Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2148(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0023/2008

Debatten :

PV 21/02/2008 - 3
CRE 21/02/2008 - 3

Stemmingen :

PV 21/02/2008 - 4.9
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0068

Debatten
Donderdag 21 februari 2008 - Straatsburg Uitgave PB

3. Vierde verslag over economische en sociale cohesie – Follow-up van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig – Naar een Europees actieprogramma voor ruimtelijke ontwikkeling en territoriale samenhang (debat)
PV
MPphoto
 
 

  Voorzitter. – Aan de orde is de gecombineerde behandeling van

- het verslag van de heer Guellec, namens de Commissie regionale ontwikkeling, over het vierde verslag over economische en sociale cohesie (2007/2148(INI)) (A6-0023/2008), en

- het verslag van mevrouw Kallenbach, namens de Commissie regionale ontwikkeling, over de follow-up van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig: naar een Europees actieprogramma voor ruimtelijke ontwikkeling en territoriale samenhang (2007/2190(INI)) (A6-0028/2008).

 
  
MPphoto
 
 

  Ambroise Guellec, rapporteur. (FR) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, wij debatteren vanmorgen over twee initiatiefverslagen, maar beide zijn naar mijn idee buitengewoon belangrijk, en wel om een aantal redenen.

In de eerste plaats bespreken wij het vierde verslag van de Commissie over sociale en economische cohesie. Dit is werkelijk een bijzonder goed document, veel beter dan de vorige versies, en het vormt een goede basis voor de gedachtevorming over de toekomst van de cohesie in Europa. Het is ook belangrijk omdat in het recent vernieuwde Verdrag van Lissabon de territoriale cohesie als een van de hoofddoelstellingen van de EU wordt aangemerkt. En ten slotte omdat zich momenteel zoals wij weten nieuwe en verontrustende uitdagingen aandienen, naast de uitdagingen die we al kennen. Het cohesiebeleid moet een belangrijke en nuttige bijdrage leveren aan de aanpak daarvan, zodat wij kunnen voortbouwen aan het Europa dat wij willen, namelijk een doeltreffend en solidair Europa.

Wat leert het vierde verslag ons? Dat de economische en sociale convergentie tussen de lidstaten de goede kant opgaat, en dat de verschillen in inkomen en werkgelegenheid in de afgelopen tien jaar duidelijk zijn afgenomen, maar ook dat er nog altijd veel ongelijkheid is tussen regio's, en soms ook binnen regio's, die vaak ook nog toeneemt. Er is zeker sprake van reële ontwikkeling, maar die is nog veel te vaak onevenwichtig. Op dit punt kan het nieuwe concept van de territoriale cohesie een waardevolle bijdrage leveren, en het moet dan ook, naast economische en sociale cohesie, een centrale plaats gaan innemen bij de verdere regionale ontwikkeling in de hele EU. De uitvoering ervan vereist een geïntegreerde aanpak van de verschillende beleidssectoren en een versterking van het bestuur op verschillende niveaus.

Op dit punt zien wij met belangstelling, en ik mag wel zeggen met enig ongeduld, uit naar het Groenboek van de Commissie dat in september zal verschijnen. Er is duidelijk behoefte aan een gemeenschappelijke taal op dit gebied, zoals ook bleek bij onze discussies in de Commissie regionale ontwikkeling.

Door de bevindingen van het vierde verslag wordt onze blik gericht op de periode na 2013, aangezien de operationele programma's voor 2007-2013 nu vrijwel overal op de rails zijn gezet. Een van de hoofdelementen ervan is het zogenoemde oormerksysteem om de benodigde middelen te reserveren voor de doelstellingen van de Lissabon-agenda. Wij willen de nauwe samenhang tussen de prioriteiten van de Lissabon-strategie en het cohesiebeleid zeker onderstrepen, maar wij vinden ook dat het cohesiebeleid verder moet gaan en in een bredere context moet worden bezien.

In ons verslag wordt duidelijk gesteld dat convergentie op verschillende niveaus een voorwaarde is voor het concurrentievermogen van de regio’s op lange termijn, en dat de twee beleidslijnen elkaar de komende jaren moeten aanvullen om doeltreffendheid en solidariteit met elkaar in balans te brengen. Daarom verzoeken wij om regelmatige beoordeling in de periode 2007-2013, zodat wij de doelmatigheid van het proces kunnen vaststellen of eventueel op basis van goede informatie de nodige aanpassingen kunnen doorvoeren. Ook moeten vraagtekens worden gezet bij de scheiding die tijdens de lopende periode is aangebracht tussen plattelandsontwikkeling en regionaal beleid. Het belang daarvan lijkt niet goed te zijn onderbouwd, en naar onze mening kan vasthouden aan deze scheiding na 2013 tot problemen leiden.

In ons verslag wordt met nadruk gewezen op de nieuwe uitdagingen waarmee de EU zal worden geconfronteerd en de aanzienlijke territoriale gevolgen daarvan. Er is sprake van problemen op het gebied van een vergrijzende bevolking, klimaatverandering, energie, stedelijke concentratie, enzovoort. Naar onze mening vragen de dringend noodzakelijke convergentie en een passende territoriale aanpak van deze uitdagingen om een versterking van het politieke en financiële cohesiebeleid na 2013. In dit verband zal het Parlement zich als altijd met hand en tand blijven verzetten tegen iedere poging om het beleid weer op nationale leest te schoeien.

Ten slotte, mevrouw de Voorzitter, wil ik graag de schaduwrapporteurs, die mij bij deze taak geweldig terzijde hebben gestaan, bedanken voor het grote aantal compromissen dat wij hebben bereikt. Ik wil ook met nadruk wijzen op de samenhang met het verslag van mevrouw Kallenbach. Naar mijn mening zou het goed zijn als vandaag een volledig samenhangend geheel aan het Parlement werd voorgelegd.

 
  
MPphoto
 
 

  Gisela Kallenbach, rapporteur. − (DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ik wil om te beginnen alle schaduwrapporteurs bedanken voor de goede en constructieve samenwerking. Ook wil ik de medewerkers van de commissie, de fractiemedewerkers en de persoonlijke assistenten bedanken. Hoe hechter de samenwerking, hoe beter het product!

Ik ben heel blij dat wij vandaag het verslag van de heer Guellec en mijn eigen verslag tezamen bespreken. Deze twee verslagen vormen een complementaire eenheid als het gaat om het doel om een werkelijk duurzame ontwikkeling in Europa tot stand te brengen. Het cohesiebeleid is als het ware de hardware, en het Handvest van Leipzig en de Territoriale Agenda de sofware. Deze beide instrumenten kunnen alleen in combinatie goed functioneren. Met het cohesiebeleid beschikt de EU over juridische en financiële bevoegdheden. Wij hebben geen werkelijke verantwoordelijkheid op het gebied van regionale, stedelijke en ruimtelijke ontwikkeling. Daarom is een samenhangend beleid, op plaatselijk, regionaal, nationaal en EU-niveau, een absolute voorwaarde voor duurzame Europese steden en regio's. Alleen zo kunnen wij Europese meerwaarde creëren. De steden vormen een brandpunt van kansen en problemen. Zij beïnvloeden de plattelandsregio's en de directe omgeving. Daarom zetten wij in op een evenwichtige ontwikkeling van het gebied als geheel, op oplossingen die uitgaan van een holistisch perspectief en die tegelijkertijd zijn aangepast aan de specifieke situatie. Er is geen voor alle situaties geschikte oplossing, maar er zijn wel gemeenschappelijke beginselen, zoals de geïntegreerde aanpak, het partnerschapsbeginsel, zowel horizontaal als verticaal, tussen de steden en de omliggende gebieden, maar ook met de diverse direct betrokkenen.

Wij hebben op Europees niveau veel vooruitgang geboekt. Naast het Handvest van Leipzig en de Territoriale Agenda, het eerste actieprogramma onder het Portugese voorzitterschap, is de territoriale cohesie als communautair doel opgenomen in het Hervormingsverdrag. Hierdoor krijgt het Parlement meer invloed door de gedeelde bevoegdheid en de medebeslissingsprocedure. Met het debat van vandaag wilden wij als Parlement voorafgaand aan de Voorjaarstop van de Raad ons standpunt kenbaar maken, zodat de territoriale en stedelijke belangen als duidelijke onderdelen in de strategieën van Lissabon en Göteborg kunnen worden opgenomen.

Het was ook de gezamenlijke wens van de informele ministerraad in Leipzig dat het Sloveense voorzitterschap de Territoriale Agenda op de agenda van de Voorjaarstop in 2008 zou zetten, teneinde meer politieke erkenning van het territoriale kader voor de ontwikkeling van de regio's en de steden te verkrijgen en nieuwe vormen van participatie in de beleidsbeslissingen van de EU te realiseren. Deze wens is tijdens de vergadering op de Azoren in november nog eens duidelijk onderstreept. Tot dusver heb ik nog geen informatie ontvangen dat er op dit punt vooruitgang is geboekt.

Ik zou het dan ook zeer hebben toegejuicht als hier vandaag een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig was geweest, zodat wij informatie hadden kunnen krijgen over de stand van zaken met betrekking tot de voorbereidingen. Helaas heb ik gehoord dat de Raad het kennelijk niet eens kan worden over zijn reactie op het verzoek van de ministers. Ik had graag van de Raad willen horen of, en zo ja in welke vorm, de Territoriale Agenda op de Voorjaarstop zal worden behandeld. Ik ben ook heel benieuwd of het waar is dat in de huidige ontwerpversie van de Conclusies van de Raad de territoriale kwesties helemaal niet worden genoemd, en dat er op dit punt ook geen wijzigingen in het Verdrag van Lissabon worden overwogen. Dat is echter wel de enige manier om onze vele mooie woorden in echte daden om te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Danuta Hübner, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil om te beginnen mevrouw Kallenbach en de heer Guellec feliciteren met, en vooral ook bedanken voor, hun verslagen. Ook wil ik de Commissie regionale ontwikkeling bedanken voor haar voortreffelijke werk op het gebied van het vierde cohesieverslag en het verslag over de territoriale cohesie.

De Commissie is het volledig met u eens dat het Europese cohesiebeleid een belangrijke rol heeft gespeeld bij het terugdringen van de ongelijkheid in de Europese Unie en daarmee bij de bevordering van de Europese integratie, waardoor de Unie dichter bij de mensen is gebracht. De Commissie verwerpt dan ook resoluut alle pogingen om dit beleid weer op nationale leest te schoeien.

Wij zijn het ook met u eens dat in de toekomst voldoende financiële middelen voor het cohesiebeleid moeten worden gewaarborgd om het hoofd te kunnen bieden aan de verwachte nieuwe uitdagingen die gevolgen zullen hebben voor alle gebieden in Europa. Tegelijkertijd moeten wij er ook rekening mee houden dat wij bij het cohesiebeleid ook in de toekomst te maken zullen krijgen met regionale ongelijkheden als gevolg van de meest recente, en nog komende, uitbreidingen.

Ik kan u verzekeren dat, als het gaat om de ‘Lissabonisering’ van ons beleid, de doelstelling van het terugdringen van de ongelijkheid de belangrijkste prioriteit van het Europese cohesiebeleid is, en dat ook na 2013 zal blijven. Dat is ook vastgelegd in het Hervormingsverdrag. De solidariteit staat centraal in dit beleid, en de toewijzing van de middelen zal zeker omgekeerd evenredig zijn met de welvaart van de landen en regio's.

Deze visie wordt ook gedeeld door de overgrote meerderheid van de betrokkenen in de hele Unie. Men is het ook eens met het idee dat het Europese cohesiebeleid veel meer is dan alleen een mechanisme om de middelen tussen de lidstaten en de regio's te verdelen; dit beleid is in de allereerste plaats een ontwikkelingsbeleid dat tot doel heeft de ontwikkeling van de eigen potenties van alle Europese regio's te bevorderen.

De Commissie deelt ook uw zorg over de noodzaak van meer samenhang tussen het Europese cohesiebeleid en de andere vormen van communautair sectorbeleid, in het bijzonder plattelandsontwikkeling, onderzoek en mededinging. Ik zou hieraan toe willen voegen dat de noodzaak van samenhang tussen de verschillende vormen van ontwikkelingsbeleid ook geldt voor de afstemming tussen het Europese cohesiebeleid en het nationale beleid. Naar mijn overtuiging is dit een kernvraag voor de toekomst van de Europese cohesie, ook van de territoriale dimensie daarvan.

Ik deel ook volledig uw mening dat het succes van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig afhangt van twee voorwaarden. In de eerste plaats moeten wij in de territoriale ontwikkeling een geïntegreerde aanpak invoeren om te voorkomen dat de verschillende beleidssectoren langs elkaar heen werken. Een klassiek voorbeeld hiervan is het denken in strategieën voor uitsluitend het platteland of de stedelijke gebieden. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het grote belang van de echte economische regio's.

Anderzijds betekent de geïntegreerde aanpak ook dat verschillende vormen van sectorbeleid op zowel EU- als lidstaatniveau, die van invloed zijn op de ontwikkeling van al onze gebieden, moeten worden geïntegreerd.

De tweede voorwaarde is, zoals u terecht opmerkt, de noodzaak van regelmatig toezicht en regelmatige beoordeling door de Commissie van de voortgang bij de tenuitvoerlegging van de acties die in het kader van de Territoriale Agenda zijn afgesproken. Daarvoor is het nodig dat wij meer weten over de effecten van deze acties in de lidstaten, zodat de Commissie adequate hulp kan bieden. Zo kan de Commissie bijvoorbeeld op basis van beter toezicht verdere stappen ondernemen op het gebied van de vaststelling van indicatoren voor territoriale cohesie.

Uiteraard juicht de Commissie het, net als u in uw verslag, toe dat het concept van de territoriale dimensie van de cohesie in het Verdrag van Lissabon is opgenomen. Nu moeten wij zo goed mogelijk gebruik maken van deze nieuwe dimensie van het cohesiebeleid en van de nieuwe mogelijkheden die zij biedt, zoals bijvoorbeeld de nieuwe definitie van subsidiariteit, waardoor plaatselijke en regionale besturen meer zeggenschap krijgen. Daarom hebben wij als Commissie het Groenboek inzake territoriale cohesie in ons wetgevings- en werkprogramma voor 2008 opgenomen.

Al is er dan nog geen standaarddefinitie voor dit concept, het is wel duidelijk dat de territoriale cohesie de juridische doelstellingen van de Unie met elkaar verbindt, zodat een duurzaam evenwicht en een harmonische ontwikkeling van haar grondgebied kan worden bewerkstelligd en iedereen gelijke toegang krijgt tot de diensten van algemeen belang. Wij zijn ons er vandaag allemaal van bewust dat de harmonische economische en sociale ontwikkeling van de Unie de komende jaren wordt bedreigd door een aantal aspecten van het territoriale evenwicht. Deze doen zich voor op EU-, nationaal en regionaal niveau en ook op een aantal specifieke terreinen en met betrekking tot bepaalde perifere regio's.

Ik kan u tot mijn genoegen meedelen dat de belangrijkste aanbevelingen in het verslag van mevrouw Kallenbach, met betrekking tot de definitie van het begrip territoriale cohesie en de uitvoering van een geïntegreerde aanpak van de territoriale ontwikkeling, en ook een betere benutting van de synergieën tussen de verschillende communautaire beleidsterreinen, allemaal aan de orde komen in het Groenboek dat de Commissie in september van dit jaar zal goedkeuren.

Ik wil ook graag van deze mogelijkheid gebruik maken om u te vertellen dat wij met de lidstaten vooruitgang boeken bij het bereiken van een gemeenschappelijke opvatting over de territoriale cohesie en de belangrijkste aspecten daarvan. Wij werken momenteel aan de uitwerking van de reacties op de vragenlijst over territoriale cohesie die wij aan 25 lidstaten hebben gestuurd, waardoor wij duidelijk vooruitgang kunnen boeken.

Ook hebben wij binnen de Commissie een interdepartementale groep opgericht, die ons een kader geeft waarbinnen wij intern aan de territoriale cohesie kunnen werken. Het eerste deel van deze operatie hebben wij al afgerond, namelijk de vaststelling van de territoriale dimensie van belangrijke EU-beleidsonderdelen. Wij hebben nu een begin gemaakt met het proces, in het bijzonder het proces om een aantal instrumenten te ontwikkelen die ook goed aansluiten bij uw verzoek. Zoals u waarschijnlijk weet, vormen het onderzoek naar de territoriale effectbeoordeling van het EU-beleid en de ontwikkeling van indicatoren voor territoriale cohesie enkele van de prioriteiten van het nieuwe aangescherpte ESPON-programma.

Wat het beleid inzake de stedelijke gebieden betreft, vindt in maart de volgende stadsaudit plaats, waaraan momenteel de laatste hand wordt gelegd, en het tweede verslag over de toestand van de Europese steden wordt in juni 2009 verwacht. URBACT II is nu opgewaardeerd tot een strategisch instrument voor netwerkvorming en voor uitwisselingen op het gebied van stadsontwikkeling.

Naar mijn idee bestaat er met betrekking tot beide verslagen een hoge mate van overeenstemming tussen uw opvattingen en die van de Commissie. Ik zie nu uit naar het debat zodat ik een beter inzicht krijg in uw zorgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Nathalie Griesbeck, rapporteur voor advies van de Begrotingscommissie. (FR) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, ook ik wil onze mederapporteurs, en in het bijzonder Ambroise Guellec, bedanken voor zijn presentatie en zijn werk. Als vaste rapporteur voor de structuurfondsen in de Begrotingscommissie wil ik ook heel kort op enkele begrotingsaspecten ingaan.

Dit beleid is momenteel qua omvang van de begroting een van de belangrijkste beleidsinstrumenten voor de solidariteit tussen de volken van Europa. Zoals we vanochtend al hebben gehoord, is de kernvraag op dit moment hoe wij de doelmatigheid van het cohesiebeleid kunnen optimaliseren. In dit verband wil de Begrotingscommissie de aandacht van het Parlement vestigen op een aantal verontrustende signalen, zoals vertragingen bij de uitvoering en uitstaande verplichtingen.

Ik wil met nadruk wijzen op een aantal mijns inziens opvallende punten binnen dit probleemgebied. De EU moet er dringend een erezaak van maken om procedures, zoals de uitvoering van technische bijstand, te vereenvoudigen met het oog op de voorbereiding en daadwerkelijke uitvoering van de talloze projecten waar onze landen om zitten te springen.

Wij moeten ook werk maken van een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de EU en de lidstaten, om een beter gezamenlijk beheer te realiseren. Ik ben dan ook blij met de woorden van de commissaris over het besluit van afgelopen dinsdag om een actieplan voor een auditstrategie voor de structuurfondsen goed te keuren.

Tot slot ben ik blij dat de commissaris zojuist ook een onderwerp aansneed waar ik nu al heel lang op hamer, namelijk de noodzaak om kwalitatieve en kwantitatieve prestatie-indicatoren vast te stellen die in alle lidstaten kunnen worden gebruikt, zodat de begrotingsbehoefte kan worden beoordeeld en het eerstvolgende wetgevingskader voor de meerjarenperiode na 2013 kan worden vastgesteld, kortom om de zichtbaarheid van Europa in het kader van het Europese beleid en de Europese burgers te vergroten.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro, rapporteur voor advies van de commissie visserij. − (PT) Ik moet om te beginnen aangeven dat ik het jammer vind dat geen enkel amendement van de visserijcommissie op het vierde verslag over de economische en sociale cohesie door de commissie regionale ontwikkeling is overgenomen. In die amendementen herhalen we dat de visserijsector een onmisbare bijdrage levert aan de sociaal-economische situatie van de visserijgemeenschappen in de convergentieregio's of in regio's die te lijden hebben onder permanente geografische of natuurlijke nadelen, zoals de ultraperifere regio's, maar ook van arme visserijgemeenschappen in welvarende regio's. Ik betreur het ook dat het budget van het Europees visserijfonds (EVF) voor de EU met 27 lidstaten nauwelijks verschilt van het FIOV-budget van de EU 15 en ben dan ook van mening dat het budget van het EVF moet worden verhoogd.

Dat is de reden waarom ik tijdens deze deelzitting opnieuw twee amendementen heb ingediend waarin wordt benadrukt dat het structuurbeleid voor de visserij van groot belang is voor de economische en sociale cohesie.

 
  
MPphoto
 
 

  Oldřich Vlasák , namens de PPE-DE-Fractie. – (CS) Mijnheer/mevrouw de commissaris, dames en heren, de verslagen die we vandaag bespreken zijn heel belangrijk, en dan niet alleen als het gaat om de wijze waarop nu omgaan met het cohesiebeleid en de territoriale aspecten van dat beleid, maar ook als we kijken naar wat er ná 2013 zal gebeuren. Ik wil mevrouw Kallenbach en de heer Guellec graag bedanken voor hun uitstekende werk en hun open instelling.

Zoals deze twee rapporteurs al hebben aangegeven vullen de twee verslagen elkaar aan en dienen ze als één geheel te worden beoordeeld. Territoriale cohesie is als begrip opgenomen in het Verdrag van Lissabon en komt daarmee op één lijn te staan met economische en sociale samenhang. Het is intussen wel zo dat er minder onderzoek is verricht naar territoriale cohesie, als gevolg waarvan we dit concept minder goed doorgronden. We hebben er tot dusver zelfs geen duidelijke definitie voor gevonden. Het algemene doel bij het bewerkstelligen van cohesie is het uitvlakken van niveauverschillen, maar zulke verschillen bestaan nog steeds en dan vooral waar het voormalige Oostblok op het democratische Westen op elkaar aansluiten. Het begrip territoriale cohesie zou volgens mij ook de samenhang tussen steden en het omringende land moeten omvatten. Het staat buiten kijf dat steden in al onze landen de motoren voor het genereren van groei zijn, en daarom is het gerechtvaardigd om de stedelijke ontwikkeling in de ontwerpresolutie te betrekken en tegelijk op te roepen tot een meer geïntegreerde aanpak. In de toekomst zullen stedelijke gebieden gemakkelijker een beroep moeten kunnen doen op de structuurfondsen. En als projecten voor stedelijke ontwikkeling uit particuliere middelen worden gefinancierd zullen we ervoor moeten zorgen dat gemeentelijke autoriteiten en de ontwikkelaars elkaar gemakkelijker kunnen vinden.

We hebben het Handvest van Leipzig goedgekeurd en nu zullen we al hetgeen daarin is vervat geleidelijk aan praktische invulling moeten geven. We zullen de juiste omstandigheden moeten scheppen voor ons toekomstig bestaan en voor de ontwikkeling van het platteland. Ik geloof daarom dat we heel zorgvuldig zullen moeten nadenken over de vraag of het plattelandsbeleid inderdaad onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet vallen. Het kan zijn dat een andere oplossing beter werkt.

Dames en heren, nog één opmerking. Het debat over het cohesiebeleid is eerst en vooral een debat over de toewijzing van fondsen. Het is duidelijk – en volkomen terecht – dat het cohesiebeleid gaandeweg een groter belang begint te vertegenwoordigen en nu dus ook echt een plaats krijgt binnen de Europese begroting. Het cohesiebeleid moet een antwoord formuleren op nieuwe verschijnselen, de vergrijzing – soms het verdwijnen – van de Europese bevolking, de instabiliteit van de energietoelevering en de achteruitgang van het milieu. We zullen ons beleid daarop moeten afstellen en ervoor proberen te zorgen dat er voldoende middelen beschikbaar worden gesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Constanze Angela Krehl, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, de heer Vlasák heeft volkomen gelijk als hij zegt dat we nu reeds moeten gaan werken aan het opstellen van een cohesiebeleid voor de periode na 2013. We hebben deze twee verslagen aangewend om dat te benadrukken en hebben alle kwesties die volgens ons in deze context van belang zijn bijeen gebracht.

Ik wil u er echter wel op wijzen dat we strategische doelstellingen van het Europese cohesiebeleid niet uit het oog mogen verliezen. Het gaat er bij dit beleid om de levensomstandigheden in de verschillende Europese regio’s dichter bij elkaar te brengen en bij te dragen tot de verwezenlijking van de strategieën van Lissabon en Göteborg. Als het Europees Parlement een rol wenst te spelen bij het opstellen van het in de toekomst te volgen cohesiebeleid, dan dient het zich volgens mij te concentreren op een aantal fundamentele strategieën en niet terugvallen op de “irrigatiebenadering”. We zullen een antwoord moeten formuleren op de uitdagingen waarmee we in de context van het nieuwe cohesiebeleid geconfronteerd zullen worden. Ik noem hier als voorbeeld demografische verschuivingen, klimaatsbescherming, ontvolking van bepaalde regio’s en – inderdaad – een modern Europees stedelijk beleid.

Ik meen dat we bij het zoeken naar oplossingen voor deze problemen een benadering moeten aanhouden die mensen en regio’s gelijke kansen garandeert. Ik geloof dan ook dat het belangrijk is om investeringen te doen in onderwijs, onderzoek en innovatie en dat zal, als we duurzame resultaten willen, steeds belangrijker worden. Dat kan echter alleen als we de Europese burgers in de toekomst op een efficiëntere wijze betrekken bij het opzetten van programma’s en projecten. Het Europees Parlement dringt daar al geruime tijd op aan en we doen dat in deze verslagen opnieuw.

Ik richt me daarom tot de lidstaten – helaas is er geen vertegenwoordiger van de Raad aanwezig – om ze eraan te herinneren dat ze van ons wat huiswerk meekrijgen. Als we in het kader van het cohesiebeleid extra taken moeten financieren zullen daarvoor natuurlijk wel de nodige middelen beschikbaar moeten worden gesteld.

 
  
MPphoto
 
 

  Grażyna Staniszewska, namens de ALDE-Fractie. (PL) Het vierde cohesieverslag en het verslag van de heer Guellec maken duidelijk dat het cohesiebeleid erin geslaagd is de ongelijkheden tussen de lidstaten terug te dringen. In deze verslagen wordt bovendien vastgesteld dat in landen die voorheen achterliepen – zoals, bijvoorbeeld, Griekenland en Portugal – een groei hebben doorgemaakt. Vastgesteld wordt echter ook dat het cohesiebeleid er niet in geslaagd is de tussen de regio’s bestaande verschillen in ontwikkelingsniveau uit te vlakken.

Lidstaten staan het helaas toe dat investeringen en andere factoren die bij de ontwikkeling van het nationaal kapitaal een rol spelen sterk geconcentreerd worden. Dat gebeurt ook op het vlak van de regio’s – investeringen worden gewoonlijk vooral in centraal gelegen gebieden gedaan, waardoor de regio als geheel niet op een evenwichtige wijze ontwikkeld wordt. De verschillen tussen en binnen regio’s zijn in de Europese Unie veel scherper dan in de Verenigde Staten of Japan.

Alles wijst erop dat we een mechanisme moeten introduceren om decentralisatie binnen de lidstaten te stimuleren. Voor de volgende financiële vooruitzichten hebben we behoefte aan een regionaal beleid dat ver vooruit kijkt en toch dynamisch is. Het verslag van de heer Guellec wijst erop dat we de Strategie van Lissabon en het cohesiebeleid op elkaar moeten laten aansluiten. We mogen evenwel niet toelaten dat het cohesiebeleid tot niet meer dan een instrument ten behoeve van de strategie van Lissabon verwordt. Het cohesiebeleid is gericht op duurzame en evenwichtige ontwikkeling, en dat is reeds een doel op zich. Het is de goedkoopste manier om te verhinderen dat er zich later problemen voordoen die ons heel veel geld gaan kosten. Ik heb het dan over allerlei conflicten, massale emigratie en immigratie, de verplaatsing van ondernemingen en wat dies meer zijn – dat zijn allemaal ontwikkelingen met drastische gevolge voor de plaatselijke bevolking.

Net als het Verdrag van Lissabon, legt ook het vandaag goedgekeurde verslag de nadruk op de territoriale dimensie. Het is intussen wel van belang dat we dit begrip duidelijk omschrijven en ondubbelzinnig vastleggen wat me er precies mee bedoelen. We gebruiken de term nu ietwat lukraak om een grote verscheidenheid van zaken aan te duiden. In bepaalde delen van het verslag-Guellec wordt de territoriale dimensie meer belang toegedacht dan het beleid ten behoeve van de sociale en economische cohesie; in andere delen van datzelfde verslag wordt de territoriale dimensie gepresenteerd als een aanvulling op dat beleid. Soms gaat het om gelijke toegang tot diensten, maar de term wordt ook gebruikt om voor een evenwichtige verdeling van onderzoekscentra te pleiten.

Ik vind het jammer dat het debat over het Groenboek over territoriale cohesie pas in de herfst op de agenda staat, ná het verslag over het cohesiebeleid. Het debat over het Groenboek zou veel eerder moeten plaatsvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Mieczysław Edmund Janowski, namens de UEN-Fractie. (PL) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik wil de twee rapporteurs namens de Fractie Unie voor een Europa van Nationale Staten graag bedanken voor hun werk.

De term cohesie heeft binnen de Unie een speciale betekenis verworven. In het Verdrag van Rome wordt reeds gewezen op de noodzaak de verschillen tussen de verschillende regio’s terug te brengen om de nationale economieën meer consistentie te geven en een harmonieuze ontwikkeling te stimuleren.

Het Vierde Verslag heeft betrekking op de periode 2000-2006. Het Verslag-Guellec is aan dit document gewijd en bevat een groot aantal nuttige vaststellingen. Het geeft beknopte beschrijving van de situatie in de verschillende lidstaten en vermeldt verder op welke vlakken de verschillen het meest geprononceerd zijn. Het terugbrengen van de niveauverschillen tussen de regio’s moeten we zien als een lange termijn-onderneming.

In het verslag van de Commissie worden voor het maken van vergelijkingen een groot aantal parameters gebruikt die in eerdere documenten ontbraken. Het idee om indicatoren te gebruiken ter aanvulling van de elementaire per capita BNP-gegevens in hun verhouding tot de verschillende NUTS-gegevens is echter aangehouden.

Het cohesiebeleid is de basis voor integratie en levert een waardevolle bijdrage aan de harmonieuze ontwikkeling van de Unie. Zoals mevrouw Staniszewska al heeft aangegeven dienen we in deze context goed op locale, regionale en milieuaspecten te letten. We moeten verder erkennen dat dit beleid doorwerkt in het concurrentie- en innovatievermogen van de Unie en daarom een factor is bij de verwezenlijking van de Strategie van Lissabon. Ook demografische kwesties spelen hier een rol – sommige gebieden dreigen immers ontvolkt te geraken.

Als we de term cohesie gebruiken denken we vooral aan sociale en economische cohesie. We hebben daarom dringend behoefte aan een degelijke definitie van territoriale cohesie. Cohesie moet eigenlijk gezien worden als het streven om de burgers van de Unie overal gelijke kansen te bieden, of het nu gaat om gezondheidszorg, onderwijs, cultuur, internet of vervoer – om maar eens een paar voorbeelden te noemen. Het cohesiebeleid moet worden versterkt en we moeten er vanuit de Unie voldoende middelen voor beschikbaar stellen. Zoals mevrouw Kallenbach al heeft aangegeven is de stedelijke dimensie heel belangrijk.

Sinds kort vragen we ons af wat prioriteit moet krijgen – cohesie of mededinging, gelijke kansen of efficiëntie. Men antwoord luidt kort samengevat als volgt: geef ze beide de nodige prioriteit.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisabeth Schroedter, namens de Verts/ALE-Fractie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer/mevrouw de commissaris, aan het einde van de jaren negentig gingen de meeste mensen in de Europese Unie ervan uit dat het succes van de interne markt een graadmeter was voor het integratievermogen van de Unie. Men geloofde dat de problemen binnen de Europese Unie konden worden opgelost met behulp van ontwikkelingsconcepten zoals die voor de interne markt waren ontwikkeld en die uitsluitend op economische groei waren gericht. Die hoop is niet bewaarheid geworden.

De Europese binnenmarkt heeft ertoe geleid dat de aanwas van economische activiteiten zich rond een aantal kernen heeft geconcentreerd. Die kernen trekken nieuwe economische naar zich toe, en zulks ten koste van de achtergestelde regio’s en het milieu. En zelfs binnen de kernen heeft niet iedereen op gelijke wijze in de groei kunnen delen: de armoede is toegenomen, wat tot spanning en onrust heeft geleid.

De Commission maakt nu weer precies dezelfde fout. Ze maakt het cohesiebeleid ondergeschikt aan de Strategie van Lissabon. Ze had nu juist prioriteit moeten geven aan de problemen van de sterkst achtergestelde regio’s en uitsluitend steun moeten geven aan projecten voor duurzame ontwikkeling. In plaats daarvan investeert de Commissie in achterhaalde infrastructuurconcepten en dus ook – opnieuw – uitsluitend in de economische kernen. Regio’s en gemeenten zullen daarom generaties lang afhankelijk zijn van de grootste Europese banken. Ik geloof dat dit een kolossaal probleem is, aangezien het uiteindelijk de volgende generaties zijn die de prijs zullen moeten betalen voor het mislukte beleid. En dat zal dan weer leiden tot migratiebewegingen – mevrouw Krehl heeft daar al op gewezen – en een anti-Europese stemming, aangezien bepaalde bevolkingsgroepen niet in de ontwikkeling zullen delen. Deze strategieën leveren dus niets op.

Ik geloof dat we er alles aan moeten doen om de interne cohesie van de Europese Unie veilig te stellen. Economische en sociale cohesie moeten een apart beleidsterrein blijven, en alle burgers en regio’s van Europa moeten kunnen delen in de positieve resultaten van dat beleid. Dat kan alleen als het cohesiebeleid voortbouwt op een maatschappelijk model dat is gebaseerd op solidariteit en duurzame ontwikkeling en dat niet ten koste van het milieu gaat.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro, namens de GUE/NGL-Fractie. − (PT) De toekomst van het cohesiebeleid voor de Europese Unie is een heel belangrijk onderwerp en in deze korte interventie kunnen we slechts wijzen op een paar grondbeginselen wijzen die dit debat volgens ons zouden moeten oriënteren.

Om te beginnen is het zo dat het regionaal beleid een essentieel instrument is voor het bevorderen van de zo noodzakelijke economische en sociale cohesie. Het is een structuurbeleid dat – het is al eerder gezegd – eerst en vooral gericht moet zijn op het terugbrengen van de regionale verschillen in ontwikkelingsniveau, het stimuleren van de groei in de achtergebleven regio’s, het helpen realiseren van reële convergentie en het stimuleren van groei en werkgelegenheid. Dit beleid dient dus mee te spelen bij de herverdeling van de rijkdom en het compenseren voor het feit dat de geïntegreerde markt, Economische en Monetaire Unie en de liberalisering van de internationale handel de minder ontwikkelde landen en regio’s van de Unie steeds meer kosten.

In de tweede plaats moeten het cohesiebeleid en de daarvoor ingezette financiële middelen worden gebruikt voor het bevorderen van projecten die zijn gericht op milieuvriendelijke economische en sociale regionale ontwikkeling. Deze projecten mogen dus niet ondergeschikt worden gemaakt aan een type beleid dat gebaseerd is op een dogma dat alle voorrang geeft aan mededinging, deregulering of zogenaamde flexibiliteit en ondernemingsgeest: de prioriteiten van de Strategie van Lissabon. Wij mogen dus niet toelaten dat in de sociaal en economisch achtergebleven lidstaten en regio’s het concurrentievermogen de plaats van convergentie inneemt.

Ten derde is het zo dat de communautaire financiële middelen niet volstaan om een antwoord te formuleren op de problemen die samenhangen met reële convergentie, regionale verschillen, hoge werkloosheid, inkomensongelijkheid en armoede binnen de Europese Unie. We herhalen daarom dat de Gemeenschapsbegroting omhoog moet en dat we het bevorderen van de economische en sociale cohesie in de Europese Unie als onze eerste en belangrijkste doelstelling moeten zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder, namens de IND/DEM-Fractie. – (NL) Mevrouw de Voorzitter, met belangstelling heb ik de verslagen van collega's Kallenbach en Guellec gelezen. De convergentie tussen landen in Europa blijft een boeiend thema. De interne beleidsintegratie en samenwerking binnen en tussen EU-lidstaten en regio's krijgt steeds verder vorm. Dat een dergelijke strategie resultaat oplevert, staat onomwonden in het cohesierapport. De convergentie tussen de lidstaten is toegenomen.

Tegelijkertijd wordt echter ook gemeld dat de convergentie tussen regio's binnen en tussen lidstaten afneemt, met name tussen stedelijke en niet-stedelijke regio's. In mijn optiek is in dergelijke situaties juist voor de nationale, regionale en lokale overheden een belangrijke rol weggelegd. Daarom begrijp ik niet dat de optie waarbij lidstaten zelfstandig meer bijdragen aan de ontwikkeling van regio's, op voorhand wordt afgewezen.

Het is te vroeg om te bepalen of het huidige beleid tot in lengte van jaren moet worden voortgezet. Dat het bepaalde uitdagingen aankan, is duidelijk. Maar laten we ook kijken of het de genoemde divergentie kan oplossen, d.w.z. niet alleen convergentie op lidstaatniveau, maar ook op regionaal niveau, tussen en binnen lidstaten. Mocht dat niet het geval zijn, dan is een andere aanpak met een grotere rol voor lidstaten wenselijk. Niemand kent de nationale en regionale situatie beter dan de individuele lidstaten. Zij kunnen oplossingen aandragen die de doelstellingen van het cohesiebeleid ook op subnationaal niveau bereikbaar maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Claude Martinez (NI). (FR) Mevrouw  de Voorzitter, de Europese Commissie vindt de cohesie tussen en binnen de lidstaten zo belangrijk dat van nu tot 2013 voor dit doel 350 miljard euro ter beschikking stelt.

Verder is er een Groenboek in de maak, om de doodeenvoudige reden dat het in Brussel zo is dat er over elk probleem dat zich voordoet één of ander “boek” moet worden opgesteld. En het is zeker waar dat er van alles mis is met de cohesie tussen West-Europa en Oost-Europa, het Europa van de dorpen en het Europa van de steden en het Europa van de rijke buurten en dat van de arme buurten.

Maar wie is daarvoor verantwoordelijk? Wie, mevrouw de Voorzitter, is er verantwoordelijk voor de ontvolking van dorpen in Griekenland waar de mensen hun wijngaarden onderhielden en vee verzorgden en waar tabak, katoen en olijfolie werd geproduceerd? Wie – en welk beleid – is verantwoordelijk voor het verdwijnen van duizenden postkantoren in Zweden, Duitsland en Frankrijk? Wie heeft lokale stations en spoorweglijnen en lokale kraamklinieken gesloten? Is het de wind in de haven die vissersvaartuigen, banen, kleine bedrijfjes en werven vernietigt? Zijn het de wolven in de Pyreneeën en de Alpen die de schaapherders opeten, of wordt dat gedaan door uit Nieuw-Zeeland geïmporteerd lamsvlees?

We weten allemaal wat daarop het antwoord is: het internationale handelsbeleid zoals dat door de Commissie via GATT en de WHO wordt gevoerd is er de schuld van dat er in Spanje en Frankrijk de afgelopen 20 jaar elke dag 90 boerderijen zijn gesloten. Als gevolg van het dogmatisch verwijderen van alle douanebescherming is het industriële evenwicht bezweken onder een lawine van ingevoerde producten.

Om cohesie te bereiken zullen we eerst het beleid op de verschillende beleidsterreinen consistent moeten maken. Je kunt niet op basis van Cotonou één beleid voeren voor de ACS-landen en dat beleid vervolgens in Genève laten stuklopen op de bananenhandel. We hebben tussen 1962 en 1986 een preferentieel beleid voor landbouwproducten gevoerd en dat systeem vervolgens vervangen door vrijhandel in het kader van de Uruguay- en Doha-Ronden. Dat kan niet.

Cohesie vooronderstelt dus een bepaalde mate van samenhang tussen de keuzen die je maakt. Mevrouw de commissaris, we houden ons ofwel bezig met het bouwen aan Europa, ofwel met het bouwen aan de wereld. Dat is de keuze: of we concentreren ons op onze maatschappelijke verplichtingen, of op de wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Lambert van Nistelrooij (PPE-DE). – (NL) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Hübner, het unieke en bijzondere karakter van het vierde cohesieverslag ligt in het feit dat niet alleen het gevoerde beleid goed wordt geëvalueerd maar dat we vooruit kijken en nieuwe uitdagingen voor Europa aanpakken. Het gaat over globalisering, de effecten daarvan, over klimaatverandering, over de energievraagstukken en de demografische uitdagingen. Het is gewoon goed dat we dat nu doen, ook mede ter voorbereiding van de voorjaarstop in maart van dit jaar. Collega Guellec heeft dat op een heel goede manier gedaan. Hij heeft gezegd dat het cohesiebeleid in de kern niet verandert - het staat nadrukkelijk in het verdrag ook opnieuw bevestigd - maar dat de inhoud van de regionale inzet en de programma's verandert.

Deze week hebben we ook gekeken naar de Lissabon-strategie en wat mij opvalt is dat we sterk doorgaan en daar nadrukkelijk een bijdrage voor leveren met de inzet, door middel van oormerking, van 60 tot 65 procent van het cohesiegeld. Dat geeft aan hoezeer het cohesiebeleid in de kern staat van die uitdaging en de nieuwe omstandigheden. Belangrijk is ook wat in het verslag Kallenbach is aangegeven, dat we die territoriale cohesie als kerntaak van de Europese Unie opnemen. De globalisering concentreert zich in een aantal topregio's, metropolitane gebieden, en het antwoord van Europa is dat er kansen worden geboden in de overdracht van kennis en het scheppen van voorwaarden voor ondernemerschap voor alle regio's, ook voor de rurale gebieden. Dat is de nieuwe agenda.

Tenslotte verzet de EVP zich tegen een antwoord van renationalisatie in verband met het debat 2013. Waar het om gaat is dat we een nieuwe samenhang tot stand brengen tussen O&O, tussen innovatiepolitiek, tussen de interne markt en tussen de instrumenten en centen van de Unie, om die kenniseconomie - want daar gaat het over op lange termijn - te koppelen aan banen en welvaart in onze regio's.

Ook onderschrijf ik graag het transparantie-initiatief dat door mevrouw Hübner is genomen. De burgers moeten weten hoe dicht wij met dit beleid bij hen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Iratxe García Pérez (PSE). – (ES) Mevrouw de Voorzitter, ik wil om te beginnen mevrouw Kallenbach en de heer Guellec bedanken voor het werk dat ze bij het opstellen van deze verslagen hebben verricht. Beide verslagen kunnen in de commissie regionale ontwikkeling op de steun van een meerderheid rekenen.

Het Europees cohesiebeleid is een voorbeeld van een succesvol EU-beleid. We zijn de beginselen waarop het beleid is gebaseerd steeds trouw gebleven en dit beleid heeft er dan ook toe bijgedragen dat sommige ongelijkheden zijn uitgevlakt.

Het staat buiten kijf dat landen als Spanje dankzij het cohesiebeleid goede resultaten hebben bereikt bij het verwezenlijken van convergentie. We herhalen daarom dat dit beleid een belangrijke rol speelt bij het vergroten van het potentieel van lidstaten. Het draagt bij tot ontwikkeling en het scheppen van banen door het trainen van mensen.

We moeten echter ook erkennen dat er tussen regio’s nog steeds verschillen bestaan. Als we verder willen met dit beleid om oplossingen te vinden voor nieuwe problemen als de vergrijzing van de bevolking en de ontvolking van bepaalde – meestal landelijke – gebieden, zullen we een duidelijk antwoord op die uitdagingen moeten formuleren.

We moeten daarnaast blijven werken aan het verwezenlijken van de bestaande doelstellingen om regionale en interregionale verschillen terug te dringen en economische en technologische groei te bewerkstelligen. Dat betekent dat we aan het implementeren van de Strategie van Lissabon prioriteit moeten verlenen. We mogen kwesties als de demografische veranderingen daarbij evenwel niet uit het oog verliezen.

Als we via het communautaire regionale beleid willen bijdragen tot een duurzame en harmonieuze ontwikkeling, dan zullen we bij de uitvoering van dit beleid nauw moeten samenwerken met de betrokkenen in de regio’s zelf. We zullen het regionaal beleid ook moeten afstellen op het beleid zoals dat op andere terreinen wordt gevoerd. We zijn ons er verder van bewust dat er specifieke maatregelen moeten worden genomen om de verschillen tussen gemakkelijk toegankelijke gebieden en gebieden met structurele problemen – bergachtige streken, eilanden en dun bevolkte regio’s – uit te vlakken.

Het is met het oog op de toekomst dus van fundamenteel belang dat we het cohesiebeleid versterken door meer economische middelen beschikbaar te stellen om ons zo in staat te stellen op alle uitdagingen een antwoord te formuleren.

Gisteren hebben we in dit Parlement het Verdrag van Lissabon met een grote meerderheid goedgekeurd. Vandaag moeten we beginnen met het werk aan een nieuw onderdeel van dat Verdrag: we moeten ervoor proberen te zorgen dat territoriale cohesie wordt gezien als een essentiële communautaire doelstelling bij het bouwen aan een welvarender toekomst voor Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean Marie Beaupuy (ALDE). (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik moet toegeven dat ik bij het luisteren naar uw antwoord op de verslagen van de heer Guellec en mevrouw Kallenbach de indruk kreeg dat ik eigenlijk niets meer zou hoeven te zeggen – het was immers duidelijk dat u ons perfect begrepen heeft.

We zijn nog maar in de beginfase, en ik ben heel blij – en dit Parlement heel dankbaar – dat we er door een goede communicatie tussen u, uw diensten, onze commissie en dit Parlement in geslaagd zijn onze standpunten zo goed op elkaar af te stellen. We moeten nu verder met de tenuitvoerlegging van onze ideeën. Het is heel goed dat het met elkaar eens zijn, maar die overeenstemming moet natuurlijk wel specifieke resultaten opleveren.

Ik geloof dat we dat kunnen doen via het Groenboek dat u tegen de herfst gereed zult hebben. Ik wil daarom nu graag iets zeggen over twee onderwerpen die ik heel belangrijk vind en die volgens mij bij de uitvoering van cohesiebeleid en het implementeren van het Handvest van Leipzig – en dat is tenslotte wat we willen – een sleutelrol spelen.

Het gaat dan om de volgende zaken: om te beginnen moeten we duidelijk maken dat de verschillende aspecten van het EU-beleid ten aanzien van de steden en daarop aansluitende buitenwijken consistentie vertonen. U heeft daar al op gewezen en ik wijs er nog eens met klem op. Gisteravond hebben we het over bevolkingsgerelateerde onderwerpen gehad. De daaraan voorafgaande middag hebben we gesproken over vervoer. En daarvóór hebben we sociale kwesties behandeld. Al de DG’s en alle EP-commissies zijn hierbij betrokken, en al die ideeën moeten binnen steden en de omringende gebieden consistente uitdrukking krijgen. Ik ga ervan uit dat het Groenboek hier iets over te zeggen zal hebben.

Tweede punt. Het Parlement en de Commissie zijn het dus met elkaar eens, maar hoe kunnen we ons beleid laten slagen als we niet eerst de Europese burgers en regeringen aan onze zijde krijgen? Ik heb u reeds gezegd, mevrouw de commissaris, dat we ons een enorme inspanning zullen moeten getroosten – en ik weet dat dit uw bedoeling is – om onze boodschap over te brengen. Alles wat we over cohesie te zeggen hebben, alles wat wij in deze context hopen te bereiken moeten we zodanig formuleren dat we onze medeburgers ermee overtuigen en de regeringen ermee aanmoedigen actie te ondernemen.

Dat zijn de twee belangrijkste punten, mevrouw de commissaris, en ik hoop die terug te vinden in het Groenboek. Ik vertrouw er op dat u, na hier naar ons geluisterd te hebben, middelen vindt om deze punten concrete uitdrukking te geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Wiesław Stefan Kuc (UEN). – (PL) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, één van de belangrijkste doelstellingen van de Europese Unie bestaat erin de verschillen in inkomen en ontwikkeling tussen de landen en regio’s te effenen. De verschillen zijn de afgelopen jaren geprononceerder geworden, omdat er bij de meest recente uitbreidingen veel minder sterk ontwikkelde landen zijn toegetreden.

Geschat wordt dat deze landen meer dan 15 jaar bij de rest achterlopen. Een snelle ontwikkeling is dan de enige manier om de verschillen terug te dringen. Dat is een enorme uitdaging, zeker als je bedenkt dat er op de middelen is gekort en dat de mogelijkheden van de landen om van deze fondsen gebruik te maken en zo vooruit te komen beperkt zijn. Het is niet erg waarschijnlijk dat we een herhaling zullen zien van de successen zoals die in Spanje, Portugal, Griekenland en Ierland zijn behaald – in ieder geval niet op de korte termijn. Het is ook onwaarschijnlijk dat we in de nabije toekomst de achterstand ten aanzien van de Verenigde State en Japan zullen inhalen. We moeten intussen wel bedenken dat de beginfase de moeilijkste is. We kunnen de Tsjechische Republiek aanhouden als voorbeeld van wat je allemaal kunt bereiken. Onze burgers kijken anders tegen het leven aan, en dat proces is nog niet afgesloten, wat een bron van hoop voor de toekomst is. Daar komt bij dat de Strategie van Lissabon ons heldere richtsnoeren voor onze acties verschaft.

Ter afsluiting wil ik onze rapporteurs graag bedanken voor hun interventies. Ik zie dat de heer Martinez niet langer aanwezig is, maar ik moet toch zeggen dat ik het met zijn opmerkingen geheel oneens ben.

 
  
MPphoto
 
 

  Alyn Smith (Verts/ALE). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, het doet mij deugd dat de commissaris hier in dit parlement aanwezig is. We hopen haar spoedig opnieuw in Schotland te zien en we hopen ook dat we onze goede samenwerking met betrekking tot dit beleid kunnen voortzetten.

Voordat ik een paar beknopte opmerkingen maak wil ik me graag aansluiten bij hetgeen de heer Guerreiro heeft gezegd over steun voor de visserijsector binnen het kader van het cohesiebeleid. Wij zullen zijn amendementen steunen. Ik geloof dat deze sector binnen ons geografisch bestel inderdaad een bijzondere strategische betekenis heeft.

Ik sluit me ook aan bij de oproep van de rapporteur om beter statistisch materiaal te vergaren, vooral als het erom gaat de doeltreffendheid van de programma’s te evalueren. We komen gaandeweg steeds meer te weten en het is nu duidelijk geworden dat controles op NUTS I, NUTS II of zelfs NUTS III-niveau wel erg algemeen en lukraak zijn. Ik ben voorstander van het beschikbaar stellen van fondsen voor meer thematisch gebonden activiteiten in de context van de Agenda van Lissabon, of dat nu gebeurt ter bevordering van een kenniseconomie, meer onderzoek en ontwikkeling en samenwerking over de grenzen heen, of ter ondersteuning van de visserijsector.

Zo zie ik de toekomst van een werkelijk bloeiend cohesiebeleid voor de Europese Unie. Dat cohesiebeleid is immers de pluim op de hoed van de EU: het heeft de EU dichter bij de burgers gebracht en ons tot een Unie gesmeed. Zonder dat beleid zouden we niet meer zijn dan een reeks verschillende staten.

Er zijn tal van mogelijkheden om dit beleid nog meer waarde te verlenen. We zijn dan ook benieuwd wat de commissaris in haar interventie over het Groenboek te zeggen heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Bairbre de Brún (GUE/NGL). ― (GA) Mijnheer de Voorzitter, de twee verslagen die we nu behandelen tonen niet alleen aan dat het cohesiebeleid een groot belang vertegenwoordigt, maar laten ook zien hoe dat beleid ten uitvoer moet worden gelegd. Een harmonieuze regionale ontwikkeling is essentieel. Het verslag van de heer Guellec wijst vooral op het belang van voldoende regionale middelen; het wijst er verder op dat deze gebruikt moeten worden om op een efficiënte wijze tegemoet te komen aan de behoeften van de burgers en de regio’s. Het is duidelijk dat het cohesiebeleid moet worden gebruikt als een instrument voor het implementeren van de Strategie van Lissabon. Ik wil de rapporteur bij deze graag bedanken.

Ierland heeft veel baat ondervonden bij de middelen die in het kader van dit beleid ter beschikking zijn gesteld. Als we andere landen op eenzelfde wijze willen laten profiteren zullen we ervoor moeten zorgen dat er meer middelen worden vrijgemaakt voor regionale ontwikkeling en het bestrijden van sociale uitsluiting. Niet alleen de kloof die de lidstaten van elkaar scheidt moet worden gedicht, ook de binnen de lidstaten bestaande regionale verschillen moeten worden geëffend.

De heer Guellec meldt dat Spanje, Portugal en Griekenland tussen 2000 en 2006 een indrukwekkende groei hebben doorgemaakt. Hij wijst er echter ook op dat er ondanks deze groei nog steeds sterke verschillen bestaan tussen de regio’s in die landen.

Ik wil ook mevrouw Kallenbach bedanken voor haar verslag. Ze legt terecht de nadruk op het versterken van de rol van lokale stedelijke autoriteiten als het erom gaat openbare diensten voor alle burgers toegankelijk te maken. Er is behoefte aan empowerment op lokaal niveau, het milieu moet worden gerespecteerd en openbare diensten van goede kwaliteit moeten universeel toegankelijk zijn, zodat de stad een aantrekkelijke plek wordt om in te wonen en te werken.

Duurzame ontwikkeling is een enorme uitdaging voor de stedelijke gebieden in de 21ste eeuw. Het kader dat mevrouw Kallenbach ons nu voorlegt kan ons helpen op die uitdaging een antwoord te formuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Derek Roland Clark (IND/DEM). – (EN) Mevrouw de Voorzitter, deze verslagen hebben betrekking op de ongelijkheden tussen de stedelijke en de plattelandseconomieën, tussen rijk en arm – vooral in Oost-Europa – , en tussen de achtergestelde bevolkingsgroepen en de rest van de maatschappij.

Die problemen los je kennelijk op door een hele reeks culturele, economische en technische ontwikkelingsprogramma's te bieden voor doeleinden van social engineering. In de verslagen wordt gewezen op het succes van zulke programma's in Ierland, Spanje, Portugal en Griekenland bij het uitvlakken van ongelijkheden. Daarom wordt gepleit voor het volgen van gelijksoortige strategieën, kaders en actieprogramma's om in de achtergebleven gebieden – en dan vooral in Oost-Europa – vooruitgang te genereren. Er wordt vooral verwezen naar de cohesiefondsen. En dan komen we bij de kern van het verhaal. Er is de afgelopen paar jaar 65 miljard euro uitgegeven aan zulke programma's in behoeftige landen in West-Europa. Oost-Europa is echter veel armer dan deze landen ooit geweest zijn. Deze subsidies – want dat zijn het – worden dus afgenomen van de landen die ze nog steeds ontvangen en uit een potje dat steeds kleiner wordt nu de kille economische wind uit de VS ons begint te bereiken.

Helaas voor de burgers – zowel arm als rijk – vormen dit soort subsidies een doodlopende weg: het vermogen om zelf het initiatief te nemen wordt zo onderdrukt en je creëert op die manier een cultuur van afhankelijkheid.

Als je werkelijk wilt helpen, luister dan naar professor Buchanan van de London School of Economics. Hij stelt dat ‘handel voor een arm land zes keer zo veel waard is als ontwikkelingshulp’. Wanneer begrijpt u dat nu eindelijk? Anders gezegd: als je een honger lijdende man in een arm land een vis geeft, dan geef je hem voedsel voor één dag. Leer hem hoe je moet vissen en je voedt hem zijn hele leven lang.

 
  
MPphoto
 
 

  Rolf Berend (PPE-DE). – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, we hoeven niet steeds te herhalen dat het vierde verslag over de economische en social cohesie van bijzonder politiek belang is. Ik ben het met betrekking tot al de werkelijk essentiële kwesties met de rapporteur eens; ik wil hem graag gelukwensen met zijn goede werk. De rapporteur legt er terecht de nadruk op dat we op de verwachte nieuwe uitdagingen alleen een antwoord kunnen formuleren als het cohesiebeleid een communautair beleid blijft – wat volgens het Verdrag hoe dan ook het geval is. In zijn verslag verwerpt hij dus alle pogingen om dit beleid weer bij de lidstaten onder te brengen. Voorwaarde is wel dat er een afgewogen cohesiebegroting voor de EU wordt samengesteld.

Er moeten inderdaad adequate middelen te beschikking worden gesteld om in alle regio's van de EU een harmonieuze ontwikkeling te garanderen en op de nieuwe uitdagingen een antwoord te vinden. Er zijn er echter die de in dit verslag opgenomen eis met betrekking tot de financiering van het cohesiebeleid na 2013 liever anders zouden formuleren. Zoals veel van mijn collega's geloof ook ik dat het niet correct is om in dit verslag nu, in 2008, reeds te eisen dat er in de toekomst meer middelen beschikbaar worden gesteld, zeker als je bedenkt dat we terecht bekritiseerd worden omdat we de beschikbare middelen niet altijd op tijd toewijzen.

De commissie heeft daarom een goede compromisformule gevonden die echter alleen van toepassing is op de tekst van de resolutie en niet op de overwegingen. Het is dus zaak dat we in de overwegingen geen afwijkende stellingen opnemen maar steeds aansluiten bij de formule ‘voldoende financiële middelen voor een evenwichtig cohesiebeleid'.

Uiteindelijk gaat het allemaal om geloofwaardigheid: het cohesiebeleid heeft in het verleden duurzame successen opgeleverd en kan dat in de toekomst blijven doen, mits er voor dit beleid voldoende middelen worden vrijgemaakt. Het is dus niet nodig dat we nu al om extra middelen vragen. Mevrouw de commissaris, in uw inleidende interventie heeft u het gehad over adequate financiële middelen om een antwoord te kunnen formuleren op toekomstige uitdagingen. Dat is een goede formule.

 
  
MPphoto
 
 

  Pierre Pribetich (PSE). (FR) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw de commissaris, handen maken nederzettingen, mensen maken steden. Jean-Jacques Rousseau zou de geïntegreerde aanpak zeker prioriteit hebben verleend. Op die wijze bouw je namelijk steden in plaats van gefragmenteerde nederzettingen, precies zoals dat in het Handvest van Leipzig en de Territoriale Agenda is neergelegd.

Ik wil iedereen, inzonderheid mevrouw Kallenbach, bedanken voor hun bereidheid tot samenwerking. De voorstellen bestrijken niet alleen groot aantal sociale en economische aspecten, maar hebben ook aandacht voor het milieu, ruimtelijke ontwikkeling en territoriale cohesie. We zijn verder heel tevreden dat de voorstellen die de Socialistische Fractie heeft ingediend om het verslag te verbeteren een gunstig onthaal hebben gekregen.

Als we meer aandacht besteden aan de territoriale en stedelijke aspecten van het EU-beleid – in de eerste plaats door geïntegreerde ontwikkelingsprogramma’s en betere samenwerking tussen steden en de omliggende gebieden – dan zullen we meer baat ondervinden bij die geïntegreerde aanpak. De samenwerking mag daar echter niet ophouden. Er moet ook gedacht aan de betrekkingen en verbindingen tussen stad, de rechtstreeks op die stad aansluitende gebieden en het verder gelegen platteland. Daarom is het volgens mij heel belangrijk om erop te wijzen dat we de aantrekkingskracht en het concurrentievermogen van plattelandsgebieden moeten bevorderen. Op die wijze kunnen we de ontvolking van het platteland bestrijden.

Als u mij vraagt wat de belangrijkste punten van dit verslag zijn, zou ik om te beginnen wijzen op de dringende noodzaak om door Europa ondersteunde geïntegreerde multimodale vervoersnetwerken op te zetten en zo de infrastructuur te verbeteren. Heel belangrijk zijn in die context milieuvriendelijke vervoerswijzen, zoals fietsen en wandelen.

We moeten vaststellen in welke gebieden signalen van verslechtering zijn waar te nemen en meer aandacht besteden aan de uitvoering van het beleid voor sociale integratie. Zo scheppen we een kader voor een openbaar beleid dat ongelijkheden op een doeltreffende wijze kan verminderen om sociale uitsluiting te voorkomen.

Bij het opzetten van een beleid voor de infrastructuur moeten mensen voorop worden gesteld. We moeten de belangen van de stad dus afstellen op de belangen van de mensen, zeker nu er gebrek aan huisvesting is en niet iedereen een dak boven het hoofd heeft. Er moet meer aandacht worden besteed aan betaalbare huisvesting. Dat is en blijft een cruciale factor bij de sociale integratie en de bepaling van de kwaliteit van het leven in de stad. En dit alles moet gezien worden binnen een context van duurzame stedelijke ontwikkeling.

Daarom roep ik al mijn collega’s op om en masse voor dit verslag te stemmen. Het laat zien dat het EP voorstander is van zo sterk mogelijk territoriale integratie en een alomvattende geïntegreerde aanpak die ons uiteindelijk in staat moet stellen de best denkbare stad te bouwen.

 
  
  

VOORZITTER: MIGUEL ANGEL MARTÍNEZ MARTÍNEZ
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Elspeth Attwooll (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het is niet gemakkelijk één punt uit deze twee uitstekende verslagen te noemen dat boven alle andere vermelding verdient, maar ik wil de heer Guellec toch in de eerste plaats bedanken voor de ruime aandacht die hij heeft besteed aan de ongelijkheden tussen regio's.

Het is immers zo dat er zelfs in die regio's die in het algemeen als betrekkelijk welvarend kunnen worden bestempeld nog steeds groepen bestaan die zijn achtergesteld of zelfs uitgesloten. Dat kan het gevolg van de geografische ligging van de plaats waar ze wonen. Eilandbewoners en bewoners van bergachtige streken of dunbevolkte ultraperifere of grensgebieden vormen vaak een goed voorbeeld van zulke groepen. Ook van de visserij afhankelijke gemeenschappen kunnen tot deze categorie behoren, zeker als ze gevestigd zijn in de zojuist genoemde gebieden. Daarom hoop ook ik dat het Parlement de amendementen 19 en 20 zal goedkeuren, aangezien deze amendementen hun positie zal versterken.

Achterstelling en uitsluiting kan zich ook op een bepaald maatschappelijk niveau afspelen. Ik denk nu aan een project – Can-Do geheten – in mijn thuisbasis, Aberdeenshire. Dat project verschafte werk aan mensen met leerproblemen; ze werden ingezet bij het sorteren van blikjes en flessen voor recycling. Het project is Europese steun kwijtgeraakt toen fondsen voor de huidige periode werden toegewezen aan delen van het land waar de achterstand algemener was. De bij het project betrokken mensen lopen nu weer net zoveel kans op uitsluiting als vóór aanvang van het project.

De twee gevallen die ik hier heb aangehaald maken duidelijk dat we een wat verfijnder benadering zullen moeten volgen bij het kwantificeren van de behoefte, als we willen dat de steun terecht komt bij degenen die deze steun het meeste nodig hebben. Ik wil de Commissie graag vragen om bijzondere aandacht te besteden aan de in dit verslag vervatte oproep om betere statistische instrumenten te ontwikkelen voor het evalueren van de status van de cohesie. Dat zal ons in staat stellen een betere indruk te krijgen van de mate waarin lokale acties bijdragen tot meer cohesie. Zulke instrumenten kunnen ons bovendien helpen gevallen van achterstand te identificeren en te beslissen hoe er met de onderscheidene gevallen moet worden omgegaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Tomasz Zapałowski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het cohesiebeleid levert een essentiële bijdrage aan de integratie van de maatschappijen binnen de Unie. Dit verslag legt daar de nadruk op. Toch blijkt dat er steeds meer administratieve en procedurele obstakels bijkomen die verhinderen dat regio's met een zwakkere infrastructuur het niveau van de sterker ontwikkelde regio's bereiken.

De procedure voor het mobiliseren van communautaire middelen is enorm gecompliceerd. Wie beoogt men daarmee te helpen? Als het gaat om wegen, zouden de middelen direct kunnen worden overgeheveld naar de relevante afdelingen van de lokale autoriteiten die onder toezicht van de instellingen van de lidstaten staan. Dan hoef je niet langer jaren te wachten voordat de aanleg of reparatie van wegen van start kan gaan.

Er zouden voor verschillende categorieën – individuen, advocatenkantoren, associaties – verschillende beginselen moeten gelden. Als we in de minder ontwikkelde regio’s werkelijk iets willen bereiken, moeten we de opzij gezette steun naar de begrotingen van lokale autoriteiten overhevelen, zonder ze te vragen uit eigen middelen bij te dragen, aangezien ze vaak te arm zijn om zelfs maar een kleine bijdrage te leveren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Olbrycht (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, het verslag van de heer Guellec geeft het standpunt van het Europees Parlement weer met betrekking tot vierde verslag over de economische en sociale cohesie. Dat laatste verslag bevat behalve gegevens over de doeltreffendheid van het cohesiebeleid, ook een daarop aansluitende analyse. Binnen de context van de aanvaarde procedure is dit de eerste fase van het debat over het cohesiebeleid voor de volgende programmeerperiode. Het verslag van de heer Guellec bevat een evaluatie van de zojuist bedoelde analyse en natuurlijk ook een aantal voorstellen.

Bij het debat over de toekomst van het cohesiebeleid moeten we rekening houden met nieuwe omstandigheden en uitdagingen voor de Europese Unie: de uitvoering van de Strategie van Lissabon, klimaatsverandering, wijzigingen in het energiebeleid en veranderende opvattingen over de implicaties van migratie. Daar komt bij dat er actie moet worden ondernomen om de nieuwe ongelijkheden in ontwikkelingsniveau terug te dringen. We zullen ons dus ook moeten afvragen welke acties uit gemeenschappelijk fondsen moeten worden gefinancierd en welke uit hoofde van het EU-beleid moeten worden ondernomen.

Als we spreken over de toekomst van het cohesiebeleid, hebben we het eigenlijk over de toekomst van de Europese Unie. We hebben het vaak over een Unie van actie, een Unie die resultaten oplevert en een Unie die door de burgers wordt aanvaard en gewaardeerd.

We zijn ons er ook van bewust dat er zogenaamde hervormers zijn die voor nieuwe oplossingen pleiten, zoals – bijvoorbeeld – de renationalisatie van het cohesiebeleid. In de praktijk komt dat erop neer dat je ontkent dat solidariteit de basis voor het beleid vormt. We mogen echter niet vergeten dat de lidstaten ook hun eigen, interne beleid hebben om de ongelijkheden uit te vlakken, en dat ze dat dit interne beleid met eigen middelen voeren, zonder Europese steun. De rijkere landen boeken daarbij natuurlijk meer succes. Renationalisatie zal daarom leiden tot het afzwakken van het cohesiebeleid en daar moeten ons tegen teweer stellen. Als we Unie van actie, een Unie van resultaten willen, moeten we het cohesiebeleid nu juist versterken.

 
  
MPphoto
 
 

  Evgeni Kirilov (PSE). – (BG) Mijnheer de Voorzitter, het vierde cohesieverslag toont aan dat het communautair cohesiebeleid positieve resultaten oplevert. De EU moet de regio’s binnen haar grondgebied daarom blijven steunen bij het verwezenlijken van convergentie, economisch welvaren en sociaal welzijn.

We krijgen nu met nieuwe uitdagingen te maken en we zijn het erover eens geworden dat we onze inspanningen op deze uitdagingen moeten richten. Ik wil u echter graag wijzen op een probleem waaraan we in juli 2007 aandacht hebben geschonken in de vorm van een resolutie over de armste regio’s in de EU. Helaas is er daarna aan dat belangrijke probleem geen verdere aandacht meer geschonken. Voor de ultraperifere regio’s bestaat een speciale strategie; nu moeten we een strategische benadering voor de armste regio’s ontwikkelen en deze regio’s een prioritaire behandeling geven om ze te helpen een antwoord te formuleren op hun specifieke moeilijkheden. Het gaat dan om socio-economische problemen met territoriale en geografische aspecten. Ik hoop dat de commissaris in haar Groenboek aan dit probleem aandacht zal besteden.

Ik steun daarom van ganser harte het idee om bij de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid aandacht te besteden aan zowel de sociale en economische als de territoriale aspecten. Dat zou een goed voorbeeld zijn van het solidariteitsbeginsel waarop de EU is gebaseerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Harkin (ALDE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil om te beginnen beide rapporteurs gelukwensen. Het verslag van de heer Guellec wijst er vooral op dat er tussen de lidstaten weliswaar convergentie is waar te nemen, maar dat tegelijkertijd de lokale en regionale discrepanties toenemen.

Dat raakt de kern van het cohesiebeleid en toont duidelijk aan dat er aan territoriale aspecten in elk beleid ruime aandacht moet worden besteed en zeker in de context van de Strategie van Lissabon. Ik heb de zojuist bedoelde situatie in mijn eigen land, Ierland, waargenomen. Er is daar convergentie bereikt met het EU-gemiddelde – we hebben dat zelfs overstegen – , maar toch blijft de economische kloof tussen de verschillende regio’s zich verwijden. Het is heel belangrijk dat we die ontwikkeling stuiten en één manier om dat te doen is door meer te investeren in innovatie, onderzoek en ontwikkeling in de achtergebleven regio’s.

Ik wil de heer Guellec graag bedanken voor het feit dat hij mijn stelling over het belang van sociaal kapitaal bij het stimuleren van economische groei heeft overgenomen. We zijn ons er allemaal van bewust welke rol fysiek kapitaal, natuurlijk kapitaal en menselijk kapitaal spelen bij economische groei en ontwikkeling. Het is echter het sociale kapitaal, de latente hulpmiddelen bij samenwerkende groepen, die de toegevoegde waarde levert. Volgens gegevens van het VN-Handboek, waarin naar een groot aantal landen verwezen wordt, ligt de bijdrage van sociaal kapitaal tot de economische groei op ongeveer vijf procent van het BNP.

Tot slot wil, bij wijze van antwoord op de heer Clark, die ons voorhoudt dat ‘trade not aid’ de oplossing is, graag opmerken dat we in de EU beide wegen bewandelen: handel via de geïntegreerde markt aangevuld met specifieke steun waar daar behoefte aan bestaat. Zo krijg je het beste van beide werelden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Rogalski (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dit verslag bestrijkt een dusdanig ruim terrein dat ik mij beperken tot een paar opmerkingen over een klein aantal zaken.

Eén van de belangrijkste uitdagingen waarmee we in het kader van de ontwikkeling van de Unie geconfronteerd worden is de snelle verspreiding van bebouwde zones en de daarmee samenhangende problemen op het gebied van vervoer en energie. Daar komt bij dat er zich demografische veranderingen voordoen – bepaalde delen van de Unie raken ontvolkt. Tot slot zien we dat de kloof tussen de rijke gebieden en minder welvarende regio's blijft toenemen. Als we bij de cohesie duurzame resultaten willen bereiken zullen we een geïntegreerd ontwikkelingsbeleid moeten volgen dat vooral is gericht op het moderniseren van de infrastructuur, het bevorderen van energie-efficiëntie en het introduceren van milieuvriendelijk vervoer.

Onze cohesiestrategie moet er verder op gericht zijn het concurrentievermogen van plattelandsregio's te vergroten en zo de ontvolking van deze regio's te vertragen. Vooral de nieuwe lidstaten is die ontvolking een groot probleem. Ik wil verder graag wijzen op het belang van een goede samenwerking tussen stedelijke gebieden en plattelandsregio's, om zo de ontwikkeling van onze landen als geheel te bevorderen. Toegang tot informatie en communicatietechnologie zou een cruciale rol kunnen spelen bij het creëren van territoriale cohesie en het ontwikkelen van specifieke gebieden. En dat is waar we op dit moment met de grootste problemen te kampen hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Markus Pieper (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, met een verwijzing naar het verslag van mevrouw Kallenbach en het Handvest van Leipzig wil ik graag toegeven dat we binnen een Europese context meer aandacht aan ruimtelijke ordening moeten besteden. Betekent dit ook dat Europa nieuwe bevoegdheden moet krijgen met betrekking tot woningbouw en ruimtelijke ordening? Ik zou daar een groot vraagteken bij willen zetten. Wat het verslag Guellec en – meer concreet – de toekomst van het structuurbeleid betreft: de met de mondialisering samenhangende regionale uitdagingen, demografische ontwikkelingen, klimaatsverandering, migratie, enzovoorts, zijn allemaal accuraat beschreven. Ook de beleidsperspectieven zijn heel goed weergegeven.

We moeten ons houden aan de reeds bestaande doelstellingen van het cohesiebeleid. Daar hebben we immers ervaring mee. We kunnen deze doelstellingen dan aanvullen met de in de verslagen bedoelde nieuwe elementen. Ik ben voorstander van de geïntegreerde aanpak die de rapporteur bepleit, ook als het gaat om de uitdagingen die zich in de context van de plattelandsontwikkeling zullen gaan voordoen. Ik geloof echter ook dat we ons in het algemeen meer moeten richten op die projecten die een Europese meerwaarde creëren. Of het nu gaat om cohesie, innovatie of transnationale financiering, Europa behoort eigenlijk alleen steun te geven als we zo een duurzame Europee bijdrage kunnen leveren.

Teneinde ook in de toekomst succes te boeken, zullen we ook eens goed moeten kijken naar de instrumenten die tot nu toe gebruikt zijn. Ad hoc-subsidies creëren voor Europa als geheel geen meerwaarde, terwijl lange termijninvesteringen in meer onderzoek en onderwijs en een betere infrastructuur die meerwaarde wel zullen realiseren. We kunnen de doeltreffendheid van het structuurbeleid alleen verhogen als we meer transparantie betrachten bij het toewijzen van fondsen en gebruik maken van de hefboomwerking – bijvoorbeeld door leningen te verstrekken en vaker openbaar-particuliere partnerschappen aan te gaan.

We hebben in dit opzicht nog lang niet al onze opties gebruikt, en ik kan de oproep van de rapporteur om na 2014 in absolute zin meer geld beschikbaar te stellen dan ook niet steunen. We zullen eerst de lopende periode moeten evalueren en onze instrumenten aanpassen aan nieuwe uitdagingen, zoals klimaatverandering en demografische veranderingen. Pas dan kunnen we om een extra bijdrage uit de begroting verzoeken.

De blanco cheque voor de toekomst waar in dit verslag op wordt aangedrongen kan niet werkelijk serieus worden genomen. Ik vraag u daarom bij de stemming ons amendement te steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik wil om te beginnen de rapporteur en de alternatieve rapporteur van mijn Fractie, de heer Guellec en mevrouw García bedanken voor de kwaliteit van hun werk en het feit dat ze steeds open hebben gestaan voor dialoog.

Het verslag erkent – en terecht – dat er hard gewerkt is aan groei en convergentie, vooral in Portugal, Spanje, Griekenland en Ierland. Het is echter wel zaak dat we deze inspanningen voortzetten en uitbreiden – niet alleen ten behoeve van die landen waar solidariteit en cohesie het zwakst zijn, maar ook om bepaalde regio’s binnen die landen sterker te ontwikkelen. Je kunt welvaart niet immers alleen op basis van het BNP evalueren; ook andere criteria dienen in aanmerking te worden genomen.

Ik heb daarom geprobeerd ertoe bij te dragen dat een eilandkarakter en geografische afgelegenheid uitdrukkelijk erkend worden als factoren die ontwikkeling in de weg staan. Het zijn vooral met toegankelijkheid samenhangende problemen die de ontwikkeling bemoeilijken. Dat is wat Artikel 299, lid 2, van het EG-Verdrag stelt en commissaris Hübner heeft dit bevestigd. Daarom is het van cruciaal belang dat we het communautair beleid aanpassen om aldus rekening te houden met deze twee factoren – afstand en eilandkarakter – die de ontwikkeling belemmeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Samuli Pohjamo (ALDE). – (FI) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik wil in dit debat graag het perspectief van de noordelijke landen weergeven. Het is van belang dat er in de toekomst rekening wordt gehouden met de permanente problemen van deze landen – de lange afstanden, de kou en de geringe bevolkingsdichtheid. Ze hebben op grond van deze eigenschappen net zozeer steun nodig als bergachtige streken en eilanden.

Het kan verder geen kwaad erop te wijzen dat de noordelijke regio’s een meerwaarde bieden in sectoren als de mijnbouw, de houtverwerkende industrie en het toerisme. Het onderzoek dat in de regio’s wordt verricht en de nieuwe technologische toepassingen die daar samen met universiteiten, bedrijven, de openbare sector en consumenten worden ontwikkeld leveren steeds weer belangrijke innovaties op, waar Europa als geheel van profiteert.

Ik wijs u op de mogelijkheden die er ontstaan als we de Baltische Strategie en de Noordelijke Dimensie met elkaar combineren, bijvoorbeeld als het gaat om het gebruik van de energiebronnen in de Barentszzee.

Tot slot wil ik de rapporteurs graag gelukwensen met hun uitstekende verslagen; ik dank commissaris Hübner voor haar belangstelling voor de meest noordelijk gelegen hoek van de Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Emmanouil Angelakas (PPE-DE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ook ik wil de rapporteurs graag gelukwensen met hun belangrijke verslagen.

Het cohesiebeleid is heel belangrijk, aangezien het bijgedragen heeft tot de economische en sociale ontwikkeling van talrijke regio’s. Het heeft de kloof tussen de regio’s verkleind, regio’s dichter bij de norm gebracht en verschillen binnen de regio’s teruggedrongen.

Er moet echter nog veel gedaan worden. We hebben nog niet overal dezelfde mate van ontwikkeling bereikt. Er zijn nog steeds verschillen en deze zijn vaak vrij scherp. Het idee om het cohesiebeleid te renationaliseren dient daarom beslist te worden verworpen. Er zijn immers nieuwe lidstaten toegetreden, met regio’s de heel ver onder de norm zitten. De term ‘territoriale cohesie’, zoals die in het Verdrag wordt gebruikt dient verder te worden ontwikkeld en geanalyseerd.

Tot slot moet bijzondere aandacht worden besteed aan geïsoleerde regio’s en eilanden, zoals in Griekenland, waar cohesiemaatregelen er in een belangrijke mate toe bijdragen dat de plaatselijke bevolking de regio niet verlaat, maar aldaar emplooi vindt. Het cohesiebeleid kan voor zorgen dat nieuwe technologie toegankelijk wordt en er beroepsmogelijkheden ontstaan zodat deze regio’s de communautaire norm kunnen behalen.

De in het verslag over het cohesiebeleid opgenomen stellingen zijn dus correct: fondsen moeten worden veilig gesteld en het budget zal zelfs omhoog moeten, ook voor de periode na 2013. We staan voor belangrijke uitdagingen en we mogen niet toestaan dat het cohesiebeleid niet goed of niet tijdig kan functioneren omdat er niet genoeg middelen beschikbaar zijn. Zeker niet als je bedenkt dat iedereen het nut van dit beleid erkent.

Ter afsluiting wil ik graag opmerken dat ik de opmerkingen van commissaris erg waardeer. Ook de vastberadenheid van de Commissie om het cohesiebeleid verder te ontwikkelen kan op mijn instemming rekenen. We zijn heel benieuwd naar het Groenboek en de conclusies die dat document zal bevatten.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, het terugdringen van de sociale en economische verschillen tussen de Europese regio's is een fundamentele doelstelling van de Europese Unie. We proberen een Europa te scheppen waarin alle regio's elkaars gelijke zijn.

Vooral na de meest recente uitbreidingen is het des te belangrijker dat we extra aandacht besteden aan de cohesiedoelstellingen. Volgens bepaalde schattingen zullen landen als Polen, Bulgarije en Roemenië bij het huidige groeipercentage meer dan 15 jaar nodig hebben om een BNP te bereiken dat 75 procent van het gemiddelde van de Unie bedraagt.

Het volledig gebruiken van de structuurfondsen overeenkomstig de communautaire wetgeving is dus een sine qua non voor het terugbrengen van de sociale en economische verschillen tussen de Europese regio's. Dat geldt vooral voor de nieuwe lidstaten, aangezien deze met veel problemen te kampen hebben. Om een voorbeeld te nomen: Poolse lokale autoriteiten zijn onlangs in moeilijkheden geraakt als gevolg van het feit dat de euro ten aanzien van de Poolse munt voortdurend in waarde bleef dalen. Die daling leidde immers tot een afname van de reële omvang van reeds opzij gezette communautaire middelen voor regionale projecten.

Daar komt bij dat de arbeids- en productiekosten in Europa blijven stijgen, zodat uit Europese middelen gefinancierde investeringen duurder worden en de daarvoor aangewende fondsen reëel gezien in waarde dalen. Dat heeft tot gevolg dat de implementatie van veel Europese projecten op de helling is komen te staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Sérgio Marques (PPE-DE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, dames en heren, ik wil om te beginnen de heer Guellec gelukwensen met zijn werk en hem prijzen voor de intelligente en vastberaden wijze waarop hij een pleidooi voert voor een optimaal gebruik van een beleid dat de solidariteit tussen de Europese regio's bevestigt. Hij stelt terecht dat er voor dit beleid na 2013 meer middelen moeten worden vrijgemaakt.

Het debat over de vraag wat voor cohesiebeleid we ná 2013 willen is pas met dit verslag geopend – en dus niet zozeer door de beoordeling van de impact van het cohesiebeleid gedurende de periode 2000-2006. Ik wil één opmerking over het heden maken, en drie over de toekomst.

Mijn eerste opmerking heeft betrekking op het feit dat – zoals het vierde verslag ook laat zien – het cohesiebeleid een cruciale rol speelt bij het terugbrengen van de verschillen in ontwikkelingsniveau tussen de verschillende regio's. Het cohesiebeleid werkt als een stimulans voor de achtergebleven regio's. Het draagt dus bij tot het scheppen van een harmonieuzer Europa dat zich door solidariteit gesterkt weet. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat het cohesiebeleid behalve deze fundamentele doelstelling ook nog andere resultaten heeft gerealiseerd. Het heeft een doorslaggevende bijdrage geleverd een de opbouw en uitbreiding van de interne markt en het heeft bijgedragen tot het succes van de achtereenvolgende uitbreidingen, tot de introductie en de consolidatie van de eenheidsmunt, en tot een steeds sterkere identificatie van de burgers met de Europese Unie.

Ten tweede wil ik er graag op wijzen dat het cohesiebeleid een nieuw jasje moet krijgen. De territoriale dimensie van dit beleid wordt in het Verdrag van Lissabon uitdrukkelijk erkend, hetgeen betekent dat we het cohesiebeleid zullen moeten versterken. We moeten voortaan gebruik maken van de diversiteit van onze regio’s en het feit dat ze elkaar aanvullen en aandringen op de ontwikkeling van een Europa rond een aantal centra.

Het verslag van mevrouw Kallenbach – die ik bij deze ook bedank – verschaft ons in dit opzicht een reeks nuttige richtsnoeren.

Mijn derde opmerking heeft betrekking op het feit dat het cohesiebeleid zich steeds meer zal moeten gaan bezig houden met nieuwe uitdagingen, zoals mondialisering, migratie, vergrijzing, klimaatsverandering, energiediversificatie, onderzoek en technologische ontwikkeling. Als we consistent willen zijn, zullen we meer geld moeten vrijmaken voor een versterkt regionaal beleid.

Tot slot hebben we behoefte aan een nieuw perspectief voor de ultraperifere regio’s om te garanderen dat deze zich binnen de Europese ruimte thuis blijven voelen. Het is dus van cruciaal belang dat we antwoorden formuleren op de ernstige problemen waar deze regio’s mee geconfronteerd worden, zoals een geïsoleerde ligging, moeilijke toegankelijkheid en een nadelige concurrentiepositie.

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE). – (HU) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Mevrouw de commissaris, dames en heren, ik wil mevrouw Kallenbach en de heer Guellec graag gelukwensen met hun uitstekende verslagen; beide verslagen vertegenwoordigen een mijlpaal in het debat over het cohesiebeleid.

Het ontwikkelingsniveau van onze regio’s loopt sterk uiteen, maar als we iets verder kijken zien we dat er tussen verschillende gebieden binnen eenzelfde regio wijdere kloven bestaan. We zijn er niet in geslaagd een juiste aanpak te vinden voor armoede op het platteland en in gebreke gebleven de achterlopende gebieden binnen het kader van het algemeen landbouwbeleid op te trekken tot het niveau van de overige regio’s. We zullen ons op dit vlak een veel grotere inspanning moeten getroosten, en wel binnen de context van een vernieuwd en geïntegreerd cohesiebeleid dat berekend is op de taak om de negatieve tendensen in de steeds armer worden gebieden om te keren.

De synergie tussen cohesie en een sterker concurrentievermogen moet worden verbeterd – ze mogen niet op de één of andere wijze aan elkaar ondergeschikt worden gemaakt. We worden bovendien met nieuwe uitdagingen geconfronteerd, zoals de vergrijzing van de bevolking, energie-efficiëntie en klimaatsverandering. We zullen op al die uitdagingen een antwoord moeten formuleren. Het is daarom van fundamenteel belang dat we het cohesiebeleid versterken, hetgeen ook betekent dat we alle pogingen om dit beleid te renationaliseren moeten verwerpen. Als we het Europees project rond een kern van solidariteit en cohesie realiseren, zal onze Unie pas werkelijk sterk en concurrerend zijn. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE). – (SK) Dames en heren, het wordt steeds belangrijker dat we stedelijke gebieden op een degelijke wijze plannen en op een verantwoordelijke manier ontwikkelen, zeker als je bedenkt met wat voor problemen we te maken hebben: het vastlopen van de netwerken voor stadsvervoer, milieuschade en speculatie – om er maar eens een paar te noemen. Ik ben daarom ingenomen met de goedkeuring van de Territoriale Agenda en het Handvest van Leipzig.

Steden hebben in de context van klimaatbescherming een bijzondere verantwoordelijkheid en dat zou op alle beleidsvlakken een prioriteit moeten zijn. Steden kunnen bijdragen tot het oplossen van verkeersproblemen door verschillende vormen van vervoer beter op elkaar te laten aansluiten en een behoorlijke infrastructuur voor fietsers en voetgangers te ontwikkelen. Dat zou bovendien de uitstoot van broeikasgassen terugbrengen. Ik zou verder willen voorstellen dat steden voorrang geven aan energie-efficiënte gebouwen en reeds bestaande gebouwen een nieuwe bestemming geven in plaats van nieuwe gebouwen op te trekken.

Ik wil er graag op wijzen dat niet alleen de stadskernen, maar ook de buitenwijken en het platteland succes kunnen behalen bij het verwezenlijken van de cohesiedoelstellingen. Daarom dring ik er bij de Commissie op aan dat ze deze succesvolle projecten volgt en op basis daarvan een ontwikkelingsmodel samenstelt voor kleine en middelgrote plaatsjes en steden buiten de grote agglomeraties. Eén van de kenmerken van Europa bestaat erin dat het ondanks z’n betrekkelijk geringe omvang geografisch gezien toch heel veelzijdig is. Het is dus zaak dat we rekening houden met unieke regionale kenmerken en de daarmee samenhangende verschillen. We moeten mensen in de verschillende regio’s de kans geven gebruik te maken van de unieke mogelijkheden en het specifieke potentieel van de regio waar ze wonen. Ik geloof dat het heel belangrijk is dat dit beleid ook gericht is op het oplossen van territoriale problemen die samenhangen met de aard van de regio, of dat nu eilanden zijn, grensregio’s, berggebieden of dunbevolkte streken. Op die manier kunnen we de levensstandaard van de mensen in deze regio’s verhogen.

Tot slot wil ik graag benadrukken dat stadsontwikkeling moet zijn gebaseerd op een geïntegreerde en goed gecoördineerde strategie die op alle niveaus door zowel de regering als de particuliere sector wordt gesteund.

 
  
MPphoto
 
 

  Miloš Koterec (PSE). – (SK) Dank u, mijnheer de Voorzitter. We voeren nu een debat over het vierde verslag over de economische en sociale cohesie en de verslagen van mevrouw Kallenbach en de heer Guellec, en dat gebeurt op een moment dat de eerste onderwerpen van de begroting 2014-2020 min of meer vaste contouren beginnen te krijgen.

Ik wil die twee gegevens graag met elkaar verbinden en benadrukken waarom die link zo belangrijk is. Het is niet zo dat ik bang ben dat de financiering van het cohesiebeleid uit de begroting zal verdwijnen, maar ik zou niet graag zien dat in de volgende begrotingsperiode minder geld voor dit doel wordt gereserveerd. Daar komt bij – zoals de rapporteurs terecht opmerken – dat er nog steeds belangrijke regionale verschillen bestaan, waar soms problemen van structurele aard aan ten grondslag liggen. En aangezien de situatie als gevolg van de uitbreiding niet is verbeterd, zullen we moeten overwegen dit onderdeel van de begroting meer gewicht toe te kennen.

De verslagen maken duidelijk dat de toestand dusdanig gecompliceerd is dat ze door interventie van de Commissie alleen niet kan worden opgelost. Regeringen spelen in deze context natuurlijk een belangrijke rol, maar het wordt toch steeds duidelijker dat de problemen zonder de participatie van de regionale en lokale autoriteiten niet kunnen worden opgelost. Ze moeten bij het nemen van besluiten over ontwikkeling van hun gebieden verzekeren dat er een synergie ontstaat met de nationale regering en ze zijn verder verantwoordelijk voor de wijze waarop die ontwikkeling uiteindelijk gestalte krijgt. Ze moeten dus feedback verschaffen met betrekking tot de wijze waarop de ontwikkeling en de cohesie gerealiseerd worden.

Wie kan er immers meer informatie verschaffen over de werkelijke ontwikkeling van een regio dan de mensen die er zelf wonen? Daarom dring ik er bij de Commissie op aan dat ze in haar beoordelingsprocedures niet afgaat op macro-economische indicatoren. Ze moet zich creatief tonen en proberen die informatie …

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil om te beginnen de rapporteurs feliciteren met hun uitstekende verslagen. Ik wil verder graag aangeven dat ik de passie van de leden van de nieuwe lidstaten begrijp. Ik weet heel goed dat het niet gemakkelijk is de kiezers in uw landen tevreden te stellen, maar u maakt nu deel uit van de Europese Unie, en dat betekent ook u – en voor ons geldt dan net zo goed – niet altijd alles wat u verlangt ook inderdaad krijgt.

Ik moet degenen die vooral met woorden hebben gegoocheld wel vertellen dat het verschil tussen meer middelen en voldoende middelen inderdaad erg klein is. Ik zal zelf beslist de formulering ‘voldoende middelen’ steunen.

Soms is het verstandig vast te stellen dat je een bepaald resultaat hebt bereikt en dat resultaat dan mee naar huis te nemen. Ik geef zelf op dit moment de voorkeur aan het woord ‘voldoende’, zeker als je bedenkt dat veel van de voor dit beleid opzij gezette middelen nog niet zijn gebruikt. Ik zou maar wat blij zijn als mijn regio ooit zulke steun zou ontvangen, want dat is nooit het geval geweest. En we zijn nu net zo ver achter als een aantal van de landen waar we het nu over hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Arnaoutakis (PSE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de rapporteurs graag gelukwensen met het werk dat ze verricht hebben voor deze twee uitstekende verslagen.

Het Europees Parlement bevestigt opnieuw – en op ondubbelzinnige wijze – dat het cohesiebeleid van cruciaal belang is en dat het de Unie dichter bij de burgers brengt. Het cohesiebeleid is een beleid dat de EU als geheel een meerwaarde biedt. Het volstaat niet dit beleid alleen maar voort te zetten – we moeten het versterken door het extra middelen toe te wijzen.

Beide verslagen zijn het eens over de juistheid van die benadering. Ik wil hier vooral de aandacht vestigen op het belang van:

- De participatie – in de vorm van een partnerschap – van de lokale autoriteiten, en wel op elk denkbaar vlak;

- De samenhang tussen om het even welk communautair beleid – inzonderheid het cohesiebeleid – en het beleid voor plattelandsontwikkeling;

- Maatregelen en acties die gericht zijn op een polycentrische ontwikkeling van de EU, met het accent op het platteland;

- Kleine en middelgrote steden en het belang dat deze kernen vertegenwoordigen en – tot slot – ;

- Het uitvlakken van intraregionale ongelijkheden, het bestrijden van jeugdwerkloosheid en de ernstige armoede zoals die in veel regio's van de Unie kan worden aangetroffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rumiana Jeleva (PPE-DE). – (BG) Zelfs als er verschillende standpunten bestaan kan het geen kwaad om in herinnering te brengen wat de raison d’etre van het cohesiebeleid is en wat we ermee hopen te bewerkstelligen. Dit beleid belichaamt de hoop op een grotere welvaart en een betere toekomst voor iedereen in Europa.

Alle Europeanen streven naar een beter bestaan en het cohesiebeleid is een instrument om ze bij hun inspanningen te helpen. We mogen intussen niet vergeten dat er binnen de Europese Unie nog steeds grote verschillen bestaan en dat de er steeds minder middelen beschikbaar zijn.

Daarom geloof ik dat het cohesiebeleid moet worden versterkt. Ik geloof verder dat we ervoor moeten zorgen dat dit beleid op de best denkbare wijze ten uitvoer wordt gelegd. Sommige procedures en regels zijn nog steeds te gecompliceerd en vermoedelijk daarom weinig doeltreffend. Een algemene herziening van het cohesiebeleid zou dit beleid kunnen verbeteren, en dat is iets waar alle Europeanen baat bij zouden ondervinden.

Tot slot wil ik graag benadrukken hoe belangrijk het cohesiebeleid is voor de minst ontwikkelde regio’s. De daar levende burgers geloven in steun van de zijde van de EU. We mogen ze niet teleurstellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jamila Madeira (PSE).(PT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het cohesiebeleid – een communautair beleid par excellence – speelt een belangrijke rol bij het verwezenlijken van een Europa dat solidariteit biedt, dicht bij de burgers staat, en daarbij van en voor iedereen is. Dit beleid maakt duidelijk welk belang de Unie vertegenwoordigt in het alledaagse bestaan van de Europese burgers.

De uitbreiding tot 27 lidstaten heeft de aard van dat Europa gewijzigd. De doelstellingen van nu wijken af van die welke bij aanvang nagestreefd werden. De uitdagingen waar we nu een antwoord op moeten formuleren – zoals de mondialisering, de terugloop van de bevolking, woestijnvorming in bepaalde regio’s en klimaatverandering gepaard met steeds frequenter optredende en in ernst toenemende natuurrampen – zijn veel gecompliceerder en nopen ons tot een grotere inspanning.

Innovatie is een andere nieuwe doelstelling. Het komt er dus op neer dat we nu in een uitgebreide Unie met grotere uitdagingen worden geconfronteerd, terwijl de begroting niet meegroeit. Wel zijn de definities in naam van de solidariteit aangepast, als gevolg waarvan gebieden die voorheen als doelstelling 1-regio werden beschouwd nu vanwege het statische effect als welvarende regio’s worden beschouwd.

Het is van groot belang dat de ongelijkheden worden uitgevlakt, en dat kan als we toegang hebben tot een daarop berekende begroting. We mogen niet toestaan dat bepaalde regio’s in deze enorme Unie aan hun lot worden overgelaten.

De goedkeuring van het Verdrag van Lissabon verplicht ons daartoe, aangezien territoriale cohesie – de belangrijkste component van het cohesiebeleid – nu in de wetgeving is vastgelegd. Het is dus van belang dat we ons bij het cohesiebeleid niet alleen op economische en sociale cohesie concentreren, maar dat er ook aan de solidariteit tussen de regio’s …

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het verheugt mij dat ik deze gelegenheid krijg om iets over de toekomst van het cohesiebeleid te zeggen, een beleid dat zowel voor de oude als voor de nieuwe lidstaten van cruciaal belang is.

Ik werk nauw samen met organismen van de Schotse lokale regering om oplossingen voor hun problemen te vinden. Het deed me daarom bijzonder deugd toen ik vernam dat de Convention of Scottish Local Authorities (COSLA) onlangs heeft aangegeven dat ze het ontwerp van het EU-Verdrag op het punt van lokale regeringen. Het Verdrag erkent namelijk het principe van zelfbestuur en noemt territoriale cohesie als doelstelling.

Het kwam niet als een verrassing dat het regionaal beleid behoorde tot de vijf kernpunten die de COSLA onlangs met wij wilde bepreken. Er zijn minder communautaire middelen beschikbaar voor het structuurbeleid, en dat betekent – zoals zo vele sprekers al hebben aangegeven – dat de fondsen voor regionale ontwikkeling naar de regio’s en de lokale overheden moeten worden overgeheveld. Het zijn vooral die overheden die zorg zullen moeten dragen voor de verspreiding van die fondsen. Het verslag-Guellec report pleit voor het versterken van de rol van lokale overheden bij het toekennen van de structuurfondsen. We zijn tot onze grote schade vaak geneigd te vergeten dat alle politiek uiteindelijk lokaal is.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria Petre (PPE-DE). – (RO) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, de verslagen die we nu bespreken – ik bedank bij deze de rapporteurs – roepen volgens mij aan aantal uiterst belangrijke vragen op. Die vragen hebben betrekking op het partnerschap tussen stedelijke en landelijke gebieden bij een harmonieuze en duurzame ontwikkeling van het grondgebied als geheel en verder op het feit dat steden de neiging hebben zich op een chaotische wijze uit te breiden, waardoor het landschap gefragmenteerd wordt en er steeds meer land verloren gaat.

Dat zijn – net als klimaatverandering en de ontvolking van plattelandsgebieden – uitdagingen waar we hoe dan ook rekening mee zullen moeten houden, zowel op Europees vlak als op het niveau van de lokale overheden die belast zijn met de uitvoering van het beleid.

Als Roemeens lid van dit Parlement steun ik de stelling dat niet alleen grote stedelijke agglomeraties het vermogen tot innovatie bezitten. Ik verzoek de Commissie derhalve meer aandacht te besteden aan de ontwikkeling van kleine en middelgrote stadjes en steden op het platteland.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) Dank u, mijnheer de Voorzitter. Het vierde verslag over de economische en sociale cohesie is gedetailleerder dan voorgaande verslagen. Het is gebaseerd op een groot aantal indicatoren en verschaft bovendien nuttig vergelijkingsmaterieel door te verwijzen naar landen als de Verenigde Staten, Japan, China en India.

Het cohesiebeleid heeft van begin af aan een belangrijke rol gespeeld bij het vergroten van het vermogen van de lidstaten om een harmonieuze ontwikkeling te realiseren en nieuwe en permanente banen te creëren. Het is nog te vroeg om de resultaten van het cohesiebeleid in de nieuwe lidstaten te beoordelen, maar er is reden voor bezorgdheid met betrekking tot de notoire vertragingen bij het gebruik van de onder deze begroting vallende structurele steun in deze staten. Convergentie tussen de verschillende landen verhult soms dat de verschillen tussen en binnen regio’s verscherpen. Er beginnen zich op veel vlakken regionale en lokale verschillen af te tekenen, met alle gevolgen van dien voor de werkgelegenheid, productiviteit, inkomens, opleidingsniveau en innovatievermogen.

Bij de uitvoering van projecten ten behoeve van de cohesie dient in elke fase gekeken te worden naar sociale integratie en gelijke kansen. Ik vertrouw erop dat er bij de volgende herziening van het financiële kader de nodige middelen beschikbaar zullen worden gesteld om een behoorlijk antwoord te formuleren op de grote uitdagingen van het nieuwe cohesiebeleid voor de uitgebreide Unie, om aldus te garanderen dat alle burgers ...

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Dăianu (ALDE). – (RO) Mijnheer de Voorzitter, ik kan beide verslagen steunen, maar wil intussen wel de aandacht vragen voor een afwijkend perspectief, waarin de verplaatsing van industrieën binnen de EU en het structuur- en cohesiebeleid met elkaar verbonden worden.

De structuurfondsen kunnen worden beschouwd als een soort algemene subsidie van de EU aan de minder ontwikkelde gebieden. Is het nu inderdaad zo dat het nut van dit op de regio’s gerichte cohesiebeleid door belangrijke politici in de sterkste EU-lidstaten in twijfel wordt getrokken? Wat moet er dan gebeuren? Moeten regio’s in de minder ontwikkelde lidstaten van de EU de ontwikkeling van hun infrastructuur staken omdat ze anders van oneerlijke mededinging kunnen worden beticht?

Ik verwijs nu naar een artikel in de Financial Times van vorige week maandag, waarin gesteld wordt dat de markteconomie geen jungle mag zijn. Er is een rol weggelegd voor openbaar beleid, en niet alleen op sociaal vlak. We moeten echter wel nuanceren, aangezien er in deze wereld nu eenmaal geen enkele onfeilbare lokale of nationale economie is. Hoe sterk we ook geloven in sociale rechtvaardigheid – niet alle burgers kunnen altijd, overal en op hetzelfde moment succes boeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Antonio De Blasio (PPE-DE). – (HU) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik dank u dat u mij het woord heeft willen geven. Dat het cohesiebeleid heel belangrijk is en resultaten oplevert staat buiten kijf. Dat is meen ik ook de teneur van het verslag. Ik wil de rapporteur daarom met zijn verslag gelukwensen.

Het cohesiebeleid is gericht op convergentie en daarom is het heel belangrijk dat we de voor dit beleid gereserveerde sommen op een doeltreffende wijze gebruiken. Het belang van een nog uit te voeren project kun je volgens mij niet afmeten aan het bedrag dat je ervoor opzij zet; de waarde van dat project wordt nu juist bepaald door de doeltreffendheid ervan.

Doeltreffendheid kan op twee manieren worden gemeten: door te kijken in welke mate een project bijdraagt tot convergentie en door te kijken hoe efficiënt de middelen voor gelijksoortige projecten in andere landen zijn gebruikt. Voor een bepaald soort project kan in één lidstaat immers niet vele malen het bedrag worden gegeven dat in andere landen beschikbaar is gesteld. Ik had graag dat u eens nadacht over deze meetmethode. Doeltreffendheid zal in de toekomst namelijk de rechtvaardiging vormen voor een sterker cohesiebeleid. Ik dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Wolfgang Bulfon (PSE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, wanneer hebben burgers behoefte aan Europese solidariteit? Wanneer heeft een lidstaat behoefte aan Europese solidariteit? In de eerste plaats natuurlijk bij een ramp. Daarom vind ik het onbegrijpelijk dat een besluit van het Parlement van 2006 om het solidariteitsfonds aan te passen – zoals bedoeld in paragraaf 45 van het cohesieverslag – nog steeds niet is geïmplementeerd. Daarom verzoek ik iedereen – het Parlement én de Commissie – om druk uit te oefenen op de Raad om deze kwestie snel op te lossen. Er zal zich hoe dan ook wel weer ergens een ramp voordoen, dat verzeker ik u.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) Het cohesiebeleid kan alleen op een succesvolle wijze ten uitvoer worden gelegd als de lokale doelgroep in staat is de acties te coördineren om zo optimaal gebruik te maken van Europese fondsen. Daarom moeten de lidstaten het beheer decentraliseren, de beheerscapaciteiten op regionaal niveau vergroten en de overdaad aan bureaucratie bij het beheer van het cohesiebeleid verwijderen.

Het idee om sectoren in clusters en innovatiekernen te verdelen zou bredere sectoren en daarop aansluitende gebieden beslist voordelen kunnen opleveren. En er zouden op die manier zones kunnen worden geïdentificeerd die rijp zijn voor integratie. Uiteindelijk blijkt toch dat de kleinere sectoren doeltreffende steun moeten ontberen. In Slowakije zijn er in geografisch achtergestelde regio's talrijke dorpen met minder dan 2000 inwoners die niet meer in aanmerking zullen komen voor bepaalde operationele programma's in het kader van het cohesiebeleid.

Ik doe daarom een beroep op de lidstaten om voor alle regio's een niet discriminerend systeem op te zetten opdat iedereen baat kan ondervinden bij te implementatie van het cohesiebeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw de commissaris, ik ben de rapporteur voor stedelijke mobiliteit. In onze discussies besteden we altijd veel aandacht aan de verhoudingen tussen de stedelijke centra en de omliggende gemeenten. We zijn ons er ook van bewust dat de nieuwe lidstaten met bijzondere problemen te kampen hebben als het erom gaat hun infrastructuur zodanig te organiseren dat de opties voor milieuvriendelijker vervoerswijzen open blijven en we de balans niet opnieuw naar privé voertuigen laten doorslaan. Ik wil in deze context graag een specifiek verzoek doen – dat de Commissie ons binnen het kader van de verschillende opties voor het regionaal beleid helpt bij het identificeren van oplossingen voor de vervoersproblematiek rond de steden en dat ze bijdraagt tot sociale cohesie tussen de lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Danuta Hübner, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter ik wil aan het einde van dit debat graag van deze gelegenheid gebruik maken om de afgevaardigden te bedanken voor hun bijdragen. Er zijn veel vragen waarop ik nu geen antwoord kan geven, maar ik zal die vragen met me meenemen. Het gaat dan onder andere om de door u genoemde problemen rond kleine en middelgrote stadjes en steden en de ontwikkeling van het stadsvervoer.

In uw verslagen legt u heel duidelijk een verbinding tussen het verleden en de toekomst. In feite bouwt u een soort brug, en dat is waarom ik graag iets wil zeggen over hetgeen we tot nu toe hebben bereikt bij de openbare raadplegingen over de toekomst van het Europees cohesiebeleid. We zijn met deze raadplegingen eind september 2007 van start gegaan en tot nu toe zijn er meer dan 100 goed uitgewerkte verklaringen en meningen bij ons binnengekomen – en die zijn niet alleen van lokale, regionale en nationale overheden afkomstig, maar ook van een aantal Europese organisaties op het gebied van ruimtelijke ordening, sociale en economische partners, academici, onderzoeksinstellingen en particulieren.

Op verzoek van één van de regeringen zullen we de raadplegingen voortzetten tot halverwege februari. Het blijkt namelijk dat er nog steeds documenten worden opgesteld.

Uit een voorlopige beoordeling van deze opinies blijkt dat het beleid op zeer solide steun kan rekenen. Er wordt dan verwezen naar de rechtstreeks impact van dat beleid op groei en ontwikkeling, maar ook naar het gegeven dat dit beleid aanzet tot nieuwe denkwijzen en verder een hefboomfunctie vervult bij het aantrekken van aanvullende financiële middelen.

De belangstelling gaat vooral uit naar de wijze waarop de steun wordt verspreid; er bestaat brede steun voor de beginselen die we de afgelopen jaren samen met het Europees Parlement hebben ontwikkeld.

Verder blijkt dat men het er in het algemeen over eens is dat het cohesiebeleid antwoorden moet formuleren op de uitdagingen die we hier vandaag besproken hebben. Het gaat dan niet alleen om met de mondialisering samenhangende problemen, maar ook om kwesties als demografie, klimaat en energie en – in algemene zin – herstructurering. De geïntegreerde benadering geniet brede steun.

Eén van de belangrijke kwesties die u vandaag hebt aangestipt, is de vraag hoe we nu verder gaan met het Groenboek dat in september door de Commissie zal worden uitgegeven. Na uitgave volgt er een ruime periode – vermoedelijk een maand of vier – voor allerlei soorten discussies, en dus niet alleen via het Internet. Intussen zullen onze diensten halverwege april een bespreking met de belangrijkste betrokkenen organiseren. Op die wijze kunnen we ook met aanvullende gezichtspunten rekening houden.

Als dat nodig mocht blijken te zijn, ben ik bereid een hoorzitting met de parlementaire commissie voor regionale ontwikkeling te organiseren, of eender welke andere instelling die graag haar standpunten inzake het Groenboek met de Commissie zou willen delen vóór we dat Groenboek goedkeuren.

Een andere vraag – en de Commissie heeft hier ook aan gedacht – betrof de statistische gegevens en indicatoren. Met de hulp van onze analyse-instelling ESPON – die we flink hebben uitgebreid en de eerstvolgende jaren van een aanzienlijk hoger budget zullen voorzien – proberen we een aantal van de nieuwe dimensies en een aantal van de reeds bestaande dimensies van de territoriale cohesie te meten. We zijn daar nu mee bezig en we hopen spoedig resultaten binnen te krijgen.

Ik kan u verzekeren dat de Commissie zal blijven zoeken naar geschikte indicatoren die kunnen dienen als aanvulling op de BNP- en werkgelegenheidsindicatoren. In het vijfde cohesieverslag zullen we een nieuwe, samengestelde indicator voorstellen.

Ik dank u hartelijk voor al uw opmerkingen. Ik wil in het bijzonder de rapporteurs danken voor al hetgeen ze hebben bijgedragen aan dit debat en alles wat ze nog zullen bijdragen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ambroise Guellec, rapporteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, ik zal het kort houden. Om te beginnen kan ik u als afgevaardigde uit een kustregio met betrekking tot de opmerkingen over de door de visserijcommissie ingediende amendementen verzekeren dat de visserij mij bijzonder dierbaar is. Helaas zijn we er niet in geslaagd de amendementen van de visserijcommissie op te nemen in de tekst waarover we nu gaan stemmen. We betreuren dat, maar één en ander betekent niet dat we vinden dat er aan een sector die voor bepaalde regio’s van de EU zo belangrijk is minder aandacht hoeft te worden besteed.

Ik wil verder graag zeggen dat cohesie een heel belangrijk Europees beleid is, en ik geloof dat we dit beleid vandaag in het Parlement ook zo hebben gekenschetst. Dat is een heel belangrijk punt, zeker als je bedenkt wat er in de toekomst nog gedaan moet worden. De commissaris heeft eerder gezegd dat het hier om een verslag over het verleden gaat, maar wat ons nu het meest interesseert is natuurlijk de toekomst. De commissaris begrijpt dat we grote verwachtingen koesteren met betrekking tot de territoriale cohesie. Dit begrip krijgt door opname in het Verdrag van Lissabon extra betekenis. Het is nu aan de Commissie om iets te ondernemen, en wij zullen u daar natuurlijk bij helpen, mevrouw de commissaris. Het werk moet worden gedaan en we moeten het – samen – goed doen.

Ik wil daaraan toevoegen dat het regionaal beleid als geheel nu via de medebeslissingsprocedure vorm zal krijgen. Het Parlement zal ons helpen vooruit te komen en dit aan onze medeburgers duidelijk te maken. We hebben zijn het daar vanochtend over eens geworden. Waar het om gaat is dat we concrete solidariteit tonen ten behoeve van de regio’s die daar het dringendst behoefte aan hebben. Ook daar is deze ochtend op gewezen.

Er wacht ons een kolossale taak. Maar we willen graag meewerken aan een beleid dat voor de Europese Unie van essentieel belang is.

 
  
MPphoto
 
 

  Gisela Kallenbach, rapporteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil graag een woord van dank uitspreken voor de steun en de waardevolle bijdragen van een groot aantal collega’s. Ik meen dat nu wel duidelijk is geworden dat we solidariteit als één van Europa’s belangrijkste positieve kenmerken moeten handhaven. Maar het is ook waar dat we onze instrumenten – in dit geval het cohesiebeleid – veel doeltreffender moeten gebruiken. Van belang is tenslotte ook dat we van meet af aan goed met de burgers communiceren.

Ik wil in het bijzonder commissaris Hübner bedanken. Mevrouw de commissaris, u heeft duidelijk gemaakt dat u samen met het Parlement praktische stappen wil ondernemen: een geïntegreerde aanpak, indicatoren die meetbare resultaten opleveren, een definitie van territoriale dimensie en het Groenboek. We zullen uw hulp beslist nodig hebben om ervoor te zorgen dat de Raad meewerkt. Ik moet opnieuw zeggen dat ik het betreur dat er niemand van de Raad aanwezig is bij dit zo belangrijke debat.

De conclusies van deze verslagen moeten leiden tot een amendement op de Strategie van Lissabon en de basis vormen voor een nieuwe communautaire doelstelling, de territoriale dimensie. Maar dan wel op een praktische wijze – anders blijft het bij lege woorden.

Ik wil voor de stemming graag nog één oproep doen aan mijn collega’s en dat is dat we concreet iets moeten ondernemen. Laten we dus niet steeds weer beoordelingen en analyses uitvoeren. We moeten eisen dat bij de toewijzing van middelen uit de structuurfondsen een geïntegreerde aanpak wordt gevolgd. En we moeten duidelijke eisen opleggen met betrekking tot het terugdringen van broeikasgassen. Steden moeten zich inzetten voor klimaatbescherming. Anders hebben onze beloften op Europees en nationaal niveau geen enkele waarde.

 
  
MPphoto
 
 

  President. − Het debat is gesloten.

We gaan over een paar minuten over tot de stemming over de verslagen.

Schriftelijke verklaringen (Artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Filip Kaczmarek (PPE-DE), schriftelijk. (PL) De economische en sociale cohesie is gebaseerd op Europese solidariteit. In andere delen van de wereld waar gewerkt wordt aan regionale integratie-initiatieven kijkt men afgunstig naar dit onderdeel van het Europese beleid. Als het Europese project uniek van aard is, dan is dat vooral vanwege ons cohesiebegrip.

Voor regionale initiatieven in Afrika en Zuid-Amerika zijn geen middelen beschikbaar en er bestaat zelfs geen minimaal cohesiebeleid. Plannen voor uitbreiding van de Unie worden vaak beoordeeld aan de hand van de vraag of er doeltreffende actie kan worden ondernomen om de cohesie te vergroten. We kunnen zonder meer stellen dat het cohesiebeleid een groot succes is – voor de Unie én al haar lidstaten.

Het is zeker zo dat burgers van de Unie zich bij hun beoordeling van het cohesiebeleid eerst en vooral afvragen of het beleid werkelijk wordt geïmplementeerd en of het de doelstellingen die het beweert na te streven ook kan verwezenlijken. In veel lidstaten, inzonderheid die welke vrij recentelijk tot de EU zijn toegetreden, heeft men hoge verwachtingen van het cohesiebeleid. We hopen nu dat solidariteit meer zal blijken te zijn dan alleen maar een mooi woord, en dat die solidariteit de vorm zal aannemen van concrete beloften jegens diegenen die door het lot minder vriendelijk zijn behandeld. Cohesie is bovendien een instrument voor het scheppen van gelijke kansen. Het is dus een schitterende vorm van reclame voor de Unie.

Daarom moeten we ideeën om minder middelen beschikbaar te stellen voor het vergroten van de economische en sociale cohesie afwijzen. Integendeel, we moeten juist aandringen op het reserveren van meer financiële middelen voor cohesie, al was het alleen maar omdat we met nieuwe uitdagingen te maken zullen krijgen. Ik dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), schriftelijk. (PL) Mijnheer de Voorzitter, het cohesiebeleid behoorde bij de oprichting van de Europese Unie nog niet tot die typen beleid die essentieel werden geacht. Het was dan ook geen toeval dat het cohesiebegrip pas is geconcipieerd toen er minder ontwikkelde landen tot de Europese Unie toetraden die niet goed bij de zes oprichtersstaten aansloten. Vanaf dat moment is cohesie steeds belangrijker geworden en het is nu een pijler voor de Europese integratie geworden. Dit beleid neemt op de begroting en in verdragen een centrale plaats in. Het feit dat er voor de periode 2007-2013 meer dan 308 miljard euro voor cohesie is gereserveerd is daarvan het bewijs.

Sinds enige tijd bestaat er een tendens om het nut van dit fundamentele beleid van de Unie in twijfel te trekken. Vreemd genoeg is die tendens zich gaan manifesteren op het moment dat de Europese Unie landen uit Midden- en Oost-Europa begon op te nemen, de landen die om historische redenen de grootste achterstand hebben goed te maken. Er wordt daarom niet voorgesteld het cohesiebeleid af te schaffen. Voorgesteld wordt om dit beleid heel anders vorm te geven, waarbij als excuus wordt aangevoerd dat structuurfondsen verspild zouden worden en dat er op dit vlak misstanden zouden bestaan. Dat is de grootste fout die we ooit zouden kunnen maken! Onregelmatigheden moeten worden opgespoord en ongedaan gemaakt, maar het blijft zo dat het cohesiebeleid het beleid is dat in alle 27 lidstaten van de Unie manifest aanwezig is. Cohesie betekent dat je gelijke kansen en een gevoel van broederschap creëert, en dat mag niet ondergeschikt worden aan het beleid op andere terreinen. Het beleid op die terreinen – bijvoorbeeld het mededingingsbeleid of het beleid ter bestrijding van klimaatverandering – moet een aparte begrotingslijn krijgen. Landen en regio’s moeten de bevoegdheid om te bepalen van wat er binnen het kader van de cohesie kan worden gefinancierd behouden. Zij weten veel beter wat hun behoeften zijn dan de autoriteiten in Brussel.

 
  
MPphoto
 
 

  Rareş-Lucian Niculescu (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Het verslag van de Commissie meldt dat plattelandsregio’s ontvolkt geraken, omdat er behalve in de landbouw geen banen zijn of omdat de levensomstandigheden er te precair zijn.

Het fonds voor plattelandsontwikkeling en andere fondsen dragen bij tot economische en sociale cohesie. Door een efficiënt gebruik van de fondsen voor plattelandsontwikkeling kunnen we tijdig oplossingen vinden voor de zojuist vermelde problemen.

Om deze fondsen doeltreffend te kunnen gebruiken is het van belang dat de potentiële ontvangers ervan weten welke financieringsmogelijkheden er bestaan.

Toegang tot zulke informatie is vooral voor de nieuwe lidstaten heel belangrijk. Zij zijn immers nog niet bekend met de wijze waarop communautaire financieringsinstrumenten functioneren.

Als voorbeeld noem ik Roemenië, het land dat ik vertegenwoordig. Uit onderzoek blijkt dat de helft van de plattelandsbewoners niet weet dat er voor hen bestemde fondsen bestaan en slechts één op de tien burgers weet tot welke instelling men zich dient te richten om zulke fondsen toegewezen te krijgen. Het is beslist jammer dat de Roemeense regering zich niet voldoende inspanningen heeft getroost om de burgers te informeren, maar het is natuurlijk ook zo dat niemand het werk van de regering kan overnemen.

Ik geloof daarom dat adequate toegang tot informatie en het voorbereiden van de toekomstige ontvangers van fondsen een belangrijke plaats op de agenda van de Commissie zou moeten innemen. Het is immers een voorwaarde voor een doeltreffend gebruik van de voor cohesie bestemde instrumenten.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Seeber (PPE-DE), schriftelijk. – (DE) Als gevolg van de uitbreiding van de EU op 1 mei 2004 is de economische en sociale ongelijkheid binnen de EU toegenomen. In januari van dit jaar is een nieuwe programmeerperiode voor het cohesiebeleid van start gegaan. Dat beleid zal nu ook op nieuwe prioriteiten en doelstellingen gericht zij: milieubescherming, mededinging, en het creëren van meer en betere banen.

Het cohesiebeleid van de EU telt vier aparte programma’s en is bedoeld om bij te dragen tot het vergroten van het concurrentievermogen van Europa en haar regio’s, bijvoorbeeld door innovatie, het ontwikkelen van een kennismaatschappij en het stimuleren van de economische mededinging. Het beoogt verder regio’s aantrekkelijker te maken voor zowel de bewoners als investeerders, en wel door het bevorderen van duurzame regionale ontwikkeling. Er moeten betere – en vooral: meer – banen worden gecreëerd, en de regio’s moeten verder worden ontwikkeld, om mogelijkheden te scheppen en ongelijkheden uit te vlakken. Na de laatste uitbreiding moeten de EU-fondsen over 27 lidstaten worden verdeeld. Het geld moet daarom beter en doeltreffender worden gebruikt, met meer transparantie.

Wat het financieel kader betreft: de Europese Raad heeft voor de periode van 2007-2013 een bedrag van 307,6 miljard euro opzij gezet. Dat is heel veel geld. Het is van belang dat ook de achterstandsregio’s in de welvarender lidstaten, zoals Oostenrijk, hun deel van dit geld kunnen opeisen. Vooral bergachtige streken hebben behoefte aan extra steun.

 
  
MPphoto
 
 

  László Surján (PPE-DE), schriftelijk. (HU) Het Europees Parlement voert nu een beoordeling uit van het convergentiebeleid over de afgelopen drie jaar en stelt vast dat goed werk is verricht, maar ook dat er fouten zijn gemaakt die correctie behoeven. Het Parlement kijkt zo niet alleen naar het verleden, maar ook naar de toekomst.

Om het ritme van de ontwikkeling van de onderontwikkelde regio’s op te voeren moeten er twee dingen veranderen. Om te beginnen moeten we meer aandacht besteden aan de doeltreffendheid van de programma’s, zodat de ter plaatse gecreëerde meerwaarde stijgt. (Er zal in dit verband meer theoretisch werk moeten worden verricht om te verzekeren dat we de resultaten beter kunnen beoordelen.) We moeten echter wel vermelden dat er na 2013 meer middelen dan nu beschikbaar moeten worden gesteld voor die programma’s die de steun efficiënt gebruiken en die niet op de één of andere wijze door corruptie of politieke beïnvloeding zijn bezoedeld.

Convergentie van de onderontwikkelde regio’s is niet alleen in het belang van degenen die er wonen, maar ook in het belang van de burgers die in ontwikkelde gebieden wonen – deze zorgen immers voor de aanvoer van middelen. Ik vraag u daarop het advies van de rapporteur ook in dit opzicht te volgen en de voor u liggende tekst niet te amenderen.

 
  
  

(De vergadering wordt om 11.55 uur voor de stemming onderbroken en om 12.05 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: HANS-GERT PÖTTERING
Voorzitter

 
Juridische mededeling - Privacybeleid