Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2009(INI)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0163/2008

Debatten :

PV 20/05/2008 - 7
CRE 20/05/2008 - 7

Stemmingen :

PV 20/05/2008 - 8.14
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0213

Volledig verslag van de vergaderingen
Dinsdag 20 mei 2008 - Straatsburg Uitgave PB

9. Stemverklaringen
Notulen
  

Mondelinge stemverklaringen

 
  
  

- Verslag: Sergio Berlato (A6-0164/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE).(PL) Mijnheer de Voorzitter, er heerst enige controverse over de productie en het verbruik van tabak. We moeten ons ervan bewust zijn dat het gegeven dat er in de EU tabak wordt verbouwd, totaal geen invloed heeft op het verbruik van rookwaren van onze burgers. Als we de productie van tabak in Europa zouden beperken of staken, zou dat niet leiden tot een daling van het aantal gerookte sigaretten. Dan wordt er geïmporteerde tabak verbruikt. Ik sta volledig achter de ontwikkeling van een openbaar informatieprogramma om te wijzen op de gevaren van het roken en de sigarettenfabrikanten en tabaksproducenten mogen daarvoor betalen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Ik ben vóór informatiecampagnes over de schadelijke gevolgen van tabak en de resolutie van het Europees Parlement inzake een plan voor de lange termijn om deze campagnes te steunen met een bedrag van tachtig miljoen euro, dat moet worden afgetrokken van de subsidies voor Europese tabaksproducenten. Dit betekent dat er geen druk op de begroting van de EU wordt gelegd. Hoewel de omvang van de Europese productie van ruwe tabak marginaal is, nauwelijks 4 procent van de wereldproductie, zijn we de grootste importeur van ruwe tabak en zijn we grotendeels afhankelijk van het aanbod van derde landen waar tabak plaatselijk wordt verbouwd onder minder streng gereguleerde omstandigheden dan in Europa. Ik ben echter tegen het subsidiëren van de tabaksproductie in Europa en niet alleen vanwege het algemene principe: de publieke fondsen die voor deze sector worden gereserveerd, kunnen elders op een veel betere manier worden aangewend.

 
  
MPphoto
 
 

  Katerina Batzeli (PSE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, wij, de PASOK-Fractie in het Europees Parlement, hebben vóór het verslag van de heer Berlato gestemd. We zijn van mening dat het publiek geïnformeerd moet blijven worden over zaken in verband met tabak en rookwaren.

Er moet een vergelijkbaar beleid komen met door de producenten zelf gefinancierde fondsen om het publiek te informeren over gezondheidskwesties in verband met andere producten zoals vlees en vetten.

Voorts zouden wij niet weten waarom subsidies in regio’s zoals Griekenland, waar de tabaksproductie drastisch is afgenomen, niet tot 2013 in de huidige vorm kunnen worden voortgezet.

 
  
  

- Verslag: Bairbre de Brún (A6-0133/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  James Nicholson (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ten eerste bied ik het Huis mijn verontschuldigingen aan; als schaduwrapporteur kon ik hier gisteravond niet aanwezig zijn omdat mijn vlucht niet op tijd was. Mijn excuses hiervoor.

Mijnheer de Voorzitter, er is heel veel geschreven over het vredesproces in Noord-Ierland en dit is weer zo’n niet-wetgevend verslag. De vraag is: heeft het enig nut gehad? Ja, dat heeft het. Het heeft ervoor gezorgd dat er in Noord-Ierland heel veel kleine groeperingen, met name vrouwengroeperingen, van de grond zijn gekomen en hun regio konden bedienen.

Was er sprake van een eerlijke verdeling? Het antwoord is nee, dat was er niet. In het begin was PEACE I zeker niet eerlijk; PEACE II was beter en ik zie heel erg uit naar PEACE III, dat weer beter zal zijn. De unionistische gemeenschappen krijgen niet waar ze recht op hebben. Er moet beter op worden toegezien dat de aanwezige grensoverschrijdende organen het evenwicht in de regio respecteren. Als ze dat niet doen, hebben ze geen bestaansrecht. Een opvallend voorbeeld hiervan is ICBAN, een grensoverschrijdend orgaan dat naar mijn mening geen geld meer zou moeten krijgen zolang het zijn standpunt niet wijzigt.

Mijnheer de Voorzitter, ik betoon mijn respect aan de velen die zich sinds het begin van het PEACE-programma vrijwillig hebben ingespannen voor het grote goed en ik vertrouw erop dat Noord-Ierland verdere vooruitgang zal boeken en zal welvaren. Daar heeft de bevolking recht op en ik waarschuw tegen de duistere krachten die nog steeds in de regio rondwaren.

 
  
  

- Verslag: Anne Van Lancker (A6-0172/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, ik heb vooral om de volgende twee redenen vóór dit verslag gestemd: ten eerste omdat dit verslag heel nadrukkelijk eist dat de lidstaten eindelijk de strategie van Lissabon ten uitvoer leggen en dus ook maatregelen inzake werkgelegenheidsbeleid, en ten tweede, omdat het verslag eist dat er eindelijk goede en betaalbare voorzieningen voor kinderopvang worden opgezet in de lidstaten. Dit is een heel belangrijke voorwaarde voor het combineren van werk en gezin. Dat is met name in het belang van alleenstaande moeders omdat zo werkgelegenheidskansen worden gecreëerd en de armoede wordt bestreden. Dit zijn derhalve positieve strategieën die nodig zijn om de aangewezen maatregelen in het kader van het werkgelegenheidsbeleid te vertalen naar de werkelijkheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE).(PL) Mijnheer de Voorzitter, werkgelegenheid is een indicatie voor de mate waarin we vooruitgang boeken. We kunnen echter moeilijk over het hoofd zien dat er op het gebied van de sociale en territoriale samenhang het een en ander mis is. In de EU, die wordt beschouwd als een welvarend gebied, leven nog steeds bijna tachtig miljoen mensen, dat is 16 procent van alle EU-burgers, onder of tegen de armoedegrens. Veel banen zijn van lage kwaliteit en er zijn geen voorzieningen om jonge mensen aan werk te helpen of het werkzame leven van veel ervaren werknemers te verlengen of gehandicapte mensen aan het werk te helpen. We moeten beseffen dat de regio’s die het verst in ontwikkeling zijn achtergebleven, te kampen hebben met de grootste problemen. Hoge werkloosheid, lage deelname van oudere en gehandicapte mensen aan de arbeidsmarkt, een grote groep mensen die langer dan twaalf maanden werkloos blijft, vrouwen die het zwaarder hebben op de arbeidsmarkt dan mannen – dit zijn slechts een paar van de problemen waarmee deze regio’s worden geconfronteerd.

In Polen doet deze situatie zich voor in de oostelijke regio’s. De situatie in de Tsjechische Republiek verdient een vermelding: daar hebben ze het terugdringen van belemmeringen voor werknemersbewegingen tot een van de prioriteiten van het komende voorzitterschap gemaakt.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI).(NL) Het verslag van onze collega Van Lancker leest eigenlijk als een soort catalogus van goede voornemens en wensen. Betere en beter betaalde toegang tot de arbeidsmarkt voor vrouwen, minder validen en allochtonen wordt altijd in één adem genoemd, terwijl het om drie zeer verschillende groepen gaat. Tegen 2010 een stijging met vijf jaar van de gemiddelde uittredingsleeftijd in de EU, perfecte kinderopvang, nauwelijks schoolverlaters zonder job, een job voor mensen die vier jaar werkloos zijn, en ga zo maar door.

Dat is allemaal zeer mooi, maar het is niet 6 december. Dit is een Parlement en geen Sinterklaasoptocht. Collega Van Lancker zou beter moeten weten. Wij leven beiden in een land waarin, ocharmen, 10 miljoen mensen in de twee landsdelen gewoon smeken om een fundamenteel verschillende aanpak van de arbeidsproblematiek in de twee landsdelen. Wij hebben niet méér eenvormigheid op Europees niveau nodig, maar integendeel de mogelijkheid voor lidstaten en regio’s om snel en adequaat concrete maatregelen te nemen die plaatselijk nodig zijn. Dank u.

 
  
  

- Verslag: Janusz Lewandowski (A6-0181/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI).(NL) Dit is een eerste verslag over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Europees Parlement en eigenlijk bulkt dit verslag toch wel van de zelfgenoegzaamheid in deze Instelling, terwijl in dit eerste verslag het tegendeel nodig zou zijn.

Iedereen weet dat in deze Instelling met geld gesmeten wordt. De twee vergaderplaatsen kosten enorm veel middelen, zonder eigenlijk een echte meerwaarde te bieden. Elk jaar brengt steeds opnieuw enorme verhogingen van de werkingskosten van deze Instelling, deze keer zogezegd vermomd als een noodzakelijk uitvloeisel van het Verdrag van Lissabon, dat bij mijn weten nog niet eens is goedgekeurd.

En dan is er natuurlijk het nieuwe statuut van de leden, een uitvinding van Eurofanatici om de band tussen de parlementsleden en de volkeren die zij vertegenwoordigen, nog sterker door te knippen, en dat mag natuurlijk allemaal wat geld kosten, nietwaar? Het is om al die redenen, en nog veel meer, dat ik met overtuiging tegen dit verslag heb gestemd.

 
  
  

- Verslag: Margie Sudre (A6-0158/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Madeleine Jouye de Grandmaison, namens de GUE/NGL-Fractie. (FR) Mijnheer de Voorzitter, wat het verslag van mevrouw Sudre betreft, heb ik met steun van mijn fractie enkele amendementen ingediend in het kader van een compromis. De amendementen zijn gedeeltelijk aanvaard. Ik wil de Commissie bedanken.

De amendementen betroffen de erkenning van de toegevoegde waarde van de ultraperifere regio´s aangaande ruimte, duurzame energiebronnen, zelfvoorziening op energiegebied en biodiversiteit, het belang van openbare diensten voor de ontwikkeling van de UPR´s, onderkenning van het gebrek aan integratie van de UPR´s in de Europese Onderzoeksruimte, erkenning van de voordelen van het programma NET-BIOME en van het vermogen van OPR´s een belangrijke bijdrage te leveren aan erkende internationale prioriteiten.

Aan de andere kant stelt het me teleur dat dit verslag het sociale en culturele deel voor een algehele ontwikkeling niet volledig heeft opgenomen en dat de steun aan en erkenning van de talen van de UPR´s, de financiering van onderzoek naar slavernij en kolonialisme en de verdediging van de rechten van de oorspronkelijke volkeren van Guyana, niet in aanmerking zijn genomen.

Het stelt me ook teleur dat het verslag geen krachtige toezegging bevat om het onderzoeksvermogen te versterken zodat het voldoet aan de mogelijkheden.

Het stelt me teleur dat mijn voorstel om de tariefstelling voor post- en telecommunicatiediensten tussen de nationale grondgebieden en de UPR´s te reguleren, niet is gesteund.

In het kader van de beoordeling ben ik teleurgesteld over de afwijzing van mijn verzoek voor een sociale en milieu-effectbeoordelingsstudie van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker en bananen.

Niettemin heb ik vóór dit verslag gestemd. Het verschaft zeker waardevolle informatie en resultaten voor de UPR´s.

 
  
  

- Verslag: Lasse Lehtinen (A6-0155/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Ik wil graag terugkomen op het politiek beladen debat dat we gisteren hebben gevoerd. Ik heb het voorstel van de Socialisten betreffende collectieve schadeacties niet gesteund omdat het volgens mij meer verantwoord is om te wachten op de resultaten van de effectenstudies teneinde de doeltreffendheid van collectieve schadeacties te beoordelen, vooral wat betreft de kosten die consumenten zich op de hals halen. Daarom wil ik vandaag protesteren tegen het ongepaste commentaar van mijn collega-parlementariër mevrouw Gebhardt tijdens het debat van gisteren. Zij geeft stemmers de indruk dat alleen de Socialisten consumentenbelangen beschermen, anders dan de Democraten die de belangen van de industrie beschermen. Dergelijke manipulatieve politieke retoriek en demagogie onderhouden geen relatie met de werkelijkheid en ik teken er bezwaar tegen aan.

 
  
  

- Verslag: Elizabeth Lynne (A6-0159/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI).(NL) Ik heb met heel veel overtuiging tegen het verslag Lynne gestemd, omdat het naar mijn oordeel nog veel verder gaat dan talloze, op zich reeds zeer betwistbare verslagen die door dit Parlement in het verleden zijn goedgekeurd.

Nu zet het Parlement opnieuw de deur wagenwijd open voor een soort alomvattend Europees antidiscriminatiebeleid dat nauwelijks een enkel maatschappelijk domein onaangeroerd laat. Ik heb het reeds in deze Instelling gezegd, en ik zeg het nogmaals: de strijd tegen discriminatie, indien die nodig is, is een strijd die behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten en Europa moet in dezen eigenlijk geen rol van politieagent of van gedachtenpolitie op zich nemen.

Wie het verslag-Lynne aandachtig leest, stelt trouwens vast dat het eigenlijk minder over de concrete strijd tegen discriminatie gaat, dan wel om een verdere uitholling van de vrijheid van meningsuiting en vooral om de juridisering van de politieke correctheid. Ik kan het daarmee niet eens zijn en heb daarom met overtuiging tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Hubert Pirker (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, wij zijn het er allemaal over eens dat elke denkbare maatregel tegen discriminatie moet worden genomen. Daarom hebben we ook ons vertrouwen gesteld in vier richtlijnen. Een vijfde is in voorbereiding, die eveneens steun zal krijgen.

Ik heb echter tegen dit verslag gestemd omdat het kiest voor een verkeerde strategie, omdat het niet pleit voor de uitvoering van bestaande wetten, maar in plaats daarvan onmiddellijk om een nieuwe richtlijn vraagt, die nieuwe overheidslichamen, nieuwe bureaucratie en nieuwe proefprocedures omvat. Dit betekent dat er belemmeringen in plaats van oplossingen worden geschapen. Al met al zal dit er niet toe leiden dat discriminatie wordt opgeheven.

Wij volgen met mijn gehele delegatie een andere weg. Mijn delegatie zou willen dat de lidstaten eindelijk wordt verzocht alles uit te voeren wat reeds deel uitmaakt van de huidige wetgeving en niet, zoals in het verslag wordt voorgesteld, de tweede stap voor de eerste te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN).(PL) Mijnheer de Voorzitter, het respecteren van de mensenrechten is een fundamentele taak van de Europese Gemeenschap. Helaas kwijt zij zich daar niet optimaal van. De situatie zal niet veranderen na twee uren debatteren. Noch zullen de maatregelen die zijn genomen door de Europese Commissie en andere bevoegde instellingen veel hoop op verbetering bieden. Europa en de rest van de wereld worstelen nog altijd met discriminatie tussen rassen, seksen, culturen en nationaliteiten. De mensenhandel, inclusief handel in kinderen, voor geld, voor genot, voor organen, neemt elk jaar toe. Het aantal gewelddaden stijgt en slachtoffers besluiten steeds vaker te zwijgen, omdat zij geen vertrouwen hebben in hulp van de staat .

Ik krijg de indruk dat wij in het Europees Parlement hoofdzakelijk ten gunste van bedrijven, maatschappijen en regio´s werken, en te weinig voor gewone mensen, voor wie hun levensstandaard en rechtsgelijkheid de belangrijkste zorg zijn. Onze maatregelen hebben niet het gewenste effect; ze sussen vooral ons geweten door ons het gevoel te geven dat we iets doen. Het is hoog tijd voor ingrijpende veranderingen.

Dat is waarom ik tegen het verslag stem.

 
  
  

- Verslag: Willi Piecyk (A6-0163/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Erik Meijer, namens de GUE/NGL-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, binnen de GUE/NGL-Fractie heerst er een grote verdraagzaamheid ten aanzien van minderheidsstandpunten. Er zijn gevallen waarbij deze minderheden de plenaire vergadering van dit parlement willen tonen dat hun zienswijze verschilt van die van de ruime meerderheid binnen onze fractie.

Dat was kort geleden het geval toen er werd gestemd over mijn verslag betreffende de relatie tussen Macedonië en de Europese Unie. Wij gunden de beperkte spreektijd voor onze fractie aan een van onze Griekse leden, die verklaarde dat de Europese Unie geen nieuw lid kan toelaten omdat het dan beter zou zijn de Unie zelf af te schaffen. Mogelijk heeft deze opmerking aanleiding gegeven tot het misverstand dat mijn fractie niet instemde met mijn voorstellen om de onderhandelingen met deze kandidaat-lidstaat te versnellen. Dit standpunt was echter alleen het standpunt van de Communistische Partij van Griekenland, niet van onze gehele fractie, die mijn voorstellen steunde, net als de ruime meerderheid van dit parlement.

In het laatste debat, vanmorgen, deed zich een soortgelijke situatie voor. De sprekers van onze fractie betreffende het Piecyk-verslag over een geïntegreerd maritiem beleid, waren het Griekse lid Pafilis en het Portugese lid Guerreiro. Het was voor de partijen die zij hier vertegenwoordigen heel belangrijk om de gelegenheid te krijgen over deze kwestie te spreken. In hun nationale debat verkiezen deze twee partijen het Piecyk-verslag te gebruiken als een symbool voor alles wat er mis is met de arbeidsomstandigheden van zeelieden en havenwerkers en ook voor alles wat in verband kan worden gebracht met de intenties van de NAVO om de zee voor militaire doeleinden te gebruiken.

De meerderheid van onze fractie, inclusief de Duitse en Nederlandse delegaties, is van oordeel dat het Piecyk-verslag niets met deze kwesties heeft uit te staan. Wij hebben twee keer de afwijzing van de havenrichtlijn gesteund, maar wij zijn niet tegen maritiem beleid in het algemeen. Wij steunen de voorstellen van de heer Piecyk, die zich concentreren op nuttige onderwerpen als het milieu, de bescherming van kustgebieden, onderwijs en de kwaliteit van arbeid.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE).(PL) Mijnheer de Voorzitter, ik heb om een aantal redenen voor dit verslag gestemd. In de eerste plaats is klimaatverandering een van de belangrijkste waarvoor Europese zich ziet geplaatst. Dit houdt ook direct verband met zeegebieden, in het bijzonder kustgebieden die bedreigd worden door een stijgend zeeniveau. Ten tweede is een omvangrijke exploitatie van maritieme hulpbronnen, met name door overbevissing, een serieuze bedreiging van het maritieme milieu. De wisselwerking tussen oceanen en het klimaat wordt beschouwd als een belangrijk deel van het klimaatbeleid van de EU. Ten derde is bijna tachtig procent van de verontreiniging van het maritieme milieu afkomstig van het vasteland. Bedreigingen van het milieu zoals scheepsrwrakken op de zeebodem en de restanten van militaire munitie en chemische wapens zijn ook van groot belang. Ten vierde heeft intensieve visserij het evenwicht van het ecosysteem verstoord en ook de biodiversiteit gedestabiliseerd. Ten vijfde spelen oceanen en zeeën een belangrijke rol in de Europese strategie voor het waarborgen van energiezekerheid. Aan de ene kant zijn zij zowel een bron van olie en gas als van duurzame energie. Aan de andere kant zijn zij een middel en een route voor energievervoer en verhogen zij daarmee de energiezekerheid. Wij moeten daarom een duurzaam ontwikkelingsbeleid scheppen voor zeeën en oceanen.

 
  
  

Schriftelijke stemverklaringen

 
  
  

− Verslag: Jan Andersson (A6-0132/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn Zweedse medeparlementariër Jan Andersson gestemd, in het kader van de vereenvoudigde procedure, dat een bevestiging is van het voorstel voor een beschikking van het Europees parlement en de Raad tot intrekking van Besluit 85/368/EEG van de Raad inzake de vergelijkbaarheid van getuigschriften van vakbekwaamheid tussen lidstaten van de Europese Gemeenschap, waarin de lidstaten en de Commissie werden opgeroepen om samen te werken bij de opstelling van communautaire functiebeschrijvingen voor specifieke beroepen en daarna de in de lidstaten erkende getuigschriften van vakbekwaamheid aan deze overeengekomen functiebeschrijvingen aan te passen.

Omdat dit Besluit moeilijk uitvoerbaar was, is het verstandig om het in te trekken. Het Europees Kwalificatiekader (EKK) moet de beperkingen van het in te trekken besluit ondervangen door zich te richten op een verbetering van de transparantie van kwalificaties en door een gedecentraliseerde methode van samenwerking in te voeren die beter aansluit op de toenemende complexiteit van Europese kwalificaties. Niettemin blijkt uit deze ongelukkige affaire de noodzaak van verheldering en vereenvoudiging van de Gemeenschapswetgeving, zodat burgers deze kunnen begrijpen en gebruiken in hun dagelijks leven.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. − (PL) Een toename van de werkgelegenheid in de Europese Unie is direct gerelateerd aan beroepstraining en aan wederzijdse erkenning van kwalificaties. Ik steunde het verslag van de heer Andersson omdat ik meen dat de lidstaten van de EU een gezamenlijk verificatiemodel van beroepskwalificaties zouden moeten scheppen, ongeacht het land waar deze zijn verworven. Dit zal werknemers ertoe aanmoedigen om hun vaardigheden te blijven aanscherpen en studenten om te studeren, nieuwe ervaringen op te doen en hun kennis van vreemde talen in diverse delen van Europa te verbeteren.

Als vertegenwoordiger van Małopolska, de op twee na grootste regio in Polen wat studentenaantallen betreft, wil ik ook de aandacht vestigen op het bijzondere belang van de erkenning van diploma´s voor jonge mensen. Alle academische uitwisselingen en de mogelijkheid kwalificaties te vergelijken zijn voor jonge mensen van uitzonderlijk belang om in het buitenland ervaring op te doen.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. − (PL) Een van de vier uitgangspunten waarop de gemeenschappelijke markt van de Europese Unie berust, houdt verband met het vrije verkeer van mensen. Het vrije verkeer van mensen verschaft EU-burgers de mogelijkheid werk aan te nemen in een andere lidstaat.

Door de verschillende onderwijssystemen en regelgevingen betreffende beroepskwalificaties is het echter vaak moeilijk werk aan te nemen in beroepen waarvoor men gekwalificeerd is. Daarom is het zo belangrijk beroepskwalificaties tussen verschillende lidstaten te kunnen vergelijken. Volgens de Europese Commissie en ook de rapporteur heeft Besluit 85/368/EEG, waarin deze kwestie is geregeld, niet gezorgd voor een adequate facilitering van de vergelijkbaarheid van beroepskwalificaties, ten voordele van werknemers die werk zoeken in een andere lidstaat.

Dit is wat er achter het besluit zit om het te vervangen door een effectiever middel, het Europees Kwalificatiekader, dat de transparantie verhoogt, de overdracht van kwalificaties ten goede komt en het makkelijker maakt studieresultaten te beoordelen.

Het verheugt me dat deze stap brede steun heeft gekregen vanuit diverse sectoren: sociale partners, industrie en sectororganisaties, onderwijsinstellingen en NGO´s. Hiermee is de brede aanvaarding van de veranderingen die worden doorgevoerd gewaarborgd.

Ik ben daarom voorstander van een herroeping van het Besluit en ik meen dat het EKK, als instrument waarmee kwalificaties kunnen worden vergeleken, mensen een kans biedt zich vrijer te bewegen en de doelen die niet werden gerealiseerd met Besluit nummer 85/368/EEG, alsnog zal verwezenlijken en aldus zal zorgen voor een grotere mobiliteit op de Europese arbeidsmarkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Katalin Lévai (PSE), schriftelijk. (HU) Ik heb vóór het verslag van de heer Andersson gestemd omdat ik meen dat het belangrijk is alle mogelijke barrières op weg naar de harmonisatie van beroepskwalificaties en getuigschriften van vakbekwaamheid te slechten. Het is belangrijk om het Besluit van de Raad 85/368/EEG te herroepen, aangezien de uitvoering van dit besluit niet leidde tot vergelijkbaarheid van beroepskwalificaties en getuigschriften van vakbekwaamheid.

Het Besluit wordt nu vervangen door andere, nieuwere en effectievere instrumenten op Europees niveau, zoals het Europees Kwalificatiekader (EKK). Als instrument voor de bevordering van levenslange scholing omvat het EKK kwalificaties op alle niveaus, van kwalificaties die worden verworven aan de hand van verplicht onderwijs en volwassenenonderwijs tot hoger onderwijs en beroepsonderwijs en -training. Het is daarom belangrijk dat lidstaten het grootste gewicht geven aan onderwijs, aangezien dit de basis vormt voor werkgelegenheid. Naast het opdoen van algemene ontwikkeling en culturele kennis, speelt onderwijs een essentiële rol in de ontwikkeling van een tolerante Europese samenleving. De volgende generatie moet niet alleen leren energie doelmatig te gebruiken en het milieu te beschermen, maar ook leren verschillen te accepteren en te respecteren.

Onderwijs is tevens de sleutel tot veel andere zaken: het geeft minderheden, waaronder het Roma-volk, kansen om hun cultuur te behouden en hun integratie te bewerkstelligen. Minderheidsgemeenschappen kennen tegenwoordig een groeiend aantal goed opgeleide jonge mensen die in staat zijn hun eigen belangen te beschermen tegenover lokale overheden en regeringen.

Om te zorgen dat dit de norm wordt, moeten we taalonderwijs ontwikkelen, meer aandacht wijden aan minderheidsculturen op scholen, en moeten minderheden zelf een actievere rol spelen in het lesgeven.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. − (DE) In de praktijk is het ons niet altijd gelukt de problemen van wederzijdse erkenning van getuigschriften van vakbekwaamheid uit de weg te ruimen en de kwaliteit van het werk te handhaven enerzijds, zonder onnodige obstakels op te werpen anderzijds. Wat dat betreft is het zorgwekkend dat er in de Dienstenrichtlijn een zekere vrijheid is gegeven aan buitenlandse dienstverleners om te doen wat ze willen, door de afwezigheid van effectieve controlemogelijkheden en door onopgehelderde sancties, terwijl binnenlandse dienstverleners nauwgezet moeten gehoorzamen aan de wet en aan normen.

Onze binnenlandse bedrijven zullen binnen enkele jaren een herbeoordeling vragen van de regels die gelden voor buitenlandse ondernemingen om niet ten onder te gaan in een meedogenloze concurrentiestrijd. Goedkoper werken dan de concurrent wordt in het geval van salarissen, arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid, daarom nog steeds aangemoedigd. Bovendien zou de EU deze ontwikkeling niet moeten aanmoedigen met de “blue card”. Wij hebben genoeg gekwalificeerde arbeidskrachten als we hun maar een fatsoenlijk salaris zouden willen geven.

 
  
  

− Verslag: Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (A6-0152/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb gestemd vóór het verslag van mijn Poolse medeparlementariër mevrouw Geringer de Oedenberg, dat in eerste lezing in het kader van de medebeslissingsprocedure zijn goedkeuring geeft aan het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de bijlage bij Richtlijn 93/7/EEG van de Raad van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht zoals gewijzigd door Richtlijn 96/100/EG (PB L van 1 maart 1997) en Richtlijn 2001/38/EG (PB L van 10 juli 2001).

Het stelt me teleur dat het codificatieproces zo veel tijd in beslag neemt; er dient aan te worden herinnerd dat de Commissie op 1 april 1987 besloot haar diensten op te dragen over te gaan tot codificatie van alle wetten, uiterlijk na hun tiende wijziging. Daarbij benadrukte de Commissie dat dit een ondergeschikte zaak was en dat haar diensten ernaar moesten streven de teksten waarvoor zij zelf verantwoordelijk waren, in een nog korter tijdsbestek te codificeren. De zittende voorzitter van de Europese Raad (in Edinburgh in december 1992) onderschreef deze verplichtingen.

Tot slot hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie in een interinstitutioneel akkoord afgesproken dat er een versnelde procedure kon worden gebruikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Nicodim Bulzesc (PPE-DE), schriftelijk. (RO) Ik heb gestemd voor het Geringer-verslag omdat ik het ermee eens ben dat cultuurgoederen die buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, aan de rechtmatige eigenaar moeten worden teruggegeven.

Dit verslag steunt het idee van een Europese Richtlijn voor het creëren van administratieve samenwerking tussen lidstaten ten behoeve van de teruggave van onrechtmatig verwijderde cultuurgoederen. De Richtlijn zal stipuleren dat er in elke lidstaat een centrale autoriteit wordt ingesteld, die zich exclusief zal bezighouden met deze kwestie en zal samenwerken met soortgelijke autoriteiten in andere lidstaten en met Interpol.

Tegelijkertijd zou een dergelijke richtlijn de huidige administratieve procedures in de Europese Unie kunnen vereenvoudigen, en persoonlijk zie ik uit naar de uitvoering van dit wetsontwerp.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Ik steun de codificatie van de wetgeving inzake cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht. De bestaande wetgeving is een aantal keren gewijzigd en het is belangrijk dat we een duidelijk wettelijk raamwerk hebben waarbinnen lidstaten de terugkeer van gestolen cultuurgoederen kunnen waarborgen.

Ik vind ook dat cultuurgoederen moeten worden teruggegeven aan lokale gemeenschappen binnen lidstaten als er duidelijke lokale steun bestaat voor een dergelijk initiatief. In dat verband steun ik, bijvoorbeeld, van harte de terugkeer van de Lewis-schaakstukken naar een locatie op de westelijke eilanden van Schotland en evenzo de schat van het eiland St. Ninian naar Shetland.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI) , schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik stem voor het verslag van mevrouw Geringer de Oedenberg over de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht.

Ik beschouw het van fundamenteel belang dat lidstaten in staat zijn samen te werken om geschillen tussen nationale regeringen op te lossen en om het belang van de bescherming van culturele schatten op Europees niveau te onderkennen. Culturele schatten en kunstwerken vertegenwoordigen het erfgoed van burgers van de lidstaten, die het volste recht hebben deze te kunnen bezoeken en te bewonderen.

Schandalen en ruzies over gestolen kunstwerken gaan trouwens tientallen jaren terug. Ik beschouw de tussenkomst van de Gemeenschap om dergelijke toestanden op te lossen als absoluut noodzakelijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Toomas Savi (ALDE), schriftelijk. (EN) Hoewel ik voor het verslag heb gestemd, moet ik er de aandacht op vestigen dat artikel 13 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad over de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, stelt dat deze richtlijn ingaat op 1 januari 1993.

Laat mij u eraan herinneren dat na de illegale annexatie van de Republiek Estland door de Sovjet-Unie in 1940, talrijke kunstobjecten vanuit Estland naar verschillende bestemmingen in de Sovjet-Unie zijn gebracht die niet zijn teruggegeven, waaronder de presidentiële ambtsketen. Ik hoop dat de Commissie dit niet is vergeten en dat zij spoedig met een voorstel voor een richtlijn komt die betrekking heeft op onrechtmatige verwijderingen van voor 1993.

 
  
  

− Verslag: Pia Elda Locatelli (A6-0145/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn Italiaanse collega-parlementariër mevrouw Locatelli gestemd, dat geschreven is in het kader van de raadplegingsprocedure en betrekking heeft op het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof. Het getuigt van uitstekend beleid om Europa wereldwijd in de voorhoede te plaatsen van brandstofcellen- en waterstoftechnologie.

Brandstofcellen zetten op discrete en efficiënte wijze energie om en verminderen in sterke mate de productie van broeikasgassen. Ze zorgen voor een grote flexibiliteit, aangezien zij waterstof en andere gassen, zoals aardgas, ethanol en methanol, kunnen verbruiken.

Aldus werd het van vitaal belang om een communautair instrument op te zetten met dit Gezamenlijk Technologie Initiatief (GTI), teneinde partnerschappen tussen de publieke en private sector in het onderzoeksveld te scheppen, uit hoofde van het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (KP7). Uit de GTI´s, die voornamelijk het werk zijn van Europese technologieplatforms (ETP´s), blijkt de krachtige wens van de EU om onderzoek te coördineren teneinde de Europese onderzoeksruimte te versterken en de Europese doelstellingen op het gebied van concurrentievermogen te realiseren. Ik steun het idee om meer bijstand te verlenen aan het midden- en kleinbedrijf.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Ik ben het met de rapporteur eens dat wij het specifieke programma Samenwerking moeten aanwenden, dat brandstofcellen en waterstof aanwijst als een van de zes gebieden waar een GTI van bijzonder belang kan zijn.

Dit voorstel betreffende de oprichting van een Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof is het resultaat van het werk dat door het Europees technologieplatform voor brandstofcellen en waterstof is verricht en heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de tenuitvoerlegging van het Actieplan inzake Milieutechnologieën.

Brandstofcellen zijn zeer stille, hoogefficiënte energieomzetters, die substantiële cummulatieve reducties van broeikasgassen en verontreinigende stoffen kunnen opleveren, aangezien zij kunnen werken op waterstof en andere brandstoffen, zoals aardgas, ethanol en methanol. De invoering van waterstof als flexibele energiedrager kan een positieve bijdrage leveren aan energiezekerheid en stabiliserend werken op energieprijzen, aangezien waterstof uit elke primaire energiebron te produceren is en aldus kan zorgen voor diversiteit binnen de vervoersmix, die momenteel afhangt van olie.

Hoewel er veel publiek geld van de EU is gestopt in onderzoek naar brandstofcellen en waterstof, is het niet waarschijnlijk dat deze technologieën zo snel op de markt zullen komen als we zouden wensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (PSE), schriftelijk. − (ES) Een stemming in de Commissie industrie, onderzoek en energie belette mij aan dit debat deel te nemen. Om die reden zou ik mijn stem vóór willen motiveren.

Het Parlement heeft dit GTI verwelkomd:

omdat het veel te maken heeft met de prioriteiten van de EU: energie en de strijd tegen klimaatverandering;

omdat de ervaring bij het in gang zetten van de vier vorige GTI´s zeer van pas is gekomen bij het vormgeven van deze verordening: de Commissie was zich al bewust van onze zorgen ten aanzien van deze nieuwe instrumenten – voor wat betreft financiering, regels voor deelname, transparantie, openheid, voorwaarden voor continuïteit, enzovoorts;

vanwege het goede werk van de rapporteur. De voorgestelde amendementen: het plaatsen van de EU in de voorhoede van deze technologieën, het waarborgen van de steun aan de prioriteit van onderzoek op de lange termijn, het steunen van de aanpassing van de regels voor gebruik en verspreiding aan de regels voor deelname aan het KP7, het versterken van het Wetenschappelijk Comité met de functie om wetenschappelijke prioriteiten te stellen en te vermijden dat de verordening verlangt dat de coördinator van het consortium afkomstig is van een industriële groep, zijn kwesties die het voorstel van de Commissie versterken.

GTI´s zijn goede instrumenten ter verhoging van ons vermogen tot Onderzoek en Ontwikkeling, mits zij conform de doelstellingen waarvoor zij zijn geschapen, worden uitgevoerd. Het is onze plicht ervoor te zorgen dat dit gebeurt.

 
  
  

− Verslag: Sergio Berlato (A6-0164/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Ik verwelkom het Berlato-verslag over de mogelijkheid de financiering van het Communautair Fonds voor tabak te verlengen tot 2012.

De EU voelt de noodzaak om deze belangrijke sector te beschermen omdat de volledige intrekking van subsidies enorme schade aan de productie zou aanrichten met negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in de betrokken regio´s.

In sommige gebieden kan tabak 35 procent van de landbouwuitvoer vertegenwoordigen en een potentiële terugval in productie zou ernstige economische en sociale schade aanrichten, zeker als de lokale economie al in moeilijkheden is.

Het is belangrijk te onderstrepen dat de voorgenomen financiering van het Communautair Fonds voor tabak zal worden gebruikt om alle initiatieven en onderwijs- en bewustwordingscampagnes betreffende de schade die roken veroorzaakt, te dekken.

Daarom hoop ik dat het voorstel om het voorlichtingsfonds tegen het roken te verlengen de steun geniet van mijn collega´s, en de belangen van de consumenten dientengevolge ook zijn beschermd.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernadette Bourzai (PSE), schrifteijk. – (FR) Het Communautair Fonds voor tabak, dat is gefinancierd door de overdracht van een bepaald bedrag aan tabakssteun voor de jaren 2006 en 2007, stimuleert initiatieven om de publieke bewustwording over de schadelijke gevolgen van roken te verhogen.

De Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling heeft voorgesteld de financiering te verlengen tot aan het einde van het financiële vooruitzicht en heeft het percentage verhoogd tot zes procent. De Europese tabaksconsumptie is niet veranderd en de geleidelijke vermindering van de Europese productie is gesubstitueerd door de invoer van tabaksproducten.

De parallelle vraag over handhaving van de gemeenschappelijke markordening voor tabak en dus over uitstel van de hervorming van 2004 die vanaf 2010 zou moeten worden toegepast, moet worden behandeld tijdens de gezondheidscontrole van het GLB, omdat een ontkoppeling een vrijwel totale teloorgang van de productie veroorzaakt, zonder duurzaam alternatief op het gebied van economie en banen, wat grote gevolgen heeft gehad voor de betrokken plattelandsgebieden, maar geen enkel effect op de volksgezondheid.

Ik denk niet dat de bestrijding van het roken onverenigbaar is met de verlenging van een overgangsperiode die Europese producenten in staat zal stellen een alternatief te vinden voor tabaksteelt en de negatieve effecten voor onze regio´s zal verminderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) De financiering van het Communautair Fonds voor tabak heeft uitsluitend tot doel om voorlichtingsinitiatieven over de schade die tabaksproducten kunnen aanrichten te stimuleren. Het door de Europese Commissie ingediende voorstel voorziet in de overdracht van een bedrag dat gelijk staat aan vijf procent van de tabakshulp die voor de kalenderjaren 2008 en 2009 is toegezegd. Van zijn kant stelt het Parlement een overdracht van zes procent van de voor de periode 2009 tot 2012 toegezegde hulp voor, ervan uitgaande dat de hulp aan producenten wordt voortgezet.

Zoals we weten beweegt de Europese Commissie zich helaas in de richting van een ontkoppeling van de productiehulp, wat heeft bijgedragen aan een terugloop van de tabaksproductie in Portugal, hoewel tabak nog steeds wordt ingevoerd uit producerende landen. De Commissie verbindt dit fonds nog steeds met het systeem van steun aan tabakstelers op grond van het feit dat het de enige bron van financiering is die voorhanden is. In lijn met deze redenering en op grond van de zienswijze dat voorlichtingscampagnes van waarde zullen blijven, lijken de amendementen terecht te zijn.

Het lijkt ook zinnig steun te geven aan het recente formele verzoek van bijna alle tabaksproducerende lidstaten aan de Commissie dat zij een voorstel indient voor een regeling die het huidige systeem van steun aan de tabaksproductie tot 2013 verlengt, als punt van overweging binnen het bestek van de voortgaande discussies over de “gezondheidsregeling” van het GLB.

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb tegen dit verslag gestemd omdat ik, als iemand die vanaf het eerste begin tegen subsidies voor tabaksproductie heeft gepleit, meen dat het rampzalig zou zijn om de afbouw van tabakssubsidies te verlengen van 2009 naar 2012.

Ik steun het voorstel van de Europese Commissie dat aangeeft dat er geen rechtvaardiging voor is om tabakssubsidies en tabaksproductie met elkaar te blijven verbinden. Ik meen dat het verslag van het Parlement dat het debat over de afbouw van subsidies tegen 2009 poogt te heropenen, volstrekt onaanvaardbaar is.

Ik zie geen logische reden om door te gaan met steun aan de tabaksproductie, met name vanwege de negatieve gevolgen van tabak voor de gezondheid en de kosten van de gezondheidszorg.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Ik heb tegen het Berlato-verslag over het Communautair Fonds voor tabak gestemd. De EU heeft, in lijn met talrijke lidstaten, getracht het tabaksgebruik terug te dringen met maatregelen zoals het verbod op tabaksreclame. Het is daarom van een stuitende hypocrisie dat de EU doorgaat tabakstelers in Europa financieel te steunen. .

 
  
MPphoto
 
 

  Kartika Tamara Liotard, Erik Meijer, Esko Seppänen, Søren Bo Søndergaard en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) De resolutie van het Europees Parlement over het Fonds voor tabak stelt voor landbouwsubsidies voor tabak te verlengen. Wij stemmen tegen, uit protest tegen het hele systeem van tabakssubsidies. Het is belachelijk dat de EU de tabaksteelt steunt en hypocriet om een deel van dat geld te gebruiken voor antirookcampagnes. Alle landbouwsubsidies aan tabak moeten onmiddellijk worden afgeschaft.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Het verslag van Sergio Berlato over het Communautair Fonds voor tabak probeert het debat over een verlenging van tabakssubsidies tot 2012 te heropenen. Er is geen rechtvaardiging voor het geven van tabakssubsidies aan boeren, noch uit oogpunt van gezondheid, noch uit oogpunt van economie, daarom is een verlenging eenvoudigweg niet nodig.

Gezien het standpunt van de EU ten aanzien van tabak, vind ik de voorstellen in het verslag niet alleen hypocriet, maar zelfs immoreel. Ik kon daarom niet vóór het verslag stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Ik heb vóór het Berlato-verslag gestemd, evenals de Confederale Fractie Europees Unitair Links/Noords Groen Links. Het waarborgt Gemeenschapssubsidies voor tabakstelers voor een langere periode en biedt hun bescherming tegen discriminatie ten voordele van telers van andere landbouwproducten, die subsidie zullen blijven krijgen. Het is vooral van belang gebruik te maken van alle mogelijkheden die bestaande bronnen bieden. Wij moeten voorkomen dat de tabaksproductie wordt opgeheven en dat de plattelandsbevolking wegtrekt gedurende deze overgangsperiode voor het gewas.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN), schriftelijk. − (PL) Hoewel de stemming voor het Berlato-verslag positief was, lost het het probleem van roken en tabaksproductie niet op.

Gesteld kan worden dat we een besluit over deze belangrijke zaken enkele jaren hebben uitgesteld. Dit probleem zal daarom terugkeren en een probleem blijven zolang mensen tabak zullen blijven roken. Het moet worden opgelost, maar niet ten koste van landbouwers die zich hebben verbonden aan de tabaksproductie en zich de nodige investeringen op de hals hebben gehaald.

De tabaksteelt voorziet in het onderhoud van tienduizenden gezinnen, die vaak op geen andere manier aan een bron van inkomsten kunnen komen, zoals, bijvoorbeeld in gebieden in Polen met een arme grond.

Om die reden moeten nu strategische besluiten worden genomen, weloverwogen, niet onder druk van lobbyisten die tussenpersonen en handelaren in een internationaal systeem vertegenwoordigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI), schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik wil de heer Berlato feliciteren en mijn steun uitspreken aan dit verslag.

Het verslag is uiterst evenwicht en is een zeldzaam en positief voorbeeld van de integratie van het landbouw- en gezondheidsbeleid van de EU. Door voor te stellen het percentage van de vermindering van subsidies aan tabakstelers te verhogen en nieuwe middelen van ruim 81 miljoen euro vrij te maken voor campagnes tegen het roken, slaagt het verslag erin beide partijen tevreden te stellen op sommige gevoelige gebieden.

Aan de andere kant verlengt dit verslag gedeeltelijke gekoppelde steun aan producenten zonder dat de EU-begroting extra wordt belast en zonder te discrimineren tussen hen en andere landbouwsectoren, waarmee het standpunt dat het Parlement in maart 2004 in Straatsburg innam, wordt bevestigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Simpson (PSE), schriftelijk. (EN) U zult zich ervan bewust zijn dat dit Parlement vele jaren lang luid en duidelijk de gevaren van het roken van tabak voor de volksgezondheid onder de aandacht heeft proberen te brengen.

En toch heeft de Europese Unie tezelfdertijd steeds miljoenen euro´s aan boeren gegeven om precies datzelfde product te telen.

Het is werkelijk uiterst hypocriet om dit beleid voort te zetten.

Het verslag van de Commissie landbouw probeert het debat over de verlenging van tabakssubsidies tot 2012 te heropenen. Tegelijkertijd gaat het voorstel van de Commissie, waarop het verslag naar verluidt het antwoord was, over de verlenging van de financiering van het Communautair Fonds voor tabak, dat, zoals we weten, wordt gebruikt om te waarschuwen voor de gevaren van het roken van tabak.

Wat de Commissie landbouw geprobeerd heeft te doen, was een handigheid een meestergoochelaar waardig, maar gelukkig is dit onderkend en hopelijk ontmaskerd voor wat het werkelijk is; namelijk een poging subsidies aan tabakstelers te verlengen. Het Parlement moet zich hiertegen verzetten om morele, economische en gezondheidsredenen.

Het standpunt van de Commissie is duidelijk. Er is geen rechtvaardiging voor tabakssubsidies die verbonden zijn aan productie. Het is nu hoog tijd dat het Parlement zich op dezelfde lijn stelt door het standpunt van de Commissie landbouw over deze kwestie te verwerpen. Dat is waarom ik tegen zal stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. (EN) Meer dan een half miljoen EU-burgers overlijdt jaarlijks als gevolg van tabaksverslaving. Er zou geen cent van de EU-belastingbetalers naar het Communautair Fonds voor tabak moeten gaan. Het Communautair Fonds voor tabak moet ophouden te bestaan.

 
  
  

−Verslag: Bairbre de Brún (A6-0133/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het initiatiefverslag van mijn Britse collega-Parlementariër mevrouw de Brún gestemd over de evaluatie van het PEACE-programma (het speciale EU-programma voor vrede en verzoening in Noord-Ierland) dat benadrukt dat de overdracht van bevoegdheden naar lokaal niveau een essentieel onderdeel van de vredesopbouw is en dat de deelname van het maatschappelijk middenveld in dit proces in belangrijke mate heeft bijgedragen aan een verbetering van lokale beleidsvorming en -uitvoering.

Ik ondersteun het idee dat samenwerking tussen deelnemers in programma´s die zijn gefinancierd door PEACE en IFI (Internationaal Fonds voor Ierland) niet mogen ophouden als de programma´s zijn beëindigd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór het de De Brún-verslag gestemd, dat terecht de aandacht vestigt op het belang van de overdracht van bevoegdheden naar lokaal niveau in het kader van het vredesopbouwproces. De PEACE-programma´s hebben een waardevolle bijdrage geleverd aan het vredesproces in Noord-Ierland en inspanningen om hierop in de toekomst voort te bouwen, moeten worden verwelkomd.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. (EN) Het doet mij genoegen het programma PEACE te steunen en ik hoop dat het zal doorgaan om gemeenschappen aan de basis te helpen.

 
  
  

- Verslag: Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf (A6-0130/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn Duitse collega-Parlementariër mevrouw Graefe zu Baringdorf gestemd, dat voorstelt om het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende vlees- en veestatistieken te wijzigen, maar op een manier die overeenstemming in eerste lezing in het kader van de medebeslissingsprocedure mogelijk maakt. Veestatistieken (twee keer per jaar voor varkens en een keer per jaar voor schapen en geiten), maandelijkse slachtstatistieken (koppen en wegingen van karkassen van varkens, runderen, schapen, geiten en gevogelte) en prognoses van vleesproductie (vlees van varkens, runderen, schapen en geiten) zijn essentieel voor het beheer van markten in EU, maar de geldende wetgeving, die zeer complex was geworden, moest nodig worden aangepakt. Het lijkt redelijk om het vlees van gevogelte, naast het vlees van varkens, runderen, schapen en geiten, in de statistieken op te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  Constantin Dumitriu (PPE-DE), schriftelijk. (RO) De vereenvoudiging van procedures is een van de voornaamste doelstellingen van de Europese instellingen, die er zich van bewust zijn dat overregulering een last is voor zowel hun functioneren als voor de doelmatigheid en het concurrentievermogen van marktdeelnemers. Voor de boeren en producenten van landbouwproducten in Roemenië is een vermindering van de bureaucratische last vereist om volledig te kunnen profiteren van de voordelen van toetreding tot de Europese Unie.

Eurostat en in het bijzonder de nationale instellingen en ondernemingen moeten rekening houden met de statistische verslagen. Voor wat betreft vlees geven de statistische gegevens een beeld dat het mogelijk maakt om op tijd maatregelen te nemen teneinde de markt te reguleren, door interventiemechanismen in te stellen.

De statistische verslagen moeten een eenheid vormen en correct en op tijd beschikbaar zijn om grote ongelijkheden op de Gemeenschapsmarkt, die producenten, consumenten of beide groepen zullen treffen, te vermijden.

Dit verslag is precies hiervoor bedoeld en ik juich het toe! Tegelijkertijd moeten nationale overheden rigoureus (en waar nodig ferm) maatregelen uitvoeren om serieuze medewerking van respondenten af te dwingen.

De kwestie moet met even grote zorgvuldigheid worden behandeld door degene die de statistische gegevens verzamelt en verwerkt als door de economische medewerkers die ze versturen. Afgezien van nauwgezetheid, zal deze verordening de uniformiteit van deze gegevens bewerkstelligen, dankzij de aanwezigheid van gemeenschappelijke normen die toepasbaar zijn in de hele Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik verwelkom het verslag van mevrouw Graefe zu Baringdorf over het voorstel voor een Verordening betreffende vlees- en veestatistieken. De verordening heeft tot doel bestaande wetgeving op dit gebied te vereenvoudigen. Ik heb vóór de aanbevelingen van het verslag gestemd.

 
  
  

− Verslag: Anne Van Lancker (A6-0172/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag van mijn Belgische collega-Parlementariër mevrouw Van Lancker gestemd, dat geschreven is in het kader van de raadplegingsprocedure en dat het voorstel voor een Besluit van de Raad betreffende richtsnoeren van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten tot onderwerp heeft.

Ik huldig het uitstekende werk dat door mijn vriendin en collega mevrouw Morin, de rapporteur voor mijn fractie, is verricht, in het bijzonder over flexizekerheid. Op het gevaar af een beetje van het onderwerp af te dwalen, aangezien dit besluit van de Raad feitelijk slechts tot doel heeft aanbevelingen te doen aan de lidstaten op basis van arikel 128 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, stelt het mij teleur dat de Commissie niet - terwijl dit haar plicht was onder de toepassing van artikel 138 van dit Verdrag - de sociale partners naar voren heeft geschoven en heeft benadrukt dat de tijd is gekomen om Europese werkgelegenheidswetgeving in het leven te roepen met de steun van de sociale partners, gebaseerd op de procedure die is vastgesteld in artikel 139 van het EG-Verdrag.

Wij kunnen geen ambitieus werkgelegenheidsbeleid hebben als wij geen Europese arbeidswetgeving scheppen die de steun geniet van de sociale partners.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de Lissabonstrategie is, vooral na de tussentijdse evaluatie, de belangrijkste strategische verplichting van de EU en ze gaat eindelijk gepaard met concrete resultaten op het gebied van groei en werkgelegenheid.

In dit opzicht stelt mevrouw Van Lancker, terwijl zij erkent dat de strategie het voordeel heeft te hebben bijgedragen aan de werkgelegenheid, dat de kwaliteit en de veiligheid moeten worden verbeterd. Opgemerkt dient te worden dat ondanks een gestage daling van het aantal werklozen, het aantal werknemers met contracten van bepaalde duur stijgt, met duidelijke implicaties en gevolgen. De cijfers tonen aan dat er toezicht op lidstaten nodig is, om ervoor te zorgen dat zij werkgelegenheidskwesties steeds evenwichtiger en op flexizekerheid gerichte wijze benaderen: dit betekent nieuwe banen, maar ook betere omstandigheden voor werknemers in het algemeen.

Zoals de rapporteur benadrukt, moet de agenda van Lissabon echter meer rekening houden met sociale doelstellingen: het toverwoord van onze strategie moet nu integratie zijn, en niet alleen groei en werkgelegenheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) De huidige situatie laat zien dat tien jaar na de eerste richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, er steeds minder werk met rechten is, wat op zich aantoont dat de strategie niet tot doel heeft werk met rechten te bevorderen. Aan de andere kant hebben de voordurende wijzigingen van deze richtsnoeren, samen met de almaar neoliberalere economische richtlijnen van de Europese Unie, bijgedragen aan een verhoogde arbeidsonzekerheid.

Hoewel de rapporteur enkele lapmiddelen betreffende armoede en sociale integratie heeft opgenomen, wordt er in feite niet gerept van de noodzaak om los te breken van de huidige macro-economische richtsnoeren, die volledig neoliberaal zijn en waarin concurrentie en flexibiliteit almachtig zijn, wat betekent dat dergelijke voorstellen niet meer zijn dan een rookgordijn, die de problemen niet aan de wortel aanpakken.

Sommige andere voorstellen neigen er zelfs toe de flexizekerheid te stimuleren, of, beter gezegd, de deregulering van de arbeidsmarkt, door een lans te breken voor flexibele en voldoende zekerheid biedende contractuele regelingen op basis van moderne arbeidswetgeving, met de aanwijzing dat de lidstaten hun eigen actieplannen moeten uitvoeren op basis van de gemeenschappelijke, door de Raad goedgekeurde uitgangspunten van flexizekerheid.

Dientengevolge hebben wij tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór het verslag van Van Lancker gestemd, dat het werkgelegenheidsbeleid van lidstaten betreft. Terecht benadrukt het verslag de noodzaak voor lidstaten om richtsnoeren zodanig te ontwerpen dat discriminatie op basis van geslacht, raciale of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele voorkeur wordt tegengegaan.

Het verslag roept staten ook op om bij de uitvoering van het werkgelegenheidsbeleid nationale tradities te erkennen. Ik vind dat een erkenning van de uiteenlopende Europese tradities aan de basis moet staan van elk EU-beleid.

 
  
MPphoto
 
 

  Stanisław Jałowiecki (PPE-DE), schriftelijk. − (PL) Ik heb mij onthouden van stemming inzake het verslag van mevrouw Van Lancker over richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid. Het verslag is er helaas niet in geslaagd tegenstrijdigheden te vermijden. Aan de ene kant zit het vol met frases als “informatiemaatschappij”, “concurrentievermogen” en “technologische uitdagingen”, terwijl er aan de andere kant wordt gerept van de noodzaak te zorgen voor “arbeidszekerheid”, “stabiele werkgelegenheid” en wat dies meer zij. In het ene geval wordt de nadruk gelegd op intenties, in het andere op alles zo laten als het is. Er kan geen vooruitgang worden geboekt zonder de werkgelegenheidsstructuur te verstoren. Dit heeft zich nooit eerder in de geschiedenis voorgedaan.

In plaats van te praten over arbeidszekerheid, in de zin van handhaving van bestaande banen en soorten werk, moeten we praten over iets anders, namelijk het zekerstellen van de toegang tot werk; toegang tot werk dat nu, op dit moment, bestaat. Dit zou onze gemeenschappelijke zorg moeten zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (NI), schriftelijk. – (FR) De werkgelegenheidssituatie in de Europese Unie is niet erg gunstig. De gemiddelde werkloosheid van 7,3 procent in 2007, bijbanen niet meegerekend, is hoger dan in andere grote economische blokken. In Noord-Amerika is de werkloosheid minder dan 5 procent.

De ingediende richtsnoeren zullen de situatie verre van verbeteren, maar verslechteren. De Lissabonstrategie, die door de rapporteur in een gunstig daglicht wordt gesplaatst, stelt onze economieën bloot aan oneerlijke concurrentie, in het bijzonder van communistisch China, dat aan regelrechte sociale dumping doet. Door te eisen dat de “werkgelegenheidskloof tussen onderdanen van derde landen en EU-burgers” wordt verminderd, maakt het verslag verder duidelijk deel uit van de al jaren gevoerde immigratievriendelijke politiek in onze landen, die, door meer dan 1,5 miljoen immigranten van buiten Europa hier naartoe te brengen, bezig is ons in derde wereld-landen te veranderen.

Een herstel van nationale voorkeur, die redelijke positieve discriminatie inhoudt, een verlichting van de migratielast en daarmee van de fiscale last voor onze ondernemingen en werknemers, en de uitvoering van het principe van de communautaire voorkeur voor de Europese markt: dit zijn de hoofdmaatregelen die genomen moeten worden om de werkgelegenheid in Europa te ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik huldig de stap van de rapporteur om het sociale aspect van de Lissabonstrategie te versterken. De oproep tot invoering van een evenwichtige benadering van “flexizekerheid” en tot invoering van een clausule inzake actieve integratie zullen, denk ik, het werkgelegenheidsbeleid in heel Europa versterken. Ik heb vóór het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN), schriftelijk. − (PL) Het verslag over het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaten bevat tal van tegenstrijdigheden.

De rapporteur schrijft dat de vernieuwde Lissabonstrategie resultaat heeft, zoals onder meer een stijging van het BBP in de EU in recente jaren en een daling van de werkloosheid, en dat de richtsnoeren voor werkgelegenheid niet volledig hoeven te worden herzien, maar voornamelijk op een aantal specifieke punten moeten worden gewijzigd.

De rapporteur merkt ook op dat in recente jaren, niet minder dan zes miljoen jonge mensen tussen 18 en 24 jaar de school vroegtijdig hebben verlaten en hun scholing heeft afgebroken en dat de jeugdwerkloosheid veertig procent van de totale werkloosheid in de EU vertegenwoordigt, waarbij dit percentage twee keer zo hoog is onder migranten. Daarnaast leven 78 miljoen mensen in armoede, wat twee keer zo veel is als de bevolking van Polen.

Voorts constateert zij een stijging van het aantal banen ten koste van de kwaliteit en een stijging van het percentage mensen met deeltijdwerk en werk voor een bepaalde periode, vaak onder de voorwaarden van contracten die onder dwang zijn gesloten.

De werkelijkheid spreekt voor zich, maar we willen niet altijd luisteren. De werkelijkheid is dat de samenleving niet integreert, maar verdeelt. De armoede neemt niet af, maar neemt met elk jaar dat verstrijkt toe. Discriminatie van vrouwen, oudere mensen en migranten op de arbeidsmarkt neemt niet af en stereotypen, in denken en doen, willen niet verdwijnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Schlyter (Verts/ALE), schriftelijk. (SV) Door de bank genomen is de inhoud van het verslag positief, maar het getuigt van hypocrisie om te spreken van sociale verantwoordelijkheid, lokale economie en gelijkheid, en tegelijkertijd te proberen ervoor te zorgen dat aanbestedingsvoorschriften verbieden dat er met zulke zaken rekening wordt gehouden. Ik zal hier niet aan meedoen. Het verslag geeft een valse indruk van de werkelijkheid en daarom onthoud ik mij van stemming.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. − (PL) Ik steun dit verslag en de zienswijze van mevrouw Van Lancker dat de gemeenschappelijke sociale doelstellingen van de lidstaten beter in de agenda van Lissabon tot uiting moeten komen. Ik steun ook de verandering van de huidige Lissabonstrategie voor groei en banen in een strategie die is gebaseerd op groei, banen en integratie. Ik denk dat het essentieel is om gemeenschappelijke sociale normen op EU-niveau te stimuleren. Het scheppen van goede banen is noodzakelijk, samen met een opwaardering van het Europese sociale model.

In mijn optiek is een van de kerntaken van de strategie voor duurzame ontwikkeling de vestiging van een integrerende samenleving waarin die doelstellingen en operationele inspanningen prioriteit hebben die het aantal mensen dat wordt bedreigd door armoede en sociale uitsluiting beperken, de rol van vrouwen, oudere mensen en migranten op de arbeidsmarkt aanzienlijk versterken en de werkgelegenheid voor jongeren bevorderen.

 
  
  

− Verslag: Janusz Lewandowski (A6-0181/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Richard James Ashworth (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Dit verslag stelt enkele belangrijke richtlijnen in het begrotingsproces van de begroting voor 2009 vast en wij zijn het over het algemeen krachtig eens met de vastberadenheid van de rapporteur om het vrijwillig opgelegde plafond van twintig procent voor parlementaire uitgaven te blijven eerbiedigen.

2009 zal een jaar zijn dat veel veranderingen zal brengen in de werkwijze van het Parlement en om deze discipline te handhaven, menen wij dat het nodig zal zijn alle voorstellen voor uitgaven nauwkeurig te onderzoeken om ervoor te zorgen dat de belastingbetaler waar voor zijn geld krijgt. In het bijzonder schromen wij niet het Parlement eraan te herinneren dat de grootste enkele bezuiniging die het kan doorvoeren is dat het zijn twee zetels opgeeft. Wij geven ook onze krachtige steun aan de voorstellen van de rapporteur om de middelen te verschaffen het asbest te verwijderen van de parlementsgebouwen in Straatsburg.

Britse Conservatieven kijken er naar uit om tezijnertijd aanvullende overwegingen van de rapporteur te ontvangen en hebben zich daarom onthouden van definitieve stemming over dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn Poolse collega de heer Lewandowski gestemd over de raming van de inkomsten en uitgaven van het Parlement voor het begrotingsjaar 2009. Deze begroting moet het hoofd bieden aan grote uitdagingen, zoals de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, als dat door de lidstaten wordt geratificeerd, en het feit dat 2009 een verkiezingsjaar is voor het Parlement, alsmede de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut van de leden.

Hoewel ik het er vanzelfsprekend mee eens zijn dat wij goed moeten waken over de status van de begrotingsuitgaven, meen ik dat we standvastig moeten zijn voor wat betreft uitgaven die verband houden met meertaligheid (vertalen en tolken), die een voorwaarde is voor het politieke succes van de Europese Unie. Wij moeten ook faciliteiten ontwikkelen voor Parlementariërs om bezoekers te ontvangen, omdat deze bezoeken zeer worden gewaardeerd en burgers in staat stellen meer te weten te komen over de Europese Unie.

Tot slot moeten we naar mijn mening de staf van Parlementariërs en van de commissies van het Europees Parlement uitbreiden om hun onafhankelijkheid en de kwaliteit van hun werk te waarborgen, bijvoorbeeld waar het de omgang met andere Europese instellingen, lobbygroepen en nationale parlementen betreft.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE), schriftelijk. − (PL) Het jaar 2009 zal het Europees Parlement voor veel uitdagingen plaatsen, die bovenal verband houden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, de verkiezingen voor het Parlement, het nieuwe Statuut van de leden en de termijnwisseling. Deze uitdagingen moeten worden aangegaan met het algehele begrotingsniveau voor 2009, al ligt het onder de traditionele vrijwillige parlementaire beperking van twintig procent voor administratieve onkosten.

Vermeldenswaard in de procedure van dit jaar, is het aanwenden van een proefproject voor vroegtijdige en nauwere samenwerking tussen het Bureau en de Begrotingscommissie in alle gevallen die aanzienlijke implicaties voor de begroting hebben. De nieuwe benadering heeft tot doel ervoor te zorgen dat beschikbare middelen zo rationeel mogelijk worden gebruikt en er mogelijke besparingen worden gevonden.

Ik moet mijn tevredenheid uiten over de redelijke ramingen ten aanzien van de uitgaven voor het nieuwe Statuut van de leden, met name omdat de mogelijkheid bestaat het bedrag in een later stadium nauwkeurig af te stellen. Plezierig is ook dat de 65 voorgestelde nieuwe posten in de ramingen voor 2009 zijn opgenomen, met het idee om de wetgevende activiteiten en de diensten aan de leden te versterken en tegelijkertijd 15 procent van deze bestedingen in de reserve te plaatsen. Ook prettig is de aankondiging dat de prioriteiten die in de begroting voor 2008 zijn vastgesteld, zullen worden voortgezet voor wat betreft tolken en de onderzoeksdienst van de bibliotheek. Voor een succesvolle afronding van de begrotingsprocedure van dit jaar is het ook nodig dat er debatten worden gehouden en er onverwijld specifieke besluiten worden genomen aangaande het beleid van het Parlement op het gebied van onroerend goed.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) De begrotingsprocedure is nu begonnen met de indiening van de door de Commissie voorgestelde Gemeenschapsbegroting voor 2009.

In vorige begrotingsprocedures bedroeg de begroting voor het Europees Parlement ongeveer 20 procent van het bedrag onder rubriek 5 – (administratieve onkosten) van het financiële meerjarenkader. De rapporteur stelt voor om een dergelijk niveau te handhaven voor de begroting voor 2009.

Een dergelijke beslissing mag geen beletsel of hinderpaal zijn voor de beschikbaarheid van financiële middelen die nodig zijn om op passende wijze tegemoet te komen aan de reeds vermelde noodzaak het aantal stafleden te verhogen en de tolk- en vertaaldiensten te verbeteren, ter eerbiediging van de gelijkheid en het recht alle officiële talen te gebruiken in het Europees Parlement en van de activiteiten die het stimuleert.

Overigens is dit een wederkerend probleem geweest, aangezien er vaak is gerept van de noodzaak om diensten als van tolken en vertalen te verbeteren, zonder dat de vereiste financiële middelen worden vrijgemaakt; regels die specifiek zijn ingesteld om het gebruik van verschillende talen te ontmoedigen, worden veelvuldig toegepast. Kijk maar naar de criteria die zijn aangenomen in de Paritaire Parlementaire vergadering ACS-EU.

Aan de andere kant maakt het verslag geen melding van waarborgen voor de rechten van werknemers, in het bijzonder in verband met de toegenomen uitbesteding van diensten van het EP in recente jaren.

 
  
MPphoto
 
 

  Cătălin-Ioan Nechifor (PSE), schriftelijk. (RO) Het Europees Parlement moet zich bewust worden van het belang van het solidariteitsbeginsel volgens welke de achtergebleven of minder ontwikkelde regio’s moeten worden gesteund, ook financieel, uit de begroting van de Europese Unie. Helaas blijft Roemenië bijna een jaar na zijn toelating een toppositie bezetten voor wat betreft het laagste bruto binnenland product per inwoner op regionaal niveau. Zes van de acht regio’s behoren tot de vijftig minder ontwikkelde regio’s in de EU. De Noordoostelijke ontwikkelingsregio, waar ik vandaan kom, blijft nog steeds de armste regio van de 27 lidstaten.

De groeisnelheid van de Roemeense economie is op dit moment onvoldoende om de te overbruggen kloof heel snel te verminderen. De inkomensverschillen die zich overal voordoen en de uiterst lage absorptie van structuurfondsen zijn beslist redenen die ons bijna aan de top van de armoedelijst van de Europese Unie plaatsen. Daarom zorgt de politisering van de centrale bestuurswetgeving ervoor dat Roemenië een netto bijdrage aan de EU-begroting gaat leveren. Afgelopen jaar betaalde Roemenië bijna 1,1 miljard euro.

De enige troost is dat zestien miljoen euro naar ons land zal terugvloeien dankzij het feit dat 2007 het eerste jaar was waarin een begrotingsoverschot werd genoteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Aan de door de EU in samenwerking met centrumlinkse en centrumrechtse regeringen opgestelde werkgelegenheidsrichtsnoeren werd enthousiast bijgedragen door de politieke vertegenwoordigers van het kapitalisme in het Europees Parlement. Zij bevorderen de meest barbaarse uitbuiting van de werkende klasse ter realisatie van het doel van de strategie van Lissabon, te weten de onbegrensde winstgroei voor plutocraten.

Bij de EU en het regeringsbeleid staat de beruchte “flexizekerheid” centraal die de arbeidsrelaties compleet omver haalt. De EU gebruikt werkloosheid als een middel om werknemers te intimideren. De collectieve arbeidsovereenkomsten en volledige, stabiele werkgelegenheid worden overboord gezet. Deze worden vervangen door individuele arbeidscontracten en in hoofdzaak deeltijdbanen, die nauwelijks iets van doen hebben met rechten van werknemers, loon, sociale verzekeringen of pensioenrechten. De EU beoogt een beslissende slag toe te brengen aan overheidsstelsels van sociale bescherming, verzekeringen en pensioenen in alle lidstaten. In de middeleeuwse arbeidsvoorwaarden die door de EU worden opgesteld, is de “modelwerknemer” zoals beschreven in de EU-werkgelegenheidsrichtsnoeren een “inzetbaar” persoon die arbeid verricht onder de voorwaarden van elke denkbare vorm van deeltijdwerk. Hij of zij heeft geen rechten, maar wordt geschoold en herschoold in wegwerpvaardigheden volgens de kapitalistische behoeften van het moment. Hij of zij is voortdurend bezig om werk te zoeken, werkt tot op zeer gevorderde leeftijd of zelfs tot de dood toe, en verschaft onmetelijke rijkdommen om te worden geplunderd door de plutocratie.

 
  
  

− Verslag: Jens Holm (A6-0134/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het initiatiefverslag van mijn Zweedse collega Holm over de handel in grondstoffen en goederen gestemd. Ik ben het eens met de gedachte dat er behoefte bestaat aan zekerheid van de grondstoffenvoorziening voor de Europese Unie en aan waarborging van de toegang tot grondstoffen op de wereldmarkten met daarbij de opmerking dat de Europese Unie momenteel niet over een coherente strategie beschikt om de uitdagingen het hoofd te bieden die voor het concurrentievermogen ontstaan als gevolg van sterkere concurrentie om de toegang tot grondstoffen.

Ik ben teleurgesteld over het feit dat het verslag niet rept over vraagstukken met betrekking tot de valutamanipulatie in de wereld die samen met de lagere beurskoersen, tot verstoring van een eerlijke concurrentie leiden. Op het gebied van grondstoffen zou een onderzoek naar olie van belang zijn. Ik herhaal mijn voorstel om een Europees instrument te creëren voor de jaarlijkse prijsbepaling van ruwe olie. Dat is in elk geval het bekijken waard – niet ter bestrijding van de marktkrachten die we moeten accepteren, maar om hun onverwachte optreden in de interne markt te reguleren en ter afvlakking van het effect van prijsstijgingen van ruwe olie op de keten van kosten en prijzen in de betreffende sectoren (visserij, vervoer, enzovoorts).

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Het verslag van de heer Holm lijkt tamelijk duidelijk de problemen vast te stellen waarmee de wereld momenteel kampt vanwege de ongekende stijging van de grondstofprijzen. Voor Europese landen die zelf geen natuurlijke bronnen bezitten, betekent deze stijging problemen met het concurrentievermogen en daarom met werkgelegenheid, continuïteit van aanvoer, grotere afhankelijkheid enzovoort. Voor de armere landen brengt de stijging van de grondstofprijzen hun ontwikkeling in gevaar en veroorzaakt rellen wegens voedselschaarste en dergelijke.

Sommige oorzaken worden genoemd, in het bijzonder het plundergedrag van opkomende landen zoals China en de liberalisering van de handel in landbouwproducten. Maar andere oorzaken blijven verborgen of bijna verborgen, zoals speculatie, Europa’s Malthusiaans landbouwbeleid vanuit Brussel, het beginsel zelf van mondiale vrije handel, enzovoorts.

Qua oplossingen is het duidelijk dat het Parlement in essentie vertrouwen stelt in de regulerende deugden van de vrije, concurrerende markt. Maar de markt toont nu haar beperkingen en wel op een wrede manier. Energie, voedsel en grondstoffen zijn niet slechts producten zoals alle andere: de overleving van mensen hangt er vanaf. Het wordt tijd dat de EU vanuit Brussel in haar internationale handelsbetrekkingen in de eerste plaats haar eigen belangen en die van haar lidstaten verdedigt, in plaats van tegen elke prijs, menselijk of sociaal, een mondiaal Utopia te scheppen.

 
  
MPphoto
 
 

  Vasco Graça Moura (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) Dit verslag bespreekt aspecten die verder gaan dan de traditionele handel in grondstoffen en goederen. In de nieuwe internationale situatie zijn uiteenlopende productiefactoren en componenten te beschouwen als grondstoffen, waaronder energie. De prijsstijgingen zijn ernstig voor de Europese industrie die deze producten van buiten haar grenzen importeert. De markten reageren op de gestegen vraag van meer producenten die moeten voldoen aan eisen op het gebied van natuur en milieu en het hoofd bieden aan financiële speculaties. Het is zorgwekkend dat deze internationale situatie prijsniveaus in de hand heeft gewerkt die de economische groei in Europa teniet kunnen doen. Zodra deze trend voet aan de grond heeft, zal de run op hulpbronnen aanleiding geven tot spanningen en tekorten die waarschijnlijk een uitdaging zullen vormen voor veel generaties managers en die zeker implicaties voor de bestuursstructuur van de moderne wereld zullen hebben.

Door middel van dit verslag vraagt het Europees Parlement aan de Commissie binnen de WTO vraagstukken over toegang tot grondstoffenmarkten aan de orde te stellen. De doelstelling is reciprociteit te verkrijgen en een geschikte weg loopt via de WTO. Met het oog op de bevordering van integratie, ontwikkelingen en duurzaamheid mogen onderhandelingen over deze producten nooit beneden het regionale niveau worden gevoerd. Om veel speculatie en conflicten te voorkomen, moeten we ervoor zorgen dat onze handelspartners die deze hulpbronnen bezitten een eerlijke prijs voor hun goederen ontvangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) We delen niet de visie van het verslag met betrekking tot de handel in grondstoffen.

We zijn het oneens met de kritiek die beleid en maatregelen van derde landen als volgt beschrijft: “het creëren van belemmeringen voor een vrije en eerlijke toegang tot grondstoffen (…), die tot gevolg hebben dat de toegang van de EU-industrie (!) tot grondstoffen en basisproducten wordt beperkt”. Ieder land heeft het onvervreemdbare recht om te beslissen hoe het zijn grondstoffen gebruikt of hoe het zijn basisproducten verhandelt. Het is aan de bevolking van ieder land om te beslissen over het gebruik van hun hulpbronnen en van de gecreëerde rijkdom.

Het verslag vermeldt niet dat het echte probleem feitelijk bij het neoliberale model van de EU ligt. Het met neokoloniale ambities doordrenkte model tracht veel landen terug te dringen naar de rol van producenten van grondstoffen voor de EU.-landen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van technologie, dominantie en beheersing van de marktmechanismen, waaronder financiële speculatie ter bevordering van de economische afhankelijkheid en uitbuiting door de multinationals.

Nodig zijn een duidelijke breuk met het heersende economische en sociale model, een einde aan dominante/ondergeschikte relaties, een verdediging van nationale soevereiniteit, een ontwikkeling van het economische potentieel van ieder land, evenals complementariteit en solidariteit in de externe betrekkingen. En daarnaast is er productie nodig die aansluit bij de bevrediging van de menselijke behoefte en het behoud van de planeet.

 
  
MPphoto
 
 

  Jens Holm (GUE/NGL), schriftelijk. – (EN) Het verslag gaat over de handel in grondstoffen en goederen en spreekt zich vanuit een ontwikkelingsperspectief uit over veel belangrijke vraagstukken. Het benadrukt de problematische kanten van optredende speculatie in kunstmatig opgedreven prijzen en toenemende grilligheid van de markten die aan banden moeten worden gelegd.

Het verslag vraagt ook om meer steun voor diversificatie in ontwikkelingslanden en benadrukt het belang van beleidsruimte voor deze landen om de ontwikkeling van niet in de laatste plaats hun landbouwsector mogelijk te maken. Het levert ook kritiek op de toegenomen vleesconsumptie en vraagt naar mogelijkheden voor het terugdringen ervan. Maar het verslag uit zich ook over punten die we hoogst problematisch vinden. Dit geldt allereerst voor de herhaalde nadruk die wordt gelegd op het internationale concurrentievermogen en op de behoefte van de Europese industrie om zich te verzekeren van goedkope toegang tot grondstoffen.

We staan niet achter deze invalshoek en kunnen slechts concluderen dat het neoliberale gezicht van de EU opnieuw onder woorden is gebracht. In het algemeen is het verslag een stap in de goede richting vergeleken bij eerdere standpunten van het Parlement over het handelsbeleid.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben blij met het verslag van Jens Holm over de handel in grondstoffen en goederen. Vrije en eerlijke toegang tot grondstoffen is belangrijk voor de economie van de EU. Toch is er ook rekening nodig met de implicaties van grote prijsschommelingen in grondstoffen en goederen voor de ontwikkelingslanden. Ik heb vóór dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) Soms maakt op zich goed nieuws dat we ons zorgen maken over de gevolgen. Dat is deels het geval met de stijgende grondstofprijzen.

Het goede nieuws is dat, zoals verschillende indexen laten zien, een groter deel van de wereldbevolking een consumptieniveau bereikt dat voorheen ongekend voor hen was. Het probleem schuilt echter in bepaalde gevolgen, naast alle directe gevolgen die een zodanige groei in consumptie – en dus van de vraag – kan hebben. De economische wetten gaan zelfs op in verstoorde markten en een stijging van de vraag leidt hetzij tot stijging van het aanbod, hetzij, zoals in dit geval, in een stijging van de prijs. Dat is wat er is gebeurd.

De Europese Unie moet een algemene openstelling van markten ondersteunen, zodat steeds meer producenten in staat zijn te profiteren van een toenemende vraag. Ze moet ook een groei van de handel stimuleren. Tegelijkertijd hebben we de plicht om directe steun te verlenen aan hen die onmiddellijk door deze nieuwe omstandigheden worden getroffen: zij die niet het hoofd kunnen bieden aan de prijsstijging van essentiële goederen. Verstoring van de markt brengt zelden positieve effecten teweeg, vooral op de lange termijn, maar er is niets wat ons ervan weerhoudt om fondsen te verschaffen voor hen die het minder hebben, integendeel.

 
  
MPphoto
 
 

  Bart Staes (Verts/ALE), schriftelijk. (NL) Er loopt duidelijk iets fout met de handel in grondstoffen en goederen. Op de grondstofprijzen wordt tegenwoordig druk gespeculeerd. Zo zijn mineralen behoorlijk duur. Ondanks hun natuurlijke rijkdommen blijven mineraalrijke landen arm of worden ze nog armer.

Ontwikkelingslanden zijn ook heel onzeker van hun eigen voedselbevoorrading ondanks het feit dat er veel voedsel geproduceerd wordt. Alleen wordt het massaal uitgevoerd tegen veel te lagen prijzen. De klimaatverandering dwingt ons bovendien om anders met deze energieverslindende markt om te gaan: ontginning van mineralen is af te raden en de lokale voedselproductie en -consumptie zijn te verkiezen boven de wereldhandel in landbouwproducten. Kortom, de handel in grondstoffen en goederen zoals die vandaag geregeld is, heeft een zeer ontwrichtend effect en vraagt om een multilaterale aanpak.

Het verslag over de handel in grondstoffen en goederen bevatte in oorsprong de juiste aanklacht tegen het ultraliberale handelsbeleid dat de EU eind 2006 voorstelde, alleen werd het onderweg zo afgezwakt dat ik het niet langer kan steunen. Zo komen er nauwelijks gewichtige beleidsvoorstellen in voor. Nog erger is het feit dat het verslag de vrije toegang tot grondstoffen en goederen als een recht van de EU bestempelt en een bilateraal handelsbeleid als het geknipte instrument naar voren schuift.

 
  
  

− Verslag: Margie Sudre (A6-0158/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het initiatiefverslag van mijn Franse collega mevrouw Sudre gestemd dat zij schreef in reactie op de mededeling van de Commissie over de strategie voor de ultraperifere regio’s (UPR’s). Ik steun de gedachte dat het rekening houden met steeds meer rekenkundige argumenten niet mag dienen als voorwendsel om vraagtekens te plaatsen bij een deel van het EU-beleid om de UPR’s te ondersteunen en evenmin om actoren te ontmoedigen door het stellen van allerlei voorwaarden waaraan zij moeilijk kunnen voldoen.

Communautaire interventies moeten een katalysatoreffect hebben op de ondernemingsgeest die de UPR’s transformeren in kenniscentra die worden aangestuurd door sectoren die optimaal gebruik maken van hun troeven en knowhow, zoals afvalbeheer, duurzame energiebronnen, zelfvoorziening op energiegebied, biodiversiteit, mobiliteit van studenten, onderzoek op het gebied van klimaatveranderingen, en crisisbeheersing. Tot slot steun ik het feit dat er in het toekomstige gemeenschappelijke migratiebeleid speciale aandacht wordt geschonken aan de situatie van de UPR’s, die allen buitengrenzen zijn van de EU. Ik prijs het werk dat mevrouw Sudre heeft verricht. Zij spreekt niet aflatend en met grote kennis van zaken, vastberadenheid en begaanheid namens de ultraperifere regio’s.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE) , schriftelijk. – (PT) De ontwerpresolutie in dit verslag bevat aanbevelingen voor de beoordeling en toekomstperspectieven van de strategie voor de ultraperifere regio’s, waaronder in het bijzonder de volgende:

– andere indicatoren dan alleen het BBP waaraan de mate van de bereikte cohesie wordt gemeten;

– cohesiebeleid dat beter wordt gecombineerd met de overige communautaire beleidsmaatregelen ter verhoging van de synergie; en huidig en toekomstig Europees beleid dat beter wordt aangepast aan de realiteit van de ultraperifere regio’s;

– beleid en maatregelen in hun voordeel die niet tijdelijk van aard zijn, maar die zijn aangepast aan de verschillende behoeften en die oplossingen bieden voor de permanente handicaps waarmee zij te maken hebben;

– communautaire steun voor de landbouw van de UPR’s en voorzieningen voor steunmaatregelen voor respectieve visserijsectoren;

– verschil in behandeling op het gebied van vervoer, met name wat betreft de integratie van de burgerluchtvaart in het systeem voor het emissiehandelssysteem;

– de behoefte om in het debat over de toekomst van de strategie voor de UPR’s onder meer de uitvoering van de strategie van Lissabon ten aanzien van hen op te nemen;

– het toekomstig gemeenschappelijke migratiebeleid dat ook aandacht moet schenken aan de situatie van de UPR’s;

– de UPR’s dienen een centrale plaats te krijgen binnen het maritieme beleid van de EU;

– waarborgen voor de communautaire financiering van de strategie voor de UPR’s in de toekomst en de compensatie van de gevolgen van de handicaps die verband houden met de ultraperifere ligging.

Het verslag krijgt mijn steun en die van mijn fractie. Ik heb om goedkeuring van het verslag gevraagd en ik heb vóór gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) We betreuren de verwerping door de meerderheid van het Parlement van onze amendementen die gericht zijn op het opnemen van de door de Commissie visserij goedgekeurde, waardevolle en belangrijke voorstellen voor de belangen van de UPR’s in de vandaag plenair goedgekeurde ontwerpresolutie over het toekomstige EU-beleid voor de ultraperifere regio’s (UPR’s).

Sommige mensen zijn van mening dat het een resolutie is over regionaal beleid in plaats van over visserij. Dat is een misvatting. De ontwerpresolutie is de bijdrage van het EP aan de toekomst van communautair beleid voor de UPR’s. Hier in het Parlement zullen we uitleg moeten geven over de goedgekeurde voorstellen, in het bijzonder de door de Commissie visserij goedgekeurde voorstellen, zoals is gebeurd met de EP-resolutie over het maritieme beleid. Daarom probeerden wij deze opnieuw voor te stellen en ook om consistent te zijn met ons standpunt over Portugal.

Anderzijds betreuren we de verwerping van ons voorstel dat duidelijk uitlegde dat de communautaire steunmaatregelen voor de UPR’s een permanent karakter zouden moeten hebben. De rapporteur stelt dat het doel is dat deze maatregelen uiteindelijk niet langer noodzakelijk zullen zijn. Dat is eigenlijk een (pseudo)argument om het feit te verhullen dat de handicaps waarmee de UPR’s worden geconfronteerd, permanent van aard zijn en dat daarover in iedere begroting of gemeenschapskader onderhandelingen nodig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Fernand Le Rachinel (NI), schriftelijk. – (FR) Frankrijk is buitengewoon bezorgd over het beleid van de EU op het gebied van de ultraperifere regio’s.

Het is van essentieel belang dat de politici in Brussel rekening houden met de specifieke kenmerken van deze regio’s, veel meer en veel beter dan nu het geval is, vooral door middel van:

– het handelsbeleid, aangezien de productie van de ultraperifere regio’s moet concurreren met die van de naburige landen die profijt trekken van de zeer gunstige voorwaarden van de EU;

– het migratiebeleid, aangezien deze regio’s vooral kwetsbaar zijn voor immigratie en omdat de toevloed van illegale immigranten economische en sociale problemen schept die ver uitstijgen boven de lokale capaciteit om deze te beheersen;

– bepalingen inzake overheidssteun; vooral door het handhaven van de belastingvrijstelling die deze regio’s bevoordelen, hetgeen periodiek ter sprake wordt gebracht met een beroep op Europees recht.

Ik ben in het bijzonder verontrust over de wettelijk toegestane ambiguïteit met betrekking tot Saint-Barthélemy: dit kleine Franse eiland vormt sinds 2007 een territoriale gemeenschap. Toen het eiland van status veranderde, wilde het de belastingvrijstelling behouden die van wezenlijk belang is voor zijn economische overleving. Maar de EU lijkt het eiland te beschouwen als een ultraperifere regio, met andere woorden, een gebied van de Unie dat is onderworpen aan het Gemeenschapsrecht. Vanwege deze ambiguïteit zou het onacceptabel zijn om de wens tot autonomie, die duidelijk door 95 procent van de bevolking is uitgesproken, in gevaar te brengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ramona Nicole Mănescu (ALDE), schriftelijk. (RO) Hoewel de zeven ultraperifere regio’s een procent van de bevolking van de Europese Unie vormen, is hun belangrijkste vraagstuk dat ze kampen met een zwakke economie en sociale situatie die verergerd wordt door hun insulaire positie, ver buiten van het continent, evenals de moeilijke bodem, het reliëf en het klimaat, en bovendien de economische afhankelijkheid van een beperkt aantal producten.

Op het overzicht van door de Commissie opgestelde en rapporteur gesteunde maatregelen staan prioriteiten als de vergroting van het concurrentievermogen, vermindering van de problemen met betrekking tot de toegang en de integratie van ultraperifere regio’s in de regionale geografische omgeving. Met behulp van dit overzicht kunnen we bijdragen aan de verbetering van de sociaal-economische situatie van deze regio’s, hun ontwikkeling meer in overeenstemming brengen met de andere regio’s van de Europese Unie en er voordeel uit trekken dat hun bronnen complementair zijn aan de communautaire vereisten.

Dit is ook een van de redenen waarom ik vóór dit verslag heb gestemd en ik wil er graag aan toevoegen dat het noodzakelijk is meer aandacht te schenken aan de havens, aangezien zes van de zeven ultraperifere regio’s eilanden zijn. De modernisering van de havenstructuur kan bijdragen aan de bevordering en ontwikkeling van de toeristische sector, de productiesector en de lokale markten.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. – (DE) De steun van de Europese Unie aan de ultraperifere regio’s is in overeenstemming met het denken van de EU over solidariteit om de nadelen te verkleinen die voortvloeien uit hun lastige toegankelijkheid. We moeten er zeker voor zorgen dat deze regio’s niet hun zelfvoorzienend vermogen op het gebied van de landbouw verliezen, hetgeen in het algemeen ook geldt voor de Europese Unie als geheel.

In dit opzicht moet het ons gemeenschappelijk streven zijn om kleine familieboerderijen te behouden – maar ook bijvoorbeeld de boerderijen in de heuvels in Oostenrijk, evenals iedere afzonderlijke, traditionele kleine, middelgrote en organische boerderij, – zodat de boeren kunnen doorgaan met hun ecologische verantwoorde werkzaamheden en wij niet onze onafhankelijkheid van voedsel verliezen aan megaboerderijen of afhankelijk worden van grote landbouwondernemingen. Om deze reden heb ik vóór het verslag van mevrouw Sudre gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) De UPR’s hebben specifieke kenmerken waarmee rekening moet worden gehouden bij maatregelen ter bevordering van Europese groei en ontwikkeling. Maar er is nog steeds veel te doen voor de verdere ontwikkeling van deze regio’s en voor ons om meer profijt te trekken uit dat grensgebied met andere mondiale economische blokken.

Grensoverschrijdende en complementaire maatregelen ten gunste van UPR’s hebben de economische en sociale situatie van deze regio’s verbeterd. Het is nog steeds van belang te werken aan een grotere toegankelijkheid, sterker concurrentievermogen en beter regionale integratie. Er zijn niettemin nog steeds moeilijkheden, omdat er geen rekening wordt gehouden met kwesties als het behoud van de traditionele landbouw, meer steun voor de ontwikkeling van belangrijke sectoren of het behoud van gedifferentieerde belastingstelsels. Zoveel mogelijk doen met de specifieke middelen van de UPR’s is dus de strategie om de duurzame ontwikkeling van de ultraperifere regio’s in termen van aantrekkingskracht en samenwerking te waarborgen.

Het stellen van nieuwe prioriteiten op het gebied van klimaatverandering, demografische verandering en migratiebeheersing, landbouw en maritiem beleid is een goede maatregel. Deze maatregel moet worden aangevuld met behulp van diversificatie van de economieën van de UPR’s, met behulp van hun specifieke kenmerken en met behulp van een zo ruim mogelijke benutting van de geldende regels waarbij de meest geschikte instrumenten worden gebruikt voor de oplossing van specifieke problemen waarmee de UPR’s worden geconfronteerd.

 
  
  

− Verslag: Lasse Lehtinen (A6-0155/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) ik heb mij onthouden van stemming over het initiatiefverslag van mijn Finse collega Lehtinen in reactie op de mededeling van de Commissie over de EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013.

Ik ben het natuurlijk eens over het feit dat de 493 miljoen Europese consumenten centraal moeten staan bij de drie belangrijke uitdagingen waaraan de Unie het hoofd moet bieden: groei, werkgelegenheid en de behoefte om nauwere banden met burgers te onderhouden. Zij vormen de levenskracht van de economie aangezien hun consumptie 58 procent van het BBP van de EU vertegenwoordigt.

Op de interne markt succes hebben we succes geboekt met behulp van concurrentie, met andere woorden, door speciale aandacht te besteden aan consumenten. Niettemin blijf ik ervan overtuigd dat we in antwoord op de huidige mondiale uitdagingen de producenten in het centrum van onze bezorgdheid moeten plaatsen. Bovendien heb ik bij afwezigheid van serieus juridisch onderzoek aanzienlijke bedenkingen over de gehaaste wijze waarop het verslag het vraagstuk van de collectieve actie door consumenten tegen producenten aanpakt. In het verslag wordt aan de Commissie om een voorstel gevraagd voor een totaaloplossing op Europees niveau waarbij alle consumenten toegang krijgen tot procedures voor het instellen van een collectief beroep bij grensoverschrijdende geschillen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Om consumenten een betere bescherming te geven, stelt het verslag van de heer Lehtinen voor de bestaande wetgeving op de relevante gebieden te verbeteren, deze eenvoudiger te maken en de regionale verschillen glad te strijken. De EU heeft een taak om een werkelijk grensoverschrijdend economisch beleid te ontwikkelen dat gericht is op de bescherming van de rechten van consument en dat waarborgen biedt voor diens gezondheid.

Het door mij gesteunde voorstel in kwestie is bedoeld om een harmonieus rechtskader in het leven te roepen als waarborg voor een solide, geïntegreerd systeem voor productveiligheid en om het consumentenvertrouwen in goederen op de Europese markt op te vijzelen en daarmee een aanzet te doen tot een wijdverbreide groei van de consumptie.

Om te komen tot een effectief beleid voor consumentenbescherming moet de EU echter veel energie steken in verbetering van het markttoezicht, zonodig door meer internationale samenwerking, en met behulp van het onderwijs en bewustwordingscampagnes voor de consumenten zelf. Totdat de consumenten ervan overtuigd zijn dat de producten volledig veilig zijn, kan de Europese markt haar volledig potentieel niet realiseren.

Dit zou de EU in staat stellen een werkelijk concurrerende markt te worden die haar consumenten kan bevredigen, beschermen en aanmoedigen om assertiever te worden en in feite echte spelers in de markt te zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. – (PL) Ik heb het verslag van de heer Lehtinen gesteund, omdat de transparantie van de regelgeving die de Europese consumenten beschermt, nuttig is voor die consumenten en ook voor de onderling concurrerende fabrikanten. Economische veranderingen in de nieuwe lidstaten hebben de invoering van nieuwe beginselen voor het handelen van marktentiteiten bewerkstelligd. Het assortiment goederen dat vandaag aan consumenten wordt aangeboden, wordt steeds rijker in termen van zowel producten als diensten. Niettemin heb ik het gevoel dat de consumentenpositie vooral in de nieuwe lidstaten waarbij we allemaal denken aan het begin van de vrije markt, betrekkelijk zwak blijft tegenover de grote ondernemingen. Het vereist een grotere transparantie en verbetering van het relevante wettelijk kader om de consumenten een passende bescherming van hun rechten te garanderen.

Ik heb met genoegen dat deel van het verslag goedgekeurd waarin de rapporteur zich uitsprak voor steun aan kleine en middelgrote ondernemingen in de EU. In mijn regio Malopolska vormen deze ondernemen 95 procent van het totaal. De meeste van hen bestaan nog niet zo lang (dertig procent is minder dan vijf jaar oud).

 
  
MPphoto
 
 

  Colm Burke en Malcolm Harbour (PPE-DE), schriftelijk. (EN) De PPE-DE-Fractie steunt een totaalprogramma van maatregelen om consumenten te informeren en weerbaar te maken op de interne Europese markt. We willen dat de consumenten de maximale voordelen genieten van de keuzen, diversiteit en innovatie die beschikbaar is in een bloeiende markt van bijna vijfhonderd miljoen consumenten, de grootste detailhandelmarkt ter wereld.

We willen ook dat consumenten in staat zijn hun rechtsmiddelen snel en effectief in te zetten als ze in de problemen komen. We steunen gemakkelijke en effectieve toegang tot de rechtspleging, vooral met behulp van andere dan juridische middelen, die in laatste instantie door juridische middelen worden gesteund.

Vandaag hebben we ons van stemming onthouden, omdat de PSE een zeer positief verslag had gekaapt door een pleidooi om een heel onrijpe en potentieel zeer kostbare wettelijke voorziening voor handhaving van collectieve rechten op Europees niveau in te voegen. De Commissie heeft al een begin gemaakt met een uitgebreide consultatie over het hele vraagstuk van de handhaving van consumentenrechten. Het is veel te vroeg om enige conclusie te trekken over de veranderingen die misschien nodig zijn. Er kan veel worden gedaan aan verbetering van de bestaande verhaalmechanismen en aan het intensiveren van samenwerking tussen lidstaten.

De PSE brengt schade toe aan consumentenrechten door de aandacht af te leiden van de noodzaak voor krachtiger maatregelen op alle niveaus om de handhaving van consumentenrechten te verbeteren, terwijl ... (Stemverklaring ingekort overeenkomstig artikel 163).

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Een echt consumentenbeleid moet beantwoorden aan uiteenlopende beginselen.

Er moet een eerlijk beleid zijn met betrekking tot verdeling en herverdeling van inkomens gebaseerd op fatsoenlijke lonen, adequate opbrengsten voor producenten, voornamelijk boeren op kleine en zeer kleine schaal, fabrikanten en handelaren om markten te stimuleren nabij de gebieden waar het voedsel wordt geproduceerd en om voedselveiligheid en onafhankelijkheid te bevorderen.

Verder moet er een effectief beleid zijn om speculatieve handel en financiering te bestrijden, en er moet consumentenvoorlichting zijn en een waarborg voor transparantie.

Het verslag besteedt echter weinig aandacht aan deze vraagstukken; integendeel, het verdedigt standpunten die meer betrekking hebben op de verdediging van de belangen van economische en financiële groepen en op het liberaliseren van diensten dan op consumenten als geheel. Op onderdelen bevat het verslag wel enkele positieve voorstellen behalve dat deze passen in een totaal neoliberaal kader waarin de consumenten de zwakste schakel in het hele proces vormen.

Zo benadrukt het verslag dat meer liberalisering van de dienstenmarkt vooral nodig is ter bevordering van concurrentie waardoor aan consumenten lagere prijzen worden geboden. We kennen echter maar al te goed het tegendeel: alleen de belangen van de ondernemingen worden gediend. Daarom waren we niet in staat voor dit verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Consumenten vormen het hart van de gemeenschappelijke markt en dienen daarom de belangrijkste begunstigden te zijn. Naar mijn mening moet er echter een evenwicht bestaan tussen wetgeving die de consumenten goed beschermt en de voorwaarden voor het functioneren van handel.

Niemand onderschat de rechten van consumenten om hun aanspraken kracht bij te zetten Ik vind echter dat we vooral consumenten de gelegenheid moeten geven om hun rechten snel en effectief uit te oefenen. Naar mijn mening is er vooral een sterke nadruk nodig op buitengerechtelijke middelen als het gaat om klachtenbehandeling van consumenten. Ik merk op dat volgens gegevens van Business Europe ongeveer negentig procent van de geschillen die betrekking hebben op rechten van consumenten zonder tussenkomst van rechtbanken worden afgewikkeld. Het kostenaspect van het procederen op deze manier is ook niet zonder betekenis, aangezien deze kosten veel lager liggen dan wanneer rechtbanken worden ingeschakeld.

Ik vind dat het bij het Parlement in stemming gebrachte amendement dat vraagt om de instelling van een Europees systeem voor collectief verhaal geen waarborg biedt voor een effectievere consumentenbescherming. Deze kwestie moet worden bekeken door de Europese Commissie. We moeten een beslissing opschorten totdat de resultaten zijn gepubliceerd. Misschien wordt deze zaak op adequate wijze geregeld door wetgeving op lidstaatniveau. Bovendien vrees ik dat dit systeem voorwaarden schept voor activiteiten waarbij niet de consumenten de werkelijke begunstigden zijn, maar de wereld van de advocaten die profiteren van het toegenomen aantal te behandelen procedures.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Hedh (PSE), schriftelijk. (SV) Ik vind het een goede zaak dat de EU verantwoordelijkheid neemt voor consumenten en daarom heb ik vóór dit verslag gestemd. Maar aan de andere kant ben ik tegen ideeën van harmonisering van consumentenbescherming in de EU en de oproepen aan andere landen om de euro in te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jens Holm, Søren Bo Søndergaard en Eva-Britt Svensson (GUE/NGL), schriftelijk. (EN) Het verslag stelt voor een EU-ombudsman voor consumenten in te stellen. Om verschillende redenen staan we sceptisch tegenover dit idee: dit ambt kan aanzienlijke kosten met zich meebrengen met het risico van het ondergraven van de financiering van consumentenorganisaties.

Voorts brengt de instelling van een nieuwe post op Europees niveau het gevaar mee dat deze ver van de burgers afstaat. Toch steunen we het verslag aangezien het de toegang van consumenten tot collectieve verhaalsmogelijkheid vergroot, hetgeen fundamenteel is voor het vertrouwen van consumenten voor het doen van grensoverschrijdende aankopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Hoewel er veel in het verslag van Lehtinen staat over de strategie voor het consumentenbeleid staat waar ik het mee eens ben, heb ik tegen gestemd, omdat ik de vraag naar meer liberalisering van diensten fundamenteel afwijs. Het is waar dat bepaalde diensten baat kunnen hebben bij een geliberaliseerd economisch milieu en dat het recht van vrij verkeer voor diensten een van de vier fundamentele vrijheden van de EU vormt.

Maar ik vind dat overheidsdiensten er moeten zijn ten bate van de gemeenschappen en individuen die zij dienen in plaats van voor persoonlijk gewin. Diensten op het gebied van gezondheid, onderwijs en vitale vervoersverbindingen moeten in overheidsbezit blijven, in het openbaar verantwoording afleggen en de verantwoordelijkheid van de lidstaten blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Het verslag van Lasse Lehtinen over de EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013 herhaalt de noodzaak om de EU-consumenten weerbaarder te maken en hun welzijn en bescherming in de hele Unie te vergroten. Mijn stem weerspiegelt de noodzaak voor een betere consumentbescherming in de hele EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE), schriftelijk. – (PL) De EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013 presenteert de juiste richting voor de ontwikkeling van consumentenbescherming, maar een punt is dat de adhoc maatregelen lang niet ver genoeg gaan. We moeten een plan opstellen voor verdere specifieke en consistente stappen die ertoe leiden dat consumentenbescherming een element in alle EU-regelgeving zal worden. We moeten ervoor zorgen dat consumentenbescherming niet zelf een apart gebied wordt in het Europees beleid, maar wordt opgenomen in ieder Europees beleid dat zich richt op de vestiging van de Europese interne markt.

Zonder de juiste beschermingsmechanismen zal dit belangrijke Europese project met betrekking tot de totstandkoming van een interne markt niet worden voltooid. We dienen ook in gedachten te houden dat bescherming van de EU-consumenten een externe dimensie heeft, denk alleen maar aan het recente probleem met geïmporteerd Chinees speelgoed. Ons doel moet zijn het volledige vertrouwen van de consument te winnen voor alle producten die op de interne markt te koop zijn.

Een echte interne markt moet voorts een Europees systeem voor de behandeling van collectieve claims bieden. Bij deze opzet moeten we conclusies trekken uit de VS-systeem van collectieve acties met al zijn bezwaren.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. (NL) Voorzitter, het verslag van collega Lehtinen krijgt in principe mijn steun. Zoals het in de Commissie interne markt en consumentenbescherming is goedgekeurd, bevat het alle essentiële zaken die we naar aanleiding van de mededeling van de Commissie moeten behandelen. Het streven naar een horizontale benadering, aandacht voor het contractenrecht, de erkenning van de rol van de consumentenorganisaties, de vraag naar evenwicht, de specificiteit van KMO’s, het belang van zachte wetgeving en van beter gefundeerde kennis, en de vraag naar meer aandacht voor de dienstensector. Ook de passage over de verhaalsmogelijkheden vinden wij belangrijk. Het is een dimensie van de rechtshandhaving. Jammer evenwel dat in de plenaire vergadering een amendement op paragraaf 40 is aangenomen waardoor een keuze wordt gemaakt “pro” collectieve rechtsvorderingen vooraleer een analyse beschikbaar is op basis van het in het verslag gevraagde onderzoek. Collectieve vorderingen zijn een fundamentele ingreep in het procesrecht. Daarom is het niet aanvaardbaar dat de kar voor het paard wordt gespannen. Vandaar mijn onthouding bij de stemming.

 
  
  

- Verslag: Elizabeth Lynne (A6-0159/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik onthoud mijn stem aan het initiatiefverslag van mijn Britse collega mevrouw Lynne over de vooruitgang die in de EU op het gebied van gelijke kansen en non-discriminatie is geboekt sinds de omzetting van de richtlijnen van 2000.

Ik ben het eens met de grondslagen van de beginselen die in het verslag staan, vooral in termen van non-discriminatie op gebieden als onderwijs, levenslang leren, sociale bescherming en sociale zekerheid, huisvesting en gezondheidszorg, alsmede het beeld van gediscrimineerde groepen in de media en de reclame, fysieke toegang voor personen met een handicap tot informatie, telecommunicatie, elektronische communicatiemiddelen, vervoermiddelen en openbare ruimten; bijstandsuitkeringen en toegang tot en levering van goederen en diensten die openbaar beschikbaar zijn, enzovoorts.

Ik ben echter niet overtuigd van de noodzaak van een nieuwe richtlijn op basis van artikel van het EG-Verdrag. Het politieke debat moet doorgaan. Wordt vervolgd ...

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Bushill-Matthews (PPE-DE), schriftelijk. (EN) Conservatieve leden van het Europees Parlement gruwen van discriminatie in al haar vormen: om dit glashelder te maken. Daarom hebben we onze eigen amendementen op dit verslag ingediend. Maar terwijl sommige aspecten van de aanhoudende discriminatie nog steeds een probleem kunnen vormen, schiet een suggestie dat meer EU-wetgeving de oplossing is haar doel ver voorbij.

Het Verenigd Koninkrijk heeft een compleet wetboek over discriminatie dat voortdurend bewijst hoe moeilijk de invoering in de praktijk gaat. Er moet een betere invoering van bestaande wetten komen en beter inzicht in de problemen bij implementatie voordat we de weg inslaan naar nog meer EU-richtlijnen.

Dit verslag, een initiatiefresolutie die vraagt om nog een “omvangrijke en brede” EU-richtlijn tegen discriminatie, is in het beste geval en politieke pose en in het ergste geval een open uitnodiging aan de Commissie om nog meer uniforme EU-wetgeving te produceren op een zeer gevoelig gebied.

Zoals een lid van een kamer van koophandel in het Verenigd Koninkrijk het zo bondig formuleerde: “De meeste discriminatie wordt niet door extra wetgeving opgelost. De tijd kan beter worden benut voor multiculturele, multireligieuze evenementen ter verandering van percepties.” Hiermee zijn we het eens.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN) , schriftelijk. (EN) Dit verslag probeert de bevoegdheid te overschrijden die de lidstaten aan de EU hebben gegeven op het gebied van antidiscriminatie. De verdragen hebben op deze gebieden duidelijk aangegeven waar de EU is bevoegdheid om wetgeving voor te stellen en wat de lidstaten zelf kunnen doen.

Dit verslag, dat een initiatiefverslag is, dat wil zeggen. er ligt geen wetgevingsvoorstel van de Commissie, gaat verder dan wat de huidige verdragen toestaan en gaat ook verder dan de situatie die ontstaat het Verdrag van Lissabon is geratificeerd. Feitelijk zijn alle antidiscriminatiemaatregelen die binnen de bevoegdheid van de EU vallen een zaak van de regeringen van de lidstaten en iedere regering heeft een veto. Dat geldt NIET voor het Europees Parlement.

Krachtens bevoegdheden op grond van de bestaande verdragen moeten alle lidstaten het eens zijn over wetten op het gebied van antidiscriminatie. Ierland heeft nationale antidiscriminatiewetgeving, bijvoorbeeld de Equal Status Act (wet op de gelijke behandeling) met een prachtige reputatie.

Het verbeteren van de rechten van gehandicapten vooral gericht op het aanpakken van de beperkingen met betrekking tot goederen en diensten verdient aanbeveling. Dit verslag reikt echter verder dan de bevoegdheid van de Unie en als zodanig heeft de delegatie van de Fianna Fáil het verworpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. – (PT) Ik heb vóór het verslag van mevrouw Lynne gestemd over de vooruitgang die in de EU op het gebied van gelijke kansen en non-discriminatie is geboekt, aangezien we bij de Europese Commissie moeten aandringen op een strenge controle op de omzetting van Richtlijnen 2000/43/EG en 2000/78/EG over gelijke behandeling van personen, en over de tenuitvoerlegging van nationale wetten gebaseerd op deze richtlijnen.

Ik wil onderstrepen dat vooral vrouwen kwetsbaar zijn voor discriminerende handelingen op het werk, bovenal met betrekking tot hun keuzen voor het moederschap.

Het recht op bescherming tegen elke vorm van discriminatie is een fundamenteel basisbeginsel van de Europese Unie. Toch is er een gebrek aan effectieve wettelijke instrumenten en vertoont de tenuitvoerlegging gebreken, zodat het gevaar bestaat van een papieren tijger.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) Het verslag bevat enkele positieve aspecten, namelijk de eis dat de Commissie en de lidstaten een einde maken aan alle discriminatie op basis van arbeidscontracten door voor alle werknemers gelijke behandeling, bescherming van de gezondheid en veiligheid, voorschriften betreffende werk- en rusttijden, de vrijheid van vereniging en vertegenwoordiging, bescherming tegen oneerlijk ontslag, het recht op collectieve arbeidsovereenkomsten en collectieve actie te waarborgen.

Het benadrukt ook het belang van toegang tot opleiding, alsook bescherming van verworven rechten in periodes van onderwijs en opleiding, betere zorgmogelijkheden, behoud van wezenlijke sociale rechten zoals pensioenrechten, het recht op opleiding en op werkloosheidsuitkeringen tijdens veranderingen in de beroepssituatie, in de periode tussen twee arbeidsovereenkomsten en in de overgangstijd tussen de status van werknemer en die van zelfstandige.

Gezien het bovenstaande hebben de Fractie van de Europese Volkspartij (christendemocraten) en de Europese democraten getracht het verslag met betrekking tot uiteenlopende aspecten te amenderen, vooral voor wat betreft de inhoud van de vraag naar een non-discriminatierichtlijn; zij waren echter niet succesvol aangezien er tegen werd gestemd.

Van onze kant wijzen we de voorstellen van de PPE-DE af en steunen we de rapporteur, hoewel we het met sommige punten in het verslag oneens zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) Het verslag van mevrouw Lynne over de bestrijding van discriminatie in de lidstaten, in het bijzonder voor wat betreft werkgelegenheid, is geheel in overeenstemming met de teksten die het Parlement over dit onderwerp heeft goedgekeurd. Achter de algemene termen en de weinige vermeldingen van vrouwen of gehandicapten, is het helemaal niet moeilijk om echte, obsessieve richting van uw aandacht te onderscheiden: migrantenpopulaties.

Om het vraagstuk te omzeilen, is alles opzettelijk door elkaar gehutseld: discriminatie tegen vrouwen, jonge mensen, ouderen, mensen met een etnische afkomst, etcetera, maar ook met een nationale afkomst. Als er enige vorm van discriminatie bestaat die echt moreel, legitiem en politiek kan worden gerechtvaardigd, is het de nationale en Europese voorkeursbehandeling in termen van werkgelegenheid en sociale voorzieningen. Maar de Europeanen zelf zijn al of worden in hun eigen land de eerste slachtoffers van uw voorstellen voor “positieve actie”, van volslagen omgekeerde discriminatie (u durft niet de echte woorden te gebruiken). U vindt echter dat dit soort discriminatie normaal is.

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE), schriftelijk. – (PL) Als lid van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, steun ik volledig het verslag van mevrouw Lynne. Ik twijfel er niet aan dat het geldend internationaal recht en ons eigen EU-recht vanuit een formeel oogpunt wenselijke en goede oplossingen vormen. Ik betreur het daarom dat bij het van kracht worden van deze bepalingen voortdurend talloze obstakels opdoemen, zelfs in ons Europa dat meer democratisch en minder discriminatoir lijkt te zijn.

Het is verbazingwekkend dat we misschien aan de EU-lidstaten moeten vragen om de bepalingen van Richtlijn 2000/78/EG volledig na te leven en voortdurend en systematisch toezicht te houden op de voortgang van de uitbanning van alle vormen van discriminatie in het politieke, sociale en economische leven.

Dit is voor de burgers van Polen, mijn land, van bijzonder belang. Zij genieten de voordelen van de gemeenschappelijke markt en het vrije verkeer van personen, en het wonen en werken in veel EU-landen. Het spijt me te moeten zeggen dat er steeds meer aanwijzingen van discriminatie tegen mijn landgenoten komen, uitsluitend op grond van hun nationaliteit. Zorgwekkende informatie van deze aard komt steeds meer aan het licht in Duitsland, Groot-Brittannië en Ierland. Het zou een paradox zijn als het Europees Parlement dat zo doordringend en effectief betrokken is in de bestrijding van uitingen van discriminatie in de wereld toch niet in staat zou zijn om de mensenrechten thuis, dat wil zeggen, in de lidstaten te eerbiedigen. Alle EU-burgers hebben toch recht op een gelijke en non-discriminatoire behandeling!

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Om te beginnen, wil ik benadrukken dat het voeren van een debat over en het treffen van maatregelen in de sfeer van discriminatiebestrijding en gelijke kansen zeer belangrijk is.

Maar zoals de rapporteur zelf aangeeft, hebben sommige lidstaten de Richtlijnen over gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (2000/43/EG) en gelijke behandeling in arbeid en beroep (2000/78/EG) nog niet volledig ten uitvoer gelegd. Vanwege problemen bij tenuitvoerlegging van hun bepalingen lijkt de oplossing te liggen in het concentreren op een correcte omzetting en een effectieve uitvoering van de bepalingen van deze richtlijnen.

De situatie zal niet verbeteren door meer categorieën personen te bestrijken met behulp van meer regelgeving. Het belangrijkste is om onderwijs- en voorlichtingcampagnes te voeren met activiteiten die zijn gericht op bewustwording, hoofdzakelijk te voeren op lidstaatniveau als juiste antwoord op de gerezen problemen. De uitdagingen rond discriminatie en gelijke kansen zijn niet in alle lidstaten hetzelfde.

Daarom ben ik tegen het in het leven roepen van alsmaar meer regelgeving, aangezien dit niet leidt tot verdwijning van de problemen in de sfeer van gelijke kansen en discriminatie.

Ondertussen ben ik van mening dat discriminatie van gehandicapten afzonderlijke aandacht vereist. Hun specifieke situatie schept de dringende noodzaak voor een veelomvattend voorstel met tenuitvoerlegging op het niveau van de lidstaat. Ik hoop dat de Europese Commissie in de zeer nabije toekomst dit initiatief zal oppakken.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben blij met het verslag van Elizabeth Lynne over de vooruitgang op het gebied van gelijke kansen en non-discriminatie in de EU. Ik vind dat we in de EU niet mogen streven naar een hiërarchie in discriminatie.

Collega’s in de conservatieve partij denken daar duidelijk anders over en ik daag hen uit een verklaring te zoeken voor een standpunt dat ik fundamenteel onverdedigbaar acht. We hebben een horizontale richtlijn nodig met betrekking tot artikel 13. Ik heb vóór het verslag van mevrouw Lynne gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE), schriftelijk. (EN) De leden van de Fine Gael van de PPE-DE-Fractie, Mairead McGuinness, Avril Doyle, Gay Mitchell en Colm Burke hebben zich onthouden van stemming over het verslag van mevrouw Lynne over de vooruitgang op het gebied van gelijke kansen en non-discriminatie in de EU.

Het verslag wijst op lidstaten en bekritiseert hen voor “tekortkomingen bij de omzetting en tenuitvoerlegging” van Richtlijn 2000/78/EG en vraagt om een strenger toezicht op de omzetting en tenuitvoerlegging van de lidstaten evenals een aanscherping van EU-recht op dit gebied.

We steunen het pleidooi voor een volledige omzetting en tenuitvoerlegging van de EU-richtlijnen, maar merken daarbij op dat inbreukprocedures tegen sommige lidstaten nog niet zijn afgerond.

We zijn sterk voorstander van maatregelen, waaronder ook aanvullende maatregelen, om een eind te maken aan discriminatie, maar we kunnen in dit stadium niet een oproep tot meer EU-richtlijnen op dit gebied steunen. Het is van belang dat bestaande EU-richtlijnen volledig ten uitvoer worden gelegd. De Commissie moet doorgaan met het verzekeren van de naleving op het niveau van de lidstaten voordat eventuele nieuwe EU-maatregelen mogen worden overwogen.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (PSE), schriftelijk. (RO) Ik heb vóór dit verslag gestemd en ik vind het belangrijk voor de bereikte vooruitgang, maar vooral voor de toekomstige maatregelen die vereist zijn voor het komen tot gelijke kansen en voor de bestrijding van discriminatie. Dit verslag voorziet in een van de meest progressieve delen van wetgeving, met werkelijke voordelen op het gebied van betere levensomstandigheden aan een belangrijk aantal Europese burgers.

Volgens de door de Commissie verstrekte gegevens is 51 procent van de Europese burgers van oordeel dat er niet genoeg inspanningen in hun land zijn verricht op het gebied van discriminatiebestrijding en gelijke kansen.

Voorts gelooft 77 procent van de EU-burgers dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn op managementniveau en vindt 72 procent dat de groep vijftigplussers op de werkplek ondervertegenwoordigd is.

Het succes van het verslag wordt gegarandeerd door twee zaken: belangrijke steun van de bevolking voor goedkeuring van maatregelen die discriminatie bestrijden en zorg voor gelijke kansen voor iedereen, evenals grote politieke betrokkenheid van de Europese sociaal-democraten bij het bouwen aan een samenleving waar niemand wordt buitengesloten en waar alle burgers gelijke kansen hebben. Ik feliciteer mevrouw Lynne met dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. – (PT) De actieve en energieke verdediging van non-discriminatie mag niet worden verward met een relativering waarbij alles gelijk is, alles gelijkwaardig en alle keuzen, opties of omstandigheden een gelijke waarde in de rechtsorde hebben. Zo vormt de bevordering van het beleid ter bescherming van grotere gezinnen in geen enkel opzicht een breuk met het beginsel van non-discriminatie. Evenals de weigering om een wettelijk kader op te stellen voor alle mogelijke vormen van relaties tussen mensen niet kan worden vergeleken met enige vorm van discriminatie. Wat ik steun, en denk dat het mijn plicht is om te steunen op het gebied van non-discriminatie, is vooral de verdediging van een breed concept van individuele vrijheid en niet een collectivistische staatsopvatting over vrijheden waarin slechts datgene door de staat wordt gestimuleerd wat als non-discriminatoir wordt beschouwd. Een samenleving kan en mag voorkeuren hebben, dat vindt zijn uitdrukking in overheidsbeleid. Een samenleving kan en mag geen gedrag opleggen of gedrag dat niet strijdig is met de vrijheid van derden beperken.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (NI), schriftelijk. – (FR) Er zijn momenteel niet minder dan vijf richtlijnen over gelijke kansen en non-discriminatie in de Europese Unie. Tegen lidstaten die deze richtlijnen niet hebben omgezet, lopen 28 procedures betreffende inbreuken. Dit kan slechts worden betreurd.

Moeten we niettemin systematische gendergelijkheid met geweld door middel van repressie opleggen?

Ik denk van niet, integendeel zelfs. Laten we ophouden dit betoog over discriminatie te stigmatiseren door minderheidsgroepen en bevolkingsgroepen, vooral immigranten, als “goed” te classificeren, en Europeanen zich schuldig laten voelen alsof zij voortdurend aan het discrimineren zouden zijn.

We moeten een eind maken aan deze linkse refreinen die totaal niets doen om mensen te helpen die gediscrimineerd worden en die in tegendeel deze mensen stigmatiseren.

Laten we meer nadruk leggen op ieders persoonlijke verantwoordelijkheid om een eind te maken aan elk soort discriminatie en op de noodzaak vooral ten behoeve van immigranten om onze regels, onze wetten en onze waarden aan te passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernard Wojciechowski (IND/DEM), schriftelijk. – (PL) Nog steeds is er bij ons in Europa sprake van discriminatie, zowel direct als indirect, met betrekking tot gender, leeftijd of handicap.

Het internetportaal Pracuj.pl hield aan de hand van een vragenlijst een onderzoek onder werkenden en werkzoekenden, werkgevers, studenten en afgestudeerden. Volgens de resultaten van de vragenlijst zijn de sociale groepen die het meest op de arbeidsmarkt worden gediscrimineerd de vijftigplussers en de gehandicapten.

Discriminatie op de arbeidsmarkt komt vooral tot uitdrukking als werkgevers zich laten leiden door vooroordelen en stereotypen wanneer ze een kandidaat voor een baan zoeken. Bijna 62 procent van de respondenten zag dat als een belangrijk probleem. Daarna komen ongelijke toegang tot aanbod van banen/gebrek aan geschikte banen (56 procent), onwilligheid om werk voor onbepaalde tijd te verstrekken/op arbeidscontract (44 procent) en betaling beneden het gemiddelde in de particuliere sector of industrie (43 procent).

Mijn mening is dat in deze sfeer een non-discriminatiebeleid, als een van de fundamentele beginselen van de EU, een zeer ondubbelzinnige taak behoort te vervullen.

 
  
  

− Verslag: Willi Piecyk (A6-0163/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Andersson, Göran Färm, Anna Hedh, Inger Segelström en Åsa Westlund (PSE), schriftelijk. – (SV) We hebben ervoor gekozen om vóór dit initiatiefverslag te stemmen, aangezien het een aantal waardevolle beschouwingen bevat met betrekking tot de instelling van een systeem voor duurzaam ecologisch en economisch beheer van mariene milieus van de EU.

We kozen ook voor steun aan de gedachte van een “Europese dag van de zee”. Er is reden voor scepsis over grote campagnes die de EU-instellingen lanceerden, maar in dit geval kozen we de gedachte te steunen, aangezien de toestand van het milieu in de zeeën een urgente zaak is.

We vinden echter dat het verslag passages bevat die kunnen worden geïnterpreteerd als te welwillend geformuleerd voor de commerciële visserij. De vissersvloten in de EU lijden momenteel aan overcapaciteit en moeten worden afgeslankt omwille van de teruglopende visbestanden. Het is verkeerd om beroepsvissers hun banen in de visserij te garanderen. Projecten voor beroepsopleidingen en veel andere maatregelen kunnen worden toegepast om werknemers en regio’s bij te staan die afhankelijk zijn van de visserijsector.

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het initiatiefverslag van mijn Duitse collega Piecyk gestemd over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie, dat is opgesteld als reactie op een Mededeling van de Commissie over hetzelfde onderwerp. De maritieme gebieden (twee oceanen – de Atlantische en de Atlantische IJszee – en vier zeeën – de Oostzee, de Noordzee, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee) en de kustlijn ( 70 000 km) van Europa zijn van essentieel belang voor zijn welzijn en voorspoed. Ze vormen de handelsroutes, de klimaatregelaars, voedselbronnen, energie en hulpbronnen, en onder Europeanen populaire gebieden voor wonen en recreatie.

Ik wil eraan toe voegen dat ze een reservoir voor water zijn dat een schaars goed gaat worden. In een context van globalisering en snelle klimaatverandering bestaat er een dringende behoefte aan de vaststelling van een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie op basis van de erkenning dat alle vraagstukken met betrekking tot de oceanen en zeeën van Europa met elkaar verband houden. Maritiem toezicht is essentieel voor het waarborgen van de veiligheid en de beveiliging van het gebruik van maritieme ruimten, maritieme ruimteontwikkeling die een essentieel planningsinstrument is voor het nemen van ecologisch uitvoerbare beslissingen en een volledige en toegankelijke database zijn interessante wegen om te volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. – (IT) Europa moet deels vanwege zijn strategisch geografische ligging een internationaal voorbeeld vormen met zijn maritiem beleid dat het economische potentieel van de oceanen en zeeën als een onschatbare bron van duurzame energie aanwendt. Tegelijkertijd zou het oprichten van kenniscentra en het stimuleren en ondersteunen van de reeds in de kustgebieden gevestigde universitaire onderzoekscentra, samen met een actieplan gebaseerd op innovatie, onderzoek en milieubescherming van oceanen en zeeën, een verdere stap betekenen in de richting van een volledig duurzaam gebruik van mariene hulpbronnen.

Het verslag oppert ook dat het actieplan een belangrijke bijdrage moet leveren aan vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door het gebruik van de handel in emissierechten, door versterking van het onderzoek in oceanen en zeeën als een duurzame energiebron en door het invoeren van een gelijke fiscale behandeling van elektriciteit en scheepsbrandstoffen. Dit zou betekenen dat schepen die voor anker liggen, worden gestimuleerd om walstroom te gebruiken.

Tot slot, het voorstel voor coördinatie tussen de Europese agentschappen die belast zijn met toezicht op zee zou aanvallen op Europese schepen ontmoedigen en voorkomen en tegelijkertijd illegale activiteiten zoals drugs- en mensensmokkel, tegengaan, waardoor de internationale wateren beslist veiliger worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. – (PL) Gezien de kans om het verslag van de heer Piecyk over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie te bespreken, wil ik graag de aandacht vragen voor de tenuitvoerlegging van de Kaderrichtlijn Water, die voorziet in maatregelen voor opsporing en opruiming van chemische wapens die in de Oostzee en de Noordzee na de Tweede Wereldoorlog zijn achtergelaten. Ik verwijs naar de plannen rond de NordStream pijplijn, waarvan de aanleg het wapentuig uit de Tweede Wereldoorlog dat op de bodem van de Oostzee ligt, van zijn plaats kan halen. Volgens de voorlopige schattingen gaat het om tussen 40 000 en 60 000 ton aan chemische munitie waaronder ongeveer 12 000 tot 13 000 ton aan giftig gevechtsmateriaal. We beschikken zelfs niet over gedetailleerde informatie over de plaats van een deel van dit wapentuig, zodat het risico van een ramp enorm is. Bovendien worden er na de aanbesteding van de pijplijn misschien chemicaliën gebruikt die schadelijk zijn voor het milieu. Dit kan leiden tot een milieuramp met zeer ernstige gevolgen. Er is sprake van een directe bedreiging van het leven en de gezondheid van mensen die aan de kust van de Oostzee wonen. Het verslag vermeldt het bewerkstelligen van een situatie waarin de oceanen en zeeën van Europa de schoonste ter wereld zullen zijn. Ik doe daarom een oproep aan de Europese Unie om specifieke maatregelen te treffen met betrekking tot een geïntegreerd maritiem beleid en een verbod uit te vaardigen voor projecten die een bedreiging vormen voor de veiligheid van Europese ingezetenen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ole Christensen, Dan Jørgensen, Poul Nyrup Rasmussen, Christel Schaldemose en Britta Thomsen (PSE), schriftelijk. – (DA) De scheepvaart moet worden betrokken bij de handel in koolstofemissierechten.

De socialistische delegatie werkt aan een regeling om scheepvaartverkeer in dit stelsel op te nemen. Hoewel deze wijze van transport bijzonder milieuvriendelijk is vergeleken bij de meeste vormen van goederentransport, neemt de scheepvaart een heel belangrijk aandeel van de uitstoot van CO2 voor haar rekening, die bijvoorbeeld duidelijk het aandeel van de luchtvaart overschrijdt en die zelf ook op korte termijn in de handel in emissierechten wordt opgenomen.

De delegatie heeft daarom vandaag vóór gestemd voor het onderdeel in het verslag over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie dat duidelijk stelt dat we de scheepvaart moeten opnemen om de emissiehandel. We hebben daarom een voorstel voor een amendement over hetzelfde vraagstuk van de Fractie van de Groenen/Vrije Europese Alliantie terzijde gelegd. Het is onduidelijk of het amendement van de Groenen verwijst naar een specifiek model voor handel in emissierechten Als dit het geval is, hebben we geen verklaring voor wat het amendement precies inhoudt. We willen daarom op dit moment niet een bepaald model goedkeuren dat in het ergste geval kan leiden tot belemmering of vertraging van een overeenkomst over het opnemen van de scheepvaart in de handel in emissierechten.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. (SV) We zijn het geheel eens met sommige standpunten in dit verslag, bijvoorbeeld dat de bestrijding van zwavel- en NOx-emissies door schepen dringend geboden is en dat het gemeenschappelijk visserijbeleid te bureaucratisch en te gecentraliseerd is.

Maar de meeste voorstellen zijn negatief. We zien niet in wat er gewonnen wordt met de invoering van een “Europese dag van de zee” door de EU. We vragen ons ook af wat de waarde is van financiering door de EU van maritiem onderzoek en van een plan om gezonken schepen en verzonken archeologische vindplaatsen te onderzoeken en in kaart te brengen en we staan kritisch tegenover de gedachte dat EU-instellingen het onderwerp maritiem ruimtelijk ordeningsbeleid moeten behandelen.

Het verslag bevat een ander voorbeeld van hoe het Europees Parlement probeert invloed te verkrijgen op steeds meer beleidsterreinen. Eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel, waaraan vaak lippendienst wordt bewezen maar dat zelden wordt toegepast, schittert door afwezigheid. We accepteren dat niet Daarom hebben we bij de laatste stemming tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. – (PT) We vinden dat een maritiem beleid gebaseerd op samenwerking tussen de lidstaten, dat een meerwaarde heeft en dat beleid en maatregelen van elk land met betrekking tot de zee stimuleert, een positief effect kan hebben.

Niettemin bevestigt het EP opnieuw doelstellingen voor een geïntegreerd maritiem beleid, zij het minder stellig dan in het vorige verslag, waarmee we het niet eens zijn.

Los van het feit dat het verslag doortrokken is van een federalistische en geostrategische visie met betrekking tot het gebruik van exclusieve economische zones door iedere lidstaat, is het voorstander van de snelle integratie van het vervoer over de binnenwateren van de Gemeenschap in de interne markt, dat wil zeggen, de liberalisering ervan. Het legt de nadruk op initiatieven die beogen een en Europese kustwacht op te richten, een terrein dat binnen de bevoegdheid van iedere lidstaat valt. Het pleit voor incorporatie van de scheepvaart in de handel in emissierechten – nog meer onderhandelen. En, paradoxaal genoeg (of misschien ook niet) spreekt het zich uit om het maritiem beleid passende aandacht te geven op de EU-begroting na 2013; dat wil zeggen, het is opnieuw een pleidooi voor een gecentraliseerde politieke en economische EU-overheid, terwijl er niets tegenover staat (zo dat ooit acceptabel zou kunnen zijn).

Zeker, de ontwerpresolutie van het Europees Parlement bevat enkele voorstellen waarmee we het eens zijn – sommige hebben we ingediend – maar ze wegen niet op tegen de negatieve inhoud van de ontwerpresolutie.

Daarom hebben we tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór het verslag van de heer Piecyk over het maritieme beleid van de EU gestemd. Ik verwelkom in het bijzonder de paragraaf die erkent dat het CFP (Common Fisheries Policy – Gemeenschappelijk visserijbeleid) een volslagen ramp was en dat de EU moet leren van haar fouten bij het komen tot een geïntegreerd maritiem beleid.

Mijn eigen land Schotland staat in het centrum van Europa wat betreft maritieme zaken en we kunnen profiteren van een EU-breed beleid dat gebieden bestrijkt zo divers als milieu, vervoer, toerisme en werkgelegenheid. Er moet echter erkenning komen voor de diversiteit van Europa’s maritieme gebieden. Beslissingen mogen niet worden genomen op de uniforme grondslag die het mislukte Europees visserijbeleid tegenwoordig kenmerkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Roselyne Lefrançois (PSE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór deze tekst gestemd, omdat ik het voor de Europese Unie als essentieel beschouw dat ze zichzelf zo snel mogelijk voorziet van een geïntegreerd maritiem beleid.

De EU zou er in feite veel baat bij hebben als ze een coherente strategie voor tenuitvoerlegging van beleid in de verschillende sectoren vaststelt met gevolgen voor het maritieme gebied, zoals bijvoorbeeld bepaalde sociale, industriële en milieubeleidsvraagstukken, en als ze ook de instelling bevordert van een werkelijk elkaar wederzijds steunend stelsel.

Ik ben ook blij dat de strijd tegen klimaatverandering en vervuiling wordt opgevoerd met behulp van echte innovatieve centra, die ook een bron voor concurrentievermogen en sociale welvaart zullen zijn in de kustgebieden van de Unie.

Tot slot steun ik de voorstellen in het verslag met betrekking tot het veiligheidsaspect van het maritieme beleid en in het bijzonder de gedachte om communautaire regels op dit gebied in te stellen, en in het gezamenlijk toezicht uitoefenen op de maritieme ruimte binnen de Gemeenschap. Dit zal ons in staat stellen zeepiraterij te bestrijden, een fenomeen dat we de afgelopen jaren weer hebben zien opduiken, en de natuurlijke erfenis en archeologie van deze gebieden te beschermen ter voorkoming van onheil met rampzalig gevolgen voor de ontwikkeling van de kustlijn van de Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Het verslag van Willi Piecyk “Een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie” behandelt de uitdagingen waarmee de maritieme sector van Europan nu wordt geconfronteerd. De aanbevelingen vergemakkelijken de Europa-brede besluitvorming op dit gebied.

Alleen door vaststelling van een geïntegreerd maritiem beleid kunnen mondiale vraagstukken zoals globalisering en klimaatverandering en hun effecten op onze oceanen effectief worden aangepakt. Ik heb vóór het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI) , schriftelijk. – (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik geef graag mijn stem aan het verslag van de heer Piecyk over een geïntegreerd maritiem beleid voor de Europese Unie.

Ik ben het ermee eens dat er een geïntegreerd maritiem beleid nodig is, niet alleen omdat de oceanen en zeeën tot de belangrijkste economische en handelsbronnen voor de EU behoren en dus bescherming nodig hebben, maar ook omdat door de lidstaten gezamenlijk genomen effectieve en duurzame maatregelen leiden tot verbetering van de wijze waarop het beleid wordt uitgevoerd en ontwikkeld . Een van de punten die ik als fundamenteel beschouw, is dat maritiem verkeer moet worden geregeld en verbeterd in overeenstemming met de doelstellingen voor de aanpak van klimaatverandering en dat de mariene hulpbronnen moeten worden beschouwd als potentiële bronnen voor schone, alternatieve energie.

 
  
MPphoto
 
 

  Catherine Stihler (PSE), schriftelijk. – (EN) Onze zeeën zijn onze gemeenschappelijke hulpbronnen. We hebben behoefte aan een gecoördineerde aanpak tegen de uitbuiting en vervuiling van onze zeeën. Dit kunnen we uitsluitend doen door samenwerking met alle EU-landen die belang hebben bij maritiem beleid. Ik hoop dat volgend jaar meer EU-burgers in staat zijn deel te nemen aan de Europese dag van de zee. Aangezien deze dag volgend jaar tijdens de Europese verkiezingen valt, kunnen alle kandidaten misschien 20 mei gebruiken om maritieme beleidsvraagstukken te belichten.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid