Index 
Debatten
PDF 2061k
Woensdag 21 mei 2008 - Straatsburg Uitgave PB
1. Opening van de vergadering
 2. Welkomstwoord
 3. Wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering: bevindingen en aanbevelingen voor besluitvorming (debat)
 4. Voortgangsverslag 2007 over Turkije (debat)
 5. Stemmingen
  5.1. Vergaderrooster 2009 (stemming)
  5.2. Verbod op de uitvoer voor en de veilige opslag van metallisch kwik (A6-0102/2008, Dimitrios Papadimoulis) (stemming)
  5.3. Bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (A6-0154/2008, Hartmut Nassauer) (stemming)
  5.4. Enquêtes inzake de structuur van de landbouwbedrijven en de landbouwproductiemethoden (A6-0061/2008, Gábor Harangozó) (stemming)
  5.5. Voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer (A6-0087/2008, Silvia-Adriana Ţicău) (stemming)
  5.6. Internationaal vervoer van reizigers per touringcar en autobus (herschikking) (A6-0037/2008, Mathieu Grosch) (stemming)
  5.7. Internationaal goederenvervoer over de weg (herschikking) (A6-0038/2008, Mathieu Grosch) (stemming)
  5.8. Selectie en machtiging van systemen die mobiele satellietdiensten leveren (A6-0077/2008, Fiona Hall) (stemming)
  5.9. Vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat op het gebied van vennootschapsrecht, financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen (A6-0101/2008, Klaus-Heiner Lehne) (stemming)
  5.10. Vrouwen en wetenschap (A6-0165/2008, Britta Thomsen) (stemming)
  5.11. Groenboek betreffende een betere ontmanteling van schepen (A6-0156/2008, Johannes Blokland) (stemming)
  5.12. Wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering: bevindingen en aanbevelingen voor besluitvorming (A6-0136/2008, Karl-Heinz Florenz) (stemming)
  5.13. Voortgangsverslag 2007 over Turkije (A6-0168/2008, Ria Oomen-Ruijten) (stemming)
 6. Reumatische aandoeningen (schriftelijke verklaring): zie notulen
 7. Stemverklaringen
 8. Rectificaties stemgedrag/Voorgenomen stemgedrag: zie notulen
 9. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen
 10. Tragische situatie in Birma (debat)
 11. Natuurramp in China (debat)
 12. Wereldwijd verdrag tegen uraniumwapens (debat)
 13. Vragenuur (vragen aan de Raad)
 14. : Onderzoek geloofsbrieven: zie notulen
 15. Samenstelling commissies en delegaties: zie notulen
 16. Tussentijdse evaluatie van het industriebeleid – Een bijdrage tot de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid (debat)
 17. REACH (Ontwerpverordening voor de proefmethodes) (debat)
 18. Een nieuwe strategie voor diergezondheid voor de Europese Unie (2007-2013) (debat)
 19. Strategie van de Commissie voor de derde bijeenkomst van de partijen bij het Verdrag betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (debat)
 20. Agenda van de volgende vergadering: zie notulen
 21. Sluiting van de vergadering


  

VOORZITTER: HANS-GERT PÖTTERING
Voorzitter

 
1. Opening van de vergadering
  

(De vergadering wordt om 9.05 uur geopend)

 

2. Welkomstwoord
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, het doet me veel genoegen om de delegatie van het Mexicaanse Congres onder leiding van senator Guadarrama te verwelkomen, die op de officiële tribune heeft plaatsgenomen. Ik heet u van harte welkom.

(Applaus)

De delegatie neemt vandaag deel aan de zesde vergadering van de Gemengde Parlementaire Commissie EU-Mexico. Mexico werkt nauw samen met de Europese Unie en deze vergadering vindt plaats op een belangrijk moment voor de betrekkingen tussen Mexico en de Europese Unie. De Top in Lima van afgelopen weekend heeft aangetoond dat we veel gemeenschappelijke belangen hebben. Ik heb ook de gelegenheid gehad om met uw president te spreken, de heer Felipe Calderón.

De Gemengde Parlementaire Commissie zal vanmiddag de klimaatverandering bespreken, waardoor ik er zeker van ben dat u deze plenaire vergadering met belangstelling zult volgen. Ik wens onze Mexicaanse collega’s en vrienden een succesvol verblijf in Straatsburg.

 

3. Wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering: bevindingen en aanbevelingen voor besluitvorming (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het interim-verslag (A6-0136/2008) van de heer Florenz over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering en aanbevelingen voor de besluitvorming (2008/2001(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Karl-Heinz Florenz, rapporteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, welkom in het Europees Parlement. Wat heeft de Europese Unie ertoe gebracht om een Tijdelijke Commissie klimaatverandering op te zetten? Als we een algemene visie willen presenteren en duidelijk willen maken hoe wij, de Europese Unie, dit probleem willen aanpakken, is dat een terechte keuze geweest. Als we er als Europese Unie, als Europees Parlement, op internationaal niveau aan willen bijdragen dat de klimaatverandering op de agenda blijft staan – zoals Stavros Dimas dat met succes doet voor de Commissie – moeten we naar buiten toe duidelijk maken hoe we hier over denken. Met andere woorden: dan moeten we ons visitekaartje laten zien. Uiteindelijk moeten we als Europa laten zien hoe we dit probleem aanpakken en welke benadering we kiezen om andere landen en continenten aan te moedigen om dezelfde richting in te slaan als wij. Daarom is het belangrijk dat we beginnen met het wetenschappelijke aspect van dit debat, en daar zullen we vandaag over debatteren.

Een focus op alleen dit aspect zal nooit een aantrekkelijk verslag opleveren, eenvoudigweg omdat het over de status quo gaat. Het is geen koehandel: een beetje geven, een beetje nemen. We focussen ons op de feiten. We hebben deze feiten ondergebracht in een aantal thematische strategieën en we hebben twee Nobelprijswinnaars uitgenodigd om daarvoor naar Brussel en Straatsburg te komen. Mijnheer de Voorzitter, u hebt een uitstekende bijeenkomst georganiseerd en een belangrijke toespraak over de klimaatverandering gehouden. Daarvoor ben ik u dankbaar en u hebt mij ook de inspiratie gegeven om mijn inspanningen te verdubbelen.

We hebben geluisterd naar de opvattingen van een groot aantal deskundigen van internationale organisaties van over de hele wereld, onder het uitstekende voorzitterschap van mijn goede vriend Guido Sacconi, die dat zeer goed heeft gedaan. Ook hebben we enkele critici uitgenodigd, maar die zijn niet allemaal gekomen, omdat ze hun kritiek niet door een gezelschap van internationale deskundigen wilden laten beoordelen. Kritiek spuien in de kranten zonder die kritiek officieel te willen laten toetsen is nauwelijks heroïsch gedrag te noemen. Ik had de aanwezigheid van ten minste één of twee critici die bereid zijn het internationale debat aan te gaan zeer verwelkomd.

We hebben veel uitstekende documenten gelezen. Het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC) was bij de bijeenkomsten betrokken, en we hebben ook de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de klimaatconferentie van de Bondsrepubliek Duitsland en nog vele anderen geraadpleegd, met als resultaat dat we nu de feiten voor ons hebben liggen. Dit is geen strijdlustig verslag, zoals sommige van mijn vrienden bij gelegenheid hebben gezegd; het is een verslag over de stand van zaken, op basis waarvan we kunnen bepalen wat we in de toekomst moeten doen. Uit het verslag blijkt duidelijk dat er wetenschappelijke consensus bestaat op basis waarvan we ons werk kunnen voortzetten. Er is consensus over de antropogene invloed; die wordt vastgesteld in overweging C. We hebben voldoende informatie om te kunnen zeggen dat het doel om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging in de toekomst te beperken tot niet meer dan 2°C ten opzichte van het pre-industriële niveau een belangrijk doel is.

Wat moeten we in de toekomst dan doen? In Europa moeten we onze energie verzamelen voor een nieuwe, derde industriële revolutie, die gebaseerd moet zijn op drie pijlers van duurzaamheid, namelijk productduurzaamheid, de sociale dimensie en natuurlijk de economische dimensie. Dat is geen last; het is een enorme kans die we als visie verder moeten ontwikkelen.

Eén ding is zeker: het klimaatdebat is maar een klein deel van ons probleem. We moeten een debat over duurzaamheid gaan voeren. Het is een feit dat we in slechts vijfhonderd jaar energie aan het opmaken zijn die miljoenen jaren nodig heeft gehad om te ontstaan, en we hebben absoluut geen antwoord op de vraag hoe onze kinderen, en de kinderen van onze kinderen, in de toekomst hun energiebronnen zullen kunnen ontwikkelen.

Dat is een geweldige kans. We moeten de moed hebben om creatief te zijn. Het Stenen Tijdperk is niet geëindigd omdat er geen stenen meer waren. Ik kan u zeggen dat het Stenen Tijdperk eindigde omdat – gelukkig – wij politici moed hadden: moed om de toekomst te grijpen, moed voor onze kinderen, en moed voor deze planeet.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Veel dank, mijnheer Florenz, ook voor uw vriendelijke woorden aan het adres van de Voorzitter. Het is eerder uitzondering dan regel dat er zulke vriendelijke dingen worden gezegd. Omdat het mijn rol is om objectief en neutraal te zijn, zal ik niet beginnen over het feit dat complimenten vaak schaars zijn, vooral van de eigen politieke familie. Wat er vanochtend is gebeurd is daarom nogal bijzonder!

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Podobnik, fungerend voorzitter van de Raad. (SL) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer Florenz, dames en heren, er is nu bewijs dat de mens deels verantwoordelijk is voor de grote veranderingen in het klimaat en dat deze veranderingen al negatieve gevolgen hebben gehad op de natuur en op de samenleving. Het is ook zeker dat als we niet snel in actie komen en de emissies van broeikasgassen in de komende eeuw niet sterk terugdringen, de temperatuur wereldwijd zal blijven stijgen, wat tot algemene schade en verstoringen zal leiden.

Het vierde beoordelingsverslag van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC), dat in november 2007 in Spanje bekend is gemaakt, is de meest complete en meest geloofwaardige wetenschappelijke beoordeling van de klimaatverandering tot op heden. In het verslag wordt gesteld dat de opwarming van de aarde en de klimaatverandering niet meer in twijfel worden getrokken en dat de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur in de afgelopen vijftig jaar zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door de antropogene concentratie van broeikasgassen.

De beoordelingsverslagen die het IPCC sinds 1990 publiceert laten zien dat de wetenschappelijke kennis over de klimaatverandering en de gevolgen daarvan in de afgelopen paar jaar sterk is toegenomen. Dit kan worden toegeschreven aan een aantal factoren: het almaar toenemende bewijs voor de bekende verandering van het klimaat, de grote inzet van de wetenschappers en de verbeterde verspreiding van wetenschappelijke ontdekkingen.

Zoals wordt opgemerkt in het interim-verslag van de heer Florenz, dat naar onze mening enkele zeer belangrijke nieuwe formuleringen met betrekking tot de beschreven en ons op dit moment bekende problemen bevat, is de situatie ernstig genoeg om onmiddellijk beleid te ontwikkelen en uit te voeren dat zal bijdragen aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Zoals we allemaal weten hebben de Europese staatshoofden en regeringsleiders in maart vorig jaar om die reden besloten om de internationale gemeenschap een resolute boodschap te sturen waarin de EU zich verplicht heeft de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.

De Europese Unie is vastbesloten om deze verplichtingen na te komen door middel van een geïntegreerde aanpak van het beleid inzake klimaatverandering en energie. Daarnaast zal de EU speciale aandacht schenken aan energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen, biobrandstoffen, de afvangst en opslag van kooldioxide en in het algemeen de overgang naar een koolstofarme economie.

Ik wil u ook herinneren, dames en heren, aan de recente besluiten van de Europese Raad. Zoals ik al heb gezegd, heeft de Europese Unie vorig jaar resolute en grootschalige verplichtingen met betrekking tot het beleid inzake klimaatverandering en energie op zich genomen. Nu, in 2008, is het tijd om in actie te komen.

Tijdens de conferentie over de klimaatverandering die in december op Bali is gehouden, is een belangrijke doorbraak bereikt in de vorm van de start van het internationale onderhandelingsproces, waarbij iedereen is betrokken, zowel de ontwikkelde als de zich ontwikkelende landen. Dit proces is beschreven in het Actieplan van Bali. De Europese Unie is vastbesloten haar leidende rol op het gebied van de klimaatverandering en energie in de internationale gemeenschap te behouden en om de noodzakelijke vaart te houden in de onderhandelingen in het kader van het VN-Verdrag, met name tijdens een van de komende bijeenkomsten dit jaar in Poznań. Het doel is om in 2009 in Kopenhagen een ambitieus, mondiaal en geïntegreerd klimaatverdrag te sluiten dat in overeenstemming zal zijn met de doelstelling van de Europese Unie dat de wereldwijde temperatuur met niet meer dan twee graden mag stijgen. De Europese Unie zal hieraan een grote bijdrage leveren door de doelstellingen te verwezenlijken die tijdens de in het voorjaar van 2007 gehouden Europese Raad zijn vastgesteld.

De belangrijkste uitdaging is dat de overgang naar een veilige, duurzame en koolstofarme economie wordt gerealiseerd op een wijze die in overeenstemming is met duurzame ontwikkeling van de Europese Unie, haar concurrentievermogen, een betrouwbare energievoorziening, voedselveiligheid en gezonde en houdbare openbare financiën.

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Dimas, lid van de Commissie. − (EL) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dank u voor de gelegenheid die u ons vandaag hebt gegeven om het door de heer Florenz is gepresenteerde interim-verslag van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering te bespreken. Ik feliciteer hem met zijn uitstekende werk.

Het verslag bekrachtigt de steun van het Europees Parlement voor het ambitieuze beleid van de Gemeenschap ter bestrijding van de klimaatverandering. Mijnheer de Voorzitter, ik wil van deze gelegenheid gebruik maken om alle leden van het Europees Parlement te bedanken voor hun voortdurende steun en hun essentiële bijdragen aan de bevordering van ons klimaatbeleid, het vergroten van het bewustzijn bij het publiek en het informeren van parlementsleden van andere landen. Mijnheer de Voorzitter, ik wil ook wijzen op de belangrijke rol die u bij de bevordering van het EU-beleid inzake de klimaatverandering hebt gespeeld. Ik ben er zeker van dat u en de leden van het Europees Parlement daarmee door zullen gaan, zodat we er in de korte tijd die voor ons ligt – minder dan twee jaar – in zullen slagen om eind 2009 in Kopenhagen een overeenkomst te sluiten waarmee we de grote bedreiging van de planeet het hoofd zullen kunnen bieden. Zowel in de EU, waar het debat over het pakket maatregelen inzake klimaatverandering en energie intensiever wordt, als in de internationale onderhandelingen moeten we al onze middelen inzetten en zo goed mogelijk samenwerken. We moeten gebruik maken van de voorsprong die we als EU hebben met in gedachten de klimaatconferentie van december 2000 in Kopenhagen.

Twee factoren hebben ons geholpen om te komen tot de belangrijke besluiten die op Bali zijn genomen: de positie van Europa als wereldleider in de bestrijding van de klimaatverandering en de wetenschappelijke bevindingen van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC). Dankzij deze bevindingen hebben veel wereldleiders aanvaard dat er inderdaad een dringende noodzaak bestaat om maatregelen te nemen. Door deze reeks wetenschappelijke verslagen begrijpen burgers en politieke leiders, waaronder afgevaardigden uit diverse landen, nu beter wat de schaal is van de uitdagingen en de ernstige bedreigingen waarmee we te maken krijgen als we niet optreden en de klimaatverandering stoppen. Ik denk dat we het er bijna allemaal over eens zijn dat inmiddels wetenschappelijk bewezen is dat er dringende, doortastende maatregelen moeten worden genomen om de klimaatverandering te bestrijden. Deze maatregelen worden opgesomd in het voorliggende interim-verslag. Dit verslag geeft duidelijker dan ooit weer wat de boodschap van het IPCC en andere bronnen uit 2007 is.

Het wetenschappelijke debat over de vraag of de klimaatverandering wordt veroorzaakt door menselijke activiteit heeft door het heersende scepticisme, dat verhinderd heeft dat er preventieve maatregelen warden genomen, tientallen jaren geduurd. Dat debat is nu voorbij. Dat betekent niet dat alle vragen zijn beantwoord of dat we elk detail begrijpen; maar we weten nu genoeg om te concluderen dat het snel aannemen van ambitieuze maatregelen in ons eigen belang is, zowel wat betreft energiezekerheid als in economisch, milieu- en sociaal opzicht. We hebben niet de luxe dat we kunnen wachten, maar – nog erger – de tijd die we hebben is zeer beperkt. Als we de opwarming van de aarde willen beperken tot 2°C, de grens waarboven we de milieueffecten niet meer kunnen indammen of terugdraaien, mag de uitstoot van broeikasgassen na de komende tien tot vijftien jaar niet meer stijgen.

Als we een goede kans willen hebben om de temperatuurstijging tot 2°C te beperken, moeten we de wereldwijde emissies tegen 2050 met vijftig procent hebben teruggedrongen ten opzichte van het niveau van 1990. Om dit te bereiken zijn radicale veranderingen nodig in de wijze waarop we energie produceren en gebruiken. We moeten wereldwijd overstappen op een CO2-arme economie, en er zijn kleine, maar belangrijke veranderingen nodig in veel aspecten van ons dagelijkse leven. Wat we nodig hebben is niet minder dan een groene revolutie.

De verslagen van het IPCC hebben duidelijk gemaakt dat zelfs wanneer we ambitieuze maatregelen nemen om de emissies terug te dringen, enkele ernstige gevolgen van de klimaatverandering waarschijnlijk onvermijdelijk zijn. De internationale gemeenschap moet daarom klaar staan om die gevolgen het hoofd te bieden. Om die reden zal steun noodzakelijk zijn, vooral aan de meest kwetsbare ontwikkelingslanden, die met de ernstigste problemen te maken zullen krijgen.

Dan kom ik nu op de VN-onderhandelingen. We hebben weinig tijd tot onze beschikking, omdat onze meest zwaarwegende prioriteit het sluiten van een overeenkomst in 2009 in Kopenhagen is. De ondertekening van een substantiële, alomvattende overeenkomst waarmee we de ambitieuze, op wetenschappelijke bevindingen gebaseerde doelstellingen kunnen verwezenlijken is een grote uitdaging. Het is ons doel om onze internationale partners over te halen deze ambitieuze overeenkomst te ondertekenen en dat zal een titanische inspanning vergen. Daarom moet de EU vasthouden aan haar tot nu toe succesvolle strategie. Dat betekent dat we binnen de EU positieve resultaten moeten boeken en aan onze internationale partners moeten laten zien dat het nemen van ambitieuze maatregelen niet tegen hun eigen belang indruist en ook hun economische ontwikkeling niet belemmert.

Een van de uitdagingen waar we voor staan is het veiligstellen van de deelname van de ontwikkelde landen aan onze poging om de emissies terug te schroeven naar een niveau dat hoort bij de doelstelling van 2°C. Dat betekent dat ze tegen 2020 hun emissies met 25 tot 40 procent moeten hebben verminderd ten opzichte van het niveau van 1990. Laat ik er niet omheen draaien. We roepen de Verenigde Staten op om de handschoen op te pakken; in plaats van de vooruitgang tegen te houden moeten de Verenigde Staten de vooruitgang juist stimuleren. Zoals u zich zal hebben gerealiseerd tijdens uw recente bezoek aan de Verenigde Staten gaat het debat daar nu langzaam de goede kant op, maar we verwachten uiteraard veel meer van de Verenigde Staten.

Behalve met de ontwikkelde landen moeten we ook ambitieuze afspraken over het terugdringen van de emissies maken met de ontwikkelingslanden, met name met de zich ontwikkelende landen. Er zijn veel mogelijkheden om de emissies terug te dringen en die brengen bijkomende voordelen met zich mee op het gebied van energiezekerheid, volksgezondheid en ontwikkeling in het algemeen. De komende overeenkomst van 2009 moeten maatregelen in deze trant bevatten, maatregelen die worden gesteund. Ook hier gaan de zaken naar mijn mening de goede kant op. Er is een groter bewustzijn dan voorheen dat er stappen moeten worden gezet om de klimaatverandering te bestrijden. Tegelijkertijd worden de bijkomende voordelen steeds duidelijker, zowel met betrekking tot het zeker stellen van de energietoevoer als met betrekking tot de volksgezondheid of de economische ontwikkeling, die niet alleen zullen wordt veiliggesteld, maar waarschijnlijk alleen maar baat zullen hebben bij deze maatregelen.

Het recente bezoek van vertegenwoordigers van de Commissie aan China heeft bevestigd dat onze Chinese partners zich volledig bewust zijn van hun dringende verplichting om interne maatregelen te nemen. Daar zijn ze al mee begonnen en ze zijn van plan om daarmee door te gaan. We moeten ze bilaterale en multilaterale steun geven. We zullen de komende maanden en volgend jaar veel gelegenheid hebben om onze boodschap over te brengen. Zo zijn daar de G8 en de G8+5, waarbij het Japanse voorzitterschap zich concentreert op de klimaatverandering. Andere kansen zullen zich voordoen met het initiatief voor de leidende economieën van de wereld onder auspiciën van de VN en de diverse bilaterale samenwerkingsprogramma’s op het gebied van klimaatverandering van de EU. We zullen van al deze mogelijkheden gebruik maken. We zullen onze partners ervan overtuigen dat er dringend maatregelen moeten worden getroffen. En dat er een deugdelijk, levensvatbaar beleid op het gebied van energie en klimaatverandering moet worden utgestippeld. Daarbij moeten we systematisch wijzen op de wetenschappelijke bevindingen die aan onze acties ten grondslag liggen en moeten we blijven wijzen op de consequenties van het geen actie ondernemen of het nemen van inadequate actie.

Zoals we weten zal de gedeelde visie het onderwerp zijn van de onderhandelingen in de context van de routekaart van Bali. Het is zeer belangrijk dat de onderhandelingen over de visie zullen worden gevoerd op basis van de gezaghebbende wetenschappelijke opvattingen die we tot onze beschikking hebben. We moeten er op blijven hameren dat de onderhandelingen moeten worden gevoerd op basis van wetenschappelijke bevindingen. Ik heb er alle vertrouwen in dat u samen een even belangrijke rol als de Commissie kunt spelen bij het overbrengen van deze cruciale boodschap aan onze partners, aan onze burgers en aan hun parlementaire vertegenwoordigers.

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Daul, namens de PPE-DE-Fractie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, excuses voor het feit dat ik te laat ben, maar ik probeerde mijn snelheid laag te houden om ons klimaat te beschermen.

Het belangrijkste debat van vandaag gaat over wetenschappelijke gegevens betreffende de klimaatverandering. Om te beginnen wil ik mijn collega Karl-Heinz Florenz bedanken voor zijn voortreffelijke werk en zijn permanente toewijding aan dit onderwerp.

Dames en heren, er is nu wetenschappelijke kennis over de klimaatverandering. De meerderheid van de deskundigen op dit terrein is van mening dat er niet meer aan kan worden getwijfeld dat de opwarming van de aarde een feit is en dat deze opwarming voor een groot deel te wijten is aan menselijke activiteiten. Enkele dissidenten trekken het bestaan van dit verschijnsel in twijfel, maar zonder daarbij echte bewijzen te leveren. Het interim-verslag van onze Tijdelijke Commissie klimaatverandering is de eerste fase van een proces dat moet leiden tot het vinden van oplossingen.

We zijn het er bijna allemaal over eens dat de stijging van de wereldwijde temperatuur beperkt moet blijven tot twee graden boven het pre-industriële niveau en dat we eigenlijk moeten inzetten op een stijging van minder dan twee graden. Het debat over de klimaatverandering mag echter niet worden vernauwd tot het elkaar om de oren slaan met statistieken. Als we het over de klimaatverandering hebben, moeten we het ook hebben over het smelten van de Noordpool, de verwoestijning, de opwarming van de aarde, de verdringing van diersoorten, en vooral over verschijnselen die catastrofale gevolgen voor het voortbestaan van gemeenschappen zullen hebben.

Dit is een belangrijke uitdaging voor de mensheid als geheel. De regio’s die het hardst zullen worden getroffen zijn de armste landen in Afrika, Azië en Midden- en Zuid-Amerika, waar wordt verwacht dat er emigratie vanwege het milieu zal gaan plaatsvinden. Tegelijk met het steeds vaker voorkomen van extreme klimaatomstandigheden zal er een nieuwe soort vluchtelingen ontstaan. Dat zullen geen politieke vluchtelingen of economische migranten zijn; dat zullen klimaatvluchtelingen zijn. Ook zal de kans op voedselcrises gaan toenemen omdat er minder cultiveerbare grond zal zijn. Wanneer het drinkwater schaarser zal worden, zullen de spanningen toenemen en kunnen er oorlogen uitbreken om de controle over waterbronnen.

We hebben op dit gebied een enorme verantwoordelijkheid. Het verschijnsel klimaatverandering kan niet meer in twijfel worden getrokken en we moeten nu samenwerken om oplossingen te vinden en deze ten uitvoer te leggen. Het pakket maatregelen inzake klimaatverandering en hernieuwbare energie dat de Commissie in januari heeft gepresenteerd is momenteel in behandeling bij de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie industrie, onderzoek en energie van het Parlement: de handel in broeikasgasemissierechten, het verdelen van de inspanningen, het afvangen en opslaan van koolstof en hernieuwbare energiebronnen.

De leden van de PPE-DE-Fractie in deze commissies en de PPE-Fractie als geheel zijn hier intensief bij betrokken. We verwachten nog veel meer van dit soort debatten en we zijn vastbesloten om samen te werken bij het zoeken naar compromis in eerste lezing. Het is van essentieel belang dat het Parlement en de Raad nog voor de Europese verkiezingen tot overeenstemming komen.

Dames en heren, de Europese Unie heeft de rol van wereldleider in de strijd tegen de klimaatverandering vis-à-vis haar internationale partners op zich genomen, en we moeten deze rol behouden. Als we onze rol niet serieus genoeg nemen en de VS en andere landen als China en India, zoals u hebt gezegd, commissaris, niet aanmoedigen om mee te doen aan de bestrijding van de klimaatverandering, wie zal dat dan wel doen?

Europa moet verenigd en volledig operationeel zijn tijdens de wereldklimaatconferentie in Poznań in december 2008, waar de fundamenten zullen worden gelegd voor de overeenkomst die we in december 2009 in Kopenhagen hopen te ondertekenen. Dat is een mondiale uitdaging, maar Europa is de wereldmacht die zijn partners kan overhalen om zich aan te sluiten bij de strijd, en we moeten voorbereidingen treffen voor de toekomst van onze kinderen en onze kleinkinderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Martin Schulz, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, de socialistische fractie heeft de aanzet gegeven tot de instelling van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering en toen we die motie indienden waren we er meer dan ooit van overtuigd dat we ons in een beslissende fase van het Europese en ook het internationale beleid bevinden, want wat wij van deze commissie verwachten is niet minder dan een Hercules-werk, en niet alleen hier in dit Huis.

De problemen waar deze commissie zich mee bezig houdt, zijn – het moet gezegd – monumentaal: een taak voor een hele eeuw, zoals we in het Duits zeggen. En het is ook inderdaad zo dat deze problemen in deze eeuw moeten worden opgelost, want als we dat niet doen zal er heel veel onherroepelijk verloren gaan voor toekomstige generaties. Daarom verwelkom ik het feit dat in dit debat is gebleken dat er een overweldigende consensus onder de leden van dit Huis bestaat dat we enorme inspanningen zullen moeten verrichten om de uitdagingen die voor ons liggen het hoofd te bieden.

Ik wil me daarom aansluiten bij de dankwoorden aan het adres van Karl-Heinz Florenz, die als lid van een andere fractie, maar in zijn hoedanigheid van rapporteur, een verslag heeft gepresenteerd waarvan de inhoud door ons als socialistische fractie zeker kan worden gesteund. Ik ben ook blij dat we met Karl-Heinz Florenz en mijn collega Guido Sacconi twee leden hebben die gezamenlijk leiding geven aan de commissie, wat in mijn ogen een teken is dat we op basis van consensus resultaat zullen kunnen boeken. Maar er mag nu consensus zijn, de vraag die in mijn ogen ongetwijfeld zal gaan opspelen is of we nog steeds zullen kunnen samenwerken wanneer de inhoudelijke kwesties en de richting van het beleid aan de orde komen en wanneer we bij de details aankomen.

Daarom wil ik een paar breuklijnen aangeven waarmee we te maken zullen krijgen. Ik wil niet te gedetailleerd ingaan op het interim-verslag, dat naar mijn mening uitstekend is; ik wil alleen een voorbeeld noemen. Een paar jaar geleden waren we allemaal erg enthousiast toen we zeiden dat we bij het terugdringen van de CO2-emissies minder afhankelijk van olie wilden worden en meer hernieuwbare energiebronnen wilden gaan gebruiken. We zeiden dat biobrandstoffen het antwoord waren, maar niemand besefte op dat moment dat het grootschalige gebruik van landbouwgrond voor de teelt van energiegewassen tot een tekort aan landbouwgrond voor de teelt van voedsel zou kunnen leiden.

Toen er enkele jaren geleden voedselrellen uitbraken in Mexico omdat er plotseling geen maïsmeel meer te koop was, of alleen tegen zeer sterk gestegen prijzen, legden we – of althans ik – niet onmiddellijk het verband. Nu weten we dat we energie- en klimaatproblemen moeten oplossen, maar ook de honger in de wereld moeten bestrijden. We moeten deze twee aspecten met elkaar verzoenen, en dit is nog maar een kleine indicatie dat we hier met een interdisciplinaire taak te maken hebben waarbij we een grote vastberadenheid aan de dag zullen moeten leggen, waaronder de vastberadenheid om compromissen te sluiten, ook elders.

Europa is een industrieel werelddeel. De industriële structuren die in de loop van vijftig of zestig jaar zijn aangelegd zijn verantwoordelijk voor de schade aan ons klimaat. We moeten van koers veranderen, maar we moeten allemaal erkennen dat industriële structuren die in de loop van vijftig of zestig jaar zijn aangelegd niet binnen twee weken zijn te veranderen door middel van een parlementaire resolutie. Ook dat kost tijd, dus we zullen een evenwicht moeten vinden tussen de zeer ambitieuze doelen die we onszelf hier stellen.

Commissaris Dimas heeft gelijk; we hebben geen tijd te verliezen. We moeten een evenwicht zien te vinden tussen aan de ene kant deze ambitieuze doelen en aan de andere kant wat haalbaar is met betrekking tot een koersverandering. Deze twee aspecten zijn allebei van cruciaal belang, en beide vereisen een rationele aanpak die gericht is op het bereiken van consensus. Daarom verwelkom ik het feit dat het Franse voorzitterschap heeft gezegd dat het bereid is te proberen om tegen het eind van het jaar resultaat te boeken. Als in de Raad dezelfde bereidheid om compromissen te sluiten en hetzelfde engagement bestaat als hier in het Parlement zichtbaar is, ben ik optimistisch gestemd. Als we in de Raad echter dezelfde tactische spelletjes zullen zien die we in deze instelling altijd zien, zullen we tijd verliezen.

Ik heb de indruk dat er bij het Parlement en ook bij de Commissie een grote bereidheid bestaat. Als die bereidheid ook in de Raad bestaat, en als alle drie de instellingen samenwerken, kunnen we nog voor de Europese verkiezingen bereiken wat de heer Daul heeft gezegd: namelijk een signaal afgeven aan het publiek dat de staatshoofden en regeringsleiders beslissen over de grote lijnen van het beleid en dat het Europees Parlement de details voor zijn rekening neemt. Deze arbeidsverdeling is gebruikelijk en zou dan eindelijk zichtbaar worden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Watson, namens de ALDE-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, als in het interim-verslag van onze Tijdelijke Commissie klimaatverandering alleen voor de hand liggende dingen worden gezegd, is dat een slechte zaak. Want in het verslag wordt zwart op wit bevestigd wat de meesten van ons al enige tijd erkennen. De wetenschappelijke feiten over de klimaatverandering staan niet ter discussie. De permafrost en de ijskappen smelten en de zeespiegel en de temperatuur stijgen, grotendeels als gevolg van menselijke activiteiten. Als we nu niet ingrijpen zal de mensheid een omslagpunt bereiken waarvoorbij er geen weg meer terug is.

De deadlines voor het klimaatbeleid worden niet door de Europese Unie vastgesteld, en ook niet door de wereldgemeenschap: die worden vastgesteld door de natuur. En de realiteit is dat de uitstoot van broeikasgassen, ondanks de afspraken van Kyoto, sneller dan ooit is toegenomen: sinds 1990 met een kwart. Sommige wetenschappers zeggen dat de concentraties CO2 al te hoog zijn. Iedereen is het erover eens dat de tijd die we hebben om de emissies te stabiliseren en de temperatuurstijging tot twee graden boven het pre-industriële niveau te beperken zeven jaar bedraagt.

Democratieën worden bestuurd door middel van crisismanagement. Ernstige problemen worden vaak niet aangepakt totdat ze wel móéten worden aangepakt, en zoals Karl-Heinz Florenz in zijn uitstekende verslag opmerkt, moeten we de broeikasgasemissies niet met twintig procent, maar mogelijk met wel veertig procent terugdringen, afhankelijk van de afspraken die volgend jaar in Kopenhagen met derde landen kunnen worden gemaakt.

Er komen positieve signalen uit de andere grote vervuilende landen, China en de Verenigde Staten. Peking heeft tijdens de VN-Top op Bali een nieuwe bereidheid getoond om te onderhandelen en alle drie de presidentskandidaten in de Verenigde Staten willen de klimaatverandering aanpakken. In afwezigheid van verder bewijs en met de middelen die we tot onze beschikking hebben moeten wij het pakket maatregelen van de Commissie goedkeuren, en ik prijs het werk dat mijn collega’s Lena Ek, Chris Davis en Vittorio Prodi op dit gebied hebben verricht.

Ook moeten we onze inspanningen op het gebied van schone energie verdubbelen – en het verbazingwekkende is dit: we weten hoe. Elektriciteit opwekken uit de woestijnzon, als aanvulling op de hernieuwbare energiebronnen die we hier in Europa hebben, kan de terugdringing van de hoeveelheid CO2-emissies in één klap versnellen. Uit op satellietgegevens gebaseerde studies van het Duitse lucht- en ruimtevaartcentrum blijkt dat als we minder dan 0,3 procent van het woestijngebied van het Midden-Oosten en Noord-Afrika gebruiken, er genoeg elektriciteit met een hoog voltage kan worden gegenereerd om aan de huidige en toekomstige vraag in Europa, het Midden-Oosten en Noord-Afrika te voldoen. Het is niet zo moeilijk. In Californië wordt het al twintig jaar gedaan. En in Spanje en Marokko worden op dit moment installaties gebouwd met hetzelfde doel.

Als we politieke wil, de vastberadenheid, de moed en het lef kunnen opbrengen, kunnen we de overstap van olie maken en tegelijkertijd banen scheppen, voor drinkwater zorgen en een betere infrastructuur creëren voor degenen die de volle laag van de klimaatverandering zullen krijgen. We kunnen de klimaatverandering bestrijden zonder dat we het licht hoeven uit te doen.

Ons doel moet zijn om de daad bij het woord te voegen. We moeten geld investeren in de opwekking van elektriciteit met een hoog voltage uit thermische zonne-energie en om dit mogelijk te maken moeten we investeren in politiek kapitaal, in de menselijke relaties in het hele Middellandse Zeegebied. Betere munitie voor de onderhandelingen met de VN, om een vooruitstrevende internationale overeenkomst te krijgen in Kopenhagen, hadden we niet kunnen vinden.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Rebecca Harms, namens de Verts/ALE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik wil Karl-Heinz Florenz bedanken voor de uitstekende samenwerking in de Tijdelijke Commissie klimaatverandering. Als we het verslag-Florenz nemen en zeggen: “Dit is de stand van zaken in het klimaatdebat in het Europees Parlement” zouden we kunnen zeggen dat er een aangenaam “klimaat” bestaat onder de leden van het Europees Parlement, ware het niet dat er – zoals bij de beroemde Zware Jongens uit Donald Duck, die we in het Duits de “Tankslopers” noemen – op hetzelfde moment en op dezelfde plaats een heel andere agenda wordt nagestreefd!

Helaas zijn er in het Europees Parlement naast de Tijdelijke Commissie klimaatverandering nog andere commissies die zich bezighouden met het klimaatbeleid: de Commissie industrie, onderzoek en energie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie ontwikkelingssamenwerking. In deze commissies komen onze collega’s vaak tot heel andere conclusies en wordt niet geconcludeerd dat we aan de vooravond van een “groene” revolutie staan, een tweede of derde industriële revolutie.

Laten we de controverse over de regulering van de CO2-emissies als voorbeeld nemen. Wat de heer Langen, de rapporteur voor de Commissie industrie, onderzoek en energie naar voren brengt, heeft niets te maken met een ambitieus klimaatbeleid of het waarborgen van energiezekerheid door het gebruik van efficiënte technologieën, wat wij de Europese auto-industrie voorschrijven. Die ambitieuze nieuwe dageraad die de heer Dimas voorstaat, is de afgelopen anderhalf jaar stelselmatig geblokkeerd door verschillende meerderheden in het Europees Parlement.

Ik zou graag willen weten wat er in deze controverse over auto’s is gebeurd met de geest van het bredere klimaatdebat. Het is niet mijn fractie die hier het boetekleed moet aantrekken: degenen die hier op de rem trappen zijn afkomstig uit alle andere fracties in dit Huis.

Ik wil nog een andere opmerking maken: de emissiehandel zal een belangrijk punt worden in Poznań en Kopenhagen. De Commissie moet ervoor zorgen dat we in Europa een reductie met twintig procent verwezenlijken. Dat was het voorstel van Angela Merkel toen Duitsland voorzitter van de Raad was, maar op het moment dat de Commissie met haar voorstel voor de emissiehandel komt, komen bepaalde leden onmiddellijk in actie, alsof ze de parlementaire arm van de industriële lobby in Europa zijn, met als resultaat dat de onderhandelingen niet gaan over het bereiken van ambitieuze doelstellingen met betrekking tot het terugdringen van de emissies, maar op het verkrijgen van uitzonderingen nog voordat de regels zijn vastgesteld.

Het verslag van de heer Florenz is een goed verslag. Het

blijft echter een feit dat de stemming van vandaag niets te maken heeft met de werkelijkheid van het klimaatbeleid in het Europees Parlement.

 
  
MPphoto
 
 

  Liam Aylward, namens de UEN-Fractie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil me aansluiten bij de felicitaties aan het adres van de heer Florenz en opmerken hoe gelukkig we moeten zijn dat een man met deze capaciteiten dit debat leidt. Ik wil hem complimenteren met wat hij tot nu toe heeft geproduceerd. We worden er vaak van beschuldigd dat we in deze instelling ver van de burger afstaan en dat er een kloof tussen ons en onze kiezers bestaat, maar in dit geval werkt de EU voor haar burgers. Het is geen toeval dat 95 procent van de Europese burgers vindt dat het belangrijk is om het milieu te beschermen. Meer dan tweederde vindt dat beleid voor de bestrijding van de klimaatverandering moet worden geïnitieerd op Europees niveau.

Mijn land, dat een klein eiland is, kan de klimaatverandering niet alleen tegenhouden. Dit geldt voor elk land. In het Hervormingsverdrag, dat op dit moment in mijn land een prominent onderwerp van debat is, heeft de Europese Unie maatregelen opgenomen waarmee de 27 lidstaten samen de klimaatverandering moeten bestrijden. Afgelopen december heeft de Europese Unie op constructieve wijze voor een doorbraak gezorgd bij het bereiken van de VN-overeenkomst van Bali, en nu erkennen alle partijen dat er dringend actie moet worden ondernomen.

We moeten de problemen onder ogen zien; het wetenschappelijke bewijs is inmiddels overweldigend. De klimaatverandering is een ernstige bedreiging voor de wereld, die ons geld gaat kosten. Zijn we serieus bereid om niet alleen ons klimaat en onze planeet op te offeren, maar ook onze economieën? Als we niets blijven doen zal ons dat uiteindelijk een vijfde van ons jaarlijkse bruto nationaal product gaan kosten, terwijl dat bij het ondernemen van wezenlijke actie één procent is.

Zijn we bereid om met ons klimaat het punt te passeren waarop herstel niet meer mogelijk is? De wetenschappers vertellen ons dat het afgelopen decennium het warmste decennium ooit, en 2007 een van de tien warmste jaren ooit was, dat wil zeggen sinds het begin van de registraties. Laten we niet vergeten wat we in Bali hebben bereikt en welke doelstellingen we daar hebben geformuleerd. We moeten blijven werken aan een routekaart van samenhangende oplossingen om op basis van een flexibele opstelling van de lidstaten de bedreiging van de klimaatverandering af te wenden.

 
  
MPphoto
 
 

  Jens Holm, namens de GUE/NGL-Fractie. – (SV) De inhoud van dit verslag is correct, maar ik had graag iets meer gelezen over concrete maatregelen om de klimaatverandering te bestrijden. Ondanks dat heeft dit verslag uiteraard de volledige steun van de GUE/NGL-Fractie.

In het verslag lezen we dat de wereldwijde uitstoot tussen 1970 en 2004 met zeventig procent is toegenomen, dat het afgelopen decennium het warmste decennium ooit was en dat we op weg zijn naar verschillende omslagpunten, bijvoorbeeld het wegsmelten van de ijslaag in Groenland. Daarom willen wij dat de EU haar emissies tegen 2050 met zestig tot tachtig procent heeft verminderd. We willen dat consumentenartikelen een klimaatlabel krijgen en dat er maatregelen worden genomen om de omvangrijke emissies tegen te gaan die de EU genereert via de invoer van producten uit derde landen. Ook pleiten wij voor een verandering van onze manier van leven.

Dat zijn allemaal goede voorstellen, maar we moeten het de mensen ook gemakkelijker maken om op klimaatvriendelijkere manieren te leven. We moeten bijvoorbeeld minder vlees eten en minder met de auto en het vliegtuig reizen. Jammer genoeg subsidieert de EU de vleesindustrie met grote bedragen. En al even jammer is het dat de EU de aanleg van autowegen subsidieert, wat alleen maar leidt tot nog meer autoverkeer. Onze maatregelen om het vliegen tegen te gaan zijn ook niet adequaat. Als wij politici geen duurzame systemen creëren, zijn we niet geloofwaardig wanneer we de burgers vragen om hun manier van leven te veranderen.

Zoals ik heb gezegd moeten we meer doen. We moeten concrete maatregelen nemen om veranderingen teweeg te brengen en de doelstellingen voor de reductie van broeikasgassen moeten worden aangescherpt. Ook moeten we kritisch naar onszelf kijken en vragen stellen bij de economische orde die in de EU heerst. De EU wil ten slotte de interne markt voltooien en permanente groei bereiken. Dat leidt alleen maar tot meer vervoer, en dat is niet duurzaam.

 
  
MPphoto
 
 

  Johannes Blokland, namens de IND/DEM-Fractie. (NL) Ik bedank allereerst de rapporteur, Karl-Heinz Florenz, voor het gedegen interim-verslag dat vandaag voor ons ligt. Het is een goede zaak om alle relevante wetenschappelijke informatie op het gebied van klimaatverandering in dit verslag te hebben verzameld. Dat kan dan dienen als een goede opstap naar het eindverslag van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering. Inhoudelijk heb ik daar niets meer aan toe te voegen en daarom heb ik ook geen amendementen meer ingediend.

Er is al veel kennis over klimaatverandering, maar er is nog heel veel extra studie nodig omdat vele parameters nog onbekend zijn. In dit verslag wordt actief ingezet op die aanvullende studies.

De amendementen van onder meer collega Březina kan ik niet steunen, voor zover zij al toelaatbaar zijn. Ten aanzien van de amendementen van collega Doyle en anderen zal ik de opvatting van de rapporteur volgen. Tot slot wil ik collega Florenz sterkte toewensen bij het opstellen van het eindverslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Jana Bobošíková (NI).(CS) Mijnheer de Voorzitter, het verslag waarover we vandaag debatteren is een symbool van de arrogantie en de alomtegenwoordige blindheid in het Parlement. Het verslag komt gevaarlijk dichtbij het onderdrukken van de vrijheid, de democratie en de solidariteit met de zwaksten in de samenleving. Wat betreft de vrijheid om te denken wat je wilt, is er niets ergers dan erop hameren dat alleen de mening van wetenschappers ertoe doet en dat andere ideeën verkeerd zijn. Wat betreft de democratie is er niets ergers dan de politieke zege geven aan die mening en op basis daarvan proberen de levens van mensen te controleren. Wat betreft de solidariteit met de zwaksten is er niets ergers dan voedsel in de tanks van auto’s stoppen en mensen zien omkomen van de honger. Zulk beleid zal de planeet niet redden. De enige winnaars zullen de producenten van gesubsidieerde raapzaad en fabrikanten van onderdelen van windmolens zijn. Gezien het feit dat in het verslag geprobeerd wordt om een gedachtewisseling hierover te onderdrukken, gedicteerd wordt wat de wetenschappelijke bevindingen moeten zijn en de behoeften van de armsten in de samenleving over het hoofd worden gezien, kan ik op geen enkele wijze mijn steun geven aan dit verslag. Ik ben van mening dat de Tijdelijke Commissie klimaatverandering onmiddellijk moet worden opgeheven. Concluderend wil ik opmerken dat ik uit Tsjechië kom en dat ik met trots kan zeggen dat president Václav Klaus, in tegenstelling tot wat gezegd kan worden van andere politici, zijn hoofd koel houdt en dat zijn hersenen niet groen worden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Dank u, mevrouw Bobošíková. Ik zal in de toekomst beter mijn best doen om uw naam goed uit te spreken. Ik denk dat we allemaal een leercurve hebben, niet alleen de Voorzitter, maar de geachte afgevaardigde ongetwijfeld ook. Dank u, mevrouw.

 
  
MPphoto
 
 

  Cristina Gutiérrez-Cortines (PPE-DE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil Karl-Heinz Florenz en de hele werkgroep bedanken voor het inschakelen van zulke topwetenschappers bij de werkzaamheden op dit terrein. Ik denk dat dit de eerste keer is geweest dat wetenschappers hebben samengewerkt met leden van dit Huis. Dat is een positief punt dat niet zomaar mag worden genegeerd, omdat het duidelijk is, zoals de wetenschappers hebben verklaard, dat er veel onzekerheden bestaan over de vorm waarin de klimaatverandering zich zal voordoen. Met andere woorden: de wetenschap gaat vooruit en de wetenschappelijke opvattingen veranderen gaandeweg, waardoor we deze niet als absolute waarheden mogen beschouwen. Wat betekent dat? Dat betekent dat als wetenschappers in hun werk voortdurend bezig zijn hun bevindingen bij te stellen en wij hen daarin volgen, ook wij flexibel moeten zijn en we onze oplossingen moeten aanpassen aan de veranderde kennis.

Deze symmetrie tussen de almaar toenemende kennis en onze eigen flexibiliteit is van groot belang. Een van mijn zorgen is daarom het enorme vertrouwen dat wij in Europa in onszelf hebben. Twijfel en onzekerheid vormen de basis van de wetenschap en in dit geval van het stellen van de juiste diagnose. Ik denk dat we ons bewust moeten zijn van het feit dat er andere landen kunnen zijn, landen waarop wij kritiek hebben, die op bepaalde gebieden de juiste keuzes maken.

Ik zeg dit, en ik moet herhalen dat ik het project steun, omdat ik van mening ben dat de begrippen complexiteit en impact een rol moeten spelen in de discussie, en dat is het gevolg van de wat er met de biobrandstoffen is gebeurd. Ook moeten we zeer gedisciplineerd te werk gaan als het gaat om de impact op het milieu, de economische impact en de haalbaarheid van de oplossingen.

Maar omdat het niet het doel van dit document is om oplossingen aan te dragen, blijf ik het steunen. Toch wil ik zeggen dat we een gecombineerd beleid moeten implementeren en dat het document in de tweede fase een stap vooruit moet zetten, met besluiten die boven nationaal niveau moeten worden genomen, zonder het feit te negeren dat de klimaatverandering een probleem is dat moet worden opgelost door middel van aanpassingen op lokaal niveau.

Daarom moeten we beginnen na te denken over een beleid van brede kennis over de klimaatverandering van bovenaf en uitvoering van onderaf, in de industrie, in economische sectoren, in de landbouw, op onze verschillende grondgebieden, om elk land in staat te stellen om in lijn met het algemene project zijn eigen project te ontwikkelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Guido Sacconi (PSE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ook ik wil me natuurlijk aansluiten bij mijn collega-afgevaardigden die hun dank en waardering hebben uitgesproken voor het werk van onze rapporteur, Karl-Heinz Florenz. Ook wil ik, op informele wijze, alle afgevaardigden en politieke fracties bedanken die dit jaar intensief voor de Tijdelijke Commissie klimaatverandering hebben gewerkt en nog werken. De commissie heeft een sterk, solide klimaat van eenheid geschapen dat de randgebieden, waar de meningen uiteenlopen, overstijgt, al zijn die er desondanks ook.

Dat is voor mij een reden voor hoop, omdat een samenvatting van al het materiaal dat we al hebben verzameld en het materiaal dat we voor het definitieve verslag aan het verzamelen zijn in wording is, waardoor onze nalatenschap aan het volgende Parlement gezond is en dat volgende Parlement die nalatenschap kan gebruiken om het werk te doen dat het moet doen, in overeenstemming met de overkoepelende visie die op dit gebied zo noodzakelijk is.

Wat we vandaag voor ons hebben liggen is het eerste hoofdstuk, het vastleggen van de wetenschappelijke kennis die er op dit moment op dit gebied bestaat. Daarbij moeten we heel duidelijk stellen dat dit niet betekent dat het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC) een wetenschappelijke instantie is. Maar het is wel een forum waar na jarenlang werk alle wetenschappelijke literatuur over het onderwerp is bestudeerd en een samenvatting, een audit is gemaakt die op verschillende gebieden hoge niveaus van waarschijnlijkheid heeft bereikt, evenals verschillende beoordelingen die heel snel bijna de honderd procent hebben bereikt, wat denk ik een ongekende situatie is in de geschiedenis van de wetenschap.

Dit is ook van belang in een breder perspectief: het kan worden gezien als een soort model voor het leggen van intelligente verbanden, als ik het zo mag uitdrukken, tussen wetenschappelijke kennis en politieke besluitvorming bij de buitengewoon complexe problemen waarmee de wereld tegenwoordig te maken heeft.

De klimaatverandering voltrekt zich daadwerkelijk, en wel in een hoog tempo, waardoor we snel actie moeten ondernemen. En zoals Karl-Heinz Florenz terecht heeft gezegd, is het niet alleen een probleem, maar ook een kans. Op basis van precies deze kennis is binnen een jaar, commissaris Dimas, ook het mondiale politieke klimaat veranderd. Er is meer gebeurd dan alleen de opwarming van de aarde. Het mondiale politieke klimaat is veranderd, wat is geculmineerd in het feit dat op Bali iedereen de geldigheid van het IPCC-onderzoek heeft erkend en dat we in de afgelopen maanden zeer belangrijke veranderingen in de standpunten van bepaalde leiders hebben gezien.

Een deel van ons werk bracht ook diverse bezoeken aan China, India en onlangs aan Washington in de Verenigde Staten met zich mee. Daarbij hebben we kunnen constateren wat u hebt opgemerkt en wat de presidentskandidaten duidelijk hebben verklaard, namelijk dat in de Verenigde Staten de komende maanden een heel andere toon zal klinken, wat veel hoop biedt voor de internationale onderhandelingen die in 2009 in Kopenhagen moeten worden afgerond.

Ik ben het op dat punt met u eens en we boeken resultaten die een jaar geleden nog ondenkbaar waren.

 
  
MPphoto
 
 

  Vittorio Prodi (ALDE).(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, dank u, commissaris, dat u hier nog steeds bent. Als wetenschapper kan ik alleen maar blij zijn met het feit dat de wetenschappelijke visie eindelijk is geaccepteerd en erkend, zelfs in hoge politieke organen als het Europees Parlement. Als vicevoorzitter van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering ben ik tevreden met het eerste resultaat van het gezamenlijke werk, en ik feliciteer de rapporteur, de heer Florenz, de collega’s en voorzitter Sacconi.

Persoonlijk vrees ik echter dat al onze goodwill niet voldoende zal zijn om de ernstige problemen waar we mee te kampen hebben op te lossen. Ik denk daarbij met name aan de catastrofale gevolgen die de klimaatverandering volgens de voorspellingen zal hebben voor problemen die nu al heel groot zijn, zoals de armoede, volksgezondheidsproblemen en de toegang tot natuurlijke hulpbronnen, in het bijzonder tot water. Ik denk dat nu de eerste stap van deze ontdekkingsreis in dit verschijnsel eenmaal is gezet, te weten het opstellen van dit eerste verslag over de wetenschappelijke bewijzen, we er naar alle waarschijnlijkheid voor zullen kiezen om deze “mission impossible” op ons te nemen.

Deze missie zal erin bestaan om redenen voor hoop te bieden, om met haalbare plannen te komen voor een toekomst die niet alleen op conflicten en ongelijkheid is gebouwd en om een visie te ontwikkelen waarbij de wetenschap ons helpt om de onevenwichtigheden die de mens heeft gecreëerd, of heeft helpen creëren, uit de weg te ruimen. Wat we onze medeburgers moeten vertellen is dit: we zullen deze missie op ons nemen en dat zal een sprong voorwaarts voor de mensheid betekenen.

 
  
  

VOORZITTER: ALEJO VIDAL-QUADRAS
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Caroline Lucas (Verts/ALE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, op het eerste gezicht lijkt dit een technisch verslag waarin eenvoudigweg een overzicht van de beschikbare wetenschappelijke kennis wordt gegeven. Maar vergis u niet, dit is een ook zeer politiek verslag en het is een oproep tot actie, want dit verslag laat duidelijk zien dat we er een totale revolutie nodig is in de manier waarop we onze economieën leiden.

Kennis brengt verantwoordelijkheid met zich mee, en weten wat we weten over de realiteiten van de klimaatverandering en dan toch niet op een passende manier actie ondernemen zou niet minder dan een misdaad tegen toekomstige generaties zijn.

Dus de logica van het verslag is dat de doelstelling van de EU om de emissies met twintig procent terug te dringen simpelweg niet aansluit bij wat de wetenschap over twee graden zegt; dat we daarom nu unilateraal moeten besluiten om de emissies binnen de EU met ten minste dertig procent te verminderen; dat we onze doelstelling moeten aanpassen aan de nieuwe feiten – vorige maand nog heeft een leidende klimaatwetenschapper, James Hansen, gewaarschuwd dat de huidige doelstellingen veel te laag zijn en dat we veel meer middelen moeten uittrekken voor steun aan ontwikkelingslanden bij het zich aanpassen aan de klimaatverandering, waarbij alle inkomsten uit de veilingen in het kader van het emissiehandelssysteem geoormerkt moeten worden voor maatregelen om de klimaatverandering te bestrijden.

Het goede nieuws is dat de EU zich in een unieke positie bevindt om de leiding te nemen in de bestrijding van de klimaatverandering en dat we zullen zien, als we die handschoen oppakken, dat onze instellingen nieuwe energie zullen krijgen en dat de EU weer aansluiting vindt bij de burgers die ze verondersteld wordt te vertegenwoordigen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogdan Pęk (UEN).(PL) Mijnheer de Voorzitter, ik luister nu al enige tijd geschrokken naar alle pseudo-wetenschappelijke argumenten die in het hart van Europa naar voren worden gebracht. Ik heb het over de voordrachten die in dit Huis zijn gehouden, het centrum waarvanuit op wetenschappelijk bewijs gebaseerde wijsheid over de hele wereld moet worden verspreid. Maar in werkelijkheid zijn er evenveel wetenschappers die stellen dat we de klimaatverandering met de middelen waarover we op dit moment beschikken niet kunnen beïnvloeden dan er wetenschappers zijn die zeggen dat we dat wel kunnen.

Stelt u zich een minuutje voor dat de eerste groep gelijk heeft, dames en heren. Als dat het geval is en we enorme hoeveelheden geld aan de zogenaamde klimaatverandering gaan uitgeven, wat van invloed zal zijn op het welzijn van de mensheid, vooral in Europa, dan veroordelen we de naties van Europa tot een scherpe terugval ten opzichte van andere naties die zich ondertussen sneller zullen ontwikkelen.

Ik kan het Huis verzekeren dat de voorzitter van de parlementaire commissie alleen de opvattingen van een bepaalde groep wetenschappers in aanmerking neemt, en als commissaris Dimas zich niet op al het bekende wetenschappelijk werk over dit onderwerp baseert, zal ik in de meest krachtige bewoordingen protesteren. En dat zal ik doen omdat actie op dit gebied alleen en uitsluitend mag worden ondernomen op basis van afdoende wetenschappelijk bewijs.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberto Musacchio (GUE/NGL).(IT) Mijnheer de Voorzitter, collega’s, mijn grote dank gaat uit naar de rapporteur, de heer Florenz, omdat hij hard heeft gewerkt en verschillende maanden werk van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering onder het voorzitterschap van de Guido Sacconi heeft geanalyseerd. Het cruciale politieke punt waardoor ik me achter het verslag-Florenz kan scharen is het accepteren van de conclusies van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC), en daarmee van de VN en de richtsnoeren van de conferentie van Bali. Ik heb het hier dus niet alleen over wetenschap, maar ook over democratie; het is een forum voor mondiale democratie.

Het probleem waar we voor staan is dat als Europa een geloofwaardige drijvende kracht achter de opvolger van de overeenkomst van Kyoto wil zijn, we ons eigen huis op orde moeten hebben. Het voorgestelde pakket maatregelen moet binnen een bepaalde periode worden aangenomen en moet in overeenstemming zijn met de afspraken die in Bali zijn gemaakt. Met andere woorden: het pakket moet de in Bali gemaakt afspraken eerbiedigen en daarnaast transparant, uitvoerbaar en controleerbaar zijn.

Het is essentieel dat we geen uitzonderingen en derogaties toestaan die onze geloofwaardigheid in Europa en in de betrekkingen met anderen aantasten. We moeten gerommel door lidstaten en het bedrijfsleven voorkomen. Met andere woorden: we moeten dit serieus aanpakken!

 
  
MPphoto
 
 

  Graham Booth (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het eens met de heer Pęk. Veel eminente wetenschappers uit de hele wereld hebben op 4 maart van dit jaar de Verklaring van Manhattan ondertekend. Daarin wordt onder andere verklaard dat “er geen overtuigend bewijs is dat de uitstoot van CO2 als gevolg van moderne industriële activiteiten in het verleden, nu of in de toekomst de oorzaak is geweest, is of zal zijn van een catastrofale klimaatverandering”. Vorige week hebben nog 31 000 andere wetenschappers die opvatting onderschreven in de Oregon-petitie.

Dit is niet langer een zeldzame dissidente opvatting, en Nigel Lawson, een lid van de commissie klimaatverandering van het Britse House of Lords, is ook van mening dat het debat niet voorbij is. Voordat we onszelf enorme kosten opleggen in de vorm van klimaatbelasting, CO2-handel, enzovoort, terwijl we tegelijkertijd worden gewaarschuwd voor een wereldwijde recessie, moeten we naar beide partijen in het debat luisteren en zeker weten wie er gelijk heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Roger Helmer (NI). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, voor één keer kom ik naar dit Huis met goed nieuws: de opwarming van de aarde is gestopt. 1998 was het warmste jaar ooit. De afgelopen tien jaar is de mondiale temperatuur gelijk gebleven of gedaald. De recente bescheiden opwarming is vergelijkbaar met die in de warme periode in de Middeleeuwen, die van daarvoor, tijdens het hoogtepunt van het Romeinse Rijk, en die van dáárvoor, tijdens het hoogtepunt van het Holoceen.

De temperaturen liggen nu onder de maxima van de afgelopen tweeduizend jaar. De twijfels over de rol van CO2 nemen toe. Sinds 1850 bestaat er een sterke correlatie tussen de gemiddelde temperaturen en de zonnecycli, maar een zwakke correlatie met de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer. Het patroon van de opwarming, zowel geografisch als in de tijd, verschilt sterk van de patronen die door computermodellen worden voorspeld.

De modellen voor het broeikaseffect voorspellen een maximale opwarming in de hoge atmosfeer, maar uit de waarnemingen blijkt dat de beperkte opwarming die er is aan de oppervlakte optreedt en grotendeels het gevolg is van het stedelijkewarmte-eiland-effect.

Het broeikaseffect van CO2 is logaritmisch. Met andere woorden: het is de wet van de afnemende opbrengsten. De atmosfeer is al verzadigd met CO2 en het broeikaseffect van verdere emissies zal beperkt zijn.

De zeespiegel stijgt niet sneller dan hij altijd is gestegen, met vijftien tot twintig centimeter per eeuw; de hoeveelheid ijsmassa blijft wereldwijd min of meer gelijk; ernstige weersomstandigheden komen niet frequenter voor dan ze altijd al voorkwamen; het uitsterven van soorten wordt niet veroorzaakt door de opwarming van de aarde, maar door het verloren gaan van habitats, en vooral door de toegenomen productie van biobrandstoffen. Uit recente studies blijkt dat het heel goed gaat met de ijsbeer.

De hysterie over het klimaat komt steeds verder af te staan van de werkelijkheid. We moeten ons beleid heroverwegen voordat er nog meer schade wordt aangericht.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Markus Pieper (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, mevrouw Harms, het slopen van tanks is vanuit pacifistisch oogpunt juist positief! De wetenschappelijke feiten zijn bekend: de klimaatverandering waarvan we op dit moment getuige zijn heeft veel te maken met menselijke activiteiten. In dat opzicht zijn de resultaten van de Tijdelijke Commissie daarom voorbeeldig.

Wat mij echter verontrust in dit verslag is de dreigende ondertoon. Het verontrust me dat er absoluut geen ruimte wordt gegeven aan afwijkende wetenschappelijke opvattingen. Altijd wanneer de politiek beweert onfeilbaar te zijn, zit ze ergens naast. In het verslag wordt gesproken over temperatuurstijgingen zonder weerga en wordt gezegd dat het uitsterven van soorten in zeventig procent van de gevallen wordt veroorzaakt door de klimaatverandering. Ook wordt in het verslag gezegd dat bijna elke regio in de wereld negatieve effecten van de klimaatverandering zal ondervinden. Deze beweringen zijn gebaseerd op voorspellingen van langetermijnmodellen, maar kunnen niet op simplistische wijze uitsluitend aan door de mens veroorzaakte klimaatveranderingen worden toegeschreven.

Tegen deze achtergrond denk ik dat het een schandaal voor ons Parlement is dat de door de heer Březina ingediende amendementen, waarin aandacht voor deze situatie wordt gevraagd, ontoelaatbaar zijn verklaard. Mijnheer de Voorzitter, ik wil u specifiek vragen om amendement 15 toelaatbaar te verklaren. De bescherming van het milieu wordt niet gediend door het onderdrukken van bepaalde opvattingen met behulp van administratieve procedures. Een overdreven bedreiging zal tot beleidsmaatregelen leiden die op hun beurt weer een verwrongen kijk op onze politieke prioriteiten in de hand zal werken. Een voorbeeld daarvan is de stelling dat de klimaatverandering een prioriteit moet worden in de ontwikkelingssamenwerking. Maar aids, ondervoeding, malaria en aardbevingen zijn op dit moment veel belangrijkere problemen, en daar moet we onze politieke middelen aan besteden.

Ook in Europa heeft het debat over de klimaatverandering een dimensie bereikt die de sociale verworvenheden in gevaar brengt. Een gezin in Duitsland betaalt nu al meer dan 40 procent van de elektriciteitsprijs aan de staat, en aan de benzinepomp is dat tussen de 55 tot 78 procent. En door het nieuwe emissiehandelssysteem zullen de elektriciteitsprijzen met nog eens 30 procent stijgen.

Ik pleit voor een rationele benadering van de klimaatverandering, zodat we oplossingen kunnen vinden die in economisch en sociaal opzicht met elkaar te verenigen zijn. De amendementen van de heer Březina bieden daar een aantal aanknopingspunten voor, en ik verzoek u ze te steunen.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Dorette Corbey (PSE).(NL) Mijn dank aan collega Karl-Heinz Florenz. Hij heeft een uitstekend verslag afgeleverd. Het debat over klimaatverandering is zeer emotioneel en dat is natuurlijk ook terecht. Wij moeten vandaag echter een nuchtere benadering kiezen. De komende maanden zullen wij ons intensief met klimaatverandering bezighouden en er staan heel ambitieuze maatregelen op de agenda.

Er is alle belang bij dat Europa zich geloofwaardig toont vóór Kopenhagen en overeenstemming bereikt over het klimaatpakket. Dat kan alleen als wij een gemeenschappelijke basis hebben en die basis is de wetenschap. Het is de verdienste van Karl-Heinz Florenz dat hij de wetenschappelijke consensus heeft verwoord. Uitgangspunt voor ons beleid zijn de bevindingen van het IPCC. In het IPCC werken duizenden wetenschappers samen. Dat de aarde opwarmt is een feit en dat deze opwarming voor een deel wordt veroorzaakt door menselijk handelen, is óók een feit. Om de klimaatverandering binnen de perken te houden moeten wij vóór 2050 de uitstoot van broeikasgassen met 60 procent tot 80 procent terugdringen. Collega’s, dat is geen gemakkelijke opgave. De belangen zijn groot. Natuurlijk is er veel winst en werkgelegenheid te halen met schone productie en het is ook goed dat wij op deze manier een eind maken aan onze olieverslaving en de wereld van de duurzame energie binnenstappen. Maar de overgang naar een CO2-arme economie is niet gemakkelijk.

Daarom zijn er twee zaken van belang. Allereerst: de wetenschap moet de basis zijn voor het beleid. En dat betekent niet, collega Pieper, dat de consensus binnen het IPCC een in steen gebeitelde waarheid is. Wij mogen van het IPCC verwachten dat het openstaat voor kritiek en voor onderbouwde argumenten van de sceptici, want dat helpt de wetenschap vooruit en daarom steunt onze fractie paragraaf 10 volledig.

Tweede punt is dat er blijvende publieke steun nodig is. Om publieke steun voor stevige maatregelen mogelijk te maken vragen wij om een vertaling van de wetenschappelijke uitgangspunten naar een voor het publiek toegankelijke brochure, zodat iedereen kennis kan nemen van de uitdagingen waarvoor wij staan. Zo kunnen wij gezamenlijk deze uitdagingen aangaan. Ik verwacht dat het verslag van collega Florenz ons de basis biedt om gezamenlijk verder te gaan en vóór 2009 een goed beleid neer te zetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lena Ek (ALDE). - (SV) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil Karl-Heinz Florenz feliciteren met een uitstekend verslag. Ik wil erop wijzen dat dit verslag politiek en symbolisch van groot belang is, wat niet in de laatste plaats blijkt uit het feit dat de leiders van de drie grote politieke fracties het debat hebben geopend.

We zijn het allemaal eens met de inhoud van het verslag-Florenz. Ook is het verslag in een zodanige stijl geschreven dat gewone Europeanen de tekst kunnen lezen en begrijpen. De duidelijke en leerzame presentatie ervan is een ander positief aspect dat ik hier wil noemen.

Er zijn echter wel een aantal problemen waarover we moeten debatteren. Ik dring er bij u op aan om de amendementen met betrekking tot de zeespiegel en de stijging van de temperatuur van het oppervlaktewater van de zee met 1,5 graad te steunen. We moeten ook naar de volksgezondheid kijken. Dat onderwerp zal in het volgende verslag aan de orde komen. Ik verwacht dat er op dat gebied enkele goede ideeën naar voren zullen worden gebracht. Wij als afgevaardigden hebben nu de kans om te laten we zien dat we deze problemen serieus willen aanpakken. Avril Doyle en ik zijn allebei rapporteur voor de handel in emissierechten. Als iedereen meent wat hij of zij hier vandaag heeft gezegd, verwachten we krachtige steun voor de voorstellen die we vandaag in de verschillende commissies van het Parlement zullen doen.

Tot slot wil ik erop wijzen dat we ons midden in de voorbereidingen voor de Kopenhagen-conferentie bevinden. De werkzaamheden daarvoor moeten totaal anders worden uitgevoerd, namelijk door samenwerking tussen het Parlement, de Raad en de Commissie en samen met de ontwikkelingslanden. We hebben nog maar achttien maanden te gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ook ik wil de heer Florenz feliciteren met zijn verslag. Het is heel goed dat het verslag is gebaseerd op de wetenschappelijke bevindingen van het bevoegde VN-panel en dat in het verslag wordt gewezen op de noodzaak van meer en betere voorlichting aan burgers.

Dames en heren, commissaris, we moeten die bevindingen echter omzetten in actie. We moeten ons beleid aanpassen aan de maatregelen die door de wetenschap worden voorgesteld. We moeten schonere brandstoffen en schonere auto’s krijgen. We weten welke strijd u voert, commissaris, ook binnen de Commissie, tegen lobby’s en belangen die de inspanningen van de EU om een wereldleider op het gebied van de klimaatverandering te worden ondergraven. De grote meerderheid van het Europees Parlement is een bondgenoot. Het Parlement zal een ambitieuzer beleid van de Commissie en de regeringen steunen omdat het menselijk leven en de bescherming van het milieu van veel groter belang zijn dan bepaalde zakelijke belangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jerzy Buzek (PPE-DE).(PL) Mijnheer de Voorzitter, ik ben niet de eerste die de rapporteur feliciteert met zijn voortreffelijke verslag. De internationale gemeenschap heeft recentelijk het document van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC) ontvangen, dat een uitgebreide wetenschappelijke studie naar de opwarming van de aarde bevat. We noemen dat in ons verslag en in onze resolutie. De meeste onderzoekers hebben de inhoud van dit document, het vierde beoordelingsverslag van het IPCC, onderschreven. Ook de meerderheid van de regeringen van de 110 landen die in het panel zijn vertegenwoordigd heeft dat gedaan. Toch zijn er stemmen opgegaan die de geldigheid van dit document in twijfel trekken, ook in dit Huis. Het is daarom passend om te beginnen met een beoordeling van de controverse.

In de eerste plaats is vrijwel iedereen het er inmiddels over eens dat de opwarming van de aarde een feit is, ook al is het in een enkele uithoek van de planeet toevallig kouder dan in het verleden. Dankzij onder andere het IPCC-verslag lijkt er nu consensus te zijn over het feit dat de opwarming van de aarde bestaat. Daarom hoeven we niet langer te zeggen dat we door de stijging van de temperatuur rechtstreeks op de Apocalyps afstevenen. Daar staat tegenover dat het zeker nodig blijft om de oorzaak van de temperatuurstijging uit te leggen en te bewijzen.

Ik wil het Huis vragen om goed te beseffen dat de meeste wetenschappers die dit probleem serieus hebben onderzocht van mening zijn dat de opwarming van de aarde grotendeels te wijten is aan de mens. Dat geldt met name voor de uitstoot van broeikasgassen. Het zou nuttig zijn om deze theorie verder te documenteren en meer bewijzen te vinden. Het onderzoek naar de oorzaken van de opwarming van de aarde moet natuurlijk doorgaan, en dit moet de belangrijkste conclusie van onze beraadslagingen zijn.

Dat neemt niet weg dat we in gedachten moeten houden dat door de mens geproduceerde broeikasgassen zeer waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van de opwarming van de aarde zijn, en daarom moet er actie worden ondernomen. Dat is de reden waarom de Europese Unie de rol van wereldleider bij het terugdringen van de emissies op zich heeft genomen. En dat is ook de reden waarom het voor ons Europeanen erg belangrijk om in Poznań en Kopenhagen een mondiale overeenkomst over dit onderwerp te bereiken. We kunnen de planeet nu eenmaal niet in ons eentje redden. Als we nu niet doorzetten, zou dat onvergeeflijk zijn. We mogen onze verantwoordelijkheid tegenover de beschaving niet uit de weg gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Riitta Myller (PSE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, er zijn voldoende alom wetenschappelijk bewijzen voor de klimaatverandering en er bestaan geen serieuze wetenschappelijke twijfels meer over het feit dat de mens de oorzaak is van de huidige trend dat de aarde opwarmt. Dat is wat de heer Florenz zegt aan het begin van zijn conclusies. Het doel van dit interim-verslag was tenslotte om een gemeenschappelijke basis te creëren voor de definitieve versie.

Het werk van de commissie en het Parlement moet stevig worden verankerd in het vierde beoordelingsverslag van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC). Er bestaat een duidelijke consensus in dit verslag dat de temperatuurstijging moet worden gestabiliseerd, zodat deze de 2°C niet overschrijdt. Dit is ook een manier om de economische, ecologische en sociale gevolgen van de klimaatverandering tegen te gaan.

De feiten liggen op tafel, zoals de heer Florenz heeft gezegd. Nu is het zaak om te begrijpen wat we lezen – hoe groot onze leesvaardigheid is. Dat zal dit jaar duidelijk worden, wanneer we het pakket maatregelen van de Commissie gaan bespreken. Ik wil beklemtonen dat we ons meer op energie-efficiëntie moeten richten, omdat het hier gaat om de ecologische, economische en sociale gevolgen van de klimaatverandering. Ik hoop dat de Commissie in de toekomst meer werk zal maken van het potentieel om de energie-efficiëntie te vergroten. Omdat bespaarde energie de goedkoopste energie is, is het besparen van energie ecologisch gezien ook de beste manier om de klimaatverandering te bestrijden, en daarom hoop ik dat er nieuwe voorstellen en stimulansen van de Commissie zullen komen.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, we bespreken hier een uitstekend interim-verslag over de wetenschappelijk feiten van de klimaatverandering van de rapporteur van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering, Karl-Heinz Florenz. Ik wil hem bedanken voor de enorme hoeveelheid werk die hij hierin gestopt heeft, evenals alle collega’s van de andere fracties die lid zijn van de Tijdelijke Commissie.

Als wetgevers de onder collega’s getoetste mening van de overweldigende meerderheid van de wetenschappers op het gebied van de klimaatverandering in de wereld zouden negeren, zou dat een licht ontvlambaar mengsel van arrogantie, onverantwoordelijkheid en totale nalatigheid zijn. Wij zijn degenen die de besluiten nemen. We hebben een democratisch mandaat van onze burgers, en bij het meest urgente probleem waar de wereldgemeenschap op dit moment mee te kampen heeft mogen we absoluut niet tekortschieten, zelfs niet, of vooral niet, als de besluiten die we moeten nemen een buitengewoon grote uitdaging vormen.

Ik wil er bij de geachte afgevaardigden die min of meer als “klimaatsceptici” zouden kunnen worden gekwalificeerd op aan dringen om deze weg samen met ons in te slaan, al was het alleen maar op grond van het frequent misbruikte, maar o zo belangrijke voorzorgsbeginsel. Ja, de wetenschap is complex en dynamisch, maar als de verhouding tussen het aantal wetenschappers dat ons pleidooi steunt en het aantal wetenschappers dat dat niet doet vijf staat tot één is, moeten we het door collega’s getoetste werk van enkele van onze beste en meest briljante wetenschappers op de gebieden klimatologie en meteorologie betwisten en in twijfel trekken, maar vooral van een adequate follow-up voorzien.

Meer dan tweederde van het aardoppervlak is bedekt met oceanen en driekwart van ‘s werelds megasteden ligt aan zee. Meer dan 97 procent van het water op de planeet bevindt zich in oceanen. Vis voorziet wereldwijd in het hoogste percentage door de mens geconsumeerde proteïnen en is de primaire voedselbron van 3,5 miljard mensen. De wetenschap voorspelt dat wanneer de door de mens veroorzaakte hoeveelheid broeikasgassen blijft stijgen, dramatische veranderingen als het opwarmen en verzuren van de oceanen, het smelten van de polen en het stijgen van de zeespiegel ernstige bedreigingen voor mariene ecosystemen en de visserijgemeenschap zullen gaan vormen.

In mijn hoedanigheid van vicevoorzitter van de Commissie visserij wil ik erop aandringen dat de weloverwogen opvattingen van de Commissie visserij vandaag in de het interim-verslag worden opgenomen. Twee korte punten: in de eerste plaats is het een nalatigheid dat er geen leden van de Commissie visserij in de Tijdelijke Commissie klimaatverandering zitten, en in de tweede plaats betreur ik het dat de Tijdelijke Commissie de mening van de Commissie visserij niet in aanmerking heeft kunnen nemen.

Ter afronding wil ik opmerken dat er een aantal amendementen op tafel ligt waarin de wetenschappelijke impact van de gevolgen van de klimaatverandering voor de oceanen wordt benadrukt. Ik wil er bij de collega’s op aandringen om deze amendementen te steunen, omdat het besluitvormende verslag van het Parlement zo alomvattend en zo geïntegreerd mogelijk moet zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Agnes Schierhuber (PPE-DE). (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, dames en heren, ten eerste wil ook ik onze rapporteur hartelijk bedanken voor zijn werk. Zoals de vorige sprekers hebben gezegd, heeft het verslag in zijn geheel betrekking op de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering. Over deze feiten is tijdens de themavergaderingen uitgebreid gediscussieerd met deskundigen van wereldfaam.

De land- en bosbouwsector is een van de industrieën die het zwaarst is getroffen door klimaatverandering en deze sector heeft er derhalve groot belang bij dat er op wereldwijd niveau effectieve maatregelen voor klimaatbescherming worden genomen. Het is essentieel dat alle landen, en met name de ontwikkelingslanden, betrokken zijn bij het post-Kyoto-proces. Het is tevens van belang om te benadrukken dat de landbouwsector zeker niet de voedselprijzen bepaalt. Bij de prijs van een broodje bijvoorbeeld, maakt de tarwe die hiervoor wordt gebruikt maar twee procent van de kosten uit.

Het is ook alom bekend dat hernieuwbare bronnen voor biobrandstoffen niet meer CO2 uitstoten dan er is opgeslagen tijdens het verbouwen hiervan, wat betekent dat deze hernieuwbare bronnen inderdaad CO2 -neutraal zijn. Op basis van overtuigende onderzoeksresultaten is er tevens erkenning voor het feit dat de mens deels verantwoordelijk is voor klimaatverandering. Daarom is het belangrijk om nog meer uitgebreid onderzoek uit te voeren en om energie te besparen door efficiënter gebruik. Laten we moed putten uit het feit dat het drieduizend jaar heeft geduurd voordat er werd geaccepteerd dat de aarde rond was in plaats van plat.

Ik wil dit Parlement oproepen een serieus debat te voeren, waarin wordt erkend dat klimaatverandering een wereldwijd probleem is. Het is een macrosociaal probleem dat niet kan worden opgelost door sectoraal beleid in individuele EU-lidstaten. Een oplossing kan alleen op wereldwijd niveau worden bereikt en de Europese Unie moet zeer zeker een leidende en bemiddelende rol op zich nemen als het gaat om het bestrijden van klimaatverandering.

 
  
MPphoto
 
 

  Valdis Dombrovskis (PPE-DE). - (LV) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ten eerste wil ik de rapporteur gelukwensen met zijn duidelijke en ondubbelzinnige standpunt. Op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek erkent hij in zijn standpunt dat de opwarming van de aarde daadwerkelijk plaatsvindt en dat dit wordt veroorzaakt door de mens. We moeten niet vergeten dat een paar jaar geleden veel invloedrijke politici, waaronder leiders van bepaalde grootmachten, het bestaan van dit probleem nog steeds probeerden te ontkennen. Het verslag gaat een stap verder en stelt dat er geen wetenschappelijke basis bestaat voor uitspraken waarin wordt gezegd dat de opwarming van de aarde niet plaatsvindt en dat het slechts gaat om natuurlijke temperatuurschommelingen. Dit verslag laat opnieuw zien dat de EU toonaangevend is als het gaat om de opwarming van de aarde. Er is echter geen reden voor blijdschap. Volgens de huidige schattingen moet de CO2-uitstoot in 2050 met ten minste de helft zijn verminderd om de opwarming van de aarde binnen de grenzen van twee procent te houden. De uitspraak in het verslag dat bijna alle EU-lidstaten goede vorderingen hebben gemaakt als het gaat om de verwezenlijking van de Kyoto-doelstellingen, is in dit verband te optimistisch. In de periode van 1990 tot 2005 hebben de vijftien oudere EU-lidstaten hun uitstoot met slechts twee procent weten te verminderen en het is onwaarschijnlijk dat zij in de resterende vijf jaar hun uitstoot met nog eens zes procent kunnen verminderen om hun gezamenlijke Kyoto-doelstelling te verwezenlijken. Het is alleen te danken aan het feit dat de nieuwere EU-lidstaten hun uitstoot sneller hebben weten te verminderen, dat de EU als geheel kan zeggen dat zij wereldwijd toonaangevend op dit gebied is. Naar verwachting hebben de nieuwere EU-lidstaten hun CO2-uitstoot in 2010 met eenentwintig procent verminderd. Alleen dankzij dit feit kunnen EU-leiders praten over de schijnbare ambitieuze doelstelling de uitstoot tegen 2020 met twintig procent te verminderen. Natuurlijk moeten we deze doelstelling verwelkomen, maar het is belangrijk dat de grootste vervuilers het merendeel van de uitstootvermindering voor hun rekening nemen. Het is niet acceptabel dat de inspanningen op het gebied van het EU-beleid tegen klimaatverandering alleen worden gebaseerd op de bestaande verrichtingen van de nieuwere lidstaten en geïsoleerde prestaties van de oudere lidstaten. Op deze manier worden de nieuwere lidstaten extra belast, terwijl de grootste vervuilers geen last hebben van de gevolgen van hun gedrag. Maar de verdeling van de uitstootvermindering binnen de EU zal echter geen verschil maken als er niet op wereldwijd niveau overeenstemming wordt bereikt met landen zoals onder meer de Verenigde Staten, China, India, Rusland en als andere landen niet bij de oplossing van het probleem worden betrokken. Deze kwestie moet boven aan de agenda staan van het buitenlandbeleid en klimaatveranderingsbeleid van de EU. Dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Romana Jordan Cizelj (PPE-DE). - (SL) Gewoonlijk voeren we alleen veranderingen en maatregelen door als ze op solide feiten zijn gebaseerd. In de Commissie klimaatverandering hebben we een breed scala aan gegevens van veel wetenschappers verzameld. De meeste gegevens wijzen erop dat de veranderingen in ecosystemen het gevolg zijn van antropogene uitstoot. Ook geven deze gegevens mogelijke toekomstige trends aan.

Hoewel sommigen bezorgd zijn en de gegevens als dreigement gebruiken, moeten we ook de positieve kant ervan bekijken. We kunnen namelijk nog steeds iets doen. We moeten echter wel snel, verantwoordelijk, serieus en gecoördineerd handelen, eerst binnen de Unie en vervolgens op wereldwijde schaal. Internationale overeenkomsten zullen alleen succesvol zijn als we voldoende rekening houden met de problemen van andere landen die oog in oog staan met problemen op het gebied van duurzame ontwikkeling, of in veel gevallen zelfs op het gebied van de uitbanning van armoede.

Voor een integrale benadering is een verandering in onze Europese gedachtegang nodig omdat we ons tot dusver alleen bezig hebben gehouden met ontwikkeling, en dan met name met de ontwikkeling van een maatschappij met een lage CO2-uitstoot. We kunnen echter alleen internationale afspraken maken als we in gelijke mate rekening houden met zowel de maatregelen om de uitstoot te verminderen als met de maatregelen om de samenstelling van de uitstoot te veranderen. Op deze manier kunnen we onze maatregelen afstemmen op de klimaatverandering.

Mijn dank gaat naar de rapporteur voor een uitstekend verslag. Ik verwacht dat ons werk op dit gebied nog tot volgend jaar door zal gaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Sándor Tabajdi (PSE). - (HU) Mijnheer de Voorzitter, ik feliciteer de heer Florenz met zijn uitstekende verslag. Het debat over de wetenschappelijke basis van klimaatverandering is buitengewoon belangrijk omdat wij politici helaas vaak geen rekening houden met de feiten, hoe hardnekkig deze ook zijn. Ik ben het eens met Martin Schulz dat we ons bij het debat niet langer moeten laten leiden door meningen, maar dat we ons moeten richten op de feiten.

In Hongarije bijvoorbeeld is het grondwaterniveau van de Hongaarse Laagvlakte tussen de rivieren de Donau en de Tisza de laatste dertig à veertig jaar ongeveer drie tot vier meter gedaald. Er heeft zich in ernstige mate woestijnvorming voorgedaan. Dit houdt in dat wetenschappers metingen hebben verricht en hebben geconstateerd dat de woestijnvorming voor vijftig procent is te wijten aan klimaatverandering en voor vijftig procent aan schadelijke menselijke activiteiten.

Kortom, we moeten ruime aandacht schenken aan wat de wetenschappers zeggen. Ik ben het er ook mee eens dat de Europese Unie dit probleem niet alleen kan oplossen. De Verenigde Staten, Japan, China, Brazilië en de ontwikkelingswereld moeten onze partners zijn bij het vinden van een oplossing. Dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE). - (FI) Mijnheer de Voorzitter, de mensheid is schuldig aan de klimaatverandering en de mensheid kan er dus ook voor zorgen dat de klimaatverandering een andere wending krijgt.

De doelstelling van de EU is ervoor te zorgen dat het aandeel biobrandstof in vervoersbrandstoffen stijgt naar tien procent. Dit is een doelstelling die bovendien moet worden verwezenlijkt. We moeten alles doen wat we kunnen om dit te realiseren. Zo moeten we bijvoorbeeld turf gaan gebruiken als grondstof in biodiesel.

Er is meer geld voor onderzoek nodig, zodat de efficiëntste methoden kunnen worden ingezet. Uit sommige onderzoeken blijkt bijvoorbeeld dat de energieproductie uit algen wel vijftien keer groter is per hectare dan de energieproductie uit druiven, palmolie en soja. Er is op dit gebied dus meer onderzoek nodig. Dit is dus een manier om het gebruik van palmolie te verminderen en om dit hopelijk volledig uit te bannen, aangezien dit absoluut geen milieuvriendelijke activiteit is. We moeten daarom actie ondernemen in samenwerking met de Verenigde Staten, China, India en Rusland.

 
  
MPphoto
 
 

  Péter Olajos (PPE-DE). - (HU) Dank u wel, Mijnheer de Voorzitter. Ik ben van mening dat als we aan het eind van 2009 succesvol willen zijn in Kopenhagen, er twee dingen zijn die we onder geen beding uit het oog mogen verliezen. Deze dingen heb ik in de afgelopen maanden zelf ondervonden tijdens bezoeken aan India, Bangladesh, China en Californië.

Ten eerste moeten we ons echt inspannen. Met andere woorden: het is niet genoeg om onszelf een schouderklopje te geven. Het is niet genoeg om te praten over tien, twintig, dertig of veertig procent. Volgens cijfers van het Europees Milieuagentschap is de uitstoot van kooldioxide sinds 2000 niet meer gedaald, en sindsdien zelfs iets gestegen, namelijk met één procent. Het emissiehandelssysteem is een doorslaand succes en wordt momenteel hervormd. Ik geloof echter dat het de moeite waard zou zijn om vergelijkbare hervormingen door te voeren in het niet-emissiehandelssysteem. Misschien moeten de twee systemen zelfs worden geconsolideerd. Ik ben een vurig voorstander van het voorstel van de Raad om 1990 als basisjaar te gebruiken in plaats van 2005.

De andere uiterst belangrijke kwestie heeft betrekking op het aanpassingsfonds. Als we succesvol willen zijn in Kopenhagen, moeten we het aanpassingfonds opzetten. Uit het Stern-verslag is gebleken dat tenzij er een aanpassingsfonds is, de andere regio’s in de wereld weinig kans hebben om de onaangename gevolgen van klimaatverandering te vermijden. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE). - (RO) De klimaatverandering heeft nu al invloed op de Europese Unie. Roemenië is de afgelopen jaren bijvoorbeeld getroffen door droogte, overstromingen en hitte. In sommige gebieden in het zuiden en zuidoosten van Roemenië is woestijnvorming begonnen. De Unie heeft een belangrijke rol op zich genomen bij de strijd tegen klimaatverandering, zowel bij de vermindering van de oorzaken als bij de aanpassing aan klimaatverandering.

Het Verdrag van Lissabon bevat bepalingen over klimaatverandering en ik stel ook de solidariteitsbepaling in geval van natuurrampen hierin op prijs. Helaas is het wereldwijde bestuur op het gebied van milieubescherming gedecentraliseerd en soms ontbreekt de samenhang van globale beslissingen. Er zijn achttien multilaterale instellingen die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op ongeveer vijfhonderd internationale overeenkomsten, waarvan driehonderd op regionaal niveau. De Europese Unie moet op dit gebied de leidersrol hebben.

Er zijn oplossingen. Er is behoefte aan samenhangende acties op het gebied van klimaatverandering, aan meer ecologisch vervoer, aan onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s, aan aanpassing van landbouw aan adequate waterconsumptie, aan herbebossing en in het bijzonder aan beter afvalbeheer. Ik feliciteer de rapporteur.

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE). (SK) De klimaatverandering heeft ernstige gevolgen. Niet alleen voor ecosystemen, maar ook voor de economie, voor de volksgezondheid, voor de water- en voedselzekerheid en voor migratie. De meest recente wetenschappelijke onderzoeken leiden tot de overtuiging dat menselijke activiteiten ook hebben bijgedragen aan de opwarming van de aarde. Het is dus de plicht van onze maatschappij om effectieve politieke maatregelen te implementeren.

Ik verwelkom het interim-verslag van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering en de aanbevelingen hierin voor het toekomstige geïntegreerde EU-beleid inzake klimaatverandering, en ik ben een groot voorstander van de opvatting dat de wereldwijde gemiddelde temperatuursstijging beperkt moet worden tot niet meer dan twee graden Celsius. Bovendien moet de Europese Unie zich inspannen om de uitstoot op een dusdanige manier te verminderen dat de temperatuurstijging ruim binnen deze grens van twee graden Celsius blijft. Een belangrijk middel voor beleid inzake de beperking van de klimaatverandering is het beschikbaar stellen van wetenschappelijk bewezen informatie aan de bevolking, zodat men op deze manier beter op de hoogte is.

 
  
MPphoto
 
 

  Anni Podimata (PSE). (EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ten eerste verwelkom ik het interim-verslag over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering. Ik ben vooral blij omdat er in het verslag wordt benadrukt dat wetenschappers het over de ernst van dit probleem eens zijn. Het verslag vestigt ook de aandacht op de belangrijke invloed van de menselijke factor op klimaatverandering, vooral als het gaat om energie.

In het vierde beoordelingsverslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (de IPCC ofwel het Intergovernmental Panel on Climate Change) staat dat tussen 1970 en 2004 de CO2-uitstoot wereldwijd ongeveer tachtig procent is gestegen en dat deze stijging voornamelijk is te wijten aan het gebruik van fossiele brandstoffen. Gezien het onweerlegbare nauwe verband tussen het klimaat en energieplanning, wil ik erop wijzen dat er een grote noodzaak bestaat op Europees niveau een geïntegreerd plan op te stellen, zodat we weten wat de beste en effectiefste energiekeuzen zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik heb naar het debat van vanochtend geluisterd en ik wil graag wat opmerkingen maken.

Ten eerste over het wetenschappelijke bewijs. Het lijdt geen twijfel dat het vaststellen van de opwarming van de aarde en het bepalen van de oorzaken hiervan een zeer ingewikkelde aangelegenheid is. Het gaat hier niet om een reageerbuissituatie waarin een experiment in een laboratorium kan worden uitgevoerd om iets op een of andere manier te bewijzen. Het bewijs is gebaseerd op langetermijnobservaties en uiterst ingewikkelde procedures en natuurlijk zijn er twijfelaars. Sommige wetenschappers hebben een andere mening. Dit is niets nieuws. Wetenschappers staan er om bekend dat ze van mening kunnen verschillen. Laten we niet vergeten dat er door veel wetenschappers vaak werd getwijfeld aan het verband tussen kanker en roken, en vandaag de dag zijn er nog steeds wetenschappers die hieraan twijfelen. We weten natuurlijk allemaal wat de waarheid is. Hetzelfde was uiteraard het geval bij thalidomide, wat focomelie in menselijke embryo’s kan veroorzaken.

Ten tweede wil ik nog zeggen dat de nadruk moet liggen op een wereldwijde benadering omdat we allemaal weten dat de landen die de meeste vervuiling veroorzaken, dus de Verenigde Staten, China en India, het minste doen om de opwarming van de aarde te bestrijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Podobnik, fungerend voorzitter. (SL) Ik heb uw uiterst levendige discussie met grote belangstelling gevolgd. De discussie vormde een uitstekende basis voor het interim-verslag van de rapporteur, de heer Karl-Heinz Florenz. Ik wil hem bedanken voor zijn verslag en hem hiermee feliciteren.

Uw discussie was van een dusdanig niveau dat ieder parlement hiervan zou profiteren. Er werd een grote betrokkenheid aan de dag gelegd. Ik heb dit opgevat als positieve kritiek omdat alle meningen, ook kritische meningen, waardevol zijn.

Uit uw discussie kan ik twee fundamentele conclusies trekken. De eerste conclusie is dat de Europese Unie een macht is en blijft die in staat is om uitdagingen aan te gaan. Dit natuurlijk in samenwerking met al haar partners wereldwijd, zodat er steeds wordt gestreefd naar een serieuze confrontatie over klimaatverandering. De andere conclusie is dat klimaatverandering niet slechts een probleem vormt, maar ook een kans kan zijn. We kunnen hier echter vooral effectief mee omgaan door op wereldwijd niveau te handelen.

Ik wil ook graag zeggen dat de Europese Unie er op het gebied van klimaat en energie in is geslaagd alle grondige maatregelen voor te bereiden die nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering te bestrijden.

De overgang naar een veilige en duurzame economie met een lage CO2-uitstoot zal gevolgen hebben voor een groot aantal beleidsmaatregelen, waaronder op het gebied van de economie en het dagelijkse leven van de bevolking. Gecoördineerde politieke maatregelen zijn vereist op talrijke gebieden van de Europese Unie. Hierin deel ik uw mening dat we eensgezind moeten zijn, niet alleen als het gaat om wereldwijde beslissingen maar we moeten ook unaniem zijn als het gaat om de details die zijn gerelateerd aan de politieke maatregelen.

Ik wil in het bijzonder uw aandacht vestigen op de synergie tussen klimaatverandering en energie. In dit opzicht moeten er harmonieuze Europese en nationale beleidsmaatregelen worden opgesteld op het gebied van onderzoek, ontwikkeling en innovatie. We moeten een duurzaam vervoerssysteem stimuleren, zodat de lidstaten de noodzakelijke maatregelen kunnen treffen om klimaatverandering te bestrijden. We moeten de energiezuinigheid verbeteren, vooral in gebouwen, maar ook bij andere energiebronnen in alle sectoren. We moeten consumenten blijven voorlichten over efficiënt energiegebruik, zodat de sociale gevolgen worden beperkt en nieuwe mogelijkheden optimaal worden benut.

Zoals in het verslag van de heer Florenz al wordt gezegd, zijn de wetenschappelijke feiten van klimaatverandering alom vastgesteld en erkend. Het feit dat de huidige opwarming van de aarde een gevolg is van menselijke activiteit is wetenschappelijk gezien onweerlegbaar.

Graag wil ik in het kort wat opmerkingen maken over uw verschillende meningen over het wetenschappelijke raamwerk van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering. Ten aanzien van deze kwestie ben ik ervoor om de politiek te respecteren. Het Europees Parlement is een eminente politieke arena. Natuurlijk moeten we ook de wetenschap respecteren, die echter is toegewijd aan de ethische beginselen van onderzoek en wetenschappelijke accuratesse.

Tegelijkertijd moeten we ook de burgers niet vergeten. De gewone man zal de gevolgen merken van individuele maatregelen als het gaat om de kwaliteit van leven, bijvoorbeeld bij het bepalen van het gezinsbudget en het plannen van de toekomst.

Ik wil in het bijzonder zeggen dat het belangrijk lijkt dat de Tijdelijke Commissie klimaatverandering het, volgens de heer Sacconi, goed heeft gedaan en tijdens vergaderingen in een positieve atmosfeer heeft gediscussieerd over kwesties ten aanzien van klimaatverandering en eveneens met een grote meerderheid een interim-verslag over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering heeft aangenomen.

We zijn met name ingenomen met het besluit van het Europees Parlement om het mandaat van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering tot februari 2009 te verlengen. Mijnheer de Voorzitter, we zien dit vooral als extra bewijs dat het ambitieuze beleid van de Europese Unie op het gebied van klimaatverandering op internationaal niveau wordt ondersteund met acties van het Europees Parlement, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de politieke besluiten worden ondersteund door de nieuwste wetenschappelijke resultaten.

We zijn eveneens ingenomen met de aankondiging tijdens het debat van vandaag dat het debat over de maatregelen ten aanzien van klimaatverandering hierop zal volgen, wat betekent dat er serieus wordt voldaan aan de toezeggingen die door de Europese Raad in maart 2008 zijn gedaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Dimas, lid van de Commissie. − (EL) Mijnheer de Voorzitter, ik bedank alle sprekers voor hun buitengewoon interessante opmerkingen tijdens het debat van vandaag.

Ik wil er in het bijzonder op wijzen dat de EU, of het nu is als de EU-15 of als de EU-27, de Kyoto-doelstelling zal behalen. Hier is geen twijfel over mogelijk. Aangezien ik de komende anderhalf jaar nog lid zal zijn van de Commissie, althans dat hoop ik, verzeker ik u dat het niet bestaat dat we de Kyoto-doelstelling niet zullen behalen. Dit zeg ik omdat de maatregelen die we al hebben getroffen en die we nu treffen, ervoor zullen zorgen dat er aan de Kyoto-doelstelling zal worden voldaan. Dit is het minste wat we de komende jaren moeten doen. Voor de goede orde wil ik zeggen dat de cijfers die u eerder verstrekte, correct zijn. Terwijl er bij andere landen, zoals de Verenigde Staten, een toename is te zien en wel een aanzienlijk snellere toename dan in 1990, moet er vermeld worden dat de EU de uitstoot van broeikasgassen juist vermindert. Zoals u zei, zaten we in 2005 twee procent onder het niveau van 1990. Dit was in 2006 bijna drie procent voor de vijftien EU-landen, die een gezamenlijke doelstelling hebben. Als de EU-27 is ons succes echter vele malen groter, aangezien we in deze samenstelling ongeveer acht procent onder het niveau van 1990 zitten. Aan het eind van de in het Protocol van Kyoto vastgestelde periode waarin we aan onze verplichtingen moeten voldoen, zal de EU-15 ten minste acht procent onder het niveau van 1990 zitten en de EU-27 ten minste elf procent. Er moet worden aangetekend dat deze vermindering van iets meer dan acht procent zeer positief is, omdat deze ons zal helpen de doelstelling voor 2020 en latere jaren te realiseren.

Volgens het interim-verslag zullen wetenschappelijke onderzoeksresultaten een belangrijke rol bij internationale onderhandelingen spelen, omdat deze onderzoeksresultaten ons in staat zullen stellen doortastende maatregelen te treffen. Ze zullen dienen als basis ter beoordeling van de geschiktheid van de voorstellen die in de aanloop naar de conferentie van Kopenhagen op de onderhandelingstafel terecht komen.

De resolutie herinnert ons aan de gevaren van een onbeheerste klimaatverandering, die de menselijke maatschappij op verschillende manieren zal beïnvloeden en ernstige gevolgen zal hebben voor onze economieën en culturele tradities.

In de resolutie wordt terecht benadrukt hoe belangrijk het is om grote verstoringen van het klimaat te vermijden, zoals het opdrogen van de zijrivieren van de Amazone en het afbrokkelen van grote hoeveelheden ijs op de Noord- en Zuidpool.

Ik denk dat het even belangrijk is om de aandacht te vestigen op de waarschijnlijke gevolgen van klimaatverandering als gaat om de internationale veiligheid, voedsel- en watertekorten, geschillen over de zeggenschap over hulpbronnen en geschillen over migrantenverkeer. De druk op de internationale gemeenschap neemt gestaag toe vanwege natuurlijke noodgevallen als gevolg van extreme weersomstandigheden en vanwege gewelddadige conflicten veroorzaakt door klimaatverandering. De recente voedselcrisis is tot nu toe het meest tastbare voorbeeld van wat er kan gebeuren: in veel delen van de wereld vallen de oogsten tegen als gevolg van de extreme weersomstandigheden. Helaas lijkt dit geen tijdelijke of uitzonderlijke situatie te zijn. Het ziet er naar uit dat dit een wezenlijk deel gaat uitmaken van de toekomst en een terugkerende situatie zal zijn, die niet kan worden beheerst zonder drastische wijzigingen in het landbouwbeleid en in agrarische werkwijzen door te voeren.

Graag wil ik nu nog wat andere onderwerpen in het verslag aanstippen. Ik begin met de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen door passende actie op nationaal niveau in ontwikkelingslanden. Er is behoefte aan de steun en vooruitzichten die worden geboden door technologie. Er moet geld zijn voor de overdracht van technologie en het verbeteren van de bestuurlijke capaciteiten van de ontwikkelingslanden, zodat de betreffende verminderingen kunnen worden gemeten, vastgelegd en gecontroleerd. Dit idee vormt de kern van de onderhandelingen in het kader van het actieplan van Bali. Zoals is gezegd in Bali hangt elke actie van de ontwikkelingslanden niet alleen af van serieuze toezeggingen van de ontwikkelde landen om uitstoot te verminderen, maar ook van aanzienlijke inspanningen van de ontwikkelde landen om geld beschikbaar te stellen, met name voor de overdracht van technologie en het creëren van de benodigde bestuurlijke capaciteit.

Het is belangrijk dat de EU profiteert van iedere mogelijkheid voor een dialoog met de belangrijkste ontwikkelingslanden, zodat er overeenstemming is over wat dit precies betekent en hoe de EU dergelijke acties kan ondersteunen, ofwel door samenwerking bij het opstellen van beleid, technische ondersteuning, kennisoverdracht en het bieden stimulansen op de CO2-markt, ofwel door het geven van financiële steun. Er moeten op alle gebieden maatregelen worden genomen, waaronder ten aanzien van uitstoot als gevolg van energiegebruik en ten aanzien van ontbossing.

Ik ga me nu richten op het wetenschappelijke aspect van deze discussie. De Commissie is het er hartgrondig mee eens dat de wetenschappelijke onderzoekresultaten openbaar moeten worden gemaakt aan de bevolking. Consumenten moeten voorbereid zijn en beter op de hoogte zijn van de hoeveelheid broeikasgassen die wordt uitgestoten als gevolg van hun levenstijl en verbruiksgewoonten. Deze betere voorlichting aan de bevolking moet echter gepaard gaan met sterke financiële stimulansen voor bedrijven om de uitstoot te verminderen van broeikasgassen die zij produceren als gevolg van de producten en diensten die zij aanbieden.

Overal ter wereld moet worden overgestapt naar een economie met een lage CO2-uitstoot. Dit kan alleen worden verwezenlijkt door systematische, gecoördineerde maatregelen om de uitstoot in alle sectoren te verminderen.

Het pakket maatregelen inzake klimaatverandering en energie is nu in de medebeslissingsfase en geeft ons een voorsprong bij deze overstap. Op deze manier kunnen we eveneens laten zien dat een ambitieus klimaatbeleid haalbaar is en grote voordelen heeft voor onze economieën en maatschappijen.

We zullen onze uiterst constructieve samenwerking bij dit belangrijke pakket maatregelen voortzetten en ik hoop dat we dit jaar al een overeenkomst kunnen bereiken.

Ten slotte wil ik het Europees Parlement feliciteren met zijn belangrijke bijdrage aan de strijd tegen klimaatverandering en ik betuig mijn respect aan de heer Florenz voor het uitstekende werk dat hij heeft geleverd.

Ik hoop dat het Parlement op deze constructieve manier zal doorgaan. Hopelijk kan onze samenwerking en de uitwisseling van meningen doorgaan, zowel als het gaat om het pakket maatregelen inzake klimaat en energie als bij de internationale onderhandelingen in de aanloop naar Poznań en Kopenhagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Karl-Heinz Florenz, rapporteur. (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, fungerend voorzitter, hartelijk bedankt voor uw afsluitende woorden, die zeer bemoedigend zijn. Ik denk dat we hebben kunnen vaststellen dat er hier in het Huis een consensus heerst en deze consensus verplicht ons natuurlijk om verder wetenschappelijk onderzoek te doen en ons te ontdoen van de resterende twijfels. Want op welk gebied van de menselijke kennis is er tenslotte geen ruimte voor twijfel? Als rapporteur is dit iets wat ik zeker wil zien gebeuren.

Ik ben dankbaar voor de lofuitingen die vandaag zijn uitgesproken en ik geef deze door aan de staf achter de schermen die zeer hard aan dit verslag heeft gewerkt. Ik maak dan ook van deze gelegenheid gebruik om deze mensen nogmaals heel hartelijk te bedanken.

Het debat van vandaag heeft wellicht de indruk gewekt dat we aan het discussiëren zijn over CO2. Ik wil dit zeggen: we zullen nog over veel andere kwesties moeten discussiëren, want CO2 -uitstoot is nog maar het topje van de ijsberg. Jazeker, het lijdt geen twijfel dat er serieuze kwesties zijn, maar de echte uitdaging is hoe we omgaan met onze duurzaamheidsstrategieën. Hoe moeten we zorgen voor onze planeet aarde, die we voor onze kinderen in beheer hebben? De energiebronnen die we nu verbranden, zijn gevormd in de loop van miljoenen jaren. In slechts duizend jaar verspillen wij ze. De uitdaging is dus dat we met een liter brandstof twee keer zoveel moeten gaan doen als nu. Dit is het doel wat we moeten verwezenlijken. Als dit is gebeurd, hebben we onze taak volbracht. Dat is de grote uitdaging die voor ons ligt: de efficiëntie in Europa verbeteren, geavanceerde technologieën ontwikkelen, deze technologieën zelf gebruiken, dat spreekt voor zich, maar deze ook met winst overal ter wereld verkopen om werkgelegenheid te creëren. Dat is naar mijn mening onze kans en ik wil u allen vragen om deze kans met beiden handen aan te grijpen.

Ik wil nogmaals iedereen bedanken, maar met het oog op het Reglement, wil ik graag nog uw aandacht voor een laatste punt. Vanaf het begin van dit debat is er een vervelende fout geweest in de vertaling van artikel 10, waarin staat dat ik iets veroordeel. Dat zit helemaal niet in mijn karakter. Misschien keur ik wel het een en ander af, maar ik veroordeel nooit iets. Ik zal er geen doekjes om winden. Ik denk dat het belangrijk is erop te wijzen dat er een probleem is met een slechte vertaling in het Huis. Dit probleem manifesteert zich overal in het verslag, en ik wil uw aandacht vestigen op de correct geformuleerde amendementen op dit gebied die in het Huis ten tafel zijn gekomen.

Ik wil graag alle betrokkenen bedanken en u uitnodigen samen met ons te werken aan het volgende en moeilijkere stadium in dit proces, namelijk een oplossing vinden op de vraag hoe we nu op deze wetenschappelijke feiten moeten reageren.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

De stemming vindt om 12.00 uur plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE), schriftelijk. (EN) Voor een succesvolle aanpak van klimaatverandering moeten markten worden aangepast, zodat deze rekening houden met de kosten van kooldioxide voor het milieu. De vervuilers moeten betalen. We moeten elk type beleidsinstrument inzetten, waaronder BTW-verlagingen, emissiehandel en subsidies, om het gedrag van consumenten en bedrijven te veranderen zodat ze meer stimulansen hebben om te kiezen voor milieuvriendelijke opties. Zoals Sir Nicholas Stern al heeft gezegd, zullen de economische en sociale gevolgen van klimaatverandering catastrofaal zijn.

Ik ben het daarom van harte oneens met degenen in het Huis die klimaatverandering niet onder ogen willen zien. Ze hoeven alleen maar te kijken naar het toenemende aantal en de grotere frequentie van natuurrampen overal ter wereld om de gevolgen van klimaatverandering te zien. Deze rampen zijn overduidelijk een oproep aan ons adres om meer actie te ondernemen.

De EU heeft een legitieme rol bij het aanpakken van klimaatverandering en moet een hierbij een voorbeeld zijn voor andere landen en ze op dit gebied van advies voorzien. We moeten uitgebreider in dialoog treden met opkomende economieën als India en China om ervoor te zorgen dat hun groei niet in dezelfde mate bijdraagt aan de mondiale uitstoot als de groei van de EU en de VS in de vorige eeuw. Er is een sterk argument voor de overdracht van technologie van de EU naar ontwikkelingslanden zodat deze landen de ontwikkeling van koolstofintensieve industrieën kunnen vermijden en zich direct met de ontwikkeling van een economie met een lage CO2-uitstoot gaan bezig houden.

 
  
MPphoto
 
 

  András Gyürk (PPE-DE), schriftelijk. (HU) Het is een absolute noodzaak dat er op basis van het wetenschappelijk bewijs rekening wordt gehouden met de feiten van klimaatverandering wanneer er op dit gebied besluiten worden genomen. Het risico van het nemen van de verkeerde besluiten op basis van incorrecte conclusies is tenslotte minstens even groot als het risico van geen actie ondernemen. Een ding is de moeite waard om hier op te merken: klimaatverandering is een feit dat wetenschappelijk kan worden bewezen en er zijn snelle en effectieve maatregelen nodig om klimaatverandering aan te pakken.

Een nuchtere evaluatie van de wetenschappelijke feiten kan ons ook helpen bij het beoordelen van de manier waarop op de markt gebaseerde milieubeschermingsinstrumenten kunnen bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit van het milieu. Wij zijn van mening dat lidstaten meer moeten doen om ervoor te zorgen dat marktvriendelijke stimulansen aanslaan. Het opzetten van het emissiehandelssysteem, verwant aan het vraagstuk over het verminderen van uitstoot op basis van marktmechanismen, is een welkome ontwikkeling. Het feit dat het systeem werkt, is het bewijs dat de markt, concurrentie en milieubescherming elkaar niet uitsluiten.

In Hongarije zijn veel voorbeelden te vinden van incorrecte conclusies die hebben geresulteerd in de verkeerde besluiten. De productie van biomassa betekent in werkelijkheid het verbranden van hout. De schadelijke gevolgen van de gedwongen steun aan biobrandstoffen worden steeds duidelijker. De maatregelen die op deze twee gebieden zijn getroffen, voldoen niet aan duurzaamheidsvereisten. Bovendien bieden ze geen marktvriendelijk antwoord op het probleem.

We willen benadrukken dat klimaatverandering vraagt om maatregelen die niet alleen rekening houden met het wetenschappelijke bewijs, maar die ook de ruimte geven aan marktmechanismen.

 
  
MPphoto
 
 

  Eija-Riitta Korhola (PPE-DE), schriftelijk. (FI) Mijnheer de Voorzitter, onze resolutie over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering bevat een aantal belangrijke observaties die moeilijk zijn te ontkennen. Toch moet er worden gezegd dat er ook een aantal irritante opmerkingen in staan. In de geschiedenis van de wetenschap zijn er wat dit betreft een aantal voorbeelden die als waarschuwing zouden moeten dienen. Als filosoof vind ik het niet geheel onschuldig wanneer politici wetenschappelijke resultaten interpreteren, haastige conclusies trekken op basis van deze resultaten en controle op deze conclusies proberen uit te oefenen, laat staan wanneer zij andere interpretaties “veroordelen”. Wat is het nut hiervan en waarom moeten dergelijke dingen als een algemene regel worden gezegd? Het gaat hier om onze geloofwaardigheid. Deze zullen we in de strijd tegen klimaatverandering hard nodig hebben.

In punt 5 wordt gezegd dat het wetenschappelijk is “aangetoond” dat de mens de belangrijkste oorzaak van klimaatverandering is. Dit wordt door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering nergens beweerd. In het verslag wordt over waarschijnlijkheden gepraat. De bijdrage van de mens aan de opwarming van de aarde in de laatste tien jaar is zeer waarschijnlijk.

Punt 7 “benadrukt dat wetenschappelijke resultaten duidelijk laten zien hoe de klimaatverandering in de nabije toekomst zal verlopen, dat zij verschillende regionale patronen zal volgen”. Dat is precies wat we niet weten. Tijdens hun verklaring vorige week in Reading lieten klimaatsimulatoren weten dat er behoefte is aan supercomputers. Momenteel hebben meteorologen geen antwoord op de vraag wat voor een regionale effecten klimaatverandering zal hebben, deels wegens onvoldoende computercapaciteit.

In punt 8 wordt gezegd dat het wegsmelten van het ijs in Groenland en van de ijslaag in het westelijk deel van Antarctica voorbeelden zijn van omslagpunten van klimaatverandering. De huidige gegevens over het wegsmelten van ijs zijn echter zeer tegenstrijdig, omdat de dikte van het ijs in kerngebieden van Groenland en Antarctica juist toeneemt.

Tevens zou ik de sceptici en critici van klimaatverandering niet veroordelen of beschuldigen, zoals in punt 10 wordt gedaan. Met name politici zouden dit ook niet moeten doen. Zij moeten deze kwestie overlaten aan de discussies van wetenschappers.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian-Jean Marinescu (PPE-DE), schriftelijk. (RO) De Tijdelijke Commissie klimaatverandering kan aanbevelingen doen en oplossingen bieden voor het toekomstige beleid van de Europese Unie op dat gebied. De aanbevelingen en oplossingen moeten op duidelijk wetenschappelijk bewijs zijn gebaseerd en met name op de resolute steun van de Europese burgers.

Het wetenschappelijke bewijs is onweerlegbaar. Het verslag van Karl-Heinz Florenz is diepgaand en toont aan dat er voldoende wetenschappelijk bewijs is om, niet alleen op Europees niveau maar ook op wereldwijd niveau, resolute politieke besluiten te nemen en concrete stappen te nemen die resulteren in een drastische vermindering van de antropogene fenomenen die verantwoordelijk zijn voor de klimaatverandering, en die eveneens resulteren in een matiging van de gevolgen hiervan.

De onderzoeksinspanningen moeten worden voortgezet, met name op het gebied van nieuwe technologieën, hernieuwbare energie en biobrandstoffen, zodat het noodzakelijke evenwicht wordt gevonden voor behouden van het economische concurrentievermogen, het in stand houden van de sociale ontwikkeling, en het waarborgen van de voedsel- en energiezekerheid, aangezien deze zaken essentieel zijn voor het welzijn van de Europese burger.

De wetenschappelijke gemeenschap en politieke vertegenwoordigers moeten de handen ineenslaan en steun geven aan het bieden van voorlichting aan de bevolking en aan het stimuleren van de deelname van burgers aan concrete activiteiten, omdat de uitwisseling van goede gewoonten, evenals internationale, regionale en met name grensoverschrijdende samenwerking en dialoog en de rechtstreekse betrokkenheid van burgers, de efficiëntste middelen zijn om klimaatverandering te bestrijden.

 
  
MPphoto
 
 

  Sirpa Pietikäinen (PPE-DE), schriftelijk. (FI) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, in de afgelopen jaren is de Europese Unie op het internationale toneel een van de spelers die toonaangevend is bij de ontwikkeling van een duurzaam wereldwijd klimaatbeleid. Deze positie moet de EU ook in de toekomst behouden.

Ik wil de rapporteur en de commissie bedanken voor een geslaagd verslag. Het verslag zal resulteren in een versteviging van het standpunt over de wetenschappelijke basis waarop werk om klimaatverandering te beheersen moet zijn gestoeld. Het is de moeite waard om op te merken dat de wetenschap en kennis in het verslag continu veranderen als gevolg van nieuwe technologieën en onderzoeksresultaten. We moeten daarom open staan voor alle informatie over dit fenomeen en bovendien respect tonen voor afwijkende meningen.

Het is uiterst belangrijk dat er doortastend wordt gereageerd op klimaatverandering. Tot op heden heeft elk van de vier intergouvernementele werkgroepen een herziening moeten uitvoeren van de schattingen van de voorgaande werkgroep met betrekking tot de snelheid waarmee klimaatverandering zich voltrekt. Dit fenomeen ontwikkelt zich sneller dan de Gemeenschap voorheen had ingeschat. Ook nu lijkt het erop dat de schattingen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering moeten worden herzien. Onderzoeken uitgevoerd door het Amerikaans ruimtevaartagentschap NASA tonen aan dat er meer drastische maatregelen nodig zijn om klimaatverandering te beheersen: de door de klimaatverandering veroorzaakte gasinhoud in de atmosfeer moet strikter wordt beperkt als we deze drastische maatregelen willen vermijden.

De EU moet rekening houden met de groeiende wetenschappelijke consensus dat, overeenkomstig de aanbeveling van de Intergouvernmentele Werkgroep inzake klimaatverandering, de uitstoot van kooldioxide rigoureuzer moet worden verminderd om de opwarming van de aarde te vertragen. Ik heb deze ontwikkeling uitgebreid bestudeerd en ik ben bang dat de doelstellingen in het klimaatpakket van de EU niet ambitieus genoeg zijn. De Unie moet zich nu veel doortastender inspannen om ervoor te zorgen dat de samenlevingen in de EU milieuvriendelijk zijn. Alle beleidsgebieden van de EU moeten worden gebaseerd op het beginsel van ecologische modernisatie. Bij deze revolutie zal het vermogen tot verandering de doorslaggevende factor zijn als het gaat om het internationale concurrentievermogen van de EU.

 
  
MPphoto
 
 

  Daciana Octavia Sârbu (PSE), schriftelijk. (RO) De strijd tegen klimaatverandering staat steeds vaker op de werkagenda van internationale organisaties. Sinds de top van 2007, toen er een doelstelling van 20 procent in 2020 werd vastgesteld voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, is de opwarming van de aarde een prioriteit voor elk land ter wereld geworden.

Dit besluit werd gevolgd door andere belangrijke internationale gebeurtenissen, zoals de G8-top van Heiligendamm, het debat van de VN-Raad over klimaatverandering en het actieplan van Bali. Na deze internationale gebeurtenissen is er wetenschappelijke overeenstemming bereikt. Volgens deze overeenstemming is de opwarming van de aarde te wijten aan menselijke activiteiten. De resultaten van onderzoeken en gegevensverzameling zijn voldoende om dringende actie te ondernemen en politieke besluiten door te voeren voor het verminderen van de gasuitstoot. Het is noodzakelijk dat er een aanpassingsfonds wordt opgezet en dat bossen deel uit maken van een nieuwe overeenkomst voor klimaatbescherming, die als doel moet hebben het vermijden van verdere ontbossing en door bosbranden veroorzaakte uitstoot van kooldioxide.

Het geven van voorlichting aan de bevolking door wetenschappelijk bewijs te communiceren over de menselijke impact op het wereldwijde klimaat zal een doorslaggevende rol spelen bij het verkrijgen van de steun van de EU-burgers voor politieke acties ten aanzien van de vermindering van de uitstoot van kooldioxide.

 
  
MPphoto
 
 

  Andres Tarand (PSE), schriftelijk. (ET) Het klimaat verandert en dit wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten. Toen ik veertig jaar geleden ijsmonsters nam bij het onderzoeksstation op de Zuidpool wisten we dit nog niet. De Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering, die het werk van duizenden wetenschappers verzamelt, heeft vandaag voldoende bewijs geleverd dat klimaatverandering daadwerkelijk plaatsvindt. In plaats van nog meer bewijs te leveren, is het onze taak om te handelen. Op dit punt ben ik het helemaal eens met de benadering van de rapporteur, de heer Florenz.

De Europese Unie moet ambitieus zijn en voor 2020 een doelstelling aannemen die dichter bij de dertig procent ligt voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Anders wordt in afwachting van daadwerkelijke bijdragen van andere landen deze kwestie nog ingewikkelder. Het is vreemd dat een hoger forum anoniem is als het gaat om de details van algemene doelstellingen, maar dat dit forum niet langer ambitieus durft te zijn als het gaat om doelstellingen voor de inhoud van de CO2-uitstoot in uitlaatgassen van auto’s of andere specifieke maatregelen. Dit is niet de manier om klimaatverandering effectief aan te pakken.

Ik ondersteun de voorstellen voor amendementen die gericht zijn op de noodzaak uitgebreider onderzoek te doen naar de situatie in de oceanen en zeeën en naar de invloed van klimaatverandering op de visfauna, en die gericht zijn op het maken van modellen hiervan. Ik ben het echter niet eens met een aantal van de voorstellen voor amendementen waarin er wordt getwijfeld aan het feit of klimaatverandering daadwerkelijk plaatsvindt, waarin het belang van fossiele brandstoffen en kernenergie wordt benadrukt en waarin de ontwikkeling van hernieuwbare energie belachelijk wordt gemaakt.

Ik geloof dat de Tijdelijke Commissie klimaatverandering heeft bijdragen aan het geven van voorlichting aan vertegenwoordigers uit verschillende hoeken en aan het formuleren van een gemeenschappelijk standpunt. Als compromis is het redelijk dat het mandaat van de commissie met negen maanden wordt verlengd tot de vergadering in Poznań. Een langere deadline zou wellicht kunnen betekenen dat we dit belangrijke werk doen en hierbij te veel kijken naar de verkiezingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gabriele Zimmer (GUE/NGL), schriftelijk. – (DE) Ik heb voor het verslag gestemd. Het debat over klimaatverandering, dat dringend nodig is, moet worden ondersteund door overtuigende wetenschappelijke feiten. Deze feiten worden gegeven door het interim-verslag van de heer Florenz. Dit verslag moet een belangrijke rol krijgen in zowel de publieke arena als in de Commissie en de Raad. Wetenschappelijke feiten over het broeikaseffect zijn al meer dan honderdtachtig jaar beschikbaar.

Het is te wijten aan bepaalde sociale omstandigheden dat deze kennis over de dreiging voor de natuurlijke en klimatologische bases van ons leven werd genegeerd. Dit heeft tijdig optreden verhinderd en dit is vandaag de dag nog steeds het geval. Of we gaan nu wat doen op basis van internationale samenwerking om verdere schade te beperken en de voorspelde rampen af te wenden die met volle kracht de armste mensen in deze wereld het eerst zullen treffen, of we gaan gewoon verder op de weg die leidt naar de ondergang. De feiten tonen overtuigend aan dat er snel actie moet worden ondernomen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en dat we de opwarming van de aarde moeten beperken tot minder dan twee graden Celsius door onze levensstijl en consumentengedrag te veranderen en door politieke en sociale criteria en raamwerken aan te nemen. Ik steun de bewering van de rapporteur dat er niet moet worden geredetwist over uitstootwaarden, maar dat het debat zich nu moet richten op duurzaamheid.

De EU-strategie voor duurzame ontwikkeling moet rekening met deze problemen houden en eindelijk beleid doorvoeren dat gebaseerd is op duurzaamheid. Hiervoor is een verandering in politieke prioriteiten nodig. Elke verloren dag kan rampzalig zijn en kan niet worden gerechtvaardigd.

 

4. Voortgangsverslag 2007 over Turkije (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het verslag (A6-0168/2008) door mevrouw Oomen-Ruijten, namens de Commissie buitenlandse zaken, inzake het voortgangsverslag 2007 over Turkije (2007/2269(INI)).

 
  
MPphoto
 
 

  Ria Oomen-Ruijten, rapporteur. (NL) Voorzitter, sinds het laatste verslag over Turkije hebben zich in dat land een aantal positieve ontwikkelingen voorgedaan. Ik denk dan aan de goedkeuring van de wet op de stichtingen of, nog veel recenter, de eerste aanpassing van artikel 301, die moet leiden tot verdere hervormingen die nodig zijn om de volledige vrijheid van meningsuiting te waarborgen. Het is echter ook duidelijk dat Turkije een gemengd beeld presenteert en dat er veel meer gedaan moet worden om de afspraken met Europa na te komen, maar ook om de beloften aan de eigen bevolking in te lossen.

Het verslag dat er nu ligt is evenwichtig. Ik mag hopen dat enkele stokpaardjes die nu bereden worden, het niet halen, want dan blijft het verslag evenwichtig. Voorzitter, in het verslag heb ik alle problemen benoemd en zijn er drie belangrijke boodschappen.

Ten eerste, wij zijn bezorgd over de gevolgen van de zaak die voor het hof loopt over de AKP. Wij verwachten dat het constitutionele hof de beginselen van de rechtsstaat, de Europese normen en de richtsnoeren van de Commissie van Venetië voor het verbieden van partijen eerbiedigt. Wij zijn ingenomen met het feit dat de democratie in 2007 zegevierde over pogingen van het leger om het politieke proces te verstoren. Maar wij zijn ook ongerust dat er nog steeds krachten aan het werk zijn die proberen het land te destabiliseren. Het is duidelijk dat de modernisering van dit land en de hervormingen nu nodig zijn. Premier Erdoğan heeft beloofd dat 2008 het jaar van de hervormingen gaat worden en wij zullen hem met genoegen daaraan houden. De regering moet nu gebruikmaken van de sterke parlementaire meerderheid om resoluut hervormingen aan te pakken, hervormingen die cruciaal zijn voor de transformatie van Turkije in een moderne en welvarende democratie die is gebaseerd op een seculiere staat en een pluralistische samenleving. Een hervorming die eerst en vooral in het grootste belang is van de Turkse burger zelf.

Een derde punt. Het grondwettelijke proces is dé mogelijkheid om een nieuwe burgerlijke grondwet op te stellen, waarvan de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden het hart vormt. Alleen zo kan een systeem van checks and balances ontstaan ter waarborging van democratie, rechtsstaat, sociale cohesie en scheiding tussen godsdienst en staat. Wanneer men kijkt naar recente cijfers blijkt dat de handhaving van de scheiding tussen kerk en staat spanningen veroorzaakt in de Turkse samenleving. Maar liefst 72 procent van de hoogopgeleide Turken hebben zorgen over het seculiere karakter van Turkije, 60 procent van de burgers in alle grote steden en bijna 50 procent van de andere Turkse burgers. En, Voorzitter, die onrust is aangegrepen door justitie, de aanklagers die de ruimte nemen om een parlementaire meerderheid naast zich neer te leggen en wel zeer onafhankelijk te werk gaan. Een justitieel apparaat behoort in een rechtsstaat onafhankelijk, maar ook onpartijdig te zijn. De nieuwe grondwet is de enige manier waarop de Turkse regering het land kan hervormen, de scheiding tussen kerk en staat, en de rechtsstaat kan verankeren om zo nieuw vertrouwen van de burgers te winnen.

Noodzakelijk daarbij is dat een brede betrokkenheid van alle maatschappelijke organisaties bij dat grondwettelijke proces is gegarandeerd. Dat houdt dan voor mij in dat met alle politieke partijen, etnische en religieuze minderheden en sociale partners een consensus wordt bereikt over die modernisering. Die modernisering moet waarborgen dat de individuele rechten van de burgers, de burgerlijke vrijheden, in overeenstemming worden gebracht met het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens.

Wij moeten met respect verder gaan met de onderhandelingen tussen de EU en Turkije, maar ook zonder hypocrisie, zodat wij open en eerlijk tegenover elkaar durven te zijn. Ik betreur het zeer dat mijn collega - ik noem hier Joost Lagendijk - zo wordt aangevallen wanneer hij open en eerlijk aangeeft waar fouten gemaakt worden en ook om medewerking van alle politieke partijen ten behoeve van het hervormingsproces heeft gevraagd.

Voorzitter, ik vat samen. Er is nog veel te doen wanneer het gaat om de positie van de verschillende religieuze minderheden in Turkije, de positie van de Koerdische bevolking en andere minderheden, de sociaal-economische ontwikkeling van de regio’s, de versterking van de positie van vrouwen, de dialoog van de Turkse overheid en de sociale partners, waarbij ik met name aandacht vraag voor de vakbeweging die vaak onder druk staat, het constructief meewerken aan een oplossing voor de kwestie Cyprus en het goed nabuurschap in de regio. Kortom, voldoe alstublieft aan de afspraken die gemaakt zijn.

Voorzitter, ik benadruk nogmaals dat naar mijn overtuiging alleen een samenleving die zich laat leiden door het respect voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, en die gebaseerd is op de democratie, de rechtsstaat en een sociaal georiënteerde markteconomie zich tot een vredige, stabiele en welvarende samenleving kan ontwikkelen.

 
  
  

VOORZITTER: MARTINE ROURE
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ten eerste wil ik mevrouw Ria Oomen-Ruijten bedanken voor het verslag dat zij heeft opgesteld. De Raad is van mening dat dit verslag een belangrijke bijdrage levert aan het debat over het toetredingsproces van Turkije.

Het Sloveense voorzitterschap heeft Turkije aangemoedigd verdere stappen te nemen om dichterbij toetreding tot de Europese Unie te komen. In de Raad wordt momenteel gedebatteerd over de acht resterende verslagen over de evaluatie van de aanpassing van wetgeving, de zogenaamde screeningsverslagen. Als er goede vorderingen worden gemaakt met de technische voorbereidingen, kunnen we misschien twee nieuwe hoofdstukken openen bij de toetredingsconferentie van de EU en Turkije in juni.

Als het gaat om de hervormingen in Turkije, zijn we het eens met de beoordeling van het Europees Parlement dat dit jaar doorslaggevend zal zijn voor dit proces en we geloven dat Turkije deze kans niet mag missen.

Een herzien toetredingspartnerschap, dat in februari van dit jaar is geaccepteerd, definieert de belangrijkste prioriteitsgebieden waarvoor het land het hervormingsproces moet versnellen. Natuurlijk zal de daadwerkelijke voortgang van deze hervormingen rechtstreeks invloed hebben op het verdere verloop van het onderhandelingsproces.

Ik wil eveneens benadrukken dat we de zorgen van het Europees Parlement delen als het gaat om de zaak die loopt tegen de AKP (de Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij). Het voorzitterschap heeft een verklaring uitgegeven waarin wordt benadrukt dat de scheiding tussen de uitvoerende en de rechterlijke macht een fundamenteel beginsel van alle democratische samenlevingen is en dat dit beginsel moet worden gerespecteerd. We zullen de ontwikkelingen op de voet volgen. We hopen dat de uitkomst van de zaak die is aangespannen, in overeenstemming zal zijn met democratische normen en dat hierbij wordt voldaan aan de beginselen van de rechtsorde. We hopen dat het vereiste hervormingsproces niet zal worden beïnvloed door deze zaak.

Sta me toe door te gaan met het noemen van een aantal aspecten van de bevestiging van fundamentele vrijheden en van het respect voor mensenrechten. Op deze gebieden zijn hervormingen in Turkije met name belangrijk.

Ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting verwelkomen we het amendement op artikel 301 van het wetboek van strafrecht. Het is een stap in de goede richting. Om de vrijheid van meningsuiting echter daadwerkelijk te waarborgen is het noodzakelijk dat dit artikel ook adequaat wordt toegepast. Afgezien daarvan moeten ook een aantal andere bepalingen in overeenstemming worden gebracht met de Europese normen.

Ten aanzien van de godsdienstvrijheid verwelkomen we de wet op de stichtingen. Dit is een stap in de goede richting. Tegelijkertijd benadrukken we dat er op dit gebied nog meer moet worden gedaan om, overeenkomstig Europese criteria, religieus pluralisme te waarborgen.

Ten aanzien van de betrekkingen tussen het leger en het civiele gezag bevestigde de uitkomst van de grondwettelijke crisis vorig jaar dat het democratische proces uiterst belangrijk is. Toch hebben de strijdkrachten nog steeds een aanzienlijke politieke invloed. In dit opzicht is het noodzakelijk dat het civiele democratische gezag over het leger wordt versterkt en dat bovendien de zeggenschap van het parlement over het defensiebudget wordt verstevigd.

Ten aanzien van de situatie in het zuidoosten van het land spreken wij onze scherpe veroordeling van de terroristische aanslagen uit en laten wij weten dat we solidair zijn met het Turkse volk. We ondersteunen Turkije bij inspanningen om de bevolking te beschermen en bij de strijd tegen terrorisme. Tegelijkertijd waarschuwen we dat het absoluut noodzakelijk is dat de bepalingen van de internationale wetgeving worden gerespecteerd en dat er wordt gestreefd naar het behoud van vrede en stabiliteit in de wijde regio.

Zoals u allen weet, evalueert de Europese Unie de voortgang van Turkije door te kijken in hoeverre dit land voldoet aan de politieke criteria van Kopenhagen en in welke mate de bepalingen in het onderhandelingsraamwerk voor Turkije worden nageleefd. De Raad zal ook een evaluatie uitvoeren van de implementatie van het extra protocol van het verdrag van Ankara. In dit verband vind ik spijtig dat Turkije nog steeds niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan en dat er geen voortgang is als het gaat om de normalisatie van de betrekkingen met de Republiek Cyprus.

De belangrijke aspecten van voortgang op het gebied van de toetredingsonderhandelingen zijn zonder twijfel onder meer inspanningen voor goede betrekkingen met buurlanden en een vreedzame oplossing van geschillen, overeenkomstig het oprichtingsdocument van de Verenigde Naties.

Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw de Voorzitter, ten eerste wil ik mevrouw Oomen-Ruijten en de Commissie buitenlandse zaken bedanken voor een uiterst solide, overtuigend en evenwichtig verslag. Bij de toetredingsonderhandelingen met Turkije zijn tot dusver zes hoofdstukken geopend en, zoals de heer Lenarčič zei, moet het tijdens het Sloveense voorzitterschap mogelijk zijn om nog twee hoofdstukken te openen, en wel over het vennootschapsrecht en over intellectueel eigendom.

Ik wil u in dit verband herinneren aan een eenvoudig maar absoluut fundamenteel leidend beginsel van het uitbreidingsbeleid van de EU, dat van toepassing is op elk kandidaat-land, inclusief Turkije: het tempo van de onderhandelingen is afhankelijk van de voortgang die wordt gemaakt met de gerechtelijke en democratische hervormingen, en met name van de tenuitvoerlegging hiervan. Met andere woorden, de technische besprekingen vormen de muren en kamers van het huis, en misschien zelfs op een dag het dak van het huis, terwijl de gerechtelijke en democratische hervormingen de fundering vormen van het huis van elk nieuw EU-lid. En, zoals elke bouwer weet, moeten er eerst stevige funderingen zijn voordat er aan de muren kan worden begonnen. Dus eerst moeten de hervormingen plaatsvinden, pas dan kunnen de technische onderhandelingen doorgang vinden.

Daarom vind ik het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten ook zo relevant. De Commissie deelt haar mening als het gaat om het langzame tempo van de hervormingen. Er zijn wel bepaalde hervormingen in de wetgeving doorgevoerd. Ik heb vastgesteld dat u de wet op de stichtingen verwelkomt en op uw verzoek zal de Commissie de komende herfst in haar volgende voortgangsverslag over Turkije verslag doen van deze wet en de tenuitvoerlegging hiervan.

Bovendien is de onlangs uitgevoerde herziening van het beruchte artikel 301 een stap in de goede richting. Waar het echter uiteindelijk om gaat is de correcte tenuitvoerlegging hiervan, zodat de vrijheid van meningsuiting voor iedereen in Turkije wordt gewaarborgd.

Naast de fundamentele vrijheden van meningsuiting en godsdienst, is er ook verdere voortgang nodig op gebieden ten aanzien van culturele en taalkundige rechten, rechten voor vrouwen en kinderen, en rechten voor vakbonden. Kortom, een hernieuwde focus op aan de EU gerelateerde hervormingen is absoluut noodzakelijk. Dit zou ook bijdragen aan het te boven komen van de huidige politieke crisis.

Dit is eveneens de boodschap die voorzitter Barroso heeft overgebracht tijdens ons recente bezoek aan Turkije. De regering en de oppositiepartijen moeten de dialoog aangaan en zoeken naar compromissen als het gaat om de gevoelige kwesties die het binnenlandse debat domineren, waaronder het grondwettelijke hervormingsproces. Zowel secularisme als de democratie moeten in dit verband worden verdedigd.

Ik vind het spijtig dat de wet op de ombudsman al twee jaar wordt geblokkeerd door het Constitutionele Hof. Ik verwelkom het feit dat u erop aandringt dat deze blokkade wordt opgeheven, zodat het ambt van ombudsman onverwijld kan worden ingesteld. We weten allemaal wat voor een belangrijke rol de functie van ombudsman speelt, want een ombudsman zorgt ervoor dat de autoriteiten rekenschap moeten afleggen en verbetert de rechten van burgers in de EU-lidstaten.

De kern van de hervormingen is ervoor te zorgen dat Turkije wordt omgevormd tot een open en moderne samenleving, met volledig respect voor vrijheid en democratie, diversiteit en tolerantie, en met name voor democratisch secularisme.

Het bestaan van onze Unie rust op de gedeelde grondwaarden van de democratie, de rechtsorde en de mensenrechten. Zij vormen de basis van de familiegeest en de huwelijksovereenkomst, zoals Jacques Delors dit heeft geformuleerd, waarvoor wij Europeanen ons inzetten.

Deze waarden zijn in het onderhandelingskader voor Turkije geformuleerd en het is de plicht van de Commissie hierop toezicht te houden. De rol van de Commissie in het toetredingsproces kan worden gezien als “de vriend die de waarheid vertelt”, zelfs als de waarheid soms niet welkom is in delen van de EU of in Turkije.

We kunnen derhalve niet onverschillig zijn voor wat er zich afspeelt in kandidaat-landen, vooral niet als het gaat om gebeurtenissen die onze gedeelde democratische waarden beïnvloeden. Ik heb nota genomen van uw zorgen over de gevolgen van de zaak tot opheffing van de AKP. De uitspraak van het Constitutionele Hof moet in ieder geval in overeenstemming zijn met democratische beginselen en met de rechtsorde, waaronder de richtlijnen van de Commissie van Venetië van de Raad van Europa.

We willen dat Turkije deze zaak afsluit en hierbij Europese waarden respecteert. Turkije kan het zich niet veroorloven nog een jaar te verspillen als het gaat om hervormingen. Er moet worden voldaan aan democratische beginselen en we willen hierbij vooruitgang zien, geen achteruitgang.

Ik wil afsluiten met een paar opmerkingen over Cyprus. Het is nu tijd dat de leiders van de twee bevolkingsgroepen een eind maken aan de impasse en stappen doen in de richting van de hereniging van het eiland. Ik vertrouw erop dat Turkije volledig zal bijdragen aan een oplossing. De Commissie spreekt haar goedkeuring uit over een hernieuwd VN-proces en zal volledige steun bieden aan beide bevolkingsgroepen op het eiland zodat de benodigde compromissen kunnen worden gesloten.

 
  
MPphoto
 
 

  Emine Bozkurt, rapporteur voor advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid. (NL) Onlangs is er in Turkije belangrijke sociale en arbeidswetgeving aangenomen. Eén belangrijk doel: meer vrouwen op de arbeidsmarkt krijgen. Want economische participatie is hard nodig om de positie van vrouwen te versterken.

Overbodig om te zeggen, maar vrouwenrechten zijn mensenrechten. Het is voor vrouwen belangrijk dat zij grondrechten zoals seksuele en reproductieve rechten kunnen claimen en niet de dupe worden van vage criteria als “tegen de openbare zeden”. Dit is overigens ook voor homo-organisaties essentieel. In Turkije zijn instrumenten hard nodig om hier toezicht op te houden en gender mainstreaming in te voeren. Ik pleit daarom voor een vrouwenrechtencommissie in het Turkse parlement met volledig wetgevende bevoegdheden.

Volgend jaar zijn er in Turkije lokale verkiezingen. Landelijk was er een verdubbeling van het aantal vrouwelijke parlementariërs. Maar er is meer nodig, want lokaal ligt de participatie nog onder de 1 procent, een enorme uitdaging om een faire representatie van vrouwen in de politiek nu eens écht waar te maken.

 
  
MPphoto
 
 

  Giorgos Dimitrakopoulos, namens de PPE-DE-Fractie. – (EL) Mevrouw de Voorzitter, eerst wil ik mevrouw Oomen-Ruijten gelukwensen met haar verslag en haar ook prijzen voor haar samenwerking tijdens het opstellen hiervan.

Het verslag stuurt een duidelijke boodschap naar Turkije dat de weg naar Europa en de uiteindelijke toetreding tot de Europese familie uit de volgende stadia zal bestaan.

Ten eerste moet dit land doorlopend werken aan het versterken van de hervormingen in alle sectoren en structuren.

Ten tweede moet dit land volledig en absoluut respect tonen voor mensenrechten en de rechten van minderheden.

Ten derde moeten de Turkse troepen worden teruggetrokken uit Cyprus en moet er een bijdrage worden geleverd aan een eerlijke en duurzame oplossing voor de kwestie rond Cyprus. Het is nu tijd dat wij allemaal onze steun geven aan de initiatieven van president Christofias op dit gebied.

Ten vierde moet Turkije goede betrekkingen onderhouden met zijn buurlanden in het algemeen, en met Griekenland in het bijzonder. Dit houdt in dat alle schendingen van het vluchtinformatiegebied moeten ophouden, evenals alle andere soorten provocaties.

Er zijn natuurlijk krachten in Turkije die uit zijn op destabilisatie, terwijl er ook Turkse burgers zijn die hopen op een democratischer, progressiever, ontwikkeld, milieubewust, op sociaal bewustzijn gestoeld, vredelievend en Europees georiënteerd Turkije. Deze burgers moeten de boodschap krijgen dat hun inspanningen niet voor niets zijn en dit is wat het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten bereikt, net als de discussie die we hier vandaag voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Hannes Swoboda, namens de PSE-Fractie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, fungerend voorzitter, commissaris, dames en heren, ten eerste wil ik mevrouw Oomen-Ruijten bedanken voor de uiterst vruchtbare en constructieve samenwerking. Namens mijn fractie wil ik eveneens solidariteit met de heer Lagendijk betuigen. Wij verwerpen alle op hem gerichte oneerlijke aanvallen.

Ik wil mijn opmerkingen graag beperken tot één belangrijke kwestie, namelijk het dreigende verbod op twee partijen, de AKP en de DTP. We willen zeer duidelijk stellen dat in beide gevallen een verbod compleet onacceptabel voor ons zal zijn en grote belemmeringen zal opwerpen als het gaat om de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Het is in onze opvatting van democratie volledig ondenkbaar dat een rechtbank een groot aantal stemmers het recht ontneemt de politieke situatie in hun land te beïnvloeden nadat ze hun stem al hebben uitgebracht op de partij van hun voorkeur. Dit is onacceptabel in het geval van de regeringspartij en het is ook onacceptabel in het geval van de DTP (Partij voor een Democratische Samenleving). Er staan fundamentele juridische en democratische beginselen op het spel die indruisen tegen een dergelijke gang van zaken.

Voor wat betreft de DTP, in plaats van de kans te grijpen om met de vertegenwoordigers van het Koerdische volk te praten en een dialoog te starten omdat wij, net als de Turken, tegen terrorisme zijn, wordt er geprobeerd deze partij ook te verbieden. Ik weet dat niet iedereen in de DTP bereid is de dialoog aan te gaan. In dat geval moet er gewoonweg een benadering worden gekozen die ervoor zorgt dat er op de juiste manier een dialoog wordt ontwikkeld. We roepen daarom alle gematigde krachten in Turkije ondubbelzinnig op hun uiterste best te doen om ervoor te zorgen dat deze twee partijen kunnen blijven functioneren in het Turkse politieke landschap.

We weten dat dit een langdurig proces is waarvan de uitkomst onbekend is, maar het moet een doel hebben en dit doel moet toetreding zijn. We moeten in de Europese Unie onze uiterste best doen dit doel te verwezenlijken, hierbij communicerend met onze burgers. Maar Turkije moet ook zijn uiterste best doen door de vereiste hervormingen door te voeren.

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Graf Lambsdorff, namens de ALDE-Fractie. (DE) Mevrouw de Voorzitter, ook ik wil mevrouw Oomen-Ruijten eerst hartelijk danken voor de goede samenwerking, die deze keer net zo constructief was als vorig jaar herfst. Een kenmerk van dit verslag is de aanzienlijke consensus. De parlementaire fracties zijn het erover eens dat Turkije uit eigen beweging doorlopend verbeteringen moet aanbrengen, maar dat dit in een veel sneller tempo moet gebeuren dan voorheen. We zijn het er ook over eens dat dit iets is wat we kunnen en zelfs moeten verwachten van een toetredingskandidaat.

We geloven eveneens dat de hervormingen moeten worden doorgevoerd ondanks de grote binnenlandse politieke crisis. Ik wil graag ingaan op een punt dat de heer Swoboda zojuist heeft aangekaart: de Europese Unie is geen partij in dit verbodsproces. Commissaris Rehn zegt terecht dat secularisme en de democratie verdedigd moeten worden. Anders voorzie ik, net als de heer Swoboda, dat we te maken krijgen met een fundamenteel democratisch probleem waardoor de toetredingsonderhandelingen onder grote spanning zullen komen te staan.

Het is belangrijk aan te tekenen dat veel van de aangekaarte problemen al enige tijd aan de orde zijn, dus slechts een paar punten hoeven hier benadrukt te worden. Vorig jaar verwelkomden we het feit dat de Turkse regering een duidelijk en ondubbelzinnig mandaat voor verdere hervormingen had ontvangen. We riepen ertoe op gebruik te maken van dit mandaat om daadwerkelijk vooruitgang met de hervormingen te boeken. We verwelkomen de aanname van de wet op de stichtingen. Dit is een positieve stap, maar over het geheel genomen moeten we zeggen, en ik geloof dat er ook op dit gebied unanimiteit is, dat we allemaal teleurgesteld zijn over wat er is bereikt.

Neem de constitutionele hervorming. Deze wordt dermate overschaduwd door het hoofddoekjesdebat dat er geen werkelijke vooruitgang is geboekt als het gaat om de fundamentele vernieuwing van de Turkse grondwet. Het hoofddoekjesdebat heeft ook betrekking op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting, maar dit debat mag niet worden gebruikt voor de culturele onderdrukking van vrouwen met een seculiere overtuiging.

Een andere belangrijke kwestie, met name voor de liberale fractie, is de vrijheid van meningsuiting. Vanuit ons perspectief is de zogenaamde hervorming van artikel 301 onbevredigend. Ik heb met veel mensen in Turkije zelf gesproken en ook daar denken weinig mensen dat deze hervorming van artikel 301 serieus en goed gefundeerd is, vooral omdat dit artikel nu een symbolisch artikel is. Er zijn veel andere artikelen in het wetboek van strafrecht, die de vrijheid van meningsuiting beperken. Ik wil ze niet allemaal opnoemen, maar er is op dit gebied nog veel werk te doen.

Een ander punt waar ik het kort over wil hebben gaat over de betrekkingen met Turkije in de context van de EU en de NAVO. We willen benadrukken dat we verwachten dat Turkije zich positief opstelt ten opzichte van missies in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB). We begrijpen de moeilijkheden die er zijn. Toch verwachten we van een toetredingskandidaat dat er een Europese geest wordt tentoongespreid wanneer de veiligheid van Europees personeel op het spel staat, zoals bij de politiemissie en de rechtsstaatmissie van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Joost Lagendijk, namens de Verts/ALE-Fractie. (NL) Collega’s, er is de laatste paar weken, zoals u waarschijnlijk heeft gezien, veel kritiek vanuit bepaalde kringen in Turkije op de commissaris en op mijzelf. Wij zouden Turkije niet goed begrijpen. Wij zouden eigenlijk niet precies doorhebben wat er nu aan de hand is in Turkije.

Ik moet toegeven, soms begrijp ik een aantal zaken in Turkije inderdaad niet. Zo begrijp ik niet dat veel mensen in Turkije er géén probleem mee hebben dat de regeringspartij, die bij de laatste verkiezingen 47 procent heeft gehaald, het gevaar loopt door het constitutionele hof verboden te worden. Wat ik ook niet begrijp, is dat zo gemakkelijk over de aanbevelingen van de Raad van Europa over het verbieden van politieke partijen wordt heengestapt, omdat duidelijk is dat de zaak tegen de AKP op geen enkele manier aan die criteria voldoet. Wat ik ook niet begrijp, is dat er zo gemakkelijk heen gesprongen wordt over het feit dat, door de AKP en de DTP te verbieden, ongeveer 90 procent van de stemmen in het zuidoosten ongeldig worden verklaard, met alle gevolgen van dien. Wat ik inderdaad ook niet begrijp, is dat er zoveel commotie ontstaan is in Turkije over het feit dat de commissaris en ikzelf kritiek hebben op het feit dat het volgens ons een politieke rechtszaak is die, als zij leidt tot het verbieden van de regeringspartij, inderdaad serieuze consequenties zal hebben. Dat te zeggen is volgens mij onze plicht en dat zullen wij ook blijven doen.

Maar er is meer wat ik niet begrijp. Wat ik ook niet begrijp, is waarom het op 1 mei in Istanboel voor de autoriteiten onmogelijk was om de vakbonden toe te staan vreedzaam te demonstreren, ook op het Taksimplein, zo’n symbolische plek sinds 1977. Wat ik inderdaad ook niet begrijp, is waarom het onmogelijk was voor de autoriteiten om een onderscheid te maken tussen relschoppers en vakbonden die gebruik willen maken van hun democratische rechten. En wat ik ook niet begrijp, is waarom er zo veel buitensporig geweld nodig was tegen vreedzame demonstranten en onschuldige passanten.

Laat ik eindigen met de hoop uit te spreken dat dit Parlement doorgaat, zoals in dit verslag, met het aanmoedigen van hervormingen, maar ook met het bekritiseren van de regering én de oppositie als deze niet plaatsvinden, op een manier die ik zou willen omschrijven als helder, duidelijk, met respect voor elkaars opvattingen, maar zonder taboes. Ik ben ervan overtuigd dat, als dat gebeurt, wij elkaar dan in Turkije en de Europese Unie uiteindelijk nog beter zullen begrijpen.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański, namens de UEN-Fractie. (PL) Dit uitstekende verslag zal niet goed in Ankara worden ontvangen. Aan de ene kant erkennen we de inspanningen die zijn gedaan, namelijk de aanname van de wet op de stichtingen, de hervorming van het wetboek van strafrecht als het gaat om de vrijheid van meningsuiting en de aangekondigde constitutionele wijzigingen. Aan de andere kant is er voor bepaalde kwesties nog steeds geen oplossing. Hierbij gaat het om de vrijheid van godsdienst voor andere religies dan de islam, de bemoeienis bij de activiteiten van het oecumenisch patriarchaat, en de langzame voortgang van het onderzoek naar de moord op Hrant Dink en de drie christenen uit Malatya. Ook is er niet voldaan aan bepaalde bepalingen in de associatieovereenkomst. Vorig jaar hebben we over elk van deze kwesties geschreven. De conclusie kan worden getrokken dat in de Bosporus-regio de tijd erg langzaam gaat.

In plaats van het volledige integratieproces door te drukken, moeten we misschien een juridisch raamwerk opzetten voor een vorm van samenwerking tussen Turkije en de Unie die beter bij de beide partners past. Dit zou onmiddellijk kunnen worden gedaan. De politieke dimensie van een dergelijk raamwerk zou het Europees nabuurschapsbeleid heel goed kunnen overstijgen. Deze alternatieve oplossing zou niet de spanningen veroorzaken zoals deze momenteel in Ankara en in de Europese hoofdsteden worden veroorzaakt door het debat over het volledige EU-lidmaatschap van Turkije.

 
  
MPphoto
 
 

  Vittorio Agnoletto, namens de GUE/NGL-Fractie. (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, wij zullen ons onthouden bij deze resolutie, vooral vanwege de manier waarop de Koerdische kwestie als een terzijde wordt afgedaan. Ik ben vooral van mening dat het optreden van Turkije in Noord-Irak niet slechts kan worden afgedaan als “disproportionele militaire operaties”. In plaats hiervan zouden we moeten verklaren dat dit optreden een openlijke schending van internationale wetten is.

Het Koerdische probleem kan niet worden afgedaan als slechts een sociale kwestie. Het is bovenal een politieke kwestie en we moeten de regering in niet mis te verstane bewoordingen vertellen dat er besprekingen moeten worden gestart met de lokale autoriteiten in de Koerdische regio en met de DTP. We mogen niet zwijgen over het feit dat er met geen woord wordt gerept over de uitspraak van het Hof van Luxemburg over de andere status die aan de PKK op terroristenlijsten is gegeven dan tot nu toe het geval is geweest.

We zijn van mening dat er veel oproepen aan Turkijes adres zijn geweest als het gaat om het Koerdische probleem, maar dat er tot nu geen aanzienlijke verandering is waargenomen. Dat is de reden voor onze onthouding.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Georgiou, namens de IND/DEM-Fractie. – (EL) Mevrouw de Voorzitter, ik heb het verslag van mijn collega-lid, mevrouw Oomen-Ruijten, met grote belangstelling en met respect gelezen en ik wil haar hiermee feliciteren.

Maar hoe ik het ook probeer, ik kan het verslag niet in overeenstemming brengen met actuele gebeurtenissen. Door de ontwikkelingen in Turkije kunnen we niet zien hoe de toekomst eruit zal zien voor dit land met zijn intrinsieke Aziatische eigenschappen.

Turkije heeft in het verleden geprobeerd hervormingen door te voeren. Laten we de Tanzimat-hervormingen niet vergeten of de hervormingen van Abdul Hamit en de Hatti Hümayun. Al honderden jaren wordt er geprobeerd hervormingen door te voeren, maar zonder succes.

Het besluit van het Constitutionele Hof is een onheilspellende dreiging. Politieke partijen worden verboden. Ik snap niet waarom Turkije het voorbeeld van Europa niet hoeft te volgen. Het is een toetredingsland en als...

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Philip Claeys (NI). (NL) Ter attentie van de heer Swoboda zou ik willen zeggen dat het in Europa wel al degelijk gebeurd is dat een politieke partij verboden werd en ik verwijs dan naar België, waar het Vlaams Blok, de grootste Vlaamse partij, in 2005 de facto verboden werd. Dat is natuurlijk geen excuus voor Turkije om ook politieke partijen te gaan verbieden.

Dit gezegd zijnde sta ik versteld, mevrouw de Voorzitter, over de tevredenheid van de Raad en de Commissie over de cosmetische wijziging van het beruchte artikel 301 van de Turkse strafwet, dat nog altijd evengoed de vrijheid van meningsuiting aan banden zal leggen. In plaats van de Turkse identiteit zogezegd te beledigen wordt het nu strafbaar om de Turkse natie zogenaamd te beledigen. Het is louter een kwestie van semantiek, een kwestie die nog altijd kan leiden tot daadwerkelijke gevangenisstraffen.

Artikel 301 moet niet worden gewijzigd, het moet worden geschrapt, samen met alle wetsartikelen die strijdig zijn met de vrijheid van meningsuiting en met de democratische grondrechten. Indien dat niet gebeurt, moeten de onderhandelingen gewoon stilgelegd worden, zoals men altijd heeft beloofd. Men heeft beloofd dat het onderhandelingsproces gelijke tred ging houden met het hervormingsproces in Turkije. Welnu, dit is wel degelijk niet het geval, zeker nu men al belooft dat er binnenkort twee nieuwe hoofdstukken zullen worden geopend. Indien de Europese Unie dus dit soort cosmetische opsmukoperaties goedkeurt, verliest zij elke geloofwaardigheid en wordt de hele verdere onderhandelingsprocedure een groteske farce.

 
  
MPphoto
 
 

  Werner Langen (PPE-DE). (DE) Mevrouw de Voorzitter, ten eerste wil ik mevrouw Oomen-Ruijten hartelijk bedanken. Ze heeft een open en eerlijk voortgangsverslag geleverd dat naadloos aansluit op de verslagen die we de afgelopen jaren hebben aangenomen.

Er is echter een punt waarover ik veel sceptischer ben dan u en commissaris Rehn. Zover ik zie, heeft Turkije vorig jaar geen enkele vooruitgang geboekt. Alles is in tegendeel tot stilstand gekomen. Wij hebben het grootste belang bij een Turkije dat modern, democratisch, stabiel en Westers georiënteerd is en dat nauwe economische, politieke en culturele betrekkingen met Europa onderhoudt. Als u echter naar de feiten kijkt, ziet u alle tekenen van stagnatie.

We moeten nog steeds een oplossing vinden voor het probleem van de douane-unie. Als het gaat om Cyprus heeft Turkije een speciale status bij de Europese Unie. Als onderdeel van dit hervormingsproces hebben we een voorstel gedaan aangaande artikel 301, maar ik wil u eraan herinneren dat voormalig minister-president Tansu Çiller dertien jaar geleden in 1995, voordat we de douane-unie goedkeurden, heeft toegezegd dat er hervormingen zouden worden doorgevoerd maar er is niets gebeurd. Er wordt nu gepraat over het opleggen van een verbod en hieruit wordt het gebrek aan democratische volwassenheid van Turkije duidelijk. De partijen zijn niet in het minst verontrust dat de regerende partij verboden zou kunnen worden en dat de minister-president een verbod zou kunnen krijgen voor het bedrijven van politiek. Het leger is zowel een stabiliteitsfactor als een belemmering voor de democratie. Deze tegenstrijdigheid is ook nog niet opgelost en ik zie op veel gebieden duidelijke tekenen van een nieuw nationalisme in Turkije. Het gedrag ten opzicht van de voorzitter van onze delegatie, Joost Lagendijk, laat zien dat het eigenlijk niet om de vrijheid van meningsuiting gaat. In plaats hiervan is er een verlangen om op elke mogelijke manier in het openbaar druk uit te oefenen om zo de publieke opinie te beïnvloeden. We mogen hier niet in mee gaan.

Er is naar mijn mening momenteel absoluut geen reden tot optimisme als het gaat om Turkije en we moeten serieus nadenken over andere mogelijkheden. Dit verslag is hierover open en eerlijk en we moet het onze steun geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Marinus Wiersma (PSE). (NL) Ook van mijn kant lof voor de rapporteur en de wijze waarop wij dit verslag gemaakt hebben. Het verslag geeft helder de richting aan waarin het Parlement wil werken, te weten onderhandelen over het lidmaatschap van de Europese Unie en niets anders.

In Turkije is 2008 aangekondigd als het jaar van de hervormingen. Wij steunen natuurlijk die ambitie, maar wij wachten wel af hoe de interne ontwikkelingen in Turkije verder zullen lopen. Mijn collega Swoboda heeft daar voldoende over gezegd. Als dat fout loopt dan krijgen wij te maken met een Turkije dat niet echt kan handelen.

Pratend over hervormingen wil ik nog eens aandacht vragen voor artikel 301 van het Wetboek van strafrecht, dat gebruikt wordt om de vrijheid van meningsuiting in Turkije op een aantal punten in te perken. De regering heeft aangekondigd dit artikel te willen wijzigen. Wij zijn van mening dat dit een goede stap is, maar wat wij het liefst zouden willen en wat volgens ons de beste oplossing is, is dat dit artikel uiteindelijk wordt ingetrokken, evenals andere beperkende bepalingen, zodat een eind wordt gemaakt aan een praktijk die helaas nog steeds bestaat, te weten dat deze artikelen worden misbruikt om de vrijheid van meningsuiting in te perken.

Ten tweede wil ik in aansluiting op mijn collega Lagendijk nog zeggen dat ook wij zeer verontwaardigd waren over de wijze waarop de politie heeft ingegrepen tijdens de 1 mei-demonstratie in Istanboel. U zult beseffen dat dit voor ons als sociaaldemocraten, voor wie 1 mei een belangrijke dag is, iets heel storends was en wij hopen dat zich dit nooit zal herhalen en doen een beroep op de autoriteiten om ervoor te zorgen dat zich dit nooit meer zal voordoen.

Tenslotte nog een opmerking over het Koerdenvraagstuk. Wij willen dat het politieke debat in Turkije ook echt plaatsvindt, dat gezocht wordt naar een politieke oplossing, dat er oplossingen worden gezocht via de weg van decentralisatie, maar ook bijvoorbeeld door het bevorderen van het gebruik van het Koerdisch in zijn algemeenheid. Ik denk dat dit een belangrijk punt is om vandaag nog eens te onderstrepen.

Tenslotte wil ik nog de aandacht vragen voor een punt dat wij herhaaldelijk aan de orde hebben gesteld, namelijk steun uitspreken voor het initiatief van de Spaanse premier Zapatero en zijn Turkse collega Erdoğan, voor wat zij noemen de alliantie van beschavingen. Wij hopen dat het Parlement vandaag eindelijk een keer onze amendementen daarover zal steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Andrew Duff (ALDE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ten eerste wil ik opkomen voor Joost Lagendijk vanwege de schandalige aanvallen op zijn integriteit door de CHP en bepaalde nationalistische journalisten. Joost Lagendijk is een goede vriend van Turkije en een eersteklas voorzitter van de gemengde parlementaire commissie. Degenen die Lagendijk aanvallen, vallen dit Parlement aan en willen de democratie offeren op het altaar van agressieve secularisatie. Onze eigen boodschap moet glashelder zijn: als het Hooggerechtshof van Turkije doorgaat met het opheffen van politieke partijen, betekent dit het einde van alle vooruitzichten op Turks EU-lidmaatschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Cem Özdemir (Verts/ALE). (DE) Mevrouw de Voorzitter, ook ik wil als eerste de rapporteur bedanken voor haar goede samenwerking en haar uiterst evenwichtige verslag. Het verslag benadrukt de kritische punten die door de mensen in Turkije zelf zijn vastgesteld. Het gaat hier bijvoorbeeld om de oplossing van het Koerdische probleem op basis van een consensus terwijl de rechten van alle etnische groeperingen in Turkije worden gewaarborgd, het hoofddoekjesprobleem waarbij het ook gaat om het respecteren van degenen die geen hoofddoekje willen dragen, en het probleem van de vrijheid van godsdienst die op iedereen van toepassingen moet zijn, waaronder bijvoorbeeld op alevieten, christenen en de oecumenische patriarch van Istanbul.

We zeggen dit allemaal omdat we vrienden van Turkije zijn en omdat we een Europees Turkije binnen de Europese Unie willen zien. Daarom uiten wij deze kritiek als vriend. De Europese Unie kan ook meer doen. Signalen zoals die worden afgegeven door de heer Sarkozy, die heeft gezegd dat wat Turkije ook doet het nooit lid van de EU zal zijn, helpen zeker niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberta Angelilli (UEN). (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil de rapporteur bedanken voor het uitstekende werk dat ze heeft gedaan om de actuele politieke, sociale en bestuurlijke situatie in Turkije zeer duidelijk in kaart te brengen.

Ongeacht of u nu positief, gematigd enthousiast of gewoonweg vijandig bent ten opzichte van de toetreding van Turkije tot de Europese Unie, behoeft het geen discussie dat Turkije ver achterloopt als het gaat om modernisatie en mensenrechten. Er zijn weliswaar wel een aantal inspanningen gedaan, maar corruptie is een wezenlijk probleem en er is nog steeds geen oplossing voor de kwestie rond Cyprus, om nog maar te zwijgen over het feit dat er nog steeds veel werk moet worden gedaan als het gaat om de betrekkingen met de Armeniërs. Dan is er het Koerdische probleem, en ook geweld tegen vrouwen is nog steeds een gevoelig punt, evenals gedwongen huwelijken en gevallen van eerwraak.

Tevens is er reden tot zorg als het gaat om de situatie met het aangeven van geboortes en de lage scholingsniveaus. Deze lijst zeker niet compleet en geeft een kort overzicht van een uiterst ingewikkelde situatie die het Parlement steeds nauwkeurig en vastberaden in de gaten moet houden. Er kan geen compromis worden gesloten als het gaat om vrijheid en fundamentele rechten...

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Adamos Adamou (GUE/NGL).(EL) Mevrouw de Voorzitter, mits Turkije geheel aan alle criteria van Kopenhagen en de verplichtingen die zij onder de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara is aangegaan voldoet, kan zij en moet zij tot de EU toetreden.

Het is ons volkomen duidelijk dat het de bedoeling is dat Turkije volledig toetreedt en dat de een of andere vorm van partnerschap geen alternatief is. Het vooruitzicht van Turkije tot de EU toe te treden zal het land onder druk zetten om van iedereen die in Turkije woont, waaronder ook Koerden en religieuze minderheden, de mensenrechten te eerbiedigen.

Ondanks onze bezorgdheid over de rechtszaken die op dit moment gaande zijn over de kwestie van de regeringspartij en de oppervlakkige wijziging van artikel 301 van het Wetboek van strafrecht, geloven wij dat Turkije wat vooruitgang heeft geboekt. Maar om het toetredingstraject onbelemmerd te kunnen laten voortgaan, moet het land hetzelfde doen als de landen die eerder toegetreden zijn en voldoen aan haar verplichtingen aan de EU als geheel onder het Verdrag.

Daarom moet Turkije haar verplichtingen nakomen, haar lucht- en zeehavens openstellen voor vliegtuigen en schepen van de Republiek Cyprus en het veto op de deelname van Cyprus aan internationale organisaties opheffen.

Terwijl we momenteel, dankzij de inspanningen van de Griekse en Turkse gemeenschappen op Cyprus na de overeenkomst van 21 maart tussen de leiders van de twee Cypriotische groeperingen, vooruitgang zien, mag Turkije niet in de weg staan.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder (IND/DEM).(NL) De Republiek Turkije diskwalificeert zichzelf voor het lidmaatschap van de Europese Unie. De kwalijke bejegening van haar nietige christelijke minderheid, wellicht 100.000 burgers ofwel net eenhonderdste procent van de totale bevolking, laat mij geen andere conclusie toe. En op grond van de criteria van Kopenhagen rest trouwens Raad, Commissie en Parlement evenmin een andere keuze.

De regelrechte vervolging waaraan Syrisch-orthodoxen en andere christenen in het zuidoosten van Turkije, Tur Abdin, sinds jaar en dag blootstaan, vormt een regelrechte aanklacht tegen de Turkse staat. Hoort een land waar staatsburgers die aan christelijke erediensten deelnemen en daarover regelmatig worden verhoord door politie of geheime dienst, thuis in de Europese Unie? Verhoren die bovendien gepaard gaan met bedreiging in de persoonlijke of beroepssfeer of zelfs in enkele gevallen met folteringen. Turkse toestanden, Turkse zelfdiskwalificatie. Punt is evenwel, hoe eerlijk is de Europese Unie hierover tegenover zichzelf?

 
  
MPphoto
 
 

  Sylwester Chruszcz (NI).(PL) Mevrouw de Voorzitter, ik heb alle respect voor de Turkse natie en ben mij geheel bewust van de eeuwenlange nauwe betrekkingen en het nabuurschap tussen mijn land, Polen, en Turkije. Desalniettemin moet ik zeggen dat het idee van lidmaatschap van de Europese Unie van Turkije mijn begrip te boven gaat.

Hoewel Turkije al vele eeuwen op het Europese grondgebied aanwezig is, is zij cultureel gezien geen Europees land. We moeten zo veel mogelijk ons best doen om met Turkije samen te werken, maar de implicaties van de toetreding van een islamitisch land tot een Europese club zijn moeilijk te overzien. De huidige situatie in Turkije duidt er zelfs op dat de autoriteiten in Ankara er niet bepaald op gebrand zijn in Europa geïntegreerd te worden.

Naast de betrekkingen van Turkije met de Europese Unie zou ik ook graag willen verwijzen naar haar betrekkingen met Armenië. Gelukkig roept de ontwerpresolutie van het Europees Parlement de Turkse regering op haar economische blokkade op te heffen. Maar het is betreurenswaardig dat er in het document niet verwezen wordt naar de Armeense genocide.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Toubon (PPE-DE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, het verslag van onze collega Ria Oomen-Ruijten is grondig, eerlijk en moedig in deze tijd vol beproevingen voor Turkije, en ik wil haar daarmee graag feliciteren. Het verslag valt echter in een genre dat, naar mijn mening, steeds onwezenlijker wordt. Het Parlement en veel andere instellingen blijven de schijn ophouden, alsof onze onvermoeibare opvoedkundige pogingen Turkije kunnen veranderen. Feitelijk is dit de kern van de zaak: de tegenstrijdigheid tussen dit land, deze natie, dit fantastische volk, haar evolutie en het project dat we samen willen ondernemen.

Turkije is een natiestaat, een van de laatste in zijn soort, een van de sterkste en een van de landen die zich daar het meest bewust van is. Haar eenheid is een nationalistische eenheid, en dat is duidelijk waarneembaar voor wat betreft de erkenning van de genocide in Armenië. Het beleid raakt steeds meer geïnspireerd op één enkele religie, zelfs als deze de rug toekeert aan de seculiere aspecten, die nu juist precies de basis van haar grondwet vormen. Zij draagt haar wil tot onafhankelijkheid uit, terwijl wij hier het beginsel van integratie en het delegeren van macht en soevereiniteit willen implementeren. Dit is precies een frontale botsing tussen beide partijen.

Laten we geen illusies hebben; laten we ervan afzien de Turken zowel het een als het ander te vertellen, en hen te laten geloven dat we ofwel bereid zijn hun toetreding te aanvaarden zonder dat ze feitelijk aan de criteria van Kopenhagen voldoen of hun toetreding daarom af te wijzen, terwijl het eigenlijk om ons gaat, en hoe we ons Europees project voor ogen hebben. Laten we maar een structuur bepalen van een duurzaam partnerschap met een win-winbenadering, zodat Turkije zijn rol als regionale macht kan oppakken en de EU verder aan de profilering van haar identiteit in de wereld kan werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Véronique De Keyser (PSE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, omdat ik maar één minuut de tijd heb, zal ik direct ter zake komen.

De verzoenende houding van de rapporteur, mevrouw Oomen-Ruijten, heeft heel wat valkuilen voorkomen. Maar er is er nog één, en die is het meningsverschil over amendement 14 betreffende reproductieve gezondheid. Voor de sociaaldemocraten is dit amendement geen klein detail, slechts een vrouwenprobleem. Het geeft een duidelijke scheiding van kerk en staat aan, en is een symbool van secularisme.

Als we willen dat het Turkse secularisme niet meer door het leger of door tegenstrijdige rechterlijke uitspraken wordt verdedigd, laat vrouwen dat dan doen. Ze zullen het met hun lichaam verdedigen. In een land waar nog steeds eerwraak wordt uitgevoerd, betekent het opkomen voor de seksuele rechten van vrouwen het voeren van oppositie tegen fundamentalistische excessen, van welke kant die ook komen.

 
  
MPphoto
 
 

  István Szent-Iványi (ALDE). - (HU) Mevrouw de Voorzitter, laten we de situatie niet mooier voorstellen dan deze is: de kwestie van de toetreding van Turkije is op een kritiek punt aangekomen. De toetreding wordt tegengehouden door onzekerheden in het Turkse binnenlandse beleid en de schroom van de Europese Unie ten aanzien van Turkije. In deze situatie is het belangrijk er nogmaals op te wijzen dat het toetredingsproces een open proces is, maar dat het EU-lidmaatschap het gemeenschappelijke doel is. We hebben ons daartoe verplicht, en Turkije ook.

Het is in ons strategisch belang dat Turkije uiteindelijk deel zal uitmaken van het politieke orgaan Europa. Een geassocieerd lidmaatschap via de Mediterrane Unie kan een aanvulling zijn, maar kan het integratieproces niet vervangen. Turkije moet ook veel meer doen dan zij tot nu toe heeft gedaan om de democratische instellingen te versterken, de civiele controle over het leger te versterken, het rechtssysteem te hervormen, en de mensenrechten en de rechten van minderheden te bevorderen. We hebben gezamenlijk de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat dit proces slaagt, want als de onderhandelingen vastlopen, is dat ook onze fout, niet alleen die van Turkije. Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Mogens Camre (UEN).(DA) Mevrouw de Voorzitter, Turkije is te groot en te verschillend om lid van de EU te worden. Als Turkije zich werkelijk volgens de beroemde uitspraak van Kemal Atatürk: “Er is slechts één beschaving” zou willen gedragen, zouden we hier niet jaar in jaar uit staan te beweren dat Turkije vast en zeker niet bereid is aan de eisen van de EU betreffende het aannemen van Europese waarden te voldoen en hun Ottomaanse waarden op te geven. Turkije is duidelijk van plan de EU uit te putten, gewoon door te blijven onderhandelen zonder te voldoen aan onze cruciale eisen dat zij verandert. Al 34 jaar lang bezet Turkije meer dan een derde van het grondgebied van een EU-lidstaat. Cyprus lijdt als geheel onder de Turkse bezetting, en het bezette gebied nog het meest. Het is duidelijk dat een grote meerderheid van de Europese burgers niet wil dat Turkije lid van de EU wordt. Het lijkt er ook op dat een steeds groter deel van de Turkse bevolking dat ook niet wil. Het is tijd om met dit toneelspel te stoppen. Turkije kan een uitbreiding van de handelsovereenkomst krijgen. In de toekomst die Turkije wil scheppen is er voor Europa geen plaats.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioannis Kasoulides (PPE-DE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik feliciteer Ria Oomen-Ruijten met haar evenwichtige en eerlijke maar nauwkeurige benadering van zo’n controversiële kwestie. Militaire coups zijn tegenwoordig uit de mode en worden vervangen door tegenstrijdige rechterlijke uitspraken. Het is ongelooflijk dat de grondwet en de wetgeving toestaan dat een regering die door zevenenveertig procent van de bevolking is gekozen door de rechterlijke macht omver geworpen wordt vanwege een aanklacht die, vergeleken met de normen van de EU, de Raad van Europa of de Commissie van Venetië, totaal niet in verhouding staat tot het verzochte vonnis.

De beginselen van de EU stroken niet met een “staat binnen een staat” of een leger dat de regering belet op haar nieuwe uitdagingen in te spelen: voor wat betreft Cyprus, om, nu de onderhandelingen weer hervat zijn, te laten zien dat Ankara de politieke wil heeft tot een schikking te komen op grond van de beginselen die de basis vormen van de EU, zonder de aanwezigheid van Turkse troepen op het eiland of het recht van unilateraal militair ingrijpen; voor wat betreft de mensenrechten en de vrijheid van meningsuiting in artikel 301; voor wat betreft de rechten van niet-islamitische religieuze minderheden en de orthodoxe oecumenische patriarch; voor wat betreft de verplichtingen van Turkije met betrekking tot het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara; voor wat betreft kwesties zoals crimes passionnels tegen vrouwen en de doodzwijgcampagne die er hierover bestaat; voor wat betreft de kwestie van de Armeense genocide en de blokkade van Armenië, enzovoort.

Dit zijn de uitdagingen waarmee Turkije geconfronteerd wordt als zij wil bewijzen dat zij een kandidaat is om uiteindelijk lid van de Europese Unie te worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Maria-Eleni Koppa (PSE).(EL) Mevrouw de Voorzitter, Turkije heeft een plek in de Europese familie en volledige toetreding moet ons enige doel zijn. De Unie moet zich aan haar verplichtingen houden. Op haar beurt moet Turkije voldoen aan de criteria van Kopenhagen en de verplichtingen die zij op zich heeft genomen.

Maar het afgelopen jaar is er op het gebied van de mensenrechten maar weinig vooruitgang geboekt. Het herroepen van het beruchte artikel 301 en alle bepalingen die de spot drijven met de vrijheid van meningsuiting blijft het uiteindelijke doel.

Verder moet er direct aandacht worden besteed aan de situatie in Zuidoost-Turkije. Wij zijn tegen geweld en geloven dat er op vreedzame wijze een definitieve oplossing moet worden gevonden. Geweld mag geen geweld oproepen. Daarom ben ik van mening dat er een grondig onderzoek moet worden uitgevoerd naar het gebruik van het Turkse grondgebied door Amerikaanse vliegtuigen in verband met de geheime afvoering van verdachten naar Guantanamo Bay.

We moeten ernaar streven een vreedzame, democratische en stabiele samenleving te scheppen. Daarom zijn wij vooral bezorgd over de recente ontwikkelingen in Turkije die het gevolg zijn van het mogelijke verbod op de Partij van Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP).

Ik zou graag willen afsluiten met de rapporteur te feliciteren...

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, we weten allemaal dat het Turkse leger de grootste belemmering van de Turkse ontwikkeling naar een democratie vormt. Het is een leger dat niet alleen de zeggenschap heeft over miljoenen soldaten en degenen die van hen afhankelijk zijn, maar ook over politieke partijen en processen, de politie en de geheime dienst, een groot deel van de rechterlijke macht (waaronder het hooggerechtshof en het constitutionele hof), alsook de religieuze, maatschappelijke, economische en onderwijszaken van het land.

Sinds de revolutie van generaal Atatürk in de jaren 1920 leeft Turkije in feite onder een militair dictatorschap, zij het direct of indirect. Onlangs heeft het vooruitzicht van toetreding tot de EU de gelegenheid geschapen voor sommige moedige mensen, zoals de leiders van de AKP, om de opperheerschappij van het leger te betwisten. Wij hebben de plicht deze mensen te helpen, niet alleen met woorden, maar met daden. Het leger heeft haar macht grotendeels te danken aan de steun van het Westen. De VS, Groot-Brittannië, Duitsland, Italië en Spanje geven miljarden euro’s aan rechtstreekse hulp en aan lucratieve gezamenlijke militaire missies. Deze landen en andere landen, waaronder Rusland en China, hebben de plicht alle dergelijke financiële ondersteuning aan het Turkse leger te stoppen totdat en mits er in het land een werkelijke democratie stevig in het zadel zit.

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Borghezio (UEN).(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, alleen sterke geopolitieke en geo-economische belangen, en niet het belang en de wens van onze bevolkingen, staan de toetreding van Turkije tot Europa voor.

Dit verslag lijkt een opsomming te zijn van redenen tegen het lidmaatschap van de Europese Unie van een land dat bij de dag meer geïslamiseerd wordt, waar moefti’s openlijk bepleiten dat vrouwen die geen sluier dragen de duivel aanbidden. De Turkse grondwet is een samenstel van regels die opgehouden worden, maar die in strijd zijn met de mensenrechten die wij koesteren.

Helaas verdoezelt het verslag essentiële kwesties: Cyprus, de Armeense genocide en de Koerdische kwestie. Bij toetreding tot Europa zullen de regels van dit islamitische land, dat het gebruik van alcohol ten strengste verbiedt, bovendien ook worden opgelegd aan onze volkeren, waaronder de prachtige Kelten, van de Ieren tot aan de Bretons, en aan ons, de mensen uit de Povlakte, die vol trots van onze wijn en ons bier genieten.

 
  
MPphoto
 
 

  Francisco José Millán Mon (PPE-DE).(ES) mevrouw de Voorzitter, het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten, dat we vandaag gaan aannemen, is een serieus verslag, in grote lijnen evenwichtig, en ook ingrijpend.

In het verslag wordt de vooruitgang die is geboekt gemeld, maar worden de ook de nog uit te voeren hervormingen benadrukt.

We zijn allemaal verheugd over het feit dat de Turkse autoriteiten 2008 als het jaar van de hervormingen beschouwen, want we weten dat deze voor de toetredingsonderhandelingen nodig zijn. De veranderingen zelf zullen bovendien goed voor Turkije zijn.

Een grote parlementaire meerderheid van de Turkse regering betekent dat de hervormingen niet uitgesteld kunnen worden. Als deze worden doorgevoerd, zullen de burgers van de Europese Unie ook merken in hoeverre Turkije zich inzet voor wat betreft toetreding tot de EU en haar waarden, waaronder de eerbiediging van rechten en vrijheden.

Het verslag benadrukt dan ook onze sterke wens dat er geen incidenten plaatsvinden die het politieke leven in Turkije ernstig zullen verstoren.

Dames en heren, wij zijn vóór hervormingen. Wij zijn er ook vóór dat men zich aan toezeggingen houdt. Tot de nog niet gerealiseerde toezeggingen behoren de normalisering van de betrekkingen met Cyprus en de volledige tenuitvoerlegging van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara.

Een ander belangrijk punt voor de EU is immigratiecontrole. We moeten de illegale immigratie waarbij Turkije soms als doorgangsland wordt gebruikt voorkomen, en de maffiagroeperingen die daar voordeel uit halen bestrijden.

Er moet toezicht zijn op de buitengrenzen, en er moeten systemen geïmplementeerd worden om illegale immigranten te repatriëren. Voor deze maatregelen is de medewerking van Turkije nodig, en daarom spijt het mij dat er nog geen overeenkomst inzake de overname van personen is bereikt.

Terrorisme is ook een heel reële bedreiging in Turkije en de Europese Unie, dames en heren. We moeten onze samenwerking verhogen om deze plaag effectiever te bestrijden.

Ik ga nu afsluiten. Er is nog een breder gebied, de buitenlandse politiek, waarbij de EU en Turkije zich er meer voor moeten inspannen hun standpunten te laten aansluiten. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het Mediterrane gebied of Midden-Azië.

We hebben ook veel wederzijdse belangen voor wat betreft de zekerheid van energievoorziening, een van de grootste uitdagingen van onze tijd.

Kortom, dames en heren, Turkije en de Europese Unie hebben elkaar nodig, en we moeten doorgaan met dit in gedachte.

 
  
MPphoto
 
 

  Béatrice Patrie (PSE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik ben zeer verheugd met de evenwichtigheid van dit verslag, dat een positief signaal naar Turkije uitzendt. De sociaaldemocraten zullen erop toezien dat het positieve traject van de toetredingsonderhandelingen onder het Franse voorzitterschap wordt voortgezet. Juist omdat wij voorstander zijn van de toetreding vinden wij dat er geen enkele schaduw geworpen mag zijn op gebeurtenissen die betrekking hebben op onze gemeenschappelijke democratische waarden.

Het is onaanvaardbaar dat intellectuelen zoals Hrant Dink, een journalist van Armeense afkomst, hun leven in gevaar brengen door bepaalde perioden in de Turkse geschiedenis aan de orde te stellen. Ook is het onaanvaardbaar een officiële stelling te blijven innemen die de Armeense genocide reduceert tot een grote tragedie, die daarbij aan het lijden van een volk voorbijgaat, terwijl het aantal gedeporteerden vergelijkbaar is met het aantal mensen dat in het Verenigd Koninkrijk aan griep lijdt.

Net zoals de filosoof Bernard-Henri Lévy, ben ik van mening dat het ontkennen van de genocide feitelijk deel uitmaakt van de genocide. Ik roep de Turkse autoriteiten dan ook op de verstandige weg van de waarheid te bewandelen en alle nationale minderheden te helpen rehabiliteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Gunnar Hökmark (PPE-DE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ten eerste zou ik mevrouw Oomen-Ruijten graag voor dit verslag willen bedanken. Het verslag onderstreept dat Turkije op veel gebieden al deel uitmaakt van Europese projecten, maar onderstreept ook dat er een ontwikkeling is, dat er een beweging gaande is, met betrekking tot hervorming van de Turkse maatschappij. Tegelijkertijd wordt benadrukt dat die hervormingen en veranderingen veel te traag worden doorgevoerd, dat er nog veel meer te doen is.

Maar dat neemt niet weg dat we met een fundamentele vraag blijven zitten: is de Europese Unie en zijn Europa en de Europese waarden beter af met een Turkije dat aan alle vereisten voldoet en dat alle hervormingen die in het verslag onderstreept zijn heeft doorgevoerd, of zijn we beter af met een Turkije dat in de toekomst misschien meer naar andere delen van de wereld, naar andere waarden zal neigen? Volgens mij is het antwoord op deze vraag nogal duidelijk, en dat benadrukt dat we natuurlijk druk moeten blijven uitoefenen met betrekking tot alle veranderingen die in Turkije moeten worden doorgevoerd betreffende de vrijheid van meningsuiting, de wijziging van de paragraaf van artikel 301, godsdienstvrijheid, gelijke rechten voor vrouwen en mannen, niet alleen in de wetgeving maar ook in werkelijkheid, en natuurlijk de noodzaak om tot een oplossing van de kwestie Cyprus en een aantal andere kwesties te komen. Als de toetredingsonderhandelingen al deze resultaten opleveren, is het met dat in het vooruitzicht, zeer belangrijk dat de Europese Unie openstaat voor het lidmaatschap van Turkije, omdat dit de Europese waarden, Europa en de Europese Unie zal versterken, en volgens mij is dat de noodzakelijke en duidelijke conclusie van dit debat.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, in eerste instantie zou ik de evenwichtige en consciëntieuze aanpak van de rapporteur en ook van de commissaris en het voorzitterschap met betrekking tot dit belangrijke verslag willen verwelkomen. Ik zou graag drie punten willen benadrukken.

Aan mijn Turkse vrienden: De aanhouding van 530 vakbondsleden op 1 mei 2008 was in strijd met de vrijheid van organisatie als een van de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie en van de criteria van Kopenhagen. Bescherm de vakbeweging, en voorkom ook verdere aanvallen op de Turkse vakbond voor wegvervoerders, Tümtis.

Aan de tegenstanders van de toetreding van Turkije: Buit de zaak tegen de AKP in het constitutionele hof niet uit voor uw politieke doeleinden. Na de crisis over de benoeming van de president zijn er verkiezingen gehouden en heeft de democratie gezegevierd. Ook nu weer verwacht ik dat de democratie op de een of andere manier opnieuw zal zegevieren.

Aan mijnheer Claeys, mijnheer Langen, mijnheer Belder, mijnheer Toubon en anderen die de publieke steun voor de toetreding tot de EU in Turkije bewust proberen te ondermijnen door hun taalgebruik en bedreigingen in het debat van vanochtend: De Turkse publieke opinie moet begrijpen dat u geen meerderheid vertegenwoordigt; u spreekt niet uit naam van dit Parlement en u zult er niet in slagen haar Europese vooruitzichten te hinderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Elmar Brok (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, commissaris, dames en heren, op dit moment is Turkije een nog belangrijker land voor de Europese Unie dan ooit tevoren. Daarom moet het hervormingsproces in Turkije gesteund worden, en het is voor ons belangrijk een democratisch Turkije als rechtsstaat te hebben.

Maar we moeten zeker bedenkingen hebben, die ook in het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten naar voren komen. Het is namelijk de vraag of Turkije wel voldoende in staat is hervormingen door te voeren. Als ik kijk naar wat er met artikel 301 van het Wetboek van strafrecht gebeurt, godsdienstvrijheid en de wet op de stichtingen, de rechten van minderheden, enzovoort, is het duidelijk dat de regering Erdoğan probeert vooruitgang te boeken maar altijd tekort is geschoten in wat daarvoor benodigd is, omdat de hervormingsmogelijkheden van Turkije op binnenlands niveau vrij duidelijk hun grenzen bereikt hebben.

Als ik daarbij dan ook nog zie dat er pogingen worden ondernomen om de regeringspartij zomaar te verbieden en dat deze een paar weken later weer aangesteld wordt, onder een andere naam, maar dan zonder bepaalde personen die niet meer welkom in de politiek zijn, dan betekent dit dat…

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Emilio Menéndez del Valle (PSE).(ES) Mevrouw de Voorzitter, gewelddadig islamitisch fundamentalisme dat het voorzien heeft op het Westen maar ook de islam zelf schaadt is in het Midden-Oosten en de Maghreb aan het toenemen.

Radicaal islamitisch fundamentalisme, hoewel dit niet gewelddadig is, is in een aantal landen ook aan het toenemen. Dit geeft de belangrijke rol aan die Turkije kan spelen ten opzichte van de moslimwereld in zijn betrekkingen met de Europese Unie.

Turkije is hiertoe in staat door haar hoedanigheid als land dat officieel seculier is maar duidelijk moslimwortels en een moslimcultuur heeft, en dit is een echt voordeel voor wat betreft de betrekkingen tussen de EU en de moslimlanden.

Daarom heeft mijn fractie twee amendementen neergelegd om Turkije te verwelkomen als cosponsor, samen met Spanje, van het officiële project “Alliantie van Beschavingen” van de Verenigde Naties. Dit mogen we niet vergeten, want door middel van dit project toont Turkije haar inzet om te helpen bij de betrekkingen tussen het Westen en de Arabisch-islamitische wereld.

 
  
MPphoto
 
 

  Vural Öger (PSE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Oomen-Ruijten, mijn lof en respect voor dit verslag. Het is evenwichtig en eerlijk, en dat is de lijn die we nu moeten blijven volgen.

Het klopt dat we het feit dat Turkije nog meer inspanning moet leveren moeten benadrukken. Het doel een stabiele, welvarende democratie in Turkije te verwezenlijken is niet alleen in het eigenbelang van Turkije, maar het is ook een belangrijk strategisch belang van de EU.

Ik maak mij zorgen over de houding van de komende voorzitter van de Raad, de heer Sarkozy. Zijn beleid met betrekking tot Turkije streeft niet naar toetreding tot de EU. Hij dringt erop aan dat verwijzingen naar Turkije als kandidaat voor toetreding uit EU-documenten worden verwijderd, en benadrukt dat Frankrijk alleen zal toestemmen in het openen van hoofdstukken die niet op een volledig lidmaatschap gericht zijn. Daarmee staat de geloofwaardigheid van de EU op het spel. Ik zou graag op één punt willen wijzen: pacta sunt servanda! Het openen van toetredingsonderhandelingen is unaniem overeengekomen, en dat betekent dat Frankrijk daar ook in heeft toegestemd.

In plaats van negatieve signalen uit te zenden zou de EU op opbouwende wijze met Turkije moeten omgaan. In dit Huis hebben we met een meerderheid besloten dat we met Turkije...

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Evgeni Kirilov (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Oomen-Ruijten heeft een zeer evenwichtig en objectief verslag over Turkije geleverd, dat bijzonder prijzenswaardig is. Het is opvallend dat de naburige lidstaten vrij eensgezind zijn dat er een duidelijk vooruitzicht van EU-lidmaatschap van Turkije moet zijn. Dit is geen toeval; naburige landen kennen een situatie altijd beter. Turkije heeft al een enorme vooruitgang geboekt met de doorgevoerde hervormingen om aan de Europese democratische normen te kunnen voldoen. Natuurlijk moet er nog veel gebeuren, maar we moeten Turkije in dit proces aanmoedigen; we moeten de pro-Europese hervormingsbewegingen in Turkije, zowel in de regeringspartij als in de oppositie, aanmoedigen.

Wat betreft het eventuele constitutionele besluit de AKP te beëindigen: dat is natuurlijk niet acceptabel. Ik vind dat we ons niet druk hoeven te maken, want volgens mij zal Turkije vast genoeg verstand hebben om een potentiële crisis te boven te komen.

Als buurlanden moeten wij Turkije aanmoedigen en al het mogelijke doen om de bilaterale en trilaterale grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren en tot een betere kwaliteit van goed nabuurschap te komen. En daarbij hoort ook het oplossen van alle onopgeloste bilaterale kwesties, zoals het geval met de...

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, mevrouw Oomen-Ruijten heeft een solide en objectief verslag gepresenteerd. Ze heeft naar enkele tekenen van vooruitgang verwezen, maar ook naar vele vraagtekens en onopgeloste problemen. De kernvraag, die slechts zijlings aan de orde is gekomen, is als volgt: als Turkije veranderd was, zou zij dan recht op lidmaatschap hebben? Onze huidige EU-wetgeving biedt bij het beëindigen van het onderhandelingsproces een politiek alternatief, zowel voor de Europese Unie als voor Turkije zelf. En daarom verzoeken wij in Oostenrijk, en elders, om open onderhandelingen. De toetreding is één optie, maar geen uitgemaakte zaak.

 
  
MPphoto
 
 

  Pierre Pribetich (PSE).(FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, omdat Turkije deel uitmaakt van de Europese geschiedenis, omdat Turkije een onderdeel van de Europese cultuur vormt, omdat Turkije een aanzienlijke economische en demografische kans voor de EU inhoudt, betekent dit standpunt vóór toetreding dat ik zelfs nog meer kan eisen: meer voor wat betreft democratische beginselen, meer voor wat betreft secularisme, en meer voor wat betreft het eerbiedigen van de mensenrechten.

De Europese Unie is gebouwd op waarden en beginselen die we tijdens een toetredingsprocedure niet omwille van de diplomatie met een oorverdovende stilte kunnen verloochenen. Turkije moet de Armeense genocide erkennen, een historische en symbolische daad, die van haar politieke volwassenheid zal getuigen. Het Parlement heeft al sinds juni 1987 met volle overtuiging en kracht op deze erkenning aangedrongen. En moeten we nu, eenentwintig jaar later, met zo’n vlakke formulering aankomen? Als het Parlement dit accepteert, betekent dat een stap terug. Dames en heren, ik roep u op vóór amendement 23 te stemmen, om aan de autoriteiten duidelijk te maken…

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Zaleski (PPE-DE).(PL) De mentaliteit van de Turken is sinds de tijd van Kemal Atatürk maar weinig veranderd. Hun godsdiensttraditie drijft hen voort op hun eigen specifieke koers, die anders is dan die van ons Europeanen. Geografische nabijheid is niet gelijk aan culturele verwantschap. De ongeschreven sociale gedragsregels geven bovendien niet aan dat de Turkse bevolking naar een Europese identiteit neigt.

De vraag rijst dan ook of Turkije wel wil veranderen en ons sociopolitiek model wil aannemen, want artikel 301 lijkt dit tegen te spreken. Hebben wij wel het recht om de Turken de les te lezen en hen te vertellen wat ze moeten doen? De sociaaldemocratische fractie in het Europees Parlement wil door middel van haar amendementen een oplossing op grond van ideologie opdringen aan de Turkse bevolking, maar die vindt het wel goed zoals het is. Er is nauwelijks enige vooruitgang met de hervormingen geboekt, en het leger speelt nog steeds een zeer belangrijke rol. Moeten we welzijn met geweld aan het land opdringen, en haar identiteit, traditie en cultuur daarbij veranderen? Hoe dan ook, staat dit alles open voor verandering?

Mevrouw de Voorzitter, de Raad heeft te goeder trouw tot onderhandeling besloten, zodat Turkije een brug zou kunnen gaan vormen tussen Europa en de islam. Nu is hij er niet meer van overtuigd dat zijn eigen beslissing juist was. Het enige wat overblijft, is wishful thinking.

 
  
MPphoto
 
 

  Joel Hasse Ferreira (PSE).(PT) Mevrouw de Voorzitter, over het algemeen verwelkom en ondersteun ik het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten, vooral voor wat betreft de bezorgdheid die wordt geuit over de implicaties van de beëindiging van de AKP. Bovendien hebben we nu een prachtige kans die we moeten grijpen om de kwestie Cyprus op te lossen.

Zoals in het verslag wordt gesteld, is het ook essentieel dat de Turkse regering doorgaat met haar hervormingen, met eerbied voor pluralisme en diversiteit in een democratisch en seculier Turkije, en dat alle burgers binnen de democratische Turkse staat hun culturele identiteit moeten kunnen ontwikkelen.

Natuurlijk is er ook vooruitgang nodig op andere gebieden, zoals het verdedigen van vakbondsrechten en meer vooruitgang op weg naar een effectieve gendergelijkheid. Het verslag erkent echter ook dat veel vooruitgang die benodigd is om de Turkse samenleving te moderniseren al verwezenlijkt is.

Mevrouw de Voorzitter, de voortgang van Turkije naar een volledige integratie moet geheel overeenkomstig de voorwaarden die overeengekomen zijn door de Europese Raad en die door dit Parlement zijn aangenomen verlopen. Niet meer en niet minder.

 
  
MPphoto
 
 

  Panayiotis Demetriou (PPE-DE).(EL) Voorzitter, we weten allemaal dat er nu in Cyprus een ander klimaat heerst. Zowel de Griekse als de Turkse Cyprioten willen dat er een oplossing komt voor het Cypriotische probleem en willen graag, ten gunste van beide kanten, de belangen van hun land dienen. Maar dit is precies waar Turkije zich in mengt, omdat Turkse troepen een deel van Cyprus bezet houden. Turkije beheerst de situatie op politiek gebied en het wordt tijd dat het zich realiseert dat het afstand van dit beleid moet nemen. Het is in het belang van Turkije dat de kwestie Cyprus wordt opgelost. Vooral het leger, dat tijdens het gehele proces op een negatieve manier is opgetreden, moet zich realiseren dat de kwestie Cyprus moet worden opgelost.

Het wordt hoog tijd dat de Turkse bezetting en inmenging stopt, zodat Griekse en Turkse Cyprioten vreedzaam in de EU kunnen samenleven. We kunnen dit bereiken en ik geloof dat we vreedzaam kunnen leven.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter van de Raad. (SL) Gezien het gebrek aan tijd en het lawaai in de hal, zal ik proberen het heel kort te houden.

Het debat dat net is beëindigd en vooral het verslag van Ria Oomen-Ruijten, hebben bevestigd wat de Raad zich ook realiseert: ieder hervormingsproces is moeilijk. Dit geldt ook voor Turkije.

In dit proces wordt de staat geconfronteerd met aanzienlijke dilemma’s ten aanzien van waarden als secularisme, democratie en mensenrechten.

Dit blijkt uit zaken die verschillende keren zijn genoemd, waarnaar wordt verwezen in het verslag en waarover de Raad zich ook heeft gebogen, uit rechtszaken zoals de gerechtelijke acties tegen politieke partijen, uit het debat over hoofddoeken voor vrouwen, over de status van vrouwen in het algemeen, over godsdienstvrijheid en over vrijheid van meningsuiting, onder andere.

Ik wil dit benadrukken: op de gebieden waar Turkije vooruitgang heeft geboekt, is dit een duidelijke, zij het onvoldoende, vooruitgang. Er is duidelijk vooruitgang te zien in veranderingen in het strafrechtstelsel, de basiswetgeving, de status van vrouwen – kijk maar naar het aantal vrouwen in het Parlement, dat is toegenomen – maar natuurlijk is de vooruitgang op al deze gebieden nog steeds onvoldoende.

Wat Cyprus betreft, wil ik graag benadrukken dat de Raad in de eerste plaats twee dingen van Turkije verlangt: een constructieve rol in de onderhandelingen onder auspiciën van de Verenigde Naties, en de uitvoering van een protocol dat aan het Verdrag van Ankara is toegevoegd. Dit zijn de belangrijkste taken, maar er zijn ook nog andere.

Bij dit alles is het natuurlijk zinnig als Turkije een doel voor ogen heeft. En dit doel is er, hierover zijn de partijen het eens geworden toen de Europese Unie Turkije de status van kandidaat-lidstaat verleende en bij de verdere onderhandelingen over toetreding is dit ook een eerste voorwaarde gebleven.

Het Sloveens voorzitterschap ziet de onderhandelingen met Turkije over toetreding als een van zijn belangrijkste doelen, en we hopen dat dit doel zal worden bereikt, zodat we in de nabije toekomst aanvullende onderhandelingshoofdstukken kunnen openen.

Natuurlijk is het niet zeker of het uiteindelijke doel wordt bereikt; dit hangt af van de onderhandelingen over toetreding, van het succes van de hervormingen en het hangt ook van ons, de lidstaten, én de kandidaat-lidstaten af.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. (EN) Voorzitter, ik wil de rapporteur en de leden bedanken voor het zeer serieuze en verantwoordelijke debat op een zeer belangrijk moment in de betrekkingen tussen de EU en Turkije. Ik heb de nodige aandacht geschonken aan uw berichten, die ook in de ontwerpresolutie en in de compromisamendementen zijn vastgelegd.

Ik wil hier graag drie specifieke berichten uithalen. Het eerste is dat het van cruciaal belang is opnieuw met de hervormingen in hun geheel te beginnen, zodat de fundamentele vrijheden van Turkse burgers worden verbeterd en Turkije zelf gemakkelijker aan de Kopenhagen-criteria van de EU kan voldoen.

Het tweede bericht is dat burgerrechten, in het leven van alledag, in de maatschappij moeten worden gerespecteerd. Ik deel uw zorgen in compromisamendement 32 over het bovenmatige gebruik van geweld tegen demonstranten door de Turkse politie tijdens een bijeenkomst op de dag van de arbeid dit jaar in Istanbul. Het is belangrijk er nog eens op te wijzen dat vrijheid van vereniging en het ongestoord opereren van vakbewegingen krachtens het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, tot de grondrechten behoren.

Het derde en laatste bericht is dat het Europees Parlement duidelijk erg bezorgd is over de verbodskwestie. Het verbieden van een politieke partij is geen normale gang van zaken en kán dit ook niet zijn. Het kan in een Europese democratie niet lichtvaardig worden opgevat.

Dus er staat dit jaar in Turkije en in de betrekkingen tussen de EU en Turkije weer veel op het spel. Het beste middel om Turkije’s proces van toetreding tot de EU werkelijk nieuw leven in te blazen, is ervoor te zorgen dat de hervormingen verdergaan, dat er in Turkije een echte politieke dialoog gevoerd gaat worden en dat zowel de democratie als het secularisme worden gerespecteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ria Oomen-Ruijten, rapporteur. − (NL) Ik dank de collega’s die zo uitstekend meegewerkt hebben. Ik zeg nogmaals dat wij alleen met eendrachtigheid duidelijk maken dat het hervormingsproces in Turkije noodzakelijk is. Wij kunnen met zijn allen een positief signaal geven door met een grote meerderheid vóór het verslag te stemmen. Wij helpen daarmee Turkije om te hervormen en ervoor te zorgen dat de individuele vrijheden gegarandeerd worden en de rechtsstaat verankerd wordt. Dat is allemaal nodig voor een moderne samenleving waarin mannen en vrouwen het goed hebben.

Ik doe nogmaals een beroep op mijn collega’s om bij de stemming over de amendementen alle politieke Spielerei achterwege te laten en ervoor te zorgen dat er een absoluut grote meerderheid is om dit verslag over Turkije in de plenaire vergadering aan te nemen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Het debat is gesloten.

De stemming vindt vandaag plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Tunne Kelam (PPE-DE) , schriftelijk. (EN) Turkije is als de grootste staat met perspectief op toetreding, strategisch gezien, een belangrijke partner en bondgenoot voor Europa en zal dat ook blijven. Het is in ieders belang een betrouwbare relatie te op te bouwen, die op waarden en wederzijds respect gebaseerd is. De EU moet de democratisch gekozen regering steunen en zou pogingen om deze te ondermijnen, moeten veroordelen.

Een kandidaat-land kan echter alleen op een betrouwbare manier het EU-lidmaatschap nastreven, indien het alle EU-lidstaten erkent en hiermee normale betrekkingen onderhoudt. Hoewel de huidige situatie tekenen van consolidatie vertoont, roep ik Turkije toch op om eindelijk aan de fundamentele toetredingscriteria te voldoen, door de Republiek Cyprus te erkennen en Turkse legereenheden terug te trekken.

Het volledig voldoen aan de criteria van Kopenhagen blijft een belangrijke voorwaarde voor het EU-lidmaatschap. De Turkse regering heeft op dit gebied aanzienlijke inspanningen verricht. In 2007 is de democratie daar sterker geworden. Er wordt nog een politiek initiatief voor een blijvende oplossing van de Koerdische kwestie verwacht, met inbegrip van werkelijke mogelijkheden voor het leren en gebruiken van de Koerdische taal. We hopen ook op overtuigende maatregelen om het religieus gemotiveerd geweld tegen christelijke minderheden te stoppen en op gelijke kansen voor alle religieuze gemeenschappen om ongehinderd gebedshuizen op te richten.

 
  
MPphoto
 
 

  Lasse Lehtinen (PSE) , schriftelijk. (FI) Voorzitter, ik wil de rapporteur bedanken voor het evenwichtige verslag. Volgens mij geeft het een eerlijk en kritisch, maar tegelijkertijd positief en optimistisch signaal aan Turkije. Het ondersteunt de hervormingspogingen van de progressieve en gematigde krachten in Turkije, door duidelijk te wijzen op de aspecten in de maatschappij waarop het land vooruitgang heeft geboekt. Tegelijkertijd verwoordt het ook de bezorgdheid over de vrijheid van meningsuiting, gendergelijkheid, de Koerden en andere minderheden en het gebruik van geweld door de autoriteiten. We mogen niet vergeten dat we nu bezig zijn met toetredingsonderhandelingen op basis van de criteria van Kopenhagen.

Indien het land aan deze criteria voldoet en zich houdt aan de beginselen van een Europese rechtstaat, zie ik geen redenen om de toetreding tegen te houden. Het Turkije dat misschien over tien of twintig jaar tot de EU zal toetreden, zal een ander Turkije zijn dan dat wat we nu zien. Als we werkelijk een democratisch, stabiel en vreedzaam Turkije willen, moeten we in elk geval niet de deur naar het lidmaatschap voor zijn neus dichtgooien. Laat ons niet beschuldigd worden van goedkoop populisme en xenofobie. Een Europees Turkije is niet alleen in het belang van de EU en Turkije zelf, maar van de gehele wereld. Turkije moet een kans krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Sógor (PPE-DE) , schriftelijk. (HU) We debatteren over toetreding van Turkije, met andere woorden of dit land, met zijn Aziatisch erfgoed, Europees kan worden. Erkenning van de genocide op de Armeniërs, gegarandeerde rechten voor de Koerdische minderheid, gelijke kansen voor vrouwen – dit zijn slechts enkele van de vele fundamentele problemen. We hebben het over verwachtingen en normen van de Europese Unie, maar intussen zijn er binnen de EU zelf ook voortdurend problemen met betrekking tot democratie en mensenrechten en rechten van minderheden.

In Roemenië zijn we momenteel bezig met voorbereidingen voor gemeenteraadverkiezingen. Onlangs stak het verleden weer de kop op in Timişoara, of Temesvár: het kiescomité van het district Timiş steunde een klacht van een natuurlijk persoon die verzocht enkele posters van de RMDSZ, de democratische Unie van Hongaren in Roemenië, te verwijderen.

De enige stemmen ten gunste van het lid van de RMDSZ waren afkomstig van de democratische liberale partij, PDL, en twee vrouwelijke rechters in het kiescomité. Deze anti-minderheden- en anti-Hongarenhouding van leden van enkele politieke partijen is onaanvaardbaar. Wat kunnen we van Turkije verwachten als we binnen de EU nog met dit soort problemen worstelen? Het anti-Roma-sentiment in Rome, collectieve schuld in Slowakije, anti-Hongarenhouding in Timişoara ...

 
  
MPphoto
 
 

  Feleknas Uca (GUE/NGL) , schriftelijk. – (DE) Helaas hebben ons sinds begin dit jaar steeds tragische en verontrustende berichten bereikt over invallen over de grens door het Turkse leger, doden en gewonden als gevolg van gevechten in het zuidoosten van het land en aan de grens van Turkije met Noord-Irak, en over buitensporige en grove geweldpleging door veiligheidsdiensten, vooral tegen vrouwen en kinderen, tijdens het Koerdische Newroz festival dit jaar.

In het verslag van het Nederlandse Parlementslid Ria Oomen-Ruijten staan enkele belangrijke punten, maar het is veel te bescheiden om een antwoord te kunnen bieden op de politieke situatie in Turkije. Dus om de politieke leiders van het land niet voor het hoofd te stoten, laat het na, in duidelijke bewoordingen, eisen te stellen ten aanzien van de kernelementen van de voor Turkije noodzakelijke hervormingen. Volgens mij kunnen deze kernelementen duidelijk worden omschreven:

1. burgerlijke maatregelen om de controle en invloed van het leger in Turkije te beperken;

2. op overtuigende wijze breken met het idee dat de Koerdische kwestie met militaire middelen kan worden opgelost en een duidelijke keuze voor een politieke oplossing en verzoening;

3. het onvoorwaardelijk herroepen van artikel 301 uit het Wetboek van Strafrecht en alle andere artikelen die vrijheid van gedachte en vrijheid van meningsuiting beperken;

4. een verklaring van een duidelijke politieke betrokkenheid bij de volledige emancipatie van vrouwen.

Het verslag zou zich in minder tweeslachtige en veel resolutere bewoordingen over deze kwesties hebben moeten uitlaten.

 
  
  

VOORZITTER: HANS-GERT PÖTTERING
Voorzitter

 

5. Stemmingen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter . − Aan de orde zijn de stemmingen.

(Voor uitslagen en nadere bijzonderheden betreffende de stemmingen: zie notulen)

 
  
MPphoto
 
 

  Struan Stevenson (PPE-DE). - (EN) Voorzitter, kan ik, voor we het vergaderrooster goedkeuren, de voor morgen voorgenomen staking ter sprake brengen? Ik begrijp dat Air France morgen staakt, en dat ook de treinen en luchthavenmedewerkers staken. Dit maakt ons het leven, als Parlementariërs, onmogelijk. Ik ben de hele morgen bezig geweest met pogingen om vluchten om te zetten, zodat ik naar mijn kiesdistrict kan terugkeren. Dit betekent dat ik morgen niet bij de stemming aanwezig zal zijn. Dit is van invloed op ons werk als Parlementariërs. We gaan zo dadelijk het vergaderrooster goedkeuren, dat van ons verlangt dat we hier twaalf keer per jaar komen, en toch doet Frankrijk niets om het voor ons gemakkelijk te maken om hier te komen. Het is bijna onmogelijk. Als we naar Straatsburg blijven gaan, kunnen we dan misschien wat aan het vervoersysteem veranderen om het voor ons mogelijk te maken hier te komen?

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Mijnheer Stevenson, we nemen nota van wat u hebt gezegd, maar we moeten nu niet, voor we het vergaderrooster goedkeuren, op zo’n algemene wijze een debat beginnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Cohn-Bendit (Verts/ALE).(FR) Voorzitter, ik wil het Parlementslid alleen even zeggen dat er in de Europese Unie een stakingsrecht bestaat. Het stakingsrecht is het recht om te staken en het is toch ook ongelooflijk dat van een land gevraagd wordt een stakingskalender te verschaffen. Dit is belachelijk, volkomen belachelijk. Ik wil onze collega ook vertellen dat Belgische werknemers vaak hebben gestaakt en waar moet dit Parlement dan heen als de Belgen zouden staken? Dit is een belachelijke discussie. Als hij terug wil gaan, kan hij teruggaan; als hij wil blijven, hoeft hij alleen maar nog een dag te blijven en wat asperges te eten.

(Applaus van links)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, uit deze twee bijdragen blijkt hoe pluralistisch de Europese Unie is en ik denk dat we hier in principe dankbaar voor moeten zijn. Ik wil hier echter aan toevoegen – en ik zeg dit in alle ernst, niet als kritiek, maar als voorbeeld van de werking van regelgeving van de Europese Unie – dat we in een chaos verzeild raken, als iemand toepasbare regelgeving in twijfel gaat trekken. Ik stel daarom voor dat we nu tot stemming overgaan en de regelgeving van de Europese Unie respecteren. We weten allemaal wie over de zetel van het Europees Parlement beslist, dus ik wil u allen verzoeken rustig over te gaan tot stemming over het vergaderrooster.

Mijnheer Stevenson, u ontvangt, zoals iedereen, bericht van de administratie over de reisomstandigheden van morgen.

 

5.1. Vergaderrooster 2009 (stemming)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Voordat we tot stemming overgaan, wil ik nog één opmerking maken. Ik wil u verzoeken nu zeer goed te luisteren en dan zullen enkele fractievoorzitters het woord krijgen. Er is een amendementsvoorstel van de collega’s Trakatellis, Varvitsiotis, Papastamkos, Lambrinidis en anderen met betrekking tot een specifieke week in 2009, namelijk week 16, van 13 tot en met 19 april. Dit is de week onmiddellijk voorafgaand aan het orthodox Pasen. Het is niet Pasen zelf, maar de week daarvoor. Er is voor deze specifieke week echter geen vergadering voorgesteld, omdat het de fractieweek is. Dat betekent dat dit amendement niet aanvaardbaar is, omdat er voor deze week geen voorstel voor een vergadering van het Europees Parlement is. Dit betekent echter niet dat dit een voorlopige beslissing over de voorgestelde vergadering van 20 tot en met 23 april is.

 
  
MPphoto
 
 

  Joseph Daul (PPE-DE).(FR) Voorzitter, dames en heren, zoals u weet is 2008 het Europees jaar van de interculturele dialoog, en dit houdt ook de interreligieuze dialoog in. Daarom vraag ik u, in uw hoedanigheid van Europees Parlement, een voorbeeld te stellen en minderheden te respecteren. Om deze reden stelt mijn fractie, uit bereidheid tot compromissen en uit goede wil jegens onze orthodoxe vrienden, de volgende wijziging voor het vergaderrooster van 2009 voor. Week 17, de plenaire vergadering in april 2009, begint op 21 april en eindigt op 24 april – meer wil ik niet zeggen – om het voor de betrokken leden mogelijk te maken het orthodoxe Pasen te vieren.

Namens alle landen met een orthodoxe traditie dank ik u voor uw steun en verzoek ik u dit verder niet ter discussie te stellen. Ik vraag echter de steun van het Europees Parlement om, uit respect voor minderheden, een voorbeeld te stellen voor onze medeburgers.

 
  
MPphoto
 
 

  Hannes Swoboda (PSE).(DE) Voorzitter, ik neem aan dat dit een mondeling amendement is. Dat is niet verklaard, maar indien het een mondeling amendement is, wil mijn fractie er vandaag over stemmen. Het is ook een feit dat veel katholieken hier op religieuze feestdagen werken; morgen is zo’n dag, ondanks de staking. Die situatie doet zich ook voor, maar ik beveel toch aan dat we vóór deze motie stemmen of dat we er tenminste óver stemmen. Voorzitter, indien u meent dat dit niet aanvaardbaar is, moeten de fracties later proberen overeenstemming in deze geest te bereiken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Over bepaalde kwesties moeten we overeenstemming bereiken en ik stel voor dat we te werk gaan zoals Joseph Daul en Hannes Swoboda hebben voorgesteld. Hierover wordt aan het eind gestemd. We behandelen eerst de andere amendementen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hartmut Nassauer (PPE-DE).(DE) Voorzitter, voor de stemming wil ik op een probleem wijzen dat op de stemming van invloed is en dat misschien eerst besproken en opgelost moet worden.

In het voorgestelde rooster wordt verwezen naar de datum van de verkiezingen in 2009. Daarover stemmen we nu niet, we nemen er alleen kennis van. Vanwege de datum van de verkiezingen zal de constituerende zitting van het Parlement in juli 2009 plaatsvinden. Parlementsleden uit een aantal landen maken zich nu zorgen, omdat het duidelijk is, als je er goed naar kijkt, dat enkele Parlementsleden niet de vereiste vijf jaar voor pensioenrechten zullen halen, als de constituerende zitting op 14 juli 2009 plaatsvindt. In een aantal lidstaten wordt niet de wettelijke termijn gehanteerd, maar een vaste periode, omdat de wettelijke termijn in de lidstaten in lengte verschilt.

Ik denk dat er goede redenen zijn om dit probleem te bekijken en op te lossen, met betrekking tot de datum van de verkiezingen of de datum van de constituerende zitting. Ik verzoek de juridische dienst van het Parlement daarom deze kwestie te bekijken.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Cohn-Bendit (Verts/ALE).(DE) Voorzitter, ik wil graag een zelfde soort voorstel doen.

Het verbaast me dat er op zo’n moralistische manier over het recht van minderheden wordt gesproken. Er zijn ongeveer zeven joodse feestdagen die niet gevierd kunnen worden, omdat het werkdagen zijn. Hetzelfde geldt ook voor dertien protestantse feestdagen. De constituerende zitting vindt op 14 juli plaats. Dit is een van de belangrijkste seculiere feestdagen. Kunnen we in Frankrijk werken op 14 juli, als we de Franse Revolutie herdenken? Ik vind dat onmogelijk en ongepast. Dat moet ook worden veranderd! Alstublieft!

(Applaus)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − We hebben kennis genomen van wat er is gezegd en gaan nu tot stemming over.

(Het Parlement stemt in met indiening van het mondeling amendement)

 

5.2. Verbod op de uitvoer voor en de veilige opslag van metallisch kwik (A6-0102/2008, Dimitrios Papadimoulis) (stemming)
  

- Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis, rapporteur. − (EL) Voorzitter, ik dank de schaduwrapporteurs nogmaals voor hun uitstekende samenwerking. Tijdens onze dialoog met hun vertegenwoordigers, die in elk stadium aanwezig waren, zijn we, dankzij de bijdrage van de Commisie, met de Raad tot een zeer bevredigend compromis gekomen.

Het risico bestaat echter dat dit compromis niet bereikt wordt, waardoor we terug moeten naar af, als amendement 37 en 41 over Almadén worden aangenomen.

Laat me u eraan herinneren, dames en heren, dat ook ik, als rapporteur, de Almadén-amendementen heb gesteund, maar we worden nu met onze neus op de feiten gedrukt. Noch de Raad, noch de Commissie keurt deze amendementen goed. Indien ze worden aangenomen, zijn we terug bij af. Een jaar geleden heeft de Raad slechts één van de amendementen van het Europees Parlement goedgekeurd. Nu, met de samenwerking van alle fracties, zijn we erin geslaagd 22 amendementen op de tekst van de overeenkomst goedgekeurd te krijgen. Ik vraag u: gaan we dit succes opofferen? Gisteren was commissaris Dimas zeer duidelijk hierover. De Commissie keurt amendement 37 en 41 niet goed. In de Raad hield zelfs de Spaanse regering niet vast aan deze amendementen.

Ik verzoek u daarom deze amendementen te verwerpen, zodat we gebruik kunnen maken van de belangrijke vooruitgang die we in onze overeenkomst met de Raad voor de bescherming van het milieu en de volksgezondheid hebben geboekt. Hierdoor kunnen we een bruikbare stap naar een verbod op de uitvoer van kwik, met zeer grote meerderheid goedkeuren.

 

5.3. Bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (A6-0154/2008, Hartmut Nassauer) (stemming)
  

- Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Voorzitter, nogmaals hartelijk bedankt. Als u me toestaat, wil ik namens de Raad de volgende verklaring afleggen.

We hebben gekeken naar het volgende amendement dat de Commissie juridische zaken van het Europees Parlement heeft goedgekeurd. Het is de nieuwe overweging 12 bis.

Ik citeer: “Wanneer blijkt dat een voortdurende activiteit na een bepaalde periode tot milieuschade leidt, die op zijn beurt aanleiding kan geven tot strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van deze richtlijn, moet de vraag of de veroorzaker van de schade opzettelijk of nalatig heeft gehandeld, met betrekking tot het tijdstip worden behandeld waarop de veroorzaker van de schade wist van de feiten van het delict, of deze had moeten weten, en niet met betrekking tot het tijdstip waarop de veroorzaker van de schade met zijn activiteiten begon. Er moet in dit verband op worden gelet, dat een eerdere verlening van een vergunning, licentie of concessie onder dergelijke omstandigheden geen rechtvaardiging vormt.” Einde citaat.

We begrijpen de intenties die in dit amendement zijn verwoord. Deze zaken vallen onder de bevoegdheid van de lidstaten. We menen dat de lidstaten deze intenties naar behoren in hun overwegingen zullen betrekken.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Olli Rehn, lid van de Commissie. (EN) Voorzitter, deze verklaring is misschien retorisch gezien niet van het niveau van die van Daniel Cohn-Bendit. Ik moet deze verklaring voorlezen en ik citeer: ‘De Commissie heeft kennis genomen van het volgende amendement dat door de Commissie juridische zaken is goedgekeurd: “Wanneer blijkt dat een voortdurende activiteit na een bepaalde periode tot milieuschade leidt, die op zijn beurt aanleiding kan geven tot strafrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van deze richtlijn, moet de vraag of de veroorzaker van de schade opzettelijk of nalatig heeft gehandeld, met betrekking tot het tijdstip worden behandeld waarop de veroorzaker van de schade wist van de feiten van het delict, of deze had moeten weten, en niet met betrekking tot het tijdstip waarop de veroorzaker van de schade met zijn activiteiten begon. Er moet in dit verband op worden gelet, dat een eerdere verlening van een vergunning, licentie of concessie onder dergelijke omstandigheden geen rechtvaardiging vormt.” We begrijpen de aandachtspunten die in dit amendement zijn verwoord zeer goed. Deze zaken vallen onder de bevoegdheid van de lidstaten en we vertrouwen erop dat ze de nodige aandacht aan deze belangrijke punten zullen besteden.’

 
  
MPphoto
 
 

  Hartmut Nassauer, rapporteur. − (DE) Voorzitter, dames en heren, de twee verklaringen brengen mij ertoe, voor de medeparlementsleden die misschien niet helemaal hebben begrepen wat er gebeurt, erop te wijzen dat deze verklaringen deel uitmaken van het compromis dat we hebben afgesproken. We hebben gevraagd om opheldering van enkele problemen, die op deze manier is gegeven. Echter, het onderwerp van de regelgevende procedure is natuurlijk slechts de tekst zoals we die gezamenlijk zijn overeengekomen.

Ik heb hier de brief van de voorzitter van het Coreper – momenteel voorgezeten door Slovenië – die bevestigt dat deze tekst, als we hem vandaag goedkeuren, ook door de Raad zal worden goedgekeurd. Dat betekent natuurlijk dat we een overeenkomst bij eerste lezing hebben, waarmee we het gewenste regelgevende succes behalen.

 

5.4. Enquêtes inzake de structuur van de landbouwbedrijven en de landbouwproductiemethoden (A6-0061/2008, Gábor Harangozó) (stemming)
  

– Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó, rapporteur. (HU) Dank u, Voorzitter. Dames en heren, enquêtes inzake de structuur van landbouwbedrijven behoren tot de oudste statistische onderzoeken op communautair niveau en ze verschaffen belangrijke en noodzakelijke informatie over landbouwbedrijven in de Europese Unie.

Vooral nu, met de uitgebreide EU waarin twaalf nieuwe lidstaten zijn opgenomen, en omdat we momenteel aan de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid werken, wordt het steeds belangrijker om zo snel mogelijk een nieuw uitgebreid onderzoek te kunnen uitvoeren. We hebben vergelijkbare en uniforme gegevens nodig om een rechtvaardig en goed functionerend landbouwbeleid te kunnen ontwerpen. Daarom heb ik geprobeerd ervoor te zorgen dat we een overeenstemming bij eerste lezing kunnen bereiken en deze onderzoeken zo snel mogelijk kunnen laten beginnen.

Ik wil graag mijn medeparlementsleden die aan de trialoog hebben deelgenomen speciaal bedanken voor hun buitengewoon constructieve benadering; ik wil in het bijzonder Elisabeth Jeggle en Nicolas Meves en Alexis Kuhl voor hun werk bedanken. De amendementen die uit de trialoog zijn voortgekomen, zijn in deel één gezet. Ik wil u allen vragen de amendementen in deel één te steunen en daarna zullen we dit dossier kunnen sluiten. Hartelijk dank.

 

5.5. Voorwaarden voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer (A6-0087/2008, Silvia-Adriana Ţicău) (stemming)
  

- Vóór de stemming over amendement 108:

 
  
MPphoto
 
 

  Mathieu Grosch (PPE-DE).(DE) Voorzitter, amendement 108 en 117 zijn volgens mij in strijd met elkaar, en daarom stel ik namens de PPE-DE-Fractie voor, dat we amendement 108 steunen en 117 intrekken.

 

5.6. Internationaal vervoer van reizigers per touringcar en autobus (herschikking) (A6-0037/2008, Mathieu Grosch) (stemming)
  

- Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  Hannes Swoboda (PSE).(DE) Voorzitter, ik heb eerlijkheidshalve maandag al aangekondigd dat we om uitstel van stemming over dit verslag zouden vragen, niet omdat Mathieu Grosch slecht werk verricht zou hebben, – integendeel – maar omdat we meer tijd willen om de kwestie van de rusttijden beter te bekijken en deze in precieze bewoordingen in dit verslag te integreren. We hebben met de fracties gesproken en hebben gemerkt dat er aanzienlijke steun voor dit voorstel is. Zelfs Georg Jarzembowski, die heel moeilijk te overtuigen was, liet me vanochtend weten dat hij nu achter het voorstel staat. Ik hoop daarom dat we de zaak op deze manier kunnen behandelen, en verzoek dus om uitstel tot een van de twee volgende vergaderperioden.

 
  
MPphoto
 
 

  Mathieu Grosch, rapporteur. (DE) Voorzitter, als rapporteur ben ik het, net als de PPE-DE-Fractie, eens met het voorstel, en ik wil hier duidelijk verklaren dat we kennis hebben genomen van de overeenkomst tussen de sociale partners. We gebruiken de tijd echter om dit in een amendement op te nemen.

 
  
  

(Het Parlement stemt in met het voorstel)

 

5.7. Internationaal goederenvervoer over de weg (herschikking) (A6-0038/2008, Mathieu Grosch) (stemming)

5.8. Selectie en machtiging van systemen die mobiele satellietdiensten leveren (A6-0077/2008, Fiona Hall) (stemming)

5.9. Vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat op het gebied van vennootschapsrecht, financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen (A6-0101/2008, Klaus-Heiner Lehne) (stemming)

5.10. Vrouwen en wetenschap (A6-0165/2008, Britta Thomsen) (stemming)

5.11. Groenboek betreffende een betere ontmanteling van schepen (A6-0156/2008, Johannes Blokland) (stemming)

5.12. Wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering: bevindingen en aanbevelingen voor besluitvorming (A6-0136/2008, Karl-Heinz Florenz) (stemming)
  

- Vóór de stemming:

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Ik verklaar met betrekking tot het verslag van Karl-Heinz Florenz dat de amendementen 5, 11, 12, 13, 14 en 15 onaanvaardbaar zijn. Deze kunnen echter worden ingediend als we het hoofdverslag behandelen. Ik heb hierover een aantal e-mails ontvangen. Alle diensten en de juridische dienst hebben dit uitgebreid onderzocht en ze zijn tot de conclusie gekomen dat deze amendementen voor dit verslag onaanvaardbaar zijn. Ze zijn echter wel aanvaardbaar voor het eindverslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Březina (PPE-DE). - (EN) Voorzitter, ik ben het met deze argumentatie wat betreft alle amendementen eens, behalve wat amendement 15 betreft. Ik weet niet waarom het onaanvaardbaar is nu over 15 te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Mijnheer Březina, het antwoord dat ik heb gekregen – en ik heb een antwoord gekregen over dit specifieke amendement – was gelijk aan dat voor al deze speciale amendementen. Ik moet daarop vertrouwen. Amendement 15 kan echter wel voor het hoofdverslag worden ingediend, dus het kan deel uitmaken van het hoofdverslag.

 

5.13. Voortgangsverslag 2007 over Turkije (A6-0168/2008, Ria Oomen-Ruijten) (stemming)
  

– Vóór de stemming over amendement 11:

 
  
MPphoto
 
 

  Alexander Graf Lambsdorff (ALDE).(DE) Voorzitter, we zijn het met onze medeparlementariërs eens dat we de rol van de Koerdische taal in Turkije de erkenning moeten geven die deze verdient. Op één punt moet paragraaf 11 echter een beetje duidelijker worden geformuleerd. Ik wil daarom graag een mondeling amendement indienen, waarover met de andere schaduwrapporteurs en de rapporteur overeenstemming is bereikt. In de geamendeerde versie, zou de zin daarom als volgt luiden:

“met inbegrip van echte mogelijkheden om binnen het openbare en particuliere schoolsysteem Koerdisch te leren en om het te gebruiken in radio- en televisie-uitzendingen, in het dagelijks leven en bij de toegang tot overheidsdiensten”.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt door het Parlement in aanmerking genomen)

– Vóór de stemming over paragraaf 19:

 
  
MPphoto
 
 

  Ria Oomen-Ruijten, rapporteur. (NL) Wij willen het woord “naburige” schrappen, omdat wij de ombudsman willen laten samenwerken met álle Europese ombudsmannen en -vrouwen.

 
  
  

(Het mondeling amendement wordt door het Parlement in aanmerking genomen)

 

6. Reumatische aandoeningen (schriftelijke verklaring): zie notulen
  

VOORZITTER: MARIO MAURO
Ondervoorzitter

 

7. Stemverklaringen
  

Mondelinge stemverklaringen

 
  
  

− Vergaderrooster 2009

 
  
MPphoto
 
 

  Toomas Savi (ALDE). - (EN) Voorzitter, ik heb slechts een kleine opmerking over het vergaderrooster van het Parlement voor volgend jaar. Hoewel de parlementaire verkiezingen zijn vastgesteld voor de periode van 4 tot en met 7 juni, waardoor mijn termijn een week korter is dan vijf jaar, ben ik blij dat de verkiezingen niet van 11 tot en met 14 juni worden gehouden. Zondag is van oudsher de dag voor verkiezingen in Estland, maar als de Europese verkiezingen op 14 juni zouden worden gehouden – de nationale herdenkingsdag van de massadeportatie door de Sovjetautoriteiten in 1941 – dan zouden de vlaggen in heel Estland halfstok hangen. Het zou niet zo’n geschikte dag voor de verkiezingen voor het Europees Parlement zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE).(DE) Voorzitter, dit was de laatste stemming over het rooster in deze zittingsperiode en we hebben vijf pogingen om Straatsburg als zetel van het Parlement, en als enige zetel van het Parlement, aan te vechten, met irrationele amendementen afgewend.

Toch meen ik dat er een uitgebreide hervorming zou moeten plaatsvinden, omdat het per slot van rekening een kwestie van geld en CO2-uitstoot is. Mag ik erop wijzen dat, als we ons op de twaalf plenaire weken per jaar zouden concentreren en ook nog alle vijf dagen in deze weken volledig zouden benutten, we de dure en onnodige mini-plenaire vergaderingen in Brussel niet nodig zouden hebben en hiervoor achterbanweken in de plaats zouden kunnen stellen. Dit zou ons dichter bij onze burgers brengen en zou ons meer tijd voor ons echte werk geven. Het zou ook veel goedkoper zijn, we zouden onze CO2-uitstoot verminderen, en dit alles kunnen we door onze eigen beslissingen bereiken, zonder herziening van de Verdragen. Zolang deze herziening er niet is, moeten we de huidige Verdragen zo rationeel en efficiënt mogelijk gebruiken. Daarom vind ik dat we de weg die ik heb aangegeven, moeten bewandelen.

 
  
  

− Verslag: Dimitrios Papadimoulis (A6-0102/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Fiona Hall (ALDE). - (EN) Voorzitter, toen deze verordening bij eerste lezing in het Parlement werd behandeld, heb ik me verzet tegen pogingen om de opslag van kwik niet alleen toe te staan in zoutmijnen, maar ook in ondergrondse faciliteiten die voor afvalverwijdering zijn ingericht. Het was duidelijk dat in de uitgebreide definitie ook anhydrietmijnen waren opgenomen, en dit was zeer verontrustend voor de mensen van Billingham in mijn kiesdistrict, die zich verzetten tegen plannen om de voormalige anhydrietmijnen onder hun huizen voor afvalverwijdering te gebruiken. Helaas is in de vandaag bij tweede lezing goedgekeurde tekst, opnieuw de mogelijkheid van kwikopslag op andere plekken dan in zoutmijnen geïntroduceerd, met name in harde rotsformaties diep onder de grond. Aangezien de anhydrietmijnen in Billingham onder deze nieuwe definitie van toegestane locaties kunnen vallen, vond ik het nodig mij bij de stemming over het compromispakket van stemming te onthouden, omdat er bij tweede lezing geen eindstemming plaatsvindt. Dit ondanks het feit dat ik volledig instem met het verbod op de uitvoer van kwik uit Europa.

 
  
MPphoto
 
 

  Alojz Peterle (PPE-DE). - (SL) Ik was zeer verheugd over dit verslag, omdat het alle elementen bevat die voor een snelle oplossing van deze kwestie nodig zijn. Ik ben zeer verheugd dat het Parlement, de Commissie en de Raad een compromis hebben kunnen bereiken en zo hebben we daadwerkelijk bijgedragen aan de dynamiek. Een andere oplossing zou kunnen betekenen dat de oplossing voor lange tijd wordt uitgesteld.

Dank u.

 
  
  

− Verslag: Hartmut Nassauer (A6-0154/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) Het is heden ten dage niet meer acceptabel dat ernstige milieudelicten en delicten waarbij de volksgezondheid in het geding is, slechts als een overtreding worden gezien, zoals tot nu toe in een aantal landen, bijvoorbeeld in Italië en Cyprus, het geval is. Daarom heb ik, ondanks bezwaren van Eurosceptici, mijn steun gegeven aan de richtlijn die alle landen verplicht binnen twee jaar relevante strafrechtelijke sancties in hun wetgeving op te nemen. Aan de andere kant zal de Tsjechische Republiek, net als veel andere landen, de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor rechtspersonen moeten introduceren, wat in de geschiedenis van de vroegere socialistische landen een onbekend concept is. We zullen moeten beslissen of we het Duitse model kiezen, waarin rechtsschendingen door rechtspersonen door administratieve autoriteiten worden beoordeeld of dat we het Franse, Britse en nu ook Sloveense model kiezen. We zullen ook moeten beslissen of de gehele rechtspersoon verantwoordelijk moet worden gehouden of alleen het management. Ik ben bang dat de twee jaar die we voor de uitvoering hebben, niet genoeg zal zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Roger Helmer (NI). - (EN) Voorzitter, ik heb tegen deze maatregel gestemd. Het lijkt erop dat paniekzaaierij over het klimaat en milieuactivisme steeds meer religieuze trekken krijgen. Ze zijn op geloof gebaseerd en niet op feiten. En de mogelijkheid om koolstof te compenseren is terecht vergeleken met het middeleeuwse gebruik om pauselijke aflaten te kopen. Nu introduceert Hartmut Nassauer iets wat op een soort wet tegen godslastering voor het milieu lijkt.

Ik heb in elk geval grote bedenkingen bij behandeling van deze milieukwesties in het strafrecht in plaats van in het civiel recht. Maar het echte probleem hier, is de uitbreiding van het Europees recht. De mensen die ik vertegenwoordig, willen handel, willen samenwerking in Europa, maar ze willen geen politieke unie en ze willen geen Europees rechtssysteem. We moeten ons verzetten tegen iedere verdere stap in de richting van het scheppen van Europese verantwoordelijkheden en Europese bevoegdheden op deze gebieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Syed Kamall (PPE-DE). - (EN) Voorzitter, terwijl dit verslag verwijzingen naar specifieke sancties lijkt te verwijderen, geeft het wel aan welke handelingen binnen de lidstaten als strafbare feiten moeten worden beschouwd. Dus laten we eens kijken naar een scenario waar iemand in mijn kiesdistrict – Londen, de beste stad van de wereld, hoofdstad van het beste land in de wereld – iets doet wat volgens Engels recht (wetgeving die is gebaseerd op een algemene rechtstraditie en gezond verstand) geen strafbaar feit is, maar wat nu volgens EU-recht als een strafbaar feit wordt gezien, omdat we hebben besloten dit EU-recht van bovenaf op te leggen, met veronachtzaming van het gezond verstand, over de hoofden van de burgers van mijn kiesdistrict.

Waar leidt dit toe? Hoe zullen mijn kiezers reageren? Dat zal ik u vertellen. Ze zullen zeggen: “Wat is dit voor een onzin? Waarom is iets, wat volgens goed Engels recht geen strafbaar feit is, een strafbaar feit volgens Europees recht? Het wordt tijd om de Europese Unie te verlaten!”. Daarom moeten we oppassen dat we het Verenigd Koninkrijk niet de EU uit jagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Giuseppe Gargani (PPE-DE).(IT) Voorzitter, dames en heren, ik heb de Voorzitter gevraagd mij even het woord te geven na goedkeuring van het verslag van Hartmut Nassauer over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement inzake bescherming door middel van het strafrecht.

Ik wilde in het bijzonder de rapporteur feliciteren, omdat dit een bijzonder belangrijk verslag is. Er is in de commissie veel gedebatteerd en we hebben, met bemiddeling van Monica Frassoni, een zeer intelligent compromis van hoge kwaliteit bereikt. Ik wil graag even de nadruk leggen op dit speciale onderdeel van het werk van de commissie en vooral de rapporteur, Hartmut Nassauer feliciteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE).(PL) Verwijzend naar het verslag van Hartmut Nassauer, moet ik zeggen dat ik ermee heb ingestemd. Hoewel alle lidstaten dezelfde voorschriften hebben aangenomen, worden deze op veel verschillende manieren uitgevoerd. Dit moedigt ongewenst gedrag aan, waarbij onverantwoordelijke ondernemers hun economische activiteiten verplaatsen naar landen waar de strafrechtelijke sancties voor milieudelicten minder streng zijn. Dit treft vooral de nieuwe lidstaten van de Unie. Er moet met nadruk op worden gewezen dat steeds meer misdaden worden gepleegd door criminele organisaties, en dat milieudelicten steeds vaker een grensoverschrijdend karakter hebben.

Ik ben het eens met het standpunt van de rapporteur dat het wettelijk kader dat in het voorstel voor de richtlijn wordt vastgesteld, een belangrijke bijdrage aan een effectieve milieubescherming levert, en dat dit voor een uniforme en verantwoordelijke uitvoering van milieubeschermingswetgeving binnen de Gemeenschap kan zorgen. Goed getrainde ambtenaren zijn een absolute voorwaarde voor de effectieve uitvoering van de wetgeving en een daadwerkelijke vermindering van het aantal milieudelicten. Het voorstel om de verplichtingen van de lidstaten op dit gebied te specificeren, is daarom volkomen op zijn plaats.

Ik wil graag het volgende opmerken voor het Parlementslid uit het Verenigd Koninkrijk die misschien met een misverstand kampt. We creëren geen nieuwe communautaire wetgeving om sancties op te leggen. Dat bleek onmogelijk te zijn. In plaats daarvan dringen we erop aan dat iedere lidstaat de nodige wetgeving binnen zijn eigen rechtssysteem uitvoert om ervoor te zorgen dat in heel Europa voor gelijksoortige misdaden uniforme straffen worden opgelegd.

 
  
  

− Verslag: Fiona Hall (A6-0077/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) Vandaag, 21 mei, wordt er weer een nagel in de doodskist van de Eurosceptici geslagen, omdat we, samen met de Raad, hebben gestemd voor een gezamenlijk besluit dat zal helpen om de spectrumrechten voor de telecommunicatie van de 27 lidstaten gedeeltelijk over te dragen. Dit toont het belang van de Europese Unie. Als de lidstaten iets niet zelf kunnen doen, vertrouwen ze het, in het belang van de Europese burgers, de Unie toe. Vandaag gaat het om het wegwerken van wettelijke belemmeringen voor de toekomstige ontwikkeling van mobiele satellietdiensten voor noodoproepen, voor het redden van levens, gezondheid en huizen van een half miljard burgers. Schepen en vliegtuigen maken al gebruik van dit systeem, dat dankzij moderne technologie, ook over functies beschikt als interactieve multimedia, televisie-uitzendingen via satelliet en toegang tot breedbandinternet. Dit besluit moet echter op het gebied van telecommunicatie geen standaard worden. De exclusieve rechten voor andere delen van het spectrum blijven een zaak voor nationale toezichthouders. Ik hoop dat de media in landen die enigszins eurosceptisch zijn, zoals de Tsjechische Republiek of Groot-Brittannië, hieraan voldoende aandacht zullen besteden, omdat dit voor burgers goed nieuws is.

 
  
MPphoto
 
 

  Syed Kamall (PPE-DE). - (EN) Voorzitter, Ik ben blij dat ik dit verslag kan steunen, omdat het niet onder dwang lijkt te zijn ontstaan, maar eerder een product van samenwerking lijkt te zijn. Bovendien ben ik in een vorige baan op dit gebied werkzaam geweest. Ik gaf bedrijven adviezen over mobiele satellietdiensten.

Een van de dingen die de bedrijven onder ogen moesten zien, was het feit dat ze de markt verkeerd begrepen. Eind jaren negentig waren er ongeveer vijf ondernemingen die begonnen met het leveren van mondiale satellietdiensten. Ondanks hun beste ramingen, hadden ze een totaal verkeerd beeld van de markt, omdat ze meenden dat de markt de internationale handelsreiziger was, maar de technologie in deze markt werd verdrongen door ontwikkelingen in de cellulaire technologie.

Ik ben blij dat deze bedrijven nog een keer de gelegenheid krijgen een markt voor een mondiale mobiele satellietdienst te creëren, die naar mijn mening van veel nut zou zijn, vooral voor mensen in ontwikkelingslanden waar terrestrische netwerken geen bereik hebben. Daarom ben ik verheugd over dit verslag en heb ik ermee ingestemd.

 
  
  

− Verslag: Karl-Heinz Florenz (A6-0136/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Ouzký (PPE-DE).(CS) Ik wil graag een verklaring afleggen over mijn stemgedrag inzake het verslag van Karl-Heinz Florenz. Bij de eindstemming heb ik tegen dit verslag gestemd en ik wil als voorzitter van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid benadrukken dat dit niet kwam doordat ik niet voldoende was doordrongen van de ernst van dit onderwerp of door de intentie om het werk van de rapporteur op enigerlei wijze te verwerpen of ter discussie te stellen. Ik was het niet eens met verschillende verklaringen en formuleringen en ik vond deze niet alleen politiek incorrect, maar – in enkele gevallen – ook onwaar. Ik acht het ook onaanvaardbaar, schandalig en enigszins onjuist dat het Tabling Office besluit dat het voorstel ontoelaatbaar is, zonder hiervoor redenen te geven. Dank u voor uw begrip.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Březina (PPE-DE).(CS) Ik heb ook niet met het verslag van mijn collega Karl-Heinz Florenz ingestemd. Bij alles wat als wetenschappelijk feit wordt bestempeld en gepresenteerd, moeten de wetenschappelijke standpunten worden toegelicht van groepen wetenschappers die het ermee eens zijn, zowel als van wetenschappers die het er niet mee eens zijn. De verklaringen in het verslag worden gepresenteerd alsof het om een duidelijke wetenschappelijke consensus gaat. Dit is echter niet het geval. Het andere kamp is ook belangrijk. Tijdens het debat is het beginsel van voorzichtigheid in geval van twijfel vaak benadrukt. Kunnen we dit ook niet toepassen op de overdreven strenge en eenzijdige conclusies met betrekking tot het klimaatveranderingsbeleid? Als geoloog kan ik u verzekeren dat de aarde in het verleden vaak met meer dan die gedemoniseerde 2°C is opgewarmd, en dat er daarna niets vreselijks is gebeurd. De mensheid heeft per slot van rekening altijd met voortdurende klimaatveranderingen te maken gehad.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE).(SK) Ik heb vóór het interim-verslag van rapporteur Karl-Heinz Florenz gestemd, waarin wetenschappelijke kennis over klimaatverandering een belangrijke rol speelt. Tegelijkertijd vind ik het jammer dat een aantal amendementen op dit verslag, met name amendement 15, ingediend door mijn collega Jan Březina en veertig andere Parlementsleden, niet is aanvaard. Deze amendementen zouden de tekst hebben versterkt. Wetenschappers blijven hun standpunten voortdurend herzien, wat betekent dat ook wij voor nieuwe ideeën moeten openstaan.

Een deel van de mondiale klimaatverandering ten gevolge van menselijke activiteiten blijkt, in sterke mate, uit het wegvloeien van water in bepaalde gebieden. Daarom is het opvangen van het regenwater in een gebied en het alleen laten wegvloeien van het natuurlijke restwater een voorwaarde voor milieuveiligheid en mondiale stabiliteit en last but not least voor behoud van economische groei. Ik vertrouw erop dat het nieuwe waterparadigma in de komende paar decennia een nieuw bruikbaar idee zal worden en dat dit het manifest van de mensheid voor de toekomst van de beschaving zal worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE).(PL) Voorzitter, we hebben vandaag een buitengewoon belangrijk verslag over de strijd tegen klimaatverandering aangenomen. Klimaatverandering staat in nauw verband met energieproblemen. Steeds vaker hebben we te maken met droogte, overstromingen woestijnvorming, en het smelten van gletsjers. Het moet nu toch wel voor iedereen duidelijk zijn dat ons klimaat verandert. Door de stijgende temperaturen ontstaan sociale, financiële en milieuproblemen.

Als we onze planeet, onze eigen aarde, echt willen beschermen, moeten alle landen en samenlevingen in de hele wereld verdere stijging van het niveau van CO2–uitstoot en uitstoot van andere broeikasgassen afzwakken of een halt toeroepen. Milieuvriendelijke investeringen en schone energie en energiebesparende installaties moeten worden gestimuleerd. Bovenal en in de eerste plaats moeten mensen ervan worden overtuigd dat ze energie moeten besparen, en moet hun kennis en bewustzijn groter worden. Dat zou wel eens de snelste manier kunnen zijn om resultaat te boeken.

We moeten een compromisoplossing vinden voor het beperken van uitstoot van broeikasgassen binnen de Unie. De nieuwe lidstaten moeten anders worden behandeld dan de meer ontwikkelde. De eerste zouden dan de kans krijgen hun achterstand in te halen en de verschillen in het niveau van economische ontwikkeling weg te werken.

 
  
MPphoto
 
 

  Kurt Joachim Lauk (PPE-DE).(DE) Voorzitter, eerst wil ik iets zeggen over het verslag van Karl-Heinz Florenz, dat volgens mij de huidige wetenschappelijke consensus heel goed heeft samengevat. Toch heb ik tegen het verslag gestemd. Het klimaat is een belangrijke kwestie en ik ben het ermee eens dat we op dit gebied actie moeten ondernemen. De wetenschappelijke consensus is echter slechts een voorlopige consensus, zoals elke wetenschappelijke consensus van de laatste honderd jaar van voorbijgaande aard was. In elk geval hebben we ons verder ontwikkeld.

Het verslag dat voor ons ligt biedt hiertoe niet genoeg mogelijkheden. Bovendien zijn de specifieke maatregelen die worden geschetst eenzijdig. We moeten ervoor oppassen dat Europa economisch niet zwakker wordt. Europa kan de wereld niet in zijn eentje redden. Andere landen moeten dringend bij de aanpak van dit mondiale probleem betrokken worden. Alleen op die manier kan de wetenschappelijke consensus uitgevoerd worden. We kunnen deze last niet alleen dragen.

Tegen deze achtergrond, mis ik in dit verslag de maatregelen die nodig zijn om klimaatverandering minder ernstig te maken. We kunnen deze waarschijnlijk niet helemaal stoppen. Daarom meen ik dat maatregelen die onze industriële structuren blijvend veranderen, niet kunnen worden aangenomen op grond van wat slechts een voorlopige wetenschappelijke consensus is.

 
  
MPphoto
 
 

  Roger Helmer (NI). - (EN) Voorzitter, ik heb tegen het Florenz-verslag gestemd. Een van de grootste mythes van de paniekzaaierij rond het klimaat is dat er een wetenschappelijke consensus bestaat en dat alle wetenschappers het met elkaar eens zijn. Als lid van de tijdelijke commissie Klimaatverandering weet ik waarom het verslag van Karl-Heinz Florenz zo is uitgepakt: ze hebben slechts naar één kant van het debat geluisterd en daarom zijn ze tot de conclusie gekomen dat er consensus is.

In het debat eerder vandaag heeft Graham Booth ons herinnerd aan de verklaring van Oregon, die door dertigduizend relevante wetenschappers is getekend, en waarin de hele basis voor de paniekzaaierij rond het klimaat in twijfel wordt getrokken. Er is geen consensus; er is een groeiend aantal krachtige wetenschappelijke tegengeluiden. Intussen gaan we de mensen die we vertegenwoordigen enorme economische schade berokkenen in een vergeefse en tot mislukken gedoemde poging om invloed uit te oefenen op een theoretisch probleem, dat in de ogen van veel mensen niet bestaat.

De economische schade zal ons de das om doen en dan vooral Europa, aangezien ontwikkelingslanden als China en India veel te veel gezond verstand hebben om zich hierdoor in de luren te laten leggen.

 
  
  

− Verslag: Ria Oomen-Ruijten (A6-0168/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitar Stoyanov (NI). - (BG) De afvaardiging van de Ataka-partij heeft tegen het zogenaamde voortgangsverslag Turkije gestemd, omdat we niet inzien wat deze voortgang zou kunnen inhouden.

We zien dat Turkije een staat is waar een islamitische partij regeert en waar het staatshoofd een islamitische president is. Een staat die niet eens ook maar enigszins de mensenrechten respecteert, een staat die een heel volk onderdrukt en, zelfs op dit moment, oorlog voert tegen een heel volk met het doel het te vernietigen en dat volk is het Koerdische volk. Een staat die zwaar gemilitariseerd is, waar een geheime militaire junta is en waar het Turkse beleid altijd in de richting gaat die de generaals bepalen. Een staat die het grondgebied van een Europees land blijft bezetten, zelfs op dit moment.

Een dergelijke staat komt niet in aanmerking voor onderhandelingen totdat deze ernstige problemen werkelijk zijn opgelost.

 
  
MPphoto
 
 

  Frank Vanhecke (NI).(NL) Het verslag-Oomen-Ruijten is in mijn ogen een zoveelste gemiste kans om over de potentiële toetreding van Turkije tot de Europese Unie eens spijkers met koppen te slaan. Men concentreert zich in dit verslag op een aantal in mijn ogen bijkomende kwesties, terwijl het essentiële in heel de zaak natuurlijk toch blijft dat Turkije op geen enkel gebied een Europees land ís, op geen enkel gebied ooit een Europees land zal worden en dat bijgevolg van toetreding van een niet-Europees land tot de Europese Unie gewoonweg geen sprake kan zijn. Punt uit!

In de marge hiervan wil ik echter nog opmerken dat het mij verbaasde in het debat te horen, onder meer van collega Swoboda van de socialisten, dat het absoluut onaanvaardbaar is dat in Turkije partijen zouden worden verboden. Ik herinner eraan dat in mijn land, België, de grootste partij van het land, het Vlaams Blok, goed voor 24 procent van de stemmen, in 2004 gewoon buiten de wet werd geplaatst en moest worden ontbonden. Ik herinner mij geen protest toentertijd van de socialisten. Integendeel, hun solidariteit blijft beperkt tot de islamitische fundamentalisten, waarvan akte.

 
  
MPphoto
 
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE).(CS) Voorzitter, ik zeg al jaren dat een geprivilegieerd partnerschap tussen de Unie en Turkije veel nuttiger zou zijn geweest dan de belofte van Turkije’s toetreding tot de Europese Unie. Helaas bevestigt het voortgangsverslag dat nog niet aan de criteria van Kopenhagen is voldaan, hoewel de toetredingsonderhandelingen van start zijn gegaan. Dit geldt niet alleen maar voor een gebied. Het betreft vrijheid van godsdienst, minderhedenrechten, gelijke kansen (vooral voor vrouwen), corruptie, de Koerdische en Cypriotische kwestie en natuurlijk ook de invloed van het leger op het regeringsbeleid. Net als de rapporteur ben ik verheugd over inspanningen van de regering om vorderingen te maken, maar helaas zijn deze vorderingen niet zichtbaar. Integendeel: Turkije verbiedt een politieke partij, heeft een nieuw artikel 301 gebruikt om schrijvers en intellectuelen te vervolgen voor belediging van het Turkendom en gevechten en geweld uit politieke of religieuze motieven komen steeds vaker voor. De moord op Hrant Dink is nog niet opgelost, evenmin als andere moorden. Desalniettemin erken ik dat het verslag evenwichtig en eerlijk is.

 
  
MPphoto
 
 

  Czesław Adam Siekierski (PPE-DE).(PL) Voorzitter, we hebben een belangrijk verslag aangenomen. We moeten de veranderingen die in Turkije in overeenstemming met de toetredingsonderhandelingen zijn doorgevoerd, erkennen en steunen. Met het oog op zijn speciale geopolitieke positie, is Turkije een strategische partner voor de Unie, als het gaat om onderhandelingen van de Unie met landen rond de Zwarte Zee en het Midden-Oosten. Turkije is ook van vitaal belang voor de energiezekerheid van Europa, omdat grondstoffen van gebieden rond de Kaspische Zee en de Zwarte Zee via Turks grondgebied naar Europa worden vervoerd. Bovendien heeft Turkije enorme economische mogelijkheden. Het heeft een dynamische economie, een zeer grote interne markt, en een samenleving met veel inwoners in de leeftijdsgroep die op de arbeidsmarkt actief is. Ik ben ervan overtuigd dat dit alles in de toekomst Europa’s economische ontwikkeling ten goede zal komen.

Er moet nog een aspect van Turkije’s toetreding genoemd worden. Als islamitisch land dat tevens lidstaat van de Unie is, zal het een belangrijke rol in de ontwikkeling van de betrekkingen tussen het Westen en de islamitische wereld kunnen spelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernd Posselt (PPE-DE).(DE) Voorzitter, ik heb ingestemd met het verslag van Ria Oomen-Ruijten, hoewel veel van wat hierin is verwoord, op compromissen berust. Ik heb dit gedaan, omdat er aan het begin een zin staat die van cruciaal belang is, namelijk dat het beginnen van onderhandelingen het startpunt vormt van een langdurig proces met een open einde. Alleen hierom kon ik met het verslag instemmen. Laat ik er heel duidelijk over zijn dat mijn fractie, de Europese Volkspartij (Christen-democraten) en Europese democraten, altijd pro-Turks is geweest en dit ook zal blijven. We hebben campagne gevoerd en hard gewerkt voor de douane-unie die met een meerderheid van stemmen, met een verschil van slechts één stem, door dit Huis is aangenomen. Men zou kunnen zeggen dat dit indertijd mijn stem was. We hebben Turkije in de NATO en bij veel andere kwesties gesteund.

Ik wil echter ook heel duidelijk stellen dat Turkije geen Europees land is en ik ben het met Zuzanna Roithová eens dat een geprivilegieerd partnerschap, een op maat gesneden speciale status, de juiste oplossing is. Deze oplossing zal er uiteindelijk ook komen. We moeten eindelijk ophouden deze doodlopende weg naar veronderstelde toetreding te bewandelen. Deze toetreding komt er nooit, dus het zou voor beide zijden eerlijker en beter zijn als we zo snel mogelijk bij elkaar kunnen komen en afspraken kunnen maken over een andere weg, een weg naar een partnerschap van gelijken, zonder gemeenschappelijke instellingen, maar met gemeenschappelijke belangen en een praktisch overeengekomen samenwerkingsprogramma.

 
  
MPphoto
 
 

  Albert Deß (PPE-DE).(DE) Voorzitter, hoewel het verslag van Ria Oomen-Ruijten veel kritiek op Turkije bevat, heb ik tegen gestemd, omdat het volledig lidmaatschap voor Turkije, volgens mij, niet het doel van de toetredingsonderhandelingen kan zijn. Bernd Posselt heeft dit ook al gezegd. Ik denk dat we Turkije zo snel mogelijk dit geprivilegieerde partnerschap moeten aanbieden. Turkije maakt geen deel uit van Europa en het vervult ook geen brugfunctie naar de islamitische landen.

In Sudan zijn in Darfur jarenlang christenen vervolgd. Turkije heeft al jaren de mogelijkheid een rol te spelen bij het beëindigen van deze misdaden tegen christenen in Sudan. Ik heb Turkije echter nog geen stap in deze richting zien zetten. Daarom heb ik tegen het verslag gestemd: omdat Turkije niet als volwaardig lid bij de Europese Unie hoort.

 
  
MPphoto
 
 

  Marusya Ivanova Lyubcheva (PSE). - (BG) Voorzitter, ik heb mijn steun verleend aan het voortgangsverslag Turkije, hoewel er op de weg van dat land naar de Europese Unie nog wel bepaalde risico’s bestaan.

Mijn motivatie hiervoor is dat in het verslag teksten zijn opgenomen over de bescherming van mensenrechten en vrouwenrechten op twee belangrijke gebieden: reproductieve gezondheid en gelijke kansen, vooral op het gebied van toegang tot onderwijs.

Als tweede punt wil ik wijzen op de voorzorgsmaatregelen die in het verslag worden geëist met betrekking tot het nabuurschapsbeleid. Nog niet opgeloste kwesties met de buurlanden moeten worden opgelost, en een zo’n kwestie heeft betrekking op de Bulgaarse vluchtelingen uit Thracië. Deze kwestie heeft ook betrekking op fundamentele mensenrechten. Het gaat niet alleen om bezittingen en financiële aspecten. De morele aspecten zijn bijzonder belangrijk. Zonder al te zeer op het verleden gericht te raken, willen we in de toekomst graag duidelijke actie en willen we dat de overeenkomst tussen onze twee landen wordt nagekomen; daarom heb ik mijn steun aan het verslag gegeven.

 
  
  

Schriftelijke stemverklaringen

 
  
  

− Vergaderrooster 2009

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb alle amendementen op het rooster, die erop gericht zijn dat we minder tijd in Straatsburg en meer in Brussel doorbrengen, gesteund. De huidige situatie is bizar, met ons heen en weer trekken tussen Brussel en Straatsburg, wat heel veel tijd en geld kost. We zouden op één plaats bij elkaar moeten komen.

Ik verwerp echter de klacht van Struan Stevenson over de huidige stakingen in het vervoer. We erkennen en steunen het stakingsrecht. Ons bezwaar tegen Straatsburg berust niet op weerstand tegen de uitoefening van werknemersrechten in Frankrijk, maar tegen de verspilling die inherent is aan onze huidige institutionele regelingen.

Ik heb tegen het maken van een uitzondering voor het orthodoxe Pasen gestemd, wanneer we geen voorzieningen treffen om niet op 14 juli te vergaderen. Seculiere vieringen verdienen dezelfde behandeling als religieuze feestdagen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. (SV) We willen eigenlijk dat alle vergaderingen van het Europees Parlement in Brussel plaatsvinden en we willen dat er zo snel mogelijk een eind komt aan het tussen Brussel en Straatsburg reizende circus.

We hebben daarom ingestemd met de voorstellen om de vergaderingen van maandag en donderdagmiddag in de vergaderperiode in Straatsburg te beëindigen, in de hoop dat de vergaderingen in Straatsburg geleidelijk helemaal worden stopgezet.

Het Europees Parlement zou één zetel en één plaats om te werken moeten hebben. Het is betreurenswaardig dat er lidstaten zijn waarvan de politieke leiders zichzelf als sterk voorstander van de Europese gedachte beschouwen, maar die tegelijkertijd geen duimbreed wijken als het om hun nationale belangen gaat.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben het in grote lijnen eens met wat is voorgesteld voor het vergaderrooster van 2009. Ik denk echter dat amendementen waarin wordt gevraagd om meer tijd in Straatsburg door te brengen, niet bevorderlijk zijn voor een efficiënte werking van het Parlement. In feite eisen efficiency en logica dat er één Parlementszetel in Brussel komt. Mijn standpunten in deze kwestie komen in mijn stemgedrag tot uitdrukking.

 
  
  

− Verslag: Dimitrios Papadimoulis (A6-0102/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) We vinden het positief dat erkend wordt dat er door de sluiting van kwikmijnen in de Gemeenschap, milieu- en sociale problemen zijn ontstaan. We vinden het ook positief dat wordt aanvaard dat projecten en andere initiatieven, op grond van de beschikbare financiële instrumenten, ondersteund moeten blijven worden, opdat de getroffen gebieden uitvoerbare oplossingen kunnen vinden voor het milieu, de werkgelegenheid en economische activiteit in dat gebied.

Er is ook afgesproken dat degene die een vergunning aanvraagt, de nodige maatregelen moet nemen, door middel van een financiële garantie of een vergelijkbaar mechanisme, om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning (met inbegrip van onderhoudswerk na sluiting) en dat de sluitingswerkzaamheden worden uitgevoerd.

Ook is goedgekeurd dat sectoren van de industrie waar kwik wordt gewonnen door reiniging van aardgas of waar het als bijproduct bij het winnen en smelten van non-ferrometalen ontstaat, relevante gegevens aan de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de desbetreffende lidstaten moeten leveren. De Commissie zal deze informatie openbaar maken.

We vinden het ook juist dat technische hulp aan ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie wordt aangemoedigd, vooral hulp die het gemakkelijker maakt over te stappen op alternatieve kwikvrije technologieën en die uiteindelijk het gebruik van kwik en het vrijkomen van kwik en kwikverbindingen geleidelijk stopt.

 
  
MPphoto
 
 

  Françoise Grossetête (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb ingestemd met dit verslag, dat ten doel heeft het verbod op de uitvoer van kwik te vervroegen naar 15 maart 2011, drie maanden voor de door de Raad voorgestelde datum. Kwik kan worden verkregen door recycling van afval (fluorescentiebuizen en batterijen, bijvoorbeeld), reiniging van aardgas of industriële verwerking van non-ferrometalen.

Ik ben blij dat het verbod niet alleen voor metallisch kwik geldt, maar ook voor kwikbevattende producten die niet in de Europese Unie kunnen worden verkocht of gedistribueerd, zwavelkwikerts en kwikverbindingen.

Het is ook uiterst belangrijk dat het verbod niet geldt voor verbindingen die voor onderzoek en ontwikkeling, voor medicijnen of in onderzoeksprocessen, worden gebruikt, zoals in het verslag is aangegeven.

De opslag moet veilig worden gemaakt, wat zowel door het verslag als door de Raad naar voren is gebracht. Kwikafval dat voor meer dan een jaar tijdelijk wordt opgeslagen, moet diep onder de grond in harde rotsformaties worden bewaard of op zo’n manier boven de grond, dat risico’s voor de volksgezondheid en het milieu voor de verwerking worden voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Ik ben het in grote lijnen eens met het verslag van Dimitrios Papadimoulis over het verbod op de uitvoer voor en de veilige opslag van metallisch kwik. Vervroeging van het verbod op de uitvoer naar 2010 zorgt voor een grotere coherentie van de kwikstrategie van de EU in het algemeen. Ik steun ook de uitbreiding met de verschillende soorten kwik waarvoor het verbod geldt. Ik vind verder dat, voordat het verbod van kracht wordt, meer onderzoek op het gebied van veilige verwijderingsmethodes voor kwik nodig is. Ik heb met het verslag ingestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Waar zijn de grenzen van de hypocrisie? De Europese Commissie stelt terecht voor het gebruik van kwik te verbieden en geschikte infrastructuur voor de opslag ervan te creëren, met het oog op de hoge giftigheidsgraad en de risico’s voor de volksgezondheid. De Commissie wil desondanks het gebruik van fluorescentielampen vanwege energiebesparing blijven stimuleren, hoewel ze weet dat deze per stuk minstens 5mg kwik bevatten, een bijzonder gevaarlijke hoeveelheid, gezien het aantal lampen in elk huis en op iedere werkplek.

Winst gaat boven alles. De investeringen en winsten van monopoliehouders moeten worden beschermd, ook als dit ten koste van de volksgezondheid gaat. De EU verbiedt het gebruik van kwik maar staat bedrijven toe gratis gloeilampen met kwik aan te bieden, om hun verkoop te stimuleren.

De verantwoordelijkheid voor de volksgezondheid wordt aan de bedrijven overgelaten. Zij moeten het inzamelen van afval organiseren, hoewel bekend is dat afval uiteindelijk op vuilnisbelten en in vuilcontainers terechtkomt. De hele samenleving wordt aan het aanzienlijke risico van vervuiling blootgesteld, en niet alleen degenen die de lampen gebruiken. Daarom kunnen ze in het algemeen natuurlijk op stortplaatsen worden weggegooid. Sterker nog, ter voorkoming van protesten die van invloed zouden zijn op de verkoop, worden niet eens de meest elementaire stappen ondernomen om mensen te wijzen op de risico’s die ze lopen door het lekken van de inhoud van deze lampen in het milieu.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernard Wojciechowski (IND/DEM), schriftelijk.(PL) Kwik is een van de meest giftige stoffen voor het milieu. Onder normale omstandigheden hebben kwikdampen een hoge compressibiliteit. Het breekt niet af en blijft daarom zeer lang in het milieu aanwezig. Kwik hoopt zich op in trofische ketens, waardoor het in belangrijke concentraties in het menselijk lichaam terecht kan komen.

Door industriële ontwikkelingen is men kwik gaan gebruiken, omdat het metaal speciale eigenschappen bezit en makkelijk te verkrijgen is. Het lijkt moeilijk om helemaal geen kwik meer te gebruiken bij de productie van zuinige gloeilampen. Er moeten echter wel effectieve inzamelsystemen voor het afval worden ontwikkeld, samen met een veilige recyclingtechnologie, ter voorkoming van het verder achteruitgaan van het milieu.

Een van de ernstigste gevallen van vergiftiging door kwikverbindingen vond tussen 1953 en 1960 in Japan plaats. Inwoners van de baai van Minamata werden massaal ziek en vertoonden symptomen van zenuwbeschadigingen die vaak de dood tot gevolg hadden.

De Europese Unie moet al het mogelijke doen om ervoor te zorgen dat kwik veilig wordt opgeslagen. Er moet een verbod komen op de uitvoer van metallisch kwik.

 
  
  

− Verslag: Hartmut Nassauer (A6-0154/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb ingestemd met het verslag van mijn gewaardeerde Duitse collega, Hartmut Nassauer. Dit verslag is opgesteld bij de eerste lezing van de medebeslissingsprocedure over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht. Ik ben het ermee eens dat dit mechanisme weer strikt in de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht moet worden opgenomen, door de effecten van de richtlijn alleen van toepassing te laten zijn op gevallen van schending van communautaire regelgeving over milieukwesties, waardoor de lidstaten de straffen die ze in geval van schending willen opleggen, kunnen bepalen. Dit wijze standpunt volgt dat van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, dat bepaalde dat de EU alleen in gevallen van een “gerechtvaardigde noodzaak” de bevoegdheid heeft strafrechtelijke maatregelen aan te nemen, met andere woorden met betrekking tot gemeenschappelijk vervoers- en milieubeleid. Er moet op worden gewezen dat de richtlijn beoogt de lidstaten te verplichten in hun eigen wetgeving strafrechtelijke sancties op te nemen voor ernstige schendingen van Gemeenschapsrecht op het gebied van milieubescherming, zonder verplichtingen te scheppen om deze sancties, waarop in afzonderlijke gevallen een beroep kan worden gedaan, toe te passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Hanne Dahl (IND/DEM), schriftelijk. (EN) Gezien het grensoverschrijdende karakter van milieudelicten, menen wij dat een vastgestelde reeks minimumnormen en sancties met betrekking tot milieudelicten op internationaal niveau een nuttig instrument zou zijn voor een veelomvattende en effectieve milieubeschermingsstrategie. We denken echter niet dat de EU de bevoegdheid heeft of zou moeten hebben om strafrechtelijke maatregelen vast te stellen in eerstepijleraangelegenheden. Daarom heb ik vandaag tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Het is belangrijk dat de rapporteur, in overeenstemming met de uitspraak van het Hof van Justitie van 23 oktober 2007 in geval C-440/05, heeft erkend dat het strafrecht en de regels voor strafprocedures niet onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen en dat daarom niet kan worden bepaald welk soort strafrechtelijke sancties moet worden toegepast en in welke mate deze moeten worden toegepast. Er zijn daarom amendementen ingediend bij een voorstel voor een richtlijn van de Europese Commissie, die niet aanvaardbaar was.

Het is ook van belang dat de Commissie en de Raad deze voorgestelde amendementen hebben aanvaard. Desondanks houden zij echter vol dat de communautaire wetgever van de lidstaten kan verlangen voorzieningen voor dit soort sancties te treffen, om ervoor te zorgen dat de wetten die zij op het gebied van milieubescherming vaststellen volledig effectief zijn.

Omdat de rol van de lidstaten in het hele proces niet voldoende duidelijk is gemaakt, hebben wij ervoor gekozen ons bij de eindstemming van stemming te onthouden.

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb met dit verslag ingestemd, omdat het de mogelijkheid biedt bij ernstige milieudelicten strafrechtelijke sancties op te leggen. Lidstaten moeten op het gebied van milieubescherming een ferme houding aannemen en zorgen voor een strikte toepassing van deze richtlijn.

Ik ben vooral voor het opnemen van een bijlage bij de richtlijn waarin duidelijk wordt gemaakt bij welke wetgeving strafrechtelijke sancties van toepassing zijn. Een bijlage is van cruciaal belang om meer juridische duidelijkheid te verschaffen over de vraag om welke Gemeenschapswetgeving het gaat. Het moet de bestaande wetgeving omvatten, waarbij deze richtlijn strafrechtelijke sancties kan opleggen, maar het moet ook toekomstige wetgeving kunnen omvatten.

Een bijlage zal er verder voor zorgen dat de werkingssfeer van de richtlijn beperkt blijft tot uitvoering van Gemeenschapsrecht en nationale regelgeving en dat de richtlijn niet van invloed is op wat zuiver nationaal recht is.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) De invoering van een gemeenschappelijk strafrecht op EU-niveau, waardoor de lidstaten het exclusieve recht wordt ontnomen om zelf te beslissen welk gedrag als delict beschouwd wordt en ook het recht om de strafmaat te bepalen, komt steeds dichterbij.

Het Gerechtshof van de Europese Gemeenschap verwierf met zijn vonnis van 13 september 2005 in de zaak die bekend staat als “bescherming van het milieu” het recht in te grijpen in het strafrecht van de lidstaten in geval van schendingen van de milieuwetgeving.

Nu zijn we weer een hele nieuwe fase ingegaan en is men erop uit een geharmoniseerde lijst op te stellen van schendingen die in alle lidstaten strafbaar dienen te zijn en de strafmaat voor schendingen van de milieuwetgeving te harmoniseren.

Het Hof heeft de macht naar zich toegetrokken en die aan de Commissie overgedragen met een totale minachting voor de landen, nationale grondwetten, parlementen en de verstandige toepassing van wetten.

Als pleitbezorgers van soevereiniteit en als verdedigers van de vrijheid en het recht van de landen om zelf te beslissen wijzen wij deze methoden af.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE) , schriftelijk. − (EN) Ik heb vóór het Nassauer-verslag over bescherming van het milieu door middel van het strafrecht gestemd. Hoewel een materieel strafrechtcorpus een zaak van de lidstaten is en ook moet blijven is tegelijkertijd duidelijk dat bescherming van het milieu het beste op EU-niveau kan worden gecoördineerd. Ik ben ervan overtuigd dat de EU met dit compromispakket een voortrekkersrol zal kunnen vervullen op het gebied van milieubescherming terwijl tegelijkertijd de integriteit van de nationale wetgevingen behouden blijft.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL) , schriftelijk. – (EL) De richtlijn die wordt voorgesteld opent de mogelijkheid om de lidstaten een uniform strafrecht op te leggen. De richtlijn gebruikt de bescherming van het milieu en de zorgen van arbeiders over milieuproblemen om de invoering van een gemeenschappelijk strafrecht op EU-niveau in te voeren. De richtlijn trekt zelfs de regel betreffende de unanimiteit van de lidstaten in die tot dusverre op strafzaken van toepassing was. Dit maakt de weg vrij voor acquis communautaire, waardoor de EU het recht en de bevoegdheid krijgt daar waar zij dit nodig acht de strafmaat te bepalen en op te leggen. Goed beschouwd wordt daarmee een aantal bepalingen van de Europese Grondwet in ere hersteld. De toepassing ervan vindt nu plaats onder de nieuwe noemer “Verdrag van Lissabon”, nog voordat dit geratificeerd is en in werking is getreden. Dit is een gevaarlijke ontwikkeling die ten koste gaat van de Europese bevolking.

De EU de bevoegdheid geven een uniform strafrecht in te stellen zonder de unanieme goedkeuring door de lidstaten komt neer op het opheffen van een van de fundamentele soevereine rechten van de landen: het recht om te besluiten welke acties een delict zijn en om de strafmaat te bepalen. Op deze manier wordt vastgelegd dat het Gemeenschapsrecht boven de nationale wetgeving en zelfs boven bepalingen uit de grondwet van een land gaat. Het doel daarvan is de Europese bevolking de wil van het Europese kapitalistische monopolie, aldus wettelijk gesanctioneerd, op te leggen. Tegelijkertijd worden daarmee ook de individuele rechten en de democratische vrijheden van mensen drastisch ingeperkt.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN) , schriftelijk. –? (PL) De zorg voor het milieu is de plicht van ons allemaal. De wereld kwijt zich echter niet erg goed van deze plicht. Er bestaat de neiging het belang hiervan niet te onderkennen en het uit te stellen tot later.

In 1998 heeft de Europese Raad besloten het milieu te beschermen door middel van het strafrecht. De nieuwe richtlijn beoogt voor alle landen helder vast te leggen welke overtredingen onder het strafrecht vallen. Ik ben van mening dat het ook noodzakelijk is de nadruk te leggen op de verantwoordelijkheid van producenten, exporteurs, importeurs en vervoerders voor de producten en diensten die ze leveren, zodat er geen hiaten zijn waardoor men zijn verantwoordelijkheid uit de weg kan gaan.

Daar zijn echter financiële middelen voor nodig, bijvoorbeeld om de benodigde apparatuur aan te schaffen en scholing mogelijk te maken, zodat de nieuwe principes naar behoren kunnen worden geïmplementeerd en het aantal milieuovertredingen teruggedrongen kan worden. Ik ben van mening dat er daartoe EU-middelen ter beschikking moeten worden gesteld, in ieder geval aan de nieuwe lidstaten. Dat zijn de landen die het meeste werk op dit gebied te verzetten hebben in een korte tijd.

Alleen als alle lidstaten solidair handelen zullen de doelstellingen kunnen worden gehaald. Zonder deze solidariteit zullen de regionale verschillen alleen nog maar groter worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Sonik (PPE-DE) , schriftelijk. – (PL) Ik heb vóór het verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van het milieu door middel van strafrecht, COM(2007)0051, gestemd omdat we door nieuwe wettelijke bepalingen in te voeren voor de gehele Gemeenschap en een gezamenlijke lijst van strafbare feiten op het gebied van het milieu op te stellen een betere implementatie van de EU-wetgeving kunnen waarborgen.

In alle lidstaten van de Unie gelden dezelfde bepalingen, maar de manier waarop deze worden toegepast loopt sterk uiteen. Dit stimuleert onwenselijk gedrag van onverantwoordelijke ondernemers die hun economische activiteiten overbrengen naar landen waar de strafmaat voor milieudelicten minder zwaar is. Met name de nieuwe lidstaten krijgen hiermee te maken. Hierbij dient nadrukkelijk te worden aangetekend dat een steeds groter deel van de strafbare feiten plaatsvindt binnen de context van criminele organisaties en dat milieudelicten steeds meer een grensoverschrijdend karakter krijgen.

Ik onderschrijf het standpunt van de rapporteur dat het wettelijk raamwerk dat in het voorstel voor een richtlijn wordt gedefinieerd een belangrijke bijdrage vormt aan een doeltreffende bescherming van het milieu en een garantie kan bieden voor een uniforme en verantwoorde implementatie van de wetgeving op het gebied van milieubescherming binnen de Europese Unie. Het gericht opleiden van functionarissen is een sine qua non voor de effectieve implementatie van de wet en voor het daadwerkelijk terugdringen van milieudelicten. Het voorstel om de verplichtingen van de lidstaten in dit opzicht duidelijk vast te leggen is daarom volstrekt relevant. Het vaststellen van een minimale reeks strafbare milieudelicten en de bijbehorende strafmaten is een nuttig instrument bij de gezamenlijke implementatie van de wetgeving inzake milieubescherming binnen de Europese Unie.

 
  
  

- Verslag: Gábor Harangozó (A6-0061/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE) , schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn Hongaarse collega Gábor Harangozó gestemd, dat een amendement is, in eerste lezing van de medebeslissingsprocedure, op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw. Ik sta achter het idee om lidstaten bij wijze van uitzondering de mogelijkheid te geven de landbouwstructuurenquête in 2009 uit te voeren in plaats van in 2010, in verband met de tienjaarlijkse volkstelling in 2011. Ook ondersteun ik alle beoogde vereenvoudigingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE) , schriftelijk. − (PT) Het voorstel voor een verordening past bij het nieuwe beleid van de Commissie inzake vereenvoudiging van de wetgeving en betere regelgeving.

Ik sta achter het voorstel van de Commissie dat als doel heeft de procedures te vereenvoudigen door het aantal interne inspecties te verminderen en tegelijkertijd te bewaken dat structurele enquêtes over plantaardige en dierlijke productie, landbouwactiviteiten en het materieel dat wordt gebruikt op dezelfde stringente manier blijven worden uitgevoerd als onder eerdere wetgeving.

Bovendien introduceert het voorstel, met het oog op vereenvoudiging, slechts één nieuw type inspectie en vraagt het op geen enkele wijze van lidstaten om hun administratieve systemen aan te passen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gábor Harangozó (PSE) , schriftelijk. − (PT) Aangezien landbouwsubsidies uit openbare middelen komen is een eerlijke verdeling op basis van objectieve criteria vereist. Daarom onderschrijven wij de noodzaak van enquêtes om de structuur van landbouwbedrijven in kaart te brengen. De toepassing van deze principes mag echter geen toename betekenen van de bureaucratische last voor boeren, met name voor kleine en middelgrote bedrijven met beperkte of geen middelen. Eveneens mag het er niet toe leiden dat boeren vanwege technische of andere fouten waarvan zij zich niet bewust zijn niet de steun krijgen waar zij recht op hebben, zoals soms het geval is in Portugal met plaatsbepaling en identificatie per satelliet.

We vinden het dan ook positief dat het verslag erkent dat veel lidstaten met aanzienlijke methodologische en technische problemen te kampen hebben en dat het erop aandringt dat de Commissie boeren de nodige technische bijstand en adviezen verleent bij de plaatsbepaling van de landbouwbedrijven per satelliet. In dit opzicht willen we er nogmaals de aandacht op vestigen dat de overheden van de lidstaten dienen te garanderen dat de data die per satelliet verzameld worden uitsluitend toegankelijk zijn en gebruikt zullen worden ten behoeve van de geformuleerde doeleinden.

 
  
  

- Verslag: Sylvia-Adriana Ţicău (A6-0087/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE) , schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn Roemeense collega gestemd over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerdersondernemer uit te oefenen.

De voormalige Richtlijn 96/26/EC inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen- respectievelijk personenvervoer over de weg en zijn vier Verordeningen inzake toegang tot de vervoersmarkt zijn, met de deregulering van de prijzen van het internationale wegtransport die enige jaren daarvóór geïmplementeerd zijn, bepalend geweest voor de internationale vervoersmarkt, zij het met een minimum aan vervoerskwaliteit, terwijl het openstellen van de markt, voortkomend uit de Verordeningen, meer concurrentie teweeg heeft gebracht.

Uit ervaring is gebleken dat deze maatregelen fout of verschillend worden toegepast, doordat ze onduidelijk of onvolledig zijn of omdat ze vanwege veranderingen in de sector niet langer kunnen worden toegepast. Het toezicht op bedrijven loopt sterk uiteen tussen de lidstaten, waartussen soms zeer grote verschillen bestaan wat betreft beroepskwalificaties en financiële solvabiliteit. Er was dus een dringende noodzaak om tot wetgeving te komen waarmee voorwaarden gesteld kunnen worden aan de vereiste betrouwbaarheid, minimale financiële draagkracht en vakbekwaamheid, en tot de implementatie van de wederzijdse erkenning van de documenten die benodigd zijn om toestemming te krijgen om een bedrijf te voeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL) , schriftelijk. − (PT) Afgezien van de kritiek op bepaalde aspecten van dit voorstel voor een verordening dient bij de bespreking van de inhoud ervan niet de “rol” uit het oog verloren te worden die deze speelt in de toenemende liberalisering van het internationale wegtransport die wordt voorgestaan door de Europese Commissie en de instellingen van de Europese Unie met medebeslissingsrecht, te weten het Europees Parlement en de Raad.

Dit centrale idee wordt door de Europese Commissie zelf in haar voorstel benadrukt: In de woorden van de Commissie: “Directive 96/26/EC on admission to the occupation of road transport operator, the four Regulations on access to the road transport market, together with the deregulation of international transport prices which took place a few years earlier, shaped the internal market in road transport” (Richtlijn 96/26/EC inzake toelating tot het beroep van wegvervoersondernemer en de vier Verordeningen inzake toegang tot de markt voor wegtransport hebben, samen met de deregulering van de prijzen van het internationale transport die enige jaren eerder plaatsvond, het gezicht van de interne markt voor wegtransport bepaald). Met andere woorden: er werden “common requirements for admission to the occupation” (gemeenschappelijke regels voor de voorwaarden voor toelating tot het beroep) vastgesteld, terwijl tegelijkertijd “the opening-up of the market as a result of the Regulations has made for greater competition” (het openstellen van de markt tengevolge van de Verordeningen de concurrentie heeft vergroot).

Zoals we hebben onderstreept met betrekking tot dit voorstel voor een verordening tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden om het beroep van wegvervoersondernemer te mogen uitoefenen, beoogt dit voorstel een verdergaande liberalisering van het internationale wegtransport door de concurrentie tussen vervoerders te bevorderen in een sector die al onder zware druk staat, wat de mensen die in de sector werken op allerlei manieren voelen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. − (DE) Harmonisatie van bestaande regelgeving in deze sector is een belangrijk middel om het wegtransport in Europa te optimaliseren. Een verordening is in deze context doeltreffender dan een richtlijn.

De regels met betrekking tot het beroep van wegvervoerder moeten voldoen aan zeer nauwkeurige criteria, om de grootst mogelijke veiligheid te bewerkstelligen op onze wegen. Deze regels dienen zowel voorwaarden als sancties te behelzen.

Van essentieel belang is daarbij het monitoren en controleren van de gegevens. Deze dienen te worden uitgevoerd op een manier die de privacy van het individu respecteert. Het is van het grootste belang dat de nationale elektronische registers waar de data worden opgeslagen onderling met elkaar verbonden zijn zodat data kunnen worden vergeleken en de verordening de beoogde doelstelling kan waarmaken.

Ik ben tegen Amendementen 7 en 102 die beogen de 6-dagenregel af te zwakken. De herinvoering van de 12-dagenregel, die al eerder verworpen is, zou niet in overeenstemming zijn met de inhoud van dit verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) Het verslag van mevrouw Ţicău is onderdeel van een pakket maatregelen die, samen met twee andere verslagen, beogen het wegtransport te reguleren.

Deze sector is enorm belangrijk binnen de Europese Economische Ruimte omdat het de open en concurrerende markt mogelijk maakt waar we vandaag de dag zo trots op zijn.

Binnen het kader van dit nieuwe voorstel moeten ondernemingen een gediplomeerd transportmanager aannemen die verantwoordelijk is voor het aansturen van de transportactiviteiten van het bedrijf. De voorwaarden die al zijn vastgelegd om het beroep te mogen uitoefenen – te weten betrouwbaarheid, minimale financiële draagkracht en vakbekwaamheid – worden gehandhaafd.

Deze herformulering is bedoeld om bestaande wetgeving begrijpelijker te maken en hogere eisen te stellen aan de veiligheid en de efficiëntie van dit soort bedrijven.

Ik juich dan ook het werk van de rapporteur toe, dat erop gericht is de verantwoordelijkheid in deze sector te vergroten ten aanzien van veiligheid en garanties voor betrokkenheid. Ook sta ik achter de maatregelen die worden voorgesteld inzake de vakbekwaamheid, waaronder kwalitatief goede opleidingen en wederzijdse erkenning van diploma’s en andere certificeringen.

 
  
  

- Verslag: Mathieu Grosch (A6-0038/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. (FR) Ik heb vóór het verslag van mijn geachte collega Mathieu Grosch gestemd over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerdersondernemer uit te oefenen, dat beoogt de teksten te integreren die de toegang regelen tot de markt voor internationaal wegtransport en cabotagevervoer, waar momenteel eerdere verordeningen en richtlijnen op van toepassing zijn. Het internationale transport tussen de lidstaten is binnen de interne markt volledig geliberaliseerd, hoewel er voor cabotage nog altijd een aantal beperkingen geldt. Ik sta positief tegenover deze aanwijzingen en vereenvoudigingen en ook tegenover het verhogen van de strafmaat voor overtredingen die gepleegd worden in lidstaten niet zijnde het land van vestiging.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Dit is slechts wéér een stap in de richting van en wéér een instrument dat gericht is op een verder doorgevoerde liberalisering van het internationale wegtransport door de concurrentie tussen vervoerders te bevorderen in een sector die al onder zware druk staat, wat de mensen die in de sector werken op allerlei manieren voelen.

Een van de huidige doelstellingen is een manier te vinden om het mogelijk te maken dat er binnen het wegtransport “cabotage”-activiteiten worden uitgevoerd – met andere woorden: dat er volgend op een internationale rit maximaal drie transportoperaties mogen worden uitgevoerd, vooropgesteld dat deze binnen zeven dagen worden uitgevoerd – in een markt die toch al dusdanig geliberaliseerd is dat dit enorme gevolgen zal hebben voor de financiële situatie en overlevingskansen van nationale vervoerders.

Dit besluit zal ook nadelige gevolgen voor werknemers in het wegtransport hebben. Dit is bijvoorbeeld te zien in het voorstel van een meerderheid van dit Huis, om de verwijzing naar “arbeidstijden” te verwijderen en alleen “rij- en rusttijden” te laten staan; met andere woorden: hierdoor worden langere werktijden mogelijk, hetgeen een negatief effect zal hebben op de arbeidsomstandigheden en de veiligheid van de werknemers. Gezien de recente uitspraken van het Gerechtshof kan zelfs een verwijzing naar Richtlijn 96/71/EG, betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers, niet meer de rechten van veel werknemers in deze sector beschermen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogusław Liberadzki (PSE), schriftelijk. − (PL) Ik heb vóór dit verslag gestemd over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerdersondernemer uit te oefenen (herschikking) (COM(2007)0265 - C6-0146/2007 - 2007/0099 (COD)).

Ik ben het met de rapporteur eens dat dit voorstel van de Commissie, indien aangenomen, zal bijdragen aan een vereenvoudiging en verheldering van de uitgangspunten die van toepassing zijn op het wegtransport.

Ik sta achter het voorstel van de heer Grosch, dat beoogt aangrenzende lidstaten de mogelijkheid te bieden om hun markten nog meer open te stellen voor cabotagevervoer.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. − (DE) Ik heb voor het verslag van Mathieu Grosch gestemd over de voorwaarden voor het uitoefenen van het beroep van wegvervoerdersondernemer. Het samenvoegen van de bestaande Verordeningen en Richtlijn 2006/94/EG zal leiden tot een vereenvoudiging en verbetering van de toegang tot de markt voor wegtransport.

Ik onderschrijf de visie van de rapporteur dat de restricties op cabotage versoepeld moeten worden en dat de regels betreffende cabotage in overeenstemming gebracht moeten worden met de regels die van toepassing zijn op grensoverschrijdend wegtransport binnen de interne markt. Het is daarom van belang tot een duidelijk definitie van cabotage te komen, om een uniforme benadering te kunnen garanderen.

Hoewel leegloop vermeden moet worden met het oog op het milieu en de efficiëntie en hoewel cabotage op de route naar huis vanuit andere landen ook ondersteund moet worden, onder de restricties zoals beschreven in het verslag, dient niet uit het oog verloren te worden dat dergelijke maatregelen de positie van de spoorwegen verzwakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) We stemmen tegen het verslag over de toegankelijkheid van het wegtransport. Het liberaliseert de wegtransportmarkt van de Gemeenschap en maakt het mogelijk dat internationale vervoerders nationale transporten uitvoeren. Internationaal goederen- en personenvervoer over de weg wordt zo binnen de interne markt overgeleverd aan de monopolisten. De gevolgen daarvan kunnen desastreus zijn voor kleine en middelgrote transportondernemingen en met name voor werknemers en chauffeurs die nog meer uitgebuit zullen worden door de monopolistische groepen.

Het voorstel van het Europees Parlement kiest voor een nog meer reactionaire weg dan dat van de Commissie. Het neemt zelfs de voorgestelde minimale restricties weg en vraagt om een volledige liberalisering van de markt voor internationaal en nationaal transport.

De mogelijkheid om in de lidstaten onbeperkt te kunnen laden en herladen en het opheffen van de beperkingen aan de verblijfstijd van voertuigen en personeel in een andere lidstaat nadat een strikt internationaal transport is afgerond, zijn erop gericht de arbeidskosten terug te dringen. Hierdoor zullen de rechten worden geschonden die bedoeld zijn om de lonen, het werk en de verzekeringen van werknemers in het internationaal wegtransport te beschermen en het zal ertoe leiden dat de activiteiten sterk geconcentreerd zullen worden bij grote multinationals. Als dit niet wordt tegengehouden zal dit grote schade toebrengen aan de sector en het zal ten koste gaan van de kwaliteit van de dienstverlening.

De labour-beweging die opkomt voor de arbeidersklasse moet hier sterk tegen ageren, in een duidelijke demonstratie van insubordinatie en ongehoorzaamheid aan dit EU-beleid dat gericht is tegen de arbeiders en tegen de mensen.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) Dit voorstel is onderdeel van een pakket maatregelen binnen de wegtransportsector. Het onderhavige voorstel beoogt de samenhang te bevorderen binnen de wetgeving van de Gemeenschap op het gebied van het internationaal wegtransport, door twee bestaande Verordeningen samen te voegen, waardoor de regels efficiënter kunnen worden uitgevoerd en de toepassing van het cabotageconcept wordt verhelderd en bevorderd. Ook worden er maatregelen in vastgelegd om rijbewijzen en bestuurdersattesten binnen de hele Gemeenschap te vereenvoudigen en standaardiseren, waardoor de administratieve kosten en tijdverlies teruggebracht worden, met name bij controles langs de weg.

Lidstaten zullen ook hun communicatiesystemen kunnen versterken, zodat van overtredingen van een wegtransportonderneming aangifte kan worden gedaan in het lidstaat waar deze gevestigd is. Ik vind deze tekst uiterst belangrijk voor de ontwikkeling van deze sector van de Europese markt en ik denk dat deze daardoor de efficiëntie, de regulering en de structuur zal krijgen waardoor er een open, gereguleerde en eerlijke markt kan ontstaan.

 
  
  

- Verslag: Fiona Hall (A6-0077/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb voor het verslag van mijn Britse collega Fiona Hall gestemd, die uitstekend werk geleverd heeft en, in eerste lezing van de medebeslissingsprocedure, het voorstel amendeert voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad inzake de selectie en machtiging van systemen die mobiele satellietdiensten (MSS) leveren. Als rapporteur voor mijn fractie, PPE-DE, heb ik mij ingezet voor een optimale geografische dekking van de diensten op het grondgebied van de EU. Het doet mij genoegen dat ik een bijdrage heb kunnen leveren aan het vereiste dat de aanvraag een toezegging van de indiener bevat dat het voorgestelde systeem vanaf het begin van de MSS op ten minste 60 procent van het geaggregeerde landoppervlak van de lidstaten diensten zal aanbieden. Bovendien moet de voorgestelde dienst in alle lidstaten aan ten minste 50 procent van de bevolking en op ten minste 60 procent van het geaggregeerde landoppervlak van elke lidstaat worden aangeboden vanaf het door de indiener aangegeven tijdstip, maar in geen geval later dan zeven jaar na de datum van bekendmaking van de tekst. Tot slot dienen de aanvragen een toezegging van de indiener te bevatten dat het MSS-systeem ter beschikking zal worden gesteld voor civiele bescherming en rampenbestrijding.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. (PT) Dit verslag bevat positieve punten waar wij blij mee zijn, zoals met name de voorstellen betreffende het belang dat MSS ook buiten de belangrijkste stedelijke gebieden in de lidstaten en op een zo hoog mogelijk niveau worden aangeboden, om de digitale kloof te dichten, en ook het argument dat de voorgestelde systemen vanaf het begin een voldoende groot gebied dienen te bestrijken, waardoor de dekkingscapaciteit van dergelijke systemen wordt vergroot.

We mogen echter niet over het hoofd zien in welke context deze voorstellen gedaan worden, te weten de liberalisering en ontwikkeling van de interne markt voor telecommunicatie. Daarom moesten wij tegen dit verslag stemmen.

Ook zijn wij het er niet mee eens dat lidstaten hun nationale rechten op spectrumtoewijzing moeten inleveren omdat mobiele satellietdiensten een grote satellietafdruk hebben die het moeilijk maakt interferentie over nationale grenzen heen te voorkómen. In het besluit van de Commissie van februari 2007 werd juist erkend dat lidstaten het recht dienden te behouden om machtigingen te verlenen voor de exploitatie van complementaire grondcomponenten op hun grondgebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. (SV) Het verslag over de selectie en machtiging van systemen die mobiele satellietdiensten leveren gaat over de vraag op welke manier we kunnen zorgen voor een gemeenschappelijk Europees systeem van satellietdiensten, wat een belangrijke factor is als het gaat om de versterking van de blijvende concurrentiekracht van Europa op het gebied van geavanceerd technologisch onderzoek in een dito sector. Het is een goed verslag dat zich concentreert op de vraag hoe dit werk verbeterd kan worden. Eén cruciale vraag betreffende de dekking van deze diensten roept vanuit een Zweeds gezichtspunt echter problemen op, te weten het compromis dat is gesloten over 60 procent van het grondgebied van de EU. Dat betekent dat delen van Zweden niet gedekt zullen worden, hetgeen negatief is uit het oogpunt van de ontwikkeling van technologie en onderzoek. Ik heb mij daarom onthouden van stemming.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) De goedkeuring van dit besluit vormt een belangrijke stap op weg naar de versterking van de interne markt voor elektronische communicatie.

De doelstelling is simpel: breedband internet toegankelijk maken voor iedereen, mobiele multimediadiensten aanbieden en diensten mogelijk maken op het gebied van civiele bescherming in geval van een natuurlijke of humanitaire ramp.

De middelen die hiervoor worden ingezet sluiten aan op de vraag van onze medeburgers, met name als het gaat om de toegang tot breedband internet: een dekking voor vijftig procent van de bevolking en van minimaal zestig procent van elke lidstaat is inderdaad een effectieve manier om de digitale kloof te overbruggen en het kan ook door plattelandsgebieden gebruikt worden.

Dit besluit is des te succesvoller omdat het een veel grotere harmonisatie, op Europese schaal, betekent van het beheer van het radiospectrum, dat – ik zeg dit wellicht ten overvloede – een steeds schaarser middel aan het worden is.

Dit is ook het resultaat van de wens van alle lidstaten om de telecommunicatiesector middelen ter beschikking te stellen om een dienstenmarkt op Europees niveau te bewerkstelligen, die tot dusverre nog veel te gefragmenteerd is.

Kortom: mobiele satellietdiensten (MSS) zullen een succes worden in industrieel opzicht en een verbetering betekenen van culturele verscheidenheid en pluralisme in de media.

 
  
  

- Verslag: Klaus-Heiner Lehne (A6-0101/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het initiatief-verslag van mijn Duitse collega Klaus-Heiner Lehne gestemd betreffende de vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat op het gebied van vennootschapsrecht, financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen, in reactie op de mededeling van de Commissie over dit onderwerp.

Ik verwelkom, net als mijn collega’s, de algemene doelstelling van de Commissie om de administratieve lasten voor ondernemingen in Europa te verminderen. Deze vermindering mag echter niet leiden tot onzekerheid op het gebied van vennootschapsrecht en financiële verslaglegging, nu er steeds meer kleine en middelgrote ondernemingen op de interne markt komen. Het verheugt mij dat het Parlement de suggestie uit de mededeling niet heeft overgenomen om de drempel te verhogen waaronder micro-ondernemingen gevrijwaard blijven van de verplichting in het gemeenschapsrecht tot financiële verslaglegging, controle van de jaarrekeningen en openbaarmaking. Het verheugt mij ook dat het Parlement vóór een amendement heeft gestemd dat ik in de commissie heb voorgesteld, maar dat in dat stadium niet is aangenomen. Hierin wordt aanbevolen dat er overleg gevoerd moet worden over de noodzaak en mogelijkheid om een Europese regelgevende instantie in het leven te roepen voor diensten op het gebied van financiële verslaglegging en controle van de jaarrekeningen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. − (IT) Voorzitter, dames en heren, ik heb vóór het verslag van Klaus-Heiner Lehne gestemd over een “vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat” omdat ik overtuigd was van de noodzaak van “nieuwe” hervormingen in het vennootschapsrecht, financiële verslaglegging en controle van jaarrekeningen. Het vennootschapsrecht staat nu onder een sterke, en naar mijn mening positieve, invloed van Europese regelgeving. We moeten er wel voor zorgen dat hier geen overbodige en overdreven bureaucratische eisen uit voortvloeien en overlapping zien te voorkomen met lasten die al onder nationale regelgevingen worden opgelegd.

Deze hervormingen dienen ertoe te leiden dat de regels die van toepassing zijn begrijpelijker worden en dat de bureaucratische en administratieve lasten worden verminderd, met name wat betreft de financiële verslaglegging. Vereenvoudiging zal zeer ten goede komen van ondernemingen, met name het midden- en kleinbedrijf, die over het algemeen geen grote juridische en financiële afdelingen hebben. Ik ben ervan overtuigd dat begrijpelijke regelgeving die eenvoudig toe te passen is er op de allereerste plaats toe zal leiden dat men de wet naleeft. Ook zullen heldere regels die makkelijk herkenbaar zijn een positief en actief economisch klimaat bevorderen.

Ik ben van mening dat het werk van de commissie én dat van de rapporteur, de heer Lehne, geresulteerd heeft in een redelijk compromis tussen de vereisten om te voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel en het bewerkstelligen van een harmonisatieproces voor lidstaten die in een gezamenlijke inspanning bezig zijn de regels voor ondernemingen op Europees niveau te vereenvoudigen.

We moeten bureaucratische obstakels zien te voorkomen, die dynamiek en ondernemerschap kunnen muilkorven tot de verstikking erop volgt.

 
  
MPphoto
 
 

  Sharon Bowles (ALDE), schriftelijk. − (EN) In verband met amendement 11, letter d dient paragraaf 26 geschrapt te worden. Paragraaf 26 kan op twee manieren worden geïnterpreteerd. Sommige mensen zijn bezorgd dat dit een pleidooi is voor “één stem per aandeel” en hebben om die reden voor het schrappen van die paragraaf gestemd . Dat is niet de interpretatie die ik eraan geef. De paragraaf verwijst expliciet naar “individuele hinderpalen voor het vrije verkeer van kapitaal” en verwijst naar een arrest dat specifiek van betrekking is op Volkswagen. Mijn interpretatie van de paragraaf is dat de Commissie wordt uitgenodigd iets te doen aan specifieke, extreem protectionistische maatregelen. Om die reden heb ik tegen het amendement gestemd en vóór behoud van de paragraaf, als een standpunt tegen protectionisme.

 
  
MPphoto
 
 

  Sylwester Chruszcz (NI), schriftelijk. (PL) Ik ben vóór de vereenvoudiging van de procedures voor verslaglegging en van de communicatiemethoden tussen overheid en ondernemers. De huidige bureaucratische procedures die aan ondernemers worden opgelegd zijn onnodig complex. Dit verslag beoogt de communicatie te verbeteren en doet de aanbeveling de XBRL-standaard in te voeren. Dat is een open standaard, hetgeen betekent dat deze makkelijk toegankelijk is, ook voor de allerkleinste ondernemingen.

Ik heb daarom besloten dit verslag te ondersteunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jonathan Evans (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) Mijn Britse Conservatieve collega’s en ik willen duidelijk stellen dat we sterk tegen paragraaf 23 van dit verslag zijn, dat de vaststelling bepleit van een “gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting” (CCCTB) in de EU.

We hebben onze visie daarop echter bij vele gelegenheden duidelijk gemaakt en de balans van de rest van het verslag, zijnde het bevorderen van de vereenvoudiging van de regelgeving voor ondernemingen, heeft onze steun, met inachtneming van deze verklaring.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Het verslag beoogt in zijn algemeenheid de wetgeving van de Gemeenschap te vereenvoudigen en te reduceren, op grond van de aanname dat dit met name ten goede zal komen van kleine en middelgrote ondernemingen. Het is waar dat deze vereenvoudiging enkele positieve aspecten kan hebben en normaal gesproken ondersteunen wij de vereenvoudiging van regelgeving voor bedrijven, mits dit resulteert in het terugdringen van de bureaucratie. We kunnen echter niet vóór een verslag stemmen dat enerzijds vereenvoudiging nastreeft en anderzijds ervoor pleit nieuwe rechtskaders voor ondernemingen binnen de Gemeenschap in het leven te roepen.

De volgende voorstellen van het verslag hebben ons ertoe gebracht ons van stemming te onthouden, vanwege het twijfelachtige en negatieve karakter ervan: wetgeving betreffende mogelijke coördinatie tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten teneinde de aan bedrijven gerichte verzoeken om informatieverzoeken te harmoniseren; wijziging van het statuut van de Europese Vennootschap in die zin dat een meer geharmoniseerde Gemeenschapsrechtsvorm ontstaat; in het leven roepen van nieuwe rechtskaders voor ondernemingen, en de vaststelling van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, oordelende dat het statuut van de Europese vennootschap daardoor bruikbaarder en effectiever kan worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE), schriftelijk. – (PL) De mededeling van de Commissie over een vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat op het gebied van vennootschapsrecht, financiële verslaglegging en controle van de jaarrekeningen formuleert maatregelen om de administratieve lasten voor ondernemingen in Europa te verminderen en te zorgen dat ze beter kunnen concurreren op mondiaal niveau. Lidstaten maken niet alleen onvoldoende gebruik van de maatregelen die mogelijk zijn om de bureaucratie terug te dringen, maar ook gaan ze vaak in tegen de concessies van de Gemeenschap door striktere nationale bepalingen aan te houden. Daardoor ontnemen ze lokale ondernemingen de mogelijkheid om hun procedures te vereenvoudigen conform de wetgeving van de Unie.

De Commissie zou zich er dan ook op moeten concentreren de lidstaten te stimuleren de vereisten voor financiële verslaggeving te harmoniseren. Ze zou er ook bij de lidstaten op moeten aandringen nieuwe technologie in te voeren om de kosten terug te dringen. Daarnaast zou het vaststellen van een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting het statuut van de Europese vennootschap bruikbaarder en effectiever maken. Het voorstel om zogeheten micro-ondernemingen te vrijwaren van de toepassing van de richtlijnen voor de financiële verslaglegging moet worden toegejuicht. In de praktijk zou dit betekenen dat ze worden gevrijwaard van de plicht een boekhouding bij te houden, een financieel jaarverslag in te sturen en de verslagen te publiceren die onder de Europese wetgeving verplicht zijn.

De voorgestelde veranderingen zijn zeker positief te noemen. Echter, een verdere vereenvoudiging van het acquis van de Unie op het gebied van het vennootschapsrecht en de effectieve implementatie daarvan in de lidstaten lijkt ons van essentieel belang om Europese ondernemingen succesvol te laten concurreren op een wereldmarkt waar de concurrentie steeds zwaarder wordt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik heb het verslag van de heer Lehne over vereenvoudiging van het ondernemingsklimaat voor bedrijven ondersteund. De EU heeft een belangrijke rol te vervullen als het erom gaat ondernemingen in staat te stellen te opereren in een omgeving waar de concurrentie zwaar is. Vaak zien ondernemingen en lidstaten zich echter geconfronteerd met te complexe regelgeving. Ieder initiatief om het ondernemingsklimaat te vereenvoudigen dient dan ook toegejuicht te worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Monica Maria Iacob-Ridzi (PPE-DE), schriftelijk. − (RO) Ik heb vóór dit verslag gestemd, maar ik ben van mening dat we een nog omvangrijker pakket maatregelen nodig hebben om het ondernemingsklimaat in Europa te vereenvoudigen.

Ik heb het met name over de problemen van startende ondernemingen. Cijfers van Eurostat wijzen uit dat de periode om de benodigde administratieve formaliteiten af te handelen om een onderneming te starten in de lidstaten van de EU uiteenloopt van een dag tot meerdere maanden. Sommige lidstaten zitten zelfs ver onder het wereldwijde gemiddelde van de OESO als het gaat om het gemak waarmee in de verschillende landen zaken kunnen worden gedaan. En niet in de allerlaatste plaats verhinderen de verschillende regelgevingen van de 27 lidstaten op het gebied van vennootschapsrecht het vrije verkeer van kapitaal tussen de landen en het opstarten van nieuwe ondernemingen in een andere lidstaat dan het land van herkomst.

Ik ben van mening dat deze twee elementen van essentieel belang zijn voor het behalen van de economische groeidoelstelling van de Lissabonstrategie en dat deze derhalve meer gestimuleerd zouden moeten worden door het Europese vennootschapsrecht.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Lewandowski (PPE-DE), schriftelijk. – (PL) Voorzitter, de Europese Unie wordt niet echt ervaren als een gebied waar de bepalingen voor de bedrijfsvoering erg duidelijk zijn, als het gaat om gebruiksvriendelijkheid. Het algemene gevoelen is zelfs dat dit gebied vergeleken met de rest van de wereld sterk overgereguleerd is, wat met name voor kleine ondernemingen problemen oplevert. Elke stap in de richting van vereenvoudiging van de bepalingen, zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie van 10 juli 2007, dient dan ook te worden toegejuicht. Het belangrijkste en meest wenselijke effect van vereenvoudiging zou moeten zijn dat kleine ondernemingen gestimuleerd worden om op de gemeenschappelijke Europese markt te opereren. Tot op heden is dat nog niet het geval voor nieuwe ondernemingen in Centraal- en Oost-Europa.

Om dat doel te bereiken moeten nationale bepalingen geharmoniseerd worden en moeten overbodige bepalingen worden ingetrokken, naast de twee opties die de Commissie voorstelt. Daarvoor is echter geen harmonisatie van de belastingen nodig, zoals wordt voorgesteld in paragraaf 23 van het verslag van de heer Lehne, de zogenaamde light-versie van de geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting. De rapporteur geeft de voorkeur aan de tweede optie die de Commissie voorstelt, die minder vergaand is. Tegen de achtergrond van de huidige neiging van de Europese Unie tot reguleren zou dit echter een ommekeer betekenen in de ongunstige trend die de kansen van Europese bedrijven om op de wereldmarkt te concurreren zonder meer verkleint.

 
  
MPphoto
 
 

  Marianne Thyssen (PPE-DE), schriftelijk. (NL) In de mededeling van de Commissie komen fundamentele vragen aan de orde, die het Europees beleid inzake vennootschaps -en boekhoudrecht zullen bepalen. In het verslag-Lehne worden hierop goede antwoorden geformuleerd die ook mijn goedkeuring wegdragen. Er is echter één problematisch punt, namelijk daar waar de Commissie de introductie van een categorie van “micro-entiteiten” voorstelt. Het betreft kleinere ondernemingen onder een bepaalde drempel die zouden worden vrijgesteld van de Europese verplichtingen inzake financiële verslaggeving en de jaarrekening. Het verslag-Lehne steunt deze aanpak en stelt zelfs voor de drempels te verhogen. In België zouden hierdoor 75 procent van de ondernemingen ontslagen worden van de bestaande transparantieverplichtingen. De afschaffing van het boekhoudsysteem voor kleine ondernemingen lijkt op het eerste zicht een grote administratieve vereenvoudiging maar zal, gelet op het belang van de financiële informatie voor alle belanghebbenden (kredietverstrekkers bijvoorbeeld), de deur openzetten voor een grotere administratieve rompslomp en hogere kosten. Door het ontbreken van een algemeen aanvaarde financiële verslaggeving zullen bedrijven gevraagd worden de gegevens, à la carte, op diverse wijze ter beschikking te stellen. Bovendien ontzeggen ze zichzelf een nuttig instrument van interne bedrijfsopvolging, hetgeen zeker voor een KMO belangrijk is. Ik heb me daarom onthouden van de eindstemming.

 
  
  

- Verslag: Britta Thomsen (A6-0165/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Adam Bielan (UEN), schriftelijk. – (PL) Voorzitter, het hoger onderwijs is voor iedereen toegankelijker geworden en steeds meer vrouwen behalen een universitaire graad. Desondanks zijn vrouwen nog steeds slecht vertegenwoordigd op de hoogste academische niveau’s. Hoewel de meerderheid van de universitaire docenten vrouw is (ruim vijftig procent) bekleden nog weinig vrouwen functies op het hoogste universitair niveau.

Ik ben vóór het idee om maatregelen te stimuleren die rekening houden met de gezinsfactor, zoals het introduceren van flexibele werktijden en betere kinderopvang. Ik steun ook de optie van grensoverschrijdende toegang tot sociale verzekeringen en het invoeren van ouderschapsbepalingen die mannen en vrouwen een vrije keuze bieden. De loopbaanonderbrekingen van vrouwelijke wetenschappers vanwege familieomstandigheden mag geen negatief effect hebben op hun carrière, zodat mannen een onevenredige voorsprong hebben op vrouwen als het gaat om carrièrekansen.

Ik heb het verslag van mevrouw Thomsen ondersteund omdat ik van mening ben dat het terecht kwesties van genderstereotypen aan de orde stelt. Deze bestaan in de lidstaten van de EU nog steeds.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. − (PT) Ik heb vóór het verslag van Britta Thomsen over vrouwen en wetenschap gestemd omdat ik het van essentieel belang vind dat mannen en vrouwen bij wetenschappelijke loopbanen gelijke kansen hebben. Factoren zoals stereotypes binnen de natuurwetenschappen en obstakels die samenhangen met de combinatie van werk en gezin leiden tot slechtere kansen en tot problemen voor vrouwelijke wetenschappers en onderzoekers, waardoor veel vrouwen worden uitgesloten van wetenschappelijk onderzoeksposten.

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen als het gaat om leidinggevende academische en wetenschappelijke functies, salarissen en de eisen van het privé-leven roept om maatregelen om deze genderstereotypen in de wetenschap tegen te gaan, een wetenschappelijke carrière aantrekkelijker te maken voor vrouwen en de bestaande ongelijkheid op te heffen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) We weten dat er meer vrouwen dan mannen in het hoger onderwijs zijn en toch zijn er nog steeds meer mannen dan vrouwen die een onderzoekscarrière kiezen. De enorme toename van het aantal vrouwen in het hoger onderwijs heeft niet geleid tot een evenredige verschuiving in de verhouding tussen het aantal vrouwen en mannen in specifieke opleidingen of beroepen, noch heeft dat het genderspecifieke salarisverschil opgelost.

Zoals de rapporteur aangeeft vormen vrouwelijke onderzoekers nog steeds een minderheid bij de overheid en het hoger onderwijs: in de EU is binnen beide sectoren 35 procent een vrouw. In alle landen is het aantal vrouwelijke onderzoekers binnen deze twee sectoren echter hoger dan binnen het bedrijfsleven (waar vrouwen over de hele EU gemiddeld 18 procent van het totaal uitmaken), maar er zijn grote verschillen tussen de landen. De landen met het laagste percentage vrouwen in onderzoeksposities in het bedrijfsleven zijn Duitsland (11,8 procent), Oostenrijk (10,4 procent) en Nederland (8,7 procent), terwijl dit in Litouwen, Bulgarije en Roemenië overal meer dan 40 procent is. De verdeling van onderzoekers naar wetenschappelijke hoofdgebieden vertoont een ander patroon voor mannen dan voor vrouwen. Onder de mannelijke onderzoekers in het hoger onderwijs werkt 54 procent in de natuurwetenschappen en techniek, vergeleken met 37 procent van de vrouwelijke onderzoekers.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Goudin en Nils Lundgren (IND/DEM), schriftelijk. (SV) Het is, zoals de rapporteur stelt, van essentieel belang wetenschappelijke functies beter toegankelijk te maken voor vrouwen. De wijze waarop we in elk land dat resultaat kunnen bereiken is anderzijds iets dat afhangt van de cultuur van het betreffende land en andere specifieke kenmerken. Het probleem heeft in elk van de 27 lidstaten van de EU een ander karakter en daarom moet er ook naar verschillende oplossingen worden gezocht. Er kan niet gegeneraliseerd worden over de positie van vrouwen in alle 27 lidstaten. Junilistan is van mening dat de weg naar gelijkheid in de praktijk op nationaal niveau moet worden uitgezet.

Daarom hebben wij besloten tegen het verslag te stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE), schriftelijk. – (PL) Als vrouwelijke professor met vele jaren werkervaring aan een Poolse universiteit ben ik zeer bekend met de problemen die hierbij komen kijken en daarom sta ik achter het verslag van mevrouw Thomsen. De manier waarop het verslag het probleem van genderdiscriminatie in de wetenschappelijke wereld benadert is interessant: het wijst de sociale, culturele en financiële obstakels aan die ertoe bijdragen dat vrouwen ondervertegenwoordigd blijven.

We zijn in de overheidssector en het hoger onderwijs niet met veel vrouwen vertegenwoordigd – slechts 35 procent – en slechts 18 procent in de particuliere sector. Hoe moeten we, zonder vrouwen bij de wetenschap te betrekken, een kennismaatschappij opbouwen, de Europese wetenschap en economie ontwikkelen, de doelstellingen van de Lissabonstrategie halen en de verwachtingen van Europa op de drempel van de 21ste eeuw waarmaken? We moeten de voorwaarden creëren waaronder vrouwen in grotere mate deel gaan uitmaken van de wetenschappelijke wereld en de deuren van de universitaire laboratoria voor hen opengaan. Het moet voor vrouwen ook mogelijk worden te kiezen voor de hoogste academische functies. Promotie is in de wetenschappelijke wereld afhankelijk van academische prestaties en de kans voor vrouwen om een leerstoel te krijgen is drie keer zo klein als die van mannen. Dat valt te betreuren en het kan niet uitsluitend verklaard worden door het gegeven dat vrouwen meer door hun gezinstaken in beslag worden genomen.

Er zijn maar weinig vrouwen die lid zijn van een van de besluitvormende organen van het Europees hoger onderwijs en daardoor is het moeilijk beleid voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen in deze instellingen in te voeren. We hoeven alleen maar te kijken naar het beschamende voorbeeld van de Wetenschappelijke Raad van de Europese Onderzoeksraad. Slechts vijf van de tweeëntwintig leden zijn vrouwen!

 
  
MPphoto
 
 

  Małgorzata Handzlik (PPE-DE), schriftelijk. − (PL) De deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt neemt in de hele Europese Unie systematisch toe. Polen vormt daarop geen uitzondering, hoewel de deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt in Polen onder het gemiddelde van de Unie blijft. Ik wil echter benadrukken dat er meer Poolse vrouwen zijn die hogere functies bekleden dan in andere West-Europese landen het geval is.

Ik ben van mening dat een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen een belangrijke kwestie is. In dat opzicht is het belangrijk te kijken naar de positie van vrouwelijke wetenschappers, aangezien deze overeenkomsten vertoont met de situatie van alle vrouwen die werk en gezin moeten combineren.

Ik ben echter niet van mening dat de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt gestimuleerd moet worden door gelijkheid af te dwingen. Het aannamebeleid dient boven alles gebaseerd te zijn op kwalificaties en competenties die vrouwen door de juiste opleiding verkregen hebben. Het voorstel om de wervingsprocedures, procedures voor leidinggevende posities en de toekenning van beurzen voor wetenschappelijk onderzoek transparanter te maken lijkt echter wel een goed middel. Deze veranderingen dienen echter gepaard te gaan met een hervorming van de arbeidsmarkt.

De wetenschap in de Europese Unie heeft steun nodig. Wetenschappelijke en technische opleidingen moeten voor beide geslachten aantrekkelijk gemaakt worden vanwege het belang van de wetenschap voor de economische ontwikkeling. We moeten daarom jonge mensen stimuleren dit soort hoger onderwijs te gaan volgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE), schriftelijk. − (DE) Ik heb vóór het verslag van Britta Thomsen over vrouwen en wetenschap gestemd omdat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn in de wetenschappelijke wereld. Het verslag beschrijft belangrijke stappen die genomen moeten worden om tot een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen in de academische wereld te komen.

Het stimuleren van de academische loopbaan van vrouwen speelt daar een belangrijke rol in. Er wordt een groot belang gehecht aan het opheffen van genderstereotypes. De huidige tendens om mannelijke en vrouwelijke kenmerken toe te dichten aan bepaalde vakgebieden werkt een eerlijke verdeling tussen de seksen tegen.

Nieuwe programma’s en wervingsprocedures kunnen ervoor zorgen dat de vaardigheden en kwalificaties van de kandidaat de doorslag geeft en niet het geslacht. Hetzelfde moet gelden voor promotiekansen en salarisschalen. Een niet-bindende doelstelling van ten minste 40 procent vrouwen en ten minste 40 procent mannen in selectiecommissies is één van de manieren om de ongelijkheid tussen de seksen binnen academische functies op te heffen, maar de vaardigheden en kwalificaties van de kandidaat moeten altijd de doorslag geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Rovana Plumb (PSE), schriftelijk. − (RO) Ik heb vóór het verslag over de positie van vrouwen in de wetenschap gestemd, dat ik van vitaal belang acht voor het behalen van de doelstellingen van de Lissabonstrategie op het gebied van groei en werkgelegenheid.

In de nieuwe lidstaten van de EU is het aantal vrouwelijke onderzoekers ongeveer 40 procent, terwijl dit in de Westerse landen ongeveer 11 procent is, maar helaas zijn de meeste van hen werkzaam in vakgebieden waar het minste geld beschikbaar is voor onderzoek en ontwikkeling.

Ik wil graag de aandacht vestigen op het belang van het artikel betreffende de integratie van de gezinsfactor via mogelijkheden voor flexibele werktijden en betere kinderopvang, om de combinatie van een gezin en een wetenschappelijke carrière mogelijk te maken.

Ik ben van mening dat als de bepalingen uit dit verslag snel worden geïmplementeerd dit er sterk aan zal bijdragen dat in 2010 25 procent van de vrouwen die werkzaam zijn in het wetenschappelijk onderzoek een leidinggevende positie zal bezetten. Ik wil mevrouw Britta Thomsen complimenteren met haar verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Teresa Riera Madurell (PSE), schriftelijk. − (ES) Omdat ik vanwege gezondheidsredenen niet kon deelnemen aan het debat wil ik hierbij mijn steun aan het verslag toelichten. Het is een uitstekend en veelomvattend verslag waarin alle belangrijke kwesties aan bod komen ten aanzien van een evenwichtigere vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de wetenschap en de technologie.

Het verslag komt ook op een goed moment, omdat als de EU 700 000 onderzoekers méér nodig heeft om haar doelstellingen voor 2010 te halen dit voor de Commissie en de lidstaten het juiste moment is om de specifieke maatregelen uit dit verslag te implementeren om deze scheve verhouding te corrigeren.

Mannen en vrouwen beschikken over dezelfde kwalificaties en ervaring. Er zijn momenteel zelfs meer mannen dan vrouwen aan de universiteit en vrouwen behalen betere resultaten. Objectieve gegevens wijzen dit uit.

Bovendien zouden regeringen de aanwezigheid van meer vrouwen in de wetenschap en de technologie moeten stimuleren, omdat het niet intelligent of efficiënt is om slechts de helft van de hersenen te gebruiken.

Het verheugt mij dat het Parlement eindelijk een diepgaand onderzoek naar deze kwestie heeft geïnitieerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydia Schenardi (NI), schriftelijk. – (FR) De inhoud van dit verslag wordt gekenmerkt, in een paar harde woorden, door halve waarheden, foute informatie en seksistische opmerkingen die met name mannen stigmatiseren.

Gelijkheid tussen mannen en vrouwen en betere integratie van vrouwen in hun carrière kunnen niet op een autoritaire en repressieve manier worden bewerkstelligd. Dit kan alleen maar leiden tot negatieve en contraproductieve resultaten.

Het is zonder meer waar dat vrouwen een achterstand hebben, dat er sprake is van salarisverschillen en slechtere carrièrekansen, met name op het gebied van wetenschap en onderzoek.

Maar nogmaals: uitsluitend door dialoog, implementatie van niet-restrictieve maatregelen om meisjes te stimuleren een wetenschappelijke studie te volgen en actieve steun voor vrouwen tijdens hun hele carrière zullen zij uiteindelijk vooruit komen in de maatschappij.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE), schriftelijk. − (SV) Britta Thomsens verslag laat zien dat vrouwelijke onderzoekers in de EU in de minderheid zijn. Ze hebben minder financiële zekerheden en slechtere carrièrekansen en ze worden in toenemende mate gestraft voor hun gezinstaken. Dit is ernstig, zowel om principiële redenen als wat betreft de praktische consequenties. Moderne economieën – en democratieën – kunnen het zich niet veroorloven mensen met uitstekende academische kwaliteiten een ongelijke behandeling te geven. Daarom heb ik voor het verslag gestemd.

Ik wil er echter op wijzen dat delen van het verslag niet in stemming gebracht zijn en ik zie de redelijkheid daarvan niet helemaal in. In paragraaf 7 wordt gevraagd rekening te houden met leeftijd als argument voor excellentie, samen met de gezinssituatie, inclusie het aantal personen dat ten laste van de onderzoeker komt. Ik denk dat dit praktisch moeilijk uitvoerbaar is en zelfs contraproductief kan werken. Er is altijd een risico verbonden aan het simplificeren van genderrollen en spreken over “kwaliteiten die vaak duidelijker aanwezig zijn bij vrouwelijke onderzoekers” of het creëren van absolute normen om de prestaties van onderzoekers aan af te meten.

Van de andere kant onderschrijf ik van ganser harte de aanbeveling om niet-bindende doelstellingen in te voeren, die bepalen dat in alle soorten wetenschappelijke commissies beide geslachten met ten minste 40 procent vertegenwoordigd zijn. Ik onderschrijf ook de kritiek dat de EU soms tekortschiet op het gebied van gelijke behandeling. Aanwezigheidsbeleid moet niet onderschat worden, hoewel het ook geen religie moet worden.

 
  
MPphoto
 
 

  Bernard Wojciechowski (IND/DEM), schriftelijk. – (PL) De bijdrage van vrouwen aan de ontwikkeling van de wetenschap is enorm. De Poolse winnares van de Nobelprijs voor natuur- en scheikunde, Marie Skłodowska-Curie, is daar een goed voorbeeld van. Straten, ziekenhuizen en een universiteit zijn naar deze beroemde wetenschapper genoemd.

Vrouwen die voor een wetenschappelijke carrière kiezen zien zich voor een grotere uitdaging gesteld dan mannen. Dit komt deels door hun rol bij het baren en opvoeden van kinderen. Vrouwelijke wetenschappers moeten daarom gesteund worden door de ontwikkeling van goede regelingen voor zwangerschapsverlof en door middel van speciale beurzen voor vrouwen die hun kinderen opvoeden terwijl ze een wetenschappelijke loopbaan nastreven.

In tegenspraak met dat wat wordt gepropageerd in de ontwerp-resolutie die ons vandaag wordt voorgelegd is het echter niet gewenst percentages af te dwingen voor het aandeel vrouwen in een wetenschappelijke staf of in allerlei commissies, om gelijke behandeling te garanderen. Besluiten over banen en carrières in de wetenschap moeten niet gemaakt worden op basis van geslacht. Die moeten gemaakt worden op basis van de keuze, vaardigheden en kennis van de betreffende persoon.

 
  
MPphoto
 
 

  Anna Záborská (PPE-DE), schriftelijk. − (SK) Ik wil mevrouw Thomsen bedanken voor haar verslag waarin gewezen wordt op een zekere discriminatie tegen vrouwen in de wetenschap en het onderzoek. Hoewel meer dan 50 procent van de studenten in de EU vrouw is, bezetten zij slechts 15 procent van de hogere academische functies in wetenschap en onderzoek.

Een universitaire studie leidt zelden tot een resultaat dat in verhouding staat tot de hoeveelheid tijd en geld die erin geïnvesteerd is. Na vele jaren studie offeren vrouwen vaak hun privé-leven en hun loopbaan op of moeten ze deze zien te combineren. Het zou in het belang van de maatschappij moeten zijn om burgers met een groot intellectueel potentieel te ondersteunen en met hen samen te werken en te zorgen dat dit potentieel zijn weerslag heeft op het culturele, geestelijke en wetenschappelijke erfgoed van het land. Met name het moederschap is van invloed op de carrièrekansen van vrouwen. Vrouwen worden daar paradoxaal genoeg voor gestraft, als het gaat om hun kansen bij het verwerven van topfuncties, hun professionele ontwikkeling en adequate betaling en ze worden niet naar behoren gecompenseerd voor de sociale investering van het baren en grootbrengen van kinderen die morgen verantwoordelijk zullen zijn.

Ik denk dat dit moet worden opgelost door een hervorming op het gebied van de studievoorwaarden van jonge vrouwen, studeren op afstand, thuiswerken en levenslang leren, en door mannen te stimuleren vrouwen te ondersteunen die wetenschapper willen worden. De staat is er ook verantwoordelijkheid voor dat vrouwen die wetenschappelijk werk doen gesteund worden: die dient hen te steunen tijdens hun studie, te zorgen dat werk en gezin te combineren is en dat vrouwen gepast beloond worden voor hun werk, sociale uitkeringen te verstrekken en, op een zo natuurlijk mogelijke manier, kinderopvang te regelen.

 
  
  

- Verslag: Johannes Blokland (A6-0156/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) De ontmanteling van schepen heeft nog steeds grote sociale en ecologische consequenties, zowel vanwege de wijze waarop het gedaan wordt, die schadelijk kan zijn voor het milieu, als vanwege het feit dat het aantal schepen in aanbouw al jaren toeneemt. Dit onderstreept het voortdurende belang van innovatie en ontwikkeling in de scheepsbouwindustrie in de lidstaten, om betere schepen te bouwen die het milieu minder schade opleveren.

De IMO (Internationale Maritieme Organisatie) werkt sinds 2005 samen met de ILO (Internationale Arbeidsorganisatie, IAO) en het UNEP (United Nations Environment Programme, het milieuprogramma van de Verenigde Naties) aan bindende internationale regels voor de schone ontmanteling van schepen. Er wordt nu onderhandeld over een ontwerpverdrag, dat tegen 2009 aangenomen zou moeten worden, maar vervolgens pas enkele jaren daarna in werking zal treden.

Volgens het huidige ontwerp zal het verdrag niet van toepassing zijn op oorlogsschepen of andere schepen die eigendom zijn van de staat. Over normen buiten het kader van de IMO, basisnormen voor scheepsrecyclingbedrijven, rapportageverplichtingen (waaronder kennisgeving tussen landen) en handhavingsinstrumenten is nog geen overeenstemming bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. (EN) Ik ben blij met het Bloklandverslag over het Groenboek betreffende ontmanteling van schepen. Scheepsontmanteling is een gevaarlijke activiteit met hoge kosten in termen van mensenlevens en het milieu. Het is onacceptabel als de EU oogluikend toelaat dat schepen naar ontwikkelingslanden worden geëxporteerd om daar ontmanteld te worden. Deze schepen zijn in feite gevaarlijk afval en het is van essentieel belang dat de EU deze export tegenhoudt. Ik ben blij met de steun van dit Huis voor de amendementen van mijn eigen fractie die onderstrepen dat het zeer urgent is hierop actie te ondernemen.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Het verslag van Johannes Blokland over het Groenboek betreffende een betere ontmanteling van schepen pleit voor een duurzame ontmanteling van schepen, zowel in ecologisch als in sociaal opzicht. Het verslag wil de problemen aanpakken die zich in die sector voordoen, met name de enorme gezondheids- en veiligheidsrisico’s voor de mensen die op de scheepswerven van Bagladesh en India werken. Daarom heb ik voor de aanbevelingen in dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) De zorg die in Europa leeft over het milieu en de arbeidsomstandigheden in derde wereldlanden verdient ten principale onze steun. De export van erbarmelijke leefomstandigheden, op het gebied van milieu, arbeid of wat dan ook, mag nooit deel uitmaken van onze visie op wereldhandel en uitwisseling. Het is echter van vitaal belang dat we zo’n absoluut en modern standpunt niet verdedigen door ons zó op één onderdeel te concentreren dat we het grote geheel uit het oog verliezen.

Wij zijn er niet vóór dat er tot drastische maatregelen wordt besloten die bedoeld zijn om praktijken tegen te gaan van feitelijke sociale en ecologische dumping, maar die tegelijkertijd een economische sector in een derde wereldland zouden vernietigen, wat nog grotere ellende zou betekenen voor een extreem kwestbaar deel van de bevolking. Geleidelijke hervormingen en het doorvoeren van oplossingen-op-maat die de ontwikkeling stimuleren zijn een effectievere en wenselijkere oplossing. We kunnen armoede en mensonwaardige omstandigheden niet bestrijden als we als alternatief armoede en mensonwaardige omstandigheden te bieden hebben.

 
  
  

- Verslag: Karl-Heinz Florenz (A6-0136/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE) , schriftelijk. – (FR) Ik heb vóór het interim-verslag gestemd van mijn Duitse collega Karl-Heinz Florenz over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering, zoals voorbereid door de tijdelijke commissie van het Parlement.

Wereldwijd bestaat er een brede wetenschappelijke consensus over de oorzaken van klimaatverandering. Wetenschappelijk is aangetoond dat op alle continenten en in de meeste oceanen vele natuurlijke systemen al zijn aangetast door de regionale klimaatveranderingen die het gevolg zijn van historische koolstofemissies uit de geïndustrialiseerde landen. Ook is wetenschappelijk aangetoond dat de opwarming van de aarde hoofdzakelijk veroorzaakt wordt door menselijk handelen.

Ik ben blij dat het verslag benadrukt dat de consequenties van klimaatverandering, zoals de gevolgen voor de economische concurrentiepositie, de energiekosten en de maatschappelijke ontwikkeling in Europa, de rol van het bodemgebruik, bossen en ontbossing, de rol van het mariene milieu en de berekening van de externe klimaatkosten van de industriële sector, en niet in de laatste plaats van de transportsector, met inbegrip van de kwantificering van de effecten van luchtvaartvervuiling, verder moeten worden geanalyseerd en onderzocht.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE), schriftelijk. − (IT) Uit de laatste intergouvernementele conferentie over klimaatverandering en de verschillende conferenties in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) is naar voren gekomen dat door de mens veroorzaakte broeikasgassen de oorzaak zijn van de klimaatverandering en dat de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging beperkt moet worden tot niet meer dan 2°C boven het niveau van vóór de industrialisering.

Ik ben het dan ook met de Tijdelijke Commissie klimaatverandering eens dat er dringend omvangrijk onderzoek moet worden gedaan naar de gevolgen van de klimaatverandering, waarbij verschijnselen zoals de ontbossing, het smelten van de ijskappen, veranderingen in het mariene ecosysteem, grote verstoringen van de atmosfeer van de aarde, enzovoorts, gevolgd moeten worden. De meest recente rapporten van het Europees Milieuagentschap laten zien dat er meer gedaan moet worden om de doelstellingen van Kyoto en andere verminderingsdoelstellingen, zoals vastgesteld door de EU-Raad in maart 2007, te halen.

In het licht van het energie- en klimaatpakket in de mededeling over “Limiting Global Climate Change to 2 degrees Celsius” (De klimaatverandering wereldwijd beperken tot 2 graden Celsius) ben ik echter van mening dat er verdere maatregelen getroffen kunnen worden om de “energie-efficiëntie” te verbeteren, wat zou leiden tot aanzienlijke verminderingen van de uitstoot van broeikasgassen. Hierin moet een systeem worden inbegrepen van verklaringen over de voetafdruk van broeikasgassen op consumptiegoederen. Ik ben van mening dat mensen, Europese burgers en de bevolking van de derde wereld, hier meer bij betrokken moeten worden, in de zin van meer bewustzijn en een actieve betrokkenheid bij de strijd tegen de klimaatverandering, door middel van kleine stappen om energie te besparen.

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Caspary (PPE-DE), schriftelijk. − (DE) Klimaatverandering is een ernstige zaak en stelt de mensheid voor een enorme uitdaging. Het is echter volslagen onduidelijk in welke mate dit het resultaat is van menselijk handelen. De meest recente wetenschappelijke gegevens zijn absoluut geen harde vaststaande feiten en veranderen nog steeds. Ze spreken niet het laatste woord hierover. Het verslag verwijst bovendien naar enkele feiten die onjuist zijn.

Aannamen en valse beweringen kunnen echter niet als uitgangspunt dienen voor het ontwikkelen van rationele, effectieve, betaalbare en sociaal acceptabele maatregelen. Daarom heb ik tegen het verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Charlotte Cederschiöld, Christofer Fjellner, Gunnar Hökmark en Anna Ibrisagic (PPE-DE), schriftelijk. − (SV) We hebben vandaag vóór het interim-verslag over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering gestemd. Om de best mogelijke resultaten te behalen bij het aangaan van de politieke uitdagingen van klimaatverandering is standvastigheid en doorzettingsvermogen nodig. In dat licht willen we het belang benadrukken van ongebonden onderzoek en onderstrepen dat kritiek en zaken ter discussie stellen absolute vereisten zijn voor de ontwikkeling van alle wetenschappelijk onderzoek. Als deze mogelijkheid beperkt wordt is dat niet alleen gevaarlijk voor de wetenschap maar wordt ook elk individu beperkt in zijn of haar vrijheid om zijn of haar visie te geven.

Armoede is de grootste vervuiler en de ambitie om de klimaatverandering tegen te gaan is niet in strijd met groei en modernisering. Voor de vooruitgang en bloei van arme landen, en daarmee voor de ontwikkeling van middelen en mogelijkheden om in moderne schonere technologie te investeren, is het van essentieel belang dat ze hun goederen vrij kunnen verhandelen. Tegen deze achtergrond zijn kooldioxide-tarieven en dergelijke op importen een slechte oplossing die de kans loopt averechts uit te pakken.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE), schriftelijk. − (PT) Ik heb vóór het interim-verslag over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering (bevindingen en aanbevelingen voor de besluitvorming) gestemd, omdat ik van mening ben dat de brede wetenschappelijke consensus over de onderliggende menselijke oorzaken van de klimaatverandering met urgentie vraagt om meer actie vanuit de politiek, met de nadruk op de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en een nieuwe internationale overeenkomst inzake klimaatverandering.

Als steeds meer wetenschappelijk inzichten in het fenomeen van klimaatverandering ontwikkeld worden en deze inzichten verspreid worden zullen mensen zich er steeds meer van bewust worden dat ze hun leefgewoonten moeten veranderen en zullen ze meer verantwoordelijkheid nemen voor het besluitvormingsproces, dat op basis van betere informatie effectiever zal zijn. Onderzoek naar de economische en sociale gevolgen van de klimaatverandering moet hoge prioriteit krijgen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ilda Figueiredo (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Hoewel dit verslag met enkele juiste uitspraken over de huidige situatie begint, is dit weer zo’n verslag dat weinig of geen voortgang boekt als het om oplossingen gaat. Het geeft geen duidelijke aanbevelingen over de maatregelen die nodig zijn en beperkt zich tot een lijst van vage voorstellen en verklaringen. Het lijkt er meer op gericht te zijn de start van nieuwe bedrijven mogelijk te maken die steeds grotere winsten willen maken uit activiteiten op het gebied van het milieu en energie, ten koste van de klimaatverandering.

Ik wil daarom zeggen dat het goed zou zijn als dezelfde inspanning en volharding aan de dag gelegd zouden worden met betrekking tot andere grote problemen in de wereld die vrijwel genegeerd worden of beperkt worden tot een lijst van chronische zorgpunten: het uitbannen van geneeslijke ziekten, de bescherming van de bodem en ecosystemen, de uitputting van natuurlijke hulpbronnen, met name koolwaterstoffen, enzovoorts.

Concluderend beschouwt de rapporteur de wetenschappelijke grondslag van klimaatverandering als een uitgemaakte zaak en beveelt hij aan dat de Tijdelijke Commissie van het Europees Parlement haar werkzaamheden voortzet en na afloop van haar mandaat een verslag indient bij het Parlement waarin op passende wijze aanbevelingen worden gedaan voor acties of initiatieven die moeten worden ondernomen in het kader van het toekomstige geïntegreerde beleid inzake klimaatverandering van de EU. We zullen dit toekomstige verslag afwachten.

 
  
MPphoto
 
 

  Duarte Freitas (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) De wetenschappelijke feiten in dit verslag zijn tijdens vergaderingen van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering uitgebreid besproken met experts van over de hele wereld en moeten daarom niet licht genomen worden.

Ik ben net als het Florenz-verslag blij met het vierde verslag van het IPCC (Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering), wat het meest uitgebreide onderzoek naar klimaatverandering is. Ik ben het ermee eens dat het absoluut van essentieel belang is de gemiddelde temperatuur wereldwijd niet verder te laten stijgen dan met 2ºC, om de meest rampzalige scenario’s te voorkómen. Het lijkt erop dat de ambitieuze doelstellingen van de EU ten aanzien van de vermindering van de uitstoot van broeikassen gehandhaafd moeten worden.

Dit is het meest geloofwaardige overzicht van de momenteel beschikbare informatie, waarin de steeds weer terugkerende opvattingen van bepaalde geïsoleerde extremisten, die ter discussie blijven stellen of menselijk handelen wel echt de oorzaak is van de opwarming van de aarde, bij de wortel worden aangepakt. Het Florenzverslag geeft daarmee een helder signaal af dat het Europees Parlement haar stevige en ambitieuze standpunt handhaaft ten aanzien van de bestrijding van de klimaatverandering. Daarom krijgt het mijn steun.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) In de jaren 1960 maakte het Franse parlement, gehecht aan de voordelen van de planeconomie, elk jaar afspraken over de gewenste groei van de economie en men dacht daarmee deze groei te kunnen bepalen, aangezien per toeval de werkelijke groei een aantal jaren precies overeenkwam met de gemaakte afspraken. Ik krijg de indruk dat het verslag van de heer Lorenz iets dergelijks beoogt: ik krijg de indruk dat dit Parlement wil stemmen over afspraken over de temperatuur in de wereld.

Laat me duidelijk dit stellen: ik lever geen kritiek op de noodzaak om het milieu te beschermen, de enorme diversiteit van de natuur te behouden of, in economische termen, manieren te vinden om hulpbronnen beter te gebruiken zodat deze gespaard worden. Waar ik kritiek op heb is de rituele offers die gebracht worden aan de nieuwe klimaatreligie met zijn nieuwe goeroes, die bevooroordeelde wetenschappers die een banvloek uitspreken over iedereen die hun onaantastbare conclusies tegenspreekt.

Ik heb kritiek op de systematische stigmatisering van de Mens, als zijnde slecht, en dan vooral de Westerse en Europese mens. Op het geïnstitutionaliseerde berouw. Op de industriële en economische eenzame zelfmoord van Europa op het altaar van de zogenaamde opwarming van de aarde, wat geen enkel wereldwijd effect heeft op het milieu maar wel desastreuze menselijke en sociale gevolgen voor de Europese bevolking. Daarom heb ik tegen dit verslag gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Ian Hudghton (Verts/ALE), schriftelijk. − (EN) Ik heb vóór het Florenzverslag over klimaatverandering gestemd en ik ben van mening dat het terecht is dat het Parlement deze kwestie zo serieus neemt. Om de klimaatverandering te bestrijden moeten inspanningen op alle niveaus geleverd worden en de instellingen van de EU en de lidstaten moeten allemaal samenwerken om veranderingen teweeg te brengen die leiden tot een koolstofarme economie.

De stemming over dit verslag vindt op dezelfde dag plaats als een grote energieconferentie in Aberdeen. De Schotse regering heeft aangekondigd dat ze van Schotland de groene energiehoofdstad van Europa wil maken. Die regering staat volledig achter de EU-doelstellingen voor hernieuwbare grondstoffen en heeft zich een niet-nucleair Schotland ten doel gesteld, waar tegen 2020 50 procent van de energiebehoefte uit hernieuwbare grondstoffen wordt gehaald. Ik hoop dat andere landen in heel Europa Schotland zien als een goed voorbeeld in de strijd tegen de klimaatverandering.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. − (EN) Wetenschappelijke gegevens tonen aan dat de oorzaken van de huidige opwarming van de aarde in het menselijk handelen gelegen is en het verslag van de heer Florenz zet deze resultaten op een rij. Er moet met urgentie gehandeld worden op EU-niveau om de klimaatverandering te bestrijden en de gemiddelde stijging van de temperatuur wereldwijd te beperken tot maximaal 2ºC boven het niveau van vóór de industrialisering. Anders dan sommige leden van de Conservatieve Partij accepteer ik deze feiten volledig en ik heb vóór het verslag van de heer Florenz gestemd “over de wetenschappelijke feiten betreffende klimaatverandering: bevindingen en aanbevelingen voor de besluitvorming”.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Als wij hier in Europa investeren in de nieuwste milieuvriendelijke technologie en in hernieuwbare energie, ongeacht wat het kost, terwijl een land als China elke week een nieuwe kolencentrale opstart, vormen al onze inspanningen slechts een druppel op een gloeiende plaat.

We bevinden ons in de idiote situatie dat die landen die de klimaatverandering versnellen door ongebreidelde industrialisatie en ongeremde exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en die niet bereid zijn zich daarin te beperken, van het Westen en met name van Europa hulp verwachten als ze door een ramp getroffen worden. We worden geacht het milieu te beschermen, vaak ten koste van onze industrie en onze handel en dan ook nog de vervuilers humanitaire hulp te bieden in geval van een ramp.

Als we ons niet willen neerleggen bij een wereldwijde situatie waarin de hoop op verbetering altijd een mooie droom zal blijven, moeten we de druk op de zes landen die bijna 50 procent van de uitstoot van broeikasgassen voor hun rekening nemen aanzienlijk opvoeren.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Het interim-verslag van de Tijdelijke Commissie klimaatverandering bevat geen enkel nieuw idee, nieuwe gedachte of aanbeveling waar de bevolking van Europa iets aan heeft als het gaat om milieubescherming. Het bestendigt het bekende, antipopulaire EU-beleid dat een “groen” excuus is voor het ongelimiteerd vergaren van kapitaal. Het verslag volstaat ermee de bevindingen van het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering te herhalen.

Het verslag beschouwt het 2˚C plafond voor de opwarming van de aarde als een “strategische doelstelling” van de EU, terwijl het onderkent dat “een dergelijk niveau van opwarming al ernstige gevolgen zou hebben voor onze samenleving en individuele leefgewoonten”. Het zegt niets over de verantwoordelijkheid van kapitalisten ten aanzien van de ongebreidelde exploitatie van natuurlijke hulpbronnen. In plaats van maatregelen voor te stellen die monopoliën tenminste verplichten meer verantwoording af te leggen, neemt het verslag de multinationale propaganda volledig over, dat we allemaal schuldig zijn aan de verslechtering van het klimaat en onderstreept het dat “individuele veranderingen in het leefpatroon hierbij noodzakelijk zijn”.

De afspraken die gemaakt zijn in Kyoto, Bali, et cetera, zijn niet effectief gebleken: hun belangrijkste doelstelling is niet de bescherming van het milieu maar de bescherming van het kapitaal en van de winsten. Ze commercialiseren het milieu en ontwikkelen een nieuwe, winstgevende economische sector: de groene economie. De oplossing voor milieuproblemen zal niet komen uit de hoek van de multinationals en monopoliën die verantwoordelijk zijn voor de huidige situatie maar uit de hoek van de mensen die de gevolgen ervan aan den lijve ondervinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Zdzisław Zbigniew Podkański (UEN), schriftelijk. – (PL) De geschiedenis leert ons dat nieuwe wetenschappelijke gegevens kunnen aantonen dat theorieën die daarvóór algemeen geaccepteerd werden niet op feiten zijn gestoeld. Ik ben van mening dat de wetenschap die zich met de klimaatverandering bezighoudt en bevestigt dat er sprake is van opwarming van de aarde, nog geen voldoende feitenbasis heeft. Dit is zeker nog niet zó overtuigend bewezen dat we, met een rein geweten, wetsontwerpen kunnen schrijven die ertoe zullen leiden dat bepaald gedrag aan lidstaten van de Europese Unie wordt opgelegd.

We zien de toename van de gemiddelde temperatuur in de atmosfeer van de planeet. Er is echter nog geen antwoord op de vraag in welke mate dit toe te schrijven is aan menselijk handelen.

De wetenschappelijke wereld is over deze kwestie verdeeld. Er zijn wetenschappers die denken dat grote klimaatveranderingen een natuurlijk cyclisch verschijnsel is dat de wereld al miljoenen jaren kent. Zij beweren dat wetenschappers die waarschuwen voor de invloed van de mens op de klimaatverandering dit doen om financiering los te krijgen voor onderzoek en onrust te zaaien onder de mensen.

Andere wetenschappers zeggen dat het vermogen van mensen om een klimaatverandering op lange termijn te voorspellen zeer beperkt is. Ze beweren dat het Intergouvernementeel Panel inzake klimaatverandering (IPCC) door politieke motieven geleid wordt en niet door wetenschappelijke. Bovendien is de bewering dat het merendeel van de wetenschappers de visie onderschrijft dat de klimaatverandering veroorzaakt wordt door menselijk handelen dubieus.

De eerder genoemde tegenargumenten zijn makkelijk te vinden. Ze zijn ook onbetwistbaar en roepen twijfel op en vragen als: hoe kan een samenhangend beleid worden gemaakt op grond van twijfelachtige wetenschappelijke argumenten die naar voren worden gebracht door belangengroepen?

 
  
MPphoto
 
 

  Lydie Polfer (ALDE), schriftelijk. – (FR) Ik ben vóór het verslag van de heer Florenz namens de Tijdelijke Commissie inzake klimaatverandering, waarin hij de verschijnselen en effecten van de klimaatveranderingen analyseert, voorzover deze onderbouwd worden door wetenschappelijk bewijs.

De bewering dat de kosten van de klimaatverandering tegen 2050 jaarlijks tussen de 5 procent en de 20 procent van het BBP bedragen tenzij er extreem ambitieuze maatregelen worden genomen moeten we ons dan ook zeer ter harte nemen.

Alle lidstaten hebben goede voortgang geboekt, maar desondanks moeten we nog ambitieuzer zijn in onze inspanningen om de uitstoot te verminderen.

We moeten ook waakzaam blijven voor de nadelige gevolgen die het stimuleren van het gebruik van biobrandstoffen heeft voor de wereldvoedselvoorraden en de ontbossing.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) In wetenschappelijke discussies horen geen debatten thuis over overtuigingen en twijfels aan de juistheid van de mening van de meerderheid mag niet worden geïnterpreteerd als negativiteit of als een politieke keuze. Bovendien laten recente gebeurtenissen zoals de ongewenste en onverwachte gevolgen van het stimuleren van de productie van biobrandstoffen duidelijk zien dat voortdurende twijfel de enige wetenschappelijke zekerheid is die we zonder aarzeling moeten verwelkomen.

Van de andere kant bevinden we ons in de discussies over de opties in het licht van de wetenschappelijke feiten duidelijk op het terrein van politieke keuzes. Hoewel ik mijzelf niet wetenschappelijk competent acht om een mening te ventileren over de eerste vraag, vind ik dat ik de plicht heb dat wel te doen over de tweede vraag. Ik heb steeds beargumenteerd, en dat doe ik nog steeds, dat we, geconfronteerd met de voorspelbare toename van de consumptie (met name van energie) door onze gigantische populatie, tengevolge van de positieve effecten van de globalisering, wetenschappelijke antwoorden en technologische oplossingen moeten vinden. Bepaalde gedragsveranderingen, zowel individuele als collectieve, zijn natuurlijk welkom. Maar de echte oplossingen moeten we vinden in de wetenschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Ulmer (PPE-DE), schriftelijk. − (DE) Ik heb in de eindstemming tegen dit verslag gestemd omdat ik de bestrijding van de klimaatverandering serieus neem en me niet kan vinden in dogmatische en apocalyptische formuleringen die onrust veroorzaken onder de Europese bevolking. Het verslag presenteert wetenschappelijke resultaten met een waarschijnlijkheid van 60-70 procent als bewezen feiten.

Als ik een van de vier ruiters van de Apocalyps uit de Openbaring van Johannes was, zou ik liever op het witte paard zitten dan op het vale. Klimaatverandering is een gevoelige kwestie die niet kan worden gereduceerd tot slogans.

 
  
  

- Verslag: Ria Oomen-Ruijten (A6-0168/2008)

 
  
MPphoto
 
 

  Jean-Pierre Audy (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb me onthouden van stemming over het initiatiefverslag van mijn Nederlandse collega Ria Oomen-Ruijten inzake de vorderingen van Turkije in 2007 op weg naar toetreding, ook al ben ik, evenals onze Commissie buitenlandse zaken, ingenomen met de toezegging van premier Erdoğan dat 2008 het jaar van de hervormingen zal worden en dat Turkije getransformeerd zal worden tot een moderne en welvarende democratie, die is gebaseerd op een seculiere staat en een pluralistische samenleving.

We zouden er echter goed aan doen eraan te herinneren dat Turkije zich verplicht heeft tot goede betrekkingen met zijn buren Griekenland en Bulgarije en de noodzaak te benadrukken om tot een omvattende oplossing van het Cyprusvraagstuk te komen op basis van de EU-beginselen.

Bovendien reageert Turkije niet op de oproep om de economische blokkade van Armenië op te heffen en een proces van verzoening op gang te brengen, waarin een eerlijke en openhartige discussie mogelijk is over gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden. Deze onderhandelingen zijn voor Europa en Turkije van belang omdat laatstgenoemde daarmee beantwoordt aan het acquis van de Gemeenschap. Deze onderhandelingen mogen echter onder geen beding de politieke eindbeslissing over de toetreding van Turkije tot de EU vooraf beïnvloeden.

 
  
MPphoto
 
 

  Colm Burke, Jim Higgins, Mairead McGuinness en Gay Mitchell (PPE-DE), schriftelijk. − (EN) De Fine Gael-delegatie van de EPP-ED-fractie heeft vóór het verslag Oomen-Ruijten over de voortgang van Turkije in 2007 gestemd. We staan positief tegenover de hervormingen van Turkije op het gebied van democratie, goed bestuur en de rechtsstaat. Dit zijn voor zowel Turkije als de EU positieve stappen en we ondersteunen de hervormingsinspanningen van Turkije.

Wij, ondergetekenden, hebben echter tegen Amendement 14 gestemd met betrekking tot paragraaf 16 uit het verslag waarin de woorden “seksuele en reproductieve rechten” voorkomen. We hebben tegen deze sectie van het amendement gestemd op grond van de redenen zoals uiteengezet in onze gezamenlijke verklaring aan het Parlement in de plenaire vergadering van 13 maart 2008.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE), schriftelijk. (EN) Ik heb vóór het verslag Oomen-Ruijten gestemd over de voortgang van Turkije in 2007 op weg naar lidmaatschap van de EU. Ik ben er echt van overtuigd dat Turkije in staat moet zijn toe te treden tot de Unie. Momenteel zijn er nog problemen met kwesties als vakbonden en mensenrechten en de rechten van minderheden zoals de Koerden en de Christenen. Maar er wordt voortgang geboekt, al gaat het langzaam, en dat moet worden onderkend.

Ik heb wel de amendementen over de Armeense genocide gesteund. Ik weet dat dat lang geleden was, maar een land moet in het reine komen met zijn verleden en Turkije is tot dusverre niet in het reine gekomen met deze bloederige smet op zijn blazoen. Dit zal wellicht het lidmaatschap van de EU uiteindelijk niet verhinderen, maar we kunnen het niet maar gemakshalve onder het Turkse tapijt vegen.

 
  
MPphoto
 
 

  Bruno Gollnisch (NI), schriftelijk. – (FR) The opmerkingen van mevrouw Oomen-Ruijten in haar verslag inzake de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding laten zien, alsof we daar nog bewijs voor nodig hadden, dat Turkije wat betreft beschaving, mentaliteit en tradities - allemaal natuurlijk uiterst respectabel – geen Europees land is. We hoeven bovendien niet elders te kijken om de redenen te ontdekken voor de enorme problemen die zich voordoen bij de onderhandelingen over de toetreding.

Wellicht zal het Franse voorzitterschap, dat op 1 juni begint, de kans bieden naar deze fundamentele ambiguïteit te kijken: het sprookje van Turkijes Europese roeping, zoals vastgelegd in het Verdrag van 1963. De heer Sarkozy houdt zijn verkiezingsbeloften niet gestand als hij nu zegt dat hij wil doorgaan met de onderhandelingen op gebieden die niet rechtstreeks met toetreding verband houden, een formulering die net zo demagogisch als hypocriet is en geen enkel probleem oplost. Wie gelooft er in discussies die alleen over een “quasi-toetreding” gaan?

Ik ben bang dat het enige doel van het in de Franse grondwet behouden van de verplichting volksraadplegingen te houden over elke nieuwe Europese toetreding, is de burgers helemaal alleen verantwoordelijk te maken voor 45 jaar van politieke en diplomatieke lafheid die niet Turkije zelf valt te verwijten, maar uitsluitend hun regeringen.

 
  
MPphoto
 
 

  Pedro Guerreiro (GUE/NGL), schriftelijk. − (PT) Ondanks bepaalde tegenstrijdigheden is het een feit dat Turkije van strategisch belang is voor de ambities van de EU, vooral gezien de steeds grotere crisis van het kapitalistische systeem.

Hoewel de uiteindelijke status niet zeker is – volledig lid van de EU of van een toekomstige Unie voor het Middellandse Zeegebied – lijkt het wel zeker te zijn dat de EU oplossingen probeert te vinden die in het belang zijn van de grote economische en financiële groepen in de grootste landen, met name Duitsland.

Turkije is een enorme markt, die menigeen doet likkebaarden. Het is een enorm land, met een enorm potentieel aan goedkope arbeidskrachten en een grote voorraad consumenten, die echter niet de dag van de arbeid, 1 mei, mogen vieren zoals we onlangs gezien hebben bij de gewelddadige onderdrukking van vakbondsleden en demonstranten door de Turkse veiligheidstroepen. Het is een uitgestrekt gebied dat een belangrijke geostrategische positie inneemt tussen Europa, Azië en het Midden-Oosten, dat een centrale rol speelt in de strijd om het eigendom van en de toegang tot de energiebronnen van Centraal-Azië (zoals het Nabucco-project) en dat een centrale rol speelt in het partnerschap van VS, NAVO en EU.

Turkije is ook een land waarvan de autoriteiten illegaal een deel van het grondgebied van een EU-land, Cyprus, met militaire middelen bezetten.

 
  
MPphoto
 
 

  Jaromír Kohlíček (GUE/NGL), schriftelijk. − (CS) Hoewel de ontwerpresolutie van het Europees Parlement uit een aantal documenten citeert, ontbreekt de belangrijkste informatie. Dit land is al sinds 1963 kandidaat. Al die tijd is er gesproken over de voorwaarden om de onderhandelingen te openen. De zogenaamde Kopenhagencriteria, die in 1993 zijn vastgesteld, zijn niet in de inleiding van de tekst te vinden.

Als we onze tanden in het voortgangsverslag 2007 van de Europese Commissie over Turkije zetten zien we dat er weliswaar enige voortgang geboekt is maar dat de wetgeving inzake minderheden die is aangenomen nog onvoldoende geïmplementeerd is. Het gegeven dat ongeveer 10 procent van de Turkse beroepsbevolking in lidstaten van de EU werkt is een teken van de ver teruggaande betrekkingen tussen Turkije en de EU. Wat ons zal verrassen is de stand van zaken wat betreft de implementatie van regelgeving op economisch gebied, die tot dusverre nogal discutabel is. Hoewel deze regelgeving formeel onderdeel uitmaakt van de Turkse wetgeving zien we vaak een nogal “niet-Europese” manier van omgaan met individuele gevallen.

Hoewel Turkije belangrijke successen geboekt heeft, kunnen we stellen dat de verschillen tussen Turkije en de meeste EU-landen (inclusief de Balkanlanden) op veel gebieden nauwelijks kleiner zijn geworden. De rol van het leger in het politieke systeem van het land en de machtige positie van de soennitische islam zijn de belangrijkste kenmerken die de Turkse samenleving onderscheiden van EU-landen. Het verslag schetst een tamelijk accuraat portret van de huidige samenleving. Hoewel paragraaf 12 van de resolutie onevenwichtig is zal de GUE/NGL-fractie er niet tegen stemmen.

 
  
MPphoto
 
 

  Carl Lang (NI), schriftelijk. – (FR) Het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten laat de autistische kant zien van de leiders van het Europa van Brussel in hun ontkenning van wat overduidelijk is: Turkije is een Aziatisch land.

Hun blindheid maakt dat ze de voorspelbare gevolgen van de toetreding ontkennen. Turkije zal met een inwonertal van tegen 2020 100 miljoen mensen het EU-land met de grootste bevolking zijn en daardoor het belangrijkste land binnen de Europese instellingen. Dat betekent dat ons Parlement het risico loopt om niet meer gedomineerd te worden door de PPE-DE-fractie of de Socialistische fractie, maar door de islamisten van de AKP. Turkije zal ook het land zijn dat de meeste steun ontvangt; de Turkse regio’s zullen het overgrote deel van de structuurfondsen opslokken en de tien miljoen boeren van Turkije zullen het gemeenschappelijk landbouwbeleid ten gronde richten.

Door deze weigering de realiteit onder ogen te zien negeren onze regeringen ook de wensen van de mensen in Europa. Zo is de heer Sarkozy, nadat hij Frankrijk het Verdrag over de Europese grondwet heeft opgedrongen dat het land in 2005 heeft verworpen, van plan artikel 88.5 uit de grondwet te schrappen, waardoor een referendum verplicht wordt over de toetreding van nieuwe EU-landen.

Als Brussel erin slaagt de toetreding van Turkije door te drukken zullen we onze landen moeten voorstellen uit een dergelijk bestel te stappen, dat dan alleen nog maar in naam Europees zal zijn, om een ander Europa te bouwen, een Europees Europa: het Europa van de vaderlanden.

 
  
MPphoto
 
 

  Astrid Lulling (PPE-DE), schriftelijk. − (DE) Ik heb vóór het verslag gestemd over de voortgang van Turkije in 2007 op weg naar toetreding tot de EU.

Ik wil hierbij wel zeggen dat ik ontsteld was in de Duitse krant Die Welt te lezen dat Turkije, dat zich graag presenteert als een gematigd islamitisch land, een wet heeft ingevoerd die het kopen en in het openbaar serveren van wijn in glazen verbiedt.

Wijn behoort tot het Europese culturele erfgoed en wordt in de meeste lidstaten van de EU legaal geproduceerd en mag in alle lidstaten verkocht en geconsumeerd worden.

Een dergelijke wet strookt niet met een volledig lidmaatschap van de EU. Alle legaal geproduceerde producten – waaronder wijn – zijn goederen en het vrije verkeer daarvan binnen de interne markt moet gegarandeerd zijn. Een dergelijke uitbanning maakt ook inbreuk op de antidiscriminatieregels van de EU. Een land dat beperkingen oplegt aan het vrije verkeer van legaal geproduceerde goederen uit andere lidstaten kan geen volledig lid van de EU worden.

Premier Erdoğan heeft beloofd dat 2008 het jaar van de hervormingen wordt, waardoor Turkije een moderne democratie wordt die is gebaseerd op een seculiere staat en een pluralistische samenleving.

Met het oog op dit Turkse verbod van de verkoop en consumptie van wijn in glazen vraag ik mij af of dit niet een loze belofte is.

 
  
MPphoto
 
 

  David Martin (PSE), schriftelijk. (EN) Het voortgangsverslag 2007 over Turkije van Ria Oomen-Ruijten is een veelomvattende en bemoedigende analyse van de vorderingen van het land op weg naar toetreding. Turkije lijkt voortgang geboekt te hebben op gebieden zoals de vrijheid van meningsuiting en hervorming van de rechtspraak. Ook moeten de voorstellen van de regering voor de herziening van artikel 301, dat volledige democratische vrijheid in het land in de weg staat, worden toegejuicht. Uiteraard moet er nog veel gebeuren op terreinen zoals de rechten van minderheden en de zaak die momenteel bij het Constitutioneel Hof behandeld wordt is van belang. Ik sta achter de aanbevelingen in dit verslag en heb ervóór gestemd.

 
  
MPphoto
 
 

  Miroslav Mikolášik (PPE-DE), schriftelijk. − (SK) Ik sta achter het voortgangsverslag 2007 over Turkije van mijn collega mevrouw Oomen-Ruijten, dat de Turkse regering aanspoort zijn beloften ten aanzien van hervorming en modernisering van het land na te komen. Ik wil ook de visie naar voren brengen die ik al heel lang heb en die gedeeld wordt door de overgrote meerderheid van de Europeanen, namelijk dat de EU Turkije geen volledig lidmaatschap in het vooruitzicht moet stellen. Geografisch, cultureel en naar geloof staat Turkije buiten de Europese identiteit. Daar komt bij dat het budget van de Unie de last van een volledig lidmaatschap van Turkije niet aankan en ook niet zal aankunnen. Desondanks sta ik achter de visie van nauwe samenwerking, het zogeheten “strategisch partnerschap” tussen de EU en Turkije. Ik zie het belang van het verslag dan ook in dat perspectief.

Ik ben blij met het gegeven dat Turkije sinds 2007 op verschillende gebieden enige voortgang geboekt heeft. Desondanks is de situatie op het gebied van de mensenrechten nog steeds erg slecht. We zouden in het kader van dit verslag meer moeten aandringen op de verbetering van de situatie van de minderheden in Turkije (met name de Koerdische minderheid) en op de invoering van volledige vrijheid van meningsuiting en religie. Ik sta ook achter de oproep om artikel 301 uit het wetboek van strafrecht te schrappen en om het Grieks-Orthodoxe Halki-seminarie onmiddellijk te heropenen. We moeten ook van Turkije eisen dat het terugkijkt op zijn geschiedenis en het feit van de Armeense genocide erkent, alsmede de illegaliteit van zijn militaire inmenging op Cyprus.

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI), schriftelijk. (DE) Turkije laat steeds opnieuw zien dat het niet klaar is voor lidmaatschap van de EU, door minderheden te onderdrukken, door luchtaanvallen uit te voeren op buurlanden en recentelijk door hun veto uit te spreken over de benoeming van het hoofd van het Oostenrijkse archeologische opgravingsteam, kennelijk vanwege anti-Turkse opmerkingen die door een familielid van haar gemaakt zijn. De cosmetische ingreep in het artikel van het wetboek van strafrecht dat publieke belediging van Turkije of de Turkse nationaliteit verbiedt leidt de aandacht van Brussel af van het gebruik van bruut geweld tegen demonstranten en van de militaire gewelddaden tegen Noord-Irak.

Met het oog op het feit dat Turkije niet klaar is voor het lidmaatschap van de EU is de enige optie het onmiddellijk staken van de toetredingsonderhandelingen. Als alternatief zou kunnen worden gepraat over een geprivilegieerd partnerschap.

 
  
MPphoto
 
 

  Athanasios Pafilis (GUE/NGL), schriftelijk. – (EL) Elk verslag over Turkije is een uiting van de imperialistische concurrentieplannen die de EU met dat land heeft. Dit verslag kiest ervoor de Turkse regering te ondersteunen door sterk de nadruk te leggen op de vorderingen die Turkije gemaakt heeft, wat geheel in tegenspraak is met de werkelijkheid. Het verslag is zoals gewoonlijk een lofzang op democratische rechten, ondanks het welbekende autocratische, repressieve beleid van de Turkse regering, zoals onlangs weer bleek uit de gewelddadige onderdrukking van de demonstraties ter gelegenheid van de dag van de arbeid. Uit het verslag spreekt tolerantie voor de anti-Koerdische politiek van Turkije.

Het verslag steunt indirect de Turkse aanvallen op Iraks Grondgebied. Het veroordeelt het “geweld” van de PKK en “andere terroristische groepen”, maar adviseert het Turkse leger slechts zich te onthouden van “disproportionele militaire operaties”.

Het verslag negeert de nog steeds voortdurende Turkse bezetting van Cyprus en vermijdt categorisch en onvoorwaardelijk te vragen om de terugtrekking van Turkse militaire troepen.

Het verslag juicht de actieve participatie toe van Turkije in de imperialistische missies en interventies van de EU en de NAVO. Gezien de positie die Turkije in het imperialistische systeem inneemt en zijn concurrentiepositie op een breder vlak, probeert de EU het toetredingsproces in haar eigen voordeel te gebruiken om controle te krijgen over de energie en de geostrategische grondstoffen in het gebied.

Om deze redenen stemmen we tegen het verslag.

 
  
MPphoto
 
 

  Lydie Polfer (ALDE), schriftelijk. – (FR) Het verslag van mevrouw Oomen-Ruijten is uiterst evenwichtig: het toont waardering voor de initiatieven op het gebied van wetgeving die de Turkse autoriteiten nemen om het hervormingsproces voort te zetten, maar oefent ook druk uit op Turkije om het hervormingsproces te bespoedigen om te zorgen dat de beginselen van de rechtsstaat worden gerespecteerd.

De Koerdische kwestie, inclusief de culturele en economische aspecten die daaraan vastzitten, moet ook aan de orde worden gesteld.

Ook moet de kwestie van gelijke kansen voor vrouwen in de nieuwe ontwerp-grondwet worden opgenomen.

Verder wordt aan de Turkse regering gevraagd het pluralisme en de religieuze diversiteit te respecteren in een seculaire democratische staat.

De onderhandelingen kunnen uitsluitend worden voortgezet als men zich volledig houdt aan de beginselen en waarden van de Europese Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Luís Queiró (PPE-DE), schriftelijk. − (PT) De vorderingen die de afgelopen jaren gemaakt zijn op diverse terreinen in de samenleving, de economie en op politiek gebied laat goed zien hoe de wens om lid te worden van de Europese Unie succesvol kan leiden tot belangrijke hervormingen daar waar dit mogelijk is. Aangezien dit het geval is bij Turkije en de onderhandelingen nog steeds openliggen, is het niet teveel gevraagd goed gebruik te maken van deze gelegenheid om, ongeacht de uitkomsten van de onderhandelingen, het doorvoeren van vergaande en uiterst belangrijke hervormingen in Turkije te stimuleren.

Naast de erkenning die het verslag geeft – en ook de verklaringen van hoge functionarissen van de EU, met name de voorzitter van de Commissie – kunnen we niet anders dan bezorgd zijn over de wettelijke maatregelen die tegen de AK Partij genomen worden. Hoewel het te prefereren valt dat er geen militaire interventie heeft plaatsgevonden, betreuren we het toch dat zo geprobeerd wordt iets via de rechtbank te bereiken wat via de verkiezingen niet lukte. Anderzijds baren ook de voortdurende twijfels aan de ware bedoelingen van de AK Partij zorgen. Het respecteren van de vrijheid van religie, zoals wij die in de Europese Unie zien, verdient onze steun. De hele samenleving één religieuze visie opleggen is onacceptabel.

 
  
MPphoto
 
 

  Toomas Savi (ALDE), schriftelijk. − (EN) Ik heb dit verslag ondersteund, maar ik wil u eraan herinneren dat mijn eerste toespraak in deze Kamer, op 13 december 2004, ging over de vorderingen van Turkije op weg naar toetreding, waarbij ik er vooral de nadruk op legde dat Turkije, voordat zijn lidmaatschap ook maar in overweging genomen zou worden, eerst de wettige Grieks-Cypriotische regering dient te erkennen, de Armeense genocide van 1915 moet erkennen en verbetering moet brengen in de situatie van de grootste statenloze natie ter wereld, de Koerden.

Geen van deze kwesties is in die vier jaar opgelost. Er is geen noemenswaardige voortgang geboekt in de betrekkingen van Turkije met Cyprus en er is niets dat wijst op een bereidheid misdaden uit het verleden toe te geven. In plaats daarvan voert het Turkse leger, met goedkeuring van het Turkse parlement, een genocide uit tegen de Koerden. De Europese Unie moet zich krachtiger opstellen ten opzichte van Turkije en de onderhandelingen opschorten totdat genoemde kwesties zijn opgelost.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Toubon (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Door tegen het verslag van de Commissie buitenlandse zaken over de situatie in Turkije te stemmen wil de Franse UMP-delegatie duidelijk maken dat de Commissie, de regeringen van de lidstaten en het Europees Parlement er verkeerd aan doen de illusie van de toetreding van Turkije in stand te houden.

De UMP is niet tegen het verslag van Ria Oomen-Ruijten, dat een uitstekend stuk werk is, maar is tegen de weigering om de realiteit van Turkije en zijn politiek onder ogen te zien en in te zien dat deze strijdig is met ons project voor Europese integratie.

 
  
MPphoto
 
 

  Dominique Vlasto (PPE-DE), schriftelijk. – (FR) Ik heb tegen dit verslag en de ontwerp-resolutie gestemd om nog eens duidelijk te maken dat ik principieel tegen de toetreding van Turkije tot de EU ben. De Europese Commissie, de regeringen van de lidstaten en het Europees parlement doen er verkeerd aan de illusie van de toetreding van Turkije in stand te houden, en doen daarmee de burgers van zowel Turkije als Europa tekort. Ik weiger mij aan te sluiten bij een politiek standpunt dat weigert de werkelijkheid van Turkije en zijn politiek onder ogen te zien en in te zien dat deze strijdig is met ons project voor Europese integratie.

Als Europa een ruimte van gedeelde waarden is, kunnen we onze ogen niet sluiten voor de verontrustende neigingen die de Turkse autoriteiten aan de dag leggen als het gaat om de rechtsstaat, de vrijheid van meningsuiting en het respecteren van de rechten van minderheden. Een voorzichtige benadering van de Turkse autoriteiten met betrekking tot hun verantwoordelijkheden is een strategische fout die hen ervan afhoudt de vorderingen te maken die moeten worden gemaakt, niet op weg naar toetreding tot de EU, maar op weg naar een situatie waarin de Turkse bevolking de vruchten kan plukken van hun grondrechten en van de sociale en economische ontwikkelingen in Turkije.

Een geprivilegieerd partnerschap met Turkije zal ertoe bijdragen dat deze doelstellingen gehaald worden, met respect voor de integriteit van beide partijen.

 

8. Rectificaties stemgedrag/Voorgenomen stemgedrag: zie notulen
  

(De vergadering wordt om 13.50 uur onderbroken en om 15.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: DIANA WALLIS
Ondervoorzitter

 

9. Goedkeuring van de notulen van de vorige vergadering: zie notulen

10. Tragische situatie in Birma (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie omtrent de tragische situatie in Birma.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. − (SL) We zijn nog steeds geschokt door het menselijk lijden dat veroorzaakt is door de cycloon Nargis onder de arme en onderdrukte bevolking van Birma, of Myanmar.

We hebben in diverse verklaringen naar aanleiding van de ramp het diepe medeleven van de Europese Unie tot uitdrukking gebracht. De Europese Unie heeft onmiddellijk noodfondsen toegezegd om de humanitaire nood te lenigen. De Unie heeft zich tot nu toe al verplicht tot een bedrag van ruim 60 miljoen euro. Tegelijkertijd dient te worden benadrukt dat dit bedrag bovenop de reeds bestaande hulp van de Europese Unie komt, wat geen gering bedrag is.

Desalniettemin blijft het belangrijkste punt de bereikbaarheid van de getroffen gebieden en de vraag hoe de hulpmiddelen zo snel mogelijk verspreid kunnen worden. Afgelopen dinsdag heeft het voorzitterschap, in samenwerking met commissaris Louis Michel, een bijzondere zitting van de Raad van de Europese Unie belegd. Bij die gelegenheid waren de ministers van ontwikkelingssamenwerking het erover eens dat er een nóg groter drama dreigt als de Birmese autoriteiten niet bereid zijn tot betere samenwerking.

De situatie is nog altijd kritiek. Daarom heeft de Europese Raad er bij de Birmese autoriteiten op aangedrongen dat er snel maatregelen genomen moeten worden om te zorgen dat mensen die zich in een moeilijke situatie bevinden toegang krijgen tot hulpmiddelen. De Raad heeft zich achter de inspanningen van commissaris Louis Michel gesteld om de autoriteiten in Birma/Myanmar ervan te overtuigen dat de humanitaire hulp dringend nodig en neutraal is. Tegelijkertijd betreuren we het dat de Birmese autoriteiten niet bereid waren alle hulp in te zetten die de Europese Unie en de internationale gemeenschap ter beschikking willen stellen.

Ook heeft de Raad zijn volledige steun uitgesproken voor de secretaris-generaal van de VN en alle initiatieven van de VN-organen die erop gericht zijn te voldoen aan de humanitaire criteria. We zijn ook verheugd met het bezoek van de secretaris-generaal van de VN Ban Ki-moon morgen aan Birma.

De Raad heeft de kwestie Birma aan de orde gesteld op alle politieke bijeenkomsten die recentelijk hebben plaatsgevonden met zijn Aziatische partners. De Aziatische landen is gevraagd hun invloed uit te oefenen op de Birmese autoriteiten en hen ervan te overtuigen dat de internationale humanitaire hulp een neutraal en onpartijdig karakter heeft.

Op 19 mei zijn de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten van ASEAN in Singapore bijeen geweest. De Europese Unie had vooraf aan deze groep een aanpak voorgesteld waarin aan de landen in de regio gevraagd wordt hun invloed uit te oefenen op de Birmese autoriteiten om de grenzen open te stellen voor humanitaire hulp en humanitaire hulpverleners.

Op maandag 26 mei houdt de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen een debat over de humanitaire situatie in Birma en over de weigering om humanitaire hulpverleners en hulpgoederen toe te laten tot het getroffen gebied.

Birma, of Myanmar, staat ook voortdurend hoog op de agenda van de Raad vanwege de politieke situatie in dat land. Het feit dat de militaire junta, ondanks deze enorme humanitaire ramp, het nationale referendum niet heeft afgelast baart ons grote zorgen. Wij denken dat dit tot procedurele onregelmatigheden kan leiden bij het aannemen van de nieuwe grondwet.

Ook de meldingen van toenemende intimidatie tijdens de aanloopperiode naar het referendum baren ons zorgen. Ik wil nadrukkelijk stellen dat de Europese Unie ook teleurgesteld is over het feit dat de autoriteiten geen enkel gehoor gegeven hebben aan de oproep van de Verenigde Naties voor een verdergaande en meer legitieme overgang naar democratie. Ik wil hierbij onderstrepen dat de Europese Unie de inspanningen van de Verenigde Naties zal blijven steunen.

Tot slot wil ik er op wijzen dat de Europese Unie op 29 april het gemeenschappelijk standpunt herzien heeft dat in november 2007 is goedgekeurd. Dit standpunt, dat een reactie was op de onderdrukking van vreedzame protesten, omvat nu verdergaande restrictieve maatregelen tegen Birma.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, lid van de Commissie. − (FR) Voorzitter, dames en heren, ik wil u allereerst bedanken voor het feit dat u Birma op de agenda van deze vergadering heeft gezet.

Vanwege de omvang van de ramp die op 2 mei veroorzaakt is door de cycloon Nargis hebben we voorgesteld dat het voorzitterschap een buitengewone bijeenkomst van de Raad van EU-ministers van buitenlandse zaken zou beleggen. De Raad is op zo kort mogelijke termijn bijeengeroepen door het Sloveense voorzitterschap, waarvoor mijn dank, en vond plaats op 12 mei.

Tijdens deze bijeenkomst heeft de EU de Birmese autoriteiten opgeroepen tot meer samenwerking, zodat de internationale hulpgoederen gedistribueerd kunnen worden en bij mensen terecht komen. Ik heb besloten deze oproep direct te doen volgen door een bezoek aan Birma op 15 en 16 mei. Tijdens mijn missie, die strikt humanitair en niet politiek van aard was, zoals ik heb duidelijk gemaakt, heb ik de Birmese autoriteiten en vertegenwoordigers van humanitaire organisaties in Birma ontmoet en heb ik de getroffen gebieden rondom Yangon bezocht. Gedurende twee en een half uur heb ik zeer intensieve gesprekken en discussies gevoerd met de minister van Planning, die degene met de meeste autoriteit leek te zijn, en zeker de meest autoritaire was van de drie ministers die ik gesproken heb. De andere twee waren de minister van Sociale Zaken en de minister van Gezondheidszorg.

Uit mijn missie kwam duidelijk naar voren dat de Birmese autoriteiten nog steeds uiterst terughoudend zijn als het erom gaat de operationele voorwaarden te creëren die normaal gesproken noodzakelijk zijn om internationale humanitaire hulp mogelijk te maken. Ook werd mij duidelijk dat pogingen om de Birmese autoriteiten internationale humanitaire hulp op te dringen, met onze huidige middelen, gedoemd zijn tot mislukken en zelfs contraproductief kunnen werken. Alle humanitaire organisaties in Birma hebben me daarop gewezen en hebben bevestigd dat het probleem niet een gebrek aan organisatie ter plekke is en zelfs geen gebrek aan financiële middelen, aangezien een gebrek aan middelen zeker ook afhangt van de vraag of internationale experts en professionals worden toegelaten, maar dat het echte probleem is dat er geen hulp wordt toegelaten.

Mijn missie heeft er zeker op bescheiden schaal toe bijgedragen dat er nu een hele kleine kans bestaat dat stapje voor stapje een minimum aan ruimte gecreëerd kan worden voor internationale humanitaire hulp. De Birmese autoriteiten zijn deels op een aantal expliciete verzoeken ingegaan: de visa van experts die voor de Commissie werken zijn bijvoorbeeld met twee weken verlengd. Ze hadden in eerste instantie visa voor drie dagen gekregen en die zijn met twee weken verlengd. We hadden gevraagd om een verlenging van een maand.

We hebben opheldering gebracht in een situatie die zeer ernstig leek. Op sommige locaties eisten de lokale autoriteiten dat hulpverleners een vergunning moesten hebben, dus schriftelijke toestemming, zelfs als het om lokale mensen ging, dat wil zeggen mensen die in dienst zijn van onze bureaus, van de VN of van NGO’s, en dat was in de meeste gevallen uiteraard onmogelijk. Dit is opgehelderd en lokale medewerkers hebben geen vergunning nodig. Ook is er niet langer een vergunning nodig om de rampgebieden binnen te gaan, met name het vliegveld van Pathein. Ik heb er ook op aangedrongen dat er een tweede vliegveld opengesteld zou worden voor vliegtuigen die materieel aanvoeren, met andere woorden het vliegveld van Pathein, wat een militair vliegveld is. Mij werd verteld dat dat niet mogelijk was omdat de technische standaards die de verkeerstoren hanteert niet zouden overeenkomen met de internationale standaards en dat dit hoe dan ook het werk niet makkelijker zou maken omdat de wegen tussen Rangoon en de delta, het gebied dat het zwaarst getroffen is, in veel betere conditie zouden zijn en dat het daarom veel makkelijker zou zijn deze te gebruiken. Helaas was ik niet bevoegd dit soort informatie zelf te controleren.

Ik ben van mening dat het belangrijk is internationale druk te blijven uitoefenen, zowel vanuit aangrenzende landen als vanuit de internationale gemeenschap als geheel. Ik wil ook zeggen dat ik in mijn gesprekken met de autoriteiten er ook expliciet om verzocht heb – ik heb vijf expliciete verzoeken gedaan, zoals ik u dadelijk zal toelichten – dat doktoren en medisch personeel uit aangrenzende landen worden toegelaten tot de zwaarst getroffen gebieden en dat dat verzoek is ingewilligd op de dag dat ik vertrok. Dit betekent dat 140 doktoren en ook medisch personeel uit Laos, Cambodja, India, Bangladesh en Thailand zijn toegelaten. Zij hebben de zwaarst getroffen gebieden kunnen bezoeken. De buurlanden kunnen een cruciale rol spelen en ik heb ook een lang gesprek kunnen voeren met secretaris-generaal Ban Ki-moon, toen ik op mijn vliegtuig terug naar Bangkok zat te wachten. Ik heb hem al deze informatie gegeven en ik heb hem verteld hoe ik de situatie zag en hoe mijn missie was verlopen.

De secretaris-generaal van de VN was het met deze analyse eens, maar had zelf ook twee specifieke suggesties: om als VN en ASEAN een gezamenlijke coördinator voor humanitaire hulp aan te stellen en om op korte termijn een donorconferentie te organiseren onder gezamenlijk voorzitterschap van de VN en ASEAN, op 24 en 25 mei in Bangkok. In aansluiting op het recente bezoek van VN-coördinator voor humanitaire hulp John Holmes brengt secretaris-generaal Ban Ki-moon morgen een bezoek aan Birma om te bespreken hoe de internationale hulpverlening gestroomlijnd kan worden.

De humanitaire situatie in Birma blijft dramatisch. Het gevaar bestaat dat de eerste ramp, veroorzaakt door de cycloon, nog verergerd wordt door een tweede humanitaire ramp: een mogelijke hongersnood doordat de oogsten verwoest zijn, en mogelijke epidemieën onder mensen die de ramp overleefd hebben en die nu onder erbarmelijke omstandigheden moeten leven. Er bestaat een risico op epidemieën. Toen we daar waren was er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie geen risico op cholera, maar heel veel kinderen hadden diarree en dergelijke. Daardoor bestaat het risico op een epidemie door besmet water. Ook is er het risico op een hongersnood. De regio is een grote rijstproducent en alle voorraden zijn vernietigd.

Er is één praktisch probleem: het land moet worden ingezaaid om in oktober een oogst te hebben. We hebben daarom maximaal drie of vier weken. Een aantal mensen in de tijdelijke kampen, zoals die genoemd worden, wil om allerlei verschillende redenen niet terugkeren naar hun eigen gebied, terwijl anderen wel willen terugkeren maar speciaal zaaigoed nodig hebben omdat de grond verzilt is en ze daarom veel sterkere planten en ook meststoffen nodig hebben. Ik heb geprobeerd hier op een constructieve, praktische manier over te praten met de autoriteiten. Gesproken is over de mogelijkheid om het microkredietprogramma van het UNDP te gebruiken als financieringssysteem. Hierover wordt momenteel nog steeds gesproken. Ik moet u zeggen dat dit proces niet erg snel verloopt.

De Commissie heeft snel gereageerd door op 5 mei is een noodbesluit ten bedrage van twee miljoen euro goed te keuren. Zoals u weet heb ik de bevoegdheid om onmiddellijk drie miljoen euro vrij te maken zonder officiële procedures. Aangezien we geen ijkpunt hadden, en niemand dat had, hebben we om te beginnen twee miljoen vrijgemaakt. Vervolgens hebben we besloten vijf miljoen euro in voedselhulp te geven, plus nog eens tien miljoen euro noodhulp. We zijn uiteraard bereid om meer te doen, op basis van een inventarisatie van de noden en als er garanties zijn dat de hulp kan worden gemonitord.

Toen ik na twee en een half uur overleg met de autoriteiten wegging heb ik de verzoeken die ik hen gedaan heb op papier gezet en aan hen toegestuurd. Mijn eerste verzoek betrof de verlenging van de visa voor mensen die tijdelijk aan de missie deelnemen, te weten de mensen die voor de Commissie werken. We hebben een verlenging gekregen van twee weken.

Ik heb hen ook gevraagd op te helderen dat Birmese hulpverleners van onze bureaus en andere medewerkers niet langer officiële toestemming nodig hebben om te reizen en onze lokale autoriteiten daarvan te verwittigen. Dit punt is duidelijk opgehelderd.

Ik heb om visa voor zes maanden gevraagd die het recht geven het land meerdere malen te betreden, zodat de door de EU gefinancierde NGO’s hun internationale staf kunnen verdriedubbelen. Toen ik uit Birma vertrok stonden er zo’n honderd visumaanvragen uit voor VN-instanties en iets meer dan honderd aanvragen vanuit NGO’s. Ik heb gevraagd regelmatig geïnformeerd te worden. Enkele visa zijn inmiddels toegekend, maar lang niet het aantal waarom we gevraagd hebben.

Ik heb ook gevraagd om visa en reisvergunningen om de delta te bezoeken en om ervoor te zorgen dat voldoende personeel gemobiliseerd kan worden. Zoals gezegd heb ik toen gevraagd dat er snel vergunningen verleend zouden worden aan doktoren en lokaal medisch personeel die in het gebied opereren. Dit punt hebben ze klaarblijkelijk heel goed begrepen.

Met betrekking tot het vliegveld van Pathein, dat een soort distributiecentrum zou kunnen zijn voor producten die de internationale gemeenschap per vliegtuig stuurt, was het antwoord volstrekt afwijzend. De reden die zij daarvoor opgaven was dat de instrumenten van de verkeerstoren niet afgestemd zijn op de internationale standaards en dat het veel makkelijker is via Rangoon te gaan. Ik betwijfel dat omdat Rangoon, toen ik daar was, al onder extreme druk stond en te kampen had met problemen, die later enigszins zijn opgelost. Ik denk niet dat het feit dat deze problemen enigszins zijn opgelost aan mij te danken was. Het was meer dat ze zelf niet in staat waren het vliegveld van Rangoon operationeel te maken. Ik heb ook de indruk dat zaken op deze manier werden aangepakt omdat dat bepaalde instanties beter uitkwam.

Alles bij elkaar was het echt een ontzettend frustrerende missie. Er is naar mijn mening sprake van een absoluut wantrouwen ten opzichte van de internationale gemeenschap. Er heersen in dat land enkele zeer diepgewortelde a priori overtuigingen. Je krijgt af en toe de indruk dat niemand naar een ander luistert. Het is ontzettend moeilijk om de mensen waarmee we praten echt te bereiken. Het overleg verliep goed omdat we gedurende twee en een half uur een serieuze discussie hadden, allemaal uiterst beleefd maar ook stevig, omdat één vraag ons blijft achtervolgen: waarom zouden ze internationale medewerkers weigeren die zo hard nodig zijn om te helpen bij de hulpverlening?

Ik heb hierbij ook de verantwoordelijkheid om te beschermen aan de orde gesteld, maar ook dat werd een principekwestie. Mij werd verteld dat sommige vragen niet om een antwoord vroegen. Dat is hoe de missie verliep. Ik betreur het uiteraard dat ik geen concretere resultaten heb kunnen behalen, maar ik kan niet ontkennen dat ik blij was weer naar Europa terug te keren.

 
  
MPphoto
 
 

  Hartmut Nassauer , namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Voorzitter, dames en heren, de commissaris heeft ons een helder en beeldend plaatje geschetst van de cynische en hardvochtige manier waarop de militaire junta in Birma zijn eigen bevolking in de steek laat.

Ik wil mij hierbij richten tot de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen (ASEAN) en de lidstaten van ASEAN. Het Europees Parlement onderhoudt al jaren vriendschappelijke relaties met de parlementsleden van de ASEAN-landen. Niet zo lang gelden hebben deze landen een nieuw ASEAN-handvest ondertekend waarin zij expliciet verklaren dat ze het beginsel dat de mensenrechten gerespecteerd en beschermd moeten worden onderschrijven. ASEAN draagt uiteraard een zekere mate van verantwoordelijkheid voor Birma, dat een van zijn lidstaten is, en de reputatie van de ASEAN-landen zal in de wereld zeker geschaad worden als ASEAN de Birmese junta blijft toestaan zich te gedragen zoals die momenteel doet.

Ik doe een beroep op de lidstaten van ASEAN om, in hun eigen belang en in het belang van de goede en vriendschappelijke betrekkingen met de Europese Unie, alles te doen wat in hun vermogen ligt om de Birmese militaire junta ervan te overtuigen dat ze de buitenwereld moet toestaan de bevolking te helpen. Zoals ik al zei behoort dit tot de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de ASEAN-landen. Er zal aan hen gevraagd worden hoe ze deze verantwoordelijkheid vormgeven en onze betrekkingen met ASEAN zullen beïnvloed worden door de vraag of ze hun bevoegdheden in deze kwestie aanwenden of niet. Ze hoeven dat niet te doen door openbare oproepen – er zijn andere manieren – maar de Europese Unie verwacht met name van de buurlanden van Birma dat ze alles zullen doen wat in hun vermogen ligt om de houding van dit regime te veranderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Jan Marinus Wiersma, namens de PSE-Fractie. – (NL) Laat ik beginnen met, ook namens mijn fractie, mijn complimenten uit te spreken aan de commissaris, die ook vandaag duidelijk heeft aangegeven dat hij doet wat hij kan, onder zeer moeilijke omstandigheden. Hij sprak zelf over een dialoog tussen doven. Wij moeten vaststellen dat de situatie in Birma bizarre vormen aanneemt. Al bijna drie weken nadat de cycloon over het land raasde, laat het regime nog altijd nauwelijks hulp van buiten toe. De autoriteiten lijken zelf eerder passief te blijven. Het land zit al weken op slot voor hulpverleners, experts en media. Dat de junta een referendum dat zijn eigen machtspositie nog moest versterken, anderhalve week geleden toch liet doorgaan is haast kafkaësk.

Het officiële dodental loopt volgens een aantal bronnen tegen de tachtigduizend. Er zijn nog tienduizenden vermisten en het aantal ontheemden beloopt over de twee miljoen. Het zijn zo langzamerhand Pol Pot-achtige proporties. Denken wij althans te weten. Want er komt even weinig informatie uit het land als er hulp ingaat. De weigering om hulp toe te laten is moord, zoals voormalig VN-coördinator Jan Egeland begin deze week zei. De Birmese regering maakt een farce van haar verantwoordelijkheid om te beschermen, the responsibility to protect. Het contrast met China, dat vorige week tragisch genoeg door een zware aardbeving werd getroffen, is opmerkelijk. De enorme ravage werd niet verborgen en was overal, ook in China zelf, op tv te zien, en de Chinese regering deed een internationale oproep uitgaan voor hulp.

Veel imagoschade kan de Birmese regering niet meer oplopen. Daar is het dieptepunt wel zo ongeveer bereikt. China zou veel meer kunnen doen om de Birmese regering te bewegen internationale hulp te accepteren. Dat geldt ook voor Rusland en India, die hetzij in VN-, hetzij in ASEAN-verband de druk op de junta zouden moeten opvoeren. Ik sluit mij aan bij de opmerking van collega Nassauer daarover.

Afgelopen maandag werd in ASEAN-verband enige overeenstemming bereikt over internationale hulpverlening aan Birma. Alle hulp zal door de ASEAN worden gecoördineerd. Een stap vooruit. Beter laat dan nooit. Maar directe hulp door westerse landen blijft uitgesloten. Volgende week wordt een donorconferentie georganiseerd. Ik doe een appèl aan Europa om royaal en ruimhartig bij te dragen, maar dat gaat alleen als er ook garanties worden gegeven dat onze bijdrage goed terechtkomt en dat ook journalisten toegang krijgen tot het land, zodat ook wij ons echt een beeld kunnen vormen van de situatie daar.

 
  
MPphoto
 
 

  Jules Maaten, namens de ALDE-Fractie.(NL) Hoe vaak hebben wij hier nu al niet gestaan om te praten over Birma? Toch meerdere keren per jaar zijn wij hier bijeen en het is een hopeloze aangelegenheid aan het worden.

Maar de omstandigheden in Birma zijn weer erger geworden dan bij iedere vorige gelegenheid waarbij wij het erover gehad hebben. 1,4 miljoen slachtoffers hebben nog geen hulp gekregen. Dertigduizend kinderen lijden aan acute ondervoeding. Honderdduizenden daklozen lopen het risico op cholera, longontsteking en andere besmettelijke ziekten. Ik heb begrepen dat er vanmorgen maar liefst acht buitenlandse artsen van Artsen zonder grenzen tot het rampgebied zijn toegelaten. Dat is te weinig en het is te laat.

Ik wil in ieder geval graag het appèl van de heer Nassauer aan de ASEAN ondersteunen. Zij moeten nu eindelijk ruggengraat tonen, want het is duidelijk dat de junta meer geeft om het voortbestaan van haar eigen regime door het referendum dat die naam niet verdient - de heer Wiersma noemt het “kafkaësk” - dan om het voortbestaan van het eigen volk. De komst van buitenlanders zou immers het voortbestaan van het militaire regime kunnen ondermijnen, zo denken de generaals.

Maar het is toch duidelijk: Artsen zonder grenzen, Oxfam, de Britse, Franse en Amerikaanse schepen brengen hulpgoederen, geen regimeverandering, hoe graag ik dat misschien zelf wel zou willen. Maar daarvan kunnen wij de junta dus kennelijk niet overtuigen. Wij moeten dus zoeken naar alternatieven. Ik vind dat het beste alternatief te vinden is in de Veiligheidsraad. Europa en de Verenigde Staten moeten een agendering van de situatie in Birma afdwingen. Alle lidstaten van de Verenigde Naties hebben immers hun handtekening gezet onder de twee volgende principes: het overnemen van verantwoordelijkheid om onderdanen te beschermen en, indien een land dat niet meer kan of wil doen, het recht op tussenkomst van de internationale gemeenschap bij catastrofale situaties.

De Verenigde Naties móeten handelen. Ik begrijp de problemen en ik ben overigens trots op commissaris Michel die, in plaats van te gaan zitten handen wringen en ambtelijke werkgroepen bijeen te roepen, er gewoon naartoe is gegaan onder het motto “geen woorden, maar daden”. Dat spreekt mij aan. Ook de steun die door de Europese Unie is toegezegd, vind ik voorbeeldig. Ik vind ook dat de Franse minister Kouchner gelijk heeft als hij zegt dat de junta zich schuldig maakt aan een misdaad tegen de menselijkheid. Ik vraag mij wel af waarom wij de andere zesentwintig Europese lidstaten dan niet even hard horen.

Voorzitter, er moet snel hulp voor de Birmese bevolking komen, mét of zonder toestemming van de junta. Het onthouden van noodzakelijke steun is een misdaad tegen de mensheid. Ik zou graag zien dat de Europese Unie het initiatief neemt om de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad deze zaak naar de openbare aanklager bij het Internationaal Strafhof in Den Haag te laten verwijzen. Genoeg is genoeg, het geduld is op. Ik zou zeggen: sleep de junta voor het Internationaal Strafhof. Daar hebben wij het voor. Zoals de situatie nu is horen zíj achter de tralies en niet de dissidenten in Birma!

 
  
MPphoto
 
 

  Daniel Cohn-Bendit , namens de Verts/ALE-Fractie. – (FR) Voorzitter, ik vind dat we iets nauwkeuriger moeten formuleren als we over deze kwestie praten; bijvoorbeeld het concept van neutraliteit. We zijn niet neutraal. Als we vóór de bevolking van Birma zijn betekent dat, dat we tegen de militaire junta zijn. Aangezien de militaire junta niet van plan is de bevolking van Birma te helpen, zijn wij tegen de militaire junta. We kunnen deze junta niet ondersteunen en zo zien zij ons ook.

Louis Michel heeft twee en een half uur overleg gevoerd. Het hele verhaal heeft surrealistische trekjes: hij vertelt dat hij er heen gereisd is, twee en een half uur met hen gesproken heeft en dat hem verteld werd dat vliegveld zus en zo niet binnen 24 uur gemobiliseerd kon worden - in Sarajevo hebben we de technische middelen ter beschikking gesteld om een vliegveld te openen - kortom, dat is niet echt het probleem.

Het is dan ook duidelijk dat dit een heel specifieke situatie is en ik ben het ermee eens: de verantwoordelijkheid om te beschermen houdt in dat de militaire junta een misdaad tegen de mensheid begaat, tegen zijn eigen bevolking. Dat is een feit. We zullen in latere discussies zien wat er met dit gegeven gedaan gaat worden. Maar het staat buiten kijf dat deze zaak moet worden verwezen naar het Internationaal Strafhof. Het interessante is dat we daarmee de Veiligheidsraad aanspreken en dat de beschermer van Birma - China - enigszins onbegrijpelijke taal uitslaat.

We kunnen inderdaad zeggen dat China juist gehandeld heeft door zijn grenzen open te stellen, maar tegelijkertijd blijft het Birma steunen en blijft het een regering steunen die zijn eigen bevolking uitroeit.

Het is volgens mij onmogelijk in deze situatie een manier te vinden om voedsel op te dringen. Maar we moeten druk blijven uitoefenen, zoveel als we kunnen. Zelfs een eventuele oplossing door middel van bijstand manu militari zou ons en landen in Azië een drukmiddel geven. Ik vind dat de toespraak die Louis Michel vandaag gehouden heeft niets aan duidelijkheid te wensen overlaat: praat maar tegen me, schatje, ik luister, maar het kan me geen moer schelen. Dat is wat hij ons op zijn diplomatieke wijze vertelde, waarvoor mijn welgemeend respect.

De autoriteiten in Birma zijn doof. Ze luisteren niet en ze zijn, zoals gezegd, niet geïnteresseerd in een wettig referendum. Ze lachen ons allemaal uit. We moeten nu de druk dan ook maximaal opvoeren en de Veiligheidsraad en het Internationaal Strafhof in Den Haag vragen hier de conclusies uit te trekken.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN)(GA) Voorzitter, het is nu bijna drie weken geleden dat de cycloon Nagris Birma trof en de havens en de delta’s van de Ayeyarwady verwoestte. Huizen en dorpen zijn verwoest en duizenden mensen werden gedood, terwijl duizenden anderen dakloos werden.

, namens de UEN-Fractie. (EN) De geschiedenis heeft geleerd dat je onmiddellijk moet reageren als mensen in nood zijn en dat hun nood anders vele malen verergert, erger dan wij ons zelfs kunnen voorstellen.

In vele opzichten weerspiegeld het falen van de Birmese regering alles wat we de afgelopen jaren in dit Parlement hebben gezegd over de militaire junta die momenteel in Birma aan de macht is. Ondanks onze bezwaren tegen die militaire junta moeten we echter een manier vinden – het maakt niet uit hoe – om de hulpgoederen rechtstreeks naar de mensen te brengen. Ik juich het toe – ik had nooit gedacht dat ik dit vandaag zou zeggen – dat de militaire junta nu vijf VN-helicopters heeft toegelaten om voedsel uit te delen, ondanks het feit dat een Frans marineschip en Amerikaanse marineschepen in de baai liggen te wachten om voedsel en medische hulp aan de mensen te kunnen geven.

Het is ons aller plicht om te zorgen dat we alles doen wat we kunnen om mensen in nood te helpen. Wat de grote beschermer van Birma betreft, China: Birma zou iets kunnen leren van de manier waarop de Chinezen op hun meest recente ramp gereageerd hebben, door een beroep te doen op internationale hulp van Japan en andere landen. Hopelijk kunnen we deze allianties gebruiken om de voorwaarden te scheppen waaronder de hulp bij de mensen terecht kan komen.

De kwestie van het Internationaal Strafhof is iets voor later. Onze allereerste taak is, zoals Louis Michel al zei, zorgen dat we de voorwaarden creëren om hulp te kunnen verlenen, de infrastructuur weer op te bouwen, huizen te bouwen en, als allerbelangrijkste, te voorkómen dat het lijden van de Birmese bevolking blijft voortduren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). (EN) Voorzitter, een regiem dat welbewust zijn burgers nodeloos laat lijden vanwege zijn eigen xenofobische paranoia is niet alleen immoreel maar verdorven en helaas wordt Birma bestuurd door een dergelijke junta. Men trekt zich niets aan van de misère van de eigen bevolking en het is daarom onwaarschijnlijk dat ze zich ook maar enigszins iets zullen aantrekken van wat het Europees Parlement zegt, maar desondanks moeten we ons uitspreken, in naam van de menselijkheid.

We zijn niet bezig te proberen controle over Birma te krijgen, we proberen alleen maar de bevolking te helpen, hoewel de realiteit is dat er voor de Birmezen niet veel zal veranderen als er geen ander regiem komt. Ja, we moeten de humanitaire hulp tot het maximale opvoeren en ook het droppen van voedsel en hulppakketten overwegen als noodzakelijke maatregel. Maar alleen het herstel van de democratie kan dit eens zo welvarende land weer op de been helpen en de noden van de bevolking laten prevaleren boven het behoud van de junta.

 
  
MPphoto
 
 

  Urszula Gacek (PPE-DE). (EN) Voorzitter, ik wil allereerst uitdrukking geven aan mijn diepe medeleven met alle Birmezen die hun naasten verloren hebben of verwond zijn geraakt door de cycloon Nargis. De gedachten en gebeden van veel Europeanen gaan uit naar de Birmese bevolking. We kunnen echter niet volstaan met onze condoleances. We moeten het hebben over praktische maatregelen en kijken hoe we die kunnen uitvoeren, om de nood van de mensen die de ramp overleefd hebben te lenigen.

Veel landen en internationale organisaties zijn bereid en in staat onmiddellijk humanitaire hulp te sturen en dat is al enkele weken het geval. Helaas is de hoogste prioriteit van het heersende militaire regiem het behoud van hun macht; het lijden van hun eigen bevolking schijnt hen tamelijk koud te laten. Ze zijn bang voor buitenlandse bemoeienis in Birma, ook als het gaat om hulpverleners. Het verslag van de commissaris over zijn overleg met de Birmese autoriteiten werkt ontnuchterend en er is niet veel hoop dat de Birmese autoriteiten hun standpunt zullen wijzigen. Dus terwijl wij praten en handenwringend het feit onder ogen moeten zien dat het onmogelijk is de Birmese autoriteiten over te halen om hulp te accepteren en dat ASEAN machteloos toekijkt, lijden honderdduizenden mensen.

De VN-Vredesraad kan en moet handelen vanuit haar beginsel van verantwoordelijkheid om te beschermen en hulp te bieden, zonder de instemming van de Birmese autoriteiten. Ik wil er bij de regering van het Verenigd Koninkrijk – de huidige voorzitter van de Veiligheidsraad – op aandringen onmiddellijk droppings van hulpgoederen te sanctioneren. De Birmese autoriteiten maken zich schuldig aan een misdaad tegen de menselijkheid, maar we kunnen niet passief toekijken hoe zij doorgaan met deze misdaad uit te voeren. Dus hoewel ik het ermee eens ben dat het droppen van hulpgoederen niet de ideale manier is om deze het land in te krijgen – we zouden het beter vinden als daartoe opgeleide hulpverleners de hulpgoederen zouden verdelen – is dit beter dan niets, dus laten we alsjeblieft hulpgoederen naar het land brengen en wel nu.

 
  
MPphoto
 
 

  Libor Rouček (PSE). (CS) Dames en heren, ik wil mij aansluiten bij de woorden van de mensen die hun welgemeend medeleven hebben laten blijken met de getroffen families van de duizenden slachtoffers van de dodelijke cycloon Nargis in Birma (Myanmar). Ik wil ook mijn volledige solidariteit betuigen met de honderdduizenden mensen die door deze natuurlijke ramp hun bron van inkomen hebben verloren en geen dak meer boven hun hoofd hebben. Ik ben blij dat de humanitaire hulp van de Europese Commissie zo snel op gang gekomen is en ook heb ik waardering voor de snelle actie van commissaris Michel. Helaas kan ik het gedrag van de Birmese regering en de Birmese autoriteiten niet goedkeuren. Het was onmenselijk en wreed om te verhinderen dat hun eigen bevolking, die het slachtoffer is geworden van deze verschrikkelijke ramp, buitenlandse humanitaire hulp zou krijgen. Ik wil dan ook een beroep doen op de Birmese regering en de hoogste Birmese autoriteiten om de grenzen volledig open te stellen voor buitenlandse hulp en hulpgoederen en medewerkers van buitenlandse humanitaire organisaties tot het land toe te laten. Ik doe ook een beroep op China, India, Singapore en andere landen in de regio, waaronder de lidstaten van ASEAN, om hun invloed uit te oefenen om Birma over te halen hun grenzen open te stellen voor buitenlandse hulp. Er is geen land ter wereld dat helemaal alleen een ramp van deze omvang kan opvangen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marios Matsakis (ALDE). (EN) Voorzitter, de situatie in Birma na de recente rampzalige cycloon is tragisch en wordt met de dag erger. Burgers die de ramp hebben overleefd worden nu geconfronteerd met ziekte en hongersnood, ze hebben geen dak boven hun hoofd en krijgen niet de medische zorg die ze nodig hebben. Maar de militaire dictators die over Birma heersen stellen zich apathisch op ten aanzien van de noodzaak de slachtoffers de benodigde hulp te geven.

Deze harteloze generaals hechten meer belang aan het behoud van hun macht dan aan het lot van de slachtoffers van deze ramp. De handelwijze van het Birmese regiem is onacceptabel en misdadig. De internationale gemeenschap, in het bijzonder de EU in de persoon van commissaris Michel, heeft zijn best gedaan om de junta van Birma tot rede te brengen, helaas zonder het beoogde effect.

Ik denk dat ons nu niets anders rest dan over te gaan tot een of andere vorm van gedwongen hulp aan het getroffen gebied. Iets dergelijks kan ondernomen worden met de dringende goedkeuring van de VN en met behulp van de benodigde logistieke ondersteuning van het militaire apparaat, in nauwe samenwerking met andere landen zoals de VS.

Dit is echt een uiterste middel, een uitzonderlijke maatregel, maar het is in mijn ogen absoluut noodzakelijk, om duizenden onschuldige levens te kunnen redden. We kunnen niet werkeloos toezien terwijl het lijden en de ondergang van het Birmese volk voortduurt.

 
  
MPphoto
 
 

  Frithjof Schmidt (Verts/ALE). (DE) Voorzitter, de omvang van de crisis in Birma is verschrikkelijk: 100 000 doden, 200 000 vermisten en meer dan twee miljoen daklozen op een bevolking van 54 miljoen mensen. De Irrawaddydelta is Birma’s grootste rijstproducent en de regio is van cruciaal belang voor de voedselproductie. De vloedgolf heeft velden tot bijna 40 kilometer landinwaarts overstroomd, die daardoor veelal zwaar verzilt zijn. Met andere woorden: de huidige humanitaire ramp zal op de middellange termijn leiden tot een voedselcrisis in de Irrawaddydelta.

De Birmese bevolking heeft zowel directe noodhulp als lange termijn hulp nodig van de internationale gemeenschap. Die hulp moet helaas, hoe dan ook, tegen de wil van de generaals worden opgedrongen. Een regering die noodhulp blokkeert is een schandaal dat zijn weerga niet kent in de geschiedenis van internationale betrekkingen. De slachtoffers van de cycloon worden gegijzeld door een paranoïde en moordzuchtige bende soldaten die al tientallen jaren aan de macht is in Birma.

Afgelopen september is de pro-democratische volksbeweging die geleid werd door Boeddhistische monniken bloederig onderdrukt. Duizenden mensen zijn daarbij gedood of ontvoerd en nu sterven er tienduizenden mensen omdat de regering geen hulpgoederen doorlaat. De weigering om hulp voor de mensen te accepteren leidt tot hun dood. Dit moordzuchtige regiem hoort bovenaan op de zwarte lijst van de Verenigde Staten te staan en de leden van de junta horen in de beklaagdenbank van het Internationaal Strafhof.

 
  
MPphoto
 
 

  Hanna Foltyn-Kubicka (UEN). (PL) De mens heeft nog niet geleerd hoe hij de tragische gevolgen van natuurrampen kan voorkómen. Die gevolgen zijn in landen waar een dictator aan de macht is nóg dramatischer. De ellende van de Birmese natie is daar een hedendaags voorbeeld van. De bevolking van Birma is het slachtoffer van zowel de cycloon als het gedrag van de militairen die er aan de macht zijn. Hoe harteloos de heersende Birmese generaals zijn werd duidelijk toen ze internationale hulp weigerden, die bedoeld was om de mensen te redden, ook als de generaals daartoe zelf niet in staat waren. Dat besluit komt neer op een misdaad met voorbedachte rade tegen een heel land. De Birmese generaals gaan door op hun criminele weg, ondanks de breed geuite internationale veroordeling. Humanitaire hulp schijnt in handen van de militairen en hun familie terecht te komen of verhandeld te worden. Die hulp is des te urgenter nodig omdat hongersnood en ziekten zich aan het verspreiden zijn.

Er dient in het bijzonder aandacht te worden gegeven aan de situatie van Birmese wezen. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat mensenhandelaren op jacht zijn naar deze kinderen, om ze als seksslaven te laten werken in bordelen over de hele wereld.

De mensenrechten respecteren betekent niet alleen dat nationale autoriteiten niet mogen martelen, moorden en arresteren. Geen hulp bieden aan slachtoffers van een ramp of die hulp doelbewust verhinderen komt neer op genocide.

 
  
MPphoto
 
 

  Colm Burke (PPE-DE). (EN) Voorzitter, ik wil de commissaris graag bedanken voor het werk dat hij tot dusverre in deze kwestie verzet heeft. Het is nu duidelijk dat meer dan 125 000 mensen omgekomen zijn tengevolge van de cycloon die op 2 en 3 mei de zuidelijke regio’s van Birma getroffen heeft. De VN schat dat meer dan 2,4 miljoen mensen direct door deze tragedie getroffen zijn. Er zijn veel zwaargewonden en er bestaat een grote kans dat er ziektes gaan uitbreken door gebrek aan voedsel en schoon water. Het is mogelijk dat dit in het gebied nu al het geval is.

Wat de militaire junta gedaan heeft door humanitaire hulpverleners de toegang tot de getroffen gebieden te weigeren is nog nooit eerder vertoond. Deze hulpverleners en de organisaties waar zij voor werken beschikken over de expertise om een omvangrijke hulpoperatie op te zetten, waardoor een hele grote groep mensen op korte termijn geholpen zou kunnen worden. Moeten er nog eens zoveel mensen doodgaan voordat het militaire regiem de hulporganisaties binnenlaat?

Door gezamenlijke inspanningen van de EU, China, India, alle Zuid-Aziatische landen en de VN kunnen de Birmese autoriteiten gedwongen worden de blokkades op te heffen. Door samenwerking kunnen we de houding van deze corrupte regering veranderen. We moeten met name China en India aan boord zien te krijgen om verandering af te dwingen.

Het is nu 18 dagen geleden dat de cycloon het gebied getroffen heeft. De internationale gemeenschap moet er alles aan blijven doen om ervoor te zorgen dat ieder slachtoffer van de ramp voedsel, schoon water, de benodigde medische hulp en onderdak krijgt. We moeten druk blijven uitoefenen op de Birmese leiders en hen dwingen de internationale hulporganisaties hun werk te laten doen. Elk land binnen de EU en de EU zelf moeten diplomatieke druk blijven uitoefenen. Hier moet onmiddellijk gehandeld worden. We mogen niet toestaan dat er nóg 18 dagen verstrijken voordat er iets gedaan wordt. De blokkades moeten nú worden opgeheven.

 
  
MPphoto
 
 

  Thijs Berman (PSE). (NL) Twee weken na de ramp heeft een deel van de Birmese bevolking eindelijk wat rijst, bonen en medicijnen gekregen, maar deze hulp bereikt nog geen kwart van alle slachtoffers en komt op een misdadige manier te laat door toedoen van de junta. Het wereldvoedselprogramma van de VN zegt dat het de rijst en bonen heeft kunnen geven aan 212 000 van de 750 000 mensen die er het slechtst aan toe zijn. Een speciaal VN-hulpfonds is dus nodig, zoals de sociaal-democraten ook vragen. Ik dank de Commissie voor alle positieve inspanningen in Birma en ook vanuit Brussel.

Maar miljoenen mensen worden overgelaten aan honger, dorst en ziekte. Dat is een vorm van marteling, dat is moord en een totaal falen van de verplichting tot bescherming. Het zijn praktijken die dichtbij genocide komen. De militairen zijn daarom verantwoordelijk voor misdaden tegen de menselijkheid. Dat is, voor onze fractie en morgen voor dit Parlement, een zaak voor het Internationaal Strafhof. De Veiligheidsraad móet een onderzoek laten starten naar de misdaden van dit regime. Wat is het oordeel van de Commissie hierover?

Als rapporteur over Birma vraag ik mij af: wanneer is de grens bereikt van het respect voor de soevereiniteit van een land? Bij Irak lag die grens toch wat dichterbij. Wanneer wordt respect voor fundamentele mensenrechten even onaantastbaar voor dezelfde internationale gemeenschap? Nu wordt de geloofwaardigheid van de mensenrechten wereldwijd aangetast door de weigering, vooral van de buurlanden, om het Birmese regime aan te pakken, en door de onwil om de bevolking desnoods zonder toestemming van de kolonels te hulp te komen. Soevereiniteit geeft geen recht om de eigen bevolking te wurgen.

Vandaar het verzoek aan de Raad van de Europese Unie en in het bijzonder aan het Verenigd Koninkrijk als huidige voorzitter van de Veiligheidsraad om de situatie in Birma opnieuw op de agenda van de Veiligheidsraad te zetten. China en Rusland moeten inzien dat de situatie daar nu nóg misdadiger, nóg ernstiger is dan kort na de cycloon.

 
  
MPphoto
 
 

  Thomas Mann (PPE-DE). (DE) Voorzitter, 130 000 doden en meer dan twee miljoen daklozen: dat is de bittere realiteit in Birma. Bovendien dreigt er een grote hongersnood. Door de overstromingen verspreiden ziekteverwekkers die diarree veroorzaken, zoals salmonella, zich razendsnel. Er bestaat een groot risico op ziekten zoals tyfus, cholera, malaria en denguekoorts. Vooral kinderen lopen gevaar, vanwege hun zwakkere immuunsysteem en omdat hun lichaam sneller uitdroogt. De slachtoffers van de ramp hebben schoon drinkwater nodig, dat zonder goede waterzuiveringsinstallaties onmogelijk duurzaam beschikbaar kan worden gesteld. Ze hebben noodopvang nodig, niet in de laatste plaats om de verspreiding van aandoeningen van de luchtwegen te voorkomen.

De militaire junta is nog steeds niet bereid Westerse hulpverleners toe te laten, zoals commissaris Michel zojuist in zijn indrukwekkende toespraak heeft bevestigd. Daardoor brengt de junta de levens van tienduizenden mensen in gevaar. Wat is een verantwoorde reactie daarop? Druk uitoefenen door dit voor te leggen aan het Strafhof in Den Haag? Absoluut! Maar is het ook nodig het internationaal recht aan te passen zodat de nationale soevereiniteit in geval van een humanitaire crisis ingeperkt wordt? Dat zou moeilijk haalbaar zijn en China zou hierover zeker zijn veto uitspreken in de VN-Veiligheidsraad.

China is een van de weinige bondgenoten van de Birmese dictators. China moet echter alles doen – evenals de lidstaten van ASEAN, zoals Hartmut Nassauer al stelde – om te zorgen dat de internationale teams van experts en de hulpgoederen, die nu al een tijdje ter plaatse zijn, het land worden binnengelaten. Een van de redenen dat Myanmar de hulpoperaties van de internationale gemeenschap tegenhoudt is overduidelijk hun wens om de donorconferentie te beïnvloeden, om zo vele miljoenen binnen te halen die ze naar eigen inzicht kunnen gebruiken.

Net als de nietsontziende, gewelddadige onderdrukking door het Birmese regiem van de vreedzame demonstraties door Boeddhistische monniken in september 2007 en het daaropvolgende nieuwsembargo dat enkele maanden duurde, is dit een totalitaire daad die gericht is tegen de belangen van de bevolking. Deze zogenaamde uitoefening van de nationale soevereiniteit is een soeverein volstrekt onwaardig en volslagen onmenselijk.

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Maria Gomes (PSE). (PT) Meer dan 63 000 mensen dood en vermist en twee en een half miljoen mensen dakloos, dat is nu het gezamenlijke resultaat van de cycloon en de wreedheid van deze junta die wanbestuur uitoefent in Birma en de mensen onderdrukt en verhinderd heeft dat de internationale hulpgoederen de mensen in nood kunnen bereiken. Wat een contrast met de open en snelle reactie van China om de slachtoffers in Sichuan te helpen!

De VN-Veiligheidsraad moet zonder verder uitstel de Birmese militaire junta verantwoordelijk stellen voor de bescherming van zijn bevolking, door internationale humanitaire NGO’s en organisaties het land binnen te laten om de bevolking van de Irrawaddydelta te helpen, die nu volledig aan zijn lot is overgelaten. De VN-Veiligheidsraad dient ook zonder verder uitstel de Birmese militaire junta voor het Internationaal Strafhof te dagen vanwege misdaden tegen de menselijkheid.

Dit Parlement hoopt dat de Europese regeringen onmiddellijk druk gaan uitoefenen op de VN-Veiligheidsraad. Het wordt tijd dat alle leden van de Raad, inclusief China dat de Birmese dictatuur gesteund heeft, hun verantwoordelijkheid nemen ten opzichte van de slachtoffers in Birma.

 
  
MPphoto
 
 

  Laima Liucija Andrikienė (PPE-DE). (LT) We hebben het vandaag over de tragische situatie in Birma, na de verwoesting die de cycloon begin van deze maand in het land heeft aangericht. De desastreuze gevolgen van de tragedie zijn dat honderdduizenden mensen omgekomen, gewond, ziek of verdwaald zijn, en enorme aantallen mensen hun huis verloren hebben en voedsel en water nodig hebben. We zien elke dag vreselijke beelden op televisie van een land dat verwoest is door deze cycloon en het is onmogelijk daar onverschillig bij te blijven.

Het klopt dat de mens nog steeds volstrekt machteloos staat bij natuurrampen, vooral als deze onaangekondigd optreden. Maar de huidige situatie in Birma is anders, omdat we weten dat de Indiase regering de leiders van Birma twee dagen voordat de cycloon het land bereikte gewaarschuwd heeft, dus ze waren op de hoogte.

Desondanks heeft de cycloon de bevolking met volle kracht getroffen, omdat de generaals die het land in hun macht hebben niet de moeite hebben gedaan om de mensen te waarschuwen voor het dreigende gevaar. Een dergelijke regering moet veroordeeld worden, en haar recente optreden geeft blijk van een grote inefficiëntie en een enorme onverschilligheid ten opzichte van haar burgers, wat een duidelijke schending van de mensenrechten is. De generaals die aan de macht zijn hebben zich eraan schuldig gemaakt dat ze deze natuurlijke ramp hebben laten uitgroeien tot een catastrofe van een dergelijke omvang.

De lijst van misdaden die door de leiders van Birma zijn begaan en die nooit vergeten zullen worden, bestaat onder andere uit de weigering internationale hulpverleners tot het land toe te laten, de weigering mensen in nood te helpen en een totale minachting voor de inspanningen van de internationale gemeenschap om de mensen te hulp te komen. De schaamteloze poging van de generaals om onder dergelijke omstandigheden een referendum over de grondwet te houden maakt deze lijst alleen nog maar langer.

Ik ben echt van mening dat de Europese Unie elke mogelijk weg moet bewandelen – ik herhaal: elke mogelijke weg – om samen te werken met de regeringen van India, China en andere Aziatische landen en dat ze gebruik moet maken van alle instituties van het netwerk binnen de Verenigde Naties om te zorgen dat de bevolking van Birma de maximale hulp krijgt.

 
  
MPphoto
 
 

  Józef Pinior (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, ik wil in dit debat drie problemen aankaarten. Ten eerste, het probleem van een nieuwe grondwet. De junta in Myanmar heeft verklaard dat een overweldigende meerderheid een promilitaire grondwet heeft gesteund in het referendum dat, ondanks de wijdverspreide kritiek en de noden na een nationale tragedie, werd gehouden. Volgens mensenrechtenorganisaties was het referendum een schijnvertoning. Een referendum, dat in dergelijke omstandigheden wordt gehouden, kan enkel over een twijfelachtige geloofwaardigheid beschikken. Wellicht is het in de meeste gebieden van de Irrawaddydelta op 24 mei onmogelijk om een tweede stemronde te organiseren.

Ten tweede is er een algemener probleem met betrekking tot maatregelen, vooral EU-maatregelen. Werken ze wel? De gewone bevolking is het hardst getroffen. Sommige waarnemers – ervaren journalisten, diplomaten, gewezen EU-ambassadeurs in Zuid-Oost-Azië – zeggen dat Birma op deze manier isoleren niet helpt.

Ten derde, maar niet minder belangrijk, is het tijd dat de VN-Veiligheidsraad reageert. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zou erop moeten staan dat hulpgoederen en humanitaire hulpverleners vrije toegang krijgen tot Birma. De EU-landen, die hulp leveren, zouden moeten aandringen op toezicht zodat de hulp de cycloonslachtoffers, die deze het meest nodig hebben, bereikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Alessandro Battilocchio (PSE).(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, in de enkele seconden die ik ter beschikking heb, wil ik de aandacht van het Huis vestigen op de alarmkreet van vrijwilligers, die voor de internationale organisatie Save the Children werken. Zij hebben ons ingelicht over een dreigend gevaar van een tragedie die de bestaande tragedie zal verergeren.

Volgens reddingswerkers zullen in het moerasgebied van de Irrawaddydelta meer dan 30 000 kinderen door armoede sterven. Kinderen die de cycloon Nargis overleefd hebben en in vele gevallen hun ouders, die honger en dorst lijden, dysenterie hebben en uitgeput zijn door de regen en de kou.

Commissaris, in deze context is het beleid van Than Shwe en zijn militaire handlangers om hulp te weigeren eenvoudigweg krankzinnig. Er valt geen tijd te verliezen! Door ondervoeding, drinkwatertekort, de waaier aan ziektes en de afwezigheid van hulp, zullen deze kinderen niet lang meer leven: ofwel interveniëren we onmiddellijk, ofwel zijn wij er gewoon voor verantwoordelijk dat wij niet genoeg gedaan hebben!

 
  
MPphoto
 
 

  Neena Gill (PSE). - (EN) Mevrouw de voorzitter, ik wil commissaris Michel bedanken en zijn optreden prijzen. Wij hebben vandaag gehoord dat de cycloon Nargis voor twee en een half miljoen Birmanen verwoestend is geweest. Zoals de commissaris zei, is de situatie tevens verslechterd omdat het regime halsstarrig weigert buitenlandse hulp toe te laten. Hierdoor hebben slechts een kwart van de mensen, die dringend hulp nodig hebben, deze ook effectief gekregen. Dit is ongelooflijk en hartverscheurend: het belangrijkste mensenrecht wordt de Birmanen ontzegd. Bovendien grenst dit aan criminele nalatigheid.

Onlangs hebben we gehoord dat de junta zich in beperkte mate flexibeler zou opstellen. Ik dring er bij de Commissie en Raad echter op aan om deze verzachting behoedzaam te bejegenen. Dit regime heeft immers zijn eigen prodemocratische beweging meedogenloos de kop ingedrukt. Ik wil benadrukken dat het van cruciaal belang is druk te blijven uitoefenen op de junta zodat alle VN-agentschappen, die de nodige ervaring en logistieke knowhow hebben om de situatie aan te pakken, binnen mogen. Ik ben vooral bang dat het kinderen zijn die het meest lijden, zoals de commissaris reeds benadrukte. UNICEF moet dus worden toegelaten om dreigende ziektes en ondervoeding te verhelpen.

Ten slotte wil ik een oproep doen aan zij die op Birma een invloed hebben, namelijk de buurlanden en EU-partners: India, China en de ASEAN-landen. Zij moeten de junta aanmoedigen hulp te aanvaarden. Ik wil ook een oproep doen aan de Commissie en anderen om stappen te zetten om de junta duidelijk te maken dat democratie en afspraken met de buitenwereld de enige mogelijke manieren uit een crisis zijn. Ik hoop dat commissaris Michel ons een antwoord kan geven op de vragen “En wat doen we nu?” en “Hoe gaan we nu verder?”

 
  
MPphoto
 
 

  Mario Mauro (PPE-DE).(IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, de eigenlijke mislukking van de missie zoals commissaris Michel – die ik toch voor zijn eerlijkheid wil bedanken – beschrijft, geeft ons een idee van hoe gepast het is om op dit moment te focussen op de doctrine van humanitaire interventie om niet enkel betrekkingen met de Birmaanse maar ook de Chinese autoriteiten te onderhouden. De Chinese autoriteiten tonen vandaag immers een ander soort van gevoeligheid ten aanzien van ernstige onlusten en rampen die ook in hun land hebben plaatsgevonden.

Ons concentreren op betrekkingen met China zou kunnen leiden tot een humanitaire interventie die kan gaan van het opzetten van een “no-fly zone” voor het lossen van hulpgoederen tot het openen van een echte humanitaire corridor.

Ik heb ook een vraag voor de Raad. De Europese Unie heeft een vertegenwoordiger voor Birma aangesteld. Commissaris Michel wil ik bedanken voor zijn toewijding en voor zijn bezoek aan wat hij een gebied van frustratie noemt. Maar wat is de doelstelling van de vertegenwoordiger? Wat moet hij bereiken?

 
  
MPphoto
 
 

  Tunne Kelam (PPE-DE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, er is één menselijke prioriteit: internationale humanitaire hulp kunnen verstrekken aan de miljoenen mensen die naar de rand van de uitroeiing zijn geduwd. In de eerste plaats is een militaire junta ervoor verantwoordelijk dat de bevolking niet tijdig op de hoogte werd gebracht van een naderende cycloon. In de tweede plaats is de junta verantwoordelijk voor het niet toelaten van humanitaire hulp tot het land.

Ik denk dat de tijd is aangebroken dat deze bende, die misdrijven tegen de menselijkheid heeft begaan, voor het Internationaal Strafhof in Den Haag wordt gebracht. Dit moet echter gebeuren door een gezamenlijke internationale inspanning. Intussen moet op de Birmaanse heersers en hun medestanders, inclusief China, alle mogelijke druk worden uitgeoefend om eerst mee te werken aan de humanitaire hulpfase en dan te beginnen met de fase van wederopbouw die ze zelf hebben uitgeroepen.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, de tragedie van Birma is enkel verergerd omdat de militaire junta de levering van hulpgoederen en humanitaire hulp weigert. Ze hebben meer dan symbolische hulp geweigerd van een Amerikaanse “task force”, met thuisbasis in Okinawa en vlakbij Thailand opgesteld. In de eerste ramp stierven honderdduizenden mensen, maar door hulp te weigeren, en dus ook de mogelijkheid om ziektes onder controle te houden, zal dit cijfer ongetwijfeld moeten worden vermenigvuldigd. Oxfam schat dat maar liefst twee derde van een miljoen mensen in de huidige omstandigheden gevaar lopen.

Wij moeten er bij iedereen – China, de Europese Unie, andere buurlanden – op aandringen zo veel mogelijk druk uit te oefenen op het regime om zijn standpunt te matigen en de deuren open te stellen voor hulpgoederen en -verleners die momenteel in Bangkok en Thailand wachten.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ik wil alle deelnemers aan dit debat bedanken. Volgens mij bestaat er in dit Parlement een grote eensgezindheid over enkele essentiële elementen die ook de essentiële componenten vormen van de aanpak van de Raad van de situatie in Birma.

Wij zijn in de eerste plaats uiterst bezorgd om de humanitaire situatie in Birma en in de tweede plaats om de manier waarop de Birmaanse autoriteiten op de gevolgen van de cycloon reageren. In deze context verwijs ik naar hun verantwoordelijkheid met betrekking tot toegang tot humanitaire hulp voor zij die het nodig hebben.

Ik wil benadrukken dat de Europese Raad vastbesloten is inspanningen te blijven leveren om ervoor te zorgen dat humanitaire hulp de mensen, die het nodig hebben, bereikt. Hiervoor zal de Raad alle beschikbare middelen en mechanismen aanwenden, in eerste instantie die van ons. Opnieuw wil ik hier, namens de Raad, de inspanningen van commissaris Michel erkennen en steunen.

Bovendien zal de Europese Unie binnen de VN en de regionale organisaties, zoals ASEAN, inspanningen blijven leveren. Ik wil benadrukken dat voor de vergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van de ASEAN-lidstaten, die eergisteren werd gehouden, de Europese Unie een démarche heeft gepleegd bij de ASEAN-landen, waarin haar verwachtingen en voorstellen met betrekking tot de situatie in Birma stonden. Op 19 mei, na de ASEAN-vergadering in Singapore, ontvingen wij een verklaring waarin enkele bemoedigende elementen stonden. Ik vermeld er enkele.

Ten eerste zijn de ASEAN-ministers van Buitenlandse Zaken akkoord over de implementatie van een coördinatiemechanisme inzake humanitaire hulp onder toezicht van ASEAN. Ten tweede zijn de autoriteiten van Birma/Myanmar ermee akkoord gegaan hulp te aanvaarden in de vorm van medische teams van andere ASEAN-landen. Ten derde hebben de autoriteiten van Birma/Myanmar hun bereidheid getoond om deskundige hulp van internationale en regionale agentschappen te aanvaarden, dit om de gevolgen van de ramp te remediëren.

Ik vermeld hier ook de gemeenschappelijke beslissing van de ASEAN-landen en de Verenigde Naties om een donorconferentie te houden. Deze zal op 25 mei in Rangoon plaatsvinden.

Ten slotte wil ik mijn dank betuigen voor de meningen die ik in dit debat heb gehoord. Ik kan u verzekeren dat ze zeer nuttig zullen zijn bij de voorbereiding van het debat, dat waarschijnlijk volgende maandag tijdens de bijeenkomst van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen zal plaatsvinden.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, lid van de Commissie. − (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, natuurlijk begrijp ik en deel ik volledig de globale gevoelens van dit Huis, gevoelens van kritiek en frustratie.

Bijna alle sprekers hebben gezegd om beroep te doen op de Veiligheidsraad, het concept van de “responsibility to protect”, het recht om tot op zekere hoogte te interveniëren, de grenzen aan nationale soevereiniteit en maatregelen in het algemeen. Dit is in principe waar we mee bezig zijn. Toch wil ik het even hebben over de middelen die de internationale gemeenschap ter beschikking heeft om alle vermelde acties uit te voeren en om naleving van al deze principes te waarborgen. Dit ligt echter iets moeilijker omdat hier het Internationaal Humanitair Recht opduikt. Dit is tevens een onderwerp waarover de Europese Commissie en het Europees Parlement reeds hebben beslist dat zij het onderwerp met betrekking tot specifieke gevallen in september zullen bespreken. Er bestaat dus een ruime consensus over de analyse: wij gaan er allemaal mee akkoord dat dit onaanvaardbaar is, dat dit onmenselijk is en dat er betere toegang moet zijn, enzovoorts.

Wat ik echter wil voorstellen – dit is natuurlijk louter een persoonlijke mening – is dat wij op korte termijn proberen te profiteren van of ten minste zo veel mogelijk voordeel proberen te halen uit wat dan ook het resultaat mag zijn van de donorconferentie. Deze wordt opgezet op initiatief van secretaris-generaal Ban Ki-moon, met als donors de Europese Unie en ASEAN. Binnen het raamwerk van dit initiatief of voorstel wordt een gemeenschappelijke EU/ASEAN-coördinator aangesteld. Dit is op zeer korte termijn.

Natuurlijk zal dit niet gemakkelijk zijn. Als de internationale gemeenschap voor een zekere mate van coherentie wil zorgen, als de twee initiatieven geen resultaat opleveren, zal het moeilijk zijn om te doen alsof er niets anders kan gebeuren. Op dat moment zal de internationale gemeenschap, of dit nu de Verenigde Naties of andere instituties zijn, zich op andere middelen moeten toespitsen.

Ik zeg dit omdat – en ik ben nu aan het afronden – wat natuurlijk in zekere mate het meest frustrerend is, wat de morele taak om te interveniëren en het eigenlijke concept of de eigenlijke toepassing van het concept van de “responsibility to protect” in diskrediet brengt of ten minste verzwakt, is dat – naast onze principeverklaringen die we allemaal maken, omdat wij dat vinden, dit is onze cultuur, dit is onze visie op democratie en mensenrechten, enzovoorts – er middelen zijn die wij tot onze beschikking hebben of middelen die wij politiek mogen implementeren.

Dat is de waarheid. Er is politieke moed nodig. Het is maar al te gemakkelijk te zeggen: “wij moeten iets doen, wij moeten dit sturen, wij moeten zorgen dat zij, wij moeten zus of zo”. Ja, maar wat zijn de middelen? Kunnen en willen onze landen de uiteindelijke gevolgen – van dwang te gebruiken, indien nodig – aanvaarden en kunnen wij echt op die manier te werk gaan? Dat is de hamvraag.

Ik ga akkoord met alles dat hier is gezegd, maar uit onze genereuze standpunten moeten conclusies getrokken worden. Ik leg even uit waarom er volgens mij aan dit debat twee kanten zijn. Er is het algemene debat waarover we het allemaal eens zijn en er is het onmiddellijke probleem. Ik denk dat dit laatste bestaat uit het zorgen voor volledige ondersteuning en de aanstelling van een secretaris-generaal op de locatie die het meest geschikt is om een dialoog te voeren, en waardoor hij het grootste voordeel uit zijn twee initiatieven kan halen. Dat is min of meer wat ik zou voorstellen.

Ik betwijfel of verklaringen, dreigementen of harde woorden, hier en nu – zelfs als het nodig is – de situatie kunnen veranderen. Jammer, maar ik denk het niet. Daarom vind ik dat wij de twee initiatieven van secretaris-generaal Ban Ki-Moon volledig moeten steunen.

 
  
  

VOORZITTER: LUISA MORGANTINI
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Ik heb zes ontwerpresoluties(1) overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement ontvangen.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE) , schriftelijk.(SK) Ik ben enorm geschrokken van de verschrikkelijke tragedie die de Birmanen heeft getroffen. Het is verachtelijk dat de generaals die in het land de touwtjes stevig in handen hebben niet buigen voor het hoge aantal slachtoffers van de destructieve cycloon Nargis. Door een gebrek aan drinkwater, voedsel en medische hulpverlening kan dit aantal tevens toenemen. Ik begrijp het soort mensen niet dat het ongeluk van hun natie negeert en Birma volledig geïsoleerd houdt, hoewel het overduidelijk is dat het land het op zijn eentje niet kan redden. Wellicht kent de arrogantie van macht geen grenzen. In dergelijk uitzonderlijke crisissituatie is de kwestie van staatssoevereiniteit een absoluut onmenselijk concept.

De humanitaire organisatie Oxfam heeft gewaarschuwd dat, tenzij de getroffenen snel worden geholpen, het aantal slachtoffers tot maar liefst 1,5 miljoen kan stijgen. Volgens de VN heeft de ramp meer dan 2 miljoen mensen, die hulp nodig hebben, getroffen. Dit zijn alarmerende cijfers. Wij moeten snel een duidelijk standpunt innemen en kunnen niet blijven wachten en hulpeloos toekijken terwijl honger meer slachtoffers velt.

Ik zal voor de resolutie van het Europees Parlement over de tragische situatie in Birma stemmen. Ik ben ervan overtuigd dat de EU niet onverschillig kan zijn. Zij moet van alle beschikbare middelen gebruikmaken om de Birmaanse bevolking te helpen. Gezien de grootschaligheid van deze ramp, moet de EU tevens zorgen voor executiemaatregelen omdat “nationale autoriteiten er duidelijk niet in slagen hun bevolking te beschermen tegen volkerenmoord, oorlogsmisdaden, etnische zuivering en misdaden tegen de menselijkheid”.

 
  

(1)Zie notulen.


11. Natuurramp in China (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter . − Aan de orde zijn de verklaringen van de Raad en de Commissie over de natuurramp in China.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Wij volgen met grote bezorgdheid de ontwikkelingen in China na de rampzalige aardbeving die een groot deel van het land, en vooral de provincie Sichuan, heeft vernietigd.

Naar schatting heeft de aardbeving meer dan tien miljoen mensen getroffen. Het dodencijfer stijgt elk uur, terwijl de hoop om nog overlevenden vanonder het puin te halen afneemt. Momenteel loopt het geschatte aantal dodelijke slachtoffers op tot bijna 50 000. Dit is een echte ramp. Als de reddingswerkers het getroffen gebied konden bereiken, zou het misschien mogelijk zijn om meer mensen te redden. Momenteel is dit door objectieve moeilijkheden en een tekort aan geschikt materiaal echter niet mogelijk.

Een bijkomende moeilijkheid is de schade die de aardbeving aan verschillende dammen heeft toegebracht. Hierdoor bestaat voor de overlevenden in de provincie Sichuan overstromingsgevaar. De Chinese regering heeft gevraagd om basismateriaal dat ze tijdens de reddingswerken nodig heeft.

Het Chinese ministerie van Volksgezondheid verwacht tevens een grotere behoefte aan medicijnen en up-to-date medische uitrusting omdat de wonden van de overlevenden correct moeten worden behandeld.

De omvang van de hulp, die momenteel onderweg is, is heel groot. Twaalf ton goederen zijn reeds vanuit de lucht gelost om de moeilijkheden in het getroffen gebied te verminderen. Verschillende helikopters vervoeren reddingswerkers en hulp. Vertegenwoordigers van de plaatselijke autoriteiten zeggen dat zij op dit moment vooral lakens, tenten, voedsel en satelliettelefoons nodig hebben.

Zoals u weet, en dit is vandaag reeds enkele keren gezegd, was er vorige dinsdag een bijzondere zitting van de Raad. Wij hebben aan China onze deelneming betuigd met het hoge aantal slachtoffers en de vernietiging van het gebied. In onze boodschap hebben wij tevens ons medeleven betuigd aan zij die hun nabije verwanten in deze ramp hebben verloren, gewond zijn geraakt en wiens eigendom ernstige schade heeft opgelopen.

De internationale gemeenschap heeft snel gereageerd en China hulp aangeboden. China heeft hier officieel verheugd op gereageerd in berichten van het ministerie van Buitenlandse Handel. Verschillende buitenlandse teams, bijvoorbeeld uit Japan, Taiwan, Korea en Australië, zijn reeds daar of staan klaar om naar China te vertrekken.

De Europese Unie wil de getroffen bevolking helpen. De Europese Commissie, alsook de meeste lidstaten, heeft uitstekend gereageerd op de behoeftes van de getroffen bevolking en is bereid om in de toekomst te blijven helpen.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, lid van de Commissie. − (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik wil u er ook voor bedanken dat u een debat op de agenda heeft gezet over de humanitaire situatie in de Chinese provincie Sichuan na de aardbeving van 12 mei. Voorzitter Barroso, mevrouw Ferrero-Waldner en ik willen ons medeleven betuigen en benadrukken dat Europa China wil helpen.

Mobilisatie door de Chinese autoriteiten en vooral het leger gebeurde snel en grootschalig. Het dient te worden gezegd dat het crisismanagement zeer efficiënt was. Hiervoor verdienen de autoriteiten onze felicitaties. Gezien de omvang van de schade en de daaruit volgende behoeftes, vroeg de Chinese regering op 13 mei internationale hulp. De EU heeft hier snel op gereageerd. De Commissie stuurde een ECHO-deskundige voor een missie van een week naar de getroffen regio. Na een verslag van de deskundige op 16 mei nam de Commissie de beslissing om twee miljoen euro vrij te maken. Hierdoor kan het Rode Kruis tenten, lakens, drinkwater en basisbenodigdheden aanleveren.

Het coördinatie- en evaluatieteam van het mechanisme voor civiele bescherming van de Commissie is ook in Chengdu aanwezig. Daar heeft het team contact met de plaatselijke autoriteiten om Europese hulp sneller bij de hulpbehoevenden te krijgen. De lidstaten hebben ook snel gereageerd op de dringende oproep van de Federatie van het Rode Kruis om nooduitrusting te sturen en voor reddingsteams te zorgen. De totale EU-bijdrage bedraagt reeds meer dan tien miljoen euro. De Europese Commissie, de evaluatie- en informatiedienst en het Crisisplatform werken samen en houden de lidstaten en China op de hoogte van EU-hulp. De Chinese autoriteiten controleren zeer strikt plaatselijke toegang voor internationale teams.

Op basis van onze evaluaties is er vooral nood aan water, sanitair, tijdelijke onderkomens, basisproducten, medicijnen en medisch materiaal. Verschillende belangrijke naschokken belemmeren spijtig genoeg reddingsoperaties. De voornaamste zorg is dat cruciale infrastructuur zoals dammen, dijken of elektriciteitscentrales het begeven of instorten, waardoor een tweede humanitaire ramp zou ontstaan.

 
  
MPphoto
 
 

  Georg Jarzembowski, namens de PPE-DE-Fractie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer fungerend voorzitter, commissaris, dames en heren, mijn fractie sluit zich aan bij de gevoelens van de Raad en de Commissie, gevoelens van smart voor en medeleven met het Chinese volk na de verschrikkelijke aardbeving van 12 mei. Wij spreken onze welgemeende condoleances uit aan iedereen die door de aardbeving een geliefde heeft verloren of gewond is geraakt.

Ook wij zijn zeer blij met het feit dat de Chinese autoriteiten snel met reddingswerken zijn begonnen en dat de Chinese regering bereid is buitenlandse hulp te aanvaarden. Ik hoop dat dit in de toekomst ook zal gebeuren. Indien nodig, kan hulp hierdoor immers op efficiënte wijze worden verstrekt.

Bovendien zijn wij blij dat de Chinese regering in dit geval buitenlandse media heeft toegelaten over de aardbeving verslag uit te brengen. Wij hopen dat ze ook over de wederopbouw verslag mag uitbrengen.

Wij vinden het vooral betreurenswaardig dat zoveel leerlingen gestorven zijn bij de instorting van staatsscholen. Daarom staan wij achter de intentieverklaring van de Chinese autoriteiten om te onderzoeken waarom scholen niet zo gebouwd zijn dat ze aardbevingen kunnen trotseren en om de verantwoordelijken rekenschap te laten afleggen.

Wij zijn vooral bereid het Chinese volk alle hulp te bieden die ze nodig hebben. Zij hebben niet veel geld nodig omdat zij over de grootste valutareserves in de wereld beschikken. Wat zij nodig hebben is praktische hulp en wij, Europeanen, en onze lidstaten kunnen deze hulp verstrekken. Wij danken de commissaris voor de hulpmaatregelen die hij reeds heeft opgestart.

Wij zullen elke maatregel, die gericht is op het helpen van de mensen in de rampgebieden, steunen en hen helpen bij de wederopbouw van hun dorpen. Sommige moeten misschien elders worden gebouwd. Wij zullen de hulp moeten bieden die voor dat doel geschikt is. Dit is echt een menselijke tragedie en wij leven met de bevolking in de getroffen gebieden en met heel de Chinese bevolking mee.

 
  
MPphoto
 
 

  Libor Rouček, namens de PSE-Fractie.(CS) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, mijnheer Lenarčič, dames en heren, in de eerste plaats wil ik, namens de socialistische fractie, mij aansluiten bij al diegenen die hun medeleven hebben betuigd aan de getroffen families van de tienduizenden slachtoffers van de verschrikkelijke aardbeving die de provincie Sichuan teisterde. Ik wil ook mijn medeleven betuigen aan de honderdduizenden mensen die geen dak meer boven hun hoofd hebben of ten gevolge van deze ramp hun thuis hebben moeten verlaten.

Een tijdje geleden debatteerden wij over de situatie in Birma en bekritiseerden wij het volkomen onaanvaardbare gedrag van de Birmaanse junta. In tegenstelling tot Birma, moet China worden geprezen. China heeft onmiddellijk de hulp van de internationale gemeenschap ingeroepen en haar grenzen voor buitenlandse hulp opengesteld. Net als mijn college sta ik achter de openheid van de Chinese autoriteiten, op zowel nationaal niveau als het niveau van de provincie Sichuan. Ik ben verheugd over de manier waarop zij de reddingswerken hebben georganiseerd en het publiek, zowel in binnen- als buitenland, hebben geïnformeerd over de gebeurtenissen van deze ramp. Deze eerlijke informatie bevatte, bijvoorbeeld, ook de bekentenis dat naast de tienduizenden slachtoffers 32 bronnen radioactief afval onder het puin begraven lagen.

Zowel de commissaris als mijnheer Lenarčič hebben ons ingelicht over de omvang van de humanitaire hulp die de Europese Unie China heeft aangeboden en aan China verstrekt. Ik wil beiden bedanken voor de snelheid waarmee de Commissie en de Raad hebben gereageerd. Ik wil er bij hen ook op aandringen ervoor te zorgen dat de Europese Unie bereid is om snel te reageren op mogelijke verzoeken om hulp van onze Chinese partners, niet enkel met betrekking tot humanitaire hulp maar ook met betrekking tot de wederopbouw van getroffen gebieden, dit als om hulp wordt gevraagd.

 
  
MPphoto
 
 

  Dirk Sterckx, namens de ALDE-Fractie. – (NL) Ik zou ook in naam van onze Fractie van liberalen en democraten in de eerste plaats mijn medeleven willen betuigen met alle slachtoffers. Ik sluit mij trouwens aan bij de rouwperiode die de Chinese regering daarvoor heeft afgekondigd. Ik ben maandag, voordat ik naar Straatsburg kwam, in naam van de Delegatie voor de betrekkingen met China en ik neem aan ook in naam van het hele Parlement het rouwregister gaan tekenen in de vertegenwoordiging bij de EU in Brussel. Vorige week heeft trouwens ook het bureau van de delegatie een ontmoeting gehad met de Chinese ambassadeur die mij heeft gezegd hoezeer hij de solidariteit van het Europees Parlement op prijs stelt.

Wij staan ook voor een enorm zware ramp. Tienduizenden mensen die gestorven zijn of nog vermist zijn, miljoenen mensen die dakloos zijn, een materiële schade waarvan wij de omvang op dit moment eigenlijk nauwelijks kunnen berekenen. Wat wij in het kader van het vorige debat in Birma hebben gezien, hebben wij niet in China gezien. Hier zien wij een land waar iedereen, vanaf het hoogste tot het laagste niveau, alles in het werk stelt om te helpen en om ervoor te zorgen dat nog gered kan worden wat er te redden valt. Ik zie ook een land dat heel open gecommuniceerd heeft en nog communiceert over de pijn, over de wanhoop van de mensen in Sichuan, over de moeilijkheden die de reddingsploegen ondervinden, reddingsploegen die er zelfs een paar keer het leven bij hebben ingeschoten. Ik zie een land dat zelfs open staat voor de kritiek die de slachtoffers van de ramp op de hulpverlening hadden, een beeld dat wij van bij ons ook zeer goed kennen, telkens als er iets vergelijkbaars gebeurt.

We moeten naar de toekomst kijken, mevrouw de Voorzitter. Ik denk dat China ons heel precieze dingen heeft gevraagd bij de hulpverlening. Ik zie dat wij solidair zijn en ik bedank de Commissie en ook de Raad voor wat zij gedaan hebben en ik spoor hen aan om verder hulp te verlenen daar waar de Chinezen dat vragen.

Als de reddingsacties voorbij zijn moet de heropbouw beginnen en ook daar moeten wij kunnen helpen met alles wat wij kunnen doen. Op de langere termijn zou ik ook willen vragen dat wij kijken naar de wijze waarop wij technische hulp kunnen verlenen, bij bouwvoorschriften en bij bouwtechnieken die gebouwen beter bestand maken tegen dit soort gebeurtenissen. Het zou tevens een opdracht voor de wereldgemeenschap kunnen zijn om na te gaan wat wij kunnen doen om een soort systeem voor vroegtijdige waarschuwing te hebben, een systeem dat mensen waarschuwt voor dergelijke rampen. Wij moeten tenminste proberen dat uit te bouwen. Ik denk dat er in de wereld heel wat regio’s zijn die daarbij baat zouden kunnen hebben. Ik vind het in elk geval belangrijk dat wij als Europees Parlement in dit debat onze solidariteit met de Chinezen tot uitdrukking hebben gebracht.

 
  
MPphoto
 
 

  Hélène Flautre, namens de Verts/ALE-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, na deze verschrikkelijke aardbeving die China en heel de wereld in diepe rouw heeft gehuld, zijn de autoriteiten voor de eerste maal op heel transparante wijze te werk gegaan. Zij hebben op dit drama gereageerd met een grootschalig rampenplan dat de EU en heel de internationale gemeenschap zo goed mogelijk proberen te ondersteunen.

In China hebben wij echter scherpe kritiek gehoord op de slechte kwaliteit van de gebouwen, vooral dan van recente structuren en publieke gebouwen zoals scholen. Hierdoor verdwenen duizenden schoolkinderen waarvan slechts weinigen werden gered. Deze ramp laat de slechte bouwkwaliteit in dit land zien. Dit thema ligt gevoelig in China waar miljoenen mensen in de grotere steden in de aanloop naar belangrijke gebeurtenissen, zoals de Olympische Spelen, uit hun huizen zijn gezet.

Andere reeds genoemde verontrustende zaken in dit drama zijn: door de sterkte van hydro-elektrische faciliteiten zoals de stuwdam van Zipingpu vrezen we het ergste voor de 600 000 mensen die stroomafwaarts wonen. Bovendien heeft de aardbeving 391 reservoirs beschadigd. Op dit moment is er slechts weinig informatie beschikbaar over de faciliteiten voor plutoniumverrijking in het zuidoosten van de provincie Sichuan, dit ondanks het feit dat ze zich dicht bij het epicentrum bevinden. Ook dit laatste is zeer zorgwekkend.

Zou het geen goed idee zijn om een onafhankelijke internationale evaluatie van dergelijke zaken te laten uitvoeren aangezien China op dit vlak weinig transparant is en de officiële verklaringen alleen geruststellend zijn?

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański, namens de UEN-Fractie. – (PL) Europa moet om humanitaire en politieke redenen China zo veel mogelijk steunen. Ik ben een van de vele leden in dit Huis die sterk gekant is tegen het barbaarse beleid van China tegenover Tibet en christenen. Ik vind dat wij op eender welke vorm van agressie tegenover Taiwan zeer heftig moeten reageren.

Aan de andere kant moeten wij ook voordeel trachten te halen uit deze mogelijkheid om het Chinese volk te tonen dat de eisen die wij aan hun leiders stellen niets met haatgevoelens tegenover hun land en tradities van doen hebben. Wij moeten bewijzen dat op vriendschappelijke basis samenwerken mogelijk is. En dit is daarvoor een uitstekende opportuniteit. Wij moeten de slachtoffers uitgebreid hulp bieden en ons na de recente ramp volledig aan de wederopbouw wijden. Het zou een grote vergissing zijn om deze kans om vertrouwen tussen Europa en China op te bouwen mis te lopen.

 
  
MPphoto
 
 

  Patrick Louis, namens de IND/DEM-Fractie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, natuurrampen stemmen ons somber omdat ze zo veel slachtoffers veroorzaken, zoals onlangs in China en Birma. Zij doen ons stilstaan bij de waarde van een mensenleven en ook bij het feit dat wij de natuur niet naar onze hand kunnen zetten. Wij willen ons medeleven betuigen aan zij die te lijden hebben onder natuur- of politieke rampen.

Eén van de doelstellingen van politici is voorkomen dat hun mensen tegenslagen overkomen. Als zij dus natuurrampen niet kunnen voorkomen, kunnen zij trachten deze te anticiperen en de mensen te waarschuwen. Bovendien moeten zij risico’s minimaliseren door een verantwoord preventief beleid te voeren. Zo heeft de prometheïsche infrastructuur, zoals de enorme stuwdammen en kerncentrales, in China standgehouden. Hoe lang kan deze echter nog standhouden? Is het niet beter meer kleinere structuren te gebruiken om risico’s te spreiden en het publiek beter over de mogelijke risico’s te informeren?

De meest tragische situatie voor het Chinese volk heeft echter betrekking op politieke rampen. Hoewel wij het bewonderenswaardige karakter van deze hardwerkende vakkundige mensen en hun gevoelige cultuur erkennen, kunnen wij politieke handelingen beoordelen zonder al te veel in te gaan op binnenlandse aangelegenheden Het nefaste éénkindbeleid is een grote ramp. Het heeft een invloed op kinderen, verplicht veel landbouwers zich te ontdoen van hun dochters, een kleine bron van inkomsten die niet zorgt voor continuïteit op de boerderij en het pensioen, of het tweede kind dat op bevel van Creon geen recht heeft op een bestaan. De minachting voor mensenrechten is groot als politici ouders niet toelaten zo veel kinderen te nemen als zij willen. Hier wordt het leven niet naar waarde geschat: het wordt louter beschouwd vanuit een utilitair standpunt. Als het dak van een school instort komen natuurrampen en politieke rampen samen: het enige kind wordt verpletterd en de ouders blijven radeloos achter.

Als de 30 000 journalisten, die in Beijing worden verwacht voor de Olympische Spelen, daar aankomen, zouden zij de tijd moeten nemen om op onderzoek te gaan en verder te kijken dan de schijnvertoning, naar de realiteit van dit land dat door de heersende macht en efficiëntie, het risico loopt volledig het respect te verliezen voor mensen, de echte basis van het politiek bestel.

 
  
MPphoto
 
 

  Karsten Friedrich Hoppenstedt (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, dames en heren, tijdens de minuten openbare stilte, die was verordend door de Chinese autoriteiten, stonden de mensen stil – mensen in straten, in bussen en in winkels – en hun gezichtsuitdrukking liet geen twijfel bestaan over de oprechtheid van hun gevoelens. Het was heel anders dan de normale verplichte collectieve demonstraties van solidariteit. Waarom was dat zo? Omdat de staatstelevisie dag en nacht verslag had kunnen doen, waardoor een diep gevoel van ontzetting werd opgeroepen bij het onvoorstelbare lijden van de mensen in de getroffen gebieden. Dat gaf de aanzet tot een nieuw gevoel van solidariteit in China. Respect voor het individu is weer zichtbaar geworden, ook onder politieke leiders.

Het enige belangrijke nationale aandachtspunt was tot nu toe China’s economische groei geweest en, meer recent, de Olympische Spelen, maar in het licht van de huidige ramp, dringen deze zaken bijna niet meer door bij veel mensen. Wat moet de internationale gemeenschap doen? Deze vraag is al tot op zekere hoogte beantwoord: naast het zenden van hulpgoederen, rampplannen en, natuurlijk, technische apparatuur, bestaat er behoefte om de ervaringen te bundelen die zijn opgedaan in de nasleep van de grote aardbevingen in Armenië, waar meer dan 100 000 mensen het leven verloren en een kerncentrale werd beschadigd, in Turkije waar tienduizenden het leven verloren, en in China in 1976, waar een paar honderdduizend mensen stierven, en om die collectieve ervaring te gebruiken om principes van goede praktijken te ontwikkelen voor de internationale gemeenschap, en die ten voordele van China toe te passen.

Ik weet dat al is opgemerkt dat we, door wat er dus kan gebeuren met stuwdammen, onderzoek moeten doen of de openbare gebouwen, ziekenhuizen en scholen tegen aardbevingen bestand zijn. Er kan veel worden gedaan in dit opzicht, en gepaste aanwijzingen kunnen worden gegeven zoals welke regels moeten gelden voor aardbevingbestendige bouwwijzen.

Als lid van de delegatie voor betrekkingen met China, onderschrijf ik natuurlijk de condoleanceboodschappen die zijn overgebracht door de voorgaande sprekers.

 
  
MPphoto
 
 

  Edite Estrela (PSE).(PT) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, we betreuren allen de ramp die zuidelijk China heeft verwoest. Meer dan 50 000 mensen zijn gedood en 4,8 miljoen mensen zijn dakloos geworden. Wij zijn allemaal solidair met de getroffen families.

De Europese Unie heeft naar behoren gehandeld: zij heeft het mechanisme voor civiele bescherming in gang gezet en heeft de Chinese autoriteiten gesteund. De internationale gemeenschap als geheel heeft ook haar steun verleend. Nooit eerder heeft China zoveel uitingen van solidariteit en aanbiedingen van tastbare steun ontvangen, omdat de Chinese autoriteiten deze keer niet hebben getracht de omvang van de tragedie te verbergen. In tegendeel, zij hebben de noodzakelijke informatie verschaft, toegang verleend aan de internationale media en hebben, over het algemeen, transparant en efficiënt gehandeld, anders dan het geval was in Birma.

Klimaatverandering ligt aan de basis van de toename van natuurrampen. Het is de verantwoordelijkheid van ons allemaal om te voorkomen dat de planeet opwarmt. China moet daarom ook bijdragen aan de vermindering van de CO2-uitstoot door de inspanningen van de Europese Unie te ondersteunen om een internationale overeenkomst te bereiken voor de Conferentie van Kopenhagen in december 2009.

 
  
MPphoto
 
 

  Bastiaan Belder (IND/DEM).(NL) Met tot dusver ongekende openheid hebben de Chinese massamedia bericht over de verschrikkelijke gevolgen van de zware aardbeving die de provincie Sichuan ruim een week geleden trof. Binnenslands heeft deze officiële openheid geleid tot een ongekende solidariteit met de slachtoffers. De harmonische maatschappij kwam in beeld. Tienduizenden vrijwilligers hebben zich gemeld Uit alle provincies stromen reddingseenheden naar het rampgebied. De materiële hulp bereikt in China een recordhoogte. Kortom, officiële openheid loont.

Aan deze ongekende openheid dienen de Europese instellingen dan ook de Chinese autoriteiten in het vervolg te houden. Daarin past overigens zeker de reeds in China opgeworpen kritische vraag naar het waarom van de vele ingestorte schoolgebouwen. Van Chinese openheid naar de buitenwereld is evenzeer sprake. Zo aanvaardde Peking het Japanse aanbod om een reddingsteam te sturen. Inmiddels heeft Taiwan 42 miljoen euro toegezegd ter leniging van de nood van de slachtoffers van de aardbeving. Naar ik van harte hoop, leidt dit medeleven van over de straat tot de noodzakelijke normalisering van de Chinees-Taiwanese betrekkingen.

Ik kan mij van harte aansluiten bij de collega’s die hun diepe medeleven hebben betuigd met het onzeglijke lijden van het Chinese volk en ik ben collega Sterckx bijzonder erkentelijk dat hij namens ons allen het rouwregister heeft getekend bij de Chinese vertegenwoordiging te Brussel. Ik kan mij daar helemaal in terugvinden.

 
  
MPphoto
 
 

  Cornelis Visser (PPE-DE).(NL) Allereerst wil ik mijn medeleven betuigen met de nabestaanden van de vele slachtoffers van de natuurramp van 12 mei in de provincie Sichuan. De Chinese autoriteiten hebben na de ramp gelukkig snel actie ondernomen. Ik ben ook blij met de reactie van de Europese Unie. Ik wil de Europese instellingen, de Commissie en de Raad, dan ook ondersteunen in de aanpak die zij tot nu toe hebben gekozen. China heeft, na eerst de buitenlandse hulp te hebben afgeslagen, de grenzen geopend. De Chinese autoriteiten hebben zelf aangegeven dat zij alle steun kunnen gebruiken om deze omvangrijke ramp te boven te komen. Japanse, Zuid-Koreaanse en Russische reddingsteams zijn reeds in het getroffen gebied aanwezig. Dit en het feit dat ook de buurlanden Singapore en Taiwan hulp geven, vind ik zeer positief. De politieke betrekkingen met de buurlanden zijn niet altijd even goed en dit kan de betrekkingen verbeteren.

In de nationale en internationale media wordt aan de ramp veel aandacht geschonken. Ik ben blij dat de pers toegang krijgt tot het getroffen gebied en de mogelijkheid krijgt vrij te schrijven om de rest van het land en de wereld te informeren. Transparantie is belangrijk om een goed beeld te krijgen van de ramp, maar ook om de juiste hulp ter plaatse te krijgen. De betrokkenheid van de rest van de bevolking wordt daarmee vergroot. Vrije pers en goed bestuur gaan meestal samen. Door een vrije pers kunnen beleidsfouten bijtijds worden gesignaleerd en kan bijsturing van beleid plaatsvinden.

De bouw en het toezicht hierop door de overheid dienen ook te worden belicht. Hieruit kunnen conclusies worden getrokken voor toekomstige bouwprojecten. Ook kunnen hiermee aanbevelingen worden gedaan voor een beter bestuur en een betere ambtelijke organisatie.

Preventie van en voorbereiding op natuurrampen behoren tot de primaire overheidstaken. Ook in veel Europese landen is dit pas de laatste jaren goed georganiseerd. Ik zou daarom tenslotte de Europese Commissie en de Raad willen vragen om China eventueel hulp aan te bieden bij het opleiden van het bestuur en het ambtelijk apparaat in het opstellen van crisis- en rampenbestrijdingsplannen.

 
  
MPphoto
 
 

  Alexandra Dobolyi (PSE). - (HU) Dank u zeer, Mevrouw de Voorzitter. Elk fatsoenlijk mens was geschokt door de natuurramp van de vorige week in het Verre Oosten. Het is logisch dat de aandacht van de wereld op deze landen moet worden gericht.

China staat op het moment in het middelpunt van de publieke belangstelling: de Olympische Spelen deze zomer, het bezoek van de Chinese premier aan Taiwan, de gebeurtenissen in Tibet, de reis van de Dalai Lama door Europa en de wijze waarop die werd ontvangen, het bezoek van de Europese Commissie aan China; al deze zaken hebben eraan bijgedragen dat de aandacht op China wordt gericht. Het is echter nu niet de tijd om te praten over boycots of over Tibet.

De aardbeving die een kracht had van 8,0 op de Schaal van Richter en de hoogvlakte van Sichuan in een ruïne veranderde, was de oorzaak van de dood van 50 000 mensen en maakte miljoenen overlevenden dakloos, om maar niet te spreken van de economische schade die veroorzaakt werd. Daarom vraag ik elke instelling van de Europese Unie om zeker te stellen dat we alle humanitaire hulp geven die we kunnen geven en humanitaire bijstand beschikbaar stellen aan de mensen die zijn getroffen door de ramp, zo lang dat nodig is.

Laten wij de reddingsteams en alle hulporganisaties bedanken voor hun hulp; zij hebben dag en nacht gewerkt om de situatie van de mensen die in het gebied wonen te verbeteren, en laten we het Chinese volk verzekeren van onze onvoorwaardelijke solidariteit en medeleven. Dank u zeer.

 
  
MPphoto
 
 

  Glyn Ford (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, door een aardbeving met een kracht van 7,8 en een epicentrum bij Chengdu in Sichuan zijn op 12 mei meer dan 100 000 mensen gedood. We kunnen alleen onze deelneming aanbieden aan al die mensen die familieleden hebben verloren, en in het bijzonder aan ouders die hun kinderen hebben verloren. Maar anders dan bij de gelijkenis vertonende tragedie in Birma waar, volgens sommigen, de verantwoordelijkheid om te beschermen had moeten leiden tot directe internationale interventie, hebben de Chinezen uitzonderlijke noodhulp geboden samen met soldaten en medische staf. China heeft buitenlandse hulp verwelkomd, met inbegrip van Japanse reddingswerkers die momenteel in het gebied werken, en heeft ook de Chinese en buitenlandse media toegestaan de ramp en de nasleep ervan te volgen.

De Europese Unie heeft al 10 miljoen euro aan hulp bijgedragen, zoals commissaris Louis Michel heeft medegedeeld. Wij dringen er bij de Raad en de Commissie op aan om in de komende maanden en jaren verdere noodhulp, technische hulp en wederopbouwhulp te verlenen aan het betreffende gebied.

 
  
MPphoto
 
 

  Józef Pinior (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, dit is het moment om onze solidariteit en medeleven aan China te tonen. In deze tragische dagen hebben we slachtoffers gezien. We hebben een grote maatschappelijke tragedie gezien in China.

Ik ben onder de indruk van de manier waarop de Chinese autoriteiten hebben gehandeld – staatsleiders regeringsleiders, provinciale leiders en partijleiders – het gedrag van de Chinese staat is rationeel geweest, iets goeds in deze tijd.

Maar tegelijkertijd moet ik, als mensenrechtenpoliticus, meedelen aan het Parlement dat, volgens het Tibetaanse Centrum voor Mensenrechten en Democratie, op 14 mei 55 nonnen zijn gearresteerd. Dat is in deze dagen ook een realiteit in China. De aardbeving kan geen excuus worden voor schendingen van de rechten van de mens.

 
  
MPphoto
 
 

  Csaba Sándor Tabajdi (PSE). - (HU) Mevrouw de Voorzitter, de verschrikkelijke drama’s van de Chinese aardbeving en de cycloon die eraan voorafging in Birma hebben de mensen over de gehele wereld geschokt. De reactie van de landen rond de aardbol was exemplarisch, met landen van Japan tot de Verenigde Staten, van Rusland tot Jordanië die hulp boden voor het niet geringe bedrag van twee miljard dollar.

De Europese Unie en haar lidstaten reageerden onmiddellijk, en de Commissie nam ook een beslissende stap om 2 miljoen euro noodhulp aan China te sturen en te helpen bij hulpacties door het sturen van mobiele hospitaaleenheden, medicijnen, reddingsapparatuur, en puinruimwerktuigen. Het was bijzonder prijzenswaardig van de kant van de Tibetaanse regering in ballingschap in India om haar volgelingen te vragen om tijdelijk te stoppen met hun demonstraties tegen China en geld te schenken om de slachtoffers van de aardbeving te helpen.

Hulpfondsen van Hongarije die oorspronkelijk bedoeld waren voor Birma werden doorgestuurd naar China ten gevolge van de isolationistische houding van de Birmese militaire dictatuur. De Chinese regering was, anders dan het regime van Myanmar, zo wijs om de buitenlandse hulp te accepteren. De verantwoordelijke manier waarop China omging met de publiciteit was ook heel positief, en het laat zien dat er significante vooruitgang is geboekt op het punt van ontwikkeling van de democratie. Dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  Genowefa Grabowska (PSE).(PL) De natuur heeft weer eens bewezen hoe machteloos de mens is ten opzichte van grote natuurrampen en calamiteiten. China is het dichtstbevolkte land op aarde, de economie bloeit, en het bereidt zich enthousiast voor op de komende Olympische Spelen. Maar het was ontzet door de recente tragische aardbeving.

De mensen in China vergelijken deze ramp met eerdere catastrofen, die gepaard gingen met belangrijke historische veranderingen in dat land. Ik weet niet zeker of dit de manier is om deze vreselijke gebeurtenis te interpreteren. Desalniettemin weet ik zeker dat we in een dergelijke tijd onze solidariteit moeten uiten met de tienduizenden gewone mannen, vrouwen en kinderen die heldhaftig deze persoonlijke en nationale tragedie doorstaan. Daarom heeft het Europees Parlement gelijk om nu een duidelijk signaal af te geven naar het Chinese volk door aan te geven dat de leden van dit Huis schouder aan schouder staan met hen, dat we begrip hebben voor hun lijden en dat we willen helpen. Uiteindelijk is het solidariteitsbeginsel een van de belangrijkste grondwaarden van de Unie.

 
  
MPphoto
 
 

  Colm Burke (PPE-DE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, we moeten China complimenteren voor de manier waarop het heeft gereageerd op deze ramp. Ik zou graag ook de Europese Commissie en de Raad willen bedanken voor de manier waarop ze zijn omgegaan met deze tragedie. Het is een welkome ontwikkeling in China dat ze het gebied hebben opengelegd voor iedereen die hulp kan bieden. Hopelijk is het iets dat zij in de toekomst zullen doen met betrekking tot andere gebieden. Toestaan dat de noodzakelijke informatie naar buitenkomt naar de wereldmedia is de juiste stap voorwaarts. Ik zou ook graag de media complimenteren voor het benadrukken van de omvang van de ramp en de hulp die nodig is.

Laat het ook een les zijn voor China door in te zien hoe ze hun macht kunnen gebruiken om druk uit te oefenen op andere regimes, met name in Birma, om te trachten hen te laten inzien dat zij ook hulp nodig hebben van de wereldgemeenschap. Levens redden is de prioriteit in China; laten anderen zoals de junta in Birma leren van deze ervaring.

 
  
MPphoto
 
 

  Bogdan Golik (PSE).(PL) Mevrouw de Voorzitter, ik wil graag mijn zeer oprechte deelneming uiten met allen die hebben geleden en geliefden hebben verloren in China. Ik wil mijn oprecht medeleven betonen aan al die mensen die kinderen, hun vrouw of hun man hebben verloren. Ik was vorige week zelf in China toen deze verschrikkelijke ramp gebeurde. Ik was in Beijing en Shanghai, en ik vertegenwoordigde het Parlement bij de opening van de Shanghai Food Fair. De ramp gebeurde op maandag, precies op de dag dat ik aankwam. Ik heb meteen condoleancebrieven naar de Chinese ambassadeurs in Polen en Brussel gestuurd. Ik was in staat om zelf de verslagen van de ramp op de televisie te zien, en besefte de omvang van het menselijk lijden dat het gevolg is. Ik heb ook de onmiddellijke grootschalige hulp gezien aan de slachtoffers door gewone mensen, de regering en het leger. De omvang van de inspanningen was ongekend.

Ik wil graag van de gelegenheid gebruik maken om de Unie en alle lidstaten te bedanken voor de geboden hulp. Ik wil ook graag het Huis bedanken voor het gebaar van solidariteit door het houden van dit debat vandaag. Ik weet zeker dat hulp nodig zal blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Zbigniew Zaleski (PPE-DE).(PL) Ik geloof dat er twee verschillende benaderingen zijn ten aanzien van China. De ene is het bieden van hulp na de tegenspoed waar China recentelijk mee te kampen heeft gehad. Wij kunnen niet anders reageren. Het is onze morele plicht om te helpen. Het feit dat wij ons in een betere financiële en economische positie bevinden, is nog een reden om hulp te bieden. Dat zijn we gewoon verplicht.

De tweede benadering houdt in dat we ons voortdurend bewust blijven van het feit dat we in normale tijden de Chinezen moeten helpen. Hiermee bedoel ik dat, wanneer het land niet wordt geteisterd door een ramp, wij het Chinese volk moeten helpen door hun leiders te herinneren aan de rechten van hun burgers. Wij moeten dat zeer empathisch doen. Het is nodig dat wij op gepaste wijze op beide situaties reageren. Dit zal de zaken zeer duidelijk maken. Ik denk dat het Chinese volk onze inspanningen zal zien en ons daar dankbaar voor is.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ik denk dat het heel belangrijk is dat het Europees Parlement heeft besloten het debat van vandaag te wijden aan de natuurramp in China. In de eerste plaats om China een boodschap te kunnen geven, aan de ene kant door de deelneming van de Europese Unie te kunnen overbrengen, en, zoals mevrouw Grabowska het uitdrukte, om aan China en het Chinese volk de solidariteit met hen van de Europese Unie over te brengen.

Het verschil in toon van het debat hierover en dat van het hier onmiddellijk aan voorafgaande onderwerp ligt ook voor de hand. En natuurlijk is deels de reden hiervan ook de manier waarop de Chinese leiders zijn opgetreden, en wij kunnen eerlijk zeggen dat hun reactie op deze verschrikkelijke ramp snel en efficiënt was, dat zij aanzienlijke nationale middelen hebben aangewend, dat zij de premier persoonlijk als de hulpcoördinator hebben benoemd of aangesteld. Om op succesvolle wijze dergelijke problemen te overwinnen, moet er een goede coördinatie zijn, en dit was duidelijk het geval.

De media hielden het publiek ook regelmatig op de hoogte van de ontwikkelingen, zowel nationaal als internationaal. Buitenlandse journalisten kregen toegang tot de getroffen gebieden, en ook enige buitenlandse deskundigen, volgens onze informatie, onder andere uit Japan.

Daarom denk ik dat we tevreden kunnen zijn dat de Chinese autoriteiten bij het tegemoet treden van deze enorme ramp en bij het bieden van hulp aan hun volk, goed georganiseerd waren en dat ze bovenal bereid zijn om buitenlandse hulp te accepteren met inbegrip van die van ons. En ik kan u verzekeren dat de Raad klaar zal blijven staan om hulp te bieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, lid van de Commissie. – (FR) Heel kort, Mevrouw de Voorzitter, u kunt er zeker van zijn dat ik acht sla op uw opmerkingen, en ik wil antwoorden door te zeggen dat wij natuurlijk nog steeds bereid zijn om meer hulp te bieden dan we al beschikbaar hebben gesteld, hulp gebaseerd op een analyse van de behoeften.

Bovendien heb ik het gevoel dat iedereen ingenomen was met de reactie van China en de manier waarop de autoriteiten openheid hebben getoond wat betreft toegang en transparantie. Ik bedoel dit met speciale verwijzing naar toegang van de pers.

Ik wil graag ingaan op een idee dat ter tafel is gebracht door mevrouw Flautre – het voorstel om te voorzien in een team van internationale experts om secundaire risico’s en schade vast te stellen, in het bijzonder met betrekking tot nucleaire faciliteiten. Ik denk dat het een goed idee is om deze boodschap door te geven. Er is natuurlijk geen verplichting om dit te doen, maar ik denk toch dat het goed zou zijn om de discussie hierover aan te gaan met de Chinese autoriteiten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Ik heb zes ontwerpresoluties(1) overeenkomstig artikel 103, lid 2 van het Reglement ontvangen.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag om 12.00 uur plaats.

 
  

(1)Zie notulen.


12. Wereldwijd verdrag tegen uraniumwapens (debat)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het debat over:

de mondelinge vraag (O-0029/2008/rev) van Elly de Groen-Kouwenhoven, Angelika Beer en Carolina Lucas, namens de Verts/ALE-Fractie, Luisa Morgantini, namens de GUE/NGL-Fractie, Annemie Neyts-Uyttebroeck, namens de ALDE-Fractie, Ana Maria Gomes, namens de PSE-Fractie, Ģirts Valdis Kristovskis, namens de UEN-Fractie, Karl von Wogau en Stefano Zappalà, namens de PPE-DE-Fractie, aan de Raad: Wereldwijd verdrag tegen uraniumwapens (B6-0153/2008),

en

de mondelinge vraag (O-0030/2008/rev) van Elly de Groen-Kouwenhoven, Angelika Beer en Carolina Lucas, namens de Verts/ALE-Fractie, Luisa Morgantini, namens de GUE/NGL-Fractie, Annemie Neyts-Uyttebroeck, namens de ALDE-Fractie, Ana Maria Gomes, namens de PSE-Fractie, Ģirts Valdis Kristovskis, namens de UEN-Fractie, Karl von Wogau en Stefano Zappalà, namens de PPE-DE-Fractie, aan de Commissie: Wereldwijd verdrag tegen uraniumwapens (B6-0154/2008).

 
  
MPphoto
 
 

  Elly de Groen-Kouwenhoven, auteur. (EN) Mevrouw de Voorzitter in december 2007 heeft de Algemene Vergadering van de VN met een overweldigende meerderheid een resolutie aangenomen die aandrong op onderzoek naar de effecten van uranium bevattende wapens op de gezondheid van burgers en militaire staf.

Wij feliciteren Duitsland, Ierland en Italië die als enige NAVO-landen de VN-resolutie steunden. De reden voor die steun kan zijn dat veel van hun soldaten terugkeerden met fatale ziekten en/of later kinderen kregen met ernstige misvormingen. Daarom doen we een beroep op andere EU-landen om hun voorbeeld te volgen en gezondheidsverslagen voor te leggen overeenkomstig het VN-verzoek.

DU (verarmd uranium) werd gebruikt in de Balkan, Irak en Afghanistan. DU is afval, en is buitengewoon goedkoop materiaal voor het maken van wapens. De geschatte wereldwijde voorraden bedragen 1,3 miljoen ton. Veel minder dan één microgram binnen het lichaam kan fataal zijn. Afgezien van de straling, is verarmd uranium een chemisch giftige samenstelling. Niemand informeert de manschappen of de bevolking van de landen waar wapens met verarmd uranium worden gebruikt. De meest recente bevindingen van de deskundigen van de Wereldgezondheidsorganisatie betreffende de schadelijke effecten van verarmd uranium zijn gecensureerd.

We dringen er bij de EU op aan om haar burgers en de bevolkingen van landen die het doelwit zijn, te informeren. Wij doen een beroep op de Commissie en de Raad om zeker te stellen dat zo spoedig mogelijk een internationaal verdrag zal worden opgesteld.

Teneinde een gedetailleerd inzicht in de zaak te krijgen, is het hoog tijd dat de Commissie en de Raad toegang verschaffen tot alle bestaande verslagen en de verdere onderzoeken te starten waarop het Parlement al sinds 2001 aandringt. Intussen herhalen wij onze oproep om verarmd uranium te verbieden op basis van het voorzorgsprincipe.

 
  
MPphoto
 
 

  Annemie Neyts-Uyttebroeck, auteur. (NL) De strijd voor het wereldwijd uitbannen van verarmd uranium in wapens en munitie past in onze algemene strijd voor wapenbeheersing en ontwapening. Onze heel bijzondere aandacht gaat daarbij naar wapens en munitie die extreem gevaarlijk en schadelijk zijn voor burgers en die gevaarlijk blijven, lang nadat het conflict is beëindigd, zoals landmijnen, clustermunitie, en wapens en munitie die verarmd uranium bevatten. Ik weet dat het een beetje ironisch is om het te hebben over wapens die gevaarlijker zijn en schadelijker dan andere, maar zo is het nu eenmaal. Vandaar dat wij ons concentreren op die welke de kwalijkste gevolgen kunnen hebben voor onschuldige burgerbevolkingen.

In november 2006 heeft ons Parlement een moratorium geëist voor dit type wapens, te weten wapens die verarmd uranium bevatten. Mijn land, België, heeft vorig jaar niet enkel zo’n moratorium, maar een heus verbod op elke aanwending van uraniumwapens bij wet uitgevaardigd en ik denk dat ik daar een kleine beetje trots op mag zijn. Nu vernam ik graag van de Commissie en van de Raad wat zij zullen ondernemen om dit moratorium te veralgemenen en om een algemeen verbod te ondersteunen.

Daarenboven, en de vorige spreekster heeft daar uitvoerig op gewezen, blijken uraniumwapens ook nefaste gevolgen te hebben voor de soldaten die ze gebruiken of die aan het gebruik ervan worden blootgesteld. En zelfs al is er misschien nog geen algehele zekerheid, toch is het aangewezen dat de Raad er zorg voor draagt dat soldaten en andere manschappen die deelnemen aan missies in het kader van het Europees veiligheids- en defensiebeleid, niet aan dat soort risico’s worden blootgesteld. Daarom zou ik graag van de Raad willen vernemen welke concrete maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat soldaten en manschappen die aan dergelijke missies deelnemen, niet aan dergelijke risico’s worden blootgesteld en om ervoor te zorgen dat de bevolking van de gebieden waar dergelijke missies worden ontplooid evenmin daaraan worden blootgesteld. Ik dank u voor de antwoorden die u mij zult geven.

 
  
MPphoto
 
 

  Ana Maria Gomes, auteur. − (PT) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, in een recente brief naar The Times in London, hebben negen voormalige Britse militaire bevelhebbers er bij de regering van het Verenigd Koninkrijk op aangedrongen om zich te voegen bij hen die campagne voeren voor een verbod op clustermunitie. Hun argument was hetzelfde als het argument dat naar voren werd gebracht in de context van anti-personeelmijnen: hoe bruikbaar een wapen ook mag zijn op de korte termijn, in militaire logica is het feit dat het ongenuanceerd schade veroorzaakt op de lange termijn voldoende om opschorting van het gebruik ervan te rechtvaardigen door verantwoordelijke gewapende machten.

Dezelfde logica is van toepassing in verband met verarmde uraniummunitie. De Europese Organisatie van Militaire Verenigingen, EUROMIL, houdt dit onderwerp nauwkeurig in de gaten en hun standpunt, gebaseerd op informatie die wordt ontvangen van militair personeel in geheel Europa, is onvoorwaardelijk: verarmde uraniummunitie moet zo snel mogelijk worden afgeschaft.

Het Europees Parlement heeft zich al eerder uitgesproken voor een volledig verbod van deze wapens en de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN die afgelopen december is aangenomen, die het onderwerp van wapens en munitie met verarmd uranium op de agenda had voor de drieënzestigste vergadering van de Algemene Vergadering, bevestigde dat het Europees Parlement gelijk heeft om het voortouw te nemen en de Raad te vragen ook de leiding te nemen in deze discussie over ontwapening en humanitaire wetgeving.

De “tegen”argumenten van de sceptici onder ons zijn niet overtuigend. Het meest fundamentele voorzorgsprincipe eist de stigmatisering van deze wapens zelfs voordat het uitgebreide indirecte bewijs dat wijst op het onzorgvuldige en kankerverwekkende effect, wordt vervangen door onweerlegbaar wetenschappelijk bewijs.

Wat zullen de mensen, en ook de sceptici van tegenwoordig over tien jaar zeggen over ons politici wanneer de schadelijke effecten van deze wapens duidelijk en onomstotelijk zijn komen vast te staan als wij in de tussentijd niets hebben gedaan om ze uit de roulatie te halen? Zullen zij hetzelfde zeggen als zij nu zeggen over de anti-personeelmijnen: waarom hebben ze zo lang gewacht!

 
  
MPphoto
 
 

  Ģirts Valdis Kristovskis, auteur. − (LV) Dames en heren, als eerste wil ik graag benadrukken dat ik een beroep doe op mijn land – Letland – om de VN-resolutie van december 2007 te ondertekenen. Ten tweede, doe ik een beroep op de Hoge Vertegenwoordiger om een beredeneerde mening voor te leggen inzake het initiatief dat is vervat in die resolutie. Ten derde, doe ik een beroep op de Europese Unie om zeker te stellen dat informatie wordt verspreid tussen de lidstaten betreffende de soorten munitie waarvan verwacht kan worden dat die worden gebruikt bij operaties. Wat betreft verarmd uranium, heb ik speciale persoonlijke ervaring. Ik ben vijf en een half jaar minister van defensie geweest in Letland. Precies in de periode dat ik verantwoordelijk was, voegde Letland zich bij de coalitie van de VS in de Irak-oorlog. In die tijd zijn bij verschillende gelegenheden verdenkingen gerezen betreffende het gebruik van verarmd uranium in Irak. De internationale gemeenschap heeft sterk gereageerd op dit onderwerp. De Letse troepen hebben geen munitie met verarmd uranium gebruikt. In Letland werd ik echter enkele maanden geleden gevraagd om de politieke verantwoordelijkheid op me te nemen voor deze gebeurtenissen als minister van de coalitie. Helaas ben ik als minister van de coalitie niet geïnformeerd over het gebruik van verarmd uranium. Dat is onaanvaardbaar. De EU-lidstaten moeten niet alleen de noodzaak voor dit soort munitie in hun wapenarsenaal serieus evalueren, maar de Europese Unie moet ook zeker stellen dat het verplicht is voor lidstaten om informatie uit te wisselen over het mogelijke gebruik van verarmd uranium bij operaties. Dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Mijnheer Kristovskis, ik heb u niet onderbroken omdat uw verhaal als minister van Letland buitengewoon belangrijk was, maar ik wil er op wijzen dat u uw tijdslimiet in aanzienlijke mate hebt overschreden.

 
  
MPphoto
 
 

  Stefano Zappalà, auteur. − (IT) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, in het verleden is er veel gezegd over dit onderwerp en helaas ben ik van mening dat er nog veel gezegd moet worden voordat een definitieve oplossing is gevonden. Mijn collega’s zeiden hier eerder veel over en hebben het zeer goed uitgelegd.

Sommige lidstaten hebben maatregelen genomen om de productie en het gebruik van dit soort wapens voor commerciële of oorlogszuchtige doeleinden te verbieden. Er zijn verschillende verzoeken geweest van dit Parlement, er zijn documenten in de vorm van foto’s en getuigenissen, en er zijn redelijke gronden om aan te nemen dat Italiaanse militairen zijn gestorven als gevolg van blootstelling aan dit soort wapens.

Er bestaat een VN-resolutie die algemeen verbreide bezorgdheid uit en er zijn verschillende verzoeken geweest om grondige onderzoeken naar dit onderwerp. Er bestaat een voorzorgsprincipe dat, in overeenstemming met wetgeving van de Europese Unie, een algemeen moratorium zou moeten opleggen ten minste totdat er definitieve wetenschappelijke gegevens zijn overgelegd.

Niets hiervan heeft echter tot nu toe geleid tot de verwachte uitkomst. Verarmd uranium blijft gebruikt worden bij oorlogstonelen, zowel op het platteland als in de stad. Het lijdt geen twijfel dat chemische stoffen doordringen in de bodem en in de waterhoudende grondlaag en de gewassen, en daarom hoeft men er niet aan te twijfelen dat deeltjes van verarmd uranium die in contact zijn met de bodem zich verspreiden in de ondergrond, waardoor grondwater en landbouwproducten worden vervuild, hetgeen duidelijk resulteert in de verspreiding van ziekte onder de blootgestelde bevolking en, in een mindere mate, wereldwijd door de watercyclus en de omlooptijd van elementen, met name in een zich steeds uitbreidend wereldwijd marktsysteem.

Er zijn, weliswaar tot nu toe geen definitieve onderzoeken die bewijs leveren van het gevaar, maar het valt niet te ontkennen dat de parameters waarvan we nu weet hebben niet uitsluiten dat er een risico kan bestaan. Die overweging alleen al moet moderne democratieën dwingen tot grondiger bestudering van deze zaak en het nemen van een beslissing.

De Europese Unie in het bijzonder kan, naar mijn mening, niet doorgaan met niets doen. De Unie heeft duidelijke plichten ten opzichte van haar lidstaten, duidelijke plichten ten opzichte van de rest van de wereld, duidelijke plichten ten opzichte van haar eigen burgers. De Unie heeft economische middelen die ze kan gebruiken en geen beperkingen wat betreft wetenschap en beschikbare laboratoria. Niets doen is ontegenzeggelijk het resultaat van een keuze, niet van een gebrek aan beschikbare bronnen en middelen.

Gezien dit alles, is het duidelijk dat de Raad en de Commissie niet kunnen vermijden dat hun burgers, of het nu burger- of militair personeel is, worden uitgezonden naar gebieden in de wereld waar dit soort munitie wordt en is gebruikt, en dat zij evenmin kunnen vermijden om elk mogelijk initiatief te nemen om in een vroege fase bijstellingen te maken ten aanzien van de fabricage en het gebruik ervan en, in het licht van wetenschappelijke gegevens, voorbereidingen te treffen voor een absoluut verbod en een definitieve vernietiging.

Dit is wat wij nastreven in de hoop dat de Raad en de Commissie hun verantwoordelijkheidsgevoel in de praktijk zullen tonen, aangezien dit geen vaag politiek onderwerp is, maar een zaak van de volksgezondheid.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Mevrouw de Voorzitter, dank u zeer. Namens de Raad, wil ik ook graag de leden van het Europees Parlement bedanken voor het stellen van de vraag betreffende het wereldwijde verbod, of het wereldwijde verdrag om uraniumwapens te verbieden.

Natuurlijk zijn de leden zich waarschijnlijk bewust van het feit dat een dergelijke overeenkomst nog niet bestaat. Er is geen overeenkomst die wapens met verarmd uranium reguleert op een multilateraal niveau. Het is ook bekend dat er geen eenstemmigheid bestaat binnen de Raad.

Er is recentelijk een debat geweest in de Verenigde Naties over de effecten van wapentuig dat verarmd uranium bevat, waarbij, eind vorig jaar het Eerste Comité van de VN een resolutie heeft aangenomen, getiteld: “Effecten van het gebruik van wapens en munitie die verarmd uranium bevatten”. Zoals reeds is gezegd hebben de EU-lidstaten allemaal verschillend over deze resolutie gestemd: vijf stemden vóór, vier stemden tegen, en alle andere leden onthielden zich van stemming. Ik zou zeggen dat dit een vrij goede illustratie is van de huidige situatie in de wereld.

Als u het mij toestaat, zou ik nu graag in het kort willen proberen de speciale vragen die zijn gesteld te beantwoorden.

Ten aanzien van de eerste vraag in verband met de resolutie van het Europees Parlement betreffende biologische wapens en een aantal soorten conventionele wapens, wil ik er graag op wijzen dat de Europese Unie zeer actief is geweest, nog is, en zal blijven in haar internationale inspanningen om het verdrag inzake biologisch en vergiftig wapentuig te implementeren. De EU speelde onder andere een belangrijke rol bij de Second Survey Conferentie in 2006 en ze zal ook actief zijn voor de duur van het deskundigenprogramma tot de volgende Survey Conferentie, die is gepland voor het jaar 2011.

Wat betreft het Verdrag over Conventionele Wapens, nemen de Europese Unie en haar lidstaten actief deel aan de huidige onderhandelingen, waaronder een debat over de humanitaire consequenties van clusterbommen. De lidstaten hebben op zich genomen om tegen het eind van dit jaar, door onderhandelingen, een wettelijk bindend instrument tot stand te brengen dat alle aspecten van clusterbommen in overweging neemt.

Wat betreft de tweede vraag, wil ik graag uitleggen dat tot nu toe wapens die verarmd uranium bevatten niet zijn inbegrepen in de strategie van de Europese Unie voor wapens van massavernietiging. Er is op het moment nog een discussie gaande over de vraag of het wel mogelijk is om dergelijke munitie tot massavernietigingswapens te rekenen. Er zijn in feite sommigen die denken dat verarmd uranium al wordt gedekt door het Verdrag over Conventionele Wapens; anderen denken dat Protocol Nr. 3, dat deel uitmaakt van dit Verdrag, zo moet worden uitgebreid dat het onderwerp projectielen en kernkoppen die verarmd uranium bevatten er ook binnen valt. Kortom, de discussies duren nog voort.

Wat betreft de derde vraag, moet ik duidelijk maken dat de keus van militaire uitrusting, met inbegrip van de munitie die wordt gebruikt bij de operaties geleid door de Europese Unie, binnen de verantwoordelijkheid van de lidstaten ligt, en omdat we geen multilaterale overeenkomst hebben met betrekking tot dit onderwerp, kan ik geen aanvullende informatie geven over het gebruik van verarmd uranium.

De vierde vraag, betreft veiligheidsmaatregelen voor de soldaten en burgers die betrokken zijn bij operaties van de Europese Unie: ik moet erop wijzen dat het de bevelhebber van de operatie is die, binnen het operatieplan dat is goedgekeurd door de Europese Raad, de verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheidsmaatregelen, en die alle maatregelen moet nemen die hij noodzakelijk acht. Natuurlijk moet hij tegelijkertijd de operationele beperkingen in overweging nemen.

Bij elke civiele missie van de Europese Unie, ligt deze verantwoordelijkheid bij het hoofd van de missie onder het leiderschap van de bevelhebber van de civiele operatie.

Wat betreft de laatste vraag over de dialoog tussen de Europese Raad en de VS, niet-gouvernementele organisaties en individuen, kan ik alleen maar zeggen dat tot nu toe dat onderwerp in de dialoog met de Verenigde Staten niet aan de orde is gesteld – evenmin als het aan de orde is geweest met de andere partijen die zijn genoemd in de vraag. In elk geval zal ik het verdere debat over deze zaak met belangstelling volgen.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, lid van de Commissie. − (FR) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, de resolutie van het Parlement die is aangenomen in november 2006 nodigt de Europese Unie en de lidstaten uit om op zich te nemen om de reikwijdte van Protocol III van het Verdrag over bepaalde conventionele wapens uit te breiden in een poging om het gebruik van wapens met verarmd uranium in te perken. Ik wil het Huis eraan herinneren dat het Parlement op actie aandringt die, zoals u weet, verder gaat dan de macht van de Commissie, aangezien de Gemeenschap geen ondertekenaar is van het Verdrag. Bovendien hebben de instellingen van de Gemeenschap, onder de Verdragen, geen macht op het gebied van militaire zaken. Ik heb desalniettemin niet de wens om de indruk te wekken dat de Commissie onverschillig staat tegenover problemen in verband met de productie, opslag en het gebruik van wapens die vallen onder het Verdrag over bepaalde conventionele wapens (CWV) of het onderwerp van niet-humane wapens in het algemeen. Haar standpunt is in feite zeer tegenovergesteld.

De Commissie is druk bezig met de implementatie van een gezamenlijke actiekoers, die vorig jaar door de Raad is aangenomen, ten gunste van de universele aard van de CWV en de Protocollen. Dit jaar zijn er drie seminars gehouden, een in maart in Santo Domingo voor Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied, en nog twee vorige maand in Lomé voor de Afrikaanse landen. Na deze seminars, heeft de Dominicaanse Republiek al aangekondigd bereid te zijn binnenkort het Verdrag te ratificeren, en Suriname heeft verklaard dat het klaar is de noodzakelijke stappen te nemen op weg naar ratificatie. De Commissie ondersteunt ook de implementatie van het Verdrag inzake biologische wapens en volgt ook initiatieven om een nieuw instrument te creëren als reactie op humanitaire bezorgdheid die is gewekt door clusterbommen, binnen het kader van de CWV en het Vredesproces van Oslo.

De Commissie heeft ook actie ondernomen als reactie op de problemen veroorzaakt door explosief oorlogsmateriaal. In 2006 werd bijvoorbeeld vijf miljoen euro uitgegeven om te helpen bij het opruimen van explosieve oorlogsoverblijfselen in Libanon.

Wat betreft de tweede vraag, kunnen de wetenschappelijke resultaten die voor ons beschikbaar zijn niet bevestigen dat munitie met verarmd uranium (DU) een significant risico voor de gezondheid van burgerbevolkingen met zich meebrengt in de betreffende oorlogsgebieden, of het militaire personeel dat dient of gediend heeft in die gebieden. Dit is de opvatting die is vastgelegd in onderzoeken van de VN, WHO en de IAEA (Internationale Organisatie voor Atoomenergie), en ook van een groep deskundigen opgericht door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 31 van het Euratom-Verdrag, dat als volgt luidt, en ik citeer: “Op basis van de beschikbare informatie wordt geconcludeerd dat blootstelling aan DU geen naspeurbare effecten op de gezondheid oplevert onder realistische aannames van de doses die worden ontvangen”, einde citaat. De Commissie is bereid om het onderwerp nogmaals te bekijken. Zij zal ook de gezondheid van haar personeel blijven waarborgen en geleid worden door WHO-richtsnoeren in het geval van uitzending onder omstandigheden die blootstelling aan DU met zich meebrengen.

Wat betreft de dialoog met Euromil, is de Commissie natuurlijk bereid om met vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld te praten.

Met betrekking tot de laatste drie vragen, heeft de Commissie op het moment niet het plan om financiële verplichtingen op zich te nemen op deze gebieden.

 
  
  

VOORZITTER: ADAM BIELAN
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 
 

  Jana Hybášková, namens de PPE-DE-Fractie. – (CS) Wapens die verarmd uranium bevatten, zijn een enorme belasting voor het milieu. Het argument dat de schadelijke effecten ervan niet zijn bewezen, klinkt volkomen absurd voor iemand die ooit de gevolgen van het gebruik ervan heeft gezien. Vuile bommen zullen de verscheidene centimeters dikke wapenplaten van de meeste moderne tanks in kleine stukjes uiteen laten spatten. De vernietigende kracht ervan is enorm. Ze hebben invloed op de gezondheid van de mens. Ze doden zonder genade. Er bestaat geen twijfel aan de noodzaak te stoppen met de handel erin, en de productie, het gebruik en de opslag ervan. Het Parlement en de Unie vormen stap voor stap Europese Gewapende Troepen en Europese Defensie. Wij zullen de toekomstige partners van zowel de NAVO als de VS zijn. We moeten daarom een geloofwaardige partner worden. Opstaan en roepen: “Ik eis een moratorium voor verarmd uranium”, is komisch. Even komisch is het om een beroep te doen op de Raad om een effectonderzoek voor te bereiden. De eerste noodzaak is het bereiken van een politieke consensus tussen de lidstaten, zoals Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, en misschien Tsjechië. Daarna moeten we een samenwerking starten met de VN, om de basis te leggen voor het wereldwijde verdrag om verarmd uranium te verbieden. Dit zal de voorbereiding van een plan voor een geleidelijk verbod op de fabricage, de opslag van en de handel in uranium omvatten, dat acceptabel is voor alle lidstaten, en zal de datum vaststellen dat het gebruik uiteindelijk wordt verboden. Dan moeten we een conferentie houden die dit plan zal aannemen en het proces zal opstarten dat leidt tot het uiteindelijke verbod op deze wapens.

We hebben een nauwkeurig analytisch onderzoek nodig dat de bijwerkingen vaststelt. Wat we echter in de eerste plaats nodig hebben, is politieke samenwerking die het geleidelijke proces zal starten van het vinden van de politieke wil en het bereiken van internationale erkenning, consensus en besluitvorming. Dit proces zal jaren vergen. Het zou geweldig zijn als de Europese Unie zou participeren in het nieuwe verdrag betreffende het verbod op al het militaire gebruik van verarmd uranium. Daarom moeten wij ons op een verantwoordelijke manier gedragen. Laten wij geen dom geschreeuw, beroepsmatige onwetendheid en onafgemaakt werk toestaan die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de EU. Wij moeten partner blijven in dit belangrijke spel.

 
  
MPphoto
 
 

  Elizabeth Lynne, namens de ALDE-Fractie. (EN) In het Verenigd Koninkrijk denken honderden veteranen dat zij door blootstelling aan verarmd uranium in de Eerste Golfoorlog chronische ziektes en handicaps hebben opgelopen, en in Irak bestaat bewijs dat het gebruik van verarmd uranium de oorzaak is van een toename van baby’s die geboren worden met één oog of die beide ogen missen. Zeven van de acht baby’s die beide ogen missen, hadden vaders die blootgesteld zijn geweest aan verarmd uranium tijdens de oorlog in Irak in 1991.

Ten minste 17 landen hebben nog wapens die verarmd uranium bevatten in hun militaire arsenaal, met inbegrip van drie EU-leden: Frankrijk, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk. We hebben op het moment dringend een internationaal verdrag nodig dat een onmiddellijk moratorium instelt op het gebruik, de ontwikkeling, productie, het aanleggen van voorraden, overbrengen en het testen van wapens die verarmd uranium bevatten, evenals op de recycling of vernietiging van de bestaande voorraden. Ik hoop dat iedereen deze resolutie zal steunen.

 
  
MPphoto
 
 

  Konrad Szymański, namens de UEN-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, voorzichtigheid alleen is zeker voldoende reden om toe te werken naar de effectieve eliminatie van wapens die verarmd uranium gebruiken. Het werken aan deskundigenonderzoek naar de effecten van het gebruik van dergelijke wapens op mensen en op de natuurlijke omgeving moet zeer zeker worden versneld. Een moratorium op het gebruik van wapens van dit soort zou echter onmiddellijk kunnen worden geïntroduceerd, en het onderwerp zou kunnen worden behandeld krachtens de nieuwe Europese Veiligheidsstrategie. De uitdaging waar we nu voor staan, is beginnen met het werken aan een internationaal verdrag dat is gebaseerd op het systeem van de VN. Een dergelijk verdrag zou het gebruik, de productie, opslag en het testen van dit type wapen reguleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Tobias Pflüger, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dit debat komt veel te laat. Ik ben blij dat we het vandaag voeren. Verarmd uranium wordt gebruikt door veel landen, met name door Westerse landen, als munitie in hun oorlogen door de grote doordringende kracht, vooral tegen pantserwagens. DU-munitie bevat echter zeer giftige chemische stoffen – met andere woorden het is giftig – en ook radioactief. Verarmd uranium is een bijproduct van de kernindustrie voortkomend uit de verrijking van uranium of de productie van kernwapens. Kortom, het gebruik van kernenergie is ook deel van het probleem.

DU-munitie heeft lange-termijneffecten. Wanneer een hard doelwit wordt geraakt, komt verarmd uranium vrij bij hoge temperaturen en verbrandt in verarmde uraniumoxyden, die de vorm aannemen van een fijn alfa-radioactief giftig stof dat gemakkelijk ingeademd kan worden en kan worden verspreid door wind en water. Dit stof is moeilijk te verwijderen uit de omgeving en wordt opgevangen in de longen door inademing. We kennen het Golfoorlogsyndroom en het Balkansyndroom; herhaaldelijk is hetzelfde verschijnsel te aanschouwen, bij soldaten die duidelijk kanker hebben gekregen, zoals longkanker, door hun blootstelling aan DU-oxyde. Er is ook een toename van dergelijke kanker onder de bevolking van gebieden waar deze munitie is gebruikt.

Het interessante is dat de militaire doelmatigheid van DU-munitie in feite zeer beperkt is, terwijl het gebruik ervan talrijke onberekenbare risico’s met zich meebrengt. De NAVO gebruikte DU-munitie in de aanvalsoorlog tegen Joegoslavië. In Irak hebben de VS-strijdkrachten een totaal van 300 ton DU-munitie gebruikt. Er is een verhoogd percentage misvormde kinderen in dat land, met name in Bagdad. De regering van Afghanistan heeft nu een onderzoek gevraagd naar het gebruik van DU-munitie in Afghanistan en zegt dat het Amerikaanse leger hen niet heeft ingelicht dat er DU-munitie werd gebruikt, met name in het oostelijke deel van het land. DU-munitie werd gebruikt in de oorlog in Libanon, voornamelijk door Israël, en het werd ook zeer uitgebreid gebruikt in de eerste Golfoorlog. Het aantal besmette strijdkrachten wordt op 66 000 geschat.

Het probleem is eenvoudig te zien. De eerste oorlogspensioenen voor de effecten van verarmd uranium zijn toegekend aan veteranen als Kenny Duncan uit het Verenigd Koninkrijk. Als DU-stof bijvoorbeeld een cosmetisch product was of een stof gebruikt in de voedselproductie, dan zou het al lang geleden zijn verboden. Soldaten krijgen instructie om beschermende kleding te dragen wanneer ze met DU-munitie te maken krijgen. Euromil, de Europese Organisatie van Militaire Verenigingen, heeft gevraagd om een verbod op de wapens die deze munitie afvuren. België heeft DU-munitie verboden, en daarmee feliciteren we de Belgen. Het Comité van de VN voor ontwapening en internationale veiligheid stemde met 122 tegen 6, met 35 onthoudingen, voor een verzoek om een verslag over de schadelijke effecten van het gebruik van wapens en munitie die verarmd uranium bevatten. De zes stemmen tegen waren die van Tsjechië, Frankrijk, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Wat wij nodig hebben is een verbod op de productie en het gebruik van DU-munitie.

 
  
MPphoto
 
 

  Luca Romagnoli (NI).(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, het gebruik van verarmd uranium voor oorlogsdoeleinden druist in tegen het internationaal recht: er bestaat onweerlegbaar bewijs van de werkelijke giftigheid voor zowel de mens als de omgeving. Ik ben het ermee eens dat volledige aandacht moet worden geschonken aan de zaak, als onderdeel van de Europese Veiligheidsstrategie, en ik ben van mening dat het verbod op deze wapens in de lidstaten van de Unie volledig en absoluut moet zijn.

Beide vragen brengen beoordelingen naar voren en roepen redelijk gezamenlijke kwesties op die zeer uitgebreid gedocumenteerd zijn. Ik wil hier van de gelegenheid gebruik maken om het voorbeeld van de Italiaanse soldaten onder de aandacht te brengen, die naar de Balkan waren uitgezonden en die nog steeds wachten op eerlijke schadevergoeding, die ze, naar ik vrees, nooit zullen ontvangen. Aangezien de Unie niet in staat blijkt te zijn schade die in het verleden is veroorzaakt te herstellen, moet zij ten minste een vastbesloten, sterk signaal afgeven voor de toekomst door de fabricage, opslag en het op de markt brengen van dit soort wapens binnen de lidstaten van de Unie te verbieden.

 
  
MPphoto
 
 

  Luisa Morgantini, auteur. − (IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, ik beschouw het verzoek van Jana Hybášková om real politik misplaatst en bepaald cynisch. Laksheid en achteloosheid, bijvoorbeeld staatsgeheimen, zijn niet acceptabel als het gaat om de gezondheid van mensen.

Het gebruik van wapens met uranium heeft afschuwelijke en onherstelbare gevolgen. Wanneer uraniumprojectielen exploderen, stralen ze fijn, vervuild stof uit; ze vervuilen de lucht, het land en het water, dringen binnen in het ademhalingsstelsel, en vergroten de kans op tumoren, leukemie en misvormingen. Iedereen die ze gebruikt is duidelijk in overtreding van de internationale humanitaire wetten. Sinds de Golfoorlog van 1991, heeft de vereniging van familieleden van slachtoffers onder militair personeel berekend dat er 50 doden zijn alleen al in Italië. Recentelijk zei de minister van Defensie dat er 77 sterfgevallen waren en dat het aantal mensen dat lijdt aan ziektes tussen de paar honderd en ongeveer tweeduizend lag.

Meer dan 2 000 ton verarmd uranium is gebruikt tussen 1991 en 2003. Ongeveer zeventig procent van het grondgebied van Irak is vervuild en zelfs nu zijn we niet zeker van de omvang van de verschrikkelijke menselijke schade van verarmd uranium. In het Basra-ziekenhuis in Irak heb ik de lichamen gezien van misvormde kinderen. Ik heb de verschrikkelijke schade gezien die z’n uitwerking heeft gehad op hun kleine lichamen. Er zijn duizenden anonieme burgers die nog leven en sterven in een land dat besmet is door straling: in Irak, in Afghanistan, in Kosovo, in Bosnië, in Somalië, zich niet bewust van hun lot.

Sinds 2001 hebben wij, als Europees Parlement, gestreefd naar de invoering van een moratorium. We hebben dit bevestigd in 2006 met het aannemen van een resolutie over chemische wapens en niet-humane conventionele wapens. De resolutie die in 2007 bij de VN is aangenomen door een overweldigende meerderheid dringt er bij de staten die lid zijn van de VN op aan de schade voor de gezondheid te onderzoeken. Zes landen stemden tegen: de VS en Israël en, helaas, enkele lidstaten van de Europese Unie, namelijk Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Tsjechië en Nederland. Zij hadden in plaats daarvan het voorbeeld van België moeten volgen, dat in maart 2007, het eerste land in de wereld was dat besloot verarmd uranium volledig te verbieden door de giftigheid ervan.

Samen met andere collega’s van, en daar ben ik blij om, alle politieke overtuigingen, heb ik sterk voor dit debat gepleit, omdat het van cruciaal belang is om op te treden tegen schendingen van internationale, humanitaire, en milieuwetten, en op te treden om te waarborgen dat militaire hiërarchieën, staten en de oorlogsindustrie volledig hun verantwoordelijkheden nemen. Onachtzaamheden en militaire geheimen, niet uitvoeren van regels met betrekking tot bescherming en tot het voorzorgsprincipe kunnen het gevaar van uranium en de kans om een groot aantal doden te voorkomen, onder het tapijt vegen.

Om deze redenen bevestig ik de verzoeken gedaan in onze resolutie, vooral om maximale transparantie te waarborgen, door besmette gebieden van merktekens te voorzien en boven alles om het idee van een onmiddellijk moratorium na te streven om snel een volledig verbod te bereiken op wapens met verarmd uranium en clusterbommen, die nog steeds slachtoffers eisen. In Libanon, heeft het Israëlische leger bijvoorbeeld in de laatste uren voor de terugtrekking meer dan een miljoen clusterbommen afgevuurd op dorpen en huizen.

Laten we tot handelen overgaan. Dank aan de Raad en de Commissie voor hun antwoorden, maar ook voor wat zij, ondanks de beperkingen waarnaar is verwezen door commissaris Louis Michel, zullen doen om verlost te worden van uraniumwapens en clusterbommen.

 
  
MPphoto
 
 

  Janusz Onyszkiewicz (ALDE).(PL) Verarmd uranium is 70 procent zwaarder dan lood. Als gevolg van de kinetische energie ervan kan daarom, zelfs een zeer klein kaliber projectiel de pantserplaat van een tank doorboren. Daarom wordt verarmd uranium gebruikt bij het leger. Er is ongeveer anderhalf miljoen ton verarmd uranium in de wereld. Het is gemakkelijk te begrijpen dat de verleiding groot is om daar gebruik van te maken. Het blijkt echter dat dit soort wapens lang niet zo effectief is als was verwacht. Zeventig procent van de beschadigde Irakese tanks werd beschadigd door wapens van andere soorten.

Klaarblijkelijk blijft de vraag over de gevolgen van het gebruik van dergelijke wapens onopgelost. Er moet duidelijk worden vastgesteld dat er nog geen definitief antwoord is gekomen. Ten slotte werken er al vele jaren duizenden mensen in uraniummijnen, zonder duidelijke ziekteverschijnselen. Niettemin bestaat er toch twijfel rond het onderwerp en daarom moet er een moratorium worden afgekondigd om de zaak eindelijk te kunnen oplossen.

 
  
MPphoto
 
 

  Roberto Fiore (NI).(IT) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de aard en de omvang van de schade ten gevolge van het gebruik van verarmd uranium is zodanig dat het ongepast lijkt deze te omschrijven als “bijkomstig”. De schade wordt aangebracht in opeenvolgende golven aan vijandelijke manschappen en aan het personeel dat deze wapens gebruikt: bijvoorbeeld het Golfoorlogsyndroom, Balkansyndroom.

De mensen die na tientallen jaren dan opdraaien voor de gevolgen zijn de burgerbevolkingen, bewoners van het oorlogstoneel, die het verarmd uranium inademen en tot zich nemen aangezien het de waterhoudende grondlagen en de voedselketen verontreinigt, en die de gevolgen van straling ervaren. De hoogste prijs van de kenmerkende schade die wordt veroorzaakt door blootstelling aan straling van zware metalen, waarvan we ons allemaal bewust zijn, wordt betaald door kinderen, lichamen in de groei, in het bijzonder ongeboren kinderen. De exponentiële groei van genetische misvormingen en tumoren bij kinderen in gebieden waar uranium is gebruikt, bewijst dit.

Een recent onderzoek van de BBC in Engeland toonde aan dat 24 uur na het zware bombardement van de Balkan, de waardes van atmosferische radioactiviteit in het noorden van Engeland het hoogst in de geschiedenis waren. Daarom stellen wij niet alleen een verbod op verarmd uranium voor, maar ook de vervolging voor oorlogsmisdaden van degenen die het gebruiken en goed op de hoogte zijn van de gevolgen en van degenen die het gebruiken als een verbod van kracht is.

 
  
MPphoto
 
 

  Gerard Batten (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, terwijl we dit onderwerp van radioactieve wapens behandelen, is dit Parlement opmerkelijk stil geweest over een Britse burger – helaas bijgevolg een EU-burger – die in december 2006 is gedood in Londen door een radioactief wapen. Ik verwijs natuurlijk naar Alexander Litvinenko, die werd vermoord in een daad van door de staat gesponsord terrorisme door middel van polonium-210.

De hoofdverdachte van de misdaad is Andrei Lugovoi, die nu lid van het Russische Parlement is en niet kan worden uitgeleverd krachtens de Russische grondwet. Intussen wordt de weduwe van Alexander Litvinenko een gerechtelijk onderzoek naar de dood van haar echtgenoot ontzegd in de Britse rechtbanken die het bewijs van zijn moord nauwkeurig zouden kunnen onderzoeken zonder een proces tegen degenen die verdacht worden van de misdaad.

Deze moord was een daad van oorlog door Rusland ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk. De Britse regering wil de confrontatie niet aangaan. Maar als men wil discussiëren over radioactieve wapens, waarom houden we dan geen debat over de moord op Alexander Litvinenko en de verreikende gevolgen ervan?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Heel in het kort, wil ik mijn dank uiten voor dit debat. Ik wil graag herhalen dat de Raad zeer actief blijft met betrekking tot externe veiligheidsonderwerpen in het verlengde van de EU-strategie tegen de proliferatie van massadestructiewapens. Binnen deze strategieën worden de belangrijkste doelstellingen van de Raad voortdurend bijgewerkt, en worden nieuwe ontwikkelingen op dit gebied voortdurend in overweging genomen en worden dan opgenomen in de herziene documenten.

Een voorbeeld hiervan is onder andere de maatregel die werd aangenomen door de Raad, ter ondersteuning van de wereldwijde goedkeuring van het verdrag op het verbod en de beperking van bepaalde soorten conventioneel oorlogstuig.

Het is interessant dat het doel van Protocol Vijf in dit Verdrag is het zoveel mogelijk verminderen van de creatie van explosief militair afval als de militaire conflicten eenmaal voorbij zijn. Het is ook interessant dat de grootste producenten en gebruikers van wapentuig dat verarmd uranium bevat dit hiervoor genoemde Verdrag al hebben ondertekend.

Het is te vroeg om nu voorspellingen te doen. Ik heb de situatie in the Raad genoemd die duidelijk blijkt uit de stemresultaten van de resolutie van het Eerste Comité van de Algemene Vergadering, die vandaag al enige malen is genoemd. Het is te hopen dat de debatten zoals het huidige in het Europees Parlement zullen bijdragen aan het bereiken van een consensus in de Raad. Maar we zullen hier meer over spreken in de nabije toekomst.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Louis Michel, lid van de Commissie. − (FR) Heel kort, Mijnheer de Voorzitter, natuurlijk neem ik goed nota van de voortreffelijke opmerkingen en specifieke voorstellen die hier zijn gedaan, en ben ik zeker van plan deze door te geven aan mijn collega Benita Ferrero-Waldner en de Commissie.

Ik moet het Huis er echter aan herinneren dat het actiebereik van de Commissie uiterst beperkt is. Zij heeft duidelijk retorische en bezwerende macht; ze kan voorstellen indienen, maar verder gaat haar macht niet. Ik wil dit graag duidelijk maken.

Dat gezegd hebbende, neem ik zeer goed nota van de zeer heldere boodschap dat er een garantie van transparantie moet zijn, zoals mevrouw Morgantini heeft gezegd. Ik ben het zeer eens met dit punt. Zij stelt een moratorium voor, en ik zal deze suggestie doorgeven. Ik denk ook te hebben opgemerkt dat er behoefte bestaat aan het opnieuw actualiseren van de onderzoeken die tot nu toe zijn uitgevoerd, of de mogelijkheid daarvan. Er bestaat geen reden waarom deze onderzoeken niet opnieuw geactualiseerd zouden kunnen worden.

U moet in ieder geval weten dat ik verslag zal doen aan de Commissie van al deze voortreffelijke toespraken en argumenten die ik hier heb gehoord, en ik twijfel er niet aan dat te zijner tijd initiatieven zullen worden genomen. Maar in elk geval zullen de ideeën worden overgebracht en zal het vrijwilligheidsprincipe deel van het proces vormen, geloof me, omdat duidelijk is dat we moeten hopen dat alle andere Europese landen kunnen doen wat België heeft gedaan. Ik zeg dit niet alleen omdat dit België is, maar natuurlijk ben ik blij dat het mijn land was dat dit heeft gedaan. Dit is misschien waar u naar streefde. Er zijn zeker nuttige en interessante inspiratiebronnen geweest, maar ik wil u laten weten dat ik al deze suggesties, commentaren en verzoeken die hier zijn gedaan in alle oprechtheid zal doorgeven.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Ik heb zes ontwerpresoluties(1)overeenkomstig artikel 108, lid 5 van het Reglement ontvangen.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt donderdag plaats.

(De vergadering wordt om 17.35 uur onderbroken en om 18.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: MANUEL ANTÒNIO DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
  

(1)Zie notulen.


13. Vragenuur (vragen aan de Raad)
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het vragenuur (B6-0156/2008).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Raad.

 
  
  

Vraag nr. 1 van Manuel Medina Ortega (H-0267/08)

Betreft: Discriminatie in paspoorten van de Europese Unie

In sommige landen van de Europese Unie worden paspoorten en andere documenten afgegeven die bij overschrijding van de grenzen niet alleen worden gebruikt door de onderdanen van die landen, maar ook door staatlozen die daar permanent verblijven. Het grootste deel van deze mensen behoort tot etnische minderheden. Is de Raad voornemens modellen voor paspoorten en andere soortgelijke documenten goed te keuren of voor te stellen waarin geen negatieve benamingen zoals “vreemdeling” meer staan vermeld, zodat een einde wordt gemaakt aan discriminatie op grond van etnische afstamming?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ik heb een tamelijk kort antwoord. Namelijk dat het uitgeven van paspoorten of reisdocumenten aan stateloze personen die permanent verblijven in een lidstaat niet onder de bevoegdheid van de Gemeenschap valt.

Daarom is de Europese Commissie noch de Raad bevoegd om veranderingen in verband met dit soort paspoort of enig ander reisdocument voor te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  Manuel Medina Ortega (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, het antwoord van de fungerend voorzitter van de Raad is inderdaad heel helder: er kan geen discussie meer zijn over dit soort onderwerpen. Misschien moet ik de vraag in enigszins andere bewoordingen stellen. Kan de Raad zich enige EU-harmonisatie voorstellen in verband met paspoorten en identificatie van paspoorten, of denkt hij dat dit onderwerp blijvend binnen de rechtsbevoegdheid van de lidstaten zal vallen?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Mijnheer Medina Ortega, dank u zeer voor uw aanvullende vraag.

Op dit moment zijn de enige gezamenlijke normen of gezamenlijke benchmarks die zijn aangenomen die in de sfeer van veiligheid, paspoorten of andere reisdocumenten.

Zelf zou ik verdere maatregelen kunnen verwachten in deze sfeer; maar net als anderen kan ik er niet over speculeren of er enige overdracht van bevoegdheid zal zijn.

Het is niet de vraag of deze zaak belangrijk is of niet, het is een kwestie van bevoegdheid. Op dit moment is de bevoegdheid van het uitgeven van identiteitsdocumenten aan personen zonder staatsburgerschap exclusief voorbehouden aan de lidstaten, en hebben de Raad en de Commissie geen bevoegdheden.

Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Ik wil graag een vraag stellen over een ander soort discriminatie. In juli is uw land, Slovenië, van plan om tolvignets op de snelwegen te introduceren en de bedoeling is twee varianten uit te geven: een jaarlijks en een halfjaarlijks vignet. Dit komt neer op discriminatie tegenover tientallen miljoenen EU-ingezetenen die naar het Middellandse Zeegebied reizen voor hun zomervakantie. Welk voorstel denkt het voorzitterschap te doen aan de Sloveense regering om dit probleem op te lossen?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Mijnheer Rack, dank u voor deze vraag. Neemt u er echter nota van dat deze vraag gericht moet worden aan de speciale lidstaat, en niet aan de Raad, die deze in deze kwestie niet vertegenwoordigt.

Aangezien ik echter het voordeel heb deze lidstaat zeer goed te kennen, wil ik er graag aan toevoegen dat dit een tijdelijke maatregel is totdat de satelliettol wordt ingevoerd, en dat de relevante instellingen in de Europese Unie zijn ingelicht over, of in kennis gesteld van, deze maatregel, en dat zij deze niet hebben opgevat als discriminerend.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 2 van Avril Doyle (H-0270/08)

Betreft: Ratificatie van het Verdrag van Lissabon

Kan het Sloveense voorzitterschap de stand van zaken met betrekking tot het proces van ratificatie van het Verdrag van Lissabon becommentariëren? Welke stappen heeft de Raad tot dusver genomen om tot een positief resultaat van het ratificatieproces te komen?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ik wil mevrouw Doyle graag meedelen dat vanaf vandaag, 21 mei 2008, dertien lidstaten het Verdrag van Lissabon hebben geratificeerd.

Misschien moet ik ze opnoemen: Hongarije tekende als eerste, vorig jaar al, gevolgd door Slovenië en Malta, Roemenië, Frankrijk, Bulgarije, Polen, Slowakije, Denemarken, Oostenrijk, Letland, Litouwen en Portugal – dit betekent dertien landen, of bijna de helft.

Slovenië heeft al tijdens het zes maanden durende voorzitterschap zijn wens bevestigd dat de ratificatieprocedure soepel zou verlopen tijdens ons voorzitterschap en daarna even effectief zou voortgaan tijdens het daaropvolgende Franse voorzitterschap, waarbij de doelstelling is dat het Verdrag van Lissabon op 1 januari 2009 in werking zal treden, zoals is gepland.

Ik moet echter benadrukken dat de ratificatie ook niet het terrein is van het voorzitterschap, evenmin als van de Raad, maar dat deze binnen de bevoegdheid van de lidstaten valt, de ondertekenaars van het Verdrag, in elk geval overeenkomstig de grondwettelijke regelingen van dat land.

Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Avril Doyle (PPE-DE). - (EN) Mijn dank aan het voorzitterschap. Ik ben blij met het feit dat tot nu toe 13 lidstaten het Verdrag van Lissabon hebben geratificeerd. U zult weten dat Ierland het enige land is dat het Verdrag zal ratificeren door de referendumprocedure.

Wij hebben op het moment in eigen land grote problemen om tegengas te geven aan de verschillende groepen van de “nee-kant”. Deze groepen verspreiden, opzettelijk of onopzettelijk, angst en verwarring met betrekking tot het Verdrag van Lissabon, vaak over kwesties die zeer belangrijk zijn maar die niets te maken hebben met het Verdrag. Kunt u daarom voor mij bevestigen, mijnheer de fungerend voorzitter, dat het recht van Ierland om het veto uit te spreken over toekomstige directe belastingsvoorstellen op geen enkele wijze in gevaar gebracht zal worden door de ratificatie van het Verdrag van Lissabon, en dat er geen enkel verband bestaat tussen de WTO-onderhandelingen en de ratificatie van het Verdrag van Lissabon?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Mevrouw Doyle, dank u voor de twee aanvullende vragen.

Ik kan bevestigen dat, ten eerste, alle besluiten in de sfeer van belasting genomen zullen blijven worden met wederzijds goedvinden. Met andere woorden, ook wanneer het Verdrag van Lissabon in werking treedt, mits het geratificeerd wordt door alle lidstaten, zal Ierland, of elke andere lidstaat, nog steeds het recht hebben om een veto uit te spreken over een kwestie betreffende belastingen.

Wat betreft uw tweede vraag, namelijk wat betreft de onderhandelingen die op het moment worden gehouden binnen de Wereldhandelsorganisatie, kan ik ook bevestigen dat deze onderhandelingen geen direct verband hebben met de ratificatie van het Verdrag van Lissabon.

Daarom is het antwoord op uw beide aanvullende vragen – ja.

 
  
MPphoto
 
 

  Marian Harkin (ALDE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil de minister ook een vraag stellen met betrekking tot de verdragen en het ratificatieproces in Ierland op het moment.

Een van de argumenten die op het moment de ronde doen, is dat, na de ratificatie van het Verdrag van Lissabon, landen hun veto kunnen verliezen bij de ratificatie van international handelsovereenkomsten – bijvoorbeeld WTO-overeenkomsten.

Zoals het nu is, is er een veto, en de “nee-kant” blijft volhouden dat dit na Lissabon zal veranderen. Ik zou graag een bevestiging hebben van het Sloveense voorzitterschap of dit het geval is of niet.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). - (EN) Met het geluk van de Ieren, kunnen de kiezers van Ierland alleen beslissen over een Verdrag dat in feite de toekomst van ons allemaal beïnvloedt. Wilt u, namens de Raad, plechtig beloven hun democratische beslissing te aanvaarden of, zullen zij met verachting behandeld worden, zoals de stemmers van Frankrijk en Nederland, als zij “nee” durven stemmen, zeer in de beruchte traditie van “Plebs, kop houden!” en Nice II?

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Dames en heren, helaas kan ik geen sprekers meer het woord geven, aangezien het reglement van orde dit niet toestaat. Ik geloof dat iedereen weet dat we studeren op een verandering van dit vragenuur, teneinde het flexibeler en ook nuttiger te maken. Ik assisteer zelf de werkgroep en we zullen te zijner tijd absoluut positief nieuws hebben. Op het moment moeten we ons houden aan het reglement zoals het is, en kan ik niet het woord geven aan meneer Higgins, ondanks dat dit gevraagd is, omdat hij de derde persoon was die hierom heeft verzocht.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ten eerste, wat betreft de vraag van mevrouw Harkin.

Er zullen veranderingen zijn ten aanzien van de conclusies van overeenkomsten met derde landen en internationale organisaties. Dit wordt vermeld in artikel 207 van het toekomstige Verdrag van Lissabon. Het is echter juist dit artikel dat tegelijkertijd zeer duidelijk een lijst verschaft van talrijke gebieden waarop de lidstaten hun veto zullen behouden, aangezien het artikel nogal wat zaken en gebieden opsomt waarvoor, als er besluiten worden genomen, de Raad het principe van consensus zal blijven toepassen.

Het is de vierde paragraaf van Artikel 207. Ik moet vermelden dat er heel wat van dergelijke gebieden zijn. Dit is bijvoorbeeld het gebied van diensten, de commerciële aspecten van intellectueel eigendom, het gebied van directe buitenlandse investeringen, het gebied van culturele en audiovisuele diensten, het gebied van sociale diensten, onderwijs, gezondheidszorg en andere gebieden. Voor al deze gebieden zal, ook wanneer het Verdrag van Lissabon van kracht wordt, het consensusprincipe gelden telkens als de Raad een besluit neemt, hetgeen betekent met de toestemming van iedere lidstaat afzonderlijk en van alle lidstaten.

Op de vraag van de heer Allister wil ik het volgende zeggen: zoals ik al heb gezegd in mijn eerste antwoord op de betreffende vraag, ligt de ratificatie van het Verdrag over de Europese Unie op het terrein van de lidstaten. Door dit Verdrag in december vorig jaar te ondertekenen, hebben de lidstaten zich verplicht om alles te doen wat in hun vermogen ligt, zodat de tekst die zij hebben ondertekend ook zal worden geratificeerd in het verlengde van hun binnenlandse regels, grondwettelijke en andere wettelijke bepalingen.

Hierbij speelt het voorzitterschap geen enkele rol. Het is bijvoorbeeld dankzij het voorzitterschap dat Slovenië, dat op het moment het voorzitterschap van de Europese Unie bekleedt, onder de eersten was die deze taak vervulden. Als de ratificatie zou mislukken, iets dat hopelijk niet zal gebeuren, zal het alleen de verantwoordelijkheid zijn van het land waar dit is gebeurd, en niet de verantwoordelijkheid van Raad, of iemand anders.

Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 3 van Colm Burke (H-0272/08)

Betreft: Onderhandelingen met de Federale Joegoslavische Republiek Macedonië met het oog op toekomstig lidmaatschap van de EU

Kan de Raad commentaar geven op de huidige stand van de onderhandelingen met de Federale Joegoslavische Republiek Macedonië?

Op welke gebieden is er naar de mening van de Raad de grootste vooruitgang geboekt? Wat zijn thans de gebieden die de meeste moeilijkheden opleveren bij het boeken van verdere vooruitgang in de besprekingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Aangezien de reikwijdte van de vraag nogal breed is, zal mijn antwoord enigszins langer zijn.

De onderhandelingen met de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië over het EU-lidmaatschap zijn nog niet begonnen. Tot de tijd dat de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië zich voegt bij de Europese Unie, is het stabilisatie- en associatieverdrag het belangrijkste kader voor de Europese betrekkingen met de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië.

In het verlengde van de prioritaire taken die zijn omschreven in het associatiepartnerschap, wordt de vooruitgang van het land op weg naar het verkrijgen van het lidmaatschap van de Europese Unie vastgelegd in het voortgangsverslag van de Commissie. In de regel wordt het verslag eind oktober of begin november gepubliceerd. De Raad kijkt uit naar de volgende beoordeling van de Commissie in de herfst van dit jaar.

De Europese Raad heeft in de conclusies van 10 december 2007 nota genomen van de vooruitgang die de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië had geboekt, en zijn spijt betuigd dat de tenuitvoerlegging van de hervormingen was vertraagd. De vertragingen waren het gevolg van binnenlandse politieke spanningen, als gevolg waarvan de aandacht van de politieke instellingen van het land werd afgewend van de prioritaire taken ten aanzien van de Europese integratie.

Op dit moment kunnen we een aantal positieve voorbeelden noemen, die erop wijzen dat de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië moeite doet om dergelijke vertragingen te vermijden. Wat betreft de politieke criteria, heeft het land vooruitgang geboekt in de sfeer van decentralisatie, het anti-corruptiebeleid, de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor Misdrijven voor het Voormalig Joegoslavië, evenals in de etnische relaties, en de tenuitvoerlegging van het akkoord van Ohrid.

Na de publicatie van het voortgangverslag van november van de EU-Commissie, heeft het land de Wet op openbare aanklagers, de Wet op de Raad van openbare aanklagers en wetgeving inzake de Raad voor etnische kwesties aangenomen, en de lege zetel in de Justitiële Raad is ook bezet. Er is ook vooruitgang geboekt op het gebied van veiligheid van documenten, grenscontroles en migratie.

De Raad zal alle politieke partijen blijven aanmoedigen om hun dialoog en samenwerking te versterken en dat met verschillende etnische groepen, zodat het land vooruitgang kan boeken met het integratieproces.

De Raad zal ook de beide kanten blijven aanmoedigen om hun inspanningen constructief te vernieuwen, zodat bij de onderhandelingen onder auspiciën van de Verenigde Naties een wederzijds aanvaardbare oplossing met betrekking tot de naamskwestie kan worden bereikt. Dit zal de regionale samenwerking verbeteren en bijdragen aan goede relaties met hun buren.

De belangrijkste hervormingen die het land nog moet uitvoeren in verband met de aanbevelingen van de associatie- en partnerschapgebieden zijn:

– overeenkomstig het akkoord van Ohrid moeten zij doorgaan met decentralisatie: tweederde van de gemeentes is al in de tweede fase van de fiscale decentralisatie;

– zij moeten evenredige vertegenwoordiging van etnische minderheden in het openbaar bestuur verbeteren, waarbij de sfeer van binnenlandse zaken hier een goed voorbeeld van is.

De volgende hervormingen zijn de politiehervormingen, juridische hervormingen, en de twee belangrijke onopgeloste kwesties uit de zogenoemde Mei-overeenkomst die een bredere politieke consensus vereisen, namelijk de wet inzake talen, en de overeenkomst betreffende regulering van de status van de slachtoffers van de conflicten van 2001.

Op 18 februari 2008 heeft de Raad een besluit aangenomen betreffende de beginselen, hoofdtaken en voorwaarden van het EU-associatiepartnerschap met de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. De Raad heeft het huidige partnerschap geactualiseerd door de geactualiseerde hoofdtaken voor verder werk te omschrijven op basis van de uitkomsten die zijn opgenomen in het voortgangsverslag van de Commissie voor het jaar 2007.

 
  
MPphoto
 
 

  Colm Burke (PPE-DE). - (EN) Dank u zeer voor uw antwoord. Ik vraag me alleen af: bent u tevreden dat de spanningen nu genoeg zijn afgenomen om mogelijk te maken dat vooruitgang wordt geboekt? En als ze voldoende zijn afgenomen, over wat voor tijdsbestek heeft u het dan waarin de noodzakelijke hervormingen volledig ten uitvoer moeten worden gebracht, zodat het volledige onderhandelingsproces weer op de rails kan worden gezet?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Zoals we weten, zijn in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië verkiezingen uitgeroepen voor 1 juni. Wij hopen dat de campagneperiode geen vertraging zal veroorzaken in het uitvoeren van de noodzakelijke hervormingen. Ook zullen de hervormingen hopelijk worden voortgezet voor en ook na de verkiezingsperiode.

Het voorzitterschap spant zich in het bijzonder in om vooruitgang te boeken bij de integratie van de westelijke Balkanlanden, met inbegrip van de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië op zijn weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie.

Wij hopen dat deze vooruitgang zo snel mogelijk bereikt zal worden, en dat het land onder andere een datum zal krijgen waarop de onderhandelingen over het lidmaatschap kunnen beginnen.

Natuurlijk hangt dit voornamelijk af van het land zelf, van de snelheid en kwaliteit van hun hervormingen die nog moeten worden voltooid, en die ik in mijn antwoord heb genoemd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Bij ontstentenis van de vraagsteller komt vraag nr. 4 te vervallen.

 
  
  

Vraag nr. 5 van Gay Mitchell (H-0276/08)

Betreft: Klimaatverandering en internationale veiligheid

In het recente document van Javier Solana over “Klimaatverandering en Internationale Veiligheid” wordt de aandacht van de Raad gevestigd op enkele belangrijke kwesties in verband met de klimaatverandering, en met name op de gevolgen hiervan voor territoriale aanspraken, exclusieve economische zones en de toegankelijkheid van nieuwe handelsroutes. De nadruk op veiligheid en geopolitieke machtsbalansen vormt een afwijking van de gebruikelijke benadering van de klimaatverandering door de EU, die gericht is op vermindering van de emissies en verbetering van de voorbereidselen op het vlak van de EU en wereldwijd. Is de Raad thans bezig met het uitwerken van een standpunt en een strategie ten aanzien van deze belangrijke kwesties?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Zoals u allen weet, heeft de Europese Raad zijn secretaris-generaal, de Hoge Vertegenwoordiger Javier Solana, en de Europese Commissie in juni 2007 uitgenodigd een gezamenlijk document te presenteren over de vraag hoe klimaatverandering de internationale veiligheid beïnvloedt.

Het gezamenlijke verslag werd gepresenteerd bij de vergadering van de Europese Raad in maart van dit jaar. Het verslag stelt mogelijke dreigingen vast en vormen van de geschillen die kunnen voorkomen in verschillende delen van de wereld als gevolg van de klimaatverandering.

Ik zou er graag een aantal willen opnoemen bij wijze van voorbeeld: geschillen tengevolge van een tekort aan middelen, in het bijzonder wanneer toegang tot middelen wordt gebruikt voor politieke doeleinden; toegenomen migratie, waarvan de consequentie is extra druk op de doorgangs- en doellanden, hetgeen politieke en etnische spanningen kan veroorzaken; en mogelijke politieke spanningen als gevolg van veranderingen in kustgebieden, verdwijning van eilanden of problemen bij toegang tot nieuwe verkeerswegen en bronnen.

Los hiervan, bevat het verslag dat ik noemde verschillende aanbevelingen die verder onderzoek vereisen; de tenuitvoerlegging ervan zou dan gevolgd moeten worden door actieplannen van de Europese Unie.

Daarom heeft de Europese Raad de Raad uitgenodigd om het gezamenlijke document te bestuderen, en om de eigen aanbevelingen over de noodzakelijke verdere maatregelen, niet later dan in december van dit jaar voor te stellen. Het doel van deze maatregelen zou onder andere zijn, het versterken van samenwerking met derde landen en regio’s in het licht van klimaatverandering en internationale veiligheid.

Ik moet vermelden dat de Europese Unie zich niet distantieert van de al bekende gezamenlijke benadering van klimaatverandering. Integendeel, met dit document wijst zij een nieuw en zeer belangrijk aspect van klimaatverandering aan, dat we niet zullen kunnen vermijden in toekomstige debatten op verschillende niveaus.

Zoals de heer Mitchell waarschijnlijk weet, heeft de Europese Raad bij zijn voorjaarszitting in 2007 de doelstellingen van de Europese Unie goedgekeurd betreffende de vermindering van uitstoot van broeikasgassen tegen 2020. Dit had de bijdrage van de Unie moeten zijn aan de wereldwijde en integrale overeenkomst voor de periode na 2012.

De Europese Raad heeft ook benadrukt dat de Europese Unie is toegewijd om Europa te veranderen in een energie-efficiënte economie, met lage uitstoot van broeikasgassen. Hij heeft het besluit aangenomen dat de Europese Unie, totdat een wereldwijde en integrale overeenkomst voor de periode na 2012 is gesloten, zal proberen om unilateraal haar eigen uitstoot van broeikasgassen tegen het jaar 2020 met niet minder dan 20 procent te verminderen, vergeleken bij het jaar 1990.

Binnen de klimaat- en enegiebundel debatteren het Europees Parlement en de Raad op het moment over de bijdrage van elke lidstaat, teneinde de hiervoor genoemde doelstelling van de Gemeenschap te halen. Los van de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, zal bij de internationale onderhandelingen over klimaatverandering ook speciale aandacht worden geschonken aan nieuwe technologieën en het zorgen voor financiële middelen.

De Europese Commissie heeft in juni 2007 haar groenboek onder de titel “Aanpassing aan klimaatverandering in Europa – mogelijkheden voor EU-actie” gepubliceerd. Dit jaar zal de Commissie, na intensief overleg met alle belanghebbende groepen, ook een witboek over aanpassing uitgeven dat een basis zal vormen voor verdere discussie met betrekking tot het beleid van de Europese Unie op dit gebied.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Ik dank de minister voor zijn antwoord, maar ik vraag me af of de instellingen elkaar hier niet tot op zekere hoogte in de wielen rijden.

Aan de ene kant worden we geconfronteerd met een milieuramp, waarbij Europa en de wereld op de oude voet doorgaan, terwijl we ons aan de andere kant gaan bezighouden met het probleem van klimaatverandering en we de harde besluiten nemen waarvan onze toekomstige generaties afhankelijk zijn.

Zoals de minister zei, heeft de Raad in zijn voorjaarsconclusies op zich genomen om de ernstige problemen van klimaatverandering aan te pakken en de ernstige besluiten die nodig zijn te nemen.

Maar is de heer Solana wel consequent? Hij zegt verschillende dingen: spreken over de behoefte aan exploratierechten voor fossiele brandstof in een van de laatste qua milieu ongerepte plaatsen op aarde, en dat een kans noemen. Druist dat niet in tegen wat de Europese Raad zegt? Zouden we alstublieft onze boodschappen kunnen coördineren?

We hebben hier toch de rapporteur over het klimaat, mevrouw Doyle, die naar dit alles luistert.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ik kan u verzekeren dat de secretaris-generaal van de Raad – de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – zonder enige twijfel hetzelfde standpunt heeft als de Europese Raad. Hij heeft zijn aanbeveling voorbereid namens de Raad. De Raad heeft het verslag verwelkomd, en heeft geen discrepanties of tegenstrijdigheden gevonden in verband met de andere besluiten van de Raad, met inbegrip van besluiten in de sfeer van het geïntegreerde klimaatbeschermings- en energiebeleid.

Daarom deel ik niet de mening dat er discrepanties zijn tussen de activiteiten van de Hoge Vertegenwoordiger en de besluiten of intenties van de Raad.

 
  
MPphoto
 
 

  Carlos Carnero González (PSE).(ES) Mijnheer de Voorzitter, ik wil graag ingaan op het antwoord van de Raad op de relevante vraag van onze collega door aan te voeren dat we, met name in de lidstaten rond de Middellandse Zee, ook moeten discussiëren over het probleem van klimaatverandering.

Een van de voorstellen in de mededelingen van de Commissie heeft betrekking op verbetering van het initiatief Horizon 2020 voor vermindering van de vervuiling van het Middellandse Zeegebied, dat zowel slachtoffer als oorzaak van klimaatverandering is, en er kan geen twijfel zijn dat zeer pragmatische actie kan worden ondernomen door dit voorstel. Heeft de Raad niet het gevoel dat dit een regionale prioriteit is in de strijd tegen klimaatverandering binnen het kader van de wereldwijde agenda van de EU?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Dank u, mijnheer Carnero González, voor uw aanvullende vraag. Wij kunnen instemmen met dit initiatief. In feite, is een van de gebieden die de heer Solana speciaal heeft aangewezen in zijn verslag het Middellandse Zeegebied, een gebied dat steeds problematischer kan worden tengevolge van de klimaatverandering, maar ook door migratie en soortgelijke problemen.

Het lijdt geen twijfel dat we kunnen verwachten dat klimaat- en milieubescherming in het algemeen een van de belangrijkste onderwerpen zal zijn binnen het proces van Barcelona, dat spoedig geactualiseerd zal worden met voorstellen voor de oprichting van een Unie voor het Middellandse Zeegebied. Ik herhaal dat dit een actualisering zal zijn van het bestaande proces van Barcelona.

Zoals u weet heeft het recent gepresenteerde document van de Europese Commissie dat verwijst naar deze kwesties een manier gevonden om ze aan te pakken, zoals de geachte afgevaardigde al aanstipte, hoewel het document vooralsnog geen specifieke projecten noemt. We kunnen echter verwachten dat dit een van de belangrijkste onderwerpen wordt in onze versterkte dialoog met landen rond de Middellandse Zee.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 6 van Jim Higgins (H-0278/08)

Betreft: Effectieve bescherming van de buitengrenzen van de EU

Kan de Raad mededelen welke vooruitgang er onder het huidige voorzitterschap is geboekt in de richting van een effectieve bescherming van de buitengrenzen en of het probleem van de drugshandel langs de kusten op het niveau van de Raad ter sprake is gebracht?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ik denk dat de heer Higgins weet dat de Raad groot belang hecht aan het efficiënte beheer van buitengrenzen. Met de vrije beweging van mensen binnen de Europese Unie, is gepaste bescherming en beheer van buitengrenzen van cruciaal belang om zo de lidstaten binnenlandse veiligheid te verschaffen en effectief terrorisme, illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden.

Voor dit doel heeft de Europese Raad tot nu toe een aantal belangrijke maatregelen uitgevaardigd. Hij heeft onder andere wettelijke instrumenten goedgekeurd, zoals de Schengen code betreffende grenzen, het buitengrenzenfonds, het Europese Agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten – afgekort Frontex. Hij heeft ook maatregelen goedgekeurd in verband met de oprichting van teams voor snelle grensinterventie.

Ik wil ook graag uw aandacht vestigen op drie mededelingen die de Commissie op 13 februari dit jaar heeft gepubliceerd. Deze mededelingen bevatten voorstellen en aanbevelingen over een mogelijk middel van grensbeheer op EU-niveau, over de toekomstige ontwikkeling van Frontex, over de mogelijke formatie van het Europese grensbewakingssysteem Eurosur genaamd, en over het in- en uitgangssysteem van de buitengrenzen.

Het debat over de voorstellen en aanbevelingen van de Commissie uit deze mededelingen heeft plaatsgevonden op 12 maart, op de Ministeriële Conferentie in Slovenië. Men verwacht dat de Raad van justitie en binnenlandse zaken de conclusies van de Raad over het beheer van de buitengrenzen van de EU-lidstaten zal goedkeuren. Deze conclusies moeten een opsomming geven van de korte-termijnprioriteiten en de lange-termijnprioriteiten voor de toekomstige ontwikkeling van Frontex, verdere aanbevelingen betreffende het werk van de the Europese Commissie ten aanzien van de allernieuwste veiligheidstechnologie, beter beheer van buitengrenzen en richtsnoeren over verder werk voor het oprichten van Eurosur.

Los hiervan houden wij nauwkeurig de activiteiten van Frontex in de gaten, in het bijzonder wat betreft de tenuitvoerlegging van gezamenlijke operaties, het Europese netwerk van kustpatrouilles, de verdere actualisering en het gebruik van uitrusting die centraal wordt opgenomen, de zogenoemde CRATE, en de mogelijke uitzending van de snelle grensinterventieteams.

De instelling van een Maritiem Analyse en Operatiecentrum – Narcotica (MAOC-N) in september vorig jaar was een belangrijke stap voorwaarts voor de grensbewaking. Dit is een centrum voor strafvervolging met militaire ondersteuning, opgericht door zeven lidstaten: het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Ierland, Nederland, Italië en Portugal. Het centrum is ook beschikbaar voor andere lidstaten.

Het doel van het centrum is het uitroeien van de illegale handel in verboden stoffen via de zee of de lucht over de Atlantische Oceaan naar Europa en West-Afrika.

Deze doelstelling moet worden bereikt door versterkte verzameling, uitwisseling en analyse van informatie en door optimale benutting van maritieme en luchtfaciliteiten van de lidstaten.

Een van de prioriteitstaken van de Raad moet ook zijn versterkte grenscontrole, en de verzameling en uitwisseling van geordende informatie over de routes van de drugshandel.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Higgins (PPE-DE).(EN) Mijnheer de Voorzitter, aangezien het drugsgebruik toeneemt en aangezien meer drugs beschikbaar komen, is het duidelijk dat de veiligheidsautoriteiten niet in staat zijn het binnenkomen van drugstoevoer met name uit Zuid-Amerika te stoppen.

Mijnheer de fungerend voorzitter van de Raad, u heeft verwezen naar de kustpatrouille; bent u en is de Raad op de hoogte van het feit dat er slechts af en toe een inspecteur in functie is bij de havens en luchthavens van de Atlantische kust in het westen van Ierland? Er is slechts één boot. En het is maar al te duidelijk dat Ierland wordt gebruikt als een poort om drugs te exporteren naar de andere lidstaten – naar uw eigen land en naar andere landen in de Europese Unie. Bent u en is de Raad bezorgd over deze situatie?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Ik ben de heer Higgins dankbaar voor deze aanvullende vraag. Ik zou graag willen benadrukken dat de Europese Raad hier echt bezorgd over is, en bezorgd zal blijven zo lang drugshandel blijft bestaan.

Wat betreft Ierland, zou ik graag willen benadrukken dat, zoals ik al eerder heb gezegd, Ierland een van die landen is die in september vorig jaar het Maritieme Analyse en Operatiecentrum – Narcotica (MAOC–N) hebben opgezet. De taak is exact het uitroeien van illegale handel in verboden stoffen die plaatsvindt via deze route, dat wil zeggen, via de zee of per vliegtuig over de Atlantische Oceaan naar Europa of West-Afrika.

Dus gezien de recente oprichting van dit centrum, verwacht ik dat het in de toekomst actiever zal worden, en het voorzitterschap zal deze ontwikkelingen ondersteunen, en zorgen voor aanmoediging met de invloed die het ter beschikking heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Minister, de uitbreiding van het gebied dat valt onder het Schengenakkoord heeft afgelopen december bezorgdheid gewekt onder veel burgers van de EU over het feit dat zij niet langer het veiligheidsniveau genieten waaraan zij gewend waren. Kan, na de vergroting van het Schengengebied, worden gezegd dat samenwerking tussen de politiemachten van lidstaten in het vergrote gebied de gewenste resultaten heeft opgeleverd?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Dank u, mijnheer Rack, voor deze aanvullende vraag.

Het is belangrijk om te beseffen dat uitbreiding van het Schengengebied niet automatisch is gegaan, of te danken is aan een impuls of vanuit zichzelf. Deze vond plaats toen de uitgebreide voorbereidingen in alle lidstaten die deel uit wilden maken van het Schengengebied eenmaal waren afgerond. De uitbreiding vond plaats toen de verantwoordelijke EU-lichamen en instellingen deze voorbereidingen aan een grondige evaluatie hadden onderworpen.

En pas toen was bevestigd dat adequate controle was ingesteld aan de toekomstige buitengrenzen van het verbrede Schengengebied, kon deze uitbreiding plaatsvinden.

Ik zou buitengewoon graag willen benadrukken dat het, aangezien we de bezorgdheid van de mensen serieus nemen, natuurlijk noodzakelijk is om hen in te lichten dat er geen feitelijke redenen zijn voor ongerustheid.

Ik herhaal, dat de uitbreiding van het Schengengebied niet zo maar heeft plaats gevonden. Deze vond plaats na grondige voorbereidingen, en nadat grondig was gecontroleerd of aan alle technische en veiligheidsvoorwaarden was voldaan, en aangezien daaraan was voldaan, kunnen we nu opnieuw de verzekering geven dat de veiligheid van buitengrenzen van het uitgebreide Schengengebied in goede handen is.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 7 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0281/08)

Betreft: Bestrijding van de armoede

Hoe denkt de Raad over de wijze waarop de vastlegging van minimumomstandigheden voor een waardig bestaan en voor waardige werkgelegenheid met volledige en productieve arbeid voor de burgers en ingezetenen van de EU voortgang vindt, met het oog op de bestrijding van het fenomeen van de armoede, met name onder kinderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Dank u voor de vraag die is gesteld door mevrouw Panayotopoulos-Cassiotou.

Werk en het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting behoren tot de grootste uitdagingen voor de Europese Unie en haar lidstaten. Ik moet er echter op wijzen dat zowel het arbeidsbeleid als het sociale beleid binnen de bevoegdheid van de lidstaten liggen, en dat de Europese Unie hun activiteiten ondersteunt en aanvult.

Daarom moeten de lidstaten de meest geschikte combinatie van beleid ontwikkelen, waarbij rekening wordt gehouden met hun economische en sociale situatie en hun werkgelegenheidssituatie.

Sta me toe om een aantal EU-maatregelen te noemen die in deze sfeer zijn genomen, waarvan de bedoeling is om, zoals ik al heb gezegd, het beleid binnen de bevoegdheid van de lidstaten die dit uitvoeren, te ondersteunen en aan te vullen.

Ten eerste reguleert de EU-wetgeving een groot aantal zaken betreffende werkgelegenheid, met inbegrip van het vrije verkeer van de arbeidskrachten, informatie en overleg, arbeidsomstandigheden en anti-discriminatie-maatregelen.

Ten tweede zijn er instrumenten zoals arbeidsrichtsnoeren, geïntegreerde aanbevelingen en gemeenschappelijke beginselen inzake flexizekerheid, en politieke aansturing van de lidstaat voor de omzetting en tenuitvoerlegging van zijn beleid.

Ten derde hebben de lidstaten, ook binnen deze open vorm van samenwerking, sterke politieke betrokkenheid getoond ten opzichte van een uitwisseling van informatie en het leren van elkaar. De open wijze van samenwerking heeft hieraan bijgedragen door instelling van gezamenlijke indicatoren, door het aanmoedigen van onderzoeken en wederzijdse studies, en door een sterkere samenwerking op EU-niveau.

In verband met de rechten van werknemers en de verbetering van arbeidsomstandigheden, reguleert de Europese wetgeving, afgezien van andere zaken, het vrije verkeer van werknemers, vrijheid van informatie en overleg, arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van arbeidsuren, gezondheid en veiligheid op het werk, en anti-discriminatiemaatregelen, die ook maatregelen bevatten voor gelijkheid van mannen en vrouwen.

Sta me toe om erop te wijzen dat artikel 137 van de overeenkomst luidt dat de voorzieningen van dit artikel niet van toepassing zijn op salarissen. Dit betekent dat de Europese Unie niet gemachtigd is om minimumlonen in te stellen en evenmin gemachtigd is minimumlonen bij te stellen tussen de lidstaten.

Binnen de open werkwijze van samenwerking, die al is genoemd, worden de lidstaten in feite aangemoedigd om adequate minimumnormen te verschaffen. Het besluit betreffende normen – het soort en de hoogte van hetgeen waarop men recht heeft – bevinden zich op het exclusieve terrein van de lidstaat.

Omdat de situatie tussen lidstaten verschilt, heeft het naar onze mening geen zin om een gezamenlijke norm op te leggen. Wij moeten in het oog houden dat in het gebied van de Europese Unie veel lidstaten geconfronteerd worden met kwesties zoals beschikbaarheid van financiële middelen, schuldplichtigheid en de houdbaarheid van sociale zekerheidssystemen. Daarom zou het dubieus zijn om gezamenlijke normen in te stellen of op te leggen in die gebieden.

Dit alles wijst erop dat de lidstaten de kwestie van minimumnormen zorgvuldig moeten voorbereiden en bespreken, en op die manier bijdragen aan de uitbanning van armoede.

Mevrouw Panayotopoulos-Cassiotou verwees in haar vraag in het bijzonder naar armoede bij kinderen. Kinderen worden geconfronteerd met armoede in huishoudens waar de ouders geen werk hebben, in huishoudens waar de mate van werk laag is en het gezinsinkomen onvoldoende is, of in gevallen dat bijstand niet voldoende is om de armoede uit te bannen.

Daarom bieden het implementeren van evenwichtige en integrale strategieën, en de strategieën van actieve insluiting, ten minste tot op zekere hoogte, een werkelijke bijdrage tot het bevorderen van het welzijn van kinderen en jonge mensen.

Dank u wel.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE).(EL) Mijnheer de Voorzitter, ik dank de vertegenwoordiger van de Raad voor zijn antwoord op mijn vraag over het waarborgen van aanvaardbare normen voor fatsoenlijke arbeids- en levensvoorwaarden. Fatsoenlijk werk is een doelstelling van zowel de wereldwijde gemeenschap van de VN, onder auspiciën van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), als van de EU. Wij hebben in ieder geval hierover een resolutie aangenomen.

Hoe denkt de Raad deze fatsoenlijke arbeids- en levensvoorwaarden ten uitvoer te brengen, met name voor kinderen?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Dank u zeer voor uw aanvullende vraag.

Ook bij deze resolutie moet rekening worden gehouden met het feit dat dit onderwerp binnen de bevoegdheid van de lidstaten ligt. De Raad kan alleen in algemene termen spreken. Natuurlijk moedigt hij de lidstaten aan om te voldoen aan de algemene voorwaarden die zijn opgenomen in de aangehaalde resolutie, of in de normen die worden gepropageerd door de Internationale Arbeidsorganisatie. Alle EU-lidstaten zijn ook lid van de Internationale Arbeidsorganisatie.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Emanuel Jardim Fernandes (PSE).(PT) Wij zijn het eens met de doelstellingen achter alternatieve energie, maar het is duidelijk dat het voedsel- en honger probleem, dat blijkt toe te nemen, bij veel mensen de vraag oproept of biobrandstof wel de juiste stap is. Mijn vraag is of u, terwijl we het ermee eens zijn dat we verder moeten gaan met alternatieve energie, publiekelijk kunt zeggen en onze burgers kunt verzekeren dat deze weg niet de toename van de kosten van voedsel en de honger in de wereld zal vergroten.

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Dank u voor uw aanvullende vraag.

De kwestie van hogere voedselprijzen is zeker een groot probleem, en daarom heeft dit High Level Forum ook een debat georganiseerd over dit thema. De Europese Raad is bereid om alles te doen om het probleem van hogere voedselprijzen aan te pakken. Om dit echter te kunnen doen, moeten wij eerst de oorzaken vinden van de stijging van de voedselprijzen – en de oorzaken zijn waarschijnlijk talrijk.

De factoren die hogere voedselprijzen veroorzaken zijn veel en gevarieerd, en daarom behandelt de Raad ze door middel van verschillende lichamen. Recentelijk is dit besproken in de Raad van Landbouw en Visserij, die bepaalde richtsnoeren heeft aangenomen die moeten bijdragen aan de vertraging van de stijging van voedselprijzen.

Enige tijd geleden werden, in deze zelfde zaal, biobrandstoffen genoemd als een van die factoren die zouden bijdragen aan hogere voedselprijzen. Er is een wereldwijd bewustzijn van de potentiële invloed van biobrandstoffen, en daarom is er een intensieve ontwikkeling van zogenoemde duurzame criteria voor de productie van brandstof. Onder deze duurzame criteria zijn zeker ook die van de sociale effecten, die we zullen trachten in overweging te nemen.

Het werk is niet afgerond, maar het gaat intensief door. Ik wil er echter graag de nadruk op leggen dat de invloed van biobrandstoffen als factor die effect heeft op hogere prijzen, zeker tot de minder belangrijke oorzaken behoort, en dat er verschillende andere oorzaken zijn die belangrijker zijn en die tegelijkertijd ook intensief in overweging worden genomen door de Raad.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 8 van Robert Evans (H-0283/08)

Betreft: Mensenrechten in Cuba

In februari 2008 heeft de Cubaanse regering bij de Verenigde Naties in New York twee convenanten van de universele mensenrechtenverklaring ondertekend. Op grond van deze juridisch bindende convenanten is Cuba verplicht de bevolking het recht van vrijheid van meningsuiting en vereniging, en het recht van reizen te geven.

Wat doet de Raad, tegen de achtergrond van deze positieve stap van Cuba en het recente, constructieve bezoek van commissaris Louis Michel aan dat land in maart, om de betrekkingen met de Cubaanse regering te normaliseren? Welke druk oefent de Raad op Cuba uit om dat land te dwingen zich aan zijn internationale verplichtingen te houden?

 
  
MPphoto
 
 

  Janez Lenarčič, fungerend voorzitter. (SL) Met betrekking tot de vraag die is gesteld door de heer Evans, wil ik graag het volgende zeggen:

De Europese Unie is verheugd dat Cuba het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR, en het Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) heeft ondertekend.

Het voorzitterschap heeft in zijn verklaring van 4 maart dit jaar de ondertekening door Cuba van de twee overeenkomsten als positief beoordeeld. Aangezien Cuba een ondertekenaar van deze wettelijk bindende internationale instrumenten is geworden, heeft het natuurlijk de verplichtingen die eruit voortvloeien, aanvaard.

Het voorzitterschap heeft Cuba aangemoedigd om voort te gaan met dergelijke positieve acties, en om zijn samenwerking met de internationale structuren op het gebied van de bescherming van de mensenrechten verder te vergroten. De Europese Unie zal de tenuitvoerlegging van deze wettelijk bindende verplichtingen ten aanzien van de mensenrechten die zijn aanvaard door Cuba nauwkeurig volgen.

De Europese Raad heeft in zijn conclusies over Cuba, in juni 2007, de Cubaanse regering uitgenodigd politieke en economische hervormingen uit te voeren die noodzakelijk zijn voor de verbetering van het dagelijks leven van de Cubaanse bevolking. De Europese Unie erkent het recht van de Cubanen om voor zichzelf te beslissen over hun toekomst. De Europese Unie is bereid om verdere constructieve steun te verschaffen voor toekomstige ontwikkelingen op alle gebieden van de Cubaanse maatschappij, met inbegrip van maatregelen binnen de ontwikkelingssamenwerking.

De Europese Unie blijft de Cubaanse autoriteiten echter herinneren aan hun speciale verplichtingen om de mensenrechten en de vrijheid van hun burgers aan te moedigen en te respecteren.

Verdere debatten vinden plaats in de Europese Raad over de mogelijkheden van het opnieuw instellen van een algemene en open dialoog met Cuba in het verlengde van de in juni vorig jaar bereikte conclusies. Of dit echter verwezenlijkt zal worden, hangt ook af van Cuba, en of dat bereid is het voorstel tot een politieke dialoog te accepteren.

Het voorzitterschap nodigt Cuba uit een verdere belangrijke stap te zetten en de beide verdragen van de Verenigde Naties te ratificeren zonder enige reserves die hun karakter en doelmatigheid zouden ondermijnen.

Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Richard Howitt (PSE). - (EN) Mijn dank aan de fungerend voorzitter voor het verdere verzoek dat hij vanavond heeft gedaan. Ik vraag me, gezien de veranderingen in de regering in Cuba, af of hij en de Raad enige verandering en toename in het enthousiasme van de Cubanen hebben bespeurd om de open politieke dialoog aan te knopen die hij noemde? Ik vraag me ook af of hij zijn gedachten zou kunnen laten gaan over het huidige debat dat plaats vindt in de Verenigde Staten en het debat dat ongetwijfeld plaatsvindt tussen de Raad en de Verenigde Staten in onze trans-Atlantische betrekkingen. Bespeurt hij daar enige verandering van beleid waardoor verdere verbeteringen in de mensenrechten in Cuba kunnen worden gestimuleerd?