Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/0099(COD)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

A6-0038/2008

Debatten :

PV 20/05/2008 - 13
CRE 20/05/2008 - 13

Stemmingen :

PV 21/05/2008 - 5.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0218

Debatten
Woensdag 21 mei 2008 - Straatsburg Uitgave PB

7. Stemverklaringen
PV
  

Mondelinge stemverklaringen

 
  
  

− Vergaderrooster 2009

 
  
MPphoto
 
 

  Toomas Savi (ALDE). - (EN) Voorzitter, ik heb slechts een kleine opmerking over het vergaderrooster van het Parlement voor volgend jaar. Hoewel de parlementaire verkiezingen zijn vastgesteld voor de periode van 4 tot en met 7 juni, waardoor mijn termijn een week korter is dan vijf jaar, ben ik blij dat de verkiezingen niet van 11 tot en met 14 juni worden gehouden. Zondag is van oudsher de dag voor verkiezingen in Estland, maar als de Europese verkiezingen op 14 juni zouden worden gehouden – de nationale herdenkingsdag van de massadeportatie door de Sovjetautoriteiten in 1941 – dan zouden de vlaggen in heel Estland halfstok hangen. Het zou niet zo’n geschikte dag voor de verkiezingen voor het Europees Parlement zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE).(DE) Voorzitter, dit was de laatste stemming over het rooster in deze zittingsperiode en we hebben vijf pogingen om Straatsburg als zetel van het Parlement, en als enige zetel van het Parlement, aan te vechten, met irrationele amendementen afgewend.

Toch meen ik dat er een uitgebreide hervorming zou moeten plaatsvinden, omdat het per slot van rekening een kwestie van geld en CO2-uitstoot is. Mag ik erop wijzen dat, als we ons op de twaalf plenaire weken per jaar zouden concentreren en ook nog alle vijf dagen in deze weken volledig zouden benutten, we de dure en onnodige mini-plenaire vergaderingen in Brussel niet nodig zouden hebben en hiervoor achterbanweken in de plaats zouden kunnen stellen. Dit zou ons dichter bij onze burgers brengen en zou ons meer tijd voor ons echte werk geven. Het zou ook veel goedkoper zijn, we zouden onze CO2-uitstoot verminderen, en dit alles kunnen we door onze eigen beslissingen bereiken, zonder herziening van de Verdragen. Zolang deze herziening er niet is, moeten we de huidige Verdragen zo rationeel en efficiënt mogelijk gebruiken. Daarom vind ik dat we de weg die ik heb aangegeven, moeten bewandelen.

 
  
  

− Verslag: Dimitrios Papadimoulis (A6-0102/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Fiona Hall (ALDE). - (EN) Voorzitter, toen deze verordening bij eerste lezing in het Parlement werd behandeld, heb ik me verzet tegen pogingen om de opslag van kwik niet alleen toe te staan in zoutmijnen, maar ook in ondergrondse faciliteiten die voor afvalverwijdering zijn ingericht. Het was duidelijk dat in de uitgebreide definitie ook anhydrietmijnen waren opgenomen, en dit was zeer verontrustend voor de mensen van Billingham in mijn kiesdistrict, die zich verzetten tegen plannen om de voormalige anhydrietmijnen onder hun huizen voor afvalverwijdering te gebruiken. Helaas is in de vandaag bij tweede lezing goedgekeurde tekst, opnieuw de mogelijkheid van kwikopslag op andere plekken dan in zoutmijnen geïntroduceerd, met name in harde rotsformaties diep onder de grond. Aangezien de anhydrietmijnen in Billingham onder deze nieuwe definitie van toegestane locaties kunnen vallen, vond ik het nodig mij bij de stemming over het compromispakket van stemming te onthouden, omdat er bij tweede lezing geen eindstemming plaatsvindt. Dit ondanks het feit dat ik volledig instem met het verbod op de uitvoer van kwik uit Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Alojz Peterle (PPE-DE). - (SL) Ik was zeer verheugd over dit verslag, omdat het alle elementen bevat die voor een snelle oplossing van deze kwestie nodig zijn. Ik ben zeer verheugd dat het Parlement, de Commissie en de Raad een compromis hebben kunnen bereiken en zo hebben we daadwerkelijk bijgedragen aan de dynamiek. Een andere oplossing zou kunnen betekenen dat de oplossing voor lange tijd wordt uitgesteld.

Dank u.

 
  
  

− Verslag: Hartmut Nassauer (A6-0154/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) Het is heden ten dage niet meer acceptabel dat ernstige milieudelicten en delicten waarbij de volksgezondheid in het geding is, slechts als een overtreding worden gezien, zoals tot nu toe in een aantal landen, bijvoorbeeld in Italië en Cyprus, het geval is. Daarom heb ik, ondanks bezwaren van Eurosceptici, mijn steun gegeven aan de richtlijn die alle landen verplicht binnen twee jaar relevante strafrechtelijke sancties in hun wetgeving op te nemen. Aan de andere kant zal de Tsjechische Republiek, net als veel andere landen, de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen moeten introduceren, wat in de geschiedenis van de vroegere socialistische landen een onbekend concept is. We zullen moeten beslissen of we het Duitse model kiezen, waarin rechtsschendingen door rechtspersonen door administratieve autoriteiten worden beoordeeld of dat we het Franse, Britse en nu ook Sloveense model kiezen. We zullen ook moeten beslissen of de gehele rechtspersoon verantwoordelijk moet worden gehouden of alleen het management. Ik ben bang dat de twee jaar die we voor de uitvoering hebben, niet genoeg zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Roger Helmer (NI). - (EN) Voorzitter, ik heb tegen deze maatregel gestemd. Het lijkt erop dat paniekzaaierij over het klimaat en milieuactivisme steeds meer religieuze trekken krijgen. Ze zijn op geloof gebaseerd en niet op feiten. En de mogelijkheid om koolstof te compenseren is terecht vergeleken met het middeleeuwse gebruik om pauselijke aflaten te kopen. Nu introduceert Hartmut Nassauer iets wat op een soort wet tegen godslastering voor het milieu lijkt.

Ik heb in elk geval grote bedenkingen bij behandeling van deze milieukwesties in het strafrecht in plaats van in het civiel recht. Maar het echte probleem hier, is de uitbreiding van het Europees recht. De mensen die ik vertegenwoordig, willen handel, willen samenwerking in Europa, maar ze willen geen politieke unie en ze willen geen Europees rechtssysteem. We moeten ons verzetten tegen iedere verdere stap in de richting van het scheppen van Europese verantwoordelijkheden en Europese bevoegdheden op deze gebieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Syed Kamall (PPE-DE). - (EN) Voorzitter, terwijl dit verslag verwijzingen naar specifieke sancties lijkt te verwijderen, geeft het wel aan welke handelingen binnen de lidstaten als strafbare feiten moeten worden beschouwd. Dus laten we eens kijken naar een scenario waar iemand in mijn kiesdistrict – Londen, de beste stad van de wereld, hoofdstad van het beste land in de wereld – iets doet wat volgens Engels recht (wetgeving die is gebaseerd op een algemene rechtstraditie en gezond verstand) geen strafbaar feit is, maar wat nu volgens EU-recht als een strafbaar feit wordt gezien, omdat we hebben besloten dit EU-recht van bovenaf op te leggen, met veronachtzaming van het gezond verstand, over de hoofden van de burgers van mijn kiesdistrict.

Waar leidt dit toe? Hoe zullen mijn kiezers reageren? Dat zal ik u vertellen. Ze zullen zeggen: “Wat is dit voor een onzin? Waarom is iets, wat volgens goed Engels recht geen strafbaar feit is, een strafbaar feit volgens Europees recht? Het wordt tijd om de Europese Unie te verlaten!”. Daarom moeten we oppassen dat we het Verenigd Koninkrijk niet de EU uit jagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Giuseppe Gargani (PPE-DE).(IT) Voorzitter, dames en heren, ik heb de Voorzitter gevraagd mij even het woord te geven na goedkeuring van het verslag van Hartmut Nassauer over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement inzake bescherming door middel van het strafrecht.

Ik wilde in het bijzonder de rapporteur feliciteren, omdat dit een bijzonder belangrijk verslag is. Er is in de commissie veel gedebatteerd en we hebben, met bemiddeling van Monica Frassoni, een zeer intelligent compromis van hoge kwaliteit bereikt. Ik wil graag even de nadruk leggen op dit speciale onderdeel van het werk van de commissie en vooral de rapporteur, Hartmut Nassauer feliciteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE).(PL) Verwijzend naar het verslag van Hartmut Nassauer, moet ik zeggen dat ik ermee heb ingestemd. Hoewel alle lidstaten dezelfde voorschriften hebben aangenomen, worden deze op veel verschillende manieren uitgevoerd. Dit moedigt ongewenst gedrag aan, waarbij onverantwoordelijke ondernemers hun economische activiteiten verplaatsen naar landen waar de strafrechtelijke sancties voor milieudelicten minder streng zijn. Dit treft vooral de nieuwe lidstaten van de Unie. Er moet met nadruk op worden gewezen dat steeds meer misdaden worden gepleegd door criminele organisaties, en dat milieudelicten steeds vaker een grensoverschrijdend karakter hebben.

Ik ben het eens met het standpunt van de rapporteur dat het wettelijk kader dat in het voorstel voor de richtlijn wordt vastgesteld, een belangrijke bijdrage aan een effectieve milieubescherming levert, en dat dit voor een uniforme en verantwoordelijke uitvoering van milieubeschermingswetgeving binnen de Gemeenschap kan zorgen. Goed getrainde ambtenaren zijn een absolute voorwaarde voor de effectieve uitvoering van de wetgeving en een daadwerkelijke vermindering van het aantal milieudelicten. Het voorstel om de verplichtingen van de lidstaten op dit gebied te specificeren, is daarom volkomen op zijn plaats.

Ik wil graag het volgende opmerken voor het Parlementslid uit het Verenigd Koninkrijk die misschien met een misverstand kampt. We creëren geen nieuwe communautaire wetgeving om sancties op te leggen. Dat bleek onmogelijk te zijn. In plaats daarvan dringen we erop aan dat iedere lidstaat de nodige wetgeving binnen zijn eigen rechtssysteem uitvoert om ervoor te zorgen dat in heel Europa voor gelijksoortige misdaden uniforme straffen worden opgelegd.

 
  
  

− Verslag: Fiona Hall (A6-0077/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) Vandaag, 21 mei, wordt er weer een nagel in de doodskist van de Eurosceptici geslagen, omdat we, samen met de Raad, hebben gestemd voor een gezamenlijk besluit dat zal helpen om de spectrumrechten voor de telecommunicatie van de 27 lidstaten gedeeltelijk over te dragen. Dit toont het belang van de Europese Unie. Als de lidstaten iets niet zelf kunnen doen, vertrouwen ze het, in het belang van de Europese burgers, de Unie toe. Vandaag gaat het om het wegwerken van wettelijke belemmeringen voor de toekomstige ontwikkeling van mobiele satellietdiensten voor noodoproepen, voor het redden van levens, gezondheid en huizen van een half miljard burgers. Schepen en vliegtuigen maken al gebruik van dit systeem, dat dankzij moderne technologie, ook over functies beschikt als interactieve multimedia, televisie-uitzendingen via satelliet en toegang tot breedbandinternet. Dit besluit moet echter op het gebied van telecommunicatie geen standaard worden. De exclusieve rechten voor andere delen van het spectrum blijven een zaak voor nationale toezichthouders. Ik hoop dat de media in landen die enigszins eurosceptisch zijn, zoals de Tsjechische Republiek of Groot-Brittannië, hieraan voldoende aandacht zullen besteden, omdat dit voor burgers goed nieuws is.

 
  
MPphoto
 
 

  Syed Kamall (PPE-DE). - (EN) Voorzitter, Ik ben blij dat ik dit verslag kan steunen, omdat het niet onder dwang lijkt te zijn ontstaan, maar eerder een product van samenwerking lijkt te zijn. Bovendien ben ik in een vorige baan op dit gebied werkzaam geweest. Ik gaf bedrijven adviezen over mobiele satellietdiensten.

Een van de dingen die de bedrijven onder ogen moesten zien, was het feit dat ze de markt verkeerd begrepen. Eind jaren negentig waren er ongeveer vijf ondernemingen die begonnen met het leveren van mondiale satellietdiensten. Ondanks hun beste ramingen, hadden ze een totaal verkeerd beeld van de markt, omdat ze meenden dat de markt de internationale handelsreiziger was, maar de technologie in deze markt werd verdrongen door ontwikkelingen in de cellulaire technologie.

Ik ben blij dat deze bedrijven nog een keer de gelegenheid krijgen een markt voor een mondiale mobiele satellietdienst te creëren, die naar mijn mening van veel nut zou zijn, vooral voor mensen in ontwikkelingslanden waar terrestrische netwerken geen bereik hebben. Daarom ben ik verheugd over dit verslag en heb ik ermee ingestemd.

 
  
  

− Verslag: Karl-Heinz Florenz (A6-0136/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Ouzký (PPE-DE).(CS) Ik wil graag een verklaring afleggen over mijn stemgedrag inzake het verslag van Karl-Heinz Florenz. Bij de eindstemming heb ik tegen dit verslag gestemd en ik wil als voorzitter van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid benadrukken dat dit niet kwam doordat ik niet voldoende was doordrongen van de ernst van dit onderwerp of door de intentie om het werk van de rapporteur op enigerlei wijze te verwerpen of ter discussie te stellen. Ik was het niet eens met verschillende verklaringen en formuleringen en ik vond deze niet alleen politiek incorrect, maar – in enkele gevallen – ook onwaar. Ik acht het ook onaanvaardbaar, schandalig en enigszins onjuist dat het Tabling Office besluit dat het voorstel ontoelaatbaar is, zonder hiervoor redenen te geven. Dank u voor uw begrip.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Březina (PPE-DE).(CS) Ik heb ook niet met het verslag van mijn collega Karl-Heinz Florenz ingestemd. Bij alles wat als wetenschappelijk feit wordt bestempeld en gepresenteerd, moeten de wetenschappelijke standpunten worden toegelicht van groepen wetenschappers die het ermee eens zijn, zowel als van wetenschappers die het er niet mee eens zijn. De verklaringen in het verslag worden gepresenteerd alsof het om een duidelijke wetenschappelijke consensus gaat. Dit is echter niet het geval. Het andere kamp is ook belangrijk. Tijdens het debat is het beginsel van voorzichtigheid in geval van twijfel vaak benadrukt. Kunnen we dit ook niet toepassen op de overdreven strenge en eenzijdige conclusies met betrekking tot het klimaatveranderingsbeleid? Als geoloog kan ik u verzekeren dat de aarde in het verleden vaak met meer dan die gedemoniseerde 2°C is opgewarmd, en dat er daarna niets vreselijks is gebeurd. De mensheid heeft per slot van rekening altijd met voortdurende klimaatveranderingen te maken gehad.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE).(SK) Ik heb vóór het interim-verslag van rapporteur Karl-Heinz Florenz gestemd, waarin wetenschappelijke kennis over klimaatverandering een belangrijke rol speelt. Tegelijkertijd vind ik het jammer dat een aantal amendementen op dit verslag, met name amendement 15, ingediend door mijn collega Jan Březina en veertig andere Parlementsleden, niet is aanvaard. Deze amendementen zouden de tekst hebben versterkt. Wetenschappers blijven hun standpunten voortdurend herzien, wat betekent dat ook wij voor nieuwe ideeën moeten openstaan.

Een deel van de mondiale klimaatverandering ten gevolge van menselijke activiteiten blijkt, in sterke mate, uit het wegvloeien van water in bepaalde gebieden. Daarom is het opvangen van het regenwater in een gebied en het alleen laten wegvloeien van het natuurlijke restwater een voorwaarde voor milieuveiligheid en mondiale stabiliteit en last but not least voor behoud van economische groei. Ik vertrouw erop dat het nieuwe waterparadigma in de komende paar decennia een nieuw bruikbaar idee zal worden en dat dit het manifest van de mensheid voor de toekomst van de beschaving zal worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE).(PL) Voorzitter, we hebben vandaag een buitengewoon belangrijk verslag over de strijd tegen klimaatverandering aangenomen. Klimaatverandering staat in nauw verband met energieproblemen. Steeds vaker hebben we te maken met droogte, overstromingen woestijnvorming, en het smelten van gletsjers. Het moet nu toch wel voor iedereen duidelijk zijn dat ons klimaat verandert. Door de stijgende temperaturen ontstaan sociale, financiële en milieuproblemen.

Als we onze planeet, onze eigen aarde, echt willen beschermen, moeten alle landen en samenlevingen in de hele wereld verdere stijging van het niveau van CO2–uitstoot en uitstoot van andere broeikasgassen afzwakken of een halt toeroepen. Milieuvriendelijke investeringen en schone energie en energiebesparende installaties moeten worden gestimuleerd. Bovenal en in de eerste plaats moeten mensen ervan worden overtuigd dat ze energie moeten besparen, en moet hun kennis en bewustzijn groter worden. Dat zou wel eens de snelste manier kunnen zijn om resultaat te boeken.

We moeten een compromisoplossing vinden voor het beperken van uitstoot van broeikasgassen binnen de Unie. De nieuwe lidstaten moeten anders worden behandeld dan de meer ontwikkelde. De eerste zouden dan de kans krijgen hun achterstand in te halen en de verschillen in het niveau van economische ontwikkeling weg te werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Kurt Joachim Lauk (PPE-DE).(DE) Voorzitter, eerst wil ik iets zeggen over het verslag van Karl-Heinz Florenz, dat volgens mij de huidige wetenschappelijke consensus heel goed heeft samengevat. Toch heb ik tegen het verslag gestemd. Het klimaat is een belangrijke kwestie en ik ben het ermee eens dat we op dit gebied actie moeten ondernemen. De wetenschappelijke consensus is echter slechts een voorlopige consensus, zoals elke wetenschappelijke consensus van de laatste honderd jaar van voorbijgaande aard was. In elk geval hebben we ons verder ontwikkeld.

Het verslag dat voor ons ligt biedt hiertoe niet genoeg mogelijkheden. Bovendien zijn de specifieke maatregelen die worden geschetst eenzijdig. We moeten ervoor oppassen dat Europa economisch niet zwakker wordt. Europa kan de wereld niet in zijn eentje redden. Andere landen moeten dringend bij de aanpak van dit mondiale probleem betrokken worden. Alleen op die manier kan de wetenschappelijke consensus uitgevoerd worden. We kunnen deze last niet alleen dragen.

Tegen deze achtergrond, mis ik in dit verslag de maatregelen die nodig zijn om klimaatverandering minder ernstig te maken. We kunnen deze waarschijnlijk niet helemaal stoppen. Daarom meen ik dat maatregelen die onze industriële structuren blijvend veranderen, niet kunnen worden aangenomen op grond van wat slechts een voorlopige wetenschappelijke consensus is.

 
  
MPphoto
 
 

  Roger Helmer (NI). - (EN) Voorzitter, ik heb tegen het Florenz-verslag gestemd. Een van de grootste mythes van de paniekzaaierij rond het klimaat is dat er een wetenschappelijke consensus bestaat en dat alle wetenschappers het met elkaar eens zijn. Als lid van de tijdelijke commissie Klimaatverandering weet ik waarom het verslag van Karl-Heinz Florenz zo is uitgepakt: ze hebben slechts naar één kant van het debat geluisterd en daarom zijn ze tot de conclusie gekomen dat er consensus is.

In het debat eerder vandaag heeft Graham Booth ons herinnerd aan de verklaring van Oregon, die door dertigduizend relevante wetenschappers is getekend, en waarin de hele basis voor de paniekzaaierij rond het klimaat in twijfel wordt getrokken. Er is geen consensus; er is een groeiend aantal krachtige wetenschappelijke tegengeluiden. Intussen gaan we de mensen die we vertegenwoordigen enorme economische schade berokkenen in een vergeefse en tot mislukken gedoemde poging om invloed uit te oefenen op een theoretisch probleem, dat in de ogen van veel mensen niet bestaat.

De economische schade zal ons de das om doen en dan vooral Europa, aangezien ontwikkelingslanden als China en India veel te veel gezond verstand hebben om zich hierdoor in de luren te laten leggen.

 
  
  

− Verslag: Ria Oomen-Ruijten (A6-0168/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitar Stoyanov (NI). - (BG) De afvaardiging van de Ataka-partij heeft tegen het zogenaamde voortgangsverslag Turkije gestemd, omdat we niet inzien wat deze voortgang zou kunnen inhouden.

We zien dat Turkije een staat is waar een islamitische partij regeert en waar het staatshoofd een islamitische president is. Een staat die niet eens ook maar enigszins de mensenrechten respecteert, een staat die een heel volk onderdrukt en, zelfs op dit moment, oorlog voert tegen een heel volk met het doel het te vernietigen en dat volk is het Koerdische volk. Een staat die zwaar gemilitariseerd is, waar een geheime militaire junta is en waar het Turkse beleid altijd in de richting gaat die de generaals bepalen. Een staat die het grondgebied van een Europees land blijft bezetten, zelfs op dit moment.

Een dergelijke staat komt niet in aanmerking voor onderhandelingen totdat deze ernstige problemen werkelijk zijn opgelost.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI).(NL) Het verslag-Oomen-Ruijten is in mijn ogen een zoveelste gemiste kans om over de potentiële toetreding van Turkije tot de Europese Unie eens spijkers met koppen te slaan. Men concentreert zich in dit verslag op een aantal in mijn ogen bijkomende kwesties, terwijl het essentiële in heel de zaak natuurlijk toch blijft dat Turkije op geen enkel gebied een Europees land ís, op geen enkel gebied ooit een Europees land zal worden en dat bijgevolg van toetreding van een niet-Europees land tot de Europese Unie gewoonweg geen sprake kan zijn. Punt uit!

In de marge hiervan wil ik echter nog opmerken dat het mij verbaasde in het debat te horen, onder meer van collega Swoboda van de socialisten, dat het absoluut onaanvaardbaar is dat in Turkije partijen zouden worden verboden. Ik herinner eraan dat in mijn land, België, de grootste partij van het land, het Vlaams Blok, goed voor 24 procent van de stemmen, in 2004 gewoon buiten de wet werd geplaatst en moest worden ontbonden. Ik herinner mij geen protest toentertijd van de socialisten. Integendeel, hun solidariteit blijft beperkt tot de islamitische fundamentalisten, waarvan akte.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) Voorzitter, ik zeg al jaren dat een geprivilegieerd partnerschap tussen de Unie en Turkije veel nuttiger zou zijn geweest dan de belofte van Turkije’s toetreding tot de Europese Unie. Helaas bevestigt het voortgangsverslag dat nog niet aan de criteria van Kopenhagen is voldaan, hoewel de toetredingsonderhandelingen van start zijn gegaan. Dit geldt niet alleen maar voor een gebied. Het betreft vrijheid van godsdienst, minderhedenrechten, gelijke kansen (vooral voor vrouwen), corruptie, de Koerdische en Cypriotische kwestie en natuurlijk ook de invloed van het leger op het regeringsbeleid. Net als de rapporteur ben ik verheugd over inspanningen van de regering om vorderingen te maken, maar helaas zijn deze vorderingen niet zichtbaar. Integendeel: Turkije verbiedt een politieke partij, heeft een nieuw artikel 301 gebruikt om schrijvers en intellectuelen te vervolgen voor belediging van het Turkendom en gevechten en geweld uit politieke of religieuze motieven komen steeds vaker voor. De moord op Hrant Dink is nog niet opgelost, evenmin als andere moorden. Desalniettemin erken ik dat het verslag evenwichtig en eerlijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE).(PL) Voorzitter, we hebben een belangrijk verslag aangenomen. We moeten de veranderingen die in Turkije in overeenstemming met de toetredingsonderhandelingen zijn doorgevoerd, erkennen en steunen. Met het oog op zijn speciale geopolitieke positie, is Turkije een strategische partner voor de Unie, als het gaat om onderhandelingen van de Unie met landen rond de Zwarte Zee en het Midden-Oosten. Turkije is ook van vitaal belang voor de energiezekerheid van Europa, omdat grondstoffen van gebieden rond de Kaspische Zee en de Zwarte Zee via Turks grondgebied naar Europa worden vervoerd. Bovendien heeft Turkije enorme economische mogelijkheden. Het heeft een dynamische economie, een zeer grote interne markt, en een samenleving met veel inwoners in de leeftijdsgroep die op de arbeidsmarkt actief is. Ik ben ervan overtuigd dat dit alles in de toekomst Europa’s economische ontwikkeling ten goede zal komen.

Er moet nog een aspect van Turkije’s toetreding genoemd worden. Als islamitisch land dat tevens lidstaat van de Unie is, zal het een belangrijke rol in de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Westen en de islamitische wereld kunnen spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE).(DE) Voorzitter, ik heb ingestemd met het verslag van Ria Oomen-Ruijten, hoewel veel van wat hierin is verwoord, op compromissen berust. Ik heb dit gedaan, omdat er aan het begin een zin staat die van cruciaal belang is, namelijk dat het beginnen van onderhandelingen het startpunt vormt van een langdurig proces met een open einde. Alleen hierom kon ik met het verslag instemmen. Laat ik er heel duidelijk over zijn dat mijn fractie, de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese democraten, altijd pro-Turks is geweest en dit ook zal blijven. We hebben campagne gevoerd en hard gewerkt voor de douane-unie die met een meerderheid van stemmen, met een verschil van slechts één stem, door dit Huis is aangenomen. Men zou kunnen zeggen dat dit indertijd mijn stem was. We hebben Turkije in de NATO en bij veel andere kwesties gesteund.

Ik wil echter ook heel duidelijk stellen dat Turkije geen Europees land is en ik ben het met Zuzanna Roithová eens dat een geprivilegieerd partnerschap, een op maat gesneden speciale status, de juiste oplossing is. Deze oplossing zal er uiteindelijk ook komen. We moeten eindelijk ophouden deze doodlopende weg naar veronderstelde toetreding te bewandelen. Deze toetreding komt er nooit, dus het zou voor beide zijden eerlijker en beter zijn als we zo snel mogelijk bij elkaar kunnen komen en afspraken kunnen maken over een andere weg, een weg naar een partnerschap van gelijken, zonder gemeenschappelijke instellingen, maar met gemeenschappelijke belangen en een praktisch overeengekomen samenwerkingsprogramma.

 
  
MPphoto
 
 

  Albert Deß (PPE-DE).(DE) Voorzitter, hoewel het verslag van Ria Oomen-Ruijten veel kritiek op Turkije bevat, heb ik tegen gestemd, omdat het volledig lidmaatschap voor Turkije, volgens mij, niet het doel van de toetredingsonderhandelingen kan zijn. Bernd Posselt heeft dit ook al gezegd. Ik denk dat we Turkije zo snel mogelijk dit geprivilegieerde partnerschap moeten aanbieden. Turkije maakt geen deel uit van Europa en het vervult ook geen brugfunctie naar de islamitische landen.

In Sudan zijn in Darfur jarenlang christenen vervolgd. Turkije heeft al jaren de mogelijkheid een rol te spelen bij het beëindigen van deze misdaden tegen christenen in Sudan. Ik heb Turkije echter nog geen stap in deze richting zien zetten. Daarom heb ik tegen het verslag gestemd: omdat Turkije niet als volwaardig lid bij de Europese Unie hoort.

 
  
MPphoto
 
 

  Marusya Ivanova Lyubcheva (PSE). - (BG) Voorzitter, ik heb mijn steun verleend aan het voortgangsverslag Turkije, hoewel er op de weg van dat land naar de Europese Unie nog wel bepaalde risico’s bestaan.

Mijn motivatie hiervoor is dat in het verslag teksten zijn opgenomen over de bescherming van mensenrechten en vrouwenrechten op twee belangrijke gebieden: reproductieve gezondheid en gelijke kansen, vooral op het gebied van toegang tot onderwijs.

Als tweede punt wil ik wijzen op de voorzorgsmaatregelen die in het verslag worden geëist met betrekking tot het nabuurschapsbeleid. Nog niet opgeloste kwesties met de buurlanden moeten worden opgelost, en een zo’n kwestie heeft betrekking op de Bulgaarse vluchtelingen uit Thracië. Deze kwestie heeft ook betrekking op fundamentele mensenrechten. Het gaat niet alleen om bezittingen en financiële aspecten. De morele aspecten zijn bijzonder belangrijk. Zonder al te zeer op het verleden gericht te raken, willen we in de toekomst graag duidelijke actie en willen we dat de overeenkomst tussen onze twee landen wordt nagekomen; daarom heb ik mijn steun aan het verslag gegeven.

 
  
  

Schriftelijke stemverklaringen

 
  
  

− Vergaderrooster 2009

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb alle amendementen op het rooster, die erop gericht zijn dat we minder tijd in Straatsburg en meer in Brussel doorbrengen, gesteund. De huidige situatie is bizar, met ons heen en weer trekken tussen Brussel en Straatsburg, wat heel veel tijd en geld kost. We zouden op één plaats bij elkaar moeten komen.

Ik verwerp echter de klacht van Struan Stevenson over de huidige stakingen in het vervoer. We erkennen en steunen het stakingsrecht. Ons bezwaar tegen Straatsburg berust niet op weerstand tegen de uitoefening van werknemersrechten in Frankrijk, maar tegen de verspilling die inherent is aan onze huidige institutionele regelingen.

Ik heb tegen het maken van een uitzondering voor het orthodoxe Pasen gestemd, wanneer we geen voorzieningen treffen om niet op 14 juli te vergaderen. Seculiere vieringen verdienen dezelfde behandeling als religieuze feestdagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. (SV) We willen eigenlijk dat alle vergaderingen van het Europees Parlement in Brussel plaatsvinden en we willen dat er zo snel mogelijk een eind komt aan het tussen Brussel en Straatsburg reizende circus.

We hebben daarom ingestemd met de voorstellen om de vergaderingen van maandag en donderdagmiddag in de vergaderperiode in Straatsburg te beëindigen, in de hoop dat de vergaderingen in Straatsburg geleidelijk helemaal worden stopgezet.

Het Europees Parlement zou één zetel en één plaats om te werken moeten hebben. Het is betreurenswaardig dat er lidstaten zijn waarvan de politieke leiders zichzelf als sterk voorstander van de Europese gedachte beschouwen, maar die tegelijkertijd geen duimbreed wijken als het om hun nationale belangen gaat.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben het in grote lijnen eens met wat is voorgesteld voor het vergaderrooster van 2009. Ik denk echter dat amendementen waarin wordt gevraagd om meer tijd in Straatsburg door te brengen, niet bevorderlijk zijn voor een efficiënte werking van het Parlement. In feite eisen efficiency en logica dat er één Parlementszetel in Brussel komt. Mijn standpunten in deze kwestie komen in mijn stemgedrag tot uitdrukking.

 
  
  

− Verslag: Dimitrios Papadimoulis (A6-0102/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) We vinden het positief dat erkend wordt dat er door de sluiting van kwikmijnen in de Gemeenschap, milieu- en sociale problemen zijn ontstaan. We vinden het ook positief dat wordt aanvaard dat projecten en andere initiatieven, op grond van de beschikbare financiële instrumenten, ondersteund moeten blijven worden, opdat de getroffen gebieden uitvoerbare oplossingen kunnen vinden voor het milieu, de werkgelegenheid en economische activiteit in dat gebied.

Er is ook afgesproken dat degene die een vergunning aanvraagt, de nodige maatregelen moet nemen, door middel van een financiële garantie of een vergelijkbaar mechanisme, om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning (met inbegrip van onderhoudswerk na sluiting) en dat de sluitingswerkzaamheden worden uitgevoerd.

Ook is goedgekeurd dat sectoren van de industrie waar kwik wordt gewonnen door reiniging van aardgas of waar het als bijproduct bij het winnen en smelten van non-ferrometalen ontstaat, relevante gegevens aan de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de desbetreffende lidstaten moeten leveren. De Commissie zal deze informatie openbaar maken.

We vinden het ook juist dat technische hulp aan ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie wordt aangemoedigd, vooral hulp die het gemakkelijker maakt over te stappen op alternatieve kwikvrije technologieën en die uiteindelijk het gebruik van kwik en het vrijkomen van kwik en kwikverbindingen geleidelijk stopt.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb ingestemd met dit verslag, dat ten doel heeft het verbod op de uitvoer van kwik te vervroegen naar 15 maart 2011, drie maanden voor de door de Raad voorgestelde datum. Kwik kan worden verkregen door recycling van afval (fluorescentiebuizen en batterijen, bijvoorbeeld), reiniging van aardgas of industriële verwerking van non-ferrometalen.

Ik ben blij dat het verbod niet alleen voor metallisch kwik geldt, maar ook voor kwikbevattende producten die niet in de Europese Unie kunnen worden verkocht of gedistribueerd, zwavelkwikerts en kwikverbindingen.

Het is ook uiterst belangrijk dat het verbod niet geldt voor verbindingen die voor onderzoek en ontwikkeling, voor medicijnen of in onderzoeksprocessen, worden gebruikt, zoals in het verslag is aangegeven.

De opslag moet veilig worden gemaakt, wat zowel door het verslag als door de Raad naar voren is gebracht. Kwikafval dat voor meer dan een jaar tijdelijk wordt opgeslagen, moet diep onder de grond in harde rotsformaties worden bewaard of op zo’n manier boven de grond, dat risico’s voor de volksgezondheid en het milieu voor de verwerking worden voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben het in grote lijnen eens met het verslag van Dimitrios Papadimoulis over het verbod op de uitvoer voor en de veilige opslag van metallisch kwik. Vervroeging van het verbod op de uitvoer naar 2010 zorgt voor een grotere coherentie van de kwikstrategie van de EU in het algemeen. Ik steun ook de uitbreiding met de verschillende soorten kwik waarvoor het verbod geldt. Ik vind verder dat, voordat het verbod van kracht wordt, meer onderzoek op het gebied van veilige verwijderingsmethodes voor kwik nodig is. Ik heb met het verslag ingestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Waar zijn de grenzen van de hypocrisie? De Europese Commissie stelt terecht voor het gebruik van kwik te verbieden en geschikte infrastructuur voor de opslag ervan te creëren, met het oog op de hoge giftigheidsgraad en de risico’s voor de volksgezondheid. De Commissie wil desondanks het gebruik van fluorescentielampen vanwege energiebesparing blijven stimuleren, hoewel ze weet dat deze per stuk minstens 5mg kwik bevatten, een bijzonder gevaarlijke hoeveelheid, gezien het aantal lampen in elk huis en op iedere werkplek.

Winst gaat boven alles. De investeringen en winsten van monopoliehouders moeten worden beschermd, ook als dit ten koste van de volksgezondheid gaat. De EU verbiedt het gebruik van kwik maar staat bedrijven toe gratis gloeilampen met kwik aan te bieden, om hun verkoop te stimuleren.

De verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid wordt aan de bedrijven overgelaten. Zij moeten het inzamelen van afval organiseren, hoewel bekend is dat afval uiteindelijk op vuilnisbelten en in vuilcontainers terechtkomt. De hele samenleving wordt aan het aanzienlijke risico van vervuiling blootgesteld, en niet alleen degenen die de lampen gebruiken. Daarom kunnen ze in het algemeen natuurlijk op stortplaatsen worden weggegooid. Sterker nog, ter voorkoming van protesten die van invloed zouden zijn op de verkoop, worden niet eens de meest elementaire stappen ondernomen om mensen te wijzen op de risico’s die ze lopen door het lekken van de inhoud van deze lampen in het milieu.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernard Wojciechowski (IND/DEM), schriftelijk.(PL) Kwik is een van de meest giftige stoffen voor het milieu. Onder normale omstandigheden hebben kwikdampen een hoge compressibiliteit. Het breekt niet af en blijft daarom zeer lang in het milieu aanwezig. Kwik hoopt zich op in trofische ketens, waardoor het in belangrijke concentraties in het menselijk lichaam terecht kan komen.

Door industriële ontwikkelingen is men kwik gaan gebruiken, omdat het metaal speciale eigenschappen bezit en makkelijk te verkrijgen is. Het lijkt moeilijk om helemaal geen kwik meer te gebruiken bij de productie van zuinige gloeilampen. Er moeten echter wel effectieve inzamelsystemen voor het afval worden ontwikkeld, samen met een veilige recyclingtechnologie, ter voorkoming van het verder achteruitgaan van het milieu.

Een van de ernstigste gevallen van vergiftiging door kwikverbindingen vond tussen 1953 en 1960 in Japan plaats. Inwoners van de baai van Minamata werden massaal ziek en vertoonden symptomen van zenuwbeschadigingen die vaak de dood tot gevolg hadden.

De Europese Unie moet al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat kwik veilig wordt opgeslagen. Er moet een verbod komen op de uitvoer van metallisch kwik.

 
  
  

− Verslag: Hartmut Nassauer (A6-0154/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb ingestemd met het verslag van mijn gewaardeerde Duitse collega, Hartmut Nassauer. Dit verslag is opgesteld bij de eerste lezing van de medebeslissingsprocedure over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht. Ik ben het ermee eens dat dit mechanisme weer strikt in de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht moet worden opgenomen, door de effecten van de richtlijn alleen van toepassing te laten zijn op gevallen van schending van communautaire regelgeving over milieukwesties, waardoor de lidstaten de straffen die ze in geval van schending willen opleggen, kunnen bepalen. Dit wijze standpunt volgt dat van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat bepaalde dat de EU alleen in gevallen van een “gerechtvaardigde noodzaak” de bevoegdheid heeft strafrechtelijke maatregelen aan te nemen, met andere woorden met betrekking tot gemeenschappelijk vervoers- en milieubeleid. Er moet op worden gewezen dat de richtlijn beoogt de lidstaten te verplichten in hun eigen wetgeving strafrechtelijke sancties op te nemen voor ernstige schendingen van Gemeenschapsrecht op het gebied van milieubescherming, zonder verplichtingen te scheppen om deze sancties, waarop in afzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan, toe te passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hanne Dahl (IND/DEM), schriftelijk. (EN) Gezien het grensoverschrijdende karakter van milieudelicten, menen wij dat een vastgestelde reeks minimumnormen en sancties met betrekking tot milieudelicten op internationaal niveau een nuttig instrument zou zijn voor een veelomvattende en effectieve milieubeschermingsstrategie. We denken echter niet dat de EU de bevoegdheid heeft of zou moeten hebben om strafrechtelijke maatregelen vast te stellen in eerstepijleraangelegenheden. Daarom heb ik vandaag tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Het is belangrijk dat de rapporteur, in overeenstemming met de uitspraak van het Hof van Justitie van 23 oktober 2007 in geval C-440/05, heeft erkend dat het strafrecht en de regels voor strafprocedures niet onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen en dat daarom niet kan worden bepaald welk soort strafrechtelijke sancties moet worden toegepast en in welke mate deze moeten worden toegepast. Er zijn daarom amendementen ingediend bij een voorstel voor een richtlijn van de Europese Commissie, die niet aanvaardbaar was.

Het is ook van belang dat de Commissie en de Raad deze voorgestelde amendementen hebben aanvaard. Desondanks houden zij echter vol dat de communautaire wetgever van de lidstaten kan verlangen voorzieningen voor dit soort sancties te treffen, om ervoor te zorgen dat de wetten die zij op het gebied van milieubescherming vaststellen volledig effectief zijn.

Omdat de rol van de lidstaten in het hele proces niet voldoende duidelijk is gemaakt, hebben wij ervoor gekozen ons bij de eindstemming van stemming te onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb met dit verslag ingestemd, omdat het de mogelijkheid biedt bij ernstige milieudelicten strafrechtelijke sancties op te leggen. Lidstaten moeten op het gebied van milieubescherming een ferme houding aannemen en zorgen voor een strikte toepassing van deze richtlijn.

Ik ben vooral voor het opnemen van een bijlage bij de richtlijn waarin duidelijk wordt gemaakt bij welke wetgeving strafrechtelijke sancties van toepassing zijn. Een bijlage is van cruciaal belang om meer juridische duidelijkheid te verschaffen over de vraag om welke Gemeenschapswetgeving het gaat. Het moet de bestaande wetgeving omvatten, waarbij deze richtlijn strafrechtelijke sancties kan opleggen, maar het moet ook toekomstige wetgeving kunnen omvatten.

Een bijlage zal er verder voor zorgen dat de werkingssfeer van de richtlijn beperkt blijft tot uitvoering van Gemeenschapsrecht en nationale regelgeving en dat de richtlijn niet van invloed is op wat zuiver nationaal recht is.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) De invoering van een gemeenschappelijk strafrecht op EU-niveau, waardoor de lidstaten het exclusieve recht wordt ontnomen om zelf te beslissen welk gedrag als delict beschouwd wordt en ook het recht om de strafmaat te bepalen, komt steeds dichterbij.

Het Gerechtshof van de Europese Gemeenschap verwierf met zijn vonnis van 13 september 2005 in de zaak die bekend staat als “bescherming van het milieu” het recht in te grijpen in het strafrecht van de lidstaten in geval van schendingen van de milieuwetgeving.

Nu zijn we weer een hele nieuwe fase ingegaan en is men erop uit een geharmoniseerde lijst op te stellen van schendingen die in alle lidstaten strafbaar dienen te zijn en de strafmaat voor schendingen van de milieuwetgeving te harmoniseren.

Het Hof heeft de macht naar zich toegetrokken en die aan de Commissie overgedragen met een totale minachting voor de landen, nationale grondwetten, parlementen en de verstandige toepassing van wetten.

Als pleitbezorgers van soevereiniteit en als verdedigers van de vrijheid en het recht van de landen om zelf te beslissen wijzen wij deze methoden af.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE) , schriftelijk. − (EN) Ik heb vóór het Nassauer-verslag over bescherming van het milieu door middel van het strafrecht gestemd. Hoewel een materieel strafrechtcorpus een zaak van de lidstaten is en ook moet blijven is tegelijkertijd duidelijk dat bescherming van het milieu het beste op EU-niveau kan worden gecoördineerd. Ik ben ervan overtuigd dat de EU met dit compromispakket een voortrekkersrol zal kunnen vervullen op het gebied van milieubescherming terwijl tegelijkertijd de integriteit van de nationale wetgevingen behouden blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL) , schriftelijk. – (EL) De richtlijn die wordt voorgesteld opent de mogelijkheid om de lidstaten een uniform strafrecht op te leggen. De richtlijn gebruikt de bescherming van het milieu en de zorgen van arbeiders over milieuproblemen om de invoering van een gemeenschappelijk strafrecht op EU-niveau in te voeren. De richtlijn trekt zelfs de regel betreffende de unanimiteit van de lidstaten in die tot dusverre op strafzaken van toepassing was. Dit maakt de weg vrij voor acquis communautaire, waardoor de EU het recht en de bevoegdheid krijgt daar waar zij dit nodig acht de strafmaat te bepalen en op te leggen. Goed beschouwd wordt daarmee een aantal bepalingen van de Europese Grondwet in ere hersteld. De toepassing ervan vindt nu plaats onder de nieuwe noemer “Verdrag van Lissabon”, nog voordat dit geratificeerd is en in werking is getreden. Dit is een gevaarlijke ontwikkeling die ten koste gaat van de Europese bevolking.

De EU de bevoegdheid geven een uniform strafrecht in te stellen zonder de unanieme goedkeuring door de lidstaten komt neer op het opheffen van een van de fundamentele soevereine rechten van de landen: het recht om te besluiten welke acties een delict zijn en om de strafmaat te bepalen. Op deze manier wordt vastgelegd dat het Gemeenschapsrecht boven de nationale wetgeving en zelfs boven bepalingen uit de grondwet van een land gaat. Het doel daarvan is de Europese bevolking de wil van het Europese kapitalistische monopolie, aldus wettelijk gesanctioneerd, op te leggen. Tegelijkertijd worden daarmee ook de individuele rechten en de democratische vrijheden van mensen drastisch ingeperkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN) , schriftelijk. –? (PL) De zorg voor het milieu is de plicht van ons allemaal. De wereld kwijt zich echter niet erg goed van deze plicht. Er bestaat de neiging het belang hiervan niet te onderkennen en het uit te stellen tot later.

In 1998 heeft de Europese Raad besloten het milieu te beschermen door middel van het strafrecht. De nieuwe richtlijn beoogt voor alle landen helder vast te leggen welke overtredingen onder het strafrecht vallen. Ik ben van mening dat het ook noodzakelijk is de nadruk te leggen op de verantwoordelijkheid van producenten, exporteurs, importeurs en vervoerders voor de producten en diensten die ze leveren, zodat er geen hiaten zijn waardoor men zijn verantwoordelijkheid uit de weg kan gaan.

Daar zijn echter financiële middelen voor nodig, bijvoorbeeld om de benodigde apparatuur aan te schaffen en scholing mogelijk te maken, zodat de nieuwe principes naar behoren kunnen worden geïmplementeerd en het aantal milieuovertredingen teruggedrongen kan worden. Ik ben van mening dat er daartoe EU-middelen ter beschikking moeten worden gesteld, in ieder geval aan de nieuwe lidstaten. Dat zijn de landen die het meeste werk op dit gebied te verzetten hebben in een korte tijd.

Alleen als alle lidstaten solidair handelen zullen de doelstellingen kunnen worden gehaald. Zonder deze solidariteit zullen de regionale verschillen alleen nog maar groter worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE) , schriftelijk. – (PL) Ik heb vóór het verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van strafrecht, COM(2007)0051, gestemd omdat we door nieuwe wettelijke bepalingen in te voeren voor de gehele Gemeenschap en een gezamenlijke lijst van strafbare feiten op het gebied van het milieu op te stellen een betere implementatie van de EU-wetgeving kunnen waarborgen.

In alle lidstaten van de Unie gelden dezelfde bepalingen, maar de manier waarop deze worden toegepast loopt sterk uiteen. Dit stimuleert onwenselijk gedrag van onverantwoordelijke ondernemers die hun economische activiteiten overbrengen naar landen waar de strafmaat voor milieudelicten minder zwaar is. Met name de nieuwe lidstaten krijgen hiermee te maken. Hierbij dient nadrukkelijk te worden aangetekend dat een steeds groter deel van de strafbare feiten plaatsvindt binnen de context van criminele organisaties en dat milieudelicten steeds meer een grensoverschrijdend karakter krijgen.

Ik onderschrijf het standpunt van de rapporteur dat het wettelijk raamwerk dat in het voorstel voor een richtlijn wordt gedefinieerd een belangrijke bijdrage vormt aan een doeltreffende bescherming van het milieu en een garantie kan bieden voor een uniforme en verantwoorde implementatie van de wetgeving op het gebied van milieubescherming binnen de Europese Unie. Het gericht opleiden van functionarissen is een sine qua non voor de effectieve implementatie van de wet en voor het daadwerkelijk terugdringen van milieudelicten. Het voorstel om de verplichtingen van de lidstaten in dit opzicht duidelijk vast te leggen is daarom volstrekt relevant. Het vaststellen van een minimale reeks strafbare milieudelicten en de bijbehorende strafmaten is een nuttig instrument bij de gezamenlijke implementatie van de wetgeving inzake milieubescherming binnen de Europese Unie.

 
  
  

- Verslag: Gábor Harangozó (A6-0061/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE) , schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn Hongaarse collega Gábor Harangozó gestemd, dat een amendement is, in eerste lezing van de medebeslissingsprocedure, op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw. Ik sta achter het idee om lidstaten bij wijze van uitzondering de mogelijkheid te geven de landbouwstructuurenquête in 2009 uit te voeren in plaats van in 2010, in verband met de tienjaarlijkse volkstelling in 2011. Ook ondersteun ik alle beoogde vereenvoudigingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE) , schriftelijk. − (PT) Het voorstel voor een verordening past bij het nieuwe beleid van de Commissie inzake vereenvoudiging van de wetgeving en betere regelgeving.

Ik sta achter het voorstel van de Commissie dat als doel heeft de procedures te vereenvoudigen door het aantal interne inspecties te verminderen en tegelijkertijd te bewaken dat structurele enquêtes over plantaardige en dierlijke productie, landbouwactiviteiten en het materieel dat wordt gebruikt op dezelfde stringente manier blijven worden uitgevoerd als onder eerdere wetgeving.

Bovendien introduceert het voorstel, met het oog op vereenvoudiging, slechts één nieuw type inspectie en vraagt het op geen enkele wijze van lidstaten om hun administratieve systemen aan te passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE) , schriftelijk. − (PT) Aangezien landbouwsubsidies uit openbare middelen komen is een eerlijke verdeling op basis van objectieve criteria vereist. Daarom onderschrijven wij de noodzaak van enquêtes om de structuur van landbouwbedrijven in kaart te brengen. De toepassing van deze principes mag echter geen toename betekenen van de bureaucratische last voor boeren, met name voor kleine en middelgrote bedrijven met beperkte of geen middelen. Eveneens mag het er niet toe leiden dat boeren vanwege technische of andere fouten waarvan zij zich niet bewust zijn niet de steun krijgen waar zij recht op hebben, zoals soms het geval is in Portugal met plaatsbepaling en identificatie per satelliet.

We vinden het dan ook positief dat het verslag erkent dat veel lidstaten met aanzienlijke methodologische en technische problemen te kampen hebben en dat het erop aandringt dat de Commissie boeren de nodige technische bijstand en adviezen verleent bij de plaatsbepaling van de landbouwbedrijven per satelliet. In dit opzicht willen we er nogmaals de aandacht op vestigen dat de overheden van de lidstaten dienen te garanderen dat de data die per satelliet verzameld worden uitsluitend toegankelijk zijn en gebruikt zullen worden ten behoeve van de geformuleerde doeleinden.

 
  
  

- Verslag: Sylvia-Adriana Ţicău (A6-0087/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE) , schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn Roemeense collega gestemd over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerdersondernemer uit te oefenen.

De voormalige Richtlijn 96/26/EC inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen- respectievelijk personenvervoer over de weg en zijn vier Verordeningen inzake toegang tot de vervoersmarkt zijn, met de deregulering van de prijzen van het internationale wegtransport die enige jaren daarvóór geïmplementeerd zijn, bepalend geweest voor de internationale vervoersmarkt, zij het met een minimum aan vervoerskwaliteit, terwijl het openstellen van de markt, voortkomend uit de Verordeningen, meer concurrentie teweeg heeft gebracht.

Uit ervaring is gebleken dat deze maatregelen fout of verschillend worden toegepast, doordat ze onduidelijk of onvolledig zijn of omdat ze vanwege veranderingen in de sector niet langer kunnen worden toegepast. Het toezicht op bedrijven loopt sterk uiteen tussen de lidstaten, waartussen soms zeer grote verschillen bestaan wat betreft beroepskwalificaties en financiële solvabiliteit. Er was dus een dringende noodzaak om tot wetgeving te komen waarmee voorwaarden gesteld kunnen worden aan de vereiste betrouwbaarheid, minimale financiële draagkracht en vakbekwaamheid, en tot de implementatie van de wederzijdse erkenning van de documenten die benodigd zijn om toestemming te krijgen om een bedrijf te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL) , schriftelijk. − (PT) Afgezien van de kritiek op bepaalde aspecten van dit voorstel voor een verordening dient bij de bespreking van de inhoud ervan niet de “rol” uit het oog verloren te worden die deze speelt in de toenemende liberalisering van het internationale wegtransport die wordt voorgestaan door de Europese Commissie en de instellingen van de Europese Unie met medebeslissingsrecht, te weten het Europees Parlement en de Raad.

Dit centrale idee wordt door de Europese Commissie zelf in haar voorstel benadrukt: In de woorden van de Commissie: “Directive 96/26/EC on admission to the occupation of road transport operator, the four Regulations on access to the road transport market, together with the deregulation of international transport prices which took place a few years earlier, shaped the internal market in road transport” (Richtlijn 96/26/EC inzake toelating tot het beroep van wegvervoersondernemer en de vier Verordeningen inzake toegang tot de markt voor wegtransport hebben, samen met de deregulering van de prijzen van het internationale transport die enige jaren eerder plaatsvond, het gezicht van de interne markt voor wegtransport bepaald). Met andere woorden: er werden “common requirements for admission to the occupation” (gemeenschappelijke regels voor de voorwaarden voor toelating tot het beroep) vastgesteld, terwijl tegelijkertijd “the opening-up of the market as a result of the Regulations has made for greater competition” (het openstellen van de markt tengevolge van de Verordeningen de concurrentie heeft vergroot).

Zoals we hebben onderstreept met betrekking tot dit voorstel voor een verordening tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden om het beroep van wegvervoersondernemer te mogen uitoefenen, beoogt dit voorstel een verdergaande liberalisering van het internationale wegtransport door de concurrentie tussen vervoerders te bevorderen in een sector die al onder zware druk staat, wat de mensen die in de sector werken op allerlei manieren voelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. − (DE) Harmonisatie van bestaande regelgeving in deze sector is een belangrijk middel om het wegtransport in Europa te optimaliseren. Een verordening is in deze context doeltreffender dan een richtlijn.

De regels met betrekking tot het beroep van wegvervoerder moeten voldoen aan zeer nauwkeurige criteria, om de grootst mogelijke veiligheid te bewerkstelligen op onze wegen. Deze regels dienen zowel voorwaarden als sancties te behelzen.

Van essentieel belang is daarbij het monitoren en controleren van de gegevens. Deze dienen te worden uitgevoerd op een manier die de privacy van het individu respecteert. Het is van het grootste belang dat de nationale elektronische registers waar de data worden opgeslagen onderling met elkaar verbonden zijn zodat data kunnen worden vergeleken en de verordening de beoogde doelstelling kan waarmaken.

Ik ben tegen Amendementen 7 en 102 die beogen de 6-dagenregel af te zwakken. De herinvoering van de 12-dagenregel, die al eerder verworpen is, zou niet in overeenstemming zijn met de inhoud van dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) Het verslag van mevrouw Ţicău is onderdeel van een pakket maatregelen die, samen met twee andere verslagen, beogen het wegtransport te reguleren.

Deze sector is enorm belangrijk binnen de Europese Economische Ruimte omdat het de open en concurrerende markt mogelijk maakt waar we vandaag de dag zo trots op zijn.

Binnen het kader van dit nieuwe voorstel moeten ondernemingen een gediplomeerd transportmanager aannemen die verantwoordelijk is voor het aansturen van de transportactiviteiten van het bedrijf. De voorwaarden die al zijn vastgelegd om het beroep te mogen uitoefenen – te weten betrouwbaarheid, minimale financiële draagkracht en vakbekwaamheid – worden gehandhaafd.

Deze herformulering is bedoeld om bestaande wetgeving begrijpelijker te maken en hogere eisen te stellen aan de veiligheid en de efficiëntie van dit soort bedrijven.

Ik juich dan ook het werk van de rapporteur toe, dat erop gericht is de verantwoordelijkheid in deze sector te vergroten ten aanzien van veiligheid en garanties voor betrokkenheid. Ook sta ik achter de maatregelen die worden voorgesteld inzake de vakbekwaamheid, waaronder kwalitatief goede opleidingen en wederzijdse erkenning van diploma’s en andere certificeringen.

 
  
  

- Verslag: Mathieu Grosch (A6-0038/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn geachte collega Mathieu Grosch gestemd over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerdersondernemer uit te oefenen, dat beoogt de teksten te integreren die de toegang regelen tot de markt voor internationaal wegtransport en cabotagevervoer, waar momenteel eerdere verordeningen en richtlijnen op van toepassing zijn. Het internationale transport tussen de lidstaten is binnen de interne markt volledig geliberaliseerd, hoewel er voor cabotage nog altijd een aantal beperkingen geldt. Ik sta positief tegenover deze aanwijzingen en vereenvoudigingen en ook tegenover het verhogen van de strafmaat voor overtredingen die gepleegd worden in lidstaten niet zijnde het land van vestiging.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Dit is slechts wéér een stap in de richting van en wéér een instrument dat gericht is op een verder doorgevoerde liberalisering van het internationale wegtransport door de concurrentie tussen vervoerders te bevorderen in een sector die al onder zware druk staat, wat de mensen die in de sector werken op allerlei manieren voelen.

Een van de huidige doelstellingen is een manier te vinden om het mogelijk te maken dat er binnen het wegtransport “cabotage”-activiteiten worden uitgevoerd – met andere woorden: dat er volgend op een internationale rit maximaal drie transportoperaties mogen worden uitgevoerd, vooropgesteld dat deze binnen zeven dagen worden uitgevoerd – in een markt die toch al dusdanig geliberaliseerd is dat dit enorme gevolgen zal hebben voor de financiële situatie en overlevingskansen van nationale vervoerders.

Dit besluit zal ook nadelige gevolgen voor werknemers in het wegtransport hebben. Dit is bijvoorbeeld te zien in het voorstel van een meerderheid van dit Huis, om de verwijzing naar “arbeidstijden” te verwijderen en alleen “rij- en rusttijden” te laten staan; met andere woorden: hierdoor worden langere werktijden mogelijk, hetgeen een negatief effect zal hebben op de arbeidsomstandigheden en de veiligheid van de werknemers. Gezien de recente uitspraken van het Gerechtshof kan zelfs een verwijzing naar Richtlijn 96/71/EG, betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers, niet meer de rechten van veel werknemers in deze sector beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Liberadzki (PSE), schriftelijk. − (PL) Ik heb vóór dit verslag gestemd over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerdersondernemer uit te oefenen (herschikking) (COM(2007)0265 - C6-0146/2007 - 2007/0099 (COD)).

Ik ben het met de rapporteur eens dat dit voorstel van de Commissie, indien aangenomen, zal bijdragen aan een vereenvoudiging en verheldering van de uitgangspunten die van toepassing zijn op het wegtransport.

Ik sta achter het voorstel van de heer Grosch, dat beoogt aangrenzende lidstaten de mogelijkheid te bieden om hun markten nog meer open te stellen voor cabotagevervoer.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. − (DE) Ik heb voor het verslag van Mathieu Grosch gestemd over de voorwaarden voor het uitoefenen van het beroep van wegvervoerdersondernemer. Het samenvoegen van de bestaande Verordeningen en Richtlijn 2006/94/EG zal leiden tot een vereenvoudiging en verbetering van de toegang tot de markt voor wegtransport.

Ik onderschrijf de visie van de rapporteur dat de restricties op cabotage versoepeld moeten worden en dat de regels betreffende cabotage in overeenstemming gebracht moeten worden met de regels die van toepassing zijn op grensoverschrijdend wegtransport binnen de interne markt. Het is daarom van belang tot een duidelijk definitie van cabotage te komen, om een uniforme benadering te kunnen garanderen.

Hoewel leegloop vermeden moet worden met het oog op het milieu en de efficiëntie en hoewel cabotage op de route naar huis vanuit andere landen ook ondersteund moet worden, onder de restricties zoals beschreven in het verslag, dient niet uit het oog verloren te worden dat dergelijke maatregelen de positie van de spoorwegen verzwakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) We stemmen tegen het verslag over de toegankelijkheid van het wegtransport. Het liberaliseert de wegtransportmarkt van de Gemeenschap en maakt het mogelijk dat internationale vervoerders nationale transporten uitvoeren. Internationaal goederen- en personenvervoer over de weg wordt zo binnen de interne markt overgeleverd aan de monopolisten. De gevolgen daarvan kunnen desastreus zijn voor kleine en middelgrote transportondernemingen en met name voor werknemers en chauffeurs die nog meer uitgebuit zullen worden door de monopolistische groepen.

Het voorstel van het Europees Parlement kiest voor een nog meer reactionaire weg dan dat van de Commissie. Het neemt zelfs de voorgestelde minimale restricties weg en vraagt om een volledige liberalisering van de markt voor internationaal en nationaal transport.

De mogelijkheid om in de lidstaten onbeperkt te kunnen laden en herladen en het opheffen van de beperkingen aan de verblijfstijd van voertuigen en personeel in een andere lidstaat nadat een strikt internationaal transport is afgerond, zijn erop gericht de arbeidskosten terug te dringen. Hierdoor zullen de rechten worden geschonden die bedoeld zijn om de lonen, het werk en de verzekeringen van werknemers in het internationaal wegtransport te beschermen en het zal ertoe leiden dat de activiteiten sterk geconcentreerd zullen worden bij grote multinationals. Als dit niet wordt tegengehouden zal dit grote schade toebrengen aan de sector en het zal ten koste gaan van de kwaliteit van de dienstverlening.

De labour-beweging die opkomt voor de arbeidersklasse moet hier sterk tegen ageren, in een duidelijke demonstratie van insubordinatie en ongehoorzaamheid aan dit EU-beleid dat gericht is tegen de arbeiders en tegen de mensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) Dit voorstel is onderdeel van een pakket maatregelen binnen de wegtransportsector. Het onderhavige voorstel beoogt de samenhang te bevorderen binnen de wetgeving van de Gemeenschap op het gebied van het internationaal wegtransport, door twee bestaande Verordeningen samen te voegen, waardoor de regels efficiënter kunnen worden uitgevoerd en de toepassing van het cabotageconcept wordt verhelderd en bevorderd. Ook worden er maatregelen in vastgelegd om rijbewijzen en bestuurdersattesten binnen de hele Gemeenschap te vereenvoudigen en standaardiseren, waardoor de administratieve kosten en tijdverlies teruggebracht worden, met name bij controles langs de weg.

Lidstaten zullen ook hun communicatiesystemen kunnen versterken, zodat van overtredingen van een wegtransportonderneming aangifte kan worden gedaan in het lidstaat waar deze gevestigd is. Ik vind deze tekst uiterst belangrijk voor de ontwikkeling van deze sector van de Europese markt en ik denk dat deze daardoor de efficiëntie, de regulering en de structuur zal krijgen waardoor er een open, gereguleerde en eerlijke markt kan ontstaan.

 
  
  

- Verslag: Fiona Hall (A6-0077/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag van mijn Britse collega Fiona Hall gestemd, die uitstekend werk geleverd heeft en, in eerste lezing van de medebeslissingsprocedure, het voorstel amendeert voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad inzake de selectie en machtiging van systemen die mobiele satellietdiensten (MSS) leveren. Als rapporteur voor mijn fractie, PPE-DE, heb ik mij ingezet voor een optimale geografische dekking van de diensten op het grondgebied van de EU. Het doet mij genoegen dat ik een bijdrage heb kunnen leveren aan het vereiste dat de aanvraag een toezegging van de indiener bevat dat het voorgestelde systeem vanaf het begin van de MSS op ten minste 60 procent van het geaggregeerde landoppervlak van de lidstaten diensten zal aanbieden. Bovendien moet de voorgestelde dienst in alle lidstaten aan ten minste 50 procent van de bevolking en op ten minste 60 procent van het geaggregeerde landoppervlak van elke lidstaat worden aangeboden vanaf het door de indiener aangegeven tijdstip, maar in geen geval later dan zeven jaar na de datum van bekendmaking van de tekst. Tot slot dienen de aanvragen een toezegging van de indiener te bevatten dat het MSS-systeem ter beschikking zal worden gesteld voor civiele bescherming en rampenbestrijding.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dit verslag bevat positieve punten waar wij blij mee zijn, zoals met name de voorstellen betreffende het belang dat MSS ook buiten de belangrijkste stedelijke gebieden in de lidstaten en op een zo hoog mogelijk niveau worden aangeboden, om de digitale kloof te dichten, en ook het argument dat de voorgestelde systemen vanaf het begin een voldoende groot gebied dienen te bestrijken, waardoor de dekkingscapaciteit van dergelijke systemen wordt vergroot.

We mogen echter niet over het hoofd zien in welke context deze voorstellen gedaan worden, te weten de liberalisering en ontwikkeling van de interne markt voor telecommunicatie. Daarom moesten wij tegen dit verslag stemmen.

Ook zijn wij het er niet mee eens dat lidstaten hun nationale rechten op spectrumtoewijzing moeten inleveren omdat mobiele satellietdiensten een grote satellietafdruk hebben die het moeilijk maakt interferentie over nationale grenzen heen te voorkómen. In het besluit van de Commissie van februari 2007 werd juist erkend dat lidstaten het recht dienden te behouden om machtigingen te verlenen voor de exploitatie van complementaire grondcomponenten op hun grondgebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. (SV) Het verslag over de selectie en machtiging van systemen die mobiele satellietdiensten leveren gaat over de vraag op welke manier we kunnen zorgen voor een gemeenschappelijk Europees systeem van satellietdiensten, wat een belangrijke factor is als het gaat om de versterking van de blijvende concurrentiekracht van Europa op het gebied van geavanceerd technologisch onderzoek in een dito sector. Het is een goed verslag dat zich concentreert op de vraag hoe dit werk verbeterd kan worden. Eén cruciale vraag betreffende de dekking van deze diensten roept vanuit een Zweeds gezichtspunt echter problemen op, te weten het compromis dat is gesloten over 60 procent van het grondgebied van de EU. Dat betekent dat delen van Zweden niet gedekt zullen worden, hetgeen negatief is uit het oogpunt van de ontwikkeling van technologie en onderzoek. Ik heb mij daarom onthouden van stemming.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) De goedkeuring van dit besluit vormt een belangrijke stap op weg naar de versterking van de interne markt voor elektronische communicatie.

De doelstelling is simpel: breedband internet toegankelijk maken voor iedereen, mobiele multimediadiensten aanbieden en diensten mogelijk maken op het gebied van civiele bescherming in geval van een natuurlijke of humanitaire ramp.

De middelen die hiervoor worden ingezet sluiten aan op de vraag van onze medeburgers, met name als het gaat om de toegang tot breedband internet: een dekking voor vijftig procent van de bevolking en van minimaal zestig procent van elke lidstaat is inderdaad een effectieve manier om de digitale kloof te overbruggen en het kan ook door plattelandsgebieden gebruikt worden.

Dit besluit is des te succesvoller omdat het een veel grotere harmonisatie, op Europese schaal, betekent van het beheer van het radiospectrum, dat – ik zeg dit wellicht ten overvloede – een steeds schaarser middel aan het worden is.

Dit is ook het resultaat van de wens van alle lidstaten om de telecommunicatiesector middelen ter beschikking te stellen om een dienstenmarkt op Europees niveau te bewerkstelligen, die tot dusverre nog veel te gefragmenteerd is.

Kortom: mobiele satellietdiensten (MSS) zullen een succes worden in industrieel opzicht en een verbetering betekenen van culturele verscheidenheid en pluralisme in de media.

 
  
  

- Verslag: Klaus-Heiner Lehne (A6-0101/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het initiatief-verslag van mijn Duitse collega Klaus-Heiner Lehne gestemd betreffende de vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat op het gebied van vennootschapsrecht, financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen, in reactie op de mededeling van de Commissie over dit onderwerp.

Ik verwelkom, net als mijn collega’s, de algemene doelstelling van de Commissie om de administratieve lasten voor ondernemingen in Europa te verminderen. Deze vermindering mag echter niet leiden tot onzekerheid op het gebied van vennootschapsrecht en financiële verslaglegging, nu er steeds meer kleine en middelgrote ondernemingen op de interne markt komen. Het verheugt mij dat het Parlement de suggestie uit de mededeling niet heeft overgenomen om de drempel te verhogen waaronder micro-ondernemingen gevrijwaard blijven van de verplichting in het gemeenschapsrecht tot financiële verslaglegging, controle van de jaarrekeningen en openbaarmaking. Het verheugt mij ook dat het Parlement vóór een amendement heeft gestemd dat ik in de commissie heb voorgesteld, maar dat in dat stadium niet is aangenomen. Hierin wordt aanbevolen dat er overleg gevoerd moet worden over de noodzaak en mogelijkheid om een Europese regelgevende instantie in het leven te roepen voor diensten op het gebied van financiële verslaglegging en controle van de jaarrekeningen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. − (IT) Voorzitter, dames en heren, ik heb vóór het verslag van Klaus-Heiner Lehne gestemd over een “vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat” omdat ik overtuigd was van de noodzaak van “nieuwe” hervormingen in het vennootschapsrecht, financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen. Het vennootschapsrecht staat nu onder een sterke, en naar mijn mening positieve, invloed van Europese regelgeving. We moeten er wel voor zorgen dat hier geen overbodige en overdreven bureaucratische eisen uit voortvloeien en overlapping zien te voorkomen met lasten die al onder nationale regelgevingen worden opgelegd.

Deze hervormingen dienen ertoe te leiden dat de regels die van toepassing zijn begrijpelijker worden en dat de bureaucratische en administratieve lasten worden verminderd, met name wat betreft de financiële verslaglegging. Vereenvoudiging zal zeer ten goede komen van ondernemingen, met name het midden- en kleinbedrijf, die over het algemeen geen grote juridische en financiële afdelingen hebben. Ik ben ervan overtuigd dat begrijpelijke regelgeving die eenvoudig toe te passen is er op de allereerste plaats toe zal leiden dat men de wet naleeft. Ook zullen heldere regels die makkelijk herkenbaar zijn een positief en actief economisch klimaat bevorderen.

Ik ben van mening dat het werk van de commissie én dat van de rapporteur, de heer Lehne, geresulteerd heeft in een redelijk compromis tussen de vereisten om te voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel en het bewerkstelligen van een harmonisatieproces voor lidstaten die in een gezamenlijke inspanning bezig zijn de regels voor ondernemingen op Europees niveau te vereenvoudigen.

We moeten bureaucratische obstakels zien te voorkomen, die dynamiek en ondernemerschap kunnen muilkorven tot de verstikking erop volgt.

 
  
MPphoto
 
 

  Sharon Bowles (ALDE), schriftelijk. − (EN) In verband met amendement 11, letter d dient paragraaf 26 geschrapt te worden. Paragraaf 26 kan op twee manieren worden geïnterpreteerd. Sommige mensen zijn bezorgd dat dit een pleidooi is voor “één stem per aandeel” en hebben om die reden voor het schrappen van die paragraaf gestemd . Dat is niet de interpretatie die ik eraan geef. De paragraaf verwijst expliciet naar “individuele hinderpalen voor het vrije verkeer van kapitaal” en verwijst naar een arrest dat specifiek van betrekking is op Volkswagen. Mijn interpretatie van de paragraaf is dat de Commissie wordt uitgenodigd iets te doen aan specifieke, extreem protectionistische maatregelen. Om die reden heb ik tegen het amendement gestemd en vóór behoud van de paragraaf, als een standpunt tegen protectionisme.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylwester Chruszcz (NI), schriftelijk. (PL) Ik ben vóór de vereenvoudiging van de procedures voor verslaglegging en van de communicatiemethoden tussen overheid en ondernemers. De huidige bureaucratische procedures die aan ondernemers worden opgelegd zijn onnodig complex. Dit verslag beoogt de communicatie te verbeteren en doet de aanbeveling de XBRL-standaard in te voeren. Dat is een open standaard, hetgeen betekent dat deze makkelijk toegankelijk is, ook voor de allerkleinste ondernemingen.

Ik heb daarom besloten dit verslag te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonathan Evans (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Mijn Britse Conservatieve collega’s en ik willen duidelijk stellen dat we sterk tegen paragraaf 23 van dit verslag zijn, dat de vaststelling bepleit van een “gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting” (CCCTB) in de EU.

We hebben onze visie daarop echter bij vele gelegenheden duidelijk gemaakt en de balans van de rest van het verslag, zijnde het bevorderen van de vereenvoudiging van de regelgeving voor ondernemingen, heeft onze steun, met inachtneming van deze verklaring.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Het verslag beoogt in zijn algemeenheid de wetgeving van de Gemeenschap te vereenvoudigen en te reduceren, op grond van de aanname dat dit met name ten goede zal komen van kleine en middelgrote ondernemingen. Het is waar dat deze vereenvoudiging enkele positieve aspecten kan hebben en normaal gesproken ondersteunen wij de vereenvoudiging van regelgeving voor bedrijven, mits dit resulteert in het terugdringen van de bureaucratie. We kunnen echter niet vóór een verslag stemmen dat enerzijds vereenvoudiging nastreeft en anderzijds ervoor pleit nieuwe rechtskaders voor ondernemingen binnen de Gemeenschap in het leven te roepen.

De volgende voorstellen van het verslag hebben ons ertoe gebracht ons van stemming te onthouden, vanwege het twijfelachtige en negatieve karakter ervan: wetgeving betreffende mogelijke coördinatie tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten teneinde de aan bedrijven gerichte verzoeken om informatieverzoeken te harmoniseren; wijziging van het statuut van de Europese Vennootschap in die zin dat een meer geharmoniseerde Gemeenschapsrechtsvorm ontstaat; in het leven roepen van nieuwe rechtskaders voor ondernemingen, en de vaststelling van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, oordelende dat het statuut van de Europese vennootschap daardoor bruikbaarder en effectiever kan worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE), schriftelijk. – (PL) De mededeling van de Commissie over een vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat op het gebied van vennootschapsrecht, financiële verslaglegging en controle van de jaarrekeningen formuleert maatregelen om de administratieve lasten voor ondernemingen in Europa te verminderen en te zorgen dat ze beter kunnen concurreren op mondiaal niveau. Lidstaten maken niet alleen onvoldoende gebruik van de maatregelen die mogelijk zijn om de bureaucratie terug te dringen, maar ook gaan ze vaak in tegen de concessies van de Gemeenschap door striktere nationale bepalingen aan te houden. Daardoor ontnemen ze lokale ondernemingen de mogelijkheid om hun procedures te vereenvoudigen conform de wetgeving van de Unie.

De Commissie zou zich er dan ook op moeten concentreren de lidstaten te stimuleren de vereisten voor financiële verslaggeving te harmoniseren. Ze zou er ook bij de lidstaten op moeten aandringen nieuwe technologie in te voeren om de kosten terug te dringen. Daarnaast zou het vaststellen van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting het statuut van de Europese vennootschap bruikbaarder en effectiever maken. Het voorstel om zogeheten micro-ondernemingen te vrijwaren van de toepassing van de richtlijnen voor de financiële verslaglegging moet worden toegejuicht. In de praktijk zou dit betekenen dat ze worden gevrijwaard van de plicht een boekhouding bij te houden, een financieel jaarverslag in te sturen en de verslagen te publiceren die onder de Europese wetgeving verplicht zijn.

De voorgestelde veranderingen zijn zeker positief te noemen. Echter, een verdere vereenvoudiging van het acquis van de Unie op het gebied van het vennootschapsrecht en de effectieve implementatie daarvan in de lidstaten lijkt ons van essentieel belang om Europese ondernemingen succesvol te laten concurreren op een wereldmarkt waar de concurrentie steeds zwaarder wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik heb het verslag van de heer Lehne over vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat voor bedrijven ondersteund. De EU heeft een belangrijke rol te vervullen als het erom gaat ondernemingen in staat te stellen te opereren in een omgeving waar de concurrentie zwaar is. Vaak zien ondernemingen en lidstaten zich echter geconfronteerd met te complexe regelgeving. Ieder initiatief om het ondernemingsklimaat te vereenvoudigen dient dan ook toegejuicht te worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Maria Iacob-Ridzi (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb vóór dit verslag gestemd, maar ik ben van mening dat we een nog omvangrijker pakket maatregelen nodig hebben om het ondernemingsklimaat in Europa te vereenvoudigen.

Ik heb het met name over de problemen van startende ondernemingen. Cijfers van Eurostat wijzen uit dat de periode om de benodigde administratieve formaliteiten af te handelen om een onderneming te starten in de lidstaten van de EU uiteenloopt van een dag tot meerdere maanden. Sommige lidstaten zitten zelfs ver onder het wereldwijde gemiddelde van de OESO als het gaat om het gemak waarmee in de verschillende landen zaken kunnen worden gedaan. En niet in de allerlaatste plaats verhinderen de verschillende regelgevingen van de 27 lidstaten op het gebied van vennootschapsrecht het vrije verkeer van kapitaal tussen de landen en het opstarten van nieuwe ondernemingen in een andere lidstaat dan het land van herkomst.

Ik ben van mening dat deze twee elementen van essentieel belang zijn voor het behalen van de economische groeidoelstelling van de Lissabonstrategie en dat deze derhalve meer gestimuleerd zouden moeten worden door het Europese vennootschapsrecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Voorzitter, de Europese Unie wordt niet echt ervaren als een gebied waar de bepalingen voor de bedrijfsvoering erg duidelijk zijn, als het gaat om gebruiksvriendelijkheid. Het algemene gevoelen is zelfs dat dit gebied vergeleken met de rest van de wereld sterk overgereguleerd is, wat met name voor kleine ondernemingen problemen oplevert. Elke stap in de richting van vereenvoudiging van de bepalingen, zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie van 10 juli 2007, dient dan ook te worden toegejuicht. Het belangrijkste en meest wenselijke effect van vereenvoudiging zou moeten zijn dat kleine ondernemingen gestimuleerd worden om op de gemeenschappelijke Europese markt te opereren. Tot op heden is dat nog niet het geval voor nieuwe ondernemingen in Centraal- en Oost-Europa.

Om dat doel te bereiken moeten nationale bepalingen geharmoniseerd worden en moeten overbodige bepalingen worden ingetrokken, naast de twee opties die de Commissie voorstelt. Daarvoor is echter geen harmonisatie van de belastingen nodig, zoals wordt voorgesteld in paragraaf 23 van het verslag van de heer Lehne, de zogenaamde light-versie van de geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. De rapporteur geeft de voorkeur aan de tweede optie die de Commissie voorstelt, die minder vergaand is. Tegen de achtergrond van de huidige neiging van de Europese Unie tot reguleren zou dit echter een ommekeer betekenen in de ongunstige trend die de kansen van Europese bedrijven om op de wereldmarkt te concurreren zonder meer verkleint.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. (NL) In de mededeling van de Commissie komen fundamentele vragen aan de orde, die het Europees beleid inzake vennootschaps -en boekhoudrecht zullen bepalen. In het verslag-Lehne worden hierop goede antwoorden geformuleerd die ook mijn goedkeuring wegdragen. Er is echter één problematisch punt, namelijk daar waar de Commissie de introductie van een categorie van “micro-entiteiten” voorstelt. Het betreft kleinere ondernemingen onder een bepaalde drempel die zouden worden vrijgesteld van de Europese verplichtingen inzake financiële verslaggeving en de jaarrekening. Het verslag-Lehne steunt deze aanpak en stelt zelfs voor de drempels te verhogen. In België zouden hierdoor 75 procent van de ondernemingen ontslagen worden van de bestaande transparantieverplichtingen. De afschaffing van het boekhoudsysteem voor kleine ondernemingen lijkt op het eerste zicht een grote administratieve vereenvoudiging maar zal, gelet op het belang van de financiële informatie voor alle belanghebbenden (kredietverstrekkers bijvoorbeeld), de deur openzetten voor een grotere administratieve rompslomp en hogere kosten. Door het ontbreken van een algemeen aanvaarde financiële verslaggeving zullen bedrijven gevraagd worden de gegevens, à la carte, op diverse wijze ter beschikking te stellen. Bovendien ontzeggen ze zichzelf een nuttig instrument van interne bedrijfsopvolging, hetgeen zeker voor een KMO belangrijk is. Ik heb me daarom onthouden van de eindstemming.

 
  
  

- Verslag: Britta Thomsen (A6-0165/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. – (PL) Voorzitter, het hoger onderwijs is voor iedereen toegankelijker geworden en steeds meer vrouwen behalen een universitaire graad. Desondanks zijn vrouwen nog steeds slecht vertegenwoordigd op de hoogste academische niveau’s. Hoewel de meerderheid van de universitaire docenten vrouw is (ruim vijftig procent) bekleden nog weinig vrouwen functies op het hoogste universitair niveau.

Ik ben vóór het idee om maatregelen te stimuleren die rekening houden met de gezinsfactor, zoals het introduceren van flexibele werktijden en betere kinderopvang. Ik steun ook de optie van grensoverschrijdende toegang tot sociale verzekeringen en het invoeren van ouderschapsbepalingen die mannen en vrouwen een vrije keuze bieden. De loopbaanonderbrekingen van vrouwelijke wetenschappers vanwege familieomstandigheden mag geen negatief effect hebben op hun carrière, zodat mannen een onevenredige voorsprong hebben op vrouwen als het gaat om carrièrekansen.

Ik heb het verslag van mevrouw Thomsen ondersteund omdat ik van mening ben dat het terecht kwesties van genderstereotypen aan de orde stelt. Deze bestaan in de lidstaten van de EU nog steeds.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. − (PT) Ik heb vóór het verslag van Britta Thomsen over vrouwen en wetenschap gestemd omdat ik het van essentieel belang vind dat mannen en vrouwen bij wetenschappelijke loopbanen gelijke kansen hebben. Factoren zoals stereotypes binnen de natuurwetenschappen en obstakels die samenhangen met de combinatie van werk en gezin leiden tot slechtere kansen en tot problemen voor vrouwelijke wetenschappers en onderzoekers, waardoor veel vrouwen worden uitgesloten van wetenschappelijk onderzoeksposten.

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen als het gaat om leidinggevende academische en wetenschappelijke functies, salarissen en de eisen van het privé-leven roept om maatregelen om deze genderstereotypen in de wetenschap tegen te gaan, een wetenschappelijke carrière aantrekkelijker te maken voor vrouwen en de bestaande ongelijkheid op te heffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) We weten dat er meer vrouwen dan mannen in het hoger onderwijs zijn en toch zijn er nog steeds meer mannen dan vrouwen die een onderzoekscarrière kiezen. De enorme toename van het aantal vrouwen in het hoger onderwijs heeft niet geleid tot een evenredige verschuiving in de verhouding tussen het aantal vrouwen en mannen in specifieke opleidingen of beroepen, noch heeft dat het genderspecifieke salarisverschil opgelost.

Zoals de rapporteur aangeeft vormen vrouwelijke onderzoekers nog steeds een minderheid bij de overheid en het hoger onderwijs: in de EU is binnen beide sectoren 35 procent een vrouw. In alle landen is het aantal vrouwelijke onderzoekers binnen deze twee sectoren echter hoger dan binnen het bedrijfsleven (waar vrouwen over de hele EU gemiddeld 18 procent van het totaal uitmaken), maar er zijn grote verschillen tussen de landen. De landen met het laagste percentage vrouwen in onderzoeksposities in het bedrijfsleven zijn Duitsland (11,8 procent), Oostenrijk (10,4 procent) en Nederland (8,7 procent), terwijl dit in Litouwen, Bulgarije en Roemenië overal meer dan 40 procent is. De verdeling van onderzoekers naar wetenschappelijke hoofdgebieden vertoont een ander patroon voor mannen dan voor vrouwen. Onder de mannelijke onderzoekers in het hoger onderwijs werkt 54 procent in de natuurwetenschappen en techniek, vergeleken met 37 procent van de vrouwelijke onderzoekers.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Het is, zoals de rapporteur stelt, van essentieel belang wetenschappelijke functies beter toegankelijk te maken voor vrouwen. De wijze waarop we in elk land dat resultaat kunnen bereiken is anderzijds iets dat afhangt van de cultuur van het betreffende land en andere specifieke kenmerken. Het probleem heeft in elk van de 27 lidstaten van de EU een ander karakter en daarom moet er ook naar verschillende oplossingen worden gezocht. Er kan niet gegeneraliseerd worden over de positie van vrouwen in alle 27 lidstaten. Junilistan is van mening dat de weg naar gelijkheid in de praktijk op nationaal niveau moet worden uitgezet.

Daarom hebben wij besloten tegen het verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE), schriftelijk. – (PL) Als vrouwelijke professor met vele jaren werkervaring aan een Poolse universiteit ben ik zeer bekend met de problemen die hierbij komen kijken en daarom sta ik achter het verslag van mevrouw Thomsen. De manier waarop het verslag het probleem van genderdiscriminatie in de wetenschappelijke wereld benadert is interessant: het wijst de sociale, culturele en financiële obstakels aan die ertoe bijdragen dat vrouwen ondervertegenwoordigd blijven.

We zijn in de overheidssector en het hoger onderwijs niet met veel vrouwen vertegenwoordigd – slechts 35 procent – en slechts 18 procent in de particuliere sector. Hoe moeten we, zonder vrouwen bij de wetenschap te betrekken, een kennismaatschappij opbouwen, de Europese wetenschap en economie ontwikkelen, de doelstellingen van de Lissabonstrategie halen en de verwachtingen van Europa op de drempel van de 21ste eeuw waarmaken? We moeten de voorwaarden creëren waaronder vrouwen in grotere mate deel gaan uitmaken van de wetenschappelijke wereld en de deuren van de universitaire laboratoria voor hen opengaan. Het moet voor vrouwen ook mogelijk worden te kiezen voor de hoogste academische functies. Promotie is in de wetenschappelijke wereld afhankelijk van academische prestaties en de kans voor vrouwen om een leerstoel te krijgen is drie keer zo klein als die van mannen. Dat valt te betreuren en het kan niet uitsluitend verklaard worden door het gegeven dat vrouwen meer door hun gezinstaken in beslag worden genomen.

Er zijn maar weinig vrouwen die lid zijn van een van de besluitvormende organen van het Europees hoger onderwijs en daardoor is het moeilijk beleid voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen in deze instellingen in te voeren. We hoeven alleen maar te kijken naar het beschamende voorbeeld van de Wetenschappelijke Raad van de Europese Onderzoeksraad. Slechts vijf van de tweeëntwintig leden zijn vrouwen!

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. − (PL) De deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt neemt in de hele Europese Unie systematisch toe. Polen vormt daarop geen uitzondering, hoewel de deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt in Polen onder het gemiddelde van de Unie blijft. Ik wil echter benadrukken dat er meer Poolse vrouwen zijn die hogere functies bekleden dan in andere West-Europese landen het geval is.

Ik ben van mening dat een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen een belangrijke kwestie is. In dat opzicht is het belangrijk te kijken naar de positie van vrouwelijke wetenschappers, aangezien deze overeenkomsten vertoont met de situatie van alle vrouwen die werk en gezin moeten combineren.

Ik ben echter niet van mening dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt gestimuleerd moet worden door gelijkheid af te dwingen. Het aannamebeleid dient boven alles gebaseerd te zijn op kwalificaties en competenties die vrouwen door de juiste opleiding verkregen hebben. Het voorstel om de wervingsprocedures, procedures voor leidinggevende posities en de toekenning van beurzen voor wetenschappelijk onderzoek transparanter te maken lijkt echter wel een goed middel. Deze veranderingen dienen echter gepaard te gaan met een hervorming van de arbeidsmarkt.

De wetenschap in de Europese Unie heeft steun nodig. Wetenschappelijke en technische opleidingen moeten voor beide geslachten aantrekkelijk gemaakt worden vanwege het belang van de wetenschap voor de economische ontwikkeling. We moeten daarom jonge mensen stimuleren dit soort hoger onderwijs te gaan volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. − (DE) Ik heb vóór het verslag van Britta Thomsen over vrouwen en wetenschap gestemd omdat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in de wetenschappelijke wereld. Het verslag beschrijft belangrijke stappen die genomen moeten worden om tot een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen in de academische wereld te komen.

Het stimuleren van de academische loopbaan van vrouwen speelt daar een belangrijke rol in. Er wordt een groot belang gehecht aan het opheffen van genderstereotypes. De huidige tendens om mannelijke en vrouwelijke kenmerken toe te dichten aan bepaalde vakgebieden werkt een eerlijke verdeling tussen de seksen tegen.

Nieuwe programma’s en wervingsprocedures kunnen ervoor zorgen dat de vaardigheden en kwalificaties van de kandidaat de doorslag geeft en niet het geslacht. Hetzelfde moet gelden voor promotiekansen en salarisschalen. Een niet-bindende doelstelling van ten minste 40 procent vrouwen en ten minste 40 procent mannen in selectiecommissies is één van de manieren om de ongelijkheid tussen de seksen binnen academische functies op te heffen, maar de vaardigheden en kwalificaties van de kandidaat moeten altijd de doorslag geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (PSE), schriftelijk. − (RO) Ik heb vóór het verslag over de positie van vrouwen in de wetenschap gestemd, dat ik van vitaal belang acht voor het behalen van de doelstellingen van de Lissabonstrategie op het gebied van groei en werkgelegenheid.

In de nieuwe lidstaten van de EU is het aantal vrouwelijke onderzoekers ongeveer 40 procent, terwijl dit in de Westerse landen ongeveer 11 procent is, maar helaas zijn de meeste van hen werkzaam in vakgebieden waar het minste geld beschikbaar is voor onderzoek en ontwikkeling.

Ik wil graag de aandacht vestigen op het belang van het artikel betreffende de integratie van de gezinsfactor via mogelijkheden voor flexibele werktijden en betere kinderopvang, om de combinatie van een gezin en een wetenschappelijke carrière mogelijk te maken.

Ik ben van mening dat als de bepalingen uit dit verslag snel worden geïmplementeerd dit er sterk aan zal bijdragen dat in 2010 25 procent van de vrouwen die werkzaam zijn in het wetenschappelijk onderzoek een leidinggevende positie zal bezetten. Ik wil mevrouw Britta Thomsen complimenteren met haar verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (PSE), schriftelijk. − (ES) Omdat ik vanwege gezondheidsredenen niet kon deelnemen aan het debat wil ik hierbij mijn steun aan het verslag toelichten. Het is een uitstekend en veelomvattend verslag waarin alle belangrijke kwesties aan bod komen ten aanzien van een evenwichtigere vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de wetenschap en de technologie.

Het verslag komt ook op een goed moment, omdat als de EU 700 000 onderzoekers méér nodig heeft om haar doelstellingen voor 2010 te halen dit voor de Commissie en de lidstaten het juiste moment is om de specifieke maatregelen uit dit verslag te implementeren om deze scheve verhouding te corrigeren.

Mannen en vrouwen beschikken over dezelfde kwalificaties en ervaring. Er zijn momenteel zelfs meer mannen dan vrouwen aan de universiteit en vrouwen behalen betere resultaten. Objectieve gegevens wijzen dit uit.

Bovendien zouden regeringen de aanwezigheid van meer vrouwen in de wetenschap en de technologie moeten stimuleren, omdat het niet intelligent of efficiënt is om slechts de helft van de hersenen te gebruiken.

Het verheugt mij dat het Parlement eindelijk een diepgaand onderzoek naar deze kwestie heeft geïnitieerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (NI), schriftelijk. – (FR) De inhoud van dit verslag wordt gekenmerkt, in een paar harde woorden, door halve waarheden, foute informatie en seksistische opmerkingen die met name mannen stigmatiseren.

Gelijkheid tussen mannen en vrouwen en betere integratie van vrouwen in hun carrière kunnen niet op een autoritaire en repressieve manier worden bewerkstelligd. Dit kan alleen maar leiden tot negatieve en contraproductieve resultaten.

Het is zonder meer waar dat vrouwen een achterstand hebben, dat er sprake is van salarisverschillen en slechtere carrièrekansen, met name op het gebied van wetenschap en onderzoek.

Maar nogmaals: uitsluitend door dialoog, implementatie van niet-restrictieve maatregelen om meisjes te stimuleren een wetenschappelijke studie te volgen en actieve steun voor vrouwen tijdens hun hele carrière zullen zij uiteindelijk vooruit komen in de maatschappij.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. − (SV) Britta Thomsens verslag laat zien dat vrouwelijke onderzoekers in de EU in de minderheid zijn. Ze hebben minder financiële zekerheden en slechtere carrièrekansen en ze worden in toenemende mate gestraft voor hun gezinstaken. Dit is ernstig, zowel om principiële redenen als wat betreft de praktische consequenties. Moderne economieën – en democratieën – kunnen het zich niet veroorloven mensen met uitstekende academische kwaliteiten een ongelijke behandeling te geven. Daarom heb ik voor het verslag gestemd.

Ik wil er echter op wijzen dat delen van het verslag niet in stemming gebracht zijn en ik zie de redelijkheid daarvan niet helemaal in. In paragraaf 7 wordt gevraagd rekening te houden met leeftijd als argument voor excellentie, samen met de gezinssituatie, inclusie het aantal personen dat ten laste van de onderzoeker komt. Ik denk dat dit praktisch moeilijk uitvoerbaar is en zelfs contraproductief kan werken. Er is altijd een risico verbonden aan het simplificeren van genderrollen en spreken over “kwaliteiten die vaak duidelijker aanwezig zijn bij vrouwelijke onderzoekers” of het creëren van absolute normen om de prestaties van onderzoekers aan af te meten.

Van de andere kant onderschrijf ik van ganser harte de aanbeveling om niet-bindende doelstellingen in te voeren, die bepalen dat in alle soorten wetenschappelijke commissies beide geslachten met ten minste 40 procent vertegenwoordigd zijn. Ik onderschrijf ook de kritiek dat de EU soms tekortschiet op het gebied van gelijke behandeling. Aanwezigheidsbeleid moet niet onderschat worden, hoewel het ook geen religie moet worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernard Wojciechowski (IND/DEM), schriftelijk. – (PL) De bijdrage van vrouwen aan de ontwikkeling van de wetenschap is enorm. De Poolse winnares van de Nobelprijs voor natuur- en scheikunde, Marie Skłodowska-Curie, is daar een goed voorbeeld van. Straten, ziekenhuizen en een universiteit zijn naar deze beroemde wetenschapper genoemd.

Vrouwen die voor een wetenschappelijke carrière kiezen zien zich voor een grotere uitdaging gesteld dan mannen. Dit komt deels door hun rol bij het baren en opvoeden van kinderen. Vrouwelijke wetenschappers moeten daarom gesteund worden door de ontwikkeling van goede regelingen voor zwangerschapsverlof en door middel van speciale beurzen voor vrouwen die hun kinderen opvoeden terwijl ze een wetenschappelijke loopbaan nastreven.

In tegenspraak met dat wat wordt gepropageerd in de ontwerp-resolutie die ons vandaag wordt voorgelegd is het echter niet gewenst percentages af te dwingen voor het aandeel vrouwen in een wetenschappelijke staf of in allerlei commissies, om gelijke behandeling te garanderen. Besluiten over banen en carrières in de wetenschap moeten niet gemaakt worden op basis van geslacht. Die moeten gemaakt worden op basis van de keuze, vaardigheden en kennis van de betreffende persoon.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. − (SK) Ik wil mevrouw Thomsen bedanken voor haar verslag waarin gewezen wordt op een zekere discriminatie tegen vrouwen in de wetenschap en het onderzoek. Hoewel meer dan 50 procent van de studenten in de EU vrouw is, bezetten zij slechts 15 procent van de hogere academische functies in wetenschap en onderzoek.

Een universitaire studie leidt zelden tot een resultaat dat in verhouding staat tot de hoeveelheid tijd en geld die erin geïnvesteerd is. Na vele jaren studie offeren vrouwen vaak hun privé-leven en hun loopbaan op of moeten ze deze zien te combineren. Het zou in het belang van de maatschappij moeten zijn om burgers met een groot intellectueel potentieel te ondersteunen en met hen samen te werken en te zorgen dat dit potentieel zijn weerslag heeft op het culturele, geestelijke en wetenschappelijke erfgoed van het land. Met name het moederschap is van invloed op de carrièrekansen van vrouwen. Vrouwen worden daar paradoxaal genoeg voor gestraft, als het gaat om hun kansen bij het verwerven van topfuncties, hun professionele ontwikkeling en adequate betaling en ze worden niet naar behoren gecompenseerd voor de sociale investering van het baren en grootbrengen van kinderen die morgen verantwoordelijk zullen zijn.

Ik denk dat dit moet worden opgelost door een hervorming op het gebied van de studievoorwaarden van jonge vrouwen, studeren op afstand, thuiswerken en levenslang leren, en door mannen te stimuleren vrouwen te ondersteunen die wetenschapper willen worden. De staat is er ook verantwoordelijkheid voor dat vrouwen die wetenschappelijk werk doen gesteund worden: die dient hen te steunen tijdens hun studie, te zorgen dat werk en gezin te combineren is en dat vrouwen gepast beloond worden voor hun werk, sociale uitkeringen te verstrekken en, op een zo natuurlijk mogelijke manier, kinderopvang te regelen.

 
  
  

- Verslag: Johannes Blokland (A6-0156/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) De ontmanteling van schepen heeft nog steeds grote sociale en ecologische consequenties, zowel vanwege de wijze waarop het gedaan wordt, die schadelijk kan zijn voor het milieu, als vanwege het feit dat het aantal schepen in aanbouw al jaren toeneemt. Dit onderstreept het voortdurende belang van innovatie en ontwikkeling in de scheepsbouwindustrie in de lidstaten, om betere schepen te bouwen die het milieu minder schade opleveren.

De IMO (Internationale Maritieme Organisatie) werkt sinds 2005 samen met de ILO (Internationale Arbeidsorganisatie, IAO) en het UNEP (United Nations Environment Programme, het milieuprogramma van de Verenigde Naties) aan bindende internationale regels voor de schone ontmanteling van schepen. Er wordt nu onderhandeld over een ontwerpverdrag, dat tegen 2009 aangenomen zou moeten worden, maar vervolgens pas enkele jaren daarna in werking zal treden.

Volgens het huidige ontwerp zal het verdrag niet van toepassing zijn op oorlogsschepen of andere schepen die eigendom zijn van de staat. Over normen buiten het kader van de IMO, basisnormen voor scheepsrecyclingbedrijven, rapportageverplichtingen (waaronder kennisgeving tussen landen) en handhavingsinstrumenten is nog geen overeenstemming bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Ik ben blij met het Bloklandverslag over het Groenboek betreffende ontmanteling van schepen. Scheepsontmanteling is een gevaarlijke activiteit met hoge kosten in termen van mensenlevens en het milieu. Het is onacceptabel als de EU oogluikend toelaat dat schepen naar ontwikkelingslanden worden geëxporteerd om daar ontmanteld te worden. Deze schepen zijn in feite gevaarlijk afval en het is van essentieel belang dat de EU deze export tegenhoudt. Ik ben blij met de steun van dit Huis voor de amendementen van mijn eigen fractie die onderstrepen dat het zeer urgent is hierop actie te ondernemen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Het verslag van Johannes Blokland over het Groenboek betreffende een betere ontmanteling van schepen pleit voor een duurzame ontmanteling van schepen, zowel in ecologisch als in sociaal opzicht. Het verslag wil de problemen aanpakken die zich in die sector voordoen, met name de enorme gezondheids- en veiligheidsrisico’s voor de mensen die op de scheepswerven van Bagladesh en India werken. Daarom heb ik voor de aanbevelingen in dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) De zorg die in Europa leeft over het milieu en de arbeidsomstandigheden in derde wereldlanden verdient ten principale onze steun. De export van erbarmelijke leefomstandigheden, op het gebied van milieu, arbeid of wat dan ook, mag nooit deel uitmaken van onze visie op wereldhandel en uitwisseling. Het is echter van vitaal belang dat we zo’n absoluut en modern standpunt niet verdedigen door ons zó op één onderdeel te concentreren dat we het grote geheel uit het oog verliezen.

Wij zijn er niet vóór dat er tot drastische maatregelen wordt besloten die bedoeld zijn om praktijken tegen te gaan van feitelijke sociale en ecologische dumping, maar die tegelijkertijd een economische sector in een derde wereldland zouden vernietigen, wat nog grotere ellende zou betekenen voor een extreem kwestbaar deel van de bevolking. Geleidelijke hervormingen en het doorvoeren van oplossingen-op-maat die de ontwikkeling stimuleren zijn een effectievere en wenselijkere oplossing. We kunnen armoede en mensonwaardige omstandigheden niet bestrijden als we als alternatief armoede en mensonwaardige omstandigheden te bieden hebben.

 
  
  

- Verslag: Karl-Heinz Florenz (A6-0136/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE) , schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het interim-verslag gestemd van mijn Duitse collega Karl-Heinz Florenz over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering, zoals voorbereid door de tijdelijke commissie van het Parlement.

Wereldwijd bestaat er een brede wetenschappelijke consensus over de oorzaken van klimaatverandering. Wetenschappelijk is aangetoond dat op alle continenten en in de meeste oceanen vele natuurlijke systemen al zijn aangetast door de regionale klimaatveranderingen die het gevolg zijn van historische koolstofemissies uit de geïndustrialiseerde landen. Ook is wetenschappelijk aangetoond dat de opwarming van de aarde hoofdzakelijk veroorzaakt wordt door menselijk handelen.

Ik ben blij dat het verslag benadrukt dat de consequenties van klimaatverandering, zoals de gevolgen voor de economische concurrentiepositie, de energiekosten en de maatschappelijke ontwikkeling in Europa, de rol van het bodemgebruik, bossen en ontbossing, de rol van het mariene milieu en de berekening van de externe klimaatkosten van de industriële sector, en niet in de laatste plaats van de transportsector, met inbegrip van de kwantificering van de effecten van luchtvaartvervuiling, verder moeten worden geanalyseerd en onderzocht.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. − (IT) Uit de laatste intergouvernementele conferentie over klimaatverandering en de verschillende conferenties in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) is naar voren gekomen dat door de mens veroorzaakte broeikasgassen de oorzaak zijn van de klimaatverandering en dat de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging beperkt moet worden tot niet meer dan 2°C boven het niveau van vóór de industrialisering.

Ik ben het dan ook met de Tijdelijke Commissie klimaatverandering eens dat er dringend omvangrijk onderzoek moet worden gedaan naar de gevolgen van de klimaatverandering, waarbij verschijnselen zoals de ontbossing, het smelten van de ijskappen, veranderingen in het mariene ecosysteem, grote verstoringen van de atmosfeer van de aarde, enzovoorts, gevolgd moeten worden. De meest recente rapporten van het Europees Milieuagentschap laten zien dat er meer gedaan moet worden om de doelstellingen van Kyoto en andere verminderingsdoelstellingen, zoals vastgesteld door de EU-Raad in maart 2007, te halen.

In het licht van het energie- en klimaatpakket in de mededeling over “Limiting Global Climate Change to 2 degrees Celsius” (De klimaatverandering wereldwijd beperken tot 2 graden Celsius) ben ik echter van mening dat er verdere maatregelen getroffen kunnen worden om de “energie-efficiëntie” te verbeteren, wat zou leiden tot aanzienlijke verminderingen van de uitstoot van broeikasgassen. Hierin moet een systeem worden inbegrepen van verklaringen over de voetafdruk van broeikasgassen op consumptiegoederen. Ik ben van mening dat mensen, Europese burgers en de bevolking van de derde wereld, hier meer bij betrokken moeten worden, in de zin van meer bewustzijn en een actieve betrokkenheid bij de strijd tegen de klimaatverandering, door middel van kleine stappen om energie te besparen.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Caspary (PPE-DE), schriftelijk. − (DE) Klimaatverandering is een ernstige zaak en stelt de mensheid voor een enorme uitdaging. Het is echter volslagen onduidelijk in welke mate dit het resultaat is van menselijk handelen. De meest recente wetenschappelijke gegevens zijn absoluut geen harde vaststaande feiten en veranderen nog steeds. Ze spreken niet het laatste woord hierover. Het verslag verwijst bovendien naar enkele feiten die onjuist zijn.

Aannamen en valse beweringen kunnen echter niet als uitgangspunt dienen voor het ontwikkelen van rationele, effectieve, betaalbare en sociaal acceptabele maatregelen. Daarom heb ik tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. − (SV) We hebben vandaag vóór het interim-verslag over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering gestemd. Om de best mogelijke resultaten te behalen bij het aangaan van de politieke uitdagingen van klimaatverandering is standvastigheid en doorzettingsvermogen nodig. In dat licht willen we het belang benadrukken van ongebonden onderzoek en onderstrepen dat kritiek en zaken ter discussie stellen absolute vereisten zijn voor de ontwikkeling van alle wetenschappelijk onderzoek. Als deze mogelijkheid beperkt wordt is dat niet alleen gevaarlijk voor de wetenschap maar wordt ook elk individu beperkt in zijn of haar vrijheid om zijn of haar visie te geven.

Armoede is de grootste vervuiler en de ambitie om de klimaatverandering tegen te gaan is niet in strijd met groei en modernisering. Voor de vooruitgang en bloei van arme landen, en daarmee voor de ontwikkeling van middelen en mogelijkheden om in moderne schonere technologie te investeren, is het van essentieel belang dat ze hun goederen vrij kunnen verhandelen. Tegen deze achtergrond zijn kooldioxide-tarieven en dergelijke op importen een slechte oplossing die de kans loopt averechts uit te pakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. − (PT) Ik heb vóór het interim-verslag over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering (bevindingen en aanbevelingen voor de besluitvorming) gestemd, omdat ik van mening ben dat de brede wetenschappelijke consensus over de onderliggende menselijke oorzaken van de klimaatverandering met urgentie vraagt om meer actie vanuit de politiek, met de nadruk op de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en een nieuwe internationale overeenkomst inzake klimaatverandering.

Als steeds meer wetenschappelijk inzichten in het fenomeen van klimaatverandering ontwikkeld worden en deze inzichten verspreid worden zullen mensen zich er steeds meer van bewust worden dat ze hun leefgewoonten moeten veranderen en zullen ze meer verantwoordelijkheid nemen voor het besluitvormingsproces, dat op basis van betere informatie effectiever zal zijn. Onderzoek naar de economische en sociale gevolgen van de klimaatverandering moet hoge prioriteit krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Hoewel dit verslag met enkele juiste uitspraken over de huidige situatie begint, is dit weer zo’n verslag dat weinig of geen voortgang boekt als het om oplossingen gaat. Het geeft geen duidelijke aanbevelingen over de maatregelen die nodig zijn en beperkt zich tot een lijst van vage voorstellen en verklaringen. Het lijkt er meer op gericht te zijn de start van nieuwe bedrijven mogelijk te maken die steeds grotere winsten willen maken uit activiteiten op het gebied van het milieu en energie, ten koste van de klimaatverandering.

Ik wil daarom zeggen dat het goed zou zijn als dezelfde inspanning en volharding aan de dag gelegd zouden worden met betrekking tot andere grote problemen in de wereld die vrijwel genegeerd worden of beperkt worden tot een lijst van chronische zorgpunten: het uitbannen van geneeslijke ziekten, de bescherming van de bodem en ecosystemen, de uitputting van natuurlijke hulpbronnen, met name koolwaterstoffen, enzovoorts.

Concluderend beschouwt de rapporteur de wetenschappelijke grondslag van klimaatverandering als een uitgemaakte zaak en beveelt hij aan dat de Tijdelijke Commissie van het Europees Parlement haar werkzaamheden voortzet en na afloop van haar mandaat een verslag indient bij het Parlement waarin op passende wijze aanbevelingen worden gedaan voor acties of initiatieven die moeten worden ondernomen in het kader van het toekomstige geïntegreerde beleid inzake klimaatverandering van de EU. We zullen dit toekomstige verslag afwachten.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) De wetenschappelijke feiten in dit verslag zijn tijdens vergaderingen van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering uitgebreid besproken met experts van over de hele wereld en moeten daarom niet licht genomen worden.

Ik ben net als het Florenz-verslag blij met het vierde verslag van het IPCC (Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering), wat het meest uitgebreide onderzoek naar klimaatverandering is. Ik ben het ermee eens dat het absoluut van essentieel belang is de gemiddelde temperatuur wereldwijd niet verder te laten stijgen dan met 2ºC, om de meest rampzalige scenario’s te voorkómen. Het lijkt erop dat de ambitieuze doelstellingen van de EU ten aanzien van de vermindering van de uitstoot van broeikassen gehandhaafd moeten worden.

Dit is het meest geloofwaardige overzicht van de momenteel beschikbare informatie, waarin de steeds weer terugkerende opvattingen van bepaalde geïsoleerde extremisten, die ter discussie blijven stellen of menselijk handelen wel echt de oorzaak is van de opwarming van de aarde, bij de wortel worden aangepakt. Het Florenzverslag geeft daarmee een helder signaal af dat het Europees Parlement haar stevige en ambitieuze standpunt handhaaft ten aanzien van de bestrijding van de klimaatverandering. Daarom krijgt het mijn steun.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) In de jaren 1960 maakte het Franse parlement, gehecht aan de voordelen van de planeconomie, elk jaar afspraken over de gewenste groei van de economie en men dacht daarmee deze groei te kunnen bepalen, aangezien per toeval de werkelijke groei een aantal jaren precies overeenkwam met de gemaakte afspraken. Ik krijg de indruk dat het verslag van de heer Lorenz iets dergelijks beoogt: ik krijg de indruk dat dit Parlement wil stemmen over afspraken over de temperatuur in de wereld.

Laat me duidelijk dit stellen: ik lever geen kritiek op de noodzaak om het milieu te beschermen, de enorme diversiteit van de natuur te behouden of, in economische termen, manieren te vinden om hulpbronnen beter te gebruiken zodat deze gespaard worden. Waar ik kritiek op heb is de rituele offers die gebracht worden aan de nieuwe klimaatreligie met zijn nieuwe goeroes, die bevooroordeelde wetenschappers die een banvloek uitspreken over iedereen die hun onaantastbare conclusies tegenspreekt.

Ik heb kritiek op de systematische stigmatisering van de Mens, als zijnde slecht, en dan vooral de Westerse en Europese mens. Op het geïnstitutionaliseerde berouw. Op de industriële en economische eenzame zelfmoord van Europa op het altaar van de zogenaamde opwarming van de aarde, wat geen enkel wereldwijd effect heeft op het milieu maar wel desastreuze menselijke en sociale gevolgen voor de Europese bevolking. Daarom heb ik tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik heb vóór het Florenzverslag over klimaatverandering gestemd en ik ben van mening dat het terecht is dat het Parlement deze kwestie zo serieus neemt. Om de klimaatverandering te bestrijden moeten inspanningen op alle niveaus geleverd worden en de instellingen van de EU en de lidstaten moeten allemaal samenwerken om veranderingen teweeg te brengen die leiden tot een koolstofarme economie.

De stemming over dit verslag vindt op dezelfde dag plaats als een grote energieconferentie in Aberdeen. De Schotse regering heeft aangekondigd dat ze van Schotland de groene energiehoofdstad van Europa wil maken. Die regering staat volledig achter de EU-doelstellingen voor hernieuwbare grondstoffen en heeft zich een niet-nucleair Schotland ten doel gesteld, waar tegen 2020 50 procent van de energiebehoefte uit hernieuwbare grondstoffen wordt gehaald. Ik hoop dat andere landen in heel Europa Schotland zien als een goed voorbeeld in de strijd tegen de klimaatverandering.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Wetenschappelijke gegevens tonen aan dat de oorzaken van de huidige opwarming van de aarde in het menselijk handelen gelegen is en het verslag van de heer Florenz zet deze resultaten op een rij. Er moet met urgentie gehandeld worden op EU-niveau om de klimaatverandering te bestrijden en de gemiddelde stijging van de temperatuur wereldwijd te beperken tot maximaal 2ºC boven het niveau van vóór de industrialisering. Anders dan sommige leden van de Conservatieve Partij accepteer ik deze feiten volledig en ik heb vóór het verslag van de heer Florenz gestemd “over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering: bevindingen en aanbevelingen voor de besluitvorming”.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Als wij hier in Europa investeren in de nieuwste milieuvriendelijke technologie en in hernieuwbare energie, ongeacht wat het kost, terwijl een land als China elke week een nieuwe kolencentrale opstart, vormen al onze inspanningen slechts een druppel op een gloeiende plaat.

We bevinden ons in de idiote situatie dat die landen die de klimaatverandering versnellen door ongebreidelde industrialisatie en ongeremde exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en die niet bereid zijn zich daarin te beperken, van het Westen en met name van Europa hulp verwachten als ze door een ramp getroffen worden. We worden geacht het milieu te beschermen, vaak ten koste van onze industrie en onze handel en dan ook nog de vervuilers humanitaire hulp te bieden in geval van een ramp.

Als we ons niet willen neerleggen bij een wereldwijde situatie waarin de hoop op verbetering altijd een mooie droom zal blijven, moeten we de druk op de zes landen die bijna 50 procent van de uitstoot van broeikasgassen voor hun rekening nemen aanzienlijk opvoeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Het interim-verslag van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering bevat geen enkel nieuw idee, nieuwe gedachte of aanbeveling waar de bevolking van Europa iets aan heeft als het gaat om milieubescherming. Het bestendigt het bekende, antipopulaire EU-beleid dat een “groen” excuus is voor het ongelimiteerd vergaren van kapitaal. Het verslag volstaat ermee de bevindingen van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering te herhalen.

Het verslag beschouwt het 2˚C plafond voor de opwarming van de aarde als een “strategische doelstelling” van de EU, terwijl het onderkent dat “een dergelijk niveau van opwarming al ernstige gevolgen zou hebben voor onze samenleving en individuele leefgewoonten”. Het zegt niets over de verantwoordelijkheid van kapitalisten ten aanzien van de ongebreidelde exploitatie van natuurlijke hulpbronnen. In plaats van maatregelen voor te stellen die monopoliën tenminste verplichten meer verantwoording af te leggen, neemt het verslag de multinationale propaganda volledig over, dat we allemaal schuldig zijn aan de verslechtering van het klimaat en onderstreept het dat “individuele veranderingen in het leefpatroon hierbij noodzakelijk zijn”.

De afspraken die gemaakt zijn in Kyoto, Bali, et cetera, zijn niet effectief gebleken: hun belangrijkste doelstelling is niet de bescherming van het milieu maar de bescherming van het kapitaal en van de winsten. Ze commercialiseren het milieu en ontwikkelen een nieuwe, winstgevende economische sector: de groene economie. De oplossing voor milieuproblemen zal niet komen uit de hoek van de multinationals en monopoliën die verantwoordelijk zijn voor de huidige situatie maar uit de hoek van de mensen die de gevolgen ervan aan den lijve ondervinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN), schriftelijk. – (PL) De geschiedenis leert ons dat nieuwe wetenschappelijke gegevens kunnen aantonen dat theorieën die daarvóór algemeen geaccepteerd werden niet op feiten zijn gestoeld. Ik ben van mening dat de wetenschap die zich met de klimaatverandering bezighoudt en bevestigt dat er sprake is van opwarming van de aarde, nog geen voldoende feitenbasis heeft. Dit is zeker nog niet zó overtuigend bewezen dat we, met een rein geweten, wetsontwerpen kunnen schrijven die ertoe zullen leiden dat bepaald gedrag aan lidstaten van de Europese Unie wordt opgelegd.

We zien de toename van de gemiddelde temperatuur in de atmosfeer van de planeet. Er is echter nog geen antwoord op de vraag in welke mate dit toe te schrijven is aan menselijk handelen.

De wetenschappelijke wereld is over deze kwestie verdeeld. Er zijn wetenschappers die denken dat grote klimaatveranderingen een natuurlijk cyclisch verschijnsel is dat de wereld al miljoenen jaren kent. Zij beweren dat wetenschappers die waarschuwen voor de invloed van de mens op de klimaatverandering dit doen om financiering los te krijgen voor onderzoek en onrust te zaaien onder de mensen.

Andere wetenschappers zeggen dat het vermogen van mensen om een klimaatverandering op lange termijn te voorspellen zeer beperkt is. Ze beweren dat het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC) door politieke motieven geleid wordt en niet door wetenschappelijke. Bovendien is de bewering dat het merendeel van de wetenschappers de visie onderschrijft dat de klimaatverandering veroorzaakt wordt door menselijk handelen dubieus.

De eerder genoemde tegenargumenten zijn makkelijk te vinden. Ze zijn ook onbetwistbaar en roepen twijfel op en vragen als: hoe kan een samenhangend beleid worden gemaakt op grond van twijfelachtige wetenschappelijke argumenten die naar voren worden gebracht door belangengroepen?

 
  
MPphoto
 
 

  Lydie Polfer (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik ben vóór het verslag van de heer Florenz namens de Tijdelijke Commissie inzake klimaatverandering, waarin hij de verschijnselen en effecten van de klimaatveranderingen analyseert, voorzover deze onderbouwd worden door wetenschappelijk bewijs.

De bewering dat de kosten van de klimaatverandering tegen 2050 jaarlijks tussen de 5 procent en de 20 procent van het BBP bedragen tenzij er extreem ambitieuze maatregelen worden genomen moeten we ons dan ook zeer ter harte nemen.

Alle lidstaten hebben goede voortgang geboekt, maar desondanks moeten we nog ambitieuzer zijn in onze inspanningen om de uitstoot te verminderen.

We moeten ook waakzaam blijven voor de nadelige gevolgen die het stimuleren van het gebruik van biobrandstoffen heeft voor de wereldvoedselvoorraden en de ontbossing.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) In wetenschappelijke discussies horen geen debatten thuis over overtuigingen en twijfels aan de juistheid van de mening van de meerderheid mag niet worden geïnterpreteerd als negativiteit of als een politieke keuze. Bovendien laten recente gebeurtenissen zoals de ongewenste en onverwachte gevolgen van het stimuleren van de productie van biobrandstoffen duidelijk zien dat voortdurende twijfel de enige wetenschappelijke zekerheid is die we zonder aarzeling moeten verwelkomen.

Van de andere kant bevinden we ons in de discussies over de opties in het licht van de wetenschappelijke feiten duidelijk op het terrein van politieke keuzes. Hoewel ik mijzelf niet wetenschappelijk competent acht om een mening te ventileren over de eerste vraag, vind ik dat ik de plicht heb dat wel te doen over de tweede vraag. Ik heb steeds beargumenteerd, en dat doe ik nog steeds, dat we, geconfronteerd met de voorspelbare toename van de consumptie (met name van energie) door onze gigantische populatie, tengevolge van de positieve effecten van de globalisering, wetenschappelijke antwoorden en technologische oplossingen moeten vinden. Bepaalde gedragsveranderingen, zowel individuele als collectieve, zijn natuurlijk welkom. Maar de echte oplossingen moeten we vinden in de wetenschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Ulmer (PPE-DE), schriftelijk. − (DE) Ik heb in de eindstemming tegen dit verslag gestemd omdat ik de bestrijding van de klimaatverandering serieus neem en me niet kan vinden in dogmatische en apocalyptische formuleringen die onrust veroorzaken onder de Europese bevolking. Het verslag presenteert wetenschappelijke resultaten met een waarschijnlijkheid van 60-70 procent als bewezen feiten.

Als ik een van de vier ruiters van de Apocalyps uit de Openbaring van Johannes was, zou ik liever op het witte paard zitten dan op het vale. Klimaatverandering is een gevoelige kwestie die niet kan worden gereduceerd tot slogans.

 
  
  

- Verslag: Ria Oomen-Ruijten (A6-0168/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb me onthouden van stemming over het initiatiefverslag van mijn Nederlandse collega Ria Oomen-Ruijten inzake de vorderingen van Turkije in 2007 op weg naar toetreding, ook al ben ik, evenals onze Commissie buitenlandse zaken, ingenomen met de toezegging van premier Erdoğan dat 2008 het jaar van de hervormingen zal worden en dat Turkije getransformeerd zal worden tot een moderne en welvarende democratie, die is gebaseerd op een seculiere staat en een pluralistische samenleving.

We zouden er echter goed aan doen eraan te herinneren dat Turkije zich verplicht heeft tot goede betrekkingen met zijn buren Griekenland en Bulgarije en de noodzaak te benadrukken om tot een omvattende oplossing van het Cyprusvraagstuk te komen op basis van de EU-beginselen.

Bovendien reageert Turkije niet op de oproep om de economische blokkade van Armenië op te heffen en een proces van verzoening op gang te brengen, waarin een eerlijke en openhartige discussie mogelijk is over gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden. Deze onderhandelingen zijn voor Europa en Turkije van belang omdat laatstgenoemde daarmee beantwoordt aan het acquis van de Gemeenschap. Deze onderhandelingen mogen echter onder geen beding de politieke eindbeslissing over de toetreding van Turkije tot de EU vooraf beïnvloeden.

 
  
MPphoto
 
 

  Colm Burke, Jim Higgins, Mairead McGuinness en Gay Mitchell (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) De Fine Gael-delegatie van de EPP-ED-fractie heeft vóór het verslag Oomen-Ruijten over de voortgang van Turkije in 2007 gestemd. We staan positief tegenover de hervormingen van Turkije op het gebied van democratie, goed bestuur en de rechtsstaat. Dit zijn voor zowel Turkije als de EU positieve stappen en we ondersteunen de hervormingsinspanningen van Turkije.

Wij, ondergetekenden, hebben echter tegen Amendement 14 gestemd met betrekking tot paragraaf 16 uit het verslag waarin de woorden “seksuele en reproductieve rechten” voorkomen. We hebben tegen deze sectie van het amendement gestemd op grond van de redenen zoals uiteengezet in onze gezamenlijke verklaring aan het Parlement in de plenaire vergadering van 13 maart 2008.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór het verslag Oomen-Ruijten gestemd over de voortgang van Turkije in 2007 op weg naar lidmaatschap van de EU. Ik ben er echt van overtuigd dat Turkije in staat moet zijn toe te treden tot de Unie. Momenteel zijn er nog problemen met kwesties als vakbonden en mensenrechten en de rechten van minderheden zoals de Koerden en de Christenen. Maar er wordt voortgang geboekt, al gaat het langzaam, en dat moet worden onderkend.

Ik heb wel de amendementen over de Armeense genocide gesteund. Ik weet dat dat lang geleden was, maar een land moet in het reine komen met zijn verleden en Turkije is tot dusverre niet in het reine gekomen met deze bloederige smet op zijn blazoen. Dit zal wellicht het lidmaatschap van de EU uiteindelijk niet verhinderen, maar we kunnen het niet maar gemakshalve onder het Turkse tapijt vegen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) The opmerkingen van mevrouw Oomen-Ruijten in haar verslag inzake de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding laten zien, alsof we daar nog bewijs voor nodig hadden, dat Turkije wat betreft beschaving, mentaliteit en tradities - allemaal natuurlijk uiterst respectabel – geen Europees land is. We hoeven bovendien niet elders te kijken om de redenen te ontdekken voor de enorme problemen die zich voordoen bij de onderhandelingen over de toetreding.

Wellicht zal het Franse voorzitterschap, dat op 1 juni begint, de kans bieden naar deze fundamentele ambiguïteit te kijken: het sprookje van Turkijes Europese roeping, zoals vastgelegd in het Verdrag van 1963. De heer Sarkozy houdt zijn verkiezingsbeloften niet gestand als hij nu zegt dat hij wil doorgaan met de onderhandelingen op gebieden die niet rechtstreeks met toetreding verband houden, een formulering die net zo demagogisch als hypocriet is en geen enkel probleem oplost. Wie gelooft er in discussies die alleen over een “quasi-toetreding” gaan?

Ik ben bang dat het enige doel van het in de Franse grondwet behouden van de verplichting volksraadplegingen te houden over elke nieuwe Europese toetreding, is de burgers helemaal alleen verantwoordelijk te maken voor 45 jaar van politieke en diplomatieke lafheid die niet Turkije zelf valt te verwijten, maar uitsluitend hun regeringen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Ondanks bepaalde tegenstrijdigheden is het een feit dat Turkije van strategisch belang is voor de ambities van de EU, vooral gezien de steeds grotere crisis van het kapitalistische systeem.

Hoewel de uiteindelijke status niet zeker is – volledig lid van de EU of van een toekomstige Unie voor het Middellandse Zeegebied – lijkt het wel zeker te zijn dat de EU oplossingen probeert te vinden die in het belang zijn van de grote economische en financiële groepen in de grootste landen, met name Duitsland.

Turkije is een enorme markt, die menigeen doet likkebaarden. Het is een enorm land, met een enorm potentieel aan goedkope arbeidskrachten en een grote voorraad consumenten, die echter niet de dag van de arbeid, 1 mei, mogen vieren zoals we onlangs gezien hebben bij de gewelddadige onderdrukking van vakbondsleden en demonstranten door de Turkse veiligheidstroepen. Het is een uitgestrekt gebied dat een belangrijke geostrategische positie inneemt tussen Europa, Azië en het Midden-Oosten, dat een centrale rol speelt in de strijd om het eigendom van en de toegang tot de energiebronnen van Centraal-Azië (zoals het Nabucco-project) en dat een centrale rol speelt in het partnerschap van VS, NAVO en EU.

Turkije is ook een land waarvan de autoriteiten illegaal een deel van het grondgebied van een EU-land, Cyprus, met militaire middelen bezetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jaromír Kohlíček (GUE/NGL), schriftelijk. − (CS) Hoewel de ontwerpresolutie van het Europees Parlement uit een aantal documenten citeert, ontbreekt de belangrijkste informatie. Dit land is al sinds 1963 kandidaat. Al die tijd is er gesproken over de voorwaarden om de onderhandelingen te openen. De zogenaamde Kopenhagencriteria, die in 1993 zijn vastgesteld, zijn niet in de inleiding van de tekst te vinden.

Als we onze tanden in het voortgangsverslag 2007 van de Europese Commissie over Turkije zetten zien we dat er weliswaar enige voortgang geboekt is maar dat de wetgeving inzake minderheden die is aangenomen nog onvoldoende geïmplementeerd is. Het gegeven dat ongeveer 10 procent van de Turkse beroepsbevolking in lidstaten van de EU werkt is een teken van de ver teruggaande betrekkingen tussen Turkije en de EU. Wat ons zal verrassen is de stand van zaken wat betreft de implementatie van regelgeving op economisch gebied, die tot dusverre nogal discutabel is. Hoewel deze regelgeving formeel onderdeel uitmaakt van de Turkse wetgeving zien we vaak een nogal “niet-Europese” manier van omgaan met individuele gevallen.

Hoewel Turkije belangrijke successen geboekt heeft, kunnen we stellen dat de verschillen tussen Turkije en de meeste EU-landen (inclusief de Balkanlanden) op veel gebieden nauwelijks kleiner zijn geworden. De rol van het leger in het politieke systeem van het land en de machtige positie van de soennitische islam zijn de belangrijkste kenmerken die de Turkse samenleving onderscheiden van EU-landen. Het verslag schetst een tamelijk accuraat portret van de huidige samenleving. Hoewel paragraaf 12 van de resolutie onevenwichtig is zal de GUE/NGL-fractie er niet tegen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (NI), schriftelijk. – (FR) Het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten laat de autistische kant zien van de leiders van het Europa van Brussel in hun ontkenning van wat overduidelijk is: Turkije is een Aziatisch land.

Hun blindheid maakt dat ze de voorspelbare gevolgen van de toetreding ontkennen. Turkije zal met een inwonertal van tegen 2020 100 miljoen mensen het EU-land met de grootste bevolking zijn en daardoor het belangrijkste land binnen de Europese instellingen. Dat betekent dat ons Parlement het risico loopt om niet meer gedomineerd te worden door de PPE-DE-fractie of de Socialistische fractie, maar door de islamisten van de AKP. Turkije zal ook het land zijn dat de meeste steun ontvangt; de Turkse regio’s zullen het overgrote deel van de structuurfondsen opslokken en de tien miljoen boeren van Turkije zullen het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten gronde richten.

Door deze weigering de realiteit onder ogen te zien negeren onze regeringen ook de wensen van de mensen in Europa. Zo is de heer Sarkozy, nadat hij Frankrijk het Verdrag over de Europese grondwet heeft opgedrongen dat het land in 2005 heeft verworpen, van plan artikel 88.5 uit de grondwet te schrappen, waardoor een referendum verplicht wordt over de toetreding van nieuwe EU-landen.

Als Brussel erin slaagt de toetreding van Turkije door te drukken zullen we onze landen moeten voorstellen uit een dergelijk bestel te stappen, dat dan alleen nog maar in naam Europees zal zijn, om een ander Europa te bouwen, een Europees Europa: het Europa van de vaderlanden.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk. − (DE) Ik heb vóór het verslag gestemd over de voortgang van Turkije in 2007 op weg naar toetreding tot de EU.

Ik wil hierbij wel zeggen dat ik ontsteld was in de Duitse krant Die Welt te lezen dat Turkije, dat zich graag presenteert als een gematigd islamitisch land, een wet heeft ingevoerd die het kopen en in het openbaar serveren van wijn in glazen verbiedt.

Wijn behoort tot het Europese culturele erfgoed en wordt in de meeste lidstaten van de EU legaal geproduceerd en mag in alle lidstaten verkocht en geconsumeerd worden.

Een dergelijke wet strookt niet met een volledig lidmaatschap van de EU. Alle legaal geproduceerde producten – waaronder wijn – zijn goederen en het vrije verkeer daarvan binnen de interne markt moet gegarandeerd zijn. Een dergelijke uitbanning maakt ook inbreuk op de antidiscriminatieregels van de EU. Een land dat beperkingen oplegt aan het vrije verkeer van legaal geproduceerde goederen uit andere lidstaten kan geen volledig lid van de EU worden.

Premier Erdoğan heeft beloofd dat 2008 het jaar van de hervormingen wordt, waardoor Turkije een moderne democratie wordt die is gebaseerd op een seculiere staat en een pluralistische samenleving.

Met het oog op dit Turkse verbod van de verkoop en consumptie van wijn in glazen vraag ik mij af of dit niet een loze belofte is.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Het voortgangsverslag 2007 over Turkije van Ria Oomen-Ruijten is een veelomvattende en bemoedigende analyse van de vorderingen van het land op weg naar toetreding. Turkije lijkt voortgang geboekt te hebben op gebieden zoals de vrijheid van meningsuiting en hervorming van de rechtspraak. Ook moeten de voorstellen van de regering voor de herziening van artikel 301, dat volledige democratische vrijheid in het land in de weg staat, worden toegejuicht. Uiteraard moet er nog veel gebeuren op terreinen zoals de rechten van minderheden en de zaak die momenteel bij het Constitutioneel Hof behandeld wordt is van belang. Ik sta achter de aanbevelingen in dit verslag en heb ervóór gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE), schriftelijk. − (SK) Ik sta achter het voortgangsverslag 2007 over Turkije van mijn collega mevrouw Oomen-Ruijten, dat de Turkse regering aanspoort zijn beloften ten aanzien van hervorming en modernisering van het land na te komen. Ik wil ook de visie naar voren brengen die ik al heel lang heb en die gedeeld wordt door de overgrote meerderheid van de Europeanen, namelijk dat de EU Turkije geen volledig lidmaatschap in het vooruitzicht moet stellen. Geografisch, cultureel en naar geloof staat Turkije buiten de Europese identiteit. Daar komt bij dat het budget van de Unie de last van een volledig lidmaatschap van Turkije niet aankan en ook niet zal aankunnen. Desondanks sta ik achter de visie van nauwe samenwerking, het zogeheten “strategisch partnerschap” tussen de EU en Turkije. Ik zie het belang van het verslag dan ook in dat perspectief.

Ik ben blij met het gegeven dat Turkije sinds 2007 op verschillende gebieden enige voortgang geboekt heeft. Desondanks is de situatie op het gebied van de mensenrechten nog steeds erg slecht. We zouden in het kader van dit verslag meer moeten aandringen op de verbetering van de situatie van de minderheden in Turkije (met name de Koerdische minderheid) en op de invoering van volledige vrijheid van meningsuiting en religie. Ik sta ook achter de oproep om artikel 301 uit het wetboek van strafrecht te schrappen en om het Grieks-Orthodoxe Halki-seminarie onmiddellijk te heropenen. We moeten ook van Turkije eisen dat het terugkijkt op zijn geschiedenis en het feit van de Armeense genocide erkent, alsmede de illegaliteit van zijn militaire inmenging op Cyprus.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Turkije laat steeds opnieuw zien dat het niet klaar is voor lidmaatschap van de EU, door minderheden te onderdrukken, door luchtaanvallen uit te voeren op buurlanden en recentelijk door hun veto uit te spreken over de benoeming van het hoofd van het Oostenrijkse archeologische opgravingsteam, kennelijk vanwege anti-Turkse opmerkingen die door een familielid van haar gemaakt zijn. De cosmetische ingreep in het artikel van het wetboek van strafrecht dat publieke belediging van Turkije of de Turkse nationaliteit verbiedt leidt de aandacht van Brussel af van het gebruik van bruut geweld tegen demonstranten en van de militaire gewelddaden tegen Noord-Irak.

Met het oog op het feit dat Turkije niet klaar is voor het lidmaatschap van de EU is de enige optie het onmiddellijk staken van de toetredingsonderhandelingen. Als alternatief zou kunnen worden gepraat over een geprivilegieerd partnerschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Elk verslag over Turkije is een uiting van de imperialistische concurrentieplannen die de EU met dat land heeft. Dit verslag kiest ervoor de Turkse regering te ondersteunen door sterk de nadruk te leggen op de vorderingen die Turkije gemaakt heeft, wat geheel in tegenspraak is met de werkelijkheid. Het verslag is zoals gewoonlijk een lofzang op democratische rechten, ondanks het welbekende autocratische, repressieve beleid van de Turkse regering, zoals onlangs weer bleek uit de gewelddadige onderdrukking van de demonstraties ter gelegenheid van de dag van de arbeid. Uit het verslag spreekt tolerantie voor de anti-Koerdische politiek van Turkije.

Het verslag steunt indirect de Turkse aanvallen op Iraks Grondgebied. Het veroordeelt het “geweld” van de PKK en “andere terroristische groepen”, maar adviseert het Turkse leger slechts zich te onthouden van “disproportionele militaire operaties”.

Het verslag negeert de nog steeds voortdurende Turkse bezetting van Cyprus en vermijdt categorisch en onvoorwaardelijk te vragen om de terugtrekking van Turkse militaire troepen.

Het verslag juicht de actieve participatie toe van Turkije in de imperialistische missies en interventies van de EU en de NAVO. Gezien de positie die Turkije in het imperialistische systeem inneemt en zijn concurrentiepositie op een breder vlak, probeert de EU het toetredingsproces in haar eigen voordeel te gebruiken om controle te krijgen over de energie en de geostrategische grondstoffen in het gebied.

Om deze redenen stemmen we tegen het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydie Polfer (ALDE), schriftelijk. – (FR) Het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten is uiterst evenwichtig: het toont waardering voor de initiatieven op het gebied van wetgeving die de Turkse autoriteiten nemen om het hervormingsproces voort te zetten, maar oefent ook druk uit op Turkije om het hervormingsproces te bespoedigen om te zorgen dat de beginselen van de rechtsstaat worden gerespecteerd.

De Koerdische kwestie, inclusief de culturele en economische aspecten die daaraan vastzitten, moet ook aan de orde worden gesteld.

Ook moet de kwestie van gelijke kansen voor vrouwen in de nieuwe ontwerp-grondwet worden opgenomen.

Verder wordt aan de Turkse regering gevraagd het pluralisme en de religieuze diversiteit te respecteren in een seculaire democratische staat.

De onderhandelingen kunnen uitsluitend worden voortgezet als men zich volledig houdt aan de beginselen en waarden van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) De vorderingen die de afgelopen jaren gemaakt zijn op diverse terreinen in de samenleving, de economie en op politiek gebied laat goed zien hoe de wens om lid te worden van de Europese Unie succesvol kan leiden tot belangrijke hervormingen daar waar dit mogelijk is. Aangezien dit het geval is bij Turkije en de onderhandelingen nog steeds openliggen, is het niet teveel gevraagd goed gebruik te maken van deze gelegenheid om, ongeacht de uitkomsten van de onderhandelingen, het doorvoeren van vergaande en uiterst belangrijke hervormingen in Turkije te stimuleren.

Naast de erkenning die het verslag geeft – en ook de verklaringen van hoge functionarissen van de EU, met name de voorzitter van de Commissie – kunnen we niet anders dan bezorgd zijn over de wettelijke maatregelen die tegen de AK Partij genomen worden. Hoewel het te prefereren valt dat er geen militaire interventie heeft plaatsgevonden, betreuren we het toch dat zo geprobeerd wordt iets via de rechtbank te bereiken wat via de verkiezingen niet lukte. Anderzijds baren ook de voortdurende twijfels aan de ware bedoelingen van de AK Partij zorgen. Het respecteren van de vrijheid van religie, zoals wij die in de Europese Unie zien, verdient onze steun. De hele samenleving één religieuze visie opleggen is onacceptabel.

 
  
MPphoto
 
 

  Toomas Savi (ALDE), schriftelijk. − (EN) Ik heb dit verslag ondersteund, maar ik wil u eraan herinneren dat mijn eerste toespraak in deze Kamer, op 13 december 2004, ging over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding, waarbij ik er vooral de nadruk op legde dat Turkije, voordat zijn lidmaatschap ook maar in overweging genomen zou worden, eerst de wettige Grieks-Cypriotische regering dient te erkennen, de Armeense genocide van 1915 moet erkennen en verbetering moet brengen in de situatie van de grootste statenloze natie ter wereld, de Koerden.

Geen van deze kwesties is in die vier jaar opgelost. Er is geen noemenswaardige voortgang geboekt in de betrekkingen van Turkije met Cyprus en er is niets dat wijst op een bereidheid misdaden uit het verleden toe te geven. In plaats daarvan voert het Turkse leger, met goedkeuring van het Turkse parlement, een genocide uit tegen de Koerden. De Europese Unie moet zich krachtiger opstellen ten opzichte van Turkije en de onderhandelingen opschorten totdat genoemde kwesties zijn opgelost.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Toubon (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Door tegen het verslag van de Commissie buitenlandse zaken over de situatie in Turkije te stemmen wil de Franse UMP-delegatie duidelijk maken dat de Commissie, de regeringen van de lidstaten en het Europees Parlement er verkeerd aan doen de illusie van de toetreding van Turkije in stand te houden.

De UMP is niet tegen het verslag van Ria Oomen-Ruijten, dat een uitstekend stuk werk is, maar is tegen de weigering om de realiteit van Turkije en zijn politiek onder ogen te zien en in te zien dat deze strijdig is met ons project voor Europese integratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb tegen dit verslag en de ontwerp-resolutie gestemd om nog eens duidelijk te maken dat ik principieel tegen de toetreding van Turkije tot de EU ben. De Europese Commissie, de regeringen van de lidstaten en het Europees parlement doen er verkeerd aan de illusie van de toetreding van Turkije in stand te houden, en doen daarmee de burgers van zowel Turkije als Europa tekort. Ik weiger mij aan te sluiten bij een politiek standpunt dat weigert de werkelijkheid van Turkije en zijn politiek onder ogen te zien en in te zien dat deze strijdig is met ons project voor Europese integratie.

Als Europa een ruimte van gedeelde waarden is, kunnen we onze ogen niet sluiten voor de verontrustende neigingen die de Turkse autoriteiten aan de dag leggen als het gaat om de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en het respecteren van de rechten van minderheden. Een voorzichtige benadering van de Turkse autoriteiten met betrekking tot hun verantwoordelijkheden is een strategische fout die hen ervan afhoudt de vorderingen te maken die moeten worden gemaakt, niet op weg naar toetreding tot de EU, maar op weg naar een situatie waarin de Turkse bevolking de vruchten kan plukken van hun grondrechten en van de sociale en economische ontwikkelingen in Turkije.

Een geprivilegieerd partnerschap met Turkije zal ertoe bijdragen dat deze doelstellingen gehaald worden, met respect voor de integriteit van beide partijen.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid