Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

O-0067/2008 (B6-0164/2008)

Debatten :

PV 08/07/2008 - 13
CRE 08/07/2008 - 13

Stemmingen :

Aangenomen teksten :


Debatten
Dinsdag 8 juli 2008 - Straatsburg Uitgave PB

13. Het antwoord van de EU op staatsinvesteringsfondsen (debat)
PV
MPphoto
 
 

  De Voorzitter . − Aan de orde is de gecombineerde behandeling van de volgende mondelinge vragen:

– mondelinge vraag voor de Raad van Pervenche Berès, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over het antwoord van de EU op staatsinvesteringsfondsen (O-0067/2008 – B6-0164/2008) en

– mondelinge vraag voor de Commissie van Pervenche Berès, namens de Commissie economische en monetaire zaken, over het antwoord van de EU op staatsinvesteringsfondsen (O-0068/2008 – B6-0165/2008).

 
  
MPphoto
 
 

  Pervenche Berès, auteur. (FR) Voorzitter, fungerend voorzitter van de Raad, vicevoorzitter, dank u dat u ons de gelegenheid biedt voor dit debat met de twee betrokken instellingen. Ik hoop, mijnheer Verheugen, dat u commissaris Charlie McCreevy verslag zult kunnen doen van de aard van ons debat.

We hebben reeds lang actieve staatsinvesteringsfondsen in Europa, vooral het Noorse fonds, en tot nu toe hebben de activiteiten van dit fonds ons niet voor problemen gesteld. Twee nieuwe gebeurtenissen hebben echter tumult veroorzaakt. Ten eerste de vorming van aanzienlijke voorraden door oliestaten en landen die grote handelsoverschotten hebben gekregen, die deze staatsinvesteringsfondsen van middelen voorzien. Ten tweede is er natuurlijk de subprimecrisis, waardoor duidelijker is geworden welke strategische rol deze staatsinvesteringsfondsen zouden kunnen spelen.

Voorheen, toen deze fondsen hier en daar voor investeringen werden gebruikt, vooral in de Verenigde Staten, werden er vraagtekens gezet bij hun strategisch karakter. Als we nu kijken naar de rol die staatsinvesteringsfondsen van investeringsbanken hebben overgenomen op het punt van het injecteren van liquiditeit, ook in eigen fondsen van de investeringsbanken, realiseren we ons dat zij de investeerders voor noodsituaties zijn geworden.

Onder deze omstandigheden gaan emoties meespelen, en daarom wilden wij deze vraag stellen. Ongetwijfeld is dit ook de reden waarom de voorzitter van de Commissie zelf, in tegenstelling tot de commissaris die verantwoordelijk is voor de interne markt, het nuttig en nodig heeft geacht om op 27 februari een stuk te publiceren dat de basis vormt voor onze discussie vandaag.

We lopen het risico dat hier in elk van de lidstaten een strategie wordt uitgevoerd die, uiteindelijk, niet zou zijn opgewassen tegen de realiteit, die is dat staatsinvesteringsfondsen nu verantwoordelijkheid hebben gekregen en een actieve rol in de kapitaalmarkt spelen. Deze nieuwe situatie leidt er tot op zekere hoogte toe dat zij en wij verplichtingen hebben in de dialoog die we met de managers van deze fondsen willen voeren.

Daarom wil ik, namens de Commissie economische en monetaire zaken, vandaag vijf vragen stellen.

Ten eerste hebben we de indruk dat het antwoord van de Commissie tot nu toe was: “Laat elke lidstaat, op het punt van transparantie- en bestuurseisen ten aanzien van deze fondsen, zijn eigen strategie uitvoeren, dan zullen wij als Gemeenschap eenvoudigweg controleren of de eisen in iedere lidstaat niet in strijd zijn met de regels van het Verdrag of de regels van het functioneren van de interne markt.”

Dat lijkt ons geen juiste strategie. Volgens ons zouden we in een geval als dit juist een proactieve benadering moeten nastreven en op communautair niveau samenwerking tot stand moeten brengen: aan de ene kant om oneerlijke concurrentie tussen lidstaten te voorkomen – want het is duidelijk dat er in zekere zin een race plaatsvindt tussen de lidstaten om te zien wie het meest van de zekere investeringsmogelijkheden voor de lange termijn van deze staatsinvesteringsfondsen kan profiteren – en aan de andere kant om te bepalen welke strategische of gevoelige sectoren beschermd moeten worden, en hier gezamenlijk aan te werken.

De tweede vraag heeft betrekking op het probleem van de registratie van deze fondsen. Zou in overweging kunnen worden genomen om deze fondsen op communautair niveau te registreren, zoals nu ook wordt overwogen voor de ratingbureaus?

De derde vraag betreft de interpretatie van artikel 58, over beperking van het vrije verkeer van kapitaal op grond van de openbare orde. Is er nu volgens de Raad en de Commissie een interpretatie die de voorkeur geniet? We zouden graag meer bijzonderheden over deze zaak horen.

De vierde vraag is de volgende: is dit niet een debat met een internationale dimensie? De Europese Unie zou naar onze mening veel beter uitgerust en voorbereid zijn om de internationale dimensie van dit debat aan te pakken, als we tot op zekere hoogte het standpunt van ons basiskamp, de Europese Unie, hadden bepaald, in plaats van het standpunt van een of andere lidstaat die zich misschien, aangetrokken door de financiële mogelijkheden, in de race heeft gestort.

De laatste vraag heeft betrekking op de wisselkoers. Hoe denkt u over de situatie dat oliestaten momenteel met fondsen van in dollars verkochte olie investeren in in euro luidende activa, waardoor de gespannen situatie rond de wisselkoers nog meer verslechtert, met alle gevolgen van dien voor onze handelsbalansen.

Voorzitter, vicevoorzitter, dit zijn de vragen van de Commissie economische en monetaire zaken, en we zien de antwoorden van de Raad en de Commissie met belangstelling tegemoet.

 
  
MPphoto
 
 

  anetaire Ida, fungerend voorzitter van de Raad. (FR) Voorzitter, vicevoorzitter, de vragen rond staatsinvesteringsfondsen zijn door Pervenche Berès uitstekend samengevat. Ik wil graag nog een paar redenen noemen waarom hierover gediscussieerd wordt. Natuurlijk zijn ze de laatste jaren snel gegroeid: volgens het IMF genereren ze momenteel 2 200 tot 300 000 miljard euro. We moeten echter ook kijken naar hun investeringsstrategieën, hun transparantie, de duidelijkheid van deze strategieën en eventueel het ontstaan van nieuwe fondsen.

In oktober 2007 hebben de ministers van Financiën van de G8-landen de IMF en de OESO verzocht deze kwesties te onderzoeken. Hierop zijn beide instellingen aan de slag gegaan: het IMF heeft zijn aandacht gericht op de landen die verantwoordelijk zijn voor de staatsinvesteringsfondsen, terwijl de OESO zich op de ontvangende landen heeft geconcentreerd. Het IMF heeft de huidige praktijken van de fondsen onderzocht, een rondetafelbijeenkomst georganiseerd, waar deze thema’s centraal stonden, en een internationale werkgroep opgezet, samengesteld uit 25 landen die dergelijke fondsen bezitten, met het doel een verslag op te stellen, dat eind oktober van dit jaar moet worden gepubliceerd. Het gaat erom beste praktijken te beschrijven die staatsinvesteringsfondsen naar eigen inzicht zouden kunnen toepassen, vooral op het gebied van transparantie, investeringsstrategieën en bestuur. In dit verband moet worden opgemerkt dat velen het Noorse Staatspensioenfonds als het goede voorbeeld op dit gebied zien.

De OESO heeft vooral bekeken wat de beste praktijken voor de ontvangende landen zijn, en enkele weken geleden hebben de OESO-ministers een verklaring aangenomen. Het werk zal nu worden voortgezet in het Investeringscomité, dat zich vooral zal richten op het onderling toezicht op beleidsontwikkeling en dat een brede discussie zal voeren over de door buitenlandse regeringen gecontroleerde investeringen.

Ik spreek nu verder over het communautair niveau. Zoals u weet, heeft de Commissie in februari 2008 een mededeling gepresenteerd getiteld “Een gemeenschappelijke Europese aanpak van staatsinvesteringsfondsen”. In deze mededeling laat de Commissie weten dat er op communautair niveau geen nieuwe wettelijke maatregelen nodig zijn, maar zij pleit voor een gemeenschappelijke Europese aanpak op grond van samenwerking tussen de ontvangende landen, de fondsen zelf en de landen die hiervoor verantwoordelijk zijn, met als doel, ik citeer: “samen bepaalde beginselen [vast te leggen] om de transparantie, de voorspelbaarheid en de verantwoordingsplicht bij staatsfondsinvesteringen te waarborgen”.

De door de Commissie aanbevolen gemeenschappelijke aanpak moet zijn gebaseerd op de volgende vijf principes: een open investeringsklimaat, steun voor multilateraal werk, het gebruik van bestaande instrumenten, het respecteren van de verplichtingen uit EG-Verdragen en van internationale afspraken, en ten slotte, evenredigheid en transparantie. Hierbij moet worden opgemerkt dat in de mededeling van de Commissie de gemeenschappelijke Europese aanpak wordt aanbevolen als aanvulling op de privileges die lidstaten hebben wat betreft de toepassing van hun nationale wetgeving.

Op 4 maart heeft de Raad deze mededeling bestudeerd en een verslag gestuurd naar de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad. Deze heeft de ideeën van de Commissie overgenomen, met een nuancering van met name twee principes. Aan de ene kant wilde de Raad, liever dan steun te verlenen aan de multilaterale aanpak in het algemeen, in het bijzonder zijn mening geven over het werk dat momenteel in het IMF en de OESO wordt verricht, en dat ik zojuist heb genoemd. Aan de andere kant meende de Raad dat het meer gepast zou zijn in het algemeen als basisprincipe het gebruik van nationale instrumenten en EU-instrumenten, indien nodig, aan te nemen, dan te verwijzen naar het gebruik van bestaande instrumenten.

Om volledig te zijn moet ook nog worden opgemerkt dat de kwestie van de staatsinvesteringsfondsen is besproken op de bijeenkomst van de Trans-Atlantische Economische Raad – zeer bekend bij commissaris Verheugen – op 9 november 2007 in Washington.

Het is waar dat bepaalde lidstaten al op nationaal niveau initiatieven hebben genomen of dat hiervoor plannen bestaan. Dit geldt ook voor andere landen die belangrijke ontvangers van de staatsinvesteringsfondsen buiten Europa zijn. Natuurlijk mogen dergelijke nationale maatregelen niet in strijd zijn met de algemene Europese aanpak die de Commissie voorstaat, op basis van de principes die ik zojuist heb genoemd en die worden gesteund door de Europese Raad. De nationale maatregelen moeten worden tegemoet gezien in de context van een algemene Europese aanpak, waarop ze een aanvulling zouden moeten vormen. Ik denk dat dit aansluit op de zorgen die Pervenche Berès heeft geuit.

Coördinatie van de nationale maatregelen is een van de hoekstenen van de gemeenschappelijke Europese aanpak die door de Commissie is voorgesteld. Zoals u ook voorstelt, is er zeer waarschijnlijk een analyse nodig van de in de lidstaten bestaande initiatieven om een dergelijke coördinatie op een effectieve manier tot stand te brengen en ervoor te zorgen dat deze de nationale privileges en bevoegdheden op het gebied van bescherming niet aantast. Deze analyse van Europese praktijken zou zich heel goed kunnen laten leiden door de resultaten van het onderling toezicht dat door het Investeringscomité van de OESO zal worden uitgevoerd, zoals ik zojuist heb gezegd.

Volgens artikel 58, waarover u sprak, mevrouw Berès, hebben lidstaten het recht beperkingen in te voeren op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid. Voor zover de Raad weet, is echter in verband met staatsinvesteringsfondsen nooit een beroep gedaan op dit artikel. Ten aanzien van de noodzaak om deze bepaling te verduidelijken, kan ik er slechts op wijzen dat deze in het Verdrag van Lissabon niet is gewijzigd.

Concluderend kan ik zeggen dat de Raad de rol van de Europese Unie in de internationale organen wil onderzoeken. De mededeling van de Commissie laat duidelijk zien dat we actief participeren en zullen blijven participeren in het werk van het IMF, de OESO en andere organen. Aangezien staatsinvesteringsfondsen internationaal opereren, is het duidelijk belangrijk voor Europa om samen te werken met andere ontvangende landen aan de ene kant, en met de staatsinvesteringsfondsen en de landen die hiervoor verantwoordelijk zijn, aan de andere kant. De Unie zou er op die manier actief aan moeten bijdragen dat het werk van de genoemde multilaterale organen vordert, en niet slechts als een zwijgend waarnemer de discussies moeten volgen. Daarom steunde de voorjaarsbijeenkomst van de Raad de ideeën die door de Commissie naar voren zijn gebracht. In het bijzonder heeft de Raad zijn steun verleend aan de huidige inspanningen om een gedragscode overeen te komen, die de staatsinvesteringsfondsen naar eigen inzicht zouden kunnen aannemen en waarmee de principes zouden worden vastgesteld die op internationaal niveau op de ontvangende landen van toepassing zijn. De Europese Raad voegde hier nog aan toe dat de Unie zich zou moeten inspannen om op een gecoördineerde manier een bijdrage te leveren aan het huidige debat en hij verzocht de Commissie en de Raad om in die richting met het werk door te gaan. De Raad is absoluut van plan om op deze weg verder te gaan.

In antwoord op uw laatste vraag over de link met financiële kwesties in verband met olie, kan ik zeggen, zoals vandaag ook in de G8 is verklaard, dat we ons allemaal bewust zijn van het belang van zaken die betrekking hebben op het terugdringen van de onevenwichtigheid in de wereld. Sommige landen in opkomst, met name olie-exporterende landen, bezitten grote overschotten. Het is van essentieel belang dat er aanpassingen worden gemaakt, vooral door middel van een adequate valuta-appreciatie. In de G7-G8 worden dit soort kwesties natuurlijk zeer nauwlettend gevolgd, maar dit gebeurt ook in het IMF uiteraard in samenwerking met de EU-lidstaten.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. – (DE) Voorzitter, fungerend voorzitter van de Raad, dames en heren, staatsinvesteringsfondsen zijn belangrijke spelers geworden in het mondiale financiële systeem en terecht trekken ze de laatste tijd steeds meer publieke aandacht. In de bovengenoemde mededeling van februari heeft de Europese Commissie daarom uiteengezet hoe Europa naar onze mening op deze kwesties moet reageren.

Tijdens de voorjaarsbijeenkomst heeft de Europese Raad onvoorwaardelijke steun verleend aan de aanpak zoals die door de Commissie is voorgesteld. De huidige stand van zaken is simpel: de Europese Unie exporteert de meeste directe investeringen ter wereld, en trekt tegelijkertijd ook veel investeringskapitaal naar zich toe. Dit is ook wat we willen. Investeringen en openheid zijn twee van de belangrijkste stuwende krachten achter groei en werkgelegenheid in Europa. We kunnen niet afstappen van ons geloof in een open investeringsklimaat.

Staatsinvesteringsfondsen zijn niet van de ene dag op de andere dag ontstaan. In feite investeren deze al ongeveer 50 jaar in Europa. Deze verantwoordelijke en betrouwbare investeerders hebben een stabiel langetermijnbeleid gevolgd dat bovendien zeker recentelijk, tijdens de beroering op de financiële markten, de toets heeft doorstaan. Deze fondsen hebben kapitaal verstrekt op een moment dat dit dringend nodig was.

We hebben op dit moment ook geen redenen om aan te nemen dat staatsinvesteringsfondsen een negatieve invloed op wisselkoersen hebben. Er bestaan geen echte aanwijzingen dat deze fondsen van Amerikaanse dollars op euro’s overstappen en bovendien zijn ze nog niet van een dergelijke omvang dat ze een belangrijke invloed op ontwikkelingen in de internationale geldmarkten zouden kunnen hebben.

Deze fondsen nemen momenteel wel snel in aantal en omvang toe. Investeringspatronen zijn aan het veranderen. Zelfs de geopolitieke kaart van de landen die deze fondsen opzetten, verandert. Er bestaan enorme verschillen tussen de fondsen als het gaat om de omvang en de kwaliteit van de informatie die ze aan de markt ter beschikking stellen. Hierdoor ontstaat de vrees dat de desbetreffende buitenlandse regeringen door de investeringen van deze fondsen buitengewoon veel politieke macht zouden kunnen krijgen, en dat is een zorg die serieus genomen moet worden.

Indien de fondsen transparant zijn en op het gebied van aansprakelijkheid aan duidelijke regels voldoen, zou het feit dat ze investeringsvehikels in staatseigendom zijn, ons niet ongerust moeten maken. We moeten vertrouwen hebben in de zuiver commerciële aard van hun doelen, wat betekent dat transparantie en “corporate governance” de essentiële factoren zijn.

In de mededeling van de Commissie zijn enkele opties beschreven. Regulering is zeker niet de beste reactie. Alle investeerders in de interne markt moeten dezelfde regels op het gebied van concurrentie, de interne markt en arbeidsrecht in acht nemen. De verschillende instrumenten inzake buitenlandse investeringen die lidstaten aannemen ter bescherming van de openbare veiligheid en orde moeten in overeenstemming zijn met communautaire richtsnoeren.

Toch wil ik erop wijzen, mevrouw Berès, dat lidstaten er recht op hebben dergelijke maatregelen te nemen en dat de meeste dat ook al enige tijd daadwerkelijk doen. De Commissie zal dit nauwlettend in de gaten houden, hoewel er tot op heden geen plannen bestaan voor een uitgebreid onderzoek. Bij een beoordeling van investeringen in gevoelige sectoren op EU-niveau moeten alle investeringsbronnen worden onderzocht, en niet alleen maar de staatsinvesteringsfondsen. We zijn het er zeker over eens dat er andere soorten fondsen bestaan die meer reden tot zorg geven dan de staatsinvesteringsfondsen en daarbij kan niet zo gemakkelijk worden gesproken over transparantie en “corporate governance”.

Het is absoluut waar dat we een mondiale kwestie niet met een beperkte Europese benadering kunnen aanpakken, maar dat we een internationale en mondiale oplossing moeten vinden. De Commissie meent dat een gedragscode, die op mondiaal niveau gezamenlijk door de ontvangende landen en de fondsen zelf is ontwikkeld, het beste antwoord zou vormen. Een vrijwillige gedragscode met basisnormen voor “governance” en transparantie zou meer duidelijkheid verschaffen op het punt van het functioneren van de fondsen.

Sinds de vergadering in maart van de Europese Raad haar steun heeft verleend aan deze benadering, is de Europese Commissie actief betrokken geweest bij de activiteiten van het IMF en de OESO voor het vaststellen van beste praktijken. In beide organisaties worden vorderingen gemaakt. Ik kan u verzekeren dat de oplossing vorm begint te krijgen en we streven nu een goed gedefinieerde en geïntegreerde Europese aanpak na.

We moeten niet vergeten dat dit een bilateraal proces is. Duidelijkheid is in ieders belang. Voor de fondsen zelf betekent het stabiliteit en een vermindering van het risico van tegenslagen. Voor de nationale economieën waarin de fondsen investeren, zal een stabiel, voorspelbaar en niet-discriminerend kader het risico wegnemen dat deze belangrijke investeerders “met hun voeten stemmen”, dat wil zeggen dat ze Europa verlaten en elders gaan investeren.

We willen verdergaan met het werk van het IMF en de OESO. Binnen de Unie bestaat grote consensus en dit betekent dat we een gemeenschappelijke aanpak hebben. Lidstaten hebben niet voor een eigen aanpak gekozen. Er is werkelijk niet één lidstaat die zijn eigen gang wil gaan. Hierdoor staan we sterker en het is van groot belang dat we deze situatie hoe dan ook handhaven. Zo’n brede steun verleent ons beleid meer zeggenschap en de Commissie rekent erop dat we het Parlement tegen het eind van dit jaar concrete positieve resultaten kunnen melden.

 
  
MPphoto
 
 

  Piia-Noora Kauppi, namens de PPE-DE-Fractie. (EN) Voorzitter, ik ben het volledig eens met het onderzoek van de Commissie en de Raad naar de staatinvesteringsfondsen. Deze vormen een trend in de 21ste eeuw en dit debat komt op het juiste moment.

Deze fondsen worden weer zichtbaarder nu ze, in deze tijd van financiële crisis waarbij veel banken en investeringsbedrijven zijn betrokken, enkele van deze bedrijven de zeer noodzakelijke kapitaalinjecties geven.

Volgens de voorspellingen zullen staatsinvesteringsfondsen in de nabije toekomst nog sneller groeien, maar wij hoeven hier niet bang voor te zijn. Dit is een natuurlijk onderdeel van de marktontwikkeling. Het kapitaal dat staatsinvesteringsfondsen op de mondiale markt brengen is nodig om de investeringstroom op gang te houden. Zij kunnen de financiële markt en bedrijven liquiditeit verschaffen en dit is soms van essentieel belang voor hun overleving.

Dankzij hun omvang en middelen zijn staatsinvesteringsfondsen in staat te investeren in situaties waarin financiële middelen ontzettend hard nodig zijn, maar waarin anderen niet kunnen of willen investeren.

In theorie verlangen staatsinvesteringsfondsen, net als alle andere investeringsfondsen, een goed rendement van gezonde investeringen, meestal voor de lange termijn. Ze vormen niet direct een bedreiging voor mondiale financiële markten of de Europese economie; ze zijn eerder zeer heilzaam.

Hoewel er momenteel enige bezorgdheid bestaat over de toenemende economische macht van sommige olielanden en landen zoals China, en over de gevolgen hiervan, zou het antwoord op deze ongerustheid niet moeten zijn dat deze landen van mondiale financiële en investeringsmarkten worden uitgesloten. In tegendeel, Europa zou juist blij moeten zijn met de instroom van geld uit deze staten en hun investeringsfondsen.

Uiteraard is er enige reden tot zorg vanwege het feit dat deze landen op politiek gebied niet dezelfde basisprincipes hanteren als wij. Zelfs als hun investeringsstrategieën zouden worden bepaald door politieke doeleinden – dit is echter niet het geval geweest – bestaan er geen aanwijzingen dat staatsinvesteringsfondsen een grote crisis hebben veroorzaakt. Ze zijn op een gezonde manier te werk gegaan, zonder zich in de politiek te mengen. Het is contraproductief en druist ook in tegen principes van goede regelgeving om alle staatsinvesteringsfondsen op basis van hun oorsprong te discrimineren.

Het basisprincipe van regelgeving voor financiële markten en “corporate governance” zou de gelijke behandeling moeten zijn van alle actoren die bij dezelfde activiteiten zijn betrokken. Natuurlijk zou een gedragscode welkom zijn, maar de basis hiervoor zou moeten zijn dat geen onderscheid wordt gemaakt naar inkomstenbron.

 
  
MPphoto
 
 

  Elisa Ferreira, namens de PSE-Fractie. – (PT) Het openstaan voor handel en investeringen is kenmerkend voor de Europese integratie. Staatsinvesteringsfondsen zijn er al een hele tijd. In de huidige situatie van serieuze economische problemen – waarop al is gewezen – zijn hun kapitalisatiemogelijkheden en de belangstelling voor die mogelijkheden gegroeid. Het openstellen van strategische sectoren en de overdracht van belangrijke publieke diensten naar particulier initiatief zijn ook kenmerkend voor de Europese Unie. Het is echter belangrijk te garanderen dat alle spelers, en in het bijzonder de staatsinvesteringsfondsen, zich door duidelijke en transparante regels laten leiden en dat hun doelen niet in strijd zijn met het goed functioneren van de markt, met eerlijke concurrentie tussen de spelers en met bescherming van de rechten van de Europese burgers, zowel voor de korte als voor de lange termijn.

We zijn verheugd over de belofte van de Commissie met betrekking tot een multilaterale gedragscode, onder bescherming van het Internationaal Monetair Fonds. Net als het geval is bij hedgefondsen en private equity firma’s, is een gedragscode echter niet voldoende. We verzoeken de Commissie een onafhankelijke en veel sterkere garantie te geven, dat in de interne markt transparantie- en governanceprincipes door alle financiële partijen, met inbegrip van deze fondsen, op basis van Europese en niet louter nationale of internationale criteria, worden gerespecteerd.

 
  
MPphoto
 
 

  Wolf Klinz, namens de ALDE-Fractie. – (DE) Voorzitter, dames en heren, staatsinvesteringsfondsen zijn de afgelopen maanden steeds vaker onderwerp van gesprek vanwege hun betrokkenheid bij de Europese en Amerikaanse banksector. Velen menen dat deze betrokkenheid nog maar de eerste stap is en dat staatsinvesteringsfondsen nu in de rij gaan staan voor een massale aanval van koopwoede, met als resultaat dat zij invloed gaan krijgen in veel bedrijven in Europa en mogelijk ook elders, of zelfs controle over deze bedrijven krijgen. De angst voor politieke invloed gaat hier gepaard met de zorg dat ten minste een poging zou kunnen worden ondernomen om toegang te krijgen tot technologieën die anders niet toegankelijk zouden zijn, vooral omdat het hier gaat om partners en marktpartijen die voorheen niet actief waren op het internationale toneel, met name staatsinvesteringsfondsen uit Rusland en China.

Het geld is er zeker. Met meer dan drie miljard Amerikaanse dollars hebben ze meer dan twee keer zo veel te besteden als de internationale hedgefondsen. Op basis van het verleden is deze angst echter niet gerechtvaardigd. De fondsen – zoals reeds is vermeld – zijn tot nu toe altijd goede aandeelhouders gebleken. Ze zijn geïnteresseerd in een positieve ontwikkeling van hun onderneming voor de lange termijn en daarom in goed langetermijnrendement van hun investeringen.

Toch moeten we niet alleen maar naïef naar deze ontwikkelingen staan te kijken. We hebben regels nodig, maar we willen geen isolationisme of protectionisme, want staatsinvesteringsfondsen zijn per slot van rekening een voorbeeld van de werking van de vrije kapitaalmarkt en het is in ons belang dat dit zo blijft.

Wij liberalen steunen daarom de aanpak van de Commissie en de oproep voor een gedragscode en we hopen dat een dergelijke code echt voor transparantie zorgt, dat de basisredenen voor de investeringen van deze staatsinvesteringsfondsen helder worden en dat de fondsen zelf een goede corporate governance toepassen en zich daaraan houden.

We hebben echter een oplossing voor de gehele EU nodig – niet 27 verschillende EU-oplossingen – en we hebben ook nog een internationale oplossing nodig. Ik ben daarom verheugd over wat de commissaris heeft gezegd, namelijk dat er nu intensief met de OESO en het IMF wordt gesproken.

Het vrije verkeer van kapitaal heeft in de loop der jaren een bijdrage geleverd aan de groei in Europa en in de hele wereld. We moeten deze groei niet in gevaar brengen met overregulering en protectionisme, maar we moeten vasthouden aan het vrijemarktprincipe.

 
  
MPphoto
 
 

  Cornelis Visser (PPE-DE). – (NL) Al meer dan vijftig jaar zijn de staatsinvesteringsfondsen actief op de financiële markt. De laatste jaren zijn de middelen van staatsinvesteringsfondsen enorm toegenomen in bijvoorbeeld China, Rusland en de Arabische landen.

De staatsinvesteringsfondsen hebben als doel overtollige reserves van de staat op een rendabele manier te beleggen. Deze landen hebben naar mijn mening misschien wel het recht om hun reserves aan buitenlandse valuta optimaal te besteden. Ik sta dan ook positief tegenover de bijdragen van deze fondsen. De middelen verbeteren de liquiditeit van de financiële markten en scheppen groei en werkgelegenheid. Zij leveren ook een bijdrage aan de investeringen voor de langere termijn. Zij leveren stabiliteit voor de bedrijven waarin zij investeren. Wij moeten ze dan ook de ruimte blijven geven om te investeren. Deze fondsen kunnen echter ook bedreigingen met zich meebrengen. Wij zullen moeten kijken naar de soort investering die zij doen en of zij wel voldoen aan de eisen van transparantie.

Er bestaat nog geen volledige duidelijkheid over de politieke betrokkenheid in deze staatsinvesteringsfondsen. Het nadeel is ook dat de transparantie ontbreekt en dat er bij ons een groeiende ongerustheid over deze staatsinvesteringsfondsen kan ontstaan. De Europese Commissie moet daarom actie ondernemen en dat is ook goed. Anders worden deze staatsinvesteringsfondsen nationaal aangepakt. Ik ben ertegen dat wij te veel nationaal beleid gaan hebben. Wij moeten in Europa juist gezamenlijk hierop reageren.

Het is van belang om op Europees niveau over een gecoördineerde positie te beschikken. Ik ben dan ook blij met de reactie van de Raad en van de Commissie om nauw samen te werken op het niveau van het IMF en de OESO. Ik kijk uit naar de richtlijnen die het IMF, de Wereldbank en de OESO ontwikkelen en ik hoop dat transparantie, goed bestuur en wederkerigheid daarin meegenomen worden.

Als het gaat om wederkerigheid ben ik van mening dat wij ons moeten beperken tot de staatsinvesteringsfondsen. Wij willen wel altijd particuliere investeringen, maar van staatsinvesteringsfondsen kunnen wij wederkerigheid eisen.

 
  
MPphoto
 
 

  Antolín Sánchez Presedo (PSE). - (ES) Voorzitter, in de laatste 50 jaar hebben meer dan 30 landen staatsinvesteringsfondsen ingesteld. Deze zijn de laatste jaren gegroeid dankzij vreemde valuta’s uit olie en handelsoverschotten en in bepaalde landen wordt zelfs bekeken hoe deze fondsen gebruikt kunnen worden om publieke pensioensystemen overeind te houden.

Staatsinvesteringsfondsen kunnen, zoals we hebben gezien, mondiaal bijdragen aan financiële stabiliteit en economische groei, die zorgt voor solidariteit tussen de generaties.

Ze kunnen ook problemen veroorzaken en een verstorende invloed hebben. Daarom hebben we een gemeenschappelijke Europese aanpak nodig en moeten we ervoor zorgen dat ze transparant en voorspelbaar zijn en goed bestuurd worden. We moeten belangenconflicten voorkomen en ook zorgen dat we niet de paradox krijgen dat Europese sectoren waarin de efficiency was overgelaten aan de logica van de markt weer onderwerp van overheidsbeleid worden; deze keer gaat het dan echter om het beleid van derde landen. We moeten niet alleen zorgen voor coherentie en reciprociteit; we moeten over deze kwesties ook nadenken en verdergaan met het opstellen van internationale regels.

 
  
MPphoto
 
 

  Olle Schmidt (ALDE). - (SV) Voorzitter, commissaris, ik ben een groot voorstander van vrije handel en ik ben allergisch voor protectionisme, maar dat wil niet zeggen dat ik naïef ben. Een van de problemen van fondsen in staatseigendom is hun enorme groei. Alleen al vanaf februari van dit jaar zijn hun activa met 600 miljard dollar toegenomen tot ongeveer 4 biljoen dollar, dat is 4000 miljard dollar. Wat een macht! Dit geeft volgens mij aan, in combinatie met het feit dat veel van de investeringen van deze fondsen – zoals reeds gezegd – niet voldoende transparant zijn en dat sommige van deze fondsen uit niet-democratische landen komen, dat we geïnteresseerd zouden moeten zijn.

De fondsen zijn nodig, de investeringen zijn nodig, maar we hebben spelregels en regelgevingsystemen nodig die overal toepasbaar zijn, waarbij transparantie van groot belang is. Het Noorse Oliefonds is een voorbeeld dat in het debat, geloof ik, al is genoemd. Het zou ook als voorbeeld moeten dienen als de gedragscode wordt opgesteld. Voorzitter, als de zon schijnt, hebben we geen paraplu nodig, maar als het regent wel.

 
  
MPphoto
 
 

  José Manuel García-Margallo y Marfil (PPE-DE). - (ES) Voorzitter, ik zal mijn best doen om niet te herhalen wat al gezegd is. Ik moet er echter op wijzen dat ik voor het eerst over staatsinvesteringsfondsen hoorde naar aanleiding van de KIO-affaire in 1993 in Spanje, die volgens de toenmalige autoriteiten van Koeweit meer economische schade heeft veroorzaakt dan de inval van Saddam Hussein in 1991.

Sindsdien zijn er meer namen opgedoken. We hebben het al gehad over Gazprom, de Chinese activiteiten in Afrika en het gebruik van de fondsen door Venezuela voor het exporteren van de Bolivariaanse revolutie, en vandaag zullen we, ten gevolge van de financiële crisis, hierover verder praten. Veel bedrijven worden opgekocht of ontvangen financiële steun via deze fondsen.

Zoals Piia-Noora Kauppi namens mijn fractie heeft gezegd, is het waar dat de fondsen enkele onaanvechtbare voordelen met zich meebrengen: ze dragen bij aan de verbetering van de toewijzing van middelen, ze injecteren liquiditeit en reduceren volatiliteit, en dit is allemaal zeer nuttig onder de huidige omstandigheden.

Enkele van de zorgen die de fondsen oproepen zijn ook al genoemd: een uitgebreidere bemoeienis van de regering met de economie, die nu en dan meer door politieke dan door economische doelen kan zijn ingegeven – die weer kunnen leiden tot marktverstoringen en de nationale veiligheid in gevaar kunnen brengen – en de nationale reactie van elke regering, die zou kunnen leiden tot een verdere versplintering van de interne markt.

Om Lenin te parafraseren, wat te doen? Natuurlijk moeten we blijven onderzoeken hoe deze fondsen te werk gaan en een nauwkeurige diagnose stellen ten aanzien van hun functioneren, en het communautair kader moet worden herzien. Er zijn weliswaar regels voor concurrentie en investeerdersbescherming van toepassing, maar is dit voldoende? We moeten ook een vrijwillige gedragscode invoeren als waarborg voor transparantie, voorspelbaarheid en verantwoordingsplicht. Ten slotte zou de gedragscode ook internationaal moeten worden gehanteerd.

Ik juich dus transatlantische samenwerking en samenwerking met organen als de OESO en het Internationaal Monetair Fonds van harte toe. Er moet actie worden ondernomen, en snel.

 
  
MPphoto
 
 

  Ieke van den Burg (PSE). - (EN) Voorzitter, ik ben net als veel sprekers hier, bezorgd over staatsfondsen, maar ik wil er ook met klem op wijzen dat particuliere commerciële fondsen, zoals hedgefondsen en private equity-fondsen, nog meer reden tot zorg geven. Dit is omdat ze zich vaak niet op de lange termijn richten, terwijl staatsinvesteringsfondsen, samen met pensioenfondsen, vaak wel naar de lange termijn kijken en de rol van minderheidsaandeelhouders kunnen versterken en bovendien een positieve rol spelen door liquiditeit in de markt te brengen.

Het probleem is dat ze in hun investeringsstrategie en bedoelingen vaak niet transparant genoeg zijn, en ik hoop dat de Commissie hieraan aandacht zal besteden. De Commissie juridische zaken heeft onlangs in dit Parlement een verslag goedgekeurd over de transparantie van institutionele beleggers en toen hebben we de Commissie gevraagd een richtlijn op te stellen om gemeenschappelijke transparantienormen te waarborgen. Ik hoop dat de Commissie op dit verzoek kan reageren.

Mijn laatste punt betreft de gedragscode en de “pas toe of leg uit” (“comply-or-explain”) –procedure. Heeft de Commissie misschien ook aan dit element gedacht?

 
  
MPphoto
 
 

  Harald Ettl (PSE). (DE) Voorzitter, staatsinvesteringsfondsen staan nu in de belangstelling, vooral sinds vorig jaar, toen China verklaarde dat het van plan was drie miljard Amerikaanse dollar, slechts drie miljard Amerikaanse dollar, van zijn fondsgelden in particuliere holdings te investeren. Het kapitaal van de staatsinvesteringsfondsen bedraagt nu ruim meer dan drie triljoen Amerikaanse dollar, wat twee keer zo veel is als dat van de hedgefondsen: voor ons nu reden genoeg om deze hele zaak te onderzoeken. Tot nu toe kennen we alleen een transparant Noors systeem met good governance. Net als particuliere risicokapitaalondernemingen, kunnen staatsinvesteringsfondsen verborgen houden wie de ondernemer precies is.

Staatsinvesteringsfondsen kunnen strategisch investeren en snel groeien. Transparantie is daarom dringend vereist. Ten gevolge van overgang van ondernemingen onder invloed van staatsinvesteringsfondsen, kunnen werknemersrechten worden beperkt en arbeidsvoorwaarden worden veranderd. Op dit gebied is daarom transparantie en tijdige bekendmaking nodig. Een ander punt dat het vermelden waard is, is dat het IMF, het Amerikaanse ministerie van Financiën en de Duitse bondskanselier een oproep doen voor meer controle en regulering. Het lijkt er echt op dat we iets moeten doen.

 
  
MPphoto
 
 

  John Purvis (PPE-DE). - (EN) Voorzitter, ik wil mijn collega’s tot voorzichtigheid manen wat betreft het demoniseren van staatsinvesteringsfondsen, om maar niet te spreken van, mevrouw Van den Burg, de private equity-beleggers. Het is zeer wenselijk overschotten opnieuw te gebruiken, voor uitgaven of investeringen. De depressie van 1930 was het gevolg van het oppotten van middelen door landen die overschotten hadden. Deze overschotten kunnen veel beter worden gebruikt voor investeringen waar deze nodig zijn – in onze banken met hun kapitaaltekorten, in onze infrastructuur die gemoderniseerd moet worden, ons onroerend goed met de huidige problemen en in onze bedrijven en industrie in het algemeen om banen te creëren en te behouden.

Ja, we hebben reciprociteit nodig, maar de EU is hoe dan ook de grootste internationale investeerder. Dit mag geen excuus zijn voor protectionisme, om andere investeerders uit te sluiten. We hebben natuurlijk ons concurrentiebeleid om kartels en monopolies aan te pakken. We hebben onze arbeids-, gezondheids- en veiligheidsregels om onze werknemers te beschermen, en als laatste toevlucht, hebben we ons soevereine recht om wetten uit te vaardigen tegen onaanvaardbare politieke bemoeienis. Men moet een gegeven paard niet in de bek zien.

 
  
MPphoto
 
 

  Zsolt László Becsey (PPE-DE). - (HU) Ten eerste, enkele zaken. Wij zijn een heterogene groep. Ik, bijvoorbeeld, ben afkomstig uit één van de nieuwe lidstaten. Vandaag ben ik de eerste persoon van daar die hier spreekt. Wij hebben weinig kapitaal, een zwakke publieke sector en een zeer ongelukkig verleden. De terugkeer ervan bedreigt ons op imperialistische wijze. En iedereen moet dit serieus nemen.

Ten tweede en dit hebben wij hier al besproken is dat deze soevereine staatsfondsen vaak voor imperialistische doeleinden worden gebruikt, niet enkel in investeringen op middellange termijn maar ook in de globale energiebronnen. Kijk maar naar wat China in Afrika doet. Het is daarom niet zeker of deze internationale overeenkomst of gedragscode op zich voldoende zal zijn.

Na relevante analyse moeten wij eens goed nagaan of sommige lidstaten uniforme nationale veiligheidsmaatregelen treffen om buitenlandse vijandige investeringen in strategische sectoren te voorkomen. Deze maatregelen mogen niet indruisen tegen het vrije kapitaalverkeer, maar zouden wel een vorm van zekerheid bieden. Dank u.

 
  
MPphoto
 
 

  Margarita Starkevičiūtė (ALDE).(LT) Ik wil mijn collega’s erop wijzen dat wij misschien niet zo veel tijd aan buitenlandse fondsen moeten spenderen, maar ons op onze eigen fondsen moeten concentreren. Zoals de heer Purvis zei, investeren wij te veel in derde landen en verliezen wij geld. Er moet dus worden geïnvesteerd in “wealth funds”. Misschien moeten wij ons economisch beleid op zo een manier organiseren dat het spaargeld van onze burgers op een veilige manier in Europa kan worden geïnvesteerd. Op die manier moeten wij ons geen zorgen maken over de “wealth funds” van derde landen.

Ten slotte wil ik het Frans voorzitterschap bedanken dat zij eindelijk naar onze debatten komt luisteren. Slovenië is een veel kleiner land, maar het valt mij op dat zijn vertegenwoordigers steeds aan de parlementaire debatten hebben deelgenomen. Hoewel Frankrijk een grote staat is, zijn de vertegenwoordigers nog niet heel actief geweest. Ik hoop dat deze debatten hen zullen aanmoedigen actiever deel te nemen aan onze zittingen.

 
  
MPphoto
 
 

  Ieke van den Burg (PSE). - (EN) Mevrouw de Voorzitter, bedankt dat u mij opnieuw het woord hebt gegeven. De heer Purvis zegt dat wij soevereine investeringsfondsen, privébeleggingsfondsen en hedgefondsen misschien demoniseren. Volgens mij is dat niet het geval.

Bij de indiening van de mondelinge vraag en in de resolutie hebben wij tevens geopteerd voor een uiterst gebalanceerde benadering. Ik denk dat wij als Parlement niet uit het oog mogen verliezen of negeren wat er op dit vlak gebeurt. Volgens mij is het onze taak en ons recht dit te doen. Ik wil dit niet opzij zetten als louter demoniseren.

 
  
MPphoto
 
 

  Anne-Marie Idrac, fungerend voorzitter van de Raad. (FR) Mevrouw de Voorzitter, mijnheer de vicevoorzitter van de Commissie, dames en heren, ik ben geraakt door de consensus die uit jullie toespraken blijkt. Ik zou die als volgt kunnen samenvatten: demonisering, noch naïviteit.

Wij hebben allemaal de commentaar van Parlementsleden gehoord dat wij het goede gebruik van soevereine investeringsfondsen natuurlijk niet mogen ontmoedigen. Er werden verschillende manieren om ze te gebruiken voor de Europese welvaart beschreven. Toch bestaat er eensgezindheid over een aantal politieke principes waardoor wij niet naïef mogen zijn.

Het zijn de beginselen transparantie, billijkheid, voorspelbaarheid en wederkerigheid. Deze bijdragen van de Parlementsleden zullen ons uiteraard helpen om in de Raad en de Commissie verder te werken om een gedragscode op te stellen. Het is bemoedigend en belangrijk dat de Parlementsleden hebben benadrukt dat er behoefte is aan samenwerking tussen de lidstaten. Daarom ben ik uiterst tevreden dat de landen uit de eurozone gelijkgestemd zijn omdat zij tegen de stroom in kunnen samenwerken en binnen de ECB kunnen samenwerken.

 
  
MPphoto
 
 

  Günter Verheugen, vicevoorzitter van de Commissie. – (DE) Mevrouw de Voorzitter, dames en heren, ik wil jullie nogmaals bedanken voor de ruime steun die jullie de aanpak van de Commissie in dit debat hebben gegeven. Ik heb gemerkt dat er op het vlak van prioriteiten wat verschillen bestaan, maar niet op het vlak van het politieke standpunt. Daar ben ik zeer dankbaar voor.

Iemand vroeg me hoe dit werk op international niveau vordert. Hoewel de activiteiten van het IMF en de OESO parallel verlopen, behandelen zij niet helemaal dezelfde thema’s. Zij kunnen eerder gezien worden als complementair. Enerzijds tracht de werkgroep in het Internationaal Monetair Fonds, die maandelijks vergadert, na te gaan hoe het gedrag van de soevereine investeringsfondsen kunnen worden beïnvloed op de manieren, die wij hier besproken hebben. Anderzijds probeert de werkgroep van de OESO te bepalen hoe wij zouden moeten reageren op de invloed die soevereine investeringsfondsen uitoefenen.

Dit onderwerp wordt langs twee kanten aangepakt. Opnieuw kan ik zeggen dat de geboekte vooruitgang zeer bevredigend is. Wij zijn ervan overtuigd dat wij echt iets zullen bereiken en, om maar verder te borduren op wat de heer Schmidt zei, dat wij inderdaad ergens op terug kunnen vallen, zou dit nodig blijken.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. – Ik heb een ontwerpresolutie overeenkomstig artikel 108(5) van het Reglement ontvangen.

Het debat is gesloten.

De stemming vindt woensdag 9 juli 2008 plaats.

 
  
  

VOORZITTER: MANUEL ANTÓNIO DOS SANTOS
Ondervoorzitter

 
Juridische mededeling - Privacybeleid