Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Volledig verslag van de vergaderingen
Dinsdag 17 juni 2008 - Straatsburg Uitgave PB

12. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
Notulen
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het Vragenuur (B6-0161/2008).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Commissie.

 
  
MPphoto
 
 

  Miloslav Ransdorf (GUE/NGL). - (CS) Ik wil de Commissie graag de volgende vraag stellen: in hoeverre is het bindend...

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Het spijt mij, maar de vragen zijn zoals ze op papier staan. Er is een procedure en u kunt niet met een spontane vraag komen.

Deel één

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 25 van Lambert van Nistelrooij (H-0379/08)

Betreft: Mobiele terminatietarieven

Op 4 april heeft het Belgische gerecht (zaaknummer 2007/AR/3394) een beslissing van de Belgische regulator voor de post- en telecommunicatiediensten (BIPT) ter vaststelling van de hoogte van mobiele terminatietarieven geschorst. Daarbij is één van de belangwekkende argumenten dat schaalvoordelen van grote operators moeten worden meegewogen bij de vaststelling van terminatietarieven.

Ziet de Commissie de argumenten van het Belgische Hof als een leidraad voor haar communicatie over terminatietarieven die binnenkort is voorzien?

Is de Commissie het ermee eens dat de telecombedrijven, die nu in belangrijke mate voor de concurrentie op de mobiele markten zorgen - de zogenaamde “challengers”, in deze mededeling voldoende tijd moeten krijgen om aan eventuele nieuwe regelgeving te voldoen ?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) De vraag die het geachte lid stelt betreft het besluit van het Cour d’Appel de Bruxelles van 4 april 2008 om het besluit voor de regeling van achttien december van de IBPT inzake mobiele opzeggingstarieven in België op te schorten. Dit besluit inzake regels werd eerder opgemerkt en beoordeeld door de Commissie volgens artikel 7 van de kaderrichtlijn. De Commissie kent dit besluit van de rechtbank en werd door de nationale regelgevende instantie, de IBPT, geïnformeerd dat zij, volgend op deze nietigverklaring, een nationaal overleg was gestart over een conceptbesluit waarbij de mobiele opzeggingstarieven weer werden op hetzelfde asymmetrische niveau gebracht als in haar vorige regelgevende besluit van 11 augustus 2006.

In de context van het communautaire raadplegingsmechanisme (de “artikel 7-procedure”) heeft de Commissie talloze malen haar standpunt uiteengezet dat de opzeggingstarieven moeten worden gereduceerd tot het niveau van efficiënte kosten. Hierdoor ontstaan gelijke kansen voor verschillende beheerders, worden operators aangespoord om efficiënter te worden en krijgen consumenten meer voordeel, waaronder lagere prijzen. De Commissie begrijpt de noodzaak voor een overgangsperiode voor beheerders om het efficiënte kostenniveau te bereiken. Het voortbestaan van een hoger opzeggingstarief is echter niet gerechtvaardigd na een periode die lang genoeg is voor een beheerder om zich aan marktomstandigheden aan te passen en efficiënt te worden tenzij er objectieve kostenverschillen zijn die buiten het bereik van de betreffende beheerders liggen.

De Commissie houdt rekening met het feit dat verschillende benaderingen van de regulatie van opzeggingstarieven mogelijk de consolidatie van de interne markt en de verwezenlijking van voordeel voor consumenten van de grensoverschrijdende concurrentie en diensten kunnen belemmeren. Daarom is begeleiding en een grotere rechtszekerheid voor zowel beheerders als nationale regelgevende autoriteiten voor de opzeggingsmarkten een prioriteit voor de Commissie. De Commissie werkt daarom aan een aanbeveling voor een gezamenlijke benadering voor zowel mobiele als vaste opzeggingstarieven die grotere helderheid en consequentheid op dit zeer belangrijke maar ook complexe gebied moet bevorderen. Dit zorgt voor maximaal voordeel voor consumenten wat betreft economisch verantwoorde prijzen en efficiënte ontwikkeling van innovatieve diensten. Een dergelijke aanbeveling kan ook een leidraad zijn voor nationale rechtbanken.

De consolidatie van de interne markt kan ook worden belemmerd door rechtbankbesluiten in verschillende lidstaten als die tot gevolg hebben dat verschillende interpretaties worden gegeven over hoe vergelijkbare concurrentieproblemen aangepakt moeten worden. Hoe dan ook, de Commissie volgt alle besluiten en oordelen van de rechtbank nauwgezet. Ook op het gebied van opzeggingsmarkten, zoals het besluit van het Cour d’Appel, waar het geachte lid in deze vraag naar verwijst.

 
  
MPphoto
 
 

  Lambert van Nistelrooij (PPE-DE). (NL) Voorzitter, ik dank de commissaris zeker voor het antwoord, omdat zij heel goed analyseert wat er aan de hand is. Mijn vervolgvraag zou kunnen zijn: waar zie je nu dat onderscheid per lidstaat? Door de uitspraak in België zou je ertoe geneigd zijn om te zeggen dat er nog steeds geen goede level playing field verhouding is tussen grote aanbieders en tussen de nieuwkomers op de markt. Kan dat betekenen dat we een langere overgangstijd krijgen? Kan het betekenen dat we Europees breed als het ware wat meer tijd bieden voor die aanpassing. Nu zie je toch dat de kleintjes de dupe zijn van die markt.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) De Commissie heeft gelijk vanaf het begin de noodzaak voor een overgangsperiode voor beheerders onderkend, zoals ik in mijn eerste toespraak zei, om een efficiënt kostenniveau te bereiken.

Tijdelijke probleemgebieden moeten echter binnen een redelijk tijdskader geleidelijk worden opgeheven. Dat hogere opzeggingstarieven voortbestaan na een periode die lang genoeg is voor een beheerder om zich aan marktomstandigheden aan te passen en efficiënter te worden is niet gerechtvaardigd, tenzij zoals ik eerder zei er objectieve kostenverschillen zijn die buiten het bereik van de betreffende beheerders liggen.

Door prijzen boven een efficiënt, op kosten gebaseerd niveau toe te staan kan de motivatie voor beheerders worden verminderd om te innoveren en prijzen te verlagen. Bovendien betalen klanten uiteindelijk hogere prijzen dan anders het geval zouden zijn bij een situatie van op kosten gebaseerde symmetrische opzeggingstarieven. De opzeggingstarieven moeten dus zo snel mogelijk worden verminderd tot het niveau van de efficiënte kosten, zonder zoals eerder gezegd de positie van de bedrijven of de consumenten te benadelen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 26 van Katerina Batzeli (H-0386/08)

Betreft: Crisibeheersingsbeleid en de stijgende kosten voor levensonderhoud

De stijgende kosten voor levensonderhoud, die het gevolg zijn van de oplopende olieprijzen, de recente voedselcrisis, speculatie en van tekortschietende controlemechanismen, doen de inflatie oplopen en zetten de inkomens onder druk. Er bestaat derhalve behoefte aan een alomvattende, pan-Europese aanpak van deze ernstige situatie.

Welke maatregelen denkt de Commissie te gaan nemen voor het aanpakken van deze crisis, die zich inmiddels ook in de nationale economieën doet voelen en het inkomen van de huishoudens onder druk zet, waardoor het grote publiek ook vraagtekens plaatst bij de rol van de euro ten opzichte van de prijs van olie?

Welke maatregelen gaat de EU nemen om de mondiale speculatie in de handel aan te pakken? Wordt er gedacht aan communautaire en/of nationale crisibeheersingsmechanismen? Hoe zullen de nationale instanties geholpen worden om de speculatie, met name door bedrijven met een machtspositie, te bestrijden?

Behoort de vaststelling van maximumverkoopprijzen voor bepaalde basislevensmiddelen tot de prioriteiten van de Commissie?

Is het aanvaardbaar dat sommige regeringen de indirecte belastingen op dit moment verhogen om hun inkomsten te vergroten? Is het niet nuttig na te denken over een verlaging van de BTW en de indirecte belastingen op bepaalde eerste levensbehoeften en producten op Europees niveau?

Vraag nr. 27 van Leopold Józef Rutowicz (H-0399/08)

Betreft: Stijging van de voedselprijzen binnen de EU

De behoefte aan biobrandstoffen en de gestegen vraag naar voedsel zijn ondermeer de oorzaak van een aanzienlijke stijging van de voedselprijzen, waardoor vooral de EU-burgers met een laag inkomen worden getroffen. Tegelijkertijd vermindert het systeem ter beperking van de productie van bepaalde artikelen de concurrentie, welke de prijsstijging zou kunnen beperken. Welke stappen zijn er genomen ter beperking van de voedselprijzen op de markten van de EU?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Omdat de twee vragen, zoals de Voorzitter terecht opmerkte, min of meer samen vallen, wil ik de mogelijkheid gebruiken om een gezamenlijk antwoord op beide vragen te geven.

Als we kijken naar het eurogebied is de inflatie gedaald van acht tot tien procent in de jaren zeventig en tachtig naar drie procent in de jaren negentig en is het nu een gemiddelde van iets meer dan twee procent in de eerste tien jaar van de Europese Monetaire Unie.

Sinds het derde kwartaal van 2007 hebben echter wereldwijde schokken in de energie- en voedselprijzen de druk op de inflatie opgevoerd, niet slechts in de Europese Unie maar overal ter wereld.

De sterke euro verzwakte in enige mate het effect van de stijging of toename van prijzen voor brandstof en olie. Maar we moeten onder ogen zien dat de inflatiecijfers van 1,9 procent in augustus vorig jaar zijn gestegen naar 3,6 procent in april 2008.

De Commissie heeft haar standpunten betreffende de recente stijging van voedselprijzen genoemd in de mededeling “Het probleem van de stijging van de voedselprijzen aanpakken – richtsnoeren voor maatregelen van de EU”. Naast enkele andere factoren hebben de hogere olieprijzen geleid tot hogere prijzen op de landbouwmarkt binnen de Europese Unie, zowel door hogere landbouwinvoer als ook logistieke kosten.

Hoewel de vraag naar landbouwproducten wordt beïnvloed door de markt voor biobrandstoffen, hebben alle analyses van de Commissie aangetoond dat er verschillende oorzaken zijn voor de wereldwijde stijging van voedselprijzen. Ze komen zowel uit structurele als tijdelijke factoren voort. Daarbij heeft de huidige EU-productie van biobrandstof zeer weinig invloed op de huidige wereldwijde voedselprijzen. De laatste schattingen wijzen erop dat ongeveer één procent van het land binnen de Europese Unie voor biobrandstoffen wordt gebruikt.

Maar het is duidelijk dat de recente toename van landbouwprijzen slechts gedeeltelijk de stijging van voedselprijzen in de winkel kan verklaren, er is dus soms een discrepantie tussen de prijs bij de boer en de prijs in de supermarkt of de winkel.

Omdat de huidige crisis vele verschillende kanten kent, is het antwoord dat de Commissie heeft voorgesteld net zo veelomvattend en gericht op de aanpak van zowel de gevolgen op korte termijn als de krachten die op lange termijn de stijgende voedselprijzen aansturen. Om de prijsdruk in de landbouwsector te verlichten, hebben we binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) reeds verdere stimulansen gegeven om de marktgerichtheid te vergroten en te proberen de productie te verhogen. Door de verplichte braaklegging voor dit productiejaar op nul te zetten en door een verhoging van melkquota die gold vanaf 1 april 2008 hebben we zeer snel gereageerd. De Europese Unie heeft bovendien besloten om de importheffingen op granen voor het huidige marketingjaar voor de meeste granen in te trekken.

Natuurlijk zullen we verder ingaan op deze vragen bij de komende discussies over de gezondheidscontrole van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Om het mogelijk te maken om vooral iets te doen voor de behoeften van de allerarmste mensen in de EU, staan modernisering en verbetering van de regeling op stapel en doen we later dit jaar een voorstel.

Ik denk dat het ook belangrijk is dat we investeringen in landbouwonderzoek blijven aanmoedigen en bevorderen zodat niet alleen in Europa maar wereldwijd de groei in duurzame productiviteit vergroot.

Inzake de prijsvorming op de landbouwmarkt wil de Commissie de speculatieve activiteiten van beleggers in met goederen verbonden financiële markten en het effect ervan op de prijsontwikkeling in het oog houden.

Wat betreft de vraag over de machtspositie: alle misbruik van dominante posities is onderhevig aan artikel 82 van het Verdrag, of het equivalent daarvan in de nationale wetgeving. De Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten zijn alert op alle eventuele schendingen van het communautaire mededingingsrecht.

De Commissie ziet er in het bijzonder op toe dat de concentratie van een communautaire dimensie geen significante belemmering vormt voor effectieve concurrentie en schadelijk is voor consumenten of voor bepaalde bedrijven. In dit verband zal de Commissie ook het functioneren van de levensmiddelenketen onderzoeken in combinatie met het toezicht op de detailhandel, waartoe besloten is in verband met de evaluatie van de interne markt.

De maatregelen die door de lidstaten en de gemeenschap worden genomen, worden, zoals bepaald in het Verdrag, uitgevoerd in overeenstemming met de beginselen van de interne markt en grensoverschrijdende concurrentie. Op dit moment verwachten we geen vaststelling van maximumverkoopprijzen voor bepaalde basisvoedselproducten.

De Commissie is zich ervan bewust dat overheden momenteel indirecte belastingen verhogen om openbare financiering te stimuleren. De Commissie deelt bovendien het standpunt van de ministers van Financiën dat vertekende fiscale en andere beleidsmaatregelen die de noodzakelijke aanpassingen in de weg staan, vermeden moeten worden.

De Commissie overweegt ten slotte dat gerichte maatregelen op korte termijn, om de impact van hogere energieprijzen op armere delen van de bevolking te verlichten, wellicht gerechtvaardigd zijn. Ze moeten echter natuurlijk geen vervormend effect hebben of de noodzakelijke structurele aanpassingen vertragen. Een algemene verlaging, daar zijn we het denk ik allemaal over eens, of het nu van belasting of BTW is, is per definitie niet gericht op de armere delen van de samenleving.

De acties van de Commissie betreffen niet alleen de binnenlandse effecten (ik denk dat we allemaal toegewijd zijn aan het zorgen voor gelijke kansen, ook voor ontwikkelingslanden) en tot nu toe heeft de Commissie meer dan 300 miljoen euro aan noodvoedselhulp uitgetrokken. We bevorderen bovendien actief een gezamenlijk antwoord op internationaal niveau in overeenstemming met de conclusies van de FAO-top die twee weken geleden plaatsvond.

Ik denk dus dat we hebben gereageerd op de uitdagingen waar de nieuwe situatie ons allen voor plaatst.

 
  
MPphoto
 
 

  Katerina Batzeli (PSE).(EL) Mevrouw de Voorzitter, allereerst wil ik de commissaris bedanken voor het uitgebreide antwoord dat zij op mijn vraag heeft gegeven. Ik wil echter twee kwesties benadrukken die de Commissie moet aanpakken, en wel direct en niet op middellange termijn.

Het eerste is de prijsbeheersing, vooral voor voedselproducten, zoals u terecht noemde. Dit is niet zo zeer een zaak van het instellen van een maximumverkoopprijs, maar van het vaststellen van de productiekosten en het winstpercentage dat bedrijven mogen ontvangen, gesteld dat deze grens geen belemmering vormt voor de interne markt of de importen.

Het tweede punt dat ik naar voren wil brengen is dat de verhoging van de quota voor braaklegging en melk welkome maatregelen zijn, maar ik denk dat het verhogen van de productiekosten van pesticiden, gezien de stijgende olieprijzen, zonder resultaat zal blijven.

 
  
MPphoto
 
 

  Leopold Józef Rutowicz (UEN).(PL) Allereerst mijn dank aan de commissaris voor een zeer uitgebreid antwoord over dit onderwerp.

Er zijn meerdere problemen die ik interessant vind. Het eerste is de handel in productiebeperkingen voor suiker. We weten dat de handel in suikerproductie het vermogen om bepaalde productiecapaciteiten te gebruiken in verschillende landen beperkt. Op dit gebied dringen concerns een bepaald beleid op. Als de productie van suiker wordt beperkt, verdwijnt de concurrentie vanzelf.

De tweede kwestie is dat bepaalde belastingen worden opgelegd voor een aantal basisproducten zoals bananen. De allerarmsten hebben deze producten juist nodig. Deze belastingen dienen onderzocht te worden. Bananen worden ten slotte door kinderen gegeten. Ze worden door de kinderen van arme gezinnen gegeten. Het opleggen van belasting op dergelijke levensbehoeften, met uitzondering van alcohol, moet ook worden bekeken. Ik ben het ermee eens dat toezicht op en controle van de markt nodig zijn, net zoals toezicht op marktprijzen. Profiteert de Commissie echter van bepaalde importen om de prijzen van bepaalde goederen te verlagen van de import van goedkopere goederen op de nationale markt die zijn (...).

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Mevrouw Batzeli, ik denk dat het belangrijk is dat we een controlesysteem hebben om te zorgen dat prijzen niet omhoogschieten. Het is precies de plicht van de nationale mededingingsautoriteiten om hier een oog op te houden. Ik kan u zeggen dat we binnen de Commissie ook een discussie hebben gevoerd met de commissaris die verantwoordelijk is voor mededinging en dat we ons zeer bewust zijn van deze problemen.

Aan de heer Rutowicz: Ik weet niet of u verwijst naar de suikerhervorming. Daarbij besloten we om de productie van suiker binnen de Europese Unie met zes miljoen ton te verlagen en zochten we een mogelijkheid om de boeren die uit de suikerproductie stapten een zeer redelijk pakket te bieden. Dit besluit is echter een aantal jaren geleden genomen.

Wat betreft de prijs van geïmporteerde producten: ja, het klopt dat dit afhankelijk is van invoerrechten. Dat is precies de reden waarom we momenteel in het kader van de WTO-ontwikkelingsagenda van Doha bespreken of we een overeenkomst kunnen bereiken over een algemene verlaging van deze rechten in het algemeen.

Ten slotte, wat betreft de voordelen van fruitconsumptie: ik ben het niet met u oneens. Daarom presenteren we (bij de volgende vergadering die hier in Straatsburg plaatsvindt) een regeling voor groente en fruit voor schoolkinderen. Ik ben er vrij zeker van dat dat zeer waardevol zal zijn en schoolkinderen goede gewoontes zal aanleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT) Mijn vraag gaat over accijnzen. Tijdens de debatten over accijnzen op alcohol waren er voorstellen voor het toepassen van een nultarief voor accijnzen. Wat is uw standpunt betreffende accijnzen op brandstof? De huidige situatie geeft immers geen aanleiding voor tijdelijke oplossingen zoals deze. Zou het mogelijk zijn om de accijns op brandstof, al is het tijdelijk, te verlagen om prijsstijgingen in de levensmiddelenbranche en andere sectoren te voorkomen?

 
  
MPphoto
 
 

  Andreas Mölzer (NI).(DE) Commissaris, de stijgende voedselprijzen zijn een communautair probleem en in het bijzonder een probleem voor gezinnen met lage inkomens. Zij staan hierdoor bijna aan de rand van de financiële afgrond. In hoeverre zal het geplande Europees voedselhulpprogramma voor behoeftige sociale groepen worden doorgezet om snelle hulp te bieden aan diegenen die door deze stijgingen van voedselprijzen in nood dreigen te raken en zelfs met honger worden bedreigd?

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Ik zie allereerst een verlaging van de BTW niet als een mogelijke oplossing. De olieprijzen zijn op dit moment ongeveer 136 - 137 dollar per vat. Wat zou de volgende vraag zijn als we nu de BTW verlagen en vervolgens een olieprijs krijgen van 160 dollar per vat, gaan we het dan nog verder verlagen?

We moeten veel verder vooruit zien bij het zoeken naar oplossingen. Daarom hebben we hier dus investeringen aangemoedigd om de afhankelijkheid van olie te verminderen. Dat is mogelijk binnen de landbouwsector en we bespreken het nu ook voor de visserijsector omdat de visserijsector zelfs nog afhankelijker is van de olieprijzen. Daarom zijn investeringen in nieuwe technologieën veel meer toekomstgericht dan slechts een vermindering van de BTW.

In antwoord op de andere gestelde vraag: we zullen dit jaar een voorstel doen voor de allerarmste mensen binnen de Europese Unie. Er bestaat al een regeling, maar de voortzetting daarvan is gebaseerd op overschotten – interventievoorraden van landbouwproducten – en die hebben we niet meer. We hebben dus een rechtsgrond voor een nieuwe regeling nodig. Ik hoop dat de geachte leden tevreden zullen zijn wanneer ze zien wat wij overwegen als manier om de economische basis voor een dergelijke regeling voort te zetten of zelfs te vergroten. Ik ben het er volledig mee eens dat we fatsoenlijke oplossingen moeten zoeken.

 
  
MPphoto
 
 

  Jim Allister (NI). - (EN) Commissaris, in antwoord op vraag 27 vertelde u dat slechts één procent van het land in de EU voor productie van biobrandstof wordt gebruikt. Wellicht is het percentagecijfer in Noord-Amerika een relevanter percentage, aangezien we de granen daarvandaan importeren. Dat percentage is voor velen van ons een reden om te geloven dat biobrandstoffen wel degelijk de prijzen van diervoeder doen toenemen. Kunt u ons dus daarover op de hoogte brengen?

Ten tweede, iets anders dat de prijzen doet toenemen is de voortdurende trage en onwillige houding van de Commissie om genetisch gemanipuleerde rassen, die veel goedkoper zouden zijn, toe te staan. Kunt u ons inlichten over de vorderingen op dit gebied? Zijn we al iets dichterbij gesynchroniseerde goedkeuringen voor belangrijke gebieden die tevens leveren?

 
  
MPphoto
 
 

  Ewa Tomaszewska (UEN).(PL) Mevrouw de commissaris, ik wil de Commissie vragen of zij een verlaging van BTW op kinderkleding wil overwegen. Dat zou de belastingdruk voor grote gezinnen verlagen, maar niet die van welvarende gezinnen.

 
  
MPphoto
 
 

  Mariann Fischer Boel, lid van de Commissie. (EN) Ik denk allereerst dat het belangrijk is bij een gesprek binnen de Europese Unie over biobrandstoffen dat we niet met de vinger wijzen naar de Europese manier om deze kwestie op te lossen. De reden hiervoor is dat, wanneer als gevolg hiervan bio-ethanol/biodiesel de zondebok wordt, een situatie ontstaat waarin niemand wil investeren. Dan blijven we volledig achter, en afhankelijk van import van ethanol en biodiesel. Als we deze niet hebben, zullen we niet in staat zijn voor 2020 het doel van 20 procent broeikasgasemissie te halen. We moeten dus een oplossing vinden en op dit moment is de eerste generatie biobrandstoffen de enige oplossing.

Maar, ik denk dat we het er over eens zijn dat we zoveel mogelijk het onderzoek en de ontwikkeling moeten ondersteunen van de tweede en zelfs derde generatie biobrandstoffen uit afval, drijfmest, stro en andere producten - zoals houtsnippers - uit de landbouwsector die op dit moment niet worden gebruikt. Dat is de toekomst, maar we moeten wel bij deze ontwikkeling betrokken zijn. Daarom hebben we de eerste generatie als opstap nodig.

Ik weet dat er in dit huis verschillende meningen zijn over genetisch gemanipuleerde gewassen, maar het is duidelijk dat er een situatie moet ontstaan waar we voeder voor onze dieren, voor onze vleesproductie, tegen redelijke prijzen kunnen importeren. Als we geen oplossing vinden, zal de productie van vlees in Europa dalen. Dit gaat trouwens ook over genetisch gemanipuleerde granen, vooral maïs. Vervolgens moeten we vlees uit Brazilië importeren – vlees of dieren die met genetisch gemanipuleerde gewassen zijn gevoerd, waar wij of de consumenten niet van houden – en krijgen we het via een omweg. Ik denk dat we dan echt de consumenten voor de gek houden.

We hebben dus ons eigen goedkeuringssyteem nodig. Ik denk dat er vooruitgang wordt geboekt om de aanvragen die nog niet zijn goedgekeurd terug te krijgen, waardoor de procedure in EFSA wordt versneld zonder de kwaliteit te verliezen.

Ten slotte, mevrouw de Voorzitter, zeg ik heel direct dat ik geen specialist ben op het gebied van BTW op kinderkleding dus in plaats van een verkeerd antwoord te geven lijkt het mij beter dat de vraag schriftelijk wordt gesteld.

 
  
  

Deel twee

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 28 van Ioannis Gklavakis (H-0381/08)

Betreft: Strategie ten behoeve van de viscultuur

De VN-organisatie voor voedsel en landbouw voorspelt dat de consumptie van visserijproducten in de periode tot 2030 met vijftig procent zal toenemen en dat de viscultuur in het grootste deel van de vraag zal moeten voorzien. In cijfers betekent dat een productietoename van veertig miljoen ton. Gezien de voortdurende teruggang van de voorraden en de steeds grotere vraag in de hele wereld naar vis en schaaldieren krijgt de aquacultuur steeds grotere betekenis.

Gelet op bovenstaande luidt mijn vraag aan de Commissie, of zij bij de herziening van de strategie voor de viscultuur in de EU enige richtsnoeren zal verstrekken aangaande de ruimtelijke ordening op zee voor de viscultuur? Welke maatregelen denkt zij te nemen om te zorgen dat de communautaire producten kunnen concurreren met producten uit derde landen, die onder soepeler regelgeving worden geproduceerd? Denkt zij aan andere innoverende maatregelen voor de ontwikkeling van deze bedrijfstak?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. (EN) Ik wil allereerst het geachte lid, de heer Gklavakis, bedanken dat hij met zijn vraag het belang van de aquacultuur naar voren heeft gebracht en ik geef graag het standpunt van de Commissie in deze kwestie weer.

Zoals u terecht noemde, en zoals werd aangegeven door de Voedsel en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, wint de wereldwijde aquacultuurindustrie aan belang en speelt deze een essentiële rol voor de overbrugging van de kloof tussen een groeiende vraag naar eetbare zeevis en schaal- en schelpdieren en het aanbod van visproducten, vooral tegen de achtergrond van afnemende populaties wilde vis.

De Commissie is op dit moment bezig met de opstelling van een mededeling voor een strategie voor duurzame ontwikkeling van communautaire aquacultuur, die eind 2008 afgerond moet zijn. De bedoeling van de strategie is om de beste omgeving te ontwikkelen voor de duurzame groei van de aquacultuur, zodat zowel voor een adequaat aanbod van eetbare zeevis en schaal- en schelpdieren voor de burgers van de Europese Unie zorgt als naleving van de strenge normen voor milieu en volksgezondheid.

De toegang tot ruimte voor aquacultuur blijkt inderdaad een belangrijk obstakel te zijn bij de ontwikkeling van aquacultuur. Maritieme ruimtelijke planning kan een rol spelen bij de oplossing van deze kwestie. In de aanstaande aquacultuurstrategie zal deze kwestie zijn opgenomen.

De kwestie van concurrentie van derde landen met lagere productienormen kan worden opgelost met regelingen voor marktdifferentiatie zoals certificering. Bij het opstellen van de strategie zal aandacht aan deze kwestie worden besteed.

Daarnaast zijn de concurrentiepositie en innovatie centrale kwesties die in deze strategie worden behandeld.

 
  
MPphoto
 
 

  Ioannis Gklavakis (PPE-DE).(EL) Mevrouw de Voorzitter, mijn dank aan de commissaris voor zijn antwoord.

Ik wil graag nog het volgende toevoegen. U hebt er zelf al op gewezen, commissaris, dat consumenten steeds meer zeevruchten willen eten – vis, schaaldieren en dergelijke. De afgelopen jaren zijn ook organische producten enorm in populariteit gestegen bij de consument. Veel mensen die in deze sector actief zijn, gaan over op organische viscultuur, enerzijds omdat het gezondere voedingsmiddelen oplevert, anderzijds – en dat is een heel belangrijk aspect – omdat het milieuvriendelijker is.

Overweegt de Europese Commissie maatregelen te nemen om de organische viscultuur te stimuleren, te versterken en te ondersteunen? Zo ja, kunt u ons dan vertellen wat die maatregelen inhouden en hoe deze zeer belangrijke kwestie, die we willen stimuleren, kan worden ondersteund?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. (EN) Wat uw vraag met betrekking tot de gestegen vraag betreft: de consumptie van aquacultuurproducten, zeevruchten en gekweekte vis is onmiskenbaar gestegen, exponentieel gegroeid zelfs, en dat is een goede zaak, want zoals bekend zijn de visbestanden in diverse wateren van de Gemeenschap en elders in de wereld overbevist. We hebben een toestand bereikt waarin het op korte tot middellange termijn onmogelijk voor te stellen is dat de vangsten zullen toenemen en om die reden moet aan de gestegen vraag worden voldaan door de productie van gekweekte vis te verhogen.

Dit op zichzelf kan echter op twee punten problemen veroorzaken: ten aanzien van speciale overwegingen, zoals ik in mijn antwoord heb aangegeven, en ten aanzien van het aanbod van vismeel, omdat vismeel zelf voor een groot deel afhangt van de vangst van kwalitatief inferieure industriële vis, en de bestanden van die vis worden ook bijzonder intensief geëxploiteerd.

We zijn momenteel zelf bezig de ontwikkeling van organische aquacultuur te stimuleren. Uit het openbare raadplegingsproces is naar voren gekomen dat organische productiemiddelen verder ontwikkeld moeten worden en we zijn aan het onderzoeken welke manieren en middelen er voor kunnen zorgen dat er in de mededeling, in het pakket dat later nog behandeld zal worden, specifiek zal worden gesproken over de organische aquacultuur: over hoe we haar verder kunnen stimuleren en over welke maatregelen genomen kunnen worden, bijvoorbeeld milieukeurprogramma’s, om de consumenten er bewuster van te maken dat het zinnig is organische producten te eten. Op die manier hopen we de ontwikkeling van deze belangrijke industrie verder te kunnen bevorderen.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, aan het einde van uw toespraak noemde u indirect de milieukeuren. Ik wilde ook, indirect, de vraag stellen of er garanties zijn dat niet alleen de herkomst van de vis, maar ook de productie en de productieomschrijving transparant zullen zijn voor de consumenten, opdat zij weten waar de vis vandaan komt en waar deze gekweekt is. Het gaat dus niet zozeer over de biologische waarde van dit proces, maar meer ook over de herkomst op zich. Bestaan er op dit gebied consequente regelingen?

 
  
MPphoto
 
 

  Jörg Leichtfried (PSE).(DE) Commissaris, aan deze vraag zou ik graag direct het volgende willen toevoegen: recentelijk ben ik door diverse Oostenrijkse consumentenbeschermingsorganisaties benaderd over het feit dat schaaldieren, in het bijzonder schaaldieren die worden geïmporteerd in de Europese Unie en die dus ook naar Oostenrijk komen, uit economische overwegingen – wellicht omdat ze daardoor makkelijker te kweken zijn – in toenemende mate worden behandeld met antibiotica en andere ongewenste geneesmiddelen. Deze stoffen worden vervolgens via de voedselketen doorgegeven aan de mens. Neemt de Commissie maatregelen om dit in de toekomst te kunnen beperken of voorkomen?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. (EN) Met betrekking tot de vraag over de herkomst van vis wil ik twee punten onder de aandacht brengen. Het eerste punt gaat over in het wild gevangen vis, die vaak in de verwerkingsketen belandt – vis die met name door derde landen in het wild wordt gevangen, maar ook door onze eigen vissers. In dit verband wordt momenteel een verordening aangenomen die illegale visserijactiviteiten moet inperken. Dat zal onze regeling al aanzienlijk versterken, zodat illegaal gevangen vis niet zal worden toegelaten op de gemeenschappelijke markt, noch in oorspronkelijke staat, noch na verwerking. Dat was het eerste punt.

Het tweede punt betreft aquacultuur. Op dit gebied onderzoeken we manieren en middelen om te garanderen dat gekweekte vis die wordt geïmporteerd in de Gemeenschap voldoet aan de vereiste gezondheidsnormen en -voorschriften. Zo kunnen onze consumenten er zeker van zijn dat het product dat ze eten hetzelfde niveau van gezondheidsbescherming heeft als onze eigen producten. Het DG SANCO houdt zich daar momenteel mee bezig. Er is tevens een certificeringsregeling om te bevestigen dat producten die op de gemeenschappelijke markt komen conform de vereiste gezondheidsnormen zijn.

Ten aanzien van een vraag die hier ook verband mee houdt, is het belangrijk te benadrukken dat we de mogelijkheid onderzoeken, zoals ik eerder al zei, milieukeuren toe te kennen aan aquacultuurproducten. In eerste instantie ging de discussie uitsluitend over milieukeurmerken voor in het wild gevangen vis, omdat de parameters verschillen. Bij die categorie is de voornaamste taak van de milieukeur te garanderen dat de vis op duurzame wijze gevangen is. Als er dus vis wordt verkocht die overbevist wordt, dient deze geen milieukeur te krijgen.

Bij het toekennen van milieukeuren aan aquacultuurvis zijn de parameters anders, dus dient de toekenning op andere redenen gebaseerd te zijn, zoals het feit dat de vis is gekweekt onder omstandigheden die voldoen aan bepaalde milieu-, gezondheids- en sanitaire normen. We bestuderen momenteel de parameters en we zullen uiteraard op een later tijdstip terugkomen bij het Parlement met voorstellen die gericht zijn op het invoeren van, het bevorderen van de invoering van, of het opstellen van minimale criteria voor de toepassing van vrijwillige milieukeuren op dit gebied.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 29 van Brian Crowley (H-0416/08):

Betreft: Aanvragen veiligheidstonnage

Op 13 juni 2006 heeft het Gerecht van eerste aanleg positief geoordeeld ten aanzien van 20 Ierse aanvragen voor een veiligheidstonnage, en daarmee een streep getrokken door Beschikking 2003/245/EG(1) van de Commissie van 4 april 2003 inzake 20 aanvragen voor een veiligheidstonnage. Het gerecht was van oordeel dat de Commissie gebruik had gemaakt van criteria die niet in de regelgeving voorkomen (d.w.z. vaartuigen moeten ten minste vijf jaar oud zijn om aanvragen voor een veiligheidstonnage te kunnen indienen) en dat ze haar bevoegdheden had overschreden.

Alle aanvragen voor een veiligheidstonnage waren vóór 31 december 2001 bij de Commissie ingediend, zoals vereist krachtens Beschikking 97/413/EG(2)van de Raad (zie artikel 4, lid 2).

Het Gerecht vond dat de Commissie dit artikel niet correct had toegepast door de aanvragen voor een veiligheidstonnage voor deze individuen af te wijzen. Kan de Commissie aangeven waarom tegen dit besluit geen bezwaar is aangetekend en waarom de succesvolle aanvragers bijna twee jaar later nog altijd wachten op een antwoord van de Commissie over hoe zij zich aan de uitspraak van het Gerecht gaat houden?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. (EN) Ik wil de heer Crowley allereerst bedanken voor zijn vraag, die mij in de gelegenheid stelt in te gaan op het vervolg op de uitspraak die het Gerecht van eerste aanleg op 13 juni 2006 heeft gedaan inzake de Ierse aanvraag om capaciteitsverhoging voor vissersvaartuigen op grond van verbeterde veiligheid.

De Commissie heeft destijds besloten niet in beroep te gaan tegen de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg van 13 juni 2006. Het Gerecht stelde destijds dat de beschikking van de Commissie van 4 april 2003 alle relevante zaken onvoldoende geanalyseerd had. Na deze uitspraak heeft de Commissie ervoor gekozen nieuwe beschikkingen te geven, die zijn gebaseerd op een volledigere analyse en die duidelijkere bevindingen bevatten voor elk van de betrokken gevallen.

Het klopt dat de aanvragers nog altijd wachten op de nieuwe beschikkingen van de Commissie. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat de diensten van de Commissie Ierland hebben verzocht specifieke aanvullende technische informatie te verstrekken voor alle aanvragen om capaciteitsvergroting. Ondanks herhaalde verzoeken heeft Ierland de gewenste informatie slechts voor een paar van de aanvragen aangeleverd.

De nieuwe beoordeling heeft vertraging opgelopen doordat Ierland onvolledige antwoorden heeft verstrekt. De Commissie legt momenteel de laatste hand aan de nieuwe, grondige beoordeling van elk van deze aanvragen. Naar verwachting zal ze Ierland in juli van dit jaar kunnen informeren over de uitkomsten.

 
  
MPphoto
 
 

  Brian Crowley (UEN). - (EN) Ik dank de commissaris voor zijn antwoord. Uit uw antwoord blijkt echter enige onduidelijkheid omtrent de vraag of de beschikking over een veiligheidstonnage zal worden gebaseerd op automatische toekenning van een veiligheidstonnage vanwege de oorspronkelijke onjuiste beschikking van de Commissie, of dat er opnieuw een aanvraag moet worden ingediend. Daarom bestaat er wat onenigheid over de vraag of de informatie al dan niet wordt verstrekt.

Wellicht kan de Commissie aangeven hoe waarschijnlijk het is dat de nieuwe aanvragen van de bestaande aanvragers, die in het gelijk werden gesteld door het Gerecht, positief beoordeeld worden?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. (EN) De uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg heeft niet als zodanig vastgesteld dat de aanvragers in wezen gelijk hadden, maar dat de Commissie een beschikking had gegeven die op een niet-toereikende analyse van alle relevante zaken was gebaseerd. Als gevolg van het feit dat onze beschikking op onvoldoende solide gronden was gestoeld, hebben wij Ierland verzocht ons aanvullende informatie te verstrekken, om onze beschikking op een solider basis te stoelen.

Omdat bij de eerste beschikking alle exploitanten tezamen zijn beoordeeld, hebben we nu om individuele informatie over de afzonderlijke exploitanten verzocht. Onze aanstaande beschikking zal op elke exploitant afzonderlijk betrekking hebben.

Indien er over bepaalde exploitanten geen aanvullende informatie is verstrekt, verwacht ik niet dat de Commissie haar standpunt zal wijzigen. Waar wel aanvullende informatie beschikbaar is, beoordelen we deze, en als uit de beoordeling blijkt dat deze goedkeuring verdient, dan keuren we de aanvraag goed. Als blijkt dat, ondanks de aanvullende informatie, deze geen goedkeuring verdient, dan blijft onze beschikking ongewijzigd negatief.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 30 van Seán Ó Neachtain (H-0420/08):

Betreft: Invloed van Noord-Amerikaanse import op Ierse schelpdiervisserij

De goedkope invoer van schelpdieren uit de Verenigde Staten en Canada vanwege de zwakke dollar heeft negatieve gevolgen voor de Ierse schelpdiervissers. Deze vissers, die bijzonder belangrijk zijn voor de plaatselijke kusteconomie in Ierland, zien de prijs van hun handelswaar immers almaar dalen. Wat is de Commissie van plan te doen om hen te helpen?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. (EN) Ik ben me ervan bewust dat de markt voor bepaalde vis- en schelpdierproducten in Ierland en elders in de Gemeenschap recentelijk is ingezakt. Ik heb vernomen dat dit voornamelijk verband houdt met de prijs van kreeft, die normaliter meer dan vijftien euro per kilo opbrengt bij de eerste verkoop in Ierland, maar die nu nog slechts tien euro per kilo opbrengt.

De handelscijfers laten, in het specifieke geval van kreeft, in 2006 en 2007 een stijgende lijn in de import zien vergeleken met de voorgaande zes jaren. In 2006 nam de totale import uit Canada in de EU met 12 procent toe ten opzichte van de referentieperiode 2000-2005 en met 7 procent in 2007. Uit de Verenigde Staten importeerden we in 2006 27 procent meer en in 2007 26 procent meer ten opzichte van dezelfde referentieperiode.

Toch wordt er maar weinig kreeft rechtstreeks in Ierland geïmporteerd uit de Verenigde Staten of Canada; in 2006 bedroeg de totale import respectievelijk 2,5 en 118 ton. Dat betekent echter niet dat er geen Noord-Amerikaanse kreeft via andere lidstaten in Ierland terechtgekomen is.

De afgelopen drie jaar is de prijs in euro niet gedaald. In de periode 2005-2007 bedroeg de gemiddelde importprijs uit de VS 12,45 euro per kilo. In het eerste kwartaal van 2008 is de prijs zelfs licht gestegen, naar 13,6 euro per kilo.

De prijs van de Canadese kreeftimporten in de EU is de voorbije drie jaar licht gestegen; in de periode 2005-2007 bedroeg deze gemiddeld 12,12 euro per kilo. In het eerste kwartaal van 2008 zijn de prijzen als gevolg van de sterke Canadese dollar gestegen tot 12,48 euro.

Gezien deze cijfers lijkt er geen al te groot verband te bestaan tussen de huidige daling van de prijs van kreeft en de import uit Noord-Amerika. De daling zou wel eens het gevolg kunnen zijn van onzekerheid op de markt vanwege de protesten die de afgelopen weken in sommige lidstaten hebben plaatsgevonden.

Omdat de waarde van het Britse pond is gedaald ten opzicht van de euro, is het ook mogelijk dat de Ierse vissers op de traditionele continentale markten concurrentie ondervinden van kreeft uit het Verenigd Koninkrijk.

De gemeenschappelijke ordening van de markt voorziet niet in een vergoeding voor producenten vanwege een daling van de prijs van kreeft. Producenten van kreeft zouden echter wel producentenorganisaties in het leven kunnen roepen om hun marktpositie te versterken. Het Europees Visserijfonds verleent financiële steun voor de oprichting van dergelijke organisaties, evenals voor de tenuitvoerlegging van plannen om de kwaliteit van producten te verbeteren. Via het Europees Visserijfonds is hulp te verkrijgen voor actie op de middellange tot lange termijn, namelijk voor collectieve acties om visserijproducten zoals kreeft te stimuleren en op die manier een grotere vraag en betere prijzen te bewerkstelligen.

 
  
MPphoto
 
 

  Seán Ó Neachtain (UEN).(GA) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de commissaris bedanken voor zijn antwoord en ik wil nog een aanvullende vraag stellen.

Zoals u weet, commissaris, is de visserijsector ingrijpend veranderd als gevolg van de enorme stijging die de olieprijs recentelijk heeft doorgemaakt. Mijn vraag: is de Commissie van plan voorstellen te doen om steun te verlenen aan de vissers in kustgebieden, zoals kreeftvissers en de eerder genoemde vissers die worden getroffen door de daling van de prijs van schelpdieren?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. (EN) De enorme stijging van de olieprijs en de invloed die dat heeft op de vissers is een heel specifiek en heel bijzonder – bijna uniek – probleem voor de visserijsector. Dat komt omdat een combinatie van factoren de vissers op negatieve wijze beïnvloedt.

Allereerst zijn daar de brandstofkosten, die procentueel gezien tot wel vijftig à zestig procent van de totale inkomsten van een visser kunnen oplopen. Dit is met name het geval voor exploitanten op afstand, omdat zij enorme afstanden moeten afleggen, maar ook voor specifieke visserijactiviteiten, zoals boomkorkotters, die veel brandstof verbruiken.

Daarnaast speelt ook mee dat de vissers vanwege bepaalde marktbeperkingen de gestegen kosten niet kunnen doorberekenen aan spelers die zich verderop in de keten van verkoop van visproducten bevinden. Dit houdt feitelijk in dat de stijging van de kosten door de vissser zelf wordt gedragen.

Bovendien hebben we diverse maatregelen ingevoerd om de duurzame visserij te herstellen en dat houdt in dat de visser niet kan proberen zijn prestaties te verbeteren door meer vis te vangen, want als hij meer vangt, zorgt hij daarmee voor nog grotere druk op de visbestanden en dat zou op de lange termijn contraproductief werken. De vissers hebben dus te maken met een heel groot probleem.

Ik heb vandaag een informatieve nota voorgelegd aan het college over hoe wij denken nu vooruit te kunnen komen om op zeer korte termijn iets kunnen doen voor de vissers, in de vorm van hulp die is gericht op het herstructureren van de gehele sector en op het aanpakken van de specifieke aandachtspunten van verschillende vissers. Deze informatieve nota bevat voorstellen voor een aantal specifieke maatregelen. Hierin wordt voorgesteld de lidstaten zelf te laten beslissen, in samenspraak met hun vissers, welke van deze maatregelen het best zouden passen bij de werkelijkheid van de afzonderlijke vissers. Er zou moeten worden onderzocht of, en zo ja in welke mate, deze maatregelen ook voor kreeftvissers beschikbaar zijn.

Het college heeft mij toestemming gegeven hier verder mee te gaan. De details – de basis van wat we op zeer korte termijn zullen voorstellen – zal ik volgende week dinsdag in Luxemburg presenteren aan de Raad. Daarna zal ik het college informeren over de details van de wijzigingen die moeten worden doorgevoerd in de verordening inzake het Europees Visserijfonds en over de andere maatregelen die we onderzoeken, bijvoorbeeld of het mogelijk is om de-minimissteun te verlenen. Vervolgens zal ik, hopelijk begin juli al, teruggaan naar de Raad met de voorstellen zoals die zijn goedgekeurd door de Commissie. Zo kunnen, afhankelijk van de snelheid waarmee zowel de Raad als het Parlement ze zullen behandelen, de benodigde maatregelen hopelijk binnen een paar maanden van kracht zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, de landbouw heeft een relatief belangrijke rol gespeeld in de Ierse nee-campagne. Hebben de problemen met betrekking tot de visserij die we hier vandaag bespreken ook een rol gespeeld in die nee-campagne? En als dat het geval was, heeft de Commissie dan geprobeerd door middel van informatiecampagnes tegengas te geven?

 
  
MPphoto
 
 

  Joe Borg, lid van de Commissie. (EN) Naar ik heb begrepen heeft de visserij inderdaad een aandeel gehad in het Ierse “nee”, zeker gezien het feit dat de resultaten van de verschillende Ierse graafschappen laten zien dat met name in de westelijke kustgebieden, waar het grootste deel van de Ierse vissers is gevestigd, de resultaten zeer negatief waren.

We zijn ons ervan bewust dat de vissers en hun bestaansmiddelen worden getroffen door de communautaire maatregelen gericht op het herstellen van duurzame visserij. De brandstofprijzen hebben die situatie zeker niet verbeterd.

We hebben op diverse manieren geprobeerd hier iets aan te doen, onder meer door de mogelijkheden van het Europees Visserijfonds onder de aandacht te brengen en zo meer bekendheid te geven aan de huidige situatie. Zelf ben ik een aantal keer naar Ierland gegaan om rechtstreeks met de vissers te praten. We hebben regionale adviesraden in het leven geroepen. In de Ierse regio zijn dat in het bijzonder de regionale adviesraad voor de noordwestelijke wateren (NWWRAC) en de regionale adviesraad voor de Noordzee (NSRAC), waarin de vissers zelf deelnemen aan discussies, die de opmaat zijn voor de beslissingen die we in december moeten nemen.

Ondanks dit alles, ondanks alle verrichte inspanningen, vermoed ik dat de stem van de Ierse vissers bij het referendum in wezen basaal negatief was.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 31 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0347/08):

Betreft: Bevordering van milieubescherming via het bedrijfsleven

Hoe bevordert de Commissie de integratie van de milieudimensie in de beleidsmaatregelen voor het midden- en kleinbedrijf (het MKB) en de aanpassing van deze maatregelen aan de vereisten van de nieuwe Europese milieuwetgeving?

Welke mogelijkheden zullen het MKB geboden worden om de kansen van het nieuwe milieubeleid te gebruiken voor het uitbreiden van hun activiteiten?

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Dimas, lid van de Commissie. − (EL) Mevrouw de Voorzitter, het MKB omvat 99 procent van de Europese bedrijven. Het is dan ook vanzelfsprekend dat geen enkel milieubeleid doeltreffend kan zijn zonder hun medewerking.

Het is voor het MKB moeilijker om te voldoen aan de milieuwetgeving en te profiteren van de voordelen die betere milieuprestaties met zich meebrengen. Veelal beschikken deze ondernemingen niet over de informatie, de specialisatie, de mankracht of de financiële middelen die nodig zijn om milieuproblemen, -risico’s en -effecten aan te pakken. Dat is precies waarom de Commissie het programma heeft opgesteld om het MKB te helpen aan de milieuwetgeving te voldoen. Vanwege de ingewikkelde problemen waar het MKB mee kampt, beschikt het Environmental Compliance Assistance Programme, het ondersteuningsprogramma voor naleving van de milieuwetgeving, over een meervoudig actieplan.

In de eerste plaats wil het de wetgeving en de handhaving daarvan verbeteren en vereenvoudigen. Het doel is de administratieve last te verlichten en fondsen vrij te maken opdat kleine en middelgrote ondernemingen zich beter kunnen richten op het naleven van de milieuwetgeving.

In de tweede plaats wil het milieubeheersystemen instellen die betaalbaarder zijn en beter aansluiten bij de behoeften van het MKB, zodat milieugerelateerde zaken op voordelige wijze kunnen worden geïntegreerd in de centrale bedrijfsactiviteiten.

In de derde plaats wil het gerichte financiële steun verlenen ter stimulering van initiatieven door overheidsinstanties of zakelijke ondersteuningsnetwerken die gericht zijn op duurzame productie.

Het actieplan bevat ook nog andere maatregelen. De Commissie streeft ernaar ze niet alleen in te zetten om ervoor te zorgen dat kleine en middelgrote ondernemingen de productiewetgeving naleven, maar ook om hen te helpen profiteren van de financiële voordelen die betere milieuprestaties, zoals energiebesparing en efficiënter gebruik van hulpbronnen, met zich meebrengen.

 
  
MPphoto
 
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE).(EL) Mevrouw de Voorzitter, mijn dank aan de commissaris voor zijn antwoord. Het aangekondigde programma is een goed voorteken voor het actieplan en we hopen dan ook dat het concrete resultaten zal opleveren. We hebben echter nog één vraag: welke verantwoordelijkheid krijgen de overheidsinstellingen om het MKB van milieuvriendelijke infrastructuren te voorzien en in welke mate maakt dit deel uit van uw plan?

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Dimas, lid van de Commissie. − (EL) Mevrouw de Voorzitter, er zijn talloze opties mogelijk en het is aan de lidstaten om ze ten uitvoer te leggen. Eén voorbeeld is het oprichten van een lokaal comité van milieudeskundigen voor het MKB om in te spelen op het gebrek aan deskundigheid bij de ondernemingen. De lidstaten kunnen een dergelijke maatregel stimuleren. Een andere maatregel is het verbeteren van de communicatie en het doeltreffender verstrekken van informatie om specifieke lacunes in informatie op te vullen. De verschillende soorten wetgeving die we voorstellen, bevatten ook speciale bepalingen voor kleine en middelgrote ondernemingen. Een voorbeeld van een dergelijk voorstel is de nieuwe wetgeving inzake een hervorming van het emissiehandelssysteem. In die wet worden speciale bepalingen voor het MKB gedefinieerd, die bedoeld zijn om te voorkomen dat deze ondernemingen door opname in het handelssysteem worden belast, voor zover een lidstaat over een dergelijke optie beschikt.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE).(EL) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, u merkte terecht op dat het MKB de ruggengraat van de Europese economie vormt. Zoals we echter weten ondervindt het Europese MKB concurrentie van over de hele wereld. Het MKB is gevoelig voor concurrentie van andere kleine en middelgrote ondernemingen uit verschillende delen van de wereld die aan milieudumping doen. Kunt u zich vinden in het opleggen van een groene belasting aan importen uit landen die proberen te profiteren van de internationale overeenkomst inzake milieubescherming?

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Dimas, lid van de Commissie. − (EL) Mevrouw de Voorzitter, dit is in wezen een kwestie die niet alleen het MKB betreft, maar alle ondernemingen die met dit soort concurrentie te maken hebben. Het draait hier niet uitsluitend om milieugerelateerde zaken, maar ook, en daar is de laatste tijd vaak over gediscussieerd, om de opgelegde beperkingen in het kader van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en de daaruit voortvloeiende belasting voor de Europese industrieën. Hier is recentelijk veel over gediscussieerd; er zijn verschillende meningen geuit en mijn collega-commissaris de heer Mandelson heeft het Commissiestandpunt over dit onderwerp heel duidelijk verwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 32 van Georgios Papastamkos (H-0349/08):

Betreft: Internationaal milieuoverleg

Kan de Commissie mededelen om welke redenen er geen wereldwijd overleg over klimaatverandering voor de periode na Kyoto plaatsvindt en waarom de mondiale governance op milieugebied slechts ten dele effect sorteert?

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Dimas, lid van de Commissie. − (EL) Mevrouw de Voorzitter, deze vraag geeft mij de gelegenheid u op de hoogte te brengen van de exacte stand van zaken bij de onderhandelingen.

Het werk van de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (IPCC) en diens verslag van november 2007 hebben, samen met de erkenning door de wereldleiders van het feit dat collectief handelen noodzakelijk is om de klimaatverandering te kunnen bestrijden, geleid tot de overeenkomst die in december vorig jaar in Bali is gesloten. De EU heeft een vooraanstaande rol gespeeld bij het akkoord over de start van de onderhandelingen inzake de strijd tegen klimaatverandering in de periode na 2012.

De partijen bij het Raamverdrag van de VN inzake Klimaatverandering hebben ingestemd met de routekaart van Bali. De routekaart zet de inhoud uiteen van de onderhandelingen, waarin vier punten centraal zullen staan: het beperken van klimaatverandering; aanpassing, aangezien er in meer of mindere mate sprake zal zijn van klimaatverandering en deze tegen het jaar 2050 onvermijdelijk zal zijn; technologie; en de benodigde financiële middelen, zowel ten behoeve van de aanpassing als van het terugdringen van de CO2-uitstoot.

Tevens kwamen de partijen overeen dat de onderhandelingen eind 2009 moeten zijn afgerond, met het oog op de geplande Conferentie van de Partijen in Kopenhagen. Dat biedt voldoende tijd om het goedkeuringsproces van de toekomstige klimaatovereenkomst tegen het einde van 2012, als de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto afloopt, af te ronden.

De conclusies van het IPCC-rapport zijn volledig meegenomen in de overeenkomst die op Bali is gesloten. Daarin wordt tevens erkend dat de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd drastisch verlaagd moet worden om te voorkomen dat de temperatuur op aarde gevaarlijk zal stijgen. Volgens het rapport mag de stijging van de temperatuur in 2050 niet meer dan 2°C bedragen.

We zijn er al hard mee bezig; dit jaar zijn vier onderhandelingsronden gepland en twee daarvan zijn al achter de rug, ter voorbereiding op de Conferentie van de Partijen in Poznan. De Conferentie van de Partijen van dit jaar is van bijzonder groot belang omdat de actuele situatie zal worden beoordeeld. Op basis van die beoordeling kunnen de eigenlijke onderhandelingen volgend jaar beginnen.

Omdat de te bespreken onderwerpen complex zijn en de beschikbare tijd vanwege het dringende karakter van het probleem nogal beperkt is, zal het onderhandelingsproces ongetwijfeld moeizaam verlopen. Tot afgelopen vrijdag werd in Bonn door deskundigen van alle partijen over alle onderwerpen op de agenda gediscussieerd. Hoewel de geboekte vooruitgang beperkt is, zal deze toch bijdragen aan het welslagen van de Conferentie van de Partijen in Kopenhagen.

Het is u ook bekend dat er besprekingen worden gevoerd in het kader van de G8 en het door de Verenigde Staten geïnitieerde Major Economies initiative (Major Economies Process). De EU neemt op actieve wijze deel, om zo positieve invloed te kunnen uitoefenen op de onderhandelingen over het Raamverdrag van de VN inzake Klimaatverandering. Tegelijkertijd draagt de Unie een duidelijke boodschap uit, namelijk dat de ontwikkelde landen het voorbeeld zullen blijven geven. Zij zetten zich in voor een verdere beperking van de uitstoot, overeenkomstig hun historische verantwoordelijkheden, en voor het beginsel van gemeenschappelijke maar onderscheiden verantwoordelijkheden en respectieve mogelijkheden.

Het bereiken van een allesomvattende en ambitieuze overeenkomst inzake klimaatverandering voor de periode na 2012 is zonder twijfel één van de grootste uitdagingen voor de mondiale governance op milieugebied. We beginnen echter niet helemaal met lege handen. Vermeldenswaardig is de uitspraak die de Franse minister voor ecologie en duurzame ontwikkeling een paar dagen geleden deed, toen hij de klimaatconferentie van Kopenhagen de grootste kans noemde om tot overeenstemming te komen over de toekomst van onze planeet.

We moeten gebruikmaken van de reeds bestaande mechanismen, te weten het Raamverdrag van de VN inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto. In het kader van laatstgenoemde zijn actuele handhavingsmethodieken ontwikkeld, zoals het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM), dat uit twee flexibele mechanismen bestaat, en is ook de wetenschappelijke deskundigheid van de IPCC ontwikkeld.

Ik zeg het nogmaals: de onderhandelingen zullen moeizaam verlopen, maar met de nodige politieke wil en een gezamenlijk besef van urgentie zullen we in Kopenhagen een akkoord kunnen bereiken. Het gezonde verstand verlangt een akkoord in Kopenhagen. Het werk dat de EU verricht, de steun die we daarbij krijgen van de publieke opinie in Europa, de toenemende bewustwording overal ter wereld, de steun van het Europees Parlement en het vooruitzicht dat er eind dit jaar een akkoord zal liggen over het pakket maatregelen dat we hebben voorgesteld ter versterking van de onderhandelingspositie van de EU – al deze zaken zullen ertoe bijdragen dat er in Kopenhagen een akkoord zal worden bereikt, zodat de klimaatverandering doeltreffend kan worden bestreden.

 
  
MPphoto
 
 

  Georgios Papastamkos (PPE-DE).(EL) Mevrouw de Voorzitter, mijn dank aan commissaris Dimas voor zijn volledige en gedetailleerde antwoord.

Zullen de Verenigde Staten en China ook meewerken? Klimaatverandering is de weerspiegeling van een situatie waarbij de onderliggende oorzaken zich op één plaats bevinden en de effecten zich op een andere plaats manifesteren. De volgende vraag vloeit daaruit voort, namelijk welk standpunt de EU zal innemen als zich onverhoopt de situatie voordoet dat landen die volgens de internationale regelgevende overeenkomst voor de periode na Kyoto een grote ecologische schuld hebben, weigeren mee te werken. Welke directe schade dit zal veroorzaken, is wel duidelijk. De indirecte schade – en daarmee verwijs ik naar inschattingen van de heer Verheugen – zou eruit kunnen bestaan dat Europese ondernemingen steeds vaker zullen verhuizen naar landen waar laks wordt omgegaan met de regels voor milieubescherming. Bent u het eens met deze inschatting?

 
  
MPphoto
 
 

  Stavros Dimas, lid van de Commissie. − (EL) Mevrouw de Voorzitter, laat ik allereerst opmerken dat zowel de heer Verheugen als ikzelf ten zeerste willen voorkomen dat er een koolstoflek ontstaat. De reden daarvoor is heel eenvoudig: als ondernemingen namelijk vanuit de EU verhuizen naar landen waar geen beperkingen inzake CO2-uitstoot gelden, dan wordt het milieuresultaat dat ik probeer te behalen, niet bereikt.

Energie-intensieve ondernemingen kampen voornamelijk met milieugerelateerde problemen, en we moeten dus geen concurrentieprobleem creëren waardoor zij gedwongen zijn zich elders te vestigen. Daarom dienen we al onze inspanningen te richten op het bereiken van een internationale overeenkomst – daar ligt immers de oplossing. Wat er met energie-intensieve ondernemingen gebeurt, zal een belangrijk onderdeel zijn van een internationale overeenkomst.

Als een dergelijke overeenkomst niet wordt bereikt – hoewel ik me niet kan voorstellen dat de internationale gemeenschap een dergelijke irrationele beslissing zou kunnen nemen – beschikken we in de voorgestelde wetgeving over alle benodigde bepalingen om het CO2-emissiehandelssysteem op dusdanige wijze te hervormen dat de sectoren die internationale concurrentie ondervinden hun concurrentievermogen terugkrijgen. Op die manier zullen we in staat zijn te garanderen dat er geen koolstoflek optreedt en dat ondernemingen niet om die reden verhuizen, zonder dat we daarbij maatregelen treffen die in strijd zijn met de WTO-beginselen of het VN-beginsel inzake klimaatverandering van gemeenschappelijke maar onderscheiden inspanningen.

Ons actieplan moet echter, ik zeg het nogmaals, gericht zijn op het toewerken naar een overeenkomst. Ik geloof dat we kunnen gaan samenwerken met de Verenigde Staten, zeker als de nieuwe regering volgend jaar geïnstalleerd is, omdat beide kandidaten hebben toegezegd zich volledig te zullen inzetten voor het invoeren van een emissiehandelssysteem, de uitstoot vóór 2050 met 80 procent te zullen verminderen, en samen met de EU krachtdadig op te zullen treden ter bestrijding van het broeikaseffect. Samen kunnen we naar mijn mening, ook met medewerking van landen als China, de landen overtuigen die een andere visie hebben op dit probleem. Zoals u opmerkte, doorziet China de problemen die het broeikaseffect op zijn eigen bevolking heeft volledig en het heeft toegezegd zelf de nodige inspanningen te zullen verrichten. Deze zullen niet gelijk zijn aan die van de ontwikkelde landen, maar zullen wel een matiging inhouden van de snelheid waarmee de uitstoot van broeikasgassen toeneemt. Als we onze krachten bundelen, kunnen we eind 2009 in Kopenhagen een overeenkomst sluiten.

Ik geloof in een dergelijke overeenkomst en ik geloof dat we met zijn allen, met iedereen die hier aanwezig is (en het Europees Parlement heeft hier een groot aandeel in gehad), en met uw aanhoudende steun, tot een dergelijke overeenkomst kunnen komen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 34 is ingetrokken en vragen nrs. 33 en 35 t/m 44 zullen schriftelijk worden beantwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  Dimitrios Papadimoulis (GUE/NGL).(EL) Mevrouw de Voorzitter, bij mijn weten krijgt elke commissaris twintig minuten de tijd. Ik heb de tijdsduur van hun bijdragen bijgehouden en de heer Dimas heeft, evenals zijn collega’s, nog niet eens de helft van zijn tijd gebruikt. Daarom verzoek ik u vraag nr. 33 te laten beantwoorden volgens de overeengekomen procedure. Ik ga er vanuit dat de commissaris daar zelf geen bezwaar tegen heeft.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − We houden de tijd hierboven bij en zijn bijdrage begon om 18.32 uur. Tot mijn spijt zijn de beschikbare twintig minuten dus verstreken en het is wel zo eerlijk ten opzichte van de collega’s die vragen hebben gesteld aan commissaris Barrot. Het spijt me, maar zo is de situatie nu eenmaal. We moeten altijd proberen een evenwicht te vinden, zo ook vandaag.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 45 van Armando França (H-0344/08):

Betreft: Frontex

Het beheer van de buitengrenzen van de Unie en de operationele samenwerking tussen de lidstaten door het agentschap Frontex zijn van essentieel belang voor de veiligheid van de Europese Unie ter voorkoming van bepaalde situaties.

Het agentschap moet doelmatig functioneren en concrete resultaten boeken.

Welke proefprojecten en opleidingsactiviteiten staan er gepland voor 2008?

RABIT: heeft een lidstaat al een verzoek ingediend tot interventie van het snellegrensinterventieteam RABIT? En zijn de RABIT-teams adequaat uitgerust voor de controle en bewaking van de grenzen?

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mevrouw de Voorzitter, ik wil de vraag van de heer França graag beantwoorden. In 2008 heeft het agentschap Frontex diverse proefprojecten en opleidingsactiviteiten op het gebied van operationele samenwerking en onderzoek op de planning staan. Aangezien deze vraag over de controle van de buitengrenzen de bevoegdheden van Frontex betreft, heeft de Commissie het agentschap om een gedetailleerd antwoord verzocht, dat is bijgevoegd.

Op het gebied van opleiding heeft Frontex in 2008 drie doelstellingen. De eerste is het implementeren van de gemeenschappelijke inhoud in de gehele Europese Unie; de tweede is het aanbieden van gerichte opleidingsactiviteiten conform de operationele vereisten; en de derde is het oprichten van een Europees netwerk voor de opleiding van grenswachten.

Frontex is van plan in 2008 ongeveer 13 proefprojecten aan de buitengrenzen uit te voeren: vier proefprojecten voor landgrenzen, drie voor zeegrenzen, drie voor luchtgrenzen en drie in het kader van terugkeeroperaties. Deze projecten zullen ons in staat stellen de werkmethoden te testen die worden gebruikt tijdens gezamenlijke operaties en de betrekkingen met derde landen te testen ten behoeve van terugkeeroperaties en het verkrijgen van reisdocumenten.

Wat de RABIT-snellegrensinterventieteams betreft: tot nu toe heeft geen enkele lidstaat nog om de inzet van een snellegrensinterventieteam gevraagd, mijnheer França.

In haar mededeling van 13 februari heeft de Commissie benadrukt dat de inzet van een snellegrensinterventieteam gecombineerd kan worden met technische bijstand overeenkomstig artikel 8 van de Frontex-verordening. De Commissie heeft dan ook aanbevolen dat het agentschap deze bepaling werkzamer moet maken door zelf uitrusting aan te schaffen of te huren en dat het de uitrusting kan gebruiken die staat vermeld in het centraal register van beschikbare technische uitrusting.

Afsluitend zou ik willen zeggen dat we met Frontex beschikken over een instrument dat lijkt te functioneren. We zullen, naargelang de behoefte, onderzoeken welke verbeteringen kunnen worden aangebracht in de organisatie en de operaties van Frontex.

 
  
MPphoto
 
 

  Armando França (PSE).(PT) Ik bedank commissaris Barrot hartelijk voor zijn antwoord en voor de gedetailleerde informatie.

Er zijn nog twee onderwerpen waar ik graag wat meer duidelijkheid over zou krijgen van de commissaris. Het spreekt voor zich dat samenwerking met derde landen erg belangrijk is, en ook voor ons is dat van het grootste belang. Ik weet dat de Commissie het opzetten van proefprojecten met derde landen op de agenda heeft staan. We zouden graag willen weten of er landen in Noord-Afrika gepland zijn voor het soort proefprojecten waar de commissaris het over had. Daarnaast zou ik het op prijs stellen als de commissaris ons kon bijpraten over de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van het Europees grensbewakingssysteem Eurosur, dat een belangrijke en noodzakelijke aanvulling vormt op Frontex.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer França, de Frontex-verordening zou moeten worden aangepast om het mogelijk maken dat technische bijstand wordt verleend in een derde land. Momenteel is daar geen wettelijke grondslag voor. Ik geloof echter wel dat het zeer wenselijk zou zijn, omdat we verzoeken zullen ontvangen van de derde landen waar we mee samenwerken. U noemde bepaalde landen rond de Middellandse Zee; ik denk dat Frontex zal worden gevraagd alle mogelijke technische bijstand te verlenen, maar zover is het nu nog niet.

Verder beschikken we, zoals u weet, op het gebied van grensbewaking over het Schengeninformatiesysteem SIS, dat al in ontwikkeling is. We hopen dat het in het najaar van 2009 gebruiksklaar zal zijn. Uiteraard zullen we alle andere mogelijkheden blijven onderzoeken om de grensbewaking te verbeteren.

 
  
MPphoto
 
 

  Wiesław Stefan Kuc (UEN).(PL) Mijn houding ten opzicht van Frontex is nogal persoonlijk, gezien het feit dat Frontex in Polen is gevestigd en ik een Pool ben. Op dit moment doen talloze onbetrouwbare verhalen over Frontex de ronde, als zou het soms wel functioneren en soms niet. Daarbij moet gezegd worden dat dit het agentschap is met de ruimste begroting. Kunt u alstublieft in het kort aangeven of Frontex functioneert en aan de verwachtingen voldoet, of dat er nog een heleboel moet worden verbeterd aan de manier waarop het functioneert?

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie.(FR) Ik denk dat ik de eerste activiteiten van Frontex bevredigend kan noemen, hoewel het agentschap inderdaad van de lidstaten afhankelijk is voor de benodigde technische uitrusting voor de operaties die het coördineert.

Het is waar dat het hierbij vaak om zeer kostbare uitrusting gaat, die het agentschap zelf niet kan aanschaffen vanwege zijn beperkte middelen. Voor de aanschaf van een helikopter zou het volledige operationele jaarbudget van Frontex nodig zijn, namelijk veertig à vijftig miljoen euro. Daarom heeft Frontex met het merendeel van de lidstaten technische overeenkomsten gesloten over het gebruik van de ter beschikking gestelde uitrusting.

De Commissie heeft in haar evaluatieverslag aanbevolen dat Frontex bepaalde kleine onderdelen van de uitrusting zelf zou moeten kunnen kopen of huren.

Dat is hoe de zaken er nu voor staan. Dank u dat u ons eraan hebt herinnerd dat Frontex in Warschau is gevestigd en dat daar bijzonder gemotiveerde mensen werkzaam zijn. Ook wil ik u bedanken dat u contact hebt gelegd met Frontex. Ik geloof dat we op basis van de huidige activiteiten van Frontex en aan de hand van de uit te voeren evaluaties zullen kunnen vaststellen welke functionele verbeteringen nodig zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Bij ontstentenis van de vraagsteller komt vraag nr. 46 te vervallen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 47 van Gay Mitchell (H-0369/08):

Betreft: Terrorismebestrijding en het grondrecht privacy

Sommige vormen van EU-beleid ter bestrijding van het terrorisme, met name in verband met de opslag van gegevens, geven aanleiding tot verontrusting omdat zij niet in evenwicht zijn met het grondrecht op privacy. Kan de Commissie mededelen op welke wijze zij streeft naar een behoorlijk evenwicht tussen grondrechten en maatregelen ter bestrijding van het terrorisme?

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot vicevoorzitter van de Commissie.(FR) Mevrouw de Voorzitter, het spreekt voor zich dat alle maatregelen ter bestrijding van terrorisme, zowel van de Europese Unie als van haar lidstaten, de grondrechten in acht dienen te nemen. Instrumenten of beleidsmaatregelen voor terrorismebestrijding die de grondrechten niet respecteren, spelen de terroristen zelf juist vaak in de kaart.

De richtlijn gegevensbewaring eist van de lidstaten dat zij aanbieders van elektronische communicatiediensten of openbare communicatienetwerken verplichten om gegevens over de uitwisseling van communicatie gedurende minimaal zes maanden en maximaal twee jaar te bewaren. Deze richtlijn biedt belangrijke waarborgen tegen het misbruik van gegevens. Het bewaren van de inhoud van de gecommuniceerde informatie valt niet binnen het toepassingsgebied van de richtlijn. Daarnaast is in de richtlijn bepaald dat de toegang tot bewaarde gegevens door elke lidstaat in de nationale wetgeving moet worden vastgelegd en dat deze bepalingen moeten voldoen aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uiteraard ook de beginselen van proportionaliteit en noodzakelijkheid dienen te respecteren.

Dit houdt in dat gegevens die in het kader van de richtlijn worden bewaard niet door de autoriteiten van een lidstaat mogen worden gebruikt om zich in iemands privéleven in te mengen, behalve wanneer dit gerechtvaardigd is ten behoeve van het opsporen en vervolgen van ernstige strafbare feiten. De richtlijn bepaalt verder dat alleen bevoegde nationale autoriteiten toegang mogen krijgen tot bewaarde gegevens. Dat betekent uiteraard dat bedrijven of particulieren geen gebruik mogen maken van de bewaarde gegevens. Doordat de toegang tot de bewaarde gegevens beperkt is, kunnen ze dus niet ten behoeve van openbaar toezicht worden gebruikt.

Daarnaast zijn ook Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie, van toepassing op gegevens die worden bewaard in het kader van deze richtlijn.

Concluderend is de richtlijn gegevensbewaring van essentieel belang om het werk van de politie doeltreffender te maken en om terroristen te kunnen volgen, opsporen en onderzoeken. De Commissie zal zorgen dat de lidstaten de richtlijn in overeenstemming met de grondrechten uitvoeren en toepassen.

 
  
MPphoto
 
 

  Gay Mitchell (PPE-DE). - (EN) Ik dank de commissaris voor zijn antwoord. De commissaris weet ongetwijfeld dat de Britse schaduwminister voor binnenlandse zaken en voormalig minister van Europese zaken, David Davis, zijn functie in het Parlement vorige week heeft neergelegd vanwege een principekwestie in verband met inbreuk van de staat op de persoonlijke levenssfeer van personen. Zonder in te gaan op de verdienste van zijn aftreding, deel ik de bezorgdheid die hij uitspreekt. Als een staat of de Europese Unie bepaalde drastische dingen zou willen doorvoeren, zouden ze die nooit in één enkele maatregel gevat voorleggen aan een parlement of het Europees Parlement, maar zou dat stapsgewijs gebeuren. Ik wil dat alle terroristen hun gerechte straf ondergaan.

Ik ben opgegroeid in een land waar terroristen dertig jaar lang hebben huisgehouden, maar waar tevens bij wet de persoonlijke levenssfeer van burgers werd beschermd. Ik wil graag van u weten, commissaris, welke proactieve maatregelen u neemt om ervoor te zorgen dat het recht van personen om hun gebruikelijke bezigheden te verrichten wordt beschermd, evenals hun persoonlijke levenssfeer.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot vicevoorzitter van de Commissie.(FR) Mevrouw de Voorzitter, vijftien lidstaten hebben de Commissie inmiddels al hebben geïnformeerd over de instrumenten waarmee ze de richtlijn gegevensbewaring omzetten, en de Commissie heeft inbreukprocedures ingeleid tegen alle lidstaten die ons niet voor eind november 2007 hadden ingelicht over de geplande maatregelen.

Om antwoord te geven op uw vraag: de Commissie heeft een deskundigengroep in het leven geroepen om de Commissie bij te staan bij de doeltreffendheidsanalyse van de richtlijn en bij het bereiken van het evenwicht waar u om vraagt. In september 2010 zal de Commissie met een verslag komen waarin de bijdrage van de richtlijn aan het onderzoeken, opsporen en vervolgen van ernstige strafbare feiten zal worden geëvalueerd. Daartoe zal de Commissie uiteraard ook opmerkingen in beraad nemen die aan haar worden gericht door de lidstaten of door de in de richtlijn ingestelde groep.

We moeten er echt voor zorgen dat dit in overeenstemming is met de richtlijnen inzake gegevensbewaring en met de richtlijn gegevensbescherming. Ik denk dat we, als er incidenteel inbreuk gepleegd wordt op de gegevensbescherming, daar onmiddellijk conclusies uit kunnen trekken.

Ik ben van mening dat we werkelijk ons best hebben gedaan om enerzijds te voldoen aan de behoeften van de strijd tegen het terrorisme en anderzijds dit in overeenstemming te brengen met het beschermen van de grondrechten. Dat is in ieder geval waar ik me nu aan ga wijden en dat zal ik zeer nauwkeurig doen, mijnheer Mitchell.

 
  
MPphoto
 
 

  Armando França (PSE).(PT) Zoals bekend zijn de betrokken belangen, te weten de grondrechten, het respecteren van de grondrechten, en de veiligheid, mogelijk tegenstrijdig. Toch lijkt samenwerking op deze gebieden me ook zeer noodzakelijk.

Daarom wil ik de commissaris vragen in welke mate er bij het implementeren van de richtlijn wordt samengewerkt tussen de nationale autoriteiten voor gegevensbescherming op het gebied van gegevensbewaring. Elke lidstaat heeft daar gespecialiseerde landelijke autoriteiten voor en in mijn ogen is het de taak van de Commissie om de samenwerking tussen de afzonderlijke instellingen op gang te brengen en te stimuleren.

Wat kunt u daarover zeggen, commissaris?

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot vicevoorzitter van de Commissie.(FR) Mevrouw de Voorzitter, de heer França heeft gelijk: we moeten zorgen dat de gegevensbescherming wordt gerespecteerd. Behalve wijzelf houdt ook de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming toezicht op dit alles. U hebt gelijk als u zegt dat samenwerking nodig is: daartoe beschikken we over de artikel-29-groep, waarin de autoriteiten van de diverse lidstaten zijn vertegenwoordigd, die specifiek tot taak heeft het respecteren van de gegevensbescherming, waar de heer Mitchell mijn aandacht voor vroeg, verder te verbeteren.

We boeken vooruitgang bij deze samenwerking. We noemen deze groep de “artikel-29-groep” omdat artikel 29 van de richtlijn stelt dat de onafhankelijke autoriteiten voor gegevensbescherming van de lidstaten bijeen moeten komen. In mijn ogen is dit een geschikt instrument waar we zeker gebruik van moeten maken. Tot zover mijn antwoord.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Vraag nr. 48 van Claude Moraes (H-0380/08):

Betreft: Europees arrestatiebevel

Het Europees arrestatiebevel (EAB) wordt inmiddels overal gebruikt om de aanhouding en uitlevering van verdachten her en der in de Europese Unie te bewerkstelligen. Het EAB vervult een essentiële rol bij de bestrijding van het terrorisme en bij de vervolging van verdachten van ernstige misdrijven. Dit instrument schijnt soms echter niet vrij te zijn van een zekere mate van rechtsonzekerheid, althans in zijn beginfase. Een rapport van het Britse House of Lords waarschuwde enige tijd geleden dat het EAB geen volledige rechtskracht tussen de lidstaten zou kunnen krijgen als deze onzekerheid niet wordt weggenomen.

Kan de Commissie aangeven in hoeverre de aanvankelijke problemen zijn overwonnen, en hoe doeltreffend het EAB nu werkt? Zijn er knelpunten, en welke, die de Commissie nog als problematisch ervaart, en hoe denkt zij deze aan te pakken?

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot vicevoorzitter van de Commissie.(FR) Ik bedank de heer Moraes dat hij dit belangrijke onderwerp te berde brengt. Het Europees arrestatiebevel heeft echt al aanzienlijke resultaten opgeleverd. De onderlinge erkenning van gerechtelijke uitspraken is de voornaamste verandering, naast het feit dat voor 32 ernstige misdrijven geen dubbele strafbaarheid meer vereist is. Procedures nemen derhalve veel minder tijd in beslag.

In vergelijking tot de langdurige uitleveringsprocedure, die doorgaans meer dan een jaar in beslag neemt, is voor een procedure van overlevering in het kader van het Europees arrestatiebevel gemiddeld slechts 43 dagen nodig. Dit wordt tussen de rechtbanken onderling afgehandeld.

De lidstaten maken op grote schaal gebruik van de nieuwe procedure. In 2006 werden 6 752 Europese arrestatiebevelen uitgevaardigd. In totaal werden 2 042 mensen gearresteerd met behulp van het EAB en 1 892 mensen werden daadwerkelijk overgeleverd. In meer dan twintig procent van de gevallen waren de conform het EAB overgeleverde personen onderdanen van de uitvaardigende lidstaat.

Als u bedenkt dat er in 2006 bijna evenveel arrestatiebevelen zijn uitgevaardigd als er procedures zijn geweest in de afgelopen tien jaar, dan is het wel duidelijk dat het Europees arrestatiebevel een succes is. De aanvankelijke grondwettelijke problemen waar sommige lidstaten mee kampten, zijn opgelost.

Desondanks, mijnheer Moraes, moeten we erkennen dat er heel af en toe nog gebruik wordt gemaakt van oude uitleveringsprocedures als het gaat om de overlevering van onderdanen. Dat is een teken van een aanhoudend gebrek aan vertrouwen in bepaalde lidstaten en bepaalde strafrechtsystemen. We denken echter dat dit zal verdwijnen en dat het systeem vervolgens optimaal zal kunnen functioneren.

Een analyse van de omzetting van het kaderbesluit in het nationale recht van de lidstaten vormde de basis voor de Commissieverslagen van 2005 en 2007 over het functioneren van het Europees arrestatiebevel. Hieruit kwam naar voren dat de lidstaten bepaalde aanpassingen hadden gedaan.

Momenteel wordt een aantal wederzijdse beoordelingen uitgevoerd, waar de Commissie als waarnemer bij betrokken is. Deze beoordelingen zullen begin 2009 zijn afgerond. Dan zal de Commissie, op basis van de uitkomst van die beoordelingen, een nieuw verslag presenteren dat de verschillende praktijken, tekortkomingen en problemen op EU-niveau benoemt, om zo de werking van het Europees arrestatiebevel nog verder te verbeteren. Ik moet er wel bij zeggen dat het in mijn ogen al één van de grootste successen is voor wat betreft het beginsel van wederzijdse erkenning.

 
  
MPphoto
 
 

  Claude Moraes (PSE). - (EN) De commissaris zegt terecht dat het EAB het soort maatregel is dat de burgers van de Europese Unie verwachten van de portefeuille justitie en binnenlandse zaken. Het is logisch dat we de langgerekte uitleveringsprocedure achter ons willen laten.

Mag ik de commissaris echter verzoeken persoonlijke interesse in en persoonlijke betrokkenheid te tonen bij dit probleem, bij de manier waarop sommige lidstaten het kaderbesluit hebben omgezet in hun nationaal recht? (De Commissie heeft daar kritiek over geuit). Mag ik hem verzoeken persoonlijke betrokkenheid te tonen bij het feit dat sommige lidstaten oude procedures blijven hanteren en dat het EAB als gevolg daarvan niet zo doelmatig is als het zou kunnen zijn?

Er zijn weliswaar zeer belangrijke successen geboekt, maar die zijn helaas afgezwakt doordat deze richtlijn, die van bijzonder groot belang kan zijn voor de toekomst op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, niet goed wordt omgezet en niet goed wordt uitgevoerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot vicevoorzitter van de Commissie.(FR) Mijnheer Moraes, allereerst wil ik u er graag aan herinneren dat de Commissie op basis van de huidige verdragen niet gemachtigd is inbreukprocedures in te leiden tegen een lidstaat indien tijdens de toezicht- en evaluatieprocedures zou worden ontdekt dat het kaderbesluit op onjuiste wijze is uitgevoerd. Desondanks kan ik u zeggen dat ik de tenuitvoerlegging van het Europees arrestatiebevel nauwlettend in de gaten zal blijven houden. We kunnen het Forum Justitie, dat een permanent mechanisme zal worden, aangrijpen om de samenwerking tussen rechters uit alle lidstaten te bevorderen. Ook zullen we die gelegenheid benutten om het correcte gebruik van het Europees arrestatiebevel onder de aandacht te brengen. Ik wil u bedanken voor uw vraag en ik kan u zeggen dat we alles zullen doen wat in ons vermogen ligt. Tot slot wil ik nog toevoegen dat de versterking van Eurojust ook zal bijdragen aan het verbeterde gebruik van het Europees arrestatiebevel.

 
  
MPphoto
 
 

  Armando França (PSE).(PT) Mevrouw de Voorzitter, commissaris, ik ben zeventien jaar werkzaam geweest als advocaat bij de rechtbank en daarom ben ik goed op de hoogte van de situatie van de rechtspraak in Europa, die over het algemeen wordt gekenmerkt door traagheid, door intense traagheid. Daar moeten we allemaal hard aan werken.

Het Europees arrestatiebevel is heel belangrijk – van het allergrootste belang zelfs. Bovendien is het van cruciaal belang dat de lidstaten begrijpen waarom dat zo is en daar vervolgens naar gaan handelen.

We weten dat de Commissie niet gemachtigd is sancties op te leggen, maar ze kan de zaken wel prikkelen en stimuleren. Ik ben het helemaal eens met de woorden van mijn collega, ik wil er alleen nog een ander belangrijk aspect aan toevoegen, commissaris, waar u waarschijnlijk iets aan kunt doen, namelijk het aanmoedigen van de samenwerking tussen instellingen van politie en justitie. Het is van wezenlijk belang dat de Commissie en de Europese instellingen de samenwerking tussen politie en justitie in de lidstaten stimuleren.

 
  
MPphoto
 
 

  Jacques Barrot vicevoorzitter van de Commissie.(FR) U hebt helemaal gelijk – het Europees arrestatiebevel moet succesvol zijn, want dat betekent dat we werkelijk een systeem van wederzijdse erkenning hebben aanvaard. Op dit moment beginnen de diverse gerechtelijke instanties echt met elkaar samen te werken in een sfeer van vertrouwen. Daarom dient het correcte gebruik van het Europees arrestatiebevel, dat de procedures aanzienlijk heeft versneld en vereenvoudigd, als voorbeeld te dienen voor deze nieuwe justitie, die u graag veel sneller en eenvoudiger ziet functioneren.

Tot zover mijn bijdrage. We zullen de toepassing van het Europees arrestatiebevel nauwlettend blijven volgen. In mijn ogen is het één van de beste instrumenten voor strafrechtelijke samenwerking waar we momenteel over beschikken, maar het kan desondanks nog wel verder worden verbeterd.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − Het vragenuur is gesloten.

(De vergadering wordt om 19.20 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: EDWARD McMILLAN-SCOTT
Ondervoorzitter

 
  

(1)PB L 90 van 8.4.2003, blz. 48.
(2)PB L 175 van 3.7.1997, blz. 27.

Juridische mededeling - Privacybeleid