Vlasák (PPE-DE).-(CS) Mijnheer de Voorzitter, ik zou graag iets willen zeggen over het verslag van mijn collega, de heer Carlos Coelho, over het voorstel voor een ontwerpbesluit van de Raad betreffende de volledige toepassing van het Schengenacquis in de negen lidstaten die in 2004 tot de EU zijn toegetreden. Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat dit een erg belangrijke beslissing is. De toetreding van onze landen, zoals mijn thuisland, de Tsjechische Republiek, zou in geen enkel geval mogen worden uitgesteld. Uit alle objectieve analyses die tot op heden werden uitgevoerd, blijkt dat al deze landen zich voldoende hebben voorbereid op de uitbreiding van het Schengengebied. Dankzij ongelooflijke inspanningen van de lidstaten in kwestie, de vele experts die bij de inspecties betrokken waren, de politie, de gerechtelijke instanties, ambtenaren en anderen, zijn deze lidstaten voldoende voorbereid om de bepalingen van het Schengenacquis goed toe te passen. Ik ga er daarom van uit dat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op 6 en 7 december dit jaar deze beslissing zal steunen. De opening van de binnengrenzen zal voor onze burgers de geschiedenis ingaan als hét symbool van de toetreding tot het Schengengebied en kan qua belang enkel worden vergeleken met de val van het IJzeren Gordijn bijna twintig jaar geleden.
Zuzana Roithová (PPE-DE).-(CS) Dames en heren, ik ben verrukt omdat, ondanks het technische probleem, wij samen kunnen stemmen over het verslag dat bevestigt dat de nieuwe lidstaten, zoals de Tsjechische Republiek, klaar zijn om in 2008 al tot het Schengengebied toe te treden. Ik apprecieer de inspanningen en de openheid van de lidstaten en de Commissie bij de intense technische raadplegingen die vóór de uitbreiding moesten plaatsvinden. Het uitgebreide Schengengebied zal ongetwijfeld voor de interne veiligheid van Europa een grotere uitdaging zijn. Anderzijds wil ik benadrukken dat alle inspanningen uiteindelijk zullen leiden tot vrij verkeer in een echt geïntegreerd gebied. Volgend jaar zal Europa als nooit tevoren verenigd zijn. Het IJzeren Gordijn behoort definitief tot het verleden en ik bedank u daarvoor.
Sylwester Chruszcz (NI).– (PL) Mijnheer de Voorzitter, de toetreding van Polen tot het Schengengebied biedt niet alleen mogelijke voordelen doordat gemakkelijk de grenzen kunnen worden overgestoken, maar brengt ook bedreigingen met zich mee.
Een negatief fenomeen waarmee Polen al meerdere jaren te maken heeft, zijn de moeilijkheden die de burgers van onze buurlanden in het oosten, en Polen die in Wit-Rusland en Oekraïne wonen, ondervinden om ons land in te komen. Een gebrekkige grenscontrole kan leiden tot veel negatieve fenomenen zoals criminaliteit en illegale immigratie. Wij zijn ook bezorgd over het schrappen van nationale grenscontroles in lidstaten in ruil voor pan-Europese grensdiensten. Daarom heb ik mij van stemming over deze kwestie onthouden.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) Aangezien wij lang over dit onderwerp hebben gedebatteerd, zijn wij van mening dat justitie en binnenlandse zaken centrale bevoegdheden van de staten zijn, en vooral van Portugal. Wij gaan er daarom niet mee akkoord dat deze bevoegdheden meer en meer worden overgedragen aan de supranationale instellingen van de EU in een proces dat elke nieuwe “vooruitgang” rechtvaardigt op basis van de vorige “vooruitgang”.
Dit is het geval met de oprichting van het Schengengebied met het Schengenacquis dat een katalysator is voor de communautarisering van beleidslijnen of maatregelen inzake grenscontrole (visa, asiel of immigratie), of politie- en gerechtelijke mechanismen.
Vooral wanneer deze “communautarisering” plaatsvindt in een context waarin de belangrijkste EU-mogendheden er samen voor zorgen dat zij via het besluitvormingsproces hun belangen kunnen verdedigen en veilig stellen, iets wat voor Portugal niet het geval is.
Zoals wij zeiden, is het enerzijds belangrijk om tussen soevereine staten op internationaal en Europees niveau samen te werken en dezelfde rechten te hebben voor deze zaken, maar anderzijds is het onaanvaardbaar om fundamentele elementen voor het veilig stellen van nationale soevereiniteit en democratie over te dragen aan supranationale instellingen die door de belangrijkste EU-mogendheden worden gedomineerd met als doel de “Vesting Europa” op te richten.
Vandaar onze stem.
Luca Romagnoli (NI),schriftelijk.−(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik stem tegen dit verslag omdat ik mij ten stelligste verzet tegen het Schengenakkoord. Dit heb ik al uitvoerig uitgelegd bij meerdere gelegenheden, zoals onlangs in mijn uiteenzettingen in het Parlement. Ik verzet mij voornamelijk tegen deze overeenkomst als zij wordt gebruikt voor illegale immigranten en gevaarlijke verplaatsingen binnen de EU.
De grenzen van de staten die willen toetreden tot het Schengenaquis zijn een gemakkelijk doelwit voor criminelen. Zij zullen een nieuwe toegangspoort zijn voor ongecontroleerde immigratie vanuit voormalige sovjetlanden en het Midden-Oosten. En laten we niet de sociale wanorde vergeten die in Italië en andere landen ontegenzeggelijk door het vrije verkeer van burgers binnen de EU is ontstaan.
Lars Wohlin (PPE-DE),schriftelijk. − (SV) De Schengensamenwerking moet toegankelijk blijven voor alle lidstaten die willen toetreden en deelnemen. Anderzijds is het enorm belangrijk dat alle landen die deelnemen aan de samenwerking, al aan de vereisten voldoen op het moment dat zij toetreden want de samenwerking heeft een gemeenschappelijke buitengrens tot gevolg. Als een land in gebreke blijft, kan Zweden de grenzen niet controleren. Onderzoeken hebben aangetoond dat er problemen zijn die moeten worden opgelost en het zou redelijk zijn de toetreding uit te stellen totdat aan alle vereisten is voldaan.
Jan Andersson, Göran Färm en Inger Segelström (PSE),schriftelijk.−(SV) Met deze stemverklaring willen wij, de Zweedse sociaaldemocraten in het Europees Parlement, verduidelijken hoe wij over het verslag-Braghetto (A6-0408/2007) hebben gestemd.
Wij zijn van mening dat het heel belangrijk is om een herstelplan voor blauwvintonijn vast te stellen. Blauwvintonijn is allang een bedreigde diersoort als gevolg van intense visserijactiviteit. Dit zou snel kunnen leiden tot een aantasting van het hele ecosysteem in de viswateren in kwestie. Wij denken echter dat de resolutie van de Commissie niet helemaal toereikend is en hebben daarom tegen gestemd.
Wij stemden voor de amendementen 4 en 6 van de commissie. Dit zijn twee amendementen die ervoor zorgen dat twee - naar onze mening twijfelachtige - vrijstellingen voor blauwvintonijnvisserij worden geschrapt.
Wij gaven ook onze steun aan amendement 13 waarin staat dat wij een herstelplan moeten aannemen dat een echt herstelplan is. Het voorstel ging aanzienlijk verder dan het originele voorstel, en dat steunen wij volledig. De blauwvintonijnstand kent nog altijd een laag niveau en de Europese Unie moet meer verantwoordelijkheid op zich nemen voor het herstel van deze visstand.
Gérard Deprez (ALDE),schriftelijk.–(FR) Ik wens een duidelijke uitleg te geven over mijn stem betreffende het verslag over een herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.
Gezien de kritieke stand van de blauwvintonijnbestanden reageert de Unie, middels de verordening als volgt:geleidelijke vermindering van de vangstquota, beperking van de visperioden en versterking van de controles op de illegale vangsten.Ik steun deze voorstellen.
Toch ben ik enigszins pessimistisch.
Ten eerste, omdat wetenschappers reeds bekend hebben gemaakt dat de bepalingen van deze verordening onvoldoende zijn om de bestanden op peil te houden.Volgens hen, zouden er quota ingesteld moeten worden die de jaarlijks door de ICCAT (Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen) vastgestelde vangstcijfers overtreffen.Ik ben geneigd hen te geloven, en ik heb derhalve mijn steun betuigd aan het door De Groenen ingediende amendement 13.
Vervolgens, gezien de aanwezigheid in de Middellandse Zee van vloten van derde landen zoals Libië, Turkije, Tunesië, Japan en China die geen lid van de ICCAT zijn, is het duidelijk dat de verordening bij nader inzien slechts resultaten zal boeken als die landen instemmen met de bepalingen ervan, hetgeen nog niet het geval is.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) De vaststelling van een EU-meerjarenherstelplan voor blauwvintonijn is de omzetting in de praktijk van een van de maatregelen die door de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen werden goedgekeurd.
Het plan voorziet onder andere in een geleidelijke verlaging van de vangstquota, gesloten seizoenen, een verhoging van de minimummaat en een waarnemingsregeling aan boord van visservaartuigen en in kweekkooien.
De aangenomen aanbeveling voorziet ook in een financiële compensatie voor vissers tijdens het gesloten seizoen zodat de vloot en de tewerkstelling in de sector kunnen worden behouden.
Wij denken dat het ook belangrijk is om de controle te verbeteren en regelmatig het vangstvolume door de verschillende vaartuigen te herzien om te vermijden dat sommige landen de toegelaten quota's zouden overschrijden ten nadele van andere, zoals nu gebeurt. U zult zich wel herinneren dat het visserijseizoen van de blauwvintonijn gesloten was van september tot december omdat er werd vermoed dat sommige landen de quota’s al hadden overschreden. Dit bleek achteraf ook het geval te zijn.
Ten slotte betreuren wij dat ons voorstel werd verworpen waarin wij benadrukten dat dankzij kleinschalige kust- en traditionele visserij niet alleen duizenden banen worden gecreëerd, maar dat ook de visserij op een duurzame manier kan worden geëxploiteerd.
David Martin (PSE),schriftelijk.−(EN) Ik heb voor dit voorstel voor een verordening van de Raad gestemd waarin een plan is uitgestippeld voor het herstel van de blauwvintonijnbestanden in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.Volgens het voorstel zullen vissers compensatie krijgen voor verliezen door gesloten seizoenen en quotabeperkingen die bedoeld zijn om de bestanden zich te laten herstellen.Er wordt aanbevolen om geen afwijkingen ten aanzien van seizoenen of minimumafmetingen toe te staan.Vastberaden actie is nodig om ervoor te zorgen dat deze visbestanden niet onherstelbaar uitgeput raken.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) Wij hebben tegen deze resolutie gestemd, want zij neemt de belangrijkste aspecten van het neoliberale beleid op communautair niveau over en probeert deze op wereldniveau toe te passen.
Deze resolutie wil flexiezekerheid ontwikkelen en integreren in de nationale hervormingsprogramma’s van alle lidstaten en wil de echte gevolgen en doelstellingen verbergen van de Lissabonstrategie en de richtsnoeren voor het economisch en tewerkstellingsbeleid, voornamelijk de daarmee verbonden liberaliseringen en privatiseringen.
Wij kunnen geen resolutie aannemen die een externe dimensie van de Lissabonstrategie wil creëren en in het bijzonder de marktliberalisering op wereldniveau wil bevorderen waardoor het accent komt te liggen bij een neoliberaal beleid en inmenging in de economie van derde landen.
In haar mededeling over haar bijdrage aan de oktoberbijeenkomst van staatshoofden en regeringsleiders zegt de Commissie dat de herintroductie van de Lissabonstrategie voor groei en banen een succes was, maar zij had eraan moeten toevoegen: “voor de grote nationale en internationale economische en financiële groepen”. Zij hebben immers hun winsten exponentieel zien groeien, maar de werknemers hebben hun rechten zien afnemen.
Timothy Kirkhope (PPE-DE),schriftelijk.−(EN) Mijn Britse conservatieve collega’s en ik zijn er vast van overtuigd dat de lidstaten van de Europese Unie beleid nastreven dat de concurrentiepositie van Europa in de wereldeconomie zal versterken.Wij zijn van mening dat Europa de agenda van Lissabon moet voortzetten door een overeenkomst in de wacht te slepen bij de wereldhandelsbesprekingen, waarbij verdere deregulatie wordt bevorderd zodat de industrie en de zakenwereld vrijelijk kunnen concurreren op de wereldmarkten, de liberalisering in de interne markt vooruitgeholpen wordt, de dienstenrichtlijn effectief ten uitvoer wordt gelegd en een gezond concurrentiebeleid wordt gevoerd.Dit alles moet ondersteund worden met een onwrikbare gecommitteerdheid aan vrije handel en open markten.Een aantal van deze aspecten zijn aanwezig in deze ontwerpresolutie en wij juichen dit toe.
Desalniettemin, denken wij dat deze gezamenlijke ontwerpresolutie over de gehele linie helaas een enorme gemiste kans is.De grondbeginselen van een EU-benadering voor globalisering, zoals hiervoor uiteengezet, zouden erin moeten zijn vastgelegd, maar dat is niet het geval.Deze ontwerpresolutie bevat aspecten die Europa niet de goede kant op sturen om succesvol te kunnen concurreren in de wereldeconomie.
Marie-Noëlle Lienemann (PSE),schriftelijk.–(FR) Deze resolutie had de gelegenheid moeten zijn om enkele urgenties te bevestigen en te verduidelijken wat het Europees Parlement concreet verwacht van de instellingen van de Europese Unie om te zorgen voor een opleving van de groei, een sociale vooruitgang in de 27 Europese landen, evenals de ontwikkeling van de ontwikkelingslanden.
Niets van dit alles, en altijd hetzelfde liedje over de zegeningen van de mondialisering!Niets over een democratisch tegenwicht voor de ECB die een monetair beleid oplegt dat gunstig is voor het bedrijfsleven en de werkgelegenheid.Niets over een strategie om de ontvankelijkheid van de EU voor hedge funds en sovereign wealth funds tegen te gaan.Niets over de communautaire voorkeur en strikte oplegging van milieunormen of sociale normen volgens het Internationaal Arbeidsbureau.Niets over de onmisbare ontwikkelingshulp voor de mede-ontwikkeling.
Hoe kan men zich dan nog verbazen over de zwakke groei van Europa, de sociale problemen en de argwaan van de bevolking?
David Martin (PSE),schriftelijk.−(EN) Ik heb voor deze samengestelde resolutie gestemd die een reactie is op het document van de Commissie ‘Het Europese belang:slagen in het tijdperk van globalisering’.In de resolutie wordt een aantal manieren naar voren gehaald waarop de Unie de kansen die globalisering biedt, kan benutten:het bevorderen van een gelijk speelveld in concurrentie- en handelskwesties; het verbeteren van de EU-beleidsvorming zodat die meer geharmoniseerd wordt; en het accent op de nodige versterking van de sociale dimensie van de EU.
Peter Skinner (PSE),schriftelijk.−(EN) Ik ben verheugd over deze resolutie waarin de aandacht wordt gevestigd op een reeks onderling verbonden kwesties – van sociale rechten tot en met financiële regelgeving en de mate waarin de burger tengevolge van de zich uitbreidende markten tussen de bomen het bos nog kan zien.Er moet evenwicht komen tussen de voorwaarden voor een liberale markt en bijvoorbeeld de behoeften van ontwikkelingslanden en het is absoluut noodzakelijk dat wij steeds opnieuw hierover met elkaar blijven debatteren.
Bart Staes (Verts/ALE),schriftelijk.– (NL) Europa zal er niet in slagen de toenemende armoede en de opwarming van de aarde – dé grote uitdagingen van de globalisering – tegen te gaan, als het voortdurend de liberalisering voorop stelt.Het is net de vrijhandel die deze problemen creëert.De globalisering wekt de illusie dat het algemene welvaartspeil in de wereld stilaan verhoogt, maar tegelijk stel ik vast dat de kloof tussen arm en rijk in de lidstaten gestaag groeit.Liberalisering is bovendien de oorzaak van de grote milieuramp waar we naartoe gaan, als niet gauw doortastende en afdwingbare maatregelen worden genomen tegen de opwarming van de aarde.
Het is onverantwoord crimineel geen krachtdadiger beleid op dit gebied te voeren.Investeren in een energie-efficiënte economie en tewerkstelling in die richting creëren is nochtans een beloftevol verhaal.Het principe van “de vervuiler betaalt” wordt te veel genegeerd.Als groen parlementslid mis ik deze insteek.
Als Europa een eengemaakte markt wil zijn waar mensen, goederen, diensten en kapitaal zich vrij verplaatsen, dan mag Europa ook wel hoge sociale en milieunormen bepalen die bescherming bieden en een voorbeeld zijn voor de rest van de wereld.
De voorgestelde tekst blijft vaag en oppervlakkig en typeert eens te meer het beleid van de Commissie.
- Resolutie:de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG (B6-0462/2007)
Mario Borghezio (UEN).-(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het zou echt hypocriet zijn als het Parlement enerzijds met een overgrote meerderheid achter het mondelinge amendement van mevrouw Angelilli staat, waarin deelneming en steun van het Europees Parlement wordt uitgedrukt aan de familie van een slachtoffer van zo’n zinloze en ernstige misdaad in ons land, maar anderzijds geen duidelijk standpunt kan innemen om deze daden, deze afslachting van eerlijke burgers door gebrek aan controle te voorkomen.
Niemand in Italië wil xenofobisch worden, zeker niet tegenover bijvoorbeeld de Roemeense bevolking die, zoals een hoofdartikel in de krant L'Avvenire ons eraan herinnerde, artiesten voortbracht zoals Mircea Eliade, Ionesco en Cioran. Dit een grote beschaving en een die nauw verbonden is met de onze. De instroming van criminelen, en voornamelijk de komst van Romagroepen, is een volledig andere zaak. Voor hen zijn grenscontroles en afschrikmiddelen nodig, zoals het gebruik van een herkenningssysteem voor vingerafdrukken zodat wij weten wie ons land binnenkomt en zo mogelijk waarom en, nog belangrijker, zodat wij de exacte datum weten waarop zij zijn binnengekomen.
Hoewel wij geen draconische maatregelen in Europa willen invoeren, moeten wij de exacte datum weten waarop deze mensen zijn binnengekomen als wij controles willen uitvoeren na drie maanden. Dit is, zoals de heer Amato in het Italiaanse Huis van Afgevaardigden zei, momenteel niet het geval.
Robert Evans (PSE).-(EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb voor deze resolutie gestemd omdat ik erken dat het vrije verkeer van personen een grondbeginsel van de Europese Unie is dat door alle lidstaten gerespecteerd en verdedigd moet worden.
Bovendien denk ik dat het goed is dat wij opnieuw benadrukken dat de EU daadwerkelijk gegrondvest was op maatregelen om alle vormen van racisme en xenofobie en alle vormen van discriminatie te bestrijden.Evenzo dienen wij allen in dit Huis te erkennen dat de Roma misschien wel het meest gediscrimineerde volk van Europa zijn, in sommige landen tot een volstrekt onaanvaardbaar niveau.Wij moeten inzien dat de assimilatie, sociale integratie en bescherming van de Roma-minderheid doelstellingen zijn die de Europese Unie nog moet bereiken.Ik denk dat dit een doelstelling is waarvoor wij ons allen moeten inzetten - ook in de gedachte van het vrije verkeer.
Carlo Fatuzzo (PPE-DE).-(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik heb tegen de resolutie inzake vrij verkeer in de Europese Unie gestemd die door de centrumlinkse fracties werd ingediend en ik zal straks uitleggen waarom. Ik wil eerst verklaren dat ik absoluut en volledig voor het voorstel ben van de heer Mantovani om de toegang tot de EU, en dus Italië, te blokkeren voor niet-EU-burgers gedurende drie jaar. Ik ben een sterke voorstander van het recht op vrij verkeer voor werknemers, burgers en toeristen voor EU-burgers, op voorwaarde dat dit geen aanleiding is tot moorden.
Het is onvoorstelbaar dat een 45-jarige vrouw omkomt als zij na haar werk huiswaarts keert en dat een dokter die binnen enkele dagen met pensioen zou gaan, tijdens een inbraak in zijn huis in Milaan wordt gedood. Dit zijn twee gebeurtenissen die de voorbije dagen in Italië plaatsvonden. Dit is geen vrij verkeer!
Marian-Jean Marinescu (PPE-DE).-(RO) Ik heb voor de resolutie inzake vrij verkeer gestemd die door de PSE-, ALDE-, Verts- en GUE/NGL-Fracties werd ingediend, hoewel zij slechts gedeeltelijk voldoet aan de doelstellingen waarvoor deze resolutie naar mijn mening moest worden opgesteld.
Ik ben van mening dat de resolutie een duidelijkere steun zou moeten verwoorden aan de Europese burgers die in een ander land dan hun thuisland verblijven en een onvoorwaardelijke steun aan de Roemeense burgers die in Italië wonen en de Italiaanse wetten gehoorzamen.
De aangenomen tekst veroordeelt de xenofobische houding tegenover Roemeense burgers niet en refereert niet aan de grotere spanningen tussen de Roemeense gemeenschap in Italië en het Italiaanse volk, die ook gevoed worden door de slechte uitvoering van het decreet van de Italiaanse Commissie van ministeries en uitspraken van bepaalde Italiaanse politici.
Ik ben ook van mening dat, zoals in de gezamenlijke resolutie van de PPE-DE- en UEN-Fractie staat vermeld, deze situatie kon worden voorkomen als de Italiaanse overheid de wettelijke bepalingen correct had uitgevoerd.
Ik verzoek de Europese Commissie en de Italiaanse overheid om ook de bepalingen in de gezamenlijke resolutie van de PPE-DE- en UEN-Fractie in overweging te nemen want de tekst die vandaag werd aangenomen, bevat deze bepalingen niet.
Frank Vanhecke (NI). – (NL) Voorzitter, het wordt eigenlijk zotter en zotter.Nu acht dit Parlement het met een meerderheid zowaar nodig om het Italiaanse volk en de Italiaanse regering eigenlijk te beschuldigen van xenofobie.Daarenboven wordt in de resolutie gesteld dat de aanpak door de Italiaanse regering van het probleem met de criminaliteit van massaal aanwezige Roemeense zigeuners heeft bijgedragen tot het oplopen van spanningen.Italië heeft het dus eigenlijk allemaal aan zichzelf te wijten en had maar moeten deelnemen aan de programma's van het Europees Sociaal Fonds ter integratie van Roma-mensen.
Laat me hier toch duidelijk zeggen dat het Italiaanse volk en de Italiaanse regering het recht hebben om zichzelf te verdedigen en dat wat gebeurd is, vooral aantoont dat de richtlijn onaangepast is en dat de uitzetting vergemakkelijkt moet worden van criminelen – ik leg daar de nadruk op –, niet van brave mensen die werken om in hun kosten te voorzien, maar uitzettingen van criminelen moeten vergemakkelijkt worden, in plaats van bemoeilijkt.
David Martin (PSE),schriftelijk. – (EN)Ik heb voor deze gezamenlijke resolutie gestemd, waarin wordt vermeld dat het recht op vrij verkeer een grondrecht is voor alle EU-burgers. Lidstaten hebben de plicht te zorgen voor de burgers van andere lidstaten die op hun grondgebied wonen en waardigheid en respect voor de rechten van alle burgers van de Unie te garanderen, ongeacht hun woonplaats.
Luca Romagnoli (NI) , schriftelijk.−(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik ben sterk gekant tegen deze ontwerpresoluties en ik wil mijn verzet kenbaar maken. De oorzaak van dit alles is de laattijdige en onovertuigende actie van de Italiaanse regering. Zij heeft pas beseft dat Italië een crisis doormaakt na verschrikkelijke, door EU-burgers veroorzaakte incidenten.
In Richtlijn 2004/38/EG staat duidelijk het volgende: “Iedere burger van de Unie heeft het recht [...] op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland”.
Daarom lijken deze ontwerpresoluties zinloos en bevatten zij excuses. De Verdragen zorgen voor vrij verkeer van burgers binnen de EU en niemand wil op basis van zijn thuisland worden gediscrimineerd. Als EU-burgers echter ernstige, afschuwelijke, gewelddadige misdaden begaan in een andere lidstaat of als zij geen reden kunnen geven voor hun bezoek, zoals de Richtlijn voorschrijft, dan is het in het belang van de hele Unie dat zij kunnen worden teruggestuurd naar hun eigen land.
Silvia-Adriana Ţicău (PSE),schriftelijk. −(RO) Ik heb voor de resolutie inzake vrij verkeer gestemd, die was ingediend door de PSE-Fractie en andere fracties. Ik ben immers van mening dat het heel belangrijk is voor de huidige situatie in Italië dat er geen gevaarlijke precedenten worden gecreëerd en dat de naleving van de basisbeginselen van de Europese Unie niet ter discussie wordt gesteld.
Ik vind dat er voor deze situatie meteen een oplossing moet komen zodat de Europese burgers, ongeacht hun nationaliteit, niet kunnen worden gediscrimineerd.
De maatregelen die in de resolutie worden voorgesteld, zullen alle Europese burgers tegen misbruik beschermen. De EU moet ervoor zorgen dat al haar burgers en de Roemenen weten dat er solidariteit is tussen de Europese bevolking want er zijn duizenden Roemenen die in het buitenland werken en die gewaardeerd worden voor hun harde werk, eerlijkheid en stiptheid.
Het Handvest van de Unie moet aan het Hervormingsverdrag worden toegevoegd. Dit Handvest somt de basisrechten van de Europese burgers op: waardigheid, vrijheid, gelijkheid, solidariteit, burgerschap, rechtvaardigheid. De EU garandeert democratie, rechtsstaat, mensenrechten en de bescherming van minderheden. In deze context zullen de in de resolutie voorgestelde maatregelen bijdragen tot een betere integratie van de Romagemeenschap.
- Resolutie:de volledige toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis (B6-0448/2007)
Zita Pleštinská (PPE-DE).-(SK) Om te herhalen wat er in de ontwerpresolutie is gezegd, wil ik ook graag de Portugese regering feliciteren met haar voorstel voor een technische overgangsoplossing, het SISone4all. Hierdoor zullen de nieuwe lidstaten zich kunnen aansluiten bij het Schengen Information System 2007 totdat de Commissie het nieuwe Schengen Information System II heeft ingevoerd.
Ook mijn felicitaties aan de nieuwe lidstaten die tot het Schengengebied toetreden met hun enorme inspanningen om in zo’n korte tijd aan alle Schengenvereisten te voldoen. De uitbreiding van het Schengengebied met negen nieuwe staten op 21 december 2007 is ook een grote verdienste van het Europees Parlement dat actie heeft ondernomen om de originele datum te kunnen aanhouden. Daarom heb ik voor deze ontwerpresolutie gestemd.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) Wij hebben tegen deze resolutie gestemd omdat wij tegen de communautarisering van justitie en binnenlandse zaken zijn, een belangrijk beginsel van de soevereiniteit van staten. Het Hervormingsverdrag is een poging om de communautarisering van justitie en binnenlandse zaken in een gemeenschappelijk beleid te gieten.
Communautarisering is de teloorgang van de nationale soevereiniteit en wordt nog ernstiger als het wordt gepromoot met communautaire beleidslijnen en maatregelen. De rechten, vrijheden en zekerheden van de burgers, een teken van een betere beschaving en een democratische basis, komen hierdoor ernstig in gevaar.
Denk aan het restrictieve asielbeleid en de toenemende moeilijkheden waarmee asielzoekers te maken hebben in hun strijd om hun rechten en zekerheden. Kijk naar het immigratiebeleid met zijn aanpak dat op veiligheid is gericht, zijn criminalisering van illegale immigranten, zijn onmenselijke gesloten centra en repatriëringmaatregelen, en zijn discriminerende, uitbuitende en plunderende behandeling van mensen uit derde landen. Vergeet het toenemende gebruik van informatie niet en de steeds groeiende opslag van gegevens, zoals biometrische gegevens, die ook aan steeds meer instellingen worden doorgegeven, waaronder instellingen van derde landen, bijvoorbeeld de toegang van Amerikaanse instellingen tot gegevens van vliegtuigpassagiers.
- Resolutie:de situatie in Pakistan (B6-0472/2007)
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM),schriftelijk.− (SV) Het huidige politieke klimaat in Pakistan is zeker kritiek omdat de president de noodtoestand heeft afgekondigd en de mensenrechten duidelijk werden geschonden door vrijheidsberoving, geweld tegen vredesactivisten en mediacensuur. Wij verzetten ons hiertegen, maar ook tegen het Europees Parlement dat via deze resolutie opnieuw probeert om het onafhankelijke buitenlandse beleid van de lidstaten op EU-niveau te brengen.
De VN is het enige orgaan dat, namens zijn leden, de bekwaamheid en het gezag heeft om druk op de internationale gemeenschap uit te oefenen. Het is belangrijk om in Pakistan de stabiliteit en de vrede en het respect voor mensenrechten te herstellen, maar de EU zou deze taak niet van de lidstaten mogen afnemen.
Peter Skinner (PSE),schriftelijk.−(EN) Ik ben het ermee eens dat de afgekondigde noodtoestand (de facto het krijgsrecht) beëindigd moet worden en het burgerlijk recht met onmiddellijke ingang weer van kracht moet worden, en dat hierover gestemd moet worden.
Voor velen van ons die waarnemers zijn van de Pakistaanse politiek, is het deprimerend te ondervinden hoe erg getroffen de Pakistaanse gemeenschap zonder ons systeem van de kiesdistricten lijkt.
Een terugkeer naar een democratische procedure is noodzakelijk voor de geloofwaardigheid en de juiste voortgang van de Pakistaanse politiek.
- Resolutie:beperking van de mondiale klimaatverandering tot 2 graden Celsius - het beleid voor de Conferentie van Bali over klimaatverandering en daarna (COP 13 en COP/MOP3) (B6-0432/2007)
Eija-Riitta Korhola (PPE-DE).-(FI) Mijnheer de Voorzitter, onze fractie was van mening dat het amendement over de erkenning van de rol van kernenergie in onze verklaring over de klimaatconferentie een belangrijk onderdeel van deze resolutie was. Daarom zijn wij blij dat het Parlement dit heeft bevestigd door amendement 7 aan te nemen. Wij zijn niet de enigen die dit denken. De Werkgroep van de VN voor klimaat, de IPCC, bevestigde ook dat kernenergie een energievorm is met een geringe uitstoot. Wij mogen ook niet vergeten dat dit Huis een historische beslissing nam door het verslag van de heer Reul met 509 stemmen vóór aan te nemen. Het Europees Parlement zei toen dat kernenergie tegenwoordig de belangrijkste energiebron in de EU is met lage kooldioxide-emissies en benadrukte toen ook de rol hiervan in de strijd tegen de klimaatverandering.
Anderzijds gaat onze fractie niet akkoord met paragraaf 25 van deze resolutie omdat het naar onze mening onnodig is om het vreedzame gebruik van kernenergie in verband te brengen of te vergelijken met de verspreiding van kernwapens en de dreiging van terrorisme. In de atmosfeer is er immers niemand die oordeelt wat moreel goed is en wat niet, en die een bepaalde energievorm toelaat of met een andere sympathiseert om ideologische redenen. Enkel het feit dat vrij kan worden uitgestoten telt, maar die uitstoot wordt nu niet meer toegelaten. In elk geval wens ik te zeggen dat wij blij zijn dat dit Huis een duidelijke boodschap heeft gegeven voor de klimaatconferentie en dat het de ernst van de dreigende klimaatverandering heeft erkend.
Karin Scheele (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijn delegatie, de Oostenrijkse sociaal-democraten, hebben zich bij het verslag over de Bali-conferentie van stemming onthouden, om precies dezelfde reden als die van mevrouw Korhola.Wij steunen de andere politieke boodschappen van dit verslag.Het verslag is heel goed.Mijn delegatie kan niet ondersteunen dat kernenergie een noodzakelijk onderdeel van de bestrijding van klimaatverandering is.Ik ben ook van mening dat het aan de landen en continenten zelf overgelaten moet worden, welke strategie zij volgen.
Ik wil nog eenmaal de steun van mijn delegatie voor alle onderdelen van het verslag benadrukken, en ook dat kernenergieprojecten van het clean development mechanism zijn uitgesloten.Maar dit politieke signaal ten aanzien van kernenergie wilden wij niet meenemen.Daarom hebben wij ons van stemming onthouden.Om te tonen dat wij ons kunnen vinden in de andere onderdelen van het globaal goede verslag, hebben wij er niet tegen gestemd.
Bairbre de Brún, Jens Holm en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL),schriftelijk.−(EN) Wij steunen de resolutie betreffende de komende Bali-conferentie.In de resolutie worden verschillende belangrijke punten naar voren gebracht.Zo wordt onder meer de aanzienlijke hoeveelheid emissies afkomstig van de veeteelt toegelicht.Tevens wordt het belang benadrukt van relevante steun aan ontwikkelingslanden bij de preventie en beperking van de negatieve effecten van klimaatverandering.Wij steunen echter niet het voorstel dat kernenergie gezien moet worden als een noodzakelijk middel om klimaatverandering te voorkomen.
Edite Estrela (PSE),schriftelijk. – (PT) Ik heb voor de ontwerpresolutie van het Europees Parlement gestemd over beperking van mondiale klimaatverandering tot 2 graden Celsius - het beleid voor de Conferentie van Bali over klimaatverandering en daarna (COP 13 en COP/MOP3). Aangezien klimaatverandering vandaag een belangrijke uitdaging voor de maatschappij is, ben ik van mening dat het voor de Europese Unie fundamenteel is om haar leidende rol in de Conferentie van Bali te hernieuwen en dat het belangrijk is om een mondiale klimaatovereenkomst voor de periode na 2012 te bereiken.
Elisa Ferreira (PSE),schriftelijk. – (PT) Amendement 7 vernietigt volledig de geest van het compromis dat tijdens de onderhandelingen over de definitieve tekst werd bereikt. Het feit dat het werd aangenomen zorgt voor een fundamentele verandering in een tekst waarvoor in het Parlement een ruime consensus over de Bali-uitdagingen werd bereikt.
Daarom, en in het licht van die algemene doelstelling, en ondanks dat ik als schaduwrapporteur aan de socialistische partij heb gezegd dat ik vóór ging stemmen, kon ik niet anders dan mij uiteindelijk van stemming onthouden. Ik protesteer tegen twee aspecten: de toevoeging van bovengenoemd amendement 7 dat kernenergie steunt en de methode die de Fractie van de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese democraten hebben gebruikt voor het compromis dat tijdens de onderhandelingen over de tekst werd bereikt.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) Het is waar dat wij erg uitgesproken, snelle en onnatuurlijke klimaatveranderingen zien. Dit wordt veroorzaakt door veel factoren, maar voornamelijk door het roofzuchtige, neoliberale beleid. Wij hebben efficiënte maatregelen nodig om de menselijke samenleving aan de nieuwe levensomstandigheden aan te passen.
De klimaatveranderingen die in meerdere wetenschappelijke, geloofwaardige en onderbouwde scenario’s worden voorspeld, zouden, afhankelijk van de maatregelen die intussen worden genomen, snel en plots kunnen plaatsvinden.
Er moeten dringend grondigere, bredere maatregelen worden genomen om nog ernstigere problemen, zelfs menselijke tragedies en milieurampen, in de toekomst te voorkomen.
Wij benadrukken echter ook dat het neoliberaal beleid op Europees en mondiaal niveau moet worden gestopt. De grootmachten en multinationals zullen anders hun eigen belangen blijven opdringen en winsten behalen door de exploitatie van natuurlijke hulpmiddelen en door internationale handel, zoals de emissiehandel. Dit zal een enorm averechts effect hebben op de evenwichtige menselijke ontwikkeling.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM),schriftelijk.− (SV) Milieuproblemen zijn grensoverschrijdend en daarom is de klimaatconferentie van de VN een belangrijke, diplomatieke gelegenheid voor veranderingen op wereldniveau. In de desbetreffende resolutie wil de EU de lidstaten onder één noemer plaatsen om de onderhandeling tijdens de conferentie te kunnen sturen in de volgens de EU juiste richting.
De klimaatverandering beperken is een goede doelstelling, maar het is jammer dat de EU het mondiale milieubeleid wil ombuigen tot buitenlands beleid, terwijl wij aan derde landen en lidstaten voorschrijven hoe hun nationaal klimaatbeleid er zou moeten uitzien. De Zweedse partij Junilistan meent dat elk land zijn eigen stem moet kunnen uitbrengen op de klimaatconferentie en daarom hebben wij tegen deze resolutie gestemd.
David Martin (PSE),schriftelijk.−(EN) Ik heb voor deze resolutie van de Commissie klimaatverandering gestemd, waarin het voorgestelde onderhandelingsstandpunt van de EU wordt uiteengezet voor het begin van de besprekingen over de toekomst van samenwerking op het gebied van globale klimaatverandering na 2012. Er wordt een verstandig en vooruitstrevend EU-standpunt uiteengezet, te weten het terugdringen van emissies van broeikasgas wereldwijd, rekening houdend met het sociale effect van klimaatverandering, de gewenste bedoeling van de EU om de opwarming van de aarde tot maximaal 2 graden C te beperken en de wezenlijke behoefte aan een wereldwijde buy-in procedure.
Mairead McGuinness (PPE-DE),schriftelijk.−(EN) Namens de “Fine Gael”-delegatie (EPP-ED): De“Fine Gael”-leden hebben voor deze ontwerpresolutie gestemd, omdat wij het belangrijk vinden dat wij vóór de Bali-conferentie weten wat het standpunt van het Europees Parlement over klimaatverandering is.Wij hebben echter tegen amendement 7 gestemd, omdat wij traditioneel tegen kernenergie gekant zijn.
Peter Skinner (PSE),schriftelijk.−(EN) Ik wil de rapporteurs bedanken voor het verslag over deze kwestie dat de meest belangrijke problemen van deze tijd in beeld brengt.
Emissielimieten en reductiedoelstellingen en daarnaast alternatieve, niet op koolstof gebaseerde energieproductie, zoals door de EU afgesproken, zijn volgens de rechtspraak in sommige derde landen niet toegestaan.Maar deze conferentie kan een grote bijdrage leveren aan het harmoniseren en coördineren van internationale actie.
Silvia-Adriana Ţicău (PSE),schriftelijk.−(RO) De resolutie over de beperking van de klimaatverandering tot twee graden Celsius is een heel belangrijk document voor onze toekomst en daarom heb ik voor de aanneming van deze resolutie gestemd.
Klimaatverandering is een belangrijke uitdaging met catastrofale gevolgen voor het milieu en de menselijke gemeenschappen.
Wij hebben te maken met een probleem dat met maatregelen op korte, middellange en lange termijn moet worden opgelost. Klimaatveranderingen hebben al desastreuze gevolgen voor landbouw, hydrologische systemen, bossen, fauna en flora. Landen zoals Griekenland, Roemenië, Bulgarije, Spanje en Portugal hebben te maken gehad met periodes van droogte en met overstromingen.
De EU moet haar leidende rol bij het terugdringen van klimaatveranderingen opnieuw bevestigen. De financiële mechanismen om de waterreserves te beschermen, ontbossing te vermijden en niet-vervuilende technologieën te promoten, zouden moeten worden uitgebreid en toegankelijk worden gemaakt voor de lidstaten.
Wij moeten de lidstaten zelf laten bepalen met welke energiemix zij in hun energiebehoeften voorzien. De lidstaten die kernenergie produceren, moeten ook instaan voor de veiligheid van hun installaties en met name voor een goed afvalbeheer. Er moeten middelen komen voor het nodige onderzoek om de afvalberg te verkleinen en de veiligheid van de installaties te verhogen.
- Verslag-Raimon Obiols i Germà, Charles Tannock (A6-0414/2007)
Frank Vanhecke (NI). – (NL) Voorzitter, ik wil zeker geen afbreuk doen aan het zeer degelijke werk van onze beide collega's rapporteurs van dit verslag over het Europees nabuurschapsbeleid, maar ik wil toch vaststellen dat dit verslag een hiaat vertoont, doordat erin is nagelaten te wijzen op de immense uitdaging van de immigratie uit het zuiden, waarbij naar mijn mening ook de Noord-Afrikaanse landen zelf een enorme verantwoordelijkheid dragen.
Ik had in dit verslag graag een pleidooi gezien voor een gezamenlijk beleid van de landen van de Europese Unie met de landen van Noord-Afrika ter bestrijding van illegale immigratie, waarbij de Noord-Afrikaanse landen zelf ten volle voor hun verantwoordelijkheid zouden worden geplaatst en goede nabuurschapsbetrekkingen en financiële en materiële steun vanuit de Europese landen afhankelijk zouden worden gemaakt van een goodwill, van een gezamenlijke aanpak van deze enorme uitdaging.
Dit ontbreekt in dit verslag.Het is volgens mij fundamenteel en daarom heb ik mij onthouden.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) Naar aanleiding van het besluit om nieuwe en belangrijke stappen te nemen op het gebied van de integratie van het Europese kapitalisme, meer bepaald voor wat betreft de zogenaamde “rol van de EU in de wereld” hetgeen tot uitdrukking komt in het lopende “grondwettelijke” project - dat in het “Hervormingsverdrag” weer tot leven komt – alsmede in de huidige EU-beleidslijnen, gaat de meerderheid van het EP een verslag goedkeuren inzake de versterking van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), dat u zeker moet lezen.
Alle twijfels die u mocht hebben over de werkelijke doelstellingen en ambities van de EU voor het nabuurschapsbeleid, zullen na het lezen van dit verslag verdwijnen. Het komt eigenlijk neer op een programma voor inmenging in en controle over het hele Middellandse Zeegebied, het Midden-Oosten, Centraal-Azië en Oost-Europa. Het is een programma met doelstellingen als: “het op gang brengen en versterken van het streven van de regeringen van de ENB-landen naar politieke en economische hervorming”; de assimilatie door deze landen van het gemeenschappelijke beleid van de EU en hun aansluiting bij “het buitenlands beleid van de EU” en “de totstandbrenging van een vrijhandelszone”.
Het verslag pleit ook voor “meer gezamenlijke acties tussen de EU en de Verenigde Staten” voor “de bevordering van democratie, verbetering van de energiezekerheid en versterking van de regionale veiligheid in de buurt van de EU”, een punt dat zo transparant is dat het werd afgezwakt tijdens de stemming in de plenaire vergadering.
U kunt het best het verslag maar lezen...
Janusz Lewandowski (PPE-DE),schriftelijk. − (PL) Het Nabuurschapsbeleid krijgt een nieuwe betekenis net wanneer verdere uitbreiding van de Europese Unie uit de mode geraakt. Het mediterraan nabuurschap verschilt van het Oost-Europees nabuurschap, want in Oost-Europa zijn er veel landen die niet meer tot de invloedssfeer van het sovjetgebied behoren en openlijk verklaren dat zij wensen toe te treden tot de Europese Gemeenschap. Zoals Polen, Hongaren en Litouwers goed zullen begrijpen, strookt dan elke andere vorm van verbondenheid niet met de nationale ambities want de richting waarin deze landen op politiek en economisch gebied willen evolueren, kan dan minder worden beïnvloed, terwijl evenmin de versterking wordt gestimuleerd van een staatsvorm die is gebaseerd op democratie, rechtsstaat, economische marktbeginselen en een oprecht respect voor de burgerrechten.
Gezien vanuit het standpunt van een land aan de grens van de Europese Unie, zoals Polen, lijkt het beste beleid om zoveel mogelijk open te staan voor de ambities van landen net over onze oostgrens. De creatie van een stabiel gebied rond de Europese Unie en het inperken van demagogie die welig tiert in jonge democratieën, staan hiermee duidelijk in verband.
Ook is een budgettaire inspanning gerechtvaardigd op basis van het ENPI (Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument), het nieuwe instrument dat de Tacis- en Meda-programma’s moet vervangen en dat de gewenste processen in ons werelddeel ondersteunt. Tot op heden werd het Oost-Europees nabuurschap minder gefinancierd dan het mediterraan nabuurschap. Hoe groter de Europese Unie, hoe groter onze verantwoordelijkheid voor het oude continent zal worden.
Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Het verslag over het Europees nabuurschapsbeleid geeft een opsomming van de manieren en middelen voor imperialistische inmenging in buurlanden. Dit kadert in de algemene imperialistische strategie van de EU wereldwijd. Zoals gewoonlijk gebruikt het verslag “democratische hervormingen” en “democratisering” in de buurlanden als het meest geschikte excuus om dwang en druk uit te oefenen op regeringen die zich niet naar de beleidslijnen schikken. Dit dient om de acties van de vele organisaties van het maatschappelijk middenveld te steunen en te financieren, zodat zij hun ondermijnende rol in deze landen verder kunnen uitvoeren en de interventionistische plannen van de EU kunnen promoten.
Het Europees Parlement roept de buurlanden op om deel te nemen aan het anti-immigratiebeleid van de EU door sterkere onderdrukkingsmaatregelen te nemen tegen immigranten. Het roept hen op om nauwer samen te werken met alle onderdrukkingsmechanismen van de EU, zoals Europol en het grensbeschermingsagentschap Frontex; het Parlement neemt hen op in de EU-plannen om de democratische vrijheid te beperken en volksbewegingen neer te halen, zogezegd om terrorisme te bestrijden. Het Parlement vraagt openlijk om “gezamenlijke acties tussen de EU en de Verenigde Staten bij het streven naar gemeenschappelijke doelen”, zoals gezamenlijke imperialistische interventie en het delen van de buit.
Het is in het belang van de mensen om de imperialistische plannen van de EU en de VS op dit gebied te weerstaan en deze te vernietigen, en om hun strijd voor nationale onafhankelijkheid en volkssoevereiniteit te versterken.
Pierre Schapira (PSE),schriftelijk.–(FR) De versteviging van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), zoals uitvoerig toegelicht in het verslag, moet gaan via een verdieping van de samenwerking tussen de landen aan weerskanten van de Middellandse Zee, via meer dialoog tussen de landen, de lokale overheden en de vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld.Het is eveneens noodzakelijk erop te wijzen dat het ENB de door het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie bepaalde koers moet respecteren.In feite zijn alle landen ten zuiden en ten oosten van de Middellandse Zee ontwikkelingslanden volgens de door het Comité voor ontwikkelingssamenwerking van de OESO opgestelde officiële lijst.In dit opzicht moet de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling een prioriteit zijn voor actie van de Unie in het gebied.
Miroslav Mikolášik (PPE-DE).-(SK) Ik ben er voorstander van om de relatie met Oekraïne te versterken en ik steun een verder gestructureerde dialoog met dit land, dat in het oosten onze rechtstreekse buur is.
Tijdens de laatste verkiezingen heeft Oekraïne een grote vastberadenheid getoond om democratische veranderingen uit te voeren. Het land besliste om door te gaan met een duidelijk pro-Europese, moderne en progressieve coalitie. Wij mogen ook niet vergeten dat Oekraïne een uitgestrekt land is met aantrekkelijke economische mogelijkheden en een serieuze partner in economische betrekkingen. Het was hoog tijd dat wij een overeenkomst tekenden met Oekraïne over economische samenwerking, over een vrijhandelszone. Wij moeten inspelen op het feit dat Oekraïne tot de Wereldhandelsorganisatie gaat toetreden.
Ik steun de oprichting van een betrouwbaar doorvoersysteem voor energie tussen Oekraïne en de EU volledig. Ik ben een groot voorstander van samenwerking op het gebied van landbouw en milieu, maar ik zou de meeste nadruk willen leggen op wetenschappelijke samenwerking en samenwerking op het gebied van onderwijs en op de versterking van kenniseconomie.
Zita Pleštinská (PPE-DE).-(SK) Oekraïne is een strategisch belangrijk buurland van de EU en een natuurlijke “brug” die de EU met Rusland en Centraal-Azië verbindt. Het is een groot land dat sinds de Oranjerevolutie op weg is naar democratie. Oekraïne is een belangrijke partner geworden in het nabuurschapsbeleid van de Europese Unie.
Onze samenwerking met Oekraïne moet verbeteren en wij moeten alle mogelijke diplomatieke en politieke steun geven aan de toetreding van Oekraïne tot de WTO. Wij moeten zo snel mogelijk onderhandelingen starten over de vrijhandelszone zodat wij zo snel mogelijk een ambitieuze overeenkomst kunnen tekenen. Wij weten allemaal hoe ingewikkeld de situatie in Oekraïne is: het is een zeer jonge en kwetsbare democratie. Vandaag heeft het land te kampen met een strategische beslissing: evolueren richting Rusland of richting de Europese Unie?
Daarom komt het uitstekende evenwichtige verslag van de rapporteur, de heer Zaleski, op het moment dat Oekraïne een duidelijk Europees perspectief nodig heeft. Ik juich dit verslag toe en geef het mijn onmiskenbare steun tijdens de stemming. Ik geloof dat het land na de vervroegde parlementaire verkiezingen in staat zal zijn om een regering te vormen die Oekraïne nog dichter bij ons gemeenschappelijk Europees huis zal brengen.
Czesław Adam Siekierski (PPE-DE).– (PL) Mijnheer de Voorzitter, de Europese Unie zou de intentie moeten hebben om sterkere en hechtere relaties op te bouwen met Oekraïne. Het verslag van de heer Zaleski, dat wij hebben aangenomen, bevat veel suggesties over hoe wij dit kunnen doen.
Oekraïne zou onze strategische partner moeten zijn, niet alleen omwille van de specifieke geografische ligging en omvang, maar voornamelijk omdat het in die streek een belangrijke rol speelt in de betrekkingen met Rusland en de Centraal-Aziatische staten. Daarom is het in het belang van de EU om de economische en politieke banden met dit land te versterken en te ontwikkelen.
Wij beseffen allemaal hoeveel werk de Oekraïners voor de boeg hebben om westerse normen te bereiken in hun economie, in hun levensstandaard en sociale kwesties en in de versterking van hun democratische staatssysteem. De EU zou hulp moeten bieden zodat Oekraïne deze doelstellingen kan behalen. Zo zou de EU een vrijhandelsovereenkomst met Oekraïne kunnen afsluiten en het land kunnen helpen met zijn toetreding tot de WTO. Dit zou de markteconomie, democratie en burgerstaat versterken, wat Oekraïne dichter bij het EU-lidmaatschap brengt.
De EU en Oekraïne samenbrengen is een lang en moeilijk proces. Het is er een dat zich op verschillende niveaus afspeelt, maar het is hoe dan ook noodzakelijk. Om beide partijen samen te brengen, moet Oekraïne doorgaan met de economische en sociale hervormingen waarmee het is begonnen, zijn pro-Europees beleid voortzetten en de democratie versterken. De EU van haar kant moet een sterk signaal uitsturen om te tonen dat Oekraïne tot de EU kan toetreden.
Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM),schriftelijk. − (SV) De Zweedse partij Junilistan verwelkomt een grotere handel en intensere economische betrekkingen met Oekraïne. Deze ontwikkeling brengt op korte en lange termijn voordelen voor beide partijen. Wij merken echter dat de achterliggende doelstelling van dit verslag niet enkel de ontwikkeling van de economische betrekkingen is, maar ook het voeren van een buitenlands beleid voor de EU. De toon van het verslag is duidelijk dictatoriaal en de samenwerkingsvoorstellen die worden gedaan, zijn bijna uitsluitend gebaseerd op de voorwaarden van de EU en zetten de eigen belangen van de EU op de voorgrond. Daarom heeft de Zweedse partij Junilistan tegen het verslag gestemd.
David Martin (PSE),schriftelijk.−(EN) Ik heb voor dit verslag gestemd, waarvoor ik schaduwrapporteur was van de socialistische fractie. In het verslag worden de gebieden vermeld waarop de EU en Oekraïne hun betrekkingen nauwer moeten aanhalen en komen de volgende onderwerpen aan de orde: een vrijhandelszone met de Oekraïne, de energieleveranties en de betrekkingen met Rusland. Ik wil graag stevigere en nauwere betrekkingen tussen de EU en de Oekraïne zien, waarvan handels- en economische betrekkingen wezenlijk deel uitmaken.
Pedro Guerreiro (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) De EU-betrekkingen met Oekraïne vallen onder het Europees nabuurschapsbeleid, dat, zoals in het verslag wordt benadrukt, tot doel heeft de ontwikkeling van de markteconomie, met andere woorden het kapitalisme, in de buurlanden van de EU te steunen.
Het verslag heeft tot doel de ondertekening van een vrijhandelsovereenkomst (FTA), dat wil zeggen de integratie van Oekraïne “in de interne markt van de EU” door de “geleidelijke aanneming van het acquis van de Gemeenschap door Oekraïne”.
Dus het verslag:
- “verzoekt Oekraïne […] meer aandacht te besteden aan marktliberalisering door het succesvol uitvoeren van het privatiseringsproces, het ontmantelen van monopolies” (lees: overheidsbedrijven) “en de onafhankelijkheid van de nationale bank van Oekraïne te waarborgen”;
- “stimuleert de harmonisatie en convergentie van normen in de landbouw-, industrie- en dienstensector” door “conform de Gemeenschapsnormen” te zijn, en brengt, in het kader van de “de voorwaardelijke aansluiting van Oekraïne bij de ‘gemeenschappelijke economische ruimte’ met Rusland en andere voormalige sovjetrepublieken” in herinnering “dat sommige bepalingen in de overeenkomst van voormalige sovjetrepublieken – wanneer ze volledig worden toegepast – mogelijk onverenigbaar zijn met de totstandkoming van een functionerende vrijhandelszone met de EU”. Geloof het of niet, zoals de rapporteur verklaart, zou een overeenkomst met Rusland “Oekraïne elke vorm van werkelijke economische soevereiniteit ontnemen en de onafhankelijkheid van het land ernstig onder druk zetten”.
Daarmee is genoeg gezegd...
- Resolutie:het antwoord van de EU op onstabiele situaties in ontwikkelingslanden (B6-0476/2007)
Pedro Guerreiro (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) Sommige trends vinden wij zeer zorgwekkend en extreem negatief, zoals deze die tot op zekere hoogte de humanitaire benadering van de EU in de toekomst vormt. Zij nemen de vorm aan van initiatieven zoals het antwoord van de EU op kwetsbare situaties in ontwikkelingslanden of de Europese consensus over ontwikkeling, die voornamelijk gericht zijn op Afrikaanse landen maar ook op Caraïbische landen en landen in de Stille Oceaan.
Een analyse van deze initiatieven onthult dat de kern ervan is om “ontwikkeling” erin op te nemen als een van de externe dimensies om de strategische doelstellingen van de grootmachten van de EU (GBVB/EVDB) te bereiken. Dit komt neer op de bevordering van “ontwikkeling” als een instrument voor inmenging in en controle op een strategie die, veelbetekenend, “militaire dwang” niet uitsluit.
En dus bestaat er een volledig programma en een hele reeks instrumenten die, volgens ons, de grenzen tussen hulp en inmenging doen samensmelten en verwarren, bijvoorbeeld in fundamentele kwesties als “state-building”.
Wij moeten absoluut dringend solidariteit betuigen met veel landen die rampzalige situaties hebben overgeërfd van het kolonialisme en die het slachtoffer zijn van tientallen jaren inmenging. Maar opdat zulke solidariteit efficiënt kan zijn, moet zij gebaseerd zijn op respect voor de beginselen van nationale soevereiniteit en onafhankelijkheid en op een efficiënt en oprecht beleid van ontwikkelingshulp en samenwerking.
Carlo Fatuzzo (PPE-DE).-(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het is met groot genoegen dat ik meld dat ik voor het voorstel heb gestemd van mevrouw Lynne om de armoede in Europa te bestrijden.
Nochtans moet ik hier in Straatsburg voor een vol Parlement kritiek uiten op de discriminatie van oude gepensioneerden in Italië, die in armoede moeten leven als ze na hun 65e jaar gehandicapt worden, terwijl mensen die voor hun 65e gehandicapt worden, een aanzienlijke uitkering krijgen.
Mijnheer de Voorzitter, aangezien het nieuwe Verdrag, dat bindende wettelijke kracht geeft aan het Handvest van de grondrechten, op 12 december 2007 in Brussel wordt ondertekend, vraag ik dat een inbreukprocedure tegen Italië wordt ingesteld op 12 december, omdat Italië inbreuk pleegt op de rechten van bejaarden door hen anders te behandelen dan alle andere burgers.
Jan Andersson, Göran Färm en Inger Segelström (PSE),schriftelijk. −(SV) Wij, Zweedse sociaaldemocraten, hebben voor het verslag gestemd. Het is belangrijk dat armoede en sociale uitsluiting in Europa meer worden bestreden. Toch willen we ons standpunt verduidelijken. Paragraaf 32 gaat over de invoering van een fatsoenlijk minimumloon op lidstatenniveau. Het verslag verklaart duidelijk dat dit, waar mogelijk, in samenwerking dient te gebeuren met de sociale partners. Daarom vinden wij dat het collectieve overeenkomstmodel van de Scandinavische landen gedekt is door deze formulering.
Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner en Anna Ibrisagic (PPE-DE),schriftelijk. − (SV) De Zweedse conservatieven zijn positief over grote delen van het verslag over de balans van de sociale realiteit. Bij vele voorstellen, zoals over economische migratie en meer mogelijkheden om bezoldigd werk en gezin te combineren, zijn wij de drijvende kracht geweest voor het nationale beleid.
Nochtans hebben de Zweedse conservatieven ervoor gekozen om tegen het verslag te stemmen, omdat veel voorstellen de grenzen overschrijden van het subsidiariteitsbeginsel. Wij vinden bijvoorbeeld dat het Europees Parlement zich niet moet bezig te houden met behandelingsprogramma’s in correctionele instellingen en de behandeling van gokverslaafden. Evenmin dient het Europees Parlement een mening te hebben over de manier waarop lidstaten hun gezondheidszorg willen organiseren, en wij aanvaarden de verklaring niet dat deregulering de kwaliteit van de zorg in gevaar zou brengen. Beleidsmaatregelen voor de arbeidsmarkt, zoals de invoering van minimumlonen, zou ook op nationaal niveau moeten worden beslist.
Ilda Figueiredo (GUE/NGL),schriftelijk. – (PT) Wij hebben voor het verslag gestemd omdat het belangrijke gegevens bevat over de sociale situatie: 78 miljoen Europese burgers leven nog steeds in armoede, 8 procent van de mensen in de Europese Unie heeft te maken met inkomensongelijkheden en de kloof tussen rijk en arm neemt in veel lidstaten toe.
Het verslag bevat ook enkele positieve aanbevelingen, zoals de noodzaak om een fatsoenlijk minimumloon vast te leggen, werkloosheidsuitkeringen te beschermen en steun te bieden aan gehandicapten. Het behandelt echter niet de oorzaken van de sociale situatie en vraagt niet om een einde te maken aan neoliberaal beleid, wat wij voorstellen.
Bijgevolg vraagt het verslag niet echt om de noodzakelijke beleidsveranderingen. Helaas bevat het verslag volgens mij slechts deels de voorstellen die goedgekeurd zijn door de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, waarvan ik het verzoek aan de instellingen van de Gemeenschap en de lidstaten wil benadrukken om zoveel mogelijk voorrang te geven aan de sociale integratie van vrouwen en vrouwenrechten door hun beleid ter zake, inclusief het beleid over inkomensverdeling, hierop af te stemmen.
Timothy Kirkhope (PPE-DE),schriftelijk.−(EN) Mijn Britse conservatieve collega’s en ik geloven dat het sociaal beleid aan de lidstaten overgelaten moet worden.Wij zijn erop gespitst dat Europese bevoegdheden op dit gebied niet moeten worden uitgebreid en dat landen niet gedwongen worden beleidslijnen over te nemen waar zij in economisch en sociaal opzicht niet mee gebaat zijn.Wij zijn tevens van mening dat het “Europese sociale model” een belemmering vormt voor economische en sociale ontwikkeling.
Er zijn onderwerpen in dit verslag die wij steunen, zoals mensen helpen uit de armoede te komen, mensen weer aan een baan helpen, hulp voor mindervaliden en zorg voor de ouderen.Beleid met betrekking tot deze en andere sociale zaken kan het best worden uitgevoerd door de lidstaten, waarbij rekening gehouden kan worden met nationale omstandigheden.Wij zijn er vast van overtuigd dat een sterke economie de beste weg is om sociale vooruitgang in de maatschappij te verkrijgen.
Carl Lang (NI),schriftelijk.–(FR) Dit verslag over de balans van de sociale realiteit in Europa toont vanaf het begin al een somber beeld van de werkelijke sociaal-economische situatie.Het is een brevet van onvermogen in een zee van ongerijmdheden over Europese integratie, die worden uitgekraamd door ultraliberaal en mondiaal denkenden.
Sinds het jaar 2000 hebben alle maatregelen tegen werkloosheid, armoede en uitsluiting tot niets geleid.Erger nog, terwijl de Europese Unie oproept tot meer economische immigratie en bescherming van haar zogenaamde sociaal model, herinnert het verslag eraan dat 78 miljoen Europeanen in armoede leven.
Men vergeet te vermelden dat de hel van de armoede niet alleen economisch is, maarook psychologisch voor miljoenen Europeanen, die cultureel en sociaal ontworteld zijn op hun eigen grondgebied en die hun werk zien verdwijnen naar het buitenland wegens bedrijfsverplaatsingen.Die hel is ook fysiek, wanneer geweld en onveiligheid - voor een groot deel veroorzaakt door immigranten die gefrustreerd zijn door hun onmogelijke integratie – de hele situatie verergeren.
De oplossing is herhalve niet om het schizofrene ultraliberale en gemengde Europese systeem te erkennen, maar om het op losse schroeven te zetten en om een Europa voor te stellen waar men zijn identiteit kan terugvinden en waar de Europeanen als eersten bescherming en communautaire voorkeur krijgen!
Bogusław Liberadzki (PSE),schriftelijk.− (PL) Ik ga ermee akkoord dat sociale integratie en sociale veiligheid deel uitmaken van de fundamentele waarden van de Europese Unie en een grondrecht vormen voor alle burgers.
Het verslag beklemtoont correct dat in de EU-wetgeving rekening moet worden gehouden met etnische en geloofsdiversiteit om iedereen te beschermen tegen geweld en discriminatie.
Ik ga ook akkoord met de stelling dat toegang tot goederen en diensten een recht moet zijn van alle EU-burgers.
José Albino Silva Peneda (PPE-DE),schriftelijk. – (PT) Sociaal beleid valt voor een groot deel onder de bevoegdheid van de lidstaten. Daarom ben ik voorstander om de open coördinatiemethode te promoten, net als de uitwisseling van beste praktijken die erop gericht zijn om sociale uitsluiting te bestrijden.
Socialezekerheidsstelsels moeten gebaseerd zijn op beginselen die de begunstigden motiveren om op zoek te gaan naar werk en mogen niet dienen als een stimulans om niet te werken.
We zouden eens moeten stilstaan bij en nadenken over de lage scholingsgraad van de bevolking en het hoge aantal jongeren dat vroegtijdig de school verlaat. Het zijn immers de minst gekwalificeerde personen die het meest kwetsbaar zijn voor sociale uitsluiting.
Deze situatie is vooral zorgwekkend in mijn land, Portugal, waar in 2005 meer dan 39 procent van de jongeren (tussen 18 en 24 jaar) enkel de onderbouw van de middelbare school hadden afgewerkt.
Wij moeten deze trend omkeren en burgers de noodzakelijke vaardigheden bijbrengen om succesvol te kunnen toetreden tot de arbeidsmarkt.
Aangezien dit voorstel in deze lijn ligt, heb ik voor gestemd.
Andrzej Jan Szejna (PSE),schriftelijk. − (PL) Ik stem voor het verslag van Elizabeth Lynne over de balans van de sociale realiteit.
Zij heeft terecht opgemerkt dat de vernieuwde Lissabonstrategie zich niet alleen richt op de economische resultaten en op mededinging, maar ook op een drang naar grotere sociale samenhang en het sociale aspect van duurzame groei. Sociale integratie en sociale veiligheid zijn grondwaarden van de EU. Het zijn grondrechten van iedereen, ongeacht etnische afkomst, leeftijd, geslacht, mate van invaliditeit, seksuele geaardheid of geloof.
Helaas leeft een deel van de Europese maatschappij nog steeds in armoede. De lidstaten stellen verschillende vormen van bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting voor. Daarom geloof ik in een versterkte samenwerking en een uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten op dit gebied.
Wij moeten ook aandacht schenken aan het probleem van de jeugdwerkloosheid en de strijd tegen kinderarmoede, aangezien kinderen uit arme families later minder kansen hebben op werk.
Lars Wohlin (PPE-DE),schriftelijk.− (SV) Er zijn in dit verslag veel lovenswaardige verklaringen over antidiscriminatie en het belang van gelijke behandeling die aandacht verdienen. Helaas bevat het ook extreem verreikende verklaringen over onder andere de invoering van minimumlonen. Zweden is gekant tegen door de politiek vastgelegde minimumlonen. Ongeacht wat volgens mensen een redelijk sociaal beleid is, moet de EU aanvaarden dat lidstaten verschillende oplossingen kiezen. Dit mag niet opnieuw een geval worden waarin de EU optreedt en in detail regels vastlegt op een gebied dat volledig onder de bevoegdheden van de lidstaten valt.
De EU-landen bevinden zich ook op een verschillend ontwikkelingsniveau. De invoering van minimumlonen zal ervoor zorgen dat de armste landen niet concurrentieel zijn.
8. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
9. Debat over gevallen van schending van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat (debat)
9.1. Christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten
De Voorzitter. – Aan de orde is het debat over zeven ontwerpresoluties over christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten(1).
Mario Mauro (PPE-DE) ,auteur. – (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, vrijheid van godsdienst is een objectieve factor bij het erkennen van respect voor mensenrechten. Het geweld waaronder christenen over de hele wereld lijden, is zowel een belediging van als een uitdaging voor de menselijke waardigheid.
Ik was van plan deze ontwerpresolutie op de agenda te plaatsen van de vorige plenaire vergadering in oktober, maar de coördinator van de fracties vroeg me de resolutie uit te stellen naar de plenaire vergadering van november, zodat wij meer tijd zouden hebben om een meer gedetailleerde tekst voor te bereiden die gesteund wordt door een bredere consensus. In de tekst waarover wij deze namiddag zullen stemmen en die een compromis is tussen socialisten, liberalen, de Unie voor een Europa van Nationale Staten en de Fractie Onafhankelijkheid en Democratie, zijn de belangrijkste elementen van de initiële ontwerpresolutie overeind gebleven.
Wij hebben ook concrete verwijzingen kunnen toevoegen naar geweld tegen en misbruik van christelijke gemeenschappen die dit jaar zijn begaan, niet alleen in het Midden-Oosten, maar ook in andere delen van de wereld. Deze gebeurtenissen vonden vooral plaats in Irak, Egypte, Pakistan, Turkije, China en Vietnam. Door de intense coördinatie van de laatste dagen en de talrijke gebeurtenissen buiten het Midden-Oosten die nu aan het licht kwamen, hebben wij een nieuwe, meer passende titel gevonden, namelijk “ernstige gebeurtenissen die een bedreiging vormen voor het bestaan van de christelijke en andere religieuze gemeenschappen”.
Uiteraard bevat de tekst niet alle geweldplegingen tegen de christenen, zoals in Eritrea en Noord-Korea. Maar toch, dames en heren, wil ik vragen om de politieke boodschap van deze tekst die ook gericht is op die landen en gebeurtenissen die niet zijn vermeld, te erkennen. Dankzij de contacten met andere fracties heb ik vanaf het begin duidelijk kunnen maken dat deze resolutie in geen geval conflicten tussen beschavingen opnieuw wil doen aanwakkeren. Europa heeft altijd het voortouw genomen bij de bescherming van de rechten van minderheden en kan het toenemende geweld tegen zoveel christenen niet blijven negeren.
Vandaag, dames en heren, kan ons Parlement zich uitspreken over een dringend en belangrijk onderwerp aangaande de bescherming van het leven en de vrijheid van godsdienst, niet alleen voor de christenen, maar voor miljoenen mensen van alle geloofsovertuigingen. Daarom wil ik vragen…
(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)
Glyn Ford (PSE), auteur.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik spreek namens de socialistische fractie om onze volledige steun aan deze gezamenlijke ontwerpresolutie over religieuze vervolging te geven.
In een minuut kan ik slechts enkele onderdelen van die resolutie aanstippen en wil ik de aandacht vestigen op de benarde positie van de inheemse christelijke gemeenschap in Irak, die ooit bijna 10 procent van de bevolking uitmaakte.Als iemand die de “Red de Assyriërs”-campagne steunt, moet ik zeggen dat dit Parlement gewend is aan een compromisconsensus, waardoor de inhoud soms wordt afgezwakt of zijn betekenis verliest.
Dat geldt voor deze resolutie.In overweging K wordt de situatie van Assyrische dorpen in Turkse grensgebieden betreurd.Waarom?Omdat de Turkse regering Assyrische dorpen daadwerkelijk aan het beschieten is, naar verluidt omdat PKK-militanten zich er zouden ophouden, wat onwaarschijnlijk lijkt. In overweging S wordt ook verwezen naar de situatie in Syrië, waar tienduizenden, zo niet honderdduizenden vluchtelingen uit Jordanië en Irak naar toe zijn gevlucht, maar de grens wordt nu gesloten.
Hulp en hulpverlening zijn geboden.
Adam Bielan (UEN),auteur. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, mag ik eerst mijn voldoening uitdrukken en mijn dank uitspreken tegenover de andere coauteurs van de resolutie over zo’n belangrijk probleem als de gebeurtenissen die de christelijke gemeenschappen meemaken, zowel in bepaalde staten in het Midden-Oosten, als op wereldniveau.
Tezelfdertijd wil ik als een van de ondertekenaars van deze resolutie beklemtonen dat eerst moet worden gezorgd voor religieuze vrijheid alvorens de fundamentele mensenrechten veilig kan worden gesteld. De vervolgingen van christenen overal in de wereld zijn een basisvoorbeeld van de schending van deze rechten.
Vervolgens wil ik nogmaals het belang benadrukken van de hier besproken resolutie voor de verdediging van de rechten van de christenen en beklemtonen dat de Unie voor een Europa van Nationale Staten deze volledig steunt, ook al beseffen wij dat wij over dit probleem geen reactie merken van autoriteiten, instellingen en politieke bewegingen in de wereld.
Hélène Flautre (Verts/ALE),auteur.–(FR) Mevrouw de Voorzitter, ik durf mij het gezicht van mijn collega’s van de PPE niet voor te stellen als zij vernemen dat een resolutie over de moslimgemeenschappen in Europa door de Golflanden of door de ASEAN is aangenomen.Dit zou ontzetting veroorzaken en worden opgevat als een teken van agressiviteit, een ontoelaatbare inmenging van een religieuze autoriteit uit een niet-EU-land in de betrekkingen tussen onze lidstaten en de religieuze minderheden.Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet - dat is ook een christelijk gebod.
Maar serieus, zou een dergelijke resolutie worden opgevat als een oproep tot verdraagzaamheid en tot een interculturele en religieuze dialoog?Natuurlijk niet!Onze Unie, die zo trots op haar waarden is, zou wat deze uiterst gevoelige kwesties betreft, beter blijk kunnen geven van een minimum aan oordeelsvorming en van respect voor internationale conventies.
Om in te gaan op de schendingen van de rechten van personen die behoren tot een religieuze minderheid, om de moord van christenen of de belemmeringen voor een vrije uitoefening van de godsdienst te veroordelen, hebben wij de keuze tussen twee gerechtvaardigde benaderingen.De eerste is om ons te richten tot een land, uit hoofde van zijn internationale verplichtingen en zijn overeenkomsten met ons, en het te verzoeken een onderzoek in te stellen, de daders te vervolgen, de rechten van religieuze minderheden te respecteren - kortom hetgeen wij hier regelmatig doen.
De tweede benadering is die welke is aangenomen door de Verenigde Naties door middel van een door twaalf landen en alle EU-landen ingediende resolutie betreffende de eliminatie van alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie, gebaseerd op godsdienst, geloof, vrijheid van denken en geweten, want in het internationaal recht is het een met het ander verbonden – en dat is waardevol.De rechten van het individu op geloof, godsdienst, denken en geweten zijn onderling afhankelijk.
Wat doen wij vandaag als wij de door u voorgestelde, onaanvaardbare tekst aannemen?Wij negeren daarmee het werk dat door onze lidstaten binnen de Verenigde Naties is verricht, door een andere benadering te kiezen, waarbij het gevaar bestaat dat bepaalde landen gestimuleerd worden om de religieuze kwesties in hun internationale betrekkingen uit te buiten.Wij zouden ingaan tegen evenwichtige benadering, die bijvoorbeeld wordt aanbevolen door mevrouw Jahangir, speciale rapporteur van de Verenigde Natie, die momenteel huisarrest heeft in Pakistan en wij zullen ten slotte eveneens de religieuze minderheden in de wereld, de christenen inbegrepen, verzwakken.
Nogmaals, samen met de deskundigen die werken op het gebied van de vrijheid van godsdienst, zoals bijvoorbeeld Christian Solidarity Worldwide, verzeker ik u dat wij met deze resolutie slechts het gevaar vergroten voor degenen die wij willen beschermen.
Bastiaan Belder (IND/DEM),auteur.– (NL) Mevrouw de Voorzitter, waarde collega's, als grondrechten ons werkelijk ter harte gaan, dan raakt ons de precaire positie van christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten.De voorliggende resolutie spoort alle Europese instellingen daartoe aan.
Een recent delegatiebezoek van ons Parlement gaf meer zicht op het dagelijks leven van Libanese christenen.Zij vrezen in een soort tweederangspositie terecht te komen, net als hun geloofsgenoten in vrijwel alle landen van de regio.
Zij worden rechtstreeks verplicht tot de keuze tussen persoonlijke veiligheid en persoonlijke waardigheid, geloofsovertuiging.De Libanese christenen van dit ogenblik willen beide behouden.
Intussen raakt het daadwerkelijke politieke geweld van de laatste jaren de christenen in het land van de ceder heel direct.In de woorden van een zegsman in Libanon nog deze week:"Hoewel dit niet in de eerste plaats tegen christenen is gericht, is de meerderheid van de vermoorde politici van christelijken huize en hetzelfde geldt voor de journalisten die het doelwit van aanslagen zijn geworden.Dit intimideert de christelijke bevolking in Libanon".
Marios Matsakis (ALDE), auteur.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, duizenden jaren is de mens tijdens zijn aanwezigheid op de aarde al blootgesteld geweest aan de gevaren van dodelijke krachten die zijn vermogen tot verdediging of zijn begrip te boven gaan.Dergelijke krachten variëren van rampzalige natuurverschijnselen tot onbegrijpelijke somatische en geestelijke ziekten.De machteloze situatie van de mens was gemakkelijker te dragen door zijn geloof in een supermacht die God werd genoemd.Verschillende bevolkingsgroepen ontwikkelden een verschillend begrip en een verschillende benadering van God.
Het resultaat is dat er een groot aantal religies zijn ontstaan.Dergelijke religies zijn natuurlijk door mensen tot stand gekomen, en niet door God, en vertonen derhalve diverse zwakke punten.Een aantal daarvan zijn:fanatisme, dogmatisme en het niet-accepteren dat andere mensen het recht hebben anders te geloven. Deze zwakke punten verschillen in aantal en in intensiteit tussen verschillende religies en zijn helaas vaak uitgebuit door extremistische religieuze leiders en politici zonder scrupules.
Dit heeft geleid tot godsdienstoorlogen en tot verachtelijke misdaden tegen de mensheid in de naam van het geloof.Zowel het christendom als de islam, twee van de grootste religies, zijn deze droevige kwellingen niet bespaard gebleven, en de geschiedenis staat bol van schandelijke voorbeelden hiervan. Natuurlijk zijn de meeste religies door de tijd redelijker en humaner geworden, en dit gaat zeker op voor het christendom. Maar deze verandering heeft niet plaatsgevonden bij sommige andere religies, helaas.
Daarom worden in sommige landen, voornamelijk islamitische landen, christenen vervolgd, soms met extreem misdadig geweld en soms met de instemming van politieke groeperingen en zelfs regeringen. Dit is inderdaad een hele trieste aangelegenheid, waar een reeks landen of streken wereldwijd bij betrokken is – sommige zijn hier vandaag reeds genoemd – maar het gebeurt met name in het Midden-Oosten.
Met deze resolutie hopen wij de aandacht te vestigen op de vervolging van christenen in deze landen en hopelijk kunnen wij ervoor zorgen dat de autoriteiten – zowel de politieke als de religieuze – in dergelijke landen volledig begrijpen dat zulk agressief gedrag niet kan volgens de beginselen van respect voor mensenrechten, en evenmin overeenkomstig de leer van een zorgzame religie.
Dank u, mevrouw de Voorzitter, zoals u ziet heb ik nog twintig seconden over!
Erik Meijer (GUE/NGL), auteur.– (NL) Voorzitter, de christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten stammen uit de beginjaren van het christendom.Ze zijn ouder dan het christendom in Europa en ouder dan de islam in het Midden-Oosten.
Desondanks worden ze tegenwoordig vaak gezien als een vreemd element in deze nu overwegend islamitische omgeving.Dat is niet alleen een gevolg van godsdienstige onverdraagzaamheid binnen delen van de islam.De schuld ligt ook binnen Europa.
Drie keer in de geschiedenis hebben Europa en het christendom in die omgeving afkeer en haat opgeroepen, eerst door de kruistochten in de late middeleeuwen, waarbij bezettingslegers die niet alleen voor christenen, maar ook voor joden en moslims heilige plaatsen onder Europese controle brachten.De tweede keer volgde na de instorting van het Ottomaanse rijk aan het begin van de vorige eeuw, toen Egypte, Soedan, Jordanië en Irak onder Britse koloniale controle kwamen en Syrië en Libanon onder Franse koloniale controle.
Op dit ogenblik zitten we in de derde fase.De vanuit Europa ingenomen standpunten met betrekking tot Israël, Palestina en Irak roepen in het Midden-Oosten grote weerstand op.Men verdenkt Europa ervan om vooral te letten op de eigen energiebevoorrading, op beveiliging van de eigen transportroutes en op het voortrekken van etnische of religieuze minderheden die Europa het meest welgezind zijn.
Een gevolg daarvan kan zijn dat de christelijke minderheden zich in het Midden-Oosten niet duurzaam kunnen handhaven en gedoemd zijn om naar Europa te vluchten.Ruimte voor christenen en joden binnen het Midden-Oosten is een betere oplossing, zoals wij in Europa ruimte moeten geven aan onze islamitische minderheid.
Bernd Posselt, namens de PPE-DE-Fractie.– (DE) Mevrouw de Voorzitter,collega Flautre spreekt – met permissie – onzin.Moslims zetten zich massaal voor moslim-minderheden in. Wij zetten ons voor moslim- en andere religieuze minderheden in. Maar helaas is het een feit:als wij ons niet voor de christenen inzetten, dan doet niemand het.
De islamitische of Arabische Liga heeft zich nooit voor de rechten van christenen ingezet zoals wij ons voor de rechten van moslims ingezet hebben.Daarom is het de hoogste tijd dat wij dit thema op de agenda zetten.Het is een daad van gerechtigheid, waarbij ik heel duidelijk moet zeggen:het probleem is niet de islam.De christenen in het Nabije Oosten hebben 1200 jaar lang onder islamitische heerschappij geleefd.Zij lopen in onze zogenaamd zo vooruitstrevende tijd massaal gevaar – speciaal in Irak, dat onder westelijke bezetting is.
Wij moeten onze eigen verantwoordelijkheid nemen, om voor hen een overleven in vrijheid en waardigheid mogelijk te maken. De meeste geloofsvervolging vindt plaats in het communistische China, in het pseudochristelijke nationalistische Rusland, in communistische dictaturen – ook onder islamitische regimes, waarbij de islam voor mij slechts een perverse dictatuur en ideologie van de 20e eeuw is. Hier ligt voor ons Europeanen een taak en daarvan zullen wij ons kwijten!
(Applaus)
Paulo Casaca, namens de PSE-Fractie. – (PT) Mevrouw de Voorzitter, felicitaties aan de auteurs van deze gezamenlijke ontwerpresolutie. Ik zou graag willen vermelden dat wij niet mogen vergeten dat wij vóór de vervolging van de christenen bijvoorbeeld de vervolging van de joden hadden, en wij hadden en hebben nog steeds de vervolging van de jezidi’s, de mandaeërs en de moslims zelf, zowel sjiieten als soennieten, in Irak.
Het zou ongepast en buiten alle verhoudingen zijn om wat er in Irak gebeurt te vergelijken met wat er in Europa gebeurt. Eigenlijk mogen wij niet vergeten dat degenen die vervolgd worden in Irak, in Europa helaas niet de bescherming krijgen waarop zij recht hebben, of het nu christenen zijn of niet. Er zijn absoluut ongelooflijke voorbeelden van een totaal gebrek aan gevoeligheid bij onze Europese Unie waar het gaat om vervolgde Irakezen. Mag ik jullie ten slotte, zonder alle andere voorvallen te bagatelliseren, herinneren aan pater Ragheed Ganni en de volledige congregatie van de Kerk van de Heilige Geest in Mosul, tegen wie wellicht de meest monsterlijke misdaad van het jaar werd gepleegd?
Marcin Libicki,namens de UEN-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, wij praten hier vandaag over de brute vervolging van christenen, in het bijzonder in het Midden-Oosten. Wij mogen echter niet uit het oog verliezen dat christenen over de hele wereld worden vervolgd. Ik ga echter niet akkoord met wat de heer Casaca zei, namelijk dat er heel veel religieuze minderheden zijn die worden vervolgd.
Kan hij alstublieft voorbeelden aandragen van plaatsen waar deze minderheden op grote schaal worden vervolgd? Ik heb het niet over de toevallige moord van een ongelovige, hoewel laakbaar, maar over gevallen waar een andere religie in dezelfde mate wordt vervolgd als de christenen. Ik ga volledig akkoord met de heer Posselt, en ik ga akkoord met vele zaken die hier zijn gezegd, zoals de tientallen voorbeelden van christenvervolging, maar niet, zoals de heer Casaca beweert, van vele andere religies. Dit is niet waar. Het zijn voornamelijk de christenen die worden vervolgd.
Gisteren hebben wij in het Parlement een voordracht van President Sarkozy gehoord, die zei dat wij de Europese identiteit moeten verdedigen. Wat is deze identiteit? Wie zal ons verdedigen als wij onszelf en de oorsprong van onze identiteit niet verdedigen? Christenen in het Midden-Oosten zijn het bewijs van onze Europese identiteit. Zij zijn daar al 2 000 jaar en wij moeten hen verdedigen als zij daar moeten blijven.
Giusto Catania, namens de GUE/NGL-Fractie.– (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik geloof dat wij vandaag met deze ontwerpresolutie een belangrijke stap zetten, omdat dit Parlement altijd daden en gebeurtenissen moet veroordelen die het leven in gevaar brengen van mannen en vrouwen op basis van hun geloof, religieuze overtuigingen of politieke mening.
Religieuze vrijheid is een waarde die wij op de voorgrond moeten plaatsen. Ook al klopt het dat christenen in sommige gevallen risico lopen van vervolging en criminalisering, toch moet het Parlement hen daarom beschermen en verdedigen, net zoals het Parlement moslims die het slachtoffer waren van discriminatie in het Westen, steeds heeft beschermd en verdedigd. Wij geloven dat alle godsdiensten een positieve rol kunnen spelen, een rol bij het bewaren van de vrede en het aanmoedigen van respect voor diversiteit. Daarom moeten wij elke vorm van religieus fundamentalisme dat zo vaak meespeelt bij conflicten, streng veroordelen. Ik meen dat dit Parlement zich steeds moet inspannen om te luisteren en om de dialoog tussen de religies te promoten.
Er zijn enkele opmerkelijke voorbeelden die aantonen hoe er een oplossing kan worden uitgewerkt waarbij godsdiensten naar elkaar luisteren en samenwerken. Ook wil ik de opoffering in herinnering te brengen van enkele katholieken, enkele christenen, die hebben gevochten om de armen te bevrijden en zich hebben ingezet voor mensen en voor sociale bevrijding. Het is daarom dat onze fractie voor deze resolutie stemt, ter nagedachtenis van priesters zoals Peppino Diana en Pino Puglisi, die stierven omwille van hun houding tegen de maffia en de georganiseerde misdaad in het algemeen.
Kathy Sinnott, namens de IND/DEM-Fractie.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik verwelkom deze gezamenlijke ontwerpresolutie, aangezien ik het van wezenlijk belang vind dat wij christelijke minderheden in Afrika, Azië en het Midden-Oosten beschermen.Het is belangrijk dat wij alle religieuze gemeenschappen beschermen tegen vervolging.Ik vind het verschrikkelijk dat mensen in hun dagelijkse routine geconfronteerd worden met beperkingen, in hetgeen zij kunnen doen en waar zij naar toe kunnen gaan, in hun vermogen om eigendom te bezitten en een opleiding of een baan te krijgen, alsmede de bedreigingen van hun leven die zij ondervinden wegens hun christelijke overtuiging.
De vrijheid van naleving van godsdienstplichten is een wezenlijk mensenrecht en daarom is het noodzakelijk dat regeringen garanderen dat ook de religieuze minderheden in hun landen hun geloof kunnen praktiseren zonder enige beperking, dat wil zeggen zonder een bedreiging van hun leven of iets anders.
Moslims moeten zich realiseren dat zij het beginsel van godsdienstvrijheid en verdraagzaamheid moeten bevorderen, alsmede dezelfde vrijheid en verdraagzaamheid voor de geloofsovertuiging die zij erop na houden en verwachten erop na te houden in onze landen, waarvan in veel gevallen de bevolking voor een groot deel christelijk is.
Eija-Riitta Korhola (PPE-DE).-(FI) Mevrouw de Voorzitter, ik hecht veel waarde aan het initiatief van de heer Mauro. Alledaagse vredelievende christenen worden bedreigd door systematische onderdrukking en gebruikt als zondebok in crises waarmee zij niets te maken hebben. Als wij de positie van de christenen willen verbeteren, is het echter belangrijk om het probleem te begrijpen als een deel van een groter geheel. Het zijn niet alleen de christenen die het moeilijk hebben, maar in vele landen hebben ook moslims, boeddhisten, hindoes, joden, sikhs en Ahmadi-moslims problemen. De lijst is lang.
Vrijheid van godsdienst is essentieel voor een samenleving die mensenrechten en burgerlijke vrijheden respecteert. Het is een metarecht, in de praktijk een vereiste voor het bestaan van andere mensenrechten, en het weerspiegelt de staat waarin een volledige samenleving zich bevindt. Als een samenleving ziek begint te worden, wordt dit eerst zichtbaar in de vorm van een beperking van de vrijheid van godsdienst en de status van religieuze minderheden. Daarom moeten wij duidelijk onze steun geven aan de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de vrijheid van godsdienst.
Het is vermeldenswaardig dat religieuze gemeenschappen in vele landen, zoals Pakistan en Indonesië, samen strijden voor vrijheid van godsdienst en de bescherming van minderheden. Religie zelf kan daarom ook een oplossing zijn. Een pluralistische dialoog leidt steeds tot minder spanning en komt de vrijheid van godsdienst en een samenleving als geheel ten goede.
Ana Maria Gomes (PSE). – (PT) De vervolging van religieuze minderheden in veel landen zou ons moeten doen nadenken over de broosheid van bepaalde aspecten van de beschaving die wij dachten te hebben bereikt. Religieuze vrijheid is een essentiële en onvervreemdbare pijler van de universele mensenrechten. Ondanks de lovenswaardige intenties is deze resolutie onvolledig.
Het Europees Parlement moet zich uitspreken over de vervolging van christelijke minderheden in het bijzonder, maar vooral over alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie gebaseerd op geloof of religie, die eigenlijk betrekking hebben op alle religieuze gemeenschappen. We zouden ook bezorgd moeten zijn over de toename van islamofobie en jodenhaat in Europa en elders. Als wij ons bijna uitsluitend richten op discriminatie van christenen, kunnen wij misschien een verkeerde indruk geven. Daarom moet wij benadrukken dat het Europees Parlement zijn volledige steun geeft aan de resolutie over de uitroeiing van alle vormen van onverdraagzaamheid en discriminatie gebaseerd op religie of geloof, die door de EU-lidstaten voorgesteld werd aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
Mieczysław Edmund Janowski (UEN).– (PL) Mevrouw de Voorzitter, het Midden-Oosten heeft ook een christelijke oorsprong. De christenen daar hebben op verschillende momenten kunnen aantonen dat ze, ondanks de verschillen, in vrede en met wederzijds respect kunnen samenleven met moslims, joden of volgelingen van andere religies.
Recentelijk hebben wij echter gezien dat aanhangers van de islam de foute veronderstelling dat je pas een goede moslim bent, als je tegen de christenen bent, naar de praktijk hebben omgezet. De Libanese journalist Hazem Saghieh maakte onlangs deze opmerking. Talrijke en vaak drastische gevallen van inbreuken op de rechten van mensen die, enkel maar omwille van hun christelijk geloof, als tweederangsburgers worden behandeld, zijn het bewijs van de inbreuk op de grondbeginselen van menselijke vrijheid: de vrijheid om een geloof te belijden.
De vraag die wij ons moeten stellen is wat wij kunnen doen in de Europese Unie, die openstaat voor moslim medeburgers en hun rechten respecteert, voor christenen die niet eens een klein deel van dergelijke rechten hebben in die landen. Is er daar sprake van maar enige wederkerigheid? Zeker niet in de moorden op basis van godsdienst, noch in de wijdverspreide discriminatie, noch in het verbod op het bouwen van christelijke kerken, noch in de vernieling van gedenktekens van de christelijke cultuur.
De hele wereld wil vrede, en mensen willen vrijheid, inclusief religieuze vrijheid.
Bogusław Sonik (PPE-DE).– (PL) Mevrouw de Voorzitter, de huidige politieke situatie in het Midden-Oosten zorgt ervoor dat christenen in die regio zich steeds meer bedreigd voelen. Een van de redenen hiervoor is dat de islamitische fundamentalisten steeds meer invloed hebben en de christenen beschuldigen van alles wat misloopt in de regio. Omwille van hun religieuze banden met het Westen, worden ze er ook van beschuldigd dat zij traditionele structuren verwesteren, iets waar het Midden-Oosten niet over te spreken is.
De fundamentalisten uiten hun ongenoegen door bijvoorbeeld antiwesterse betogingen te organiseren en daarbij christelijke symbolen en winkels van christenen te vernielen. In extreme gevallen plegen ze ook moorden. Door de passieve houding van de overheden beslissen steeds meer christelijke families om te emigreren.
De resolutie vat een aantal problemen samen die christenen in het Midden-Oosten ondervinden. De lijst is echter niet volledig. Ik ben van mening dat het Europees Parlement een volledig rapport zou moeten samenstellen over de situatie van christenen in het Midden-Oosten, of over de situatie van geloofsovertuigingen in het algemeen. Wij zouden ook eens moeten nadenken over hoe wij een dialoog kunnen voeren tussen beschavingen waaraan de christelijke samenleving en de moslimregio’s kunnen deelnemen.
Jerzy Buzek (PPE-DE).– (PL) Mevrouw de Voorzitter, ik feliciteer de heer Mauro. Ik heb helemaal geen twijfels bij deze resolutie. Ik steun haar van ganser harte. Het enige probleem is of wij efficiënt zijn, efficiënt zullen zijn en iets zullen veranderen. Wij kunnen op drie manieren handelen.
De eerste manier is via diplomatieke druk. Dat is wat wij momenteel doen. De Europese overheden moeten echter ook worden gemobiliseerd. Elke diplomaat moet dit in gedachte houden. Wij moeten in bilaterale en multilaterale gesprekken op dergelijke acties aandringen. De enige manier om hier een goed resultaat te behalen is door middel van grootschalige diplomatieke druk.
De tweede manier is via economische sancties. Ik weet vanuit de ervaring van mijn eigen land twintig tot dertig jaar geleden wat economische sancties hebben betekend voor de communistische regering in Warschau. Het moeten wel gerichte sancties zijn, zodat burgers geen schade lijden. Deze methode moeten wij ook gebruiken.
De laatste manier is via een diepgaande analyse van onze acties, want landen in het Midden-Oosten en andere delen van de wereld kennen schommelingen. Deze hangen ook van ons optreden af, dat niet altijd erg samenhangend of tactvol is. Het gaat om interventies, culturele evenementen en ook toespraken van diplomaten. Wij willen onze overtuigingen niet verbergen. Integendeel – wij willen ze duidelijk verkondigen. Wij moeten echter niet alleen krachtig, maar ook verstandig handelen.
Danuta Hübner,lid van de Commissie.−(EN) Mevrouw de Voorzitter, de Commissie is zich bewust van discriminatie op grond van religie en overtuiging en veroordeelt dit nadrukkelijk. Ons beleid is om alle vormen van discriminatie te bestrijden, en dit doen wij in bilaterale betrekkingen en multilaterale forums zoals de VN.
Op de Algemene Vergadering van de VN heeft de EU gekozen voor de benadering om haar gebruikelijke resolutie in te dienen over de eliminatie van alle vormen van onverdraagzaamheid en intolerantie, gebaseerd op religie of geloof.Vorig jaar haalde de consensus over de tekst van de resolutie een record van 99 medesponsors.
Samen met de lidstaten, besteden wij heel veel aandacht aan de mensenrechten en de toestand van de democratie in de partnerlanden.Wij stellen deze kwesties aan de orde tijdens vergaderingen in het kader van de politieke dialoog via politieke stappen en openbare verklaringen, die de partners herinneren aan hun verplichtingen volgens internationaal recht die discriminatie om welke reden dan ook verbiedt.
De EU probeert de zaak van de bescherming van de mensenrechten ingevolge het nabuurschapsbeleid actief te bevorderen.De actieplannen van het Europees nabuurschapsbeleid bestrijken een brede reeks kwesties in dit opzicht.Tijdens de afzonderlijke bijeenkomsten van de subcommissie mensenrechten met Jordanië, Israël, Marokko, Libanon en Tunesië is de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de verplichtingen uit hoofde van de ENB-actieplannen op het gebied van mensenrechten en essentiële vrijheden opnieuw bekeken.De eerste bijeenkomst van de subcommissie mensenrechten met Egypte is gepland voor later deze maand.
Overeenkomstig bilaterale contacten met regeringen en steun voor politieke hervormingen, steunen wij wereldwijd niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming en promotie van mensenrechten.Wij zijn van mening dat mensen die mensenrechten verdedigen, een onmisbare rol in de samenleving spelen.
Wij vinden het even belangrijk om de godsdienstvrijheid in Europa te behouden en verder te bevorderen.De EU kan voor den dag komen met goede praktijken en deze uitwisselen.
De Voorzitter. – De heer Casaca heeft gevraagd om een persoonlijke verklaring te mogen afleggen overeenkomstig artikel 145 van het Reglement.
Paulo Casaca (PSE). – (PT) Mevrouw de Voorzitter, mijn excuses als ik niet duidelijk genoeg was. Ik ben volledig en onvoorwaardelijk solidair met de christelijke gemeenschappen die worden vervolgd in het Midden-Oosten, vooral in Irak. Ik wou enkel maar opmerken, en ik zal mijn collega en mede-Parlementslid hierover alle nodige informatie verschaffen, dat zo’n vervolging zich helaas niet alleen beperkt tot de christelijke gemeenschap, maar dat de gemeenschappen van jezidi’s en mandaeërs, en zelfs sjiieten en soennieten, die niet tot de voornaamste gemeenschappen behoren, ook vreselijke vervolgingen in dat land ondergaan. Dit feit kan door niemand worden ontkend. Ik wou dit enkel beklemtonen en zeggen dat ik alle nodige documentatie ter beschikking kan stellen.
De Voorzitter. – Mijnheer Casaca, de tijd voor uw persoonlijke verklaring is om.
De Voorzitter. – Aan de orde is het debat over zes ontwerpresoluties over Oezbekistan.(1)
Katrin Saks (PSE). - (ET)Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik zou graag onder de aandacht willen brengen wat de Franse president, Nicolas Sarkozy, enkele dagen geleden in deze vergadering zei: al wie onze waarden niet respecteerde, maar liever contracten in de wacht sleepte, heeft op het einde van de rit alles verloren. Wat Oezbekistan, en in bredere zin heel Centraal-Azië, betreft, is er het gevaar dat door het jagen op de energiebronnen van de regio, de belangen van individuele staten de bovenhand krijgen op onze gemeenschappelijke waarden. Helaas wordt dit ook zichtbaar in de onmogelijkheid om tot een overeenkomst te komen over een ontwerpresolutie die de PPE en de UEN steunt over het besluit van de Raad om het visaverbod voor Oezbeekse functionarissen voor zes maanden op te heffen zonder een echte verandering in de mensenrechtensituatie.
De ontwerpresolutie verwijst ook naar de zeer kritische mensenrechtensituatie in Oezbekistan. Tot op vandaag echter gaat Oezbekistan ervan uit, en ik heb dit ook zelf gehoord, dat mensenrechten een binnenlandse aangelegenheid zijn voor dat land. Wij kunnen niet akkoord gaan met deze benadering en ik dring erop aan om de eerste, meer kritische versie van de ontwerpresolutie te steunen.
Elisabeth Jeggle (PPE-DE), auteur.– (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, als democratische instelling mogen wij het niet toelaten dat mensenrechten met voeten getreden worden, nergens ter wereld.Evenmin kunnen wij het ons laten welgevallen als in ons eigen Huis de diplomatieke betrekkingen en de interparlementaire samenwerking tussen de EU en Oezbekistan lichtvaardig op het spel wordt gezet.Als ik de voorgelegde resoluties van de socialisten, de liberalen en de linkerzijde bekijk, staat dit gelijk met een diplomatieke kaalslag.
In de laatste resolutie van het Parlement van oktober 2006 hebben wij ons voor een constructieve en dialooggeoriënteerde oplossing ingezet.Vandaag wordt echter niet de dialoog gezocht, maar een deur dichtgeslagen. Ik kan dit namens mijn fractie niet verantwoorden. In dit opzicht verzoek ik u de resoluties van de socialisten, liberalen en de linkerzijde te verwerpen.
Wat onze resolutie samen met de UEN-Fractie betreft, zijn er de volgende punten:de politieke situatie in Oezbekistan is geenszins bevredigend.De mensenrechtensituatie is zoals voorheen in vele aspecten zorgwekkend.Er is desondanks vooruitgang.Zo heeft bijvoorbeeld op 8 en 9 mei 2007 in Taschkent een eerste ronde van de mensenrechtendialoog tussen de Europese Unie en Oezbekistan plaatsgevonden.Een resolutie van het Europees Parlement moet de huidige situatie belichten en slechts daarop kan deze resolutie gebaseerd zijn.
Adam Bielan (UEN),auteur. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, graag wil ik eerst de coauteurs van de resolutie bedanken. Tezelfdertijd wil ik beklemtonen dat, rekening houdend met de richtsnoeren van de Gemeenschap over de bescherming van de mensenrechten van 2004, de betrekkingen tussen de Europese Unie en Oezbekistan moeten worden verbeterd. Ik wil echter benadrukken dat deze betrekkingen gebaseerd moeten worden op de beginselen van de democratie, de rechtsstaat en het respect voor de mensenrechten, met vooral de nadruk op dat laatste.
Verder, met betrekking tot de beslissing om bepaalde sancties voor Oezbekistan voor een periode van zes maanden op te schorten, steun ik het initiatief om de vooruitgang inzake het respect voor de mensenrechten in dat land op te volgen. De negatieve beslissing van het Oezbeekse Ministerie van Justitie over de erkenning van het bureau dat deze rechten controleert, bewijst dat wij bijkomende inspanningen moeten leveren om druk uit te oefenen op dit gebied.
Als ondervoorzitter van dit Parlement met de verantwoordelijkheid voor het nabuurschapsbeleid in onder andere Oezbekistan, verzoek ik de internationale instellingen en voornamelijk de Oezbeekse autoriteiten om de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld te steunen.
Hélène Flautre (Verts/ALE),auteur.–(FR) Mevrouw de Voorzitter, de doelstelling van deze resolutie is eenvoudig:het gaat erom de waarheid te spreken.Dat is wat het Oezbeekse volk en de beschermers van de mensenrechten ons vragen.
De tijd dringt vanwege de moorden op journalisten en dissidenten die de afgelopen maanden zijn gebeurd en vanwege de conclusies van de Raad van 15 oktober 2007 die door president Karimov ten onrechte werden gepresenteerd als een diplomatieke overwinning.Het belangrijkste feit is dat de sancties verlengd zijn met twaalf maanden, omdat er geen enkel onderzoek is gedaan naar de moordpartij van Andijan en dat de bijeenkomsten van ter zake deskundigen niets hebben opgeleverd.
Wat betreft de opschorting van het visaverbod voor zes maanden, gaan wij ermee akkoord dat dit visaverbod automatisch weer wordt ingesteld als in die zes maanden niet is voldaan aan de uitstekende criteria die zijn vastgelegd, voor bijvoorbeeld de bezoeken van de speciale rapporteurs van de Verenigde Naties.
Wij bekritiseren daarentegen de conclusies over de vooruitgang die zogenaamd is waargenomen op het gebied van de mensenrechten.Bijvoorbeeld, de afschaffing van de doodstraf is nog altijd geen feit en de dialoog EU-Oezbekistan over de mensenrechten is opgeschort.
Kortom, in deze resolutie veroordelen wij de moord op verschillende onafhankelijke journalisten en dissidenten, en verzoeken wij dat hiernaar onpartijdig en serieus onderzoek wordt uitgevoerd.
Ik maak mij zorgen over de bedoelingen van de PPE en de UEN.Zij stellen voor verder te gaan dan alle lidstaten door de conclusies van de Raad niet alleen als een opschorting van het visaverbod te interpreteren maar ook ronduit als het intrekken van het visaverbod. In hun paragraaf 3 wordt vermeld dat de ondoelmatigheid van de sancties een aanmoediging is voor het Oezbeekse regime, wat rationeel noch politiek logisch is. In de tekst wordt zelfs geen melding gemaakt van de dertien mensenrechtenactivisten, van wie Voorzitter Pöttering schriftelijk de onmiddellijke vrijlating heeft verzocht.
Kortom – mijn laatste punt – in paragraaf 9 wordt de moeilijke situatie van Human Rights Watch opgeroepen.Dat is goed, maar deze organisatie heeft onomwonden laten weten dat zij niet wenst te worden vermeld in een resolutie die technisch gezien incorrect is en even schadelijk is voor de mensenrechtenactivisten als voor de Oezbeekse bevolking, en die uiteindelijk zou dienen als propagandamiddel voor dictator Karimov.
Bijgevolg verzoek ik de afgevaardigden van de PPE en de UEN om zich aan te sluiten bij het serieuze standpunt dat wij op dit punt en met betrekking tot de Oezbeekse bevolking moeten innemen en om ons voorstel te steunen voor een resolutie die niets meer dan de waarheid over de mensenrechtensituatie in Oezbekistan vermeldt.
Marios Matsakis (ALDE), auteur.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, het aanhoudende bewind sinds 1989 van het tirannieke regime van Oezbekistan onder president Karimov is als een kankergezwel voor de democratie.Het regime van president Karimov is verantwoordelijk voor een bewind van terreur en corruptie in zijn land, waarbij de slachtoffers natuurlijk voornamelijk de burgers van Oezbekistan zijn.Deze mensen staan bloot aan willekeurige arresties en gevangenneming, aan martelingen en slechte behandelingen en terwijl er talrijke dringende verzoeken zijn geweest om democratische hervorming, zowel van de kant van de internationale gemeenschap als van de EU, gaat president Karimov onverstoord verder.
Dit doet mij denken aan een andere persoon die zijn land op een soortgelijke totalitaire wijze regeert en geen acht slaat op degenen die roepen om democratische hervormingen.Ik bedoel koning Abdullah van Saoedi-Arabië, een land waar vrouwen geen stemrecht hebben en zelfs geen recht om auto te rijden en waar ernstige schendingen van de mensenrechten deel uitmaken van het dagelijks leven.
In dit opzicht zijn sommige EU-regeringen, spijtig genoeg, schuldig aan een dubbele moraal:zij halen fel uit naar president Karimov – en terecht – maar zijn heel voorkomend jegens koning Abdullah.Recentelijk kreeg koning Abdullah zelfs een buitensporig onthaal bij zijn staatsbezoeken aan Groot-Brittannië en Italië.
Het grote verschil tussen Oezbekistan en Saoedi-Arabië is geld – hopen geld – en zolang koning Abdullah zijn miljarden in Groot-Brittannië en Italië besteedt, ziet men zijn betrokkenheid bij grove schendingen van de mensenrechten en democratische wetten in zijn land gemakkelijk over het hoofd.Om die reden is waarschijnlijk mijn voorstel om de situatie in Saoedi-Arabië hier vandaag te bespreken door bijna alle fracties formeel verworpen.Misschien dat er de volgende keer meer gevoeligheid aan de dag gelegd kan worden, naar ik hoop.
Erik Meijer (GUE/NGL), auteur.– (NL) Voorzitter, Oezbekistan is toe aan een radicale verandering.De aanzet daartoe is op 13 mei 2005 met grof geweld tegen demonstranten verhinderd, waarbij honderden doden zijn gevallen.Sindsdien is de buitenwereld opvallend lang stil gebleven.Na ons eerdere urgentiedebat op 27 oktober 2005 is aanvankelijk weinig gebeurd.
Toch is na het instorten van de Sovjetunie niet alleen in beter bekende staten zoals Oekraïne, Georgië of Belarus een autoritair regime aan de macht gekomen, maar vooral ook in Turkmenistan en Oezbekistan.Niet de democratie had daar gewonnen, maar een groepje mensen dat ervaring opdeed in het oude staatsapparaat en de veiligheidsdiensten.
Die mensen hadden geen enkele andere doelstelling dan zelf aan de macht te blijven.Zij maakten de staatsbedrijven tot hun privé-eigendom, misvormden verkiezingsresultaten, gaven opposities zo min mogelijk ruimte, hinderden vrije organisaties, beperkten de pers en gebruikten zo nodig geweld tegen hun volk.In Oezbekistan duurt die toestand helaas nog steeds voort.
Tot nu toe werd de houding van Europa ten opzichte van Oezbekistan te veel bepaald door economische en militaire belangen.Het leek erop dat de dictatuur in Oezbekistan mag blijven bestaan, omdat die zich nuttig heeft gemaakt voor de militaire interventie in Afghanistan.Zo'n houding zou de Europese pretenties op het gebied van mensenrechten en democratie volstrekt ongeloofwaardig maken.Europa mag de rechten en vrijheden van de Oezbeken niet ondergeschikt maken aan andere overwegingen.
Karin Scheele, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, onder het Duitse voorzitterschap van de Raad werden onder expliciete invloed van de Duitse bondsregering de sancties tegen Oezbekistan versoepeld op voorwaarde dat de regering-Karimov de mensenrechtensituatie in het land zou verbeteren. In Oezbeekse gevangenissen wordt nog steeds gemarteld, de mensenrechtensituatie in Oezbekistan is in geen enkel opzicht verbeterd.Dit vernemen wij van internationale organisaties, die dramatische aanslagen op burgers waarnemen.Niet alleen mensenrechtenorganisaties, maar ook vrouwenorganisaties, informatiecentra en vele andere organisaties worden daardoor getroffen.Mensenrechtenactivisten worden tot jarenlange straffen veroordeeld, talrijke activisten moesten vluchten, ook journalisten.
Wij mogen de sancties niet verzachten, wij mogen de sancties niet opheffen!Wij ervaren eens te meer dat er ook hier in dit Parlement anders over mensenrechten wordt gesproken als er grondstoffen in het spel zijn, dan wanneer dat niet het geval is. Wij moeten een duidelijk signaal afgeven dat wij dat niet accepteren.
Raül Romeva i Rueda, namens de Verts/ALE-Fractie.–(ES) Mevrouw de Voorzitter, ik wil van dit debat gebruikmaken om het Huis attent te maken op een groep mensen die in Oezbekistan voornamelijk wordt vervolgd, en niet alleen in Oezbekistan, maar ook in Turkmenistan, namelijk de homo-, bi- en transseksuelen.
Homo’s en lesbiennes worden meestal dubbel vervolgd, omdat ze vaak activisten zijn, maar ook omwille van hun geaardheid. Wie publiekelijk erkent deel van deze groep uit te maken, of daarvan wordt beschuldigd, staat twee tot vijf jaar gevangenisstraf te wachten.
Wanneer wij het over mensenrechten in het algemeen hebben, denken wij uiteraard aan alle mensenrechten, maar zien we deze specifieke groep vaak over het hoofd. Deze groep heeft specifieke noden en heeft geprobeerd deze tijdens de vorige vergadering van de OVSE in Madrid duidelijk te maken, tegenover de onbegrijpelijke oppositie van vele regeringen.
Ik denk dat we dit moeten onthouden en in elk geval opnieuw moeten bespreken tijdens het debat over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Centraal-Azië.
Józef Pinior (PSE).-(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben allereerst echt bezorgd over de houding van de PPE-DE-Fractie ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Oezbekistan.Wij moeten ons niet laten inpakken door de hypocritische pogingen van de Oezbeekse regering om respect te krijgen, met het doel de indruk van democratische vooruitgang te wekken en de betrekkingen met de Europese Unie te verbeteren.
Nee, Oezbekistan heeft de afgelopen twee jaar geen vooruitgang geboekt.De regering heeft nog steeds geen opdracht gegeven voor een onafhankelijk onderzoek naar de moorden in Andijan.Met de mensenrechten wordt nog steeds de spot gedreven en ook martelingen komen nog voor volgens het VN-verslag.Politieke tegenstanders hebben nog niet het recht vrijuit te spreken.De pers staat nog onder toezicht van de regering.Wij keuren dit af en wij ondervragen de regering over twee moorden, die van een theaterdirecteur en een journalist, van wie bekend is dat zij de Oezbeekse regering hebben bekritiseerd.
Wij moeten de schijnvertoning van de zelfverkiezing van president Karimov op 23 december niet steunen.En wij moeten heel behoedzaam en oplettend blijven ten aanzien van de politieke situatie in Oezbekistan, zelfs als sommige nationale belangen in de Europese Unie eronder lijden.Mensenrechten mogen nooit wijken voor economische betrekkingen in de Europese Unie.
Danuta Hübner,lid van de Commissie.−(EN) Mevrouw de Voorzitter, de recentelijk aangenomen nieuwe strategie voor Midden-Azië wijst erop dat de Europese Unie op de lange termijn gecommitteerd is aan een groter engagement en een diepgaander samenwerking ten aanzien van deze regio. De EU en de Centraal-Aziatische landen, waaronder Oezbekistan, zijn overeengekomen om mensenrechten, de rechtsstaat, goed bestuur en democratisering tot hoofdpijlers van hun strategie te maken.
Wij zijn voornemens de steun voor de bescherming van mensenrechten en het instellen en ontwikkelen van een onafhankelijke rechterlijke macht te intensiveren, en aldus een duurzame bijdrage aan de consolidering van de rechtsstaat en het respect voor internationale mensenrechtenmaatstaven in Centraal-Azië te leveren.
De betrekkingen tussen de EU en Oezbekistan moeten in deze context worden gezien, waar aanmoediging om positieve stappen te nemen om de mensenrechten en democratisering te verbeteren, de basis is voor dialoog en samenwerking.Met onze betrekkingen met Oezbekistan is het de laatste paar jaar niet zo goed gegaan, met name sinds de gebeurtenissen in Andijan in mei 2005 en wij blijven ernstig bezorgd over de mensenrechtensituatie.
Wij zijn er vast van overtuigd dat wij door betrokkenheid een betere kans maken om de vooruitgang in de mensenrechtensituatie in Oezbekistan te stimuleren dan door het land te isoleren.Dat heeft niet gewerkt.Wij verwelkomen de geleidelijke nieuwe betrokkenheid die het afgelopen jaar is gegroeid, sinds de Samenwerkingsraad EU-Oezbekistan toestemde in het tot stand brengen van een regelmatige mensenrechtendialoog, waarvan de eerste ronde in mei 2007 plaatsvond.Er hebben ook twee ronden besprekingen op deskundigenniveau over de gebeurtenissen in Andijan plaatsgevonden.Wij zijn tevens een dialoog met het Oezbeekse maatschappelijk middenveld over de vrijheid van de media aan het plannen, die begin volgend jaar in Tashkent moet plaatsvinden.Wij juichen voorts de invoering van habeas corpus in Oezbekistan toe, alsmede de afschaffing van de doodstraf, die in januari 2008 van kracht wordt.
Tijdens de laatste bijeenkomst van de Raad Algemene Zaken, werden de EU-lidstaten het eens over de verlenging van beperkende maatregelen, maar tegelijkertijd over de voorwaardelijke opschorting van het visaverbod.De Raad verzocht Oezbekistan dringend om zijn internationale verplichtingen aangaande de mensenrechten volledig na te komen, en met name om onbelemmerde toegang van relevante internationale organisaties tot de gevangenen toe te staan, om zich effectief met de speciale rapporteurs van de VN bezig te houden, om alle ngo’s zonder beperkingen in Oezbekistan te werk te laten gaan en om beschermers van de mensenrechen vrij te laten en niet meer lastig te vallen.
De Raad verkondigde dat het opheffen van de visabeperkingen na zes maanden zou worden herzien, om te beoordelen of Oezbekistan vooruitgang had geboekt bij het voldoen aan de voorwaarden.De Oezbeekse autoriteiten gingen ermee akkoord om de discussie over mensenrechtenkwesties begin 2008 voort te zetten in het licht van het EU-Oezbekistan Samenwerkingscomité.
Oezbekistan heeft getoond dat het ervoor open staat om met de Commissie te praten over verdere uitbreiding van de communautaire hulp ter ondersteuning van de hervorming van de politieke instellingen zoals het parlement en de hervorming van de rechterlijke macht, wat wij allemaal verder zullen bespreken in het Samenwerkingscomité.Het feit dat de beperkende maatregelen van de EU gehandhaafd blijven, geeft duidelijk aan, zowel voor de Oezbeken als voor het grote publiek, dat wij ons zorgen maken over de situatie in Oezbekistan.
Oezbekistan heeft nog een lange weg te gaan op het strijdtoneel van de mensenrechten en wij blijven bij de Oezbeekse regering benadrukken, dat wij – overeenkomstig de conclusies van de Raad – aan de basis concrete vooruitgang in de mensenrechtensituatie willen zien.
Mensenrechten blijven een belangrijke en lastige kwestie in onze betrekkingen met Oezbekistan, maar de Commissie is van mening dat maatschappelijke betrokkenheid de beste manier is om positieve ontwikkelingen te bevorderen.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt na afloop van de debatten plaats.
(Ingekort overeenkomstig artikel 142 van het Reglement)
Véronique Mathieu (PPE-DE),schriftelijk.–(FR) Als Europa zich doet gelden, winnen de vrijheden terrein.
De Europese Unie moet absoluut doorgaan met het in 2005 ingezette beleid, na de blinde en totaal onbestrafte repressie in Andijan, die volgens EUROSTAT en Human Rights Watch tussen 500 en 1 000 doden zou hebben gekost.De talrijke komende uitdagingen (energie, terrorisme, vrijheden) nopen Europa om zich meer dan ooit te richten op de omringende landen.Zijn meest belangrijke taak is om op te komen voor de mensenrechten en om de vooruitgang op het gebied van de fundamentele vrijheden als voorwaarde voor serene betrekkingen met Oezbekistan te stellen.De Unie kan niet voorbijgaan aan de realiteit van een chimerieke rechtsstaat en de afgrijselijke moord in september 2007 op regisseur Mark Weil, die bekend is om zijn oppositie tegen het regime van Tachkent.Onlangs heeft het Oezbeekse parlement enige stappen in de richting van de afschaffing van de doodstraf en de verbetering van het burgerlijk recht gezet.Hoewel deze besluiten nog zeer ontoereikend zijn, is de vastbeslotenheid van de Europese Unie niet tevergeefs geweest en zij heeft ertoe bijgedragen de beginselen van een onaanvaardbare en gevaarlijke realpolitik onderuit te halen.Het is zaak nog verder te gaan om democratie en politieke stabiliteit te bereiken.Maar wij beginnen eindelijk hoop te krijgen.Het is aan dit enorm grote land, dat Oezbekistan is, om deze hoop niet te gronde te richten door met Europa aan een echt partnerschap te werken.
De Voorzitter. – Aan de orde is het debat over zes ontwerpresoluties over Somalië.(1)
John Bowis (PPE-DE), auteur.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, generatieslang zijn er mensen uit Somaliland en Somalië naar mijn kiesdistrict in Londen gekomen.Zij hebben een lange traditie om bij de Britse handelsvloot te werken en geld naar huis te sturen.Tijdens mijn tijd in het Britse parlement was ik mede-voorzitter van de alle partijen omvattende Brits-Somalische fractie.Soms behandelden we problemen en soms persoonlijke aangelegenheden, en dergelijke.En die waren er in overvloed.De Somaliërs zijn fantastische mensen maar waren niet begenadigd met buitengewone leiders.
Nu is de situatie verder verslechterd.Het is nu een mislukt land, met de slechtste gezondheidscijfers ter wereld.De bevolking wordt elke dag geconfronteerd met geweld en voortdurend stijgende sterfcijfers voor kinderen en moeders.De mensen zitten gevangen in het kruisvuur van Ethiopische troepen, regeringstroepen en milities.Daarom staat deze kwestie op de agenda vandaag.Wij begrijpen hoe verschrikkelijk het is om tegenwoordig in Somalië te wonen.Wij begrijpen hoe flagrant noodzakelijk het is om er humanitaire hulp naar toe te sturen, en toch lukt dat niet.Wij begrijpen dat er vredesmachten nodig zijn en wij juichen toe wat de Afrikaanse Unie heeft beloofd, maar wij zijn niet blij met wat er tot dusver is bereikt.Het is bij lange na niet wat er is beloofd.
Momenteel zijn er alleen Oegandese troepen.De Ethiopiërs zullen niet eerder vertrekken totdat het beloofde aantal van 8 000 troepen wordt bereikt. Wij moeten zorgen dat we de mensen aan het praten krijgen – praten over de grenzen heen, over onze eigen traditionele vooroordelen heen – omdat er geen stabiliteit zal zijn als de mensen niet praten en als er geen stabiliteit is, is er geen toekomst voor dat land. Als er geen toekomst is, dan sterven de mensen.Wij zullen niet verantwoordelijk zijn, maar wij hebben ook geen poging gedaan om dit te voorkomen.
Raül Romeva i Rueda (Verts/ALE), auteur.–(ES) Mevrouw de Voorzitter, natuurlijk wil ik het belang van deze resolutie benadrukken, vooral in het licht van het debat deze ochtend. Wij hebben net gesproken over hoe wij met de situatie in kwetsbare landen moeten omgaan. Somalië is niet alleen een kwetsbaar land, maar ook werkelijk een mislukt land.
Toch mogen wij niet vergeten, zoals de heer Bowis zei, dat het land momenteel enorm veel geweld kent en dat het geweld vooral wordt gevoed door de aanhoudende levering van wapens, voornamelijk lichte wapens en munitie, afkomstig van andere landen uit die streek en in vele gevallen rechtstreeks uit Westerse landen, inclusief de Europese Unie.
Daarom mogen wij niet vergeten dat wij, behalve dat we moeten reageren op de onmiddellijke gevolgen van de huidige situatie in Somalië, ook een verantwoordelijkheid dragen voor deze situatie. Wanneer wij spreken over de plicht en verantwoordelijkheid om Somalië te beschermen, wat wij gewoonlijk in dit soort debatten doen, moeten wij ook onze eigen verantwoordelijkheid nemen om deze situatie te voorkomen, bijvoorbeeld door de wapenexport te controleren.
Ana Maria Gomes (PSE), auteur. – (PT) Gisteren was er in Mogadishu een oproep om eenheden van de Afrikaanse Unie aan te vallen – zo groot zijn de tragedie en het controleverlies die Somalië verwoesten en de hele Afrikaanse Hoorn in rep en roer zetten. De EU moet dringend druk uitoefenen op alle partijen in het conflict om zich te engageren tot een alomvattend proces van nationale verzoening dat voor de politieke kwesties die aan de basis liggen van de crisis, een oplossing kan vinden. De “overgangsregering” zal een fictie blijven als zij voortdurend weigert acties te ondernemen om de burgerlijke bevolking te beschermen en humanitaire hulp te vergemakkelijken.
Somalië is volgens een recent rapport van de VN meer dan ooit overspoeld met wapens. Het is van essentieel belang dat de staten en handelaars die het wapenembargo van 1992 niet naleven, worden tegengehouden en aansprakelijk worden gesteld. Ten slotte moet de vredesmacht van de Afrikaanse Unie dringend worden versterkt en moeten de Ethiopische bezettingstroepen vertrekken. Wij moeten toegeven dat de Ethiopische interventie, die op gang werd gebracht door de regering Bush met de passieve toestemming van de Europese Unie, geen vrede of regering en zelfs geen hulp in de strijd tegen het terrorisme in Somalië heeft gebracht. Zij bracht de mensen van de hele regio alleen maar meer leed, armoede en dood.
Marcin Libicki (UEN),auteur. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, wij spreken hier vandaag over de tragedie in Somalië. Het is zo dat er in een dergelijk geval drie interventiemaatregelen kunnen worden genomen: diplomatieke druk, een economisch embargo en, indien nodig, gewapende interventie. Er is echter een vierde mogelijkheid die we niet noemen en die houdt in dat de EU-landen moeten beginnen hun eigen pseudo-ondernemingen niet langer in handen te geven van corrupte bureaucraten in verschillende postkoloniale staten. Deze bureaucraten sturen vaak aan op burgeroorlogen, vaak in het fundamentele belang van de pseudo-ondernemingen.
Ik wil nog iets zeggen over hetzelfde onderwerp als de heer Romeva i Rueda en mevrouw Gomes. Natuurlijk worden de wapens die in deze landen, inclusief Somalië, worden gebruikt, geproduceerd in en uitgevoerd uit zogenaamde democratische landen, landen die economisch ontwikkeld zijn. Landen in dit deel van de wereld zouden specifiek op hun eigen wapenproducenten en pseudo-ondernemers druk moeten uitoefenen zodat zij zeker geen oorzaak zijn van of aandeel hebben in de ergste rampen die zich vandaag op de planeet voordoen.
Marios Matsakis (ALDE), auteur.–(EN) Mevrouw de Voorzitter, Somalië is in het verleden het thema geweest van resoluties van het Europees Parlement en de VN.Helaas is de situatie aldaar niet verbeterd en is de aanhoudende verwoestende burgeroorlog onverminderd doorgegaan.Het hieruit voortvloeiende tragische menselijk lijden blijft voortduren, met honderdduizenden door armoede getroffen vluchtelingen, duizenden ondervoede en stervende kinderen en naar verluidt in het gebied opduikende besmettelijke ziekten zoals cholera en hepatitis.Het land bevindt zich in een wanhopige situatie, waar anarchie en het recht van de sterkste overheersen.
In deze gezamenlijke ontwerpresolutie, doen wij – zoals voorheen - een reeks praktische voorstellen, zoals het staken van alle buitenlandse militaire inventie in Somalië – met name van Ethiopië en Eritrea – en volledige tenuitvoerlegging van het wapenembargo tegen Somalië, dat ofschoon het vijftien jaar geleden werd opgelegd, helaas nog steeds daadwerkelijk in werking moet treden.
Wij doen ook een oproep voor de bescherming van de persvrijheid door het krachtig veroordelen van de systematische pesterij van de media door de Somalische regering en de schandalige nalatigheid om de moord van journalisten wier berichtgeving kritisch over de regering werd bevonden, te onderzoeken.
Wij doen deze oproepen, bewust van het feit dat de kansen dat ernaar geluisterd wordt erg gering zijn.Toch moeten wij ons vasthouden aan de hoop dat wellicht gezond verstand en een humanistische houding ten slotte zegevieren en dat het Somalische volk uiteindelijk meer vreedzame en welvarende dagen zal meemaken.
Erik Meijer (GUE/NGL), auteur. – (NL) Voorzitter, sinds 1991 bestaat de staat Somalië in de praktijk niet meer, althans voor zover het grondgebied van de voormalige Italiaanse kolonie is bedoeld. Alleen in het noorden, de voormalige Britse kolonie Somaliland, bestaat een vorm van staatsgezag, maar dat gezag wordt internationaal niet erkend.
De plaats van de staat is ingenomen door een aantal krijgsheren die afwisselend onderling strijd voeren en samenwerken.Het leger van buurland Ethiopië heeft zich opgeworpen als hun gezamenlijke beschermer.Daarentegen is de Unie van islamitische rechtbanken hun gezamenlijke tegenstander, die Somalië wil herenigen op grondslag van traditionele islamitische regels en zonder die krijgsheren.
Alle tot nu toe ondernomen pogingen om een algemeen aanvaard eenheidsbestuur in te stellen en Somalië weer als staat te laten functioneren, hebben gefaald.De Commissie heeft aan de in 2004 opgerichte federale overgangsinstellingen financiële steun verleend.Dat leek op dat moment verdedigbaar, maar heeft geleid tot het verwijt dat de Europese Unie partij kiest in een gewapend conflict en daarbij samenwerkt met Ethiopië tegen de krachten die het liefst een streng islamitisch regime aan de macht zouden zien.
Een dergelijk Europees beleid, hoe goed ook bedoeld, kan niet succesvol zijn zonder de steun van de inwoners van Somalië.Daarom is het goed dat in de resolutie die straks in stemming komt, wordt opgeroepen tot beëindiging van buitenlandse militaire interventies en tot dialoog en verzoening in het binnenland.
Lidia Joanna Geringer de Oedenberg,namens de PSE-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, Somalië heeft sinds de val van het Siad Barre-bewind in 1991 geen goed functionerende regering meer gehad. In het land heerst nu chaos en anarchie. Ten gevolge van het conflict tussen de rebellen van de Unie van islamitische rechtbanken en de voorlopige regeringstroepen zijn 850 000 mensen dakloos geworden en zijn er vele doden gevallen.
De situatie in Somalië is dramatisch. Cholera verspreidt zich over de regio, meer dan anderhalf miljoen mensen hebben dringende medische zorg nodig en tienduizenden kinderen zijn ondervoed. Er bestaat een reëel gevaar dat dit conflict de regio zal destabiliseren. Nog zorgwekkender is het feit dat van de beloofde 8 000 soldaten van de Afrikaanse Unie, er tot nu toe slechts 1 600 werden ingezet om te bemiddelen.
Daarom zouden de Afrikaanse Unie, de Verenigde Staten, de Europese Unie en de Verenigde Naties hun humanitaire en logistieke hulp voor de Somaliërs moeten uitbreiden, alsook hun diplomatische inspanningen om het vredesproces te versnellen en een stabiele regering te vormen door middel van vrije verkiezingen in 2009.
Leopold Józef Rutowicz,namens de UEN-Fractie. – (PL) Mevrouw de Voorzitter, Somalië ligt op het Somalische schiereiland, bekend als de Afrikaanse Hoorn, en is een etnisch en religieus homogene staat. De Somaliërs maken 97 procent van de bevolking uit, waarvan bijna 100 procent de islam belijdt.
Dankzij zijn natuurlijke hulpbronnen had het land de nodige middelen om zich economisch te ontwikkelen en een fatsoenlijk leven te creëren voor de burgers van de Republiek Somalië die is ontstaan in 1960. Helaas hebben een staatsgreep, een burgeroorlog, veranderingen in politieke gerichtheid, verdeeldheid tussen stammen en de inmenging van de Unie van islamitische rechtbanken die banden met de Taliban heeft in de strijd voor de macht, de hel op aarde gecreëerd voor de Somaliërs.
Hoe kunnen we deze mensen helpen? De oplossing voor de kwestie-Somalië ligt bij de VN en de Afrikaanse Unie. De Afrikaanse Unie zou, in het belang van Afrika, haar politieke en militaire activiteiten moeten opvoeren om de mensen te beschermen en zou ervoor moeten zorgen dat de VN en de Europese Unie absoluut essentiële humanitaire hulp kunnen leveren. In het geval van Somalië zal een debat over schending van de mensenrechten, die op indrukwekkende schaal voorkomt in dat land, niets veranderen. Wat noodzakelijk is, is actie gesteund door de Europese Unie.
Danuta Hübner,lid van de Commissie.−(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik ben het volledig eens met de heer Bowis: zolang mensen praten, is er altijd hoop. Deze bewustmakingsoproep aan Somalië vandaag komt precies op het juiste ogenblik, aangezien de situatie momenteel een aanzienlijke bedreiging van de vrede en veiligheid vormt, niet alleen in het gebied maar ook daarbuiten.De situatie veroorzaakt ook oneindig lijden voor het Somalische volk.
Zoals u weet, heeft de Unie het voortouw genomen bij het Somalische vredesproces en het oprichten van federale instellingen in de overgangsperiode.Wij hebben altijd gestreefd naar een politieke oplossing waarbij alle Somalische partijen betrokken zijn, en commissaris Louis Michel heeft een laatste wanhopige vredesmissie ondernomen om het vredesproces te redden vóór de Ethiopische interventie in december 2006 en heeft een grote rol gespeeld bij het koppelen van de EU-steun aan de vredesmissie voor Somalië van de Afrikaanse Unie en aan het op touw zetten van een nationaal verzoeningscongres.
In Somalië is zich een humanitaire ramp aan het voltrekken en is er steeds minder ruimte voor humaniteit – denk aan het harde optreden tegen de onafhankelijke media en journalisten, die worden gedood bij doelgerichte moordaanslagen.Het huidige niveau van menselijk leed in zuid- en midden-Somalië heeft alarmerende hoogten bereikt.Naar schatting hebben 1,5 miljoen mensen humanitaire hulp nodig, met inbegrip van meer dan 730 000 binnenlandse vluchtelingen van wie ongeveer een derde een extreem hoog risico loopt.Circa 173 000 inwoners van Mogadishu zijn alleen al de afgelopen twee weken voor het geweld gevlucht.
Ik wens u ook te informeren dat, als reactie op de huidige humanitaire crisis, ECHO, het Bureau voor humanitaire hulp van de Commissie, samenwerkt met uitvoerende partners om 1,5 miljoen mensen te helpen, door de lokale bevolking, binnenlandse vluchtelingen en tijdelijke bevolkingsgroepen water, hygiëne, voedsel, medicijnen en steun voor vee en levensonderhoud ter beschikking te stellen.Dit jaar heeft het een recordbudget voor hulpverlening aan Somalië toegekend ten bedrage van 20 miljoen euro.
Wij zijn ook erg bezorgd over de veranderende situatie op het stuk van de veiligheid in Mogadishu en andere gebieden in zuid-midden-Somalië.Oproerbewegingen blijken zich uit te breiden en alle partijen hebben hun militaire capaciteit de afgelopen weken vergroot.De EU zet zich in voor een pluriforme benadering die erin bestaat een veelomvattende veiligheidsstrategie te ondersteunen, waaronder een wapenstilstand en een volledige inzet van de missie van de Afrikaanse Unie in Somalië waardoor de terugtrekking van Ethiopië zou worden vergemakkelijkt, en aan te zetten tot de benoeming van een vertegenwoordiger en een effectieve minister-president en regering, terwijl de oppositie overgehaald wordt en de verzekering krijgt dat haar betrokkenheid bevorderd wordt gedurende de rest van de overgangsperiode tot de verkiezingen in 2009. De EU zal ook alle partijen dringend verzoeken de fundamentele mensenrechten en internationale humanitaire wetgeving te respecteren.
Tot slot moeten wij rekening houden met de regionale dimensies van de crisis en Ethiopië en Eritrea voor ons zien te winnen die in Somalië een oorlog bij volmacht aan het voeren zijn waardoor een grensconflict in die landen kan ontstaan.De Commissie heeft een speciale EG-gezant voor Somalië benoemd en werkt aan voorstellen voor EU-actie in het kader van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen.Zij blijft zich inzetten voor een nauwe samenwerking met het Europees Parlement om het geweld te doen stoppen en om een politieke oplossing voor deze crisis te vinden.
De Voorzitter. – De heer Matsakis heeft het woord over een ordekwestie.
Marios Matsakis (ALDE).-(EN) Mevrouw de Voorzitter, ik doe een beroep op het Reglement voor wij tot stemming overgaan; ik zie wederom dat er geen vertegenwoordiger van de Raad in dit Huis aanwezig is.Dit is nu bijna een permanente situatie geworden en misschien moet er iets aan gedaan worden.
De Voorzitter. – Het debat is gesloten.
De stemming vindt na afloop van het debat plaats.
Schriftelijke verklaringen (artikel 142)
Glyn Ford (PSE).-(EN) De situatie in Somalië is een afspiegeling van een ingestort land en een mislukte economie.Er is geen functionerende regering aan het bewind geweest sinds de omverwerping van het Said Barre-regime in 1991, dat tot anarchie, stammengevechten en roof leidde.
De recente gevechten tussen de Unie van islamitische rechtbanken en de verenigde Ethiopische en tijdelijke nationale regeringstroepen heeft minstens 100 000 mensen doen vluchten en er dreigt een hongersnood.De verslechterende veiligheidssituatie in Mogadishu verhindert internationale ngo’s om deze zich uitbreidende humanitaire ramp het hoofd te bieden.
Ik juich de pogingen van de Afrikaanse Unie toe, om een vredesmacht samen te brengen, om te helpen met de nationale verzoening, maar slechts 20 procent van de beloofde 8 000 troepen zijn daadwerkelijk ingezet.De Afrikaanse Unie moet haar verplichtingen nakomen.De Europese Unie moet meer moeite doen om politieke, financiële en logistieke steun te verlenen.
De internationale gemeenschap, waaronder de EU, moet de humanitaire hulpverlening aan vluchtelingen opvoeren.De ultieme oplossing om van Somalië weer een functionerend land te maken, vereist datde Internationale Contactgroep voor Somalië, waaronder de Afrikaanse Unie, de VN, de EU en de VS, de nodige samenwerking aangaan met actoren in Somalië om de tenuitvoerlegging van het nationale overgangshandvest en de overgangsinstellingen van het land te steunen.
14. In het register ingeschreven schriftelijke verklaringen (artikel 116 van het Reglement): zie notulen
15. Verzending van de tijdens deze vergadering aangenomen teksten: zie notulen
16. Rooster van de volgende vergaderingen: zie notulen
17. Onderbreking van de zitting
De Voorzitter. – Ik verklaar de zitting van het Europees Parlement te zijn onderbroken.
(De vergadering wordt om 16.20 uur gesloten)
BIJLAGE (Schriftelijke antwoorden)
VRAGEN AAN DE RAAD (Het fungerend voorzitterschap van de Raad van de EU is verantwoordelijk voor deze antwoorden)
Vraag nr. 8 van Colm Burke (H-0794/07)
Betreft: Hervormingsagenda in Turkije na de verkiezingen
Met de uitslag van de recente verkiezingen in Turkije kreeg de Turkse regering een duidelijk mandaat voor politieke en economische hervormingen. Op welke wijze steunt de Raad de Turkse regering bij de komende politieke en economische uitdagingen, om te zorgen dat Turkije meer vaart zet achter de hervormingen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De opkomst bij de Turkse parlementsverkiezingen was hoog. De samenstelling van het nieuwe parlement weerspiegelt de Turkse bevolking beter dan de vorige, en de regering van eerste minister Erdogan heeft een absolute meerderheid. Zoals de heer Burke stelt, is de legitimiteit van de regering hernieuwd en heeft ze een duidelijk mandaat, zodat ze het hervormingsproces vastberaden voort kan zetten.
De Europese Unie heeft van elke mogelijkheid, in het bijzonder tijdens de verschillende ontmoetingen in het kader van de politieke dialoog, gebruik gemaakt om Turkije te wijzen op haar verwachting dat de nieuwe regering de hervormingen na de afkoeling van het voorbije jaar en in de aanloop naar de verkiezingen een nieuw elan zal geven. Ze zal dat blijven doen. In dat verband verwijzen wij naar het voornemen van de meerderheid in het parlement een nieuwe grondwet op te stellen. Wij zullen dat proces van nabij volgen.
Vooruitgang in het hervormingsproces, zowel wat de goedkeuring als wat de tenuitvoerlegging van nieuwe wetgeving betreft, is van wezenlijk belang voor de toetredingsonderhandelingen. De Unie blijft bereid Turkije daarin bij te staan. Er moet nog veel worden gedaan, in het bijzonder wat de politieke criteria betreft. Wij hebben erop gewezen dat grote vooruitgang dient te worden geboekt, onder meer op het gebied van vrije meningsuiting, godsdienstvrijheid en civiel-militaire betrekkingen. Uiteraard maken wij ons grote zorgen over de situatie in het zuidoosten van het land veroordelen wij elke vorm van terrorisme en beklemtonen wij de behoefte aan de voortdurende inachtneming van het hoge belang van de wet en het behoud van de regionale stabiliteit.
Bovendien blijven wij Turkije ertoe aansporen de betrekkingen met de Republiek Cyprus te normaliseren, en roepen wij op tot de volledige tenuitvoerlegging van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara, zoals vermeld in de verklaring van de EU van 21 september 2005 en de conclusies van de Raad van 11 december 2006. Wij sporen Turkije ook aan meer inspanningen te doen om te garanderen dat het land geheel en onmiskenbaar voldoet aan zijn verplichtingen wat betreft betrekkingen van goed nabuurschap en de oplossing van alle onbesliste grensgeschillen, conform het beginsel van vreedzame regeling van grensconflicten in overeenstemming met het VN-Handvest, waar nodig met een beroep op het Internationaal Gerechtshof.
In economisch opzicht hopen wij dat Turkije de ingeslagen weg van duurzame economische groei zal blijven volgen en het programma voor structurele hervormingen zal uitvoeren.
Samenvattend wijs ik erop dat de Unie een pretoetredingsstrategie heeft opgesteld die Turkije een kader biedt om zich op de toetreding voor te bereiden. De associatieovereenkomst is een belangrijk instrument voor de samenwerking tussen de beide partijen. Het partnerschap voor de toetreding, dat binnenkort dient te worden herzien, legt prioriteiten vast voor later werk en doet dienst als referentie voor de aanpassing van EU-steun aan de speficieke behoeften van het kandidaat-land. Wat betreft financiële steun, zal het gemiddelde jaarbedrag dat aan Turkije wordt toegekend, in het kader van het nieuwe financiële instrument IPA van 497 miljoen euro in 2007 tot 653 miljoen euro in 2010 stijgen.
Bovendien zijn de toetredingsonderhandelingen zelf het meest waardevolle en krachtigste instrument om hervormingen tot stand te brengen.
Vraag nr. 9 van Mairead McGuinness (H-0795/07)
Betreft: Liberalisatie van de postdiensten in de EU
In de zitting van de Raad van 1 oktober werd overeengekomen de postdiensten volledig te liberaliseren. Besloten werd dat de openstelling de postdiensten in de Europese Unie uiterlijk 31 december 2010 een feit zou zijn. Kan de Raad een verklaring terzake afleggen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Zoals mevrouw McGuinness terecht heeft opgemerkt, heeft de Raad in zijn zitting van 1 oktober 2007 een politieke overeenkomst bereikt over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG met betrekking tot de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap, die via de medebeslissingsprocedure, dus met volledige medewerking van het Parlement, zal worden goedgekeurd.
Eén van de belangrijkste punten van de overeenkomst is de uiteindelijke termijn van 31 december 2010 voor de tenuitvoerlegging van de wijzigingsrichtlijn. In dit opzicht kunnen bepaalde lidstaten (vermeld in het nieuwe artikel 3) deze termijn tot ten laatste 31 december 2012 verschuiven, op voorwaarde dat ze de Commissie vooraf op de hoogte brengen. Andere punten zijn verduidelijking en belangrijke aanpassingen van de relevante definities en handhaving van de universele dienst, met inbegrip van financiering van die dienst en het vergunningsstelsel.
Bovendien wordt in de overeenkomst met de amendementen op het voorstel van de Commissie rekening gehouden door een groot aantal in het standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing voorgestelde amendementen over te nemen.
Juristen en taalkundigen leggen de laatste hand aan de tekst van de overeenkomst, zodat de Raad op een aanstaande vergadering een gemeenschappelijk standpunt kan vaststellen.
De Raad is zeer verheugd over de uitstekende samenwerking en de eensgezindheid met het Europees Parlement met betrekking tot dit zeer belangrijke onderwerp.
Vraag nr. 10 van Avril Doyle (H-0797/07)
Betreft: Repatriëringsfonds voor EU-onderdanen
Kan de Raad nagaan of het mogelijk is een fonds voor EU-onderdanen in te stellen ter dekking van de kosten van repatriëring bij overlijden, als de familie daar kennelijk financieel niet toe in staat is er?
In Ierland bleek door de recente toename van het aantal onderdanen van andere lidstaten dat sommige families financiële problemen ondervinden bij het repatriëren van het lichaam van een familielid dat in een andere lidstaat is overleden. Veelal worden de kosten opgebracht door de plaatselijke gemeenschappen. Wat gebeurt er als dit niet het geval is? Kan er een “repatriëringsfonds” voor dergelijke gevallen worden ingesteld?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De kwestie die mevrouw Doyle naar voren brengt is belangwekkend. Het betreft één aspect van het ruimere onderwerp van de repatriëring van lijken tussen lidstaten, die op dit ogenblik wordt geregeld door de Overeenkomst van Straatsburg van 1973, die door slechts enkele lidstaten is ondertekend en die voor het vervoer van lijken strikte regels bevat. Dit onderwerp werd behandeld in het “Groenboek: Diplomatieke en consulaire bescherming van EU-burgers” van de Commissie, maar alleen wat het vervoer van lijken van landen buiten de Europese Unie betreft.
De repatriëring van lijken is een bevoegdheid van de lidstaten, die in deze materie verschillende standpunten innemen. In de meeste of zelfs in alle lidstaten bestaat geen verplichting of wettelijke mogelijkheid de lijken van hun burgers te repatriëren. Het voorzitterschap acht het daarom onwaarschijnlijk dat op korte of middellange termijn een besluit zal worden genomen over de instelling van een fonds ter dekking van kosten die de meeste lidstaten als een particuliere verantwoordelijkheid beschouwen.
Vraag nr. 11 van Jim Higgins (H-0799/07)
Betreft: Preventie van hart- en vaatziekten
Het is de Raad ongetwijfeld bekend dat in de EU jaarlijks 1.9 miljoen mensen aan hart- en vaatziekten overlijden en dat alleen een plan met politieke, sociale en economische kanten het aantal sterfgevallen door hart- en vaatziekten kan terugdringen. Kan de Raad aangeven welke stappen hij neemt ter voorkoming van hart- en vaatziekten?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De Raad werkt aan de voorkoming van hart- en vaatziekten door specifieke gezondheidskwesties aan te pakken die de incidentie van hart- en vaatziekten beïnvloeden.
– Voeding en lichaamsbeweging: de Raad keurde in 2005 conclusies goed betreffende de bevordering van gezonde levensstijlen en het voorkomen van type 2 diabetes en op zijn vergadering van 31 mei 2007 betreffende gezondheidsbevordering door middel van voeding en lichaamsbeweging. Op dit ogenblijk stelt de Raad een nieuwe reeks conclusies op betreffende de toepassing van de EU-strategie voor aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties. De Groep op hoog niveau die werd ingesteld om de strategie te verwezenlijken, zal de beperking van de hoeveelheid zout als een prioritaire kwestie behandelen, aangezien zout bij hart- en vaatziekten een bepalende factor is.
– Roken: een gedachtewisseling vond plaats op de vergadering van de Raad van 31 mei 2007 over strategische opties voor een beleid met het oog op een rookvrij Europa. De beperking van actief en passief roken kan leiden tot grote vooruitgang op het gebied van cardiovasculaire gezondheid.
– Alcohol: in november 2006 keurde de Raad zijn Conclusies goed over de EU-strategie ter beperking van aan alcohol gerelateerde schade. Buitensporig alcoholgebruik en de schadelijke gevolgen daarvan zijn één van de belangrijkste prioriteiten van het programma van het Duitse, het Portugese en het Sloveense voorzitterschap.
Vermeldenswaard is ook het Europees handvest voor een gezond hart, dat werd opgesteld door het European Heart Network en de European Society of Cardiology met de steun van de Europese Commissie en de WGO. Het heeft ten doel de gevolgen van hart- en vaatziekten in de EU en de Europese regio van de WGO en de ongelijkheden tussen de landen in die regio te beperken.
Deze acties dragen bij aan de terugdringing van de belangrijkste risicofactoren voor hart- en vaatziekten overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van juli 2007. Ze leggen de nadruk op het belang van preventie door een gezonde levensstijl.
Vraag nr. 12 van David Martin (H-0803/07)
Betreft: Sluiting van EPO's tijdens de Paritaire Parlementaire Vergadering te Kigali
Welke plannen heeft de Raad, gezien de bezorgdheid van de maatschappelijke organisaties en de ACS-landen over de uiterste datum van december voor de sluiting van de Economische Partnerschapsovereenkomsten, om met hun Afrikaanse collega's te onderhandelen tijdens de volgende Paritaire Parlementaire Vergadering met de ACS-landen op 17-23 november te Kigali?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Op grond van de in juni 2002 door de Raad aangenomen richtsnoeren is de Commissie bevoegd voor het onderhandelen over economische partnerschapsovereenkomsten namens de EU. De onderhandelingen vinden gewoonlijk op regionaal niveau plaats. Op het niveau van alle ACS-landen is de ACS-EU-Raad van ministers bevoegd voor de goedkeuring van de politieke richtsnoeren en voor het nemen van de nodige beslissingen om de bepalingen van artikel 15, lid 2, sub b) van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou uit te voeren, met inbegrip van die welke betrekking hebben op de EPO’s. In deze samenhang ondersteunde de ACS-EU-Raad van ministers van 25 mei 2007 een herziening van de EPO-onderhandelingen overeenkomstig artikel 37, lid 4 van de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou.
De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS–EU is geen formeel onderhandelingsforum voor de EPO’s. Ze speelt een bredere, uitermate belangrijke rol in het Cotonou-systeem. Krachtens de bepalingen van artikel 17, lid 2 van de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou is het immers haar rol als raadgevend orgaan, democratische processen via dialoog en advies te bevorderen en kwesties betreffende ontwikkeling en het ACP-EU-partnerschap te bespreken.
De Raad van de EU is sterk toegewijd aan de verstrekking namens de EU van politieke richtlijnen aan het EPO-proces. De Raad heeft daarom in april 2006 en mei 2007 conclusies goedgekeurd die zijn betrokkenheid onderstrepen bij de EPO's als ontwikkelingsinstrumenten die aan de uitroeiing van de armoede in de ACS-landen bijdragen.
Vraag nr. 13 van Cristobal Montoro Romero (H-0806/07):
Betreft: Wisselkoers
De Europese Unie is de grootste im- en exporteur van goederen in de wereld en de belangrijkste exporteur van diensten. Als bron en als ontvanger van directe investeringen neemt zij de tweede plaats in. Zij is derhalve een van de belangrijkste begunstigden van de wereldeconomie en heeft een grote verantwoordelijkheid bij het aangaan van de wereldwijde uitdagingen. Een hiervan, de stijging van de koers van de euro ten opzichte van de belangrijkste valuta in de rest van de wereld, is het gevolg van het gebrek aan evenwicht in de wereldeconomie en de geringe economische groei van de Europese Unie als gevolg van de tekortschietende binnenlandse vraag in de Unie.
Is de Raad van mening dat de Europese Unie geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor de stijging van de koers van de euro en dat alles het gevolg is van het optreden van de andere handelsblokken, China of de Verenigde Staten?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Zoals de heer Montoro Romero terecht opmerkt, is de Europese Unie in verschillende opzichten een economische wereldleider, op het gebied van de handel in goederen en diensten en op het gebied van binnenlandse en buitenlandse investeringen. Ik ben het echter niet eens met het oordeel van de heer Montoro Romero over de economische groei en de binnenlandse vraag in de Unie. Als de beschikbare vooruitzichten van de Europese Commissie juist blijken, zal het BBP in 2007 en 2008 boven het potentieel uitstijgen en zal de binnenlandse vraag dit jaar nog meer toenemen (en die van de Verenigde Staten overstijgen).
De Europese Unie neemt haar verantwoordelijkheid in verband met de bestrijding van scheeftrekkingen in de wereldeconomie zeer enstig en hoopt dat haar partners in de wereld dat ook doen. De EU heeft de economische hervormingen overeenkomstig de Lissabonagenda gedurende zeven jaar doorgezet om een groot aantal kwesties aan te pakken met betrekking tot de economische vraag en het algemene programma voor concurrentievermogen in de wereldeconomie. De succesvolle hervormingen in de lidstaten in het kader van de Lissabonagenda leveren nu resultaat op en de EU-economie bevindt zich op dit ogenblik in een betere positie om aan de huidige wereldwijde economische onzekerheid het hoofd te bieden. Wij zijn echter niet zelfingenomen. Onze structurele hervormingen moeten en zullen overeenkomstig de prioriteiten van de Lissabonagenda worden voortgezet.
Wat de specifieke kwestie van de wisselkoers van de euro betreft, kan ik de heer Montoro Romero zeggen dat de Raad niet heeft gesproken over de tendensen in de wisselkoersen van de euro en de valuta van lidstaten die de euro niet als hun nationale munt gebruiken.
De Eurogroep echter heeft op haar vergadering van 8 oktober een verklaring over wisselkoersen goedgekeurd en besloten die uit te brengen, waarin wordt herhaald dat de Eurozone een rol speelt in de systematische vermindering van het onevenwicht door de verwezenlijking van structurele hervormingen en haar bijdrage aan evenwichtige groei.
De economische situatie en de ontwikkeling van de wisselkoersen werden ook besproken op de vergadering van 19 oktober van de ministers van Financiën van de G7 in Washington. De verklaring van de ministers van Financiën van de G7 bevatte de volgende paragraaf: “Wij bevestigen dat de wisselkoersen de economische basis moeten weerspiegelen. Al te grote volatiliteit en wanordelijke schommelingen van de wisselkoersen zijn voor economische groei onwenselijk. Wij blijven nauw op de wisselmarkten toezien en werken op aangewezen wijze samen. We zijn verheugd over de beslissing van China de flexibiliteit van zijn munt te vergroten. Met het oog op het stijgende overschot op de lopende rekening en de binnenlandse inflatie van dat land beklemtonen wij echter zijn behoefte aan een snellere waardering van zijn werkelijke wisselkoers.”
Vraag nr. 14 van Dimitrios Papadimoulis (H-0811/07)
Betreft: Mogelijke ingreep Turkse leger in Noord-Irak
De Turkse premier, de heer Erdogan, verklaarde op 10 oktober 2007 binnenkort een nota aan het Turkse parlement te zullen voorleggen met het verzoek om toestemming voor het beginnen van militaire operaties in Noord-Irak.
Gelet op het standpunt dat de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het GBVB, de heer Solana, hierover reeds te kennen heeft gegeven, namelijk dat "geen enkele kans mag worden aanvaard dat de veiligheidssituatie in Irak nog verder wordt gecompliceerd, en dat dit de boodschap is die wij onze Turkse vrienden overbrengen", luidt de vraag welke stappen de Raad onderneemt om een eventuele militaire ingreep van het Turkse leger in Noord-Irak af te wenden? Wat zouden de gevolgen van zo'n ingreep zijn voor de koers van Turkije naar toetreding tot de Europese Unie?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Wij volgen de situatie van nabij en onderhouden nauwe contacten met de Turkse autoriteiten. Het voorzitterschap heeft de recente terroristische acties in zuidoost-Turkije streng veroordeeld en heeft zo blijk gegeven van onze solidariteit met het Turkse volk. De internationale gemeenschap en alle belangrijke betrokkenen in de regio in het bijzonder moeten de Turkse inspanningen ondersteunen om zijn bevolking te beschermen en terrorisme te bestrijden, de mensenrechten, fundamentele vrijheden en de rechtstaat in acht te nemen, de internationale en regionale vrede en stabiliteit te vrijwaren en geen onevenredige militaire actie te ondernemen. Ook vermeldenswaard is dat het voorzitterschap deel heeft genomen aan de ministerconferentie van de buurlanden van Irak op 2 en 3 november in Istanbul, waar de deelnemers hun waardering uitspraken voor de inspanningen van de Iraakse regering op het gebied van de bestrijding van terrorisme, bijvoorbeeld om te voorkomen dat Irak wordt gebruikt als basis voor terroristische aanvallen op buurlanden. De bilaterale overeenkomsten tussen Irak en zijn buurlanden betreffende terrorismebestrijding werden in herinnering gebracht. De versterking van de dialoog en de samenwerking tussen de Turkse en Iraakse regeringen is voor de oplossing van dit probleem van het grootste belang.
Als kandidaat-land dat over toetreding tot de EU onderhandelt – en overeenkomstig het onderhandelingskader – dient Turkije goede betrekkingen met de buurlanden te onderhouden en de internationale rechtsorde in acht te nemen.
In deze samenhang kan ik de heer Papadimoulis verzekeren dat wij de situatie van zeer nabij volgen en dat wij een oplossing op grond van samenwerking tussen Turkije en Irak voorstaan.
Vraag nr. 15 van Chris Davies (H-0815/07)
Betreft: Controle op de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving tijdens het Portugese Raadsvoorzitterschap
Kan het fungerende Raadsvoorzitterschap meedelen of het ervoor heeft gezorgd dat het probleem van de ontoereikende tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door lidstaten op de agenda is gezet van een van de tijdens het huidige voorzitterschap geplande vergaderingen van de Raad?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Het Portugese voorzitterschap is niet voornemens deze kwestie op dit ogenblik in de Raad te bespreken.
De Commissie ziet als hoedster van de Verdragen toe op de tenuitvoerlegging van de Gemeenschapswetgeving in de lidstaten. De Commissie legt tweejaarlijks een verslag voor, het Scorebord van de interne markt, over de tenuitvoerlegging van wetgeving in verschillende landen van de Unie. Het zestiende Scoreboard over de tenuitvoerlegging werd op 5 juli 2007 gepubliceerd.
Het voorzitterschap heeft geen informatie over de publicatiedatum van het volgende scorebord van de Commissie.
Vraag nr. 16 van Nikolaos Vakalis (H-0822/07)
Betreft: Maatregelen voor de vermindering van de uitstoot van auto's in de steden
Kan de Raad, overwegende dat er al jarenlang gediscussieerd wordt over de luchtvervuiling in het centrum van de Europese grootsteden en dat deze vervuiling verband houdt met het autoverkeer, zeggen hoever het staat met de goedkeuring van Richtlijn betreffende de belasting van personenauto’s (COM(2005)0261), die bepaalt dat de belastingen op voertuigen moet worden berekend op basis van hun CO2-uitstoot?
Het Europees Parlement heeft een resolutie hierover aangenomen op 5 september 2006. Waarom sleept de goedkeuring van deze richtlijn al een jaar lang aan? Is het voorzitterschap van plan de procedure voor de goedkeuring ervan op gang te brengen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Het Portugese voorzitterschap is van mening dat het fiscaal beleid een grotere bijdrage dient te leveren aan de verbetering van de ecologische duurzaamheid. Het voorzitterschap brengt daarom een debat op gang over alle initiatieven die de inspanningen kunnen bevorderen die worden ondernomen om de klimaatverandering te bestrijden en de EU-doelstellingen voor de algemene beperking van de uitstoot van broeikasgassen te halen. Het voorzitterschap is zich ervan bewust dat fiscale maatregelen positieve gevolgen kunnen hebben voor de vervuiling en het gedrag van de consument.
Tegen deze achtergrond heeft het Portugese voorzitterschap het debat over het voorstel voor een richtlijn betreffende de belasting van personenauto’s [COM(2005)0261] in de Groep belastingvraagstukken verscherpt en heeft het een compromistekst voorgelegd die de lidstaten meer flexibiliteit geeft bij het kiezen van de milieuperformantiecriteria waarop de belastingverschillen moeten worden gebaseerd (gram CO2 per kilometer, brandstofverbruik of andere aspecten die de uitstoot kunnen helpen beperken). Op 13 november opende het Portugese voorzitterschap een algemeen debat over dit onderwerp in de Raad (ECOFIN). Doelstelling is het voorstel voor een richtlijn indien mogelijk tegen het einde van zijn mandaat goed te keuren.
Vraag nr. 17 van Brian Crowley (H-0823/07)
Betreft: Bestrijding jeugd- en langdurige werkloosheid in Europa
Kan de Raad een verklaring afleggen en daarin uiteenzetten welke nieuwe en innovatieve initiatieven hij dit jaar op Europees niveau heeft genomen om een bijdrage te leveren aan de bestrijding van jeugd- en langdurige werkloosheid in Europa?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
In de eerste plaats zijn de lidstaten voor het ontwerpen en verwezenlijken van werkgelegenheidsbeleid bevoegd. De Raad heeft echter verschillende verantwoordelijkheden op het gebied van werkgelegenheid. Hij beoordeelde dit jaar het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(1)en onderstreepte aan de hand van werkgelegenheidsrichtlijnen het belang van de bestrijding van jeugd- en langdurige werkloosheid in de lidstaten.
Overeenkomstig artikel 130 van het Verdrag stelde de Raad het Comité voor de werkgelegenheid in, een raadgevend orgaan dat in oktober 2007 van start ging met een analyse van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten – met gebruikmaking van de “Cambridge-analyse” en met bijzondere aandacht voor de jeugd.
Dit jaar beschikt de Unie over een nieuw instrument, het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, om langdurige werkloosheid te bestrijden waar massale onslagen hebben plaatsgevonden. De heer Crowley weet dat het Parlement en de Raad dit instrument eind vorig jaar hebben goedgekeurd.
In het in februari 2007 goedgekeurde Gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid.
Vraag nr. 18 van Eoin Ryan (H-0825/07)
Betreft: Europese hulp aan Sierra Leone
De presidents- en parlementsverkiezingen van dit jaar in Sierra Leone zijn zeer vreedzaam en eerlijk verlopen. Denkt de Raad de financiële bijstand van de Europese Unie aan de bevolking van Sierra Leone daarom op te trekken, om het land, dat door oorlog geteisterd en volgens de Verenigde Naties het tweede armste land van de wereld is, te helpen heropbouwen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Zodra de definitieve resultaten van de verkiezingen in Sierra Leone op 17 september openbaar waren gemaakt, heeft het voorzitterschap de heer Ernest Bai Koroma, de nieuwe president, namens de EU gefeliciteerd. De Raad kijkt uit naar een betere politieke dialoog met de nieuwe regering.
De bevolking van Sierra Leone heeft in de loop van het gehele verkiezingsproces blijk gegeven van een lovenswaardige en sterke verknochtheid aan de democratie. Sierra Leones belangrijkste instellingen en de NVC (Nationale Verkiezingscommissie) in het bijzonder hebben een belangrijke rol gespeeld in het succes van het verkiezingsproces.
De EU-steun aan Sierra Leone verloopt in wezen via het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). In het kader van het tiende EOF voor programmeerbare steun werd aan Sierra Leone 242 miljoen euro toegewezen (tegenover 220 miljoen euro in het kader van het negende EOF). Daar bovenop komt 26,4 miljoen euro niet-programmeerbare steun (onvoorziene situaties). Dit bedrag kan tijdens de tussentijdse evaluatie worden herzien op grond van voornamelijk de resultaten van het land in vergelijking met de beloften van zijn leiders. Dit nieuwe kenmerk van de EU-samenwerking in het kader van het EOF zal het mogelijk maken die landen passend te steunen die zich het meest op de hervorming van hun bestuur toeleggen. Wij hopen dat de nieuwe leiders van Sierra Leone de ontwikkeling van het land zullen helpen bevorderen, zodat ze meer steun kunnen krijgen.
De EU en vele lidstaten steunen ook het Speciaal Hof voor Sierra Leone royaal. In antwoord op de recente verzoeken van het Speciaal Hof om financiering voor 2008 bespraken de voorbereidende organen van de Raad onlangs de verstrekking van extra steun. Dat zou kunnen leiden tot nieuwe vastleggingen op de begroting 2008.
Vraag nr. 19 van Liam Aylward (H-0827/07)
Betreft: Bestrijding van klimaatverandering
Kan de Raad mededelen welke concrete gezamenlijke bestuursrechtelijke en politieke structuren door de regeringen van de EU en de VS worden opgezet zodat wij allen samen kunnen werken om de noodzakelijke en specifieke maatregelen tegen klimaatverandering voor te stellen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De EU heeft besloten de internationale gemeenschap een duidelijk signaal te geven over zijn vastberadenheid om de klimaatverandering te bestrijden en haar verbintenis tot het starten van onderhandelingen over een wereldwijde post-Kyoto-overeenkomst voor de periode na 2012.
De klimaatverandering stond steeds op de diplomatieke agenda van de EU en speelde vorig jaar een belangrijke rol op verschillende toppen en bijeenkomsten van de EU en derde landen, waaronder de VS.
Op de meest recente EU-VS-Top van 30 april 2007 werd een gemeenschappelijke verklaring over energiezekerheid en klimaatverandering goedgekeurd. In die verklaring wordt ons wederzijds belang onderstreept bij het garanderen van een zekere, betaalbare en schone energievoorziening en het aanpakken van de klimaatverandering. De uiteindelijke doelstelling is de stabilisering van de broeikasgasconcentraties.
De EU en de VS hielden een dialoog op hoog niveau over klimaatverandering, schone energie en duurzame ontwikkeling in Helsinki op 24 en 25 oktober 2006 over het gebruik van bestaande initiatieven als grondslag voor vooruitgang met betrekking tot het Gleneagles-actieplan van de G8. De derde ministerconferentie in het kader van de dialoog van Gleneagles over klimaatverandering, schone energie en duurzame ontwikkeling vond plaats in Berlijn van 9 tot 11 september 2007 en werd bijgewoond door afgevaardigden van 20 landen met een grote energiebehoefte, waaronder de VS. Er werden innoverende ideeën besproken om een geïntegreerd energie- en klimaatveranderingsbeleid te ontwikkelen.
Het in Gleneagles op gang gebrachte G8-proces leverde dit jaar in Heiligendamm een belangrijk resultaat op: de erkenning door alle G8-partijen dat het VN-klimaatproces het juiste kader is om over wereldwijde actie met betrekking tot de klimaatverandering te onderhandelen. In het kader van de G8 dient ook de bijzondere vergadering van sherpas (technisch adviseurs) over klimaatwijziging op 16 oktober 2007 in Berlijn te worden vermeld.
Een andere gelegenheid voor vooruitgang op het gebied van samenwerking in bilaterale vergaderingen met de EU en de VS was het forum op hoog niveau over klimaatverandering onder leiding van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties op 24 september 2007 in New York).
Vraag nr. 20 van Seán Ó Neachtain (H-0829/07)
Betreft: Zevende EU-kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling
Kan de Raad waarborgen dat de randgebieden en regio's van Europa in de periode tot 2013 voordeel zullen ontlenen aan financieringsinitiatieven in het kader van de werking van het zevende EU-kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
In het zevende OTO-kaderprogramma wordt ervan uitgegaan dat de regio’s, wat innovatie- en onderzoeksbeleid betreft, tot de belangrijkste belanghebbenden behoren.
In het specifieke programma Capaciteiten wordt 126 miljoen euro uitdrukkelijk toegewezen aan het initiatief Kennisregio’s en 340 miljoen euro aan het initiatief Onderzoekspotentieel, dat specifiek gericht is op de convergentie en de ultraperifere regio's van de Europese Unie.
In theorie zullen de genoemde initiatieven (die op de regio’s zijn gericht) tijdens het gehele kaderprogramma blijven lopen. Voor het zevende kaderprogramma is een tussentijdse evaluatie gepland, die in de loop van het programma zal worden uitgevoerd. Dat zal misschien gevolgen hebben voor bepaalde aspecten van het programma. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de specifiek op de regio’s gerichte initiatieven zullen blijven lopen.
Voorts zijn er nog de “ERANet”-projecten in het kader van het specifieke programma Samenwerking, die vermeldenswaard zijn met het oog op de regionale dimensie, aangezien één van de prioriteiten van het overeenkomstige mechanisme bestaat in de ondersteuning van netwerken tussen regionale (en nationale) openbare W&T-programma’s.
De Europese regio’s in het algemeen (en de ultraperifere regio's in het bijzonder) zullen dus voordeel hebben bij financieringsinitiatieven in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling tot 2013.
Bovendien zal het waarschijnlijk mogelijk zijn meer tot meer synergie te komen tussen het OTO-kaderprogramma en de met de structuurfondsen verband houdende programma’s voor Europese regio’s, voornamelijk door de regionale organen in staat te stellen aan het kaderprogramma deel te nemen en het voor de Europese regio's mogelijk te maken op lokaal niveau de resultaten te ontwikkelen die door deelname aan projecten in het kader van het programma werden bereikt.
Vraag nr. 21 van Marcin Libicki (H-0832/07)
Betreft: Recht voor de bevolking van Balochistan
Pakistan heeft de zaak van het zelfbeschikkingsrecht van de Kasmiri’s verdedigd. Is de Raad van oordeel dat Pakistan hetzelfde recht moet toekennen aan de bevolking van Balochistan en de stammengebieden van Pakistan en zich dient te onthouden van het gebruik van strijdkrachten om zijn eigen volkeren te onderdrukken?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De Raad heeft over de kwestie van het zelfbeschikkingsrecht van de bevolking van Balochistan nooit een standpunt ingenomen.
Vraag nr. 23 van Johan Van Hecke (H-0834/07)
Betreft: Gedwongen verhuizing van 1,5 miljoen Chinezen voor de Olympische Spelen
Yang Chunlin, een Chinese actievoerder voor landrechten, is in een Chinese gevangenis gemarteld. Volgens zijn zus Yang Chunping zat de activist dagenlang in de gevangenis in één positie vastgeketend en werd hij gedwongen om de uitwerpselen van andere gevangen op te ruimen. De aanleiding van zijn arrestatie was een petitie die de man opzette tegen de Olympische Spelen. Hij verzamelde meer dan tienduizend handtekeningen, voornamelijk van onteigende boeren, onder het motto “Wij willen geen Olympische Spelen maar mensenrechten”. Illegale landonteigening is in China schering en inslag. Anderhalf miljoen mensen zouden uit hun huizen zijn verjaagd om plaats te maken voor nieuwe sportcomplexen.
Er werd lang gedacht dat het houden van de Olympische Spelen in China een positieve invloed zou hebben omdat dit evenement een mogelijkheid is om China meer bloot te stellen aan externe invloeden. Nu leeft echter de idee dat een boycot van de Olympische Spelen nog het enige machtsmiddel is dat Europa heeft om China onder druk te zetten. Overweegt de Raad de Spelen te boycotten om China duidelijk te maken dat grove schendingen van de mensenrechten ontoelaatbaar zijn?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Overeenkomstig de EU-richtlijnen betreffende verdedigers van de mensenrechten volgen de EU-missiehoofden in Peking de situatie van de verdedigers van de mensenrechten, waaronder die van Yang Chunlin, van nabij. De Raad bespreekt via verschillende kanalen regelmatig individuele verontrustende gevallen met de Chinese autoriteiten.
De Chinese autoriteiten hebben voor de laatste besprekingen op 17 oktober in Peking ook een lijst van individuele gevallen gekregen. Op die vergadering uitte EU haar bezorgdheid over de pesterijen tegen en het opsluiten van verdedigers van de mensenrechten. De EU betreurde het toenemende toezicht op en de controle van de media, ook via het internet, en verdedigde de vrije meningsuiting. Ze bracht ook marteling ter sprake. Zoals in eerder dialogen heeft de EU China opnieuw verzocht het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te ratificeren. China heeft dat verdrag negen jaar geleden ondertekend. Het omvat en beschermt burgerrechten en beschermt de burger tegen misbruik.
In zijn dialoog over de mensenrechten met China heeft de EU het regelmatig over een groot aantal beweringen uit de open brief “Human rights wanted, not Olympic Games” (“Gezocht: mensenrechten, geen Olympische Spelen”), die het onderwerp was van de campagne van Yang Chunlin. Tijdens de laatste ronde van de besprekingen ging het onder meer over de volgende kwesties: gelijke toegang en onafhankelijkheid voor nationale zoals voor buitenlandse journalisten, de bescherming van de rechten van Chinese arbeiders op bouwplaatsen en het beëindigen van discriminatie van migranten. De Raad is ook bezorgd over de verwijdering en gedwongen verhuizing van mensen ten gevolge van stadsontwikkeling, al dan niet in verband met de Olympische Spelen.
De Raad is het dus met de heer Van Hecke eens dat de situatie op het gebied van de mensenrechten in China nog steeds zorgwekkend is. Op bepaalde vlakken is er echter bescheiden vooruitgang, bijvoorbeeld de daling van het aantal terechtstellingen na de herziening van doodvonissen door het Hoge Volksgerechtshof, minder beperkingen voor de buitenlandse media sedert 1 januari 2007 en de afkondiging van de nieuwe arbeidscontractwetgeving.
De Raad is daarom van mening dat het loont de dialoog met China over deze onderwerpen voort te zetten, al zijn de resultaten na elke onderhandelingsronde niet altijd meetbaar en wordt slechts langzamerhand vooruitgang geboekt.
Wat de mensenrechten en de Olympische Spelen betreft, heeft China op dit vlak een aantal verplichtingen op zich genomen als onderdeel van haar voorstel om de Olympische Spelen van 2008 te organiseren. De Raad zal dus nauw op de situatie toezien en alle kwesties die aanleiding geven tot bezorgdheid, ter sprake brengen. Wat de mogelijkheid betreft de Spelen te boycotten, is het niet aan de Raad van de EU een beslissing te nemen (dat is immers een kwestie waarover elke lidstaat van het IOC moet beslissen).
Vraag nr. 24 van Justas Vincas Paleckis (H-0836/07)
Betreft: Ratificatie van het hervormingsverdrag
Op de Europese Raad van 18-19 oktober is het hervormingsverdrag aangenomen, dat op 13 december in Lissabon moet worden ondertekend. Dankzij het bereikte akkoord kan een streep gezet worden onder zes jaar van discussies over institutionele hervormingen en kunnen we ons weer concentreren op de hoofdtaken van de EU. Echter zoals uit de ervaring met het EU-verdrag inzake de grondwet is gebleken, staat het hervormingsverdrag nog een moeilijke etappe te wachten voordat het geratificeerd zal zijn in de 27 lidstaten. Volgens sociologisch onderzoek gaf ongeveer 60 procent van de tegenstanders van de grondwet in Frankrijk als een van de redenen van hun verzet aan dat de tekst van het verdrag zo gecompliceerd was en moeilijk te begrijpen. Vergeleken met het hervormingsverdrag was het verdrag inzake de grondwet veel korter en gemakkelijk te begrijpen. Daarom zijn er twijfels over de vraag of de lidstaten voldoende in staat zijn om de inhoud en betekenis van het nieuwe verdrag aan hun burgers uit te leggen.
Heeft de Raad het voornemen om maatregelen op Europees niveau te nemen om de lidstaten te ondersteunen bij de presentatie van de verdragstekst aan EU-burgers?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Ratificatieprocessen vallen onder de exclusieve bevoegdheid van elke lidstaat afzonderlijk.
Vraag nr. 25 van Ryszard Czarnecki (H-0839/07)
Betreft: De ratificatie van het Stabilisatie- en Associatiepakt tussen de EU en Albanië
Wanneer kan de afsluiting worden verwacht van het ratificatieproces van het Stabilisatie- en Associatiepakt tussen de EU en Albanië, dat in 2006 werd ondertekend?
Tot op heden hebben van de 27 lidstaten er slechts 10 het pakt geratificeerd, waaronder 6 van de “nieuwe lidstaten” (Polen, Hongarije, Slowakije, Slovenië, Litouwen en Letland) en 4 van de “oude lidstaten” (Spanje, Ierland, Zweden en Luxemburg).
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Zulke juridische en parlementaire ratificatieprocedures verschillen van lidstaat tot lidstaat. De Raad kan daarom niet voorspellen wanneer die procedures zullen worden afgerond. De Raad hoopt dat de vooruitgang zal voortduren en dat de procedures in de komende maanden zullen worden afgewikkeld.
Wat de huidige situatie betreft, hebben naast de tien genoemde lidstaten nog twee andere landen onlangs de stabilisatie- en associatie-overeenkomst tussen de EU en Albanië geratificeerd (het Verenigd Koninkrijk en Estland).
Vraag nr. 27 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-0844/07)
Betreft: Hervorming van de pensioenstelsels in de Unie en werkende vrouwen
Net als in andere lidstaten van de EU is in Griekenland onlangs een maatschappelijke discussie gestart over de hervorming van het socialezekerheidsstelsel en over een mogelijke aanpassing van de wettelijke “bescherming” van vrouwen. Kan het voorzitterschap, in de wetenschap dat op 13 en 14 november a.s. in Lissabon een congres over de hervorming van de pensioenstelsels(1) plaatsvindt, antwoord geven op de volgende vragen: welk beeld heeft de Raad op grond van de gesprekken in de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid tot nu toe gekregen van de pensioenregelingen voor vrouwen in de verschillende lidstaten? Welke pensioenstelsels zijn volgens de Raad het gunstigst wat beloning, inzetbaarheid en loopbaankansen van vrouwen betreft? Gaat de Raad de Commissie vragen een vergelijkende studie te houden voor het in kaart brengen van goede praktijken voor het vergroten van de arbeidsparticipatie van vrouwen en het combineren van werk en privéleven?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De lidstaten werd gevraagd informatie te verstrekken over de recente tendensen in hun pensioenstelsels als bijdrage aan het door het Comité voor sociale bescherming opgestelde Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale integratie van de Raad en de Commissie voor goedkeuring door de Raad en voorlegging aan de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad. Mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou kan informatie over de huidige situatie op het gebied van de hervormingen in Griekenland vinden in het overeenkomstige analytische artikel van het addendum bij het gezamenijk verslag 2007.(2)
Kwesties met betrekking tot het beroeps- en gezinsleven behoren tot de prioriteiten van de Raad. Ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om eraan te herinneren dat de door mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou genoemde kwesties werden behandeld op de laatste informele vergadering van de voor de bevordering van gendergelijkheid bevoegde ministers op 4 oktober. Daar werden in het bijzonder de volgende onderwerpen geanalyseerd: de opname van de genderdimensie in groei en ontwikkeling; de ondernemingszin van vrouwen en hun integratie in het beroepsleven en de verzoening van het beroeps-, het persoonlijke en het gezinsleven van mannen en vrouwen.
In de loop van de conferentie “Verzoening van het beroeps-, het persoonlijke en het gezinsleven: nieuwe uitdagingen voor de sociale partners en het openbaar beleid” op 12 juli werd het strategische belang van verzoening onderstreept, namelijk wat betreft de vervulling van de werkgelegenheidsdoelstellingen in de Lissabonstrategie, in het bijzonder met betrekking tot de toegangsvoorwaarden voor vrouwen (gelijke kansen, sociale diensten en glijdende werktijden).
“Gezamenlijk verslag over sociale bescherming en sociale integratie 2007 – landprofielen” (SEK (2007) 272).
Vraag nr. 28 van Athanasios Pafilis (H-0846/07)
Betreft: Kanker bij soldaten die in NAVO-verband in Bosnië, Kosovo en Afghanistan hebben gediend
In berichten in de Griekse pers wordt melding gemaakt van 23 gevallen van kanker onder Griekse soldaten die na 1996 in NAVO-verband in Bosnië, Kosovo en Afghanistan hebben gediend. Het gaat om drie gevallen van kanker in het spijsverteringssysteem, twee gevallen van teelbalkanker en drie gevallen van lymfklierkanker (van de andere gevallen zijn geen details bekend). Steeds vaker wordt het vermoeden geuit dat er een verband bestaat tussen deze gevallen van kanker en het feit dat de soldaten een bepaalde periode in gebieden hebben doorgebracht die besmet waren met verrijkt uranium. Ook bij soldaten van andere landen die in deze conflictgebieden aanwezig waren, doen zich gevallen van kanker voor (bijv. Italië: 225 bevestigde gevallen van kanker, 37 met dodelijke afloop).
Hoe beoordeelt de Raad de verantwoordelijkheid van de EU en de NAVO voor het gebruik van verboden wapens in de oorlog in Joegoslavië? Gaat de Raad schadevergoeding toekennen aan de besmette soldaten, en aan de bevolking?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Kwesties met betrekking tot de militaire operaties van de NAVO behoren niet tot de bevoegdheid van de Europese Unie, die niet beschikt over details over de door de heer Pafilis naar voren gebrachte punten.
Vraag nr. 29 van Paulo Casaca (H-0848/07)
Betreft: Doris Lessing en de Iraanse dictatuur
De winnares van de Nobelprijs voor de literatuur in 2007 heeft in het dagblad El Pais gezegd dat niemand het aandurft kritiek te leveren op de Iraanse dictatuur wegens de oliebelangen. Daaruit blijkt dat zij haarscherp ziet wat de Europese motieven zijn voor het kalmeringsbeleid dat de Europese Unie jegens Teheran voert.
Is de Raad niet van mening dat dit kalmeringsbeleid jegens Teheran ernstige consequenties zal hebben voor de Iraanse burgers en een bedreiging zou kunnen zijn voor de wereldvrede?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De Raad veroordeelt de voortdurende verslechtering van de situatie op het gebied van de mensenrechten in Iran. Het voorzitterschap van de EU heeft deze situatie van nabij gevolgd en heeft Iran via stappen in Lissabon en in Teheran en in verklaringen er herhaaldelijk toe opgeroepen ervoor te zorgen dat het land zijn internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten in acht neemt.
De EU heeft sedert het begin van het Portugese voorzitterschap verschillende verklaringen afgelegd, in het bijzonder over jeugdrecht, doodstrafzaken en vrijheid van meningsuiting en zal dat blijven doen zolang het nodig is, overeenomstig de richtsnoeren van de Europese Unie betreffende de doodstraf, marteling en verdedigers van de mensenrechten.
Tot nu toe werden vijf stappen ondernomen met betrekking tot de vijf belangrijkste aandachtsgebieden, zoals de uitvoering van de doodstraf zonder dat de internationaal vastgelegde minimumregels (terechtstelling van minderjarigen, terechtstelling door steniging en openbare terechtstellingen) in acht worden genomen, de toegenomen beperking van de vrijheid van meningsuiting, pers en media en de vervolging van bepaalde minderheden en religieuze gemeenschappen, namelijk de Baha’i; en de vervolging van verdedigers van de mensenrechten.
De EU heeft daarom de door Canada voorgestelde resolutie, waarover nu in de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties wordt gedebatteerd, mee ingediend en is vastbesloten ze te steunen.
Vraag nr. 30 van Danutė Budreikaitė (H-0850/07)
Betreft: Lot van de “Villa Lituania”
Zestien jaar geleden herwon Litouwen zijn onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie en het is ook al zestien jaar dat Litouwen vergeefs wacht op de teruggave van het ambassadegebouw in Rome, de zogeheten “Villa Lituania”, dat tot 1937 aan Litouwen toebehoorde. Het door de Litouwse ambassadeur Stasys Lozoraitis overhandigde document ten spijt, stonden Italiaanse ambtenaren indertijd de Sovjets toe Villa Lituania te blijven bewonen. Vandaag de dag wappert voor het gebouw de Russische vlag.
Ofschoon Rome gedurende al deze tijd herhaalde malen heeft bevestigd dat Litouwen zijn aanspraken op Villa Lituania niet is kwijtgeraakt, heeft de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, Massimo D'Alema, nu verklaard dat Litouwen zijn eigendom nooit zal terugkrijgen. Litouwen werd in 1999 aangeboden het aan de rand van de stad Rome gelegen Stozzi-paleis te huren. Daarmee is echter het fundamentele diplomatieke conflict - teruggave van verloren eigendom - niet opgelost. De waarde van Villa Lituania bedraagt momenteel 20 miljoen euro.
Hoe kan Litouwen naar het oordeel van de Raad zijn gerechtvaardige eisen doen gelden?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De Raad heeft niet over deze kwestie gedebatteerd omdat hij er niet bevoegd voor is.
Vraag nr. 31 van Pedro Guerreiro (H-0852/07)
Betreft: Communautaire financiering van het toekomstige Europees maritiem beleid
De Commissie heeft onlangs haar voorstellen ingediend voor een toekomstig “geïntegreerd maritiem beleid” van de EU. Elk initiatief op dit gebied mag evenwel niet ten koste gaan van de bevoegdheid van de lidstaten voor het beheer van hun eigen grondgebied, met name hun territoriale wateren en exclusieve economische zones (EEZ), en de diverse aspecten daarvan, zoals de exploratie van hulpbronnen, vervoer, onderzoek, grensbeheer en beveiliging, ruimtelijke ordening, milieu en economische activiteiten als de visserij.
Hoe denkt de Raad dit beleid uit de communautaire begroting te financieren, uitgaande van het beginsel dat voor nieuwe prioriteiten voorzien moet worden in nieuwe financieringsmiddelen?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
In haar op 10 oktober 2007 goedgekeurde mededeling over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie schetst de Commissie haar ideeën over een algemeen beleid voor maritieme zaken en kondigt ze haar toekomstige initiatieven en acties aan om het mogelijk te maken een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie te formuleren.
Wij hopen dat de Europese Raad op zijn vergadering in december 2007 commentaar zal leveren op de mededeling van de Commissie en de ideeën die ze bevat.
De Raad kijkt uit naar alle voorstellen betreffende toekomstig martitiem beleid die de Commissie op grond van haar initiatiefrecht ter tafel wil brengen. De Raad zal die voorstellen overeenkomstig de relevante procedures en met volledige inachtneming van de regels van de Gemeenschap analyseren. Als zulk voorstel Gemeenschapsfinanciering voor de voorgestelde maatregelen zou vereisen, zal de Raad de kwestie in nauwe samenwerking met het Europees Parlement overeenkomstig de toepasselijke begrotingsregels analyseren.
Vraag nr. 32 van Diamanto Manolakou (H-0855/07)
Betreft: Inmenging in de interne aangelegenheden van de Hongaarse communistische arbeiderspartij
De rechtbank van Boedapest heeft met een uitspraak ingegrepen in de interne aangelegenheden van de Hongaarse communistische arbeiderspartij en is zelfs zover gegaan dat hij het 21-ste partijcongres heeft geannuleerd. Het bureau van de partij heeft het politieke karakter van de uitspraak (die ongekend is in de rechtspraak van de afgelopen 20 jaar) veroordeeld. Nadat de leiding van de partij had geweigerd het congres te annuleren, zoals was gevraagd, dreigde de president van de rechtbank de voorzitter van de partij, Gyula Thurmer, en zes leden van het bureau met een gevangenisstraf van twee jaar in verband met smaad. Dit besluit komt neer op een schending van de bepalingen in de Hongaarse grondwet betreffende de vrijheid van meningsuiting en past in een serie andere anticommunistische acties in Oost-Europa.
Veroordeelt de Raad de onaanvaardbare opstelling van de rechtbank van Boedapest ten opzichte van de Hongaarse communistische arbeiderspartij?
Is de Raad niet met mij van mening dat de beschuldigingen aan het adres van deze partij neerkomen op een duidelijke schending van politieke en democratische rechten en vrijheden, en op een illegale inmenging in de interne aangelegenheden van een 100 procent legale partij?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De Raad is niet bevoegd om over een rechterlijke beslissing van een rechtbank in een lidstaat een standpunt in te nemen.
Vraag nr. 33 van Vural Öger (H-0859/07)
Betreft: Bilaterale betrekkingen tussen Turkije en Cyprus
De normalisering van de bilaterale betrekkingen tussen Turkije en de Republiek Cyprus verloopt vooralsnog stroef. Eén van de prioriteiten van het Finse voorzitterschap in 2006 op het gebied van buitenlands beleid betrof de zogeheten “Cyprus-problematiek”. Deze problematiek is tot nog toe nauwelijks voorgekomen op de agenda van het Portugese voorzitterschap.
Wat denkt het Portugese voorzitterschap tot eind 2007 nog te doen om te komen tot een doorbraak in de gesprekken?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
De kwestie van de normalisering van de bilaterale betrekkingen tussen Turkije en de Republiek Cyprus wordt van nabij gevolgd en wordt behandeld op de passende niveaus. Turkije heeft zich tot de ratificatie en daaropvolgende tenuitvoerlegging van het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara over de toetreding van de tien nieuwe lidstaten van de EU verplicht. Het land is die verplichting echter nog niet nagekomen. Aan die kwestie werd veel aandacht besteed, bijvoorbeeld op de vergadering van 18 september in Lissabon van de trojka van politiek directeuren EU-Turkije. De kwestie zal ook op de volgende vergadering van de ministeriële vergadering EU-Turkije van 20 november in Brussel worden behandeld. Bovendien verzoekt de Raad Turkije regelmatig zijn beleid met betrekking tot de deelname van de Republiek Cyprus aan internationale organisaties en fora te wijzigen.
Bovendien zal de Raad de situatie analyseren op grond van het vooruitgangsverslag van de Commissie van 6 december. Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 11 december 2006 zal de Raad de punten in de EU-Verklaring van 21 september 2005 analyseren. Ook de volledige tenuitvoerlegging van het protocol is een prioriteit op korte termijn in het kader van het toetredingspartnerschap, dat in de loop van dit jaar zal worden herzien. Het nakomen door Turkije van zijn verplichtingen tegenover de EU en de prioriteiten van het toetredingspartnerschap zullen het onderhandelingsproces beïnvloeden.
De Unie is nog steeds vastbesloten een bijdrage te leveren aan een inclusieve, levensvatbare en met de grondbeginselen van de EU verenigbare oplossing binnen de VN voor het probleem-Cyprus. In dat opzicht ondersteunen wij de spoedige tenuitvoerlegging van de overeenkomst van 8 juli 2006 onder de bescherming van de VN. Wij wachten nog steeds vol ongeduld op de start van het werk van de technische comités en deskundigengroepen aan de fundamentele kwesties.
Ik verzeker de heer Öger dat het voorzitterschap en de Unie de inspanningen in deze zaak zullen blijven ondersteunen.
De Unie is nog steeds vastbesloten een bijdrage te leveren aan een inclusieve, levensvatbare en met de grondbeginselen van de EU verenigbare oplossing binnen de VN voor het probleem-Cyprus. Het voorzitterschap blijft onderzoeken of het mogelijk is een consensus te bereiken met het oog op de volledige toepassing van de GAERC-conclusies van april 2004 en januari 2007.
Vraag nr. 34 van Robert Evans (H-0861/07)
Betreft: Vluchten naar Noord-Cyprus
Heeft de Raad gesproken over het toestaan van rechtstreekse vluchten naar de luchthaven Ercan (de enige internationale luchthaven voor Noord-Cyprus), die dicht in de buurt van de verdeelde Cypriotische hoofdstad Nicosia ligt?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Vluchten worden op het nationale niveau door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten geregeld. De Europese Commissie dient te garanderen dat de regelgeving met het Gemeenschapsrecht in overeenstemming is. Inachtneming van internationale verplichtingen behoort daartoe. Dit onderwerp wordt daarom niet in de Raad behandeld.
Ik kan daaraan toevoegen dat de regering van de Republiek Cyprus, gebruikmakend van zijn soevereine recht de wettelijke luchthavens en havens voor aankomst in en vertrek uit de Republiek in overeenstemming met het internationaal recht (Verdrag van Chicago) aan te wijzen, operaties op de luchthaven van Tymbou (Ercan) buiten de wet heeft gesteld. De luchthaven bevindt zich in het gebied van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus geen werkelijke controle heeft. Toch functioneert de luchthaven, zonder de noodzakelijke vergunning van de bevoegde, door de regering aangewezen autoriteiten.
De Unie is nog steeds vastbesloten een bijdrage te leveren aan een inclusieve, levensvatbare en met de grondbeginselen van de EU verenigbare oplossing binnen de VN voor het probleem-Cyprus. Het voorzitterschap blijft stappen ondernemen met het oog op een consensus met het oog op de volledige toepassing van de GAERC-conclusies van april 2004 en januari 2007.
Vraag nr. 35 van Georgios Toussas (H-0863/07)
Betreft: Onmiddellijke opheffing van het embargo tegen Cuba
De president van de VS heeft nieuwe maatregelen tegen Cuba aangekondigd, en dat enkele dagen vóór de Algemene Vergadering van de VN - op 30 oktober 2007 - waar gedebatteerd zal worden over een ontwerpresolutie die de voortdurende politieke, economische, handels- en financiële isolatie van Cuba door de VS veroordeelt. Daarnaast heeft hij aangekondigd dat de economische en politieke steun voor de zogenaamde “overgang naar democratie” op Cuba, d.w.z. de bijdrage aan de omverwerping van de socialistische regering van dat land, wordt voortgezet. In de internationale media wordt zelfs gemeld dat hij initiatieven zal ontplooien voor een internationaal “vrijheidsfonds” om de Cubanen te helpen hun land opnieuw op te bouwen, voor steun voor privégroepen voor het bevorderen van de toegang tot het internet voor Cubaanse studenten en voor het bevorderen van de deelname van de Cubaanse jeugd aan beurzenprogramma's.
Sluit de Raad zich aan bij de internationale eis van steun voor een resolutie van de Algemene Vergadering van de VN houdende de opheffing van het embargo van de VS tegen Cuba? Veroordeelt de Raad de onophoudelijke inmengingen van de VS in de interne aangelegenheden van Cuba?
Dit antwoord van het voorzitterschap, dat als zodanig noch voor de Raad, noch voor de lidstaten bindend is, is niet mondeling gepresenteerd tijdens het vragenuur aan de Raad tijdens de eerste vergaderperiode in november 2007 te Straatsburg.
Voor de EU behoort deze kwestie in de eerste plaats tot het domein van de bilaterale betrekkingen tussen de VS en Cuba. Toch stemde de EU vorig jaar voor resolutie 61 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de noodzaak een einde te maken aan het economische, commerciële en financiële embargo van de VS tegen Cuba. De Raad heeft Verordening (EG) nr. 2271 vastgesteld tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen goed, en ook het gemeenschappelijk optreden op basis van de artikelen J.3 en K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake maatregelen tot bescherming tegen de gevolgen van de extraterritoriale toepassing van rechtsregels uitgevaardigd door een derde land en daarop gebaseerde of daaruit voortvloeiende handelingen. De EU blijft ertoe oproepen de Helms-Burton-wetgeving te herroepen.
Bovendien staat in de verklaringen van de Raad van 18 juni 2007 over het EU-beleid tegenover Cuba dat “de EU het recht van de Cubaanse burgers erkent op onafhankelijke wijze over hun toekomst te beslissen en bereid blijft een positieve bijdrage te leveren aan de toekomstige ontwikkeling van alle sectoren van de Cubaanse maatschappij, ook via ontwikkelingssamenwerkingsinstrumenten.”
VRAGEN AAN DE COMMISSIE
Vraag nr. 43 van Liam Aylward (H-0828/07)
Betreft: EU-vredesmissie naar Tsjaad
Kan de Commissie in een uitgebreide verklaring een overzicht geven van de vooruitgang die tot dusver is bereikt bij het mobiliseren van de 4.000 man sterke EU-vredesmissie naar Tsjaad en kan zij zeggen hoe veel Europese landen zich ertoe verplicht hebben vredestroepen op deze missie uit te zenden?
Het planningsproces loopt nog steeds. Het formele proces voor de vorming van de troepenmacht zal van start gaan zodra het operationeel concept door de Raad is goedgekeurd. Volgens informatie waarover de Commissie beschikt, wordt verwacht dat dit in de loop van de volgende weken zal gebeuren. De operationeel commandant zal voor de vorming van de troepenmacht verantwoordelijk zijn. Een aantal EU-lidstaten hebben informele indicaties verstrekt betreffende hun bijdrage tot de vredesmacht, die op dit ogenblik echter niet bindend zijn.
Aangezien het gemeenschappelijk optreden in het kader van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid past, kan het geachte lid zich voor meer informatie ook tot de Raad richten.
Vraag nr. 44 van Seán Ó Neachtain (H-0830/07)
Betreft: Geven van basisonderwijs in de derde wereld
Kan de Commissie een overzicht geven waaruit duidelijk wordt welke programma’s zij uitvoert om basisonderwijs te bieden aan kinderen uit derde wereld-landen, kan zij de financiële omvang van deze steun aangeven en uitleggen hoe deze programma’s in het algemeen worden beheerd?
De Commissie draagt via een aantal instrumenten bij tot het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG) met het oog op basisonderwijs voor iedereen, zoals uit de aandacht voor de MDG in de Europese consensus en de Afrika-strategie duidelijk blijkt.
In haar bilaterale samenwerking ondersteunt de Europese Commissie op dit ogenblik de inspanningen op het gebied van onderwijs van ontwikkelingslanden via meer dan 400 lopende bilaterale en regionale projecten in bijna 100 landen. In 2006 wees de EG 517 miljoen euro toe aan de onderwijscomponent van haar ontwikkelingsbeleid en externe steun, waarvan 43 procent voor basisonderwijs, 15 procent voor secundair onderwijs, 24 procent voor post-secundair onderwijs en 18 procent specifiek voor institutionele ondersteuning.
Naast ondersteuning via projecten voorziet de Commissie in het kader van het negende Europees Ontwikkelingsfonds in algemene begrotingssteun aan 28 landen. Dit instrument is belangrijk omdat het aan de betaling van lonen en andere lopende kosten in de begrotingen van de regeringen van die landen bijdraagt. Ongeveer 30 procent van de fondsen voor deze 28 landen zal op die manier worden verstrekt. De Commissie ondersteunt het onderwijs krachtig via dit instrument, dat een sterke financiële aansporing biedt voor goed beleid in de sociale sectoren. De uitbetaling van algemene begrotingssteun is immers deels afhankelijk van indicatoren betreffende de prestaties in het kader van de MDG.
Overeenkomstig de verklaring van Parijs over de doeltreffendheid en harmonisatie van ontwikkelingshulp is de Commissie voornemens het aandeel van haar programmeerbare bilaterale ontwikkelingssteun via sectorale of algemene begrotingssteun indien mogelijk tot 50 procent te verhogen.
Een louter administratieve benadering van ontwikkelingssteun op grond van toewijzingen aan sectoren is onvolledig. In Rwanda bijvoorbeeld wordt begrotingssteun verstrekt door een gecoördineerde groep donoren die met de autoriteiten een permanente sectordialoog voeren. De resultaten zijn zichtbaar. De openbare uitgaven werden met succes herbestemd voor de sociale sectoren. De militaire uitgaven zijn afgenomen. Tussen 1998 en 2004 stegen de sociale uitgaven van 2,5 procent tot 7,5 procent van het bruto binnenlands product. Specifieke operaties maakten het mogelijk dat schoolgeld werd afgeschaft. Tengevolge daarvan steeg het percentage inschrijvingen in de lagere school tot 93 procent.
In de nieuwe programmeringscyclus wordt naar schatting 1,8 miljard euro geprogrammeerd voor onderwijs in het kader van de EG-begroting en het tiende Europees Ontwikkelingsfonds (alle regio’s). De Commissie verbetert de mogelijkheden om financieringsverplichtingen aan MDG-vooruitgang te koppelen. Het MDG-contract is een verbeterde vorm van algemene begrotingssteun met resultaatindicatoren voor onderwijs en andere voor de MDG relevante sectoren. Doelstelling is op langere termijn te voorspellen waar ondersteuning van onderwijs niet zal worden gehinderd door de “stop and go”-dynamiek die de uitbetaling van begrotingssteun vaak kenmerkt.
Ten slotte zal ook het thematische programma “Investeren in mensen” aanvullende steun bieden aan ontwikkelingslanden waar gewone kanalen voor financiële steun niet volstaan. Die aanvullende steun zal worden aangewend om via een financiële bijdrage aan het Fast Track Initiative (FTI) de vooruitgang te bespoedigen naar de kerndoelstelling van Onderwijs voor iedereen, namelijk dat iedereen de lagere school afmaakt (UPC).
Vraag nr. 45 van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (H-0845/07)
Betreft: Communautaire steun voor het opvangen van de humanitaire crisis in Myanmar
Meerdere in Myanmar actieve NGO's luiden de noodklok in verband met de verslechterende situatie in dat land: door de stijging van de prijs van olie, het ontbreken van sociale voorzieningen en de geringe publieke uitgaven voor gezondheidszorg en onderwijs nemen de armoede en de ellende onder de bevolking steeds verder toe. Bovendien zeggen ze dat de internationale hulpprogramma's te beperkt zijn kwa opzet en over te weinig middelen beschikken. De Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van 15 en 16 oktober 2007 heeft gewezen op de noodzaak van omvangrijke humanitaire hulp voor Myanmar en aangegeven dat de EU bereid is de hulp uit te breiden op voorwaarde dat er een inschatting wordt gemaakt van de humanitaire situatie.
Wat doet de EU op dit moment concreet in Myanmar en hoe verloopt de samenwerking tussen de Unie enerzijds en de plaatselijke bevolking en (internationale) organisaties anderzijds? Beschikt de Unie over een inschatting van de huidige humanitaire situatie en van de mogelijke gevolgen van het internationale embargo? Overweegt de Commissie verdere humanitaire en diplomatieke maatregelen en initiatieven te ontplooien?
De Commissie deelt de bezorgdheid van de humanitaire organisaties over de algemene kwetsbaarheid van de Birmese bevolking, die in de voorbije jaren alleen maar groter is geworden. De Commissie heeft op die ontwikkeling gereageerd door haar humanitaire hulp in de voorbije jaren voortdurend uit te breiden. In 1997 werd minder dan 4 miljoen euro per jaar aan de Birmese crisis besteed – niet alleen aan steun voor de bevolking in het land zelf, maar ook voor de Birmese vluchtelingen in kampen in de buurlanden. In 2007 omvatten de lopende programmas 15,5 miljoen euro.
De sectoren voor prioritaire actie in Myanmar zijn bescherming, basisgezondheidszorg, water en hygiëne, voedselhulp en voeding voor zwangere en borstvoeding gevende vrouwen en kinderen. In de vluchtelingenkampen in Thailand – waar ongeveer 150.000 vluchtelingen wonen – dekt de steun van de Commissie de basisbehoeften: voedsel, gezondheidszorg en toegang tot drinkwater en hygiëne. Voor de verwezenlijking staan de agentschappen van de Verenigde Naties, het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) en niet-gouvernementele partnerorganisaties (NGO’s) in.
Bovendien kan de Commissie mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou meedelen dat net extra steun ten belope van 1 miljoen euro voor het Wereldvoedselprogramma (WFP) werd goedgekeurd. De Commissiediensten bereiden op dit ogenblik een nieuw programma voor ten belope van 18 miljoen euro voor het einde van 2007 en geheel 2008, om aan de behoeften op het gebied van bescherming, basisgezondheidszorg, water en hygiëne van de meest kwetsbare Birmese bevolkingsgroepen te voldoen. Het gaat in het bijzonder om etnische minderheden en Birmese vluchtelingen in Thailand.
Deze humanitaire steun zal worden aangevuld met de begrotingslijn voor steun aan ontwortelde bevolkingsgroepen met 16 miljoen euro voor de periode van 2007 tot 2010 voor Myanmar en Thailand, en vanaf 2008 door het nieuwe thematisch programma voedselzekerheid, dat voor Myanmar alleen 16 miljoen euro heeft gegeven.
Naast strikt humanitaire steun heeft de Commissie ook programma’s voor armoedebestrijding ontwikkeld. Voor het eerst in 2007 werd een meerjarig indicatiefprogramma (2007-2010) goedgekeurd ten gunste van de bevolking van Birma. Het programma is 32 miljoen euro waard en zal worden ingezet om de activiteiten te ondersteunen van het Three Diseases Fund, dat ten doel heeft de schade door tuberculose, malaria en HIV/aids(1) in Myanmar te bestrijden. De andere sector waarin het programma zal tussenkomen, is basisonderwijs, via UNICEF’s Education For All-programma(2).
Bovendien heeft de Commissie meermaals openbaar en via discrete diplomatie uitdrukking gegeven aan haar bezorgdheid over de beperking van de humanitaire ruimte in Myanmar – zoals de problemen van het ICRC bij de vervulling van zijn mandaat in Myanmar, in het bijzonder bij het bezoeken van gevangenen en van conflictgebieden in het oosten. De beperkingen op de werkzaamheden van en op de toegangsvoorwaarden voor verleners van humanitaire hulp in Myanmar zijn een belangrijke hinderpaal voor de uitbreiding van de steunprogramma’s.
De Commissie verzekert mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou dat ze zich zal blijven inspannen om de Birmese autoriteiten te overhalen en dat ze haar humanitaire steun zal handhaven.
Betreft: Uitgaven voor volksgezondheid door ontwikkelingslanden en als onderdeel van de financiële bijstand van de EU
De Verklaring van Abuja van 27 april 2001 bevat de toezegging door Afrikaanse regeringen om 15 procent van de jaarlijkse overheidsuitgaven te besteden aan volksgezondheid. Niettemin investeert ruim zes jaar later de overgrote meerderheid van de landen een veel kleiner percentage van hun begrotingen in dit doel.
Wat doet de Commissie, gezien het cruciale belang van volksgezondheid voor de ontwikkeling, ter aanmoediging van regeringen van ontwikkelingslanden om de nationale investeringen in gezondheidsstelsels te verhogen, en ter verwezenlijking van de doelstelling van het Parlement om 20 procent van de financiële bijstand van de EU te besteden aan volksgezondheid en onderwijs?
In 2001 hebben staats-en regeringsleiders van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid op de Afrikaanse Top in verband met HIV/aids(1), tuberculose en andere hiermee samenhangende infectieziekten in Abuja beloofd dat ze ernaar zouden streven minstens 15 procent van hun jaarbegroting aan de verbetering van de gezondheidssector toe te wijzen.
In zijn vraag wijst het geachte lid erop dat de grote meerderheid van de landen zes jaar later een veel kleiner percentage van hun begroting aan gezondheid besteedt. De situatie is echter minder erg. Het Regionaal Comité voor Afrika van de Wereldgezondheidsorganisatie meldde in augustus 2007 dat de helft van de landen in de regio nu tussen 10 procent en 15 procent van hun nationale begroting aan gezondheid besteden. Bovendien hebben tien landen in de regio hun gezondheidsuitgaven tot 30 à 40 US-dollar per hoofd verhoogd.
De Commissie ondersteunde de oorspronkelijke verklaring van Abuja en is via beleidsdialoog met Afrikaanse regeringen, ministeries van financiën en gezondheidszorg blijven praten over verschillende ontwikkelingskwesties, waaronder gezondheid en gezondheidsuitgaven. De Commissie zet deze dialoog voort. Beslissingen over de toewijzing van middelen moeten echter niet in Brussel, maar door de partnerlanden worden genomen.
Twee weken geleden (24-26 oktober 2007) was de Commissie betrokken bij de eerste vergadering van ministers van Volksgezondheid van landen in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan (ACS) in Brussel, waar meer dan 40 ministers van Volksgezondheid debatteerden over de uitdagingen voor de vooruitgang op het gebied van gezondheid van de ACS naar de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MDG’s) toe. De financiering en het beheer van gezondheidsstelsels waren zeer belangrijke punten van bezorgheid en debat. In de verklaring van deze vergadering werden eens te meer verplichtingen aangegaan met het oog op vooruitgang in het kader van de Verklaring van Abuja.
De beleidsdialoog met partnerlanden in Afrika wordt door de inspanningen met het oog op de doeltreffendheid en de voorspelbaarheid van de steun ondersteund. De Commissie is de drijvende kracht achter de goedkeuring van het nieuwe ontwikkelingsbeleid van de EU, dat de Europese ambitie weerspiegelt via beter gecoördineerde en minder vluchtige en onvoorspelbare officiële ontwikkelingssteun een belangrijke bijdrage aan het bereiken van de MDG’s te leveren.
Op prestaties gebaseerde begrotingssteun, die de algemene bekwaamheid van de partnerlanden verbetert om ontwikkelingsplannen te maken en uit te voeren, is in dit opzicht een belangrijke stap. In het kader van het negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) had twee derde van de landen die begrotingssteun ontvingen, prestatiedoelstellingen die met verbeteringen van de financiering van de gezondheidssector verband hielden. In het kader van het tiende EOF zal ongeveer 40 procent van de programmeerbare steun op nationaal niveau verlopen via begrotingssteun, waarvan een deel van de resultaten en begrotingsprestaties in de gezondheidssector afhankelijk zal zijn.
Zelfs begrotingssteun schept voor een land echter niet altijd de nodige fiscale ruimte om hoge terugkerende kosten op het gebied van gezondheid te financieren. Indien de Commissie geen voorspelbare en gecoördineerde steun biedt op lange termijn, zal ze de partnerlanden onvoldoende mogelijkheden geven om hun gezondheidsstelsels te versterken, voorspelbare aantallen gezondheidswerkers te garanderen en gezondheidsprogramma’s te bieden die voor het bereiken van de MDG’s op het gebied van gezondheid van wezenlijk belang zijn.
Daarom zal in het kader van het tiende EOF een nieuw type begrotingssteun, namelijk het MDG-contract, worden ingevoerd. Het zal in meer voorspelbare steun op langere termijn (zes jaar) voorzien om de doeltreffendheid van de begrotingssteun te verbeteren en zo de vooruitgang naar de MDG’s toe te bespoedigen.
De 20 procent waarnaar het geachte lid verwijst, betreft de belofte van de Commissie dat tegen 2009 20 procent van de uitgaven van het instrument voor ontwikkelingssamenwerking “door middel van project-, programma- of begrotingssteun wordt besteed aan de sectoren basis- en middelbaar onderwijs en basisgezondheidszorg, waarbij dit aandeel geldt als gemiddelde voor alle geografische regio’s.”
Betreft: Turkije en het Europees Hof voor de rechten van de mens
In haar voortgangsrapport 2006 over Turkije stelde de Commissie dat de hervormingen die Turkije in 2004 en 2005 heeft doorgevoerd, positieve gevolgen hebben gehad voor wat betreft de uitvoering van arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM). Anderzijds stelde de Commissie ook dat de Turkse wetgeving de heropening van een binnenlandse gerechtelijke procedure soms in de weg kan staan.
In het begin van oktober 2007 uitte de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa zware kritiek op o.a. Turkije vanwege zijn zeer gebrekkige samenwerking met het EHRM. Turkije wordt er met name van beschuldigd de toegang tot een rechtsgang voor het EHRM zeer moeilijk te maken. De Parlementaire Vergadering drong er op aan dat de betreffende overheden de aanklagers onder bescherming plaatsen.
Wat zijn de positieve gevolgen voor wat betreft de uitvoering van arresten van het Europees Hof? Welk gevolg geeft de Commissie aan de bevindingen en conclusies van de Parlementaire Vergadering?
In het voortgangsverslag 2006 over Turkije staat inderdaad dat de hervormingen van 2004 en 2005 in Turkije voor de tenuitvoerlegging van arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens positieve gevolgen hebben gehad.
Deze hervormingen omvatten de wijzigingen in de Turkse Grondwet van mei 2004 die onder meer de rechtbanken voor staatsveiligheid afschaffen en goedgekeurde internationale overeenkomsten voorrang verlenen boven binnenlandse wetgeving met betrekking tot de grondrechten.
Ze omvatten ook de wijzigingen van 2005 in het wetboek van strafrecht en het wetboek van strafvordering, onder meer betreffende de misdaden foltering en mishandeling. De definitie van foltering is in deze wijzigingen meer in overeenstemming met het internationaal recht. De Commissie inzake de voorkoming van foltering van de Raad van Europa heeft het nieuwe Turkse rechtskader één van de meest omvattende rechtskaders in Europa genoemd.
Via deze hervormingen heeft Turkije iets gedaan aan een aantal gevallen waarin het Europees Hof voor de rechten van de mens het land voor schendingen van de mensenrechten verantwoordelijk had gesteld. Dat heeft positieve gevolgen voor de tenuitvoerlegging van de arresten van het Hof.
De Commissie volgt de werkzaamheden van alle organen van de Raad van Europa, waaronder zijn parlementaire vergadering, van nabij en maakt in deze samenwerking haar standpunten kenbaar.
De Commissie zal de mensenrechtensituatie in Turkije nauwlettend blijven volgen en zal met de organen van de Raad van Europa blijven samenwerken.
Vraag nr. 51 van Edit Herczog (H-0809/07)
Betreft: Continuïteit van de energievoorziening op de Balkan
Als gevolg van Europese verwachtingen en besluiten in verband met de toetreding van Bulgarije zal in de Balkan-regio een tekort aan elektrische energie ontstaan. Welke maatregelen zal de Commissie, met name in het licht van de universele verplichting van de EU-instellingen en de lidstaten om een continue energievoorziening in Europa te verzekeren, nemen of stelt zij voor te nemen om de situatie die is ontstaan als gevolg van Europese besluiten recht te trekken en de in deze regio te verwachten verzorgingsproblemen te voorkomen, af te wenden en te verhelpen?
De vraag van het geachte lid verwijst ongetwijfeld naar de gevolgen van de sluiting, einde 2006, van de eenheden drie en vier van de kerncentrale van Kozloduy.
De Bulgaarse regering nam het besluit deze eenheden te sluiten in 1999. Dat is acht jaar geleden. Aan de basis van dit besluit lag de absoluut doorslaggevende overweging van nucleaire veiligheid. Het is in overeenstemming met de verplichtingen van Bulgarije overeenkomstig het Toetredingsverdrag.
Dat dit gevolgen zou hebben, was duidelijk.
De EU heeft in zeer belangrijke financiële steun voor de ontmanteling en de verlichting van de gevolgen van de sluiting voorzien. Voornamelijk via het door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) beheerde steunfonds voor de ontmanteling van Kozloduy werd 550 miljoen euro toegewezen. Met de helft van dit bedrag dienen projecten te worden gefinancierd die tot wezenlijke energiebesparing leiden, waaronder de verbetering van bruinkoolcentrales zoals Pernik. Bovendien is er een Euratom-lening van 212,5 miljoen euro voor de modernisering van de eenheden 5 en 6 van Kozloduy, die daardoor op een hoger gebruiksniveau van hun vermogen werken. Volgens voorzichtige schattingen van de EBWO zal het effect van de door de Commissie gefinancierde energiebesparing het verlies van de bevoorrading door de eenheden drie en vier in Kozloduy overstijgen.
De veiligheid van de elektriciteitsvoorziening vereist echter ook betere verbindingen tussen de landen. Het gaat voornamelijk om de samenwerking tussen exploitanten van de transmissiesystemen. Bovendien is er in de Balkanregio een structureel probleem van te weinig investeringen in opwekkingscapaciteit. Met het oog op de grote behoefte dienen particuliere investeringen te worden aangetrokken. Daartoe ondersteunt de Commissie krachtig de volledige tenuitvoerlegging van het Verdrag tot oprichting van de energiegemeenschap, dat in een gemeenschappelijk rechts- regelgevend kader voor de regio voorziet. Marktintegratie en duidelijke marktregels zijn voor investeringen in de regio een zeer belangrijke voorwaarde.
Vraag nr. 52 van Yiannakis Matsis (H-0819/07)
Betreft: Turkse militaire operaties in Noord-Irak
Turkije heeft een tijdje geleden militaire operaties in Noord-Irak uitgevoerd. Het Turkse parlement heeft onlangs het licht op groen gezet voor een inval van Turkse troepen in Noord-Irak. Het gebruik van geweld en het oversteken van nationale landsgrenzen van het ene land door de troepen van een ander land vormen schendingen van het internationaal recht en van de beginselen waarop de Europese Unie is gestoeld.
Hoe heeft de Commissie gereageerd op deze acties van Turkije, en wat is ze verder van plan te gaan doen (Turkije heeft dus reeds troepen in Noord-Irak)? Zullen de Turkse acties het toetredingsproces van dat land tot de Unie negatief beïnvloeden of niet? Zullen de Turkse militaire operaties in Noord-Irak aan bod komen in het beoordelingsverslag over Turkije van de Commissie?
De Commissie veroordeelt de gewelddaden van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) op Turks grondgebied.
Sedert september 2007 hebben hun aanvallen verschillende slachtoffers gemaakt onder burgers en militair personeel. De internationale gemeenschap, in het bijzonder de belangrijkste belanghebbenden in de regio, dienen de inspanningen van Turkije te ondersteunen om zijn bevolking te beschermen en het terrorisme te bestrijden. Daarbij dient de rechtstaat in acht te worden genomen, moeten de internationale en regionale vrede en stabiliteit bewaard blijven en mag geen onevenredige militaire actie worden ondernomen. Elke veronachtzaming van deze waarden zou een succes betekenen voor de strategie van de PKK met het oog op provocatie en geweld.
De Commissie hecht zeer veel belang aan de versterking van de dialoog en de samenwerking tussen de regeringen van Turkije en Irak om dit probleem aan te pakken. Ze verzoekt de Iraakse regering en de Koerdische regionale regering de inachtneming van de Turkse grens te garanderen en ervoor te zorgen dat het Iraakse grondgebied niet voor gewelddadige acties tegen Turkije wordt gebruikt.
Vraag nr. 53 van Ryszard Czarnecki (H-0840/07)
Betreft: Toetreding van Macedonië en Bosnië en Herzegowina tot de structuren van de EU
Wanneer kunnen we spreken over een reëel tijdsplan voor de toetreding van Macedonië en Bosnië en Herzegowina tot de structuren van de EU, gezien de vooruitgang die deze landen in de afgelopen jaren hebben gerealiseerd?
De Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Bosnië-Herzegovina zijn landen van de westelijke Balkan die deelnemen aan het stabilisatie- en associatieproces (SAP). Ze hebben uitzicht op uiteindelijk EU-lidmaatschap. Alvorens tot de EU toe te treden, dienen de landen aan de criteria van Kopenhagen en de voorwaarden in het kader van het SAP te voldoen.
In haar strategiedocument 2005 heeft de Commissie de opeenvolgende stappen uiteengezet die de landen van de westelijke Balkan op hun weg naar de EU moeten doen. De stabilisatie- en associatieovereenkomsten (SAO’s) hebben ten doel die landen op hun toekomstige EU-lidmaatschap voor te bereiden. Ze zijn een belangrijke stap op hun weg. Voor eventuele toekomstige leden van de EU is een bevredigende aanpak van de SAO-verplichtingen van zeer groot belang.
Over het tijdskader van het integratieproces van de twee landen met de EU heeft de Europese Raad in december 2006 verklaard dat de Unie pas streefdata zou vooropstellen wanneer de voltooiing van de toetredingsonderhandelingen nabij was.
In 2004 vroeg de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië het lidmaatschap aan. In december 2005 verwierf het de status van kandidaat-land. De Commissie zal de opening van toetredingsonderhandelingen kunnen aanbevelen, zodra het land aan alle voorwaarden voldoet.
Alvorens toetredingsonderhandelingen kunnen worden aangevat, dient het land in het bijzonder concrete vooruitgang te boeken met betrekking tot de criteria van Kopenhagen en de doeltreffende verwezenlijking van de SAO’s. Aan de politieke criteria moet worden voldaan, en met betrekking tot de economische criteria en de verplichtingen met het oog op het lidmaatschap dient grote vooruitgang te worden geboekt.
In het geval van Bosnië-Herzegovina werden de technische onderhandelingen over de SAA in december 2006 voltooid. In mei 2007 keurden de lidstaten het resultaat van de onderhandelingen goed, maar herhaalden ze dat, om de SAA te voltooien, Bosnië-Herzegovina moet voldoen aan de vier belangrijkste in oktober 2005 door de EU vooropgestelde voorwaarden: a) hervorming van de politie; b) volledige samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor Misdrijven in Voormalig Joegoslavië (ICTY); c) hervorming van de openbare omroep en d) hervorming van de overheidsadministratie. De vooruitgang van Bosnië en Herzegovina tot nu toe laat het niet toe de SAO te sluiten. De sluiting van de SAO is een voorwaarde voor de verdere toenadering van Bosnië-Herzegovina tot de EU.
Vraag nr. 54 van Diamanto Manolakou (H-0856/07)
Betreft: Brits-Turkse overeenkomst
Onlangs sloot Groot-Brittannië een overeenkomst met Turkije, een zogenoemd “strategisch bondgenootschap Turkije-Verenigd Koninkrijk 2007/2008”. Deze overeenkomst is duidelijk ingegeven door een “pro-opdelingsmentaliteit” waar het om Cyprus gaat, want er wordt stelselmatig in verwezen naar bepalingen en ideeën die de bezetting van 37 procent van de republiek Cyprus door het Turkse leger als voldongen feit erkennen, en daarom dus in strijd zijn met de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 541/83 van 18/11/1983 en 550/84 van 11/5/1984, waarbij de «Τurkse Republiek van Noord-Cyprus» wordt veroordeeld als onwettige afscheiding en alle staten worden opgeroepen om geen enkele andere Cypriotische staat dan de republiek Cyprus te erkennen. Tegelijkertijd valt uit persberichten op te maken dat Cyprus met die overeenkomst wordt opgeofferd ten gunste van Turkse belangen, en als Britse tegenprestatie wordt aangeboden om Turkije af te houden van een invasie in Irak.
Wat is het standpunt van de Commissie hierover en hoe beoordeelt zij deze overeenkomst? Vindt zij niet ook dat de overeenkomst in strijd is met het internationale recht en het gemeenschapsrecht, en een probleem vormt in de onderlinge relatie tussen lidstaten van de EU?
In de eerste plaats herinnert de Commissie aan het welbekende, oude standpunt van de Europese Unie, die alleen de Republiek Cyprus als een subject van het internationaal recht erkent. De zelfverklaarde “Turkse Republiek Noord-Cyprus” wordt door de Europese Unie noch door enige lidstaat erkend.
De Commissie kan niet tussenkomen in en kan geen commentaar leveren op overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen indien die niet strijdig zijn met het acquis communautaire.
De Commissie is van mening dat hieruit eens te meer de dringende behoefte aan een grondige regeling van de kwestie-Cyprus blijkt. Ze roept alle betrokken partijen op zo spoedig mogelijk volledige onderhandelingen te hervatten onder de bescherming van de Verenigde Naties om tot zulke grondige regeling te komen.
Vraag nr. 55 van Vural Öger (H-0860/07)
Betreft: De onvoldoende voorlichting aan de Europese burgers over de uitbreidingen
De Europese autoriteiten hebben bij uitbreidingsrondes vaak nagelaten de Europese burgers naar behoren te informeren over de historische draagwijdte van de toetredingen tot de Unie en de mogelijkheden die zij bieden. Na de uitbreiding met de Oosteuropese landen werden de discussies beheerst door waarschuwingen voor druk op de arbeidsmarkt door de migratie van werknemers uit de nieuwe lidstaten. Wat betreft de toetredingsperspectieven van de landen van de Westelijke Balkan werden de doelstellingen van de uitbreiding niet goed over het voetlicht gebracht, wat leidde tot een schokkend gebrek aan informatie en een dramatisch afnemende steun voor nieuwe uitbreidingen. Wat is de Commissie van plan te doen aan dit informatietekort?
De Commissie betreurt de negatieve houding in een aantal lidstaten tegenover het uitbreidingsbeleid van de EU.
De Commissie heeft herhaaldelijk het belang benadrukt van betere communicatie en erop gewezen dat mythes met feiten dienen te worden weerlegd. Het is van wezenlijk belang het bewustzijn over de uitdagingen en de voordelen van het uitbreidingsbeleid te vergroten.
De Commissie alleen kan echter geen verandering in de publieke perceptie teweegbrengen. Alle instellingen van de Europese Unie moeten daarin een rol spelen. Ook de lidstaten zelf moeten in dat opzicht veel meer doen op nationaal, regionaal en lokaal niveau.
De Commissie is natuurlijk bereid hun inspanningen te ondersteunen door feitelijke informatie beschikbaar te stellen en synergieën met de EU-instellingen en belangstellende lidstaten tot stand te brengen. Ze heeft haar activiteiten op dat vlak uitgebreid, zoals uit de volgende voorbeelden blijkt:
Ter gelegenheid van de derde verjaardag van de uitbreiding van 2004 werden een aantal specifieke webpagina’s met voorbeelden van de positieve invloed van de laatste uitbreiding gepubliceerd.
Een brochure over het uitbreidingsbeleid voor het algemene publiek zal in alle officiële talen worden gepubliceerd.
In het bijzonder voor jongeren werd een aantal evenementen georganiseerd.
Over de specifieke, in de vraag uitdrukkelijk aan de orde gestelde kwestie van het vrije verkeer van werknemers van de nieuwe naar de oude lidstaten heeft de Commissie een verslag gepubliceerd.
De uitbreiding heeft geleid tot een stapsgewijze verwezenlijking van het vrij verkeer van werknemers in de EU. De lidstaten die hun arbeidsmarkt onmiddelijk voor de nieuwe lidstaten hebben geopend, hebben daar verschillende voordelen uit gehaald: migranten hielpen vacatures invullen en banen werden van de grijze naar de witte sector overgeheveld. Met het oog op deze positieve ervaring gaan een aantal andere lidstaten in de richting van volledig vrij verkeer van werknemers. De vrees van een toevloed van arbeidsmigranten uit de nieuwe lidstaten die de arbeidsmarkten van de oude lidstaten ernstig zou verstoren, is geen werkelijkheid geworden.
In 2008 zullen informatieprojecten over de uitbreiding worden voortgezet en aangevuld met communicatie-activiteiten gericht op de instelling van een netwerkplatform met actoren uit de burgermaatschappij en kandidaat- en mogelijke kandidaat-landen.
Een toename van de openbare steun voor toekomstige uitbreidingen met de landen in Zuidoost-Europa zal een gezamenlijke inspanning vergen. De Commissie is van mening dat het in het bijzonder nodig zal zijn in feitelijke informatie over de grote voordelen van de vijfde uitbreiding te voorzien.
De Commissie roept alle actoren ertoe op bij te dragen aan de verstrekking van informatie en ondersteuning voor betere communicatie. In het bijzonder verzoekt ze de leden van het Parlement om steun.
Vraag nr. 59 van Inger Segelström (H-0810/07)
Betreft: Deskundigengroep mensenhandel
De in 2003 opgerichte groep van deskundigen voor vraagstukken inzake mensenhandel heeft een belangrijke taak in het kader van de werkzaamheden van de EU ter bestrijding van mensenhandel. Naar verluidt is de Commissie thans bezig met de benoeming van nieuwe leden van de groep. Tot dusverre bestaat de groep nog steeds uit de oorspronkelijke leden. Welk tijdschema hanteert de Commissie voor de benoeming van nieuwe leden en welke procedure denkt zij toe te passen? Hoe kan zij waarborgen dat de benoemingsprocedure op doorzichtige wijze verloopt? Hoe worden de nationale deskundigen geselecteerd en zijn alle landen in de groep vertegenwoordigd? Blijft de taakomschrijving van de groep dezelfde of wordt deze gewijzigd? Hoe denkt de Commissie ervoor te zorgen dat niet-gouvernementele organisaties zoals vrouwenorganisaties een plaats krijgen in de groep?
De Commissie is het met het geachte lid eens over de belangrijke taak van de Deskundigengroep mensenhandel. Sedert haar benoeming heeft de huidige deskundigengroep de Commissie over vele belangrijke onderwerpen adviezen en standpunten verstrekt. In 2004 heeft ze een verslag gepubliceerd dat voor verdere activiteiten nog steeds een bron van inspiratie is.
De Commissie werkt nu aan de benoeming van een nieuwe deskundigengroep. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzakelijke wijzigingen die voortvloeien uit de uitbreiding en met de behoefte aan specifieke deskundigheid op het gebied van arbeidsuitbuiting. Op 17 oktober 2007 heeft de Commissie een besluit goedgekeurd om een nieuwe deskundigengroep mensenhandel op te richten(1).
De deskundigengroep zal bestaan uit 21 leden, onder wie tot elf leden van overheden van de lidstaten, tot 5 leden van intergouvernementele, internationale en niet-gouvernementele organisaties, tot vier leden van sociale partners en werkgeversorganisaties, één lid van Europol(2) en tot 2 leden van universiteiten of andere onderzoeksinstellingen. De leden uit overheden van de lidstaten zullen op voorstel van de lidstaten door de Commissie worden benoemd. De anderen zullen door de Commissie worden gekozen en benoemd uit diegenen die op de oproep hebben geantwoord.
Om transparantie te garanderen zal de oproep in het Publicatieblad en op de website van het directoraat-generaal Justitie, vrijheid en veiligheid worden gepubliceerd.
Betreft: Toekomstige maatregelen van de EU op het gebied van jeugddelinquentie
Op 21.6.2007 heeft het Europees Parlement een resolutie over jeugddelinquentie aangenomen (P6_TA(2007)0283), waarin gevraagd wordt een gemeenschappelijke strategie op communautair niveau tot stand te brengen.
Het geheel van maatregelen voor de aanpak van het probleem en de coördinatie van de bevoegde diensten in communautaire programma's met een algemeen karakter zoals DAPHNE II of het programma “Criminaliteitspreventie en -bestrijding” vormt slechts een voorlopige oplossing, aangezien voor een werkelijke aanpak van de onrustwekkende toename van de jeugddelinquentie in de hele Europese Unie een communautair programma nodig is dat speciaal op dit verschijnsel is toegespitst.
Is de Commissie van plan een strategie uit te werken voor de aanpak van dit probleem?
Denkt de Commissie er met name over een studie te doen uitvoeren en een mededeling te publiceren om een communautair kaderprogramma te ontwikkelen dat toegespitst is op de drie basispijlers, namelijk preventie, gerechtelijke en buitengerechtelijke maatregelen en de sociale herintegratie van de delinquenten, zoals in de resolutie van het Parlement wordt voorgesteld?
Wat denkt de Commissie van de tendens die zich in bepaalde lidstaten aftekent om eerder gevangenisstraffen te geven dan alternatieve pedagogisch verantwoorde straffen en in hoeverre vindt zij het opportuun om te ijveren voor bepaalde gemeenschappelijke Europese minimumnormen en richtsnoeren op het gebied van jeugddelinquentie?
De Commissie heeft nota genomen van de aanbevelingen in de door het Parlement op 21 juni 2007 aangenomen resolutie op grond van het verslag van mevrouw Batzeli over jeugddelinquentie.
Ongetwijfeld dienen alle belanghebbenden – voornamelijk die uit de burgermaatschappij en de lokale en nationale autoriteiten – meer inspanningen te doen om de oorzaken te voorkomen en te bestrijden die jongeren op het pad van de delinquentie brengen en om de gevolgen van hun sociale marginalisering te beperken.
De Commissie ondersteunt volledig de multidimensionele benadering van de preventie en onderdrukking van jeugddelinquentie. De samenwerking tussen alle openbare en particuliere diensten met verantwoordelijkheden op het gebied van opleiding, onderwijs, werkgelegenheid en sociale integratie dient te worden versterkt, met de klemtoon op preventieve maatregelen. Bevordering van de uitwisseling van informatie en beste praktijk moet een hoeksteen zijn van de actie van de Europese Unie en kan mogelijk tot de ontwikkeling van interventiemodellen of minimumrichtsnoeren leiden.
De Commissie blijft de samenwerking ondersteunen tussen de verschillende lokale en nationale organen via financiële instrumenten met verschillende doelstellingen. Gezien het horizontale karakter van de oorzaken van jeugddelinquentie en de aanpak ervan, lijkt het niet raadzaam één enkel programma voor financiële steun te ontwikkelen. Wegens de diversiteit van openbaar beleid om de desocialisatie en marginalisering van jongeren te voorkomen, is er behoefte aan verschillende types financiële steun van de Gemeenschap.
Op dit ogenblik loopt een belangrijke studie over jeugdcriminaliteit. Statistische gegevens zullen worden vergaard over strafrecht, op grond van betrouwbare en vergelijkbare indicatoren. Het Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie (ENCP) is een waardevol raadgevend en coördinerend instrument voor komende ontwikkelingen.
Vraag nr. 61 van Brian Crowley (H-0824/07)
Betreft: Bestrijding invoer drugs via de westkust van Europa
Kan de Commissie een verklaring afleggen en daarin uiteenzetten welke vooruitgang wordt geboekt met de bestrijding van de invoer van drugs langs de westelijke kust van Europa in het kader van het zogenaamde MAOC-programma (Maritime Analysis Operations Centre)?
Het Maritieme Analyse en Operatie Centrum Narcotica (MAOC-N) is een intergouvernementeel, militair ondersteund ordehandhavingsinitiatief van zeven EU-lidstaten, namelijk Spanje, Portugal, Frankrijk, Italië, Ierland, Nederland en het VK. Het heeft ten doel de invoer van drugs, voornamelijk cocaïne, uit Latijns-Amerikaanse landen over land en over zee via de westkust van Afrika naar Europa aan te pakken. Het hoofdkwartier van de MAOC-N bevindt zich in Lissabon, Portugal. Deze keuze werd gemaakt omdat het een geschikte locatie is voor de coördinatie van de drugsbestrijding. Het operationele gebied bevindt zich immers voornamelijk in de Atlantische Oceaan, met een mogelijke uitbreiding naar de westelijke Middellandse Zee.
Het MAOC-N is de facto aan het werk sedert 1 april 2007 krachtens een Verdrag dat zich sedert 30 september 2007 in de ratificatieprocedure bevindt. Sedert april 2007 heeft het MAOC-N via de uitwisseling van tactische informatie met de betrokken partijen de uitvoering van 27 operaties met succes gecoördineerd. Daarbij werd in totaal 16.638 kg illegale drugs in beslag genomen, 13.038 kg door de partnerlanden en 3.600 kg tijdens operationele activiteiten.
Vraag nr. 62 van Eoin Ryan (H-0826/07)
Betreft: Strijd tegen cocaïnegebruik in de Europese Unie
Kan de Commissie een overzicht van het cocaïnegebruik op het ogenblik in de Europese Unie geven en uitleggen welke gecoördineerde programma's er op Europees niveau opgesteld worden om misbruik van cocaïne in de Europese Unie tegen te gaan?
In het door het Europees waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) gepubliceerde jaarverslag 2006 over de toestand van het drugprobleem in de Europese Unie staat dat cocaïne synthetische drugs (ecstasy/amfetaminen) als tweede meest gebruikte drug na cannabis heeft vervangen. Dit kan worden verklaard door een stabilisatie of vermindering van het gebruik van synthetische drugs in de meeste EU-landen en een toename van het gebruik van cocaïne in een aantal landen. Het gebruik van cocaïne verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat en blijft in de meeste op een laag niveau.
Alle EU-lidstaten doen onderzoek naar en vergaren gegevens over de verspeiding van regelmatig cocaïnegebruik. Deze gegevens worden vergaard overeenkomstig betrouwbare en genormaliseerde monitoringprocedures en worden verwerkt, geanalyseerd en verder verwerkt door het EWDD zodat een beeld van de gehele EU wordt gevormd.
Het EU-actieplan inzake drugs 2005-2008 bevordert de uitwisseling van beste praktijken en de verbetering van de kennisinfrastructuur van de EU op het gebied van preventie. De meeste lidstaten hebben algemene preventieprogramma’s met het oog op informatie, educatie en communicatie voor het algemene publiek en selectieve programma’s voor specifieke groepen (risicojongeren, recreationele omgevingen enzovoort). De medewerking op EU-niveau wordt ondersteund door het communautaire actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid en vanaf 2007 ook het Programma drugspreventie en -voorlichting.
Vraag nr. 63 van Justas Vincas Paleckis (H-0837/07)
Betreft: Uitbreiding van het Schengengebied
Op hun vergadering begin oktober in Lissabon hebben de ministers van Binnenlandse zaken van de EU-landen besloten voor te stellen de persoons- en voertuigcontrole aan de binnengrenzen van de EU met ingang van 21/22 december van dit jaar af te schaffen. Tegelijkertijd berichtten de media over een informele EU-mededeling waarin de nieuwe EU-landen op zwakke plekken in de controle aan de grenzen met buurlanden van de EU werden gewezen.
Wat is het standpunt van de Commissie ten aanzien van de tekortkomingen in de controle aan de landsgrenzen van enkele EU-landen met de buurlanden Rusland, Oekraïne, Wit-Rusland, Servië en Kroatië?
Het Schengen-evaluatieproces in de Tsjechische Republiek, Estland, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Hongarije, Slowakije en Slovenië voor de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen is voltooid. Hoewel deskundigen van de Commissie aan de evaluatiebezoeken deelnemen, dient te worden onderstreept dat de Raad voor het evaluatieproces verantwoordelijkheid is.
Het evaluatieproces van de staat van de voorbereidingen van de betrokken lidstaten ging in 2006 van start. Sedertdien heeft een aantal bezoeken plaatsgevonden om na te gaan of het Schengen-acquis aan de buitengrenzen, in consulaten en politiebureaus en door de gegevensbeschermingsautoriteiten van de betrokken lidstaten correct werd toegepast.
Uit dit tweejarige evaluatie- en controleproces is duidelijk geworden dat de betrokken lidstaten voldoende voorbereid zijn om het gehele Schengen-acquis toe te passen. Er zijn geen moeilijkheden of problemen meer met de controle van de landgrenzen met Rusland, Oekraïne, Wit-Rusland, Servië en Kroatië.
Het Parlement werd geraadpleegd over het ontwerpbesluit van de Raad dat deze positieve evaluatie bevestigt en de datum vaststelt voor de afschaffing van de grenscontroles aan de grenzen met en tussen deze nieuwe lidstaten.
Vraag nr. 64 van Athanasios Pafilis (H-0847/07)
Betreft: Nieuw tijdperk van “biometrische” bewaking
Met het laatste ontwerp-kaderbesluit van de ministers BZJ van de EU, wordt het nieuwe tijdperk van “biometrische” observatie van de gedachten en meningen onder de burgers gelegaliseerd. Daarmee wordt de onbegrensde handelingsvrijheid van de geheime diensten nog vergroot en de bewerking en uitwisseling van gevoelige persoonsgegevens met elke geïnteresseerde derde staat, internationale organisatie of zelfs particuliere onderneming, ook met “preventieve” oogmerken, tot algemene praktijk gemaakt. Hierbij wordt informatie over verdachte personen uitgewisseld, ten behoeve van de preventie en opsporing van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Die uitgewisselde informatie heeft betrekking op politieke en vakbondsactiviteiten, maar behelst ook gegevens over de gezondheid, de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging, etnische afstamming, alles onder het voorwendsel van mogelijke bedreiging van de openbare veiligheid van een lidstaat, maar ook van wetenschappelijk-statistische doeleinden.
Welk standpunt heeft de Commissie over dit besluit dat de bescherming van persoonsgegevens en de democratische rechten met voeten treedt?
Het voorstel van de Commissie voor een kaderbesluit van de Raad over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, is nog niet door de Raad goedgekeurd.
Het ontwerp-kaderbesluit van de Raad regelt de biometrische monitoring van individueel geloof en individuele overtuigingen niet. Artikel 7 van het ontwerp-kaderbesluit van de Raad regelt de verwerking van bijzondere categorieën van gegevens, namelijk gevoelige persoonlijke gegevens. Persoonlijke gegevens betreffende ras of etnische origine, politieke overtuiging, religieuze of filosofische overtuigingen of lidmaatschap van een vakvereniging en gegevens betreffende gezondheid of seksleven worden als bijzondere categorieën beschouwd. De verwerking van bijzondere categorieën gegevens is alleen toegestaan indien dit strikt noodzakelijk is en als de binnenlandse wetgeving in voldoende bescherming voorziet. De Commissie is van mening dat dit niet tot een meer wijdverspreide verwerking en uitwisseling van gevoelige persoonlijke gegevens leidt. De Europees toezichthouder voor gegevensbescherming is tevreden over de huidige bewoordingen van artikel 7.
Het ontwerp-kaderbesluit van de Raad voorziet in een aantal duidelijke regels voor de verwerking van persoonlijke gegevens tussen de lidstaten. Bovendien regelt het duidelijk de overdracht en beschikbaarstelling van persoonlijke gegevens tussen een lidstaat en een derde land of internationaal orgaan. Ten slotte regelt het kaderbesluit de overdracht van persoonlijke gegevens tussen particuliere partijen in een lidstaat en de bevoegde autoriteit van een lidstaat.
Het ontwerp-kaderbesluit van de Raad laat verdere verwerking van persoonlijke gegevens naar belangstellende partijen niet toe. De doelstellingen die verdere verwerking van persoonlijke gegevens met het oog op de preventie van, onderzoek naar, vaststelling of vervolging van misdrijven of de bestraffing ervan mogelijk maken, worden in het kaderbesluit gedetailleerd beschreven. Wat het afwenden van een mogelijke bedreiging voor de openbare veiligheid betreft, laat het ontwerp-kaderbesluit van Raad de verdere verwerking van persoonlijke gegevens in het belang van de preventie van een onmiddelijke en ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid toe indien ze niet strijdig is met de doelstelling waarvoor de gegevens werden vergaard. De bevoegde autoriteiten mogen zulke gegevens slechts verwerken overeenkomstig de toepasbare wettelijke bepalingen en indien de verwerking noodzakelijk en proportioneel is. Wat de verwerking van persoonlijke gegevens voor wetenschappelijke statistische doelstellingen betreft, bepaalt het ontwerp-kaderbesluit van de Raad dat de bevoegde autoriteiten de overgedragen gegevens verder mogen verwerken voor historische, statistische of wetenschappelijke doelstellingen indien de lidstaten voorzien in voldoende bescherming door bijvoorbeeld de gegevens anoniem te maken.
Ten slotte is de Commissie niet van mening dat het ontwerp-kaderbesluit van de Raad de bescherming van persoonlijke gegevens of democratische rechten met voeten treedt. Aangezien het kaderbesluit slechts minimale eisen stelt met betrekking tot gegevensbescherming, is de Commissie van mening dat de beoordeling van de nationale maatregelen met het oog op de volledige naleving van het kaderbesluit, zoals bepaald in artikel 27 van het ontwerp-kaderbesluit van de Raad, dient te worden benut om te onderzoeken of het gegevensbeschermingsniveau kan worden verhoogd.
Vraag nr. 65 van Barbara Kudrycka (H-0867/07)
Betreft: Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht; civielrechtelijke overeenkomsten
Onlangs is de Europese Unie toegetreden tot de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht. De lidstaten hebben toestemming van de Gemeenschap nodig om te kunnen toetreden tot een reeks internationale regelingen op het gebeid van het burgerlijk recht. De Europese Commissie heeft bij de Raad een aantal voorstellen ter ondertekening of ratificatie neergelegd. Op de besluiten over een aantal overeenkomsten wordt reeds jaren gewacht. Sommige overeenkomsten zijn uitsluitend operationeel tussen de lidstaten die erin zijn geslaagd deze vóór toetreding tot de Unie te ratificeren.
Acht de Commissie het behoorlijk beleid dat aan de Europese burgers de voordelen worden onthouden van moderne overeenkomsten waarover veelal is onderhandeld op verzoek en met actieve deelname van lidstaten en Commissie; om mondiale samenwerkingsinstrumenten verre van Europa te houden, om dergelijke initiatieven tot in het oneindige te vertragen? Acht de Commissie toetreding tot de Haagse conferentie verenigbaar met feitelijke stilstand inzake toetreding tot door de leden daarvan ontwikkelde instrumenten? Is de Commissie van mening dat de EU door anderen kan worden beschouwd als een betrouwbare partner in internationale onderhandelingen als zij jarenlang geen besluit kan nemen en een manier van aanpak bepalen? Is de Commissie voornemens maatregelen te nemen om dit probleem op te lossen?
De Commissie meent dat het geachte lid verwijst naar internationale conventies waarvan de ratificatie hangende is tengevolge van het geschil tussen het Verenigd Koninkrijk en Spanje over Gibraltar, en niet naar de toetreding tot het Verdrag van Den Haag inzake het recht dat van toepassing is op bepaalde rechten ten aanzien van effecten die bij een intermediair worden aangehouden. De Raad is zeer verdeeld over de wenselijkheid van ratificatie van dat Verdrag. Het Parlement heeft in zijn op 14 december 2006 goedgekeurde resolutie de Raad immers zelf verzocht het niet te ratificeren alvorens een grondige effectbeoordeling is uitgevoerd om na te gaan of zulke toetreding niet tot verstoring van de interne markt voor financiële diensten zou leiden.
Zoals in het antwoord op schriftelijke vraag E-2576/07 reeds werd gezegd, is ook de Commissie bezorgd over het geschil tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk over Gibraltar, dat de toetreding van de Gemeenschap tot verschillende belangrijke conventies in de weg staat. Het gaat om de volgende conventies.
- Verdrag van 's-Gravenhage van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Verdrag van ’s-Gravenhage inzake de bescherming van kinderen);
- UNIDROIT-Verdrag van Kaapstad van 2001 betreffende internationale garanties voor mobiel materieel en het Protocol betreffende specifieke vraagstukken in verband met luchtvaartmaterieel;
- Protocol van de Internationale Maritieme Organisatie van 2002 bij het Verdrag van Athene met betrekking tot het vervoer van passagiers en hun bagage over zee;
- Protocol van de Verenigde Naties van 2003 betreffende wettelijke aansprakelijkheid en vergoeding voor schade veroorzaakt door de grensoverschrijdende effecten van industriële ongevallen op grensoverschrijdende wateren;
- Conventie van de Raad van Europa van 2003 inzake contact met kinderen.
Aangezien deze conventies geheel of gedeeltelijk onder de exclusieve bevoegheid van de Gemeenschap vallen, mogen de lidstaten ze niet ratificeren zonder daartoe van de Gemeenschap toestemming te hebben gekregen. Het bilaterale probleem tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk verhindert daarom inderdaad alle andere lidstaten deze conventies te ratificeren.
Zoals uit deze lijst blijkt, betreft dit probleem niet alleen in het kader van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht goedgekeurde conventies, maar ook andere internationale organisaties zoals UNIDROIT en de Raad van Europa.
De Commissie heeft reeds grote inspanningen geleverd om de situatie te verhelpen. In het bijzonder met betrekking tot het Verdrag van ’s-Gravenhage inzake de bescherming van kinderen heeft de Commissie de betrokken lidstaten sedert 2005 meermaals schriftelijk aangespoord de situatie te deblokkeren. Ze wordt immers steeds meer onaanvaardbaar voor de andere lidstaten, die deze waardevolle conventie willen ratificeren. De kwestie werd op een aantal JBZ(1)-Raden ook rechtstreeks met de betrokken ministers besproken.
De twee betrokken lidstaten hebben de Commissie verzekerd dat over deze kwestie wordt onderhandeld en dat in de nabije toekomst een oplossing voor het probleem wordt verwacht.
Betreft: Algemeen programma solidariteit en beheer van migratiestromen
Als onderdeel van het Algemeen programma solidariteit en beheer van migratiestromen is een aantal nieuwe fondsen in het leven geroepen (Europees fonds integratie onderdanen van derde landen, Europees vluchtelingenfonds, Fonds buitengrenzen en het Europees fonds terugkeer). Hoe staat het met de tenuitvoerlegging van deze fondsen? Zijn er voor deze fondsen reeds richtsnoeren opgesteld en hoe zit het met de landenverdeling? Is voorzien in een rol voor regionale en plaatselijke instanties en zo ja, welke? Zullen NGO's bij de planning en de tenuitvoerlegging van de acties van de fondsen worden betrokken?
De strategische richtsnoeren hebben ten doel de programmering van EU-fondsen in de lidstaten te sturen. Voor het Buitengrenzenfonds en het Europees Integratiefonds werden de strategische richtsnoeren in augustus 2007(1) door de Commissie goedgekeurd. De strategische richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van het Europees Terugkeerfonds en het Europees Vluchtelingenfonds zullen in november 2007 worden goedgekeurd.
Er is geen bijzondere vertraging van de goedkeuring van de strategische richtsnoeren. De basisdocumenten ter instelling van de fondsen werden pas in de lente van 2007 goedgekeurd. Voor drie fondsen vindt de goedkeuring van de richtsnoeren plaats op grond van de regelgevingsprocedure met toetsing, die daar voor het eerst wordt gebruikt.
Wat de toewijzingen aan de lidstaten voor elk van de vier fondsen betreft, heeft de Commissie de lidstaten in juli 2007 de definitieve toewijzingen voor het begrotingsjaar 2007 en de voorlopige toewijzingen voor het begrotingsjaar 2008 meegedeeld.
Van de fondsen dient 90 procent tot 93 procent in gedeeld beheer ten uitvoer te worden gelegd. Het is daarom nu aan de lidstaten om regionale en lokale organen en niet-gouvernementele organisaties bij de opstelling en de uitvoering van hun meerjaren- en jaarprogramma’s te betrekken.
In de besluiten ter instelling van de fondsen staat uitdrukkelijk dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de keuze en de uitvoering van de gecofinancierde projecten met inachtneming van de grote Europese programmadoelstellingen. De specifieke prioritaire behoeften met betrekking tot asiel- en integratiebeleid, terugkeer en buitengrenzen kunnen het best op nationaal en lokaal niveau worden vastgesteld.
Wat de aandelen van de fondsen betreft die door de Commissie rechtstreeks voor gemeenschappelijke acties kunnen worden ingezet, zullen regelmatig oproepen tot het indienen van voorstellen worden gepubliceerd. Niet-gouvernementele organisaties en regionale en lokale organen kunnen speficieke aanvragen tot het Integratiefonds, het Europees Vluchtelingenfonds en het Terugkeerfonds richten.
Beschikking van de Commissie van 27 augustus 2007 tot uitvoering van Beschikking nr. 574/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de goedkeuring van strategische richtsnoeren voor de periode 2007-2013 betreft, PB L 233 van 5 september 2007, en Beschikking van de Commissie van 21 augustus 2007 tot uitvoering van Beschikking 2007/435/EG van de Raad wat de goedkeuring van strategische richtsnoeren voor de periode 2007-2013 betreft zoals aan de lidstaten ter kennis gegeven.
Vraag nr. 67 van Mairead McGuinness (H-0796/07)
Betreft: Stand van de onderhandelingen over de EPO's met de groep ACS-landen
Hoever staat het met de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) met de groep ACS-landen?
Er bestaat toenemende bezorgdheid, vooral in bepaalde Afrikaanse landen, dat deze overeenkomsten het proces van duurzame ontwikkeling ondergraven, dat de basis voor alle vorige handelsovereenkomsten vormde. Bovendien bestaat de indruk dat deze overeenkomsten in onevenredige mate in het voordeel van de EU zijn en ten koste gaan van haar handelspartners in de ACS-landen. Meent de Commissie dat dit op de lange termijn in het belang van de EU is?
Ligt het in de verwachting dat de nieuwe EPO's met de groep ACS-landen volgens plan op 1 januari 2008 in werking treden? Zo nee, overweegt de Commissie dan overgangsmaatregelen te treffen totdat de overeenkomst van kracht wordt? Zo ja, wat voor soort overgangsmaatregelen heeft de Commissie op het oog?
Vraag nr. 68 van David Martin (H-0804/07)
Betreft: Uiterste EPO-datum; waarborgen voor de ACS-landen
Volgende maand is de uiterste datum voor het sluiten van de Economische Partnerschapsovereenkomsten (EPO's) die het huidige stelsel van handelspreferenties voor de ACS-landen in het kader van de Overeenkomst van Cotonou moeten vervangen. De maatschappelijke organisaties hebben zich krachtig verzet tegen de sluiting van deze overeenkomsten eind dit jaar om reden dat veel aspecten van de overeenkomsten bij de onderhandelingen onvoldoende aandacht hebben gekregen. De sluiting van deze overeenkomsten zou in feite enkele van de armste landen in de wereld dwingen in te stemmen met de liberalisatie van hun kwetsbare markten. Willen deze overeenkomsten billijk zijn dan moeten de ACS-landen meer tijd krijgen om te onderhandelen en moeten zij de flexibiliteit kunnen behouden om zelf te beslissen over de planning en volgorde van hun eigen handelshervormingen. Worden de EPO's dit jaar gesloten, dan kan dit de ineenstorting van de export uit de ACS-landen naar de EU betekenen. De ACS-landen zouden dan naar nieuwe inkomstenbronnen moeten zoeken om hun gezondheidszorg en onderwijsbestel te financieren.
Welke plannen heeft de Commissie om de ACS-landen waarborgen te bieden mocht de sluiting van de EPO's eind dit jaar niet doorgaan?
Vraag nr. 69 van Elspeth Attwooll (H-0817/07)
Betreft: Termijn Europese partnerschapsovereenkomsten: Waarborgen voor ACS-landen
De termijn voor de huidige onderhandelingen over de Europese partnerschapsovereenkomsten, die in de plaats zullen komen van het bestaande handelsstelsel voor ACS-landen in het kader van de Overeenkomst van Cotonou, loopt eind volgende maand af. De reden waarom de civiele samenleving campagne voert tegen de sluiting van deze overeenkomsten voor die datum, is dat belangrijke aspecten van de overeenkomsten nog niet voldoende zijn besproken. In geval van een te spoedige afsluiting van de onderhandelingen zouden de toch al kwetsbare markten van een aantal van de armste landen in de wereld te maken krijgen met een liberalisatie die zeer ongunstige gevolgen zou kunnen hebben voor de ACS-exporten naar de EU, en ook aanzienlijke gevolgen zou hebben voor de financiering van hun volksgezondheids- en onderwijsstelsels. De ACS-landen hebben daarom meer tijd voor onderhandelingen nodig, zodat zij mogelijkheden houden om hun eigen handelshervormingen te plannen. Het is noodzakelijk dat het eerlijke karakter van deze onderhandelingen gehandhaafd blijft.
Welke voorstellen worden door de Commissie ter bescherming van de betrokken landen gedaan, wanneer de Europese partnerschapsovereenkomsten niet voor het einde van het jaar worden gesloten?
Vraag nr. 70 van Alain Hutchinson (H-0858/07)
Betreft: Economische partnerschapsovereenkomsten
In haar mededeling van 23 oktober 2007 over economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) geeft de Commissie duidelijk aan dat zij genegen is om met afzonderlijke landen een EPO te sluiten als de regio's waarmee wordt onderhandeld niet binnen de gestelde termijn een EPO ondertekenen. Tot nu toe heeft de Commissie echter vooral aangedrongen op het sluiten van EPO's op regionaal niveau omdat deze eigenlijk alleen maar zin zouden hebben in een perspectief van regionale integratie. Door deze opstelling dreigt de Commissie verantwoordelijk te worden voor grote spanningen die ongetwijfeld zullen ontstaan tussen landen uit dezelfde regio die al dan niet een dergelijk akkoord sluiten en vervolgens een gedifferentieerde behandeling krijgen in strijd met de doelstelling van regionale integratie.
Hoe denkt de Commissie te voorkomen dat dergelijke overeenkomsten direct schade toebrengen aan landen die niet hun handtekening zetten? Hoe motiveert zij haar nieuwe opstelling in het licht van de prioriteit die zij altijd heeft gegeven aan regionale integratie als reden om een EPO te sluiten?
Op grond van de Overeenkomst van Cotonou en haar doelstellingen met betrekking tot duurzame ontwikkeling, regionale integratie en betere deelname van landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) aan de multilaterale handel, voeren de EG en de ACS-landen en -regio’s sedert 2002 onderhandelingen over een economische partnerschapsovereenkomst (EPO). Deze onderhandelingen bevinden zich nu in de laatste fase tot einde 2007, wanneer de huidige Cotonou-preferenties en de waiver van de Wereldhandelsorganisatie vervallen. Uit de gezamenlijke herziening 2007 van de ACS en de EU van de EPO-onderhandelingen bleek eens te meer dat de partijen voornemens zijn de termijn in acht te nemen.
Doelstelling van de EG blijft het huidige Cotonou-handelsstelsel te vervangen door volledige, veelomvattende EPO’s betreffende handel in goederen en diensten, investeringen en met handel verband houdende gebieden die belangrijk zijn voor de ontwikkeling van de ACS met het oog op doeltreffende regionale markten en bijzondere betrekkingen tussen deze regio’s en de EU. De vooruitgang van de EPO-onderhandelingen is echter onregelmatig. Als een volledige EPO niet op tijd kan worden voltooid, dienen de partijen de tot nu toe onderhandelde kwesties in een overeenkomst op te nemen, waarvan de kern moet bestaan uit een goede regeling van de markttoegang. Daarna kunnen zij de onderhandelingen in het eerste deel van 2008 voltooien. Zo zal verstoring van de handel worden vermeden zonder de doelstelling van de onderhandeling van veelomvattende EPO’s met een volledig ontwikkelingspakket in gevaar te brengen.
In een regio waar slechts enkele landen de onderhandelingen willen voortzetten, is de Commissie bereid dat te doen met het oog op overeenkomsten over markttoegang als een stap in de richting van volledige EPO’s. Zulke overeenkomsten zullen stapstenen vormen naar volledige EPO’s voor alle landen van de betrokken regio, en zo de vaart in de huidige regionale integratieplannen houden.
De Commissie is van mening dat er op dit ogenblik geen alternatief is voor deze pragmatische benadering overeenkomstig haar mededeling van 23 oktober 2007, en zal ook in de toekomst eerder ontwikkelingsdoelstellingen dan EU-belangen nastreven.
Vraag nr. 71 van Georgios Papastamkos (H-0785/07)
Betreft: Europese veiligheidsstrategie
Hoe luidt het oordeel van de Commissie tot dusver over de doelmatigheid van de samenvoeging van de interne en externe veiligheidsdimensies in het kader van de Europese veiligheidsstrategie (European Safety Strategy)? Wat zijn de structurele tekortkomingen bij de uitvoering van de interne dimensie van het Europees veiligheidsbeleid, die op verschillende constitutieve pijlers steunt? Is het veiligheidsregime, gebaseerd op de overbrugging tussen twee pijlers (cross-pillar security regime), als institutioneel en operationeel geheel te beschouwen in aangelegenheden die de Europese ruimte voor vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid betreffen?
In de Europese Veiligheidsstrategie staat: “De wereld na de Koude Oorlog is een omgeving met steeds meer open grenzen, waarin de interne en de externe veiligheidsdimensies onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn”. EU-interventie betreft de interne en de externe aspecten van de door de Europese Veiligheidsstrategie vastgestelde bedreigingen, in het bijzonder via de Europese Antiterrorismestrategie van 2005 vanuit intern oogpunt en via internationale samenwerking met en ondersteuning van strategische partners in derde landen. Wat de bestrijding van de georganiseerde misdaad betreft, dringt de Europese Unie aan op de ratificatie van de internationale overeenkomsten die het referentiekader vormen voor onze steun in derde landen. Europol verstrekt jaarverslagen en statistieken die bijdragen aan de informatie en kennis over de betrokken gebieden.
De tenuitvoerlegging van de Europese Veiligheidsstrategie is doeltreffender als de instrumenten van de EU en van de Gemeenschap met dezelfde doelstellingen samenwerken. De Commissie tracht dit te bewerkstellingen door ook met de externe aspecten van intern beleid rekening te houden. Dat zal worden vereenvoudigd door de vankrachtwording van het Verdrag van Lissabon, dat een einde maakt aan de huidige scheiding tussen de eerste en de derde pijler, de medebeslissingsprocedure invoert en de rol van het Parlement versterkt.
Acties in het kader van het GBVB(1)en het EVDB(2)zullen rekening blijven houden met externe dreigingen, naast Gemeenschapsactie buiten de EU en interne maatregelen op het gebied van vrijheid, rechtvaardigheid en veiligheid.
Meer in het algemeen is de Commissie van mening dat haar interne en externe beleidsdoelstellingen neer dan ooit verstrengeld zijn. Dat vereist een herziene visie op de manier waarop de belangen en waarden van de EU, waaronder uiteraard de veiligheid van haar burgers, worden gepland, bevorderd en beschermd.
Al onze instrumenten werken samen om de uitdagingen aan te pakken die in de Europese Veiligheidsstrategie worden beschreven: ons uitbreidingsbeleid, dat in heel Europa vrede, stabiliteit, welvaart, democratie en de rechtstaat brengt; ons nabuurschapsbeleid, dat ten doel heeft betrekkingen op te bouwen op grond van met buurlanden gedeelde belangen en waarden; ons handelsbeleid, ons ontwikkelings- en humanitair beleid en onze actie betreffende klimaatverandering en energieveiligheid.
Bij elke herziening van de Europese Veiligheidsstrategie dient rekening te worden gehouden met deze nieuwe, wereldwijde uitdagingen en dienen alle reacties daarop op Europees niveau te worden opgenomen, ongeacht institutionele overwegingen, zoals de Commissie in 2006 heeft gezegd in haar mededeling “Europa in de wereld — praktische voorstellen om de samenhang, het effect en de zichtbaarheid van het EU-optreden te vergroten”(3).
Ik verwijs naar recente berichten over andermaal een ongeval in een kledingfabriek in Bangalore (India) waarbij een werknemer die onder werktijd ziek werd, maar uren moest wachten op toestemming om de werkplek te verlaten, later die dag in het ziekenhuis overleed. Dit geval leek op een eerder incident dat zich naar verluidt drie maanden geleden in dezelfde fabriek had voorgedaan: Een zwangere vrouw beviel zonder hulp buiten de poorten van de fabriek nadat haar geen hulp geboden werd toen zij tijdens haar ploegendienst weeën kreeg. Bericht wordt dat de baby gestorven is.
Kan de Commissie mededelen of zij gezondheid en veiligheid op het werk als grondrecht beschouwt en welke maatregelen zij neemt bij onderhandelingen en overeenkomsten met derde landen betreffende het belang van goede gezondheids- en veiligheidsmaatregelen, teneinde te voorkomen dat dergelijke verschrikkelijke en tragische incidenten zich nog eens herhalen?
De bevordering van gezondheid en veiligheid op het werk op internationaal niveau is één van de belangrijkste doelstellingen van de onlangs goedgekeurde strategie van de Commissie voor gezondheid en veiligheid op het werk(1). De strategie onderstreept de behoefte aan de verbetering van de arbeidsnormen in de gehele wereld. In deze samenhang is de EU voornemens preventie op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk te bevorderen via multilaterale samenwerking met de bevoegde internationale organen (IAO(2), WGO(3)) en bilaterale activiteiten als onderdeel van de betrekkingen van de Commissie met derde landen, in het bijzonder opkomende economieën zoals India.
Mededeling van de Commissie “Verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit: communautaire strategie 2007-2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk” COM (2007) 62 van 21 februari 2007.
Betreft: Wetgeving inzake identificatie van paarden - erkenning van paardenpaspoorten
Er zijn veel problemen op het niveau van de lidstaten met de juiste tenuitvoerlegging van vigerende Europese richtlijnen betreffende de identificatie van paardachtigen. In enkele gevallen die onder mijn aandacht zijn gebracht, werden identificatiedocumenten (paspoorten) die door de bevoegde instantie in een lidstaat waren afgegeven, in een andere lidstaat niet erkend, en in andere gevallen werden de paspoorten bij het vervoer tussen de lidstaten niet eens naar behoren gecontroleerd.
Wat is de mening van de Commissie over de noodzaak om de tenuitvoerlegging van de vigerende wetgeving te verbeteren en op welke wijze kan dit gebeuren?
Richtlijn 90/426/EEG van de Raad (1)stelt de regels vast voor veterinaire controles bij verkeer van paardachtigen tussen lidstaten. Bij verkeer van paardachtigen tussen lidstaten moeten een identificatiedocument (paspoort) en een officieel, op de plaats van vertrek verstrekt veterinair attest of certificaat kunnen worden voorgelegd. Overeenkomstig artikel 6 van de richtlijn echter hebben bepaalde lidstaten elkaar afwijkingen van deze vereisten toegestaan.
Beschikking van de Commissie 93/623/EEG(2)bepaalde dat een paspoort geregistreerde paardachtigen bij verkeer moet vergezellen. Beschikking van de Commissie 2000/68/EG(3)houdende wijziging van Beschikking 93/623/EEG breidde de bepalingen betreffende de identificatievoorschriften naar als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen uit.
Met het oog op een meer eenvormige toepassing van Gemeenschapswetgeving heeft de Commissie ter vervanging van deze twee beschikkingen een ontwerpverordening voorbereid. Na goedkeuring zal deze nieuwe en onmiddelijk toepasbare verordening van de Commissie zich rechtstreeks tot de verschillende belanghebbenden richten die voor de identificatie van paardachtigen veranwoordelijk zijn. Ze zal garanderen dat paardachtingen binnen een bepaalde termijn na geboorte of invoer worden geïdentificeerd aan de hand van één enkel, levenslang paspoort dat via een electronische transponder met het dier is verbonden.
Richtlijn 90/426/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen, PB L 224, 18.8.1990.
93/623/EEG: Beschikking van de Commissie van 20 oktober 1993 tot vaststelling van het identificatiedocument (paspoort) dat geregistreerde paardachtigen moet vergezellen, PB L 298, 3.12.1993.
2000/68/EG: Beschikking van de Commissie van 22 december 1999 houdende wijziging van Beschikking 93/623/EEG en tot vaststelling van de identificatievoorschriften voor als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen C(1999) 5004), PB L 23, 28.1.2000.
Vraag nr. 74 van Cristobal Montoro Romero (H-0807/07):
Betreft: Eigendom van ondernemingen op de gas- en elektriciteitsmarkt
In zijn resolutie P6_TA(2007)0326 van 10 juli 2007 stelt het Europees Parlement dat het feit dat de overheid eigenaar is op de gas- en elektriciteitsmarkten een van de voornaamste oorzaken is van distorsies op EU-niveau en dat de prikkel tot mededinging op deze markten beperkt is als er overheidsondernemingen aanwezig zijn, daar er ten gevolge van hun ondernemingsstatuten meestal sprake is van minder doorzichtigheid en minder informatie voor mogelijke investeerders en daar zij afhankelijk zijn van politieke besluiten die worden genomen door de regeringen van lidstaten.
Welke maatregelen wil de Commissie nemen om, binnen de grenzen van het Verdrag, in haar beleid ten aanzien van de eigendom van ondernemingen in de sector met dit beginsel rekening te houden? Meent de Commissie dat het mogelijk is verder te gaan op de weg naar een eengemaakte energiemarkt, zolang er sprake is van oligopolies of monopolies die door sommige Europese regeringen worden aangemoedigd?
Zoals in de toelichting bij de op 19 september 2007 goedgekeurde voorstellen van de Commissie voor de interne markt wordt uiteengezet, zijn het pakket en meer in het bijzonder het voorstel voor een doeltreffender ontvlechting op dezelfde wijze op openbare en particuliere ondernemingen toepasbaar. Het gevolg daarvan is dat openbare noch particuliere personen of groepen alleen of gezamenlijk in staat zijn de samenstelling van de bestuursraden, stemmingen of besluitvorming bij transmissiesysteembeheerders en tegelijkertijd bevoorradingbedrijven of producenten te beïnvloeden. Zo is de onafhankelijkheid van openbare transmissiesysteembeheerders gegarandeerd waar bevoorrading of productie in openbaar bezit zijn. Deze voorstellen vereisen echter niet dat staatsbedrijven hun netwerken aan particuliere bedrijven verkopen. Om aan deze vereiste te voldoen kan een overheid of staat de rechten (waaruit de “invloed” voortvloeit) bijvoorbeeld overdragen aan een andere openbare of particuliere rechtspersoon.
Belangrijk is dat bij elke ontvlechting de betrokken lidstaat de resultaten in de praktijk moet aantonen en dat de bedrijven geheel onafhankelijk van elkaar werken, zodat in de gehele EU een echt gelijk speelveld onstaat. Bovendien verplichten de voorstellen van de Commissie de lidstaten de onafhankelijkheid te garanderen van de regelgevende autoriteit door ervoor te zorgen dat die autoriteit juridisch onderscheiden en functioneel onafhankelijk is van elke andere openbare of particuliere entiteit.
Deze bepalingen moeten ervoor zorgen dat, ongeacht wie de eigenaar is van transmissiesysteemoperatoren of bevoorradingsbedrijven, het speelveld voor alle actoren op de markt gelijk is en dat ze door de regelgevende autoriteiten gelijk worden behandeld.
Vraag nr. 75 van Manolis Mavrommatis (H-0812/07)
Betreft: Bedrog met vliegticketprijzen
Blijkens onlangs gepubliceerde onderzoeksresultaten zijn er ongeveer 433 luchtvaartmaatschappijen en reisbureau's die geen juiste inlichtingen en precieze prijsopgaven geven over low-budget aanbiedingen, zodat de burgers die de websites raadplegen voor de aangeboden ticketprijzen worden misleid. Volgens de tot dusver beschikbare gegevens wordt het publiek door de helft van de luchtvaartmaatschappijen misleid: ongeveer 217 maatschappijen, in 14 lidstaten en in Noorwegen, houden zich niet aan de gemeenschapsrechtelijke voorschriften, waaronder de verplichting van ieder land om op de websites de werkelijke prijs van het ticket met de extra kosten (luchthavenbelasting enz.) te vermelden in de officiële taal van het land, en niet alleen in het Engels zoals thans gebeurt.
Wanneer denkt de Commissie de gedetailleerde gegevens uit dit onderzoek te publiceren, welke luchtvaartmaatschappijen overtreden de gemeenschapsbepalingen ter bescherming van de consument, welke maatregelen denkt zij te nemen, en ligt het in haar voornemen binnenkort een wetgevingsvoorstel uit te vaardigen waardoor de consumenten worden beschermd tegen bedrog en een recht op schadevergoeding krijgen?
Het minder dan een jaar geleden door de verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming(1)ingestelde Consumer Enforcement Network heeft einde september 2007 zijn eerste gezamenlijke markttoezichtopdracht uitgevoerd. Het ging om een onderzoek van websites die vliegtuigtickets verkopen. Het is een nieuw en krachtig handhavingsinstrument. Vijftien lidstaten en Noorwegen namen aan de oefening deel. De Commissie is voornemens zulke handhavingsacties in de toekomst te herhalen.
Autoriteiten controleerden de websites op hun overeenstemming met de Europese en nationale wetgeving en stelden vast welke niet volledig aan de vereisten voldeden. Deze websites worden nu nader onderzocht door de autoriteiten, die zullen beslissen welke maatregelen moeten worden genomen. Waar de wet werd overtreden, zullen de autoriteiten ervoor zorgen dat passende handhavingsmaatregelen worden genomen.
De Commissie begrijpt het belang van het delen van de resultaten van deze oefening. Aangezien de lidstaten voor de handhaving verantwoordelijk zijn, wordt met hen overlegd welke gevolg aan het onderzoek moet worden gegeven, in het bijzonder wat de gedetaileerde publicatie van de resultaten betreft.
De voorlopige resultaten van het onderzoek wijzen erop dat betere handhaving op grond van de huidige wetgeving de consument tegen misleidende commerciële praktijken kan beschermen. Door de tenuitvoerlegging van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken(2) zal het beschermingsniveau nog toenemen. De Commissie is daarom voornemens de handhaving van wetgeving in de toekomst via het Consumer Enforcement Network te versterken. Vooraleer nieuwe wetgeving wordt overwogen, dient de Commissie de mogelijkheden van de huidige instrumenten ten volle te onderzoeken.
In het bijzonder is de Commissie verheugd over het huidige wetgevende debat tussen het Parlement en de Raad over het voorstel om het derde pakket inzake luchtvervoer(3) te herzien. Als deze nieuwe verordening wordt goedgekeurd, zal de de transparantie van prijzen toenemen. De uiteindelijke prijs zal alle toepasbare tarieven, kosten, toeslagen, heffingen en vergoedingen moeten omvatten die onvermijdelijk en op het moment van publicatie te voorzien zijn. Het zal gaan om alle vluchten binnen de EU en de vluchten van alle ondernemingen die van een EU-luchthaven vertrekken.
Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (“verordening betreffende samenwerking met betrekking tot consumentenbescherming”).
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (“Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”).
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtvervoersdiensten in de Gemeenschap (herschikking) (COM(2006)396).
Vraag nr. 76 van Willy Meyer Pleite (H-0813/07):
Betreft: Repressie in Oaxaca (Mexico)
In 2004 werd Ulises Ruiz Ortiz door verkiezingsfraude gouverneur van Oaxaca (Mexico). Amnesty International heeft erop gewezen dat de heer Ruiz Ortiz verantwoordelijk is voor talrijke schendingen van de mensenrechten van de inheemse bevolking, van arbeiders die staken voor voedsel en betere arbeidsomstandigheden en van iedereen die het aandurft de repressie aan te klagen.
Het Hooggerechtshof van Mexico heeft in juni 2007 besloten een onderzoek in te stellen naar de schendingen van de mensenrechten onder het gouverneurschap van Ruiz Ortiz.
Hoe denkt de Commissie haar invloed aan te wenden om erop aan te dringen dat deze schendingen van de mensenrechten daadwerkelijk worden onderzocht?
Heeft de Commissie, gezien het feit dat deze situatie al meer dan 3 jaar duurt en dat de associatieovereenkomst tussen de EU en Mexico een clausule over de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat bevat, de mogelijkheid overwogen om deze associatieovereenkomst te herzien?
De Europese Unie en de Commissie hebben bijzondere aandacht voor de Oaxaca-situatie en hebben de ontwikkelingen daar van nabij gevolgd. De Commissie werd daarom door haar delegatie in het land, organisaties van de burgermaatschappij en de Mexicaanse autoriteiten regelmatig van de gebeurtenissen in Oaxaca op de hoogte gebracht.
De Commissie brengt de kwestie van de mensenrechten bij elke gelegenheid ter sprake, zoals ze dat van bij het begin heeft gedaan. Sedert 2004 wordt de politieke dialoog met Mexico versterkt. Uiteraard zal dit proces worden voortgezet in het kader van de komende contacten op hoog niveau overeenkomstig de mondiale overeenkomst. De Commissie zal de situatie in Oaxaca aandachti– blijven volgen.
Naast onze verschillende acties in het kader van de overeenkomst ondersteunde en begeleidde de EU-delegatie in Mexico Erika Mann, lid van het Europees Parlement en voorzitster van de delegatie in de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Mexico, tijdens de parlementaire missie naar Oaxaca in september 2006. Daar ontmoette mevrouw Mann onder andere vertegenwoordigers van de Volksassemblee van de Volkeren van Oaxaca (APPO).
De Commissie blijft ook op de hoogte van verslagen en waarnemingen van verschillende nationale en internationale mensenrechten-NGO’s, ook over het conflict in Oaxaca. De Commissie organiseert vergaderingen met deze organisaties om de resultaten van hun onderzoek en analyses van de situatie te vernemen. Leden van het EP die lid zijn van de interparlementaire delegatie EU-Mexico zijn bij deze vergaderingen betrokken. Op de vergadering van de interparlementaire delegatie in Mexico einde februari 2007 heeft de delegatie van de Commissie in Mexico een vergadering georganiseerd over mensenrechten, waar het probleem-Oaxaca werd behandeld.
Recenter heeft de EU-Raad informatie gevraagd over de mensenrechtensituatie in Oaxaca. Van 27 tot 28 augustus 2007 werd een missie van vertegenwoordigers van de ambassades van de lidstaten en van de delegatie van de Commissie in Mexico georganiseerd. Deze missie vergaderde met de voorzitter van de Staatscommissie voor de mensenrechten (CEDHO), mensenrechten-NGO’s, de voorzitter van het Hooggerechtshof, de procureur-generaal, de secretaris van de regering en de ondersecretaris voor de mensenrechten van de staat Oaxaca. Een vertegenwoordiger van het Bureau van de secretaris van openbare veiligheid nam het woord op de maandelijkse vergadering van de politiek adviseurs in september 2007, waar de situatie in Oaxaca werd onderzocht.
De Commissie werkt actief samen met de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties op het gebied van de mensenrechten in Mexico. Ze is betrokken bij twee projecten ter ondersteuning van de mensenrechten, waarvan het eerste de situatie van de inwoners in het gevangenisstelsel van Oaxaca betreft. Het conflict in Oaxaca wordt behandeld tijdens gedachtewisselingen tussen het Bureau van de Hoge Commissaris en de Commissie. Het maakt deel uit van ons gezamenlijk beleid ter verdediging van de mensenrechten.
Vraag nr. 77 van Chris Davies (H-0816/07)
Betreft: Controle op de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving tijdens het Portugese Raadsvoorzitterschap
Kan de Commissie meedelen of ze verzocht heeft dat het probleem van de ontoereikende tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door lidstaten op de agenda wordt gezet van een van de tijdens het Portugese voorzitterschap geplande vergaderingen van de Raad?
De Commissie heeft nog niet gevraagd de kwestie van de ontoereikende tenuitvoerlegging van EU-wetgeving door lidstaten op de agenda van een van de tijdens het Portugese voorzitterschap geplande vergaderingen van de Raad te zetten.
De Commissie heeft onlangs een mededeling goedgekeurd over de toepassing van de Gemeenschapswetgeving(1), die aan de instellingen werd voorgelegd. De Commissie werkt aan de tenuitvoerlegging van de in haar mededeling aangekondigde acties. Een groep nationale deskundigen wordt door de Commissie samengeroepen om de mededeling tijdens het Portugese voorzitterschap te bespreken. Mogelijk zullen bepaalde kwesties in de mededeling op de agenda van een vergadering van de Raad in 2008 worden gezet.
Bovendien kan bij een andere gelegenheid, zoals de voorstelling van een jaarverslag over de tenuitvoerlegging van een programma of actieplan, in een vergadering van de Raad een algemeen debat plaatsvinden.
In het bijzonder betreffende het Scorebord van de interne markt heeft de Commissie haar eerste verslag voor 2007 in juli 2007 voorgesteld. Een tweede verslag is gepland voor december 2007. Het zal bijdragen aan het debat in de aanloop naar de Europese Raad in de lente van 2008.
Ook op het gebied van justitie, vrijheid en veiligheid stelt de Commissie sedert juni 2005 een jaarlijks scorebord voor. In het tweede deel daarvan wordt de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving met betrekking tot deze kwesties op nationaal niveau beoordeeld.
In haar Algemene Verklaringen voor het Griekse parlement heeft de regering heel weinig gezegd over het lot van “Olympic Airways” en geen enkele concrete toezegging gedaan over de toekomst van deze maatschappij. De huidige Griekse regering is reeds meer dan 4 jaar aan de macht maar de tragische toestand van “Olympic Airways” zoals zij die van de PASOK had geërfd, wordt alleen maar slechter, en dat voor een van de oudste en meest veilige maatschappijen van de wereld.
In welk stadium precies bevinden zich de besprekingen tussen de Europese Commissie en de Griekse regering over de toekomst van “Olympic Airways”?
Sedert 1994 heeft de Commissie vijf besluiten over staatssteun voor “Olympic Airways” goedgekeurd. De eerste drie waren voorwaardelijke besluiten die het gebruik toestonden van steun voor de herstructurering van de maatschappij vóór het einde van de jaren negentig, onderworpen aan bepaalde voorwaarden.
Jammer genoeg werd aan die besluiten geen gehoor gegeven. De herstructurering had niet het voorziene resultaat. Daarom moest de Commissie in december 2002 en in september 2005 twee negatieve besluiten nemen, waarin stond dat Griekenland “Olympic Airways” en “Olympic Airlines” onwettige steun had verstrekt, die met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar was. Het eerste van die besluiten werd door het Europees Hof van Eerste Aanleg in hoofdzaak bevestigd, op enkele kleinere punten. Ook dient te worden vermeld dat het Hof van Justitie verklaarde dat Griekenland het eerste besluit niet in praktijk had gebracht. Op grond daarvan heeft de Commissie een zaak aangespannen krachtens artikel 228 van het EG-Verdrag.
De Europese Commissie voert al sedert jaren gesprekken met de Griekse autoriteiten om een oplossing te vinden voor de problemen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de besluiten van 2002 en 2005. Ze zal dat blijven doen. Doelstelling van de Commissie is ervoor te zorgen dat de EU-wetgeving in acht wordt genomen wat betreft de tenuitvoerlegging van de besluiten van 2002 en 2005 en wat betreft alle andere maatregelen die het gebruik van openbare fondsen ten bate van “Olympic Airways/Airlines” kunnen inhouden.
Vraag nr. 79 van Markus Pieper (H-0820/07)
Betreft: Gevolgen van het initiatiefverslag van het Europees Parlement over de gevolgen van de toekomstige uitbreidingen voor de effectiviteit van het cohesiebeleid (P6_TA(2007)0130)
In hoeverre heeft de Commissie gevolg gegeven aan de suggesties uit het initiatiefverslag van het Europees Parlement over de gevolgen van de toekomstige uitbreidingen voor de effectiviteit van het cohesiebeleid (P6_TA(2007)0130)?
Welke conclusies heeft zij er uit getrokken?
Zijn er al concrete maatregelen uitgewerkt voor het gevraagde fasemodel en is er in dat verband al begonnen met de hervorming van de pretoetredingssteun? Zoniet, welk tijdschema stelt de Commissie hiervoor in het vooruitzicht?
De Commissie is het volledig eens met de twee belangrijkste uitgangspunten van het verslag: het belang en het succes van het cohesiebeleid voor de beteugeling van ongelijkheden en zijn bijdrage aan de sociale, economische en territoriale cohesie van de EU en het feit dat tengevolge van de twee meest recente uitbreidingen het bereik van die ongelijkheden is toegenomen. De Commissie is zich ook zeer bewust van de druk van de globalisering op de Europese economieën op het gebied van verhuizingen, demografische evolutie, migratiestromen en daarmee verband houdende kwesties. Met het oog op deze uitdagingen is het cohesiebeleid voor 2007-2013 hervormd, gemoderniseerd en op de agenda’s van Lissabon en Gothenburg afgestemd.
De Commissie is het er ook mee eens dat, indien Kroatië en de westelijke Balkanlanden vóór het einde van deze programmaperiode tot de EU toetreden, ze zonder grote verstoringen in het huidige kader van het cohesiebeleid kunnen worden opgenomen. Het geachte lid wordt erop gewezen dat de regels voor 2007-2013 om in aanmerking te komen voor de EU-27 in 2006 werden vastgelegd en worden toegepast. Wat Turkije betreft, is de Commissie het ermee eens dat met het oog op de waarschijnlijke gevolgen voor het EU-cohesiebeleid ten gepaste tijde een specifieke effectbeoordeling dient te worden uitgevoerd. Overeenkomstig het onderhandelingskader kunnen toetredingsonderhandelingen met Turkije pas na de vaststelling van het financiële kader voor de periode vanaf 2014 en mogelijke resulterende hervormingen worden voltooid.
De Commissie zal daarom op het geschikte ogenblik de invloed van alle toekomstige uitbreidingen op het EU-cohesiebeleid beoordelen en de overeenkomstige aanpassingen voorstellen. Tot die beoordeling heeft plaatsgevonden, kan de Commissie geen standpunt innemen over de schatting van de daarmee verband houdende kosten.
De Commissie is van mening dat de toewijzing van voldoende financiële middelen, overeenkomstig haar voorstellen voor de financiële vooruitzichten voor 2007-2013, voor het succes van het beleid een wezenlijke voorwaarde is. Ze is zeer ontvankelijk voor voorstellen om de invloed van het cohesiebeleid in de huidige lidstaten te versterken door bijvoorbeeld de participatie van particulier kapitaal te vergroten of naast subsidies innovatieve financiële instrumenten te gebruiken. Op dit ogenblik echter kan de Commissie geen standpunt innemen over schattingen van in de toekomst voor specifiek beleid benodigde bedragen.
Vraag nr. 80 van Milan Gaľa (H-0831/07)
Betreft: Classificatie van formaldehyde als kankerverwekkend
Het Europees Bureau voor chemische stoffen bereidt een nieuwe classificatie van chemische stoffen voor (het 30ste ATP). Volgens de laatste onderzoekresultaten van het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek moet de chemische stof formaldehyde (CAS-nummer: 50-00-00) als kankerverwekkend beschouwd worden. De steller van deze vraag verwacht van de Commissie dat zij bij de uitvoering van de REACH-wetgeving inzake chemische stoffen alles doet wat mogelijk is om ervoor te zorgen dat formaldehyde als carcinogene stof wordt geclassificeerd.
Ook zou hij willen weten of de Commissie met het Europees Bureau voor chemische stoffen samenwerkt bij de opstelling van een nieuwe classificatie van chemische stoffen (de 30ste ATP) en of ernaar wordt gestreefd formaldehyde als kankerverwekkende stof te classificeren om het publiek te beschermen tegen wat als een gevaarlijke stof moet worden gezien.
Formaldehyde wordt ingedeeld als een kankerverwekkende stof van derde cagetorie sedert 1996, toen de tweeëntwintigste aanpassing aan de vooruitgang van de techniek(1)van Richtlijn 67/548/EEG(2)van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen werd goedgekeurd. Categorie 3 omvat stoffen die aanleidig geven tot bezorgheid wegens mogelijke voor de mens kankerverwekkende eigenschappen, maar waarvoor de beschikbare informatie voor een bevredigende bedoordeling niet volstaat.
Frankrijk stelt, rekening houdend met het recente besluit van het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek, voor formaldehyde als een kankerverwekkende stof van categorie 1 in te delen. Categorie 1 bevat stoffen die voor de mens kankerverwekkend zijn. In september 2004 heeft het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek besloten dat formaldehyde voor de mens kankerverwekkend is en heeft het die stof in groep één ingedeeld. Dat is een hogere indeling dan bij eerdere beoordelingen van dat agentschap het geval was.
Het Franse voorstel werd in november 2005 besproken door het technisch comité voor indeling en kenmerking in het kader van richtlijn 67/548/EEG(3)inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen. De Commissie maakt van de aanbevelingen van dit technisch comité gebruik om een voorstel uit te werken voor een aanpassing aan de vooruitgang van de techniek om de lijst van de stoffen in de richtlijn inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen door comitologie bij te werken. Deze stoffen zijn opgenomen in bijlage I.
Tengevolge van het voortdurende onderzoek naar de kankerverwekkendheid van formaldehyde, in het bijzonder een herziening van een epidemiologisch onderzoek van het Nationaal Kankerinstituut in de Verenigde Staten, werd besloten een besluit tot een toekomstige vergadering uit te stellen. De resultaten van het herziene onderzoek van het Nationaal Kankerinstituut zullen spoedig beschikbaar zijn.
Aangezien het debat betreffende de kankerverwekkendheid van formaldehyde in het technisch comité voor indeling en kenmerking niet werd voltooid, kon het niet worden opgenomen in het in februari 2007 goedgekeurde ontwerpvoorstel van de 30e aanpassing aan de vooruitgang van de techniek of in de 31e aanpassing aan de vooruitgang van de techniek, die tegen het einde van 2007 de comitologieprocedure zal doorlopen.
Het Franse voorstel zal in het wetgevende kader van REACH(4)echter opnieuw worden behandeld door het Comité risicobeoordeling, dat tegen juni 2008 zal zijn opgericht. Op grond van de aanbeveling van dit Comité risicobeoordeling kan de Commissie dan een nieuw voorstel uitwerken voor een aanpassing aan de vooruitgang van de techniek om de huidige indeling van formaldehyde indien nodig te wijzingen.
Richtlijn 96/54/EG van de Commissie van 30 juli 1996 tot tweeëntwintigste aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, PB L 248, 30.9.1996.
Registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
Vraag nr. 81 van Johan Van Hecke (H-0835/07)
Betreft: Piraterij in China blijft groot
Op internet veilingsites worden CD’s van Europese artiesten aangeboden die duidelijk van Chinese makelij zijn (er staan Chinese opschriften op) en onmiskenbaar illegaal zijn nagemaakt. Ondanks beloftes van de Chinese autoriteiten en ondanks een zogezegd aangescherpte verstrengde wetgeving blijven strengere controles op illegale namaak en piraterij kennelijk dode letter. Het gevolg is dat volgens de douanediensten meer dan 70 procent van alle illegaal nagemaakte producten, uit China afkomstig zijn.
Vooral de audiovisuele sector is hiervan het slachtoffer. Ergerlijk hierbij is dat niet alleen de grote bekende Amerikaanse artiesten het slachtoffer zijn van namaak in China, maar ook de minder bekende Europese artiesten. Zal de Europese Commissie het probleem van de piraterij nogmaals aankaarten bij de Chinese overheid? Is ze bereid sancties te overwegen, zoals ook de VS hebben gedaan met ondermeer een aantal klachten bij de WHO?
Doeltreffende bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten in China is een EU-prioriteit. De Commissie is zich bewust van de piraterij in de audiovisuele sector in China en brengt dit onderwerp regelmatig naar voren in haar bilaterale gesprekken met de Chinese autoriteiten over intellectuele eigendom. Deze kwestie stond bijvoorbeeld op de agenda van de recentste Werkgroep intellectuele eigendom EU-China op 27 september 2007 in Beijing. De Chinese autoriteiten hebben inspanningen gedaan om deze kwestie aan te pakken. Deze inspanningen zijn echter onvoldoende. De kwestie zal ook op de agenda staan van de top EU-China op 28 november 2007 in China.
De Commissie is voorstander van dialoog en samenwerking met China om piraterij aan te pakken. De resultaten van deze samenwerking zijn beperkt. De Commissie heeft China duidelijk gemaakt dat grote vooruitgang nodig is. In dit opzicht zal de top EU-China zeer belangrijk zijn voor de beoordeling van de vastberadenheid van China om met de bezorgheid van de EU rekening te houden. Indien China onvoldoende aandacht blijft besteden aan de bezorgdheid van de EU over intellectuele-eigendomskwesties, zal de Commissie overwegen bij de Wereldhandelsorganisatie een klacht in te dienen.
Vraag nr. 82 van Linda McAvan (H-0838/07)
Betreft: Infecties opgelopen bij medische zorg
Naar schatting worden jaarlijks 3 miljoen EU-burgers geïnfecteerd bij medische zorg; ongeveer 50.000 mensen sterven hierdoor. Het zal duidelijk zijn dat er dringend moet worden ingegrepen. Kan de Commissie meedelen of de geplande publicatie van een aanbeveling over infecties bij medische zorg in het najaar van 2008 kan plaatsvinden?
Zoals het geachte lid heeft gezegd, zijn met gezondheidszorg verband houdende infecties in de Europese samenlevingen een grote bron van ziekte en mortaliteit.
De Commissie overweegt op dit ogenblik een ontwerpvoorstel voor een aanbeveling van de Raad over de preventie en controle van met gezondheidszorg verband houdende infecties.
Dit voorstel wordt voorbereid met de hulp van een internationale groep van deskundigen en omvat opmerkingen:
van de toezichthoudende autoriteiten van het communautair netwerk voor overdraagbare ziekten, en
van belanghebbenden tijdens een openbare raadpleging in december 2005 tot januari 2006.
De belangrijkste aanbevelingen zullen de instelling of versterking zijn van:
controle- en preventieve maatregelen voor de beheersing van infecties,
infectiepreventie- en controleprogramma’s in gezondheidszorginstellingen,
onderwijs, opleiding, onderzoek en uitwisseling van informatie.
In het wetgevende en werkprogramma 2008 van de Commissie wordt het voorstel een strategisch initiatief genoemd. Dit onderstreept het belang dat de Commissie aan dit voorstel hecht.
Doelstelling is het voorstel tijdens het Franse voorzitterschap in 2008 aan de Raad Werkgelegenheid, Sociaal beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (EPSCO) voor te leggen.
Gelet op de tijd die nodig is voor de verschillende stappen naar de goedkeuring door de Commissie en de overzending naar de Raad, is het niet realistisch het voorstel een half jaar eerder tijdens het Sloveense voorzitterschap aan de EPSCO-Raad voor te leggen.
De Commissie kan het geachte lid echter verzekeren dat ze vastbesloten is elke vertraging met betrekking tot dit strategische initiatief te vermijden.
Vraag nr. 83 van Bill Newton Dunn (H-0841/07)
Betreft: Oude bomen in Europa
Is de Commissie bereid toe te staan dat de Natura 2000-aanduiding ook wordt gebruikt voor locaties met oude bomen, zoals al in Scandinavië gebeurt, en zal zij onderzoeken welke soorten een leefgebied met oude bomen delen, en de meest bedreigde soorten in de habitatrichtlijn opnemen?
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(1) (Habitatrichtlijn) heeft de bescherming ten doel van de biodiversiteit in de gehele EU, in het bijzonder de bescherming van de in de richtlijn genoemde op EU-niveau beschermenswaardig geachte habitats en soorten. De richtlijn omvat vele bosachtige habitats die in het bijzonder verwijzen naar de aanwezigheid van typische boomsoorten waarvoor de Natura 2000-gebieden dienen te worden aangeduid. Bovendien is de bescherming van bomen belangrijk voor het behoud van soorten zoals spechten en kevers, die van volwassen en oude bomen afhankelijk kunnen zijn. Daarom kan het Natura 2000-netwerk oude bomen omvatten waar die tot de beschermingsdoelstellingen van deze gebieden bijdragen.
Er is echter geen specifieke verwijzing naar de opname van gebieden in Natura 2000 louter op grond van de aanwezigheid van een klein aantal zeer oude bomen. Zulke bomen kunnen van groot ecologisch, cultureel of historisch belang zijn, maar worden niet stelselmatig beschouwd als bepalende factoren voor de algemene biodiversiteit. Daarom is de Commissie niet voornemens de richtlijn te wijzigen en zeer oude bomen aan de criteria voor de aanwijzing van gebieden toe te voegen. De lidstaten kunnen uiteraard nationale maatregelen nemen om zulke levende monumenten te beschermen.
De prijzen voor gas en elektriciteit blijven buitensporig stijgen, ondermeer ten gevolge van een gebrek aan concurrentie, met name in België. Dit zou de nationale regulatoren en de nationale autoriteiten ertoe kunnen aanzetten maximumprijzen op te leggen om op die manier de prijzen voor de eindgebruiker enigszins te drukken.
Gaat de Commissie ermee akkoord dat (eventueel tijdelijk) opgelegde maximumtarieven een verantwoord en doelmatig instrument zijn om het gebrek aan concurrentie op de energiemarkt op te vangen voor de consument?
Het rechtskader van de EU, in het bijzonder de artikelen 3, lid 3 van de elektriciteits-(1)en de gasrichtlijn(2), laten prijsregeling in beperkte omstandigheden toe, meer bepaald om algemene en openbare dienstverleningverplichtingen te garanderen. Het gaat om het recht van gezinnen en, als de lidstaat dat wil, kleine ondernemingen op elektriciteitsvoorziening van een bepaalde kwaliteit tegen redelijke en eenvoudig en duidelijk te vergelijken, transparante prijzen. Zulke prijsregelingen mogen de marktopening echter niet belemmeren.(3)
Opdat een markt zou werken, is het van wezenlijk belang dat beslissingen betreffende bevoorrading, productie en investeringen op grond van de meest relevante en onvervormde informatie worden genomen. Prijzen zijn het belangrijkste deel van die informatie.
Maximumprijzen buiten de gegronde doelstelling van algemene dienstverlening overeenkomstig de richtlijnen kunnen voor de opkomst van concurrerende energiemarkten een aanzienlijke bedreiging betekenen. Als de maximumprijzen te laag zijn of als de kosten toenemen terwijl de gereguleerde prijzen onveranderd blijven, kunnen elekriciteits- en gasleveranciers in een situatie terechtkomen waarin de marktprijs hun kosten niet meer dekt. Nieuwe deelnemers zijn zeer belangrijk voor de concurrentie op voormalige monopoliemarkten. Die nieuwe deelnemers zijn bijzonder kwetsbaar omdat ze van energiegroothandelsmarkten voor elektriciteit en gas afhankelijk zijn. Dit risico is niet theoretisch. Het is reeds in verschillende lidstaten voorgekomen.
De Commissie moest daarom verschillende inbreukprocedures starten tegen lidstaten die, met een andere doelstelling dan algemene dienstverlening, gereguleerde of maximumprijzen hebben ingevoerd. De Commissie moest ook procedures starten in het kader van andere wetsinstrumenten, waaronder de regels voor staatssteun.
Daaraan dient te worden toegevoegd dat ook goed functionerende markten en prijssignalen voorwaarden zijn voor het leiden van beslissingen met betrekking tot investeringen. Maximumprijzen kunnen een markt onaantrekkelijk maken voor investeringen en een toename van de capaciteit onderdrukken omdat particuliere operatoren hun kosten niet meer kunnen dekken of de in andere markten mogelijke winsten niet kunnen maken. Investeringen in bijvoorbeeld opwekkingscapaciteit zijn echter belangrijk om de vervanging van de bestaande capaciteit te verzekeren. Goed functionerende markten en prijssignalen zijn dus niet alleen belangrijk voor de verwezenlijking van een interne energiemarkt. Ze zijn minstens even belangrijk voor het bereiken van andere beleidsdoelstellingen. Het gaat in het bijzonder om zekere energiebevoorrading, het halen van de Kyoto-doelstellingen zoals overeengekomen op de Europese Lenteraad 2007 en doelstellingen met betrekking tot energiebesparing(4).
De Commissie is daarom van mening dat de actie dient te worden gericht op de kern van de zaak, namelijk op maatregelen die de concurrentievoorwaarden verbeteren. Het derde liberaliseringspakket van de Commssie van 19 september 2007 en de krachtiger handhaving van de EG-mededingingsregels weerspiegelen de hoge prioriteit die de Commissie aan de verwezenlijking van werkelijk concurrerende energiemarkten geeft.
Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG, PB L 176, 15.7.2003.
Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG, PB L 176, 15.7.2003.
Zie ook punt 2.6 “vraagstukken in verband met huishoudens en kleinere ondernemingen” in de mededeling van januari 2007 van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement “Vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt” (COM (2006)841 def.).
Kunstmatig lage energieprijzen leiden tot minder investeringen in energiebesparing, omdat daardoor de opbrengsten van die investeringen dalen (de energie die niet meer gekocht moet worden).
Vraag nr. 85 van Paulo Casaca (H-0849/07)
Betreft: Europese wetgeving en regionale producten
Het feitelijke of veronderstelde bestaan van Europese wetgeving waarin de ambachtelijke vervaardiging van traditionele producten, zoals kaas, worst en olijfolie wordt verboden, of een verbod wordt uitgevaardigd op het gebruik van houten lepels of houten olie- en azijnstellen in restaurants, heeft tot grote protesten geleid en is een van de belangrijkste factoren voor het algemeen onbehagen met betrekking tot de realiteit van de Europese integratie.
Kan de Commissie maatregelen nemen om een duidelijk en ondubbelzinnig onderscheid te maken tussen het corpus van de Europese wetgeving en het deel dat niet daartoe behoort, zodat de burger begrijpt wat nu eigenlijk een Europese wet is en wat niet?
De Commissie is van mening dat de regels betreffende voedselhygiëne voldoende flexibiliteit vertonen om het voortbestaan van de diversiteit van de Europese voedselproductie te verzekeren en te ondersteunen.
Bovendien onderstreept de Commissie dat er geen Europees verbod bestaat op de kleinschalige vervaardiging van traditioneel voedsel en dat er voor restaurants geen Europees verbod is op houten lepels of olie-en-azijnstellen.
Op het gebied van voedselhygiëne zijn Verordening (EG) Nr. 852/2004 en Verordening (EG) Nr. 853/2004 van toepassing. Om echter verwerking op de boerderij, de vervaardiging van voedsel met traditionele eigenschappen en het gebruik van traditionele methoden in elk stadium van de productie, verwerking of distributie van voedsel mogelijk te maken, kunnen de lidstaten nationale maatregelen nemen.
Met bijvoorbeeld de richtsnoeren van de Commissie inzake de tenuitvoerlegging van de verordeningen betreffende hygiëne en de nationale leidraden voor goede praktijk werden bruikbare instrumenten ontwikkeld, die nu beschikbaar zijn om lidstaten en operatoren in de voedselsector de Europese wetgeving op het gebied van voedselhygiëne te helpen begrijpen.
Vanaf 2008 zal de Commissie voor de officiële inspecteurs in de lidstaten opleidingen organiseren. In deze opleidingen zal hun ook op de flexibiliteit van de voedselhygiënewetgeving worden gewezen.
Vraag nr. 86 van Danutė Budreikaitė (H-0851/07)
Betreft: Stand van het project “Via Baltica”
Kan de Commissie de stand van zaken toelichten omtrent het wegenbouwproject “Via Baltica”, nu de werkzaamheden voor de aanleg van de rondweg rond de stad Augustow, die door het Rospuda-dal en daarmee door een Natura 2000-gebied loopt, zijn onderbroken?
Zoals reeds aangegeven in de antwoorden op de vorige mondelinge vragen over het project “Via Baltica” (H-0157/07, H-0158/07 en H-0202/07) dient de Commissie overeenkomstig artikel 211 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te garanderen dat de bepalingen van het Verdrag en de overeenkomstige maatregelen van de instellingen worden toegepast.
Met betrekking tot de rondweg rond Augustow, die deel uitmaakt van het project ´Via Baltica´ heeft de Commissie op 21 maart 2007 besloten de zaak naar het Hof van Justitie te verwijzen. Het besluit van de Commissie van 21 maart 2007 voorzag ook in voorlopige maatregelen op grond van de artikelen 242 en 243 van het Verdrag. De bouw van de rondweg rond Augustow zou tot de vernietiging van een uniek ecosysteem en van zeldzaam Rospuda-moerasland leiden. Het project maakt inbreuk op speciale beschermingszones overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand(1) (de vogelrichtlijn), voorgestelde gebieden van communautair belang (pSCI’s) overeenkomstig richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna(2) (de habitatrichtlijn) en gebieden die aan de Commissie als pSCI’s zullen worden voorgesteld.
Na de aankondiging door de Poolse autoriteiten dat de werkzaamheden in de Rospuda-vallei zullen starten op 1 augustus 2007, werd het Hof op 27 juli 2007 een verzoek om een voorlopige maatregel voorgelegd. Polen bevestigde het Hof later dat de werkzaamheden in de Rospuda-vallei niet zouden beginnen tot het Hof zich heeft uitgesproken. De Commissie ziet nauw op de situatie met betrekking tot de uitvoering van het project toe. Uit de beschikbare informatie blijkt dat de werkzaamheden in de Rospuda-vallei niet zijn begonnen.
Betreft: Hervatting van de liberalisering van de handel in textiel en kleding en de gevolgen daarvan voor deze sector in de Europese Unie
Ondanks is besloten dat het zogenaamde “Memorandum of Understanding” inzake de Chinese export van bepaalde textielproducten en kleding naar de landen van de Europese Unie op 31 december van dit jaar afloopt en de totale liberalisering van de handel in textiel en kleding voortgezet zal worden.
Wat zullen naar de mening van de Commissie de gevolgen van de liberalisering van de handel in textiel en kleding zijn voor deze strategische sector in de Europese Unie, met name wat betreft het voortbestaan van de ondernemingen in de sector (vooral de KMO's) en de werkgelegenheid?
Wat zullen naar de mening van de Commissie de gevolgen van de liberalisering van de handel in textiel en kleding zijn voor de grote importeurs en het grootwinkelbedrijf, met name wat betreft de exponentiële stijging van hun winstmarges, doordat zij de producentenprijzen omlaag drukken en tegelijk hun marges op de consumentenprijzen handhaven of nog verhogen?
Na het aflopen van de Overeenkomst over textiel en kleding (ATC) in 2005 voorzag het memorandum van overeenstemming van Shanghai in afspraken omtrent het niveau van de invoer in de EU uit China van tien productcategorieën om de stijgende textielinvoer van China aan te pakken. De overeengekomen niveaus gelden voor invoer uit China vanaf 31 december 2007. Het memorandum van overeenstemming blijft tot einde 2008 van kracht.
Het betrof een eenmalige deal met China op grond van de bepalingen van hun toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) die de EU-industrie extra ademruimte gaf om zich aan te passen aan de nieuwe uitdaging van China als grote wereldspeler in de textielsector.
De Commissie is zich er volledig van bewust dat andere landen memorandums van overeenstemming hebben gesloten met invoerbeperkingen die tot einde 2008 zullen duren en dat de textielsector een zachte overgang behoeft naar de volledige liberalisering in 2008. Ze heeft met China gedebatteerd over de beste manier om dat te bereiken. De Commissie en China hebben besloten een gemeenschappelijk toezichtmechanisme in te stellen voor de handel in acht textielproductcategorieën voor 2008 (cat. 4 T-shirts, cat. 5 pullovers, cat. 6 broeken, cat. 7 blouses, cat. 20 bedlinnen, cat. 26 japonnen, cat. 31 bustehouders en cat. 115 garens van vlas of van ramee). Het toezicht betreft de economisch belangrijke categorieën en die waar bijzondere gevoeligheden bestaan. De twee niet betroffen categorieën zijn die waar het gebruik van de overeengekomen niveaus in de periode 2005-2007 het laagste was.
Met dit gemeenschappelijk toezicht heeft China de facto aanvaard dat het met ons de verantwoordelijkheid deelt om na het aflopen, einde dit jaar, van de in het memorandum van overeenstemming overeengekomen niveaus voor een zachte overgang te zorgen.
De lidstaten, de textielindustrie en de handelssector hebben deze overeenkomst gunstig onthaald omdat ze het er over eens waren dat niemand belang had bij een herhaling van de situatie van 2005.
Handelskwesties zijn zeer belangrijk met betrekking tot de liberalisering van de handel in de textiel- en kledingindustrie. Deze sector staat in de EU echter voor structurele wijzigingen die verder gaan dan handelskwesties.
Het structurele aanpassingsproces is al jaren voor de ontmanteling van de quota begonnen. Daaruit is duidelijk geworden dat het concurrentievoordeel van de textiel- en kledingindustrie in de EU voornamelijk in innovatie, onderzoek, arbeidsvaardigheden en markttoegang ligt. In deze industriële sector levert de versterking van dat concurrentievoordeel een grote bijdrage aan onze Lissabonstrategie.
De textiel- en kledingindustrie kan haar strategische plaats in de EU-economie behouden. De sector zal in de toekomst echter in minder, maar in betere jobs voorzien. Er is daarom behoefte aan initiatieven inzake innovatie, onderzoek en vaardigheden ter versterking van de levensvatbaarheid van de ondernemingen in de sector.
Na de liberalisering van de textielsector in 2005 stelde de Commissie belang in de gevolgen daarvan voor de consumentenprijzen. Ze heeft daarover een studie besteld.
Uit de studie bleek duidelijk dat de consument sterk van de stapsgewijze liberalisering van de textielhandel heeft geprofiteerd. In de gehele EU daalden de kledingprijzen met 16,2 procent in vergelijking met het algemene prijsniveau tijdens de ATC-uitloopperiode. Er is een rechtstreeks verband tussen de progressieve liberalisering in het kader van de ATC en de prijsdaling: gemiddeld is 60 procent van de daling van de invoerprijzen doorgerekend aan de consument. Aangezien de consumentenprijs een samenstelling is van de prijs van diensten en de prijs van ingevoerde producten, is het verband niet perfect.
De studie wees ook op een gedeeltelijke kaping van deze voordelen door de distributieketen en stelde problemen vast met de werking van de interne markt en de mededinging in de distributiesector. In bepaalde lidstaten is er een sterkere daling van de consumentenprijzen (een daling met 50 procent van de kledingprijzen in vergelijking met het algemene prijsniveau), terwijl er in andere weinig verandering is. Deze algemene variatie van de consumentenprijsdaling in verschillende lidstaten houdt verband met de structuur van de nationale dienstensectoren en in het bijzonder de kleinhandelsector.
De studie is het begin van een proces waarin de Commissie nagaat hoe ze een eerlijke verdeling van de voordelen van de handelsopening kan verwezenlijken en dient in de ruimere samenhang van onze Global Europe-strategie te worden bekeken.
Vraag nr. 88 van Silvia Ciornei (H-0854/07)
Betreft: Regeling voor de emissiehandel na 2012
De Commissie heeft een regeling voor de emissiehandel voorgesteld voor de periode na 2012. Er wordt gesproken over EU-dekkende of nationale plafonds; de certificaten kunnen worden toegewezen via een uitgebreide veiling of met behulp van referentiepunten. De regeling biedt de mogelijkheden ingrijpende invloed uit te oefenen op het gebruik van brandstoffen in de EU en in de lidstaten, op de gegarandeerde energieleverantie in de EU en op de investeringskansen, met name voor de doelmatiger kolengestookte energiecentrales.
Hoe denkt de Commissie ervoor te zorgen dat de besluiten van de lidstaten over de structuur van hun energiepakket worden nageleefd? Hoe kan de Regeling voor de emissiehandel worden opgezet zodat een bijdrage wordt geleverd tot de aanhoudende modernisering van de kolengestookte energiecentrales en tot de bouw van uiterst doelmatige energiecentrales, totdat na 2020 afvangen en opslag van koolstof beschikbaar zijn op de markt?
Het voorstel van de Commissie voor de herziening van de Europese regeling van de emissiehandel wordt nog steeds voorbereid. Na de ervaring van de eerste handelsperiode van het systeem zal één van de doelstellingen van de herziening zijn de harmonisering voort te zetten en de voorspelbaarheid te vergroten, in het bijzonder met betrekking tot de toewijzing van emissierechten aan installaties in het kader van de regeling.
De lidstaten blijven over de structuur van de energiemix beslissen. De Europese regeling van de emissiehandel is slechts een instrument om ervoor te zorgen dat bij beslissingen over investeringen en productie met de prijs van koolstof rekening wordt gehouden. Investeringen in moderne en doeltreffender energiecentrales worden door de regeling zo aangemoedigd. Zulke centrales zullen immers een overschot aan emissierechten hebben dat ze kunnen verkopen, of ze zullen minder emissierechten moeten kopen.
Vraag nr. 89 van Roberta Alma Anastase (H-0857/07)
Betreft: Voorgestelde maatregelen voor de bescherming van taalrechten, waaronder de rechten van Roemenen, en om de meertaligheid te bevorderen in de context van het Jaar van de interculturele dialoog 2008
2008 werd uitgeroepen tot Jaar van de interculturele dialoog, en culturele diversiteit en wederzijds respect behoren tot de fundamentele waarden van de EU. Toch wordt er zowel in de EU-lidstaten als in de buurlanden melding gemaakt van schendingen van de rechten van nationale minderheden, en met name van taalrechten. Een overduidelijk voorbeeld hiervan is de situatie van Roemeense gemeenschappen en het verloochenen van hun taalrechten in verscheidene Europese landen, met als risico dat het Roemeens, dat een officiële taal van de EU is, vervalt en in onbruik raakt.
Kan de Commissie, in het licht van de aandacht die meertaligheid sinds januari 2007 krijgt en de afkondiging van 2008 als Jaar van de interculturele dialoog, meedelen welke acties ze van plan is te ondernemen om de dialoog en de culturele diversiteit te bevorderen en om bij te dragen tot de verbetering en het behoud van het beschermingsniveau van de taalrechten van nationale minderheden, waaronder Roemeense gemeenschappen? Welke instrumenten zullen hiervoor worden aangewend, in de context van zowel het interne als het externe beleid van de Unie?
In haar in 2005 goedgekeurde mededeling “Een nieuwe kaderstrategie voor meertaligheid”(1) herbevestigt de Commissie haar verbintenis tot meertaligheid en onderstreept ze dat inachtneming van taalkundige diversiteit een kernwaarde is van de Europese Unie. Het meertaligheidsbeleid van de Commissie moedigt de volledige expressie aan van alle talen, die dezelfde rechten een evenveel waarde hebben.
Het actieplan “Het leren van talen en de taalverscheidenheid bevorderen” (2004-2006) was de eerste veelomvattende beleidsverklaring over talen met acties op Europees niveau met het oog op verdere vooruitgang op dit gebied. Deze acties betreffen alle officiële, nationale, regionale, minderheids- en migrantentalen in de Europese Unie.
Het actieplan en de mededeling over meertaligheid onderstrepen dat taalkundige aspecten van ander Europees beleid en andere Europese programma’s, bijvoorbeeld op het gebied van cultuur, media en sociale inclusie. Om de bijdrage van meertaligheid aan het Europees Jaar van de Interculturele Dialoog 2008 vast te stellen, heeft de Commissie een groep op hoog niveau van intellectuelen ingesteld die haar aanbevelingen tegen einde 2007 zal voorleggen.
Eén van de belangrijkste doelstellingen van het Europees Jaar van de Interculturele Dialoog 2008 is te voorzien in de middelen voor een interculturele dialoog en een dialoog tussen de burgers om de eerbied voor de culturele en taalkundige diversiteit te versterken. De voorbereiding ervan heeft geleid tot de ontwikkeling van een ruimere strategie om de interculturele dialoog via EU-programma’s en instrumenten en het mobiliseren van de lidstaten en alle belanghebbende partijen te bevorderen. Ook derde landen zullen daarbij worden betrokken.
De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de curricula voor taalonderwijs op school. Regionale en minderheidstalen worden beschermd door het Europees handvest voor regionale en minderheidstalen. De lidstaten van de Raad van Europa hebben dat handvest ondertekend.
De bevordering van het leren van talen en de taalkundige diversiteit is een doelstelling van het programma voor een leven lang leren 2007-2013. In het verleden bleef de Gemeenschapssteun voor organisaties voor de bevordering van regionale en minderheidstalen tot het http://ec.europa.eu/education/policies/lang/languages/langmin/eblul_en.html" en het http://ec.europa.eu/education/policies/lang/languages/langmin/mercator_en.html" beperkt. Nu is het programma voor een leven lang leren voor zulke organisaties geopend. In 2008 zal de kruiselingse activiteit voor talen in het programma prioriteit geven aan projecten die de verwerving van bekwaamheid in talen versterken om de interculturele dialoog in Europa te versterken. Het staat open voor bijna alle talen (de officiële talen van de lidstaten, regionale, minderheids- en migrantentalen, talen van buiten de EU enzovoort). Aanvragen voor projecten en organisaties om het Roemeens te ondersteunen en te bevorderen als de taal van minderheidsgemeenschappen komen in het nieuwe programma in aanmerking.
De regering van Sri Lanka wordt beschuldigd van ernstige mensenrechtenschendingen. Gaat de Commissie tegen die achtergrond de behandeling van Sri Lanka in het kader van het algemene “preferentie plus”-schema opnieuw tegen het licht houden?
In de huidige verordening betreffende het schema van algemene tariefpreferenties (SAP)(1)werd de SAP+-regeling voor de periode van januari 2006 tot einde 2008 toegekend aan de landen die tegen het einde van 2005 aan de vereisten van artikel 9 voldeden.
Sri Lanka was één van de vijftien landen die in 2005 aan de kwestbaarheidscriteria voldeden en de overeenkomsten van bijlage III van de SAP-verordening ratificeerden.
Om onder de volgende SAP-verordening, die op 1 janiari 2009 in werking zal treden, van de SAP-preferenties te blijven profiteren, zullen de begunstigden moeten bewijzen dat ze aan de vereisten van artikel 9 van de SAP-Verordening voldoen. Het gaat om kwetsbaarheidscriteria, doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationale overeenkomsten. Ze zullen ook de ratificatie van de overeenkomsten en hun uitvoeringswetgeving en maatrelen moeten handhaven.
De lijst van SAP+-begunstigden voor de jaren 2009-2011 zal in december 2008 na nauwgezet onderzoek van de overeenstemming met de criteria in artikel 9 worden goedgekeurd.
Verordening van de Raad 980/2005 – PB L 169, 30 juni 2005 en rectificatie PB L 79, 20 maart 2007.
Vraag nr. 91 van Georgios Toussas (H-0864/07)
Betreft: Inbreuk op het recht van jonge vrouwen op moederschap
Terwijl het geboortetekort in de meeste lidstaten een acuut probleem is, wordt er door ondernemersverenigingen geknaagd aan het recht van jonge vrouwen op moederschap en aan de rechten van werknemers in het algemeen. Een typisch voorbeeld is de onwettige praktijk bij de textielfabriek “Varveressos” in Naoussa, waar de chefs per interne mededeling werd verzocht de vrouwelijke werknemers aan te melden die in de loop van 2007 of 2008 kinderen zouden krijgen, omdat de onderneming “Varvaresos”, evenals andere ondernemingen, probeert zich te onttrekken aan verplichtingen als ouderschapsverlof en moederschapstoelage, dat wil zeggen, rechten die de werknemers na lange strijd hebben verworven. Een en ander staat ook zeker niet los van het voornemen van de onderneming om een van de drie fabrieken te sluiten, waarbij ontslagen zullen vallen of arbeidsovereenkomsten zullen worden omgezet. Het schijnt dat jonge vrouwen en moeders de eerste slachtoffers zullen zijn. Deze methode vindt steeds algemener toepassing onder werkgeversverenigingen in hun aanwervings- en ontslagbeleid.
Veroordeelt de Commissie deze onwettige praktijken van werkgeversverenigingen die inbreuk maken op de individuele en collectieve rechten van vrouwen en werknemer in het algemeen?
Artikel 10 van Richtlijn 92/85/EEG(1)verbiedt het ontslaan van zwangere werknemers “gedurende de periode vanaf het begin van hun zwangerschap tot het einde van het in artikel 8, lid 1, bedoelde zwangerschapsverlof, behalve in uitzonderingsgevallen die geen verband houden met hun toestand (…).”
Bovendien omschrijft Richtlijn 2002/73/EG(2)directe discriminatie als “wanneer iemand op grond van geslacht ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld” (artikel 2). In artikel 7 staat dat “Het ongunstiger behandelen van vrouwen in samenhang met zwangerschap of bevallingsverlof in de zin van Richtlijn 92/85/EEG vormt een discriminatie in de zin van deze richtlijn”.
Het uitzoeken van zwangere vrouwen om hen te ontslaan zou daarom strijdig zijn met het Gemeenschapsrecht.
De Commissie beklemtoont dat de bevoegde nationale autoriteiten ervoor moeten zorgen dat het Gemeenschapsrecht door werkgevers op nationaal niveau wordt toegepast. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat het voor personen die het slachtoffer zijn van discriminatie, mogelijk is een echte en doeltreffende vergoeding of schadeloosstelling te krijgen.
In november 2001 werd de DABLAS Task Force opgericht, die bedoeld was als platform voor samenwerking ter bescherming van de Donau en de Zwarte Zee. De inspanningen van de DABLAS Task Force zijn vooral gericht op de volgende landen: Bulgarije, Roemenië, Turkije en Kroatië. Volgens deskundigen wordt ongeveer 50 procent van de vervuiling van de Zwarte Zee veroorzaakt door het water van de Donau, maar ook de stroomgebieden van de Dnjepr en de Dnjestr, die rechtstreeks uitmonden in de Zwarte Zee, zijn verantwoordelijk voor 20 procent van de vervuiling van het water in de Zwarte Zee.
Welke maatregelen heeft de Commissie genomen om iets te doen aan de milieuvervuiling door de Dnjestr en de Dnjepr en de overige rivieren die rechtstreeks uitmonden in de Zwarte Zee en zal het DABLAS-initiatief worden uitgebreid om deze maatregelen uit te voeren?
Het DABLAS-initiatief (Donau-Zwarte Zee) ging van start na een mededeling van de Commissie in 2001(1)die de landgebaseerde vervuilingsproblemen in de regio van de Donau en de Zwarte Zee beklemtoonde en de aanpak daarvan door de Commissie toelichtte.
De rivieren de Dnjestr en de Dnjepr monden uit in de Zwarte en bevinden zich dus reeds in het algemene bereik van het initatief, al delen ze hun stroomgebied met geen enkele lidstaat van de EU.
In de mededeling wordt onderstreept dat regionale samenwerking op de twee relevante milieuverdragen (het Verdrag inzake samenwerking voor de bescherming en het duurzaam gebruik van de Donau en het Verdrag inzake de bescherming van de Zwarte Zee tegen. verontreiniging of het Zwarte Zeeverdrag) moet worden gebaseerd. Het Zwarte Zeeverdrag is nog steeds actief bij de ontwikkeling van DABLAS betrokken.
Het belang van het Zwarte Zeeverdrag als forum voor regionale milieusamenwerking werd ook in de recente mededeling Synergie voor het Zwarte Zeegebied(2) erkend. De Commissie heeft de mogelijkheid van toetreding van de Europese Gemeenschap tot dit Verdrag onderzocht. Dat zou een wijziging vergen van het Verdrag om organisaties voor regionale economische integratie zoals de Europese Gemeenschap toe te laten.
Bovendien onderhandelen het Europees Parlement en de Raad op dit ogenblik over de voorgestelde richtlijn mariene strategie, die tegen 2021 een goede milieustatus ten doel heeft in de zeeën rondom de EU, waaronder de Zwarte Zee. Daartoe zal de richtlijn een extra inspanning vergen op het gebied van regionale samenwerking om andere betrokken landen bij de tenuitvoerlegging te betrekken, ook wat landgebaseerde vervuiling betreft. In deze samenhang lijkt het Zwarte Zeeverdrag een bevoorrecht forum waar met het oog op de richtlijn zulke samenwerking kan worden opgebouwd.
Mededeling van de Commissie “Synergie voor het Zwarte Zeegebied – een nieuw regionaal samenwerkingsinitiatief” COM(2007) 160.
Vraag nr. 93 van Jörg Leichtfried (H-0869/07)
Betreft: Vervoer van dieren
Voor talloze dieren is het vervoer over de Europese wegen nog steeds synoniem met vreselijke verschrikkingen. Zo worden de tijden voor het drenken van de dieren niet nageleefd en moeten tijdens de rit verwonde kalveren worden afgemaakt. Volgens de EU-richtlijn mag een transport hoogstens 8 uur duren, maar een schapentransport van Spanje naar Griekenland was maar liefst 96 uur onderweg. Nu hebben Oostenrijkse dierenbeschermers een internetplatform opgezet (http://www.gegentiertransporte.at" ) en al meer dan 60.000 adhesiebetuigingen voor hun optreden tegen de misstanden verzameld.
Hoe kunnen de inmiddels al meer dan 60.000 handtekeningen doeltreffend worden gebruikt om te bereiken dat het Parlement en ook de Commissie en de Raad zich intensiever bezighouden met de misstanden bij dierentransporten? Wanneer kan er een verslag van de Commissie over dierentransporten tegemoet worden gezien?
De Commissie is het met het geachte lid eens dat het belangrijk is dat de EU-instellingen met de bezorgheid van EU-burgers over dierenwelzijn rekening houden.
De correcte tenuitvoerlegging van de Verordening inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer is op dat gebied voor de Commissie een topprioriteit.
Niet alleen de Commissie is echter voor die kwestie verantwoordelijk.
De lidstaten zijn volledig verantwoordelijk voor het vinden van oplossingen voor snelle en doeltreffende handhaving van de regels.
De EU-regels betreffende het vervoer van dieren voorzien in strikte vereisten voor voertuigen, drijvers en omstandigheden voor laden en lossen.
Op de recentste Raad van ministers van Landbouw in oktober 2008 werd over de kwestie van de betere handhaving van de EU-wetgeving betreffende het vervoer van dieren gedebatteerd. De ministers riepen op tot strikte inachtneming van de EU-wetgeving in alle lidstaten.
De Commissie ziet nauwlettend toe op de handhaving van de verordening inzake vervoer in de lidstaten.
Missies van veterinaire deskundigen van de Commissie en klachten van niet-gouvernementele organisaties beklemtonen dat er een dringende behoefte aan gecoördineerde actie bestaat. De Commissie is zich er ook van bewust dat in bepaalde lidstaten corrigerende acties werden ondernomen om tekortkomingen te herstellen.
De Commissie is steeds bereid actie te ondernemen tegen lidstaten die geen maatregelen nemen om EU-wetgeving inzake dierenwelzijn te handhaven.
Het gebruik van navigatiesystemen voor langeafstandsvervoer zal de controle verbeteren en gerichte acties mogelijk maken. De instelling van nationale contactpunten voor het vervoer van dieren en het creëren van netwerken van bevoegde autoriteiten in de lidstaten zullen het mogelijk maken dat mishandeling wordt voorkomen. Dat is echter niet alleen een kwestie van sancties en controles. Sterke politieke wil is nodig om het belang van het dierenwelzijn voor de operatoren in de voedselketen te versterken.
Wat het toekomstige voorstel van de Commissie over de herziening van reistijden en ruimte betreft, zal in 2008 een specifieke effectbeoordeling worden uitgevoerd. Deze effectbeoordeling zal in het bijzonder een veelomvattend onderzoek naar de huidige stand van de tenuitvoerlegging van de vermelde aspecten van de wetgeving omvatten.
Vraag nr. 94 van Marusya Ivanova Lyubcheva (H-0870/07)
Betreft: Verspreiding van en reclame voor producten die verdovende stoffen bevatten
Recentelijk is in verschillende publicaties bericht over het in de handel brengen van een product genaamd “C-Ice Swiss Cannabis Ice Tea” in een aantal landen in Europa. Aanvankelijk geïntroduceerd in Zwitserland is het drankje nu verkrijgbaar in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Portugal, Spanje, Roemenië en Bulgarije (niet-uitputtende lijst). De fabrikant heeft verklaard dat het product legaal is doordat de verdovende bestanddelen van de plant uit de thee zijn verwijderd en dat het drankje vijf procent bloemsiroop van de hennepplant bevat en een minieme (0,0015 procent) hoeveelheid THC. Dit is echter niet duidelijk voor de consumenten. Er bestaat grote bezorgdheid dat de verkoop van het product gevaarlijk is en leidt tot “normalisatie van het imago van cannabis in de beleving van jongeren”. Het lijkt zelfs te worden geadverteerd als gezondheidsdrankje.
Acht de Commissie dergelijke marketingstrategieën aanvaardbaar in deze tijd waarin het gebruik van alcohol, drugs en tabak, met name door jongeren, een ernstig maatschappelijk probleem vormt?
Voorziet de Commissie specifieke maatregelen met betrekking tot het uitoefenen van controle op reclame- en marketingpraktijken die positieve connotaties zouden kunnen bevorderen van producten of stoffen die in enige andere vorm of hoeveelheid illegaal of schadelijk zijn?
Een merknaam of naam waaronder een voedingsmiddel wordt verkocht dat het woord “cannabis” bevat, geeft inderdaad aanleiding tot bezorgdheid met het oog op de volksgezondheid.
In de eerste plaats worden de etikettering en presentatie van levensmiddelen die aan de eindverbruiker worden verkocht alsmede de daarvoor gemaakte reclame geregeld door de algemene richtlijn 2000/13/EG inzake de etikettering van voedingsmiddelen. De algemene regels verbieden het gebruik van informatie die de consument misleidt.
In de tweede plaats wordt cannabis in alle lidstaten geclassificeerd als een illegale drug en zal dat ook in de relevante verdragen van de Verenigde Naties gebeuren. Een product op de markt brengen dat beweert deze stof te bevatten, is strijdig met de bestrijding van de drugshandel en het drugsgebruik in de EU, die een prioriteit is voor alle lidstaten en op een aantal wetgevende instrumenten op EU-niveau, de EU-Strategie inzake drugs 2005-2012 en het EU-Actieplan inzake drugs 2005-2008 is gebaseerd.
Naast de bestaande inspaningen in het kader van het EU-Volksgezondheidsprogramma gaat dit jaar veel geld naar het specifieke EU-programma inzake preventie van en informatie over drugs ter ondersteuning van de inspanningen van de lidstaten om het drugsgebruik terug te dringen. Het op de markt brengen van producten door een beroep te doen op de aantrekkingskracht van deze drugs staat daarom haaks op het antidrugsbeleid van alle lidstaten. Dat is ook de reden waarom bepaalde lidstaten het op de markt brengen van die voedingsmiddelen hebben verboden op grond van artikel 30 van het EG-Verdrag, dat een verbod op grond van openbare moraliteit en volksgzondheid kan rechtvaardigen.