Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2621(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B6-0377/2008

Debatten :

PV 03/09/2008 - 15
CRE 03/09/2008 - 15

Stemmingen :

PV 04/09/2008 - 7.5
CRE 04/09/2008 - 7.5
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0406

Debatten
Woensdag 3 september 2008 - Brussel Uitgave PB

15. Vragenuur (vragen aan de Commissie)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Aan de orde is het vragenuur (B6-0457/2008).

Wij behandelen een reeks vragen aan de Commissie.

 
  
  

Eerste deel

 
  
  

Vraag nr. 35 van Stavros Arnaoutakis (H-0546/08)

Betreft: Voedselcrisis in de EU en bescherming van de Europese consument

Denkt de Commissie naar aanleiding van de aanhoudende voedselcrisis in de Unie na over concrete maatregelen voor de effectieve bescherming van de consument?

 
  
MPphoto
 

  Androula Vasiliou, lid van de Commissie. (EL) Mijnheer de Voorzitter, allereerst zou ik mijnheer Arnaoutakis willen danken voor zijn vraag over het altijd actuele onderwerp van de voedselveiligheid.

De Commissie heeft vele mogelijkheden om ervoor te zorgen dat de burgers van de Unie beschermd zijn tegen een mogelijke voedselcrisis. Ten eerste waarborgt de Commissie dat de 27 lidstaten via het systeem voor snelle waarschuwingen over levensmiddelen en diervoeders (RASFF) snel en gelijktijdig worden gewaarschuwd.

Ten tweede worden door het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) systematische inspecties uitgevoerd in de lidstaten en in derde landen.

Ten derde wordt alle informatie die de Commissie van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), de internationale media of uit andere bronnen ontvangt, door haar zorgvuldig onderzocht.

Zo nodig, en vooral wanneer levensmiddelen of diervoeders een ernstige bedreiging voor de gezondheid zouden kunnen vormen en dit risico niet doeltreffend op het niveau van de lidstaten kan worden aangepakt, neemt de Commissie de nodige maatregelen op EU-niveau.

In het geval van zonnebloemolie uit Oekraïne dat was verontreinigd met minerale olie heeft bijvoorbeeld het RASFF op 23 april 2008 een kennisgeving van de bevoegde Franse autoriteiten ontvangen, die werd doorgestuurd naar alle lidstaten. De Commissie heeft de andere lidstaten via het RASFF over dit incident geïnformeerd, en op 10 juni 2008 heeft zij Beschikking 2008/433/EG uitgevaardigd tot vaststelling van bijzondere eisen voor de invoer van zonnebloemolie van oorsprong of verzonden uit Oekraïne wegens de risico’s van verontreiniging met minerale olie. Tevens werd een onderzoek ingesteld naar de verontreinigingsbron.

Daarnaast maakt het traceerbaarheidssysteem van Verordening (EG) nr. 178/2002, beter bekend als “algemene levensmiddelenverordening”, het mogelijk om producten gericht en zorgvuldig uit de handel te nemen of terug te roepen, om de consumenten en exploitanten van levensmiddelenbedrijven van adequate informatie te voorzien en om de risico’s te evalueren en onnodige verstoringen van de handel te voorkomen.

De Commissie controleert ook systematisch het vermogen van de bevoegde inspectieorganen van de lidstaten om voor de naleving van de voedselwetgeving, zowel binnen als buiten de EU, te zorgen.

In Maleisië heeft het Voedsel- en Veterinair Bureau bijvoorbeeld aanzienlijke problemen vastgesteld met de naleving van de voorschriften inzake de export van visproducten. In de EU heeft de Commissie onmiddellijk gereageerd door de invoer van vis uit Maleisië te verbieden. Dit is slechts één van vele voorbeelden voor de manier waarop de Commissie erin slaagt de consument doeltreffend te beschermen en een voedselcrisis te voorkomen.

De Commissie is derhalve van mening dat de bestaande wetgeving in de nodige instrumenten voorziet voor een effectief beheer van voedselcrises en een effectieve consumentenbescherming.

Tegelijkertijd doen wij echter ons best om de communicatiekanalen en de samenwerking met de lidstaten op dit gebied voortdurend te verbeteren. Zo werken we bijvoorbeeld aan nieuwe richtsnoeren voor de toepassing van het RASFF, die de Commissie binnenkort zal goedkeuren.

 
  
MPphoto
 

  Stavros Arnaoutakis, auteur. (EL) Dank u, mevrouw de commissaris, voor uw bericht. Ik wil u zeggen dat de Europese consumenten inmiddels het vertrouwen verliezen. Hun vertrouwen is ondermijnd.

Daarom moeten we bekijken welke maatregelen van de kant van de Commissie nodig zijn om de consumenten voor te lichten. Misschien is het zo dat u echt alles doet wat u zojuist heeft gezegd, en misschien moeten we u daarmee feliciteren. Maar in Griekenland was er zonnebloemolie uit Oekraïne in de handel, waarvan een deel door de helft van de Griekse bevolking is geconsumeerd. Hoe kan de consument worden beschermd en welke maatregelen bent u voornemens te treffen?

 
  
MPphoto
 

  Androula Vasiliou, lid van de Commissie. (EL) Ik wil u erop wijzen dat de grote beroering die door deze kwestie is ontstaan en de waarschuwingen van het RASFF bewijzen dat het systeem echt functioneert.

In het geval van Griekenland werd met betrekking tot de zonnebloemolie uit Oekraïne op 23 april 2008 inderdaad een algemene waarschuwing uitgesproken. Toen de Zwitserse autoriteiten ons centrum op 5 mei 2008 een waarschuwing stuurden dat deze zonnebloemolie op weg was naar onder meer Griekenland, Italië en Turkije, hebben de Griekse autoriteiten een onderzoek ingesteld en zijn zij begonnen ons informatie te verstrekken en de producten van de markt te halen.

Ik wil echter benadrukken dat we de maatregelen waartoe de Europese Commissie bevoegd is en die zij neemt, niet mogen verwarren met de plichten van de lidstaten, aangezien het om binnenlandse aangelegenheden gaat.

Natuurlijk zult u mij vragen of er controles zijn uitgevoerd. Dat kan ik beamen. Het VVB, dat regelmatig een bezoek brengt aan de lidstaten, ziet erop toe dat de betrokken diensten functioneren, wijst eventuele tekortkomingen aan en geeft dit door aan de lidstaten. Natuurlijk gebeurt dit zowel in Griekenland als in de andere landen.

 
  
MPphoto
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Geachte commissaris, de EU heeft uitstekend werk verricht met haar “van mond tot grond”-aanpak, en de burgers kunnen hier vertrouwen in stellen, maar hoe zit het, om een aanvullend punt te noemen, met de bescherming van de producenten? Ik geloof niet dat we geïmporteerde goederen even streng behandelen als goederen op de interne markt. Zo laten we bijvoorbeeld toe dat in derde landen stoffen worden gebruikt die we in de Europese Unie hebben verboden, en met de nieuwe wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen zullen we dat in toenemende mate doen op het gebied van de graanproductie. Mag ik u vragen, mevrouw de commissaris, om aandacht te besteden aan dit punt van zorg, omdat we in Europa misschien wel voedsel consumeren dat we in de Europese Unie helemaal niet zouden mogen produceren?

 
  
MPphoto
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT) Ik zou willen vragen wat een voedselcrisis eigenlijk is. Kan het opduiken van een onveilig voedingsproduct op de Europese markt als voedselcrisis worden beschouwd? In dat geval zouden we van een speelgoedcrisis kunnen spreken, aangezien speelgoed dat niet aan onze veiligheidsvoorschriften voldoet, is verkocht, evenals een hele reeks andere onveilige producten. Hoe valt een voedselcrisis te definiëren? Zou een dergelijke crisis niet ook kunnen worden gedefinieerd als aanhoudende verhoging van de levensmiddelenprijzen, waarvan alle consumenten de dupe worden?

 
  
MPphoto
 

  Androula Vassiliou, lid van de Commissie. (EN) Ik zou met de tweede vraag willen beginnen. Hierop kan ik zeggen dat we niet van een voedselcrisis kunnen spreken wanneer we op de markt een ondeugdelijk product ontdekken. Het kan wel een voedselcrisis worden als we toelaten dat zo’n product vrij in het verkeer wordt gebracht. Dan zou er sprake kunnen zijn van een crisis, omdat we de gezondheid van onze burgers in gevaar zouden kunnen brengen.

Maar met behulp van het systeem dat we hebben ingevoerd en dat wij zeer omzichtig en zorgvuldig toepassen, trachten wij dergelijke crises te voorkomen.

Wat betreft de controles op producten en voedingsmiddelen die buiten de Europese Unie zijn geproduceerd, moet ik zeggen dat wij van onze handelspartners eisen dat zij exact dezelfde controles uitvoeren die wij ook op onze op de interne markt geproduceerde voedingsmiddelen toepassen.

Daarom heb ik bijvoorbeeld Maleisië genoemd, waar we het VVB heen hebben gestuurd, dat vervolgens vaststelde dat het systeem niet echt naar behoren functioneerde, zodat we de invoer van vis uit Maleisië hebben verboden. Hetzelfde is gebeurd met rundvlees uit Brazilië en, bij tal van andere gelegenheden, uit Bangladesh.

Wij eisen dus van onze partners dat zij, als zij goederen naar de Europese Unie willen exporteren, zich aan de hygiënevoorschriften moeten houden die in de Unie gelden.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 36 van Bilyana Ilieva Raeva (H-0548/08)

Betreft: Veiligheid op de weg

Het aantal doden en gewonden bij ongelukken op de weg is in humanitair, gezondheidstechnisch, ecologisch, financieel, sociaal en demografisch opzicht een probleem van betekenis. Bovendien hebben de kosten in verband met deze tragedie tal van ongunstige gevolgen voor welzijn, duurzame ontwikkeling en opwarming van de aarde.

In dit verband moet er beleid worden ontwikkeld waardoor lidstaten worden aangemoedigd het aantal slachtoffers van verkeersongevallen op een niveau te houden dat niet uitstijgt boven het EU-gemiddelde.

Welke initiatieven zou de Commissie kunnen nemen om maatregelen van meer doorslaggevende aard op gang te brengen, zoals Gemeenschapswetgeving om de huidige gemeenschappelijke normen te verruimen - met name door een gezamenlijke EU-indicatie in te voeren voor een verkeersongevallendrempel die door lidstaten strikt moet worden nageleefd?

Welke kans bestaat er dat de Commissie beziet of er een uniforme aanpak kan worden ontwikkeld voor toezicht, controle en strafmaatregelen op het grondgebied van de EU? Kunnen wij ervan uitgaan dat een toekomstig beleid van de Europese Unie voor de veiligheid op de weg eveneens resulteert in een gemeenschappelijk beleid inzake verkeerspolitie, waardoor de kwaliteit van controle van en toezicht op de verkeersveiligheid toeneemt?

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, omdat de heer Tajani is opgehouden door een bijeenkomst van de Raad van Ministers zou ik mevrouw Raeva graag willen antwoorden, vooral omdat het onderwerp van haar vraag een onderwerp is waarmee ik persoonlijk veel te maken heb gehad en dat mij na aan het hart gaat.

In 2001 heeft de Europese Unie zich ten doel gesteld het aantal slachtoffers van verkeersongelukken tegen 2013 met de helft te verminderen. Deze doelstelling werd door het Europees Parlement en de Raad onderschreven. In 2003 werd hiervoor een Europees actieprogramma voor verkeersveiligheid ingesteld, dat 60 maatregelen omvat die erop zijn gericht weggebruikers tot verstandiger gedrag aan te sporen, nieuwe technische ontwikkelingen te gebruiken om voertuigen veiliger te maken, de wegeninfrastructuur te verbeteren, het commercieel vervoer veiliger te maken, de behandeling van slachtoffers te verbeteren en de analyse van ongevallengegevens verder te ontwikkelen. Om wijzigingen van de situatie op het gebied van verkeersveiligheid te kunnen monitoren, heeft de Commissie een reeks prestatie-indicatoren opgesteld: het aantal slachtoffers per miljoen inwoners; de mate waarin veiligheidsgordels en helmen worden gebruikt; het aantal en het percentage weggebruikers dat onder invloed van alcohol betrokken raakt bij verkeersongelukken; aantal en percentage weggebruikers dat de maximumsnelheid overschrijdt.

Wat de Gemeenschapswetgeving betreft moet ik de nieuwe richtlijn betreffende het rijbewijs noemen, die op 20 december door het Europees Parlement en de Raad is aangenomen. Deze richtlijn heeft ten doel de verkeersveiligheid onder jonge weggebruikers te verhogen en het vrij verkeer van burgers binnen de Unie te vergemakkelijken. Daarnaast hebben we een richtlijn inzake het veiligheidsbeheer van wegeninfrastructuur, die in juni 2008 na een akkoord in eerste lezing werd aangenomen. Vervolgens hebben we het voorstel voor een richtlijn inzake de handhaving van de verkeersveiligheid, dat door de Commissie in 2008 is ingediend en momenteel in behandeling is bij het Europees Parlement en de Raad.

De Commissie tracht ook de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van verkeersveiligheid tussen de lidstaten zoveel mogelijk te bevorderen. Als onderdeel van de oproep tot het indienen van voorstellen draagt zij bij tot de financiering van verkeersveiligheidscampagnes en innovatieve projecten op dit gebied, die gericht zijn op verschillende lidstaten.

Tevens verleent de Commissie financiële steun aan het onderzoeksprojecten die erop zijn gericht onze kennis op specifieke gebieden te verdiepen en een betrouwbare wetenschappelijke basis te leveren voor toekomstige wetgevingsvoorstellen. Het project DRUID (Driving under the influence of drugs) is hiervan een voorbeeld, terwijl de bestrijding van het rijden onder invloed van psychoactieve stoffen een prioriteit gaat worden in de nieuwe lidstaten. Ten slotte, mevrouw Raeva, wordt er momenteel een nieuw Europees actieprogramma voorbereid voor de periode 2010-2020. Dit actieprogramma zal begin 2009 het onderwerp zijn van een openbaar raadplegingsproces, waarna daarover een besluitvormingsproces in de Commissie zal plaatsvinden.

Dit was de informatie die mijnheer Tajani u wilde meedelen in antwoord op uw vraag.

 
  
MPphoto
 

  Bilyana Ilieva Raeva, auteur. (BG) Geachte commissaris, ik ben heel blij u te kunnen feliciteren met de inspanningen die u in de afgelopen jaren in uw nieuwe functie van commissaris voor vervoer heeft geleverd. Ook wil ik u hartelijk danken voor de presentatie van de samenvatting met betrekking tot het gemeenschappelijk Europees beleid inzake verkeersveiligheid.

In dit verband wil ik u vragen: hoe zullen, gezien de bestaande streefdoelen en gezien het bestaan van een zeer serieus initiatief van de Europese Commissie inzake verkeersveiligheid, deze streefdoelen worden verwezenlijkt en op welke wijze zal in de praktijk worden gegarandeerd dat in Europa het aantal dodelijke ongevallen met minstens 50 procent wordt verminderd? Voor een land als Bulgarije is dit streefdoel veel te hoog. We hebben in Europa absoluut sancties nodig voor het geval niet aan deze vereisten wordt voldaan.

 
  
MPphoto
 

  Jacques Barrot, vicevoorzitter van de Commissie. – (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte leden, het toezicht, de controles en de sancties voor overtredingen vallen natuurlijk binnen de bevoegdheid van de lidstaten.

Ik wil u er echter aan herinneren dat de Commissie op 21 oktober 2003 een aanbeveling over de handhaving van de verkeersveiligheid heeft goedgekeurd waarin beste praktijken worden gedefinieerd voor de controle op verkeersovertredingen, en ik wil er in het bijzonder op wijzen dat we, met de Europese dag van de verkeersveiligheid, een mogelijkheid hebben om alle lidstaten te beoordelen. In deze beoordeling zullen de sterke kanten van bepaalde lidstaten en de zwakke van andere naar voren komen. Ik ben van mening dat de Europese dag van de verkeersveiligheid een uitstekende manier is om meer duidelijkheid te krijgen omtrent de prestaties van de verschillende lidstaten.

U hebt er terecht op gewezen dat wij inderdaad niet de prestaties hebben bereikt die wij beoogd hadden. We hebben sterke twijfels over de doelstelling, namelijk de halvering van het aantal slachtoffers tegen 2010. Misschien zullen we in het volgende meerjarenprogramma, dat zich zal uitstrekken over een periode van 10 jaar, nog hogere eisen aan de lidstaten kunnen stellen.

Ik wil deze gelegenheid ook benutten, mijnheer de Voorzitter, om u eraan te herinneren hoeveel waarde wij hechten aan de stemming over de richtlijn, die het mogelijk zal maken om overtredingen die door automobilisten in een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst worden begaan, te vervolgen. Momenteel is de mate van straffeloosheid voor bestuurders die zich in een andere dan hun eigen lidstaat niet aan de regels houden, te groot, en volgens mij is dit een goede manier om ervoor te zorgen dat Europese burgers zich beter gedragen op de weg.

Dank u voor deze vraag. Ik weet dat mijn opvolger, mijnheer Tajani, eveneens zeer betrokken is het vraagstuk van de verkeersveiligheid, en ik kan u zeggen dat al uw suggesties en al uw inspanningen ons zullen helpen een eind te maken aan deze verschrikkelijke gesel.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Bij ontstentenis van de indiener komt vraag nr. 37 te vervallen.

 
  
  

Tweede deel

 
  
  

Vraag nr. 38 van Emmanouil Angelakas (H-0525/08)

Betreft: Voorlichting aan/educatie van jonge consumenten

Een aanzienlijk deel van de aankopen van goederen en diensten komt voor rekening van jongeren en jonge volwassenen. Deze groepen worden gebombardeerd met op hen gerichte, soms misleidende, reclames voor onder andere schoolartikelen, spelletjes, kleding, levensmiddelen, dranken en audiovisueel materiaal.

Acht de Commissie het zinvol om naast het reeds bestaande Europa Diary een pan-Europese strategie te ontwikkelen voor voorlichting aan/educatie van jonge consumenten over onderwerpen die hen interesseren, en hoe zou zo’n strategie er in de optiek van de Commissie uit kunnen zien? Wat meer in het bijzonder het consumentenscorebord betreft, hoe denkt de Commissie de gegevens daarvan betreffende jonge consumenten te gebruiken en hoe gaat voor feedback aan die groep worden gezorgd?

 
  
MPphoto
 

  Meglena Kuneva, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, de Commissie neemt met belangstelling kennis van de bezorgdheid die het geachte lid heeft geuit en zou zijn aandacht willen vestigen op het feit dat de bestaande Gemeenschapswetgeving inzake consumentenrechten reeds in een verregaande bescherming van jongeren voorzien. Zo is bijvoorbeeld de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken erop gericht de consumenten, met inbegrip van jongeren, te beschermen tegen praktijken die afbreuk doen aan hun economische belangen, zoals misleidende reclame of agressieve verkooppraktijken. Bij de beoordeling van oneerlijke handelspraktijken wordt specifiek rekening gehouden met kwetsbare consumenten, waaronder jongere burgers. De richtlijn bevat ook een zwarte lijst van handelspraktijken die onder alle omstandigheden in de hele EU zijn verboden. Bijvoorbeeld is het overal in de Europese Unie verboden om kinderen in reclameboodschappen direct aan te sporen tot het kopen van een product.

De Commissie zal in september op internet een voorlichtingscampagne starten. Dit is een heel nieuwe richtlijn, die ook gericht is op jongeren. De campagne zal gebruik maken van een speciale website met animatiefilms, illustraties en quizzen, om de regels van de richtlijn op een interessante en interactieve manier uit te leggen. Om de aandacht van consumenten te trekken zullen banners en nepadvertenties worden verspreid op een aantal belangrijke consumentenwebsites. Er zullen webportalen komen voor specifieke doelgroepen, zoals jongeren, virtuele gemeenschappen, muziekwebsites en blogs. DE informatie zal op internet worden verspreid gedurende één maand, en hoewel moeilijk te voorspellen is hoelang deze informatie door de partnerwebsites zal worden aangeboden, verwachten dat die minstens enkele maanden beschikbaar zal zijn op internet.

De speciale website over de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken, die momenteel wordt gecreëerd, zal voor onbepaalde tijd toegankelijk zijn voor de consumenten. Voorlopig is de Commissie niet van plan een speciale pan-Europese campagne te lanceren om jonge consumenten voor te lichten. Naast de agenda Aan jou de keus ontwikkelt zij een internetgebaseerd voorlichtingsinstrument voor consumenten, getiteld “Dolcetta”, dat een lesmodule bevat voor leraren in het basis- en middelbaar onderwijs.

Wat betreft het consumentenscorebord: momenteel zijn onze gegevens niet uitgesplitst naar verschillende consumentengroepen. Het scorebord kan niet gedetailleerd op alle markten of alle categorieën consumenten ingaan. Indien wij echter over specifieke gegevens over jongere consumenten, bijvoorbeeld studenten, beschikken, zoals de Eurobaromter-enquêtes, dan publiceren wij deze gegevens voor deze groep wel.

 
  
MPphoto
 

  Emmanouil Angelakas, auteur. (EL) Mijnheer de Voorzitter! Geachte commissaris, dank u voor uw volledige en uitvoerige antwoord. Het is zeer geruststellend en bevredigend dat deze campagne deze maand online wordt gelanceerd.

Ik zou u nog een aanvullende vraag willen stellen: overweegt de Commissie tv-reclame te verbieden die op kinderen is gericht, zoals dit in sommige lidstaten reeds is gebeurd, waar sommige kinderreclame pas na een bepaald tijdstip op de televisie mogen worden uitgezonden, ik geloof 10 of 11 uur ’s avonds, als kinderen niet meer kijken?

 
  
MPphoto
 

  Meglena Kuneva, lid van de Commissie. (EN) Deze informatie is ook in mijn directoraat-generaal bekend, maar dit valt eerder binnen de bevoegdheid van mijn collega, commissaris Viviane Reding, aangezien deze kwestie verband houdt met de vrijheid van informatie die globaal gezien tot het werkterrein van haar directoraat-generaal behoort.

Ik kan u wel zeggen dat we een richtlijn “Televisie zonder grenzen” hebben, die betrekking heeft op dergelijke aangelegenheden, en dat we een zwarte lijst hebben die deel uitmaakt van de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken. De reden dat we zo’n zwarte lijst opstellen is dat we, als dit nodig is en als er genoeg bewijzen zijn, een praktijk op de lijst kunnen zetten indien wij vinden dat we die moeten aanpakken en in heel Europa moeten verbieden. Natuurlijk moet een dergelijke maatregel onderbouwd zijn door bewijzen. We zijn ons dus volledig bewust van het probleem.

Dit probleem valt weliswaar niet onder de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken, maar we zijn bereid om te onderzoeken of het om een praktijk gaat die in een zwarte of grijze lijst behoort te worden opgenomen, en commissaris Reding doet haar best om ervoor te zorgen dat de richtlijn “Televisie zonder grenzen” dergelijke kwesties aanpakt.

 
  
MPphoto
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE).(LT) 55 procent van de reclame voor levensmiddelen op televisie brengt ongezonde voedingsproducten aan de man. 80 procent van de kinderen willen dat hun ouders voor het ontbijt exact dezelfde levensmiddelenmerken kopen die zij in de tv-reclame hebben gezien. Mijn vraag luidt: zou het niet verstandig zijn de aandacht van de Europese Unie op andere terreinen te richten dan op reclamespots van fabrikanten? Zouden we niet een manier kunnen vinden om de fabrikanten aan te sporen gezondere voedingsproducten te produceren en vervolgens hiervoor reclame te maken?

 
  
MPphoto
 

  Meglena Kuneva, lid van de Commissie. − (EN) Ik geloof dat de producenten er met behulp van marktinstrumenten toe kunnen worden bewogen gezonde voedingsmiddelen te vervaardigen. Als er vraag is vanuit de markt, zullen zij hierop reageren. We zouden de producenten kunnen zeggen wat ze moeten produceren, maar dat is niet echt de manier waarop de Commissie dit probleem behoort aan te pakken. Wel kunnen we de informatie voor iedereen op een begrijpelijke manier beschikbaar maken. De Commissie werkt er zeer hard aan de nodige informatie te verkrijgen over voedselgerelateerde producten.

U zegt dat sommige reclamespots misleidend zijn of kinderen aan gevaren blootstellen. Indien bijvoorbeeld over een product wordt beweerd dat het u kan genezen of plotseling tien jaar jonger kan maken (wat natuurlijk niet mogelijk is), dan valt het binnen mijn werkterrein en kan ik het aanpakken via de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken. In andere gevallen, als het om de gezondheidsaspecten van levensmiddelen gaat, moet ik u er nogmaals op wijzen dat dit tot het takenpakket van commissaris Vassiliou behoort. Zij verricht uitstekend werk op het gebied van de etikettering van voedingsproducten, die de consumenten in staat stelt een bewuste keuze te maken. Dat is ons doel: goed geïnformeerde burgers, en door de voorlichtingscampagne waar mijn directoraat-generaal bij betrokken is, kunnen we het bewustzijn van de consumenten te vergroten.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 39 van Marie Panayotopoulos-Cassiotou (H-0530/08)

Betreft: Consumentenvoorlichting en onderwijs

Zoals bekend valt het onderwijsbeleid onder de bevoegdheden van de lidstaten. Feit is echter ook dat producten voor scholing, onderwijs en levenslang leren het onderwerp van handel - en zelfs grensoverschrijdende - handel vormen, en er dus consumenten van deze producten zijn. Wat de vraag doet rijzen hoe het Europees beleid voor de bescherming van deze consumenten ten aanzien van de kwaliteit en de prijzen van die producten tot stand komt?

 
  
MPphoto
 

  Meglena Kuneva, lid van de Commissie. − (EN) De Commissie heeft niet de bevoegdheid om prijzen te bepalen of de kwaliteit van onderwijsproducten te beoordelen. Voor het overige vind ik de vraag werkelijk zeer relevant. Wanneer zij onderwijsproducten aanschaffen, worden consumenten evenwel door de EU-wetgeving beschermd tegen misleidende of agressieve verkooppraktijken.

Krachtens de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken mogen handelaren de consumenten niet misleiden met onjuiste of bedrieglijke informatie over bijvoorbeeld de voordelen van een product, de resultaten die van het gebruik kunnen worden verwacht of de resultaten van uitgevoerde tests of controles.

De richtlijn omvat tevens een zwarte lijst van praktijken die onder alle omstandigheden zijn verboden: de bewering dat het product gekeurd of goedgekeurd is door een openbaar of particulier orgaan (bijvoorbeeld de bewering dat een educatief boek is goedgekeurd door het ministerie van Onderwijs wanneer dit niet het geval is) is in de hele Unie ronduit verboden.

Bovendien moeten handelaren de consumenten van alle informatie voorzien die zij nodig hebben om een geïnformeerde keuze te kunnen maken. De Commissie heeft bijvoorbeeld klachten ontvangen over cursussen die op een Engelstalige website werden gekocht en die vervolgens in een andere taal werden geleverd. Het weglaten van deze informatie over de in de cursussen gebruikte taal kan worden beschouwd als een misleidende praktijk. Het is echter aan de nationale autoriteiten en rechtbanken, die voor de handhaving van de richtlijn inzake oneerlijke handelspraktijken verantwoordelijk zijn, om op basis van de in het EU-Verdrag verankerde beginselen inzake vrij verkeer van geval tot geval te bepalen welke informatie essentieel is in overeenstemming met de Europese wetgeving.

 
  
MPphoto
 

  Marie Panayotopoulos-Cassiotou, auteur. (EL) Ik dank de commissaris voor haar antwoord. Prijsdistorsies in verhouding tot de productkwaliteit zijn een belangrijke kwestie vanuit het oogpunt van consumentenbescherming. Ik heb het niet over de prijsbepaling, maar over het definiëren van de verhouding tussen prijs en product op basis van mededinging, en ook het vervoer van onderwijsproducten van de ene naar de andere lidstaat en grensoverschrijdende consumentenbescherming.

Beschikt u over informatie over grensoverschrijdende bescherming in het geval van de overdracht van onderwijsproducten van de ene lidstaat naar de andere?

 
  
MPphoto
 

  Meglena Kuneva, lid van de Commissie. − (EN) Voor grensoverschrijdende problemen met onderwijsmateriaal kan men terecht bij Europese Consumentencentra, die hun werk verrichten op basis van de wetgeving inzake de vertegenwoordiging van de consumentenbelangen en die overal in Europa opkomen voor de consumentenrechten.

In het geval van een grensoverschrijdend geschil tussen een consument en de aanbieder van een educatieve dienst, een lesboek of ander onderwijsmateriaal, kan de consumenten bij een Consumentencentrum aankloppen. Indien de consument het geschil niet direct kan oplossen, kan het Consumentencentrum in zijn land hem helpen een bevredigende oplossing te vinden in het oorsprongsland van de onderwijsdienst of het onderwijsmateriaal.

Ik heb geen gegevens bij me over alle verschillende ervaringen en gevallen in de verschillende lidstaten, maar ik kan u zeggen dat deze Europese Consumentencentra enkele malen per jaar bijeenkomen. Het is inmiddels een zeer sterk en goed netwerk, en de meeste centra zijn zeer actief en in staat om de problemen van de consumenten op te lossen.

Aangezien de vraag over de onderwijssector ging, zou aan de centra kunnen worden gevraagd informatie te verstrekken over de manier waarop zij dergelijke geschillen oplossen. Het basisbeginsel is echter hetzelfde, en deze regeling functioneert echt goed.

 
  
MPphoto
 

  Paul Rübig (PPE-DE).(DE) Ik zou graag willen weten hoe de stand van zaken is met betrekking tot online-onderwijs. Zou de Commissie, met het oog op klachten, een website kunnen opzetten waarop wordt vermeld bij welke instellingen die onderwijs op afstand aanbieden er sprake is van problemen, zodat hier voor meer transparantie wordt gezorgd?

 
  
MPphoto
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Telkens weer hebben we het probleem dat heel veel mensen in Europa de vraag stellen: waar blijft de Europese toegevoegde waarde? Nu, de Europese Unie is weliswaar niet verantwoordelijk voor onderwijskwesties, maar we zijn wel verantwoordelijk voor vraagstukken op het gebied van kwaliteitswaarborging en consumentenbescherming. Op dit terrein doen we ook veel. Zou het niet mogelijk zijn om ons tot de scholen, wellicht ook het lager onderwijs, te wenden in het kader van de algemene voorlichtingsactiviteiten van de Commissie? Met projecten en wedstrijden kunnen we laten zien hoe Europa op dit terrein voor toegevoegde waarde zorgt. Misschien is het mogelijk om dit onderwerp zo – ook in verband met de vorige vraag – onder de aandacht van de heel jonge mensen te brengen.

 
  
MPphoto
 

  Meglena Kuneva, lid van de Commissie. − (EN) Ik ben blij met uw suggesties en input en stel deze zeer op prijs. Om u een uitvoeriger antwoord te geven zou ik willen zeggen dat we op het punt staan de interne markt te voltooien, die werkelijk een fundament van de Unie is. Tot nu toe was de markt nochtans zeer gericht op het bedrijfsleven en op de totstandbrenging van het juiste klimaat voor het bedrijfsleven, en dit was ook terecht. Nu moet de interne markt echter worden voltooid in de vorm van een tweede stadium, waarin de consumenten zich overal even welkom en even goed beschermd voelen. Dat is het consumentenbeleid voor de 21e eeuw.

Ik ben verheugd dat ik u kan berichten dat onderwijs dat erop is gericht de consument mondig te maken de eerste, zeer fundamentele pijler vormt van de consumentenstrategie 2007-2015. Ik kan u daarover nu niet meer vertellen, behalve dat we over instrumenten beschikken zoals de op agenda Aan jou de keus voor de doelgroep van tieners, en zoals Dolcetta, een aanvulling op de opleiding van leraren, maar we bouwen zeer op de inspanningen van de lidstaten.

We moeten dit beleid onder het gezichtspunt van subsidiariteit zien. Er zijn landen die bereid zijn in de consumenteneducatie te investeren en de algemene inspanningen van de Commissie te steunen. Ik heb alle bevoegde ministers een brief geschreven en hen om hun steun verzocht, omdat we ons in een zeer cruciaal stadium bevinden als het erom gaat ook een goed functionerende consumentenmarkt in heel Europa op te bouwen.

In de toekomst zullen we het vaker hebben over de vraag hoe de consumenten zich op deze interne markt voelen. Dit is een punt van fundamenteel belang. Een ander punt is dat we meer en bredere aandacht aan consumentenklachten moeten besteden. We hebben in de Europese Commissie geen gemeenschappelijk platform voor consumentenklachten. Net als u ontvangen wij talrijke klachten uit uw kieskringen – soms zijn ze door het Parlement doorgestuurd aan de Commissie – maar we moeten meer doen op het gebied van de behandeling van die klachten. De Commissie kan de werkzaamheden van de Ombudsman of van de lidstaten niet verdubbelen, maar als er een hardnekkig probleem bestaat op het een of andere gebied van het consumentenbeleid, moeten we dat aanpakken, ook door middel van wetgeving.

Er zijn goede voorbeelden die aantonen dat consumentenklachten de hoofdmoot van het consumentenbeleid in een andere richting zou kunnen sturen. Op het moment zijn we bezig relevante gegevens te verzamelen met behulp van het scorebord voor de consumentenmarkt. De eerste editie van het scorebord voor de consumentenmarkt werd begin dit jaar gelanceerd. We hebben een speciale indicator: consumentenklachten. Wij vergelijken de verschillende lidstaten en bekijken hoeveel klachten zij behandelen en op welke terreinen. Ik zie met spanning uit naar de gegevens van de lidstaten voor de volgende editie van de scoreborden voor de consumentenmarkt begin volgend jaar. Stap voor stap zijn we dus op weg naar een interne markt voor de burgers.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 40 van Giovanna Corda (H-0545/08)

Betreft: Klachten van verbruikers over elektronische internethandel

De resultaten van een recent onderzoek van de Europese consumentencentra brengen een zeer groot aantal geschillen aan het licht waar verbruikers die aankopen via het internet doen, als slachtoffer bij betrokken zijn (2583 geschillen en 8834 klachten in 2007).

Denkt de Commissie niet dat ze bij de exponentiële toename van de elektronische handel informatiecampagnes moet opzetten om de verbruikers voor de risico’s van de nieuwe vorm van handel te waarschuwen - en dat ze snelle en doeltreffende procedures voor grensoverschrijdende geschillen moet invoeren, vooral in de meest voorkomende gevallen van leveringen die uitblijven of niet aan de aankoop beantwoorden?

 
  
MPphoto
 

  Meglena Kuneva, lid van de Commissie. − (EN) Deze vraag gaat over het internet, een zeer belangrijke kwestie. Het internet biedt de consumenten enorme mogelijkheden. Het verleent hun toegang tot betere informatie en vergroot de markt waarop zij aankopen kunnen doen, en verleent hun toegang tot meer aanbieders en meer keuze.

Inmiddels winkelt reeds 150 miljoen EU-burgers – een derde van de bevolking –op het internet. De snelle groei van het aantal burgers dat online inkopen doet wordt evenwel niet geëvenaard door de groei van het aantal burgers dat dit grensoverschrijdend doet.

Dit toont aan dat de Commissie er goed aan doet deze kwestie, die te maken heeft met het consumentenvertrouwen, aan te pakken met behulp van een aantal voorlichtingsmaatregelen. De online handleiding voor de digitale consument, die door de Commissie wordt ontwikkeld, moet hier worden genoemd. Deze handleiding zal eind 2008 online worden gepubliceerd. Als follow-up bij de handleiding zou men in overweging kunnen nemen om richtsnoeren op te stellen over de vraag hoe de wetgeving inzake oneerlijke handelspraktijken kan worden toegepast met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken in het internet.

Een ander instrument waar we het al over hebben gehad, is Dolcetta, dat ten doel heeft consumenten voor te lichten over onder meer verkoop op afstand en verhaalmogelijkheden van de consument. Voorlichting voor jonge consumenten die bijzonder actief zijn in het internet, is van cruciaal belang. De agenda Aan jou de keus, met een recordoplage van 2,8 miljoen stuks, die (en dat is misschien interessant voor mijnheer Angelakas) dit jaar in meer dan 18 000 scholen wordt verspreid, bevat informatie over internetgebruik en grensoverschrijdende verhaalmogelijkheden.

De strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013 voorziet, als een van haar prioriteiten, in maatregelen op het gebied van consumenteneducatie – beter geïnformeerde en voorgelichte consumenten. De belangrijkste instrumenten die de Commissie gebruikt om de burgers en belanghebbende organisaties over het consumentenbeleid te informeren, zijn een website, de nieuwsbrief Consumer Voice en voorlichtingscampagnes. Elektronische handel is een belangrijk onderwerp in de nieuwsbrief in sommige van de nieuwere lidstaten.

Met betrekking tot de tweede vraag, over handhaving en verhaalmogelijkheden, is de Commissie ervan overtuigd dat de Europese consumenten erop moeten kunnen vertrouwen dat zij in de hele Europese Unie hun rechten kunnen handhaven en verhaal kunnen halen, omdat de interne markt anders niet kan functioneren. Klachten over elektronische handel, met inbegrip van klachten over uitblijvende leveringen of leveringen die niet aan de aankoop beantwoorden, kunnen worden behandeld via het EU-kader voor schadeloosstelling dat we reeds voor de Europese consumenten hebben opgezet. Dit kader omvat onder meer het ECC-netwerk, de beide aanbevelingen van de Commissie inzake alternatieve geschillenbeslechting, de onlangs goedgekeurde bemiddelingsrichtlijn en de verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen.

De Commissie overweegt momenteel ook of een EU-initiatief inzake collectieve verhaalprocedures voor consumenten nodig is en, zo ja, welke vorm dit initiatief dient te krijgen. Ik ben er absoluut van overtuigd dat het beeldscherm een nieuwe markt is.

 
  
MPphoto
 

  Giovanna Corda, auteur. − (FR) Mijnheer de Voorzitter, geachte commissaris, u hebt de vraag over problemen bij aankopen die ik van plan was te stellen reeds gedeeltelijk beantwoord.

De procedures duren lang en zijn ingewikkeld en duur. De geleden schade is vaak bijzonder groot, omdat vaak de meest benadeelden onder ons worden getroffen.

Bent u, gezien het feit dat er sprake is van een rechtsvacuüm, van mening dat de Europese Consumentencentra over de nodige middelen beschikken om dergelijke – eventueel collectieve, maar ook individuele – procedures te voeren in naam van de benadeelde consumenten?

 
  
MPphoto
 

  Paul Rübig (PPE-DE).(DE) Het gaat er simpelweg om dat we erover moeten nadenken over welke mogelijkheden we in de toekomst beschikken om klachten op transparante wijze in de publiciteit te brengen. Wanneer zich grensoverschrijdende overtredingen herhalen, moeten ook de rechtbanken en de openbaar ministeries toegang tot dergelijke gegevens krijgen. Gelooft u dat het mogelijk is om een desbetreffende databank op te zetten?

 
  
MPphoto
 

  Justas Vincas Paleckis (PSE).(LT) Geachte commissaris, in uw toespraak heeft u zeer overtuigend gesproken over de uitbreiding van de elektronische handel, en ik ben er vrijwel zeker van dat deze uitbreiding veel eerder zal plaatsvinden in de oude lidstaten. Ik zou u willen vragen wat er wordt gedaan om de elektronische handel te stimuleren in de lidstaten die in de 21e eeuw tot de Europese Unie zijn toegetreden, hoe de consumentenrechten worden beschermd en welke maatregelen worden ontwikkeld om dat aandeel te verminderen? Nog één punt met betrekking tot misbruik. Komt misbruik vaker voor in de oude lidstaten of in de nieuwe?

 
  
MPphoto
 

  Meglena Kuneva, lid van de Commissie. − (EN) De suggestie dat Europese Consumentencentra in naam van de consumenten naar de rechter kunnen stappen is een idee dat we voor het eind van dit jaar in onze mededeling over collectieve verhaalprocedures zullen bespreken. Tot dusver ging het mij erom open te staan voor nieuwe ideeën en een verscheidenheid aan standpunten te verzamelen alvorens een definitief voorstel in te dienen.

We moeten het hele plaatje bekijken en alle instrumenten gebruiken die ons ter beschikking staan, met inbegrip van de richtlijn betreffende het doen staken van inbreuken, die een van de instrumenten vormt die we in Europa grensoverschrijdend kunnen toepassen.

Ik ben het helemaal eens met het idee van de databank, die ik krachtig steun. We hebben zo’n databank nodig om tot een beter beleid en een betere wetgeving te komen.

Ik ben er vast van overtuigd dat we een op feiten gebaseerde aanpak nodig hebben wanneer we wetgeving voorstellen of tot gemeenschappelijke handhavingsacties overgaan.

Ik zal doorgaan met handhavingsacties die tegelijkertijd in alle 27 lidstaten plaatsvinden – de zogenaamde sweeps op gebieden als vliegtickets of beltonen. Websites zijn gewoonlijk goede kandidaten voor dergelijke grensoverschrijdende handhavingsacties.

Elk land is verschillend. Er moet een universele toegang tot breedband komen en de instrumenten die worden gebruikt om van de elektronische handel te profiteren – normaal gesproken is dat het internet – mogen niet zijn voorbehouden aan een bepaald percentage van de bevolking. Ik ben ook van mening dat we de breedbandpenetratie kunnen verhogen door middel van het cohesiebeleid, het regionaal beleid en het Cohesiefonds. De nieuwe lidstaten zouden de unieke mogelijkheid hebben om de oude in te halen en sommige fouten die wij vroeger hebben gemaakt, te vermijden. Zij moeten grote sprongen voorwaarts maken.

Wanneer we een goede, doelgerichte wetgeving hebben die in alle lidstaten volledig is geharmoniseerd, zal dit er enorm toe bijdragen het vertrouwen van de consument en het niveau van de consumentenuitgaven in alle lidstaten te verhogen. Elektronische handel is een van de instrumenten die ervoor zorgen dat de consument meer waar voor zijn geld en meer keuze wordt geboden. Het is niet slechts een marktinstrument, maar ook een zeer belangrijk democratisch instrument.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 42 van Colm Burke (H-0537/08)

Betreft: Scorebord van de interne markt

De volledige tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake de interne markt komt de consumenten en het bedrijfsleven in de gehele EU ten goede. Het scorebord van de interne markt is een doeltreffende manier om een overzicht te geven van de afzonderlijke resultaten van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze wetgeving. Hoe denkt de Commissie aan de consumenten en het bedrijfsleven volledige inzage te geven in de resultaten van dit scorebord?

 
  
MPphoto
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik dank het geachte lid voor zijn positieve opmerkingen over het scorebord van de interne markt. Ik ben eveneens van mening dat de resultaten van het scorebord op brede schaal moeten worden gepubliceerd. Alle edities van het scorebord zijn beschikbaar op de Europa-website. Gedrukte versies zijn verstuurd aan de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten en aan de bureaus van de Commissie in de hoofdsteden van de 27 lidstaten. Daarnaast werden exemplaren verstuurd aan andere EU-instellingen en de nationale overheden. Na de publicatie van elk scorebord wordt een persmededeling verspreid in 21 talen, en de resultaten worden tijdens een persconferentie bekendgemaakt, om ervoor te zorgen dat ze gemakkelijk toegankelijk zijn voor de nationale media.

 
  
MPphoto
 

  Colm Burke, auteur. − (EN) Dank u commissaris, voor de behandeling van deze vraag. Ik ben verheugd over de op dit gebied verrichte werkzaamheden, die veel te maken hebben met de manier waarop de Europese Unie in de lidstaten wordt waargenomen.

In Ierland hadden we een bijzonder probleem tijdens het debat over het Verdrag van Lissabon. Zodra er iets negatiefs gebeurt, maken we de Europese Unie daar vaak voor verantwoordelijk. Ik zou één typisch voorbeeld willen noemen van gevallen waarin er geen schadeloosstelling te verwachten valt: niet-naleving van een richtlijn van de Europese Unie door een lidstaat. In Wicklow, in mijn eigen gebied Cromane, was er rond acht jaar geleden een geval waarin uit hoofde van een bepaalde richtlijn door de Europese Unie middelen ter beschikking werden gesteld aan de Ierse regering, maar er werd niets gedaan, en het gevolg is dat 50 families hun traditionele beroep, namelijk het oogsten van mosselen, niet meer kunnen uitoefenen. De lokale kranten gaven de Europese Unie de schuld. We hebben geen schadeloosstelling...

(De spreker wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. − (EN) We beschikken over een hele reeks instrumenten voor de late omzetting van richtlijnen, waar het voornamelijk om gaat bij het scorebord. Indien de lidstaten de omzetting verder vertragen, hebben we natuurlijk de ultieme sanctiemogelijkheid om de zaak aan de rechter voor te leggen. We proberen dit echter als volgt te vermijden: indien een lidstaat problemen ondervindt bij de omzetting van een richtlijn, organiseren we bijeenkomsten met deze lidstaat, houden we seminars en trachten we specifieke vraagstukken en problemen die zij eventueel hebben, op te lossen. We doen dus ons best opdat de omzetting zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

Ik ben het eens met de heer Burke als hij zegt dat dit niet alleen in Ierland, maar ook in andere EU-landen geldt. Alle regeringen hebben duidelijk de neiging om zichzelf op de borst te slaan voor alle goede ontwikkelingen, ook al gaan deze misschien terug op de Unie of op een oorspronkelijk Europees idee. Ik ben er daarom zeker van dat diegenen van ons die ooit deel hebben uitgemaakt van het Iers parlement of een Ierse regering, zich daaraan eveneens vaak hebben bezondigd. Maar als zich iets negatiefs voordoet, dat op de een of andere manier een Europese strekking heeft, geven we natuurlijk Europa de schuld. Ik ben het dus met mijnheer Burke eens dat men positiever moet zijn over de goede dingen die we hier in Europa doen.

Wanneer een lidstaat op een bepaald gebied nalatig is, nemen wij de nodige maatregelen, maar wij proberen dergelijke dingen zo mogelijk te voorkomen door de lidstaten aan te sporen om orde op zaken te stellen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 43 van Jim Higgins (H-0539/08)

Betreft: Banksector in grensgebieden

Kan de Commissie mededelen of zij een onderzoek zal instellen naar extra kosten die in rekening worden gebracht voor het grensoverschrijdend gebruik van geldautomaten, debet- en creditkaarten, met name gezien het feit dat tal van banken actief zijn aan beide zijden van de grens tussen Noord-Ierland en de Republiek Ierland?

 
  
MPphoto
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. − (EN) Gebruikers van krediet- of debetkaarten in grensregio’s kunnen te maken krijgen met drie categorieën kosten die aan kaartbetalingen verbonden zijn. Dit zijn: gebruikelijk kosten in verband met het gebruik van kaarten, ongeacht de geografische locatie of lidstaat; kosten in verband met valutaomwisseling indien de betaling tussen lidstaten met verschillende valuta, bijvoorbeeld euro en pond sterling, plaatsvindt; en ten derde transactiekosten op het verkooppunt of voor het opnemen van geld uit een pinautomaat.

Wat de eerste categorie betreft, d.w.z. de normale kosten voor kaartgebruikers, die op Europees niveau zijn geregeld voor zover het om betalingen in euro gaat: volgens Verordening (EG) nr. 2560/2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro moeten de kosten van deze betalingen dezelfde zijn als die van betalingen in euro binnen de lidstaat waar de kaart werd afgegeven. Betalingen met kaarten van niet-euro-rekeningen, bijvoorbeeld een pond-sterling-rekening, vallen niet onder deze verordening.

In het geval van betalingen in euro tussen een lidstaat van de eurozone, zoals Ierland, en een lidstaat die niet tot de eurozone behoort, zoals het Verenigd Koninkrijk, kunnen aanvullende kosten worden berekend voor de valutaomwisseling voor kaartbetalingen. De richtlijn betreffende betalingsdiensten regelt de voorwaarden waaronder de valutaomwisseling wordt uitgevoerd. Deze richtlijn moet echter nog door de lidstaten ten uitvoer worden gelegd.

Ten slotte kan op kaartbetalingen een toeslag worden geheven op het verkooppunt of kunnen daarover aanvullende kosten worden berekend bij het opnemen van geld uit pinautomaten in particulier bezit. De heffing van een toeslag of het aanbieden van een korting op een bepaald betalingsinstrument is volgens de Europese wetgeving overgelaten aan de handelaar. Niets weerhoudt de lidstaten er echter van om dergelijke toeslagen te verbieden of te beperken. Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd in de reeds genoemde richtlijn betreffende betalingsdiensten in de interne markt.

De Commissie heeft daarom geen juridische grondslag voor een ingrijpen met betrekking tot aanvullende kosten van grensoverschrijdende betalingsdiensten in het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Evenwel is de Commissie van mening dat mededinging aan beide kanten van de grens de kosten op een redelijk niveau zal houden. Indien de marktdeelnemers de mededinging zouden verminderen of beperken, zouden de bevoegde nationale autoriteiten ingrijpen in het belang van de burgers.

 
  
MPphoto
 

  Jim Higgins, auteur. (EN) Net als ik is de commissaris volledig op de hoogte van de Ierse situatie, waar 18 000 werknemers dagelijks de grens oversteken van het ene rechtsgebied naar het andere en waar 5 200 studenten en 1,7 miljoen inwoners ofwel aan de andere kant gaan winkelen of daar vakantie houden.

Ik weet dat de commissaris heeft gezegd dat het aan de nationale overheden is en dat de banken niet onder Verordening (EG) nr. 2560/01 vallen, maar het moet toch mogelijk zijn om voorschriften in te voeren waarbij dergelijke toeslagen worden verboden. We hebben een goed voorbeeld gezien toen uw collega Viviane Reding, de commissaris voor Informatiemaatschappij en media een hard standpunt heeft ingenomen ten opzichte van de telefoonmaatschappijen – en we zien dat consumenten profiteren van de resultaten. Aan deze praktijken moet een eind worden gemaakt, met name wanneer er zusterbanken aan beide kanten van de grens zijn.

 
  
MPphoto
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. − (EN) Deze kwestie van de aanvullende kosten voor grensoverschrijdende betalingen heeft, daar heeft mijnheer Higgins gelijk in, in bepaalde kringen tot boze reacties geleid.

Het is echter aan de lidstaten om deze kwestie aan te pakken omdat – en dat staat uitdrukkelijk in de onlangs goedgekeurde richtlijn betreffende betalingsdiensten – de nationale autoriteiten, in het compromis dat we hebben bereikt, deze kwestie zelf wilden beslissen. De nationale autoriteiten van de betrokken lidstaten kunnen deze kwestie dus aanpakken als zij dat willen, maar destijds was er geen meerderheid van lidstaten voor maatregelen op EU-niveau. Dat was de stand van zaken op dat tijdstip. Net als alle andere dingen in het politieke en economische leven zal misschien ook dit in de toekomst veranderen.

Weliswaar was er kort geleden in het debat over de richtlijn betreffende betalingsdiensten geen meerderheid van de lidstaten voor het nemen van maatregelen, maar wie weet welke voorstellen in de toekomst zullen worden ingediend – misschien tekent zich op een gegeven moment een meerderheid af.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 44 van Dimitrios Papadimoulis (H-0553/08)

Betreft: Verkoop Griekse telecommaatschappij en weigering openbare inschrijving

Het Griekse parlement heeft een wet aangenomen houdende goedkeuring van het akkoord tussen de Griekse telecommaatschappij en DT dat voorbijgaat aan het bepaalde in richtlijn 2004/25/EG(1) betreffende de bescherming van minderheidsaandeelhouders. Als argument wordt verwezen naar artikel 8, punt 7, van wet 3461/2006, waarin wordt bepaald dat de verplichte openbare overname-inschrijving niet geldt in het geval van een privatisering.

Vóór de verkoop bezat de Griekse staat slechts 28 procent van de aandelen van de Griekse telecommaatschappij. Is de Commissie tegen deze achtergrond van mening dat de telecommaatschappij een staatsbedrijf was? Vanaf welk eigendomspercentage geldt een bedrijf als staatsbedrijf? Worden met deze in de wet opgenomen uitzondering de belangen van de minderheidsaandeelhouders voldoende beschermd? Zijn de op communautair niveau geldende beginselen van helderheid en transparantie in het geval van openbare overname-inschrijving in acht genomen? Is het zo dat in de lidstaten de aandeelhouders van bedrijven waarin ook de staat een aandeel heeft minder rechten genieten dan aandeelhouders van bedrijven waarvoor dit niet geldt?

 
  
MPphoto
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. − (EN) Allereerst zou ik willen onderstrepen dat de bescherming van de belangen van minderheidsaandeelhouders in beursgenoteerde ondernemingen een van de centrale doelstellingen is van de Gemeenschapsregels inzake overnames. In het geval van een wijziging in de zeggenschap in een beursgenoteerde onderneming moeten alle aandeelhouders op gelijke voet worden behandeld en moeten minderheidsaandeelhouders worden beschermd.

Minderheidsaandeelhouders in beursgenoteerde staatsbedrijven hebben precies dezelfde rechten als minderheidsaandeelhouders in particuliere ondernemingen. Dit beginsel impliceert normaal gesproken dat personen die zeggenschap verwerven over een beursgenoteerde onderneming een verplicht bod moeten uitbrengen op het kapitaal dat in het bezit is van de minderheidsaandeelhouders. De communautaire voorschriften staan echter toe dat de lidstaten van de regel inzake het verplichte bod afwijken om rekening te houden met bepaalde omstandigheden die op nationaal niveau worden gedefinieerd.

Griekenland heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. De Griekse wetgeving bepaalt dat de regel inzake het verplichte bod in sommige situaties niet hoeft te worden toegepast. Daartoe behoren ook gevallen waarin het privatiseringsproces van een onderneming nog aan de gang is. Dit is een algemene uitzondering, maar zoals altijd zitten er addertjes onder het gras.

De Commissie betwist niet dat de Griekse nationale telecommunicatiemaatschappij OTE, waarover het geachte lid zijn vraag stelt, een staatsbedrijf was. Hoewel de staat slechts rond 28 procent van de aandelen van de ondernemingen in handen had, lag de zeggenschap over het bedrijf uitsluitend bij de staat. De eigenlijke vraag waar het hier om gaat, luidt: hoe lang mag een privatiseringsproces duren? In het geval van OTE lijkt het privatiseringsproces lang te zijn, of zelfs heel lang. Het proces, dat blijkbaar nog altijd voortduurt, begon 12 jaar geleden. Hoe lang kan een onderneming worden vrijgesteld van de toepassing van de regel inzake het verplichte bod van de richtlijn betreffende het overnamebod? De Griekse toezichthouder, de Hellenic Capital Market Commission, heeft vastgesteld dat OTE nog steeds een privatiseringsproces ondergaat en dat bijgevolg geen verplicht bod vereist was.

Ter afsluiting kan ik zeggen dat de lidstaten, als zij afwijken van de regel inzake het verplichte bod, toch het algemene beginsel van de bescherming van de minderheidsaandeelhouders dienen te respecteren en ervoor moeten zorgen dat deze in het genot komen van een behandeling op gelijke voet met de meerderheidsaandeelhouders. Ik moet nog zien hoe de Griekse autoriteiten een dergelijke bescherming denken te kunnen bieden in het onderhavige geval. Daarom heb ik mijn diensten verzocht te achterhalen of een dergelijke bescherming is geboden en te onderzoeken over de regels van de richtlijn betreffende het overnamebod door de Griekse autoriteiten in dit geval zijn nageleefd.

 
  
MPphoto
 

  Dimitrios Papadimoulis, auteur. (EL) Commissaris, dit is nou precies het probleem. Ik begrijp niet waar u in al deze maanden naar op zoek was. De Griekse autoriteiten maken inbreuk op de artikelen 3 en 5 van Richtlijn 25/2004/EG; zij weigeren een gelijke behandeling en een openbare inschrijving met het belachelijke argument dat een bedrijf, OTE (de “Griekse Telecommunicatiemaatschappij”) waarin de staat een belang heeft van 28 procent, een staatsbedrijf is.

Laat de Commissie toe dat de wet verder wordt geschonden, dat inbreuk wordt gemaakt op de richtlijn betreffende gelijke behandeling en de bescherming van minderheidsaandeelhouders? Misschien hebt u Richtlijn 25/2004/EG niet gelezen, commissaris McCreevy, net zoals u het Verdrag van Lissabon niet heeft gelezen.

 
  
MPphoto
 

  Charlie McCreevy, lid van de Commissie. − (EN) Zoals ik reeds heb aangeduid, zijn wij bezig met een onderzoek naar de Griekse wetgeving en haar verenigbaarheid met de regels van de interne markt, met name met betrekking tot het vrij verkeer van kapitaal en vestiging, en zo nodig zal in deze zaak een verdere procedure worden ingesteld.

Bij dit onderzoek worden de werkzaamheden van de verschillende Commissiediensten zorgvuldig gecoördineerd om voor een omvattende analyse van de situatie te zorgen. Ik kan het geachte lid verzekeren dat wij, nadat wij het onderzoek hebben afgerond, vervolgens de nodige maatregelen zullen treffen, indien uit ons onderzoek zou blijken dat er gegronde zijn om de Griekse autoriteiten ter verantwoording te roepen. Dat is de juiste en legale aanpak die wij ten aanzien van elke lidstaat volgen, en dat is ook nu niet anders nu we het met de Griekse autoriteiten van doen hebben.

Zodra het onderzoek is afgerond zullen we de nodige conclusies trekken en de zaak voortzetten indien dit in dat stadium noodzakelijk zou worden geacht.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 48 van Georgios Papastamkos (H-0526/08)

Betreft: Zwarte-Zeesamenwerking

Een jaar is verstreken sinds de Zwarte-Zeesamenwerking van start is gegaan. Meent de Commissie dat er een brede, samenhangende en strategische benadering voor de regio is samengesteld? Vormen de ontwikkeling van zeeverbindingen en wegtransportroutes alsmede de samenwerking op energiegebied, met daarnaast de bevordering van een duurzame ontwikkeling, de hoofdlijnen van de EU-initiatieven? Hoe denkt zij de aanwezigheid van lidstaten in de omgeving (Griekenland, Bulgarije, Roemenië) te kunnen benutten?

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) De Commissie heeft op 19 juni 2008 een verslag goedgekeurd over het eerste jaar van de tenuitvoerlegging van de Zwarte-Zeesynergie. Daarin worden de resultaten in tal van sectoren beschreven en voorstellen geformuleerd voor de ontwikkeling van de synergie tot een regionaal samenwerkingsproces. Hiertoe behoren de vaststelling van meetbare langetermijndoelstellingen en het aanwijzen van leidinggevende landen of organisaties die de maatregelen ter verwezenlijking van die doelstellingen coördineren, en het opzetten van sectorale partnerschappen voor de cofinanciering van de noodzakelijke projecten.

Zoals de Commissie eerder heeft verklaard vormt het bilaterale beleid in de regio – met name het Europees nabuurschapsbeleid – het strategisch kader, dat door de Zwarte-Zeesynergie op regionaal niveau wordt aangevuld. Het nabuurschapsbeleid is het bilaterale niveau, en dit is de eerste regionale aanvulling daarop.

De in uw vraag genoemde beleidsgebieden staan hoog op de agenda van de Commissie. Dit zijn voorstellen om Zwarte-Zeepartnerschappen op te zetten op verschillende terreinen, met inbegrip van vervoer en het milieu, en de lidstaten die in deze regio zijn gelegen zijn bijzonder actief als het om de bevordering van die initiatieven gaat.

De coördinatie tussen de Commissie en de drie lidstaten is zowel door de ontwikkeling van de synergie als door het werk met de Organisatie voor Economische Samenwerking in het Zwarte Zeegebied (BSEC) versterkt

Voor een verdere ontwikkeling van de Zwarte-Zeesynergie is de actieve inzet van een toenemend aantal lidstaten en partners uit het Zwarte-Zeegebied nodig, en de lidstaten van de BSEC kunnen hierbij een cruciale rol spelen en doen dit ook.

 
  
MPphoto
 

  Georgios Papastamkos, auteur. (EL) Dank u voor uw antwoord, mevrouw de commissaris. U hebt uw persoonlijke stempel op de Zwarte-Zeesynergie gedrukt, maar u beseft ook dat de Organisatie voor Economische Samenwerking in het Zwarte Zeegebied (BSEC) inmiddels een volgroeide institutionele structuur voor regionale organisatie vormt; de samenwerking in dit kader wint inderdaad aan intensiteit en reikwijdte. Dit is met name te danken aan het feit dat Europa en Azië elkaar hier ontmoeten, en wel op vele niveaus.

Ik zou een ding graag willen weten: plant de Commissie in aansluiting op dit initiatief van de Zwarte-Zeesynergie de ontwikkeling van een stelsel van interregionale betrekkingen tussen de EU en de landen aan de Zwarte Zee in een vaster institutioneel kader, zodat een institutioneel verankerde vorm van interregionale samenwerking ontstaat?

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Het was de bedoeling om de oostelijke partners – al onze oostelijke partners – plus Turkije en Rusland bij de Zwarte-Zeestrategie te betrekken, en aangezien zij reeds deel uitmaakten van deze Economische Samenwerking in het Zwarte Zeegebied, meenden wij dat dit de juiste weg is .

Maar u weet ook dat de Europese Raad ons heeft gevraagd ook een specifiek oostelijk partnerschap in het leven te roepen, en daar werken we ook aan – mijn diensten en ik zullen, in de late herfst, iets specifiekers voorstellen, alleen met de oostelijke partners, zonder Turkije en Rusland. Ik wilde echter zeggen dat ik op 13 en 14 februari in Kiev, waar de eerste ministeriële bijeenkomst plaatsvond. Dit was echter pas het begin van de conferentie. Natuurlijk duurt het altijd zijn tijd voordat projecten kunnen worden gerealiseerd en echte vooruitgang opleveren.

U zult zich eraan herinneren hoe lang wij aan het proces van Barcelona hebben gewerkt, en u weet hoe traag het een en ander zich ontwikkelt, zodat ik van mening ben dat er aan de ene kant nog ruimte is voor de Zwarte-Zeesamenwerking, maar dat er daarnaast ook nog plaats is voor het nauwer gedefinieerde oostelijk partnerschap.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 49 van Robert Evans (H-0533/08)

Betreft: EU-verkiezingswaarnemingsmissies

De Commissie besteedt aanzienlijke bedragen aan verkiezingswaarnemingsmissies in de hele wereld, die in een aantal probleemlanden een uiterst belangrijke rol spelen.

Hoe beoordeelt de Commissie deze waarnemingsmissies op lange termijn? En op welke manier kunnen landen waar bij een verkiezing tekortkomingen zijn vastgesteld, door de EU worden geholpen om die tekortkomingen te analyseren en er oplossingen voor te zoeken met het oog op de voorbereidingen voor de volgende verkiezing?

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Ik ben eveneens van mening dat het geld dat wij voor de verkiezingswaarnemingsmissies uittrekken die de EU overal ter wereld uitvoert, goed is besteed. In de afgelopen acht jaar hebben waarnemers van de EU verslag gedaan van cruciale verkiezingen, en zo bijgedragen tot het beperken van ruzies over de verkiezingsuitslag, of gebieden aangewezen waar dringend hervormingen van het kiesstelsel en het politiek beleid nodig zijn. Daarom zijn dit inspanningen die een langetermijneffect hebben.

De Europese Unie wordt thans veelal gezien als een van de meest geloofwaardige internationale verkiezingswaarnemers. Ik weet dat mijnheer Evans zelf kort geleden van een verkiezingsmissie in Sri Lanka is teruggekeerd. Ik neem aan dat hij zijn eigen opvattingen zal hebben over wat er goed heeft gefunctioneerd en wat er in de toekomst moet worden ondernomen. De Commissie zal derhalve prioriteit blijven geven aan de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU, en zolang ik er ben zal ik dat proberen.

Verkiezingswaarnemingen zijn echter geen op zichzelf staande acties en mogen dit ook niet zijn. Het waarnemen van verkiezingen is geen doel op zichzelf, maar dient er tevens toe bij te dragen tekortkomingen in het kiesstelsel aan te pakken en op den duur ook de aanzet te geven tot institutionele en democratisch hervormingen.

De missieverslagen zijn een centraal uitgangspunt voor de bespreking van tekortkomingen in het verkiezingsstelsel. Zij zijn per definitie opgesteld vanuit een langetermijnperspectief. De aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies wijzen gewoonlijk op mogelijkheden voor een wijziging van het verkiezingssysteem, bijvoorbeeld in het wetgevingskader of in de organisatie van de verkiezingen. Zij zijn in toenemende mate geïntegreerd in een bredere strategie voor verkiezingssteun, waardoor het langetermijneffect wordt versterkt.

Met betrekking tot andere verkiezingswaarnemingsmissies kan ik bevestigen dat wij, bijvoorbeeld in Rwanda, in Cambodja of in Jemen, steun hebben verleend aan de kiescommissies. Deze projecten zijn direct voortgekomen uit eerdere verkiezingswaarnemingsmissies die een aantal tekortkomingen in het kiesstelsel hadden vastgesteld. Maar de Commissie heeft in de afgelopen jaren ook de financiële bijdragen voor verkiezingssteun sterk verhoogd en heeft daarmee gevolg gegeven aan de aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU. Sinds 2000 waren hier 400 miljoen euro mee gemoeid, dat is een heel bedrag.

Ook door de delegaties van de Europese Commissie wordt veel waardevol werk gedaan ter voorbereiding van hervormingen van het kiesstelsel langs de door de verkiezingswaarnemingsmissies uitgestippelde lijnen. Dit geldt natuurlijk ook voor de missiehoofden, wanneer zij naar het land terugkeren om hun eindverslag te presenteren.

Tot slot zij erop gewezen dat een hervorming van het kiesstelsel uit de aard der zaak een zeer politieke aangelegenheid en daarom niet altijd makkelijk uit te voeren is en de permanente betrokkenheid van verschillende actoren vereist. Ik ben van mening dat het Parlement, naast de missiehoofden, een belangrijke rol kan spelen en vaak ook speelt bij de uitvoering van de hervormingen van het kiesstelsel langs de door de verkiezingswaarnemingsmissies uitgestippelde lijnen.

Derhalve zou ik de reguliere EP-delegaties naar de verschillende landen willen aansporen zich ook meer met deze materie bezig te houden, door tekortkomingen in het kiesstelsel aan te pakken in de context van een bredere institutionele en democratische verandering. Dit was het thema van een eerste gezamenlijk seminar van de Commissie en het Parlement, en tweede zal later dit jaar worden gehouden.

 
  
MPphoto
 

  Robert Evans, auteur. − (EN) Ik dank de commissaris en ben het met haar eens dat verkiezingswaarnemingen tot de meest zinvolle activiteiten van de Europese Unie behoren. Deze activiteiten hebben in die landen een grote zichtbaarheid, en ze zijn vrijwel zonder uitzondering het geld waard. Ik ben trots in de loop der jaren deel te hebben uitgemaakt van een reeks verkiezingswaarnemingsmissies, het meest recentelijk in Pakistan. En Sri Lanka heb ik inderdaad bezocht als lid van een delegatie.

Ik vraag me echter af of ik de commissaris op een bepaald punt nog wat meer kan uitvragen. Tussen de ene verkiezingswaarnemingsmissie en de volgende verstrijken soms vier of vijf jaar. Biedt de EU eigenlijk specifieke bijstand en suggesties voor het aanpakken van eventuele tekortkomingen of van gebieden die ons inziens zouden moeten worden verbeterd en waarvoor wij ideeën, hulp en wellicht financiële steun kunnen bieden om te waarborgen dat een land bij nieuwe verkiezingen niet de bij vroegere gelegenheden gemaakte fouten herhaalt?

 
  
MPphoto
 

  Martin Callanan (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik ben het met mijnheer Evans eens over de waarde van verkiezingswaarnemingsmissies. Ook ik had de eer om door de commissaris te worden benoemd tot missiehoofd bij de recente verkiezingen in Cambodja. Ik meen dat deze missie – net alle verkiezingswaarnemingsmissies – een zeer zinvolle ondersteuning van de Cambodjaanse autoriteiten zijn gebleken bij het uitvoeren van hun verkiezingsmissies.

Ik zou de commissaris willen verzoeken naar de middelen te kijken die haar ter beschikking staan om in de toekomst mogelijk zelfs meer van deze missies te kunnen uitvoeren, want ik ben het er ook mee eens dat het om uiterst waardevolle maatregelen gaat die extra aandacht trekken. Zij worden zeer gewaardeerd door de landen waar zij plaatsvinden, evenals door de staatshoofden die aan de verschillende missies deelnemen.

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Ten eerste zou ik u willen zeggen dat de aanbevelingen voor de lange termijn en voor de volgende verkiezingen juist de gebieden zijn waar we met zijn allen meer moeten samenwerken.

Dit vanwege het feit dat sommige landen die aanbevelingen hebben overgenomen, maar andere niet, en de aanbevelingen moeten een grotere rol spelen in onze landenverslagen en onze evaluatie door de delegaties en door de delegaties van het Europees Parlement.

Mijn antwoord op de tweede vraag luidt dat we meer landen zouden bezoeken als we een veel ruimere begroting hadden, maar ik moet een selectie maken. Ik probeer deze selectie te maken aan de hand van de begroting, die voor Afrika, Azië, Latijns-Amerika en, zolang we uitgenodigd worden, voor de Maghreb en de Arabische landen bestemd is, waar we volgens mij vaker heen zouden moeten gaan, omdat we daar dankzij ons – principiële – objectiviteit een zeer goede naam hebben.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter.

Vraag nr. 50 van David Martin (H-0543/08)

Betreft: Achterhouden van Palestijnse belastinggelden door Israël

Welke stappen heeft de Commissie ondernomen om Israël ertoe te brengen niet langer Palestijnse belastinggelden achter te houden?

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Ik meen dat het geachte lid verwijst naar de vertraging bij de maandelijkse overmaking van douane-inkomsten die Israël voor de Palestijnse Autoriteit int. De laatste vertraging was in juni, en daarna volgde er vrijwel onmiddellijk een brief van de Palestijnse premier Fayyad waarin hij bezwaar maakte tegen de voortdurende discussies over de verdere ontwikkeling van de betrekkingen tussen de EU en Israël.

Destijds werd de vertraging bij de overmaking van belasting- en douane-inkomsten op de hoogste niveaus aangekaart, en ik heb dit punt ook zelf bij de minister van Buitenlandse Zaken aan de orde gesteld.

Ik heb Israël verzocht de betaling aan de Palestijnen uit te voeren, en de gelden werden – zoals ik moet en kan zeggen – eindelijk een week later dan normaal overgemaakt.

Sindsdien heeft de Commissie geen melding gekregen van verdere gevallen van vertragingen bij het overmaken van belastinggelden.

 
  
MPphoto
 

  David Martin, auteur. (EN) Ik dank de commissaris voor haar antwoord en voor het feit dat zij in actie is gekomen, en deze actie kwam nadat ik deze vraag had ingediend. Zij zal er begrip voor hebben dat er veel tijd verstrijkt tussen het indienen van vragen en de ontvangst van een antwoord.

Maar ik wil er nog eens op hameren dat dit Palestijnse gelden zijn. In geen geval zijn het Israëlische gelden die zij kunnen achterhouden. Het achterhouden komt neer op diefstal; zo niet van het geld, dan van de rente. Dit middel wordt regelmatig gebruikt om de Palestijnen te chanteren, en ik hoop dat de Commissie druk zal blijven uitoefenen op de Israëliërs opdat zij geld dat de Palestijnen toekomt zo snel mogelijk overmaken, in plaats van ook dit als politiek middel te gebruiken.

 
  
MPphoto
 

  Reinhard Rack (PPE-DE).(DE) Het is een goede zaak dat dit probleem blijkbaar snel kon worden opgelost. Nog één vraag: in die tijd hadden we regelmatig het probleem dat geld dat door de Palestijnse Autoriteit werd gebruikt, mogelijk niet op een manier is besteed die de donoren zich hadden voorgesteld. Zijn ook deze problemen inmiddels opgelost?

 
  
MPphoto
 

  Benita Ferrero-Waldner, lid van de Commissie. − (EN) Op uw eerste opmerking kan ik antwoorden dat er in de afgelopen jaren inderdaad sprake was van grote vertragingen met betrekking tot Palestijnse gelden – en ik ben het met u eens dat het Palestijnse gelden zijn –, maar ik heb altijd geprobeerd, wanneer dat nodig was – en vaak hebben de Palestijnen mij daarom verzocht – persoonlijk te interveniëren om ervoor te zorgen dat het geld werd vrijgegeven. Dit duurde soms lang, en er was een tijd dat dit heel moeilijk was, maar ik heb het altijd geprobeerd. Ik ben het met u eens dat dit ook in de toekomst dient te gebeuren.

(DE) Mijnheer Rack, ik kan u absoluut verzekeren dat de methode waarmee wij geld naar Palestina overmaken – vroeger via het zogenaamde Tijdelijke Internationale Mechanisme (TIM), en thans via het financiële mechanisme PEGASE – erop gericht is dat wij hierover de volledige controle hebben. Ik geloof dat dat ook het wezenlijke punt was.

Overigens hebben ook de Israëliërs nu gebruik gemaakt van deze Single Treasury Account om geld uit Israël over te maken. Met Salam Fayyad als premier en minister van Financiën staat er iemand aan het roer die het vertrouwen geniet van de internationale gemeenschap. Maar we hebben toch vooral eigen controles uitgevoerd, en daar zie ik, voor zover ik daartoe persoonlijk in staat ben, ook nauwlettend op toe. Mijn delegatie heeft hier haar eigen systeem en team opgezet, zodat er geen onregelmatigheden voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  De Voorzitter. − De vragen die wegens tijdgebrek niet zijn beantwoord, zullen schriftelijk worden beantwoord (zie bijlage).

 
  
  

(De vergadering wordt om 19.10 uur onderbroken en om 21.00 uur hervat)

 
  
  

VOORZITTER: MARIO MAURO
Ondervoorzitter

 
Juridische mededeling - Privacybeleid