Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2012(INL)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0389/2008

Ingediende teksten :

A6-0389/2008

Debatten :

PV 17/11/2008 - 22
CRE 17/11/2008 - 22

Stemmingen :

PV 18/11/2008 - 7.17
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0544

Debatten
Maandag 17 november 2008 - Straatsburg Uitgave PB

22. Aanbevelingen over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen (debat)
Video van de redevoeringen
PV
MPphoto
 

  De Voorzitter. – Aan de orde is het verslag (A6-0389/2008) van Edit Bauer, namens de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid, met aanbevelingen aan de Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen (2008/2012(INI)).

 
  
MPphoto
 

  Edit Bauer, rapporteur. – (SK) De loonkloof tussen mannen en vrouwen is niet iets van de laatste tijd. Er staat al meer dan vijftig jaar een artikel in het Verdrag van Rome dat genderspecifieke beloningsdiscriminatie verbiedt en sinds 1975 is richtlijn 117 van kracht, op grond waarvan lidstaten verplicht zijn het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk uit te voeren. Het is natuurlijk waar dat niet alle verschillen in beloning het gevolg van discriminatie zijn. Maar volgens de wet van de grote getallen zijn de hardnekkige verschillen in bruto uurloon niet verklaarbaar.

Tussen 1995 en 2006 verminderden de verschillen op basis van uurloon, volgens Eurostat, van 17 tot 15 procent en dat in een tijd dat het merendeel van de afgestudeerden van universiteiten uit vrouwen bestaat.

Er is misschien sprake van een afnemende tendens, maar de afname vindt niet plaats in een rechte lijn. Volgens een onderzoek dat de Dublin Foundation in 2007 in vier lidstaten van de Europese Unie uitvoerde, verbreedde de kloof zich zelfs. Als de loonkloof in het huidige tempo kleiner werd en niet af en toe weer groter werd, zou deze misschien over zeventig jaar verdwenen zijn.

We kunnen het eens zijn over het feit dat de huidige wetgeving op dit terrein niet bijzonder effectief is. Er zijn uiteenlopende oorzaken van de loonkloof, zowel van systemische als van individuele aard. Sectorale, verticale en horizontale segregatie, de classificatie van beroepen, de omstandigheden die een evenwicht tussen werk en leven mogelijk maken en stereotypevorming spelen allemaal een belangrijke rol bij het voortbestaan van de loonkloof, die later overgaat in een pensioenkloof, met als uiteindelijke resultaat dat armoede een vrouwelijk gezicht heeft, zoals we al zeiden.

De loonkloof heeft ook individuele dimensies. Volgens een onderzoek door de Commissie nemen deze toe afhankelijk van leeftijd, dienstjaren en opleiding. Bovendien tonen de statistieken aan dat er bij jonge mensen sprake is van minimale verschillen. De kloof treedt op na de geboorte van het eerste kind en na afloop van het moederschapsverlof van de vrouw.

In het kader van de demografische crisis waarmee we nu worden geconfronteerd, leidt dit probleem, afgezien van het feit dat het een belangrijke factor is bij de economische concurrentie, tot een ernstig moreel probleem dat we ook niet mogen negeren.

De vraag vandaag is wat het Europees Parlement aan de situatie kan doen. Aan de ene kant hebben we een hardnekkig probleem en aan de andere kant zitten we met een paar vrij ondoelmatige wetten. Tegelijkertijd moeten we natuurlijk niet uit het oog verliezen dat de oorzaken van de loonkloof ver buiten de grenzen van de wetgeving liggen.

Het Europees Parlement heeft echter slechts één instrument tot zijn beschikking: wetgeving. Iedereen die met deze situatie te maken heeft, heeft zijn of haar eigen verantwoordelijkheid en het is onze verantwoordelijkheid om een duidelijk signaal af te geven dat we betere en effectievere wetten willen in het belang van eerlijker omstandigheden op de arbeidsmarkt.

 
  
  

VOORZITTER: MAREK SIWIEC
Ondervoorzitter

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. − (CS) Geachte Voorzitter, dames en heren. De Commissie is genomen met dit initiatiefverslag over het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen en wil bij deze de rapporteur haar complimenten overbrengen voor de kwaliteit van haar werk.

Evenals het Parlement acht de Commissie een verschil van 15 procent tussen de beloning van mannen en vrouwen in het Europa van vandaag onaanvaardbaar. Uiteraard dienen we omzichtig te werk te gaan en ook rekening te houden met het feit dat deze indicator een vergelijking trekt tussen de relatieve verschillen in de brutoverdiensten per uur van mannen en vrouwen in het kader van de economie als geheel. Deze indicator gaat dus verder dan het meten van de directe en indirecte discriminatie en is een weergave van alle onderling samenhangende factoren en alle soorten achterstelling waarmee vrouwen voor toetreding op de arbeidsmarkt alsook gedurende hun hele professionele carrière mee te kampen hebben.

In de mededeling van de Commissie van juli 2007 staat dat de communautaire regelgeving doeltreffend is gebleken wat betreft de bestrijding van directe discriminatie, met andere woorden in de gevallen waarin de beloning van een vrouw voor precies hetzelfde werk lager was dan van haar mannelijke collega. Als het erom gaat ervoor te zorgen dat vrouwen dezelfde beloning krijgen voor werk van vergelijkbare waarde is de regelgeving echter minder doeltreffend gebleken.

De Commissie is op basis van gedetailleerde analyses tot de slotsom gekomen dat het wellicht nuttig zou zijn wijzigingen aan te brengen aan de communautaire regelgeving ter zake, met name om ervoor te zorgen dat de hele systematiek rond de totstandkoming van lonen a priori zowel directe als indirecte discriminatie uitsluit.

De Commissie heeft aangekondigd in 2008 de communautaire regelgeving tegen het licht te zullen houden en te kijken wat al deze verschillende stukken regelgeving doen met het vraagstuk van ongelijke beloning en tevens de nodige wijzigingen voor te zullen stellen. Deze gedetailleerde analyse wordt momenteel uitgevoerd en het is nog te vroeg om te zeggen hoe deze uitpakt. Om zeker te zijn van een kwalitatief hoogstaande analyse heeft de Commissie externe deskundigen ingeschakeld en maakt zij gebruik van de uitgebreide en gedetailleerde kennis en bevindingen van nationale organisaties op het vlak van gelijkberechtiging van mannen en vrouwen.

De voorlopige resultaten van deze studie zullen tijdens een seminar in het eerste kwartaal van 2009 bekeken worden. Daaraan zullen naar verwachting alle bij dit onderwerp betrokken partijen deelnemen, zoals de lidstaten, juridische deskundigen, nationale organisaties voor de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld.

Het parlementair advies is allesbepalend in dit proces. Het feit dat een van de wetgevende instellingen van de EU een duidelijk advies heeft gegeven, namelijk dat de regelgeving in kwestie versneld dient te worden gewijzigd, is van grote betekenis. Tevens is het belangrijk dat de praktische aanbevelingen van het Parlement met betrekking tot de wijzigingen alles van doen hebben met juist die deelkwesties waarvan de belangrijkste betrokken partijen aangegeven hebben dat ze problematisch zijn. Het gaat daarbij om kwesties als de transparantie van lonen, de waardering van werk en ook sancties.

Al met al ben ik het volledig met het Parlement eens dat het grote verschil in beloning van mannen en vrouwen een blamage is voor Europa. De Commissie is van mening dat het nu de juiste tijd is om de analyse en de beoordeling van de situatie af te ronden en verdere stappen te ontwikkelen voor de meest concreet mogelijke resultaten.

 
  
MPphoto
 

  Donata Gottardi, rapporteur voor advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken. (IT) Mijnheer de Voorzitter, mijnheer de commissaris, geachte collega’s, ik ben echt trots op het werk van dit Parlement en op zijn capaciteit gebruik te maken van de reeds erkende bevoegdheden op het vlak van wetsvoorstellen.

Het verslag waarover we morgen gaan stemmen behandelt een fundamenteel beginsel van de Europese rechtsorde: de gelijke beloning van mannen en vrouwen. Het is niet alleen een fundamenteel beginsel maar ook het eerste gelijkheidsbeginsel, in ieder geval als we kijken naar het tijdstip waarop het is ingevoerd. We weten dat het al in het Verdrag van Rome stond, het vanaf de allereerste arresten van het Europees Hof van Justitie is toegepast, het in een richtlijn van 1975 staat en met de herschikking van die richtlijn in 2006 opnieuw geregeld is en het voorwerp is van herhaalde analyses en onderzoeken – waar ook de commissaris net op gewezen heeft – en van permanente waarschuwingen in verband met de toepassing ervan.

Waarom moeten wij ons er hier vandaag dan weer zo uitgebreid en diepgaand mee bezighouden? Daar zijn vele redenen voor. Op de allereerste plaats omdat wij weigeren te aanvaarden dat op ruime schaal het beginsel niet wordt toegepast. Die gebrekkige toepassing blijkt uit alle statistische gegevens. Voorts zijn wij van mening dat het vele onrecht dat vrouwen ondergaan – in alle landen van de Europese Unie en in alle beroepen, op alle niveaus en in alle sectoren – absoluut bestreden moet worden. Om dat te doen volstaan de instrumenten waarover we beschikken blijkbaar niet , anders zouden we in al die jaren er wel in geslaagd zijn de situatie echt te veranderen.

Daarom menen we dat loonverschillen serieus genomen dienen te worden. We moeten die verschillen vooral niet als een ongelukje in de loopbaanontwikkeling van vrouwen beschouwen. Wat vragen wij dan? Wij vragen aan de Commissie een speciale richtlijn inzake gendergebonden loonverschillen. We beperken ons niet tot het vragen om een richtlijn maar richten tot de Commissie hele precieze aanbevelingen. We hebben een brug geslagen richting reële verandering en we denken dat het een stevige brug kan zijn indien hij rust op zeker acht pijlers.

Ten eerste wensen we te beschikken over een definitie van loondiscriminatie. Daarbij volstaat het niet naar het bruto-uurloon te kijken, daar je daarmee gegevens vangt over directe discriminatie die we in feite al de baas zijn geworden. Het is dan ook geen toeval dat alle onderzoeken de blik verder richten en kijken naar deeltijdwerk, directe en indirecte segregatie, discriminatie en horizontale en verticale segregatie.

Wij vragen om vergelijkbare, concrete, coherente en volledige data. Maar al te vaak komen we gemanipuleerde of verborgen data tegen die in de hand worden gewerkt door personeelsclassificatiesystemen en arbeidsorganisaties die uit het verleden stammen en gekenmerkt zijn door stereotypen. Wij denken dat de gelijkheidsorganen een doorslaggevende tweeledige rol kunnen spelen bij het bestrijden van discriminatie door het opzetten van bewustmakingscampagnes en door scholing van de rechterlijke macht en de sociale partners.

Wij streven naar het invoeren van specifieke sancties, hoewel we natuurlijk weten dat ook preventieve acties en maatregelen nodig zijn. Positieve acties en integratie zijn nodig, met andere woorden mainstreaming. Ik hoop dat de plenaire vergadering het volledige verslag zal aannemen. Hoe nauwkeuriger en gedetailleerder het werk dat wij de Commissie aanbieden, des te doeltreffender en sneller we namelijk zullen zijn. Dat is de hoop die ik uitspreek: het volstaat niet over gelijke beloning te spreken of te schrijven, wij willen die gelijkheid concreet maken.

 
  
MPphoto
 

  Anna Záborská, namens de PPE-DE-Fractie. – (SK) Ik feliciteer mevrouw Bauer van harte met de voorgestelde tekst. Zoals mevrouw Bauer al zei, is het onderwerp waarover we spreken zo oud als het Verdrag van Rome. Er is in vijftig jaar weinig veranderd.

De kwestie gelijke beloning voor gelijk werk voor mannen en vrouwen steekt met name tijdens verkiezingsperioden opvallend vaak de kop op. Als de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid sancties voorstelt voor bedrijven die het grondbeginsel van gelijke beloning niet naleven, worden bezwaren naar voren gebracht met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel, alsof de ongelijkheid hiermee kan worden gerechtvaardigd.

Vorige week nam ik deel aan de ministeriële conferentie in Lille. Ik waardeerde de poging van het Franse voorzitterschap om een debat over dit onderwerp te houden, maar er kwamen zeer weinig constructieve, oplossingsgerichte reacties van de lidstaten. De statistieken tonen aan dat de ongelijkheid in de beloning van vrouwen zich voornamelijk voordoet na de geboorte van het eerste kind.

Het nationale en Europese beleid gericht op het verkrijgen van een evenwicht tussen de gezinsverantwoordelijkheden en ambities ten aanzien van werk, mag niet toestaan dat er nieuwe verschillen ontstaan tussen werknemers die gezinsverantwoordelijkheden hebben en zij die ongehuwd zijn of geen kinderen hebben en die dergelijke verantwoordelijkheden niet hebben. Dit heeft eerst en vooral te maken met het sociale model waarop we ons richten.

Ik stel voor dat we een coalitie vormen met industriële bedrijven. Als de directeuren van deze bedrijven niet bereid zijn in nauw partnerschap met ons samen te werken om de gelijkheid van beloning te bevorderen, verdwijnt ons verslag gewoon onder een laag stof.

 
  
MPphoto
 

  Lissy Gröner, namens de PSE-Fractie. (DE) Mijnheer de Voorzitter, het verbaast me dat de vrouwen nog steeds zo veel geduld met ons hebben. We praten al vijftig jaar over het verschil in beloning en er is niets wezenlijks veranderd. De cijfers spreken voor zich: 15 procent minder voor hetzelfde werk. Daardoor wordt vrouwen het loon waar ze recht op hebben, onthouden of, anders gezegd, moeten vrouwen een kwart langer werken om even veel geld te verdienen. Wat doen wij met dat gegeven in de Europese Unie?

De lidstaten moeten op dit gebied meer doen en ik dank commissaris Špidla dat hij onze voorstellen hier in het Parlement oppakt en juridische actie wil ondernemen. Op een andere manier lukt dit blijkbaar niet. In Duitsland, een van de zeer grote lidstaten van de Europese Unie, bedraagt het verschil in beloning in de private sector 23 procent. Dat is onverdraaglijk en daarmee behoren wij tot de hekkensluiters in de EU.

We weten heel goed dat er in Frankrijk en Scandinavië positieve maatregelen zijn genomen. Daar lukt het toch ook. We verzoeken de sociale partners actief te worden en de Sociaal-democratische Fractie eist transparantie in de ondernemingen. Hierdoor wordt duidelijk wanneer er bonussen worden gegeven en dan kunnen deze bij een openbare beoordeling opgemerkt worden, zodat dit controleerbaar wordt. Door regelmatige loonaudits kan aangetoond worden of er in de strijd tegen loondiscriminatie al of niet succes wordt geboekt.

Ik denk dat een wet voor de private sector in Duitsland onvermijdelijk is. We moeten meer druk op de lidstaten uitoefenen om eindelijk ook een wettelijk minimumloon in te voeren, zodat een inkomen dat vrouwen bestaanszekerheid biedt vanzelfsprekend wordt, omdat dit de beste garantie tegen armoede op hun oude dag is.

Om deze helderheid in het verslag van mevrouw Bauer te behouden, roep ik de PPE-DE-Fractie in ieder geval op– om hun verzoeken tot schrapping in te trekken, omdat hierdoor het verslag weer afgezwakt zou worden. Laten we de duidelijke taal die het nu heeft behouden!

 
  
MPphoto
 

  Siiri Oviir, namens de ALDE-Fractie. (ET) Commissaris, Voorzitter, collega’s, de rapporteur, mevrouw Bauer, stelde dat armoede een vrouwelijk gezicht heeft. Ik voel me ook genoodzaakt te herhalen dat artikel 119 van het Verdrag van Rome al in 1957 voorzag in het beginsel dat mannen en vrouwen gelijke beloning voor gelijk werk dienen te ontvangen. Tegenwoordig, in het jaar 2008, verdienen vrouwen in de Europese Unie gemiddeld 15 procent minder dan mannen en in mijn eigen land, Estland, verdienen ze wel 25 procent minder dan mannen.

De loonverschillen zijn van grote invloed op de positie van vrouwen in het economische en maatschappelijke leven, zowel tijdens als na hun actieve werkzame leven. Ze vergroten ook het risico van armoede voor vrouwen, vooral in eenoudergezinnen. De loonverschillen tussen mannen en vrouwen leiden ook vaak tot verschillen tussen het pensioen van mannen en vrouwen. Ongehuwde gepensioneerde vrouwen lopen vaak een risico op armoede.

Daarom verwelkom ik de in het verslag voorgestelde aanbeveling, dat wil zeggen, dat de Europese Commissie uiterlijk 31 december 2009 met een wetgevingsvoorstel komt om te onderzoeken of de huidige wetgeving strookt met het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen. We hebben al te veel wetgeving aangenomen en te lang gewacht en de resultaten zijn niet zo best.

Het verleden heeft geleerd dat voor de oplossing van dit probleem meer nodig is dan alleen EU-wetgeving. Het zou een belangrijke stap in de richting van een oplossing van het probleem zijn om de kwestie prioriteit te geven in politieke actieplannen. Alleen met behulp van een effectieve combinatie van beleid dat voorziet in betere en effectievere wetgeving en waarin de verantwoordelijke partij wordt aangewezen, is het mogelijk een positieve oplossing voor dit probleem te vinden.

Ik dank de rapporteur voor haar verslag, waarin zij zeer belangrijke aspecten aan de orde heeft gebracht. Ik dank u voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 

  Hiltrud Breyer, namens de Verts/ALE-Fractie.(DE) Mijnheer de Voorzitter, we zijn 50 jaar na het sluiten van de Verdragen van Rome op het punt van gelijkheid van vrouwen op de arbeidsmarkt inderdaad helaas nog niets opgeschoten. De cijfers zijn alarmerend: 80 procent van de deeltijdwerkers is vrouw en slechts 57 procent van de vrouwen werkt, tegenover 72 procent van de mannen. Ook in het loonverschil is sinds 2003 geen verandering gekomen, terwijl er sinds 2000 slechts een verandering van 1 procent is geweest. Dat zijn alarmerende cijfers die wij hier allen betreuren. Wij hebben er ook op gewezen dat vrouwen dubbel gestraft worden, omdat deze loonongelijkheid doorloopt in pensioenaanspraken en verschillende sociale standaards. Bovendien hebben we ook een belasting- en sociaal stelsel dat vrouwen blijft straffen, omdat bijvoorbeeld ongehuwde stellen en tweeverdieners in veel belastingstelsels, waaronder het Duitse, nog steeds worden benadeeld.

De Commissie heeft aangekondigd dat er wetgevingsvoorstellen zullen worden gedaan. Waarom komen die zo laat? Waarom zijn al deze jaren juist in deze wetgevingsperiode voorbijgegaan zonder dat er op dit gebied voorstellen op tafel lagen? Wij hebben in het Parlement al om voorstellen gevraagd. We hebben gezegd dat er wettelijke bepalingen moeten komen. Er zijn ook lidstaten, zoals Zweden, die doelstellingen hebben geformuleerd met een tijdsschema erbij. Waarom maken we geen gebruik van de genderbepalingen die we hebben, om lidstaten ertoe te brengen zich in te spannen om deze beschamende loonverschillen op te heffen. In Duitsland – het is al ter sprake gebracht – bezetten we de treurige derde plaats van onderen met een beschamend loonverschil van 23 procent. We moeten ook duidelijk maken dat veranderingen kunnen ontstaan door invoering van een wettelijk minimumloon, juist in sectoren waarin overwegend vrouwen werken. We moeten echter ook de moed hebben om duidelijk te maken, …

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 

  Ilda Figueiredo, namens de GUE/NGL-Fractie. (PT) De onderwaardering van arbeid door het betalen van lage lonen is nog steeds één van de meest gebruikte methoden van het kapitalisme om de uitbuiting van werknemers te vergroten. Die methode treft in het bijzonder werkneemsters, wat op zijn beurt ook een onderwaardering van het moederschap betekent.

Het is onaanvaardbaar dat meer dan dertig jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn gelijke beloning van mannen en vrouwen er nog op zo’n grote schaal wordt gediscrimineerd. Het betreft vooral indirecte discriminatie als gevolg van onzekere arbeid, waar vooral vrouwen en jongeren door worden getroffen. In sommige landen, zoals Portugal, waar de werkloosheid erg hoog is, zijn de gemiddelde loonverschillen tussen mannen en vrouwen toegenomen. Die verschillen belopen in de particuliere sector nu meer dan 25 procent en dragen ertoe bij dat armoede nu vooral een vrouwelijk gezicht heeft, ook onder gepensioneerden.

De Europese Commissie en de lidstaten dienen de nodige maatregelen te nemen teneinde arbeid op te waarderen, loonverschillen te overbruggen en stereotypen te elimineren in verband met banen en sectoren die vrouwen nog steeds discrimineren. We dienen de beroepen en sectoren waarin vrouwen domineren, met name het winkelbedrijf, de dienstensector en verschillende industrietakken, op te waarderen.

De realiteit toont aan dat de groei van de werkloosheid de rechten van vrouwen kwetsbaarder maakt, de uitbuiting van werknemers intensifieert en discriminatie doet toenemen.

Daarom dringen we aan op een ander beleid, dat prioriteit geeft aan banen met rechten, bestrijding van discriminatie en bescherming van het moeder- en het vaderschap als fundamentele sociale waarden.

Wij steunen derhalve dit verslag, waar we met een aantal amendementen aan hebben bijgedragen. Daarin wijzen we op het belang dat we hechten aan onderhandelingen en collectieve arbeidsovereenkomsten bij het bestrijden van discriminatie van vrouwen, met name op het vlak van de toegang tot werk, lonen, arbeidsomstandigheden, carrièreperspectief en beroepsopleiding.

 
  
MPphoto
 

  Urszula Krupa, namens de IND/DEM-Fractie. – (PL) Mijnheer de Voorzitter, in het ontwerpverslag over gelijke beloning voor mannen en vrouwen wordt gewag gemaakt van een aantal terechte feiten in verband met het beginsel van gelijk loon voor arbeid van gelijke waarde. Gelijke beloning is absoluut noodzakelijk, net als een behoorlijk loon voor banen die traditioneel door vrouwen worden uitgeoefend wegens hun geestelijke en lichamelijke aanleg.

Het effect van de regelgeving die al in een buitensporig groot aantal verscheidene documenten is vastgelegd, hangt uiteraard af van de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze wetgeving in de afzonderlijke lidstaten. De uitvoering van deze bepalingen kan echter behoorlijk moeilijk zijn als gevolg van de dominante positie van de private sector waar de meeste managers in de eerste plaats uit zijn op winst en geen oog hebben voor ethische en morele beginselen. Bovendien bemoeilijken zij het werk van de vakbonden die de werknemers zouden moeten beschermen en aan loononderhandelingen zouden moeten deelnemen. Het probleem van ongelijke beloning is derhalve een van de terreinen waarop de zwakkeren in de samenleving worden gediscrimineerd.

We hebben geen academici of deskundigen nodig om in te zien dat discriminatie in de eerste plaats het resultaat is van de linkse materialistische ideologie, de gebrekkige tenuitvoerlegging van ethische beginselen, een gebrek aan persoonlijke ontwikkeling, eigenbelang, hebzucht en het uitbuiten van zwakkeren en armen. Dit laatste geldt niet alleen op het vlak van beloning, maar is ook van toepassing op een verschijnsel dat steeds wijder verbreid raakt in de Unie en zelfs in de armste en zwakste EU-landen een feit is, namelijk de discriminatie van katholieken en van personen die een andere mening hebben dan de politiek correcte overtuiging die in dit Parlement wordt opgelegd.

 
  
MPphoto
 

  Gabriele Stauner (PPE-DE).(DE) Mijnheer de Voorzitter, beste collega’s, het feit dat vrouwen voor hetzelfde werk nog steeds slechter betaald worden dan mannen is een droevig hoofdstuk in onze Europese Gemeenschap.

Eigenlijk is het niet te begrijpen, omdat de situatie juridisch volkomen duidelijk is. Sinds het begin van de Gemeenschap in 1957 – daar is hier al verschillende keren op gewezen – is het beginsel in het Verdrag van Rome vastgelegd en wel als een onmiddellijk toepasbaar recht. Dat wil zeggen dat iedere vrouw dit recht voor het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen onmiddellijk kon opeisen. Binnen de EU bestaat er geen krachtiger wettelijke bescherming. Desondanks wordt dit beginsel in gemiddeld 20 procent van de gevallen niet gerespecteerd. Daarom is het ook absoluut noodzakelijk – zoals de Commissie hier voorstelt – dat we door middel van secundaire wetgeving aan dit beginsel uitvoering geven.

Deze stand van zaken laat maar weer eens zien dat er een verschil is tussen het recht en het werkelijke leven. Mensen die in hoge mate van hun arbeidsplaats en hun loon afhankelijk zijn – en dat zijn nu eenmaal vaak vrouwen – durven hun vanzelfsprekende rechten vaak eenvoudigweg niet op te eisen, omdat ze gemakkelijk aan de kant kunnen worden gezet. Wij kunnen nu wel weer eens een beroep op de verantwoordelijkheid van de ondernemers doen, en zeggen dat het een kwestie van goed fatsoen is dat men vrouwen niet slechter dan mannen betaalt, maar wie niet horen wil moet maar voelen. Daarom ben ik in geval van overtredingen voor zware en consequente sancties. Vooral de lidstaten moeten dit nu eindelijk serieus aanpakken en de ondernemingen die in strijd met dit beginsel handelen, aanklagen en bijvoorbeeld krachtens het aanbestedingsrecht straffen.

Ik heb een klein beetje kritiek op de Commissie: misschien bent u in dit geval een beetje nalatig geweest, misschien waren de ogen te veel op de economie gericht. Ik feliciteer collega Bauer met haar verslag!

 
  
MPphoto
 

  Teresa Riera Madurell (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, ik wil de rapporteur eveneens feliciteren met haar werk. Dit is een bijzonder relevant verslag, aangezien de loonkloof binnen de Europese Unie realiteit is en moet worden opgeheven. Het is onaanvaardbaar dat vrouwen 15 procent minder verdienen dan mannen en dat dit verschil in de particuliere sector kan oplopen tot maar liefst 25 procent.

Deze loonkloof is lastig te dichten, omdat deze het gevolg is van indirecte discriminatie: het meest onzekere werk en het merendeel van tijdelijk werk wordt door vrouwen uitgevoerd.

Wat moeten we doen? In wezen moet het gelijke-kansenbeleid worden bevorderd dat de onderlinge afstemming tot doel heeft van het gezins- en werkzame leven, evenals verbetering van de vergoeding voor laag betaalde en voornamelijk door vrouwen bezette banen.

Om die reden wil ik van de aanbevelingen die in het verslag worden genoemd – en die allemaal bijzonder belangrijk zijn – die aanbeveling eruit lichten waarin wordt voorgesteld de richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep te herzien door er verwijzingen naar de loonkloof in op te nemen, evenals de aanbeveling om de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid te herzien, waar de verschillen het grootst zijn.

 
  
MPphoto
 

  Marco Cappato (ALDE). - (IT) Mijnheer de Voorzitter, geachte collega’s, ik zou tegen commissaris Špidla willen zeggen dat hij natuurlijk de uitstekende voorstellen in dit verslag van mevrouw Bauer in overweging dient te nemen. Tevens zou ik hem willen laten weten dat indien het mogelijk mocht blijken een Europese wet te maken tegen loondiscriminatie, er naar mijn mening ook discriminatie in verband met pensioenen een plaats in verdient. Dat geldt ook voor de subtielere, indirecte vormen van discriminatie, die in een land als Italië bijzonder vervelende vormen aannemen.

De Europese Commissie heeft zich al beziggehouden met deze discriminatie in verband met de pensioenleeftijd, waarvan we dan ook akte geven. Al in 2004 heeft de Europese Commissie de Italiaanse regering erop gewezen dat verschillende pensioenleeftijden voor vrouwen (60 jaar) en mannen (65 jaar) onaanvaardbaar zijn. De pensioenleeftijd van 65 voor mannen is natuurlijk de meest gangbare. Namens de namens de Partito Radicale hebben we, samen met Emma Bonino, op alle mogelijke manieren geprobeerd de publieke opinie, de regering, de oppositie en alle partijen duidelijk te maken dat die verschillende regelingen moesten verdwijnen. Dat is echter niet gebeurd.

Dankzij de Europese Commissie heeft het Hof van Justitie op 13 november eindelijk met een arrest uitgesproken dat deze discriminatie onwetmatig is en een schending betekent van de Verdragen en de communautaire wetgeving. Het ergste is de redenering die Italië heeft aangevoerd ter verdediging van deze discriminatie. Volgens Italië is deze discriminatie gerechtvaardigd met het oog op het elimineren van tegen de vrouw gerichte discriminatie op sociaal-cultureel vlak, dat wil zeggen discriminatie op de arbeidsmarkt. Om die vorm van discriminatie weg te werken wordt een andere vorm van discriminatie in het leven geroepen door vrouwen eerder dan mannen met pensioen te laten gaan. Ook tegen deze vorm van discriminatie dient op Europees niveau opgetreden te worden om er een einde aan te maken.

 
  
MPphoto
 

  Eva-Britt Svensson (GUE/NGL).(SV) Mijnheer de Voorzitter, ik wil ten eerste mevrouw Bauer bedanken voor een goed en belangrijk verslag dat ik ten volle steun. Ten tweede beschreef een collega vrouwen zopas als zwak. Ik wil zeggen dat vrouwen niet zwak zijn. Het zijn echter de patriarchale structuren in de samenleving die vrouwen zwak maken.

De Europese richtlijn gelijke beloning bestaat 30 jaar. Desondanks zijn vrouwen nog altijd niet evenveel waard als mannen – noch qua beloning, noch qua invloed, en dat geldt zowel in de maatschappij als op het werk. Hoewel vrouwen in het algemeen een hogere opleiding hebben, verdienen ze gemiddeld vijftien procent minder dan mannen voor hetzelfde of vergelijkbaar werk. Het is dus duidelijk dat het verbeteren van de bestaande wetgeving niet volstaat om de loondiscriminatie op te lossen. De beloningsverschillen zijn uiteindelijk een teken van de voortdurende discriminatie van vrouwen op alle verschillende gebieden. Het is nog niet genoeg dat we slechter beloond worden voor hetzelfde werk, ook worden we vaak gedwongen atypisch werk aan te nemen, deeltijdwerk, enzovoort. Deze beloningsdiscriminatie blijft vrouwen hun hele leven achtervolgen doordat we ook slechtere pensioenvoorwaarden krijgen en in slechtere omstandigheden leven als we ouder worden.

Het is de hoogste tijd dat we er samen voor zorgen dat er een einde komt aan deze discriminatie van vrouwen.

 
  
MPphoto
 

  Godfrey Bloom (IND/DEM). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, jammer genoeg hebben de meeste politici een onjuist idee over de redenen waarom er verschillen zijn tussen de salarissen van mannen en vrouwen. Het basisuitgangspunt, hoe onjuist ook, houdt de mythe in stand dat werkgelegenheid een fenomeen is dat wordt geregeerd door vraag en door werkgevers. Dat is echter niet het geval. Degenen die vinden dat alle vrouwen hetzelfde zouden moeten krijgen als mannen voor dezelfde functieomschrijving gaan volledig voorbij aan het feit dat een individu geen economische eenheid is.

Ondanks de al zo belastende arbeidswetgeving, die meestal wordt opgesteld door mensen met weinig of geen ervaring in het bedrijfsleven, blijven verschillen in loon bestaan om één simpele reden: werkgelegenheid gaat over vraag en aanbod; het gaat over keuzes op het gebied van lijfstijl; het is vaak gebaseerd op prioriteiten, de wens vervroegd met pensioen te gaan, de wens in een bepaalde regio of stad te wonen, druk van hobby’s of sport of om kinderen. Werkgever en werknemer sluiten een zelfde soort deal als een verkoper en een koper van een grondstof.

De Britse Commissie inzake gelijkheid en mensenrechten heeft aanzienlijk meer vrouwen dan mannen in dienst en het gemiddelde salaris voor hun mannelijke werknemers ligt hoger dan het salaris van de vrouwelijke werknemers. Ik ben het ermee eens dat wetgeving uit het verleden een beperkte impact heeft op deze dynamiek. Dan zou je net zo goed wetgeving kunnen opstellen tegen...

(Spreker wordt door de Voorzitter onderbroken.)

 
  
MPphoto
 

  Zita Pleštinská (PPE-DE). – (SK) Dank u mijnheer de Voorzitter, commissaris. Ik ben heel blij dat dit debat over vrouwen onder uw voorzitterschap wordt gehouden.

Ik waardeer de pogingen van de rapporteur, Edit Bauer, om op evenwichtige wijze te komen tot de formulering van aanbevelingen aan de Commissie en een verbetering van het rechtskader van de EU, met name de doelmatige tenuitvoerlegging ervan.

Als gevolg van uiteenlopende omzettingen, tenuitvoerleggingen en interpretaties binnen lidstaten, zijn we er met de richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen niet in geslaagd de loonkloof tussen mannen en vrouwen, die vooral verband houdt met niveaus van beroepssegregatie, weg te nemen.

Ik waardeer het dat de rapporteur in haar verslag benadrukt dat het moederschap niet nadelig mag zijn voor vrouwen die besloten hebben hun loopbaan te onderbreken om voor hun kinderen te zorgen. In alle lidstaten zouden vrouwen gedurende een periode van minimaal één jaar na de geboorte van een kind steun moeten krijgen ter hoogte van het netto inkomen dat ze verdienen op het moment dat het ouderschapsverlof ingaat. Deze regelingen zouden tevens moeten worden gekoppeld aan een loonstelsel op grond waarvan het aantal gewerkte jaren wordt meegeteld bij het bepalen van de hoogte van het loon. Moederschap moet vrouwen voordelen opleveren, geen nadelen.

Onderwijs is evenzo van belang, aangezien het ertoe kan bijdragen dat genderstereotypen worden weggenomen en dat de beloning van de paar betaalde functies waarin nog steeds geen vrouwen werkzaam zijn, wordt verbeterd.

De lidstaten moeten een samenhangende voorlichtingscampagne opzetten gericht op de bewustmaking onder werkgevers en werknemers van de bestaande of potentiële loonverschillen op de arbeidsmarkt in de EU. Ook moeten ze worden geïnformeerd over de belangrijke maatregelen die zijn aangenomen om ervoor te zorgen dat werkgevers worden beboet als ze het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk schenden.

Ik verwacht dat, dankzij de aanbevelingen van het Europees Parlement in dit verslag, waarmee ik de rapporteur mevrouw Edit Bauer feliciteer, de Europese Commissie, in samenwerking met het Europees Parlement en de lidstaten, wetten zal opstellen die inderdaad gelijke beloning voor gelijk werk voor mannen en vrouwen garanderen.

 
  
MPphoto
 

  Gabriela Creţu (PSE).(RO) Collega’s, dit verslag is misschien wel het belangrijkste document over de loonkloof dat wij hebben opgesteld. Met name de bijbehorende aanbevelingen betekenen een stap vooruit, omdat het beginsel van gelijke beloning voor gelijkwaardig werk nu eindelijk toegepast zal gaan worden. Ik moet degenen die aan dit verslag hebben bijgedragen, gelukwensen. Tot nu toe is werk steeds beoordeeld op basis van traditie en onderhandelingsvaardigheid. En als ik zeg onderhandelen, dan denk ik met name aan de rol van machtige vakbonden, die regeringen en werkgevers kunnen dwingen fatsoenlijke lonen te accepteren. Deze beide criteria hebben altijd in het nadeel van vrouwen gewerkt.

Wij moeten toe naar een niet-discriminerend beoordelingssysteem voor werk en een nieuwe manier om beroepen in te delen. Wij roepen de lidstaten en de Commissie op om nu eindelijk eens specifieke maatregelen te gaan treffen om te zorgen dat vrouwen en mannen gelijk worden behandeld. Wij hopen dat zij dit ook zullen uitdragen door eind deze maand in Parijs te stemmen voor de clausule die voor de vrouwen in Europa het gunstigst is. Laten wij ons echter geen illusies maken. Zelfs als het nieuwe systeem is bedacht en uitgevoerd, gaat het nog steeds alleen om betaald werk. Werk dat thuis of zwart wordt gedaan, zal nog altijd worden gedaan, vooral door vrouwen, zonder verschillen in beloning, aangezien zij voor dit werk helemaal geen loon ontvangen.

 
  
MPphoto
 

  Věra Flasarová (GUE/NGL). - (CS) Geachte commissaris, dames en heren. Dit is werkelijk een buitengewoon nuttig verslag van mevrouw Edit Bauer. Ongelijke beloning van mannen en vrouwen is namelijk een van de meest hardnekkige uitingen van discriminatie tegen vrouwen. Zoals mevrouw Bauer reeds zei, ontbreken er gedegen statistische gegevens over de situatie op de arbeidsvloer en op nationale en EU-schaal. Ikzelf heb in de afgelopen jaren een aantal boeken en artikelen geschreven over deze problematiek. Het lager belonen van vrouwen voor hetzelfde werk bij een gelijk opleidingsniveau en gelijke productiviteit is helaas een diep in de stereotype opvattingen over de rol van man en vrouw inzake het levensonderhoud van het gezin geworteld fenomeen.

De verantwoordelijkheid voor het levensonderhoud wordt traditioneel toegeschreven aan de man en daar zijn alle arbeidsstructuren, of dat nu in het bedrijfsleven is of bij de overheid, in meer of mindere mate op afgestemd. Er bestaat een diepgewortelde overtuiging dat de man met zijn loon niet alleen in zijn eigen levensonderhoud voorziet, maar ook in dat van zijn gezinsleden en dat het loon van de vrouw een soort extraatje voor de gezinsfinanciën is.

Men wil er vaak helemaal niet aan, maar deze zienswijze is zo weerbarstig dat om te zorgen voor gelijkberechtiging op de werkvloer we ons niet verlaten kunnen op een cultureel bepaalde omslag, maar helaas naar juridische middelen moeten grijpen om de gelijkberechtiging daadwerkelijk tot stand te brengen. Daarom ben ik een zeer grote voorstander van het voorstel om artikel 29 van de richtlijn 2006/54 uit te breiden met nauwkeurig omschreven aanwijzingen hoe het gelijkheidsbeginsel ten uitvoer te leggen.

 
  
MPphoto
 

  Maria Panayotopoulos-Cassiotou (PPE-DE). - (EL) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, het verslag van mevrouw Bauer heeft ons commentaar niet nodig om de weg te wijzen naar het afschaffen van een fenomeen waar de maatschappij zich voor zou moeten schamen en dat een vicieuze cirkel van onrechtvaardigheid creëert, waarbij kinderen in een gezin hun moeder hetzelfde werk zien doen als hun vader maar minder zien verdienen en vrouwelijke collega’s hun mannelijke collega’s hetzelfde werk zien doen en minder betaald krijgen.

De maatschappij duldt dit fenomeen en houdt het dus in stand, want vrouwen zouden de rechtsmiddelen moeten hebben om hun omstandigheden waar en zo nodig te veranderen. Daarnaast zouden de bevoegde autoriteiten geschikte maatregelen moeten invoeren die rekening houden met de tijd die aan het gezin wordt besteed, perioden van werkloosheid, perioden van ziekte en in een eerlijk belastingsysteem voorzien zodat de ongelijke beloning van vrouwen voor hun werk wordt gecompenseerd. Hierbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de tijd die aan werken is besteed, maar ook met de kwaliteit ervan en andere manieren waarop een vrouw haar steentje bijdraagt aan de maatschappij.

Commissaris, ik herhaal het verzoek van de heer Cappato om uw positie als Commissie te herzien met betrekking tot de geschillen die enkele lidstaten hadden over de pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen en het land dat deze geschillen had en voor het Europees Hof van Justitie is gebracht. Deze geschillen waren corrigerende geschillen voor alle vrouwen, ongeacht of ze moeder waren of niet. Voor moeders is het natuurlijk nog belangrijker dat er rekening wordt gehouden met de totale tijd, vooral omdat u voorstander bent van het betrekken van het gezins- en privéleven bij het berekenen van de werktijd.

(Spreekster wordt door de Voorzitter onderbroken)

 
  
MPphoto
 

  Lidia Joanna Geringer de Oedenberg (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, vrouwen verdienen in de Europese Unie gemiddeld 15 tot 25 procent minder dan mannen. Bovendien zijn loonstelsels waarbij het aantal dienstjaren in overweging wordt genomen voor het bepalen van het loonniveau nadelig voor vrouwen omdat zij hun loopbaan vaak moeten onderbreken om gezinsredenen. Het opvoeden van kinderen, het veranderen van baan en kortere arbeidstijden leiden ertoe dat vrouwen een langdurige en structurele achterstand oplopen. Het concept van gelijk loon voor gelijk werk mag niet worden scheefgetrokken door een stereotype benadering van gendergebonden kwesties en maatschappelijke rolpatronen, die de opleidings- en beroepskeuzen van een groot aantal mensen tot nu toe in aanzienlijke mate heeft beïnvloed. Loopbaanonderbrekingen wegens moederschaps- of ouderschapsverlof mogen geen reden zijn om vrouwen te discrimineren op de arbeidsmarkt.

De Richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep vormt een wezenlijk onderdeel van het acquis communautaire dat door de lidstaten zo spoedig mogelijk ten uitvoer moet worden gelegd. De doelstelling aangaande het wegwerken van de loonkloof moet volledig ten uitvoer worden gelegd in de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Regelmatige looncontroles en de dreiging van sancties zouden een einde moeten maken aan alle vormen van discriminatie, in de eerste plaats aan discriminatie op grond van geslacht.

 
  
MPphoto
 

  Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE). - Voorzitter, ik dank mevrouw Bauer voor het uitstekende verslag. Het kan toch niet zijn dat we vandaag over een onderwerp praten dat al zo lang op onze agenda staat, namelijk sinds 1957 toen de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, gelijk loon voor mannen en vrouwen in de Verdragen werd verankerd. We hebben 30 jaar Europese regels en wetten gehad. We hebben een routekaart 2006-2010 van de Europese Commissie en we hebben als een van de kernpunten, ook in de strategie van Lissabon, de verkleining van de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

Voorzitter, desondanks wordt de loonkloof niet kleiner. Ik las afgelopen zaterdag in The Times dat het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen in het Verenigd Koninkrijk zelfs is gestegen. In de particuliere sector naar 21,7 procent en in de overheidssector naar 13,8 procent. Ook in andere lidstaten - neem ook mijn eigen land - is er geen verbetering. Uit het genderrapport voor Nederland van het World Economic Forum blijkt dat Nederland slechts op de 88ste plaats staat op de ranglijst van gelijk loon voor gelijk werk.

Voorzitter, actie dus! Vrijdag hebben de ministers van Frankrijk, Tsjechië en Zweden een actieplan aangenomen. Maar hoeveel actieplannen moeten er nog komen? In de resolutie die mevrouw Bauer heeft ingediend, doet zij een groot aantal aanbevelingen. Dat is prima. Maar voor mij zijn er twee prioriteiten. In de eerste plaats moet worden gezorgd voor de toepassing van en de veel striktere controle op de gelijke behandeling - gelijk loon voor mannen en vrouwen waarop al onze sociale-zekerheidssystemen gebaseerd zijn. Ten tweede - en ik vind echt dat dit onder de aandacht gebracht moet worden - is er de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen. We krijgen verzilvering en vergrijzing van de samenleving en als vrouwen dan ook nog geen pensioen hebben, dan is dat heel erg naar. Voorzitter, dat is het actiepunt voor de toekomst!

 
  
MPphoto
 

  Marusya Ivanova Lyubcheva (PSE). – (BG) Ik verwelkom de discussie over dit verslag. Dat de ongelijkheid in beloning tussen mannen en vrouwen blijft voortduren, is onaanvaardbaar. Maar we moeten onze discussie niet beperken tot gelijke beloning voor gelijk werk. We moeten dit vanuit een breder perspectief benaderen. De individuele aard van werk is de basis van alle activiteit en het is belangrijk dat we een objectieve manier vinden om de waarde ervan te beoordelen, met duidelijke regels, criteria en indicatoren, waarmee een grotere objectiviteit kan worden bereikt, en discriminatie kan worden uitgebannen door duidelijke wetgevende maatregelen. Het evalueren van beroepen en arbeid en het beoordelen van hun prijs is een belangrijk instrument. De lage financiële status van sommige beroepen maakt ze onaantrekkelijk zodat ze door mannen in het algemeen worden vermeden en door vrouwen worden uitgeoefend. Het verbeteren van deze situatie zou een positieve invloed hebben op het verbeteren van de economische onafhankelijkheid van vrouwen. De lage financiële status van diensten die bijvoorbeeld door verpleegkundigen of docenten worden verleend, is onaanvaardbaar, omdat deze absoluut niet overeenkomt met het belang ervan in de ontwikkeling van de maatschappij. Dit is een gebied waar ook de Commissie en de lidstaten verplichtingen hebben.

 
  
MPphoto
 

  Romana Jordan Cizelj (PPE-DE). - (SL) Dames en heren, om te beginnen wil ik graag zeggen dat ik het persoonlijk volstrekt onaanvaardbaar vind dat vrouwen gemiddeld 15 procent minder verdienen dan mannen en dat het verschil in de particuliere sector zelfs 25 procent bedraagt. Ik wil in dit verband benadrukken dat vrouwen in mijn eigen land, Slovenië, op het gebied van opleiding niet achter lopen. Er moeten dus maatregelen worden genomen. Veel mensen vragen zich waarschijnlijk af waarom het nodig is om op Europees niveau maatregelen te nemen en waarom de oplossing voor dit probleem niet aan de lidstaten kan worden overgelaten. Een van de redenen hiervoor is dat het te lang duurt vóór deze verschillen kleiner worden en een andere reden is dat in het merendeel van de lidstaten te weinig vrouwen zich met politiek bezighouden zodat er onvoldoende aandacht is voor genderspecifieke problemen.

Een minderheid slaagt er alleen in om haar problemen op geloofwaardige wijze onder de aandacht te brengen als ze in een bepaalde instelling, zoals een parlement of een regering, een vertegenwoordiging heeft van minstens 30 procent. En er zijn diverse Europese landen waar de vrouwen met minder dan 30 procent in de politiek zijn vertegenwoordigd. Het gemiddelde percentage vrouwen in de regeringen van de lidstaten en in hun parlementen ligt onder de 30 procent. Onze vertegenwoordiging in het Europees Parlement is 31 procent, wat net iets meer is dan de kritische massa die we nodig hebben om genderspecifieke problemen op effectieve wijze onder de aandacht te kunnen brengen. Daarom moeten we dat van hieruit doen.

Een andere vraag die ik mezelf heb gesteld is of de voorgestelde maatregelen niet te revolutionair zijn en of ze niet tegen het subsidiariteitsbeginsel indruisen. Ik ben het met de rapporteur eens als zij zegt dat de wetgeving niet doelmatig genoeg is en dat deze kan en moet worden versterkt. We moeten met moedige voorstellen komen die een steekhoudend uitgangspunt vormen voor de totstandkoming van echt beleid. Ik steun haar voorstel dat de Commissie uiterlijk 31 december volgend jaar met een nieuw wetgevingsvoorstel moet komen met betrekking tot de bestaande wetten inzake gelijke beloning voor mannen en vrouwen en ik feliciteer haar met dit grondig voorbereide verslag.

 
  
MPphoto
 

  Iratxe García Pérez (PSE). - (ES) Mijnheer de Voorzitter, twee maanden geleden debatteerden we hier in het Parlement over het jaarlijkse verslag over de gelijkheid van mannen en vrouwen. Een van de meest zorgwekkende aspecten die tijdens dat debat ter sprake kwamen, is onderwerp van het debat van vandaag: de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

Het is zorgwekkend dat we er sinds 2003 niet in zijn geslaagd deze loonkloof van 15 procent te dichten. Dat betekent dat een vrouw tweeënvijftig dagen per jaar meer moet werken om hetzelfde loon als een man te ontvangen.

Dit is een volstrekt onaanvaardbare situatie in de Europese Unie en daarom is het zonder meer noodzakelijk dat we een striktere wetgeving introduceren en ingrijpendere afspraken met de werkgevers maken teneinde deze loonkloof te dichten.

Binnen afzienbare tijd zullen we echter worden geconfronteerd met een andere twijfelachtige kwestie. De komende maand zullen we de richtlijn betreffende de arbeidstijd gaan behandelen, die eveneens een bijzonder zorgwekkende factor wat betreft de onderlinge afstemming van het gezins- en werkzame leven van vrouwen is. Dit is zonder meer een gevoelig onderwerp met betrekking tot werk. Daarom zijn we ook in dat opzicht in afwachting.

 
  
MPphoto
 

  Rumiana Jeleva (PPE-DE).(BG) Mijn felicitaties aan Edit Bauer voor het uitstekende werk dat ze heeft verricht voor de aanbevelingen over gelijke beloning voor mannen en vrouwen. Ik weet dat ze veel moeite heeft gedaan om een document op te stellen dat zo veel mogelijk rekening houdt met de werkelijke situatie, en ik hoop dat de aanbevelingen uit dit document in de praktijk worden gebracht.

In mijn land, Bulgarije, ligt de loonkoof tussen mannen en vrouwen tussen de 25 en 30 procent, en hoewel het algemene beeld in de Europese Unie een lager verschil laat zien, blijft het feit dat vrouwen slechter worden betaald dan mannen. Waarom? Een van de factoren is de beloningsstructuur van sommige beroepen met een groot aandeel vrouwelijke werknemers. Een andere oorzaak is geworteld in het feit dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor de situatie, en niemand zich dus verantwoordelijk voelt voor het oplossen ervan. De huidige, diep ingebakken stereotypen en vooroordelen over hoe arbeid wordt verdeeld over mannen en vrouwen, zijn niet alleen lastig, maar worden vaak gebruikt als excuus om het probleem te negeren.

Wat kunnen we hieraan doen? In de eerste plaats is het, zoals in het verslag wordt gezegd, een verplichte voorwaarde dat de lidstaten zich moeten houden aan de huidige wetgeving. Het staatsbeleid moet de tenuitvoerlegging van gelijke rechten en gelijke beloning stimuleren. Ten tweede moet transparantie bij het beoordelen van arbeid en het vaststellen van salarissen een integraal, in plaats van een formeel aspect van arbeid in bedrijven worden. En tot slot moet het stimuleren van interne dialogen en goede communicatie tussen management en personeel, met name in kleine en middelgrote ondernemingen, onderdeel worden van een echt nieuwe cultuur in individuele Europese maatschappijen en in heel Europa.

Ik wil mevrouw Bauer nogmaals feliciteren met haar vakkundige presentatie van de problemen en de oplossingen die zij heeft aangegeven. Bedankt voor uw aandacht.

 
  
MPphoto
 

  Mairead McGuinness (PPE-DE). - (EN) Mijnheer de Voorzitter, ik wil u graag bedanken voor dit debat. Ik wil graag één kwestie aan de orde stellen en misschien kan de Commissie hier op antwoorden. We hebben het over gelijk loon voor gelijke arbeid en we willen allemaal graag dat dit gebeurt. Wat is de kijk van de Commissie op de huidige banensituatie? Ik ben bezorgd dat, met zoveel banen die in de landen van de Europese Unie verloren gaan, deze kwestie eerder slechter dan beter zal worden, omdat mensen nu eenmaal geld willen verdienen, zelfs als dat minder is dan ze eigenlijk waard zijn. Ik zou hier graag de mening van de Commissie over willen horen.

Verder wil ik graag een duidelijk aanwezig probleem van discriminatie tussen mannen en vrouwen aan de orde stellen: voor werknemers in de private sector gelden heel andere voorwaarden dan voor werknemers in de publieke sector. Zij hebben verschillende rechten op het gebied van pensioen en sociale zekerheid en soms zijn de verschillen niet alleen op sekse gebaseerd. Ik waardeer dat dit verslag over gender gaat, maar mijn zorg is dat dit probleem in de huidige situatie eerder slechter dan beter zal worden.

 
  
MPphoto
 

  Silvia-Adriana Ţicău (PSE).(RO) Mijnheer de Voorzitter, commissaris, er is een verschil van 15 procent tussen de salarissen van vrouwen en die van mannen die hetzelfde werk doen. Voor vrouwelijke managers is dit cijfer 20 procent, en voor managers in het midden- en kleinbedrijf zelfs 30 procent.

28 procent van de vrouwelijke onderzoekers in het bedrijfsleven en slechts 34 procent van de vrouwen die in het bedrijfsleven werken, heeft meer dan één kind.

Commissaris, als vrouwen met zwangerschapsverlof zijn, leidt het gemiddelde jaarlijkse percentage waarmee de uitkering over deze periodes wordt berekend tot een financieel verlies, ondanks het grote belang van deze periode vanuit de optiek van sociaal welzijn. Moeders mogen niet worden gestraft voor het feit dat zij kinderen krijgen en hun kinderen in de eerste maanden van hun leven verzorgen.

Ik ben ook van mening dat niet alleen een zwangerschapsuitkering mag worden betaald aan moeders die gedurende de twaalf maanden voorafgaand aan de geboorte hebben gewerkt. Ik vind dat het niet de schuld van het kind is als hun moeder in die periode al of niet gewerkt heeft. Bovenal meen ik dat er niet al vanaf de geboorte tussen kinderen mag worden gediscrimineerd.

 
  
MPphoto
 

  Danutė Budreikaitė (ALDE). - (LT) Ik kan alleen maar herhalen dat al in 1974 documenten zijn aangenomen die lidstaten verplichten mannen en vrouwen hetzelfde te betalen voor hetzelfde werk. Maar hoewel er meer dan dertig jaar verstreken zijn, is de situatie niet veranderd. Verder is in mijn land, Litouwen, een aanvang gemaakt met de hervorming van het pensioenstelsel. Een deel van de premie die werknemers betalen voor het staatspensioenfonds, wordt nu overgeheveld naar particuliere pensioenfondsen. Na een paar jaar bleek dat vrouwen 35 procent meer premie moeten betalen dan mannen om dezelfde uitkering uit deze fondsen te ontvangen, aangezien ze langer leven. Bovendien zit je als een soort slaaf aan deze fondsen vast, wat op zich al een inbreuk op de mensenrechten en de keuzevrijheid is. Naast Litouwen werkt alleen Bulgarije met ditzelfde gendersysteem.

Ik heb onderzoek gedaan naar dergelijke gevallen en nodig de Commissie uit het initiatief te nemen en besluiten voor te stellen.

 
  
MPphoto
 

  Zuzana Roithová (PPE-DE). - (CS) Geachte commissaris en collega's. Het loutere feit dat vrouwen in de EU bijna twee maanden langer moeten werken om even veel te verdienen als mannen is meer dan alarmerend. Ondanks het feit dat Europa uitsterft, kan ik niet anders dan constateren dat er nog altijd sprake is van loondiscriminatie van vrouwen en gezinnen met kinderen. We hebben het zelfs over verschillen tot 25 procent, dit ondanks het feit dat wat onderwijsniveau betreft de vrouwen de mannen allang voorbij zijn gestreefd. De verhouding is nu 60 op 40. Mevrouw Bauer wijst er in haar verslag op dat in de zogenaamde mannenberoepen het werk van vrouwen nog altijd zonder enige objectieve reden ondergewaardeerd wordt. Als dat komt door een tekort aan arbeidsjaren doordat de vrouw voor haar gezin zorgt, dan dienen we ons eens goed op ons hoofd krabben. Het stichten van een gezin mag geen handicap vormen.

Mevrouw Bauer doet aardig wat stof opwaaien en brengt allerlei overtuigende argumenten aan voor een herziening van de antidiscriminatiewetgeving. Ik ben ook een groot voorstander van de invoering van de regel dat ondernemingen om deel te kunnen nemen aan overheidsaanbestedingen aan moeten tonen dat zij een niet-discriminatoir loonbeleid voeren. Ik denk dat dit een zeer goede manier is om de genderstereotypen uit de wereld te helpen, met name bij werkgevers in het bedrijfsleven. Ik zou de rapporteur graag willen bedanken voor haar uitermate professionele verslag.

 
  
MPphoto
 

  Bogusław Liberadzki (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het is tekenend dat slechts twee mannen het woord hebben genomen in dit debat over een zo belangrijke aangelegenheid. De interventie van de heer Bloom klonk zelfs zo mannelijk dat het moeilijk was om het met hem eens te zijn.

We buigen ons vandaag echter over een zeer belangrijk verslag. We weten dat werk bijzonder waardevol is, dat ieder individu naar behoren voor zijn werk moet worden betaald en dat deze beloning kan verschillen op basis van criteria als het soort werk, de doeltreffendheid waarmee het wordt uitgevoerd en het vermogen om toegevoegde waarde te creëren, maar niet op basis van het geslacht. Ook in de lidstaten voltrekken zich echter belangrijke veranderingen. Ik zou in deze context naar mijn eigen land willen verwijzen waar gendergelijkheid nog maar kort geleden is ingevoerd en mannen voortaan ook de mogelijkheid hebben om vaderschapsverlof op te nemen. Deze evolutie toont aan dat de verschillende EU-landen naar elkaar toegroeien en dat we op de goede weg zijn.

 
  
MPphoto
 

  Ewa Tomaszewska (UEN). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, vrouwen krijgen nog steeds geen gelijke beloning voor gelijk werk. Het loon van vrouwen ligt echter ook vaak lager omdat ze in slechter betaalde sectoren terechtkomen of tijdelijk werk van lagere kwaliteit verrichten. Deze ongelijke beloning leidt eveneens tot ongelijke sociale voorzieningen, met name op het gebied van pensioenuitkeringen. Enerzijds krijgen vrouwen minder betaald voor vergelijkbaar werk, anderzijds hebben ze aan het einde van hun loopbaan minder lang gewerkt ten gevolge van de verantwoordelijkheden die gepaard gaan met het moederschap. Beide factoren liggen aan de oorsprong van armoede bij vrouwen die de pensioengerechtigde leeftijd naderen. Dit verklaart waarom vrouwen dubbel zo hard worden getroffen door ongelijke beloning.

Ik zou er nog op willen wijzen dat discriminatie doorgaans bij wet verboden is, maar dat in de praktijk blijkt dat dit verschijnsel gewoonweg blijft bestaan. Het is derhalve van fundamenteel belang om de feitelijke toepassing van de wetgeving te verbeteren.

 
  
MPphoto
 

  Zbigniew Zaleski (PPE-DE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, het lijdt geen twijfel dat er geen enkele reden is om vrouwen op dit gebied te discrimineren. Ik zou drie punten willen aanstippen. Allereerst zou iemands loon vanuit economisch oogpunt in overeenstemming moeten zijn met de resultaten van zijn of haar werk op basis van de geleverde diensten, ongeacht het feit of dit werk door een man of vrouw wordt uitgevoerd. Ten tweede vergrijst de Europese bevolking, of we dat nu willen of niet. Misschien moeten we nadenken over een bonus voor vrouwen die hetzelfde werk verrichten als mannen en tegelijkertijd besluiten om kinderen te baren en op te voeden en daarmee ook het bevolkingsaantal in stand te houden. Ten derde zijn academische instellingen – althans diegene die ik ken – een goed voorbeeld op dit gebied, aangezien iedereen er gelijke kansen krijgt en de beloning uitsluitend gebaseerd is op de geboekte resultaten. Het zou misschien een goede zaak zijn om dit model ook uit te breiden naar andere sectoren.

 
  
MPphoto
 

  Andrzej Jan Szejna (PSE). – (PL) Mijnheer de Voorzitter, ik zou me willen aansluiten bij de – helaas weinige – mannelijke sprekers in het huidige debat. Zij waren allen van oordeel dat het publieke debat en het op de politieke agenda plaatsen van een zo belangrijk vraagstuk als beloning en de gelijke beloning van vrouwen en mannen behoren tot de voornaamste kwesties en rechten die in de nationale en Europese wetgeving zijn verzekerd.

Net als alle vorige sprekers vind ik dat beloning niet bepaald mag worden door het geslacht. Het loon mag afhankelijk zijn van iemands opleiding en ervaring, maar in geen geval van zijn of haar geslacht. Ik heb de indruk dat de nationale en communautaire wetgeving over deze kwestie redelijk uitgebreid en in veel gevallen zelfs tevredenstellend is. Het baart me echter zorgen dat de bestaande regelgeving niet naar behoren wordt uitgevoerd of in praktijk wordt gebracht door het gebrek aan traditie op dit gebied. Het Europees Hof van Justitie heeft herhaaldelijk bevestigd dat de desbetreffende wetgeving niet ten uitvoer wordt gelegd. Het is daarom niet van belang om nieuwe wetten te maken, maar om te garanderen dat de bestaande regelgeving wordt nageleefd.

 
  
MPphoto
 

  Astrid Lulling (PPE-DE). - (FR) Mijnheer de Voorzitter, de verschillen in beloning die hier ter discussie zijn gesteld, zijn des te onbegrijpelijker gezien het feit dat jonge vrouwen in alle lidstaten vaker dan mannen een schoolopleiding succesvol afronden en de meeste diploma´s in het hoger onderwijs behalen.

Ik wil toch onderstrepen dat wij sinds 1975, en vooral sinds 2006, beschikken over een stevige rechtsgrondslag, waardoor ik in de tweede helft van de jaren zeventig in de gelegenheid was gediscrimineerde vrouwen aan te moedigen om processen aan te spannen tegen hun werkgevers, vooral in de openbare sector. Honderden miljoenen oude Luxemburgse francs zijn hun met terugwerkende kracht uitbetaald.

Het is dus zaak om eerst gebruik te maken van de deugdelijke huidige wetgeving, en deze desnoods te verbeteren aan de hand van de voortreffelijke aanbevelingen van onze rapporteur.

 
  
MPphoto
 

  Vladimír Špidla, lid van de Commissie. − (CS) Dames en heren, hartelijk dank voor dit debat over een dergelijke ronduit onaanvaardbare problematiek. Er bestaat geen enkele reële en verdedigbare grond voor het voortbestaan van deze situatie, geen enkele reden waarom vrouwen gemiddeld een lagere beloning zouden moeten krijgen dan mannen. U heeft in het debat in verband met dit verschil in beloning verschillende manieren van aanpak genoemd alsook uiteenlopende vraagstukken aangesneden. Ik denk dat uit dit alles duidelijk naar voren is gekomen hoe complex dit vraagstuk wel niet is.

Deze kwestie staat uiteraard op de Europese politieke agenda en dat alleen al vanwege het feit dat de Commissie er in een groot aantal van haar stukken bij stilstaat, omdat de Commissie werkt aan een mogelijke herziening van de huidige regelgeving en niet in de laatste plaats ook omdat het Parlement dankzij het verslag van mevrouw Bauer – waarvoor ik wederom mijn grote waardering uitspreken wil – zich over dit onderwerp ontfermd heeft. En dan is er niet te vergeten nog het feit dat de trojka van de drie opeenvolgende voorzitterschappen in Lille weliswaar niet tot officiële goedkeuring is overgegaan van een actieplan over deze kwestie, maar deze toch in ieder geval heeft geaccordeerd, waarmee deze kwestie een speerpunt wordt van drie achtereenvolgende voorzitterschappen, namelijk het Franse, het Tsjechische en het Zweedse,

Dames en heren, in het debat in Lille hebben de lidstaten, nog afgezien van dit actieplan, concrete acties op dit gebied voor het voetlicht gebracht en ik moet zeggen dat enkele daarvan zeer radicaal waren en haast niet anders dan tot resultaat kunnen leiden.

Dames en heren, nogmaals hartelijk dank voor het feit dat ik hier het woord heb mogen nemen en tevens bedankt voor het debat. Ik wil graag benadrukken dat de Commissie wat deze kwestie aangaat ten volste bereid is tot nauwe samenwerking met het Parlement. Want zo kunnen we ervoor zorgen dat dit onrecht, deze onhoudbare zaak geleidelijk aan uit de wereld wordt geholpen.

 
  
MPphoto
 

  Edit Bauer, rapporteur. – (SK) Dames en heren, ik dank u voor dit boeiende debat. Staat u mij toe enkele opmerkingen te maken. Ten eerste biedt wetgeving alleen geen oplossing voor dit probleem. Zoals al eerder is opgemerkt: er zijn diverse redenen om met wetgeving te komen maar bepaalde economische problemen kunnen nu eenmaal niet door middel van wetgeving worden opgelost.

Ik ben het er ook mee eens dat we absoluut beter gebruik moeten maken van de bestaande wetgeving. De lange geschiedenis van deze wetgeving toont echter duidelijk aan dat deze in haar huidige vorm niet doelmatig is. Naast wetgeving hebben we geen andere instrumenten tot onze beschikking. Dat betekent dat het aan ons is om ervoor te zorgen dat de bestaande wetgeving bijdraagt aan een oplossing voor dit langlopende probleem zodat het eerlijker toegaat op de arbeidsmarkt.

Ik heb tot slot nog één opmerking. Veel collega’s hebben benadrukt dat het voortduren van dergelijke verschillen onaanvaardbaar is vanuit het oogpunt van gelijke rechten. Vanuit een andere invalshoek wil ik echter een ander aspect van deze kwestie benadrukken, dat wil zeggen de vereisten inzake economische concurrentie. Gelijke beloning voor gelijk werk is namelijk in het Verdrag van Rome opgenomen als een vereiste voor eerlijke economische concurrentie. Daar wil ik de collega’s die hebben benadrukt dat op de arbeidsmarkt andere vereisten gelden, graag op wijzen.

 
  
MPphoto
 

  De Voorzitter. − Het debat is gesloten.

De stemming vindt op dinsdag 18 november 2008 plaats.

Schriftelijke verklaringen (artikel 142)

 
  
MPphoto
 
 

  John Attard-Montalto (PSE), schriftelijk. – (EN) Het juridische kader in de EU met betrekking tot gelijke beloning voor mannen en vrouwen is zeer breed. Het probleem ligt in de handhaving.

Men is het erover eens dat discriminatie op basis van gender wordt verminderd door de huidige wetgeving. Indirecte discriminatie is nog steeds een probleem, dat met name voortvloeit uit economische segregatie. In dergelijke gevallen heeft de huidige wetgeving slechts een beperkt bereik. Een evaluatie van het wetgevingskader toont aan dat er verschillen zijn in de wetgeving betreffende de loonkloof tussen mannen en vrouwen.

Hoewel de operatieve wetgeving in strikte zin dezelfde reikwijdte heeft, tonen de bestaande richtlijnen fundamentele verschillen:

a) in 1975 werd de loonkloof beschouwd als een economische mededingingskwestie, een “integrerend bestanddeel van de instelling en de werking van de gemeenschappelijke markt”, terwijl

b) de richtlijn van 2006 gebaseerd is op het beginsel van “gelijke behandeling en gelijke kansen”.

De gegevens tonen een aanhoudend verschil in beloning tussen mannen en vrouwen. De laatste cijfers laten een verschil zien van 15 procent in het bruto uurloon van mannen en vrouwen. In de particuliere sector zijn de verschillen nog groter en lopen op tot 25 procent.

De loonkloof werd voorheen verklaard door verschillen op individuele basis, zoals leeftijd, opleiding en ervaring. Er zijn nu echter bewijzen die erop lijken te wijzen dat deze verschillen een relatief kleine rol spelen in het voortduren van de loonkloof.

 
  
MPphoto
 
 

  Petru Filip (PPE-DE), schriftelijk. – (RO) Het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen is een onderwerp met specifieke associaties in de onlangs toegetreden Oost-Europese landen. Bij de criteria die worden gebruikt bij de beoordeling van de arbeidsprestatie wordt in feite nog steeds voornamelijk uitgegaan van mannen. Deze zienswijze is niet eenvoudig te veranderen in de voormalige communistische landen, waar de mentaliteit van de bevolking als gevolg van de staatspropaganda wordt gekenmerkt door een volstrekt kunstmatig gelijkheidsmodel. Dit primitieve idee over gelijkheid dat door de propaganda van de communistische regimes werd uitgedragen, heeft ertoe geleid dat de huidige pogingen om gelijke behandeling van vrouwen en mannen te bevorderen, ernstig worden gehinderd.

In dit licht bezien vind ik dat alle huidige inspanningen ter bevordering van het beginsel van de gendergelijkheid in een breder educatief kader geplaatst moeten worden, waarbij de burgers van de Gemeenschap realistische systeemmodellen voor niet-discriminerende behandeling krijgen aangeboden. Om dit beginsel in de hele Gemeenschap uit te voeren, is meer nodig dan de door de Europese instellingen voorgestelde Europese Equal Pay Day.

 
  
MPphoto
 
 

  Zita Gurmai (PSE), schriftelijk. – (HU) Het is geen toeval dat een van de hoofdelementen van de routekaart 2006-2010 voor de gelijkheid van mannen en vrouwen het streven is om de loonkloof tussen de seksen op te heffen. De problematiek van de loonkloof tussen mannen en vrouwen gaat verder dan het basisprincipe van gelijke beloning voor gelijk werk. Het verschil in salaris weerspiegelt de grote ongelijkheid die op de arbeidsmarkt kan worden waargenomen en in de eerste plaats vrouwen treft. Dit duidt op het ernstige democratietekort van Europa.

De oplossing van dit probleem vereist complexe maatregelen waarvoor politieke vastberadenheid essentieel is. De bestaande wetgeving moet worden geperfectioneerd en de praktische toepassing daarvan moet worden bevorderd en gecontroleerd.

Het beginsel van ware gelijkheid kan pas werkelijkheid worden als alle lidstaten een vastberaden politieke intentie laten zien en constructieve maatregelen nemen om de loonkloof tussen de seksen op te heffen. Het is onaanvaardbaar dat de loonkloof tussen de seksen in een behoorlijk aantal lidstaten nog altijd geen extra aandacht krijgt, noch in publieke debatten, noch in politieke programma’s.

Het initiëren van een maatschappelijke dialoog en het organiseren van voorlichtingscampagnes zijn net zo cruciaal. Ik dring erop aan dat er voor de oplossing van dit probleem een pakket politieke maatregelen wordt opgesteld, waarin in elk geval de bijzonderheden van elk land en de beste praktijken worden meegenomen.

We hebben preciezere en meer gedetailleerde statistische informatie nodig om de werkelijke situatie op te nemen en de processen op de voet te volgen. De oorzaken van loonverschillen moeten grondig worden onderzocht en de aldus vergaarde kennis moet worden benut om discriminatie in kaart te brengen, uit te bannen en te voorkomen.

 
  
MPphoto
 
 

  Lívia Járóka (PPE-DE), schriftelijk. – (EN) Ik wil mevrouw Bauer graag feliciteren met haar harde werk en haar belangrijke aanbevelingen aan de Europese Commissie over de toepassing van het beginsel van gelijke beloning. De loonkloof heeft enorme gevolgen voor de status van vrouwen in het economische en maatschappelijke leven en vormt een belemmering voor gelijke economische onafhankelijkheid.

Er zijn in Europa verschillende terreinen waarop vrouwen worden getroffen door een loonkloof die puur op sekse is gebaseerd. In zowel oude als nieuwe lidstaten verschilt het uurloon van vrouwen van dat van mannen. De verschillen zijn te zien in de inkomensverdeling van mannen en vrouwen: 20 procent van de vrouwen in Europa ontvangt een gelijkwaardig salaris in de hoogste salarisgroep, ten opzichte van 40 procent van de mannen. Een ander flagrant beloningsverschil ligt in de sectorale seksesegregatie, aangezien de helft van de banen in deze drie sectoren wordt gedomineerd door mannen.

Tenslotte heeft de oververtegenwoordiging van vrouwen in parttime functies (30 procent) gevolgen voor de bijdragen aan de arbeidsmarkt. Deze cijfers zijn nog slechter in het geval van vrouwen met een bepaalde etnische oorsprong, zoals Roma. Hoewel het juridische kader van de EU met betrekking tot gelijke beloning zeer uitgebreid is, worden vrouwen in de Europese Unie nog steeds minder betaald dan mannen, zelfs vrouwen met vergelijkbare capaciteiten en opleiding. Dit bewijst dat ons belangrijkste doel het verbeteren van de wetgeving door het verbeteren van de doeltreffendheid ervan moet zijn.

 
  
MPphoto
 
 

  Anneli Jäätteenmäki (ALDE), schriftelijk(EN) De loonkloof tussen mannen en vrouwen is alarmerend hoog in de EU. Er zijn enkele initiatieven geweest om de kloof te dichten, maar het tempo waarop de kloof kleiner wordt is veel te laag. Het Parlement heeft de Commissie herhaaldelijk verzocht maatregelen te nemen. Het verslag over de loonkloof bevat veel specifieke manieren waarop de EU dit probleem zou kunnen oplossen.

Het is belangrijk concepten als “pensioengat”, “rechtstreekse loondiscriminatie” en “indirecte loondiscriminatie” duidelijker en gedetailleerder te definiëren, zodat we betere gereedschappen hebben om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten.

We beschikken momenteel niet over de benodigde accurate statistische gegevens om de situatie te beoordelen. De lidstaten en de Commissie dienen hun statistieken te verbeteren, maar ook particuliere bedrijven moeten dat doen. Bedrijven zouden verplicht moeten worden regelmatige betalingsaudits uit te voeren en de resultaten voor iedereen beschikbaar te stellen.

Een andere manier waarop we het probleem kunnen helpen oplossen is het opnemen van een specifieke verwijzing naar loondiscriminatie in artikel 26 (voorkomen van discriminatie) van Richtlijn 2006/54/EG.

Het is simpelweg onaanvaardbaar dat vrouwen in de EU gemiddeld 15 procent minder verdienen dan mannen. Als bestuursorgaan moeten wij iets doen om dit onrecht ongedaan te maken.

 
Juridische mededeling - Privacybeleid