22. Wijziging van het Reglement in verband met de voorstellen van de Werkgroep parlementaire hervorming inzake de werkzaamheden van de plenaire vergadering en initiatiefverslagen (debat)
De Voorzitter. − Aan de orde is het verslag (A6-0197/2008) van de heer Corbett, namens de Commissie constitutionele zaken, over de wijziging van het Reglement in verband met de voorstellen van de Werkgroep parlementaire hervorming inzake de werkzaamheden van de plenaire vergadering en initiatiefverslagen (2007/2272(REG)).
Richard Corbett, rapporteur. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik hoop dat de collega’s mij nogmaals willen toehoren over veranderingen van het Reglement, kwesties die steevast aan bod lijken te komen op een maandagavond.
Zoals mijn collega’s weten, heeft het Parlement een werkgroep onder de zeer bekwame leiding van onze collega Dagmar Roth-Behrendt, die de verbetering van de werkzaamheden van ons Parlement onderzoekt.
We zijn niet langer een debatorgaan, maar een co-wetgever. Wat er ook gebeurt met het Verdrag van Lissabon, die wijziging heeft grotendeels al plaatsgevonden. Het is dan ook rationeel en logisch dat we de organisatie van onze werkzaamheden onderzoeken.
Een belangrijk gevolg daarvan is onvermijdelijk en terecht dat de nadruk verschuift van initiatiefverslagen van commissies, zonder invloed op de wetgeving, naar wetgeving.
Dat is het eerste en misschien het belangrijkste deel van het pakket van voorstellen dat ik vandaag aan u voorleg. De voorstellen van de werkgroep waren uiteraard veelomvattend: slechts enkele daarvan vereisen een aanpassing van ons Reglement, maar dit is daar één van.
De idee is hier dat we een onderscheid moeten maken tussen de verschillende types initiatiefverslagen en hun betekenis. Sommige zullen uiteraard volledige bespreking en stemming in de plenaire vergadering blijven verdienen, andere misschien niet.
We mogen van deze Kamer geen ontwerpcommissie maken die een gedetailleerd initiatiefverslag van een gespecialiseerde commissie over een gespecialiseerd onderwerp paragraaf per paragraaf herschrijft.
Ik was graag nog een stap verder gegaan en stel daarom de vraag: waarom staan zulke verslagen, dat type initiatiefverslagen, niet op zich als verslag van de commissie?
Verslagen van het Parlement, die we allemaal bespreken, zijn verslagen van de parlementaire commissies. Er wordt niet over gestemd in het Parlement en ze worden niet herschreven door het Parlement, ze hebben hun intrinsieke waarde. Het zijn vaak zeer goede, diepgaande, analytische verslagen. De commissies gebruiken het Parlement niet om hun verslagen paragraaf per paragraaf te laten reviseren door het Parlement. Voor dit type initiatiefverslag moeten we dat ook niet doen.
Met deze Reglementswijziging zal dat mogelijk zijn. We zullen natuurlijk – dat is het compromis – het verslag nog altijd voorleggen aan het Parlement voor aanneming of verwerping. We zullen ook toestaan dat fracties die er niet mee akkoord gaan, een alternatieve ontwerpresolutie indienen, maar we zullen er niet uren aan een stuk, paragraaf per paragraaf, over stemmen, om een verslag van dat type te herzien. Dat is volgens mij een eerste, zeer belangrijke wijziging.
Een andere wijziging, maar van een heel andere soort, is onze debatten en de manier waarop we onze spreektijd gebruiken, meer leven in te blazen. De rol van de rapporteur zal worden verbeterd: de rapporteur presenteert het verslag van de commissie, dat een antwoord is op het wetgevingsvoorstel van de Commissie, en zegt onmiddellijk wat het Parlement vindt van het Commissievoorstel, en hij rondt het debat af op het einde, waarbij hij misschien antwoordt op de punten die verschillende leden hebben aangevoerd, zoals ik daarnet heb trachten te doen bij ons vorige debat. Dat is iets wat onze debatten nieuw leven kan inblazen en zeker de moeite waard is.
Er is echter één detail dat blijkbaar veel opmerkingen heeft uitgelokt: dat is de suggestie dat we richtsnoeren voor schriftelijke parlementaire vragen zouden moeten hebben, zoals we ook al richtsnoeren hebben voor vragen die worden gesteld tijdens het vragenuur bij de andere instellingen.
Ik begrijp niet waarom daar zo’n drama wordt van gemaakt. Het is geen poging om een censuurbevoegdheid met betrekking tot de vragen in te voeren. Er wordt alleen gezegd in de richtsnoeren dat schriftelijke parlementaire vragen, net zoals vragen van het vragenuur, binnen de opdracht van de instelling die om antwoord wordt verzocht, moeten vallen. Dat lijkt logisch en rationeel, maar ontbreekt op dit moment.
Het feit dat dit ontbreekt, heeft het mogelijk gemaakt dat één lid van dit Huis meer dan duizend schriftelijke parlementaire vragen heeft ingediend over onderwerpen die helemaal niets te maken hebben met de Europese Unie. Daardoor is het systeem vast komen te zitten, zodat alle andere leden langer moesten wachten op hun antwoorden. Het heeft een fortuin gekost, omdat al deze vragen in alle talen moeten worden vertaald, onder de commissarissen moeten worden verspreid voor een collectief antwoord en collegiaal antwoord. Dat is een verspilling van onze tijd en middelen. Gewoon richtsnoeren vastleggen die bepalen dat de vragen binnen de opdracht van de Europese Unie en de instellingen moeten vallen, lijkt verstandig.
En wie moet daarover oordelen? Op grond van mijn voorstel zal onze voorzitter, de voorzitter van het Parlement, hierover oordelen. Als we richtsnoeren vastleggen, zullen we het niet overlaten aan de Commissie om daarover te oordelen en te zeggen: “Nee, op die of die vraag antwoorden we niet”. Nee, wij zullen beslissen - en dat is zo om de leden te beschermen en moet een garantie zijn voor de leden. Het verbaast mij dat sommige leden die vanavond niet hier aanwezig zijn, het nodig vonden dat aan de kaak te stellen in een e-mail aan alle parlementsleden.
Deze zijn gematigde, verstandige voorstellen die afkomstig zijn van de werkgroep van vicevoorzitters en Dagmar Roth-Behrendt, en ik beveel ze aan aan het Huis.
Margot Wallström, vicevoorzitter van de Commissie. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, een hervormd Parlement dat aanzet tot een levendiger politiek debat over de EU is in het belang van al onze burgers en ook al de instellingen. We hebben een dynamischer bespreking van Europese zaken nodig en ik behoor tot degenen die er diep van overtuigd zijn dat debatteren het levenssap is van iedere goed werkende democratie.
Namens de Commissie wil ik de heer Corbett feliciteren met zijn verslag over de werkzaamheden van de plenaire vergadering en de presentatie van schriftelijke vragen. Het aantal parlementaire vragen is met de jaren steeds toegenomen. In 2007 heeft de Commissie meer dan 6 700 vragen beantwoord. Dat is een stijging van 12 procent in vergelijking met 2006 en nagenoeg 35 procent in vergelijking met 2005 en de tendens dit jaar wijst in de richting van een verdere stijging.
De toename van het aantal vragen vormde ook een echte uitdaging: nagenoeg 25 procent van alle schriftelijke vragen is ingediend door niet meer dan acht parlementsleden. Bovendien heeft een groot aantal vragen betrekking op kwesties die niet onder de bevoegdheid van de Gemeenschap vallen. Ik kan u enkele voorbeelden geven als u wil.
De Commissie is absoluut toegewijd om haar verantwoordelijkheid op te nemen en hoogwaardige antwoorden te geven op de parlementaire vragen. Dat is een plicht die voortvloeit uit de verdragen; het is ook een centraal onderdeel van onze verantwoordingsplicht ten aanzien van het Parlement. De Commissie is verheugd over de introductie van sommige richtsnoeren en ontvankelijkheidscriteria voor schriftelijke parlementaire vragen als voorgesteld in het verslag. Er gelden nu richtsnoeren voor mondelinge vragen aan de Commissie of de Raad en het verslag-Corbett stelt een methode voor die reeds geïmplementeerd is in het Parlement en bekend is bij de Raad en de Commissie. De effectieve implementatie van deze richtsnoeren zal de mogelijkheid voor individuele leden om vragen te stellen aan de Commissie en tijdig antwoorden te ontvangen, versterken, zoals reeds is uitgelegd door de rapporteur. We zullen ons kunnen concentreren op vragen over kwesties die echt betrekking hebben op de Commissie of die van algemeen belang zijn.
Ik wil nog iets zeggen over een andere kwestie die aan bod komt in het verslag, zijnde de volgorde van de toespraken tijdens debatten in de plenaire vergadering. De Commissie erkent dat het logisch en wenselijk is debatten over wetgevingsteksten te beginnen met een inleiding door de rapporteurs. Met betrekking tot de volgorde van de toespraken en de spreektijd wil ik echter benadrukken dat er moet worden vastgehouden aan het beginsel van gelijkwaardige behandeling van de Commissie en de Raad.
Om af te sluiten wil ik eraan herinneren dat wij onlangs ons standpunt hebben kenbaar gemaakt met betrekking tot het tweede tussentijdse verslag dat is goedgekeurd door de Werkgroep parlementaire hervorming en dat we uitkijken naar de kans om deze kwesties met het Parlement te bespreken alvorens uw instelling het definitieve standpunt inzake het hervormingspakket inneemt. Ik heb er vertrouwen in dat de geest van goede interinstitutionele samenwerking die beide instellingen tot nog toe hebben laten zien, zal standhouden gedurende het hele hervormingsproces.
József Szájer, namens de PPE-DE-Fractie. − (HU) Mijnheer de Voorzitter, opnieuw gaan er stemmen op die zeggen dat deze aanbeveling is ingegeven door ons verlangen om de activiteiten van bepaalde parlementsleden te beperken. Ik wil de eurosceptische parlementsleden erop wijzen dat ze de aanbeveling moeten lezen, alvorens zoiets te zeggen.
Dit verslag, en deze wijziging van het Reglement, had al heel lang geleden moeten gebeuren, aangezien het Europees Parlement al een hele tijd een aanzienlijke wetgevingsbevoegdheid heeft. Ondertussen gaat in totaal 17,4 procent van onze tijd, de tijd die we besteden aan debatten in plenaire vergadering, naar wetgeving, en de rest naar andere activiteiten.
Dit verslag maakt het in feite mogelijk dat het Parlement zich bezighoudt met de zaken waartoe de verdragen het machtigt. Met andere woorden, we zullen ons werkelijk op wetgeving kunnen concentreren, en dat wil niet zeggen dat de initiatiefverslagen in waarde dalen, aangezien deze ook zeer belangrijke punten bevatten, maar we moeten voor onszelf beseffen dat hun invloed veel kleiner is dan wat we kunnen bereiken met wetgeving.
Wanneer we wetgeving uitvaardigen, creëren we veranderingen die de levens van 500 miljoen mensen direct beïnvloeden in de komende jaren, terwijl het effect van initiatiefverslagen veel langer op zich laat wachten en veel kleiner is. Dientengevolge moet dit Parlement zich veel meer bezighouden met wetgeving, en dat is wat dit verslag mogelijk maakt.
We zijn er ook in geslaagd overeenstemming te bereiken over de vragen, aangezien het belangrijk is dat er ook een echt antwoord komt op de vragen. Parlementsleden krijgen heel vaak geen echte antwoorden van de Commissie, hoewel, zoals de commissaris heeft gezegd, ieder individueel lid van het Europees Parlement het recht heeft om antwoorden te krijgen op zijn vragen, maar het moet gaan om vragen die binnen de bevoegdheid van de Europese Unie en de Commissie vallen.
Het verheugt mij ook dat de Commissie de beperking tot twee vragen per maand uiteindelijk heeft verworpen. Dit was een wijze beslissing. In ieder geval kunnen we een beter resultaat bereiken en deze nieuwe regel zal helpen de vragen meer doeltreffend te maken. Derhalve feliciteer ik de rapporteur, de heer Corbett. Dank u.
Jo Leinen, namens de PSE-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, initiatiefverslagen hebben zeker een bestaansrecht in dit Parlement. We zijn een parlement van 27 landen en volkeren en er zijn veel vragen die op de lippen branden, zowel binnen de EU als in onze betrekkingen met andere delen van de wereld.
Ik ben het echter eens met degenen die hebben gezegd dat het Parlement steeds meer geëvolueerd is van een raadgevend orgaan naar een wetgevend orgaan. Het Verdrag van Lissabon zal nog een grote stap verder in die richting betekenen. Daarom moeten we prioriteiten stellen. Ik hoor dat we slechts 17,4 procent van onze tijd besteden aan wetgevend werk. Dat is werkelijk niet genoeg. We staan onder stress, onder tijdsdruk. We willen een betere wetgeving en daarvoor hebben we meer tijd en prioriteiten nodig.
Het is ook een goede zaak dat we nu zeggen dat niet ieder verslag opnieuw moet worden besproken in de plenaire vergadering. Er kan ook gestemd worden zonder eerst te debatteren en de leden kunnen hun opmerkingen met betrekking tot het verslag schriftelijk kenbaar maken als ze dat wensen. Dat moet niet mondeling in de plenaire vergadering gebeuren.
Mevrouw de vicevoorzitter, ik vind het correct dat de rapporteur het eerste en het laatste woord heeft hier in het Parlement, omdat wij hier quasi als “kamer van burgers” aan het begin en het einde van een debat onze mening moeten zeggen. Dat is een goede vernieuwing.
Last but not least wil ik het hebben over de kwestie van de vragen. Alles gaat goed, tot er misbruik in het spel komt. We hebben de cijfers gehoord: acht leden stellen 25 procent van alle vragen. Dat wil zeggen dat er nagenoeg 1 700 vragen gesteld zijn door acht leden. Men zou kunnen zeggen dat ze heel vlijtig zijn, maar het wekt toch sterk de indruk dat het EU-systeem hier, zoals in vele andere gevallen, op onverantwoorde wijze misbruikt wordt door tegenstanders van de EU. We moeten daarom een regel invoeren en de richtsnoeren zijn een maatstaf, een kader waarbinnen we kunnen werken.
Proficiat mijnheer Corbett dat u zich steeds weer inspant om het Parlement verder te ontwikkelen. Hartelijk dank.
Andrew Duff, namens de ALDE-Fractie. – (EN) Mijnheer de Voorzitter, het verheugt mij dat ik in deze toespraak een consensus meer toegedaan kan zijn dan in mijn vorige. De liberale fractie staat sterk achter de richting van de hervormingen in dit pakket voorstellen, inzonderheid met betrekking tot de parlementaire vragen.
Ik ben van mening dat het goed is dat we het eerste voorstel van de rapporteur om het aantal parlementaire vragen dat mag worden gesteld, te beperken of een bovengrens vast te leggen, hebben laten vallen.
Eigenlijk zou ik nog twee kleine verbeteringen willen voorstellen. Het eerste is de procedure uit te breiden, om te voorkomen dat verslagen van de commissie die van slechte kwaliteit zijn – zo zijn er helaas soms – nog zonder verbetering door de plenaire vergadering gaan en het zou gepast zijn om de commissie zelf, en niet alleen de rapporteur of twee fracties of 10 procent van de leden van het Parlement, toe te staan amendementen in te dienen.
Mijn tweede voorstel is om een “catch the eye”-procedure toe te voegen aan de nieuwe soort korte inleiding die wordt voorgesteld door de rapporteur. Ik ben van mening dat deze twee veranderingen de kans op parlementair debat en uitwisseling lichtjes zouden vergroten en toch het doel van de werkgroep, zijnde natuurlijk de werkzaamheden van het Parlement te stroomlijnen en te bezielen, niet zouden tenietdoen.
Sylvia-Yvonne Kaufmann, namens de GUE/NGL-Fractie. – (DE) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het grotendeels eens met de heer Duff. Anders dan bij het vorige verslag, kunnen wij als fractie het verslag in het geheel steunen, aangezien het de voorstellen van de Werkgroep parlementaire hervorming weerspiegelt en omzet in amendementen op het Reglement.
Waar wij echter niet achter kunnen staan, dat wil ik hier kort vermelden, is het voorstel om geen amendementen op initiatiefverslagen meer toe te staan. Mijn fractie is van mening dat amendementen ontegenzeggelijk deel uitmaken van de politieke cultuur en het politieke debat en vooral van de rechten van de individuele fracties en dat men dit recht van de fracties niet mag beknotten.
Tot slot wil ik nog zeggen dat ik van mening ben dat amendementen 13 en 15 van de Fractie van de Groenen/Vrije Europese Alliantie en de Fractie Alliantie van Liberalen en Democraten voor Europa onze steun verdienen. Ook al hoeven we hier in plenaire vergadering geen lange, gedetailleerde debatten te houden over individuele verslagen, er moet wel een bespreking plaatsvinden en deze moet kort zijn - ofwel één woordvoerder per fractie, zoals de Verts/ALE-Fractie voorstelt, ofwel door middel van de “catch the eye”-procedure. Als we helemaal afzien van een debat, zouden we onszelf geen goede dienst bewijzen. Als we geen debat toestaan, nemen we onszelf niet serieus en dat vind ik ook niet goed.
Hanne Dahl, namens de IND/DEM-Fractie. – (DA) Mijnheer de Voorzitter, alle wetgevende organen moeten te allen tijde aan controle worden onderworpen en moeten, evenals wij, bereid zijn om zelfcontrole uit te oefenen. Ik vrees echter dat de zelfcontrole in het huidige verslag te ver gaat. Ik zou zelfs zo ver willen gaan om het zelfcensuur te noemen. Als dit verslag wordt aangenomen in zijn oorspronkelijke vorm, betekent dit dat het Parlement zelf voorstelt om beperkingen op te leggen aan het recht van zijn leden om relevante vragen te stellen aan de Raad en de Commissie. Dit is op zich zinnig, maar het verslag stelt ook dat het de taak van de Voorzitter is om te beslissen of de betreffende vraag mag worden gesteld. Dus moet de Voorzitter van het Parlement beslissen welke vragen geschikt zijn om aan de andere EU-instellingen te stellen. We voeren dus een extra zelfcensuur in en staan bovendien de Voorzitter van het Parlement toe om censuur uit te oefenen.
Ik wil het Huis eraan herinneren dat we het enige rechtstreeks gekozen orgaan zijn en dus een bepaalde verplichting hebben. Het is onze taak om parlementaire controle uit te oefenen, en daarom kunnen we ons onder geen beding zelfcensuur opleggen, die vatbaar is voor misbruik. Natuurlijk hebben we allen de morele plicht om de tijd van instellingen niet te verspillen met irrelevante vragen, maar we kunnen de vaststelling van “objectieve criteria” voor relevantie niet accepteren. In de politiek bestaan er geen objectieve criteria en als we ze vaststellen, lopen we de kans dat ze worden misbruikt.
Jim Allister (NI). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, in zijn oorspronkelijke vorm was dit verslag veel draconischer en antidemocratischer dan in zijn uiteindelijke versie. Onze eurofanatieke rapporteur toonde veel van zijn ware aard toen hij voorstelde om de rechten in te perken van gekozen leden in dit Huis die het wagen vragen te stellen aan de niet-gekozen Commissie en de Raad. Vandaar zijn monsterlijke voorstel om leden te beperken tot drie vragen per maand.
Gelukkig moest hij snel de aftocht blazen, maar zijn verslag ademt nog steeds iets van het onderliggende repressieve karakter van dat voorstel. Met name het veto dat hij de Voorzitter wenst te geven over wat de inhoud van een vraag mag zijn, is onaanvaardbaar; niet in de laatste plaats omdat deze huidige Voorzitter niet het vertrouwen geniet van iedereen in dit Huis gezien zijn onvermogen om een verschil van mening te dulden. Dit bleek uit zijn strafmaatregel tegen diegenen in dit Huis die het waagden om het recht van hun electoraat op te eisen om nationale referenda te houden over het Verdrag van Lissabon.
De Voorzitter toonde zijn onverdraagzaamheid, en een Voorzitter aan wie censuurrechten worden gegeven die hem in staat stellen om de Europese elite te beschermen tegen indringende vragen van leden – een dergelijke Voorzitter zal met graagte die censuur uitoefenen. Daarom is het dwaas, is het verkeerd en is het ondemocratisch om leden in dit Huis zo te boeien en te knevelen als onze rapporteur, wat niet verrassend is, dat tracht te doen.
Costas Botopoulos (PSE). – (EL) Mijnheer de Voorzitter, het Reglement van het Parlement is niet slechts een formaliteit in ons werk, maar vormt de ware essentie van het werk van elk parlement, zelfs van een parlement als het onze, dat 780 leden telt uit zoveel verschillende landen, dat zover verwijderd is van het oog van de publieke opinie en als gevolg daarvan vaak ver afstaat van zaken die van belang zijn voor het publiek, een parlement met bekende procedures als het om debat gaat – en het debat hier in de plenaire vergadering is simpelweg een formele procedure in verhouding tot het echte werk dat plaatsvindt in de commissies.
Een poging dus om het werk van de plenaire vergaderingen van dit Parlement op basis van bepaalde principes te verbeteren, is altijd welkom: ten eerste het principe van efficiëntie, zodat we discussies voeren om te komen tot opties en ten slotte tot besluiten, ten tweede het principe van democratie, gelijke kansen voor iedereen ongeacht de macht die men bezit, zodat iedereen gehoor vindt, en ten derde het principe van “levendigheid”, zoals ik het zou noemen, zodat de dingen die wij zeggen van belang zijn voor het publiek.
Hoe goed voldoet het voorstel in dit specifieke verslag aan deze principes? Naar tevredenheid, denk ik, hoewel er ruimte is voor enkele kleine verbeteringen, die ik zal voorstellen.
Wat het punt van de “korte presentatie” betreft: daar ben ik het mee eens. Er is één reden waarom het een zeer goed idee is om een korte presentatie te hebben: het betekent dat er nooit een verslag zal zijn waarover in het geheel niet wordt gesproken. Ik zal u een voorbeeld geven: het zeer interessante verslag van de heer Duff, waarover we morgen zullen stemmen, over de wijze waarop enige vorm van controle kan worden uitgeoefend op de Commissie. Dit zal in het geheel niet worden besproken, hoewel het een zeer goede gelegenheid zou zijn om gebruik te maken van deze verkorte procedure.
Daarom zeg ik hier “ja” tegen, maar bovendien zou ik erop willen wijzen – we zien dat vandaag en we zien dat elke keer – hoe interessant de “catch the eye”-procedure is, en hoe oninteressant een discussie is als alleen de rapporteur en de Commissie daaraan deelnemen terwijl het interessant zou zijn als ook anderen konden spreken.
Eén laatste opmerking: wat vragen betreft, denk ik dat de koers die wij volgen, heel juist is. Ten slotte wil ik over de initiatiefverslagen opmerken dat ik vind dat over amendementen op deze verslagen moet worden gedebatteerd.
Gerard Batten (IND/DEM). – (EN) Mijnheer de Voorzitter, als ik deze korte betogen schrijf, valt het me soms op dat er echt behoefte zou zijn aan het talent van een George Orwell om recht te doen aan deze verslagen.
Dit verslag van de heer Corbett, die zonder het te weten een satiricus en humorist is, is hier een goed voorbeeld van. Het getuigt van een enorme ondemocratische arrogantie om voor te stellen dat leden van dit Parlement hun vragen aan de Raad en de Commissie zouden moeten laten censureren! Ons wordt verteld dat dit is om misbruik van dit recht te voorkomen of het gebruik van beledigende taal een halt toe te roepen.
Misschien is de heer Corbett bang dat we vragen zouden kunnen stellen over het strafblad van sommige commissarissen of hun vroegere carrière als apparatsjik van Oost-Europese communistische regimes of misschien over de vermeende carrière van voormalige EU-voorzitters als KGB-agent?
Onlangs heeft de Voorzitter van het Parlement zich willekeurige bevoegdheden aangematigd om controle te hebben op het recht van Parlementsleden om in deze Kamer te spreken. Nu wil de heer Corbett censuur uitoefenen over wat Parlementsleden namens hun kiezers willen zeggen tegen de Raad en de Commissie.
Ik wil graag reageren op het commentaar van de heer Corbett op mijn betoog in het laatste debat. Wat de door hem voorgestelde regels voor de vorming van fracties betreft, doelde ik natuurlijk op de Fractie Onafhankelijkheid en Democratie zoals die momenteel is samengesteld. Het is de Labour Party die in Groot-Brittannië van de kaart dreigt te worden geveegd. Eén reden daarvoor is haar eurofiele fanatisme, en ik kan hem verzekeren dat de Britse Fractie Onafhankelijkheid in 2009 hier in nog grotere getale zal terugkeren.
Paul Rübig (PPE-DE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, dames en heren, de vragen vertegenwoordigen precies het spectrum aan informatie dat burgers van de EU verwachten. Aangezien commissaris Wallström hier vandaag aanwezig is, roep ik haar op om deze vragen door te laten nemen en wellicht een brochure te laten maken waarin de resultaten van de vragen en antwoorden ook aan de Europese burgers ter beschikking worden gesteld, zodat ze, ook op het internet, kunnen nalezen wat het antwoord is op de vragen die door hun Parlementsleden aan de Commissie en de Raad worden gesteld. Het zou fantastisch zijn voor journalisten en Europese burgers als dat nog voor de verkiezingen zou gebeuren.
Friedrich-Wilhelm Graefe zu Baringdorf (Verts/ALE). – (DE) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik heb het woord gevraagd, omdat ik graag wil reageren op het betoog van de heer Leinen. Mijnheer Leinen, als ik even uw aandacht mag? Ik wil het graag hebben over uw opmerkingen over initiatiefverslagen. Er valt te twisten over de kwaliteit van de initiatiefverslagen die hier worden ingediend en vervolgens aangenomen, maar als u amendementen niet langer toelaat, hoe kunnen initiatiefverslagen dan worden verbeterd? Ik wil u eraan herinneren dat het Parlement geen initiatiefrecht heeft op het gebied van wetgeving. We zijn daarbij aangewezen op de Commissie. Hoe kunnen we de Commissie laten weten welke initiatieven we graag zouden willen als we de initiatiefverslagen beknotten of verslagen niet in een richting kunnen sturen waardoor dingen worden verbeterd? Als ik het goed begrijp, hebben we volgens het Verdrag, of wat ooit Grondwet heette, zelf geen initiatiefrecht op wetgevingsgebied. We hebben uitsluitend de mogelijkheid om met initiatiefverslagen te laten weten wat we willen. Ik vind het jammer als u dat bagatelliseert, omdat u ons dan van een mogelijkheid berooft. Ik denk dat u daar nog eens over na zou moeten denken – zowel u, mijnheer Leinen, als de rapporteur.
Íñigo Méndez de Vigo (PPE-DE). – (ES) Mijnheer de Voorzitter, de rapporteur heeft niemand nodig om hem te verdedigen. Ik twijfel er niet aan dat hij zichzelf kan verdedigen, maar ik moet zeggen dat ik het woord heb gevraagd, omdat ik vind dat sommige van de toespraken te ver gingen.
Ik denk dat we in dit Huis debatten moeten voeren en argumenten naar voren moeten brengen. Ik heb zojuist geluisterd naar de toespraak van de heer Graefe zu Baringdorf, en we zijn het hierover nooit met elkaar eens, maar ik denk dat sommige van de beschrijvingen, beledigingen en karikaturen deze instelling uiteindelijk schaden, en met name diegenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, mijnheer de Voorzitter. We zijn hier in Frankrijk en ik geloof dat het een Franse schrijver was die zei dat alles wat overmatig is geen waarde heeft. Vandaag hebben we hier enkele toespraken gehoord die geen waarde hebben.
We hebben waardering voor wat de heer Corbett heeft gedaan, namelijk simpelweg weergeven wat er wordt gedaan door een groep Ondervoorzitters van dit Huis, waarin alle fracties in het Parlement zijn vertegenwoordigd. Dit vindt zijn neerslag in het Reglement, waarover we vandaag met hem hebben gedebatteerd, en we hebben grote waardering voor het werk dat hij verzet.
Richard Corbett, rapporteur. − (EN) Mijnheer de Voorzitter, na ons vorige debat ben ik blij om te constateren dat we nog steeds vrienden zijn en dat we een bredere consensus over deze kwesties kunnen bereiken.
Ik wil graag een aantal punten verduidelijken die aanleiding hebben gegeven tot onenigheid. Wat parlementaire vragen betreft: er wordt door ons geen enkele limiet aan parlementaire vragen voorgesteld. We zeggen eenvoudigweg dat dezelfde richtsnoeren die we als Parlement hebben aangenomen voor vragen binnen het vragenuur, ook zouden moeten gelden voor schriftelijke vragen, namelijk dat ze binnen de opdracht van de Europese Unie vallen en binnen die van de instelling die wordt verzocht ze te beantwoorden.
Vragen over ziekenhuizen in het Verenigd Koninkrijk onder de National Health Service en de verplaatsing van medewerkers van het ene ziekenhuis naar het andere, die niets te maken hebben met de Europese Unie, zouden geen parlementaire vragen moeten zijn die veel geld kosten op Europees niveau. Dit lijkt me een kwestie van gezond verstand: alleen de UKIP en hun vrienden kunnen dit omschrijven als een soort samenzwering of censuur. Censuur? Op criteria waartoe we zelf besluiten, waarover onze Voorzitter moet beslissen, niet de Commissie of de Raad? Als dat censuur is, lieve hemel…
De tweede kwestie die aanleiding gaf tot enige onenigheid, was de spreektijd. Misschien heb ik dit nog niet volledig toegelicht. We handhaven de twee opties die we nu hebben voor de organisatie van debatten en zullen daar een derde aan toevoegen. Op dit moment kunnen we een volledig debat voeren, wat al een kort debat kan zijn met één spreker per fractie. We hebben nu ook de optie van de vereenvoudigde procedure, waarbij de rapporteur eenvoudigweg een verklaring van twee minuten aflegt ten tijde van de stemming: dat zullen we zo houden.
Wat we voorstellen, is om daar een derde optie aan toe te voegen: de korte presentatie, namelijk wanneer er consensus bestaat over een verslag en het om een initiatiefverslag gaat enzovoort en het verslag geen volledig debat verdient, hoewel dat laatste altijd een optie blijft. Binnen de procedure van de korte presentatie presenteert de rapporteur de conclusies van de commissie. De Commissie reageert hierop en alle anderen die dat wensen kunnen schriftelijk een extra bijdrage leveren. Dit vergroot het aantal opties dat het Parlement ter beschikking staat; het beperkt de rechten van leden niet. Het vergroot de flexibiliteit waarmee we deze kwesties kunnen behandelen, en ik beveel dit opnieuw aan bij het Huis.
Tot slot een aantal korte vragen. In antwoord op de vraag van de heer Rübig: de vragen en antwoorden zijn al te raadplegen via het internet. Ze zijn zichtbaar voor alle leden. Misschien moeten we er meer gebruik van maken, maar ze zijn er en ze zijn een instrument dat ter beschikking staat. Tegen de heer Baringdorf wil ik zeggen: ja, het verslag maakt inderdaad onderscheid tussen verschillende soorten initiatiefverslagen. Het soort wetgevingsinitiatief waar hij op doelde, zou niet komen te vallen onder de vereenvoudigde procedure die wij voorstellen. Dat zou de normale procedures volgen, zoals dit specifieke type wetgevingsinitiatief ook verdient. Daar hebben we dus al rekening mee gehouden.
Wat de zeer vreemde opmerkingen van de heer Batten van de UKIP betreft en zijn verwijzing naar de volgende Europese verkiezingen: we zullen zien. Ja, zijn partij heeft evenveel zetels gewonnen als de Liberal Democrats tijdens de vorige Europese verkiezingen in het Verenigd Koninkrijk. Ze hebben echter, denk ik, tienmaal meer uitgegeven – de heer Duff knikt, dus ik denk dat dat klopt. We zullen zien hoeveel miljonairs hij dit keer kan overhalen om bij te dragen aan zijn campagne. Ik hoop echter dat de kiezer, na het zien van hun optreden in het Europees Parlement in de afgelopen vijf jaar, zal beseffen wat het eigenlijk betekent als je iemand van de UKIP kiest voor deze instelling. En als het electoraat zich daarvan bewust is, weet ik zeker dat zij het niet zo goed zullen doen in de volgende Europese verkiezingen.