Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Volledig verslag van de vergaderingen
Dinsdag 11 maart 2008 - Straatsburg Uitgave PB

11. Plechtige vergadering - Estland
Notulen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, dit is een geweldige dag voor het Europees Parlement omdat wij hier vandaag een voormalig lid verwelkomen, dat inmiddels president van de Republiek Estland is, onze vroegere collega, mijnheer Hendrik Ilves! Wij heten u van harte welkom in het Europees Parlement.

(Levendig en langdurig applaus)

Dames en heren, op een dag als vandaag is het goed om niet alleen naar het heden te kijken maar zich ook voor de geest te roepen wat een lange en brede weg het is geweest die er uiteindelijk toe heeft geleid dat wij er een collega uit Estland hebben bijgekregen, samen met de andere leden uit dat land– en, om even alleen bij de Baltische staten te blijven, uit Letland en Litouwen – die gekozen parlementsleden waren en hun landen, vrije landen die decennia lang door een totalitair communistisch regime werden beheerst, hier sinds de herwinning van de vrijheid in Estland vertegenwoordigen.

Onze collega werd door een democratisch besluit van de burgers gekozen tot president van zijn land.

President Ilves, het is mij een groot genoegen u hier te kunnen verwelkomen in het Europees Parlement, dat morgen zijn 50-jarige jubileum viert. Uw bezoek vormt als het ware het startsein voor de viering, en ik zou u nu willen verzoeken het woord tot het Europees Parlement te richten. Wij heten u nogmaals van harte welkom!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Toomas Hendrik Ilves, president van de Republiek Estland. (ET) Vrienden, om te beginnen wil ik u van harte feliciteren met dit jubileum. Beste vrienden en collega’s – collega’s in de meest ware zin van het woord, vrienden die ik in de afgelopen anderhalf jaar heb gemist. Als ik de zaal inkijk en u allen hier zie – van hier beneden lijkt u veel talrijker dan vanuit zetel 131, waar ik vroeger zat.

U kunt zich niet voorstellen wat voor een geweldige indruk u maakt als Parlement van Europa. Ik weet het, voor ik het wist moest ik dit Huis verlaten. Maar staat u mij toe mijn toespraak voort te zetten in mijn huidige hoedanigheid als president van mijn land.

Weldra begint Estland aan het vijfde jaar als lid van de Europese Unie. Inmiddels zijn we geen ‘nieuwe lidstaten’ meer die de kneepjes van het vak nog moeten leren. Volgens mij is het nu tijd om de term ‘nieuwe lidstaten’, inmiddels een zinledig anachronisme, af te schaffen.

(Applaus)

Vandaag de dag zijn er geen nieuwe of oude leden. Er zijn alleen leden. De term ‘nieuwe lidstaten’ heeft zelfs niet meer de betekenis van ‘arme lidstaten’, aangezien sommigen van ons de ‘oude lidstaten’ hebben ingehaald.

Vandaag de dag is de Unie gekenmerkt door belangencoalities en coalities van partijstandpunten, die zich in allerlei dimensies voordoen – kleine en grote lidstaten, industrielanden of handelsnaties, enzovoort. Maar de basis voor zulke coalities is noch het tijdstip van toetreding noch de duur van het lidmaatschap.

Ik wil hier vandaag tien jaar vooruit kijken naar een toekomst waarin wij allemaal oude of oudere leden zijn. Een tijd die 100 jaar verwijderd is van de eerste verschrikkelijke Europese burgeroorlog van de twintigste eeuw. We beschouwen de Unie als antwoord op de tweede Europese burgeroorlog, als een manier om ons continent dusdanig te organiseren dat de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog zich niet kunnen herhalen.

Maar we mogen ook niet uit het oog verliezen dat minstens een derde van de leden van de huidige Europese Unie als onafhankelijke politieke entiteiten zijn voortgekomen uit de puinhopen van de Eerste Wereldoorlog. Finland, Estland, Letland, Litouwen, Polen (na een 140 jaar durende non-existentie), het vroegere Tsjecho-Slowakije, samen met het huidige Hongarije en Oostenrijk allemaal in de twintigste eeuw zijn ontstaan na de ondergang van de wereldrijken, de internationale supermachten. In de plaats daarvan verschenen nieuwe, op het zelfbeschikkingsrecht gebaseerde staten.

Ik vertel dit omdat mijn land, net zo als vele andere van onze leden, zich van het juk van gedwongen lidmaatschap in een grote, despotische of ondemocratische supranationale entiteit – een ‘imperium’ – begon te bevrijden.

Estland is er, evenals vele andere, zelfs twee keer in geslaagd zich aan een imperium te ontworstelen. Toch hebben we ons inmiddels allen samengesloten om onze eigen nieuwe supranationale entiteit– en een nieuwe identiteit, onze Europese Unie – op te bouwen.

Wij hebben dit niet gedaan omdat onze landen werden veroverd of bezet, maar omdat wij de vrijheid hebben om dat te doen. En omdat wij ervan overtuigd zijn dat het goed is om dat te doen. Ook dit is een voorbeeld van de uitoefening van ons zelfbeschikkingsrecht.

Ik vertel dit omdat Estland over tien jaar voor het eerst het voorrecht en de verantwoordelijkheid zal hebben het voorzitterschap te bekleden, en ik hoop stellig dat wij, wanneer het zover is, niet meer met dezelfde vraagstukken worstelen als vandaag de dag. Om deze reden wil ik het hier over een paar dingen hebben die in de komende tien jaar van belang zullen zijn.

Ten slotte wil ik deze punten aan de orde stellen omdat onze verkiezingscycli en de cycli van de uitdagingen die ons te wachten staan, niet meer synchroon lopen: de problemen die in een cyclus van vier à vijf jaar passen, kunnen we goed aan.

Maar de uitdagingen en de druk waarmee de Europese Unie tegenwoordig wordt geconfronteerd, van energie tot en met het milieu, van concurrentievermogen tot en met de uitbreiding, van het gemeenschappelijk buitenlands beleid tot en met migratie, zijn allemaal strategische kwesties die moedige en doortastende maatregelen vereisen die niet in de tijdspanne van twee à drie zittingsperioden kunnen worden afgerond.

Dames en heren, weliswaar kunnen we niet in de toekomst kijken, maar we kunnen over het algemeen wel bepaalde trends waarnemen en gevaren voorzien. Over twee van dergelijke gevaren is reeds ruimschoots gediscussieerd: de opwarming van de aarde en de afnemende voorraad fossiele brandstoffen. Dit zijn echter mondiale vraagstukken die zeker niet zonder de Europese Unie kunnen worden opgelost, maar die door de hele wereld moeten worden aangepakt.

En toch komen er nog andere ernstige uitdagingen op de Unie af. Als we er niets aan doen zou het wel eens kunnen dat we over tien jaar, maar zeker over 25 jaar een stuk van onze welvaart en van ons huidige succes verliezen. Deze uitdagingen en die druk hebben geheel en al te maken met het concurrentievermogen van de Europese Unie.

Wie zijn onze concurrenten? Bevinden zij zich binnen de Europese Unie of daarbuiten? Het antwoord op die vraag luidt: allebei. Wij concurreren zowel op de markt binnen de Europese Unie als op de wereldmarkt.

Als we echter naar de langetermijntrends van de globalisering kijken, moeten we Jean Monnet en Jacques Delors dankbaar zijn dat zij de interne markt hebben gecreëerd in een tijd waarin de globalisering nog geen opvallend verschijnsel was.

Want de interne markt stelt de individuele Europese landen in staat om hun concurrentievermogen in de mondiale arena te handhaven. Openheid binnen Europa, het openstellen van de markten voor concurrentiedruk binnen Europa, is de drijvende kracht voor ons concurrentievermogen op mondiaal niveau.

De huidige mentaliteit in de Europese Unie geeft echter niet altijd aanleiding voor optimisme, en wel om twee redenen: ten eerste de halfslachtige tenuitvoerlegging van de agenda van Lissabon, ons goed bedoelde programma ter bevordering van innovatie en concurrentievermogen.

(Applaus)

En ten tweede het toenemende protectionisme van de Europese Unie, niet alleen ten opzichte van de buitenwereld, maar ook binnen de eigen grenzen.

Staat u mij om hier achtereenvolgens op deze twee kwesties in te gaan. In de tijd dat mijn land zich net had ontworsteld aan de 50 jaar durende periode van onderontwikkeling onder het Sovjet-regime, was ik wanhopig toen ik zag hoe lang het zou duren de nodige infrastructuur in heel Estland uit te bouwen.

Maar op sommige gebieden, zoals de informatietechnologie, kon Estland met een schone lei beginnen. Investeringen in ICT door de particuliere sector en de overheid zorgden ervoor dat het land een niveau heeft bereikt dat boven het EU-gemiddelde ligt, en tegen het eind van de jaren 90 bereikte de situatie op het gebied van elektronische overheidsdiensten en diensten in sectoren als het bankwezen een niveau dat slechts door een handvol landen in Europa werd geëvenaard.

De investeringen van mijn land in ICT zijn lonend geweest en hebben ons concurrentievermogen verhoogd. Maar dit is op zichzelf nog niet genoeg. Meer algemeen gesproken laat Estland, net als de rest van Europa, innovatie in wetenschap en ontwikkeling aan anderen over.

Innovaties komen, laten we hier eerlijk over zijn, in de eerste plaats uit de Verenigde Staten, die ervan afhankelijk zijn dat ze de slimste en beste koppen uit Europa en uit China en India aantrekken om hun concurrentievermogen op peil te houden. We moeten er eindelijk mee beginnen deze kwestie serieus aan te pakken.

We zijn afkerig van immigratie, onze kinderen kiezen er steeds vaker voor om andere vakken te studeren dan wis- en natuurkunde of ingenieurswetenschappen, en binnen de Europese Unie sluiten we ons in de dienstensector, waar de concurrentie op wereldniveau zeer groot is, tegen concurrentie af.

Concurrentie, of het ontbreken daarvan, heeft ook consequenties voor de veiligheid. Gezien het belang van energie is het begrijpelijk dat vele landen in de Europese Unie hun ondernemingen tegen concurrentie willen afschermen en gekant zijn tegen de liberalisering van de energiemarkt.

Dat is een begrijpelijke reactie. Maar de grootste energieleverancier van Europa is een land dat zichzelf tot ‘energiesupermacht’ heeft uitgeroepen en dat op de homepage van het ministerie van Buitenlandse zaken verklaart dat energie een instrument van het buitenlands beleid is.

Als we in de toekomst willen voorkomen dat de Europese lidstaten voor een verdeel-en-heers-beleid zwichten of elkaar de loef afsteken om betere gasdeals te kunnen sluiten, zoals dit nu al het geval is, moeten we de noodzaak van een gemeenschappelijk energiebeleid onder ogen zien.

(Applaus)

En van de instelling van een commissaris voor Energie die de dezelfde onderhandelingsmacht heeft als de commissaris voor Handel.

Maar als we een gemeenschappelijk energiebeleid willen ontwikkelen naar het voorbeeld van het gemeenschappelijk handelsbeleid, moet ook aan de noodzakelijke voorwaarde van het extern beleid worden voldaan: namelijk een geliberaliseerde interne markt.

Waar staan we, als we naar de toekomst kijken? Korea en Japan hebben een veel hogere internetpenetratie en lagere tarieven voor breedband-internet dan in de meeste Europese landen. Azië en de VS produceren veel meer ingenieurs en wetenschappers (waarbij de VS ook ingenieurs en wetenschappers uit andere landen opleiden en aantrekken).

Dit belooft niet veel goeds. Het zal tot een neerwaartse ontwikkeling van de positie van Europa en het Europese concurrentievermogen in een geglobaliseerde economie leiden. Tenzij we er iets aan doen, natuurlijk.

Voor Estland vormt het Hervormingsverdrag daartoe een eerste stap, en ik wil het Portugese voorzitterschap danken voor zijn fantastische inspanningen ten behoeve van een oplossing van deze kwestie. Zonder uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid blijven we in besluiteloosheid steken, zonder een president en een minister van Buitenlandse zaken leggen we te weinig gewicht in de schaal.

Een voorbeeld voor een terrein waar Europa veel te weinig gewicht in de schaal legt, is het nabuurschapsbeleid. Een document van de Europese Raad over buitenlandse betrekkingen komt tot de conclusie, en ik citeer: “In tegenstelling tot wat velen in Europa geloven is het nabuurschapsbeleid van Rusland beter ontwikkeld, beter gecoördineerd en wordt het beter uitgevoerd dan dat van de Europese Unie. Rusland besteed veel meer politieke, economische en zelfs militaire middelen om zijn nabuurschap te beïnvloeden dan de Europese Unie.” Einde citaat.

Dit werpt geen gunstig licht op onze veelgeroemde ‘soft power’. Achter ons nabuurschapsbeleid schuilt echter een fundamentele vraag voor de lange termijn: waar staan we over tien jaar? Deze vraag heeft twee kanten: hoe groot zijn we over tien jaar? En: hoe ziet onze omgeving er dan uit?

Hoe groot zal de Europese Unie in 2018 zijn? We weten het niet, maar het is iets, waar wij zelf over beslissen. We zullen zeker niet zo groot zijn als sommigen onder ons wensen, maar we zullen ongetwijfeld groter zijn dan nu. In het oosten en het zuiden liggen landen die vast en zeker nooit zullen toetreden.

Het lijkt mij dat een van de fundamentele kwesties is dat de verschillen tussen de Europese Unie en haar buurlanden in termen van economische welvaart en politieke vrijheid niet zo groot mogen zijn dat we geconfronteerd worden met een grote stroom immigranten of politieke vluchtelingen..

Het lijkt er daarom op dat we zelfs uit onze eigen ervaring, namelijk de vroegere uitbreidingen, geen lessen hebben geleerd. We zijn van plan de steunverlening aan het buitenland te versterken zonder daaraan voorwaarden met betrekking tot hervormingen te verbinden. Via onze ontwikkelingsbanken steunen wij de ontwikkeling van landen die een handelsbeleid aan de dag leggen dat volledig indruist tegen de belangen van de Europese Unie.

We moeten ook beseffen dat ons model thans niet meer het enige is? Francis Fukuyama geeft inmiddels zelf toe dat de Hegeliaanse droom van het onstuitbare voortschrijden van de geschiedenis naar de liberale democratie niet houdbaar is. Welk nut hebben anticorruptie-vereisten bij leningen van de Wereldbank aan de ontwikkelingslanden wanneer Sovereign Wealth Funds betere condities bieden zonder extra voorwaarden te stellen.

Wij hadden het mis toen we dachten dat we in een postideologische wereld leefden. In plaats daarvan is de strijd tussen het opkomende autoritair kapitalisme en de democratische markteconomie waarschijnlijk de nieuwste ideologische, intellectuele en morele strijd waarmee we geconfronteerd worden.

(Applaus)

Het is duidelijk dat we ons beleid opnieuw moeten bezien, maar dit is niet genoeg. We moeten moediger zijn. We hebben een visie en inzicht nodig met betrekking tot de vraag waar wij en de wereld over 20 of 25 jaar staan, wanneer de economische krachtcentrale Duitsland in het niet valt in vergelijking met India en China.

Om ons op de toekomst over 25 jaar voor te bereiden moeten we nu met onze planning beginnen. Ik hoop ten zeerste dat de partijen bij de komende verkiezingen voor het Europees Parlement niet met elkaar concurreren op basis van de handhaving van de status quo, maar op basis van hun visies voor de toekomst.

Dames en heren, de democratie is er voor de burgers, is gebaseerd op de wil van de burgers en is afhankelijk van hun toestemming. Daarvoor hebben we instellingen in het leven geroepen die door het nieuwe Verdrag na zijn inwerkingtreding verder moeten worden ontwikkeld.

Maar we mogen onze verantwoordelijkheid niet delegeren aan instellingen; de oprichting van een dienst extern optreden en de uitbreiding van de reikwijdte van stemming bij gekwalificeerde meerderheid zullen niets uithalen indien we niet tot een dieper inzicht in de Europese belangen komen.

De invoering van gemeenschappelijke consulaire medewerkers vormt een bestuurlijke hervorming die voor vereenvoudiging zorgt. De inperking van het gebruik van het vetorecht is op zichzelf een goede stap voorwaarts voor Europa, maar het zal een kleine stap blijven indien de lidstaten het gevoel krijgen dat er geen rekening wordt gehouden met hun belangen.

We moeten tot het fundamentele inzicht terugkeren dat de Europese Unie tot een succes heeft gemaakt. Namelijk dat de nationale belangen het beste zijn gediend wanneer we elkaar allen een beetje tegemoet komen zodat de Unie als geheel succesvol is. Ik heb het hier niet over financiële concessies of het uitreiken van zoethoudertjes aan recalcitrante leden die niet mee willen gaan met het beleid. Ik heb het over onze positie in de wereld, apart, als nationale staten, en gezamenlijk, als Europese Unie.

Wanneer we het over een sterk Europa hebben moeten we beseffen dat het net zo werkt als in de politiek zoals we die uit eigen land kennen: ons land is sterk in de mondiale arena, of in Europa, als we thuis sterk zijn. Regeringen die op brede steun kunnen rekenen, kunnen zich veroorloven doortastend op te treden in de internationale arena.

Ik ben er zeker van dat dit een probleem is in de hele Europese Unie. Om onder onze kiezers het gevoel Europeaan te zijn versterken moeten we zelfs nog verder gaan dan de voorstellen van de Commissie volgens welke universiteitsstudenten een jaar aan een universiteit in een andere lidstaat zouden moeten studeren. We moeten dit in onze eigen landen actief stimuleren, zodat onze burgers, en niet alleen onze ambtenaren, elkaar leren kennen.

Dit betekent natuurlijk dat we onze talenkennis moeten verbeteren. Over tien jaar zouden we een Unie moeten hebben waar elke universiteitsstudent een taal van een andere lidstaat beheerst, en hiermee bedoel ik niet Engels, aangezien Engels al zo dominant is in de wetenschap en de handel, de amusementsindustrie en Internet dat deze taal niet langer als vreemde taal kan worden beschouwd. Ik bedoel eerder Portugezen die Pools spreken, Esten die Spaans spreken en Zweden die Sloveens spreken.

We moeten ook meer in termen van regio’s denken. Hier heeft het Parlement laten zien dat het een veel grotere rol kan spelen dan ooit werd gedacht. Ik ben trots dat een initiatief waar ik bij betrokken was, de strategie voor de Oostzee, één van de eerste beleidstakken is die hier in het Europees Parlement werden geboren, niet in de Raad of de Commissie, en dat dit initiatief een programma van de Europese Unie gaat worden.

(Applaus)

Het Parlement is de schakel tussen de instellingen van de Europese Unie en haar burgers die ervoor zorgt dat de Unie functioneert. Want alleen hier, waarde collega’s, kan het delicate evenwicht worden gevonden tussen de belangen van uw kiezers en de belangen van de Unie. Dit is iets wat geen enkele andere instelling kan bewerkstelligen, en wat niemand zo goed kan als u.

Geachte leden van het Europees Parlement, het is voor de burgers van Europa, voor een Europa van Europese burgers, van niet minder groot belang te weten wie wij zijn, waar wij vandaan komen en hoe we hier zijn beland.

Ik heb in dit Huis ooit meegemaakt dat een collega zich tijdens een toespraak van een ander EP-lid over de deportaties in zijn land omdraaide en mij vroeg: “Waarom kunnen jullie niet eens ophouden over het verleden en eindelijk eens aan de toekomst gaan denken?”

Wij hebben allen het idee dat we de geschiedenis van Europa kennen, zodat het wellicht pijnlijk is om te horen dat het Europa dat wij kennen, in werkelijkheid slechts één bepaald deel van Europa is, zoals Norman Davies – een groot historicus van Europa – zo goed heeft aangetoond.

En toch omvat de Europese Unie de geschiedenis van heel Europa, met al zijn glorie en al zijn ellende. Wij zijn evenzeer de erfgenamen van Bismarcks sociale hervormingen als van het Salazar-regime; van de eerste constitutionele democratie ter wereld, maar evenzeer van de repressie door wrede binnenlandse veiligheidsdiensten. Dat alles is ons Europa.

Dat Polen de eerste constitutionele democratie was en dat de repressie door de veiligheidsdiensten letterlijk direct achter de muur plaatsvond waar het Wirtschaftswunder ophield, dat zijn dingen waar we nog veel te weinig over weten.

Onze taak, dames en heren, bestaat erin ons Europa te kennen. Een van de grootste Europeanen van de twintigste eeuw, Salvador de Madariaga, die tijdens het regime van Franco in ballingschap leefde, heeft het als volgt geformuleerd: “Dit Europa moet worden geboren. En het zal worden geboren wanneer Spanjaarden ‘mijn Chartres’ zeggen, wanneer Engelsen ‘mijn Krakau’ zeggen, wanneer Italianen het over ‘mijn Kopenhagen’ hebben en Duitsers over ‘mijn Brugge’... Dan komt Europa tot leven. Want dan zal de geest die Europa bezielt, het scheppingswoord hebben gesproken: ‘Fiat Europa.’” Dit zijn de woorden van Salazar de Madaragia.

Maar om deze toekomst die Madaragia voor ogen stond, te kunnen bereiken moeten we elkaar, en elkaar verleden, leren kennen, omdat wij alleen dan samen aan een toekomst kunnen werken. Ook dit is onze taak voor de komende tien jaar.

Dames en heren, ik heb hier vandaag getracht een aantal uitdagingen te omlijnen die ons in de toekomst wachten. Europa is verre van af, we hebben nog steeds enorm veel te doen. Wanneer wij in mijn land, in Estland, voor een grote taak staan, een grote taak moet uitvoeren, zeggen wij: mogen wij hiervoor de kracht vinden!

Mogen wij allen hiervoor de kracht vinden!

Ik dank u.

(Staande ovatie)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, door op te staan en met uw daverend applaus heeft u de president van Estland uw dank betuigd voor zijn even symphatieke als, voor ons, vriendelijke, maar bovenal toekomstgerichte toespraak.

President Ilves, u heeft over een thema gesproken dat de kern vormt van Europa, namelijk het wederzijds begrip, opdat wij van elkaar weten wat wij denken. En wanneer wij weten wat wij denken, weten wij ook hoe wij uiteindelijke gemeenschappelijk kunnen handelen.

Toen u over de uitwisseling van jongeren sprak, herinnerde ik mij aan het volgende, aan iets waarop wij geloof ik trots kunnen zijn dames en heren: toen er een besluit moest worden genomen over de financiële vooruitzichten, en toen men drastisch op de uitwisseling van jongeren, op het Erasmus-programma en levenslang leren, wilde besnoeien, hebben wij gezegd: wij zullen alleen overeenstemming over de financiële vooruitzichten bereiken wanneer wij de middelen voor contacten tussen jonge mensen niet inperken, maar juist verhogen, om op die manier voor meer wederzijds begrip en gemeenschapszin in de Europese Unie te kunnen zorgen.

(Applaus)

Tot slot wil ik nog zeggen, en ik doe dat met een zekere ontroering: als de president van Estland ons aan het verleden herinnert, moeten wij zeggen dat het verleden van Europa, van ons continent, vele goede tijden heeft gekend, maar vaak ook door tragedies werd gekenmerkt. Wat wij hier vandaag de dag in dit Europees Parlement doen, is een antwoord op die historische ervaring.

Dat u ons dit duidelijk maakt, maakt van deze dag een grote dag voor het Europees Parlement. Wij kunnen de weg naar de toekomst alleen inslaan wanneer wij ons aan het verleden herinneren, de lessen uit het verleden trekken om vervolgens – zoals u het heeft geformuleerd, mijnheer de president – gezamenlijk, op basis van wederzijds begrip en gemeenschapszin te handelen in het belang van ons gemeenschappelijk Europa.

Ik dank u van harte, president Ilves!

(Applaus)

 
  
  

VOORZITTER: EDWARD McMILLAN-SCOTT
Ondervoorzitter

 
Juridische mededeling - Privacybeleid