Voorzitter . – Aan de orde is het debat over zes ontwerpresoluties inzake Noord-Kivu (Democratische Republiek Congo)(1).
Erik Meijer, auteur. – (NL) Mijnheer de Voorzitter, terecht is er in dit Parlement veel aandacht voor wat er gebeurt in de voormalige Belgische kolonie Congo en in het bijzonder voor de voortdurende gevechten, verdrijvingen, verkrachtingen en massamoorden in het oosten van dat enorme land. Die gruwelen hebben voor een deel te maken met conflicten in de aangrenzende staten Rwanda, Burundi en Uganda. Internationaal erkende staatsgrenzen zijn van weinig betekenis voor groepen mensen die als gevolg van verdrijving of gebrek aan bestaansbronnen steeds een nieuw woongebied moeten zoeken. In dit gebied is alles in beweging en het gaat erom dat die beweging zo weinig mogelijk geweld en andere gruwelen oproept. Krijgsheren die aanzien, macht en rijkdom verwerven door het in stand houden van conflicten, vergroten de reeds bestaande problemen en maken ze nog moeilijker oplosbaar.
Zeer recent, op 17 januari, hebben wij hier de toestand in Congo besproken en een resolutie aangenomen, waarin de wens staat dat alle gruwelen ophouden. Ik vrees dat we over dit onderwerp nog vele resoluties kunnen aannemen zonder dat een oplossing naderbij komt. Wie de verwachting had dat de verkiezingen van vorig jaar de problemen in Congo zouden kunnen oplossen, is bedrogen uitgekomen. De zittende president, Kabila, heeft gewonnen maar hij vertegenwoordigt andere standpunten dan de beweging waaruit hij is voortgekomen en de uitkomsten van zowel de presidentsverkiezingen als de parlementsverkiezingen waren voor de oppositie omstreden.
De vraag is of zo'n groot land met slechte verkeersverbindingen en een zeer grote verscheidenheid aan volkeren wel in staat is om te functioneren op een wijze die gesteund wordt door alle bevolkingsgroepen en alle uiteenlopende politieke krachten. Nu dit niet lijkt te lukken wordt Congo een gebied waar levensbedreigende ziekten vrij spel hebben, roofbouw op natuur en landschap plaatsvindt en de mensen volkomen rechteloos blijven. De vraag is of de wapenstilstand van 23 januari voor Noord- en Zuid-Kivu, die uitgaat van ontwapening van de strijdende groepen en terugkeer van vluchtelingen naar hun woonplaatsen, uitvoerbaar is en of het optreden van de Verenigde Naties ter plekke daartoe kan bijdragen. Dat lukt niet door partij te kiezen in conflicten maar mogelijk wel door de strijdende partijen ertoe te overtuigen bijvoorbeeld af te zien van seksueel geweld en artsen toe te laten.
Alain Hutchinson, auteur. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, het is niet mijn bedoeling de situatie in de Democratische Republiek Congo als geheel te bespreken, maar vooral het noordoostelijke deel en de regio Kivu, waar al jaren een vuile oorlog woedt die de laatste maanden zelfs nog in intensiteit is toegenomen.
Men zou kunnen zeggen dat alle oorlogen vuil zijn, maar deze is nog veel vuiler. Deze oorlog heeft honderdduizenden slachtoffers, doden en vluchtelingen opgeleverd en blijft dat doen, maar honderden en duizenden vrouwen, kleine meisjes en grootmoeders hebben ook geleden onder wat nu ‘seksueel geweld’ genoemd wordt. Het is echter meer dan dat; het is het gebruik van verkrachting als een echt oorlogswapen, dat wordt gebruikt temidden van een bepaalde mate van onverschilligheid van de publieke opinie en de internationale gemeenschap, meer specifiek de Europese publieke opinie.
Deze gemene oorlog woedt al twee jaar tussen rivaliserende facties, namelijk het opstandelingenleger geleid door Laurent Nkunda, een dissidente Congolese generaal, de vroegere plegers van de genocide in Rwanda, die geïmporteerd zijn na het eind van de campagne in 1994, en, helaas ook, bepaalde elementen van het onlangs ontmantelde Congolese leger. Genoeg is genoeg. Gelukkig is er onlangs een vredesconferentie gehouden, die bijgewoond werd door alle betrokken facties en tot een staakt-het-vuren heeft geleid. Helaas, mijnheer de Voorzitter, is dit staakt-het-vuren zeer breekbaar en loopt de spanning alweer op.
Daarom stellen we voor de volgende twee prioriteiten te stellen. Onze eerste zorg is bescherming van de burgers, dus we willen middelen beschikbaar stellen voor de MONUC-missie ter plaatse om hen te verdedigen. Overeenkomstig hoofdstuk VII van het VN-Handvest kan MONUC wapens gebruiken voor deze missie, want de slachtpartijen moeten gewoon ophouden. De tweede prioriteit is steun aan de vredesinspanningen daar, want de oplossing voor het probleem in het gebied van de Grote Meren is een politieke oplossing, waarbij alle partijen betrokken zijn, inclusief Rwanda, dat zijn toezeggingen moet waarmaken om zijn onderdanen die in Kivu opereren, te repatriëren.
Adam Bielan, auteur – (PL) Mijnheer de Voorzitter, sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog is geen enkele conflict zo wreed en barbaars geweest als dat in de Congo. Het gewapende conflict in de provincie Noord-Kivu duurt reeds tien jaar, met wisselende intensiteit. Het heeft meer dan vijf miljoen slachtoffers gekost. Elke dag vallen er als gevolg van de gevechten ongeveer 1500 slachtoffers.
Massamoorden, verkrachting van jonge meisjes en moeders en gedwongen recrutering van burgers en kinderen door de gewapende troepen zijn aan de orde van de dag. Ook vele andere ernstige schendingen van de mensenrechten zijn de afgelopen maanden in het oosten van de Democratische Republiek Congo voorgevallen. Die schendingen worden gepleegd door de opstandelingentroepen die loyaal zijn aan Laurent Nkunda, door de strijders van de democratische troepen die proberen Rwanda te bevrijden, en door het Congolese leger zelf. In het oostelijk deel van Congo zijn onmiddellijk medische hulp en voedselvoorraden nodig, omdat de meeste humanitaire organisaties hun activiteiten hebben moeten opschorten als gevolg van de recente gebeurtenissen.
Ik roep de Raad en de Europese Commissie daarom op crisisfinanciering beschikbaar te stellen met het oog op de ongewoon ernstige humanitaire situatie in deze streek.
Bernd Posselt, auteur. − (DE) Mijnheer de Voorzitter, iedereen die het gebied van de Grote Meren in Oost-Afrika wel eens vanuit de lucht heeft gezien, zou kunnen denken dat het een paradijs is. In werkelijkheid is het vaak eerder de hel op aarde. Enerzijds is het een streek met fantastisch natuurschoon en een overvloed aan natuurlijke rijkdommen, anderzijds wordt er afschuwelijk geleden. Dit lijden ontstaat door natuurrampen, oorlog, verdrijving, hongersnood, ziekte, bloedbaden, massaverkrachtingen en conflicten tussen etnische groepen – erger dan bijna overal elders. Alleen al in Noord-Kivu zijn er 800 000 intern ontheemden.
Het is belangrijk ons te realiseren dat dit probleem van verdrijving aan beide kanten van de grens speelt. In Afrika ziet men een verschijnsel dat in deze vorm nergens anders voorkomt, namelijk dat mensen niet alleen van een bepaalde kant van de grens naar de andere kant verplaatst worden, maar dat ieder land mensen van zijn kant van de grens verbant naar het andere land, zodat er vluchtelingen en intern ontheemden zijn aan beide kanten. Als gevolg daarvan zijn de landen volledig instabiel. Daarom moeten we humanitaire bijstand verlenen en moeten we er in zeer groten getale aanwezig zijn om de mensen te helpen.
In wezen is dit echter alleen maar symptoombestrijding. Tenzij we een redelijk levensvatbare staat en rechtstaatstructuren kunnen opbouwen, houdt de ramp nooit op, hoe veel hulp we ook verlenen. Daarom is het zo belangrijk voor ons om een belangrijke rol te spelen, ook politiek. Het op 23 januari uitgeroepen staakt-het-vuren is enorm broos en bestaat eigenlijk alleen maar op papier. Het is daarom dringend nodig dat we alle partijen dwingen om om de tafel te gaan zitten en met elkaar te praten, maar dat betekent ook dat wij onze steen moeten bijdragen.
Het is te betreuren dat Europeanen vaak van deze rampen profiteren. Daarom is de oproep aan ons om certificaten van oorsprong voor bijvoorbeeld natuurlijke hulpbronnen serieuzer te nemen, gerechtvaardigd, want het zijn vaak Europeanen die het lijden van de mensen misbruiken om er zelf beter van te worden. We hebben hier ook een verantwoordelijkheid en we zouden ons niet tevreden moeten stellen met het houden van mooie toespraken en het aandragen van noodoplossingen.
Raül Romeva i Rueda, auteur. – (ES) Mijnheer de Voorzitter, we beleven vandaag een nieuwe aflevering van die tragische vervolgserie die zich afspeelt in de Democratische Republiek Congo.
In dit geval is de plaats van handeling Noord-Kivu, maar het gaat om dezelfde gebeurtenissen en slachtoffers als waarover verslag is gedaan in een spoedeisende resolutie in de vergaderperiode van januari.
Sinds 1998 zijn er bijna vijf en een half miljoen mensen omgekomen in de oorlog, en er sterven elke maand nog eens vijfenveertigduizend mensen als direct of indirect gevolg van de oorlog. Het komt erop neer dat er elke dag vijftienhonderd mensen sterven: met andere woorden, sinds we maandag zijn begonnen aan deze vergaderperiode, zijn er al zesduizend mensen gestorven in de Democratische Republiek Congo.
Bovendien is er de laatste maanden, in het bijzonder in het oosten van het land, een toename van moordpartijen, verkrachting van kleine meisjes en vrouwen en gedwongen rekrutering van meisjes en jongens. Zowel de rebellentroepen van Laurent Nkunda als de soldaten die vechten in de Democratische Strijdkrachten voor de Bevrijding van Rwanda zijn voor dit alles verantwoordelijk.
Wij moeten ook niet vergeten dat het MONUC-mandaat is gebaseerd op Hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties, welke het recht geeft alle noodzakelijke middelen aan te wenden om pogingen tot geweld die het leven of de integriteit van burgers in gevaar brengen of een bedreiging vormen voor het politieke proces, tegen te gaan.
Tot op heden is echter gebleken dat de aanwezigheid van de MONUC volstrekt onvoldoende is om een einde te maken aan deze barbaarse daden. Wij moeten daarom weer een beroep doen op de Veiligheidsraad om te reageren en alle beschikbare middelen aan te wenden om deze afslachtingen in te beperken.
Bovendien blijven, hoewel we ingenomen moeten zijn met de Conferentie van Goma die de weg naar politieke onderhandeling vrijmaakt, de overeenkomsten, met name de overeenkomsten inzake demobilisatie, tweeslachtig en is de toepassing ervan onduidelijk.
Ten slotte ligt hier nog een kans, zoals Bernd Posselt al heeft gezegd, om nogmaals te eisen dat controlemechanismen weer worden geactiveerd en ten uitvoer gebracht, zoals het Kimberleyproces voor oorsprongscertificaten van natuurlijke rijkdommen, voor diamanten ingevoerd door de EU.
Tadeusz Zwiefka, namens de PPE-DE-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, Joseph Conrad verwees naar Congo als het hart der duisternis. Vanaf het begin van het bestaan van Congo, dat wil zeggen vanaf 1960, is het land het toneel geweest van afschuwelijke pogroms, moorden en burgeroorlogen. Als gevolg daarvan is Congo nooit in staat geweest op eigen benen te staan, ondanks dat het land is gezegend met overvloedige natuurlijke rijkdommen. Het conflict in het gebied is het wreedste en meest barbaarse dat heeft plaats gevonden sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Helaas blijft het conflict bestaan en eist het elke maand het leven van bijna 50 000 mensen. De helft van de slachtoffers zijn kinderen jonger dan vijf jaar. De doortocht van de legers gaat gepaard met allerlei soorten misdaden tegen de burgerbevolking: verkrachtingen, plundering en moord. Daarom verwelkomen wij het resultaat van de vredesconferentie van Goma en verwachten er veel van. Het kan het einde betekenen van een gewapend conflict in de regio Kivu, maar of dat zo is, hangt ook deels van ons af.
Maar misschien blijkt het onmogelijk dit conflict op te lossen zonder de steun van de internationale gemeenschap en de buurlanden. Het is belangrijk dat de internationale steun niet beperkt blijft tot politieke verklaringen, maar dat deze zich eerst en vooral richt op het verschaffen van passende financiële, organisatorische en technische hulp.
Karin Scheele, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, volgens de hulpinstanties is de situatie in Noord-Kivu in sommige opzichten nog slechter dan in Darfur. Noord-Kivu staat echter niet in het middelpunt van de belangstelling, en niemand in de internationale gemeenschap slaat acht op wat daar gebeurt. Sinds het officiële vredesakkoord van 2002, heeft de regering van Kabila getracht de regionale militie te integreren in een nationaal leger, tot dusver met weinig succes. De burgerbevolking is nog kwetsbaar voor de effecten van de gewapende conflicten. Artsen zonder Grenzen/Médecins Sans Frontières (MSF) benadrukt de problemen waarmee hulpverleners worden geconfronteerd als ze de burgerbevolking willen bereiken als gevolg van de voortgaande gevechten, en zegt dat ondervoeding een andere belangrijke bedreiging is voor de bevolking in Noord-Kivu.
Wij dringen er daarom bij de Raad en de Commissie op aan onmiddellijk hulp te verschaffen en zonder uitstel uitgebreide medische hulpprogramma’s op te zetten voor de burgerbevolking in het oostelijk deel van de Democratische Republiek Congo. Wij verzoeken de Raad en de Commissie ook dringend zeker te stellen dat de recente versterking van de VN-missie leidt tot substantiële verbeteringen in de veiligheid van de bevolking.
Urszula Krupa, namens de IND/DEM-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ondanks de overeenkomst die is bereikt in Goma inzake de verbetering van veiligheid en ontwikkeling in Congo, worden de mensenrechten nog steeds geschonden in de provincie Kivu. Alleen al sinds het einde van 2006 werden driehonderdduizend mensen gedwongen hun huis te verlaten als gevolg van toenemend geweld. Het geweld treft in het bijzonder vrouwen en kinderen. Zij worden het slachtoffer van verkrachting of worden gedwongen zich aan te sluiten bij gewapende groepen. Tot op heden zijn zes miljoen mensen ontheemd, en zijn vijf miljoen mensen gestorven als gevolg van conflict en oorlog die door economische belangengroepen worden gevoed en gesteund door regeringen die erop gebrand zijn voordeel te halen uit de rijkdommen die daar aanwezig zijn.
Daarom is er meer nodig dan debatten en resoluties in het Europees Parlement en humanitaire hulp aan de inwoners van Congo. De roofzuchtige exploitatie van natuurlijke rijkdommen moet gestopt worden, evenals de speculatieve activiteiten van internationale bedrijven die zich verrijken ten koste van het leven en de gezondheid van de inwoners van het gebied.
Koenraad Dillen (NI) . – (NL) Voorzitter, we weten dat onze woorden hier waarschijnlijk weinig zoden aan de dijk zullen zetten. We kunnen alleen maar hopen dat alle partijen zich blijvend zullen houden aan de afspraken die op de Goma-conferentie zijn gemaakt en dat er nu eindelijk een einde komt aan de waanzin die Noord-Kivu al veel te lang in zijn greep houdt. Volgens de VN zijn sinds het begin van de gevechten zo'n 800.000 mensen hun huizen ontvlucht. Duizenden en duizenden vrouwen en meisjes werden het slachtoffer van gruwelijke verkrachtingen, kinderen worden gedwongen mee te vechten.
Daarbij mogen we niet vergeten dat het zeker niet alleen de militieleden van Nkunda zijn die verantwoordelijk zijn voor de massale wreedheden. Nee, alle partijen, ook de regeringssoldaten hebben op systematische wijze misdaden tegen de mensheid begaan. In Noord-Kivu zijn er niet te veel good guys . Op termijn moeten zo veel mogelijk schuldigen daarom berecht worden. Zij moeten zich verantwoorden voor hun gruweldaden. Dit is niet alleen een verantwoordelijkheid voor het internationaal strafgerechtshof, het is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de Congolese leiders en van Joseph Kabila.
Zbigniew Zaleski (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, zoals Bernd Posselt heeft gesteld, zijn grote gebieden van Congo een hel op aarde. Dit is verslechterd door bepaalde eenheden die niet allemaal Congolees zijn. Ik wil de aandacht vestigen op een situatie die ik zelf heb gezien, namelijk het grote aantal kinderen in het gebied dat wees is geworden als gevolg van het conflict. Volgens mij zouden de financiële middelen naar missionarissen moeten gaan om hen in staat te stellen voor deze kinderen te zorgen, met name voor de jongens, zodat ze niet bij de legers worden ingelijfd. Als de jongens eenmaal zijn ingelijfd, kunnen ze weinig anders meer dan schieten en verkrachten. Staat u mij toe om te herhalen, mevrouw de commissaris, dat financiering nodig is voor zorg en onderwijs voor deze ongelukkige mensen.
Zuzana Roithová (PPE-DE). – (CS) Mevrouw de commissaris, ik doe een beroep op de Commissie hier in Straatsburg om nu financiële middelen vrij te maken die gereserveerd zijn voor crisissituaties en om onmiddellijk te beginnen met wederopbouwprojecten, in het bijzonder met een breed opgezet programma van algemene medische steun voor de burgers in Noord- Kivu.
De recente aardbeving heeft wat al een humanitaire ramp was nog erger gemaakt. Wij allen hier vragen de Commissie en de Raad ook om onmiddellijk een Afrika-brede coalitie te initiëren voor het vinden van een politieke oplossing voor het conflict.
Meglena Kuneva, lid van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie blijft zeer bezorgd omtrent de afschrikwekkende humanitaire situatie in de Kivu-provincies, en in het bijzonder in Noord-Kivu, waar het aantal intern verplaatste mensen – op het moment meer dan 800 000 alleen in Noord-Kivu – zoveel als verdubbeld is in de loop van 2007, waardoor de kwetsbaarheid van de bevolking die al zucht onder ontberingen, alarmerend wordt vergroot.
Tegelijkertijd zijn we ons bewust van, en veroordelen we de ernstige schendingen van de rechten van de mens – met inbegrip van rekrutering van kindsoldaten en algemeen verbreid seksueel geweld – die plaats vinden in het gebied.
Toch is het, in dit verband, belangrijk niet te vergeten dat de huidige kritieke situatie in Noord-Kivu, terwijl deze is verslechterd door de gevechten die plaats hebben gevonden in de tweede helft van 2007, een gevolg is van jaren van oorlog in de regio. De grondoorzaken van het Kivu conflict kunnen helemaal tot de Rwandese genocide worden teruggevoerd in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw, terwijl we ook in gedachte moeten houden dat er verschillende locale componenten zijn – zoals onvoldoende politieke vertegenwoordiging van etnische minderheden, plundering van natuurlijke rijkdommen en kwesties van grondbezitstructuur – die significant bijdragen aan de instabiliteit en onveiligheid in het oosten van de Democratische Republiek Congo.
Daarom ziet de Commissie de recente Vredesconferentie van Goma en het daaropvolgend staakt-het-vuren als positieve stappen naar de oplossing van het voortdurende conflict in de oostelijke Democratische Republiek Congo. De Conferentie heeft de geloofwaardigheid van president Kabila hersteld na de nederlaag van het leger tegen de troepen van generaal Nkunda aan het einde van 2007, en heeft een inter-provinciaal dialoogproces op gang gebracht – iets waarvan de Commissie altijd voorstander is geweest.
Bovendien heeft de Conferentie van Goma, conform de toezeggingen die zijn gedaan door de Democratische Republiek Congo en Rwanda in hun Gezamenlijk Communiqué van Nairobi in November 2007, ook opnieuw de noodzaak benadrukt om het probleem van de ex-FAR als prioriteit aan te pakken. Tegelijkertijd werd duidelijk gemaakt dat het noodzakelijk is om de fundamentele oorzaken van het conflict aan te pakken, terwijl het gezag van de staat in het oosten wordt hersteld.
Dat gezegd hebbende, moet niet vergeten worden dat er niets definitief is opgelost in Goma of Nairobi. Het vinden van een permanente oplossing voor de fundamentele oorzaken van de Kivu crisis, en derhalve een duurzaam herstel van vrede in de regio, zal tijd vergen. In feite betekenen het Gezamenlijk Communiqué van Nairobi en de Conferentie van Goma, terwijl ze elkaar aanvullen, een bemoedigend begin – maar alleen een begin – van een moeilijk en langdurig proces.
De grootste uitdaging die nu voor ons ligt, is een effectieve tenuitvoerlegging van de toezeggingen van Nairobi en Goma. Men moet zeker stellen dat alle betreffende belanghebbenden bij hun toezeggingen blijven. De EU zal dit proces van nabij blijven volgen en er actief aan deelnemen.
In dit verband, is internationale actie bij de ondersteuning van de Congolezen zeer nodig. De Commissie is, samen met de lidstaten, bereid om een belangrijke rol te blijven spelen in de Kivu-provincies. Wij zijn van oudsher een van de belangrijkste donoren in het oosten, door middel van onze humanitaire hulp en onze rehabilitatie- en capaciteitsopbouw-programma’s. Wij zijn bereid om onze steun voor het gebied verder te vergroten, vooral door Europese initiatieven, evenals in nauwe samenwerking met de Verenigde Naties.